summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 01:23:28 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 01:23:28 -0700
commitb5bea672533104b294253d7d141ff824452028dc (patch)
tree1c624546ca879ae782284d3b3850d9dba606d79d
initial commit of ebook 20542HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--20542-8.txt5831
-rw-r--r--20542-8.zipbin0 -> 131104 bytes
-rw-r--r--20542-h.zipbin0 -> 2587748 bytes
-rw-r--r--20542-h/20542-h.htm4669
-rw-r--r--20542-h/images/p1360.jpgbin0 -> 185726 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1363.jpgbin0 -> 143499 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1365.jpgbin0 -> 105419 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1368.jpgbin0 -> 110645 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1369.jpgbin0 -> 98152 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1370.jpgbin0 -> 94309 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1373.jpgbin0 -> 113665 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1375.jpgbin0 -> 94519 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1379.jpgbin0 -> 91520 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1389.jpgbin0 -> 158928 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1393.jpgbin0 -> 133015 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1394.jpgbin0 -> 107484 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1398.jpgbin0 -> 168242 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1400.jpgbin0 -> 177058 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1401.jpgbin0 -> 98821 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1404.jpgbin0 -> 143349 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1407.jpgbin0 -> 136077 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1410.jpgbin0 -> 153285 bytes
-rw-r--r--20542-h/images/p1415.jpgbin0 -> 136758 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
26 files changed, 10516 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/20542-8.txt b/20542-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..a145bee
--- /dev/null
+++ b/20542-8.txt
@@ -0,0 +1,5831 @@
+The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Leven der Dieren
+ Hoofdstuk 8: De Tandeloozen; Hoofdstuk 9: De Slurfdieren;
+ Hoofdstuk 10: De Onevenvingerigen
+
+Author: A. E. Brehm
+
+Release Date: February 8, 2007 [EBook #20542]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+Achtste Orde.
+
+De Tandeloozen (Edentata).
+
+
+De bloeiperiode van deze Zoogdieren-orde is voorbij. In den voortijd
+leefden in Brazilië Tandeloozen, zoo groot als een Neushoorndier en
+nog grootere; de kolossaalste, thans nog levende leden der orde hebben
+hoogstens de afmetingen van een flinken Wolf. Onder de uitgestorven
+soorten waren er, die een overgang vormden tusschen familiën van
+hedendaagsche Edentaten, die nu door diepe kloven van elkander
+gescheiden schijnen. Maar ook aan enkele van de thans nog bestaande
+soorten zal misschien weldra het lot beschoren zijn om, evenals de
+vormen der voorwereld, vernietigd te worden: hunne dagen zijn geteld.
+
+Bij de leden dezer diergroep is weinig te bespeuren van
+overeenstemming, die men bij de vertegenwoordigers van elk der
+andere Zoogdieren-orden opmerkt. Het belangrijkste kenmerk, dat zij
+gemeen hebben, en dat hen van de overige Zoogdieren onderscheidt,
+is de eigenaardige samenstelling van het gebit. Er zijn onder de
+Tandeloozen wezens, waarop de naam der orde in haar zuiverste
+beteekenis toepasselijk is, daar bij hen geen spoor van tanden
+voorkomt; bij de overige, die wel degelijk (en soms zelfs zeer
+vele) tanden hebben, ontbreken nagenoeg altijd de snijtanden; de
+tusschenkaaksbeenderen zijn nl. bij alle Edentaten weinig ontwikkeld,
+en alleen de in deze beenderen voorkomende tanden met die, welke er
+in de onderkaak aan tegenovergesteld zijn, heeten snijtanden. (Alleen
+bij de Gordeldieren treft men een paar onbeduidende tandjes in het
+tusschenkaaksbeen aan.) Echte hoektanden zijn er evenmin; deze naam
+komt nl. toe aan de tanden, die op den grens van het tusschenkaaksbeen
+en van het eigenlijke bovenkaaksbeen geplaatst zijn. Nu is wel bij
+eenige Luiaards de voorste kies zeer dicht bij den voorrand van het
+bovenkaaksbeen gelegen en door een tusschenruimte van de overige
+kiezen gescheiden; hij onderscheidt zich echter in geen enkel opzicht
+van de maaltanden behalve door zijn grootere lengte. De maaltanden of
+kiezen hebben steeds een eenvoudigen, cilindrischen of prismatischen
+vorm en zijn door tusschenruimten van elkander gescheiden. Zij zijn
+wortelloos en bestaan uitsluitend uit tandbeen en cement, zonder eenig
+email. Slecht bij weinige soorten (Aardvarkens en sommige Gordeldieren)
+worden zij gewisseld,--gewoonlijk dus maar éénmaal gevormd. Het
+aantal van deze tanden varieert van de eene familie tot de andere,
+en verschilt soms zelfs aanmerkelijk bij soorten, die tot eenzelfde
+groep behooren: eenige hebben slechts 20, andere wel 100 tanden.
+
+De nagels zijn bij deze dieren zeer krachtig, maar eveneens
+vreemdsoortig ontwikkeld. Zelden zijn de teenen volkomen beweeglijk,
+altijd echter dragen zij nagels, die het uiteinde van het nagellid
+_geheel_ omgeven, en zich hierdoor reeds duidelijk onderscheiden
+van de eigenlijke klauwen, die altijd aan het onderste gedeelte
+van de holle zijde een spleet vertoonen. Bij sommige zijn zij zeer
+lang, sterk gekromd en zijdelings samengedrukt, en bewijzen bij
+'t klimmen belangrijke diensten, bij andere zijn zij korter, breed,
+bijna schopvormig en uitmuntend geschikt voor 't graven en wroeten
+in den grond.
+
+Door het bespreken van het gebit en van de nagels hebben wij de
+algemeene kenteekenen van de Edentata uitgeput; want in alle andere
+opzichten vertoont hun lichaamsbouw een zeer groote menigvuldigheid
+van verschijnselen. Hun lichaamsbekleeding vooral wisselt af binnen
+zeer wijde grenzen; deze afwijkingen zijn nagenoeg even groot als bij
+alle overige Zoogdieren tezamen genomen. Sommige dragen een dichte,
+zachte vacht, andere een ruig, dor haarkleed; deze zijn met borstels,
+gene met schubben bedekt; bij eenige is het lichaam gehuld in een uit
+schilden (door een hoornlaag bedekte beenplaten) samengesteld pantser,
+zooals bij geen der andere Zoogdieren gevonden wordt.
+
+De Edentaten zijn thans tot drie faunistische rijken beperkt, n.l. tot
+het Oostersche, het Ethiopische en het Zuid-Amerikaansche. Azië
+bevat slechts Schubdieren, Afrika bovendien nog Aardvarkens. De
+Edentaten-fauna van Zuid-Amerika biedt een grootere verscheidenheid
+van vormen aan; hier vindt men de Luiaards, de Mierenleeuwen en de
+Gordeldieren. Van de thans levende zoowel als van de uitgestorvene
+Tandeloozen, valt in overeenstemming met de ongelijkheid van hun
+lichaamsbouw, ook een zeer belangrijk verschil in levenswijze te
+vermelden.
+
+
+
+In de eerste plaats moet de familie van de _Luiaards_ (_Bradypodidae_)
+genoemd worden omdat de weinige, hiertoe behoorende soorten nog
+het meest van alle Edentaten door hun uiterlijk op de overige
+Zoogdieren met klauwen gelijken. Naast deze maken zij echter door
+hun onbehaaglijken lichaamsbouw, hunne stompzinnigheid en traagheid
+een zeer treurige figuur. Buffon beschouwde ze als "door de natuur
+stiefmoederlijk bedeelde diervormen, de eenige, die reeds bij de
+geboorte ware toonbeelden van ellende zijn."--De voorste ledematen
+zijn bij hen aanmerkelijk langer dan de achterste, de voeten met
+kolossale, sikkelvormige klauwen gewapend. De hals is betrekkelijk
+lang en draagt een ronden, korten kop. Wegens de geringe ontwikkeling
+der tusschenkaaksbeenderen, de kortheid en breedte der neusbeenderen
+verkrijgt het aangezicht een zonderling stomp aanzien, waardoor het
+op dat van een Aap gelijkt; de kleine mondopening wordt door meer
+of minder harde, weinig beweeglijke lippen begrensd; de oogen zijn
+klein, de oorschelpen geheel in de vacht verborgen. De staart is een
+niet of nauwelijks zichtbaar stompje. De haren van het volwassen
+dier zijn lang en grof als hooi, en hebben een geheel anderen val
+dan bij de overige dieren; zij zijn n.l. van den buik naar den rug
+gericht. Bij de in vrijheid levende dieren hebben zij een groenen
+tint door een Alge (_Chroolepus_), die er op leeft. Zeer opmerkelijk
+en geheel afwijkend van 't geen bij de overige Zoogdieren voorkomt,
+is de bouw van de wervelkolom. In plaats van 7 halswervels, zooals
+bij alle andere leden der klasse, vindt men er bij enkele Luiaards 6,
+bij andere 9, bij uitzondering zelfs 10; het aantal ribbendragende
+wervels (rugwervels) bedraagt bij den Aï 14, bij den Unau 24. Het
+gebit bestaat uit 5 cilindervormige maaltanden in elke helft van de
+bovenkaak; in de onderkaak zijn er bij _Choloepus_ vier, bij _Bradypus_
+vijf; de voorste van elke reeks is bij _Choloepus_ grooter dan de
+volgende en hoektandvormig; bij _Bradypus_ is hij daarentegen kleiner
+dan de overige.
+
+Het verbreidingsgebied van de Luiaard is tot Zuid-Amerika beperkt. De
+groote wouden in de vochtige vlakten van dit vasteland, waar de
+plantenwereld het toppunt van ontwikkeling bereikt, verschaffen
+woonplaatsen aan deze merkwaardige wezens. Hoe wilder, donkerder en
+schaduwrijker het woud is, hoe ondoordringbaarder de wildernis, des
+te geschikter schijnen deze plaatsen voor het leven van de genoemde
+dieren, die, daar zij tegen andere dieren niet opgewassen zijn, op
+een minder goed beschutte woonplaats reeds voor lang het onderspit
+gedolven zouden hebben.
+
+
+
+De _tweeteenige Luiaards_ (_Choloepus_) houd ik voor de hoogst
+ontwikkelde. Zij zijn te herkennen aan den tamelijk grooten kop
+met vlak voorhoofd en stompen snuit, den betrekkelijk korten hals,
+den slanken romp (die geen uitwendig waarneembaren staart draagt),
+de lange, schrale ledematen (de voorste zijn met 2, de achterste met 3
+zijdelings samengedrukte, sikkelvormige klauwen gewapend), het sluike,
+zachte haar zonder wolhaar, het gebit en het gering aantal halswervels.
+
+
+
+De _Unau_ (_Choloepus didactylus_) bewoont Suriname en andere deelen
+van Guyana; hij kan ongeveer 70 cM. lang worden. Het lange haar,
+dat aan den kop naar achteren, aan den borst en den buik echter naar
+den rug gestreken is en hier een kruin vormt, is in het aangezicht,
+aan den schedel en in den nek witachtig olijfgroen-grijs, aan den
+romp olijfgrijs, op den rug donkerder dan aan de onderzijde, aan de
+borst op de voorpooten en schouders en op de onderbeenen olijfbruin;
+de onbehaarde lichaamsdeelen (de snuit en de zolen van voor- en
+achtervoeten) zijn vleeskleurig (de snuit met bruinachtigen tint);
+de klauwen zijn blauwachtig grijs.
+
+
+
+In het tweede geslacht vereenigt men de _Drieteenige Luiaards_
+(_Bradypus_). Zij zijn gedrongen gebouwd, hebben een kleinen kop
+met scheef afgeknotten snuit en kleine, door harde lippen begrensde
+mondopening, een zeer langen hals, een duidelijk waarneembaren,
+zijdelings afgeplatten staart en tamelijk korte, krachtige ledematen;
+zoowel de voorvoeten als de achtervoeten zijn met drie zeer sterk
+zijdelings samengedrukte, sikkelvormige klauwen voorzien. Het haar
+vertoont op den kop een scheiding, van waar het naar onderen afhangt,
+overigens is het echter, evenals bij de dieren van het vorige
+geslacht, van de buikzijde naar de rugzijde gericht; de zolen zijn
+bijna geheel behaard.
+
+
+
+De _Aï_ (_Bradypus tridactylus_, _B. pallidus_) is een bewoner
+van Brazilië; hij bereikt een lengte van 52 cM., met inbegrip van
+den 4 cM. langen staart. De vacht bestaat uit fijne, korte, dicht
+bijeengeplaatste wolharen, waaraan men de drie overlangsche strepen
+van de rugzijde van den romp het best kan waarnemen, en uit lange,
+droge, harde, eenigszins gladde, op hooi gelijkende bovenharen. De
+vacht is bleek roodachtig aschgrauw op de bovendeelen, zilvergrijs
+op den buik; de klauwen zijn geelachtig of bruinachtig geel.
+
+
+
+De _Luiaards_ zijn echte boomdieren, evenals de Apen en de
+Eekhoorntjes. Deze gelukkige wezens bewegen zich echter naar
+welgevallen in de kronen der boomen, terwijl gene met moeite, als 't
+ware kruipend, van den eenen tak op den anderen overgaan. Wat door de
+vlugge en overmoedige beheerschers der wouden een pleizierwandeling
+wordt geacht, is in de oogen van den Luiaard een lange, bezwaarlijke
+reis. Hoogstens tot een uit weinige leden bestaand gezelschap
+vereenigd, leiden deze trage dieren een eentonig leven, waarin zij
+langzaam van den eenen boom naar den anderen trekken. Vergeleken met
+hunne bewegingen op den grond, is hun behendigheid in 't klimmen
+zeer opmerkelijk. Hunne lange armen veroorloven hen ver afgelegen
+takken te grijpen, terwijl hunne kolossale klauwen hen in staat
+stellen zich zonder moeite vast te houden. Hun wijze van klimmen is
+geheel anders dan die van alle overige boombewoners, want bij hen is
+het regel, wat bij deze als uitzondering voorkomt. Terwijl zij den
+romp naar onderen laten afhangen, reiken zij met hunne lange armen
+opwaarts naar de takken, haken zich hieraan vast met hunne klauwen
+en schuiven zich op hun gemak voort van twijg tot twijg, van tak
+tot tak. Zij schijnen echter trager, dan zij werkelijk zijn. Als
+nachtdieren brengen zij wel is waar den geheelen dag door zonder
+zich te bewegen; reeds in de schemering echter worden zij wakker en
+'s nachts zwerven zij rond, wel is waar langzaam, maar toch niet lui,
+door een grooter of kleiner gebied al naar dit tot bevrediging van
+hunne behoeften noodig is. Zij voeden zich uitsluitend met knoppen,
+jonge loten en vruchten en vinden in den overvloedigen dauw, dien
+zij van de bladen aflekken, een voldoende vergoeding voor het hun
+ontbrekende water. Ook bij het zoeken en opnemen van het voedsel toonen
+zij een onmiskenbare traagheid: zij zijn sober, niet veeleischend en
+geschikt om dagen achtereen, volgens sommigen zelfs weken lang, honger
+en dorst te lijden, zonder er eenig nadeel van te ondervinden. Zij
+verlaten een boom niet, zoolang deze hun nog voedsel kan verschaffen;
+eerst wanneer de voorraad eetbare bestanddeelen schaarsch wordt,
+denken zij er aan een anderen boom op te zoeken; met dit doel gaan
+zij langzaam tusschen de takken naar beneden, zoeken een plaats uit,
+waar de takken van de naburige boomen tusschen die van den door hen
+bewoonden boom doordringen en bereiken langs dezen hoog boven den
+grond gelegen brug het einddoel van den tocht.
+
+Op den bodem zijn deze tot levenslange gevangenschap op de boomen
+gedoemde wezens niet thuis. Hun gang, of liever het hiervoor in de
+plaats tredende, gebrekkig voortzeulen van het lichaam over den grond,
+is van dien aard, dat het medelijden van den toeschouwer er door gewekt
+wordt. Evenals de langzame Landschildpad tracht de plompe Luiaard
+zijn lichaam te verplaatsen. Met ver zijwaarts gestrekte ledematen,
+op de ellebogen steunend, met de pooten één voor één behoedzaam een
+cirkelboog beschrijvend, schuift hij telkens een klein stukje verder;
+de buik sleept intusschen bijna over den grond; kop en hals worden
+voortdurend op loome wijze naar links en rechts bewogen, alsof zij
+het zoo buitengewoon onbeholpen dier in evenwicht moeten houden. Men
+zou na zulk een schouwspel niet kunnen gelooven, dat dit zoo ellendig
+voorthompelend wezen in staat zal zijn om zich uit het water te redden,
+wanneer het er bij ongeluk in valt. Toch zwemt de Luiaard tamelijk
+goed; hij beweegt zich in 't water vlugger zelfs dan in de boomen,
+houdt den kop hoog boven den waterspiegel, doorklieft de golven met
+vrij groot gemak en komt werkelijk weer op den vasten wal terug. Bates
+en Wallace zagen een Luiaard een rivier overzwemmen op een plaats waar
+deze 300 M. breed was. Hieruit blijkt, dat de naam Luiaard, hoe goed
+hij overigens ook gekozen moge zijn, eigenlijk alleen in den gang van
+dit dier zijn volkomen rechtvaardiging vindt; want op de boomen maakt
+hij niet den indruk van zóó traag te zijn, als men vroeger, verleid
+door de overdreven voorstellingen van de eerste beschrijvers van dit
+dier, meende te moeten aannemen. Opmerkelijk is de verbazingwekkende
+zekerheid, waarmede alle klimbewegingen plaats hebben. De Luiaard
+is in staat om zich met den eenen voet vast te haken aan een hooger
+gelegen tak en zich dan onbezorgd er aan te laten hangen; niet slechts
+wordt dan het volle gewicht van het lichaam door één poot gedragen,
+maar ook wordt dit door dezen poot opgetrokken tot aan den tot steun
+dienenden tak.
+
+Het kost zeer veel moeite een Luiaard, die zich aan een tak heeft
+vastgeklemd, er van los te maken. De Luiaard slaapt en rust ongeveer
+in dezelfde houding als die, welke hij gedurende zijne werkzaamheden
+aanneemt. De vier pooten worden dicht bij elkander geplaatst;
+de romp wordt bijna tot een bol ineengekromd; de naar de borst
+gebogen kop rust of steunt niet op dit lichaamsdeel. In deze houding
+hangt het dier den geheelen, langen dag, steeds op dezelfde plaats,
+zonder moede te worden. Even ongevoelig als het voor honger en dorst
+schijnt te zijn, even gevoelig toont het zich voor vocht en hierdoor
+veroorzaakte afkoeling. In het regenseizoen hangt het dikwijls dagen
+achtereen treurig en ellendig op een en dezelfde plaats; stellig in
+de hoogste mate ontstemd over het naar beneden stroomende water.
+
+Niet dan hoogst zelden, gewoonlijk alleen des avonds, of als de morgen
+aanbreekt, of ook, wanneer het zich niet veilig acht, verneemt men de
+stem van den Luiaard. Zij is niet luid, en bestaat uit een klagende,
+lang voortgezetten, fijnen, korten en snijdenden toon, die door
+sommigen nagebootst wordt, door een veelvuldige herhaling van den
+klank "i". Een van de onderzoekers uit lateren tijd maakt melding van
+een geschreeuw, dat uit twee opeenvolgende klanken, of zelfs uit een
+klimmend en dalend accoord zou bestaan. Over dag hoort men van den
+Luiaard hoogstens diepe zuchten; op den grond schreeuwt hij niet,
+zelfs niet, wanneer hij geplaagd wordt.
+
+Uit het bovenstaande valt af te leiden, dat de zinnen van de Luiaards
+geen hoogen graad van volkomenheid zullen bezitten. Zelfs schijnt
+het, dat zij alle even stomp zijn. Zeer weinig ontwikkeld zijn ook de
+geestvermogens. Deze dieren geven weinig blijken van verstand, maar
+toonen veeleer stompzinnigheid, domheid en onverschilligheid. Men noemt
+ze goedaardig en wil hiermede aanduiden, dat zij over 't algemeen voor
+geen aandoeningen van den geest geschikt zijn. Volgens de berichten van
+de reizigers, komen bij hen geen ware hartstochten voor; zij gevoelen
+geen vrees, maar hebben ook geen moed, schijnen geen vreugde te
+kennen, maar ook niet voor treurigheid vatbaar te zijn. Deze berichten
+berusten volgens mijne ervaringen op geen goede gronden. Zoo laag als
+de meeste natuuronderzoekers ons deze dieren voorstellen, staan zij
+niet. Gewoonlijk wordt bij hun beoordeeling uit het oog verloren, dat
+zij nachtdieren zijn, welker geestvermogens men niet naar behooren kan
+leeren kennen, door ze alleen over dag na te gaan. De naam Luiaard is
+in zijn letterlijke beteekenis alleen geldig voor het slapende dier;
+wanneer het wakker geworden is en zijne bezigheden verricht, beweegt
+het zich in een engen kring, maar beheerscht dezen op voldoende wijze.
+
+De Luiaard brengt slechts één jong ter wereld, dat bij de geboorte
+een volledig haarkleed, en zelfs tamelijk goed ontwikkelde teenen
+en klauwen bezit; het klemt zich dadelijk met de klauwen aan de
+lange haren van de moeder vast, en omstrengelt met de armen haren
+hals. Het wijfje voert haar jong altijd op deze wijze met zich mede. In
+den beginne schijnt zij er veel genegenheid voor te gevoelen; haar
+moederliefde bekoelt echter spoedig; ternauwernood getroost zij zich
+de moeite haar kind te zoogen en te reinigen, of andere moederzorgen
+op zich te nemen.
+
+De traagheid en stompzinnigheid der Luiaards blijkt ook, wanneer zij
+mishandeld of gewond worden. Het is een bekend feit, dat de laagst
+ontwikkelde dieren naar verhouding het best bestand zijn tegen
+mishandelingen, verwondingen en smarten; bij de Luiaards vindt men
+een bevestiging van deze stelling. Blijkbaar hebben zij een zeer
+taai leven. Zij verdragen zware kwetsuren met de onverschilligheid
+van een lijk. Dikwijls nemen zij niet eens een andere houding aan,
+na door een flink schot hagel getroffen te zijn. Volgens Schomburgk
+blijft de werking van het vreeselijke curare-gif der Indianen bij
+hen langer uit, dan bij eenig ander dier.
+
+Vele vijanden hebben deze weerlooze schepsels niet. Door hun leven in
+de boomen hebben zij weinig te lijden van de gevaarlijkste der dieren
+die hen bedreigen, n.l. van de Zoogdieren. Hierbij komt, dat hun
+vacht over 't algemeen in kleur overeenstemt met de takken, waaraan
+zij onbeweeglijk hangen, als vruchten aan een boom, zoodat voor het
+ontdekken van een slapenden Luiaard het geoefend oog van een Indiaan
+vereischt wordt. Bovendien zijn deze dieren niet zoo volkomen weerloos,
+als men aanvankelijk zou kunnen vermoeden. Ervaringen hierover kan men,
+daar zij in den boom natuurlijk moeielijk te genaken zijn, alleen
+opdoen bij Luiaards, die op den grond aangetroffen en aangevallen
+worden; zij keeren dan spoedig hun buikzijde omhoog, en grijpen
+den vijand met de klauwen aan; hunne ledematen, vooral de voorste,
+zijn zeer gespierd. Zelfs een sterke man heeft moeite om zich los te
+maken uit een omhelzing van dit dier, of om het los te rukken van den
+boomtak, waaraan het zich heeft vastgeklemd; deze bewerking gelukt
+trouwens in 't geheel niet, wanneer men niet den eenen voet na den
+anderen loshaakt en daarna vasthoudt.
+
+Over het leven van den Luiaard in de gevangenschap was tot voor
+weinige jaren niet veel bekend. Buffon verhaalt, dat de Markies de
+Montmirail te Amsterdam een Luiaard kocht, die men tot aan dien tijd
+gedurende den zomer met malsche bladeren en gedurende den winter
+met scheepsbeschuit gevoed had. De Markies behield dit dier drie
+jaren lang in 't leven en voedde het met brood, appels en wortels,
+welke het met de klauwen van de voorvoeten aanvatte en naar den mond
+bracht. Tegen den avond werd het dier wakker, zonder ooit eenige
+bewijzen van hartstochtelijkheid te geven en zonder ooit te toonen,
+dat het zijn verzorger had leeren kennen.
+
+Bij een rondreis door de dierentuinen van Engeland, Frankrijk,
+Holland, België en de Rijnlanden was ik te Amsterdam voor 't eerst
+in de gelegenheid, aan een levenden Luiaard waarnemingen te doen. De
+talrijke bezienswaardigheden van dezen dierentuin veroorloofden
+mij tot mijn spijt niet, langer dan een paar uren bij het hok van
+het merkwaardige dier te blijven. Maar reeds dit korte bezoek was
+voldoende om mij te leeren, dat de tot dusver gegeven beschrijvingen
+grootendeels zeer overdreven zijn. Later heb ik zelf verscheidene
+Luiaards gehad en bij hen mijne waarnemingen aangevuld. Ik wil niet
+zoo koen zijn te beweren, dat deze ook over de levenswijze van het
+dier in de vrije natuur onze denkbeelden kunnen wijzigen; toch kan
+ik verzekeren, dat de Luiaards volstrekt geen treurige, vervelende
+schepsels, maar integendeel zeer aantrekkelijk zijn, in alle opzichten
+waardig om in een dierenverzameling opgenomen te worden.
+
+_Kees_, zoo heette de Luiaard van den Amsterdamschen dierentuin,
+bewoonde zijn hok reeds sedert negen jaren; hieruit blijkt,
+dat hij minstens even goed als andere dieren bestand is tegen de
+verandering van levenswijze, die met het verlies van de vrijheid
+gepaard gaat. Het door hem bewoonde hok was in 't midden met een
+houten stellage voorzien, om het dier gelegenheid tot klimmen te
+geven; de vloer was met een dikke laag hooi bedekt, de zijden waren
+door dikke glazen platen gesloten, van boven was het hok alleen met
+traliewerk bedekt. Op soortgelijke wijze heb ook ik de woningen van
+mijne gevangenen ingericht.
+
+Als men over dag een bezoek brengt aan het dier, ziet men in dezen
+glazen kast niets anders dan een bal, die veel op een hoop droog
+rietgras gelijkt. Deze bal schijnt vormloos, omdat men van de ledematen
+van den Luiaard eigenlijk zoo goed als niets zien kan. Bij nauwkeuriger
+onderzoek blijkt het, dat dit de houding is, die hij gewoonlijk bij
+'t rusten en slapen aanneemt. De kop is teruggebogen naar de borst,
+zoodat de spits van den snuit op het onderste deel van den buik rust,
+en wordt door de pooten geheel bedekt. De ledematen liggen nl. dicht
+op elkander, de eene poot altijd afwisselend met den anderen, en zijn
+zóó overkruis gevouwen, dat men er niet tusschen door kan zien. In
+den regel zijn de klauwen van één of twee voeten om een stok van de
+stellage geslagen; niet zelden echter vat de Luiaard met de klauwen
+van den eenen voet de bovenarm of het bovenbeen van een anderen poot
+en slingert dus deze lichaamsdeelen op een vreemdsoortige wijze
+door elkander heen. Van den kop is op deze wijze niets te zien,
+men kan niet eens onderscheiden, waar de romp in den hals en deze
+in den kop overgaat: kortom, men ziet niets anders dan een harigen
+bal, en moet al zeer goed toekijken om op te merken, dat deze bal
+zich langzaam op en neer beweegt. De bal is volkomen onverschillig
+voor alle pogingen, die de toeschouwers aanwenden om door kloppen,
+roepen en snelle bewegingen met de handen de aandacht van het dier te
+trekken; door geen beweging verraadt het zijn leven; gewoonlijk gaan
+de omstanders ontevreden weg, nadat zij verbijsterd den naam van het
+dier gelezen en eenige niet bijzonder vleiende opmerkingen over het
+"leelijke beest" gemaakt hebben.
+
+Er komt echter zeer spoedig leven en beweging in den haarbal, als men
+het goed aanlegt; want de Luiaard is volstrekt niet zoo stompzinnig,
+als wel beweerd wordt, maar een ordentlijke, brave gast, die op goede
+behandeling aanspraak maakt. Zoodra zijn oppasser bij het hok komt en
+hem roept, heeft er een verandering van tooneel plaats. Bedachtzaam,
+of, laat ik liever zeggen, langzaam en op een eenigszins houterige
+wijze, ontwikkelt de bal zich tot een dier, dat, moge het al niet
+op een schoone gestalte bogen, toch volstrekt geen wangedrocht
+is, zooals wel eens beweerd werd, geen wezen zonder begrip en
+waarnemingsvermogen. Langzaam en gelijkmatig steekt de Luiaard
+een van zijne lange pooten uit en klemt de scherpe klauwen om een
+van de dwarsstangen van de stellage, Het is hem daarbij volkomen
+onverschillig, of hij het eerst een achterpoot dan wel een voorpoot
+uitsteekt, ook of de klauwen aangehaakt worden in den stand, dien zij
+gewoonlijk ten opzichte van den arm hebben, dan wel, in dien, welken
+zij na het omdraaien van den arm verkrijgen; al zijn ledematen gelijken
+op kabels, die geen gewricht hebben, maar overal beweeglijk zijn. In
+allen gevalle is de beweging van de ellepijp ten opzichte van het
+spaakbeen zoo volkomen, dat misschien geen enkel dier te dezen aanzien
+den Luiaard overtreft of nabij komt. Hij kan zich met alle vier pooten
+zóó vast haken, dat de klauwen van iederen poot een andere richting
+hebben dan die van den anderen. Die van één achtervoet zijn b.v. naar
+buiten, die van één voorvoet naar binnen, die van den anderen voorvoet
+naar voren en die van den laatsten achtervoet naar achteren omgeslagen;
+welke combinaties van houdingen men ook bedenkt, bij den Luiaard komen
+zij alle voor. Hij kan zijne ledematen geheel om hun as doen draaien,
+zooals een geoefende acrobaat, en het blijkt duidelijk, dat dit hem
+in 't geheel geen moeite kost. Hij haakt zich met de klauwen vast,
+zooals hem dit het best uitkomt, en kan ook, eens vastgehecht zijnde,
+zich geheel en al omdraaien, zonder in den stand der om de steunsels
+geklemde klauwen eenige verandering te brengen. Of de kop nu laag of
+hoog hangt, is hem eveneens onverschillig; hij grijpt even dikwijls
+met de achterpooten naar boven, als met de voorpooten naar onderen,
+hangt aan den rechter voorpoot of aan den linker achterpoot of
+omgekeerd, strekt zich dikwijls op zijn gemak uit, door zich met de
+achterklauwen vast te haken en den rug ergens op te laten rusten,
+zooals een luie Hond pleegt te doen. In deze houdingen, die steeds
+het bewijs zijn, dat de gemoedsrust van het dier niets te wenschen
+overlaat, krabt het zich vaak met een der niet vastgehaakte ledematen
+op alle deelen van zijn lichaam, ten deele door den poot er geheel
+om heen te slingeren. Het kan lichaamsdeelen bereiken, die voor een
+ander Zoogdier ontoegankelijk zijn zouden, kortom het geeft bewijzen
+van een werkelijk verrassende lenigheid. Wanneer de Luiaard zoo aan
+'t luieren is, doet hij de oogen bij afwisseling open en dicht,
+gaapt, steekt de tong uit en opent daarbij den stompen snuit zoover
+mogelijk. Steekt men hem nu door het traliewerk, dat het hok van
+boven bedekt, iets lekkers toe, b.v. een klontje suiker, dan klautert
+hij tamelijk vlug naar boven om de lekkernij in ontvangst te nemen,
+snuffelt bij den wand langs en opent den bek zoover mogelijk, alsof
+hij vragen wilde, hem het stukje suiker maar dadelijk in den mond te
+laten vallen. Daarna vreet hij het smakkend met gesloten oogen op en
+geeft duidelijk te kennen, dat hij de zoetigheid lekker vindt.
+
+Den vreemdsoortigsten indruk maakt de Luiaard, als men hem vlak
+van voren ziet. De kopharen zijn in 't midden gescheiden, en hangen
+aan weerszijden van de scheiding naar beneden, waardoor de kop een
+uilachtig voorkomen verkrijgt. De kleine oogen zien er onnoozel uit,
+omdat de pupil nauwelijks de grootte van een speldeknop heeft en
+het oog dus geen uitdrukking bezit. Bij den eersten aanblik zou men
+kunnen meenen, dat het dier blind moet zijn. De lippen zijn steeds
+vochtig, alsof zij met vet bestreken zijn. Zij zijn bij den Unau
+niet zoo onbeweeglijk, als wel eens gezegd is, ook volstrekt niet
+hoornachtig, zooals soms beweerd werd, ofschoon zij vermoedelijk niet
+zoo buigzaam zijn als bij andere Zoogdieren; zij zijn trouwens bij
+het vreten tamelijk overbodig, want de beweging van de spitse tong
+vervangt de werkzaamheid van de lippen. De tong herinnert aan die
+van andere Tandeloozen, vooral van den Mierenleeuw. De Luiaard kan
+haar ver uitsteken en bijna als een hand gebruiken.
+
+De Luiaard van den Amsterdamschen dierentuin werd met verschillende
+plantaardige stoffen gevoederd; gekookte rijst en wortels waren echter
+zijne gewone spijzen. De rijst gaf men hem op een bord, de wortels
+werden ergens op het hooi neergelegd. Gewoonlijk werd _Kees_ vóór den
+maaltijd geroepen. Hij had dien tijd goed onthouden en richtte zich
+dadelijk op, zoodra hij zijn naam hoorde. In 't eerst taste hij zeer
+onhandig en plomp met de lange armen in 't rond; zoodra hij echter
+eens een wortel gegrepen had, verkregen zijne bewegingen dadelijk
+meer vastheid. Hij trok den wortel naar zich toe, vatte hem eerst
+met den mond, daarna met de beide pooten, of liever met de klauwen,
+aan, klemde hem er tusschen en beet nu, terwijl hij den wortel steeds
+verder in den bek schoof, betrekkelijk zeer groote stukken er van
+af; hij lekte zich intusschen voortdurend de lippen schoon en deed
+dit ook met den wortel, die hij nu eens aan de eene dan weer aan de
+andere zijde in den mond stak. Aan een bordje rijst en drie wortels
+per dag heeft hij genoeg.
+
+De stompzinnige onverschilligheid, waarvan de reizigers melding maken,
+kan, althans bij den Unau, plaats maken voor een duidelijk merkbare
+opgewondenheid. Zoo goed als de Luiaard vriendschap toont voor zijn
+verzorger, zoo goed onderscheidt hij hem van andere personen; hun
+toont hij soms de tanden, of bedreigt ze met de klauwen, terwijl hij
+zich zonder weerstand te bieden van zijn oppasser elke aanraking
+en behandeling laat welgevallen. Nog onvriendelijker gedraagt de
+Tweeteenige Luiaard zich tegenover andere wezens. Mijn plan om den
+Unau en den Aï in een en hetzelfde hok te laten wonen, werd door den
+eerstgenoemden, den oudsten bewoner van het hok, verijdeld; de poging
+om de beide verwanten bij elkander te brengen moest onmiddellijk
+opgegeven worden. Al de luiheid, die hem toegeschreven wordt, geheel
+verloochenend, viel de Unau, zoodra hij zijn stamgenoot zag, dezen
+onmiddellijk aan, gaf hem eerst eenige goed gemikte slagen met een
+zijner krachtige pooten, en pakte hem vervolgens zoo woedend met de
+tanden aan, dat de oppasser de beide dieren zoo schielijk mogelijk van
+elkander scheiden moest, en den Aï, den onschuldigsten van de twee,
+in veiligheid moest brengen: hetgeen niet kon geschieden, voordat deze
+van den vertoornden Unau eenige slagen met de klauwen had ontvangen.
+
+Duidelijk verschilt van den tot dusver beschreven aard van den Unau,
+die van den Aï. Op dezen doelden de meeste reizigers bij de schildering
+van den Luiaard en in vele opzichten zijn de mededeelingen van de
+meeste berichtgevers op hem toepasselijk. Het valt niet te betwijfelen,
+dat hij veel minder begaafd is dan zijn stamgenoot.--Wanneer hij,
+wakker wordend, den dunnen hals en den kleinen kop ver uitsteekt,
+blijkt het spoedig, dat hij niet tevergeefs negen halswervels
+heeft. Want met even groot gemak, als waarmede wij de hand omdraaien,
+draait hij den kop zoover om, dat het achterhoofd geheel in het
+verlengde van de borst, het aangezicht echter aan de rugzijde komt te
+liggen. (Zie de afb. op p. 360.) Geen ander Zoogdier is in staat tot
+deze draaiing, die aan den Drieteenigen Luiaard een hoogst zonderling
+voorkomen verschaft. De Tweeteenige Luiaard beproeft deze beweging
+van den kop nimmer; de Aï draagt den kop meestal in deze schijnbaar
+onnatuurlijke houding, ofschoon hij haar naar vekiezing door de andere
+kan vervangen. Zoo gemakkelijk de draaiing van den hals plaats heeft,
+zoo plomp zijn alle overige bewegingen van den Aï, in vergelijking
+met die van de Unau.
+
+Het voordeel, dat de Luiaards brengen aan de menschelijke bewoners
+van hun woongebied, is buitengewoon gering. In sommige streken
+eten de Indianen en de Negers hun vleesch, welks onaangename reuk
+en smaak den Europeanen walging veroorzaken; op sommige plaatsen
+wordt hun huid verwerkt tot een zeer taaie, stevige en duurzame
+leersoort. Schade kunnen deze dieren niet veroorzaken; daar zij in
+dezelfde mate verdwijnen, als het door den mensch bewoonde gebied
+zich uitbreidt. Ook zij staan op de lijst van de diersoorten, welker
+verdwijning van den aardbol men met zekerheid voorspellen kan. Slechts
+in de afgelegenste wouden kunnen zij zich handhaven, en zoolang de
+prachtige boomen, die hun een woonplaats en voedsel verschaffen, door
+den bijl van den steeds verder doordringenden Europeaan verschoond
+worden, zoolang zullen ook zij hun leven kunnen rekken.
+
+
+
+De _Miereneters_ of _Mierenberen_ (_Myrmecophagidae_), die de tweede
+familie vormen, hebben uitwendig slechts weinig overeenkomst met
+de Luiaards. Het lichaam is gerekt, de kop, vooral de snuit, sterk
+verlengd; de staart bereikt bijna de helft van de lengte van het
+overige lichaam. Een dichte, ruige, eigenaardige vacht bedekt den romp,
+vooral de bovenzijde. De achterste ledematen zijn slank, en zwakker dan
+de voorste. Zoowel de voorvoeten als de achtervoeten hebben, zooals
+uit het onderzoek van het geraamte blijkt, vijf teenen, die evenwel
+niet alle met klauwen voorzien zijn. De mondspleet is zeer klein; de
+lange, dunne en cilindervormige tong herinnert aan een Worm. De ooren
+en de oogen zijn zeer klein. Nog opmerkelijker is de bouw van den
+kop. Door de verlenging van de neusbeenderen en bovenkaaksbeenderen,
+is de snuit lang, buisvormig, geworden; de tusschenkaaksbeenderen
+zijn zeer klein en gekromd, met de bovenkaaksbeenderen alleen door
+kraakbeen verbonden. Tevergeefs zou men hier naar tanden zoeken;
+elke spoor ervan ontbreekt.
+
+
+
+De grootste soort van deze familie is de _Groote Miereneter_ of
+_Manendragende Mierenbeer_, die in Paraguay _Yurumi_ (= "kleine mond"),
+in Suriname _Tamanoa_ wordt genoemd (_Myrmecophaga jubata_). De vacht
+van dit opmerkelijke dier bestaat uit dichte, stijve borstelharen,
+die bij het bevoelen ruw zijn. Dicht achter den kop, langs den
+nek en de ruggegraat, vormen zij manen en hebben zij een lengte van
+hoogstens 24 cM.; aan den staart zijn zij 26 à 40 cM., aan de overige
+lichaamsdeelen, bij en aan de pooten hoogstens 8 à 11 cM. lang. De
+kleur van de vacht is tamelijk verschillend; aan den kop is zij
+aschgrauw met zwart gemengd; bijna dezelfde kleur hebben de nek,
+de rug (ten deele ook de zijden van den romp), de voorpooten en de
+staart. De keel, de hals, de borst, de buik, de achterpooten en de
+onderzijde van den staart zijn zwartbruin. Een zwarte, naar achteren
+spits toeloopende streep, strekt zich van den kop en de borst over
+den rug in schuinsche richting naar achteren uit tot aan het kruis,
+en wordt omgeven door twee hieraan evenwijdige, smalle, bleekgrijze
+strepen. Een zwarte strook bedekt het uiteinde van den voorarm; zwart
+zijn ook de teenen van de voorvoeten en de onbehaarde deelen van het
+lichaam. De lengte van den volwassen Yurumi bedraagt 1.3 M., zonder
+den staart, die 68 cM. lang is, als men de haren niet mederekent,
+met deze echter minstens 95 cM. en dikwijls nog meer. In 't geheel is
+het dier dus 2.3 M. lang; soms treft men echter oude mannetjes aan,
+die nog langer zijn.
+
+"De Yurumi," zegt Rengger, "ziet er zeer leelijk uit. Zijn kop heeft
+den vorm van een langen, dunnen, een weinig naar beneden omgebogen
+kegel en eindigt in een kleinen, stompen snuit. De beiden kaken
+zijn even lang; de onderste kan slechts weinig beweging maken;
+de spleetvormige mondopening is zoo klein, dat zij met een dikken
+mansduim geheel gevuld is; de neusgaten zijn halvemaanvormig; de
+kleine oogen zijn diep gelegen; de eveneens kleine ooren zijn iets
+meer dan 25 mM. breed, even lang en van boven afgerond. Wegens de
+lange beharing schijnt de hals dikker dan het achterhoofd; de romp is
+groot, wanstaltig en van boven naar onderen een weinig samengedrukt; de
+ledematen zijn kort, de voorarmen breed en zeer gespierd. De voorvoeten
+hebben vier teenen, ieder voorzien met een dikken nagel, die als een
+adelaarsklauw samengedrukt is. Bij 't gaan en in den toestand van
+rust, is deze nagel naar de zool teruggebogen; bij 't gaan rust alleen
+de buitenrand van de zool, die vlak achter den buitensten teen met
+een groote eeltplek voorzien is, op den grond. Van de achtervoeten
+komt echter de geheele zool met den grond in aanraking. De lange,
+ruige staart is hoog en smal en vormt een echte pluim. De tong, die
+niet meer dan 9 mM. dik is, heeft den vorm van een langen, naar den
+top ongevoelig dunner wordenden kegel; zij bestaat uit twee spieren
+en twee klierachtige lichamen, die bij haar wortel gelegen zijn. Zij
+kan sterk verlengd worden; het dier kan haar bijna 50 cM. ver buiten
+den bek uitsteken.
+
+"De Yurumi komt in Paraguay niet veelvuldig voor; hij bewoont
+de onbewoonde of althans weinig bezochte vlakten in 't noorden
+des lands. Hij heeft geen bepaald leger en ook geen andere vaste
+verblijfplaats, maar zwerft over dag door de vlakte rond, en slaapt
+daar, waar de nacht hem overvalt; tot slaapplaats kiest hij echter bij
+voorkeur een plek, waar het gras zeer hoog is, of waar althans eenige
+struiken voorkomen. Gewoonlijk ontmoet men hem alleen, tenzij men
+te doen heeft met een wijfje en haar jong. Zijn langzame, stappende
+gang verandert soms, als hij vervolgd wordt, in een loggen galop,
+waardoor hij echter zoo weinig vordert, dat een voetganger hem met
+een gewonen pas kan inhalen. Zijn voedsel bestaat uitsluitend uit
+Termieten en Mieren en uit de larven van deze Insecten. Om deze
+dieren te verkrijgen, krabt hij met de nagels van zijne voorpooten
+de heuvels en de aardhoopen, die haar tot woonplaats dienen, open,
+steekt dan zijn lange tong tusschen de van alle zijden toesnellende
+Insecten en trekt haar met diertjes bedekt in den bek terug. Hiermede
+gaat hij voort, tot hij verzadigd is, of totdat er geen Mieren of
+Termieten meer te voorschijn komen.
+
+"Het wijfje werpt in 't voorjaar één enkel jong en draagt dit een
+tijd lang op den rug met zich. Het is een stil en vreedzaam dier,
+dat noch den mensch, noch eenig ander Zoogdier kwaad doet, tenzij
+het sterk geplaagd wordt. Men kan den Yurumi in het open veld over
+een grooten afstand voor zich uitdrijven, zonder dat hij weerstand
+biedt. Wanneer hij echter mishandeld wordt, gaat hij op de achterpooten
+staan en steekt de armen naar zijn vijand uit om dezen met zijne
+nagels te grijpen.
+
+"Ik heb langen tijd een Yurumi gehad, die nog geen jaar oud was, toen
+ik hem kreeg. Men had hem in een boerderij aan den linkeroever van
+den Nexay gevangen tegelijk met zijn moeder, die echter weinige dagen
+daarna stierf. Ik voedde hem met melk, Mieren en gehakt vleesch. De
+melk slurpte hij op, of wel hij stak de tong er in en trok deze
+vervolgens met het weinige er aan hangende vocht in den bek terug. De
+Mieren zocht hij in den tuin of in de nabuurschap van het huis op.
+
+"Het vleesch en het vel van den Yurumi worden alleen door de wilde
+Indianen gebruikt; er zijn echter landlieden in Paraguay, die het vel
+van dit dier, onder het beddelaken gelegd, voor een uitmuntend middel
+tegen pijn in de lenden houden en het voor dit doel gebruiken. Zelden
+wordt op dezen Miereneter jacht gemaakt; wanneer men hem echter
+toevallig in het veld ontmoet, kost het niet veel moeite hem door
+eenige stokslagen op den kop te dooden. De menschen moesten deze
+dieren liever beschermen dan vervolgen, want wel verre van schadelijk
+te zijn, bewijzen zij hun een belangrijken dienst, door het aantal
+Termieten en Mieren te verminderen, die in eenige gewesten van
+Paraguay zoozeer de overhand genomen hebben, dat daar niets verbouwd
+kan worden. Waarschijnlijk heeft hij behalve den mensch geen andere
+vijanden dan de Jagoear en den Koegoear. De fabelachtige verhalen van
+de bewoners van Paraguay over gevechten, die tusschen den Miereneter
+en den Jagoear zouden plaats vinden, zijn reeds door Azara wederlegd."
+
+Van andere onderzoekers vernemen wij, dat de Miereneter niet slechts
+Paraguay, maar ook bijna alle overige landen van het oosten van
+Zuid-Amerika bewoont, en dat zijn verbreidingsgebied zich uitstrekt
+van den La-Platastroom tot aan de Caraïbische Zee. Bij 't gaan houdt
+hij den kop naar den grond gebogen en besnuffelt met den neus den
+bodem. Den staart draagt hij intusschen recht uitgestrekt en de
+manen van den rug hoog opgezet, zoodat hij veel grooter schijnt,
+dan hij werkelijk is. Behalve Mieren en Termieten hebben nieuwere
+onderzoekers in de maag van den Yurumi ook nog wel aarde en houtvezels
+gevonden; deze slikt het dier onwillekeurig door, terwijl het de Mieren
+verslind. Dat het behalve de dieren, die zijn hoofdvoedsel uitmaken,
+ook zeer gaarne Duizendpooten en Wormen eet, voor zoover deze niet
+te groot zijn, is aan geen twijfel onderhevig.
+
+In lateren tijd zijn gevangen Miereneters herhaaldelijk naar Europa
+gebracht; men heeft ze hier bij doelmatige voeding jaren lang in
+'t leven kunnen houden.
+
+De gevangenen van den Londenschen dierentuin krijgen rauw, zeer
+fijn gehakt vleesch en eidooier als voedsel; de Mierenbeer in den
+Hamburger dierentuin, waarover door Noll berichten zijn gegeven, hield
+bovendien zeer veel van brij, die bereid was door maïsmeel met heete
+melk aan te roeren, en met een lepel stroop zoet te maken; het was een
+vreemdsoortig schouwspel, het zonderlinge dier voor den schotel brij
+te zien staan en dezen met zijn merkwaardige tong te zien ledigen. Met
+een bijna ongeloofelijke snelheid, ongeveer 160 maal in de minuut,
+wordt de zwartachtige, rolvormige tong wel 50 cM. ver buiten den
+mond en in de brij gestoken, waarin zij zich kronkelt om onmiddellijk
+daarna met spijs bedekt weer in den bek teruggetrokken te worden.
+
+Dat de Miereneter niet alleen volgens het oordeel der menschen een
+zonderlinge gedaante heeft, maar ook bij andere dieren verrassing
+en zelfs schrik teweegbrengt, bleek, toen het dier in het apenhuis
+zou geborgen worden. Alle bewoners van dit huis werden bij 't zien
+van den nieuwen commensaal door een hevigen schrik bevangen; de Apen
+schreeuwden en raasden zoo, dat men om hun het uitzicht te benemen
+hunne hokken bedekken moest; zelfs een Chimpanzee kroop, bij het zien
+van het voor hen zoo vreeselijke dier, vol angst onder het stroo.
+
+
+
+De overige Miereneters zijn boombewoners. Van deze gelijkt
+de _Tamandoea_ of _Cagoear_ (_Tamandua tetradactyla_) nog het
+meest op zijn zooeven beschreven stamgenoot; toch wordt hij als
+vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd, omdat
+hij aan de voorpooten vier, aan de achterpooten vijf teenen heeft,
+die alle met klauwen voorzien zijn, terwijl bovendien zijn staart een
+grijpstaart is. Deze soort bewoont dezelfde landen als de vorige, met
+uitzondering van Peru. Zijn lengte bedraagt ongeveer 1 M., met inbegrip
+van den aan zijn topgedeelte geschubden, overigens echter behaarden,
+40 cM. langen staart; de gemiddelde hoogte van dit dier is 30 à 35 cM.
+
+Tot dusver is men van de levenswijze van dit merkwaardige wezen
+nog niet voldoende op de hoogte. In Paraguay en Brazilië leeft de
+Tamandoea overal in de eenzame, met bosch begroeide gewesten; gaarne
+houdt hij zich op in den woudzoom en in het kreupelhout, dikwijls ook
+dicht bij de woningen der menschen; hij is niet gelijk zijne grootere
+verwanten tot den bodem beperkt, maar klautert zeer behendig in de
+boomen, hoewel hij dit, evenals de Luiaards, zeer langzaam doet;
+evenals de andere dieren met echten grijpstaart zorgt hij er voor,
+zich voor den staart een stevig steunpunt te verschaffen, zelfs
+gedurenden den slaap. Zijn voedsel bestaat bij voorkeur uit Mieren
+en wel hoofdzakelijk uit die, welke in de boomen leven.
+
+Ook de Tamandoea is in den laatsten tijd eenige malen levend naar
+Europa en wel naar Londen overgebracht. Het eerste exemplaar had
+Bartlett in zijn kamer gehuisvest, om goed te kunnen nagaan hoe
+het zich beweegt. Met behulp van de kolossale, haakvormige klauwen
+en van den grijpstaart klom het schielijk op de verschillende
+meubelen, en sprong, toen het vertrouwelijker werd, van hier op
+Bartlett's schouders, waarbij hij; den spitsen snuit en de lange,
+wormvormige tong in alle plooien van de kleederen van zijn verzorger
+stak en diens ooren, neus en oogen op een niet juist aangename wijze
+onderzocht. Later, toen de Tamandoea een andere verblijfplaats had
+gekregen, kwam hij, wanneer een bezoeker hem naderde, snel bij het
+traliewerk aan de voorzijde van het hok en liet zijn onderzoekende
+tong vlug over de tegen de traliën gehouden hand glijden; men moest
+echter wel oppassen, dat het dier de klauwen niet om de vingers sloeg.
+
+Eigenaardig is de sterke, muscusachtige reuk, die de Tamandoea
+verbreidt, vooral als hij geplaagd wordt.
+
+
+
+De _Dwerg_- of _Tweeteenige Miereneter_ (_Cycloturus didactylus_),
+een diertje van de grootte van een Eekhoorn, is ongeveer 40 cM. lang,
+waarbij 18 cM. voor den grijpstaart. Aan de voorvoeten komen vier
+teenen voor, waarvan slechts twee met stevige klauwen voorzien zijn;
+de achtervoeten hebben vijf teenen. De vacht is zoo zacht als zijde,
+aan de bovendeelen vosrood, aan de onderdeelen grijs; ieder haar
+van de bovendeelen is zwart met geelbruine spits, de haren van de
+onderdeelen zijn grijsbruin.
+
+Hoewel ook de Dwerg-Miereneter tamelijk plomp gebouwd is, maakt
+hij, vooral wegens zijn fraaie vacht, geen onaangenamen indruk. Zijn
+verbreidingsgebied is beperkt. Men heeft hem tot dusver alleen gevonden
+in het noorden van Brazilië, in Guyana en Peru, dus in gewesten,
+die tusschen 10° Z.B. en 6° N.B. gelegen zijn. In het gebergte komt
+hij soms tot op 600 M. boven den zeespiegel voor. Bijna overal is hij
+zeldzaam, of wordt althans niet veelvuldig aangetroffen. Hij houdt
+zich op in de dichtste wouden. Daar hij geheel en al nachtdier is,
+brengt hij den dag slapend in de boomkronen door. Zijne bewegingen
+zijn onbeholpen, langzaam en afgemeten; hij klimt echter behendig,
+hoewel voorzichtig en steeds met behulp van den staart. Zijn voedsel
+bestaat uit Mieren, Termieten, Bijen, Wespen, en uit de larven van
+deze Insecten.
+
+
+
+De _Gordeldieren_ (_Dasypodidae_) zijn, evenals de Luiaards, ontaarde
+afstammelingen van een familie, die vroeger van grootere beteekenis
+was, dan nu. In vergelijking met sommige van hunne verwanten uit
+den voortijd moet men ze als dwergen beschouwen. Sommige van deze,
+die een rugpantser hadden uit onbewegelijk aaneengevoegde beenplaten
+samengesteld (_Glyptodontia_), bereikten de afmetingen van een
+Neushoorndier, o.a. _Panochthus tuberculatus_; de grootste soorten
+van het geslacht _Glyptodon_ werden 2 M. lang en 1.2 M. hoog; het
+rugpantser van _Glyptodon reticulatus_ had een lengte van 1.6 M. en
+een hoogte van 1 M. Sommige soorten van andere geslachten hadden
+minstens den omvang van een Rund; _Doedicurus clavicaudatus_ b.v. was
+3.6 M. lang. [Nog grooter waren echter de nauw aan de Luiaards verwante
+_Gravigraden_: het in 1789 te Lujan bij Buenos Aires uitgegraven skelet
+van _Megatherium Cuvieri,_ dat zich in 't museum te Madrid bevindt,
+had een lengte van 4.5 M. bij een hoogte 2.5 M. Uit den bouw der
+ledematen van dezen _Reuzenluiaard_ blijkt, dat hij zich slechts
+langzaam en onbeholpen over den bodem kon voortbewegen, en dat de
+voorpooten grijporganen waren, die vermoedelijk dienden om takken
+en twijgen af te breken, of zelfs om geheele boomen om te werpen,
+terwijl het gewicht van het lichaam door de achterpooten en den staart
+werd gedragen.] De hedendaagsche Gordeldieren worden slechts 1.5 M.,
+zonder den staart echter slechts 1 M. lang. Alle gordeldieren zijn
+plompe wezens met een, wegens den langen snuit, langwerpigen kop,
+waarboven groote varkensooren uitsteken, met een stevigen staart en
+korte pooten, die zeer krachtige, voor 't graven geschikte klauwen
+dragen. Den naam ontleenen zij aan het eigenaardige maaksel van hun uit
+beenplaten samengesteld, door de lederhuid gevormd pantser, dat bedekt
+is door een opperhuid, welker buitenste laag verhoornt. Het pantser
+van de meeste soorten bestaat uit drie afdeelingen: een onbeweeglijk
+voorste of _schouderschild_, een uit beweeglijke dwarsringen of
+gordels samengesteld _middelschild_, en een onbeweeglijk _kruis_ of
+_bekkenschild_. Door de beweeglijke gordels onderscheidt zich dit
+pantser van het schubbenkleed van andere Zoogdieren. De middelste
+gordels, die voor de onderscheiding van de soorten van belang zijn,
+hoewel hun aantal ook bij de dieren van dezelfde soort niet altijd
+even groot is, bestaan uit langwerpige, vierhoekige platen, terwijl
+het schouderschild en het kruisschild gevormd worden door dwarsrijen
+van vier- of zeshoekige platen, waartusschen kleine, onregelmatige
+platen gelegen zijn. De voorrand van iederen gordel wordt in den regel
+door den achterrand van den voorafgaanden gordel bedekt. Bij eenige
+soorten is het geheele rugpantser uit zulke bewegelijke dwarsringen
+samengesteld. De kop, de staart en de buitenzijde van de ledematen
+worden door kleinere beenplaten beschermd. Alleen de bovenzijde van
+deze dieren is gepantserd; de onderzijde van den romp is met meer of
+minder grove, borstelige haren bedekt; zulke borstels komen ook op
+vele plaatsen tusschen de schilden te voorschijn.
+
+Bij geen enkele Zoogdieren-familie varieert een aantal tanden zoo
+sterk als bij de Gordeldieren. Eenige soorten hebben zooveel tanden,
+dat de naam Tandeloozen, op hen toegepast, eerst dan eenige beteekenis
+krijgt, wanneer men er de nadruk op legt, dat de tusschenkaaksbeenderen
+altijd tandeloos zijn, of wanneer men op de gebrekkigheid van de tanden
+wijst. Tot dusver heeft men nog niet eens met voldoende zekerheid
+kunnen bepalen, hoeveel tanden deze of die soort van Gordeldieren
+bezit, want ook binnen de grenzen van de soort komen er ten aanzien van
+het aantal tanden belangrijke afwijkingen voor. Over 't algemeen kan
+men zeggen, dat dit getal nooit geringer is dan acht in elke kaakhelft,
+en dat het stijgen kan tot 26 aan elke zijde van de bovenkaak, en 24
+aan elke zijde van de onderkaak, zoodat het geheele aantal tanden 100
+kan bedragen. Ondanks dit groot aantal tanden is het gebit van weinig
+beteekenis; door hun onvolkomen samenstelling hebben zij als 't ware
+opgehouden tanden te zijn. Zij gelijken op zijdelings samengedrukte
+cylinders, hebben geen echte wortels, missen het email en wisselen ook
+in groote aanmerkelijkheid af. Gewoonlijk nemen zij van den eersten
+tot ongeveer den middelsten allengs aan grootte toe, en daarna naar
+achteren langzamerhand af, maar ook deze verhouding is geen doorgaande
+regel. Bovendien zijn de tanden buitengewoon zwak. Wel grijpen zij in
+elkander, maar het dier is niet in staat met kracht toe te bijten of
+te kauwen.--De tong gelijkt eenigszins op die van den Miereneter,
+maar is veel korter en kan niet zoo ver buiten den bek gestoken
+worden; zij is driekantig toegespitst en met kleine verhevenheden
+bezet. Door buitengewoon groote speekselklieren in de onderkaak,
+wordt zij voortdurend bedekt gehouden met een kleverig slijm.
+
+Alle Gordeldieren zijn bewoners van het Zuid-Amerikaansche faunistische
+rijk tot aan Mexico. Zij bewonen schaars begroeide en zandige vlakten
+en velden, en komen niet verder dan tot aan den woudzoom, zonder in
+dezen door te dringen. Slechts gedurende de paring komen verscheidene
+individuën van dezelfde soort bijeen; gedurende het overige deel van
+'t jaar leeft ieder Gordeldier afzonderlijk, en bekommert zich niet
+veel om de andere levende wezens, met uitzondering van die, welke
+het tot voedsel dienen. Alle Gordeldieren verbergen zich over dag
+zooveel mogelijk en graven daarom gangen, die bij de meeste geen groote
+uitgestrektheid hebben; één soort leeft echter, evenals de Mol, onder
+den grond. De overige graven hunne holen bij voorkeur aan den voet van
+groote Mieren- of Termietenwoningen; omdat hun voedsel hoofzakelijk
+bestaat uit Insecten en hunne larven, vooral echter uit Mieren en
+Termieten. Wormen en Slakken worden, als de gelegenheid zich voordoet,
+ook opgegeten; doode dieren, die in ontbinding verkeeren, worden
+evenmin versmaad; sommige houden ook veel van plantaardig voedsel.
+
+Zoodra 's avonds de duisternis invalt, verschijnen de gepantserde
+dieren voor hunne onderaardsche woningen, en zwerven een tijd lang
+rond, waarbij zij zich langzaam stappend van de eene plaats naar de
+andere begeven. De vlakke bodem is hun eigenlijk rijk; hier zijn
+zij te huis zooals weinig andere dieren. Zoo langzaam en traag
+zij schijnen, als zij gaan of op een andere wijze zich bewegen,
+zoo snel en behendig zijn zij, als het hun doel is in den grond te
+graven. Als zij opgejaagd, verschrikt of vervolgd worden, weten zij
+niets beters te doen, dan zich in den volsten zin van het woord aan
+den grond toe te vertrouwen. En zij verstaan het graven werkelijk
+zoo goed, dat zij letterlijk voor de oogen van den toeschouwer in den
+grond wegzakken. Omdat zij zoo geheel en al het vermogen om zich te
+verdedigen missen, zouden zij weerloos aan hunne vijanden overgeleverd
+zijn, indien zij niet in staat waren hun op deze wijze te ontkomen. Wel
+is waar is één soort in staat om zich tot een bal op te rollen als onze
+Egel; hij doet dit echter alleen in den uitersten nood, om vervolgens
+zoo schielijk mogelijk weder te gaan graven en zich in den grond te
+verbergen. Deze oogenschijnlijk zoo stumperachtige dieren weten zich
+trouwens ook wel in 't water te redden.
+
+De Gordeldieren zijn onschadelijke, vreedzame, stompzinnige wezens,
+zonder eenige in 't oog loopende geestesgaven. Hun stem bestaat uit een
+knorrend geluid, zonder kleur of uitdrukking. Ook de Gordeldieren staan
+aan den vooravond van hun algeheele uitroeiing. Hun vermenigvuldiging
+is gering. Wel werpen eenige soorten tot aan 9 jongen; deze groeien
+echter zoo buitengewoon langzaam, en zijn evenals hunne ouders zoo
+weinig opgewassen tegen hunne vijanden, dat er bij geen enkele soort
+sprake kan zijn van toeneming van het aantal.
+
+
+
+De _Gordeldieren_ of _Armadillen_ (_Dasypus_) hebben alle nagenoeg
+dezelfde gestalte. De op korte pooten rustende romp is gedrongen,
+de kegelvormige staart middelmatig lang, gepantserd en stijf,
+de pantserschilden beenig en volkomen met de onderliggende deelen
+vergroeid. Het middelschild bestaat uit zes of meer beweeglijke
+gordels. Alle voeten hebben vijf teenen; de klauwen van de voorvoeten
+zijn zijdelings samengedrukt, de buitenste een weinig naar buiten
+gedraaid.
+
+Alle Gordeldieren dragen in de Guaranische taal den geslachtsnaam
+_Tatoe_, die ook in de Europeesche talen is overgenomen. De naam
+"Armadil" is van Spaanschen oorsprong en beteekent eigenlijk
+"gepantserd", "met een harnas voorzien." Deze naam wordt bij voorkeur
+gebruikt voor het _Zesgordelige Gordeldier_, terwijl men voor de
+overige soorten den Guaranischen of anderen vaderlandschen naam
+behouden heeft.
+
+
+
+Een van de meest bekende Gordeldieren--de _Tatoepoyoe_ der Guarani,
+d.i. de "Tatoe met de gele hand", ons _Borstelig Gordeldier_ (_Dasypus
+villosus_),--dat de Pampas van Buenos Aires bewoont, heeft van al zijne
+verwanten het leelijkste en plompste voorkomen. De nek is voorzien
+met een kraag van 9 naast elkander gelegen, langwerpig vierhoekige
+schildjes; op het voorste deel van den rug bevinden zich aan elke
+zijde zeven, in het midden vijf overlangsche reeksen van onregelmatig
+zeshoekige platen. Op dit schouderschild volgen zes van elkander
+gescheiden, beweeglijke gordels, die uit langwerpig vierhoekige
+schildjes zijn samengesteld; hierna komt het kruis- of bekkenschild,
+dat uit tien reeksen van langwerpig vierhoekige schildjes bestaat. Het
+dichtst bij den romp gelegen deel van den staart is gepantserd met
+vijf beweegbare gordels, die uit vierhoekige schildjes samengesteld
+zijn; het overige deel van den staart is met onregelmatig zeshoekige
+schildjes bedekt. De kop is aan de bovenzijde door een groep van
+onregelmatig zeshoekige schildjes beschut, dit kopschild heeft
+boven ieder oog een inham. Onder ieder oog bevinden zich eenige
+samenhangende, horizontale en aan den hals twee dwarsloopende, niet
+samenhangende reeksen van schildjes. Ook de bovenzijde van de voeten
+en de voorzijde van den voorarm zijn met onregelmatig zeszijdige
+schubben bezet. Alle pantserplaten zijn bruinachtig geel van kleur;
+door schuring tegen de wanden van het hol worden zij soms lichtgeel. De
+overige lichaamsdeelen zijn bedekt met een bruinachtige, gerimpelde
+huid, die met talrijke platte wratten bezet is. Lichtkleurige haren
+staan langs den achterrand van de gordels en van eenige andere reeksen
+van schildjes; met bruine haren zijn de niet gepantserde lichaamsdeelen
+begroeid. De lichaamslengte bedraagt 50 cM. zonder den 24 cM. langen
+staart, de schouderhoogte 24 cM.
+
+
+
+Het _Zesgordelige Gordeldier_ (_Dasypus sexcinctus_) gelijkt op
+de vorige soort en is met inbegrip van den 20 cM. langen staart
+55 à 60 cM. lang. Het heeft achter en tusschen de ooren een uit
+acht stukken bestaande reeks van schildjes, zes breede gordels zijn
+gelegen tusschen het schouderschild en het bekkenschild. Het pantser
+is bruinachtig geel, aan de rugzijde donkerder; de gewone huid is
+bleek bruinachtig geel.
+
+
+
+De Gordeldieren blijven niet in een bepaald gebied, maar veranderen
+dikwijls van leger. Dit bestaat uit een gangvormig, 1 à 2 M. lang hol,
+dat door henzelf gegraven wordt. De opening van dit hol is kringvormig
+en heeft, al naar de grootte van het dier, een middellijn van 20 à
+60 cM.; nader bij het blind loopende uiteinde wordt de gang wijder;
+het laatste gedeelte is kamervormig, zoodat de bewoner zich onder den
+grond gemakkelijk omdraaien kan. In de wildernis gaan deze dieren,
+als de lucht bewolkt is en het felle zonlicht hen dus niet hindert,
+ook over dag uit; in bewoonde gewesten verlaten zij hunne holen niet
+voordat de schemering aanvangt, maar zwerven dan ook gedurende den
+ganschen nacht rond. Het schijnt hun tamelijk onverschillig te zijn,
+of zij hun hol terugvinden of niet; als zij den weg gemist hebben,
+graven zij zonder aarzeling een nieuw hol. Hiermede beoogen zij
+een tweeledig doel, zooals reeds door Azara werd opgemerkt en door
+andere natuuronderzoekers bevestigd: de Gordeldieren leggen hunne holen
+hoofdzakelijk onder Mieren- en Termietenhoopen aan om in de gelegenheid
+te zijn, hun belangrijkste voedsel ook over dag in te zamelen.
+
+Behalve uit Mieren en Termieten bestaat het voedsel van de Gordeldieren
+hoofdzakelijk uit Kevers en hunne larven, uit Rupsen, Sprinkhanen
+en Aardwormen. Het staat bovendien onwedersprekelijk vast, dat zij
+ook plantaardig voedsel gebruiken; uit het onderzoek van de maag van
+gedoode dieren is dit gebleken.
+
+Het is licht te begrijpen, dat de omzwervingen van den Armadil altijd
+slechts binnen een beperkten kring kunnen plaats hebben. De gewone gang
+van deze dieren is een langzame draf, de eenige versnelling, die zij
+er in kunnen aanbrengen, is het schielijker verplaatsen van de pooten;
+toch kunnen zij op deze wijze zoo snel vooruitkomen, dat een mensch ze
+niet kan inhalen. Het is voor hen een onmogelijkheid sprongen te maken
+of zich snel en behendig om te draaien. De zwaarlijvigheid verhindert
+gene, het nauwsluitend pantser deze verrichting. Zij kunnen dus,
+als zij aan hun gang de grootst mogelijke snelheid willen geven,
+niets anders doen dan in rechte richting voortdraven of een zeer
+grooten boog beschrijven; zij zouden weerloos aan hunne vijanden prijs
+gegeven zijn, indien zij niet andere kunststukken verstonden. Wat
+aan hun behendigheid ontbreekt, wordt door hun groote spierkracht
+vergoed. Deze openbaart zich vooral in de snelheid, waarmede zij zich
+in den grond verbergen, zelfs op plaatsen waar een houweel slechts
+met moeite doordringt, b.v. aan den voet van Termieten-heuvels. Een
+volwassen Tatoe, die een vijand in de buurt bespeurt, heeft slechts 3
+minuten noodig om een gang te graven, die aanmerkelijk langer is dan
+zijn lichaam. Zoodra zij zich zoover hebben ingegraven, dat hun lichaam
+geheel in den gang is doorgedrongen, is zelfs de sterkste man niet meer
+in staat, om ze aan den staart rugwaarts uit hun hol te trekken. Daar
+hunne holen nooit wijder zijn dan voor het binnensluipen juist noodig
+is, hebben zij eenvoudig hun rug eenigszins te krommen om te maken,
+dat de randen van de gordels aan de rugzijde en de scherpe klauwen
+aan de buikzijde den weerstand zoozeer doen toenemen, dat niemand
+dien overwinnen kan.
+
+Het wijfje werpt in den winter of in het voorjaar 4 à 6 jongen
+en houdt ze gedurende eenige weken zorgvuldig in haar hol
+verborgen. Waarschijnlijk duurt de zoogtijd niet lang, want men ziet
+de jongen spoedig in 't veld rondloopen. Zoodra zij eenigszins in
+staat zijn om zichzelf te redden, gaat ieder zijns weegs en de moeder
+bekommert zich in 't geheel niet meer om haar kroost.
+
+Men jaagt den Tatoe gewoonlijk bij maneschijn. De jager wapent
+zich met een dikken stok van hard hout, die aan het einde spits of
+ook wel knotsvormig toeloopt en zoekt met eenige Honden het wild
+op. Als de Tatoe de Honden nog te rechter tijd bemerkt, vlucht hij
+oogenblikkelijk naar zijn eigen hol; veel liever graaft hij zich zoo
+schielijk mogelijk een nieuw hol, dan dat hij in een vreemd hol zijn
+toevlucht zoekt. Als de Honden hem ingehaald hebben, voordat hij het
+hol bereikt heeft, dan is hij verloren. Daar zij hem met de tanden
+niet aanpakken kunnen, houden zij hem met den snuit en de pooten vast,
+totdat de jager bij hen gekomen is en het Gordeldier door een slag op
+den kop doodt. Geoefende Honden trachten den loopenden Tatoe met den
+neus om te wenden om hem aan de onderzijde te kunnen aangrijpen. Als
+dit gebeurd is, verscheuren zij hem oogenblikkelijk in den letterlijken
+zin van 't woord; het pantser kraakt daarbij onder hunne tanden, alsof
+eierschalen worden stuk geknepen. Een Tatoe, die zijn hol heeft kunnen
+bereiken, ontkomt altijd aan de Honden, omdat het hun niet mogelijk
+is, hem op te graven. Wanneer hij door de Honden gegrepen is, denkt
+hij er niet aan zich te verdedigen, hoewel hij, naar men zou zeggen,
+met zijne klauwen belangrijke verwondingen zou kunnen toebrengen.
+
+Alle Gordeldieren worden door de Zuid-Amerikanen ten zeerste
+gehaat, omdat zij de oorzaak zijn van vele ongelukken. De koene
+ruiters van de steppen, die het grootste deel van hun leven te
+Paard zittend doorbrengen, worden door den arbeid der Gordeldieren
+op sommige plaatsen zeer gehinderd. Het paard, dat in gestrekten
+galop voortsnelt, trapt plotseling in een hol, en kan met den
+ruiter verongelukken. Daarom vervolgen de eigenaars van alle
+landbouwondernemingen en veefokkerijen den armen pantserdrager op
+de onmeedoogendste en volhardendste wijze. Behalve door den mensch,
+wordt hij vervolgd door de groote soorten van Katten, door den
+Braziliaanschen Wolf en door den Jakhalsvos.
+
+Zelden worden in Paraguay Tatoes in gevangenschap gehouden. Zij zijn
+te vervelend, en door hun neiging tot woelen ook te schadelijk om
+als huisgenooten van den mensch diens vriendschap te kunnen verwerven.
+
+De Gordeldieren worden dikwijls naar Europa gebracht, en in eenige
+diergaarden bij de Apen geborgen. In de gevangenschap worden zij met
+Wormen, Insecten, Insectenlarven en rauw of gekookt vleesch gevoed. Het
+vleesch moet men echter voor hen in kleine stukjes snijden, omdat
+zij van groote stukken niets afbijten kunnen. Zij vatten de spijs aan
+met de lippen of met de tong, die zich sterk kan verlengen. Wanneer
+zij behoorlijk verzorgd worden, kunnen zij jaren lang blijven leven
+en in goeden welstand gehouden worden; gewillig of onwillig dienen
+zij als rijdieren en speelkameraden voor de Apen, laten zich alles
+welgevallen, geraken gewoon aan wandelingen over dag, en planten zich
+ook wel voort. Jongen, die in den Londenschen dierentuin ter wereld
+kwamen, waren bij de geboorte blind; aan hun nog zachte huid waren
+alle plooien en velden van het volwassen dier reeds zichtbaar.
+
+Het nut van de Gordeldieren is niet onbelangrijk. De Indianen houden
+zeer veel van het vleesch van alle soorten dezer familie; slechts
+twee van deze vallen bij de Europeanen in den smaak. Volgens Kappler
+verliest het vleesch de hieraan eigen muscusreuk, als het een nacht
+over in een oplossing van zout en citroensap blijft liggen. Rengger
+verzekert, dat gebraden Gordeldieren-vleesch, met Spaansche peper
+en citroensap toebereid een van de smakelijkste gerechten van de
+Paraguayaansche keuken is. De Indianen van Paraguay maken van het
+pantser korfjes; de Botokoeden gebruiken het afgestroopte staartpantser
+als spreektrompet; vroeger maakte men van gedeelten van het pantser
+ook klankbodems voor gitaren.
+
+
+
+Het nog weinig bekende _Kogel-gordeldier_ (_Tolypeutes tricinctus_)
+wordt door de inboorlingen _Apar_ of _Matako_, door de Spanjaarden
+_Bolita_ genoemd. De eerste beschrijving van dezen vertegenwoordiger
+van een nieuw geslacht, werd gemaakt naar een opgezet exemplaar,
+dat door sommige onderzoekers gehouden werd voor een uit stukken van
+verschillende soorten samengesteld voorwerp. Reeds Azara gaf echter van
+het bedoelde dier zulk een duidelijke beschrijving, dat zijn bestaan
+niet langer betwijfeld kon worden. Hij zegt, dat de Matako niet in
+Paraguay aangetroffen wordt, maar op 36° Z.B. en verder zuidwaarts
+voorkomt. "Sommigen noemen hem Bolita, omdat hij de eenige is van alle
+Tatoes, die, als hij bevreesd is, of gevaar loopt gevangen te worden,
+den kop, den staart en de vier pooten verbergt, door van het geheele
+lichaam een kogel te vormen, die men als een bal in alle richtingen
+kan rollen, zonder dat het dier zijn gewone houding herneemt. Men
+kan dezen kogel ook slechts met groote moeite ontrollen. De jagers
+dooden het dier door het met geweld tegen den grond te werpen."
+
+Zijn lengte, gemeten van het puntje van den snuit tot aan de spits van
+den staart, bedraagt 45 cM.; de 7 cM. lange staart is van onderen aan
+de spits rond of kegelvormig, aan den wortel daarentegen in de breedte
+samengedrukt. De schubben zijn niet vlak zooals bij de overige soorten,
+maar gelijken meer op dikke korrels en treden ver naar buiten.
+
+Anton Göring kreeg een levende Bolita, uit San Louis in westelijk
+Argentinië het eigenlijke vaderland van deze diersoort, of althans
+de streek, waar zij het veelvuldigst voorkomt. Daar leeft dit
+dier, juist zooals Azara aangeeft, in het vrije veld; of het ook
+in eigen gegraven holen woont, kon Göring niet gewaar worden. De
+inboorlingen nemen het bij de vangst van andere Gordeldieren (die
+gelijk reeds gezegd werd, een lievelingsspijs van de Gaucho's zijn)
+bij gelegenheid mede. Omdat echter de Matako een aardig dier is,
+vindt hij gewoonlijk genade in hunne oogen; hij blijft gespaard,
+maar wordt gevangen gehouden. Hij dient n.l. als speelgoed voor de
+kinderen des huizes, die met hem werpen als met een bal, of hem langs
+een plank naar beneden laten rollen en zich vermaken met het geklepper,
+dat hij door zijn zonderlinge gang veroorzaakt. Göring werd dikwijls
+door zijne bezoekers aangezocht om zijn Bolita te laten zien. Hoewel
+deze nog niet lang gevangen was geweest, gaf hij reeds eenige bewijzen
+van vertrouwelijkheid, en nam zonder schroom het voedsel, dat men
+hem voorhield uit de hand. Hij at allerlei vruchten en bladen, vooral
+perziken, komkommers en salade; dit deed hij slechts, wanneer men hem
+deze zaken voorhield, maar toch meermalen op een dag, zoo vaak men hem
+wat gaf. Het voedsel moest voor hem, wegens zijn kleine mondopening,
+in smalle stukjes gesneden zijn, die hij vervolgens op een zeer nette
+wijze opnam. Hij sliep zoowel over dag als 's nachts. Hiertoe strekte
+hij de voorpooten recht voor zich uit, trok de achterpooten in, en
+ging liggen op deze en op den buik; de kop werd benedenwaarts gebogen
+en tusschen de voorpooten verborgen. De rug was in iedere houding
+sterk bovenwaarts gekromd; het dier was niet bij machte hem geheel te
+strekken. Hoewel het in het bijzijn van verscheidene personen volkomen
+rustig heen en weerliep, kromp het toch dadelijk ineen, zoodra men
+het aanraakte, en deed dit, als men het drukte, zoo sterk, dat het
+bijna een volslagen bol werd. Als men het daarna met vrede liet,
+strekte het zich allengs weder uit, en zette zijn wandeling voort.
+
+Het was een bijzonder aardig dier; elk zijner bewegingen was, hoe
+vreemdsoortig ook, toch werkelijk bevallig. De gang op de spitsen van
+de omstreeks 3 cM. lange, gekromde klauwen, was in de hoogste mate
+verrassend en wekte steeds de verwondering van alle toeschouwers. Als
+men het buiten liet loopen, trachtte het zoo schielijk mogelijk te
+ontvluchten; wanneer het echter ingehaald werd door een vervolger,
+b.v. door een Hond, dan rolde het zich tot een kogel samen. Als
+men deze kogel over den bodem voortrolde, bleef hij vast gesloten;
+zoodra echter de beweging ophield, ontrolde het dier zich en liep
+weg. De Honden toonden zich niet meer gebeten op den Bolita dan op
+alle overige Gordeldieren.
+
+
+
+Het geslacht _Priodon_, dat boschrijke gewesten van Brazilië en
+Guyana bewoont, wordt vertegenwoordigd door het _Reuzen-gordeldier_
+(_Priodon gigas_). De Prins Von Wied, die dit dier niet te zien
+heeft kunnen krijgen, meent, dat het over het grootste deel van
+Brazilië en misschien zelfs over geheel Zuid-Amerika verbreid is. In
+de groote oerwouden vonden zijne jagers dikwijls holen of gangen
+van dit dier, vooral onder de wortels van oude boomen, en men kon
+zijn omvang uit de wijdte dezer woningen afleiden. De jagers onder
+de inboorlingen beweerden, dat het hierin een groot Zwijn evenaart,
+welke mededeeling niet in tegenspraak was met de wijdte der holen,
+en nog meer bevestigd werd door de staarten dezer dieren, welke
+de Prins aantrof bij de Botokoeden, die aan de oevers van den Rio
+Grande de Belmonte wonen. Deze wilden gebruiken als spreektrompet een
+voorwerp, dat zij "Tatoe-staart" noemen en dat 36 cM. lengte heeft
+bij 8 cM. middellijn aan het dikste uiteinde.
+
+Uit latere onderzoekingen bleek, dat het Reuzen-gordeldier een
+lichaamslengte van 1 M. en meer bereikt, zonder den ongeveer half
+zoo langen staart; volgens Kappler kan het 45 KG. zwaar worden. Het
+voorhoofd en de schedel zijn met zeer onregelmatige beenplaten
+bedekt. Het schouderpantser bestaat uit tien gordelvormige reeksen
+van beenplaten, waartusschen dicht bij den achterrand van weerszijden
+nog een reeks doordringt; de beweeglijke gordels zijn ten getale van
+12 of 13 voorhanden; het heuppantser bestaat uit 16 à 17 reeksen
+van schilden. Deze zijn vierkant of rechthoekig, ook wel vijf-
+of zeshoekig, die van de achterste reeksen van het heuppantser
+onregelmatig; de staart is met onregelmatige, vierhoekige beenplaten
+bedekt. Het merkwaardigste van het geheele dier is misschien zijn
+gebit. In elke bovenkaakshelft komen 22 à 24 tanden voor, waarvan
+er echter dikwijls verscheidene uitvallen; steeds echter bestaat
+dit gebit uit 90 à 100 tanden, of althans organen, die de tanden
+vervangen. In de voorste helft van elke reeks zijn het namelijk
+slechts dunne platen en eerst verder achterwaarts worden zij allengs
+dikker. Waarom het Reuzen-gordeldier dit kolossaal gebit bezit is
+nagenoeg onverklaarbaar, daar het zich, voor zoover men weet, door
+zijn voedingswijze volstrekt niet van de overige soorten onderscheidt.
+
+
+
+De Amerikaan Harlan ontdekte in het jaar 1824 niet ver van Mendoza
+in westelijk Argentinië tot groote verbazing van de bewoners dezer
+gewesten, die met het bestaan van dit dier nagenoeg onbekend waren, een
+hoogst merkwaardig lid van de familie der Gordeldieren--de _Gordelmuis_
+(_Chlamydophorus truncatus_). Gedurende geruimen tijd waren er slechts
+twee exemplaren van bekend, die in de verzamelingen van Philadelphia en
+Londen bewaard werden en gelukkig op de zorgvuldigste wijze onderzocht
+konden worden. De Gordelmuis wordt terecht als vertegenwoordigster
+van een afzonderlijk geslacht beschouwd; zij onderscheidt zich echter
+van de overige, reeds genoemde Gordeldieren meer door haar pantser
+dan door haar inwendig maaksel.
+
+De _Schildmol_ of _Gordelmuis_ is door het hoogst eigenaardige,
+bijna lederachtige hoornpantser, dat zijn lichaam bedekt, een der
+merkwaardigste leden van het geheele dierenrijk. Dit zonderlinge
+wezen is een dwerg in vergelijking met de andere Gordeldieren
+en overtreft de kleinste, bekende Zoogdieren slechts weinig in
+grootte. Door zijn vorm en meer nog door zijn levenswijze herinnert
+het sterk aan de Mollen. Zijn kop is kort, de achterste helft breed,
+de voorste toegespitst, en eindigt in een tamelijk korten, stompen
+snuit. De oogen zijn klein en liggen verborgen onder de afhangende
+haren. De op korten afstand achter de oogen gelegen ooren hebben geen
+waarneembare oorschelp. In elke kaakhelft treft men acht kiezen aan
+van zeer eenvoudig maaksel; zij zijn rolvormig en, met uitzondering
+van de beide voorste in iedere kaak, die een weinig spits toeloopen,
+aan de kauwvlakte afgeplat. De pooten zijn kort, de voorste ledematen
+zeer krachtig, plomp en bijna op gelijke wijze als die der Mollen
+samengesteld; de achterste daarentegen veel smaller dan de voorste,
+met lange en smalle voeten voorzien. Alle teenen dragen middelmatig
+scherpe klauwen; die van de voorvoeten zijn zeer groot en stevig
+en vormen krachtige graafwerktuigen. De staart, die in een inham
+van het pantser, dat het achterste deel van het lichaam bedekt,
+vastgehecht is, maakt plotseling een benedenwaartsche kromming en
+is tusschen de achterpooten door, langs het onderlijf teruggebogen,
+zoodat hij geheel tegen den buik ligt.
+
+De geheele bovenzijde van het lichaam wordt bedekt door een bijna
+lederachtig, uit hoorn bestaand schild-pantser, dat tamelijk dik is
+en minder buigzaam dan zoolleder, het begint op den kop, dicht bij de
+spits van den snuit, en strekt zich over den geheelen rug tot op het
+achterste deel van den romp uit, welks bovenvlakte hier rechthoekig
+benedenwaarts gebogen is, waardoor het dier er uitziet, alsof het
+afgeknot, verminkt werd. Dit pantser--dat meestal uit regelmatige
+dwarse gordels of reeksen van grootendeels rechthoekige, gedeeltelijk
+echter ruitvormige en ook wel onregelmatige, met knobbeltjes bezette
+schilden bestaat--is geenszins, zooals bij de overige Gordeldieren,
+overal stevig met de lichaamshuid verbonden, maar ligt er grootendeels
+slechts los over heen. Volgens een lijn, die over het midden van den
+rug loopt, is het door een vlies bevestigd aan de doornuitsteeksels van
+de wervelkolom; bovendien is het door middel van twee schilden aan de
+beide halfbolvormige uitsteeksels van het voorhoofdsbeen aangehecht;
+daarentegen wijkt het aan de zijden van den romp van de oppervlakte
+af en kan daar opgetild worden. Aan het voorste deel van den kop is
+het pantser echter stevig met het geraamte verbonden en ook aan het
+achterste deel van den romp, waar het een vlakke plaat vormt over het
+afgeknotte deel van 't lichaam. Hoewel de ruimten tusschen de gordels
+niet bijzonder groot zijn, laten zij toch een vrij groote buiging van
+den romp toe; zelfs is er reden voor het vermoeden, dat dit dier zijn
+lichaam tot een bal ineenrollen kan. Het volkomen onbeweeglijke, met
+den staart slechts door een vlies verbonden pantser van het achterdeel,
+dat een rechten hoek vormt met de as van lichaam en volkomen plat is,
+bestaat uit 5 of 6 half-kringvormige reeksen van deels rechthoekige,
+deels ruitvormige schildjes. Het geheele pantser is aan zijn bovenzijde
+zoowel als aan het niet met de huid verbonden deel van de onderzijde
+onbehaard en volkomen glad; alleen aan de onderranden bevinden zich
+talrijke, tamelijk lange, zijdeachtige haren. Daarentegen is de
+huid van het dier overal en zelfs onder de losse gedeelten van het
+pantser, tamelijk dicht met lange, fijne en zachte, bijna zijdeachtige
+haren begroeid, met uitzondering alleen van den staart, de zolen,
+de spits van den snuit en de kin, die volkomen naakt zijn. De lengte
+van het lichaam bedraagt 13 cM., zonder den 3.5 cM. langen staart;
+de schouderhoogte is 5 cM.
+
+In de dierkundige werken wordt van de levenswijze van de Gordelmuis
+niet anders bericht, dan dat zij in zandige vlakten leeft en hier
+op soortgelijke wijze als onze Mol in Europa, lange gangen onder
+de oppervlakte van den grond graaft; met zorg vermijdt zij het
+verlaten van haar onderaardsch paleis en komt waarschijnlijk alleen
+bij toeval aan de oppervlakte van den bodem. Naar men zegt doorwoelt
+zij met groote snelheid den grond, zij loopt er doorheen evenals de
+Mol; aan de aardoppervlakte zijn hare bewegingen echter langzaam en
+plomp. Hoogstwaarschijnlijk maakt zij jacht op Insecten en Wormen,
+misschien behelpt zij zich soms ook met malsche wortels. Van haar
+voortplanting weet men alleen, dat zij niet snel geschiedt. De
+inboorlingen beweren, dat het wijfje hare jongen onder haar pantser
+verborgen medevoert.
+
+Men ziet hoe gebrekkig deze mededeelingen zijn, terwijl sommige
+bovendien slechts op bloote vermoedens berustten. Des te aangenamer was
+het mij, van Göring nog iets over dit dier te vernemen: "De Schildmol
+leeft niet alleen in Mendoza maar ook in San Louis" (beide staten van
+de Argentijnsche Republiek, aan of bij de Chileensche grens). "De
+Spanjaarden noemen hem _Bicho ciego_, omdat zij meenen, dat hij
+geheel blind is; enkele geven hem echter den naam _Juan calado_ ('Jan
+Kant'). Dit diertje bewoont zandige, droge, steenachtige gewesten,
+hoofdzakelijk zulke, die met doornplanten en cactussen begroeid
+zijn. Over dag houdt het zich steeds verborgen onder den grond;
+des nachts echter verschijnt het ook aan de oppervlakte, vooral bij
+maneschijn loopt het buiten zijn hol rond, het liefst onder struiken."
+
+Men vangt dit dier niet anders dan bij toeval, vooral bij het graven
+van de besproeiingskanalen, die aangelegd moeten worden daar, waar
+men den bodem bebouwen wil. Eenige malen is het ook bij de vangst
+van andere Gordeldieren mede gevangen geworden. In den laatsten
+tijd heeft men zich, om aan de veelvuldige aanzoeken te voldoen,
+wat meer moeite gegeven om Schildmollen te vangen; dit kost echter,
+naar het schijnt, veel moeite, daar Göring, die zich 7 maanden lang
+in deze streken ophield, in weerwil van alle pogingen, die hij deed
+en de verlokkendste beloften, geen enkel levend of versch gedood
+exemplaar meester kon worden. Ook thans nog is de "Bicho ciego" een
+voorwerp van bewondering voor de inboorlingen. Zij laten ieder door
+hen gevangen exemplaar zoo lang leven, als het bij de gebrekkige
+zorg die zij er aan wijden, leven kan en bewaren het vervolgens
+als een groote merkwaardigheid, zoo goed hun dit mogelijk is. Over
+'t algemeen hebben de Zuid-Amerikanen de gewoonte om dieren, die
+hun merkwaardig voorkomen, in gevangenschap te houden, zonder er
+evenwel aan te denken ze ook goed te verzorgen. Daar deze menschen
+het prepareeren en opzetten van dieren niet kennen, vindt men de
+Schildmollen bij hen alleen in den toestand van mummiën.
+
+
+
+De _Schubdieren_ (_Manididae_) komen door lichaamsvorm en levenswijze
+met de Miereneters overeen, maar vormen toch een familie op zich
+zelf, die van de zooeven genoemde duidelijk onderscheiden is. Het
+lichaam van de Schubdieren is n.l. aan de bovenzijde bedekt met
+groote, plaatvormige hoornschubben, die elkander dakpansgewijs of
+liever als de schubben van een dennekegel bedekken. Deze bedekking,
+het voornaamste kenteeken der familie, is eenig in haar soort; want
+het pantser van de Gordeldieren en van de Gordelmuizen vertoont
+slechts een verwijderde overeenkomst met de bedoelde eigenaardige
+hoornvormingen, die wat haar vorm betreft, eerder met de schubben
+van een Visch of van een Kruipend Dier vergeleken kunnen worden dan
+met eenig voortbrengsel van de huid van een Zoogdier.
+
+Tot nauwkeuriger omschrijving van de Schubdieren moge het volgende
+dienen: De romp is gestrekt, de staart lang, de kop klein, de snuit
+kegelvormig toegespitst; de vóór- en achterpooten zijn kort, hunne
+voeten hebben vijf teenen, die met stevige, voor 't graven geschikte
+klauwen gewapend zijn. Slechts aan de keel, de onderzijde van den romp
+en de binnenzijde der pooten ontbreken de schubben, terwijl het geheele
+overige deel van het lichaam door het "schobbejak" omhuld is. Alle
+schubben zijn met de eene spits in de lichaamshuid vastgehecht;
+zij hebben een ruitvormige gedaante, zijn aan de randen zeer scherp
+en bovendien buitengewoon hard en vast. Door deze inrichting kan het
+lichaam tamelijk goed in alle richtingen bewogen worden; de schubben
+zelf kunnen trouwens even goed zijdelings heen en weer geschoven,
+als opgericht en tegen het lichaam aan gelegd worden.
+
+Tusschen de schubben in en op de ongeschubde lichaamsdeelen staan dunne
+haren, die echter soms aan de buikzijde volkomen wegslijten. De snuit
+is ongeschubd, maar met een stevige, hoornachtige huid bedekt. De kaken
+zijn volkomen tandeloos. Een eigenaardige, breede spier, die evenals
+bij den Egel onder de huid gelegen is, dient voor het ineenrollen of
+in een bol veranderen van het lichaam. De tong is tamelijk lang en
+vooruitsteekbaar; buitengewoon groote speekselklieren leveren haar
+het noodige slijm om het voedsel, dat uit Insecten, waarschijnlijk
+vooral uit Mieren en Termieten, bestaat, er aan te doen kleven.
+
+Een groot deel van Afrika en geheel Zuid-Azië alsmede eenige naburige
+eilanden vormen het vaderland van deze vreemdsoortige dieren; zij
+houden zich op in steppen en boschstreken, in de gebergten zoowel als
+in de vlakten. Waarschijnlijk bewonen zij alle holen, die door hen
+zelf gegraven zijn en leven hierin eenzaam en ongezellig. Evenals
+hunne verwanten verbergen zij zich over dag, en bewegen zich 's
+nachts. Aan gevangen Schubdieren heeft men opgemerkt, dat zij over
+dag slapen en dan ineengerold zijn, zoodat de kop onder den staart
+verborgen is. Als de schemering aanvangt, ontwaken zij en zwerven
+daarna rond om voedsel te zoeken.
+
+De Schubdieren maken bij het gaan hoofdzakelijk gebruik van de
+achterste ledematen, die met de geheele zool op den grond rusten,
+richten het sterk gekromde lichaam naar voren, buigen den kop ter
+aarde en laten de voorpooten hangen, zoodat de klauwen bijna den
+bodem raken. Soms wordt ook de staart tegen den grond gedrukt tot
+ondersteuning van het lichaam gedurende het gaan; het dier kan zijn
+evenwicht echter ook behouden, wanneer het den staart recht uitgestrekt
+of met de spits naar boven gekromd draagt.
+
+Hunne bewegingen zijn volstrekt niet zoo langzaam en traag, als vroeger
+beweerd werd. Van een in Liberia waargenomen soort (_Manis gigantea_)
+zegt Büttikofer: "Dit dier loopt, in tegenstelling met hetgeen de
+boeken er van vermelden, zeer snel, zoodat een man het bijna niet
+zou kunnen inhalen en richt zich, terwijl het vlucht, soms op de
+achterpooten en den staart op, om achterwaarts te zien; het laat dan
+de voorpooten hangen." Bovendien bevestigt onze zegsman het feit, dat
+twee Afrikaansche soorten eveneens goede loopers zijn en bovendien
+behendig in de boomen kunnen klimmen; van de laatstbedoelde zegt
+hij: "Deze dieren worden tam en kunnen langen tijd in huis gehouden
+worden, waar men ze vrij laat rondloopen, omdat zij ijverig jacht
+maken op Mieren, Kakkerlakken en andere lastige Insecten. Zij zijn
+zeer behendig en beklimmen in een ommezien de daken der huizen en de
+stammen der boomen."
+
+Als zij behoorlijk verzorgd worden, verdragen de Schubdieren geruimen
+tijd het leven in de gevangenschap. Ook raken zij tamelijk spoedig
+gewoon aan melk, brood, ja zelfs aan graankorrels, hoewel Insecten
+steeds hun liefste voedsel blijven uitmaken. Het vleesch van de
+Schubdieren wordt door de inboorlingen gegeten en als smakelijk
+geroemd; het pantser dient bij sommige volksstammen tot het opsieren
+van verschillende gereedschappen.
+
+
+
+Het _Langstaartige Schubdier_ (_Manis longicaudata_) heeft een totale
+lengte van 1 à 1.3 M., waarvan bijna twee derden op den staart
+komen. Bij jongere dieren is de staart voluit het dubbele van het
+overige lichaam; naarmate het dier ouder wordt, wijzigt zich deze
+verhouding eenigszins. De schubben bedekken, met uitzondering van het
+onderste deel van de buitenzijde der voorpooten, de geheele boven-
+en buitenzijde van den romp en van den staart, van dezen ook nog de
+onderzijde; de niet geschubde lichaamsdeelen zijn met stijve borstels
+begroeid. Het aangezicht en de keel schijnen bijna geheel kaal. De
+buitengewoon stevige en aan de randen scherpe schubben zijn op het
+midden van den rug het grootst. De algemeene kleur van het dier is
+zwartachtig bruin met een roodachtige tint; iedere schub afzonderlijk
+is aan den voet zwartbruin en langs de randen geelachtig gezoomd. De
+borstelige haren zijn zwart. Het vaderland van dit dier is West-Afrika.
+
+Het eerste uitvoerige bericht over de levenswijze van dit Schubdier
+danken wij aan Desmarchais: "In Guinea vindt men in de wouden een
+viervoetig dier, dat de Negers _Quoggelo_ noemen. Het is van den hals
+tot aan de spits van den staart met schubben bedekt, die bijna den
+vorm hebben van de bladen van artisjokken, maar een weinig spitser
+toeloopen. Overal dicht opeengedrongen, zijn zij dik en stevig genoeg
+om het dier te beschutten tegen de klauwen en tanden van andere
+dieren, die het aanvallen. De Luipaarden vervolgen het onophoudelijk
+en bereiken het zonder moeite, daar het op lange na niet zoo snel
+loopt als zij. Het vlucht, maar wordt spoedig ingehaald. Zoomin met
+de klauwen als met den bek, kan het zich tegen de vreeselijke tanden
+en klauwen van de Roofdieren verweren. Daarom rolt het zich ineen en
+slaat den staart onder den buik, zoodat de spitsen van de schubben
+allerwege naar buiten gekeerd zijn. De groote Katten rollen het zacht
+met de klauwen heen en weer, steken zich echter zoodra zij het steviger
+aangrijpen en zien zich genoodzaakt het met vrede te laten. De Negers
+slaan het met stokken dood, trekken het de huid af, die zij aan de
+blanken verkoopen, en eten zijn vleesch. In zijn snuit, die men met
+een eendensnavel zou kunnen vergelijken, ligt een zeer lange, kleverige
+tong, die het in de gaten der mierenhoopen steekt of op hun weg legt;
+de Mieren, door den reuk aangelokt, begeven zich dadelijk op deze tong
+en blijven er aan hangen. Bemerkt het dier, dat zijn tong met Insecten
+bedekt is, dan trekt het haar in den bek terug en houdt zijn maal."
+
+
+
+De _Pangolin_ (_Manis pentadactyla_) heeft een korten staart en
+een volledig pantser op de buitenzijde van de voorpooten. Dit dier
+bewoont Vóór-Indië en Ceylon, bij voorkeur heuvelachtige gewesten;
+het komt echter nergens talrijk voor. Reeds Aelianus bericht, dat er
+in Indië een dier voorkomt, dat er als een Landkrokodil uitziet.
+
+Van de overige Schubdieren, met uitzondering van het Steppen-schubdier,
+onderscheidt de Pangolin zich door zijn grootte en bovendien, doordat
+zijne schubben, die op 11 à 13 reeksen geplaatst zijn, op den rug
+en den staart zeer breed en nergens gekield zijn. Een volwassen
+mannetje kan wel 1.3 M. lang worden; hiervan komt ongeveer de helft
+op den staart.
+
+Ook van deze soort is de levenswijze ons slechts zeer onvolledig
+bekend. Het dier graaft gangen, die over een afstand van 2 à
+4 M. schuins naar beneden gericht zijn en in een groote kamer
+uitkomen. Hier leven de Schubdieren paarsgewijs; waarschijnlijk van
+Januari tot Maart vindt men 1 of 2 jongen bij hen. Als zij in het hol
+zijn, verstoppen zij gewoonlijk den ingang zoo goed met aarde, dat deze
+niet gemakkelijk gevonden zou worden, zonder het eigenaardig spoor,
+dat er om heen leidt. Burt verhaalt, dat de Pangolin niets anders
+dan Mieren eet en er zeer vele verdelgt, maar dat hij ook 2 maanden
+achtereen zonder voedsel in 't leven kan blijven, dat hij 's nachts
+rondzwerft en in de gevangenschap zeer onrustig is, zich tamelijk snel
+kan bewegen en, als men hem aanvat, zich bedaard bij den staart laat
+opnemen, zonder de minste poging te doen om zich tegen zijn vijand
+te verweren, enz. De Chineezen vervaardigen pantsers uit zijn huid.
+
+
+
+Het _Javaansche Schubdier_ (_Manis javanica_) bewoont op Java,
+Sumatra en Borneo bosschen, liefst in bergachtige streken. Het klimt
+in de boomen en vindt een schuilplaats in boomspleten of tusschen
+bovenaardsche boomwortels, vooral van _Ficus_-soorten, minder dikwijls
+in rotsholen. Het maakt jacht op Mieren en Termieten, welker nesten
+het opengraaft, voorts op andere Insecten, Wormen, enz. Zijn vleesch
+wordt vrij algemeen door de inlanders gegeten en van zijne schubben
+worden soms ringen vervaardigd, die als amuletten tegen allerlei
+kwalen gebruikt worden. "Meermalen," schrijft Haszkael, "heb ik op
+Java Schubdieren gekocht, maar ze nooit lang behouden, daar ik ze, bij
+gebrek aan een betere bergplaats, in navolging van de inboorlingen,
+met een touw, dat aan een vooraf doorboorde schub was vastgemaakt,
+aan een boom moest binden. Zij klommen zeer snel en behendig in den
+boom; ook op den grond bewegen zij zich vermoedelijk vrij goed: ik kon
+mijne gevangenen, als zij, hun doorboorde schub in den steek latend,
+ontvluchtten, nooit weder krijgen."
+
+
+
+Een betrekkelijk korte, breede, eerst bij de spits dunner
+wordende en daar plotseling stomp afgeronde staart komt voorbij
+het _Steppen-schubdier_ (_Manis Temminckii_), de _Aboe-Khirfa_
+("Schors-vader") van de nomaden van Kordofan. Wat grootte en vorm
+betreft komt het nog het meest met den Pangolin overeen. De kop
+is kort en dik, de romp breed, de staart ongeveer zoo lang als het
+overige lichaam. Eivormige schubben bedekken den kop; zeer groote,
+aan den wortel fijn overlangs gegroefde, aan de spits gladde schubben
+vormen aan de rugzijde van den romp 11 à 13, op het voorste deel van
+den staart 5 en bij de spits 4 reeksen. Volwassen mannetjes bereiken
+een lengte van ongeveer 80 cM., met inbegrip van den ongeveer 30
+cM. langen staart. Het Steppen-schubdier bewoont voornamelijk Oost-
+en Zuid-Afrika, maar wordt ook in West-Afrika, gevonden; het vindt
+in de aan Termieten zoo rijke steppen een overvloed van voedsel en
+de gewenschte eenzaamheid. Het graaft en bewoont gaten in den grond,
+welke nooit zoo diep zijn als die van het Aardvarken en waaruit het
+eerst na het begin van de schemering te voorschijn komt. Het is
+zoomin behendig als vlug en niet in staat zich tegen vijanden te
+verdedigen. Mieren, Termieten, Sprinkhanen, Kevers, misschien ook
+Wormen maken zijn voedsel uit.
+
+Ik zag een van deze merkwaardige wezens levend bij een koopman in
+Khartoem, die het met melk en wittebrood voedde. Het was, evenals de
+overige leden van zijn geslacht, volkomen onschadelijk; men kon met
+hem doen, wat men wilde. Over dag lag het ineengerold in den een of
+anderen hoek, 's nachts kwam het te voorschijn; het at met de tong,
+die het telkens in de melk dompelde en waaraan de wittebroodkruimels
+zich hechtten.
+
+
+
+In de laatste familie vereenigen wij de _Aardvarkens_
+(_Orycteropodidae_), plompe dieren, met dikken, loggen romp, die
+met een ijl, borstelig haarkleed bedekt is, met dunnen hals, langen,
+slanken kop met rolvormigen snuit, middelmatig langen, kegelvormigen
+staart en korte, betrekkelijk dunne pooten, waarvan de voorste vier,
+de achterste vijf teenen hebben, die met zeer stevige, bijna rechte en
+platte, aan de randen scherpe, hoefachtige nagels voorzien zijn. De
+bek is tamelijk groot, de oogen staan ver naar achteren, de ooren
+zijn lang. Bij het jonge dier bevat elke bovenkaakshelft 8, elke
+onderkaakshelft 6 kiezen; bij oude dieren daarentegen is het aantal
+kiezen in elke reeks verminderd tot 5 boven en 4 onder; deze kiezen
+zijn rolvormig, wortelloos, uit tallooze fijne buisjes samengesteld,
+die op de kauwvlakte gesloten, aan het tegenovergestelde uiteinde
+echter open zijn.
+
+
+
+Het _Kaapsche Aardvarken_ (_Orycteropus capensis_) bereikt een
+lengte van ongeveer 2 M., met inbegrip van den ongeveer 85 cM. langen
+staart, en een gewicht van 50 à 60 KG. De huid is zeer dik, met glad
+neerliggende en tamelijk wijd uiteenstaande, borstelachtige haren
+bekleed; het haar van de bovenzijde van 't lichaam is iets korter
+dan dat van de onderzijde, waar het, vooral aan den oorsprong der
+teenen, bosjes vormt. De kleur is zeer gelijkmatig: de rug en de
+zijden zijn geelachtig bruin met een roodachtig waas, de onderzijde
+en de kop licht roodachtig geel, het achterdeel, de staartwortel en
+de ledematen bruin. Pas geboren jongen zijn vleeschkleurig.
+
+De Hollandsche Boeren in Zuid-Afrika hebben dit dier "Aardvarken"
+genoemd, omdat zijn vleesch in smaak overeenkomt met dat van het
+Wilde Zwijn; reeds sinds lang maken zij er ijverig jacht op; zij
+hebben het hierdoor goed leeren kennen.
+
+Het Aardvarken komt voor in Zuid- en Midden-Afrika, van de oostkust
+tot aan de westkust; evenals de Gordeldieren bewoont het bij voorkeur
+het vlakke land, woestijnachtige gewesten en steppen, waar Mieren en
+Termieten talrijk zijn. Het is een eenzaam levend dier; hoewel men
+het soms in gezelschap van zijne soortgenooten aantreft, heeft het met
+deze geen omgang; over dag slaapt het in groote, zelf gegraven holen,
+des nachts zwerft het rond.
+
+Het heeft een ongeloofelijke bekwaamheid in 't graven. Weinige
+oogenblikken heeft het maar noodig om zich geheel in den grond te
+verbergen, hoe hard de bodem ook moge zijn. Als het bij een Mieren-
+of Termieten-woning komt, besnuffelt het deze eerst zorgvuldig aan
+alle zijden, en tijgt dan aan den arbeid: het wroet in den grond,
+totdat het de belangrijkste afdeeling van het nest of althans
+een hoofdverkeersweg van de Insecten bereikt heeft. In zulke
+hoofdgangen nu steekt het Aardvarken herhaaldelijk zijn lange,
+kleverige tong, wacht totdat deze geheel met Insecten bedekt is,
+trekt haar dan in den bek terug, en herhaalt deze beweging zoolang,
+totdat het volkomen verzadigd is. Zoo wordt het eene nest na het
+andere geplunderd, en onder de alles vernielende Termieten een groote
+slachting anngericht. Geen dier is in staat het Aardvarken in zijn
+hol te vervolgen, daar het de uitgegraven aarde met zooveel kracht
+achteruitwerpt, dat de aanvaller zich verschrikt terugtrekt. Zelfs
+voor den mensch is het moeilijk hem op te delven, en ieder jager,
+die dit beproeft, wordt na weinige minuten volkomen met aarde bedekt.
+
+Het Aardvarken is buitengewoon voorzichtig en schuw, en begraaft
+zich ook 's nachts bij het geringste gedruisch onmiddellijk in den
+grond. Door zijn groote lichaamskracht is het trouwens in staat aan
+velerlei gevaren het hoofd te bieden. De jager, wien het gelukt een
+Aardvarken te overrompelen en vast te houden, is hierdoor nog volstrekt
+niet zeker van den gewenschten buit. Evenals het Gordeldier drukt het
+zich, zelfs wanneer het slechts halverwege in zijn hol doorgedrongen is
+met al zijn kracht tegen de wanden, houdt zich met de scherpe klauwen
+er stevig aan vast, kromt den rug en drukt hem met zooveel geweld
+naar boven, dat het nagenoeg onmogelijk is, ook maar een enkelen poot
+los te rukken en het dier uit den grond te trekken. Zelfs voor de
+vereenigde krachten van verscheidene mannen is dit werk zwaar genoeg.
+
+Nauwkeurige berichten over de voortplanting ontbreken tot dusver.
+
+In de laatste tientallen jaren is het Aardvarken herhaaldelijk naar
+Europa gebracht; men heeft het hier bij behoorlijke verzorging meer
+dan een jaar lang in 't leven kunnen houden. Het wordt gevoederd
+met fijn gehakt vleesch, rauwe eieren, mierenpoppen en meelbrij,
+waardoor echter het voedsel dat het in de vrije natuur gebruikt,
+slechts op een zeer onvoldoende wijze wordt vervangen.
+
+Alleen in gewesten, die dikwijls door karavanen worden bezocht, wordt
+het Aardvarken den mensch schadelijk door zijn graven; overigens
+veroorzaakt het eerder nut dan schade. Het vleesch gelijkt op dat
+van 't Zwijn en wordt soms uitmuntend, soms taai en kwalijk riekend
+genoemd; de dikke, stevige huid wordt tot leder verwerkt.
+
+
+
+
+
+Negende Orde.
+
+De Slurfdieren (Proboscidea).
+
+
+Als een uitstervend geslacht, als de laatste afstammelingen van een
+voormaals talrijkere Zoogdieren-groep, treden de _slurfdieren_ voor
+ons. Zij maken den indruk van levende getuigen uit vroegere tijdperken
+van de ontwikkelingsgeschiedenis der dierenwereld, van wezens uit den
+vóórtijd, die aan het lot, dat hunne stamgenooten getroffen heeft,
+ontkomen zijn, en tot den tegenwoordigen tijd gespaard bleven.
+
+Van de tot deze orde behoorende diervormen, die onze planeet bewoond
+hebben, leven thans nog slechts de vertegenwoordigers van één familie;
+twee of misschien drie soorten; zij maken de laatste leden uit van een
+reeks, die den tegenwoordigen tijd op een duidelijk zichtbare wijze met
+de voorwereld verbindt: want tot hun familie moet men de reusachtige
+dieren rekenen, welker goed geconserveerde lijken het ijs van Siberië
+gedurende duizenden van jaren voor ons bewaard heeft. Om van de
+beteekenis dezer diergroep een juist denkbeeld te krijgen, is het
+noodig ook op de uitgestorvene soorten de aandacht te vestigen. Neumayr
+zegt van hen het volgende: "Over 't algemeen onderscheidden zich de
+Zoogdieren, die gedurende het diluviale tijdvak Europa bewoonden,
+door hun krachtige ontwikkeling: er zijn zoovele groote vormen bij,
+dat met het oog op deze, de hedendaagsche Europeesche Zoogdieren-fauna
+zich als een jammerlijk ontaard overblijfsel van vroegeren bloei aan
+ons voordoet. Het meest loopt dit in 't oog, als wij letten op de
+groote planteneters van dien tijd; in de eerste plaats blijkt dan de
+sterke verbreiding van drie kolossale soorten van Slurfdieren, die
+alle grooter waren dan de hedendaagsche Indische en Afrikaansche
+soort. Twee van deze, n.l. _Elephas meridionalis_ en _Elephas
+antiquus_--misschien de grootste landbouwers onder de Zoogdieren, die
+ooit bestaan hebben--lieten hoofdzakelijk in Zuid-Europa sporen van hun
+aanwezigheid achter; hun verbreidingsgebied reikte tot in Engeland;
+reeds in Noord-Duitschland echter waren zij zeer zeldzaam. Beide
+zijn vooral veelvuldig geweest in de oudste diluviale periode (in
+het tijdvak, dat aan den ijstijd onmiddellijk voorafgaat) daarna
+verdwijnt _Elephas meridionalis_, terwijl overblijfselen van _Elephas
+antiquus_ nog voorkomen in de aardlagen, die zich afgezet hebben in het
+interglaciale tijdperk (tusschen den eersten en den tweeden ijstijd).
+
+"Geheel anders was het gesteld met de derde soort, met den _Mammoet_
+(_Elephas primigenius_), wiens overblijfselen in het tijdvak dat
+aan den ijstijd voorafgaat, slechts zelden gevonden worden, maar in
+de diluviale gronden uit latere tijdperken buitengewoon veelvuldig
+zijn; tallooze kudden van deze dieren bevolkten destijds Europa en
+het noorden van Azië. Geen fossielen hebben zoo sterk de aandacht
+getrokken als die van den Mammoet, wiens beenderen en tanden op sommige
+plaatsen in menigte voorhanden zijn. In vroegeren tijd hield men ze
+voor de beenderen van Sint Christophorus of van een anderen heilige,
+wien men om de een of andere reden een bijzondere grootte meende te
+moeten toeschrijven; vele van zulke overblijfselen werden daarom in
+kerken als reliquieën bewaard. Anderen hielden ze voor de beenderen
+van de reuzen Gog en Magog, die in den bijbel worden genoemd, of van
+andere minder beroemde reuzen. Door hen, die met de klassieke oudheid
+meer bekend waren, werden zij aan den Germaanschen koning Teutobod
+toegeschreven. Toen men er eindelijk toe overging, deze beenderen en
+tanden nauwkeuriger te bekijken, en de overeenkomst opmerkte, die
+zij met Olifantstanden hebben, meende men, dat zij afkomstig waren
+van de voor den krijg afgerichte Olifanten, die Hannibal op zijn
+vermetelen tocht uit Spanje door het zuiden van Frankrijk en over de
+Alpen medenam, en die, zooals bekend is, alle op één na onderweg ten
+gevolge van de vermoeienissen der reis bezweken.
+
+"Later kwam men tot de overtuiging, dat de Mammoet werkelijk tot voor
+betrekkelijk korten tijd in Europa geleefd heeft en het lag voor de
+hand hieruit af te leiden, dat het klimaat van Europa in dien tijd
+warmer was. Door nog latere ervaringen werd deze meening echter niet
+bevestigd: in het zuiden van Europa ontbreekt de Mammoet, terwijl
+hij in het midden en in het noorden van dit werelddeel gevonden
+wordt. Hoe veelvuldig hij hier echter op sommige plaatsen is, nog
+overvloediger komt hij voor in Siberië, vooral in het noorden van
+dit land, waar sommige diluviale lagen geheel gevuld zijn met zijne
+overblijfselen. Waarschijnlijk is geen omstandigheid beter geschikt
+om dit in 't licht te stellen dan het feit, dat _ongeveer het derde
+gedeelte van al het ivoor, dat in den handel komt van de diluviale
+Mammoeten van Siberië afkomstig is_. Volgens Middendorf zijn sedert
+200 jaren ieder jaar meer dan 100 paar slagtanden van Mammoeten
+uit Siberië op de markt gekomen. Zelfs op de zoo moeilijk bereikbare
+Nieuw-Siberische eilanden, die ten noorden van het Aziatisch vasteland
+tusschen 73 en 76° N.B. in de IJszee gelegen zijn, is het fossiele
+ivoor in zulk een groote hoeveelheid aanwezig, dat de ivoorverzamelaars
+herhaaldelijk den gevaarlijken sledetocht over de bevroren zee wagen
+om deze schatten te lichten.
+
+"Het is zeer zeker een merkwaardig feit, dat het ivoor gedurende zulk
+een langen tijd zoo weinig verandering heeft ondergaan, dat het nu
+nog technisch bruikbaar is; nog veel wonderbaarlijker echter is de
+ontdekking van volledige exemplaren met huid en haar, met vleesch en
+ingewanden, in den bevroren bodem van Siberië. Deze lijken waren nog
+zoo frisch, dat het vleesch steeds door IJsberen, Wolven, Vossen en
+Honden verslonden was, voordat een expeditie deze afgelegen gewesten
+kon bereiken om het gevonden materiaal ten behoeve van de wetenschap
+in bezit te nemen.
+
+"Men kan zich nog geen volkomen duidelijke voorstelling vormen van
+de wijze, waarop deze bevroren grond ontstond; daarom weet men ook
+niet, hoe de Mammoeten er in bedolven zijn geraakt. Voor sommige
+gevallen geldt de verklaring, dat de Olifanten, Neushoorndieren
+enz. toevalligerwijze weggezonken zijn in moerasgrond, die later
+bevroren en sedert den ijstijd niet weder ontdooid is. In andere
+gewesten hebben, naar het schijnt, andere oorzaken tot soortgelijke
+gevolgen aanleiding gegeven; zoo ziet men b.v. aan de Eschscholtz-bocht
+in het noordwestelijkste deel van Noord-Amerika een tamelijk zuivere
+afzetting van waterijs (geen gletscher-ijs) uit het diluviale tijdperk,
+waarin oude strandlijnen ingesneden zijn en deze ijsmassa wordt bedekt
+door een laag klei met overblijfselen van groote Zoogdieren.
+
+"Hoe dit ook zij, zeker is het, dat van tijd tot tijd volledige
+Mammoet-lijken door den dooi blootgelegd worden; de inboorlingen
+meenen, dat dergelijke dieren ook nu nog in den grond leven en dezen
+doorwoelen, en dat zij, gedurende dezen arbeid bij vergissing aan de
+lucht komend, onmiddellijk sterven en daarom in volkomen verschen
+toestand gevonden worden. De eerste gebeurtenis van dezen aard,
+die bekend geworden is, had plaats aan den mond van de Lena; hier
+bemerkte een Toengoese, dat een Olifant in een tijdperk van twee
+jaren langzamerhand uit zijn ijshulsel te voorschijn kwam; in 1799
+werd deze ontdekking gedaan, maar eerst zeven jaren later kwam zij
+den natuuronderzoeker Adams ter oore, die toen een reis door Siberië
+deed en de bedoelde plaats bezocht. Ongelukkig was het dier reeds
+grootendeels verslonden; één oor, één oog, een stuk van de huid en
+vele pezen en banden waren behalve het skelet nog aanwezig. Toen
+reeds werd het hoogst merkwaardige feit ontdekt, dat de Mammoet
+over het geheele lichaam met een dichte, roodbruine, wollige vacht
+bekleed was en aan den hals lange manen had." De manen in den nek
+reikten bijna tot op de knieën; ook op den kop groeiden zachte haren
+van één Meter lengte. Boven het dichte wolhaar, dat den geheelen romp
+bedekte, verhieven zich borstels van 25 cM. lengte. De overblijfselen
+van dit dier werden voor een som van 8000 roebels aan het museum te
+Petersburg verkocht, waar het skelet met de daaraan nog aanwezige
+pezen is opgesteld.
+
+"Sedert dien tijd zijn herhaaldelijk dergelijke in den grond
+vastgevroren dieren gevonden; nooit is het echter gelukt er één
+in zijn geheel voor bederf te bewaren. Een onder de leiding van
+F. Schmidt uitgezonden expeditie kon tegen het einde van het tijdperk
+1860--1870 weder eenige deelen van een Mammoet redden; bovendien
+verzamelde men eenige nog met de huid bedekte lichaamsdeelen van
+Neushoorndieren. Vooral een door Schrenk ontdekte kop van _Rhinoceros
+Merckii_ is goed bewaard gebleven en levert het bewijs, dat de huid
+met een rood gevlekte vacht bekleed was.
+
+"Over het algemeen is de Mammoet nauw verwant aan den Indischen
+Olifant; hij onderscheidt zich echter van dezen, behalve door zijn
+grootte en beharing door de veel talrijkere en smallere emailplaten
+van de kiezen en door de reusachtige, zeer sterk naar boven en buiten
+gekromde stoottanden." Deze zijn soms ruim 4 M. lang en 125 K.G. zwaar.
+
+"Zooals reeds gezegd werd, meende men aanvankelijk, dat de Mammoet
+in een heet klimaat geleefd zou hebben, omdat hij nauw verwant
+is aan den Olifant. Toen men hem echter in zoo grooten getale in
+Siberië aantrof en de daar in het ijs bedolven exemplaren ontdekte,
+zocht men den volgenden uitweg: men nam aan, dat door geweldige,
+van 't zuiden naar 't noorden zich uitstrekkende watervloeden,
+misschien wel door den zondvloed van Noach, tallooze overblijfselen
+van tropische dieren naar de Noordpool-gewesten gespoeld zouden
+zijn. Weldra echter zag men de onmogelijkheid van dit vermoeden in
+en nam zijn toevlucht tot de even onjuiste veronderstelling van een
+zeer plotseling ingetreden omkeering van het klimaat. Zoomin voor de
+eene als voor de andere meening is eenige grond aan te voeren. De
+Mammoet was door zijn dichte vacht tegen de koude beschut; dat hij
+ook werkelijk in koude gewesten leefde, blijkt uit de overblijfselen
+van voedsel, die men in de maag en tusschen de tanden van den Mammoet
+(en den Rhinoceros) gevonden heeft; daar deze hoofdzakelijk bestaan
+uit twijgen en spruiten van naaldboomen gelijk aan die, welke thans
+nog in Siberië groeien. _Elephas primigenius_ is dus de Olifant
+van de noordelijke gewesten, die zijn hoofdzetel had in Siberië en
+Noord-Europa; in Midden-Europa ontmoette hij den zuidelijken vorm
+_Elephas meridionalis_ en ook den _Elephas antiquus_, die zeer veel
+overeenkomst had met den Afrikaanschen Olifant.
+
+"Behalve de drie genoemde, over een groot gebied verbreide
+soorten komen in Europa nog overblijfselen voor van eenige andere
+vertegenwoordigers van hetzelfde geslacht, die, hoewel zij een
+kleiner gebied bewoonden, toch van groot belang zijn. In de eerste
+plaats moet de echte _Afrikaansche Olifant_ genoemd worden, waarvan
+in de beenderenholen van Sicilië en in Spanje in de omstreken van
+Madrid fossielen gevonden zijn, welk feit van belang is als steun
+voor de stelling, dat Europa vroeger op verschillende plaatsen met
+Afrika verbonden was. Het opmerkelijkst echter zijn de zeer talrijke
+overblijfselen van een zeer nauw aan den Afrikaanschen Olifant
+verwanten vorm, die men op het eiland Malta gevonden heeft. Alle
+zooeven bedoelde fossiele soorten zijn echter aanmerkelijk kleiner
+dan de hedendaagsche: de grootste (_Elephas mnaidriensis_) bereikt
+gemiddeld geen grootere hoogte dan 2 M., _Elephas melitensis_ is
+zelfs aanmerkelijk kleiner en _Elephas Folconeri_ is een zeer kleine
+dwergvorm, welks grootste exemplaren nog geen Meter hoog waren en
+dus niet grooter waren dan een kalf. Uit de aanwezigheid van groote
+Zoogdieren op Malta blijkt in allen gevalle, dat dit tamelijk kleine
+en schaars met planten begroeide eiland eens deel uitmaakte van een
+groot vasteland. Van het ontstaan van een Dwerg-olifant, waarnevens nog
+een Dwerg-nijlpaard voorkomt, geeft men de volgende (niet onmogelijke)
+verklaring: Toen Malta een eiland werd en de plantenwereld daar niet
+meer voldoende was voor het voeden van groote soorten, verkregen de
+de Olifanten en Nijlpaarden hier kleinere afmetingen."
+
+"Voor het verdwijnen van de groote diluviale Zoogdieren heeft men
+ondanks alle hiervoor in 't werk gestelde pogingen, nog geen verklaring
+kunnen vinden."
+
+
+
+Onze Olifanten (_Elephas_)--de eenige thans nog levende
+vertegenwoordigers van de gelijknamige familie (_Elephantidae_)--zijn
+gekenmerkt door de lange beweeglijke slurf en door het gebit, vooral
+door de slagtanden, die als sterk ontwikkelde snijtanden beschouwd
+worden. De romp is kort en dik, de hals zeer kort, de kop rond en
+door de aanwezigheid van holten in de bovenste schedelbeenderen
+gezwollen; de tamelijk hooge, zuilvormige pooten hebben vijf met
+elkander verbonden teenen en vlakke hoornachtige zolen.
+
+Het merkwaardigste lichaamsdeel van den Olifant is de slurf, een
+verlengde neus, die zich door lenigheid, gevoeligheid en bovenal
+door een vingervormig uitsteeksel aan zijn uiteinde onderscheidt. Zij
+dient zoowel voor 't ruiken, als voor het tasten en het grijpen. De
+ringvormige en overlangsche spieren die haar samenstellen, bestaan
+volgens Cuvier uit ongeveer 40000 afzonderlijke bundels en stellen
+haar in staat zich in alle richtingen te wenden, zich te verkorten
+en te verlengen. De ontbrekende bovenlip wordt vervangen door de
+slurf. Zonder dit orgaan zou de Olifant niet kunnen leven.
+
+Alle overige lichaamsdeelen en zelfs de zintuigen van den Olifant zijn
+minder opmerkelijk. De oogen zijn klein en hebben een onnoozele, maar
+goedaardige uitdrukking, de oorschelpen daarentegen zijn zeer groot en
+gelijken op lappen leder. De voor- en achtervoeten zijn zeer kort. De
+teenen zijn zoo innig omgeven door een gemeenschappelijke huid,
+dat zij zich niet ten opzichte van elkander kunnen bewegen. Zij zijn
+voorzien van hoeven, die wel is waar klein zijn, daar zij slechts de
+spits van den teen omhullen, maar tevens stevig, breed en plat. Boven
+de met een dikke huid bedekte, min of meer cirkelvormige zool van
+elken poot, aan welker voorrand de hoeven zichtbaar zijn en op welker
+achterrand de voetwortel rust, bevindt zich een kraakbeenige plaat, een
+vetkussen en eindelijk de sterk bovenwaarts gewelfde, korte middelvoet
+(of middelhand). De zachte stap van de op zuilen gelijkende pooten, die
+zulk een kolossaal lichaam dragen, is een gevolg van deze eigenaardige
+samenstelling van den voet.
+
+Zeer merkwaardig is het gebit. In de bovenkaak draagt de Olifant twee
+buitengewoon sterk ontwikkelde slagtanden; overigens heeft hij geen
+snijtanden, ook geen hoektanden en gewoonlijk slechts één kolossale
+kies in elke kaakhelft. Deze kies bestaat uit een vrij groot aantal
+(3 à 27) dwars gerichte platen, ieder bestaande uit tandbeen, omgeven
+door een laag email, die zich op de door afslijting gevormde, platte,
+kauwvlakte voordoet als een richel met eenigszins geplooiden rand,
+die zeer langwerpig elliptisch is (Mammoet en Indische Olifant) of
+ruitvormig (Afrikaansche Olifant). Deze "dwarsjukken" worden vereenigd
+door het daartusschen liggend cement, dat ook de zijvlakken van de
+geheele kies bedekt. Als de kies door het kauwen zoover afgesleten is,
+dat zij haar dienst niet meer voldoende kan verrichten, vormt zich
+achter haar een nieuwe kies, die, langzamerhand aangroeiend, verder
+naar voren dringt en geruimen tijd vóór het uitvallen van het laatste
+overblijfsel van de vorige kies dienst begint te doen. Men heeft
+waargenomen, dat deze tandwisseling zes malen achtereenvolgens plaats
+heeft, zoodat alles bijeengenomen elke kaakhelft zes kiezen bezit, die
+de eene na de andere in gebruik genomen worden, zoodat er nooit meer
+dan twee te gelijk in functie zijn. De drie eerstverschijnende kiezen
+van elk zestal worden gerekend tot het melkgebit te behooren. Bij
+den Indischen Olifant komt de eerste melkkies in de derde levensmaand
+voor den dag, vertoont 3 dwarsjukken en valt in het tweede levensjaar
+uit. De tweede melkkies heeft 8 dwarsjukken en valt in het vijfde of
+zesde jaar uit, de derde met 12 dwarsjukken in het negende jaar. Van
+de eerste ware kies, die dan natuurlijk al reeds sedert eenigen tijd in
+functie is met een deel van hare dwarsjukken, zijn deze in het 15e jaar
+in vollen getale (12 à 14) aan de kauwvlakte zichtbaar; zij valt uit,
+als het dier 20 à 25 jaar oud is. Op nog lateren leeftijd vertoonen
+zich achtereenvolgens de tweede en de derde ware kies; gene heeft
+16 à 18, deze 24 à 27 dwarsjukken. Het aantal wortels van de kies
+staat in verband met het aantal dwarsjukken. Bij jonge tanden zijn
+de wortels kort en met een wijde opening voorzien; later ontwikkelen
+zich vooral aan de achterste helft van de kies tamelijk lange, met
+cement bedekte wortels, die gedeeltelijk met elkander vergroeien. De
+slagtanden hebben voortdurend open wortels en groeien dus steeds aan;
+zij kunnen bij den Afrikaanschen Olifant een lengte van 2 1/2 M. en
+een gewicht van 90 KG. bereiken. Met uitzondering van een dun laagje
+cement, dat het diep in de tandkas verborgen deel van deze tanden
+bedekt, en van een (bij zeer jonge tanden aan de spits aanwezig)
+zeer spoedig afslijtend emailkapje, bestaat de geheele slagtand uit
+tandbeen; deze stof is het dus, die als "ivoor" dienst doet.
+
+
+
+De _Indische_ of _Aziatische Olifant_ (_Elephas asiaticus,
+E. indicus_), dien wij als type van zijn geslacht en van zijn familie
+plegen te beschouwen, is een kolossaal, plomp, sterk gespierd dier met
+zwaren, aan het voorhoofd zeer breeden kop, korten hals, reusachtigen
+romp en zuilvormige pooten. Zijn kop, die bijna loodrecht gehouden
+wordt, draagt er veel toe bij om den overweldigenden indruk die het
+reusachtige dier op den toeschouwer maakt, te verhoogen. Het voorhoofd
+is plat of zelfs een weinig uitgehold.--De huid is in bepaalde
+richtingen fijn geplooid, in andere, die de plooien meestal kruisen,
+gegroefd; hierdoor ontstaat aan haar oppervlakte een eigenaardige,
+netvormige teekening; alleen aan de borst verdikken deze plooien zich
+tot losse, beweegbare, kwabvormige opzwellingen. Wegens dit netwerk
+van plooien valt het bijna volslagen gemis van beharing minder in
+'t oog. Het haarkleed bepaalt zich over 't grootste deel van 't
+lichaam tot zeer verspreid staande borstels, die een weinig dichter
+bijeengeplaatst zijn rondom de oogen, aan de lippen, aan de onderkaak,
+op de kin en op 't achterste deel van de rug; de staart echter is aan
+zijn spits overvloedig met haar voorzien; dit vormt hier een platte,
+dunne kwast. De haren hebben een bruine of zwarte kleur, behalve
+op de lippen, waar zij witachtig zijn; de huid zelve is vaalgrijs,
+behalve aan de slurf, het onderste deel van den hals, de borst en den
+buik, die een vleeschkleurige tint vertoonen en dicht bezet zijn met
+rondachtige, donkere vlekken.--Gewoonlijk komen aan de achtervoeten
+slechts vier hoeven tot ontwikkeling (daar de éénledige binnenteen
+de hoef mist); terwijl de voorvoeten er vijf hebben.
+
+De afmetingen van den Olifant worden in den regel overschat en dikwijls
+onjuist bepaald. Bij de grootste mannetjes bedraagt de totale lengte,
+van de spits van de slurf tot aan de spits van den staart, bijna 7
+M., waarvan ongeveer 2 M. voor de slurf en hoogstens 1.5 M. voor den
+staart gerekend moeten worden; de schouderhoogte bedraagt hoogstens
+3 M. Waarschijnlijk treft men niet veel exemplaren aan, die grooter
+zijn. Sanderson (wiens getuigenis ongetwijfeld veel gewicht in
+de schaal legt, daar hij gedurende een half menschenleven met het
+bestuur van de Olifanten-vangst in Engelsch Indië belast was) heeft
+van honderden van Olifanten de grootste gemeten en de schouderhoogte
+bepaald: bij de twee meest ontwikkelde mannetjes bedroeg zij 3 M. en
+2.95 M. en bij de twee kolossaalste wijfjes 2.57 M. en 2.52 M. Het
+gewicht van de zwaarste dieren is waarschijnlijk 4000 KG., misschien
+ook iets meer.
+
+De Indiërs, die buiten kijf de beste Olifanten-kenners zijn,
+onderscheiden naar de gestalte en de hiervan afhangende geschiktheid om
+te werken, bij deze dieren drie slagen, die zij _Koemiria, Dwasala_
+en _Miërga_ noemen. De Koemiria is de volkomenste Olifant, zwaar
+en evenredig gebouwd, met ruime borst, krachtigen kop en romp,
+met een rechten, platten, naar achteren afhellenden rug. Zijn oog
+is open, helder en innemend. Zoowel naar het lichaam als naar den
+geest is hij een edel dier, betrouwbaar en onversaagd, majestueus
+en afgemeten in zijne bewegingen, als 't ware geschapen voor een
+vertooning van koninklijke waardigheid. Een tegenstelling met hem
+vormt de Miërga: deze is licht en minder schoon gebouwd, langpootig,
+kleinkoppig, met varkensoogen, krom en steil van rug, engborstig en
+dikbuikig, met zwakke, slappe slurf en dunne, gemakkelijk kwetsbare
+huid. Tusschen het edelste en het onedelste slag houdt de Dwasala
+het midden; deze is tevens het talrijkst vertegenwoordigd. De drie
+genoemde, zoo verschillende slagen, zijn niet door den mensen
+gefokt; men vindt ze bij een en dezelfde kudde; zij staan dus,
+naar wij mogen veronderstellen, tot elkander in een nauwen graad
+van bloedverwantschap.
+
+Lichtkleurige Olifanten--zelfs zulke, die lichtkleurige vlekken
+hebben--, zoogenaamde _Witte Olifanten_, komen zeer zelden voor. In
+Siam, waar albino's van allerlei dieren hoog geschat worden, omdat
+men meent, dat zij gezagvoerders zijn over hunne soortgenooten,
+waar de Witte Olifant als het machtigste van alle dieren voor heilig
+wordt gehouden, en één der vele titels van den koning daarom "heer
+van den Witten Olifant" beteekent, moet men zich, naar het schijnt,
+bij het zoeken naar witte Olifanten tevreden stellen met exemplaren,
+welker kleur slechts weinig lichter is dan de gewone; een echte albino
+is daar nog niet voorgekomen.
+
+In Indië is de Olifant op 25-jarigen leeftijd volwassen, hoewel nog
+niet in 't bezit van zijn volle kracht, die hij eerst op ongeveer
+35-jarigen ouderdom heeft. Het mannetje is ongeveer in het 20e
+jaar voor de voortplanting geschikt. De wijfjes brengen hun eerste
+jong ter wereld als zij 16 jaar oud zijn, de volgende jongen met
+tusschenpoozingen van gemiddeld 2 1/2 jaar. De pas geboren Olifanten
+hebben een schouderhoogte van ongeveer 90 cM. en op den tweeden dag
+gemiddeld een gewicht van 90 K.G.; gedurende 6 maanden gebruiken zij
+geen ander voedsel dan de moedermelk; dan beginnen zij langzamerhand
+een weinig malsch gras te eten, hoewel zij zich nog eenige maanden
+lang hoofdzakelijk met melk voeden. Van den beginne af zien zij er
+minder plomp uit dan andere jonge dieren er is zelfs reden om ze lief
+en grappig te noemen; gedurende den eersten tijd van hun leven houden
+zij zich bij voorkeur onder den romp en tusschen de pooten van hun
+moeder op, en verlaten deze veilige plaats ook dan niet als het oude
+dier sneller begint te loopen. Naar het schijnt, staan zij gedurende
+verscheidene jaren, althans tot aan de geboorte van een volgend jong,
+onder de hoede van de ouders.
+
+De Aziatische Olifant is inheemsch in de meeste, boschrijke gewesten
+van zuidoost Azië, in Vóór-Indië van den voet van den Himalaja tot
+aan de zuidspits, verder in Assam, Birma, Siam, op het Maleische
+Schiereiland, en voorts in afnemend aantal op de twee naastbij gelegene
+groote eilanden Ceylon en Sumatra. (De op Borneo levende Olifanten
+zijn alle van Sumatra afkomstig.) Volgens Temminck en Schlegel vormen
+de op Ceylon en Sumatra inheemsche Olifanten een afzonderlijke soort,
+die onder den naam _Elephas sumatranus_ door hen beschreven werd,
+maar slechts onbelangrijk van den Indischen Olifant verschilt. Deze,
+hoewel in vele gewesten reeds uitgeroeid, of althans zeer in aantal
+verminderd, bewoont binnen het zoo even genoemde verbreidingsgebied
+alle groote en samenhangende wouden, het gebergte zoowel als de vlakte.
+
+
+
+De _Afrikaansche Olifant_ (_Elephas africanus_) overtreft den Indischen
+in grootte; zijn gedaante is over 't algemeen minder fraai; het is
+echter te verwachten, dat men ook bij deze soort, evenals bij de
+vorige, na nauwkeuriger onderzoek "slagen" zal leeren kennen, die
+door uitwendige eigenschappen verschillen. Zijn romp is korter, maar
+staat hooger op de pooten dan bij zijn stamgenoot, van wien hij zich
+bovendien nog duidelijk onderscheidt door den platteren kop met meer
+gewelfd voorhoofd, dunnere slurf, grootere slagtanden en veel grootere
+ooren, door de meer gewelfde ruglijn, smallere borst en leelijker
+pooten. Aan de voorpooten heeft hij vier, aan de achterpooten drie
+hoeven, ofschoon het aantal teenen voor en achter vijf bedraagt.--De
+plooien en groeven van de huid vormen een grover netwerk dan bij
+den Indischen Olifant. Met uitzondering van een weinig beteekenende
+haarlijst op den nek en tusschen de schouders, eenige wijd vaneen
+geplaatste, soms wel 15 cM. lange, zwartbruine haren, die van de borst
+en den buik afhangen en enkele borstels om de oogen en aan de onderlip,
+ontbreekt de beharing geheel. De blauwachtig grijze, leikleurige huid
+is gewoonlijk met vuil en stof bedekt en hierdoor vaalbruin.
+
+Bij een door Kirk aan de oevers van de Zambesi gedooden, mannelijken
+Olifant bedroeg de afstand van den spits van de snuit tot aan de kruin
+2.75 M, de lengte van de gebogen lijn, die dit punt met den aanvang
+van den staart verbindt, was 4.2 M., de staart had een lengte van 1.3
+M.; de totale lengte bedroeg dus ruim 8 M. bij een schouderhoogte
+van 3.14 M. En toch had dit dier nog geen hoogen leeftijd bereikt,
+daar iedere slagtand slechts 15 KG. zwaar was.
+
+Het verbreidingsgebied van den Afrikaansche Olifant is in deze eeuw,
+vooral van 't zuiden af, aanmerkelijk ingekrompen en strekt zich
+tegenwoordig uit van den breedtegraad van het Tsad-meer in het noorden
+tot aan dien van het Ngami-meer in het zuiden. Nauwkeurig kunnen de
+grenzen van dit gebied niet aangegeven worden, omdat Olifanten groote
+reizen ondernemen, zelfs van tijd tot tijd van woonplaats veranderen,
+zoodat zij in sommige gewesten gedurende vele jaren en tientallen
+van jaren niet waargenomen worden, in andere onverwachts verschijnen.
+
+
+
+Beide soorten van Olifanten, zoowel de Afrikaansche als de Indische,
+waren aan de ouden wel bekend. Reeds de oude Ethiopiërs dreven
+een levendigen handel in ivoor, welks Grieksche naam (_elephas_)
+later tot dien van den Olifant werd, en reeds bij Herodotus in deze
+beteekenis voorkomt. Ktesias, de lijfarts van Artaxerxes _Mnemon_ was
+de eerste, die een Olifant volgens eigen waarnemingen beschreef. Hij
+zag dit dier levend te Babylon, waar het waarschijnlijk uit Indië
+was gebracht. Hij was de eerste, die het sprookje verbreidde, dat
+de olifant geen gewrichten in de pooten heeft, niet kan gaan liggen
+en hierom staande slapen moet. Ieder die een Olifant kunstjes ziet
+verrichten, weet wel beter. Wel is waar legt onze reus zich niet
+altijd neder om te slapen; hij doet dit echter wel degelijk als hij
+zijn gemak wil nemen; het gaan liggen en het opstaan kosten hem even
+weinig moeite als iedere andere beweging. Darius is de eerste veldheer,
+waarvan de geschiedenis melding maakt, die Olifanten in den oorlog
+gebruikte, o.a. toen hij Alexander _den Grooten_ bestreed. Eenige van
+de door Alexander buit gemaakte Olifanten kreeg Aristoteles te zien,
+die een vrij nauwkeurige beschrijving van deze diersoort gaf. Na dien
+tijd wordt van haar dikwijls melding gemaakt. Bijna driehonderd jaar
+achtereen speelde zij een rol in de eindelooze oorlogen, die gevoerd
+werden, voordat de Romeinen er in slaagden de wereldheerschappij
+te verwerven. De Olifanten werden zelfs naar Europa overgebracht en
+in de Italiaansche veldtochten gebruikt; dit geschiedde niet alleen
+met de Indische, maar ook met de Afrikaansche soort. Deze, die men
+in lateren tijd wel eens voor ontembaar heeft gehouden, werd door
+de Carthagers uitmuntend voor den oorlog afgericht en bewees haren
+meesters belangrijke diensten.
+
+De Romeinen maakten van de Olifanten hoofdzakelijk gebruik in
+hunne kampspelen; aan hen is het te wijten, dat deze dieren in
+de gewesten ten noorden van den Atlas uitgeroeid zijn. Hoe goed de
+Afrikaansche Olifanten gedresseerd werden, blijkt uit de mededeeling,
+dat zij letters met een griffel konden schrijven, op een gespannen
+koord liepen, met hun vieren op een zolder een vijfden droegen, die
+ziek heette te zijn, op de maat dansten, aan een prachtigen disch,
+met gouden en zilveren gereedschap voorzien, volgens de regels der
+etikette dineerden enz.
+
+In de hierboven genoemde landen vindt men de Olifanten in ieder
+eenigszins omvangrijk woud. Hoe meer water het bevat en hoe meer het
+de kenmerken van een oerwoud draagt, des te veelvuldiger komen zij
+er voor. Men moet echter niet meenen, dat alleen zulke wouden den
+Olifant tot woonplaats dienen. Uit zorgvuldige onderzoekingen is de
+onjuistheid gebleken van de bewering, dat dit reusachtige dier niet
+van koele en hooggelegen oorden houdt. Op Ceylon bewoont hij juist
+bij voorkeur heuvel- en bergachtige gewesten. In Uvah vond Tennent
+nog kudden van Olifanten op plaatsen, die 2400 M. boven den zeespiegel
+gelegen zijn. Geen hoogte is hun te luchtig of te koud, wanneer er maar
+overvloed van water te vinden is. De Olifant vermijdt het zonlicht
+zooveel mogelijk, brengt den dag in het duistere woud door en maakt
+van den koelen, donkeren nacht gebruik voor zijne zwerftochten.--Van
+den Afrikaanschen Olifant valt iets dergelijks op te merken. In de
+Bogoslanden heb ik zijn drek nog gevonden op een hoogte van 2000 M.,
+en tevens vernomen, dat hij in de naburige gebergten, op een hoogte
+van 3000 M. boven den zeespiegel, nog geregeld voorkomt. Op dezelfde
+hoogte vond Von der Decken sporen van de aanwezigheid van Olifanten op
+den Kilima-ndsjaro; na hem vond Hans Meijer ze op een hoogte van 4000
+M. Ook van getemde exemplaren wordt bericht, dat zij bij 't bestijgen
+van hooge bergen van groote behendigheid en van onvermoeide volharding
+blijken geven.
+
+Hoe veelvuldig de Olifanten in het binnenland van Afrika ook zijn,
+toch is het soms moeilijk de plaats te vinden, waar zij zich op een
+gegeven oogenblik ophouden, daar zij een zwervend leven leiden. Bij
+zulke veranderingen van verblijfplaats volgen zij in den regel bepaalde
+paden of banen nieuwe wegen, zonder zich er om te bekommeren of deze
+door wouden of door moerassen, over steile hoogten of door nauwe
+ravijnen leiden. Voor hen levert de bodem naar 't schijnt, geenerlei
+hinderpalen op: zij zwemmen door stroomen en meren, dringen zonder
+bezwaar door het dichtste oerwoud heen, maken op den vasten grond
+dikwijls echte straten, omdat zij hunne tochten gezellig ondernemen en
+bovendien gewoon zijn in een lange rij achter elkander aan te loopen,
+zoodat zij dan een betrekkelijk smal spoor achterlaten. Meestal zijn
+de paden van de hoogte naar 't water gericht.
+
+Het voorste lid van de kudde gaat rustig door het oerwoud, onbekommerd
+over het kreupelhout, dat hij onder zijne breede voeten ineenstampt,
+evenzeer onbekommerd over de boomtakken, die hem in den weg komen;
+hij breekt ze eenvoudig met de slurf af en vreet ze grootendeels
+op, de houtige gedeelten achterlatend. In het gebergte leggen zij,
+evenals in het woud, paden aan; zij doen dit op zulk een vernuftige
+wijze, dat zelfs deskundigen, die hun arbeid nagaan, er verbaasd over
+zijn. Steeds zoeken de Olifanten de gunstigst gelegen bergpassen, die
+in den geheelen omtrek te vinden zijn, voor hunne wegen uit. Sommige
+van deze passen worden door hen zoo geregeld en sedert zoo langen tijd
+begaan, dat zij met hunne voeten zelfs harde gesteenten afgesleten,
+ja in den letterlijken zin van 't woord uitgeslepen hebben.
+
+De Olifant is trouwens slechts schijnbaar plomp van beweging, in
+werkelijkheid echter zeer behendig. Gewoonlijk beweegt hij zich voort
+met een bedaarden, gelijkmatigen pas, zooals het Kameel en de Giraffe,
+waarbij hij 4 à 6 KM. per uur aflegt; deze bedaarde gang kan echter
+zoo zeer versneld worden, dat het dier een afstand van wel 15 of 20
+K.M. met een nagenoeg verdubbelde snelheid doorloopt. Meesterlijk
+heeft het kolossale Slurfdier er den slag van, zoo zachtjes door
+het woud te sluipen, dat men het in 't geheel niet hoort. "In
+'t eerst", zegt _Sir_ Emerson Tennent van den Aziatischen Olifant,
+"stuift de wilde kudde met luid gedruisch door het kreupelhout; weldra
+echter vermindert het geraas en hoort men in 't geheel niets meer,
+zoodat iemand, die hieraan niet gewoon is, zou kunnen meenen, dat de
+vluchtende reuzen op een korten afstand zijn blijven staan."--Als de
+Olifant een steilte op zijn weg ontmoet, blijkt het, dat hij ook in
+'t klauteren ervaren is. Naar boven komt hij nog het gemakkelijkst:
+door de voorpooten in het handgewricht te buigen, komt het voorste
+gedeelte van 't lichaam lager te liggen en wordt het zwaartepunt
+dus naar voren verplaatst; met op deze wijze gebogen voorpooten
+en eenigszins achterwaarts gestrekte achterpooten bereikt het dier
+langzaam aan zijn doel. Bij het afdalen heeft het echter wegens zijn
+verbazend groot gewicht met grootere bezwaren te kampen. Op de gewone
+wijze voortgaande, zou de Olifant ongetwijfeld het evenwicht verliezen,
+naar voren omtuimelen en een val doen, die hem het leven zou kunnen
+kosten. Het voorzichtige dier vermijdt dit gevaar door aan den rand
+van den afgrond neer te knielen, zoodat zijn borst den bodem raakt,
+nu de voorpooten hoogst bedachtzaam vooruit te schuiven, totdat zij
+ergens een steunpunt hebben gevonden, en vervolgens de achterpooten
+bij te trekken; zoo komt de kolossus langzamerhand, glijdend, en
+schuivend, beneden. Het komt trouwens wel eens voor, dat de Olifant
+op zijne nachtelijke tochten een zwaren val doet. In het dal langs
+den bovenloop van den Mensa zag ik hiervan onmiskenbare sporen. Een
+talrijke kudde was bij een berghelling afgedaald om het dal over te
+steken en hier op een smallen weg geraakt, die door het regenwater op
+sommige plaatsen uitgespoeld was. Een van de Olifanten had de pooten
+gezet op een vooruitstekenden steenklomp, die, losrakend en naar
+beneden vallend, het dier zijn evenwicht deed verliezen, zoodat het
+in de diepte stortte. Het dier moet een geweldige buiteling gemaakt
+hebben, want het gras en de struiken waren tot op een afstand van
+ongeveer zestien meter en over een breedte, die met de lichaamslengte
+van een Olifant overeenkomt, neer gedrukt, afgebroken en gedeeltelijk
+zelfs ontworteld. Door een sterker en dichter boschje was de val
+van het dier gestuit, want vandaar leidde het spoor weer naar den
+hoofdweg. De val had dus geen ernstiger gevolgen gehad, dan misschien
+eenige pijn in de lenden.
+
+Dat de Olifant in 't zwemmen goed ervaren is, werd reeds opgemerkt;
+het schijnt hem een genot te zijn, zich te water te begeven en er
+in onder te duiken. Als hij het noodig acht, zwemt hij dwars door
+breede en snel stroomende rivieren; soms houdt hij het geheele
+lichaam onder den waterspiegel met uitzondering van de spits van
+de slurf. Dat deze ook voor het drinken dient, is bekend. De twee
+kanalen, die als voortzettingen van de beide afdeelingen der neusholte
+zich door de geheele slurf uitstrekken en door een uit bindweefsel en
+spiervezels bestaand verlengstuk van het kraakbeenig neusmiddelschot
+vaneengescheiden zijn hebben een vrij gelijkmatige wijdte tot dicht
+bij het midden van het tusschenkaaksbeen, hier kunnen zij vernauwd
+worden, zoodat de vloeistof, die in de slurf is opgezogen, niet verder
+kan doordringen. De vloeistof wordt uit de slurf geperst, b.v. in
+de mondholte, door de drukking van de lucht in de longen, die, omdat
+de luchtpijp nu tot aan de achterste neusopeningen opgeheven is, geen
+gevaar loopen, om bij het doorslikken van het vocht hiervan iets binnen
+te krijgen. Van het zich verslikken is dus in dit geval geen sprake.
+
+De slurf wordt door den Olifant nog voor velerlei andere doeleinden
+gebruikt. Daar zij zeer gevoelig is, wordt zij slechts bij uitzondering
+gebezigd om er mede te slaan of een mensch aan te vatten. Bij alle
+grove werkzaamheden of gevaarlijke verrichtingen wordt zij zorgvuldig
+gespaard en te dien einde zoo nauw mogelijk opgerold. Hoofdzakelijk
+dient zij voor het opnemen en naar den mond brengen van voedsel en
+water, alsook voor het speuren en tasten. Met dit werktuig breekt de
+Olifant takken af, ook wel dunne boompjes; om dikkere af te breken,
+drukt hij er met den voet tegen; voor 't verschuiven van lasten maakt
+hij ook wel gebruik van het onder de oogen gelegen deel van den kop,
+waar de snuit aanvangt. Als de Olifant in dienst van den mensch
+een zwaar voorwerp moet opheffen, neemt hij het hieraan bevestigde
+touw in den bek en legt het tevens over een van zijne slagtanden,
+ingeval hij deze heeft. Ook de slagtanden worden voor allerlei
+verrichtingen gebezigd, altijd echter, evenals de snuit, met groote
+voorzichtigheid en zeer zeker niet als hefboomen voor het voortrollen
+van steenblokken of voor het uit den grond woelen van boomwortels. Zij
+dienen den Olifant hoofdzakelijk als wapens om aan te vallen of zich
+te verdedigen, en worden in andere gevallen zooveel mogelijk gespaard,
+omdat zij betrekkelijk gemakkelijk breken.
+
+Alle hoogere vermogens van den Olifant zijn geëvenredigd aan zijne
+reeds genoemde begaafdheden. Het gezicht schijnt niet bijzonder
+ontwikkeld te zijn; alle jagers zijn althans van oordeel, dat het
+gezichtsveld van het dier zeer beperkt is. Des te beter zijn de reuk
+en het gehoor ontwikkeld; ook de smaak en het gevoel zijn, gelijk men
+bij gevangen dieren kan waarnemen, betrekkelijk fijn. Hoe scherp het
+dier hoort, ondervinden alle olifantenjagers. Het geringste geluid
+is voldoende om de aandacht van den Olifant te trekken; het breken
+van een takje zou zijn gemoedsrust kunnen verstoren. De reukzin is
+voortreffelijk ontwikkeld en stelt het dier in staat om op buitengewoon
+grooten afstand de lucht van iets te krijgen; geen jager is in staat
+om boven den wind den Olifant voldoende te naderen. In de slurf heeft
+ook de tastzin haar hoofdzetel; vooral het vingervormig uitsteeksel
+van den top van dit werktuig wedijvert in fijnheid van gevoel met
+den geoefenden vinger van een blinde.
+
+De stem van den Olifant biedt veel verscheidenheid aan; de geluiden,
+waardoor hij zijne aandoeningen te kennen geeft zijn van velerlei
+aard. Welgevallen drukt hij uit door een zeer zacht gemurmel; vrees
+openbaart hij door een diep uit de borst komend gebulder, schrik door
+een kort en schril getrompet met de slurf; als hij woedend is, hoort
+men van hem een onafgebroken, zwaar en rommelend keelgeluid, bij het
+aanvallen daarentegen een gillend trompetgeluid: het trompetten moet
+men zich echter voorstellen als een schetterend gekrijsch.
+
+Elke Olifanten-kudde is een groote familie en omgekeerd iedere familie
+vormt een afzonderlijke kudde. Het aantal leden van zoo'n kudde kan
+zeer uiteenloopen: het kan van 10, 15, 20 stuks aangroeien tot eenige
+honderden. Enkele reizigers spreken van 400 en 500, ja zelfs van 800
+Olifanten, die zij bijeen gezien hebben. Zoo verzekert Von Heuglin,
+dat hij een troep van deze dieren heeft ontmoet, welker aantal volgens
+zijn schatting op minstens 500 begroot moest worden en evenzoo beweert
+_Sir_ Joh. Kirk aan den Zambesi eens een kudde van 800 stuks te hebben
+aangetroffen. Tot zulke verbazend groote benden vereenigen zij zich
+echter ongetwijfeld slechts zelden; men kan in den regel aannemen,
+dat in deze gevallen verscheidene kudden zich bijeengevoegd hebben,
+die elkander bij een grooten tocht toevallig ontmoetten en gedurende
+korten tijd denzelfden weg volgen.
+
+Hoewel iedere kudde een eigen familie vormt, schijnen toch vreemde
+Olifanten, zooals jonge mannetjes en weggeloopen, getemde wijfjes,
+meestal zonder bezwaar opgenomen te worden; het is echter wel mogelijk,
+dat er velerlei uitzonderingen zijn. In allen gevallen is het niet
+juist te veronderstellen, dat de zoogenaamde "eenzame Olifanten"
+uitgestooten zijn en nergens opname hebben kunnen vinden. Sanderson
+spreekt deze opvatting bepaaldelijk tegen. Volgens hem leiden de
+meeste van deze dieren, die vaker jonge dan oude mannetjes zijn,
+slechts schijnbaar een eenzaam leven, maar houden zij zich veeleer uit
+eigen verkiezing slechts tijdelijk een weinig verwijderd van hun kudde,
+welker bewegingen zij echter volgen. Een werkelijk eenzame Olifant,
+die niet meer met zijns gelijken samenleeft, komt zeer zelden voor,
+en is dan nog geenszins altijd een boosaardige klant, een "_Rogue_",
+zooals de Engelschen hem noemen (de _Goenda_ der Indiërs, de _Hora_
+der Singalezen, ook wel _Ronkedoor_ genoemd in de bekende "Reis
+naar Ceylon" van Haafner). Daarentegen ontwikkelen zij zich niet
+zelden tot doortrapte plunderaars van plantages, die niet zoo licht
+door de gewone middelen verjaagd kunnen worden. Sommige van deze
+eenloopende gezellen worden trouwens gevaarlijk voor den mensch,
+die hen bij toeval stoort of opzettelijk verrast, daar zij, evenals
+zoo vele andere weerbare dieren, min of meer onder den indruk van den
+eersten schrik, den mensch aanvallen in plaats van hem te ontwijken.
+
+De geestvermogens van den Olifant zijn dikwijls veel te hoog geschat,
+vooral door hen, die hem alleen in den getemden staat leerden kennen,
+maar niet in de vrije natuur nagegaan hebben. De meeste anecdoten over
+de schranderheid en het overleg van getemde Olifanten, die telkens
+weer hierbij tepas gebracht worden,--zooals die van den snijder, die
+een Olifant eens in plaats van de gewone lekkernijen een prik met een
+naald gaf, en die naderhand met het werk, dat hij onderhanden had,
+door het uit de rivier terugkeerende dier met een straal vuil water
+werd bespoten,--of die van den Olifant, die het wiel van een kanon
+ophief, om te verhoeden, dat het den van 't kanon gevallen soldaat
+overreed, en andere vertelsels meer--, zijn wel aardig verzonnen, maar
+niet werkelijk gebeurd. De in 't wild levende Olifant geeft stellig
+meer bewijzen van onnoozelheid dan van vernuft, en de gedresseerde,
+die schijnbaar uit eigen aandrift handelt, doet in werkelijkheid
+alleen, wat zijn geleider hem gelast. "Laten wij eens even nagaan,"
+schrijft Sanderson, "of de wilde Olifant meer inzicht toont dan
+eenig ander dier. Hoewel hij in zijn slurf een lichaamsdeel bezit,
+dat hem voortreffelijk zou kunnen waarschuwen voor een op lompe wijze
+aangelegden, met een laag takken en twijgen bedekten valkuil, valt
+hij er toch geregeld in. Zijne metgezellen loopen vol schrik weg,
+hoewel het hun weinig moeite zou kosten hem uit den kuil te halen,
+als zij de aarde van den rand er in trapten. Als een jongen Olifant
+er in gevallen is, blijft wel is waar de moeder in zijn nabijheid,
+tot de jagers komen, maar het komt haar niet in de gedachten, haar
+jong op de een of andere wijze te helpen: zij denkt er niet eens aan,
+takken af te breken en in den kuil te werpen, opdat het gevangen kind
+den honger zal kunnen stillen. Maar zóó iets gelooft het publiek
+veel minder graag dan het verzinsel, dat de moeder haar jong op
+allerlei wijzen behulpzaam is, het gras toewerpt om het voedsel te
+verschaffen, water met haar slurf aanbrengt om het te laten drinken,
+of zoolang stokken en takken in den kuil werpt, totdat haar kind
+er uit kan komen. Voorts worden geheele kudden van Olifanten in
+gebrekkig gemaskeerde omheiningen gedreven, waarin geen ander wild
+dier zich zou laten jagen; zij worden één voor één gevangen, doordat
+een paar mannen, die met tamme Olifanten naar hen toesluipen, hen
+de pooten samenbinden. Ontvluchte Olifanten worden op gelijke wijze,
+bijna zonder moeite, weder opgevangen; zelfs door de ervaring worden
+zij dus niet verstandiger. Zulke feiten zijn zeer zeker onvereenigbaar
+met de meening, dat de Olifanten buitengewoon verstandige dieren zijn,
+veel minder nog met de stelling, dat zij tot scherpzinnig nadenken in
+staat zouden zijn. Ik geloof niet, dat ik den Olifant onrecht aandoe,
+wanneer ik beweer, dat hij in vele opzichten dom is; bovendien kan
+ik de stellige verzekering geven, dat de mij bekende verhalen over
+zijne handelingen voorzoover zij niet op staaltjes van spierkracht en,
+leerzaamheid neerkomen, die hij onder de aansporing van zijn geleider
+vertoont, niets anders zijn dan op effect berekende verzinsels,
+gegrond op een te hoog denkbeeld van de geestesgaven van den Olifant.
+
+"Wij stappen nu van het verstand van den Olifant af, om zijn
+gemoedsstemming gedurende de gevangenschap na te gaan. Ik vertrouw, dat
+ieder, die met Olifanten te maken heeft gehad, met mij zal instemmen,
+wanneer ik zeg, dat hunne goede eigenschappen bijna niet hoog genoeg
+geschat kunnen worden en dat slechte bij hen steeds een uitzondering
+zijn. De beste eigenschappen van den Olifant zijn gehoorzaamheid,
+zachtmoedigheid en geduld. In deze opzichten wordt hij door geen enkel
+huisdier overtroffen. Zelfs in een zeer onaangenamen toestand--b.v.,
+als hij de blakerende zon dulden of pijnlijke heelkundige bewerkingen
+ondergaan moet,--toont hij zelden eenige prikkelbaarheid. Hij
+weigert nooit iets te doen, wanneer hij op de juiste wijze bestuurd
+wordt--tenzij het iets is, waarvoor hij vrees koestert. De Olifant,
+de wilde zoowel als de tamme, is buitengewoon vreesachtig; zijn vrees
+wordt door ieder eenigszins vreemdsoortig verschijnsel zeer licht
+opgewekt. Toch hebben vele van deze dieren een goeden aanleg tot moed,
+die alleen maar op een behoorlijke wijze ontwikkeld behoeft te worden,
+zooals blijkt uit het gedrag van sommige Olifanten bij de tijgerjacht."
+
+Van vreesachtigheid geven de wilde Olifanten blijken bij al wat zij
+ondernemen: hetzij zij voedsel zoeken, of uitgaan om zout te likken
+(waarvan zij groote liefhebbers zijn), of om te drinken of om te baden,
+altijd bewegen zij zich met de grootst mogelijke voorzichtigheid,
+maar geven zich dan ook, nadat zij zich van hun veiligheid overtuigd
+hebben, met des te grooter genot aan het genoegen van den maaltijd
+over. Zij breken spelenderwijs takken van de boomen af, waaien
+zich hiermede koelte toe, verdrijven de hun zoo lastige Vliegen en
+verslinden de takken nu op hun gemak, na ze eenigszins ineengefrommeld
+te hebben. Hoewel het maal bedaard en zonder overhaasting gebruikt
+wordt, geschiedt dit toch niet altijd stil en zonder gedruisch te
+maken; integendeel het gaat, naar Von Heuglin in het stroomgebied
+van den Boven-Nijl heeft opgemerkt, met een waarlijk helsch geraas
+gepaard. Het knikken van de twijgen, het kraken van de takken of
+stammen, die dikwijls met vereende krachten afgebroken worden,
+het kauwen, ademen, zich ontlasten, het dof gerommel van de lucht
+in de ingewanden, het plassen van de zware voeten door het moeras,
+het nat spuiten van het lichaam met de slurf, het klepperen met de
+kolossale ooren, die dikwijls als zonneschermen uitgebreid worden,
+het wrijven van het kolossale lichaam tegen dikke boomstammen en het
+gillend getrompet, dat intusschen van deze dieren gehoord wordt, dit
+alles te samen brengt een oorverdoovend geraas teweeg. Geëvenredigd aan
+dit geraas is de elke beschrijving te boven gaande verwoesting, die een
+Olifanten-kudde in het woud aanricht. "Wat door de kolossale voeten
+niet nedergetrapt wordt," verhaalt onze zegsman, "wordt omgesmeten,
+de sterkste boom ontworteld, zijne takken afgebroken; het kreupelhout
+ligt verward door elkander op den grond alsof een razende wervelwind
+het had neergeworpen; stammen, die de stormen van meer dan een eeuw
+getrotseerd hebben, zijn als riethalmen geknapt." (?) Takken van meer
+dan een arm dik worden door den Olifant zonder bezwaar verzwolgen. Zeer
+dikke takken schilt hij geheel of gedeeltelijk, waarna hij het hout
+laat liggen. In dorre steppen wroet hij ook in den bodem om saprijke
+wortels te verkrijgen.
+
+De Olifanten behooren ongelukkig eveneens tot de dieren, die hun
+ondergang tegemoet gaan. De vervolgingen, die zij te verduren hebben,
+zijn geen wraakoefeningen voor de door hen aangerichte schade; men
+maakt jacht op hen wegens het genoegen, dat deze jacht oplevert,
+en om het kostbare ivoor te verkrijgen. Van de vroegste tijden af
+is daarom een verdelgingskrijg tegen hen gevoerd. In Indië en op
+Ceylon worden zelfs tandelooze of korttandige mannetjes, ja zelfs de
+tandelooze wijfjes en jongen alleen ter wille van het jachtvermaak
+geschoten en misschien nog vaker in valkuilen gevangen, waarin zij
+bij het naar beneden storten dikwijls zoozeer gewond worden, dat
+zij voor dienstverrichtingen niet meer bruikbaar zijn. In Afrika,
+waar de dieren van beiderlei geslacht groote slagtanden hebben,
+maken zoowel de inboorlingen als de Europeesche beroepsjagers jacht
+op hen ter wille van het ivoor. Ongelukkig gaan ook zij hierbij niet
+altijd met omzichtigheid te werk, maar moorden soms doelloos. In
+het open veld, b.v. in Zuid-Afrika, waar men op een goed gedresseerd
+Paard zich op een willekeurigen afstand van den Olifant bewegen kan,
+gebruikt men bij deze jacht dikwijls het Engelsche militaire geweer
+en schiet het dier hiermede snel achtereenvolgens zooveel kogels in
+'t lijf, totdat hij ter aarde stort. Waar echter de Tsetse-vlieg
+het gebruik van Paarden onmogelijk maakt, en vooral in streken, die
+rijk zijn aan wouden, of waar veel struikgewas groeit, jaagt men
+te voet en maakt gebruik van zeer zware geweren met gladde loopen
+of van zware dubbelloops-buksen. Daar men zich in het dichtst van
+het woud tot in de onmiddellijke nabijheid van het wild begeeft,
+de meeste schoten op een afstand van minder dan 30 schreden en met
+een hiermede geëvenredigde gewisheid op het kwetsbaarste lichaamsdeel
+lost--zoo mogelijk op een plek ter grootte van een hand tusschen het
+oog en het oor--, is wegens de zeer sterke lading niet zelden één
+kogel voldoende om den reusachtigsten Olifant neer te vellen.
+
+De vermoeienissen bij deze wijze van jagen zijn zoo groot, dat
+slechts de meest geharde mannen ze kunnen verduren; het gevaar voor
+den jager is echter niet zoo groot, als het wel schijnen kan. Het
+valt niet te ontkennen, dat de vertoornde Olifanten soms op hunne
+vervolgers aanvallen; enkele van deze hebben ook inderdaad onder de
+voeten van de reuzen van het woud hun laatsten adem uitgeblazen.--De
+werkelijk vertoornde Olifant maakt ook nog op andere wijze dan door
+zijn kolossale zwaarte, waaronder de bodem dreunt, een onvergetelijken
+indruk op den toeschouwer. Met ineengerolde slurf, de ooren een weinig
+opgeheven, den staart in een kring zwaaiend, schiet hij woest snuivend
+op zijn vijand toe; het voorste deel van zijn lichaam schijnt aan te
+groeien, het ziet er althans veel breeder en hooger uit, dan ooit te
+voren; aan het achterste deel van den romp worden de lange huidplooien
+door hun heen en weer slingerende beweging veel duidelijker zichtbaar;
+de reusachtige massa nadert snel en aanhoudend; het toornig snuiven
+wordt afgewisseld door een woedend gekrijsch, waarvan iemand, die aan
+zulke geluiden niet gewoon is, zich geen denkbeeld kan vormen. Wanneer
+in deze omstandigheden de van drift ziedende reus zijn tegenstander
+bereikt, is deze verloren, en is hij, meestal zonder eenige kans op
+redding, blootgesteld aan de billijke wraakoefening van den getergden
+planteneter.
+
+Het tijdstip, waarop de Indische Olifanten uitgeroeid zullen zijn, is
+vooreerst nog niet aangebroken. De betoogen van weldenkende ambtenaars
+hebben teweeggebracht, dat de inboorlingen van hunne zoovele dieren
+verminkende vangwijzen thans een minder ruim gebruik maken dan
+vroeger; hierdoor verheugt de in 't wild levende Olifant zich thans
+in een volledige vrijheid van beweging, zoowel in de West-Ghats als
+in de eindelooze dsjungels en wouden, die zich langs den voet van
+den Himalaja tot aan Birma en Siam uitstrekken. Het aantal dieren,
+dat ieder jaar op last en ten behoeve van de regeering gevangen
+wordt, is betrekkelijk zeer gering; er valt niet aan te twijfelen,
+dat de wildernissen, die men den Olifant en andere wilde dieren als
+woonplaats kan overlaten, tegenwoordig zoo talrijk met wild bevolkt
+zijn, als men maar wenschen kan.
+
+In Afrika oefenen de inboorlingen nu nog op dezelfde wreede en
+onmeedoogende wijze als voor onheugelijke tijden de jacht op den
+Olifant uit. In het westen van Afrika, in het Ogowe-gebied, vlechten
+de Negers de slingerplanten tot een soort van netwerk ineen, drijven
+dan de Olifanten naar de op deze wijze omheinde plaatsen van het woud
+en slingeren, als de dieren besluiteloos voor de dooreengewarde ranken
+blijven staan, honderden van lansen in het lichaam van de sterkste en
+grootste exemplaren, totdat deze ter aarde storten. Gebruikelijker is
+het echter bij dergelijke jachten in het woud, zulk een omheining in
+den vorm van een grooten halven cirkel aan te leggen en de Olifanten,
+die er toevallig in geraakt of er in gedreven zijn, zoo schielijk
+mogelijk met een haag te omgeven. Rondom deze worden dan wachten
+geplaatst en vuren aangestoken, om de dieren, die de omheining
+naderen, terug te schrikken. Hoewel het zelfs den kleinsten en zwaksten
+Olifant mogelijk zou zijn, om zonder groote inspanning door de weinig
+weerstand biedende omtuining heen te breken en aan de slecht gewapende
+inboorlingen te ontkomen, wagen de gevangen dieren het evenwel niet,
+de vlucht te nemen. Zij worden door de hen omringende jagers letterlijk
+uitgehongerd, aangeschoten, gespietst en in een toestand van doodelijke
+uitputting eindelijk om 't leven gebracht.
+
+Veel aantrekkelijker en menschelijker dan alle jachtmethoden, is de
+wijze waarop men de Olifanten levend vangt, om deze vagebonden te
+temmen, tot nuttige dienaren van den mensch op te leiden. De Indiërs
+zijn meesters in deze kunst. Onder hen bestaat een echt gilde van
+Olifanten-vangers, die Panikis heeten; zij volgen het spoor van den
+Olifant, zooals een goede Hond het spoor van een Hert herkent; sporen,
+die door Europeesche oogen niet opgemerkt worden, zijn voor hen als 't
+ware de met duidelijke aanwijzingen beschreven bladen met een voor hen
+verstaanbaar boek. Hun eenig wapen bestaat in een stevigen en rekbaren
+strik van herte- of buffelleer, dien zij, als zij onvergezeld op de
+vangst uitgaan, den door hen begeerden Olifant om den poot werpen. Met
+onhoorbare schreden volgen zij hem op den weg en wachten een gunstig
+oogenblik af, om hem te kluisteren; soms zelfs zien zij kans om hem,
+wanneer hij stil staat, den strik aan beide pooten te bevestigen. Hoe
+zij het aanleggen om ongemerkt het vreeschachtige dier te naderen,
+is en blijft een raadsel. Een Europeaan is, omdat hij den goeden
+uitslag van de onderneming zou verijdelen, niet in staat deze lieden
+op hunne jachttochten te volgen en moet zich tevreden stellen met
+wat hij er van hoort vertellen.
+
+Veel grootscher en winstgevender is een wijze van vangen, die
+geheele kudden aan de heerschappij van den mensch onderwerpt. Om
+deze in practijk te brengen, wacht men gewoonlijk het begin van het
+droge jaargetijde af, en trekt dan met eenige honderden geoefende
+inboorlingen en zooveel mogelijk tamme Olifanten naar een gewest,
+waar een talrijke kudde wilde Slurfdieren verblijf houdt. Deze kudde
+wordt in de eerste plaats door een 5 à 10 KM. langen keten van posten
+omgeven, die ieder met twee manschappen bezet en, al naar den aard van
+het terrein, op afstanden van 60 à 100 schreden van elkander verwijderd
+zijn. In den regel kan een op deze wijze omsingelde Olifantenkudde
+niet anders dan door groote onachtzaamheid van de schildwachten
+ontkomen. Binnen weinige uren hebben de manschappen in alle stilte
+een zwakke omheining van gespleten bamboe-stokken enz. langs den
+geheelen ring voltooid, en voor zich zelf van takken een soort van
+hutten gebouwd; des nachts worden vuren aangestoken. Heeft men een
+recht groot terrein omheind, dat rijk is aan voedsel en water, dan
+veroorzaken de Olifanten gewoonlijk slechts gedurende de eerste nachten
+eenige moeite; zij worden, telkens als zij de omheining naderen, door
+fakkels, schoten en geschreeuw teruggedreven. Deze soort van insluiting
+wordt gedurende 4 à 10 nachten volgehouden, d.i. zoolang, totdat een
+reeds vroeger begonnen, uit stevig paalwerk bestaande omheining, den
+"Khedda", op een gunstig gelegen plek binnen het afgeperkte terrein
+voltooid is. De sterke, uit boomstammen en planken samengestelde,
+ongeveer 4 M. hooge wand, omsluit een kringvormige ruimte van 20
+à 50 M. middellijn en laat een ongeveer 4 M. breeden ingang vrij,
+die door een zware valdeur gesloten kan worden, waarheen een gang
+leidt, die door twee tot op een afstand van 100 M. voortgezette, uit
+palen bestaande, uiteenwijkende vleugelwanden begrensd wordt. Zoodra
+deze getimmerten gereed zijn, wordt de kring om de omsingelde kudde
+vernauwd. De naastbij geplaatste wachtposten begeven zich naar de
+uiteinden van de beide vleugelwanden, de meer verwijderd staande
+dringen op de Olifanten aan, eerst langzaam en voorzichtig, daarna
+sneller; wanneer eindelijk de dieren tot aan de wijde opening van den
+Khedda genaderd zijn, wordt met groot geschreeuw en het afschieten
+van de geweren een algemeene storm ondernomen, die de dieren langs
+den weg tusschen de beide vleugelwanden en door de nauwe poort tot
+binnen in den Khedda drijft. De valdeur, die aan een touw hangt,
+dat nu doorgesneden wordt, valt krakend naar beneden,--de kudde
+is gevangen. Niet altijd loopt deze arbeid goed van stapel; soms
+bemerken de dieren gevaar, stormen op hunne belagers af, breken
+door den kring heen, moeten op nieuw omsingeld worden, of zijn in
+'t geheel niet meer tegen te houden. In den regel echter gelukt het,
+de eenmaal in een kring besloten kudde in de voor 't vangen bestemde
+ruimte te drijven en haar hierin te doen blijven, in weerwil van de
+onrustigheid der dieren en de pogingen, die zij af en toe aanwenden,
+om een bres te maken in de omheining. Als de eerste ontroering voorbij
+is, zendt men tamme Olifanten met hunne geleiders en de hun toegevoegde
+binders in den Khedda; deze maken zich achtereenvolgens één voor één
+van de dieren meester, en brengen ze gekluisterd buiten de vangruimte
+in het omringende woud, waar zij aan boomen vastgelegd worden. Tennent
+beschrijft de vangwijze, die op Ceylon in gebruik is, als volgt:
+
+"Buiten de vangruimte was alles gereed gemaakt om de tamme Olifanten,
+die helpen moeten bij het binden hunner wilde soortgenooten in
+de kraal" (zoo heet hier de Khedda) "te voeren. De strikken werden
+gereed gehouden; eindelijk trok men behoedzaam de boomstammen weg, die
+den ingang gesloten hielden, en liet twee tamme Olifanten zachtjes
+naar binnen gaan. Elk dier werd bereden door een kornak en zijn
+knecht. Elke Olifant had een stevigen halsband om, van welke naar
+weerszijden een riem van antilopenleder, met een strik voorzien,
+naar beneden hing. Ter zelfder tijd trad de aanvoerder van de binders
+naar binnen, en hield zich achter de tamme Olifanten verborgen; hij
+was verlangend voor zich de eer te verwerven den eersten Olifant te
+binden. Het was een vlug mannetje van ongeveer 70-jarigen leeftijd,
+die voor diensten bij de olifantenvangst bewezen, reeds twee zilveren
+kettingen als eereteekens verworven had. Zijn zoon, eveneens bekend
+door zijn moed en behendigheid, vergezelde hem."
+
+"Een van de twee tamme Olifanten, die de kraal binnengingen, had een
+buitengewoon hoogen ouderdom bereikt. De andere, die _Siribeddi_ werd
+genoemd, was omstreeks vijftig jaar oud en onderscheidde zich door
+zijn zachtaardig en verstandig voorkomen. Zonder gedruisch te maken
+waren de vangers binnengekomen; langzaam met een sluwen blik, doch
+schijnbaar zonder zich om iets te bekommeren, drentelde _Siribeddi_
+voort tot aan de plaats, waar de negen wilde Olifanten bijeenstonden,
+nu en dan staan blijvend om in het voorbijgaan een bosje gras of
+eenige bladen af te plukken. Toen hij dichter bij was gekomen, gingen
+de wilde Olifanten hem te gemoet, hun aanvoerder streek hem zachtjes
+met de slurf over den kop, keerde zich daarna om en begaf zich met
+langzame schreden weder naar zijne bedrukte metgezellen. _Siribeddi_
+volgde hem op dezelfde onverschillige wijze en ging dicht achter
+hem staan, zoodat de oude man, onder hem doorkruipend, een strik om
+den achterpoot van den wilden Olifant kon schuiven. Deze bemerkte
+onmiddellijk het gevaar, waarin hij verkeerde, schudde den strik af,
+keerde zich om en viel op den ouden man aan. Deze zou zwaar hebben
+moeten boeten voor zijn vermetelheid, indien _Siribeddi_ hem niet
+met de slurf beschermd en den aanvaller naar het midden der kudde
+teruggedreven had. De oude man was licht gewond en verliet de kraal,
+terwijl zijn zoon Raughanie hem verving. De kudde stond weer in een
+kring met de koppen naar het middelpunt gekeerd. De beide tamme
+Olifanten gingen onbeschroomd bij hen staan, en wel zoo, dat zij
+het grootste mannelijk exemplaar tusschen zich hadden. Dit bood geen
+weerstand, maar toonde zijn ongenoegen door voortdurend nu eens den
+eenen dan weer den anderen poot op te heffen. Raughanie sloop nader
+en hield met beide handen den strik open, waarvan het andere uiteinde
+aan _Siribeddi_'s halsband vastgemaakt was; hij wachtte het oogenblik
+af, waarop de wilde Olifant een van zijne achterpooten zou oplichten;
+eindelijk gelukte het hem den strik om dezen poot te werpen; hij trok
+hem aan en vluchtte toen achteruit. Oogenblikkelijk gingen de beide
+tamme Olifanten eveneens achterwaarts. _Siribeddi_ trok het touw
+aan en sleepte op deze wijze den gekluisterden reus uit den kring
+weg; de andere tamme Olifant plaatste zich terzelfder tijd tusschen
+_Siribeddi_ en de nog overige leden der kudde om hen te verhinderen
+zich in den strijd te mengen.
+
+"Nu moest de gevangene nog aan een boom vastgemaakt en hiervoor 30 à
+40 M. verder achteruit getrokken worden, en dit, terwijl hij woedend
+weerstand bood, voortdurend vreeselijk brulde, naar alle zijden
+heen sprong en de kleine boomen, die hem in den weg stonden, als
+riet vertrapte. _Siribeddi_ trok hem gestadig naar zich toe en sloeg
+eindelijk den riem dien hij voortdurend zoo strak mogelijk gespannen
+hield, om een hiervoor geschikten boom. Zich om den boom heen bewegend,
+stapte hij voorzichtig over den riem om dezen nogmaals om den stam te
+wikkelen, waarbij hij natuurlijk tusschen den boom en den Olifant door
+moest gaan. Hij kon dezen natuurlijk niet zoo vastbinden, dat er geen
+ruimte meer tusschen den stam en de gevangene overbleef. De tweede
+tamme Olifant kwam hem te hulp, en duwde den gevangene terug door
+zich schouder tegen schouder en kop tegen kop bij hem te plaatsen,
+terwijl _Siribeddi_ na elke achterwaartsche schrede van het wilde
+dier den slap geworden riem aantrok en zóó den afstand tusschen den
+boomstam en den olifantspoot verkortte, totdat beide met elkander in
+aanraking waren. De vanger maakte toen den riem vast en wierp een
+tweeden kluister om den anderen achterpoot, die op dezelfde wijze
+als de eerste en aan denzelfden boom bevestigd werd. Eindelijk werden
+nog de beide achterpooten met zachter banden aan elkander gehecht om
+de wonde en de zwelling, die de riemen zouden kunnen veroorzaken,
+indien de beweging van het dier niet eenigszins beperkt werd,
+minder gevaarlijk te maken. Nadat de beide tamme Olifanten zich
+nogmaals, als in den aanvang, naast den wilde hadden geplaatst, kon
+Raughanie, onder hun lichaam doorgaande, ook de beide voorpooten van
+den gevangene kluisteren en aan een dichtbij, doch vóór hem staanden
+boom bevestigen. Nu was zijn arbeid, wat dit dier betrof afgeloopen
+en verlieten de tamme Olifanten die steeds hunne kornaks droegen,
+het slachtoffer, om een ander lid van de kudde hetzelfde lot te doen
+ondergaan. Merkwaardig is het, dat de wilde Olifanten nimmer een poging
+doen, om de bestuurders van de tamme dieren aan te vallen en op den
+grond te werpen." Zoodra de aanvankelijk min of meer weerspannige
+gevangenen eenigermate gewoon zijn geraakt aan den mensch en aan
+hunne tamme soortgenooten, worden zij overgebracht naar de plaats,
+waar men ze africht voor het werk, dat men van hen verlangt, b.v. het
+vervoeren van zware bouwmaterialen, balken of steenen.
+
+In tegenstelling met de Indiërs, welker wijze van Olifanten-vangst
+zooeven beschreven werd, gaan de Afrikaansche stammen op een
+merkwaardig ruwe en lompe wijze te werk ter bereiking van hetzelfde
+doel. De nomadische stammen van de steppen, die zich tusschen
+den Nijl en de Roode Zee uitstrekken, houden zich meer of minder
+geregeld met de vangst van Olifanten bezig; het middelpunt van den
+handel in deze dieren was sedert 1857 Kassala. Marno die Casanova
+op één van diens reizen naar Kassala begeleidde, bericht, dat de
+bewoners van de steppen jacht maken op jonge, nog zuigende Olifanten,
+en deze alleen kunnen vermeesteren, nadat zij hun moeder op de reeds
+vroeger beschreven wijze vervolgd en gedood hebben. Terwijl de koenste
+jagers met het oude dier bezig zijn, trachten andere zich meester
+te maken van het jong; zij werpen het strikken om het lijf, trekken
+het op den grond en kluisteren het aan alle vier pooten. Gekrabd en
+gekwetst, keeren de jagers van hun woesten rit door wildernissen van
+doornstruiken met den buit naar hun dorp terug, evenals de krom en
+lam gereden Paarden; beide hebben zij na zulk een jacht een langen
+rusttijd noodig. Volgens Marno biedt de opvoeding van de Olifanten,
+zelfs van zeer jong gevangen exemplaren, groote moeilijkheden aan,
+zoowel door hun weerspannigheid gedurende en na de vangst, als door
+de bezwaren verbonden aan hun voeding en hun vervoer.
+
+In de Europeesche dierentuinen kan de Afrikaansche Olifant even goed
+in 't leven gehouden worden als de Aziatische, zelfs wanneer er weinig
+gedaan wordt tot bevrediging van zijne natuurlijke behoeften: dikwijls
+mist hij een groote ruimte voor vrije beweging of een badvijver van
+voldoende diepte en wijdte. Om de nadeelige gevolgen van te weinig
+lichaamsoefening te ontgaan, is hij wel genoodzaakt heen en weer
+te loopen of voortdurend de eene poot na de andere op te tillen en
+neder te zetten; terwijl hij zich voor het gemis van het zoo noodige
+bad schadeloos stelt, door zich van tijd tot tijd met de slurf,
+nat te spuiten. Zijne uitmuntende zintuigen, zijn leerzaamheid,
+zijn zachtaardig voorkomen vallen iederen toeschouwer dadelijk 't
+oog. Hij leert gemakkelijk en al spelend; hij "werkt" gewillig en
+gaarne en vormt om die reden een van de merkwaardigste nummers op het
+programma van ieder wildedierenspel, terwijl hij evenzeer de lieveling
+is van de bezoekers der diergaarden.--De hoeveelheid voedsel, die hij
+noodig heeft, is zeer aanzienlijk: volgens Haacke krijgt de Aziatische
+Olifant van de diergaarde te Frankfort, die omstreeks 43 jaar oud
+is, dagelijks 8 KG. tarwe-zemelen, 8 KG. roggebrood, 2 KG. rijst en
+25 KG. hooi, behalve het ligstroo, dat hij nu en dan opvreet, en de
+lekkernijen, bestaande uit wittebrood, roggebrood, suiker, vruchten
+en dergelijke zaken, waarop de bezoekers hem tracteeren. Ditzelfde
+dier drinkt iederen dag ongeveer 16 met water gevulde stal-emmers leeg.
+
+Het vleesch van den Afrikaanschen Olifant heeft den smaak van
+rundvleesch, maar is veel taaier en grover van vezels. De Negers
+snijden alle spieren van dit dier in lange repen, die zij in de zon
+of boven het vuur laten drogen, en vóór het gebruik tot een grof
+poeder wrijven, dat zij aan hunne eenvoudige gerechten toevoegen. Bij
+de jachtexpedities die de Njam-njam ondernemen, dooden zij soms
+zooveel Olifanten, dat verscheidene dorpen hierdoor maanden lang een
+voldoende hoeveelheid vleesch hebben. "Dikwijls" zegt Schweinfurth,
+"zag ik lieden die, naar ik meende, zich met een groot bos brandhout
+naar hunne hutten begaven: zij droegen de hun toekomenden portie
+olifantenvleesch, dat in lange repen gesneden en boven het vuur
+gedroogd, geheel het uiterlijk van hout en takjes had verkregen."
+
+Voor den wereldhandel is van den Olifant alleen het ivoor van belang,
+maar dan ook van groot belang. De totale hoeveelheid ivoor, dat van
+de thans levende Olifanten-soorten afkomstig is en op de wereldmarkt
+komt, bedroeg volgens een statistieke opgave over de jaren 1879-1883,
+gemiddeld per jaar ongeveer 868.000 KG. Hiervan leverden Ceylon en
+Sumatra 2000 KG., Achter-Indië 7000 K.G., Voor-Indië 11000 KG. en
+Afrika 843.000 KG.
+
+
+
+
+
+
+Tiende Orde.
+
+De Onevenvingerigen (Perissodactyla).
+
+
+De orde van de Onevenvingerigen omvat, evenals die der Slurfdieren,
+slechts de weinig talrijke vormen, die van een eertijds veel rijker
+ontwikkelden stam zijn overgebleven; deze in den regel groote dieren
+steunen, terwijl zij zich bewegen, alleen op de hoeven, d.w.z. op
+nagels die het laatste vingerlid geheel omgeven; steeds is bij hen de
+teen, die met den derden teen van den vijfteenigen voet overeenkomt,
+meer ontwikkeld dan de overige; bij de Paarden is hij zelfs de eenige,
+die tot ontwikkeling is gekomen. Het gebit van de Onevenvingerigen
+onderscheidt zich door de kleinheid of afwezigheid der hoektanden en
+de door lijsten verbonden knobbels der maaltanden; snijtanden komen
+in beide kaken voor.
+
+Van deze orde zijn ongeveer 25 soorten bekend, die, met uitzondering
+van Australië, nagenoeg over de geheele wereld verspreid zijn: zij
+kunnen over vier scherp van elkander gescheiden familiën verdeeld
+worden: in de éénteenige Paarden, de Tapirs, die vier teenen aan de
+voorpooten, drie teenen aan de achterpooten hebben, de drieteenige
+Neushoorndieren en de Klipdassen, welker teenen in aantal met die
+der Tapirs overeenstemmen. Wegens de geringe overeenkomst, die er,
+ook wat de levenswijze betreft, tusschen deze vier familiën bestaat,
+komt een op alle toepasselijke beschrijving ons onuitvoerbaar voor.
+
+
+
+De _Paarden_ (_Equidae_) van de hedendaagsche dierenwereld vormen een
+zeer begrensde groep en vertoonen zooveel overeenkomst met elkander,
+dat men ze tot één geslacht rekent. Dit geslacht--dat der _Paarden_
+(_Equus_)--is gekenmerkt door een middelmatig groote, schoone gestalte,
+betrekkelijk krachtige ledematen en een mageren, langwerpigen kop met
+groote, levendige oogen, middelmatig groote, toegespitste, beweeglijke
+ooren en wijd geopende neusgaten. De hals is stevig en gespierd, de
+romp afgerond en vleezig, het lichaam grootendeels met zachte, korte,
+dicht aanliggende haren bedekt, die zich echter in den nek tot manen
+verlengen; ook de staart is, hetzij alleen aan de spits (bij de Ezels)
+of over zijn geheele lengte (bij de Eigenlijke Paarden), met lange
+haren begroeid. Het aanwezig zijn aan elken poot van slechts _één
+teen_, welks eindlid (_hoeflid_) door een sierlijk gevormden hoef
+als door een schoen omgeven is, onderscheidt de Paarden van alle
+Onevenvingerigen. Wegens de groote rol, die dit lichaamsdeel bij de
+beweging speelt, is het noodig het te beschrijven.
+
+De _teen_ bestaat uit drie leden: de _koot_, de _kroon_ en het
+_hoeflid_. Het geraamte van het _hoeflid_ bestaat uit twee beenderen
+van zeer ongelijke grootte: het voorste en grootste, het _hoefbeen_,
+is sponsachtig, heeft een scherpen, halfcirkelvormigen onderrand,
+die de eenigszins uitgeholde ondervlakte van het hoefbeen van voren en
+aan de zijden begrenst; het achterste, kleinere beentje, dat, evenals
+het hoefbeen, met de ondervlakte van het kroonbeen verbonden is, heet
+_straalbeen_. De pees van de spier, die het hoeflid buigt, gaat achter
+dit straalbeen langs, om zich te hechten aan de ondervlakte van het
+hoefbeen, waar zij zich tot een peesvlies (den "ganzevoet") verbreedt.
+
+De hoef, die het hoeflid omgeeft, bestaat uit: 1º. een hard, verhoornd
+gedeelte (de _hoorndoos_), en 2º. de meer inwendig gelegen, zachte
+_hoefhuid_. Aan de hoorndoos onderscheidt men drie deelen:
+
+(a) De _hoornwand_, welks voorste, sterk hellend gedeelte (de _teen_)
+zich achterwaarts ombuigt, in de meer loodrecht geplaatste zijwanden of
+_kwartieren_ overgaat, die, steeds smaller wordend, aan de buitenzijde
+van het hoeflid blijven tot daar, waar zij in twee minder harde
+uitwassen (de _verzenen_) hun achterste punt bereiken; hier gaat de
+hoornwand op de onderzijde van het hoeflid over onder den naam van
+_steunsels_, die naar voren van weerszijden samenloopen, en onder een
+scherpen hoek elkander ontmoeten. De lijn volgens welke de hoornwand
+in de gewone huid overgaat, heet _kroonrand_; het deel dat op den
+grond rust, en aan den "teen" ruim 1 cM. breed is, heet _draagrand_.
+
+(b) De _hoornzool_, een dikke plaat met oneffene oppervlakte, die de
+ruimte vult welke tusschen den "teen", de zijwanden en de steunsels
+overblijft, is met den draagrand verbonden volgens een _witte lijn_;
+alleen hier rust zij op den grond, daar zij eenigermate gewelfd is.
+
+(c) De _hoornstraal_ is een weekere, maar zeer veerkrachtige hoornmassa
+van wigvormige gedaante, die de driehoekige ruimte tusschen de beide
+steunsels aanvult; door de overlangsche _straalgroef_ is hij in twee
+afdeelingen verdeeld, die zich naar achteren ieder tot een _hoornbal_
+uitzetten.
+
+De binnenste oppervlakte van den hoornwand is met diepe groeven
+voorzien, waarin plooien van de rijk met bloedvaten en zenuwen
+voorziene _zachte hoefhuid_ doordringen; deze wordt naar het deel,
+waarmede zij in aanraking is, onderscheiden in _vleeschwand_,
+_vleeschzool_ en _vleeschstraal_. De beide laatste hebben geen
+plaatvormige, maar tepelvormige uitwassen, die in kuiltjes van
+het hoorn doordringen. De hoefhuid is evenzoo ingericht aan den
+kroonrand, waar zij het dikst is en zoom heet. De vleeschstraal is
+wit, veerkrachtig en niet zeer gevoelig. Door de zachte hoefhuid
+wordt het hoorn van den hoef gevormd.
+
+Door haar samenstelling is de hoef in staat zich eenigszins te
+verwijden en te vernauwen. Zoodra, bij het neerzetten van den voet, het
+gewicht van het lichaam op het hoefbeen en straalbeen, en bijgevolg op
+den straal, de steunsels en de hoornzool drukt, wordt de zool vlakker;
+tevens komt de straal met den bodem in aanraking en verbreedt zich;
+beide oefenen dus een zijdelingsche drukking uit op den hoornwand,
+welks achterste gedeelte zich het eerst aan den kroonrand en daarna
+ook aan den draagrand zal verwijden. Bij het ophouden van de drukking
+wordt de hoef, door de veerkracht zijner bestanddeelen, weder in den
+vorigen toestand teruggebracht. De verwijding en de daarop volgende
+inkrimping bedragen ongeveer 3 mM. Hierdoor zal er geen pijnlijke
+drukking op en geen beschadiging van de zachte hoefhuid plaats hebben,
+schokken worden voorkomen en de bloedsomloop blijft ongestoord. Een
+sierlijke en vlugge beweging wordt er door bevorderd. Voor het behoud
+van deze belangrijke eigenschappen van den hoef is het noodig, hem goed
+te verzorgen; steeds moet de draagrand een loodrechten stand hebben. De
+snelle afslijting van dezen rand op een harden of geplaveiden weg,
+wordt door het aanbrengen van een hoefijzer (door het beslaan)
+vermeden. De hoefijzers mogen de inkrimping en uitzetting van den
+hoef niet verhinderen; zij worden vastgehecht met 5 à 9 nagels, die in
+de witte lijn worden ingeslagen. Vooral de voorhoeven hebben, wegens
+hun van nature vlakkere zool, beschutting door een hoefijzer noodig.
+
+Het kootbeen is verbonden met een lang middelvoetsbeen, dat _kanonbeen_
+(_pijpbeen_) wordt genoemd; hierachter komen twee weinig ontwikkelde
+(rudimentaire) middelvoetsbeenderen voor, die, wegens hun vorm,
+_griffelbeenderen_ heeten: zij bereiken het kootgewricht niet, maar
+eindigen op eenigen afstand daarboven stomp in het vleesch. In
+'t diluviale tijdvak bestonden onze hedendaagsche Eénhoevigen
+reeds. De dieren, die hen in het voorafgaande tertiaire tijdvak
+vervingen, hadden in plaats van de griffelbeenderen, twee goed
+ontwikkelde middelvoetsbeenderen, die ieder een achterteen droegen;
+deze uitgestorven, drieteenige vormen, worden als de voorouders
+van de hedendaagsche Paarden beschouwd.--Gewoonlijk wordt het deel
+van den poot, waarin het pijpbeen en de griffelbeenderen voorkomen,
+de pijp genoemd; het polsgewricht heet in de wandeling "voorknie",
+of eenvoudig "knie". Wat de teen en de pijp betreft, komen de voor-
+en achterpooten in hoofdzaken met elkander overeen.
+
+Elke kaakhelft bevat 3 _snijtanden_, die als het ware van boven
+ingestulpt zijn, waardoor in elk dezer tanden een holte ontstaan
+is. Op deze wijze zijn de drie bouwstoffen van den tand, _cement_,
+_email_ en _tandbeen_, in dubbele lagen aanwezig. Van boven gezien
+ontdekt men licht de twee kringvormige lagen van email, die, harder
+zijnde, minder afslijten. De binnenste omsluit een centrale holte,
+het _merk_, die, behalve dat zij inwendig met cement is bekleed,
+met een kalkachtige massa en met gekauwde spijsdeelen is opgevuld,
+en daardoor een geheel andere kleur vertoont dan het glasachtige
+email. Tusschen de beide email-kringen treft men het weekere tandbeen
+aan. De genoemde holte of instulping is in de snijtanden der bovenkaak
+van het Gewone Paard 1.3 à 1.7 cM. diep, in die der onderkaak slechts
+0.66 cM., en wordt naar beneden toe steeds nauwer. Aangezien nu de
+tanden door het gebruik voortdurend afslijten, spreekt het van zelf,
+dat het merk steeds kleiner worden en eindelijk geheel verdwijnen
+moet; dit geschiedt echter eerder aan de tanden der onderkaak dan aan
+die der bovenkaak, wijl bij deze de holte dieper is.--De _hoektanden_
+ontbreken dikwijls, vooral bij de wijfjes; bij de mannetjes vertoonen
+zij zich in den regel als kleine, haakvormige, stompe kegels,
+die door de paardenkenners gewoonlijk "haaktanden" worden genoemd,
+omdat zij den naam "hoektanden" geven aan de buitenste snijtanden,
+terwijl de voorafgaande paren snijtanden bij hen "middeltanden" en
+"grasbijters" heeten.--De zes vierzijdige _kiezen_ van iedere kaakhelft
+hebben sterk gekronkelde email-plooien op de kroonvlakte.--Van de
+spijsverteringsorganen verdienen voorts nog vermelding: de nauwe
+slokdarm, die op de plaats, waar hij in de maag eindigt, met een klep
+voorzien is, de enkelvoudige (onverdeelde), langwerpig ronde, tamelijk
+kleine maag, de sterk ontwikkelde blinde darm; de galblaas ontbreekt.
+
+Als het oorspronkelijk verbreidingsgebied van de Paarden--welker
+overblijfselen men voor 't eerst in de lagen van het tertiaire
+tijdvak ontmoet--wordt het grootste gedeelte van het noordelijk
+halfrond beschouwd. In Europa zijn de wilde Paarden, naar 't schijnt,
+eerst voor betrekkelijk korten tijd uitgestorven; in Azië en Afrika
+zwerven ook thans nog kudden van deze dieren door de gebergten en hoog
+gelegen steppen. In Amerika, waar zij uitgestorven waren, zijn zij
+opnieuw verwilderd; ook in Australië komen reeds verwilderde Paarden
+voor. Zij voeden zich met gras, kruiden en andere plantaardige stoffen;
+de tamme Paarden hebben zelfs dierlijk voedsel--b.v. vleesch, visch,
+Sprinkhanen--leeren gebruiken.
+
+Alle Paarden zijn levendige, wakkere, beweeglijke, schrandere dieren;
+hunne bewegingen zijn bevallig en statig. De gewone wijze van gaan
+der in vrijheid levende soorten, is een tamelijk scherpe draf, hun
+versnelde beweging een betrekkelijk gemakkelijke galop. Vreedzaam en
+goedaardig tegenover andere dieren, voor zoover deze hun geen kwaad
+doen, ontwijken zij angstvallig den mensch en de groote Roofdieren,
+maar verdedigen zich in geval van nood door slaan en bijten moedig
+tegen deze vijanden.
+
+De dieren van het Paardengeslacht worden verdeeld in twee
+ondergeslachten: de _Paarden_ (_Equus_) en de _Ezels_ (_Asinus_). Bij
+gene bereikt het oor ongeveer 1/4 gedeelte van de lengte van den
+kop en is de staart van den wortel af lang behaard; bij deze is het
+oor langer, (soms zelfs bijna half zoo lang als de kop) en draagt de
+staart alleen aan de spits lange haren. Bij alle Paarden (in engeren
+zin) komen aan beide paren ledematen eeltplekken (_zwilwratten_) voor;
+aan de voorpooten: één aan het bovenste derde gedeelte van de voorarm
+en wel aan haar binnenzijde, een andere aan het onderste uiteinde
+van de pijp; aan de achterpooten: één even onder het spronggewricht
+aan de binnenzijde, een tweede aan het benedenste gedeelte van de
+pijp. Bij de Ezels ontbreken de zwilwratten aan de achterpooten,
+terwijl zij aan de voorpooten aanwezig zijn.
+
+De vermenigvuldiging van deze dieren geschiedt langzaam. Het wijfje
+werpt na langen draagtijd (48 weken bij de merrie, 52 bij de ezelin)
+één enkel jong. Hier te lande is de Ezel bronstig in April en Mei,
+het Paard tusschen het einde van Maart en het begin van Juni.
+
+Minstens twee, waarschijnlijker echter drie soorten van deze familie,
+zijn door den mensch onderworpen. Geen geschiedverhaal, geen sage maakt
+melding van den tijd, waarin zij voor 't eerst huisdieren werden; zelfs
+het werelddeel, waarin de eerste Paarden getemd zijn, kan niemand met
+zekerheid aanwijzen. Naar men meent, heeft men vooral aan de volken
+van Middel-Azië het bezit van het Paard als huisdier te danken; ook
+de halfwilde, voormalige bewoners van Europa hebben wilde Paarden
+getemd. Betrouwbare gegevens over den tijd, waarin de hulpmiddelen
+van den mensch zulk een belangrijke uitbreiding ondergingen, en over
+de volken, die haar voor 't eerst in praktijk brachten, ontbreken
+ons echter ten eenenmale.
+
+
+
+Nog tegenwoordig zwerven in de steppen van Zuidoost-Europa kudden van
+Paarden rond, die door enkelen beschouwd worden als de wilde stamouders
+van ons huisdier, door anderen als afstammelingen van tamme Paarden,
+die tot den wilden staat terugkeerden. Deze dieren, _Tarpans_ genaamd,
+hebben alle eigenschappen van echte wilde dieren en worden door
+de Tartaren en Kozakken als zoodanig aangemerkt. De Tarpan is een
+klein Paard met dunne, maar krachtige, langhielige pooten, tamelijk
+langen, dunnen hals en betrekkelijk dikken kop; deze is "ramsneuzig"
+(de rug van den neus is bol), heeft spitse, vooroverhellende ooren en
+kleine, vurige, boosaardige oogen. Het haar is in den zomer dicht,
+kort, golvend, vooral aan het achterdeel, waar het bijna gekroesd
+kan heeten; in den winter daarentegen is het dicht, zwaar en lang,
+vooral aan de kin, waar het bijna een baard vormt; de manen zijn
+kort, dicht, ruig en gekroesd; de staart is middelmatig lang. De
+hoofdkleur van het zomerkleed is gelijkmatig vaalbruin, geelachtig
+bruin of isabella-geel; in den winter worden de haren lichter, soms
+zelfs wit; de manen en de staart hebben een gelijkmatige, donkere
+kleur. Gevlekte exemplaren komen nooit voor, zwarte zelden.
+
+Men ontmoet de Tarpans in kudden, die uit verscheidene honderden
+individuën kunnen bestaan. Gewoonlijk bestaat iedere troep weder uit
+een aantal kleinere gezelschappen of familiën, die elk een hengst
+tot aanvoerder hebben. Deze kudden bewonen uitgestrekte, open en
+hoog gelegen steppen en trekken van de eene plaats naar de andere,
+in den regel in den wind op. Zij zijn buitengewoon waakzaam en schuw,
+kijken rond met ver omhoog geheven kop, bespieden den omtrek, spitsen
+de ooren, openen de neusgaten en ontdekken in den regel nog ter
+rechter tijd het hun dreigend gevaar. De hengst is alleenheerscher
+in zijn kring; hij zorgt voor de veiligheid van hen, die aan zijn
+bescherming zijn toevertrouwd, maar duldt van hen geen afwijkingen van
+den bekenden regel. Zoodra zijn aandacht getrokken wordt door een of
+ander verschijnsel, begint hij te snuiven en de ooren snel te bewegen,
+draaft met omhoog gehouden kop het verdachte voorwerp een eind weegs te
+gemoet en laat een schel gehinnik hooren, zoodra hij gevaar bemerkt;
+op dit teeken maakt de geheele kudde zich in gestrekten galop uit de
+voeten. Dikwijls verdwijnen de dieren als door een tooverslag: zij
+hebben zich verborgen in de een of andere diepe inzinking van den bodem
+en wachten hier af, wat de toekomst brengen zal. Voor Roofdieren zijn
+de weerbare en strijdlustige hengsten niet bevreesd. Op Wolven gaan
+zij hinnikend af en slaan hen met de voorpooten neder. Het sprookje,
+dat zij gezamenlijk een kring vormen met de koppen naar 't middenpunt
+gekeerd en aanhoudend met de achterpooten achteruitslaan, is reeds
+sinds lang weerlegd.
+
+De Tarpan kan moeielijk getemd worden: het schijnt, dat hij de
+gevangenschap niet kan verdragen. Zijn buitengewoon levendige natuur,
+zijne spierkracht en wildheid maken zelfs de bekwaamheden van de in
+'t paardendresseeren ervaren Mongolen te schande. Wegens de niet
+geringe schade, die de Tarpan aan de "wilde" stoeterijen toebrengt
+door het wegvoeren van de Paarden, maakt men met hartstochtelijken
+ijver jacht op dit dier.
+
+
+
+De bovenstaande mededeelingen brengen het vraagstuk van de afstamming
+van het Paard geen stap nader bij zijn oplossing. Uit de gewoonten van
+den Tarpan kan men geen bewijzen putten vóór of tegen de stelling,
+dat dit dier van getemde Paarden afstamt. Dat deze gemakkelijk en
+spoedig verwilderen, blijkt op overtuigende wijze uit de geschiedenis
+van de kudden, die steppen van Zuid-Amerika bevolken en die wij nu
+zullen behandelen.
+
+"De in 1535 gestichte stad Buenos Ayres werd later verlaten,"
+verhaalt Azara. "De vertrekkende inwoners deden in 't geheel geen
+moeite om al hunne Paarden bijeen te brengen. Er bleven 5 à 7 van
+deze dieren achter, die aan zichzelf overgelaten waren. Toen in het
+jaar 1580 deze stad weder in bezit genomen werd, vond men er reeds
+een menigte verwilderde Paarden, afstammelingen van de tamme, die
+er achtergelaten waren. Reeds in het jaar 1596 was het aan iedereen
+geoorloofd deze Paarden te vangen en te gebruiken. Dit is de oorsprong
+van de tallooze kudden Paarden, die ten zuiden van den Rio de la
+Plata rondzwerven." De _Cimarrones_, zoo noemt men deze Paarden,
+bewonen thans alle deelen van de Pampas en vormen er talrijke kudden,
+die soms wel uit duizenden individuën bestaan.
+
+Zij zijn lastig en richten schade aan, niet alleen omdat zij goede
+weiden kaal vreten, maar ook omdat zij de tamme Paarden met zich
+medelokken. Gelukkig verschijnen zij des nachts niet. De wilden
+in de Pampas eten het vleesch van de Cimarrones, vooral dat van de
+veulens en merries. Ook vangen zij er verscheidene om ze te temmen;
+de Spanjaarden daarentegen maken er bijna geen gebruik van. Hoogst
+zelden vangen zij een van deze Paarden met het doel om het te temmen.--
+
+In Paraguay komen geen verwilderde Paarden voor, maar de toestand
+waarin de Paarden van dit land verkeeren, verschilt niet belangrijk
+van dien der wilde. Zij worden _Mustangs_ genoemd en zoo verwaarloosd,
+dat zij merkbaar verbasteren. Zij zijn middelmatig hoog, hebben een
+grooten kop, lange ooren en dikke gewrichten; alleen de hals en de
+romp zijn tamelijk regelmatig gebouwd. In den zomer zijn zij kort, in
+den winter lang behaard; de manen en de staart zijn altijd dun en kort.
+
+De Zuid-Amerikaansche Paarden brengen het geheele jaar onder den
+blooten hemel door. Eénmaal in de acht dagen worden zij bijeengedreven
+om te verhoeden, dat zij verstrooid geraken; men onderzoekt en zuivert
+hunne wonden, bestrijkt deze met koedrek en snijdt van tijd tot tijd,
+om de drie jaren ongeveer, den hengsten de manen en de staartharen
+af. Aan de veredeling van deze dieren wordt niet gedacht.
+
+"Gewoonlijk," zegt Rengger, "leven de Paarden bij troepen in een
+bepaald gebied, waaraan zij sinds hun jeugd gewoon zijn. Bij iederen
+hengst voegt men 12 à 18 merries, die door hem bijeengehouden en
+tegen vreemde hengsten verdedigd worden. De veulens blijven tot in
+het derde of vierde jaar bij hunne moeders. Deze geven blijken van
+groote liefde voor haar kroost, zoolang zij het nog zoogen; soms
+verdedigen zij het zelfs tegen den Jagoear. Wanneer de Paarden een
+weinig ouder zijn dan 2 of 3 jaar, worden aan de hiervoor uitgekozen
+jonge hengsten de jonge merries toebedeeld; men gewent iederen hengst
+er aan met zijn gezelschap een bepaald gebied te beweiden. De Paarden,
+die tot één troep behooren, mengen zich nooit onder die van andere
+troepen en toonen zooveel gehechtheid aan elkander, dat het moeite
+kost een grazend Paard van zijne metgezellen te scheiden. Wanneer
+de verschillende gezelschappen dooreengemengd worden, zooals bij
+het samendrijven van alle Paarden van een hoeve geschiedt, zoeken
+de bijeenbehoorende elkander dadelijk weer op. Niet alleen aan
+hunne metgezellen, maar ook aan hunne weiden zijn deze dieren zeer
+gehecht. Ik heb er gezien, die van een afstand van 80 uren gaans
+teruggekeerd waren naar de vroeger door hen bewoonde plaatsen. Des
+te zonderlinger is daarom het feit, dat soms de Paarden van een
+geheel district zich op weg maken, en één voor één of bij troepen
+wegloopen. Dit gebeurt hoofdzakelijk, wanneer na droog weder plotseling
+hevige regenbuien vallen, waarschijnlijk ten gevolge van de vrees,
+die deze dieren hebben voor den hagel, die niet zelden met het eerste
+onweder gepaard gaat.
+
+"De zintuigen van deze nagenoeg in 't wild levende dieren zijn,
+naar het schijnt, scherper dan die van de Europeesche Paarden. Het
+gehoor is buitengewoon fijn; des nachts kan men aan de beweging van
+hunne ooren zien, dat zij het geringste, voor den ruiter volkomen
+onhoorbare gedruisch hebben opgemerkt. Hun gezichtsvermogen is, evenals
+bij alle Paarden, tamelijk zwak, hoewel zij gedurende het leven in de
+vrije natuur door oefening een groote vaardigheid verkrijgen in het
+onderscheiden van voorwerpen op aanzienlijken afstand. Door middel
+van hun reukzin leeren zij de omgeving kennen. Zij besnuffelen alles,
+wat hun vreemd voorkomt. Door dezen zin leeren zij hun berijder,
+het tuig, den stal waar zij gezadeld worden, enz. onderscheiden, door
+hem weten zij in moerassige streken de plaatsen te vinden, waar zij
+zouden verzinken; in den donkeren nacht of bij dichten nevel wijst hij
+hun den weg naar hunne woonplaatsen of naar hun weide. Goede Paarden
+besnuffelen hun berijder op 't oogenblik, dat hij in den zadel stijgt;
+ik heb er wel gezien, die hem in 't geheel niet op den rug toelieten
+of zich niet door hem lieten sturen, als hij niet een 'poncho'
+medenam, een mantel, zooals altijd gedragen wordt door de landlieden,
+die Paarden temmen en voor 't rijden africhten. Op grooten afstand
+ruiken zij trouwens niet. Zelden heb ik een Paard gezien, dat op 50
+schreden afstands de lucht kreeg van een Jagoear. Daarom vormen zij in
+de bewoonde gewesten van Paraguay den gewonen buit van dit Roofdier."
+
+Het leven van de verwilderde Paarden in de verder noordwaarts
+gelegen Llanos heeft Alexander von Humboldt ons in korte woorden
+op meesterlijke wijze geschilderd: "Wanneer in den zomer onder de
+loodrecht invallende stralen van de nooit door wolken omsluierde zon
+het grastapijt van deze onmetelijke vlakten geheel en al verdroogd
+en in poeder veranderd is, ontstaan er langzamerhand diepe kloven in
+den bodem, alsof hij door geweldige aardschokken was opengespleten. In
+dichte stofwolken gehuld, door honger en een brandenden dorst gekweld,
+zwerven de Paarden en Runderen rond, gene met languitgerekten hals en
+met den hoogopgeheven neus den hen te gemoet ijlenden wind opsnuivend
+om uit de vochtigheid van den luchtstroom de nabijheid van een nog
+niet geheel verdampten plas af te leiden. Op een andere wijze, met meer
+overleg en sluwheid, trachten de Muildieren hun dorst te lesschen. Een
+bolvormige plant met vele overlangsche groeven aan haar oppervlakte,
+de meloen-cactus, verbergt onder een stekelig hulsel een veel water
+bevattend merg. Met de voorpooten slaat het Muildier de stekels weg
+om het koele distelsap te drinken. Het putten uit dezen levenden
+plantaardigen bron geschiedt echter niet altijd zonder gevaar:
+dikwijls ziet men dieren, die door de cactus-stekels aan de hoeven
+verlamd zijn. Ook dan wanneer eindelijk op de brandende hitte van den
+dag de koelte van den even langen nacht volgt, kunnen de Paarden en
+Runderen geen ongestoorde rust genieten. De Bladneuzige Vleermuizen
+vervolgen hen gedurende den slaap en hangen zich aan hun rug om hun
+bloed te zuigen.
+
+"Eindelijk, als na langdurige droogte de verkwikkelijke regentijd
+aanbreekt, komt er verandering van tooneel. Nauwelijks is de
+oppervlakte van den bodem bevochtigd, of het heerlijkste groen bedekt
+de steppe. De Paarden en Runderen zwelgen in vroolijk levensgenot. In
+het hoog opschietende gras verschuilt zich de Jagoear en overmeestert
+met vasten sprong menig Paard, menig veulen. Weldra zwellen de
+stroomen en dezelfde dieren, die gedurende een deel van 't jaar van
+dorst versmachten, moeten als Amphibiën leven. De merriën zoeken
+met hare veulens een schuilplaats op de hooggelegen banken, die,
+in de lengte gerekt, zich als eilanden boven den waterspiegel van
+het meer verheffen. Met iederen dag wordt het droog gebleven terrein
+kleiner. Uit gebrek aan weideplaatsen zwemmen de dicht opeengedrongen
+dieren uren lang rond en vinden een karig voedsel in de bloeiende
+graspluimen, die zich boven het gistende, bruin gekleurde water
+verheffen. Vele veulens verdrinken, vele worden door de Krokodillen
+gegrepen, met den staart doodgeslagen en verslonden. Niet zelden
+ziet men Paarden, die groote litteekens, kenteekenen van den aanval
+der Krokodillen, aan de pooten hebben. Ook onder de Visschen hebben
+zij een gevaarlijken vijand. Het water van het moeras is bevolkt met
+talrijke Electrische Alen. Deze merkwaardige Visschen zijn in staat
+om met hunne geweldige electrische schokken, de grootste dieren te
+dooden, wanneer zij hunne batterijen tegelijkertijd in een gunstige
+richting ontladen. De weg; door de steppe aan de Uri Tucu moest
+opgegeven worden, omdat de Sidderalen zich in zulk een menigte in
+een riviertje hadden opgehoopt, dat ieder jaar vele Paarden door hen
+verdoofd werden en bij het doorwaden van het stroompje verdronken."
+
+Een nog veel gevaarlijker vijand hebben de kudden in zich zelf. Soms
+worden zij door een panischen schrik bevangen. Bij honderden
+en duizenden ijlen zij als razenden voort, laten zich door geen
+hindernissen tegenhouden, rennen tegen rotsen aan of vallen zich te
+pletter in afgronden. Plotseling verschijnen zij in het kamp van de
+in 't open veld overnachtende reizigers, vervolgen hun weg tusschen
+de wachtvuren door, over de tenten en wagens heen, vervullen de
+lastdieren met een doodelijken schrik, rukken ze los en nemen hen
+op in den levenden stroom--voor altoos. Verder noordwaarts komen
+de Indianen het aantal vijanden vermeerderen, die het leven van de
+wilde Paarden verbitteren. Zij vangen ze op, om ze gedurende hunne
+jachttochten te berijden, en mishandelen ze zoo erg, dat zelfs het
+krachtigste Paard na korten tijd bezwijken moet. Evenals bij de
+Bedoeïnen van de Sahara geeft ook bij de Indianen het Paard dikwijls
+aanleiding tot bloedige gevechten. Hij, die geen Paarden heeft, tracht
+ze te stelen. Paardendiefstal wordt bij de Roodhuiden als een eervol
+bedrijf aangemerkt. Benden van dieven volgen de trekkende stammen
+of karavanen weken lang, totdat zij de gelegenheid vinden om alle
+rijdieren mede te nemen. Ook om hunne huiden en hun vleesch worden
+de Paarden in Amerika ijverig vervolgd.
+
+
+
+Een beschrijving of zelfs een eenvoudige opsomming van de bijna
+tallooze rassen of stammen van het _Paard_ (_Equus caballus_),
+die onder den invloed van den Mensch ontstaan zijn, behoort niet
+in het kader van dit werk. Bovendien bestaan er voortreffelijke,
+uitvoerige werken speciaal over dit onderwerp. Het is voor ons
+doel voldoende de belangrijkste rassen te behandelen. Gewoonlijk
+worden zij in twee groepen gerangschikt: de _Oostersche_ en de
+_Westersche rassen_. De Oostersche rassen behooren oorspronkelijk
+thuis in Azië en Afrika, vooral in de landen van de gematigde zone
+dezer werelddeelen, zooals blijkt uit de namen die aan de vier
+hoofdafdeelingen van deze groep gegeven zijn: het _Barbarijsche_
+of _Berber-ras_, het _ras der Nijllanden_, het _Arabisch-Perzische
+ras_ en het _Mongoolsch-Tartaarsche ras_. Tot het laatstgenoemde
+worden, behalve de Paarden van een groot deel van Midden-Azië, ook de
+"slagen" gerekend, die in het oosten van Europa tot aan de grenzen van
+Duitsch-Oostenrijk en Pruisen het meest algemeen verbreid zijn. Tot
+het Berber-ras behooren o.a. sommige slagen van Zuid-Spanje (o.a. het
+vermaarde Andalusische), waarvan weer een groot deel van de Paarden
+der Nieuwe Wereld, o.a. die van Mexico, afstammen.
+
+De eere-plaats onder alle paarden-stammen verdient ook thans
+nog het _Arabische Volbloed-Paard_. (Een Paard heet "volbloed",
+wanneer al zijne voorouders zonder eenige uitzondering, naar uit
+authentieke bescheiden moet blijken, gedurende een lange reeks
+van geslachten de kenmerkende eigenschappen van een en hetzelfde
+ras in zich vereenigden, en dus van zuiver ras waren. Om het ras
+zuiver te houden moet ieder Paard steeds met zijne gelijken paren
+en moet ieder exemplaar, dat storende afwijkingen vertoont, als
+fok-dier niet in aanmerking komen. "Half-bloed"-Paarden ontstaan
+door kruising van Volbloed-Paarden, die in dit geval gewoonlijk
+"ras"-Paarden worden genoemd, met andere Paardenslagen; terwijl
+"Koudbloed"-rassen in 't geheel geen Volbloed-Paarden onder hunne
+voorouders tellen.) "Het Volbloed-Paard", schrijft _Graaf_ Wrangel,
+"heeft geen edeler vertegenwoordiger dan het Arabische Paard van zuiver
+ras, dat, daar het op de grens tusschen de natuurlijke en de door
+de kultuur verkregen rassen staat, zoowel door den natuuronderzoeker
+als door den paardenkenner en--den dichter als het edelste dier van
+de schepping geprezen wordt."
+
+Volgens de algemeen door de Arabieren gestelde eischen, moet het edele
+Paard de volgende eigenschappen in zich vereenigen: een geëvenredigde
+lichaamsbouw, korte en beweeglijke ooren, zware, maar toch sierlijke
+beenderen, een vleeschloos gelaat, neusgaten "zoo wijd als de muil van
+den Leeuw", fraaie, donkere, uitpuilende oogen, "met een uitdrukking
+gelijk aan die van een liefhebbende vrouw," een fraai gebogen en langen
+hals, breede borst en breed kruis, smallen rug, ronde achterschenkels,
+zeer lange ware en zeer korte valsche ribben, een ingesnoerde romp,
+lange bovenschenkels, "zooals die van den Struis zijn", met spieren,
+"zooals het Kameel ze heeft," een zwarten, eenkleurigen hoef, fijne,
+niet zeer gevulde manen en een rijk behaarden staart, dik aan den
+wortel en dun in de nabijheid van de spits. Het moet vierderlei
+lichaamsdeelen breed hebben: het voorhoofd, de borst, het achterdeel
+en de ledematen; vierderlei lichaamsdeelen moeten lang zijn: de hals,
+de voorarm, de buik en de dij, vierderlei lichaamsdeelen daarentegen
+kort: de lendenen, de ooren, de kooten en de staart. Deze eigenschappen
+bewijzen, dat het Paard van een goed ras is en snel loopt; want het
+gelijkt dan door zijn lichaamsbouw "op den Windhond, de Duif en het
+Kameel te zamen."
+
+In de 18e levensmaand begint de opvoeding van het edele dier. In
+'t eerst tracht een knaap het te berijden. Het leidt het naar de
+drinkplaats, naar de weide, maakt het schoon, kortom voorziet in al
+zijne behoeften. Beide leeren te gelijker tijd: de knaap wordt een
+ruiter, het Paard een rijdier. Nooit echter zal de jonge Arabier
+van het veulen, dat hem is toevertrouwd, te veel eischen, nooit er
+werkzaamheden van vergen, die het niet verrichten kan. Op iedere
+beweging van het dier wordt acht geslagen, het wordt zachtmoedig
+en liefderijk behandeld, hoewel men geen ongehoorzaamheid en
+boosaardigheid duldt. Eerst wanneer het Paard zijn tweede levensjaar
+volbracht heeft, legt men het een zadel op; na afloop van het derde
+jaar gewent men het er langzamerhand aan, al zijne krachten in te
+spannen. Eerst wanneer het zeven jaar oud geworden is, beschouwt men
+zijn opvoeding als afgeloopen; daarom zegt het Arabische spreekwoord:
+"Zeven jaar voor mijn broeder, zeven jaar voor mij en zeven jaar voor
+mijn vijand."
+
+De Arabieren onderscheiden vele familiën in hunne Paarden; ieder
+gewest, ieder volk beroemt zich op die, welke het bezit. In Arabië
+rangschikt men deze dieren ook thans nog in 21 "bloedstammen" of
+familiën, van welke de vijf belangrijkste onder den naam "Khamsa"
+samengevat worden: deze heeten van de vijf merriën van Salomo af te
+stammen. De oudste en edelste van deze vijf familiën heet "Kehilan" of
+"Kochlani". Vermakelijk is het te luisteren naar den lof, die over een
+bijzonder edel Paard verkondigd wordt. "Zeg niet, dat het mijn Paard
+is, noem het mijn zoon! Het loopt sneller dan de stormwind, sneller
+nog dan de blikken over de vlakte waren. Het is zoo zuiver van ras
+als goud. Zijn oog is zoo scherpzichtig, dat het in het duister een
+haar kan onderscheiden. Het achterhaalt de gazelle. Tot den arend
+zegt het: Ik beweeg mij zoo snel als gij! Als zijn oor het jubelen
+der meisjes verneemt, hinnikt het van vreugde en bij het fluiten der
+kogels springt zijn hart op van blijdschap. Uit de hand der vrouwen
+neemt het aalmoezen aan, den vijand slaat het met de hoeven in 't
+aangezicht. Als het loopen kan zooveel het begeert, storten zijne
+oogen tranen. Hetzij de hemel klaar is, of de stormwind het licht der
+zon door stofwolken verduistert, 't is alles om 't even; dit Paard is
+een edel dier, dat het woeden van den storm veracht. In deze wereld
+is er geen, die het evenaart. Snel als de Zwaluw ijlt het voort; het
+is zoo licht, dat het op de borst van uw geliefde zou kunnen dansen,
+zonder haar lastig te zijn. Zoo zacht draaft het, dat gij gedurende den
+snelsten draf op zijn rug zittend een kop koffie kunt drinken, zonder
+een druppel te spillen. Het begrijpt alles, wat een zoon van Adam
+begrijpt; alleen door het gemis van de spraak verschilt het van dezen."
+
+In Engeland wordt tegenwoordig aan de paardenfokkerij niet minder
+zorg gewijd dan in het Oosten. Nog geen tweehonderd jaar geleden
+fokten de Spanjaarden en Italianen veel beter Paarden dan de
+Engelschen; deze zijn echter sedert dien tijd evenveel vooruitgegaan
+als gene achteruitgingen. De vroeger zoo beroemde Andalusische
+en Polesina-rassen bestaan niet meer, terwijl daarentegen het
+_Engelsche Volbloedras_ (_thorough-breed, racing breed_) als het
+uitstekendste lid van het Westersche of Europeesche hoofdpaardenras
+wordt beschouwd. Alleen door paring van individuën, die verschillende
+uitnemende eigenschappen bezitten, kunnen wezens ontstaan, waaraan
+deze eigenschappen vereenigd voorkomen, en alleen als deze wezens
+met huns gelijken paren kan men verwachten, dat hunne afstammelingen
+onverbasterd zullen blijven. Voor het verkrijgen en zuiver houden,
+van een uitmuntend paardenras is dus een zorgvuldige keuze van
+fokdieren noodig. Al sinds lang legt men zich in Engeland toe op het
+fokken van Paarden, die door een buitengewone snelheid op de renbaan
+kunnen schitteren. Het Engelsche Volbloedpaard is een product van dit
+streven. De eerste gebeurtenis, die voor de geschiedenis van dit ras
+belangrijk zou worden, was, dat Jacobus I (1603--1625) eerst eenige
+Arabische, later ook eenige Turksche hengsten en merriën naar Engeland
+liet komen, om gebruikt te worden als renpaarden en voor het veredelen
+van de inlandsche paardenslagen. Karel II (1603--1625) volgde dit
+voorbeeld en schafte zich toen Oostersche merriën (_the royal mares_)
+benevens eenige Oostersche hengsten aan. Het vaderland van deze merries
+is twijfelachtig. Schwarznecker vermoedt, dat zij uit Barbarije en
+Turkije afkomstig waren. Bij dit fokmateriaal kwamen later nog eenige
+Oostersche hengsten, waarvan vooral drie beroemd zijn geworden als
+stamvaders van vele vermaarde renpaarden. Deze zijn: Darley _Arabian_
+(1714)--een uit de woestijn van Palmyra afkomstige, door Darley te
+Aleppo gekochte Arabische hengst, de vader van _Flying Childers_,
+het paard dat 1 Eng. mijl (1610 M.) in de minuut aflegde, en dat,
+op deze wijze dag en nacht doorrennend, in 17 etmalen den evenaar
+rondgeloopen zou zijn; deze was de overgrootvader van _Eclipse_
+(den stamvader van den _Eclipse_-stam), die in 3 seconden 7 sprongen
+van 25 voet deed--, Godolphin's _Berber_--wiens afstammelingen den
+_Matchem_-stam vormen--, Byerley's _Turc_--waaruit de _Herodes_-stam
+is voortgesproten, zoo genoemd naar het renpaard _Herodes_, die zijn
+eigenaar een winst van ruim 2 1/2 millioen gulden op de wedrennen
+verschafte. Ieder Volbloedpaard moet, om als zoodanig erkend te worden,
+ingeschreven zijn in het in 1791 aangevangen _General Stud-book_,
+hetgeen alleen geschiedt, als zijn stamboom geen andere voorouders
+aanwijst, dan Paarden, die in dit register voorkomen. Het Engelsche
+Volbloedpaard heeft een kleinen kop, een langen hals, die meestal
+gestrekt wordt gedragen; het staat dikwijls hoog op de pooten,
+heeft sterk ontwikkelde achterschenkels, een duidelijk zichtbaar
+spierstelsel en breede, stevige pezen. Hoewel dit ras door ieder
+onbevangen beoordeelaar minder schoon wordt genoemd dan het Arabische,
+wijl bij het Engelsche paard het streven naar doelmatigheid meer op
+den voorgrond stond dan het zoeken van een harmonieuzen lichaamsbouw,
+is het toch wat grootte, sterkte, snelheid en geschiktheid voor
+acclimatisatie betreft, ver boven het Arabische Volbloedpaard
+verheven; terwijl het als fokdier voor de vorming van uitmuntende
+rij- en tuigpaarden zijns gelijken niet heeft. Terecht noemt men
+het dan ook: "de edelste Europeesche stamgenoot van het Arabische
+paard. Vele paardenkenners beweren, dat het verschil tusschen beide
+rassen eenvoudig veroorzaakt is door gewijzigde levensomstandigheden
+en dat het Engelsche Volbloedpaard onvermengd Oostersch bloed in
+zijne aderen heeft. Het stamregister van dit ras levert echter het
+onomstootelijk bewijs, dat er geen enkel Volbloedpaard is, in wiens
+stamboom zoowel aan vaders- als aan moederszijde geen andere dan
+Oostersche voorouders voorkomen." Het volbloedpaard is niet anders
+"dan een door voortdurende reinteelt voortgebracht product van
+de wedrennen van de voorbereiding hiervoor (_training_) en van de
+door deze beide factoren bepaalde zorgvuldige keuze van fokdieren,
+verzorging en voeding." Zoowel door zijn lichaamsvorm als door zijne
+vermogens munt het hedendaagsche Volbloedpaard in alle opzichten boven
+zijne voorouders uit; het kan een hoogte van 1.75 en meer bereiken. (De
+hoogte van het Arabische Paard bedraagt 1.5 à 1.6 M.) De gestalte is
+edeler en, wat de verhoudingen betreft, evenrediger geworden.--Het
+Engelsche Volbloedpaard wordt voor het veredelen van andere rassen
+naar alle door Europeanen bewoonde landen van de wereld uitgevoerd.
+
+De derde vertegenwoordiger van het Volbloedras is het _Anglo-arabische_
+of _Gemengd Volbloedpaard_, ontstaan door kruising van het Engelsche
+en het Arabische Volbloedpaard, welke kruising eerst in den laatsten
+tijd heeft plaats gehad.
+
+Veel talrijker dan de Volbloedrassen zijn de _Halfbloedslagen._ Deze
+ontstaan door kruising van Volbloedfokpaarden met merries of hengsten
+van de gewone Westersche landslagen. Dit geschiedt op groote schaal
+in zoogenaamde stoeterijen, die aan den Staat, aan een vereeniging
+of aan particulieren behooren. De staats- of hoofdstoeterijen hebben
+ten doel een voor de behoeften van het land geschikt, edel, rein
+paardenras voort te brengen. In Pruisen zijn er drie; de belangrijkste
+van deze is die te Trakehnen, bij Gumbinnen in Oost-Pruisen, waar 360
+halfbloed-merries worden gehouden. Zij werd in 1732 door Friedrich
+Wilhelm I opgericht, met het doel om voor zijn privaat gebruik goede
+Paarden te verkrijgen, en heeft er veel toe bijgedragen om aan de
+paardenfokkerij in Pruisen een goede richting te geven, en om het
+tot aan dien tijd zeer verwaarloosde Oud-Pruisische paardenslag op
+een oordeelkundige wijze te veredelen. Vóór het begin van de vorige
+eeuw bepaalde men zich er toe, Paarden te fokken, zonder zich toe te
+leggen op de veredeling van het ras. Waarschijnlijk stond dus destijds
+overal in Duitschland de paardenfokkerij op een lager standpunt dan
+in de Middeleeuwen; daar toen, zooals bekend is, een veel drukker
+handelsverkeer tusschen het Oosten en Westen bestond dan in latere
+tijden, met uitzondering van den tegenwoordigen tijd. Door gebruik te
+maken van Arabische en Engelsche Volbloedpaarden heeft de _Trakehner_
+zich langzamerhand ontwikkeld tot een fokras, dat zich door een
+goed gevormden kop, een fraai aangezetten hals, een gedrongen romp
+met rechten rug, een langwerpig rond kruis, tamelijk breede borst,
+zeer krachtige ledematen, als ook door snelheid onvermoeidheid en
+soberheid onderscheidt. Vooral voor het leveren van cavalerie-
+en koetspaarden is het uitnemend geschikt.--Staatsstoeterijen
+heeft Pruisen bovendien nog te _Graditz_ bij Torgau (Saksen) en
+in Beberbeck bij _Hofgeismar_ (Hessen). Deze inrichtingen leveren
+ook een groot deel van de dekhengsten ten behoeve van den landbouw,
+die in de "landsstoeterijen" bewaard, en gedurende den dektijd over
+de verschillende districten verdeeld worden.--Ook in andere Duitsche
+landen (Beieren, Wurtemberg, Brunswijk, Lippe), oefent de regeering
+op dezelfde of soortgelijke wijze als in Pruisen, grooten invloed
+uit op de paardenfokkerij. Anders is het gesteld in Hannover,
+Oldenburg, Mecklenburg en Holstein, waar door de landbouwers
+uitstekende halfbloedslagen worden gefokt. Het _Oldenburger_
+(Bovenlandsche) Paard is ook hier te lande gunstig bekend, vooral
+als tuig- of koetspaard; het is sterk en meer dan middelmatig groot
+(1.75 à 1.85 M. hoog). Soortgelijk, doch iets edeler van vorm, zijn
+de _Hannoversche_ en _Holsteinsche_ paarden.--Verder behooren nog tot
+deze afdeeling: in Oostenrijk het _Lippizaner_ en het _Kladruber_ slag,
+die met het Spaansche halfbloedslag, den _Andalusiër,_ nauw verwant
+zijn; in Frankrijk het _Anglo-normandische_ en het _Anglo-bretonsche_
+slag; de Russische _Orlowdravers,_ die in de stoeterijen Khränowoy
+en Padu, in het gouvernement Woronesch gefokt worden, stammen af
+van een Arabischen hengst en een Hollandsche merrie, [evenals de
+Engelsche _Norfolk-dravers,_ van een Engelschen Volbloedhengst een
+Friesche merrie]; andere Russische halfbloedpaarden zijn sommige
+slagen van _Donsche_ en _Tscherkessische_ paarden. Door kruising van
+Engelsche Volbloedhengsten en merries van het Yorkshire-landslag
+(ook wel Cleveland-bruinen genaamd, naar de streek waar zij het
+meest gefokt werden), ontstond het Engelsche Jachtpaard (_Hunter_),
+dat zich door een sterkeren lichaamsbouw en kortere pooten van het
+Engelsche Volbloedpaard onderscheidt, en dus een grooter gewicht kan
+dragen, maar er door kop en hals mede overeenkomt; kleiner is het
+_Engelsche halfbloed koetspaard_ (_Hackney_ of _Hack_) en nog kleiner
+(ongeveer 1.4 M. hoog), de voor 't zelfde doel dienende _Cob_. Van
+de _Noord-Amerikaansche_ paarden behooren tot deze afdeeling sommige
+slagen van _Sneldravers_ (_Trotter_). De Paarden van de hier genoemde
+slagen zijn, zooals te verwachten is, zeer verschillend, zoowel wat
+lichaamsbouw als wat geschiktheid betreft. Er zijn lichte, middelmatige
+en zware dieren onder; vele zijn uitmuntende rij- of wagenpaarden,
+andere sterke werkpaarden; verscheidene onderscheiden zich door een
+zeer groote trekkracht.
+
+
+
+Tot de derde afdeeling, die der _Koudbloedige rassen,_ genaderd, zijn
+wij het best in de gelegenheid iets te zeggen van de in Nederland
+thuis behoorende paarden. "Evenals de meeste Europeesche landen,"
+zegt Reinders, "bezit Nederland eigenlijk een groot mengelmoes
+van Paarden. Men wil, dat daaronder drie typen voorkomen, die men
+gewoonlijk als het _Friesche_, het _Geldersche_ en het _Zeeuwsche_
+ras onderscheidt. Het meest verbasterd (door kruising met andere
+rassen gewijzigd) is daarvan wellicht 't Zeeuwsche, maar van de beide
+andere gaat het dikwijls moeilijk een exemplaar van de echte type,
+van 'het echte ras' te vinden. Twee andere typen zouden wellicht nog
+daarbij gevoegd kunnen worden, die van Holland en Utrecht, maar nog
+meer dan in andere provinciën heeft hier verbastering plaats gehad.
+
+"Het _Friesche Paard,_ in de provinciën Groningen, Friesland en
+Drente, maar door uitvoer naar Noord- en Zuid-Holland ook in deze
+provinciën niet zeldzaam, werd voorheen onder dezen naam naar alle
+streken van Europa uitgevoerd, inzonderheid naar Rome en Madrid,
+waar het als staatsiepaard een grooten naam had. Ook thans nog is
+het als koetspaard in het buitenland gezocht. Jaarlijks gaat onder
+anderen een zeker aantal zwarte hengsten van dit ras naar Engeland
+om daar voor de lijkkoetsen dienst te doen. Hun schoone vorm, hun
+verheven gang en hunne sterke beenen maken hen daarvoor uitermate
+geschikt. Van al de Nederlandsche Paarden is het Friesche Paard het
+grootst hoewel niet meer zoo groot als voorheen. Het Friesche Paard
+heeft ook naam als harddraver, maar bezit deze eigenschap meer door
+aanleg dan wel tengevolge van de keuze bij het aanfokken, gelijk
+bij het Engelsche Renpaard het geval is. Ook als harddraver werd het
+vroeger veelvuldig uitgevoerd en met andere rassen gekruist.
+
+"Het _Geldersche Paard,_ nog het meest oorspronkelijk in de Betuwe,
+is kleiner dan het Friesche. Het is meer rij- dan trekpaard en om
+zijne verhevene bewegingen gezocht als cavaleriepaard; de zwaardere
+exemplaren zijn ook goede trekpaarden. De goede eigenschappen van
+het Geldersche Paard worden toegeschreven aan een kruising van
+het oorspronkelijke inlandsche met het Andalusische Paard in den
+Spaanschen tijd.
+
+"Het _Zeeuwsche Paard_ is zwaar en meer of minder plomp van vorm. Het
+is sterk, maar niet zeer schoon, wel geschikt voor ploeg- of werkpaard,
+maar wegens zijn moeilijke beweging minder gepast als tuigpaard."
+
+De talrijke in Nederland voorkomende vreemde Paarden behooren voor
+een groot deel hetzij tot Duitsche slagen of tot het _Vlaamsche_ of
+het _Ardenner_ ras, die beide in België en in de aangrenzende Fransche
+departementen gefokt worden; de _Ardenners_ zijn meestal roodschimmels;
+het zijn sterke gebergtepaarden, waarvan een grooter en een kleiner
+slag bestaat; hier te lande heeft men meestal het zware slag; het
+meestal zwarte _Vlaamsche Paard_ is grooter, gemiddeld 1.8 M. hoog in
+de schouders, nog iets hooger in het kruis, met eenigszins ingezonken
+rug; het heeft een breed gespleten kruis evenals het nauw verwante,
+iets kleinere en meer gedrongen gebouwde _Brabantsche Paard._ Het
+ras der _Percherons,_ zoo genoemd naar het Fransche landschap Perche
+(Depn Eure et Loire en Orne), komt in twee hoofdverscheidenheden voor,
+als middelsoort rij- en tuigpaard en als zwaar trekpaard; meestal zijn
+het schimmels met kleinen, edelen kop, fijn manenhaar, hoog, meestal
+gespleten kruis en korte, krachtige ledematen. Verwant hieraan zijn
+de _Boulognezer Paarden._ De _Clydesdalers_ zijn zware Engelsche
+landbouwpaarden. Nog grooter zijn de _Engelsche Karrepaarden_
+(_Dray-horse_, 1.9 à 1.94 M. schouderhoogte), die men wel eens
+"Olifantspaarden" noemt, en die, ondanks hun kolossalen omvang,
+goed geproportioneerd zijn en zich gemakkelijk bewegen; naar men
+zegt, stammen zij af van Paarden, die uit Holland werden ingevoerd
+en welker nakomelingen door goede verzorging en doelmatige keuze
+van fokdieren veredeld zijn; zij worden o.a. voor het trekken van
+de bierwagens gebruikt. Het _Norische ras_ heeft zijn hoofdzetel
+in de Oostenrijksche Alpen (Salzburg, Tirol, enz., tot aan het
+westelijke deel van Hongarije); het sterkste en grootste van de vele,
+hiertoe behooren de slagen is het _Pinzgauer Paard;_ het kleinste,
+de door karige voeding en ruw klimaat ontaarde _Hafflinger Hit_
+in de omstreken van Bozen. Voorts verdienen nog vermelding het
+_Jutlandsche_ of _Deensche Paard_ en het Russische _Bitjug-Paard._
+In de _Hongaarsche_ paardenslagen, die wegens hun volharding voor
+gemakkelijke cavalerie-diensten uitnemend geschikt zijn, is een
+Oostersch type zichtbaar: zij zijn nauwelijks middelmatig groot,
+hebben een zwaren kop, een eenigszins verlengden romp, een recht
+kruis en krachtige, droge ledematen.
+
+In Hongarije, Zuid- en Oost-Rusland, Roemenië en andere landen met
+geringe bevolkingsdichtheid en uitgestrekte weidegronden heeft het
+paardenfokken meestal plaats in zoogenaamde "wilde" of "half-wilde"
+stoeterijen: in gene worden de Paarden gedurende het geheele jaar
+aan zichzelf overgelaten; de hier geboren Paarden zijn zeer duurzaam,
+krachtig en sober, maar nimmer zoo schoon als die, welke onder toezicht
+van den mensch geboren en grootgebracht worden, vooral omdat op de
+kruising door den mensch weinig of geen invloed wordt geoefend. Dit
+is nog wel eenigszins het geval in de "half-wilde" stoeterijen,
+waar, evenals in de Zuid-Amerikaansche Llanos, in den bronsttijd aan
+elken hengst een bepaald aantal merries worden toebedeeld, of waar,
+zooals in vele Oost-Europeesche landen geschied, de Paarden wel van
+de lente tot den herfst in vrijheid leven, maar 's winters in stallen
+gehouden worden. Deze vormen een overgang tot de reeds genoemde "tamme
+stoeterijen", waar stamboeken gehouden worden, die de afstamming,
+den ouderdom en bijzondere kenteekenen van ieder ingeschreven Paard
+vermelden; hier heeft de voedering plaats in stallen 's winters en
+op de weiden (afzonderlijk voor de hengsten en merriën) gedurende
+den zomer.
+
+
+
+Paardenrassen van in 't oogloopende kleinheid, welker schouderhoogte
+in volwassen toestand minder dan 1.4 M. bedraagt, worden _Ponies_
+genoemd. Het kleinste Paard, de _Schotlandsche Pony_ of _Hit_,
+die gevulde, langharige manen en een ruigen staart heeft, is
+dikwijls slechts 90 cM., soms niet meer dan 85 cM., enkele malen
+zelfs maar 82 cM. hoog en dus niet grooter dan enkele rassen van
+Honden. Wanneer zij grooter zijn 1.20 M. noemt men ze _Dubbele
+Hitten_ of _Ketten_. In Engeland bestaan, behalve het genoemde
+Pony-ras, nog die van _Wales_, _Exmoor_ (in het Schotsche Hoogland)
+en _New-Forest_. Ook in andere landen komen Pony's voor, o.a. in
+Noorwegen en Zweden, op IJsland en Corsika. Iedere bezoeker van de
+Amsterdamsche diergaarde kent de _Javaansche Paardjes_. Opmerkelijk is
+trouwens bij alle Indische Paarden de geringe grootte. Een hoogte van
+1.3 M. is reeds buitengewoon, in den regel wisselt deze af tusschen
+95 en 125 cM. Het beste Indische Paard is het _Macassaarsche_, dat
+gewoonlijk als cavalerie-paard voor het O.I. leger dient. Ook de
+_Hitten_ uit de bergstreken van _Timor_ worden zeer geroemd.
+
+
+
+De Oostersche paardenrassen vertoonen over 't algemeen veel minder
+verscheidenheid van vorm dan de Westersche; het is gemakkelijker van
+gene een algemeen beeld te ontwerpen dan van deze. "Een Berberpaard,"
+zegt Wilckens, "verschilt slechts weinig van een Arabisch-Perzisch
+Paard, en zelfs het gewone Tartaarsche Paard vertoont in vorm
+veel overeenkomst met den Arabischen Volbloed. Daarentegen merkt
+men bij onderlinge vergelijking van de Westersche paardenrassen
+een buitengewone verscheidenheid van vorm op, die het voor den
+oppervlakkigen beoordeelaar onbegrijpelijk maakt, dat deze zoo
+uiteenwijkende dieren tot een en dezelfde soort gerekend worden;
+inderdaad, wanneer men b.v. het kolossale Engelsche Karrepaard,
+of zelfs het Suffolk-paard naast een Shetlandsche Pony, of
+een voor den renbaan gefokt Engelsch Volbloed-paard naast een
+Vlaamsch of een Pinzgauer Paard plaatst, welk een in 't oog loopend
+verschil! Ongetwijfeld is zoowel de groote overeenstemming van den
+vorm der Oostersche Paarden als de groote verscheidenheid van vormen
+der Westersche een gevolg van den invloed van het klimaat en van de
+levenswijze op de ontwikkeling dezer dieren. Omdat eenerzijds het
+klimaat in de steppen van Afrika en Azië (en zelfs in Zuid-Rusland,
+Hongarije en Galicië) gelijkmatiger is, dan anderzijds dat in Engeland
+en Zuid-Frankrijk, in Denemarken en de Alpen, omdat het Oostersche
+Paard op gelijkaardiger wijze gevoed en gebruikt wordt dan het
+Westersche, zijn de leden van het eerste hoofdras meer aan elkander
+gelijk en is dit ras armer aan variëteiten. De zeer verschillende
+wijze van voeding van het Westersche Paard en zijn geschiktheid
+tot zeer uiteenloopende werkzaamheden zijn een uitvloeisel van den
+hoogeren trap van beschaving en van den vooruitgang op industrieel
+gebied van de Westersche volken."
+
+
+
+Het tamme Paard is tegenwoordig bijna over den geheelen aardbol
+verspreid. Het ontbreekt alleen in de koudste landstreken en op
+verscheidene eilanden, waar de mensch dezen helper nog niet noodig
+heeft.
+
+Het veulen heeft bij de geboorte de oogen geopend en is behaard;
+weinige minuten later kan het staan en gaan. Men laat het ongeveer 5
+maanden lang zuigen, ronddartelen en spelen en speent het dan. In het
+eerste jaar draagt het een wollig haarkleed, korte, overeindstaande
+gekroesde manen en een dergelijken staart, in het tweede levensjaar
+worden de haren glanziger, de manen en de staartharen langer en
+sluiker. Later kan men de leeftijd vrij nauwkeurig bepalen door acht
+te geven op de snijtanden. Bij de geboorte zijn de spitsen van drie
+kiezen in elke kaakhelft zichtbaar, soms ook de middelste snijtanden
+(_grasbijters_) van onder- en bovenkaak, die in allen gevalle binnen de
+twee eerste weken na de geboorte zich vertoonen. De volgende snijtanden
+(_middeltanden_) komen op den leeftijd van 2 à 6 weken, de buitenste
+(_hoektanden_) 5 à 9 maanden na de geboorte. Dan is het _veulen_- of
+_melkgebit_ volledig. Al deze tanden vallen op een bepaalden leeftijd
+uit, om voor de _blijvende_- of _paardentanden_ plaats te maken. De
+"melksnijtanden" zijn zuiver wit, schopvormig en met een hals voorzien,
+in tegenstelling met de geelachtige, beitelvormige, aan de voorzijde
+gegroefde "paarden-snijtanden." De tandwisseling begint op 2 1/2 à
+3-jarigen leeftijd: dan wisselen de grasbijters; hetzelfde geschiedt
+met de middeltanden, als het dier 3 1/2 à 4, met de "hoektanden"
+(buitenste snijtanden) als het 4 1/2 à 5 jaar oud is. In de 10e à 12e
+levensmaand krijgt het veulen de 4e, op 2- à 2 1/2-jarigen leeftijd de
+5e, en als het 4 à 5 jaar oud is, de 6e kies. De drie eerste melkkiezen
+wisselen tusschen 2 1/2 en 3 jaar. Bovendien komt bij het mannetje
+geregeld, bij het wijfje bij uitzondering op 4- à 5-jarigen leeftijd,
+tusschen de snijtanden en de kiezen in elke kaakhelft een _haaktand_
+(hoektand) te voorschijn, ten teeken, dat de ontwikkeling van het
+dier is afgeloopen. Na het vijfde jaar let men, om de ouderdom
+van het dier te kennen, op het merk in de snijtanden, dit is een
+zwartachtig bruine holte ter grootte van een linze op de afgesleten
+kroonvlakte. Dit merk verdwijnt door afslijting aan de grasbijters
+van de onderkaak op den leeftijd van 5 of 6 jaar, aan de middeltanden
+in het zevende, aan de hoektanden in het achtste jaar; vervolgens
+verdwijnt in dezelfde volgorde het merk van de bovenkaakssnijtanden,
+totdat in het elfde of twaalfde jaar alle merken verdwenen zijn. Met
+toenemenden leeftijd verandert ook allengs de gedaante der tanden:
+zij worden des te smaller, naarmate zij ouder worden.
+
+De Paarden kunnen éénkleurig zijn of een gemengde haarkleur hebben. De
+éénkleurige zijn: vaal of isabelkleurig (lichtgeel of goudgeelachtig),
+voskleurig (naar rood of kaneelkleur zweemend; flauw rosachtig heet
+"koeharig", "brandvossen" zijn meer roodachtig, "zweetvossen" van
+lichteren tint), bruin (kastanjebruin en wel licht goudgeelachtig of
+donker), zwart (gitzwart of moorzwart, vuilzwart). Bij bruine of vale
+Paarden zijn de manen, de staart en de onderste deelen der pooten
+meestal zwart; bij de zwarte en witte zijn zij van dezelfde kleur,
+bij voskleurige nu eens van dezelfde, dan weer van een lichtere of
+donkerder kleur. Een zwarte streep over den rug, van de manen tot
+den staart, heet een "aalstreep".
+
+De gemengdkleurige Paarden zijn: "stekelharig", wanneer de meeste
+haren zwart zijn, maar tusschen deze over het geheele lichaam hier
+en daar enkele grijze haren te voorschijn komen, zonder dat ouderdom
+hiervan de oorzaak is; "schimmels", wanneer de meestal witte grondkleur
+(die grijs kan schijnen, doordat enkele donkerder haren met de witte
+gemengd zijn) regelmatig gerangschikte vlekken vertoont door sterkere
+ophooping van donkere haren op sommige plaatsen; "tijgerkleurig",
+wanneer de helder witte beharing bezaaid is met duidelijk uitkomende,
+min of meer ronde, zwarte, bruine, roodachtige of leikleurige vlekken;
+"bont", wanneer groote, donkerkleurige onregelmatige vlekken met
+de meestal witte grondkleur afwisselen. Vooral bij schimmels komt
+het voor, dat de kleur bij de geboorte anders (donkerder) is dan op
+lateren leeftijd. "Geappeld" heet het Paard, wanneer ronde vlekken
+(die uit een donkeren rand en een lichteren kern bestaan) hetzij
+over het geheele lichaam of meer bepaaldelijk over enkele deelen,
+zooals de schouders en het kruis verspreid zijn. "Bont" noemt men een
+Paard _niet_, wanneer het enkele vlekken of strepen aan den kop heeft,
+of wanneer alleen de voeten meer of minder ver wit gekleurd zijn. Een
+"kol" is een kleine of middelmatig groote, witte vlek op het voorhoofd,
+even boven de oogen; een "bles" is een witte band over den neus van
+het Paard van tusschen de oogen tot aan de neusgaten; een "snuf" is
+een witte bovenlip.--Alleen de kleine haren (die in den winter langer
+zijn dan in den zomer) worden gewisseld; dit geschiedt hoofdzakelijk
+in het voorjaar. Het winterhaar valt in dezen tijd zoo snel uit,
+dat het "verharen" reeds binnen een maand grootendeels afgeloopen
+is. Langzamerhand worden de uitgevallen haren vervangen; eerst na het
+begin van September of October beginnen de nieuwe haren zich sterk
+te verlengen. De haren van de manen en den staart blijven onveranderd.
+
+Het Paard is aan vele ziekten onderhevig. De belangrijkste zijn de
+spat, een gezwel gevolgd door een verharding van het spronggewricht;
+de droes, een zwelling van de klieren aan de onderkaak; de wormziekte,
+een droge of vochtige uitslagziekte, waardoor de haren uitvallen;
+de kwade droes, een sterke ontsteking aan het neusmiddelschot, die
+in hooge mate besmettelijk is en ook op den mensch kan overgaan; de
+razende kolder, een hersenontsteking; de stille kolder, een dergelijk
+lijden; de grauwe en de zwarte staar en andere kwalen. Bovendien
+wordt dit dier gekweld door vele uitwendige en inwendige parasieten.
+
+Het Paard kan een leeftijd van 40 jaar en meer bereiken, maar wordt
+dikwijls zoo slecht behandeld, dat het reeds op zijn 20e jaar afgeleefd
+is; men mag aannemen, dat het slechts zelden 30 jaar oud wordt.
+
+Over de eigenschappen, gewoonten, hebbelijkheden en eigenaardigheden
+van de Paarden, in één woord over de gesteldheid van hun geest,
+zal ik Scheitlin laten spreken: "Het Paard," zegt hij, "heeft
+onderscheidingsvermogen voor voedsel, woning, ruimte, tijd, licht,
+vorm, voor zijn familie, voor buren, vrienden, vijanden, andere
+dieren, menschen en zaken. Het bezit waarnemings-, voorstellings-
+en herinneringsvermogen, geheugen, verbeeldingskracht; het heeft een
+fijn ontwikkeld gevoel voor een groot aantal toestanden, die zijn
+lichamelijke of geestelijke gesteldheid wijzigen. Het wordt aangenaam
+of onaangenaam gestemd door elke wijziging van omstandigheden, is
+in staat om tevreden te zijn over het leven, dat het op een gegeven
+tijdstip leidt, of om naar verandering te haken; zelfs is het vatbaar
+voor hartstochten, voor fijn gevoelende liefde en haat. Zijn verstand
+is groot en wordt zonder groote moeite in bekwaamheid omgezet, want
+het Paard is buitengewoon leerzaam.
+
+"Zijn opmerkingsvermogen, zijn geheugen en zijn goedhartigheid
+maken het mogelijk het alle kunststukken te leeren, die de Olifant,
+de Ezel en de Hond kunnen verrichten. Het moet raadsels oplossen,
+vragen beantwoorden, door beweging met den kop 'ja' en 'neen' zeggen,
+door met den poot te tikken getallen aangeven, b.v. de tijdaanwijzing
+van een horloge. Het let op de beweging van de handen en voeten van
+zijn leermeester, begrijpt de beteekenis van het zweepgeklap en van
+de woorden, die het vervangen of er mede gepaard gaan: het heeft
+dus werkelijk een klein woordenboek in de gedachten. Op commando
+houdt het zich ziek, neemt een onnoozele houding aan door de pooten
+wijd uiteen te zetten en den kop te laten hangen, waggelt treurig en
+vermoeid voort, laat zich langzaam vallen, ploft op den grond neer,
+houdt zich dood (ook wanneer iemand op zijn lichaam gaat zitten, of
+zijn pooten uiteen legt, of het aan den staart trekt, of den vinger in
+de zoo fijngevoelige ooren steekt, enz.); zoodra zijn meester echter
+zegt, dat hij het door den vilder zal laten halen, springt het weder
+overeind en neemt een wakkere en vroolijke houding aan; het heeft deze
+klucht uitmuntend begrepen. Het blijkt niet, dat het behagen schept
+in de grappen, die het zoo dikwijls moet herhalen. Alleen in loopen en
+springen heeft het vermaak. Hoe lang zal men het moeten onderrichten,
+voordat het er zich aan waagt om door twee groote hoepels te springen,
+die tamelijk ver van elkander verwijderd zijn en die met wit papier
+dichtgeplakt, op hem den indruk van witte muren moeten maken? Dat
+de mensch iets leeren kan en wil, verwondert ons niet, maar wel dat
+het _Paard_ het kan. Men moet werkelijk niet vragen: Wat kan het
+leeren? maar: Wat kan het _niet_ leeren?
+
+"Ieder, die een Paard iets menschelijks wil leeren, moet het, in
+den beginne althans, echt menschelijk behandelen, d.w.z. hij moet
+niet trachten het door slaan, of door bedreigingen, of door honger
+de gewenschte vaardigheid bij te brengen, maar alleen goede woorden
+gebruiken en het bejegenen zooals een goed, verstandig mensch een goed,
+verstandig mensch bejegent. In den regel zijn de Paarden geheel en
+al kinderen in het goede zoowel als in het booze.
+
+"Het Paard kent niet alleen het begrip plaats, maar ook het begrip
+tijd. Het leert op de maat stappen, draven, galoppeeren en dansen. Het
+kent ook verschil van tijd op grootere schaal; het weet, of het morgen,
+middag of avond is. Het ontbreekt het Paard zelfs niet aan muzikaal
+gevoel. Evenals de krijgsman houdt het van trompetgeschal. Het krabt
+vroolijk met de voorpooten op den grond, wanneer dit geluid als sein
+voor het loopen bij wedrennen en gedurende den veldslag weerklinkt;
+het kent en begrijpt ook het tromgeroffel en alle geluiden, die met
+zijn moed en met zijn vrees in verband staan. Het kent het gebulder
+van het geschut; maar hoort het niet graag, wanneer het soortgenooten
+gedurende veldslagen door kogels heeft zien treffen. Door het hooren
+van donder wordt het eveneens onaangenaam aangedaan. Misschien heeft
+het ervaren, dat het onweer onheil kan stichten.
+
+"Het Paard is zeer vatbaar voor vrees en gelijkt dus ook in dit opzicht
+op den mensch. Het verschrikt door een ongewoon geluid, een ongewoon
+voorwerp, een wapperend vaandel, een hemd, dat buiten het venster
+waait. Zorgvuldig kijkt het naar den bodem, wanneer hier steenen
+op liggen; voorzichtig stapt het in de beek of in de rivier. Het is
+buitengewoon bang voor den bliksem. Gedurende het onweder zweet het
+uit angst van getroffen te worden. Als het eene Paard op hol gaat,
+kan het andere, dat minder schichtig is, het tegenhouden; gewoonlijk
+echter wordt het eveneens door den schrik bevangen; beide rennen
+dan voort met steeds klimmende vrees en toenemenden angst, hollen in
+dolle vaart over en door alles heen, over den dorschvloer, met den
+kop tegen een muur, enz., alsof zij dol zijn.
+
+"De eenige ware lust van het Paard is het rennen. Van nature is het
+een reiziger; alleen voor hun vermaak rennen de Paarden, die in de
+Russische steppen grazen; zij galoppeeren vele uren, een dagreis ver
+met de koetsen mede; zonder nood van op den langen weg te verdwalen,
+keeren zij eindelijk naar hun uitgangspunt terug. Op de weide spelen
+zij vroolijk met elkander, werpen het voorste of het achterste deel van
+'t lichaam omhoog en halen allerlei streken uit, rennen te zamen of
+bijten elkander. Er zijn er bij, die gedurig bezig zijn de andere te
+plagen. Het dier, dat menschelijke handelingen tracht na te bootsen,
+moet zich den mensch zeer nabij gevoelen, moet in hem bijna zijns
+gelijke vinden.
+
+"De hengst is in alle opzichten een vreeswekkend dier. Zijn spierkracht
+is ontzettend, zijn moed boven alle beschrijving groot, zijn oog schiet
+vuur. De merrie is veel zachtaardiger, goedhartiger, toegevender,
+gehoorzamer, gemakkelijker te besturen; daarom geeft men aan haar
+dikwijls de voorkeur boven den hengst. Het paard is voor allerlei
+aandoeningen vatbaar. Het mint en haat, is jaloersch, wraakzuchtig,
+nukkig enz. Geen Paard is aan een ander gelijk. Bijtlustig en boos,
+valsch en arglistig is het eene, goed vertrouwend en zachtaardig het
+andere. De natuur of de opvoeding of beide gezamenlijk hebben ze zoo
+verschillend doen worden.
+
+"Groot is het verschil van levenslot der Paarden! Het lot van de meeste
+is in de jeugd vertroeteld en met haver gevoederd te worden, op hun
+ouden dag een kar voort te slepen, met haksel en ruigte het leven te
+rekken, en rijkelijk slagen te ontvangen. Aan de nagedachtenis van
+menig Paard werden tranen gewijd; terecht zijn voor sommige Paarden
+marmeren gedenkteekens opgericht. Zij hebben een jeugd, die voor
+'t spelen bestemd is, jongelingsjaren, waarin zij met hunne gaven
+pronken, een mannelijken leeftijd om te arbeiden, en een ouderdom,
+waarin zij naar lichaam en geest trager en doffer worden; zij bloeien,
+rijpen en verwelken!"
+
+
+
+Het tweede ondergeslacht van de Paarden (_Asinus_), waarvan de
+kenmerken reeds vroeger opgegeven zijn omvat de _Ezels_ en de
+_Tijgerpaarden_.
+
+
+
+De _Koelan_ van de Kirgiezen, de _Dziggetai_ (letterlijk vertaald
+"Langoor") der Mongolen in 't algemeen [_Equus (Asinus) hemionus_],
+heeft sommige eigenaardigheden, waardoor zijn schoonheid die van
+den Ezel verre overtreft. Deze zijn: een buitengewoon licht gebouwd
+lichaam, slanke ledematen, een wild en vlug voorkomen en een fraaie
+haarkleur. Hij is iets grooter dan het kleine slag van muildieren,
+bijna gelijk aan een hit. De kop is eenigszins zwaar ontwikkeld,
+de borst groot, van onderen hoekig en een weinig samengedrukt. De
+ooren zijn langer dan bij het Paard, maar korter dan bij de gewone
+muildieren. De manen zijn kort en overeind geplaatst; hierdoor en ook
+door den staart en de hoeven gelijkt hij op den Ezel. De borst en de
+bovenarmen zijn smal en op lange na niet zoo gevleescht als bij het
+Paard; ook het achterstel is schraal; de ledematen zijn buitengewoon
+licht en fijn, en tevens tamelijk lang. De kleur van den Dziggetai
+is licht geelbruin; de neus en de binnenzijde der ledematen hebben
+een vaal-gelen tint; de manen en de staart zijn zwartachtig. Over
+het midden van den rug, boven de ruggegraat, loopt een bruinachtige,
+eenigszins naar geel en grijs zweemende streep, die van voren ongeveer
+zoo breed is als een vinger, zich naar 't midden van den rug allengs
+tot 1 cM. versmalt; haar breedte neemt daarna snel weer toe, zij
+komt in 't kruis en boven het bekken met die van 3 vingers overeen,
+om vervolgens weer af te nemen tot een smalle lijn op 't midden van
+de bovenzijde van den staart; overal steekt zij sterk af bij de kleur
+van het overige haar.
+
+De totale lengte bedraagt ongeveer 2.5 M., waarvan 50 cM. op den
+kop en 40 cM. op den staart komen (de haarkwast aan de spits niet
+medegerekend); de schouderhoogte wisselt van 1.3 tot 1.5 M. af.
+
+De Dziggetai of Koelan is een kind van de steppe. Hoewel hij zich
+bij voorkeur in de nabijheid van meren en rivieren ophoudt, vermijdt
+hij evenwel de dorre, waterlooze en woestijnachtige streken niet,
+en evenmin de bergachtige gewesten, voor zoover deze n.l. een
+steppe-karakter hebben, met andere woorden, niet met bosschen
+bedekt zijn. Zoomin de ijlere lucht van het hooge gebergte, als
+de temperatuurswisselingen van het laagland, waar in den zomer
+een verzengende hitte, in den winter een strenge koude heerscht,
+zoomin de prikkelende sneeuwstormen van de hoogvlakte, als de door
+den wind voortgestuwde heete zandwolken van de laagvlakte, beperken
+het verbreidingsgebied van deze tegen weer en wind geharde dieren
+in de steppen; door niemand anders dan door den mensch wordt zijn
+aanwezigheid zoo niet bepaald, dan toch eenigermate beperkt. Streken,
+welker uitgestrekte weidegronden van tijd tot tijd door rondzwervende
+herdersvolken bezocht worden, of waardoor de nomadische herder met
+zijne kudden geregeld heen en weer trekt, worden door de Koelan
+verlaten; daar waar te midden van vruchtbaarder weidegronden zich
+landstreken bevinden, zoo arm, zoo dor, zoo woestijnachtig, dat
+zelfs de genoemde voorloopers van den aan vaste woonplaatsen gebonden
+mensch ze vermijden, kan men er verzekerd van zijn het wilde Paard,
+dat onbeperkte vrijheid verlangt, te zullen aantreffen.
+
+Nog tegenwoordig bevolkt het in aanzienlijken getale verscheidene
+districten van Akmolinsk en bewoont het een strook steppe-land tusschen
+het Altaï-gebergte en het Saisan-meer; men ontmoet het van hier
+uitgaande op alle voor zijn levenswijze geschikte, verder oostwaarts
+en zuidwaarts gelegen oorden van zuidelijk Siberië en Toerkestan,
+hoewel hier niet zoo menigvuldig als in de woestijnachtige steppen
+van Mongolië en het noordwesten van China of in de gebergten van Tibet.
+
+Gezelligheid is een grondtrek van de inborst van dit wilde
+paard en van de Eénhoevigen in 't algemeen. Evenals in Afrika de
+Zebra, de Quagga en de Dauw zich voegen bij de kudden Antilopen en
+Struizen, ziet men in de hooge gebergten van Midden-Azië de Dziggetai
+gemeenschappelijk grazen met verschillende soorten van wilde Schapen,
+met de Tibetaansche Antilope en den Yak, in de laagvlakten met de
+Krop- en Saiga-Antilopen. Ook met verwilderde Paarden leeft hij in
+goede verstandhouding.
+
+Wie ooit Koelans in hun vaderland en in volledige vrijheid zag,
+zal moeten erkennen, dat zij hoog begaafde dieren zijn. Betooverd
+volgt het oog hunne bewegingen; verrukt en verbaasd tracht het de
+onvergelijkelijke behendigheid van deze snelvoetige dieren na te
+gaan. "Het is een verwonderlijk schouwspel," zegt Gay, "te zien,
+hoe vlug zij de bergen bestijgen en hoe behendig zij er van afdalen
+zonder ooit te struikelen. Alsof zij met hunne onuitputtelijke krachten
+wilden spelen, repten de door ons vervolgde Koelans zich voort over
+de heuvels en door de dalen van de steppe."
+
+Zulk een dier ontkomt gemakkelijk aan de vervolgingen van groote
+Roofdieren. In de West-Aziatische steppen zijn er trouwens geen,
+die op Koelans jacht maken; want de hier inheemsche Wolven wagen het
+niet gezonde, wilde Paarden aan te vallen, omdat deze hunne krachtige
+hoeven uitmuntend tegen vijanden weten te gebruiken. Waarschijnlijk
+worden alleen vermoeide en door ziekte aangetaste Koelans, die van
+de kudde verwijderd zijn geraakt, een prooi van de Wolven. In het
+zuidelijk en zuidoostelijk gedeelte van hun verbreidingsgebied worden
+de Koelans misschien door Tijgers lastig gevallen. Een gevaarlijker
+vijand is echter de mensch. De nomadische herders van de steppe zijn
+hartstochtelijke liefhebbers van de Koelan-jacht, vooral omdat voor dit
+bedrijf een groote behendigheid van de zijde van den jager vereischt
+wordt.--In de Europeesche dierentuinen behoort de Koelan nog steeds
+tot de zeldzaamheden, hoewel men hem in de laatste 20 jaren dikwijls
+daarheen heeft overgebracht, en hij er ook herhaaldelijk (alleen
+te Parijs niet minder dan 16-maal) jongen heeft geworpen. Met goed
+gevolg heeft men hem met den Ezel, den Quagga, den Zebra, en kort
+geleden ook met het Paard gekruist.
+
+
+
+Een tweede, in Azië in 't wild levende Eénhoevige, die misschien
+met den Koelan een zelfde soort vormt, is de _Onager_ van de
+Ouden, die ook in den Bijbel herhaaldelijk genoemd wordt. Volgens
+Sclater's vergelijkend onderzoek van de wilde Paarden is het meer dan
+waarschijnlijk, dat de wilde Ezel, die de Indische woestijnen bewoont,
+zich niet van den Onager onderscheidt. Het verbreidingsgebied van
+deze soort zou zich dus van Syrië over Arabië, Perzië en Beloetsjistan
+tot in Indië uitstrekken.
+
+De _Onager_ [_Equus (Asinus) onager_] is aanmerkelijk kleiner
+dan de Dziggetai, maar toch hooger en fijner van ledematen dan de
+Gewone Ezel. De kop is betrekkelijk nog hooger en grooter dan bij de
+Koelan; de dikke lippen zijn tot aan den rand dicht bezet met stijve,
+borstelige haren; de ooren zijn tamelijk lang, maar korter dan bij den
+Gewonen Ezel. De heerschende kleur is fraai wit met een zilverachtigen
+glans, deze gaat aan de bovenzijde van den kop, aan de zijden van den
+hals en van den romp en ook aan de heupen in een bleeke isabelkleur
+over. Over de schouderstreek loopt een witte streep ter breedte van
+een hand benedenwaarts, een tweede streep loopt aan weerszijden langs
+het midden van den rug en over de achterzijde der dijen; tusschen de
+beide overlangsche strepen ligt de koffie-bruine rugstreep. De beharing
+is nog zijdeachtiger en zachter dan bij een Paard. Het winterhaar
+kan men met kameelwol vergelijken, het zomerhaar is uiterst glad en
+fijn. De rechtopstaande manen bestaan uit zachte, wollige, ongeveer 10
+cM. lange haren; de kwast aan den staart wordt meer dan een span lang.
+
+Door zijn levenswijze herinnert de Onager aan den Koelan. Een hengst is
+de aanvoerder van de kudde, die uit merries en veulens van beiderlei
+geslacht bestaat. Wat vlugheid van beweging betreft, doet de Onager
+voor den Dziggetai volstrekt niet onder.
+
+De zintuigen van den Onager, vooral die van 't gehoor, 't gezicht
+en den reuk, zijn zoo fijn, dat het niet mogelijk is hem in
+de open steppen te genaken. Hij is zoo buitengewoon matig, dat
+hij hoogstens om den anderen dag naar de drinkplaats gaat; het
+opwachten van dit dier, "het jagen op den afstand", is dus meestal
+ondoenlijk. Zouthoudende planten vormen zijn liefste voedsel; na deze
+geeft hij de voorkeur aan die, welke een bitter melksap bevatten,
+zooals paardenbloemen, melkdistels en dergelijke; klaversoorten,
+lucerne en allerlei kruisbloemige planten worden echter ook niet
+door hem versmaad. Hij heeft evenwel een tegenzin in alle planten,
+die welriekend zijn, doordat zij vluchtige oliën bevatten, in
+moeraskruiden, boterbloemachtigen en alle stekelige gewassen, zooals
+distels. Hij houdt meer van brak, zouthoudend water dan van zoet;
+het moet echter helder zijn; troebel water lust hij niet.
+
+Over den paringstijd en den werptijd is nog niets bekend.
+
+
+
+De stamsoort van onzen tammen _Ezel_ [_Equus (Asinus) asinus_] bewoont
+Afrika en is er door twee ondersoorten vertegenwoordigd. De eerste
+ondersoort--de _Steppen-ezel_ (_Equus asinus africanus_)--gelijk door
+grootte en uitzicht op zijne getemde nakomelingen in Egypte, door
+levenswijze en aard echter op zijne in 't wild levende, Aziatische
+verwanten. Hij is groot, slank en fraai gebouwd, isabelkleurig,
+aan de onderzijde lichter, met duidelijk herkenbare rugstreep en
+schouderkruis en eenige meer of minder duidelijke dwarsstreepen aan
+de buitenzijde van den benedenvoet. De korte manen staan overeind,
+de staartkwast is dik en lang.
+
+Van den Steppenezel onderscheidt zich de _Somali-ezel_ (_Equus asinus
+somalicus_) door een aanzienlijker grootte en langere, hangende
+manen. Het schouderkruis ontbreekt; wel komen aan de pooten talrijke,
+duidelijke, zwarte dwarsstrepen voor. Zijn vaderland is Somaliland. De
+beter bekende Steppenezel daarentegen bewoont de woestijnen van
+Opper-Nubië. In de nabijheid van den Atbara, de voornaamste Nubische
+bijrivier van den Nijl is hij veelvuldig, zoo ook in de Barka-vlakten;
+zijn verbreidingsgebied strekt zich uit tot aan de kust van de Roode
+Zee. Hier leeft hij in volkomen gelijksoortige omstandigheden als
+de Dziggetai en de Onager. Iedere hengst staat aan het hoofd van
+een kudde van 10 à 15 stuks, die hij bewaakt en verdedigt. Hij is
+buitengewoon schuw en voorzichtig; de jacht op dit dier is hierdoor
+zeer moeilijk. Alle tamme Ezels, die men in 't zuiden van Egypte en
+waarschijnlijk ook in Abessinië gebruikt, stammen, naar het schijnt,
+van deze soort af; want volgens de verzekering van de Arabieren
+gelijken de Wilde Ezels zoozeer op hen, dat men den eenen voor den
+anderen zou kunnen aanzien.
+
+De gestreepte voeten van dit dier, en vooral die van den Somali-ezel,
+zijn een opmerkelijk verschijnsel; daar hierdoor deze Ezels een
+overgang schijnen te vormen tusschen hunne Aziatische verwanten en
+de Tijgerpaarden.
+
+
+
+De Steppenezel wordt reeds sinds overouden tijd getemd en de gevangen
+Wilde Ezels worden dikwijls voor de veredeling van tamme Ezelrassen
+gebruikt. De Romeinen van de oudheid gaven groote sommen voor dit doel
+uit; de Arabieren doen dit ook thans nog. Alleen bij ons is de _Tamme
+Ezel_ door voortdurende verwaarloozing tot op een laag peil afgedaald.
+
+Als men den Ezel, die hier te lande graan of meel voor den molenaar
+draagt of den melkboer zijn beroep helpt uitoefenen, met zijne
+verwanten in zuidelijker landen vergelijkt, zou men er toe kunnen
+komen, beide voor verschillende soorten te houden, zoo weinig gelijken
+zij op elkander. De Ezel uit het Noorden is, zooals iedereen weet,
+een trage, eigenzinnige, dikwijls weerbarstige klant, die algemeen,
+heewel ten onrechte, als zinnebeeld van onnoozelheid en domheid
+wordt beschouwd; de Ezel uit het Zuiden daarentegen, vooral de
+Egyptische, is een fraai, wakker, buitengewoon vlijtig en volhardend
+dier, wiens arbeid niet veel bij dien van het Paard achterstaat,
+en dezen in sommige opzichten zelfs overtreft. Maar hij wordt dan
+ook veel zorgvuldiger behandeld dan onze Ezel. In vele Oostersche
+landen zorgt men niet minder goed voor de zuiverheid van de beste
+ezelrassen dan voor die van het edelste paardenras; men voedert de
+dieren zeer goed, kwelt hen in hun jeugd niet te veel en kan derhalve
+van de volwassenen diensten verlangen, die onze Ezel in 't geheel niet
+zou kunnen verrichten. Er is wel reden voor de zorg, die men in het
+Oosten aan den Ezel besteedt, want hij is daar een huisdier in den
+volsten zin van het woord, dat in het paleis van den rijkste, zoowel
+als in de hut van den armste voorkomt, en de onmisbaarste dienaar is,
+dien de bewoner van zuidelijke gewesten kent. Reeds in Griekenland
+en Spanje treft men zeer schoone Ezels aan, hoewel zij altijd nog
+ver achterstaan bij die, welke men in het Oosten, vooral in Perzië,
+Toerkmenië en Egypte, gebruikt. De Grieksche en de Spaansche Ezel
+evenaren een klein muildier in grootte; hun haar is glad en zacht; de
+manen zijn tamelijk, de staartharen betrekkelijk zeer lang; de ooren
+zijn lang, maar fijn gebouwd, de oogen schitterend. Groote volharding,
+een gemakkelijke, vlugge gang en een zachte galop stempelen deze
+Ezels tot onovertreffelijke rijdieren.
+
+Nog veel schooner dan deze uitmuntende dieren zijn de Arabische Ezels,
+vooral die, welke in Yemen worden gefokt. Er zijn twee rassen van:
+één van groote, moedige en snelle dieren, die voor het reizen zeer
+geschikt zijn, en één, welks leden kleiner en zwakker zijn, en
+gewoonlijk voor 't dragen van lasten gebruikt worden. Soortgelijke
+rassen komen voor in Perzië en Egypte, waar men veel geld voor een
+goeden Ezel uitgeeft. Een voor rijdier geschikte Ezel, die aan alle
+eischen voldoet, staat hooger geprijsd dan een middelmatig Paard;
+niet zelden betaalt men f 900 voor zulk een dier. "Men kan zich," zegt
+Bogumil Goltz, "geen bruikbaarder en dapperder schepsel voorstellen dan
+deze Ezel. De grootste kerel zet zich op een exemplaar, dat dikwijls
+niet grooter is dan een kalf van zes weken en brengt het in galop. Deze
+zwak gebouwde dieren bewegen zich met een flinken pas; hoe zij echter
+aan de kracht komen om uren lang met een volwassen mensch op den rug,
+zelfs bij groote hitte, te draven en te galoppeeren, komt mij volkomen
+onverklaarbaar voor en schijnt tot de bovennatuurlijke ezels-mysteriën
+te behooren." Den rij-ezels wordt het haar zeer zorgvuldig over het
+geheele lichaam kort geknipt; alleen aan de bovenarmen en dijen laat
+men het zijn volle lengte behouden; hier worden echter in de beharing
+allerlei figuren en krullen uitgeknipt, waardoor de dieren een zeer
+eigenaardig voorkomen verkrijgen.
+
+Verderop in het binnenland, waar dit nuttige wezen eveneens als
+huisdier wordt gehouden, zijn edele Ezels zeldzaam, en ook deze
+weinige worden van buiten ingevoerd.
+
+In vroegere tijden trof men op eenige eilanden van den Griekschen
+archipel en op Sardinië half-verwilderde Ezels aan; tegenwoordig
+vindt men er nog in Zuid-Amerika. Zulke aan de heerschappij van den
+mensch ontkomen Ezels nemen spoedig alle gewoonten van hunne wilde
+voorouders aan.
+
+Door de bovenstaande mededeelingen is meteen het verbreidingsgebied
+van den Ezel aangeduid. Het oostelijke deel van Voor- en Middel-Azië,
+het noorden en oosten van Afrika, Zuid- en Middel-Europa en eindelijk
+Zuid-Amerika zijn de landstreken waar hij het best gedijt. Hoe droger
+het land is, des te beter gevoelt hij zich er thuis. Vochtigheid en
+koude verdraagt hij minder goed dan het Paard.
+
+Waarschijnlijk is het rijden op Ezels nergens zoozeer in zwang als
+in Egypte. In alle grooten steden van dit land zijn deze gewillige
+dieren werkelijk onmisbaar voor de gemakkelijkheid van 't leven. Men
+gebruikt ze, zooals bij ons de huurrijtuigen; en het wordt volstrekt
+niet vreemd gevonden zich door hen te laten dragen. Wegens de engheid
+van de straten der Oostersche steden, zijn Ezels beter dan andere
+vervoermiddelen geschikt om den weg, dien men heeft af te leggen,
+af te korten en gemakkelijk te maken. Daarom ziet men ze b.v. in
+Kaïro, overal te midden van den onafgebroken stroom van menschen,
+die zich door de straten beweegt. De ezeldrijvers van Kaïro vormen
+een eigen stand, een ware kaste; zij behooren bij de stad, zooals de
+minarets en de palmen. Zij zijn onontbeerlijk voor de inwoners zoowel
+als voor de vreemdelingen; aan hen heeft men iederen goeden dag te
+danken, hoewel zij iederen dag iemand de gal doen overloopen. "Het
+is een ware lust en een ware ellende", zegt Bogumil Golts, "met
+de ezeljongens om te gaan. Men kan het niet eens met hen worden,
+hetzij men ze voor goedhartig of boosaardig, koppig of dienstwillig,
+traag of wakker, listig of onbeschaamd houdt; zij vertoonen een
+mengelmoes van alle mogelijke eigenschappen." De reiziger ontmoet
+ze, zoodra hij in Alexandrië aan land stapt. Op elk druk plein staan
+zij met hunne dieren van zonsopgang tot zonsondergang. De aankomst
+van een stoomboot is voor hen een hoogst gewichtige gebeurtenis;
+want dan moeten zij zich beijveren om de in hunne oogen onwetende of
+zelfs domme toeristen voor zich te veroveren. De vreemdeling wordt
+vooreerst in drie of vier talen aangesproken, en wee hem, wanneer
+hij in 't Engelsch antwoordt. Dadelijk heeft er om den "rijken man"
+een vechtpartij plaats, totdat de reiziger het verstandigste doet,
+wat hij doen kan, n.l. op goed geluk op een Ezel gaat zitten en zich
+door den jongen naar het eerste het beste hotel laat drijven. Dit
+is de eerste kennismaking met de ezeljongens; maar eerst als men de
+Arabische taal machtig is en, in plaats van het koeterwaalsch der
+drie of vier door hen geradbraakte talen, hun eigen taal met hen kan
+spreken, leert men ze kennen.
+
+De eene zegt: "Kijk toch eens, Mijnheer, naar den Ezel, dien ik u
+aanbied, een echte locomotief in vergelijking met de dieren, die
+de andere jongens u aanprijzen! Zij zullen onder u inzakken, want
+het zijn erbarmelijke schepsels en gij zijt een forsch man! Maar de
+mijne! Voor hem is het een kleinigheid als een Gazelle met u weg
+te loopen."--"Dit is een Kahiriner Ezel," zegt de andere; "zijn
+grootmoeder was een Gazelle en zijn bet-overgrootmoeder een wild
+Paard. Komaan, Kahiriner, loop eens en laat Mijnheer zien, dat ik
+de waarheid spreek! Doe uwe ouders geen schande aan, maak voort in
+Gods naam, mijn Gazelle, mijn Zwaluw!"--De derde wil alle overige de
+loef afsteken; hij roemt zijn Ezel als een "Bismarck", een "Moltke"
+enz., en in dezen toon gaat het voort, totdat men eindelijk een
+van de dieren bestegen heeft. Dit wordt nu door een onnavolgbaar
+getrek en geduw of door stooten, steken en slagen met den aan
+'t eene einde puntig toeloopenden drijversstok in galop gebracht,
+terwijl de knaap, die er achteraan rent, door roepen, schreeuwen,
+aansporen en babbelen zijne longen niet minder mishandelt dan den Ezel
+vóór hem. "Pas op, Mijnheer! Uw rug, uw voet, uw rechterzijde is in
+gevaar! Wees voorzichtig, uw linkerzijde, uw hoofd! Denk er om! een
+Kameel, een muildier, een Ezel, een Paard! Let op uw gezicht, op uw
+hand! Ga uit den weg, vriend; laat mij en Mijnheer voorbij! Scheld
+niet op mijn Ezel, smeerlap; hij is meer waard dan je overgrootvader
+was. Verschooning, meester, dat gij gestooten werd!" Deze en en honderd
+andere uitroepen gonzen den reizigers onophoudelijk om de ooren,
+terwijl hij tusschen allerlei gevaar opleverende dieren en ruiters,
+tusschen straatkarren, lastdragende Kameelen, wagens en voetgangers
+door rent. De Ezel verliest geen oogenblik zijn goede gezindheid; zijn
+gewilligheid kan bijna niet ingetoomd worden; hij snelt steeds voort
+in een allerprettigsten galop, totdat het doel bereikt is. Kaïro is de
+hoogeschool voor alle Ezels; hier eerst leert men deze voortreffelijke
+dieren kennen, waardeeren, achten en van hen houden.
+
+Op _onzen_ Langoor trouwens zijn Oken's woorden volkomen toepasselijk:
+"De tamme Ezel is door langdurige slechte behandeling zoozeer ontaard,
+dat hij bijna in 't geheel niet meer lijkt op zijne voorouders. Niet
+alleen bereikt hij een veel geringere grootte dan deze, maar ook zijn
+kleur is doffer, meer aschgrauw, zijne ooren zijn langer en slapper
+geworden. De moed is bij hem in weerspannigheid veranderd, de vlugheid
+in langzaamheid, de levendigheid in traagheid, de schranderheid in
+domheid, de vrijheidsliefde in geduld, de volharding in lijdzaamheid
+bij het verduren van mishandelingen." Scheitlin zegt van hem: "De tamme
+Ezel is veeleer schrander dan dom; zijn schranderheid gaat echter
+niet samen met goedheid, zooals bij het Paard, maar openbaart zich
+meer als valschheid en sluwheid, en nog wel het meest als koppigheid
+en eigenzinnigheid. Hoewel uit een slavin geboren, is hij in zijn
+jeugd zeer opgewekt en een liefhebber van potsierlijke sprongen,
+evenals al wat jong is; evenals het menschenkind, heeft hij trouwens
+geen besef van zijn misschien vreeselijke, treurige toekomst. Als hij
+volwassen is, moet hij trekken en dragen; hij laat zich hiervoor goed
+africhten, hetgeen een bewijs is van zijn verstand, want hij moet
+zich schikken naar den wil van een ander wezen, van den mensch. Het
+kalf is hiervoor nooit verstandig genoeg, en zelfs het paardenveulen
+begrijpt aanvankelijk niet, wat men van hem verlangt. Geduldig draagt
+de Ezel zijn grooten last, maar volstrekt niet gaarne, want zoodra men
+hem dien heeft afgenomen, is het voor hem een genoegen zich over den
+grond te wentelen, en zijn afschuwelijk gebalk te laten hooren. Hij
+heeft waarschijnlijk in 't geheel geen muzikaal gevoel. Zijne ooren
+duiden werkelijk iets bijzonders aan.
+
+"Wij kunnen den Ezel volkomen in zijn eer herstellen door er op te
+wijzen, dat hij afgericht kan worden tot zeer vele kunstjes, die men
+gewoonlijk alleen van het Paard ziet. Sommige kinderen leeren moeilijk,
+maar wat zij geleerd hebben, kennen zij grondig en voor altoos; zoo is
+het ook met den Ezel. Men kan wedrennen met hem houden; hij leert door
+hoepels springen en kanonnen afschieten. Hij springt goed, zonder het
+doel te missen en zonder angst te toonen. Hij let op de blikken en de
+woorden van zijn meester, en begrijpt deze telkens goed. Daarom kan
+men hem ook leeren dansen, zich op de maat bewegen en deuren openen,
+waarbij hij zijn bek als een hand gebruikt, trappen op- en afgaan, het
+schoonste, oudste of meest verliefde lid van een gezelschap aanwijzen,
+door met den poot op den grond te kloppen van een horloge, dat hem
+voorgehouden wordt, den tijd, van een kaart of van een dobbelsteen het
+aantal oogen aangeven, en iedere vraag van zijn meester, door met den
+kop te schudden of te knikken, bevestigend of ontkennend beantwoorden."
+
+De zintuigen van den tammen Ezel zijn goed ontwikkeld. Bovenaan staat
+het gehoor, hierop volgt het gezicht, dan de reuk; gevoel schijnt hij
+weinig te hebben, ook de smaak is, naar men vermoedt, niet bijzonder
+fijn, anders zou hij waarschijnlijk begeeriger, veeleischender
+zijn dan het Paard. Zijne verstandelijke vermogens zijn, naar uit
+Scheitlin's woorden blijkt, niet zoo gering als gewoonlijk aangenomen
+wordt. Hij heeft een uitmuntend geheugen: hij kan iederen weg, dien
+hij eens gegaan is, weer terug vinden; hoe dom zijn uitzicht ook zij,
+toch is hij dikwijls recht sluw en listig. Ook is hij niet altijd
+zoo goedaardig, als men meent; hij heeft soms zelfs afschuwelijke
+kuren. Plotseling blijft hij dan midden op den weg stilstaan, en
+laat zich door geen slagen dwingen om verder te gaan, of gaat met
+zijn geheele last op den grond liggen, waar hij zich door bijten en
+schoppen verweert. Sommigen meenen dat zijn gevoelig gehoor hiervan
+de oorzaak is, dat ieder geraas hem verdooft en verschrikt, hoewel hij
+overigens niet bijzonder vreesachtig, maar slechts nukkig is. Uiterst
+vreemd gedraagt een Ezel zich in een streek waar Roofdieren zijn. Het
+is zeer vermakelijk of hoogst onaangenaam, al naar men het nemen
+wil, op een Ezel of een Muildier door een van de nauwe dalen van
+het gebergte van Habesch te rijden. Overal bespeurt het lange oor
+gevaar. Het draait en keert zich naar alle zijden, wordt met opzet
+benedenwaarts gebogen in de richting van een rotsblok, waarachter
+een vijand in hinderlaag zou kunnen liggen, het tracht zelfs met
+een paar sterke wendingen alles af te luisteren, wat er hooger op,
+langs de hellingen voorvalt, richt zich plotseling stijf omhoog en
+luistert in een bepaalde richting. Wanneer nu nog de reuk het gehoor
+te hulp komt en beide het edele rijdier schrikbeelden voor den geest
+tooveren, dan is de gemoedsrust voor goed verstoord. Het wil niet
+verder. Juist op de plaats waar het nu staat, is misschien in de vorige
+nacht het vreeselijk tot buitengewone voorzichtigheid aansporend feit
+voorgevallen, dat een Leeuw, een Luipaard, een Hyaena of een ander
+gruwelijk Roofdier over den weg is geslopen! De Ezel snuffelt, kijkt,
+luistert; de ooren draaien letterlijk rond in zijn kop; hij blijft
+als aan den grond genageld, totdat eindelijk een van de lieden voor
+hem uitgaat. Loos genoeg om te begrijpen, dat zijn gids de meeste
+kans heeft om in de klauwen van het grimmige Roofdier den laatsten
+adem uit te blazen, zal hij dezen volgen en inwendig gerustgesteld
+verder gaan. Op reis kan de Ezel geen enkel zintuig ontberen. Als men
+hem een doek voor de oogen bindt, blijft hij oogenblikkelijk staan;
+dit doet hij ook, als men hem de ooren bedekt of dicht stopt; eerst
+als, hij van al zijne zintuigen gebruik kan maken, gaat hij verder.
+
+De Ezel is met het slechtste, karigste voedsel tevreden. Gras en hooi
+van zulk een hoedanigheid, dat iedere fatsoenlijke koe ze met een
+afkeer verradend gesnuif laat liggen en een Paard er zich ontevreden
+van afwendt, worden door hem nog als een lekkernij beschouwd: hij is
+zelfs met distels en doornstruiken tevreden. Alleen in de keuze van
+drank is hij zorgvuldig; hij wil geen water hebben dat troebel is; brak
+mag, helder moet het zijn. In de woestijn heeft men hierdoor dikwijls
+veel last met den Ezel, daar deze, hoe ook door den dorst gekweld,
+het troebele water uit de lederen waterzakken niet wil drinken.
+
+Hier te lande valt de bronsttijd van den Ezel in de laatste lente-
+en de eerste zomermaanden; in het zuiden duurt hij ongeveer het
+geheele jaar door. De hengst verklaart aan de Ezelin zijn liefde
+met het welbekende, oorverscheurende "I-a, I-a," en laat op deze
+langgerekte, vijf- à tienmaal herhaalde geluiden nog een half dozijn
+snuivende zuchten volgen. Zulk een aanzoek is onweerstaanbaar; zij
+oefent zelfs op de medevrijers een machtigen invloed uit. Ieder, die
+in een land heeft gewoond, waar vele Ezels zijn, heeft het kunnen
+ervaren. Zoodra een ezelin hare stem laat hooren, ontstaat er een
+formeel oproer onder alle hengsten in den omtrek. De naastbijwonende,
+gevleid door de eer, dat hij de voor hem zoo aanlokkelijke geluiden
+het eerst op een behoorlijke wijze mag beantwoorden, balkt er op los
+zoo luid hij kan. Een tweede, derde, vierde, tiende valt in: eindelijk
+balken zij allemaal; door den langen duur van dit concert zou iemand
+doof of half gek kunnen worden. Ik waag het niet te beslissen, of dit
+medebalken als een bewijs van teedere sympathie moet worden opgevat,
+of eenvoudig voortvloeit uit lust tot schreeuwen, maar kan stellig
+verzekeren, dat één Ezel alle overige aan 't balken kan brengen. De
+reeds beschreven ezeljongens van Kaïro, die, naar het schijnt, veel
+behagen scheppen in het geluid van de dieren, waarmede zij hun kost
+verdienen, maken het "I-a"-geschreeuw, dat op beschaafde ooren zulk
+een onaangenamen indruk maakt, aan den gang, door het onnavolgbare,
+kort afgebrokene "Ii, Ii, Ii", dat den hoofdinhoud van de ezelsrede
+voorafgaat, na te bootsen: spoedig neemt een van de Ezels de moeite
+over om de vroolijke opgewondenheid verder te verbreiden.
+
+Ongeveer 11 maanden na de paring werpt de Ezelin één jong (hoogst
+zelden twee), dat bij de geboorte volkomen ontwikkeld is en zien kan;
+de moeder lekt het liefderijk af en biedt het reeds een half uur na de
+geboorte de uier aan. Na 5 à 6 maanden kan het veulen gespeend worden,
+maar het volgt de moeder nog lang op al hare wegen. Zelfs in zijn
+vroegste jeugd verlangt het geen bijzondere oppassing of verzorging,
+maar is evenals zijne ouders tevreden met elk voedsel dat het krijgen
+kan. Als men het kind van de moeder wil scheiden, is aan weerskanten
+het verdriet groot. Beiden verzetten zich en geven, als dit niets baat,
+hun verdriet en hun verlangen nog dagen achtereen door geschreeuw
+of althans door buitengewone onrustigheid te kennen. Als er gevaren
+dreigen, verdedigt de oude haar kind met moed; zij offert liever zich
+zelf op en vreest zelfs vuur en water niet, als het er op aankomt haar
+jong te beschermen. Reeds in het tweede jaar is de Ezel volwassen; maar
+eerst in het derde jaar bereikt hij zijn volle kracht. Hij kan, zelfs
+wanneer hij hard werken moet, een tamelijk hoogen leeftijd bereiken:
+er zijn voorbeelden van, dat Ezels veertig vijftig jaar oud werden.
+
+
+
+Reeds in den ouden tijd heeft men het Paard en den Ezel met elkander
+gepaard en door deze kruising bastaarden verkregen, die _Muildieren_
+heeten, als de vader, _Muilezels_ echter als de moeder tot het
+Ezelgeslacht behoort. Beide hebben in hun gestalte meer van hun moeder
+dan van hun vader; door hun aard gelijken zij echter meer op dezen
+dan op gene.
+
+Het _Muildier_ (_Equus mulus_) is bijna even groot als het Paard en
+gelijkt ook door zijn lichaamsbouw op dit dier; het verschilt er
+echter van door den vorm van den kop en de lengte der ooren, door
+den staart, die aan den wortel kort behaard is, door de schrale
+dijen en de smallere hoeven, welke kenmerken aan die van den Ezel
+herinneren. Zijn kleur gelijkt in den regel op die van de moeder. Het
+balkt als zijn vader.
+
+De _Muilezel_ (_Equus hinnus_) behoudt de onaanzienlijke gestalte,
+de grootte en de lange ooren van zijn moeder, krijgt van het Paard
+slechts den dunneren en langeren kop, de vollere dijen, den over zijn
+geheele lengte behaarden staart en de hinnikende stem; met zijn moeder
+heeft hij ook de traagheid gemeen.
+
+De paardemerrie draagt het Muildier iets langer dan het paardenveulen;
+het pasgeboren Muildier staat echter veel eerder op zijne pooten dan
+het jonge Paard; daarentegen is hij minder spoedig volwassen dan het
+Paard. Beneden de 4 jaar mag men geen Muildier tot den arbeid dwingen;
+daarentegen behoudt het zijn kracht geregeld tot in 20e of 30e niet
+zelden zelfs tot in het 40e levensjaar.
+
+Men fokt uitsluitend Muildieren, omdat deze beter geschikt zijn voor
+het gebruik. Alleen in Spanje en Abessinië heb ik Muilezels gezien. Het
+Muildier vereenigt de goede eigenschappen van zijne beide ouders in
+zich. Zijne soberheid en volharding, zijn zachten, vasten tred zijn
+erfstukken van den Ezel, zijne kracht en moed een geschenk van zijn
+moeder. In alle bergstreken acht men de Muildieren onmisbaar; voor
+de bewoners van Zuid-Amerika zijn zij niet minder noodig dan voor
+de Arabieren het Kameel. Een goed Muildier draagt een last van 150
+KG. en legt hiermede iederen dag een weg van 20 à 28 KM. af. Zelfs na
+een lange reis bemerkt men ternauwernood vermindering van de kracht
+van het op deze wijze belaste dier, al is het voeder schaarsch en
+zóó slecht, dat een Paard het in 't geheel niet zou lusten.
+
+Zelfs in den laatsten tijd heeft men herhaaldelijk beweerd, dat
+Muildieren en Muilezels onvruchtbaar zouden zijn. Dit is echter
+niet altijd het geval, wanneer een van de beide parende dieren
+geen bastaard is. Reeds sedert overouden tijd zijn er voorbeelden
+van bekend, dat Muildieren jongen voortbrachten, n.l. bij paring
+van een Paardehengst met een muildier-merrie. In lateren tijd zijn
+eveneens verscheidene gevallen waargenomen, die de geschiktheid van
+het Muildier voor de voortplanting boven allen twijfel verheffen:
+zoo is het in de laatste kwart eeuw in den Acclimatisatie-tuin te
+Parijs gebleken, dat Muildieren tot in het tweede geslacht vruchtbaar
+kunnen zijn.--Dat Muildieren (of Muilezels) onderling of Muildieren
+met Muilezels vruchtbaar kunnen paren, is nog niet bewezen.
+
+
+
+Een oude Latijnsche schrijver verhaalt, dat Caracalla in het jaar 211
+van onze tijdrekening in de arena te Rome behalve Tijgers, Olifanten en
+Neushoorndieren ook een _Hippotigris_ ("Tijgerpaard") liet optreden, en
+dit dier eigenhandig doodde. Dat de bedoelde schrijver hiermede niets
+anders op het oog gehad kan hebben dan de eene of andere soort van
+Afrikaansche, gestreepte wilde Paarden, valt moeielijk te betwijfelen;
+de Engelsche natuuronderzoeker H. Smith heeft dus recht, als hij de
+naam _Tijgerpaarden_ gebruikt tot aanduiding van een ondergeslacht
+(of liever van een groep van soorten) van de familie der paarden.
+
+De Tijgerpaarden gelijken, wat hun gestalte betreft, zoowel op
+de Paarden als op de Ezels. De romp is gedrongen, de hals forsch,
+de kop houdt het midden tusschen dien van een Paard en dien van een
+Ezel, de ooren zijn tamelijk lang, maar tevens breed, de haren van de
+overeindstaande manen niet zoo hard en dik als bij het Paard, maar
+toch minder zacht en minder buigzaam dan bij den Ezel, de staart is
+alleen aan zijn onderste gedeelte lang behaard. Alle bekende soorten
+hebben een bont, levendig gekleurd en gestreept vel. De zuidelijke
+helft van Afrika is haar vaderland; misschien komt slechts één soort
+ook benoorden den evenaar voor. Zij leven op de gebergten en in de
+vlakten; iedere soort geeft echter, naar het schijnt, de voorkeur
+aan een afzonderlijk gebied.
+
+
+
+De _Quagga_ (_Equus quagga_) nadert door zijn gestalte meer tot het
+Paard dan tot den Ezel, maar moet, wat schoonheid betreft, bij den
+Dauw achterstaan. De romp is zeer goed gevormd, de kop middelmatig
+groot en sierlijk; de ooren zijn kort, de pooten krachtig. Langs
+den geheelen hals verheffen zich korte en rechte manen; de staart is
+van den wortel af behaard, de staartharen langer dan bij de overige
+Tijgerpaarden, evenwel aanmerkelijk korter dan bij het Paard. Ook door
+de beharing van de overige lichaamsdeelen gelijkt de Quagga op het
+Paard: het haar is kort en ligt dicht tegen het lichaam aan. Bruin,
+aan den kop donkerder, op den rug, het kruis en de zijden lichter,
+is de grondkleur van het vel; de buik, de binnenzijde van de dijen en
+de staartharen zijn zuiver wit. De kop, de hals en de schouders zijn
+geteekend met grijsachtig witte, roodachtig getinte strepen, die op het
+voorhoofd en de slapen overlangs gericht en dicht opeengedrongen zijn,
+op de wangen echter dwars loopen en iets verder uiteen staan. Tusschen
+de oogen en den mond vormen zij een driehoek. Op den hals bemerkt
+men tien zulke strepen, die ook op de manen zich vertoonen, op
+de schouders vier en op den romp nog eenige, die des te korter en
+bleeker worden, naarmate zij verder naar achteren voorkomen. Langs den
+geheelen rug tot op den staart, strekt zich een zwartachtig bruine,
+aan weerszijden roodachtig grijs geboorde rugstreep uit. De ooren
+zijn van binnen met witte haren bezet, van buiten geelachtig wit,
+met een donkerbruine streep. Beide geslachten gelijken zeer veel op
+elkander; het wijfje is echter een weinig kleiner en heeft kortere
+staartharen. Het volwassen mannetje wordt 2 M., met den staart 2.6
+M. lang; de schouderhoogte bedraagt ongeveer 1.3 M.
+
+De _Dauw_ (_Equus Burchelli_), Burchell's, en Chapman's _Tijgerpaard_,
+de _Bonte Quagga_ der Hollandsche Boeren, is ongetwijfeld het edelste
+dier van zijn stam, omdat zijn gestalte het meest op die van een
+Paard gelijkt; het is nagenoeg even groot als de Quagga. Het zachte,
+glad aanliggende haar is aan de bovenzijde isabelkleurig, van onderen
+wit. Veertien smalle, zwarte strepen ontspringen aan de neusgaten,
+zeven daarvan zijn buitenwaarts gericht en vereenigen zich met een
+gelijk aantal van boven komende; de overige gaan scheef over de wangen
+heen en zijn verbonden met strepen, die de onderkaak versieren. Over
+het midden van den rug loopt een zwarte streep met witte randen; de
+hals is, evenals de 13 cM. hooge manen, geteekend met tien breede,
+zwarte dwarsstrepen, waarvan sommige zich splitsen en waartusschen
+smalle, bruine strepen liggen. Nog breedere strepen omringen den
+romp, niet echter de onderste gedeelten van de pooten, die gewoonlijk
+beneden den elleboog en het kniegewricht effen wit zijn.
+
+
+
+De _Zebra_ of het _Bergpaard_ (_Equus zebra_), dat ongeveer even
+groot is als de vorige soort, heeft over het geheele lichaam, ook
+over de pooten, strepen, en is hieraan gemakkelijk van den Dauw te
+onderscheiden. Zijn lichaamsbouw gelijkt minder op dien van het Paard
+dan op dien van den Ezel en meer bepaaldelijk van den Dziggetai. De
+op slanke, goed gebouwde pooten rustende romp is vol en krachtig,
+de hals gebogen, de kop kort, de snuit gezwollen; de staart is
+middelmatig lang, over het grootste deel van zijn lengte kort en
+alleen bij de spits lang behaard, hij gelijkt dus op dien van den
+Ezel; de manen zijn dicht, maar zeer kort. Op witten of geelachtigen
+grond loopen van den snuit tot aan de hoeven dwarsstrepen van glanzig
+zwarte of roodbruine kleur; alleen de achterzijde van den buik en
+de binnenzijde van het bovenlichaam zijn niet gestreept. De donker
+bruinzwarte, overlangsche streep op den rug is eveneens aanwezig,
+een tweede loopt langs het onderlijf.
+
+
+
+Het eigenlijke vaderland van de _Tijgerpaarden_ is Zuid- en
+Oost-Afrika; zij ontbreken in de keerkringsgewesten van de westelijke
+helft van Afrika en in het geheele Kongo-gebied, met uitzondering van
+het meest afgelegen, zuidoostelijk deel. De _Quagga_ wordt gevonden in
+de noordwaarts van het Kaapland gelegen Kalahari-woestijn en in Duitsch
+Zuidwest-Afrika tot aan den Kunene, bovendien in de Zuid-Afrikaansche
+Republiek. Verder op bij de Zambesi en de Kunene komt de _Bonte
+Quagga_ voor. De _Zebra_, die aan bergachtige gewesten de voorkeur
+geeft, bewoont hetzelfde gebied als de beide andere soorten en is nog
+verder verbreid: in het Kaapland wordt hij ook thans nog gevonden;
+noordwaarts komt hij aan de westzijde tot in Benguela, aan de oostzijde
+tot op ongeveer 12° Z.B. voor.
+
+De Tijgerpaarden leven gezellig. Gewoonlijk ziet men wel 10 à 30
+stuks bijeen; vele berichten maken melding van gezelschappen, die
+uit honderden individuën bestonden; waarschijnlijk verhuisden deze
+van het eene gewest naar een ander. Steeds ziet men iedere soort
+afzonderlijk. Misschien zijn de Tijgerpaarden van de eene soort
+voor die van de andere bevreesd. Andere dieren schuwen zij echter
+niet: zoo melden alle onderzoekers eenstemmig, dat men tusschen de
+Quagga-kudden bijna geregeld Springbokken en Bonte Bokken, Gnoes,
+en Struisen, maar ook Buffels vindt. Vooral de Struisen zijn, naar
+gezegd wordt, de standvastige begeleiders van de genoemde Wilde
+Paarden; de reden hiervan zal wel zijn, dat deze met de waakzaamheid
+en de voorzichtigheid van de genoemde reuzen uit de Vogelklasse hun
+voordeel kunnen doen.
+
+Alle Tijgerpaarden zijn buitengewoon snelle, bewegelijke, waakzame
+en schuwe dieren. Vlug als de wind snellen zij voort, door de vlakte
+zoowel als in bergstreken.
+
+Het inhalen van zulk een aaneengesloten kudde van Tijgerpaarden, valt
+den goed bereden jager niet moeielijk, hoewel een alleenloopend dier
+gemakkelijk den vlugsten ruiter ontkomt. Men verhaalt, dat de jonge
+Quaggas wanneer het den vervolger gelukt met het Paard in de kudden
+door te dringen en de veulens van de moeder te scheiden, zich gewillig
+gevangen geven en het Paard volgen, zooals zij vroeger hun eigen
+moeder deden. Er schijnt over 't algemeen tusschen de Tijgerpaarden
+en de Eenhoevige huisdieren een zekere vriendschap te bestaan; de
+Gewone en de Bonte Quaggas althans volgen, naar men zegt, niet zelden
+de Paarden van de reizigers en grazen rustig op dezelfde weide.
+
+De Tijgerpaarden zijn niet bijzonder keurig op hun voedsel, hoewel
+zij hunne eischen hooger stellen dan de Ezels. Hun vaderland biedt
+hun genoeg voedsel aan voor hun levensonderhoud; wanneer op de eene
+plaats gebrek begint te heerschen, zoeken zij andere meer begunstigde
+plaatsen op.
+
+De stem van de Tijgerpaarden verschilt evenzeer van het hinneken van
+het Paard als van het balken van den ezel. Volgens de door Cuvier
+gegeven beschrijving laat de Quagga wel 20-maal achtereenvolgens de
+klanken "oa, oa" hooren; sommige reizigers omschrijven dit geluid door
+"kwè, kwè" of "kwèhè" en leiden hiervan den Hottentotschen naam van
+dit dier af. Het geluid van den Dauw gelijkt op "joe, joe, joe"; deze
+kort afgebroken klanken verneemt men althans van het gevangen dier,
+zelden meer dan driemaal achtereen.
+
+Alle zintuigen van de Tijgerpaarden zijn goed ontwikkeld. Het oor
+ontgaat niet het geringste gedruisch, hun oog laat zich slechts uiterst
+zelden bedriegen. Wat geestesgaven betreft, komen alle soorten tamelijk
+wel met elkander overeen. Een onbegrensde neiging tot vrijheid,
+uitgelatenheid, een zekere wildheid, ja zelfs boosaardigheid en
+een groote moed zijn hun allen eigen. Dapper verweren zij zich door
+schoppen en bijten tegen Roofdieren. De Hyenas laten hen wijselijk met
+vrede. Waarschijnlijk is de machtige Leeuw in staat een Tijgerpaard
+te overmeesteren; de vermetele Luipaard valt waarschijnlijk alleen
+de zwakste exemplaren aan. Ook de Tijgerpaarden hebben tot ergsten
+vijand de mensch. De moeielijkheid van de jacht en het fraaie vel,
+dat op velerlei wijze gebruikt wordt, lokken den jager aan tot het
+vervolgen van dit wild, dat over 't geheel genomen onschadelijk genoemd
+mag worden. De Europeaan doodt het met den kogel, de inboorling met de
+werpspeer; nog vaker echter worden deze dieren in valkuilen gevangen
+en daarna met geringe moeite gedood of voor de gevangenschap bestemd.
+
+Ten onrechte werden de Tijgerpaarden vroeger voor ontembaar
+gehouden. Vele pogingen tot het temmen van deze prachtige dieren
+hebben blijkbaar niet op de juiste wijze plaats gehad, of zijn
+niet lang genoeg voortgezet. Enkele gelukten, anderen leidden niet
+tot de gewenschte uitkomst. Meermalen zijn reeds Quaggas voor het
+trekken van rijtuigen of voor het dragen van lasten afgericht; in
+Engeland had men een paar van deze fraaie dieren zoo ver gebracht,
+dat men ze voor een lichten wagen spannen en evenals met Paarden
+met hen rondrijden kon. Andere berichten maken melding van mislukte
+africhtingsproeven. Sparrmann verhaalt, dat een rijke kolonist aan
+de Kaap, die eenige jong gevangene Zebras had laten opfokken en over
+hun opvoeding tevreden scheen te zijn, eens op het denkbeeld kwam deze
+nieuwmodische koetspaarden voor den wagen te spannen. Hij nam zelf de
+teugels ter hand en reed met zijne harddravers weg. De rit had zeer
+schielijk plaats, want kort daarna bevond de gelukkige eigenaar zich
+weer in den gewonen stal zijner dieren en had zijn vernielden wagen
+naast zich.
+
+Deze en dergelijke ervaringen hebben de Kapenaars tot de meening
+gebracht, dat het temmen van de Tijgerpaarden niet mogelijk is;
+vele deskundigen twijfelen er echter niet aan, dat mettertijd ook
+de bonte paarden den mensch dienstbaar zullen zijn. Barrow beweert,
+dat de goede uitslag zeker is, wanneer men met meer omzichtigheid en
+geduld handelt dan de Hollandsche Afrikaanders deden.
+
+Alle Tijgerpaarden verdragen zonder bezwaar de gevangenschap in
+Europa. Als zij goed gevoederd en ook overigens goed behandeld worden,
+blijven zij niet slechts gezond, maar planten zich ook voort, zelfs
+wanneer zij in een beperkte ruimte opgesloten zijn. Het is gebleken,
+dat de Tijgerpaarden niet alleen onderling, maar ook met andere
+Eénhoevigen gekruist kunnen worden. Tot dusver heeft men reeds
+hybriden verkregen na paring van een Zebra-hengst met een Ezelin,
+van een Ezel-hengst met een Zebra-merrie, van een Dziggetai-hengst
+met een Zebra-merrie, van een Dziggetai-hengst met een Quagga-merrie,
+van een Dziggetai-hengst met een Ezelin, van een hengst, die een
+bastaard van een Zebra-hengst en een Ezel was, met een Pony-merrie,
+van een hengst door kruising van een Ezel met een Zebra-merrie ontstaan
+met een Pony-merrie. De beide laatstgenoemde gevallen leveren nieuwe
+bewijzen voor de vruchtbaarheid van bastaarden.
+
+
+
+Als naaste verwanten van de Paarden in de hedendaagsche
+dierenwereld mag men de _Tapirs_ (_Tapiridae_) beschouwen, een
+familie van betrekkelijk kleine, plomp gebouwde dieren, welke zich
+onderscheiden door een goed gevormden romp met langwerpigen, schralen
+kop, slanken hals, een kort staartstompje en middelmatig hooge,
+krachtige pooten. De overeind staande ooren zijn kort en tamelijk
+breed, de scheef geplaatste oogen daarentegen klein. De bovenlip
+is bij wijze van een slurf verlengd en hangt ver over de onderlip
+naar beneden. De pooten zijn krachtig; de voorpooten hebben vier,
+de achterpooten drie teenen. Het stevige vel ligt overal glad tegen
+de overige lichaamsdeelen aan. De beharing is kort, maar dicht, bij
+de Amerikaansche soorten van het midden van den kop tot aan het kruis
+bij wijze van manen verlengd. Het gebit bestaat uit drie snijtanden en
+één hoektand in iedere kaakhelft met 7 maaltanden in iedere helft van
+de bovenkaak en 6 in iedere onderkaakshelft. Het geraamte onderscheidt
+zich door den betrekkelijke slanken vorm der beenderen.
+
+
+
+Van de 3 of 4, voor 't meerendeel in Amerika levende soorten dezer
+familie is minstens één ons reeds sedert langen tijd bekend, terwijl
+de overige soorten eerst in den laatsten tijd ontdekt, beschreven en
+onderscheiden werden. Wel is het opmerkelijk, dat de Amerikaansche
+Tapir het eerst in de wetenschappelijke werken werd opgenomen,
+en dat, ondanks het levendige verkeer met Indië en Zuid-Azië, de
+eerste betrouwbare berichten over den Indischen Tapir niet vóór
+het begin van deze eeuw (n.l. in 1819, door bemiddeling van Cuvier)
+tot ons zijn gekomen. Bekend was dit dier reeds lang vóór dien tijd,
+maar niet aan ons, wel aan de Chinezen, welker leer- en schoolboeken
+reeds sinds lang van deze soort melding maakten. Bij de Tapirs merkt
+men hetzelfde verschijnsel op als bij andere familiën, die zoowel
+in de Oude als in de Nieuwe Wereld vertegenwoordigd zijn, n.l. dat
+de soorten van de Oude Wereld edeler van vorm, men zou kunnen zeggen
+volkomener zijn dan die, welke in de Nieuwe Wereld leven.
+
+
+
+De _Indische Tapir_ of _Schabrak-Tapir_ (_Tapirus indicus_)
+onderscheidt zich van zijne verwanten door aanzienlijker grootte
+en door zijn betrekkelijk slanken lichaamsbouw; van den kop is het
+aangezichtsgedeelte dunner, de schedel meer gewelfd; de slurf is
+forscher en langer, de pooten zijn krachtiger, de manen ontbreken,
+ook de kleur is anders. Vooral de bouw van de slurf is, naar het mij
+voorkomt, belangrijk voor het herkennen van dit dier. Terwijl deze bij
+de Amerikaansche Tapirs duidelijk te onderscheiden is van den snuit
+en door zijn afgeronden vorm op een buis gelijkt, gaat de bovenste
+helft van den snuit bij den Schabrak-tapir onmerkbaar in de slurf
+over en gelijkt deze op de dwarse doorsnede veel op de slurf van den
+Olifant; zij is n.l. aan de bovenzijde afgerond, aan de onderzijde
+recht afgesneden.
+
+Zeer eigenaardig is de kleur van het hoogst gelijkmatige haarkleed. Bij
+de zuiver donkerzwarte grondkleur steekt de grijsachtig witte,
+duidelijk begrensde schabrak sterk af. Volgens nauwkeurige metingen aan
+een volwassen wijfje bedroeg de totale lengte 2.5 M. met inbegrip
+van het 8 cM. lange staartstompje, bij 1 M. schouder- en 1.05
+M. kruishoogte. Het verbreidingsgebied van dit dier begint op ongeveer
+15° N.B. en strekt zich van hier zuidwaarts uit over Tenasserim en
+Siam, het Maleische Schiereiland, Sumatra en Borneo.
+
+In 1820 kwamen voor 't eerst een huid, een geraamte en verscheidene
+ingewanden van het tot aan dien tijd nog slechts zeer onvolledig
+bekende dier in Europa aan. Sedert dien tijd is onze bekendheid met
+den Schabrak-tapir aanmerkelijk toegenomen, maar toch ontbreekt er nog
+steeds veel aan. Van zijn leven in de vrije natuur weten wij nog niets;
+ook de waarnemingen over het leven van dit dier in de gevangenschap
+vereischen in vele opzichten nog aanvulling. Sterndale noemt het schuw
+en zegt dat het een verborgen leven leidt, maar dat het, jong gevangen,
+goed getemd kan worden en zeer gehecht wordt aan zijn verzorger.
+
+Korte manen in den nek en een effen haarkleed kenmerken den _Gewonen
+Amerikaanschen Tapir,_ die in Brazilië _Anta_ of _Danta_ wordt genoemd
+(_Tapiris terrestris_). Met deze soort is men het vroegst bekend
+geworden. De reizigers spraken reeds weinige jaren na de ontdekking
+van Amerika over een daar levend, groot dier, dat zij voor een
+Nijlpaard hielden en daarom _Hippopotamus terrestris_ noemden. Een
+uitvoerige beschrijving, waaraan een afbeelding is toegevoegd,
+werd er eerst omstreeks het midden van de 18e eeuw van gegeven door
+den zeer verdienstelijken Georg Marcgrav. Deze eerste beschrijving
+werd later door verschillende reizigers en onderzoekers aangevuld,
+zoodat wij tegenwoordig over weinige groote dieren beter onderricht
+zijn dan juist over dezen Tapir. De romp is bedekt met een tamelijk
+gelijkmatig haarkleed, dat alleen van 't midden van den bovenkop langs
+den nek tot aan de schouders stijve manen vormt, die echter niet
+bijzonder lang worden. De kleur hiervan is zwartachtig grijsbruin,
+aan de zijden van den kop, vooral echter aan den hals en aan de borst,
+iets lichter; de voeten en de staart, de middellijn van den rug en van
+den kop zijn gewoonlijk donkerder van kleur; de ooren zijn witachtig
+grijs gezoomd. Verscheidene afwijkingen komen voor: er zijn vale,
+grijze, geelachtige en bruinachtige exemplaren. Bij de jonge dieren
+vertoont alleen de rug de grondkleur van de oude; de bovenzijde van
+den kop is bij hen dicht bezet met witte, kringvormige vlekken; langs
+iedere zijde van den romp loopen vier onafgebroken reeksen van punten
+van lichtere kleur, die zich ook over de ledematen uitstrekken. Met
+toenemenden leeftijd verlengen deze vlekken zich tot strepen en na het
+einde van het tweede jaar verdwijnen zij geheel. Volgens de metingen
+van Tschudi kan de Tapir wel 2 M. lang en 1.7 M. hoog worden, volgens
+Kappler bedraagt zijn schouderhoogte bij deze lengte ternauwernood 1
+M. Opmerkelijk is het, dat deze maximale afmetingen niet voorkomen bij
+mannetjes, maar bij wijfjes, en dat deze in den regel de grootste zijn.
+
+Volgens de nieuwste onderzoekingen schijnt het vaderland van den
+Tapir beperkt te zijn tot het zuiden en oosten van Zuid-Amerika, en
+wordt hij in 't noorden en westen van dit faunistisch rijk vervangen
+door zeer na verwante, maar duidelijk verschillende soorten en wel in
+de hooge gedeelten van den Andes-keten van Bogota tot Quito door den
+_Bergtapir_ (_Tapirus pinchacus_), in Centraal-Amerika door _Baird's
+Tapir_ (_Tapirus Bairdii_).
+
+
+
+Om een levensbeschrijving van de Tapirs te geven, staan ons nagenoeg
+geen andere hulpbronnen ten dienste dan de mededeelingen van Azara,
+Rengger, den _Prins_ von Wied, Tschudi, Schomburgk en anderen over de
+Amerikaansche soorten, want over de levenswijze van den Schabrak-tapir
+bezitten wij geen uitvoerige berichten. Alle soorten gelijken trouwens
+zooveel op elkander, dat het voldoende is van één hunner den handel
+en den wandel na te gaan.
+
+Alle Tapirs houden zich op in het woud en vermijden angstvallig de
+niet met boomen bezette gedeelten. Door den voorwaarts dringenden
+mensch worden zij teruggedrongen; zij nemen de wijk naar dieper gelegen
+deelen van de wouden, terwijl, volgens Hensel, de overige dieren van
+de Zuid-Amerikaansche keerkringslanden zich in omgekeerde richting naar
+de ontgonnen gedeelten van het woud begeven. In de wildernissen van de
+Zuid-Amerikaansche oerwouden loopen de Tapirs regelmatige paden uit,
+die moeielijk onderscheiden kunnen worden van de wegen der Indianen
+en den onervaren reiziger licht verleiden tot het volgen van een
+verkeerde richting. De dieren maken van deze wildpaden gebruik,
+zoo lang zij niet gestoord worden; wanneer de angst hen bevangt,
+banen zij zich zonder eenige merkbare inspanning een weg door het
+meest verwarde mengelmoes van takken, slingerplanten en struiken.
+
+De Tapirs gaan bij voorkeur gedurende de schemering hun voedsel
+zoeken. "Wij hebben," zegt Tschudi, "de dichte oerwouden, waarin een
+groot aantal Tapirs leven, maanden lang doorkruist, zonder er in den
+loop van den dag ooit een te ontmoeten. Naar het schijnt, houden
+zij zich dan uitsluitend op in het dichte struikgewas op koele,
+schaduwrijke plaatsen, bij voorkeur in de nabijheid van stilstaand
+water, waarin zij zich gaarne wentelen." In zeer donkere wouden,
+waar zij in 't geheel niet verontrust worden, zwerven zij echter
+ook over dag rond. In den zonneschijn bewegen zij zich hoogst
+ongaarne en gedurende de eigenlijke middaguren zoeken zij steeds op
+de meest beschaduwde plaatsen van het woud zich te vrijwaren tegen
+de verslappende hitte en nog meer tegen de Muggen, waarvan zij zeer
+veel te lijden hebben. "Wanneer men," zegt de _Prins_ von Wied,
+"in den vroegen morgen of des avonds zachtjes en zonder gedruisch
+te maken de rivieren bevaart, krijgt men dikwijls Tapirs te zien,
+die zich baden om zich te verfrisschen of voor de steken van Muggen
+en Vliegen te beveiligen. Werkelijk verstaat geen enkel dier beter
+de kunst om zich deze lastige gasten van 't lijf te houden: elke
+modderpoel, iedere beek of vijver wordt met dit doel door den Tapir
+opgezocht en gebruikt. Wanneer dit dier geschoten wordt, vindt men
+daarom zijn huid met aarde en slijk bedekt." Tegen den avond gaan
+de Tapirs hun voedsel zoeken: waarschijnlijk zijn zij des nachts
+voortdurend in beweging. Hun levenswijze gelijkt wel eenigszins op die
+van ons Wild Zwijn; zij vereenigen zich echter niet tot zulke groote
+benden als de dieren van deze soort, maar leven meer afzonderlijk
+op de wijze van de Neushoorndieren. Vooral de mannetjes leven, naar
+men zegt, in afzondering en zoeken alleen in den paartijd de wijfjes
+op. Hoogst zelden treft men familiën aan, en gezelschappen van meer
+dan drie individuën werden tot dusver alleen op buitengewoon goede,
+vette weiden gevonden.
+
+De bewegingen van de Tapirs herinneren aan die van de Zwijnen. Hun
+gang is langzaam en voorzichtig; de eene poot wordt bedachtzaam voor de
+andere gezet, de kop intusschen naar den grond gebogen; de snuffelende
+slurf, die onophoudelijk heen en weer gedraaid wordt en de ooren,
+die voortdurend in beweging zijn, brengen leven in de overigens zeer
+traag schijnende gestalte. De Tapir is een voortreffelijke zwemmer en
+een nog beter duiker, die zonder aarzeling over de breedste rivieren
+zwemt, niet alleen als hij vlucht, maar bij iedere gelegenheid.
+
+De voortreffelijkste zinnen van den Tapir, de reuk en het gehoor,
+staan waarschijnlijk op denzelfden trap van ontwikkeling; het gezicht
+is zwak. De slurf is een zeer gevoelig tastwerktuig, en wordt voor
+dit doel veelvuldig gebruikt.
+
+De stem is een eigenaardig, schril gefluit, dat in 't geheel niet
+geëvenredigd is aan de grootte van het dier.
+
+Alle Tapirs zijn, naar het schijnt, goedhartige, vreesachtige
+en vreedzame dieren, die alleen in den hoogsten nood van hunne
+wapens gebruik maken. Zij vluchten voor iederen vijand, zelfs
+voor het kleinste hondje; het bangst zijn zij echter voor den
+mensch, wiens overmacht zij wel hebben ingezien. Dit blijkt reeds
+hieruit, dat zij in de nabijheid van plantages veel voorzichtiger
+en schuwer zijn dan in het onbetreden woud. Op dezen regel zijn
+echter uitzonderingen. In sommige omstandigheden stellen zij zich
+te weer, en zijn dan tegenstanders, waarmede rekening gehouden
+dient te worden. Door woede verblind vallen zij hun vijand aan,
+en trachten hem omver te loopen; ook gebruiken zij hunne tanden
+wel op de wijze van onze Wilde Zwijnen. Zoo handelen de moeders,
+wanneer zij hunne jongen verdedigen, die door de jagers bedreigd
+worden. Zij stellen zich dan zonder aarzeling aan gevaar bloot. Wie
+gedurende langen tijd gevangen Tapirs heeft nagegaan, komt tot de
+overtuiging, dat zij, wat hunne geestesgaven betreft, hooger staan dan
+het Neushoorndier en het Nijlpaard, en ongeveer met het Zwijn op een
+lijn gesteld moeten worden. "Een jong gevangen Tapir," zegt Rengger,
+"geraakt na een gevangenschap van slechts weinige dagen zoozeer aan
+den mensch en diens woning gewend, dat hij ze niet meer verlaat. Hij
+wordt onrustig, als zijn oppasser lang achtereen wegblijft, en zoekt
+hem, als hij hiertoe in de gelegenheid is, overal op. Door iedereen
+laat hij zich trouwens aanraken en liefkoozen." Kappler, die dikwijls
+jonge Tapirs heeft opgevoed, verhaalt, dat hij ze steeds na verloop
+van korten tijd weggaf, omdat zij door hun te groote gemeenzaamheid
+zeer lastig werden; een volwassen dier trok eens van een gedekte
+tafel het laken met al wat er op stond, naar beneden.--De door mij
+verzorgde gevangenen hebben deze waarnemingen bevestigd. Zoowel
+de Indische als de Amerikaansche Tapir waren hoogst goedaardige
+dieren. Zij waren volkomen tam, vreedzaam gezind tegen ieder dier, en
+toonden genegenheid aan bekenden.--Keller Leuzinger is van oordeel,
+dat de Anta een huisdier zou kunnen worden. Volgens hem worden jong
+gevangen dieren reeds na weinige dagen zoo tam als Honden, en denken in
+'t geheel niet meer aan ontvluchten. "In Curitiba, hoofdstad van de
+provincie Parana," verhaalt onze zegsman, "liep een tamme Tapir, die
+aan niemand toebehoorde, verscheidene jaren achtereen in de straten
+rond, en werd van 's morgens tot 's avonds door de negerjongens
+bereden. Een temperatuur van 2 à 3 graden onder het vriespunt, die
+daar in Juni en Juli niet tot de zeldzaamheden behoort, schenen hem
+weinig te hinderen."
+
+De in vrijheid levende Tapirs voeden zich slechts met planten, en
+hoofdzakelijk met boombladen. In Brazilië geven zij de voorkeur aan
+jonge palmbladen, niet zelden echter doen zij strooptochten in de
+plantages en toonen dan, dat suikerriet, mango, meloenen en allerlei
+groenten ook van hun gading zijn.
+
+Alle soorten van Tapirs worden door den mensch ijverig vervolgd,
+omdat men hun vleesch en hun vel gebruikt. Het vleesch wordt geroemd
+als malsch, sappig en smakelijk; de dikke huid wordt gelooid en in
+lange riemen gesneden, die, na afgerond en door herhaalde inwrijving
+met gesmolten vet lenig gemaakt te zijn, als zweepkoorden of teugels
+gebruikt worden.
+
+Men jaagt den Tapir in Amerika gewoonlijk met behulp van Honden, die
+het vluchtende dier fel vervolgen, tot het, wat geregeld geschiedt,
+naar het naast bij gelegen water ijlt. Hier echter loert, in een licht
+schuitje aan den oever verborgen, de jager, die nu met de Honden het
+zwemmende en duikende wild vervolgt. Het wordt, indien de watervlakte
+niet te klein is, weldra door zijne vervolgers ingehaald en met een
+kogel of ook wel met het lange jachtmes afgemaakt. Zeer duidelijk
+beschrijft Von der Steinen een Tapirjacht, door hem bijgewoond
+gedurende zijn vaart op den Xingoe: "Valentin ontdekt een dicht bij
+den oever zwemmen den Tapir; allen haastten zich om aan de jacht deel
+te nemen. Irineo treft hem met twee kogels de eene in de flanken,
+de andere in de slurf, Valentin zendt hem een lading hagel om de
+ooren--hij ontsnapt in het woud. De Honden vervolgen hem en wij roeien
+zoo hard wij kunnen; op nieuw gevuurd, nogmaals ontsnapping in het
+struikgewas. De Honden kijken onnoozel in het water en weten niet wat
+zij doen zullen; de kleine Spits vindt echter het spoor en volgt dit,
+de andere Honden komen hem te hulp. Daar ginds op een afstand van 1/2
+KM., is de Tapir al weer te water gegaan; wij hem zoo snel mogelijk
+achterna in een onbeschrijfelijke verwarring; hij komt boven en duikt
+weer onder; Pedro mist hem op 5 pas en schiet een pijl op hem af,
+die terugspringt; Merelles schiet ook dicht bij het dier langs;
+een ander raakt het; de booten varen bijna over elkander heen; wij
+trachten het wild te grijpen; onze boot slaat bijna om en schept
+water; de Tapir wordt met messen gestoken; de Yuruna treft hem met
+een pijl, en schreeuwt, opgewonden met de armen zwaaiend, dat men
+hem met den lasso moest vangen; Antonio's mes doet een bloedstraal
+uit het dier stroomen--nogmaals zwemt het onder water door; maar,
+tusschen twee booten bovenkomend, wordt het bij een poot gepakt,
+gedood en naar een nabijgelegen rots gesleept. Het is een groot
+exemplaar, wel zoo groot als een Muildier; in zijn haar krioelt het
+van bruine tieken. Fraai zien de korte, stijfharige manen er uit,
+gelijk aan die der Grieksche godenpaarden."
+
+Waarschijnlijk hebben de Tapirs nog gevaarlijker vijanden dan de
+menschen in de groote soorten van Katten, die hetzelfde gebied
+bewonen. Dat de Amerikaansche Tapirsoorten fel vervolgd worden door
+den Jagoear, wordt door alle reizigers verzekerd; men mag wel aannemen,
+dat Schabrak-Tapir denzelfden last ondervindt van den Tijger.
+
+
+
+Hoewel reeds bij uitwendige beschouwing en vergelijking van de
+Paarden, Tapirs en Neushoorndieren eenige van de overeenstemmende
+kenmerken waargenomen worden, die aanleiding hebben gegeven tot de
+samenvoeging van deze dieren in één zelfde orde, is het toch noodig
+ook de laatstgenoemde dieren te ontleden om hun verwantschap duidelijk
+aan te toonen.
+
+De _Neushoorndieren_ (_Rhinocerotidae_) zijn plomp gebouwde, logge
+dieren van tamelijk aanzienlijke grootte; zij onderscheiden zich
+door hun in 't oog loopend grooten kop, welks aangezichtsgedeelte van
+voren één hoorn (of twee achter elkander geplaatste hoornen) draagt;
+zij hebben een korten hals, een krachtigen romp, gehuld in een op een
+pantser gelijkende huid en nagenoeg geheel of grootendeels onbehaard,
+een korte staart en korte, zware, maar toch geenszins plompe pooten,
+welker voorvoeten en achtervoeten ieder drie teenen hebben, waarvan
+het eindlid door een hoef omsloten is. Ieder deel van 't lichaam
+heeft, zelfs wanneer men het met het overeenkomstige deel van
+andere Neushoorndieren vergelijkt, een eigenaardig en vreemdsoortig
+voorkomen. De kop is zeer langwerpig; vooral het aangezicht is
+buitengewoon verlengd; het schedelgedeelte daarentegen van voren naar
+achteren sterk samengedrukt, zoodat het voorhoofd een zeer steile
+helling verkrijgt; tusschen het voorhoofd en het merkbaar verhevene
+neusgedeelte ontstaat hierdoor een in 't midden diep uitgeholde,
+zadelvormige inzinking; de mondopening is in verhouding tot den kop
+zeer klein, het middelste deel van de bovenlip tot een vinger- of
+slurfvormig uitsteeksel verlengd, de onderlip afgerond of van voren
+recht afgesneden; het oog opmerkelijk klein, het niet ongewoon gevormde
+oor eerder groot dan klein, zijn buitenrand afgerond. De korte, steeds
+geplooide hals is dikker dan de kop en gaat zonder merkbare scheiding
+in den kolossalen romp over; deze onderscheidt zich zoowel door de
+scherpe, in 't midden uitgeholde ruglijn en den over zijn geheele
+lengte afgeronden en hangenden buik, als doordat hij iets hooger
+is in de schouders dan in het kruis; de korte staart is bij sommige
+naar de spits toe zijdelings sterk samengedrukt en dan tot aan het
+einde bijna gelijk van breedte, bij andere gestrekt kegelvormig. De
+pooten krommen zich als die van een Dashond van buiten naar binnen;
+alleen het deel, dat onder het polsgewricht en spronggewricht ligt,
+is recht en verticaal geplaatst; dit deel verbreedt zich gelijkmatig,
+totdat het den bodem bereikt, waarop het met de eivormige zool rust;
+de middelste van elk drietal hoeven is ongeveer dubbel zoo breed als
+elk der beide zijdelingsche. De steeds zeer dikke huid, die bij de
+meeste soorten op een pantser gelijkt, sluit bij sommige glad tegen het
+lichaam aan, met uitzondering van eenige weinige, niet sterk verheven
+plooien. Bij andere soorten bestaat zij uit verscheidene schilden,
+die door diepe plooien duidelijk gescheiden zijn en alleen door deze
+plooien een zekere bewegelijkheid verkrijgen, omdat hunne randen over
+elkander geschoven kunnen worden, daar waar zij verbonden zijn door de
+dunnere, buigzame huid, die de groeven bekleedt. Diepe rimpels omgeven
+de oogen en den mond en verschaffen aan de plompe, maar betrekkelijk
+zeer beweeglijke lippen een onverwachte lenigheid. Fijnere groeven
+kruisen elkander op de huid en voorzien haar met een netvormige
+teekening, welker mazen knobbelvormige verhevenheden van zeer
+regelmatige gedaante insluiten; deze vormen op de huid, vooral op
+de schilden, een even vreemdsoortige als bevallige versiering. De
+beharing bepaalt zich tot een meer of minder langen zoom om de ooren
+en om de platgedrukte staartspits; bij enkele soorten ook eenige
+plekken op den rug behaard. De hoornen, die, evenals de haren,
+opperhuidsvormingen zijn, bestaan uit evenwijdig loopende, uiterst
+fijne, ronde of kantige, van binnen holle vezels van hoornstof:
+zij rusten met hun breede, rondachtige grondvlakte op de dikke huid,
+die het aangezicht bekleedt. Niet zelden, hoewel altijd slechts bij
+enkele exemplaren, vertoont de opperhuid op verschillende plaatsen,
+het meest echter aan den kop, hoornachtige woekeringen, die een hoogte
+van verscheidene centimeters kunnen bereiken.
+
+Plompheid van vorm en krachtige ontwikkeling kenmerken de beenderen. De
+breede en forsche neusbeenderen, die de neusholte bedekken, en door
+een dik neusmiddelschot gesteund worden, welks voorste gedeelte,
+evenals bij de andere Zoogdieren, kraakbeenig is, zijn oneffen,
+ruw en knobbelig daar, waar de hoorn er op rust, en wel des te meer,
+naarmate de hoorn grooter is. Aan het gebit ontbreken de hoektanden;
+bij de Afrikaansche soorten vallen de vier in elke kaak voorkomende
+snijtanden reeds op zeer jeugdigen leeftijd uit, terwijl er bij de
+Aziatische soorten gedurende het geheele leven vier in de onderkaak
+en twee in de bovenkaak aanwezig blijven. Voor 't overige bestaat
+het gebit uit zeven maaltanden in elke kaakhelft.
+
+De Neushoorndieren bewonen tegenwoordig alleen het Oostersche en het
+Ethiopische faunistische rijk; zij hadden in den vóórtijd een veel
+uitgestrekter verbreidingsgebied. Dat van de beide uitgestorven,
+tweehoornige soorten, die met de namen _Rhinoceros antiquitatis_
+(_R. tichorhinus_) en _Rhinoceros Merckii_ (_R. leptorhinus_) aangeduid
+worden, omvatte gedurende den ijstijd en het hieraan voorafgaande
+praeglaciale tijdvak geheel Noord- en Centraal-Azië met inbegrip van
+Siberië en China, bovendien Noord- en Midden-Europa. Bij beide was het
+neusmiddelschot ook van voren verbeend. Hierdoor verkreeg de voorste
+en grootste van de beide hoornen steun; de achterste rustte op het
+voorhoofdsbeen. Van beide soorten zijn volledige lijken met huid,
+haren en goed geconserveerde weeke deelen gevonden in den bevroren
+bodem van de moerassige landstreek, die den mond van den Jeniseï van
+dien van den Lena scheidt. In het St. Petersburger Museum worden
+deelen van deze merkwaardige lijken bewaard, welke bewijzen, dat
+de Neushoorndieren van den IJstijd met een dicht, wollig haarkleed
+bedekt waren en dat hun huid de eigenaardige plooien van de thans
+levende, tropische vormen miste. In Noord-Azië, van den Ob tot aan de
+Beringstraat is er geen rivier in het vlakke land, aan welks oevers
+geen beenderen van voorwereldlijke dieren vooral van Olifanten,
+Buffels en Neushoorndieren gevonden worden.
+
+Onze kennis van de hedendaagsche soorten is in den laatsten tijd
+aanmerkelijk uitgebreid, maar laat in sommige opzichten nog veel te
+wenschen over. Flower heeft in het jaar 1876 deze familie op nieuw
+bewerkt. Naar het gebit en de huidplooien onderscheidt de genoemde
+onderzoeker drie hoofdgroepen van Neushoorndieren. Tot de eerste
+rekent hij alle soorten met in schilden verdeelde, tot de tweede die
+met minder geplooide huid, tot de derde de soorten zonder blijvende
+huidplooien.
+
+
+
+Blijvende snijtanden (zie boven), één hoorn en goed ontwikkelde hals-
+en lendenplooien, die met de overige huidplooien schildvormige
+velden omgeven, en de als harnas dienende huid in pantserplaten
+verdeelen, kenmerken de _Gepantserde Neushoorndieren_ (_Rhinoceros_),
+vertegenwoordigd door twee welbekende, levende soorten.
+
+
+
+De _Indische Neushoorn_ (_Rhinoceros unicornis_) bereikt, met inbegrip
+van den 60 cM. langen staart, een lengte van 3.75 M. een schouderhoogte
+van 1.7 M. en een gewicht van omstreeks 2000 KG. De hoorn wordt 60 à 65
+cM. lang. Zeer krachtig en plomp gebouwd, onderscheidt dit dier zich
+van zijne verwanten door den betrekkelijk korten, breeden en dikken
+kop en de eigenaardige begrenzing der huidschilden. Het bewoont thans
+nog het noordelijk deel van Indië en het Zuiden van China.
+
+
+
+De andere soort van het ondergeslacht is de _Wara_, de _Javaansche
+Neushoorn_ der Europeesche handelaars (_Rhinoceros sondaicus_),
+die echter niet tot Java beperkt is, maar een uitgestrekter
+verbreidingsgebied heeft dan de vorige soort, daar hij ook in
+Achter-Indië (n.l. in Birma, Pegoe en Tenasserim) voorkomt. De
+huidplooien zijn hier zeer diep, maar de door haar begrensde velden
+hebben een anderen vorm dan bij de vorige soort; korte, zwarte borstels
+komen verspreid over het geheele lichaam voor. Evenals de Indische
+Neushoorn is ook de Javaansche vuil bruingrijs van kleur. Zijn
+hoorn wordt hoogstens 25 cM. lang. De lichaamslengte bedraagt, met
+inbegrip van den 50 cM. langen staart, 3 M., terwijl de schouders
+1.4 M. hoog zijn.
+
+
+
+De _Half-gepantserde Neushoorndieren_ (_Ceratorhinus_) hebben
+onvolledig ontwikkelde hals- en lendenplooien, die de huid wel in
+gordels, maar niet in schilden verdeelen. Zij hebben twee achter
+elkander geplaatste, betrekkelijk korte hoornen en komen, wat hun
+gebit betreft, met de dieren der vorige groep overeen.
+
+
+
+De eenige vertegenwoordiger van dit ondergeslacht is de _Badak_ of
+_Sumatraansche Neushoorn_ (_Rhinoceros sumatranus_), de kleinste van
+de tot dusver genoemde, daar zijn lichaamslenge, met inbegrip van
+55 cM. langen staart, 3.35 M. bedraagt, bij een schouderhoogte van
+1,5 M.; de voorste hoorn is 25, de achterste 12 cM. lang. De huid is
+verspreid borstelig behaard en grijsbruin van kleur.
+
+
+
+Het volkomen ontwikkelde gebit van de _Afrikaansche Neushoorndieren_,
+die het derde ondergeslacht (_Atelodus_) vormen, is gekenmerkt door het
+ontbreken van alle snijtanden. De gladde, gelijkvormige en onbehaarde
+huid is alleen op de verbindingsplaats van hals en romp duidelijk
+geplooid en zoomin in schilden als in gordels verdeeld. Deze dieren
+zijn met twee slanke, achter elkaar geplaatste hoornen gewapend.
+
+
+
+De meest bekende vertegenwoordiger van het ondergeslacht is de _Zwarte
+Neushoorn_ der Zuid-Afrikaansche Boeren en Engelsche jagers, die door
+de inboorlingen van Zuid-Afrika _Borele_ en, als de achterste hoorn
+zeer lang is, _Keitloa_ genoemd wordt (_Rhinoceros bicornis_). Zijn
+kleur wisselt af tusschen donker leikleurig grijs, dat de overhand
+heeft en vuil roodbruin. Geheel volwassen mannetjes hebben, met
+inbegrip van den ongeveer 60 cM. langen staart, een totale lengte van
+4 M., bij 1,4 M. schouderhoogte. De meer of minder sterk achterwaarts
+gebogen hoornen zijn 70 à 80 cM. lang. Slechts bij uitzondering is
+de achterste hoorn nagenoeg even lang of iets langer dan de voorste;
+bij de meeste exemplaren bereikt hij niet de helft van de lengte van
+den voorsten; dikwijls is hij slechts een kort stompje.
+
+Het verbreidingsgebied van dit dier is vooral van 't zuiden af
+aanmerkelijk ingekrompen, maar is nog steeds zeer uitgestrekt, daar
+het een groot deel van Afrika omvat en wel voornamelijk de oostelijke
+helft, ongeveer van 15° N.B. tot aan de zuidkust.
+
+
+
+De grootste soort van de geheele familie is die, welke door de
+Hollandsch sprekende bewoner van Zuid-Afrika _Witte Neushoorn_, door de
+inboorlingen _Monoehoe_, _Kobâba_ of _Tsjikori_ (_Rhinoceros simus_)
+wordt genoemd. Met inbegrip van den 60 cM. langen staart heeft hij
+een lengte van ruim 5 M. Bijna 1/3 van deze lengte komt op den kop,
+die twee hoornen draagt, waarvan de voorste een lengte van 1 M. heeft
+en in den regel zwak naar voren gebogen is, de achterste daarentegen
+klein blijft. Grootendeels is zijn kleur lichtgeel à lichtgrijs
+of bleekgrijsbruin, op de schouders en dijen en het onderlijf iets
+donkerder. Aan den buitengewoon langen kop is opmerkelijk de stompe
+snuit; hieraan ontbreekt het slurfvormige uitsteeksel, dat bij de
+overige leden der familie aan de bovenlip voorkomt; hij gelijkt
+hierdoor op den snuit van een Rund. Dit dier bewoont de zuidelijke
+helft van Afrika.
+
+
+
+De ouden hebben den Neushoorn zeer goed gekend. Volgens Plinius bracht
+Pompejus, behalve den Los uit Gallië en den Baviaan uit Ethiopië,
+het eerste Eénhoornige Neushoorndier in het jaar 61 voor Chr. naar
+de kampspelen te Rome. De eerste schrijver, die van dit dier melding
+maakt, is Agatharchides; op hem volgt Strabo, die te Alexandrië
+een Neushoorn gezien heeft. Pausanias noemt hem het "Ethiopische
+Rund". Martialis wijdt aan beide soorten eenige dichtregelen. Van
+den Eénhoornigen zegt hij:
+
+
+ "Op de ruime vlakte, o Caesar, voert de Neushoorn
+ Kampstrijden uit, zooals nimmer nog gezien zijn.
+ Hoe stormde in grimmige woede ontstoken het ondier nader!
+ Hoe machtig door zijn hoorn, waarvoor slechts een bal was
+ de Stier!"
+
+
+Van den Tweehoornigen Neushoorn wordt gezegd:
+
+
+ "Terwijl de mannen trachtten den Neushoorn ten strijde te
+ prikkelen,
+ Den verkropten toorn van den reus langzaam deden zwellen,
+ Verloor het volk door het lange wachten de hoop op den strijd,
+ Maar de gewone woede keert dra in het monster terug;
+ Met den dubbelen hoorn heft hij den geweldigen Beer op,
+ Zooals de Stier de stroopoppen tot de sterren omhoog werpt."
+
+
+De Arabische schrijvers hebben de beide soorten reeds zeer vroeg
+genoemd en den Indischen Neushoorn van den Afrikaanschen onderscheiden;
+in hunne sprookjes komen beide niet zelden als bovennatuurlijke
+wezens voor. Marco Polo, de bekende reiziger, wiens geschriften voor
+de dierkunde zoo belangrijk zijn, is de eerste, die, na een langdurig
+tijdvak, waaruit geen berichten over den Neushoorn tot ons gekomen
+zijn, het stilzwijgen verbreekt. Hij had het in de 13e eeuw op zijn
+reis door Indië, en wel op Sumatra, weder gezien. In het jaar 1513
+kreeg de koning van Portugal uit Oost-Indië een levenden Neushoorn. De
+mare van het bestaan van dit vreemdsoortige dier verbreidde zich over
+alle landen. Albrecht Dürer gaf een houtsnee in 't licht, die hij naar
+een slechte, uit Lissabon afkomstige afbeelding gemaakt had. Hierop
+is het dier voorgesteld, alsof het met schabrakken bedekt en met
+pantserschubben aan de voeten bekleed is; ook draagt het een kleinen
+hoorn op den schouder. Bijna 200 jaren lang was deze houtsnede van den
+beroemden graveur de eenige afbeelding, die men van het Neushoorndier
+had. Eerst door Chardin, die te Ispahan een Neushoorndier zag, werd
+in 't begin van de vorige eeuw een betere afbeelding gegeven. Een
+betere levensbeschrijving gaf Bontius reeds omstreeks het midden van
+de 17e eeuw.
+
+Over 't geheel genomen komen alle Neushoorndieren in levenswijze, aard,
+eigenschappen, bewegings- en voedingswijze met elkander overeen, hoewel
+van iedere soort eigenaardigheden bericht worden. Onder de Aziatische
+soorten b.v. staat het Indische Neushoorndier als een buitengewoon
+boosaardig dier bekend; het Javaansche wordt veel goedaardiger
+genoemd en het Sumatraansche is dit, volgens de beschrijvingen,
+in nog hoogere mate. Een soortgelijk verschil merkt men tusschen
+de Afrikaansche soorten op. Het zwarte Neushoorndier wordt, ondanks
+zijn betrekkelijk geringe grootte, als het kwaadaardigste van alle
+Afrikaansche dieren beschouwd, terwijl de Witte Neushoorn geheel
+onschadelijk heet te zijn. Eenige grond zal er wel bestaan voor deze
+verschillende karakterschetsen; de volle waarheid zal echter wel zijn,
+dat iedere Neushoorn, die voor de eerste maal een mensch ontmoet,
+en niet getergd wordt, zich goedaardig toont, maar bewijzen geeft
+van boosaardigheid, wanneer onaangename ervaringen zijn verstand
+gescherpt en hem vertoornd hebben.
+
+De Neushoorndieren bewonen bij voorkeur een zeer waterrijk gebied;
+moerassige gewesten, rivieren, die ver buiten hunne oevers treden,
+meren met slijkerige, door struikgewas omgeven oevers, in welker
+nabijheid zich grasrijke weidegronden bevinden, bosschen, die
+door beken doorsneden zijn en dergelijke plaatsen. De Afrikaansche
+soorten gedijen echter ook zeer goed in gewesten, die rijk aan gras
+en struiken, maar bijzonder droog zijn, wanneer zij hier op niet
+te grooten afstand poelen aantreffen. Voor zulke zware, zoo goed
+gepantserde dieren opent zelfs de meest verwarde wildernis hare voor
+andere dieren ontoegankelijke verborgenheden; zelfs de vreeselijkste
+doornen zijn buiten machte den Rhinoceros te keeren. Om deze reden
+ontmoet men de meeste soorten bijzonder veelvuldig in bosschen, reeds
+bij het zeestrand, sommige echter in hooge gewesten nog regelmatiger en
+overvloediger dan in lage. Ieder Neushoorndier bezoekt waarschijnlijk
+minstens éénmaal per dag het een of andere water, om hier te drinken en
+zich in het slijk te wentelen. Een slijkbad is een levensbehoefte voor
+alle op het land levende "dikhuidige" dieren; want, hoezeer ook deze
+naam (die vroeger op alle Onevenvingerigen, met uitzondering van de
+Eénhoevigen, en bovendien op de Zwijnen, Nijlpaarden en Slurfdieren
+werd toegepast) door den aard van hun vel gerechtvaardigd wordt,
+toch zijn zij zeer gevoelig voor de steken van de Vliegen, Bremzen
+en Muggen; tegen deze boosaardige, kleine vijanden kunnen zij zich
+eenigermate beschutten en zich tijdelijk rust verschaffen door zich
+met een dikke laag slijk te bedekken. Voordat zij uitgaan om te
+fourageeren, zoeken de Neushoorndieren de weeke oevers van de meren,
+poelen en rivieren op, en woelen een gat in den modder, waarin zij
+zich rondwentelen en omdraaien, totdat de rug en de schouders, de
+zijden en het onderlijf met slib bedekt zijn. Hoe prettig zij dit
+ploeteren in den modder vinden, blijkt uit hun luid geknor; zelfs
+verliezen zij door het hun zoo aangename bad niet zelden hun gewone
+waakzaamheid uit het oog.
+
+De Neushoornen zijn meer des nachts dan over dag in de weer. Een
+groote hitte is hun zeer onaangenaam; zoolang deze heerscht, slapen
+zij op de een of andere schaduwrijke plaats, half op de zijde, half
+op den buik liggend; de kop is vooruitgestoken of rust op den grond;
+soms echter staan zij traag in een stil gedeelte van het woud, waar
+zij door de boomen tegen de zonnestralen beschut zijn. Volgens alle
+berichten slapen deze dieren zeer vast. Niet zelden is het gebeurd,
+dat men slapende Neushoornen zonder eenige voorzorgsmaatregelen
+kon naderen; zij geleken op gevoellooze rotsblokken en verroerden
+zich niet. Gewoonlijk is het dreunende gesnurk van den slapenden
+Neushoorn op een vrij grooten afstand hoorbaar, en trekt het zelfs
+de aandacht van hem, die het rustende dier niet ziet. Soms echter
+geschiedt de ademhaling zonder gedruisch, zoodat de reiziger niet
+gewaarschuwd werd voor de aanwezigheid van het reusachtige dier,
+dat hij plotseling voor zich ziet liggen.
+
+Met het aanbreken van den nacht, in vele gewesten echter reeds in de
+middaguren, staat de Neushoorn op, rekt en strekt zich behaaglijk in
+zijn slijkbad, en gaat nu grazen. Hij zoekt voedsel in dichte, voor
+andere dieren ternauwernood toegankelijke wouden en in open vlakten,
+in het water en in de met riet begroeide moerassen, op de bergen en
+in het dal. In de dsjungels van Indië heeft hij lange, lijnrechte
+wegen gebaand, door het breken en zijwaarts buigen van alle planten,
+die hem in den weg stonden, en door het vasttrappen van den grond;
+ook in de binnenlanden van Afrika ziet men zulke paden.
+
+Het Neushoorn dier vreet boomtakken en allerlei harde struiken,
+distels, brem, biezen, steppengras, enz., maar is volstrekt niet
+afkeerig van saprijker voedsel. Te dezen aanzien bestaat dus tusschen
+hem en den Olifant een soortgelijk verschil, als tusschen den Ezel
+en het Paard. In Afrika voedt de Zwarte Neushoorn zich hoofdzakelijk
+met twijgen, vooral met die van de daar zeer veelvuldig voorkomende,
+doornachtige Minosa's; de Witte Neushoorn echter eet, in verband met
+den vorm van zijn onderlip, gras, dat in bosjes bijeen groeit. Dikwijls
+richten deze dieren, in streken waar akkerbouw voorkomt, groote
+verwoestingen aan. Bovendien vernielen en vertrappen zij daar nog veel
+meer dan zij opeten. Het gras wordt met den breeden muil afgeplukt;
+de twijgen worden afgebroken met het als hand dienend uitgroeisel van
+de bovenlip.--De Indische Neushoorn kan het slurfvormige verlengstuk
+van de bovenlip tot ongeveer 15 cM. verlengen, en hiermede een dikken
+bos gras omvatten, uitrukken en in den bek brengen. Het schijnt hem
+onverschillig te zijn, dat er nog eenige aarde aan de wortels blijft
+hangen. Wel slaat hij het uitgerukte bosje even tegen den grond, om
+het grootste deel van de aarde er af te schudden, maar daarna stopt
+hij het zonder eenig gemoedsbezwaar in den wijden muil, en slikt het
+zonder moeite door. Zeer gaarne eet hij wortels, die hij zeer goed
+weet op te delven. Tot tijdverdrijf, hoofdzakelijk voor zijn vermaak
+althans, woelt hij soms ook wel een boompje of een struik uit den
+grond; daartoe veegt hij met zijn kolossalen hoorn zoo lang de aarde
+tusschen de wortels weg, totdat hij den struik vatten en uit den
+grond lichten kan, waarna hij de wortels er afbreekt en deze verslindt.
+
+De levenswijze van de Neushoorndieren heeft niet veel
+aantrekkelijks. Wanneer zij niet eten, slapen zij; om de overige wereld
+bekommeren zij zich nagenoeg niet. Zij leven niet gelijk de Olifanten
+in kudden bijeen, maar meestal afzonderlijk of hoogstens tot kleine
+troepen van 4 à 10 individuën vereenigd. Tusschen de leden van zulk
+een gezelschap bestaat geen nauwen band: in den regel leeft ieder
+voor zich en doet wat hem goeddunkt. Toch kan men niet zeggen, dat het
+eene dier het andere steeds met doffe onverschilligheid beschouwt; in
+zulk een gezelschap vindt men ook de moeder en haar kind; bovendien is
+de betrekking tusschen de volwassen dieren van verschillend geslacht
+niet zelden van zeer innigen aard en wordt misschien eerst door den
+dood afgebroken. Zij schijnen log van lichaam en ook log van geest; de
+schijn stemt hier echter niet geheel met de werkelijkheid overeen. In
+den regel heeft de Neushoorn een zwaren en eenigszins plompen gang;
+als hij liggen gaat, of zich omwentelt, doet hij dit zoo onbeholpen
+mogelijk; al zijne bewegingen zien er echter onbeholpener uit, dan
+zij zijn. Hij is niet zooals de Olifant een telganger, maar verzet
+de pooten overkruis, d.w.z. verplaatst tegelijkertijd een voorpoot
+en een achterpoot van verschillende zijden. Iedere Neushoorn zwemt
+nu en dan; hij blijft echter altijd aan de oppervlakte van het water
+en duikt alleen onder, wanneer dit strikt noodig is.
+
+Onder de zinnen van de Neushoorndieren staat het gehoor bovenaan; dan
+volgt de reuk en hierna het gevoel. De gezichtszin is zeer weinig
+ontwikkeld. Het gehoor is vermoedelijk zeer fijn: het zachtste
+gedruisch wordt op een grooten afstand waargenomen. De smaakzin
+ontbreekt hun niet; bij tamme dieren althans nam ik waar, dat zij
+veel van suiker houden en blijken geven van bijzonder welgevallen,
+wanneer zij er op getracteerd worden. Hun stem bestaat uit een dof
+gegrom, dat door een woest gesnuif en geproest vervangen wordt,
+als zij toornig zijn. De Neushoorndieren in vrijen toestand laten
+dit geproest dikwijls hooren, want zij worden spoedig tot toorn
+geprikkeld en hun onverschilligheid voor alles, wat geen voedsel is,
+kan zeer schielijk in het tegenovergestelde gevoel veranderen. Dan
+letten zij zoomin op het aantal als op de weerbaarheid hunner
+vijanden, maar gaan blindelings en regelrecht op het voorwerp van
+hun toorn af. Evenals de stier heeft de Neushoorn een afkeer van
+roode kleuren; men heeft opgemerkt, dat hij menschen aanviel, die
+hem in 't geheel geen kwaad hadden gedaan, maar kleederen droegen,
+welker sterk sprekende kleuren zijn woede opwekten. Gelukkig kost het
+niet veel moeite, een in razenden drift voorthollenden Neushoorn te
+ontwijken. De geoefende jager laat hem tot op een afstand van 10 à
+15 schreden naderen en springt dan ter zijde; het doldriftige dier
+rent hem voorbij, verliest zijn spoor, holt op goed geluk voort en
+koelt misschien zijn woede aan een volkomen onschuldig voorwerp.
+
+De Neushoorn brengt slechts een jong ter wereld, een klein, plomp
+beest, zoo groot als een halfwassen Zwijn, dat met geopende oogen
+geboren wordt. Zijn roodachtige huid heeft nog geen plooien; een
+beginsel van een hoorn is reeds aanwezig.
+
+Hoe lang het jonge Neushoorndier bij zijn moeder blijft, weet men niet;
+evenmin kent men de verhouding tusschen vader en kind. In de eerste
+maanden groeit het snel. Een exemplaar, dat op den derden levensdag
+ongeveer 60 cM. hoog en 1.1 M. lang was, werd in de daaropvolgende
+maand 13 cM. hooger en 15 cM. langer. Na 13 maanden had het reeds
+een hoogte van 1.2, een lengte van 2 en een omvang van 2.1 M. bereikt.
+
+In den ouden tijd heeft men vele sprookjes verteld over de
+vriendschappelijke verhouding tusschen den Neushoorn en sommige
+dieren en over zijn vijandschap met andere dieren, vooral met
+den Olifant; het heet, dat hij dezen bij elke gelegenheid aanvalt
+en steeds overwint. Deze reeds bij Plinius voorkomende verhalen
+worden af en toe door den een of anderen reisbeschrijver opgewarmd,
+maar behooren toch stellig onder de sprookjes thuis. Meer grond is
+er voor hetgeen men verhaalt van de vriendschap van den Neushoorn
+voor zwakkere dieren. Andersson, Gordon Cumming en anderen vonden
+bijna geregeld op den Zwarten zoowel als op den Witten Neushoorn een
+gedienstigen Vogel, den Madenhakker, die den reusachtigen viervoeter
+over dag trouw vergezelt en in zekeren zin de dienst van schildwacht
+bij hem vervult; hij voedt zich met het ongedierte, waarvan de huid
+van zijn kolossalen vriend krioelt, en zet zich daarom bij of op
+diens lichaam neder. Deze Vogels zijn de beste vrienden, die de
+Neushoorn heeft; zij laten zelden na, hem te waarschuwen voor een
+dreigend gevaar. Het spreekt wel van zelf, dat deze diensten door
+den beweldadigde erkend worden; zelfs het stompzinnigste Zoogdier
+zou dankbaar zijn, wanneer het verlost werd van een zoo pijnlijke
+kwelling als een heirleger stekende Insecten moet veroorzaken. Of
+echter de Vogel bij de nadering van menschen het dier, dat hem tot
+jachtveld dient, in 't oor pikt om het te wekken, wil ik maar liefst
+in 't midden laten; ik geloof eerder, dat de onrust, die hij toont,
+zoodra hij iets verdachts opmerkt, voldoende is om de aandacht van
+den Neushoorn te trekken. Dat zeer voorzichtige Vogels, op welker
+bewegingen door andere dieren gelet wordt, bij deze den dienst van
+voorposten en schildwachten vervullen, is in vele gevallen gebleken.
+
+Behalve de mensch heeft de Neushoorn waarschijnlijk niet veel
+vijanden. De Leeuwen en Tijgers mijden dit dier, omdat zij weten,
+dat hunne klauwen toch te zwak zijn om door de dikke pantserhuid diepe
+wonden te scheuren; misschien kunnen zij gevaarlijk worden voor een van
+de moeder gescheiden jong. De Neushoorn is voor andere, veel kleinere
+dieren veel meer bevreesd, dan voor de groote Roofdieren; hij heeft
+vooral in eenige Horzels en in de Muggen verraderlijke vijanden,
+waartegen hij zich nagenoeg in 't geheel niet verweren kan. Overal
+echter is de mensch wel zijn gevaarlijkste vijand. De volksstammen,
+in welker gebied hij voorkomt, en ook Europeesche jagers maken ijverig
+jacht op hem. Men heeft wel eens beweerd, dat de pantserhuid voor
+kogels ondoordringbaar zijn; het lijdt echter geen twijfel meer,
+dat een mes, een lans en zelfs een met kracht geschoten pijl er door
+heendringen. De inboorlingen besluipen den Neushoorn, terwijl hij
+slaapt, onder den wind en werpen hem hunne lansen in 't lichaam of
+schieten op hem, terwijl zij de tromp van het geweer bijna op zijn
+romp houden om te maken, dat de kogels hun volle kracht behouden. De
+Abessiniërs gebruiken werpspiesen en slingeren dikwijls 50 of 60 van
+deze moordtuigen naar één Neushoorn; zoodra deze uitgeput is door
+bloedverlies, waagt een van de stoutmoedigste jagers zich in zijn
+nabijheid, en tracht met een scherp zwaard de Achillespees door te
+hakken, om het dier te verlammen, en tot verderen weerstand ongeschikt
+te maken. In Indië gaat men op de Rhinoceros-jacht met Olifanten,
+maar ook deze kolossen worden soms door het woedende dier in gevaar
+gebracht.
+
+De Afrikaansche soorten worden door de Europeanen op gelijke wijze
+gejaagd als de Olifanten; het wild wordt des nachts opgewacht aan
+de drinkplaats, over dag in de wildernis bekropen, of in het open
+landschap te paard genaderd, om op den kortst mogelijken afstand met
+een grooten kogel het meest kwetsbare lichaamsdeel te treffen. Dat
+een Neushoorn, die door jagers vervolgd en in 't nauw gebracht is,
+of getroffen en door pijn gekweld wordt, zich dikwijls tegen zijne
+vervolgers keert, kan ons van een weerbaar dier niet verwonderen.
+
+Moeielijker dan de jacht is de vangst van dit dier. De Wara wordt
+hoofdzakelijk buitgemaakt ter wille van zijn hoorn, waarvoor de
+Chineezen een hoogen prijs betalen. Om hem te vangen, worden op
+zijne paden nauwe kuilen gegraven, die zorgvuldig met takken bedekt,
+en vooraf met puntige palen voorzien zijn, waarop het zware dier zich
+spietst, wanneer het in den kuil valt. De Neushoorn volgt zijn gewone
+pad, valt in den kuil, en is, zelfs wanneer het onbeschadigd blijft,
+buiten staat er uit te komen. De jonge Afrikaansche Neushoorndieren,
+die soms op onze wilde-dierenmarkten voorkomen, worden gevangen na
+het dooden van de wijfjes, die deze jongen vergezellen.
+
+Een merkwaardig geval van goed vertrouwen bij een zeer jongen Zwarten
+Neushoorn, wordt ons door Selous medegedeeld. Op een morgen, toen
+hij met zijn reisgezel Wood ter jacht was uitgereden, stonden zij
+onverwachts in een kreupelboschje voor een grooten Zwarten Neushoorn,
+wien zij onmiddellijk twee kogels toezonden. Het zwaar getroffen dier
+vluchtte; gelijk nu eerst bleek, was het een wijfje. Een jong van
+slechts weinige dagen trachtte tevergeefs het te volgen, maar gaf deze
+poging dadelijk op, en kroop onder het Paard van Wood, terwijl Selous
+de moeder het genadeschot gaf. "Naar mijn vriend teruggekeerd," zoo
+verhaalt onze zegsman verder, "vond ik hem onder een schaduwrijken boom
+zitten, en zag het Neushoornkalf dicht bij het Paard staan, dat voor
+het kleine monster in 't geheel niet bang scheen te zijn. Het kalfje,
+ternauwernood grooter dan een halfwassen Zwijn, toonde volstrekt geen
+vrees, als wij of de inboorlingen, die ons vergezelden, het naderden
+en het streelden. Het viel mij echter op, dat het zeer sterk over den
+geheelen rug zweette, wat ik bij een volwassen Neushoorn nooit had
+opgemerkt. Daar het moederlooze dier het Paard van Wood volgde, alsof
+dit zijn moeder was, besloten wij het mede te nemen naar de wagens,
+die ongeveer 6 Engelsche mijlen verder waren, om te beproeven het
+groot te brengen. Wij reden weg, en het kalfje liep ons na als een
+Hond. Het had echter klaarblijkelijk veel last van de brandende zon,
+want het ging onder iederen schaduwgevenden struik rusten; zoodra
+wij het echter 30 schreden vooruit waren, kwispelde het met zijn
+staartje, piepte en draafde Wood's Paard achterna. Eindelijk bereikten
+wij de wagens--maar nu veranderde op eens het gedrag van den jongen
+bewoner der wildernis. Misschien werd hij van streek gebracht door
+de Honden, die blaffend om hem heen sprongen, of door het gezicht
+van de huifwagens, of door de veelheid van nieuwe indrukken, die
+hem in ons leger overstelpten;--hoe dit ook zij, onze beschermeling
+ging als een echte duivel te keer, en schoot woedend op de menschen,
+de Honden en zelfs op de wielen van de wagens toe. Wij bonden hem een
+riem om den hals en den schouder, waarbij hij geweldig tegenspartelde,
+een luchtsprong deed, herhaaldelijk op mij toeschoof en met zijn
+neus krachtig tegen mijn knie bokste. Toen hij vastgelegd was, begon
+hij tot bedaren te komen; maar werd dadelijk weer wild, zoodra er
+menschen of Honden in zijn nabijheid kwamen. Zooals ik gevreesd had,
+nam hij niets van het voedsel, dat wij voor hem gereed maakten; melk
+zou hem wel gesmaakt hebben, maar deze konden wij hem ongelukkig niet
+verschaffen, daar wij geen koeien hadden. Omdat deze pogingen mislukten
+en het te verwachten was, dat hij, als wij hem lieten loopen, ellendig
+verhongeren of een prooi van Leeuwen of Hyena's worden zou, hield ik
+het voor het beste, het ongelukkige schepsel, dat ik zoo gaarne in
+'t leven had gehouden, een kogel door den kop te schieten."
+
+In onze diergaarden zijn de meeste Neushoorndieren goedaardig en tam;
+zij laten zich aanraken, naar een andere plaats drijven en op andere
+wijze behandelen, zonder zich te weer te stellen; langzamerhand
+geven zij duidelijke blijken van gehechtheid aan iederen oppasser,
+die verstandig met hen omgaat. Slechts één geval is mij bekend, dat
+een Neushoorn twee menschen, die hem waarschijnlijk geplaagd hadden,
+aanviel en doodde.
+
+Tegen de schade, die de Neushoorn in vrijen toestand aanricht, weegt
+al het nut, dat hij kan opleveren, in de verste verte niet op. In
+gewesten, waar een regelmatige bebouwing van den bodem plaats vindt,
+kan hij niet geduld worden; hij is in den volsten zin van 't woord
+een bewoner van de wildernis. Van het gedoode dier weet men nagenoeg
+alle deelen te gebruiken. Niet alleen het bloed, maar ook de hoorn
+staan in hoog aanzien wegens de geheimzinnige krachten, die men er aan
+toedicht. In het oosten ziet men in de huizen van de voorname lieden
+allerlei bekers en andere drinkgereedschappen, die uit den hoorn van
+dit dier gedraaid zijn. Men schrijft aan deze vaten de eigenschap
+toe van op te bruisen, zoodra er een vergiftige vloeistof in gegoten
+wordt, en meent dus hierin een probaat middel te hebben om zich
+voor vergiftigingen te vrijwaren. De Turken van hoogen stand hebben
+voortdurend een drinkbeker van Rhinoceros-hoorn bij zich en gebruiken,
+wanneer zij pogingen tot vergiftiging duchten, hieruit hun koffie. Nog
+vaker wordt de hoorn gebruikt voor het maken van gevesten van kostbare
+sabels. Van de huid vervaardigen de inboorlingen gewoonlijk schilden,
+pantsers, schotels en andere gereedschappen voor eigen gebruik. Het
+vleesch wordt gegeten, het vet hoog geschat, hoewel de Europeanen
+zoo min op het eene als op het andere bijzonder gesteld zijn.
+
+
+
+In de woeste, steenachtige gebergten van Afrika en West-Azië, bemerkt
+men op vele plaatsen een opgewekt leven. Dieren zoo groot als Konijnen,
+die zich op een rotsterras of op een steenblok in de zon koesterden,
+sluipen, verschrikt door de komst van een mensch, schielijk langs
+de rotswanden voort, verdwijnen in een van de tallooze rotskloven en
+kijken dan nieuwsgierig en onschuldig, als zij zijn, op den ongewonen
+bezoeker neer. Dit zijn de _Klipdassen_, de kleinste en sierlijkste
+van alle thans levende Onevenvingerigen.
+
+Ten aanzien van de plaats, die deze lieftallige rotsbewoners in de
+klasse der Zoogdieren moeten innemen, heeft te allen tijde verschil van
+meening geheerscht bij de natuuronderzoekers. Pallas beschouwde ze, op
+grond van hun uitwendig voorkomen en hun levenswijze als Knaagdieren,
+Oken meende, dat zij aan de Buideldieren verwant zouden zijn, Cuvier
+plaatste ze in zijn orde van de Veelhoevigen. In den laatsten tijd
+wordt hun ook deze plaats betwist, en vindt men het noodig ze in
+een afzonderlijke orde, die der _Plathoevigen_ (_Lamnungia_) op te
+nemen. Wij behandelen ze hier--te recht of te onrecht, dit zij in 't
+midden gelaten--als een groep van de Orde der Onevenvingerigen. Zij
+vormen slechts één familie.
+
+De _Klipdassen_ (_Hyracidae_) onderscheiden zich door de volgende
+eigenschappen: De romp is middelmatig lang en rolrond, de kop
+betrekkelijk groot en plomp, naar voren spits uitloopend en vooral in
+dwarse richting sterk versmald, de bovenlip gespleten, de spits van
+den neus fraai gevormd, het oog klein, maar uitpuilend, het in de vacht
+bijna verborgen oor kort, breed en rond, de hals kort en gedrongen; de
+staart is een nauwelijks merkbaar stompje. De pooten zijn middelmatig
+hoog en tamelijk zwak; de fijne voeten zijn langwerpig, die van de
+voorpooten eindigen in vier, die van de achterpooten in drie teenen,
+welke tot aan de eindleden door een gemeenschappelijke huid vereenigd
+zijn; met uitzondering van den binnenteen van de achtervoeten, die een
+klauwachtigen nagel draagt, zijn al deze eindleden voorzien met platte,
+hoefvormige nagels; op de naakte zolen komen verscheidene veerkrachtige
+eeltkussens voor, die door diepe groeven vaneengescheiden zijn.
+
+Reeds in overoude tijden worden de Klipdassen als goed bekende dieren
+vermeld. De in Syrië en Palestina levende soort schijnt bedoeld
+te zijn, waar in den bijbel de naam "Saphan" gebruikt wordt, welk
+woord in de vertaling van Luther, door "Konijn" wordt vervangen. De
+Klipdassen zijn voor 't meerendeel kenmerkende dieren van de
+gebergten der woestijnen en steppen. Er zijn verscheidene soorten
+van, die alle gebergten van Syrië, Palestina, Arabië en misschien
+ook van Perzië bewonen, voorts die van de Nijllanden, van Oost-,
+West- en Zuid-Afrika. Men vindt ze in de gebergten van 2000 à 3000
+M. hoogte niet minder talrijk dan in de bij wijze van eilanden uit
+de vlakte oprijzende koppen en kegels, die aan de steppenlanden van
+Noordoost-Afrika zulk een eigenaardig voorkomen verschaffen.
+
+
+
+Wij zullen den Klipdas van Abessinië--den _Aschkoko_ (_Hyrax
+abyssinicus_)--beschrijven, daar deze ons het best bekend is. De
+lengte van dit dier bedraagt 25 à 30 cM.; zijn vacht bestaat uit
+tamelijk lange en fijne haren, die aan den wortel grijsbruin, in het
+midden vaalgrijs en vóór de lichtkleurige spits donkerbruin zijn,
+welke kleuren zich vereenigen tot een lichter of donkerder gesprenkeld
+vaalgrijs. Kleurafwijkingen schijnen tamelijk veelvuldig voor te komen.
+
+Hoe meer de rotswanden gespleten zijn, des te veelvuldiger treft
+men er deze dieren aan. Wanneer men bedaard door de dalen wandelt,
+ziet men ze op rijen zitten op de rotskammen; nog vaker liggen zij,
+want het zijn gemaklievende, luie dieren, die zich gaarne door de
+warme zon laten beschijnen. Een snelle beweging of een luid gedruisch
+verdrijft ze oogenblikkelijk: de geheele troep geraakt in beweging;
+allen vluchten en loopen met de behendigheid van Knaagdieren weg
+en zijn bijna in 't zelfde oogenblik verdwenen. In de nabijheid van
+de dorpen, waar men ze evenzeer, dikwijls bijna vlak naast de huizen
+aantreft, toonen zij bijna geen vrees voor den inboorling en verrichten
+in zijn tegenwoordigheid onbeschroomd hunne bezigheden, alsof zij er
+van overtuigd zijn, dat hier niemand er aan denkt, hen te vervolgen;
+voor menschen in vreemde kleedij of van een ongewone kleur nemen zij
+echter oogenblikkelijk de wijk in hunne rotsspleten. Veel meer dan
+den mensch vreezen zij den Hond of andere dieren. Ook wanneer zij
+zich voor hem in hunne rotsspleten verborgen hebben, hoort men hun
+eigenaardig trillend gegil, dat veel op het geschreeuw van kleine
+Apen gelijkt. De Abessiniërs meenen, dat de Luipaard, de ergste
+vijand van de Klipdassen, langs de rotswanden sluipt, wanneer men
+ze tegen den avond of gedurende den nacht hoort schreeuwen; want
+na zonsondergang houden zij zich altijd stil, tenzij zij gestoord
+worden. Ook Vogels kunnen hun den grootsten schrik veroorzaken. Een
+toevallig voorbijvliegende Kraai, zelfs een Zwaluw, is in staat hen
+naar hunne veilige woningen terug te drijven.
+
+Wegens de buitengewone schuwheid van de Klipdassen schijnt het vreemd,
+dat zij in vriendschap leven met dieren, die veel gevaarlijker
+en bloeddorstiger zijn dan zelfs de roofgierigste Arend, nl. met
+de Zebra-Mangoeste (_Herpestes Zebra_) en met een Doorn-Hagedis
+(waarschijnlijk _Stellio cyanogaster_). Naar het schijnt, speelt in dit
+gezellige klaverblad de voorzichtige Klipdas de rol van schildwacht,
+want zoodra hij zijn gillend gefluit laat hooren, verdwijnt het
+geheele gezelschap in de spleten van het gesteente.
+
+Slechts ongaarne verlaten de Klipdassen hunne rotsen. Als het gras,
+dat tusschen de steenklompen groeit, opgegeten is, gaan zij wel is
+waar naar lager gelegen plaatsen, maar dan staan er altijd wachten op
+de meest uitstekende rotspunten, en een waarschuwend signaal van deze
+is voldoende, om alle zoo schielijk mogelijk de vlucht te doen nemen.
+
+Door hunne bewegingen en hun aard vormen de Klipdassen in zekeren
+zin een overgang tusschen de plompe Neushoornen en de behendige
+Knaagdieren. Zij kunnen meesterlijk klimmen. Een nauwkeurig onderzoek
+der voetzolen, die zoo veerkrachtig zijn als gomelastiek, leert, dat
+de Klipdassen in staat zijn, om zich door het willekeurig inkrimpen
+en uitzetten van de middelste spleet der zoolkussens aan gladde
+oppervlakten vast te hechten.
+
+De handelingen van de Klipdassen verraden een groote zachtaardigheid,
+ja zelfs onnoozelheid, vereenigd met een ongeloofelijke angstvalligheid
+en vreesachtigheid. Zij zijn buitengewoon gezellig; men ziet ze bijna
+nooit alleen, of liever, men kan, indien dit geval zich voordoet,
+er bepaald op rekenen, dat de overige leden van het gezelschap zich
+bij toeval niet in de nabijheid bevinden. Aan de woonplaats, die
+zij zich eens gekozen hebben, blijven zij voortdurend getrouw. In
+hun vaderland, dat zoo rijk is aan geurige, in bergstreken groeiende
+planten, zullen zij wel nooit gebrek lijden. Herhaaldelijk zag ik ze
+aan den voet van de rotsen
+
+grazen, geheel op de wijze van de Herkauwers. Zij bijten het gras
+met hunne tanden af en bewegen de kaken op soortgelijke wijze,
+als de Tweehoevigen doen, wanneer zij herkauwen. Naar het schijnt,
+drinken zij niet, of slechts zeer weinig.
+
+Daar het wijfje zes tepels heeft, meende men vroeger, dat de Klipdassen
+een tamelijk groot aantal jongen werpen. Schweinfurth heeft echter
+aangetoond, dat zij er twee ter wereld brengen en dat deze bij de
+geboorte reeds zeer ontwikkeld zijn.
+
+De jacht op de Klipdassen biedt geen bezwaren aan, tenzij deze
+angstvallige dieren reeds herhaaldelijk vervolgd werden. Alleen
+in Arabië en in Zuid-Afrika wordt op den Klipdas jacht gemaakt,
+wegens zijn vleesch, waarvan de smaak met dat van het Konijn
+overeenstemt. Verscheidene reizigers maken melding van Klipdassen, die
+zij in gevangen toestand hebben nagegaan, _Graaf_ Mellin vergelijkt
+een door hem getemd exemplaar met een Beer, die tot op de grootte
+van een Konijn ingekrompen zou zijn. Hij noemt dit dier volkomen
+weerloos, en zegt, dat het evenmin door een snelle vlucht aan zijne
+vijanden kan ontkomen, als het zich met zijne tanden of klauwen zou
+kunnen verdedigen. Als het door zijn meester geroepen werd, gaf het
+antwoord door zachtjes te fluiten, kwam dan aanloopen en liet zich
+op den schoot nemen en liefkoozen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+***** This file should be named 20542-8.txt or 20542-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/0/5/4/20542/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/20542-8.zip b/20542-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..f56c7a1
--- /dev/null
+++ b/20542-8.zip
Binary files differ
diff --git a/20542-h.zip b/20542-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..1c8da72
--- /dev/null
+++ b/20542-h.zip
Binary files differ
diff --git a/20542-h/20542-h.htm b/20542-h/20542-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..ca4c56d
--- /dev/null
+++ b/20542-h/20542-h.htm
@@ -0,0 +1,4669 @@
+
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1">
+
+<title>Het Leven der Dieren</title>
+<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="author" content="A. E. Brehm">
+<meta name="DC.Creator" content="A. E. Brehm">
+<meta name="DC.Title" content="Het Leven der Dieren">
+<meta name="DC.Date" content="#">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css">
+
+
+body
+{
+font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+margin: 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+
+.titlePage
+{
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0% 7em 0%;
+padding: 5em 10% 6em 10%;
+}
+
+h1.docTitle
+{
+font-size:1.6em;
+line-height:2em;
+}
+
+h2.byline
+{
+font-size:1.1em;
+font-weight:normal;
+line-height:1.44em;
+}
+
+span.docAuthor
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:bold;
+}
+
+h2.docImprint
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:normal;
+}
+
+.transcribernote
+{
+background-color:#DDE;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+font-family:sans-serif;
+font-size:80%;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+
+.div0
+{
+padding-top: 5.6em;
+}
+
+.div1
+{
+padding-top: 4.8em;
+}
+
+.index
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+.div2
+{
+padding-top: 3.6em;
+}
+
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-top: 2.4em;
+}
+
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+padding: 0;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+
+h3
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h3.label
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h4
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h4.lghead
+{
+margin-left:10%;
+margin-right:10%;
+}
+
+.alignleft
+{
+text-align:left;
+}
+
+.alignright
+{
+text-align:right;
+}
+
+.alignblock
+{
+text-align:justify;
+}
+
+p.tb, hr.tb
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+text-align: center;
+}
+
+p.poetry
+{
+margin:0 10% 1.58em;
+}
+
+p.line
+{
+margin:0 10%;
+}
+
+p.argument,p.note
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+text-indent:0;
+}
+
+p.argument
+{
+margin:1.58em 10%;
+}
+
+div.epigraph
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+
+.epigraph .bibl
+{
+text-align: right;
+}
+
+.epigraph .poem
+{
+margin-left: 0;
+}
+
+.epigraph .line
+{
+margin-left: 0;
+text-indent: 0;
+}
+
+.trailer
+{
+clear: both;
+padding-top: 2.4em;
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+
+.floatLeft
+{
+float:left;
+margin:10px 10px 10px 0;
+}
+
+.floatRight
+{
+float:right;
+margin:10px 0 10px 10px;
+}
+
+p.figureHead
+{
+font-size:100%;
+text-align:center;
+}
+
+.figure p
+{
+font-size:80%;
+margin-top:0;
+text-align:center;
+}
+
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+color:#666666;
+font-size:80%;
+}
+
+p.question
+{
+margin-bottom:0;
+text-align:left;
+}
+
+p.answer
+{
+margin-top:0;
+text-align:right;
+}
+
+p.explanation
+{
+font-size:smaller;
+margin-left:0.9em;
+margin-right:0.9em;
+}
+
+.leftnote
+{
+font-size:0.8em;
+height:0;
+left:1%;
+line-height:1.2em;
+position:absolute;
+text-indent:0;
+width:14%;
+}
+
+.pagenum
+{
+display:inline;
+font-size:70%;
+font-style:normal;
+margin:0;
+padding:0;
+position:absolute;
+right:1%;
+text-align:right;
+}
+
+a.noteref
+{
+font-size: 80%;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+
+div.footnotes
+{
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+
+hr.fnsep
+{
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+
+p.footnote
+{
+font-size: 80%;
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+
+p.footnote .label
+{
+float: left;
+text-align:left;
+width:2em;
+}
+
+.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+
+.poem
+{
+margin-left:5%;
+position:relative;
+text-align:left;
+width:90%;
+}
+
+.poem h4
+{
+font-weight:normal;
+margin-left:5em;
+text-decoration:underline;
+}
+
+.poem .linenum
+{
+color:#777;
+font-size:90%;
+left:-2.5em;
+margin:0;
+position:absolute;
+text-align:center;
+text-indent:0;
+top:auto;
+width:1.75em;
+}
+
+.versenum
+{
+font-weight:bold;
+}
+
+.footnotes .line
+{
+font-size:80%;
+margin:0 5%;
+}
+
+.poem .i0
+{
+display:block;
+margin-left:2em;
+}
+
+.poem .i1
+{
+display:block;
+margin-left:3em;
+}
+
+.poem .i2
+{
+display:block;
+margin-left:4em;
+}
+
+.poem .i3
+{
+display:block;
+margin-left:5em;
+}
+
+.poem .i4
+{
+display:block;
+margin-left:6em;
+}
+
+.poem .i5
+{
+display:block;
+margin-left:7em;
+}
+
+.poem .i6
+{
+display:block;
+margin-left:8em;
+}
+
+.poem .i7
+{
+display:block;
+margin-left:9em;
+}
+
+.poem .i8
+{
+display:block;
+margin-left:10em;
+}
+
+.poem .i9
+{
+display:block;
+margin-left:11em;
+}
+
+span.corr
+{
+border-bottom:1px dotted red;
+}
+
+span.abbr
+{
+border-bottom:1px dotted gray;
+}
+
+span.measure
+{
+border-bottom:1px dotted green;
+}
+
+.letterspaced
+{
+letter-spacing:0.2em;
+}
+
+.smallcaps
+{
+font-variant:small-caps;
+}
+
+hr
+{
+clear:both;
+height:1px;
+margin-left:auto;
+margin-right:auto;
+margin-top:1em;
+text-align:center;
+width:45%;
+}
+
+h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure
+{
+text-align:center;
+}
+
+h1,h2
+{
+font-size:1.44em;
+line-height:1.5em;
+}
+
+h1.label,h2.label
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h5,h6
+{
+font-size:1em;
+font-style:italic;
+line-height:1em;
+}
+
+p,p.initial
+{
+text-indent:0;
+}
+
+.poem .stanza
+{
+padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+
+p.quote,div.blockquote,div.argument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+margin:1.58em 5%;
+}
+
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+text-decoration:none;
+}
+
+
+
+
+
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+color: #001FA4;
+font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+
+p.byline
+{
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+
+.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .versenum
+{
+color: #001FA4;
+}
+
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+
+
+</style></head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Leven der Dieren
+ Hoofdstuk 8: De Tandeloozen; Hoofdstuk 9: De Slurfdieren;
+ Hoofdstuk 10: De Onevenvingerigen
+
+Author: A. E. Brehm
+
+Release Date: February 8, 2007 [EBook #20542]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="body"><a id="d0e75"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e75">358</a>]</span><div class="div1">
+<h2 class="label">Achtste Orde.</h2>
+<h2>De Tandeloozen (<span class="letterspaced">Edentata</span>).
+</h2>
+<p>De bloeiperiode van deze Zoogdieren-orde is voorbij. In den voortijd leefden in Brazili&euml; Tandeloozen, zoo groot als een Neushoorndier
+en nog grootere; de kolossaalste, thans nog levende leden der orde hebben hoogstens de afmetingen van een flinken Wolf. Onder
+de uitgestorven soorten waren er, die een overgang vormden tusschen famili&euml;n van hedendaagsche Edentaten, die nu door diepe
+kloven van elkander gescheiden schijnen. Maar ook aan enkele van de thans nog bestaande soorten zal misschien weldra het lot
+beschoren zijn om, evenals de vormen der voorwereld, vernietigd te worden: hunne dagen zijn geteld.
+
+</p>
+<p>Bij de leden dezer diergroep is weinig te bespeuren van overeenstemming, die men bij de vertegenwoordigers van elk der andere
+Zoogdieren-orden opmerkt. Het belangrijkste kenmerk, dat zij gemeen hebben, en dat hen van de overige Zoogdieren onderscheidt,
+is de eigenaardige samenstelling van het gebit. Er zijn onder de Tandeloozen wezens, waarop de naam der orde in haar zuiverste
+beteekenis toepasselijk is, daar bij hen geen spoor van tanden voorkomt; bij de overige, die wel degelijk (en soms zelfs zeer
+vele) tanden hebben, ontbreken nagenoeg altijd de snijtanden; de tusschenkaaksbeenderen zijn nl. bij alle Edentaten weinig
+ontwikkeld, en alleen de in deze beenderen voorkomende tanden met die, welke er in de onderkaak aan tegenovergesteld zijn,
+heeten snijtanden. (Alleen bij de Gordeldieren treft men een paar onbeduidende tandjes in het tusschenkaaksbeen aan.) Echte
+hoektanden zijn er evenmin; deze naam komt nl. toe aan de tanden, die op den grens van het tusschenkaaksbeen en van het eigenlijke
+bovenkaaksbeen geplaatst zijn. Nu is wel bij eenige Luiaards de voorste kies zeer dicht bij den voorrand van het bovenkaaksbeen
+gelegen en door een tusschenruimte van de overige kiezen gescheiden; hij onderscheidt zich echter in geen enkel opzicht van
+de maaltanden behalve door zijn grootere lengte. De maaltanden of kiezen hebben steeds een eenvoudigen, cilindrischen of prismatischen
+vorm en zijn door tusschenruimten van elkander gescheiden. Zij zijn wortelloos en bestaan uitsluitend uit tandbeen en cement,
+zonder eenig email. Slecht bij weinige soorten (Aardvarkens en sommige Gordeldieren) worden zij gewisseld,&#8212;gewoonlijk dus
+maar &eacute;&eacute;nmaal gevormd. Het aantal van deze tanden varieert van de eene familie tot de andere, en verschilt soms zelfs aanmerkelijk
+bij soorten, die tot eenzelfde groep behooren: eenige hebben slechts 20, andere wel 100 tanden.
+
+</p>
+<p>De nagels zijn bij deze dieren zeer krachtig, maar eveneens vreemdsoortig ontwikkeld. Zelden zijn de teenen volkomen beweeglijk,
+altijd echter dragen zij nagels, die het uiteinde van het nagellid <span class="letterspaced">geheel</span> omgeven, en zich hierdoor reeds duidelijk onderscheiden van de eigenlijke klauwen, die altijd aan het onderste gedeelte van
+de holle zijde een spleet vertoonen. Bij sommige zijn zij zeer lang, sterk gekromd en zijdelings samengedrukt, en bewijzen
+bij &#8217;t klimmen belangrijke diensten, bij andere zijn zij korter, breed, bijna schopvormig en uitmuntend geschikt voor &#8217;t graven
+en wroeten in den grond.
+
+</p>
+<p>Door het bespreken van het gebit en van de nagels hebben wij de algemeene kenteekenen van de Edentata uitgeput; want in alle
+andere opzichten vertoont hun lichaamsbouw een zeer groote menigvuldigheid van verschijnselen. Hun lichaamsbekleeding vooral
+wisselt af binnen zeer wijde grenzen; deze afwijkingen zijn nagenoeg even groot als bij alle overige Zoogdieren tezamen genomen.
+Sommige dragen een dichte, zachte vacht, andere een ruig, dor haarkleed; deze zijn met borstels, gene met schubben bedekt;
+bij eenige is het lichaam gehuld in een uit schilden (door een hoornlaag bedekte beenplaten) samengesteld pantser, zooals
+bij geen der andere Zoogdieren gevonden wordt.
+
+</p>
+<p>De Edentaten zijn thans tot drie faunistische rijken beperkt, n.l. tot het Oostersche, het Ethiopische en het Zuid-Amerikaansche.
+Azi&euml; bevat slechts Schubdieren, Afrika bovendien nog Aardvarkens. De Edentaten-fauna van Zuid-Amerika biedt een grootere verscheidenheid
+van vormen aan; hier vindt men de Luiaards, de Mierenleeuwen en de Gordeldieren. Van de thans levende zoowel als van de uitgestorvene
+Tandeloozen, valt in overeenstemming met de ongelijkheid van hun lichaamsbouw, ook een zeer belangrijk verschil in levenswijze
+te vermelden.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>In de eerste plaats moet de familie van de <span class="letterspaced">Luiaards</span> (<i>Bradypodidae</i>) genoemd worden omdat de weinige, hiertoe behoorende soorten nog het meest van alle Edentaten door hun uiterlijk op de overige
+Zoogdieren met klauwen gelijken. Naast deze maken zij echter door hun onbehaaglijken lichaamsbouw, hunne stompzinnigheid en
+traagheid een zeer treurige figuur. <span class="smallcaps">Buffon</span> beschouwde ze als &#8220;door de natuur stiefmoederlijk bedeelde diervormen, de eenige, die reeds bij de geboorte ware toonbeelden
+van ellende zijn.&#8221;&#8212;De voorste ledematen zijn bij hen aanmerkelijk langer <a id="d0e110"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e110">359</a>]</span>dan de achterste, de voeten met kolossale, sikkelvormige klauwen gewapend. De hals is betrekkelijk lang en draagt een ronden,
+korten kop. Wegens de geringe ontwikkeling der tusschenkaaksbeenderen, de kortheid en breedte der neusbeenderen verkrijgt
+het aangezicht een zonderling stomp aanzien, waardoor het op dat van een Aap gelijkt; de kleine mondopening wordt door meer
+of minder harde, weinig beweeglijke lippen begrensd; de oogen zijn klein, de oorschelpen geheel in de vacht verborgen. De
+staart is een niet of nauwelijks zichtbaar stompje. De haren van het volwassen dier zijn lang en grof als hooi, en hebben
+een geheel anderen val dan bij de overige dieren; zij zijn n.l. van den buik naar den rug gericht. Bij de in vrijheid levende
+dieren hebben zij een groenen tint door een Alge (<i>Chroolepus</i>), die er op leeft. Zeer opmerkelijk en geheel afwijkend van &#8217;t geen bij de overige Zoogdieren voorkomt, is de bouw van de
+wervelkolom. In plaats van 7 halswervels, zooals bij alle andere leden der klasse, vindt men er bij enkele Luiaards 6, bij
+andere 9, bij uitzondering zelfs 10; het aantal ribbendragende wervels (rugwervels) bedraagt bij den A&iuml; 14, bij den Unau 24.
+Het gebit bestaat uit 5 cilindervormige maaltanden in elke helft van de bovenkaak; in de onderkaak zijn er bij <i>Choloepus</i> vier, bij <i>Bradypus</i> vijf; de voorste van elke reeks is bij <i>Choloepus</i> grooter dan de volgende en hoektandvormig; bij <i>Bradypus</i> is hij daarentegen kleiner dan de overige.
+
+</p>
+<p>Het verbreidingsgebied van de Luiaard is tot Zuid-Amerika beperkt. De groote wouden in de vochtige vlakten van dit vasteland,
+waar de plantenwereld het toppunt van ontwikkeling bereikt, verschaffen woonplaatsen aan deze merkwaardige wezens. Hoe wilder,
+donkerder en schaduwrijker het woud is, hoe ondoordringbaarder de wildernis, des te geschikter schijnen deze plaatsen voor
+het leven van de genoemde dieren, die, daar zij tegen andere dieren niet opgewassen zijn, op een minder goed beschutte woonplaats
+reeds voor lang het onderspit gedolven zouden hebben.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">tweeteenige Luiaards</span> (<i>Choloepus</i>) houd ik voor de hoogst ontwikkelde. Zij zijn te herkennen aan den tamelijk grooten kop met vlak voorhoofd en stompen snuit,
+den betrekkelijk korten hals, den slanken romp (die geen uitwendig waarneembaren staart draagt), de lange, schrale ledematen
+(de voorste zijn met 2, de achterste met 3 zijdelings samengedrukte, sikkelvormige klauwen gewapend), het sluike, zachte haar
+zonder wolhaar, het gebit en het gering aantal halswervels.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Unau</span> (<i>Choloepus didactylus</i>) bewoont Suriname en andere deelen van Guyana; hij kan ongeveer 70 cM. lang worden. Het lange haar, dat aan den kop naar
+achteren, aan den borst en den buik echter naar den rug gestreken is en hier een kruin vormt, is in het aangezicht, aan den
+schedel en in den nek witachtig olijfgroen-grijs, aan den romp olijfgrijs, op den rug donkerder dan aan de onderzijde, aan
+de borst op de voorpooten en schouders en op de onderbeenen olijfbruin; de onbehaarde lichaamsdeelen (de snuit en de zolen
+van voor- en achtervoeten) zijn vleeskleurig (de snuit met bruinachtigen tint); de klauwen zijn blauwachtig grijs.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>In het tweede geslacht vereenigt men de <span class="letterspaced">Drieteenige Luiaards</span> (<i>Bradypus</i>). Zij zijn gedrongen gebouwd, hebben een kleinen kop met scheef afgeknotten snuit en kleine, door harde lippen begrensde
+mondopening, een zeer langen hals, een duidelijk waarneembaren, zijdelings afgeplatten staart en tamelijk korte, krachtige
+ledematen; zoowel de voorvoeten als de achtervoeten zijn met drie zeer sterk zijdelings samengedrukte, sikkelvormige klauwen
+voorzien. Het haar vertoont op den kop een scheiding, van waar het naar onderen afhangt, overigens is het echter, evenals
+bij de dieren van het vorige geslacht, van de buikzijde naar de rugzijde gericht; de zolen zijn bijna geheel behaard.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">A&iuml;</span> (<i>Bradypus tridactylus</i>, <i>B. pallidus</i>) is een bewoner van Brazili&euml;; hij bereikt een lengte van 52 cM., met inbegrip van den 4 cM. langen staart. De vacht bestaat
+uit fijne, korte, dicht bijeengeplaatste wolharen, waaraan men de drie overlangsche strepen van de rugzijde van den romp het
+best kan waarnemen, en uit lange, droge, harde, eenigszins gladde, op hooi gelijkende bovenharen. De vacht is bleek roodachtig
+aschgrauw op de bovendeelen, zilvergrijs op den buik; de klauwen zijn geelachtig of bruinachtig geel.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Luiaards</span> zijn echte boomdieren, evenals de Apen en de Eekhoorntjes. Deze gelukkige wezens bewegen zich echter naar welgevallen in
+de kronen der boomen, terwijl gene met moeite, als &#8217;t ware kruipend, van den eenen tak op den anderen overgaan. Wat door de
+vlugge en overmoedige beheerschers der wouden een pleizierwandeling wordt geacht, is in de oogen van den Luiaard een lange,
+bezwaarlijke reis. Hoogstens tot een uit weinige leden bestaand gezelschap vereenigd, leiden deze trage dieren een eentonig
+leven, waarin zij langzaam van den eenen boom naar den anderen trekken. Vergeleken met hunne bewegingen op den grond, is hun
+behendigheid in &#8217;t klimmen zeer opmerkelijk. Hunne lange armen veroorloven hen ver afgelegen takken te grijpen, terwijl hunne
+kolossale klauwen hen in staat stellen zich zonder moeite vast te houden. Hun wijze van klimmen is geheel anders dan die van
+alle overige boombewoners, want bij hen is het regel, wat bij deze als uitzondering voorkomt. Terwijl zij den romp naar onderen
+laten afhangen, reiken zij met hunne lange armen opwaarts naar de takken, haken zich hieraan vast met hunne klauwen en schuiven
+zich op hun gemak voort van twijg tot twijg, van tak tot tak. Zij schijnen echter trager, dan zij werkelijk zijn. Als nachtdieren
+brengen zij wel is waar den geheelen dag door zonder zich te bewegen; reeds in de schemering echter worden zij wakker en &#8217;s
+nachts zwerven zij rond, wel is waar langzaam, maar toch niet lui, door een grooter of kleiner gebied al naar dit tot bevrediging
+van hunne behoeften noodig is. Zij voeden zich uitsluitend met knoppen, jonge loten en vruchten en vinden in den overvloedigen
+dauw, dien zij van de bladen aflekken, een voldoende vergoeding voor het hun ontbrekende water. Ook bij het zoeken en opnemen
+van het voedsel toonen zij een onmiskenbare traagheid: zij zijn sober, niet veeleischend en geschikt om dagen achtereen, volgens
+sommigen zelfs weken lang, honger en dorst te lijden, zonder er eenig nadeel van te ondervinden. Zij verlaten een boom niet,
+zoolang deze hun nog voedsel kan verschaffen; eerst wanneer de voorraad eetbare bestanddeelen schaarsch wordt, denken zij
+er aan een anderen boom op te zoeken; met dit doel gaan zij langzaam tusschen de takken naar beneden, zoeken een plaats uit,
+waar de takken van de naburige boomen tusschen die van den door hen bewoonden boom doordringen en bereiken <a id="d0e179"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e179">360</a>]</span>langs dezen hoog boven den grond gelegen brug het einddoel van den tocht.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div id="d0e182" class="figure"><img border="0" src="images/p1360.jpg" alt="A&iuml; (Bradypus tridactylus). &frac14; v.d. ware grootte." width="717" height="720"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">A&iuml;</span> (<i>Bradypus tridactylus</i>). &frac14; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Op den bodem zijn deze tot levenslange gevangenschap op de boomen gedoemde wezens niet thuis. Hun gang, of liever het hiervoor
+in de plaats tredende, gebrekkig voortzeulen van het lichaam over den grond, is van dien aard, dat het medelijden van den
+toeschouwer er door gewekt wordt. Evenals de langzame Landschildpad tracht de plompe Luiaard zijn lichaam te verplaatsen.
+Met ver zijwaarts gestrekte ledematen, op de ellebogen steunend, met de pooten &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n behoedzaam een cirkelboog beschrijvend,
+schuift hij telkens een klein stukje verder; de buik sleept intusschen bijna over den grond; kop en hals worden voortdurend
+op loome wijze naar links en rechts bewogen, alsof zij het zoo buitengewoon onbeholpen dier in evenwicht moeten houden. Men
+zou na zulk een schouwspel niet kunnen gelooven, dat dit zoo ellendig voorthompelend wezen in staat zal zijn om zich uit het
+water te redden, wanneer het er bij ongeluk in valt. Toch zwemt de Luiaard tamelijk goed; hij beweegt zich in &#8217;t water vlugger
+zelfs dan in de boomen, houdt den kop hoog boven den waterspiegel, doorklieft de golven met vrij groot gemak en komt werkelijk
+weer op den vasten wal terug. <span class="smallcaps">Bates</span> en <span class="smallcaps">Wallace</span> zagen een Luiaard een rivier overzwemmen op een plaats waar deze 300 M. breed was. Hieruit blijkt, dat de naam Luiaard, hoe
+goed hij overigens ook gekozen moge zijn, eigenlijk alleen in den gang van dit dier zijn volkomen rechtvaardiging vindt; want
+op de boomen maakt hij niet den indruk van z&oacute;&oacute; traag te zijn, als men vroeger, verleid door de overdreven voorstellingen van
+de eerste beschrijvers van dit dier, meende te moeten aannemen. Opmerkelijk is de verbazingwekkende zekerheid, waarmede alle
+klimbewegingen plaats hebben. De Luiaard is in staat om zich met den eenen voet vast te haken aan een hooger gelegen tak en
+zich dan onbezorgd er aan te laten hangen; niet slechts wordt dan het volle gewicht van het lichaam door &eacute;&eacute;n poot gedragen,
+maar ook wordt dit door dezen poot opgetrokken tot aan den tot steun dienenden tak.
+
+</p>
+<p>Het kost zeer veel moeite een Luiaard, die zich aan een tak heeft vastgeklemd, er van los te maken. De Luiaard slaapt en rust
+ongeveer in dezelfde houding als die, welke hij gedurende zijne werkzaamheden aanneemt. De vier pooten worden dicht bij elkander
+geplaatst; de romp wordt bijna tot een bol ineengekromd; de naar de borst gebogen kop rust of steunt niet op dit lichaamsdeel.
+In deze houding hangt het dier den geheelen, langen dag, steeds op dezelfde plaats, zonder moede te worden. Even ongevoelig
+als het voor honger en dorst schijnt te zijn, even gevoelig toont het zich voor vocht en hierdoor veroorzaakte afkoeling.
+In het regenseizoen hangt het dikwijls dagen achtereen treurig en ellendig op een en dezelfde plaats; stellig in de hoogste
+mate ontstemd over het naar beneden stroomende water.
+
+</p>
+<p>Niet dan hoogst zelden, gewoonlijk alleen des avonds, of als de morgen aanbreekt, of ook, wanneer het zich niet veilig acht,
+verneemt men de stem van den Luiaard. Zij is niet luid, en bestaat uit een klagende, lang voortgezetten, fijnen, korten en
+snijdenden toon, die door sommigen nagebootst wordt, door een veelvuldige herhaling van den klank &#8220;i&#8221;. Een van de onderzoekers
+uit lateren tijd maakt melding van een geschreeuw, dat uit twee opeenvolgende klanken, of zelfs uit een klimmend en dalend
+accoord zou bestaan. <a id="d0e203"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e203">361</a>]</span>Over dag hoort men van den Luiaard hoogstens diepe zuchten; op den grond schreeuwt hij niet, zelfs niet, wanneer hij geplaagd
+wordt.
+
+</p>
+<p>Uit het bovenstaande valt af te leiden, dat de zinnen van de <span id="d0e207" class="corr" title="Bron: Luidaards">Luiaards</span> geen hoogen graad van volkomenheid zullen bezitten. Zelfs schijnt het, dat zij alle even stomp zijn. Zeer weinig ontwikkeld
+zijn ook de geestvermogens. Deze dieren geven weinig blijken van verstand, maar toonen veeleer stompzinnigheid, domheid en
+onverschilligheid. Men noemt ze goedaardig en wil hiermede aanduiden, dat zij over &#8217;t algemeen voor geen aandoeningen van
+den geest geschikt zijn. Volgens de berichten van de reizigers, komen bij hen geen ware hartstochten voor; zij gevoelen geen
+vrees, maar hebben ook geen moed, schijnen geen vreugde te kennen, maar ook niet voor treurigheid vatbaar te zijn. Deze berichten
+berusten volgens mijne ervaringen op geen goede gronden. Zoo laag als de meeste natuuronderzoekers ons deze dieren voorstellen,
+staan zij niet. Gewoonlijk wordt bij hun beoordeeling uit het oog verloren, dat zij nachtdieren zijn, welker geestvermogens
+men niet naar behooren kan leeren kennen, door ze alleen over dag na te gaan. De naam Luiaard is in zijn letterlijke beteekenis
+alleen geldig voor het slapende dier; wanneer het wakker geworden is en zijne bezigheden verricht, beweegt het zich in een
+engen kring, maar beheerscht dezen op voldoende wijze.
+
+</p>
+<p>De Luiaard brengt slechts &eacute;&eacute;n jong ter wereld, dat bij de geboorte een volledig haarkleed, en zelfs tamelijk goed ontwikkelde
+teenen en klauwen bezit; het klemt zich dadelijk met de klauwen aan de lange haren van de moeder vast, en omstrengelt met
+de armen haren hals. Het wijfje voert haar jong altijd op deze wijze met zich mede. In den beginne schijnt zij er veel genegenheid
+voor te gevoelen; haar moederliefde bekoelt echter spoedig; ternauwernood getroost zij zich de moeite haar kind te zoogen
+en te reinigen, of andere moederzorgen op zich te nemen.
+
+</p>
+<p>De traagheid en stompzinnigheid der Luiaards blijkt ook, wanneer zij mishandeld of gewond worden. Het is een bekend feit,
+dat de laagst ontwikkelde dieren naar verhouding het best bestand zijn tegen mishandelingen, verwondingen en smarten; bij
+de Luiaards vindt men een bevestiging van deze stelling. Blijkbaar hebben zij een zeer taai leven. Zij verdragen zware kwetsuren
+met de onverschilligheid van een lijk. Dikwijls nemen zij niet eens een andere houding aan, na door een flink schot hagel
+getroffen te zijn. Volgens <span class="smallcaps">Schomburgk</span> blijft de werking van het vreeselijke curare-gif der Indianen bij hen langer uit, dan bij eenig ander dier.
+
+</p>
+<p>Vele vijanden hebben deze weerlooze schepsels niet. Door hun leven in de boomen hebben zij weinig te lijden van de gevaarlijkste
+der dieren die hen bedreigen, n.l. van de Zoogdieren. Hierbij komt, dat hun vacht over &#8217;t algemeen in kleur overeenstemt met
+de takken, waaraan zij onbeweeglijk hangen, als vruchten aan een boom, zoodat voor het ontdekken van een slapenden Luiaard
+het geoefend oog van een Indiaan vereischt wordt. Bovendien zijn deze dieren niet zoo volkomen weerloos, als men aanvankelijk
+zou kunnen vermoeden. Ervaringen hierover kan men, daar zij in den boom natuurlijk moeielijk te genaken zijn, alleen opdoen
+bij Luiaards, die op den grond aangetroffen en aangevallen worden; zij keeren dan spoedig hun buikzijde omhoog, en grijpen
+den vijand met de klauwen aan; hunne ledematen, vooral de voorste, zijn zeer gespierd. Zelfs een sterke man heeft moeite om
+zich los te maken uit een omhelzing van dit dier, of om het los te rukken van den boomtak, waaraan het zich heeft vastgeklemd;
+deze bewerking gelukt trouwens in &#8217;t geheel niet, wanneer men niet den eenen voet na den anderen loshaakt en daarna vasthoudt.
+
+</p>
+<p>Over het leven van den Luiaard in de gevangenschap was tot voor weinige jaren niet veel bekend. <span class="smallcaps">Buffon</span> verhaalt, dat de Markies <span class="smallcaps">de Montmirail</span> te Amsterdam een Luiaard kocht, die men tot aan dien tijd gedurende den zomer met malsche bladeren en gedurende den winter
+met scheepsbeschuit gevoed had. De Markies behield dit dier drie jaren lang in &#8217;t leven en voedde het met brood, appels en
+wortels, welke het met de klauwen van de voorvoeten aanvatte en naar den mond bracht. Tegen den avond werd het dier wakker,
+zonder ooit eenige bewijzen van hartstochtelijkheid te geven en zonder ooit te toonen, dat het zijn verzorger had leeren kennen.
+
+</p>
+<p>Bij een rondreis door de dierentuinen van Engeland, Frankrijk, Holland, Belgi&euml; en de Rijnlanden was ik te Amsterdam voor &#8217;t
+eerst in de gelegenheid, aan een levenden Luiaard waarnemingen te doen. De talrijke bezienswaardigheden van dezen dierentuin
+veroorloofden mij tot mijn spijt niet, langer dan een paar uren bij het hok van het merkwaardige dier te blijven. Maar reeds
+dit korte bezoek was voldoende om mij te leeren, dat de tot dusver gegeven beschrijvingen grootendeels zeer overdreven zijn.
+Later heb ik zelf verscheidene Luiaards gehad en bij hen mijne waarnemingen aangevuld. Ik wil niet zoo koen zijn te beweren,
+dat deze ook over de levenswijze van het dier in de vrije natuur onze denkbeelden kunnen wijzigen; toch kan ik verzekeren,
+dat de Luiaards volstrekt geen treurige, vervelende schepsels, maar integendeel zeer aantrekkelijk zijn, in alle opzichten
+waardig om in een dierenverzameling opgenomen te worden.
+
+</p>
+<p><span class="letterspaced">Kees</span>, zoo heette de Luiaard van den Amsterdamschen dierentuin, bewoonde zijn hok reeds sedert negen jaren; hieruit blijkt, dat
+hij minstens even goed als andere dieren bestand is tegen de verandering van levenswijze, die met het verlies van de vrijheid
+gepaard gaat. Het door hem bewoonde hok was in &#8217;t midden met een houten stellage voorzien, om het dier gelegenheid tot klimmen
+te geven; de vloer was met een dikke laag hooi bedekt, de zijden waren door dikke glazen platen gesloten, van boven was het
+hok alleen met traliewerk bedekt. Op soortgelijke wijze heb ook ik de woningen van mijne gevangenen ingericht.
+
+</p>
+<p>Als men over dag een bezoek brengt aan het dier, ziet men in dezen glazen kast niets anders dan een bal, die veel op een hoop
+droog rietgras gelijkt. Deze bal schijnt vormloos, omdat men van de ledematen van den Luiaard eigenlijk zoo goed als niets
+zien kan. Bij nauwkeuriger onderzoek blijkt het, dat dit de houding is, die hij gewoonlijk bij &#8217;t rusten en slapen aanneemt.
+De kop is teruggebogen naar de borst, zoodat de spits van den snuit op het onderste deel van den buik rust, en wordt door
+de pooten geheel bedekt. De ledematen liggen nl. dicht op elkander, de eene poot altijd afwisselend met den anderen, en zijn
+z&oacute;&oacute; overkruis gevouwen, dat men er niet tusschen door kan zien. In den regel zijn de klauwen van &eacute;&eacute;n of twee voeten om een
+stok van de stellage geslagen; niet zelden echter vat de Luiaard met de klauwen van den eenen voet de bovenarm of het bovenbeen
+van een anderen poot en slingert dus deze lichaamsdeelen op een vreemdsoortige wijze door elkander heen. Van den kop is op
+deze wijze niets te zien, men kan niet eens onderscheiden, waar de romp in <a id="d0e235"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e235">362</a>]</span>den hals en deze in den kop overgaat: kortom, men ziet niets anders dan een harigen bal, en moet al zeer goed toekijken om
+op te merken, dat deze bal zich langzaam op en neer beweegt. De bal is volkomen onverschillig voor alle pogingen, die de toeschouwers
+aanwenden om door kloppen, roepen en snelle bewegingen met de handen de aandacht van het dier te trekken; door geen beweging
+verraadt het zijn leven; gewoonlijk gaan de omstanders ontevreden weg, nadat zij verbijsterd den naam van het dier gelezen
+en eenige niet bijzonder vleiende opmerkingen over het &#8220;leelijke beest&#8221; gemaakt hebben.
+
+</p>
+<p>Er komt echter zeer spoedig leven en beweging in den haarbal, als men het goed aanlegt; want de Luiaard is volstrekt niet
+zoo stompzinnig, als wel beweerd wordt, maar een ordentlijke, brave gast, die op goede behandeling aanspraak maakt. Zoodra
+zijn oppasser bij het hok komt en hem roept, heeft er een verandering van tooneel plaats. Bedachtzaam, of, laat ik liever
+zeggen, langzaam en op een eenigszins houterige wijze, ontwikkelt de bal zich tot een dier, dat, moge het al niet op een schoone
+gestalte bogen, toch volstrekt geen wangedrocht is, zooals wel eens beweerd werd, geen wezen zonder begrip en waarnemingsvermogen.
+Langzaam en gelijkmatig steekt de Luiaard een van zijne lange pooten uit en klemt de scherpe klauwen om een van de dwarsstangen
+van de stellage, Het is hem daarbij volkomen onverschillig, of hij het eerst een achterpoot dan wel een voorpoot uitsteekt,
+ook of de klauwen aangehaakt worden in den stand, dien zij gewoonlijk ten opzichte van den arm hebben, dan wel, in dien, welken
+zij na het omdraaien van den arm verkrijgen; al zijn ledematen gelijken op kabels, die geen gewricht hebben, maar overal beweeglijk
+zijn. In allen gevalle is de beweging van de ellepijp ten opzichte van het spaakbeen zoo volkomen, dat misschien geen enkel
+dier te dezen aanzien den Luiaard overtreft of nabij komt. Hij kan zich met alle vier pooten z&oacute;&oacute; vast haken, dat de klauwen
+van iederen poot een andere richting hebben dan die van den anderen. Die van &eacute;&eacute;n achtervoet zijn b.v. naar buiten, die van
+&eacute;&eacute;n voorvoet naar binnen, die van den anderen voorvoet naar voren en die van den laatsten achtervoet naar achteren omgeslagen;
+welke combinaties van houdingen men ook bedenkt, bij den Luiaard komen zij alle voor. Hij kan zijne ledematen geheel om hun
+as doen draaien, zooals een geoefende acrobaat, en het blijkt duidelijk, dat dit hem in &#8217;t geheel geen moeite kost. Hij haakt
+zich met de klauwen vast, zooals hem dit het best uitkomt, en kan ook, eens vastgehecht zijnde, zich geheel en al omdraaien,
+zonder in den stand der om de steunsels geklemde klauwen eenige verandering te brengen. Of de kop nu laag of hoog hangt, is
+hem eveneens onverschillig; hij grijpt even dikwijls met de achterpooten naar boven, als met de voorpooten naar onderen, hangt
+aan den rechter voorpoot of aan den linker achterpoot of omgekeerd, strekt zich dikwijls op zijn gemak uit, door zich met
+de achterklauwen vast te haken en den rug ergens op te laten rusten, zooals een luie Hond pleegt te doen. In deze houdingen,
+die steeds het bewijs zijn, dat de gemoedsrust van het dier niets te wenschen overlaat, krabt het zich vaak met een der niet
+vastgehaakte ledematen op alle deelen van zijn lichaam, ten deele door den poot er geheel om heen te slingeren. Het kan lichaamsdeelen
+bereiken, die voor een ander Zoogdier ontoegankelijk zijn zouden, kortom het geeft bewijzen van een werkelijk verrassende
+lenigheid. Wanneer de Luiaard zoo aan &#8217;t luieren is, doet hij de oogen bij afwisseling open en dicht, gaapt, steekt de tong
+uit en opent daarbij den stompen snuit zoover mogelijk. Steekt men hem nu door het traliewerk, dat het hok van boven bedekt,
+iets lekkers toe, b.v. een klontje suiker, dan klautert hij tamelijk vlug naar boven om de lekkernij in ontvangst te nemen,
+snuffelt bij den wand langs en opent den bek zoover mogelijk, alsof hij vragen wilde, hem het stukje suiker maar dadelijk
+in den mond te laten vallen. Daarna vreet hij het smakkend met gesloten oogen op en geeft duidelijk te kennen, dat hij de
+zoetigheid lekker vindt.
+
+</p>
+<p>Den vreemdsoortigsten indruk maakt de Luiaard, als men hem vlak van voren ziet. De kopharen zijn in &#8217;t midden gescheiden,
+en hangen aan weerszijden van de scheiding naar beneden, waardoor de kop een uilachtig voorkomen verkrijgt. De kleine oogen
+zien er onnoozel uit, omdat de pupil nauwelijks de grootte van een speldeknop heeft en het oog dus geen uitdrukking bezit.
+Bij den eersten aanblik zou men kunnen meenen, dat het dier blind moet zijn. De lippen zijn steeds vochtig, alsof zij met
+vet bestreken zijn. Zij zijn bij den Unau niet zoo onbeweeglijk, als wel eens gezegd is, ook volstrekt niet hoornachtig, zooals
+soms beweerd werd, ofschoon zij vermoedelijk niet zoo buigzaam zijn als bij andere Zoogdieren; zij zijn trouwens bij het vreten
+tamelijk overbodig, want de beweging van de spitse tong vervangt de werkzaamheid van de lippen. De tong herinnert aan die
+van andere Tandeloozen, vooral van den Mierenleeuw. De Luiaard kan haar ver uitsteken en bijna als een hand gebruiken.
+
+</p>
+<p>De Luiaard van den Amsterdamschen dierentuin werd met verschillende plantaardige stoffen gevoederd; gekookte rijst en wortels
+waren echter zijne gewone spijzen. De rijst gaf men hem op een bord, de wortels werden ergens op het hooi neergelegd. Gewoonlijk
+werd <span class="letterspaced">Kees</span> v&oacute;&oacute;r den maaltijd geroepen. Hij had dien tijd goed onthouden en richtte zich dadelijk op, zoodra hij zijn naam hoorde. In
+&#8217;t eerst taste hij zeer onhandig en plomp met de lange armen in &#8217;t rond; zoodra hij echter eens een wortel gegrepen had, verkregen
+zijne bewegingen dadelijk meer vastheid. Hij trok den wortel naar zich toe, vatte hem eerst met den mond, daarna met de beide
+pooten, of liever met de klauwen, aan, klemde hem er tusschen en beet nu, terwijl hij den wortel steeds verder in den bek
+schoof, betrekkelijk zeer groote stukken er van af; hij lekte zich intusschen voortdurend de lippen schoon en deed dit ook
+met den wortel, die hij nu eens aan de eene dan weer aan de andere zijde in den mond stak. Aan een bordje rijst en drie wortels
+per dag heeft hij genoeg.
+
+</p>
+<p>De stompzinnige onverschilligheid, waarvan de reizigers melding maken, kan, althans bij den Unau, plaats maken voor een duidelijk
+merkbare opgewondenheid. Zoo goed als de Luiaard vriendschap toont voor zijn verzorger, zoo goed onderscheidt hij hem van
+andere personen; hun toont hij soms de tanden, of bedreigt ze met de klauwen, terwijl hij zich zonder weerstand te bieden
+van zijn oppasser elke aanraking en behandeling laat welgevallen. Nog onvriendelijker gedraagt de Tweeteenige Luiaard zich
+tegenover andere wezens. Mijn plan om den Unau en den A&iuml; in een en hetzelfde hok te laten wonen, werd door den eerstgenoemden,
+den oudsten bewoner van het hok, verijdeld; de poging om de beide verwanten bij elkander te brengen moest onmiddellijk opgegeven
+worden. Al de luiheid, die hem toegeschreven wordt, geheel verloochenend, viel de Unau, zoodra hij zijn stamgenoot zag, dezen
+onmiddellijk aan, gaf hem eerst eenige goed gemikte <a id="d0e248"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e248">363</a>]</span>slagen met een zijner krachtige pooten, en pakte hem vervolgens zoo woedend met de tanden aan, dat de oppasser de beide dieren
+zoo schielijk mogelijk van elkander scheiden moest, en den A&iuml;, den onschuldigsten van de twee, in veiligheid moest brengen:
+hetgeen niet kon geschieden, voordat deze van den vertoornden Unau eenige slagen met de klauwen had ontvangen.
+
+</p>
+<p>Duidelijk verschilt van den tot dusver beschreven aard van den Unau, die van den A&iuml;. Op dezen doelden de meeste reizigers
+bij de schildering van den Luiaard en in vele opzichten zijn de mededeelingen van de meeste berichtgevers op hem toepasselijk.
+Het valt niet te betwijfelen, dat hij veel minder begaafd is dan zijn stamgenoot.&#8212;Wanneer hij, wakker wordend, den dunnen
+hals en den kleinen kop ver uitsteekt, blijkt het spoedig, dat hij niet tevergeefs negen halswervels heeft. Want met even
+groot gemak, als waarmede wij de hand omdraaien, draait hij den kop zoover om, dat het achterhoofd geheel in het verlengde
+van de borst, het aangezicht echter aan de rugzijde komt te liggen. (Zie de afb. op p. <a href="#d0e182">360</a>.) Geen ander Zoogdier is in staat tot deze draaiing, die aan den Drieteenigen Luiaard een hoogst zonderling voorkomen verschaft.
+De Tweeteenige Luiaard beproeft deze beweging van den kop nimmer; de A&iuml; draagt den kop meestal in deze schijnbaar onnatuurlijke
+houding, ofschoon hij haar naar vekiezing door de andere kan vervangen. Zoo gemakkelijk de draaiing van den hals plaats heeft,
+zoo plomp zijn alle overige bewegingen van den A&iuml;, in vergelijking met die van de Unau.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1363.jpg" alt="Yurumi (Myrmecophaga jubata). 1/12 v.d. ware grootte." width="720" height="579"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Yurumi</span> (<i>Myrmecophaga jubata</i>). 1/12 v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Het voordeel, dat de Luiaards brengen aan de menschelijke bewoners van hun woongebied, is buitengewoon gering. In sommige
+streken eten de Indianen en de Negers hun vleesch, welks onaangename reuk en smaak den Europeanen walging veroorzaken; op
+sommige plaatsen wordt hun huid verwerkt tot een zeer taaie, stevige en duurzame leersoort. Schade kunnen deze dieren niet
+veroorzaken; daar zij in dezelfde mate verdwijnen, als het door den mensch bewoonde gebied zich uitbreidt. Ook zij staan op
+de lijst van de diersoorten, welker verdwijning van den aardbol men met zekerheid voorspellen kan. Slechts in de afgelegenste
+wouden kunnen zij zich handhaven, en zoolang de prachtige boomen, die hun een woonplaats en voedsel verschaffen, door den
+bijl van den steeds verder doordringenden Europeaan verschoond worden, zoolang zullen ook zij hun leven kunnen rekken.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Miereneters</span> of <span class="letterspaced">Mierenberen</span> (<i>Myrmecophagidae</i>), die de tweede familie vormen, hebben uitwendig slechts weinig overeenkomst met de Luiaards. Het lichaam is gerekt, de kop,
+vooral de snuit, sterk verlengd; de staart bereikt bijna de helft van de lengte van het overige lichaam. Een dichte, ruige,
+eigenaardige vacht bedekt den romp, vooral de bovenzijde. De achterste ledematen zijn slank, en zwakker dan de voorste. Zoowel
+de voorvoeten als de achtervoeten hebben, zooals uit het onderzoek van het geraamte blijkt, vijf teenen, die evenwel niet
+alle met klauwen voorzien zijn. De mondspleet is zeer klein; de lange, dunne en cilindervormige tong herinnert aan een Worm.
+De ooren en de oogen zijn zeer klein. Nog opmerkelijker is de bouw van den kop. Door de verlenging van de neusbeenderen en
+bovenkaaksbeenderen, is de snuit lang, buisvormig, geworden; de tusschenkaaksbeenderen zijn zeer klein en gekromd, met de
+bovenkaaksbeenderen alleen door kraakbeen verbonden. Tevergeefs zou men hier naar tanden zoeken; elke spoor ervan ontbreekt.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De grootste soort van deze familie is de <span class="letterspaced">Groote Miereneter</span> of <span class="letterspaced">Manendragende Mierenbeer</span>, die in Paraguay <span class="letterspaced">Yurumi</span> (= &#8220;kleine mond&#8221;), in Suriname <span class="letterspaced">Tamanoa</span> wordt genoemd (<i>Myrmecophaga jubata</i>). De vacht van dit opmerkelijke dier bestaat uit dichte, stijve borstelharen, die bij het bevoelen ruw zijn. Dicht achter
+den kop, langs den nek en de ruggegraat, vormen zij manen en <a id="d0e299"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e299">364</a>]</span>hebben zij een lengte van hoogstens 24 cM.; aan den staart zijn zij 26 &agrave; 40 cM., aan de overige lichaamsdeelen, bij en aan
+de pooten hoogstens 8 &agrave; 11 cM. lang. De kleur van de vacht is tamelijk verschillend; aan den kop is zij aschgrauw met zwart
+gemengd; bijna dezelfde kleur hebben de nek, de rug (ten deele ook de zijden van den romp), de voorpooten en de staart. De
+keel, de hals, de borst, de buik, de achterpooten en de onderzijde van den staart zijn zwartbruin. Een zwarte, naar achteren
+spits toeloopende streep, strekt zich van den kop en de borst over den rug in schuinsche richting naar achteren uit tot aan
+het kruis, en wordt omgeven door twee hieraan evenwijdige, smalle, bleekgrijze strepen. Een zwarte strook bedekt het uiteinde
+van den voorarm; zwart zijn ook de teenen van de voorvoeten en de onbehaarde deelen van het lichaam. De lengte van den volwassen
+Yurumi bedraagt 1.3 M., zonder den staart, die 68 cM. lang is, als men de haren niet mederekent, met deze echter minstens
+95 cM. en dikwijls nog meer. In &#8217;t geheel is het dier dus 2.3 M. lang; soms treft men echter oude mannetjes aan, die nog langer
+zijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Yurumi,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Rengger</span>, &#8220;ziet er zeer leelijk uit. Zijn kop heeft den vorm van een langen, dunnen, een weinig naar beneden omgebogen kegel en eindigt
+in een kleinen, stompen snuit. De beiden kaken zijn even lang; de onderste kan slechts weinig beweging maken; de spleetvormige
+mondopening is zoo klein, dat zij met een dikken mansduim geheel gevuld is; de neusgaten zijn halvemaanvormig; de kleine oogen
+zijn diep gelegen; de eveneens kleine ooren zijn iets meer dan 25 mM. breed, even lang en van boven afgerond. Wegens de lange
+beharing schijnt de hals dikker dan het achterhoofd; de romp is groot, wanstaltig en van boven naar onderen een weinig samengedrukt;
+de ledematen zijn kort, de voorarmen breed en zeer gespierd. De voorvoeten hebben vier teenen, ieder voorzien met een dikken
+nagel, die als een adelaarsklauw samengedrukt is. Bij &#8217;t gaan en in den toestand van rust, is deze nagel naar de zool teruggebogen;
+bij &#8217;t gaan rust alleen de buitenrand van de zool, die vlak achter den buitensten teen met een groote eeltplek voorzien is,
+op den grond. Van de achtervoeten komt echter de geheele zool met den grond in aanraking. De lange, ruige staart is hoog en
+smal en vormt een echte pluim. De tong, die niet meer dan 9 mM. dik is, heeft den vorm van een langen, naar den top ongevoelig
+dunner wordenden kegel; zij bestaat uit twee spieren en twee klierachtige lichamen, die bij haar wortel gelegen zijn. Zij
+kan sterk verlengd worden; het dier kan haar bijna 50 cM. ver buiten den bek uitsteken.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Yurumi komt in Paraguay niet veelvuldig voor; hij bewoont de onbewoonde of althans weinig bezochte vlakten in &#8217;t noorden
+des lands. Hij heeft geen bepaald leger en ook geen andere vaste verblijfplaats, maar zwerft over dag door de vlakte rond,
+en slaapt daar, waar de nacht hem overvalt; tot slaapplaats kiest hij echter bij voorkeur een plek, waar het gras zeer hoog
+is, of waar althans eenige struiken voorkomen. Gewoonlijk ontmoet men hem alleen, tenzij men te doen heeft met een wijfje
+en haar jong. Zijn langzame, stappende gang verandert soms, als hij vervolgd wordt, in een loggen galop, waardoor hij echter
+zoo weinig vordert, dat een voetganger hem met een gewonen pas kan inhalen. Zijn voedsel bestaat uitsluitend uit Termieten
+en Mieren en uit de larven van deze Insecten. Om deze dieren te verkrijgen, krabt hij met de nagels van zijne voorpooten de
+heuvels en de aardhoopen, die haar tot woonplaats dienen, open, steekt dan zijn lange tong tusschen de van alle zijden toesnellende
+Insecten en trekt haar met diertjes bedekt in den bek terug. Hiermede gaat hij voort, tot hij verzadigd is, of totdat er geen
+Mieren of Termieten meer te voorschijn komen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het wijfje werpt in &#8217;t voorjaar &eacute;&eacute;n enkel jong en draagt dit een tijd lang op den rug met zich. Het is een stil en vreedzaam
+dier, dat noch den mensch, noch eenig ander Zoogdier kwaad doet, tenzij het sterk geplaagd wordt. Men kan den Yurumi in het
+open veld over een grooten afstand voor zich uitdrijven, zonder dat hij weerstand biedt. Wanneer hij echter mishandeld wordt,
+gaat hij op de achterpooten staan en steekt de armen naar zijn vijand uit om dezen met zijne nagels te grijpen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ik heb langen tijd een Yurumi gehad, die nog geen jaar oud was, toen ik hem kreeg. Men had hem in een boerderij aan den linkeroever
+van den Nexay gevangen tegelijk met zijn moeder, die echter weinige dagen daarna stierf. Ik voedde hem met melk, Mieren en
+gehakt vleesch. De melk slurpte hij op, of wel hij stak de tong er in en trok deze vervolgens met het weinige er aan hangende
+vocht in den bek terug. De Mieren zocht hij in den tuin of in de nabuurschap van het huis op.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het vleesch en het vel van den Yurumi worden alleen door de wilde Indianen gebruikt; er zijn echter landlieden in Paraguay,
+die het vel van dit dier, onder het beddelaken gelegd, voor een uitmuntend middel tegen pijn in de lenden houden en het voor
+dit doel gebruiken. Zelden wordt op dezen Miereneter jacht gemaakt; wanneer men hem echter toevallig in het veld ontmoet,
+kost het niet veel moeite hem door eenige stokslagen op den kop te dooden. De menschen moesten deze dieren liever beschermen
+dan vervolgen, want wel verre van schadelijk te zijn, bewijzen zij hun een belangrijken dienst, door het aantal Termieten
+en Mieren te verminderen, die in eenige gewesten van Paraguay zoozeer de overhand genomen hebben, dat daar niets verbouwd
+kan worden. Waarschijnlijk heeft hij behalve den mensch geen andere vijanden dan de Jagoear en den Koegoear. De fabelachtige
+verhalen van de bewoners van Paraguay over gevechten, die tusschen den Miereneter en den Jagoear zouden plaats vinden, zijn
+reeds door <span class="smallcaps">Azara</span> wederlegd.&#8221;
+
+</p>
+<p>Van andere onderzoekers vernemen wij, dat de Miereneter niet slechts Paraguay, maar ook bijna alle overige landen van het
+oosten van Zuid-Amerika bewoont, en dat zijn verbreidingsgebied zich uitstrekt van den La-Platastroom tot aan de Cara&iuml;bische
+Zee. Bij &#8217;t gaan houdt hij den kop naar den grond gebogen en besnuffelt met den neus den bodem. Den staart draagt hij intusschen
+recht uitgestrekt en de manen van den rug hoog opgezet, zoodat hij veel grooter schijnt, dan hij werkelijk is. Behalve Mieren
+en Termieten hebben nieuwere onderzoekers in de maag van den Yurumi ook nog wel aarde en houtvezels gevonden; deze slikt het
+dier onwillekeurig door, terwijl het de Mieren verslind. Dat het behalve de dieren, die zijn hoofdvoedsel uitmaken, ook zeer
+gaarne Duizendpooten en Wormen eet, voor zoover deze niet te groot zijn, is aan geen twijfel onderhevig.
+
+</p>
+<p>In lateren tijd zijn gevangen Miereneters herhaaldelijk naar Europa gebracht; men heeft ze hier bij doelmatige voeding jaren
+lang in &#8217;t leven kunnen houden.
+
+</p>
+<p>De gevangenen van den Londenschen dierentuin krijgen rauw, zeer fijn gehakt vleesch en eidooier als <a id="d0e323"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e323">365</a>]</span>voedsel; de Mierenbeer in den Hamburger dierentuin, waarover door <span class="smallcaps">Noll</span> berichten zijn gegeven, hield bovendien zeer veel van brij, die bereid was door ma&iuml;smeel met heete melk aan te roeren, en
+met een lepel stroop zoet te maken; het was een vreemdsoortig schouwspel, het zonderlinge dier voor den schotel brij te zien
+staan en dezen met zijn merkwaardige tong te zien ledigen. Met een bijna ongeloofelijke snelheid, ongeveer 160 maal in de
+minuut, wordt de zwartachtige, rolvormige tong wel 50 cM. ver buiten den mond en in de brij gestoken, waarin zij zich kronkelt
+om onmiddellijk daarna met spijs bedekt weer in den bek teruggetrokken te worden.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1365.jpg" alt="Tamandoea (Tamandua tetradactyla). &#8531; v.d. ware grootte." width="720" height="442"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Tamandoea</span> (<i>Tamandua tetradactyla</i>). &#8531; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Dat de Miereneter niet alleen volgens het oordeel der menschen een zonderlinge gedaante heeft, maar ook bij andere dieren
+verrassing en zelfs schrik teweegbrengt, bleek, toen het dier in het apenhuis zou geborgen worden. Alle bewoners van dit huis
+werden bij &#8217;t zien van den nieuwen commensaal door een hevigen schrik bevangen; de Apen schreeuwden en raasden zoo, dat men
+om hun het uitzicht te benemen hunne hokken bedekken moest; zelfs een Chimpanzee kroop, bij het zien van het voor hen zoo
+vreeselijke dier, vol angst onder het stroo.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De overige Miereneters zijn boombewoners. Van deze gelijkt de <span class="letterspaced">Tamandoea</span> of <span class="letterspaced">Cagoear</span> (<i>Tamandua tetradactyla</i>) nog het meest op zijn zooeven beschreven stamgenoot; toch wordt hij als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht
+beschouwd, omdat hij aan de voorpooten vier, aan de achterpooten vijf teenen heeft, die alle met klauwen voorzien zijn, terwijl
+bovendien zijn staart een grijpstaart is. Deze soort bewoont dezelfde landen als de vorige, met uitzondering van Peru. Zijn
+lengte bedraagt ongeveer 1 M., met inbegrip van den aan zijn topgedeelte geschubden, overigens echter behaarden, 40 cM. langen
+staart; de gemiddelde hoogte van dit dier is 30 &agrave; 35 cM.
+
+</p>
+<p>Tot dusver is men van de levenswijze van dit merkwaardige wezen nog niet voldoende op de hoogte. In Paraguay en Brazili&euml; leeft
+de Tamandoea overal in de eenzame, met bosch begroeide gewesten; gaarne houdt hij zich op in den woudzoom en in het kreupelhout,
+dikwijls ook dicht bij de woningen der menschen; hij is niet gelijk zijne grootere verwanten tot den bodem beperkt, maar klautert
+zeer behendig in de boomen, hoewel hij dit, evenals de Luiaards, zeer langzaam doet; evenals de andere dieren met echten grijpstaart
+zorgt hij er voor, zich voor den staart een stevig steunpunt te verschaffen, zelfs gedurenden den slaap. Zijn voedsel bestaat
+bij voorkeur uit Mieren en wel hoofdzakelijk uit die, welke in de boomen leven.
+
+</p>
+<p>Ook de Tamandoea is in den laatsten tijd eenige malen levend naar Europa en wel naar Londen overgebracht. Het eerste exemplaar
+had <span class="smallcaps">Bartlett</span> in zijn kamer gehuisvest, om goed te kunnen nagaan hoe het zich beweegt. Met behulp van de kolossale, haakvormige klauwen
+en van den grijpstaart klom het schielijk op de verschillende meubelen, en sprong, toen het vertrouwelijker werd, van hier
+op <span class="smallcaps">Bartlett</span>&#8217;s schouders, waarbij hij; den spitsen snuit en de lange, wormvormige tong in alle plooien van de kleederen van zijn verzorger
+stak en diens ooren, neus en oogen op een niet juist aangename wijze onderzocht. Later, toen de Tamandoea een andere verblijfplaats
+had gekregen, kwam hij, wanneer een bezoeker hem naderde, snel bij het traliewerk aan de voorzijde van het hok en liet zijn
+onderzoekende tong vlug over de tegen de trali&euml;n gehouden hand glijden; men moest echter wel oppassen, dat het dier de klauwen
+niet om de vingers sloeg.
+
+</p>
+<p>Eigenaardig is de sterke, muscusachtige reuk, die de Tamandoea verbreidt, vooral als hij geplaagd wordt.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Dwerg</span>- of <span class="letterspaced">Tweeteenige Miereneter</span> (<i>Cycloturus didactylus</i>), een diertje van de grootte van een Eekhoorn, is ongeveer 40 cM. lang, waarbij 18 cM. voor den grijpstaart. Aan de voorvoeten
+komen vier teenen voor, waarvan slechts twee met stevige klauwen voorzien zijn; de achtervoeten hebben vijf teenen. De vacht
+is zoo zacht als zijde, aan de bovendeelen vosrood, aan de onderdeelen grijs; ieder haar van de bovendeelen is zwart met geelbruine
+spits, de haren van de onderdeelen zijn grijsbruin.
+
+</p>
+<p>Hoewel ook de Dwerg-Miereneter tamelijk plomp gebouwd is, maakt hij, vooral wegens zijn fraaie vacht, geen onaangenamen indruk.
+Zijn verbreidingsgebied is beperkt. Men heeft hem tot dusver alleen gevonden in het noorden van Brazili&euml;, in Guyana en Peru,
+dus in gewesten, die tusschen 10&deg; Z.B. en 6&deg; N.B. gelegen <a id="d0e380"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e380">366</a>]</span>zijn. In het gebergte komt hij soms tot op 600 M. boven den zeespiegel voor. Bijna overal is hij zeldzaam, of wordt althans
+niet veelvuldig aangetroffen. Hij houdt zich op in de dichtste wouden. Daar hij geheel en al nachtdier is, brengt hij den
+dag slapend in de boomkronen door. Zijne bewegingen zijn onbeholpen, langzaam en afgemeten; hij klimt echter behendig, hoewel
+voorzichtig en steeds met behulp van den staart. Zijn voedsel bestaat uit Mieren, Termieten, Bijen, Wespen, en uit de larven
+van deze Insecten.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Gordeldieren</span> (<i>Dasypodidae</i>) zijn, evenals de Luiaards, ontaarde afstammelingen van een familie, die vroeger van grootere beteekenis was, dan nu. In
+vergelijking met sommige van hunne verwanten uit den voortijd moet men ze als dwergen beschouwen. Sommige van deze, die een
+rugpantser hadden uit onbewegelijk aaneengevoegde beenplaten samengesteld (<i>Glyptodontia</i>), bereikten de afmetingen van een Neushoorndier, o.a. <i>Panochthus tuberculatus</i>; de grootste soorten van het geslacht <i>Glyptodon</i> werden 2 M. lang en 1.2 M. hoog; het rugpantser van <i>Glyptodon reticulatus</i> had een lengte van 1.6 M. en een hoogte van 1 M. Sommige soorten van andere geslachten hadden minstens den omvang van een
+Rund; <i>Doedicurus clavicaudatus</i> b.v. was 3.6 M. lang. [Nog grooter waren echter de nauw aan de Luiaards verwante <span class="letterspaced">Gravigraden</span>: het in 1789 te Lujan bij Buenos Aires uitgegraven skelet van <i>Megatherium Cuvieri,</i> dat zich in &#8217;t museum te Madrid bevindt, had een lengte van 4.5 M. bij een hoogte 2.5 M. Uit den bouw der ledematen van dezen
+<span class="letterspaced">Reuzenluiaard</span> blijkt, dat hij zich slechts langzaam en onbeholpen over den bodem kon voortbewegen, en dat de voorpooten grijporganen waren,
+die vermoedelijk dienden om takken en twijgen af te breken, of zelfs om geheele boomen om te werpen, terwijl het gewicht van
+het lichaam door de achterpooten en den staart werd gedragen.] De hedendaagsche Gordeldieren worden slechts 1.5 M., zonder
+den staart echter slechts 1 M. lang. Alle gordeldieren zijn plompe wezens met een, wegens den langen snuit, langwerpigen kop,
+waarboven groote varkensooren uitsteken, met een stevigen staart en korte pooten, die zeer krachtige, voor &#8217;t graven geschikte
+klauwen dragen. Den naam ontleenen zij aan het eigenaardige maaksel van hun uit beenplaten samengesteld, door de lederhuid
+gevormd pantser, dat bedekt is door een opperhuid, welker buitenste laag verhoornt. Het pantser van de meeste soorten bestaat
+uit drie afdeelingen: een onbeweeglijk voorste of <span class="letterspaced">schouderschild</span>, een uit beweeglijke dwarsringen of gordels samengesteld <span class="letterspaced">middelschild</span>, en een onbeweeglijk <span class="letterspaced">kruis</span> of <span class="letterspaced">bekkenschild</span>. Door de beweeglijke gordels onderscheidt zich dit pantser van het schubbenkleed van andere Zoogdieren. De middelste gordels,
+die voor de onderscheiding van de soorten van belang zijn, hoewel hun aantal ook bij de dieren van dezelfde soort niet altijd
+even groot is, bestaan uit langwerpige, vierhoekige platen, terwijl het schouderschild en het kruisschild gevormd worden door
+dwarsrijen van vier- of zeshoekige platen, waartusschen kleine, onregelmatige platen gelegen zijn. De voorrand van iederen
+gordel wordt in den regel door den achterrand van den voorafgaanden gordel bedekt. Bij eenige soorten is het geheele rugpantser
+uit zulke bewegelijke dwarsringen samengesteld. De kop, de staart en de buitenzijde van de ledematen worden door kleinere
+beenplaten beschermd. Alleen de bovenzijde van deze dieren is gepantserd; de onderzijde van den romp is met meer of minder
+grove, borstelige haren bedekt; zulke borstels komen ook op vele plaatsen tusschen de schilden te voorschijn.
+
+</p>
+<p>Bij geen enkele Zoogdieren-familie varieert een aantal tanden zoo sterk als bij de Gordeldieren. Eenige soorten hebben zooveel
+tanden, dat de naam Tandeloozen, op hen toegepast, eerst dan eenige beteekenis krijgt, wanneer men er de nadruk op legt, dat
+de tusschenkaaksbeenderen altijd tandeloos zijn, of wanneer men op de gebrekkigheid van de tanden wijst. Tot dusver heeft
+men nog niet eens met voldoende zekerheid kunnen bepalen, hoeveel tanden deze of die soort van Gordeldieren bezit, want ook
+binnen de grenzen van de soort komen er ten aanzien van het aantal tanden belangrijke afwijkingen voor. Over &#8217;t algemeen kan
+men zeggen, dat dit getal nooit geringer is dan acht in elke kaakhelft, en dat het stijgen kan tot 26 aan elke zijde van de
+bovenkaak, en 24 aan elke zijde van de onderkaak, zoodat het geheele aantal tanden 100 kan bedragen. Ondanks dit groot aantal
+tanden is het gebit van weinig beteekenis; door hun onvolkomen samenstelling hebben zij als &#8217;t ware opgehouden tanden te zijn.
+Zij gelijken op zijdelings samengedrukte cylinders, hebben geen echte wortels, missen het email en wisselen ook in groote
+aanmerkelijkheid af. Gewoonlijk nemen zij van den eersten tot ongeveer den middelsten allengs aan grootte toe, en daarna naar
+achteren langzamerhand af, maar ook deze verhouding is geen doorgaande regel. Bovendien zijn de tanden buitengewoon zwak.
+Wel grijpen zij in elkander, maar het dier is niet in staat met kracht toe te bijten of te kauwen.&#8212;De tong gelijkt eenigszins
+op die van den Miereneter, maar is veel korter en kan niet zoo ver buiten den bek gestoken worden; zij is driekantig toegespitst
+en met kleine verhevenheden bezet. Door buitengewoon groote speekselklieren in de onderkaak, wordt zij voortdurend bedekt
+gehouden met een kleverig slijm.
+
+</p>
+<p>Alle Gordeldieren zijn bewoners van het Zuid-Amerikaansche faunistische rijk tot aan Mexico. Zij bewonen schaars begroeide
+en zandige vlakten en velden, en komen niet verder dan tot aan den woudzoom, zonder in dezen door te dringen. Slechts gedurende
+de paring komen verscheidene individu&euml;n van dezelfde soort bijeen; gedurende het overige deel van &#8217;t jaar leeft ieder Gordeldier
+afzonderlijk, en bekommert zich niet veel om de andere levende wezens, met uitzondering van die, welke het tot voedsel dienen.
+Alle Gordeldieren verbergen zich over dag zooveel mogelijk en graven daarom gangen, die bij de meeste geen groote uitgestrektheid
+hebben; &eacute;&eacute;n soort leeft echter, evenals de Mol, onder den grond. De overige graven hunne holen bij voorkeur aan den voet van
+groote Mieren- of Termietenwoningen; omdat hun voedsel hoofzakelijk bestaat uit Insecten en hunne larven, vooral echter uit
+Mieren en Termieten. Wormen en Slakken worden, als de gelegenheid zich voordoet, ook opgegeten; doode dieren, die in ontbinding
+verkeeren, worden evenmin versmaad; sommige houden ook veel van plantaardig voedsel.
+
+</p>
+<p>Zoodra &#8217;s avonds de duisternis invalt, verschijnen de gepantserde dieren voor hunne onderaardsche woningen, en zwerven een
+tijd lang rond, waarbij zij zich langzaam stappend van de eene plaats naar de andere begeven. De vlakke bodem is hun eigenlijk
+rijk; hier zijn zij te huis zooals weinig andere dieren. Zoo langzaam en traag zij schijnen, als zij gaan of op een andere
+wijze zich bewegen, zoo snel en behendig zijn <a id="d0e434"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e434">367</a>]</span>zij, als het hun doel is in den grond te graven. Als zij opgejaagd, verschrikt of vervolgd worden, weten zij niets beters
+te doen, dan zich in den volsten zin van het woord aan den grond toe te vertrouwen. En zij verstaan het graven werkelijk zoo
+goed, dat zij letterlijk voor de oogen van den toeschouwer in den grond wegzakken. Omdat zij zoo geheel en al het vermogen
+om zich te verdedigen missen, zouden zij weerloos aan hunne vijanden overgeleverd zijn, indien zij niet in staat waren hun
+op deze wijze te ontkomen. Wel is waar is &eacute;&eacute;n soort in staat om zich tot een bal op te rollen als onze Egel; hij doet dit
+echter alleen in den uitersten nood, om vervolgens zoo schielijk mogelijk weder te gaan graven en zich in den grond te verbergen.
+Deze oogenschijnlijk zoo stumperachtige dieren weten zich trouwens ook wel in &#8217;t water te redden.
+
+</p>
+<p>De Gordeldieren zijn onschadelijke, vreedzame, stompzinnige wezens, zonder eenige in &#8217;t oog loopende geestesgaven. Hun stem
+bestaat uit een knorrend geluid, zonder kleur of uitdrukking. Ook de Gordeldieren staan aan den vooravond van hun algeheele
+uitroeiing. Hun vermenigvuldiging is gering. Wel werpen eenige soorten tot aan 9 jongen; deze groeien echter zoo buitengewoon
+langzaam, en zijn evenals hunne ouders zoo weinig opgewassen tegen hunne vijanden, dat er bij geen enkele soort sprake kan
+zijn van toeneming van het aantal.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Gordeldieren</span> of <span class="letterspaced">Armadillen</span> (<i>Dasypus</i>) hebben alle nagenoeg dezelfde gestalte. De op korte pooten rustende romp is gedrongen, de kegelvormige staart middelmatig
+lang, gepantserd en stijf, de pantserschilden beenig en volkomen met de onderliggende deelen vergroeid. Het middelschild bestaat
+uit zes of meer beweeglijke gordels. Alle voeten hebben vijf teenen; de klauwen van de voorvoeten zijn zijdelings samengedrukt,
+de buitenste een weinig naar buiten gedraaid.
+
+</p>
+<p>Alle Gordeldieren dragen in de Guaranische taal den geslachtsnaam <span class="letterspaced">Tatoe</span>, die ook in de Europeesche talen is overgenomen. De naam &#8220;Armadil&#8221; is van Spaanschen oorsprong en beteekent eigenlijk &#8220;gepantserd&#8221;,
+&#8220;met een harnas voorzien.&#8221; Deze naam wordt bij voorkeur gebruikt voor het <span class="letterspaced">Zesgordelige Gordeldier</span>, terwijl men voor de overige soorten den Guaranischen of anderen vaderlandschen naam behouden heeft.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een van de meest bekende Gordeldieren&#8212;de <span class="letterspaced">Tatoepoyoe</span> der Guarani, d.i. de &#8220;Tatoe met de gele hand&#8221;, ons <span class="letterspaced">Borstelig Gordeldier</span> (<i>Dasypus villosus</i>),&#8212;dat de Pampas van Buenos Aires bewoont, heeft van al zijne verwanten het leelijkste en plompste voorkomen. De nek is voorzien
+met een kraag van 9 naast elkander gelegen, langwerpig vierhoekige schildjes; op het voorste deel van den rug bevinden zich
+aan elke zijde zeven, in het midden vijf overlangsche reeksen van onregelmatig zeshoekige platen. Op dit schouderschild volgen
+zes van elkander gescheiden, beweeglijke gordels, die uit langwerpig vierhoekige schildjes zijn samengesteld; hierna komt
+het kruis- of bekkenschild, dat uit tien reeksen van langwerpig vierhoekige schildjes bestaat. Het dichtst bij den romp gelegen
+deel van den staart is gepantserd met vijf beweegbare gordels, die uit vierhoekige schildjes samengesteld zijn; het overige
+deel van den staart is met onregelmatig zeshoekige schildjes bedekt. De kop is aan de bovenzijde door een groep van onregelmatig
+zeshoekige schildjes beschut, dit kopschild heeft boven ieder oog een inham. Onder ieder oog bevinden zich eenige samenhangende,
+horizontale en aan den hals twee dwarsloopende, niet samenhangende reeksen van schildjes. Ook de bovenzijde van de voeten
+en de voorzijde van den voorarm zijn met onregelmatig zeszijdige schubben bezet. Alle pantserplaten zijn bruinachtig geel
+van kleur; door schuring tegen de wanden van het hol worden zij soms lichtgeel. De overige lichaamsdeelen zijn bedekt met
+een bruinachtige, gerimpelde huid, die met talrijke platte wratten bezet is. Lichtkleurige haren staan langs den achterrand
+van de gordels en van eenige andere reeksen van schildjes; met bruine haren zijn de niet gepantserde lichaamsdeelen begroeid.
+De lichaamslengte bedraagt 50 cM. zonder den 24 cM. langen staart, de schouderhoogte 24 cM.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Het <span class="letterspaced">Zesgordelige Gordeldier</span> (<i>Dasypus sexcinctus</i>) gelijkt op de vorige soort en is met inbegrip van den 20 cM. langen staart 55 &agrave; 60 cM. lang. Het heeft achter en tusschen
+de ooren een uit acht stukken bestaande reeks van schildjes, zes breede gordels zijn gelegen tusschen het schouderschild en
+het bekkenschild. Het pantser is bruinachtig geel, aan de rugzijde donkerder; de gewone huid is bleek bruinachtig geel.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De Gordeldieren blijven niet in een bepaald gebied, maar veranderen dikwijls van leger. Dit bestaat uit een gangvormig, 1
+&agrave; 2 M. lang hol, dat door henzelf gegraven wordt. De opening van dit hol is kringvormig en heeft, al naar de grootte van het
+dier, een middellijn van 20 &agrave; 60 cM.; nader bij het blind loopende uiteinde wordt de gang wijder; het laatste gedeelte is
+kamervormig, zoodat de bewoner zich onder den grond gemakkelijk omdraaien kan. In de wildernis gaan deze dieren, als de lucht
+bewolkt is en het felle zonlicht hen dus niet hindert, ook over dag uit; in bewoonde gewesten verlaten zij hunne holen niet
+voordat de schemering aanvangt, maar zwerven dan ook gedurende den ganschen nacht rond. Het schijnt hun tamelijk onverschillig
+te zijn, of zij hun hol terugvinden of niet; als zij den weg gemist hebben, graven zij zonder aarzeling een nieuw hol. Hiermede
+beoogen zij een tweeledig doel, zooals reeds door <span class="smallcaps">Azara</span> werd opgemerkt en door andere natuuronderzoekers bevestigd: de Gordeldieren leggen hunne holen hoofdzakelijk onder Mieren-
+en Termietenhoopen aan om in de gelegenheid te zijn, hun belangrijkste voedsel ook over dag in te zamelen.
+
+</p>
+<p>Behalve uit Mieren en Termieten bestaat het voedsel van de Gordeldieren hoofdzakelijk uit Kevers en hunne larven, uit Rupsen,
+Sprinkhanen en Aardwormen. Het staat bovendien onwedersprekelijk vast, dat zij ook plantaardig voedsel gebruiken; uit het
+onderzoek van de maag van gedoode dieren is dit gebleken.
+
+</p>
+<p>Het is licht te begrijpen, dat de omzwervingen van den Armadil altijd slechts binnen een beperkten kring kunnen plaats hebben.
+De gewone gang van deze dieren is een langzame draf, de eenige versnelling, die zij er in kunnen aanbrengen, is het schielijker
+verplaatsen van de pooten; toch kunnen zij op deze wijze zoo snel vooruitkomen, dat een mensch ze niet kan inhalen. Het is
+voor hen een onmogelijkheid sprongen te maken of zich snel en behendig om te draaien. De zwaarlijvigheid verhindert gene,
+het nauwsluitend pantser deze verrichting. Zij kunnen dus, als zij aan hun gang de grootst mogelijke snelheid willen geven,
+niets anders doen dan in rechte richting voortdraven of een zeer grooten boog beschrijven; zij zouden weerloos aan <a id="d0e493"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e493">368</a>]</span>hunne vijanden prijs gegeven zijn, indien zij niet andere kunststukken verstonden. Wat aan hun behendigheid ontbreekt, wordt
+door hun groote spierkracht vergoed. Deze openbaart zich vooral in de snelheid, waarmede zij zich in den grond verbergen,
+zelfs op plaatsen waar een houweel slechts met moeite doordringt, b.v. aan den voet van Termieten-heuvels. Een volwassen Tatoe,
+die een vijand in de buurt bespeurt, heeft slechts 3 minuten noodig om een gang te graven, die aanmerkelijk langer is dan
+zijn lichaam. Zoodra zij zich zoover hebben ingegraven, dat hun lichaam geheel in den gang is doorgedrongen, is zelfs de sterkste
+man niet meer in staat, om ze aan den staart rugwaarts uit hun hol te trekken. Daar hunne holen nooit wijder zijn dan voor
+het binnensluipen juist noodig is, hebben zij eenvoudig hun rug eenigszins te krommen om te maken, dat de randen van de gordels
+aan de rugzijde en de scherpe klauwen aan de buikzijde den weerstand zoozeer doen toenemen, dat niemand dien overwinnen kan.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1368.jpg" alt="Zesgordelig Gordeldier (Dasypus sexcinctus). &#8533; v.d. ware grootte." width="720" height="433"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Zesgordelig Gordeldier</span> (<i>Dasypus sexcinctus</i>). &#8533; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Het wijfje werpt in den winter of in het voorjaar 4 &agrave; 6 jongen en houdt ze gedurende eenige weken zorgvuldig in haar hol verborgen.
+Waarschijnlijk duurt de zoogtijd niet lang, want men ziet de jongen spoedig in &#8217;t veld rondloopen. Zoodra zij eenigszins in
+staat zijn om zichzelf te redden, gaat ieder zijns weegs en de moeder bekommert zich in &#8217;t geheel niet meer om haar kroost.
+
+</p>
+<p>Men jaagt den Tatoe gewoonlijk bij maneschijn. De jager wapent zich met een dikken stok van hard hout, die aan het einde spits
+of ook wel knotsvormig toeloopt en zoekt met eenige Honden het wild op. Als de Tatoe de Honden nog te rechter tijd bemerkt,
+vlucht hij oogenblikkelijk naar zijn eigen hol; veel liever graaft hij zich zoo schielijk mogelijk een nieuw hol, dan dat
+hij in een vreemd hol zijn toevlucht zoekt. Als de Honden hem ingehaald hebben, voordat hij het hol bereikt heeft, dan is
+hij verloren. Daar zij hem met de tanden niet aanpakken kunnen, houden zij hem met den snuit en de pooten vast, totdat de
+jager bij hen gekomen is en het Gordeldier door een slag op den kop doodt. Geoefende Honden trachten den loopenden Tatoe met
+den neus om te wenden om hem aan de onderzijde te kunnen aangrijpen. Als dit gebeurd is, verscheuren zij hem oogenblikkelijk
+in den letterlijken zin van &#8217;t woord; het pantser kraakt daarbij onder hunne tanden, alsof eierschalen worden stuk geknepen.
+Een Tatoe, die zijn hol heeft kunnen bereiken, ontkomt altijd aan de Honden, omdat het hun niet mogelijk is, hem op te graven.
+Wanneer hij door de Honden gegrepen is, denkt hij er niet aan zich te verdedigen, hoewel hij, naar men zou zeggen, met zijne
+klauwen belangrijke verwondingen zou kunnen toebrengen.
+
+</p>
+<p>Alle Gordeldieren worden door de Zuid-Amerikanen ten zeerste gehaat, omdat zij de oorzaak zijn van vele ongelukken. De koene
+ruiters van de steppen, die het grootste deel van hun leven te Paard zittend doorbrengen, worden door den arbeid der Gordeldieren
+op sommige plaatsen zeer gehinderd. Het paard, dat in gestrekten galop voortsnelt, trapt plotseling in een hol, en kan met
+den ruiter verongelukken. Daarom vervolgen de eigenaars van alle landbouwondernemingen en veefokkerijen den armen pantserdrager
+op de onmeedoogendste en volhardendste wijze. Behalve door den mensch, wordt hij vervolgd door de groote soorten van Katten,
+door den Braziliaanschen Wolf en door den Jakhalsvos.
+
+</p>
+<p>Zelden worden in Paraguay Tatoes in gevangenschap gehouden. Zij zijn te vervelend, en door hun neiging tot woelen ook te schadelijk
+om als huisgenooten van den mensch diens vriendschap te kunnen verwerven.
+
+</p>
+<p>De Gordeldieren worden dikwijls naar Europa gebracht, en in eenige diergaarden bij de Apen geborgen. In de gevangenschap worden
+zij met Wormen, Insecten, Insectenlarven en rauw of gekookt vleesch gevoed. Het vleesch moet men echter voor hen in kleine
+stukjes snijden, omdat zij van groote stukken niets afbijten kunnen. Zij vatten de spijs aan met de lippen of met de tong,
+die zich sterk kan verlengen. Wanneer zij behoorlijk verzorgd worden, kunnen zij jaren lang blijven leven en in goeden welstand
+gehouden worden; gewillig of onwillig dienen zij als rijdieren en speelkameraden voor de Apen, laten zich alles welgevallen,
+geraken gewoon aan wandelingen over dag, en planten zich ook wel voort. Jongen, die in den Londenschen dierentuin ter wereld
+kwamen, waren bij de geboorte blind; aan hun nog zachte huid waren alle plooien en velden van het volwassen dier reeds zichtbaar.
+
+</p>
+<p>Het nut van de Gordeldieren is niet onbelangrijk. De Indianen houden zeer veel van het vleesch van alle soorten dezer familie;
+slechts twee van deze <a id="d0e517"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e517">369</a>]</span>vallen bij de Europeanen in den smaak. Volgens <span class="smallcaps">Kappler</span> verliest het vleesch de hieraan eigen muscusreuk, als het een nacht over in een oplossing van zout en citroensap blijft liggen.
+<span class="smallcaps">Rengger</span> verzekert, dat gebraden Gordeldieren-vleesch, met Spaansche peper en citroensap toebereid een van de smakelijkste gerechten
+van de Paraguayaansche keuken is. De Indianen van Paraguay maken van het pantser korfjes; de Botokoeden gebruiken het afgestroopte
+staartpantser als spreektrompet; vroeger maakte men van gedeelten van het pantser ook klankbodems voor gitaren.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Het nog weinig bekende <span class="letterspaced">Kogel-gordeldier</span> (<i>Tolypeutes tricinctus</i>) wordt door de inboorlingen <span class="letterspaced">Apar</span> of <span class="letterspaced">Matako</span>, door de Spanjaarden <span class="letterspaced">Bolita</span> genoemd. De eerste beschrijving van dezen vertegenwoordiger van een nieuw geslacht, werd gemaakt naar een opgezet exemplaar,
+dat door sommige onderzoekers gehouden werd voor een uit stukken van verschillende soorten samengesteld voorwerp. Reeds <span class="smallcaps">Azara</span> gaf echter van het bedoelde dier zulk een duidelijke beschrijving, dat zijn bestaan niet langer betwijfeld kon worden. Hij
+zegt, dat de Matako niet in Paraguay aangetroffen wordt, maar op 36&deg; Z.B. en verder zuidwaarts voorkomt. &#8220;Sommigen noemen
+hem Bolita, omdat hij de eenige is van alle Tatoes, die, als hij bevreesd is, of gevaar loopt gevangen te worden, den kop,
+den staart en de vier pooten verbergt, door van het geheele lichaam een kogel te vormen, die men als een bal in alle richtingen
+kan rollen, zonder dat het dier zijn gewone houding herneemt. Men kan dezen kogel ook slechts met groote moeite ontrollen.
+De jagers dooden het dier door het met geweld tegen den grond te werpen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zijn lengte, gemeten van het puntje van den snuit tot aan de spits van den staart, bedraagt 45 cM.; de 7 cM. lange staart
+is van onderen aan de spits rond of kegelvormig, aan den wortel daarentegen in de breedte samengedrukt. De schubben zijn niet
+vlak zooals bij de overige soorten, maar gelijken meer op dikke korrels en treden ver naar buiten.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1369.jpg" alt="Kogel-gordeldier (Tolypeutes tricinctus). Volgens teekeningen van G&ouml;ring. &frac14; v.d. ware grootte." width="720" height="509"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Kogel-gordeldier</span> (<i>Tolypeutes tricinctus</i>). Volgens teekeningen van <span class="smallcaps">G&ouml;ring</span>. &frac14; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Anton G&ouml;ring</span> kreeg een levende Bolita, uit San Louis in westelijk <span id="d0e566" class="corr" title="Bron: Argenteni&euml;">Argentini&euml;</span> het eigenlijke vaderland van deze diersoort, of althans de streek, waar zij het veelvuldigst voorkomt. Daar leeft dit dier,
+juist zooals <span class="smallcaps">Azara</span> aangeeft, in het vrije veld; of het ook in eigen gegraven holen woont, kon <span class="smallcaps">G&ouml;ring</span> niet gewaar worden. De inboorlingen nemen het bij de vangst van andere Gordeldieren (die gelijk reeds gezegd werd, een lievelingsspijs
+van de Gaucho&#8217;s zijn) bij gelegenheid mede. Omdat echter de Matako een aardig dier is, vindt hij gewoonlijk genade in hunne
+oogen; hij blijft gespaard, maar wordt gevangen gehouden. Hij dient n.l. als speelgoed voor de kinderen des huizes, die met
+hem werpen als met een bal, of hem langs een plank naar beneden laten rollen en zich vermaken met het geklepper, dat hij door
+zijn zonderlinge gang veroorzaakt. <span class="smallcaps">G&ouml;ring</span> werd dikwijls door zijne bezoekers aangezocht om zijn Bolita te laten zien. Hoewel deze nog niet lang gevangen was geweest,
+gaf hij reeds eenige bewijzen van vertrouwelijkheid, en nam zonder schroom het voedsel, dat men hem voorhield uit de hand.
+Hij at allerlei vruchten en bladen, vooral <span id="d0e578" class="corr" title="Bron: peziken">perziken</span>, komkommers en salade; dit deed hij slechts, wanneer men hem deze zaken voorhield, maar toch meermalen op een dag, zoo vaak
+men hem wat gaf. Het voedsel moest voor hem, wegens zijn kleine mondopening, in smalle stukjes gesneden zijn, die hij vervolgens
+op een zeer nette wijze opnam. Hij sliep zoowel over dag als &#8217;s nachts. Hiertoe strekte hij de voorpooten recht voor zich
+uit, trok de achterpooten in, en ging liggen op deze en op den buik; de kop werd benedenwaarts gebogen en tusschen de voorpooten
+verborgen. De rug was in iedere houding sterk bovenwaarts gekromd; het dier was niet bij machte hem geheel te strekken. Hoewel
+het in het bijzijn van verscheidene personen volkomen rustig heen en weerliep, kromp het toch dadelijk ineen, zoodra men het
+aanraakte, <a id="d0e581"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e581">370</a>]</span>en deed dit, als men het drukte, zoo sterk, dat het bijna een volslagen bol werd. Als men het daarna met vrede liet, strekte
+het zich allengs weder uit, en zette zijn wandeling voort.
+
+</p>
+<p>Het was een bijzonder aardig dier; elk zijner bewegingen was, hoe vreemdsoortig ook, toch werkelijk bevallig. De gang op de
+spitsen van de omstreeks 3 cM. lange, gekromde klauwen, was in de hoogste mate verrassend en wekte steeds de verwondering
+van alle toeschouwers. Als men het buiten liet loopen, trachtte het zoo schielijk mogelijk te ontvluchten; wanneer het echter
+ingehaald werd door een vervolger, b.v. door een Hond, dan rolde het zich tot een kogel samen. Als men deze kogel over den
+bodem voortrolde, bleef hij vast gesloten; zoodra echter de beweging ophield, ontrolde het dier zich en liep weg. De Honden
+toonden zich niet meer gebeten op den Bolita dan op alle overige Gordeldieren.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Het geslacht <i>Priodon</i>, dat boschrijke gewesten van Brazili&euml; en Guyana bewoont, wordt vertegenwoordigd door het <span class="letterspaced">Reuzen-gordeldier</span> (<i>Priodon gigas</i>). De Prins <span class="smallcaps">Von Wied</span>, die dit dier niet te zien heeft kunnen krijgen, meent, dat het over het grootste deel van Brazili&euml; en misschien zelfs over
+geheel Zuid-Amerika verbreid is. In de groote oerwouden vonden zijne jagers dikwijls holen of gangen van dit dier, vooral
+onder de wortels van oude boomen, en men kon zijn omvang uit de wijdte dezer woningen afleiden. De jagers onder de inboorlingen
+beweerden, dat het hierin een groot Zwijn evenaart, welke mededeeling niet in tegenspraak was met de wijdte der holen, en
+nog meer bevestigd werd door de staarten dezer dieren, welke de Prins aantrof bij de Botokoeden, die aan de oevers van den
+Rio Grande de Belmonte wonen. Deze wilden gebruiken als spreektrompet een voorwerp, dat zij &#8220;Tatoe-staart&#8221; noemen en dat 36
+cM. lengte heeft bij 8 cM. middellijn aan het dikste uiteinde.
+
+</p>
+<p>Uit latere onderzoekingen bleek, dat het Reuzen-gordeldier een lichaamslengte van 1 M. en meer bereikt, zonder den ongeveer
+half zoo langen staart; volgens <span class="smallcaps">Kappler</span> kan het 45 KG. zwaar worden. Het voorhoofd en de schedel zijn met zeer onregelmatige beenplaten bedekt. Het schouderpantser
+bestaat uit tien gordelvormige reeksen van beenplaten, waartusschen dicht bij den achterrand van weerszijden nog een reeks
+doordringt; de beweeglijke gordels zijn ten getale van 12 of 13 voorhanden; het heuppantser bestaat uit 16 &agrave; 17 reeksen van
+schilden. Deze zijn vierkant of rechthoekig, ook wel vijf- of zeshoekig, die van de achterste reeksen van het heuppantser
+onregelmatig; de staart is met onregelmatige, vierhoekige beenplaten bedekt. Het merkwaardigste van het geheele dier is misschien
+zijn gebit. In elke bovenkaakshelft komen 22 &agrave; 24 tanden voor, waarvan er echter dikwijls verscheidene uitvallen; steeds echter
+bestaat dit gebit uit 90 &agrave; 100 tanden, of althans organen, die de tanden vervangen. In de voorste helft van elke reeks zijn
+het namelijk slechts dunne platen en eerst verder achterwaarts worden zij allengs dikker. Waarom het Reuzen-gordeldier dit
+kolossaal gebit bezit is nagenoeg onverklaarbaar, daar het zich, voor zoover men weet, door zijn voedingswijze volstrekt niet
+van de overige soorten onderscheidt.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1370.jpg" alt="Gordelmuis (Chlamydophorus truncatus). &frac12; v.d. ware grootte." width="720" height="397"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Gordelmuis</span> (<i>Chlamydophorus truncatus</i>). &frac12; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p>De Amerikaan <span class="smallcaps">Harlan</span> ontdekte in het jaar 1824 niet ver van Mendoza in westelijk Argentini&euml; tot groote verbazing van de bewoners dezer gewesten,
+die met het bestaan van dit dier nagenoeg onbekend waren, een hoogst merkwaardig lid van de familie der Gordeldieren&#8212;de <span class="letterspaced">Gordelmuis</span> (<i>Chlamydophorus truncatus</i>). Gedurende geruimen tijd waren er slechts twee exemplaren van bekend, die in de verzamelingen van Philadelphia en Londen
+bewaard werden en gelukkig op de zorgvuldigste wijze onderzocht konden worden. De Gordelmuis wordt terecht als vertegenwoordigster
+van een afzonderlijk geslacht beschouwd; zij onderscheidt zich echter van de overige, reeds genoemde Gordeldieren meer door
+haar pantser dan door haar inwendig maaksel.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Schildmol</span> of <span class="letterspaced">Gordelmuis</span> is door het hoogst eigenaardige, bijna lederachtige hoornpantser, dat zijn lichaam bedekt, een der merkwaardigste leden van
+het geheele dierenrijk. Dit zonderlinge wezen is een dwerg in vergelijking met de andere Gordeldieren en overtreft de kleinste,
+bekende Zoogdieren slechts weinig in grootte. Door zijn vorm en meer nog door zijn levenswijze herinnert het sterk aan de
+Mollen. Zijn kop is kort, de achterste helft breed, de voorste toegespitst, en eindigt in een tamelijk korten, stompen snuit.
+De oogen zijn klein en liggen verborgen onder <a id="d0e637"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e637">371</a>]</span>de afhangende haren. De op korten afstand achter de oogen gelegen ooren hebben geen waarneembare oorschelp. In elke kaakhelft
+treft men acht kiezen aan van zeer eenvoudig maaksel; zij zijn rolvormig en, met uitzondering van de beide voorste in iedere
+kaak, die een weinig spits toeloopen, aan de kauwvlakte afgeplat. De pooten zijn kort, de voorste ledematen zeer krachtig,
+plomp en bijna op gelijke wijze als die der Mollen samengesteld; de achterste daarentegen veel smaller dan de voorste, met
+lange en smalle voeten voorzien. Alle teenen dragen middelmatig scherpe klauwen; die van de voorvoeten zijn zeer groot en
+stevig en vormen krachtige graafwerktuigen. De staart, die in een inham van het pantser, dat het achterste deel van het lichaam
+bedekt, vastgehecht is, maakt plotseling een benedenwaartsche kromming en is tusschen de achterpooten door, langs het onderlijf
+teruggebogen, zoodat hij geheel tegen den buik ligt.
+
+</p>
+<p>De geheele bovenzijde van het lichaam wordt bedekt door een bijna lederachtig, uit hoorn bestaand schild-pantser, dat tamelijk
+dik is en minder buigzaam dan zoolleder, het begint op den kop, dicht bij de spits van den snuit, en strekt zich over den
+geheelen rug tot op het achterste deel van den romp uit, welks bovenvlakte hier rechthoekig benedenwaarts gebogen is, waardoor
+het dier er uitziet, alsof het afgeknot, verminkt werd. Dit pantser&#8212;dat meestal uit regelmatige dwarse gordels of reeksen
+van grootendeels rechthoekige, gedeeltelijk echter ruitvormige en ook wel onregelmatige, met knobbeltjes bezette schilden
+bestaat&#8212;is geenszins, zooals bij de overige Gordeldieren, overal stevig met de lichaamshuid verbonden, maar ligt er grootendeels
+slechts los over heen. Volgens een lijn, die over het midden van den rug loopt, is het door een vlies bevestigd aan de doornuitsteeksels
+van de wervelkolom; bovendien is het door middel van twee schilden aan de beide halfbolvormige uitsteeksels van het voorhoofdsbeen
+aangehecht; daarentegen wijkt het aan de zijden van den romp van de oppervlakte af en kan daar opgetild worden. Aan het voorste
+deel van den kop is het pantser echter stevig met het geraamte verbonden en ook aan het achterste deel van den romp, waar
+het een vlakke plaat vormt over het afgeknotte deel van &#8217;t lichaam. Hoewel de ruimten tusschen de gordels niet bijzonder groot
+zijn, laten zij toch een vrij groote buiging van den romp toe; zelfs is er reden voor het vermoeden, dat dit dier zijn lichaam
+tot een bal ineenrollen kan. Het volkomen onbeweeglijke, met den staart slechts door een vlies verbonden pantser van het achterdeel,
+dat een rechten hoek vormt met de as van lichaam en volkomen plat is, bestaat uit 5 of 6 half-kringvormige reeksen van deels
+rechthoekige, deels ruitvormige schildjes. Het geheele pantser is aan zijn bovenzijde zoowel als aan het niet met de huid
+verbonden deel van de onderzijde onbehaard en volkomen glad; alleen aan de onderranden bevinden zich talrijke, tamelijk lange,
+zijdeachtige haren. Daarentegen is de huid van het dier overal en zelfs onder de losse gedeelten van het pantser, tamelijk
+dicht met lange, fijne en zachte, bijna zijdeachtige haren begroeid, met uitzondering alleen van den staart, de zolen, de
+spits van den snuit en de kin, die volkomen naakt zijn. De lengte van het lichaam bedraagt 13 cM., zonder den 3.5 cM. langen
+staart; de schouderhoogte is 5 cM.
+
+</p>
+<p>In de dierkundige werken wordt van de levenswijze van de Gordelmuis niet anders bericht, dan dat zij in zandige vlakten leeft
+en hier op soortgelijke wijze als onze Mol in Europa, lange gangen onder de oppervlakte van den grond graaft; met zorg vermijdt
+zij het verlaten van haar onderaardsch paleis en komt waarschijnlijk alleen bij toeval aan de oppervlakte van den bodem. Naar
+men zegt doorwoelt zij met groote snelheid den grond, zij loopt er doorheen evenals de Mol; aan de aardoppervlakte zijn hare
+bewegingen echter langzaam en plomp. Hoogstwaarschijnlijk maakt zij jacht op Insecten en Wormen, misschien behelpt zij zich
+soms ook met malsche wortels. Van haar voortplanting weet men alleen, dat zij niet snel geschiedt. De inboorlingen beweren,
+dat het wijfje hare jongen onder haar pantser verborgen medevoert.
+
+</p>
+<p>Men ziet hoe gebrekkig deze mededeelingen zijn, terwijl sommige bovendien slechts op bloote vermoedens berustten. Des te aangenamer
+was het mij, van <span class="smallcaps">G&ouml;ring</span> nog iets over dit dier te vernemen: &#8220;De Schildmol leeft niet alleen in Mendoza maar ook in San Louis&#8221; (beide staten van de
+Argentijnsche Republiek, aan of bij de Chileensche grens). &#8220;De Spanjaarden noemen hem <span class="letterspaced">Bicho ciego</span>, omdat zij meenen, dat hij geheel blind is; enkele geven hem echter den naam <span class="letterspaced">Juan calado</span> (&#8216;Jan Kant&#8217;). Dit diertje bewoont zandige, droge, steenachtige gewesten, hoofdzakelijk zulke, die met doornplanten en cactussen
+begroeid zijn. Over dag houdt het zich steeds verborgen onder den grond; des nachts echter verschijnt het ook aan de oppervlakte,
+vooral bij maneschijn loopt het buiten zijn hol rond, het liefst onder struiken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Men vangt dit dier niet anders dan bij toeval, vooral bij het graven van de besproeiingskanalen, die aangelegd moeten worden
+daar, waar men den bodem bebouwen wil. Eenige malen is het ook bij de vangst van andere Gordeldieren mede gevangen geworden.
+In den laatsten tijd heeft men zich, om aan de veelvuldige aanzoeken te voldoen, wat meer moeite gegeven om Schildmollen te
+vangen; dit kost echter, naar het schijnt, veel moeite, daar <span class="smallcaps">G&ouml;ring</span>, die zich 7 maanden lang in deze streken ophield, in weerwil van alle pogingen, die hij deed en de verlokkendste beloften,
+geen enkel levend of versch gedood exemplaar meester kon worden. Ook thans nog is de &#8220;Bicho ciego&#8221; een voorwerp van bewondering
+voor de inboorlingen. Zij laten ieder door hen gevangen exemplaar zoo lang leven, als het bij de gebrekkige zorg die zij er
+aan wijden, leven kan en bewaren het vervolgens als een groote merkwaardigheid, zoo goed hun dit mogelijk is. Over &#8217;t algemeen
+hebben de Zuid-Amerikanen de gewoonte om dieren, die hun merkwaardig voorkomen, in gevangenschap te houden, zonder er evenwel
+aan te denken ze ook goed te verzorgen. Daar deze menschen het prepareeren en opzetten van dieren niet kennen, vindt men de
+Schildmollen bij hen alleen in den toestand van mummi&euml;n.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Schubdieren</span> (<i>Manididae</i>) komen door lichaamsvorm en levenswijze met de Miereneters overeen, maar vormen toch een familie op zich zelf, die van de
+zooeven genoemde duidelijk onderscheiden is. Het lichaam van de Schubdieren is n.l. aan de bovenzijde bedekt met groote, plaatvormige
+hoornschubben, die elkander dakpansgewijs of liever als de schubben van een dennekegel bedekken. Deze bedekking, het voornaamste
+kenteeken der familie, is eenig in haar soort; want het pantser van de Gordeldieren en van de Gordelmuizen vertoont slechts
+een verwijderde overeenkomst met de bedoelde eigenaardige hoornvormingen, die wat haar vorm betreft, eerder met de schubben
+van een Visch of van een Kruipend Dier vergeleken <a id="d0e669"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e669">372</a>]</span>kunnen worden dan met eenig voortbrengsel van de huid van een Zoogdier.
+
+</p>
+<p>Tot nauwkeuriger omschrijving van de Schubdieren moge het volgende dienen: De romp is gestrekt, de staart lang, de kop klein,
+de snuit kegelvormig toegespitst; de v&oacute;&oacute;r- en achterpooten zijn kort, hunne voeten hebben vijf teenen, die met stevige, voor
+&#8217;t graven geschikte klauwen gewapend zijn. Slechts aan de keel, de onderzijde van den romp en de binnenzijde der pooten ontbreken
+de schubben, terwijl het geheele overige deel van het lichaam door het &#8220;schobbejak&#8221; omhuld is. Alle schubben zijn met de eene
+spits in de lichaamshuid vastgehecht; zij hebben een ruitvormige gedaante, zijn aan de randen zeer scherp en bovendien buitengewoon
+hard en vast. Door deze inrichting kan het lichaam tamelijk goed in alle richtingen bewogen worden; de schubben zelf kunnen
+trouwens even goed zijdelings heen en weer geschoven, als opgericht en tegen het lichaam aan gelegd worden.
+
+</p>
+<p>Tusschen de schubben in en op de ongeschubde lichaamsdeelen staan dunne haren, die echter soms aan de buikzijde volkomen wegslijten.
+De snuit is ongeschubd, maar met een stevige, hoornachtige huid bedekt. De kaken zijn volkomen tandeloos. Een eigenaardige,
+breede spier, die evenals bij den Egel onder de huid gelegen is, dient voor het ineenrollen of in een bol veranderen van het
+lichaam. De tong is tamelijk lang en vooruitsteekbaar; buitengewoon groote speekselklieren leveren haar het noodige slijm
+om het voedsel, dat uit Insecten, waarschijnlijk vooral uit Mieren en Termieten, bestaat, er aan te doen kleven.
+
+</p>
+<p>Een groot deel van Afrika en geheel Zuid-Azi&euml; alsmede eenige naburige eilanden vormen het vaderland van deze vreemdsoortige
+dieren; zij houden zich op in steppen en boschstreken, in de gebergten zoowel als in de vlakten. Waarschijnlijk bewonen zij
+alle holen, die door hen zelf gegraven zijn en leven hierin eenzaam en ongezellig. Evenals hunne verwanten verbergen zij zich
+over dag, en bewegen zich &#8217;s nachts. Aan gevangen Schubdieren heeft men opgemerkt, dat zij over dag slapen en dan ineengerold
+zijn, zoodat de kop onder den staart verborgen is. Als de schemering aanvangt, ontwaken zij en zwerven daarna rond om voedsel
+te zoeken.
+
+</p>
+<p>De Schubdieren maken bij het gaan hoofdzakelijk gebruik van de achterste ledematen, die met de geheele zool op den grond rusten,
+richten het sterk gekromde lichaam naar voren, buigen den kop ter aarde en laten de voorpooten hangen, zoodat de klauwen bijna
+den bodem raken. Soms wordt ook de staart tegen den grond gedrukt tot ondersteuning van het lichaam gedurende het gaan; het
+dier kan zijn evenwicht echter ook behouden, wanneer het den staart recht uitgestrekt of met de spits naar boven gekromd draagt.
+
+</p>
+<p>Hunne bewegingen zijn volstrekt niet zoo langzaam en traag, als vroeger beweerd werd. Van een in Liberia waargenomen soort
+(<i>Manis gigantea</i>) zegt <span class="smallcaps">B&uuml;ttikofer</span>: &#8220;Dit dier loopt, in tegenstelling met hetgeen de boeken er van vermelden, zeer snel, zoodat een man het bijna niet zou kunnen
+inhalen en richt zich, terwijl het vlucht, soms op de achterpooten en den staart op, om achterwaarts te zien; het laat dan
+de voorpooten hangen.&#8221; Bovendien <span id="d0e687" class="corr" title="Bron: bevestigd">bevestigt</span> onze zegsman het feit, dat twee Afrikaansche soorten eveneens goede loopers zijn en bovendien behendig in de boomen kunnen
+klimmen; van de laatstbedoelde zegt hij: &#8220;Deze dieren worden tam en kunnen langen tijd in huis gehouden worden, waar men ze
+vrij laat rondloopen, omdat zij ijverig jacht maken op Mieren, Kakkerlakken en andere lastige Insecten. Zij zijn zeer behendig
+en beklimmen in een ommezien de daken der huizen en de stammen der boomen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Als zij behoorlijk verzorgd worden, verdragen de Schubdieren geruimen tijd het leven in de gevangenschap. Ook raken zij tamelijk
+spoedig gewoon aan melk, brood, ja zelfs aan graankorrels, hoewel Insecten steeds hun liefste voedsel blijven uitmaken. Het
+vleesch van de Schubdieren wordt door de inboorlingen gegeten en als smakelijk geroemd; het pantser dient bij sommige volksstammen
+tot het opsieren van verschillende gereedschappen.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Het <span class="letterspaced">Langstaartige Schubdier</span> (<i>Manis <span id="d0e701" class="corr" title="Bron: langicaudata">longicaudata</span></i>) heeft een totale lengte van 1 &agrave; 1.3 M., waarvan bijna twee derden op den staart komen. Bij jongere dieren is de staart voluit
+het dubbele van het overige lichaam; naarmate het dier ouder wordt, wijzigt zich deze verhouding eenigszins. De schubben bedekken,
+met uitzondering van het onderste deel van de buitenzijde der voorpooten, de geheele boven- en buitenzijde van den romp en
+van den staart, van dezen ook nog de onderzijde; de niet geschubde lichaamsdeelen zijn met stijve borstels begroeid. Het aangezicht
+en de keel schijnen bijna geheel kaal. De buitengewoon stevige en aan de randen scherpe schubben zijn op het midden van den
+rug het grootst. De algemeene kleur van het dier is zwartachtig bruin met een roodachtige tint; iedere schub afzonderlijk
+is aan den voet zwartbruin en langs de randen geelachtig gezoomd. De borstelige haren zijn zwart. Het vaderland van dit dier
+is West-Afrika.
+
+</p>
+<p>Het eerste uitvoerige bericht over de levenswijze van dit Schubdier danken wij aan <span class="smallcaps">Desmarchais</span>: &#8220;In Guinea vindt men in de wouden een viervoetig dier, dat de Negers <span class="letterspaced">Quoggelo</span> noemen. Het is van den hals tot aan de spits van den staart met schubben bedekt, die bijna den vorm hebben van de bladen
+van artisjokken, maar een weinig spitser toeloopen. Overal dicht opeengedrongen, zijn zij dik en stevig genoeg om het dier
+te beschutten tegen de klauwen en tanden van andere dieren, die het aanvallen. De Luipaarden vervolgen het onophoudelijk en
+bereiken het zonder moeite, daar het op lange na niet zoo snel loopt als zij. Het vlucht, maar wordt spoedig ingehaald. Zoomin
+met de klauwen als met den bek, kan het zich tegen de vreeselijke tanden en klauwen van de Roofdieren verweren. Daarom rolt
+het zich ineen en slaat den staart onder den buik, zoodat de spitsen van de schubben allerwege naar buiten gekeerd zijn. De
+groote Katten rollen het zacht met de klauwen heen en weer, steken zich echter zoodra zij het steviger aangrijpen en zien
+zich genoodzaakt het met vrede te laten. De Negers slaan het met stokken dood, trekken het de huid af, die zij aan de blanken
+verkoopen, en eten zijn vleesch. In zijn snuit, die men met een eendensnavel zou kunnen vergelijken, ligt een zeer lange,
+kleverige tong, die het in de gaten der mierenhoopen steekt of op hun weg legt; de Mieren, door den reuk aangelokt, begeven
+zich dadelijk op deze tong en blijven er aan hangen. Bemerkt het dier, dat zijn tong met Insecten bedekt is, dan trekt het
+haar in den bek terug en houdt zijn maal.&#8221;
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Pangolin</span> (<i>Manis pentadactyla</i>) heeft een korten staart en een volledig pantser op de buitenzijde van de voorpooten. Dit dier bewoont V&oacute;&oacute;r-Indi&euml; en Ceylon,
+bij voorkeur heuvelachtige gewesten; het komt <a id="d0e722"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e722">373</a>]</span>echter nergens talrijk voor. Reeds <span class="smallcaps">Aelianus</span> bericht, dat er in Indi&euml; een dier voorkomt, dat er als een Landkrokodil uitziet.
+
+</p>
+<p>Van de overige Schubdieren, met uitzondering van het Steppen-schubdier, onderscheidt de Pangolin zich door zijn grootte en
+bovendien, doordat zijne schubben, die op 11 &agrave; 13 reeksen geplaatst zijn, op den rug en den staart zeer breed en nergens gekield
+zijn. Een volwassen mannetje kan wel 1.3 M. lang worden; hiervan komt ongeveer de helft op den staart.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1373.jpg" alt="Steppen-schubdier (Manis Temminckii). &#8533; v.d. ware grootte." width="720" height="475"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Steppen-schubdier</span> (<i>Manis Temminckii</i>). &#8533; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Ook van deze soort is de levenswijze ons slechts zeer onvolledig bekend. Het dier graaft gangen, die over een afstand van
+2 &agrave; 4 M. schuins naar beneden gericht zijn en in een groote kamer uitkomen. Hier leven de Schubdieren paarsgewijs; waarschijnlijk
+van Januari tot Maart vindt men 1 of 2 jongen bij hen. Als zij in het hol zijn, verstoppen zij gewoonlijk den ingang zoo goed
+met aarde, dat deze niet gemakkelijk gevonden zou worden, zonder het eigenaardig spoor, dat er om heen leidt. <span class="smallcaps">Burt</span> verhaalt, dat de Pangolin niets anders dan Mieren eet en er zeer vele verdelgt, maar dat hij ook 2 maanden achtereen zonder
+voedsel in &#8217;t leven kan blijven, dat hij &#8217;s nachts rondzwerft en in de gevangenschap zeer onrustig is, zich tamelijk snel
+kan bewegen en, als men hem aanvat, zich bedaard bij den staart laat opnemen, zonder de minste poging te doen om zich tegen
+zijn vijand te verweren, enz. De Chineezen vervaardigen pantsers uit zijn huid.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Het <span class="letterspaced">Javaansche Schubdier</span> (<i>Manis javanica</i>) bewoont op Java, Sumatra en Borneo bosschen, liefst in bergachtige streken. Het klimt in de boomen en vindt een schuilplaats
+in boomspleten of tusschen bovenaardsche boomwortels, vooral van <i>Ficus</i>-soorten, minder dikwijls in rotsholen. Het maakt jacht op Mieren en Termieten, welker nesten het opengraaft, voorts op andere
+Insecten, Wormen, enz. Zijn vleesch wordt vrij algemeen door de inlanders gegeten en van zijne schubben worden soms ringen
+vervaardigd, die als amuletten tegen allerlei kwalen gebruikt worden. &#8220;Meermalen,&#8221; schrijft <span class="smallcaps">Haszkael</span>, &#8220;heb ik op Java Schubdieren gekocht, maar ze nooit lang behouden, daar ik ze, bij gebrek aan een betere bergplaats, in navolging
+van de inboorlingen, met een touw, dat aan een vooraf doorboorde schub was vastgemaakt, aan een boom moest binden. Zij klommen
+zeer snel en behendig in den boom; ook op den grond bewegen zij zich vermoedelijk vrij goed: ik kon mijne gevangenen, als
+zij, hun doorboorde schub in den steek latend, ontvluchtten, nooit weder krijgen.&#8221;
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een betrekkelijk korte, breede, eerst bij de spits dunner wordende en daar plotseling stomp afgeronde staart komt voorbij
+het <span class="letterspaced">Steppen-schubdier</span> (<i>Manis Temminckii</i>), de <span class="letterspaced">Aboe-Khirfa</span> (&#8220;Schors-vader&#8221;) van de nomaden van Kordofan. Wat grootte en vorm betreft komt het nog het meest met den Pangolin overeen.
+De kop is kort en dik, de romp breed, de staart ongeveer zoo lang als het overige lichaam. Eivormige schubben bedekken den
+kop; zeer groote, aan den wortel fijn overlangs gegroefde, aan de spits gladde schubben vormen aan de rugzijde van den romp
+11 &agrave; 13, op het voorste deel van den staart 5 en bij de spits 4 reeksen. Volwassen mannetjes bereiken een lengte van ongeveer
+80 cM., met inbegrip van den ongeveer 30 cM. langen staart. Het Steppen-schubdier bewoont voornamelijk Oost- en Zuid-Afrika,
+maar wordt ook in West-Afrika, gevonden; het vindt in de aan Termieten zoo rijke steppen een overvloed van voedsel en de gewenschte
+eenzaamheid. Het graaft en bewoont gaten in den grond, welke nooit zoo diep zijn als die van het Aardvarken en waaruit het
+eerst na het begin van de schemering te voorschijn komt. Het is zoomin behendig als vlug en niet in staat zich tegen vijanden
+te verdedigen. Mieren, Termieten, Sprinkhanen, Kevers, misschien ook Wormen maken zijn voedsel uit.
+
+</p>
+<p>Ik zag een van deze merkwaardige wezens levend bij een koopman in Khartoem, die het met melk en wittebrood voedde. Het was,
+evenals de overige leden van zijn geslacht, volkomen onschadelijk; men kon met hem doen, wat men wilde. Over dag lag het ineengerold
+in den een of anderen hoek, &#8217;s nachts kwam het te voorschijn; het at met de tong, die het telkens in de melk dompelde en waaraan
+de wittebroodkruimels zich hechtten.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+<a id="d0e777"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e777">374</a>]</span></p>
+<p>In de laatste familie vereenigen wij de <span class="letterspaced">Aardvarkens</span> (<i>Orycteropodidae</i>), plompe dieren, met dikken, loggen romp, die met een ijl, borstelig haarkleed bedekt is, met dunnen hals, langen, slanken
+kop met rolvormigen snuit, middelmatig langen, kegelvormigen staart en korte, betrekkelijk dunne pooten, waarvan de voorste
+vier, de achterste vijf teenen hebben, die met zeer stevige, bijna rechte en platte, aan de randen scherpe, hoefachtige nagels
+voorzien zijn. De bek is tamelijk groot, de oogen staan ver naar achteren, de ooren zijn lang. Bij het jonge dier bevat elke
+bovenkaakshelft 8, elke onderkaakshelft 6 kiezen; bij oude dieren daarentegen is het aantal kiezen in elke reeks verminderd
+tot 5 boven en 4 onder; deze kiezen zijn rolvormig, wortelloos, uit tallooze fijne buisjes samengesteld, die op de kauwvlakte
+gesloten, aan het tegenovergestelde uiteinde echter open zijn.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Het <span class="letterspaced">Kaapsche Aardvarken</span> (<i>Orycteropus capensis</i>) bereikt een lengte van ongeveer 2 M., met inbegrip van den ongeveer 85 cM. langen staart, en een gewicht van 50 &agrave; 60 KG.
+De huid is zeer dik, met glad neerliggende en tamelijk wijd uiteenstaande, borstelachtige haren bekleed; het haar van de bovenzijde
+van &#8217;t lichaam is iets korter dan dat van de onderzijde, waar het, vooral aan den oorsprong der teenen, bosjes vormt. De kleur
+is zeer gelijkmatig: de rug en de zijden zijn geelachtig bruin met een roodachtig waas, de onderzijde en de kop licht roodachtig
+geel, het achterdeel, de staartwortel en de ledematen bruin. Pas geboren jongen zijn vleeschkleurig.
+
+</p>
+<p>De Hollandsche Boeren in Zuid-Afrika hebben dit dier &#8220;Aardvarken&#8221; genoemd, omdat zijn vleesch in smaak overeenkomt met dat
+van het Wilde Zwijn; reeds sinds lang maken zij er ijverig jacht op; zij hebben het hierdoor goed leeren kennen.
+
+</p>
+<p>Het Aardvarken komt voor in Zuid- en Midden-Afrika, van de oostkust tot aan de westkust; evenals de Gordeldieren bewoont het
+bij voorkeur het vlakke land, woestijnachtige gewesten en steppen, waar Mieren en Termieten talrijk zijn. Het is een eenzaam
+levend dier; hoewel men het soms in gezelschap van zijne soortgenooten aantreft, heeft het met deze geen omgang; over dag
+slaapt het in groote, zelf gegraven holen, des nachts zwerft het rond.
+
+</p>
+<p>Het heeft een ongeloofelijke bekwaamheid in &#8217;t graven. Weinige oogenblikken heeft het maar noodig om zich geheel in den grond
+te verbergen, hoe hard de bodem ook moge zijn. Als het bij een Mieren- of Termieten-woning komt, besnuffelt het deze eerst
+zorgvuldig aan alle zijden, en tijgt dan aan den arbeid: het wroet in den grond, totdat het de belangrijkste afdeeling van
+het nest of althans een hoofdverkeersweg van de Insecten bereikt heeft. In zulke hoofdgangen nu steekt het Aardvarken herhaaldelijk
+zijn lange, kleverige tong, wacht totdat deze geheel met Insecten bedekt is, trekt haar dan in den bek terug, en herhaalt
+deze beweging zoolang, totdat het volkomen verzadigd is. Zoo wordt het eene nest na het andere geplunderd, en onder de alles
+vernielende Termieten een groote slachting anngericht. Geen dier is in staat het Aardvarken in zijn hol te vervolgen, daar
+het de uitgegraven aarde met zooveel kracht achteruitwerpt, dat de aanvaller zich verschrikt terugtrekt. Zelfs voor den mensch
+is het moeilijk hem op te delven, en ieder jager, die dit beproeft, wordt na weinige minuten volkomen met aarde bedekt.
+
+</p>
+<p>Het Aardvarken is buitengewoon voorzichtig en schuw, en begraaft zich ook &#8217;s nachts bij het geringste gedruisch onmiddellijk
+in den grond. Door zijn groote lichaamskracht is het trouwens in staat aan velerlei gevaren het hoofd te bieden. De jager,
+wien het gelukt een Aardvarken te overrompelen en vast te houden, is hierdoor nog volstrekt niet zeker van den gewenschten
+buit. Evenals het Gordeldier drukt het zich, zelfs wanneer het slechts halverwege in zijn hol doorgedrongen is met al zijn
+kracht tegen de wanden, houdt zich met de scherpe klauwen er stevig aan vast, kromt den rug en drukt hem met zooveel geweld
+naar boven, dat het nagenoeg onmogelijk is, ook maar een enkelen poot los te rukken en het dier uit den grond te trekken.
+Zelfs voor de vereenigde krachten van verscheidene mannen is dit werk zwaar genoeg.
+
+</p>
+<p>Nauwkeurige berichten over de voortplanting ontbreken tot dusver.
+
+</p>
+<p>In de laatste tientallen jaren is het Aardvarken herhaaldelijk naar Europa gebracht; men heeft het hier bij behoorlijke verzorging
+meer dan een jaar lang in &#8217;t leven kunnen houden. Het wordt gevoederd met fijn gehakt vleesch, rauwe eieren, mierenpoppen
+en meelbrij, waardoor echter het voedsel dat het in de vrije natuur gebruikt, slechts op een zeer onvoldoende wijze wordt
+vervangen.
+
+</p>
+<p>Alleen in gewesten, die dikwijls door karavanen worden bezocht, wordt het Aardvarken den mensch schadelijk door zijn graven;
+overigens veroorzaakt het eerder nut dan schade. Het vleesch gelijkt op dat van &#8217;t Zwijn en wordt soms uitmuntend, soms taai
+en kwalijk riekend genoemd; de dikke, stevige huid wordt tot leder verwerkt.
+
+<a id="d0e810"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e810">375</a>]</span></p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1375.jpg" alt="Aardvarken (Orycteropus capensis)." width="720" height="467"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Aardvarken</span> (<i>Orycteropus capensis</i>).
+</p>
+</div><p>
+
+
+
+<a id="d0e821"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e821">376</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="label">Negende Orde.</h2>
+<h2>De Slurfdieren (<span class="letterspaced">Proboscidea</span>).
+</h2>
+<p>Als een uitstervend geslacht, als de laatste afstammelingen van een voormaals talrijkere Zoogdieren-groep, treden de <span class="letterspaced">slurfdieren</span> voor ons. Zij maken den indruk van levende getuigen uit vroegere tijdperken van de ontwikkelingsgeschiedenis der dierenwereld,
+van wezens uit den v&oacute;&oacute;rtijd, die aan het lot, dat hunne stamgenooten getroffen heeft, ontkomen zijn, en tot den tegenwoordigen
+tijd gespaard bleven.
+
+</p>
+<p>Van de tot deze orde behoorende diervormen, die onze planeet bewoond hebben, leven thans nog slechts de vertegenwoordigers
+van &eacute;&eacute;n familie; twee of misschien drie soorten; zij maken de laatste leden uit van een reeks, die den tegenwoordigen tijd
+op een duidelijk zichtbare wijze met de voorwereld verbindt: want tot hun familie moet men de reusachtige dieren rekenen,
+welker goed geconserveerde lijken het ijs van Siberi&euml; gedurende duizenden van jaren voor ons bewaard heeft. Om van de beteekenis
+dezer diergroep een juist denkbeeld te krijgen, is het noodig ook op de uitgestorvene soorten de aandacht te vestigen. <span class="smallcaps">Neumayr</span> zegt van hen het volgende: &#8220;Over &#8217;t algemeen onderscheidden zich de Zoogdieren, die gedurende het diluviale tijdvak Europa
+bewoonden, door hun krachtige ontwikkeling: er zijn zoovele groote vormen bij, dat met het oog op deze, de hedendaagsche Europeesche
+Zoogdieren-fauna zich als een jammerlijk ontaard overblijfsel van vroegeren bloei aan ons voordoet. Het meest loopt dit in
+&#8217;t oog, als wij letten op de groote planteneters van dien tijd; in de eerste plaats blijkt dan de sterke verbreiding van drie
+kolossale soorten van Slurfdieren, die alle grooter waren dan de hedendaagsche Indische en Afrikaansche soort. Twee van deze,
+n.l. <i>Elephas meridionalis</i> en <i>Elephas antiquus</i>&#8212;misschien de grootste landbouwers onder de Zoogdieren, die ooit bestaan hebben&#8212;lieten hoofdzakelijk in Zuid-Europa sporen
+van hun aanwezigheid achter; hun verbreidingsgebied reikte tot in Engeland; reeds in Noord-Duitschland echter waren zij zeer
+zeldzaam. Beide zijn vooral veelvuldig geweest in de oudste diluviale periode (in het tijdvak, dat aan den ijstijd onmiddellijk
+voorafgaat) daarna verdwijnt <i>Elephas meridionalis</i>, terwijl overblijfselen van <i>Elephas antiquus</i> nog voorkomen in de aardlagen, die zich afgezet hebben in het interglaciale tijdperk (tusschen den eersten en den tweeden
+ijstijd).
+
+</p>
+<p>&#8220;Geheel anders was het gesteld met de derde soort, met den <span class="letterspaced">Mammoet</span> (<i>Elephas primigenius</i>), wiens overblijfselen in het tijdvak dat aan den ijstijd voorafgaat, slechts zelden gevonden worden, maar in de diluviale
+gronden uit latere tijdperken buitengewoon veelvuldig zijn; tallooze kudden van deze dieren bevolkten destijds Europa en het
+noorden van Azi&euml;. Geen fossielen hebben zoo sterk de aandacht getrokken als die van den Mammoet, wiens beenderen en tanden
+op sommige plaatsen in menigte voorhanden zijn. In vroegeren tijd hield men ze voor de beenderen van Sint <span class="smallcaps">Christophorus</span> of van een anderen heilige, wien men om de een of andere reden een bijzondere grootte meende te moeten toeschrijven; vele
+van zulke overblijfselen werden daarom in kerken als reliquie&euml;n bewaard. Anderen hielden ze voor de beenderen van de reuzen
+<span class="smallcaps">Gog</span> en <span class="smallcaps">Magog</span>, die in den bijbel worden genoemd, of van andere minder beroemde reuzen. Door hen, die met de klassieke oudheid meer bekend
+waren, werden zij aan den Germaanschen koning <span class="smallcaps">Teutobod</span> toegeschreven. Toen men er eindelijk toe overging, deze beenderen en tanden <span id="d0e872" class="corr" title="Bron: nanwkeuriger">nauwkeuriger</span> te bekijken, en de overeenkomst opmerkte, die zij met Olifantstanden hebben, meende men, dat zij afkomstig waren van de voor
+den krijg afgerichte Olifanten, die <span class="smallcaps">Hannibal</span> op zijn vermetelen tocht uit Spanje door het zuiden van Frankrijk en over de Alpen medenam, en die, zooals bekend is, alle
+op &eacute;&eacute;n na onderweg ten gevolge van de vermoeienissen der reis bezweken.
+
+</p>
+<p>&#8220;Later kwam men tot de overtuiging, dat de Mammoet werkelijk tot voor betrekkelijk korten tijd in Europa geleefd heeft en
+het lag voor de hand hieruit af te leiden, dat het klimaat van Europa in dien tijd warmer was. Door nog latere ervaringen
+werd deze meening echter niet bevestigd: in het zuiden van Europa ontbreekt de Mammoet, terwijl hij in het midden en in het
+noorden van dit werelddeel gevonden wordt. Hoe veelvuldig hij hier echter op sommige plaatsen is, nog overvloediger komt hij
+voor in Siberi&euml;, vooral in het noorden van dit land, waar sommige diluviale lagen geheel gevuld zijn met zijne overblijfselen.
+Waarschijnlijk is geen omstandigheid beter geschikt om dit in &#8217;t licht te stellen dan het feit, dat <span class="letterspaced">ongeveer het derde gedeelte van al het ivoor, dat in den handel komt van de diluviale Mammoeten van Siberi&euml; afkomstig is</span>. Volgens <span class="smallcaps">Middendorf</span> zijn sedert 200 jaren ieder jaar meer dan 100 paar slagtanden van Mammoeten uit Siberi&euml; op de markt gekomen. Zelfs op de
+zoo moeilijk bereikbare Nieuw-Siberische eilanden, die ten noorden van het Aziatisch vasteland tusschen 73 en 76&deg; N.B. in
+de IJszee gelegen zijn, is het fossiele ivoor in zulk een groote hoeveelheid aanwezig, dat de ivoorverzamelaars herhaaldelijk
+<a id="d0e886"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e886">377</a>]</span>den gevaarlijken sledetocht over de bevroren zee wagen om deze schatten te lichten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is zeer zeker een merkwaardig feit, dat het ivoor gedurende zulk een langen tijd zoo weinig verandering heeft ondergaan,
+dat het nu nog technisch bruikbaar is; nog veel wonderbaarlijker echter is de ontdekking van volledige exemplaren met huid
+en haar, met vleesch en ingewanden, in den bevroren bodem van Siberi&euml;. Deze lijken waren nog zoo frisch, dat het vleesch steeds
+door IJsberen, Wolven, Vossen en Honden verslonden was, voordat een expeditie deze afgelegen gewesten kon bereiken om het
+gevonden materiaal ten behoeve van de wetenschap in bezit te nemen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Men kan zich nog geen volkomen duidelijke voorstelling vormen van de wijze, waarop deze bevroren grond ontstond; daarom weet
+men ook niet, hoe de Mammoeten er in bedolven zijn geraakt. Voor sommige gevallen geldt de verklaring, dat de Olifanten, Neushoorndieren
+enz. toevalligerwijze weggezonken zijn in moerasgrond, die later bevroren en sedert den ijstijd niet weder ontdooid is. In
+andere gewesten hebben, naar het schijnt, andere oorzaken tot soortgelijke gevolgen aanleiding gegeven; zoo ziet men b.v.
+aan de Eschscholtz-bocht in het noordwestelijkste deel van Noord-Amerika een tamelijk zuivere afzetting van waterijs (geen
+gletscher-ijs) uit het diluviale tijdperk, waarin oude strandlijnen ingesneden zijn en deze ijsmassa wordt bedekt door een
+laag klei met overblijfselen van groote Zoogdieren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Hoe dit ook zij, zeker is het, dat van tijd tot tijd volledige Mammoet-lijken door den dooi blootgelegd worden; de inboorlingen
+meenen, dat dergelijke dieren ook nu nog in den grond leven en dezen doorwoelen, en dat zij, gedurende dezen arbeid bij vergissing
+aan de lucht komend, onmiddellijk sterven en daarom in volkomen verschen toestand gevonden worden. De eerste gebeurtenis van
+dezen aard, die bekend geworden is, had plaats aan den mond van de Lena; hier bemerkte een Toengoese, dat een Olifant in een
+tijdperk van twee jaren langzamerhand uit zijn ijshulsel te voorschijn kwam; in 1799 werd deze ontdekking gedaan, maar eerst
+zeven jaren later kwam zij den natuuronderzoeker <span class="smallcaps">Adams</span> ter oore, die toen een reis door Siberi&euml; deed en de bedoelde plaats bezocht. Ongelukkig was het dier reeds grootendeels verslonden;
+&eacute;&eacute;n oor, &eacute;&eacute;n oog, een stuk van de huid en vele pezen en banden waren behalve het skelet nog aanwezig. Toen reeds werd het
+hoogst merkwaardige feit ontdekt, dat de Mammoet over het geheele lichaam met een dichte, roodbruine, wollige vacht bekleed
+was en aan den hals lange manen had.&#8221; De manen in den nek reikten bijna tot op de knie&euml;n; ook op den kop groeiden zachte haren
+van &eacute;&eacute;n Meter lengte. Boven het dichte wolhaar, dat den geheelen romp bedekte, verhieven zich borstels van 25 cM. lengte.
+De overblijfselen van dit dier werden voor een som van 8000 roebels aan het museum te Petersburg verkocht, waar het skelet
+met de daaraan nog aanwezige pezen is opgesteld.
+
+</p>
+<p>&#8220;Sedert dien tijd zijn herhaaldelijk dergelijke in den grond vastgevroren dieren gevonden; nooit is het echter gelukt er &eacute;&eacute;n
+in zijn geheel voor bederf te bewaren. Een onder de leiding van <span class="smallcaps">F. Schmidt</span> uitgezonden expeditie kon tegen het einde van het tijdperk 1860&#8212;1870 weder eenige deelen van een Mammoet redden; bovendien
+verzamelde men eenige nog met de huid bedekte lichaamsdeelen van Neushoorndieren. Vooral een door <span class="smallcaps">Schrenk</span> ontdekte kop van <i>Rhinoceros Merckii</i> is goed bewaard gebleven en levert het bewijs, dat de huid met een rood gevlekte vacht bekleed was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Over het algemeen is de Mammoet nauw verwant aan den Indischen Olifant; hij onderscheidt zich echter van dezen, behalve door
+zijn grootte en beharing door de veel talrijkere en smallere emailplaten van de kiezen en door de reusachtige, zeer sterk
+naar boven en buiten gekromde stoottanden.&#8221; Deze zijn soms ruim 4 M. lang en 125 K.G. zwaar.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zooals reeds gezegd werd, meende men aanvankelijk, dat de Mammoet in een heet klimaat geleefd zou hebben, omdat hij nauw
+verwant is aan den Olifant. Toen men hem echter in zoo grooten getale in Siberi&euml; aantrof en de daar in het ijs bedolven exemplaren
+ontdekte, zocht men den volgenden uitweg: men nam aan, dat door geweldige, van &#8217;t zuiden naar &#8217;t noorden zich uitstrekkende
+watervloeden, misschien wel door den zondvloed van <span class="smallcaps">Noach</span>, tallooze overblijfselen van tropische dieren naar de Noordpool-gewesten gespoeld zouden zijn. Weldra echter zag men de onmogelijkheid
+van dit vermoeden in en nam zijn toevlucht tot de even onjuiste veronderstelling van een zeer plotseling ingetreden omkeering
+van het klimaat. Zoomin voor de eene als voor de andere meening is eenige grond aan te voeren. De Mammoet was door zijn dichte
+vacht tegen de koude beschut; dat hij ook werkelijk in koude gewesten leefde, blijkt uit de overblijfselen van voedsel, die
+men in de maag en tusschen de tanden van den Mammoet (en den Rhinoceros) gevonden heeft; daar deze hoofdzakelijk bestaan uit
+twijgen en spruiten van naaldboomen gelijk aan die, welke thans nog in Siberi&euml; groeien. <i>Elephas primigenius</i> is dus de Olifant van de noordelijke gewesten, die zijn hoofdzetel had in Siberi&euml; en Noord-Europa; in Midden-Europa ontmoette
+hij den zuidelijken vorm <i>Elephas meridionalis</i> en ook den <i>Elephas antiquus</i>, die zeer veel overeenkomst had met den Afrikaanschen Olifant.
+
+</p>
+<p>&#8220;Behalve de drie genoemde, over een groot gebied verbreide soorten komen in Europa nog overblijfselen voor van eenige andere
+vertegenwoordigers van hetzelfde geslacht, die, hoewel zij een kleiner gebied bewoonden, toch van groot belang zijn. In de
+eerste plaats moet de echte <span class="letterspaced">Afrikaansche Olifant</span> genoemd worden, waarvan in de beenderenholen van Sicili&euml; en in Spanje in de omstreken van Madrid fossielen gevonden zijn,
+welk feit van belang is als steun voor de stelling, dat Europa vroeger op verschillende plaatsen met Afrika verbonden was.
+Het opmerkelijkst echter zijn de zeer talrijke overblijfselen van een zeer nauw aan den Afrikaanschen Olifant verwanten vorm,
+die men op het eiland Malta gevonden heeft. Alle zooeven bedoelde fossiele soorten zijn echter aanmerkelijk kleiner dan de
+hedendaagsche: de grootste (<i>Elephas mnaidriensis</i>) bereikt gemiddeld geen grootere hoogte dan 2 M., <i>Elephas melitensis</i> is zelfs aanmerkelijk kleiner en <i>Elephas Folconeri</i> is een zeer kleine dwergvorm, welks grootste exemplaren nog geen Meter hoog waren en dus niet grooter waren dan een kalf.
+Uit de aanwezigheid van groote Zoogdieren op Malta blijkt in allen gevalle, dat dit tamelijk kleine en schaars met planten
+begroeide eiland eens deel uitmaakte van een groot vasteland. Van het ontstaan van een Dwerg-olifant, waarnevens nog een Dwerg-nijlpaard
+voorkomt, geeft men de volgende (niet onmogelijke) verklaring: Toen Malta een eiland werd en de plantenwereld daar niet meer
+voldoende was voor het voeden van groote soorten, verkregen de de Olifanten en Nijlpaarden hier kleinere afmetingen.&#8221;
+
+</p>
+<p>&#8220;Voor het verdwijnen van de groote diluviale Zoogdieren <a id="d0e940"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e940">378</a>]</span>heeft men ondanks alle hiervoor in &#8217;t werk gestelde pogingen, nog geen verklaring kunnen vinden.&#8221;
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Onze Olifanten (<i>Elephas</i>)&#8212;de eenige thans nog levende vertegenwoordigers van de gelijknamige familie (<i>Elephantidae</i>)&#8212;zijn gekenmerkt door de lange beweeglijke slurf en door het gebit, vooral door de slagtanden, die als sterk ontwikkelde
+snijtanden beschouwd worden. De romp is kort en dik, de hals zeer kort, de kop rond en door de aanwezigheid van holten in
+de bovenste schedelbeenderen gezwollen; de tamelijk hooge, zuilvormige pooten hebben vijf met elkander verbonden teenen en
+vlakke hoornachtige zolen.
+
+</p>
+<p>Het merkwaardigste lichaamsdeel van den Olifant is de slurf, een verlengde neus, die zich door lenigheid, gevoeligheid en
+bovenal door een vingervormig uitsteeksel aan zijn uiteinde onderscheidt. Zij dient zoowel voor &#8217;t ruiken, als voor het tasten
+en het grijpen. De ringvormige en overlangsche spieren die haar samenstellen, bestaan volgens <span class="smallcaps">Cuvier</span> uit ongeveer 40000 afzonderlijke bundels en stellen haar in staat zich in alle richtingen te wenden, zich te verkorten en
+te verlengen. De ontbrekende bovenlip wordt vervangen door de slurf. Zonder dit orgaan zou de Olifant niet kunnen leven.
+
+</p>
+<p>Alle overige lichaamsdeelen en zelfs de zintuigen van den Olifant zijn minder opmerkelijk. De oogen zijn klein en hebben een
+onnoozele, maar goedaardige uitdrukking, de oorschelpen daarentegen zijn zeer groot en gelijken op lappen leder. De voor-
+en achtervoeten zijn zeer kort. De teenen zijn zoo innig omgeven door een gemeenschappelijke huid, dat zij zich niet ten opzichte
+van elkander kunnen bewegen. Zij zijn voorzien van hoeven, die wel is waar klein zijn, daar zij slechts de spits van den teen
+omhullen, maar tevens stevig, breed en plat. Boven de met een dikke huid bedekte, min of meer cirkelvormige zool van elken
+poot, aan welker voorrand de hoeven zichtbaar zijn en op welker achterrand de voetwortel rust, bevindt zich een kraakbeenige
+plaat, een vetkussen en eindelijk de sterk bovenwaarts gewelfde, korte middelvoet (of middelhand). De zachte stap van de op
+zuilen gelijkende pooten, die zulk een kolossaal lichaam dragen, is een gevolg van deze eigenaardige samenstelling van den
+voet.
+
+</p>
+<p>Zeer merkwaardig is het gebit. In de bovenkaak draagt de Olifant twee buitengewoon sterk ontwikkelde slagtanden; overigens
+heeft hij geen snijtanden, ook geen <span id="d0e961" class="corr" title="Bron: hoektanten">hoektanden</span> en gewoonlijk slechts <span class="smallcaps">&eacute;&eacute;n</span> kolossale kies in elke kaakhelft. Deze kies bestaat uit een vrij groot aantal (3 &agrave; 27) dwars gerichte platen, ieder bestaande
+uit tandbeen, omgeven door een laag email, die zich op de door afslijting gevormde, platte, kauwvlakte voordoet als een richel
+met eenigszins geplooiden rand, die zeer langwerpig elliptisch is (Mammoet en Indische Olifant) of ruitvormig (Afrikaansche
+Olifant). Deze &#8220;dwarsjukken&#8221; worden vereenigd door het daartusschen liggend cement, dat ook de zijvlakken van de geheele kies
+bedekt. Als de kies door het kauwen zoover afgesleten is, dat zij haar dienst niet meer voldoende kan verrichten, vormt zich
+achter haar een nieuwe kies, die, langzamerhand aangroeiend, verder naar voren dringt en geruimen tijd v&oacute;&oacute;r het uitvallen
+van het laatste overblijfsel van de vorige kies dienst begint te doen. Men heeft waargenomen, dat deze tandwisseling zes malen
+achtereenvolgens plaats heeft, zoodat alles bijeengenomen elke kaakhelft zes kiezen bezit, die de eene na de andere in gebruik
+genomen worden, zoodat er nooit meer dan twee te gelijk in functie zijn. De drie eerstverschijnende kiezen van elk zestal
+worden gerekend tot het melkgebit te behooren. Bij den Indischen Olifant komt de eerste melkkies in de derde levensmaand voor
+den dag, vertoont 3 dwarsjukken en valt in het tweede levensjaar uit. De tweede melkkies heeft 8 dwarsjukken en valt in het
+vijfde of zesde jaar uit, de derde met 12 dwarsjukken in het negende jaar. Van de eerste ware kies, die dan natuurlijk al
+reeds sedert eenigen tijd in functie is met een deel van hare dwarsjukken, zijn deze in het 15e jaar in vollen getale (12
+&agrave; 14) aan de kauwvlakte zichtbaar; zij valt uit, als het dier 20 &agrave; 25 jaar oud is. Op nog lateren leeftijd vertoonen zich
+achtereenvolgens de tweede en de derde ware kies; gene heeft 16 &agrave; 18, deze 24 &agrave; 27 dwarsjukken. Het aantal wortels van de
+kies staat in verband met het aantal dwarsjukken. Bij jonge tanden zijn de wortels kort en met een wijde opening voorzien;
+later ontwikkelen zich vooral aan de achterste helft van de kies tamelijk lange, met cement bedekte wortels, die gedeeltelijk
+met elkander vergroeien. De slagtanden hebben voortdurend open wortels en groeien dus steeds aan; zij kunnen bij den Afrikaanschen
+Olifant een lengte van 2&frac12; M. en een gewicht van 90 KG. bereiken. Met uitzondering van een dun laagje cement, dat het diep
+in de tandkas verborgen deel van deze tanden bedekt, en van een (bij zeer jonge tanden aan de spits aanwezig) zeer spoedig
+afslijtend emailkapje, bestaat de geheele slagtand uit tandbeen; deze stof is het dus, die als &#8220;ivoor&#8221; dienst doet.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Indische</span> of <span class="letterspaced">Aziatische Olifant</span> (<i>Elephas asiaticus, E. indicus</i>), dien wij als type van zijn geslacht en van zijn familie plegen te beschouwen, is een kolossaal, plomp, sterk gespierd dier
+met zwaren, aan het voorhoofd zeer breeden kop, korten hals, reusachtigen romp en zuilvormige pooten. Zijn kop, die bijna
+loodrecht gehouden wordt, draagt er veel toe bij om den overweldigenden indruk die het reusachtige dier op den toeschouwer
+maakt, te verhoogen. Het voorhoofd is plat of zelfs een weinig uitgehold.&#8212;De huid is in bepaalde richtingen fijn geplooid,
+in andere, die de plooien meestal kruisen, gegroefd; hierdoor ontstaat aan haar oppervlakte een eigenaardige, netvormige teekening;
+alleen aan de borst verdikken deze plooien zich tot losse, beweegbare, kwabvormige opzwellingen. Wegens dit netwerk van plooien
+valt het bijna volslagen gemis van beharing minder in &#8217;t oog. Het haarkleed bepaalt zich over &#8217;t grootste deel van &#8217;t lichaam
+tot zeer verspreid staande borstels, die een weinig dichter bijeengeplaatst zijn rondom de oogen, aan de lippen, aan de onderkaak,
+op de kin en op &#8217;t achterste deel van de rug; de staart echter is aan zijn spits overvloedig met haar voorzien; dit vormt
+hier een platte, dunne kwast. De haren hebben een bruine of zwarte kleur, behalve op de lippen, waar zij witachtig zijn; de
+huid zelve is vaalgrijs, behalve aan de slurf, het onderste deel van den hals, de borst en den buik, die een vleeschkleurige
+tint vertoonen en dicht bezet zijn met rondachtige, donkere vlekken.&#8212;Gewoonlijk komen aan de achtervoeten slechts vier hoeven
+tot ontwikkeling (daar de &eacute;&eacute;nledige binnenteen de hoef mist); terwijl de voorvoeten er vijf hebben.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1379.jpg" alt="Aziatische Olifant (Elephas asiaticus)." width="498" height="720"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Aziatische Olifant</span> (<i>Elephas asiaticus</i>).
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De afmetingen van den Olifant worden in den regel overschat en dikwijls onjuist bepaald. Bij de grootste mannetjes bedraagt
+de totale lengte, van de spits van de slurf tot aan de spits van den staart, bijna 7 M., <a id="d0e992"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e992">380</a>]</span>waarvan ongeveer 2 M. voor de slurf en hoogstens 1.5 M. voor den staart gerekend moeten worden; de schouderhoogte bedraagt
+hoogstens 3 M. Waarschijnlijk treft men niet veel exemplaren aan, die grooter zijn. <span class="smallcaps">Sanderson</span> (wiens getuigenis ongetwijfeld veel gewicht in de schaal legt, daar hij gedurende een half menschenleven met het bestuur
+van de Olifanten-vangst in Engelsch Indi&euml; belast was) heeft van honderden van Olifanten de grootste gemeten en de schouderhoogte
+bepaald: bij de twee meest ontwikkelde mannetjes bedroeg zij 3 M. en 2.95 M. en bij de twee kolossaalste wijfjes 2.57 M. en
+2.52 M. Het gewicht van de zwaarste dieren is waarschijnlijk 4000 KG., misschien ook iets meer.
+
+</p>
+<p>De Indi&euml;rs, die buiten kijf de beste Olifanten-kenners zijn, onderscheiden naar de gestalte en de hiervan afhangende geschiktheid
+om te werken, bij deze dieren drie slagen, die zij <span class="letterspaced">Koemiria, Dwasala</span> en <span class="letterspaced">Mi&euml;rga</span> noemen. De Koemiria is de volkomenste Olifant, zwaar en evenredig gebouwd, met ruime borst, krachtigen kop en romp, met een
+rechten, platten, naar achteren afhellenden rug. Zijn oog is open, helder en innemend. Zoowel naar het lichaam als naar den
+geest is hij een edel dier, betrouwbaar en onversaagd, majestueus en afgemeten in zijne bewegingen, als &#8217;t ware geschapen
+voor een vertooning van koninklijke waardigheid. Een tegenstelling met hem vormt de Mi&euml;rga: deze is licht en minder schoon
+gebouwd, langpootig, kleinkoppig, met varkensoogen, krom en steil van rug, engborstig en dikbuikig, met zwakke, slappe slurf
+en dunne, gemakkelijk kwetsbare huid. Tusschen het edelste en het onedelste slag houdt de Dwasala het midden; deze is tevens
+het talrijkst vertegenwoordigd. De drie genoemde, zoo verschillende slagen, zijn niet door den mensen gefokt; men vindt ze
+bij een en dezelfde kudde; zij staan dus, naar wij mogen veronderstellen, tot elkander in een nauwen graad van bloedverwantschap.
+
+</p>
+<p>Lichtkleurige Olifanten&#8212;zelfs zulke, die lichtkleurige vlekken hebben&#8212;, zoogenaamde <span class="letterspaced">Witte Olifanten</span>, komen zeer zelden voor. In Siam, waar albino&#8217;s van allerlei dieren hoog geschat worden, omdat men meent, dat zij gezagvoerders
+zijn over hunne soortgenooten, waar de Witte Olifant als het machtigste van alle dieren voor heilig wordt gehouden, en &eacute;&eacute;n
+der vele titels van den koning daarom &#8220;heer van den Witten Olifant&#8221; beteekent, moet men zich, naar het schijnt, bij het zoeken
+naar witte Olifanten tevreden stellen met exemplaren, welker kleur slechts weinig lichter is dan de gewone; een echte albino
+is daar nog niet voorgekomen.
+
+</p>
+<p>In Indi&euml; is de Olifant op 25-jarigen leeftijd volwassen, hoewel nog niet in &#8217;t bezit van zijn volle kracht, die hij eerst
+op ongeveer 35-jarigen ouderdom heeft. Het mannetje is ongeveer in het 20e jaar voor de voortplanting geschikt. De wijfjes
+brengen hun eerste jong ter wereld als zij 16 jaar oud zijn, de volgende jongen met tusschenpoozingen van gemiddeld 2&frac12; jaar.
+De pas geboren Olifanten hebben een schouderhoogte van ongeveer 90 cM. en op den tweeden dag gemiddeld een gewicht van 90
+K.G.; gedurende 6 maanden gebruiken zij geen ander voedsel dan de moedermelk; dan beginnen zij langzamerhand een weinig malsch
+gras te eten, hoewel zij zich nog eenige maanden lang hoofdzakelijk met melk voeden. Van den beginne af zien zij er minder
+plomp uit dan andere jonge dieren er is zelfs reden om ze lief en grappig te noemen; gedurende den eersten tijd van hun leven
+houden zij zich bij voorkeur onder den romp en tusschen de pooten van hun moeder op, en verlaten deze veilige plaats ook dan
+niet als het oude dier sneller begint te loopen. Naar het schijnt, staan zij gedurende verscheidene jaren, althans tot aan
+de geboorte van een volgend jong, onder de hoede van de ouders.
+
+</p>
+<p>De Aziatische Olifant is inheemsch in de meeste, boschrijke gewesten van zuidoost Azi&euml;, in V&oacute;&oacute;r-Indi&euml; van den voet van den
+Himalaja tot aan de zuidspits, verder in Assam, Birma, Siam, op het Maleische Schiereiland, en voorts in afnemend aantal op
+de twee naastbij gelegene groote eilanden Ceylon en Sumatra. (De op Borneo levende Olifanten zijn alle van Sumatra afkomstig.)
+Volgens <span class="smallcaps">Temminck</span> en <span class="smallcaps">Schlegel</span> vormen de op Ceylon en Sumatra inheemsche Olifanten een afzonderlijke soort, die onder den naam <i>Elephas sumatranus</i> door hen beschreven werd, maar slechts onbelangrijk van den Indischen Olifant verschilt. Deze, hoewel in vele gewesten reeds
+uitgeroeid, of althans zeer in aantal verminderd, bewoont binnen het zoo even genoemde verbreidingsgebied alle groote en samenhangende
+wouden, het gebergte zoowel als de vlakte.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Afrikaansche Olifant</span> (<i>Elephas africanus</i>) overtreft den Indischen in grootte; zijn gedaante is over &#8217;t algemeen minder fraai; het is echter te verwachten, dat men
+ook bij deze soort, evenals bij de vorige, na nauwkeuriger onderzoek &#8220;slagen&#8221; zal leeren kennen, die door uitwendige eigenschappen
+verschillen. Zijn romp is korter, maar staat hooger op de pooten dan bij zijn stamgenoot, van wien hij zich bovendien nog
+duidelijk onderscheidt door den platteren kop met meer gewelfd voorhoofd, dunnere slurf, grootere slagtanden en veel grootere
+ooren, door de meer gewelfde ruglijn, smallere borst en leelijker pooten. Aan de voorpooten heeft hij vier, aan de achterpooten
+drie hoeven, ofschoon het aantal teenen voor en achter vijf bedraagt.&#8212;De plooien en groeven van de huid vormen een grover
+netwerk dan bij den Indischen Olifant. Met uitzondering van een weinig beteekenende haarlijst op den nek en tusschen de schouders,
+eenige wijd vaneen geplaatste, soms wel 15 cM. lange, zwartbruine haren, die van de borst en den buik afhangen en enkele borstels
+om de oogen en aan de onderlip, ontbreekt de beharing geheel. De blauwachtig grijze, leikleurige huid is gewoonlijk met vuil
+en stof bedekt en hierdoor vaalbruin.
+
+</p>
+<p>Bij een door <span class="smallcaps">Kirk</span> aan de oevers van de Zambesi gedooden, mannelijken Olifant bedroeg de afstand van den spits van de snuit tot aan de kruin
+2.75 M, de lengte van de gebogen lijn, die dit punt met den aanvang van den staart verbindt, was 4.2 M., de staart had een
+lengte van 1.3 M.; de totale lengte bedroeg dus ruim 8 M. bij een schouderhoogte van 3.14 M. En toch had dit dier nog geen
+hoogen leeftijd bereikt, daar iedere slagtand slechts 15 KG. zwaar was.
+
+</p>
+<p>Het verbreidingsgebied van den Afrikaansche Olifant is in deze eeuw, vooral van &#8217;t zuiden af, aanmerkelijk ingekrompen en
+strekt zich tegenwoordig uit van den breedtegraad van het Tsad-meer in het noorden tot aan dien van het Ngami-meer in het
+zuiden. Nauwkeurig kunnen de grenzen van dit gebied niet aangegeven worden, omdat Olifanten groote reizen ondernemen, zelfs
+van tijd tot tijd van woonplaats veranderen, zoodat zij in sommige gewesten gedurende vele jaren en tientallen van jaren niet
+waargenomen worden, in andere onverwachts verschijnen.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Beide soorten van Olifanten, zoowel de Afrikaansche als de Indische, waren aan de ouden wel bekend. <a id="d0e1044"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1044">381</a>]</span>Reeds de oude Ethiopi&euml;rs dreven een levendigen handel in ivoor, welks Grieksche naam (<i>elephas</i>) later tot dien van den Olifant werd, en reeds bij <span class="smallcaps">Herodotus</span> in deze beteekenis voorkomt. <span class="smallcaps">Ktesias</span>, de lijfarts van <span class="smallcaps">Artaxerxes</span> <span class="letterspaced">Mnemon</span> was de eerste, die een Olifant volgens eigen waarnemingen beschreef. Hij zag dit dier levend te Babylon, waar het waarschijnlijk
+uit Indi&euml; was gebracht. Hij was de eerste, die het sprookje verbreidde, dat de olifant geen gewrichten in de pooten heeft,
+niet kan gaan liggen en hierom staande slapen moet. Ieder die een Olifant kunstjes ziet verrichten, weet wel beter. Wel is
+waar legt onze reus zich niet altijd neder om te slapen; hij doet dit echter wel degelijk als hij zijn gemak wil nemen; het
+gaan liggen en het opstaan kosten hem even weinig moeite als iedere andere beweging. <span class="smallcaps">Darius</span> is de eerste veldheer, waarvan de geschiedenis melding maakt, die Olifanten in den oorlog gebruikte, o.a. toen hij <span class="smallcaps">Alexander</span> <span class="letterspaced">den Grooten</span> bestreed. Eenige van de door <span class="smallcaps">Alexander</span> buit gemaakte Olifanten kreeg <span class="smallcaps">Aristoteles</span> te zien, die een vrij nauwkeurige beschrijving van deze diersoort gaf. Na dien tijd wordt van haar dikwijls melding gemaakt.
+Bijna driehonderd jaar achtereen speelde zij een rol in de eindelooze oorlogen, die gevoerd werden, voordat de Romeinen er
+in slaagden de wereldheerschappij te verwerven. De Olifanten werden zelfs naar Europa overgebracht en in de Italiaansche veldtochten
+gebruikt; dit geschiedde niet alleen met de Indische, maar ook met de Afrikaansche soort<span id="d0e1076" class="corr" title="Bron: ">.</span> Deze, die men in lateren tijd wel eens voor ontembaar heeft gehouden, werd door de Carthagers uitmuntend voor den oorlog
+afgericht en bewees haren meesters belangrijke diensten.
+
+</p>
+<p>De Romeinen maakten van de Olifanten hoofdzakelijk gebruik in hunne kampspelen; aan hen is het te wijten, dat deze dieren
+in de gewesten ten noorden van den Atlas uitgeroeid zijn. Hoe goed de Afrikaansche Olifanten gedresseerd werden, blijkt uit
+de mededeeling, dat zij letters met een griffel konden schrijven, op een gespannen koord liepen, met hun vieren op een zolder
+een vijfden droegen, die ziek heette te zijn, op de maat dansten, aan een prachtigen disch, met gouden en zilveren gereedschap
+voorzien, volgens de regels der etikette dineerden enz.
+
+</p>
+<p>In de hierboven genoemde landen vindt men de Olifanten in ieder eenigszins omvangrijk woud. Hoe meer water het bevat en hoe
+meer het de kenmerken van een oerwoud draagt, des te veelvuldiger komen zij er voor. Men moet echter niet meenen, dat alleen
+zulke wouden den Olifant tot woonplaats dienen. Uit zorgvuldige onderzoekingen is de onjuistheid gebleken van de bewering,
+dat dit reusachtige dier niet van koele en hooggelegen oorden houdt. Op Ceylon bewoont hij juist bij voorkeur heuvel- en bergachtige
+gewesten. In Uvah vond <span class="smallcaps">Tennent</span> nog kudden van Olifanten op plaatsen, die 2400 M. boven den zeespiegel gelegen zijn. Geen hoogte is hun te luchtig of te
+koud, wanneer er maar overvloed van water te vinden is. De Olifant vermijdt het zonlicht zooveel mogelijk, brengt den dag
+in het duistere woud door en maakt van den koelen, donkeren nacht gebruik voor zijne zwerftochten.&#8212;Van den Afrikaanschen Olifant
+valt iets dergelijks op te merken. In de Bogoslanden heb ik zijn drek nog gevonden op een hoogte van 2000 M<span id="d0e1086" class="corr" title="Bron: ">.</span>, en tevens vernomen, dat hij in de naburige gebergten, op een hoogte van 3000 M. boven den zeespiegel, nog geregeld voorkomt.
+Op dezelfde hoogte vond <span class="smallcaps">Von der Decken</span> sporen van de aanwezigheid van Olifanten op den Kilima-ndsjaro; na hem vond <span class="smallcaps">Hans Meijer</span> ze op een hoogte van 4000 M. Ook van getemde exemplaren wordt bericht, dat zij bij &#8217;t bestijgen van hooge bergen van groote
+behendigheid en van onvermoeide volharding blijken geven.
+
+</p>
+<p>Hoe veelvuldig de Olifanten in het binnenland van Afrika ook zijn, toch is het soms moeilijk de plaats te vinden, waar zij
+zich op een gegeven oogenblik ophouden, daar zij een zwervend leven leiden. Bij zulke veranderingen van verblijfplaats volgen
+zij in den regel bepaalde paden of banen nieuwe wegen, zonder zich er om te bekommeren of deze door wouden of door moerassen,
+over steile hoogten of door nauwe ravijnen leiden. Voor hen levert de bodem naar &#8217;t schijnt, geenerlei hinderpalen op: zij
+zwemmen door stroomen en meren, dringen zonder bezwaar door het dichtste oerwoud heen, maken op den vasten grond dikwijls
+echte straten, omdat zij hunne tochten gezellig ondernemen en bovendien gewoon zijn in een lange rij achter elkander aan te
+loopen, zoodat zij dan een betrekkelijk smal spoor achterlaten. Meestal zijn de paden van de hoogte naar &#8217;t water gericht.
+
+</p>
+<p>Het voorste lid van de kudde gaat rustig door het oerwoud, onbekommerd over het kreupelhout, dat hij onder zijne breede voeten
+ineenstampt, <span id="d0e1099" class="corr" title="Bron: evenzeeron bekommerd">evenzeer onbekommerd</span> over de boomtakken, die hem in den weg komen; hij breekt ze eenvoudig met de slurf af en vreet ze grootendeels op, de houtige
+gedeelten achterlatend. In het gebergte leggen zij, evenals in het woud, paden aan; zij doen dit op zulk een vernuftige wijze,
+dat zelfs deskundigen, die hun arbeid nagaan, er verbaasd over zijn. Steeds zoeken de Olifanten de gunstigst gelegen bergpassen,
+die in den geheelen omtrek te vinden zijn, voor hunne wegen uit. Sommige van deze passen worden door hen zoo geregeld en sedert
+zoo langen tijd begaan, dat zij met hunne voeten zelfs harde gesteenten afgesleten, ja in den letterlijken zin van &#8217;t woord
+uitgeslepen hebben.
+
+</p>
+<p>De Olifant is trouwens slechts schijnbaar plomp van beweging, in werkelijkheid echter zeer behendig. Gewoonlijk beweegt hij
+zich voort met een bedaarden, gelijkmatigen pas, zooals het Kameel en de Giraffe, waarbij hij 4 &agrave; 6 KM. per uur aflegt; deze
+bedaarde gang kan echter zoo zeer versneld worden, dat het dier een afstand van wel 15 of 20 K.M. met een nagenoeg verdubbelde
+snelheid doorloopt. Meesterlijk heeft het kolossale Slurfdier er den slag van, zoo zachtjes door het woud te sluipen, dat
+men het in &#8217;t geheel niet hoort. &#8220;In &#8217;t eerst&#8221;, zegt <span class="letterspaced">Sir</span> <span class="smallcaps">Emerson Tennent</span> van den Aziatischen Olifant, &#8220;stuift de wilde kudde met luid gedruisch door het kreupelhout; weldra echter vermindert het
+geraas en hoort men in &#8217;t geheel niets meer, zoodat iemand, die hieraan niet gewoon is, zou kunnen meenen, dat de vluchtende
+reuzen op een korten afstand zijn blijven staan.&#8221;&#8212;Als de Olifant een steilte op zijn weg ontmoet, blijkt het, dat hij ook
+in &#8217;t klauteren ervaren is. Naar boven komt hij nog het gemakkelijkst: door de voorpooten in het handgewricht te buigen, komt
+het voorste gedeelte van &#8217;t lichaam lager te liggen en wordt het zwaartepunt dus naar voren verplaatst; met op deze wijze
+gebogen voorpooten en eenigszins achterwaarts gestrekte achterpooten bereikt het dier langzaam aan zijn doel. Bij het afdalen
+heeft het echter wegens zijn verbazend groot gewicht met grootere bezwaren te kampen. Op de gewone wijze voortgaande, zou
+de Olifant ongetwijfeld het evenwicht verliezen, naar voren omtuimelen en een val doen, die hem het leven zou kunnen kosten.
+Het voorzichtige dier vermijdt dit gevaar door aan den rand van den afgrond neer te knielen, zoodat zijn <a id="d0e1110"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1110">382</a>]</span>borst den bodem raakt, nu de voorpooten hoogst bedachtzaam vooruit te schuiven, totdat zij ergens een steunpunt hebben gevonden,
+en vervolgens de achterpooten bij te trekken; zoo komt de kolossus langzamerhand, glijdend, en schuivend, beneden. Het komt
+trouwens wel eens voor, dat de Olifant op zijne nachtelijke tochten een zwaren val doet. In het dal langs den bovenloop van
+den Mensa zag ik hiervan onmiskenbare sporen. Een talrijke kudde was bij een berghelling afgedaald om het dal over te steken
+en hier op een smallen weg geraakt, die door het regenwater op sommige plaatsen uitgespoeld was. Een van de Olifanten had
+de pooten gezet op een vooruitstekenden steenklomp, die, losrakend en naar beneden vallend, het dier zijn evenwicht deed verliezen,
+zoodat het in de diepte stortte. Het dier moet een geweldige buiteling gemaakt hebben, want het gras en de struiken waren
+tot op een afstand van ongeveer zestien meter en over een breedte, die met de lichaamslengte van een Olifant overeenkomt,
+neer gedrukt, afgebroken en gedeeltelijk zelfs ontworteld. Door een sterker en dichter boschje was de val van het dier gestuit,
+want vandaar leidde het spoor weer naar den hoofdweg. De val had dus geen ernstiger gevolgen gehad, dan misschien eenige pijn
+in de lenden.
+
+</p>
+<p>Dat de Olifant in &#8217;t zwemmen goed ervaren is, werd reeds opgemerkt; het schijnt hem een genot te zijn, zich te water te begeven
+en er in onder te duiken. Als hij het noodig acht, zwemt hij dwars door breede en snel stroomende rivieren; soms houdt hij
+het geheele lichaam onder den waterspiegel met uitzondering van de spits van de slurf. Dat deze ook voor het drinken dient,
+is bekend. De twee kanalen, die als voortzettingen van de beide afdeelingen der neusholte zich door de geheele slurf uitstrekken
+en door een uit bindweefsel en spiervezels bestaand verlengstuk van het kraakbeenig neusmiddelschot vaneengescheiden zijn
+hebben een vrij gelijkmatige wijdte tot dicht bij het midden van het tusschenkaaksbeen, hier kunnen zij vernauwd worden, zoodat
+de vloeistof, die in de slurf is opgezogen, niet verder kan doordringen. De vloeistof wordt uit de slurf geperst, b.v. in
+de mondholte, door de drukking van de lucht in de longen, die, omdat de luchtpijp nu tot aan de achterste neusopeningen opgeheven
+is, geen gevaar loopen, om bij het doorslikken van het vocht hiervan iets binnen te krijgen. Van het zich verslikken is dus
+in dit geval geen sprake.
+
+</p>
+<p>De slurf wordt door den Olifant nog voor velerlei andere doeleinden gebruikt. Daar zij zeer gevoelig is, wordt zij slechts
+bij uitzondering gebezigd om er mede te slaan of een mensch aan te vatten. Bij alle grove werkzaamheden of gevaarlijke verrichtingen
+wordt zij zorgvuldig gespaard en te dien einde zoo nauw mogelijk opgerold. Hoofdzakelijk dient zij voor het opnemen en naar
+den mond brengen van voedsel en water, alsook voor het speuren en tasten. Met dit werktuig breekt de Olifant takken af, ook
+wel dunne boompjes; om dikkere af te breken, drukt hij er met den voet tegen; voor &#8217;t verschuiven van lasten maakt hij ook
+wel gebruik van het onder de oogen gelegen deel van den kop, waar de snuit aanvangt. Als de Olifant in dienst van den mensch
+een zwaar voorwerp moet opheffen, neemt hij het hieraan bevestigde touw in den bek en legt het tevens over een van zijne slagtanden,
+ingeval hij deze heeft. Ook de slagtanden worden voor allerlei verrichtingen gebezigd, altijd echter, evenals de snuit, met
+groote voorzichtigheid en zeer zeker niet als hefboomen voor het voortrollen van steenblokken of voor het uit den grond woelen
+van boomwortels. Zij dienen den Olifant hoofdzakelijk als wapens om aan te vallen of zich te verdedigen, en worden in andere
+gevallen zooveel mogelijk gespaard, omdat zij betrekkelijk gemakkelijk breken.
+
+</p>
+<p>Alle hoogere vermogens van den Olifant zijn ge&euml;venredigd aan zijne reeds genoemde begaafdheden. Het gezicht schijnt niet bijzonder
+ontwikkeld te zijn; alle jagers zijn althans van oordeel, dat het gezichtsveld van het dier zeer beperkt is. Des te beter
+zijn de reuk en het gehoor ontwikkeld; ook de smaak en het gevoel zijn, gelijk men bij gevangen dieren kan waarnemen, betrekkelijk
+fijn. Hoe scherp het dier hoort, ondervinden alle olifantenjagers. Het geringste geluid is voldoende om de aandacht van den
+Olifant te trekken; het breken van een takje zou zijn gemoedsrust kunnen verstoren. De reukzin is voortreffelijk ontwikkeld
+en stelt het dier in staat om op buitengewoon grooten afstand de lucht van iets te krijgen; geen jager is in staat om boven
+den wind den Olifant voldoende te naderen. In de slurf heeft ook de tastzin haar hoofdzetel; vooral het vingervormig uitsteeksel
+van den top van dit werktuig wedijvert in fijnheid van gevoel met den geoefenden vinger van een blinde.
+
+</p>
+<p>De stem van den Olifant biedt veel verscheidenheid aan; de geluiden, waardoor hij zijne aandoeningen te kennen geeft zijn
+van velerlei aard. Welgevallen drukt hij uit door een zeer zacht gemurmel; vrees openbaart hij door een diep uit de borst
+komend gebulder, schrik door een kort en schril getrompet met de slurf; als hij woedend is, hoort men van hem een onafgebroken,
+zwaar en rommelend keelgeluid, bij het aanvallen daarentegen een gillend trompetgeluid: het trompetten moet men zich echter
+voorstellen als een schetterend gekrijsch.
+
+</p>
+<p>Elke Olifanten-kudde is een groote familie en omgekeerd iedere familie vormt een afzonderlijke kudde. Het aantal leden van
+zoo&#8217;n kudde kan zeer uiteenloopen: het kan van 10, 15, 20 stuks aangroeien tot eenige honderden. Enkele reizigers spreken
+van 400 en 500, ja zelfs van 800 Olifanten, die zij bijeen gezien hebben. Zoo verzekert <span class="smallcaps">Von Heuglin</span>, dat hij een troep van deze dieren heeft ontmoet, welker aantal volgens zijn schatting op minstens 500 begroot moest worden
+en evenzoo beweert <span class="letterspaced">Sir</span> <span class="smallcaps">Joh. Kirk</span> aan den Zambesi eens een kudde van 800 stuks te hebben aangetroffen. Tot zulke verbazend groote benden vereenigen zij zich
+echter ongetwijfeld slechts zelden; men kan in den regel aannemen, dat in deze gevallen verscheidene kudden zich bijeengevoegd
+hebben, die elkander bij een grooten tocht toevallig ontmoetten en gedurende korten tijd denzelfden weg volgen.
+
+</p>
+<p>Hoewel iedere kudde een eigen familie vormt, schijnen toch vreemde Olifanten, zooals jonge mannetjes en weggeloopen, getemde
+wijfjes, meestal zonder bezwaar opgenomen te worden; het is echter wel mogelijk, dat er velerlei uitzonderingen zijn. In allen
+gevallen is het niet juist te veronderstellen, dat de zoogenaamde &#8220;eenzame Olifanten&#8221; uitgestooten zijn en nergens opname
+hebben kunnen vinden. <span class="smallcaps">Sanderson</span> spreekt deze opvatting bepaaldelijk tegen. Volgens hem leiden de meeste van deze dieren, die vaker jonge dan oude mannetjes
+zijn, slechts schijnbaar een eenzaam leven, maar houden zij zich veeleer uit eigen verkiezing slechts tijdelijk een weinig
+verwijderd van hun kudde, welker bewegingen zij echter volgen. Een werkelijk eenzame Olifant, die niet meer met zijns gelijken
+samenleeft, komt zeer zelden voor, en is dan nog geenszins altijd een boosaardige klant, een &#8220;<span class="letterspaced">Rogue</span>&#8221;, zooals de Engelschen hem noemen (de <span class="letterspaced">Goenda</span> der Indi&euml;rs, <a id="d0e1142"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1142">383</a>]</span>de <span class="letterspaced">Hora</span> der Singalezen, ook wel <span class="letterspaced">Ronkedoor</span> genoemd in de bekende &#8220;Reis naar Ceylon&#8221; van <span class="smallcaps">Haafner</span>). Daarentegen ontwikkelen zij zich niet zelden tot doortrapte plunderaars van plantages, die niet zoo licht door de gewone
+middelen verjaagd kunnen worden. Sommige van deze eenloopende gezellen worden trouwens gevaarlijk voor den mensch, die hen
+bij toeval stoort of opzettelijk verrast, daar zij, evenals zoo vele andere weerbare dieren, min of meer onder den indruk
+van den eersten schrik, den mensch aanvallen in plaats van hem te ontwijken.
+
+</p>
+<p>De geestvermogens van den Olifant zijn dikwijls veel te hoog geschat, vooral door hen, die hem alleen in den getemden staat
+leerden kennen, maar niet in de vrije natuur nagegaan hebben. De meeste anecdoten over de schranderheid en het overleg van
+getemde Olifanten, die telkens weer hierbij tepas gebracht worden,&#8212;zooals die van den snijder, die een Olifant eens in plaats
+van de gewone lekkernijen een prik met een naald gaf, en die naderhand met het werk, dat hij onderhanden had, door het uit
+de rivier terugkeerende dier met een straal vuil water werd bespoten,&#8212;of die van den Olifant, die het wiel van een kanon ophief,
+om te verhoeden, dat het den van &#8217;t kanon gevallen soldaat overreed, en andere vertelsels meer&#8212;, zijn wel aardig verzonnen,
+maar niet werkelijk gebeurd. De in &#8217;t wild levende Olifant geeft stellig meer bewijzen van onnoozelheid dan van vernuft, en
+de gedresseerde, die schijnbaar uit eigen aandrift handelt, doet in werkelijkheid alleen, wat zijn geleider hem gelast. &#8220;Laten
+wij eens even nagaan,&#8221; schrijft <span class="smallcaps">Sanderson</span>, &#8220;of de wilde Olifant meer inzicht toont dan eenig ander dier. Hoewel hij in zijn slurf een lichaamsdeel bezit, dat hem voortreffelijk
+zou kunnen waarschuwen voor een op lompe wijze aangelegden, met een laag takken en twijgen bedekten valkuil, valt hij er toch
+geregeld in. Zijne metgezellen loopen vol schrik weg, hoewel het hun weinig moeite zou kosten hem uit den kuil te halen, als
+zij de aarde van den rand er in trapten. Als een jongen Olifant er in gevallen is, blijft wel is waar de moeder in zijn nabijheid,
+tot de jagers komen, maar het komt haar niet in de gedachten, haar jong op de een of andere wijze te helpen: zij denkt er
+niet eens aan, takken af te breken en in den kuil te werpen, opdat het gevangen kind den honger zal kunnen stillen. Maar z&oacute;&oacute;
+iets gelooft het publiek veel minder graag dan het verzinsel, dat de moeder haar jong op allerlei wijzen behulpzaam is, het
+gras toewerpt om het voedsel te verschaffen, water met haar slurf aanbrengt om het te laten drinken, of zoolang stokken en
+takken in den kuil werpt, totdat haar kind er uit kan komen. Voorts worden geheele kudden van Olifanten in gebrekkig gemaskeerde
+omheiningen gedreven, waarin geen ander wild dier zich zou laten jagen; zij worden &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n gevangen, doordat een paar
+mannen, die met tamme Olifanten naar hen toesluipen, hen de pooten samenbinden. Ontvluchte Olifanten worden op gelijke wijze,
+bijna zonder moeite, weder opgevangen; zelfs door de ervaring worden zij dus niet verstandiger. Zulke feiten zijn zeer zeker
+onvereenigbaar met de meening, dat de Olifanten buitengewoon verstandige dieren zijn, veel minder nog met de stelling, dat
+zij tot scherpzinnig nadenken in staat zouden zijn. Ik geloof niet, dat ik den Olifant onrecht aandoe, wanneer ik beweer,
+dat hij in vele opzichten dom is; bovendien kan ik de stellige verzekering geven, dat de mij bekende verhalen over zijne handelingen
+voorzoover zij niet op staaltjes van spierkracht en, leerzaamheid neerkomen, die hij onder de aansporing van zijn geleider
+vertoont, niets anders zijn dan op effect berekende verzinsels, gegrond op een te hoog denkbeeld van de geestesgaven van den
+Olifant.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij stappen nu van het verstand van den Olifant af, om zijn gemoedsstemming gedurende de gevangenschap na te gaan. Ik vertrouw,
+dat ieder, die met Olifanten te maken heeft gehad, met mij zal instemmen, wanneer ik zeg, dat hunne goede eigenschappen bijna
+niet hoog genoeg geschat kunnen worden en dat slechte bij hen steeds een uitzondering zijn. De beste eigenschappen van den
+Olifant zijn gehoorzaamheid, zachtmoedigheid en geduld. In deze opzichten wordt hij door geen enkel huisdier overtroffen.
+Zelfs in een zeer onaangenamen toestand&#8212;b.v., als hij de blakerende zon dulden of pijnlijke heelkundige bewerkingen ondergaan
+moet,&#8212;toont hij zelden eenige prikkelbaarheid. Hij weigert nooit iets te doen, wanneer hij op de juiste wijze bestuurd wordt&#8212;tenzij
+het iets is, waarvoor hij vrees koestert. De Olifant, de wilde zoowel als de tamme, is buitengewoon vreesachtig; zijn vrees
+wordt door ieder eenigszins vreemdsoortig verschijnsel zeer licht opgewekt. Toch hebben vele van deze dieren een goeden aanleg
+tot moed, die alleen maar op een behoorlijke wijze ontwikkeld behoeft te worden, zooals blijkt uit het gedrag van sommige
+Olifanten bij de tijgerjacht.&#8221;
+
+</p>
+<p>Van vreesachtigheid geven de wilde Olifanten blijken bij al wat zij ondernemen: hetzij zij voedsel zoeken, of uitgaan om zout
+te likken (waarvan zij groote liefhebbers zijn), of om te drinken of om te baden, altijd bewegen zij zich met de grootst mogelijke
+voorzichtigheid, maar geven zich dan ook, nadat zij zich van hun veiligheid overtuigd hebben, met des te grooter genot aan
+het genoegen van den maaltijd over. Zij breken spelenderwijs takken van de boomen af, waaien zich hiermede koelte toe, verdrijven
+de hun zoo lastige Vliegen en verslinden de takken nu op hun gemak, na ze eenigszins ineengefrommeld te hebben. Hoewel het
+maal bedaard en zonder overhaasting gebruikt wordt, geschiedt dit toch niet altijd stil en zonder gedruisch te maken; integendeel
+het gaat, naar <span class="smallcaps">Von Heuglin</span> in het stroomgebied van den Boven-Nijl heeft opgemerkt, met een waarlijk helsch geraas gepaard. Het knikken van de twijgen,
+het kraken van de takken of stammen, die dikwijls met vereende krachten afgebroken worden, het kauwen, ademen, zich ontlasten,
+het dof gerommel van de lucht in de ingewanden, het plassen van de zware voeten door het moeras, het nat spuiten van het lichaam
+met de slurf, het klepperen met de kolossale ooren, die dikwijls als zonneschermen uitgebreid worden, het wrijven van het
+kolossale lichaam tegen dikke boomstammen en het gillend getrompet, dat intusschen van deze dieren gehoord wordt, dit alles
+te samen brengt een oorverdoovend geraas teweeg. Ge&euml;venredigd aan dit geraas is de elke beschrijving te boven gaande verwoesting,
+die een Olifanten-kudde in het woud aanricht. &#8220;Wat door <span id="d0e1165" class="corr" title="Bron: de de">de</span> kolossale voeten niet nedergetrapt wordt,&#8221; verhaalt onze zegsman, &#8220;wordt omgesmeten, de sterkste boom ontworteld, zijne takken
+afgebroken; het kreupelhout ligt verward door elkander op den grond alsof een razende wervelwind het had neergeworpen; stammen,
+die de stormen van meer dan een eeuw getrotseerd hebben, zijn als riethalmen geknapt.&#8221; (?) Takken van meer dan een arm dik
+worden door den Olifant zonder bezwaar verzwolgen. Zeer dikke takken schilt hij geheel of gedeeltelijk, waarna hij het hout
+laat liggen. In dorre <a id="d0e1168"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1168">384</a>]</span>steppen wroet hij ook in den bodem om saprijke wortels te verkrijgen.
+
+</p>
+<p>De Olifanten behooren ongelukkig eveneens tot de dieren, die hun ondergang tegemoet gaan. De vervolgingen, die zij te verduren
+hebben, zijn geen wraakoefeningen voor de door hen aangerichte schade; men maakt jacht op hen wegens het genoegen, dat deze
+jacht oplevert, en om het kostbare ivoor te verkrijgen. Van de vroegste tijden af is daarom een verdelgingskrijg tegen hen
+gevoerd. In Indi&euml; en op Ceylon worden zelfs tandelooze of korttandige mannetjes, ja zelfs de tandelooze wijfjes en jongen
+alleen ter wille van het jachtvermaak geschoten en misschien nog vaker in valkuilen gevangen, waarin zij bij het naar beneden
+storten dikwijls zoozeer gewond worden, dat zij voor dienstverrichtingen niet meer bruikbaar zijn. In Afrika, waar de dieren
+van beiderlei geslacht groote slagtanden hebben, maken zoowel de inboorlingen als de Europeesche beroepsjagers jacht op hen
+ter wille van het ivoor. Ongelukkig gaan ook zij hierbij niet altijd met omzichtigheid te werk, maar moorden soms doelloos.
+In het open veld, b.v. in Zuid-Afrika, waar men op een goed gedresseerd Paard zich op een willekeurigen afstand van den Olifant
+bewegen kan, gebruikt men bij deze jacht dikwijls het Engelsche militaire geweer en schiet het dier hiermede snel achtereenvolgens
+zooveel kogels in &#8217;t lijf, totdat hij ter aarde stort. Waar echter de Tsetse-vlieg het gebruik van Paarden onmogelijk maakt,
+en vooral in streken, die rijk zijn aan wouden, of waar veel struikgewas groeit, jaagt men te voet en maakt gebruik van zeer
+zware geweren met gladde loopen of van zware dubbelloops-buksen. Daar men zich in het dichtst van het woud tot in de onmiddellijke
+nabijheid van het wild begeeft, de meeste schoten op een afstand van minder dan 30 schreden en met een hiermede ge&euml;venredigde
+gewisheid op het kwetsbaarste lichaamsdeel lost&#8212;zoo mogelijk op een plek ter grootte van een hand tusschen het oog en het
+oor&#8212;, is wegens de zeer sterke lading niet zelden &eacute;&eacute;n kogel voldoende om den reusachtigsten Olifant neer te vellen.
+
+</p>
+<p>De vermoeienissen bij deze wijze van jagen zijn zoo groot, dat slechts de meest geharde mannen ze kunnen verduren; het gevaar
+voor den jager is echter niet zoo groot, als het wel schijnen kan. Het valt niet te ontkennen, dat de vertoornde Olifanten
+soms op hunne vervolgers aanvallen; enkele van deze hebben ook inderdaad onder de voeten van de reuzen van het woud hun laatsten
+adem uitgeblazen.&#8212;De werkelijk vertoornde Olifant maakt ook nog op andere wijze dan door zijn kolossale zwaarte, waaronder
+de bodem dreunt, een onvergetelijken indruk op den toeschouwer. Met ineengerolde slurf, de ooren een weinig opgeheven, den
+staart in een kring zwaaiend, schiet hij woest snuivend op zijn vijand toe; het voorste deel van zijn lichaam schijnt aan
+te groeien, het ziet er althans veel breeder en hooger uit, dan ooit te voren; aan het achterste deel van den romp worden
+de lange huidplooien door hun heen en weer slingerende beweging veel duidelijker zichtbaar; de reusachtige massa nadert snel
+en aanhoudend; het toornig snuiven wordt afgewisseld door een woedend gekrijsch, waarvan iemand, die aan zulke geluiden niet
+gewoon is, zich geen denkbeeld kan vormen. Wanneer in deze omstandigheden de van drift ziedende reus zijn tegenstander bereikt,
+is deze verloren, en is hij, meestal zonder eenige kans op redding, blootgesteld aan de billijke wraakoefening van den getergden
+planteneter.
+
+</p>
+<p>Het tijdstip, waarop de Indische Olifanten uitgeroeid zullen zijn, is vooreerst nog niet aangebroken. De betoogen van weldenkende
+ambtenaars hebben teweeggebracht, dat de inboorlingen van hunne zoovele dieren verminkende vangwijzen thans een minder ruim
+gebruik maken dan vroeger; hierdoor verheugt de in &#8217;t wild levende Olifant zich thans in een volledige vrijheid van beweging,
+zoowel in de West-Ghats als in de eindelooze dsjungels en wouden, die zich langs den voet van den Himalaja tot aan Birma en
+Siam uitstrekken. Het aantal dieren, dat ieder jaar op last en ten behoeve van de regeering gevangen wordt, is betrekkelijk
+zeer gering; er valt niet aan te twijfelen, dat de wildernissen, die men den Olifant en andere wilde dieren als woonplaats
+kan overlaten, tegenwoordig zoo talrijk met wild bevolkt zijn, als men maar wenschen kan.
+
+</p>
+<p>In Afrika oefenen de inboorlingen nu nog op dezelfde wreede en onmeedoogende wijze als voor onheugelijke tijden de jacht op
+den Olifant uit. In het westen van Afrika, in het Ogowe-gebied, vlechten de Negers de slingerplanten tot een soort van netwerk
+ineen, drijven dan de Olifanten naar de op deze wijze omheinde plaatsen van het woud en slingeren, als de dieren besluiteloos
+voor de dooreengewarde ranken blijven staan, honderden van lansen in het lichaam van de sterkste en grootste exemplaren, totdat
+deze ter aarde storten. Gebruikelijker is het echter bij dergelijke jachten in het woud, zulk een omheining in den vorm van
+een grooten halven cirkel aan te leggen en de Olifanten, die er toevallig in geraakt of er in gedreven zijn, zoo schielijk
+mogelijk met een haag te omgeven. Rondom deze worden dan wachten geplaatst en vuren aangestoken, om de dieren, die de omheining
+naderen, terug te schrikken. Hoewel het zelfs den kleinsten en zwaksten Olifant mogelijk zou zijn, om zonder groote inspanning
+door de weinig weerstand biedende omtuining heen te breken en aan de slecht gewapende inboorlingen te ontkomen, wagen de gevangen
+dieren het evenwel niet, de vlucht te nemen. Zij worden door de hen omringende jagers letterlijk uitgehongerd, aangeschoten,
+gespietst en in een toestand van doodelijke uitputting eindelijk om &#8217;t leven gebracht.
+
+</p>
+<p>Veel aantrekkelijker en menschelijker dan alle jachtmethoden, is de wijze waarop men de Olifanten levend vangt, om deze vagebonden
+te temmen, tot nuttige dienaren van den mensch op te leiden. De Indi&euml;rs zijn meesters in deze kunst. Onder hen bestaat een
+echt gilde van Olifanten-vangers, die Panikis heeten; zij volgen het spoor van den Olifant, zooals een goede Hond het spoor
+van een Hert herkent; sporen, die door Europeesche oogen niet opgemerkt worden, zijn voor hen als &#8217;t ware de met duidelijke
+aanwijzingen beschreven bladen met een voor hen verstaanbaar boek. Hun eenig wapen bestaat in een stevigen en rekbaren strik
+van herte- of buffelleer, dien zij, als zij onvergezeld op de vangst uitgaan, den door hen begeerden Olifant om den poot werpen.
+Met onhoorbare schreden volgen zij hem op den weg en wachten een gunstig oogenblik af, om hem te kluisteren; soms zelfs zien
+zij kans om hem, wanneer hij stil staat, den strik aan beide pooten te bevestigen. Hoe zij het aanleggen om ongemerkt het
+vreeschachtige dier te naderen, is en blijft een raadsel. Een Europeaan is, omdat hij den goeden uitslag van de onderneming
+zou verijdelen, niet in staat deze lieden op hunne jachttochten te volgen en moet zich tevreden stellen met wat hij er van
+hoort vertellen.
+
+</p>
+<p>Veel grootscher en winstgevender is een wijze van vangen, die geheele kudden aan de heerschappij van den mensch onderwerpt.
+Om deze in practijk te brengen, <a id="d0e1182"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1182">385</a>]</span>wacht men gewoonlijk het begin van het droge jaargetijde af, en trekt dan met eenige honderden geoefende inboorlingen en zooveel
+mogelijk tamme Olifanten naar een gewest, waar een talrijke kudde wilde Slurfdieren verblijf houdt. Deze kudde wordt in de
+eerste plaats door een 5 &agrave; 10 KM. langen keten van posten omgeven, die ieder met twee manschappen bezet en, al naar den aard
+van het terrein, op afstanden van 60 &agrave; 100 schreden van elkander verwijderd zijn. In den regel kan een op deze wijze omsingelde
+Olifantenkudde niet anders dan door groote onachtzaamheid van de schildwachten ontkomen. Binnen weinige uren hebben de manschappen
+in alle stilte een zwakke omheining van gespleten bamboe-stokken enz. langs den geheelen ring voltooid, en voor zich zelf
+van takken een soort van hutten gebouwd; des nachts worden vuren aangestoken. Heeft men een recht groot terrein omheind, dat
+rijk is aan voedsel en water, dan veroorzaken de Olifanten gewoonlijk slechts gedurende de eerste nachten eenige moeite; zij
+worden, telkens als zij de omheining naderen, door fakkels, schoten en geschreeuw teruggedreven. Deze soort van insluiting
+wordt gedurende 4 &agrave; 10 nachten volgehouden, d.i. zoolang, totdat een reeds vroeger begonnen, uit stevig paalwerk bestaande
+omheining, den &#8220;Khedda&#8221;, op een gunstig gelegen plek binnen het afgeperkte terrein voltooid is. De sterke, uit boomstammen
+en planken samengestelde, ongeveer 4 M. hooge wand, omsluit een kringvormige ruimte van 20 &agrave; 50 M. middellijn en laat een
+ongeveer 4 M. breeden ingang vrij, die door een zware valdeur gesloten kan worden, waarheen een gang leidt, die door twee
+tot op een afstand van 100 M. voortgezette, uit palen bestaande, uiteenwijkende vleugelwanden begrensd wordt. Zoodra deze
+getimmerten gereed zijn, wordt de kring om de omsingelde kudde vernauwd. De naastbij geplaatste wachtposten begeven zich naar
+de uiteinden van de beide vleugelwanden, de meer verwijderd staande dringen op de Olifanten aan, eerst langzaam en voorzichtig,
+daarna sneller; wanneer eindelijk de dieren tot aan de wijde opening van den Khedda genaderd zijn, wordt met groot geschreeuw
+en het afschieten van de geweren een algemeene storm ondernomen, die de dieren langs den weg tusschen de beide vleugelwanden
+en door de nauwe poort tot binnen in den Khedda drijft. De valdeur, die aan een touw hangt, dat nu doorgesneden wordt, valt
+krakend naar beneden,&#8212;de kudde is gevangen. Niet altijd loopt deze arbeid goed van stapel; soms bemerken de dieren gevaar,
+stormen op hunne belagers af, breken door den kring heen, moeten op nieuw omsingeld worden, of zijn in &#8217;t geheel niet meer
+tegen te houden. In den regel echter gelukt het, de eenmaal in een kring besloten kudde in de voor &#8217;t vangen bestemde ruimte
+te drijven en haar hierin te doen blijven, in weerwil van de onrustigheid der dieren en de pogingen, die zij af en toe aanwenden,
+om een bres te maken in de omheining. Als de eerste ontroering voorbij is, zendt men tamme Olifanten met hunne geleiders en
+de hun toegevoegde binders in den Khedda; deze maken zich achtereenvolgens &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n van de dieren meester, en brengen
+ze gekluisterd buiten de vangruimte in het omringende woud, waar zij aan boomen vastgelegd worden. <span class="smallcaps">Tennent</span> beschrijft de vangwijze, die op Ceylon in gebruik is, als volgt:
+
+</p>
+<p>&#8220;Buiten de vangruimte was alles gereed gemaakt om de tamme Olifanten, die helpen moeten bij het binden hunner wilde soortgenooten
+in de kraal&#8221; (zoo heet hier de Khedda) &#8220;te voeren. De strikken werden gereed gehouden; eindelijk trok men behoedzaam de boomstammen
+weg, die den ingang gesloten hielden, en liet twee tamme Olifanten zachtjes naar binnen gaan. Elk dier werd bereden door een
+kornak en zijn knecht. Elke Olifant had een stevigen halsband om, van welke naar weerszijden een riem van antilopenleder,
+met een strik voorzien, naar beneden hing. Ter zelfder tijd trad de aanvoerder van de binders naar binnen, en hield zich achter
+de tamme Olifanten verborgen; hij was verlangend voor zich de eer te verwerven den eersten Olifant te binden. Het was een
+vlug mannetje van ongeveer 70-jarigen leeftijd, die voor diensten bij de olifantenvangst bewezen, reeds twee zilveren kettingen
+als eereteekens verworven had. Zijn zoon, eveneens bekend door zijn moed en behendigheid, vergezelde hem.<span id="d0e1189" class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>
+
+</p>
+<p>&#8220;Een van de twee tamme Olifanten, die de kraal binnengingen, had een buitengewoon hoogen ouderdom bereikt. De andere, die
+<span class="letterspaced">Siribeddi</span> werd genoemd, was omstreeks vijftig jaar oud en onderscheidde zich door zijn zachtaardig en verstandig voorkomen. Zonder
+gedruisch te maken waren de vangers binnengekomen; langzaam met een sluwen blik, doch schijnbaar zonder zich om iets te bekommeren,
+drentelde <span class="letterspaced">Siribeddi</span> voort tot aan de plaats, waar de negen wilde Olifanten bijeenstonden, nu en dan staan blijvend om in het voorbijgaan een
+bosje gras of eenige bladen af te plukken. Toen hij dichter bij was gekomen, gingen de wilde Olifanten hem te gemoet, hun
+aanvoerder streek hem zachtjes met de slurf over den kop, keerde zich daarna om en begaf zich met langzame schreden weder
+naar zijne bedrukte metgezellen. <span class="letterspaced">Siribeddi</span> volgde hem op dezelfde onverschillige wijze en ging dicht achter hem staan, zoodat de oude man, onder hem doorkruipend, een
+strik om den achterpoot van den wilden Olifant kon schuiven. Deze bemerkte onmiddellijk het gevaar, waarin hij verkeerde,
+schudde den strik af, keerde zich om en viel op den ouden man aan. Deze zou zwaar hebben moeten boeten voor zijn vermetelheid,
+indien <span class="letterspaced">Siribeddi</span> hem niet met de slurf beschermd en den aanvaller naar het midden der kudde teruggedreven had. De oude man was licht gewond
+en verliet de kraal, terwijl zijn zoon <span class="smallcaps">Raughanie</span> hem verving. De kudde stond weer in een kring met de koppen naar het middelpunt gekeerd. De beide tamme Olifanten gingen
+onbeschroomd bij hen staan, en wel zoo, dat zij het grootste mannelijk exemplaar tusschen zich hadden. Dit bood geen weerstand,
+maar toonde zijn ongenoegen door voortdurend nu eens den eenen dan weer den anderen poot op te heffen. <span class="smallcaps">Raughanie</span> sloop nader en hield met beide handen den strik open, waarvan het andere uiteinde aan <span class="letterspaced">Siribeddi</span>&#8217;s halsband vastgemaakt was; hij wachtte het oogenblik af, waarop de wilde Olifant een van zijne achterpooten zou oplichten;
+eindelijk gelukte het hem den strik om dezen poot te werpen; hij trok hem aan en vluchtte toen achteruit. Oogenblikkelijk
+gingen de beide tamme Olifanten eveneens achterwaarts. <span class="letterspaced">Siribeddi</span> trok het touw aan en sleepte op deze wijze den gekluisterden reus uit den kring weg; de andere tamme Olifant plaatste zich
+terzelfder tijd tusschen <span class="letterspaced">Siribeddi</span> en de nog overige leden der kudde om hen te verhinderen zich in den strijd te mengen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Nu moest de gevangene nog aan een boom vastgemaakt en hiervoor 30 &agrave; 40 M. verder achteruit getrokken worden, en dit, terwijl
+hij woedend weerstand bood, voortdurend vreeselijk brulde, naar alle zijden heen sprong en de kleine boomen, die hem in den
+weg stonden, als riet vertrapte. <span class="letterspaced">Siribeddi</span> trok hem gestadig naar zich toe en sloeg eindelijk den riem dien hij voortdurend zoo strak mogelijk gespannen <a id="d0e1226"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1226">386</a>]</span>hield, om een hiervoor geschikten boom. Zich om den boom heen bewegend, stapte hij voorzichtig over den riem om dezen nogmaals
+om den stam te wikkelen, waarbij hij natuurlijk tusschen den boom en den Olifant door moest gaan. Hij kon dezen natuurlijk
+niet zoo vastbinden, dat er geen ruimte meer tusschen den stam en de gevangene overbleef. De tweede tamme Olifant kwam hem
+te hulp, en duwde den gevangene terug door zich schouder tegen schouder en kop tegen kop bij hem te plaatsen, terwijl <span class="letterspaced">Siribeddi</span> na elke achterwaartsche schrede van het wilde dier den slap geworden riem aantrok en z&oacute;&oacute; den afstand tusschen den boomstam
+en den olifantspoot verkortte, totdat beide met elkander in aanraking waren. De vanger maakte toen den riem vast en wierp
+een tweeden kluister om den anderen achterpoot, die op dezelfde wijze als de eerste en aan denzelfden boom bevestigd werd.
+Eindelijk werden nog de beide achterpooten met zachter banden aan elkander gehecht om de wonde en de zwelling, die de riemen
+zouden kunnen veroorzaken, indien de beweging van het dier niet eenigszins beperkt werd, minder gevaarlijk te maken. Nadat
+de beide tamme Olifanten zich nogmaals, als in den aanvang, naast den wilde hadden geplaatst, kon <span class="smallcaps">Raughanie</span>, onder hun lichaam doorgaande, ook de beide voorpooten van den gevangene kluisteren en aan een dichtbij, doch v&oacute;&oacute;r hem staanden
+boom bevestigen. Nu was zijn arbeid, wat dit dier betrof afgeloopen en verlieten de tamme Olifanten die steeds hunne kornaks
+droegen, het slachtoffer, om een ander lid van de kudde hetzelfde lot te doen ondergaan. Merkwaardig is het, dat de wilde
+Olifanten nimmer een poging doen, om de bestuurders van de tamme dieren aan te vallen en op den grond te werpen.&#8221; Zoodra de
+aanvankelijk min of meer weerspannige gevangenen eenigermate gewoon zijn geraakt aan den mensch en aan hunne tamme soortgenooten,
+worden zij overgebracht naar de plaats, waar men ze africht voor het werk, dat men van hen verlangt, b.v. het vervoeren van
+zware bouwmaterialen, balken of steenen.
+
+</p>
+<p>In tegenstelling met de Indi&euml;rs, welker wijze van Olifanten-vangst zooeven beschreven werd, gaan de Afrikaansche stammen op
+een merkwaardig ruwe en lompe wijze te werk ter bereiking van hetzelfde doel. De nomadische stammen van de steppen, die zich
+tusschen den Nijl en de Roode Zee uitstrekken, houden zich meer of minder geregeld met de vangst van Olifanten bezig; het
+middelpunt van den handel in deze dieren was sedert 1857 Kassala. <span class="smallcaps">Marno</span> die <span class="smallcaps">Casanova</span> op &eacute;&eacute;n van diens reizen naar Kassala begeleidde, bericht, dat de bewoners van de steppen jacht maken op jonge, nog zuigende
+Olifanten, en deze alleen kunnen vermeesteren, nadat zij hun moeder op de reeds vroeger beschreven wijze vervolgd en gedood
+hebben. Terwijl de koenste jagers met het oude dier bezig zijn, trachten andere zich meester te maken van het jong; zij werpen
+het strikken om het lijf, trekken het op den grond en kluisteren het aan alle vier pooten. Gekrabd en gekwetst, keeren de
+jagers van hun woesten rit door wildernissen van doornstruiken met den buit naar hun dorp terug, evenals de krom en lam gereden
+Paarden; beide hebben zij na zulk een jacht een langen rusttijd noodig. Volgens <span class="smallcaps">Marno</span> biedt de opvoeding van de Olifanten, zelfs van zeer jong gevangen exemplaren, groote moeilijkheden aan, zoowel door hun weerspannigheid
+gedurende en na de vangst, als door de bezwaren verbonden aan hun voeding en hun vervoer.
+
+</p>
+<p>In de Europeesche dierentuinen kan de Afrikaansche Olifant even goed in &#8217;t leven gehouden worden als de Aziatische, zelfs
+wanneer er weinig gedaan wordt tot bevrediging van zijne natuurlijke behoeften: dikwijls mist hij een groote ruimte voor vrije
+beweging of een badvijver van voldoende diepte en wijdte. Om de nadeelige gevolgen van te weinig lichaamsoefening te ontgaan,
+is hij wel genoodzaakt heen en weer te loopen of voortdurend de eene poot na de andere op te tillen en neder te zetten; terwijl
+hij zich voor het gemis van het zoo noodige bad schadeloos stelt, door zich van tijd tot tijd met de slurf, nat te spuiten.
+Zijne uitmuntende zintuigen, zijn leerzaamheid, zijn zachtaardig voorkomen vallen iederen toeschouwer dadelijk &#8217;t oog. Hij
+leert gemakkelijk en al spelend; hij &#8220;werkt&#8221; gewillig en gaarne en vormt om die reden een van de merkwaardigste nummers op
+het programma van ieder wildedierenspel, terwijl hij evenzeer de lieveling is van de bezoekers der diergaarden.&#8212;De hoeveelheid
+voedsel, die hij noodig heeft, is zeer aanzienlijk: volgens <span class="smallcaps">Haacke</span> krijgt de Aziatische Olifant van de diergaarde te Frankfort, die omstreeks 43 jaar oud is, dagelijks 8 KG. tarwe-zemelen,
+8 KG. roggebrood, 2 KG. rijst en 25 KG. hooi, behalve het ligstroo, dat hij nu en dan opvreet, en de lekkernijen, bestaande
+uit wittebrood, roggebrood, suiker, vruchten en dergelijke zaken, waarop de bezoekers hem tracteeren. Ditzelfde dier drinkt
+iederen dag ongeveer 16 met water gevulde stal-emmers leeg.
+
+</p>
+<p>Het vleesch van den Afrikaanschen Olifant heeft den smaak van rundvleesch, maar is veel taaier en grover van vezels. De Negers
+snijden alle spieren van dit dier in lange repen, die zij in de zon of boven het vuur laten drogen, en v&oacute;&oacute;r het gebruik tot
+een grof poeder wrijven, dat zij aan hunne eenvoudige gerechten toevoegen. Bij de jachtexpedities die de Njam-njam ondernemen,
+dooden zij soms zooveel Olifanten, dat verscheidene dorpen hierdoor maanden lang een voldoende hoeveelheid vleesch hebben.
+&#8220;Dikwijls&#8221; zegt <span class="smallcaps">Schweinfurth</span>, &#8220;zag ik lieden die, naar ik meende, zich met een groot bos brandhout naar hunne hutten begaven: zij droegen de hun toekomenden
+portie olifantenvleesch, dat in lange repen gesneden en boven het vuur gedroogd, geheel het uiterlijk van hout en takjes had
+verkregen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Voor den wereldhandel is van den Olifant alleen het ivoor van belang, maar dan ook van groot belang. De totale hoeveelheid
+ivoor, dat van de thans levende Olifanten-soorten afkomstig is en op de wereldmarkt komt, bedroeg volgens een statistieke
+opgave over de jaren 1879&#8211;1883, gemiddeld per jaar ongeveer 868.000 KG. Hiervan leverden Ceylon en Sumatra 2000 KG., Achter-Indi&euml;
+7000 K.G., Voor-Indi&euml; 11000 KG. en Afrika 843.000 KG.
+
+
+
+<a id="d0e1257"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1257">387</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="div1">
+<h2 class="label">Tiende Orde.</h2>
+<h2>De Onevenvingerigen (<span class="letterspaced">Perissodactyla</span>).
+</h2>
+<p>De orde van de Onevenvingerigen omvat, evenals die der Slurfdieren, slechts de weinig talrijke vormen, die van een eertijds
+veel rijker ontwikkelden stam zijn overgebleven; deze in den regel groote dieren steunen, terwijl zij zich bewegen, alleen
+op de hoeven, d.w.z. op nagels die het laatste vingerlid geheel omgeven; steeds is bij hen de teen, die met den derden teen
+van den vijfteenigen voet overeenkomt, meer ontwikkeld dan de overige; bij de Paarden is hij zelfs de eenige, die tot ontwikkeling
+is gekomen. Het gebit van de Onevenvingerigen onderscheidt zich door de kleinheid of afwezigheid der hoektanden en de door
+lijsten verbonden knobbels der maaltanden; snijtanden komen in beide kaken voor.
+
+</p>
+<p>Van deze orde zijn ongeveer 25 soorten bekend, die, met uitzondering van Australi&euml;, nagenoeg over de geheele wereld verspreid
+zijn: zij kunnen over vier scherp van elkander gescheiden famili&euml;n verdeeld worden: in de &eacute;&eacute;nteenige Paarden, de Tapirs, die
+vier teenen aan de voorpooten, drie teenen aan de achterpooten hebben, de drieteenige Neushoorndieren en de Klipdassen, welker
+teenen in aantal met die der Tapirs overeenstemmen. Wegens de geringe overeenkomst, die er, ook wat de levenswijze betreft,
+tusschen deze vier famili&euml;n bestaat, komt een op alle toepasselijke beschrijving ons onuitvoerbaar voor.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Paarden</span> (<i>Equidae</i>) van de hedendaagsche dierenwereld vormen een zeer begrensde groep en vertoonen zooveel overeenkomst met elkander, dat men
+ze tot &eacute;&eacute;n geslacht rekent. Dit geslacht&#8212;dat der <span class="letterspaced">Paarden</span> (<i>Equus</i>)&#8212;is gekenmerkt door een middelmatig groote, schoone gestalte, betrekkelijk krachtige ledematen en een mageren, langwerpigen
+kop met groote, levendige oogen, middelmatig groote, toegespitste, beweeglijke ooren en wijd geopende neusgaten. De hals is
+stevig en gespierd, de romp afgerond en vleezig, het lichaam grootendeels met zachte, korte, dicht aanliggende haren bedekt,
+die zich echter in den nek tot manen verlengen; ook de staart is, hetzij alleen aan de spits (bij de Ezels) of over zijn geheele
+lengte (bij de Eigenlijke Paarden), met lange haren begroeid. Het aanwezig zijn aan elken poot van slechts <span class="letterspaced">&eacute;&eacute;n teen</span>, welks eindlid (<span class="letterspaced">hoeflid</span>) door een sierlijk gevormden hoef als door een schoen omgeven is, onderscheidt de Paarden van alle Onevenvingerigen. Wegens
+de groote rol, die dit lichaamsdeel bij de beweging speelt, is het noodig het te beschrijven.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">teen</span> bestaat uit drie leden: de <span class="letterspaced">koot</span>, de <span class="letterspaced">kroon</span> en het <span class="letterspaced">hoeflid</span>. Het geraamte van het <span class="letterspaced">hoeflid</span> bestaat uit twee beenderen van zeer ongelijke grootte: het voorste en grootste, het <span class="letterspaced">hoefbeen</span>, is sponsachtig, heeft een scherpen, halfcirkelvormigen onderrand, die de eenigszins uitgeholde ondervlakte van het hoefbeen
+van voren en aan de zijden begrenst; het achterste, kleinere beentje, dat, evenals het hoefbeen, met de ondervlakte van het
+kroonbeen verbonden is, heet <span class="letterspaced">straalbeen</span>. De pees van de spier, die het hoeflid buigt, gaat achter dit straalbeen langs, om zich te hechten aan de ondervlakte van
+het hoefbeen, waar zij zich tot een peesvlies (den &#8220;ganzevoet&#8221;) verbreedt.
+
+</p>
+<p>De hoef, die het hoeflid omgeeft, bestaat uit: 1&ordm;. een hard, verhoornd gedeelte (de <span class="letterspaced">hoorndoos</span>), en 2&ordm;. de meer inwendig gelegen, zachte <span class="letterspaced">hoefhuid</span>. Aan de hoorndoos onderscheidt men drie deelen:
+
+</p>
+<p>(a) De <span class="letterspaced">hoornwand</span>, welks voorste, sterk hellend gedeelte (de <span class="letterspaced">teen</span>) zich achterwaarts ombuigt, in de meer loodrecht geplaatste zijwanden of <span class="letterspaced">kwartieren</span> overgaat, die, steeds smaller wordend, aan de buitenzijde van het hoeflid blijven tot daar, waar zij in twee minder harde
+uitwassen (de <span class="letterspaced">verzenen</span>) hun achterste punt bereiken; hier gaat de hoornwand op de onderzijde van het hoeflid over onder den naam van <span class="letterspaced">steunsels</span>, die naar voren van weerszijden samenloopen, en onder een scherpen hoek elkander ontmoeten. De lijn volgens welke de hoornwand
+in de gewone huid overgaat, heet <span class="letterspaced">kroonrand</span>; het deel dat op den grond rust, en aan den &#8220;teen&#8221; ruim 1 cM. breed is, heet <span class="letterspaced">draagrand</span>.
+
+</p>
+<p>(b) De <span class="letterspaced">hoornzool</span>, een dikke plaat met oneffene oppervlakte, die de ruimte vult welke tusschen den &#8220;teen&#8221;, de zijwanden en de steunsels overblijft,
+is met den draagrand verbonden volgens een <span class="letterspaced">witte l&#307;n</span>; alleen hier rust zij op den grond, daar zij eenigermate gewelfd is.
+
+</p>
+<p>(c) De <span class="letterspaced">hoornstraal</span> is een weekere, maar zeer veerkrachtige hoornmassa van wigvormige gedaante, die de driehoekige ruimte tusschen de beide steunsels
+aanvult; door de overlangsche <span class="letterspaced">straalgroef</span> is hij in twee afdeelingen verdeeld, die zich naar achteren ieder tot een <span class="letterspaced">hoornbal</span> uitzetten.
+
+</p>
+<p>De binnenste oppervlakte van den hoornwand is met diepe groeven voorzien, waarin plooien van de rijk met bloedvaten en zenuwen
+voorziene <span class="letterspaced">zachte hoefhuid</span> doordringen; deze wordt naar het deel, waarmede zij in aanraking is, onderscheiden in <a id="d0e1370"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1370">388</a>]</span><span class="letterspaced">vleeschwand</span>, <span class="letterspaced">vleeschzool</span> en <span class="letterspaced">vleeschstraal</span>. De beide laatste hebben geen plaatvormige, maar tepelvormige uitwassen, die in kuiltjes van het hoorn doordringen. De hoefhuid
+is evenzoo ingericht aan den kroonrand, waar zij het dikst is en zoom heet. De vleeschstraal is wit, veerkrachtig en niet
+zeer gevoelig. Door de zachte hoefhuid wordt het hoorn van den hoef gevormd.
+
+</p>
+<p>Door haar samenstelling is de hoef in staat zich eenigszins te verwijden en te vernauwen. Zoodra, bij het neerzetten van den
+voet, het gewicht van het lichaam op het hoefbeen en straalbeen, en bijgevolg op den straal, de steunsels en de hoornzool
+drukt, wordt de zool vlakker; tevens komt de straal met den bodem in aanraking en verbreedt zich; beide oefenen dus een zijdelingsche
+drukking uit op den hoornwand, welks achterste gedeelte zich het eerst aan den kroonrand en daarna ook aan den draagrand zal
+verwijden. Bij het ophouden van de drukking wordt de hoef, door de veerkracht zijner bestanddeelen, weder in den vorigen toestand
+teruggebracht. De verwijding en de daarop volgende inkrimping bedragen ongeveer 3 mM. Hierdoor zal er geen pijnlijke drukking
+op en geen beschadiging van de zachte hoefhuid plaats hebben, schokken worden voorkomen en de bloedsomloop blijft ongestoord.
+Een sierlijke en vlugge beweging wordt er door bevorderd. Voor het behoud van deze belangrijke eigenschappen van den hoef
+is het noodig, hem goed te verzorgen; steeds moet de draagrand een loodrechten stand hebben. De snelle afslijting van dezen
+rand op een harden of geplaveiden weg, wordt door het aanbrengen van een hoefijzer (door het beslaan) vermeden. De hoefijzers
+mogen de inkrimping en uitzetting van den hoef niet verhinderen; zij worden vastgehecht met 5 &agrave; 9 nagels, die in de witte
+lijn worden ingeslagen. Vooral de voorhoeven hebben, wegens hun van nature vlakkere zool, beschutting door een hoefijzer noodig.
+
+</p>
+<p>Het kootbeen is verbonden met een lang middelvoetsbeen, dat <span class="letterspaced">kanonbeen</span> (<span class="letterspaced">p&#307;pbeen</span>) wordt genoemd; hierachter komen twee weinig ontwikkelde (rudimentaire) middelvoetsbeenderen voor, die, wegens hun vorm,
+<span class="letterspaced">griffelbeenderen</span> heeten: zij bereiken het kootgewricht niet, maar eindigen op eenigen afstand daarboven stomp in het vleesch. In &#8217;t diluviale
+tijdvak bestonden onze hedendaagsche E&eacute;nhoevigen reeds. De dieren, die hen in het voorafgaande tertiaire tijdvak vervingen,
+hadden in plaats van de griffelbeenderen, twee goed ontwikkelde middelvoetsbeenderen, die ieder een achterteen droegen; deze
+uitgestorven, drieteenige vormen, worden als de voorouders van de hedendaagsche Paarden beschouwd.&#8212;Gewoonlijk wordt het deel
+van den poot, waarin het pijpbeen en de griffelbeenderen voorkomen, de pijp genoemd; het polsgewricht heet in de wandeling
+&#8220;voorknie&#8221;, of eenvoudig &#8220;knie&#8221;. Wat de teen en de pijp betreft, komen de voor- en achterpooten in hoofdzaken met elkander
+overeen.
+
+</p>
+<p>Elke kaakhelft bevat 3 <span class="letterspaced">sn&#307;tanden</span>, die als het ware van boven ingestulpt zijn, waardoor in elk dezer tanden een holte ontstaan is. Op deze wijze zijn de drie
+bouwstoffen van den tand, <span class="letterspaced">cement</span>, <span class="letterspaced">email</span> en <span class="letterspaced">tandbeen</span>, in dubbele lagen aanwezig. Van boven gezien ontdekt men licht de twee kringvormige lagen van email, die, harder zijnde,
+minder afslijten. De binnenste omsluit een centrale holte, het <span class="letterspaced">merk</span>, die, behalve dat zij inwendig met cement is bekleed, met een kalkachtige massa en met gekauwde spijsdeelen is opgevuld,
+en daardoor een geheel andere kleur vertoont dan het glasachtige email. Tusschen de beide email-kringen treft men het weekere
+tandbeen aan. De genoemde holte of instulping is in de snijtanden der bovenkaak van het Gewone Paard 1.3 &agrave; 1.7 cM. diep, in
+die der onderkaak slechts 0.66 cM., en wordt naar beneden toe steeds nauwer. Aangezien nu de tanden door het gebruik voortdurend
+afslijten, spreekt het van zelf, dat het merk steeds kleiner worden en eindelijk geheel verdwijnen moet; dit geschiedt echter
+eerder aan de tanden der onderkaak dan aan die der bovenkaak, wijl bij deze de holte dieper is.&#8212;De <span class="letterspaced">hoektanden</span> ontbreken dikwijls, vooral bij de wijfjes; bij de mannetjes vertoonen zij zich in den regel als kleine, haakvormige, stompe
+kegels, die door de paardenkenners gewoonlijk &#8220;haaktanden&#8221; worden genoemd, omdat zij den naam &#8220;hoektanden&#8221; geven aan de buitenste
+snijtanden, terwijl de voorafgaande paren snijtanden bij hen &#8220;middeltanden&#8221; en &#8220;grasbijters&#8221; heeten.&#8212;De zes vierzijdige <span class="letterspaced">kiezen</span> van iedere kaakhelft hebben sterk gekronkelde email-plooien op de kroonvlakte.&#8212;Van de spijsverteringsorganen verdienen voorts
+nog vermelding: de nauwe slokdarm, die op de plaats, waar hij in de maag eindigt, met een klep voorzien is, de enkelvoudige
+(onverdeelde), langwerpig ronde, tamelijk kleine maag, de sterk ontwikkelde blinde darm; de galblaas ontbreekt.
+
+</p>
+<p>Als het oorspronkelijk verbreidingsgebied van de Paarden&#8212;welker overblijfselen men voor &#8217;t eerst in de lagen van het tertiaire
+tijdvak ontmoet&#8212;wordt het grootste gedeelte van het noordelijk halfrond beschouwd. In Europa zijn de wilde Paarden, naar &#8217;t
+schijnt, eerst voor betrekkelijk korten tijd uitgestorven; in Azi&euml; en Afrika zwerven ook thans nog kudden van deze dieren
+door de gebergten en hoog gelegen steppen. In Amerika, waar zij uitgestorven waren, zijn zij opnieuw verwilderd; ook in Australi&euml;
+komen reeds verwilderde Paarden voor. Zij voeden zich met gras, kruiden en andere plantaardige stoffen; de tamme Paarden hebben
+zelfs dierlijk voedsel&#8212;b.v. vleesch, visch, Sprinkhanen&#8212;leeren gebruiken.
+
+</p>
+<p>Alle Paarden zijn levendige, wakkere, beweeglijke, schrandere dieren; hunne bewegingen zijn bevallig en statig. De gewone
+wijze van gaan der in vrijheid levende soorten, is een tamelijk scherpe draf, hun versnelde beweging een betrekkelijk gemakkelijke
+galop. Vreedzaam en goedaardig tegenover andere dieren, voor zoover deze hun geen kwaad doen, ontwijken zij angstvallig den
+mensch en de groote Roofdieren, maar verdedigen zich in geval van nood door slaan en bijten moedig tegen deze vijanden.
+
+</p>
+<p>De dieren van het Paardengeslacht worden verdeeld in twee ondergeslachten: de <span class="letterspaced">Paarden</span> (<i>Equus</i>) en de <span class="letterspaced">Ezels</span> (<i>Asinus</i>). Bij gene bereikt het oor ongeveer &frac14; gedeelte van de lengte van den kop en is de staart van den wortel af lang behaard;
+bij deze is het oor langer, (soms zelfs bijna half zoo lang als de kop) en draagt de staart alleen aan de spits lange haren.
+Bij alle Paarden (in engeren zin) komen aan beide paren ledematen eeltplekken (<span class="letterspaced">zwilwratten</span>) voor; aan de voorpooten: &eacute;&eacute;n aan het bovenste derde gedeelte van de voorarm en wel aan haar binnenzijde, een andere aan
+het onderste uiteinde van de pijp; aan de achterpooten: &eacute;&eacute;n even onder het spronggewricht aan de binnenzijde, een tweede aan
+het benedenste gedeelte van de pijp. Bij de Ezels ontbreken de zwilwratten aan de achterpooten, terwijl zij aan de voorpooten
+aanwezig zijn.
+
+</p>
+<p>De vermenigvuldiging van deze dieren geschiedt langzaam. Het wijfje werpt na langen draagtijd (48 <a id="d0e1439"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1439">389</a>]</span>weken bij de merrie, 52 bij de ezelin) &eacute;&eacute;n enkel jong. Hier te lande is de Ezel bronstig in April en Mei, het Paard tusschen
+het einde van Maart en het begin van Juni.
+
+</p>
+<p>Minstens twee, waarschijnlijker echter drie soorten van deze familie, zijn door den mensch onderworpen. Geen geschiedverhaal,
+geen sage maakt melding van den tijd, waarin zij voor &#8217;t eerst huisdieren werden; zelfs het werelddeel, waarin de eerste Paarden
+getemd zijn, kan niemand met zekerheid aanwijzen. Naar men meent, heeft men vooral aan de volken van Middel-Azi&euml; het bezit
+van het Paard als huisdier te danken; ook de halfwilde, voormalige bewoners van Europa hebben wilde Paarden getemd. Betrouwbare
+gegevens over den tijd, waarin de hulpmiddelen van den mensch zulk een belangrijke uitbreiding ondergingen, en over de volken,
+die haar voor &#8217;t eerst in praktijk brachten, ontbreken ons echter ten eenenmale.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Nog tegenwoordig zwerven in de steppen van Zuidoost-Europa kudden van Paarden rond, die door enkelen beschouwd worden als
+de wilde stamouders van ons huisdier, door anderen als afstammelingen van tamme Paarden, die tot den wilden staat terugkeerden.
+Deze dieren, <span class="letterspaced">Tarpans</span> genaamd, hebben alle eigenschappen van echte wilde dieren en worden door de Tartaren en Kozakken als zoodanig aangemerkt.
+De Tarpan is een klein Paard met dunne, maar krachtige, langhielige pooten, tamelijk langen, dunnen hals en betrekkelijk dikken
+kop; deze is &#8220;ramsneuzig&#8221; (de rug van den neus is bol), heeft spitse, vooroverhellende ooren en kleine, vurige, boosaardige
+oogen. Het haar is in den zomer dicht, kort, golvend, vooral aan het achterdeel, waar het bijna gekroesd kan heeten; in den
+winter daarentegen is het dicht, zwaar en lang, vooral aan de kin, waar het bijna een baard vormt; de manen zijn kort, dicht,
+ruig en gekroesd; de staart is middelmatig lang. De hoofdkleur van het zomerkleed is gelijkmatig vaalbruin, geelachtig bruin
+of isabella-geel; in den winter worden de haren lichter, soms zelfs wit; de manen en de staart hebben een gelijkmatige, donkere
+kleur. Gevlekte exemplaren komen nooit voor, zwarte zelden.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1389.jpg" alt="Tarpan. 1/25 v.d. ware grootte." width="720" height="656"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Tarpan</span>. 1/25 v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Men ontmoet de Tarpans in kudden, die uit verscheidene honderden individu&euml;n kunnen bestaan. Gewoonlijk bestaat iedere troep
+weder uit een aantal kleinere gezelschappen of famili&euml;n, die elk een hengst tot aanvoerder hebben. Deze kudden bewonen uitgestrekte,
+open en hoog gelegen steppen en trekken van de eene plaats naar de andere, in den regel in den wind op. Zij zijn buitengewoon
+waakzaam en schuw, kijken rond met ver omhoog geheven kop, bespieden den omtrek, spitsen de ooren, openen de neusgaten en
+ontdekken in den regel nog ter rechter tijd het hun dreigend gevaar. De hengst is alleenheerscher in zijn kring; hij zorgt
+voor de veiligheid van hen, die aan zijn bescherming zijn toevertrouwd, maar duldt van hen geen afwijkingen van den bekenden
+regel. Zoodra zijn aandacht getrokken wordt door een of ander verschijnsel, begint hij te snuiven en de ooren snel te bewegen,
+draaft met omhoog gehouden kop het verdachte voorwerp een eind weegs te gemoet en laat een schel gehinnik hooren, zoodra hij
+gevaar bemerkt; op dit teeken maakt de geheele kudde zich in gestrekten galop uit de voeten. Dikwijls verdwijnen de dieren
+als door een tooverslag: zij hebben zich verborgen in de een of andere diepe inzinking van den bodem en wachten hier af, wat
+de toekomst brengen zal. Voor Roofdieren zijn de weerbare en strijdlustige hengsten niet bevreesd. Op <a id="d0e1459"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1459">390</a>]</span>Wolven gaan zij hinnikend af en slaan hen met de voorpooten neder. Het sprookje, dat zij gezamenlijk een kring vormen met
+de koppen naar &#8217;t middenpunt gekeerd en aanhoudend met de achterpooten achteruitslaan, is reeds sinds lang weerlegd.
+
+</p>
+<p>De Tarpan kan moeielijk getemd worden: het schijnt, dat hij de gevangenschap niet kan verdragen. Zijn buitengewoon levendige
+natuur, zijne spierkracht en wildheid maken zelfs de bekwaamheden van de in &#8217;t paardendresseeren ervaren Mongolen te schande.
+Wegens de niet geringe schade, die de Tarpan aan de &#8220;wilde&#8221; stoeterijen toebrengt door het wegvoeren van de Paarden, maakt
+men met hartstochtelijken ijver jacht op dit dier.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De bovenstaande mededeelingen brengen het vraagstuk van de afstamming van het Paard geen stap nader bij zijn oplossing. Uit
+de gewoonten van den Tarpan kan men geen bewijzen putten v&oacute;&oacute;r of tegen de stelling, dat dit dier van getemde Paarden afstamt.
+Dat deze gemakkelijk en spoedig verwilderen, blijkt op overtuigende wijze uit de geschiedenis van de kudden, die steppen van
+Zuid-Amerika bevolken en die wij nu zullen behandelen.
+
+</p>
+<p>&#8220;De in 1535 gestichte stad Buenos Ayres werd later verlaten,&#8221; verhaalt <span class="smallcaps">Azara</span>. &#8220;De vertrekkende inwoners deden in &#8217;t geheel geen moeite om al hunne Paarden bijeen te brengen. Er bleven 5 &agrave; 7 van deze
+dieren achter, die aan zichzelf overgelaten waren. Toen in het jaar 1580 deze stad weder in bezit genomen werd, vond men er
+reeds een menigte verwilderde Paarden, afstammelingen van de tamme, die er achtergelaten waren. Reeds in het jaar 1596 was
+het aan iedereen geoorloofd deze Paarden te vangen en te gebruiken. Dit is de oorsprong van de tallooze kudden Paarden, die
+ten zuiden van den Rio de la Plata rondzwerven.&#8221; De <span class="letterspaced">Cimarrones</span>, zoo noemt men deze Paarden, bewonen thans alle deelen van de Pampas en vormen er talrijke kudden, die soms wel uit <span id="d0e1475" class="corr" title="Bron: duizende">duizenden</span> individu&euml;n bestaan.
+
+</p>
+<p>Zij zijn lastig en richten schade aan, niet alleen omdat zij goede weiden kaal vreten, maar ook omdat zij de tamme Paarden
+met zich medelokken. Gelukkig verschijnen zij des nachts niet. De wilden in de Pampas eten het vleesch van de Cimarrones,
+vooral dat van de veulens en merries. Ook vangen zij er verscheidene om ze te temmen; de Spanjaarden daarentegen maken er
+bijna geen gebruik van. Hoogst zelden vangen zij een van deze Paarden met het doel om het te temmen.&#8212;
+
+</p>
+<p>In Paraguay komen geen verwilderde Paarden voor, maar de toestand waarin de Paarden van dit land verkeeren, verschilt niet
+belangrijk van dien der wilde. Zij worden <span class="letterspaced">Mustangs</span> genoemd en zoo verwaarloosd, dat zij merkbaar verbasteren. Zij zijn middelmatig hoog, hebben een grooten kop, lange ooren
+en dikke gewrichten; alleen de hals en de romp zijn tamelijk regelmatig gebouwd. In den zomer zijn zij kort, in den winter
+lang behaard; de manen en de staart zijn altijd dun en kort.
+
+</p>
+<p>De Zuid-Amerikaansche Paarden brengen het geheele jaar onder den blooten hemel door. E&eacute;nmaal in de acht dagen worden zij bijeengedreven
+om te verhoeden, dat zij verstrooid geraken; men onderzoekt en zuivert hunne wonden, bestrijkt deze met koedrek en snijdt
+van tijd tot tijd, om de drie jaren ongeveer, den hengsten de manen en de staartharen af. Aan de veredeling van deze dieren
+wordt niet gedacht.
+
+</p>
+<p>&#8220;Gewoonlijk,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Rengger</span>, &#8220;leven de Paarden bij troepen in een bepaald gebied, waaraan zij sinds hun jeugd gewoon zijn. Bij iederen hengst voegt men
+12 &agrave; 18 merries, die door hem bijeengehouden en tegen vreemde hengsten verdedigd worden. De veulens blijven tot in het derde
+of vierde jaar bij hunne moeders. Deze geven blijken van groote liefde voor haar kroost, zoolang zij het nog zoogen; soms
+verdedigen zij het zelfs tegen den Jagoear. Wanneer de Paarden een weinig ouder zijn dan 2 of 3 jaar, worden aan de hiervoor
+uitgekozen jonge hengsten de jonge merries toebedeeld; men gewent iederen hengst er aan met zijn gezelschap een bepaald gebied
+te beweiden. De Paarden, die tot &eacute;&eacute;n troep behooren, mengen zich nooit onder die van andere troepen en toonen zooveel gehechtheid
+aan elkander, dat het moeite kost een grazend Paard van zijne metgezellen te scheiden. Wanneer de verschillende gezelschappen
+dooreengemengd worden, zooals bij het samendrijven van alle Paarden van een hoeve geschiedt, zoeken de bijeenbehoorende elkander
+dadelijk weer op. Niet alleen aan hunne metgezellen, maar ook aan hunne weiden zijn deze dieren zeer gehecht. Ik heb er gezien,
+die van een afstand van 80 uren gaans teruggekeerd waren naar de vroeger door hen bewoonde plaatsen. Des te zonderlinger is
+daarom het feit, dat soms de Paarden van een geheel district zich op weg maken, en &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n of bij troepen wegloopen.
+Dit gebeurt hoofdzakelijk, wanneer na droog weder plotseling hevige regenbuien vallen, waarschijnlijk ten gevolge van de vrees,
+die deze dieren hebben voor den hagel, die niet zelden met het eerste onweder gepaard gaat.
+
+</p>
+<p>&#8220;De zintuigen van deze nagenoeg in &#8217;t wild levende dieren zijn, naar het schijnt, scherper dan die van de Europeesche Paarden.
+Het gehoor is buitengewoon fijn; des nachts kan men aan de beweging van hunne ooren zien, dat zij het geringste, voor den
+ruiter volkomen onhoorbare gedruisch hebben opgemerkt. Hun gezichtsvermogen is, evenals bij alle Paarden, tamelijk zwak, hoewel
+zij gedurende het leven in de vrije natuur door oefening een groote vaardigheid verkrijgen in het onderscheiden van voorwerpen
+op aanzienlijken afstand. Door middel van hun reukzin leeren zij de omgeving kennen. Zij besnuffelen alles, wat hun vreemd
+voorkomt. Door dezen zin leeren zij hun berijder, het tuig, den stal waar zij gezadeld worden, enz. onderscheiden, door hem
+weten zij in moerassige streken de plaatsen te vinden, waar zij zouden verzinken; in den donkeren nacht of bij dichten nevel
+wijst hij hun den weg naar hunne woonplaatsen of naar hun weide. Goede Paarden besnuffelen hun berijder op &#8217;t oogenblik, dat
+hij in den zadel stijgt; ik heb er wel gezien, die hem in &#8217;t geheel niet op den rug toelieten of zich niet door hem lieten
+sturen, als hij niet een &#8216;poncho&#8217; medenam, een mantel, zooals altijd gedragen wordt door de landlieden, die Paarden temmen
+en voor &#8217;t rijden africhten. Op grooten afstand ruiken zij trouwens niet. Zelden heb ik een Paard gezien, dat op 50 schreden
+afstands de lucht kreeg van een Jagoear. Daarom vormen zij in de bewoonde gewesten van Paraguay den gewonen buit van dit Roofdier.&#8221;
+
+</p>
+<p>Het leven van de verwilderde Paarden in de verder noordwaarts gelegen Llanos heeft <span class="smallcaps">Alexander von Humboldt</span> ons in korte woorden op meesterlijke wijze geschilderd: &#8220;Wanneer in den zomer onder de loodrecht invallende stralen van de
+nooit door wolken omsluierde zon het grastapijt van deze onmetelijke vlakten geheel en al verdroogd en in poeder veranderd
+is, ontstaan er langzamerhand diepe kloven in den bodem, alsof hij door geweldige aardschokken was opengespleten. <a id="d0e1499"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1499">391</a>]</span>In dichte stofwolken gehuld, door honger en een brandenden dorst gekweld, zwerven de Paarden en Runderen rond, gene met languitgerekten
+hals en met den hoogopgeheven neus den hen te gemoet ijlenden wind opsnuivend om uit de vochtigheid van den luchtstroom de
+nabijheid van een nog niet geheel verdampten plas af te leiden. Op een andere wijze, met meer overleg en sluwheid, trachten
+de Muildieren hun dorst te lesschen. Een bolvormige plant met vele overlangsche groeven aan haar oppervlakte, de meloen-cactus,
+verbergt onder een stekelig hulsel een veel water bevattend merg. Met de voorpooten slaat het Muildier de stekels weg om het
+koele distelsap te drinken. Het putten uit dezen levenden plantaardigen bron geschiedt echter niet altijd zonder gevaar: dikwijls
+ziet men dieren, die door de cactus-stekels aan de hoeven verlamd zijn. Ook dan wanneer eindelijk op de brandende hitte van
+den dag de koelte van den even langen nacht volgt, kunnen de Paarden en Runderen geen ongestoorde rust genieten. De Bladneuzige
+Vleermuizen vervolgen hen gedurende den slaap en hangen zich aan hun rug om hun bloed te zuigen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Eindelijk, als na langdurige droogte de verkwikkelijke regentijd aanbreekt, komt er verandering van tooneel. Nauwelijks is
+de oppervlakte van den bodem bevochtigd, of het heerlijkste groen bedekt de steppe. De Paarden en Runderen zwelgen in vroolijk
+levensgenot. In het hoog opschietende gras verschuilt zich de Jagoear en overmeestert met vasten sprong menig Paard, menig
+veulen. Weldra zwellen de stroomen en dezelfde dieren, die gedurende een deel van &#8217;t jaar van dorst versmachten, moeten als
+Amphibi&euml;n leven. De merri&euml;n zoeken met hare veulens een schuilplaats op de hooggelegen banken, die, in de lengte gerekt, zich
+als eilanden boven den waterspiegel van het meer verheffen. Met iederen dag wordt het droog gebleven terrein kleiner. Uit
+gebrek aan weideplaatsen zwemmen de dicht opeengedrongen dieren uren lang rond en vinden een karig voedsel in de bloeiende
+graspluimen, die zich boven het gistende, bruin gekleurde water verheffen. Vele veulens verdrinken, vele worden door de Krokodillen
+gegrepen, met den staart doodgeslagen en verslonden. Niet zelden ziet men Paarden, die groote litteekens, kenteekenen van
+den aanval der Krokodillen, aan de pooten hebben. Ook onder de Visschen hebben zij een gevaarlijken vijand. Het water van
+het moeras is bevolkt met talrijke Electrische Alen. Deze merkwaardige Visschen zijn in staat om met hunne geweldige electrische
+schokken, de grootste dieren te dooden, wanneer zij hunne batterijen tegelijkertijd in een gunstige richting ontladen. De
+weg; door de steppe aan de Uri Tucu moest opgegeven worden, omdat de Sidderalen zich in zulk een menigte in een riviertje
+hadden opgehoopt, dat ieder jaar vele Paarden door hen verdoofd werden en bij het doorwaden van het stroompje verdronken.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een nog veel gevaarlijker vijand hebben de kudden in zich zelf. Soms worden zij door een panischen schrik bevangen. Bij honderden
+en duizenden ijlen zij als razenden voort, laten zich door geen hindernissen tegenhouden, rennen tegen rotsen aan of vallen
+zich te pletter in afgronden. Plotseling verschijnen zij in het kamp van de in &#8217;t open veld overnachtende reizigers, vervolgen
+hun weg tusschen de wachtvuren door, over de tenten en wagens heen, vervullen de lastdieren met een doodelijken schrik, rukken
+ze los en nemen hen op in den levenden stroom&#8212;voor altoos. Verder noordwaarts komen de Indianen het aantal vijanden vermeerderen,
+die het leven van de wilde Paarden verbitteren. Zij vangen ze op, om ze gedurende hunne jachttochten te berijden, en mishandelen
+ze zoo erg, dat zelfs het krachtigste Paard na korten tijd bezwijken moet. Evenals bij de Bedoe&iuml;nen van de Sahara geeft ook
+bij de Indianen het Paard dikwijls aanleiding tot bloedige gevechten. Hij, die geen Paarden heeft, tracht ze te stelen. Paardendiefstal
+wordt bij de Roodhuiden als een eervol bedrijf aangemerkt. Benden van dieven volgen de trekkende stammen of karavanen weken
+lang, totdat zij de gelegenheid vinden om alle rijdieren mede te nemen. Ook om hunne huiden en hun vleesch worden de Paarden
+in Amerika ijverig vervolgd.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een beschrijving of zelfs een eenvoudige opsomming van de bijna tallooze rassen of stammen van het <span class="letterspaced">Paard</span> (<i>Equus caballus</i>), die onder den invloed van den Mensch ontstaan zijn, behoort niet in het kader van dit werk. Bovendien bestaan er voortreffelijke,
+uitvoerige werken speciaal over dit onderwerp. Het is voor ons doel voldoende de belangrijkste rassen te behandelen. Gewoonlijk
+worden zij in twee groepen gerangschikt: de <span class="letterspaced">Oostersche</span> en de <span class="letterspaced">Westersche rassen</span>. De Oostersche rassen behooren oorspronkelijk thuis in Azi&euml; en Afrika, vooral in de landen van de gematigde zone dezer werelddeelen,
+zooals blijkt uit de namen die aan de vier hoofdafdeelingen van deze groep gegeven zijn: het <span class="letterspaced">Barbar&#307;sche</span> of <span class="letterspaced">Berber-ras</span>, het <span class="letterspaced">ras der N&#307;llanden</span>, het <span class="letterspaced">Arabisch-Perzische ras</span> en het <span class="letterspaced">Mongoolsch-Tartaarsche ras</span>. Tot het laatstgenoemde worden, behalve de Paarden van een groot deel van Midden-Azi&euml;, ook de &#8220;slagen&#8221; gerekend, die in het
+oosten van Europa tot aan de grenzen van Duitsch-Oostenrijk en Pruisen het meest algemeen verbreid zijn. Tot het Berber-ras
+behooren o.a. sommige slagen van Zuid-Spanje (o.a. het vermaarde Andalusische), waarvan weer een groot deel van de Paarden
+der Nieuwe Wereld, o.a. die van Mexico, afstammen.
+
+</p>
+<p>De eere-plaats onder alle paarden-stammen verdient ook thans nog het <span class="letterspaced">Arabische Volbloed-Paard</span>. (Een Paard heet &#8220;volbloed&#8221;, wanneer al zijne voorouders zonder eenige uitzondering, naar uit authentieke bescheiden moet
+blijken, gedurende een lange reeks van geslachten de kenmerkende eigenschappen van een en hetzelfde ras in zich vereenigden,
+en dus van zuiver ras waren. Om het ras zuiver te houden moet ieder Paard steeds met zijne gelijken paren en moet ieder exemplaar,
+dat storende afwijkingen vertoont, als fok-dier niet in aanmerking komen. &#8220;Half-bloed&#8221;-Paarden ontstaan door kruising van
+Volbloed-Paarden, die in dit geval gewoonlijk &#8220;ras<span id="d0e1541" class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span>-Paarden worden genoemd, met andere Paardenslagen; terwijl &#8220;Koudbloed&#8221;-rassen in &#8217;t geheel geen Volbloed-Paarden onder hunne
+voorouders tellen.) &#8220;Het Volbloed-Paard&#8221;, schrijft <span class="letterspaced">Graaf</span> <span class="smallcaps">Wrangel</span>, &#8220;heeft geen edeler vertegenwoordiger dan het Arabische Paard van zuiver ras, dat, daar het op de grens tusschen de natuurlijke
+en de door de kultuur verkregen rassen staat, zoowel door den natuuronderzoeker als door den paardenkenner en&#8212;den dichter
+als het edelste dier van de schepping geprezen wordt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Volgens de algemeen door de Arabieren gestelde eischen, moet het edele Paard de volgende eigenschappen in zich vereenigen:
+een ge&euml;venredigde lichaamsbouw, korte en beweeglijke ooren, zware, maar toch sierlijke beenderen, een vleeschloos gelaat,
+neusgaten &#8220;zoo wijd als de muil van den Leeuw&#8221;, fraaie, donkere, uitpuilende oogen, &#8220;met een uitdrukking gelijk aan <a id="d0e1552"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1552">392</a>]</span>die van een liefhebbende vrouw,&#8221; een fraai gebogen en langen hals, breede borst en breed kruis, smallen rug, ronde achterschenkels,
+zeer lange ware en zeer korte valsche ribben, een ingesnoerde romp, lange bovenschenkels, &#8220;zooals die van den Struis zijn&#8221;,
+met spieren, &#8220;zooals het Kameel ze heeft,&#8221; een zwarten, eenkleurigen hoef, fijne, niet zeer gevulde manen en een rijk behaarden
+staart, dik aan den wortel en dun in de nabijheid van de spits. Het moet vierderlei lichaamsdeelen breed hebben: het voorhoofd,
+de borst, het achterdeel en de ledematen; vierderlei lichaamsdeelen moeten lang zijn: de hals, de voorarm, de buik en de dij,
+vierderlei lichaamsdeelen daarentegen kort: de lendenen, de ooren, de kooten en de staart. Deze eigenschappen bewijzen, dat
+het Paard van een goed ras is en snel loopt; want het gelijkt dan door zijn lichaamsbouw &#8220;op den Windhond, de Duif en het
+Kameel te zamen.&#8221;
+
+</p>
+<p>In de 18e levensmaand begint de opvoeding van het edele dier. In &#8217;t eerst tracht een knaap het te berijden. Het leidt het
+naar de drinkplaats, naar de weide, maakt het schoon, kortom voorziet in al zijne behoeften. Beide leeren te gelijker tijd:
+de knaap wordt een ruiter, het Paard een rijdier. Nooit echter zal de jonge Arabier van het veulen, dat hem is toevertrouwd,
+te veel eischen, nooit er werkzaamheden van vergen, die het niet verrichten kan. Op iedere beweging van het dier wordt acht
+geslagen, het wordt zachtmoedig en liefderijk behandeld, hoewel men geen ongehoorzaamheid en boosaardigheid duldt. Eerst wanneer
+het Paard zijn tweede levensjaar volbracht heeft, legt men het een zadel op; na afloop van het derde jaar gewent men het er
+langzamerhand aan, al zijne krachten in te spannen. Eerst wanneer het zeven jaar oud geworden is, beschouwt men zijn opvoeding
+als afgeloopen; daarom zegt het Arabische spreekwoord: &#8220;Zeven jaar voor mijn broeder, zeven jaar voor mij en zeven jaar voor
+mijn vijand.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Arabieren onderscheiden vele famili&euml;n in hunne Paarden; ieder gewest, ieder volk beroemt zich op die, welke het bezit.
+In Arabi&euml; rangschikt men deze dieren ook thans nog in 21 &#8220;bloedstammen&#8221; of famili&euml;n, van welke de vijf belangrijkste onder
+den naam &#8220;Khamsa&#8221; samengevat worden: deze heeten van de vijf merri&euml;n van <span class="smallcaps">Salomo</span> af te stammen. De oudste en edelste van deze vijf famili&euml;n heet &#8220;Kehilan&#8221; of &#8220;Kochlani&#8221;. Vermakelijk is het te luisteren
+naar den lof, die over een bijzonder edel Paard verkondigd wordt. &#8220;Zeg niet, dat het mijn Paard is, noem het mijn zoon! Het
+loopt sneller dan de stormwind, sneller nog dan de blikken over de vlakte waren. Het is zoo zuiver van ras als goud. Zijn
+oog is zoo scherpzichtig, dat het in het duister een haar kan onderscheiden. Het achterhaalt de gazelle. Tot den arend zegt
+het: Ik beweeg mij zoo snel als gij! Als zijn oor het jubelen der meisjes verneemt, hinnikt het van vreugde en bij het fluiten
+der kogels springt zijn hart op van blijdschap. Uit de hand der vrouwen neemt het aalmoezen aan, den vijand slaat het met
+de hoeven in &#8217;t aangezicht. Als het loopen kan zooveel het begeert, storten zijne oogen tranen. Hetzij de hemel klaar is,
+of de stormwind het licht der zon door stofwolken verduistert, &#8217;t is alles om &#8217;t even; dit Paard is een edel dier, dat het
+woeden van den storm veracht. In deze wereld is er geen, die het evenaart. Snel als de Zwaluw ijlt het voort; het is zoo licht,
+dat het op de borst van uw geliefde zou kunnen dansen, zonder haar lastig te zijn. Zoo zacht draaft het, dat gij gedurende
+den snelsten draf op zijn rug zittend een kop koffie kunt drinken, zonder een druppel te spillen. Het begrijpt alles, wat
+een zoon van Adam begrijpt; alleen door het gemis van de spraak verschilt het van dezen.&#8221;
+
+</p>
+<p>In Engeland wordt tegenwoordig aan de paardenfokkerij niet minder zorg gewijd dan in het Oosten. Nog geen tweehonderd jaar
+geleden fokten de Spanjaarden en Italianen veel beter Paarden dan de Engelschen; deze zijn echter sedert dien tijd evenveel
+vooruitgegaan als gene achteruitgingen. De vroeger zoo beroemde Andalusische en Polesina-rassen bestaan niet meer, terwijl
+daarentegen het <span class="letterspaced">Engelsche Volbloedras</span> (<i>thorough-breed, racing breed</i>) als het uitstekendste lid van het Westersche of Europeesche hoofdpaardenras wordt beschouwd. Alleen door paring van individu&euml;n,
+die verschillende uitnemende eigenschappen bezitten, kunnen wezens ontstaan, waaraan deze eigenschappen vereenigd voorkomen,
+en alleen als deze wezens met huns gelijken paren kan men verwachten, dat hunne afstammelingen onverbasterd zullen blijven.
+Voor het verkrijgen en zuiver houden, van een uitmuntend paardenras is dus een zorgvuldige keuze van fokdieren noodig. Al
+sinds lang legt men zich in Engeland toe op het fokken van Paarden, die door een buitengewone snelheid op de renbaan kunnen
+schitteren. Het Engelsche Volbloedpaard is een product van dit streven. De eerste gebeurtenis, die voor de geschiedenis van
+dit ras belangrijk zou worden, was, dat <span class="smallcaps">Jacobus I</span> (1603&#8212;1625) eerst eenige Arabische, later ook eenige Turksche hengsten en merri&euml;n naar Engeland liet komen, om gebruikt te
+worden als renpaarden en voor het veredelen van de inlandsche paardenslagen. <span class="smallcaps">Karel II</span> (1603&#8212;1625) volgde dit voorbeeld en schafte zich toen Oostersche merri&euml;n (<i>the royal mares</i>) benevens eenige Oostersche hengsten aan. Het vaderland van deze merries is twijfelachtig. <span class="smallcaps">Schwarznecker</span> vermoedt, dat zij uit Barbarije en Turkije afkomstig waren. Bij dit fokmateriaal kwamen later nog eenige Oostersche hengsten,
+waarvan vooral drie beroemd zijn geworden als stamvaders van vele vermaarde renpaarden. Deze zijn: <span class="smallcaps">Darley</span> <span class="letterspaced">Arabian</span> (1714)&#8212;een uit de woestijn van Palmyra afkomstige, door <span class="smallcaps">Darley</span> te Aleppo gekochte Arabische hengst, de vader van <span class="letterspaced">Flying Childers</span>, het paard dat 1 Eng. mijl (1610 M.) in de minuut aflegde, en dat, op deze wijze dag en nacht doorrennend, in 17 etmalen
+den evenaar rondgeloopen zou zijn; deze was de overgrootvader van <span class="letterspaced">Eclipse</span> (den stamvader van den <span class="letterspaced">Eclipse</span>-stam), die in 3 seconden 7 sprongen van 25 voet deed&#8212;, <span class="smallcaps">Godolphin</span>&#8217;s <span class="letterspaced">Berber</span>&#8212;wiens afstammelingen den <span class="letterspaced">Matchem</span>-stam vormen&#8212;, <span class="smallcaps">Byerley</span>&#8217;s <span class="letterspaced">Turc</span>&#8212;waaruit de <span class="letterspaced">Herodes</span>-stam is voortgesproten, zoo genoemd naar het renpaard <span class="letterspaced">Herodes</span>, die zijn eigenaar een winst van ruim 2&frac12; millioen gulden op de wedrennen verschafte. Ieder Volbloedpaard moet, om als zoodanig
+erkend te worden, ingeschreven zijn in het in 1791 aangevangen <i>General Stud-book</i>, hetgeen alleen geschiedt, als zijn stamboom geen andere voorouders aanwijst, dan Paarden, die in dit register voorkomen.
+Het Engelsche Volbloedpaard heeft een kleinen kop, een langen hals, die meestal gestrekt wordt gedragen; het staat dikwijls
+hoog op de pooten, heeft sterk ontwikkelde achterschenkels, een duidelijk zichtbaar spierstelsel en breede, stevige pezen.
+Hoewel dit ras door ieder onbevangen beoordeelaar minder schoon wordt genoemd dan het Arabische, wijl bij het Engelsche paard
+het streven naar doelmatigheid meer op den voorgrond stond dan het zoeken van een harmonieuzen lichaamsbouw, is het toch wat
+grootte, sterkte, snelheid <a id="d0e1623"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1623">393</a>]</span>en geschiktheid voor acclimatisatie betreft, ver boven het Arabische Volbloedpaard verheven; terwijl het als fokdier voor
+de vorming van uitmuntende rij- en tuigpaarden zijns gelijken niet heeft. Terecht noemt men het dan ook: &#8220;de edelste Europeesche
+stamgenoot van het Arabische paard. Vele paardenkenners beweren, dat het verschil tusschen beide rassen eenvoudig veroorzaakt
+is door gewijzigde levensomstandigheden en dat het Engelsche Volbloedpaard onvermengd Oostersch bloed in zijne aderen heeft.
+Het stamregister van dit ras levert echter het onomstootelijk bewijs, dat er geen enkel Volbloedpaard is, in wiens stamboom
+zoowel aan vaders- als aan moederszijde geen andere dan Oostersche voorouders voorkomen.&#8221; Het volbloedpaard is niet anders
+&#8220;dan een door voortdurende reinteelt voortgebracht product van de wedrennen van de voorbereiding hiervoor (<i>training</i>) en van de door deze beide factoren bepaalde zorgvuldige keuze van fokdieren, verzorging en voeding.&#8221; Zoowel door zijn lichaamsvorm
+als door zijne vermogens munt het hedendaagsche Volbloedpaard in alle opzichten boven zijne voorouders uit; het kan een hoogte
+van 1.75 en meer bereiken. (De hoogte van het Arabische Paard bedraagt 1.5 &agrave; 1.6 M.) De gestalte is edeler en, wat de verhoudingen
+betreft, evenrediger geworden.&#8212;Het Engelsche Volbloedpaard wordt voor het veredelen van andere rassen naar alle door Europeanen
+bewoonde landen van de wereld uitgevoerd.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1393.jpg" alt="Renpaard (Engelsch Volbloedras). 1/21 v.d. ware grootte." width="720" height="665"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Renpaard</span> (<span class="letterspaced">Engelsch Volbloedras</span>). 1/21 v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De derde vertegenwoordiger van het Volbloedras is het <span class="letterspaced">Anglo-arabische</span> of <span class="letterspaced">Gemengd Volbloedpaard</span>, ontstaan door kruising van het Engelsche en het Arabische Volbloedpaard, welke kruising eerst in den laatsten tijd heeft
+plaats gehad.
+
+</p>
+<p>Veel talrijker dan de Volbloedrassen zijn de <span class="letterspaced">Halfbloedslagen.</span> Deze ontstaan door kruising van Volbloedfokpaarden met merries of hengsten van de gewone Westersche landslagen. Dit geschiedt
+op groote schaal in zoogenaamde stoeterijen, die aan den Staat, aan een vereeniging of aan particulieren behooren. De staats-
+of hoofdstoeterijen hebben ten doel een voor de behoeften van het land geschikt, edel, rein paardenras voort te brengen. In
+Pruisen zijn er drie; de belangrijkste van deze is die te Trakehnen, bij Gumbinnen in Oost-Pruisen, waar 360 halfbloed-merries
+worden gehouden. Zij werd in 1732 door <span class="smallcaps">Friedrich Wilhelm I</span> opgericht, met het doel om voor zijn privaat gebruik goede Paarden te verkrijgen, en heeft er veel toe bijgedragen om aan
+de paardenfokkerij in Pruisen een goede richting te geven, en om het tot aan dien tijd zeer verwaarloosde Oud-Pruisische paardenslag
+op een oordeelkundige wijze te veredelen. V&oacute;&oacute;r het begin van de vorige eeuw bepaalde men zich er toe, Paarden te fokken, zonder
+zich toe te leggen op de veredeling van het ras. Waarschijnlijk stond dus destijds overal in Duitschland de paardenfokkerij
+op een lager standpunt dan in de Middeleeuwen; daar toen, zooals bekend is, een veel drukker handelsverkeer tusschen het Oosten
+en Westen bestond dan in latere tijden, met uitzondering van den tegenwoordigen tijd. Door gebruik te maken van Arabische
+en Engelsche Volbloedpaarden heeft de <span class="letterspaced">Trakehner</span> zich langzamerhand ontwikkeld tot een fokras, dat zich door een goed gevormden kop, een fraai aangezetten hals, een gedrongen
+romp met rechten rug, een langwerpig rond kruis, tamelijk breede borst, zeer krachtige ledematen, als ook door snelheid onvermoeidheid
+en soberheid onderscheidt. Vooral voor het leveren van cavalerie- en koetspaarden is het uitnemend geschikt.&#8212;Staatsstoeterijen
+heeft Pruisen bovendien nog te <span class="letterspaced">Graditz</span> bij Torgau (Saksen) en in Beberbeck <a id="d0e1660"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1660">394</a>]</span>bij <span class="letterspaced">Hofgeismar</span> (Hessen). Deze inrichtingen leveren ook een groot deel van de dekhengsten ten behoeve van den landbouw, die in de &#8220;landsstoeterijen&#8221;
+bewaard, en gedurende den dektijd over de verschillende districten verdeeld worden.&#8212;Ook in andere Duitsche landen (Beieren,
+Wurtemberg, Brunswijk, Lippe), oefent de regeering op dezelfde of soortgelijke wijze als in Pruisen, grooten invloed uit op
+de paardenfokkerij. Anders is het gesteld in Hannover, Oldenburg, Mecklenburg en Holstein, waar door de landbouwers uitstekende
+halfbloedslagen worden gefokt. Het <span class="letterspaced">Oldenburger</span> (Bovenlandsche) Paard is ook hier te lande gunstig bekend, vooral als tuig- of koetspaard; het is sterk en meer dan middelmatig
+groot (1.75 &agrave; 1.85 M. hoog). Soortgelijk, doch iets edeler van vorm, zijn de <span class="letterspaced">Hannoversche</span> en <span class="letterspaced">Holsteinsche</span> paarden.&#8212;Verder behooren nog tot deze afdeeling: in Oostenrijk het <span class="letterspaced">Lippizaner</span> en het <span class="letterspaced">Kladruber</span> slag, die met het Spaansche halfbloedslag, den <span class="letterspaced">Andalusi&euml;r,</span> nauw verwant zijn; in Frankrijk het <span class="letterspaced">Anglo-normandische</span> en het <span class="letterspaced">Anglo-bretonsche</span> slag; de Russische <span class="letterspaced">Orlowdravers,</span> die in de stoeterijen Khr&auml;nowoy en Padu, in het gouvernement Woronesch gefokt worden, stammen af van een Arabischen hengst
+en een Hollandsche merrie, [evenals de Engelsche <span class="letterspaced">Norfolk-dravers,</span> van een Engelschen Volbloedhengst een Friesche merrie]; andere Russische halfbloedpaarden zijn sommige slagen van <span class="letterspaced">Donsche</span> en <span class="letterspaced">Tscherkessische</span> paarden. Door kruising van Engelsche Volbloedhengsten en merries van het Yorkshire-landslag (ook wel Cleveland-bruinen genaamd,
+naar de streek waar zij het meest gefokt werden), ontstond het Engelsche Jachtpaard (<i>Hunter</i>), dat zich door een sterkeren lichaamsbouw en kortere pooten van het Engelsche Volbloedpaard onderscheidt, en dus een grooter
+gewicht kan dragen, maar er door kop en hals mede overeenkomt; kleiner is het <span class="letterspaced">Engelsche halfbloed koetspaard</span> (<i>Hackney</i> of <i>Hack</i>) en nog kleiner (ongeveer 1.4 M. hoog), de voor &#8217;t zelfde doel dienende <i>Cob</i>. Van de <span class="letterspaced">Noord-Amerikaansche</span> paarden behooren tot deze afdeeling sommige slagen van <span class="letterspaced">Sneldravers</span> (<i>Trotter</i>). De Paarden van de hier genoemde slagen zijn, zooals te verwachten is, zeer verschillend, zoowel wat lichaamsbouw als wat
+geschiktheid betreft. Er zijn lichte, middelmatige en zware dieren onder; vele zijn uitmuntende rij- of wagenpaarden, andere
+sterke werkpaarden; verscheidene onderscheiden zich door een zeer groote trekkracht.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Tot de derde afdeeling, die der <span class="letterspaced">Koudbloedige rassen,</span> genaderd, zijn wij het best in de gelegenheid iets te zeggen van de in Nederland thuis behoorende paarden. &#8220;Evenals de meeste
+Europeesche landen,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Reinders,</span> &#8220;bezit Nederland eigenlijk een groot mengelmoes van Paarden. Men wil, dat daaronder drie typen voorkomen, die men gewoonlijk
+als het <span class="letterspaced">Friesche</span>, het <span class="letterspaced">Geldersche</span> en het <span class="letterspaced">Zeeuwsche</span> ras onderscheidt. Het meest verbasterd (door kruising met andere rassen gewijzigd) is daarvan wellicht &#8217;t Zeeuwsche, maar
+van de beide andere gaat het dikwijls moeilijk een exemplaar van de echte type, van &#8216;het echte ras&#8217; te vinden. Twee andere
+typen zouden wellicht nog daarbij gevoegd kunnen worden, die van Holland en Utrecht, maar nog meer dan in andere provinci&euml;n
+heeft hier verbastering plaats gehad.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1394.jpg" alt="Trakehner. 1/25 v.d. ware grootte." width="720" height="506"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Trakehner.</span> 1/25 v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Het <span class="letterspaced">Friesche Paard,</span> in de provinci&euml;n Groningen, Friesland en Drente, maar door uitvoer naar Noord- en Zuid-Holland ook in deze provinci&euml;n niet
+zeldzaam, werd voorheen onder dezen naam naar alle streken van Europa uitgevoerd, inzonderheid naar Rome en Madrid, waar het
+als staatsiepaard een grooten naam had. Ook thans nog is het als koetspaard in het buitenland gezocht. Jaarlijks gaat onder
+anderen een zeker aantal zwarte hengsten van dit ras naar Engeland om daar voor de lijkkoetsen dienst te doen. Hun schoone
+vorm, hun verheven gang en hunne sterke beenen maken hen daarvoor uitermate geschikt. Van al de Nederlandsche Paarden is het
+Friesche Paard het grootst hoewel niet meer zoo groot als voorheen. Het Friesche Paard heeft ook naam als harddraver, maar
+bezit deze eigenschap meer door aanleg dan wel tengevolge van de keuze bij het aanfokken, gelijk bij het Engelsche Renpaard
+<a id="d0e1756"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1756">395</a>]</span>het geval is. Ook als harddraver werd het vroeger veelvuldig uitgevoerd en met andere rassen gekruist.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het <span class="letterspaced">Geldersche Paard,</span> nog het meest oorspronkelijk in de Betuwe, is kleiner dan het Friesche. Het is meer rij- dan trekpaard en om zijne verhevene
+bewegingen gezocht als cavaleriepaard; de zwaardere exemplaren zijn ook goede trekpaarden. De goede eigenschappen van het
+Geldersche Paard worden toegeschreven aan een kruising van het oorspronkelijke inlandsche met het Andalusische Paard in den
+Spaanschen tijd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het <span class="letterspaced">Zeeuwsche Paard</span> is zwaar en meer of minder plomp van vorm. Het is sterk, maar niet zeer schoon, wel geschikt voor ploeg- of werkpaard, maar
+wegens zijn moeilijke beweging minder gepast als tuigpaard.&#8221;
+
+</p>
+<p>De talrijke in Nederland voorkomende vreemde Paarden behooren voor een groot deel hetzij tot Duitsche slagen of tot het <span class="letterspaced">Vlaamsche</span> of het <span class="letterspaced">Ardenner</span> ras, die beide in Belgi&euml; en in de aangrenzende Fransche departementen gefokt worden; de <span class="letterspaced">Ardenners</span> zijn meestal roodschimmels; het zijn sterke gebergtepaarden, waarvan een grooter en een kleiner slag bestaat; hier te lande
+heeft men meestal het zware slag; het meestal zwarte <span class="letterspaced">Vlaamsche Paard</span> is grooter, gemiddeld 1.8 M. hoog in de schouders, nog iets hooger in het kruis, met eenigszins ingezonken rug; het heeft
+een breed gespleten kruis evenals het nauw verwante, iets kleinere en meer gedrongen gebouwde <span class="letterspaced">Brabantsche Paard.</span> Het ras der <span class="letterspaced">Percherons,</span> zoo genoemd naar het Fransche landschap Perche (Dep<sup>n</sup> Eure et Loire en Orne), komt in twee hoofdverscheidenheden voor, als middelsoort rij- en tuigpaard en als zwaar trekpaard;
+meestal zijn het schimmels met kleinen, edelen kop, fijn manenhaar, hoog, meestal gespleten kruis en korte, krachtige ledematen.
+Verwant hieraan zijn de <span class="letterspaced">Boulognezer Paarden.</span> De <span class="letterspaced">Clydesdalers</span> zijn zware Engelsche landbouwpaarden. Nog grooter zijn de <span class="letterspaced">Engelsche Karrepaarden</span> (<span class="letterspaced">Dray-horse</span>, 1.9 &agrave; 1.94 M. schouderhoogte), die men wel eens &#8220;Olifantspaarden&#8221; noemt, en die, ondanks hun kolossalen omvang, goed geproportioneerd
+zijn en zich gemakkelijk bewegen; naar men zegt, stammen zij af van Paarden, die uit Holland werden ingevoerd en welker nakomelingen
+door goede verzorging en doelmatige keuze van fokdieren veredeld zijn; zij worden o.a. voor het trekken van de bierwagens
+gebruikt. Het <span class="letterspaced">Norische ras</span> heeft zijn hoofdzetel in de Oostenrijksche Alpen (Salzburg, Tirol, enz., tot aan het westelijke deel van Hongarije); het
+sterkste en grootste van de vele, hiertoe behooren de slagen is het <span class="letterspaced">Pinzgauer Paard;</span> het kleinste, de door karige voeding en ruw klimaat ontaarde <span class="letterspaced">Hafflinger Hit</span> in de omstreken van Bozen. Voorts verdienen nog vermelding het <span class="letterspaced">Jutlandsche</span> of <span class="letterspaced">Deensche Paard</span> en het Russische <span class="letterspaced">Bitjug-Paard.</span> In de <span class="letterspaced">Hongaarsche</span> paardenslagen, die wegens hun volharding voor gemakkelijke cavalerie-diensten uitnemend geschikt zijn, is een Oostersch type
+zichtbaar: zij zijn nauwelijks middelmatig groot, hebben een zwaren kop, een eenigszins verlengden romp, een recht kruis en
+krachtige, droge ledematen.
+
+</p>
+<p>In Hongarije, Zuid- en Oost-Rusland, Roemeni&euml; en andere landen met geringe bevolkingsdichtheid en uitgestrekte weidegronden
+heeft het paardenfokken meestal plaats in zoogenaamde &#8220;wilde&#8221; of &#8220;half-wilde&#8221; stoeterijen: in gene worden de Paarden gedurende
+het geheele jaar aan zichzelf overgelaten; de hier geboren Paarden zijn zeer duurzaam, krachtig en sober, maar nimmer zoo
+schoon als die, welke onder toezicht van den mensch geboren en grootgebracht worden, vooral omdat op de kruising door den
+mensch weinig of geen invloed wordt geoefend. Dit is nog wel eenigszins het geval in de &#8220;half-wilde&#8221; stoeterijen, waar<span id="d0e1826" class="corr" title="Bron: (">, </span>evenals in de Zuid-Amerikaansche Llanos, in den bronsttijd aan elken hengst een bepaald aantal merries worden toebedeeld,
+of waar, zooals in vele Oost-Europeesche landen geschied, de Paarden wel van de lente tot den herfst in vrijheid leven, maar
+&#8217;s winters in stallen gehouden worden. Deze vormen een overgang tot de reeds genoemde &#8220;tamme stoeterijen&#8221;, waar stamboeken
+gehouden worden, die de afstamming, den ouderdom en bijzondere kenteekenen van ieder ingeschreven Paard vermelden; hier heeft
+de voedering plaats in stallen &#8217;s winters en op de weiden (afzonderlijk voor de hengsten en merri&euml;n) gedurende den zomer.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Paardenrassen van in &#8217;t oogloopende kleinheid, welker schouderhoogte in volwassen toestand minder dan 1.4 M. bedraagt, worden
+<span class="letterspaced">Ponies</span> genoemd. Het kleinste Paard, de <span class="letterspaced">Schotlandsche Pony</span> of <span class="letterspaced">Hit</span>, die gevulde, langharige manen en een ruigen staart heeft, is dikwijls slechts 90 cM., soms niet meer dan 85 cM., enkele
+malen zelfs maar 82 cM. hoog en dus niet grooter dan enkele rassen van Honden. Wanneer zij grooter zijn 1.20 M. noemt men
+ze <span class="letterspaced">Dubbele Hitten</span> of <span class="letterspaced">Ketten</span>. In Engeland bestaan, behalve het genoemde Pony-ras, nog die van <span class="letterspaced">Wales</span>, <span class="letterspaced">Exmoor</span> (in het Schotsche Hoogland) en <span class="letterspaced">New-Forest</span>. Ook in andere landen komen Pony&#8217;s voor, o.a<span id="d0e1857" class="corr" title="Bron: ">.</span> in Noorwegen en Zweden, op IJsland en Corsika. Iedere bezoeker van de Amsterdamsche diergaarde kent de <span class="letterspaced">Javaansche Paardjes</span>. Opmerkelijk is trouwens bij alle Indische Paarden de geringe grootte. Een hoogte van 1.3 M. is reeds buitengewoon, in den
+regel wisselt deze af tusschen 95 en 125 cM. Het beste Indische Paard is het <span class="letterspaced">Macassaarsche</span>, dat gewoonlijk als cavalerie-paard voor het O.I. leger dient. Ook de <span class="letterspaced">Hitten</span> uit de bergstreken van <span class="letterspaced">Timor</span> worden zeer geroemd.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De Oostersche paardenrassen vertoonen over &#8217;t algemeen veel minder verscheidenheid van vorm dan de Westersche; het is gemakkelijker
+van gene een algemeen beeld te ontwerpen dan van deze. &#8220;Een Berberpaard,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Wilckens</span>, &#8220;verschilt slechts weinig van een Arabisch-Perzisch Paard, en zelfs het gewone Tartaarsche Paard vertoont in vorm veel overeenkomst
+met den Arabischen Volbloed. Daarentegen merkt men bij onderlinge vergelijking van de Westersche paardenrassen een buitengewone
+verscheidenheid van vorm op, die het voor den oppervlakkigen beoordeelaar onbegrijpelijk maakt, dat deze zoo uiteenwijkende
+dieren tot een en dezelfde soort gerekend worden; inderdaad, wanneer men b<span id="d0e1879" class="corr" title="Bron: ">.</span>v. het kolossale Engelsche Karrepaard, of zelfs het Suffolk-paard naast een Shetlandsche Pony, of een voor den renbaan gefokt
+Engelsch Volbloed-paard naast een Vlaamsch of een Pinzgauer Paard plaatst, welk een in &#8217;t oog loopend verschil! Ongetwijfeld
+is zoowel de groote overeenstemming van den vorm der Oostersche Paarden als de groote verscheidenheid van vormen der Westersche
+een gevolg van den invloed van het klimaat en van de levenswijze op de ontwikkeling dezer dieren. Omdat eenerzijds het klimaat
+in de steppen van Afrika en Azi&euml; (en zelfs in Zuid-Rusland, Hongarije en Galici&euml;) gelijkmatiger is, dan anderzijds dat in
+Engeland en Zuid-Frankrijk, in Denemarken en de <a id="d0e1882"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1882">396</a>]</span>Alpen, omdat het Oostersche Paard op gelijkaardiger wijze gevoed en gebruikt wordt dan het Westersche, zijn de leden van het
+eerste hoofdras meer aan elkander gelijk en is dit ras armer aan vari&euml;teiten. De zeer verschillende wijze van voeding van
+het Westersche Paard en zijn geschiktheid tot zeer uiteenloopende werkzaamheden zijn een uitvloeisel van den hoogeren trap
+van beschaving en van den vooruitgang op industrieel gebied van de Westersche volken.&#8221;
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Het tamme Paard is tegenwoordig bijna over den geheelen aardbol verspreid. Het ontbreekt alleen in de koudste landstreken
+en op verscheidene eilanden, waar de mensch dezen helper nog niet noodig heeft.
+
+</p>
+<p>Het veulen heeft bij de geboorte de oogen geopend en is behaard; weinige minuten later kan het staan en gaan. Men laat het
+ongeveer 5 maanden lang zuigen, ronddartelen en spelen en speent het dan. In het eerste jaar draagt het een wollig haarkleed,
+korte, overeindstaande gekroesde manen en een dergelijken staart, in het tweede levensjaar worden de haren glanziger, de manen
+en de staartharen langer en sluiker. Later kan men de leeftijd vrij nauwkeurig bepalen door acht te geven op de snijtanden.
+Bij de geboorte zijn de spitsen van drie kiezen in elke kaakhelft zichtbaar, soms ook de middelste snijtanden (<span class="letterspaced">grasb&#307;ters</span>) van onder- en bovenkaak, die in allen gevalle binnen de twee eerste weken na de geboorte zich vertoonen. De volgende snijtanden
+(<span class="letterspaced">middeltanden</span>) komen op den leeftijd van 2 &agrave; 6 weken, de buitenste (<span class="letterspaced">hoektanden</span>) 5 &agrave; 9 maanden na de geboorte. Dan is het <span class="letterspaced">veulen</span>- of <span class="letterspaced">melkgebit</span> volledig. Al deze tanden vallen op een bepaalden leeftijd uit, om voor de <span class="letterspaced">bl&#307;vende</span>- of <span class="letterspaced">paardentanden</span> plaats te maken. De &#8220;melksnijtanden&#8221; zijn zuiver wit, schopvormig en met een hals voorzien, in tegenstelling met de geelachtige,
+beitelvormige, aan de voorzijde gegroefde &#8220;paarden-snijtanden.&#8221; De tandwisseling begint op 2&frac12; &agrave; 3-jarigen leeftijd: dan wisselen
+de grasbijters; hetzelfde geschiedt met de middeltanden, als het dier 3&frac12; &agrave; 4, met de &#8220;hoektanden&#8221; (buitenste snijtanden) als
+het 4&frac12; &agrave; 5 jaar oud is. In de 10e &agrave; 12e levensmaand krijgt het veulen de 4e, op 2- &agrave; 2&frac12;-jarigen leeftijd de 5e, en als het
+4 &agrave; 5 jaar oud is, de 6e kies. De drie eerste melkkiezen wisselen tusschen 2&frac12; en 3 jaar. Bovendien komt bij het mannetje geregeld,
+bij het wijfje bij uitzondering op 4- &agrave; 5-jarigen leeftijd, tusschen de snijtanden en de kiezen in elke kaakhelft een <span class="letterspaced">haaktand</span> (hoektand) te voorschijn, ten teeken, dat de ontwikkeling van het dier is afgeloopen. Na het vijfde jaar let men, om de ouderdom
+van het dier te kennen, op het merk in de snijtanden, dit is een zwartachtig bruine holte ter grootte van een linze op de
+afgesleten kroonvlakte. Dit merk verdwijnt door afslijting aan de grasbijters van de onderkaak op den leeftijd van 5 of 6
+jaar, aan de middeltanden in het zevende, aan de hoektanden in het achtste jaar; vervolgens verdwijnt in dezelfde volgorde
+het merk van de bovenkaakssnijtanden, totdat in het elfde of twaalfde jaar alle merken verdwenen zijn. Met toenemenden leeftijd
+verandert ook allengs de gedaante der tanden: zij worden des te smaller, naarmate zij ouder worden.
+
+</p>
+<p>De Paarden kunnen &eacute;&eacute;nkleurig zijn of een gemengde haarkleur hebben. De &eacute;&eacute;nkleurige zijn: vaal of isabelkleurig (lichtgeel
+of goudgeelachtig), voskleurig (naar rood of kaneelkleur zweemend; flauw rosachtig heet &#8220;koeharig&#8221;, &#8220;brandvossen&#8221; zijn meer
+roodachtig, &#8220;zweetvossen&#8221; van lichteren tint), bruin (kastanjebruin en wel licht goudgeelachtig of donker), zwart (gitzwart
+of moorzwart, vuilzwart). Bij bruine of vale Paarden zijn de manen, de staart en de onderste deelen der pooten meestal zwart;
+bij de zwarte en witte zijn zij van dezelfde kleur, bij voskleurige nu eens van dezelfde, dan weer van een lichtere of donkerder
+kleur. Een zwarte streep over den rug, van de manen tot den staart, heet een &#8220;aalstreep&#8221;.
+
+</p>
+<p>De gemengdkleurige Paarden zijn: &#8220;stekelharig&#8221;, wanneer de meeste haren zwart zijn, maar tusschen deze over het geheele lichaam
+hier en daar enkele grijze haren te voorschijn komen, zonder dat ouderdom hiervan de oorzaak is; &#8220;schimmels&#8221;, wanneer de meestal
+witte grondkleur (die grijs kan schijnen, doordat enkele donkerder haren met de witte gemengd zijn) regelmatig gerangschikte
+vlekken vertoont door sterkere ophooping van donkere haren op sommige plaatsen; &#8220;tijgerkleurig&#8221;, wanneer de helder witte beharing
+bezaaid is met duidelijk uitkomende, min of meer ronde, zwarte, bruine, roodachtige of leikleurige vlekken; &#8220;bont&#8221;, wanneer
+groote, donkerkleurige onregelmatige vlekken met de meestal witte grondkleur afwisselen. Vooral bij schimmels komt het voor,
+dat de kleur bij de geboorte anders (donkerder) is dan op lateren leeftijd. &#8220;Geappeld&#8221; heet het Paard, wanneer ronde vlekken
+(die uit een donkeren rand en een lichteren kern bestaan) hetzij over het geheele lichaam of meer bepaaldelijk over enkele
+deelen, zooals de schouders en het kruis verspreid zijn. &#8220;Bont&#8221; noemt men een Paard <span class="letterspaced">niet</span>, wanneer het enkele vlekken of strepen aan den kop heeft, of wanneer alleen de voeten meer of minder ver wit gekleurd zijn.
+Een &#8220;kol&#8221; is een kleine of middelmatig groote, witte vlek op het voorhoofd, even boven de oogen; een &#8220;bles&#8221; is een witte band
+over den neus van het Paard van tusschen de oogen tot aan de neusgaten; een &#8220;snuf&#8221; is een witte bovenlip.&#8212;Alleen de kleine
+haren (die in den winter langer zijn dan in den zomer) worden gewisseld; dit geschiedt hoofdzakelijk in het voorjaar. Het
+winterhaar valt in dezen tijd zoo snel uit, dat het &#8220;verharen&#8221; reeds binnen een maand grootendeels afgeloopen is. Langzamerhand
+worden de uitgevallen haren vervangen; eerst na het begin van September of October beginnen de nieuwe haren zich sterk te
+verlengen. De haren van de manen en den staart blijven onveranderd.
+
+</p>
+<p>Het Paard is aan vele ziekten onderhevig. De belangrijkste zijn de spat, een gezwel gevolgd door een verharding van het spronggewricht;
+de droes, een zwelling van de klieren aan de onderkaak; de wormziekte, een droge of vochtige uitslagziekte, waardoor de haren
+uitvallen; de kwade droes, een sterke ontsteking aan het neusmiddelschot, die in hooge mate besmettelijk is en ook op den
+mensch kan overgaan; de razende kolder, een hersenontsteking; de stille kolder, een dergelijk lijden; de grauwe en de zwarte
+staar en andere kwalen. Bovendien wordt dit dier gekweld door vele uitwendige en inwendige parasieten.
+
+</p>
+<p>Het Paard kan een leeftijd van 40 jaar en meer bereiken, maar wordt dikwijls zoo slecht behandeld, dat het reeds op zijn 20e
+jaar afgeleefd is; men mag aannemen, dat het slechts zelden 30 jaar oud wordt.
+
+</p>
+<p>Over de eigenschappen, gewoonten, hebbelijkheden en eigenaardigheden van de Paarden, in &eacute;&eacute;n woord over de gesteldheid van
+hun geest, zal ik <span class="smallcaps">Scheitlin</span> laten spreken: &#8220;Het Paard,&#8221; zegt hij, &#8220;heeft onderscheidingsvermogen voor voedsel, woning, ruimte, tijd, licht, vorm, voor
+zijn familie, voor buren, vrienden, <a id="d0e1930"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1930">397</a>]</span>vijanden, andere dieren, menschen en zaken. Het bezit waarnemings-, voorstellings- en herinneringsvermogen, geheugen, verbeeldingskracht;
+het heeft een fijn ontwikkeld gevoel voor een groot aantal toestanden, die zijn lichamelijke of geestelijke gesteldheid wijzigen.
+Het wordt aangenaam of onaangenaam gestemd door elke wijziging van omstandigheden, is in staat om tevreden te zijn over het
+leven, dat het op een gegeven tijdstip leidt, of om naar verandering te haken; zelfs is het vatbaar voor hartstochten, voor
+fijn gevoelende liefde en haat. Zijn verstand is groot en wordt zonder groote moeite in bekwaamheid omgezet, want het Paard
+is buitengewoon leerzaam.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijn opmerkingsvermogen, zijn geheugen en zijn goedhartigheid maken het mogelijk het alle kunststukken te leeren, die de
+Olifant, de Ezel en de Hond kunnen verrichten. Het moet raadsels oplossen, vragen beantwoorden, door beweging met den kop
+&#8216;ja&#8217; en &#8216;neen&#8217; zeggen, door met den poot te tikken getallen aangeven, b.v. de tijdaanwijzing van een horloge. Het let op de
+beweging van de handen en voeten van zijn leermeester, begrijpt de beteekenis van het zweepgeklap en van de woorden, die het
+vervangen of er mede gepaard gaan: het heeft dus werkelijk een klein woordenboek in de gedachten. Op commando houdt het zich
+ziek, neemt een onnoozele houding aan door de pooten wijd uiteen te zetten en den kop te laten hangen, waggelt treurig en
+vermoeid voort, laat zich langzaam vallen, ploft op den grond neer, houdt zich dood (ook wanneer iemand op zijn lichaam gaat
+zitten, of zijn pooten uiteen legt, of het aan den staart trekt, of den vinger in de zoo fijngevoelige ooren steekt, enz.);
+zoodra zijn meester echter zegt, dat hij het door den vilder zal laten halen, springt het weder overeind en neemt een wakkere
+en vroolijke houding aan; het heeft deze klucht uitmuntend begrepen. Het blijkt niet, dat het behagen schept in de grappen,
+die het zoo dikwijls moet herhalen. Alleen in loopen en springen heeft het vermaak. Hoe lang zal men het moeten onderrichten,
+voordat het er zich aan waagt om door twee groote hoepels te springen, die tamelijk ver van elkander verwijderd zijn en die
+met wit papier dichtgeplakt, op hem den indruk van witte muren moeten maken? Dat de mensch iets leeren kan en wil, verwondert
+ons niet, maar wel dat het <span class="letterspaced">Paard</span> het kan. Men moet werkelijk niet vragen: Wat kan het leeren? maar: Wat kan het <span class="letterspaced">niet</span> leeren?
+
+</p>
+<p>&#8220;Ieder, die een Paard iets menschelijks wil leeren, moet het, in den beginne althans, echt menschelijk behandelen, d.w.z.
+hij moet niet trachten het door slaan, of door bedreigingen, of door honger de gewenschte vaardigheid bij te brengen, maar
+alleen goede woorden gebruiken en het bejegenen zooals een goed, verstandig mensch een goed, verstandig mensch bejegent. In
+den regel zijn de Paarden geheel en al kinderen in het goede zoowel als in het booze.
+
+</p>
+<p><span id="d0e1943" class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>Het Paard kent niet alleen het begrip plaats, maar ook het begrip tijd. Het leert op de maat stappen, draven, galoppeeren
+en dansen. Het kent ook verschil van tijd op grootere schaal; het weet, of het morgen, middag of avond is. Het ontbreekt het
+Paard zelfs niet aan <span id="d0e1946" class="corr" title="Bron: muziekaal">muzikaal</span> gevoel. Evenals de krijgsman houdt het van trompetgeschal. Het krabt vroolijk met de voorpooten op den grond, wanneer dit
+geluid als sein voor het loopen bij wedrennen en gedurende den veldslag weerklinkt; het kent en begrijpt ook het tromgeroffel
+en alle geluiden, die met zijn moed en met zijn vrees in verband staan. Het kent het gebulder van het geschut; maar hoort
+het niet graag, wanneer het soortgenooten gedurende veldslagen door kogels heeft zien treffen. Door het hooren van donder
+wordt het eveneens onaangenaam aangedaan. Misschien heeft het ervaren, dat het onweer onheil kan stichten.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het Paard is zeer vatbaar voor vrees en gelijkt dus ook in dit opzicht op den mensch. Het verschrikt door een ongewoon geluid,
+een ongewoon voorwerp, een wapperend vaandel, een hemd, dat buiten het venster waait. Zorgvuldig kijkt het naar den bodem,
+wanneer hier steenen op liggen; voorzichtig stapt het in de beek of in de rivier. Het is buitengewoon bang voor den bliksem.
+Gedurende het onweder zweet het uit angst van getroffen te worden. Als het eene Paard op hol gaat, kan het andere, dat minder
+schichtig is, het tegenhouden; gewoonlijk echter wordt het eveneens door den schrik bevangen; beide rennen dan voort met steeds
+klimmende vrees en toenemenden angst, hollen in dolle vaart over en door alles heen, over den dorschvloer, met den kop tegen
+een muur, enz., alsof zij dol zijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;De eenige ware lust van het Paard is het rennen. Van nature is het een reiziger; alleen voor hun vermaak rennen de Paarden,
+die in de Russische steppen grazen; zij galoppeeren vele uren, een dagreis ver met de koetsen mede; zonder nood van op den
+langen weg te verdwalen, keeren zij eindelijk naar hun uitgangspunt terug. Op de weide spelen zij vroolijk met elkander, werpen
+het voorste of het achterste deel van &#8217;t lichaam omhoog en halen allerlei streken uit, rennen te zamen of bijten elkander.
+Er zijn er bij, die gedurig bezig zijn de andere te plagen. Het dier, dat menschelijke handelingen tracht na te bootsen, moet
+zich den mensch zeer nabij gevoelen, moet in hem bijna zijns gelijke vinden.
+
+</p>
+<p>&#8220;De hengst is in alle opzichten een vreeswekkend dier. Zijn spierkracht is ontzettend, zijn moed boven alle beschrijving groot,
+zijn oog schiet vuur. De merrie is veel zachtaardiger, goedhartiger, toegevender, gehoorzamer, gemakkelijker te besturen;
+daarom geeft men aan haar dikwijls de voorkeur boven den hengst. Het paard is voor allerlei aandoeningen vatbaar. Het mint
+en haat, is jaloersch, wraakzuchtig, nukkig enz. Geen Paard is aan een ander gelijk. Bijtlustig en boos, valsch en arglistig
+is het eene, goed vertrouwend en zachtaardig het andere. De natuur of de opvoeding of beide gezamenlijk hebben ze zoo verschillend
+doen worden.
+
+</p>
+<p>&#8220;Groot is het verschil van levenslot der Paarden! Het lot van de meeste is in de jeugd vertroeteld en met haver gevoederd
+te worden, op hun ouden dag een kar voort te slepen, met haksel en ruigte het leven te rekken, en rijkelijk slagen te ontvangen.
+Aan de nagedachtenis van menig Paard werden tranen gewijd; terecht zijn voor sommige Paarden marmeren gedenkteekens opgericht.
+Zij hebben een jeugd, die voor &#8217;t spelen bestemd is, jongelingsjaren, waarin zij met hunne gaven pronken, een mannelijken
+leeftijd om te arbeiden, en een ouderdom, waarin zij naar lichaam en geest trager en doffer worden; zij bloeien, rijpen en
+verwelken!&#8221;
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Het tweede ondergeslacht van de Paarden (<i>Asinus</i>), waarvan de kenmerken reeds vroeger opgegeven zijn omvat de <span class="letterspaced">Ezels</span> en de <span class="letterspaced">T&#307;gerpaarden</span>.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Koelan</span> van de Kirgiezen, de <span class="letterspaced">Dziggetai</span> (letterlijk vertaald &#8220;Langoor&#8221;) der Mongolen in &#8217;t algemeen [<i>Equus (Asinus) hemionus</i>], heeft sommige eigenaardigheden, waardoor zijn schoonheid die van <a id="d0e1983"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1983">398</a>]</span>den Ezel verre overtreft. Deze zijn: een buitengewoon licht gebouwd lichaam, slanke ledematen, een wild en vlug voorkomen
+en een fraaie haarkleur. Hij is iets grooter dan het kleine slag van muildieren, bijna gelijk aan een hit. De kop is eenigszins
+zwaar ontwikkeld, de borst groot, van onderen hoekig en een weinig samengedrukt. De ooren zijn langer dan bij het Paard, maar
+korter dan bij de gewone muildieren. De manen zijn kort en overeind geplaatst; hierdoor en ook door den staart en de hoeven
+gelijkt hij op den Ezel. De borst en de bovenarmen zijn smal en op lange na niet zoo gevleescht als bij het Paard; ook het
+achterstel is schraal; de ledematen zijn buitengewoon licht en fijn, en tevens tamelijk lang. De kleur van den Dziggetai is
+licht geelbruin; de neus en de binnenzijde der ledematen hebben een vaal-gelen tint; de manen en de staart zijn zwartachtig.
+Over het midden van den rug, boven de ruggegraat, loopt een bruinachtige, eenigszins naar geel en grijs zweemende streep,
+die van voren ongeveer zoo breed is als een vinger, zich naar &#8217;t midden van den rug allengs tot 1 cM. versmalt; haar breedte
+neemt daarna snel weer toe, zij komt in &#8217;t kruis en boven het bekken met die van 3 vingers overeen, om vervolgens weer af
+te nemen tot een smalle lijn op &#8217;t midden van de bovenzijde van den staart; overal steekt zij sterk af bij de kleur van het
+overige haar.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1398.jpg" alt="Koelan (Equus hemionus). 1/18 v.d. ware grootte." width="720" height="710"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Koelan</span> (<i>Equus hemionus</i>). 1/18 v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De totale lengte bedraagt ongeveer 2.5 M., waarvan 50 cM. op den kop en 40 cM. op den staart komen (de haarkwast aan de spits
+niet medegerekend); de schouderhoogte wisselt van 1.3 tot 1.5 M. af.
+
+</p>
+<p>De Dziggetai of Koelan is een kind van de steppe. Hoewel hij zich bij voorkeur in de nabijheid van meren en rivieren ophoudt,
+vermijdt hij evenwel de dorre, waterlooze en woestijnachtige streken niet, en evenmin de bergachtige gewesten, voor zoover
+deze n.l. een steppe-karakter hebben, met andere woorden, niet met bosschen bedekt zijn. Zoomin de ijlere lucht van het hooge
+gebergte, als de temperatuurswisselingen van het laagland, waar in den zomer een verzengende hitte, in den winter een strenge
+koude heerscht, zoomin de prikkelende sneeuwstormen van de hoogvlakte, als de door den wind voortgestuwde heete zandwolken
+van de laagvlakte, beperken het verbreidingsgebied van deze tegen weer en wind geharde dieren in de steppen; door niemand
+anders dan door den mensch wordt zijn aanwezigheid zoo niet bepaald, dan toch eenigermate beperkt. Streken, welker uitgestrekte
+weidegronden van tijd tot tijd door rondzwervende herdersvolken bezocht worden, of waardoor de nomadische herder met zijne
+kudden geregeld heen en weer trekt, worden door de Koelan verlaten; daar waar te midden van vruchtbaarder weidegronden zich
+landstreken bevinden, zoo arm, zoo dor, zoo woestijnachtig, dat zelfs de genoemde voorloopers van den aan vaste woonplaatsen
+gebonden mensch ze vermijden, kan men er verzekerd van zijn het wilde Paard, dat onbeperkte vrijheid verlangt, te zullen aantreffen.
+
+</p>
+<p>Nog tegenwoordig bevolkt het in aanzienlijken getale verscheidene districten van Akmolinsk en bewoont het een strook steppe-land
+tusschen het Alta&iuml;-gebergte en het Saisan-meer; men ontmoet het van hier uitgaande op alle voor zijn levenswijze geschikte,
+verder oostwaarts en zuidwaarts gelegen oorden van zuidelijk Siberi&euml; en Toerkestan, hoewel hier niet zoo menigvuldig als in
+de woestijnachtige steppen van Mongoli&euml; en het noordwesten van China of in de gebergten van Tibet.
+
+</p>
+<p>Gezelligheid is een grondtrek van de inborst van <a id="d0e2003"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2003">399</a>]</span>dit wilde paard en van de E&eacute;nhoevigen in &#8217;t algemeen. Evenals in Afrika de Zebra, de Quagga en de Dauw zich voegen bij de
+kudden Antilopen en Struizen, ziet men in de hooge gebergten van Midden-Azi&euml; de Dziggetai gemeenschappelijk grazen met verschillende
+soorten van wilde Schapen, met de Tibetaansche Antilope en den Yak, in de laagvlakten met de Krop- en Saiga-Antilopen. Ook
+met verwilderde Paarden leeft hij in goede verstandhouding.
+
+</p>
+<p>Wie ooit Koelans in hun vaderland en in volledige vrijheid zag, zal moeten erkennen, dat zij hoog begaafde dieren zijn. Betooverd
+volgt het oog hunne bewegingen; verrukt en verbaasd tracht het de onvergelijkelijke behendigheid van deze snelvoetige dieren
+na te gaan. &#8220;Het is een verwonderlijk schouwspel,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Gay</span>, &#8220;te zien, hoe vlug zij de bergen bestijgen en hoe behendig zij er van afdalen zonder ooit te struikelen. Alsof zij met hunne
+onuitputtelijke krachten wilden spelen, repten de door ons vervolgde Koelans zich voort over de heuvels en door de dalen van
+de steppe.&#8221;
+
+</p>
+<p>Zulk een dier ontkomt gemakkelijk aan de vervolgingen van groote Roofdieren. In de West-Aziatische steppen zijn er trouwens
+geen, die op Koelans jacht maken; want de hier inheemsche Wolven wagen het niet gezonde, wilde Paarden aan te vallen, omdat
+deze hunne krachtige hoeven uitmuntend tegen vijanden weten te gebruiken. Waarschijnlijk worden alleen vermoeide en door ziekte
+aangetaste Koelans, die van de kudde verwijderd zijn geraakt, een prooi van de Wolven<span id="d0e2012" class="corr" title="Bron: ">.</span> In het zuidelijk en zuidoostelijk gedeelte van hun verbreidingsgebied worden de Koelans misschien door Tijgers lastig gevallen.
+Een gevaarlijker vijand is echter de mensch. De nomadische herders van de steppe zijn hartstochtelijke liefhebbers van de
+Koelan-jacht, vooral omdat voor dit bedrijf een groote behendigheid van de zijde van den jager vereischt wordt.&#8212;In de Europeesche
+dierentuinen behoort de Koelan nog steeds tot de zeldzaamheden, hoewel men hem in de laatste 20 jaren dikwijls daarheen heeft
+overgebracht, en hij er ook herhaaldelijk (alleen te Parijs niet minder dan 16-maal) jongen heeft geworpen. Met goed gevolg
+heeft men hem met den Ezel, den Quagga, den Zebra, en kort geleden ook met het Paard gekruist.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een tweede, in Azi&euml; in &#8217;t wild levende E&eacute;nhoevige, die misschien met den Koelan een zelfde soort vormt, is de <span class="letterspaced">Onager</span> van de Ouden, die ook in den Bijbel herhaaldelijk genoemd wordt. Volgens <span class="smallcaps">Sclater</span>&#8217;s vergelijkend onderzoek van de wilde Paarden is het meer dan waarschijnlijk, dat de wilde Ezel, die de Indische woestijnen
+bewoont, zich niet van den Onager onderscheidt. Het verbreidingsgebied van deze soort zou zich dus van Syri&euml; over Arabi&euml;,
+Perzi&euml; en Beloetsjistan tot in Indi&euml; uitstrekken.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Onager</span> [<i>Equus (Asinus) onager</i>] is aanmerkelijk kleiner dan de Dziggetai, maar toch hooger en fijner van ledematen dan de Gewone Ezel. De kop is betrekkelijk
+nog hooger en grooter dan bij de Koelan; de dikke lippen zijn tot aan den rand dicht bezet met stijve, borstelige haren; de
+ooren zijn tamelijk lang, maar korter dan bij den Gewonen Ezel. De heerschende kleur is fraai wit met een zilverachtigen glans,
+deze gaat aan de bovenzijde van den kop, aan de zijden van den hals en van den romp en ook aan de heupen in een bleeke isabelkleur
+over. Over de schouderstreek loopt een witte streep ter breedte van een hand benedenwaarts, een tweede streep loopt aan weerszijden
+langs het midden van den rug en over de achterzijde der dijen; tusschen de beide overlangsche strepen ligt de koffie-bruine
+rugstreep. De beharing is nog zijdeachtiger en zachter dan bij een Paard. Het winterhaar kan men met kameelwol vergelijken,
+het zomerhaar is uiterst glad en fijn. De rechtopstaande manen bestaan uit zachte, wollige, ongeveer 10 cM. lange haren; de
+kwast aan den staart wordt meer dan een span lang.
+
+</p>
+<p>Door zijn levenswijze herinnert de Onager aan den Koelan. Een hengst is de aanvoerder van de kudde, die uit merries en veulens
+van beiderlei geslacht bestaat. Wat vlugheid van beweging betreft, doet de Onager voor den Dziggetai volstrekt niet onder.
+
+</p>
+<p>De zintuigen van den Onager, vooral die van &#8217;t gehoor, &#8217;t gezicht en den reuk, zijn zoo fijn, dat het niet mogelijk is hem
+in de open steppen te genaken. Hij is zoo buitengewoon matig, dat hij hoogstens om den anderen dag naar de drinkplaats gaat;
+het opwachten van dit dier, &#8220;het jagen op den afstand&#8221;, is dus meestal ondoenlijk. Zouthoudende planten vormen zijn liefste
+voedsel; na deze geeft hij de voorkeur aan die, welke een bitter melksap bevatten, zooals paardenbloemen, melkdistels en dergelijke;
+klaversoorten, lucerne en allerlei kruisbloemige planten worden echter ook niet door hem versmaad. Hij heeft evenwel een tegenzin
+in alle planten, die welriekend zijn, doordat zij vluchtige oli&euml;n bevatten, in moeraskruiden, boterbloemachtigen en alle stekelige
+gewassen, zooals distels. Hij houdt meer van brak, zouthoudend water dan van zoet; het moet echter helder zijn; troebel water
+lust hij niet.
+
+</p>
+<p>Over den paringstijd en den werptijd is nog niets bekend.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De stamsoort van onzen tammen <span class="letterspaced">Ezel</span> [<i>Equus (Asinus) asinus</i>] bewoont Afrika en is er door twee ondersoorten vertegenwoordigd. De eerste ondersoort&#8212;de <span class="letterspaced">Steppen-ezel</span> (<i>Equus asinus africanus</i>)&#8212;gelijk door grootte en uitzicht op zijne getemde nakomelingen in Egypte, door levenswijze en aard echter op zijne in &#8217;t
+wild levende, Aziatische verwanten. Hij is groot, slank en fraai gebouwd, isabelkleurig, aan de onderzijde lichter, met duidelijk
+herkenbare rugstreep en schouderkruis en eenige meer of minder duidelijke dwarsstreepen aan de buitenzijde van den benedenvoet.
+De korte manen staan overeind, de staartkwast is dik en lang.
+
+</p>
+<p>Van den Steppenezel onderscheidt zich de <span class="letterspaced">Somali-ezel</span> (<i>Equus asinus somalicus</i>) door een aanzienlijker grootte en langere, hangende manen. Het schouderkruis ontbreekt; wel komen aan de pooten talrijke,
+duidelijke, zwarte dwarsstrepen voor. Zijn vaderland is Somaliland. De beter bekende Steppenezel daarentegen bewoont de woestijnen
+van Opper-Nubi&euml;. In de nabijheid van den Atbara, de voornaamste Nubische bijrivier van den Nijl is hij veelvuldig, zoo ook
+in de Barka-vlakten; zijn verbreidingsgebied strekt zich uit tot aan de kust van de Roode Zee. Hier leeft hij in volkomen
+gelijksoortige omstandigheden als de Dziggetai en de Onager. Iedere hengst staat aan het hoofd van een kudde van 10 &agrave; 15 stuks,
+die hij bewaakt en verdedigt. Hij is buitengewoon schuw en voorzichtig; de jacht op dit dier is hierdoor zeer moeilijk. Alle
+tamme Ezels, die men in &#8217;t zuiden van Egypte en waarschijnlijk ook in Abessini&euml; gebruikt, stammen, naar het schijnt, van deze
+soort af; want volgens de verzekering van de Arabieren gelijken de Wilde Ezels zoozeer op hen, dat men den eenen voor den
+anderen zou kunnen aanzien.
+
+</p>
+<p>De gestreepte voeten van dit dier, en vooral die van den Somali-ezel, zijn een opmerkelijk verschijnsel; daar hierdoor deze
+Ezels een overgang schijnen te <a id="d0e2065"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2065">400</a>]</span>vormen tusschen hunne Aziatische verwanten en de Tijgerpaarden.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De Steppenezel wordt reeds sinds overouden tijd getemd en de gevangen Wilde Ezels worden dikwijls voor de veredeling van tamme
+Ezelrassen gebruikt. De Romeinen van de oudheid gaven groote sommen voor dit doel uit; de Arabieren doen dit ook thans nog.
+Alleen bij ons is de <span class="letterspaced">Tamme Ezel</span> door voortdurende verwaarloozing tot op een laag peil afgedaald.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1400.jpg" alt="Steppen-ezel (Equus asinus africanus). 1/18 v.d. ware grootte." width="698" height="720"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Steppen-ezel</span> (<i>Equus asinus africanus</i>). 1/18 v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Als men den Ezel, die hier te lande graan of meel voor den molenaar draagt of den melkboer zijn beroep helpt uitoefenen, met
+zijne verwanten in zuidelijker landen vergelijkt, zou men er toe kunnen komen, beide voor verschillende soorten te houden,
+zoo weinig gelijken zij op elkander. De Ezel uit het Noorden is, zooals iedereen weet, een trage, eigenzinnige, dikwijls weerbarstige
+klant, die algemeen, heewel ten onrechte, als zinnebeeld van onnoozelheid en domheid wordt beschouwd; de Ezel uit het Zuiden
+daarentegen, vooral de Egyptische, is een fraai, wakker, buitengewoon vlijtig en volhardend dier, wiens arbeid niet veel bij
+dien van het Paard achterstaat, en dezen in sommige opzichten zelfs overtreft. Maar hij wordt dan ook veel zorgvuldiger behandeld
+dan onze Ezel. In vele Oostersche landen zorgt men niet minder goed voor de zuiverheid van de beste ezelrassen dan voor die
+van het edelste paardenras; men voedert de dieren zeer goed, kwelt hen in hun jeugd niet te veel en kan derhalve van de volwassenen
+diensten verlangen, die onze Ezel in &#8217;t geheel niet zou kunnen verrichten. Er is wel reden voor de zorg, die men in het Oosten
+aan den Ezel besteedt, want hij is daar een huisdier in den volsten zin van het woord, dat in het paleis van den rijkste,
+zoowel als in de hut van den armste voorkomt, en de onmisbaarste dienaar is, dien de bewoner van zuidelijke gewesten kent.
+Reeds in Griekenland en Spanje treft men zeer schoone Ezels aan, hoewel zij altijd nog ver achterstaan bij die, welke men
+in het Oosten, vooral in Perzi&euml;, Toerkmeni&euml; en Egypte, gebruikt. De Grieksche en de Spaansche Ezel evenaren een klein muildier
+in grootte; hun haar is glad en zacht; de manen zijn tamelijk, de staartharen betrekkelijk zeer lang; de ooren zijn lang,
+maar fijn gebouwd, de oogen schitterend. Groote volharding, een gemakkelijke, vlugge gang en een zachte galop stempelen deze
+Ezels tot onovertreffelijke rijdieren.
+
+</p>
+<p>Nog veel schooner dan deze uitmuntende dieren zijn de Arabische Ezels, vooral die, welke in Yemen worden gefokt. Er zijn twee
+rassen van: &eacute;&eacute;n van groote, moedige en snelle dieren, die voor het reizen zeer geschikt zijn, en &eacute;&eacute;n, welks leden kleiner
+en zwakker zijn, en gewoonlijk voor &#8217;t dragen van lasten gebruikt worden. Soortgelijke rassen komen voor in Perzi&euml; en Egypte,
+waar men veel geld voor een goeden Ezel uitgeeft. Een voor rijdier geschikte Ezel, die aan alle eischen voldoet, staat hooger
+geprijsd dan een middelmatig Paard; niet zelden betaalt men f 900 voor zulk een dier. &#8220;Men kan zich,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Bogumil Goltz</span>, &#8220;geen bruikbaarder en dapperder schepsel voorstellen dan deze Ezel. De grootste kerel zet zich op een exemplaar, dat dikwijls
+niet grooter is dan een kalf van zes weken en brengt het in galop. Deze zwak gebouwde dieren bewegen zich met een flinken
+pas; hoe zij echter aan de kracht komen om uren lang met een volwassen mensch op den rug, zelfs bij groote hitte, te draven
+en te galoppeeren, komt mij volkomen onverklaarbaar voor en schijnt tot de bovennatuurlijke ezels-mysteri&euml;n te behooren.&#8221;
+Den rij-ezels wordt het haar zeer zorgvuldig over het geheele lichaam kort geknipt; alleen aan de bovenarmen en dijen laat
+men het zijn volle lengte behouden; hier worden echter in de beharing allerlei figuren en krullen uitgeknipt, waardoor de
+dieren een zeer eigenaardig voorkomen verkrijgen.
+<a id="d0e2091"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2091">401</a>]</span></p>
+<p>Verderop in het binnenland, waar dit nuttige wezen eveneens als huisdier wordt gehouden, zijn edele Ezels zeldzaam, en ook
+deze weinige worden van buiten ingevoerd.
+
+</p>
+<p>In vroegere tijden trof men op eenige eilanden van den Griekschen archipel en op Sardini&euml; half-verwilderde Ezels aan; tegenwoordig
+vindt men er nog in Zuid-Amerika. Zulke aan de heerschappij van den mensch ontkomen Ezels nemen spoedig alle gewoonten van
+hunne wilde voorouders aan.
+
+</p>
+<p>Door de bovenstaande mededeelingen is meteen het verbreidingsgebied van den Ezel aangeduid. Het oostelijke deel van Voor-
+en Middel-Azi&euml;, het noorden en oosten van Afrika, Zuid- en Middel-Europa en eindelijk Zuid-Amerika zijn de landstreken waar
+hij het best gedijt. Hoe droger het land is, des te beter gevoelt hij zich er thuis. Vochtigheid en koude verdraagt hij minder
+goed dan het Paard.
+
+</p>
+<p>Waarschijnlijk is het rijden op Ezels nergens zoozeer in zwang als in Egypte. In alle grooten steden van dit land zijn deze
+gewillige dieren werkelijk onmisbaar voor de gemakkelijkheid van &#8217;t leven. Men gebruikt ze, zooals bij ons de huurrijtuigen;
+en het wordt volstrekt niet vreemd gevonden zich door hen te laten dragen. Wegens de engheid van de straten der Oostersche
+steden, zijn Ezels beter dan andere vervoermiddelen geschikt om den weg, dien men heeft af te leggen, af te korten en gemakkelijk
+te maken. Daarom ziet men ze b.v. in Ka&iuml;ro, overal te midden van den onafgebroken stroom van menschen, die zich door de straten
+beweegt. De ezeldrijvers van Ka&iuml;ro vormen een eigen stand, een ware kaste; zij behooren bij de stad, zooals de minarets en
+de palmen. Zij zijn onontbeerlijk voor de inwoners zoowel als voor de vreemdelingen; aan hen heeft men iederen goeden dag
+te danken, hoewel zij iederen dag iemand de gal doen overloopen. &#8220;Het is een ware lust en een ware ellende&#8221;, zegt <span class="smallcaps">Bogumil Golts</span>, &#8220;met de ezeljongens om te gaan. Men kan het niet eens met hen worden, hetzij men ze voor goedhartig of boosaardig, koppig
+of dienstwillig, traag of wakker, listig of onbeschaamd houdt; zij vertoonen een mengelmoes van alle mogelijke eigenschappen.&#8221;
+De reiziger ontmoet ze, zoodra hij in Alexandri&euml; aan land stapt. Op elk druk plein staan zij met hunne dieren van zonsopgang
+tot zonsondergang. De aankomst van een stoomboot is voor hen een hoogst gewichtige gebeurtenis; want dan moeten zij zich beijveren
+om de in hunne oogen onwetende of zelfs domme toeristen voor zich te veroveren. De vreemdeling wordt vooreerst in drie of
+vier talen aangesproken, en wee hem, wanneer hij in &#8217;t Engelsch antwoordt. Dadelijk heeft er om den &#8220;rijken man&#8221; een vechtpartij
+plaats, totdat de reiziger het verstandigste doet, wat hij doen kan, n.l. op goed geluk op een Ezel gaat zitten en zich door
+den jongen naar het eerste het beste hotel laat drijven. Dit is de eerste kennismaking met de ezeljongens; maar eerst als
+men de Arabische taal machtig is en, in plaats van het koeterwaalsch der drie of vier door hen geradbraakte talen, hun eigen
+taal met hen kan spreken, leert men ze kennen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1401.jpg" alt="Gewone Ezel (Equus asinus). 1/16 v.d. ware grootte." width="720" height="650"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Gewone Ezel</span> (<i>Equus asinus</i>). 1/16 v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De eene zegt: &#8220;Kijk toch eens, Mijnheer, naar den Ezel, dien ik u aanbied, een echte locomotief in vergelijking met de dieren,
+die de andere jongens u aanprijzen! Zij zullen onder u inzakken, want het zijn erbarmelijke schepsels en gij zijt een forsch
+man! Maar de mijne! Voor hem is het een kleinigheid als een Gazelle met u weg te loopen.&#8221;&#8212;<span id="d0e2115" class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>Dit is een Kahiriner <a id="d0e2118"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2118">402</a>]</span>Ezel,&#8221; zegt de andere; &#8220;zijn grootmoeder was een Gazelle en zijn bet-overgrootmoeder een wild Paard. Komaan, Kahiriner, loop
+eens en laat Mijnheer zien, dat ik de waarheid spreek! Doe uwe ouders geen schande aan, maak voort in Gods naam, mijn Gazelle,
+mijn Zwaluw!&#8221;&#8212;De derde wil alle overige de loef afsteken; hij roemt zijn Ezel als een &#8220;Bismarck&#8221;, een &#8220;Moltke&#8221; enz., en in
+dezen toon gaat het voort, totdat men eindelijk een van de dieren bestegen heeft. Dit wordt nu door een onnavolgbaar getrek
+en geduw of door stooten, steken en slagen met den aan &#8217;t eene einde puntig toeloopenden drijversstok in galop gebracht, terwijl
+de knaap, die er achteraan rent, door roepen, schreeuwen, aansporen en babbelen zijne longen niet minder mishandelt dan den
+Ezel v&oacute;&oacute;r hem. &#8220;Pas op, Mijnheer! Uw rug, uw voet, uw rechterzijde is in gevaar! Wees voorzichtig, uw linkerzijde, uw hoofd!
+Denk er om! een Kameel, een muildier, een Ezel, een Paard! Let op uw gezicht, op uw hand! Ga uit den weg, vriend; laat mij
+en Mijnheer voorbij! Scheld niet op mijn Ezel, smeerlap; hij is meer waard dan je overgrootvader was. Verschooning, meester,
+dat gij gestooten werd!&#8221; Deze en en honderd andere uitroepen gonzen den reizigers onophoudelijk om de ooren, terwijl hij tusschen
+allerlei gevaar opleverende dieren en ruiters, tusschen straatkarren, lastdragende Kameelen, wagens en voetgangers door rent.
+De Ezel verliest geen oogenblik zijn goede gezindheid; zijn gewilligheid kan bijna niet ingetoomd worden; hij snelt steeds
+voort in een allerprettigsten galop, totdat het doel bereikt is. Ka&iuml;ro is de hoogeschool voor alle Ezels; hier eerst leert
+men deze voortreffelijke dieren kennen, waardeeren, achten en van hen houden.
+
+</p>
+<p>Op <span class="letterspaced">onzen</span> Langoor trouwens zijn <span class="smallcaps">Oken</span>&#8217;s woorden volkomen toepasselijk: &#8220;De tamme Ezel is door langdurige slechte behandeling zoozeer ontaard, dat hij bijna in
+&#8217;t geheel niet meer lijkt op zijne voorouders. Niet alleen bereikt hij een veel geringere grootte dan deze, maar ook zijn
+kleur is doffer, meer aschgrauw, zijne ooren zijn langer en slapper geworden. De moed is bij hem in weerspannigheid veranderd,
+de vlugheid in langzaamheid, de levendigheid in traagheid, de schranderheid in domheid, de vrijheidsliefde in geduld, de volharding
+in lijdzaamheid bij het verduren van mishandelingen.&#8221; <span class="smallcaps">Scheitlin</span> zegt van hem: &#8220;De tamme Ezel is veeleer schrander dan dom; zijn schranderheid gaat echter niet samen met goedheid, zooals
+bij het Paard, maar openbaart zich meer als valschheid en sluwheid, en nog wel het meest als koppigheid en eigenzinnigheid.
+Hoewel uit een slavin geboren, is hij in zijn jeugd zeer opgewekt en een liefhebber van potsierlijke sprongen, evenals al
+wat jong is; evenals het menschenkind, heeft hij trouwens geen besef van zijn misschien vreeselijke, treurige toekomst. Als
+hij volwassen is, moet hij trekken en dragen; hij laat zich hiervoor goed africhten, hetgeen een bewijs is van zijn verstand,
+want hij moet zich schikken naar den wil van een ander wezen, van den mensch. Het kalf is hiervoor nooit verstandig genoeg,
+en zelfs het paardenveulen begrijpt aanvankelijk niet, wat men van hem verlangt. Geduldig draagt de Ezel zijn grooten last,
+maar volstrekt niet gaarne, want zoodra men hem dien heeft afgenomen, is het voor hem een genoegen zich over den grond te
+wentelen, en zijn afschuwelijk gebalk te laten hooren. Hij heeft waarschijnlijk in &#8217;t geheel geen muzikaal gevoel. Zijne ooren
+duiden werkelijk iets bijzonders aan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wij kunnen den Ezel volkomen in zijn eer herstellen door er op te wijzen, dat hij afgericht kan worden tot zeer vele kunstjes,
+die men gewoonlijk alleen van het Paard ziet. Sommige kinderen leeren moeilijk, maar wat zij geleerd hebben, kennen zij grondig
+en voor altoos; zoo is het ook met den Ezel. Men kan wedrennen met hem houden; hij leert door hoepels springen en kanonnen
+afschieten. Hij springt goed, zonder het doel te missen en zonder angst te toonen. Hij let op de blikken en de woorden van
+zijn meester, en begrijpt deze telkens goed. Daarom kan men hem ook leeren dansen, zich op de maat bewegen en deuren openen,
+waarbij hij zijn bek als een hand gebruikt, trappen op- en afgaan, het schoonste, oudste of meest verliefde lid van een gezelschap
+aanwijzen, door met den poot op den grond te kloppen van een horloge, dat hem voorgehouden wordt, den tijd, van een kaart
+of van een dobbelsteen het aantal oogen aangeven, en iedere vraag van zijn meester, door met den kop te schudden of te knikken,
+bevestigend of <span id="d0e2133" class="corr" title="Bron: ontkennen">ontkennend</span> beantwoorden.&#8221;
+
+</p>
+<p>De zintuigen van den tammen Ezel zijn goed ontwikkeld. Bovenaan staat het gehoor, hierop volgt het gezicht, dan de reuk; gevoel
+schijnt hij weinig te hebben, ook de smaak is, naar men vermoedt, niet bijzonder fijn, anders zou hij waarschijnlijk begeeriger,
+veeleischender zijn dan het Paard. Zijne verstandelijke vermogens zijn, naar uit <span class="smallcaps">Scheitlin</span>&#8217;s woorden blijkt, niet zoo gering als gewoonlijk aangenomen wordt. Hij heeft een uitmuntend geheugen: hij kan iederen weg,
+dien hij eens gegaan is, weer terug vinden; hoe dom zijn uitzicht ook zij, toch is hij dikwijls recht sluw en listig. Ook
+is hij niet altijd zoo goedaardig, als men meent; hij heeft soms zelfs afschuwelijke kuren. Plotseling blijft hij dan midden
+op den weg stilstaan, en laat zich door geen slagen dwingen om verder te gaan, of gaat met zijn geheele last op den grond
+liggen, waar hij zich door bijten en schoppen verweert. Sommigen meenen dat zijn gevoelig gehoor hiervan de oorzaak is, dat
+ieder geraas hem verdooft en verschrikt, hoewel hij overigens niet bijzonder vreesachtig, maar slechts nukkig is. Uiterst
+vreemd gedraagt een Ezel zich in een streek waar Roofdieren zijn. Het is zeer vermakelijk of hoogst onaangenaam, al naar men
+het nemen wil, op een Ezel of een Muildier door een van de nauwe dalen van het gebergte van Habesch te rijden. Overal bespeurt
+het lange oor gevaar. Het draait en keert zich naar alle zijden, wordt met opzet benedenwaarts gebogen in de richting van
+een rotsblok, waarachter een vijand in hinderlaag zou kunnen liggen, het tracht zelfs met een paar sterke wendingen alles
+af te luisteren, wat er hooger op, langs de hellingen voorvalt, richt zich plotseling stijf omhoog en luistert in een bepaalde
+richting. Wanneer nu nog de reuk het gehoor te hulp komt en beide het edele rijdier schrikbeelden voor den geest tooveren,
+dan is de gemoedsrust voor goed verstoord. Het wil niet verder. Juist op de plaats waar het nu staat, is misschien in de vorige
+nacht het vreeselijk tot buitengewone voorzichtigheid aansporend feit voorgevallen, dat een Leeuw, een Luipaard, een Hyaena
+of een ander gruwelijk Roofdier over den weg is geslopen! De Ezel snuffelt, kijkt, luistert; de ooren draaien letterlijk rond
+in zijn kop; hij blijft als aan den grond genageld, totdat eindelijk een van de lieden voor hem uitgaat. Loos genoeg om te
+begrijpen, dat zijn gids de meeste kans heeft om in de klauwen van het grimmige Roofdier den laatsten adem uit te blazen,
+zal hij dezen volgen en inwendig gerustgesteld verder gaan. Op reis kan de Ezel geen enkel zintuig ontberen. Als men hem een
+<a id="d0e2141"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2141">403</a>]</span>doek voor de oogen bindt, blijft hij oogenblikkelijk staan; dit doet hij ook, als men hem de ooren bedekt of dicht stopt;
+eerst als, hij van al zijne zintuigen gebruik kan maken, gaat hij verder.
+
+</p>
+<p>De Ezel is met het slechtste, karigste voedsel tevreden. Gras en hooi van zulk een hoedanigheid, dat iedere fatsoenlijke koe
+ze met een afkeer verradend gesnuif laat liggen en een Paard er zich ontevreden van afwendt, worden door hem nog als een lekkernij
+beschouwd: hij is zelfs met distels en doornstruiken tevreden. Alleen in de keuze van drank is hij zorgvuldig; hij wil geen
+water hebben dat troebel is; brak mag, helder moet het zijn. In de woestijn heeft men hierdoor dikwijls veel last met den
+Ezel, daar deze, hoe ook door den dorst gekweld, het troebele water uit de lederen waterzakken niet wil drinken.
+
+</p>
+<p>Hier te lande valt de bronsttijd van den Ezel in de laatste lente- en de eerste zomermaanden; in het zuiden duurt hij ongeveer
+het geheele jaar door. De hengst verklaart aan de Ezelin zijn liefde met het welbekende, oorverscheurende &#8220;I-a, I-a,&#8221; en laat
+op deze langgerekte, vijf- &agrave; tienmaal herhaalde geluiden nog een half dozijn snuivende zuchten volgen. Zulk een aanzoek is
+onweerstaanbaar; zij oefent zelfs op de medevrijers een machtigen invloed uit. Ieder, die in een land heeft gewoond, waar
+vele Ezels zijn, heeft het kunnen ervaren. Zoodra een ezelin hare stem laat hooren, ontstaat er een formeel oproer onder alle
+hengsten in den omtrek. De naastbijwonende, gevleid door de eer, dat hij de voor hem zoo aanlokkelijke geluiden het eerst
+op een behoorlijke wijze mag beantwoorden, balkt er op los zoo luid hij kan. Een tweede, derde, vierde, tiende valt in: eindelijk
+balken zij allemaal; door den langen duur van dit concert zou iemand doof of half gek kunnen worden. Ik waag het niet te beslissen,
+of dit medebalken als een bewijs van teedere sympathie moet worden opgevat, of eenvoudig voortvloeit uit lust tot schreeuwen,
+maar kan stellig verzekeren, dat &eacute;&eacute;n Ezel alle overige aan &#8217;t balken kan brengen. De reeds beschreven ezeljongens van Ka&iuml;ro,
+die, naar het schijnt, veel behagen scheppen in het geluid van de dieren, waarmede zij hun kost verdienen, maken het &#8220;I-a&#8221;-geschreeuw,
+dat op beschaafde ooren zulk een onaangenamen indruk maakt, aan den gang, door het onnavolgbare, kort afgebrokene &#8220;Ii, Ii,
+Ii&#8221;, dat den hoofdinhoud van de ezelsrede voorafgaat, na te bootsen: spoedig neemt een van de Ezels de moeite over om de vroolijke
+opgewondenheid verder te verbreiden.
+
+</p>
+<p>Ongeveer 11 maanden na de paring werpt de Ezelin &eacute;&eacute;n jong (hoogst zelden twee), dat bij de geboorte volkomen ontwikkeld is
+en zien kan; de moeder lekt het liefderijk af en biedt het reeds een half uur na de geboorte de uier aan. Na 5 &agrave; 6 maanden
+kan het veulen gespeend worden, maar het volgt de moeder nog lang op al hare wegen. Zelfs in zijn vroegste jeugd verlangt
+het geen bijzondere oppassing of verzorging, maar is evenals zijne ouders tevreden met elk voedsel dat het krijgen kan. Als
+men het kind van de moeder wil scheiden, is aan weerskanten het verdriet groot. Beiden verzetten zich en geven, als dit niets
+baat, hun verdriet en hun verlangen nog dagen achtereen door geschreeuw of althans door buitengewone onrustigheid te kennen.
+Als er gevaren dreigen, verdedigt de oude haar kind met moed; zij offert liever zich zelf op en vreest zelfs vuur en water
+niet, als het er op aankomt haar jong te beschermen. Reeds in het tweede jaar is de Ezel volwassen; maar eerst in het derde
+jaar bereikt hij zijn volle kracht. Hij kan, zelfs wanneer hij hard werken moet, een tamelijk hoogen leeftijd bereiken: er
+zijn voorbeelden van, dat Ezels veertig vijftig jaar oud werden.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Reeds in den ouden tijd heeft men het Paard en den Ezel met elkander gepaard en door deze kruising bastaarden verkregen, die
+<span class="letterspaced">Muildieren</span> heeten, als de vader, <span class="letterspaced">Muilezels</span> echter als de moeder tot het Ezelgeslacht behoort. Beide hebben in hun gestalte meer van hun moeder dan van hun vader; door
+hun aard gelijken zij echter meer op dezen dan op gene.
+
+</p>
+<p>Het <span class="letterspaced">Muildier</span> (<i>Equus mulus</i>) is bijna even groot als het Paard en gelijkt ook door zijn lichaamsbouw op dit dier; het verschilt er echter van door den
+vorm van den kop en de lengte der ooren, door den staart, die aan den wortel kort behaard is, door de schrale dijen en de
+smallere hoeven, welke kenmerken aan die van den Ezel herinneren. Zijn kleur gelijkt in den regel op die van de moeder. Het
+balkt als zijn vader.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Muilezel</span> (<i>Equus hinnus</i>) behoudt de onaanzienlijke gestalte, de grootte en de lange ooren van zijn moeder, krijgt van het Paard slechts den dunneren
+en langeren kop, de vollere dijen, den over zijn geheele lengte behaarden staart en de hinnikende stem; met zijn moeder heeft
+hij ook de traagheid gemeen.
+
+</p>
+<p>De paardemerrie draagt het Muildier iets langer dan het paardenveulen; het pasgeboren Muildier staat echter veel eerder op
+zijne pooten dan het jonge Paard; daarentegen is hij minder spoedig volwassen dan het Paard. Beneden de 4 jaar mag men geen
+Muildier tot den arbeid dwingen; daarentegen behoudt het zijn kracht geregeld tot in 20e of 30e niet zelden zelfs tot in het
+40e levensjaar.
+
+</p>
+<p>Men fokt uitsluitend Muildieren, omdat deze beter geschikt zijn voor het gebruik. Alleen in Spanje en Abessini&euml; heb ik Muilezels
+gezien. Het Muildier vereenigt de goede eigenschappen van zijne beide ouders in zich. Zijne soberheid en volharding, zijn
+zachten, vasten tred zijn erfstukken van den Ezel, zijne kracht en moed een geschenk van zijn moeder. In alle bergstreken
+acht men de Muildieren onmisbaar; voor de bewoners van Zuid-Amerika zijn zij niet minder noodig dan voor de Arabieren het
+Kameel. Een goed Muildier draagt een last van 150 KG. en legt hiermede iederen dag een weg van 20 &agrave; 28 KM. af. Zelfs na een
+lange reis bemerkt men ternauwernood vermindering van de kracht van het op deze wijze belaste dier, al is het voeder schaarsch
+en z&oacute;&oacute; slecht, dat een Paard het in &#8217;t geheel niet zou lusten.
+
+</p>
+<p>Zelfs in den laatsten tijd heeft men herhaaldelijk beweerd, dat Muildieren en Muilezels onvruchtbaar zouden zijn. Dit is echter
+niet altijd het geval, wanneer een van de beide parende dieren geen bastaard is. Reeds sedert overouden tijd zijn er voorbeelden
+van bekend, dat Muildieren jongen voortbrachten, n.l. bij paring van een Paardehengst met een muildier-merrie. In lateren
+tijd zijn eveneens verscheidene gevallen waargenomen, die de geschiktheid van het Muildier voor de voortplanting boven allen
+twijfel verheffen: zoo is het in de laatste kwart eeuw in den Acclimatisatie-tuin te Parijs gebleken, dat Muildieren tot in
+het tweede geslacht vruchtbaar kunnen zijn.&#8212;Dat Muildieren (of Muilezels) onderling of Muildieren met Muilezels vruchtbaar
+kunnen paren, is nog niet bewezen.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een oude Latijnsche schrijver verhaalt, dat <span class="smallcaps">Caracalla</span> <a id="d0e2188"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2188">404</a>]</span>in het jaar 211 van onze tijdrekening in de arena te Rome behalve Tijgers, Olifanten en Neushoorndieren ook een <i>Hippotigris</i> (&#8220;Tijgerpaard&#8221;) liet optreden, en dit dier eigenhandig doodde. Dat de bedoelde schrijver hiermede niets anders op het oog
+gehad kan hebben dan de eene of andere soort van Afrikaansche, gestreepte wilde Paarden, valt moeielijk te betwijfelen; de
+Engelsche natuuronderzoeker <span class="smallcaps">H. Smith</span> heeft dus recht, als hij de naam <span class="letterspaced">T&#307;gerpaarden</span> gebruikt tot aanduiding van een ondergeslacht (of liever van een groep van soorten) van de familie der paarden.
+
+</p>
+<p>De Tijgerpaarden gelijken, wat hun gestalte betreft, zoowel op de Paarden als op de Ezels. De romp is gedrongen, de hals forsch,
+de kop houdt het midden tusschen dien van een Paard en dien van een Ezel, de ooren zijn tamelijk lang, maar tevens breed,
+de haren van de overeindstaande manen niet zoo hard en dik als bij het Paard, maar toch minder zacht en minder buigzaam dan
+bij den Ezel, de staart is alleen aan zijn onderste gedeelte lang behaard. Alle bekende soorten hebben een bont, levendig
+gekleurd en gestreept vel. De zuidelijke helft van Afrika is haar vaderland; misschien komt slechts &eacute;&eacute;n soort ook benoorden
+den evenaar voor. Zij leven op de gebergten en in de vlakten; iedere soort geeft echter, naar het schijnt, de voorkeur aan
+een afzonderlijk gebied.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Quagga</span> (<i>Equus quagga</i>) nadert door zijn gestalte meer tot het Paard dan tot den Ezel, maar moet, wat schoonheid betreft, bij den Dauw achterstaan.
+De romp is zeer goed gevormd, de kop middelmatig groot en sierlijk; de ooren zijn kort, de pooten krachtig. Langs den geheelen
+hals verheffen zich korte en rechte manen; de staart is van den wortel af behaard, de staartharen langer dan bij de overige
+Tijgerpaarden, evenwel aanmerkelijk korter dan bij het Paard. Ook door de beharing van de overige lichaamsdeelen gelijkt de
+Quagga op het Paard: het haar is kort en ligt dicht tegen het lichaam aan. Bruin, aan den kop donkerder, op den rug, het kruis
+en de zijden lichter, is de grondkleur van het vel; de buik, de binnenzijde van de dijen en de staartharen zijn zuiver wit.
+De kop, de hals en de schouders zijn geteekend met grijsachtig witte, roodachtig getinte strepen, die op het voorhoofd en
+de slapen overlangs gericht en dicht opeengedrongen zijn, op de wangen echter dwars loopen en iets verder uiteen staan. Tusschen
+de oogen en den mond vormen zij een driehoek. Op den hals bemerkt men tien zulke strepen, die ook op de manen zich vertoonen,
+op de schouders vier en op den romp nog eenige, die des te korter en bleeker worden, naarmate zij verder naar achteren voorkomen.
+Langs den geheelen rug tot op den staart, strekt zich een zwartachtig bruine, aan weerszijden roodachtig grijs geboorde rugstreep
+uit. De ooren zijn van binnen met witte haren bezet, van buiten geelachtig wit, met een donkerbruine streep. Beide geslachten
+gelijken zeer veel op elkander; het wijfje is echter een weinig kleiner en heeft kortere staartharen. Het volwassen mannetje
+wordt 2 M., met den staart 2.6 M. lang; de schouderhoogte bedraagt ongeveer 1.3 M.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1404.jpg" alt="Dauw (Equus Burchelli), 1/16 v.d. ware grootte." width="720" height="597"><p class="figureHead">Dauw (<i>Equus Burchelli</i>), 1/16 v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Dauw</span> (<i>Equus Burchelli</i>), <span class="smallcaps">Burchell&#8217;s</span>, en <span class="smallcaps">Chapman&#8217;s</span> <span class="letterspaced">T&#307;gerpaard</span>, de <span class="letterspaced">Bonte Quagga</span> der Hollandsche Boeren, is ongetwijfeld het edelste dier van zijn stam, omdat zijn gestalte het meest op die van een Paard
+gelijkt; het is nagenoeg even groot als de Quagga. Het zachte, glad aanliggende haar is aan de bovenzijde isabelkleurig, van
+onderen wit. Veertien smalle, zwarte strepen ontspringen aan de neusgaten, zeven daarvan zijn buitenwaarts gericht en vereenigen
+zich met een gelijk aantal van boven komende; de overige gaan scheef over de wangen heen en zijn verbonden met strepen, die
+de onderkaak versieren. Over het midden van den rug loopt een zwarte streep met witte randen; de hals is, evenals de 13 cM.
+hooge manen, geteekend met tien breede, zwarte dwarsstrepen, waarvan sommige zich splitsen en waartusschen smalle, bruine
+strepen liggen. Nog breedere strepen omringen den <a id="d0e2239"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2239">405</a>]</span>romp, niet echter de onderste gedeelten van de pooten, die gewoonlijk beneden den elleboog en het kniegewricht effen wit zijn.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Zebra</span> of het <span class="letterspaced">Bergpaard</span> (<i>Equus zebra</i>), dat ongeveer even groot is als de vorige soort, heeft over het geheele lichaam, ook over de pooten, strepen, en is hieraan
+gemakkelijk van den Dauw te onderscheiden. Zijn lichaamsbouw gelijkt minder op dien van het Paard dan op dien van den Ezel
+en meer bepaaldelijk van den Dziggetai. De op slanke, goed gebouwde pooten rustende romp is vol en krachtig, de hals gebogen,
+de kop kort, de snuit gezwollen; de staart is middelmatig lang, over het grootste deel van zijn lengte kort en alleen bij
+de spits lang behaard, hij gelijkt dus op dien van den Ezel; de manen zijn dicht, maar zeer kort. Op witten of geelachtigen
+grond loopen van den snuit tot aan de hoeven dwarsstrepen van glanzig zwarte of roodbruine kleur; alleen de achterzijde van
+den buik en de binnenzijde van het bovenlichaam zijn niet gestreept. De donker bruinzwarte, overlangsche streep op den rug
+is eveneens aanwezig, een tweede loopt langs het onderlijf.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Het eigenlijke vaderland van de <span class="letterspaced">T&#307;gerpaarden</span> is Zuid- en Oost-Afrika; zij ontbreken in de keerkringsgewesten van de westelijke helft van Afrika en in het geheele Kongo-gebied,
+met uitzondering van het meest afgelegen, zuidoostelijk deel. De <span class="letterspaced">Quagga</span> wordt gevonden in de noordwaarts van het Kaapland gelegen Kalahari-woestijn en in Duitsch Zuidwest-Afrika tot aan den Kunene,
+bovendien in de Zuid-Afrikaansche Republiek. Verder op bij de Zambesi en de Kunene komt de <span class="letterspaced">Bonte Quagga</span> voor. De <span class="letterspaced">Zebra</span>, die aan bergachtige gewesten de voorkeur geeft, bewoont hetzelfde gebied als de beide andere soorten en is nog verder verbreid:
+in het Kaapland wordt hij ook thans nog gevonden; noordwaarts komt hij aan de westzijde tot in Benguela, aan de oostzijde
+tot op ongeveer 12&deg; Z.B. voor.
+
+</p>
+<p>De Tijgerpaarden leven gezellig. Gewoonlijk ziet men wel 10 &agrave; 30 stuks bijeen; vele berichten maken melding van gezelschappen,
+die uit honderden individu&euml;n bestonden; waarschijnlijk verhuisden deze van het eene gewest naar een ander. Steeds ziet men
+iedere soort afzonderlijk. Misschien zijn de Tijgerpaarden van de eene soort voor die van de andere bevreesd. Andere dieren
+schuwen zij echter niet: zoo melden alle onderzoekers eenstemmig, dat men tusschen de Quagga-kudden bijna geregeld Springbokken
+en Bonte Bokken, Gnoes, en Struisen, maar ook Buffels vindt. Vooral de Struisen zijn, naar gezegd wordt, de standvastige begeleiders
+van de genoemde Wilde Paarden; de reden hiervan zal wel zijn, dat deze met de waakzaamheid en de voorzichtigheid van de genoemde
+reuzen uit de Vogelklasse hun voordeel kunnen doen.
+
+</p>
+<p>Alle Tijgerpaarden zijn buitengewoon snelle, bewegelijke, waakzame en schuwe dieren. Vlug als de wind snellen zij voort, door
+de vlakte zoowel als in bergstreken.
+
+</p>
+<p>Het inhalen van zulk een aaneengesloten kudde van Tijgerpaarden, valt den goed bereden jager niet moeielijk, hoewel een alleenloopend
+dier gemakkelijk den vlugsten ruiter ontkomt. Men verhaalt, dat de jonge Quaggas wanneer het den vervolger gelukt met het
+Paard in de kudden door te dringen en de veulens van de moeder te scheiden, zich gewillig gevangen geven en het Paard volgen,
+zooals zij vroeger hun eigen moeder deden. Er schijnt over &#8217;t algemeen tusschen de Tijgerpaarden en de Eenhoevige huisdieren
+een zekere vriendschap te bestaan; de Gewone en de Bonte Quaggas althans volgen, naar men zegt, niet zelden de Paarden van
+de reizigers en grazen rustig op dezelfde weide.
+
+</p>
+<p>De Tijgerpaarden zijn niet bijzonder keurig op hun voedsel, hoewel zij hunne eischen hooger stellen dan de Ezels. Hun vaderland
+biedt hun genoeg voedsel aan voor hun levensonderhoud; wanneer op de eene plaats gebrek begint te heerschen, zoeken zij andere
+meer begunstigde plaatsen op.
+
+</p>
+<p>De stem van de Tijgerpaarden verschilt evenzeer van het hinneken van het Paard als van het balken van den ezel. Volgens de
+door <span class="smallcaps">Cuvier</span> gegeven beschrijving laat de Quagga wel 20-maal achtereenvolgens de klanken &#8220;oa, oa&#8221; hooren; sommige reizigers omschrijven
+dit geluid door &#8220;kw&egrave;, kw&egrave;&#8221; of &#8220;kw&egrave;h&egrave;&#8221; en leiden hiervan den Hottentotschen naam van dit dier af. Het geluid van den Dauw gelijkt
+op &#8220;joe, joe, joe&#8221;; deze kort afgebroken klanken verneemt men althans van het gevangen dier, zelden meer dan driemaal achtereen.
+
+</p>
+<p>Alle zintuigen van de Tijgerpaarden zijn goed ontwikkeld. Het oor ontgaat niet het geringste gedruisch, hun oog laat zich
+slechts uiterst zelden bedriegen. Wat geestesgaven betreft, komen alle soorten tamelijk wel met elkander overeen. Een onbegrensde
+neiging tot vrijheid, uitgelatenheid, een zekere wildheid, ja zelfs boosaardigheid en een groote moed zijn hun allen eigen.
+Dapper verweren zij zich door schoppen en bijten tegen Roofdieren. De Hyenas laten hen wijselijk met vrede. Waarschijnlijk
+is de machtige Leeuw in staat een Tijgerpaard te overmeesteren; de vermetele Luipaard valt waarschijnlijk alleen de zwakste
+exemplaren aan. Ook de Tijgerpaarden hebben tot ergsten vijand de mensch. De moeielijkheid van de jacht en het fraaie vel,
+dat op velerlei wijze gebruikt wordt, lokken den jager aan tot het vervolgen van dit wild, dat over &#8217;t geheel genomen onschadelijk
+genoemd mag worden. De Europeaan doodt het met den kogel, de inboorling met de werpspeer; nog vaker echter worden deze dieren
+in valkuilen gevangen en daarna met geringe moeite gedood of voor de gevangenschap bestemd.
+
+</p>
+<p>Ten onrechte werden de Tijgerpaarden vroeger voor ontembaar gehouden. Vele pogingen tot het temmen van deze prachtige dieren
+hebben blijkbaar niet op de juiste wijze plaats gehad, of zijn niet lang genoeg voortgezet. Enkele gelukten, anderen leidden
+niet tot de gewenschte uitkomst. Meermalen zijn reeds Quaggas voor het trekken van rijtuigen of voor het dragen van lasten
+afgericht; in Engeland had men een paar van deze fraaie dieren zoo ver gebracht, dat men ze voor een lichten wagen spannen
+en evenals met Paarden met hen rondrijden kon. Andere berichten maken melding van mislukte africhtingsproeven. <span class="smallcaps">Sparrmann</span> verhaalt, dat een rijke kolonist aan de Kaap, die eenige jong gevangene Zebras had laten opfokken en over hun opvoeding tevreden
+scheen te zijn, eens op het denkbeeld kwam deze nieuwmodische koetspaarden voor den wagen te spannen. Hij nam zelf de teugels
+ter hand en reed met zijne harddravers weg. De rit had zeer schielijk plaats, want kort daarna bevond de gelukkige eigenaar
+zich weer in den gewonen stal zijner dieren en had zijn vernielden wagen naast zich.
+
+</p>
+<p>Deze en dergelijke ervaringen hebben de Kapenaars tot de meening gebracht, dat het temmen van de Tijgerpaarden niet mogelijk
+is; vele deskundigen twijfelen er echter niet aan, dat mettertijd ook de bonte paarden den mensch dienstbaar zullen zijn.
+<span class="smallcaps">Barrow</span> beweert, <a id="d0e2295"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2295">406</a>]</span>dat de goede uitslag zeker is, wanneer men met meer omzichtigheid en geduld handelt dan de Hollandsche Afrikaanders deden.
+
+</p>
+<p>Alle Tijgerpaarden verdragen zonder bezwaar de gevangenschap in Europa. Als zij goed gevoederd en ook overigens goed behandeld
+worden, blijven zij niet slechts gezond, maar planten zich ook voort, zelfs wanneer zij in een beperkte ruimte opgesloten
+zijn. Het is gebleken, dat de Tijgerpaarden niet alleen onderling, maar ook met andere E&eacute;nhoevigen gekruist kunnen worden.
+Tot dusver heeft men reeds hybriden verkregen na paring van een Zebra-hengst met een Ezelin, van een Ezel-hengst met een Zebra-merrie,
+van een Dziggetai-hengst met een Zebra-merrie, van een Dziggetai-hengst met een Quagga-merrie, van een Dziggetai-hengst met
+een Ezelin, van een hengst, die een bastaard van een Zebra-hengst en een Ezel was, met een Pony-merrie, van een hengst door
+kruising van een Ezel met een Zebra-merrie ontstaan met een Pony-merrie. De beide laatstgenoemde gevallen leveren nieuwe bewijzen
+voor de vruchtbaarheid van bastaarden.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Als naaste verwanten van de Paarden in de hedendaagsche dierenwereld mag men de <span class="letterspaced">Tapirs</span> (<i>Tapiridae</i>) beschouwen, een familie van betrekkelijk kleine, plomp gebouwde dieren, welke zich onderscheiden door een goed gevormden
+romp met langwerpigen, schralen kop, slanken hals, een kort staartstompje en middelmatig hooge, krachtige pooten. De overeind
+staande ooren zijn kort en tamelijk breed, de scheef geplaatste oogen daarentegen klein. De bovenlip is bij wijze van een
+slurf verlengd en hangt ver over de onderlip naar beneden. De pooten zijn krachtig; de voorpooten hebben vier, de achterpooten
+drie teenen. Het stevige vel ligt overal glad tegen de overige lichaamsdeelen aan. De beharing is kort, maar dicht, bij de
+Amerikaansche soorten van het midden van den kop tot aan het kruis bij wijze van manen verlengd. Het gebit bestaat uit drie
+snijtanden en &eacute;&eacute;n hoektand in iedere kaakhelft met 7 maaltanden in iedere helft van de bovenkaak en 6 in iedere onderkaakshelft.
+Het geraamte onderscheidt zich door den betrekkelijke slanken vorm der beenderen.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Van de 3 of 4, voor &#8217;t meerendeel in Amerika levende soorten dezer familie is minstens &eacute;&eacute;n ons reeds sedert langen tijd bekend,
+terwijl de overige soorten eerst in den laatsten tijd ontdekt, beschreven en onderscheiden werden. Wel is het opmerkelijk,
+dat de Amerikaansche Tapir het eerst in de wetenschappelijke werken werd opgenomen, en dat, ondanks het levendige verkeer
+met Indi&euml; en Zuid-Azi&euml;, de eerste betrouwbare berichten over den Indischen Tapir niet v&oacute;&oacute;r het begin van deze eeuw (n.l. in
+1819, door bemiddeling van <span class="smallcaps">Cuvier</span>) tot ons zijn gekomen. Bekend was dit dier reeds lang v&oacute;&oacute;r dien tijd, maar niet aan ons, wel aan de Chinezen, welker leer-
+en schoolboeken reeds sinds lang van deze soort melding maakten. Bij de Tapirs merkt men hetzelfde verschijnsel op als bij
+andere famili&euml;n, die zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld vertegenwoordigd zijn, n.l. dat de soorten van de Oude Wereld
+edeler van vorm, men zou kunnen zeggen volkomener zijn dan die, welke in de Nieuwe Wereld leven.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Indische Tapir</span> of <span class="letterspaced">Schabrak-Tapir</span> (<i>Tapirus indicus</i>) onderscheidt zich van zijne verwanten door aanzienlijker grootte en door zijn betrekkelijk slanken lichaamsbouw; van den
+kop is het aangezichtsgedeelte dunner, de schedel meer gewelfd; de slurf is forscher en langer, de pooten zijn krachtiger,
+de manen ontbreken, ook de kleur is anders. Vooral de bouw van de slurf is, naar het mij voorkomt, belangrijk voor het herkennen
+van dit dier. Terwijl deze bij de Amerikaansche Tapirs duidelijk te onderscheiden is van den snuit en door zijn afgeronden
+vorm op een buis gelijkt, gaat de bovenste helft van den snuit bij den <span id="d0e2329" class="corr" title="Bron: Schabak-tapir">Schabrak-tapir</span> onmerkbaar in de slurf over en gelijkt deze op de dwarse doorsnede veel op de slurf van den Olifant; zij is n.l. aan de bovenzijde
+afgerond, aan de onderzijde recht afgesneden.
+
+</p>
+<p>Zeer eigenaardig is de kleur van het hoogst gelijkmatige haarkleed. Bij de zuiver donkerzwarte grondkleur steekt de grijsachtig
+witte, duidelijk begrensde schabrak sterk af. Volgens nauwkeurige metingen aan een volwassen wijfje bedroeg de totale lengte
+2.5 M. met inbegrip van het 8 cM. lange staartstompje, bij 1 M. schouder- en 1.05 M. kruishoogte. Het verbreidingsgebied van
+dit dier begint op ongeveer 15&deg; N.B. en strekt zich van hier zuidwaarts uit over Tenasserim en Siam, het Maleische Schiereiland,
+Sumatra en Borneo.
+
+</p>
+<p>In 1820 kwamen voor &#8217;t eerst een huid, een geraamte en verscheidene ingewanden van het tot aan dien tijd nog slechts zeer
+onvolledig bekende dier in Europa aan. Sedert dien tijd is onze bekendheid met den Schabrak-tapir aanmerkelijk toegenomen,
+maar toch ontbreekt er nog steeds veel aan. Van zijn leven in de vrije natuur weten wij nog niets; ook de waarnemingen over
+het leven van dit dier in de gevangenschap vereischen in vele opzichten nog aanvulling. <span class="smallcaps">Sterndale</span> noemt het schuw en zegt dat het een verborgen leven leidt, maar dat het, jong gevangen, goed getemd kan worden en zeer gehecht
+wordt aan zijn verzorger.
+
+</p>
+<p>Korte manen in den nek en een effen haarkleed kenmerken den <span class="letterspaced">Gewonen Amerikaanschen Tapir,</span> die in Brazili&euml; <span class="letterspaced">Anta</span> of <span class="letterspaced">Danta</span> wordt genoemd (<i>Tapiris terrestris</i>). Met deze soort is men het vroegst bekend geworden. De reizigers spraken reeds weinige jaren na de ontdekking van Amerika
+over een daar levend, groot dier, dat zij voor een Nijlpaard hielden en daarom <i>Hippopotamus terrestris</i> noemden. Een uitvoerige beschrijving, waaraan een afbeelding is toegevoegd, werd er eerst omstreeks het midden van de 18e
+eeuw van gegeven door den zeer verdienstelijken <span class="smallcaps">Georg Marcgrav</span>. Deze eerste beschrijving werd later door verschillende reizigers en onderzoekers aangevuld, zoodat wij tegenwoordig over
+weinige groote dieren beter onderricht zijn dan juist over dezen Tapir. De romp is bedekt met een tamelijk gelijkmatig haarkleed,
+dat alleen van &#8217;t midden van den bovenkop langs den nek tot aan de schouders stijve manen vormt, die echter niet bijzonder
+lang worden. De kleur hiervan is zwartachtig grijsbruin, aan de zijden van den kop, vooral echter aan den hals en aan de borst,
+iets lichter; de voeten en de staart, de middellijn van den rug en van den kop zijn gewoonlijk donkerder van kleur; de ooren
+zijn witachtig grijs gezoomd. Verscheidene afwijkingen komen voor: er zijn vale, grijze, geelachtige en bruinachtige exemplaren.
+Bij de jonge dieren vertoont alleen de rug de grondkleur van de oude; de bovenzijde van den kop is bij hen dicht bezet met
+witte, kringvormige vlekken; langs iedere zijde van den romp loopen vier onafgebroken reeksen van punten van lichtere kleur,
+die zich ook over de ledematen uitstrekken. Met toenemenden leeftijd verlengen deze vlekken zich tot strepen en na het einde
+van het <a id="d0e2359"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2359">407</a>]</span>tweede jaar <span id="d0e2361" class="corr" title="Bron: verwijnen">verdwijnen</span> zij geheel. Volgens de metingen van <span class="smallcaps">Tschudi</span> kan de Tapir wel 2 M. lang en 1.7 M. hoog worden, volgens <span class="smallcaps">Kappler</span> bedraagt zijn schouderhoogte bij deze lengte ternauwernood 1 M. Opmerkelijk is het, dat deze maximale afmetingen niet voorkomen
+bij mannetjes, maar bij wijfjes, en dat deze in den regel de grootste zijn.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1407.jpg" alt="Anta (Tapirus terrestris) 1/16 v.d. ware grootte." width="720" height="613"><p class="figureHead">Anta (<i>Tapirus terrestris</i>) 1/16 v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Volgens de nieuwste onderzoekingen schijnt het vaderland van den Tapir beperkt te zijn tot het zuiden en oosten van Zuid-Amerika,
+en wordt hij in &#8217;t noorden en westen van dit faunistisch rijk vervangen door zeer na verwante, maar duidelijk verschillende
+soorten en wel in de hooge gedeelten van den Andes-keten van Bogota tot Quito door den <span class="letterspaced">Bergtapir</span> (<i>Tapirus pinchacus</i>), in Centraal-Amerika door <span class="letterspaced">Baird&#8217;s Tapir</span> (<i>Tapirus Bairdii</i>).
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Om een levensbeschrijving van de Tapirs te geven, staan ons nagenoeg geen andere hulpbronnen ten dienste dan de mededeelingen
+van <span class="smallcaps">Azara</span>, <span class="smallcaps">Rengger</span>, den <span class="letterspaced">Prins</span> <span class="smallcaps">von Wied</span>, <span class="smallcaps">Tschudi</span>, <span class="smallcaps">Schomburgk</span> en anderen over de Amerikaansche soorten, want over de levenswijze van den Schabrak-tapir bezitten wij geen uitvoerige berichten.
+Alle soorten gelijken trouwens zooveel op elkander, dat het voldoende is van &eacute;&eacute;n hunner den handel en den wandel na te gaan.
+
+</p>
+<p>Alle Tapirs houden zich op in het woud en vermijden angstvallig de niet met boomen bezette gedeelten. Door den voorwaarts
+dringenden mensch worden zij teruggedrongen; zij nemen de wijk naar dieper gelegen deelen van de wouden, terwijl, volgens
+<span class="smallcaps">Hensel</span>, de overige dieren van de Zuid-Amerikaansche keerkringslanden zich in omgekeerde richting naar de ontgonnen gedeelten van
+het woud begeven. In de wildernissen van de Zuid-Amerikaansche oerwouden loopen de Tapirs regelmatige paden uit, die moeielijk
+onderscheiden kunnen worden van de wegen der Indianen en den onervaren reiziger licht verleiden tot het volgen van een verkeerde
+richting. De dieren maken van deze wildpaden gebruik, zoo lang zij niet gestoord worden; wanneer de angst hen bevangt, banen
+zij zich zonder eenige merkbare inspanning een weg door het meest verwarde mengelmoes van takken, slingerplanten en struiken.
+
+</p>
+<p>De Tapirs gaan bij voorkeur gedurende de schemering hun voedsel zoeken. &#8220;Wij hebben,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Tschudi</span>, &#8220;de dichte oerwouden, waarin een groot aantal Tapirs leven, maanden lang doorkruist, zonder er in den loop van den dag ooit
+een te ontmoeten. Naar het schijnt, houden zij zich dan uitsluitend op in het dichte struikgewas op koele, schaduwrijke plaatsen,
+bij voorkeur in de nabijheid van stilstaand water, waarin zij zich gaarne wentelen.&#8221; In zeer donkere wouden, waar zij in &#8217;t
+geheel niet verontrust worden, zwerven zij echter ook over dag rond. In den zonneschijn bewegen zij zich hoogst ongaarne en
+gedurende de eigenlijke middaguren zoeken zij steeds op de meest beschaduwde plaatsen van het woud zich te vrijwaren tegen
+de verslappende hitte en nog meer tegen de Muggen, waarvan zij zeer veel te lijden hebben. &#8220;Wanneer men,&#8221; zegt de <span class="letterspaced">Prins</span> <span class="smallcaps">von Wied</span>, &#8220;in den vroegen morgen of des avonds zachtjes en zonder gedruisch te maken de rivieren bevaart, krijgt men dikwijls Tapirs
+te zien, die zich baden om zich te verfrisschen of voor de steken van Muggen en Vliegen te beveiligen. Werkelijk verstaat
+geen enkel dier beter de kunst om zich deze lastige gasten van &#8217;t lijf te houden: elke modderpoel, iedere beek of vijver wordt
+met dit doel door den Tapir opgezocht en gebruikt. Wanneer dit dier geschoten wordt, vindt men daarom zijn huid met aarde
+en <span id="d0e2430" class="corr" title="Bron: slijkt">slijk</span> bedekt.&#8221; Tegen den avond gaan de Tapirs hun voedsel zoeken: waarschijnlijk zijn zij des nachts voortdurend in beweging. Hun
+levenswijze gelijkt wel eenigszins op die van ons Wild Zwijn; zij vereenigen zich echter niet tot zulke groote benden als
+de dieren van deze soort, maar leven meer afzonderlijk op de wijze van de Neushoorndieren. <a id="d0e2433"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2433">408</a>]</span>Vooral de mannetjes leven, naar men zegt, in afzondering en zoeken alleen in den paartijd de wijfjes op. Hoogst zelden treft
+men famili&euml;n aan, en gezelschappen van meer dan drie individu&euml;n werden tot dusver alleen op buitengewoon goede, vette weiden
+gevonden.
+
+</p>
+<p>De bewegingen van de Tapirs herinneren aan die van de Zwijnen. Hun gang is langzaam en voorzichtig; de eene poot wordt bedachtzaam
+voor de andere gezet, de kop intusschen naar den grond gebogen; de snuffelende slurf, die onophoudelijk heen en weer gedraaid
+wordt en de ooren, die voortdurend in beweging zijn, brengen leven in de overigens zeer traag schijnende gestalte. De Tapir
+is een voortreffelijke zwemmer en een nog beter duiker, die zonder aarzeling over de breedste rivieren zwemt, niet alleen
+als hij vlucht, maar bij iedere gelegenheid.
+
+</p>
+<p>De voortreffelijkste zinnen van den Tapir, de reuk en het gehoor, staan waarschijnlijk op denzelfden trap van ontwikkeling;
+het gezicht is zwak. De slurf is een zeer gevoelig tastwerktuig, en wordt voor dit doel veelvuldig gebruikt.
+
+</p>
+<p>De stem is een eigenaardig, schril gefluit, dat in &#8217;t geheel niet ge&euml;venredigd is aan de grootte van het dier.
+
+</p>
+<p>Alle Tapirs zijn, naar het schijnt, goedhartige, vreesachtige en vreedzame dieren, die alleen in den hoogsten nood van hunne
+wapens gebruik maken. Zij vluchten voor iederen vijand, zelfs voor het kleinste hondje; het bangst zijn zij echter voor den
+mensch, wiens overmacht zij wel hebben ingezien. Dit blijkt reeds hieruit, dat zij in de nabijheid van plantages veel voorzichtiger
+en schuwer zijn dan in het onbetreden woud. Op dezen regel zijn echter uitzonderingen. In sommige omstandigheden stellen zij
+zich te weer, en zijn dan tegenstanders, waarmede rekening gehouden dient te worden. Door woede verblind vallen zij hun vijand
+aan, en trachten hem omver te loopen; ook gebruiken zij hunne tanden wel op de wijze van onze Wilde Zwijnen. Zoo handelen
+de moeders, wanneer zij hunne jongen verdedigen, die door de jagers bedreigd worden. Zij stellen zich dan zonder aarzeling
+aan gevaar bloot. Wie gedurende langen tijd gevangen Tapirs heeft nagegaan, komt tot de overtuiging, dat zij, wat hunne geestesgaven
+betreft, hooger staan dan het Neushoorndier en het Nijlpaard, en ongeveer met het Zwijn op een lijn gesteld moeten worden.
+&#8220;Een jong gevangen Tapir,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Rengger</span>, &#8220;geraakt na een gevangenschap van slechts weinige dagen zoozeer aan den mensch en diens woning gewend, dat hij ze niet meer
+verlaat. Hij wordt onrustig, als zijn oppasser lang achtereen wegblijft, en zoekt hem, als hij hiertoe in de gelegenheid is,
+overal op. Door iedereen laat hij zich trouwens aanraken en liefkoozen.<span id="d0e2446" class="corr" title="Bron: ">&#8221;</span> <span class="smallcaps">Kappler,</span> die dikwijls jonge Tapirs heeft opgevoed, verhaalt, dat hij ze steeds na verloop van korten tijd weggaf, omdat zij door hun
+te groote gemeenzaamheid zeer lastig werden; een volwassen dier trok eens van een gedekte tafel het laken met al wat er op
+stond, naar beneden.&#8212;De door mij verzorgde gevangenen hebben deze waarnemingen bevestigd. Zoowel de Indische als de Amerikaansche
+Tapir waren hoogst goedaardige dieren. Zij waren volkomen tam, vreedzaam gezind tegen ieder dier, en toonden genegenheid aan
+bekenden.&#8212;<span class="smallcaps">Keller Leuzinger</span> is van oordeel, dat de Anta een huisdier zou kunnen worden. Volgens hem worden jong gevangen dieren reeds na weinige dagen
+zoo tam als Honden, en denken in &#8217;t geheel niet meer aan ontvluchten. &#8220;In Curitiba, hoofdstad van de provincie Parana,&#8221; verhaalt
+onze zegsman, &#8220;liep een tamme Tapir, die aan niemand toebehoorde, verscheidene jaren achtereen in de straten rond, en werd
+van &#8217;s morgens tot &#8217;s avonds door de negerjongens bereden. Een temperatuur van 2 &agrave; 3 graden onder het vriespunt, die daar
+in Juni en Juli niet tot de zeldzaamheden behoort, schenen hem weinig te hinderen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De in vrijheid levende Tapirs voeden zich slechts met planten, en hoofdzakelijk met boombladen. In Brazili&euml; geven zij de voorkeur
+aan jonge palmbladen, niet zelden echter doen zij strooptochten in de plantages en toonen dan, dat suikerriet, mango, meloenen
+en allerlei groenten ook van hun gading zijn.
+
+</p>
+<p>Alle soorten van Tapirs worden door den mensch ijverig vervolgd, omdat men hun vleesch en hun vel gebruikt. Het vleesch wordt
+geroemd als malsch, sappig en smakelijk; de dikke huid wordt gelooid en in lange riemen gesneden, die, na afgerond en door
+herhaalde inwrijving met gesmolten vet lenig gemaakt te zijn, als zweepkoorden of teugels gebruikt worden.
+
+</p>
+<p>Men jaagt den Tapir in Amerika gewoonlijk met behulp van Honden, die het vluchtende dier fel vervolgen, tot het, wat geregeld
+geschiedt, naar het naast bij gelegen water ijlt. Hier echter loert, in een licht schuitje aan den oever verborgen, de jager,
+die nu met de Honden het zwemmende en duikende wild vervolgt. Het wordt, indien de watervlakte niet te klein is, weldra door
+zijne vervolgers ingehaald en met een kogel of ook wel met het lange jachtmes afgemaakt. Zeer duidelijk beschrijft <span class="smallcaps">Von der Steinen</span> een Tapirjacht, door hem bijgewoond gedurende zijn vaart op den Xingoe: &#8220;<span class="smallcaps">Valentin</span> ontdekt een dicht bij den oever zwemmen den Tapir; allen haastten zich om aan de jacht deel te nemen. <span class="smallcaps">Irineo</span> treft hem met twee kogels de eene in de flanken, de andere in de slurf, <span class="smallcaps">Valentin</span> zendt hem een lading hagel om de ooren&#8212;hij ontsnapt in het woud. De Honden vervolgen hem en wij roeien zoo hard wij kunnen;
+op nieuw gevuurd, nogmaals ontsnapping in het struikgewas. De Honden kijken onnoozel in het water en weten niet wat zij doen
+zullen; de kleine Spits vindt echter het spoor en volgt dit, de andere Honden komen hem te hulp. Daar ginds op een afstand
+van &frac12; KM., is de Tapir al weer te water gegaan; wij hem zoo snel mogelijk achterna in een onbeschrijfelijke verwarring; hij
+komt boven en duikt weer onder; <span class="smallcaps">Pedro</span> mist hem op 5 pas en schiet een pijl op hem af, die terugspringt; <span class="smallcaps">Merelles</span> schiet ook dicht bij het dier langs; een ander raakt het; de booten varen bijna over elkander heen; wij trachten het wild
+te grijpen; onze boot slaat bijna om en schept water; de Tapir wordt met messen gestoken; de Yuruna treft hem met een pijl,
+en schreeuwt, opgewonden met de armen zwaaiend, dat men hem met den lasso moest vangen; <span class="smallcaps">Antonio&#8217;s</span> mes doet een bloedstraal uit het dier stroomen&#8212;nogmaals zwemt het onder water door; maar, tusschen twee booten bovenkomend,
+wordt het bij een poot gepakt, gedood en naar een nabijgelegen rots gesleept. Het is een groot exemplaar, wel zoo groot als
+een Muildier; in zijn haar krioelt het van bruine tieken. Fraai zien de korte, stijfharige manen er uit, gelijk aan die der
+Grieksche godenpaarden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Waarschijnlijk hebben de Tapirs nog gevaarlijker vijanden dan de menschen in de groote soorten van Katten, die hetzelfde gebied
+bewonen. Dat de Amerikaansche Tapirsoorten fel vervolgd worden door den Jagoear, wordt door alle reizigers verzekerd; men
+mag wel aannemen, dat Schabrak-Tapir denzelfden last ondervindt van den Tijger.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+<a id="d0e2486"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2486">409</a>]</span></p>
+<p>Hoewel reeds bij uitwendige beschouwing en vergelijking van de Paarden, Tapirs en Neushoorndieren eenige van de overeenstemmende
+kenmerken waargenomen worden, die aanleiding hebben gegeven tot de samenvoeging van deze dieren in &eacute;&eacute;n zelfde orde, is het
+toch noodig ook de laatstgenoemde dieren te ontleden om hun verwantschap duidelijk aan te toonen.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Neushoorndieren</span> (<i>Rhinocerotidae</i>) zijn plomp gebouwde, logge dieren van tamelijk aanzienlijke grootte; zij onderscheiden zich door hun in &#8217;t oog loopend grooten
+kop, welks aangezichtsgedeelte van voren &eacute;&eacute;n hoorn (of twee achter elkander geplaatste hoornen) draagt; zij hebben een korten
+hals, een krachtigen romp, gehuld in een op een pantser gelijkende huid en nagenoeg geheel of grootendeels onbehaard, een
+korte staart en korte, zware, maar toch geenszins plompe pooten, welker voorvoeten en achtervoeten ieder drie teenen hebben,
+waarvan het eindlid door een hoef omsloten is. Ieder deel van &#8217;t lichaam heeft, zelfs wanneer men het met het overeenkomstige
+deel van andere Neushoorndieren vergelijkt, een eigenaardig en vreemdsoortig voorkomen. De kop is zeer langwerpig; vooral
+het aangezicht is buitengewoon verlengd; het schedelgedeelte daarentegen van voren naar achteren sterk samengedrukt, zoodat
+het voorhoofd een zeer steile helling verkrijgt; tusschen het voorhoofd en het merkbaar verhevene neusgedeelte ontstaat hierdoor
+een in &#8217;t midden diep uitgeholde, zadelvormige inzinking; de mondopening is in verhouding tot den kop zeer klein, het middelste
+deel van de bovenlip tot een vinger- of slurfvormig uitsteeksel verlengd, de onderlip afgerond of van voren recht afgesneden;
+het oog opmerkelijk klein, het niet ongewoon gevormde oor eerder groot dan klein, zijn buitenrand afgerond. De korte, steeds
+geplooide hals is dikker dan de kop en gaat zonder merkbare scheiding in den kolossalen romp over; deze onderscheidt zich
+zoowel door de scherpe, in &#8217;t midden uitgeholde ruglijn en den over zijn geheele lengte afgeronden en hangenden buik, als
+doordat hij iets hooger is in de schouders dan in het kruis; de korte staart is bij sommige naar de spits toe zijdelings sterk
+samengedrukt en dan tot aan het einde bijna gelijk van breedte, bij andere gestrekt kegelvormig. De pooten krommen zich als
+die van een Dashond van buiten naar binnen; alleen het deel, dat onder het polsgewricht en spronggewricht ligt, is recht en
+verticaal geplaatst; dit deel verbreedt zich gelijkmatig, totdat het den bodem bereikt, waarop het met de eivormige zool rust;
+de middelste van elk drietal hoeven is ongeveer dubbel zoo breed als elk der beide zijdelingsche. De steeds zeer dikke huid,
+die bij de meeste soorten op een pantser gelijkt, sluit bij sommige glad tegen het lichaam aan, met uitzondering van eenige
+weinige, niet sterk verheven plooien. Bij andere soorten bestaat zij uit verscheidene schilden, die door diepe plooien duidelijk
+gescheiden zijn en alleen door deze plooien een zekere bewegelijkheid verkrijgen, omdat hunne randen over elkander geschoven
+kunnen worden, daar waar zij verbonden zijn door de dunnere, buigzame huid, die de groeven bekleedt. Diepe rimpels omgeven
+de oogen en den mond en verschaffen aan de plompe, maar betrekkelijk zeer beweeglijke lippen een onverwachte lenigheid. Fijnere
+groeven kruisen elkander op de huid en voorzien haar met een netvormige teekening, welker mazen knobbelvormige verhevenheden
+van zeer regelmatige gedaante insluiten; deze vormen op de huid, vooral op de schilden, een even vreemdsoortige als bevallige
+versiering. De beharing bepaalt zich tot een meer of minder langen zoom om de ooren en om de platgedrukte staartspits; bij
+enkele soorten ook eenige plekken op den rug behaard. De hoornen, die, evenals de haren, opperhuidsvormingen zijn, bestaan
+uit evenwijdig loopende, uiterst fijne, ronde of kantige, van binnen holle vezels van hoornstof: zij rusten met hun breede,
+rondachtige grondvlakte op de dikke huid, die het aangezicht bekleedt. Niet zelden, hoewel altijd slechts bij enkele exemplaren,
+vertoont de opperhuid op verschillende plaatsen, het meest echter aan den kop, hoornachtige woekeringen, die een hoogte van
+verscheidene centimeters kunnen bereiken.
+
+</p>
+<p>Plompheid van vorm en krachtige ontwikkeling kenmerken de beenderen. De breede en forsche neusbeenderen, die de neusholte
+bedekken, en door een dik neusmiddelschot gesteund worden, welks voorste gedeelte, evenals bij de andere Zoogdieren, kraakbeenig
+is, zijn oneffen, ruw en knobbelig daar, waar de hoorn er op rust, en wel des te meer, naarmate de hoorn grooter is. Aan het
+gebit ontbreken de hoektanden; bij de Afrikaansche soorten vallen de vier in elke kaak voorkomende snijtanden reeds op zeer
+jeugdigen leeftijd uit, terwijl er bij de Aziatische soorten gedurende het geheele leven vier in de onderkaak en twee in de
+bovenkaak aanwezig blijven. Voor &#8217;t overige bestaat het gebit uit zeven maaltanden in elke kaakhelft.
+
+</p>
+<p>De Neushoorndieren bewonen tegenwoordig alleen het Oostersche en het Ethiopische faunistische rijk; zij hadden in den v&oacute;&oacute;rtijd
+een veel uitgestrekter verbreidingsgebied. Dat van de beide uitgestorven, tweehoornige soorten, die met de namen <i>Rhinoceros antiquitatis</i> (<i>R. tichorhinus</i>) en <i>Rhinoceros Merckii</i> (<i>R. leptorhinus</i>) aangeduid worden, omvatte gedurende den ijstijd en het hieraan voorafgaande praeglaciale tijdvak geheel Noord- en Centraal-Azi&euml;
+met inbegrip van Siberi&euml; en China, bovendien Noord- en Midden-Europa. Bij beide was het neusmiddelschot ook van voren verbeend.
+Hierdoor verkreeg de voorste en grootste van de beide hoornen steun; de achterste rustte op het voorhoofdsbeen. Van beide
+soorten zijn volledige lijken met huid, haren en goed geconserveerde weeke deelen gevonden in den bevroren bodem van de moerassige
+landstreek, die den mond van den Jenise&iuml; van dien van den Lena scheidt. In het St. Petersburger Museum worden deelen van deze
+merkwaardige lijken bewaard, welke bewijzen, dat de Neushoorndieren van den IJstijd met een dicht, wollig haarkleed bedekt
+waren en dat hun huid de eigenaardige plooien van de thans levende, tropische vormen miste. In Noord-Azi&euml;, van den Ob tot
+aan de Beringstraat is er geen rivier in het vlakke land, aan welks oevers geen beenderen van voorwereldlijke dieren vooral
+van Olifanten, Buffels en Neushoorndieren gevonden worden.
+
+</p>
+<p>Onze kennis van de hedendaagsche soorten is in den laatsten tijd aanmerkelijk uitgebreid, maar laat in sommige opzichten nog
+veel te wenschen over. <span class="smallcaps">Flower</span> heeft in het jaar 1876 deze familie op nieuw bewerkt. Naar het gebit en de huidplooien onderscheidt de genoemde onderzoeker
+drie hoofdgroepen van Neushoorndieren. Tot de eerste rekent hij alle soorten met in schilden verdeelde, tot de tweede die
+met minder geplooide huid, tot de derde de soorten zonder blijvende huidplooien.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Blijvende snijtanden (zie boven), &eacute;&eacute;n hoorn en goed ontwikkelde hals- en lendenplooien, die met de overige huidplooien schildvormige
+velden omgeven, en de als <a id="d0e2522"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2522">410</a>]</span>harnas dienende huid in pantserplaten verdeelen, kenmerken de <span class="letterspaced">Gepantserde Neushoorndieren</span> (<i>Rhinoceros</i>), vertegenwoordigd door twee welbekende, levende soorten.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Indische Neushoorn</span> (<i>Rhinoceros unicornis</i>) bereikt, met inbegrip van den 60 cM. langen staart, een lengte van 3.75 M. een schouderhoogte van 1.7 M. en een gewicht
+van omstreeks 2000 KG. De hoorn wordt 60 &agrave; 65 cM. lang. Zeer krachtig en plomp gebouwd, onderscheidt dit dier zich van zijne
+verwanten door den betrekkelijk korten, breeden en dikken kop en de eigenaardige begrenzing der huidschilden. Het bewoont
+thans nog het noordelijk deel van Indi&euml; en het Zuiden van China.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De andere soort van het ondergeslacht is de <span class="letterspaced">Wara</span>, de <span class="letterspaced">Javaansche Neushoorn</span> der Europeesche handelaars (<i>Rhinoceros sondaicus</i>), die echter niet tot Java beperkt is, maar een uitgestrekter verbreidingsgebied heeft dan de vorige soort, daar hij ook
+in Achter-Indi&euml; (n.l. in Birma, Pegoe en Tenasserim) voorkomt. De huidplooien zijn hier zeer diep, maar de door haar begrensde
+velden hebben een anderen vorm dan bij de vorige soort; korte, zwarte borstels komen verspreid over het geheele lichaam voor.
+Evenals de Indische Neushoorn is ook de Javaansche vuil bruingrijs van kleur. Zijn hoorn wordt hoogstens 25 cM. lang. De lichaamslengte
+bedraagt, met inbegrip van den 50 cM. langen staart, 3 M., terwijl de schouders 1.4 M. hoog zijn.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Half-gepantserde Neushoorndieren</span> (<i>Ceratorhinus</i>) hebben onvolledig ontwikkelde hals- en lendenplooien, die de huid wel in gordels, maar niet in schilden verdeelen. Zij hebben
+twee achter elkander geplaatste, betrekkelijk korte hoornen en komen, wat hun gebit betreft, met de dieren der vorige groep
+overeen.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De eenige vertegenwoordiger van dit ondergeslacht is de <span class="letterspaced">Badak</span> of <span class="letterspaced">Sumatraansche Neushoorn</span> (<i>Rhinoceros sumatranus</i>), de kleinste van de tot dusver genoemde, daar zijn lichaamslenge, met inbegrip van 55 cM. langen staart, 3.35 M. bedraagt,
+bij een schouderhoogte van 1,5 M.; de voorste hoorn is 25, de achterste 12 cM. lang. De huid is verspreid borstelig behaard
+en grijsbruin van kleur.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Het volkomen ontwikkelde gebit van de <span class="letterspaced">Afrikaansche Neushoorndieren</span>, die het derde ondergeslacht (<i>Atelodus</i>) vormen, is gekenmerkt door het ontbreken van alle snijtanden. De gladde, gelijkvormige en onbehaarde huid is alleen op de
+verbindingsplaats van hals en romp duidelijk geplooid en zoomin in schilden als in gordels verdeeld. Deze dieren zijn met
+twee slanke, achter elkaar geplaatste hoornen gewapend.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De meest bekende vertegenwoordiger van het ondergeslacht <a id="d0e2590"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2590">411</a>]</span>is de <span class="letterspaced">Zwarte Neushoorn</span> der Zuid-Afrikaansche Boeren en Engelsche jagers, die door de inboorlingen van Zuid-Afrika <span class="letterspaced">Borele</span> en, als de achterste hoorn zeer lang is, <span class="letterspaced">Keitloa</span> genoemd wordt (<i>Rhinoceros bicornis</i>). Zijn kleur wisselt af tusschen donker leikleurig grijs, dat de overhand heeft en vuil roodbruin. Geheel volwassen mannetjes
+hebben, met inbegrip van den ongeveer 60 cM. langen staart, een totale lengte van 4 M., bij 1,4 M. schouderhoogte. De meer
+of minder sterk achterwaarts gebogen hoornen zijn 70 &agrave; 80 cM. lang. Slechts bij uitzondering is de achterste hoorn nagenoeg
+even lang of iets langer dan de voorste; bij de meeste exemplaren bereikt hij niet de helft van de lengte van den voorsten;
+dikwijls is hij slechts een kort stompje.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1410.jpg" alt="Zwarte Neushoorn (Rhinoceros bicornis). 1/20 v.d. ware grootte." width="693" height="720"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Zwarte Neushoorn</span> (<i>Rhinoceros bicornis</i>). 1/20 v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Het verbreidingsgebied van dit dier is vooral van &#8217;t zuiden af aanmerkelijk ingekrompen, maar is nog steeds zeer uitgestrekt,
+daar het een groot deel van Afrika omvat en wel voornamelijk de oostelijke helft, ongeveer van 15&deg; N.B. tot aan de zuidkust.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De grootste soort van de geheele familie is die, welke door de Hollandsch sprekende bewoner van Zuid-Afrika <span class="letterspaced">Witte Neushoorn</span>, door de inboorlingen <span class="letterspaced">Monoehoe</span>, <span class="letterspaced">Kob&acirc;ba</span> of <span class="letterspaced">Tsjikori</span> (<i>Rhinoceros simus</i>) wordt genoemd. Met inbegrip van den 60 cM. langen staart heeft hij een lengte van ruim 5 M. Bijna &#8531; van deze lengte komt
+op den kop, die twee hoornen draagt, waarvan de voorste een lengte van 1 M. heeft en in den regel zwak naar voren gebogen
+is, de achterste daarentegen klein blijft. Grootendeels is zijn kleur lichtgeel &agrave; lichtgrijs of bleekgrijsbruin, op de schouders
+en dijen en het onderlijf iets donkerder. Aan den buitengewoon langen kop is opmerkelijk de stompe snuit; hieraan ontbreekt
+het slurfvormige uitsteeksel, dat bij de overige leden der familie aan de bovenlip voorkomt; hij gelijkt hierdoor op den snuit
+van een Rund. Dit dier bewoont de zuidelijke helft van Afrika.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De ouden hebben den Neushoorn zeer goed gekend. Volgens <span class="smallcaps">Plinius</span> bracht <span class="smallcaps">Pompejus</span>, behalve den Los uit Galli&euml; en den Baviaan uit Ethiopi&euml;, het eerste E&eacute;nhoornige Neushoorndier in het jaar 61 voor Chr. naar
+de kampspelen te Rome. De eerste schrijver, die van dit dier melding maakt, is <span class="smallcaps">Agatharchides</span>; op hem volgt <span class="smallcaps">Strabo</span>, die te Alexandri&euml; een Neushoorn gezien heeft. <span class="smallcaps">Pausanias</span> noemt hem het &#8220;Ethiopische Rund&#8221;. <span class="smallcaps">Martialis</span> wijdt aan beide soorten eenige dichtregelen. Van den E&eacute;nhoornigen zegt hij:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Op de ruime vlakte, o Caesar, voert de Neushoorn
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Kampstrijden uit, zooals nimmer nog gezien zijn.
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Hoe stormde in grimmige woede ontstoken het ondier nader!
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Hoe machtig door zijn hoorn, waarvoor slechts een bal was de Stier!</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>Van den Tweehoornigen Neushoorn wordt gezegd:
+
+
+</p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span>&#8220;Terwijl de mannen trachtten den Neushoorn ten strijde te prikkelen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Den verkropten toorn van den reus langzaam deden zwellen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Verloor het volk door het lange wachten de hoop op den strijd,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Maar de gewone woede keert dra in het monster terug;
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Met den dubbelen hoorn heft hij den geweldigen Beer op,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Zooals de Stier de stroopoppen tot de sterren omhoog werpt.&#8221;</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>De Arabische schrijvers hebben de beide soorten reeds zeer vroeg genoemd en den Indischen Neushoorn van den Afrikaanschen
+onderscheiden; in hunne sprookjes komen beide niet zelden als bovennatuurlijke wezens voor. <span class="smallcaps">Marco Polo</span>, de bekende reiziger, wiens geschriften voor de dierkunde zoo belangrijk zijn, is de eerste, die, na een langdurig tijdvak,
+waaruit geen berichten over den Neushoorn tot ons gekomen zijn, het stilzwijgen verbreekt. Hij had het in de 13e eeuw op zijn
+reis door Indi&euml;, en wel op Sumatra, weder gezien. In het jaar 1513 kreeg de koning van Portugal uit Oost-Indi&euml; een levenden
+Neushoorn. De mare van het bestaan van dit vreemdsoortige dier verbreidde zich over alle landen. <span class="smallcaps">Albrecht D&uuml;rer</span> gaf een houtsnee in &#8217;t licht, die hij naar een slechte, uit Lissabon afkomstige afbeelding gemaakt had. Hierop is het dier
+voorgesteld, alsof het met schabrakken bedekt en met pantserschubben aan de voeten bekleed is; ook draagt het een kleinen
+hoorn op den schouder. Bijna 200 jaren lang was deze houtsnede van den beroemden graveur de eenige afbeelding, die men van
+het Neushoorndier had. Eerst door <span class="smallcaps">Chardin</span>, die te Ispahan een Neushoorndier zag, werd in &#8217;t begin van de vorige eeuw een betere afbeelding gegeven. Een betere levensbeschrijving
+gaf <span class="smallcaps">Bontius</span> reeds omstreeks het midden van de 17e eeuw.
+
+</p>
+<p>Over &#8217;t geheel genomen komen alle Neushoorndieren in levenswijze, aard, eigenschappen, bewegings- en voedingswijze met elkander
+overeen, hoewel van iedere soort eigenaardigheden bericht worden. Onder de Aziatische soorten b.v. staat het Indische Neushoorndier
+als een buitengewoon boosaardig dier bekend; het Javaansche wordt veel goedaardiger genoemd en het Sumatraansche is dit, volgens
+de beschrijvingen, in nog hoogere mate. Een soortgelijk verschil merkt men tusschen de Afrikaansche soorten op. Het zwarte
+Neushoorndier wordt, ondanks zijn betrekkelijk geringe grootte, als het kwaadaardigste van alle Afrikaansche dieren beschouwd,
+terwijl de Witte Neushoorn geheel onschadelijk heet te zijn. Eenige grond zal er wel bestaan voor deze verschillende karakterschetsen;
+de volle waarheid zal echter wel zijn, dat iedere Neushoorn, die voor de eerste maal een mensch ontmoet, en niet getergd wordt,
+zich goedaardig toont, maar bewijzen geeft van boosaardigheid, wanneer onaangename ervaringen zijn verstand gescherpt en hem
+vertoornd hebben.
+
+</p>
+<p>De Neushoorndieren bewonen bij voorkeur een zeer waterrijk gebied; moerassige gewesten, rivieren, die ver buiten hunne oevers
+treden, meren met slijkerige, door struikgewas omgeven oevers, in welker nabijheid zich grasrijke weidegronden bevinden, bosschen,
+die door beken doorsneden zijn en dergelijke plaatsen. De Afrikaansche soorten gedijen echter ook zeer goed in gewesten, die
+rijk aan gras en struiken, maar bijzonder droog zijn, wanneer zij hier op niet te grooten afstand poelen aantreffen. Voor
+zulke zware, zoo goed gepantserde dieren opent zelfs de meest verwarde wildernis hare voor andere dieren ontoegankelijke verborgenheden;
+zelfs de vreeselijkste doornen zijn buiten machte den Rhinoceros te keeren. Om deze reden ontmoet men de meeste soorten bijzonder
+veelvuldig in bosschen, reeds bij het zeestrand, sommige echter in hooge gewesten nog regelmatiger en overvloediger dan in
+lage. Ieder Neushoorndier bezoekt waarschijnlijk minstens &eacute;&eacute;nmaal per dag het een of andere water, om hier te drinken en zich
+in het slijk te wentelen. Een slijkbad is een levensbehoefte voor alle op het land levende &#8220;dikhuidige&#8221; dieren; want, hoezeer
+ook deze naam (die vroeger op alle Onevenvingerigen, met uitzondering van de E&eacute;nhoevigen, en bovendien op de Zwijnen, Nijlpaarden
+en Slurfdieren werd toegepast) door den aard van hun vel gerechtvaardigd wordt, toch zijn zij zeer gevoelig voor de steken
+van de Vliegen, Bremzen en Muggen; tegen deze boosaardige, kleine <a id="d0e2699"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2699">412</a>]</span>vijanden kunnen zij zich eenigermate beschutten en zich tijdelijk rust verschaffen door zich met een dikke laag slijk te bedekken.
+Voordat zij uitgaan om te fourageeren, zoeken de Neushoorndieren de weeke oevers van de meren, poelen en rivieren op, en woelen
+een gat in den modder, waarin zij zich rondwentelen en omdraaien, totdat de rug en de schouders, de zijden en het onderlijf
+met slib bedekt zijn. Hoe prettig zij dit ploeteren in den modder vinden, blijkt uit hun luid geknor; zelfs verliezen zij
+door het hun zoo aangename bad niet zelden hun gewone waakzaamheid uit het oog.
+
+</p>
+<p>De Neushoornen zijn meer des nachts dan over dag in de weer. Een groote hitte is hun zeer onaangenaam; zoolang deze heerscht,
+slapen zij op de een of andere schaduwrijke plaats, half op de zijde, half op den buik liggend; de kop is vooruitgestoken
+of rust op den grond; soms echter staan zij traag in een stil gedeelte van het woud, waar zij door de boomen tegen de zonnestralen
+beschut zijn. Volgens alle berichten slapen deze dieren zeer vast. Niet zelden is het gebeurd, dat men slapende Neushoornen
+zonder eenige voorzorgsmaatregelen kon naderen; zij geleken op gevoellooze rotsblokken en verroerden zich niet. Gewoonlijk
+is het dreunende gesnurk van den slapenden Neushoorn op een vrij grooten afstand hoorbaar, en trekt het zelfs de aandacht
+van hem, die het rustende dier niet ziet. Soms echter geschiedt de ademhaling zonder gedruisch, zoodat de reiziger niet gewaarschuwd
+werd voor de aanwezigheid van het reusachtige dier, dat hij plotseling voor zich ziet liggen.
+
+</p>
+<p>Met het aanbreken van den nacht, in vele gewesten echter reeds in de middaguren, staat de Neushoorn op, rekt en strekt zich
+behaaglijk in zijn slijkbad, en gaat nu grazen. Hij zoekt voedsel in dichte, voor andere dieren ternauwernood toegankelijke
+wouden en in open vlakten, in het water en in de met riet begroeide moerassen, op de bergen en in het dal. In de dsjungels
+van Indi&euml; heeft hij lange, lijnrechte wegen gebaand, door het breken en zijwaarts buigen van alle planten, die hem in den
+weg stonden, en door het vasttrappen van den grond; ook in de binnenlanden van Afrika ziet men zulke paden.
+
+</p>
+<p>Het Neushoorn dier vreet boomtakken en allerlei harde struiken, distels, brem, biezen, steppengras, enz., maar is volstrekt
+niet afkeerig van saprijker voedsel. Te dezen aanzien bestaat dus tusschen hem en den Olifant een soortgelijk verschil, als
+tusschen den Ezel en het Paard. In Afrika voedt de Zwarte Neushoorn zich hoofdzakelijk met twijgen, vooral met die van de
+daar zeer veelvuldig voorkomende, doornachtige Minosa&#8217;s; de Witte Neushoorn echter eet, in verband met den vorm van zijn onderlip,
+gras, dat in bosjes bijeen groeit. Dikwijls richten deze dieren, in streken waar akkerbouw voorkomt, groote verwoestingen
+aan. Bovendien vernielen en vertrappen zij daar nog veel meer dan zij opeten. Het gras wordt met den breeden muil afgeplukt;
+de twijgen worden afgebroken met het als hand dienend uitgroeisel van de bovenlip.&#8212;De Indische Neushoorn kan het slurfvormige
+verlengstuk van de bovenlip tot ongeveer 15 cM. verlengen, en hiermede een dikken bos gras omvatten, uitrukken en in den bek
+brengen. Het schijnt hem onverschillig te zijn, dat er nog eenige aarde aan de wortels blijft hangen. Wel slaat hij het uitgerukte
+bosje even tegen den grond, om het grootste deel van de aarde er af te schudden, maar daarna stopt hij het zonder eenig gemoedsbezwaar
+in den wijden muil, en slikt het zonder moeite door. Zeer gaarne eet hij wortels, die hij zeer goed weet op te delven. Tot
+tijdverdrijf, hoofdzakelijk voor zijn vermaak althans, woelt hij soms ook wel een boompje of een struik uit den grond; daartoe
+veegt hij met zijn kolossalen hoorn zoo lang de aarde tusschen de wortels weg, totdat hij den struik vatten en uit den grond
+lichten kan, waarna hij de wortels er afbreekt en deze verslindt.
+
+</p>
+<p>De levenswijze van de Neushoorndieren heeft niet veel aantrekkelijks. Wanneer zij niet eten, slapen zij; om de overige wereld
+bekommeren zij zich nagenoeg niet. Zij leven niet gelijk de Olifanten in kudden bijeen, maar meestal afzonderlijk of hoogstens
+tot kleine troepen van 4 &agrave; 10 individu&euml;n vereenigd. Tusschen de leden van zulk een gezelschap bestaat geen nauwen band: in
+den regel leeft ieder voor zich en doet wat hem goeddunkt. Toch kan men niet zeggen, dat het eene dier het andere steeds met
+doffe onverschilligheid beschouwt; in zulk een gezelschap vindt men ook de moeder en haar kind; bovendien is de betrekking
+tusschen de volwassen dieren van verschillend geslacht niet zelden van zeer innigen aard en wordt misschien eerst door den
+dood afgebroken. Zij schijnen log van lichaam en ook log van geest; de schijn stemt hier echter niet geheel met de werkelijkheid
+overeen. In den regel heeft de Neushoorn een zwaren en eenigszins plompen gang; als hij liggen gaat, of zich omwentelt, doet
+hij dit zoo onbeholpen mogelijk; al zijne bewegingen zien er echter onbeholpener uit, dan zij zijn. Hij is niet zooals de
+Olifant een telganger, maar verzet de pooten overkruis, d.w.z. verplaatst tegelijkertijd een voorpoot en een achterpoot van
+verschillende zijden. Iedere Neushoorn zwemt nu en dan; hij blijft echter altijd aan de oppervlakte van het water en duikt
+alleen onder, wanneer dit strikt noodig is.
+
+</p>
+<p>Onder de zinnen van de Neushoorndieren staat het gehoor bovenaan; dan volgt de reuk en hierna het gevoel. De gezichtszin is
+zeer weinig ontwikkeld. Het gehoor is vermoedelijk zeer fijn: het zachtste gedruisch wordt op een grooten afstand waargenomen.
+De smaakzin ontbreekt hun niet; bij tamme dieren althans nam ik waar, dat zij veel van suiker houden en blijken geven van
+bijzonder welgevallen, wanneer zij er op getracteerd worden. Hun stem bestaat uit een dof gegrom, dat door een woest gesnuif
+en geproest vervangen wordt, als zij toornig zijn. De Neushoorndieren in vrijen toestand laten dit geproest dikwijls hooren,
+want zij worden spoedig tot toorn geprikkeld en hun onverschilligheid voor alles, wat geen voedsel is, kan zeer schielijk
+in het tegenovergestelde gevoel veranderen. Dan letten zij zoomin op het aantal als op de weerbaarheid hunner vijanden, maar
+gaan blindelings en regelrecht op het voorwerp van hun toorn af. Evenals de stier heeft de Neushoorn een afkeer van roode
+kleuren; men heeft opgemerkt, dat hij menschen aanviel, die hem in &#8217;t geheel geen kwaad hadden gedaan, maar kleederen droegen,
+welker sterk sprekende kleuren zijn woede opwekten. Gelukkig kost het niet veel moeite, een in razenden drift voorthollenden
+Neushoorn te ontwijken. De geoefende jager laat hem tot op een afstand van 10 &agrave; 15 schreden naderen en springt dan ter zijde;
+het doldriftige dier rent hem voorbij, verliest zijn spoor, holt op goed geluk voort en koelt misschien zijn woede aan een
+volkomen onschuldig voorwerp.
+
+</p>
+<p>De Neushoorn brengt slechts een jong ter wereld, een klein, plomp beest, zoo groot als een halfwassen Zwijn, dat met geopende
+oogen geboren wordt. Zijn roodachtige huid heeft nog geen plooien; een beginsel van een hoorn is reeds aanwezig.
+<a id="d0e2713"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2713">413</a>]</span></p>
+<p>Hoe lang het jonge Neushoorndier bij zijn moeder blijft, weet men niet; evenmin kent men de verhouding tusschen vader en kind.
+In de eerste maanden groeit het snel. Een exemplaar, dat op den derden levensdag ongeveer 60 cM. hoog en 1.1 M. lang was,
+werd in de daaropvolgende maand 13 cM. hooger en 15 cM. langer. Na 13 maanden had het reeds een hoogte van 1.2, een lengte
+van 2 en een omvang van 2.1 M. bereikt.
+
+</p>
+<p>In den ouden tijd heeft men vele sprookjes verteld over de vriendschappelijke verhouding tusschen den Neushoorn en sommige
+dieren en over zijn vijandschap met andere dieren, vooral met den Olifant; het heet, dat hij dezen bij elke gelegenheid aanvalt
+en steeds overwint. Deze reeds bij <span class="smallcaps">Plinius</span> voorkomende verhalen worden af en toe door den een of anderen reisbeschrijver opgewarmd, maar behooren toch stellig onder
+de sprookjes thuis. Meer grond is er voor hetgeen men verhaalt van de vriendschap van den Neushoorn voor zwakkere dieren.
+<span class="smallcaps">Andersson, Gordon Cumming</span> en anderen vonden bijna geregeld op den Zwarten zoowel als op den Witten Neushoorn een gedienstigen Vogel, den Madenhakker,
+die den reusachtigen viervoeter over dag trouw vergezelt en in zekeren zin de dienst van schildwacht bij hem vervult; hij
+voedt zich met het ongedierte, waarvan de huid van zijn kolossalen vriend krioelt, en zet zich daarom bij of op diens lichaam
+neder. Deze Vogels zijn de beste vrienden, die de Neushoorn heeft; zij laten zelden na, hem te waarschuwen voor een dreigend
+gevaar. Het spreekt wel van zelf, dat deze diensten door den beweldadigde erkend worden; zelfs het stompzinnigste Zoogdier
+zou dankbaar zijn, wanneer het verlost werd van een zoo pijnlijke kwelling als een heirleger stekende Insecten moet veroorzaken.
+Of echter de Vogel bij de nadering van menschen het dier, dat hem tot jachtveld dient, in &#8217;t oor pikt om het te wekken, wil
+ik maar liefst in &#8217;t midden laten; ik geloof eerder, dat de onrust, die hij toont, zoodra hij iets verdachts opmerkt, voldoende
+is om de aandacht van den Neushoorn te trekken. Dat zeer voorzichtige Vogels, op welker bewegingen door andere dieren gelet
+wordt, bij deze den dienst van voorposten en schildwachten vervullen, is in vele gevallen gebleken.
+
+</p>
+<p>Behalve de mensch heeft de Neushoorn waarschijnlijk niet veel vijanden. De Leeuwen en Tijgers mijden dit dier, omdat zij weten,
+dat hunne klauwen toch te zwak zijn om door de dikke pantserhuid diepe wonden te scheuren; misschien kunnen zij gevaarlijk
+worden voor een van de moeder gescheiden jong. De Neushoorn is voor andere, veel kleinere dieren veel meer bevreesd, dan voor
+de groote Roofdieren; hij heeft vooral in eenige Horzels en in de Muggen verraderlijke vijanden, waartegen hij zich nagenoeg
+in &#8217;t geheel niet verweren kan. Overal echter is de mensch wel zijn gevaarlijkste vijand. De volksstammen, in welker gebied
+hij voorkomt, en ook Europeesche jagers maken ijverig jacht op hem. Men heeft wel eens beweerd, dat de pantserhuid voor kogels
+ondoordringbaar zijn; het lijdt echter geen twijfel meer, dat een mes, een lans en zelfs een met kracht geschoten pijl er
+door heendringen. De inboorlingen besluipen den Neushoorn, terwijl hij slaapt, onder den wind en werpen hem hunne lansen in
+&#8217;t lichaam of schieten op hem, terwijl zij de tromp van het geweer bijna op zijn romp houden om te maken, dat de kogels hun
+volle kracht behouden. De Abessini&euml;rs gebruiken werpspiesen en slingeren dikwijls 50 of 60 van deze moordtuigen naar &eacute;&eacute;n Neushoorn;
+zoodra deze uitgeput is door bloedverlies, waagt een van de stoutmoedigste jagers zich in zijn nabijheid, en tracht met een
+scherp zwaard de Achillespees door te hakken, om het dier te verlammen, en tot verderen weerstand ongeschikt te maken. In
+Indi&euml; gaat men op de Rhinoceros-jacht met Olifanten, maar ook deze kolossen worden soms door het woedende dier in gevaar gebracht.
+
+</p>
+<p>De Afrikaansche soorten worden door de Europeanen op gelijke wijze gejaagd als de Olifanten; het wild wordt des nachts opgewacht
+aan de drinkplaats, over dag in de wildernis bekropen, of in het open landschap te paard genaderd, om op den kortst mogelijken
+afstand met een grooten kogel het meest kwetsbare lichaamsdeel te treffen. Dat een Neushoorn, die door jagers vervolgd en
+in &#8217;t nauw gebracht is, of getroffen en door pijn gekweld wordt, zich dikwijls tegen zijne vervolgers keert, kan ons van een
+weerbaar dier niet verwonderen.
+
+</p>
+<p>Moeielijker dan de jacht is de vangst van dit dier. De Wara wordt hoofdzakelijk buitgemaakt ter wille van zijn hoorn, waarvoor
+de Chineezen een hoogen prijs betalen. Om hem te vangen, worden op zijne paden nauwe kuilen gegraven, die zorgvuldig met takken
+bedekt, en vooraf met puntige palen voorzien zijn, waarop het zware dier zich spietst, wanneer het in den kuil valt. De Neushoorn
+volgt zijn gewone<span id="d0e2730" class="corr" title="Bron: ,"></span> pad, valt in den kuil, en is, zelfs wanneer het onbeschadigd blijft, buiten staat er uit te komen. De jonge Afrikaansche
+Neushoorndieren, die soms op onze wilde-dierenmarkten voorkomen, worden gevangen na het dooden van de wijfjes, die deze jongen
+vergezellen.
+
+</p>
+<p>Een merkwaardig geval van goed vertrouwen bij een zeer jongen Zwarten Neushoorn, wordt ons door <span class="smallcaps">Selous</span> medegedeeld. Op een morgen, toen hij met zijn reisgezel <span class="smallcaps">Wood</span> ter jacht was uitgereden, stonden zij onverwachts in een kreupelboschje voor een grooten Zwarten Neushoorn, wien zij onmiddellijk
+twee kogels toezonden. Het zwaar getroffen dier vluchtte; gelijk nu eerst bleek, was het een wijfje. Een jong van slechts
+weinige dagen trachtte tevergeefs het te volgen, maar gaf deze poging dadelijk op, en kroop onder het Paard van <span class="smallcaps">Wood</span>, terwijl <span class="smallcaps">Selous</span> de moeder het genadeschot gaf. &#8220;Naar mijn vriend teruggekeerd,&#8221; zoo verhaalt onze zegsman verder, &#8220;vond ik hem onder een
+schaduwrijken boom zitten, en zag het Neushoornkalf dicht bij het Paard staan, dat voor het kleine monster in &#8217;t geheel niet
+bang scheen te zijn. Het kalfje, ternauwernood grooter dan een halfwassen Zwijn, toonde volstrekt geen vrees, als wij of de
+inboorlingen, die ons vergezelden, het naderden en het streelden. Het viel mij echter op, dat het zeer sterk over den geheelen
+rug zweette, wat ik bij een volwassen Neushoorn nooit had opgemerkt. Daar het moederlooze dier het Paard van <span class="smallcaps">Wood</span> volgde, alsof dit zijn moeder was, besloten wij het mede te nemen naar de wagens, die ongeveer 6 Engelsche mijlen verder
+waren, om te beproeven het groot te brengen. Wij reden weg, en het kalfje liep ons na als een Hond. Het had echter klaarblijkelijk
+veel last van de brandende zon, want het ging onder iederen schaduwgevenden struik rusten; zoodra wij het echter 30 schreden
+vooruit waren, kwispelde het met zijn staartje, piepte en draafde <span class="smallcaps">Wood&#8217;s</span> Paard achterna. Eindelijk bereikten wij de wagens&#8212;maar nu veranderde op eens het gedrag van den jongen bewoner der wildernis.
+Misschien werd hij van streek gebracht door de Honden, die blaffend om hem heen sprongen, of door het gezicht van de huifwagens,
+of door de veelheid van nieuwe <a id="d0e2752"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2752">414</a>]</span>indrukken, die hem in ons leger overstelpten;&#8212;hoe dit ook zij, onze beschermeling ging als een echte duivel te keer, en schoot
+woedend op de menschen, de Honden en zelfs op de wielen van de wagens toe. Wij bonden hem een riem om den hals en den schouder,
+waarbij hij geweldig tegenspartelde, een luchtsprong deed, herhaaldelijk op mij toeschoof en met zijn neus krachtig tegen
+mijn knie bokste. Toen hij vastgelegd was, begon hij tot bedaren te komen; maar werd dadelijk weer wild, zoodra er menschen
+of Honden in zijn nabijheid kwamen. Zooals ik gevreesd had, nam hij niets van het voedsel, dat wij voor hem gereed maakten;
+melk zou hem wel gesmaakt hebben, maar deze konden wij hem ongelukkig niet verschaffen, daar wij geen koeien hadden. Omdat
+deze pogingen mislukten en het te verwachten was, dat hij, als wij hem lieten loopen, ellendig verhongeren of een prooi van
+Leeuwen of Hyena&#8217;s worden zou, hield ik het voor het beste, het ongelukkige schepsel, dat ik zoo gaarne in &#8217;t leven had gehouden,
+een kogel door den kop te schieten.&#8221;
+
+</p>
+<p>In onze diergaarden zijn de meeste Neushoorndieren goedaardig en tam; zij laten zich aanraken, naar een andere plaats drijven
+en op andere wijze behandelen, zonder zich te weer te stellen; langzamerhand geven zij duidelijke blijken van gehechtheid
+aan iederen oppasser, die verstandig met hen omgaat. Slechts &eacute;&eacute;n geval is mij bekend, dat een Neushoorn twee menschen, die
+hem waarschijnlijk geplaagd hadden, aanviel en doodde.
+
+</p>
+<p>Tegen de schade, die de Neushoorn in vrijen toestand aanricht, weegt al het nut, dat hij kan opleveren, in de verste verte
+niet op. In gewesten, waar een regelmatige bebouwing van den bodem plaats vindt, kan hij niet geduld worden; hij is in den
+volsten zin van &#8217;t woord een bewoner van de wildernis. Van het gedoode dier weet men nagenoeg alle deelen te gebruiken. Niet
+alleen het bloed, maar ook de hoorn staan in hoog aanzien wegens de geheimzinnige krachten, die men er aan toedicht. In het
+oosten ziet men in de huizen van de voorname lieden allerlei bekers en andere drinkgereedschappen, die uit den hoorn van dit
+dier gedraaid zijn. Men schrijft aan deze vaten de eigenschap toe van op te bruisen, zoodra er een vergiftige vloeistof in
+gegoten wordt, en meent dus hierin een <span id="d0e2758" class="corr" title="Bron: probraat">probaat</span> middel te hebben om zich voor vergiftigingen te vrijwaren. De Turken van hoogen stand hebben voortdurend een drinkbeker van
+Rhinoceros-hoorn bij zich en gebruiken, wanneer zij pogingen tot vergiftiging duchten, hieruit hun koffie. Nog vaker wordt
+de hoorn gebruikt voor het maken van gevesten van kostbare sabels. Van de huid vervaardigen de inboorlingen gewoonlijk schilden,
+pantsers, schotels en andere gereedschappen voor eigen gebruik. Het vleesch wordt gegeten, het vet hoog geschat, hoewel de
+Europeanen zoo min op het eene als op het andere bijzonder gesteld zijn.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>In de woeste, steenachtige gebergten van Afrika en West-Azi&euml;, bemerkt men op vele plaatsen een opgewekt leven. Dieren zoo
+groot als Konijnen, die zich op een rotsterras of op een steenblok in de zon koesterden, sluipen, verschrikt door de komst
+van een mensch, schielijk langs de rotswanden voort, verdwijnen in een van de tallooze rotskloven en kijken dan nieuwsgierig
+en onschuldig, als zij zijn, op den ongewonen bezoeker neer. Dit zijn de <span class="letterspaced">Klipdassen</span>, de kleinste en sierlijkste van alle thans levende Onevenvingerigen.
+
+</p>
+<p>Ten aanzien van de plaats, die deze lieftallige rotsbewoners in de klasse der Zoogdieren moeten innemen, heeft te allen tijde
+verschil van meening geheerscht bij de natuuronderzoekers. <span class="smallcaps">Pallas</span> beschouwde ze, op grond van hun uitwendig voorkomen en hun levenswijze als Knaagdieren, <span class="smallcaps">Oken</span> meende, dat zij aan de Buideldieren verwant zouden zijn, <span class="smallcaps">Cuvier</span> plaatste ze in zijn orde van de Veelhoevigen. In den laatsten tijd wordt hun ook deze plaats betwist, en vindt men het noodig
+ze in een afzonderlijke orde, die der <span class="letterspaced">Plathoevigen</span> (<i>Lamnungia</i>) op te nemen. Wij behandelen ze hier&#8212;te recht of te onrecht, dit zij in &#8217;t midden gelaten&#8212;als een groep van de Orde der Onevenvingerigen.
+Zij vormen slechts &eacute;&eacute;n familie.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Klipdassen</span> (<i>Hyracidae</i>) onderscheiden zich door de volgende eigenschappen: De romp is middelmatig lang en rolrond, de kop betrekkelijk groot en
+plomp, naar voren spits uitloopend en vooral in dwarse richting sterk versmald, de bovenlip gespleten, de spits van den neus
+fraai gevormd, het oog klein, maar uitpuilend, het in de vacht bijna verborgen oor kort, breed en rond, de hals kort en gedrongen;
+de staart is een nauwelijks merkbaar stompje. De pooten zijn middelmatig hoog en tamelijk zwak; de fijne voeten zijn langwerpig,
+die van de voorpooten eindigen in vier, die van de achterpooten in drie teenen, welke tot aan de eindleden door een gemeenschappelijke
+huid vereenigd zijn; met uitzondering van den binnenteen van de achtervoeten, die een klauwachtigen nagel draagt, zijn al
+deze eindleden voorzien met platte, hoefvormige nagels; op de naakte zolen komen verscheidene veerkrachtige eeltkussens voor,
+die door diepe groeven vaneengescheiden zijn.
+
+</p>
+<p>Reeds in overoude tijden worden de Klipdassen als goed bekende dieren vermeld. De in Syri&euml; en Palestina levende soort schijnt
+bedoeld te zijn, waar in den bijbel de naam &#8220;Saphan&#8221; gebruikt wordt, welk woord in de vertaling van <span class="smallcaps">Luther</span>, door &#8220;Konijn&#8221; wordt vervangen. De Klipdassen zijn voor &#8217;t meerendeel kenmerkende dieren van de gebergten der woestijnen
+en steppen. Er zijn verscheidene soorten van, die alle gebergten van Syri&euml;, Palestina, Arabi&euml; en misschien ook van Perzi&euml;
+bewonen, voorts die van de Nijllanden, van Oost-, West- en Zuid-Afrika. Men vindt ze in de gebergten van 2000 &agrave; 3000 M. hoogte
+niet minder talrijk dan in de bij wijze van eilanden uit de vlakte oprijzende koppen en kegels, die aan de steppenlanden van
+Noordoost-Afrika zulk een eigenaardig voorkomen verschaffen.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Wij zullen den Klipdas van Abessini&euml;&#8212;den <span class="letterspaced">Aschkoko</span> (<i>Hyrax abyssinicus</i>)&#8212;beschrijven, daar deze ons het best bekend is. De lengte van dit dier bedraagt 25 &agrave; 30 cM.; zijn vacht bestaat uit tamelijk
+lange en fijne haren, die aan den wortel grijsbruin, in het midden vaalgrijs en v&oacute;&oacute;r de lichtkleurige spits donkerbruin zijn,
+welke kleuren zich vereenigen tot een lichter of donkerder gesprenkeld vaalgrijs. Kleurafwijkingen schijnen tamelijk veelvuldig
+voor te komen.
+
+</p>
+<p>Hoe meer de rotswanden gespleten zijn, des te veelvuldiger treft men er deze dieren aan. Wanneer men bedaard door de dalen
+wandelt, ziet men ze op rijen zitten op de rotskammen; nog vaker liggen zij, want het zijn gemaklievende, luie dieren, die
+zich gaarne door de warme zon laten beschijnen. Een snelle beweging of een luid gedruisch verdrijft ze oogenblikkelijk: de
+geheele troep geraakt in beweging; allen vluchten en loopen met de behendigheid van <a id="d0e2810"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2810">415</a>]</span>Knaagdieren weg en zijn bijna in &#8217;t zelfde oogenblik verdwenen. In de nabijheid van de dorpen, waar men ze evenzeer, dikwijls
+bijna vlak naast de huizen aantreft, toonen zij bijna geen vrees voor den inboorling en verrichten in zijn tegenwoordigheid
+onbeschroomd hunne bezigheden, alsof zij er van overtuigd zijn, dat hier niemand er aan denkt, hen te vervolgen; voor menschen
+in vreemde kleedij of van een ongewone kleur nemen zij echter oogenblikkelijk de wijk in hunne rotsspleten. Veel meer dan
+den mensch vreezen zij den Hond of andere dieren. Ook wanneer zij zich voor hem in hunne rotsspleten verborgen hebben, hoort
+men hun eigenaardig trillend gegil, dat veel op het geschreeuw van kleine Apen gelijkt. De Abessini&euml;rs meenen, dat de Luipaard,
+de ergste vijand van de Klipdassen, langs de rotswanden sluipt, wanneer men ze tegen den avond of gedurende den nacht hoort
+schreeuwen; want na zonsondergang houden zij zich altijd stil, tenzij zij gestoord worden. Ook Vogels kunnen hun den grootsten
+schrik veroorzaken. Een toevallig voorbijvliegende Kraai, zelfs een Zwaluw, is in staat hen naar hunne veilige woningen terug
+te drijven.
+
+</p>
+<p>Wegens de buitengewone schuwheid van de Klipdassen schijnt het vreemd, dat zij in vriendschap leven met dieren, die veel gevaarlijker
+en bloeddorstiger zijn dan zelfs de roofgierigste Arend, nl. met de Zebra-Mangoeste (<i>Herpestes Zebra</i>) en met een Doorn-Hagedis (waarschijnlijk <i>Stellio cyanogaster</i>). Naar het schijnt, speelt in dit gezellige klaverblad de voorzichtige Klipdas de rol van schildwacht, want zoodra hij zijn
+gillend gefluit laat hooren, verdwijnt het geheele gezelschap in de spleten van het gesteente.
+
+</p>
+<p>Slechts ongaarne verlaten de Klipdassen hunne rotsen. Als het gras, dat tusschen de steenklompen groeit, opgegeten is, gaan
+zij wel is waar naar lager gelegen plaatsen, maar dan staan er altijd wachten op de meest uitstekende rotspunten, en een waarschuwend
+signaal van deze is voldoende, om alle zoo schielijk mogelijk de vlucht te doen nemen.
+
+</p>
+<p>Door hunne bewegingen en hun aard vormen de Klipdassen in zekeren zin een overgang tusschen de plompe Neushoornen en de behendige
+Knaagdieren. Zij kunnen meesterlijk klimmen. Een nauwkeurig onderzoek der voetzolen, die zoo veerkrachtig zijn als gomelastiek,
+leert, dat de Klipdassen in staat zijn, om zich door het willekeurig inkrimpen en uitzetten van de middelste spleet der zoolkussens
+aan gladde oppervlakten vast te hechten.
+
+</p>
+<p>De handelingen van de Klipdassen verraden een groote zachtaardigheid, ja zelfs onnoozelheid, vereenigd met een ongeloofelijke
+angstvalligheid en vreesachtigheid. Zij zijn buitengewoon gezellig; men ziet ze bijna nooit alleen, of liever, men kan, indien
+dit geval zich voordoet, er bepaald op rekenen, dat de overige leden van het gezelschap zich bij toeval niet in de nabijheid
+bevinden. Aan de woonplaats, die zij zich eens gekozen hebben, blijven zij voortdurend getrouw. In hun vaderland, dat zoo
+rijk is aan geurige, in bergstreken groeiende planten, zullen zij wel nooit gebrek lijden. Herhaaldelijk zag ik ze aan den
+voet van de rotsen
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1415.jpg" alt="Aschkoko (Hyrax abyssinicus). &frac14; v.d. ware grootte." width="720" height="580"><p class="figureHead">Aschkoko (<i>Hyrax abyssinicus</i>). &frac14; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>grazen, geheel op de wijze van de Herkauwers. Zij bijten het gras met hunne tanden af en bewegen de kaken op soortgelijke
+wijze, als de Tweehoevigen doen, wanneer zij herkauwen. Naar het schijnt, drinken zij niet, of slechts zeer weinig.
+
+</p>
+<p>Daar het wijfje zes tepels heeft, meende men vroeger, dat de Klipdassen een tamelijk groot aantal jongen werpen. <span class="smallcaps">Schweinfurth</span> heeft echter aangetoond, dat zij er twee ter wereld brengen en dat deze bij de geboorte reeds zeer ontwikkeld zijn.
+
+</p>
+<p>De jacht op de Klipdassen biedt geen bezwaren aan, tenzij deze angstvallige dieren reeds herhaaldelijk vervolgd werden. Alleen
+in Arabi&euml; en in Zuid-Afrika wordt op den Klipdas jacht gemaakt, wegens zijn vleesch, waarvan de smaak met dat van het Konijn
+overeenstemt. Verscheidene reizigers maken melding van Klipdassen, die zij in gevangen toestand hebben <a id="d0e2843"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2843">416</a>]</span>nagegaan, <span class="letterspaced">Graaf</span> <span class="smallcaps">Mellin</span> vergelijkt een door hem getemd exemplaar met een Beer, die tot op de grootte van een Konijn ingekrompen zou zijn. Hij noemt
+dit dier volkomen weerloos, en zegt, dat het evenmin door een snelle vlucht aan zijne vijanden kan ontkomen, als het zich
+met zijne tanden of klauwen zou kunnen verdedigen. Als het door zijn meester geroepen werd, gaf het antwoord door zachtjes
+te fluiten, kwam dan aanloopen en liet zich op den schoot nemen en liefkoozen.
+
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="transcribernote">
+<h2>Colofon</h2>
+<h3>Beschikbaarheid</h3>
+<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
+
+</p>
+<p>This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give
+it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
+
+</p>
+<h3>Codering</h3>
+<p>Dit bestand is in de oude spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van
+de regel zijn hersteld.
+
+</p>
+<p>Hoewel in dit werk laag liggende aanhalingstekens openen worden gebruikt, zijn deze gecodeerd met &#8220;. Geneste dubbele aanhalingstekens
+zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.
+
+</p>
+<h3>Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>6-FEB-2007 begonnen.</li>
+</ul>
+<h3>Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table width="75%">
+<tr>
+<th>Plaats</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e207">Bladzijde 361</a></td>
+<td width="40%">Luidaards</td>
+<td width="40%">Luiaards</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e566">Bladzijde 369</a></td>
+<td width="40%">Argenteni&euml;</td>
+<td width="40%">Argentini&euml;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e578">Bladzijde 369</a></td>
+<td width="40%">peziken</td>
+<td width="40%">perziken</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e687">Bladzijde 372</a></td>
+<td width="40%">bevestigd</td>
+<td width="40%">bevestigt</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e701">Bladzijde 372</a></td>
+<td width="40%">langicaudata</td>
+<td width="40%">longicaudata</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e872">Bladzijde 376</a></td>
+<td width="40%">nanwkeuriger</td>
+<td width="40%">nauwkeuriger</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e961">Bladzijde 378</a></td>
+<td width="40%">hoektanten</td>
+<td width="40%">hoektanden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1076">Bladzijde 381</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1086">Bladzijde 381</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1099">Bladzijde 381</a></td>
+<td width="40%">evenzeeron bekommerd</td>
+<td width="40%">evenzeer onbekommerd</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1165">Bladzijde 383</a></td>
+<td width="40%">de de</td>
+<td width="40%">de</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1189">Bladzijde 385</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1475">Bladzijde 390</a></td>
+<td width="40%">duizende</td>
+<td width="40%">duizenden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1541">Bladzijde 391</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1826">Bladzijde 395</a></td>
+<td width="40%"> (</td>
+<td width="40%">, </td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1857">Bladzijde 395</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1879">Bladzijde 395</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1943">Bladzijde 397</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8220;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1946">Bladzijde 397</a></td>
+<td width="40%">muziekaal</td>
+<td width="40%">muzikaal</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2012">Bladzijde 399</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2115">Bladzijde 401</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8220;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2133">Bladzijde 402</a></td>
+<td width="40%">ontkennen</td>
+<td width="40%">ontkennend</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2329">Bladzijde 406</a></td>
+<td width="40%">Schabak-tapir</td>
+<td width="40%">Schabrak-tapir</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2361">Bladzijde 407</a></td>
+<td width="40%">verwijnen</td>
+<td width="40%">verdwijnen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2430">Bladzijde 407</a></td>
+<td width="40%">slijkt</td>
+<td width="40%">slijk</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2446">Bladzijde 408</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2730">Bladzijde 413</a></td>
+<td width="40%">,</td>
+<td width="40%">
+[<i>Verwijderd</i>]
+
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2758">Bladzijde 414</a></td>
+<td width="40%">probraat</td>
+<td width="40%">probaat</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+***** This file should be named 20542-h.htm or 20542-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/0/5/4/20542/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/20542-h/images/p1360.jpg b/20542-h/images/p1360.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0b9a3c3
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1360.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1363.jpg b/20542-h/images/p1363.jpg
new file mode 100644
index 0000000..cbcefc1
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1363.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1365.jpg b/20542-h/images/p1365.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a527197
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1365.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1368.jpg b/20542-h/images/p1368.jpg
new file mode 100644
index 0000000..ae1bf26
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1368.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1369.jpg b/20542-h/images/p1369.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8a9e349
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1369.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1370.jpg b/20542-h/images/p1370.jpg
new file mode 100644
index 0000000..15425be
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1370.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1373.jpg b/20542-h/images/p1373.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0988248
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1373.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1375.jpg b/20542-h/images/p1375.jpg
new file mode 100644
index 0000000..24f7d1f
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1375.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1379.jpg b/20542-h/images/p1379.jpg
new file mode 100644
index 0000000..d90c9b5
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1379.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1389.jpg b/20542-h/images/p1389.jpg
new file mode 100644
index 0000000..05c6b43
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1389.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1393.jpg b/20542-h/images/p1393.jpg
new file mode 100644
index 0000000..515642d
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1393.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1394.jpg b/20542-h/images/p1394.jpg
new file mode 100644
index 0000000..addc5b5
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1394.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1398.jpg b/20542-h/images/p1398.jpg
new file mode 100644
index 0000000..6fa9cb8
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1398.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1400.jpg b/20542-h/images/p1400.jpg
new file mode 100644
index 0000000..141cc5f
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1400.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1401.jpg b/20542-h/images/p1401.jpg
new file mode 100644
index 0000000..837c118
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1401.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1404.jpg b/20542-h/images/p1404.jpg
new file mode 100644
index 0000000..61952a8
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1404.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1407.jpg b/20542-h/images/p1407.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a57607a
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1407.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1410.jpg b/20542-h/images/p1410.jpg
new file mode 100644
index 0000000..803de26
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1410.jpg
Binary files differ
diff --git a/20542-h/images/p1415.jpg b/20542-h/images/p1415.jpg
new file mode 100644
index 0000000..1fd7f1f
--- /dev/null
+++ b/20542-h/images/p1415.jpg
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..0723295
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #20542 (https://www.gutenberg.org/ebooks/20542)