summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--20536-8.txt5409
-rw-r--r--20536-8.zipbin0 -> 98684 bytes
-rw-r--r--20536-h.zipbin0 -> 103477 bytes
-rw-r--r--20536-h/20536-h.htm5534
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
7 files changed, 10959 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/20536-8.txt b/20536-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..7191823
--- /dev/null
+++ b/20536-8.txt
@@ -0,0 +1,5409 @@
+Project Gutenberg's De Ziekte der Verbeelding, by Hendrik Conscience
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Ziekte der Verbeelding
+
+Author: Hendrik Conscience
+
+Release Date: February 6, 2007 [EBook #20536]
+[Last updated: August 27, 2011]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZIEKTE DER VERBEELDING ***
+
+
+
+
+Produced by Frank van Drogen, Clare Boothby and the Online
+Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+Hendrik Conscience.
+
+
+De Ziekte der Verbeelding.
+
+
+
+
+
+LEIDEN.--A. W. SIJTHOFF.
+
+1880.
+
+
+
+
+DE ZIEKTE DER VERBEELDING.
+
+
+
+
+
+I.
+
+
+Te midden der onmeetbare heide, die langs de noordelijke grenzen onzer
+provincie Limburg, als de bodem eener opgedroogde zee, vele uren verre
+onafgebroken voortloopt, ligt een oud en donker bosch.
+
+Waarschijnlijk dat hier in verledene eeuwen een uitgestrekt moeras heeft
+bestaan; want het zijn geene masten of dennen, die er groeien: de eik,
+de wilg, de abeel, de els en andere breed-bladerige boomen woekeren er
+met hunne wortelen in de vette, mullige aarde.
+
+Zoo diep ligt de grond van het bosch, dat de reiziger, die over de heide
+trekt, uit de verte nauwelijks de toppen der boomen als eene duistere
+vlek op de zandwoestijn ontwaart. Wanneer hij, afgemat en door het
+gevoel der lange eenzaamheid zwaarmoedig, den boord der diepte nadert,
+verblijdt het gezicht van het schaduwrijk loover hem niet; integendeel,
+hij blijft verrast en aarzelend staan. Die ondoordringbare groene klomp,
+de volstrekte stilte, welke er heerscht, de koude vochtigheid, welke hem
+tegenwasemt,--dit alles doet hem droomen aan eene nog volledigere
+eenzaamheid, aan iets geheel afgezonderds, aan iets geheimzinnigs;--en,
+of hij vrees hebbe voor kwaaddoeners of voor onbegrepen gevaren, niet
+zonder bekommerdheid stapt hij den eenigen weg in, die tusschen het
+somber en doodstil geboomte wegschiet.
+
+In den diepsten schoot van dit bosch lag het kasteel Wildenborg.
+
+Het was een groot vierkant gebouw, uit rooden baksteen gemetseld, zwaar,
+bonkig en zonder eenig kenmerk van kunst of van smaak.
+
+De twee uitgebrokkelde torens, die boven zijn achterdeel zich
+verhieven, en de vorm der vensters lieten herkennen, dat het in den
+Spaanschen tijd was gesticht geworden.
+
+Zeker moesten de eigenaars sedert meer dan eene halve eeuw het onderhoud
+van dit kasteel geheel verwaarloosd hebben. Vele kareelen waren uit de
+muren gevallen, de naden tusschen de steenen waren diep uitgehold,
+overal in den gevel wortelden wilde gewassen, en op sommige plaatsen
+wiegelden de tengere ranken van het helmkruid in machtige bossen in den
+wind.
+
+Een oude, knoestige wijngaard had weleer een gedeelte des gevels
+overdekt, maar bij gebrek aan steun was hij voorover gevallen en lag nu
+met het hoofd ter aarde neergebogen, zonder dat iemand er aan had
+gedacht hem weder op te richten.
+
+Bij het gezicht zulker bouwvalligheid hadde men licht geloofd, dat
+Wildenborg eerlang van ouderdom in gruis zou storten, bovenal wanneer
+men bemerkte, dat eene breede scheur, met hoekige bewegingen als het
+nagelaten spoor des bliksems, tot in de grondvesten des gevels daalde.
+
+Op een honderdtal stappen des kasteels, achter het roestig ijzeren hek,
+dat den ingang afsloot, stond een klein boerenhuisje, met zijnen stal en
+met zijnen afgezonderden oven, ongetwijfeld bestemd tot woning voor
+eenen hovenier.
+
+Indien er zulk een arbeider tegenwoordig was, moest hij niet zeer
+vlijtig zijn; want de vruchtboomen, die binnen het landgoed stonden,
+waren verwilderd, en tot op de voetpaden zelve groeide woekerend gras,
+terwijl de bloembedden en zoden door machtige natuurkruiden, als
+bereklauw, smeerwortel en klissen, waren ingenomen.
+
+ * * * * *
+
+Op eenen zomermorgen van het jaar 1855 bevond er zich eene zeer oude
+vrouw in de benedenkamer van het hoveniershuis. Zij had de koffie
+opgeschonken in eenen zilveren pot, en zette nu op een verlakt
+schenkbord eene drinkkom van verguld porselein. De kostbaarheid dezer
+voorwerpen kwam in het geheel niet overeen met het overige huisraad der
+kamer. Alles was er, zoo niet vuil, ten minste zeer oud en versleten.
+Men mocht dus vermoeden, dat de zilveren koffiekan en de porseleinen
+drinkkom voor eenen persoon van meerderen rang bestemd waren.
+
+De oude vrouw, nadat zij een tarwebrood op het schenkbord had gelegd,
+ging tot een wijwatervat, dat aan den muur hing, bevochtigde hare
+vingeren en maakte het teeken des kruises met eene uitdrukking van
+droefheid. Zij trok daarop eenen rozenkrans uit den zak, zette zich op
+eenen stoel en zonk weg in het gebed.
+
+Lang bleef zij dus in stilte de lippen verroeren. Zij had reeds vele
+malen de oogen smeekend, ten hemel opgeheven, toen een man met eene
+spade op den schouder in de kamer trad en zwijgend en als verschrikt
+haar aanschouwde.
+
+Deze man kon wel zeventig jaar oud zijn, want zijne haren waren
+zilverwit, zijn rug gekromd en zijn aangezicht doorploegd met diepe
+rimpelen. Ofschoon zijne oogen nog levendig waren, gaf de dikheid zijner
+lippen--iets ongewoons in zulken ouderdom--hem een zonderling voorkomen
+van eenvoudigheid of van bekrompenheid des geestes.
+
+"Peternelle, is Nox nog niet gekomen om mij te roepen?" vroeg hij, zijne
+spade ten gronde zettende.
+
+De vrouw schudde ontkennend het hoofd.
+
+Deze stilzwijgendheid scheen den ouden hovenier niet te behagen, want
+hij liet zich grommende op eenen stoel vallen en hief de handen in de
+hoogte, als om den hemel zijn droevig lot te klagen.
+
+En oogenblik daarna zeide hij:
+
+"Maar Peternelle, bezie de klok, het gewone uur is voorbij. Zou er
+mijnheer wel een ongeluk overkomen zijn? O, mijn God, indien wij hem
+eens onverwachts dood vonden?"
+
+"Om Gods wil, laat mij bidden," morde de vrouw.
+
+"Het is niet meer om uit te staan!" riep de man. "Ik verga van angst en
+schrik, en kan nog geen enkel woordje tot troost of versterking bekomen.
+Peternelle, Peternelle, gij zult zeker in eenen visch veranderen, als
+gij dood zijt. Ik zou kunnen boos worden, in de gedachte dat gij het
+doet om mij te plagen, maar neen, neen, gij hebt er geene schuld aan,
+mensch lief, het is eene vermaledijding, die op Wildenborg ligt. Sedert
+den ijselijken nacht heeft alles hier de stem verloren. Onze vorige koe
+bulkte niet meer, en onze nieuwe was nog geene twee maanden hier, of zij
+had hare beestentaal geheel vergeten. Onze eenden kwaken niet eens in
+vijftien dagen, of het dreige te regenen of niet. Geen vogel op
+Wildenborg, die piept of zingt! Ik ben niet doof; ik hoor den vink wel,
+die zingt in den appelboom; maar het is een trekvogel. Blijft hij in
+deze vermaledijde streek, dan zal hij haast voor altijd zijn liedje
+vergeten. Evenals gij, Peternelle, die eertijds den mond geene minuut
+kondet gesloten houden, en nu onmeedoogend mij dwingt, altijd zoo
+troosteloos alleen met mij zelven te spreken."
+
+De vrouw haalde de schouders op met eene uitdrukking van ongeduld en
+medelijden.
+
+Den rug tot haar keerende, morde de oude man in zich zelven:
+
+"Neen, neen, ik blijf niet hier; ik zal den schrikkelijken dag niet
+afwachten. Er gebeuren nu reeds zulke akelige dingen op Wildenborg! Wat
+zal het zijn, als de zwarte man.... Onze Lieve Heer beware alle
+Christenmenschen, en bovenal den armen Jakob Mispels met zijne onnoozele
+vrouw!... Mijn rampzalige meester! zoo jong moeten sterven, en welken
+dood, o hemel! Dit komt er van, als de mensch meer wil weten dan God
+toe laat en boeken leest, die vol verbodene geheimen staan. Het hart
+zakt mij in de schoenen en mijn haar rijst te berge, als ik er aan denk.
+De donder heeft reeds eens in den schromelijken nacht het kasteel
+opengescheurd. Zal het ditmaal niet door den grond zinken met allen, die
+het bewonen? Het kost mij veel, op het einde van mijn leven mijnen
+dienst te verlaten; maar ik wil niet wachten, totdat de zwarte man ons
+hier den nek kome breken. Neen, neen, ik vlucht weg van Wildenborg; want
+men kan toch niet...."
+
+Peternelle eindigde haar gebed met een kruis. Een holle, pijnlijke zucht
+welde op uit hare beklemde borst.
+
+De hovenier, door dezen vreemden klank met plotselijken schrik geslagen,
+keerde zich om, hief de handen in de hoogte en riep bevend:
+
+"God beware ons, Peternelle! De zwarte man staat onzichtbaar in de
+kamer!"
+
+"O, wat gebeurt u, Jacob?" kreet de vrouw verschietend. "Hebt gij iets
+gezien?"
+
+"Ik heb niets gezien," was het antwoord; "maar ik hoorde achter mij
+eenen heeschen zucht gelijk de stem van Nox. Hij is dus tegenwoordig in
+deze kamer, zonder dat wij het wisten!"
+
+"Maar ik zelve heb dien zucht gelaten, ik ben een beetje verkouden."
+
+"Gij zijt het, die hebt gezucht, Peternelle? Wel zeker?"
+
+"Geheel zeker. Ach Jacob, waarom maakt gij mij dus altijd nutteloos
+vervaard?"
+
+"Uw zwijgen maakt mij vervaard."
+
+"Waarom zou ik spreken, Jakob? Gij zegt niets dan dwaasheden, die mij
+doen verschieten of mij vervelen. En wat kan spreken ons helpen? Bidden,
+bidden alleen is het redmiddel, indien er nog een redmiddel bestaat."
+
+"Ja, en kruisen maken. Hadden wij met eenen gewonen geest te doen, ik
+zou hopen, dat wij hem door dit middel zouden kunnen overwinnen; maar,
+Peternelle, staat er niet een groot kruis in de kamer, waar hij alle
+nachten slaapt? Het is te zeggen, indien hij slaapt. Neen, neen, het
+beste is, van Wildenborg te vertrekken, vooraleer de noodlottige dag
+verschijne. Indien onze ongelukkige meester moet ... moet sterven, wij,
+zwakke schepsels, kunnen het toch niet beletten; en ik gevoel mij niet
+den minsten lust om hem naar de andere wereld te vergezellen. Willen wij
+heden nog onzen dienst opzeggen, Peternelle?"
+
+"Foei, welk afschuwelijk voornemen is dit!" sprak de oude vrouw met
+verontwaardiging. "Wij, die, om zoo te zeggen, van kindsbeen af het
+brood der Reimonds hebben gegeten, wij zouden onzen ongelukkigen meester
+gaan verlaten, nu een droeve dood hem bedreigt? Nimmer, Jakob; wat er
+ook geschiede, ik verlaat hem niet zoolang hij leeft."
+
+"Zijt gij dan niet vervaard, Peternelle? Vreest gij niet, dat de zwarte
+man ons beiden...."
+
+"Ik ben vervaard en bedrukt, omdat onze arme meester gaat sterven. Wat
+mij zelve betreft, mijne ziel is in vrede met God. Acht dagen zijn
+spoedig voorbij."
+
+"Ja, Peternelle, het is niet, dat iets mij op het geweten drukt, ik ben
+Zondag immers te biechten geweest? En ik zal zorg dragen, in den avond
+vóór den ijselijken dag nog eens den pastoor te gaan spreken."
+
+"Welnu, Jakob, wat vreest gij dan voor u zelven?"
+
+De oude man schudde grimmig het hoofd.
+
+"Wat ik vrees?" morde hij, "van alles. Zoudt ge niet zeggen, Peternelle,
+dat wij hier in volle zekerheid tusschen engelen leven, terwijl
+integendeel de lucht op Wildenborg krielt van kwade zielen en booze
+geesten?--Trek de schouders niet op, Peternelle. Dezen nacht heb ik
+weder druppelen gezweet van angst. Nauwelijks had ik de oogen gesloten,
+of er kwam iets, als een ruig beest met gloeiende oogen en knarsende
+tanden, mij op de borst liggen...."
+
+"Gij hebt gisterenavond te veel gegeten," bemerkte de vrouw.
+
+"Neen, neen; de nachtmare, wilt gij zeggen? Dit was het niet. Ik schoot
+wakker, en, hoe ik mij wendde of keerde, ik kon niet meer slapen. Dan
+ging ik aan het venster; het was daarbuiten donker als in de hel. Wat ik
+tusschen de boomen heb gezien, durf ik u niet zeggen."
+
+"Wat hebt gij gezien?" vroeg de vrouw. "Alweder dwaze grillen, zeker?"
+
+"Wat ik heb gezien? Ik weet het zelf niet, Peternelle. Witte, grijze
+gedaanten, als dooden, die uit het graf zijn opgestaan: zoo gelijk eene
+processie van lijkdoeken met geraamten er onder, en zwarte vogels en
+beesten, onduidelijk als morgenmist, maar ijselijk toch om te
+aanschouwen."
+
+Peternelle onthaalde deze woorden met eenen grimlach van medelijden.
+
+"Ik weet wel een middel om onzen armen meester te redden," zeide de
+hovenier na een oogenblik stilte.
+
+"Een middel om onzen meester te redden?" kreet de vrouw. "Ha, het is uw
+goede engel, die het u insprak!"
+
+"Neen, Peternelle, want ik denk er sedert lang aan, en daarenboven het
+is onmogelijk om uit te voeren. Durfde ik slechts een beetje vergif in
+het eten van dien vervloekten Nox doen. Dan ware mijnheer van zijnen
+verleider en van zijnen helschen bewaker verlost; maar Nox zou het op
+voorhand weten, en wat zou ons dan geschieden?--Gij wilt het kasteel
+niet verlaten, Peternelle? Gij zijt besloten om hier nog eene gansche
+week te blijven en den noodlottigen dag af te wachten? Wij zullen dus
+den akeligen dood van onzen meester moeten bijwonen? In Gods naam dan,
+indien wij niet eerder van schrik bezwijken.--Het is wonder, dat Nox nog
+niet gekomen is om mij te roepen. Een half uur reeds is hij ten
+achteren.--Wilde mijnheer mij slechts toelaten eenen waker of twee in
+huis te nemen? Ach, hij wil er niet van hooren. Noch ziekendienster noch
+dokter mag den voet op Wildenborg zetten; de pastoor alleen komt hier
+somwijlen; maar de pastoor, als ik hem van al die schrikkelijke dingen
+spreekt, lacht mij uit...."
+
+"Zwijg, Jakob, daar is Nox!" zeide de vrouw.
+
+Er kwam een groote zwarte hond in de kamer. Hij moest zeer oud zijn;
+want hij had een gedeelte van zijn haar verloren, terwijl het overige in
+verwarring rechtstond. Hij hief het hoofd tot den verschrikten man op,
+bezag hem met zijne glasachtige oogen en opende den muil, als wilde hij
+spreken of bassen; maar het schorre geluid, dat uit zijnen gorgel
+opklom, geleek veeleer aan den kuch van eenen verkouden grijsaard dan
+aan de stem van een dier.
+
+Jakob Mispels antwoordde bevend:
+
+"Het is wel, Nox, zeg mijnheer, dat ik aanstonds ga komen."
+
+De hond keerde zich om en liep het huis uit.
+
+"Hebt gij opgemerkt, Peternelle, hoe grimmig Nox mij heeft bezien?"
+
+"Ja, ik dacht, dat hij u ging bijten."
+
+"Bijten? Gave God, dat wij anders niets van hem te vreezen hadden. Hij
+weet het reeds, dat wij onvriendelijk van hem hebben gesproken!"
+
+Hem het schenkbord op de armen zettende, zeide de vrouw:
+
+"Kom, spoed u maar; mijnheer zal misschien reeds spijtig zijn, omdat
+zijne koffie schier koud geworden is."
+
+Jakob Mispels begaf zich door het eenige nog gebaande voetpad naar het
+kasteel, stapte door eenen donkeren gang, trad in eene soort van zaal,
+zette het schenkbord op eene tafel en zeide:
+
+"Mijnheer, ziehier uw ontbijt. Wel bekome het u!"
+
+De persoon, wien hij deze woorden toerichtte, wees tot alle antwoord
+naar eenen stoel, waarop de ontstelde hovenier zich liet nederzakken
+zonder eenig gerucht te durven maken, dewijl hij wel zag, dat zijn
+meester met iets bezig was en niet wilde gestoord worden.
+
+Mijnheer Reimond, de eigenaar van Wildenborg, zat in eenen leunstoel
+voor eene breede tafel, met de rechterhand op een doodshoofd en met den
+blik in de holle oogen van den schedel gevestigd, als ware hij er mede
+in samenspraak geweest. Hij bleef zwijgend en roerde niet.
+
+De zonderlinge man kon ongeveer de vijftig jaar bereikt hebben, alhoewel
+hij veel ouder scheen. Zoo buitengewoon mager was hij, dat zijn gebeente
+op rug en schouders den kamerrok ophief, waarin hij zich gewikkeld had;
+ja, zijne mouwen vielen zoo plat op de tafel, dat men er noch vleesch
+noch beenderen kon onder vermoeden. Gansch weggesmolten waren zijne
+wangen, en hij had volstrekt het voorkomen van een gekleed geraamte.
+Maar zijne oogen, hoe diep ook in hunne holen verzonken, waren nog
+helder en schitterden, als hadde in elk eene vuurvonk geglinsterd.
+
+Nox, de hond, zat nevens hem met den muil op zijne knie, en schijnbaar
+het oogenblik afspiedend, dat zijn meester uit zijne stille samenspraak
+met het doodshoofd zou ontwaken.
+
+In de zaal, die behangen was met oud en verdonkerd goudleder, was weinig
+ander huisraad dan eene breede tafel en twee of drie stoelen. Op
+berderen, die in eenen hoek aan den wand waren bevestigd, stonden eenige
+groote boeken met perkamenten band; wat hooger bemerkte men eenen
+wereldbol, een gestel met glazen schijven, dat gediend had om
+_electriciteit_ te verwekken, eene soort van koperen tooverlantaarn of
+_fantasmagorie_ en twee of drie geraamten van dieren, alles ontsteld,
+uiteengevallen en overdekt met spinnewebben en met eene dikke laag stof.
+
+Boven den schoorsteen hing een groot crucifix en daaronder stond een
+zwaar uurwerk, waarvan de vorm en de beweging iets zonderlings hadden.
+Geene naalden of wijzers waren er aan te bemerken; het was de uurplaat
+zelve, die draaide; maar daarnevens op het voetstuk zat het beeld des
+doods, dat met den vinger den loop des tijds aantoonde.
+
+Jakob Mispels had zijnen meester in het eerst met diep medelijden
+aanschouwd, en hij had zelfs eenen glinsterenden traan van de wangen
+gevaagd. Nu evenwel klopte het benauwde hart hem onstuimig in den boezem
+en hij begon op zijnen stoel te woelen. Het stilzwijgen zijns meesters
+duurde ook zoo tergend lang, en het was den armen man zoo eendig en zoo
+akelig in deze zaal, bovenal nu de afgrijselijke hond het hoofd naar hem
+hield gericht en zijne gloeiende oogen niet meer van hem wilde afkeeren.
+
+Een zucht ontsnapte hem, toen hij bemerkte, dat zijn meester de hand van
+het doodshoofd ophief en bukte om eenen houten schotel te grijpen, die
+onder de tafel stond.
+
+Mijnheer Reimond sneed een gedeelte van het brood, brokkelde het in den
+schotel en zette het den hond voor, die uit dankbaarheid hem de handen
+lekte en met een heesch geknor van blijdschap zijn voedsel begon te
+verslinden.
+
+Wonder vrij en krachtig waren de bewegingen van mijnheer Reimond, ten
+minste voor zulk uitgemergeld mensch. Bij den glans zijner oogen en de
+heldere uitdrukking zijns gelaat, waarop nu een zoete glimlach speelde,
+zou men geoordeeld hebben, dat hij, ondanks zijne buitengewone
+magerheid, gezond was en hem niets scheelde. Hij brak van het brood een
+stukje zoo groot als een duim, doopte het in wat koffie en stak het zich
+in den mond. Dan het schenkbord terzijde schuivende, zeide hij:
+
+"Wanneer de ziel al onzen tijd vordert, blijft er niet veel van over
+voor het lichaam.... Jakob, ik heb met u te spreken."
+
+De oude hovenier, die met eenen versmachten kreet was rechtgesprongen,
+riep klagend uit:
+
+"O, mijnheer, is dit nu eten? Wilt gij u zelven dan van honger laten
+sterven?--Ik begrijp het, de schrik ... maar gij kunt het niet weten:
+misschien is er nog hoop!"
+
+"Welke hoop, mijn vriend?" was het stille antwoord. "Dat mijn lichaam
+niet ten einde dezer dagen zal sterven? Waarom zou ik hopen? Ik verlang
+het niet. Zet u neder en blijf rustig."
+
+"Alzoo?" kreet Jakob Mispels met tranen in de oogen, "het is wel waar,
+het is onherroepelijk? Ik ga mijnen goeden meester verliezen voor
+altijd?"
+
+"Vandaag, binnen acht dagen of later, wat is daaraan gelegen, Jakob? Het
+leven is op zich zelf niets; het is een klein gedeelte van ons bestaan,
+een enkele stap der ziel in de baan der eeuwigheid."
+
+"Ja maar, mijnheer, met uw oorlof, men kan dien stap zoowel later als
+vroeger doen."
+
+"Neen, Jakob, het uur, het oogenblik van dien stap staat aangeteekend in
+het groote boek der zielen. En indien gij het verlangdet, zou ik u
+waarschijnlijk kunnen zeggen, op welken dag gij onfeilbaar zult
+sterven."
+
+"Om Gods wil, mijnheer, doe het niet!" smeekte de verschrikte hovenier,
+met de handen opgeheven. "Moest ik het uur mijns doods weten, ik zou van
+nu af aan beginnen te sterven, al ware ik zeker van nog twintig jaar te
+leven."
+
+"Wees niet bevreesd, ik zal het u niet zeggen," antwoordde mijnheer
+Reimond met eenen glimlach. "Uwen geest ontbreekt het licht en uwer
+ziele de sterkte, die er noodig zijn om den dood aan te zien, zooals hij
+is. Uwe natuur is nog zeer onvolmaakt, en gij zult nog meer dan eens
+moeten herleven, vooraleer de eeuwige rust en het eeuwige geluk te
+bereiken."
+
+"Indien ik maar geen hond of varken moet worden, is het mij al gelijk,
+als ik slechts leef," morde de hovenier. "Ja, mijnheer, neem het mij
+niet kwalijk; maar mijn dom verstand zegt mij, dat het niets zou zijn te
+weten, wanneer men zal sterven, indien men maar wist, waar men naartoe
+zal gaan."
+
+"Inderdaad, Jakob, het ware ten minste eene groote voldoening; maar er
+zijn geheimen, welke God zelfs voor de zielen en de geesten houdt
+verborgen. Meer dan eens heb ik den geest, die in dit doodshoofd woont,
+over mijn toekomstig lot ondervraagd. Hij is altijd stom gebleven en
+heeft mij doen verstaan, dat hij het niet weet of niet mag
+openbaren...."
+
+Onverwachts, als voelde hij zich door een venijnig dier gebeten, sprong
+de hovenier van zijnen stoel op en deinsde met grooten schrik achteruit.
+Hij had Nox verrast, die met den snuit in den zak van zijnen jas
+wroetelde, en, niet wetende wat het beest voorhad, riep hij uit:
+
+"O, mijnheer, help! help! De duivel, ik wil zeggen de hond! O, hemel,
+wat wil hij van mij?"
+
+Maar Nox, op de dreigende stem zijns meesters, ging met hangenden staart
+tot hem en legde iets in zijne hand, dat naar een eind verdroogde worst
+geleek.
+
+"Ha, Jakob, Jakob," zeide mijnheer Reimond op treurigen toon, "gij eet
+vleesch? Hadt gij mij niet beloofd, al wat leven heeft te sparen, en
+slechts in kruiden en in gegroeide dingen uw voedsel te zoeken? Hebben
+de dieren geene ziel? Is het lichaam niet dikwijls bij hen, gelijk bij
+ons, het stoffelijk omkleedsel van een wezen, dat door lijden en
+beproeving tot volmaaktheid wordt voorbereid? En indien bij geval uwe
+ziel in den vorm van een zwijn, van een schaap of van welk ander dier
+moest verhuizen, zoudt gij het niet beklagen, dat het mes der
+beenhouwers uwe baan naar de eeuwigheid kwame onderbreken en
+belemmeren?"
+
+"Ach, mijnheer!" stamelde de onthutste man, "vergeef mij mijne
+eenvoudigheid. Wat die weinig aangename verhuizing der zielen betreft,
+het is mogelijk, dat het zal zijn zooals uw doodskop,--neen, ik meen,
+zooals gij het zegt, maar mijn verstand is te klein om het te begrijpen.
+En al begreep ik het, zonder vleesch, of ten minste vet of boter, zou ik
+niet kunnen leven. Ik heb het eens beproefd en het acht of tien dagen
+volgehouden. Ik herkende mij zelven in den spiegel niet meer, en mijne
+arme vrouw deed niets dan tranen storten, in de meening dat ik de tering
+had."
+
+"Nu, het is uwe zaak, Jakob, gij zult er na uwen dood voor boeten, wees
+zeker," zeide mijnheer Reimond. "Laat ons van andere dingen spreken, die
+niet boven het bereik van uwen zwakken geest zijn. Nader uwen stoel tot
+de tafel en zet u daar voor mij. Zooals ik u gezegd heb, Jakob, in den
+nacht tusschen den 31sten Augustus en den 1sten September, op
+klokslag twaalf, zal mijne ziel haar stoffelijk omkleedsel verlaten: in
+andere woorden, ik zal sterven."
+
+"Is er dan geene de minste hoop meer?" zuchtte de hovenier.
+
+"Geene. Dit uur is noodlottig, onveranderlijk en onwederroepelijk."
+
+"Maar, mijn arme meester, indien gij de hulp van den pastoor wildet
+afsmeeken, en ze met een Christelijk gemoed aanvaarddet? Hij zou
+misschien de ... de kwade geesten verjagen, die u omringen--en daar, uw
+zonderlinge dienstknecht, die u geen oogenblik verlaat.... Nox.... Neen,
+het is niet dat ik wil zeggen; maar toch, ziet gij, alle honden zijn
+geene beesten...."
+
+Daar hij zag, dat de hond, op het hooren uitspreken van zijnen naam, den
+muil had opgeheven en hem met strakken blik aanschouwde, dorst hij niet
+voortgaan en keerde zwijgend het gezicht af.
+
+"Onnoozele, waar dwaalt gij met uwe gepeinzen?" zeide mijnheer Reimond.
+"De geesten zijn machtiger dan de menschen en zij laten zich niet
+verjagen. Hoe zou onze goede pastoor iets kunnen beletten, dat
+onfeilbaar geschieden moet?"
+
+"Ja, maar indien God het toelaat?"
+
+"Het is God zelf, die het einde van mijn tegenwoordig leven heeft
+bepaald. Hoopt gij dan, dat Hij beslisse tegen Zijnen eigen wil?"
+
+Deze zonderlinge schijnwaarheid was te hoog voor den loomen geest des
+hoveniers. Zij verblufte hem en gaf hem de overtuiging, dat niets zijnen
+armen meester van den akeligen dood kon redden. Hij boog het hoofd onder
+het gewicht der moedeloosheid.
+
+"Kom, mijn vriend, wees niet droef," zeide mijnheer Reimond op
+troostenden toon. "Ik zal zorg dragen, dat gij geene redenen hebt om
+mijnen overgang tot een nieuw leven te betreuren. Daarvan wilde ik u
+spreken. Luister en onderbreek mij niet meer door nuttelooze klachten.
+Gij hebt mijnen vader en mij met verkleefdheid gediend. Voordat ik de
+wereld verlaat, wil ik uwe trouw beloonen, met uwe oude dagen tegen alle
+zorg te behoeden. Gij kent de hofstede achter Raveghem. Zij betaalt meer
+dan duizend franken aan jaarlijksche pacht. Het vruchtgebruik dezer
+hofstede zal ik u tot het einde uwer dagen in mijn testament als erfenis
+toekennen. Gij zult dus na mijnen dood met uwe goede Peternelle gerust
+kunnen leven, zonder werken en zonder kommer, totdat voor u ook het uur
+der opvaart slaat. Zijt gij daarover tevreden, Jakob?"
+
+De oude hovenier, door deze mildheid diep getroffen, stortte tranen.
+Zijne ontroering met geweld bedwingende, snikte hij:
+
+"Tevreden? Neen, neen, ik ben niet tevreden! Al het goed der wereld,
+mijn eigen bloed zou ik geven om uwen bitteren dood te mogen afkoopen.
+O, mijn God, zulke goede mensch, zulke edelmoedige meester, en zóó, zóó
+de wereld te moeten verlaten! Gij overlaadt mij met weldaden, mijnheer,
+ik ben u dankbaar uit den grond mijner arme, ontstelde ziel; maar toch
+ik ben niet gelukkig, en waarschijnlijk zal de oude Jakob Mispels u niet
+lang overleven."
+
+Mijnheer Reimond poogde door troostende woorden den bedrukten man gerust
+te stellen, en toen hij bemerkte, dat hij daarin grootendeels was
+gelukt, hernam hij zijn vorige rede.
+
+"Jakob, ik heb u nog van andere dingen te spreken. Wanneer de
+menschelijke ziel gevoelt, dat een tijdvak zich voor haar gaat sluiten,
+dan denkt zij aan het maken harer rekening, en, kan zij het goede dier
+rekening vermeerderen of het kwade verminderen, dan haast zij zich het
+te doen. Ik heb mijn geweten onderzocht en de rekening van mijn
+tegenwoordig leven opgemaakt. Ach, Jakob, ik bevond mij schuldig. Ik ben
+niet rechtvaardig geweest jegens iedereen; misschien zijn er menschen,
+aan wie ik kwaad heb gedaan."
+
+"Onmogelijk!" kreet de hovenier. "Gij, mijnheer, die zelfs niet
+verdragen kunt, dat men eene vliege verjage, gij zoudt eenen mensch
+hebben kwaad gedaan?"
+
+"Gij begrijpt mij niet," hernam zijn meester. "Het is waar, er staat
+geschreven: _doe niet aan anderen wat gij niet wilt, dat u gedaan
+worde_, maar dit is slechts een gedeelte der wet, want er staat nog
+geschreven: _bemin God bovenal en uwen evennaaste als u zelven_. Men
+betracht slechts ten halve zijnen plicht, wanneer men geen kwaad doet,
+men moet het goede volbrengen, waartoe de hemel ons de macht verleende.
+Al het goede, dat men verzuimt te verrichten, is zooveel kwaad dat men
+doet, en het staat aangeteekend op de donkere bladzijde onzer
+levensrekening. Om gansch alleen te zijn en de aanraking der menschen te
+ontvluchten, heb ik sedert vijftien jaar alle betrekking met de leden
+mijner familie op eene volstrekte wijze afgebroken. Meest allen zijn
+intusschen gestorven, slechts twee weezen blijven er nog over.
+Inderdaad, ik heb door tusschenkomst van vreemde handen voor hunne
+opvoeding gezorgd, en nu nog verzeker ik eene kleine rente ten minste
+aan den zoon mijns broeders."
+
+"Arme Willem!" zuchtte de hovenier. "Wat moet hij groot geworden zijn!
+Mijn hart snakt, om het kind nog eens te zien, dat ik zoo dikwijls op de
+armen heb gedragen."
+
+"Gij zult hem waarschijnlijk zien," bevestigde zijn meester, "maar
+onderbreek mijne rede niet. Den ganschen nacht heb ik hier voor deze
+tafel gezeten, denkende aan Willem Reimond, de geest van het doodshoofd,
+tot den morgen toe, wilde mij geen antwoord geven, maar eindelijk toch
+heeft hij klaar gesproken en den wensch mijner ziel goedgekeurd. Jakob,
+ik ben voornemens aan mijnen neef te schrijven."
+
+"Ha, dank, mijnheer, dan zal ik ten minste iemand hebben om mij te
+troosten en te versterken!"
+
+"Indien hij komen wil."
+
+"Hij zal komen, seffens, onmiddellijk, twijfel daar niet aan."
+
+"Hopen wij het, Jakob. Ik ben ook voornemens naar den notaris, te
+Antwerpen, eenen brief te sturen voor het kind der zuster mijner vrouw.
+Leeft Theresia De Wit nog, dan wilde ik haar nog eens zien, voordat ik
+sterve."
+
+De oude man trok een zuur gezicht en liet een dof gegrol hooren. "De De
+Wits," zeide hij, "hebben nooit dan kwaad van u gezegd, mijnheer, zij
+hebben u bespot en mij vervolgd. Zij haten ons, gij weet het wel."
+
+"Voor alle kwaad is vergiffenis," was het antwoord, "daarenboven mijne
+nichte Theresia is niet verantwoordelijk voor de schuld harer ouders.
+Mijn plicht eischte, dat ik over haar bleve waken, en sedert vele jaren
+heb ik haar geheel vergeten. Wat is er van haar geworden? Zij is vrouw
+en de wereld vol gevaren. Ik ben onrechtvaardig jegens haar geweest, en,
+is het arme schaap verdoold, mijne ziel zal er voor te boeten hebben. Ik
+wil het weten."
+
+"En gij gaat ze op Wildenburg doen komen?" morde de hovenier met eene
+soort van verschriktheid.
+
+"Zeker, zij is mijne erfgename, zoowel als de zoon mijns broeders."
+
+"Maar, om Gods wil, mijnheer, gij zult toch uwe goederen niet aan Willem
+Reimond ontnemen, om ze aan de ondankbare De Wits te geven?"
+
+"De goederen, die ik bezit, zijn voor de helft herkomstig van mijne
+vrouw zaliger, die ik, eilaas, reeds in het eerste huwelijksjaar
+verloor. Het goed gaat terug van waar het gekomen is, zoo wil het de
+rechtvaardigheid."
+
+Mijnheer Reimond trok de lade der tafel open en nam er twee gesloten
+brieven uit.
+
+"Gij gaat naar het dorp loopen," zeide hij, "om deze brieven in de post
+te leggen."
+
+Jakob Mispels was opgestaan en aanvaardde de brieven, hij meende er mede
+ter zaal uit te gaan; maar de hond rukte ze hem uit de hand en droeg ze
+terug naar zijnen meester.
+
+Eene zonderlinge uitdrukking, een mengsel van schrik en blijdschap,
+ontstond op het gelaat van den ouden man.
+
+"Ha, ha, hij is vervaard van Willem! Goed teeken! Wie weet?" mompelde
+hij in zich zelven.
+
+Mijnheer Reimond ontnam Nox de brieven en gaf ze terug aan Jakob, die ze
+zeer diep in zijnen binnenzak verborg en zich haastte de zaal te
+verlaten.
+
+Bij zijne vrouw gekomen, zeide hij zeer snel:
+
+"Ik moet naar het dorp, seffens. Geef mij mijnen anderen jas. Er komt
+volk hier. Wij zullen niet meer alleen zijn. Ik draag brieven om Willem
+Reimond op Wildenburg te roepen. Willem Reimond... en Theresia De Wit."
+
+"Theresia De Wit?" kreet de vrouw met verrassing.
+
+"Ja, onze vijandin, maar wat belet mij, haren brief onderweg te
+verliezen of in den turfput te smijten?"
+
+"Foei, Jakob, heb zulke gedachten niet. Uwen meester zoo verraderlijk
+bedriegen!"
+
+"Ik zeg het om te lachen, Peternelle. God weet, waar Theresia De Wit
+gevaren is. Misschien is hare woonplaats aan den notaris van Antwerpen
+ook onbekend; dan komt zij in het geheel niet. Het ware een ongeluk,
+indien zij eerder dan Willem Reimond op Wildenborg verscheen. Nox is
+vervaard van Willem; hij poogde de brieven te verslinden. Daar zit iets
+achter. Misschien is alle hoop nog niet verloren. Vaarwel, vaarwel, ik
+loop in éenen adem!"
+
+
+
+
+II.
+
+
+De oude Peternelle was bij het vuur bezig met de namiddag-koffie op te
+schenken, toen haar man in huis trad en met groote vreugde uitriep:
+
+"Peternelle, hij is daar! Ik heb hem gezien aan 't einde der dreve. Ten
+minste als mijne oogen mij niet bedriegen. Kom, kijk gij ook eens; uw
+gezicht is beter dan het mijne."
+
+Zij liepen beiden tot achter het hek.
+
+"Het is een heer," mompelde de vrouw, "maar of het Willem Reimond is,
+dit kan ik van zooverre niet herkennen. De neef van onzen meester was
+een kind van tien jaar, toen wij hem voor de laatste maal zagen. Deze
+heer heeft geen reispak, zelfs geenen gaanstok. Hij kan dus niet van
+zeer verre komen."
+
+"Maar wie anders zou het zijn? Er komt nooit iemand op Wildenborg."
+
+"Gij kunt het evenwel niet weten."
+
+"Welke is de kleur van zijn haar, Peternelle?"
+
+"Ik meen te zien, dat hij zwart haar heeft."
+
+"Hij is het! Willem Reimond, twijfel er niet aan. Ach, het ongeduld, het
+verlangen doet mij beven. Ik loop hem te gemoet!"
+
+De persoon, die ten einde der dreve kwam aangestapt, was een jongeling
+van ongeveer vijfentwintig jaar, met zwarte, krullende haren en een
+open, lachend gelaat. Alhoewel zijne trekken tamelijk sterk waren
+afgeteekend, getuigde het geheel zijns aangezichts van goedheid des
+harten en misschien tevens van zekere dichterlijkheid der gedachten;
+want hij ging met het hoofd gebogen, of bleef staan en plukte eene
+bloem, of blikte langs alle kanten rond in het bosch.
+
+Tot dan had hij peinzend en droomend zijnen weg vervorderd; maar nu
+hoorde hij eensklaps het gerucht van naderende stappen, en bemerkte
+daarop eenen ouden man, die in allerhaast en met zekere teekens van
+ongeduld tot hem geloopen kwam.
+
+Maar hetzij de hovenier zich in zijne verwachting meende te hebben
+bedrogen, en of een gevoel van eerbied hem wederhield, hij bleef op een
+twintigtal stappen beteuterd staan.
+
+De jongeling, over de onbegrijpelijke houding van den grijsaard
+verwonderd, aanschouwde hem met meer aandacht. Er ontstond op dit
+oogenblik eene plotselijke herinnering in zijnen geest. Hij slaakte
+eenen gil van blijde verrassing, sprong met open armen vooruit naar den
+ouden man, en zich aan zijnen hals werpende, riep hij uit:
+
+"Mijn goede Jakob! Gij leeft nog? God zij dank, dat ik u nog terugzie.
+Ach, hoe dikwijls dacht ik aan u! Ik durf het u nauwelijks vragen: hoe
+is het met uwe vrouw Peternelle?"
+
+De hovenier, in zijne ontroering verstikkend, kon niet spreken. Hij
+greep des jongelings handen, kuste ze herhaalde malen en liet er twee
+heete tranen op vallen.
+
+"Maar, mijn lieve Jakob, wat doet gij?" murmelde deze.
+
+"Neen, neen, laat mij uwe handen kussen," snikte de ontstelde man. "Ik,
+die reeds oud was, toen wij uit Brussel vertrokken, ik herkende u niet
+meer; gij, die een kind waart, gij noemt mijnen naam bij den eersten
+oogopslag en gij omhelst met vreugde een arm ootmoedig mensch, eenen
+knecht, eenen boer! Ha, wat is het zoet, te weten dat er toch iemand ons
+op de wereld bemint en aan ons denkt!"
+
+"En uwe goede Peternelle?" herhaalde de jongeling. "Gij antwoordt niet?
+Ik begrijp: zij is in den hemel, niet waar?"
+
+"Neen, neen; zie, ginder staat zij, achter het hek. Haar hart jaagt van
+verlangen. Kom, kom, mijnheer Willem, maak die arme ziel insgelijks
+gelukkig!"
+
+En hem de hand grijpende, trok hij hem in de dreve voort, totdat zij het
+hek naderden.
+
+"Peternelle, o, wees blijde!" riep hij. "Het is Willem. Hij heeft ons
+niet vergeten; hij heeft mij seffens herkend. Hoe dikwijls heb ik het u
+gezegd: hij heeft de zwarte oogen zijns vaders en het liefderijk hart
+zijner moeder."
+
+Maar reeds hield Willem de oude vrouw in zijne armen gesloten en juichte
+met diepgevoelde vreugde:
+
+"Peternelle, wat geluk, u nog gezond en welvarend te vinden! Door u te
+zien alleen word ik teruggetooverd in mijne schoone kinderjaren. Mijn
+vader, mijne moeder herleven voor mijne oogen. En hoe gaat het u? Gij
+leeft hier tevreden, niet waar?"
+
+De oude vrouw was verbluft en verwonderd; zij aanschouwde den
+goedhartigen jongeling met eenen dankbaren glimlach, stralend tusschen
+stille tranen.
+
+"Kom, kom binnen in ons huisje; gij moet vermoeid zijn van de lange
+reis," zeide de hovenier. "Wij mogen hier geen gerucht maken. Vrouw,
+lang spoedig de hesp uit den schoorsteen. Mijnheer Willem moet honger
+hebben; de heidelucht is scherp. Daar, mijnheer, zet u neder en rust een
+beetje."
+
+"Nu zal ik niet eten, wat lust ik er ook toe hebbe," antwoordde Willem.
+"Ik heb haast om mijnen oom te zien."
+
+"Het is voor alsnu onmogelijk."
+
+"Hij is misschien niet op het kasteel?"
+
+"Ja wel."
+
+"Heb de goedheid, Jakob, hem van mijne komst te verwittigen. Ik twijfel
+niet, of hij zal mij onmiddellijk in zijne tegenwoordigheid toelaten."
+
+"Neen, gij bedriegt u. Het is zonderling en vreemd, maar gij zult,
+eilaas, nog veel wonderlijkere dingen op Wildenborg vernemen. Gij moet
+weten, Willem, dat uw oom zich alle dagen drie uren des morgens en drie
+uren des namiddags opsluit, en dat er gedurende dien tijd niemand het
+kasteel mag naderen. Al kwame de koning zelf, het zou er niets aan doen:
+de deuren zijn langsbinnen gegrendeld. Nog meer dan twee uren zult gij
+moeten wachten, gij hebt dus tijd genoeg om van onze hesp te proeven."
+
+Deze aankondiging verbaasde den jongeling zeer. Het hoofd schuddende,
+trok hij eenen brief uit den zak en zeide:
+
+"Inderdaad, het moet er wonderlijk toegaan op Wildenborg. Luistert eens,
+lieve vrienden, wat mijn oom mij schrijft, en geeft mij, indien gij
+kunt, de uitlegging van dit raadsel: _De tijd nadert, dat mijne ziel
+haar zichtbaar omkleedsel zal afleggen. Ik verlang u te zien. Is dit
+insgelijks uw wensch ten mijnen opsichte, kom op Wildenborg vóór den
+nacht van den 31sten dezer._ Deze woorden hebben, mij verschrikt. Het
+is, alsof mijn oom mij zijnen aanstaanden dood aankondigde. Hij is dus
+zeer ziek?"
+
+"Neen, hij is niet ziek."
+
+"Maar, om Gods wil, wat beteekent de brief dan?"
+
+"Hij beteekent, dat uw arme oom gaat sterven!" antwoordde de hovenier
+met eene doffe stem.
+
+"Sterven? En hij is niet ziek? Wees toch klaar, Jakob, ik begrijp u
+niet."
+
+"Mijnheer Reimond zal sterven op den klokslag twaalf, in den nacht
+tuschen den 31sten Augustus en den 1sten September, geene minuut
+vroeger of later. Eilaas, wij hebben er tranen genoeg om gestort, en
+mijne vrouw heeft reeds maanden lang zonder ophouden gebeden, maar alles
+is nutteloos."
+
+"En hij is niet ziek?" herhaalde Willem.
+
+"Mager, ja, maar niet zieker dan gij of ik."
+
+"Kom, Jakob, gij doet mij lijden. Wat gij daar vertelt, is gansch
+onbestaanbaar. Zou uwe verbeelding voor niets in deze zonderlinge
+gedachte zijn? Zeg mij duidelijk wat er van is, of ten minste wat gij
+gelooft."
+
+De hovenier scheen niet genegen om op dit oogenblik de gevraagde
+uitleggingen te geven. Ziende, dat zijne vrouw naar achteren ging, om
+eene kan versch water te halen, zeide hij:
+
+"Vraag mij niets daarover in tegenwoordigheid mijner vrouw. Zij zou te
+dikwijls in mijne rede vallen en ons storen. Eet nu eerst een beetje van
+de hesp, dan zullen wij een wandelingetje door den hof doen, en ik zal u
+allengs en met voorzichtigheid de schromelijke geheimen van Wildenborg
+openbaren, om uw hart voor eenen te plotselijken schok te behoeden."
+
+Willem vroeg niets meer en nuttigde zwijgend de hesp en het brood, door
+Peternelle hem voorgezet. Dan stond hij op en zeide:
+
+"Ik dank u, vrienden, de hesp is goed, en ik had zulken eetlust, dat het
+mij heeft gesmaakt, als ware mijn geest niet in droeve gepeinzen
+verslonden. Kom nu, Jakob, toon mij den hof van het kasteel."
+
+Zij gingen beiden buiten, de hovenier scheen zijne stappen naar een
+looverhuisje te richten.
+
+"Welnu, Jakob," zeide de jongeling, "ik brand van verlangen om uwe
+openbaringen te hooren en overtuigd te worden, dat gij u over het lot
+van mijnen oom bedriegt."
+
+"Ik ben bereid om u te zeggen, wat ik weet," antwoordde de grijsaard,
+"maar laat mij u eerst van iets verwittigen. Ik wensch uit den grond des
+harten, en Peternelle insgelijks, Willem, dat uw oom u vriendelijk
+ontvange en genegenheid voor u gevoele. Daartoe is het noodig, dat gij
+niets doet, dat hem kunne mishagen of bedroeven. Spreek in zijne
+tegenwoordigheid niet van de hesp, laat hem niet verdenken, dat gij hier
+zwijnenvleesch hebt gevonden, en bovenal niet, dat gij er hebt van
+gegeten."
+
+"Hoe? Nog al wonderlijker!" mompelde de verbaasde jongeling. "Is mijn
+oom een Jood geworden?"
+
+"Neen, maar hij wil niet, dat er een dier gedood worde. Ik mag zelfs de
+rupsen van de boomen niet doen. Kom, kom, gij zult nog al meer het hoofd
+schudden."
+
+"Maar gij vervult mij met angst. Welk schrikkelijk gepeins! Zou mijn
+arme oom ziek zijn in de hersens?"
+
+"Ho, denk dit niet!" riep de oude man. "Uw oom heeft te veel verstand en
+is te geleerd, dit is juist zijn ongeluk. Ik heb den pastoor in de kerk
+eens hooren preeken, dat men, om gelukkig te leven, arm van geest moet
+zijn. Vroeger heb ik daarop langen tijd liggen dubben, maar nu begrijp
+ik het ten volle."
+
+Zij traden in een prieel van ijpenloof, waar, rondom eene vermolmde
+tafel, nog twee ruwe banken stonden.
+
+"Nu, mijn lieve Jakob, poog duidelijk te zijn, en heb de goedheid mij te
+antwoorden," zeide de jongeling, zich nederzettende. "Mijn oom is niet
+ziek, en gij beweert nogtans, dat hij juist in den nacht van den
+31sten dezer maand zal sterven? Heeft hij zelf u dit aangekondigd?"
+
+"Wel honderdmaal sedert vier maanden."
+
+"En waarop grondt mijn oom die onbegrijpelijke meening? Wie heeft hem
+gezegd, dat zijn dood zoo nabij is?"
+
+"Een geest."
+
+Ondanks de treurige stemming zijns gemoeds, schoot Willem in eenen lach.
+
+"Een geest?" schertste hij. "Bah! er zijn geene geesten, ten minste niet
+zooals gij het meent."
+
+"Ja, gij komt van de stad," zuchtte de grijsaard spijtig. "Daar gelooft
+men niets, en men verleidt er goede menschen als gij, Willem, om aan
+alles te twijfelen. Het is uwe schuld niet, kind. Hoe, er zijn geene
+geesten? De lucht krielt er van, en terwijl wij hier zitten te kouten,
+zijn er wel honderd misschien in dit prieel, die ons zien en hooren."
+
+De jongeling beschouwde den hovenier met eene zonderlinge uitdrukking
+van medelijden.
+
+Jakob, door zijnen schertsenden blik gekwetst, rechtte het hoofd en
+sprak:
+
+"Wat, er zijn geene geesten? Hoeft mijne grootmoeder niet maanden lang
+den geest harer zuster voor haar bed zien verschijnen, totdat zij ter
+harer gedachtenis eene beloofde bedevaart had gedaan? Heeft te Lommel de
+geest van den gierigen pachter Adriaans niet gespookt en rondgedwaald,
+totdat zijn verborgen geld door zijne kinderen was ontgraven?"
+
+"Dit zijn altemaal inbeeldsels, Jakob."
+
+"Gij lacht en gelooft mij niet, Willem? Welnu, luister wat mijn vader
+zaliger met zijne eigene oogen heeft gezien. Er was te Desschel een oude
+pachter, die zich had ontkleed, voordat hij slapen ging, gelijk het
+spreekwoord luidt. Dit is te zeggen, dat hij zijne pachthoeve en zijn
+goed aan zijnen zoon had afgestaan, mits vrijen woon en kost tot zijnen
+dood. Maar de oude man leefde te lang voor den ondankbaren zoon, en men
+spaarde op zijn voedsel en men behandelde hem zoo slecht, dat hij
+eindelijk van verdriet stierf. In plaats van den doode een goed hemd aan
+te doen, zooals het behoort, lijkte men hem met een oud, versleten hemd
+vol gaten. Welnu, wat is er geschied? De misdadige zoon, die zich zelven
+niets liet ontbreken, kwam in den nacht half bedronken van de kermis.
+Zijn weg leidde hem over het kerkhof. Daar stond de geest zijns vaders,
+die hem wachtte en hem het versleten hemd over het hoofd wierp. Dit hemd
+brandde hem als het vuur der hel, hij schreeuwde om hulp en wilde van
+het kerkhof vluchten, maar vooraleer hij den gewijden grond had
+verlaten, viel hij steendood op het gras. Men heeft des anderen daags
+zijn lijk daar vinden liggen, en mijn vader heeft het helpen wegdragen.
+Het was geheel zwart. Wat zegt gij daarvan?"
+
+"Ik zeg, dat de man waarschijnlijk aan het overmatig gebruik van sterken
+drank is bezweken. Niemand was tegenwoordig, toen hij stierf. Hoe weet
+men dan, wat er met hem en met eenen geest zou geschied zijn? Gij
+begrijpt, Jakob, dat dit een vertelsel is, dat men naderhand heeft
+uitgevonden."
+
+"Zijt ge nog niet overtuigd?" mompelde de hovenier verwonderd "Ik zal u
+wel honderd geschiedenissen van geesten vertellen, de eene veel meer
+waar nog dan de andere. Bij voorbeeld, daar was Mie Katrien, de vrouw
+van den wagenmaker...."
+
+Willem vreesde nog vele zulke geschiedenissen te moeten aanhooren, hij
+had overwogen, dat, indien hij den eenvoudigen man in zijn geloof aan
+spoken en geesten bleef wederstreven, er geen eind aan komen zou, en hij
+dus van hetgeen hij wilde weten niets kon vernemen.
+
+Hij onderbrak zijne rede en zeide:
+
+"Hoor, Jakob, ik beweer niet, dat er volstrekt geene geesten zijn."
+
+"Ha, ha, ik wist wel, dat ik u zou overtuigen!" juichte de grijsaard.
+"Gij stamt af van Christelijke ouders, Willem."
+
+"Maar, Jakob lief, men kan een goed Christen zijn zonder aan al die
+vertellingen van spoken en geesten te gelooven. Integendeel,
+bijgeloovigheid is eene groote zonde. Dan, genoeg daarover. Gij vergeet,
+mijn vriend, wat gij beloofd hadt mij te verklaren. Mijn oom is niet
+ziek, en toch zou hij binnen vier dagen sterven? Dit schijnt mij ook een
+vertelsel, want hoe zou het kunnen geschieden? Mijn oom, die, ik twijfel
+er niet aan, een verstandig man is, zal toch zich zelven niet gaan
+dooden? Wat hebt gij dan, Jakob? Het is, alsof gij verbleektet en
+benauwd waart?"
+
+"God beware alle menschen voor zulken ijselijken dood!" zuchtte de
+hovenier.
+
+"Maar welken dood, om 's hemels wil? Gij maakt mij dwaas en dom, Jakob!"
+riep de jongeling met spijtig ongeduld.
+
+Er heerschte eene wijl stilte, gedurende welke Jakob Mispels zijnen moed
+scheen samen te rapen. Dan mompelde hij met teruggehoudene stem:
+
+"O, Willem, gij zult ook wel verbleeken en beven, kind. Ik heb u dit
+niet seffens willen zeggen, om u niet plotselijk te ontstellen. Mijn
+arme meester maakt mij wijs, dat hij door eenen geest het uur zijns
+doods heeft vernomen, maar het is niet waar. Ik weet het beter. Het is
+zoo schrikkelijk! Op het oogenblik dat ik u die droeve veropenbaring
+wil doen, klopt het hart mij in den boezem als een hamer. Willem, gij
+gaat vernemen waarom uw oom, zoo jong nog en in volle gezondheid, moet
+sterven! Houd u moedig en bedwing uwe smart: er is toch niets aan te
+doen."
+
+Hij boog het hoofd naar den jongeling en mompelde met sombere stem aan
+zijn oor:
+
+"Uw oom, uw oom heeft zijne ziel aan den duivel verkocht, en zijn tijd
+is om!"
+
+"Ha, ha, mijn goede Jakob, hebt gij ze nog wel alle vijf?" riep Willem
+lachend uit. "Waar zijn toch uwe zinnen? Dat de duivel den mensch tot
+kwaad verleidt, daaraan twijfel ik niet, maar dat hij zielen zou koopen?
+Kom, kom, gij houdt mij voor den zot."
+
+"Gij gelooft het alweder niet?" riep de oude man met zekere spijtigheid.
+"Kent gij de geschiedenis niet van _Doctor Faussius_ en zijnen duivel
+_Mistoffel_?"
+
+"Faust, Mephistopheles, wilt gij zeggen? Een vertelsel uit den ouden
+tijd."
+
+"Uit den ouden tijd? Wilt gij iets weten, dat nog zoolang niet is
+geschied? Mijn grootvader heeft de lieden gekend. Een uur van hier ligt
+het gehucht Boterhoek; daar woonde een pachter, die veel tegenspoed had
+gehad. Er kwam een jaar, dat zijn oogst goed gelukte, en zijn koren
+stond reeds afgepikt op het veld, toen de bliksem zijne schuur in brand
+stak en ze tot den grond vernielde.... Neen, Willem, wees niet
+ongeduldig, laat mij spreken. Ik heb het noodig; het doet mij zoo goed!
+Sedert tien jaar moest ik van den morgen tot den avond zwijgen. Wij
+hebben tijds genoeg, nog ten minste een uur en een half, eer uw oom
+spreekbaar worde."
+
+"Het zij zoo!" zuchtte de jongeling ontmoedigd, "ik zal pogen aandacht
+op uwe woorden te geven."
+
+"Welnu, de ongelukkige pachter moest evenwel eene schuur hebben om
+zijnen oogst te bergen, en de puinen rookten nog, en de vier naakte
+muren stonden te waggelen in den wind. De hopelooze man wandelde des
+avonds op zijn veld, met het treurig oog op de korenschoven. Daar zag
+hij eensklaps eenen heer naderen met eenen zwarten mantel. En deze, na
+hem de reden zijner bedruktheid te hebben gevraagd, zeide hem, dat hij
+hem eene gansch nieuwe schuur zou bouwen vooraleer de haan zou kraaien,
+op voorwaarde dat hij zijnen naam op een papier zou zetten, dat de
+zwarte heer hem aanbood. Het accoord werd gesloten. Maar de man, die
+rouwkoop had over zijne goddelooze daad, vertelde aan zijne vrouw wat
+hem was wedervaren. Beiden begonnon te weenen en te bidden. Zij zagen in
+den nacht kareel steenen uit den grond komen en op elkander gaan
+liggen, alsof zij door menschenhanden werden gemetseld; maar de
+arbeiders, die natuurlijk duivels waren, konden zij niet zien. Het dak
+lag reeds op de nieuwe schuur; slechts een eind muur in het bovenste van
+den gevel ontbrak er nog. In haar vurig gebed kreeg de vrouw eene
+reddende gedachte; zij vatte de lamp en liep naar het kiekenhok. Als de
+haan die plotselijke klaarte zag, meende hij, dat het dag werd, en
+kraaide. Daarop kwam er een schok, alsof de aarde beefde; er vloog een
+schrikkelijk gehuil door de lucht, en voor de voeten der vrouw viel het
+geschrift, waarop haar man had geteekend. De duivel was overwonnen,
+omdat hij de schuur niet volbouwd had voordat de haan kraaide, zooals
+het accoord luidde; en de pachter was aan de hel ontsnapt. En tot teeken
+der waarheid, Willem, ga naar Boterhoek; gij zult er in den gevel der
+schuur nog een gat zien, dat niet met menschenhanden te stoppen is.
+Gelooft gij deze geschiedenis niet?"
+
+"Indien gij mij vermaak wilt doen, spreek mij dan om Gods wil van mijnen
+oom!" antwoordde de jongeling, zichtbaar ontevreden. "Op zulke wijze zou
+ik op 't einde der week niets meer weten dan nu. Hoe zijt gij toch, of
+hoe is hij tot zulke onbegrijpelijke dwaalgedachte geraakt?"
+
+"Ha, dit is eene nog veel langere geschiedenis."
+
+"Het is mij gelijk; indien gij slechts van mijnen oom spreekt, zal ik u
+met voldoening aanhooren."
+
+"Inderdaad, gij weet niet veel van uwen oom; gij waart nog te jong.
+Welnu, onderbreek mijne rede niet door ongeloovige bemerkingen: het zal
+te sneller gaan. Ziet gij, Willem, ik was reeds hovenier op Wildenborg,
+toen mijnheer Reimond werd geboren, ik heb hem op mijne armen gedragen
+en, om zoo te zeggen, hem leeren loopen en leeren spreken. Ik weet niet
+om welke reden zijn vader in 1820 het buitenleven moede werd. Wat er van
+zij, wij verlieten Wildenborg en gingen altezamen naar Brussel wonen. De
+kleine Karel, uw oom, was een goed en godvruchtig kind, en leerzaam, het
+is niet om te zeggen. Voordat hij veertien jaar was, kende hij reeds
+Fransch en Latijn en Engelsch ook al, geloof ik. Maar die groote
+geleerdheid heeft hem van het goede spoor geleid, en hem aangedreven om
+boeken te lezen, die een Christenmensch nimmer zou mogen openslaan. Hij
+was toen ook bezig met een _machien_ om bliksem te maken, hij noemde dit
+eene _ektristeit_, en hij had eene tooverkas; eene _fasmogrie_, om in
+den donker spoken te doen komen."
+
+"De _electriciteit_, de _phantasmagorie_ wilt gij zeggen?"
+
+"Ja, juist zoo. Kent gij die leelijke dingen ook, Willem?.... Welnu,
+Karel, die alsdan wel twintig jaar geworden was, studeerde nacht en dag.
+Waarop? Dit scheen niemand te weten, maar, onder ons gezegd, de arme
+jongen wilde leeren tooveren! Na eenige jaren kreeg hij eene groote
+neiging voor eene juffrouw uit onze buurt; hij scheen zijne groote
+boeken en zijne _fasmogrie_ te vergeten, en trouwde. Ongelukkiglijk
+stierf zijne vrouw, voordat het eerste jaar huns huwelijks ten einde
+was. Mijnheer Karel was ontroostbaar en wanhopig; hij liep maanden lang
+met het hoofd in den grond, en, eilaas, de wanhoop bracht hem allengs
+terug naar zijne boeken en zijne beklaaglijke studiën. Hij verloor zijne
+goede ouders in weinige jaren. Dit deed hem nog meer in droeve gedachten
+verdwalen en gaf hem eene wonderlijke neiging om alleen te zijn en
+zwijgend te blijven. Het duurde zoo, totdat hij ergens eenen vriend
+vond, die ook met _Nekkermancie_[1] omging. Wat er dan in ons huis
+gebeurde, weet ik niet goed uit te leggen, alhoewel ik er des nachts
+niet kon van slapen. Er kwamen heeren en dames; die gingen, zoo stom als
+spoken, op stoelen rondom eene vrouw zitten; een der heeren, somwijlen
+mijn meester zelf, begon met de handen voor de oogen der vrouw te
+wemelen, zoolang totdat het hoofd haar op de borst zakte en zij in slaap
+viel. Dan kon die vrouw, al slapende, door muren en huizen zien,
+toekomende dingen voorspellen en zeggen wat er in Amerika of in Afrika
+geschiedde.... maar, wees zeker, Willem, het was de duivel, die sprak.
+Zij noemden dit goddeloos vermaak _mangenetism_ en de vrouw een
+_sujekt_. Ondanks mijnen afschrik, heeft mijn meester mij eens gedwongen
+voor hem te zitten, en mij in slaap getooverd. Het schijnt, dat de
+zwarte man door mijnen mond niet wilde spreken of dat mijn goede engel
+hem belette in mij te komen. Maar wat zeker is, men moest mij een half
+uur lang slaan en sleuren en mij koud water in het aangezicht smijten,
+zoo vast was ik ingeslapen. Toen ik eindelijk wakker werd, noemde mijn
+meester mij een slecht sujekt; maar dit is...."
+
+"Jakob, gij loopt weder van de baan; ik bid u, spreek van mijnen oom!"
+onderbrak de jongeling.
+
+"Ha, ja, gij hebt gelijk. Spreken is toch een groot vermaak, niet waar,
+Willem? Welnu, om het kort te maken, mijn meester hield zich nog met
+andere dingen bezig. Bij voorbeeld hij had eenen doodskop, geenen houten
+of steenen kop, eenen waarachtigen kop van een mensch, die op het
+kerkhof had gelegen! Daar waren van boven blauwe, roode en gele strepen
+op geschilderd; en daarmede, als zij u de handen op het hoofd legden,
+konden zij zeggen of gij eerlijk man of dief, oprecht of leugenaar,
+moordenaar, gierigaard, goed Christen of ketter waart, al hadden zij u
+nooit te voren gekend of gezien. Op mijnen kop vonden zij de builen van
+de spreekzucht en van den lust tot goed eten. Indien de duivel daar ook
+al tusschen was, moet ik bekennen, dat hij ditmaal de waarheid had
+gezegd; want wat zou toch een eenvoudig man als ik van het leven hebben,
+als hij niet...."
+
+"Van mijnen oom, ik smeek u!" zuchtte de jongeling, met de voeten in het
+zand woelende.
+
+"Gij hebt gelijk, mij tegen te houden, Willem," zeide de hovenier. "Die
+kunst noemen zij de _Fernolgie_[2]. Later bedreven zij nogal leelijker
+dingen. Zij deden hoeden en tafels van zelf draaien en op één of twee
+pooten rechtstaan; zij deden er eenen geest inkomen en dwongen den
+zwarten man door geheimzinnig kloppen te laten hooren, dat hij
+tegenwoordig was. Ik was alsdan veel jonger, anders hadde ik het niet
+kunnen uitstaan. Het is niet, dat ik niet dikwijls in mijn bed heb
+liggen zweeten van angst, en menigen nacht met bidden heb doorgebracht;
+maar ik ben nog al taai van...."
+
+"Van mijnen oom! van mijnen oom!"
+
+"Juist. Ondanks al die andere kunsten bleef mijn meester toch
+voornamelijk zich bezighouden met de slaaptooverij, dit is te zeggen met
+het _mangenetism_. In de laatste jaren onzes verblijfs te Brussel genas
+hij door deze kunst de ongeneeslijkste zieken. Hij had een _sujekt_, dat
+wil zeggen eene dame, die, volgens het schijnt, al slapende in het
+lichaam der menschen kon zien, en daarenboven de geneesmiddelen
+voorschreef, die hen onfeilbaar van hunne kwalen moesten verlossen.
+Onbegrijpelijk, Willem, welke wondere dingen zij deden. Zij hebben op
+eenige minuten menschen gered, die al tien jaar van alle dokters waren
+verlaten; zij hebben eens een mensch ziende gemaakt, die geene oogen
+meer had. Zij hebben eens eenen heer, die opgezwollen was van de
+waterzucht, in een half uur tijds zoo dun en zoo mager gemaakt, dat hij
+om genade smeekte. De wijsneuzen--en in Brussel zijn er niet
+weinig--beweerden, dat mijn meester zot genoeg was, om in een
+krankzinnigenhuis te worden opgesloten; andere slimmeriken zeiden, dat
+hij zich door de weduwe, die zijn sujekt was, liet bedriegen; maar zij
+wisten niet gelijk ik, dat mijn meester met den boozen geest omging, en,
+eilaas, bezig was met zijne ziel te verliezen!"
+
+"Ontving hij geld voor deze genezingen?" vroeg de jongeling in
+gepeinzen.
+
+"Neen," was het antwoord, "hij had geen geld noodig. Wel heb ik gezien,
+dat de vrouw aanvaardde wat de lieden uit dankbaarheid haar gaven; maar
+uw oom heeft daar integendeel veel geld aan verkwist. Zijn sujekt was
+eene dame, die tot verval was geraakt, en hij heeft haar van tijd tot
+tijd nog al fraaie sommen geleend."
+
+"Ha, ha, ik begin te begrijpen!" mompelde Willem.
+
+"Gij begint te begrijpen? Wat? Dat de duivel er mede bemoeid was."
+
+"Niets, niets, Jakob; ga voort, ik verzoek u."
+
+"Welnu, dan is er iets gebeurd, dat eenen beklaaglijken invloed op ons
+aller leven moest hebben. Er was een voornaam burger, die dikwijls ten
+onzen huize kwam en de verkleefde vriend was van mijnen meester en van
+zijn sujekt. Die heer kon zelf niet tooveren; maar hij was vol
+bewondering voor de macht van het.... van het _mangenetism_. Met een
+sneeuwachtig dooiweder betrapte hij eensklaps eene verkoudheid der
+ingewanden, en natuurlijk, zijne eerste toevlucht was tot mijnen
+meester... Het sujekt valt in slaap en zegt wat hij moet nemen, om van
+zijne ziekte te worden verlost. Hij volgt haren raad en neemt het
+geneesmiddel, in tegenwoordigheid zijner vrouw en kinderen; maar hij
+wordt door eenen geheimen slag getroffen, valt spartelend op den grond
+en sterft zonder biecht! Ik zou zeggen: God zij zijne arme ziel genadig;
+maar hoe kan het gebed iemand helpen, die van den duivel is
+weggehaald?... De gendarmes zijn gekomen en hebben mijnen meester en
+zijn sujekt naar de gevangenis gebracht. Uw oom werd evenwel na acht
+dagen in vrijheid gelaten; maar hij zou toch voor het tribunaal komen,
+als beschuldigd van medeplichtigheid aan eenen onvrijwilligen moord. Het
+sujekt werd veroordeeld tot achttien maanden gevangenis, zoo gezegd voor
+onvrijwillige vergiftiging; mijn meester werd vrijgesproken, omdat zijn
+advocaat poogde te bewijzen, dat hij zwak van hersens was en zich, in
+zijne eenvoudigheid, door het sujekt had laten bedriegen: in één woord,
+hij ontsnapte, omdat men hem voor halfzinneloos had doen doorgaan. Of
+zijne meening was, in Brussel te blijven wonen, dat weet ik niet. Het
+ware hem in alle geval onmogelijk geweest, want waar hij zich nu
+vertoonde, wees men hem met den vinger of lachte men luid. Het woord
+"zot" stond, duidelijk voor hem, in elks oogen te lezen. Hij kreeg dan
+eenen onbegrijpelijken haat tegen de menschen en bleef wel twee maanden
+opgesloten, zonder iemand te willen zien. Eensklaps nam hij het besluit,
+verre van de wereld te gaan leven...."
+
+"Wat hoor ik? Er is een mensch, die ons afluistert!" onderbrak Willem.
+"Mij dunkt, er heeft iemand gekucht?"
+
+Hij bemerkte eensklaps den hond, die met open muil en gloeiende oogen
+voor het prieel stond en scheen te willen spreken.
+
+"Hemel, wat is dit voor een beest?" vroeg hij verrast.
+
+"Ik kom, ik kom, Nox," antwoordde de hovenier, het teeken des kruises
+makende, zoohaast hij den hond zag wegloopen.
+
+"Indien er een duivel op Wildenborg is, dan is het zeker die zonderlinge
+hond," mompelde de jongeling glimlachende.
+
+"Het is zoo, gij hebt het geraden," bevestigde de oude man.
+
+"Hoe? gij gelooft, Jakob?"
+
+"Het is de dienaar van uwen oom, zijn _Mistoffel_, de duivel zelf. Ik
+mag mijnheer niet laten wachten. Straks zal ik u de wonderlijke
+geschiedenis van dien helschen hond vertellen. Blijf hier nog eenige
+oogenblikken zitten, ik zal u komen halen."
+
+Willem sloeg het gezicht ten gronde en zonk weg in eene diepe
+overweging. Welhaast echter hief hij het hoofd weder op en murmelde
+treurmoedig:
+
+"Hij is zot, stapelzot, de oude Jakob. Eilaas, zou mijn arme oom
+insgelijks in de hersens geraakt zijn? Wildenborg ware dus iets als een
+zinneloozenhuis? Onmogelijk, de herinneringen mijner kinderjaren zeggen
+mij, dat hij een zeer geleerd man was. Mijne moeder bewonderde zijn diep
+verstand en zijne hooge wetenschap... maar de wetenschap waarborgt niet
+tegen de ontschikking der hersens.... En hij gaat sterven binnen weinge
+dagen? Daarin bestaat waarschijnlijk zijne krankzinnigheid? Arme oom!
+Voor de eerste maal dat ik na vijftien jaar hem mag terugzien, zou ik
+zijnen dood moeten bijwonen of hem krankzinnig vinden! Hoe wisselvallig,
+hoe onbegrijpelijk is toch het lot en het leven van een mensch!"
+
+Hij werd in zijne overwegingen onderbroken door de komst van den
+hovenier, en meende op te staan om hem te volgen; maar Jakob deed hem
+teeken dat hij zou blijven zitten, en zeide:
+
+"Uw oom wacht u; maar luister nog een oogenblik. Gij weet, Willem, dat
+ik u op de armen heb gedragen, en dat ik evenveel genegenheid voor u
+heb, alsof gij mijn eigen kind waart. Gij zult dus den raad van uwen
+ouden vriend met vertrouwen aanhooren. Uw oom is de beste mensch der
+wereld: hij zou geene spin kwaad doen, maar, evenals alle hooggeleerde
+lieden, is hij zeer stijfhoofdig, en tegenwerpingen kan hij niet
+verdragen. Hij zal u spreken van zielen en van geesten. Of gij er een
+woord van zult begrijpen, dat weet ik niet, maar gij moet u houden,
+alsof gij aan die vreemde dingen geloofdet. Indien gij met hem doet
+gelijk met mij, zal bij droef en grimmig worden, hij zal u vaarwel
+zeggen, en gij zult hem niet meer te zien krijgen, al verroerdet gij
+hemel en aarde. Gij moet pogen zijne vriendschap te winnen....
+Schokschouder niet: het geluk van uw leven is op het spel, mijn lieve
+Willem. Uw oom is zeer rijk, en hij zou u kunnen onterven ten voordeele
+van iemand, die misschien met arglist zijne goede gunst zou winnen. Gij
+weet, dat gij eene nicht hebt?"
+
+"Ik heb er vele waarschijnlijk; maar ik ken ze niet."
+
+"Ik spreek slechts van eene enkele, van Theresia De Wit, de dochter der
+zuster van mevrouw Reimond zaliger."
+
+"Ik heb ze nooit gezien, Jakob."
+
+"Zij insgelijks is erfgenaam van mijnheer. Zij zal hier komen voor
+zijnen dood, indien de notaris van Antwerpen intijds genoeg kan
+ontdekken wat er van haar is geworden. Deze De Wits zijn booze lieden,
+Willem, en, kunnen zij omtrent uwen oom geraken, dan zullen zij alles
+doen wat mogelijk is, om hem te bedriegen en u uw erfdeel te
+ontfutselen. Wees diensvolgens op uwe hoede, mijn vriend. Waarom zoudt
+gij uit gebrek aan toegevendheid uwen armen oom gaan bedroeven en hem u
+vijandig maken?"
+
+"Gij hebt misschien gelijk, Jakob," murmelde de jongeling in gepeinzen.
+
+"Alzoo, gij zult mijnen goeden raad volgen?"
+
+"Ik zal het ten minste pogen te doen."
+
+"Heb dank, ga nu tot uwen oom. Gij ziet daar die deur? Treed er in, op
+'t einde van den gang is eene zaal, waar uw oom u wacht. Klop noch roep:
+men mag op Wildenborg geen gerucht maken. Ik volg u niet. Heb moed en
+wees inschikkelijk. Vaarwel, tot straks!"
+
+
+
+
+III.
+
+
+Toen Willem den gang des kasteels bereikte, kwam de hond hem tegemoet en
+berook hem van alle kanten. Dit onderzoek moest op het dier eenen
+gunstigen indruk doen, want het liep kwispelstaartend voor den
+jongeling, die, verwonderd over de onverwachte vriendschap van Nox, hem
+de hand streelend op den rug legde.
+
+In de zaal stappende, zag hij zijnen oom bij de tafel zitten, met de
+hand op een doodshoofd. Het gezicht zijner onbegrijpelijke magerheid en
+bovenal zijn voorkomen als van een geest of van een geraamte deden hem
+huiveren, en hij bleef te midden der zaal staan, stilzwijgend groetende
+en niet wetende wat te doen of hoe zich te gedragen jegens den
+zonderlingen man, die nu zijne glinsterende oogen op hem hield gericht
+en hem van 't hoofd tot de voeten nauwkeurig bekeek en onderzocht.
+
+Nox sprong verheugd rondom Willem en liet een zacht geknor hooren.
+
+"Mijn hond bemint u, het is een goed teeken," zeide mijnheer Reimond.
+"Kom nader, mijn vriend, en geef mij de hand."
+
+De jongeling ging tot zijnen oom, drukte hem de hand en zeide:
+
+"God zij gezegend, dat Hij mij toelaat mijnen edelmoedigen weldoener,
+den beschermer mijner ouders en mijner kindsheid, eens te zien! O, lieve
+oom, geloof mij, geen oogenblik van mijn leven is er voorbijgegaan,
+zonder dat mijn dankbaar hart uwer goedheid indachtig was. Eilaas, de
+hemel heeft mijne gebeden niet verhoord: gij zijt ziek."
+
+"Laat ons daarover nu niet spreken," viel mijnheer Reimond in. "Zet u
+daar neder, op dien stoel voor mij. De dankbaarhoid is eene schoone
+bloem der ziel, maar dit gevoel mag niet overdreven zijn. Wat ik voor
+uwe ouders en voor u heb gedaan, is de moeite niet waard, dat men er van
+spreke."
+
+"Neen, zeg dit niet, oom lief," ging de jongeling met ontroering voort.
+"Wat zou ik, arme weeze, zonder uwe milde hulp in de wereld geweest
+zijn? Wie hadde er voor mijne opvoeding gezorgd? En geniet ik tot op den
+dag van heden uwe weldaden niet?"
+
+"Het is zoo, mijn vriend, spreken wij van wat anders. Nadat gij uwe
+studiën op het athenaeum hadt voleindigd, zijt gij op het kantoor van
+eenen notaris gaan schrijven, sedert hebt gij uwen patroon verlaten, en
+zijt bij Mechelen op een dorp gaan wonen? Uw eerste meester was dus niet
+tevreden over u?"
+
+"Ja wel, heer oom, hij was zeer tevreden, maar ik overwoog, dat ik
+zonder bescherming bij het staatsbestuur nooit eene plaats van notaris
+in eene groote stad kon verhopen. Een dorpsnotaris, die een vriend van
+mijnen meester was, bood mij de plaats van klerk aan, met het uitzicht
+om eens zijn opvolger te kunnen worden, aangezien hij geene
+bloedverwanten had, aan wie hij zijne bediening kon nalaten. Ik heb met
+blijdschap aanvaard, des te meer, daar ik op een eenzaam dorp beter
+mijne studiën kon voortzetten."
+
+"Alzoo, gij studeert nog?"
+
+"Het is te zeggen, al mijne beschikbare uren geef ik aan het lezen van
+nuttige boeken. Het is eene noodzakelijkheid mijner natuur geworden,
+mijnen geest meer en meer te ontwikkelen, en het zal u wonder schijnen,
+heer oom, maar gij zijt de oorzaak van mijnen weetlust, en om uwentwil
+alleen poog ik door zelfonderwijs immer meer en meer geleerdheid te
+verkrijgen."
+
+"Ik begrijp niet," murmelde mijnheer Reimond.
+
+"Het kan u eene vleierij schijnen, heer oom, waarom evenwel zou ik de
+waarheid verzwijgen? Mijne moeder zaliger sprak mij altijd met zooveel
+bewondering over uw hoog verstand en uwe diepe geleerdheid, dat die
+indruk mijner kindsheid mij is bijgebleven en ik, door eene geheime
+drijfveer bewogen, vermeende, met mijnen geest te oefenen, iets te doen
+dat u aangenaam kon zijn."
+
+Een glimlach van innige tevredenheid verlichtte het gelaat van mijnheer
+Reimond, die eerst den jongeling met welgevallen aanzag, en dan zwijgend
+den blik in de oogen van het doodshoofd vestigde, als wilde hij het over
+iets raadplegen.
+
+Willem zeide in zich zelven, dat, indien zijn oom werkelijk over zekere
+dingen vreemde gedachten kon hebben, hij evenwel in het geheel niet ziek
+in de hersens scheen te zijn. Deze overweging verheugde hem, want hem
+lag inderdaad een innig gevoel van dankbaarheid in het hart, en hij had
+ondanks de vijftienjarige scheiding, zijnen weldoener oprecht blijven
+beminnen.
+
+Mijnheer Reimond, als hadde hij een bevestigend antwoord van het
+doodshoofd ontvangen, drukte de hand van zijnen neef en zeide:
+
+"Uwe moeder was eene brave vrouw. De ziel, die in uw lichaam woont,
+heeft goede neigingen, en zij is op weg om eenen grooten stap vooruit te
+doen naar de eindelijke volmaaktheid. Gij hebt nu geen fortuin, Willem,
+en deze ontoereikendheid uwer stoffelijke middelen hindert u om
+wetenschap en geleerdheid aan te winnen. Verheug u, mijn vriend: mijne
+ziel gaat zich afscheiden van haar zichtbaar omkleedsel. Ik zal u geld
+en goed genoeg nalaten, om u voor de zorgen des levens te behoeden."
+
+"O, heer oom, waarom dus wanhopen?" zuchtte de jongeling op treurigen
+toon. "Waarlijk, ik bemerk met diepe smart, dat gij zeer ziek zijt; maar
+met de noodige geneesmiddelen zoudt gij u gemakkelijk kunnen beteren.
+Uwe eenzaamheid, uw stil leven heeft waarschijnlijk uwe maag ontsteld.
+Het hangt van u af, hare krachten weder op te wekken door een beetje
+oefening in de opene lucht."
+
+"Ik ben niet ziek, vriend," was het antwoord.
+
+"Ach, gij zijt zoo uitermate mager, heer oom!"
+
+"Het is, omdat de dood nadert. Nog vier dagen."
+
+"Maar zeg dit niet, oom lief! Het is een inbeeldsel!"
+
+"Een inbeeldsel! Inderdaad, voor u zijn de geheimenissen der
+onstoffelijke wereld nog verborgen. Ik zal sterven op de laatste minuut
+van den 31sten, dezer maand. Het is onfeilbaar en onherroepelijk."
+
+De jongeling schudde het hoofd met moedeloosheid.
+
+"Gij gelooft mij niet?" hervatte mijnheer Reimond. "Het is u
+onbegrijpelijk, hoe een mensch zoo nauw het uur van zijnen overgang naar
+een nieuw leven kan weten? Daar is hij, die sedert zes maanden mij elken
+dag verwittigt, dat het oogenblik voor mij nadert."
+
+En dit zeggende, legde hij den vinger op het doodshoofd.
+
+De tranen stonden Willem in de oogen; doch hij sprak niet. Hij wist
+inderdaad niet wat te zeggen. Zijnen oom openlijk in zijne dwaze
+gepeinzen bestrijden, dit dorst hij niet doen; en geloof in deze
+zinneloosheid veinzen, dit was tegenstrijdig met de oprechtheid zijns
+harten.
+
+"Gij ziet mij zoo verbaasd aan? Evenals de andere menschen meent gij,
+dat ik waanzinnig ben, niet waar?" morde de oom. "Och, Willem, ik
+beschuldig u daarom niet. Het is iedereen niet gegeven, met de
+onstoffelijke wereld in gemeenschap te komen en geheimenissen te kennen,
+die slechts aan zeer gelouterde zielen nu en dan eens worden
+geopenbaard. Indien ik u zeide dat in dit doodshoofd een geest woont,
+wiens taal voor mij klaar en verstaanbaar is, indien ik u verzekerde,
+dat die geest reeds dertigmaal onder verschillende menschelijke
+gedaanten heeft geleefd, zoudt gij mij gelooven?"
+
+"Ik zou u willen gelooven, heer oom, maar bij gebrek aan kennis der
+zaak, is mij dit nu onmogelijk," stamelde de jongeling in verlegenheid.
+
+"Wel geantwoord, Willem; gij loochent ten minste het bestaan van geesten
+niet volstrektelijk."
+
+"Zeker niet; boven de stoffelijke natuur zijn er onstoffelijke wezens,
+de godsdienst leert ons en het geweten doet ons voor gevoelen, dat niet
+alles met het aardsche leven eindigt."
+
+Deze woorden, met overtuiging gesprokon, schenen mijnheer Reimond
+bijzonder te behagen; hij knikte goedkeurend met het hoofd en zeide:
+
+"Gij gelooft dus aan de onsterfelijkheid der ziel, aan een toekomstig
+leven, aan de straf des kwaads en aan de belooning des goeds: in één
+woord, aan de rechtvaardigheid Gods?"
+
+"Is het mogelijk, heer oom, aan zulke klaarblijkende waarheden te
+twijfelen?"
+
+"Ha, Willem, er zijn er, die daaraan durven twijfelen, maar oneindig
+meer zijn er, die slechts een bekrompen of onduidelijk begrip van deze
+waarheden hebben. Ik weet niet, mijne ziel heeft voor de uwe een
+geheimzinnige neiging. Zij denkt, dat de uwe zuiver genoeg voor deze
+hooge wetenschap zou kunnen zijn. Ware het zoo, ik zou met een gevoel
+van opperst geluk deze aarde verlaten. Niet alleen omdat aldus de
+vruchten van mijn arbeidzaam streven voor de menschheid niet zouden
+verloren gaan, maar nog omdat ik u vóór mijnen dood eene weldaad zou
+kunnen bewijzen, duizendmaal kostbaarder dan het fortuin, dat gij erven
+gaat.... Laat hooren, mijn goede neef, wilt gij leeren hoe men in
+betrekking komt met de wereld der geesten? Wilt gij het ten minste
+beproeven? Want het is niet zeker, dat uwe ziel reeds genoeg beproefd en
+gelouterd zij."
+
+"Om u vermaak te doen, zal ik alles beproeven wat gij wenscht, heer
+oom," antwoordde de jongeling op eenen toon van lijdzame onderwerping.
+
+"Welnu, vriend, luister dan met inspanning der hersenen, en, valt de
+redeneering u in het eerst wat zwaar, doe geweld om mij te begrijpen.
+Doordring u van de gedachte, dat, indien ik u bekwaam kon vinden tot het
+aanvaarden der zedelijke erfenis mijner ziel, ik het zou aanzien als
+eene duizendvoudige belooning voor het weinige goed, dat ik uwen ouders
+en u kan hebben gedaan. Gij zult gaan hooren wat de geest, die in het
+doodshoofd woont, mij heeft veropenbaard. Geef aandacht, ik bid u."
+
+Mijnheer Reimond schoof zijnen stoel nader en begon dus op langzamen,
+plechtigen toon:
+
+"Ziehier wat de geesten leeren. Voordat onze wereld bestond, zag
+God--het eenig eeuwig, geheel zuiver, volmaakt en almachtig wezen--dat
+de onmeetbare ruimte van het heelal ijdel was. Hij schiep de engelen--en
+Hij schiep ze in onnoembaar getal--om die ledigheid te vervullen, der
+ruimte leven te geven en Hem in zijne majesteit te loven en te dienen.
+De engelen waren betrekkelijk zuivere geesten; maar geheel volmaakt
+waren ze niet, anders zou elk hunner zooveel zijn geweest als God zelf,
+die alleen volmaakt kan zijn. Het gebeurde, dat een dier geesten,
+Lucifer geheeten, door den hoogmoed verleid, met honderden millioenen
+zijner gezellen tegen den eenigen God wilde opstaan; maar zijne
+vermetelheid ontving eene verschrikkelijke en verdiende straf. Hij werd
+nedergebliksemd en veroordeeld om eeuwiglijk van het aanschijn des
+Heeren verwijderd te blijven en zonder einde in duisternis te treuren en
+te lijden. Dan wilde God de opengevallene plaatsen in de scharen zijner
+trouwgeblevene dienaars aanvullen; maar Hij zou rondom zijnen troon
+geene andere dan beproefde geesten toelaten. Daarom schiep Hij den
+mensch. De mensch is een onvolmaakte engel, die door de bekoring en de
+overwinning, door het lijden en den moed, door de worsteling en de
+sterkte, in éen woord door arbeiden en door strijden, tot de volstrekte
+macht en zuiverheid moet geraken, ten minste voor zooveel een geschapen
+wezen zuiver en machtig kan zijn naast God.... Begrijpt gij dit, mijn
+vriend?"
+
+"Ho, zeer wel, oom lief," antwoordde de jongeling, die met verbaasdheid
+luisterde.
+
+"Welnu, God schiep ook de aarde en de gansche wereld, met hare kruiden
+en dieren, met hare schoonheden en hare gebreken, met hare verlokkingen,
+haar geluk, hare rampen, hare vreugde, haar verdriet, hare vijandschap,
+hare liefde, omdat de mensch tusschen al deze tegenstrijdigheden zou te
+worstelen hebben, en zijne zedelijke natuur door opvolgende
+overwinningen zou beproefd en gelouterd worden.... Hier is nu de reden
+van het bestaan der geesten: het lichaam des menschen is slechts aarde,
+een stoffelijke vorm, die den waren mensch, dat is te zeggen de ziel,
+den geest omkleedt. Anders kon hij toch zijne bestemming niet vervullen;
+want een ongevleesde geest heeft geene zintuigen en kan met de stof niet
+in aanraking komen of van de stof eenige aanvechting onderstaan.
+Diensvolgens, om te kunnen lijden en worstelen, moest de ziel des
+menschen in eenen aardelijken vorm gewikkeld worden, ten einde bij
+middel der stof in aanraking met de stof te komen en haar zelfs
+gedeeltelijk onderworpen te worden. Dit zegt u ook, dat evenwel de
+eigenlijke mensch in de ziel bestaat en hij zijn lichaam kan verliezen,
+zonder dat hij ophoudt te wezen.--Vat gij deze redeneering, neef?"
+
+"Zij wordt mij wel iets of wat duister, heer oom," mompelde de
+jongeling.
+
+"Ik zal pogen duidelijker te zijn, Willem. Op de volgende wijze
+verklaart de geest de bestemming van den mensen voor de eeuwigheid. Al
+de menschelijke zielen werden bij duizenden millioenen en op hetzelfde
+oogenblik geschapen, maar zij kregen niet altezamen een stoffelijk
+omkleedsel. De eerste, die de proeve op aarde onderstond, was Adam, en
+opvolgend na hem, tot den dag van heden, een onnoembaar getal anderen.
+Een mensch leeft meer dan één leven, er zijn er wel, die honderdmaal
+reeds de beproeving opnieuw hebben begonnen en bij gebrek aan kracht,
+aan deugd en aan voortgang, nog veel malen zullen te herleven hebben.
+Vooronderstel, dat vele honderdduizenden menschen op een jaar sterven.
+Waar meent gij, dat hunne zielen gaan?"
+
+"De godsdienst laat daarover geenen twijfel," bemerkte de jongeling.
+
+"Inderdaad niet," antwoordde mijnheer Reimond. "Op het einde zal het
+zijn, zooals de godsdienst ons leert, maar in afwachting van het vergaan
+der wereld?"
+
+"Zulke dingen zijn moeielijk om te begrijpen," mompelde Willem, die niet
+meer wist wat te antwoorden.
+
+"Inderdaad, maar gij zult ze eindelijk wel doorgronden," hernam de oom
+op aanmoedigenden toon. "Zijn er tusschen die honderdduizenden zielen
+eenige, welke de noodige zuiverheid hebben bereikt, deze worden
+opgenomen in den hemel, en elk hunner krijgt de plaats van eenen der
+afgevallene engelen. De andere nog onvolmaakte zielen gaan in de ruimte,
+en moeten daar wachten, totdat het God believe hun eene nieuwe proeve,
+dit is een nieuw leven op aarde, toe te staan. Al deze zielen, al deze
+geesten zonder stoffelijk lichaam bevolken de lucht, waarin zij zich,
+wanneer zij willen, met de snelheid des bliksems bewegen, maar zij
+blijven nog liefst in de streken, welke zij als mensch hebben bewoond,
+en in de nabijheid hunner vrienden, hunner ouders of hunner kinderen.
+Bij voorbeeld, terwijl ik hier met u spreek, omringen ons wel twintig
+geesten. Onder hen herken ik mijnen vader en den uwen, mijne vrouw en
+uwe moeder, die ons beluisteren en zich verblijden in de hoop, dat gij
+de geheimzinnige, de bovennatuurlijke kracht zult aanwinnen om hen te
+zien en met hen te spreken."
+
+Eene siddering scheen den jongeling aan te grijpen. Het gepeins, dat
+zijne afgestorvene ouders naast hem stonden en hem zagen, deed eenen
+gansch vreemden indruk op hem. Het was, alsof het hem benauwd om het
+harte werd, en een lang opgehouden zucht ontsnapte zijner borst.
+
+"Wees niet vervaard, mijn vriend," zeide zijn oom, "deze onstoffelijke
+zielen zijn hinderloos, en het is hun niet toegelaten, kwaad te doen aan
+de zielen, die in vleeschelijken vorm lijden en strijden op aarde. Weet
+nu verder, dat sommige menschen, die door opvolgende beproevingen en
+door het innig betrachten van deugd en wetenschap tot eenen verren graad
+van zuiverheid gevorderd zijn, het vermogen hebben om in gemeenschap te
+komen met de wachtende zielen, die de ruimte vervullen, anders gezegd,
+die de eigenschap bezitten, om de onstoffelijke geesten op te roepen en
+ze te dwingen tot mededeeling van hetgeen zij weten. De geest, die in
+dit doodshoofd woont, heeft reeds dertigmaal geleefd. Hij nadert tot de
+vereischte zuiverheid en weet daarom dingen te openbaren, waarvan min
+gevorderde zielen geene kennis hebben. Dit alles is toch wel bevattelijk
+voor uw verstand, niet waar?"
+
+"Het is verrassend en wonderlijk," antwoordde Willem, "maar volgens u
+zouden alle menschen zonder uitzondering engelen worden en ten hemel
+gaan? Dit strijdt met den godsdienst en met het geweten, die ons leeren,
+dat er belooning of straf zal zijn na dit leven."
+
+"Deze strijdigheid bestaat slechts in schijn, mijn vriend, het zal
+waarlijk op het einde geschieden zooals ons wordt geleerd. Nadat
+honderden millioenen gezuiverde zielen ten hemel gevaren zijn, en
+zoohaast ook de laatste plaats der gevallen engelen vervuld is, zal God
+de wereld doen vergaan, en de zielen, welke alsdan ondanks de vele
+beproevingen nog onzuiver, boos en zondig zijn gebleven, zullen
+neergebliksemd worden, om in de eeuwige duisternis en in het gezelschap
+der duivelen te boeten en te lijden."
+
+Nox, die sedert eenigen tijd rondom den stoel van den jongeling
+snuffelend dwaalde, sprong nu met zijne voorste pooten op zijne knie en
+woelde met den snuit tegen de borst van zijne frak, als rook hij daar
+iets bijzonders.
+
+"Nox, hier, stil!" sprak mijnheer Reimond op bevelenden toon.
+
+Het beest verliet den verbaasden Willem en kroop tot voor de voeten
+zijns meesters.
+
+"Gij hebt vleesch in uwen zak, mijn neef?"
+
+"In het geheel niet," stamelde de jongeling, eenige papieren
+uittrekkende.
+
+"Ha, ik zie wat het is!" riep mijnheer Reimond met eenen glimlach. "Gij
+hebt daar den brief, dien ik u toezond. De hond heeft hem reeds eenmaal
+in den muil gehad, en hij herkent hem aan den reuk."
+
+"Wat wonderlijk beest!" zuchtte Willem. "Ik begrijp, dat de hovenier er
+van vervaard is. Men zou haast gaan gelooven, dat Nox een menschelijk
+verstand heeft. Toen hij mij kwam roepen, scheen hij te willen spreken!"
+
+"Het is een arm dier, dat mij verkleefd en dankbaar blijft, omdat ik het
+eens te hulp kwam, toen het zich in gevaar des levens achtte," zeide
+mijnheer Reimond. "Wat den ouden Jakob betreft, hij is een goed man en
+een trouw hart, maar zijn moed en zijn verstand zijn niet groot. In
+zijne eenvoudigheid droomt hij van niets dan van schrikkelijke dingen,
+en zoohaast hij iets ziet dat hij niet kan begrijpen, meent hij, dat
+bovennatuurlijke oorzaken in het spel zijn. Wat wonders is daaraan, dat
+Nox geleerd heeft den hovenier te gaan roepen, vermits hij nooit eten
+krijgt dan wanneer ik Jakob doe komen? De eenzaamheid en de eeuwige
+stilte hebben misschien iets bijgebracht om de natuur van het arme dier
+te wijzigen. Misschien woont in hem eene ziel, die gereed is om tot eene
+hoogere en gelukkige proef over te gaan,--maar dit kan ik in alle geval
+niet verzekeren."
+
+"Eene ziel in den hond? Eene menschelijke ziel?" mompelde Willem met
+eenen glimlach van ongeloof.
+
+"Waarom niet?" was het antwoord. "Indien God het zoo wil, om
+wederspannige of geheel ondeugende zielen te straffen of ze aan eene
+zware proef te onderwerpen? Er zijn trotsche dwingelanden, die in ezels
+overgaan, opdat zij onder den stok van den drijver zouden worden
+verootmoedigd, hoovaardige vrouwen, die padden worden en onder dezen
+verachten vorm gedurende een gansch leven in het slijk wroetelen,
+oorlogshelden, welke om roem te behalen stroomen bloeds vergoten, die
+haas worden, opdat de eeuwige vrees hunnen wreeden overmoed stille, en
+het lood der jagers ook hun bloed doe vlieten, maar niet in alle dieren
+wonen menschelijke zielen, en het is den geesten niet veroorloofd
+daarover eenige bepaalde openbaringen te doen.... Nu, mijn goede Willem,
+heb ik u gezegd wat ik noodig acht om u een klaar denkbeeld van de
+geestenwereld te laten opvatten. Is u nog iets duister, zeg het, ik zal
+u meer uitlegging geven, indien gij het verlangt."
+
+"Neen, oom lief, ik weet genoeg," antwoordde de jongeling met eene stem,
+die van vermoeidheid en treurnis getuigde.
+
+"Des te beter, mijn neef; dan kunnen wij seffens beginnen met de
+eindelijke proef, waartoe mijne woorden u hebben voorbereid," zeide
+mijnheer Reimond opstaande "Ha, Willem, mijn vriend, misschien zult gij,
+vóórdat een uur verloopen zij, reeds in gemeenschap zijn met de wereld
+der zielen. Mocht dit gelukken, ik zou God zegenen voor die hooge
+weldaad, aan u en aan mij bewezen! Kom hier, zet u op dezen stoel voor
+het doodshoofd, ik zal u leeren, hoe gij den geest, die er in woont,
+moet pogen te zien en te hooren."
+
+"O, ik bid u, heer oom, ontsla mij van deze proefneming!" smeekte
+Willem. "Ik weet niet, mijne ziel is waarschijnlijk nog niet zuiver
+genoeg; het is, als boezemde deze verborgene wetenschap mij schrik en
+afkeer in. Wees zeker, al duurden uwe pogingen eenen ganschen dag, ik
+zou den geest niet zien."
+
+"Gij gelooft zulks?" hernam de oom. "Ongetwijfeld bedriegt gij u. Deze
+afkeer is natuurljjk. In stoffelijke gedaante schrikt de mensch van alle
+geheimzinnigheid; maar gij moet die vrees overwinnen en, met vasten moed
+en met volledig vertrouwen, u leenen tot de onschatbare les, welke ik u
+wil geven. Zoohaast gij den geest ziet, zoohaast gij zijne taal
+verstaat, zult gij juichend en dankend mij in de armen vliegen. Ha, er
+is op aarde geen grooter geluk dan deze wetenschap, die ons bestaan
+verbreedt tot de uiterste palen van het heelal. Nu, zit hier voor het
+doodshoofd."
+
+"Maar, oom lief, indien gij de goedheid hadt, mij ten minste voor heden
+te verontschuldigen!"
+
+"Zeker niet, Willem; het is uwe stoffelijke natuur, die worstelt om de
+bovenhand te behouden. Zij moet bevochten en overwonnen worden: het ware
+eene lafheid dus toe te geven aan hare zelfzucht. Gij weigert? Zou ik
+mij misgrepen hebben? Zal ik de smart onderstaan, in u, mijnen neef,
+eene verachterde en nog zeer zwakke ziel te moeten herkennen?"
+
+De jongeling bemerkte, dat zijn tegenstand het hart zijns ooms met
+droefheid vervulde. Uit eerbied, uit toegevendheid voor hem, besloot hij
+zich lijdzaam te leenen tot al wat hij van hem kon eischen. Hij stond
+op, zette zich voor hot doodshoofd en zeide:
+
+"Gij hebt ongelijk, heer oom, aan mijnen moed of aan mijnen goeden wil
+te twijfelen. Ik ben zeker, of ten minste ik geloof mij zeker, dat ik
+den geest niet zal zien; maar vermits gij er anders over denkt, welaan,
+ik ben bereid. Wat moet ik doen?"
+
+"Het zal gaan, gij kent u zelven niet, Willem!" riep mijnheer Reimond
+met blijdschap. "Heb vertrouwen; gij zult niet alleenlijk de erfgenaam
+mijner stoffelijke goederen zijn, maar tevens de erfgenaam van het
+zedelijk vermogen mijner ziel! Schuif uwen stoel bij de tafel,--zet u op
+uw gemak,--leg de rechterhand op het doodshoofd,--zie nu in zijne holle
+oogen, diep zeer diep, en tracht aldus uwen blik beweegloos te houden,
+op zulke wijze, dat niets meer van de dingen, die in deze kamer zijn, uw
+gezicht verstrooie of store. Doordring u zelven nu van de gedachte, dat
+gij eenen geest wilt zien, eenen geest in menschelijke gedaante; want in
+eenen anderen vorm kunnen zij zich voor onze stoffelijke oogen niet
+openbaren. Willen en blijven willen, overtuigd zijn en gelooven, niet
+verzwakken, standvastig en onverwinnelijk willen, is hier de
+tooverroede, die de wereld der zielen voor uw aangezicht moet
+ontsluiten. Poog diensvolgens uwen geest in zulke spanning te brengen,
+dat hij door dit zelf magnetismus om zoo te zeggen uw lichaam verlate en
+zich vermenge met de onstoffelijke wezens, die de lucht vervullen. Zoo
+is het wel; verroer u niet meer, blijf zwijgend en, wat er ook
+geschiede, keer uw gezicht niet van het doodshoofd af, noch uw gepeins
+noch uwen wil van het doel dezer proeve. Stil nu!"
+
+De jongeling beschouwde deze proefneming om geesten op te wekken als
+eene beklaaglijke zinneloosheid van zijnen oom. Evenwel, om zijnen
+zieken weldoener niet te bedroeven, volbracht hij nauwkeurig zijne
+begeerte en had letterlijk de hem gegevene les gevolgd. Hij zat
+beweegloos als een steenen beeld en hield de oogen zoo vast in de holle
+oogen van den schedel gevestigd, dat zijn gezicht er van schemerde en
+hij er duizelig van werd.
+
+Hij behield echter zijn geduld, want hij hoopte, dat zijn oom zelf
+welhaast deze nuttelooze poging moede zou worden en hem er van zou
+ontslaan. Dan hij bedroog zich grootelijks: er verliep wel een half uur
+zonder dat mijnheer Reimond teeken van leven gaf; integendeel, hij
+scheen zijnen adem op te houden om zijnen neef niet te storen en zijne
+aandacht van het nagejaagde doel af te trekken.
+
+Wat Willem betreft, deze verveelde zich onzeglijk; alles scheen voor
+zijn verduisterd gezicht te draaien, en het zweet stond in parelen op
+zijn voorhoofd. Hij gevoelde, dat hij het niet langer volhouden kon, en
+vroeg zich zelven juist, of hij dit pijnlijk spel niet beslissend zou
+onderbreken,--toen zijn oom met verdoofde stem aan zijn oor suisde:
+
+"Keer den blik niet af, Willem; gij zult gelukken: ik heb op uw gelaat
+de teekens gevolgd, die van de immer aangroeiende uitzetting uwer ziel
+getuigen. Nog een half uur geduld, en de groote geheimenis zal zich voor
+u ontsluieren."
+
+"Nog een half uur, o hemel!" zuchtte Willem verschrikt.
+
+"Zwijg, blijf standvastig, ik bezweer u, vriend, indien gij eenige
+liefde, eenige dankbaarheid voor mij hebt, laat uwen moed in dit opperst
+oogenblik niet verzwakken. Niet waar, gij ziet in de diepte van het
+doodshoofd nevelachtige wolkjes, die bewegen en schijnen te zwoegen om
+eene bepaalde gedaante aan te nemen?"
+
+"Ik zie wolkjes die vlotten, witte ringen die draaien, vonken die
+glinsteren, en alle soorten van zonderling duizelige dingen," stamelde
+Willem.
+
+"Ha, dit is het! Uwe ziel begint ziende te worden. Geduld, geduld, de
+proeve voortgezet met onwrikbaar vertrouwen. Stil nu, geen woord, geen
+ander gepeins meer dan het doel alleen!"
+
+Gedurende nog een geheel kwart uurs hield Willem het vol; maar dan
+gevoelde hij, dat een onweerstaanbare slaaplust hem allengs overviel.
+Hij geeuwde nu en dan, doch poogde deze teekens der verveling door het
+geweldig sluiten van den mond te verbergen. Eindelijk kon hij de
+koortsige trekkingen zijner zenuwen niet meer bedwingen; geeuwde met
+wijdgeopenden mond, en zijn opgehouden adem welde tegen zijnen wil met
+een pijnlijk geluid uit zijne borst op.
+
+"O, oom lief, heb medelijden met mij!" zuchtte hij, het hoofd
+afkeerende. "Ik val in slaap; reeds heb ik geene bewustheid meer van
+hetgeen ik doe."
+
+"Nog wat moed, nog wat geduld, vriend; wij raken misschien het doel!"
+
+"Neen, neen, nog ééne minuut en ik stort met het hoofd op de tafel, om
+morgen eerst te ontwaken! Het is mijne schuld niet, heer oom. Ik ben
+onzeglijk vermoeid van den gansenen dag te hebben gereisd. Gij ziet wel,
+dat, niettegenstaande zulke afgematheid, de goede wil mij niet heeft
+ontbroken."
+
+"Inderdaad. Gij waart reeds verre gevorderd nogtans! Maar het zij zoo;
+men bekomt deze onschatbare wetenschap zoo niet in eens. Wanhoop niet,
+Willem; wij zullen morgen met meer geluk waarschijnlijk de proeve
+hernemen. Schei uit nu: het is genoeg voor heden. Daarenboven, het zal
+haast avond worden, en het uur der eenzaamheid nadert voor mij. Wat u
+betreft, gij snakt naar rust. Ik heb in het achterste gedeelte van het
+kasteel eene kamer voor u doen bereiden. Jakob Mispels, de hovenier, zal
+u dienen; hij heeft last om u alles te bezorgen wat u noodig is, en
+verlangt gij iets, dat zich niet op Wildenborg bevindt, Jakob zal naar
+het dorp gaan om het te halen. Gedurende den nacht zal ik den geest van
+het doodshoofd over u raadplegen; hij zal mij misschien openbaren, hoe
+gij onmiddellijk tot de gemeenschap der zielen kunt geraken. Heb goeden
+moed en slaap gerust. Tot morgen, mijn vriend!"
+
+Hij reikte de hand tot zijnen neef. Deze sprak op den toon van diep
+medelijden en van smart:
+
+"Alzoo, mijn goede oom, gij blijft bij de schrikkelijke gedachte, dat
+gij binnen weinige dagen zult sterven?"
+
+"Eene gedachte, Willem? Het is eene volstrekte zekerheid."
+
+"Maar indien gij wenschtet te leven?"
+
+"Het zou er niets aan doen. Daarenboven, mijn jongen, ik snak vurig naar
+den dood."
+
+"Onbegrijpelijk!" zuchtte Willem met moedeloosheid.
+
+"Wat is daar onbegrijpelijks in?" hernam de oom met eenen glimlach.
+"Elke maal dat een mensch na een tamelijk goed leven sterft, doet hij
+eenen stap vooruit naar de eindelijke volmaaktheid, die hem met eene
+plaats bij God de eeuwige zaligheid moet geven. Wanneer men op reis is
+naar het grootste geluk, verlangt men dan tot langen stilstand gedwongen
+te zijn? Treur niet over mijnen onfeilbaren dood; gij ziet wel, dat ik
+noch verschrikt, noch weemoedig ben."
+
+De jongeling erkende, dat er niet tegen dit ingeworteld denkbeeld van
+zijnen oom te worstelen was. Hij murmelde een goedennacht en meende de
+zaal te verlaten; maar mijnheer Reimond hield hem terug en zeide:
+
+"Ik heb den ganschen dag over eene moeielijke zaak nagedacht. Willem,
+gij hebt eene verre nicht, die de andere helft mijner goederen moet
+erven. Ik wensch, dat Wildenburg met zijne aanklevende bosschen, weiden
+en landerijen onverdeeld blijve; het is een vaderlijk erfgoed. Mijn
+inzicht is, Wildenborg in uw deel te plaatsen; maar dewijl ik verlang,
+dat het als onverkoopbaar en onverdeelbaar beschouwd worde, zou daardoor
+de waarde van uw deel verminderd zijn. Ik zal het middel zoeken om u
+eene schadeloosstelling te verzekeren; wij zullen morgen daarover
+spreken. Ik zal u vroeg doen roepen. Ga nu, en slaap wel."
+
+Willem murmelde eene groetenis en verliet de zaal.
+
+Toen hij zich onder den blauwen hemel bevond, ontsnapte hem een lange
+zucht, als viele er een gewicht van zijn hart. In stede van naar het
+hoveniershuisje te gaan, trad hij, door den nood aan eenzame overweging
+gedreven, in het groene prieel en zette zich op de bank neder. Hij
+vouwde de armen op de borst, staarde ten gronde en bleef dus zeer lang
+in diepe gepeinzen verzonken.
+
+Eindelijk hief hij het hoofd op en mompelde met eene uitdrukking van
+verbaasdheid:
+
+"Wat geschiedt mij? Daar zit ik te droomen aan de mogelijkheid der
+wonderlijke dingen, die mijn oom mij heeft verteld! Wat is de geest des
+menschen toch zwak, en hoe machtig is op hem de indruk der
+bovennatuurlijke geheimenissen! Zoo een gansch uur in de holle oogen van
+een doodshoofd staren, het betoovert en maakt de hersenen duizelig. Arme
+oom, hij is zeer ziek, zijne verbeelding is verdwaald. Er is, eilaas,
+niets aan te doen. Wat ben ik moede! Eten wij metterhaast een beetje, en
+zoeken wij troost en verkwikking in de rust."
+
+Hij verliet het priëel en richtte zijne stappen naar de woning des
+hoveniers. Zijn geest was beneveld en zijn hart weemoedig. Hij vond
+Jakob Mispels en zijne vrouw druk bezig bij den haard met de bereiding
+van zijn avondmaal; er lag reeds een wit ammelaken over de tafel
+gespreid.
+
+De hovenier, zoohaast hij den groet des jongelings hoorde, kwam hem te
+gemoet geloopen, greep zijne hand en vroeg met koortsige
+nieuwsgierigheid:
+
+"Welnu, welnu? Hoe is het afgeloopen? Heeft uw oom u goed onthaald? Is
+hij tevreden over u?"
+
+"Ik vermeen het te mogen denken," was het antwoord.
+
+"Heeft hij u van zijnen dood, van zijnen schrikkelijken dood gesproken?"
+
+"Ja, meer dan ik verlangde."
+
+"Hoe? Hij zou u gezegd hebben, dat de duivel....?"
+
+"Laat mij gerust met die gekheden, Jakob," morde Willem ontevreden.
+"Mijn arme oom verbeeldt zich, dat hij gaat sterven, dit is alles."
+
+"Zoo, gij meent het? Gij twijfelt aan de waarheid van hetgeen ik u heb
+gezegd?"
+
+"Geloof hem niet, Willem," viel Peternelle haren man in de rede. "Al wat
+hij vertelt, zijn dwaasheden. Men zou welhaast gaan meenen, dat hij
+kindsch wordt."
+
+"Ik kindsch?" grommelde Jakob dreigend. "Ik zal u straks over die
+beleediging spreken!"
+
+"Mijn oom is ziek, ziek in het hoofd," zuchtte de jongeling. "En er
+blijft weinig hoop op genezing!"
+
+"Ziek in het hoofd? Zot, wilt gij zeggen? De pastoor schijnt zulks ook
+te denken; maar het is niet waar: mijn meester heeft te veel verstand en
+te veel geleerdheid, ziedaar de eenige oorzaak van zijn ongelukkig lot."
+
+Ondertusschen had de vrouw de spijzen opgediend.
+
+"Mijnheer Willem," zeide zij, "gelief u daar bij de tafel te zetten. Ik
+heb gedaan wat in mijne macht was om u een goed avondmaal te bereiden.
+De reis zal u eetlust gegeven hebben. Moge de keuken der oude Peternelle
+u bevallen!"
+
+Met betuigingen van dankbaarheid begon Willem de hem voorgediende
+spijzen te nuttigen.
+
+Jakob was reeds bezig met opnieuw van zijnen meester en van den duivel
+te spreken.
+
+"Maar, om Gods wil, zwijg toch een beetje en laat mijnheer gerust,
+terwijl hij eet!" zeide zijne vrouw.
+
+"Wat heeft een mensch van zwijgen?" wedersprak de hovenier. "Als men
+eet, kan men des te beter luisteren. Gij denkt zeker, dat ik mijnheer
+Willem, het kind, dat ik op de armen heb gedragen, in eene dwaalgedachte
+zal laten, als ik de mogelijkheid zie om hem van de waarheid te
+overtuigen? Gij gelooft, Willem, dat mijn meester geene betrekkingen
+heeft met den zwarten man? Gij hebt dus geene acht op Nox gegeven, en u
+is het niet klaarblijkend geworden, dat Nox niets anders is dan een
+geest, een _Mistoffel_, die hem bewaakt?"
+
+"Nox is een hond gelijk alle andere honden," bemerkte de jongeling.
+
+"Een hond gelijk alle andere honden? Kendet gij de geschiedenis van dien
+helschen dienaar, welken gij meent voor een beest te mogen aanzien, gij
+zoudt wel anders spreken. Maar waarom zou ik u die geschiedenis niet
+vertellen, terwijl gij toch niets te doen hebt dan te eten? Vrees niet,
+zij is schrikkelijk, doch kort. Welnu, luister. Het is tien jaar
+geleden, sedert den 13den Juli; mijn meester leefde wel eenzaam, maar
+de zaken gingen op Wildenborg niet als nu. Op eenen zekeren nacht werden
+wij onverwachts gewekt door een vreemd geraas in de lucht. Het was,
+alsof de aarde beefde, alsof er honderd wagens te gelijk door den hemel
+reden. Daarop begon het te bliksemen en te donderen, dat wij meenden de
+wereld te zien vergaan. Het vuur des hemels was zoo hevig, dat wij de
+handen voor de oogen moesten houden om niet met blindheid te worden
+geslagen. Vol schrik en angst loop ik met mijne vrouw naar het kasteel,
+en daar vinden wij mijnheer--die alsdan zich zelven nog niet
+opsloot--bezig met in een boek vol groote zwarte letteren te lezen. Het
+tempeest groeit aan, de donderslagen doen het kasteel op zijne
+grondvesten daveren; daar vallen eensklaps hagelsteenen zoo zwaar als
+duiveneieren, en de verbrijzelde schalien vliegen kletterend door de
+lucht.... Wij stonden nevens mijnheer te beven en te bidden, toen
+eensklaps een klagend noodgeroep, als van een stervend mensch, zich
+buiten het kasteel liet hooren. Mijnheer Reimond sprong met verrassing
+recht en zeide mij: "Jakob, er is iemand voor het hek, die om hulp
+roept. Hij smeekt om eene schuilplaats: ga opendoen en laat hem binnen."
+Hadde men mij op dit akelig oogenblik eenen hooiwagen vol goud willen
+geven, ik hadde geenen enkelen voet buiten gezet. Mijn meester zag het
+wel; want hij ging zelf naar het hek en keerde even ras terug met eenen
+hond, dit is te zeggen met den duivel, die zijn _Mistoffel_ moest
+worden. Nauwelijks was het gruwelijke beest binnengelaten, of een
+donderslag, als van honderd kanonnen, trof het kasteel en scheurde
+zijnen gevel tot in den grond. Ik schreeuwde om hulp en mijne vrouw viel
+buiten kennis op den vloer.... Het is sedert dan, dat de arme Peternelle
+half stom geworden is. Ziedaar, Willem, de geschiedenis van Nox. Is het
+zóó, dat een gewone hond ergens aankomt? Eilaas, in dien schromelijken
+nacht heeft mijn arme meester zijne ziel aan den zwarten man verkocht,
+en nu is zijn tijd om. Gelooft gij nu nog, Willem, dat ik niet weet wat
+ik zeg? Nox? Nox? Is dit een naam voor den hond van een Christenmensch,
+zeg?"
+
+"Die naam is Latijn, en hij beteekent eenvoudig _nacht_," mompelde
+Willem, de schouders ophalende.
+
+"_Nacht!_ Ziet gij wel, dat Nox een geest der duisternis moet zijn?"
+
+De jongeling, die niet den minsten lust had om langer naar de vertelsels
+van den spreekzieken Jakob te luisteren, stond van de tafel op.
+
+"Ik dank u, mijne vrienden, en u bijzonderlijk, goede Peternelle," zeide
+hij. "Het avondmaal was wel bereid, en het heeft mij uitmuntend
+gesmaakt. Het is nu bijna donker daarbuiten, ik gevoel mij vermoeid en
+slaperig. Wees zoo goed, Jakob, en leid mij naar mijne kamer."
+
+Ondanks de pogingen, welke de hovenier aanwendde, om hem wat te doen
+blijven en onder het drinken van een glas bier een avondkoutje te
+houden, wilde Willem volstrekt naar bed gaan. Inderdaad, hij kon de
+oogen schier niet meer geopend houden van vermoeidheid.
+
+"Welnu, morgen zult gij uitgerust zijn," zeide Jakob. "Uitgesteld is
+niet verloren--Peternelle, ga in den stal, haal de lantaarn en ontsteek
+het licht er in. Hoe, Willem, gij meent, dat er geene duivels zijn?"
+
+"Ik heb dit niet beweerd," zeide de jongeling met ongeduld.
+
+"Maar gij gelooft toch niet, dat de duivel zielen koopt of menschen
+weghaalt. Ik weet eene geschiedenis, die klaar bewijst dat gij u
+bedriegt, en ik ga ze u vertellen."
+
+"Gij zijt onbarmhartig voor mij, Jakob. Vertel zooveel gij wilt, ik
+antwoord niet meer."
+
+"Dit is mij gelijk, indien gij mij slechts laat spreken. Ziehier de
+zaak. In het dorp Neerglabeek waren eens boerenknechts, op eenen
+heiligendag onder de hoogmis, in eene herberg. Zij zouden gaarne met de
+kaart gespeeld hebben, maar daartoe moesten zij gevieren zijn, en zij
+waren slechts gedrieën. Er treedt een vreemdeling binnen, die een glas
+bier vraagt. Op het eerste voorstel der drie knechts stemt hij toe om de
+vierde man bij het kaartspel te zijn."
+
+De vrouw verscheen met de lantaarn, Willem wenschte haar goedennacht en
+stapte ten huize uit, gevolgd door den ouden Jakob, die onderweg zijn
+vertelsel dus voortzette.
+
+"Zij waren lustig aan het spelen, maar een der knechts stoot met zijne
+mouw het krijt van de tafel en bukt zich om het op te rapen. Wat ziet
+hij, o hemel! Hij ziet, dat de vreemde makker paardevoeten heeft!"
+
+Ondanks zijne verveling kon Willem zich niet wederhouden van met de
+wonderlijke eenvoudigheid van zijnen ouden leidsman te lachen.
+
+"De arme knechts lachten niet," hernam Jakob Mispels. "Zij sprongen
+kermend recht en wilden vluchten, maar er kwam een schromelijke
+donderslag, en al de kaartspelers waren verdwenen! Het stonk er in de
+kamer, als hadde men er honderd busselen solferstekken gebrand.... Zie,
+daar in dat achterpoortje van het kasteel moeten wij zijn. Ik heb uwe
+kamer gereed gemaakt, en ik hoop dat u niets zal ontbreken. Volg mij, ik
+zal u den weg wijzen."
+
+Hij bracht den jongeling boven eene trap en voor eene kamer. Daar lagen
+op den grond twee half verbrande stokken, dwars over elkander, in de
+gedaante der letter X.
+
+"Trap daar niet op en ontschik het niet," zeide de hovenier.
+
+"Wat beteekent dit?" mompelde Willem.
+
+"Dit is een onfeilbaar middel om u voor nachtelijk ongeluk te behoeden,"
+was het antwoord. "Zulke houten zijn een onoverstapbare dwarsboom voor
+alle tooverheksen, duivels, spoken, kabouters, nikkers en ander helsch
+gespuis."
+
+Van ongeduld schier buiten zich zelven, greep de jongeling de stokken
+van den grond en wierp ze tot beneden de trap.
+
+"Gij zoudt mij eindelijk nog de koorts doen krijgen, of mij zoo dom
+maken als.... als een visch."
+
+"Ho, word daarom niet kwaad, mijn lieve Willem," zuchtte de oude man
+vreesachtig. "Ik doe het met een goed inzicht; maar wilt gij liever
+gevaar loopen van iets schrikkelijks te zien, het staat u vrij."
+
+"Dit is de kamer, waar ik den nacht moet doorbrengen, niet waar? Welnu,
+Jakob, ga naar huis en wees gerust, mij zal niets geschieden. Laat mij
+slapen zoolang het mij lust en wek mij niet ontijdig. Goeden nacht....
+Wilt gij niet heengaan?..."
+
+"Ja, ja, zeker, ik ga," zeide Jakob, de trappen langzaam afdalende. "Die
+steedsche menschen hebben harde koppen; maar zij weten het niet goed.
+Als ik nog denk aan hetgeen den zandboer van Hechtel is overkomen! Die
+meende ooit, dat men geene spooken moet vreezen, maar hij werd, och
+arme, deerlijk gestraft. Op eenen nacht zag hij eene witte gedaante--als
+een geraamte, met eenen witten lijkdoek op de schouders--die hem met den
+vinger wenkte. Halfdood van schrik en bevend...."
+
+Hij was reeds beneden de trap, en zijne stem werd onvatbaar voor Willem,
+die binnen de kamer was getreden en in aller haast zich ontkleedde.
+
+Een oogenblik daarna lag de vermoeide jongeling reeds onder de lakens,
+op een bed, dat hem goed en zeer zacht scheen.
+
+Hij sloot de oogen en twijfelde niet, of hij zou onmiddellijk in slaap
+vallen; maar naarmate zijn hoofd verzwaarde, scheen zijn geheugen of
+zijne verbeelding eene onwillekeurige werkzaamheid te krijgen. Hij zag
+allerlei vreemde dingen in de duisternis voor zijne oogen wemelen:
+spoken, geesten, duivels, zwarte honden, geraamten, doodshoofden.
+Ofschoon hij wel wist, dat dit slechts eene begoocheling zijner
+ontstelde zinnen was, stond niettemin het koude zweet hem op het
+aangezicht en klopte zijn hart van zenuwachtigen angst.
+
+Eindelijk toch bezweek hij onder de afgematheid en viel in eenen diepen
+slaap.
+
+
+
+
+IV.
+
+
+Des anderen daags 's morgens was de oude Jakob vroeger dan naar gewoonte
+opgestaan. Hij was zichtbaar bekommerd, en ging uit het huis en keerde
+weder, zonder doel of reden, evenals iemand, die vervolgd wordt door
+eene angstige gedachte. Zijne vrouw bleef wel een uur sprakeloos, en
+scheen geene acht op zijne ongerustheid te slaan. Toen zij hem eindelijk
+vroeg, wat hem dus over en weder deed dwalen, vertelde hij haar, dat hij
+eenen leelijken droom had gehad en nog beefde van het akelig gezicht,
+dat hem had verschrikt.
+
+"Ach, Peternelle," zeide hij, "ik lag gerust te slapen. Eensklaps werd
+ik wakker en hoorde iemand om hulp roepen op eenen toon, zoo klagend en
+zoo scheurend, dat het mij als een mes door het harte sneed. Het is te
+begrijpen, ik herkende de stem van Willem!.... Ik spring van het bed en
+open het venster, mijne haren rijzen te berge op mijn hoofd, ik moet mij
+vasthouden om niet van vervaardheid neder te storten. Schromelijk
+schouwspel, dat voor mijne oogen voorbijschiet! Daar zie ik den zwarten
+man, die lachend door de lucht vliegt. Met zijnen klauw houdt hij een
+mensch bij het haar, terwijl hij met den anderen hem het vleesch van de
+leden rukt. Het arme slachtoffer schreeuwde om hulp, dat gansch
+Wildenborg er van weergalmde. Eilaas, het was Willem, die dus door den
+boozen geest werd weggehaald!"
+
+"Om 's hemels wil, Jakob, waarom mij altijd doen beven met uwe ijselijke
+vertelsels?" zeide de vrouw verstoord.
+
+"Hebt gij niets gehoord, Peternelle?"
+
+"Wat zou ik gehoord hebben, vermits gij het hebt gedroomd?"
+
+"Maar indien het eens eene verwittiging was?"
+
+"Laat mij gerust," knorde de vrouw. "Gij breekt u des nachts het hoofd,
+om mij des daags te kunnen verschrikken. Ik moet werken, het huis
+opschikken, de koe verzorgen en aan het ontbijt van mijnheer Willem
+denken."
+
+"Geve God, dat hij uw ontbijt nog noodig hebbe," zuchtte Jakob.
+
+"Babbel zooveel gij wilt, ik luister niet meer naar uwe
+kinderachtigheden," zeide de vrouw, terwijl zij eenen emmer greep en
+zich naar den stal begaf.
+
+Jakob bleef nadenkend op de achterdeur staren en schudde met
+ontevredenheid het hoofd.
+
+Na lang wachten keerde hij zich om, ging met tragen stap in den hof,
+naderde allengs tot het achtergedeelte van het kasteel en bleef daar,
+met de armen op de borst gekruist, in de hoogte zien naar een gesloten
+venster.
+
+Eene wijl mompelde hij in zich zelven, schudde het hoofd en maakte
+stille gebaren, maar, als nam hij een plotselijk besluit, hij verliet
+deze plaats, greep onderweg eene spade en ging in eene soort van
+moeshof, waar hij een afgemaaid klaverbed begon om te spitten.
+
+Het was zichtbaar, dat hij onder den arbeid evenzeer vervolgd bleef door
+aanjagende en kommervolle gepeinzen, want niet zelden onderbrak hij zijn
+werk, om van verre tot het gesloten venster op te zien, en dan ontsnapte
+hem telkens een gemor van ongeduld of van angst.
+
+Zijne ongerustheid werd grooter en grooter, en toen hij ongeveer
+gedurende een uur zijn werk met vele onderbrekingen had voortgezet,
+plantte hij zijne spade in den grond en zeide:
+
+"Neen, ik kan het niet meer uithouden! Reeds sedert drie uren is de zon
+aan den hemel--en nog niet opgestaan? Het is niet natuurlijk. Was mijn
+droom eene waarschuwing? De vrees, de twijfel doet mij vergaan. Hij
+heeft mij verboden hem te wekken, maar is mijne komst hem bij geval
+onaangenaam, wat beteekent het in vergelijking van de benauwdheid, die
+ik doorsta? En daarenboven met eens op de teenen naar boven te gaan, zal
+ik hem niet wekken, indien hij waarlijk slaapt. Het is gelijk, dit
+gewicht moet mij van het hart!"
+
+Terwijl hij deze woorden sprak, had hij den moestuin verlaten en naderde
+nu het achterdeel van het kasteel. Hij opende de deur zeer langzaam,
+opdat ze, draaiende, niet op hare hengsels zou knarsen, en stapte met
+looze treden in den gang.
+
+Aan den voet van de trap bleef hij eensklaps staan, hief zijne handen
+omhoog, deinsde verbleekend terug en morde huiverend:
+
+"Hemel! het riekt hier naar de solfer! Zou er een ijselijk ongeluk
+geschied zijn? Mijn droom? Vluchten wij!"
+
+Maar waarschijnlijk twijfelde hij zelf aan den waren aard van den reuk,
+dien hij meende gewaar te worden, want na eene wijl naderde hij de trap
+en klom voet voor voet naar boven.
+
+Hij bemerkte tot zijnen grooten schrik, dat de deur der kamer gansch
+openstond. Dit gezicht gaf hem een akelig voorgevoel, en het was met
+kloppend hart en aarzelend, dat hij binnen de kamer sloop.
+
+Daar ontvloog hem een schreeuw, hij sprong, bleek als een doode, terug
+tot tegen den muur, en waggelde op zijne beenen van verschriktheid.
+
+Het bed was ledig en het deksel lag half ten gronde, als hadde men den
+slapende met geweld van zijne rustplaats weggerukt.
+
+Zoohaast de arme hovenier den adem en het bewustzijn terugkreeg, sprong
+hij huilend ter kamer uit, viel schier van al de trappen, vluchtte door
+den hof en liep in zijn huis, waar hij zich op eenen stoel liet zakken
+en kermend uitriep:
+
+"Peternelle, Peternelle, water en azijn: laaf mij, of ik val van mij
+zelven! Eilaas! eilaas, men wil mij niet gelooven, daar hebt gij het nu!
+Die ongelukkige, die arme Willem! Hadde hij nooit den voet op dit
+vermaledijd kasteel gezet! Zulk einde en nog zoo jong!"
+
+"Water en azijn? Wat is er gebeurd? Hebt gij weder iets uitgevonden om
+mij vervaard te maken?" vroeg de vrouw verbleekend.
+
+"Neen, neen, Peternelle, ditmaal is het ernstig waar," antwoordde Jakob.
+
+"Is mijnheer Reimond overleden? Eilaas, het moest er toch eens van
+komen. God zij zijne arme ziel genadig!" zuchtte de vrouw, haar
+voorschoot aan de oogen brengende.
+
+"Veel erger, veel erger, Peternelle! Laat mij adem scheppen, laat mij
+een beetje bekomen. Houd u sterk, vrouw lief. Het is om daar neder te
+vallen en nooit meer op te staan."
+
+"Welnu, indien onzen meester niets overkomen is, wat nieuw inbeeldsel
+ontstelt er dan uwe zinnen?"
+
+"Zwijg, spreek zoo niet, Peternelle. Uwe ongeloovigheid zou u een
+ongeluk over het hoofd kunnen halen. Peternelle, ik ben gaan zien naar
+de kamer.... naar de kamer van Willem, en--God beware ons!--het bed is
+ledig!"
+
+"Het bed is ledig?" morde de vrouw. "Dit is zonderling en verwonderlijk,
+inderdaad."
+
+"Niet waar? Die arme jongen! Het deksel lag verward, en men kon zien,
+dat er een schrikkelijk geweld.... O, hemel, mijn droom van dezen nacht
+was dus waarheid!"
+
+"Lagen de kleederen van Willem in de kamer?" vroeg Peternelle, die
+geweld deed om tegen de verschriktheid te worstelen.
+
+De hovenier wreef zich het voorhoofd als om zijn geheugen op te klaren.
+
+"Zijne kleederen?" herhaalde hij. "Neen, die heb ik niet bemerkt."
+
+"Gij ziet wel, Jakob, dat gij u alweder door uwe verbeelding laat
+verleiden en mij nutteloos den dood op het lijf jaagt?"
+
+"Hoe dat?"
+
+"Wel, begrijpt gij niet, sukkelaar, dat, indien mijnheer Willem in
+zijnen slaap door Gods vijand ware verrast geworden, zijne kleederen
+toch in de kamer zouden gebleven zijn?"
+
+"Dit is niet zeker, Peternelle. Ik weet eene geschiedenis van eenen
+smid, die zijne ziel aan den zwarten man had verkocht en toen Lucifer
+kwam om hem te halen, gaf hij hem den tijd om zich eerst te wasschen en
+op te kleeden."
+
+"Kindervertelsel! Het was zeer vroeg, toen mijnheer Willem gisteren te
+bed ging. Hij zal zijne kamer verlaten hebben, om eene morgenwandeling
+te doen. Misschien is hij buiten het kasteel en in het bosch. In stede
+van hier te blijven beven, ga, zoek naar mijnheer Willem, gij zult hem
+vinden en van uwe ijdele benauwdheid verlost worden."
+
+"Gij meent het, Peternelle? O, mocht gij u niet bedriegen! Ik ga, ik
+loop, ik zal het gansche kasteel en zijne omstreken doorzoeken, en
+roepen en schreeuwen.... maar, eilaas, ik vrees, dat het er weinig zal
+aan helpen. Arme jongen, arme jongen!"
+
+En het hoofd met moedeloosheid schuddende, liep hij de deur uit.
+
+De vrouw hernam haar huiswerk en schonk de koffie op, zij legde eenige
+eieren in een keteltje met ziedend water, en spreidde een ammelaken over
+de tafel.
+
+Alhoewel zij zich sterkmoedig had getoond in het bestrijden der
+bijgeloovigheid van haren man, was zij evenwel niet zonder eenige
+ongerustheid. Zij had een kruis gemaakt en prevelde een stil gebed
+tusschen het gaan en keeren, om haren arbeid te verrichten.
+
+"God zij geloofd, daar is mijnheer Willem!" riep zij eensklaps uit, den
+jongeling vroolijk toelachende.
+
+"Goeden dag, Peternelle," zeide Willem. "Hoe verblijdt u mijne komst!
+Gij ziet er bekommerd en angstig uit?"
+
+"Zit neder, mijnheer. Hebt gij wel geslapen?"
+
+"Zeer wel, uiterst wel; ik was ook zoo vermoeid."
+
+"En gij hebt niets gezien? Niets?"
+
+"Wat zou ik gezien hebben, mijne lieve Peternelle?"
+
+"Ach, mijn man heeft mij vervaard gemaakt, hij is naar uwe kamer gegaan,
+heeft het bed ledig gevonden en meende, dat u een schrikkelijk ongeluk
+moest overkomen zijn."
+
+De jongeling haalde medelijdend de schouders op.
+
+"Waar is Jakob?" vroeg hij.
+
+"Hij is naar u gaan zoeken, op het kasteel, in de velden, in het bosch.
+Hij zal mij nog van benauwdheid doen sterven met zijne dwaasheden. Daar
+is uw ontbijt, mijnheer, denk niet meer aan onze gekke vrees."
+
+De jongeling begon de koffie te nuttigen en at langzaam het brood en de
+eieren, die hem waren voorgezet. Zijn geest moest insgelijks door droeve
+overweging beneveld zijn, want hij onderbrak soms zijn ontbijt, zuchtte
+en schudde het hoofd met mismoed.
+
+"Gij zijt treurig, mijn goede Willem," bemerkte de vrouw. "En gij zegt
+nogtans, dat gij wel hebt geslapen?"
+
+"Ja Peternelle," was het antwoord, "ik ben treurig. Dezen morgen, toen
+ik wakker geworden was, kwamen allerlei pijnlijke gedachten mij
+bestormen. Ik heb mijne kamer verlaten om onder de opene lucht
+verkwikking te zoeken, achter het kasteel ligt er een groote boom, die,
+door den wind uitgerukt, over de gracht gevallen is. Langs daar geraakte
+ik in de bosschen. Die wandeling heeft mij weemoedig gemaakt.... Geloof
+gij insgelijks, Peternelle, dat mijn oom overmorgen zal sterven?"
+
+"Eilaas, hij zal sterven!" zuchtte zij.
+
+"En meent gij ook, gelijk Jakob, dat de duivel, of ik weet niet welke
+bovennatuurlijke oorzaak, daarmede bemoeid is?"
+
+De oude vrouw schudde ontkennend het hoofd.
+
+"Ha, gij gelooft het niet? Gij hebt een gezond verstand, gij
+Peternelle?" riep de jongeling. "Welnu, wat is uwe gedachte over de
+onbegrijpelijke ziekte mijns ooms?"
+
+"Mijne gedachte is, dat onze arme meester, door het eeuwig studeeren en
+zoo gansch opgesloten te leven, zijne zinnen eenigszins heeft gekrenkt.
+Ik heb het altijd gevreesd, maar mijn man maakt mij zoo vervaard met
+zijne ijselijke droomen en zijne akelige vertelsels, dat ik zelve niet
+goed meer weet, of ik nog bij mijn volle verstand ben."
+
+"Arme Peternelle, gij moet niet veel vermaak van uw leven gehad hebben
+op Wildenborg. Is hier nooit een geneesheer gekomen?"
+
+"Mijnheer Reimond wil van geene dokters hooren spreken, en hij heeft
+gedreigd ons van Wildenborg te doen verhuizen, indien wij ooit eenen
+dokter op Wildenborg toelieten."
+
+"Alzoo, Peternelle, gij zijt zeker, dat mijn arme oom gaat sterven, en
+gij hebt geene de minste hoop meer op de behoudenis zijns levens?"
+
+"Eilaas, niet de minste. De pastoor van het dorp zegt het insgelijks, er
+is niets aan te doen!"
+
+"Ha, de pastoor komt somwijlen op Wildenborg?"
+
+"Hij komt er dikwijls, hij is de eenige mensch, die tot mijnheer Reimond
+mag naderen. Zij zijn goede vrienden. Zoohaast de arme menschen in het
+dorp nood hebben, komt de pastoor op Wildenborg, en onze meester schenkt
+hem telkens eene milde, zeer milde aalmoes. Ook voor de kerk is mijnheer
+Reimond vrijgevig, hij heeft eene aanzienlijke somme gelds geschonken,
+om eenen kelk en een groot kruis van louter zilver te doen maken. Die
+kostelijke juweelen versieren op de hoogtijden het autaar, en, wees
+zeker, er is in twintig uren in het rond niets rijkers of schooners te
+zien."
+
+"Zonderling!" mompelde Willem, "en uw man gelooft, dat zulk godvruchtig
+en goedhartig mensch betrekkingen heeft met den duivel!"
+
+"Mijn man is een sukkelaar," antwoordde Peternelle. "Hij was zoo van
+zijne kindsche dagen af, hij droomt van niets dan van spoken en geesten.
+Vroeger lachte ik daarmede, en zijne dwaze vertelsels ontstelden mij
+niet, maar nu word ik oud en vreesachtig, mijn goede Willem. Evenwel,
+indien gij hier bleeft, zou uw gezelschap mij den verloren moed
+teruggeven, ik ben er zeker van, ik gevoel mij reeds verjongd en geheel
+veranderd, sedert gij hier zijt."
+
+Na een oogenblik overweging zeide Willem:
+
+"De pastoor meent insgelijks, dat mijn oom overmorgen zal sterven? Het
+is niet mogelijk. Dat hij ziek is, dit kan men niet miskennen, maar of
+hij niet maanden lang nog zal leven, wie zou dit kunnen verzekeren?"
+
+"Het is gemakkelijk te begrijpen," antwoordde de oude vrouw. "Hij is
+niet ziek, maar hij laat zich zelven sterven van honger."
+
+"Zoo! wat zegt gij daar, Peternelle?"
+
+"De waarheid, zeg ik, Willem. Sedert zes maanden, dat mijnheer zich
+ingebeeld heeft, dat hij het uur zijns doods kent, is hij begonnen met
+minder en minder voedsel te nemen. Deze laatste vijftien dagen gebruikte
+hij niet genoeg om eenen vogel in het leven te houden."
+
+"Maar dit is niet voldoende, om hem juist op een voorzegd oogenblik te
+doen sterven."
+
+"En het hoofd dan, Willem?"
+
+"Ja, Peternelle," zuchtte de jongeling, "het hoofd, de verbeelding. Zou
+er dan geen hulpmiddel overblijven?"
+
+"Ik denk het niet: de pastoor zegt, dat wij met verduldigheid ons aan de
+besluiten van God moeten onderwerpen."
+
+Willem zweeg eene wijl en scheen door de treurnis gansch overmeesterd.
+
+Daar stormde de oude Jakob in de kamer, en vloog met tranen van
+blijdschap den jongeling aan den hals.
+
+"Den hemel zij dank!" juichte hij. "Ditmaal ten minste heb ik mij
+bedrogen! Ho, het ware toch te schrikkelijk geweest. Willem, Willem, gij
+zijt nog levend? Ik voel mij schier bezwijken van blijdschap!"
+
+"Wel, wel, mijn goede Jakob, in uwe eenvoudigheid hebt gij gaan denken,
+dat de duivel...."
+
+Maar de hovenier onderbrak zijne woorden en zeide met haast:
+
+"Neen, neen, spreken wij daar nu niet van. Het is reeds een kwart uurs
+geleden, dat Nox mij in den hof is komen zeggen, dat uw oom op u wacht.
+Ga spoedig naar het kasteel, hij zou verstoord kunnen zijn."
+
+De jongeling, die niet zonder vreugde aan de dwaasheden van den hovenier
+ontsnapte, ging ter kamer uit en bevond zich eenige oogenblikken daarna
+in tegenwoordigheid van zijnen oom. Deze, na eenen hartelijken
+morgengroet, zocht hem aan zich bij de tafel neder te zetten, legde de
+hand op het doodshoofd en sprak op ernstigen toon:
+
+"Mijn vriend, ik heb schier den ganschen nacht doorgebracht met den
+geest over u en over uwe toekomst te raadplegen. Uwe ziel is voor alsnu
+nog niet sterk genoeg om onmiddellijk in gemeenschap met de wereld der
+geesten te komen. Wij zullen dus niet nutteloos de proefneming van
+gisteren voortzetten, maar beloof mij, dat gij, na mijnen overgang tot
+een ander leven, nieuwe en herhaalde pogingen zult inspannen, om den
+geest, die in het doodshoofd woont, te zien en te hooren. Gij antwoordt
+niet, Willem? Weigert gij mij deze belofte?"
+
+"O neen, oom lief, ik zal het pogen, zelfs zonder hoop," stamelde de
+jongeling.
+
+"De hoop en de overtuiging zullen komen, vriend. Ik zal u het doodshoofd
+tot erfdeel nalaten. Het is een kostelijker voorwerp dan mijn fortuin.
+Nu wil ik u onderhouden over eene verrassende openbaring, welke de geest
+mij dezen nacht heeft gedaan. Willem, om gelukkig te zijn op aarde en
+uwe ziel vooruit te helpen in den weg naar de volmaaktheid, moet gij
+zonder uitstel trouwen."
+
+"Trouwen?" herhaalde de jongeling met verbaasdheid.
+
+"Deze gedachte verschrikt u, vriend?"
+
+"Ho, neen, heer oom, maar om te trouwen is er eene bruid noodig, en gij
+zult bekennen, dat de keus geene onverschillige zaak is?"
+
+"Zeker niet, van deze keus hangt integendeel het geluk des levens af.
+Wist de mensch slechts in deze gewichtige zaak het goede van het kwade
+te onderscheiden! Maar zijne stoffelijke zintuigen bedriegen hem zeer
+dikwijls, en dan moet hij, eeuwen lang misschien, de dwaling van een
+oogenblik betreuren en er voor boeten. De geest, die in het doodshoofd
+woont, heeft daarvan eene groote ondervinding. Weet gij wat het huwelijk
+is, Willem, ten minste wanneer het volgens de ware vereischten wordt
+gesloten? Het huwelijk is de samenvoeging van twee onvolledige zielen,
+die elkander bijbrengen wat aan elk hunner ontbreekt. Om klaarder te
+zijn, zij volledigen elkander en helpen elkander vooruit in de baan van
+den zedelijken voortgang. Lichaamsschoonheid en geldelijk fortuin doen
+er niets toe, integendeel, zij zijn meest altijd oorzaken van den
+beklaaglijksten misgreep. De voorwaarde, die men te vervullen heeft, is
+deze: de inborst der vrouw moet de vollediging zijn der inborst van den
+man. Zoo moet een zwakke man eene sterke vrouw hebben, een gierigaard
+eene vrijgevige, een treurder eene blijmoedige, een trotschaard eene
+nederige, en zoo wederkeerig. Indien men door hinderpalen, welke in het
+maatschappelijk leven bestaan, niet wederhouden was, zou men altijd en
+onfeilbaar de vrouw kiezen, die men behoort te hebben tot het volledigen
+van zijn zedelijk wezen, want er bestaat tusschen de zielen, die
+elkander betamen, eene geheimzinnige aantrekking, evenals de
+aantrekking, die de _electriciteit_ ons in de stoffelijke wereld doet
+ontdekken. De vrouw moet voor den man zijn wat in de natuur de _pole
+négatif_ is tot den _pole positif_. Begrijpt gij, mijn vriend?"
+
+"Zeker, ik begrijp zeer wel, heer oom," antwoordde Willem met
+verwondering. "Ik zelf heb meer dan anderen misschien zulke onuitlegbare
+aantrekking ondervonden."
+
+"Ik twijfel er niet aan," zeide mijnheer Reimond, "maar gij hebt u
+waarschijnlijk misgrepen. De geest heeft mij veropenbaard waar de eenige
+ziel is, die u gelukkig maken en u vooruit helpen kan naar de eindelijke
+volmaaktheid. Het is uwe nicht Theresia De Wit."
+
+"Mijne nicht Theresia De Wit?" kreet Willem met eene uitdrukking van
+afkeer.
+
+"Gij kent haar immers niet?"
+
+"Neen, heer oom, ik heb haar nooit gezien."
+
+"Des te beter."
+
+"Ik zou mij toch eerst moeten kunnen overtuigen, dat zij wel de ziel is,
+die mijne ziel...." stamelde Willem op angstigen toon.
+
+"De geest kent haar, hij bevestigt, dat zij alleen het geluk uws levens
+en het geluk uwer reis door de eeuwigheid kan verzekeren."
+
+"Maar, oom lief, een huwelijk? Dit gaat zoo niet!"
+
+"Ja, wel, het moet zoo gaan."
+
+Het hoofd met eene soort van gekwetste fierheid oprichtende, vroeg de
+jongeling:
+
+"En indien ik weigerde mij dus eene onbekende vrouw te laten opdringen?"
+
+"Ik zou voor uw geluk zorgen, zelfs tegen uwen dank, Willem, en u
+dwingen den raad en den wil van den geest te volgen en te volbrengen.
+Het middel is eenvoudig, ik zou mijn testament veranderen en er in
+schrijven, dat gij en Theresia De Wit slechts mijne erfgenamen kunt
+worden, nadat uw huwelijk voltrokken zij. Intusschen zou het bureel van
+weldadigheid mijne goederen beheeren en ze behouden, totdat gij u beiden
+aan uwe ware bestemming zoudt hebben onderworpen. Overweeg en wedersta
+den geest niet nutteloos: zijne uitspraak is onveranderlijk!"
+
+Willem liet het hoofd op de borst vallen en bleef zwijgend. Hij overwoog
+met snelheid zijnen neteligen toestand en de zonderlinge gril, waarvan
+men hem het slachtoffer wilde maken. Zijn oom had hem gisteren gezegd,
+dat hij den geest zou raadplegen over een middel om de goederen, die tot
+Wildenborg behoorden, onverdeeld te laten. Dat huwelijk was dus het
+gevonden middel. Het werd hem klaarblijkend, dat de geest niemand anders
+was dan zijn oom zelf, en dat deze in zijne krankzinnigheid het
+doodshoofd alles deed zeggen, wat hij verlangde te hooren. Er ontstond
+in het gemoed des jongelings nog eene hoop: hij zou pogen de beslissing
+zijns ooms met dezelfde wapens te bestrijden. Hij hoefde tot geene
+leugens zijne toevlucht te nemen, wat hij in zijn leven had ontmoet,
+geleek sterk genoeg naar de geheimzinnige aantrekking van twee zielen,
+meende hij, om dit tegen zijn huwelijk met Theresia De Wit te doen
+gelden.
+
+"Worstel niet langer, aanvaard uw lot," morde mijnheer Reimond,
+ontevreden over het lange stilzwijgen van zijnen neef. "Uw erfdeel
+verliezen of u onderwerpen!"
+
+"Ik zal niet worstelen, ik zal mij onderwerpen," antwoordde Willem,
+"indien gij mij toelaat, u de redenen mijner aarzeling te verklaren.
+Blijft gij, heer oom--of de geest--bij uwe beslissing, het zij zoo, ik
+zal denken, dat Theresia De Wit waarlijk bestemd is om mij gelukkig te
+maken."
+
+"Ik luister," zeide mijnheer Reimond.
+
+"Maar, oom lief, het is tamelijk lang. Zult gij mij met welwillendheid
+en geduld aanhooren?"
+
+"Spreek, wij hebben tijds genoeg."
+
+"Welnu, mijn goede oom, gij zult zien, dat ik niet tot heden hoefde te
+wachten, om door de geheime aantrekking der zielen beheerscht te
+worden.... Ik was schier nog een kind, en mijne moeder leefde nog. Eens
+vergezelde ik haar naar een voorgeborcht van Brussel, waar zij eene oude
+vriendin had. Dewijl ik alsdan de hoofdstad voor de eerste maal zag,
+wandelden wij tot 's avonds laat door de meest bevolkte straten, ik keek
+mij blind en dwaas op al de pracht en al den rijkdom, die in de
+magazijnen en winkels uitgestald lagen. Des anderen daags was mijne
+moeder onpasselijk van vermoeidheid. Het was de feestdag van
+Onze-Lieve-Vrouw, ik zou alleen ter kerke gaan en mocht, na de mis tot
+op den noen, met wandelen in het voorgeborcht mij vermaken. De lucht was
+wonderzuiver en de zon ongewoon glansrijk. Waarschijnlijk hadden de
+invloed van het schoone weder, het gevoel van vrijheid, of de
+schitterende dingen, die ik had gezien, op mijnen geest eenen diepen
+indruk uitgeoefend. Ik kende mij zelven niet meer, het hart klopte mij
+in den boezem, ik hijgde met machtige ademhalingen, mij dacht, ik was
+groot en sterk geworden te midden eener natuur, wier pracht en glans mij
+verbaasden. Eensklaps hoorde ik muziek en zag de burgers naar de
+voornaamste straat van het voorgeborcht loopen. Ik volgde hen, en op het
+oogenblik dat ik den hoek der zijstraat bereikte, naderde daar de
+processie ter eere van Onze-Lieve-Vrouw. O, wat scheen mij dit alles
+schoon en wonderbaar! Niet alleen de gouden vanen en de zilveren
+lantaarnen, welke het zonnelicht deed fonkelen, maar er waren wel
+tweehonderd kinderen in de processie, gekleed als engeltjes met vlerken,
+als maagdekens met bloemen gekroond, als pelgrims met kalebas en staf,
+als heiligen, als priesters, als kardinalen.--Terwijl ik, om zoo te
+zeggen, mijnen adem wederhield om niets van het verrukkend schouwspel te
+verliezen, zag ik in de verte al eene schaar hemelsche geesten opdagen,
+het waren jonge meisjes, iets grooter dan de andere kinderen. Zij waren
+gansch omhuld in sneeuwige tul of kant, en hun wazen sluier, lichter nog
+dan de lucht, vlotte op den onvoelbaren wind. Elk hunner droeg eene
+soort van staf, waarop in het Latijn een woord uit de litanie van
+Onze-Lieve-Vrouw blikkerde. Waarlijk, mijn getroffen verbeelding deed ze
+mij aanzien voor zoovele engelenhoofdjes, drijvend op witte, vlokkige
+wolken, tusschen welke de schoonste starren des hemels heenblikkerden.
+Toen deze schaar mij naderde, bemerkte ik wel, dat ik mij had bedrogen
+en al deze engelen slechts meisjes waren, kinderen als de andere, die
+mij reeds waren voorbijgegaan. De begoocheling mijner zinnen hield
+slechts stand voor eene enkele. Zij droog eenen gulden staf met de
+woorden _Rosa mystica_, _geheimzinnige Roos_. Dit was, dacht mij, geen
+menschelijk wezen, zoo bovennatuurlijk schoon, zoo vreemd, zoo
+onbegrijpelijk! Met neergeslagen oogen over den grond glijdend, zonder
+dat eene enkele beweging een stoffelijk lichaam onder den kanten sluier
+kwame verraden! Wat mij geschiedde, is mij nu nog onbekend: ik beefde
+van bewondering, nauwelijks kon ik ademhalen, het was als wilde mijne
+ziel mij verlaten om den engel te gemoet te vliegen.... _Rosa mystica_,
+als hadde zij de verborgene stem mijner ziel gehoord, hief het hoofd op,
+toen zij mij voorbijdreef, en sloeg in mijne oogen eenen stillen, diepen
+blik, die de kloppingen mijns harten onderbrak en mij terzelfder tijd
+met eenen onuitlegbaren schrik en met eene eindelooze blijdschap
+vervulde.... De processie was reeds verre, toen ik uit mijne
+dwaalzinnigheid ontwaakte. Door eene onbewuste kracht gedreven, en
+snakkend om het hemelsch verschijnsel nog eens te aanschouwen, liep ik
+al het volk vooruit en bereikte juist de kerkdeur op het oogenblik, dat
+de eerste standaard zich nog boog om er onder door te gaan. Ik zag de
+_Rosa mystica_ nog eens, en zij ook hief weder haren blik tot mij op.
+Zij scheen verrast over mijne uiterste verbaasdheid, doch glimlachte zoo
+zoet, dat het mij scheen, dat ik het hart mij in den jagenden boezem
+voelde wegsmelten. Hopende voor de derde maal haar te zien, bleef ik bij
+de kerkdeur staan. Al degenen, die de processie hadden vergezeld, kwamen
+er opvolgend uit. _Rosa mystica_ alleen verscheen niet weder, en
+eindelijk werd de deur des tempels gesloten. Voor mijn ontsteld gemoed
+was dit een ontegensprekelijk bewijs, dat ik mij niet had bedrogen. De
+engel, die zulken broederlijken glimlach mij had gegund, was terug naar
+den hemel!"
+
+"Verwonderlijk inderdaad!" murmelde mijnheer Reimond, "Het was misschien
+de ziel van een kind, dat vroeger nog op dezelfde wijze in de processie
+had gegaan, en waaraan God had toegelaten, in zichtbaren vorm eene
+geliefde plechtigheid bij te wonen. De Rosa mystica ware dus geen engel
+geweest, maar een der geesten, die in de lucht op een nieuw leven
+wachten."
+
+"Voor mij zou deze zaak geheimzinnig en onuitlegbaar gebleven zijn, heer
+oom, hadde ik haar later niet wedergezien onder eene andere dan eene
+engelengedaante."
+
+"Gij hebt haar wedergezien?" vroeg mijnheer Reimond met aangejaagde
+nieuwsgierigheid. "Uwe geschiedenis boezemt mij veel belang in. Ga
+voort, ik bid u."
+
+"Gij zult het wellicht niet gelooven, heer oom, maar dit eenvoudig
+voorval heeft eenen grooten invloed op mijne inborst en op mijn leven
+uitgeoefend. Van dan af werd ik eenzaam en droomend, altijd waarde het
+zoet verschijnsel voor mijne oogen, en glansde in licht en in duisternis
+de onvergetelijke glimlach mij tegen. Ik werd godvruchtig bovenmate, en
+zoodanig tot het gebed geneigd, dat mijne moeder, uit vrees voor het
+verlies mijner gezondheid, deze ziekelijke ontheffing des geestes meende
+te moeten bestrijden. Welke was mijne beweegreden? Hoopte ik nader tot
+den engel te komen door mij geheel aan den dienst des Heeren toe te
+wijden? Ik weet het niet.--Met de jaren verzwakte toch deze herinnering,
+en de dood mijner goede moeder, waardoor ik alleen in de wereld bleef,
+bracht veel bij om mij andere gepeinzen te geven. Zoo bereikte ik den
+ouderdom van achttien jaar, ik dacht nooit meer aan den engel, dan op
+die zeldzame oogenblikken, wanneer de ziel als het ware terugkeert in
+het leven, en wij droomend ons verleden zich als een tooverdoek voor
+onze oogen zien ontrollen. Het is omtrent dien tijd, dat ik klerk werd
+bij mijnen eersten meester. Op eenen Zondag vergezelde ik hem naar het
+dorp Hemixem, waar hij familie had. Ik was alleen tot op den oever der
+Schelde gewandeld, en stond zonder doel naar de stoomboot van Temsche te
+kijken, die de kaai naderde om eenige reizigers af te zetten en er
+andere op te nemen. Daar ontvliegt mij een doffe schreeuw, ik staar
+bevend op eene jonge juffer, die van achter het beschot der boot met
+wijdgeopende oogen mij verwonderd aanziet. Het was de _Rosa mystica_,
+eenen anderen naam wist mijn geheugen haar niet te geven. Zij was het!
+Hadden mijne oogen haar niet herkend, de onstuimige sprongen mijns
+harten hadden mij er van overtuigd. Terwijl ik daar stond als in een
+steenen beeld veranderd, gaf de dampklok het sein, de stoomboot bewoog
+hare raderen en het verschijnsel werd mij voor de tweede maal
+ontvoerd.--Deze ontmoeting leende natuurlijk nieuwe kracht aan de bijna
+uitgewischte herinnering, en ik moet bekennen, dat na dien dag allengs
+iets min bovennatuurlijks zich mengde in de onbegrepene neiging, welke
+ik voor .... voor de _Rosa mystica_ gevoelde. Zij kwam mij niet meer
+voor als een engel, zij was eene juffer, eene jonge maagd, een aardsch
+wezen als ik. Weder bleef ik twee jaren zonder haar terug te zien, en
+weder had ik schier de ontmoeting vergeten, toen ik, op den ijzeren weg
+zijnde, haar herkende op den tocht, die in de statie van Contich ons
+voorbijreed.... Veel later zag ik zo eens te Mechelen, tusschen het
+volk, dat zich verdrong om den prachtigen ommegang van Onze-Lieve-Vrouw
+van Hanswijk te bewonderen. Ik woelde door de menigte naar de plaats,
+waar ze stond, doch ontwaarde haar niet meer, ik doorliep markten en
+straten tot den laten avond, doch vruchteloos.... Nu ongeveer twee
+maanden geleden, van Waalhem naar Mechelen gaande, om eene boodschap van
+mijnen meester te volbrengen, hoor ik achter mij een verwittigend
+zweepgeklets en het gedaver van snel rollende wielen, ik loop terzijde
+van den weg en keer mij om. Daar zie ik de _Rosa mystica_ met eene oude
+dame en twee jongere juffrouwen in eene opene koets zitten, in eene
+rijke heerenkoets! Zij, in het voorbijrijden, groet mij stil en
+ingetogen, doch met minzaamheid, dunkt mij. Ik, door een gevoel van
+droefheid aangegrepen bij het gepeins, dat zij tot eene rijke familie
+behoort, neem den hoed werktuiglijk af, wanneer zij reeds voor mijne
+oogen onzichtbaar is geworden.... Erken, oom lief, dat dit alles
+buitengewoon is, dat er iets moet zijn, dat ons immer na lange scheiding
+weder op dezelfde plaats brengt, opdat wij elkander niet zouden
+vergeten. Daarenboven, dat eene geheimzinnige macht, een verborgen wil,
+ons belet elkander te naderen of elkander aan te spreken, voordat het
+vastgestelde uur zij geslagen?"
+
+"Inderdaad, gij zijt beiden onder eenen invloed, die bovennatuurlijk
+schijnt," bemerkte mijnheer Reimond, "maar het kan wel een toevallige
+samenloop van omstandigheden zijn. Eindigt daar uwe geschiedenis?"
+
+"Ho, neen, heer oom, ware het zoo, ik zou het der moeite niet waard
+hebben geacht, om uwe welwillende aandacht zoo lang te misbruiken."
+
+"Gij hebt haar diensvolgens nog gezien?"
+
+"Ja, en met haar gesproken; gij zult het gaan hooren. Eergisteren zegt
+mijn meester, dat hij naar naar het kasteel van Everdaal moest rijden,
+om er met de gravin De Bernavaux te spreken, en dat ik hem zal
+vergezellen. Op het kasteel aangekomen, treedt mijn meester in eene zaal
+met de gravin, en geeft mij vrijheid om in de dreve en in den tuin te
+wandelen, totdat hij mij doe roepen. Ik dwaal schier een half uur onder
+het hooge geboomte en nader tot eenen muur, waarachter ik juichende
+stemmen hoor van jonge meisjes of van kinderen, die zingen en spelen en
+lachen. Eéne stem is er, die mij wonderzoet en blijmoedig schijnt; hare
+galmen betooveren en ontroeren mij; maar daar springen van achter den
+muur drie juffrouwen, en, door mijne tegenwoordigheid verrast, bekijken
+zij mij ondervragend. Ik, gansch buiten mij zelven, en niet wetende wat
+ik doe, hef de armen in de hoogte en roep uit: "_Rosa mystica!_" Zij was
+het! Beschaamd over mijne vermetelheid, blijf ik haar zwijgend
+aanschouwen. Zij insgelijks wordt rood.--"O, hemel, mijnheer," murmelt
+zij, "reeds twaalf jaar, en gij hebt het niet vergeten?"--"En gij,
+juffrouw?" verstout ik mij te vragen.--"En ik ook niet," antwoordt zij
+verbaasd. "Het is een onuitlegbaar raadsel!" Op dit oogenblik trad de
+gravin, door mijnen meester gevolgd, uit het kasteel. "Flora, Flora!"
+riep mevrouw De Bernavaux, "kom haastig hier, ik heb u noodig!"--Zij
+heet dus Flora? Op mijne vraag of Flora hunne zuster was, zeiden de
+jonge juffrouwen mij, dat Flora als gezelschapsjuffer op het kasteel
+woont. Mijn meester wilde onmiddellijk vertrekken; ik moest gehoorzamen.
+Onderweg maakte ik allerlei ontwerpen. Nu wist ik waar zij woonde, de
+maagd, wier herinnering en beeld mijn gansche leven hadden beheerscht.
+Zij was niet rijk, ten minste niet genoeg om mij alle hoop op een
+huwelijk met haar te ontzeggen. Ja, ja, het gepeins aan een huwelijk
+ontstond gansch klaar en volledig in mijnen geest. Zij insgelijks had
+twaalf jaar mijne herinnering behouden. Het was eene bekentenis, en ik
+had de overtuiging dat sedert onze kindsheid er een geheimzinnige band
+tusschen onze zielen had bestaan, en God zelf ons voor elkander had
+bestemd. Mijn voornemen was, dit alles aan mijnen meester te openbaren
+en zijne edelmoedige hulp in te roepen; maar toen wij ten zijnen huize
+afstapten, vond ik uwen brief, die mij naar Wildenborg riep. Ik ben
+onmiddellijk vertrokken."
+
+Er heerschte eene wijl stilte, gedurende welke mijnheer Reimond het
+hoofd schudde en tegen een lastig gepeins scheen te worstelen.
+
+"Niet waar, oom lief," zeide Willem, "indien er ooit eene aantrekking
+tusschen twee zielen bestond, dan is het tusschen Flora en mij geweest?
+Gij zult deze bovennatuurlijke stem niet willen miskennen, en mij niet
+dwingen tot een huwelijk met mijne nicht Theresia De Wit, die ik niet
+ken en niet kan beminnen?"
+
+"Gij laat u door uwe verbeelding misleiden," antwoordde mijnheer Reimond
+op strengen toon, "en, zooals de meesten doen, begrijpt gij de zaken op
+de wijze, die met uwe voorbestaande wenschen overeenkomt. Wat is er dan
+toch zoo wonderlijks in deze geschieden? Gij ziet eens een jong meisje,
+dat eenigen indruk op u uitoefent. Op twaalf jaar tijds ontmoet gij ze
+nog drie of vier keeren. Weet gij wat er wonder is? Dat gij ze niet
+honderdmaal hebt ontmoet."
+
+Een zucht ontsnapte Willem bij deze koele uitlegging zijns ooms.
+Mijnheer Reimond wist de voorvallen wel zonder begoocheling te
+beschouwen, wanneer het zijne eigene grillen niet gold. De arme jongen
+had diensvolgens zijn doel niet bereikt. Zijn oom liet hem den tijd niet
+om daaraan te twijfelen, dewijl hij nu zeide:
+
+"Gij moet trouwen met Theresia De Wit. De geest van het doodshoofd heeft
+het bevolen: zijne uitspraak is een onherroepelijk vonnis."
+
+"Maar, mijn lieve oom," kreet Willem met wanhoop, "gij zult mij toch
+niet zoo onmeedoogend tot een gansch leven van treurnis veroordeelen!"
+
+"Integendeel, gij zijt het zelf die uw geluk wilt verbrijzelen, niet
+alleen voor dit tegenwoordig leven, maar voor vele toekomstige levens.
+Verkiest gij naar de hand van die Flora te staan en uwe ziel, duizend
+jaar verre misschien, in de baan der eeuwigheid achteruit te drijven,
+gij zijt vrij. Ik van mijnen kant ken mijnen plicht, en ik zal hem
+volbrengen. Laat hooren, onderwerpt gij u aan de wil der geesten of
+niet? Ik wacht een antwoord. Gij zwijgt, Willem? Het is dus eene
+weigering?"
+
+De genster van een plotselijk gepeins lichtte eensklaps in des
+jongelings oogen.
+
+"Oom, mag ik mijne beslissing uitstellen tot morgen?" vroeg hij.
+
+"Tot morgenavond, indien gij het verlangt."
+
+"Ik dank u; misschien zal dezen nacht de geest, uit medelijden met mij,
+u eene edelmoedige inspraak geven."
+
+"Hoop het niet, mijn vriend, en martel u zelven niet door eene
+vruchtelooze worsteling tegen iets, dat onveranderlijk moet blijven."
+
+"Ach, misschien zal ik de noodige kracht tot de onderwerping vinden."
+
+"Het zal mij grootelijks verblijden; want ik bemin u, Willem. Ondanks de
+betrekkelijke onvolledigheid uwer ziel zijt gij een goede, brave jongen;
+en ik zou uw geluk willen verzekerd zien, vooraleer ik opvaar tot een
+nieuw leven."
+
+"Gij blijft dus altijd bij de schrikkelijke gedachte, dat gij gaat
+sterven?"
+
+"Overmorgen, den 31sten Augustus."
+
+"En indien gij bij geval den 1sten September nog leefdet? Zoudt gij
+dan niet bekennen, dat de geest u heeft bedrogen? Zoudt gij mij dan nog
+met mijne nicht willen doen trouwen?"
+
+"Ho, hoe zou ik het betreuren! sterven van schaamte en van smart!"
+zuchtte mijnheer Reimond met eene soort van afgrijzen. "Wat! mijn
+gansche leven zou eene krankzinnigheid geweest zijn? Die hooge
+wetenschap eene ijlhoofdigheid? De geesten schimmen, door mijne zieke
+hersens geschapen? Zwijg daarvan, Willem; gij doet mij ijskoud worden
+van schrik. Gelukkig dat gij dwaalt. Mijn dood op het vastgestelde uur
+zal van het bestaan der geesten en van de waarheid hunner leering
+getuigenis geven!"
+
+De ontmoedigde jongeling zag eene korte wijl zijnen oom met
+verslagenheid aan; doch hij stond welhaast recht en, knikkende, als
+bevestigde hij zich zelven in een genomen besluit, zeide hij:
+
+"Heer oom, toen ik naar Wildenborg kwam, liet ik mijn reispak te
+Hasselt. Ik heb hier geen linnen, en mij ontbreken vele noodige dingen.
+Indien gij de goedheid hadt, mij het toe te laten, zou ik gaarne over en
+weder naar Hasselt rijden, om mijnen koffer te halen."
+
+"Gij zult morgen terug zijn?"
+
+"Ja, heer oom."
+
+"Welnu, reis naar Hasselt. Ik was toch voornemens, dezen ganschen dag
+alleen te blijven. Mijn tijd wordt kort; ik moet lang met den geest
+spreken en schikkingen nemen voor mijn vertrek naar de wereld der
+zielen. Ga, mijn vriend, en bedroef u niet door eene vruchtelooze
+worsteling tegen de uitspraak des geestes. Theresia De Wit zal uwe bruid
+zijn, of uwe dwalende ziel het wille of niet!"
+
+De jongeling drukte zwijgend de hand zijns ooms en verliet de zaal onder
+het murmelen van een treurig vaarwel.
+
+Hij vond de vrouw des hoveniers op den dorpel harer deur en zeide haar:
+
+"Peternelle, ik ga naar Hasselt, en verder nog, indien het moet zijn. Ik
+wil weten, of er geen hoegenaamd middel bestaat, om mijnen oom te
+genezen of ten minste zijn leven te verlengen. Denk eens, hij wil, dat
+ik onmiddellijk trouwe met mijne nicht!"
+
+"Met Theresia De Wit?" kreet Peternelle verschrikt.
+
+"Ja; zeg daar niets van aan uwen man; ik ga naar Hasselt om mijnen
+koffer te halen. Vaarwel tot morgen."
+
+Eenige oogenblikken daarna stapte Willem door de dreve, om de baan te
+bereiken, die over de heide naar den steenweg van Hasselt liep.
+
+
+
+
+V.
+
+
+Bij een schoon en zonnig weder stapten twee vrouwen over de heide. Zij
+waren voorafgegaan door een boer, die eene kleine reismaal op den
+schouder droeg.
+
+Eene der vrouwen was eene jonge juffer, wier zachtvervig zomerkleedsel,
+eenvoudig doch smaakvol, de onbenevelde blijheid van een zuiver
+maagdelijk gemoed scheen te verkondigen.
+
+Ze had blonde haren, die boven haar voorhoofd in eene kunstmatige
+verwarring tot eene soort van top waren gekrinkeld; daaronder
+glinsterden als blauwe parelen hare kleine, doch ongemeen beweegbare
+oogen. Op hare lippen speelde bestendig een stille, teedere glimlach,
+als beschouwde zij de oorspronkelijke natuur, die haar omringde, met
+vreugde des harten en met liefde.
+
+Alhoewel er nog iets onbedwongens, iets kinderlijks in gansch haar
+opzicht was, getuigde evenwel de snelheid van haren blik en de vastheid
+harer gebaren, dat het dezer bevallige jonge maagd noch aan
+gemoedssterkte noch aan helderheid des geestes kon ontbreken.
+
+Gedurende zeer langen tijd scheen zij de tegenwoordigheid van hare
+gezellin en van haren leidsman te vergeten. Vroolijk en nieuwsgierig
+sprong zij over de heide, om eene haar onbekende bloem te gaan plukken,
+of huppelde eenen vlinder achterna, of sprak juichend tot zich zelve, of
+lachte of zong met luider stemme, als dwong de overvloed van kracht en
+leven haar tot onophoudende beweging. Wanneer zij dan bemerkte, dat zij
+verre achteruitgebleven was, nam zij hare vlucht en liep, snel en licht
+als eene hinde, totdat zij haar gezelschap was genaderd. De andere vrouw
+was ongetwijfeld eene dienstmeid; zij droeg aan elke hand eene groote
+kartonnen doos en scheen vermoeid. Alhoewel zij den boer van dichtbij
+volgde, had zij hem nog niet eens het woord toegestuurd.
+
+Toen de jonge juffer in de verte den donkeren klomp der bosschen uit de
+naakte heide zag opdagen, kwam zij terzijde van den boer en vroeg:
+
+"He! jongen, zeg mij, ik bid u, wat is dat ginder? Het gelijkt naar
+eenen zwarten berg."
+
+"Dat? Het is Wildenborg," was het antwoord.
+
+"Ha, daar woont mijnheer Reimond?--In dat duister bosch?"
+
+"In het diepste van het bosch."
+
+"Gij kent mijnheer Reimond, niet waar?"
+
+"Neen, mejuffer."
+
+"Gij ziet hem toch dikwijls, vermits gij van het dorp zijt?"
+
+"Ik heb hem nooit gezien, mejuffer; en ik hoop, dat God mij zal
+toelaten, hem nooit te ontmoeten."
+
+Deze woorden, op eenen zonderlingen toon gesproken, verwonderden het
+meisje.
+
+"Wat wilt gij zeggen?" vroeg zij. "Ik begrijp u niet. Zijt gij vervaard
+van mijnheer Reimond?"
+
+"Iedereen is van hem vervaard."
+
+"Waarom? Is hij boos? Doet hij den lieden kwaad?"
+
+"Integendeel, men zegt, dat hij veel goed doet aan de armen."
+
+"Wat vreemde dingen zijn dit?" riep de maagd lachend uit. "Gij kent hem
+niet, hij is een goed mensch; en gij hoopt hem nimmer te ontmoeten?
+Verklaar mij toch dit onverstaanbaar raadsel."
+
+"Beware ons God!" zuchtte de meid. "Ik begrijp het wel: er zijn dieven,
+struikroovers in dit leelijk bosch, en mijnheer Reimond is misschien het
+hoofd der bende!"
+
+"Kom, Isabel, gij zijt zinneloos," spotte het meisje. "Mijn oom een
+struikroover! Waar zijn uwe gedachten?"
+
+"Ja, mejuffer, gij kent uwen oom ook niet," zeide de meid. "Ik heb eens
+een boek hooren lezen van eenen kapitein der struikroovers, die de rijke
+lieden uitplunderde om de arme menschen te kunnen helpen. Wat gebeurd
+is, kan nog gebeuren. Hadde ik geweten dat wij, dus verre van alle
+dorpen en huizen, door een donker bosch zouden moeten gaan, ik ware
+zeker te huis gebleven."
+
+"Welnu, mijn jongen," vroeg het meisje, "waarom vreest men mijnheer
+Reimond? Spreek niet met halve woorden. Gij zult mij verplichten; ik heb
+redenen om te weten, hoe de zaken op Wildenborg staan. Gij aarzelt? Het
+is dus wel schrikkelijk?"
+
+"Ja, ja, mejuffer, zoo schrikkelijk, dat ik het niet durf zeggen!"
+zuchtte de jonge boer met eene uitdrukking van diepe benauwdheid.
+
+"Ach, gij maakt mij angstig met uwe achterhoudendheid," kreet de maagd.
+"Spreek klaar, ik verzoek het u, ik zal er u dankbaar voor zijn!"
+
+De jonge boer scheen door de zoete bede van het meisje overwonnen;
+zijne stem bedwingende, antwoordde hij:
+
+"Mejuffer, het kasteel van Wildenborg is vol geesten en spoken. Volgens
+dat de lieden zeggen, gebeuren daar ijselijke dingen, die een
+Christenmensen niet kan bijwonen, zonder zijne zaligheid te verliezen."
+
+De beide vrouwen zagen hem verbaasd aan.
+
+"Maar wat heeft dit kindervertelsel gemeen met mijnheer Reimond?" morde
+de juffer.
+
+"Kindervertelsel!" herhaalde de boer. "Vraag het aan de oudste en
+verstandigste lieden des dorps, en zij zullen getuigen, dat het waarheid
+is."
+
+"Vermits gij vervaard zijt van mijnheer Reimond, beeldt gij u misschien
+in, dat hij zelf een spook is?" schertste de maagd.
+
+"Erger, veel erger," murmelde de boer.
+
+"Hij is een toovenaar en gaat met den duivel om."
+
+Een schaterlach onderbrak zijne woorden; zoowel de meid als de juffer
+spotten luidruchtig met de verrassende uitlegging.
+
+De boer aanschouwde hen met wijd geopende oogen. Het scheen hem eene
+ongehoorde zaak, dat vrouwen zoo ongeloovig konden zijn, en konden
+lachen met zulke ernstige dingen. Hij merkte wel aan de medelijdende
+uitdrukking der juffer, dat zij hem voor eenen onnoozele of voor eenen
+domkop aanzag. Dit kwetste hem.
+
+"Ja, mejuffer," zeide hij op vinnigen toon, "de lieden uit de stad
+meenen, dat zij alles beter weten dan de buitenmenschen; maar het
+spreekwoord zegt: hij lacht het beste, die lacht ten leste. Gij gaat
+naar het kasteel van Wildenborg: vóórdat het avond is, zult gij
+misschien deze reis en uwe ongeloovigheid betreuren."
+
+"Is er iemand kwaad geschied op Wildenborg?" vroeg het meisje.
+
+"Niemand nadert het kasteel," was het antwoord.
+
+"En hoe kan men dan weten, wat er gebeurt?"
+
+"Iedereen weet het."
+
+Het meisje zag wel dat er uit den bijgeloovigen jongen geene gegronde
+reden te bekomen was. Zij haalde grimlachend de schouders op en bleef
+achter, om in zich zelve over deze wonderlijke inlichtingen na te
+denken.
+
+Zoo gerust was de meid niet, alhoewel die geschiedenis van duivels en
+van geesten haar weinig had ontsteld. Hare bekommerdheid had eene andere
+oorzaak. Zij zweeg, totdat men het bosch genaderd was en zij van
+dichtbij het ondoordringbaar geboomte zag, in welks donkeren schoot het
+voetpad als in eenen afgrond scheen weg te duiken. Dan naderde zij meer
+tot den boer en vroeg met doffe stemme:
+
+"Vriend, zeg mij oprecht, wonen er geene binders of dieven in dit bosch?
+Heeft men er nog geene menschen vermoord gevonden?"
+
+"Ja wel," antwoordde hij, "ginder, op een honderdtal stappen van hier,
+staat een steenen kruis. Daar heeft men eene vrouw vermoord, die van de
+kerke kwam."
+
+Een luide angstkreet ontvloog de meid. Zij verbleekte van schrik en
+zuchtte bevend:
+
+"O, mijn God! wat zegt gij daar? eene vrouw vermoord? Ik keer terug;
+voor al het geld der wereld zet ik geenen voet in dit bosch!"
+
+"Welnu, wat hebt gij, Isabel? Waarom blijft gij staan?" vroeg het
+meisje.
+
+"Mejuffer," antwoordde de meid, "dit bosch is een kuil vol struikroovers
+en binders. De geschiedenissen van duivels en spoken hebben zij
+uitgevonden, om de lieden verwijderd te houden en den eenzamen reiziger
+in vrijheid te kunnen vermoorden. Laatst nog hebben zij, op honderd
+stappen van hier, eene ongelukkige vrouw gedood.... Neen, neen, zeg wat
+gij wilt, ik sterve nog liever hier op de heide, onder den blooten
+hemel, dan in dit donker bosch mij aan de wreedheid der bloedzuchtige
+dieven te gaan leveren."
+
+"Gij hebt ongelijk, vrouw," zeide de boer, "het steenen kruis staat daar
+reeds meer dan honderd jaar. Sedert dan heeft men niet meer gehoord, dat
+iemand in het bosch is aangerand of mishandeld geworden."
+
+De ontstelde meid wilde noch naar raad noch naar geruststellingen
+luisteren. Het scheen haar zelfs te verbitteren, dat de juffer met hare
+vervaardheid lachte; en zij had reeds de kartonnen doozen ten gronde
+gezet, om in het voetpad terug te gaan, toen de jonge boer eensklaps met
+blijdschap uitriep:
+
+"Ha, daar komt mijnheer pastoor! Hij zal met ons door het bosch gaan,
+want hij begeeft zich naar het dorp. Nu is er niets meer te vreezen!"
+
+De verschijning van den geestelijke deed hetzelfde uitwerksel op de
+meid; zij nam de doozen weder op en toonde zich bereid om in gezelschap
+van den priester de reis voort te zetten.
+
+De pastoor, die nevens den boord van het bosch kwam aangestapt om het
+voetpad te bereiken, was een reeds bejaarde man met grijze haren. Hij
+volgde zijnen weg met gebogen hoofde en denkend; en hij bemerkte de
+lieden, die op hem wachtten, slechts op het oogenblik, dat hun
+eerbiedige groet zijne ooren trof.
+
+"Goeden dag, mijne kinderen," zeide hij. "Het is zeer heet op de heide;
+maar vermits gij door het bosch schijnt te willen gaan, zult gij daar
+lommer en verfrissching vinden."
+
+Intusschen bezag hij met bijzondere aandacht en als vragend de jonge
+juffer, die hem dankbaar toelachte.
+
+"Mijnheer pastoor," sprak zij op zoeten toon, "wij zijn een beetje
+vervaard. Zult gij het kwalijk nemen, dat wij een eind weegs met u
+gaan?"
+
+"In het geheel niet, mijn kind," antwoordde de pastoor. "Het zal mij
+zelfs verheugen, met u eenige woorden in het bijzonder te kunnen
+spreken. Indien ik mij niet bedrieg, ken ik u sedert lang."
+
+"Gij zoudt mij kennen, eerwaarde? Het schijnt mij onmogelijk: ik weet
+niet, dat ik ooit van mijn leven de eer had u te zien."
+
+"Uw naam is Theresia De Wit?"
+
+"Inderdaad!" murmelde het meisje verwonderd.
+
+Onderwijl was men in het bosch getreden.
+
+De priester vertraagde zijnen stap, om den boer en de meid te laten
+vooruitgaan; en dewijl de juffer zijn inzicht merkte, bleef zij aan
+zijne zijde.
+
+"Mijn voorgevoel had mij dus niet bedrogen," zeide hij. "Uwe moeder was
+de zuster van mijnheer Reimonds echtgenoote, en gij heet Theresia De
+Wit?"
+
+"Ja, mijnheer pastoor, hoe kunt gij toch dit alles zoo nauwkeurig
+weten!"
+
+"Het is, mejuffer, omdat ik in deze laatste tijden meer dan eens met
+uwen oom over u heb gesproken, en wist, dat hij u naar Wildenborg zou
+roepen. Gij kent uwen oom niet persoonlijk!"
+
+"Ik herinner mij slechts, dat, toen ik een kind van drie of vier jaar
+was, er dikwijls een hoogstaltige heer ten onzent kwam, die mij streelde
+en mij speelgoed en lekkers gaf. Die man was mijn oom. Ik heb altijd
+dankbaar aan hem gedacht; mijn vader zaliger, tot den dag zijns doods,
+sprak mij onophoudend van hem."
+
+"Uw oom schijnt tegen uwe ouders te zijn verbitterd geweest, bovenal
+tegen uwen vader; hij meent, dat uw vader hem haatte. Hij moet zelfs
+zijne vijandschap door daden bewezen hebben."
+
+"Ach, eerwaarde," riep de maagd, "het is een beklaaglijke misgreep van
+mijnen oom. Mijn vader had meer vriendschap voor hem dan iemand anders.
+In deze zaak werd mijn vader het slachtoffer zijner verkleefdheid. Hij
+heeft het mij dikwijls genoeg met tranen in de oogen verteld. Gij moet
+weten, mijnheer pastoor, in dien tijd hield mijnheer Reimond zich bezig
+met verborgene wetenschappen, met magnetismus, met draaiende tafels en
+sprekende geesten. Hij droomde van niets anders dan van onmogelijke
+dingen, en beeldde zich in, dat de mensch middelen kan ontdekken om,
+evenals God zelf, de wetten der natuur te veranderen en mirakelen te
+doen. Dit hebben mijne ouders mij gezegd. Mijn vader, die een verstandig
+man was, bemerkte welhaast, dat een hoop bedriegers mijnen goeden oom
+omringden en hem in zijne dwalingen versterkten, om hem op allerlei
+wijzen het slachtoffer hunner hebzucht te maken. Zijne pogingen om hem
+daarover de oogen te openen, bleven vruchteloos. Mijnheer Reimond had
+alsdan eenen knecht of liever eenen vertrouweling, die vroeger hovenier
+was geweest bij zijne ouders. Mijn vader meende, dat deze knecht de
+voorname oorzaak was van de verblindheid zijns meesters, en hij deed
+lang moeite om hem door mijnen oom terug naar Limburg te doen zenden.
+Dit gelukte hem zoo weinig, dat de knecht bij mijnheer Reimond bleef
+wonen, en mijne ouders van dan af mijnen oom nooit meer hebben mogen
+zien."
+
+"Die knecht heette Jakob Mispels, niet waar?"
+
+"Hebt gij hem insgelijks gekend, eerwaarde?" vroeg het meisje met
+verwondering.
+
+"Ik ken hem nog, mijn kind: hij woont op Wildenborg en hij is de
+hovenier des kasteels. Een zeer eenvoudig en onwetend man is hij; maar
+dat hij schuld hebbe aan de vreemde gedachten uws ooms, dit schijnt mij
+twijfelachtig."
+
+"Het kan zijn, mijnheer pastoor, dat mijn vader zich hebbe misgrepen:
+maar zijn inzicht ten minste was oprecht. Hij kende mijnheer Reimond
+sedert zijne kindsheid, en hij was in staat om te oordeelen over de
+eerste oorzaken der gevaarlijke richting zijns geestes. Mijn oom was in
+de eenzaamheid dezer streek, om zoo te zeggen, door Jakob Mispels
+opgevoed geworden. Van den avond tot den morgen had de hovenier met het
+kind gespeeld, en dus eenen grooten invloed op zijn wordend verstand
+uitgeoefend. Volgens dat mijn vader zeide, was er op de wereld geen
+bijgelooviger mensch dan deze Jakob Mispels, en hij had het hoofd van
+mijnen oom zoo vol gestoken met allerlei vertelsels van spoken en
+geesten, dat het kind op zijn twaalfde jaar zelfs bij klaren dag geen
+oogenblik meer alleen dorst blijven. Moest zijn gezelschap niet hoogst
+schadelijk zijn voor mijnheer Reimond, en had mijn vader, die vreesde,
+dat het verstand mijns ooms met verzwakking of met verdwaling was
+bedreigd, geene redenen om de verwijdering van Jakob Mispels te
+wenschen?"
+
+De pastoor scheen na te denken over de woorden der juffer en knikte
+bevestigend met het hoofd.
+
+"Het is mogelijk, inderdaad," zeide hij, "dat de tegenwoordige
+geestestoestand van mijnheer Reimond slechts eene wijziging van de
+denkbeelden zijner kindsheid zij. Wonder toch, te moeten gelooven, dat
+de eerste indrukken, welke door het menschelijk gemoed worden ontvangen,
+tot zooverre onuitwischbaar blijven, en dat in mijnheer Reimond de
+wetenschap, de studie en zelfs de overgeleerdheid het onderwijs van
+eenen onwetenden en eenvoudigen hovenier niet hebben kunnen versmachten.
+O, mejuffer, indien God u ooit de opvoeding van kinderen toevertrouwt,
+waak bij hunne wieg en bij hunne eerste stappen; want, zooals zij uit de
+handen hunner moeder of hunner voedster gaan, zoo zullen ze
+waarschijnlijk blijven."
+
+"Wees gedankt voor uwen welwillenden raad, heer pastoor," antwoordde de
+maagd. "Ik ken al de waarde eener goede, eener doelmatige opvoeding;
+want ik ben onderwijzeresse."
+
+"Het is eene edele, eene gewichtige roeping.... die gij, mejuffer,
+evenwel na dezen dag ongetwijfeld zult verlaten."
+
+"Hoe meent gij het, eerwaarde? Ik hoop integendeel deze roeping zeer
+lang te blijven vervullen."
+
+"Maar, mijn kind, vermoedt gij dan niet, waarom uw oom u verzocht naar
+Wildenborg te komen? Hij wil u zijn testament laten kennen: gij gaat een
+nog al aanzienlijk fortuin erven."
+
+"Ik een fortuin erven!" kreet het meisje met blijdschap. "Zou het waar
+zijn? Mijn schoone droom zou zich dus verwezenlijken? O, gebeurde mij
+zulk geluk, hoe zou ik den milden God zegenen tot het einde mijns
+levens!"
+
+"En die droom is?" murmelde de priester, die eenigszins door de
+overmatige blijdschap der maagd was verwonderd.
+
+"Die droom?" riep zij, "ik zou eene groote kostschool voor jonge
+juffrouwen oprichten! Tot nu toe was ik slechts hulponderwijzeresse, en
+ik moest vele dwalingen aanzien en aan vele verkeerde richtingen
+gehoorzamen; maar dan zou ik vrij zijn en al het goede kunnen stichten,
+dat mijn hart mij inboezemt."
+
+Zij scheen eensklaps te verbleeken, en vroeg met eene uitdrukking van
+angst:
+
+"Maar, maar, o hemel, waar zijn mijne zinnen! Een testament? Gaat mijn
+arme oom dan sterven!"
+
+De pastoor knikte bevestigend.
+
+"Hij is dus zeer ziek?"
+
+"Op deze vraag is het mij moeielijk te antwoorden," zeide de oude
+priester. "Uw oom is wat men noemt een ingebeelde zieke. Zijn lichaam is
+niet krank, en evenwel gaat hij sterven. Indien hij zich in zijne
+berekening niet heeft bedrogen, zal hij zelfs de zon van overmorgen niet
+meer zien opgaan."
+
+"Mijn oom, die mij rijk en gelukkig wil maken zonder dat ik mij aan die
+weldaad verwachtte? Eilaas, hij zou sterven!" zuchtte het meisje. "Ik
+zou geenen tijd hebben om hem mijne dankbaarheid te bewijzen? Ik zou
+slechts naar Wildenborg gekomen zijn om bij zijn doodbed te bidden? O,
+neen, neen; het fortuin ware mij bitter en pijnlijk; God zal hem laten
+leven?"
+
+En pijnlijk zuchtend, liet zij het hoofd op de borst zakken.
+
+"Kom, gij moet u troosten en u sterk houden, mijne dochter," zeide de
+pastoor. "Sterven is het lot aller menschen; de dood van mijnheer
+Reimond, hoe beklaaglijk ook, zal toch een zeer zachte dood zijn."
+
+"Maar, eerwaarde," riep de maagd, "mijn oom gaat sterven zonder ware
+ziekte, en omdat hij zich verbeeldt, dat zijn einde is gekomen? Heeft de
+ongelukkige dan geene vrienden gevonden, om die dwaling zijns geestes te
+bevechten en te overwinnen?"
+
+"Hij heeft ten minste éénen vriend gevonden en aanvaard," antwoordde de
+priester. "Die vriend heeft sedert vijf jaar alles gedaan wat mogelijk
+was, om zijnen geest tot het besef der waarheid en der wezenlijkheid
+terug te brengen. Redenen van godsdienst, redenen van wetenschap,
+redenen van menschelijken aard, alles bleef machteloos. Integendeel, de
+worsteling verergerde het kwaad."
+
+"En de dokters, eerwaarde, konden dezen hem niet helpen?"
+
+"Ik geloof het niet, mejuffer, de ziekten der verbeelding laten zich
+moeielijk genezen. Daarenboven, mijnheer Reimond leeft opgesloten en wil
+volstrekt niemand dan mij alleen op Wildenborg toelaten. Sedert tien
+jaren heeft hij nog geen ander bezoek dan het mijne willen aanvaarden."
+
+"Ik begrijp," zuchtte het meisje. "Hoe schrikkelijk toch! Mijn arme oom
+is krankzinnig! Eilaas, misschien zal hij zelfs mijne dankzeggingen niet
+verstaan. Was het zóó dat ik den man moest terugzien, die mij in mijne
+kinderjaren zoo liefhad en die mijne ouders zoo edelmoedig heeft
+geholpen, toen oneer en armoede hen kwamen bedreigen?"
+
+"Overdrijf niet, mijne dochter," zeide de priester. "Er zijn menschen,
+die over alles, behalve over een enkel punt, de helderheid des verstands
+behouden. Zoo is mijnheer Reimond, hij heeft een goed en edelmoedig
+hart, hij redeneert met wijsheid over de meeste zaken: maar zoohaast
+zijne gepeinzen zich op het bovennatuurlijke keeren, dan verdwaalt hij
+in grenzenlooze beschouwingen en schept zich eene wereld der
+onmogelijkste hersenschimmen. Vrees echter niet, hij is de goedheid
+zelve en zal u zeer welwillend en minnelijk zijn."
+
+"En hij gaat sterven?"
+
+"Ja, ik twijfel er niet aan. Wat mij echter troost, is de hoop, de
+overtuiging dat God hem de dwaling zijns geesten niet zal aanrekenen,
+dewijl zij klaarblijkend het gevolg eener ziekelijke ontschikking der
+hersens is."
+
+Het meisje deed eenige stappen zonder spreken. Dan zeide zij
+overwegende:
+
+"Begrijp ik u wel, eerwaarde, dan zou mijn oom sedert tien jaar, buiten
+uwe bezoeken, geene andere menschen gezien hebben dan Jakob Mispels?"
+
+"En zijne vrouw."
+
+"Mijn vader had gelijk! Dit was voor hem een verderfelijk gezelschap.
+Zie, mijnheer pastoor, gij zult het misschien verwaand of overmoedig
+vinden, maar ik ben zeker, dat het mij niet onmogelijk geweest ware,
+mijnheer Reimond te genezen, indien hij mij slechts eenige maanden
+vroeger naar Wildenborg had geroepen."
+
+De priester schudde het hoofd met ongeloof.
+
+"Vergeef het mij, ik bid u, eerwaarde. De eenzaamheid van mijnheer
+Reimond, het gezelschap van den bijgeloovigen Jakob Mispels, de
+afgelegenheid des kasteels, dit alles deed mijnen oom in eene
+troosteloze somberheid leven. Wat was er noodig om dien nacht op te
+klaren? Licht, licht des harten, opgeruimdheid, vreugde, liefde! Ha, ik
+hadde hem dit licht gebracht: ik ben jong, ik heb vertrouwen in het
+leven en vertrouwen in Gods goedheid."
+
+De oogen der maagd fonkelden zoo zonderling, dat de oude priester haar
+met verwondering aanzag.
+
+"Misschien, misschien!" mompelde hij. "Nu is het evenwel te laat."
+
+"Zijn lichaam is niet ziek?"
+
+"Niet anders dan door de verbeelding."
+
+"En indien men deze verbeelding kon overwinnen?"
+
+"Onmogelijk, mijn kind, uwe hoop is ijdel."
+
+"Ik zat het beproeven nogtans, al kon ik slechts zijn leven eenige dagen
+verlengen, het ware reeds eene gelukkige belooning. Ik zou ten minste
+den tijd hebben om mijnen weldoener te bedanken en zijne ziel met de
+gedachtenis mijns vaders te verzoenen."
+
+Zij gingen de dreve van het kasteel naderen.
+
+"Daarginder moet ik u vaarwel wenschen, mejuffer," zeide de pastoor.
+"Alhoewel ik geene hoop heb, zal ik echter God bidden, dat Hij uwe
+liefderijke poging met genade aanzie. Waarschijnlijk zult gij erfgename
+worden, zoo niet van het kasteel, ten minste van verscheidene goederen,
+die op ons dorp gelegen zijn. Ik durf de noodlijdenden onzer gemeente
+uwer milddadigheid aanbevelen, en indien uw hart u inspreekt iets te
+doen voor ons arm kerkje, ik zal de hand zegenen, die den tempel des
+Heeren versiert."
+
+"Wees zeker, eerwaarde, noch uwe kerk noch uwe armen zal ik vergeten.
+Ach, bleve mijn oom leven, ik maakte van hem eenen kwistigen beschermer
+van alwie nood heeft. De weldadigheid is het helderste licht voor droeve
+zielen!"
+
+Dewijl men nu de dreve des kasteels was genaderd, nam de pastoor
+afscheid van haar en zette zijnen weg door het bosch voort.
+
+Het was niet zonder bekommerdheid, dat de meid den pastoor achter de
+boomen zag verdwijnen. Zij aarzelde een oogenblik, maar toen zij aan 't
+einde der dreve het ijzeren hek bemerkte, dat haar de tegenwoordigheid
+van menschen aankondigde, schepte zij weder moed en verhaastte haren
+stap.
+
+Op een half boogschot van het hek bleef de jonge boer eensklaps staan,
+zette de reismaal ten gronde en zeide met koddigen ernst:
+
+"Ik ga niet verder. Het is de eerste maal van mijn leven, dat ik het
+kasteel zoo nabij durf komen. Wist ik niet, dat de pastoor nog in het
+bosch is, ik hadde geenen voet in de dreve gezet. Betaal mij en laat mij
+vertrekken."
+
+De juffer lachte luid met die vreemde doenwijze, de meid verstoorde zich
+en noemde den jongen boer eenen dommen sukkelaar. Er was niets aan te
+doen, hij eischte zijn loon, verwijderde zich in aller haast en liet de
+beide vrouwen, met koffer en met doozen te midden van den weg staan.
+
+Op het gerucht dezer korte betwisting was Jakob Mispels met zijne vrouw
+achter het hek verschenen.
+
+"Beware ons God!" morde hij spijtig, "daar hebt gij Theresia De Wit met
+eene meid en eene volle lading reisgoed. Gelooft zij misschien, dat
+Wildenborg eene openbare herberg is? Boe! welke windmaakster! Dit is
+gekleed als eene barones.... Zonder de hulp van mijnheer Reimond zou
+haar vader broodsgebrek geleden hebben misschien. Hoor ze lachen, de
+zottin!"
+
+"Ziet gij niet, Jakob, dat men u door teekens verzoekt, ginder te gaan
+helpen om den koffer te dragen?" zeide Peternel. "Ga, steek eene hand
+uit."
+
+"Ik? Voor Theresia De Wit, die ons heeft willen doen wegjagen? Wel ja!"
+
+"Wat schuld heeft deze Theresia daaraan? Zij was nog een onnoozel kind,
+toen het gebeurde."
+
+"Het is mij gelijk: ik verroer geenen vinger voor die kale steedsche
+juffer. Meent zij hier de meesteresse te komen spelen? Wij erven zoowel
+als zij. Wil zij knechts vinden, zij zoeke ze elders."
+
+"Och, gij zijt onverstandig," snauwde Peternel met ongeduld. "Weigert
+gij uwe hulp, dan zal ik zelve gaan."
+
+Zij stapte buiten het hek. Jakob, misschien beschaamd over zijne
+barschheid volgde haar en mompelde onderweg aan haar oor:
+
+"Deze Theresia De Wit mag niet lang op Wildenborg blijven. Wie weet, of
+zij anders door arglistige treken mijnheer Reimond niet tot
+onrechtvaardigheid zou verleiden. Nu reeds wil hij de helft van zijn
+fortuin aan den goeden Willem onttrekken, om ze aan die onbekende
+praatmaakster te geven.... Ho, welke gedachte! Peternel, laat mij eens
+doen, en wederspreek mij niet: ik zal ze zoo vervaard maken, dat ze van
+Wildenborg zal wegvluchten, alsof ze den zwarten man in persoon hadde
+gezien. Gij keurt mijn voornemen af? Geschieden er geene ijselijke
+dingen genoeg op Wildenborg, en kan ik misdoen met de waarheid te
+zeggen?"
+
+"Kom, laat die dwaasheden achter, en poog een beetje beleefd te zijn,"
+zeide Peternelle.
+
+"Ha, ha! wat zijn dit hier voor zonderlinge en vreesachtige lieden!"
+riep het meisje lachend. "De boer, die onzen reiskoffer tot hier heeft
+gedragen, dorst het hek niet naderen, hij meent, dat Wildenborg krielt
+van kwade geesten en spoken. Gij toch, vrienden, schijnt menschen te
+zijn: ik bedank u voor uwe dienstwilligheid."
+
+De hovenier maakte een kruis en slaakte eenen hollen zucht. Zijne vrouw,
+die zijn inzicht merkte, gaf hem eenen stoot met den elleboog en gromde:
+
+"Jakob, wilt gij u wel stilhouden met uwe grillen? Wees betamelijk en
+pak den koffer aan."
+
+De beide vrouwen volgden den hovenier tot in zijn huisje. Peternel bood
+hun eenen stoel aan en vroeg, of ze geenen lust hadden om iets te eten,
+maar de juffer, die reeds haren naam had doen kennen, betuigde haar
+ongeduld, om zonder uitstel bij haren oom te worden toegelaten.
+
+"Het kan niet zijn," morde Jakob. "Hij is in samenspraak met de
+geesten."
+
+En daar hij zag, dat de juffer met zijne woorden spotte, herhaalde hij:
+
+"Uw oom is in samenspraak met geesten, met dwalende zielen, met
+doofdshoofden en met spoken. De deuren des kasteels zijn langsbinnen
+gesloten, en indien...."
+
+"Ik bid u, doe mij den kostelijken tijd met zulke kinderachtige
+vertelsels niet verliezen," onderbrak de maagd. "Mijn oom heeft mij
+ontboden, hij zal verstoord zijn, omdat gij mij niet onmiddellijk tot
+hem hebt geleid. Ga, meld hem mijne komst."
+
+"Onmogelijk."
+
+"Uwe vrouw is redelijker dan gij: zij lacht insgelijks met uwe grillen.
+Zij schijnt verstandig en minzaam, en zal mijnen oom wel gaan
+verwittigen."
+
+"Hij is inderdaad opgesloten, mejuffer. Niemand kan hem naderen,"
+antwoordde Peternelle. "Wilt gij intusschen iets eten of een kopje
+drinken, het is u van harte gegund."
+
+"Wees gedankt, wij hebben in de afspanning bij den steenweg gegeten. Al
+wat ik wensch, is mijnen oom te mogen zien."
+
+"Gij moet wachten, totdat de geesten vertrokken zijn," snauwde Jakob.
+
+"En zal dit nog lang duren?"
+
+De hovenier zag op naar het uurwerk en zeide:
+
+"Het oogenblik nadert. Nog eenige minuten, nog een kwart uurs, ik weet
+het niet. Nox zal mij komen verwittigen."
+
+"Zoo? mijn oom heeft nog andere dienaars dan gij? Nox is een knecht?"
+
+"Ja, ja, zijn Mistoffel, de booze geest, die hem dient."
+
+"Och, gij zijt zinneloos!" hernam het meisje op spijtigen toon. "Een man
+van jaren als gij! Hoe! zijt gij niet beschaamd, aan zulke dwaasheden te
+gelooven? Ik zal mijnen oom over u klagen en hem zeggen, dat gij den
+spot met mij gedreven hebt."
+
+"Gij zult er den tijd niet toe hebben, mejuffer," mompelde Jakob. "Mijn
+arme meester heeft nog anderhalven dag te leven. Dan komt de zwarte
+man...."
+
+Eensklaps vertoonde zich een groote, ruwharige hond in de deur. Het dier
+opende den muil en scheen te willen bassen, maar het bracht niets uit
+dan een heesch keelgegorgel.
+
+"Zie, daar is Nox, zijn dienstknecht!" zuchtte de hovenier met eene
+uitdrukking van schrik.
+
+Het meisje richtte zich op, ging met de hand vooruit naar den hond en
+zeide op zoeten toon:
+
+"Nox, kom, mijn beestje, kom!"
+
+En tot groote verbazing van den bijgeloovigen Jakob, liet de hond zich
+streelen, knorde vriendelijk en lekte zelfs de vingeren der maagd. Het
+dier keerde zich evenwel onmiddellijk om en liep de deur uit.
+
+De hovenier aanschouwde de juffer met eene soort van afschuw en deinsde
+zelfs een paar stappen terug, toen zij scheen hem te willen naderen. Te
+oordeelen op zijne wijdgeopende oogen en zijne verschriktheid, moest hij
+het meisje zelf aanzien voor iemand, die in betrekking stond met de hel.
+
+"Onnoozele droomer," zeide zij lachend, "gij zijt vervaard van een
+hinderloos beest."
+
+"Hinderloos beest?" spotte Jakob. "Hij heeft nog nooit een
+Christenmensch vriendschap betoond. En schijnt hij u te kennen en te
+beminnen, mejuffer, hij moet weten waarom!"
+
+"Ik wed, dat gij hem van uw leven nog niet hebt gestreeld."
+
+"Beware mij God! Ik zal er mij wel voor wachten."
+
+"Ziet gij? Door uwen schrik en uwe gekke grillen maakt gij het beest
+vervaard. Maar genoeg met deze kinderachtigheden. Vermits mijn oom nu
+spreekbaar is, leid mij tot hem."
+
+Jakob liep met haast ter deur uit en deed van buiten teeken aan het
+meisje, dat zij hem zou volgen. Zij had moeite om hem in te halen: het
+was zichtbaar, dat hij haar vooruit wilde blijven.
+
+Toen zij op het kasteel gekomen waren en het einde van eenen duisteren
+gang hadden bereikt, bleef de hovenier omtrent eene opene deur staan en
+wees met den vinger in eene zaal. Hij schikte zich tegen den
+overstaanden muur en maakte zich zoo klein mogelijk, om niet door de
+kleederen der juffer te worden geraakt.
+
+"Daarbinnen is uw oom," fluisterde hij.
+
+Bij het uitspreken dezer woorden was hij reeds teruggestapt in den gang.
+
+De maagd bleef eene wijl voor de opene deur staan. Zij scheen hare
+kleederen en haar hulsel op te schikken, maar zij overwoog eigenlijk met
+snelheid, hoe zij zich jegens haren oom zou gedragen, ten einde, indien
+het mogelijk was, de ongelukkige gedachte zijns aanstaanden doods te
+bestrijden.
+
+Met de blijde woorden: "O, mijn oom, mijn lieve oom!" sprong zij
+juichend ter kamer in.
+
+Maar zij bleef getroffen en verbluft staan, zoohaast zij den
+uitgemergelden man zag zitten, die, met de hand op een doodshoofd, zijne
+glinsterende oogen beweegloos op haar hield gericht. Zij wierp tevens
+eenen vluchtigen blik op het geraamte, dat het uur aanwees, en op de
+zonderlinge werktuigen, die, half onder spinnewebben verborgen, op de
+berderen langs den muur stonden.
+
+Ofschoon deze eerste indruk haar met eene soort van angst had geslagen,
+worstelde zij om den verloren moed terug te winnen. Zij moest eenigszins
+daarin gelukt zijn: want er verscheen een glimlach op hare lippen en zij
+stapte aarzelend vooruit in de zaal, onder het murmelen van eenen
+eerbiedigen groet.
+
+"Wees niet bevreesd, mijn kind!" zeide mijnheer Reimond. "Kom nader. Gij
+zijt mijne nichte Theresia De Wit, niet waar? Het verblijdt mij u te
+zien. Er was een tijd, dat ik mijnen lust had met u op mijne knieën te
+late rijden. Ik had u alsdan zeer lief, uwe moeder was mij eene beminde
+zuster en uw vader mijn beste vriend, maar zij hebben mij
+wreedelijk...."
+
+"O, goede oom, gij herinnert u nog mijne kindsheid?" kreet het meisje,
+met opene armen tot hem springende. "Het kind heeft u honderdmaal
+omhelsd uit dankbaarheid, laat nu het meisje eenen dierbaren plicht
+vervullen: zij omhelst u in naam van haren armen vader!"
+
+En hoe mijnheer Reimond ook worstelde, om haar te verwijderen en deze
+teedere uitstorting te beletten, de maagd hield hem omarmd en zoende hem
+herhaalde malen.
+
+Dan trok zij eenen stoel bij, zette zich nevens hem, greep zijne hand
+en, deze drukkende, riep zij met eenen zoeten lach in de oogen:
+
+"Gij zijt verwonderd, mijn goede oom? Misschien twijfelt gij aan de
+oprechtheid mijner liefde tot u? Mijne ouders lieten geenen dag
+voorbijgaan zonder mij van u te spreken...."
+
+"Nichte, zet uwen stoel een beetje achteruit," mompelde mijnheer Reimond
+met eene soort van ongeduld, doch op vriendelijken toon.
+
+"Ach, oom lief," smeekte zij, "gij hebt de kleine Theresia zoo
+teederlijk bemind! Het is nu vijftien jaar geleden, dat zij u niet meer
+heeft gezien. Verstoot mij niet, ik bid u. Gij waart eertijds de
+weldoener mijner ouders, gij hebt mij geroepen om mij een laatst en hoog
+bewijs uwer genegenheid te geven. O, laat mij u zegenen, laat mij de
+dankbaarheid mijns harten voor u uitstorten!"
+
+Mijnheer Reimond aanschouwde droomend dit zoet maagdelijk wezen, dat
+door de uitdrukking eener diepgevoelde erkentenis scheen verlicht. En of
+de herinnering aan vroegere jaren hem beheerschte, en of de blauwe,
+glinsterende oogen van het meisje hem betooverden, hij bleef met eenen
+onduidelijken glimlach sprakeloos op haar staren, totdat eene siddering
+hem aangreep, als ontwaakte hij dan eerst uit zijne verstrooidheid. Hij
+rukte zijne hand los en schoof zijnen stoel achteruit.
+
+Ditmaal hield Theresia zich stil en klaagde slechts door eenen
+smeekenden blik.
+
+"Uw vader?" mompelde Reimond. "Wat zegt gij van uwen vader? Ja, ik heb
+gedurende vele jaren achting en genegenheid voor hem gevoeld, maar hij
+is ondankbaar geworden en heeft mij ten laatste bespot en gehaat. Gij
+hebt evenwel daaraan geene schuld, mijn kind."
+
+"Oom lief, indien de schijn u niet had bedrogen, hoe onrechtvaardig
+zoudt gij zijn!" kreet het meisje. "Mijn vader heeft mij gelast, indien
+ik ooit het geluk had u te zien, u van zijne onverzwakte erkentenis te
+overtuigen. Laat mij toe, heer oom, deze heilige zending te vervullen."
+
+"Vervul deze moeielijke zending, nichte, beproef het ten minste."
+
+Het meisje greep een stuk doek, dat op de tafel lag, en wierp het over
+het doodshoofd.
+
+"Wat doet gij daar?" riep mijnheer Reimond, met ontevredenheid
+opspringend om den schedel weder te ontblooten.
+
+Maar Theresia hield zijne hand terug en smeekte:
+
+"Neen, neen, mijn lieve oom, laat dit leelijk ding bedekt. Het maakt mij
+benauwd en het versombert mij den geest, ik wilde blijde zijn, omdat God
+mij toelaat u te zien. Zit neder en hoor mij aan!"
+
+En zonder op de bemerkingen van haren oom acht te geven, omhelsde zij
+hem en trok hem met zacht geweld terug op zijnen stoel. Een zucht
+ontsnapte den verbaasden man, en hij scheen haar het raadselwoord te
+vragen van het meesterschap, dat zij op hem uitoefende. Hij was evenwel
+niet ontevreden en glimlachte, als meende hij te doen te hebben met een
+onnoozel kind, welks grillen men behoort te verschoonen.
+
+Zij greep weder zijne hand en sprak:
+
+"Heer oom, gij beschuldigt mijnen vader van ondankbaarheid. Het is
+integendeel zijne dankbaarheid en oprechte vriendschap die de eenige
+redenen zijn geweest van uwe verbittering tegen hem. Hij meende, ten
+onrechte misschien .... maar zijn inzicht was toch zuiver,--hij meende,
+dat valsche vrienden u op een gevaarlijk dwaalspoor brachten en u wetens
+en willens bedrogen. Hij achtte zich insgelijks overtuigd, dat de
+tegenwoordigheid van uwen hovenier, Jakob Mispels, voor u schadelijk kon
+zijn. Zeer wel begreep hij, dat hij gevaar liep uwe vriendschap te
+verliezen, indien hij eene worsteling begon tegen menschen en dingen,
+die gij bemindet, maar uit erkentenis, uit verkleefdheid voor u, heeft
+hij niet geaarzeld te doen, wat hij een plicht meende te zijn. Gij hebt
+alle familiebetrekking met mijne ouders afgebroken en hun verboden, nog
+ooit eene poging aan te wenden om tot u te naderen. Zij hebben
+gehoorzaamd en uwen onverbiddelijken wil geëerbiedigd, maar wist gij wat
+zij daardoor hebben geleden! Mijne moeder is vroeg gestorven. Van mijnen
+vader alleen kan ik u spreken. Duizendmaal heeft hij mij verhaald, wat
+goede man gij waart en hoe gij, in pijnlijke omstandigheden, hem
+edelmoedig ter hulpe kwaamt. Soms stortte hij tranen, niet alleen over
+uwe verstoordheid tegen ons, maar meer nog uit medelijden met u. Hij
+verbeeldde zich, dat gij niet gelukkig kondt zijn, en hij betreurde uw
+droevig lot.... En, oom lief, om rechtuit te spreken en met de hand op
+het hart, mijn arme vader had gelijk! Vergeef mij mijne stoutheid: een
+gelukkig man ziet er toch geheel anders uit dan gij!"
+
+"Gij gelooft het? Welnu, gij bedriegt u, nicht," zeide mijnheer Reimond
+met eenen lichten spotlach. "Ik ben gelukkig in den hoogsten graad, dien
+het der menschelijke ziel vergund is, in haar stoffelijk omkleedsel te
+bereiken."
+
+"Ik zie nog mijnen arme vader, uitgestrekt op zijn smartelijk sterfbed,"
+ging het meisje voort, "en ik hoor nog deze woorden van zijne bleeke
+lippen vallen: "Mijn kind, ik laat u alleen op de wereld. Hij, die u een
+tweede vader kon zijn, heeft, eilaas, eenen onrechtvaardigen haat tegen
+ons opgevat. Ik zal God daarboven bidden, dat Hij uwen oom de waarheid
+doe kennen en u eenen beschermer en eenen weldoener op aarde geve. Mocht
+hij hier bij mijn doodbed staan, hij zou de getuigenis van eenen
+stervende gelooven. Die voldoening is mij geweigerd. Misschien zult gij
+hem zien in uw leven, mijn kind. Geef alsdan getuigenis mijner
+dankbaarheid voor hem, zeg hem, dat ik hem zijnen misgreep heb vergeven,
+en vraag hem ook vergiffenis voor het verdriet, dat ik onwillens hem kan
+hebben aangedaan." Dit waren de laatste woorden van mijnen goeden
+vader, oom lief, en hij is tot God opgevaren met uwen naam op zijnen
+mond."
+
+Het meisje weende bij de gedachtenis van den dood haars vaders, mijnheer
+Reimond, zonder dat hij het wist, had zich insgelijks door de
+weemoedigheid laten overmeesteren, en ook uit zijne oogen rolden eenige
+blikkerende tranen. Nu stak hij zelf de armen uit en trok zijne
+snikkende nicht tegen zijne borst.
+
+"Troost u, mijn kind," zeide hij, "uwe ouders zijn in eene gelukkige
+wereld. Sterven beteekent niets, het is slechts een overgang tot een
+beter leven. Ik heb mij ten hunnen opzichte misgrepen waarschijnlijk.
+Hebben zij verdriet gehad, zij zullen er om geloond worden. Het
+verblijdt mij in alle geval, dat ik den laatsten wensch uws vaders
+gedeeltelijk kan vervullen. De erfenis, die ik u zal nalaten, Theresia,
+zal toereikend zijn, om u tegen alle levensmoeilijkheid te behoeden.
+Kom, zit recht en bedwing u. Gij ontstelt mij te diep. Sedert vijftien
+jaar is dit nu de eerste maal, dat mijne oogen zich door ontroering des
+harten bevochtigen. Ik weet niet, mijne ziel moet u wel innig bemind
+hebben, vermits uwe stem alleen nog eene onbegrijpelijke macht op mijn
+gemoed uitoefent. Ween niet meer, lieve nicht, laat ons van andere zaken
+spreken. Weet gij, dat ik morgen zal sterven?"
+
+Het meisje herinnerde zich haar doel: zij veegde hare tranen af en
+antwoordde met eenen glimlach van volstrekte ongeloovigheid:
+
+"Men heeft mij van zulk iets gesproken, maar, oom lief, het is scherts,
+niet waar? Gij sterven? Morgen? En gij zit daar vol leven, zonder ziekte
+of lichamelijke ongesteldheid? Gij kunt niet zoo, op een gesteld uur,
+sterven, tenzij gij u zelven wildet dooden, maar daaraan is niet te
+denken: gij gelooft aan een ander leven en gij vreest God."
+
+"Strijd niet tegen eene onveranderlijke waarheid, nicht. Morgennacht
+verlaat mijne ziel haar stoffelijk omkleedsel. Ik betreur, dat ik u niet
+eerder naar Wildenborg heb geroepen, maar nu is het te laat. Wanneer het
+oogenblik onzer opvaart nadert, kan niets het noodlottig uur vertragen.
+Gij moet er u aan onderwerpen en er u in troosten, mijn kind. De dood is
+geen ongeluk, integendeel, het is een stap naar de eindelijke en eeuwige
+zaligheid."
+
+"Maar, oom lief, wie toch heeft u wijsgemaakt, dat gij morgen zult
+sterven? Een bedrieger, zeker?"
+
+"Een bedrieger? Ho, ho, nichte, spreek met eerbied! Hij, die mij het uur
+mijns doods openbaarde, is een geest, eene zuivere, klaarziende ziel,
+voor wie de toekomst ontsloten ligt als een open boek."
+
+Theresia zag haren oom met verwondering en medelijden aan. Na eene poos
+stil zwijgens greep zij hem bij de hand en zeide:
+
+"Van geesten of zielen ken ik niet veel, en ik wil er niet meer van
+kennen dan wat de godsdienst mij heeft geleerd. Maar dit weet ik goed,
+oom lief, dat dit alles slechts een inbeeldsel is, en dat gij zeker niet
+wel doet met aldus uwe gezondheid door ziekelijke hersenschimmen te
+krenken."
+
+"Ik vergeef u, mijn kind," zeide mijnheer Reimond, "het zijn dingen, die
+uw verstand te boven gaan. Wij zullen er niet meer van spreken. Wanneer
+gij morgennacht, juist op het vastgestelde uur, mij zult zien sterven,
+zal het u bewezen zijn, dat de geesten weten, wat voor den mensch in
+stoffelijke gedaante is verborgen."
+
+"Liet gij mij meesteresse op Wildenborg zijn, hoe zou ik u integendeel
+bewijzen, dat ik meer macht heb dan al uwe geesten te zamen!" riep het
+meisje.
+
+"Zoo? en wat zoudt gij doen?" lachte Reimond.
+
+"Wat ik zou doen, heer oom? Ik zou beginnen met dat doodshoofd, dat
+daaronder ligt, naar het kerkhof en dat leelijk uurwerk naar den zolder
+te doen dragen. Deze zaal zou behangen worden met rozevervig papier en
+met sneeuwwitte gordijnen. Hier kwame een bont tapijt, fraaie stoelen,
+blinkende meubels. De tuin zou vol bloemen staan, en nette wegeltjes
+zouden door lieve lustboschjes heen slingeren. Gij zoudt knechts en
+meiden hebben, eene koets en een paard, vogelen, dieren, schilderijen.
+Ik zou uwe dochter zijn, ik zou u beminnen, u vermaken en u geenen tijd
+laten om aan die sombere, onmogelijke dingen te denken. Wij zouden
+wandelen den ganschen dag, God onder zijnen schoonen hemel danken voor
+de wonderen der natuur en voor het vroolijk leven, dat Hij ons heeft
+geschonken. En des avonds, bij onzen terugkeer, zou ik muziek spelen op
+de piano en u de schoonste stukken der beroemde meesters voorzingen,
+want, oom, ik ben eene goede toon kunstenares.... of ik zou u iets
+voorlezen uit een vermakelijk boek, of wij zouden kouten over alles wat
+gij wildet, zelfs over geesten en zielen, indien het u behaagde. En zoo
+zou het zijn alle dagen, een hemel op aarde, en elken avond zouden wij
+elkander omhelzen en te zamen den hemel bidden, dat Hij uw dierbaar
+leven en ons geluk geliefde te verlengen. Zeg, oom lief, ware dit niet
+beter dan in volle gezondheid te gaan sterven? Kom, verjaag die
+ijselijke gedachte. Laat mij uw kind zijn, ik zal uwe oude dagen
+beglanzen met het licht der vreugde, der dankbaarheid en der liefde!"
+
+Zij had de handen opgeheven en smeekte om een gunstig antwoord, maar
+mijnheer Reimond, die over het vraagpunt zijns aanstaanden doods niet te
+overwinnen was, zag haar met eenen stillen twijfellach aan, en
+murmelde:
+
+"Wat gij daar zegt, is schoon, nichte. Ik dank u voor uwe genegenheid.
+Er is niet aan te doen: morgen te middernacht zal mijn uur slaan....
+Laat dit zoo; ik heb u van iets bijzonders te spreken. Gij gaat de helft
+mijner goederen erven. Nogtans er is eene voorwaarde te vervullen. Kent
+gij uwen kozijn Willem Reimond?"
+
+"Neen, oom, ik herinner mij niet, hem ooit te hebben gezien."
+
+"Hij is een fraaie jongen; hij heeft tamelijk verstand en een goed hart.
+Evenals gij, zal hij de helft van mijn fortuin erven. Gij moet met hem
+trouwen, Theresia."
+
+"Hoe zegt gij, heer oom, ik begrijp niet."
+
+"Gij moet met Willem Reimond trouwen."
+
+"Ho, dit is toch niet ernstig!" kreet het meisje verbaasd. "Ik trouwen
+met iemand, dien ik nog nooit heb gezien!"
+
+"Gij zult hem zien, heden nog. Ik verlang uwe beslissende toestemming,
+voordat ik sterve."
+
+"O, God, wat eischt gij van mij! Ik mag die toestemming niet geven. Mijn
+hart is verbonden sedert lang; met mijnen kozijn zou ik ongelukkig zijn:
+ik zou hem nimmer kunnen beminnen. Wierd ik zijne vrouw, mijne ziel zou
+desniettemin met ongeneeslijke treurnis aan eenen anderen man blijven
+denken. Het ware een schuldig leven en een schrikkelijk lot!"
+
+"Gij bedriegt u, nichte; indien gij niet met Willem Reimond trouwt, zult
+gij ongelukkig zijn op aarde, en in de andere wereld voor uwe dwaling
+eeuwen lang te boeten hebben misschien.... Neen, worstel niet nutteloos
+tegen uw onvermijdelijk lot. De geest, die mij de verborgene waarheden
+openbaart, heeft het gezegd: gij zult trouwen met Willem Reimond; en
+zoolang deze verhevene ziel mij niet verklaart, dat God zijn besluit
+heeft veranderd, is er niets te doen dan zich te onderwerpen: want geene
+macht op aarde kan beletten, dat zijne voorspellingen worden
+verwezenlijkt."
+
+"Onmogelijk!" zuchtte het meisje. "De hemel zelf heeft mij eenen anderen
+bruidegom voorbeschikt. Ik beef, ik ben benauwd; het denkbeeld alleen
+van ontrouw te worden aan het dichterlijke liefdegevoel, dat zoolang mij
+het hart vervult, slaat mij met schroom en smart."
+
+"Welnu, dan is alles tusschen ons gedaan, en gij erft niet!" riep de oom
+verbitterd.
+
+Theresia slaakte eenen pijnlijken zucht, liet het hoofd op de borst
+zakken en begon overvloedig te weenen.
+
+Er heerschte eene lange stilte. Mijnheer Reimond hield den blik op de
+droeve maagd gevestigd, eerst met gramschap, dan met verdriet en
+eindelijk met medelijden.
+
+Zij sprong op, legde hem weenend de armen om den hals en zuchtte:
+
+"O, mijn goede oom, zie af van uw wreed besluit! Waarom toch zulke
+noodlottige opoffering eischen van een onnoozel meisje? Heb medelijden
+met mij! Spreek niet meer van huwelijk of van erfenis. Laat ons liever
+denken aan de middelen om u te genezen, om u de gezondheid des lichaams
+en de blijdschap des harten terug te geven!"
+
+"Maar de geest, de geest....?" mompelde Reimond.
+
+"Uw geest heeft u bedrogen, of gij hebt hem niet wel begrepen, oom lief;
+gij zijt edelmoedig; gij kunt mij niet tot levenslange smart
+veroordeelen. Ik smeek u met gevouwene handen, dwing mij niet tot een
+huwelijk, dat mij ongelukkig maken moet!"
+
+"De geest heeft mij bedrogen, of ik heb hem slecht begrepen?" herhaalde
+de oom, het hoofd schuddende. "Dit laatste ten minste is niet volstrekt
+onmogelijk...."
+
+"Dank, dank!" kreet de maagd met het licht der blijdschap in de oogen.
+
+"Ik geloof echter niet, nicht lief, dat ik mij over den waren zin zijner
+openbaring kan hebben misgrepen. Het is gelijk, mijn medelijden met uw
+verdriet drijft mij tot eene vermetele poging. Ik zal den geest nog eens
+raadplegen en hem dwingen zijnen wil uitdrukkelijk te verklaren. Wat ook
+ditmaal zijne veropenbaring zij, gij zult u zonder morren er aan
+onderwerpen of oogenblikkelijk van Wildenborg vertrekken."
+
+Hij ontdekte het doodshoofd, legde zijne rechterhand er op en vestigde
+zijnen blik in de diepe oogholten, terwijl hij nog zeide:
+
+"Theresia, heb geduld, hoe lang mijne poging ook moete duren: ik doe het
+uit genegenheid voor u. Misschien zal uwe tegenwoordigheid mij hinderen;
+ik zal het haast weten. In dat geval zult gij voor eenigen tijd mij
+alleen laten en naar het huis van den hovenier gaan, totdat ik u doe
+roepen. Nu geen woord meer!"
+
+De diepste stilte heerschte in de zaal; mijnheer Reimond verroerde de
+lippen en scheen met het doodshoofd in eene geheime taal te spreken.
+
+Hoe sterkmoedig het meisje ook was, het werd haar ten laatste bang om
+het hart, zonder dat zij eigenlijk wist waarom. Evenwel, zij dorst haren
+oom niet storen; in de hoop op een gunstig antwoord, weerhield zij haren
+adem en bleef roerloos den zonderlingen man aanschouwen, wien welhaast
+het zweet der inspanning op het voorhoofd glinsterde.
+
+
+
+
+VI.
+
+
+Terwijl Theresia, nevens haren oom zittend, zwijgend en met kloppend
+hart op het beslissend antwoord van den geest wachtte, kwam Willem van
+zijne reis naar Hasselt terug.
+
+Hij deed den man, die zijnen koffer voerde, voor het hek stilhouden,
+betaalde hem zijn loon en riep op den hovenier.
+
+Jakob Mispels kwam buiten, droeg den koffer in huis en zeide dan tot den
+jongeling met eene uitdrukking van geheimzinnigheid en schrik:
+
+"Willem, zij is op het kasteel."
+
+"Wie? mijne nicht?"
+
+"Zij zegt ten minste, dat zij uwe nicht is en Theresia De Wit heet; maar
+God beware ons, zij schijnt veeleer de nicht of de zuster van Nox!"
+
+"Zij is dus zeer leelijk?" vroeg de jongeling in gepeinzen.
+
+"Afgrijselijk, Willem! Zij heeft haar, dat te berge staat boven haar
+voorhoofd: hare oogen fonkelen als gloeiende kolen; haar mond is nijdig
+en boos. Wanneer zij u beziet, dringt haar blik u tot in het binnenste
+der ziel en doet u ijskoud worden."
+
+"Welk portret maakt gij daar van mijne nicht!"
+
+"Indien zij uwe nicht is, Willem."
+
+"Gij twijfelt er aan? Wat wilt gij zeggen?"
+
+"Ik weet het zelf niet. Gij zult met mij spotten, evenals Peternelle.
+Sedert gij op het kasteel gekomen zijt, gebeurt er iets met mijne arme
+vrouw, dat mij onuitlegbaar schijnt. Zij gelooft aan niets meer!"
+
+"Wat gij zegt, Jakob, schijnt mij nog veel onuitlegbaarder. Theresia De
+Wit zou mijne nicht niet zijn?"
+
+"Lach met mij zoo gij wilt; maar het zou mij niet verwonderen, Willem,
+dat in de plaats uwer nicht een tweede duivel op Wildenborg ware
+gekomen, om tegenwoordig te zijn bij het helsche feest, dat, eilaas,
+morgen hier zal worden gevierd."
+
+"Begint gij alweder met uwe dwaasheden?" viel de jongeling hem in de
+rede. "Wees toch redelijk, ik bid u."
+
+"Dwaasheden?" kreet Jakob Mispels. "Heeft de booze geest niet dikwijls
+genoeg de gedaante eener vrouw aangenomen, om de menschen in zijne
+strikken te vangen? Is het niet waar misschien, dat eertijds een graaf
+van Vlaanderen, zonder het te weten, gedurende vijf jaar met den duivel
+of met eene duivelin is getrouwd geweest? Ach, mijn arme Willem, ik doe
+geweld om niet te weenen. Gij ook moet trouwen met het onbekende
+schepsel, dat beweert uwe nicht te zijn! Indien mijn schrikkelijk
+vermoeden eens gegrond ware! Gij, echtgenoot van eenen helschen geest?
+Het denkbeeld alleen doet mij sidderen van hoofd tot voeten."
+
+"Heeft mijn oom u van dit huwelijk gesproken?"
+
+"Ja, tot mijn groot verdriet. Hij wil noch gebeden noch smeekingen
+aanhooren. Het doodshoofd zegt, dat gij met Theresia De Wit moet
+trouwen, en de zwarte man...."
+
+Zijne vrouw Peternelle, die op dit oogenblik uit den stal kwam, hoorde
+zijn laatste woord en riep verstoord uit:
+
+"Zwijg, zinnelooze die gij zijt. Ik had u verboden, mijnheer Willem met
+uwe dwaze grillen te vervelen, en daar zijt gij weder volop aan den
+gang.... Geloof hem niet, Willem. Hij zal u alle soorten van gekheden
+wijsmaken en u zeggen, dat uwe nicht leelijk is, maar hij bedriegt u.
+Theresia De Wit is een schoon, lieftallig en vroolijk meisje; en, mocht
+men de menschen aan bovennatuurlijke wezens vergelijken, dan zou men
+veeleer moeten zeggen, dat zij een engel is."
+
+"Een engel! Waar zijn toch uwe zinnen, vrouw," riep Jakob met
+verontwaardiging. "Heeft een engel zulk rechtstaand haar en zulke
+fonkelende, venijnige oogen? En hebt gij niet gezien, hoe minnelijk Nox
+haar de handen lekte, als ware hij verblijd eenen ouden vriend of eene
+oude vriendin terug te vinden?"
+
+"Kinderachtigheden altemaal," hernam Peternelle. "Vermits mijnheer
+Willem met Theresia De Wit moet trouwen, wensch ik hem geluk, dat het
+lot hem eene fraaie en bekoorlijke bruid heeft bestemd."
+
+"Ik bedank u, goede Peternelle," zeide de jongeling met eenen glimlach.
+"Uw wensch is evenwel ijdel; want ik zal niet trouwen."
+
+"Bravo, dan zal de duivel bedrogen zijn!" juichte Jakob.
+
+"Maar, Willem," bemerkte Peternelle, "indien gij weigert te trouwen, zal
+uw oom u onterven. Gij hebt groot ongelijk: uwe nicht is eene bevallige
+juffer, en honderden in uwe plaats zouden juichend zulke schoone bruid
+aanvaarden."
+
+"Schoon?" gromde Jakob. "Zij is terugstootend en leelijk, zeg ik u!"
+
+"Zij is minzaam en bekoorlijk."
+
+"Zij heeft oogen gelijk Nox!"
+
+"Zij heeft levendige blauwe oogen."
+
+"Nu, vrienden, eindigt dien nutteloozen twist," viel Willem in. "Het is
+mij onverschillig, of mijne nicht leelijk zij of niet. Daarenboven, ik
+zal haast weten, wie van u beiden zich misgrijpt."
+
+De oude Jakob, die de deur genaderd was, wierp eenen blik naar buiten;
+hij sprong terug in de kamer, greep den arm des jongelings, trok hem
+naar de deur en zeide:
+
+"Daar is zij! Zij staat in den hof; ik geloof zelfs, dat zij naar hier
+komt! Zie, of ze niet vreemd en leelijk is."
+
+Maar nauwelijks had Willem de maagd beschouwd, die droomend en met
+gebogen hoofde te midden van den hof stond, of hij deinsde achteruit en
+slaakte eenen versmachten schreeuw. Hij was bleek als een linnen en hij
+staarde met wijd geopende oogen rond de kamer als iemand, die duizelig
+is van verbaasdheid of van schrik.
+
+"Niet waar, niet waar, het is de zwarte man? Gij hebt hem herkend?"
+zuchtte Jakob. "Ach, ik heb den dood op het lijf. Zie mij beven als een
+blad! God sta ons bij!"
+
+"Onbegrijpelijk!" morde Willem. "Neen, het is geene begoocheling; mijne
+zinnen zijn niet ontschikt. Zouden er waarlijk vreeselijke dingen op
+Wildenborg gebeuren? Die vrouw, een schijn, eene valsche gedaante?"
+
+Op dit oogenblik trad Theresia De Wit in de kamer.
+
+Zoohaast zij den jongeling had gezien, bleef zij verrast staan, als door
+eenen geheimen slag getroffen; zij insgelijks verbleekte, maar even ras
+kleurde eene hooge rozetint haar wangen en voorhoofd. Met eenen blijden
+glimlach op de lippen zeide zij:
+
+"Gij hier, mijnheer? Ha, misschien is het God zelf, die u zendt!"
+
+"Rosa mystica!" kreet Willem met de handen opgeheven. "Mijne nicht?
+Onmogelijk, onmogelijk! Mijn hoofd is ontsteld, alles draait voor mijn
+gezicht. O, verlos mij uit dien schrikkelijken twijfel! Wie zijt gij?"
+
+"Ik ben Theresia De Wit en, dank zij den hemel, waarschijnlijk uwe
+nicht."
+
+"Maar, neen!" riep Willem met ziekelijke aan gejaagdheid. "Zijt gij de
+Rosa mystica, die ik van kindsbeen af heb bewonderd en bemind, dan is uw
+naam Flora. Mijne nichte Theresia De Wit kunt gij niet zijn."
+
+"De verklaring van dit raadsel is gemakkelijk," antwoordde het meisje.
+"Toen ik, als onderwijzeresse der juffers de Bernavaux, op het kasteel
+van Everdaal kwam, vond men den naam Theresia te gemeen en men heette
+mij Flora."
+
+"Ho, zou het toch mogelijk zijn!" galmde Willem met groote blijdschap.
+"En het kind, dat ik te Brussel in de processie voor een engel aanzag?
+De Rosa mystica?"
+
+"Dat kind was ik, Theresia De Wit, uwe nicht."
+
+Met eenen kreet van geluk liep Willem tot de maagd en greep bevend hare
+handen in de zijne.
+
+"Gij zijt de bruid, die God zelf mij heeft voorbestemd," zeide hij.
+"Onze oom, zijn geest, wil, dat gij mijne vrouw wordet. Gij weerstaat
+den wil van het noodlot niet?"
+
+"Ik heb geweigerd," was het antwoord.
+
+"Geweigerd! Zoudt gij de hoop van mijn gansche leven verbrijzelen? O,
+heb medelijden met mij!"
+
+"Ik kende u niet en schrikte terug van een huwelijk met iemand, dien ik
+nog nooit had gezien. Maar gij, mijnheer, gij, kozijn, gij hebt dus de
+hand eener onbekende aanvaard?"
+
+"Neen, neen. Nu echter ga ik mijnen oom zegenen, mijnen oom en de
+bovennatuurlijke macht, die ons heeft beheerscht sedert onze kindsheid.
+Kwam nu slechts de goede Nox om ons te roepen! Wat zal onze oom blijde
+zijn, als hij zal weten, dat wij ons met geluk aan de beslissing van den
+geest onderwerpen!"
+
+"O, Hemel!" riep het meisje eensklaps, "onze oom is bezig met het
+doodshoofd te raadplegen! Uit medelijden met mijn verdriet wil hij
+zijnen ingebeelden geest eene nieuwe beslissing afdwingen. Gebeurt het
+zoo, dan zal een even wreed vonnis tusschen ons geveld worden. Kom, kom,
+op Nox niet gewacht; loopen wij tot onzen oom; rukken wij hem van het
+doodshoofd weg, voordat eene nieuwe dwaling in zijn krank verstand zich
+hebbe geworteld!"
+
+En beiden ijlden ter kamer uit.
+
+Jakob Mispels stond te beven en veegde zich eenen traan uit de oogen, in
+de overtuiging dat de arme Willem onder de bekoringen des duivels was
+bezweken. Peternelle integendeel lachte en juichte.
+
+Toen de jongelieden ongeroepen in de zaal des kasteels traden, riep
+mijnheer Reimond op vasten toon hun toe:
+
+"Nutteloos, onmogelijk! Gij moet te zamen trouwen: de geest wil het!"
+
+Willem sprong tot zijnen oom, omhelsde hem vurig en zeide:
+
+"O, lieve oom, mijne dankbaarheid voor u is grenzenloos. Wij onderwerpen
+ons met vreugde aan den wil van den goeden geest. Ik trouw, hoe eerder
+hoe liever! De bruid, die gij mij hebt voorbestemd, is de Rosa mystica,
+het beeld, dat mijn gansche leven heeft beheerscht...."
+
+"Hoe, wat zegt gij?" onderbrak Reimond verbaasd. "Zij? uwe nicht, de
+Rosa mystica, wier verrassende geschiedenis gij mij hebt verteld?"
+
+"Ja, zij is de ziel, aan welke mijne ziel door eene geheimzinnige keten
+was verbonden. Dank, dank; ik zegen u; gij overlaadt mij met geluk: al
+mijne wenschen zijn vervuld als door eenen tooverslag!"
+
+Mijnheer Reimond wreef zich de handen; zijne oogen glinsterden van
+zegevierende blijdschap.
+
+"Ha ha!" juichte hij, "zoo bewijzen de geesten hunne wetenschap en hunne
+macht! Welnu, mijn zoon, twijfelt gij nog? De geheimzinnige invloed, die
+u heeft vergezeld gedurende geheel uw leven, om op een bepaald oogenblik
+u hier te zamen te brengen en u een voorspeld huwelijk als een opperst
+geluk te doen afsmeeken? Kunt gij dit alles wel verklaren, zonder de
+tusschenkomst van wezens, die bekend zijn met den wil van God?"
+
+"Wonderbaar, onbegrijpelijk!" morde Willem. "Die goede, milde geest was
+misschien mijn engelbewaarder...."
+
+"Neen, mijn vriend, het is eene dier wachtende zielen, die de ruimte
+vervullen en daar niet zelden, als boden des Heeren, tot de vervulling
+Zijner besluiten medewerken. Gij ziet wel, dat de openbaringen van den
+geest onwederroepelijk zich moeten vervullen; en alle tegenstand ijdel
+en nutteloos is."
+
+"Ja, heer oom, ten mijnen opzichte is de verwezenlijking zijner
+openbaringen bereikt door geheimzinnige wegen, wier onfeilbaarheid mij
+doet verstommen."
+
+"En gevolgelijk is mijne opvaart naar de andere wereld even
+onherroepelijk vastgesteld.... Maar gij, nichte, gij zwijgt en schijnt
+niet verheugd? Stemt dit huwelijk dan niet overeen met den wensch uws
+harten?"
+
+Het meisje had bij zijne laatste woorden van verdriet of van schrik
+gesidderd. Zij antwoordde op treurigen toon:
+
+"Ik aanvaard, niet van de geesten maar als eene gift van God, den
+bruidegom, dien Zijne goedheid mij sedert lang heeft voorbeschikt. Mijne
+vreugde is echter vergald door eene smartelijke vrees. Wat hier door
+eenen wonderlijken samenloop van omstandigheden geschiedt, zal u
+misschien bevestigen in de overtuiging, dat gij morgen moet sterven. Ik
+had besloten de wreede gedachte des doods in u te bevechten, en ik
+juichte reeds over de waarschijnlijke zegepraal."
+
+"Eenvoudig meisje, waarom nog gestreden tegen eene onverwinbare macht?
+Wist gij, hoe mijne ongeduldige ziel zucht en snakt naar het oogenblik,
+dat zij tot de wereld der geesten, haar waar vaderland, zal mogen
+opklimmen!"
+
+Na eenige oogenblikken stilte voegde Theresia de handen te zamen en
+zeide met tranen in de oogen:
+
+"Oom lief, heb toch medelijden met mij! De gedachte, dat gij morgen
+zoudt kunnen sterven, verbrijzelt mij het hart. Gij, uit wiens milde
+hand wij met het stoffelijk welzijn een gansch leven van geluk en
+zielsgenoegen ontvangen, gij zoudt morgen voor altijd aan onze
+dankbaarheid worden ontrukt? O, gij moet leven, opdat wij onze schuld
+jegens u zouden kunnen betalen!"
+
+"Nutteloos, alles is nutteloos," morde Reimond.
+
+"Maar, Willem," kreet het meisje, "blijf niet zoo werkeloos; laat mij
+niet alleen tegen die wreede begoocheling worstelen. Onze weldoener zou
+morgen sterven? Neen, neen, dit kan niet dit mag niet zijn: wij moeten
+hem danken, hem beminnen, hem gelukkig maken tot het natuurlijk einde
+van een lang en vroolijk leven."
+
+De jongeling hoopte niet, dat de dwaalgedachte zijns ooms nog te
+overwinnen was, hij zeide evenwel:
+
+"Heer oom, luister naar de liefderijke bede van Theresia. Blijf op aarde
+om uw werk te zien en ons geluk te deelen!"
+
+"Welke dwaze gedachten verduisteren uw verstand?" viel Reimond
+ontevreden uit. "Meent gij dan, dat mijne toestemming voldoende kan zijn
+om den geest tot eenen leugenaar te maken? Ho, gij lastert en hoont den
+geest, die uw geluk heeft voorbereid."
+
+Theresia, wier dankbaar hart geweldig in opstand kwam bij de
+overtuiging, dat de beschermer harer ouders, dat haar edelmoedige
+weldoener het slachtoffer van een beklaaglijk dwaalbegrip ging worden,
+verhief het hoofd en zeide met zekere stoutheid:
+
+"Maar oom, verontschuldig mij en laat mij toe, u te zeggen wat ik de
+waarheid meen te zijn. Er woont geen geest in het doodshoofd; uw lichaam
+is niet krank en niets verplicht u te sterven. Uwe verbeelding alleen is
+ziek."
+
+"Aldus, gij waant mij zinneloos?" morde Reimond met droeven spot. "Het
+is zóó dat gij mij wilt beloonen, evenals uw vader deed?"
+
+"Mijn vader vervulde zijnen plicht en ik wil den mijnen vervullen tot
+het einde. Gij zult niet sterven, gij hebt noch voor God nog voor de
+menschen het recht om u zelven te dooden. Indien gij morgen ophoudt te
+leven, zal hier niet de uitspraak van ingebeelde geesten volvoerd zijn;
+neen, maar de vertoornde hemel zal eenen akeligen zelfmoord aanschouwen.
+Ach, heb medelijden met uwe arme ziel; lever ze niet schuldig aan het
+oordeel van den oppersten Rechter!"
+
+Reimond zag haar, het hoofd schuddende, aan.
+
+"Nicht, nicht!" zeide hij, pijnlijk aangedaan, "waarom martelt gij mij
+door dien laster tegen de geesten? Uwe woorden doorvlijmen mijn hart als
+messen. Ik zou mij moeten vergrammen, u verwijderen misschien om zulke
+plechtige taal niet meer te hooren; maar ik begrijp, dat een gevoel van
+dankbaarheid en en van liefde u doet verdwalen. Ongelukkig kind, gij
+vreest dus niet, dat de wraak der geesten al het geluk vernietige, dat
+anders u op de wereld stond te wachten?"
+
+"Gij bedriegt u, mijn oom; uwe verbeelding doolt," zeide de maagd.
+
+"Heb medelijden met haar, oom lief!" smeekte de jongeling.
+
+"Gij ook, Willem, gij blijft in uw hart loochenen, dat de geest van het
+doodshoofd vooruitziet in de toekomst?" kreet Reimond verbaasd en gram.
+
+"Neen, ik gevoel mij de macht niet meer om het langer te miskennen,"
+antwoordde Willem aarzelende; "maar wat uwen dood betreft, is zijn
+vonnis zoo wreed, dat Theresia's dankbaar hart het weigert te
+aanvaarden."
+
+"Willem, ik bezweer u, wees oprecht in dit opperst oogenblik!" riep de
+maagd. "Waarom veinst gij aan het bestaan van dien kwaden geest te
+gelooven? Dit is het middel niet om onzen oom van zijne noodlottige
+dwaling te genezen."
+
+"Zwijg, nichte, zwijg!" gromde Reimond, de handen in de hoogte heffende.
+"Onvoorzichtig en vermetel kind, wilt gij dan eenen hopeloozen strijd
+tegen de geesten voeren? In deze onmogelijke worsteling moet gij
+bezwijken."
+
+"Welnu, heer oom, laat mij den strijd ten minste beproeven. Ik zal u
+bewijzen, dat ik machtiger ben dan uwe geesten. Wildet gij doen wat ik u
+zou aanraden, binnen eene week wandeldet gij reeds lachend en juichend
+met ons in den hof!"
+
+"En wat zou ik moeten doen?" spotte Reimond.
+
+"Ten eerste, gij zoudt goed voedsel moeten nemen, dat ik zelve en
+onmiddellijk u zou bereiden. Vleesch, ossenvleesch."
+
+"Ho! vleesch? Gij zijt zinneloos!" kreet Reimond met afgrijzen.
+
+"Brood dan, eieren, melk."
+
+"Mijn lichaam is reeds half gestorven; het weigert alle voedsel."
+
+"Laat dan ten minste geneesheeren op Wildenborg komen. Willem zal ze in
+de naastgelegene dorpen gaan opzoeken."
+
+"Geneesheeren? Ik zou opstaan tegen de geesten en hen laten gelooven,
+dat ik twijfel aan de onveranderlijkheid hunner besluiten? Vreemdelingen
+op Wildenborg? Valsche geleerden, die de menschelijke wetenschap
+aanbidden en de wetenschap der geesten bespotten en loochenen?"
+
+"Ik smeek u, oom lief, verwerp mijne bede niet, ik zal u beminnen en
+dankbaar zijn, mijn leven lang!" zuchtte het meisje, hem teederlijk
+omhelzende.
+
+Maar mijnheer Reimond, die over haar aandringen diep was verstoord,
+wierp hare armen van zijne schouders en zeide op strengen toon:
+
+"Verwijder u, nichte. Te lang heb ik uwe zinnelooze taal aangehoord, ik
+hoopte zulke smart niet meer te moeten onderstaan vóór mijne opvaart
+naar de wereld der zielen. Ik vergeef u, in aanzien uwer onwetendheid.
+Ga, Theresia, verlaat deze zaal; uwe tegenwoordigheid is mij pijnlijk."
+
+Het meisje, in stede van te gehoorzamen, liet zich op eenen stoel
+vallen, legde de handen voor de ogen en begon overvloedig te weenen.
+
+"Ach, heer oom," smeekte Willem, "heb deernis met mijne arme nicht! Het
+denkbeeld uws doods verscheurt haar het hart. Al wat zij zeide, werd
+haar ingesproken door de dankbaarheid, door de zucht om iets tot uw
+geluk op aarde te mogen bijdragen. Nu verstoot gij haar en jaagt haar
+weg! Zij kan dwalen, maar zulke wreede straf toch heeft zij niet
+verdiend."
+
+"Kom, nichte, ween niet meer," zeide Reimond. "Blijf nog met mij, ik heb
+u van ernstige dingen te spreken; maar geef wel acht op de voorwaarde,
+die ik stel, zoowel voor Willem als voor u. Zoohaast één uwer nog een
+woord rept over hetgeen gij mijnen dood noemt, of over voedsel of over
+geneesheeren, verwijder ik u onverbiddelijk uit mijne tegenwoordigheid.
+Die voorwaarde wil ik geëerbiedigd zien, niet alleen heden, maar
+insgelijks morgen, tot het uur mijner opvaart naar de wereld der zielen.
+Aanvaardt gij Theresia? Antwoord mij, of vertrek oogenblikkelijk van
+hier!"
+
+"Eilaas, kan het niet anders zijn, ik zal mij aan het wreede noodlot
+onderwerpen!" klaagde de maagd.
+
+"Welnu, luistert dan; want ik ben zeer moede en ik snak om alleen te
+zijn. In de lade dezer tafel zult gij na mijn vertrek van de aarde een
+eigenhandig testament vinden, dat u beiden instelt tot erfgenamen mijner
+goederen. Ik zal aan Jakob Mispels en aan zijne vrouw een legaat maken,
+om hunne lange en trouwe diensten te beloonen; gij zult hen in bezit
+dezer gift stellen zonder moeielijkheden en zonder kosten voor hen, en,
+willen zij in hun huis op Wildenborg blijven wonen, verdrijft ze nimmer.
+Mijnen hond Nox beveel ik aan uwe zorg. Hij was mijn eenige vriend in de
+lange eenzaamheid. Dat hem niets ontbreke zoolang hij leeft; herinnert
+u, dat, indien het arme beest wierd mishandeld of gebrek leed, mijne
+ziel in de andere wereld er om zou treuren. Gij belooft dezen mijnen
+wensch getrouw te vervullen?"
+
+"Ja, heer oom," antwoordde Willem, "wij zullen voor Nox zorgen met
+liefde, niet alleen omdat hij een trouw en verkleefd gezel van onzen
+weldoener was, maar tevens in de overtuiging, dat onze bezorgdheid voor
+hem u in de wereld der zielen zal verblijden."
+
+"Dank, dank, mijn goede neef," zeide Reimond met innige tevredenheid.
+"Gij zult eens in de verborgene wetenschap dringen; uwe natuur is niet
+verre van de noodige zuiverheid. Ho, welk geluk, indien ik, ofschoon
+niet stoffelijk levend, door u kon gehoord worden en met u kon spreken!
+Ik laat u alleen en persoonlijk het doodshoofd tot erfdeel. Houd het in
+waarde, het is een kostelijker voorwerp dan de kroon eens konings.
+Wanneer gij na uw huwelijk de rust des gemoeds zult teruggevonden
+hebben, trek u dan somtijds in eenzaamheid terug, zet u neder voor het
+doodshoofd en doe met aanhoudendheid en vasten wil wat ik u heb geleerd.
+Bekomt gij de macht om den geest van het doodshoofd te zien en te
+hooren, dan zult gij tevens machtig genoeg geworden zijn, om mijne ziel
+op te roepen. Ik zal komen, en wij zullen te zamen spreken van
+wonderbare, verborgene dingen, en mijn raad zal u en uwe echtgenoote
+wapenen tegen alle verdriet en tegen alle wederwaardigheid. Reikt mij
+nu de hand, kinderen, en verdrijft alle smart, zijt vroolijk als ik. De
+dag van morgen is een feestdag. Het afscheid van eenen goeden vriend,
+die vertrekt om een eindeloos geluk te gemoet te gaan, mag u niet
+pijnlijk vallen.... Kom, Theresia; gij aarzelt om mij de hand te geven?
+Het is geen beslissend vaarwel: morgen zullen wij elkander nog zien."
+
+De maagd naderde langzaam; de hand, die zij haren oom toereikte, scheen
+te beven.
+
+"Heb moed, mijne dochter," zeide Reimond. "Uwe meening aangaande den
+dood is eene menschelijke dwaling. Sterven is het einde eener lastige
+taak bereiken, het is de vrede na den oorlog; de verlossing eener ziel
+uit de stof, die hare verhevene natuur verduisterd hield. Maar genoeg
+daarover, vermits het u bedroeft.... Nichte, gij kunt op het kasteel
+niet slapen en zult in het dorp moeten vernachten. Er is daar, in het
+Gulden Paard, goede herberg bij brave, godvreezende lieden. Jakob
+Mispels zal u vergezellen. Ik zal hem een briefje medegeven voor den
+pastoor; deze goede priester zal over u waken en u zeggen wat gij te
+doen hebt. Gaat nu, mijne vrienden, en blijft helder van gemoed en
+gerust van hart tot morgen."
+
+De beide jongelieden verlieten zwijgend de zaal. Willem zuchtte,
+Theresia weende.
+
+In den hof voor de deur van den gang bleef het meisje staan en zeide tot
+haren kozijn:
+
+"Ach, ik kan mij aan de schrikkelijke gedachte zijns doods niet
+gewennen, Er moeten middelen bestaan om dit ongeluk te voorkomen; maar
+hoe deze middelen ontdekt, zoo alleen en verre van de menschen? Gij,
+Willem, gij zijt man; hebt gij niets gevonden, niets beproefd om onzen
+armen oom het leven te behouden?"
+
+"Ik kom van Hasselt en van Leuven," antwoordde hij. "Twee of drie goede
+geneesheeren heb ik bezocht; geen enkele wist mij raad te geven. De tijd
+is te kort, zeiden zij, en die ziekten overwint men niet in eenen dag."
+
+Op dit oogenblik schoot de hond met geweld tusschen de beenen des
+jongelings door en deed hem schier vallen. Het beest liep recht naar het
+huis van den hovenier.
+
+"Het is Nox, die den ouden Jakob gaat roepen," mompelde Willem.
+
+"En meenen de geneesheeren, die gij hebt geraadpleegd, dat mijnheer
+Reimond morgen zal sterven?" vroeg het meisje.
+
+"Zij achten het mogelijk, nicht, maar zijn er niet zeker van. Evenwel,
+volgens de inlichtingen, welke ik hun gaf, waren zij eenparig van
+gevoelen, dat hij niet lang meer kan leven."
+
+"Welke ziekte meenen zij, dat hem naar het graf leidt?"
+
+"De ziekte der verbeelding, nichte. Deze ziekte moet volgens hen reeds
+sedert lang de hersens van onzen oom ontstoken en er iets vernietigd
+hebben. Zij beschouwen zijne kwaal als biedende zeer weinig kans tot
+genezing."
+
+"En gij, Willem, gij schijnt zoo moedeloos?"
+
+"Ik acht alle verdere pogingen overbodig en onderwerp mij aan het lot
+met smartelijke verduldigheid."
+
+Daar naderde de hovenier, die achter den hond naar het kasteel kwam. De
+oude man opende zijne oogen wijd en zag den jongeling met treurnis en
+verbaasdheid aan. Hij scheen hem zijne onvoorzichtigheid te verwijten en
+gromde onverstaanbare woorden, terwijl hij hem voorbijging.
+
+"Eilaas, er is dus geene hoop meer!" zuchtte Theresia. "Wij zullen
+machteloos hem moeten zien sterven?"
+
+"De geneesheer van Leuven hoeft mij wel een fleschje gegeven, dat
+volgens hem ten minste den dood van onzen oom kan vertragen," zeide
+Willem, "maar sedert mijnen terugkeer op het kasteel is mijn vertrouwen
+gansch weg, en ik weet zelfs niet, of ik het geneesmiddel wel zou
+gebruiken."
+
+"Waarom niet, kozijn? Men moet worstelen tot het einde."
+
+"Het is, ziet gij, nichte, dat er heden iets onverklaarbaars met ons is
+geschied. Dat ik u hier vind, u, de Rosa mystica mijner kinderlijke
+begoochelingen, dat gij, die ik leerde kennen onder den naam van Flora,
+nu eensklaps mijne nichte Theresia De Wit geworden zijt, dat het
+huwelijk, waartoe mijn oom mij wilde dwingen, integendeel al mijne
+wenschen moest vervullen,--zulke samenloop van wonderbare
+omstandigheden, uitwerksels van geheimzinnige oorzaken, dit alles komt
+mij onbegrijpelijk voor. Het zij nu de wil van God, de veropenbaring van
+eenen geest of de schikking van het nootlot, althans wij zijn beheerscht
+door eene bovennatuurlijke macht. En indien het orakel van het
+doodshoofd zich voor ons heeft bewaarheid, waarom zou het dan niet even
+onfeilbaar zijn voor onzen oom?"
+
+Het meisje bezag hem verwonderd.
+
+"Wat wilt gij zeggen? Ik begrijp u niet!" murmelde zij.
+
+"Ik wil zeggen, dat het wreed zou zijn, eene harde worsteling tegen den
+wil van onzen oom te beginnen, om hem een machteloos geneesmiddel te
+doen nemen. Overweeg, dat wij hem den inhoud van het fleschje niet mogen
+ingeven dan een uur vóór middernacht. Waarom zouden wij zijnen
+doodsstrijd bitter maken door hem een ijdel en vruchteloos geweld aan te
+doen?"
+
+"IJdel en vruchteloos?" herhaalde het verraste meisje. "Gelooft gij dan
+insgelijks aan de wetenschap en macht der geesten, Willem?"
+
+"Gisteren nog lachte ik met deze dingen als met grillen eener zieke
+verbeelding. Nu weet ik niet meer wat ik geloof. De innige blijdschap,
+het geluk, de droefheid, de wanhoop, dit alles ondereen maakt mijne
+zinnen duizelig. Er zijn dingen, die het menschelijk verstand te boven
+gaan. Wij weten zoo weinig van de stoffelijke wereld!"
+
+"Kom, geef mij het fleschje en spreek er niemand van, bovenal Jakob
+niet. Hij zou zijnen meester kunnen verwittigen. Vertrouw op mij: onze
+oom zal het geneesmiddel nemen, al moest ik hem met geweld den mond
+openen. Faalt uw moed, ik zal worstelen tegen den nijdigen dood, zoolang
+er eene vonk der hoop voor mijne oogen glinstert. Wat is er in dit
+fleschje?"
+
+"Ik weet het niet. De dokter had er zelf niet veel betrouwen in, en hij
+gaf het mij slechts als iets, waarvan hij niet veel verwachtte."
+
+Jakob Mispels trad uit het kasteel, ontdekte zich het hoofd en zeide tot
+Theresia, terwijl hij op zekeren afstand van haar bleef staan:
+
+"Mejuffer, mijnheer Reimond heeft mij bevolen u naar het dorp te leiden.
+Het is erg genoeg voor mij, ik ben gewond aan den voet en kan schier
+niet meer gaan. Indien het Willem geliefde ons te vergezellen, anders
+zal ik mijne vrouw Peternelle medenemen. In het eenzaam bosch, men weet
+niet wat men kan ontmoeten. Gij moogt hier niet langer blijven,
+mejuffer; mijnheer zegt, dat ik u onmiddellijk naar het dorp moet
+brengen."
+
+Zij volgden beiden den hovenier en verdwenen met hem in zijne woning.
+
+
+
+
+VII.
+
+
+Het was nacht. In eene groote bovenzaal van het kasteel Wildenborg lag
+mijnheer Reimond met gesloten oogen op een bed. Bleek als een linnen en
+mager als een geraamte, had hij geheel het voorkomen van een lijk. Op
+een paar stappen van het bed stond eene tafel met een crusifix, een
+wijwatervat en twee kaarsen van geel was, wier waggelende vlammen
+slechts in hunne nabijheid een twijfelachtig licht verspreidden. Aan het
+voeteneinde zat de pastoor, lezend in een boek. Theresia hield zich bij
+het hoofdeinde en weende in stilte, met de handen voor de oogen, Willem
+stond nevens haar en staarde ten gronde, de oude Peternelle zat geknield
+met den rozenkrans aan de hand, en prevelde een gebed.
+
+Een paar stappen verder en schier in de duisternis zat Jakob, de
+hovenier. Zijne wijdgeopende oogen dwaalden angstig en vragend rond;
+doch telkens na zulk een vluchtig onderzoek, keerde hij het hoofd af en
+staarde met mistrouwen in het donkere einde der zaal, waar hij wijlen
+een zonderling gerucht, als de ratel in de keel van een stervend mensch,
+zich liet hooren. Dit vreemd gegrol, wanneer het door toevallige
+toonverandering eene bijzondere aandoening scheen te verraden, deed den
+armen Jakob sidderen en verbleeken.
+
+Nox was in de zaal. Van tijd tot tijd naderde hij het bed, zette zijne
+voorste pooten er op en lekte zijns meesters hand, die boven het deksel
+lag. Dan verroerde de zieke nog de vingeren, als om het beest te toonen,
+dat hij nog leefde; en Nox keerde terug naar het donkere gedeelte der
+zaal, waar hij, dof knorrende, zich in eenen hoek nederlegde.
+
+Dit gaan en komen van den hond en zijne verrassende doenwijze vervulden
+den bijgeloovigen Jakob met eenen onzeglijken angst. Ondanks de
+tegenwoordigheid van den pastoor, twijfelde hij niet, of het ijselijke
+beest zou op slag van middernacht in duivelsgedaante verschijnen, om de
+ziel zijns meesters in bezit te nemen en ze mede te voeren naar de hel.
+
+De doodsche stilte, welke er onverbroken heerschte, sedert mijnheer
+Reimond iedereen het zwijgen had bevolen of afgesmeekt, bracht niet
+weinig bij, om de verschriktheid van den armen Jakob te vermeerderen.
+
+En inderdaad, de doffe zuchten dezer lieden, die stom als steenen
+beelden rondom het bed van eenen stervende zaten; de versmachte snikken
+van Theresia, het sissend geprevel der oude Peternelle; maar bovenal de
+krijschende metaalklank, door den slinger van het uurwerk voortgebracht,
+dit alles stoorde de stilte om ze gevoelbaarder, eendiger en
+geheimzinniger te maken.
+
+Mijnheer Reimond lag roerloos op het bed en scheen reeds dood te zijn;
+maar met veel aandacht kon men bemerken, dat hij nu en dan op eene
+verborgene wijze zijne oogen half opende, om naar het uurwerk te zien en
+dus den gang des tijds gade te slaan, als vreesde hij het juiste
+oogenblik zijner opvaart naar de andere wereld te missen. Dit uurwerk
+was het beeld des doods, dat hij den hovenier had doen naar boven
+brengen en op de schouwplaat had doen zetten.
+
+Sedert langen tijd hield Theresia insgelijks den blik op den Dood
+gevestigd: want de noodlottige vinger naderde allengs tot het elfde uur.
+
+Het meisje ging met onhoorbaren stap naar een nachttafeltje, dat achter
+het hoofdeinde van het bed stond, goot daar iets in een glas water en
+kwam dan weder bij den zieke.
+
+Zij stak hare linkerhand onder zijn hoofd en lichtte het op, wat geweld
+hij ook deed om deze poging te wederstaan.
+
+"Nicht, nicht, gij zijt onmeedoogend," zuchtte hij. "Laat mij in vrede
+deze opperste worsteling doorstaan. Mijne gebeden blijven dus onmachtig
+tegen uwe zinnelooze hoop? Wat wilt gij?"
+
+"Oom lief," zeide zij, "uw adem ratelt zoo dor; het snijdt mij door het
+hart; gij vergaat van dorst. Ach, doe uw arm lichaam niet nutteloos
+lijden! Hier is water; drink eene teug."
+
+"Drinken?" morde de zieke, "mijn lichaam is dood. Drinken de zielen?
+Verwijder dit glas van mijne lippen, en maak mijne laatste oogenblikken
+niet pijnlijk."
+
+"Uit medelijden met mij, ik bid, ik smeek u, goede oom!"
+
+"Neen, neen, ik heb geenen dorst. Achteruit, nicht, gij martelt mij."
+
+"Onbegrijpelijke verdwaaldheid!" zuchtte het meisje. "Gij weigert te
+drinken, omdat gij vreest, dat een glas water uw leven zou kunnen
+verlengen? En gij gelooft in de macht der geesten!"
+
+"Laster, laster!" gromde Reimond. "Ha, ik vrees te drinken!"
+
+En verstoord en met bevende lippen ledigde hij het glas water.
+
+Hij aanschouwde de maagd met eenen grijnslach en zeide verwijtend:
+
+"Hoe bitter! Een geneesmiddel? Aan mij? Gij blijft dus hardnekkig hopen,
+arme dwaze? Mijn dood alleen kan u overtuigen? Welaan, heb nog een
+beetje geduld: op den slag van middernacht zult gij gelooven."
+
+Het uurwerk hergalmde elfmaal.
+
+De zieke richtte zich half op en zeide:
+
+"Vrienden, treedt nader; het laatste uur van mijn tegenwoordig aardsch
+leven is begonnen. Ik verlang, dat de klank uwer stem mij niet meer
+store. Mijne ziel moet pijnlijk arbeiden om los te raken uit hare
+stoffelijke banden, en telkenmaal dat gij hare aandacht van deze drukke
+worsteling afkeert, doet gij haar onuitsprekelijke smarten doorstaan.
+Vooronderstelt, dat ik nu, op dit oogenblik, ga sterven, en neemt
+afscheid van mij, een voorloopig, een tijdelijk afscheid; want onze
+zielen zullen elkander daarboven in de ruimte wederzien."
+
+Hij reikte de hand tot den pastoor en sprak met eene heldere,
+onverzwakte stem:
+
+"Vader, ik dank u uit den grond des harten voor uwe vriendschap en voor
+uwen goeden, oprechten raad. Kon ik hem niet geheel volgen, vergeef het
+mij. Vaarwel, en herinner u mijner in uwe gebeden."
+
+De priester wilde zijne vermaningen herhalen en den zieke tot een
+klaarder besef van zijnen toestand en van zijne Christelijke plichten
+roepen; maar mijnheer Reimond onderbrak zijne woorden en zeide:
+
+"Ja, eerwaarde, ik weet het wel, gij hebt gelijk: de mensch moet altijd
+God voor oogen houden en mag niet vergeten, dat belooning of straf hem
+wacht na elk leven. Maar wees gerust: ik sterf met betrouwen in Gods
+goedheid en met het vaste geloof in Zijne almacht en in Zijne
+rechtvaardigheid. Zeker, ik heb niet geleefd zonder zonde en zwakheid;
+mij berouwt het te laat. Ik zal er voor boeten daarboven. Nog meer dan
+eens zal ik moeten leven, strijden en lijden, vooraleer de plaats van
+eenen der gevallene engelen te bekomen; maar wat doet het, indien ik
+toch eindelijk, al ware het zelfs na duizend levens, den grooten God in
+der eeuwigheid mag loven en dienen?"
+
+Hij nam opvolgend de hand der andere tegenwoordige personen.
+
+"Gij, mijn neef," zeide hij, "zult waarschijnlijk eens door het verkeer
+der geesten den kortsten weg naar de volmaaktheid vinden. Ik zie met
+vreugde, dat gij ten minste eene ijdele hoop hebt verzaakt en mij
+toelaat te denken, dat gij mijnen dood als onfeilbaar aanvaardt. Wanneer
+gij de echtgenoot uwer nicht zult geworden zijn, blijf haar beminnen en
+liefhebben. Weigert haar gemoed aan de macht der geesten te gelooven,
+verschoon de zwakheid harer natuur. Zij heeft een goed hart; en dewijl
+zij u voorbestemd was door God, moet gij overtuigd blijven, dat de geest
+van het doodshoofd de waarheid zeide, toen hij openbaarde, dat zij
+alleen op aarde u kan gelukkig maken.... Nicht, het gevoel der liefde en
+der dankbaarheid is machtig in u; keer die krachten uwer ziel op uwen
+man en op uwe kinderen; en dus de heilige plichten der vrouw en der
+moeder vervullende, zult gij eens met hem, met hen en met mij vereenigd
+worden in den schoot van God, bron der volledige zaligheid."
+
+De hovenier en zijne vrouw stonden beiden te weenen voor het bed; de
+smart van Jakob Mispels was zoo luidruchtig, dat zijne snikken door de
+zaal galmden.
+
+"Mijn arme Jakob, mijne goede Peternelle," zeide de zieke, "waarom dus
+tranen storten? Zijt getroost. Wist gij hoe het in de andere wereld met
+de zielen staat, gij zoudt juichen en mij gelukwenschen.... Vaartwel,
+mijne vrienden. Het is geen afscheid, dat ik van u neem; morgen ben ik
+hier terug, wel is waar zonder lichaam, maar veel machtiger en
+zuiverder. Mijne ziel zal tusschen u allen wonen, ik zal u zien en
+hooren en mij verblijden in uw minste geluk.... Nox, Nox! Ha, daar zijt
+gij.... mijn trouwe gezel. Kom, dat ik u nog eens.... nog eens. Wat
+gebeurt mij?... Er schiet eene wolk voor mijne oogen. Nox, ik heb voor
+u.... mijne krachten falen.... de ziel worstelt.... zij worstelt
+woedend.... woedend tegen het zelfzuchtig lichaam.... vaartwel....
+vaartwel!"
+
+En deze laatste woorden stamelende, liet mijnheer Reimond zich als
+ontzenuwd en machteloos op het kussen nedervallen; hij wreef zich over
+de oogen en wilde nog spreken, doch de verwarde woorden, die zijnen
+lippen ontvielen, verstierven allengs tot een onduidelijk gesuis, en
+eindelijk scheen alle beweging in hem opgehouden.
+
+Het was een oogenblik van uitersten angst; allen staarden stom en bleek
+op den zieke, in de smartelijke meening, dat hij inderdaad ging sterven.
+Jakob Mispels alleen glimlachte en hief de handen dankend ten hemel,
+terwijl hij in zich zelven mompelde:
+
+"Ha, ha, hij is dood! God zij geloofd, de vijand komt te laat!"
+
+Eene lange wijl bleef de pastoor, met het hoofd over den stervende
+gebogen, zijne ademing afluisteren; hij voelde hem insgelijks de borst,
+en keerde zich eindelijk tot het meisje en tot Peternelle, die met de
+handen voor de oogen stonden te snikken.
+
+"Neen, mijne kinderen," zeide hij, "levert u nog niet geheel over aan de
+smart. Het lange spreken moet den zieke vermoeid hebben. Ik begrijp het
+niet, zijn hart klopt regelmatig en zijne ademing is vrij en rustig.
+Verliest den moed niet: de doodsstrijd is nog niet begonnen. Laat ons
+bidden!"
+
+Bij het hooren dezer woorden slaakte Jakob Mispels eenen pijnlijken
+kreet. Hij had reeds gejuicht over den natuurlijken dood zijns meesters
+als over eene zegepraal op de hel. Wreed was hem de onverwachte
+teleurstelling; het geloof aan het schrikkelijk einde van mijnheer
+Reimond ontstond met nieuwe kracht in zijnen geest. Hij keerde langzaam
+terug naar zijnen stoel, en liet er zich zuchtend op nedervallen.
+
+De andere aanwezige personen hadden de aanbeveling des priesters
+gehoorzaamd en baden met vurigheid.
+
+Er heerschte dus weder eene volledige stilte;--maar de vinger des Doods
+ging intusschen vooruit op de uurplaat, en welhaast zou hij het
+gevreesde getal XII bereiken.
+
+Allen bemerkten het wel; want, ofschoon biddend, keerden zij met immer
+aangroeienden angst nu en dan het oog naar het uurwerk. Geen hunner die
+niet geloofde, dat Reimond op den slag van middernacht zou sterven; zij
+beschouwden den ongelukkigen man als krankzinnig, en twijfelden niet, of
+zijne zieke verbeelding zou macht genoeg hebben om zijnen levensdraad op
+het aangekondigde oogenblik te breken. In den geest van Willem was de
+onfeilbaarheid van den dood zijns ooms eene zoo sterke overtuiging, dat
+hij niet de minste vonk der hoop had behouden.
+
+Jakob Mispels scheen vernietigd; hij had zich het aangezicht met de
+handen bedekt, uit vreeze van ijselijke dingen te zien, en zat diep
+voorovergebogen als iemand, die zich zoo klein mogelijk maakt en den rug
+biedt aan de slagen des vijands.
+
+Evenwel blikte hij somwijlen door zijne vingeren naar de uurplaat, en
+telkens sidderde hij van top tot teen; want de vinger des Doods raakte
+schier het noodlottig getal. Ook zijne ooren stonden gespannen om het
+minste gerucht op te vangen, hoe onduidelijk en geheimzinnig het mochte
+zijn. Wat hem onmatig verschrikte, was, dat hij sedert eenigen tijd het
+geknor van Nox niet meer had gehoord. Waar was de hond? Was hij bezig
+met zijne gedaante te veranderen?
+
+Eensklaps deed het uurwerk de lucht onder eenen scherpen metaalklank
+sidderen; terzelfder tijd ontstond er een pijnlijk gehuil in het donkere
+gedeelte der zaal. De hovenier slaakte eenen snijdenden schreeuw, sprong
+recht en vluchtte kermend de deur uit; maar de duisternis van een gang
+dreef hem terug in het vertrek. Hij liet zich geknield ten gronde vallen
+en hief de bevende armen in de hoogte, terwijl hij, halfdood van schrik,
+in onverstaanbare woorden 's hemels bijstand afsmeekte. Elke slag van
+het uurwerk vermeerderde zijnen angst en ontrukte hem eenen nieuwen
+noodkreet; maar toen hij ook den twaalfden klank had hooren versterven,
+zonder dat eenig bovennatuurlijk wezen zich had vertoond, stiet hij eene
+lange ademing uit, als viel er een zware steen van zijn hart, en een
+zucht van blijdschap welde op uit zijnen verengden boezem.
+
+Hij stond op, blikte rond met wijdgeopende oogen en naderde tot het bed,
+waar de andere personen hijgend, stil en roerloos op den zieke staarden,
+in afwachting van zijnen laatsten snik.
+
+Reeds was de vinger des Doods op de uurplaat zichtbaar vijftien minuten
+voorbij het getal XII gevorderd, en nog niemand had een woord gesproken.
+Wel was er een klank als een kreet van blijdschap uit den mond der maagd
+ontsnapt, maar de pastoor had door een gebiedend teeken haar de stilte
+bevolen, terwijl hij, met de hand op het hart van den zieke, den
+doodsstrijd volgde.
+
+Eindelijk zeide de priester:
+
+"Het is onbegrijpelijk: zijn polsslag, ofschoon een beetje verzwakt, is
+nog regelmatig. Hij zal sterven waarschijnlijk; doch het zal nog niet in
+het eerste uur zijn. Misschien zal zijn doodsstrijd zich verlengen tot
+den morgen. Hij schijnt nu rustig ingesluimerd."
+
+Theresia lachte en dankte God met opgehevene handen, als waande zij
+haren oom van den dood gered.
+
+Willem stond verbaasd te kijken; hij kon schier niet gelooven, dat de
+voorzegging, die mijnheer Reimond van den geest beweerde ontvangen te
+hebben, onvolvoerd kon blijven.
+
+Jakob Mispels, nu van zijnen schrik verlost, had grooten lust om te
+dansen en te zingen; hij liep met zwaaiende armen door de zaal en stapte
+zelfs geruchtmakend tot verre in de duisternis, als wilde hij Nox
+uitdagen en bespotten; maar het beest sliep ongetwijfeld, want het
+roerde zich niet.
+
+"Blijft stil, kinderen," zeide de pastoor. "Heeft mijnheer Reimond zich
+misgrepen over het juiste uur zijns doods, dit is geenszins
+verwonderlijk; maar dit mag ons niet doen denken, dat hij heden de
+wereld niet zal verlaten. Matigt uwe aandoeningen, vrienden; gij bereidt
+u nieuwe smarten."
+
+Nog eens den toestand van den zieke onderzocht hebbende, keerde de
+priester zich tot het meisje en zeide:
+
+"Uw oom schijnt te slapen. Gij hebt hem een geneesmiddel doen drinken.
+Wat was dat geneesmiddel?"
+
+"Ik weet het niet, eerwaarde," was het antwoord. "Willem heeft het te
+Leuven van eenen dokter gekregen."
+
+Zij stapte tot den nachttafel, greep daar een klein fleschje en reikte
+het den geestelijke, die het nauwkeurig bekeek en eindelijk eenen
+druppel er van aan zijne tong bracht.
+
+"Opium!" mompelde hij. "Nu begrijp ik ten volle: gij hebt uwen oom eenen
+slaapdrank ingegeven.... Juich niet zoo onvoorzichtig, mijne dochter.
+Indien hij nimmer uit dien slaap moest opstaan?"
+
+"Maar, eerwaarde," kreet het meisje met eene blijdschap, die zij
+moeielijk kon bedwingen, "het is eene eerste zegepraal op de ziekte der
+verbeelding en op den dood. Indien mijn oom ontwaakt, zal hij zelf
+erkennen, dat zijn geloof in de geesten hem heeft bedrogen; en, blijft
+hem nog de kracht over om eenige dagen te leven, dan zal ik hem wel
+genezen, twijfel daar niet aan."
+
+"Mocht uwe hoop zich verwezenlijken, mijne dochter," zeide de priester,
+het hoofd schuddende; "maar het is niet waarschijnlijk, dat uw
+liefderijke wensch verhoord worde. Zulke ziekte der verbeelding laat
+zich niet door eene enkele teleurstelling overwinnen. In alle geval, God
+is almachtig; Hij kan wonderen laten geschieden. Smeeken wij Zijne
+genade af; onze eenige toevlucht is Zijne barmhartigheid voor eenen
+armen zinnelooze. Bidden wij!"
+
+En de pastoor maakte het teeken des kruises, trok eenen stoel bij,
+knielde en liet het hoofd diep op de borst vallen.
+
+De anderen volgden zijn voorbeeld, en het werd zoo stil in de zaal,
+alsof er geen levend wezen ware tegenwoordig geweest.
+
+
+
+
+VIII.
+
+
+De zon was glansrijk aan den zuiveren hemel opgerezen en een stralend
+licht overstroomde het kasteel van Wildenborg. Mijnheer Reimond was nog
+niet dood. Wel had hij de voortduring van zijn leven door geene enkele
+beweging verraden; maar hij ademde nog immer als iemand, die in eenen
+diepen slaap ligt gedompeld.
+
+Op het aandringen van Peternelle, was de pastoor met Willem naar haar
+huisje gegaan, om er eenen tas koffie en eene boterham te nemen; want de
+goede vrouw begreep wel, dat dit lange waken hun het nuttigen van eenig
+voedsel noodig had gemaakt.
+
+Willem zat aan de kleine tafel voor den priester, en zeide in gepeinzen:
+
+"Hoe zwak is toch het menschelijk verstand en hoe kan zijne verbeelding
+tot wonderlijke dwaalbegrippen verdolen! Mijn oom heeft mij uitgelegd,
+welk zijn leerstelsel is aangaande zijn geloof in de geesten. Zijne
+woorden verbaasden mij; zijn stelsel scheen mij redekundig en
+samenhangend als de leering van eenen volledigen godsdienst. Ik gevoelde
+eene zonderlinge bekoring om de mogelijkheid zulker dingen te erkennen;
+en waarlijk, eerwaarde, ofschoon ik in mij zelven zeide, dat het hoofd
+mijns ooms moest ontschikt zijn, twijfelde ik of hij misschien niet
+klaarder dan anderen in de bovennatuurlijke wereld en in de toekomst
+zag. Dan, dit was slechts eene begoocheling mijner zinnen; nu is het mij
+genoegzaam bewezen, dat de gedachten mijns ooms niets dan ziekelijke
+hersenschimmen zijn."
+
+"Ja, mijn zoon," sprak de pastoor, "de hersens des menschen vormen een
+zeer ingewikkeld en uitgebreid zintuig. Er is geene onzer aandoeningen,
+onzer hartstochten, onzer neigingen of onzer noodwendigheden, die niet
+met ziekelijke afdwaling of met geheele verdooldheid kan worden
+geslagen. Vroeger ben ik jaren lang aalmoezenier in een groot
+zinneloozenhuis geweest. Daar ziet men allerlei krankheden en gebreken,
+evenals in een hospitaal, met dit verschil dat niet het lichaam of de
+leden ziek zijn, maar wel de wortelen der zenuwen, die uit de hersens
+ontschieten. Ik heb honderden krankzinnigen gezien, die keizer en
+koning, ja, door ziekelijken hoogmoed zelfs heilig of paus of God
+meenden te zijn, velen roemen op het bezit van duizenden millioenen of
+van gansche landstreken; sommigen haten iedereen, anderen smelten van
+teederheid en vriendschap voor menschen en dieren, of schrikken van een
+blad, dat beweegt, of wanen zich oorlogsheld, geleerde of uitvinder van
+wonderlijke dingen. Maar de ziekte uws ooms is eene gansch bijzondere,
+eene uiterst gevaarlijke, die vroeger niet bestond en eigen is aan onze
+eeuw van twijfel en ongeloovigheid. Kon men door eene valsche wetenschap
+de noodzakelijkheid der hoop op een toekomstig leven geheel uit het hart
+der menschen rukken, het ware zeker een eindeloos ongeluk; maar de
+ziekte, waaraan uw oom nu lijdt, zou niet bestaan."
+
+"Ik begrijp niet, eerwaarde," zeide de jongeling, die met gespannen
+aandacht luisterde en zelfs vergat te eten.
+
+"Inderdaad," was het antwoord, "zonder ondervinding der zaak is het
+moeielijk om te begrijpen. De mensch is geboren met een innig gevoel der
+eeuwigheid van zijn eigen wezen; dit gevoel zegt hem, dat niet alles met
+den stoffelijken dood kan eindigen, en dat zijne ziel zal opvaren naar
+eene andere wereld, om daar belooning of straf voor zijne daden te
+vinden. Deze overtuiging maakt deel van de menschelijke natuur; zelfs de
+Wilden, die slechts een duister besef van het bestaan der Godheid
+hebben, eeren hunne dooden, offeren hun voedsel en betuigen, dat zij aan
+het voortbestaan des menschen na den dood des lichaams gelooven. Wat
+doet men nu, onder voorwendsel van wetenschap of van mode? Men spoort de
+lieden aan, om de geheimenissen van den Godsdienst te loochenen en te
+verwerpen, alleenlijk omdat het geheimenissen zijn, en ze niet door de
+menschelijke rede alleen of door stoffelijke middelen kunnen worden
+bewezen. Maar men versmacht niet zoo gemakkelijk de noodzakelijkheid
+onzer natuur om op de toekomst te hopen, en men belet onzen geest niet
+zoo lichtelijk onverpoosd in de hoogte te zien naar het raadselwoord
+onzer bestemming. Er komt dan een oogenblik, dat deze noodzakelijkheid
+weder de overhand verkrijgt, en dat men bezwijkt onder de
+onweerstaanbare strekking onzer ziel naar het bovennatuurlijke. In stede
+van alsdan terug te keren tot den godsdienst, die de oplossing dezer
+vraagpunten door eeuwenoude openbaring heeft ontvangen, blijft men slaaf
+der mode, welke in zeker gedeelte der samenleving heerscht; en, om aan
+eene valsche schaamte te ontsnappen, wil men hetzelfde doel langs eenen
+anderen weg bereiken. Dan dwaalt het menschelijk verstand zonder licht
+of leiddraad in de onzichtbare wereld der geesten; de verbeelding, dus
+vlottend op de donkere zee der bovennatuurlijke dingen, kan noch kust
+noch haven vinden om te rusten. Door eenen altijd klimmenden hoogmoed
+verleid, schept zij stelsels en leeringen, die anders niets zijn dan de
+misvormde openbaringen van het geloof, waarvan zij, eilaas, de
+zuiverheid heeft verduisterd. Wat anders is het stelsel van uwen oom en
+van anderen nog, dan eene belachelijke nabootsing der leerregels van den
+godsdienst? Men wil niet meer gelooven, en men is evenwel door zijne
+ingeborene natuur gedwongen te gelooven. Dan neemt men zijne toevlucht
+tot draaiende tafels, tot slapende profeten, tot sprekende geesten en
+andere hersenschimmige dingen; en, terwijl men alle geheimenissen en
+wonderheden verwerpt, gelooft men zich zelven eenen mirakeldoener en
+eenen geestendrijver! En wat is dikwijls het einde daarvan? Het
+krankzinnigenhuis."
+
+"Wonderlijk toch," bemerkte Willem, "dat een geleerd en anders
+verstandig man, als mijn oom, tot het geloof aan zulke onbestaanbare
+dingen kan verdolen!"
+
+"Het is geenszins wonderlijk, mijn zoon," antwoordde de pastoor. "Gij
+hebt gezien, hoe de arme Jakob Mispels onophoudend door hersenschimmige
+gevaren wordt gefolterd, hoe de vrees voor spoken en duivels zelfs het
+besef van Gods almacht en rechtvaardigheid in hem verduistert? Dit is
+het bijgeloof der eenvoudige en ongeleerde lieden, wanneer zij door
+afdwaling des gevoels de leering van den godsdienst overdrijven. Zoo is
+integendeel de dweperij met kloppende tafels, sprekende geesten en
+andere dingen van dien aard het bijgeloof van de hoogere en middelbare
+standen der maatschappij, inbeeldsels, even belachelijk als de droomen
+van Jakob Mispels, en zeker min verschoonbaar. Laat iemand beweren, dat
+hij het middel heeft gevonden om eenen hoed te doen spreken of eenen
+slapende door de muren te doen zien, even ras is de gansche wereld er
+mede bemoeid. Niet de arme eenvoudige lieden, neen, rijken en geleerden,
+dames uit de groote wereld, wijsgeeren, dokters, staatkundigen. Zeker,
+velen leenen zich uit scherts of uit mode tot zulke algemeene
+ingenomenheid; maar zij zijn niet min schuldig aan de gevolgen dezer
+afdwaling van het besef der waarheid en der wezenlijkheid. Het bijgeloof
+aan geesten en aan verborgene geheimzinnigheden is uiterst besmettelijk.
+Nauwelijks heeft zulke beklaaglijke hersenkoorts eenigen tijd geduurd,
+of de zinneloozenhuizen krielen van ijlhoofdige mirakeldoeners. En,
+eilaas, van alle ziekten des geestes is de verdwaling der verbeelding in
+het bovennatuurlijke de minst geneesbare!"
+
+"Alzoo, eerwaarde, gij gelooft waarlijk, dat mijn arme oom zal
+bezwijken?" vroeg de jongeling met treurige stemme.
+
+"Ik heb slechts eene zeer zwakke hoop, mijn zoon. Mij blijft altijd nog
+de vrees, dat hij uit den langen slaap niet zal opstaan, of slechts zal
+ontwaken om te sterven."
+
+"Mijne nicht is zoo gelukkig nogtans; hare blijdschap verscheurt mij het
+hart."
+
+"Mij boezemt het arme meisje insgelijks medelijden in," bevestigde de
+priester, het hoofd schuddende. "Zij schijnt haren oom met
+overdrevenheid te beminnen, en zij worstelt tegen den dood met eene
+heldhaftige standvastigheid. Wat smartelijke slag zal haar treffen,
+indien zij hare hoop teleurgesteld ziet!"
+
+Willem meende nog zijne nicht te beklagen; maar daar kwam de hovenier
+met de armen in de hoogte de kamer ingesprongen, en riep:
+
+"Mijnheer pastoor, mijnheer Willem, komt, komt, mijn meester leeft nog;
+hij heeft de handen verroerd en zich op de zijde gelegd in zijn bed!"
+
+"Is hij ontwaakt? Heeft hij de oogen geopend?" vroeg de priester.
+
+"Neen, neen; maar Theresia zendt mij om u te roepen."
+
+"Misschien vreest zij, dat zijn uur is gekomen!" murmelde de pastoor.
+
+"Kom, mijn zoon, wij zullen gaan zien. Houd u sterk; tranen noch
+klachten kunnen den dood verjagen, wanneer God hem toelaat tot een
+mensch te naderen."
+
+Toen zij in de bovenzaal traden, zagen zij wel, dat Theresia hun teekens
+van blijdschap deed; maar iets anders dan dat de zieke op de zijde lag,
+bemerkten zij niet.
+
+"Hij heeft zich verroerd, eerwaarde; hij gaat ontwaken!" murmelde
+Theresia met teruggehoudene stem.
+
+"Is het niet eene krampachtige beweging, die hem heeft aangegrepen?"
+vroeg de priester even stil.
+
+"Neen, neen, hij heeft zich langzaam en zeer zacht op de zijde gelegd.
+Ik meende hem te roepen; maar ik dorst niet, eerwaarde; gij hebt het mij
+verboden."
+
+De pastoor naderde tot het hoofdeinde en sprak luid:
+
+"Reimond, hoort gij mij?"
+
+Eene siddering scheen de leden van den zieke te doorloopen. Hij opende
+de oogen zoo wijd en met zulken glasachtigen blik, dat Jakob Mispels,
+eenen angstkreet slakend, in de kamer terugsprong, als hadde een spook
+hem aangegrijnsd.
+
+Mijnheer Reimond, alhoewel zijne oogen geopend waren, zag klaarblijkend
+nog niet, of ten minste de bewustheid en de herinnering waren nog
+afwezig; maar allengs kwam er leven in zijnen blik, en dan, den pastoor
+en het meisje verbaasd aanstarende, mompelde hij:
+
+"In de wereld der zielen? Gij insgelijks? Er zijn jaren verloopen? Gij
+zijt allen gestorven?"
+
+Theresia stak haren arm onder zijn hoofd en zoende hem, terwijl zij met
+tranen van geluk uitriep:
+
+"Neen, neen, oom lief, wij leven en gij insgelijks! Gij zijt gered, de
+dood is overwonnen. God heeft u behouden voor onze dankbaarheid, voor
+onze liefde!"
+
+"Gij leeft? Ik leef?" kreet Reimond met eene soort van afgrijzen.
+"Achteruit, weg, laat mij los!"
+
+En, zittend in zijn bed zich oprichtende, staarde hij verstomd en bevend
+rond de kamer, als kon hij zijne oogen niet gelooven.
+
+"De zon, de dag, het licht?" morde hij. "Zes uren? Ik ben niet dood?
+Eilaas, welk ongeluk! Ik wil niet leven, ik wil sterven!"
+
+En hij sloeg zich de handen voor het aangezicht en stortte tranen van
+spijt en verdriet, omdat hij, in stede van naar zijne gewaande wereld
+der zielen verhuisd te zijn, zich nog in stoffelijken vorm op aarde
+bevond.
+
+Theresia liet hem eene wijl aan zijne droefheid overgeleverd, totdat
+hij zijn aangezicht weder ontdekte. Dan voegde zij de handen te zamen en
+smeekte met eene zoo zoete stem, dat de klank er van alleen het hart
+ontroerde:
+
+"O, mijn goede oom, heb toch eenig medelijden met mij! Zie mijne tranen.
+Ik heb God zoo vurig gebeden, dat Hij u liete leven. Mijn gebed is
+verhoord, en gij wilt sterven? Gij zoudt dus tegen den Hemel zelven
+opstaan, om ons, die u zoo innig beminnen, met smart en met wanhoop te
+overladen? Onmogelijk, zulke wreedheid is vreemd aan uwe milde natuur.
+Gij kunt de waarheid niet meer loochenen: vermits gij nog leeft, was het
+eene dwaling, te gelooven dat gij moest sterven."
+
+"Ja, ja, het was eene dwaling," morde hij, "maar er zijn misleidende
+geesten."
+
+En de hand van zijnen neef grijpende, zeide hij klagend:
+
+"Willem, Willem, het was een spotgeest! Hij heeft mij jaren lang
+bedrogen. Indien ik nog niet onmiddellijk tot de wereld der zielen mag
+opvaren, zullen wij te zamen eenen rechtzinnigen geest zoeken, en wij
+zullen hem vinden, wees zeker.... Maar, indien hij mij insgelijks
+aangaande uw huwelijk had misleid? Gij zijt vrij, mijn neef; alhoewel
+uwe nicht een goed en liefderijk meisje is, zijt gij niet verplicht met
+haar te trouwen."
+
+"Het is de wil van God: wij moeten vereenigd worden, om te zamen u
+gelukkig te maken, oom lief," mompelde Willem, die schier niet spreken
+kon van ontroering.
+
+"Mij gelukkig maken?" herhaalde Reimond met eenen lichten spotlach. "Gij
+meent dus, dat ik nog lang op aarde zal blijven?"
+
+"Ja, ja, weldoener mijner ouders, ja, goede oom, gij zult leven tot
+eenen hoogen, zaligen ouderdom!" riep Theresia, hem streelend de armen
+om den hals slaande. "Tot nu toe was de wereld voor u eene sombere,
+droeve eenzaamheid. Wij zullen ze rondom u verlichten, al die vijandige
+gepeinzen van u verjagen en u bewijzen, dat God de aarde schoon en
+vroolijk genoeg heeft gemaakt, om er geduldig te wachten totdat Hij ons
+roepe. Bezie mij. Die oogen stralend van genegenheid tot u, dat
+voorhoofd waarop de mismoed nog geene rimpelen heeft gegraven, die mond
+u toelachend van dankbaarheid, zullen zij u niet meer verheugen dan het
+grimmig doodshoofd, waarop gij jaren lang hebt gestaard? Ach, aanvaard
+het leven, dat u overblijft. De bloemen des moeds en der blijheid zullen
+voor uwe voeten ontschieten bij elken stap. Gij zult eten, sterk worden,
+de milde natuur beminnen; wij zullen wandelen, rijden, op reis gaan,
+zingen, juichen, God danken, weelde rondstrooien, de armen helpen, in de
+liefdadigheid de zon zoeken, die uw edelmoedig hart met het licht der
+zelfvoldoening moet vervullen! O, ik smeek u, geef mij een troostend
+woord! Droog mijne tranen; zeg, dat gij niet meer wilt sterven!"
+
+Reimond scheen half overwonnen; doch hij worstelde nog en schudde
+twijfelende het hoofd.
+
+Willem trad nader.
+
+"Oom lief," sprak hij met eene stem, die van diepe ontsteltenis
+getuigde, "wat Theresia u voorspelt, zal waarheid worden. Ons gansche
+leven, elk oogenblik van ons bestaan zal aan uw geluk worden toegewijd.
+O, weersta haar gebed niet langer; verjaag het ziekelijk denkbeeld des
+doods! Waarom nog denken aan de openbaringen van eenen geest, die u zoo
+wredelijk heeft bedrogen?"
+
+"En gij zult mij helpen om eenen goeden geest te vinden?"
+
+"Ja, ja, ik zal al doen wat gij verlangt."
+
+"Hij is gevonden, de goede geest!" juichte Theresia. "Ik ben de goede
+geest; ik zal u verdedigen tegen de bekoringen van de vijanden der
+ziel!"
+
+"Welnu, kinderen," riep Reimond, de armen openende, "zijt tevreden, ik
+zal leven zoolang het God belieft!"
+
+Een zegevierende schreeuw klonk door de zaal, en de beide jongelieden
+sprongen juichend de omhelzing van hunnen oom te gemoet.
+
+De pastoor schouwde dankend ten hemel.
+
+Jakob danste, Peternelle lachte, en Nox, de hond, liep kwispelstaartend
+en van vreugde knorrend rondom het bed.
+
+ * * * * *
+
+Nu is Wildenborg een schoon buitengoed. Wegen en dreven zijn door het
+bosch getrokken; het kasteel is hersteld en glanst uit de verte door het
+blinkend wit zijns gevels en het helder-groen zijner vensters. Geen
+onkruid meer in den hof; slingerende paden, lustboschjes en bloemen
+overal. De lucht is er beladen met balsemgeuren; de eenzaamheid is er
+bezield door den zang der vogelen en door de galmen eener zoetluidende
+vrouwestem, welke des avonds begeleid wordt door de klanken der piano of
+der luit. Men houdt er dienstknechts, meiden en hoveniers. Er is
+dikwijls gezelschap; somwijlen rijden er op éénen dag vier of vijf
+koetsen door den hof; somwijlen ook is het als eene processie van arme
+menschen, die de dreef instapt om naar het kasteel te gaan, waar de
+pastoor, in naam der eigenaars van Wildenborg, milde en overvloedige
+aalmoezen uitdeelt.
+
+Mijnheer Reimond leeft nog; hij wandelt gansche dagen in den hof; hij is
+zelfs liefhebber van bloemen geworden en lacht niet zelden de natuur aan
+als ware het leven op aarde hem zoet.
+
+Wel heeft hij nu en dan neiging naar eenzaamheid; wel schijnt hij nog
+immer aangedreven om opnieuw in gemeenschap met de geesten te komen;
+maar zoohaast zijne afgetrokkenheid of de vastheid van zijnen blik die
+strekking verraadt, omringen hem geesten van eenen anderen aard,
+engelen, die hem geene rust laten en tegen zijne geheime gepeinzen
+worstelen, totdat ze weder geheel zijn overwonnen en verjaagd.
+
+Deze goede geesten zijn Willem en zijne echtgenoote Theresia; deze
+beschermengelen zijn hunne vier lieve kinderen, die geleerd hebben, den
+ouden oom te beminnen, en die hem tergen en op zijnen rug klimmen, en
+hem streelen en hem zoenen, totdat de glimlach der voldoening zijn
+gelaat kome bestralen.
+
+Jakob Mispels rust op het kerkhof onder een schoon kruis; Peternelle
+woont nog in haar huisje, en heeft eene meid, om haar te dienen.
+
+Nox, de hond, is van ouderdom half lam; maar het arme beest doet nog
+geweld om zich dankbaar te toonen voor zijne meesters en hunne kinderen,
+die allen jegens hem goed zijn en voor hem zorgen.
+
+[Voetnoot 1: Necromancie]
+
+[Voetnoot 2: Phrenologie.]
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Ziekte der Verbeelding, by Hendrik Conscience
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZIEKTE DER VERBEELDING ***
+
+***** This file should be named 20536-8.txt or 20536-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/0/5/3/20536/
+
+Produced by Frank van Drogen, Clare Boothby and the Online
+Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/20536-8.zip b/20536-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..f0fc988
--- /dev/null
+++ b/20536-8.zip
Binary files differ
diff --git a/20536-h.zip b/20536-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..3b92b0e
--- /dev/null
+++ b/20536-h.zip
Binary files differ
diff --git a/20536-h/20536-h.htm b/20536-h/20536-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..54b26c7
--- /dev/null
+++ b/20536-h/20536-h.htm
@@ -0,0 +1,5534 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml">
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" />
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Ziekte der Verbeelding, by Hendrik Conscience.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+/*<![CDATA[ XML blockout */
+<!--
+ p { margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+ }
+ h1,h2,h3,h4,h5,h6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ clear: both;
+ }
+ hr { width: 33%;
+ margin-top: 2em;
+ margin-bottom: 2em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ clear: both;
+ }
+
+ table {margin-left: auto; margin-right: auto;}
+
+ body{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+ max-width: 50em;
+ }
+
+ .pagenum { /* uncomment the next line for invisible page numbers */
+ /* visibility: hidden; */
+ position: absolute;
+ left: 92%;
+ font-size: smaller;
+ text-align: right;
+ } /* page numbers */
+
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .blockquot{margin-left: 5%; margin-right: 10%;}
+ .sidenote {width: 20%; padding-bottom: .5em; padding-top: .5em;
+ padding-left: .5em; padding-right: .5em; margin-left: 1em;
+ float: right; clear: right; margin-top: 1em;
+ font-size: smaller; color: black; background: #eeeeee; border: dashed 1px;}
+
+ .bb {border-bottom: solid 2px;}
+ .bl {border-left: solid 2px;}
+ .bt {border-top: solid 2px;}
+ .br {border-right: solid 2px;}
+ .bbox {border: solid 2px;}
+
+ .center {text-align: center;}
+ .smcap {font-variant: small-caps;}
+ .u {text-decoration: underline;}
+
+ .caption {font-weight: bold;}
+
+ .figcenter {margin: auto; text-align: center;}
+
+ .figleft {float: left; clear: left; margin-left: 0; margin-bottom: 1em; margin-top:
+ 1em; margin-right: 1em; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .figright {float: right; clear: right; margin-left: 1em; margin-bottom: 1em;
+ margin-top: 1em; margin-right: 0; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .footnotes {border: dashed 1px;}
+ .footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;}
+ .footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;}
+ .fnanchor {vertical-align: super; font-size: .8em; text-decoration: none;}
+
+ .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;}
+ .poem br {display: none;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ // -->
+ /* XML end ]]>*/
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+Project Gutenberg's De Ziekte der Verbeelding, by Hendrik Conscience
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Ziekte der Verbeelding
+
+Author: Hendrik Conscience
+
+Release Date: February 6, 2007 [EBook #20536]
+[Last updated: August 27, 2011]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZIEKTE DER VERBEELDING ***
+
+
+
+
+Produced by Frank van Drogen, Clare Boothby and the Online
+Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div>
+<br />
+<br />
+</div>
+
+
+<h2>Hendrik Conscience.</h2>
+
+<h1>De Ziekte der Verbeelding.</h1>
+
+<div>
+<br />
+<br />
+</div>
+<h4><a name="LEIDEN_A_W_SIJTHOFF" id="LEIDEN_A_W_SIJTHOFF"></a>LEIDEN.&mdash;A. W. SIJTHOFF.</h4>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_3" id="Page_3">[Pg 3]</a></span></p><h4>1880.</h4>
+<div>
+<br />
+<br />
+</div>
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_4" id="Page_4">[Pg 4]</a></span></p>
+<hr style="width: 65%;" />
+
+<!-- Autogenerated TOC. Modify or delete as required. -->
+<p>
+<span style="margin-left: 2em;"><big><b>Inhoud</b></big><br /></span>
+<span style="margin-left: 4em;"><a href="#I"><b>I.</b></a><br /></span>
+<span style="margin-left: 4em;"><a href="#II"><b>II.</b></a><br /></span>
+<span style="margin-left: 4em;"><a href="#III"><b>III.</b></a><br /></span>
+<span style="margin-left: 4em;"><a href="#IV"><b>IV.</b></a><br /></span>
+<span style="margin-left: 4em;"><a href="#V"><b>V.</b></a><br /></span>
+<span style="margin-left: 4em;"><a href="#VI"><b>VI.</b></a><br /></span>
+<span style="margin-left: 4em;"><a href="#VII"><b>VII.</b></a><br /></span>
+<span style="margin-left: 4em;"><a href="#VIII"><b>VIII.</b></a><br /></span>
+</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="I" id="I"></a>I.</h2>
+
+
+<p>Te midden der onmeetbare heide, die langs de noordelijke grenzen onzer
+provincie Limburg, als de bodem eener opgedroogde zee, vele uren verre
+onafgebroken voortloopt, ligt een oud en donker bosch.</p>
+
+<p>Waarschijnlijk dat hier in verledene eeuwen een uitgestrekt moeras heeft
+bestaan; want het zijn geene masten of dennen, die er groeien: de eik,
+de wilg, de abeel, de els en andere breed-bladerige boomen woekeren er
+met hunne wortelen in de vette, mullige aarde.</p>
+
+<p>Zoo diep ligt de grond van het bosch, dat de reiziger, die over de heide
+trekt, uit de verte nauwelijks de toppen der boomen als eene duistere
+vlek op de zandwoestijn ontwaart. Wanneer hij, afgemat en door het
+gevoel der lange eenzaamheid zwaarmoedig, den boord der diepte nadert,
+verblijdt het gezicht van het schaduwrijk loover hem niet; integendeel,
+hij blijft verrast en aarzelend staan. Die ondoordringbare groene klomp,
+de volstrekte stilte, welke er heerscht, de koude vochtigheid, welke hem
+tegenwasemt,&mdash;dit alles doet hem droomen aan eene nog volledigere
+eenzaamheid, aan iets geheel afgezonderds, aan iets geheimzinnigs;&mdash;en,
+of hij vrees hebbe voor kwaaddoeners of voor onbegrepen gevaren, niet
+zonder bekommerdheid stapt hij den eenigen weg in, die tusschen het
+somber en doodstil geboomte wegschiet.</p>
+
+<p>In den diepsten schoot van dit bosch lag het kasteel Wildenborg.</p>
+
+<p>Het was een groot vierkant gebouw, uit rooden baksteen gemetseld, zwaar,
+bonkig en zonder eenig kenmerk van kunst of van smaak.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_5" id="Page_5">[Pg 5]</a></span></p><p>De twee uitgebrokkelde torens, die boven zijn achterdeel zich
+verhieven, en de vorm der vensters lieten herkennen, dat het in den
+Spaanschen tijd was gesticht geworden.</p>
+
+<p>Zeker moesten de eigenaars sedert meer dan eene halve eeuw het onderhoud
+van dit kasteel geheel verwaarloosd hebben. Vele kareelen waren uit de
+muren gevallen, de naden tusschen de steenen waren diep uitgehold,
+overal in den gevel wortelden wilde gewassen, en op sommige plaatsen
+wiegelden de tengere ranken van het helmkruid in machtige bossen in den
+wind.</p>
+
+<p>Een oude, knoestige wijngaard had weleer een gedeelte des gevels
+overdekt, maar bij gebrek aan steun was hij voorover gevallen en lag nu
+met het hoofd ter aarde neergebogen, zonder dat iemand er aan had
+gedacht hem weder op te richten.</p>
+
+<p>Bij het gezicht zulker bouwvalligheid hadde men licht geloofd, dat
+Wildenborg eerlang van ouderdom in gruis zou storten, bovenal wanneer
+men bemerkte, dat eene breede scheur, met hoekige bewegingen als het
+nagelaten spoor des bliksems, tot in de grondvesten des gevels daalde.</p>
+
+<p>Op een honderdtal stappen des kasteels, achter het roestig ijzeren hek,
+dat den ingang afsloot, stond een klein boerenhuisje, met zijnen stal en
+met zijnen afgezonderden oven, ongetwijfeld bestemd tot woning voor
+eenen hovenier.</p>
+
+<p>Indien er zulk een arbeider tegenwoordig was, moest hij niet zeer
+vlijtig zijn; want de vruchtboomen, die binnen het landgoed stonden,
+waren verwilderd, en tot op de voetpaden zelve groeide woekerend gras,
+terwijl de bloembedden en zoden door machtige natuurkruiden, als
+bereklauw, smeerwortel en klissen, waren ingenomen.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Op eenen zomermorgen van het jaar 1855 bevond er zich eene zeer oude
+vrouw in de benedenkamer van het hoveniershuis. Zij had de koffie
+opgeschonken in eenen zilveren pot, en zette nu op een verlakt
+schenkbord eene drinkkom van verguld porselein. De kostbaarheid dezer
+voorwerpen kwam in het geheel niet overeen met het overige huisraad der
+kamer. Alles was er, zoo niet vuil, ten minste zeer oud en versleten.
+Men mocht dus vermoeden, dat de zilveren koffiekan en de porseleinen
+drinkkom voor eenen persoon van meerderen rang bestemd waren.</p>
+
+<p>De oude vrouw, nadat zij een tarwebrood op het schenkbord had gelegd,
+ging tot een wijwatervat, dat aan den muur hing, bevochtigde hare
+vingeren en maakte het teeken des kruises met eene uitdrukking van
+droefheid. Zij trok daarop eenen rozenkrans uit den zak, zette zich op
+eenen stoel en zonk weg in het gebed.</p>
+
+<p>Lang bleef zij dus in stilte de lippen verroeren. Zij had reeds vele
+malen de oogen smeekend, ten hemel opgeheven, toen een man met eene
+spade op den schouder in de<span class='pagenum'><a name="Page_6" id="Page_6">[Pg 6]</a></span> kamer trad en zwijgend en als verschrikt
+haar aanschouwde.</p>
+
+<p>Deze man kon wel zeventig jaar oud zijn, want zijne haren waren
+zilverwit, zijn rug gekromd en zijn aangezicht doorploegd met diepe
+rimpelen. Ofschoon zijne oogen nog levendig waren, gaf de dikheid zijner
+lippen&mdash;iets ongewoons in zulken ouderdom&mdash;hem een zonderling voorkomen
+van eenvoudigheid of van bekrompenheid des geestes.</p>
+
+<p>"Peternelle, is Nox nog niet gekomen om mij te roepen?" vroeg hij, zijne
+spade ten gronde zettende.</p>
+
+<p>De vrouw schudde ontkennend het hoofd.</p>
+
+<p>Deze stilzwijgendheid scheen den ouden hovenier niet te behagen, want
+hij liet zich grommende op eenen stoel vallen en hief de handen in de
+hoogte, als om den hemel zijn droevig lot te klagen.</p>
+
+<p>En oogenblik daarna zeide hij:</p>
+
+<p>"Maar Peternelle, bezie de klok, het gewone uur is voorbij. Zou er
+mijnheer wel een ongeluk overkomen zijn? O, mijn God, indien wij hem
+eens onverwachts dood vonden?"</p>
+
+<p>"Om Gods wil, laat mij bidden," morde de vrouw.</p>
+
+<p>"Het is niet meer om uit te staan!" riep de man. "Ik verga van angst en
+schrik, en kan nog geen enkel woordje tot troost of versterking bekomen.
+Peternelle, Peternelle, gij zult zeker in eenen visch veranderen, als
+gij dood zijt. Ik zou kunnen boos worden, in de gedachte dat gij het
+doet om mij te plagen, maar neen, neen, gij hebt er geene schuld aan,
+mensch lief, het is eene vermaledijding, die op Wildenborg ligt. Sedert
+den ijselijken nacht heeft alles hier de stem verloren. Onze vorige koe
+bulkte niet meer, en onze nieuwe was nog geene twee maanden hier, of zij
+had hare beestentaal geheel vergeten. Onze eenden kwaken niet eens in
+vijftien dagen, of het dreige te regenen of niet. Geen vogel op
+Wildenborg, die piept of zingt! Ik ben niet doof; ik hoor den vink wel,
+die zingt in den appelboom; maar het is een trekvogel. Blijft hij in
+deze vermaledijde streek, dan zal hij haast voor altijd zijn liedje
+vergeten. Evenals gij, Peternelle, die eertijds den mond geene minuut
+kondet gesloten houden, en nu onmeedoogend mij dwingt, altijd zoo
+troosteloos alleen met mij zelven te spreken."</p>
+
+<p>De vrouw haalde de schouders op met eene uitdrukking van ongeduld en
+medelijden.</p>
+
+<p>Den rug tot haar keerende, morde de oude man in zich zelven:</p>
+
+<p>"Neen, neen, ik blijf niet hier; ik zal den schrikkelijken dag niet
+afwachten. Er gebeuren nu reeds zulke akelige dingen op Wildenborg! Wat
+zal het zijn, als de zwarte man.... Onze Lieve Heer beware alle
+Christenmenschen, en bovenal den armen Jakob Mispels met zijne onnoozele
+vrouw!... Mijn rampzalige meester! zoo jong moeten sterven, en welken
+dood, o hemel!<span class='pagenum'><a name="Page_7" id="Page_7">[Pg 7]</a></span> Dit komt er van, als de mensch meer wil weten dan God
+toe laat en boeken leest, die vol verbodene geheimen staan. Het hart
+zakt mij in de schoenen en mijn haar rijst te berge, als ik er aan denk.
+De donder heeft reeds eens in den schromelijken nacht het kasteel
+opengescheurd. Zal het ditmaal niet door den grond zinken met allen, die
+het bewonen? Het kost mij veel, op het einde van mijn leven mijnen
+dienst te verlaten; maar ik wil niet wachten, totdat de zwarte man ons
+hier den nek kome breken. Neen, neen, ik vlucht weg van Wildenborg; want
+men kan toch niet...."</p>
+
+<p>Peternelle eindigde haar gebed met een kruis. Een holle, pijnlijke zucht
+welde op uit hare beklemde borst.</p>
+
+<p>De hovenier, door dezen vreemden klank met plotselijken schrik geslagen,
+keerde zich om, hief de handen in de hoogte en riep bevend:</p>
+
+<p>"God beware ons, Peternelle! De zwarte man staat onzichtbaar in de
+kamer!"</p>
+
+<p>"O, wat gebeurt u, Jacob?" kreet de vrouw verschietend. "Hebt gij iets
+gezien?"</p>
+
+<p>"Ik heb niets gezien," was het antwoord; "maar ik hoorde achter mij
+eenen heeschen zucht gelijk de stem van Nox. Hij is dus tegenwoordig in
+deze kamer, zonder dat wij het wisten!"</p>
+
+<p>"Maar ik zelve heb dien zucht gelaten, ik ben een beetje verkouden."</p>
+
+<p>"Gij zijt het, die hebt gezucht, Peternelle? Wel zeker?"</p>
+
+<p>"Geheel zeker. Ach Jacob, waarom maakt gij mij dus altijd nutteloos
+vervaard?"</p>
+
+<p>"Uw zwijgen maakt mij vervaard."</p>
+
+<p>"Waarom zou ik spreken, Jakob? Gij zegt niets dan dwaasheden, die mij
+doen verschieten of mij vervelen. En wat kan spreken ons helpen? Bidden,
+bidden alleen is het redmiddel, indien er nog een redmiddel bestaat."</p>
+
+<p>"Ja, en kruisen maken. Hadden wij met eenen gewonen geest te doen, ik
+zou hopen, dat wij hem door dit middel zouden kunnen overwinnen; maar,
+Peternelle, staat er niet een groot kruis in de kamer, waar hij alle
+nachten slaapt? Het is te zeggen, indien hij slaapt. Neen, neen, het
+beste is, van Wildenborg te vertrekken, vooraleer de noodlottige dag
+verschijne. Indien onze ongelukkige meester moet ... moet sterven, wij,
+zwakke schepsels, kunnen het toch niet beletten; en ik gevoel mij niet
+den minsten lust om hem naar de andere wereld te vergezellen. Willen wij
+heden nog onzen dienst opzeggen, Peternelle?"</p>
+
+<p>"Foei, welk afschuwelijk voornemen is dit!" sprak de oude vrouw met
+verontwaardiging. "Wij, die, om zoo te zeggen, van kindsbeen af het
+brood der Reimonds hebben gegeten, wij zouden onzen ongelukkigen meester
+gaan verlaten, nu een droeve dood<span class='pagenum'><a name="Page_8" id="Page_8">[Pg 8]</a></span> hem bedreigt? Nimmer, Jakob; wat er
+ook geschiede, ik verlaat hem niet zoolang hij leeft."</p>
+
+<p>"Zijt gij dan niet vervaard, Peternelle? Vreest gij niet, dat de zwarte
+man ons beiden...."</p>
+
+<p>"Ik ben vervaard en bedrukt, omdat onze arme meester gaat sterven. Wat
+mij zelve betreft, mijne ziel is in vrede met God. Acht dagen zijn
+spoedig voorbij."</p>
+
+<p>"Ja, Peternelle, het is niet, dat iets mij op het geweten drukt, ik ben
+Zondag immers te biechten geweest? En ik zal zorg dragen, in den avond
+v&oacute;&oacute;r den ijselijken dag nog eens den pastoor te gaan spreken."</p>
+
+<p>"Welnu, Jakob, wat vreest gij dan voor u zelven?"</p>
+
+<p>De oude man schudde grimmig het hoofd.</p>
+
+<p>"Wat ik vrees?" morde hij, "van alles. Zoudt ge niet zeggen, Peternelle,
+dat wij hier in volle zekerheid tusschen engelen leven, terwijl
+integendeel de lucht op Wildenborg krielt van kwade zielen en booze
+geesten?&mdash;Trek de schouders niet op, Peternelle. Dezen nacht heb ik
+weder druppelen gezweet van angst. Nauwelijks had ik de oogen gesloten,
+of er kwam iets, als een ruig beest met gloeiende oogen en knarsende
+tanden, mij op de borst liggen...."</p>
+
+<p>"Gij hebt gisterenavond te veel gegeten," bemerkte de vrouw.</p>
+
+<p>"Neen, neen; de nachtmare, wilt gij zeggen? Dit was het niet. Ik schoot
+wakker, en, hoe ik mij wendde of keerde, ik kon niet meer slapen. Dan
+ging ik aan het venster; het was daarbuiten donker als in de hel. Wat ik
+tusschen de boomen heb gezien, durf ik u niet zeggen."</p>
+
+<p>"Wat hebt gij gezien?" vroeg de vrouw. "Alweder dwaze grillen, zeker?"</p>
+
+<p>"Wat ik heb gezien? Ik weet het zelf niet, Peternelle. Witte, grijze
+gedaanten, als dooden, die uit het graf zijn opgestaan: zoo gelijk eene
+processie van lijkdoeken met geraamten er onder, en zwarte vogels en
+beesten, onduidelijk als morgenmist, maar ijselijk toch om te
+aanschouwen."</p>
+
+<p>Peternelle onthaalde deze woorden met eenen grimlach van medelijden.</p>
+
+<p>"Ik weet wel een middel om onzen armen meester te redden," zeide de
+hovenier na een oogenblik stilte.</p>
+
+<p>"Een middel om onzen meester te redden?" kreet de vrouw. "Ha, het is uw
+goede engel, die het u insprak!"</p>
+
+<p>"Neen, Peternelle, want ik denk er sedert lang aan, en daarenboven het
+is onmogelijk om uit te voeren. Durfde ik slechts een beetje vergif in
+het eten van dien vervloekten Nox doen. Dan ware mijnheer van zijnen
+verleider en van zijnen helschen bewaker verlost; maar Nox zou het op
+voorhand weten, en wat zou ons dan geschieden?&mdash;Gij wilt het kasteel
+niet verlaten,<span class='pagenum'><a name="Page_9" id="Page_9">[Pg 9]</a></span> Peternelle? Gij zijt besloten om hier nog eene gansche
+week te blijven en den noodlottigen dag af te wachten? Wij zullen dus
+den akeligen dood van onzen meester moeten bijwonen? In Gods naam dan,
+indien wij niet eerder van schrik bezwijken.&mdash;Het is wonder, dat Nox nog
+niet gekomen is om mij te roepen. Een half uur reeds is hij ten
+achteren.&mdash;Wilde mijnheer mij slechts toelaten eenen waker of twee in
+huis te nemen? Ach, hij wil er niet van hooren. Noch ziekendienster noch
+dokter mag den voet op Wildenborg zetten; de pastoor alleen komt hier
+somwijlen; maar de pastoor, als ik hem van al die schrikkelijke dingen
+spreekt, lacht mij uit...."</p>
+
+<p>"Zwijg, Jakob, daar is Nox!" zeide de vrouw.</p>
+
+<p>Er kwam een groote zwarte hond in de kamer. Hij moest zeer oud zijn;
+want hij had een gedeelte van zijn haar verloren, terwijl het overige in
+verwarring rechtstond. Hij hief het hoofd tot den verschrikten man op,
+bezag hem met zijne glasachtige oogen en opende den muil, als wilde hij
+spreken of bassen; maar het schorre geluid, dat uit zijnen gorgel
+opklom, geleek veeleer aan den kuch van eenen verkouden grijsaard dan
+aan de stem van een dier.</p>
+
+<p>Jakob Mispels antwoordde bevend:</p>
+
+<p>"Het is wel, Nox, zeg mijnheer, dat ik aanstonds ga komen."</p>
+
+<p>De hond keerde zich om en liep het huis uit.</p>
+
+<p>"Hebt gij opgemerkt, Peternelle, hoe grimmig Nox mij heeft bezien?"</p>
+
+<p>"Ja, ik dacht, dat hij u ging bijten."</p>
+
+<p>"Bijten? Gave God, dat wij anders niets van hem te vreezen hadden. Hij
+weet het reeds, dat wij onvriendelijk van hem hebben gesproken!"</p>
+
+<p>Hem het schenkbord op de armen zettende, zeide de vrouw:</p>
+
+<p>"Kom, spoed u maar; mijnheer zal misschien reeds spijtig zijn, omdat
+zijne koffie schier koud geworden is."</p>
+
+<p>Jakob Mispels begaf zich door het eenige nog gebaande voetpad naar het
+kasteel, stapte door eenen donkeren gang, trad in eene soort van zaal,
+zette het schenkbord op eene tafel en zeide:</p>
+
+<p>"Mijnheer, ziehier uw ontbijt. Wel bekome het u!"</p>
+
+<p>De persoon, wien hij deze woorden toerichtte, wees tot alle antwoord
+naar eenen stoel, waarop de ontstelde hovenier zich liet nederzakken
+zonder eenig gerucht te durven maken, dewijl hij wel zag, dat zijn
+meester met iets bezig was en niet wilde gestoord worden.</p>
+
+<p>Mijnheer Reimond, de eigenaar van Wildenborg, zat in eenen leunstoel
+voor eene breede tafel, met de rechterhand op een doodshoofd en met den
+blik in de holle oogen van den schedel gevestigd, als ware hij er mede
+in samenspraak geweest. Hij bleef zwijgend en roerde niet.<span class='pagenum'><a name="Page_10" id="Page_10">[Pg 10]</a></span></p>
+
+<p>De zonderlinge man kon ongeveer de vijftig jaar bereikt hebben, alhoewel
+hij veel ouder scheen. Zoo buitengewoon mager was hij, dat zijn gebeente
+op rug en schouders den kamerrok ophief, waarin hij zich gewikkeld had;
+ja, zijne mouwen vielen zoo plat op de tafel, dat men er noch vleesch
+noch beenderen kon onder vermoeden. Gansch weggesmolten waren zijne
+wangen, en hij had volstrekt het voorkomen van een gekleed geraamte.
+Maar zijne oogen, hoe diep ook in hunne holen verzonken, waren nog
+helder en schitterden, als hadde in elk eene vuurvonk geglinsterd.</p>
+
+<p>Nox, de hond, zat nevens hem met den muil op zijne knie, en schijnbaar
+het oogenblik afspiedend, dat zijn meester uit zijne stille samenspraak
+met het doodshoofd zou ontwaken.</p>
+
+<p>In de zaal, die behangen was met oud en verdonkerd goudleder, was weinig
+ander huisraad dan eene breede tafel en twee of drie stoelen. Op
+berderen, die in eenen hoek aan den wand waren bevestigd, stonden eenige
+groote boeken met perkamenten band; wat hooger bemerkte men eenen
+wereldbol, een gestel met glazen schijven, dat gediend had om
+<i>electriciteit</i> te verwekken, eene soort van koperen tooverlantaarn of
+<i>fantasmagorie</i> en twee of drie geraamten van dieren, alles ontsteld,
+uiteengevallen en overdekt met spinnewebben en met eene dikke laag stof.</p>
+
+<p>Boven den schoorsteen hing een groot crucifix en daaronder stond een
+zwaar uurwerk, waarvan de vorm en de beweging iets zonderlings hadden.
+Geene naalden of wijzers waren er aan te bemerken; het was de uurplaat
+zelve, die draaide; maar daarnevens op het voetstuk zat het beeld des
+doods, dat met den vinger den loop des tijds aantoonde.</p>
+
+<p>Jakob Mispels had zijnen meester in het eerst met diep medelijden
+aanschouwd, en hij had zelfs eenen glinsterenden traan van de wangen
+gevaagd. Nu evenwel klopte het benauwde hart hem onstuimig in den boezem
+en hij begon op zijnen stoel te woelen. Het stilzwijgen zijns meesters
+duurde ook zoo tergend lang, en het was den armen man zoo eendig en zoo
+akelig in deze zaal, bovenal nu de afgrijselijke hond het hoofd naar hem
+hield gericht en zijne gloeiende oogen niet meer van hem wilde afkeeren.</p>
+
+<p>Een zucht ontsnapte hem, toen hij bemerkte, dat zijn meester de hand van
+het doodshoofd ophief en bukte om eenen houten schotel te grijpen, die
+onder de tafel stond.</p>
+
+<p>Mijnheer Reimond sneed een gedeelte van het brood, brokkelde het in den
+schotel en zette het den hond voor, die uit dankbaarheid hem de handen
+lekte en met een heesch geknor van blijdschap zijn voedsel begon te
+verslinden.</p>
+
+<p>Wonder vrij en krachtig waren de bewegingen van mijnheer Reimond, ten
+minste voor zulk uitgemergeld mensch. Bij den glans zijner oogen en de
+heldere uitdrukking zijns gelaat, waarop<span class='pagenum'><a name="Page_11" id="Page_11">[Pg 11]</a></span> nu een zoete glimlach speelde,
+zou men geoordeeld hebben, dat hij, ondanks zijne buitengewone
+magerheid, gezond was en hem niets scheelde. Hij brak van het brood een
+stukje zoo groot als een duim, doopte het in wat koffie en stak het zich
+in den mond. Dan het schenkbord terzijde schuivende, zeide hij:</p>
+
+<p>"Wanneer de ziel al onzen tijd vordert, blijft er niet veel van over
+voor het lichaam.... Jakob, ik heb met u te spreken."</p>
+
+<p>De oude hovenier, die met eenen versmachten kreet was rechtgesprongen,
+riep klagend uit:</p>
+
+<p>"O, mijnheer, is dit nu eten? Wilt gij u zelven dan van honger laten
+sterven?&mdash;Ik begrijp het, de schrik ... maar gij kunt het niet weten:
+misschien is er nog hoop!"</p>
+
+<p>"Welke hoop, mijn vriend?" was het stille antwoord. "Dat mijn lichaam
+niet ten einde dezer dagen zal sterven? Waarom zou ik hopen? Ik verlang
+het niet. Zet u neder en blijf rustig."</p>
+
+<p>"Alzoo?" kreet Jakob Mispels met tranen in de oogen, "het is wel waar,
+het is onherroepelijk? Ik ga mijnen goeden meester verliezen voor
+altijd?"</p>
+
+<p>"Vandaag, binnen acht dagen of later, wat is daaraan gelegen, Jakob? Het
+leven is op zich zelf niets; het is een klein gedeelte van ons bestaan,
+een enkele stap der ziel in de baan der eeuwigheid."</p>
+
+<p>"Ja maar, mijnheer, met uw oorlof, men kan dien stap zoowel later als
+vroeger doen."</p>
+
+<p>"Neen, Jakob, het uur, het oogenblik van dien stap staat aangeteekend in
+het groote boek der zielen. En indien gij het verlangdet, zou ik u
+waarschijnlijk kunnen zeggen, op welken dag gij onfeilbaar zult
+sterven."</p>
+
+<p>"Om Gods wil, mijnheer, doe het niet!" smeekte de verschrikte hovenier,
+met de handen opgeheven. "Moest ik het uur mijns doods weten, ik zou van
+nu af aan beginnen te sterven, al ware ik zeker van nog twintig jaar te
+leven."</p>
+
+<p>"Wees niet bevreesd, ik zal het u niet zeggen," antwoordde mijnheer
+Reimond met eenen glimlach. "Uwen geest ontbreekt het licht en uwer
+ziele de sterkte, die er noodig zijn om den dood aan te zien, zooals hij
+is. Uwe natuur is nog zeer onvolmaakt, en gij zult nog meer dan eens
+moeten herleven, vooraleer de eeuwige rust en het eeuwige geluk te
+bereiken."</p>
+
+<p>"Indien ik maar geen hond of varken moet worden, is het mij al gelijk,
+als ik slechts leef," morde de hovenier. "Ja, mijnheer, neem het mij
+niet kwalijk; maar mijn dom verstand zegt mij, dat het niets zou zijn te
+weten, wanneer men zal sterven, indien men maar wist, waar men naartoe
+zal gaan."</p>
+
+<p>"Inderdaad, Jakob, het ware ten minste eene groote voldoening; maar er
+zijn geheimen, welke God zelfs voor de zielen en de geesten houdt
+verborgen. Meer dan eens heb ik den geest, die in dit doodshoofd woont,
+over mijn toekomstig lot ondervraagd. Hij is<span class='pagenum'><a name="Page_12" id="Page_12">[Pg 12]</a></span> altijd stom gebleven en
+heeft mij doen verstaan, dat hij het niet weet of niet mag
+openbaren...."</p>
+
+<p>Onverwachts, als voelde hij zich door een venijnig dier gebeten, sprong
+de hovenier van zijnen stoel op en deinsde met grooten schrik achteruit.
+Hij had Nox verrast, die met den snuit in den zak van zijnen jas
+wroetelde, en, niet wetende wat het beest voorhad, riep hij uit:</p>
+
+<p>"O, mijnheer, help! help! De duivel, ik wil zeggen de hond! O, hemel,
+wat wil hij van mij?"</p>
+
+<p>Maar Nox, op de dreigende stem zijns meesters, ging met hangenden staart
+tot hem en legde iets in zijne hand, dat naar een eind verdroogde worst
+geleek.</p>
+
+<p>"Ha, Jakob, Jakob," zeide mijnheer Reimond op treurigen toon, "gij eet
+vleesch? Hadt gij mij niet beloofd, al wat leven heeft te sparen, en
+slechts in kruiden en in gegroeide dingen uw voedsel te zoeken? Hebben
+de dieren geene ziel? Is het lichaam niet dikwijls bij hen, gelijk bij
+ons, het stoffelijk omkleedsel van een wezen, dat door lijden en
+beproeving tot volmaaktheid wordt voorbereid? En indien bij geval uwe
+ziel in den vorm van een zwijn, van een schaap of van welk ander dier
+moest verhuizen, zoudt gij het niet beklagen, dat het mes der
+beenhouwers uwe baan naar de eeuwigheid kwame onderbreken en
+belemmeren?"</p>
+
+<p>"Ach, mijnheer!" stamelde de onthutste man, "vergeef mij mijne
+eenvoudigheid. Wat die weinig aangename verhuizing der zielen betreft,
+het is mogelijk, dat het zal zijn zooals uw doodskop,&mdash;neen, ik meen,
+zooals gij het zegt, maar mijn verstand is te klein om het te begrijpen.
+En al begreep ik het, zonder vleesch, of ten minste vet of boter, zou ik
+niet kunnen leven. Ik heb het eens beproefd en het acht of tien dagen
+volgehouden. Ik herkende mij zelven in den spiegel niet meer, en mijne
+arme vrouw deed niets dan tranen storten, in de meening dat ik de tering
+had."</p>
+
+<p>"Nu, het is uwe zaak, Jakob, gij zult er na uwen dood voor boeten, wees
+zeker," zeide mijnheer Reimond. "Laat ons van andere dingen spreken, die
+niet boven het bereik van uwen zwakken geest zijn. Nader uwen stoel tot
+de tafel en zet u daar voor mij. Zooals ik u gezegd heb, Jakob, in den
+nacht tusschen den 31<sup>sten</sup> Augustus en den 1<sup>sten</sup> September, op
+klokslag twaalf, zal mijne ziel haar stoffelijk omkleedsel verlaten: in
+andere woorden, ik zal sterven."</p>
+
+<p>"Is er dan geene de minste hoop meer?" zuchtte de hovenier.</p>
+
+<p>"Geene. Dit uur is noodlottig, onveranderlijk en onwederroepelijk."</p>
+
+<p>"Maar, mijn arme meester, indien gij de hulp van den pastoor wildet
+afsmeeken, en ze met een Christelijk gemoed aanvaarddet? Hij zou
+misschien de ... de kwade geesten verjagen, die u omringen&mdash;en<span class='pagenum'><a name="Page_13" id="Page_13">[Pg 13]</a></span> daar, uw
+zonderlinge dienstknecht, die u geen oogenblik verlaat.... Nox.... Neen,
+het is niet dat ik wil zeggen; maar toch, ziet gij, alle honden zijn
+geene beesten...."</p>
+
+<p>Daar hij zag, dat de hond, op het hooren uitspreken van zijnen naam, den
+muil had opgeheven en hem met strakken blik aanschouwde, dorst hij niet
+voortgaan en keerde zwijgend het gezicht af.</p>
+
+<p>"Onnoozele, waar dwaalt gij met uwe gepeinzen?" zeide mijnheer Reimond.
+"De geesten zijn machtiger dan de menschen en zij laten zich niet
+verjagen. Hoe zou onze goede pastoor iets kunnen beletten, dat
+onfeilbaar geschieden moet?"</p>
+
+<p>"Ja, maar indien God het toelaat?"</p>
+
+<p>"Het is God zelf, die het einde van mijn tegenwoordig leven heeft
+bepaald. Hoopt gij dan, dat Hij beslisse tegen Zijnen eigen wil?"</p>
+
+<p>Deze zonderlinge schijnwaarheid was te hoog voor den loomen geest des
+hoveniers. Zij verblufte hem en gaf hem de overtuiging, dat niets zijnen
+armen meester van den akeligen dood kon redden. Hij boog het hoofd onder
+het gewicht der moedeloosheid.</p>
+
+<p>"Kom, mijn vriend, wees niet droef," zeide mijnheer Reimond op
+troostenden toon. "Ik zal zorg dragen, dat gij geene redenen hebt om
+mijnen overgang tot een nieuw leven te betreuren. Daarvan wilde ik u
+spreken. Luister en onderbreek mij niet meer door nuttelooze klachten.
+Gij hebt mijnen vader en mij met verkleefdheid gediend. Voordat ik de
+wereld verlaat, wil ik uwe trouw beloonen, met uwe oude dagen tegen alle
+zorg te behoeden. Gij kent de hofstede achter Raveghem. Zij betaalt meer
+dan duizend franken aan jaarlijksche pacht. Het vruchtgebruik dezer
+hofstede zal ik u tot het einde uwer dagen in mijn testament als erfenis
+toekennen. Gij zult dus na mijnen dood met uwe goede Peternelle gerust
+kunnen leven, zonder werken en zonder kommer, totdat voor u ook het uur
+der opvaart slaat. Zijt gij daarover tevreden, Jakob?"</p>
+
+<p>De oude hovenier, door deze mildheid diep getroffen, stortte tranen.
+Zijne ontroering met geweld bedwingende, snikte hij:</p>
+
+<p>"Tevreden? Neen, neen, ik ben niet tevreden! Al het goed der wereld,
+mijn eigen bloed zou ik geven om uwen bitteren dood te mogen afkoopen.
+O, mijn God, zulke goede mensch, zulke edelmoedige meester, en z&oacute;&oacute;, z&oacute;&oacute;
+de wereld te moeten verlaten! Gij overlaadt mij met weldaden, mijnheer,
+ik ben u dankbaar uit den grond mijner arme, ontstelde ziel; maar toch
+ik ben niet gelukkig, en waarschijnlijk zal de oude Jakob Mispels u niet
+lang overleven."</p>
+
+<p>Mijnheer Reimond poogde door troostende woorden den bedrukten man gerust
+te stellen, en toen hij bemerkte, dat hij daarin grootendeels was
+gelukt, hernam hij zijn vorige rede.</p>
+
+<p>"Jakob, ik heb u nog van andere dingen te spreken. Wanneer de
+menschelijke ziel gevoelt, dat een tijdvak zich voor<span class='pagenum'><a name="Page_14" id="Page_14">[Pg 14]</a></span> haar gaat sluiten,
+dan denkt zij aan het maken harer rekening, en, kan zij het goede dier
+rekening vermeerderen of het kwade verminderen, dan haast zij zich het
+te doen. Ik heb mijn geweten onderzocht en de rekening van mijn
+tegenwoordig leven opgemaakt. Ach, Jakob, ik bevond mij schuldig. Ik ben
+niet rechtvaardig geweest jegens iedereen; misschien zijn er menschen,
+aan wie ik kwaad heb gedaan."</p>
+
+<p>"Onmogelijk!" kreet de hovenier. "Gij, mijnheer, die zelfs niet
+verdragen kunt, dat men eene vliege verjage, gij zoudt eenen mensch
+hebben kwaad gedaan?"</p>
+
+<p>"Gij begrijpt mij niet," hernam zijn meester. "Het is waar, er staat
+geschreven: <i>doe niet aan anderen wat gij niet wilt, dat u gedaan
+worde</i>, maar dit is slechts een gedeelte der wet, want er staat nog
+geschreven: <i>bemin God bovenal en uwen evennaaste als u zelven</i>. Men
+betracht slechts ten halve zijnen plicht, wanneer men geen kwaad doet,
+men moet het goede volbrengen, waartoe de hemel ons de macht verleende.
+Al het goede, dat men verzuimt te verrichten, is zooveel kwaad dat men
+doet, en het staat aangeteekend op de donkere bladzijde onzer
+levensrekening. Om gansch alleen te zijn en de aanraking der menschen te
+ontvluchten, heb ik sedert vijftien jaar alle betrekking met de leden
+mijner familie op eene volstrekte wijze afgebroken. Meest allen zijn
+intusschen gestorven, slechts twee weezen blijven er nog over.
+Inderdaad, ik heb door tusschenkomst van vreemde handen voor hunne
+opvoeding gezorgd, en nu nog verzeker ik eene kleine rente ten minste
+aan den zoon mijns broeders."</p>
+
+<p>"Arme Willem!" zuchtte de hovenier. "Wat moet hij groot geworden zijn!
+Mijn hart snakt, om het kind nog eens te zien, dat ik zoo dikwijls op de
+armen heb gedragen."</p>
+
+<p>"Gij zult hem waarschijnlijk zien," bevestigde zijn meester, "maar
+onderbreek mijne rede niet. Den ganschen nacht heb ik hier voor deze
+tafel gezeten, denkende aan Willem Reimond, de geest van het doodshoofd,
+tot den morgen toe, wilde mij geen antwoord geven, maar eindelijk toch
+heeft hij klaar gesproken en den wensch mijner ziel goedgekeurd. Jakob,
+ik ben voornemens aan mijnen neef te schrijven."</p>
+
+<p>"Ha, dank, mijnheer, dan zal ik ten minste iemand hebben om mij te
+troosten en te versterken!"</p>
+
+<p>"Indien hij komen wil."</p>
+
+<p>"Hij zal komen, seffens, onmiddellijk, twijfel daar niet aan."</p>
+
+<p>"Hopen wij het, Jakob. Ik ben ook voornemens naar den notaris, te
+Antwerpen, eenen brief te sturen voor het kind der zuster mijner vrouw.
+Leeft Theresia De Wit nog, dan wilde ik haar nog eens zien, voordat ik
+sterve."</p>
+
+<p>De oude man trok een zuur gezicht en liet een dof gegrol hooren.<span class='pagenum'><a name="Page_15" id="Page_15">[Pg 15]</a></span> "De De
+Wits," zeide hij, "hebben nooit dan kwaad van u gezegd, mijnheer, zij
+hebben u bespot en mij vervolgd. Zij haten ons, gij weet het wel."</p>
+
+<p>"Voor alle kwaad is vergiffenis," was het antwoord, "daarenboven mijne
+nichte Theresia is niet verantwoordelijk voor de schuld harer ouders.
+Mijn plicht eischte, dat ik over haar bleve waken, en sedert vele jaren
+heb ik haar geheel vergeten. Wat is er van haar geworden? Zij is vrouw
+en de wereld vol gevaren. Ik ben onrechtvaardig jegens haar geweest, en,
+is het arme schaap verdoold, mijne ziel zal er voor te boeten hebben. Ik
+wil het weten."</p>
+
+<p>"En gij gaat ze op Wildenburg doen komen?" morde de hovenier met eene
+soort van verschriktheid.</p>
+
+<p>"Zeker, zij is mijne erfgename, zoowel als de zoon mijns broeders."</p>
+
+<p>"Maar, om Gods wil, mijnheer, gij zult toch uwe goederen niet aan Willem
+Reimond ontnemen, om ze aan de ondankbare De Wits te geven?"</p>
+
+<p>"De goederen, die ik bezit, zijn voor de helft herkomstig van mijne
+vrouw zaliger, die ik, eilaas, reeds in het eerste huwelijksjaar
+verloor. Het goed gaat terug van waar het gekomen is, zoo wil het de
+rechtvaardigheid."</p>
+
+<p>Mijnheer Reimond trok de lade der tafel open en nam er twee gesloten
+brieven uit.</p>
+
+<p>"Gij gaat naar het dorp loopen," zeide hij, "om deze brieven in de post
+te leggen."</p>
+
+<p>Jakob Mispels was opgestaan en aanvaardde de brieven, hij meende er mede
+ter zaal uit te gaan; maar de hond rukte ze hem uit de hand en droeg ze
+terug naar zijnen meester.</p>
+
+<p>Eene zonderlinge uitdrukking, een mengsel van schrik en blijdschap,
+ontstond op het gelaat van den ouden man.</p>
+
+<p>"Ha, ha, hij is vervaard van Willem! Goed teeken! Wie weet?" mompelde
+hij in zich zelven.</p>
+
+<p>Mijnheer Reimond ontnam Nox de brieven en gaf ze terug aan Jakob, die ze
+zeer diep in zijnen binnenzak verborg en zich haastte de zaal te
+verlaten.</p>
+
+<p>Bij zijne vrouw gekomen, zeide hij zeer snel:</p>
+
+<p>"Ik moet naar het dorp, seffens. Geef mij mijnen anderen jas. Er komt
+volk hier. Wij zullen niet meer alleen zijn. Ik draag brieven om Willem
+Reimond op Wildenburg te roepen. Willem Reimond... en Theresia De Wit."</p>
+
+<p>"Theresia De Wit?" kreet de vrouw met verrassing.</p>
+
+<p>"Ja, onze vijandin, maar wat belet mij, haren brief onderweg te
+verliezen of in den turfput te smijten?"</p>
+
+<p>"Foei, Jakob, heb zulke gedachten niet. Uwen meester zoo verraderlijk
+bedriegen!"<span class='pagenum'><a name="Page_16" id="Page_16">[Pg 16]</a></span></p>
+
+<p>"Ik zeg het om te lachen, Peternelle. God weet, waar
+Theresia De Wit gevaren is. Misschien is hare woonplaats aan den notaris
+van Antwerpen ook onbekend; dan komt zij in het geheel niet. Het ware
+een ongeluk, indien zij eerder dan Willem Reimond op Wildenborg
+verscheen. Nox is vervaard van Willem; hij poogde de brieven te
+verslinden. Daar zit iets achter. Misschien is alle hoop nog niet
+verloren. Vaarwel, vaarwel, ik loop in &eacute;enen adem!"</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="II" id="II"></a>II.</h2>
+
+
+<p>De oude Peternelle was bij het vuur bezig met de namiddag-koffie op te
+schenken, toen haar man in huis trad en met groote vreugde uitriep:</p>
+
+<p>"Peternelle, hij is daar! Ik heb hem gezien aan 't einde der dreve. Ten
+minste als mijne oogen mij niet bedriegen. Kom, kijk gij ook eens; uw
+gezicht is beter dan het mijne."</p>
+
+<p>Zij liepen beiden tot achter het hek.</p>
+
+<p>"Het is een heer," mompelde de vrouw, "maar of het Willem Reimond is,
+dit kan ik van zooverre niet herkennen. De neef van onzen meester was
+een kind van tien jaar, toen wij hem voor de laatste maal zagen. Deze
+heer heeft geen reispak, zelfs geenen gaanstok. Hij kan dus niet van
+zeer verre komen."</p>
+
+<p>"Maar wie anders zou het zijn? Er komt nooit iemand op Wildenborg."</p>
+
+<p>"Gij kunt het evenwel niet weten."</p>
+
+<p>"Welke is de kleur van zijn haar, Peternelle?"</p>
+
+<p>"Ik meen te zien, dat hij zwart haar heeft."</p>
+
+<p>"Hij is het! Willem Reimond, twijfel er niet aan. Ach, het ongeduld, het
+verlangen doet mij beven. Ik loop hem te gemoet!"</p>
+
+<p>De persoon, die ten einde der dreve kwam aangestapt, was een jongeling
+van ongeveer vijfentwintig jaar, met zwarte, krullende haren en een
+open, lachend gelaat. Alhoewel zijne trekken tamelijk sterk waren
+afgeteekend, getuigde het geheel zijns aangezichts van goedheid des
+harten en misschien tevens van zekere dichterlijkheid der gedachten;
+want hij ging met het hoofd gebogen, of bleef staan en plukte eene
+bloem, of blikte langs alle kanten rond in het bosch.</p>
+
+<p>Tot dan had hij peinzend en droomend zijnen weg vervorderd; maar nu
+hoorde hij eensklaps het gerucht van naderende stappen, en bemerkte
+daarop eenen ouden man, die in allerhaast en<span class='pagenum'><a name="Page_17" id="Page_17">[Pg 17]</a></span> met zekere teekens van
+ongeduld tot hem geloopen kwam.</p>
+
+<p>Maar hetzij de hovenier zich in zijne verwachting meende te hebben
+bedrogen, en of een gevoel van eerbied hem wederhield, hij bleef op een
+twintigtal stappen beteuterd staan.</p>
+
+<p>De jongeling, over de onbegrijpelijke houding van den grijsaard
+verwonderd, aanschouwde hem met meer aandacht. Er ontstond op dit
+oogenblik eene plotselijke herinnering in zijnen geest. Hij slaakte
+eenen gil van blijde verrassing, sprong met open armen vooruit naar den
+ouden man, en zich aan zijnen hals werpende, riep hij uit:</p>
+
+<p>"Mijn goede Jakob! Gij leeft nog? God zij dank, dat ik u nog terugzie.
+Ach, hoe dikwijls dacht ik aan u! Ik durf het u nauwelijks vragen: hoe
+is het met uwe vrouw Peternelle?"</p>
+
+<p>De hovenier, in zijne ontroering verstikkend, kon niet spreken. Hij
+greep des jongelings handen, kuste ze herhaalde malen en liet er twee
+heete tranen op vallen.</p>
+
+<p>"Maar, mijn lieve Jakob, wat doet gij?" murmelde deze.</p>
+
+<p>"Neen, neen, laat mij uwe handen kussen," snikte de ontstelde man. "Ik,
+die reeds oud was, toen wij uit Brussel vertrokken, ik herkende u niet
+meer; gij, die een kind waart, gij noemt mijnen naam bij den eersten
+oogopslag en gij omhelst met vreugde een arm ootmoedig mensch, eenen
+knecht, eenen boer! Ha, wat is het zoet, te weten dat er toch iemand ons
+op de wereld bemint en aan ons denkt!"</p>
+
+<p>"En uwe goede Peternelle?" herhaalde de jongeling. "Gij antwoordt niet?
+Ik begrijp: zij is in den hemel, niet waar?"</p>
+
+<p>"Neen, neen; zie, ginder staat zij, achter het hek. Haar hart jaagt van
+verlangen. Kom, kom, mijnheer Willem, maak die arme ziel insgelijks
+gelukkig!"</p>
+
+<p>En hem de hand grijpende, trok hij hem in de dreve voort, totdat zij het
+hek naderden.</p>
+
+<p>"Peternelle, o, wees blijde!" riep hij. "Het is Willem. Hij heeft ons
+niet vergeten; hij heeft mij seffens herkend. Hoe dikwijls heb ik het u
+gezegd: hij heeft de zwarte oogen zijns vaders en het liefderijk hart
+zijner moeder."</p>
+
+<p>Maar reeds hield Willem de oude vrouw in zijne armen gesloten en juichte
+met diepgevoelde vreugde:</p>
+
+<p>"Peternelle, wat geluk, u nog gezond en welvarend te vinden! Door u te
+zien alleen word ik teruggetooverd in mijne schoone kinderjaren. Mijn
+vader, mijne moeder herleven voor mijne oogen. En hoe gaat het u? Gij
+leeft hier tevreden, niet waar?"</p>
+
+<p>De oude vrouw was verbluft en verwonderd; zij aanschouwde den
+goedhartigen jongeling met eenen dankbaren glimlach, stralend tusschen
+stille tranen.</p>
+
+<p>"Kom, kom binnen in ons huisje; gij moet vermoeid zijn van<span class='pagenum'><a name="Page_18" id="Page_18">[Pg 18]</a></span> de lange
+reis," zeide de hovenier. "Wij mogen hier geen gerucht maken. Vrouw,
+lang spoedig de hesp uit den schoorsteen. Mijnheer Willem moet
+honger hebben; de heidelucht is scherp. Daar, mijnheer, zet u neder en
+rust een beetje."</p>
+
+<p>"Nu zal ik niet eten, wat lust ik er ook toe hebbe," antwoordde Willem.
+"Ik heb haast om mijnen oom te zien."</p>
+
+<p>"Het is voor alsnu onmogelijk."</p>
+
+<p>"Hij is misschien niet op het kasteel?"</p>
+
+<p>"Ja wel."</p>
+
+<p>"Heb de goedheid, Jakob, hem van mijne komst te verwittigen. Ik twijfel
+niet, of hij zal mij onmiddellijk in zijne tegenwoordigheid toelaten."</p>
+
+<p>"Neen, gij bedriegt u. Het is zonderling en vreemd, maar gij zult,
+eilaas, nog veel wonderlijkere dingen op Wildenborg vernemen. Gij moet
+weten, Willem, dat uw oom zich alle dagen drie uren des morgens en drie
+uren des namiddags opsluit, en dat er gedurende dien tijd niemand het
+kasteel mag naderen. Al kwame de koning zelf, het zou er niets aan doen:
+de deuren zijn langsbinnen gegrendeld. Nog meer dan twee uren zult gij
+moeten wachten, gij hebt dus tijd genoeg om van onze hesp te proeven."</p>
+
+<p>Deze aankondiging verbaasde den jongeling zeer. Het hoofd schuddende,
+trok hij eenen brief uit den zak en zeide:</p>
+
+<p>"Inderdaad, het moet er wonderlijk toegaan op Wildenborg. Luistert eens,
+lieve vrienden, wat mijn oom mij schrijft, en geeft mij, indien gij
+kunt, de uitlegging van dit raadsel: <i>De tijd nadert, dat mijne ziel
+haar zichtbaar omkleedsel zal afleggen. Ik verlang u te zien. Is dit
+insgelijks uw wensch ten mijnen opsichte, kom op Wildenborg v&oacute;&oacute;r den
+nacht van den 31<sup>sten</sup> dezer.</i> Deze woorden hebben, mij verschrikt. Het
+is, alsof mijn oom mij zijnen aanstaanden dood aankondigde. Hij is dus
+zeer ziek?"</p>
+
+<p>"Neen, hij is niet ziek."</p>
+
+<p>"Maar, om Gods wil, wat beteekent de brief dan?"</p>
+
+<p>"Hij beteekent, dat uw arme oom gaat sterven!" antwoordde de hovenier
+met eene doffe stem.</p>
+
+<p>"Sterven? En hij is niet ziek? Wees toch klaar, Jakob, ik begrijp u
+niet."</p>
+
+<p>"Mijnheer Reimond zal sterven op den klokslag twaalf, in den nacht
+tuschen den 31<sup>sten</sup> Augustus en den 1<sup>sten</sup> September, geene minuut
+vroeger of later. Eilaas, wij hebben er tranen genoeg om gestort, en
+mijne vrouw heeft reeds maanden lang zonder ophouden gebeden, maar alles
+is nutteloos."</p>
+
+<p>"En hij is niet ziek?" herhaalde Willem.</p>
+
+<p>"Mager, ja, maar niet zieker dan gij of ik."</p>
+
+<p>"Kom, Jakob, gij doet mij lijden. Wat gij daar vertelt, is gansch
+onbestaanbaar. Zou uwe verbeelding voor niets in deze<span class='pagenum'><a name="Page_19" id="Page_19">[Pg 19]</a></span> zonderlinge
+gedachte zijn? Zeg mij duidelijk wat er van is, of ten minste wat gij
+gelooft."</p>
+
+<p>De hovenier scheen niet genegen om op dit oogenblik de gevraagde
+uitleggingen te geven. Ziende, dat zijne vrouw naar achteren ging, om
+eene kan versch water te halen, zeide hij:</p>
+
+<p>"Vraag mij niets daarover in tegenwoordigheid mijner vrouw. Zij zou te
+dikwijls in mijne rede vallen en ons storen. Eet nu eerst een beetje van
+de hesp, dan zullen wij een wandelingetje door den hof doen, en ik zal u
+allengs en met voorzichtigheid de schromelijke geheimen van Wildenborg
+openbaren, om uw hart voor eenen te plotselijken schok te behoeden."</p>
+
+<p>Willem vroeg niets meer en nuttigde zwijgend de hesp en het brood, door
+Peternelle hem voorgezet. Dan stond hij op en zeide:</p>
+
+<p>"Ik dank u, vrienden, de hesp is goed, en ik had zulken eetlust, dat het
+mij heeft gesmaakt, als ware mijn geest niet in droeve gepeinzen
+verslonden. Kom nu, Jakob, toon mij den hof van het kasteel."</p>
+
+<p>Zij gingen beiden buiten, de hovenier scheen zijne stappen naar een
+looverhuisje te richten.</p>
+
+<p>"Welnu, Jakob," zeide de jongeling, "ik brand van verlangen om uwe
+openbaringen te hooren en overtuigd te worden, dat gij u over het lot
+van mijnen oom bedriegt."</p>
+
+<p>"Ik ben bereid om u te zeggen, wat ik weet," antwoordde de grijsaard,
+"maar laat mij u eerst van iets verwittigen. Ik wensch uit den grond des
+harten, en Peternelle insgelijks, Willem, dat uw oom u vriendelijk
+ontvange en genegenheid voor u gevoele. Daartoe is het noodig, dat gij
+niets doet, dat hem kunne mishagen of bedroeven. Spreek in zijne
+tegenwoordigheid niet van de hesp, laat hem niet verdenken, dat gij hier
+zwijnenvleesch hebt gevonden, en bovenal niet, dat gij er hebt van
+gegeten."</p>
+
+<p>"Hoe? Nog al wonderlijker!" mompelde de verbaasde jongeling. "Is mijn
+oom een Jood geworden?"</p>
+
+<p>"Neen, maar hij wil niet, dat er een dier gedood worde. Ik mag zelfs de
+rupsen van de boomen niet doen. Kom, kom, gij zult nog al meer het hoofd
+schudden."</p>
+
+<p>"Maar gij vervult mij met angst. Welk schrikkelijk gepeins! Zou mijn
+arme oom ziek zijn in de hersens?"</p>
+
+<p>"Ho, denk dit niet!" riep de oude man. "Uw oom heeft te veel verstand en
+is te geleerd, dit is juist zijn ongeluk. Ik heb den pastoor in de kerk
+eens hooren preeken, dat men, om gelukkig te leven, arm van geest moet
+zijn. Vroeger heb ik daarop langen tijd liggen dubben, maar nu begrijp
+ik het ten volle."</p>
+
+<p>Zij traden in een prieel van ijpenloof, waar, rondom eene vermolmde
+tafel, nog twee ruwe banken stonden.<span class='pagenum'><a name="Page_20" id="Page_20">[Pg 20]</a></span></p>
+
+<p>"Nu, mijn lieve Jakob, poog duidelijk te zijn, en heb de goedheid mij te
+antwoorden," zeide de jongeling, zich nederzettende. "Mijn oom is niet
+ziek, en gij beweert nogtans, dat hij juist in den nacht van den
+31<sup>sten</sup> dezer maand zal sterven? Heeft hij zelf u dit aangekondigd?"</p>
+
+<p>"Wel honderdmaal sedert vier maanden."</p>
+
+<p>"En waarop grondt mijn oom die onbegrijpelijke meening? Wie heeft hem
+gezegd, dat zijn dood zoo nabij is?"</p>
+
+<p>"Een geest."</p>
+
+<p>Ondanks de treurige stemming zijns gemoeds, schoot Willem in eenen lach.</p>
+
+<p>"Een geest?" schertste hij. "Bah! er zijn geene geesten, ten minste niet
+zooals gij het meent."</p>
+
+<p>"Ja, gij komt van de stad," zuchtte de grijsaard spijtig. "Daar gelooft
+men niets, en men verleidt er goede menschen als gij, Willem, om aan
+alles te twijfelen. Het is uwe schuld niet, kind. Hoe, er zijn geene
+geesten? De lucht krielt er van, en terwijl wij hier zitten te kouten,
+zijn er wel honderd misschien in dit prieel, die ons zien en hooren."</p>
+
+<p>De jongeling beschouwde den hovenier met eene zonderlinge uitdrukking
+van medelijden.</p>
+
+<p>Jakob, door zijnen schertsenden blik gekwetst, rechtte het hoofd en
+sprak:</p>
+
+<p>"Wat, er zijn geene geesten? Hoeft mijne grootmoeder niet maanden lang
+den geest harer zuster voor haar bed zien verschijnen, totdat zij ter
+harer gedachtenis eene beloofde bedevaart had gedaan? Heeft te Lommel de
+geest van den gierigen pachter Adriaans niet gespookt en rondgedwaald,
+totdat zijn verborgen geld door zijne kinderen was ontgraven?"</p>
+
+<p>"Dit zijn altemaal inbeeldsels, Jakob."</p>
+
+<p>"Gij lacht en gelooft mij niet, Willem? Welnu, luister wat mijn vader
+zaliger met zijne eigene oogen heeft gezien. Er was te Desschel een oude
+pachter, die zich had ontkleed, voordat hij slapen ging, gelijk het
+spreekwoord luidt. Dit is te zeggen, dat hij zijne pachthoeve en zijn
+goed aan zijnen zoon had afgestaan, mits vrijen woon en kost tot zijnen
+dood. Maar de oude man leefde te lang voor den ondankbaren zoon, en men
+spaarde op zijn voedsel en men behandelde hem zoo slecht, dat hij
+eindelijk van verdriet stierf. In plaats van den doode een goed hemd aan
+te doen, zooals het behoort, lijkte men hem met een oud, versleten hemd
+vol gaten. Welnu, wat is er geschied? De misdadige zoon, die zich zelven
+niets liet ontbreken, kwam in den nacht half bedronken van de kermis.
+Zijn weg leidde hem over het kerkhof. Daar stond de geest zijns vaders,
+die hem wachtte en hem het versleten hemd over het hoofd wierp. Dit hemd
+brandde hem als het vuur der hel, hij schreeuwde om hulp en wilde<span class='pagenum'><a name="Page_21" id="Page_21">[Pg 21]</a></span> van
+het kerkhof vluchten, maar vooraleer hij den gewijden grond had
+verlaten, viel hij steendood op het gras. Men heeft des anderen daags
+zijn lijk daar vinden liggen, en mijn vader heeft het helpen wegdragen.
+Het was geheel zwart. Wat zegt gij daarvan?"</p>
+
+<p>"Ik zeg, dat de man waarschijnlijk aan het overmatig gebruik van sterken
+drank is bezweken. Niemand was tegenwoordig, toen hij stierf. Hoe weet
+men dan, wat er met hem en met eenen geest zou geschied zijn? Gij
+begrijpt, Jakob, dat dit een vertelsel is, dat men naderhand heeft
+uitgevonden."</p>
+
+<p>"Zijt ge nog niet overtuigd?" mompelde de hovenier verwonderd "Ik zal u
+wel honderd geschiedenissen van geesten vertellen, de eene veel meer
+waar nog dan de andere. Bij voorbeeld, daar was Mie Katrien, de vrouw
+van den wagenmaker...."</p>
+
+<p>Willem vreesde nog vele zulke geschiedenissen te moeten aanhooren, hij
+had overwogen, dat, indien hij den eenvoudigen man in zijn geloof aan
+spoken en geesten bleef wederstreven, er geen eind aan komen zou, en hij
+dus van hetgeen hij wilde weten niets kon vernemen.</p>
+
+<p>Hij onderbrak zijne rede en zeide:</p>
+
+<p>"Hoor, Jakob, ik beweer niet, dat er volstrekt geene geesten zijn."</p>
+
+<p>"Ha, ha, ik wist wel, dat ik u zou overtuigen!" juichte de grijsaard.
+"Gij stamt af van Christelijke ouders, Willem."</p>
+
+<p>"Maar, Jakob lief, men kan een goed Christen zijn zonder aan al die
+vertellingen van spoken en geesten te gelooven. Integendeel,
+bijgeloovigheid is eene groote zonde. Dan, genoeg daarover. Gij vergeet,
+mijn vriend, wat gij beloofd hadt mij te verklaren. Mijn oom is niet
+ziek, en toch zou hij binnen vier dagen sterven? Dit schijnt mij ook een
+vertelsel, want hoe zou het kunnen geschieden? Mijn oom, die, ik twijfel
+er niet aan, een verstandig man is, zal toch zich zelven niet gaan
+dooden? Wat hebt gij dan, Jakob? Het is, alsof gij verbleektet en
+benauwd waart?"</p>
+
+<p>"God beware alle menschen voor zulken ijselijken dood!" zuchtte de
+hovenier.</p>
+
+<p>"Maar welken dood, om 's hemels wil? Gij maakt mij dwaas en dom, Jakob!"
+riep de jongeling met spijtig ongeduld.</p>
+
+<p>Er heerschte eene wijl stilte, gedurende welke Jakob Mispels zijnen moed
+scheen samen te rapen. Dan mompelde hij met teruggehoudene stem:</p>
+
+<p>"O, Willem, gij zult ook wel verbleeken en beven, kind. Ik heb u dit
+niet seffens willen zeggen, om u niet plotselijk te ontstellen. Mijn
+arme meester maakt mij wijs, dat hij door eenen geest het uur zijns
+doods heeft vernomen, maar het is niet waar. Ik weet het beter. Het is
+zoo schrikkelijk! Op het oogenblik<span class='pagenum'><a name="Page_22" id="Page_22">[Pg 22]</a></span> dat ik u die droeve veropenbaring
+wil doen, klopt het hart mij in den boezem als een hamer. Willem, gij
+gaat vernemen waarom uw oom, zoo jong nog en in volle gezondheid, moet
+sterven! Houd u moedig en bedwing uwe smart: er is toch niets aan te
+doen."</p>
+
+<p>Hij boog het hoofd naar den jongeling en mompelde met sombere stem aan
+zijn oor:</p>
+
+<p>"Uw oom, uw oom heeft zijne ziel aan den duivel verkocht, en zijn tijd
+is om!"</p>
+
+<p>"Ha, ha, mijn goede Jakob, hebt gij ze nog wel alle vijf?" riep Willem
+lachend uit. "Waar zijn toch uwe zinnen? Dat de duivel den mensch tot
+kwaad verleidt, daaraan twijfel ik niet, maar dat hij zielen zou koopen?
+Kom, kom, gij houdt mij voor den zot."</p>
+
+<p>"Gij gelooft het alweder niet?" riep de oude man met zekere spijtigheid.
+"Kent gij de geschiedenis niet van <i>Doctor Faussius</i> en zijnen duivel
+<i>Mistoffel</i>?"</p>
+
+<p>"Faust, Mephistopheles, wilt gij zeggen? Een vertelsel uit den ouden
+tijd."</p>
+
+<p>"Uit den ouden tijd? Wilt gij iets weten, dat nog zoolang niet is
+geschied? Mijn grootvader heeft de lieden gekend. Een uur van hier ligt
+het gehucht Boterhoek; daar woonde een pachter, die veel tegenspoed had
+gehad. Er kwam een jaar, dat zijn oogst goed gelukte, en zijn koren
+stond reeds afgepikt op het veld, toen de bliksem zijne schuur in brand
+stak en ze tot den grond vernielde.... Neen, Willem, wees niet
+ongeduldig, laat mij spreken. Ik heb het noodig; het doet mij zoo goed!
+Sedert tien jaar moest ik van den morgen tot den avond zwijgen. Wij
+hebben tijds genoeg, nog ten minste een uur en een half, eer uw oom
+spreekbaar worde."</p>
+
+<p>"Het zij zoo!" zuchtte de jongeling ontmoedigd, "ik zal pogen aandacht
+op uwe woorden te geven."</p>
+
+<p>"Welnu, de ongelukkige pachter moest evenwel eene schuur hebben om
+zijnen oogst te bergen, en de puinen rookten nog, en de vier naakte
+muren stonden te waggelen in den wind. De hopelooze man wandelde des
+avonds op zijn veld, met het treurig oog op de korenschoven. Daar zag
+hij eensklaps eenen heer naderen met eenen zwarten mantel. En deze, na
+hem de reden zijner bedruktheid te hebben gevraagd, zeide hem, dat hij
+hem eene gansch nieuwe schuur zou bouwen vooraleer de haan zou kraaien,
+op voorwaarde dat hij zijnen naam op een papier zou zetten, dat de
+zwarte heer hem aanbood. Het accoord werd gesloten. Maar de man, die
+rouwkoop had over zijne goddelooze daad, vertelde aan zijne vrouw wat
+hem was wedervaren. Beiden begonnon te weenen en te bidden. Zij zagen in
+den nacht kareel steenen uit den grond komen en op elkander gaan
+liggen,<span class='pagenum'><a name="Page_23" id="Page_23">[Pg 23]</a></span> alsof zij door menschenhanden werden gemetseld; maar de
+arbeiders, die natuurlijk duivels waren, konden zij niet zien. Het dak
+lag reeds op de nieuwe schuur; slechts een eind muur in het bovenste van
+den gevel ontbrak er nog. In haar vurig gebed kreeg de vrouw eene
+reddende gedachte; zij vatte de lamp en liep naar het kiekenhok. Als de
+haan die plotselijke klaarte zag, meende hij, dat het dag werd, en
+kraaide. Daarop kwam er een schok, alsof de aarde beefde; er vloog een
+schrikkelijk gehuil door de lucht, en voor de voeten der vrouw viel het
+geschrift, waarop haar man had geteekend. De duivel was overwonnen,
+omdat hij de schuur niet volbouwd had voordat de haan kraaide, zooals
+het accoord luidde; en de pachter was aan de hel ontsnapt. En tot teeken
+der waarheid, Willem, ga naar Boterhoek; gij zult er in den gevel der
+schuur nog een gat zien, dat niet met menschenhanden te stoppen is.
+Gelooft gij deze geschiedenis niet?"</p>
+
+<p>"Indien gij mij vermaak wilt doen, spreek mij dan om Gods wil van mijnen
+oom!" antwoordde de jongeling, zichtbaar ontevreden. "Op zulke wijze zou
+ik op 't einde der week niets meer weten dan nu. Hoe zijt gij toch, of
+hoe is hij tot zulke onbegrijpelijke dwaalgedachte geraakt?"</p>
+
+<p>"Ha, dit is eene nog veel langere geschiedenis."</p>
+
+<p>"Het is mij gelijk; indien gij slechts van mijnen oom spreekt, zal ik u
+met voldoening aanhooren."</p>
+
+<p>"Inderdaad, gij weet niet veel van uwen oom; gij waart nog te jong.
+Welnu, onderbreek mijne rede niet door ongeloovige bemerkingen: het zal
+te sneller gaan. Ziet gij, Willem, ik was reeds hovenier op Wildenborg,
+toen mijnheer Reimond werd geboren, ik heb hem op mijne armen gedragen
+en, om zoo te zeggen, hem leeren loopen en leeren spreken. Ik weet niet
+om welke reden zijn vader in 1820 het buitenleven moede werd. Wat er van
+zij, wij verlieten Wildenborg en gingen altezamen naar Brussel wonen. De
+kleine Karel, uw oom, was een goed en godvruchtig kind, en leerzaam, het
+is niet om te zeggen. Voordat hij veertien jaar was, kende hij reeds
+Fransch en Latijn en Engelsch ook al, geloof ik. Maar die groote
+geleerdheid heeft hem van het goede spoor geleid, en hem aangedreven om
+boeken te lezen, die een Christenmensch nimmer zou mogen openslaan. Hij
+was toen ook bezig met een <i>machien</i> om bliksem te maken, hij noemde dit
+eene <i>ektristeit</i>, en hij had eene tooverkas; eene <i>fasmogrie</i>, om in
+den donker spoken te doen komen."</p>
+
+<p>"De <i>electriciteit</i>, de <i>phantasmagorie</i> wilt gij zeggen?"</p>
+
+<p>"Ja, juist zoo. Kent gij die leelijke dingen ook, Willem?.... Welnu,
+Karel, die alsdan wel twintig jaar geworden was, studeerde nacht en dag.
+Waarop? Dit scheen niemand te weten, maar, onder ons gezegd, de arme
+jongen wilde leeren tooveren!<span class='pagenum'><a name="Page_24" id="Page_24">[Pg 24]</a></span> Na eenige jaren kreeg hij eene groote
+neiging voor eene juffrouw uit onze buurt; hij scheen zijne groote
+boeken en zijne <i>fasmogrie</i> te vergeten, en trouwde. Ongelukkiglijk
+stierf zijne vrouw, voordat het eerste jaar huns huwelijks ten einde
+was. Mijnheer Karel was ontroostbaar en wanhopig; hij liep maanden lang
+met het hoofd in den grond, en, eilaas, de wanhoop bracht hem allengs
+terug naar zijne boeken en zijne beklaaglijke studi&euml;n. Hij verloor zijne
+goede ouders in weinige jaren. Dit deed hem nog meer in droeve gedachten
+verdwalen en gaf hem eene wonderlijke neiging om alleen te zijn en
+zwijgend te blijven. Het duurde zoo, totdat hij ergens eenen vriend
+vond, die ook met <i>Nekkermancie</i><a name="FNanchor_1_1" id="FNanchor_1_1"></a><a href="#Footnote_1_1" class="fnanchor">[1]</a> omging. Wat er dan in ons huis
+gebeurde, weet ik niet goed uit te leggen, alhoewel ik er des nachts
+niet kon van slapen. Er kwamen heeren en dames; die gingen, zoo stom als
+spoken, op stoelen rondom eene vrouw zitten; een der heeren, somwijlen
+mijn meester zelf, begon met de handen voor de oogen der vrouw te
+wemelen, zoolang totdat het hoofd haar op de borst zakte en zij in slaap
+viel. Dan kon die vrouw, al slapende, door muren en huizen zien,
+toekomende dingen voorspellen en zeggen wat er in Amerika of in Afrika
+geschiedde.... maar, wees zeker, Willem, het was de duivel, die sprak.
+Zij noemden dit goddeloos vermaak <i>mangenetism</i> en de vrouw een
+<i>sujekt</i>. Ondanks mijnen afschrik, heeft mijn meester mij eens gedwongen
+voor hem te zitten, en mij in slaap getooverd. Het schijnt, dat de
+zwarte man door mijnen mond niet wilde spreken of dat mijn goede engel
+hem belette in mij te komen. Maar wat zeker is, men moest mij een half
+uur lang slaan en sleuren en mij koud water in het aangezicht smijten,
+zoo vast was ik ingeslapen. Toen ik eindelijk wakker werd, noemde mijn
+meester mij een slecht sujekt; maar dit is...."</p>
+
+<p>"Jakob, gij loopt weder van de baan; ik bid u, spreek van mijnen oom!"
+onderbrak de jongeling.</p>
+
+<p>"Ha, ja, gij hebt gelijk. Spreken is toch een groot vermaak, niet waar,
+Willem? Welnu, om het kort te maken, mijn meester hield zich nog met
+andere dingen bezig. Bij voorbeeld hij had eenen doodskop, geenen houten
+of steenen kop, eenen waarachtigen kop van een mensch, die op het
+kerkhof had gelegen! Daar waren van boven blauwe, roode en gele strepen
+op geschilderd; en daarmede, als zij u de handen op het hoofd legden,
+konden zij zeggen of gij eerlijk man of dief, oprecht of leugenaar,
+moordenaar, gierigaard, goed Christen of ketter waart, al hadden zij u
+nooit te voren gekend of gezien. Op mijnen kop vonden zij de builen van
+de spreekzucht en van den lust tot goed eten. Indien de duivel daar ook
+al tusschen was, moet ik<span class='pagenum'><a name="Page_25" id="Page_25">[Pg 25]</a></span> bekennen, dat hij ditmaal de waarheid had
+gezegd; want wat zou toch een eenvoudig man als ik van het leven hebben,
+als hij niet...."</p>
+
+<p>"Van mijnen oom, ik smeek u!" zuchtte de jongeling, met de voeten in het
+zand woelende.</p>
+
+<p>"Gij hebt gelijk, mij tegen te houden, Willem," zeide de hovenier. "Die
+kunst noemen zij de <i>Fernolgie</i><a name="FNanchor_2_2" id="FNanchor_2_2"></a><a href="#Footnote_2_2" class="fnanchor">[2]</a>. Later bedreven zij nogal leelijker
+dingen. Zij deden hoeden en tafels van zelf draaien en op &eacute;&eacute;n of twee
+pooten rechtstaan; zij deden er eenen geest inkomen en dwongen den
+zwarten man door geheimzinnig kloppen te laten hooren, dat hij
+tegenwoordig was. Ik was alsdan veel jonger, anders hadde ik het niet
+kunnen uitstaan. Het is niet, dat ik niet dikwijls in mijn bed heb
+liggen zweeten van angst, en menigen nacht met bidden heb doorgebracht;
+maar ik ben nog al taai van...."</p>
+
+<p>"Van mijnen oom! van mijnen oom!"</p>
+
+<p>"Juist. Ondanks al die andere kunsten bleef mijn meester toch
+voornamelijk zich bezighouden met de slaaptooverij, dit is te zeggen met
+het <i>mangenetism</i>. In de laatste jaren onzes verblijfs te Brussel genas
+hij door deze kunst de ongeneeslijkste zieken. Hij had een <i>sujekt</i>, dat
+wil zeggen eene dame, die, volgens het schijnt, al slapende in het
+lichaam der menschen kon zien, en daarenboven de geneesmiddelen
+voorschreef, die hen onfeilbaar van hunne kwalen moesten verlossen.
+Onbegrijpelijk, Willem, welke wondere dingen zij deden. Zij hebben op
+eenige minuten menschen gered, die al tien jaar van alle dokters waren
+verlaten; zij hebben eens een mensch ziende gemaakt, die geene oogen
+meer had. Zij hebben eens eenen heer, die opgezwollen was van de
+waterzucht, in een half uur tijds zoo dun en zoo mager gemaakt, dat hij
+om genade smeekte. De wijsneuzen&mdash;en in Brussel zijn er niet
+weinig&mdash;beweerden, dat mijn meester zot genoeg was, om in een
+krankzinnigenhuis te worden opgesloten; andere slimmeriken zeiden, dat
+hij zich door de weduwe, die zijn sujekt was, liet bedriegen; maar zij
+wisten niet gelijk ik, dat mijn meester met den boozen geest omging, en,
+eilaas, bezig was met zijne ziel te verliezen!"</p>
+
+<p>"Ontving hij geld voor deze genezingen?" vroeg de jongeling in
+gepeinzen.</p>
+
+<p>"Neen," was het antwoord, "hij had geen geld noodig. Wel heb ik gezien,
+dat de vrouw aanvaardde wat de lieden uit dankbaarheid haar gaven; maar
+uw oom heeft daar integendeel veel geld aan verkwist. Zijn sujekt was
+eene dame, die tot verval was geraakt, en hij heeft haar van tijd tot
+tijd nog al fraaie sommen geleend."</p>
+
+<p>"Ha, ha, ik begin te begrijpen!" mompelde Willem.<span class='pagenum'><a name="Page_26" id="Page_26">[Pg 26]</a></span></p>
+
+
+
+<p>"Gij begint te begrijpen? Wat? Dat de duivel er mede bemoeid was."</p>
+
+<p>"Niets, niets, Jakob; ga voort, ik verzoek u."</p>
+
+<p>"Welnu, dan is er iets gebeurd, dat eenen beklaaglijken invloed op ons
+aller leven moest hebben. Er was een voornaam burger, die dikwijls ten
+onzen huize kwam en de verkleefde vriend was van mijnen meester en van
+zijn sujekt. Die heer kon zelf niet tooveren; maar hij was vol
+bewondering voor de macht van het.... van het <i>mangenetism</i>. Met een
+sneeuwachtig dooiweder betrapte hij eensklaps eene verkoudheid der
+ingewanden, en natuurlijk, zijne eerste toevlucht was tot mijnen
+meester... Het sujekt valt in slaap en zegt wat hij moet nemen, om van
+zijne ziekte te worden verlost. Hij volgt haren raad en neemt het
+geneesmiddel, in tegenwoordigheid zijner vrouw en kinderen; maar hij
+wordt door eenen geheimen slag getroffen, valt spartelend op den grond
+en sterft zonder biecht! Ik zou zeggen: God zij zijne arme ziel genadig;
+maar hoe kan het gebed iemand helpen, die van den duivel is
+weggehaald?... De gendarmes zijn gekomen en hebben mijnen meester en
+zijn sujekt naar de gevangenis gebracht. Uw oom werd evenwel na acht
+dagen in vrijheid gelaten; maar hij zou toch voor het tribunaal komen,
+als beschuldigd van medeplichtigheid aan eenen onvrijwilligen moord. Het
+sujekt werd veroordeeld tot achttien maanden gevangenis, zoo gezegd voor
+onvrijwillige vergiftiging; mijn meester werd vrijgesproken, omdat zijn
+advocaat poogde te bewijzen, dat hij zwak van hersens was en zich, in
+zijne eenvoudigheid, door het sujekt had laten bedriegen: in &eacute;&eacute;n woord,
+hij ontsnapte, omdat men hem voor halfzinneloos had doen doorgaan. Of
+zijne meening was, in Brussel te blijven wonen, dat weet ik niet. Het
+ware hem in alle geval onmogelijk geweest, want waar hij zich nu
+vertoonde, wees men hem met den vinger of lachte men luid. Het woord
+"zot" stond, duidelijk voor hem, in elks oogen te lezen. Hij kreeg dan
+eenen onbegrijpelijken haat tegen de menschen en bleef wel twee maanden
+opgesloten, zonder iemand te willen zien. Eensklaps nam hij het besluit,
+verre van de wereld te gaan leven...."</p>
+
+<p>"Wat hoor ik? Er is een mensch, die ons afluistert!" onderbrak Willem.
+"Mij dunkt, er heeft iemand gekucht?"</p>
+
+<p>Hij bemerkte eensklaps den hond, die met open muil en gloeiende oogen
+voor het prieel stond en scheen te willen spreken.</p>
+
+<p>"Hemel, wat is dit voor een beest?" vroeg hij verrast.</p>
+
+<p>"Ik kom, ik kom, Nox," antwoordde de hovenier, het teeken des kruises
+makende, zoohaast hij den hond zag wegloopen.</p>
+
+<p>"Indien er een duivel op Wildenborg is, dan is het zeker die zonderlinge
+hond," mompelde de jongeling glimlachende.</p>
+
+<p>"Het is zoo, gij hebt het geraden," bevestigde de oude man.<span class='pagenum'><a name="Page_27" id="Page_27">[Pg 27]</a></span></p>
+
+<p>"Hoe? gij gelooft, Jakob?"</p>
+
+<p>"Het is de dienaar van uwen oom, zijn <i>Mistoffel</i>, de duivel zelf. Ik
+mag mijnheer niet laten wachten. Straks zal ik u de wonderlijke
+geschiedenis van dien helschen hond vertellen. Blijf hier nog eenige
+oogenblikken zitten, ik zal u komen halen."</p>
+
+<p>Willem sloeg het gezicht ten gronde en zonk weg in eene diepe
+overweging. Welhaast echter hief hij het hoofd weder op en murmelde
+treurmoedig:</p>
+
+<p>"Hij is zot, stapelzot, de oude Jakob. Eilaas, zou mijn arme oom
+insgelijks in de hersens geraakt zijn? Wildenborg ware dus iets als een
+zinneloozenhuis? Onmogelijk, de herinneringen mijner kinderjaren zeggen
+mij, dat hij een zeer geleerd man was. Mijne moeder bewonderde zijn diep
+verstand en zijne hooge wetenschap... maar de wetenschap waarborgt niet
+tegen de ontschikking der hersens.... En hij gaat sterven binnen weinge
+dagen? Daarin bestaat waarschijnlijk zijne krankzinnigheid? Arme oom!
+Voor de eerste maal dat ik na vijftien jaar hem mag terugzien, zou ik
+zijnen dood moeten bijwonen of hem krankzinnig vinden! Hoe wisselvallig,
+hoe onbegrijpelijk is toch het lot en het leven van een mensch!"</p>
+
+<p>Hij werd in zijne overwegingen onderbroken door de komst van den
+hovenier, en meende op te staan om hem te volgen; maar Jakob deed hem
+teeken dat hij zou blijven zitten, en zeide:</p>
+
+<p>"Uw oom wacht u; maar luister nog een oogenblik. Gij weet, Willem, dat
+ik u op de armen heb gedragen, en dat ik evenveel genegenheid voor u
+heb, alsof gij mijn eigen kind waart. Gij zult dus den raad van uwen
+ouden vriend met vertrouwen aanhooren. Uw oom is de beste mensch der
+wereld: hij zou geene spin kwaad doen, maar, evenals alle hooggeleerde
+lieden, is hij zeer stijfhoofdig, en tegenwerpingen kan hij niet
+verdragen. Hij zal u spreken van zielen en van geesten. Of gij er een
+woord van zult begrijpen, dat weet ik niet, maar gij moet u houden,
+alsof gij aan die vreemde dingen geloofdet. Indien gij met hem doet
+gelijk met mij, zal bij droef en grimmig worden, hij zal u vaarwel
+zeggen, en gij zult hem niet meer te zien krijgen, al verroerdet gij
+hemel en aarde. Gij moet pogen zijne vriendschap te winnen....
+Schokschouder niet: het geluk van uw leven is op het spel, mijn lieve
+Willem. Uw oom is zeer rijk, en hij zou u kunnen onterven ten voordeele
+van iemand, die misschien met arglist zijne goede gunst zou winnen. Gij
+weet, dat gij eene nicht hebt?"</p>
+
+<p>"Ik heb er vele waarschijnlijk; maar ik ken ze niet."</p>
+
+<p>"Ik spreek slechts van eene enkele, van Theresia De Wit, de dochter der
+zuster van mevrouw Reimond zaliger."</p>
+
+<p>"Ik heb ze nooit gezien, Jakob."</p>
+
+<p>"Zij insgelijks is erfgenaam van mijnheer. Zij zal hier komen<span class='pagenum'><a name="Page_28" id="Page_28">[Pg 28]</a></span> voor
+zijnen dood, indien de notaris van Antwerpen intijds genoeg kan
+ontdekken wat er van haar is geworden. Deze De Wits zijn booze lieden,
+Willem, en, kunnen zij omtrent uwen oom geraken, dan zullen zij alles
+doen wat mogelijk is, om hem te bedriegen en u uw erfdeel te
+ontfutselen. Wees diensvolgens op uwe hoede, mijn vriend. Waarom zoudt
+gij uit gebrek aan toegevendheid uwen armen oom gaan bedroeven en hem u
+vijandig maken?"</p>
+
+<p>"Gij hebt misschien gelijk, Jakob," murmelde de jongeling in gepeinzen.</p>
+
+<p>"Alzoo, gij zult mijnen goeden raad volgen?"</p>
+
+<p>"Ik zal het ten minste pogen te doen."</p>
+
+<p>"Heb dank, ga nu tot uwen oom. Gij ziet daar die deur? Treed er in, op
+'t einde van den gang is eene zaal, waar uw oom u wacht. Klop noch roep:
+men mag op Wildenborg geen gerucht maken. Ik volg u niet. Heb moed en
+wees inschikkelijk. Vaarwel, tot straks!"</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="III" id="III"></a>III.</h2>
+
+
+<p>Toen Willem den gang des kasteels bereikte, kwam de hond hem tegemoet en
+berook hem van alle kanten. Dit onderzoek moest op het dier eenen
+gunstigen indruk doen, want het liep kwispelstaartend voor den
+jongeling, die, verwonderd over de onverwachte vriendschap van Nox, hem
+de hand streelend op den rug legde.</p>
+
+<p>In de zaal stappende, zag hij zijnen oom bij de tafel zitten, met de
+hand op een doodshoofd. Het gezicht zijner onbegrijpelijke magerheid en
+bovenal zijn voorkomen als van een geest of van een geraamte deden hem
+huiveren, en hij bleef te midden der zaal staan, stilzwijgend groetende
+en niet wetende wat te doen of hoe zich te gedragen jegens den
+zonderlingen man, die nu zijne glinsterende oogen op hem hield gericht
+en hem van 't hoofd tot de voeten nauwkeurig bekeek en onderzocht.</p>
+
+<p>Nox sprong verheugd rondom Willem en liet een zacht geknor hooren.</p>
+
+<p>"Mijn hond bemint u, het is een goed teeken," zeide mijnheer Reimond.
+"Kom nader, mijn vriend, en geef mij de hand."</p>
+
+<p>De jongeling ging tot zijnen oom, drukte hem de hand en zeide:</p>
+
+<p>"God zij gezegend, dat Hij mij toelaat mijnen edelmoedigen weldoener,
+den beschermer mijner ouders en mijner kindsheid, eens te zien! O, lieve
+oom, geloof mij, geen oogenblik van mijn leven is er voorbijgegaan,
+zonder dat mijn dankbaar hart uwer<span class='pagenum'><a name="Page_29" id="Page_29">[Pg 29]</a></span> goedheid indachtig was. Eilaas, de
+hemel heeft mijne gebeden niet verhoord: gij zijt ziek."</p>
+
+<p>"Laat ons daarover nu niet spreken," viel mijnheer Reimond in. "Zet u
+daar neder, op dien stoel voor mij. De dankbaarhoid is eene schoone
+bloem der ziel, maar dit gevoel mag niet overdreven zijn. Wat ik voor
+uwe ouders en voor u heb gedaan, is de moeite niet waard, dat men er van
+spreke."</p>
+
+<p>"Neen, zeg dit niet, oom lief," ging de jongeling met ontroering voort.
+"Wat zou ik, arme weeze, zonder uwe milde hulp in de wereld geweest
+zijn? Wie hadde er voor mijne opvoeding gezorgd? En geniet ik tot op den
+dag van heden uwe weldaden niet?"</p>
+
+<p>"Het is zoo, mijn vriend, spreken wij van wat anders. Nadat gij uwe
+studi&euml;n op het athenaeum hadt voleindigd, zijt gij op het kantoor van
+eenen notaris gaan schrijven, sedert hebt gij uwen patroon verlaten, en
+zijt bij Mechelen op een dorp gaan wonen? Uw eerste meester was dus niet
+tevreden over u?"</p>
+
+<p>"Ja wel, heer oom, hij was zeer tevreden, maar ik overwoog, dat ik
+zonder bescherming bij het staatsbestuur nooit eene plaats van notaris
+in eene groote stad kon verhopen. Een dorpsnotaris, die een vriend van
+mijnen meester was, bood mij de plaats van klerk aan, met het uitzicht
+om eens zijn opvolger te kunnen worden, aangezien hij geene
+bloedverwanten had, aan wie hij zijne bediening kon nalaten. Ik heb met
+blijdschap aanvaard, des te meer, daar ik op een eenzaam dorp beter
+mijne studi&euml;n kon voortzetten."</p>
+
+<p>"Alzoo, gij studeert nog?"</p>
+
+<p>"Het is te zeggen, al mijne beschikbare uren geef ik aan het lezen van
+nuttige boeken. Het is eene noodzakelijkheid mijner natuur geworden,
+mijnen geest meer en meer te ontwikkelen, en het zal u wonder schijnen,
+heer oom, maar gij zijt de oorzaak van mijnen weetlust, en om uwentwil
+alleen poog ik door zelfonderwijs immer meer en meer geleerdheid te
+verkrijgen."</p>
+
+<p>"Ik begrijp niet," murmelde mijnheer Reimond.</p>
+
+<p>"Het kan u eene vleierij schijnen, heer oom, waarom evenwel zou ik de
+waarheid verzwijgen? Mijne moeder zaliger sprak mij altijd met zooveel
+bewondering over uw hoog verstand en uwe diepe geleerdheid, dat die
+indruk mijner kindsheid mij is bijgebleven en ik, door eene geheime
+drijfveer bewogen, vermeende, met mijnen geest te oefenen, iets te doen
+dat u aangenaam kon zijn."</p>
+
+<p>Een glimlach van innige tevredenheid verlichtte het gelaat van mijnheer
+Reimond, die eerst den jongeling met welgevallen aanzag, en dan zwijgend
+den blik in de oogen van het doodshoofd vestigde, als wilde hij het over
+iets raadplegen.</p>
+
+<p>Willem zeide in zich zelven, dat, indien zijn oom werkelijk<span class='pagenum'><a name="Page_30" id="Page_30">[Pg 30]</a></span> over zekere
+dingen vreemde gedachten kon hebben, hij evenwel in het geheel niet ziek
+in de hersens scheen te zijn. Deze overweging verheugde hem, want hem
+lag inderdaad een innig gevoel van dankbaarheid in het hart, en hij had
+ondanks de vijftienjarige scheiding, zijnen weldoener oprecht blijven
+beminnen.</p>
+
+<p>Mijnheer Reimond, als hadde hij een bevestigend antwoord van het
+doodshoofd ontvangen, drukte de hand van zijnen neef en zeide:</p>
+
+<p>"Uwe moeder was eene brave vrouw. De ziel, die in uw lichaam woont,
+heeft goede neigingen, en zij is op weg om eenen grooten stap vooruit te
+doen naar de eindelijke volmaaktheid. Gij hebt nu geen fortuin, Willem,
+en deze ontoereikendheid uwer stoffelijke middelen hindert u om
+wetenschap en geleerdheid aan te winnen. Verheug u, mijn vriend: mijne
+ziel gaat zich afscheiden van haar zichtbaar omkleedsel. Ik zal u geld
+en goed genoeg nalaten, om u voor de zorgen des levens te behoeden."</p>
+
+<p>"O, heer oom, waarom dus wanhopen?" zuchtte de jongeling op treurigen
+toon. "Waarlijk, ik bemerk met diepe smart, dat gij zeer ziek zijt; maar
+met de noodige geneesmiddelen zoudt gij u gemakkelijk kunnen beteren.
+Uwe eenzaamheid, uw stil leven heeft waarschijnlijk uwe maag ontsteld.
+Het hangt van u af, hare krachten weder op te wekken door een beetje
+oefening in de opene lucht."</p>
+
+<p>"Ik ben niet ziek, vriend," was het antwoord.</p>
+
+<p>"Ach, gij zijt zoo uitermate mager, heer oom!"</p>
+
+<p>"Het is, omdat de dood nadert. Nog vier dagen."</p>
+
+<p>"Maar zeg dit niet, oom lief! Het is een inbeeldsel!"</p>
+
+<p>"Een inbeeldsel! Inderdaad, voor u zijn de geheimenissen der
+onstoffelijke wereld nog verborgen. Ik zal sterven op de laatste minuut
+van den 31<sup>sten</sup>, dezer maand. Het is onfeilbaar en onherroepelijk."</p>
+
+<p>De jongeling schudde het hoofd met moedeloosheid.</p>
+
+<p>"Gij gelooft mij niet?" hervatte mijnheer Reimond. "Het is u
+onbegrijpelijk, hoe een mensch zoo nauw het uur van zijnen overgang naar
+een nieuw leven kan weten? Daar is hij, die sedert zes maanden mij elken
+dag verwittigt, dat het oogenblik voor mij nadert."</p>
+
+<p>En dit zeggende, legde hij den vinger op het doodshoofd.</p>
+
+<p>De tranen stonden Willem in de oogen; doch hij sprak niet. Hij wist
+inderdaad niet wat te zeggen. Zijnen oom openlijk in zijne dwaze
+gepeinzen bestrijden, dit dorst hij niet doen; en geloof in deze
+zinneloosheid veinzen, dit was tegenstrijdig met de oprechtheid zijns
+harten.</p>
+
+<p>"Gij ziet mij zoo verbaasd aan? Evenals de andere menschen<span class='pagenum'><a name="Page_31" id="Page_31">[Pg 31]</a></span> meent gij,
+dat ik waanzinnig ben, niet waar?" morde de oom. "Och, Willem, ik
+beschuldig u daarom niet. Het is iedereen niet gegeven, met de
+onstoffelijke wereld in gemeenschap te komen en geheimenissen te kennen,
+die slechts aan zeer gelouterde zielen nu en dan eens worden
+geopenbaard. Indien ik u zeide dat in dit doodshoofd een geest woont,
+wiens taal voor mij klaar en verstaanbaar is, indien ik u verzekerde,
+dat die geest reeds dertigmaal onder verschillende menschelijke
+gedaanten heeft geleefd, zoudt gij mij gelooven?"</p>
+
+<p>"Ik zou u willen gelooven, heer oom, maar bij gebrek aan kennis der
+zaak, is mij dit nu onmogelijk," stamelde de jongeling in verlegenheid.</p>
+
+<p>"Wel geantwoord, Willem; gij loochent ten minste het bestaan van geesten
+niet volstrektelijk."</p>
+
+<p>"Zeker niet; boven de stoffelijke natuur zijn er onstoffelijke wezens,
+de godsdienst leert ons en het geweten doet ons voor gevoelen, dat niet
+alles met het aardsche leven eindigt."</p>
+
+<p>Deze woorden, met overtuiging gesprokon, schenen mijnheer Reimond
+bijzonder te behagen; hij knikte goedkeurend met het hoofd en zeide:</p>
+
+<p>"Gij gelooft dus aan de onsterfelijkheid der ziel, aan een toekomstig
+leven, aan de straf des kwaads en aan de belooning des goeds: in &eacute;&eacute;n
+woord, aan de rechtvaardigheid Gods?"</p>
+
+<p>"Is het mogelijk, heer oom, aan zulke klaarblijkende waarheden te
+twijfelen?"</p>
+
+<p>"Ha, Willem, er zijn er, die daaraan durven twijfelen, maar oneindig
+meer zijn er, die slechts een bekrompen of onduidelijk begrip van deze
+waarheden hebben. Ik weet niet, mijne ziel heeft voor de uwe een
+geheimzinnige neiging. Zij denkt, dat de uwe zuiver genoeg voor deze
+hooge wetenschap zou kunnen zijn. Ware het zoo, ik zou met een gevoel
+van opperst geluk deze aarde verlaten. Niet alleen omdat aldus de
+vruchten van mijn arbeidzaam streven voor de menschheid niet zouden
+verloren gaan, maar nog omdat ik u v&oacute;&oacute;r mijnen dood eene weldaad zou
+kunnen bewijzen, duizendmaal kostbaarder dan het fortuin, dat gij erven
+gaat.... Laat hooren, mijn goede neef, wilt gij leeren hoe men in
+betrekking komt met de wereld der geesten? Wilt gij het ten minste
+beproeven? Want het is niet zeker, dat uwe ziel reeds genoeg beproefd en
+gelouterd zij."</p>
+
+<p>"Om u vermaak te doen, zal ik alles beproeven wat gij wenscht, heer
+oom," antwoordde de jongeling op eenen toon van lijdzame onderwerping.</p>
+
+<p>"Welnu, vriend, luister dan met inspanning der hersenen, en, valt de
+redeneering u in het eerst wat zwaar, doe geweld om mij te begrijpen.
+Doordring u van de gedachte, dat, indien ik u bekwaam kon vinden tot het
+aanvaarden der zedelijke erfenis<span class='pagenum'><a name="Page_32" id="Page_32">[Pg 32]</a></span> mijner ziel, ik het zou aanzien als
+eene duizendvoudige belooning voor het weinige goed, dat ik uwen ouders
+en u kan hebben gedaan. Gij zult gaan hooren wat de geest, die in het
+doodshoofd woont, mij heeft veropenbaard. Geef aandacht, ik bid u."</p>
+
+<p>Mijnheer Reimond schoof zijnen stoel nader en begon dus op langzamen,
+plechtigen toon:</p>
+
+<p>"Ziehier wat de geesten leeren. Voordat onze wereld bestond, zag
+God&mdash;het eenig eeuwig, geheel zuiver, volmaakt en almachtig wezen&mdash;dat
+de onmeetbare ruimte van het heelal ijdel was. Hij schiep de engelen&mdash;en
+Hij schiep ze in onnoembaar getal&mdash;om die ledigheid te vervullen, der
+ruimte leven te geven en Hem in zijne majesteit te loven en te dienen.
+De engelen waren betrekkelijk zuivere geesten; maar geheel volmaakt
+waren ze niet, anders zou elk hunner zooveel zijn geweest als God zelf,
+die alleen volmaakt kan zijn. Het gebeurde, dat een dier geesten,
+Lucifer geheeten, door den hoogmoed verleid, met honderden millioenen
+zijner gezellen tegen den eenigen God wilde opstaan; maar zijne
+vermetelheid ontving eene verschrikkelijke en verdiende straf. Hij werd
+nedergebliksemd en veroordeeld om eeuwiglijk van het aanschijn des
+Heeren verwijderd te blijven en zonder einde in duisternis te treuren en
+te lijden. Dan wilde God de opengevallene plaatsen in de scharen zijner
+trouwgeblevene dienaars aanvullen; maar Hij zou rondom zijnen troon
+geene andere dan beproefde geesten toelaten. Daarom schiep Hij den
+mensch. De mensch is een onvolmaakte engel, die door de bekoring en de
+overwinning, door het lijden en den moed, door de worsteling en de
+sterkte, in &eacute;en woord door arbeiden en door strijden, tot de volstrekte
+macht en zuiverheid moet geraken, ten minste voor zooveel een geschapen
+wezen zuiver en machtig kan zijn naast God.... Begrijpt gij dit, mijn
+vriend?"</p>
+
+<p>"Ho, zeer wel, oom lief," antwoordde de jongeling, die met verbaasdheid
+luisterde.</p>
+
+<p>"Welnu, God schiep ook de aarde en de gansche wereld, met hare kruiden
+en dieren, met hare schoonheden en hare gebreken, met hare verlokkingen,
+haar geluk, hare rampen, hare vreugde, haar verdriet, hare vijandschap,
+hare liefde, omdat de mensch tusschen al deze tegenstrijdigheden zou te
+worstelen hebben, en zijne zedelijke natuur door opvolgende
+overwinningen zou beproefd en gelouterd worden.... Hier is nu de reden
+van het bestaan der geesten: het lichaam des menschen is slechts aarde,
+een stoffelijke vorm, die den waren mensch, dat is te zeggen de ziel,
+den geest omkleedt. Anders kon hij toch zijne bestemming niet vervullen;
+want een ongevleesde geest heeft geene zintuigen en kan met de stof niet
+in aanraking komen of<span class='pagenum'><a name="Page_33" id="Page_33">[Pg 33]</a></span> van de stof eenige aanvechting onderstaan.
+Diensvolgens, om te kunnen lijden en worstelen, moest de ziel des
+menschen in eenen aardelijken vorm gewikkeld worden, ten einde bij
+middel der stof in aanraking met de stof te komen en haar zelfs
+gedeeltelijk onderworpen te worden. Dit zegt u ook, dat evenwel de
+eigenlijke mensch in de ziel bestaat en hij zijn lichaam kan verliezen,
+zonder dat hij ophoudt te wezen.&mdash;Vat gij deze redeneering, neef?"</p>
+
+<p>"Zij wordt mij wel iets of wat duister, heer oom," mompelde de
+jongeling.</p>
+
+<p>"Ik zal pogen duidelijker te zijn, Willem. Op de volgende wijze
+verklaart de geest de bestemming van den mensen voor de eeuwigheid. Al
+de menschelijke zielen werden bij duizenden millioenen en op hetzelfde
+oogenblik geschapen, maar zij kregen niet altezamen een stoffelijk
+omkleedsel. De eerste, die de proeve op aarde onderstond, was Adam, en
+opvolgend na hem, tot den dag van heden, een onnoembaar getal anderen.
+Een mensch leeft meer dan &eacute;&eacute;n leven, er zijn er wel, die honderdmaal
+reeds de beproeving opnieuw hebben begonnen en bij gebrek aan kracht,
+aan deugd en aan voortgang, nog veel malen zullen te herleven hebben.
+Vooronderstel, dat vele honderdduizenden menschen op een jaar sterven.
+Waar meent gij, dat hunne zielen gaan?"</p>
+
+<p>"De godsdienst laat daarover geenen twijfel," bemerkte de jongeling.</p>
+
+<p>"Inderdaad niet," antwoordde mijnheer Reimond. "Op het einde zal het
+zijn, zooals de godsdienst ons leert, maar in afwachting van het vergaan
+der wereld?"</p>
+
+<p>"Zulke dingen zijn moeielijk om te begrijpen," mompelde Willem, die niet
+meer wist wat te antwoorden.</p>
+
+<p>"Inderdaad, maar gij zult ze eindelijk wel doorgronden," hernam de oom
+op aanmoedigenden toon. "Zijn er tusschen die honderdduizenden zielen
+eenige, welke de noodige zuiverheid hebben bereikt, deze worden
+opgenomen in den hemel, en elk hunner krijgt de plaats van eenen der
+afgevallene engelen. De andere nog onvolmaakte zielen gaan in de ruimte,
+en moeten daar wachten, totdat het God believe hun eene nieuwe proeve,
+dit is een nieuw leven op aarde, toe te staan. Al deze zielen, al deze
+geesten zonder stoffelijk lichaam bevolken de lucht, waarin zij zich,
+wanneer zij willen, met de snelheid des bliksems bewegen, maar zij
+blijven nog liefst in de streken, welke zij als mensch hebben bewoond,
+en in de nabijheid hunner vrienden, hunner ouders of hunner kinderen.
+Bij voorbeeld, terwijl ik hier met u spreek, omringen ons wel twintig
+geesten. Onder hen herken ik mijnen vader en den uwen, mijne vrouw en
+uwe moeder, die ons beluisteren en zich verblijden in de<span class='pagenum'><a name="Page_34" id="Page_34">[Pg 34]</a></span> hoop, dat gij
+de geheimzinnige, de bovennatuurlijke kracht zult aanwinnen om hen te
+zien en met hen te spreken."</p>
+
+<p>Eene siddering scheen den jongeling aan te grijpen. Het gepeins, dat
+zijne afgestorvene ouders naast hem stonden en hem zagen, deed eenen
+gansch vreemden indruk op hem. Het was, alsof het hem benauwd om het
+harte werd, en een lang opgehouden zucht ontsnapte zijner borst.</p>
+
+<p>"Wees niet vervaard, mijn vriend," zeide zijn oom, "deze onstoffelijke
+zielen zijn hinderloos, en het is hun niet toegelaten, kwaad te doen aan
+de zielen, die in vleeschelijken vorm lijden en strijden op aarde. Weet
+nu verder, dat sommige menschen, die door opvolgende beproevingen en
+door het innig betrachten van deugd en wetenschap tot eenen verren graad
+van zuiverheid gevorderd zijn, het vermogen hebben om in gemeenschap te
+komen met de wachtende zielen, die de ruimte vervullen, anders gezegd,
+die de eigenschap bezitten, om de onstoffelijke geesten op te roepen en
+ze te dwingen tot mededeeling van hetgeen zij weten. De geest, die in
+dit doodshoofd woont, heeft reeds dertigmaal geleefd. Hij nadert tot de
+vereischte zuiverheid en weet daarom dingen te openbaren, waarvan min
+gevorderde zielen geene kennis hebben. Dit alles is toch wel bevattelijk
+voor uw verstand, niet waar?"</p>
+
+<p>"Het is verrassend en wonderlijk," antwoordde Willem, "maar volgens u
+zouden alle menschen zonder uitzondering engelen worden en ten hemel
+gaan? Dit strijdt met den godsdienst en met het geweten, die ons leeren,
+dat er belooning of straf zal zijn na dit leven."</p>
+
+<p>"Deze strijdigheid bestaat slechts in schijn, mijn vriend, het zal
+waarlijk op het einde geschieden zooals ons wordt geleerd. Nadat
+honderden millioenen gezuiverde zielen ten hemel gevaren zijn, en
+zoohaast ook de laatste plaats der gevallen engelen vervuld is, zal God
+de wereld doen vergaan, en de zielen, welke alsdan ondanks de vele
+beproevingen nog onzuiver, boos en zondig zijn gebleven, zullen
+neergebliksemd worden, om in de eeuwige duisternis en in het gezelschap
+der duivelen te boeten en te lijden."</p>
+
+<p>Nox, die sedert eenigen tijd rondom den stoel van den jongeling
+snuffelend dwaalde, sprong nu met zijne voorste pooten op zijne knie en
+woelde met den snuit tegen de borst van zijne frak, als rook hij daar
+iets bijzonders.</p>
+
+<p>"Nox, hier, stil!" sprak mijnheer Reimond op bevelenden toon.</p>
+
+<p>Het beest verliet den verbaasden Willem en kroop tot voor de voeten
+zijns meesters.</p>
+
+<p>"Gij hebt vleesch in uwen zak, mijn neef?"</p>
+
+<p>"In het geheel niet," stamelde de jongeling, eenige papieren
+uittrekkende.<span class='pagenum'><a name="Page_35" id="Page_35">[Pg 35]</a></span></p>
+
+<p>"Ha, ik zie wat het is!" riep mijnheer Reimond met eenen glimlach. "Gij
+hebt daar den brief, dien ik u toezond. De hond heeft hem reeds eenmaal
+in den muil gehad, en hij herkent hem aan den reuk."</p>
+
+<p>"Wat wonderlijk beest!" zuchtte Willem. "Ik begrijp, dat de hovenier er
+van vervaard is. Men zou haast gaan gelooven, dat Nox een menschelijk
+verstand heeft. Toen hij mij kwam roepen, scheen hij te willen spreken!"</p>
+
+<p>"Het is een arm dier, dat mij verkleefd en dankbaar blijft, omdat ik het
+eens te hulp kwam, toen het zich in gevaar des levens achtte," zeide
+mijnheer Reimond. "Wat den ouden Jakob betreft, hij is een goed man en
+een trouw hart, maar zijn moed en zijn verstand zijn niet groot. In
+zijne eenvoudigheid droomt hij van niets dan van schrikkelijke dingen,
+en zoohaast hij iets ziet dat hij niet kan begrijpen, meent hij, dat
+bovennatuurlijke oorzaken in het spel zijn. Wat wonders is daaraan, dat
+Nox geleerd heeft den hovenier te gaan roepen, vermits hij nooit eten
+krijgt dan wanneer ik Jakob doe komen? De eenzaamheid en de eeuwige
+stilte hebben misschien iets bijgebracht om de natuur van het arme dier
+te wijzigen. Misschien woont in hem eene ziel, die gereed is om tot eene
+hoogere en gelukkige proef over te gaan,&mdash;maar dit kan ik in alle geval
+niet verzekeren."</p>
+
+<p>"Eene ziel in den hond? Eene menschelijke ziel?" mompelde Willem met
+eenen glimlach van ongeloof.</p>
+
+<p>"Waarom niet?" was het antwoord. "Indien God het zoo wil, om
+wederspannige of geheel ondeugende zielen te straffen of ze aan eene
+zware proef te onderwerpen? Er zijn trotsche dwingelanden, die in ezels
+overgaan, opdat zij onder den stok van den drijver zouden worden
+verootmoedigd, hoovaardige vrouwen, die padden worden en onder dezen
+verachten vorm gedurende een gansch leven in het slijk wroetelen,
+oorlogshelden, welke om roem te behalen stroomen bloeds vergoten, die
+haas worden, opdat de eeuwige vrees hunnen wreeden overmoed stille, en
+het lood der jagers ook hun bloed doe vlieten, maar niet in alle dieren
+wonen menschelijke zielen, en het is den geesten niet veroorloofd
+daarover eenige bepaalde openbaringen te doen.... Nu, mijn goede Willem,
+heb ik u gezegd wat ik noodig acht om u een klaar denkbeeld van de
+geestenwereld te laten opvatten. Is u nog iets duister, zeg het, ik zal
+u meer uitlegging geven, indien gij het verlangt."</p>
+
+<p>"Neen, oom lief, ik weet genoeg," antwoordde de jongeling met eene stem,
+die van vermoeidheid en treurnis getuigde.</p>
+
+<p>"Des te beter, mijn neef; dan kunnen wij seffens beginnen met de
+eindelijke proef, waartoe mijne woorden u hebben voorbereid," zeide
+mijnheer Reimond opstaande "Ha, Willem, mijn vriend, misschien zult gij,
+v&oacute;&oacute;rdat een uur verloopen zij, reeds<span class='pagenum'><a name="Page_36" id="Page_36">[Pg 36]</a></span> in gemeenschap zijn met de wereld
+der zielen. Mocht dit gelukken, ik zou God zegenen voor die hooge
+weldaad, aan u en aan mij bewezen! Kom hier, zet u op dezen stoel voor
+het doodshoofd, ik zal u leeren, hoe gij den geest, die er in woont,
+moet pogen te zien en te hooren."</p>
+
+<p>"O, ik bid u, heer oom, ontsla mij van deze proefneming!" smeekte
+Willem. "Ik weet niet, mijne ziel is waarschijnlijk nog niet zuiver
+genoeg; het is, als boezemde deze verborgene wetenschap mij schrik en
+afkeer in. Wees zeker, al duurden uwe pogingen eenen ganschen dag, ik
+zou den geest niet zien."</p>
+
+<p>"Gij gelooft zulks?" hernam de oom. "Ongetwijfeld bedriegt gij u. Deze
+afkeer is natuurljjk. In stoffelijke gedaante schrikt de mensch van alle
+geheimzinnigheid; maar gij moet die vrees overwinnen en, met vasten moed
+en met volledig vertrouwen, u leenen tot de onschatbare les, welke ik u
+wil geven. Zoohaast gij den geest ziet, zoohaast gij zijne taal
+verstaat, zult gij juichend en dankend mij in de armen vliegen. Ha, er
+is op aarde geen grooter geluk dan deze wetenschap, die ons bestaan
+verbreedt tot de uiterste palen van het heelal. Nu, zit hier voor het
+doodshoofd."</p>
+
+<p>"Maar, oom lief, indien gij de goedheid hadt, mij ten minste voor heden
+te verontschuldigen!"</p>
+
+<p>"Zeker niet, Willem; het is uwe stoffelijke natuur, die worstelt om de
+bovenhand te behouden. Zij moet bevochten en overwonnen worden: het ware
+eene lafheid dus toe te geven aan hare zelfzucht. Gij weigert? Zou ik
+mij misgrepen hebben? Zal ik de smart onderstaan, in u, mijnen neef,
+eene verachterde en nog zeer zwakke ziel te moeten herkennen?"</p>
+
+<p>De jongeling bemerkte, dat zijn tegenstand het hart zijns ooms met
+droefheid vervulde. Uit eerbied, uit toegevendheid voor hem, besloot hij
+zich lijdzaam te leenen tot al wat hij van hem kon eischen. Hij stond
+op, zette zich voor hot doodshoofd en zeide:</p>
+
+<p>"Gij hebt ongelijk, heer oom, aan mijnen moed of aan mijnen goeden wil
+te twijfelen. Ik ben zeker, of ten minste ik geloof mij zeker, dat ik
+den geest niet zal zien; maar vermits gij er anders over denkt, welaan,
+ik ben bereid. Wat moet ik doen?"</p>
+
+<p>"Het zal gaan, gij kent u zelven niet, Willem!" riep mijnheer Reimond
+met blijdschap. "Heb vertrouwen; gij zult niet alleenlijk de erfgenaam
+mijner stoffelijke goederen zijn, maar tevens de erfgenaam van het
+zedelijk vermogen mijner ziel! Schuif uwen stoel bij de tafel,&mdash;zet u op
+uw gemak,&mdash;leg de rechterhand op het doodshoofd,&mdash;zie nu in zijne holle
+oogen, diep zeer diep, en tracht aldus uwen blik beweegloos te houden,
+op zulke wijze, dat niets meer van de dingen, die in deze kamer zijn, uw
+gezicht verstrooie of store. Doordring u zelven nu van<span class='pagenum'><a name="Page_37" id="Page_37">[Pg 37]</a></span> de gedachte, dat
+gij eenen geest wilt zien, eenen geest in menschelijke gedaante; want in
+eenen anderen vorm kunnen zij zich voor onze stoffelijke oogen niet
+openbaren. Willen en blijven willen, overtuigd zijn en gelooven, niet
+verzwakken, standvastig en onverwinnelijk willen, is hier de
+tooverroede, die de wereld der zielen voor uw aangezicht moet
+ontsluiten. Poog diensvolgens uwen geest in zulke spanning te brengen,
+dat hij door dit zelf magnetismus om zoo te zeggen uw lichaam verlate en
+zich vermenge met de onstoffelijke wezens, die de lucht vervullen. Zoo
+is het wel; verroer u niet meer, blijf zwijgend en, wat er ook
+geschiede, keer uw gezicht niet van het doodshoofd af, noch uw gepeins
+noch uwen wil van het doel dezer proeve. Stil nu!"</p>
+
+<p>De jongeling beschouwde deze proefneming om geesten op te wekken als
+eene beklaaglijke zinneloosheid van zijnen oom. Evenwel, om zijnen
+zieken weldoener niet te bedroeven, volbracht hij nauwkeurig zijne
+begeerte en had letterlijk de hem gegevene les gevolgd. Hij zat
+beweegloos als een steenen beeld en hield de oogen zoo vast in de holle
+oogen van den schedel gevestigd, dat zijn gezicht er van schemerde en
+hij er duizelig van werd.</p>
+
+<p>Hij behield echter zijn geduld, want hij hoopte, dat zijn oom zelf
+welhaast deze nuttelooze poging moede zou worden en hem er van zou
+ontslaan. Dan hij bedroog zich grootelijks: er verliep wel een half uur
+zonder dat mijnheer Reimond teeken van leven gaf; integendeel, hij
+scheen zijnen adem op te houden om zijnen neef niet te storen en zijne
+aandacht van het nagejaagde doel af te trekken.</p>
+
+<p>Wat Willem betreft, deze verveelde zich onzeglijk; alles scheen voor
+zijn verduisterd gezicht te draaien, en het zweet stond in parelen op
+zijn voorhoofd. Hij gevoelde, dat hij het niet langer volhouden kon, en
+vroeg zich zelven juist, of hij dit pijnlijk spel niet beslissend zou
+onderbreken,&mdash;toen zijn oom met verdoofde stem aan zijn oor suisde:</p>
+
+<p>"Keer den blik niet af, Willem; gij zult gelukken: ik heb op uw gelaat
+de teekens gevolgd, die van de immer aangroeiende uitzetting uwer ziel
+getuigen. Nog een half uur geduld, en de groote geheimenis zal zich voor
+u ontsluieren."</p>
+
+<p>"Nog een half uur, o hemel!" zuchtte Willem verschrikt.</p>
+
+<p>"Zwijg, blijf standvastig, ik bezweer u, vriend, indien gij eenige
+liefde, eenige dankbaarheid voor mij hebt, laat uwen moed in dit opperst
+oogenblik niet verzwakken. Niet waar, gij ziet in de diepte van het
+doodshoofd nevelachtige wolkjes, die bewegen en schijnen te zwoegen om
+eene bepaalde gedaante aan te nemen?"</p>
+
+<p>"Ik zie wolkjes die vlotten, witte ringen die draaien, vonken die
+glinsteren, en alle soorten van zonderling duizelige dingen," stamelde
+Willem.<span class='pagenum'><a name="Page_38" id="Page_38">[Pg 38]</a></span></p>
+
+<p>"Ha, dit is het! Uwe ziel begint ziende te worden. Geduld, geduld, de
+proeve voortgezet met onwrikbaar vertrouwen. Stil nu, geen woord, geen
+ander gepeins meer dan het doel alleen!"</p>
+
+<p>Gedurende nog een geheel kwart uurs hield Willem het vol; maar dan
+gevoelde hij, dat een onweerstaanbare slaaplust hem allengs overviel.
+Hij geeuwde nu en dan, doch poogde deze teekens der verveling door het
+geweldig sluiten van den mond te verbergen. Eindelijk kon hij de
+koortsige trekkingen zijner zenuwen niet meer bedwingen; geeuwde met
+wijdgeopenden mond, en zijn opgehouden adem welde tegen zijnen wil met
+een pijnlijk geluid uit zijne borst op.</p>
+
+<p>"O, oom lief, heb medelijden met mij!" zuchtte hij, het hoofd
+afkeerende. "Ik val in slaap; reeds heb ik geene bewustheid meer van
+hetgeen ik doe."</p>
+
+<p>"Nog wat moed, nog wat geduld, vriend; wij raken misschien het doel!"</p>
+
+<p>"Neen, neen, nog &eacute;&eacute;ne minuut en ik stort met het hoofd op de tafel, om
+morgen eerst te ontwaken! Het is mijne schuld niet, heer oom. Ik ben
+onzeglijk vermoeid van den gansenen dag te hebben gereisd. Gij ziet wel,
+dat, niettegenstaande zulke afgematheid, de goede wil mij niet heeft
+ontbroken."</p>
+
+<p>"Inderdaad. Gij waart reeds verre gevorderd nogtans! Maar het zij zoo;
+men bekomt deze onschatbare wetenschap zoo niet in eens. Wanhoop niet,
+Willem; wij zullen morgen met meer geluk waarschijnlijk de proeve
+hernemen. Schei uit nu: het is genoeg voor heden. Daarenboven, het zal
+haast avond worden, en het uur der eenzaamheid nadert voor mij. Wat u
+betreft, gij snakt naar rust. Ik heb in het achterste gedeelte van het
+kasteel eene kamer voor u doen bereiden. Jakob Mispels, de hovenier, zal
+u dienen; hij heeft last om u alles te bezorgen wat u noodig is, en
+verlangt gij iets, dat zich niet op Wildenborg bevindt, Jakob zal naar
+het dorp gaan om het te halen. Gedurende den nacht zal ik den geest van
+het doodshoofd over u raadplegen; hij zal mij misschien openbaren, hoe
+gij onmiddellijk tot de gemeenschap der zielen kunt geraken. Heb goeden
+moed en slaap gerust. Tot morgen, mijn vriend!"</p>
+
+<p>Hij reikte de hand tot zijnen neef. Deze sprak op den toon van diep
+medelijden en van smart:</p>
+
+<p>"Alzoo, mijn goede oom, gij blijft bij de schrikkelijke gedachte, dat
+gij binnen weinige dagen zult sterven?"</p>
+
+<p>"Eene gedachte, Willem? Het is eene volstrekte zekerheid."</p>
+
+<p>"Maar indien gij wenschtet te leven?"</p>
+
+<p>"Het zou er niets aan doen. Daarenboven, mijn jongen, ik snak vurig naar
+den dood."</p>
+
+<p>"Onbegrijpelijk!" zuchtte Willem met moedeloosheid.</p>
+
+<p>"Wat is daar onbegrijpelijks in?" hernam de oom met eenen<span class='pagenum'><a name="Page_39" id="Page_39">[Pg 39]</a></span> glimlach.
+"Elke maal dat een mensch na een tamelijk goed leven sterft, doet hij
+eenen stap vooruit naar de eindelijke volmaaktheid, die hem met eene
+plaats bij God de eeuwige zaligheid moet geven. Wanneer men op reis is
+naar het grootste geluk, verlangt men dan tot langen stilstand gedwongen
+te zijn? Treur niet over mijnen onfeilbaren dood; gij ziet wel, dat ik
+noch verschrikt, noch weemoedig ben."</p>
+
+<p>De jongeling erkende, dat er niet tegen dit ingeworteld denkbeeld van
+zijnen oom te worstelen was. Hij murmelde een goedennacht en meende de
+zaal te verlaten; maar mijnheer Reimond hield hem terug en zeide:</p>
+
+<p>"Ik heb den ganschen dag over eene moeielijke zaak nagedacht. Willem,
+gij hebt eene verre nicht, die de andere helft mijner goederen moet
+erven. Ik wensch, dat Wildenburg met zijne aanklevende bosschen, weiden
+en landerijen onverdeeld blijve; het is een vaderlijk erfgoed. Mijn
+inzicht is, Wildenborg in uw deel te plaatsen; maar dewijl ik verlang,
+dat het als onverkoopbaar en onverdeelbaar beschouwd worde, zou daardoor
+de waarde van uw deel verminderd zijn. Ik zal het middel zoeken om u
+eene schadeloosstelling te verzekeren; wij zullen morgen daarover
+spreken. Ik zal u vroeg doen roepen. Ga nu, en slaap wel."</p>
+
+<p>Willem murmelde eene groetenis en verliet de zaal.</p>
+
+<p>Toen hij zich onder den blauwen hemel bevond, ontsnapte hem een lange
+zucht, als viele er een gewicht van zijn hart. In stede van naar het
+hoveniershuisje te gaan, trad hij, door den nood aan eenzame overweging
+gedreven, in het groene prieel en zette zich op de bank neder. Hij
+vouwde de armen op de borst, staarde ten gronde en bleef dus zeer lang
+in diepe gepeinzen verzonken.</p>
+
+<p>Eindelijk hief hij het hoofd op en mompelde met eene uitdrukking van
+verbaasdheid:</p>
+
+<p>"Wat geschiedt mij? Daar zit ik te droomen aan de mogelijkheid der
+wonderlijke dingen, die mijn oom mij heeft verteld! Wat is de geest des
+menschen toch zwak, en hoe machtig is op hem de indruk der
+bovennatuurlijke geheimenissen! Zoo een gansch uur in de holle oogen van
+een doodshoofd staren, het betoovert en maakt de hersenen duizelig. Arme
+oom, hij is zeer ziek, zijne verbeelding is verdwaald. Er is, eilaas,
+niets aan te doen. Wat ben ik moede! Eten wij metterhaast een beetje, en
+zoeken wij troost en verkwikking in de rust."</p>
+
+<p>Hij verliet het pri&euml;el en richtte zijne stappen naar de woning des
+hoveniers. Zijn geest was beneveld en zijn hart weemoedig. Hij vond
+Jakob Mispels en zijne vrouw druk bezig bij den haard met de bereiding
+van zijn avondmaal; er lag reeds een wit ammelaken over de tafel
+gespreid.<span class='pagenum'><a name="Page_40" id="Page_40">[Pg 40]</a></span></p>
+
+<p>De hovenier, zoohaast hij den groet des jongelings hoorde, kwam hem te
+gemoet geloopen, greep zijne hand en vroeg met koortsige
+nieuwsgierigheid:</p>
+
+<p>"Welnu, welnu? Hoe is het afgeloopen? Heeft uw oom u goed onthaald? Is
+hij tevreden over u?"</p>
+
+<p>"Ik vermeen het te mogen denken," was het antwoord.</p>
+
+<p>"Heeft hij u van zijnen dood, van zijnen schrikkelijken dood gesproken?"</p>
+
+<p>"Ja, meer dan ik verlangde."</p>
+
+<p>"Hoe? Hij zou u gezegd hebben, dat de duivel....?"</p>
+
+<p>"Laat mij gerust met die gekheden, Jakob," morde Willem ontevreden.
+"Mijn arme oom verbeeldt zich, dat hij gaat sterven, dit is alles."</p>
+
+<p>"Zoo, gij meent het? Gij twijfelt aan de waarheid van hetgeen ik u heb
+gezegd?"</p>
+
+<p>"Geloof hem niet, Willem," viel Peternelle haren man in de rede. "Al wat
+hij vertelt, zijn dwaasheden. Men zou welhaast gaan meenen, dat hij
+kindsch wordt."</p>
+
+<p>"Ik kindsch?" grommelde Jakob dreigend. "Ik zal u straks over die
+beleediging spreken!"</p>
+
+<p>"Mijn oom is ziek, ziek in het hoofd," zuchtte de jongeling. "En er
+blijft weinig hoop op genezing!"</p>
+
+<p>"Ziek in het hoofd? Zot, wilt gij zeggen? De pastoor schijnt zulks ook
+te denken; maar het is niet waar: mijn meester heeft te veel verstand en
+te veel geleerdheid, ziedaar de eenige oorzaak van zijn ongelukkig lot."</p>
+
+<p>Ondertusschen had de vrouw de spijzen opgediend.</p>
+
+<p>"Mijnheer Willem," zeide zij, "gelief u daar bij de tafel te zetten. Ik
+heb gedaan wat in mijne macht was om u een goed avondmaal te bereiden.
+De reis zal u eetlust gegeven hebben. Moge de keuken der oude Peternelle
+u bevallen!"</p>
+
+<p>Met betuigingen van dankbaarheid begon Willem de hem voorgediende
+spijzen te nuttigen.</p>
+
+<p>Jakob was reeds bezig met opnieuw van zijnen meester en van den duivel
+te spreken.</p>
+
+<p>"Maar, om Gods wil, zwijg toch een beetje en laat mijnheer gerust,
+terwijl hij eet!" zeide zijne vrouw.</p>
+
+<p>"Wat heeft een mensch van zwijgen?" wedersprak de hovenier. "Als men
+eet, kan men des te beter luisteren. Gij denkt zeker, dat ik mijnheer
+Willem, het kind, dat ik op de armen heb gedragen, in eene dwaalgedachte
+zal laten, als ik de mogelijkheid zie om hem van de waarheid te
+overtuigen? Gij gelooft, Willem, dat mijn meester geene betrekkingen
+heeft met den zwarten man? Gij hebt dus geene acht op Nox gegeven, en u
+is het niet klaarblijkend geworden, dat Nox niets anders is dan een
+geest, een <i>Mistoffel</i>, die hem bewaakt?"<span class='pagenum'><a name="Page_41" id="Page_41">[Pg 41]</a></span></p>
+
+<p>"Nox is een hond gelijk alle andere honden," bemerkte de jongeling.</p>
+
+<p>"Een hond gelijk alle andere honden? Kendet gij de geschiedenis van dien
+helschen dienaar, welken gij meent voor een beest te mogen aanzien, gij
+zoudt wel anders spreken. Maar waarom zou ik u die geschiedenis niet
+vertellen, terwijl gij toch niets te doen hebt dan te eten? Vrees niet,
+zij is schrikkelijk, doch kort. Welnu, luister. Het is tien jaar
+geleden, sedert den 13<sup>den</sup> Juli; mijn meester leefde wel eenzaam, maar
+de zaken gingen op Wildenborg niet als nu. Op eenen zekeren nacht werden
+wij onverwachts gewekt door een vreemd geraas in de lucht. Het was,
+alsof de aarde beefde, alsof er honderd wagens te gelijk door den hemel
+reden. Daarop begon het te bliksemen en te donderen, dat wij meenden de
+wereld te zien vergaan. Het vuur des hemels was zoo hevig, dat wij de
+handen voor de oogen moesten houden om niet met blindheid te worden
+geslagen. Vol schrik en angst loop ik met mijne vrouw naar het kasteel,
+en daar vinden wij mijnheer&mdash;die alsdan zich zelven nog niet
+opsloot&mdash;bezig met in een boek vol groote zwarte letteren te lezen. Het
+tempeest groeit aan, de donderslagen doen het kasteel op zijne
+grondvesten daveren; daar vallen eensklaps hagelsteenen zoo zwaar als
+duiveneieren, en de verbrijzelde schalien vliegen kletterend door de
+lucht.... Wij stonden nevens mijnheer te beven en te bidden, toen
+eensklaps een klagend noodgeroep, als van een stervend mensch, zich
+buiten het kasteel liet hooren. Mijnheer Reimond sprong met verrassing
+recht en zeide mij: "Jakob, er is iemand voor het hek, die om hulp
+roept. Hij smeekt om eene schuilplaats: ga opendoen en laat hem binnen."
+Hadde men mij op dit akelig oogenblik eenen hooiwagen vol goud willen
+geven, ik hadde geenen enkelen voet buiten gezet. Mijn meester zag het
+wel; want hij ging zelf naar het hek en keerde even ras terug met eenen
+hond, dit is te zeggen met den duivel, die zijn <i>Mistoffel</i> moest
+worden. Nauwelijks was het gruwelijke beest binnengelaten, of een
+donderslag, als van honderd kanonnen, trof het kasteel en scheurde
+zijnen gevel tot in den grond. Ik schreeuwde om hulp en mijne vrouw viel
+buiten kennis op den vloer.... Het is sedert dan, dat de arme Peternelle
+half stom geworden is. Ziedaar, Willem, de geschiedenis van Nox. Is het
+z&oacute;&oacute;, dat een gewone hond ergens aankomt? Eilaas, in dien schromelijken
+nacht heeft mijn arme meester zijne ziel aan den zwarten man verkocht,
+en nu is zijn tijd om. Gelooft gij nu nog, Willem, dat ik niet weet wat
+ik zeg? Nox? Nox? Is dit een naam voor den hond van een Christenmensch,
+zeg?"</p>
+
+<p>"Die naam is Latijn, en hij beteekent eenvoudig <i>nacht</i>," mompelde
+Willem, de schouders ophalende.</p>
+
+<p>"<i>Nacht!</i> Ziet gij wel, dat Nox een geest der duisternis moet zijn?<span class='pagenum'><a name="Page_42" id="Page_42">[Pg 42]</a></span>"</p>
+
+<p>De jongeling, die niet den minsten lust had om langer naar de vertelsels
+van den spreekzieken Jakob te luisteren, stond van de tafel op.</p>
+
+<p>"Ik dank u, mijne vrienden, en u bijzonderlijk, goede Peternelle," zeide
+hij. "Het avondmaal was wel bereid, en het heeft mij uitmuntend
+gesmaakt. Het is nu bijna donker daarbuiten, ik gevoel mij vermoeid en
+slaperig. Wees zoo goed, Jakob, en leid mij naar mijne kamer."</p>
+
+<p>Ondanks de pogingen, welke de hovenier aanwendde, om hem wat te doen
+blijven en onder het drinken van een glas bier een avondkoutje te
+houden, wilde Willem volstrekt naar bed gaan. Inderdaad, hij kon de
+oogen schier niet meer geopend houden van vermoeidheid.</p>
+
+<p>"Welnu, morgen zult gij uitgerust zijn," zeide Jakob. "Uitgesteld is
+niet verloren&mdash;Peternelle, ga in den stal, haal de lantaarn en ontsteek
+het licht er in. Hoe, Willem, gij meent, dat er geene duivels zijn?"</p>
+
+<p>"Ik heb dit niet beweerd," zeide de jongeling met ongeduld.</p>
+
+<p>"Maar gij gelooft toch niet, dat de duivel zielen koopt of menschen
+weghaalt. Ik weet eene geschiedenis, die klaar bewijst dat gij u
+bedriegt, en ik ga ze u vertellen."</p>
+
+<p>"Gij zijt onbarmhartig voor mij, Jakob. Vertel zooveel gij wilt, ik
+antwoord niet meer."</p>
+
+<p>"Dit is mij gelijk, indien gij mij slechts laat spreken. Ziehier de
+zaak. In het dorp Neerglabeek waren eens boerenknechts, op eenen
+heiligendag onder de hoogmis, in eene herberg. Zij zouden gaarne met de
+kaart gespeeld hebben, maar daartoe moesten zij gevieren zijn, en zij
+waren slechts gedrie&euml;n. Er treedt een vreemdeling binnen, die een glas
+bier vraagt. Op het eerste voorstel der drie knechts stemt hij toe om de
+vierde man bij het kaartspel te zijn."</p>
+
+<p>De vrouw verscheen met de lantaarn, Willem wenschte haar goedennacht en
+stapte ten huize uit, gevolgd door den ouden Jakob, die onderweg zijn
+vertelsel dus voortzette.</p>
+
+<p>"Zij waren lustig aan het spelen, maar een der knechts stoot met zijne
+mouw het krijt van de tafel en bukt zich om het op te rapen. Wat ziet
+hij, o hemel! Hij ziet, dat de vreemde makker paardevoeten heeft!"</p>
+
+<p>Ondanks zijne verveling kon Willem zich niet wederhouden van met de
+wonderlijke eenvoudigheid van zijnen ouden leidsman te lachen.</p>
+
+<p>"De arme knechts lachten niet," hernam Jakob Mispels. "Zij sprongen
+kermend recht en wilden vluchten, maar er kwam een schromelijke
+donderslag, en al de kaartspelers waren verdwenen! Het stonk er in de
+kamer, als hadde men er honderd busselen solferstekken gebrand.... Zie,
+daar in dat achterpoortje van het<span class='pagenum'><a name="Page_43" id="Page_43">[Pg 43]</a></span> kasteel moeten wij zijn. Ik heb uwe
+kamer gereed gemaakt, en ik hoop dat u niets zal ontbreken. Volg mij, ik
+zal u den weg wijzen."</p>
+
+<p>Hij bracht den jongeling boven eene trap en voor eene kamer. Daar lagen
+op den grond twee half verbrande stokken, dwars over elkander, in de
+gedaante der letter X.</p>
+
+<p>"Trap daar niet op en ontschik het niet," zeide de hovenier.</p>
+
+<p>"Wat beteekent dit?" mompelde Willem.</p>
+
+<p>"Dit is een onfeilbaar middel om u voor nachtelijk ongeluk te behoeden,"
+was het antwoord. "Zulke houten zijn een onoverstapbare dwarsboom voor
+alle tooverheksen, duivels, spoken, kabouters, nikkers en ander helsch
+gespuis."</p>
+
+<p>Van ongeduld schier buiten zich zelven, greep de jongeling de stokken
+van den grond en wierp ze tot beneden de trap.</p>
+
+<p>"Gij zoudt mij eindelijk nog de koorts doen krijgen, of mij zoo dom
+maken als.... als een visch."</p>
+
+<p>"Ho, word daarom niet kwaad, mijn lieve Willem," zuchtte de oude man
+vreesachtig. "Ik doe het met een goed inzicht; maar wilt gij liever
+gevaar loopen van iets schrikkelijks te zien, het staat u vrij."</p>
+
+<p>"Dit is de kamer, waar ik den nacht moet doorbrengen, niet waar? Welnu,
+Jakob, ga naar huis en wees gerust, mij zal niets geschieden. Laat mij
+slapen zoolang het mij lust en wek mij niet ontijdig. Goeden nacht....
+Wilt gij niet heengaan?..."</p>
+
+<p>"Ja, ja, zeker, ik ga," zeide Jakob, de trappen langzaam afdalende. "Die
+steedsche menschen hebben harde koppen; maar zij weten het niet goed.
+Als ik nog denk aan hetgeen den zandboer van Hechtel is overkomen! Die
+meende ooit, dat men geene spooken moet vreezen, maar hij werd, och
+arme, deerlijk gestraft. Op eenen nacht zag hij eene witte gedaante&mdash;als
+een geraamte, met eenen witten lijkdoek op de schouders&mdash;die hem met den
+vinger wenkte. Halfdood van schrik en bevend...."</p>
+
+<p>Hij was reeds beneden de trap, en zijne stem werd onvatbaar voor Willem,
+die binnen de kamer was getreden en in aller haast zich ontkleedde.</p>
+
+<p>Een oogenblik daarna lag de vermoeide jongeling reeds onder de lakens,
+op een bed, dat hem goed en zeer zacht scheen.</p>
+
+<p>Hij sloot de oogen en twijfelde niet, of hij zou onmiddellijk in slaap
+vallen; maar naarmate zijn hoofd verzwaarde, scheen zijn geheugen of
+zijne verbeelding eene onwillekeurige werkzaamheid te krijgen. Hij zag
+allerlei vreemde dingen in de duisternis voor zijne oogen wemelen:
+spoken, geesten, duivels, zwarte honden, geraamten, doodshoofden.
+Ofschoon hij wel wist, dat dit slechts eene begoocheling zijner
+ontstelde zinnen<span class='pagenum'><a name="Page_44" id="Page_44">[Pg 44]</a></span> was, stond niettemin het koude zweet hem op het
+aangezicht en klopte zijn hart van zenuwachtigen angst.</p>
+
+<p>Eindelijk toch bezweek hij onder de afgematheid en viel in eenen diepen
+slaap.</p>
+
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="IV" id="IV"></a>IV.</h2>
+
+
+<p>Des anderen daags 's morgens was de oude Jakob vroeger dan naar gewoonte
+opgestaan. Hij was zichtbaar bekommerd, en ging uit het huis en keerde
+weder, zonder doel of reden, evenals iemand, die vervolgd wordt door
+eene angstige gedachte. Zijne vrouw bleef wel een uur sprakeloos, en
+scheen geene acht op zijne ongerustheid te slaan. Toen zij hem eindelijk
+vroeg, wat hem dus over en weder deed dwalen, vertelde hij haar, dat hij
+eenen leelijken droom had gehad en nog beefde van het akelig gezicht,
+dat hem had verschrikt.</p>
+
+<p>"Ach, Peternelle," zeide hij, "ik lag gerust te slapen. Eensklaps werd
+ik wakker en hoorde iemand om hulp roepen op eenen toon, zoo klagend en
+zoo scheurend, dat het mij als een mes door het harte sneed. Het is te
+begrijpen, ik herkende de stem van Willem!.... Ik spring van het bed en
+open het venster, mijne haren rijzen te berge op mijn hoofd, ik moet mij
+vasthouden om niet van vervaardheid neder te storten. Schromelijk
+schouwspel, dat voor mijne oogen voorbijschiet! Daar zie ik den zwarten
+man, die lachend door de lucht vliegt. Met zijnen klauw houdt hij een
+mensch bij het haar, terwijl hij met den anderen hem het vleesch van de
+leden rukt. Het arme slachtoffer schreeuwde om hulp, dat gansch
+Wildenborg er van weergalmde. Eilaas, het was Willem, die dus door den
+boozen geest werd weggehaald!"</p>
+
+<p>"Om 's hemels wil, Jakob, waarom mij altijd doen beven met uwe ijselijke
+vertelsels?" zeide de vrouw verstoord.</p>
+
+<p>"Hebt gij niets gehoord, Peternelle?"</p>
+
+<p>"Wat zou ik gehoord hebben, vermits gij het hebt gedroomd?"</p>
+
+<p>"Maar indien het eens eene verwittiging was?"</p>
+
+<p>"Laat mij gerust," knorde de vrouw. "Gij breekt u des nachts het hoofd,
+om mij des daags te kunnen verschrikken. Ik moet werken, het huis
+opschikken, de koe verzorgen en aan het ontbijt van mijnheer Willem
+denken."</p>
+
+<p>"Geve God, dat hij uw ontbijt nog noodig hebbe," zuchtte Jakob.<span class='pagenum'><a name="Page_45" id="Page_45">[Pg 45]</a></span></p>
+
+<p>"Babbel zooveel gij wilt, ik luister niet meer naar uwe
+kinderachtigheden," zeide de vrouw, terwijl zij eenen emmer greep en
+zich naar den stal begaf.</p>
+
+<p>Jakob bleef nadenkend op de achterdeur staren en schudde met
+ontevredenheid het hoofd.</p>
+
+<p>Na lang wachten keerde hij zich om, ging met tragen stap in den hof,
+naderde allengs tot het achtergedeelte van het kasteel en bleef daar,
+met de armen op de borst gekruist, in de hoogte zien naar een gesloten
+venster.</p>
+
+<p>Eene wijl mompelde hij in zich zelven, schudde het hoofd en maakte
+stille gebaren, maar, als nam hij een plotselijk besluit, hij verliet
+deze plaats, greep onderweg eene spade en ging in eene soort van
+moeshof, waar hij een afgemaaid klaverbed begon om te spitten.</p>
+
+<p>Het was zichtbaar, dat hij onder den arbeid evenzeer vervolgd bleef door
+aanjagende en kommervolle gepeinzen, want niet zelden onderbrak hij zijn
+werk, om van verre tot het gesloten venster op te zien, en dan ontsnapte
+hem telkens een gemor van ongeduld of van angst.</p>
+
+<p>Zijne ongerustheid werd grooter en grooter, en toen hij ongeveer
+gedurende een uur zijn werk met vele onderbrekingen had voortgezet,
+plantte hij zijne spade in den grond en zeide:</p>
+
+<p>"Neen, ik kan het niet meer uithouden! Reeds sedert drie uren is de zon
+aan den hemel&mdash;en nog niet opgestaan? Het is niet natuurlijk. Was mijn
+droom eene waarschuwing? De vrees, de twijfel doet mij vergaan. Hij
+heeft mij verboden hem te wekken, maar is mijne komst hem bij geval
+onaangenaam, wat beteekent het in vergelijking van de benauwdheid, die
+ik doorsta? En daarenboven met eens op de teenen naar boven te gaan, zal
+ik hem niet wekken, indien hij waarlijk slaapt. Het is gelijk, dit
+gewicht moet mij van het hart!"</p>
+
+<p>Terwijl hij deze woorden sprak, had hij den moestuin verlaten en naderde
+nu het achterdeel van het kasteel. Hij opende de deur zeer langzaam,
+opdat ze, draaiende, niet op hare hengsels zou knarsen, en stapte met
+looze treden in den gang.</p>
+
+<p>Aan den voet van de trap bleef hij eensklaps staan, hief zijne handen
+omhoog, deinsde verbleekend terug en morde huiverend:</p>
+
+<p>"Hemel! het riekt hier naar de solfer! Zou er een ijselijk ongeluk
+geschied zijn? Mijn droom? Vluchten wij!"</p>
+
+<p>Maar waarschijnlijk twijfelde hij zelf aan den waren aard van den reuk,
+dien hij meende gewaar te worden, want na eene wijl naderde hij de trap
+en klom voet voor voet naar boven.</p>
+
+<p>Hij bemerkte tot zijnen grooten schrik, dat de deur der kamer gansch
+openstond. Dit gezicht gaf hem een akelig voorgevoel, en het was met
+kloppend hart en aarzelend, dat hij binnen de kamer sloop.<span class='pagenum'><a name="Page_46" id="Page_46">[Pg 46]</a></span></p>
+
+<p>Daar ontvloog hem een schreeuw, hij sprong, bleek als een doode, terug
+tot tegen den muur, en waggelde op zijne beenen van verschriktheid.</p>
+
+<p>Het bed was ledig en het deksel lag half ten gronde, als hadde men den
+slapende met geweld van zijne rustplaats weggerukt.</p>
+
+<p>Zoohaast de arme hovenier den adem en het bewustzijn terugkreeg, sprong
+hij huilend ter kamer uit, viel schier van al de trappen, vluchtte door
+den hof en liep in zijn huis, waar hij zich op eenen stoel liet zakken
+en kermend uitriep:</p>
+
+<p>"Peternelle, Peternelle, water en azijn: laaf mij, of ik val van mij
+zelven! Eilaas! eilaas, men wil mij niet gelooven, daar hebt gij het nu!
+Die ongelukkige, die arme Willem! Hadde hij nooit den voet op dit
+vermaledijd kasteel gezet! Zulk einde en nog zoo jong!"</p>
+
+<p>"Water en azijn? Wat is er gebeurd? Hebt gij weder iets uitgevonden om
+mij vervaard te maken?" vroeg de vrouw verbleekend.</p>
+
+<p>"Neen, neen, Peternelle, ditmaal is het ernstig waar," antwoordde Jakob.</p>
+
+<p>"Is mijnheer Reimond overleden? Eilaas, het moest er toch eens van
+komen. God zij zijne arme ziel genadig!" zuchtte de vrouw, haar
+voorschoot aan de oogen brengende.</p>
+
+<p>"Veel erger, veel erger, Peternelle! Laat mij adem scheppen, laat mij
+een beetje bekomen. Houd u sterk, vrouw lief. Het is om daar neder te
+vallen en nooit meer op te staan."</p>
+
+<p>"Welnu, indien onzen meester niets overkomen is, wat nieuw inbeeldsel
+ontstelt er dan uwe zinnen?"</p>
+
+<p>"Zwijg, spreek zoo niet, Peternelle. Uwe ongeloovigheid zou u een
+ongeluk over het hoofd kunnen halen. Peternelle, ik ben gaan zien naar
+de kamer.... naar de kamer van Willem, en&mdash;God beware ons!&mdash;het bed is
+ledig!"</p>
+
+<p>"Het bed is ledig?" morde de vrouw. "Dit is zonderling en verwonderlijk,
+inderdaad."</p>
+
+<p>"Niet waar? Die arme jongen! Het deksel lag verward, en men kon zien,
+dat er een schrikkelijk geweld.... O, hemel, mijn droom van dezen nacht
+was dus waarheid!"</p>
+
+<p>"Lagen de kleederen van Willem in de kamer?" vroeg Peternelle, die
+geweld deed om tegen de verschriktheid te worstelen.</p>
+
+<p>De hovenier wreef zich het voorhoofd als om zijn geheugen op te klaren.</p>
+
+<p>"Zijne kleederen?" herhaalde hij. "Neen, die heb ik niet bemerkt."</p>
+
+<p>"Gij ziet wel, Jakob, dat gij u alweder door uwe verbeelding laat
+verleiden en mij nutteloos den dood op het lijf jaagt?"<span class='pagenum'><a name="Page_47" id="Page_47">[Pg 47]</a></span></p>
+
+<p>"Hoe dat?"</p>
+
+<p>"Wel, begrijpt gij niet, sukkelaar, dat, indien mijnheer Willem in
+zijnen slaap door Gods vijand ware verrast geworden, zijne kleederen
+toch in de kamer zouden gebleven zijn?"</p>
+
+<p>"Dit is niet zeker, Peternelle. Ik weet eene geschiedenis van eenen
+smid, die zijne ziel aan den zwarten man had verkocht en toen Lucifer
+kwam om hem te halen, gaf hij hem den tijd om zich eerst te wasschen en
+op te kleeden."</p>
+
+<p>"Kindervertelsel! Het was zeer vroeg, toen mijnheer Willem gisteren te
+bed ging. Hij zal zijne kamer verlaten hebben, om eene morgenwandeling
+te doen. Misschien is hij buiten het kasteel en in het bosch. In stede
+van hier te blijven beven, ga, zoek naar mijnheer Willem, gij zult hem
+vinden en van uwe ijdele benauwdheid verlost worden."</p>
+
+<p>"Gij meent het, Peternelle? O, mocht gij u niet bedriegen! Ik ga, ik
+loop, ik zal het gansche kasteel en zijne omstreken doorzoeken, en
+roepen en schreeuwen.... maar, eilaas, ik vrees, dat het er weinig zal
+aan helpen. Arme jongen, arme jongen!"</p>
+
+<p>En het hoofd met moedeloosheid schuddende, liep hij de deur uit.</p>
+
+<p>De vrouw hernam haar huiswerk en schonk de koffie op, zij legde eenige
+eieren in een keteltje met ziedend water, en spreidde een ammelaken over
+de tafel.</p>
+
+<p>Alhoewel zij zich sterkmoedig had getoond in het bestrijden der
+bijgeloovigheid van haren man, was zij evenwel niet zonder eenige
+ongerustheid. Zij had een kruis gemaakt en prevelde een stil gebed
+tusschen het gaan en keeren, om haren arbeid te verrichten.</p>
+
+<p>"God zij geloofd, daar is mijnheer Willem!" riep zij eensklaps uit, den
+jongeling vroolijk toelachende.</p>
+
+<p>"Goeden dag, Peternelle," zeide Willem. "Hoe verblijdt u mijne komst!
+Gij ziet er bekommerd en angstig uit?"</p>
+
+<p>"Zit neder, mijnheer. Hebt gij wel geslapen?"</p>
+
+<p>"Zeer wel, uiterst wel; ik was ook zoo vermoeid."</p>
+
+<p>"En gij hebt niets gezien? Niets?"</p>
+
+<p>"Wat zou ik gezien hebben, mijne lieve Peternelle?"</p>
+
+<p>"Ach, mijn man heeft mij vervaard gemaakt, hij is naar uwe kamer gegaan,
+heeft het bed ledig gevonden en meende, dat u een schrikkelijk ongeluk
+moest overkomen zijn."</p>
+
+<p>De jongeling haalde medelijdend de schouders op.</p>
+
+<p>"Waar is Jakob?" vroeg hij.</p>
+
+<p>"Hij is naar u gaan zoeken, op het kasteel, in de velden, in het bosch.
+Hij zal mij nog van benauwdheid doen sterven met zijne dwaasheden. Daar
+is uw ontbijt, mijnheer, denk niet meer aan onze gekke vrees."</p>
+
+<p>De jongeling begon de koffie te nuttigen en at langzaam het<span class='pagenum'><a name="Page_48" id="Page_48">[Pg 48]</a></span> brood en de
+eieren, die hem waren voorgezet. Zijn geest moest insgelijks door droeve
+overweging beneveld zijn, want hij onderbrak soms zijn ontbijt, zuchtte
+en schudde het hoofd met mismoed.</p>
+
+<p>"Gij zijt treurig, mijn goede Willem," bemerkte de vrouw. "En gij zegt
+nogtans, dat gij wel hebt geslapen?"</p>
+
+<p>"Ja Peternelle," was het antwoord, "ik ben treurig. Dezen morgen, toen
+ik wakker geworden was, kwamen allerlei pijnlijke gedachten mij
+bestormen. Ik heb mijne kamer verlaten om onder de opene lucht
+verkwikking te zoeken, achter het kasteel ligt er een groote boom, die,
+door den wind uitgerukt, over de gracht gevallen is. Langs daar geraakte
+ik in de bosschen. Die wandeling heeft mij weemoedig gemaakt.... Geloof
+gij insgelijks, Peternelle, dat mijn oom overmorgen zal sterven?"</p>
+
+<p>"Eilaas, hij zal sterven!" zuchtte zij.</p>
+
+<p>"En meent gij ook, gelijk Jakob, dat de duivel, of ik weet niet welke
+bovennatuurlijke oorzaak, daarmede bemoeid is?"</p>
+
+<p>De oude vrouw schudde ontkennend het hoofd.</p>
+
+<p>"Ha, gij gelooft het niet? Gij hebt een gezond verstand, gij
+Peternelle?" riep de jongeling. "Welnu, wat is uwe gedachte over de
+onbegrijpelijke ziekte mijns ooms?"</p>
+
+<p>"Mijne gedachte is, dat onze arme meester, door het eeuwig studeeren en
+zoo gansch opgesloten te leven, zijne zinnen eenigszins heeft gekrenkt.
+Ik heb het altijd gevreesd, maar mijn man maakt mij zoo vervaard met
+zijne ijselijke droomen en zijne akelige vertelsels, dat ik zelve niet
+goed meer weet, of ik nog bij mijn volle verstand ben."</p>
+
+<p>"Arme Peternelle, gij moet niet veel vermaak van uw leven gehad hebben
+op Wildenborg. Is hier nooit een geneesheer gekomen?"</p>
+
+<p>"Mijnheer Reimond wil van geene dokters hooren spreken, en hij heeft
+gedreigd ons van Wildenborg te doen verhuizen, indien wij ooit eenen
+dokter op Wildenborg toelieten."</p>
+
+<p>"Alzoo, Peternelle, gij zijt zeker, dat mijn arme oom gaat sterven, en
+gij hebt geene de minste hoop meer op de behoudenis zijns levens?"</p>
+
+<p>"Eilaas, niet de minste. De pastoor van het dorp zegt het insgelijks, er
+is niets aan te doen!"</p>
+
+<p>"Ha, de pastoor komt somwijlen op Wildenborg?"</p>
+
+<p>"Hij komt er dikwijls, hij is de eenige mensch, die tot mijnheer Reimond
+mag naderen. Zij zijn goede vrienden. Zoohaast de arme menschen in het
+dorp nood hebben, komt de pastoor op Wildenborg, en onze meester schenkt
+hem telkens eene milde, zeer milde aalmoes. Ook voor de kerk is mijnheer
+Reimond vrijgevig, hij heeft eene aanzienlijke somme gelds geschonken,
+om eenen kelk en een groot kruis van louter zilver te<span class='pagenum'><a name="Page_49" id="Page_49">[Pg 49]</a></span> doen maken. Die
+kostelijke juweelen versieren op de hoogtijden het autaar, en, wees
+zeker, er is in twintig uren in het rond niets rijkers of schooners te
+zien."</p>
+
+<p>"Zonderling!" mompelde Willem, "en uw man gelooft, dat zulk godvruchtig
+en goedhartig mensch betrekkingen heeft met den duivel!"</p>
+
+<p>"Mijn man is een sukkelaar," antwoordde Peternelle. "Hij was zoo van
+zijne kindsche dagen af, hij droomt van niets dan van spoken en geesten.
+Vroeger lachte ik daarmede, en zijne dwaze vertelsels ontstelden mij
+niet, maar nu word ik oud en vreesachtig, mijn goede Willem. Evenwel,
+indien gij hier bleeft, zou uw gezelschap mij den verloren moed
+teruggeven, ik ben er zeker van, ik gevoel mij reeds verjongd en geheel
+veranderd, sedert gij hier zijt."</p>
+
+<p>Na een oogenblik overweging zeide Willem:</p>
+
+<p>"De pastoor meent insgelijks, dat mijn oom overmorgen zal sterven? Het
+is niet mogelijk. Dat hij ziek is, dit kan men niet miskennen, maar of
+hij niet maanden lang nog zal leven, wie zou dit kunnen verzekeren?"</p>
+
+<p>"Het is gemakkelijk te begrijpen," antwoordde de oude vrouw. "Hij is
+niet ziek, maar hij laat zich zelven sterven van honger."</p>
+
+<p>"Zoo! wat zegt gij daar, Peternelle?"</p>
+
+<p>"De waarheid, zeg ik, Willem. Sedert zes maanden, dat mijnheer zich
+ingebeeld heeft, dat hij het uur zijns doods kent, is hij begonnen met
+minder en minder voedsel te nemen. Deze laatste vijftien dagen gebruikte
+hij niet genoeg om eenen vogel in het leven te houden."</p>
+
+<p>"Maar dit is niet voldoende, om hem juist op een voorzegd oogenblik te
+doen sterven."</p>
+
+<p>"En het hoofd dan, Willem?"</p>
+
+<p>"Ja, Peternelle," zuchtte de jongeling, "het hoofd, de verbeelding. Zou
+er dan geen hulpmiddel overblijven?"</p>
+
+<p>"Ik denk het niet: de pastoor zegt, dat wij met verduldigheid ons aan de
+besluiten van God moeten onderwerpen."</p>
+
+<p>Willem zweeg eene wijl en scheen door de treurnis gansch overmeesterd.</p>
+
+<p>Daar stormde de oude Jakob in de kamer, en vloog met tranen van
+blijdschap den jongeling aan den hals.</p>
+
+<p>"Den hemel zij dank!" juichte hij. "Ditmaal ten minste heb ik mij
+bedrogen! Ho, het ware toch te schrikkelijk geweest. Willem, Willem, gij
+zijt nog levend? Ik voel mij schier bezwijken van blijdschap!"</p>
+
+<p>"Wel, wel, mijn goede Jakob, in uwe eenvoudigheid hebt gij gaan denken,
+dat de duivel...."</p>
+
+<p>Maar de hovenier onderbrak zijne woorden en zeide met haast:</p>
+
+<p>"Neen, neen, spreken wij daar nu niet van. Het is reeds een<span class='pagenum'><a name="Page_50" id="Page_50">[Pg 50]</a></span> kwart uurs
+geleden, dat Nox mij in den hof is komen zeggen, dat uw oom op u wacht.
+Ga spoedig naar het kasteel, hij zou verstoord kunnen zijn."</p>
+
+<p>De jongeling, die niet zonder vreugde aan de dwaasheden van den hovenier
+ontsnapte, ging ter kamer uit en bevond zich eenige oogenblikken daarna
+in tegenwoordigheid van zijnen oom. Deze, na eenen hartelijken
+morgengroet, zocht hem aan zich bij de tafel neder te zetten, legde de
+hand op het doodshoofd en sprak op ernstigen toon:</p>
+
+<p>"Mijn vriend, ik heb schier den ganschen nacht doorgebracht met den
+geest over u en over uwe toekomst te raadplegen. Uwe ziel is voor alsnu
+nog niet sterk genoeg om onmiddellijk in gemeenschap met de wereld der
+geesten te komen. Wij zullen dus niet nutteloos de proefneming van
+gisteren voortzetten, maar beloof mij, dat gij, na mijnen overgang tot
+een ander leven, nieuwe en herhaalde pogingen zult inspannen, om den
+geest, die in het doodshoofd woont, te zien en te hooren. Gij antwoordt
+niet, Willem? Weigert gij mij deze belofte?"</p>
+
+<p>"O neen, oom lief, ik zal het pogen, zelfs zonder hoop," stamelde de
+jongeling.</p>
+
+<p>"De hoop en de overtuiging zullen komen, vriend. Ik zal u het doodshoofd
+tot erfdeel nalaten. Het is een kostelijker voorwerp dan mijn fortuin.
+Nu wil ik u onderhouden over eene verrassende openbaring, welke de geest
+mij dezen nacht heeft gedaan. Willem, om gelukkig te zijn op aarde en
+uwe ziel vooruit te helpen in den weg naar de volmaaktheid, moet gij
+zonder uitstel trouwen."</p>
+
+<p>"Trouwen?" herhaalde de jongeling met verbaasdheid.</p>
+
+<p>"Deze gedachte verschrikt u, vriend?"</p>
+
+<p>"Ho, neen, heer oom, maar om te trouwen is er eene bruid noodig, en gij
+zult bekennen, dat de keus geene onverschillige zaak is?"</p>
+
+<p>"Zeker niet, van deze keus hangt integendeel het geluk des levens af.
+Wist de mensch slechts in deze gewichtige zaak het goede van het kwade
+te onderscheiden! Maar zijne stoffelijke zintuigen bedriegen hem zeer
+dikwijls, en dan moet hij, eeuwen lang misschien, de dwaling van een
+oogenblik betreuren en er voor boeten. De geest, die in het doodshoofd
+woont, heeft daarvan eene groote ondervinding. Weet gij wat het huwelijk
+is, Willem, ten minste wanneer het volgens de ware vereischten wordt
+gesloten? Het huwelijk is de samenvoeging van twee onvolledige zielen,
+die elkander bijbrengen wat aan elk hunner ontbreekt. Om klaarder te
+zijn, zij volledigen elkander en helpen elkander vooruit in de baan van
+den zedelijken voortgang. Lichaamsschoonheid en geldelijk fortuin doen
+er niets toe, integendeel, zij zijn meest altijd oorzaken van den
+beklaaglijksten<span class='pagenum'><a name="Page_51" id="Page_51">[Pg 51]</a></span> misgreep. De voorwaarde, die men te vervullen heeft, is
+deze: de inborst der vrouw moet de vollediging zijn der inborst van den
+man. Zoo moet een zwakke man eene sterke vrouw hebben, een gierigaard
+eene vrijgevige, een treurder eene blijmoedige, een trotschaard eene
+nederige, en zoo wederkeerig. Indien men door hinderpalen, welke in het
+maatschappelijk leven bestaan, niet wederhouden was, zou men altijd en
+onfeilbaar de vrouw kiezen, die men behoort te hebben tot het volledigen
+van zijn zedelijk wezen, want er bestaat tusschen de zielen, die
+elkander betamen, eene geheimzinnige aantrekking, evenals de
+aantrekking, die de <i>electriciteit</i> ons in de stoffelijke wereld doet
+ontdekken. De vrouw moet voor den man zijn wat in de natuur de <i>pole
+n&eacute;gatif</i> is tot den <i>pole positif</i>. Begrijpt gij, mijn vriend?"</p>
+
+<p>"Zeker, ik begrijp zeer wel, heer oom," antwoordde Willem met
+verwondering. "Ik zelf heb meer dan anderen misschien zulke onuitlegbare
+aantrekking ondervonden."</p>
+
+<p>"Ik twijfel er niet aan," zeide mijnheer Reimond, "maar gij hebt u
+waarschijnlijk misgrepen. De geest heeft mij veropenbaard waar de eenige
+ziel is, die u gelukkig maken en u vooruit helpen kan naar de eindelijke
+volmaaktheid. Het is uwe nicht Theresia De Wit."</p>
+
+<p>"Mijne nicht Theresia De Wit?" kreet Willem met eene uitdrukking van
+afkeer.</p>
+
+<p>"Gij kent haar immers niet?"</p>
+
+<p>"Neen, heer oom, ik heb haar nooit gezien."</p>
+
+<p>"Des te beter."</p>
+
+<p>"Ik zou mij toch eerst moeten kunnen overtuigen, dat zij wel de ziel is,
+die mijne ziel...." stamelde Willem op angstigen toon.</p>
+
+<p>"De geest kent haar, hij bevestigt, dat zij alleen het geluk uws levens
+en het geluk uwer reis door de eeuwigheid kan verzekeren."</p>
+
+<p>"Maar, oom lief, een huwelijk? Dit gaat zoo niet!"</p>
+
+<p>"Ja, wel, het moet zoo gaan."</p>
+
+<p>Het hoofd met eene soort van gekwetste fierheid oprichtende, vroeg de
+jongeling:</p>
+
+<p>"En indien ik weigerde mij dus eene onbekende vrouw te laten opdringen?"</p>
+
+<p>"Ik zou voor uw geluk zorgen, zelfs tegen uwen dank, Willem, en u
+dwingen den raad en den wil van den geest te volgen en te volbrengen.
+Het middel is eenvoudig, ik zou mijn testament veranderen en er in
+schrijven, dat gij en Theresia De Wit slechts mijne erfgenamen kunt
+worden, nadat uw huwelijk voltrokken zij. Intusschen zou het bureel van
+weldadigheid mijne goederen beheeren en ze behouden, totdat gij u beiden
+aan uwe<span class='pagenum'><a name="Page_52" id="Page_52">[Pg 52]</a></span> ware bestemming zoudt hebben onderworpen. Overweeg en wedersta
+den geest niet nutteloos: zijne uitspraak is onveranderlijk!"</p>
+
+<p>Willem liet het hoofd op de borst vallen en bleef zwijgend. Hij overwoog
+met snelheid zijnen neteligen toestand en de zonderlinge gril, waarvan
+men hem het slachtoffer wilde maken. Zijn oom had hem gisteren gezegd,
+dat hij den geest zou raadplegen over een middel om de goederen, die tot
+Wildenborg behoorden, onverdeeld te laten. Dat huwelijk was dus het
+gevonden middel. Het werd hem klaarblijkend, dat de geest niemand anders
+was dan zijn oom zelf, en dat deze in zijne krankzinnigheid het
+doodshoofd alles deed zeggen, wat hij verlangde te hooren. Er ontstond
+in het gemoed des jongelings nog eene hoop: hij zou pogen de beslissing
+zijns ooms met dezelfde wapens te bestrijden. Hij hoefde tot geene
+leugens zijne toevlucht te nemen, wat hij in zijn leven had ontmoet,
+geleek sterk genoeg naar de geheimzinnige aantrekking van twee zielen,
+meende hij, om dit tegen zijn huwelijk met Theresia De Wit te doen
+gelden.</p>
+
+<p>"Worstel niet langer, aanvaard uw lot," morde mijnheer Reimond,
+ontevreden over het lange stilzwijgen van zijnen neef. "Uw erfdeel
+verliezen of u onderwerpen!"</p>
+
+<p>"Ik zal niet worstelen, ik zal mij onderwerpen," antwoordde Willem,
+"indien gij mij toelaat, u de redenen mijner aarzeling te verklaren.
+Blijft gij, heer oom&mdash;of de geest&mdash;bij uwe beslissing, het zij zoo, ik
+zal denken, dat Theresia De Wit waarlijk bestemd is om mij gelukkig te
+maken."</p>
+
+<p>"Ik luister," zeide mijnheer Reimond.</p>
+
+<p>"Maar, oom lief, het is tamelijk lang. Zult gij mij met welwillendheid
+en geduld aanhooren?"</p>
+
+<p>"Spreek, wij hebben tijds genoeg."</p>
+
+<p>"Welnu, mijn goede oom, gij zult zien, dat ik niet tot heden hoefde te
+wachten, om door de geheime aantrekking der zielen beheerscht te
+worden.... Ik was schier nog een kind, en mijne moeder leefde nog. Eens
+vergezelde ik haar naar een voorgeborcht van Brussel, waar zij eene oude
+vriendin had. Dewijl ik alsdan de hoofdstad voor de eerste maal zag,
+wandelden wij tot 's avonds laat door de meest bevolkte straten, ik keek
+mij blind en dwaas op al de pracht en al den rijkdom, die in de
+magazijnen en winkels uitgestald lagen. Des anderen daags was mijne
+moeder onpasselijk van vermoeidheid. Het was de feestdag van
+Onze-Lieve-Vrouw, ik zou alleen ter kerke gaan en mocht, na de mis tot
+op den noen, met wandelen in het voorgeborcht mij vermaken. De lucht was
+wonderzuiver en de zon ongewoon glansrijk. Waarschijnlijk hadden de
+invloed van het schoone weder, het gevoel van vrijheid, of de
+schitterende dingen, die ik had gezien, op mijnen geest eenen diepen
+indruk uitgeoefend.<span class='pagenum'><a name="Page_53" id="Page_53">[Pg 53]</a></span> Ik kende mij zelven niet meer, het hart klopte mij
+in den boezem, ik hijgde met machtige ademhalingen, mij dacht, ik was
+groot en sterk geworden te midden eener natuur, wier pracht en glans mij
+verbaasden. Eensklaps hoorde ik muziek en zag de burgers naar de
+voornaamste straat van het voorgeborcht loopen. Ik volgde hen, en op het
+oogenblik dat ik den hoek der zijstraat bereikte, naderde daar de
+processie ter eere van Onze-Lieve-Vrouw. O, wat scheen mij dit alles
+schoon en wonderbaar! Niet alleen de gouden vanen en de zilveren
+lantaarnen, welke het zonnelicht deed fonkelen, maar er waren wel
+tweehonderd kinderen in de processie, gekleed als engeltjes met vlerken,
+als maagdekens met bloemen gekroond, als pelgrims met kalebas en staf,
+als heiligen, als priesters, als kardinalen.&mdash;Terwijl ik, om zoo te
+zeggen, mijnen adem wederhield om niets van het verrukkend schouwspel te
+verliezen, zag ik in de verte al eene schaar hemelsche geesten opdagen,
+het waren jonge meisjes, iets grooter dan de andere kinderen. Zij waren
+gansch omhuld in sneeuwige tul of kant, en hun wazen sluier, lichter nog
+dan de lucht, vlotte op den onvoelbaren wind. Elk hunner droeg eene
+soort van staf, waarop in het Latijn een woord uit de litanie van
+Onze-Lieve-Vrouw blikkerde. Waarlijk, mijn getroffen verbeelding deed ze
+mij aanzien voor zoovele engelenhoofdjes, drijvend op witte, vlokkige
+wolken, tusschen welke de schoonste starren des hemels heenblikkerden.
+Toen deze schaar mij naderde, bemerkte ik wel, dat ik mij had bedrogen
+en al deze engelen slechts meisjes waren, kinderen als de andere, die
+mij reeds waren voorbijgegaan. De begoocheling mijner zinnen hield
+slechts stand voor eene enkele. Zij droog eenen gulden staf met de
+woorden <i>Rosa mystica</i>, <i>geheimzinnige Roos</i>. Dit was, dacht mij, geen
+menschelijk wezen, zoo bovennatuurlijk schoon, zoo vreemd, zoo
+onbegrijpelijk! Met neergeslagen oogen over den grond glijdend, zonder
+dat eene enkele beweging een stoffelijk lichaam onder den kanten sluier
+kwame verraden! Wat mij geschiedde, is mij nu nog onbekend: ik beefde
+van bewondering, nauwelijks kon ik ademhalen, het was als wilde mijne
+ziel mij verlaten om den engel te gemoet te vliegen.... <i>Rosa mystica</i>,
+als hadde zij de verborgene stem mijner ziel gehoord, hief het hoofd op,
+toen zij mij voorbijdreef, en sloeg in mijne oogen eenen stillen, diepen
+blik, die de kloppingen mijns harten onderbrak en mij terzelfder tijd
+met eenen onuitlegbaren schrik en met eene eindelooze blijdschap
+vervulde.... De processie was reeds verre, toen ik uit mijne
+dwaalzinnigheid ontwaakte. Door eene onbewuste kracht gedreven, en
+snakkend om het hemelsch verschijnsel nog eens te aanschouwen, liep ik
+al het volk vooruit en bereikte juist de kerkdeur op het oogenblik, dat
+de eerste standaard zich nog boog om er onder door te gaan. Ik zag de
+<i>Rosa<span class='pagenum'><a name="Page_54" id="Page_54">[Pg 54]</a></span> mystica</i> nog eens, en zij ook hief weder haren blik tot mij op.
+Zij scheen verrast over mijne uiterste verbaasdheid, doch glimlachte zoo
+zoet, dat het mij scheen, dat ik het hart mij in den jagenden boezem
+voelde wegsmelten. Hopende voor de derde maal haar te zien, bleef ik bij
+de kerkdeur staan. Al degenen, die de processie hadden vergezeld, kwamen
+er opvolgend uit. <i>Rosa mystica</i> alleen verscheen niet weder, en
+eindelijk werd de deur des tempels gesloten. Voor mijn ontsteld gemoed
+was dit een ontegensprekelijk bewijs, dat ik mij niet had bedrogen. De
+engel, die zulken broederlijken glimlach mij had gegund, was terug naar
+den hemel!"</p>
+
+<p>"Verwonderlijk inderdaad!" murmelde mijnheer Reimond, "Het was misschien
+de ziel van een kind, dat vroeger nog op dezelfde wijze in de processie
+had gegaan, en waaraan God had toegelaten, in zichtbaren vorm eene
+geliefde plechtigheid bij te wonen. De Rosa mystica ware dus geen engel
+geweest, maar een der geesten, die in de lucht op een nieuw leven
+wachten."</p>
+
+<p>"Voor mij zou deze zaak geheimzinnig en onuitlegbaar gebleven zijn, heer
+oom, hadde ik haar later niet wedergezien onder eene andere dan eene
+engelengedaante."</p>
+
+<p>"Gij hebt haar wedergezien?" vroeg mijnheer Reimond met aangejaagde
+nieuwsgierigheid. "Uwe geschiedenis boezemt mij veel belang in. Ga
+voort, ik bid u."</p>
+
+<p>"Gij zult het wellicht niet gelooven, heer oom, maar dit eenvoudig
+voorval heeft eenen grooten invloed op mijne inborst en op mijn leven
+uitgeoefend. Van dan af werd ik eenzaam en droomend, altijd waarde het
+zoet verschijnsel voor mijne oogen, en glansde in licht en in duisternis
+de onvergetelijke glimlach mij tegen. Ik werd godvruchtig bovenmate, en
+zoodanig tot het gebed geneigd, dat mijne moeder, uit vrees voor het
+verlies mijner gezondheid, deze ziekelijke ontheffing des geestes meende
+te moeten bestrijden. Welke was mijne beweegreden? Hoopte ik nader tot
+den engel te komen door mij geheel aan den dienst des Heeren toe te
+wijden? Ik weet het niet.&mdash;Met de jaren verzwakte toch deze herinnering,
+en de dood mijner goede moeder, waardoor ik alleen in de wereld bleef,
+bracht veel bij om mij andere gepeinzen te geven. Zoo bereikte ik den
+ouderdom van achttien jaar, ik dacht nooit meer aan den engel, dan op
+die zeldzame oogenblikken, wanneer de ziel als het ware terugkeert in
+het leven, en wij droomend ons verleden zich als een tooverdoek voor
+onze oogen zien ontrollen. Het is omtrent dien tijd, dat ik klerk werd
+bij mijnen eersten meester. Op eenen Zondag vergezelde ik hem naar het
+dorp Hemixem, waar hij familie had. Ik was alleen tot op den oever der
+Schelde gewandeld, en stond zonder doel naar de stoomboot van Temsche te
+kijken, die de kaai naderde om eenige reizigers af te zetten en er
+andere op te nemen. Daar<span class='pagenum'><a name="Page_55" id="Page_55">[Pg 55]</a></span> ontvliegt mij een doffe schreeuw, ik staar
+bevend op eene jonge juffer, die van achter het beschot der boot met
+wijdgeopende oogen mij verwonderd aanziet. Het was de <i>Rosa mystica</i>,
+eenen anderen naam wist mijn geheugen haar niet te geven. Zij was het!
+Hadden mijne oogen haar niet herkend, de onstuimige sprongen mijns
+harten hadden mij er van overtuigd. Terwijl ik daar stond als in een
+steenen beeld veranderd, gaf de dampklok het sein, de stoomboot bewoog
+hare raderen en het verschijnsel werd mij voor de tweede maal
+ontvoerd.&mdash;Deze ontmoeting leende natuurlijk nieuwe kracht aan de bijna
+uitgewischte herinnering, en ik moet bekennen, dat na dien dag allengs
+iets min bovennatuurlijks zich mengde in de onbegrepene neiging,
+welke ik voor .... voor de <i>Rosa mystica</i> gevoelde. Zij kwam mij niet
+meer voor als een engel, zij was eene juffer, eene jonge maagd, een
+aardsch wezen als ik. Weder bleef ik twee jaren zonder haar terug te
+zien, en weder had ik schier de ontmoeting vergeten, toen ik, op den
+ijzeren weg zijnde, haar herkende op den tocht, die in de statie van
+Contich ons voorbijreed.... Veel later zag ik zo eens te Mechelen,
+tusschen het volk, dat zich verdrong om den prachtigen ommegang van
+Onze-Lieve-Vrouw van Hanswijk te bewonderen. Ik woelde door de menigte
+naar de plaats, waar ze stond, doch ontwaarde haar niet meer, ik
+doorliep markten en straten tot den laten avond, doch vruchteloos.... Nu
+ongeveer twee maanden geleden, van Waalhem naar Mechelen gaande, om eene
+boodschap van mijnen meester te volbrengen, hoor ik achter mij een
+verwittigend zweepgeklets en het gedaver van snel rollende wielen, ik
+loop terzijde van den weg en keer mij om. Daar zie ik de <i>Rosa mystica</i>
+met eene oude dame en twee jongere juffrouwen in eene opene koets
+zitten, in eene rijke heerenkoets! Zij, in het voorbijrijden, groet mij
+stil en ingetogen, doch met minzaamheid, dunkt mij. Ik, door een gevoel
+van droefheid aangegrepen bij het gepeins, dat zij tot eene rijke
+familie behoort, neem den hoed werktuiglijk af, wanneer zij reeds voor
+mijne oogen onzichtbaar is geworden.... Erken, oom lief, dat dit alles
+buitengewoon is, dat er iets moet zijn, dat ons immer na lange scheiding
+weder op dezelfde plaats brengt, opdat wij elkander niet zouden
+vergeten. Daarenboven, dat eene geheimzinnige macht, een verborgen wil,
+ons belet elkander te naderen of elkander aan te spreken, voordat het
+vastgestelde uur zij geslagen?"</p>
+
+<p>"Inderdaad, gij zijt beiden onder eenen invloed, die bovennatuurlijk
+schijnt," bemerkte mijnheer Reimond, "maar het kan wel een toevallige
+samenloop van omstandigheden zijn. Eindigt daar uwe geschiedenis?"</p>
+
+<p>"Ho, neen, heer oom, ware het zoo, ik zou het der moeite<span class='pagenum'><a name="Page_56" id="Page_56">[Pg 56]</a></span> niet waard
+hebben geacht, om uwe welwillende aandacht zoo lang te misbruiken."</p>
+
+<p>"Gij hebt haar diensvolgens nog gezien?"</p>
+
+<p>"Ja, en met haar gesproken; gij zult het gaan hooren. Eergisteren zegt
+mijn meester, dat hij naar naar het kasteel van Everdaal moest rijden,
+om er met de gravin De Bernavaux te spreken, en dat ik hem zal
+vergezellen. Op het kasteel aangekomen, treedt mijn meester in eene zaal
+met de gravin, en geeft mij vrijheid om in de dreve en in den tuin te
+wandelen, totdat hij mij doe roepen. Ik dwaal schier een half uur onder
+het hooge geboomte en nader tot eenen muur, waarachter ik juichende
+stemmen hoor van jonge meisjes of van kinderen, die zingen en spelen en
+lachen. E&eacute;ne stem is er, die mij wonderzoet en blijmoedig schijnt; hare
+galmen betooveren en ontroeren mij; maar daar springen van achter den
+muur drie juffrouwen, en, door mijne tegenwoordigheid verrast, bekijken
+zij mij ondervragend. Ik, gansch buiten mij zelven, en niet wetende wat
+ik doe, hef de armen in de hoogte en roep uit: "<i>Rosa mystica!</i>" Zij was
+het! Beschaamd over mijne vermetelheid, blijf ik haar zwijgend
+aanschouwen. Zij insgelijks wordt rood.&mdash;"O, hemel, mijnheer," murmelt
+zij, "reeds twaalf jaar, en gij hebt het niet vergeten?"&mdash;"En gij,
+juffrouw?" verstout ik mij te vragen.&mdash;"En ik ook niet," antwoordt zij
+verbaasd. "Het is een onuitlegbaar raadsel!" Op dit oogenblik trad de
+gravin, door mijnen meester gevolgd, uit het kasteel. "Flora, Flora!"
+riep mevrouw De Bernavaux, "kom haastig hier, ik heb u noodig!"&mdash;Zij
+heet dus Flora? Op mijne vraag of Flora hunne zuster was, zeiden de
+jonge juffrouwen mij, dat Flora als gezelschapsjuffer op het kasteel
+woont. Mijn meester wilde onmiddellijk vertrekken; ik moest gehoorzamen.
+Onderweg maakte ik allerlei ontwerpen. Nu wist ik waar zij woonde, de
+maagd, wier herinnering en beeld mijn gansche leven hadden beheerscht.
+Zij was niet rijk, ten minste niet genoeg om mij alle hoop op een
+huwelijk met haar te ontzeggen. Ja, ja, het gepeins aan een huwelijk
+ontstond gansch klaar en volledig in mijnen geest. Zij insgelijks had
+twaalf jaar mijne herinnering behouden. Het was eene bekentenis, en ik
+had de overtuiging dat sedert onze kindsheid er een geheimzinnige band
+tusschen onze zielen had bestaan, en God zelf ons voor elkander had
+bestemd. Mijn voornemen was, dit alles aan mijnen meester te openbaren
+en zijne edelmoedige hulp in te roepen; maar toen wij ten zijnen huize
+afstapten, vond ik uwen brief, die mij naar Wildenborg riep. Ik ben
+onmiddellijk vertrokken."</p>
+
+<p>Er heerschte eene wijl stilte, gedurende welke mijnheer Reimond het
+hoofd schudde en tegen een lastig gepeins scheen te worstelen.<span class='pagenum'><a name="Page_57" id="Page_57">[Pg 57]</a></span></p>
+
+<p>"Niet waar, oom lief," zeide Willem, "indien er ooit eene aantrekking
+tusschen twee zielen bestond, dan is het tusschen Flora en mij geweest?
+Gij zult deze bovennatuurlijke stem niet willen miskennen, en mij niet
+dwingen tot een huwelijk met mijne nicht Theresia De Wit, die ik niet
+ken en niet kan beminnen?"</p>
+
+<p>"Gij laat u door uwe verbeelding misleiden," antwoordde mijnheer Reimond
+op strengen toon, "en, zooals de meesten doen, begrijpt gij de zaken op
+de wijze, die met uwe voorbestaande wenschen overeenkomt. Wat is er dan
+toch zoo wonderlijks in deze geschieden? Gij ziet eens een jong meisje,
+dat eenigen indruk op u uitoefent. Op twaalf jaar tijds ontmoet gij ze
+nog drie of vier keeren. Weet gij wat er wonder is? Dat gij ze niet
+honderdmaal hebt ontmoet."</p>
+
+<p>Een zucht ontsnapte Willem bij deze koele uitlegging zijns ooms.
+Mijnheer Reimond wist de voorvallen wel zonder begoocheling te
+beschouwen, wanneer het zijne eigene grillen niet gold. De arme jongen
+had diensvolgens zijn doel niet bereikt. Zijn oom liet hem den tijd niet
+om daaraan te twijfelen, dewijl hij nu zeide:</p>
+
+<p>"Gij moet trouwen met Theresia De Wit. De geest van het doodshoofd heeft
+het bevolen: zijne uitspraak is een onherroepelijk vonnis."</p>
+
+<p>"Maar, mijn lieve oom," kreet Willem met wanhoop, "gij zult mij toch
+niet zoo onmeedoogend tot een gansch leven van treurnis veroordeelen!"</p>
+
+<p>"Integendeel, gij zijt het zelf die uw geluk wilt verbrijzelen, niet
+alleen voor dit tegenwoordig leven, maar voor vele toekomstige levens.
+Verkiest gij naar de hand van die Flora te staan en uwe ziel, duizend
+jaar verre misschien, in de baan der eeuwigheid achteruit te drijven,
+gij zijt vrij. Ik van mijnen kant ken mijnen plicht, en ik zal hem
+volbrengen. Laat hooren, onderwerpt gij u aan de wil der geesten of
+niet? Ik wacht een antwoord. Gij zwijgt, Willem? Het is dus eene
+weigering?"</p>
+
+<p>De genster van een plotselijk gepeins lichtte eensklaps in des
+jongelings oogen.</p>
+
+<p>"Oom, mag ik mijne beslissing uitstellen tot morgen?" vroeg hij.</p>
+
+<p>"Tot morgenavond, indien gij het verlangt."</p>
+
+<p>"Ik dank u; misschien zal dezen nacht de geest, uit medelijden met mij,
+u eene edelmoedige inspraak geven."</p>
+
+<p>"Hoop het niet, mijn vriend, en martel u zelven niet door eene
+vruchtelooze worsteling tegen iets, dat onveranderlijk moet blijven."</p>
+
+<p>"Ach, misschien zal ik de noodige kracht tot de onderwerping vinden."<span class='pagenum'><a name="Page_58" id="Page_58">[Pg 58]</a></span></p>
+
+<p>"Het zal mij grootelijks verblijden; want ik bemin u, Willem. Ondanks de
+betrekkelijke onvolledigheid uwer ziel zijt gij een goede, brave jongen;
+en ik zou uw geluk willen verzekerd zien, vooraleer ik opvaar tot een
+nieuw leven."</p>
+
+<p>"Gij blijft dus altijd bij de schrikkelijke gedachte, dat gij gaat
+sterven?"</p>
+
+<p>"Overmorgen, den 31<sup>sten</sup> Augustus."</p>
+
+<p>"En indien gij bij geval den 1<sup>sten</sup> September nog leefdet? Zoudt gij
+dan niet bekennen, dat de geest u heeft bedrogen? Zoudt gij mij dan nog
+met mijne nicht willen doen trouwen?"</p>
+
+<p>"Ho, hoe zou ik het betreuren! sterven van schaamte en van smart!"
+zuchtte mijnheer Reimond met eene soort van afgrijzen. "Wat! mijn
+gansche leven zou eene krankzinnigheid geweest zijn? Die hooge
+wetenschap eene ijlhoofdigheid? De geesten schimmen, door mijne zieke
+hersens geschapen? Zwijg daarvan, Willem; gij doet mij ijskoud worden
+van schrik. Gelukkig dat gij dwaalt. Mijn dood op het vastgestelde uur
+zal van het bestaan der geesten en van de waarheid hunner leering
+getuigenis geven!"</p>
+
+<p>De ontmoedigde jongeling zag eene korte wijl zijnen oom met
+verslagenheid aan; doch hij stond welhaast recht en, knikkende, als
+bevestigde hij zich zelven in een genomen besluit, zeide hij:</p>
+
+<p>"Heer oom, toen ik naar Wildenborg kwam, liet ik mijn reispak te
+Hasselt. Ik heb hier geen linnen, en mij ontbreken vele noodige dingen.
+Indien gij de goedheid hadt, mij het toe te laten, zou ik gaarne over en
+weder naar Hasselt rijden, om mijnen koffer te halen."</p>
+
+<p>"Gij zult morgen terug zijn?"</p>
+
+<p>"Ja, heer oom."</p>
+
+<p>"Welnu, reis naar Hasselt. Ik was toch voornemens, dezen ganschen dag
+alleen te blijven. Mijn tijd wordt kort; ik moet lang met den geest
+spreken en schikkingen nemen voor mijn vertrek naar de wereld der
+zielen. Ga, mijn vriend, en bedroef u niet door eene vruchtelooze
+worsteling tegen de uitspraak des geestes. Theresia De Wit zal uwe bruid
+zijn, of uwe dwalende ziel het wille of niet!"</p>
+
+<p>De jongeling drukte zwijgend de hand zijns ooms en verliet de zaal onder
+het murmelen van een treurig vaarwel.</p>
+
+<p>Hij vond de vrouw des hoveniers op den dorpel harer deur en zeide haar:</p>
+
+<p>"Peternelle, ik ga naar Hasselt, en verder nog, indien het moet zijn. Ik
+wil weten, of er geen hoegenaamd middel bestaat, om mijnen oom te
+genezen of ten minste zijn leven te verlengen. Denk eens, hij wil, dat
+ik onmiddellijk trouwe met mijne nicht!"<span class='pagenum'><a name="Page_59" id="Page_59">[Pg 59]</a></span></p>
+
+<p>"Met Theresia De Wit?" kreet Peternelle verschrikt.</p>
+
+<p>"Ja; zeg daar niets van aan uwen man; ik ga naar Hasselt om mijnen
+koffer te halen. Vaarwel tot morgen."</p>
+
+<p>Eenige oogenblikken daarna stapte Willem door de dreve, om de baan te
+bereiken, die over de heide naar den steenweg van Hasselt liep.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="V" id="V"></a>V.</h2>
+
+
+<p>Bij een schoon en zonnig weder stapten twee vrouwen over de heide. Zij
+waren voorafgegaan door een boer, die eene kleine reismaal op den
+schouder droeg.</p>
+
+<p>Eene der vrouwen was eene jonge juffer, wier zachtvervig zomerkleedsel,
+eenvoudig doch smaakvol, de onbenevelde blijheid van een zuiver
+maagdelijk gemoed scheen te verkondigen.</p>
+
+<p>Ze had blonde haren, die boven haar voorhoofd in eene kunstmatige
+verwarring tot eene soort van top waren gekrinkeld; daaronder
+glinsterden als blauwe parelen hare kleine, doch ongemeen beweegbare
+oogen. Op hare lippen speelde bestendig een stille, teedere glimlach,
+als beschouwde zij de oorspronkelijke natuur, die haar omringde, met
+vreugde des harten en met liefde.</p>
+
+<p>Alhoewel er nog iets onbedwongens, iets kinderlijks in gansch haar
+opzicht was, getuigde evenwel de snelheid van haren blik en de vastheid
+harer gebaren, dat het dezer bevallige jonge maagd noch aan
+gemoedssterkte noch aan helderheid des geestes kon ontbreken.</p>
+
+<p>Gedurende zeer langen tijd scheen zij de tegenwoordigheid van hare
+gezellin en van haren leidsman te vergeten. Vroolijk en nieuwsgierig
+sprong zij over de heide, om eene haar onbekende bloem te gaan plukken,
+of huppelde eenen vlinder achterna, of sprak juichend tot zich zelve, of
+lachte of zong met luider stemme, als dwong de overvloed van kracht en
+leven haar tot onophoudende beweging. Wanneer zij dan bemerkte, dat zij
+verre achteruitgebleven was, nam zij hare vlucht en liep, snel en licht
+als eene hinde, totdat zij haar gezelschap was genaderd. De andere vrouw
+was ongetwijfeld eene dienstmeid; zij droeg aan elke hand eene groote
+kartonnen doos en scheen vermoeid. Alhoewel zij den boer van dichtbij
+volgde, had zij hem nog niet eens het woord toegestuurd.</p>
+
+<p>Toen de jonge juffer in de verte den donkeren klomp der<span class='pagenum'><a name="Page_60" id="Page_60">[Pg 60]</a></span> bosschen uit de
+naakte heide zag opdagen, kwam zij terzijde van den boer en vroeg:</p>
+
+<p>"He! jongen, zeg mij, ik bid u, wat is dat ginder? Het gelijkt naar
+eenen zwarten berg."</p>
+
+<p>"Dat? Het is Wildenborg," was het antwoord.</p>
+
+<p>"Ha, daar woont mijnheer Reimond?&mdash;In dat duister bosch?"</p>
+
+<p>"In het diepste van het bosch."</p>
+
+<p>"Gij kent mijnheer Reimond, niet waar?"</p>
+
+<p>"Neen, mejuffer."</p>
+
+<p>"Gij ziet hem toch dikwijls, vermits gij van het dorp zijt?"</p>
+
+<p>"Ik heb hem nooit gezien, mejuffer; en ik hoop, dat God mij zal
+toelaten, hem nooit te ontmoeten."</p>
+
+<p>Deze woorden, op eenen zonderlingen toon gesproken, verwonderden het
+meisje.</p>
+
+<p>"Wat wilt gij zeggen?" vroeg zij. "Ik begrijp u niet. Zijt gij vervaard
+van mijnheer Reimond?"</p>
+
+<p>"Iedereen is van hem vervaard."</p>
+
+<p>"Waarom? Is hij boos? Doet hij den lieden kwaad?"</p>
+
+<p>"Integendeel, men zegt, dat hij veel goed doet aan de armen."</p>
+
+<p>"Wat vreemde dingen zijn dit?" riep de maagd lachend uit. "Gij kent hem
+niet, hij is een goed mensch; en gij hoopt hem nimmer te ontmoeten?
+Verklaar mij toch dit onverstaanbaar raadsel."</p>
+
+<p>"Beware ons God!" zuchtte de meid. "Ik begrijp het wel: er zijn dieven,
+struikroovers in dit leelijk bosch, en mijnheer Reimond is misschien het
+hoofd der bende!"</p>
+
+<p>"Kom, Isabel, gij zijt zinneloos," spotte het meisje. "Mijn oom een
+struikroover! Waar zijn uwe gedachten?"</p>
+
+<p>"Ja, mejuffer, gij kent uwen oom ook niet," zeide de meid. "Ik heb eens
+een boek hooren lezen van eenen kapitein der struikroovers, die de rijke
+lieden uitplunderde om de arme menschen te kunnen helpen. Wat gebeurd
+is, kan nog gebeuren. Hadde ik geweten dat wij, dus verre van alle
+dorpen en huizen, door een donker bosch zouden moeten gaan, ik ware
+zeker te huis gebleven."</p>
+
+<p>"Welnu, mijn jongen," vroeg het meisje, "waarom vreest men mijnheer
+Reimond? Spreek niet met halve woorden. Gij zult mij verplichten; ik heb
+redenen om te weten, hoe de zaken op Wildenborg staan. Gij aarzelt? Het
+is dus wel schrikkelijk?"</p>
+
+<p>"Ja, ja, mejuffer, zoo schrikkelijk, dat ik het niet durf zeggen!"
+zuchtte de jonge boer met eene uitdrukking van diepe benauwdheid.</p>
+
+<p>"Ach, gij maakt mij angstig met uwe achterhoudendheid," kreet de maagd.
+"Spreek klaar, ik verzoek het u, ik zal er u dankbaar voor zijn!"</p>
+
+<p>De jonge boer scheen door de zoete bede van het<span class='pagenum'><a name="Page_61" id="Page_61">[Pg 61]</a></span> meisje overwonnen;
+zijne stem bedwingende, antwoordde hij:</p>
+
+<p>"Mejuffer, het kasteel van Wildenborg is vol geesten en spoken. Volgens
+dat de lieden zeggen, gebeuren daar ijselijke dingen, die een
+Christenmensen niet kan bijwonen, zonder zijne zaligheid te verliezen."</p>
+
+<p>De beide vrouwen zagen hem verbaasd aan.</p>
+
+<p>"Maar wat heeft dit kindervertelsel gemeen met mijnheer Reimond?" morde
+de juffer.</p>
+
+<p>"Kindervertelsel!" herhaalde de boer. "Vraag het aan de oudste en
+verstandigste lieden des dorps, en zij zullen getuigen, dat het waarheid
+is."</p>
+
+<p>"Vermits gij vervaard zijt van mijnheer Reimond, beeldt gij u misschien
+in, dat hij zelf een spook is?" schertste de maagd.</p>
+
+<p>"Erger, veel erger," murmelde de boer.</p>
+
+<p>"Hij is een toovenaar en gaat met den duivel om."</p>
+
+<p>Een schaterlach onderbrak zijne woorden; zoowel de meid als de juffer
+spotten luidruchtig met de verrassende uitlegging.</p>
+
+<p>De boer aanschouwde hen met wijd geopende oogen. Het scheen hem eene
+ongehoorde zaak, dat vrouwen zoo ongeloovig konden zijn, en konden
+lachen met zulke ernstige dingen. Hij merkte wel aan de medelijdende
+uitdrukking der juffer, dat zij hem voor eenen onnoozele of voor eenen
+domkop aanzag. Dit kwetste hem.</p>
+
+<p>"Ja, mejuffer," zeide hij op vinnigen toon, "de lieden uit de stad
+meenen, dat zij alles beter weten dan de buitenmenschen; maar het
+spreekwoord zegt: hij lacht het beste, die lacht ten leste. Gij gaat
+naar het kasteel van Wildenborg: v&oacute;&oacute;rdat het avond is, zult gij
+misschien deze reis en uwe ongeloovigheid betreuren."</p>
+
+<p>"Is er iemand kwaad geschied op Wildenborg?" vroeg het meisje.</p>
+
+<p>"Niemand nadert het kasteel," was het antwoord.</p>
+
+<p>"En hoe kan men dan weten, wat er gebeurt?"</p>
+
+<p>"Iedereen weet het."</p>
+
+<p>Het meisje zag wel dat er uit den bijgeloovigen jongen geene gegronde
+reden te bekomen was. Zij haalde grimlachend de schouders op en bleef
+achter, om in zich zelve over deze wonderlijke inlichtingen na te
+denken.</p>
+
+<p>Zoo gerust was de meid niet, alhoewel die geschiedenis van duivels en
+van geesten haar weinig had ontsteld. Hare bekommerdheid had eene andere
+oorzaak. Zij zweeg, totdat men het bosch genaderd was en zij van
+dichtbij het ondoordringbaar geboomte zag, in welks donkeren schoot het
+voetpad als in eenen afgrond scheen weg te duiken. Dan naderde zij meer
+tot den boer en vroeg met doffe stemme:<span class='pagenum'><a name="Page_62" id="Page_62">[Pg 62]</a></span></p>
+
+<p>"Vriend, zeg mij oprecht, wonen er geene binders of dieven in dit bosch?
+Heeft men er nog geene menschen vermoord gevonden?"</p>
+
+<p>"Ja wel," antwoordde hij, "ginder, op een honderdtal stappen van hier,
+staat een steenen kruis. Daar heeft men eene vrouw vermoord, die van de
+kerke kwam."</p>
+
+<p>Een luide angstkreet ontvloog de meid. Zij verbleekte van schrik en
+zuchtte bevend:</p>
+
+<p>"O, mijn God! wat zegt gij daar? eene vrouw vermoord? Ik keer terug;
+voor al het geld der wereld zet ik geenen voet in dit bosch!"</p>
+
+<p>"Welnu, wat hebt gij, Isabel? Waarom blijft gij staan?" vroeg het
+meisje.</p>
+
+<p>"Mejuffer," antwoordde de meid, "dit bosch is een kuil vol struikroovers
+en binders. De geschiedenissen van duivels en spoken hebben zij
+uitgevonden, om de lieden verwijderd te houden en den eenzamen reiziger
+in vrijheid te kunnen vermoorden. Laatst nog hebben zij, op honderd
+stappen van hier, eene ongelukkige vrouw gedood.... Neen, neen, zeg wat
+gij wilt, ik sterve nog liever hier op de heide, onder den blooten
+hemel, dan in dit donker bosch mij aan de wreedheid der bloedzuchtige
+dieven te gaan leveren."</p>
+
+<p>"Gij hebt ongelijk, vrouw," zeide de boer, "het steenen kruis staat daar
+reeds meer dan honderd jaar. Sedert dan heeft men niet meer gehoord, dat
+iemand in het bosch is aangerand of mishandeld geworden."</p>
+
+<p>De ontstelde meid wilde noch naar raad noch naar geruststellingen
+luisteren. Het scheen haar zelfs te verbitteren, dat de juffer met hare
+vervaardheid lachte; en zij had reeds de kartonnen doozen ten gronde
+gezet, om in het voetpad terug te gaan, toen de jonge boer eensklaps met
+blijdschap uitriep:</p>
+
+<p>"Ha, daar komt mijnheer pastoor! Hij zal met ons door het bosch gaan,
+want hij begeeft zich naar het dorp. Nu is er niets meer te vreezen!"</p>
+
+<p>De verschijning van den geestelijke deed hetzelfde uitwerksel op de
+meid; zij nam de doozen weder op en toonde zich bereid om in gezelschap
+van den priester de reis voort te zetten.</p>
+
+<p>De pastoor, die nevens den boord van het bosch kwam aangestapt om het
+voetpad te bereiken, was een reeds bejaarde man met grijze haren. Hij
+volgde zijnen weg met gebogen hoofde en denkend; en hij bemerkte de
+lieden, die op hem wachtten, slechts op het oogenblik, dat hun
+eerbiedige groet zijne ooren trof.</p>
+
+<p>"Goeden dag, mijne kinderen," zeide hij. "Het is zeer heet op de heide;
+maar vermits gij door het bosch schijnt te willen gaan, zult gij daar
+lommer en verfrissching vinden."</p>
+
+<p>Intusschen bezag hij met bijzondere aandacht en als<span class='pagenum'><a name="Page_63" id="Page_63">[Pg 63]</a></span> vragend de jonge
+juffer, die hem dankbaar toelachte.</p>
+
+<p>"Mijnheer pastoor," sprak zij op zoeten toon, "wij zijn een beetje
+vervaard. Zult gij het kwalijk nemen, dat wij een eind weegs met u
+gaan?"</p>
+
+<p>"In het geheel niet, mijn kind," antwoordde de pastoor. "Het zal mij
+zelfs verheugen, met u eenige woorden in het bijzonder te kunnen
+spreken. Indien ik mij niet bedrieg, ken ik u sedert lang."</p>
+
+<p>"Gij zoudt mij kennen, eerwaarde? Het schijnt mij onmogelijk: ik weet
+niet, dat ik ooit van mijn leven de eer had u te zien."</p>
+
+<p>"Uw naam is Theresia De Wit?"</p>
+
+<p>"Inderdaad!" murmelde het meisje verwonderd.</p>
+
+<p>Onderwijl was men in het bosch getreden.</p>
+
+<p>De priester vertraagde zijnen stap, om den boer en de meid te laten
+vooruitgaan; en dewijl de juffer zijn inzicht merkte, bleef zij aan
+zijne zijde.</p>
+
+<p>"Mijn voorgevoel had mij dus niet bedrogen," zeide hij. "Uwe moeder was
+de zuster van mijnheer Reimonds echtgenoote, en gij heet Theresia De
+Wit?"</p>
+
+<p>"Ja, mijnheer pastoor, hoe kunt gij toch dit alles zoo nauwkeurig
+weten!"</p>
+
+<p>"Het is, mejuffer, omdat ik in deze laatste tijden meer dan eens met
+uwen oom over u heb gesproken, en wist, dat hij u naar Wildenborg zou
+roepen. Gij kent uwen oom niet persoonlijk!"</p>
+
+<p>"Ik herinner mij slechts, dat, toen ik een kind van drie of vier jaar
+was, er dikwijls een hoogstaltige heer ten onzent kwam, die mij streelde
+en mij speelgoed en lekkers gaf. Die man was mijn oom. Ik heb altijd
+dankbaar aan hem gedacht; mijn vader zaliger, tot den dag zijns doods,
+sprak mij onophoudend van hem."</p>
+
+<p>"Uw oom schijnt tegen uwe ouders te zijn verbitterd geweest, bovenal
+tegen uwen vader; hij meent, dat uw vader hem haatte. Hij moet zelfs
+zijne vijandschap door daden bewezen hebben."</p>
+
+<p>"Ach, eerwaarde," riep de maagd, "het is een beklaaglijke misgreep van
+mijnen oom. Mijn vader had meer vriendschap voor hem dan iemand anders.
+In deze zaak werd mijn vader het slachtoffer zijner verkleefdheid. Hij
+heeft het mij dikwijls genoeg met tranen in de oogen verteld. Gij moet
+weten, mijnheer pastoor, in dien tijd hield mijnheer Reimond zich bezig
+met verborgene wetenschappen, met magnetismus, met draaiende tafels en
+sprekende geesten. Hij droomde van niets anders dan van onmogelijke
+dingen, en beeldde zich in, dat de mensch middelen kan ontdekken om,
+evenals God zelf, de wetten der natuur te veranderen en mirakelen te
+doen. Dit hebben mijne ouders mij gezegd. Mijn vader, die een verstandig
+man was,<span class='pagenum'><a name="Page_64" id="Page_64">[Pg 64]</a></span> bemerkte welhaast, dat een hoop bedriegers mijnen goeden oom
+omringden en hem in zijne dwalingen versterkten, om hem op allerlei
+wijzen het slachtoffer hunner hebzucht te maken. Zijne pogingen om hem
+daarover de oogen te openen, bleven vruchteloos. Mijnheer Reimond had
+alsdan eenen knecht of liever eenen vertrouweling, die vroeger hovenier
+was geweest bij zijne ouders. Mijn vader meende, dat deze knecht de
+voorname oorzaak was van de verblindheid zijns meesters, en hij deed
+lang moeite om hem door mijnen oom terug naar Limburg te doen zenden.
+Dit gelukte hem zoo weinig, dat de knecht bij mijnheer Reimond bleef
+wonen, en mijne ouders van dan af mijnen oom nooit meer hebben mogen
+zien."</p>
+
+<p>"Die knecht heette Jakob Mispels, niet waar?"</p>
+
+<p>"Hebt gij hem insgelijks gekend, eerwaarde?" vroeg het meisje met
+verwondering.</p>
+
+<p>"Ik ken hem nog, mijn kind: hij woont op Wildenborg en hij is de
+hovenier des kasteels. Een zeer eenvoudig en onwetend man is hij; maar
+dat hij schuld hebbe aan de vreemde gedachten uws ooms, dit schijnt mij
+twijfelachtig."</p>
+
+<p>"Het kan zijn, mijnheer pastoor, dat mijn vader zich hebbe misgrepen:
+maar zijn inzicht ten minste was oprecht. Hij kende mijnheer Reimond
+sedert zijne kindsheid, en hij was in staat om te oordeelen over de
+eerste oorzaken der gevaarlijke richting zijns geestes. Mijn oom was in
+de eenzaamheid dezer streek, om zoo te zeggen, door Jakob Mispels
+opgevoed geworden. Van den avond tot den morgen had de hovenier met het
+kind gespeeld, en dus eenen grooten invloed op zijn wordend verstand
+uitgeoefend. Volgens dat mijn vader zeide, was er op de wereld geen
+bijgelooviger mensch dan deze Jakob Mispels, en hij had het hoofd van
+mijnen oom zoo vol gestoken met allerlei vertelsels van spoken en
+geesten, dat het kind op zijn twaalfde jaar zelfs bij klaren dag geen
+oogenblik meer alleen dorst blijven. Moest zijn gezelschap niet hoogst
+schadelijk zijn voor mijnheer Reimond, en had mijn vader, die vreesde,
+dat het verstand mijns ooms met verzwakking of met verdwaling was
+bedreigd, geene redenen om de verwijdering van Jakob Mispels te
+wenschen?"</p>
+
+<p>De pastoor scheen na te denken over de woorden der juffer en knikte
+bevestigend met het hoofd.</p>
+
+<p>"Het is mogelijk, inderdaad," zeide hij, "dat de tegenwoordige
+geestestoestand van mijnheer Reimond slechts eene wijziging van de
+denkbeelden zijner kindsheid zij. Wonder toch, te moeten gelooven, dat
+de eerste indrukken, welke door het menschelijk gemoed worden ontvangen,
+tot zooverre onuitwischbaar blijven, en dat in mijnheer Reimond de
+wetenschap, de studie en zelfs de overgeleerdheid het onderwijs van
+eenen onwetenden en eenvoudigen hovenier niet hebben kunnen versmachten.
+O,<span class='pagenum'><a name="Page_65" id="Page_65">[Pg 65]</a></span> mejuffer, indien God u ooit de opvoeding van kinderen toevertrouwt,
+waak bij hunne wieg en bij hunne eerste stappen; want, zooals zij uit de
+handen hunner moeder of hunner voedster gaan, zoo zullen ze
+waarschijnlijk blijven."</p>
+
+<p>"Wees gedankt voor uwen welwillenden raad, heer pastoor," antwoordde de
+maagd. "Ik ken al de waarde eener goede, eener doelmatige opvoeding;
+want ik ben onderwijzeresse."</p>
+
+<p>"Het is eene edele, eene gewichtige roeping.... die gij, mejuffer,
+evenwel na dezen dag ongetwijfeld zult verlaten."</p>
+
+<p>"Hoe meent gij het, eerwaarde? Ik hoop integendeel deze roeping zeer
+lang te blijven vervullen."</p>
+
+<p>"Maar, mijn kind, vermoedt gij dan niet, waarom uw oom u verzocht naar
+Wildenborg te komen? Hij wil u zijn testament laten kennen: gij gaat een
+nog al aanzienlijk fortuin erven."</p>
+
+<p>"Ik een fortuin erven!" kreet het meisje met blijdschap. "Zou het waar
+zijn? Mijn schoone droom zou zich dus verwezenlijken? O, gebeurde mij
+zulk geluk, hoe zou ik den milden God zegenen tot het einde mijns
+levens!"</p>
+
+<p>"En die droom is?" murmelde de priester, die eenigszins door de
+overmatige blijdschap der maagd was verwonderd.</p>
+
+<p>"Die droom?" riep zij, "ik zou eene groote kostschool voor jonge
+juffrouwen oprichten! Tot nu toe was ik slechts hulponderwijzeresse, en
+ik moest vele dwalingen aanzien en aan vele verkeerde richtingen
+gehoorzamen; maar dan zou ik vrij zijn en al het goede kunnen stichten,
+dat mijn hart mij inboezemt."</p>
+
+<p>Zij scheen eensklaps te verbleeken, en vroeg met eene uitdrukking van
+angst:</p>
+
+<p>"Maar, maar, o hemel, waar zijn mijne zinnen! Een testament? Gaat mijn
+arme oom dan sterven!"</p>
+
+<p>De pastoor knikte bevestigend.</p>
+
+<p>"Hij is dus zeer ziek?"</p>
+
+<p>"Op deze vraag is het mij moeielijk te antwoorden," zeide de oude
+priester. "Uw oom is wat men noemt een ingebeelde zieke. Zijn lichaam is
+niet krank, en evenwel gaat hij sterven. Indien hij zich in zijne
+berekening niet heeft bedrogen, zal hij zelfs de zon van overmorgen niet
+meer zien opgaan."</p>
+
+<p>"Mijn oom, die mij rijk en gelukkig wil maken zonder dat ik mij aan die
+weldaad verwachtte? Eilaas, hij zou sterven!" zuchtte het meisje. "Ik
+zou geenen tijd hebben om hem mijne dankbaarheid te bewijzen? Ik zou
+slechts naar Wildenborg gekomen zijn om bij zijn doodbed te bidden? O,
+neen, neen; het fortuin ware mij bitter en pijnlijk; God zal hem laten
+leven?"</p>
+
+<p>En pijnlijk zuchtend, liet zij het hoofd op de borst zakken.</p>
+
+<p>"Kom, gij moet u troosten en u sterk houden, mijne dochter," zeide de
+pastoor. "Sterven is het lot aller menschen; de dood<span class='pagenum'><a name="Page_66" id="Page_66">[Pg 66]</a></span> van mijnheer
+Reimond, hoe beklaaglijk ook, zal toch een zeer zachte dood zijn."</p>
+
+<p>"Maar, eerwaarde," riep de maagd, "mijn oom gaat sterven zonder ware
+ziekte, en omdat hij zich verbeeldt, dat zijn einde is gekomen? Heeft de
+ongelukkige dan geene vrienden gevonden, om die dwaling zijns geestes te
+bevechten en te overwinnen?"</p>
+
+<p>"Hij heeft ten minste &eacute;&eacute;nen vriend gevonden en aanvaard," antwoordde de
+priester. "Die vriend heeft sedert vijf jaar alles gedaan wat mogelijk
+was, om zijnen geest tot het besef der waarheid en der wezenlijkheid
+terug te brengen. Redenen van godsdienst, redenen van wetenschap,
+redenen van menschelijken aard, alles bleef machteloos. Integendeel, de
+worsteling verergerde het kwaad."</p>
+
+<p>"En de dokters, eerwaarde, konden dezen hem niet helpen?"</p>
+
+<p>"Ik geloof het niet, mejuffer, de ziekten der verbeelding laten zich
+moeielijk genezen. Daarenboven, mijnheer Reimond leeft opgesloten en wil
+volstrekt niemand dan mij alleen op Wildenborg toelaten. Sedert tien
+jaren heeft hij nog geen ander bezoek dan het mijne willen aanvaarden."</p>
+
+<p>"Ik begrijp," zuchtte het meisje. "Hoe schrikkelijk toch! Mijn arme oom
+is krankzinnig! Eilaas, misschien zal hij zelfs mijne dankzeggingen niet
+verstaan. Was het z&oacute;&oacute;, dat ik den man moest terugzien, die mij in mijne
+kinderjaren zoo liefhad en die mijne ouders zoo edelmoedig heeft
+geholpen, toen oneer en armoede hen kwamen bedreigen?"</p>
+
+<p>"Overdrijf niet, mijne dochter," zeide de priester. "Er zijn menschen,
+die over alles, behalve over een enkel punt, de helderheid des verstands
+behouden. Zoo is mijnheer Reimond, hij heeft een goed en edelmoedig
+hart, hij redeneert met wijsheid over de meeste zaken: maar zoohaast
+zijne gepeinzen zich op het bovennatuurlijke keeren, dan verdwaalt hij
+in grenzenlooze beschouwingen en schept zich eene wereld der
+onmogelijkste hersenschimmen. Vrees echter niet, hij is de goedheid
+zelve en zal u zeer welwillend en minnelijk zijn."</p>
+
+<p>"En hij gaat sterven?"</p>
+
+<p>"Ja, ik twijfel er niet aan. Wat mij echter troost, is de hoop, de
+overtuiging dat God hem de dwaling zijns geesten niet zal aanrekenen,
+dewijl zij klaarblijkend het gevolg eener ziekelijke ontschikking der
+hersens is."</p>
+
+<p>Het meisje deed eenige stappen zonder spreken. Dan zeide zij
+overwegende:</p>
+
+<p>"Begrijp ik u wel, eerwaarde, dan zou mijn oom sedert tien jaar, buiten
+uwe bezoeken, geene andere menschen gezien hebben dan Jakob Mispels?"</p>
+
+<p>"En zijne vrouw."</p>
+
+<p>"Mijn vader had gelijk! Dit was voor hem een verderfelijk<span class='pagenum'><a name="Page_67" id="Page_67">[Pg 67]</a></span> gezelschap.
+Zie, mijnheer pastoor, gij zult het misschien verwaand of overmoedig
+vinden, maar ik ben zeker, dat het mij niet onmogelijk geweest ware,
+mijnheer Reimond te genezen, indien hij mij slechts eenige maanden
+vroeger naar Wildenborg had geroepen."</p>
+
+<p>De priester schudde het hoofd met ongeloof.</p>
+
+<p>"Vergeef het mij, ik bid u, eerwaarde. De eenzaamheid van mijnheer
+Reimond, het gezelschap van den bijgeloovigen Jakob Mispels, de
+afgelegenheid des kasteels, dit alles deed mijnen oom in eene
+troosteloze somberheid leven. Wat was er noodig om dien nacht op te
+klaren? Licht, licht des harten, opgeruimdheid, vreugde, liefde! Ha, ik
+hadde hem dit licht gebracht: ik ben jong, ik heb vertrouwen in het
+leven en vertrouwen in Gods goedheid."</p>
+
+<p>De oogen der maagd fonkelden zoo zonderling, dat de oude priester haar
+met verwondering aanzag.</p>
+
+<p>"Misschien, misschien!" mompelde hij. "Nu is het evenwel te laat."</p>
+
+<p>"Zijn lichaam is niet ziek?"</p>
+
+<p>"Niet anders dan door de verbeelding."</p>
+
+<p>"En indien men deze verbeelding kon overwinnen?"</p>
+
+<p>"Onmogelijk, mijn kind, uwe hoop is ijdel."</p>
+
+<p>"Ik zat het beproeven nogtans, al kon ik slechts zijn leven eenige dagen
+verlengen, het ware reeds eene gelukkige belooning. Ik zou ten minste
+den tijd hebben om mijnen weldoener te bedanken en zijne ziel met de
+gedachtenis mijns vaders te verzoenen."</p>
+
+<p>Zij gingen de dreve van het kasteel naderen.</p>
+
+<p>"Daarginder moet ik u vaarwel wenschen, mejuffer," zeide de pastoor.
+"Alhoewel ik geene hoop heb, zal ik echter God bidden, dat Hij uwe
+liefderijke poging met genade aanzie. Waarschijnlijk zult gij erfgename
+worden, zoo niet van het kasteel, ten minste van verscheidene goederen,
+die op ons dorp gelegen zijn. Ik durf de noodlijdenden onzer gemeente
+uwer milddadigheid aanbevelen, en indien uw hart u inspreekt iets te
+doen voor ons arm kerkje, ik zal de hand zegenen, die den tempel des
+Heeren versiert."</p>
+
+<p>"Wees zeker, eerwaarde, noch uwe kerk noch uwe armen zal ik vergeten.
+Ach, bleve mijn oom leven, ik maakte van hem eenen kwistigen beschermer
+van alwie nood heeft. De weldadigheid is het helderste licht voor droeve
+zielen!"</p>
+
+<p>Dewijl men nu de dreve des kasteels was genaderd, nam de pastoor
+afscheid van haar en zette zijnen weg door het bosch voort.</p>
+
+<p>Het was niet zonder bekommerdheid, dat de meid den pastoor achter de
+boomen zag verdwijnen. Zij aarzelde een oogenblik,<span class='pagenum'><a name="Page_68" id="Page_68">[Pg 68]</a></span> maar toen zij aan 't
+einde der dreve het ijzeren hek bemerkte, dat haar de tegenwoordigheid
+van menschen aankondigde, schepte zij weder moed en verhaastte haren
+stap.</p>
+
+<p>Op een half boogschot van het hek bleef de jonge boer eensklaps staan,
+zette de reismaal ten gronde en zeide met koddigen ernst:</p>
+
+<p>"Ik ga niet verder. Het is de eerste maal van mijn leven, dat ik het
+kasteel zoo nabij durf komen. Wist ik niet, dat de pastoor nog in het
+bosch is, ik hadde geenen voet in de dreve gezet. Betaal mij en laat mij
+vertrekken."</p>
+
+<p>De juffer lachte luid met die vreemde doenwijze, de meid verstoorde zich
+en noemde den jongen boer eenen dommen sukkelaar. Er was niets aan te
+doen, hij eischte zijn loon, verwijderde zich in aller haast en liet de
+beide vrouwen, met koffer en met doozen te midden van den weg staan.</p>
+
+<p>Op het gerucht dezer korte betwisting was Jakob Mispels met zijne vrouw
+achter het hek verschenen.</p>
+
+<p>"Beware ons God!" morde hij spijtig, "daar hebt gij Theresia De Wit met
+eene meid en eene volle lading reisgoed. Gelooft zij misschien, dat
+Wildenborg eene openbare herberg is? Boe! welke windmaakster! Dit is
+gekleed als eene barones.... Zonder de hulp van mijnheer Reimond zou
+haar vader broodsgebrek geleden hebben misschien. Hoor ze lachen, de
+zottin!"</p>
+
+<p>"Ziet gij niet, Jakob, dat men u door teekens verzoekt, ginder te gaan
+helpen om den koffer te dragen?" zeide Peternel. "Ga, steek eene hand
+uit."</p>
+
+<p>"Ik? Voor Theresia De Wit, die ons heeft willen doen wegjagen? Wel ja!"</p>
+
+<p>"Wat schuld heeft deze Theresia daaraan? Zij was nog een onnoozel kind,
+toen het gebeurde."</p>
+
+<p>"Het is mij gelijk: ik verroer geenen vinger voor die kale steedsche
+juffer. Meent zij hier de meesteresse te komen spelen? Wij erven zoowel
+als zij. Wil zij knechts vinden, zij zoeke ze elders."</p>
+
+<p>"Och, gij zijt onverstandig," snauwde Peternel met ongeduld. "Weigert
+gij uwe hulp, dan zal ik zelve gaan."</p>
+
+<p>Zij stapte buiten het hek. Jakob, misschien beschaamd over zijne
+barschheid volgde haar en mompelde onderweg aan haar oor:</p>
+
+<p>"Deze Theresia De Wit mag niet lang op Wildenborg blijven. Wie weet, of
+zij anders door arglistige treken mijnheer Reimond niet tot
+onrechtvaardigheid zou verleiden. Nu reeds wil hij de helft van zijn
+fortuin aan den goeden Willem onttrekken, om ze aan die onbekende
+praatmaakster te geven.... Ho, welke gedachte! Peternel, laat mij eens
+doen, en wederspreek mij niet: ik zal ze zoo vervaard maken, dat ze van<span class='pagenum'><a name="Page_69" id="Page_69">[Pg 69]</a></span>
+Wildenborg zal wegvluchten, alsof ze den zwarten man in persoon hadde
+gezien. Gij keurt mijn voornemen af? Geschieden er geene ijselijke
+dingen genoeg op Wildenborg, en kan ik misdoen met de waarheid te
+zeggen?"</p>
+
+<p>"Kom, laat die dwaasheden achter, en poog een beetje beleefd te zijn,"
+zeide Peternelle.</p>
+
+<p>"Ha, ha! wat zijn dit hier voor zonderlinge en vreesachtige lieden!"
+riep het meisje lachend. "De boer, die onzen reiskoffer tot hier heeft
+gedragen, dorst het hek niet naderen, hij meent, dat Wildenborg krielt
+van kwade geesten en spoken. Gij toch, vrienden, schijnt menschen te
+zijn: ik bedank u voor uwe dienstwilligheid."</p>
+
+<p>De hovenier maakte een kruis en slaakte eenen hollen zucht. Zijne vrouw,
+die zijn inzicht merkte, gaf hem eenen stoot met den elleboog en gromde:</p>
+
+<p>"Jakob, wilt gij u wel stilhouden met uwe grillen? Wees betamelijk en
+pak den koffer aan."</p>
+
+<p>De beide vrouwen volgden den hovenier tot in zijn huisje. Peternel bood
+hun eenen stoel aan en vroeg, of ze geenen lust hadden om iets te eten,
+maar de juffer, die reeds haren naam had doen kennen, betuigde haar
+ongeduld, om zonder uitstel bij haren oom te worden toegelaten.</p>
+
+<p>"Het kan niet zijn," morde Jakob. "Hij is in samenspraak met de
+geesten."</p>
+
+<p>En daar hij zag, dat de juffer met zijne woorden spotte, herhaalde hij:</p>
+
+<p>"Uw oom is in samenspraak met geesten, met dwalende zielen, met
+doofdshoofden en met spoken. De deuren des kasteels zijn langsbinnen
+gesloten, en indien...."</p>
+
+<p>"Ik bid u, doe mij den kostelijken tijd met zulke kinderachtige
+vertelsels niet verliezen," onderbrak de maagd. "Mijn oom heeft mij
+ontboden, hij zal verstoord zijn, omdat gij mij niet onmiddellijk tot
+hem hebt geleid. Ga, meld hem mijne komst."</p>
+
+<p>"Onmogelijk."</p>
+
+<p>"Uwe vrouw is redelijker dan gij: zij lacht insgelijks met uwe grillen.
+Zij schijnt verstandig en minzaam, en zal mijnen oom wel gaan
+verwittigen."</p>
+
+<p>"Hij is inderdaad opgesloten, mejuffer. Niemand kan hem naderen,"
+antwoordde Peternelle. "Wilt gij intusschen iets eten of een kopje
+drinken, het is u van harte gegund."</p>
+
+<p>"Wees gedankt, wij hebben in de afspanning bij den steenweg gegeten. Al
+wat ik wensch, is mijnen oom te mogen zien."</p>
+
+<p>"Gij moet wachten, totdat de geesten vertrokken zijn," snauwde Jakob.</p>
+
+<p>"En zal dit nog lang duren?"</p>
+
+<p>De hovenier zag op naar het uurwerk en zeide:<span class='pagenum'><a name="Page_70" id="Page_70">[Pg 70]</a></span></p>
+
+<p>"Het oogenblik nadert. Nog eenige minuten, nog een kwart uurs, ik weet
+het niet. Nox zal mij komen verwittigen."</p>
+
+<p>"Zoo? mijn oom heeft nog andere dienaars dan gij? Nox is een knecht?"</p>
+
+<p>"Ja, ja, zijn Mistoffel, de booze geest, die hem dient."</p>
+
+<p>"Och, gij zijt zinneloos!" hernam het meisje op spijtigen toon. "Een man
+van jaren als gij! Hoe! zijt gij niet beschaamd, aan zulke dwaasheden te
+gelooven? Ik zal mijnen oom over u klagen en hem zeggen, dat gij den
+spot met mij gedreven hebt."</p>
+
+<p>"Gij zult er den tijd niet toe hebben, mejuffer," mompelde Jakob. "Mijn
+arme meester heeft nog anderhalven dag te leven. Dan komt de zwarte
+man...."</p>
+
+<p>Eensklaps vertoonde zich een groote, ruwharige hond in de deur. Het dier
+opende den muil en scheen te willen bassen, maar het bracht niets uit
+dan een heesch keelgegorgel.</p>
+
+<p>"Zie, daar is Nox, zijn dienstknecht!" zuchtte de hovenier met eene
+uitdrukking van schrik.</p>
+
+<p>Het meisje richtte zich op, ging met de hand vooruit naar den hond en
+zeide op zoeten toon:</p>
+
+<p>"Nox, kom, mijn beestje, kom!"</p>
+
+<p>En tot groote verbazing van den bijgeloovigen Jakob, liet de hond zich
+streelen, knorde vriendelijk en lekte zelfs de vingeren der maagd. Het
+dier keerde zich evenwel onmiddellijk om en liep de deur uit.</p>
+
+<p>De hovenier aanschouwde de juffer met eene soort van afschuw en deinsde
+zelfs een paar stappen terug, toen zij scheen hem te willen naderen. Te
+oordeelen op zijne wijdgeopende oogen en zijne verschriktheid, moest hij
+het meisje zelf aanzien voor iemand, die in betrekking stond met de hel.</p>
+
+<p>"Onnoozele droomer," zeide zij lachend, "gij zijt vervaard van een
+hinderloos beest."</p>
+
+<p>"Hinderloos beest?" spotte Jakob. "Hij heeft nog nooit een
+Christenmensch vriendschap betoond. En schijnt hij u te kennen en te
+beminnen, mejuffer, hij moet weten waarom!"</p>
+
+<p>"Ik wed, dat gij hem van uw leven nog niet hebt gestreeld."</p>
+
+<p>"Beware mij God! Ik zal er mij wel voor wachten."</p>
+
+<p>"Ziet gij? Door uwen schrik en uwe gekke grillen maakt gij het beest
+vervaard. Maar genoeg met deze kinderachtigheden. Vermits mijn oom nu
+spreekbaar is, leid mij tot hem."</p>
+
+<p>Jakob liep met haast ter deur uit en deed van buiten teeken aan het
+meisje, dat zij hem zou volgen. Zij had moeite om hem in te halen: het
+was zichtbaar, dat hij haar vooruit wilde blijven.</p>
+
+<p>Toen zij op het kasteel gekomen waren en het einde van eenen duisteren
+gang hadden bereikt, bleef de hovenier omtrent eene opene deur staan en
+wees met den vinger in eene zaal.<span class='pagenum'><a name="Page_71" id="Page_71">[Pg 71]</a></span> Hij schikte zich tegen den
+overstaanden muur en maakte zich zoo klein mogelijk, om niet door de
+kleederen der juffer te worden geraakt.</p>
+
+<p>"Daarbinnen is uw oom," fluisterde hij.</p>
+
+<p>Bij het uitspreken dezer woorden was hij reeds teruggestapt in den gang.</p>
+
+<p>De maagd bleef eene wijl voor de opene deur staan. Zij scheen hare
+kleederen en haar hulsel op te schikken, maar zij overwoog eigenlijk met
+snelheid, hoe zij zich jegens haren oom zou gedragen, ten einde, indien
+het mogelijk was, de ongelukkige gedachte zijns aanstaanden doods te
+bestrijden.</p>
+
+<p>Met de blijde woorden: "O, mijn oom, mijn lieve oom!" sprong zij
+juichend ter kamer in.</p>
+
+<p>Maar zij bleef getroffen en verbluft staan, zoohaast zij den
+uitgemergelden man zag zitten, die, met de hand op een doodshoofd, zijne
+glinsterende oogen beweegloos op haar hield gericht. Zij wierp tevens
+eenen vluchtigen blik op het geraamte, dat het uur aanwees, en op de
+zonderlinge werktuigen, die, half onder spinnewebben verborgen, op de
+berderen langs den muur stonden.</p>
+
+<p>Ofschoon deze eerste indruk haar met eene soort van angst had geslagen,
+worstelde zij om den verloren moed terug te winnen. Zij moest eenigszins
+daarin gelukt zijn: want er verscheen een glimlach op hare lippen en zij
+stapte aarzelend vooruit in de zaal, onder het murmelen van eenen
+eerbiedigen groet.</p>
+
+<p>"Wees niet bevreesd, mijn kind!" zeide mijnheer Reimond. "Kom nader. Gij
+zijt mijne nichte Theresia De Wit, niet waar? Het verblijdt mij u te
+zien. Er was een tijd, dat ik mijnen lust had met u op mijne knie&euml;n te
+late rijden. Ik had u alsdan zeer lief, uwe moeder was mij eene beminde
+zuster en uw vader mijn beste vriend, maar zij hebben mij
+wreedelijk...."</p>
+
+<p>"O, goede oom, gij herinnert u nog mijne kindsheid?" kreet het meisje,
+met opene armen tot hem springende. "Het kind heeft u honderdmaal
+omhelsd uit dankbaarheid, laat nu het meisje eenen dierbaren plicht
+vervullen: zij omhelst u in naam van haren armen vader!"</p>
+
+<p>En hoe mijnheer Reimond ook worstelde, om haar te verwijderen en deze
+teedere uitstorting te beletten, de maagd hield hem omarmd en zoende hem
+herhaalde malen.</p>
+
+<p>Dan trok zij eenen stoel bij, zette zich nevens hem, greep zijne hand
+en, deze drukkende, riep zij met eenen zoeten lach in de oogen:</p>
+
+<p>"Gij zijt verwonderd, mijn goede oom? Misschien twijfelt gij aan de
+oprechtheid mijner liefde tot u? Mijne ouders lieten geenen dag
+voorbijgaan zonder mij van u te spreken...."<span class='pagenum'><a name="Page_72" id="Page_72">[Pg 72]</a></span></p>
+
+<p>"Nichte, zet uwen stoel een beetje achteruit," mompelde mijnheer Reimond
+met eene soort van ongeduld, doch op vriendelijken toon.</p>
+
+<p>"Ach, oom lief," smeekte zij, "gij hebt de kleine Theresia zoo
+teederlijk bemind! Het is nu vijftien jaar geleden, dat zij u niet meer
+heeft gezien. Verstoot mij niet, ik bid u. Gij waart eertijds de
+weldoener mijner ouders, gij hebt mij geroepen om mij een laatst en hoog
+bewijs uwer genegenheid te geven. O, laat mij u zegenen, laat mij de
+dankbaarheid mijns harten voor u uitstorten!"</p>
+
+<p>Mijnheer Reimond aanschouwde droomend dit zoet maagdelijk wezen, dat
+door de uitdrukking eener diepgevoelde erkentenis scheen verlicht. En of
+de herinnering aan vroegere jaren hem beheerschte, en of de blauwe,
+glinsterende oogen van het meisje hem betooverden, hij bleef met eenen
+onduidelijken glimlach sprakeloos op haar staren, totdat eene siddering
+hem aangreep, als ontwaakte hij dan eerst uit zijne verstrooidheid. Hij
+rukte zijne hand los en schoof zijnen stoel achteruit.</p>
+
+<p>Ditmaal hield Theresia zich stil en klaagde slechts door eenen
+smeekenden blik.</p>
+
+<p>"Uw vader?" mompelde Reimond. "Wat zegt gij van uwen vader? Ja, ik heb
+gedurende vele jaren achting en genegenheid voor hem gevoeld, maar hij
+is ondankbaar geworden en heeft mij ten laatste bespot en gehaat. Gij
+hebt evenwel daaraan geene schuld, mijn kind."</p>
+
+<p>"Oom lief, indien de schijn u niet had bedrogen, hoe onrechtvaardig
+zoudt gij zijn!" kreet het meisje. "Mijn vader heeft mij gelast, indien
+ik ooit het geluk had u te zien, u van zijne onverzwakte erkentenis te
+overtuigen. Laat mij toe, heer oom, deze heilige zending te vervullen."</p>
+
+<p>"Vervul deze moeielijke zending, nichte, beproef het ten minste."</p>
+
+<p>Het meisje greep een stuk doek, dat op de tafel lag, en wierp het over
+het doodshoofd.</p>
+
+<p>"Wat doet gij daar?" riep mijnheer Reimond, met ontevredenheid
+opspringend om den schedel weder te ontblooten.</p>
+
+<p>Maar Theresia hield zijne hand terug en smeekte:</p>
+
+<p>"Neen, neen, mijn lieve oom, laat dit leelijk ding bedekt. Het maakt mij
+benauwd en het versombert mij den geest, ik wilde blijde zijn, omdat God
+mij toelaat u te zien. Zit neder en hoor mij aan!"</p>
+
+<p>En zonder op de bemerkingen van haren oom acht te geven, omhelsde zij
+hem en trok hem met zacht geweld terug op zijnen stoel. Een zucht
+ontsnapte den verbaasden man, en hij scheen haar het raadselwoord te
+vragen van het meesterschap, dat zij op hem uitoefende. Hij was evenwel
+niet ontevreden en glimlachte,<span class='pagenum'><a name="Page_73" id="Page_73">[Pg 73]</a></span> als meende hij te doen te hebben met een
+onnoozel kind, welks grillen men behoort te verschoonen.</p>
+
+<p>Zij greep weder zijne hand en sprak:</p>
+
+<p>"Heer oom, gij beschuldigt mijnen vader van ondankbaarheid. Het is
+integendeel zijne dankbaarheid en oprechte vriendschap die de eenige
+redenen zijn geweest van uwe verbittering tegen hem. Hij meende, ten
+onrechte misschien .... maar zijn inzicht was toch zuiver,&mdash;hij meende,
+dat valsche vrienden u op een gevaarlijk dwaalspoor brachten en u wetens
+en willens bedrogen. Hij achtte zich insgelijks overtuigd, dat de
+tegenwoordigheid van uwen hovenier, Jakob Mispels, voor u schadelijk kon
+zijn. Zeer wel begreep hij, dat hij gevaar liep uwe vriendschap te
+verliezen, indien hij eene worsteling begon tegen menschen en dingen,
+die gij bemindet, maar uit erkentenis, uit verkleefdheid voor u, heeft
+hij niet geaarzeld te doen, wat hij een plicht meende te zijn. Gij hebt
+alle familiebetrekking met mijne ouders afgebroken en hun verboden, nog
+ooit eene poging aan te wenden om tot u te naderen. Zij hebben
+gehoorzaamd en uwen onverbiddelijken wil ge&euml;erbiedigd, maar wist gij wat
+zij daardoor hebben geleden! Mijne moeder is vroeg gestorven. Van mijnen
+vader alleen kan ik u spreken. Duizendmaal heeft hij mij verhaald, wat
+goede man gij waart en hoe gij, in pijnlijke omstandigheden, hem
+edelmoedig ter hulpe kwaamt. Soms stortte hij tranen, niet alleen over
+uwe verstoordheid tegen ons, maar meer nog uit medelijden met u. Hij
+verbeeldde zich, dat gij niet gelukkig kondt zijn, en hij betreurde uw
+droevig lot.... En, oom lief, om rechtuit te spreken en met de hand op
+het hart, mijn arme vader had gelijk! Vergeef mij mijne stoutheid: een
+gelukkig man ziet er toch geheel anders uit dan gij!"</p>
+
+<p>"Gij gelooft het? Welnu, gij bedriegt u, nicht," zeide mijnheer Reimond
+met eenen lichten spotlach. "Ik ben gelukkig in den hoogsten graad, dien
+het der menschelijke ziel vergund is, in haar stoffelijk omkleedsel te
+bereiken."</p>
+
+<p>"Ik zie nog mijnen arme vader, uitgestrekt op zijn smartelijk sterfbed,"
+ging het meisje voort, "en ik hoor nog deze woorden van zijne bleeke
+lippen vallen: "Mijn kind, ik laat u alleen op de wereld. Hij, die u een
+tweede vader kon zijn, heeft, eilaas, eenen onrechtvaardigen haat tegen
+ons opgevat. Ik zal God daarboven bidden, dat Hij uwen oom de waarheid
+doe kennen en u eenen beschermer en eenen weldoener op aarde geve. Mocht
+hij hier bij mijn doodbed staan, hij zou de getuigenis van eenen
+stervende gelooven. Die voldoening is mij geweigerd. Misschien zult gij
+hem zien in uw leven, mijn kind. Geef alsdan getuigenis mijner
+dankbaarheid voor hem, zeg hem, dat ik hem zijnen misgreep heb vergeven,
+en vraag hem ook vergiffenis voor het verdriet, dat ik onwillens hem kan
+hebben aangedaan." Dit<span class='pagenum'><a name="Page_74" id="Page_74">[Pg 74]</a></span> waren de laatste woorden van mijnen goeden
+vader, oom lief, en hij is tot God opgevaren met uwen naam op zijnen
+mond."</p>
+
+<p>Het meisje weende bij de gedachtenis van den dood haars vaders, mijnheer
+Reimond, zonder dat hij het wist, had zich insgelijks door de
+weemoedigheid laten overmeesteren, en ook uit zijne oogen rolden eenige
+blikkerende tranen. Nu stak hij zelf de armen uit en trok zijne
+snikkende nicht tegen zijne borst.</p>
+
+<p>"Troost u, mijn kind," zeide hij, "uwe ouders zijn in eene gelukkige
+wereld. Sterven beteekent niets, het is slechts een overgang tot een
+beter leven. Ik heb mij ten hunnen opzichte misgrepen waarschijnlijk.
+Hebben zij verdriet gehad, zij zullen er om geloond worden. Het
+verblijdt mij in alle geval, dat ik den laatsten wensch uws vaders
+gedeeltelijk kan vervullen. De erfenis, die ik u zal nalaten, Theresia,
+zal toereikend zijn, om u tegen alle levensmoeilijkheid te behoeden.
+Kom, zit recht en bedwing u. Gij ontstelt mij te diep. Sedert vijftien
+jaar is dit nu de eerste maal, dat mijne oogen zich door ontroering des
+harten bevochtigen. Ik weet niet, mijne ziel moet u wel innig bemind
+hebben, vermits uwe stem alleen nog eene onbegrijpelijke macht op mijn
+gemoed uitoefent. Ween niet meer, lieve nicht, laat ons van andere zaken
+spreken. Weet gij, dat ik morgen zal sterven?"</p>
+
+<p>Het meisje herinnerde zich haar doel: zij veegde hare tranen af en
+antwoordde met eenen glimlach van volstrekte ongeloovigheid:</p>
+
+<p>"Men heeft mij van zulk iets gesproken, maar, oom lief, het is scherts,
+niet waar? Gij sterven? Morgen? En gij zit daar vol leven, zonder ziekte
+of lichamelijke ongesteldheid? Gij kunt niet zoo, op een gesteld uur,
+sterven, tenzij gij u zelven wildet dooden, maar daaraan is niet te
+denken: gij gelooft aan een ander leven en gij vreest God."</p>
+
+<p>"Strijd niet tegen eene onveranderlijke waarheid, nicht. Morgennacht
+verlaat mijne ziel haar stoffelijk omkleedsel. Ik betreur, dat ik u niet
+eerder naar Wildenborg heb geroepen, maar nu is het te laat. Wanneer het
+oogenblik onzer opvaart nadert, kan niets het noodlottig uur vertragen.
+Gij moet er u aan onderwerpen en er u in troosten, mijn kind. De dood is
+geen ongeluk, integendeel, het is een stap naar de eindelijke en eeuwige
+zaligheid."</p>
+
+<p>"Maar, oom lief, wie toch heeft u wijsgemaakt, dat gij morgen zult
+sterven? Een bedrieger, zeker?"</p>
+
+<p>"Een bedrieger? Ho, ho, nichte, spreek met eerbied! Hij, die mij het uur
+mijns doods openbaarde, is een geest, eene zuivere, klaarziende ziel,
+voor wie de toekomst ontsloten ligt als een open boek."</p>
+
+<p>Theresia zag haren oom met verwondering en medelijden aan.<span class='pagenum'><a name="Page_75" id="Page_75">[Pg 75]</a></span> Na eene poos
+stil zwijgens greep zij hem bij de hand en zeide:</p>
+
+<p>"Van geesten of zielen ken ik niet veel, en ik wil er niet meer van
+kennen dan wat de godsdienst mij heeft geleerd. Maar dit weet ik goed,
+oom lief, dat dit alles slechts een inbeeldsel is, en dat gij zeker niet
+wel doet met aldus uwe gezondheid door ziekelijke hersenschimmen te
+krenken."</p>
+
+<p>"Ik vergeef u, mijn kind," zeide mijnheer Reimond, "het zijn dingen, die
+uw verstand te boven gaan. Wij zullen er niet meer van spreken. Wanneer
+gij morgennacht, juist op het vastgestelde uur, mij zult zien sterven,
+zal het u bewezen zijn, dat de geesten weten, wat voor den mensch in
+stoffelijke gedaante is verborgen."</p>
+
+<p>"Liet gij mij meesteresse op Wildenborg zijn, hoe zou ik u integendeel
+bewijzen, dat ik meer macht heb dan al uwe geesten te zamen!" riep het
+meisje.</p>
+
+<p>"Zoo? en wat zoudt gij doen?" lachte Reimond.</p>
+
+<p>"Wat ik zou doen, heer oom? Ik zou beginnen met dat doodshoofd, dat
+daaronder ligt, naar het kerkhof en dat leelijk uurwerk naar den zolder
+te doen dragen. Deze zaal zou behangen worden met rozevervig papier en
+met sneeuwwitte gordijnen. Hier kwame een bont tapijt, fraaie stoelen,
+blinkende meubels. De tuin zou vol bloemen staan, en nette wegeltjes
+zouden door lieve lustboschjes heen slingeren. Gij zoudt knechts en
+meiden hebben, eene koets en een paard, vogelen, dieren, schilderijen.
+Ik zou uwe dochter zijn, ik zou u beminnen, u vermaken en u geenen tijd
+laten om aan die sombere, onmogelijke dingen te denken. Wij zouden
+wandelen den ganschen dag, God onder zijnen schoonen hemel danken voor
+de wonderen der natuur en voor het vroolijk leven, dat Hij ons heeft
+geschonken. En des avonds, bij onzen terugkeer, zou ik muziek spelen op
+de piano en u de schoonste stukken der beroemde meesters voorzingen,
+want, oom, ik ben eene goede toon kunstenares.... of ik zou u iets
+voorlezen uit een vermakelijk boek, of wij zouden kouten over alles wat
+gij wildet, zelfs over geesten en zielen, indien het u behaagde. En zoo
+zou het zijn alle dagen, een hemel op aarde, en elken avond zouden wij
+elkander omhelzen en te zamen den hemel bidden, dat Hij uw dierbaar
+leven en ons geluk geliefde te verlengen. Zeg, oom lief, ware dit niet
+beter dan in volle gezondheid te gaan sterven? Kom, verjaag die
+ijselijke gedachte. Laat mij uw kind zijn, ik zal uwe oude dagen
+beglanzen met het licht der vreugde, der dankbaarheid en der liefde!"</p>
+
+<p>Zij had de handen opgeheven en smeekte om een gunstig antwoord, maar
+mijnheer Reimond, die over het vraagpunt zijns aanstaanden doods niet te
+overwinnen was, zag haar met eenen stillen twijfellach aan, en
+murmelde:<span class='pagenum'><a name="Page_76" id="Page_76">[Pg 76]</a></span></p>
+
+<p>"Wat gij daar zegt, is schoon, nichte. Ik dank u voor uwe genegenheid.
+Er is niet aan te doen: morgen te middernacht zal mijn uur slaan....
+Laat dit zoo; ik heb u van iets bijzonders te spreken. Gij gaat de helft
+mijner goederen erven. Nogtans er is eene voorwaarde te vervullen. Kent
+gij uwen kozijn Willem Reimond?"</p>
+
+<p>"Neen, oom, ik herinner mij niet, hem ooit te hebben gezien."</p>
+
+<p>"Hij is een fraaie jongen; hij heeft tamelijk verstand en een goed hart.
+Evenals gij, zal hij de helft van mijn fortuin erven. Gij moet met hem
+trouwen, Theresia."</p>
+
+<p>"Hoe zegt gij, heer oom, ik begrijp niet."</p>
+
+<p>"Gij moet met Willem Reimond trouwen."</p>
+
+<p>"Ho, dit is toch niet ernstig!" kreet het meisje verbaasd. "Ik trouwen
+met iemand, dien ik nog nooit heb gezien!"</p>
+
+<p>"Gij zult hem zien, heden nog. Ik verlang uwe beslissende toestemming,
+voordat ik sterve."</p>
+
+<p>"O, God, wat eischt gij van mij! Ik mag die toestemming niet geven. Mijn
+hart is verbonden sedert lang; met mijnen kozijn zou ik ongelukkig zijn:
+ik zou hem nimmer kunnen beminnen. Wierd ik zijne vrouw, mijne ziel zou
+desniettemin met ongeneeslijke treurnis aan eenen anderen man blijven
+denken. Het ware een schuldig leven en een schrikkelijk lot!"</p>
+
+<p>"Gij bedriegt u, nichte; indien gij niet met Willem Reimond trouwt, zult
+gij ongelukkig zijn op aarde, en in de andere wereld voor uwe dwaling
+eeuwen lang te boeten hebben misschien.... Neen, worstel niet nutteloos
+tegen uw onvermijdelijk lot. De geest, die mij de verborgene waarheden
+openbaart, heeft het gezegd: gij zult trouwen met Willem Reimond; en
+zoolang deze verhevene ziel mij niet verklaart, dat God zijn besluit
+heeft veranderd, is er niets te doen dan zich te onderwerpen: want geene
+macht op aarde kan beletten, dat zijne voorspellingen worden
+verwezenlijkt."</p>
+
+<p>"Onmogelijk!" zuchtte het meisje. "De hemel zelf heeft mij eenen anderen
+bruidegom voorbeschikt. Ik beef, ik ben benauwd; het denkbeeld alleen
+van ontrouw te worden aan het dichterlijke liefdegevoel, dat zoolang mij
+het hart vervult, slaat mij met schroom en smart."</p>
+
+<p>"Welnu, dan is alles tusschen ons gedaan, en gij erft niet!" riep de oom
+verbitterd.</p>
+
+<p>Theresia slaakte eenen pijnlijken zucht, liet het hoofd op de borst
+zakken en begon overvloedig te weenen.</p>
+
+<p>Er heerschte eene lange stilte. Mijnheer Reimond hield den blik op de
+droeve maagd gevestigd, eerst met gramschap, dan met verdriet en
+eindelijk met medelijden.</p>
+
+<p>Zij sprong op, legde hem weenend de armen om den hals en zuchtte:<span class='pagenum'><a name="Page_77" id="Page_77">[Pg 77]</a></span></p>
+
+<p>"O, mijn goede oom, zie af van uw wreed besluit! Waarom toch zulke
+noodlottige opoffering eischen van een onnoozel meisje? Heb medelijden
+met mij! Spreek niet meer van huwelijk of van erfenis. Laat ons liever
+denken aan de middelen om u te genezen, om u de gezondheid des lichaams
+en de blijdschap des harten terug te geven!"</p>
+
+<p>"Maar de geest, de geest....?" mompelde Reimond.</p>
+
+<p>"Uw geest heeft u bedrogen, of gij hebt hem niet wel begrepen, oom lief;
+gij zijt edelmoedig; gij kunt mij niet tot levenslange smart
+veroordeelen. Ik smeek u met gevouwene handen, dwing mij niet tot een
+huwelijk, dat mij ongelukkig maken moet!"</p>
+
+<p>"De geest heeft mij bedrogen, of ik heb hem slecht begrepen?" herhaalde
+de oom, het hoofd schuddende. "Dit laatste ten minste is niet volstrekt
+onmogelijk...."</p>
+
+<p>"Dank, dank!" kreet de maagd met het licht der blijdschap in de oogen.</p>
+
+<p>"Ik geloof echter niet, nicht lief, dat ik mij over den waren zin zijner
+openbaring kan hebben misgrepen. Het is gelijk, mijn medelijden met uw
+verdriet drijft mij tot eene vermetele poging. Ik zal den geest nog eens
+raadplegen en hem dwingen zijnen wil uitdrukkelijk te verklaren. Wat ook
+ditmaal zijne veropenbaring zij, gij zult u zonder morren er aan
+onderwerpen of oogenblikkelijk van Wildenborg vertrekken."</p>
+
+<p>Hij ontdekte het doodshoofd, legde zijne rechterhand er op en vestigde
+zijnen blik in de diepe oogholten, terwijl hij nog zeide:</p>
+
+<p>"Theresia, heb geduld, hoe lang mijne poging ook moete duren: ik doe het
+uit genegenheid voor u. Misschien zal uwe tegenwoordigheid mij hinderen;
+ik zal het haast weten. In dat geval zult gij voor eenigen tijd mij
+alleen laten en naar het huis van den hovenier gaan, totdat ik u doe
+roepen. Nu geen woord meer!"</p>
+
+<p>De diepste stilte heerschte in de zaal; mijnheer Reimond verroerde de
+lippen en scheen met het doodshoofd in eene geheime taal te spreken.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_78" id="Page_78">[Pg 78]</a></span></p><p>Hoe sterkmoedig het meisje ook was, het werd haar ten laatste bang om
+het hart, zonder dat zij eigenlijk wist waarom. Evenwel, zij dorst haren
+oom niet storen; in de hoop op een gunstig antwoord, weerhield zij haren
+adem en bleef roerloos den zonderlingen man aanschouwen, wien welhaast
+het zweet der inspanning op het voorhoofd glinsterde.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="VI" id="VI"></a>VI.</h2>
+
+
+<p>Terwijl Theresia, nevens haren oom zittend, zwijgend en met kloppend
+hart op het beslissend antwoord van den geest wachtte, kwam Willem van
+zijne reis naar Hasselt terug.</p>
+
+<p>Hij deed den man, die zijnen koffer voerde, voor het hek stilhouden,
+betaalde hem zijn loon en riep op den hovenier.</p>
+
+<p>Jakob Mispels kwam buiten, droeg den koffer in huis en zeide dan tot den
+jongeling met eene uitdrukking van geheimzinnigheid en schrik:</p>
+
+<p>"Willem, zij is op het kasteel."</p>
+
+<p>"Wie? mijne nicht?"</p>
+
+<p>"Zij zegt ten minste, dat zij uwe nicht is en Theresia De Wit heet; maar
+God beware ons, zij schijnt veeleer de nicht of de zuster van Nox!"</p>
+
+<p>"Zij is dus zeer leelijk?" vroeg de jongeling in gepeinzen.</p>
+
+<p>"Afgrijselijk, Willem! Zij heeft haar, dat te berge staat boven haar
+voorhoofd: hare oogen fonkelen als gloeiende kolen; haar mond is nijdig
+en boos. Wanneer zij u beziet, dringt haar blik u tot in het binnenste
+der ziel en doet u ijskoud worden."</p>
+
+<p>"Welk portret maakt gij daar van mijne nicht!"</p>
+
+<p>"Indien zij uwe nicht is, Willem."</p>
+
+<p>"Gij twijfelt er aan? Wat wilt gij zeggen?"</p>
+
+<p>"Ik weet het zelf niet. Gij zult met mij spotten, evenals Peternelle.
+Sedert gij op het kasteel gekomen zijt, gebeurt er iets met mijne arme
+vrouw, dat mij onuitlegbaar schijnt. Zij gelooft aan niets meer!"</p>
+
+<p>"Wat gij zegt, Jakob, schijnt mij nog veel onuitlegbaarder. Theresia De
+Wit zou mijne nicht niet zijn?"</p>
+
+<p>"Lach met mij zoo gij wilt; maar het zou mij niet verwonderen, Willem,
+dat in de plaats uwer nicht een tweede duivel op Wildenborg ware
+gekomen, om tegenwoordig te zijn bij het helsche feest, dat, eilaas,
+morgen hier zal worden gevierd."</p>
+
+<p>"Begint gij alweder met uwe dwaasheden?" viel de jongeling hem in de
+rede. "Wees toch redelijk, ik bid u."</p>
+
+<p>"Dwaasheden?" kreet Jakob Mispels. "Heeft de booze geest niet dikwijls
+genoeg de gedaante eener vrouw aangenomen, om de menschen in zijne
+strikken te vangen? Is het niet waar misschien, dat eertijds een graaf
+van Vlaanderen, zonder het te weten, gedurende vijf jaar met den duivel
+of met eene duivelin is getrouwd geweest? Ach, mijn arme Willem, ik doe
+geweld om niet te weenen. Gij ook moet trouwen met het onbekende
+schepsel, dat beweert uwe nicht te zijn! Indien mijn schrikkelijk
+vermoeden eens gegrond ware! Gij, echtgenoot van eenen<span class='pagenum'><a name="Page_79" id="Page_79">[Pg 79]</a></span> helschen geest?
+Het denkbeeld alleen doet mij sidderen van hoofd tot voeten."</p>
+
+<p>"Heeft mijn oom u van dit huwelijk gesproken?"</p>
+
+<p>"Ja, tot mijn groot verdriet. Hij wil noch gebeden noch smeekingen
+aanhooren. Het doodshoofd zegt, dat gij met Theresia De Wit moet
+trouwen, en de zwarte man...."</p>
+
+<p>Zijne vrouw Peternelle, die op dit oogenblik uit den stal kwam, hoorde
+zijn laatste woord en riep verstoord uit:</p>
+
+<p>"Zwijg, zinnelooze die gij zijt. Ik had u verboden, mijnheer Willem met
+uwe dwaze grillen te vervelen, en daar zijt gij weder volop aan den
+gang.... Geloof hem niet, Willem. Hij zal u alle soorten van gekheden
+wijsmaken en u zeggen, dat uwe nicht leelijk is, maar hij bedriegt u.
+Theresia De Wit is een schoon, lieftallig en vroolijk meisje; en, mocht
+men de menschen aan bovennatuurlijke wezens vergelijken, dan zou men
+veeleer moeten zeggen, dat zij een engel is."</p>
+
+<p>"Een engel! Waar zijn toch uwe zinnen, vrouw," riep Jakob met
+verontwaardiging. "Heeft een engel zulk rechtstaand haar en zulke
+fonkelende, venijnige oogen? En hebt gij niet gezien, hoe minnelijk Nox
+haar de handen lekte, als ware hij verblijd eenen ouden vriend of eene
+oude vriendin terug te vinden?"</p>
+
+<p>"Kinderachtigheden altemaal," hernam Peternelle. "Vermits mijnheer
+Willem met Theresia De Wit moet trouwen, wensch ik hem geluk, dat het
+lot hem eene fraaie en bekoorlijke bruid heeft bestemd."</p>
+
+<p>"Ik bedank u, goede Peternelle," zeide de jongeling met eenen glimlach.
+"Uw wensch is evenwel ijdel; want ik zal niet trouwen."</p>
+
+<p>"Bravo, dan zal de duivel bedrogen zijn!" juichte Jakob.</p>
+
+<p>"Maar, Willem," bemerkte Peternelle, "indien gij weigert te trouwen, zal
+uw oom u onterven. Gij hebt groot ongelijk: uwe nicht is eene bevallige
+juffer, en honderden in uwe plaats zouden juichend zulke schoone bruid
+aanvaarden."</p>
+
+<p>"Schoon?" gromde Jakob. "Zij is terugstootend en leelijk, zeg ik u!"</p>
+
+<p>"Zij is minzaam en bekoorlijk."</p>
+
+<p>"Zij heeft oogen gelijk Nox!"</p>
+
+<p>"Zij heeft levendige blauwe oogen."</p>
+
+<p>"Nu, vrienden, eindigt dien nutteloozen twist," viel Willem in. "Het is
+mij onverschillig, of mijne nicht leelijk zij of niet. Daarenboven, ik
+zal haast weten, wie van u beiden zich misgrijpt."</p>
+
+<p>De oude Jakob, die de deur genaderd was, wierp eenen blik naar buiten;
+hij sprong terug in de kamer, greep den arm des jongelings, trok hem
+naar de deur en zeide:</p>
+
+<p>"Daar is zij! Zij staat in den hof; ik geloof zelfs, dat zij naar hier
+komt! Zie, of ze niet vreemd en leelijk is."<span class='pagenum'><a name="Page_80" id="Page_80">[Pg 80]</a></span></p>
+
+<p>Maar nauwelijks had Willem de maagd beschouwd, die droomend en met
+gebogen hoofde te midden van den hof stond, of hij deinsde achteruit en
+slaakte eenen versmachten schreeuw. Hij was bleek als een linnen en hij
+staarde met wijd geopende oogen rond de kamer als iemand, die duizelig
+is van verbaasdheid of van schrik.</p>
+
+<p>"Niet waar, niet waar, het is de zwarte man? Gij hebt hem herkend?"
+zuchtte Jakob. "Ach, ik heb den dood op het lijf. Zie mij beven als een
+blad! God sta ons bij!"</p>
+
+<p>"Onbegrijpelijk!" morde Willem. "Neen, het is geene begoocheling; mijne
+zinnen zijn niet ontschikt. Zouden er waarlijk vreeselijke dingen op
+Wildenborg gebeuren? Die vrouw, een schijn, eene valsche gedaante?"</p>
+
+<p>Op dit oogenblik trad Theresia De Wit in de kamer.</p>
+
+<p>Zoohaast zij den jongeling had gezien, bleef zij verrast staan, als door
+eenen geheimen slag getroffen; zij insgelijks verbleekte, maar even ras
+kleurde eene hooge rozetint haar wangen en voorhoofd. Met eenen blijden
+glimlach op de lippen zeide zij:</p>
+
+<p>"Gij hier, mijnheer? Ha, misschien is het God zelf, die u zendt!"</p>
+
+<p>"Rosa mystica!" kreet Willem met de handen opgeheven. "Mijne nicht?
+Onmogelijk, onmogelijk! Mijn hoofd is ontsteld, alles draait voor mijn
+gezicht. O, verlos mij uit dien schrikkelijken twijfel! Wie zijt gij?"</p>
+
+<p>"Ik ben Theresia De Wit en, dank zij den hemel, waarschijnlijk uwe
+nicht."</p>
+
+<p>"Maar, neen!" riep Willem met ziekelijke aan gejaagdheid. "Zijt gij de
+Rosa mystica, die ik van kindsbeen af heb bewonderd en bemind, dan is uw
+naam Flora. Mijne nichte Theresia De Wit kunt gij niet zijn."</p>
+
+<p>"De verklaring van dit raadsel is gemakkelijk," antwoordde het meisje.
+"Toen ik, als onderwijzeresse der juffers de Bernavaux, op het kasteel
+van Everdaal kwam, vond men den naam Theresia te gemeen en men heette
+mij Flora."</p>
+
+<p>"Ho, zou het toch mogelijk zijn!" galmde Willem met groote blijdschap.
+"En het kind, dat ik te Brussel in de processie voor een engel aanzag?
+De Rosa mystica?"</p>
+
+<p>"Dat kind was ik, Theresia De Wit, uwe nicht."</p>
+
+<p>Met eenen kreet van geluk liep Willem tot de maagd en greep bevend hare
+handen in de zijne.</p>
+
+<p>"Gij zijt de bruid, die God zelf mij heeft voorbestemd," zeide hij.
+"Onze oom, zijn geest, wil, dat gij mijne vrouw wordet. Gij weerstaat
+den wil van het noodlot niet?"</p>
+
+<p>"Ik heb geweigerd," was het antwoord.</p>
+
+<p>"Geweigerd! Zoudt gij de hoop van mijn gansche leven verbrijzelen? O,
+heb medelijden met mij!"<span class='pagenum'><a name="Page_81" id="Page_81">[Pg 81]</a></span></p>
+
+<p>"Ik kende u niet en schrikte terug van een huwelijk met iemand, dien ik
+nog nooit had gezien. Maar gij, mijnheer, gij, kozijn, gij hebt dus de
+hand eener onbekende aanvaard?"</p>
+
+<p>"Neen, neen. Nu echter ga ik mijnen oom zegenen, mijnen oom en de
+bovennatuurlijke macht, die ons heeft beheerscht sedert onze kindsheid.
+Kwam nu slechts de goede Nox om ons te roepen! Wat zal onze oom blijde
+zijn, als hij zal weten, dat wij ons met geluk aan de beslissing van den
+geest onderwerpen!"</p>
+
+<p>"O, Hemel!" riep het meisje eensklaps, "onze oom is bezig met het
+doodshoofd te raadplegen! Uit medelijden met mijn verdriet wil hij
+zijnen ingebeelden geest eene nieuwe beslissing afdwingen. Gebeurt het
+zoo, dan zal een even wreed vonnis tusschen ons geveld worden. Kom, kom,
+op Nox niet gewacht; loopen wij tot onzen oom; rukken wij hem van het
+doodshoofd weg, voordat eene nieuwe dwaling in zijn krank verstand zich
+hebbe geworteld!"</p>
+
+<p>En beiden ijlden ter kamer uit.</p>
+
+<p>Jakob Mispels stond te beven en veegde zich eenen traan uit de oogen, in
+de overtuiging dat de arme Willem onder de bekoringen des duivels was
+bezweken. Peternelle integendeel lachte en juichte.</p>
+
+<p>Toen de jongelieden ongeroepen in de zaal des kasteels traden, riep
+mijnheer Reimond op vasten toon hun toe:</p>
+
+<p>"Nutteloos, onmogelijk! Gij moet te zamen trouwen: de geest wil het!"</p>
+
+<p>Willem sprong tot zijnen oom, omhelsde hem vurig en zeide:</p>
+
+<p>"O, lieve oom, mijne dankbaarheid voor u is grenzenloos. Wij onderwerpen
+ons met vreugde aan den wil van den goeden geest. Ik trouw, hoe eerder
+hoe liever! De bruid, die gij mij hebt voorbestemd, is de Rosa mystica,
+het beeld, dat mijn gansche leven heeft beheerscht...."</p>
+
+<p>"Hoe, wat zegt gij?" onderbrak Reimond verbaasd. "Zij? uwe nicht, de
+Rosa mystica, wier verrassende geschiedenis gij mij hebt verteld?"</p>
+
+<p>"Ja, zij is de ziel, aan welke mijne ziel door eene geheimzinnige keten
+was verbonden. Dank, dank; ik zegen u; gij overlaadt mij met geluk: al
+mijne wenschen zijn vervuld als door eenen tooverslag!"</p>
+
+<p>Mijnheer Reimond wreef zich de handen; zijne oogen glinsterden van
+zegevierende blijdschap.</p>
+
+<p>"Ha ha!" juichte hij, "zoo bewijzen de geesten hunne wetenschap en hunne
+macht! Welnu, mijn zoon, twijfelt gij nog? De geheimzinnige invloed, die
+u heeft vergezeld gedurende geheel uw leven, om op een bepaald oogenblik
+u hier te zamen te brengen en u een voorspeld huwelijk als een opperst
+geluk te doen afsmeeken? Kunt gij dit alles wel verklaren, zonder de
+tusschenkomst<span class='pagenum'><a name="Page_82" id="Page_82">[Pg 82]</a></span> van wezens, die bekend zijn met den wil van God?"</p>
+
+<p>"Wonderbaar, onbegrijpelijk!" morde Willem. "Die goede, milde geest was
+misschien mijn engelbewaarder...."</p>
+
+<p>"Neen, mijn vriend, het is eene dier wachtende zielen, die de ruimte
+vervullen en daar niet zelden, als boden des Heeren, tot de vervulling
+Zijner besluiten medewerken. Gij ziet wel, dat de openbaringen van den
+geest onwederroepelijk zich moeten vervullen; en alle tegenstand ijdel
+en nutteloos is."</p>
+
+<p>"Ja, heer oom, ten mijnen opzichte is de verwezenlijking zijner
+openbaringen bereikt door geheimzinnige wegen, wier onfeilbaarheid mij
+doet verstommen."</p>
+
+<p>"En gevolgelijk is mijne opvaart naar de andere wereld even
+onherroepelijk vastgesteld.... Maar gij, nichte, gij zwijgt en schijnt
+niet verheugd? Stemt dit huwelijk dan niet overeen met den wensch uws
+harten?"</p>
+
+<p>Het meisje had bij zijne laatste woorden van verdriet of van schrik
+gesidderd. Zij antwoordde op treurigen toon:</p>
+
+<p>"Ik aanvaard, niet van de geesten maar als eene gift van God, den
+bruidegom, dien Zijne goedheid mij sedert lang heeft voorbeschikt. Mijne
+vreugde is echter vergald door eene smartelijke vrees. Wat hier door
+eenen wonderlijken samenloop van omstandigheden geschiedt, zal u
+misschien bevestigen in de overtuiging, dat gij morgen moet sterven. Ik
+had besloten de wreede gedachte des doods in u te bevechten, en ik
+juichte reeds over de waarschijnlijke zegepraal."</p>
+
+<p>"Eenvoudig meisje, waarom nog gestreden tegen eene onverwinbare macht?
+Wist gij, hoe mijne ongeduldige ziel zucht en snakt naar het oogenblik,
+dat zij tot de wereld der geesten, haar waar vaderland, zal mogen
+opklimmen!"</p>
+
+<p>Na eenige oogenblikken stilte voegde Theresia de handen te zamen en
+zeide met tranen in de oogen:</p>
+
+<p>"Oom lief, heb toch medelijden met mij! De gedachte, dat gij morgen
+zoudt kunnen sterven, verbrijzelt mij het hart. Gij, uit wiens milde
+hand wij met het stoffelijk welzijn een gansch leven van geluk en
+zielsgenoegen ontvangen, gij zoudt morgen voor altijd aan onze
+dankbaarheid worden ontrukt? O, gij moet leven, opdat wij onze schuld
+jegens u zouden kunnen betalen!"</p>
+
+<p>"Nutteloos, alles is nutteloos," morde Reimond.</p>
+
+<p>"Maar, Willem," kreet het meisje, "blijf niet zoo werkeloos; laat mij
+niet alleen tegen die wreede begoocheling worstelen. Onze weldoener zou
+morgen sterven? Neen, neen, dit kan niet dit mag niet zijn: wij moeten
+hem danken, hem beminnen, hem gelukkig maken tot het natuurlijk einde
+van een lang en vroolijk leven."</p>
+
+<p>De jongeling hoopte niet, dat de dwaalgedachte zijns ooms nog te
+overwinnen was, hij zeide evenwel:<span class='pagenum'><a name="Page_83" id="Page_83">[Pg 83]</a></span></p>
+
+<p>"Heer oom, luister naar de liefderijke bede van Theresia. Blijf op aarde
+om uw werk te zien en ons geluk te deelen!"</p>
+
+<p>"Welke dwaze gedachten verduisteren uw verstand?" viel Reimond
+ontevreden uit. "Meent gij dan, dat mijne toestemming voldoende kan zijn
+om den geest tot eenen leugenaar te maken? Ho, gij lastert en hoont den
+geest, die uw geluk heeft voorbereid."</p>
+
+<p>Theresia, wier dankbaar hart geweldig in opstand kwam bij de
+overtuiging, dat de beschermer harer ouders, dat haar edelmoedige
+weldoener het slachtoffer van een beklaaglijk dwaalbegrip ging worden,
+verhief het hoofd en zeide met zekere stoutheid:</p>
+
+<p>"Maar oom, verontschuldig mij en laat mij toe, u te zeggen wat ik de
+waarheid meen te zijn. Er woont geen geest in het doodshoofd; uw lichaam
+is niet krank en niets verplicht u te sterven. Uwe verbeelding alleen is
+ziek."</p>
+
+<p>"Aldus, gij waant mij zinneloos?" morde Reimond met droeven spot. "Het
+is z&oacute;&oacute;, dat gij mij wilt beloonen, evenals uw vader deed?"</p>
+
+<p>"Mijn vader vervulde zijnen plicht en ik wil den mijnen vervullen tot
+het einde. Gij zult niet sterven, gij hebt noch voor God nog voor de
+menschen het recht om u zelven te dooden. Indien gij morgen ophoudt te
+leven, zal hier niet de uitspraak van ingebeelde geesten volvoerd zijn;
+neen, maar de vertoornde hemel zal eenen akeligen zelfmoord aanschouwen.
+Ach, heb medelijden met uwe arme ziel; lever ze niet schuldig aan het
+oordeel van den oppersten Rechter!"</p>
+
+<p>Reimond zag haar, het hoofd schuddende, aan.</p>
+
+<p>"Nicht, nicht!" zeide hij, pijnlijk aangedaan, "waarom martelt gij mij
+door dien laster tegen de geesten? Uwe woorden doorvlijmen mijn hart als
+messen. Ik zou mij moeten vergrammen, u verwijderen misschien om zulke
+plechtige taal niet meer te hooren; maar ik begrijp, dat een gevoel van
+dankbaarheid en en van liefde u doet verdwalen. Ongelukkig kind, gij
+vreest dus niet, dat de wraak der geesten al het geluk vernietige, dat
+anders u op de wereld stond te wachten?"</p>
+
+<p>"Gij bedriegt u, mijn oom; uwe verbeelding doolt," zeide de maagd.</p>
+
+<p>"Heb medelijden met haar, oom lief!" smeekte de jongeling.</p>
+
+<p>"Gij ook, Willem, gij blijft in uw hart loochenen, dat de geest van het
+doodshoofd vooruitziet in de toekomst?" kreet Reimond verbaasd en gram.</p>
+
+<p>"Neen, ik gevoel mij de macht niet meer om het langer te miskennen,"
+antwoordde Willem aarzelende; "maar wat uwen dood betreft, is zijn
+vonnis zoo wreed, dat Theresia's dankbaar hart het weigert te
+aanvaarden."</p>
+
+<p>"Willem, ik bezweer u, wees oprecht in dit opperst oogenblik!"<span class='pagenum'><a name="Page_84" id="Page_84">[Pg 84]</a></span> riep de
+maagd. "Waarom veinst gij aan het bestaan van dien kwaden geest te
+gelooven? Dit is het middel niet om onzen oom van zijne noodlottige
+dwaling te genezen."</p>
+
+<p>"Zwijg, nichte, zwijg!" gromde Reimond, de handen in de hoogte heffende.
+"Onvoorzichtig en vermetel kind, wilt gij dan eenen hopeloozen strijd
+tegen de geesten voeren? In deze onmogelijke worsteling moet gij
+bezwijken."</p>
+
+<p>"Welnu, heer oom, laat mij den strijd ten minste beproeven. Ik zal u
+bewijzen, dat ik machtiger ben dan uwe geesten. Wildet gij doen wat ik u
+zou aanraden, binnen eene week wandeldet gij reeds lachend en juichend
+met ons in den hof!"</p>
+
+<p>"En wat zou ik moeten doen?" spotte Reimond.</p>
+
+<p>"Ten eerste, gij zoudt goed voedsel moeten nemen, dat ik zelve en
+onmiddellijk u zou bereiden. Vleesch, ossenvleesch."</p>
+
+<p>"Ho! vleesch? Gij zijt zinneloos!" kreet Reimond met afgrijzen.</p>
+
+<p>"Brood dan, eieren, melk."</p>
+
+<p>"Mijn lichaam is reeds half gestorven; het weigert alle voedsel."</p>
+
+<p>"Laat dan ten minste geneesheeren op Wildenborg komen. Willem zal ze in
+de naastgelegene dorpen gaan opzoeken."</p>
+
+<p>"Geneesheeren? Ik zou opstaan tegen de geesten en hen laten gelooven,
+dat ik twijfel aan de onveranderlijkheid hunner besluiten? Vreemdelingen
+op Wildenborg? Valsche geleerden, die de menschelijke wetenschap
+aanbidden en de wetenschap der geesten bespotten en loochenen?"</p>
+
+<p>"Ik smeek u, oom lief, verwerp mijne bede niet, ik zal u beminnen en
+dankbaar zijn, mijn leven lang!" zuchtte het meisje, hem teederlijk
+omhelzende.</p>
+
+<p>Maar mijnheer Reimond, die over haar aandringen diep was verstoord,
+wierp hare armen van zijne schouders en zeide op strengen toon:</p>
+
+<p>"Verwijder u, nichte. Te lang heb ik uwe zinnelooze taal aangehoord, ik
+hoopte zulke smart niet meer te moeten onderstaan v&oacute;&oacute;r mijne opvaart
+naar de wereld der zielen. Ik vergeef u, in aanzien uwer onwetendheid.
+Ga, Theresia, verlaat deze zaal; uwe tegenwoordigheid is mij pijnlijk."</p>
+
+<p>Het meisje, in stede van te gehoorzamen, liet zich op eenen stoel
+vallen, legde de handen voor de ogen en begon overvloedig te weenen.</p>
+
+<p>"Ach, heer oom," smeekte Willem, "heb deernis met mijne arme nicht! Het
+denkbeeld uws doods verscheurt haar het hart. Al wat zij zeide, werd
+haar ingesproken door de dankbaarheid, door de zucht om iets tot uw
+geluk op aarde te mogen bijdragen. Nu verstoot gij haar en jaagt haar
+weg! Zij kan dwalen, maar zulke wreede straf toch heeft zij niet
+verdiend."<span class='pagenum'><a name="Page_85" id="Page_85">[Pg 85]</a></span></p>
+
+<p>"Kom, nichte, ween niet meer," zeide Reimond. "Blijf nog met mij, ik heb
+u van ernstige dingen te spreken; maar geef wel acht op de voorwaarde,
+die ik stel, zoowel voor Willem als voor u. Zoohaast &eacute;&eacute;n uwer nog een
+woord rept over hetgeen gij mijnen dood noemt, of over voedsel of over
+geneesheeren, verwijder ik u onverbiddelijk uit mijne tegenwoordigheid.
+Die voorwaarde wil ik ge&euml;erbiedigd zien, niet alleen heden, maar
+insgelijks morgen, tot het uur mijner opvaart naar de wereld der zielen.
+Aanvaardt gij Theresia? Antwoord mij, of vertrek oogenblikkelijk van
+hier!"</p>
+
+<p>"Eilaas, kan het niet anders zijn, ik zal mij aan het wreede noodlot
+onderwerpen!" klaagde de maagd.</p>
+
+<p>"Welnu, luistert dan; want ik ben zeer moede en ik snak om alleen te
+zijn. In de lade dezer tafel zult gij na mijn vertrek van de aarde een
+eigenhandig testament vinden, dat u beiden instelt tot erfgenamen mijner
+goederen. Ik zal aan Jakob Mispels en aan zijne vrouw een legaat maken,
+om hunne lange en trouwe diensten te beloonen; gij zult hen in bezit
+dezer gift stellen zonder moeielijkheden en zonder kosten voor hen, en,
+willen zij in hun huis op Wildenborg blijven wonen, verdrijft ze nimmer.
+Mijnen hond Nox beveel ik aan uwe zorg. Hij was mijn eenige vriend in de
+lange eenzaamheid. Dat hem niets ontbreke zoolang hij leeft; herinnert
+u, dat, indien het arme beest wierd mishandeld of gebrek leed, mijne
+ziel in de andere wereld er om zou treuren. Gij belooft dezen mijnen
+wensch getrouw te vervullen?"</p>
+
+<p>"Ja, heer oom," antwoordde Willem, "wij zullen voor Nox zorgen met
+liefde, niet alleen omdat hij een trouw en verkleefd gezel van onzen
+weldoener was, maar tevens in de overtuiging, dat onze bezorgdheid voor
+hem u in de wereld der zielen zal verblijden."</p>
+
+<p>"Dank, dank, mijn goede neef," zeide Reimond met innige tevredenheid.
+"Gij zult eens in de verborgene wetenschap dringen; uwe natuur is niet
+verre van de noodige zuiverheid. Ho, welk geluk, indien ik, ofschoon
+niet stoffelijk levend, door u kon gehoord worden en met u kon spreken!
+Ik laat u alleen en persoonlijk het doodshoofd tot erfdeel. Houd het in
+waarde, het is een kostelijker voorwerp dan de kroon eens konings.
+Wanneer gij na uw huwelijk de rust des gemoeds zult teruggevonden
+hebben, trek u dan somtijds in eenzaamheid terug, zet u neder voor het
+doodshoofd en doe met aanhoudendheid en vasten wil wat ik u heb geleerd.
+Bekomt gij de macht om den geest van het doodshoofd te zien en te
+hooren, dan zult gij tevens machtig genoeg geworden zijn, om mijne ziel
+op te roepen. Ik zal komen, en wij zullen te zamen spreken van
+wonderbare, verborgene dingen, en mijn raad zal u en uwe echtgenoote
+wapenen tegen<span class='pagenum'><a name="Page_86" id="Page_86">[Pg 86]</a></span> alle verdriet en tegen alle wederwaardigheid. Reikt mij
+nu de hand, kinderen, en verdrijft alle smart, zijt vroolijk als ik. De
+dag van morgen is een feestdag. Het afscheid van eenen goeden vriend,
+die vertrekt om een eindeloos geluk te gemoet te gaan, mag u niet
+pijnlijk vallen.... Kom, Theresia; gij aarzelt om mij de hand te geven?
+Het is geen beslissend vaarwel: morgen zullen wij elkander nog zien."</p>
+
+<p>De maagd naderde langzaam; de hand, die zij haren oom toereikte, scheen
+te beven.</p>
+
+<p>"Heb moed, mijne dochter," zeide Reimond. "Uwe meening aangaande den
+dood is eene menschelijke dwaling. Sterven is het einde eener lastige
+taak bereiken, het is de vrede na den oorlog; de verlossing eener ziel
+uit de stof, die hare verhevene natuur verduisterd hield. Maar genoeg
+daarover, vermits het u bedroeft.... Nichte, gij kunt op het kasteel
+niet slapen en zult in het dorp moeten vernachten. Er is daar, in het
+Gulden Paard, goede herberg bij brave, godvreezende lieden. Jakob
+Mispels zal u vergezellen. Ik zal hem een briefje medegeven voor den
+pastoor; deze goede priester zal over u waken en u zeggen wat gij te
+doen hebt. Gaat nu, mijne vrienden, en blijft helder van gemoed en
+gerust van hart tot morgen."</p>
+
+<p>De beide jongelieden verlieten zwijgend de zaal. Willem zuchtte,
+Theresia weende.</p>
+
+<p>In den hof voor de deur van den gang bleef het meisje staan en zeide tot
+haren kozijn:</p>
+
+<p>"Ach, ik kan mij aan de schrikkelijke gedachte zijns doods niet
+gewennen, Er moeten middelen bestaan om dit ongeluk te voorkomen; maar
+hoe deze middelen ontdekt, zoo alleen en verre van de menschen? Gij,
+Willem, gij zijt man; hebt gij niets gevonden, niets beproefd om onzen
+armen oom het leven te behouden?"</p>
+
+<p>"Ik kom van Hasselt en van Leuven," antwoordde hij. "Twee of drie goede
+geneesheeren heb ik bezocht; geen enkele wist mij raad te geven. De tijd
+is te kort, zeiden zij, en die ziekten overwint men niet in eenen dag."</p>
+
+<p>Op dit oogenblik schoot de hond met geweld tusschen de beenen des
+jongelings door en deed hem schier vallen. Het beest liep recht naar het
+huis van den hovenier.</p>
+
+<p>"Het is Nox, die den ouden Jakob gaat roepen," mompelde Willem.</p>
+
+<p>"En meenen de geneesheeren, die gij hebt geraadpleegd, dat mijnheer
+Reimond morgen zal sterven?" vroeg het meisje.</p>
+
+<p>"Zij achten het mogelijk, nicht, maar zijn er niet zeker van. Evenwel,
+volgens de inlichtingen, welke ik hun gaf, waren zij eenparig van
+gevoelen, dat hij niet lang meer kan leven."</p>
+
+<p>"Welke ziekte meenen zij, dat hem naar het graf leidt?"<span class='pagenum'><a name="Page_87" id="Page_87">[Pg 87]</a></span></p>
+
+<p>"De ziekte der verbeelding, nichte. Deze ziekte moet volgens hen reeds
+sedert lang de hersens van onzen oom ontstoken en er iets vernietigd
+hebben. Zij beschouwen zijne kwaal als biedende zeer weinig kans tot
+genezing."</p>
+
+<p>"En gij, Willem, gij schijnt zoo moedeloos?"</p>
+
+<p>"Ik acht alle verdere pogingen overbodig en onderwerp mij aan het lot
+met smartelijke verduldigheid."</p>
+
+<p>Daar naderde de hovenier, die achter den hond naar het kasteel kwam. De
+oude man opende zijne oogen wijd en zag den jongeling met treurnis en
+verbaasdheid aan. Hij scheen hem zijne onvoorzichtigheid te verwijten en
+gromde onverstaanbare woorden, terwijl hij hem voorbijging.</p>
+
+<p>"Eilaas, er is dus geene hoop meer!" zuchtte Theresia. "Wij zullen
+machteloos hem moeten zien sterven?"</p>
+
+<p>"De geneesheer van Leuven hoeft mij wel een fleschje gegeven, dat
+volgens hem ten minste den dood van onzen oom kan vertragen," zeide
+Willem, "maar sedert mijnen terugkeer op het kasteel is mijn vertrouwen
+gansch weg, en ik weet zelfs niet, of ik het geneesmiddel wel zou
+gebruiken."</p>
+
+<p>"Waarom niet, kozijn? Men moet worstelen tot het einde."</p>
+
+<p>"Het is, ziet gij, nichte, dat er heden iets onverklaarbaars met ons is
+geschied. Dat ik u hier vind, u, de Rosa mystica mijner kinderlijke
+begoochelingen, dat gij, die ik leerde kennen onder den naam van Flora,
+nu eensklaps mijne nichte Theresia De Wit geworden zijt, dat het
+huwelijk, waartoe mijn oom mij wilde dwingen, integendeel al mijne
+wenschen moest vervullen,&mdash;zulke samenloop van wonderbare
+omstandigheden, uitwerksels van geheimzinnige oorzaken, dit alles komt
+mij onbegrijpelijk voor. Het zij nu de wil van God, de veropenbaring van
+eenen geest of de schikking van het nootlot, althans wij zijn beheerscht
+door eene bovennatuurlijke macht. En indien het orakel van het
+doodshoofd zich voor ons heeft bewaarheid, waarom zou het dan niet even
+onfeilbaar zijn voor onzen oom?"</p>
+
+<p>Het meisje bezag hem verwonderd.</p>
+
+<p>"Wat wilt gij zeggen? Ik begrijp u niet!" murmelde zij.</p>
+
+<p>"Ik wil zeggen, dat het wreed zou zijn, eene harde worsteling tegen den
+wil van onzen oom te beginnen, om hem een machteloos geneesmiddel te
+doen nemen. Overweeg, dat wij hem den inhoud van het fleschje niet mogen
+ingeven dan een uur v&oacute;&oacute;r middernacht. Waarom zouden wij zijnen
+doodsstrijd bitter maken door hem een ijdel en vruchteloos geweld aan te
+doen?"</p>
+
+<p>"IJdel en vruchteloos?" herhaalde het verraste meisje. "Gelooft gij dan
+insgelijks aan de wetenschap en macht der geesten, Willem?"</p>
+
+<p>"Gisteren nog lachte ik met deze dingen als met grillen eener zieke
+verbeelding. Nu weet ik niet meer wat ik geloof. De<span class='pagenum'><a name="Page_88" id="Page_88">[Pg 88]</a></span> innige blijdschap,
+het geluk, de droefheid, de wanhoop, dit alles ondereen maakt mijne
+zinnen duizelig. Er zijn dingen, die het menschelijk verstand te boven
+gaan. Wij weten zoo weinig van de stoffelijke wereld!"</p>
+
+<p>"Kom, geef mij het fleschje en spreek er niemand van, bovenal Jakob
+niet. Hij zou zijnen meester kunnen verwittigen. Vertrouw op mij: onze
+oom zal het geneesmiddel nemen, al moest ik hem met geweld den mond
+openen. Faalt uw moed, ik zal worstelen tegen den nijdigen dood, zoolang
+er eene vonk der hoop voor mijne oogen glinstert. Wat is er in dit
+fleschje?"</p>
+
+<p>"Ik weet het niet. De dokter had er zelf niet veel betrouwen in, en hij
+gaf het mij slechts als iets, waarvan hij niet veel verwachtte."</p>
+
+<p>Jakob Mispels trad uit het kasteel, ontdekte zich het hoofd en zeide tot
+Theresia, terwijl hij op zekeren afstand van haar bleef staan:</p>
+
+<p>"Mejuffer, mijnheer Reimond heeft mij bevolen u naar het dorp te leiden.
+Het is erg genoeg voor mij, ik ben gewond aan den voet en kan schier
+niet meer gaan. Indien het Willem geliefde ons te vergezellen, anders
+zal ik mijne vrouw Peternelle medenemen. In het eenzaam bosch, men weet
+niet wat men kan ontmoeten. Gij moogt hier niet langer blijven,
+mejuffer; mijnheer zegt, dat ik u onmiddellijk naar het dorp moet
+brengen."</p>
+
+<p>Zij volgden beiden den hovenier en verdwenen met hem in zijne woning.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="VII" id="VII"></a>VII.</h2>
+
+
+<p>Het was nacht. In eene groote bovenzaal van het kasteel Wildenborg lag
+mijnheer Reimond met gesloten oogen op een bed. Bleek als een linnen en
+mager als een geraamte, had hij geheel het voorkomen van een lijk. Op
+een paar stappen van het bed stond eene tafel met een crusifix, een
+wijwatervat en twee kaarsen van geel was, wier waggelende vlammen
+slechts in hunne nabijheid een twijfelachtig licht verspreidden. Aan het
+voeteneinde zat de pastoor, lezend in een boek. Theresia hield zich bij
+het hoofdeinde en weende in stilte, met de handen voor de oogen, Willem
+stond nevens haar en staarde ten gronde, de oude Peternelle zat geknield
+met den rozenkrans aan de hand, en prevelde een gebed.</p>
+
+<p>Een paar stappen verder en schier in de duisternis zat Jakob,<span class='pagenum'><a name="Page_89" id="Page_89">[Pg 89]</a></span> de
+hovenier. Zijne wijdgeopende oogen dwaalden angstig en vragend rond;
+doch telkens na zulk een vluchtig onderzoek, keerde hij het hoofd af en
+staarde met mistrouwen in het donkere einde der zaal, waar hij wijlen
+een zonderling gerucht, als de ratel in de keel van een stervend mensch,
+zich liet hooren. Dit vreemd gegrol, wanneer het door toevallige
+toonverandering eene bijzondere aandoening scheen te verraden, deed den
+armen Jakob sidderen en verbleeken.</p>
+
+<p>Nox was in de zaal. Van tijd tot tijd naderde hij het bed, zette zijne
+voorste pooten er op en lekte zijns meesters hand, die boven het deksel
+lag. Dan verroerde de zieke nog de vingeren, als om het beest te toonen,
+dat hij nog leefde; en Nox keerde terug naar het donkere gedeelte der
+zaal, waar hij, dof knorrende, zich in eenen hoek nederlegde.</p>
+
+<p>Dit gaan en komen van den hond en zijne verrassende doenwijze vervulden
+den bijgeloovigen Jakob met eenen onzeglijken angst. Ondanks de
+tegenwoordigheid van den pastoor, twijfelde hij niet, of het ijselijke
+beest zou op slag van middernacht in duivelsgedaante verschijnen, om de
+ziel zijns meesters in bezit te nemen en ze mede te voeren naar de hel.</p>
+
+<p>De doodsche stilte, welke er onverbroken heerschte, sedert mijnheer
+Reimond iedereen het zwijgen had bevolen of afgesmeekt, bracht niet
+weinig bij, om de verschriktheid van den armen Jakob te vermeerderen.</p>
+
+<p>En inderdaad, de doffe zuchten dezer lieden, die stom als steenen
+beelden rondom het bed van eenen stervende zaten; de versmachte snikken
+van Theresia, het sissend geprevel der oude Peternelle; maar bovenal de
+krijschende metaalklank, door den slinger van het uurwerk voortgebracht,
+dit alles stoorde de stilte om ze gevoelbaarder, eendiger en
+geheimzinniger te maken.</p>
+
+<p>Mijnheer Reimond lag roerloos op het bed en scheen reeds dood te zijn;
+maar met veel aandacht kon men bemerken, dat hij nu en dan op eene
+verborgene wijze zijne oogen half opende, om naar het uurwerk te zien en
+dus den gang des tijds gade te slaan, als vreesde hij het juiste
+oogenblik zijner opvaart naar de andere wereld te missen. Dit uurwerk
+was het beeld des doods, dat hij den hovenier had doen naar boven
+brengen en op de schouwplaat had doen zetten.</p>
+
+<p>Sedert langen tijd hield Theresia insgelijks den blik op den Dood
+gevestigd: want de noodlottige vinger naderde allengs tot het elfde uur.</p>
+
+<p>Het meisje ging met onhoorbaren stap naar een nachttafeltje, dat achter
+het hoofdeinde van het bed stond, goot daar iets in een glas water en
+kwam dan weder bij den zieke.</p>
+
+<p>Zij stak hare linkerhand onder zijn hoofd en lichtte het op, wat geweld
+hij ook deed om deze poging te wederstaan.<span class='pagenum'><a name="Page_90" id="Page_90">[Pg 90]</a></span></p>
+
+<p>"Nicht, nicht, gij zijt onmeedoogend," zuchtte hij. "Laat mij in vrede
+deze opperste worsteling doorstaan. Mijne gebeden blijven dus onmachtig
+tegen uwe zinnelooze hoop? Wat wilt gij?"</p>
+
+<p>"Oom lief," zeide zij, "uw adem ratelt zoo dor; het snijdt mij door het
+hart; gij vergaat van dorst. Ach, doe uw arm lichaam niet nutteloos
+lijden! Hier is water; drink eene teug."</p>
+
+<p>"Drinken?" morde de zieke, "mijn lichaam is dood. Drinken de zielen?
+Verwijder dit glas van mijne lippen, en maak mijne laatste oogenblikken
+niet pijnlijk."</p>
+
+<p>"Uit medelijden met mij, ik bid, ik smeek u, goede oom!"</p>
+
+<p>"Neen, neen, ik heb geenen dorst. Achteruit, nicht, gij martelt mij."</p>
+
+<p>"Onbegrijpelijke verdwaaldheid!" zuchtte het meisje. "Gij weigert te
+drinken, omdat gij vreest, dat een glas water uw leven zou kunnen
+verlengen? En gij gelooft in de macht der geesten!"</p>
+
+<p>"Laster, laster!" gromde Reimond. "Ha, ik vrees te drinken!"</p>
+
+<p>En verstoord en met bevende lippen ledigde hij het glas water.</p>
+
+<p>Hij aanschouwde de maagd met eenen grijnslach en zeide verwijtend:</p>
+
+<p>"Hoe bitter! Een geneesmiddel? Aan mij? Gij blijft dus hardnekkig hopen,
+arme dwaze? Mijn dood alleen kan u overtuigen? Welaan, heb nog een
+beetje geduld: op den slag van middernacht zult gij gelooven."</p>
+
+<p>Het uurwerk hergalmde elfmaal.</p>
+
+<p>De zieke richtte zich half op en zeide:</p>
+
+<p>"Vrienden, treedt nader; het laatste uur van mijn tegenwoordig aardsch
+leven is begonnen. Ik verlang, dat de klank uwer stem mij niet meer
+store. Mijne ziel moet pijnlijk arbeiden om los te raken uit hare
+stoffelijke banden, en telkenmaal dat gij hare aandacht van deze drukke
+worsteling afkeert, doet gij haar onuitsprekelijke smarten doorstaan.
+Vooronderstelt, dat ik nu, op dit oogenblik, ga sterven, en neemt
+afscheid van mij, een voorloopig, een tijdelijk afscheid; want onze
+zielen zullen elkander daarboven in de ruimte wederzien."</p>
+
+<p>Hij reikte de hand tot den pastoor en sprak met eene heldere,
+onverzwakte stem:</p>
+
+<p>"Vader, ik dank u uit den grond des harten voor uwe vriendschap en voor
+uwen goeden, oprechten raad. Kon ik hem niet geheel volgen, vergeef het
+mij. Vaarwel, en herinner u mijner in uwe gebeden."</p>
+
+<p>De priester wilde zijne vermaningen herhalen en den zieke tot een
+klaarder besef van zijnen toestand en van zijne Christelijke plichten
+roepen; maar mijnheer Reimond onderbrak zijne woorden en zeide:</p>
+
+<p>"Ja, eerwaarde, ik weet het wel, gij hebt gelijk: de mensch moet altijd
+God voor oogen houden en mag niet vergeten, dat<span class='pagenum'><a name="Page_91" id="Page_91">[Pg 91]</a></span> belooning of straf hem
+wacht na elk leven. Maar wees gerust: ik sterf met betrouwen in Gods
+goedheid en met het vaste geloof in Zijne almacht en in Zijne
+rechtvaardigheid. Zeker, ik heb niet geleefd zonder zonde en zwakheid;
+mij berouwt het te laat. Ik zal er voor boeten daarboven. Nog meer dan
+eens zal ik moeten leven, strijden en lijden, vooraleer de plaats van
+eenen der gevallene engelen te bekomen; maar wat doet het, indien ik
+toch eindelijk, al ware het zelfs na duizend levens, den grooten God in
+der eeuwigheid mag loven en dienen?"</p>
+
+<p>Hij nam opvolgend de hand der andere tegenwoordige personen.</p>
+
+<p>"Gij, mijn neef," zeide hij, "zult waarschijnlijk eens door het verkeer
+der geesten den kortsten weg naar de volmaaktheid vinden. Ik zie met
+vreugde, dat gij ten minste eene ijdele hoop hebt verzaakt en mij
+toelaat te denken, dat gij mijnen dood als onfeilbaar aanvaardt. Wanneer
+gij de echtgenoot uwer nicht zult geworden zijn, blijf haar beminnen en
+liefhebben. Weigert haar gemoed aan de macht der geesten te gelooven,
+verschoon de zwakheid harer natuur. Zij heeft een goed hart; en dewijl
+zij u voorbestemd was door God, moet gij overtuigd blijven, dat de geest
+van het doodshoofd de waarheid zeide, toen hij openbaarde, dat zij
+alleen op aarde u kan gelukkig maken.... Nicht, het gevoel der liefde en
+der dankbaarheid is machtig in u; keer die krachten uwer ziel op uwen
+man en op uwe kinderen; en dus de heilige plichten der vrouw en der
+moeder vervullende, zult gij eens met hem, met hen en met mij vereenigd
+worden in den schoot van God, bron der volledige zaligheid."</p>
+
+<p>De hovenier en zijne vrouw stonden beiden te weenen voor het bed; de
+smart van Jakob Mispels was zoo luidruchtig, dat zijne snikken door de
+zaal galmden.</p>
+
+<p>"Mijn arme Jakob, mijne goede Peternelle," zeide de zieke, "waarom dus
+tranen storten? Zijt getroost. Wist gij hoe het in de andere wereld met
+de zielen staat, gij zoudt juichen en mij gelukwenschen.... Vaartwel,
+mijne vrienden. Het is geen afscheid, dat ik van u neem; morgen ben ik
+hier terug, wel is waar zonder lichaam, maar veel machtiger en
+zuiverder. Mijne ziel zal tusschen u allen wonen, ik zal u zien en
+hooren en mij verblijden in uw minste geluk.... Nox, Nox! Ha, daar zijt
+gij.... mijn trouwe gezel. Kom, dat ik u nog eens.... nog eens. Wat
+gebeurt mij?... Er schiet eene wolk voor mijne oogen. Nox, ik heb voor
+u.... mijne krachten falen.... de ziel worstelt.... zij worstelt
+woedend.... woedend tegen het zelfzuchtig lichaam.... vaartwel....
+vaartwel!"</p>
+
+<p>En deze laatste woorden stamelende, liet mijnheer Reimond zich als
+ontzenuwd en machteloos op het kussen nedervallen; hij wreef zich over
+de oogen en wilde nog spreken, doch de verwarde woorden, die zijnen
+lippen ontvielen, verstierven allengs<span class='pagenum'><a name="Page_92" id="Page_92">[Pg 92]</a></span> tot een onduidelijk gesuis, en
+eindelijk scheen alle beweging in hem opgehouden.</p>
+
+<p>Het was een oogenblik van uitersten angst; allen staarden stom en bleek
+op den zieke, in de smartelijke meening, dat hij inderdaad ging sterven.
+Jakob Mispels alleen glimlachte en hief de handen dankend ten hemel,
+terwijl hij in zich zelven mompelde:</p>
+
+<p>"Ha, ha, hij is dood! God zij geloofd, de vijand komt te laat!"</p>
+
+<p>Eene lange wijl bleef de pastoor, met het hoofd over den stervende
+gebogen, zijne ademing afluisteren; hij voelde hem insgelijks de borst,
+en keerde zich eindelijk tot het meisje en tot Peternelle, die met de
+handen voor de oogen stonden te snikken.</p>
+
+<p>"Neen, mijne kinderen," zeide hij, "levert u nog niet geheel over aan de
+smart. Het lange spreken moet den zieke vermoeid hebben. Ik begrijp het
+niet, zijn hart klopt regelmatig en zijne ademing is vrij en rustig.
+Verliest den moed niet: de doodsstrijd is nog niet begonnen. Laat ons
+bidden!"</p>
+
+<p>Bij het hooren dezer woorden slaakte Jakob Mispels eenen pijnlijken
+kreet. Hij had reeds gejuicht over den natuurlijken dood zijns meesters
+als over eene zegepraal op de hel. Wreed was hem de onverwachte
+teleurstelling; het geloof aan het schrikkelijk einde van mijnheer
+Reimond ontstond met nieuwe kracht in zijnen geest. Hij keerde langzaam
+terug naar zijnen stoel, en liet er zich zuchtend op nedervallen.</p>
+
+<p>De andere aanwezige personen hadden de aanbeveling des priesters
+gehoorzaamd en baden met vurigheid.</p>
+
+<p>Er heerschte dus weder eene volledige stilte;&mdash;maar de vinger des Doods
+ging intusschen vooruit op de uurplaat, en welhaast zou hij het
+gevreesde getal XII bereiken.</p>
+
+<p>Allen bemerkten het wel; want, ofschoon biddend, keerden zij met immer
+aangroeienden angst nu en dan het oog naar het uurwerk. Geen hunner die
+niet geloofde, dat Reimond op den slag van middernacht zou sterven; zij
+beschouwden den ongelukkigen man als krankzinnig, en twijfelden niet, of
+zijne zieke verbeelding zou macht genoeg hebben om zijnen levensdraad op
+het aangekondigde oogenblik te breken. In den geest van Willem was de
+onfeilbaarheid van den dood zijns ooms eene zoo sterke overtuiging, dat
+hij niet de minste vonk der hoop had behouden.</p>
+
+<p>Jakob Mispels scheen vernietigd; hij had zich het aangezicht met de
+handen bedekt, uit vreeze van ijselijke dingen te zien, en zat diep
+voorovergebogen als iemand, die zich zoo klein mogelijk maakt en den rug
+biedt aan de slagen des vijands.</p>
+
+<p>Evenwel blikte hij somwijlen door zijne vingeren naar de uurplaat, en
+telkens sidderde hij van top tot teen; want de vinger<span class='pagenum'><a name="Page_93" id="Page_93">[Pg 93]</a></span> des Doods raakte
+schier het noodlottig getal. Ook zijne ooren stonden gespannen om het
+minste gerucht op te vangen, hoe onduidelijk en geheimzinnig het mochte
+zijn. Wat hem onmatig verschrikte, was, dat hij sedert eenigen tijd het
+geknor van Nox niet meer had gehoord. Waar was de hond? Was hij bezig
+met zijne gedaante te veranderen?</p>
+
+<p>Eensklaps deed het uurwerk de lucht onder eenen scherpen metaalklank
+sidderen; terzelfder tijd ontstond er een pijnlijk gehuil in het donkere
+gedeelte der zaal. De hovenier slaakte eenen snijdenden schreeuw, sprong
+recht en vluchtte kermend de deur uit; maar de duisternis van een gang
+dreef hem terug in het vertrek. Hij liet zich geknield ten gronde vallen
+en hief de bevende armen in de hoogte, terwijl hij, halfdood van schrik,
+in onverstaanbare woorden 's hemels bijstand afsmeekte. Elke slag van
+het uurwerk vermeerderde zijnen angst en ontrukte hem eenen nieuwen
+noodkreet; maar toen hij ook den twaalfden klank had hooren versterven,
+zonder dat eenig bovennatuurlijk wezen zich had vertoond, stiet hij eene
+lange ademing uit, als viel er een zware steen van zijn hart, en een
+zucht van blijdschap welde op uit zijnen verengden boezem.</p>
+
+<p>Hij stond op, blikte rond met wijdgeopende oogen en naderde tot het bed,
+waar de andere personen hijgend, stil en roerloos op den zieke staarden,
+in afwachting van zijnen laatsten snik.</p>
+
+<p>Reeds was de vinger des Doods op de uurplaat zichtbaar vijftien minuten
+voorbij het getal XII gevorderd, en nog niemand had een woord gesproken.
+Wel was er een klank als een kreet van blijdschap uit den mond der maagd
+ontsnapt, maar de pastoor had door een gebiedend teeken haar de stilte
+bevolen, terwijl hij, met de hand op het hart van den zieke, den
+doodsstrijd volgde.</p>
+
+<p>Eindelijk zeide de priester:</p>
+
+<p>"Het is onbegrijpelijk: zijn polsslag, ofschoon een beetje verzwakt, is
+nog regelmatig. Hij zal sterven waarschijnlijk; doch het zal nog niet in
+het eerste uur zijn. Misschien zal zijn doodsstrijd zich verlengen tot
+den morgen. Hij schijnt nu rustig ingesluimerd."</p>
+
+<p>Theresia lachte en dankte God met opgehevene handen, als waande zij
+haren oom van den dood gered.</p>
+
+<p>Willem stond verbaasd te kijken; hij kon schier niet gelooven, dat de
+voorzegging, die mijnheer Reimond van den geest beweerde ontvangen te
+hebben, onvolvoerd kon blijven.</p>
+
+<p>Jakob Mispels, nu van zijnen schrik verlost, had grooten lust om te
+dansen en te zingen; hij liep met zwaaiende armen door de zaal en stapte
+zelfs geruchtmakend tot verre in de duisternis, als wilde hij Nox
+uitdagen en bespotten; maar het beest sliep ongetwijfeld, want het
+roerde zich niet.<span class='pagenum'><a name="Page_94" id="Page_94">[Pg 94]</a></span></p>
+
+<p>"Blijft stil, kinderen," zeide de pastoor. "Heeft mijnheer Reimond zich
+misgrepen over het juiste uur zijns doods, dit is geenszins
+verwonderlijk; maar dit mag ons niet doen denken, dat hij heden de
+wereld niet zal verlaten. Matigt uwe aandoeningen, vrienden; gij bereidt
+u nieuwe smarten."</p>
+
+<p>Nog eens den toestand van den zieke onderzocht hebbende, keerde de
+priester zich tot het meisje en zeide:</p>
+
+<p>"Uw oom schijnt te slapen. Gij hebt hem een geneesmiddel doen drinken.
+Wat was dat geneesmiddel?"</p>
+
+<p>"Ik weet het niet, eerwaarde," was het antwoord. "Willem heeft het te
+Leuven van eenen dokter gekregen."</p>
+
+<p>Zij stapte tot den nachttafel, greep daar een klein fleschje en reikte
+het den geestelijke, die het nauwkeurig bekeek en eindelijk eenen
+druppel er van aan zijne tong bracht.</p>
+
+<p>"Opium!" mompelde hij. "Nu begrijp ik ten volle: gij hebt uwen oom eenen
+slaapdrank ingegeven.... Juich niet zoo onvoorzichtig, mijne dochter.
+Indien hij nimmer uit dien slaap moest opstaan?"</p>
+
+<p>"Maar, eerwaarde," kreet het meisje met eene blijdschap, die zij
+moeielijk kon bedwingen, "het is eene eerste zegepraal op de ziekte der
+verbeelding en op den dood. Indien mijn oom ontwaakt, zal hij zelf
+erkennen, dat zijn geloof in de geesten hem heeft bedrogen; en, blijft
+hem nog de kracht over om eenige dagen te leven, dan zal ik hem wel
+genezen, twijfel daar niet aan."</p>
+
+<p>"Mocht uwe hoop zich verwezenlijken, mijne dochter," zeide de priester,
+het hoofd schuddende; "maar het is niet waarschijnlijk, dat uw
+liefderijke wensch verhoord worde. Zulke ziekte der verbeelding laat
+zich niet door eene enkele teleurstelling overwinnen. In alle geval, God
+is almachtig; Hij kan wonderen laten geschieden. Smeeken wij Zijne
+genade af; onze eenige toevlucht is Zijne barmhartigheid voor eenen
+armen zinnelooze. Bidden wij!"</p>
+
+<p>En de pastoor maakte het teeken des kruises, trok eenen stoel bij,
+knielde en liet het hoofd diep op de borst vallen.</p>
+
+<p>De anderen volgden zijn voorbeeld, en het werd zoo stil in de zaal,
+alsof er geen levend wezen ware tegenwoordig geweest.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="VIII" id="VIII"></a>VIII.</h2>
+
+
+<p>De zon was glansrijk aan den zuiveren hemel opgerezen en een stralend
+licht overstroomde het kasteel van Wildenborg.<span class='pagenum'><a name="Page_95" id="Page_95">[Pg 95]</a></span> Mijnheer Reimond was nog
+niet dood. Wel had hij de voortduring van zijn leven door geene enkele
+beweging verraden; maar hij ademde nog immer als iemand, die in eenen
+diepen slaap ligt gedompeld.</p>
+
+<p>Op het aandringen van Peternelle, was de pastoor met Willem naar haar
+huisje gegaan, om er eenen tas koffie en eene boterham te nemen; want de
+goede vrouw begreep wel, dat dit lange waken hun het nuttigen van eenig
+voedsel noodig had gemaakt.</p>
+
+<p>Willem zat aan de kleine tafel voor den priester, en zeide in gepeinzen:</p>
+
+<p>"Hoe zwak is toch het menschelijk verstand en hoe kan zijne verbeelding
+tot wonderlijke dwaalbegrippen verdolen! Mijn oom heeft mij uitgelegd,
+welk zijn leerstelsel is aangaande zijn geloof in de geesten. Zijne
+woorden verbaasden mij; zijn stelsel scheen mij redekundig en
+samenhangend als de leering van eenen volledigen godsdienst. Ik gevoelde
+eene zonderlinge bekoring om de mogelijkheid zulker dingen te erkennen;
+en waarlijk, eerwaarde, ofschoon ik in mij zelven zeide, dat het hoofd
+mijns ooms moest ontschikt zijn, twijfelde ik of hij misschien niet
+klaarder dan anderen in de bovennatuurlijke wereld en in de toekomst
+zag. Dan, dit was slechts eene begoocheling mijner zinnen; nu is het mij
+genoegzaam bewezen, dat de gedachten mijns ooms niets dan ziekelijke
+hersenschimmen zijn."</p>
+
+<p>"Ja, mijn zoon," sprak de pastoor, "de hersens des menschen vormen een
+zeer ingewikkeld en uitgebreid zintuig. Er is geene onzer aandoeningen,
+onzer hartstochten, onzer neigingen of onzer noodwendigheden, die niet
+met ziekelijke afdwaling of met geheele verdooldheid kan worden
+geslagen. Vroeger ben ik jaren lang aalmoezenier in een groot
+zinneloozenhuis geweest. Daar ziet men allerlei krankheden en gebreken,
+evenals in een hospitaal, met dit verschil dat niet het lichaam of de
+leden ziek zijn, maar wel de wortelen der zenuwen, die uit de hersens
+ontschieten. Ik heb honderden krankzinnigen gezien, die keizer en
+koning, ja, door ziekelijken hoogmoed zelfs heilig of paus of God
+meenden te zijn, velen roemen op het bezit van duizenden millioenen of
+van gansche landstreken; sommigen haten iedereen, anderen smelten van
+teederheid en vriendschap voor menschen en dieren, of schrikken van een
+blad, dat beweegt, of wanen zich oorlogsheld, geleerde of uitvinder van
+wonderlijke dingen. Maar de ziekte uws ooms is eene gansch bijzondere,
+eene uiterst gevaarlijke, die vroeger niet bestond en eigen is aan onze
+eeuw van twijfel en ongeloovigheid. Kon men door eene valsche wetenschap
+de noodzakelijkheid der hoop op een toekomstig leven geheel uit het hart
+der menschen rukken, het ware zeker een eindeloos ongeluk; maar de
+ziekte, waaraan uw oom nu lijdt, zou niet bestaan."<span class='pagenum'><a name="Page_96" id="Page_96">[Pg 96]</a></span></p>
+
+<p>"Ik begrijp niet, eerwaarde," zeide de jongeling, die met gespannen
+aandacht luisterde en zelfs vergat te eten.</p>
+
+<p>"Inderdaad," was het antwoord, "zonder ondervinding der zaak is het
+moeielijk om te begrijpen. De mensch is geboren met een innig gevoel der
+eeuwigheid van zijn eigen wezen; dit gevoel zegt hem, dat niet alles met
+den stoffelijken dood kan eindigen, en dat zijne ziel zal opvaren naar
+eene andere wereld, om daar belooning of straf voor zijne daden te
+vinden. Deze overtuiging maakt deel van de menschelijke natuur; zelfs de
+Wilden, die slechts een duister besef van het bestaan der Godheid
+hebben, eeren hunne dooden, offeren hun voedsel en betuigen, dat zij aan
+het voortbestaan des menschen na den dood des lichaams gelooven. Wat
+doet men nu, onder voorwendsel van wetenschap of van mode? Men spoort de
+lieden aan, om de geheimenissen van den Godsdienst te loochenen en te
+verwerpen, alleenlijk omdat het geheimenissen zijn, en ze niet door de
+menschelijke rede alleen of door stoffelijke middelen kunnen worden
+bewezen. Maar men versmacht niet zoo gemakkelijk de noodzakelijkheid
+onzer natuur om op de toekomst te hopen, en men belet onzen geest niet
+zoo lichtelijk onverpoosd in de hoogte te zien naar het raadselwoord
+onzer bestemming. Er komt dan een oogenblik, dat deze noodzakelijkheid
+weder de overhand verkrijgt, en dat men bezwijkt onder de
+onweerstaanbare strekking onzer ziel naar het bovennatuurlijke. In stede
+van alsdan terug te keren tot den godsdienst, die de oplossing dezer
+vraagpunten door eeuwenoude openbaring heeft ontvangen, blijft men slaaf
+der mode, welke in zeker gedeelte der samenleving heerscht; en, om aan
+eene valsche schaamte te ontsnappen, wil men hetzelfde doel langs eenen
+anderen weg bereiken. Dan dwaalt het menschelijk verstand zonder licht
+of leiddraad in de onzichtbare wereld der geesten; de verbeelding, dus
+vlottend op de donkere zee der bovennatuurlijke dingen, kan noch kust
+noch haven vinden om te rusten. Door eenen altijd klimmenden hoogmoed
+verleid, schept zij stelsels en leeringen, die anders niets zijn dan de
+misvormde openbaringen van het geloof, waarvan zij, eilaas, de
+zuiverheid heeft verduisterd. Wat anders is het stelsel van uwen oom en
+van anderen nog, dan eene belachelijke nabootsing der leerregels van den
+godsdienst? Men wil niet meer gelooven, en men is evenwel door zijne
+ingeborene natuur gedwongen te gelooven. Dan neemt men zijne toevlucht
+tot draaiende tafels, tot slapende profeten, tot sprekende geesten en
+andere hersenschimmige dingen; en, terwijl men alle geheimenissen en
+wonderheden verwerpt, gelooft men zich zelven eenen mirakeldoener en
+eenen geestendrijver! En wat is dikwijls het einde daarvan? Het
+krankzinnigenhuis."</p>
+
+<p>"Wonderlijk toch," bemerkte Willem, "dat een geleerd en<span class='pagenum'><a name="Page_97" id="Page_97">[Pg 97]</a></span> anders
+verstandig man, als mijn oom, tot het geloof aan zulke onbestaanbare
+dingen kan verdolen!"</p>
+
+<p>"Het is geenszins wonderlijk, mijn zoon," antwoordde de pastoor. "Gij
+hebt gezien, hoe de arme Jakob Mispels onophoudend door hersenschimmige
+gevaren wordt gefolterd, hoe de vrees voor spoken en duivels zelfs het
+besef van Gods almacht en rechtvaardigheid in hem verduistert? Dit is
+het bijgeloof der eenvoudige en ongeleerde lieden, wanneer zij door
+afdwaling des gevoels de leering van den godsdienst overdrijven. Zoo is
+integendeel de dweperij met kloppende tafels, sprekende geesten en
+andere dingen van dien aard het bijgeloof van de hoogere en middelbare
+standen der maatschappij, inbeeldsels, even belachelijk als de droomen
+van Jakob Mispels, en zeker min verschoonbaar. Laat iemand beweren, dat
+hij het middel heeft gevonden om eenen hoed te doen spreken of eenen
+slapende door de muren te doen zien, even ras is de gansche wereld er
+mede bemoeid. Niet de arme eenvoudige lieden, neen, rijken en geleerden,
+dames uit de groote wereld, wijsgeeren, dokters, staatkundigen. Zeker,
+velen leenen zich uit scherts of uit mode tot zulke algemeene
+ingenomenheid; maar zij zijn niet min schuldig aan de gevolgen dezer
+afdwaling van het besef der waarheid en der wezenlijkheid. Het bijgeloof
+aan geesten en aan verborgene geheimzinnigheden is uiterst besmettelijk.
+Nauwelijks heeft zulke beklaaglijke hersenkoorts eenigen tijd geduurd,
+of de zinneloozenhuizen krielen van ijlhoofdige mirakeldoeners. En,
+eilaas, van alle ziekten des geestes is de verdwaling der verbeelding in
+het bovennatuurlijke de minst geneesbare!"</p>
+
+<p>"Alzoo, eerwaarde, gij gelooft waarlijk, dat mijn arme oom zal
+bezwijken?" vroeg de jongeling met treurige stemme.</p>
+
+<p>"Ik heb slechts eene zeer zwakke hoop, mijn zoon. Mij blijft altijd nog
+de vrees, dat hij uit den langen slaap niet zal opstaan, of slechts zal
+ontwaken om te sterven."</p>
+
+<p>"Mijne nicht is zoo gelukkig nogtans; hare blijdschap verscheurt mij het
+hart."</p>
+
+<p>"Mij boezemt het arme meisje insgelijks medelijden in," bevestigde de
+priester, het hoofd schuddende. "Zij schijnt haren oom met
+overdrevenheid te beminnen, en zij worstelt tegen den dood met eene
+heldhaftige standvastigheid. Wat smartelijke slag zal haar treffen,
+indien zij hare hoop teleurgesteld ziet!"</p>
+
+<p>Willem meende nog zijne nicht te beklagen; maar daar kwam de hovenier
+met de armen in de hoogte de kamer ingesprongen, en riep:</p>
+
+<p>"Mijnheer pastoor, mijnheer Willem, komt, komt, mijn meester leeft nog;
+hij heeft de handen verroerd en zich op de zijde gelegd in zijn bed!"</p>
+
+<p>"Is hij ontwaakt? Heeft hij de oogen geopend?" vroeg de priester.<span class='pagenum'><a name="Page_98" id="Page_98">[Pg 98]</a></span></p>
+
+<p>"Neen, neen; maar Theresia zendt mij om u te roepen."</p>
+
+<p>"Misschien vreest zij, dat zijn uur is gekomen!" murmelde de pastoor.</p>
+
+<p>"Kom, mijn zoon, wij zullen gaan zien. Houd u sterk; tranen noch
+klachten kunnen den dood verjagen, wanneer God hem toelaat tot een
+mensch te naderen."</p>
+
+<p>Toen zij in de bovenzaal traden, zagen zij wel, dat Theresia hun teekens
+van blijdschap deed; maar iets anders dan dat de zieke op de zijde lag,
+bemerkten zij niet.</p>
+
+<p>"Hij heeft zich verroerd, eerwaarde; hij gaat ontwaken!" murmelde
+Theresia met teruggehoudene stem.</p>
+
+<p>"Is het niet eene krampachtige beweging, die hem heeft aangegrepen?"
+vroeg de priester even stil.</p>
+
+<p>"Neen, neen, hij heeft zich langzaam en zeer zacht op de zijde gelegd.
+Ik meende hem te roepen; maar ik dorst niet, eerwaarde; gij hebt het mij
+verboden."</p>
+
+<p>De pastoor naderde tot het hoofdeinde en sprak luid:</p>
+
+<p>"Reimond, hoort gij mij?"</p>
+
+<p>Eene siddering scheen de leden van den zieke te doorloopen. Hij opende
+de oogen zoo wijd en met zulken glasachtigen blik, dat Jakob Mispels,
+eenen angstkreet slakend, in de kamer terugsprong, als hadde een spook
+hem aangegrijnsd.</p>
+
+<p>Mijnheer Reimond, alhoewel zijne oogen geopend waren, zag klaarblijkend
+nog niet, of ten minste de bewustheid en de herinnering waren nog
+afwezig; maar allengs kwam er leven in zijnen blik, en dan, den pastoor
+en het meisje verbaasd aanstarende, mompelde hij:</p>
+
+<p>"In de wereld der zielen? Gij insgelijks? Er zijn jaren verloopen? Gij
+zijt allen gestorven?"</p>
+
+<p>Theresia stak haren arm onder zijn hoofd en zoende hem, terwijl zij met
+tranen van geluk uitriep:</p>
+
+<p>"Neen, neen, oom lief, wij leven en gij insgelijks! Gij zijt gered, de
+dood is overwonnen. God heeft u behouden voor onze dankbaarheid, voor
+onze liefde!"</p>
+
+<p>"Gij leeft? Ik leef?" kreet Reimond met eene soort van afgrijzen.
+"Achteruit, weg, laat mij los!"</p>
+
+<p>En, zittend in zijn bed zich oprichtende, staarde hij verstomd en bevend
+rond de kamer, als kon hij zijne oogen niet gelooven.</p>
+
+<p>"De zon, de dag, het licht?" morde hij. "Zes uren? Ik ben niet dood?
+Eilaas, welk ongeluk! Ik wil niet leven, ik wil sterven!"</p>
+
+<p>En hij sloeg zich de handen voor het aangezicht en stortte tranen van
+spijt en verdriet, omdat hij, in stede van naar zijne gewaande wereld
+der zielen verhuisd te zijn, zich nog in stoffelijken vorm op aarde
+bevond.</p>
+
+<p>Theresia liet hem eene wijl aan zijne droefheid overgeleverd,<span class='pagenum'><a name="Page_99" id="Page_99">[Pg 99]</a></span> totdat
+hij zijn aangezicht weder ontdekte. Dan voegde zij de handen te zamen en
+smeekte met eene zoo zoete stem, dat de klank er van alleen het hart
+ontroerde:</p>
+
+<p>"O, mijn goede oom, heb toch eenig medelijden met mij! Zie mijne tranen.
+Ik heb God zoo vurig gebeden, dat Hij u liete leven. Mijn gebed is
+verhoord, en gij wilt sterven? Gij zoudt dus tegen den Hemel zelven
+opstaan, om ons, die u zoo innig beminnen, met smart en met wanhoop te
+overladen? Onmogelijk, zulke wreedheid is vreemd aan uwe milde natuur.
+Gij kunt de waarheid niet meer loochenen: vermits gij nog leeft, was het
+eene dwaling, te gelooven dat gij moest sterven."</p>
+
+<p>"Ja, ja, het was eene dwaling," morde hij, "maar er zijn misleidende
+geesten."</p>
+
+<p>En de hand van zijnen neef grijpende, zeide hij klagend:</p>
+
+<p>"Willem, Willem, het was een spotgeest! Hij heeft mij jaren lang
+bedrogen. Indien ik nog niet onmiddellijk tot de wereld der zielen mag
+opvaren, zullen wij te zamen eenen rechtzinnigen geest zoeken, en wij
+zullen hem vinden, wees zeker.... Maar, indien hij mij insgelijks
+aangaande uw huwelijk had misleid? Gij zijt vrij, mijn neef; alhoewel
+uwe nicht een goed en liefderijk meisje is, zijt gij niet verplicht met
+haar te trouwen."</p>
+
+<p>"Het is de wil van God: wij moeten vereenigd worden, om te zamen u
+gelukkig te maken, oom lief," mompelde Willem, die schier niet spreken
+kon van ontroering.</p>
+
+<p>"Mij gelukkig maken?" herhaalde Reimond met eenen lichten spotlach. "Gij
+meent dus, dat ik nog lang op aarde zal blijven?"</p>
+
+<p>"Ja, ja, weldoener mijner ouders, ja, goede oom, gij zult leven tot
+eenen hoogen, zaligen ouderdom!" riep Theresia, hem streelend de armen
+om den hals slaande. "Tot nu toe was de wereld voor u eene sombere,
+droeve eenzaamheid. Wij zullen ze rondom u verlichten, al die vijandige
+gepeinzen van u verjagen en u bewijzen, dat God de aarde schoon en
+vroolijk genoeg heeft gemaakt, om er geduldig te wachten totdat Hij ons
+roepe. Bezie mij. Die oogen stralend van genegenheid tot u, dat
+voorhoofd waarop de mismoed nog geene rimpelen heeft gegraven, die mond
+u toelachend van dankbaarheid, zullen zij u niet meer verheugen dan het
+grimmig doodshoofd, waarop gij jaren lang hebt gestaard? Ach, aanvaard
+het leven, dat u overblijft. De bloemen des moeds en der blijheid zullen
+voor uwe voeten ontschieten bij elken stap. Gij zult eten, sterk worden,
+de milde natuur beminnen; wij zullen wandelen, rijden, op reis gaan,
+zingen, juichen, God danken, weelde rondstrooien, de armen helpen, in de
+liefdadigheid de zon zoeken, die uw edelmoedig hart met het licht der
+zelfvoldoening moet vervullen! O, ik smeek u, geef mij een troostend
+woord! Droog mijne tranen; zeg, dat gij niet meer wilt sterven!"<span class='pagenum'><a name="Page_100" id="Page_100">[Pg 100]</a></span></p>
+
+<p>Reimond scheen half overwonnen; doch hij worstelde nog en schudde
+twijfelende het hoofd.</p>
+
+<p>Willem trad nader.</p>
+
+<p>"Oom lief," sprak hij met eene stem, die van diepe ontsteltenis
+getuigde, "wat Theresia u voorspelt, zal waarheid worden. Ons gansche
+leven, elk oogenblik van ons bestaan zal aan uw geluk worden toegewijd.
+O, weersta haar gebed niet langer; verjaag het ziekelijk denkbeeld des
+doods! Waarom nog denken aan de openbaringen van eenen geest, die u zoo
+wredelijk heeft bedrogen?"</p>
+
+<p>"En gij zult mij helpen om eenen goeden geest te vinden?"</p>
+
+<p>"Ja, ja, ik zal al doen wat gij verlangt."</p>
+
+<p>"Hij is gevonden, de goede geest!" juichte Theresia. "Ik ben de goede
+geest; ik zal u verdedigen tegen de bekoringen van de vijanden der
+ziel!"</p>
+
+<p>"Welnu, kinderen," riep Reimond, de armen openende, "zijt tevreden, ik
+zal leven zoolang het God belieft!"</p>
+
+<p>Een zegevierende schreeuw klonk door de zaal, en de beide jongelieden
+sprongen juichend de omhelzing van hunnen oom te gemoet.</p>
+
+<p>De pastoor schouwde dankend ten hemel.</p>
+
+<p>Jakob danste, Peternelle lachte, en Nox, de hond, liep kwispelstaartend
+en van vreugde knorrend rondom het bed.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Nu is Wildenborg een schoon buitengoed. Wegen en dreven zijn door het
+bosch getrokken; het kasteel is hersteld en glanst uit de verte door het
+blinkend wit zijns gevels en het helder-groen zijner vensters. Geen
+onkruid meer in den hof; slingerende paden, lustboschjes en bloemen
+overal. De lucht is er beladen met balsemgeuren; de eenzaamheid is er
+bezield door den zang der vogelen en door de galmen eener zoetluidende
+vrouwestem, welke des avonds begeleid wordt door de klanken der piano of
+der luit. Men houdt er dienstknechts, meiden en hoveniers. Er is
+dikwijls gezelschap; somwijlen rijden er op &eacute;&eacute;nen dag vier of vijf
+koetsen door den hof; somwijlen ook is het als eene processie van arme
+menschen, die de dreef instapt om naar het kasteel te gaan, waar de
+pastoor, in naam der eigenaars van Wildenborg, milde en overvloedige
+aalmoezen uitdeelt.</p>
+
+<p>Mijnheer Reimond leeft nog; hij wandelt gansche dagen in den hof; hij is
+zelfs liefhebber van bloemen geworden en lacht niet zelden de natuur aan
+als ware het leven op aarde hem zoet.</p>
+
+<p>Wel heeft hij nu en dan neiging naar eenzaamheid; wel schijnt hij nog
+immer aangedreven om opnieuw in gemeenschap met de geesten te komen;
+maar zoohaast zijne afgetrokkenheid of de vastheid van zijnen blik die
+strekking verraadt, omringen<span class='pagenum'><a name="Page_101" id="Page_101">[Pg 101]</a></span> hem geesten van eenen anderen aard,
+engelen, die hem geene rust laten en tegen zijne geheime gepeinzen
+worstelen, totdat ze weder geheel zijn overwonnen en verjaagd.</p>
+
+<p>Deze goede geesten zijn Willem en zijne echtgenoote Theresia; deze
+beschermengelen zijn hunne vier lieve kinderen, die geleerd hebben, den
+ouden oom te beminnen, en die hem tergen en op zijnen rug klimmen, en
+hem streelen en hem zoenen, totdat de glimlach der voldoening zijn
+gelaat kome bestralen.</p>
+
+<p>Jakob Mispels rust op het kerkhof onder een schoon kruis; Peternelle
+woont nog in haar huisje, en heeft eene meid, om haar te dienen.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_102" id="Page_102">[Pg 102]</a></span></p><p>Nox, de hond, is van ouderdom half lam; maar het arme beest doet nog
+geweld om zich dankbaar te toonen voor zijne meesters en hunne kinderen,
+die allen jegens hem goed zijn en voor hem zorgen.</p>
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_1_1" id="Footnote_1_1"></a><a href="#FNanchor_1_1"><span class="label">[1]</span></a> Necromancie</p></div>
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_2_2" id="Footnote_2_2"></a><a href="#FNanchor_2_2"><span class="label">[2]</span></a> Phrenologie.</p></div>
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Ziekte der Verbeelding, by Hendrik Conscience
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZIEKTE DER VERBEELDING ***
+
+***** This file should be named 20536-h.htm or 20536-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/2/0/5/3/20536/
+
+Produced by Frank van Drogen, Clare Boothby and the Online
+Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..9deeda9
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #20536 (https://www.gutenberg.org/ebooks/20536)