diff options
Diffstat (limited to '20536-8.txt')
| -rw-r--r-- | 20536-8.txt | 5409 |
1 files changed, 5409 insertions, 0 deletions
diff --git a/20536-8.txt b/20536-8.txt new file mode 100644 index 0000000..7191823 --- /dev/null +++ b/20536-8.txt @@ -0,0 +1,5409 @@ +Project Gutenberg's De Ziekte der Verbeelding, by Hendrik Conscience + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Ziekte der Verbeelding + +Author: Hendrik Conscience + +Release Date: February 6, 2007 [EBook #20536] +[Last updated: August 27, 2011] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZIEKTE DER VERBEELDING *** + + + + +Produced by Frank van Drogen, Clare Boothby and the Online +Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + + + + + + + + +Hendrik Conscience. + + +De Ziekte der Verbeelding. + + + + + +LEIDEN.--A. W. SIJTHOFF. + +1880. + + + + +DE ZIEKTE DER VERBEELDING. + + + + + +I. + + +Te midden der onmeetbare heide, die langs de noordelijke grenzen onzer +provincie Limburg, als de bodem eener opgedroogde zee, vele uren verre +onafgebroken voortloopt, ligt een oud en donker bosch. + +Waarschijnlijk dat hier in verledene eeuwen een uitgestrekt moeras heeft +bestaan; want het zijn geene masten of dennen, die er groeien: de eik, +de wilg, de abeel, de els en andere breed-bladerige boomen woekeren er +met hunne wortelen in de vette, mullige aarde. + +Zoo diep ligt de grond van het bosch, dat de reiziger, die over de heide +trekt, uit de verte nauwelijks de toppen der boomen als eene duistere +vlek op de zandwoestijn ontwaart. Wanneer hij, afgemat en door het +gevoel der lange eenzaamheid zwaarmoedig, den boord der diepte nadert, +verblijdt het gezicht van het schaduwrijk loover hem niet; integendeel, +hij blijft verrast en aarzelend staan. Die ondoordringbare groene klomp, +de volstrekte stilte, welke er heerscht, de koude vochtigheid, welke hem +tegenwasemt,--dit alles doet hem droomen aan eene nog volledigere +eenzaamheid, aan iets geheel afgezonderds, aan iets geheimzinnigs;--en, +of hij vrees hebbe voor kwaaddoeners of voor onbegrepen gevaren, niet +zonder bekommerdheid stapt hij den eenigen weg in, die tusschen het +somber en doodstil geboomte wegschiet. + +In den diepsten schoot van dit bosch lag het kasteel Wildenborg. + +Het was een groot vierkant gebouw, uit rooden baksteen gemetseld, zwaar, +bonkig en zonder eenig kenmerk van kunst of van smaak. + +De twee uitgebrokkelde torens, die boven zijn achterdeel zich +verhieven, en de vorm der vensters lieten herkennen, dat het in den +Spaanschen tijd was gesticht geworden. + +Zeker moesten de eigenaars sedert meer dan eene halve eeuw het onderhoud +van dit kasteel geheel verwaarloosd hebben. Vele kareelen waren uit de +muren gevallen, de naden tusschen de steenen waren diep uitgehold, +overal in den gevel wortelden wilde gewassen, en op sommige plaatsen +wiegelden de tengere ranken van het helmkruid in machtige bossen in den +wind. + +Een oude, knoestige wijngaard had weleer een gedeelte des gevels +overdekt, maar bij gebrek aan steun was hij voorover gevallen en lag nu +met het hoofd ter aarde neergebogen, zonder dat iemand er aan had +gedacht hem weder op te richten. + +Bij het gezicht zulker bouwvalligheid hadde men licht geloofd, dat +Wildenborg eerlang van ouderdom in gruis zou storten, bovenal wanneer +men bemerkte, dat eene breede scheur, met hoekige bewegingen als het +nagelaten spoor des bliksems, tot in de grondvesten des gevels daalde. + +Op een honderdtal stappen des kasteels, achter het roestig ijzeren hek, +dat den ingang afsloot, stond een klein boerenhuisje, met zijnen stal en +met zijnen afgezonderden oven, ongetwijfeld bestemd tot woning voor +eenen hovenier. + +Indien er zulk een arbeider tegenwoordig was, moest hij niet zeer +vlijtig zijn; want de vruchtboomen, die binnen het landgoed stonden, +waren verwilderd, en tot op de voetpaden zelve groeide woekerend gras, +terwijl de bloembedden en zoden door machtige natuurkruiden, als +bereklauw, smeerwortel en klissen, waren ingenomen. + + * * * * * + +Op eenen zomermorgen van het jaar 1855 bevond er zich eene zeer oude +vrouw in de benedenkamer van het hoveniershuis. Zij had de koffie +opgeschonken in eenen zilveren pot, en zette nu op een verlakt +schenkbord eene drinkkom van verguld porselein. De kostbaarheid dezer +voorwerpen kwam in het geheel niet overeen met het overige huisraad der +kamer. Alles was er, zoo niet vuil, ten minste zeer oud en versleten. +Men mocht dus vermoeden, dat de zilveren koffiekan en de porseleinen +drinkkom voor eenen persoon van meerderen rang bestemd waren. + +De oude vrouw, nadat zij een tarwebrood op het schenkbord had gelegd, +ging tot een wijwatervat, dat aan den muur hing, bevochtigde hare +vingeren en maakte het teeken des kruises met eene uitdrukking van +droefheid. Zij trok daarop eenen rozenkrans uit den zak, zette zich op +eenen stoel en zonk weg in het gebed. + +Lang bleef zij dus in stilte de lippen verroeren. Zij had reeds vele +malen de oogen smeekend, ten hemel opgeheven, toen een man met eene +spade op den schouder in de kamer trad en zwijgend en als verschrikt +haar aanschouwde. + +Deze man kon wel zeventig jaar oud zijn, want zijne haren waren +zilverwit, zijn rug gekromd en zijn aangezicht doorploegd met diepe +rimpelen. Ofschoon zijne oogen nog levendig waren, gaf de dikheid zijner +lippen--iets ongewoons in zulken ouderdom--hem een zonderling voorkomen +van eenvoudigheid of van bekrompenheid des geestes. + +"Peternelle, is Nox nog niet gekomen om mij te roepen?" vroeg hij, zijne +spade ten gronde zettende. + +De vrouw schudde ontkennend het hoofd. + +Deze stilzwijgendheid scheen den ouden hovenier niet te behagen, want +hij liet zich grommende op eenen stoel vallen en hief de handen in de +hoogte, als om den hemel zijn droevig lot te klagen. + +En oogenblik daarna zeide hij: + +"Maar Peternelle, bezie de klok, het gewone uur is voorbij. Zou er +mijnheer wel een ongeluk overkomen zijn? O, mijn God, indien wij hem +eens onverwachts dood vonden?" + +"Om Gods wil, laat mij bidden," morde de vrouw. + +"Het is niet meer om uit te staan!" riep de man. "Ik verga van angst en +schrik, en kan nog geen enkel woordje tot troost of versterking bekomen. +Peternelle, Peternelle, gij zult zeker in eenen visch veranderen, als +gij dood zijt. Ik zou kunnen boos worden, in de gedachte dat gij het +doet om mij te plagen, maar neen, neen, gij hebt er geene schuld aan, +mensch lief, het is eene vermaledijding, die op Wildenborg ligt. Sedert +den ijselijken nacht heeft alles hier de stem verloren. Onze vorige koe +bulkte niet meer, en onze nieuwe was nog geene twee maanden hier, of zij +had hare beestentaal geheel vergeten. Onze eenden kwaken niet eens in +vijftien dagen, of het dreige te regenen of niet. Geen vogel op +Wildenborg, die piept of zingt! Ik ben niet doof; ik hoor den vink wel, +die zingt in den appelboom; maar het is een trekvogel. Blijft hij in +deze vermaledijde streek, dan zal hij haast voor altijd zijn liedje +vergeten. Evenals gij, Peternelle, die eertijds den mond geene minuut +kondet gesloten houden, en nu onmeedoogend mij dwingt, altijd zoo +troosteloos alleen met mij zelven te spreken." + +De vrouw haalde de schouders op met eene uitdrukking van ongeduld en +medelijden. + +Den rug tot haar keerende, morde de oude man in zich zelven: + +"Neen, neen, ik blijf niet hier; ik zal den schrikkelijken dag niet +afwachten. Er gebeuren nu reeds zulke akelige dingen op Wildenborg! Wat +zal het zijn, als de zwarte man.... Onze Lieve Heer beware alle +Christenmenschen, en bovenal den armen Jakob Mispels met zijne onnoozele +vrouw!... Mijn rampzalige meester! zoo jong moeten sterven, en welken +dood, o hemel! Dit komt er van, als de mensch meer wil weten dan God +toe laat en boeken leest, die vol verbodene geheimen staan. Het hart +zakt mij in de schoenen en mijn haar rijst te berge, als ik er aan denk. +De donder heeft reeds eens in den schromelijken nacht het kasteel +opengescheurd. Zal het ditmaal niet door den grond zinken met allen, die +het bewonen? Het kost mij veel, op het einde van mijn leven mijnen +dienst te verlaten; maar ik wil niet wachten, totdat de zwarte man ons +hier den nek kome breken. Neen, neen, ik vlucht weg van Wildenborg; want +men kan toch niet...." + +Peternelle eindigde haar gebed met een kruis. Een holle, pijnlijke zucht +welde op uit hare beklemde borst. + +De hovenier, door dezen vreemden klank met plotselijken schrik geslagen, +keerde zich om, hief de handen in de hoogte en riep bevend: + +"God beware ons, Peternelle! De zwarte man staat onzichtbaar in de +kamer!" + +"O, wat gebeurt u, Jacob?" kreet de vrouw verschietend. "Hebt gij iets +gezien?" + +"Ik heb niets gezien," was het antwoord; "maar ik hoorde achter mij +eenen heeschen zucht gelijk de stem van Nox. Hij is dus tegenwoordig in +deze kamer, zonder dat wij het wisten!" + +"Maar ik zelve heb dien zucht gelaten, ik ben een beetje verkouden." + +"Gij zijt het, die hebt gezucht, Peternelle? Wel zeker?" + +"Geheel zeker. Ach Jacob, waarom maakt gij mij dus altijd nutteloos +vervaard?" + +"Uw zwijgen maakt mij vervaard." + +"Waarom zou ik spreken, Jakob? Gij zegt niets dan dwaasheden, die mij +doen verschieten of mij vervelen. En wat kan spreken ons helpen? Bidden, +bidden alleen is het redmiddel, indien er nog een redmiddel bestaat." + +"Ja, en kruisen maken. Hadden wij met eenen gewonen geest te doen, ik +zou hopen, dat wij hem door dit middel zouden kunnen overwinnen; maar, +Peternelle, staat er niet een groot kruis in de kamer, waar hij alle +nachten slaapt? Het is te zeggen, indien hij slaapt. Neen, neen, het +beste is, van Wildenborg te vertrekken, vooraleer de noodlottige dag +verschijne. Indien onze ongelukkige meester moet ... moet sterven, wij, +zwakke schepsels, kunnen het toch niet beletten; en ik gevoel mij niet +den minsten lust om hem naar de andere wereld te vergezellen. Willen wij +heden nog onzen dienst opzeggen, Peternelle?" + +"Foei, welk afschuwelijk voornemen is dit!" sprak de oude vrouw met +verontwaardiging. "Wij, die, om zoo te zeggen, van kindsbeen af het +brood der Reimonds hebben gegeten, wij zouden onzen ongelukkigen meester +gaan verlaten, nu een droeve dood hem bedreigt? Nimmer, Jakob; wat er +ook geschiede, ik verlaat hem niet zoolang hij leeft." + +"Zijt gij dan niet vervaard, Peternelle? Vreest gij niet, dat de zwarte +man ons beiden...." + +"Ik ben vervaard en bedrukt, omdat onze arme meester gaat sterven. Wat +mij zelve betreft, mijne ziel is in vrede met God. Acht dagen zijn +spoedig voorbij." + +"Ja, Peternelle, het is niet, dat iets mij op het geweten drukt, ik ben +Zondag immers te biechten geweest? En ik zal zorg dragen, in den avond +vóór den ijselijken dag nog eens den pastoor te gaan spreken." + +"Welnu, Jakob, wat vreest gij dan voor u zelven?" + +De oude man schudde grimmig het hoofd. + +"Wat ik vrees?" morde hij, "van alles. Zoudt ge niet zeggen, Peternelle, +dat wij hier in volle zekerheid tusschen engelen leven, terwijl +integendeel de lucht op Wildenborg krielt van kwade zielen en booze +geesten?--Trek de schouders niet op, Peternelle. Dezen nacht heb ik +weder druppelen gezweet van angst. Nauwelijks had ik de oogen gesloten, +of er kwam iets, als een ruig beest met gloeiende oogen en knarsende +tanden, mij op de borst liggen...." + +"Gij hebt gisterenavond te veel gegeten," bemerkte de vrouw. + +"Neen, neen; de nachtmare, wilt gij zeggen? Dit was het niet. Ik schoot +wakker, en, hoe ik mij wendde of keerde, ik kon niet meer slapen. Dan +ging ik aan het venster; het was daarbuiten donker als in de hel. Wat ik +tusschen de boomen heb gezien, durf ik u niet zeggen." + +"Wat hebt gij gezien?" vroeg de vrouw. "Alweder dwaze grillen, zeker?" + +"Wat ik heb gezien? Ik weet het zelf niet, Peternelle. Witte, grijze +gedaanten, als dooden, die uit het graf zijn opgestaan: zoo gelijk eene +processie van lijkdoeken met geraamten er onder, en zwarte vogels en +beesten, onduidelijk als morgenmist, maar ijselijk toch om te +aanschouwen." + +Peternelle onthaalde deze woorden met eenen grimlach van medelijden. + +"Ik weet wel een middel om onzen armen meester te redden," zeide de +hovenier na een oogenblik stilte. + +"Een middel om onzen meester te redden?" kreet de vrouw. "Ha, het is uw +goede engel, die het u insprak!" + +"Neen, Peternelle, want ik denk er sedert lang aan, en daarenboven het +is onmogelijk om uit te voeren. Durfde ik slechts een beetje vergif in +het eten van dien vervloekten Nox doen. Dan ware mijnheer van zijnen +verleider en van zijnen helschen bewaker verlost; maar Nox zou het op +voorhand weten, en wat zou ons dan geschieden?--Gij wilt het kasteel +niet verlaten, Peternelle? Gij zijt besloten om hier nog eene gansche +week te blijven en den noodlottigen dag af te wachten? Wij zullen dus +den akeligen dood van onzen meester moeten bijwonen? In Gods naam dan, +indien wij niet eerder van schrik bezwijken.--Het is wonder, dat Nox nog +niet gekomen is om mij te roepen. Een half uur reeds is hij ten +achteren.--Wilde mijnheer mij slechts toelaten eenen waker of twee in +huis te nemen? Ach, hij wil er niet van hooren. Noch ziekendienster noch +dokter mag den voet op Wildenborg zetten; de pastoor alleen komt hier +somwijlen; maar de pastoor, als ik hem van al die schrikkelijke dingen +spreekt, lacht mij uit...." + +"Zwijg, Jakob, daar is Nox!" zeide de vrouw. + +Er kwam een groote zwarte hond in de kamer. Hij moest zeer oud zijn; +want hij had een gedeelte van zijn haar verloren, terwijl het overige in +verwarring rechtstond. Hij hief het hoofd tot den verschrikten man op, +bezag hem met zijne glasachtige oogen en opende den muil, als wilde hij +spreken of bassen; maar het schorre geluid, dat uit zijnen gorgel +opklom, geleek veeleer aan den kuch van eenen verkouden grijsaard dan +aan de stem van een dier. + +Jakob Mispels antwoordde bevend: + +"Het is wel, Nox, zeg mijnheer, dat ik aanstonds ga komen." + +De hond keerde zich om en liep het huis uit. + +"Hebt gij opgemerkt, Peternelle, hoe grimmig Nox mij heeft bezien?" + +"Ja, ik dacht, dat hij u ging bijten." + +"Bijten? Gave God, dat wij anders niets van hem te vreezen hadden. Hij +weet het reeds, dat wij onvriendelijk van hem hebben gesproken!" + +Hem het schenkbord op de armen zettende, zeide de vrouw: + +"Kom, spoed u maar; mijnheer zal misschien reeds spijtig zijn, omdat +zijne koffie schier koud geworden is." + +Jakob Mispels begaf zich door het eenige nog gebaande voetpad naar het +kasteel, stapte door eenen donkeren gang, trad in eene soort van zaal, +zette het schenkbord op eene tafel en zeide: + +"Mijnheer, ziehier uw ontbijt. Wel bekome het u!" + +De persoon, wien hij deze woorden toerichtte, wees tot alle antwoord +naar eenen stoel, waarop de ontstelde hovenier zich liet nederzakken +zonder eenig gerucht te durven maken, dewijl hij wel zag, dat zijn +meester met iets bezig was en niet wilde gestoord worden. + +Mijnheer Reimond, de eigenaar van Wildenborg, zat in eenen leunstoel +voor eene breede tafel, met de rechterhand op een doodshoofd en met den +blik in de holle oogen van den schedel gevestigd, als ware hij er mede +in samenspraak geweest. Hij bleef zwijgend en roerde niet. + +De zonderlinge man kon ongeveer de vijftig jaar bereikt hebben, alhoewel +hij veel ouder scheen. Zoo buitengewoon mager was hij, dat zijn gebeente +op rug en schouders den kamerrok ophief, waarin hij zich gewikkeld had; +ja, zijne mouwen vielen zoo plat op de tafel, dat men er noch vleesch +noch beenderen kon onder vermoeden. Gansch weggesmolten waren zijne +wangen, en hij had volstrekt het voorkomen van een gekleed geraamte. +Maar zijne oogen, hoe diep ook in hunne holen verzonken, waren nog +helder en schitterden, als hadde in elk eene vuurvonk geglinsterd. + +Nox, de hond, zat nevens hem met den muil op zijne knie, en schijnbaar +het oogenblik afspiedend, dat zijn meester uit zijne stille samenspraak +met het doodshoofd zou ontwaken. + +In de zaal, die behangen was met oud en verdonkerd goudleder, was weinig +ander huisraad dan eene breede tafel en twee of drie stoelen. Op +berderen, die in eenen hoek aan den wand waren bevestigd, stonden eenige +groote boeken met perkamenten band; wat hooger bemerkte men eenen +wereldbol, een gestel met glazen schijven, dat gediend had om +_electriciteit_ te verwekken, eene soort van koperen tooverlantaarn of +_fantasmagorie_ en twee of drie geraamten van dieren, alles ontsteld, +uiteengevallen en overdekt met spinnewebben en met eene dikke laag stof. + +Boven den schoorsteen hing een groot crucifix en daaronder stond een +zwaar uurwerk, waarvan de vorm en de beweging iets zonderlings hadden. +Geene naalden of wijzers waren er aan te bemerken; het was de uurplaat +zelve, die draaide; maar daarnevens op het voetstuk zat het beeld des +doods, dat met den vinger den loop des tijds aantoonde. + +Jakob Mispels had zijnen meester in het eerst met diep medelijden +aanschouwd, en hij had zelfs eenen glinsterenden traan van de wangen +gevaagd. Nu evenwel klopte het benauwde hart hem onstuimig in den boezem +en hij begon op zijnen stoel te woelen. Het stilzwijgen zijns meesters +duurde ook zoo tergend lang, en het was den armen man zoo eendig en zoo +akelig in deze zaal, bovenal nu de afgrijselijke hond het hoofd naar hem +hield gericht en zijne gloeiende oogen niet meer van hem wilde afkeeren. + +Een zucht ontsnapte hem, toen hij bemerkte, dat zijn meester de hand van +het doodshoofd ophief en bukte om eenen houten schotel te grijpen, die +onder de tafel stond. + +Mijnheer Reimond sneed een gedeelte van het brood, brokkelde het in den +schotel en zette het den hond voor, die uit dankbaarheid hem de handen +lekte en met een heesch geknor van blijdschap zijn voedsel begon te +verslinden. + +Wonder vrij en krachtig waren de bewegingen van mijnheer Reimond, ten +minste voor zulk uitgemergeld mensch. Bij den glans zijner oogen en de +heldere uitdrukking zijns gelaat, waarop nu een zoete glimlach speelde, +zou men geoordeeld hebben, dat hij, ondanks zijne buitengewone +magerheid, gezond was en hem niets scheelde. Hij brak van het brood een +stukje zoo groot als een duim, doopte het in wat koffie en stak het zich +in den mond. Dan het schenkbord terzijde schuivende, zeide hij: + +"Wanneer de ziel al onzen tijd vordert, blijft er niet veel van over +voor het lichaam.... Jakob, ik heb met u te spreken." + +De oude hovenier, die met eenen versmachten kreet was rechtgesprongen, +riep klagend uit: + +"O, mijnheer, is dit nu eten? Wilt gij u zelven dan van honger laten +sterven?--Ik begrijp het, de schrik ... maar gij kunt het niet weten: +misschien is er nog hoop!" + +"Welke hoop, mijn vriend?" was het stille antwoord. "Dat mijn lichaam +niet ten einde dezer dagen zal sterven? Waarom zou ik hopen? Ik verlang +het niet. Zet u neder en blijf rustig." + +"Alzoo?" kreet Jakob Mispels met tranen in de oogen, "het is wel waar, +het is onherroepelijk? Ik ga mijnen goeden meester verliezen voor +altijd?" + +"Vandaag, binnen acht dagen of later, wat is daaraan gelegen, Jakob? Het +leven is op zich zelf niets; het is een klein gedeelte van ons bestaan, +een enkele stap der ziel in de baan der eeuwigheid." + +"Ja maar, mijnheer, met uw oorlof, men kan dien stap zoowel later als +vroeger doen." + +"Neen, Jakob, het uur, het oogenblik van dien stap staat aangeteekend in +het groote boek der zielen. En indien gij het verlangdet, zou ik u +waarschijnlijk kunnen zeggen, op welken dag gij onfeilbaar zult +sterven." + +"Om Gods wil, mijnheer, doe het niet!" smeekte de verschrikte hovenier, +met de handen opgeheven. "Moest ik het uur mijns doods weten, ik zou van +nu af aan beginnen te sterven, al ware ik zeker van nog twintig jaar te +leven." + +"Wees niet bevreesd, ik zal het u niet zeggen," antwoordde mijnheer +Reimond met eenen glimlach. "Uwen geest ontbreekt het licht en uwer +ziele de sterkte, die er noodig zijn om den dood aan te zien, zooals hij +is. Uwe natuur is nog zeer onvolmaakt, en gij zult nog meer dan eens +moeten herleven, vooraleer de eeuwige rust en het eeuwige geluk te +bereiken." + +"Indien ik maar geen hond of varken moet worden, is het mij al gelijk, +als ik slechts leef," morde de hovenier. "Ja, mijnheer, neem het mij +niet kwalijk; maar mijn dom verstand zegt mij, dat het niets zou zijn te +weten, wanneer men zal sterven, indien men maar wist, waar men naartoe +zal gaan." + +"Inderdaad, Jakob, het ware ten minste eene groote voldoening; maar er +zijn geheimen, welke God zelfs voor de zielen en de geesten houdt +verborgen. Meer dan eens heb ik den geest, die in dit doodshoofd woont, +over mijn toekomstig lot ondervraagd. Hij is altijd stom gebleven en +heeft mij doen verstaan, dat hij het niet weet of niet mag +openbaren...." + +Onverwachts, als voelde hij zich door een venijnig dier gebeten, sprong +de hovenier van zijnen stoel op en deinsde met grooten schrik achteruit. +Hij had Nox verrast, die met den snuit in den zak van zijnen jas +wroetelde, en, niet wetende wat het beest voorhad, riep hij uit: + +"O, mijnheer, help! help! De duivel, ik wil zeggen de hond! O, hemel, +wat wil hij van mij?" + +Maar Nox, op de dreigende stem zijns meesters, ging met hangenden staart +tot hem en legde iets in zijne hand, dat naar een eind verdroogde worst +geleek. + +"Ha, Jakob, Jakob," zeide mijnheer Reimond op treurigen toon, "gij eet +vleesch? Hadt gij mij niet beloofd, al wat leven heeft te sparen, en +slechts in kruiden en in gegroeide dingen uw voedsel te zoeken? Hebben +de dieren geene ziel? Is het lichaam niet dikwijls bij hen, gelijk bij +ons, het stoffelijk omkleedsel van een wezen, dat door lijden en +beproeving tot volmaaktheid wordt voorbereid? En indien bij geval uwe +ziel in den vorm van een zwijn, van een schaap of van welk ander dier +moest verhuizen, zoudt gij het niet beklagen, dat het mes der +beenhouwers uwe baan naar de eeuwigheid kwame onderbreken en +belemmeren?" + +"Ach, mijnheer!" stamelde de onthutste man, "vergeef mij mijne +eenvoudigheid. Wat die weinig aangename verhuizing der zielen betreft, +het is mogelijk, dat het zal zijn zooals uw doodskop,--neen, ik meen, +zooals gij het zegt, maar mijn verstand is te klein om het te begrijpen. +En al begreep ik het, zonder vleesch, of ten minste vet of boter, zou ik +niet kunnen leven. Ik heb het eens beproefd en het acht of tien dagen +volgehouden. Ik herkende mij zelven in den spiegel niet meer, en mijne +arme vrouw deed niets dan tranen storten, in de meening dat ik de tering +had." + +"Nu, het is uwe zaak, Jakob, gij zult er na uwen dood voor boeten, wees +zeker," zeide mijnheer Reimond. "Laat ons van andere dingen spreken, die +niet boven het bereik van uwen zwakken geest zijn. Nader uwen stoel tot +de tafel en zet u daar voor mij. Zooals ik u gezegd heb, Jakob, in den +nacht tusschen den 31sten Augustus en den 1sten September, op +klokslag twaalf, zal mijne ziel haar stoffelijk omkleedsel verlaten: in +andere woorden, ik zal sterven." + +"Is er dan geene de minste hoop meer?" zuchtte de hovenier. + +"Geene. Dit uur is noodlottig, onveranderlijk en onwederroepelijk." + +"Maar, mijn arme meester, indien gij de hulp van den pastoor wildet +afsmeeken, en ze met een Christelijk gemoed aanvaarddet? Hij zou +misschien de ... de kwade geesten verjagen, die u omringen--en daar, uw +zonderlinge dienstknecht, die u geen oogenblik verlaat.... Nox.... Neen, +het is niet dat ik wil zeggen; maar toch, ziet gij, alle honden zijn +geene beesten...." + +Daar hij zag, dat de hond, op het hooren uitspreken van zijnen naam, den +muil had opgeheven en hem met strakken blik aanschouwde, dorst hij niet +voortgaan en keerde zwijgend het gezicht af. + +"Onnoozele, waar dwaalt gij met uwe gepeinzen?" zeide mijnheer Reimond. +"De geesten zijn machtiger dan de menschen en zij laten zich niet +verjagen. Hoe zou onze goede pastoor iets kunnen beletten, dat +onfeilbaar geschieden moet?" + +"Ja, maar indien God het toelaat?" + +"Het is God zelf, die het einde van mijn tegenwoordig leven heeft +bepaald. Hoopt gij dan, dat Hij beslisse tegen Zijnen eigen wil?" + +Deze zonderlinge schijnwaarheid was te hoog voor den loomen geest des +hoveniers. Zij verblufte hem en gaf hem de overtuiging, dat niets zijnen +armen meester van den akeligen dood kon redden. Hij boog het hoofd onder +het gewicht der moedeloosheid. + +"Kom, mijn vriend, wees niet droef," zeide mijnheer Reimond op +troostenden toon. "Ik zal zorg dragen, dat gij geene redenen hebt om +mijnen overgang tot een nieuw leven te betreuren. Daarvan wilde ik u +spreken. Luister en onderbreek mij niet meer door nuttelooze klachten. +Gij hebt mijnen vader en mij met verkleefdheid gediend. Voordat ik de +wereld verlaat, wil ik uwe trouw beloonen, met uwe oude dagen tegen alle +zorg te behoeden. Gij kent de hofstede achter Raveghem. Zij betaalt meer +dan duizend franken aan jaarlijksche pacht. Het vruchtgebruik dezer +hofstede zal ik u tot het einde uwer dagen in mijn testament als erfenis +toekennen. Gij zult dus na mijnen dood met uwe goede Peternelle gerust +kunnen leven, zonder werken en zonder kommer, totdat voor u ook het uur +der opvaart slaat. Zijt gij daarover tevreden, Jakob?" + +De oude hovenier, door deze mildheid diep getroffen, stortte tranen. +Zijne ontroering met geweld bedwingende, snikte hij: + +"Tevreden? Neen, neen, ik ben niet tevreden! Al het goed der wereld, +mijn eigen bloed zou ik geven om uwen bitteren dood te mogen afkoopen. +O, mijn God, zulke goede mensch, zulke edelmoedige meester, en zóó, zóó +de wereld te moeten verlaten! Gij overlaadt mij met weldaden, mijnheer, +ik ben u dankbaar uit den grond mijner arme, ontstelde ziel; maar toch +ik ben niet gelukkig, en waarschijnlijk zal de oude Jakob Mispels u niet +lang overleven." + +Mijnheer Reimond poogde door troostende woorden den bedrukten man gerust +te stellen, en toen hij bemerkte, dat hij daarin grootendeels was +gelukt, hernam hij zijn vorige rede. + +"Jakob, ik heb u nog van andere dingen te spreken. Wanneer de +menschelijke ziel gevoelt, dat een tijdvak zich voor haar gaat sluiten, +dan denkt zij aan het maken harer rekening, en, kan zij het goede dier +rekening vermeerderen of het kwade verminderen, dan haast zij zich het +te doen. Ik heb mijn geweten onderzocht en de rekening van mijn +tegenwoordig leven opgemaakt. Ach, Jakob, ik bevond mij schuldig. Ik ben +niet rechtvaardig geweest jegens iedereen; misschien zijn er menschen, +aan wie ik kwaad heb gedaan." + +"Onmogelijk!" kreet de hovenier. "Gij, mijnheer, die zelfs niet +verdragen kunt, dat men eene vliege verjage, gij zoudt eenen mensch +hebben kwaad gedaan?" + +"Gij begrijpt mij niet," hernam zijn meester. "Het is waar, er staat +geschreven: _doe niet aan anderen wat gij niet wilt, dat u gedaan +worde_, maar dit is slechts een gedeelte der wet, want er staat nog +geschreven: _bemin God bovenal en uwen evennaaste als u zelven_. Men +betracht slechts ten halve zijnen plicht, wanneer men geen kwaad doet, +men moet het goede volbrengen, waartoe de hemel ons de macht verleende. +Al het goede, dat men verzuimt te verrichten, is zooveel kwaad dat men +doet, en het staat aangeteekend op de donkere bladzijde onzer +levensrekening. Om gansch alleen te zijn en de aanraking der menschen te +ontvluchten, heb ik sedert vijftien jaar alle betrekking met de leden +mijner familie op eene volstrekte wijze afgebroken. Meest allen zijn +intusschen gestorven, slechts twee weezen blijven er nog over. +Inderdaad, ik heb door tusschenkomst van vreemde handen voor hunne +opvoeding gezorgd, en nu nog verzeker ik eene kleine rente ten minste +aan den zoon mijns broeders." + +"Arme Willem!" zuchtte de hovenier. "Wat moet hij groot geworden zijn! +Mijn hart snakt, om het kind nog eens te zien, dat ik zoo dikwijls op de +armen heb gedragen." + +"Gij zult hem waarschijnlijk zien," bevestigde zijn meester, "maar +onderbreek mijne rede niet. Den ganschen nacht heb ik hier voor deze +tafel gezeten, denkende aan Willem Reimond, de geest van het doodshoofd, +tot den morgen toe, wilde mij geen antwoord geven, maar eindelijk toch +heeft hij klaar gesproken en den wensch mijner ziel goedgekeurd. Jakob, +ik ben voornemens aan mijnen neef te schrijven." + +"Ha, dank, mijnheer, dan zal ik ten minste iemand hebben om mij te +troosten en te versterken!" + +"Indien hij komen wil." + +"Hij zal komen, seffens, onmiddellijk, twijfel daar niet aan." + +"Hopen wij het, Jakob. Ik ben ook voornemens naar den notaris, te +Antwerpen, eenen brief te sturen voor het kind der zuster mijner vrouw. +Leeft Theresia De Wit nog, dan wilde ik haar nog eens zien, voordat ik +sterve." + +De oude man trok een zuur gezicht en liet een dof gegrol hooren. "De De +Wits," zeide hij, "hebben nooit dan kwaad van u gezegd, mijnheer, zij +hebben u bespot en mij vervolgd. Zij haten ons, gij weet het wel." + +"Voor alle kwaad is vergiffenis," was het antwoord, "daarenboven mijne +nichte Theresia is niet verantwoordelijk voor de schuld harer ouders. +Mijn plicht eischte, dat ik over haar bleve waken, en sedert vele jaren +heb ik haar geheel vergeten. Wat is er van haar geworden? Zij is vrouw +en de wereld vol gevaren. Ik ben onrechtvaardig jegens haar geweest, en, +is het arme schaap verdoold, mijne ziel zal er voor te boeten hebben. Ik +wil het weten." + +"En gij gaat ze op Wildenburg doen komen?" morde de hovenier met eene +soort van verschriktheid. + +"Zeker, zij is mijne erfgename, zoowel als de zoon mijns broeders." + +"Maar, om Gods wil, mijnheer, gij zult toch uwe goederen niet aan Willem +Reimond ontnemen, om ze aan de ondankbare De Wits te geven?" + +"De goederen, die ik bezit, zijn voor de helft herkomstig van mijne +vrouw zaliger, die ik, eilaas, reeds in het eerste huwelijksjaar +verloor. Het goed gaat terug van waar het gekomen is, zoo wil het de +rechtvaardigheid." + +Mijnheer Reimond trok de lade der tafel open en nam er twee gesloten +brieven uit. + +"Gij gaat naar het dorp loopen," zeide hij, "om deze brieven in de post +te leggen." + +Jakob Mispels was opgestaan en aanvaardde de brieven, hij meende er mede +ter zaal uit te gaan; maar de hond rukte ze hem uit de hand en droeg ze +terug naar zijnen meester. + +Eene zonderlinge uitdrukking, een mengsel van schrik en blijdschap, +ontstond op het gelaat van den ouden man. + +"Ha, ha, hij is vervaard van Willem! Goed teeken! Wie weet?" mompelde +hij in zich zelven. + +Mijnheer Reimond ontnam Nox de brieven en gaf ze terug aan Jakob, die ze +zeer diep in zijnen binnenzak verborg en zich haastte de zaal te +verlaten. + +Bij zijne vrouw gekomen, zeide hij zeer snel: + +"Ik moet naar het dorp, seffens. Geef mij mijnen anderen jas. Er komt +volk hier. Wij zullen niet meer alleen zijn. Ik draag brieven om Willem +Reimond op Wildenburg te roepen. Willem Reimond... en Theresia De Wit." + +"Theresia De Wit?" kreet de vrouw met verrassing. + +"Ja, onze vijandin, maar wat belet mij, haren brief onderweg te +verliezen of in den turfput te smijten?" + +"Foei, Jakob, heb zulke gedachten niet. Uwen meester zoo verraderlijk +bedriegen!" + +"Ik zeg het om te lachen, Peternelle. God weet, waar Theresia De Wit +gevaren is. Misschien is hare woonplaats aan den notaris van Antwerpen +ook onbekend; dan komt zij in het geheel niet. Het ware een ongeluk, +indien zij eerder dan Willem Reimond op Wildenborg verscheen. Nox is +vervaard van Willem; hij poogde de brieven te verslinden. Daar zit iets +achter. Misschien is alle hoop nog niet verloren. Vaarwel, vaarwel, ik +loop in éenen adem!" + + + + +II. + + +De oude Peternelle was bij het vuur bezig met de namiddag-koffie op te +schenken, toen haar man in huis trad en met groote vreugde uitriep: + +"Peternelle, hij is daar! Ik heb hem gezien aan 't einde der dreve. Ten +minste als mijne oogen mij niet bedriegen. Kom, kijk gij ook eens; uw +gezicht is beter dan het mijne." + +Zij liepen beiden tot achter het hek. + +"Het is een heer," mompelde de vrouw, "maar of het Willem Reimond is, +dit kan ik van zooverre niet herkennen. De neef van onzen meester was +een kind van tien jaar, toen wij hem voor de laatste maal zagen. Deze +heer heeft geen reispak, zelfs geenen gaanstok. Hij kan dus niet van +zeer verre komen." + +"Maar wie anders zou het zijn? Er komt nooit iemand op Wildenborg." + +"Gij kunt het evenwel niet weten." + +"Welke is de kleur van zijn haar, Peternelle?" + +"Ik meen te zien, dat hij zwart haar heeft." + +"Hij is het! Willem Reimond, twijfel er niet aan. Ach, het ongeduld, het +verlangen doet mij beven. Ik loop hem te gemoet!" + +De persoon, die ten einde der dreve kwam aangestapt, was een jongeling +van ongeveer vijfentwintig jaar, met zwarte, krullende haren en een +open, lachend gelaat. Alhoewel zijne trekken tamelijk sterk waren +afgeteekend, getuigde het geheel zijns aangezichts van goedheid des +harten en misschien tevens van zekere dichterlijkheid der gedachten; +want hij ging met het hoofd gebogen, of bleef staan en plukte eene +bloem, of blikte langs alle kanten rond in het bosch. + +Tot dan had hij peinzend en droomend zijnen weg vervorderd; maar nu +hoorde hij eensklaps het gerucht van naderende stappen, en bemerkte +daarop eenen ouden man, die in allerhaast en met zekere teekens van +ongeduld tot hem geloopen kwam. + +Maar hetzij de hovenier zich in zijne verwachting meende te hebben +bedrogen, en of een gevoel van eerbied hem wederhield, hij bleef op een +twintigtal stappen beteuterd staan. + +De jongeling, over de onbegrijpelijke houding van den grijsaard +verwonderd, aanschouwde hem met meer aandacht. Er ontstond op dit +oogenblik eene plotselijke herinnering in zijnen geest. Hij slaakte +eenen gil van blijde verrassing, sprong met open armen vooruit naar den +ouden man, en zich aan zijnen hals werpende, riep hij uit: + +"Mijn goede Jakob! Gij leeft nog? God zij dank, dat ik u nog terugzie. +Ach, hoe dikwijls dacht ik aan u! Ik durf het u nauwelijks vragen: hoe +is het met uwe vrouw Peternelle?" + +De hovenier, in zijne ontroering verstikkend, kon niet spreken. Hij +greep des jongelings handen, kuste ze herhaalde malen en liet er twee +heete tranen op vallen. + +"Maar, mijn lieve Jakob, wat doet gij?" murmelde deze. + +"Neen, neen, laat mij uwe handen kussen," snikte de ontstelde man. "Ik, +die reeds oud was, toen wij uit Brussel vertrokken, ik herkende u niet +meer; gij, die een kind waart, gij noemt mijnen naam bij den eersten +oogopslag en gij omhelst met vreugde een arm ootmoedig mensch, eenen +knecht, eenen boer! Ha, wat is het zoet, te weten dat er toch iemand ons +op de wereld bemint en aan ons denkt!" + +"En uwe goede Peternelle?" herhaalde de jongeling. "Gij antwoordt niet? +Ik begrijp: zij is in den hemel, niet waar?" + +"Neen, neen; zie, ginder staat zij, achter het hek. Haar hart jaagt van +verlangen. Kom, kom, mijnheer Willem, maak die arme ziel insgelijks +gelukkig!" + +En hem de hand grijpende, trok hij hem in de dreve voort, totdat zij het +hek naderden. + +"Peternelle, o, wees blijde!" riep hij. "Het is Willem. Hij heeft ons +niet vergeten; hij heeft mij seffens herkend. Hoe dikwijls heb ik het u +gezegd: hij heeft de zwarte oogen zijns vaders en het liefderijk hart +zijner moeder." + +Maar reeds hield Willem de oude vrouw in zijne armen gesloten en juichte +met diepgevoelde vreugde: + +"Peternelle, wat geluk, u nog gezond en welvarend te vinden! Door u te +zien alleen word ik teruggetooverd in mijne schoone kinderjaren. Mijn +vader, mijne moeder herleven voor mijne oogen. En hoe gaat het u? Gij +leeft hier tevreden, niet waar?" + +De oude vrouw was verbluft en verwonderd; zij aanschouwde den +goedhartigen jongeling met eenen dankbaren glimlach, stralend tusschen +stille tranen. + +"Kom, kom binnen in ons huisje; gij moet vermoeid zijn van de lange +reis," zeide de hovenier. "Wij mogen hier geen gerucht maken. Vrouw, +lang spoedig de hesp uit den schoorsteen. Mijnheer Willem moet honger +hebben; de heidelucht is scherp. Daar, mijnheer, zet u neder en rust een +beetje." + +"Nu zal ik niet eten, wat lust ik er ook toe hebbe," antwoordde Willem. +"Ik heb haast om mijnen oom te zien." + +"Het is voor alsnu onmogelijk." + +"Hij is misschien niet op het kasteel?" + +"Ja wel." + +"Heb de goedheid, Jakob, hem van mijne komst te verwittigen. Ik twijfel +niet, of hij zal mij onmiddellijk in zijne tegenwoordigheid toelaten." + +"Neen, gij bedriegt u. Het is zonderling en vreemd, maar gij zult, +eilaas, nog veel wonderlijkere dingen op Wildenborg vernemen. Gij moet +weten, Willem, dat uw oom zich alle dagen drie uren des morgens en drie +uren des namiddags opsluit, en dat er gedurende dien tijd niemand het +kasteel mag naderen. Al kwame de koning zelf, het zou er niets aan doen: +de deuren zijn langsbinnen gegrendeld. Nog meer dan twee uren zult gij +moeten wachten, gij hebt dus tijd genoeg om van onze hesp te proeven." + +Deze aankondiging verbaasde den jongeling zeer. Het hoofd schuddende, +trok hij eenen brief uit den zak en zeide: + +"Inderdaad, het moet er wonderlijk toegaan op Wildenborg. Luistert eens, +lieve vrienden, wat mijn oom mij schrijft, en geeft mij, indien gij +kunt, de uitlegging van dit raadsel: _De tijd nadert, dat mijne ziel +haar zichtbaar omkleedsel zal afleggen. Ik verlang u te zien. Is dit +insgelijks uw wensch ten mijnen opsichte, kom op Wildenborg vóór den +nacht van den 31sten dezer._ Deze woorden hebben, mij verschrikt. Het +is, alsof mijn oom mij zijnen aanstaanden dood aankondigde. Hij is dus +zeer ziek?" + +"Neen, hij is niet ziek." + +"Maar, om Gods wil, wat beteekent de brief dan?" + +"Hij beteekent, dat uw arme oom gaat sterven!" antwoordde de hovenier +met eene doffe stem. + +"Sterven? En hij is niet ziek? Wees toch klaar, Jakob, ik begrijp u +niet." + +"Mijnheer Reimond zal sterven op den klokslag twaalf, in den nacht +tuschen den 31sten Augustus en den 1sten September, geene minuut +vroeger of later. Eilaas, wij hebben er tranen genoeg om gestort, en +mijne vrouw heeft reeds maanden lang zonder ophouden gebeden, maar alles +is nutteloos." + +"En hij is niet ziek?" herhaalde Willem. + +"Mager, ja, maar niet zieker dan gij of ik." + +"Kom, Jakob, gij doet mij lijden. Wat gij daar vertelt, is gansch +onbestaanbaar. Zou uwe verbeelding voor niets in deze zonderlinge +gedachte zijn? Zeg mij duidelijk wat er van is, of ten minste wat gij +gelooft." + +De hovenier scheen niet genegen om op dit oogenblik de gevraagde +uitleggingen te geven. Ziende, dat zijne vrouw naar achteren ging, om +eene kan versch water te halen, zeide hij: + +"Vraag mij niets daarover in tegenwoordigheid mijner vrouw. Zij zou te +dikwijls in mijne rede vallen en ons storen. Eet nu eerst een beetje van +de hesp, dan zullen wij een wandelingetje door den hof doen, en ik zal u +allengs en met voorzichtigheid de schromelijke geheimen van Wildenborg +openbaren, om uw hart voor eenen te plotselijken schok te behoeden." + +Willem vroeg niets meer en nuttigde zwijgend de hesp en het brood, door +Peternelle hem voorgezet. Dan stond hij op en zeide: + +"Ik dank u, vrienden, de hesp is goed, en ik had zulken eetlust, dat het +mij heeft gesmaakt, als ware mijn geest niet in droeve gepeinzen +verslonden. Kom nu, Jakob, toon mij den hof van het kasteel." + +Zij gingen beiden buiten, de hovenier scheen zijne stappen naar een +looverhuisje te richten. + +"Welnu, Jakob," zeide de jongeling, "ik brand van verlangen om uwe +openbaringen te hooren en overtuigd te worden, dat gij u over het lot +van mijnen oom bedriegt." + +"Ik ben bereid om u te zeggen, wat ik weet," antwoordde de grijsaard, +"maar laat mij u eerst van iets verwittigen. Ik wensch uit den grond des +harten, en Peternelle insgelijks, Willem, dat uw oom u vriendelijk +ontvange en genegenheid voor u gevoele. Daartoe is het noodig, dat gij +niets doet, dat hem kunne mishagen of bedroeven. Spreek in zijne +tegenwoordigheid niet van de hesp, laat hem niet verdenken, dat gij hier +zwijnenvleesch hebt gevonden, en bovenal niet, dat gij er hebt van +gegeten." + +"Hoe? Nog al wonderlijker!" mompelde de verbaasde jongeling. "Is mijn +oom een Jood geworden?" + +"Neen, maar hij wil niet, dat er een dier gedood worde. Ik mag zelfs de +rupsen van de boomen niet doen. Kom, kom, gij zult nog al meer het hoofd +schudden." + +"Maar gij vervult mij met angst. Welk schrikkelijk gepeins! Zou mijn +arme oom ziek zijn in de hersens?" + +"Ho, denk dit niet!" riep de oude man. "Uw oom heeft te veel verstand en +is te geleerd, dit is juist zijn ongeluk. Ik heb den pastoor in de kerk +eens hooren preeken, dat men, om gelukkig te leven, arm van geest moet +zijn. Vroeger heb ik daarop langen tijd liggen dubben, maar nu begrijp +ik het ten volle." + +Zij traden in een prieel van ijpenloof, waar, rondom eene vermolmde +tafel, nog twee ruwe banken stonden. + +"Nu, mijn lieve Jakob, poog duidelijk te zijn, en heb de goedheid mij te +antwoorden," zeide de jongeling, zich nederzettende. "Mijn oom is niet +ziek, en gij beweert nogtans, dat hij juist in den nacht van den +31sten dezer maand zal sterven? Heeft hij zelf u dit aangekondigd?" + +"Wel honderdmaal sedert vier maanden." + +"En waarop grondt mijn oom die onbegrijpelijke meening? Wie heeft hem +gezegd, dat zijn dood zoo nabij is?" + +"Een geest." + +Ondanks de treurige stemming zijns gemoeds, schoot Willem in eenen lach. + +"Een geest?" schertste hij. "Bah! er zijn geene geesten, ten minste niet +zooals gij het meent." + +"Ja, gij komt van de stad," zuchtte de grijsaard spijtig. "Daar gelooft +men niets, en men verleidt er goede menschen als gij, Willem, om aan +alles te twijfelen. Het is uwe schuld niet, kind. Hoe, er zijn geene +geesten? De lucht krielt er van, en terwijl wij hier zitten te kouten, +zijn er wel honderd misschien in dit prieel, die ons zien en hooren." + +De jongeling beschouwde den hovenier met eene zonderlinge uitdrukking +van medelijden. + +Jakob, door zijnen schertsenden blik gekwetst, rechtte het hoofd en +sprak: + +"Wat, er zijn geene geesten? Hoeft mijne grootmoeder niet maanden lang +den geest harer zuster voor haar bed zien verschijnen, totdat zij ter +harer gedachtenis eene beloofde bedevaart had gedaan? Heeft te Lommel de +geest van den gierigen pachter Adriaans niet gespookt en rondgedwaald, +totdat zijn verborgen geld door zijne kinderen was ontgraven?" + +"Dit zijn altemaal inbeeldsels, Jakob." + +"Gij lacht en gelooft mij niet, Willem? Welnu, luister wat mijn vader +zaliger met zijne eigene oogen heeft gezien. Er was te Desschel een oude +pachter, die zich had ontkleed, voordat hij slapen ging, gelijk het +spreekwoord luidt. Dit is te zeggen, dat hij zijne pachthoeve en zijn +goed aan zijnen zoon had afgestaan, mits vrijen woon en kost tot zijnen +dood. Maar de oude man leefde te lang voor den ondankbaren zoon, en men +spaarde op zijn voedsel en men behandelde hem zoo slecht, dat hij +eindelijk van verdriet stierf. In plaats van den doode een goed hemd aan +te doen, zooals het behoort, lijkte men hem met een oud, versleten hemd +vol gaten. Welnu, wat is er geschied? De misdadige zoon, die zich zelven +niets liet ontbreken, kwam in den nacht half bedronken van de kermis. +Zijn weg leidde hem over het kerkhof. Daar stond de geest zijns vaders, +die hem wachtte en hem het versleten hemd over het hoofd wierp. Dit hemd +brandde hem als het vuur der hel, hij schreeuwde om hulp en wilde van +het kerkhof vluchten, maar vooraleer hij den gewijden grond had +verlaten, viel hij steendood op het gras. Men heeft des anderen daags +zijn lijk daar vinden liggen, en mijn vader heeft het helpen wegdragen. +Het was geheel zwart. Wat zegt gij daarvan?" + +"Ik zeg, dat de man waarschijnlijk aan het overmatig gebruik van sterken +drank is bezweken. Niemand was tegenwoordig, toen hij stierf. Hoe weet +men dan, wat er met hem en met eenen geest zou geschied zijn? Gij +begrijpt, Jakob, dat dit een vertelsel is, dat men naderhand heeft +uitgevonden." + +"Zijt ge nog niet overtuigd?" mompelde de hovenier verwonderd "Ik zal u +wel honderd geschiedenissen van geesten vertellen, de eene veel meer +waar nog dan de andere. Bij voorbeeld, daar was Mie Katrien, de vrouw +van den wagenmaker...." + +Willem vreesde nog vele zulke geschiedenissen te moeten aanhooren, hij +had overwogen, dat, indien hij den eenvoudigen man in zijn geloof aan +spoken en geesten bleef wederstreven, er geen eind aan komen zou, en hij +dus van hetgeen hij wilde weten niets kon vernemen. + +Hij onderbrak zijne rede en zeide: + +"Hoor, Jakob, ik beweer niet, dat er volstrekt geene geesten zijn." + +"Ha, ha, ik wist wel, dat ik u zou overtuigen!" juichte de grijsaard. +"Gij stamt af van Christelijke ouders, Willem." + +"Maar, Jakob lief, men kan een goed Christen zijn zonder aan al die +vertellingen van spoken en geesten te gelooven. Integendeel, +bijgeloovigheid is eene groote zonde. Dan, genoeg daarover. Gij vergeet, +mijn vriend, wat gij beloofd hadt mij te verklaren. Mijn oom is niet +ziek, en toch zou hij binnen vier dagen sterven? Dit schijnt mij ook een +vertelsel, want hoe zou het kunnen geschieden? Mijn oom, die, ik twijfel +er niet aan, een verstandig man is, zal toch zich zelven niet gaan +dooden? Wat hebt gij dan, Jakob? Het is, alsof gij verbleektet en +benauwd waart?" + +"God beware alle menschen voor zulken ijselijken dood!" zuchtte de +hovenier. + +"Maar welken dood, om 's hemels wil? Gij maakt mij dwaas en dom, Jakob!" +riep de jongeling met spijtig ongeduld. + +Er heerschte eene wijl stilte, gedurende welke Jakob Mispels zijnen moed +scheen samen te rapen. Dan mompelde hij met teruggehoudene stem: + +"O, Willem, gij zult ook wel verbleeken en beven, kind. Ik heb u dit +niet seffens willen zeggen, om u niet plotselijk te ontstellen. Mijn +arme meester maakt mij wijs, dat hij door eenen geest het uur zijns +doods heeft vernomen, maar het is niet waar. Ik weet het beter. Het is +zoo schrikkelijk! Op het oogenblik dat ik u die droeve veropenbaring +wil doen, klopt het hart mij in den boezem als een hamer. Willem, gij +gaat vernemen waarom uw oom, zoo jong nog en in volle gezondheid, moet +sterven! Houd u moedig en bedwing uwe smart: er is toch niets aan te +doen." + +Hij boog het hoofd naar den jongeling en mompelde met sombere stem aan +zijn oor: + +"Uw oom, uw oom heeft zijne ziel aan den duivel verkocht, en zijn tijd +is om!" + +"Ha, ha, mijn goede Jakob, hebt gij ze nog wel alle vijf?" riep Willem +lachend uit. "Waar zijn toch uwe zinnen? Dat de duivel den mensch tot +kwaad verleidt, daaraan twijfel ik niet, maar dat hij zielen zou koopen? +Kom, kom, gij houdt mij voor den zot." + +"Gij gelooft het alweder niet?" riep de oude man met zekere spijtigheid. +"Kent gij de geschiedenis niet van _Doctor Faussius_ en zijnen duivel +_Mistoffel_?" + +"Faust, Mephistopheles, wilt gij zeggen? Een vertelsel uit den ouden +tijd." + +"Uit den ouden tijd? Wilt gij iets weten, dat nog zoolang niet is +geschied? Mijn grootvader heeft de lieden gekend. Een uur van hier ligt +het gehucht Boterhoek; daar woonde een pachter, die veel tegenspoed had +gehad. Er kwam een jaar, dat zijn oogst goed gelukte, en zijn koren +stond reeds afgepikt op het veld, toen de bliksem zijne schuur in brand +stak en ze tot den grond vernielde.... Neen, Willem, wees niet +ongeduldig, laat mij spreken. Ik heb het noodig; het doet mij zoo goed! +Sedert tien jaar moest ik van den morgen tot den avond zwijgen. Wij +hebben tijds genoeg, nog ten minste een uur en een half, eer uw oom +spreekbaar worde." + +"Het zij zoo!" zuchtte de jongeling ontmoedigd, "ik zal pogen aandacht +op uwe woorden te geven." + +"Welnu, de ongelukkige pachter moest evenwel eene schuur hebben om +zijnen oogst te bergen, en de puinen rookten nog, en de vier naakte +muren stonden te waggelen in den wind. De hopelooze man wandelde des +avonds op zijn veld, met het treurig oog op de korenschoven. Daar zag +hij eensklaps eenen heer naderen met eenen zwarten mantel. En deze, na +hem de reden zijner bedruktheid te hebben gevraagd, zeide hem, dat hij +hem eene gansch nieuwe schuur zou bouwen vooraleer de haan zou kraaien, +op voorwaarde dat hij zijnen naam op een papier zou zetten, dat de +zwarte heer hem aanbood. Het accoord werd gesloten. Maar de man, die +rouwkoop had over zijne goddelooze daad, vertelde aan zijne vrouw wat +hem was wedervaren. Beiden begonnon te weenen en te bidden. Zij zagen in +den nacht kareel steenen uit den grond komen en op elkander gaan +liggen, alsof zij door menschenhanden werden gemetseld; maar de +arbeiders, die natuurlijk duivels waren, konden zij niet zien. Het dak +lag reeds op de nieuwe schuur; slechts een eind muur in het bovenste van +den gevel ontbrak er nog. In haar vurig gebed kreeg de vrouw eene +reddende gedachte; zij vatte de lamp en liep naar het kiekenhok. Als de +haan die plotselijke klaarte zag, meende hij, dat het dag werd, en +kraaide. Daarop kwam er een schok, alsof de aarde beefde; er vloog een +schrikkelijk gehuil door de lucht, en voor de voeten der vrouw viel het +geschrift, waarop haar man had geteekend. De duivel was overwonnen, +omdat hij de schuur niet volbouwd had voordat de haan kraaide, zooals +het accoord luidde; en de pachter was aan de hel ontsnapt. En tot teeken +der waarheid, Willem, ga naar Boterhoek; gij zult er in den gevel der +schuur nog een gat zien, dat niet met menschenhanden te stoppen is. +Gelooft gij deze geschiedenis niet?" + +"Indien gij mij vermaak wilt doen, spreek mij dan om Gods wil van mijnen +oom!" antwoordde de jongeling, zichtbaar ontevreden. "Op zulke wijze zou +ik op 't einde der week niets meer weten dan nu. Hoe zijt gij toch, of +hoe is hij tot zulke onbegrijpelijke dwaalgedachte geraakt?" + +"Ha, dit is eene nog veel langere geschiedenis." + +"Het is mij gelijk; indien gij slechts van mijnen oom spreekt, zal ik u +met voldoening aanhooren." + +"Inderdaad, gij weet niet veel van uwen oom; gij waart nog te jong. +Welnu, onderbreek mijne rede niet door ongeloovige bemerkingen: het zal +te sneller gaan. Ziet gij, Willem, ik was reeds hovenier op Wildenborg, +toen mijnheer Reimond werd geboren, ik heb hem op mijne armen gedragen +en, om zoo te zeggen, hem leeren loopen en leeren spreken. Ik weet niet +om welke reden zijn vader in 1820 het buitenleven moede werd. Wat er van +zij, wij verlieten Wildenborg en gingen altezamen naar Brussel wonen. De +kleine Karel, uw oom, was een goed en godvruchtig kind, en leerzaam, het +is niet om te zeggen. Voordat hij veertien jaar was, kende hij reeds +Fransch en Latijn en Engelsch ook al, geloof ik. Maar die groote +geleerdheid heeft hem van het goede spoor geleid, en hem aangedreven om +boeken te lezen, die een Christenmensch nimmer zou mogen openslaan. Hij +was toen ook bezig met een _machien_ om bliksem te maken, hij noemde dit +eene _ektristeit_, en hij had eene tooverkas; eene _fasmogrie_, om in +den donker spoken te doen komen." + +"De _electriciteit_, de _phantasmagorie_ wilt gij zeggen?" + +"Ja, juist zoo. Kent gij die leelijke dingen ook, Willem?.... Welnu, +Karel, die alsdan wel twintig jaar geworden was, studeerde nacht en dag. +Waarop? Dit scheen niemand te weten, maar, onder ons gezegd, de arme +jongen wilde leeren tooveren! Na eenige jaren kreeg hij eene groote +neiging voor eene juffrouw uit onze buurt; hij scheen zijne groote +boeken en zijne _fasmogrie_ te vergeten, en trouwde. Ongelukkiglijk +stierf zijne vrouw, voordat het eerste jaar huns huwelijks ten einde +was. Mijnheer Karel was ontroostbaar en wanhopig; hij liep maanden lang +met het hoofd in den grond, en, eilaas, de wanhoop bracht hem allengs +terug naar zijne boeken en zijne beklaaglijke studiën. Hij verloor zijne +goede ouders in weinige jaren. Dit deed hem nog meer in droeve gedachten +verdwalen en gaf hem eene wonderlijke neiging om alleen te zijn en +zwijgend te blijven. Het duurde zoo, totdat hij ergens eenen vriend +vond, die ook met _Nekkermancie_[1] omging. Wat er dan in ons huis +gebeurde, weet ik niet goed uit te leggen, alhoewel ik er des nachts +niet kon van slapen. Er kwamen heeren en dames; die gingen, zoo stom als +spoken, op stoelen rondom eene vrouw zitten; een der heeren, somwijlen +mijn meester zelf, begon met de handen voor de oogen der vrouw te +wemelen, zoolang totdat het hoofd haar op de borst zakte en zij in slaap +viel. Dan kon die vrouw, al slapende, door muren en huizen zien, +toekomende dingen voorspellen en zeggen wat er in Amerika of in Afrika +geschiedde.... maar, wees zeker, Willem, het was de duivel, die sprak. +Zij noemden dit goddeloos vermaak _mangenetism_ en de vrouw een +_sujekt_. Ondanks mijnen afschrik, heeft mijn meester mij eens gedwongen +voor hem te zitten, en mij in slaap getooverd. Het schijnt, dat de +zwarte man door mijnen mond niet wilde spreken of dat mijn goede engel +hem belette in mij te komen. Maar wat zeker is, men moest mij een half +uur lang slaan en sleuren en mij koud water in het aangezicht smijten, +zoo vast was ik ingeslapen. Toen ik eindelijk wakker werd, noemde mijn +meester mij een slecht sujekt; maar dit is...." + +"Jakob, gij loopt weder van de baan; ik bid u, spreek van mijnen oom!" +onderbrak de jongeling. + +"Ha, ja, gij hebt gelijk. Spreken is toch een groot vermaak, niet waar, +Willem? Welnu, om het kort te maken, mijn meester hield zich nog met +andere dingen bezig. Bij voorbeeld hij had eenen doodskop, geenen houten +of steenen kop, eenen waarachtigen kop van een mensch, die op het +kerkhof had gelegen! Daar waren van boven blauwe, roode en gele strepen +op geschilderd; en daarmede, als zij u de handen op het hoofd legden, +konden zij zeggen of gij eerlijk man of dief, oprecht of leugenaar, +moordenaar, gierigaard, goed Christen of ketter waart, al hadden zij u +nooit te voren gekend of gezien. Op mijnen kop vonden zij de builen van +de spreekzucht en van den lust tot goed eten. Indien de duivel daar ook +al tusschen was, moet ik bekennen, dat hij ditmaal de waarheid had +gezegd; want wat zou toch een eenvoudig man als ik van het leven hebben, +als hij niet...." + +"Van mijnen oom, ik smeek u!" zuchtte de jongeling, met de voeten in het +zand woelende. + +"Gij hebt gelijk, mij tegen te houden, Willem," zeide de hovenier. "Die +kunst noemen zij de _Fernolgie_[2]. Later bedreven zij nogal leelijker +dingen. Zij deden hoeden en tafels van zelf draaien en op één of twee +pooten rechtstaan; zij deden er eenen geest inkomen en dwongen den +zwarten man door geheimzinnig kloppen te laten hooren, dat hij +tegenwoordig was. Ik was alsdan veel jonger, anders hadde ik het niet +kunnen uitstaan. Het is niet, dat ik niet dikwijls in mijn bed heb +liggen zweeten van angst, en menigen nacht met bidden heb doorgebracht; +maar ik ben nog al taai van...." + +"Van mijnen oom! van mijnen oom!" + +"Juist. Ondanks al die andere kunsten bleef mijn meester toch +voornamelijk zich bezighouden met de slaaptooverij, dit is te zeggen met +het _mangenetism_. In de laatste jaren onzes verblijfs te Brussel genas +hij door deze kunst de ongeneeslijkste zieken. Hij had een _sujekt_, dat +wil zeggen eene dame, die, volgens het schijnt, al slapende in het +lichaam der menschen kon zien, en daarenboven de geneesmiddelen +voorschreef, die hen onfeilbaar van hunne kwalen moesten verlossen. +Onbegrijpelijk, Willem, welke wondere dingen zij deden. Zij hebben op +eenige minuten menschen gered, die al tien jaar van alle dokters waren +verlaten; zij hebben eens een mensch ziende gemaakt, die geene oogen +meer had. Zij hebben eens eenen heer, die opgezwollen was van de +waterzucht, in een half uur tijds zoo dun en zoo mager gemaakt, dat hij +om genade smeekte. De wijsneuzen--en in Brussel zijn er niet +weinig--beweerden, dat mijn meester zot genoeg was, om in een +krankzinnigenhuis te worden opgesloten; andere slimmeriken zeiden, dat +hij zich door de weduwe, die zijn sujekt was, liet bedriegen; maar zij +wisten niet gelijk ik, dat mijn meester met den boozen geest omging, en, +eilaas, bezig was met zijne ziel te verliezen!" + +"Ontving hij geld voor deze genezingen?" vroeg de jongeling in +gepeinzen. + +"Neen," was het antwoord, "hij had geen geld noodig. Wel heb ik gezien, +dat de vrouw aanvaardde wat de lieden uit dankbaarheid haar gaven; maar +uw oom heeft daar integendeel veel geld aan verkwist. Zijn sujekt was +eene dame, die tot verval was geraakt, en hij heeft haar van tijd tot +tijd nog al fraaie sommen geleend." + +"Ha, ha, ik begin te begrijpen!" mompelde Willem. + +"Gij begint te begrijpen? Wat? Dat de duivel er mede bemoeid was." + +"Niets, niets, Jakob; ga voort, ik verzoek u." + +"Welnu, dan is er iets gebeurd, dat eenen beklaaglijken invloed op ons +aller leven moest hebben. Er was een voornaam burger, die dikwijls ten +onzen huize kwam en de verkleefde vriend was van mijnen meester en van +zijn sujekt. Die heer kon zelf niet tooveren; maar hij was vol +bewondering voor de macht van het.... van het _mangenetism_. Met een +sneeuwachtig dooiweder betrapte hij eensklaps eene verkoudheid der +ingewanden, en natuurlijk, zijne eerste toevlucht was tot mijnen +meester... Het sujekt valt in slaap en zegt wat hij moet nemen, om van +zijne ziekte te worden verlost. Hij volgt haren raad en neemt het +geneesmiddel, in tegenwoordigheid zijner vrouw en kinderen; maar hij +wordt door eenen geheimen slag getroffen, valt spartelend op den grond +en sterft zonder biecht! Ik zou zeggen: God zij zijne arme ziel genadig; +maar hoe kan het gebed iemand helpen, die van den duivel is +weggehaald?... De gendarmes zijn gekomen en hebben mijnen meester en +zijn sujekt naar de gevangenis gebracht. Uw oom werd evenwel na acht +dagen in vrijheid gelaten; maar hij zou toch voor het tribunaal komen, +als beschuldigd van medeplichtigheid aan eenen onvrijwilligen moord. Het +sujekt werd veroordeeld tot achttien maanden gevangenis, zoo gezegd voor +onvrijwillige vergiftiging; mijn meester werd vrijgesproken, omdat zijn +advocaat poogde te bewijzen, dat hij zwak van hersens was en zich, in +zijne eenvoudigheid, door het sujekt had laten bedriegen: in één woord, +hij ontsnapte, omdat men hem voor halfzinneloos had doen doorgaan. Of +zijne meening was, in Brussel te blijven wonen, dat weet ik niet. Het +ware hem in alle geval onmogelijk geweest, want waar hij zich nu +vertoonde, wees men hem met den vinger of lachte men luid. Het woord +"zot" stond, duidelijk voor hem, in elks oogen te lezen. Hij kreeg dan +eenen onbegrijpelijken haat tegen de menschen en bleef wel twee maanden +opgesloten, zonder iemand te willen zien. Eensklaps nam hij het besluit, +verre van de wereld te gaan leven...." + +"Wat hoor ik? Er is een mensch, die ons afluistert!" onderbrak Willem. +"Mij dunkt, er heeft iemand gekucht?" + +Hij bemerkte eensklaps den hond, die met open muil en gloeiende oogen +voor het prieel stond en scheen te willen spreken. + +"Hemel, wat is dit voor een beest?" vroeg hij verrast. + +"Ik kom, ik kom, Nox," antwoordde de hovenier, het teeken des kruises +makende, zoohaast hij den hond zag wegloopen. + +"Indien er een duivel op Wildenborg is, dan is het zeker die zonderlinge +hond," mompelde de jongeling glimlachende. + +"Het is zoo, gij hebt het geraden," bevestigde de oude man. + +"Hoe? gij gelooft, Jakob?" + +"Het is de dienaar van uwen oom, zijn _Mistoffel_, de duivel zelf. Ik +mag mijnheer niet laten wachten. Straks zal ik u de wonderlijke +geschiedenis van dien helschen hond vertellen. Blijf hier nog eenige +oogenblikken zitten, ik zal u komen halen." + +Willem sloeg het gezicht ten gronde en zonk weg in eene diepe +overweging. Welhaast echter hief hij het hoofd weder op en murmelde +treurmoedig: + +"Hij is zot, stapelzot, de oude Jakob. Eilaas, zou mijn arme oom +insgelijks in de hersens geraakt zijn? Wildenborg ware dus iets als een +zinneloozenhuis? Onmogelijk, de herinneringen mijner kinderjaren zeggen +mij, dat hij een zeer geleerd man was. Mijne moeder bewonderde zijn diep +verstand en zijne hooge wetenschap... maar de wetenschap waarborgt niet +tegen de ontschikking der hersens.... En hij gaat sterven binnen weinge +dagen? Daarin bestaat waarschijnlijk zijne krankzinnigheid? Arme oom! +Voor de eerste maal dat ik na vijftien jaar hem mag terugzien, zou ik +zijnen dood moeten bijwonen of hem krankzinnig vinden! Hoe wisselvallig, +hoe onbegrijpelijk is toch het lot en het leven van een mensch!" + +Hij werd in zijne overwegingen onderbroken door de komst van den +hovenier, en meende op te staan om hem te volgen; maar Jakob deed hem +teeken dat hij zou blijven zitten, en zeide: + +"Uw oom wacht u; maar luister nog een oogenblik. Gij weet, Willem, dat +ik u op de armen heb gedragen, en dat ik evenveel genegenheid voor u +heb, alsof gij mijn eigen kind waart. Gij zult dus den raad van uwen +ouden vriend met vertrouwen aanhooren. Uw oom is de beste mensch der +wereld: hij zou geene spin kwaad doen, maar, evenals alle hooggeleerde +lieden, is hij zeer stijfhoofdig, en tegenwerpingen kan hij niet +verdragen. Hij zal u spreken van zielen en van geesten. Of gij er een +woord van zult begrijpen, dat weet ik niet, maar gij moet u houden, +alsof gij aan die vreemde dingen geloofdet. Indien gij met hem doet +gelijk met mij, zal bij droef en grimmig worden, hij zal u vaarwel +zeggen, en gij zult hem niet meer te zien krijgen, al verroerdet gij +hemel en aarde. Gij moet pogen zijne vriendschap te winnen.... +Schokschouder niet: het geluk van uw leven is op het spel, mijn lieve +Willem. Uw oom is zeer rijk, en hij zou u kunnen onterven ten voordeele +van iemand, die misschien met arglist zijne goede gunst zou winnen. Gij +weet, dat gij eene nicht hebt?" + +"Ik heb er vele waarschijnlijk; maar ik ken ze niet." + +"Ik spreek slechts van eene enkele, van Theresia De Wit, de dochter der +zuster van mevrouw Reimond zaliger." + +"Ik heb ze nooit gezien, Jakob." + +"Zij insgelijks is erfgenaam van mijnheer. Zij zal hier komen voor +zijnen dood, indien de notaris van Antwerpen intijds genoeg kan +ontdekken wat er van haar is geworden. Deze De Wits zijn booze lieden, +Willem, en, kunnen zij omtrent uwen oom geraken, dan zullen zij alles +doen wat mogelijk is, om hem te bedriegen en u uw erfdeel te +ontfutselen. Wees diensvolgens op uwe hoede, mijn vriend. Waarom zoudt +gij uit gebrek aan toegevendheid uwen armen oom gaan bedroeven en hem u +vijandig maken?" + +"Gij hebt misschien gelijk, Jakob," murmelde de jongeling in gepeinzen. + +"Alzoo, gij zult mijnen goeden raad volgen?" + +"Ik zal het ten minste pogen te doen." + +"Heb dank, ga nu tot uwen oom. Gij ziet daar die deur? Treed er in, op +'t einde van den gang is eene zaal, waar uw oom u wacht. Klop noch roep: +men mag op Wildenborg geen gerucht maken. Ik volg u niet. Heb moed en +wees inschikkelijk. Vaarwel, tot straks!" + + + + +III. + + +Toen Willem den gang des kasteels bereikte, kwam de hond hem tegemoet en +berook hem van alle kanten. Dit onderzoek moest op het dier eenen +gunstigen indruk doen, want het liep kwispelstaartend voor den +jongeling, die, verwonderd over de onverwachte vriendschap van Nox, hem +de hand streelend op den rug legde. + +In de zaal stappende, zag hij zijnen oom bij de tafel zitten, met de +hand op een doodshoofd. Het gezicht zijner onbegrijpelijke magerheid en +bovenal zijn voorkomen als van een geest of van een geraamte deden hem +huiveren, en hij bleef te midden der zaal staan, stilzwijgend groetende +en niet wetende wat te doen of hoe zich te gedragen jegens den +zonderlingen man, die nu zijne glinsterende oogen op hem hield gericht +en hem van 't hoofd tot de voeten nauwkeurig bekeek en onderzocht. + +Nox sprong verheugd rondom Willem en liet een zacht geknor hooren. + +"Mijn hond bemint u, het is een goed teeken," zeide mijnheer Reimond. +"Kom nader, mijn vriend, en geef mij de hand." + +De jongeling ging tot zijnen oom, drukte hem de hand en zeide: + +"God zij gezegend, dat Hij mij toelaat mijnen edelmoedigen weldoener, +den beschermer mijner ouders en mijner kindsheid, eens te zien! O, lieve +oom, geloof mij, geen oogenblik van mijn leven is er voorbijgegaan, +zonder dat mijn dankbaar hart uwer goedheid indachtig was. Eilaas, de +hemel heeft mijne gebeden niet verhoord: gij zijt ziek." + +"Laat ons daarover nu niet spreken," viel mijnheer Reimond in. "Zet u +daar neder, op dien stoel voor mij. De dankbaarhoid is eene schoone +bloem der ziel, maar dit gevoel mag niet overdreven zijn. Wat ik voor +uwe ouders en voor u heb gedaan, is de moeite niet waard, dat men er van +spreke." + +"Neen, zeg dit niet, oom lief," ging de jongeling met ontroering voort. +"Wat zou ik, arme weeze, zonder uwe milde hulp in de wereld geweest +zijn? Wie hadde er voor mijne opvoeding gezorgd? En geniet ik tot op den +dag van heden uwe weldaden niet?" + +"Het is zoo, mijn vriend, spreken wij van wat anders. Nadat gij uwe +studiën op het athenaeum hadt voleindigd, zijt gij op het kantoor van +eenen notaris gaan schrijven, sedert hebt gij uwen patroon verlaten, en +zijt bij Mechelen op een dorp gaan wonen? Uw eerste meester was dus niet +tevreden over u?" + +"Ja wel, heer oom, hij was zeer tevreden, maar ik overwoog, dat ik +zonder bescherming bij het staatsbestuur nooit eene plaats van notaris +in eene groote stad kon verhopen. Een dorpsnotaris, die een vriend van +mijnen meester was, bood mij de plaats van klerk aan, met het uitzicht +om eens zijn opvolger te kunnen worden, aangezien hij geene +bloedverwanten had, aan wie hij zijne bediening kon nalaten. Ik heb met +blijdschap aanvaard, des te meer, daar ik op een eenzaam dorp beter +mijne studiën kon voortzetten." + +"Alzoo, gij studeert nog?" + +"Het is te zeggen, al mijne beschikbare uren geef ik aan het lezen van +nuttige boeken. Het is eene noodzakelijkheid mijner natuur geworden, +mijnen geest meer en meer te ontwikkelen, en het zal u wonder schijnen, +heer oom, maar gij zijt de oorzaak van mijnen weetlust, en om uwentwil +alleen poog ik door zelfonderwijs immer meer en meer geleerdheid te +verkrijgen." + +"Ik begrijp niet," murmelde mijnheer Reimond. + +"Het kan u eene vleierij schijnen, heer oom, waarom evenwel zou ik de +waarheid verzwijgen? Mijne moeder zaliger sprak mij altijd met zooveel +bewondering over uw hoog verstand en uwe diepe geleerdheid, dat die +indruk mijner kindsheid mij is bijgebleven en ik, door eene geheime +drijfveer bewogen, vermeende, met mijnen geest te oefenen, iets te doen +dat u aangenaam kon zijn." + +Een glimlach van innige tevredenheid verlichtte het gelaat van mijnheer +Reimond, die eerst den jongeling met welgevallen aanzag, en dan zwijgend +den blik in de oogen van het doodshoofd vestigde, als wilde hij het over +iets raadplegen. + +Willem zeide in zich zelven, dat, indien zijn oom werkelijk over zekere +dingen vreemde gedachten kon hebben, hij evenwel in het geheel niet ziek +in de hersens scheen te zijn. Deze overweging verheugde hem, want hem +lag inderdaad een innig gevoel van dankbaarheid in het hart, en hij had +ondanks de vijftienjarige scheiding, zijnen weldoener oprecht blijven +beminnen. + +Mijnheer Reimond, als hadde hij een bevestigend antwoord van het +doodshoofd ontvangen, drukte de hand van zijnen neef en zeide: + +"Uwe moeder was eene brave vrouw. De ziel, die in uw lichaam woont, +heeft goede neigingen, en zij is op weg om eenen grooten stap vooruit te +doen naar de eindelijke volmaaktheid. Gij hebt nu geen fortuin, Willem, +en deze ontoereikendheid uwer stoffelijke middelen hindert u om +wetenschap en geleerdheid aan te winnen. Verheug u, mijn vriend: mijne +ziel gaat zich afscheiden van haar zichtbaar omkleedsel. Ik zal u geld +en goed genoeg nalaten, om u voor de zorgen des levens te behoeden." + +"O, heer oom, waarom dus wanhopen?" zuchtte de jongeling op treurigen +toon. "Waarlijk, ik bemerk met diepe smart, dat gij zeer ziek zijt; maar +met de noodige geneesmiddelen zoudt gij u gemakkelijk kunnen beteren. +Uwe eenzaamheid, uw stil leven heeft waarschijnlijk uwe maag ontsteld. +Het hangt van u af, hare krachten weder op te wekken door een beetje +oefening in de opene lucht." + +"Ik ben niet ziek, vriend," was het antwoord. + +"Ach, gij zijt zoo uitermate mager, heer oom!" + +"Het is, omdat de dood nadert. Nog vier dagen." + +"Maar zeg dit niet, oom lief! Het is een inbeeldsel!" + +"Een inbeeldsel! Inderdaad, voor u zijn de geheimenissen der +onstoffelijke wereld nog verborgen. Ik zal sterven op de laatste minuut +van den 31sten, dezer maand. Het is onfeilbaar en onherroepelijk." + +De jongeling schudde het hoofd met moedeloosheid. + +"Gij gelooft mij niet?" hervatte mijnheer Reimond. "Het is u +onbegrijpelijk, hoe een mensch zoo nauw het uur van zijnen overgang naar +een nieuw leven kan weten? Daar is hij, die sedert zes maanden mij elken +dag verwittigt, dat het oogenblik voor mij nadert." + +En dit zeggende, legde hij den vinger op het doodshoofd. + +De tranen stonden Willem in de oogen; doch hij sprak niet. Hij wist +inderdaad niet wat te zeggen. Zijnen oom openlijk in zijne dwaze +gepeinzen bestrijden, dit dorst hij niet doen; en geloof in deze +zinneloosheid veinzen, dit was tegenstrijdig met de oprechtheid zijns +harten. + +"Gij ziet mij zoo verbaasd aan? Evenals de andere menschen meent gij, +dat ik waanzinnig ben, niet waar?" morde de oom. "Och, Willem, ik +beschuldig u daarom niet. Het is iedereen niet gegeven, met de +onstoffelijke wereld in gemeenschap te komen en geheimenissen te kennen, +die slechts aan zeer gelouterde zielen nu en dan eens worden +geopenbaard. Indien ik u zeide dat in dit doodshoofd een geest woont, +wiens taal voor mij klaar en verstaanbaar is, indien ik u verzekerde, +dat die geest reeds dertigmaal onder verschillende menschelijke +gedaanten heeft geleefd, zoudt gij mij gelooven?" + +"Ik zou u willen gelooven, heer oom, maar bij gebrek aan kennis der +zaak, is mij dit nu onmogelijk," stamelde de jongeling in verlegenheid. + +"Wel geantwoord, Willem; gij loochent ten minste het bestaan van geesten +niet volstrektelijk." + +"Zeker niet; boven de stoffelijke natuur zijn er onstoffelijke wezens, +de godsdienst leert ons en het geweten doet ons voor gevoelen, dat niet +alles met het aardsche leven eindigt." + +Deze woorden, met overtuiging gesprokon, schenen mijnheer Reimond +bijzonder te behagen; hij knikte goedkeurend met het hoofd en zeide: + +"Gij gelooft dus aan de onsterfelijkheid der ziel, aan een toekomstig +leven, aan de straf des kwaads en aan de belooning des goeds: in één +woord, aan de rechtvaardigheid Gods?" + +"Is het mogelijk, heer oom, aan zulke klaarblijkende waarheden te +twijfelen?" + +"Ha, Willem, er zijn er, die daaraan durven twijfelen, maar oneindig +meer zijn er, die slechts een bekrompen of onduidelijk begrip van deze +waarheden hebben. Ik weet niet, mijne ziel heeft voor de uwe een +geheimzinnige neiging. Zij denkt, dat de uwe zuiver genoeg voor deze +hooge wetenschap zou kunnen zijn. Ware het zoo, ik zou met een gevoel +van opperst geluk deze aarde verlaten. Niet alleen omdat aldus de +vruchten van mijn arbeidzaam streven voor de menschheid niet zouden +verloren gaan, maar nog omdat ik u vóór mijnen dood eene weldaad zou +kunnen bewijzen, duizendmaal kostbaarder dan het fortuin, dat gij erven +gaat.... Laat hooren, mijn goede neef, wilt gij leeren hoe men in +betrekking komt met de wereld der geesten? Wilt gij het ten minste +beproeven? Want het is niet zeker, dat uwe ziel reeds genoeg beproefd en +gelouterd zij." + +"Om u vermaak te doen, zal ik alles beproeven wat gij wenscht, heer +oom," antwoordde de jongeling op eenen toon van lijdzame onderwerping. + +"Welnu, vriend, luister dan met inspanning der hersenen, en, valt de +redeneering u in het eerst wat zwaar, doe geweld om mij te begrijpen. +Doordring u van de gedachte, dat, indien ik u bekwaam kon vinden tot het +aanvaarden der zedelijke erfenis mijner ziel, ik het zou aanzien als +eene duizendvoudige belooning voor het weinige goed, dat ik uwen ouders +en u kan hebben gedaan. Gij zult gaan hooren wat de geest, die in het +doodshoofd woont, mij heeft veropenbaard. Geef aandacht, ik bid u." + +Mijnheer Reimond schoof zijnen stoel nader en begon dus op langzamen, +plechtigen toon: + +"Ziehier wat de geesten leeren. Voordat onze wereld bestond, zag +God--het eenig eeuwig, geheel zuiver, volmaakt en almachtig wezen--dat +de onmeetbare ruimte van het heelal ijdel was. Hij schiep de engelen--en +Hij schiep ze in onnoembaar getal--om die ledigheid te vervullen, der +ruimte leven te geven en Hem in zijne majesteit te loven en te dienen. +De engelen waren betrekkelijk zuivere geesten; maar geheel volmaakt +waren ze niet, anders zou elk hunner zooveel zijn geweest als God zelf, +die alleen volmaakt kan zijn. Het gebeurde, dat een dier geesten, +Lucifer geheeten, door den hoogmoed verleid, met honderden millioenen +zijner gezellen tegen den eenigen God wilde opstaan; maar zijne +vermetelheid ontving eene verschrikkelijke en verdiende straf. Hij werd +nedergebliksemd en veroordeeld om eeuwiglijk van het aanschijn des +Heeren verwijderd te blijven en zonder einde in duisternis te treuren en +te lijden. Dan wilde God de opengevallene plaatsen in de scharen zijner +trouwgeblevene dienaars aanvullen; maar Hij zou rondom zijnen troon +geene andere dan beproefde geesten toelaten. Daarom schiep Hij den +mensch. De mensch is een onvolmaakte engel, die door de bekoring en de +overwinning, door het lijden en den moed, door de worsteling en de +sterkte, in éen woord door arbeiden en door strijden, tot de volstrekte +macht en zuiverheid moet geraken, ten minste voor zooveel een geschapen +wezen zuiver en machtig kan zijn naast God.... Begrijpt gij dit, mijn +vriend?" + +"Ho, zeer wel, oom lief," antwoordde de jongeling, die met verbaasdheid +luisterde. + +"Welnu, God schiep ook de aarde en de gansche wereld, met hare kruiden +en dieren, met hare schoonheden en hare gebreken, met hare verlokkingen, +haar geluk, hare rampen, hare vreugde, haar verdriet, hare vijandschap, +hare liefde, omdat de mensch tusschen al deze tegenstrijdigheden zou te +worstelen hebben, en zijne zedelijke natuur door opvolgende +overwinningen zou beproefd en gelouterd worden.... Hier is nu de reden +van het bestaan der geesten: het lichaam des menschen is slechts aarde, +een stoffelijke vorm, die den waren mensch, dat is te zeggen de ziel, +den geest omkleedt. Anders kon hij toch zijne bestemming niet vervullen; +want een ongevleesde geest heeft geene zintuigen en kan met de stof niet +in aanraking komen of van de stof eenige aanvechting onderstaan. +Diensvolgens, om te kunnen lijden en worstelen, moest de ziel des +menschen in eenen aardelijken vorm gewikkeld worden, ten einde bij +middel der stof in aanraking met de stof te komen en haar zelfs +gedeeltelijk onderworpen te worden. Dit zegt u ook, dat evenwel de +eigenlijke mensch in de ziel bestaat en hij zijn lichaam kan verliezen, +zonder dat hij ophoudt te wezen.--Vat gij deze redeneering, neef?" + +"Zij wordt mij wel iets of wat duister, heer oom," mompelde de +jongeling. + +"Ik zal pogen duidelijker te zijn, Willem. Op de volgende wijze +verklaart de geest de bestemming van den mensen voor de eeuwigheid. Al +de menschelijke zielen werden bij duizenden millioenen en op hetzelfde +oogenblik geschapen, maar zij kregen niet altezamen een stoffelijk +omkleedsel. De eerste, die de proeve op aarde onderstond, was Adam, en +opvolgend na hem, tot den dag van heden, een onnoembaar getal anderen. +Een mensch leeft meer dan één leven, er zijn er wel, die honderdmaal +reeds de beproeving opnieuw hebben begonnen en bij gebrek aan kracht, +aan deugd en aan voortgang, nog veel malen zullen te herleven hebben. +Vooronderstel, dat vele honderdduizenden menschen op een jaar sterven. +Waar meent gij, dat hunne zielen gaan?" + +"De godsdienst laat daarover geenen twijfel," bemerkte de jongeling. + +"Inderdaad niet," antwoordde mijnheer Reimond. "Op het einde zal het +zijn, zooals de godsdienst ons leert, maar in afwachting van het vergaan +der wereld?" + +"Zulke dingen zijn moeielijk om te begrijpen," mompelde Willem, die niet +meer wist wat te antwoorden. + +"Inderdaad, maar gij zult ze eindelijk wel doorgronden," hernam de oom +op aanmoedigenden toon. "Zijn er tusschen die honderdduizenden zielen +eenige, welke de noodige zuiverheid hebben bereikt, deze worden +opgenomen in den hemel, en elk hunner krijgt de plaats van eenen der +afgevallene engelen. De andere nog onvolmaakte zielen gaan in de ruimte, +en moeten daar wachten, totdat het God believe hun eene nieuwe proeve, +dit is een nieuw leven op aarde, toe te staan. Al deze zielen, al deze +geesten zonder stoffelijk lichaam bevolken de lucht, waarin zij zich, +wanneer zij willen, met de snelheid des bliksems bewegen, maar zij +blijven nog liefst in de streken, welke zij als mensch hebben bewoond, +en in de nabijheid hunner vrienden, hunner ouders of hunner kinderen. +Bij voorbeeld, terwijl ik hier met u spreek, omringen ons wel twintig +geesten. Onder hen herken ik mijnen vader en den uwen, mijne vrouw en +uwe moeder, die ons beluisteren en zich verblijden in de hoop, dat gij +de geheimzinnige, de bovennatuurlijke kracht zult aanwinnen om hen te +zien en met hen te spreken." + +Eene siddering scheen den jongeling aan te grijpen. Het gepeins, dat +zijne afgestorvene ouders naast hem stonden en hem zagen, deed eenen +gansch vreemden indruk op hem. Het was, alsof het hem benauwd om het +harte werd, en een lang opgehouden zucht ontsnapte zijner borst. + +"Wees niet vervaard, mijn vriend," zeide zijn oom, "deze onstoffelijke +zielen zijn hinderloos, en het is hun niet toegelaten, kwaad te doen aan +de zielen, die in vleeschelijken vorm lijden en strijden op aarde. Weet +nu verder, dat sommige menschen, die door opvolgende beproevingen en +door het innig betrachten van deugd en wetenschap tot eenen verren graad +van zuiverheid gevorderd zijn, het vermogen hebben om in gemeenschap te +komen met de wachtende zielen, die de ruimte vervullen, anders gezegd, +die de eigenschap bezitten, om de onstoffelijke geesten op te roepen en +ze te dwingen tot mededeeling van hetgeen zij weten. De geest, die in +dit doodshoofd woont, heeft reeds dertigmaal geleefd. Hij nadert tot de +vereischte zuiverheid en weet daarom dingen te openbaren, waarvan min +gevorderde zielen geene kennis hebben. Dit alles is toch wel bevattelijk +voor uw verstand, niet waar?" + +"Het is verrassend en wonderlijk," antwoordde Willem, "maar volgens u +zouden alle menschen zonder uitzondering engelen worden en ten hemel +gaan? Dit strijdt met den godsdienst en met het geweten, die ons leeren, +dat er belooning of straf zal zijn na dit leven." + +"Deze strijdigheid bestaat slechts in schijn, mijn vriend, het zal +waarlijk op het einde geschieden zooals ons wordt geleerd. Nadat +honderden millioenen gezuiverde zielen ten hemel gevaren zijn, en +zoohaast ook de laatste plaats der gevallen engelen vervuld is, zal God +de wereld doen vergaan, en de zielen, welke alsdan ondanks de vele +beproevingen nog onzuiver, boos en zondig zijn gebleven, zullen +neergebliksemd worden, om in de eeuwige duisternis en in het gezelschap +der duivelen te boeten en te lijden." + +Nox, die sedert eenigen tijd rondom den stoel van den jongeling +snuffelend dwaalde, sprong nu met zijne voorste pooten op zijne knie en +woelde met den snuit tegen de borst van zijne frak, als rook hij daar +iets bijzonders. + +"Nox, hier, stil!" sprak mijnheer Reimond op bevelenden toon. + +Het beest verliet den verbaasden Willem en kroop tot voor de voeten +zijns meesters. + +"Gij hebt vleesch in uwen zak, mijn neef?" + +"In het geheel niet," stamelde de jongeling, eenige papieren +uittrekkende. + +"Ha, ik zie wat het is!" riep mijnheer Reimond met eenen glimlach. "Gij +hebt daar den brief, dien ik u toezond. De hond heeft hem reeds eenmaal +in den muil gehad, en hij herkent hem aan den reuk." + +"Wat wonderlijk beest!" zuchtte Willem. "Ik begrijp, dat de hovenier er +van vervaard is. Men zou haast gaan gelooven, dat Nox een menschelijk +verstand heeft. Toen hij mij kwam roepen, scheen hij te willen spreken!" + +"Het is een arm dier, dat mij verkleefd en dankbaar blijft, omdat ik het +eens te hulp kwam, toen het zich in gevaar des levens achtte," zeide +mijnheer Reimond. "Wat den ouden Jakob betreft, hij is een goed man en +een trouw hart, maar zijn moed en zijn verstand zijn niet groot. In +zijne eenvoudigheid droomt hij van niets dan van schrikkelijke dingen, +en zoohaast hij iets ziet dat hij niet kan begrijpen, meent hij, dat +bovennatuurlijke oorzaken in het spel zijn. Wat wonders is daaraan, dat +Nox geleerd heeft den hovenier te gaan roepen, vermits hij nooit eten +krijgt dan wanneer ik Jakob doe komen? De eenzaamheid en de eeuwige +stilte hebben misschien iets bijgebracht om de natuur van het arme dier +te wijzigen. Misschien woont in hem eene ziel, die gereed is om tot eene +hoogere en gelukkige proef over te gaan,--maar dit kan ik in alle geval +niet verzekeren." + +"Eene ziel in den hond? Eene menschelijke ziel?" mompelde Willem met +eenen glimlach van ongeloof. + +"Waarom niet?" was het antwoord. "Indien God het zoo wil, om +wederspannige of geheel ondeugende zielen te straffen of ze aan eene +zware proef te onderwerpen? Er zijn trotsche dwingelanden, die in ezels +overgaan, opdat zij onder den stok van den drijver zouden worden +verootmoedigd, hoovaardige vrouwen, die padden worden en onder dezen +verachten vorm gedurende een gansch leven in het slijk wroetelen, +oorlogshelden, welke om roem te behalen stroomen bloeds vergoten, die +haas worden, opdat de eeuwige vrees hunnen wreeden overmoed stille, en +het lood der jagers ook hun bloed doe vlieten, maar niet in alle dieren +wonen menschelijke zielen, en het is den geesten niet veroorloofd +daarover eenige bepaalde openbaringen te doen.... Nu, mijn goede Willem, +heb ik u gezegd wat ik noodig acht om u een klaar denkbeeld van de +geestenwereld te laten opvatten. Is u nog iets duister, zeg het, ik zal +u meer uitlegging geven, indien gij het verlangt." + +"Neen, oom lief, ik weet genoeg," antwoordde de jongeling met eene stem, +die van vermoeidheid en treurnis getuigde. + +"Des te beter, mijn neef; dan kunnen wij seffens beginnen met de +eindelijke proef, waartoe mijne woorden u hebben voorbereid," zeide +mijnheer Reimond opstaande "Ha, Willem, mijn vriend, misschien zult gij, +vóórdat een uur verloopen zij, reeds in gemeenschap zijn met de wereld +der zielen. Mocht dit gelukken, ik zou God zegenen voor die hooge +weldaad, aan u en aan mij bewezen! Kom hier, zet u op dezen stoel voor +het doodshoofd, ik zal u leeren, hoe gij den geest, die er in woont, +moet pogen te zien en te hooren." + +"O, ik bid u, heer oom, ontsla mij van deze proefneming!" smeekte +Willem. "Ik weet niet, mijne ziel is waarschijnlijk nog niet zuiver +genoeg; het is, als boezemde deze verborgene wetenschap mij schrik en +afkeer in. Wees zeker, al duurden uwe pogingen eenen ganschen dag, ik +zou den geest niet zien." + +"Gij gelooft zulks?" hernam de oom. "Ongetwijfeld bedriegt gij u. Deze +afkeer is natuurljjk. In stoffelijke gedaante schrikt de mensch van alle +geheimzinnigheid; maar gij moet die vrees overwinnen en, met vasten moed +en met volledig vertrouwen, u leenen tot de onschatbare les, welke ik u +wil geven. Zoohaast gij den geest ziet, zoohaast gij zijne taal +verstaat, zult gij juichend en dankend mij in de armen vliegen. Ha, er +is op aarde geen grooter geluk dan deze wetenschap, die ons bestaan +verbreedt tot de uiterste palen van het heelal. Nu, zit hier voor het +doodshoofd." + +"Maar, oom lief, indien gij de goedheid hadt, mij ten minste voor heden +te verontschuldigen!" + +"Zeker niet, Willem; het is uwe stoffelijke natuur, die worstelt om de +bovenhand te behouden. Zij moet bevochten en overwonnen worden: het ware +eene lafheid dus toe te geven aan hare zelfzucht. Gij weigert? Zou ik +mij misgrepen hebben? Zal ik de smart onderstaan, in u, mijnen neef, +eene verachterde en nog zeer zwakke ziel te moeten herkennen?" + +De jongeling bemerkte, dat zijn tegenstand het hart zijns ooms met +droefheid vervulde. Uit eerbied, uit toegevendheid voor hem, besloot hij +zich lijdzaam te leenen tot al wat hij van hem kon eischen. Hij stond +op, zette zich voor hot doodshoofd en zeide: + +"Gij hebt ongelijk, heer oom, aan mijnen moed of aan mijnen goeden wil +te twijfelen. Ik ben zeker, of ten minste ik geloof mij zeker, dat ik +den geest niet zal zien; maar vermits gij er anders over denkt, welaan, +ik ben bereid. Wat moet ik doen?" + +"Het zal gaan, gij kent u zelven niet, Willem!" riep mijnheer Reimond +met blijdschap. "Heb vertrouwen; gij zult niet alleenlijk de erfgenaam +mijner stoffelijke goederen zijn, maar tevens de erfgenaam van het +zedelijk vermogen mijner ziel! Schuif uwen stoel bij de tafel,--zet u op +uw gemak,--leg de rechterhand op het doodshoofd,--zie nu in zijne holle +oogen, diep zeer diep, en tracht aldus uwen blik beweegloos te houden, +op zulke wijze, dat niets meer van de dingen, die in deze kamer zijn, uw +gezicht verstrooie of store. Doordring u zelven nu van de gedachte, dat +gij eenen geest wilt zien, eenen geest in menschelijke gedaante; want in +eenen anderen vorm kunnen zij zich voor onze stoffelijke oogen niet +openbaren. Willen en blijven willen, overtuigd zijn en gelooven, niet +verzwakken, standvastig en onverwinnelijk willen, is hier de +tooverroede, die de wereld der zielen voor uw aangezicht moet +ontsluiten. Poog diensvolgens uwen geest in zulke spanning te brengen, +dat hij door dit zelf magnetismus om zoo te zeggen uw lichaam verlate en +zich vermenge met de onstoffelijke wezens, die de lucht vervullen. Zoo +is het wel; verroer u niet meer, blijf zwijgend en, wat er ook +geschiede, keer uw gezicht niet van het doodshoofd af, noch uw gepeins +noch uwen wil van het doel dezer proeve. Stil nu!" + +De jongeling beschouwde deze proefneming om geesten op te wekken als +eene beklaaglijke zinneloosheid van zijnen oom. Evenwel, om zijnen +zieken weldoener niet te bedroeven, volbracht hij nauwkeurig zijne +begeerte en had letterlijk de hem gegevene les gevolgd. Hij zat +beweegloos als een steenen beeld en hield de oogen zoo vast in de holle +oogen van den schedel gevestigd, dat zijn gezicht er van schemerde en +hij er duizelig van werd. + +Hij behield echter zijn geduld, want hij hoopte, dat zijn oom zelf +welhaast deze nuttelooze poging moede zou worden en hem er van zou +ontslaan. Dan hij bedroog zich grootelijks: er verliep wel een half uur +zonder dat mijnheer Reimond teeken van leven gaf; integendeel, hij +scheen zijnen adem op te houden om zijnen neef niet te storen en zijne +aandacht van het nagejaagde doel af te trekken. + +Wat Willem betreft, deze verveelde zich onzeglijk; alles scheen voor +zijn verduisterd gezicht te draaien, en het zweet stond in parelen op +zijn voorhoofd. Hij gevoelde, dat hij het niet langer volhouden kon, en +vroeg zich zelven juist, of hij dit pijnlijk spel niet beslissend zou +onderbreken,--toen zijn oom met verdoofde stem aan zijn oor suisde: + +"Keer den blik niet af, Willem; gij zult gelukken: ik heb op uw gelaat +de teekens gevolgd, die van de immer aangroeiende uitzetting uwer ziel +getuigen. Nog een half uur geduld, en de groote geheimenis zal zich voor +u ontsluieren." + +"Nog een half uur, o hemel!" zuchtte Willem verschrikt. + +"Zwijg, blijf standvastig, ik bezweer u, vriend, indien gij eenige +liefde, eenige dankbaarheid voor mij hebt, laat uwen moed in dit opperst +oogenblik niet verzwakken. Niet waar, gij ziet in de diepte van het +doodshoofd nevelachtige wolkjes, die bewegen en schijnen te zwoegen om +eene bepaalde gedaante aan te nemen?" + +"Ik zie wolkjes die vlotten, witte ringen die draaien, vonken die +glinsteren, en alle soorten van zonderling duizelige dingen," stamelde +Willem. + +"Ha, dit is het! Uwe ziel begint ziende te worden. Geduld, geduld, de +proeve voortgezet met onwrikbaar vertrouwen. Stil nu, geen woord, geen +ander gepeins meer dan het doel alleen!" + +Gedurende nog een geheel kwart uurs hield Willem het vol; maar dan +gevoelde hij, dat een onweerstaanbare slaaplust hem allengs overviel. +Hij geeuwde nu en dan, doch poogde deze teekens der verveling door het +geweldig sluiten van den mond te verbergen. Eindelijk kon hij de +koortsige trekkingen zijner zenuwen niet meer bedwingen; geeuwde met +wijdgeopenden mond, en zijn opgehouden adem welde tegen zijnen wil met +een pijnlijk geluid uit zijne borst op. + +"O, oom lief, heb medelijden met mij!" zuchtte hij, het hoofd +afkeerende. "Ik val in slaap; reeds heb ik geene bewustheid meer van +hetgeen ik doe." + +"Nog wat moed, nog wat geduld, vriend; wij raken misschien het doel!" + +"Neen, neen, nog ééne minuut en ik stort met het hoofd op de tafel, om +morgen eerst te ontwaken! Het is mijne schuld niet, heer oom. Ik ben +onzeglijk vermoeid van den gansenen dag te hebben gereisd. Gij ziet wel, +dat, niettegenstaande zulke afgematheid, de goede wil mij niet heeft +ontbroken." + +"Inderdaad. Gij waart reeds verre gevorderd nogtans! Maar het zij zoo; +men bekomt deze onschatbare wetenschap zoo niet in eens. Wanhoop niet, +Willem; wij zullen morgen met meer geluk waarschijnlijk de proeve +hernemen. Schei uit nu: het is genoeg voor heden. Daarenboven, het zal +haast avond worden, en het uur der eenzaamheid nadert voor mij. Wat u +betreft, gij snakt naar rust. Ik heb in het achterste gedeelte van het +kasteel eene kamer voor u doen bereiden. Jakob Mispels, de hovenier, zal +u dienen; hij heeft last om u alles te bezorgen wat u noodig is, en +verlangt gij iets, dat zich niet op Wildenborg bevindt, Jakob zal naar +het dorp gaan om het te halen. Gedurende den nacht zal ik den geest van +het doodshoofd over u raadplegen; hij zal mij misschien openbaren, hoe +gij onmiddellijk tot de gemeenschap der zielen kunt geraken. Heb goeden +moed en slaap gerust. Tot morgen, mijn vriend!" + +Hij reikte de hand tot zijnen neef. Deze sprak op den toon van diep +medelijden en van smart: + +"Alzoo, mijn goede oom, gij blijft bij de schrikkelijke gedachte, dat +gij binnen weinige dagen zult sterven?" + +"Eene gedachte, Willem? Het is eene volstrekte zekerheid." + +"Maar indien gij wenschtet te leven?" + +"Het zou er niets aan doen. Daarenboven, mijn jongen, ik snak vurig naar +den dood." + +"Onbegrijpelijk!" zuchtte Willem met moedeloosheid. + +"Wat is daar onbegrijpelijks in?" hernam de oom met eenen glimlach. +"Elke maal dat een mensch na een tamelijk goed leven sterft, doet hij +eenen stap vooruit naar de eindelijke volmaaktheid, die hem met eene +plaats bij God de eeuwige zaligheid moet geven. Wanneer men op reis is +naar het grootste geluk, verlangt men dan tot langen stilstand gedwongen +te zijn? Treur niet over mijnen onfeilbaren dood; gij ziet wel, dat ik +noch verschrikt, noch weemoedig ben." + +De jongeling erkende, dat er niet tegen dit ingeworteld denkbeeld van +zijnen oom te worstelen was. Hij murmelde een goedennacht en meende de +zaal te verlaten; maar mijnheer Reimond hield hem terug en zeide: + +"Ik heb den ganschen dag over eene moeielijke zaak nagedacht. Willem, +gij hebt eene verre nicht, die de andere helft mijner goederen moet +erven. Ik wensch, dat Wildenburg met zijne aanklevende bosschen, weiden +en landerijen onverdeeld blijve; het is een vaderlijk erfgoed. Mijn +inzicht is, Wildenborg in uw deel te plaatsen; maar dewijl ik verlang, +dat het als onverkoopbaar en onverdeelbaar beschouwd worde, zou daardoor +de waarde van uw deel verminderd zijn. Ik zal het middel zoeken om u +eene schadeloosstelling te verzekeren; wij zullen morgen daarover +spreken. Ik zal u vroeg doen roepen. Ga nu, en slaap wel." + +Willem murmelde eene groetenis en verliet de zaal. + +Toen hij zich onder den blauwen hemel bevond, ontsnapte hem een lange +zucht, als viele er een gewicht van zijn hart. In stede van naar het +hoveniershuisje te gaan, trad hij, door den nood aan eenzame overweging +gedreven, in het groene prieel en zette zich op de bank neder. Hij +vouwde de armen op de borst, staarde ten gronde en bleef dus zeer lang +in diepe gepeinzen verzonken. + +Eindelijk hief hij het hoofd op en mompelde met eene uitdrukking van +verbaasdheid: + +"Wat geschiedt mij? Daar zit ik te droomen aan de mogelijkheid der +wonderlijke dingen, die mijn oom mij heeft verteld! Wat is de geest des +menschen toch zwak, en hoe machtig is op hem de indruk der +bovennatuurlijke geheimenissen! Zoo een gansch uur in de holle oogen van +een doodshoofd staren, het betoovert en maakt de hersenen duizelig. Arme +oom, hij is zeer ziek, zijne verbeelding is verdwaald. Er is, eilaas, +niets aan te doen. Wat ben ik moede! Eten wij metterhaast een beetje, en +zoeken wij troost en verkwikking in de rust." + +Hij verliet het priëel en richtte zijne stappen naar de woning des +hoveniers. Zijn geest was beneveld en zijn hart weemoedig. Hij vond +Jakob Mispels en zijne vrouw druk bezig bij den haard met de bereiding +van zijn avondmaal; er lag reeds een wit ammelaken over de tafel +gespreid. + +De hovenier, zoohaast hij den groet des jongelings hoorde, kwam hem te +gemoet geloopen, greep zijne hand en vroeg met koortsige +nieuwsgierigheid: + +"Welnu, welnu? Hoe is het afgeloopen? Heeft uw oom u goed onthaald? Is +hij tevreden over u?" + +"Ik vermeen het te mogen denken," was het antwoord. + +"Heeft hij u van zijnen dood, van zijnen schrikkelijken dood gesproken?" + +"Ja, meer dan ik verlangde." + +"Hoe? Hij zou u gezegd hebben, dat de duivel....?" + +"Laat mij gerust met die gekheden, Jakob," morde Willem ontevreden. +"Mijn arme oom verbeeldt zich, dat hij gaat sterven, dit is alles." + +"Zoo, gij meent het? Gij twijfelt aan de waarheid van hetgeen ik u heb +gezegd?" + +"Geloof hem niet, Willem," viel Peternelle haren man in de rede. "Al wat +hij vertelt, zijn dwaasheden. Men zou welhaast gaan meenen, dat hij +kindsch wordt." + +"Ik kindsch?" grommelde Jakob dreigend. "Ik zal u straks over die +beleediging spreken!" + +"Mijn oom is ziek, ziek in het hoofd," zuchtte de jongeling. "En er +blijft weinig hoop op genezing!" + +"Ziek in het hoofd? Zot, wilt gij zeggen? De pastoor schijnt zulks ook +te denken; maar het is niet waar: mijn meester heeft te veel verstand en +te veel geleerdheid, ziedaar de eenige oorzaak van zijn ongelukkig lot." + +Ondertusschen had de vrouw de spijzen opgediend. + +"Mijnheer Willem," zeide zij, "gelief u daar bij de tafel te zetten. Ik +heb gedaan wat in mijne macht was om u een goed avondmaal te bereiden. +De reis zal u eetlust gegeven hebben. Moge de keuken der oude Peternelle +u bevallen!" + +Met betuigingen van dankbaarheid begon Willem de hem voorgediende +spijzen te nuttigen. + +Jakob was reeds bezig met opnieuw van zijnen meester en van den duivel +te spreken. + +"Maar, om Gods wil, zwijg toch een beetje en laat mijnheer gerust, +terwijl hij eet!" zeide zijne vrouw. + +"Wat heeft een mensch van zwijgen?" wedersprak de hovenier. "Als men +eet, kan men des te beter luisteren. Gij denkt zeker, dat ik mijnheer +Willem, het kind, dat ik op de armen heb gedragen, in eene dwaalgedachte +zal laten, als ik de mogelijkheid zie om hem van de waarheid te +overtuigen? Gij gelooft, Willem, dat mijn meester geene betrekkingen +heeft met den zwarten man? Gij hebt dus geene acht op Nox gegeven, en u +is het niet klaarblijkend geworden, dat Nox niets anders is dan een +geest, een _Mistoffel_, die hem bewaakt?" + +"Nox is een hond gelijk alle andere honden," bemerkte de jongeling. + +"Een hond gelijk alle andere honden? Kendet gij de geschiedenis van dien +helschen dienaar, welken gij meent voor een beest te mogen aanzien, gij +zoudt wel anders spreken. Maar waarom zou ik u die geschiedenis niet +vertellen, terwijl gij toch niets te doen hebt dan te eten? Vrees niet, +zij is schrikkelijk, doch kort. Welnu, luister. Het is tien jaar +geleden, sedert den 13den Juli; mijn meester leefde wel eenzaam, maar +de zaken gingen op Wildenborg niet als nu. Op eenen zekeren nacht werden +wij onverwachts gewekt door een vreemd geraas in de lucht. Het was, +alsof de aarde beefde, alsof er honderd wagens te gelijk door den hemel +reden. Daarop begon het te bliksemen en te donderen, dat wij meenden de +wereld te zien vergaan. Het vuur des hemels was zoo hevig, dat wij de +handen voor de oogen moesten houden om niet met blindheid te worden +geslagen. Vol schrik en angst loop ik met mijne vrouw naar het kasteel, +en daar vinden wij mijnheer--die alsdan zich zelven nog niet +opsloot--bezig met in een boek vol groote zwarte letteren te lezen. Het +tempeest groeit aan, de donderslagen doen het kasteel op zijne +grondvesten daveren; daar vallen eensklaps hagelsteenen zoo zwaar als +duiveneieren, en de verbrijzelde schalien vliegen kletterend door de +lucht.... Wij stonden nevens mijnheer te beven en te bidden, toen +eensklaps een klagend noodgeroep, als van een stervend mensch, zich +buiten het kasteel liet hooren. Mijnheer Reimond sprong met verrassing +recht en zeide mij: "Jakob, er is iemand voor het hek, die om hulp +roept. Hij smeekt om eene schuilplaats: ga opendoen en laat hem binnen." +Hadde men mij op dit akelig oogenblik eenen hooiwagen vol goud willen +geven, ik hadde geenen enkelen voet buiten gezet. Mijn meester zag het +wel; want hij ging zelf naar het hek en keerde even ras terug met eenen +hond, dit is te zeggen met den duivel, die zijn _Mistoffel_ moest +worden. Nauwelijks was het gruwelijke beest binnengelaten, of een +donderslag, als van honderd kanonnen, trof het kasteel en scheurde +zijnen gevel tot in den grond. Ik schreeuwde om hulp en mijne vrouw viel +buiten kennis op den vloer.... Het is sedert dan, dat de arme Peternelle +half stom geworden is. Ziedaar, Willem, de geschiedenis van Nox. Is het +zóó, dat een gewone hond ergens aankomt? Eilaas, in dien schromelijken +nacht heeft mijn arme meester zijne ziel aan den zwarten man verkocht, +en nu is zijn tijd om. Gelooft gij nu nog, Willem, dat ik niet weet wat +ik zeg? Nox? Nox? Is dit een naam voor den hond van een Christenmensch, +zeg?" + +"Die naam is Latijn, en hij beteekent eenvoudig _nacht_," mompelde +Willem, de schouders ophalende. + +"_Nacht!_ Ziet gij wel, dat Nox een geest der duisternis moet zijn?" + +De jongeling, die niet den minsten lust had om langer naar de vertelsels +van den spreekzieken Jakob te luisteren, stond van de tafel op. + +"Ik dank u, mijne vrienden, en u bijzonderlijk, goede Peternelle," zeide +hij. "Het avondmaal was wel bereid, en het heeft mij uitmuntend +gesmaakt. Het is nu bijna donker daarbuiten, ik gevoel mij vermoeid en +slaperig. Wees zoo goed, Jakob, en leid mij naar mijne kamer." + +Ondanks de pogingen, welke de hovenier aanwendde, om hem wat te doen +blijven en onder het drinken van een glas bier een avondkoutje te +houden, wilde Willem volstrekt naar bed gaan. Inderdaad, hij kon de +oogen schier niet meer geopend houden van vermoeidheid. + +"Welnu, morgen zult gij uitgerust zijn," zeide Jakob. "Uitgesteld is +niet verloren--Peternelle, ga in den stal, haal de lantaarn en ontsteek +het licht er in. Hoe, Willem, gij meent, dat er geene duivels zijn?" + +"Ik heb dit niet beweerd," zeide de jongeling met ongeduld. + +"Maar gij gelooft toch niet, dat de duivel zielen koopt of menschen +weghaalt. Ik weet eene geschiedenis, die klaar bewijst dat gij u +bedriegt, en ik ga ze u vertellen." + +"Gij zijt onbarmhartig voor mij, Jakob. Vertel zooveel gij wilt, ik +antwoord niet meer." + +"Dit is mij gelijk, indien gij mij slechts laat spreken. Ziehier de +zaak. In het dorp Neerglabeek waren eens boerenknechts, op eenen +heiligendag onder de hoogmis, in eene herberg. Zij zouden gaarne met de +kaart gespeeld hebben, maar daartoe moesten zij gevieren zijn, en zij +waren slechts gedrieën. Er treedt een vreemdeling binnen, die een glas +bier vraagt. Op het eerste voorstel der drie knechts stemt hij toe om de +vierde man bij het kaartspel te zijn." + +De vrouw verscheen met de lantaarn, Willem wenschte haar goedennacht en +stapte ten huize uit, gevolgd door den ouden Jakob, die onderweg zijn +vertelsel dus voortzette. + +"Zij waren lustig aan het spelen, maar een der knechts stoot met zijne +mouw het krijt van de tafel en bukt zich om het op te rapen. Wat ziet +hij, o hemel! Hij ziet, dat de vreemde makker paardevoeten heeft!" + +Ondanks zijne verveling kon Willem zich niet wederhouden van met de +wonderlijke eenvoudigheid van zijnen ouden leidsman te lachen. + +"De arme knechts lachten niet," hernam Jakob Mispels. "Zij sprongen +kermend recht en wilden vluchten, maar er kwam een schromelijke +donderslag, en al de kaartspelers waren verdwenen! Het stonk er in de +kamer, als hadde men er honderd busselen solferstekken gebrand.... Zie, +daar in dat achterpoortje van het kasteel moeten wij zijn. Ik heb uwe +kamer gereed gemaakt, en ik hoop dat u niets zal ontbreken. Volg mij, ik +zal u den weg wijzen." + +Hij bracht den jongeling boven eene trap en voor eene kamer. Daar lagen +op den grond twee half verbrande stokken, dwars over elkander, in de +gedaante der letter X. + +"Trap daar niet op en ontschik het niet," zeide de hovenier. + +"Wat beteekent dit?" mompelde Willem. + +"Dit is een onfeilbaar middel om u voor nachtelijk ongeluk te behoeden," +was het antwoord. "Zulke houten zijn een onoverstapbare dwarsboom voor +alle tooverheksen, duivels, spoken, kabouters, nikkers en ander helsch +gespuis." + +Van ongeduld schier buiten zich zelven, greep de jongeling de stokken +van den grond en wierp ze tot beneden de trap. + +"Gij zoudt mij eindelijk nog de koorts doen krijgen, of mij zoo dom +maken als.... als een visch." + +"Ho, word daarom niet kwaad, mijn lieve Willem," zuchtte de oude man +vreesachtig. "Ik doe het met een goed inzicht; maar wilt gij liever +gevaar loopen van iets schrikkelijks te zien, het staat u vrij." + +"Dit is de kamer, waar ik den nacht moet doorbrengen, niet waar? Welnu, +Jakob, ga naar huis en wees gerust, mij zal niets geschieden. Laat mij +slapen zoolang het mij lust en wek mij niet ontijdig. Goeden nacht.... +Wilt gij niet heengaan?..." + +"Ja, ja, zeker, ik ga," zeide Jakob, de trappen langzaam afdalende. "Die +steedsche menschen hebben harde koppen; maar zij weten het niet goed. +Als ik nog denk aan hetgeen den zandboer van Hechtel is overkomen! Die +meende ooit, dat men geene spooken moet vreezen, maar hij werd, och +arme, deerlijk gestraft. Op eenen nacht zag hij eene witte gedaante--als +een geraamte, met eenen witten lijkdoek op de schouders--die hem met den +vinger wenkte. Halfdood van schrik en bevend...." + +Hij was reeds beneden de trap, en zijne stem werd onvatbaar voor Willem, +die binnen de kamer was getreden en in aller haast zich ontkleedde. + +Een oogenblik daarna lag de vermoeide jongeling reeds onder de lakens, +op een bed, dat hem goed en zeer zacht scheen. + +Hij sloot de oogen en twijfelde niet, of hij zou onmiddellijk in slaap +vallen; maar naarmate zijn hoofd verzwaarde, scheen zijn geheugen of +zijne verbeelding eene onwillekeurige werkzaamheid te krijgen. Hij zag +allerlei vreemde dingen in de duisternis voor zijne oogen wemelen: +spoken, geesten, duivels, zwarte honden, geraamten, doodshoofden. +Ofschoon hij wel wist, dat dit slechts eene begoocheling zijner +ontstelde zinnen was, stond niettemin het koude zweet hem op het +aangezicht en klopte zijn hart van zenuwachtigen angst. + +Eindelijk toch bezweek hij onder de afgematheid en viel in eenen diepen +slaap. + + + + +IV. + + +Des anderen daags 's morgens was de oude Jakob vroeger dan naar gewoonte +opgestaan. Hij was zichtbaar bekommerd, en ging uit het huis en keerde +weder, zonder doel of reden, evenals iemand, die vervolgd wordt door +eene angstige gedachte. Zijne vrouw bleef wel een uur sprakeloos, en +scheen geene acht op zijne ongerustheid te slaan. Toen zij hem eindelijk +vroeg, wat hem dus over en weder deed dwalen, vertelde hij haar, dat hij +eenen leelijken droom had gehad en nog beefde van het akelig gezicht, +dat hem had verschrikt. + +"Ach, Peternelle," zeide hij, "ik lag gerust te slapen. Eensklaps werd +ik wakker en hoorde iemand om hulp roepen op eenen toon, zoo klagend en +zoo scheurend, dat het mij als een mes door het harte sneed. Het is te +begrijpen, ik herkende de stem van Willem!.... Ik spring van het bed en +open het venster, mijne haren rijzen te berge op mijn hoofd, ik moet mij +vasthouden om niet van vervaardheid neder te storten. Schromelijk +schouwspel, dat voor mijne oogen voorbijschiet! Daar zie ik den zwarten +man, die lachend door de lucht vliegt. Met zijnen klauw houdt hij een +mensch bij het haar, terwijl hij met den anderen hem het vleesch van de +leden rukt. Het arme slachtoffer schreeuwde om hulp, dat gansch +Wildenborg er van weergalmde. Eilaas, het was Willem, die dus door den +boozen geest werd weggehaald!" + +"Om 's hemels wil, Jakob, waarom mij altijd doen beven met uwe ijselijke +vertelsels?" zeide de vrouw verstoord. + +"Hebt gij niets gehoord, Peternelle?" + +"Wat zou ik gehoord hebben, vermits gij het hebt gedroomd?" + +"Maar indien het eens eene verwittiging was?" + +"Laat mij gerust," knorde de vrouw. "Gij breekt u des nachts het hoofd, +om mij des daags te kunnen verschrikken. Ik moet werken, het huis +opschikken, de koe verzorgen en aan het ontbijt van mijnheer Willem +denken." + +"Geve God, dat hij uw ontbijt nog noodig hebbe," zuchtte Jakob. + +"Babbel zooveel gij wilt, ik luister niet meer naar uwe +kinderachtigheden," zeide de vrouw, terwijl zij eenen emmer greep en +zich naar den stal begaf. + +Jakob bleef nadenkend op de achterdeur staren en schudde met +ontevredenheid het hoofd. + +Na lang wachten keerde hij zich om, ging met tragen stap in den hof, +naderde allengs tot het achtergedeelte van het kasteel en bleef daar, +met de armen op de borst gekruist, in de hoogte zien naar een gesloten +venster. + +Eene wijl mompelde hij in zich zelven, schudde het hoofd en maakte +stille gebaren, maar, als nam hij een plotselijk besluit, hij verliet +deze plaats, greep onderweg eene spade en ging in eene soort van +moeshof, waar hij een afgemaaid klaverbed begon om te spitten. + +Het was zichtbaar, dat hij onder den arbeid evenzeer vervolgd bleef door +aanjagende en kommervolle gepeinzen, want niet zelden onderbrak hij zijn +werk, om van verre tot het gesloten venster op te zien, en dan ontsnapte +hem telkens een gemor van ongeduld of van angst. + +Zijne ongerustheid werd grooter en grooter, en toen hij ongeveer +gedurende een uur zijn werk met vele onderbrekingen had voortgezet, +plantte hij zijne spade in den grond en zeide: + +"Neen, ik kan het niet meer uithouden! Reeds sedert drie uren is de zon +aan den hemel--en nog niet opgestaan? Het is niet natuurlijk. Was mijn +droom eene waarschuwing? De vrees, de twijfel doet mij vergaan. Hij +heeft mij verboden hem te wekken, maar is mijne komst hem bij geval +onaangenaam, wat beteekent het in vergelijking van de benauwdheid, die +ik doorsta? En daarenboven met eens op de teenen naar boven te gaan, zal +ik hem niet wekken, indien hij waarlijk slaapt. Het is gelijk, dit +gewicht moet mij van het hart!" + +Terwijl hij deze woorden sprak, had hij den moestuin verlaten en naderde +nu het achterdeel van het kasteel. Hij opende de deur zeer langzaam, +opdat ze, draaiende, niet op hare hengsels zou knarsen, en stapte met +looze treden in den gang. + +Aan den voet van de trap bleef hij eensklaps staan, hief zijne handen +omhoog, deinsde verbleekend terug en morde huiverend: + +"Hemel! het riekt hier naar de solfer! Zou er een ijselijk ongeluk +geschied zijn? Mijn droom? Vluchten wij!" + +Maar waarschijnlijk twijfelde hij zelf aan den waren aard van den reuk, +dien hij meende gewaar te worden, want na eene wijl naderde hij de trap +en klom voet voor voet naar boven. + +Hij bemerkte tot zijnen grooten schrik, dat de deur der kamer gansch +openstond. Dit gezicht gaf hem een akelig voorgevoel, en het was met +kloppend hart en aarzelend, dat hij binnen de kamer sloop. + +Daar ontvloog hem een schreeuw, hij sprong, bleek als een doode, terug +tot tegen den muur, en waggelde op zijne beenen van verschriktheid. + +Het bed was ledig en het deksel lag half ten gronde, als hadde men den +slapende met geweld van zijne rustplaats weggerukt. + +Zoohaast de arme hovenier den adem en het bewustzijn terugkreeg, sprong +hij huilend ter kamer uit, viel schier van al de trappen, vluchtte door +den hof en liep in zijn huis, waar hij zich op eenen stoel liet zakken +en kermend uitriep: + +"Peternelle, Peternelle, water en azijn: laaf mij, of ik val van mij +zelven! Eilaas! eilaas, men wil mij niet gelooven, daar hebt gij het nu! +Die ongelukkige, die arme Willem! Hadde hij nooit den voet op dit +vermaledijd kasteel gezet! Zulk einde en nog zoo jong!" + +"Water en azijn? Wat is er gebeurd? Hebt gij weder iets uitgevonden om +mij vervaard te maken?" vroeg de vrouw verbleekend. + +"Neen, neen, Peternelle, ditmaal is het ernstig waar," antwoordde Jakob. + +"Is mijnheer Reimond overleden? Eilaas, het moest er toch eens van +komen. God zij zijne arme ziel genadig!" zuchtte de vrouw, haar +voorschoot aan de oogen brengende. + +"Veel erger, veel erger, Peternelle! Laat mij adem scheppen, laat mij +een beetje bekomen. Houd u sterk, vrouw lief. Het is om daar neder te +vallen en nooit meer op te staan." + +"Welnu, indien onzen meester niets overkomen is, wat nieuw inbeeldsel +ontstelt er dan uwe zinnen?" + +"Zwijg, spreek zoo niet, Peternelle. Uwe ongeloovigheid zou u een +ongeluk over het hoofd kunnen halen. Peternelle, ik ben gaan zien naar +de kamer.... naar de kamer van Willem, en--God beware ons!--het bed is +ledig!" + +"Het bed is ledig?" morde de vrouw. "Dit is zonderling en verwonderlijk, +inderdaad." + +"Niet waar? Die arme jongen! Het deksel lag verward, en men kon zien, +dat er een schrikkelijk geweld.... O, hemel, mijn droom van dezen nacht +was dus waarheid!" + +"Lagen de kleederen van Willem in de kamer?" vroeg Peternelle, die +geweld deed om tegen de verschriktheid te worstelen. + +De hovenier wreef zich het voorhoofd als om zijn geheugen op te klaren. + +"Zijne kleederen?" herhaalde hij. "Neen, die heb ik niet bemerkt." + +"Gij ziet wel, Jakob, dat gij u alweder door uwe verbeelding laat +verleiden en mij nutteloos den dood op het lijf jaagt?" + +"Hoe dat?" + +"Wel, begrijpt gij niet, sukkelaar, dat, indien mijnheer Willem in +zijnen slaap door Gods vijand ware verrast geworden, zijne kleederen +toch in de kamer zouden gebleven zijn?" + +"Dit is niet zeker, Peternelle. Ik weet eene geschiedenis van eenen +smid, die zijne ziel aan den zwarten man had verkocht en toen Lucifer +kwam om hem te halen, gaf hij hem den tijd om zich eerst te wasschen en +op te kleeden." + +"Kindervertelsel! Het was zeer vroeg, toen mijnheer Willem gisteren te +bed ging. Hij zal zijne kamer verlaten hebben, om eene morgenwandeling +te doen. Misschien is hij buiten het kasteel en in het bosch. In stede +van hier te blijven beven, ga, zoek naar mijnheer Willem, gij zult hem +vinden en van uwe ijdele benauwdheid verlost worden." + +"Gij meent het, Peternelle? O, mocht gij u niet bedriegen! Ik ga, ik +loop, ik zal het gansche kasteel en zijne omstreken doorzoeken, en +roepen en schreeuwen.... maar, eilaas, ik vrees, dat het er weinig zal +aan helpen. Arme jongen, arme jongen!" + +En het hoofd met moedeloosheid schuddende, liep hij de deur uit. + +De vrouw hernam haar huiswerk en schonk de koffie op, zij legde eenige +eieren in een keteltje met ziedend water, en spreidde een ammelaken over +de tafel. + +Alhoewel zij zich sterkmoedig had getoond in het bestrijden der +bijgeloovigheid van haren man, was zij evenwel niet zonder eenige +ongerustheid. Zij had een kruis gemaakt en prevelde een stil gebed +tusschen het gaan en keeren, om haren arbeid te verrichten. + +"God zij geloofd, daar is mijnheer Willem!" riep zij eensklaps uit, den +jongeling vroolijk toelachende. + +"Goeden dag, Peternelle," zeide Willem. "Hoe verblijdt u mijne komst! +Gij ziet er bekommerd en angstig uit?" + +"Zit neder, mijnheer. Hebt gij wel geslapen?" + +"Zeer wel, uiterst wel; ik was ook zoo vermoeid." + +"En gij hebt niets gezien? Niets?" + +"Wat zou ik gezien hebben, mijne lieve Peternelle?" + +"Ach, mijn man heeft mij vervaard gemaakt, hij is naar uwe kamer gegaan, +heeft het bed ledig gevonden en meende, dat u een schrikkelijk ongeluk +moest overkomen zijn." + +De jongeling haalde medelijdend de schouders op. + +"Waar is Jakob?" vroeg hij. + +"Hij is naar u gaan zoeken, op het kasteel, in de velden, in het bosch. +Hij zal mij nog van benauwdheid doen sterven met zijne dwaasheden. Daar +is uw ontbijt, mijnheer, denk niet meer aan onze gekke vrees." + +De jongeling begon de koffie te nuttigen en at langzaam het brood en de +eieren, die hem waren voorgezet. Zijn geest moest insgelijks door droeve +overweging beneveld zijn, want hij onderbrak soms zijn ontbijt, zuchtte +en schudde het hoofd met mismoed. + +"Gij zijt treurig, mijn goede Willem," bemerkte de vrouw. "En gij zegt +nogtans, dat gij wel hebt geslapen?" + +"Ja Peternelle," was het antwoord, "ik ben treurig. Dezen morgen, toen +ik wakker geworden was, kwamen allerlei pijnlijke gedachten mij +bestormen. Ik heb mijne kamer verlaten om onder de opene lucht +verkwikking te zoeken, achter het kasteel ligt er een groote boom, die, +door den wind uitgerukt, over de gracht gevallen is. Langs daar geraakte +ik in de bosschen. Die wandeling heeft mij weemoedig gemaakt.... Geloof +gij insgelijks, Peternelle, dat mijn oom overmorgen zal sterven?" + +"Eilaas, hij zal sterven!" zuchtte zij. + +"En meent gij ook, gelijk Jakob, dat de duivel, of ik weet niet welke +bovennatuurlijke oorzaak, daarmede bemoeid is?" + +De oude vrouw schudde ontkennend het hoofd. + +"Ha, gij gelooft het niet? Gij hebt een gezond verstand, gij +Peternelle?" riep de jongeling. "Welnu, wat is uwe gedachte over de +onbegrijpelijke ziekte mijns ooms?" + +"Mijne gedachte is, dat onze arme meester, door het eeuwig studeeren en +zoo gansch opgesloten te leven, zijne zinnen eenigszins heeft gekrenkt. +Ik heb het altijd gevreesd, maar mijn man maakt mij zoo vervaard met +zijne ijselijke droomen en zijne akelige vertelsels, dat ik zelve niet +goed meer weet, of ik nog bij mijn volle verstand ben." + +"Arme Peternelle, gij moet niet veel vermaak van uw leven gehad hebben +op Wildenborg. Is hier nooit een geneesheer gekomen?" + +"Mijnheer Reimond wil van geene dokters hooren spreken, en hij heeft +gedreigd ons van Wildenborg te doen verhuizen, indien wij ooit eenen +dokter op Wildenborg toelieten." + +"Alzoo, Peternelle, gij zijt zeker, dat mijn arme oom gaat sterven, en +gij hebt geene de minste hoop meer op de behoudenis zijns levens?" + +"Eilaas, niet de minste. De pastoor van het dorp zegt het insgelijks, er +is niets aan te doen!" + +"Ha, de pastoor komt somwijlen op Wildenborg?" + +"Hij komt er dikwijls, hij is de eenige mensch, die tot mijnheer Reimond +mag naderen. Zij zijn goede vrienden. Zoohaast de arme menschen in het +dorp nood hebben, komt de pastoor op Wildenborg, en onze meester schenkt +hem telkens eene milde, zeer milde aalmoes. Ook voor de kerk is mijnheer +Reimond vrijgevig, hij heeft eene aanzienlijke somme gelds geschonken, +om eenen kelk en een groot kruis van louter zilver te doen maken. Die +kostelijke juweelen versieren op de hoogtijden het autaar, en, wees +zeker, er is in twintig uren in het rond niets rijkers of schooners te +zien." + +"Zonderling!" mompelde Willem, "en uw man gelooft, dat zulk godvruchtig +en goedhartig mensch betrekkingen heeft met den duivel!" + +"Mijn man is een sukkelaar," antwoordde Peternelle. "Hij was zoo van +zijne kindsche dagen af, hij droomt van niets dan van spoken en geesten. +Vroeger lachte ik daarmede, en zijne dwaze vertelsels ontstelden mij +niet, maar nu word ik oud en vreesachtig, mijn goede Willem. Evenwel, +indien gij hier bleeft, zou uw gezelschap mij den verloren moed +teruggeven, ik ben er zeker van, ik gevoel mij reeds verjongd en geheel +veranderd, sedert gij hier zijt." + +Na een oogenblik overweging zeide Willem: + +"De pastoor meent insgelijks, dat mijn oom overmorgen zal sterven? Het +is niet mogelijk. Dat hij ziek is, dit kan men niet miskennen, maar of +hij niet maanden lang nog zal leven, wie zou dit kunnen verzekeren?" + +"Het is gemakkelijk te begrijpen," antwoordde de oude vrouw. "Hij is +niet ziek, maar hij laat zich zelven sterven van honger." + +"Zoo! wat zegt gij daar, Peternelle?" + +"De waarheid, zeg ik, Willem. Sedert zes maanden, dat mijnheer zich +ingebeeld heeft, dat hij het uur zijns doods kent, is hij begonnen met +minder en minder voedsel te nemen. Deze laatste vijftien dagen gebruikte +hij niet genoeg om eenen vogel in het leven te houden." + +"Maar dit is niet voldoende, om hem juist op een voorzegd oogenblik te +doen sterven." + +"En het hoofd dan, Willem?" + +"Ja, Peternelle," zuchtte de jongeling, "het hoofd, de verbeelding. Zou +er dan geen hulpmiddel overblijven?" + +"Ik denk het niet: de pastoor zegt, dat wij met verduldigheid ons aan de +besluiten van God moeten onderwerpen." + +Willem zweeg eene wijl en scheen door de treurnis gansch overmeesterd. + +Daar stormde de oude Jakob in de kamer, en vloog met tranen van +blijdschap den jongeling aan den hals. + +"Den hemel zij dank!" juichte hij. "Ditmaal ten minste heb ik mij +bedrogen! Ho, het ware toch te schrikkelijk geweest. Willem, Willem, gij +zijt nog levend? Ik voel mij schier bezwijken van blijdschap!" + +"Wel, wel, mijn goede Jakob, in uwe eenvoudigheid hebt gij gaan denken, +dat de duivel...." + +Maar de hovenier onderbrak zijne woorden en zeide met haast: + +"Neen, neen, spreken wij daar nu niet van. Het is reeds een kwart uurs +geleden, dat Nox mij in den hof is komen zeggen, dat uw oom op u wacht. +Ga spoedig naar het kasteel, hij zou verstoord kunnen zijn." + +De jongeling, die niet zonder vreugde aan de dwaasheden van den hovenier +ontsnapte, ging ter kamer uit en bevond zich eenige oogenblikken daarna +in tegenwoordigheid van zijnen oom. Deze, na eenen hartelijken +morgengroet, zocht hem aan zich bij de tafel neder te zetten, legde de +hand op het doodshoofd en sprak op ernstigen toon: + +"Mijn vriend, ik heb schier den ganschen nacht doorgebracht met den +geest over u en over uwe toekomst te raadplegen. Uwe ziel is voor alsnu +nog niet sterk genoeg om onmiddellijk in gemeenschap met de wereld der +geesten te komen. Wij zullen dus niet nutteloos de proefneming van +gisteren voortzetten, maar beloof mij, dat gij, na mijnen overgang tot +een ander leven, nieuwe en herhaalde pogingen zult inspannen, om den +geest, die in het doodshoofd woont, te zien en te hooren. Gij antwoordt +niet, Willem? Weigert gij mij deze belofte?" + +"O neen, oom lief, ik zal het pogen, zelfs zonder hoop," stamelde de +jongeling. + +"De hoop en de overtuiging zullen komen, vriend. Ik zal u het doodshoofd +tot erfdeel nalaten. Het is een kostelijker voorwerp dan mijn fortuin. +Nu wil ik u onderhouden over eene verrassende openbaring, welke de geest +mij dezen nacht heeft gedaan. Willem, om gelukkig te zijn op aarde en +uwe ziel vooruit te helpen in den weg naar de volmaaktheid, moet gij +zonder uitstel trouwen." + +"Trouwen?" herhaalde de jongeling met verbaasdheid. + +"Deze gedachte verschrikt u, vriend?" + +"Ho, neen, heer oom, maar om te trouwen is er eene bruid noodig, en gij +zult bekennen, dat de keus geene onverschillige zaak is?" + +"Zeker niet, van deze keus hangt integendeel het geluk des levens af. +Wist de mensch slechts in deze gewichtige zaak het goede van het kwade +te onderscheiden! Maar zijne stoffelijke zintuigen bedriegen hem zeer +dikwijls, en dan moet hij, eeuwen lang misschien, de dwaling van een +oogenblik betreuren en er voor boeten. De geest, die in het doodshoofd +woont, heeft daarvan eene groote ondervinding. Weet gij wat het huwelijk +is, Willem, ten minste wanneer het volgens de ware vereischten wordt +gesloten? Het huwelijk is de samenvoeging van twee onvolledige zielen, +die elkander bijbrengen wat aan elk hunner ontbreekt. Om klaarder te +zijn, zij volledigen elkander en helpen elkander vooruit in de baan van +den zedelijken voortgang. Lichaamsschoonheid en geldelijk fortuin doen +er niets toe, integendeel, zij zijn meest altijd oorzaken van den +beklaaglijksten misgreep. De voorwaarde, die men te vervullen heeft, is +deze: de inborst der vrouw moet de vollediging zijn der inborst van den +man. Zoo moet een zwakke man eene sterke vrouw hebben, een gierigaard +eene vrijgevige, een treurder eene blijmoedige, een trotschaard eene +nederige, en zoo wederkeerig. Indien men door hinderpalen, welke in het +maatschappelijk leven bestaan, niet wederhouden was, zou men altijd en +onfeilbaar de vrouw kiezen, die men behoort te hebben tot het volledigen +van zijn zedelijk wezen, want er bestaat tusschen de zielen, die +elkander betamen, eene geheimzinnige aantrekking, evenals de +aantrekking, die de _electriciteit_ ons in de stoffelijke wereld doet +ontdekken. De vrouw moet voor den man zijn wat in de natuur de _pole +négatif_ is tot den _pole positif_. Begrijpt gij, mijn vriend?" + +"Zeker, ik begrijp zeer wel, heer oom," antwoordde Willem met +verwondering. "Ik zelf heb meer dan anderen misschien zulke onuitlegbare +aantrekking ondervonden." + +"Ik twijfel er niet aan," zeide mijnheer Reimond, "maar gij hebt u +waarschijnlijk misgrepen. De geest heeft mij veropenbaard waar de eenige +ziel is, die u gelukkig maken en u vooruit helpen kan naar de eindelijke +volmaaktheid. Het is uwe nicht Theresia De Wit." + +"Mijne nicht Theresia De Wit?" kreet Willem met eene uitdrukking van +afkeer. + +"Gij kent haar immers niet?" + +"Neen, heer oom, ik heb haar nooit gezien." + +"Des te beter." + +"Ik zou mij toch eerst moeten kunnen overtuigen, dat zij wel de ziel is, +die mijne ziel...." stamelde Willem op angstigen toon. + +"De geest kent haar, hij bevestigt, dat zij alleen het geluk uws levens +en het geluk uwer reis door de eeuwigheid kan verzekeren." + +"Maar, oom lief, een huwelijk? Dit gaat zoo niet!" + +"Ja, wel, het moet zoo gaan." + +Het hoofd met eene soort van gekwetste fierheid oprichtende, vroeg de +jongeling: + +"En indien ik weigerde mij dus eene onbekende vrouw te laten opdringen?" + +"Ik zou voor uw geluk zorgen, zelfs tegen uwen dank, Willem, en u +dwingen den raad en den wil van den geest te volgen en te volbrengen. +Het middel is eenvoudig, ik zou mijn testament veranderen en er in +schrijven, dat gij en Theresia De Wit slechts mijne erfgenamen kunt +worden, nadat uw huwelijk voltrokken zij. Intusschen zou het bureel van +weldadigheid mijne goederen beheeren en ze behouden, totdat gij u beiden +aan uwe ware bestemming zoudt hebben onderworpen. Overweeg en wedersta +den geest niet nutteloos: zijne uitspraak is onveranderlijk!" + +Willem liet het hoofd op de borst vallen en bleef zwijgend. Hij overwoog +met snelheid zijnen neteligen toestand en de zonderlinge gril, waarvan +men hem het slachtoffer wilde maken. Zijn oom had hem gisteren gezegd, +dat hij den geest zou raadplegen over een middel om de goederen, die tot +Wildenborg behoorden, onverdeeld te laten. Dat huwelijk was dus het +gevonden middel. Het werd hem klaarblijkend, dat de geest niemand anders +was dan zijn oom zelf, en dat deze in zijne krankzinnigheid het +doodshoofd alles deed zeggen, wat hij verlangde te hooren. Er ontstond +in het gemoed des jongelings nog eene hoop: hij zou pogen de beslissing +zijns ooms met dezelfde wapens te bestrijden. Hij hoefde tot geene +leugens zijne toevlucht te nemen, wat hij in zijn leven had ontmoet, +geleek sterk genoeg naar de geheimzinnige aantrekking van twee zielen, +meende hij, om dit tegen zijn huwelijk met Theresia De Wit te doen +gelden. + +"Worstel niet langer, aanvaard uw lot," morde mijnheer Reimond, +ontevreden over het lange stilzwijgen van zijnen neef. "Uw erfdeel +verliezen of u onderwerpen!" + +"Ik zal niet worstelen, ik zal mij onderwerpen," antwoordde Willem, +"indien gij mij toelaat, u de redenen mijner aarzeling te verklaren. +Blijft gij, heer oom--of de geest--bij uwe beslissing, het zij zoo, ik +zal denken, dat Theresia De Wit waarlijk bestemd is om mij gelukkig te +maken." + +"Ik luister," zeide mijnheer Reimond. + +"Maar, oom lief, het is tamelijk lang. Zult gij mij met welwillendheid +en geduld aanhooren?" + +"Spreek, wij hebben tijds genoeg." + +"Welnu, mijn goede oom, gij zult zien, dat ik niet tot heden hoefde te +wachten, om door de geheime aantrekking der zielen beheerscht te +worden.... Ik was schier nog een kind, en mijne moeder leefde nog. Eens +vergezelde ik haar naar een voorgeborcht van Brussel, waar zij eene oude +vriendin had. Dewijl ik alsdan de hoofdstad voor de eerste maal zag, +wandelden wij tot 's avonds laat door de meest bevolkte straten, ik keek +mij blind en dwaas op al de pracht en al den rijkdom, die in de +magazijnen en winkels uitgestald lagen. Des anderen daags was mijne +moeder onpasselijk van vermoeidheid. Het was de feestdag van +Onze-Lieve-Vrouw, ik zou alleen ter kerke gaan en mocht, na de mis tot +op den noen, met wandelen in het voorgeborcht mij vermaken. De lucht was +wonderzuiver en de zon ongewoon glansrijk. Waarschijnlijk hadden de +invloed van het schoone weder, het gevoel van vrijheid, of de +schitterende dingen, die ik had gezien, op mijnen geest eenen diepen +indruk uitgeoefend. Ik kende mij zelven niet meer, het hart klopte mij +in den boezem, ik hijgde met machtige ademhalingen, mij dacht, ik was +groot en sterk geworden te midden eener natuur, wier pracht en glans mij +verbaasden. Eensklaps hoorde ik muziek en zag de burgers naar de +voornaamste straat van het voorgeborcht loopen. Ik volgde hen, en op het +oogenblik dat ik den hoek der zijstraat bereikte, naderde daar de +processie ter eere van Onze-Lieve-Vrouw. O, wat scheen mij dit alles +schoon en wonderbaar! Niet alleen de gouden vanen en de zilveren +lantaarnen, welke het zonnelicht deed fonkelen, maar er waren wel +tweehonderd kinderen in de processie, gekleed als engeltjes met vlerken, +als maagdekens met bloemen gekroond, als pelgrims met kalebas en staf, +als heiligen, als priesters, als kardinalen.--Terwijl ik, om zoo te +zeggen, mijnen adem wederhield om niets van het verrukkend schouwspel te +verliezen, zag ik in de verte al eene schaar hemelsche geesten opdagen, +het waren jonge meisjes, iets grooter dan de andere kinderen. Zij waren +gansch omhuld in sneeuwige tul of kant, en hun wazen sluier, lichter nog +dan de lucht, vlotte op den onvoelbaren wind. Elk hunner droeg eene +soort van staf, waarop in het Latijn een woord uit de litanie van +Onze-Lieve-Vrouw blikkerde. Waarlijk, mijn getroffen verbeelding deed ze +mij aanzien voor zoovele engelenhoofdjes, drijvend op witte, vlokkige +wolken, tusschen welke de schoonste starren des hemels heenblikkerden. +Toen deze schaar mij naderde, bemerkte ik wel, dat ik mij had bedrogen +en al deze engelen slechts meisjes waren, kinderen als de andere, die +mij reeds waren voorbijgegaan. De begoocheling mijner zinnen hield +slechts stand voor eene enkele. Zij droog eenen gulden staf met de +woorden _Rosa mystica_, _geheimzinnige Roos_. Dit was, dacht mij, geen +menschelijk wezen, zoo bovennatuurlijk schoon, zoo vreemd, zoo +onbegrijpelijk! Met neergeslagen oogen over den grond glijdend, zonder +dat eene enkele beweging een stoffelijk lichaam onder den kanten sluier +kwame verraden! Wat mij geschiedde, is mij nu nog onbekend: ik beefde +van bewondering, nauwelijks kon ik ademhalen, het was als wilde mijne +ziel mij verlaten om den engel te gemoet te vliegen.... _Rosa mystica_, +als hadde zij de verborgene stem mijner ziel gehoord, hief het hoofd op, +toen zij mij voorbijdreef, en sloeg in mijne oogen eenen stillen, diepen +blik, die de kloppingen mijns harten onderbrak en mij terzelfder tijd +met eenen onuitlegbaren schrik en met eene eindelooze blijdschap +vervulde.... De processie was reeds verre, toen ik uit mijne +dwaalzinnigheid ontwaakte. Door eene onbewuste kracht gedreven, en +snakkend om het hemelsch verschijnsel nog eens te aanschouwen, liep ik +al het volk vooruit en bereikte juist de kerkdeur op het oogenblik, dat +de eerste standaard zich nog boog om er onder door te gaan. Ik zag de +_Rosa mystica_ nog eens, en zij ook hief weder haren blik tot mij op. +Zij scheen verrast over mijne uiterste verbaasdheid, doch glimlachte zoo +zoet, dat het mij scheen, dat ik het hart mij in den jagenden boezem +voelde wegsmelten. Hopende voor de derde maal haar te zien, bleef ik bij +de kerkdeur staan. Al degenen, die de processie hadden vergezeld, kwamen +er opvolgend uit. _Rosa mystica_ alleen verscheen niet weder, en +eindelijk werd de deur des tempels gesloten. Voor mijn ontsteld gemoed +was dit een ontegensprekelijk bewijs, dat ik mij niet had bedrogen. De +engel, die zulken broederlijken glimlach mij had gegund, was terug naar +den hemel!" + +"Verwonderlijk inderdaad!" murmelde mijnheer Reimond, "Het was misschien +de ziel van een kind, dat vroeger nog op dezelfde wijze in de processie +had gegaan, en waaraan God had toegelaten, in zichtbaren vorm eene +geliefde plechtigheid bij te wonen. De Rosa mystica ware dus geen engel +geweest, maar een der geesten, die in de lucht op een nieuw leven +wachten." + +"Voor mij zou deze zaak geheimzinnig en onuitlegbaar gebleven zijn, heer +oom, hadde ik haar later niet wedergezien onder eene andere dan eene +engelengedaante." + +"Gij hebt haar wedergezien?" vroeg mijnheer Reimond met aangejaagde +nieuwsgierigheid. "Uwe geschiedenis boezemt mij veel belang in. Ga +voort, ik bid u." + +"Gij zult het wellicht niet gelooven, heer oom, maar dit eenvoudig +voorval heeft eenen grooten invloed op mijne inborst en op mijn leven +uitgeoefend. Van dan af werd ik eenzaam en droomend, altijd waarde het +zoet verschijnsel voor mijne oogen, en glansde in licht en in duisternis +de onvergetelijke glimlach mij tegen. Ik werd godvruchtig bovenmate, en +zoodanig tot het gebed geneigd, dat mijne moeder, uit vrees voor het +verlies mijner gezondheid, deze ziekelijke ontheffing des geestes meende +te moeten bestrijden. Welke was mijne beweegreden? Hoopte ik nader tot +den engel te komen door mij geheel aan den dienst des Heeren toe te +wijden? Ik weet het niet.--Met de jaren verzwakte toch deze herinnering, +en de dood mijner goede moeder, waardoor ik alleen in de wereld bleef, +bracht veel bij om mij andere gepeinzen te geven. Zoo bereikte ik den +ouderdom van achttien jaar, ik dacht nooit meer aan den engel, dan op +die zeldzame oogenblikken, wanneer de ziel als het ware terugkeert in +het leven, en wij droomend ons verleden zich als een tooverdoek voor +onze oogen zien ontrollen. Het is omtrent dien tijd, dat ik klerk werd +bij mijnen eersten meester. Op eenen Zondag vergezelde ik hem naar het +dorp Hemixem, waar hij familie had. Ik was alleen tot op den oever der +Schelde gewandeld, en stond zonder doel naar de stoomboot van Temsche te +kijken, die de kaai naderde om eenige reizigers af te zetten en er +andere op te nemen. Daar ontvliegt mij een doffe schreeuw, ik staar +bevend op eene jonge juffer, die van achter het beschot der boot met +wijdgeopende oogen mij verwonderd aanziet. Het was de _Rosa mystica_, +eenen anderen naam wist mijn geheugen haar niet te geven. Zij was het! +Hadden mijne oogen haar niet herkend, de onstuimige sprongen mijns +harten hadden mij er van overtuigd. Terwijl ik daar stond als in een +steenen beeld veranderd, gaf de dampklok het sein, de stoomboot bewoog +hare raderen en het verschijnsel werd mij voor de tweede maal +ontvoerd.--Deze ontmoeting leende natuurlijk nieuwe kracht aan de bijna +uitgewischte herinnering, en ik moet bekennen, dat na dien dag allengs +iets min bovennatuurlijks zich mengde in de onbegrepene neiging, welke +ik voor .... voor de _Rosa mystica_ gevoelde. Zij kwam mij niet meer +voor als een engel, zij was eene juffer, eene jonge maagd, een aardsch +wezen als ik. Weder bleef ik twee jaren zonder haar terug te zien, en +weder had ik schier de ontmoeting vergeten, toen ik, op den ijzeren weg +zijnde, haar herkende op den tocht, die in de statie van Contich ons +voorbijreed.... Veel later zag ik zo eens te Mechelen, tusschen het +volk, dat zich verdrong om den prachtigen ommegang van Onze-Lieve-Vrouw +van Hanswijk te bewonderen. Ik woelde door de menigte naar de plaats, +waar ze stond, doch ontwaarde haar niet meer, ik doorliep markten en +straten tot den laten avond, doch vruchteloos.... Nu ongeveer twee +maanden geleden, van Waalhem naar Mechelen gaande, om eene boodschap van +mijnen meester te volbrengen, hoor ik achter mij een verwittigend +zweepgeklets en het gedaver van snel rollende wielen, ik loop terzijde +van den weg en keer mij om. Daar zie ik de _Rosa mystica_ met eene oude +dame en twee jongere juffrouwen in eene opene koets zitten, in eene +rijke heerenkoets! Zij, in het voorbijrijden, groet mij stil en +ingetogen, doch met minzaamheid, dunkt mij. Ik, door een gevoel van +droefheid aangegrepen bij het gepeins, dat zij tot eene rijke familie +behoort, neem den hoed werktuiglijk af, wanneer zij reeds voor mijne +oogen onzichtbaar is geworden.... Erken, oom lief, dat dit alles +buitengewoon is, dat er iets moet zijn, dat ons immer na lange scheiding +weder op dezelfde plaats brengt, opdat wij elkander niet zouden +vergeten. Daarenboven, dat eene geheimzinnige macht, een verborgen wil, +ons belet elkander te naderen of elkander aan te spreken, voordat het +vastgestelde uur zij geslagen?" + +"Inderdaad, gij zijt beiden onder eenen invloed, die bovennatuurlijk +schijnt," bemerkte mijnheer Reimond, "maar het kan wel een toevallige +samenloop van omstandigheden zijn. Eindigt daar uwe geschiedenis?" + +"Ho, neen, heer oom, ware het zoo, ik zou het der moeite niet waard +hebben geacht, om uwe welwillende aandacht zoo lang te misbruiken." + +"Gij hebt haar diensvolgens nog gezien?" + +"Ja, en met haar gesproken; gij zult het gaan hooren. Eergisteren zegt +mijn meester, dat hij naar naar het kasteel van Everdaal moest rijden, +om er met de gravin De Bernavaux te spreken, en dat ik hem zal +vergezellen. Op het kasteel aangekomen, treedt mijn meester in eene zaal +met de gravin, en geeft mij vrijheid om in de dreve en in den tuin te +wandelen, totdat hij mij doe roepen. Ik dwaal schier een half uur onder +het hooge geboomte en nader tot eenen muur, waarachter ik juichende +stemmen hoor van jonge meisjes of van kinderen, die zingen en spelen en +lachen. Eéne stem is er, die mij wonderzoet en blijmoedig schijnt; hare +galmen betooveren en ontroeren mij; maar daar springen van achter den +muur drie juffrouwen, en, door mijne tegenwoordigheid verrast, bekijken +zij mij ondervragend. Ik, gansch buiten mij zelven, en niet wetende wat +ik doe, hef de armen in de hoogte en roep uit: "_Rosa mystica!_" Zij was +het! Beschaamd over mijne vermetelheid, blijf ik haar zwijgend +aanschouwen. Zij insgelijks wordt rood.--"O, hemel, mijnheer," murmelt +zij, "reeds twaalf jaar, en gij hebt het niet vergeten?"--"En gij, +juffrouw?" verstout ik mij te vragen.--"En ik ook niet," antwoordt zij +verbaasd. "Het is een onuitlegbaar raadsel!" Op dit oogenblik trad de +gravin, door mijnen meester gevolgd, uit het kasteel. "Flora, Flora!" +riep mevrouw De Bernavaux, "kom haastig hier, ik heb u noodig!"--Zij +heet dus Flora? Op mijne vraag of Flora hunne zuster was, zeiden de +jonge juffrouwen mij, dat Flora als gezelschapsjuffer op het kasteel +woont. Mijn meester wilde onmiddellijk vertrekken; ik moest gehoorzamen. +Onderweg maakte ik allerlei ontwerpen. Nu wist ik waar zij woonde, de +maagd, wier herinnering en beeld mijn gansche leven hadden beheerscht. +Zij was niet rijk, ten minste niet genoeg om mij alle hoop op een +huwelijk met haar te ontzeggen. Ja, ja, het gepeins aan een huwelijk +ontstond gansch klaar en volledig in mijnen geest. Zij insgelijks had +twaalf jaar mijne herinnering behouden. Het was eene bekentenis, en ik +had de overtuiging dat sedert onze kindsheid er een geheimzinnige band +tusschen onze zielen had bestaan, en God zelf ons voor elkander had +bestemd. Mijn voornemen was, dit alles aan mijnen meester te openbaren +en zijne edelmoedige hulp in te roepen; maar toen wij ten zijnen huize +afstapten, vond ik uwen brief, die mij naar Wildenborg riep. Ik ben +onmiddellijk vertrokken." + +Er heerschte eene wijl stilte, gedurende welke mijnheer Reimond het +hoofd schudde en tegen een lastig gepeins scheen te worstelen. + +"Niet waar, oom lief," zeide Willem, "indien er ooit eene aantrekking +tusschen twee zielen bestond, dan is het tusschen Flora en mij geweest? +Gij zult deze bovennatuurlijke stem niet willen miskennen, en mij niet +dwingen tot een huwelijk met mijne nicht Theresia De Wit, die ik niet +ken en niet kan beminnen?" + +"Gij laat u door uwe verbeelding misleiden," antwoordde mijnheer Reimond +op strengen toon, "en, zooals de meesten doen, begrijpt gij de zaken op +de wijze, die met uwe voorbestaande wenschen overeenkomt. Wat is er dan +toch zoo wonderlijks in deze geschieden? Gij ziet eens een jong meisje, +dat eenigen indruk op u uitoefent. Op twaalf jaar tijds ontmoet gij ze +nog drie of vier keeren. Weet gij wat er wonder is? Dat gij ze niet +honderdmaal hebt ontmoet." + +Een zucht ontsnapte Willem bij deze koele uitlegging zijns ooms. +Mijnheer Reimond wist de voorvallen wel zonder begoocheling te +beschouwen, wanneer het zijne eigene grillen niet gold. De arme jongen +had diensvolgens zijn doel niet bereikt. Zijn oom liet hem den tijd niet +om daaraan te twijfelen, dewijl hij nu zeide: + +"Gij moet trouwen met Theresia De Wit. De geest van het doodshoofd heeft +het bevolen: zijne uitspraak is een onherroepelijk vonnis." + +"Maar, mijn lieve oom," kreet Willem met wanhoop, "gij zult mij toch +niet zoo onmeedoogend tot een gansch leven van treurnis veroordeelen!" + +"Integendeel, gij zijt het zelf die uw geluk wilt verbrijzelen, niet +alleen voor dit tegenwoordig leven, maar voor vele toekomstige levens. +Verkiest gij naar de hand van die Flora te staan en uwe ziel, duizend +jaar verre misschien, in de baan der eeuwigheid achteruit te drijven, +gij zijt vrij. Ik van mijnen kant ken mijnen plicht, en ik zal hem +volbrengen. Laat hooren, onderwerpt gij u aan de wil der geesten of +niet? Ik wacht een antwoord. Gij zwijgt, Willem? Het is dus eene +weigering?" + +De genster van een plotselijk gepeins lichtte eensklaps in des +jongelings oogen. + +"Oom, mag ik mijne beslissing uitstellen tot morgen?" vroeg hij. + +"Tot morgenavond, indien gij het verlangt." + +"Ik dank u; misschien zal dezen nacht de geest, uit medelijden met mij, +u eene edelmoedige inspraak geven." + +"Hoop het niet, mijn vriend, en martel u zelven niet door eene +vruchtelooze worsteling tegen iets, dat onveranderlijk moet blijven." + +"Ach, misschien zal ik de noodige kracht tot de onderwerping vinden." + +"Het zal mij grootelijks verblijden; want ik bemin u, Willem. Ondanks de +betrekkelijke onvolledigheid uwer ziel zijt gij een goede, brave jongen; +en ik zou uw geluk willen verzekerd zien, vooraleer ik opvaar tot een +nieuw leven." + +"Gij blijft dus altijd bij de schrikkelijke gedachte, dat gij gaat +sterven?" + +"Overmorgen, den 31sten Augustus." + +"En indien gij bij geval den 1sten September nog leefdet? Zoudt gij +dan niet bekennen, dat de geest u heeft bedrogen? Zoudt gij mij dan nog +met mijne nicht willen doen trouwen?" + +"Ho, hoe zou ik het betreuren! sterven van schaamte en van smart!" +zuchtte mijnheer Reimond met eene soort van afgrijzen. "Wat! mijn +gansche leven zou eene krankzinnigheid geweest zijn? Die hooge +wetenschap eene ijlhoofdigheid? De geesten schimmen, door mijne zieke +hersens geschapen? Zwijg daarvan, Willem; gij doet mij ijskoud worden +van schrik. Gelukkig dat gij dwaalt. Mijn dood op het vastgestelde uur +zal van het bestaan der geesten en van de waarheid hunner leering +getuigenis geven!" + +De ontmoedigde jongeling zag eene korte wijl zijnen oom met +verslagenheid aan; doch hij stond welhaast recht en, knikkende, als +bevestigde hij zich zelven in een genomen besluit, zeide hij: + +"Heer oom, toen ik naar Wildenborg kwam, liet ik mijn reispak te +Hasselt. Ik heb hier geen linnen, en mij ontbreken vele noodige dingen. +Indien gij de goedheid hadt, mij het toe te laten, zou ik gaarne over en +weder naar Hasselt rijden, om mijnen koffer te halen." + +"Gij zult morgen terug zijn?" + +"Ja, heer oom." + +"Welnu, reis naar Hasselt. Ik was toch voornemens, dezen ganschen dag +alleen te blijven. Mijn tijd wordt kort; ik moet lang met den geest +spreken en schikkingen nemen voor mijn vertrek naar de wereld der +zielen. Ga, mijn vriend, en bedroef u niet door eene vruchtelooze +worsteling tegen de uitspraak des geestes. Theresia De Wit zal uwe bruid +zijn, of uwe dwalende ziel het wille of niet!" + +De jongeling drukte zwijgend de hand zijns ooms en verliet de zaal onder +het murmelen van een treurig vaarwel. + +Hij vond de vrouw des hoveniers op den dorpel harer deur en zeide haar: + +"Peternelle, ik ga naar Hasselt, en verder nog, indien het moet zijn. Ik +wil weten, of er geen hoegenaamd middel bestaat, om mijnen oom te +genezen of ten minste zijn leven te verlengen. Denk eens, hij wil, dat +ik onmiddellijk trouwe met mijne nicht!" + +"Met Theresia De Wit?" kreet Peternelle verschrikt. + +"Ja; zeg daar niets van aan uwen man; ik ga naar Hasselt om mijnen +koffer te halen. Vaarwel tot morgen." + +Eenige oogenblikken daarna stapte Willem door de dreve, om de baan te +bereiken, die over de heide naar den steenweg van Hasselt liep. + + + + +V. + + +Bij een schoon en zonnig weder stapten twee vrouwen over de heide. Zij +waren voorafgegaan door een boer, die eene kleine reismaal op den +schouder droeg. + +Eene der vrouwen was eene jonge juffer, wier zachtvervig zomerkleedsel, +eenvoudig doch smaakvol, de onbenevelde blijheid van een zuiver +maagdelijk gemoed scheen te verkondigen. + +Ze had blonde haren, die boven haar voorhoofd in eene kunstmatige +verwarring tot eene soort van top waren gekrinkeld; daaronder +glinsterden als blauwe parelen hare kleine, doch ongemeen beweegbare +oogen. Op hare lippen speelde bestendig een stille, teedere glimlach, +als beschouwde zij de oorspronkelijke natuur, die haar omringde, met +vreugde des harten en met liefde. + +Alhoewel er nog iets onbedwongens, iets kinderlijks in gansch haar +opzicht was, getuigde evenwel de snelheid van haren blik en de vastheid +harer gebaren, dat het dezer bevallige jonge maagd noch aan +gemoedssterkte noch aan helderheid des geestes kon ontbreken. + +Gedurende zeer langen tijd scheen zij de tegenwoordigheid van hare +gezellin en van haren leidsman te vergeten. Vroolijk en nieuwsgierig +sprong zij over de heide, om eene haar onbekende bloem te gaan plukken, +of huppelde eenen vlinder achterna, of sprak juichend tot zich zelve, of +lachte of zong met luider stemme, als dwong de overvloed van kracht en +leven haar tot onophoudende beweging. Wanneer zij dan bemerkte, dat zij +verre achteruitgebleven was, nam zij hare vlucht en liep, snel en licht +als eene hinde, totdat zij haar gezelschap was genaderd. De andere vrouw +was ongetwijfeld eene dienstmeid; zij droeg aan elke hand eene groote +kartonnen doos en scheen vermoeid. Alhoewel zij den boer van dichtbij +volgde, had zij hem nog niet eens het woord toegestuurd. + +Toen de jonge juffer in de verte den donkeren klomp der bosschen uit de +naakte heide zag opdagen, kwam zij terzijde van den boer en vroeg: + +"He! jongen, zeg mij, ik bid u, wat is dat ginder? Het gelijkt naar +eenen zwarten berg." + +"Dat? Het is Wildenborg," was het antwoord. + +"Ha, daar woont mijnheer Reimond?--In dat duister bosch?" + +"In het diepste van het bosch." + +"Gij kent mijnheer Reimond, niet waar?" + +"Neen, mejuffer." + +"Gij ziet hem toch dikwijls, vermits gij van het dorp zijt?" + +"Ik heb hem nooit gezien, mejuffer; en ik hoop, dat God mij zal +toelaten, hem nooit te ontmoeten." + +Deze woorden, op eenen zonderlingen toon gesproken, verwonderden het +meisje. + +"Wat wilt gij zeggen?" vroeg zij. "Ik begrijp u niet. Zijt gij vervaard +van mijnheer Reimond?" + +"Iedereen is van hem vervaard." + +"Waarom? Is hij boos? Doet hij den lieden kwaad?" + +"Integendeel, men zegt, dat hij veel goed doet aan de armen." + +"Wat vreemde dingen zijn dit?" riep de maagd lachend uit. "Gij kent hem +niet, hij is een goed mensch; en gij hoopt hem nimmer te ontmoeten? +Verklaar mij toch dit onverstaanbaar raadsel." + +"Beware ons God!" zuchtte de meid. "Ik begrijp het wel: er zijn dieven, +struikroovers in dit leelijk bosch, en mijnheer Reimond is misschien het +hoofd der bende!" + +"Kom, Isabel, gij zijt zinneloos," spotte het meisje. "Mijn oom een +struikroover! Waar zijn uwe gedachten?" + +"Ja, mejuffer, gij kent uwen oom ook niet," zeide de meid. "Ik heb eens +een boek hooren lezen van eenen kapitein der struikroovers, die de rijke +lieden uitplunderde om de arme menschen te kunnen helpen. Wat gebeurd +is, kan nog gebeuren. Hadde ik geweten dat wij, dus verre van alle +dorpen en huizen, door een donker bosch zouden moeten gaan, ik ware +zeker te huis gebleven." + +"Welnu, mijn jongen," vroeg het meisje, "waarom vreest men mijnheer +Reimond? Spreek niet met halve woorden. Gij zult mij verplichten; ik heb +redenen om te weten, hoe de zaken op Wildenborg staan. Gij aarzelt? Het +is dus wel schrikkelijk?" + +"Ja, ja, mejuffer, zoo schrikkelijk, dat ik het niet durf zeggen!" +zuchtte de jonge boer met eene uitdrukking van diepe benauwdheid. + +"Ach, gij maakt mij angstig met uwe achterhoudendheid," kreet de maagd. +"Spreek klaar, ik verzoek het u, ik zal er u dankbaar voor zijn!" + +De jonge boer scheen door de zoete bede van het meisje overwonnen; +zijne stem bedwingende, antwoordde hij: + +"Mejuffer, het kasteel van Wildenborg is vol geesten en spoken. Volgens +dat de lieden zeggen, gebeuren daar ijselijke dingen, die een +Christenmensen niet kan bijwonen, zonder zijne zaligheid te verliezen." + +De beide vrouwen zagen hem verbaasd aan. + +"Maar wat heeft dit kindervertelsel gemeen met mijnheer Reimond?" morde +de juffer. + +"Kindervertelsel!" herhaalde de boer. "Vraag het aan de oudste en +verstandigste lieden des dorps, en zij zullen getuigen, dat het waarheid +is." + +"Vermits gij vervaard zijt van mijnheer Reimond, beeldt gij u misschien +in, dat hij zelf een spook is?" schertste de maagd. + +"Erger, veel erger," murmelde de boer. + +"Hij is een toovenaar en gaat met den duivel om." + +Een schaterlach onderbrak zijne woorden; zoowel de meid als de juffer +spotten luidruchtig met de verrassende uitlegging. + +De boer aanschouwde hen met wijd geopende oogen. Het scheen hem eene +ongehoorde zaak, dat vrouwen zoo ongeloovig konden zijn, en konden +lachen met zulke ernstige dingen. Hij merkte wel aan de medelijdende +uitdrukking der juffer, dat zij hem voor eenen onnoozele of voor eenen +domkop aanzag. Dit kwetste hem. + +"Ja, mejuffer," zeide hij op vinnigen toon, "de lieden uit de stad +meenen, dat zij alles beter weten dan de buitenmenschen; maar het +spreekwoord zegt: hij lacht het beste, die lacht ten leste. Gij gaat +naar het kasteel van Wildenborg: vóórdat het avond is, zult gij +misschien deze reis en uwe ongeloovigheid betreuren." + +"Is er iemand kwaad geschied op Wildenborg?" vroeg het meisje. + +"Niemand nadert het kasteel," was het antwoord. + +"En hoe kan men dan weten, wat er gebeurt?" + +"Iedereen weet het." + +Het meisje zag wel dat er uit den bijgeloovigen jongen geene gegronde +reden te bekomen was. Zij haalde grimlachend de schouders op en bleef +achter, om in zich zelve over deze wonderlijke inlichtingen na te +denken. + +Zoo gerust was de meid niet, alhoewel die geschiedenis van duivels en +van geesten haar weinig had ontsteld. Hare bekommerdheid had eene andere +oorzaak. Zij zweeg, totdat men het bosch genaderd was en zij van +dichtbij het ondoordringbaar geboomte zag, in welks donkeren schoot het +voetpad als in eenen afgrond scheen weg te duiken. Dan naderde zij meer +tot den boer en vroeg met doffe stemme: + +"Vriend, zeg mij oprecht, wonen er geene binders of dieven in dit bosch? +Heeft men er nog geene menschen vermoord gevonden?" + +"Ja wel," antwoordde hij, "ginder, op een honderdtal stappen van hier, +staat een steenen kruis. Daar heeft men eene vrouw vermoord, die van de +kerke kwam." + +Een luide angstkreet ontvloog de meid. Zij verbleekte van schrik en +zuchtte bevend: + +"O, mijn God! wat zegt gij daar? eene vrouw vermoord? Ik keer terug; +voor al het geld der wereld zet ik geenen voet in dit bosch!" + +"Welnu, wat hebt gij, Isabel? Waarom blijft gij staan?" vroeg het +meisje. + +"Mejuffer," antwoordde de meid, "dit bosch is een kuil vol struikroovers +en binders. De geschiedenissen van duivels en spoken hebben zij +uitgevonden, om de lieden verwijderd te houden en den eenzamen reiziger +in vrijheid te kunnen vermoorden. Laatst nog hebben zij, op honderd +stappen van hier, eene ongelukkige vrouw gedood.... Neen, neen, zeg wat +gij wilt, ik sterve nog liever hier op de heide, onder den blooten +hemel, dan in dit donker bosch mij aan de wreedheid der bloedzuchtige +dieven te gaan leveren." + +"Gij hebt ongelijk, vrouw," zeide de boer, "het steenen kruis staat daar +reeds meer dan honderd jaar. Sedert dan heeft men niet meer gehoord, dat +iemand in het bosch is aangerand of mishandeld geworden." + +De ontstelde meid wilde noch naar raad noch naar geruststellingen +luisteren. Het scheen haar zelfs te verbitteren, dat de juffer met hare +vervaardheid lachte; en zij had reeds de kartonnen doozen ten gronde +gezet, om in het voetpad terug te gaan, toen de jonge boer eensklaps met +blijdschap uitriep: + +"Ha, daar komt mijnheer pastoor! Hij zal met ons door het bosch gaan, +want hij begeeft zich naar het dorp. Nu is er niets meer te vreezen!" + +De verschijning van den geestelijke deed hetzelfde uitwerksel op de +meid; zij nam de doozen weder op en toonde zich bereid om in gezelschap +van den priester de reis voort te zetten. + +De pastoor, die nevens den boord van het bosch kwam aangestapt om het +voetpad te bereiken, was een reeds bejaarde man met grijze haren. Hij +volgde zijnen weg met gebogen hoofde en denkend; en hij bemerkte de +lieden, die op hem wachtten, slechts op het oogenblik, dat hun +eerbiedige groet zijne ooren trof. + +"Goeden dag, mijne kinderen," zeide hij. "Het is zeer heet op de heide; +maar vermits gij door het bosch schijnt te willen gaan, zult gij daar +lommer en verfrissching vinden." + +Intusschen bezag hij met bijzondere aandacht en als vragend de jonge +juffer, die hem dankbaar toelachte. + +"Mijnheer pastoor," sprak zij op zoeten toon, "wij zijn een beetje +vervaard. Zult gij het kwalijk nemen, dat wij een eind weegs met u +gaan?" + +"In het geheel niet, mijn kind," antwoordde de pastoor. "Het zal mij +zelfs verheugen, met u eenige woorden in het bijzonder te kunnen +spreken. Indien ik mij niet bedrieg, ken ik u sedert lang." + +"Gij zoudt mij kennen, eerwaarde? Het schijnt mij onmogelijk: ik weet +niet, dat ik ooit van mijn leven de eer had u te zien." + +"Uw naam is Theresia De Wit?" + +"Inderdaad!" murmelde het meisje verwonderd. + +Onderwijl was men in het bosch getreden. + +De priester vertraagde zijnen stap, om den boer en de meid te laten +vooruitgaan; en dewijl de juffer zijn inzicht merkte, bleef zij aan +zijne zijde. + +"Mijn voorgevoel had mij dus niet bedrogen," zeide hij. "Uwe moeder was +de zuster van mijnheer Reimonds echtgenoote, en gij heet Theresia De +Wit?" + +"Ja, mijnheer pastoor, hoe kunt gij toch dit alles zoo nauwkeurig +weten!" + +"Het is, mejuffer, omdat ik in deze laatste tijden meer dan eens met +uwen oom over u heb gesproken, en wist, dat hij u naar Wildenborg zou +roepen. Gij kent uwen oom niet persoonlijk!" + +"Ik herinner mij slechts, dat, toen ik een kind van drie of vier jaar +was, er dikwijls een hoogstaltige heer ten onzent kwam, die mij streelde +en mij speelgoed en lekkers gaf. Die man was mijn oom. Ik heb altijd +dankbaar aan hem gedacht; mijn vader zaliger, tot den dag zijns doods, +sprak mij onophoudend van hem." + +"Uw oom schijnt tegen uwe ouders te zijn verbitterd geweest, bovenal +tegen uwen vader; hij meent, dat uw vader hem haatte. Hij moet zelfs +zijne vijandschap door daden bewezen hebben." + +"Ach, eerwaarde," riep de maagd, "het is een beklaaglijke misgreep van +mijnen oom. Mijn vader had meer vriendschap voor hem dan iemand anders. +In deze zaak werd mijn vader het slachtoffer zijner verkleefdheid. Hij +heeft het mij dikwijls genoeg met tranen in de oogen verteld. Gij moet +weten, mijnheer pastoor, in dien tijd hield mijnheer Reimond zich bezig +met verborgene wetenschappen, met magnetismus, met draaiende tafels en +sprekende geesten. Hij droomde van niets anders dan van onmogelijke +dingen, en beeldde zich in, dat de mensch middelen kan ontdekken om, +evenals God zelf, de wetten der natuur te veranderen en mirakelen te +doen. Dit hebben mijne ouders mij gezegd. Mijn vader, die een verstandig +man was, bemerkte welhaast, dat een hoop bedriegers mijnen goeden oom +omringden en hem in zijne dwalingen versterkten, om hem op allerlei +wijzen het slachtoffer hunner hebzucht te maken. Zijne pogingen om hem +daarover de oogen te openen, bleven vruchteloos. Mijnheer Reimond had +alsdan eenen knecht of liever eenen vertrouweling, die vroeger hovenier +was geweest bij zijne ouders. Mijn vader meende, dat deze knecht de +voorname oorzaak was van de verblindheid zijns meesters, en hij deed +lang moeite om hem door mijnen oom terug naar Limburg te doen zenden. +Dit gelukte hem zoo weinig, dat de knecht bij mijnheer Reimond bleef +wonen, en mijne ouders van dan af mijnen oom nooit meer hebben mogen +zien." + +"Die knecht heette Jakob Mispels, niet waar?" + +"Hebt gij hem insgelijks gekend, eerwaarde?" vroeg het meisje met +verwondering. + +"Ik ken hem nog, mijn kind: hij woont op Wildenborg en hij is de +hovenier des kasteels. Een zeer eenvoudig en onwetend man is hij; maar +dat hij schuld hebbe aan de vreemde gedachten uws ooms, dit schijnt mij +twijfelachtig." + +"Het kan zijn, mijnheer pastoor, dat mijn vader zich hebbe misgrepen: +maar zijn inzicht ten minste was oprecht. Hij kende mijnheer Reimond +sedert zijne kindsheid, en hij was in staat om te oordeelen over de +eerste oorzaken der gevaarlijke richting zijns geestes. Mijn oom was in +de eenzaamheid dezer streek, om zoo te zeggen, door Jakob Mispels +opgevoed geworden. Van den avond tot den morgen had de hovenier met het +kind gespeeld, en dus eenen grooten invloed op zijn wordend verstand +uitgeoefend. Volgens dat mijn vader zeide, was er op de wereld geen +bijgelooviger mensch dan deze Jakob Mispels, en hij had het hoofd van +mijnen oom zoo vol gestoken met allerlei vertelsels van spoken en +geesten, dat het kind op zijn twaalfde jaar zelfs bij klaren dag geen +oogenblik meer alleen dorst blijven. Moest zijn gezelschap niet hoogst +schadelijk zijn voor mijnheer Reimond, en had mijn vader, die vreesde, +dat het verstand mijns ooms met verzwakking of met verdwaling was +bedreigd, geene redenen om de verwijdering van Jakob Mispels te +wenschen?" + +De pastoor scheen na te denken over de woorden der juffer en knikte +bevestigend met het hoofd. + +"Het is mogelijk, inderdaad," zeide hij, "dat de tegenwoordige +geestestoestand van mijnheer Reimond slechts eene wijziging van de +denkbeelden zijner kindsheid zij. Wonder toch, te moeten gelooven, dat +de eerste indrukken, welke door het menschelijk gemoed worden ontvangen, +tot zooverre onuitwischbaar blijven, en dat in mijnheer Reimond de +wetenschap, de studie en zelfs de overgeleerdheid het onderwijs van +eenen onwetenden en eenvoudigen hovenier niet hebben kunnen versmachten. +O, mejuffer, indien God u ooit de opvoeding van kinderen toevertrouwt, +waak bij hunne wieg en bij hunne eerste stappen; want, zooals zij uit de +handen hunner moeder of hunner voedster gaan, zoo zullen ze +waarschijnlijk blijven." + +"Wees gedankt voor uwen welwillenden raad, heer pastoor," antwoordde de +maagd. "Ik ken al de waarde eener goede, eener doelmatige opvoeding; +want ik ben onderwijzeresse." + +"Het is eene edele, eene gewichtige roeping.... die gij, mejuffer, +evenwel na dezen dag ongetwijfeld zult verlaten." + +"Hoe meent gij het, eerwaarde? Ik hoop integendeel deze roeping zeer +lang te blijven vervullen." + +"Maar, mijn kind, vermoedt gij dan niet, waarom uw oom u verzocht naar +Wildenborg te komen? Hij wil u zijn testament laten kennen: gij gaat een +nog al aanzienlijk fortuin erven." + +"Ik een fortuin erven!" kreet het meisje met blijdschap. "Zou het waar +zijn? Mijn schoone droom zou zich dus verwezenlijken? O, gebeurde mij +zulk geluk, hoe zou ik den milden God zegenen tot het einde mijns +levens!" + +"En die droom is?" murmelde de priester, die eenigszins door de +overmatige blijdschap der maagd was verwonderd. + +"Die droom?" riep zij, "ik zou eene groote kostschool voor jonge +juffrouwen oprichten! Tot nu toe was ik slechts hulponderwijzeresse, en +ik moest vele dwalingen aanzien en aan vele verkeerde richtingen +gehoorzamen; maar dan zou ik vrij zijn en al het goede kunnen stichten, +dat mijn hart mij inboezemt." + +Zij scheen eensklaps te verbleeken, en vroeg met eene uitdrukking van +angst: + +"Maar, maar, o hemel, waar zijn mijne zinnen! Een testament? Gaat mijn +arme oom dan sterven!" + +De pastoor knikte bevestigend. + +"Hij is dus zeer ziek?" + +"Op deze vraag is het mij moeielijk te antwoorden," zeide de oude +priester. "Uw oom is wat men noemt een ingebeelde zieke. Zijn lichaam is +niet krank, en evenwel gaat hij sterven. Indien hij zich in zijne +berekening niet heeft bedrogen, zal hij zelfs de zon van overmorgen niet +meer zien opgaan." + +"Mijn oom, die mij rijk en gelukkig wil maken zonder dat ik mij aan die +weldaad verwachtte? Eilaas, hij zou sterven!" zuchtte het meisje. "Ik +zou geenen tijd hebben om hem mijne dankbaarheid te bewijzen? Ik zou +slechts naar Wildenborg gekomen zijn om bij zijn doodbed te bidden? O, +neen, neen; het fortuin ware mij bitter en pijnlijk; God zal hem laten +leven?" + +En pijnlijk zuchtend, liet zij het hoofd op de borst zakken. + +"Kom, gij moet u troosten en u sterk houden, mijne dochter," zeide de +pastoor. "Sterven is het lot aller menschen; de dood van mijnheer +Reimond, hoe beklaaglijk ook, zal toch een zeer zachte dood zijn." + +"Maar, eerwaarde," riep de maagd, "mijn oom gaat sterven zonder ware +ziekte, en omdat hij zich verbeeldt, dat zijn einde is gekomen? Heeft de +ongelukkige dan geene vrienden gevonden, om die dwaling zijns geestes te +bevechten en te overwinnen?" + +"Hij heeft ten minste éénen vriend gevonden en aanvaard," antwoordde de +priester. "Die vriend heeft sedert vijf jaar alles gedaan wat mogelijk +was, om zijnen geest tot het besef der waarheid en der wezenlijkheid +terug te brengen. Redenen van godsdienst, redenen van wetenschap, +redenen van menschelijken aard, alles bleef machteloos. Integendeel, de +worsteling verergerde het kwaad." + +"En de dokters, eerwaarde, konden dezen hem niet helpen?" + +"Ik geloof het niet, mejuffer, de ziekten der verbeelding laten zich +moeielijk genezen. Daarenboven, mijnheer Reimond leeft opgesloten en wil +volstrekt niemand dan mij alleen op Wildenborg toelaten. Sedert tien +jaren heeft hij nog geen ander bezoek dan het mijne willen aanvaarden." + +"Ik begrijp," zuchtte het meisje. "Hoe schrikkelijk toch! Mijn arme oom +is krankzinnig! Eilaas, misschien zal hij zelfs mijne dankzeggingen niet +verstaan. Was het zóó dat ik den man moest terugzien, die mij in mijne +kinderjaren zoo liefhad en die mijne ouders zoo edelmoedig heeft +geholpen, toen oneer en armoede hen kwamen bedreigen?" + +"Overdrijf niet, mijne dochter," zeide de priester. "Er zijn menschen, +die over alles, behalve over een enkel punt, de helderheid des verstands +behouden. Zoo is mijnheer Reimond, hij heeft een goed en edelmoedig +hart, hij redeneert met wijsheid over de meeste zaken: maar zoohaast +zijne gepeinzen zich op het bovennatuurlijke keeren, dan verdwaalt hij +in grenzenlooze beschouwingen en schept zich eene wereld der +onmogelijkste hersenschimmen. Vrees echter niet, hij is de goedheid +zelve en zal u zeer welwillend en minnelijk zijn." + +"En hij gaat sterven?" + +"Ja, ik twijfel er niet aan. Wat mij echter troost, is de hoop, de +overtuiging dat God hem de dwaling zijns geesten niet zal aanrekenen, +dewijl zij klaarblijkend het gevolg eener ziekelijke ontschikking der +hersens is." + +Het meisje deed eenige stappen zonder spreken. Dan zeide zij +overwegende: + +"Begrijp ik u wel, eerwaarde, dan zou mijn oom sedert tien jaar, buiten +uwe bezoeken, geene andere menschen gezien hebben dan Jakob Mispels?" + +"En zijne vrouw." + +"Mijn vader had gelijk! Dit was voor hem een verderfelijk gezelschap. +Zie, mijnheer pastoor, gij zult het misschien verwaand of overmoedig +vinden, maar ik ben zeker, dat het mij niet onmogelijk geweest ware, +mijnheer Reimond te genezen, indien hij mij slechts eenige maanden +vroeger naar Wildenborg had geroepen." + +De priester schudde het hoofd met ongeloof. + +"Vergeef het mij, ik bid u, eerwaarde. De eenzaamheid van mijnheer +Reimond, het gezelschap van den bijgeloovigen Jakob Mispels, de +afgelegenheid des kasteels, dit alles deed mijnen oom in eene +troosteloze somberheid leven. Wat was er noodig om dien nacht op te +klaren? Licht, licht des harten, opgeruimdheid, vreugde, liefde! Ha, ik +hadde hem dit licht gebracht: ik ben jong, ik heb vertrouwen in het +leven en vertrouwen in Gods goedheid." + +De oogen der maagd fonkelden zoo zonderling, dat de oude priester haar +met verwondering aanzag. + +"Misschien, misschien!" mompelde hij. "Nu is het evenwel te laat." + +"Zijn lichaam is niet ziek?" + +"Niet anders dan door de verbeelding." + +"En indien men deze verbeelding kon overwinnen?" + +"Onmogelijk, mijn kind, uwe hoop is ijdel." + +"Ik zat het beproeven nogtans, al kon ik slechts zijn leven eenige dagen +verlengen, het ware reeds eene gelukkige belooning. Ik zou ten minste +den tijd hebben om mijnen weldoener te bedanken en zijne ziel met de +gedachtenis mijns vaders te verzoenen." + +Zij gingen de dreve van het kasteel naderen. + +"Daarginder moet ik u vaarwel wenschen, mejuffer," zeide de pastoor. +"Alhoewel ik geene hoop heb, zal ik echter God bidden, dat Hij uwe +liefderijke poging met genade aanzie. Waarschijnlijk zult gij erfgename +worden, zoo niet van het kasteel, ten minste van verscheidene goederen, +die op ons dorp gelegen zijn. Ik durf de noodlijdenden onzer gemeente +uwer milddadigheid aanbevelen, en indien uw hart u inspreekt iets te +doen voor ons arm kerkje, ik zal de hand zegenen, die den tempel des +Heeren versiert." + +"Wees zeker, eerwaarde, noch uwe kerk noch uwe armen zal ik vergeten. +Ach, bleve mijn oom leven, ik maakte van hem eenen kwistigen beschermer +van alwie nood heeft. De weldadigheid is het helderste licht voor droeve +zielen!" + +Dewijl men nu de dreve des kasteels was genaderd, nam de pastoor +afscheid van haar en zette zijnen weg door het bosch voort. + +Het was niet zonder bekommerdheid, dat de meid den pastoor achter de +boomen zag verdwijnen. Zij aarzelde een oogenblik, maar toen zij aan 't +einde der dreve het ijzeren hek bemerkte, dat haar de tegenwoordigheid +van menschen aankondigde, schepte zij weder moed en verhaastte haren +stap. + +Op een half boogschot van het hek bleef de jonge boer eensklaps staan, +zette de reismaal ten gronde en zeide met koddigen ernst: + +"Ik ga niet verder. Het is de eerste maal van mijn leven, dat ik het +kasteel zoo nabij durf komen. Wist ik niet, dat de pastoor nog in het +bosch is, ik hadde geenen voet in de dreve gezet. Betaal mij en laat mij +vertrekken." + +De juffer lachte luid met die vreemde doenwijze, de meid verstoorde zich +en noemde den jongen boer eenen dommen sukkelaar. Er was niets aan te +doen, hij eischte zijn loon, verwijderde zich in aller haast en liet de +beide vrouwen, met koffer en met doozen te midden van den weg staan. + +Op het gerucht dezer korte betwisting was Jakob Mispels met zijne vrouw +achter het hek verschenen. + +"Beware ons God!" morde hij spijtig, "daar hebt gij Theresia De Wit met +eene meid en eene volle lading reisgoed. Gelooft zij misschien, dat +Wildenborg eene openbare herberg is? Boe! welke windmaakster! Dit is +gekleed als eene barones.... Zonder de hulp van mijnheer Reimond zou +haar vader broodsgebrek geleden hebben misschien. Hoor ze lachen, de +zottin!" + +"Ziet gij niet, Jakob, dat men u door teekens verzoekt, ginder te gaan +helpen om den koffer te dragen?" zeide Peternel. "Ga, steek eene hand +uit." + +"Ik? Voor Theresia De Wit, die ons heeft willen doen wegjagen? Wel ja!" + +"Wat schuld heeft deze Theresia daaraan? Zij was nog een onnoozel kind, +toen het gebeurde." + +"Het is mij gelijk: ik verroer geenen vinger voor die kale steedsche +juffer. Meent zij hier de meesteresse te komen spelen? Wij erven zoowel +als zij. Wil zij knechts vinden, zij zoeke ze elders." + +"Och, gij zijt onverstandig," snauwde Peternel met ongeduld. "Weigert +gij uwe hulp, dan zal ik zelve gaan." + +Zij stapte buiten het hek. Jakob, misschien beschaamd over zijne +barschheid volgde haar en mompelde onderweg aan haar oor: + +"Deze Theresia De Wit mag niet lang op Wildenborg blijven. Wie weet, of +zij anders door arglistige treken mijnheer Reimond niet tot +onrechtvaardigheid zou verleiden. Nu reeds wil hij de helft van zijn +fortuin aan den goeden Willem onttrekken, om ze aan die onbekende +praatmaakster te geven.... Ho, welke gedachte! Peternel, laat mij eens +doen, en wederspreek mij niet: ik zal ze zoo vervaard maken, dat ze van +Wildenborg zal wegvluchten, alsof ze den zwarten man in persoon hadde +gezien. Gij keurt mijn voornemen af? Geschieden er geene ijselijke +dingen genoeg op Wildenborg, en kan ik misdoen met de waarheid te +zeggen?" + +"Kom, laat die dwaasheden achter, en poog een beetje beleefd te zijn," +zeide Peternelle. + +"Ha, ha! wat zijn dit hier voor zonderlinge en vreesachtige lieden!" +riep het meisje lachend. "De boer, die onzen reiskoffer tot hier heeft +gedragen, dorst het hek niet naderen, hij meent, dat Wildenborg krielt +van kwade geesten en spoken. Gij toch, vrienden, schijnt menschen te +zijn: ik bedank u voor uwe dienstwilligheid." + +De hovenier maakte een kruis en slaakte eenen hollen zucht. Zijne vrouw, +die zijn inzicht merkte, gaf hem eenen stoot met den elleboog en gromde: + +"Jakob, wilt gij u wel stilhouden met uwe grillen? Wees betamelijk en +pak den koffer aan." + +De beide vrouwen volgden den hovenier tot in zijn huisje. Peternel bood +hun eenen stoel aan en vroeg, of ze geenen lust hadden om iets te eten, +maar de juffer, die reeds haren naam had doen kennen, betuigde haar +ongeduld, om zonder uitstel bij haren oom te worden toegelaten. + +"Het kan niet zijn," morde Jakob. "Hij is in samenspraak met de +geesten." + +En daar hij zag, dat de juffer met zijne woorden spotte, herhaalde hij: + +"Uw oom is in samenspraak met geesten, met dwalende zielen, met +doofdshoofden en met spoken. De deuren des kasteels zijn langsbinnen +gesloten, en indien...." + +"Ik bid u, doe mij den kostelijken tijd met zulke kinderachtige +vertelsels niet verliezen," onderbrak de maagd. "Mijn oom heeft mij +ontboden, hij zal verstoord zijn, omdat gij mij niet onmiddellijk tot +hem hebt geleid. Ga, meld hem mijne komst." + +"Onmogelijk." + +"Uwe vrouw is redelijker dan gij: zij lacht insgelijks met uwe grillen. +Zij schijnt verstandig en minzaam, en zal mijnen oom wel gaan +verwittigen." + +"Hij is inderdaad opgesloten, mejuffer. Niemand kan hem naderen," +antwoordde Peternelle. "Wilt gij intusschen iets eten of een kopje +drinken, het is u van harte gegund." + +"Wees gedankt, wij hebben in de afspanning bij den steenweg gegeten. Al +wat ik wensch, is mijnen oom te mogen zien." + +"Gij moet wachten, totdat de geesten vertrokken zijn," snauwde Jakob. + +"En zal dit nog lang duren?" + +De hovenier zag op naar het uurwerk en zeide: + +"Het oogenblik nadert. Nog eenige minuten, nog een kwart uurs, ik weet +het niet. Nox zal mij komen verwittigen." + +"Zoo? mijn oom heeft nog andere dienaars dan gij? Nox is een knecht?" + +"Ja, ja, zijn Mistoffel, de booze geest, die hem dient." + +"Och, gij zijt zinneloos!" hernam het meisje op spijtigen toon. "Een man +van jaren als gij! Hoe! zijt gij niet beschaamd, aan zulke dwaasheden te +gelooven? Ik zal mijnen oom over u klagen en hem zeggen, dat gij den +spot met mij gedreven hebt." + +"Gij zult er den tijd niet toe hebben, mejuffer," mompelde Jakob. "Mijn +arme meester heeft nog anderhalven dag te leven. Dan komt de zwarte +man...." + +Eensklaps vertoonde zich een groote, ruwharige hond in de deur. Het dier +opende den muil en scheen te willen bassen, maar het bracht niets uit +dan een heesch keelgegorgel. + +"Zie, daar is Nox, zijn dienstknecht!" zuchtte de hovenier met eene +uitdrukking van schrik. + +Het meisje richtte zich op, ging met de hand vooruit naar den hond en +zeide op zoeten toon: + +"Nox, kom, mijn beestje, kom!" + +En tot groote verbazing van den bijgeloovigen Jakob, liet de hond zich +streelen, knorde vriendelijk en lekte zelfs de vingeren der maagd. Het +dier keerde zich evenwel onmiddellijk om en liep de deur uit. + +De hovenier aanschouwde de juffer met eene soort van afschuw en deinsde +zelfs een paar stappen terug, toen zij scheen hem te willen naderen. Te +oordeelen op zijne wijdgeopende oogen en zijne verschriktheid, moest hij +het meisje zelf aanzien voor iemand, die in betrekking stond met de hel. + +"Onnoozele droomer," zeide zij lachend, "gij zijt vervaard van een +hinderloos beest." + +"Hinderloos beest?" spotte Jakob. "Hij heeft nog nooit een +Christenmensch vriendschap betoond. En schijnt hij u te kennen en te +beminnen, mejuffer, hij moet weten waarom!" + +"Ik wed, dat gij hem van uw leven nog niet hebt gestreeld." + +"Beware mij God! Ik zal er mij wel voor wachten." + +"Ziet gij? Door uwen schrik en uwe gekke grillen maakt gij het beest +vervaard. Maar genoeg met deze kinderachtigheden. Vermits mijn oom nu +spreekbaar is, leid mij tot hem." + +Jakob liep met haast ter deur uit en deed van buiten teeken aan het +meisje, dat zij hem zou volgen. Zij had moeite om hem in te halen: het +was zichtbaar, dat hij haar vooruit wilde blijven. + +Toen zij op het kasteel gekomen waren en het einde van eenen duisteren +gang hadden bereikt, bleef de hovenier omtrent eene opene deur staan en +wees met den vinger in eene zaal. Hij schikte zich tegen den +overstaanden muur en maakte zich zoo klein mogelijk, om niet door de +kleederen der juffer te worden geraakt. + +"Daarbinnen is uw oom," fluisterde hij. + +Bij het uitspreken dezer woorden was hij reeds teruggestapt in den gang. + +De maagd bleef eene wijl voor de opene deur staan. Zij scheen hare +kleederen en haar hulsel op te schikken, maar zij overwoog eigenlijk met +snelheid, hoe zij zich jegens haren oom zou gedragen, ten einde, indien +het mogelijk was, de ongelukkige gedachte zijns aanstaanden doods te +bestrijden. + +Met de blijde woorden: "O, mijn oom, mijn lieve oom!" sprong zij +juichend ter kamer in. + +Maar zij bleef getroffen en verbluft staan, zoohaast zij den +uitgemergelden man zag zitten, die, met de hand op een doodshoofd, zijne +glinsterende oogen beweegloos op haar hield gericht. Zij wierp tevens +eenen vluchtigen blik op het geraamte, dat het uur aanwees, en op de +zonderlinge werktuigen, die, half onder spinnewebben verborgen, op de +berderen langs den muur stonden. + +Ofschoon deze eerste indruk haar met eene soort van angst had geslagen, +worstelde zij om den verloren moed terug te winnen. Zij moest eenigszins +daarin gelukt zijn: want er verscheen een glimlach op hare lippen en zij +stapte aarzelend vooruit in de zaal, onder het murmelen van eenen +eerbiedigen groet. + +"Wees niet bevreesd, mijn kind!" zeide mijnheer Reimond. "Kom nader. Gij +zijt mijne nichte Theresia De Wit, niet waar? Het verblijdt mij u te +zien. Er was een tijd, dat ik mijnen lust had met u op mijne knieën te +late rijden. Ik had u alsdan zeer lief, uwe moeder was mij eene beminde +zuster en uw vader mijn beste vriend, maar zij hebben mij +wreedelijk...." + +"O, goede oom, gij herinnert u nog mijne kindsheid?" kreet het meisje, +met opene armen tot hem springende. "Het kind heeft u honderdmaal +omhelsd uit dankbaarheid, laat nu het meisje eenen dierbaren plicht +vervullen: zij omhelst u in naam van haren armen vader!" + +En hoe mijnheer Reimond ook worstelde, om haar te verwijderen en deze +teedere uitstorting te beletten, de maagd hield hem omarmd en zoende hem +herhaalde malen. + +Dan trok zij eenen stoel bij, zette zich nevens hem, greep zijne hand +en, deze drukkende, riep zij met eenen zoeten lach in de oogen: + +"Gij zijt verwonderd, mijn goede oom? Misschien twijfelt gij aan de +oprechtheid mijner liefde tot u? Mijne ouders lieten geenen dag +voorbijgaan zonder mij van u te spreken...." + +"Nichte, zet uwen stoel een beetje achteruit," mompelde mijnheer Reimond +met eene soort van ongeduld, doch op vriendelijken toon. + +"Ach, oom lief," smeekte zij, "gij hebt de kleine Theresia zoo +teederlijk bemind! Het is nu vijftien jaar geleden, dat zij u niet meer +heeft gezien. Verstoot mij niet, ik bid u. Gij waart eertijds de +weldoener mijner ouders, gij hebt mij geroepen om mij een laatst en hoog +bewijs uwer genegenheid te geven. O, laat mij u zegenen, laat mij de +dankbaarheid mijns harten voor u uitstorten!" + +Mijnheer Reimond aanschouwde droomend dit zoet maagdelijk wezen, dat +door de uitdrukking eener diepgevoelde erkentenis scheen verlicht. En of +de herinnering aan vroegere jaren hem beheerschte, en of de blauwe, +glinsterende oogen van het meisje hem betooverden, hij bleef met eenen +onduidelijken glimlach sprakeloos op haar staren, totdat eene siddering +hem aangreep, als ontwaakte hij dan eerst uit zijne verstrooidheid. Hij +rukte zijne hand los en schoof zijnen stoel achteruit. + +Ditmaal hield Theresia zich stil en klaagde slechts door eenen +smeekenden blik. + +"Uw vader?" mompelde Reimond. "Wat zegt gij van uwen vader? Ja, ik heb +gedurende vele jaren achting en genegenheid voor hem gevoeld, maar hij +is ondankbaar geworden en heeft mij ten laatste bespot en gehaat. Gij +hebt evenwel daaraan geene schuld, mijn kind." + +"Oom lief, indien de schijn u niet had bedrogen, hoe onrechtvaardig +zoudt gij zijn!" kreet het meisje. "Mijn vader heeft mij gelast, indien +ik ooit het geluk had u te zien, u van zijne onverzwakte erkentenis te +overtuigen. Laat mij toe, heer oom, deze heilige zending te vervullen." + +"Vervul deze moeielijke zending, nichte, beproef het ten minste." + +Het meisje greep een stuk doek, dat op de tafel lag, en wierp het over +het doodshoofd. + +"Wat doet gij daar?" riep mijnheer Reimond, met ontevredenheid +opspringend om den schedel weder te ontblooten. + +Maar Theresia hield zijne hand terug en smeekte: + +"Neen, neen, mijn lieve oom, laat dit leelijk ding bedekt. Het maakt mij +benauwd en het versombert mij den geest, ik wilde blijde zijn, omdat God +mij toelaat u te zien. Zit neder en hoor mij aan!" + +En zonder op de bemerkingen van haren oom acht te geven, omhelsde zij +hem en trok hem met zacht geweld terug op zijnen stoel. Een zucht +ontsnapte den verbaasden man, en hij scheen haar het raadselwoord te +vragen van het meesterschap, dat zij op hem uitoefende. Hij was evenwel +niet ontevreden en glimlachte, als meende hij te doen te hebben met een +onnoozel kind, welks grillen men behoort te verschoonen. + +Zij greep weder zijne hand en sprak: + +"Heer oom, gij beschuldigt mijnen vader van ondankbaarheid. Het is +integendeel zijne dankbaarheid en oprechte vriendschap die de eenige +redenen zijn geweest van uwe verbittering tegen hem. Hij meende, ten +onrechte misschien .... maar zijn inzicht was toch zuiver,--hij meende, +dat valsche vrienden u op een gevaarlijk dwaalspoor brachten en u wetens +en willens bedrogen. Hij achtte zich insgelijks overtuigd, dat de +tegenwoordigheid van uwen hovenier, Jakob Mispels, voor u schadelijk kon +zijn. Zeer wel begreep hij, dat hij gevaar liep uwe vriendschap te +verliezen, indien hij eene worsteling begon tegen menschen en dingen, +die gij bemindet, maar uit erkentenis, uit verkleefdheid voor u, heeft +hij niet geaarzeld te doen, wat hij een plicht meende te zijn. Gij hebt +alle familiebetrekking met mijne ouders afgebroken en hun verboden, nog +ooit eene poging aan te wenden om tot u te naderen. Zij hebben +gehoorzaamd en uwen onverbiddelijken wil geëerbiedigd, maar wist gij wat +zij daardoor hebben geleden! Mijne moeder is vroeg gestorven. Van mijnen +vader alleen kan ik u spreken. Duizendmaal heeft hij mij verhaald, wat +goede man gij waart en hoe gij, in pijnlijke omstandigheden, hem +edelmoedig ter hulpe kwaamt. Soms stortte hij tranen, niet alleen over +uwe verstoordheid tegen ons, maar meer nog uit medelijden met u. Hij +verbeeldde zich, dat gij niet gelukkig kondt zijn, en hij betreurde uw +droevig lot.... En, oom lief, om rechtuit te spreken en met de hand op +het hart, mijn arme vader had gelijk! Vergeef mij mijne stoutheid: een +gelukkig man ziet er toch geheel anders uit dan gij!" + +"Gij gelooft het? Welnu, gij bedriegt u, nicht," zeide mijnheer Reimond +met eenen lichten spotlach. "Ik ben gelukkig in den hoogsten graad, dien +het der menschelijke ziel vergund is, in haar stoffelijk omkleedsel te +bereiken." + +"Ik zie nog mijnen arme vader, uitgestrekt op zijn smartelijk sterfbed," +ging het meisje voort, "en ik hoor nog deze woorden van zijne bleeke +lippen vallen: "Mijn kind, ik laat u alleen op de wereld. Hij, die u een +tweede vader kon zijn, heeft, eilaas, eenen onrechtvaardigen haat tegen +ons opgevat. Ik zal God daarboven bidden, dat Hij uwen oom de waarheid +doe kennen en u eenen beschermer en eenen weldoener op aarde geve. Mocht +hij hier bij mijn doodbed staan, hij zou de getuigenis van eenen +stervende gelooven. Die voldoening is mij geweigerd. Misschien zult gij +hem zien in uw leven, mijn kind. Geef alsdan getuigenis mijner +dankbaarheid voor hem, zeg hem, dat ik hem zijnen misgreep heb vergeven, +en vraag hem ook vergiffenis voor het verdriet, dat ik onwillens hem kan +hebben aangedaan." Dit waren de laatste woorden van mijnen goeden +vader, oom lief, en hij is tot God opgevaren met uwen naam op zijnen +mond." + +Het meisje weende bij de gedachtenis van den dood haars vaders, mijnheer +Reimond, zonder dat hij het wist, had zich insgelijks door de +weemoedigheid laten overmeesteren, en ook uit zijne oogen rolden eenige +blikkerende tranen. Nu stak hij zelf de armen uit en trok zijne +snikkende nicht tegen zijne borst. + +"Troost u, mijn kind," zeide hij, "uwe ouders zijn in eene gelukkige +wereld. Sterven beteekent niets, het is slechts een overgang tot een +beter leven. Ik heb mij ten hunnen opzichte misgrepen waarschijnlijk. +Hebben zij verdriet gehad, zij zullen er om geloond worden. Het +verblijdt mij in alle geval, dat ik den laatsten wensch uws vaders +gedeeltelijk kan vervullen. De erfenis, die ik u zal nalaten, Theresia, +zal toereikend zijn, om u tegen alle levensmoeilijkheid te behoeden. +Kom, zit recht en bedwing u. Gij ontstelt mij te diep. Sedert vijftien +jaar is dit nu de eerste maal, dat mijne oogen zich door ontroering des +harten bevochtigen. Ik weet niet, mijne ziel moet u wel innig bemind +hebben, vermits uwe stem alleen nog eene onbegrijpelijke macht op mijn +gemoed uitoefent. Ween niet meer, lieve nicht, laat ons van andere zaken +spreken. Weet gij, dat ik morgen zal sterven?" + +Het meisje herinnerde zich haar doel: zij veegde hare tranen af en +antwoordde met eenen glimlach van volstrekte ongeloovigheid: + +"Men heeft mij van zulk iets gesproken, maar, oom lief, het is scherts, +niet waar? Gij sterven? Morgen? En gij zit daar vol leven, zonder ziekte +of lichamelijke ongesteldheid? Gij kunt niet zoo, op een gesteld uur, +sterven, tenzij gij u zelven wildet dooden, maar daaraan is niet te +denken: gij gelooft aan een ander leven en gij vreest God." + +"Strijd niet tegen eene onveranderlijke waarheid, nicht. Morgennacht +verlaat mijne ziel haar stoffelijk omkleedsel. Ik betreur, dat ik u niet +eerder naar Wildenborg heb geroepen, maar nu is het te laat. Wanneer het +oogenblik onzer opvaart nadert, kan niets het noodlottig uur vertragen. +Gij moet er u aan onderwerpen en er u in troosten, mijn kind. De dood is +geen ongeluk, integendeel, het is een stap naar de eindelijke en eeuwige +zaligheid." + +"Maar, oom lief, wie toch heeft u wijsgemaakt, dat gij morgen zult +sterven? Een bedrieger, zeker?" + +"Een bedrieger? Ho, ho, nichte, spreek met eerbied! Hij, die mij het uur +mijns doods openbaarde, is een geest, eene zuivere, klaarziende ziel, +voor wie de toekomst ontsloten ligt als een open boek." + +Theresia zag haren oom met verwondering en medelijden aan. Na eene poos +stil zwijgens greep zij hem bij de hand en zeide: + +"Van geesten of zielen ken ik niet veel, en ik wil er niet meer van +kennen dan wat de godsdienst mij heeft geleerd. Maar dit weet ik goed, +oom lief, dat dit alles slechts een inbeeldsel is, en dat gij zeker niet +wel doet met aldus uwe gezondheid door ziekelijke hersenschimmen te +krenken." + +"Ik vergeef u, mijn kind," zeide mijnheer Reimond, "het zijn dingen, die +uw verstand te boven gaan. Wij zullen er niet meer van spreken. Wanneer +gij morgennacht, juist op het vastgestelde uur, mij zult zien sterven, +zal het u bewezen zijn, dat de geesten weten, wat voor den mensch in +stoffelijke gedaante is verborgen." + +"Liet gij mij meesteresse op Wildenborg zijn, hoe zou ik u integendeel +bewijzen, dat ik meer macht heb dan al uwe geesten te zamen!" riep het +meisje. + +"Zoo? en wat zoudt gij doen?" lachte Reimond. + +"Wat ik zou doen, heer oom? Ik zou beginnen met dat doodshoofd, dat +daaronder ligt, naar het kerkhof en dat leelijk uurwerk naar den zolder +te doen dragen. Deze zaal zou behangen worden met rozevervig papier en +met sneeuwwitte gordijnen. Hier kwame een bont tapijt, fraaie stoelen, +blinkende meubels. De tuin zou vol bloemen staan, en nette wegeltjes +zouden door lieve lustboschjes heen slingeren. Gij zoudt knechts en +meiden hebben, eene koets en een paard, vogelen, dieren, schilderijen. +Ik zou uwe dochter zijn, ik zou u beminnen, u vermaken en u geenen tijd +laten om aan die sombere, onmogelijke dingen te denken. Wij zouden +wandelen den ganschen dag, God onder zijnen schoonen hemel danken voor +de wonderen der natuur en voor het vroolijk leven, dat Hij ons heeft +geschonken. En des avonds, bij onzen terugkeer, zou ik muziek spelen op +de piano en u de schoonste stukken der beroemde meesters voorzingen, +want, oom, ik ben eene goede toon kunstenares.... of ik zou u iets +voorlezen uit een vermakelijk boek, of wij zouden kouten over alles wat +gij wildet, zelfs over geesten en zielen, indien het u behaagde. En zoo +zou het zijn alle dagen, een hemel op aarde, en elken avond zouden wij +elkander omhelzen en te zamen den hemel bidden, dat Hij uw dierbaar +leven en ons geluk geliefde te verlengen. Zeg, oom lief, ware dit niet +beter dan in volle gezondheid te gaan sterven? Kom, verjaag die +ijselijke gedachte. Laat mij uw kind zijn, ik zal uwe oude dagen +beglanzen met het licht der vreugde, der dankbaarheid en der liefde!" + +Zij had de handen opgeheven en smeekte om een gunstig antwoord, maar +mijnheer Reimond, die over het vraagpunt zijns aanstaanden doods niet te +overwinnen was, zag haar met eenen stillen twijfellach aan, en +murmelde: + +"Wat gij daar zegt, is schoon, nichte. Ik dank u voor uwe genegenheid. +Er is niet aan te doen: morgen te middernacht zal mijn uur slaan.... +Laat dit zoo; ik heb u van iets bijzonders te spreken. Gij gaat de helft +mijner goederen erven. Nogtans er is eene voorwaarde te vervullen. Kent +gij uwen kozijn Willem Reimond?" + +"Neen, oom, ik herinner mij niet, hem ooit te hebben gezien." + +"Hij is een fraaie jongen; hij heeft tamelijk verstand en een goed hart. +Evenals gij, zal hij de helft van mijn fortuin erven. Gij moet met hem +trouwen, Theresia." + +"Hoe zegt gij, heer oom, ik begrijp niet." + +"Gij moet met Willem Reimond trouwen." + +"Ho, dit is toch niet ernstig!" kreet het meisje verbaasd. "Ik trouwen +met iemand, dien ik nog nooit heb gezien!" + +"Gij zult hem zien, heden nog. Ik verlang uwe beslissende toestemming, +voordat ik sterve." + +"O, God, wat eischt gij van mij! Ik mag die toestemming niet geven. Mijn +hart is verbonden sedert lang; met mijnen kozijn zou ik ongelukkig zijn: +ik zou hem nimmer kunnen beminnen. Wierd ik zijne vrouw, mijne ziel zou +desniettemin met ongeneeslijke treurnis aan eenen anderen man blijven +denken. Het ware een schuldig leven en een schrikkelijk lot!" + +"Gij bedriegt u, nichte; indien gij niet met Willem Reimond trouwt, zult +gij ongelukkig zijn op aarde, en in de andere wereld voor uwe dwaling +eeuwen lang te boeten hebben misschien.... Neen, worstel niet nutteloos +tegen uw onvermijdelijk lot. De geest, die mij de verborgene waarheden +openbaart, heeft het gezegd: gij zult trouwen met Willem Reimond; en +zoolang deze verhevene ziel mij niet verklaart, dat God zijn besluit +heeft veranderd, is er niets te doen dan zich te onderwerpen: want geene +macht op aarde kan beletten, dat zijne voorspellingen worden +verwezenlijkt." + +"Onmogelijk!" zuchtte het meisje. "De hemel zelf heeft mij eenen anderen +bruidegom voorbeschikt. Ik beef, ik ben benauwd; het denkbeeld alleen +van ontrouw te worden aan het dichterlijke liefdegevoel, dat zoolang mij +het hart vervult, slaat mij met schroom en smart." + +"Welnu, dan is alles tusschen ons gedaan, en gij erft niet!" riep de oom +verbitterd. + +Theresia slaakte eenen pijnlijken zucht, liet het hoofd op de borst +zakken en begon overvloedig te weenen. + +Er heerschte eene lange stilte. Mijnheer Reimond hield den blik op de +droeve maagd gevestigd, eerst met gramschap, dan met verdriet en +eindelijk met medelijden. + +Zij sprong op, legde hem weenend de armen om den hals en zuchtte: + +"O, mijn goede oom, zie af van uw wreed besluit! Waarom toch zulke +noodlottige opoffering eischen van een onnoozel meisje? Heb medelijden +met mij! Spreek niet meer van huwelijk of van erfenis. Laat ons liever +denken aan de middelen om u te genezen, om u de gezondheid des lichaams +en de blijdschap des harten terug te geven!" + +"Maar de geest, de geest....?" mompelde Reimond. + +"Uw geest heeft u bedrogen, of gij hebt hem niet wel begrepen, oom lief; +gij zijt edelmoedig; gij kunt mij niet tot levenslange smart +veroordeelen. Ik smeek u met gevouwene handen, dwing mij niet tot een +huwelijk, dat mij ongelukkig maken moet!" + +"De geest heeft mij bedrogen, of ik heb hem slecht begrepen?" herhaalde +de oom, het hoofd schuddende. "Dit laatste ten minste is niet volstrekt +onmogelijk...." + +"Dank, dank!" kreet de maagd met het licht der blijdschap in de oogen. + +"Ik geloof echter niet, nicht lief, dat ik mij over den waren zin zijner +openbaring kan hebben misgrepen. Het is gelijk, mijn medelijden met uw +verdriet drijft mij tot eene vermetele poging. Ik zal den geest nog eens +raadplegen en hem dwingen zijnen wil uitdrukkelijk te verklaren. Wat ook +ditmaal zijne veropenbaring zij, gij zult u zonder morren er aan +onderwerpen of oogenblikkelijk van Wildenborg vertrekken." + +Hij ontdekte het doodshoofd, legde zijne rechterhand er op en vestigde +zijnen blik in de diepe oogholten, terwijl hij nog zeide: + +"Theresia, heb geduld, hoe lang mijne poging ook moete duren: ik doe het +uit genegenheid voor u. Misschien zal uwe tegenwoordigheid mij hinderen; +ik zal het haast weten. In dat geval zult gij voor eenigen tijd mij +alleen laten en naar het huis van den hovenier gaan, totdat ik u doe +roepen. Nu geen woord meer!" + +De diepste stilte heerschte in de zaal; mijnheer Reimond verroerde de +lippen en scheen met het doodshoofd in eene geheime taal te spreken. + +Hoe sterkmoedig het meisje ook was, het werd haar ten laatste bang om +het hart, zonder dat zij eigenlijk wist waarom. Evenwel, zij dorst haren +oom niet storen; in de hoop op een gunstig antwoord, weerhield zij haren +adem en bleef roerloos den zonderlingen man aanschouwen, wien welhaast +het zweet der inspanning op het voorhoofd glinsterde. + + + + +VI. + + +Terwijl Theresia, nevens haren oom zittend, zwijgend en met kloppend +hart op het beslissend antwoord van den geest wachtte, kwam Willem van +zijne reis naar Hasselt terug. + +Hij deed den man, die zijnen koffer voerde, voor het hek stilhouden, +betaalde hem zijn loon en riep op den hovenier. + +Jakob Mispels kwam buiten, droeg den koffer in huis en zeide dan tot den +jongeling met eene uitdrukking van geheimzinnigheid en schrik: + +"Willem, zij is op het kasteel." + +"Wie? mijne nicht?" + +"Zij zegt ten minste, dat zij uwe nicht is en Theresia De Wit heet; maar +God beware ons, zij schijnt veeleer de nicht of de zuster van Nox!" + +"Zij is dus zeer leelijk?" vroeg de jongeling in gepeinzen. + +"Afgrijselijk, Willem! Zij heeft haar, dat te berge staat boven haar +voorhoofd: hare oogen fonkelen als gloeiende kolen; haar mond is nijdig +en boos. Wanneer zij u beziet, dringt haar blik u tot in het binnenste +der ziel en doet u ijskoud worden." + +"Welk portret maakt gij daar van mijne nicht!" + +"Indien zij uwe nicht is, Willem." + +"Gij twijfelt er aan? Wat wilt gij zeggen?" + +"Ik weet het zelf niet. Gij zult met mij spotten, evenals Peternelle. +Sedert gij op het kasteel gekomen zijt, gebeurt er iets met mijne arme +vrouw, dat mij onuitlegbaar schijnt. Zij gelooft aan niets meer!" + +"Wat gij zegt, Jakob, schijnt mij nog veel onuitlegbaarder. Theresia De +Wit zou mijne nicht niet zijn?" + +"Lach met mij zoo gij wilt; maar het zou mij niet verwonderen, Willem, +dat in de plaats uwer nicht een tweede duivel op Wildenborg ware +gekomen, om tegenwoordig te zijn bij het helsche feest, dat, eilaas, +morgen hier zal worden gevierd." + +"Begint gij alweder met uwe dwaasheden?" viel de jongeling hem in de +rede. "Wees toch redelijk, ik bid u." + +"Dwaasheden?" kreet Jakob Mispels. "Heeft de booze geest niet dikwijls +genoeg de gedaante eener vrouw aangenomen, om de menschen in zijne +strikken te vangen? Is het niet waar misschien, dat eertijds een graaf +van Vlaanderen, zonder het te weten, gedurende vijf jaar met den duivel +of met eene duivelin is getrouwd geweest? Ach, mijn arme Willem, ik doe +geweld om niet te weenen. Gij ook moet trouwen met het onbekende +schepsel, dat beweert uwe nicht te zijn! Indien mijn schrikkelijk +vermoeden eens gegrond ware! Gij, echtgenoot van eenen helschen geest? +Het denkbeeld alleen doet mij sidderen van hoofd tot voeten." + +"Heeft mijn oom u van dit huwelijk gesproken?" + +"Ja, tot mijn groot verdriet. Hij wil noch gebeden noch smeekingen +aanhooren. Het doodshoofd zegt, dat gij met Theresia De Wit moet +trouwen, en de zwarte man...." + +Zijne vrouw Peternelle, die op dit oogenblik uit den stal kwam, hoorde +zijn laatste woord en riep verstoord uit: + +"Zwijg, zinnelooze die gij zijt. Ik had u verboden, mijnheer Willem met +uwe dwaze grillen te vervelen, en daar zijt gij weder volop aan den +gang.... Geloof hem niet, Willem. Hij zal u alle soorten van gekheden +wijsmaken en u zeggen, dat uwe nicht leelijk is, maar hij bedriegt u. +Theresia De Wit is een schoon, lieftallig en vroolijk meisje; en, mocht +men de menschen aan bovennatuurlijke wezens vergelijken, dan zou men +veeleer moeten zeggen, dat zij een engel is." + +"Een engel! Waar zijn toch uwe zinnen, vrouw," riep Jakob met +verontwaardiging. "Heeft een engel zulk rechtstaand haar en zulke +fonkelende, venijnige oogen? En hebt gij niet gezien, hoe minnelijk Nox +haar de handen lekte, als ware hij verblijd eenen ouden vriend of eene +oude vriendin terug te vinden?" + +"Kinderachtigheden altemaal," hernam Peternelle. "Vermits mijnheer +Willem met Theresia De Wit moet trouwen, wensch ik hem geluk, dat het +lot hem eene fraaie en bekoorlijke bruid heeft bestemd." + +"Ik bedank u, goede Peternelle," zeide de jongeling met eenen glimlach. +"Uw wensch is evenwel ijdel; want ik zal niet trouwen." + +"Bravo, dan zal de duivel bedrogen zijn!" juichte Jakob. + +"Maar, Willem," bemerkte Peternelle, "indien gij weigert te trouwen, zal +uw oom u onterven. Gij hebt groot ongelijk: uwe nicht is eene bevallige +juffer, en honderden in uwe plaats zouden juichend zulke schoone bruid +aanvaarden." + +"Schoon?" gromde Jakob. "Zij is terugstootend en leelijk, zeg ik u!" + +"Zij is minzaam en bekoorlijk." + +"Zij heeft oogen gelijk Nox!" + +"Zij heeft levendige blauwe oogen." + +"Nu, vrienden, eindigt dien nutteloozen twist," viel Willem in. "Het is +mij onverschillig, of mijne nicht leelijk zij of niet. Daarenboven, ik +zal haast weten, wie van u beiden zich misgrijpt." + +De oude Jakob, die de deur genaderd was, wierp eenen blik naar buiten; +hij sprong terug in de kamer, greep den arm des jongelings, trok hem +naar de deur en zeide: + +"Daar is zij! Zij staat in den hof; ik geloof zelfs, dat zij naar hier +komt! Zie, of ze niet vreemd en leelijk is." + +Maar nauwelijks had Willem de maagd beschouwd, die droomend en met +gebogen hoofde te midden van den hof stond, of hij deinsde achteruit en +slaakte eenen versmachten schreeuw. Hij was bleek als een linnen en hij +staarde met wijd geopende oogen rond de kamer als iemand, die duizelig +is van verbaasdheid of van schrik. + +"Niet waar, niet waar, het is de zwarte man? Gij hebt hem herkend?" +zuchtte Jakob. "Ach, ik heb den dood op het lijf. Zie mij beven als een +blad! God sta ons bij!" + +"Onbegrijpelijk!" morde Willem. "Neen, het is geene begoocheling; mijne +zinnen zijn niet ontschikt. Zouden er waarlijk vreeselijke dingen op +Wildenborg gebeuren? Die vrouw, een schijn, eene valsche gedaante?" + +Op dit oogenblik trad Theresia De Wit in de kamer. + +Zoohaast zij den jongeling had gezien, bleef zij verrast staan, als door +eenen geheimen slag getroffen; zij insgelijks verbleekte, maar even ras +kleurde eene hooge rozetint haar wangen en voorhoofd. Met eenen blijden +glimlach op de lippen zeide zij: + +"Gij hier, mijnheer? Ha, misschien is het God zelf, die u zendt!" + +"Rosa mystica!" kreet Willem met de handen opgeheven. "Mijne nicht? +Onmogelijk, onmogelijk! Mijn hoofd is ontsteld, alles draait voor mijn +gezicht. O, verlos mij uit dien schrikkelijken twijfel! Wie zijt gij?" + +"Ik ben Theresia De Wit en, dank zij den hemel, waarschijnlijk uwe +nicht." + +"Maar, neen!" riep Willem met ziekelijke aan gejaagdheid. "Zijt gij de +Rosa mystica, die ik van kindsbeen af heb bewonderd en bemind, dan is uw +naam Flora. Mijne nichte Theresia De Wit kunt gij niet zijn." + +"De verklaring van dit raadsel is gemakkelijk," antwoordde het meisje. +"Toen ik, als onderwijzeresse der juffers de Bernavaux, op het kasteel +van Everdaal kwam, vond men den naam Theresia te gemeen en men heette +mij Flora." + +"Ho, zou het toch mogelijk zijn!" galmde Willem met groote blijdschap. +"En het kind, dat ik te Brussel in de processie voor een engel aanzag? +De Rosa mystica?" + +"Dat kind was ik, Theresia De Wit, uwe nicht." + +Met eenen kreet van geluk liep Willem tot de maagd en greep bevend hare +handen in de zijne. + +"Gij zijt de bruid, die God zelf mij heeft voorbestemd," zeide hij. +"Onze oom, zijn geest, wil, dat gij mijne vrouw wordet. Gij weerstaat +den wil van het noodlot niet?" + +"Ik heb geweigerd," was het antwoord. + +"Geweigerd! Zoudt gij de hoop van mijn gansche leven verbrijzelen? O, +heb medelijden met mij!" + +"Ik kende u niet en schrikte terug van een huwelijk met iemand, dien ik +nog nooit had gezien. Maar gij, mijnheer, gij, kozijn, gij hebt dus de +hand eener onbekende aanvaard?" + +"Neen, neen. Nu echter ga ik mijnen oom zegenen, mijnen oom en de +bovennatuurlijke macht, die ons heeft beheerscht sedert onze kindsheid. +Kwam nu slechts de goede Nox om ons te roepen! Wat zal onze oom blijde +zijn, als hij zal weten, dat wij ons met geluk aan de beslissing van den +geest onderwerpen!" + +"O, Hemel!" riep het meisje eensklaps, "onze oom is bezig met het +doodshoofd te raadplegen! Uit medelijden met mijn verdriet wil hij +zijnen ingebeelden geest eene nieuwe beslissing afdwingen. Gebeurt het +zoo, dan zal een even wreed vonnis tusschen ons geveld worden. Kom, kom, +op Nox niet gewacht; loopen wij tot onzen oom; rukken wij hem van het +doodshoofd weg, voordat eene nieuwe dwaling in zijn krank verstand zich +hebbe geworteld!" + +En beiden ijlden ter kamer uit. + +Jakob Mispels stond te beven en veegde zich eenen traan uit de oogen, in +de overtuiging dat de arme Willem onder de bekoringen des duivels was +bezweken. Peternelle integendeel lachte en juichte. + +Toen de jongelieden ongeroepen in de zaal des kasteels traden, riep +mijnheer Reimond op vasten toon hun toe: + +"Nutteloos, onmogelijk! Gij moet te zamen trouwen: de geest wil het!" + +Willem sprong tot zijnen oom, omhelsde hem vurig en zeide: + +"O, lieve oom, mijne dankbaarheid voor u is grenzenloos. Wij onderwerpen +ons met vreugde aan den wil van den goeden geest. Ik trouw, hoe eerder +hoe liever! De bruid, die gij mij hebt voorbestemd, is de Rosa mystica, +het beeld, dat mijn gansche leven heeft beheerscht...." + +"Hoe, wat zegt gij?" onderbrak Reimond verbaasd. "Zij? uwe nicht, de +Rosa mystica, wier verrassende geschiedenis gij mij hebt verteld?" + +"Ja, zij is de ziel, aan welke mijne ziel door eene geheimzinnige keten +was verbonden. Dank, dank; ik zegen u; gij overlaadt mij met geluk: al +mijne wenschen zijn vervuld als door eenen tooverslag!" + +Mijnheer Reimond wreef zich de handen; zijne oogen glinsterden van +zegevierende blijdschap. + +"Ha ha!" juichte hij, "zoo bewijzen de geesten hunne wetenschap en hunne +macht! Welnu, mijn zoon, twijfelt gij nog? De geheimzinnige invloed, die +u heeft vergezeld gedurende geheel uw leven, om op een bepaald oogenblik +u hier te zamen te brengen en u een voorspeld huwelijk als een opperst +geluk te doen afsmeeken? Kunt gij dit alles wel verklaren, zonder de +tusschenkomst van wezens, die bekend zijn met den wil van God?" + +"Wonderbaar, onbegrijpelijk!" morde Willem. "Die goede, milde geest was +misschien mijn engelbewaarder...." + +"Neen, mijn vriend, het is eene dier wachtende zielen, die de ruimte +vervullen en daar niet zelden, als boden des Heeren, tot de vervulling +Zijner besluiten medewerken. Gij ziet wel, dat de openbaringen van den +geest onwederroepelijk zich moeten vervullen; en alle tegenstand ijdel +en nutteloos is." + +"Ja, heer oom, ten mijnen opzichte is de verwezenlijking zijner +openbaringen bereikt door geheimzinnige wegen, wier onfeilbaarheid mij +doet verstommen." + +"En gevolgelijk is mijne opvaart naar de andere wereld even +onherroepelijk vastgesteld.... Maar gij, nichte, gij zwijgt en schijnt +niet verheugd? Stemt dit huwelijk dan niet overeen met den wensch uws +harten?" + +Het meisje had bij zijne laatste woorden van verdriet of van schrik +gesidderd. Zij antwoordde op treurigen toon: + +"Ik aanvaard, niet van de geesten maar als eene gift van God, den +bruidegom, dien Zijne goedheid mij sedert lang heeft voorbeschikt. Mijne +vreugde is echter vergald door eene smartelijke vrees. Wat hier door +eenen wonderlijken samenloop van omstandigheden geschiedt, zal u +misschien bevestigen in de overtuiging, dat gij morgen moet sterven. Ik +had besloten de wreede gedachte des doods in u te bevechten, en ik +juichte reeds over de waarschijnlijke zegepraal." + +"Eenvoudig meisje, waarom nog gestreden tegen eene onverwinbare macht? +Wist gij, hoe mijne ongeduldige ziel zucht en snakt naar het oogenblik, +dat zij tot de wereld der geesten, haar waar vaderland, zal mogen +opklimmen!" + +Na eenige oogenblikken stilte voegde Theresia de handen te zamen en +zeide met tranen in de oogen: + +"Oom lief, heb toch medelijden met mij! De gedachte, dat gij morgen +zoudt kunnen sterven, verbrijzelt mij het hart. Gij, uit wiens milde +hand wij met het stoffelijk welzijn een gansch leven van geluk en +zielsgenoegen ontvangen, gij zoudt morgen voor altijd aan onze +dankbaarheid worden ontrukt? O, gij moet leven, opdat wij onze schuld +jegens u zouden kunnen betalen!" + +"Nutteloos, alles is nutteloos," morde Reimond. + +"Maar, Willem," kreet het meisje, "blijf niet zoo werkeloos; laat mij +niet alleen tegen die wreede begoocheling worstelen. Onze weldoener zou +morgen sterven? Neen, neen, dit kan niet dit mag niet zijn: wij moeten +hem danken, hem beminnen, hem gelukkig maken tot het natuurlijk einde +van een lang en vroolijk leven." + +De jongeling hoopte niet, dat de dwaalgedachte zijns ooms nog te +overwinnen was, hij zeide evenwel: + +"Heer oom, luister naar de liefderijke bede van Theresia. Blijf op aarde +om uw werk te zien en ons geluk te deelen!" + +"Welke dwaze gedachten verduisteren uw verstand?" viel Reimond +ontevreden uit. "Meent gij dan, dat mijne toestemming voldoende kan zijn +om den geest tot eenen leugenaar te maken? Ho, gij lastert en hoont den +geest, die uw geluk heeft voorbereid." + +Theresia, wier dankbaar hart geweldig in opstand kwam bij de +overtuiging, dat de beschermer harer ouders, dat haar edelmoedige +weldoener het slachtoffer van een beklaaglijk dwaalbegrip ging worden, +verhief het hoofd en zeide met zekere stoutheid: + +"Maar oom, verontschuldig mij en laat mij toe, u te zeggen wat ik de +waarheid meen te zijn. Er woont geen geest in het doodshoofd; uw lichaam +is niet krank en niets verplicht u te sterven. Uwe verbeelding alleen is +ziek." + +"Aldus, gij waant mij zinneloos?" morde Reimond met droeven spot. "Het +is zóó dat gij mij wilt beloonen, evenals uw vader deed?" + +"Mijn vader vervulde zijnen plicht en ik wil den mijnen vervullen tot +het einde. Gij zult niet sterven, gij hebt noch voor God nog voor de +menschen het recht om u zelven te dooden. Indien gij morgen ophoudt te +leven, zal hier niet de uitspraak van ingebeelde geesten volvoerd zijn; +neen, maar de vertoornde hemel zal eenen akeligen zelfmoord aanschouwen. +Ach, heb medelijden met uwe arme ziel; lever ze niet schuldig aan het +oordeel van den oppersten Rechter!" + +Reimond zag haar, het hoofd schuddende, aan. + +"Nicht, nicht!" zeide hij, pijnlijk aangedaan, "waarom martelt gij mij +door dien laster tegen de geesten? Uwe woorden doorvlijmen mijn hart als +messen. Ik zou mij moeten vergrammen, u verwijderen misschien om zulke +plechtige taal niet meer te hooren; maar ik begrijp, dat een gevoel van +dankbaarheid en en van liefde u doet verdwalen. Ongelukkig kind, gij +vreest dus niet, dat de wraak der geesten al het geluk vernietige, dat +anders u op de wereld stond te wachten?" + +"Gij bedriegt u, mijn oom; uwe verbeelding doolt," zeide de maagd. + +"Heb medelijden met haar, oom lief!" smeekte de jongeling. + +"Gij ook, Willem, gij blijft in uw hart loochenen, dat de geest van het +doodshoofd vooruitziet in de toekomst?" kreet Reimond verbaasd en gram. + +"Neen, ik gevoel mij de macht niet meer om het langer te miskennen," +antwoordde Willem aarzelende; "maar wat uwen dood betreft, is zijn +vonnis zoo wreed, dat Theresia's dankbaar hart het weigert te +aanvaarden." + +"Willem, ik bezweer u, wees oprecht in dit opperst oogenblik!" riep de +maagd. "Waarom veinst gij aan het bestaan van dien kwaden geest te +gelooven? Dit is het middel niet om onzen oom van zijne noodlottige +dwaling te genezen." + +"Zwijg, nichte, zwijg!" gromde Reimond, de handen in de hoogte heffende. +"Onvoorzichtig en vermetel kind, wilt gij dan eenen hopeloozen strijd +tegen de geesten voeren? In deze onmogelijke worsteling moet gij +bezwijken." + +"Welnu, heer oom, laat mij den strijd ten minste beproeven. Ik zal u +bewijzen, dat ik machtiger ben dan uwe geesten. Wildet gij doen wat ik u +zou aanraden, binnen eene week wandeldet gij reeds lachend en juichend +met ons in den hof!" + +"En wat zou ik moeten doen?" spotte Reimond. + +"Ten eerste, gij zoudt goed voedsel moeten nemen, dat ik zelve en +onmiddellijk u zou bereiden. Vleesch, ossenvleesch." + +"Ho! vleesch? Gij zijt zinneloos!" kreet Reimond met afgrijzen. + +"Brood dan, eieren, melk." + +"Mijn lichaam is reeds half gestorven; het weigert alle voedsel." + +"Laat dan ten minste geneesheeren op Wildenborg komen. Willem zal ze in +de naastgelegene dorpen gaan opzoeken." + +"Geneesheeren? Ik zou opstaan tegen de geesten en hen laten gelooven, +dat ik twijfel aan de onveranderlijkheid hunner besluiten? Vreemdelingen +op Wildenborg? Valsche geleerden, die de menschelijke wetenschap +aanbidden en de wetenschap der geesten bespotten en loochenen?" + +"Ik smeek u, oom lief, verwerp mijne bede niet, ik zal u beminnen en +dankbaar zijn, mijn leven lang!" zuchtte het meisje, hem teederlijk +omhelzende. + +Maar mijnheer Reimond, die over haar aandringen diep was verstoord, +wierp hare armen van zijne schouders en zeide op strengen toon: + +"Verwijder u, nichte. Te lang heb ik uwe zinnelooze taal aangehoord, ik +hoopte zulke smart niet meer te moeten onderstaan vóór mijne opvaart +naar de wereld der zielen. Ik vergeef u, in aanzien uwer onwetendheid. +Ga, Theresia, verlaat deze zaal; uwe tegenwoordigheid is mij pijnlijk." + +Het meisje, in stede van te gehoorzamen, liet zich op eenen stoel +vallen, legde de handen voor de ogen en begon overvloedig te weenen. + +"Ach, heer oom," smeekte Willem, "heb deernis met mijne arme nicht! Het +denkbeeld uws doods verscheurt haar het hart. Al wat zij zeide, werd +haar ingesproken door de dankbaarheid, door de zucht om iets tot uw +geluk op aarde te mogen bijdragen. Nu verstoot gij haar en jaagt haar +weg! Zij kan dwalen, maar zulke wreede straf toch heeft zij niet +verdiend." + +"Kom, nichte, ween niet meer," zeide Reimond. "Blijf nog met mij, ik heb +u van ernstige dingen te spreken; maar geef wel acht op de voorwaarde, +die ik stel, zoowel voor Willem als voor u. Zoohaast één uwer nog een +woord rept over hetgeen gij mijnen dood noemt, of over voedsel of over +geneesheeren, verwijder ik u onverbiddelijk uit mijne tegenwoordigheid. +Die voorwaarde wil ik geëerbiedigd zien, niet alleen heden, maar +insgelijks morgen, tot het uur mijner opvaart naar de wereld der zielen. +Aanvaardt gij Theresia? Antwoord mij, of vertrek oogenblikkelijk van +hier!" + +"Eilaas, kan het niet anders zijn, ik zal mij aan het wreede noodlot +onderwerpen!" klaagde de maagd. + +"Welnu, luistert dan; want ik ben zeer moede en ik snak om alleen te +zijn. In de lade dezer tafel zult gij na mijn vertrek van de aarde een +eigenhandig testament vinden, dat u beiden instelt tot erfgenamen mijner +goederen. Ik zal aan Jakob Mispels en aan zijne vrouw een legaat maken, +om hunne lange en trouwe diensten te beloonen; gij zult hen in bezit +dezer gift stellen zonder moeielijkheden en zonder kosten voor hen, en, +willen zij in hun huis op Wildenborg blijven wonen, verdrijft ze nimmer. +Mijnen hond Nox beveel ik aan uwe zorg. Hij was mijn eenige vriend in de +lange eenzaamheid. Dat hem niets ontbreke zoolang hij leeft; herinnert +u, dat, indien het arme beest wierd mishandeld of gebrek leed, mijne +ziel in de andere wereld er om zou treuren. Gij belooft dezen mijnen +wensch getrouw te vervullen?" + +"Ja, heer oom," antwoordde Willem, "wij zullen voor Nox zorgen met +liefde, niet alleen omdat hij een trouw en verkleefd gezel van onzen +weldoener was, maar tevens in de overtuiging, dat onze bezorgdheid voor +hem u in de wereld der zielen zal verblijden." + +"Dank, dank, mijn goede neef," zeide Reimond met innige tevredenheid. +"Gij zult eens in de verborgene wetenschap dringen; uwe natuur is niet +verre van de noodige zuiverheid. Ho, welk geluk, indien ik, ofschoon +niet stoffelijk levend, door u kon gehoord worden en met u kon spreken! +Ik laat u alleen en persoonlijk het doodshoofd tot erfdeel. Houd het in +waarde, het is een kostelijker voorwerp dan de kroon eens konings. +Wanneer gij na uw huwelijk de rust des gemoeds zult teruggevonden +hebben, trek u dan somtijds in eenzaamheid terug, zet u neder voor het +doodshoofd en doe met aanhoudendheid en vasten wil wat ik u heb geleerd. +Bekomt gij de macht om den geest van het doodshoofd te zien en te +hooren, dan zult gij tevens machtig genoeg geworden zijn, om mijne ziel +op te roepen. Ik zal komen, en wij zullen te zamen spreken van +wonderbare, verborgene dingen, en mijn raad zal u en uwe echtgenoote +wapenen tegen alle verdriet en tegen alle wederwaardigheid. Reikt mij +nu de hand, kinderen, en verdrijft alle smart, zijt vroolijk als ik. De +dag van morgen is een feestdag. Het afscheid van eenen goeden vriend, +die vertrekt om een eindeloos geluk te gemoet te gaan, mag u niet +pijnlijk vallen.... Kom, Theresia; gij aarzelt om mij de hand te geven? +Het is geen beslissend vaarwel: morgen zullen wij elkander nog zien." + +De maagd naderde langzaam; de hand, die zij haren oom toereikte, scheen +te beven. + +"Heb moed, mijne dochter," zeide Reimond. "Uwe meening aangaande den +dood is eene menschelijke dwaling. Sterven is het einde eener lastige +taak bereiken, het is de vrede na den oorlog; de verlossing eener ziel +uit de stof, die hare verhevene natuur verduisterd hield. Maar genoeg +daarover, vermits het u bedroeft.... Nichte, gij kunt op het kasteel +niet slapen en zult in het dorp moeten vernachten. Er is daar, in het +Gulden Paard, goede herberg bij brave, godvreezende lieden. Jakob +Mispels zal u vergezellen. Ik zal hem een briefje medegeven voor den +pastoor; deze goede priester zal over u waken en u zeggen wat gij te +doen hebt. Gaat nu, mijne vrienden, en blijft helder van gemoed en +gerust van hart tot morgen." + +De beide jongelieden verlieten zwijgend de zaal. Willem zuchtte, +Theresia weende. + +In den hof voor de deur van den gang bleef het meisje staan en zeide tot +haren kozijn: + +"Ach, ik kan mij aan de schrikkelijke gedachte zijns doods niet +gewennen, Er moeten middelen bestaan om dit ongeluk te voorkomen; maar +hoe deze middelen ontdekt, zoo alleen en verre van de menschen? Gij, +Willem, gij zijt man; hebt gij niets gevonden, niets beproefd om onzen +armen oom het leven te behouden?" + +"Ik kom van Hasselt en van Leuven," antwoordde hij. "Twee of drie goede +geneesheeren heb ik bezocht; geen enkele wist mij raad te geven. De tijd +is te kort, zeiden zij, en die ziekten overwint men niet in eenen dag." + +Op dit oogenblik schoot de hond met geweld tusschen de beenen des +jongelings door en deed hem schier vallen. Het beest liep recht naar het +huis van den hovenier. + +"Het is Nox, die den ouden Jakob gaat roepen," mompelde Willem. + +"En meenen de geneesheeren, die gij hebt geraadpleegd, dat mijnheer +Reimond morgen zal sterven?" vroeg het meisje. + +"Zij achten het mogelijk, nicht, maar zijn er niet zeker van. Evenwel, +volgens de inlichtingen, welke ik hun gaf, waren zij eenparig van +gevoelen, dat hij niet lang meer kan leven." + +"Welke ziekte meenen zij, dat hem naar het graf leidt?" + +"De ziekte der verbeelding, nichte. Deze ziekte moet volgens hen reeds +sedert lang de hersens van onzen oom ontstoken en er iets vernietigd +hebben. Zij beschouwen zijne kwaal als biedende zeer weinig kans tot +genezing." + +"En gij, Willem, gij schijnt zoo moedeloos?" + +"Ik acht alle verdere pogingen overbodig en onderwerp mij aan het lot +met smartelijke verduldigheid." + +Daar naderde de hovenier, die achter den hond naar het kasteel kwam. De +oude man opende zijne oogen wijd en zag den jongeling met treurnis en +verbaasdheid aan. Hij scheen hem zijne onvoorzichtigheid te verwijten en +gromde onverstaanbare woorden, terwijl hij hem voorbijging. + +"Eilaas, er is dus geene hoop meer!" zuchtte Theresia. "Wij zullen +machteloos hem moeten zien sterven?" + +"De geneesheer van Leuven hoeft mij wel een fleschje gegeven, dat +volgens hem ten minste den dood van onzen oom kan vertragen," zeide +Willem, "maar sedert mijnen terugkeer op het kasteel is mijn vertrouwen +gansch weg, en ik weet zelfs niet, of ik het geneesmiddel wel zou +gebruiken." + +"Waarom niet, kozijn? Men moet worstelen tot het einde." + +"Het is, ziet gij, nichte, dat er heden iets onverklaarbaars met ons is +geschied. Dat ik u hier vind, u, de Rosa mystica mijner kinderlijke +begoochelingen, dat gij, die ik leerde kennen onder den naam van Flora, +nu eensklaps mijne nichte Theresia De Wit geworden zijt, dat het +huwelijk, waartoe mijn oom mij wilde dwingen, integendeel al mijne +wenschen moest vervullen,--zulke samenloop van wonderbare +omstandigheden, uitwerksels van geheimzinnige oorzaken, dit alles komt +mij onbegrijpelijk voor. Het zij nu de wil van God, de veropenbaring van +eenen geest of de schikking van het nootlot, althans wij zijn beheerscht +door eene bovennatuurlijke macht. En indien het orakel van het +doodshoofd zich voor ons heeft bewaarheid, waarom zou het dan niet even +onfeilbaar zijn voor onzen oom?" + +Het meisje bezag hem verwonderd. + +"Wat wilt gij zeggen? Ik begrijp u niet!" murmelde zij. + +"Ik wil zeggen, dat het wreed zou zijn, eene harde worsteling tegen den +wil van onzen oom te beginnen, om hem een machteloos geneesmiddel te +doen nemen. Overweeg, dat wij hem den inhoud van het fleschje niet mogen +ingeven dan een uur vóór middernacht. Waarom zouden wij zijnen +doodsstrijd bitter maken door hem een ijdel en vruchteloos geweld aan te +doen?" + +"IJdel en vruchteloos?" herhaalde het verraste meisje. "Gelooft gij dan +insgelijks aan de wetenschap en macht der geesten, Willem?" + +"Gisteren nog lachte ik met deze dingen als met grillen eener zieke +verbeelding. Nu weet ik niet meer wat ik geloof. De innige blijdschap, +het geluk, de droefheid, de wanhoop, dit alles ondereen maakt mijne +zinnen duizelig. Er zijn dingen, die het menschelijk verstand te boven +gaan. Wij weten zoo weinig van de stoffelijke wereld!" + +"Kom, geef mij het fleschje en spreek er niemand van, bovenal Jakob +niet. Hij zou zijnen meester kunnen verwittigen. Vertrouw op mij: onze +oom zal het geneesmiddel nemen, al moest ik hem met geweld den mond +openen. Faalt uw moed, ik zal worstelen tegen den nijdigen dood, zoolang +er eene vonk der hoop voor mijne oogen glinstert. Wat is er in dit +fleschje?" + +"Ik weet het niet. De dokter had er zelf niet veel betrouwen in, en hij +gaf het mij slechts als iets, waarvan hij niet veel verwachtte." + +Jakob Mispels trad uit het kasteel, ontdekte zich het hoofd en zeide tot +Theresia, terwijl hij op zekeren afstand van haar bleef staan: + +"Mejuffer, mijnheer Reimond heeft mij bevolen u naar het dorp te leiden. +Het is erg genoeg voor mij, ik ben gewond aan den voet en kan schier +niet meer gaan. Indien het Willem geliefde ons te vergezellen, anders +zal ik mijne vrouw Peternelle medenemen. In het eenzaam bosch, men weet +niet wat men kan ontmoeten. Gij moogt hier niet langer blijven, +mejuffer; mijnheer zegt, dat ik u onmiddellijk naar het dorp moet +brengen." + +Zij volgden beiden den hovenier en verdwenen met hem in zijne woning. + + + + +VII. + + +Het was nacht. In eene groote bovenzaal van het kasteel Wildenborg lag +mijnheer Reimond met gesloten oogen op een bed. Bleek als een linnen en +mager als een geraamte, had hij geheel het voorkomen van een lijk. Op +een paar stappen van het bed stond eene tafel met een crusifix, een +wijwatervat en twee kaarsen van geel was, wier waggelende vlammen +slechts in hunne nabijheid een twijfelachtig licht verspreidden. Aan het +voeteneinde zat de pastoor, lezend in een boek. Theresia hield zich bij +het hoofdeinde en weende in stilte, met de handen voor de oogen, Willem +stond nevens haar en staarde ten gronde, de oude Peternelle zat geknield +met den rozenkrans aan de hand, en prevelde een gebed. + +Een paar stappen verder en schier in de duisternis zat Jakob, de +hovenier. Zijne wijdgeopende oogen dwaalden angstig en vragend rond; +doch telkens na zulk een vluchtig onderzoek, keerde hij het hoofd af en +staarde met mistrouwen in het donkere einde der zaal, waar hij wijlen +een zonderling gerucht, als de ratel in de keel van een stervend mensch, +zich liet hooren. Dit vreemd gegrol, wanneer het door toevallige +toonverandering eene bijzondere aandoening scheen te verraden, deed den +armen Jakob sidderen en verbleeken. + +Nox was in de zaal. Van tijd tot tijd naderde hij het bed, zette zijne +voorste pooten er op en lekte zijns meesters hand, die boven het deksel +lag. Dan verroerde de zieke nog de vingeren, als om het beest te toonen, +dat hij nog leefde; en Nox keerde terug naar het donkere gedeelte der +zaal, waar hij, dof knorrende, zich in eenen hoek nederlegde. + +Dit gaan en komen van den hond en zijne verrassende doenwijze vervulden +den bijgeloovigen Jakob met eenen onzeglijken angst. Ondanks de +tegenwoordigheid van den pastoor, twijfelde hij niet, of het ijselijke +beest zou op slag van middernacht in duivelsgedaante verschijnen, om de +ziel zijns meesters in bezit te nemen en ze mede te voeren naar de hel. + +De doodsche stilte, welke er onverbroken heerschte, sedert mijnheer +Reimond iedereen het zwijgen had bevolen of afgesmeekt, bracht niet +weinig bij, om de verschriktheid van den armen Jakob te vermeerderen. + +En inderdaad, de doffe zuchten dezer lieden, die stom als steenen +beelden rondom het bed van eenen stervende zaten; de versmachte snikken +van Theresia, het sissend geprevel der oude Peternelle; maar bovenal de +krijschende metaalklank, door den slinger van het uurwerk voortgebracht, +dit alles stoorde de stilte om ze gevoelbaarder, eendiger en +geheimzinniger te maken. + +Mijnheer Reimond lag roerloos op het bed en scheen reeds dood te zijn; +maar met veel aandacht kon men bemerken, dat hij nu en dan op eene +verborgene wijze zijne oogen half opende, om naar het uurwerk te zien en +dus den gang des tijds gade te slaan, als vreesde hij het juiste +oogenblik zijner opvaart naar de andere wereld te missen. Dit uurwerk +was het beeld des doods, dat hij den hovenier had doen naar boven +brengen en op de schouwplaat had doen zetten. + +Sedert langen tijd hield Theresia insgelijks den blik op den Dood +gevestigd: want de noodlottige vinger naderde allengs tot het elfde uur. + +Het meisje ging met onhoorbaren stap naar een nachttafeltje, dat achter +het hoofdeinde van het bed stond, goot daar iets in een glas water en +kwam dan weder bij den zieke. + +Zij stak hare linkerhand onder zijn hoofd en lichtte het op, wat geweld +hij ook deed om deze poging te wederstaan. + +"Nicht, nicht, gij zijt onmeedoogend," zuchtte hij. "Laat mij in vrede +deze opperste worsteling doorstaan. Mijne gebeden blijven dus onmachtig +tegen uwe zinnelooze hoop? Wat wilt gij?" + +"Oom lief," zeide zij, "uw adem ratelt zoo dor; het snijdt mij door het +hart; gij vergaat van dorst. Ach, doe uw arm lichaam niet nutteloos +lijden! Hier is water; drink eene teug." + +"Drinken?" morde de zieke, "mijn lichaam is dood. Drinken de zielen? +Verwijder dit glas van mijne lippen, en maak mijne laatste oogenblikken +niet pijnlijk." + +"Uit medelijden met mij, ik bid, ik smeek u, goede oom!" + +"Neen, neen, ik heb geenen dorst. Achteruit, nicht, gij martelt mij." + +"Onbegrijpelijke verdwaaldheid!" zuchtte het meisje. "Gij weigert te +drinken, omdat gij vreest, dat een glas water uw leven zou kunnen +verlengen? En gij gelooft in de macht der geesten!" + +"Laster, laster!" gromde Reimond. "Ha, ik vrees te drinken!" + +En verstoord en met bevende lippen ledigde hij het glas water. + +Hij aanschouwde de maagd met eenen grijnslach en zeide verwijtend: + +"Hoe bitter! Een geneesmiddel? Aan mij? Gij blijft dus hardnekkig hopen, +arme dwaze? Mijn dood alleen kan u overtuigen? Welaan, heb nog een +beetje geduld: op den slag van middernacht zult gij gelooven." + +Het uurwerk hergalmde elfmaal. + +De zieke richtte zich half op en zeide: + +"Vrienden, treedt nader; het laatste uur van mijn tegenwoordig aardsch +leven is begonnen. Ik verlang, dat de klank uwer stem mij niet meer +store. Mijne ziel moet pijnlijk arbeiden om los te raken uit hare +stoffelijke banden, en telkenmaal dat gij hare aandacht van deze drukke +worsteling afkeert, doet gij haar onuitsprekelijke smarten doorstaan. +Vooronderstelt, dat ik nu, op dit oogenblik, ga sterven, en neemt +afscheid van mij, een voorloopig, een tijdelijk afscheid; want onze +zielen zullen elkander daarboven in de ruimte wederzien." + +Hij reikte de hand tot den pastoor en sprak met eene heldere, +onverzwakte stem: + +"Vader, ik dank u uit den grond des harten voor uwe vriendschap en voor +uwen goeden, oprechten raad. Kon ik hem niet geheel volgen, vergeef het +mij. Vaarwel, en herinner u mijner in uwe gebeden." + +De priester wilde zijne vermaningen herhalen en den zieke tot een +klaarder besef van zijnen toestand en van zijne Christelijke plichten +roepen; maar mijnheer Reimond onderbrak zijne woorden en zeide: + +"Ja, eerwaarde, ik weet het wel, gij hebt gelijk: de mensch moet altijd +God voor oogen houden en mag niet vergeten, dat belooning of straf hem +wacht na elk leven. Maar wees gerust: ik sterf met betrouwen in Gods +goedheid en met het vaste geloof in Zijne almacht en in Zijne +rechtvaardigheid. Zeker, ik heb niet geleefd zonder zonde en zwakheid; +mij berouwt het te laat. Ik zal er voor boeten daarboven. Nog meer dan +eens zal ik moeten leven, strijden en lijden, vooraleer de plaats van +eenen der gevallene engelen te bekomen; maar wat doet het, indien ik +toch eindelijk, al ware het zelfs na duizend levens, den grooten God in +der eeuwigheid mag loven en dienen?" + +Hij nam opvolgend de hand der andere tegenwoordige personen. + +"Gij, mijn neef," zeide hij, "zult waarschijnlijk eens door het verkeer +der geesten den kortsten weg naar de volmaaktheid vinden. Ik zie met +vreugde, dat gij ten minste eene ijdele hoop hebt verzaakt en mij +toelaat te denken, dat gij mijnen dood als onfeilbaar aanvaardt. Wanneer +gij de echtgenoot uwer nicht zult geworden zijn, blijf haar beminnen en +liefhebben. Weigert haar gemoed aan de macht der geesten te gelooven, +verschoon de zwakheid harer natuur. Zij heeft een goed hart; en dewijl +zij u voorbestemd was door God, moet gij overtuigd blijven, dat de geest +van het doodshoofd de waarheid zeide, toen hij openbaarde, dat zij +alleen op aarde u kan gelukkig maken.... Nicht, het gevoel der liefde en +der dankbaarheid is machtig in u; keer die krachten uwer ziel op uwen +man en op uwe kinderen; en dus de heilige plichten der vrouw en der +moeder vervullende, zult gij eens met hem, met hen en met mij vereenigd +worden in den schoot van God, bron der volledige zaligheid." + +De hovenier en zijne vrouw stonden beiden te weenen voor het bed; de +smart van Jakob Mispels was zoo luidruchtig, dat zijne snikken door de +zaal galmden. + +"Mijn arme Jakob, mijne goede Peternelle," zeide de zieke, "waarom dus +tranen storten? Zijt getroost. Wist gij hoe het in de andere wereld met +de zielen staat, gij zoudt juichen en mij gelukwenschen.... Vaartwel, +mijne vrienden. Het is geen afscheid, dat ik van u neem; morgen ben ik +hier terug, wel is waar zonder lichaam, maar veel machtiger en +zuiverder. Mijne ziel zal tusschen u allen wonen, ik zal u zien en +hooren en mij verblijden in uw minste geluk.... Nox, Nox! Ha, daar zijt +gij.... mijn trouwe gezel. Kom, dat ik u nog eens.... nog eens. Wat +gebeurt mij?... Er schiet eene wolk voor mijne oogen. Nox, ik heb voor +u.... mijne krachten falen.... de ziel worstelt.... zij worstelt +woedend.... woedend tegen het zelfzuchtig lichaam.... vaartwel.... +vaartwel!" + +En deze laatste woorden stamelende, liet mijnheer Reimond zich als +ontzenuwd en machteloos op het kussen nedervallen; hij wreef zich over +de oogen en wilde nog spreken, doch de verwarde woorden, die zijnen +lippen ontvielen, verstierven allengs tot een onduidelijk gesuis, en +eindelijk scheen alle beweging in hem opgehouden. + +Het was een oogenblik van uitersten angst; allen staarden stom en bleek +op den zieke, in de smartelijke meening, dat hij inderdaad ging sterven. +Jakob Mispels alleen glimlachte en hief de handen dankend ten hemel, +terwijl hij in zich zelven mompelde: + +"Ha, ha, hij is dood! God zij geloofd, de vijand komt te laat!" + +Eene lange wijl bleef de pastoor, met het hoofd over den stervende +gebogen, zijne ademing afluisteren; hij voelde hem insgelijks de borst, +en keerde zich eindelijk tot het meisje en tot Peternelle, die met de +handen voor de oogen stonden te snikken. + +"Neen, mijne kinderen," zeide hij, "levert u nog niet geheel over aan de +smart. Het lange spreken moet den zieke vermoeid hebben. Ik begrijp het +niet, zijn hart klopt regelmatig en zijne ademing is vrij en rustig. +Verliest den moed niet: de doodsstrijd is nog niet begonnen. Laat ons +bidden!" + +Bij het hooren dezer woorden slaakte Jakob Mispels eenen pijnlijken +kreet. Hij had reeds gejuicht over den natuurlijken dood zijns meesters +als over eene zegepraal op de hel. Wreed was hem de onverwachte +teleurstelling; het geloof aan het schrikkelijk einde van mijnheer +Reimond ontstond met nieuwe kracht in zijnen geest. Hij keerde langzaam +terug naar zijnen stoel, en liet er zich zuchtend op nedervallen. + +De andere aanwezige personen hadden de aanbeveling des priesters +gehoorzaamd en baden met vurigheid. + +Er heerschte dus weder eene volledige stilte;--maar de vinger des Doods +ging intusschen vooruit op de uurplaat, en welhaast zou hij het +gevreesde getal XII bereiken. + +Allen bemerkten het wel; want, ofschoon biddend, keerden zij met immer +aangroeienden angst nu en dan het oog naar het uurwerk. Geen hunner die +niet geloofde, dat Reimond op den slag van middernacht zou sterven; zij +beschouwden den ongelukkigen man als krankzinnig, en twijfelden niet, of +zijne zieke verbeelding zou macht genoeg hebben om zijnen levensdraad op +het aangekondigde oogenblik te breken. In den geest van Willem was de +onfeilbaarheid van den dood zijns ooms eene zoo sterke overtuiging, dat +hij niet de minste vonk der hoop had behouden. + +Jakob Mispels scheen vernietigd; hij had zich het aangezicht met de +handen bedekt, uit vreeze van ijselijke dingen te zien, en zat diep +voorovergebogen als iemand, die zich zoo klein mogelijk maakt en den rug +biedt aan de slagen des vijands. + +Evenwel blikte hij somwijlen door zijne vingeren naar de uurplaat, en +telkens sidderde hij van top tot teen; want de vinger des Doods raakte +schier het noodlottig getal. Ook zijne ooren stonden gespannen om het +minste gerucht op te vangen, hoe onduidelijk en geheimzinnig het mochte +zijn. Wat hem onmatig verschrikte, was, dat hij sedert eenigen tijd het +geknor van Nox niet meer had gehoord. Waar was de hond? Was hij bezig +met zijne gedaante te veranderen? + +Eensklaps deed het uurwerk de lucht onder eenen scherpen metaalklank +sidderen; terzelfder tijd ontstond er een pijnlijk gehuil in het donkere +gedeelte der zaal. De hovenier slaakte eenen snijdenden schreeuw, sprong +recht en vluchtte kermend de deur uit; maar de duisternis van een gang +dreef hem terug in het vertrek. Hij liet zich geknield ten gronde vallen +en hief de bevende armen in de hoogte, terwijl hij, halfdood van schrik, +in onverstaanbare woorden 's hemels bijstand afsmeekte. Elke slag van +het uurwerk vermeerderde zijnen angst en ontrukte hem eenen nieuwen +noodkreet; maar toen hij ook den twaalfden klank had hooren versterven, +zonder dat eenig bovennatuurlijk wezen zich had vertoond, stiet hij eene +lange ademing uit, als viel er een zware steen van zijn hart, en een +zucht van blijdschap welde op uit zijnen verengden boezem. + +Hij stond op, blikte rond met wijdgeopende oogen en naderde tot het bed, +waar de andere personen hijgend, stil en roerloos op den zieke staarden, +in afwachting van zijnen laatsten snik. + +Reeds was de vinger des Doods op de uurplaat zichtbaar vijftien minuten +voorbij het getal XII gevorderd, en nog niemand had een woord gesproken. +Wel was er een klank als een kreet van blijdschap uit den mond der maagd +ontsnapt, maar de pastoor had door een gebiedend teeken haar de stilte +bevolen, terwijl hij, met de hand op het hart van den zieke, den +doodsstrijd volgde. + +Eindelijk zeide de priester: + +"Het is onbegrijpelijk: zijn polsslag, ofschoon een beetje verzwakt, is +nog regelmatig. Hij zal sterven waarschijnlijk; doch het zal nog niet in +het eerste uur zijn. Misschien zal zijn doodsstrijd zich verlengen tot +den morgen. Hij schijnt nu rustig ingesluimerd." + +Theresia lachte en dankte God met opgehevene handen, als waande zij +haren oom van den dood gered. + +Willem stond verbaasd te kijken; hij kon schier niet gelooven, dat de +voorzegging, die mijnheer Reimond van den geest beweerde ontvangen te +hebben, onvolvoerd kon blijven. + +Jakob Mispels, nu van zijnen schrik verlost, had grooten lust om te +dansen en te zingen; hij liep met zwaaiende armen door de zaal en stapte +zelfs geruchtmakend tot verre in de duisternis, als wilde hij Nox +uitdagen en bespotten; maar het beest sliep ongetwijfeld, want het +roerde zich niet. + +"Blijft stil, kinderen," zeide de pastoor. "Heeft mijnheer Reimond zich +misgrepen over het juiste uur zijns doods, dit is geenszins +verwonderlijk; maar dit mag ons niet doen denken, dat hij heden de +wereld niet zal verlaten. Matigt uwe aandoeningen, vrienden; gij bereidt +u nieuwe smarten." + +Nog eens den toestand van den zieke onderzocht hebbende, keerde de +priester zich tot het meisje en zeide: + +"Uw oom schijnt te slapen. Gij hebt hem een geneesmiddel doen drinken. +Wat was dat geneesmiddel?" + +"Ik weet het niet, eerwaarde," was het antwoord. "Willem heeft het te +Leuven van eenen dokter gekregen." + +Zij stapte tot den nachttafel, greep daar een klein fleschje en reikte +het den geestelijke, die het nauwkeurig bekeek en eindelijk eenen +druppel er van aan zijne tong bracht. + +"Opium!" mompelde hij. "Nu begrijp ik ten volle: gij hebt uwen oom eenen +slaapdrank ingegeven.... Juich niet zoo onvoorzichtig, mijne dochter. +Indien hij nimmer uit dien slaap moest opstaan?" + +"Maar, eerwaarde," kreet het meisje met eene blijdschap, die zij +moeielijk kon bedwingen, "het is eene eerste zegepraal op de ziekte der +verbeelding en op den dood. Indien mijn oom ontwaakt, zal hij zelf +erkennen, dat zijn geloof in de geesten hem heeft bedrogen; en, blijft +hem nog de kracht over om eenige dagen te leven, dan zal ik hem wel +genezen, twijfel daar niet aan." + +"Mocht uwe hoop zich verwezenlijken, mijne dochter," zeide de priester, +het hoofd schuddende; "maar het is niet waarschijnlijk, dat uw +liefderijke wensch verhoord worde. Zulke ziekte der verbeelding laat +zich niet door eene enkele teleurstelling overwinnen. In alle geval, God +is almachtig; Hij kan wonderen laten geschieden. Smeeken wij Zijne +genade af; onze eenige toevlucht is Zijne barmhartigheid voor eenen +armen zinnelooze. Bidden wij!" + +En de pastoor maakte het teeken des kruises, trok eenen stoel bij, +knielde en liet het hoofd diep op de borst vallen. + +De anderen volgden zijn voorbeeld, en het werd zoo stil in de zaal, +alsof er geen levend wezen ware tegenwoordig geweest. + + + + +VIII. + + +De zon was glansrijk aan den zuiveren hemel opgerezen en een stralend +licht overstroomde het kasteel van Wildenborg. Mijnheer Reimond was nog +niet dood. Wel had hij de voortduring van zijn leven door geene enkele +beweging verraden; maar hij ademde nog immer als iemand, die in eenen +diepen slaap ligt gedompeld. + +Op het aandringen van Peternelle, was de pastoor met Willem naar haar +huisje gegaan, om er eenen tas koffie en eene boterham te nemen; want de +goede vrouw begreep wel, dat dit lange waken hun het nuttigen van eenig +voedsel noodig had gemaakt. + +Willem zat aan de kleine tafel voor den priester, en zeide in gepeinzen: + +"Hoe zwak is toch het menschelijk verstand en hoe kan zijne verbeelding +tot wonderlijke dwaalbegrippen verdolen! Mijn oom heeft mij uitgelegd, +welk zijn leerstelsel is aangaande zijn geloof in de geesten. Zijne +woorden verbaasden mij; zijn stelsel scheen mij redekundig en +samenhangend als de leering van eenen volledigen godsdienst. Ik gevoelde +eene zonderlinge bekoring om de mogelijkheid zulker dingen te erkennen; +en waarlijk, eerwaarde, ofschoon ik in mij zelven zeide, dat het hoofd +mijns ooms moest ontschikt zijn, twijfelde ik of hij misschien niet +klaarder dan anderen in de bovennatuurlijke wereld en in de toekomst +zag. Dan, dit was slechts eene begoocheling mijner zinnen; nu is het mij +genoegzaam bewezen, dat de gedachten mijns ooms niets dan ziekelijke +hersenschimmen zijn." + +"Ja, mijn zoon," sprak de pastoor, "de hersens des menschen vormen een +zeer ingewikkeld en uitgebreid zintuig. Er is geene onzer aandoeningen, +onzer hartstochten, onzer neigingen of onzer noodwendigheden, die niet +met ziekelijke afdwaling of met geheele verdooldheid kan worden +geslagen. Vroeger ben ik jaren lang aalmoezenier in een groot +zinneloozenhuis geweest. Daar ziet men allerlei krankheden en gebreken, +evenals in een hospitaal, met dit verschil dat niet het lichaam of de +leden ziek zijn, maar wel de wortelen der zenuwen, die uit de hersens +ontschieten. Ik heb honderden krankzinnigen gezien, die keizer en +koning, ja, door ziekelijken hoogmoed zelfs heilig of paus of God +meenden te zijn, velen roemen op het bezit van duizenden millioenen of +van gansche landstreken; sommigen haten iedereen, anderen smelten van +teederheid en vriendschap voor menschen en dieren, of schrikken van een +blad, dat beweegt, of wanen zich oorlogsheld, geleerde of uitvinder van +wonderlijke dingen. Maar de ziekte uws ooms is eene gansch bijzondere, +eene uiterst gevaarlijke, die vroeger niet bestond en eigen is aan onze +eeuw van twijfel en ongeloovigheid. Kon men door eene valsche wetenschap +de noodzakelijkheid der hoop op een toekomstig leven geheel uit het hart +der menschen rukken, het ware zeker een eindeloos ongeluk; maar de +ziekte, waaraan uw oom nu lijdt, zou niet bestaan." + +"Ik begrijp niet, eerwaarde," zeide de jongeling, die met gespannen +aandacht luisterde en zelfs vergat te eten. + +"Inderdaad," was het antwoord, "zonder ondervinding der zaak is het +moeielijk om te begrijpen. De mensch is geboren met een innig gevoel der +eeuwigheid van zijn eigen wezen; dit gevoel zegt hem, dat niet alles met +den stoffelijken dood kan eindigen, en dat zijne ziel zal opvaren naar +eene andere wereld, om daar belooning of straf voor zijne daden te +vinden. Deze overtuiging maakt deel van de menschelijke natuur; zelfs de +Wilden, die slechts een duister besef van het bestaan der Godheid +hebben, eeren hunne dooden, offeren hun voedsel en betuigen, dat zij aan +het voortbestaan des menschen na den dood des lichaams gelooven. Wat +doet men nu, onder voorwendsel van wetenschap of van mode? Men spoort de +lieden aan, om de geheimenissen van den Godsdienst te loochenen en te +verwerpen, alleenlijk omdat het geheimenissen zijn, en ze niet door de +menschelijke rede alleen of door stoffelijke middelen kunnen worden +bewezen. Maar men versmacht niet zoo gemakkelijk de noodzakelijkheid +onzer natuur om op de toekomst te hopen, en men belet onzen geest niet +zoo lichtelijk onverpoosd in de hoogte te zien naar het raadselwoord +onzer bestemming. Er komt dan een oogenblik, dat deze noodzakelijkheid +weder de overhand verkrijgt, en dat men bezwijkt onder de +onweerstaanbare strekking onzer ziel naar het bovennatuurlijke. In stede +van alsdan terug te keren tot den godsdienst, die de oplossing dezer +vraagpunten door eeuwenoude openbaring heeft ontvangen, blijft men slaaf +der mode, welke in zeker gedeelte der samenleving heerscht; en, om aan +eene valsche schaamte te ontsnappen, wil men hetzelfde doel langs eenen +anderen weg bereiken. Dan dwaalt het menschelijk verstand zonder licht +of leiddraad in de onzichtbare wereld der geesten; de verbeelding, dus +vlottend op de donkere zee der bovennatuurlijke dingen, kan noch kust +noch haven vinden om te rusten. Door eenen altijd klimmenden hoogmoed +verleid, schept zij stelsels en leeringen, die anders niets zijn dan de +misvormde openbaringen van het geloof, waarvan zij, eilaas, de +zuiverheid heeft verduisterd. Wat anders is het stelsel van uwen oom en +van anderen nog, dan eene belachelijke nabootsing der leerregels van den +godsdienst? Men wil niet meer gelooven, en men is evenwel door zijne +ingeborene natuur gedwongen te gelooven. Dan neemt men zijne toevlucht +tot draaiende tafels, tot slapende profeten, tot sprekende geesten en +andere hersenschimmige dingen; en, terwijl men alle geheimenissen en +wonderheden verwerpt, gelooft men zich zelven eenen mirakeldoener en +eenen geestendrijver! En wat is dikwijls het einde daarvan? Het +krankzinnigenhuis." + +"Wonderlijk toch," bemerkte Willem, "dat een geleerd en anders +verstandig man, als mijn oom, tot het geloof aan zulke onbestaanbare +dingen kan verdolen!" + +"Het is geenszins wonderlijk, mijn zoon," antwoordde de pastoor. "Gij +hebt gezien, hoe de arme Jakob Mispels onophoudend door hersenschimmige +gevaren wordt gefolterd, hoe de vrees voor spoken en duivels zelfs het +besef van Gods almacht en rechtvaardigheid in hem verduistert? Dit is +het bijgeloof der eenvoudige en ongeleerde lieden, wanneer zij door +afdwaling des gevoels de leering van den godsdienst overdrijven. Zoo is +integendeel de dweperij met kloppende tafels, sprekende geesten en +andere dingen van dien aard het bijgeloof van de hoogere en middelbare +standen der maatschappij, inbeeldsels, even belachelijk als de droomen +van Jakob Mispels, en zeker min verschoonbaar. Laat iemand beweren, dat +hij het middel heeft gevonden om eenen hoed te doen spreken of eenen +slapende door de muren te doen zien, even ras is de gansche wereld er +mede bemoeid. Niet de arme eenvoudige lieden, neen, rijken en geleerden, +dames uit de groote wereld, wijsgeeren, dokters, staatkundigen. Zeker, +velen leenen zich uit scherts of uit mode tot zulke algemeene +ingenomenheid; maar zij zijn niet min schuldig aan de gevolgen dezer +afdwaling van het besef der waarheid en der wezenlijkheid. Het bijgeloof +aan geesten en aan verborgene geheimzinnigheden is uiterst besmettelijk. +Nauwelijks heeft zulke beklaaglijke hersenkoorts eenigen tijd geduurd, +of de zinneloozenhuizen krielen van ijlhoofdige mirakeldoeners. En, +eilaas, van alle ziekten des geestes is de verdwaling der verbeelding in +het bovennatuurlijke de minst geneesbare!" + +"Alzoo, eerwaarde, gij gelooft waarlijk, dat mijn arme oom zal +bezwijken?" vroeg de jongeling met treurige stemme. + +"Ik heb slechts eene zeer zwakke hoop, mijn zoon. Mij blijft altijd nog +de vrees, dat hij uit den langen slaap niet zal opstaan, of slechts zal +ontwaken om te sterven." + +"Mijne nicht is zoo gelukkig nogtans; hare blijdschap verscheurt mij het +hart." + +"Mij boezemt het arme meisje insgelijks medelijden in," bevestigde de +priester, het hoofd schuddende. "Zij schijnt haren oom met +overdrevenheid te beminnen, en zij worstelt tegen den dood met eene +heldhaftige standvastigheid. Wat smartelijke slag zal haar treffen, +indien zij hare hoop teleurgesteld ziet!" + +Willem meende nog zijne nicht te beklagen; maar daar kwam de hovenier +met de armen in de hoogte de kamer ingesprongen, en riep: + +"Mijnheer pastoor, mijnheer Willem, komt, komt, mijn meester leeft nog; +hij heeft de handen verroerd en zich op de zijde gelegd in zijn bed!" + +"Is hij ontwaakt? Heeft hij de oogen geopend?" vroeg de priester. + +"Neen, neen; maar Theresia zendt mij om u te roepen." + +"Misschien vreest zij, dat zijn uur is gekomen!" murmelde de pastoor. + +"Kom, mijn zoon, wij zullen gaan zien. Houd u sterk; tranen noch +klachten kunnen den dood verjagen, wanneer God hem toelaat tot een +mensch te naderen." + +Toen zij in de bovenzaal traden, zagen zij wel, dat Theresia hun teekens +van blijdschap deed; maar iets anders dan dat de zieke op de zijde lag, +bemerkten zij niet. + +"Hij heeft zich verroerd, eerwaarde; hij gaat ontwaken!" murmelde +Theresia met teruggehoudene stem. + +"Is het niet eene krampachtige beweging, die hem heeft aangegrepen?" +vroeg de priester even stil. + +"Neen, neen, hij heeft zich langzaam en zeer zacht op de zijde gelegd. +Ik meende hem te roepen; maar ik dorst niet, eerwaarde; gij hebt het mij +verboden." + +De pastoor naderde tot het hoofdeinde en sprak luid: + +"Reimond, hoort gij mij?" + +Eene siddering scheen de leden van den zieke te doorloopen. Hij opende +de oogen zoo wijd en met zulken glasachtigen blik, dat Jakob Mispels, +eenen angstkreet slakend, in de kamer terugsprong, als hadde een spook +hem aangegrijnsd. + +Mijnheer Reimond, alhoewel zijne oogen geopend waren, zag klaarblijkend +nog niet, of ten minste de bewustheid en de herinnering waren nog +afwezig; maar allengs kwam er leven in zijnen blik, en dan, den pastoor +en het meisje verbaasd aanstarende, mompelde hij: + +"In de wereld der zielen? Gij insgelijks? Er zijn jaren verloopen? Gij +zijt allen gestorven?" + +Theresia stak haren arm onder zijn hoofd en zoende hem, terwijl zij met +tranen van geluk uitriep: + +"Neen, neen, oom lief, wij leven en gij insgelijks! Gij zijt gered, de +dood is overwonnen. God heeft u behouden voor onze dankbaarheid, voor +onze liefde!" + +"Gij leeft? Ik leef?" kreet Reimond met eene soort van afgrijzen. +"Achteruit, weg, laat mij los!" + +En, zittend in zijn bed zich oprichtende, staarde hij verstomd en bevend +rond de kamer, als kon hij zijne oogen niet gelooven. + +"De zon, de dag, het licht?" morde hij. "Zes uren? Ik ben niet dood? +Eilaas, welk ongeluk! Ik wil niet leven, ik wil sterven!" + +En hij sloeg zich de handen voor het aangezicht en stortte tranen van +spijt en verdriet, omdat hij, in stede van naar zijne gewaande wereld +der zielen verhuisd te zijn, zich nog in stoffelijken vorm op aarde +bevond. + +Theresia liet hem eene wijl aan zijne droefheid overgeleverd, totdat +hij zijn aangezicht weder ontdekte. Dan voegde zij de handen te zamen en +smeekte met eene zoo zoete stem, dat de klank er van alleen het hart +ontroerde: + +"O, mijn goede oom, heb toch eenig medelijden met mij! Zie mijne tranen. +Ik heb God zoo vurig gebeden, dat Hij u liete leven. Mijn gebed is +verhoord, en gij wilt sterven? Gij zoudt dus tegen den Hemel zelven +opstaan, om ons, die u zoo innig beminnen, met smart en met wanhoop te +overladen? Onmogelijk, zulke wreedheid is vreemd aan uwe milde natuur. +Gij kunt de waarheid niet meer loochenen: vermits gij nog leeft, was het +eene dwaling, te gelooven dat gij moest sterven." + +"Ja, ja, het was eene dwaling," morde hij, "maar er zijn misleidende +geesten." + +En de hand van zijnen neef grijpende, zeide hij klagend: + +"Willem, Willem, het was een spotgeest! Hij heeft mij jaren lang +bedrogen. Indien ik nog niet onmiddellijk tot de wereld der zielen mag +opvaren, zullen wij te zamen eenen rechtzinnigen geest zoeken, en wij +zullen hem vinden, wees zeker.... Maar, indien hij mij insgelijks +aangaande uw huwelijk had misleid? Gij zijt vrij, mijn neef; alhoewel +uwe nicht een goed en liefderijk meisje is, zijt gij niet verplicht met +haar te trouwen." + +"Het is de wil van God: wij moeten vereenigd worden, om te zamen u +gelukkig te maken, oom lief," mompelde Willem, die schier niet spreken +kon van ontroering. + +"Mij gelukkig maken?" herhaalde Reimond met eenen lichten spotlach. "Gij +meent dus, dat ik nog lang op aarde zal blijven?" + +"Ja, ja, weldoener mijner ouders, ja, goede oom, gij zult leven tot +eenen hoogen, zaligen ouderdom!" riep Theresia, hem streelend de armen +om den hals slaande. "Tot nu toe was de wereld voor u eene sombere, +droeve eenzaamheid. Wij zullen ze rondom u verlichten, al die vijandige +gepeinzen van u verjagen en u bewijzen, dat God de aarde schoon en +vroolijk genoeg heeft gemaakt, om er geduldig te wachten totdat Hij ons +roepe. Bezie mij. Die oogen stralend van genegenheid tot u, dat +voorhoofd waarop de mismoed nog geene rimpelen heeft gegraven, die mond +u toelachend van dankbaarheid, zullen zij u niet meer verheugen dan het +grimmig doodshoofd, waarop gij jaren lang hebt gestaard? Ach, aanvaard +het leven, dat u overblijft. De bloemen des moeds en der blijheid zullen +voor uwe voeten ontschieten bij elken stap. Gij zult eten, sterk worden, +de milde natuur beminnen; wij zullen wandelen, rijden, op reis gaan, +zingen, juichen, God danken, weelde rondstrooien, de armen helpen, in de +liefdadigheid de zon zoeken, die uw edelmoedig hart met het licht der +zelfvoldoening moet vervullen! O, ik smeek u, geef mij een troostend +woord! Droog mijne tranen; zeg, dat gij niet meer wilt sterven!" + +Reimond scheen half overwonnen; doch hij worstelde nog en schudde +twijfelende het hoofd. + +Willem trad nader. + +"Oom lief," sprak hij met eene stem, die van diepe ontsteltenis +getuigde, "wat Theresia u voorspelt, zal waarheid worden. Ons gansche +leven, elk oogenblik van ons bestaan zal aan uw geluk worden toegewijd. +O, weersta haar gebed niet langer; verjaag het ziekelijk denkbeeld des +doods! Waarom nog denken aan de openbaringen van eenen geest, die u zoo +wredelijk heeft bedrogen?" + +"En gij zult mij helpen om eenen goeden geest te vinden?" + +"Ja, ja, ik zal al doen wat gij verlangt." + +"Hij is gevonden, de goede geest!" juichte Theresia. "Ik ben de goede +geest; ik zal u verdedigen tegen de bekoringen van de vijanden der +ziel!" + +"Welnu, kinderen," riep Reimond, de armen openende, "zijt tevreden, ik +zal leven zoolang het God belieft!" + +Een zegevierende schreeuw klonk door de zaal, en de beide jongelieden +sprongen juichend de omhelzing van hunnen oom te gemoet. + +De pastoor schouwde dankend ten hemel. + +Jakob danste, Peternelle lachte, en Nox, de hond, liep kwispelstaartend +en van vreugde knorrend rondom het bed. + + * * * * * + +Nu is Wildenborg een schoon buitengoed. Wegen en dreven zijn door het +bosch getrokken; het kasteel is hersteld en glanst uit de verte door het +blinkend wit zijns gevels en het helder-groen zijner vensters. Geen +onkruid meer in den hof; slingerende paden, lustboschjes en bloemen +overal. De lucht is er beladen met balsemgeuren; de eenzaamheid is er +bezield door den zang der vogelen en door de galmen eener zoetluidende +vrouwestem, welke des avonds begeleid wordt door de klanken der piano of +der luit. Men houdt er dienstknechts, meiden en hoveniers. Er is +dikwijls gezelschap; somwijlen rijden er op éénen dag vier of vijf +koetsen door den hof; somwijlen ook is het als eene processie van arme +menschen, die de dreef instapt om naar het kasteel te gaan, waar de +pastoor, in naam der eigenaars van Wildenborg, milde en overvloedige +aalmoezen uitdeelt. + +Mijnheer Reimond leeft nog; hij wandelt gansche dagen in den hof; hij is +zelfs liefhebber van bloemen geworden en lacht niet zelden de natuur aan +als ware het leven op aarde hem zoet. + +Wel heeft hij nu en dan neiging naar eenzaamheid; wel schijnt hij nog +immer aangedreven om opnieuw in gemeenschap met de geesten te komen; +maar zoohaast zijne afgetrokkenheid of de vastheid van zijnen blik die +strekking verraadt, omringen hem geesten van eenen anderen aard, +engelen, die hem geene rust laten en tegen zijne geheime gepeinzen +worstelen, totdat ze weder geheel zijn overwonnen en verjaagd. + +Deze goede geesten zijn Willem en zijne echtgenoote Theresia; deze +beschermengelen zijn hunne vier lieve kinderen, die geleerd hebben, den +ouden oom te beminnen, en die hem tergen en op zijnen rug klimmen, en +hem streelen en hem zoenen, totdat de glimlach der voldoening zijn +gelaat kome bestralen. + +Jakob Mispels rust op het kerkhof onder een schoon kruis; Peternelle +woont nog in haar huisje, en heeft eene meid, om haar te dienen. + +Nox, de hond, is van ouderdom half lam; maar het arme beest doet nog +geweld om zich dankbaar te toonen voor zijne meesters en hunne kinderen, +die allen jegens hem goed zijn en voor hem zorgen. + +[Voetnoot 1: Necromancie] + +[Voetnoot 2: Phrenologie.] + + + + + +End of Project Gutenberg's De Ziekte der Verbeelding, by Hendrik Conscience + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZIEKTE DER VERBEELDING *** + +***** This file should be named 20536-8.txt or 20536-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/2/0/5/3/20536/ + +Produced by Frank van Drogen, Clare Boothby and the Online +Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
