diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 01:23:26 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 01:23:26 -0700 |
| commit | 1333046b6c233aa4b513a0e461102a55636df39e (patch) | |
| tree | ceb4e001fb986a5fbfb77bffa27d3d3ab8bfbc14 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 20530-8.txt | 8523 | ||||
| -rw-r--r-- | 20530-8.zip | bin | 0 -> 193940 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h.zip | bin | 0 -> 4580972 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/20530-h.htm | 6583 | ||||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1273.jpg | bin | 0 -> 119698 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1279.jpg | bin | 0 -> 122996 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1280.jpg | bin | 0 -> 155863 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1282.jpg | bin | 0 -> 152237 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1284.jpg | bin | 0 -> 116989 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1287.jpg | bin | 0 -> 158259 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1289.jpg | bin | 0 -> 105655 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1295.jpg | bin | 0 -> 101790 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1296.jpg | bin | 0 -> 98508 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1297.jpg | bin | 0 -> 113810 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1300.jpg | bin | 0 -> 115152 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1301.jpg | bin | 0 -> 124670 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1305.jpg | bin | 0 -> 115735 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1306.jpg | bin | 0 -> 91453 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1312.jpg | bin | 0 -> 152505 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1315.jpg | bin | 0 -> 93294 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1316.jpg | bin | 0 -> 93380 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1319.jpg | bin | 0 -> 112651 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1321.jpg | bin | 0 -> 146565 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1323.jpg | bin | 0 -> 99999 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1324.jpg | bin | 0 -> 98301 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1327.jpg | bin | 0 -> 133918 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1329.jpg | bin | 0 -> 121441 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1330.jpg | bin | 0 -> 103732 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1332.jpg | bin | 0 -> 114640 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1334.jpg | bin | 0 -> 107546 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1336.jpg | bin | 0 -> 153611 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1338.jpg | bin | 0 -> 90895 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1340.jpg | bin | 0 -> 116240 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1341.jpg | bin | 0 -> 135640 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1342.jpg | bin | 0 -> 142052 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1343.jpg | bin | 0 -> 97202 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1345.jpg | bin | 0 -> 168584 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1351.jpg | bin | 0 -> 133353 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1353.jpg | bin | 0 -> 162453 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 20530-h/images/p1357.jpg | bin | 0 -> 106348 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
43 files changed, 15122 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/20530-8.txt b/20530-8.txt new file mode 100644 index 0000000..2087401 --- /dev/null +++ b/20530-8.txt @@ -0,0 +1,8523 @@ +The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het Leven der Dieren + Hoofdstuk 7: De Knaagdieren + +Author: A. E. Brehm + +Release Date: February 6, 2007 [EBook #20530] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + +Zevende Orde. + +De Knaagdieren (Rodentia). + + +De Knaagdieren vormen een naar alle zijden goed begrensde groep. Zij +dragen hun naam bijna met nog meer recht dan de Roofdieren den +hunnen. Twee snijtanden in iedere kaak, die tot groote knaagtanden +uitgegroeid zijn en het ontbreken der hoektanden, waardoor tusschen +snij- en maaltanden een groote ruimte ontstaat, zijn kenmerken, +die aan alle eigen zijn. + +Van het uitwendig voorkomen der Knaagdieren kan weinig in 't algemeen +gezegd worden, daar deze orde zeer verschillende vormen omvat en +daarom zeer rijk is aan familiën en soorten. De voor alle geldige +kenteekenen komen tennaastenbij op het volgende neer: de romp is in de +meeste gevallen rolvormig en rust op korte pooten, die in den regel +ongelijke lengte hebben, daar de achterpooten gewoonlijk een weinig, +en dikwijls zelfs veel langer zijn dan de voorpooten; de kop is door +een korten, dikken hals met den romp verbonden; de oogen zijn groot +en puilen gewoonlijk sterk uit; de lippen zijn vleezig, met snorharen +bezet, zeer beweeglijk en van voren gespleten; de voorpooten hebben in +den regel 4, de achterpooten 5 teenen; deze zijn met meer of minder +sterke klauwen (soms ook met nagels van anderen vorm) gewapend, bij +sommige door zwemvliezen met elkander verbonden. Het haarkleed is bijna +altijd van gelijkmatige lengte, hoogstens aan de ooren tot kwastjes +of aan den (in dit geval meestal ruigen) staart tot een pluim verlengd. + +De snijtanden of knaagtanden zijn aanmerkelijk grooter dan alle overige +bestanddeelen van het gebit; de bovenste zijn altijd korter, maar +breeder dan de onderste; in beide kaken zijn zij boogvormig gekromd +(de bovenste het sterkst), aan de sneede breed of puntbeitelvormig, +aan den wortel drie- of vierkantig, met een soms platte, soms gewelfde, +nu eens gladde, dan weer gegroefde oppervlakte, wit of geelachtig +of rood van kleur. Hun buitenste of voorste vlakte is met staalhard +email bedekt; de scherpe spits of de breede, op het scherpe einde +van een steekbeitel gelijkende bovenrand is uitsluitend uit genoemd +materiaal samengesteld. Het overige deel van den tand bestaat uit +een veel zachtere stof, n.l. tandbeen. Wegens het veelvuldig gebruik, +dat van deze belangrijke tanden wordt gemaakt, zouden zij na korten +tijd stomp worden of afslijten, indien zij niet een groot voorrecht +hadden boven de meeste tanden van Zoogdieren; zij groeien n.l. altijd +door. De tandwortel ligt in een tandholte, die zich tot diep in de +kaak voortzet, en bevat aan zijn geheel open (en zelfs trechtervormig +verwijd), achterste uiteinde, een blijvende kiem, die den tand van +achteren voortdurend in gelijke mate herstelt, als hij van voren +afslijt. De snede van den tand wordt vlijmscherp gehouden, doordat +de onderling tegenovergestelde tanden over elkander wrijven, zoodat +de eene langs den anderen schuurt. Daar nu de snijtanden op ongelijke +wijze met email bekleed zijn, van voren met een dikke korst, terwijl +van achteren het tandbeen onbedekt blijft, zal de top van den tand +in schuinsche, van voren naar achteren afhellende richting geslepen +worden. De zeer omvangrijke en samengestelde kauwspier moet door haar +werking de onderkaak zoowel opheffen als naar voren schuiven. In +verband hiermede is de gewrichtsknobbel van het onderkaaksbeen in +overlangsche richting, van voren naar achteren ontwikkeld. De tanden +zijn hierdoor niet tot grijpen en tot verscheuren, maar tot knagen, tot +afknabbelen geschikt. Tegen de verbazend groote krachtsinspanning, die +hiervoor vereischt wordt, zijn zij volkomen bestand. Van het voortduren +van den groei der knaagtanden kan men zich gemakkelijk overtuigen, +door bij een Knaagdier, b.v. bij een Konijn, een der knaagtanden, +b.v. van de onderkaak, af te breken. Dan groeit de tegenovergestelde +bovenkaaksnijtand, omdat hij niet meer onderhevig is aan afslijting, +schielijk aan, komt boogvormig omgekruld buiten den bek te voorschijn, +en verkrijgt, steeds groeiend en niet slijtend, een spiraalvormige +gedaante; het geheele gebit wordt hierdoor nagenoeg onbruikbaar en de +voeding zeer bemoeilijkt. Na het afbreken van een bovensnijtand zal +de tegenovergestelde ondertand zich binnen de mondholte kolossaal +verlengen en hier, door het gehemelte in zijn opwaartschen groei +gestuit, een spiraalvormige gedaante verkrijgen, of wel in de bovenkaak +doordringen. Zulke monsterachtige tanden missen natuurlijk den scherpen +rand aan den top van de kroon.--De maaltanden hebben platte kronen, +met dwars gerichte verhevenheden op de kauwvlakte, die slechts bij +enkele door knobbels vervangen zijn. De voor- en achterwaartsche +beweging van de onderkaak in aanmerking nemend, is het niet moeilijk +in te zien, dat de dwarse richting der oneffenheden, het vermalen +van harde stoffen in hooge mate bevordert. + +Bij vele Knaagdieren komen wangzakken voor, die door een opening aan +de binnenzijde der lippen met de mondholte in gemeenschap staan, en +zich tot in de schouderstreek kunnen uitstrekken; bij het inzamelen +van voedsel kunnen zij als bergplaatsen dienen; een hiervoor bestemde +spier trekt deze zakken terug, als zij gevuld moeten worden. + +De Knaagdieren zijn over alle werelddeelen verbreid en komen, zoover +de plantengroei zich uitstrekt, in alle klimaten, op alle breedten en +op alle hoogten voor. "Te midden van eeuwigdurende sneeuw en ijs." zegt +Blasius, "daar, waar een warme zonnestraal slechts op sommige plaatsen +en gedurende weinige weken, aan enkele planten een kortstondig en +armoedig leven mogelijk maakt, op de stille eenzame, met sneeuw bedekte +hoogten der Alpen, in de uitgestrekte onherbergzame vlakten van het +noorden, vindt men nog Knaagdieren, die geen behoefte gevoelen aan een +schoonere zon. Maar hoe rijker en weelderiger de plantenwereld is, des +te bonter en menigvuldiger wordt het leven van deze Zoogdierenorde, +die bijna geen plekje van de aarde onbewoond laat." De levenswijze +van deze algemeen verbreide dieren, is zeer verschillend. + +Niet weinige van hen houden zich in de boomen op, vele leven in den +grond sommige bewonen het water; hunne verblijfplaatsen zijn dikwijls +onderaardsche, door henzelf gegraven holen, andere hebben hun leger te +midden van het struikgewas, nog andere in het open veld. Alle zijn in +meerdere of mindere mate vlugge dieren, die, in overeenstemming met +de plaats waar zij zich ophouden, voortreffelijk loopen, òf klimmen, +òf graven, òf zwemmen. Meestal scherpzinnig, wakker en lenig, zijn +zij evenwel, naar het schijnt, niet schrander of met buitengewone +geestesgaven bedeeld. Verreweg de meeste kenmerken zich door armoede +van geest; zij kunnen wel schuw, maar niet voorzichtig of listig +zijn, en onderscheiden zich ook in andere opzichten nooit door in +'t oog vallende bekwaamheden. Sommige leven bij paren, andere zijn +tot familiën en niet weinige tot groote troepen vereenigd; zij +zijn verdraagzaam tegenover andere dieren, maar bemoeien zich niet +met hen. Boosaardigheid en valschheid, wildheid en onbeschaamdheid, +willens en wetens geopenbaard, treft men slechts bij weinige aan. Als +hun een gevaar dreigt, keeren zij zoo schielijk mogelijk naar hunne +schuilplaatsen terug; slechts zeer weinige onder hen zijn schrander +genoeg, om op listige wijze vervolgingen te ontgaan. Alle Knaagdieren +voeden zich hoofdzakelijk met plantaardige stoffen: wortels, +schors, bladen, bloemen, allerlei soorten van vruchten, kruiden, +gras, melige knollen, ja zelfs houtvezels worden door hen gegeten; +de meeste maken echter ook van dierlijk voedsel gebruik, en zijn +echte alleseters. Eigenaardig is het, dat vele, die te zwak zijn, +om groote reistochten te ondernemen, of om weerstand te bieden aan +de strengheid van den winter, voorraad inzamelen en in onderaardsche +bergplaatsen bewaren. De Knaagdieren verdienen als bouwmeesters een +eereplaats onder de Zoogdieren; sommige van hen vervaardigen zeer +kunstige woningen, die reeds sedert overouden tijd de bewondering +van den mensch getrokken hebben. Niet weinige brengen den winter +door in een op den dood gelijkenden slaap, verkeeren in een toestand +van verstijving, en teren op het vet, dat zij gedurende den zomer in +hun lichaam hebben opgehoopt, en dat wegens de in ieder opzicht zeer +sterk verminderde levenswerkzaamheid tot aan het volgende voorjaar +in hunne behoeften kan voorzien. + +In verhouding tot hun geringe groote, is de beteekenis van de +Knaagdieren in de huishouding der natuur zeer groot; zij zijn onze +schadelijkste en gevaarlijkste vijanden. Als zij niet een talloos leger +van vijanden tegenover zich hadden, en niet in hooge mate onderhevig +waren aan ziekten en epidemiën van velerlei aard, zouden zij de aarde +overheerschen en verwoesten. De onophoudelijke verdelgingsoorlog, +die tegen hen gevoerd wordt, heeft een tegenwicht in hunne verbazende +vruchtbaarheid en vermenigvuldigingsvermogen; maar al te dikwijls +hebben deze de overhand. Het klinkt bijna ongeloofelijk, maar is +toch waar, dat een paar Knaagdieren, binnen een tijdsverloop van +één jaar, een nakomelingschap kan hebben die uit duizend individuën +bestaat. Vriendschap kan men eigenlijk slechts voor hoogst weinige +leden van deze vormenrijke orde gevoelen, en van deze weinige zijn +slechts enkele waard getemd te worden. Belangrijker dan door de +eigenschappen, die men gedurende hun leven kan opmerken, zijn de +Knaagdieren voor ons door hun vel en hun vleesch. + + + +In de eerste familie plaatsen wij de _Eekhoornachtigen_ (_Sciuridae_), +verdeeld over twee onderfamiliën: de _Eekhoorntjes_ en de _Marmotten_. + +De romp van de _Eekhoorntjes_ (_Sciurinae_) is lang en eindigt in +een meer of minder langen, dikwijls twee-rijig behaarden staart. De +oogen zijn groot en uitpuilend, de ooren bij sommige klein, bij andere +groot, nu eens dun behaard, dan weer met een haarkwastje voorzien. De +voorpooten zijn aanmerkelijk korter dan de achterpooten. Gene hebben 4 +teenen en een kort stompje op de plaats van den duim, de achterpooten +hebben vijf teenen. + +Met uitzondering van Australië bewonen de Eekhoorntjes de geheele +aarde; zoowel in tamelijk ver noordwaarts gelegen gewesten, als in +de heetste landstreken tusschen de keerkringen komen zij voor; zij +leven op verschillende hoogten, sommige soorten treft men zoowel in +het gebergte als in de vlakte aan. Bosschen, of althans plaatsen waar +boomen groeien, zijn hunne meest geliefde verblijfplaatsen; verreweg +de meeste zijn echte boomdieren; eenige vestigen hun woonplaats in +onderaardsche, door henzelf gegraven holen. + +Alle Eekhoorntjes bewegen zich vlug, snel en behendig, even goed op +de boomen als op den grond. Alleen de Vliegende Eekhoorntjes gevoelen +zich op den bodem niet thuis, maar zijn in staat buitengewoon groote +sprongen te doen, hoewel altijd slechts van boven naar beneden. De +meeste bewegen zich springend over den bodem en raken dezen met de +geheele zool aan. Bijna alle klimmen uitmuntend en springen over +groote tusschenruimten van den eenen boom op den anderen. Zij slapen +ineengerold en doen dit bij voorkeur op een gemakkelijke ligplaats, +die zij zich verschaffen nu eens door het graven van een onderaardsche +woning, dan weer door een leger op te slaan in een hollen boom, en +ook wel door het doelmatig inrichten van een door andere dieren of +door henzelf gebouwd nest. De Eekhoorntjes, die koude landen bewonen, +trekken zuidwaarts bij 't naderen van den winter, of vervallen in +een onafgebroken winterslaap en brengen in dit geval een meer of +minder grooten voorraad leeftocht bijeen, waarvan zij in geval van +nood gebruik maken. Hun stem bestaat uit een fluitend geluid en uit +een eigenaardig, niet nader te omschrijven gebrom, geknor en gesis. + +De meeste soorten werpen, naar het schijnt, ieder jaar meer dan +éénmaal jongen. Vóór en na den paartijd houdt het mannetje zich +dikwijls geruimen tijd bij het wijfje op; ook helpt hij haar wel bij +het bouwen van de meer of minder kunstige woning, waarin zij later +haar kroost zal verzorgen. Het aantal jongen in iederen worp wisselt +af van twee tot zeven. De kleintjes komen nagenoeg kaal en blind ter +wereld en hebben daarom behoefte aan een warm leger en een zorgvuldige +verpleging. Jong uit het nest genomen Eekhoorntjes laten zich zonder +bijzondere moeite temmen; bijna altijd komt echter op meer gevorderden +leeftijd de weerspannige en knorrige aard, die aan vele Knaagdieren +eigen schijnt te zijn, voor den dag; zij worden boosaardig en toonen +lust tot bijten. + +Hoewel alle Eekhoorntjes bij voorkeur (en gedurende sommige tijden +uitsluitend) plantaardig voedsel gebruiken, versmaden zij echter, +evenals tal van andere Knaagdieren, het dierlijk voedsel niet; +zij overvallen zwakke Zoogdieren en maken ijverig jacht op Vogels, +welker nesten zij op onmeedoogende wijze plunderen. Ofschoon het vel +van verscheidene soorten van Eekhoorntjes als pelswerk dienst doet +en men op sommige plaatsen het vleesch van deze dieren eet, kan toch +dit geringe nut niet opwegen tegen de schade, die zij toebrengen aan +de door ons gekweekte planten en aan de nuttige Vogels. + + + +Verreweg de meeste leden van de eerste onderfamilie behooren tot +het slechts in Australië ontbrekende geslacht der _Dag-eekhoorntjes_ +(_Sciurus_). Alle soorten van deze groep stemmen zoozeer met elkander +overeen, wat gestalte, lichaamsbouw, levenswijze en aard betreft, +dat het volkomen voldoende is, onzen Eekhoorn en zijn levenswijze te +beschrijven, om een voorstelling te verkrijgen van het leven van al +zijne verwanten. + + + +De _Eekhoorn_ of _Eeker_ (_Sciurus vulgaris_) is een van de weinige +Knaagdieren, waarmede de mensch vriendschap gesloten heeft, en die +hij, in weerwil van sommige onaangename eigenschappen, gaarne als +huisgenoot aanneemt, heeft zelfs in de oogen van den dichter een +bevallige gestalte. Dit werd reeds gevoeld door de Grieken, aan +wie wij den wetenschappelijken naam van het Eekhoorntje ontleend +hebben. Deze naam beteekent: "die zich met den staart overschaduwt", +en onwillekeurig moet ieder, die de beteekenis van het woord _Sciurus_ +kent, aan het beweeglijke diertje denken, zooals het daar in de +hoogte zit, boven op de hoogste boomkronen. Rückert heeft het wakkere +schepseltje bezongen op zulk een wijze, dat de natuuronderzoeker het +hem niet verbeteren kan. + +De lichaamslengte van het Eekhoorntje bedraagt, zonder den 20 +cM. langen staart, 25 cM., de schouderhoogte 10 cM. en het gewicht van +het volwassen dier een weinig meer dan 0.25 KG. De vacht biedt groote +verscheidenheid aan, al naar men het dier 's zomers of 's winters, +in het noorden of in het zuiden beschouwt. In den zomer is de kleur +van de bovendeelen bruinachtig rood, aan de zijden van den kop met +grijs gemengd, aan de onderzijde (te beginnen bij de kin) wit; in den +winter is het haarkleed aan de rugzijde bruinrood met grijsachtig wit +gemengd, aan de buikzijde wit. In Siberië en Noord-Europa echter is +het winterkleed van den Eekhoorn geheel en al witachtig grijs, terwijl +het zomerkleed gelijkt op dat van het bij ons levende dier. Dikwijls +ziet men in de bosschen van Middel-Europa ook zwarte exemplaren; deze +behooren echter niet tot een bijzondere soort, want bij de jongen van +een worp treft men dikwijls roode en zwarte voorwerpen aan. Witte of +gevlekte Eekhoorntjes zijn zeer zeldzaam, zoo ook die met witten of +halfwitten staart enz. De staart is zeer ruig en tweerijig behaard; het +oor is versierd met een pluim van lange haren; de voetzolen zijn naakt. + +Ons Eekhoorntje is aan de Grieken en Spanjaarden even goed bekend +als aan de Siberiërs en Laplanders. Zijn verbreidingsgebied strekt +zich uit over geheel Europa, en reikt voorts over den Kaukasus en den +Oeral, door het geheele zuiden van Siberië tot aan den Altaï en tot +in Achter-Azië. Het dier is echter niet overal en ook niet in alle +jaren even menigvuldig. Hoogstammige, droge en schaduwrijke wouden +vormen zijne meest bevoorrechte verblijfplaatsen; nat weer is hem +even onaangenaam als zonneschijn. Wanneer het ooft en de noten rijp +zijn, bezoekt hij de tuinen van het dorp, doch slechts dan, als zij +met het woud verbonden zijn door kreupelboschjes, of althans door +struiken. Daar waar vele sparrekegels en denneappels rijp worden, +vestigt hij zich voor goed; hier heeft hij één of meer woningen, +gewoonlijk zijn dit oude kraaiennesten, welker inrichting hij +naar zijne behoeften op kunstige wijze veranderd heeft. Voor een +kortstondiger verblijf gebruikt hij de verlaten nesten van Eksters, +Kraaien en Roofvogels, zooals zij zijn. De woningen echter, die als +nachtverblijf, als toevluchtsoord bij slecht weder en als kraamkamer +voor het wijfje dienen, worden opzettelijk voor dit doel gebouwd, +hoewel hierbij dikwijls wordt gebruik gemaakt van de materialen, +die door de Vogels bijeengebracht zijn. Sommigen meenen opgemerkt +te hebben, dat ieder Eekhoorntje minstens vier nesten heeft; met +zekerheid is dit echter nog niet gebleken. Gaten in boomen, het +liefst holle boomstammen, worden eveneens door hem bezocht, en in +sommige gevallen tot woning ingericht. De open en bloot liggende +nesten komen gewoonlijk voor in een vork, dicht bij den hoofdstam +van den boom; hun vloer is gebouwd als die van een groot vogelnest, +van boven is het echter beschut door een plat, kegelvormig dak, op +dat van een eksternest gelijkend en dicht genoeg om het binnendringen +van den regen te verhinderen. De hoofdingang is naar beneden gericht, +gewoonlijk naar het oosten, een iets kleiner vluchtgat bevindt zich +dicht bij den stam. Van binnen is het nest aan alle zijden met een warm +kussen van zacht mos gevoerd. De buitenwand bestaat uit dunne en dikke +twijgen, die kruiselings door elkander gestoken zijn. Den stevigen, +met aarde en leem bekleeden bodem van een verlaten kraaiennest gebruikt +het Eekhoorntje gaarne als grondslag van zijn woning. + +Dit wakkere diertje is buiten kijf een der voornaamste +aantrekkelijkheden van onze bosschen. Bij stil, helder weder +beweegt het zich onverpoosd, en blijft intusschen zooveel mogelijk +in de boomen, die hem te allen tijde voedsel en beschutting bieden; +somtijds gaat het op zijn gemak bij den stam naar beneden, en loopt +naar den boom, dien het beklimmen wil. Dikwijls doet de Eekhoorn +dit alleen voor de aardigheid, want hij behoeft, als hij zulks niet +wenscht, in 't geheel niet op den grond te komen. Hij is de Aap van +onze bosschen en bezit vele eigenschappen welke herinneren aan die +van den genoemden, nukkigen tropenbewoner. Er zijn waarschijnlijk +maar weinige Zoogdieren, die zoolang achtereen in beweging zijn en +zoo kort op dezelfde plaats blijven als de Eekhoorn bij tamelijk +goed weder. Voortdurend gaat hij van den eenen boom op den anderen, +van kroon tot kroon, van tak tot tak; zelfs op den grond is hij +alles behalve vreemd en onbeholpen. Nooit stapt of draaft hij; +altijd beweegt hij zich huppelend met groote of kleine sprongen; +hij doet dit zoo snel, dat een Hond moeite heeft om hem in te halen, +en een mensch reeds na korten tijd de vervolging moet opgeven. De +sterkste bewijzen van behendigheid geeft hij echter eerst bij het +klimmen. Met ongeloofelijke vastheid en snelheid sluipt hij bij de +boomstammen omhoog, zelfs bij de gladste. De lange, scherpe klauwen +aan de vingervormige teenen bewijzen hem hierbij voortreffelijke +diensten. Hij haakt zich aan de boomschors vast en doet dit met alle +vier pooten tegelijk. Dan zet hij zich af voor een nieuwen sprong en +schiet verder naar boven; de eene sprong volgt echter zoo schielijk op +den anderen, dat het omhoogstijgen zonder tusschenpoozen plaats heeft; +men zou kunnen meenen, dat het dier bij den stam omhoogglijdt. De +klimbeweging veroorzaakt een op een afstand hoorbaar geritsel, waarin +men de verschillende oogenblikken van stilstand en de opeenvolgende +sprongen niet onderscheiden kan. Gewoonlijk stijgt het dier zonder +rust te nemen tot in de kroon van den boom, niet zelden tot in den +top; daar loopt hij dan langs den een of anderen, waterpas liggende +tak naar den buitenkant van de kroon en springt van hier gewoonlijk +in den top van een tak van een anderen boom, over tusschenruimten van +4 of 5 M., altijd van boven naar beneden. Van de noodzakelijkheid van +den tweerijig behaarden staart voor 't springen heeft men zich door +een wreede proefneming overtuigd; men heeft aan gevangen Eekhoorntjes +den staart afgehouwen en opgemerkt, dat het verminkte dier niet half +zoo ver meer springen kon, als vroeger. Ook het zwemmen verstaat de +Eekhoorn uitmuntend, ofschoon hij niet gaarne te water gaat. + +Als de Eekhoorn geen stoornis behoeft te duchten, zoekt hij gedurende +zijne zwerftochten voortdurend voedsel. Al naar het jaargetijde eet +hij vruchten of zaden, knoppen, twijgen en paddestoelen. De zaden van +dennen, sparren en zilversparren, knoppen en jonge uitspruitsels zullen +wel het hoofdbestanddeel van zijn voedsel uitmaken. Hij bijt de kegels +van onze naaldboomen bij den steel af, gaat op zijne achterpooten +zitten, brengt den kegel met de voorpooten naar den bek, draait hem +onophoudelijk rond en bijt nu met zijne uitmuntende tanden de eene +schub na de andere er af, zoodat de zaden blootliggen, die hij dan +met de tong opneemt en in den bek brengt. Aardig is het naar hem te +zien, wanneer hij hazelnooten, zijn lievelingsspijs, in overvloed kan +krijgen. Bittere zaden, b.v. van amandels, zijn voor hem vergiftig: +twee bittere amandelen zijn voldoende om hem te dooden. + +Schadelijk voor de boschkultuur wordt de Eekhoorn vooral door het +opeten van de zaadlobben der pas ontkiemde beukels, eikels en zaden van +naaldboomen; zelfs tamelijk ver ontwikkelde jonge eiken worden door +hem uitgegraven om er de wortels en de zaadlobben van te verslinden; +verder doet hij schade, door zich te voeden met de zaden van boomen, +die voor het aanleggen van bosschen noodig zijn, door het afknagen +van de blad- en bloemknoppen van naaldboomen, door het spiraalvormig +afschellen van de schors van berkenstammen, en ook door andere +naaldboomen, alsmede haagbeuken, beuken, eiken enz. te ontschorsen; +voorts geeft hij aanleiding tot vermindering van het aantal Vogels, +die door het verdelgen van schadelijke Insecten voor de boschkultuur +nuttig zijn. Hiertegenover staat als nut van den Eekhoorn alleen, +dat hij in 't voorjaar, als de boomzaden schaarsch zijn, zich met de +zoo schadelijke Meikevers voedt. + +Wanneer het dier voedsel in overvloed kan krijgen, verzamelt het +voorraad voor latere tijden van schaarschte. In de spleten en gaten +van holle boomen en boomwortels, in door hemzelf gegraven holen, +onder struiken en steenen, in een van zijne nesten en op andere +dergelijke plaatsen legt het zijne voorraadschuren aan; dikwijls +sleept het de voor proviand bestemde noten, graankorrels en zaden over +groote afstanden naar de bedoelde bergplaatsen. In de bosschen van +het zuid-oosten van Siberië bewaart de Eekhoorn ook paddestoelen; +hij doet dit op een hoogst eigenaardige wijze. "Zij zijn," merkt +Radde op, "zoo weinig zelfzuchtig, dat zij den voorraad paddestoelen +niet opbergen, maar aan de naalden of in de lorkenwouden aan de +kleine takjes steken, ze daar droog laten worden, om in tijden van +hongersnood hunne doortrekkende soortgenooten van dienst te zijn." + +Uit deze voorzorgsmaatregelen met het oog op den winter blijkt, hoe +buitengewoon gevoelig de Eekhoorntjes voor den invloed van het weder +zijn. Wanneer de zon wat meer warmte geeft dan gewoonlijk, houden zij +hun middagslaapje in hun nest en zwerven dan alleen des morgens en des +avonds in het bosch rond; nog veel meer echter schuwen zij regenbuien, +hevige onweders, stormen en vooral sneeuwjacht. Klaarblijkelijk hebben +zij een voorgevoel van aanstaande weersveranderingen. Reeds een halven +dag vóórdat de gevreesde weersgesteldheid begint, geven zij bewijzen +van onrust, door voortdurend in de boomen rond te springen en door een +zeer eigenaardig gefluit en geschreeuw, dat men anders alleen van hen +hoort, wanneer zij zeer opgewonden zijn. Zoodra de eerste voorboden van +het slechte weder zich vertoonen, verschuilen zij zich in hunne nesten +(dikwijls verscheidene in één nest) en laten, nadat zij de opening aan +de windzijde zorgvuldig dichtgemaakt hebben, op hun gemak ineengerold, +de bui uitrazen. Een ongunstig najaar wordt voor hen noodlottig, omdat +zij dan reeds in den herfst den voor den winter bestemden voorraad +opgebruiken. Wanneer nu de hieropvolgende winter eenigermate streng +is, worden onze dieren in grooten getale er het slachtoffer van. + +Zoodra de nacht invalt, begeeft het Eekhoorntje, dat een blijvende +bewoner is van een oord, zich naar zijn nest en slaapt hier, zoolang +het donker is; toch kan het ook gedurende de duisternis zeer goed den +weg vinden. Lenz liet eens door twee daglooners een lange ladder in het +bosch dragen en tegen een boom plaatsen, waarop zich een nest met jonge +Eekhoorntjes bevond. Alles geschiedde zoo stil mogelijk. De lantaarn +bleef beneden bij de dragers en Lenz klom naar boven. Zoodra hij het +nest met de hand aanraakte, snelden de bewoners hiervan zoo vlug als de +wind naar buiten; voor zoover men kon nagaan, gingen er twee hooger op +in den boom, één bij den stam langs naar beneden en één door de lucht +naar den bodem; in een oogwenk was alles in de nabijheid weer stil. + +Schrik geeft de Eekhoorn te kennen door de klanken: "Doek, doek". Als +hij zich op zijn gemak gevoelt of slechts in geringe mate ontevreden +is, laat hij een eigenaardig gemor of geknor hooren, dat niet goed +door klankteekens kan worden weergegeven. Buitengewone vreugde of +opgewondenheid drukt hij uit door te fluiten. Alle zinnen, vooral het +gezicht, het gehoor en de reuk, zijn scherp: bovendien moet ook het +gevoel zeer fijn ontwikkeld zijn, daar anders het vooruitvoelen van +weersveranderingen voor ons onverklaarbaar zou blijven; ook de smaak +moet, volgens opmerkingen, die men bij gevangen dieren gedaan heeft, +van eenige beteekenis zijn. Dat het dier goede geestvermogens bezit, +blijkt uit zijn goed geheugen en uit de list en slimheid, waarmede +het aan zijne vijanden weet te ontkomen. Bliksemsnel begeeft het zich +naar den hoogsten boom, die zich in de nabijheid bevindt, loopt bijna +altijd aan de zijde, die van den vijand afgewend is, bij den stam +omhoog tot aan de eerste gaffelvormige verdeeling, komt dan hoogstens +met zijn kopje te voorschijn, kruipt in elkander, verbergt zich zoo +goed, als de omstandigheden dit toelaten, en tracht zoo veel mogelijk +onzichtbaar te blijven, terwijl het zich uit de voeten maakt. + +Vier weken na de paring werpt het wijfje in het zachtste, doelmatigst +gelegen nest 3 à 7 jongen, die ongeveer 9 dagen lang blind blijven en +door de moeder met groote liefde verzorgd worden. Nadat zij gespeend +zijn, brengt de moeder, en misschien ook de vader, hun eenige dagen +achtereen voedsel; daarna laten de ouders de kleintjes aan hun lot +over. De jongen blijven nog eenigen tijd bijeen, spelen aardig met +elkander en nemen zeer schielijk de gewoonten van de volwassenen +aan. In Juni heeft de oude reeds voor de tweede maal jongen; als ook +deze zoo ver zijn, dat zij met haar rondzwerven kunnen, vereenigen de +jongen van beide worpen en hun moeder zich tot een bende, die soms +uit 12 à 16 leden bestaat, en die men van nu af in een en 't zelfde +deel van 't woud ziet arbeiden. + +Het Eekhorentje is buitengewoon zindelijk; het belekt en poetst +zich voortdurend. Om deze reden is het zeer goed geschikt om in de +kamer gehouden te worden. Voor dit doel worden de jongen uit het nest +genomen, wanneer zij half volwassen zijn; men voedert ze met melk en +wittebrood, totdat men ze noten en zaden kan geven. + +In hun jeugd zijn alle Eekhoorntjes wakkere, vroolijke en volkomen +onschadelijke diertjes, die gaarne hebben, dat men ze vleit en +liefkoost. Zij herkennen hun verzorger en houden van hem; ook toonen +zij eenige leerzaamheid door te komen, als hij roept. Ongelukkig worden +bijna alle, zelfs de tamste, valsch of althans tot bijten geneigd, +wanneer zij ouder worden. + +De Edelmarter is de ergste vijand van den Eekhoorn. Den Vos gelukt +het maar zelden deze prooi te bekruipen. Aan Wouwen, Haviken en groote +Uilen ontkomt de Eekhoorn door, zoodra de Vogel hem te lijf wil gaan, +schielijk volgens een schroeflijn om den boomstam heen naar boven +te klimmen. Daar de Vogels bij 't vliegen natuurlijk veel grootere +kringen moeten beschrijven, bereikt de vervolgde eindelijk een holte, +een dichte boomkruin, waar hij veilig is. Meer bezwaren heeft hij +te overwinnen, wanneer hij voor den Edelmarter vluchten moet. Deze +moordzuchtige roover is in 't klimmen even goed ervaren als zijn +slachtoffer; hij volgt het op den voet, in de boomkronen zoowel +als op den grond, kruipt het na, zelfs in de holen, waarin het een +schuilplaats zoekt, of in het door dikke wanden begrensde nest. Onder +angstig geschreeuw en gefluit vlucht de Eekhoorn voor den Marter; de +behendige roover jaagt hem achterna, en beide wedijveren als 't ware +in 't maken van prachtige sprongen. De eenige kans op redding, die +er voor den Eekhoorn bestaat, berust op zijn geschiktheid om zonder +bezwaar uit den top van den hoogsten boom op den grond te springen, +schielijk een eind vooruit te snellen om een nieuwen boom te bereiken, +waar hij, zoo noodig het oude spel zal herhalen. Men ziet hem derhalve, +als de Edelmarter hem vervolgt, zoo vlug mogelijk naar boven klauteren, +en intusschen steeds op de reeds aangeduide wijze een schroeflijn +volgen, om altijd min of meer door den stam gedekt te zijn. Steeds +klimt de Edelmarter ijverig achter hem aan; beide klimmen ongeloofelijk +snel naar het hoogste deel van de kroon. Reeds schijnt de Edelmarter +het ingehaald te hebben,--op eens doet de eekhoorn uit den hoogsten +top een geweldigen, boogvormigen sprong in de lucht, strekt, alle +ledematen in horizontale richting zijwaarts, snort door de lucht naar +beneden, komt behouden op den bodem aan en ijlt nu angstig voort, +zoo schielijk hij kan, om zoo mogelijk een betere schuilplaats te +zoeken. Zoo'n sprong kan de Edelmarter niet doen, toch bereikt hij +in den regel spoedig zijn doel, omdat hij de vervolging niet opgeeft, +maar zoo lang jaagt tot het slachtoffer geheel uitgeput is en zich moet +overgeven.--Jonge Eekhoorntjes zijn aan veel meer gevaren blootgesteld +dan de oude; die, welke pas zelfstandig geworden zijn, kunnen zelfs +door een behendig klimmend mensch achterhaald worden. Als jongens +zochten wij zulke diertjes en klauterden hen in de boomen na; meer +dan eens werd de onverschilligheid, waarmede zij ons lieten naderen, +hun noodlottig. Zoodra wij den tak, waarop zij zaten, konden bereiken, +waren zij verloren. Wij bewogen den tak met geweld heen en weer; het +verschrikte diertje was gewoonlijk nergens anders op bedacht, dan om +zich stevig vast te houden, uit vrees voor den val. Nu gingen wij al +verder en verder naar den omtrek van de kroon, voortdurend den tak +schuddend, totdat wij met een vluggen greep het diertje konden pakken. + +De boeren aan de oevers van de Lena houden zich van het begin van +Maart tot in het midden van April voortdurend met de vangst van +Eekhoorns bezig; er zijn er, die meer dan 1000 vallen plaatsen. De +Toengoesen schieten ze met stompe pijlen, om het vel niet te bederven, +of gebruiken buksen met nauwen loop, met kogels ter grootte van een +erwt, en dooden het dier door het in den kop te treffen. Volgens +mondelinge mededeelingen van Radde is de Eekhoornjacht in het +zuidoosten van Siberië even onderhoudend als opwindend. Het gevangen +wild beloont den jager voor zijn moeite, want het vel, dat onder den +naam _petit gris_ (_grauwerk_, _feh_) bekend is, wordt als pelswerk +zeer geschat; de handel in dit artikel houdt een groot aantal menschen +bezig. De mooiste vellen komen uit Siberië; zij zijn des te donkerder +en kostbaarder, naarmate zij uit verder oostwaarts gelegen gewesten +afkomstig zijn; aan deze zijde van den Oeral zijn zij lichter van +kleur. Het ruggedeelte en het buikgedeelte van deze vellen worden +afzonderlijk verwerkt. Rusland en Siberië leveren jaarlijks 6 à +7 millioen vellen ter waarde van 1.800.000 gulden; slechts 2 à 3 +millioen vellen komen in West-Europa ter markt, de overige worden in +'t land zelf gebruikt of gaan naar China. Bovendien worden de staarten +afzonderlijk verwerkt tot "boa's"; van de staartharen maakt men goede +schilderspenseelen. Het witte, malsche, smakelijke vleesch wordt door +deskundigen overal gaarne gegeten. + + + +Ook de wouden van Amerika, Afrika en Indië worden vervroolijkt door de +tegenwoordigheid van Eekhoorntjes, die ten deele zeer fraai gekleurd +zijn; door hunne vlugge bewegingen trekken zij dikwijls niet minder dan +de Apen de aandacht van den onderzoeker. Bovendien laten sommige zich +zonder bezwaar in een hok verzorgen, waardoor men in de gelegenheid +is allerlei eigenaardigheden van deze dieren op te merken, die in +'t geheel niet waargenomen kunnen worden bij die, welke in vrijen +toestand in de wildernis leven. Een betrekkelijk zeer klein Afrikaansch +Eekhoorntje werd een tijdlang door Pechuel-Loesche aan de Loango-kust +verzorgd en nagegaan. Hij schrijft hierover: "Een allerliefst +Eekhoorntje met roestgele vacht, versierd met twee dubbele, zwarte +en witte zijdestrepen, werd mij eens levend ten geschenke gegeven. De +inboorlingen noemden het _Mkaka_. Blijkbaar was het geheel volwassen, +toch was het niet grooter dan een flinke Muis, zoodat men het in de +holle hand bergen kon. Binnen weinige dagen werd het zoo tam, dat +het zich voortaan vrij in de kamer mocht bewegen. Met het vroolijk en +zacht geroep van 'tik, tak,' dat telkens met een opwaartsche beweging +van den staart gepaard ging, begeleidde het zijne grappige spelen; +des nachts was het echter vlugger dan over dag. Zijne liefhebberijen +veranderden buitengewoon snel. Een tijdlang koos het, wanneer het +nu en dan ging zitten, bij voorkeur mijn inktpot als rustplaats uit, +poetste en kamde zich, en volgde intusschen al mijne bewegingen met +zijne schrandere oogjes. Als ik de pen indoopte, sprong het altijd +op mijn hand over, en wanneer ik deze terugtrok, nam het zijn vorige +plaats weer in. Daarna vond het mijn hoofd voor zetel geschikt, later +mijn schouder, kroop intusschen ook in het geopende hemd, in een van +mijne zakken, zoodat ik bij 't opstaan altijd vooraf nagaan moest, +of ik het kleine schepseltje, dat dikwijls onder de bedrijven in slaap +viel, niet op de een of andere plaats bij mij had. Als slaapplaats had +ik het een uitgeholde adansonia-vrucht aangewezen, die op een veilige +hoogte was opgehangen. Voortdurend was het bezig deze ruimte te vullen, +met zachte lapjes, pluisjes van watten en groote vlokken heede, die +het uit de kamer van mijn buurman wegnam, en naar boven vervoerde, +door langs een als ladder dienenden stok of langs het rieten beschot +omhoog te klauteren. + +"Wegens zijne bedrijvigheid en zucht naar veranderingen kwam het nooit +tot rust en schiep het nooit lang behagen in de zaken, die het tot +stand had gebracht. Het had nauwelijks een week gebruik gemaakt van +het zachte nest, of het begon al reeds de met moeite bijeengebrachte +bekleeding te versleepen en over te brengen naar een verleidelijk +hoekje op mijn boekenplank; nadat deze eenigen tijd als slaapplaats had +gediend, werd een derde nest aangelegd in een zak van de jas, die naast +mijn schrijfstoel aan den muur hing. Daar achtte het zich gedurende +geruimen tijd goed geborgen; ik meende dat het eindelijk tot rust zou +zijn gekomen. Toen ik echter op een goeden keer mijne waterlaarzen +wilde aantrekken, die ik, om ze tegen de Ratten te beveiligen, aan +een over een dakspant geslagen touw had opgehangen en die dus vrij +in de lucht zweefden, vond ik een van deze ingericht tot woning voor +mijn Eekhoorntje en tot het boveneinde gevuld met heede, watten en +vederen. Toen ontdekte ik ook, dat mijn rustelooze lieveling, evenals +de Ziesels de manie had allerlei glinsterende en gladde voorwerpen +te verzamelen: percussions, patroonhulzen, bontgekleurde scherven +en andere fraaiigheden, en ook de vingerhoed, die ik sedert geruimen +tijd miste, kwamen uit de laars te voorschijn. Voor het overige deed +het niet veel kwaad." + + + +De grootste en de kleinste Eekhoornsoort komen beide in den +Oost-Indischen archipel voor. De _Reuzen-eekhoorn_ (_Sciurus maximus_) +heeft een lichaamslengte van 43 cM. met een staart van gelijke +lengte, terwijl de op Sumatra en Borneo inheemsch _Dwerg-eekhoorn_ +(_Sciurus exilis_) zonder den 6 cM. langen staart, 6.5 cM. lang +is. Van alle zoö-geographische rijken is trouwens het Oostersche +gebied het rijkst aan Eekhoorns; niet minder dan 50 van de 100 à +120 tot dusver bekende soorten van het geslacht (_Sciurus_) komen in +dit gebied voor. Merkwaardig is hetgeen Wallace van deze dieren zegt, +naar aanleiding van een bezoek door hem gebracht aan den heuvel Boekit +Seboentang bij Palembang, die voor de begraafplaats van den stamvader +der voormalige Palembangsche vorsten wordt gehouden: "Op een plaats, +die ongeveer drie palen van de stad verwijderd is [1], rijst de +grond tot een kleinen heuvel, die door de inboorlingen als heilig +wordt beschouwd; eenige fraaie boomen, bevolkt door een kolonie van +half tam geworden Eekhoorntjes beschaduwen hem. Wanneer iemand hun +eenige broodkruimels, of eene of andere vrucht voorhoudt, komen zij +snel langs den stam naar beneden, grissen het aangeboden hapje uit +zijn vingers weg, en zijn in een oogwenk weder verdwenen. Zij dragen +hunne staarten recht omhoog, en het haar, dat grijs, geel en bruin +geringd is, spreidt zich gelijkmatig straalswijze rondom hen uit, +en geeft hun een allerliefst voorkomen. Zij bewegen zich eenigermate +op de wijze van Muizen, en gaan voort met kleine rukken, terwijl zij, +alvorens zich verder te wagen, met hunne groote, zwarte oogen strak +rondom zich staren. De wijze waarop de Maleiers zich dikwijls het +vertrouwen van wilde dieren weten te verwerven, vormt een aangenamen +trek in hun karakter, en is tot op zekere hoogte te verklaren uit de +kalme bedaardheid hunner manieren, en de voorkeur die zij aan rust +boven beweging geven. De kinderen zijn gehoorzaam aan de wenschen +hunner ouders, en schijnen niets te gevoelen van de neiging tot +kattekwaad, die men bij Europeesche jongens opmerkt. Hoe lang zouden +wel tamme Eekhoorns de boomen kunnen bewonen in de nabijheid van +een Engelsch dorp, al ware het zelfs vlak bij de kerk? De dorpsjeugd +zou, zoo zij ze niet strikte om ze in draaikooien op te sluiten, met +allerlei voorwerpen op hen mikken en hen spoedig verdrijven. Nooit +heb ik gehoord, dat deze aardige diertjes in Engeland op zoodanige +wijze werden tam gemaakt; doch ik geloof, dat dit gemakkelijk in het +park van ieder heerenhuis zou kunnen gebeuren, en dat tamme Eekhoorns +hier een even aardige en aantrekkelijke, als buitengewone vertooning +zouden opleveren." + +Ook de Eekhoorns van Java en Sumatra echter, halen zich de vervolging +van den mensch op den hals door de schade, die zij aanrichten. Zoo +wordt van den _Tweekleurigen_ en van den _Zwartgevlekten Eekhoorn_ +(_Sciurus bicolor_ en _S. nigro-vittatus_) bericht, dat zij voor de +koffieplantages lastige gasten zijn, omdat zij het sappige gedeelte +van den vruchtwand der koffiebessen verslinden. Een andere Eekhoorn +doet schade aan de Vijgeboomen, door het afknagen der eindknoppen, enz. + + + +Op de Dag-eekhoorns moeten wij de nachtelijk levende _Vliegende +Eekhoorns_ (_Pteromys_) laten volgen. Zij onderscheiden zich van +de leden van 't vorige geslacht vooral door de breede fladder-huid, +die hunne ledematen, met uitzondering van de voor- en achtervoeten, +aaneenverbindt. Door dit valscherm zijn de Vliegende Eekhoorns in +staat, om met gemak zeer groote sprongen in schuinsche richting +van boven naar beneden te doen; het bestaat uit een stevige huid, +die aan de voorste en achterste ledematen en aan beide zijden +van den romp bevestigd is, aan de rugzijde is zij dicht, aan de +buikzijde echter dun behaard. Bovendien wordt het voorste deel +van de fladderhuid nog gesteund door een beenige spoor aan den +handwortel. De staart, een krachtig stuurorgaan, is altijd flink +ontwikkeld; bij de verschillende soorten echter ongelijk behaard, +bij die van de eene groep n.l. eenvoudig ruig, bij die van de andere +bovendien tweerijig. Hierbij komen nog geringe verschillen in de +samenstelling van het gebit. + + + +De _Tagoean_ (_Pteromys petaurista_), het grootste lid van de geheele +familie, komt in lichaamsomvang ongeveer overeen met een Huiskat. De +fladderhuid begint aan de voorpooten, en strekt zich langs de zijden +van het lichaam uit tot de achterste ledematen; bovendien is nog +een klein verlengstuk van deze huid tusschen de voorpooten en het +achterste deel van den kop, en tusschen de achterpooten en het begin +van den staart aanwezig. In den toestand van rust wordt de fladderhuid +geplooid en tegen den romp aangelegd. Aan de bovenzijde van den kop, +op den rug en aan den wortel van den staart is de haarkleur een +mengsel van grijs en zwart. Aan de geheele onderzijde heeft de vacht +een vuil witachtig grijze kleur. De kleur van de fladderhuid wisselt +af van zwartbruin tot kastanjebruin aan de bovenzijde, de randen zijn +licht aschgrauw, de onderzijde is grijs met een eenigszins geelachtige +tint. De staart is zwart. + +De Tagoean bewoont alle gewesten van Oost-Indië en Ceylon, waar +uitgestrekte bosschen voorkomen; daar leeft hij afzonderlijk of bij +paren in de dichtste deelen van het woud, en bij voorkeur op de hoogste +boomen. Over dag slaapt hij in holle boomen, des nachts komt hij te +voorschijn, klimt en springt met buitengewone snelheid, behendigheid +en zekerheid van beweging in de boomkronen rond, of maakt zeer groote +sprongen van boven naar beneden om naburige boomen te bereiken. Daarbij +strekt hij zijne ledematen in horizontale richting zijwaarts en spant +hierdoor de fladderhuid tot een groot valscherm uit. De staart wordt +als stuurorgaan gebruikt en stelt het dier, naar men beweert, in staat +om door een plotselinge wending gedurende den sprong de richting van de +beweging te veranderen. Sanderson weerspreekt deze bewering en zegt, +dat het dier niet meer van de gekozen richting kan afwijken, nadat +het den sprong heeft aangevangen; de inboorlingen wachten het aan +het eindpunt van den sprong op en dooden het met een stokslag. Naar +men verhaalt, is de snelheid, waarmede deze dieren springen en andere +bewegingen maken, zoo buitengewoon groot, dat het oog hen bijna niet +volgen kan. + + + +In noordelijke gewesten komen Vliegende Eekhoorns voor met tweerijig +behaarden, langen, ruigen staart. Tot deze groep behoort de _Gewone +Vliegende Eekhoorn_, de _Ljoetaga_ der Russen (_Pteromys volans_), +die het noordelijke deel van Oost-Europa en bijna geheel Siberië +bewoont. Dit dier is aanmerkelijk kleiner dan ons Eekhoorntje; zijn +romp is zonder den 10 cM. langen, staart, slechts 16 cM. lang. De +dichte en voor 't gevoel zijdeachtige vacht is in den zomer aan +de bovenzijde vaalbruin; de bovenzijde van de "vlieghuid" en de +buitenzijde van de pooten zijn donkerder grijsbruin, de onderdeelen +zijn wit. In den winter wordt de vacht langer, dichter en lichter +van kleur; de bovendeelen en de staart zijn dan zilvergrijs. + +Het Gewone Vliegende Eekhoorntje bewoont groote berkenbosschen of +gemengde bosschen, waarin sparren, dennen en berken met elkander +afwisselen. De berken schijnen voor zijn leven noodzakelijk te +zijn; hierop wijst ook de kleur van de vacht, die over 't geheel +genomen evenzeer gelijkt op die van den berkenbast, als de kleur +van ons Eekhoorntje gelijkt op die van de schors van dennen en +sparren. Ofschoon het vel van den Ljoetaga als pelterij weinig waarde +heeft, wordt het toch door de Chineezen voor dit doel gebruikt. Iederen +winter worden een groot aantal van deze dieren gedood; hun aantal +neemt dan ook sterk af; uit vele streken waar zij vroeger veelvuldig +voorkwamen, zijn zij bijna geheel verdwenen; misschien komen zij er +echter nog talrijker voor, dan men meent. + +Hun voedsel bestaat uit noten en zaden van allerlei boomen, bessen, +knoppen, jonge spruiten en katjes van berken. Als de koude aanvangt, +vervallen zij in een afgebroken winterslaap: gedurende de koude dagen +slapen zij; als het weder zachter is, loopen zij iederen dag minstens +een paar uur rond. + + + +Een merkwaardig geslacht is dat van de _Aard-eekhoorns_ +(_Tamias_). Door het bezit van wangzakken, die zich tot aan het +achterhoofd uitstrekken, en door hun meer of minder onderaardsche +levenswijze vormen zij een overgang van de Eekhoorns tot de Ziesels; +zij stemmen echter meer met gene dan met deze overeen. De dun behaarde +staart is een weinig korter dan het overige lichaam; de vacht is kort +en niet zeer zacht, op den rug gewoonlijk met duidelijke, overlangsche +streepen geteekend. De weinige, hiertoe behoorende soorten bewonen +Oost-Europa, Siberië en Noord-Amerika. + + + +De _Boeroendoek_ of _Gestreepte Siberische Aard-eekhoorn_ (_Tamias +striatus_) is aanmerkelijk kleiner, maar plomper gebouwd dan onze +Eekhoorn. De kleur van de korte, ruige, dicht aanliggende vacht is aan +den kop, den hals en de zijden van den romp geelachtig, en bevat vele +lange haren met witte spitsen; over den rug loopen vijf overlangsche, +zwarte streepen, die strooken van ongelijke breedte begrenzen: de +middelste is boven de ruggegraat gelegen, de beide volgende strekken +zich van den kop tot aan de achterpooten uit, daartusschen bevindt +zich een bleekgele strook. De geheele onderzijde is geelachtig wit. + +Het vaderland van den Aard-eekhoorn van de Oude Wereld bestaat uit een +groot deel van Noord-Azië en een klein stuk van Oost-Europa. Hij is een +woudbewoner en komt zoowel in naaldboombosschen als in beukenbosschen +voor, het veelvuldigst echter daar, waar vele Russische ceders of +arven groeien, welker (ook voor den mensch) bruikbare zaden, hij +gaarne eet. Onder de wortels van deze boomen graaft hij zijn tamelijk +kunsteloos, eenvoudig hol, dat uit het eigenlijke nest en één, twee +of drie voorraadkamers bestaat, welke ruimten het dier door een lange +gekronkelde gang kan bereiken. Het voedt zich met zaden en bessen, +maar vooral met noten en graankorrels; van deze beide voedingsmiddelen +bevatten zijne voorraadschuren in sommige winters 5 à 8 KG., welke +proviand in de wangzakken er heen wordt gebracht. + +De Aard-eekhoorns worden door de landbouwers niet gaarne +gezien. Evenals de Muizen begeven zij zich naar de graanschuren en +richten hier, wanneer zij zeer talrijk zijn, groote schade aan. Hunne +gevulde voorraadschuren worden, evenals in andere landen die van de +Hamsters, opgegraven en geledigd. De Siberiërs trekken ook partij +van het vel van deze dieren, dat naar China wordt gezonden, waar het +gebruikt wordt voor het boorden en garneeren van andere pelterijen. + +De Aard-eekhoorns zijn door hunne fraaie kleur en sierlijke, vlugge +bewegingen geschikt om de belangstelling te wekken van hen, die gaarne +dieren in gevangenschap houden. Volkomen tam worden zij nooit, altijd +blijven zij vreesachtig en toonen lust tot bijten. + + + +De _Marmotten_ (_Arctomyinae_), die de tweede onderfamilie van +de Eekhoornachtigen vormen, onderscheiden zich van de Eekhoorns in +engeren zin door den loggeren, meer ineengedrongen romp, den korteren +staart en door eigenaardigheden van het gebit. Deze diergroep omvat +een tamelijk groot aantal soorten, die over Middel-Europa, Noord-Azië +en Noord-Amerika verbreid zijn. De meeste bewonen de vlakten, eenige +echter leven juist in de hoogste bergen van hun vaderland. Zij houden +zich op in droge, leemachtige, zandige of steenachtige gewesten, in +grasrijke vlakten en steppen, in bouwlanden en tuinen; de Marmotten, +die in de gebergten leven, geven echter aan de weiden, die boven de +grens van den boomgroei gelegen zijn, of aan de ravijnen en rotsdalen, +die tusschen deze grens en de sneeuwgrens voorkomen, de voorkeur +boven de genoemde vlakten. Alle soorten hebben vaste woonplaatsen +en trekken niet van het eene oord naar het andere. Zij graven diepe, +onderaardsche woningen en leven hier in gezelschappen, die dikwijls +uit een verbazend groot aantal individuën bestaan. Sommige hebben +meer dan één woning, en maken van de eene of de andere gebruik, al +naar het jaargetijde, of al naar de werkzaamheden, die zij juist dan +te verrichten hebben. Andere blijven jaar in jaar uit in hetzelfde +hol. Alle leven op den bodem; hoewel hare bewegingen ook nog snel en +vlug zijn, staan zij toch in dit opzicht bij de eigenlijke Eekhoorns +achter; eenige soorten komen ons zelfs log voor. Gras, kruiden, malsche +spruiten, jonge planten, zaden, veldvruchten, bessen, wortels, knollen +en bollen verschaffen haar voedsel; alleen die soorten, welke zich +met veel moeite in de boomen en struiken naar boven kunnen begeven, +eten jonge boombladeren en knoppen. Waarschijnlijk gebruiken ook zij, +behalve planten, Insecten en Zoogdieren tot voedsel, en verschalken +zij soms Vogels, die zich niet vlug kunnen bewegen, of plunderen hunne +nesten. Sommige soorten zijn schadelijk in koornvelden en tuinen; +het door haar veroorzaakte nadeel is echter niet belangrijk. Bij +het eten zitten zij als de Eekhoorntjes op haar achterwerk en +brengen het voedsel met de voorpooten naar den mond. Zoodra de +vruchten rijp zijn, beginnen zij winterprovisie te verzamelen en +hare onderaardsche voorraadschuren te vullen met grassen, bladen, +zaden en graanvruchten. Als de winter komt, verschuilen zij zich in +hare holen en vervallen hier in een diepen, onafgebroken winterslaap. + +Haar stem bestaat uit een meer of minder luid gefluit of gekef, +en een soort van geknor, dat, wanneer het zacht is, een tevredene +gemoedstemming te kennen geeft, maar anders toorn verraadt. Vele +soorten zijn hoogst opmerkzaam, voorzichtig en waakzaam, schuw +en vreesachtig; zij zetten wachten uit tot vermeerdering van de +veiligheid van het gezelschap, en vluchten bij het geringste vermoeden +van een naderend gevaar ten spoedigste naar hare onderaardsche +schuilplaatsen. Haar verstand blijkt hieruit, dat zij gemakkelijk +en in vrij hooge mate getemd kunnen worden. De meeste leeren hare +verzorgers kennen en worden zeer gemeenzaam; eenige geven zelfs +bewijzen van volgzaamheid en leerzaamheid, en laten zich tot het doen +van verscheidene kunstjes africhten. + +Zij vermenigvuldigen zich zeer sterk. Wel werpen zij gemiddeld slechts +eens 't jaar jongen, maar elke worp bestaat uit 3 à 10 stuks. + +Van sommige wordt het vel gebruikt, van andere wordt het vleesch +gegeten; ook zijn zij geschikt om, als huisgenooten van den mensch, tot +zijn tijdverdrijf te dienen; ander voordeel verschaffen zij ons niet. + + + +De eerste groep van de Marmotachtige Knaagdieren omvat de _Ziesels_ +(_Spermophilus_). Van deze verdient, als bewoner van Middel-Europa, +vermelding de _Gewone Ziesel_ (_Spermophilus citillus_), een aardig +diertje, bijna van de grootte van een Hamster (hoogstens 24 cM. lang, +zonder den 7 cM. langen staart; schouderhoogte omstreeks 9 cM.), maar +met veel slankeren romp en bevalliger kopje. Hij heeft een losse, +uit tamelijk stijve haren bestaande vacht, die aan de bovenzijde +geelachtig grijs is, met onregelmatige roestgele golflijnen en fijne +vlekjes, aan de onderzijde roestgeel, aan de kin en het voorste deel +van den hals wit. + +De Ziesel komt voornamelijk in het oosten van Europa voor. Albertus +Magnus heeft hem waargenomen in de nabijheid van Regensburg, waar +hij thans niet meer gevonden wordt; in den laatsten tijd breidt +zijn woongebied zich in Silezië hoe langer hoe verder naar 't westen +uit. Voor omstreeks 60 jaren kende men hem daar niet, sedert 50 jaren +echter is hij reeds in het westelijk deel van de provincie, en wel in +het regeeringsdistrict Liegnitz doorgedrongen en schrijdt vanhier uit +verder westwaarts voort. Naar het schijnt, heeft hij van alle verwante +soorten het uitgestrektste verbreidingsgebied. Met zekerheid kent men +hem als bewoner van het zuiden en midden van Rusland, van Galicië, +Silezië en Hongarije, Stiermarken, Moravië en Boheme, Karinthië, +Krain. Op de meeste plaatsen, waar de Ziesel zich ophoudt, komt hij +veelvoudig voor; soms veroorzaakt hij een aanmerkelijke schade aan den +landbouw. Droge, boomlooze gewesten strekken hem tot verblijfplaats, +vooral houdt hij van een samenhangenden zand- of leembodem, dus van +akkergrond en uitgestrekte grasvlakten. In den laatsten tijd is hij +volgens Herklotz, begonnen zich te vestigen in streken, die door +spoorwegen doorsneden worden; daar de spoordijken hem het graven +gemakkelijk maken, en voor regenbuien eenigszins beveiligen. Deze +dieren leven steeds gezellig, maar ieder hunner graaft zich zijn eigen +hol in den grond, het mannetje dichter bij de oppervlakte, het wijfje +dieper. De kamer ligt 1 à 1.5 M. onder de oppervlakte van den bodem, +is van langwerpig ronden vorm, heeft ongeveer 30 cM. middellijn +en wordt met droog gras gevoerd. Naar boven leidt altijd slechts +een enkele, nauwe gang, vóór welker opening een kleine hoop aarde +opgeworpen is. Andere ruimten van de onderaardsche woning dienen als +bewaarplaatsen van den wintervoorraad, die in den herfst bijeengebracht +wordt. Het hol, waarin het wijfje in de lente, gewoonlijk in April of +Mei, hare 3 à 8 hulpbehoevende, naakte en blinde jongen ter wereld +brengt is, om het teer geliefde kroost voldoende te beveiligen, +altijd dieper aangelegd dan het gewone, tot woning dienende hol. + +"Ofschoon de Ziesel zeer wantrouwig en voorzichtig is," schrijft +Herklotz, "geraakt hij toch aan dikwijls herhaalde storingen gewoon, +zoodat deze hem ten slotte in 't geheel niet meer hinderen. Op een +Hongaarschen spoorweg ontdekte ik aan het einde van een ten deele +in 't puin bedolven dwarslegger, een in den spoordijk doordringend +Zieselhol, waaraan ik door den reuk kon bemerken, dat het bewoond +werd. Om mij hiervan volkomen te overtuigen, ging ik op de loer liggen, +en het duurde niet lang of de Ziesel kwam te voorschijn. Een half +uur later kwam de trein aansnorren, de Ziesel schoot in zijn hol, +maar bleef met het halve lijf er buiten, liet rustig den trein over +zich heen ratelen, kwam toen dadelijk weer te voorschijn en hervatte +zijne vroegere bezigheden." + +Malsche kruiden en wortels, graansoorten, peulvruchten en allerlei +bessen, maken het gewone voedsel van den Ziesel uit. Tegen den aanvang +van den herfst begint hij voorraad in te zamelen, die hij op de +wijze van den Hamster in de wangzakken naar zijn hol vervoert. Als +de gelegenheid zich voordoet, wordt de Ziesel ook gevaarlijk voor +Muizen en voor Vogels die op den grond nestelen; want hij ontrooft +hun niet alleen de eieren, maar overvalt zelfs de volwassen Vogels, +als zij niet voorzichtig zijn, brengt ze een paar beten toe, vreet hun +de hersenen uit den kop en verslindt ze daarna geheel, met uitzondering +van de huid. Het voedsel houdt hij zeer sierlijk tusschen de voorpooten +vast en eet het op, terwijl hij in half opgerichte houding op zijn +achterwerk zit. + +De schade, die de Ziesel door zijne dieverijen veroorzaakt, +wordt alleen dan merkbaar, als het dier zich buitengewoon +sterk vermenigvuldigt. Maar de Hermelijnen, Wezels, Bunzingen en +Steenmarters, de Valken, Kraaien, Reigers en Trappen, zelfs de Katten, +de Rattenvangers en andere bekende verdelgers van Knaagdieren maken +ijverig jacht op hem. De Groote Trap o.a. vervolgt den Ziesel met +evenveel ijver als behendigheid, doodt hem door een snavelhouw +en verslindt hem met huid en haar. Ook de hand van den mensch is +tegen hem; hij wordt vervolgd zoowel wegens zijn vel, als om zijn +smakelijk vleesch; men vangt hem in strikken en vallen, graaft hem +uit of dwingt hem zijn hol te verlaten door er water in te gieten, +enz. Hierdoor wordt aan de sterke vermenigvuldiging van den Ziesel +paal en perk gesteld. + +Het is niet moeielijk den Ziesel levend te vangen. De spade brengt het +in zijn hol verborgen dier spoedig aan 't daglicht, of de arglistig +voor den ingang geplaatste val doet hem bij het verlaten zijner woning +de vrijheid verliezen. In dit geval gedraagt de Ziesel zich op een +zeer beminnelijke wijze. Hij maakt van den nood een deugd en sluit +langzamerhand vriendschap met den hem opgedrongen meester. Toch toont +hij niet zelden de eigenaardige streken van de Knaagdieren door duchtig +te bijten. Als hij goed behandeld wordt, kan de Ziesel verscheidene +jaren lang als gevangene in 't leven blijven. Met de Hazelmuis is +hij wel een van de aardigste dieren, die men in de kamer houden kan. + + + +De in Noord-Amerika levende _Prairie-hond_ (_Cynomys ludovicianus_) +verbindt in zekeren zin de Ziesels met de eigelijke Marmotten; +hoewel hij streng genomen tot gene behoort, gelijkt hij toch meer op +deze. De romp is ineengedrongen, de kop groot, de staart zeer kort, +ruig, van boven en aan de zijden gelijkmatig behaard; de wangzakken +zijn onbeduidend. Volwassen Prairie-honden kunnen, met inbegrip +van den ongeveer 7 cM. langen staart, een lengte van ongeveer 40 +cM. bereiken. De kleur van de bovenzijde is licht roodachtig bruin, +met grijs en een zwartachtige tint gemengd, die van de onderzijde is +vuilwit, de korte staart is aan de spits bruin gestreept. + +De naam "Prairiehond," die langzamerhand burgerrecht heeft gekregen, is +aan dit dier gegeven door de oude Canadeesche trappers of pelsjagers, +die het ontdekten, en welker aandacht vooral getrokken werd door het +blaffend geluid, dat het laat hooren. In zijn uitwendig voorkomen is +niets, wat aan den Hond herinnert. Zijne uitgestrekte verblijfplaatsen, +die men, wegens hun omvang "dorpen" noemt, worden geregeld gevonden +op eenigszins laag gelegen weiden, waar een sierlijke grassoort +een prachtig tapijt vormt en tevens aan de dieren het verkrijgen van +voedsel gemakkelijk maakt. "Tot welk een ongeloofelijke uitgestrektheid +de koloniën van deze vreedzame bodembewoners zijn aangegroeid," zegt +Balduin Möllhausen, "bemerkt men het best, wanneer men voortdurend, +dagen achtereen tusschen de kleine heuvels doortrekt, die ieder aan +twee of meer van deze dieren tot woonplaats dienen. De woningen zijn +gewoonlijk 5 à 6 M. van elkander verwijderd; iedere kleine heuvel, die +zich voor den ingang van zulk een woning verheft, bestaat vermoedelijk +uit een flinke wagenvracht aarde, die langzamerhand door de bewoners +uit de onderaardsche gangen aan de oppervlakte is gebracht. Sommige +woningen hebben één, andere twee ingangen. Een vastgetreden pad +leidt van de eene woning naar de andere; dit ziende, komt men tot het +vermoeden, dat er tusschen deze vlugge diertjes een innige vriendschap +moet bestaan. Tot de keuze van een plaats voor het aanleggen hunner +'steden' schijnen zij bepaald te worden door de aanwezigheid van een +korte grassoort met gekroesde bladen, die vooral op hoogvlakten tiert, +en die, met den wortel van een andere plantensoort, het eenige voedsel +van deze diertjes uitmaakt. Zelfs op de hoogvlakten van Nieuw-Mexico, +waar vele mijlen in 't rond geen druppel water te vinden is, treft +men dicht bevolkte vrijstaten van deze diersoort aan. Daar er in deze +streken verscheidene maanden achtereen geen regen valt, en men ook, om +het grondwater te bereiken, meer dan 30 M. diep moet graven, mag men +wel aannemen, dat de Prairie-honden geen ander water noodig hebben, +dan dat hetwelk door een sterken dauw van tijd tot tijd op de fijne +grashalmen wordt neergeslagen. Als de Prairie-hond den tijd voelt +naderen, waarin hij den winterslaap zal aanvangen, hetgeen gewoonlijk +in de laatste dagen van October geschiedt, sluit hij alle uitgangen +van zijn woning om zich tegen de koude winterlucht te beveiligen, en +geeft zich aan den slaap over, om niet eerder de onderwereld weder +te verlaten dan in de lentedagen, als de warmte hem tot een nieuw, +vroolijk leven opwekt. Volgens de verhalen van de Indianen, opent +hij dikwijls reeds de deuren zijner woning als het weder nog koud +is. Dit wordt dan beschouwd als een betrouwbaar voorteeken van de +spoedige komst van warme dagen. + +"Zulk een kolonie levert een merkwaardig schouwspel op, als het +gelukt, haar tot op korten afstand te naderen, zonder door de wachten +opgemerkt te worden. Zoover het oog reikt, ziet men overal leven en +beweging; bijna op iederen heuvel zit rechtop als een Eekhoorntje, de +kleine, geelachtig bruine Marmot; het naar boven gerichte staartje is +voortdurend in beweging en de fijne, blaffende stemmetjes van de vele +duizenden dieren, vereenigen zich tot een gonzend gedruisch. Als de +toeschouwer nog eenige schreden naderbij komt, hoort en onderscheidt +hij de zwaardere stem van de oude en ervaren hoofden; maar op +eens, als door een tooverslag, is al dit leven van de oppervlakte +verdwenen. Slechts hier en daar komt uit de opening van een hol de kop +van een verspieder te voorschijn, die door een aanhoudend, uitdagend +geblaf, zijne verwanten voor de gevaarlijke nabijheid van een mensch +waarschuwt. Als men dan gaat liggen, en zonder zich te bewegen met +geduld acht geeft op hetgeen er in de naaste omgeving voorvalt, +zal men na verloop van korten tijd de schildwacht weder zijn plaats +op den heuvel voor zijn deur zien innemen; door onophoudelijk te +blaffen, maakt hij zijne soortgenooten bekend met het ophouden van het +gevaar. Hij lokt daardoor de eene voor, de andere na uit de donkere +gangen aan de oppervlakte, waar weldra de vreedzame werkzaamheden +van deze gezellige dieren op nieuw een aanvang nemen. Uren lang zou +men, zonder verveling, dit aanhoudend afwisselend tafereel kunnen +beschouwen; 't is te begrijpen, dat menigeen dan de wensch in zich +voelt opkomen, de taal van deze dieren te leeren verstaan, om hunne +gesprekken te kunnen afluisteren en in hun gedachtenkring door te +dringen." + +Een opmerkelijk feit, voor welks juistheid verscheidene +natuuronderzoekers ons borg staan, is, dat de woningen der +Prairie-honden ook aan twee gevaarlijke vijanden van kleine Knaagdieren +huisvesting verschaffen. Het is volstrekt geen zeldzaamheid, Marmotten, +Aarduilen en Ratelslangen door dezelfde opening naar binnen te +zien gaan. + +"Ieder die met de prairie en hare bewoners goed bekend is", schrijft +Finsch, "weet, dat deze dieren vreedzaam in een en 't zelfde hol +bijeenwonen. De dierenopzetters in het verre westen, kiezen met +voorliefde dit klaverblad als voorbeeld voor een dierengroep, die +onder den naam van 'de gelukkige familie' bij de vreemdelingen niet +weinig verwondering wekt." + +Van de gevangen Prairie-honden bericht Haacke onder meer het volgende: +"Er zijn waarschijnlijk niet veel dieren, welker leven in den gevangen +staat zich zoo gemakkelijk tot een nagenoeg met de natuur overeenkomend +beeld van hun leven in den vrijen staat laat inrichten, als dat +van de Prairie-honden, welker kunstige woningen en merkwaardige +werkzaamheden met groote belangstelling door vele bezoekers van +den Frankforter dierentuin worden nagegaan. Nauwelijks waren in den +vorigen zomer de dieren weer toegelaten in ons Prairie-honden-park, dat +door eenige nieuwe inrichtingen verbeterd was, of hun onderaardsche +arbeid nam een aanvang. Des namiddags waren de dieren in 't park +toegelaten, den volgenden nacht reeds konden zij in hunne nieuwe +holen slapen. Bij het uitgraven van zijn hol gaat de Prairie-hond met +groote omzichtigheid te werk. Nooit begint hij te graven op den bodem +van den onderaardschen gang die hij verlengen wil, want daardoor +zou hij zich den uitweg versperren of althans zeer bemoeilijken; +steeds begint hij zijn arbeid in de onmiddellijke nabijheid van +den ingang. Hier wordt de aarde die van een vorigen keer is blijven +liggen, met de voorpooten onder den buik van het dier geschoven en +vervolgens met de achterpooten naar buiten geslingerd; zoo verdwijnt +het dier, dat afwisselend met de voor- en achterpooten arbeidt, +langzamerhand in de diepte. Met het graven der gangen is echter het +bouwen van de woning niet afgeloopen. Een belangrijk deel van den +hiervoor vereischten arbeid is het opwerpen van een ringwal om de +uitgangsopening, waardoor het hol tegen overstrooming gevrijwaard +wordt. Met dit doel wordt de uitgegraven aarde bijeengebracht. Al +wat te ver was voortgesmeten, wordt door de achterpooten weer in de +buurt van den ingang van het hol geworpen; daarna schuift het dier, +omdat hier degelijk werk verricht moet worden, de aarde zorgvuldig +met de voorpooten voor zich uit, en hoopt haar rondom den ingang +op. Om te maken dat zij hier blijft liggen en een flinken wal vormt, +wordt zij netjes met den neus vastgestampt; om de beste uitkomst te +verkrijgen, worden regendagen gekozen voor het stevig maken van den +wal en van de wanden van den ingang; men ziet op zulke dagen rondom +den ingang overal de indruksels van den neus van het dier. + +"Met het oog op de weersveranderingen brengt de Prairie-hond nu en dan +tijdelijke wijzigingen aan in zijn woning. Toen het in October koud +werd, maakten onze Prairie-honden drie van de vijf toegangsopeningen +tot hun hol dicht. Voor dit doel werden de wallen gedeeltelijk +afgebroken. Juist het tegendeel geschiedde, naar mij bleek, in den +zomer, als de zon na eenige regendagen veel warmte gaf en er voor het +uitdrogen van de woning gezorgd moest worden. Toen werden er, om het +ontwijken van den waterdamp te bevorderen, luchtgangen gegraven. Om +het hol bewoonbaar te maken, moet het leger van het dier met hooi +en dergelijke materialen bekleed worden. Bij droog weder werpen +wij onze Prairie-honden een handvol hooi toe. Met de voorpooten en +den bek maken de dieren van het hooi boschjes, die zoo dik zijn, +dat zij ze bijna niet met den mond kunnen vasthouden en verdwijnen +hiermede in de diepte. Op soortgelijke wijze handelen zij met papier; +geheele couranten worden tot een prop samengevouwen en in het hol +gesleept. Als het hooi van het leger te vochtig geworden is, nemen +zij het weg en vervangen het door nieuw hooi." + + + +Wat de Prairie-hond is in de Nieuwe Wereld, is de _Bobak_ (_Arctomys +bobac_) in de Oude Wereld: een bewoner van de vlakte. De lichaamslengte +van dit dier, dat men eerst in den laatsten tijd van de Marmot der +Alpen heeft leeren onderscheiden, bedraagt 37 cM., zonder den 9 +cM. langen staart; de tamelijk dichte vacht is vaal roestgeel. De +jongen zijn doffer van kleur dan de ouden. + +Het verbreidingsgebied van den Bobak strekt zich uit van 't zuiden +van Polen en Galicië over een deel van Centraal-Azië tot aan den Amoer +en misschien tot Kamtschatka en over den Himalaja tot in Sikkim. Hij +bewoont vlakten en steenachtige heuvels; zoowel bosschen als zandige +streken worden door hem gemeden, omdat deze hem het graven van +zijne diepe woningen niet veroorloven. Adams vond hem in de breedste +dalen van Kasjmir nog op hoogten van 2000 en zelfs van 3000 M. boven +den zeespiegel. Hier houdt hij zich op in vruchtbare vlakten, waar +gedurende den zomer een plantenkleed, dat veel afwisseling vertoont +maar niet hoog opgroeit, den bodem bedekt. Altijd en overal leeft +hij in gezelschappen, die uit een groot aantal individuën bestaan, +en geeft hierdoor aan vele gewesten een eigenaardig voorkomen: +tallooze heuvels, die men in de grassteppen van Centraal-Azië, +opmerkt, danken hun ontstaan hoofdzakelijk aan deze Marmotten, die +door hun bedrijvigheid den reiziger weten te boeien, en door hun +vleesch voor de menschen en voor vele dieren, die de steppe bewonen, +van groot belang zijn. + + + +Boven op de hoogste steengruishoopen der Alpen, waar geen boom, geen +struik meer groeit, waar geen Rund meer komt en waar de Geiten en +Schapen zich maar zelden vertoonen, zelfs op de kleine rotseilanden +midden tusschen de groote gletschers, waar de sneeuw slechts gedurende +hoogstens zes weken ieder jaar door de warme zonnestralen wordt +weggevaagd: daar woont een reeds sinds overouden tijd bekend lid +van de familie, wiens leven wel is waar, wat de hoofdzaken betreft, +overeenstemt met dat van zijne vroeger beschrevene verwanten, maar +wegens zijn eigenaardige woonplaats in vele opzichten er ook van +afwijkt. De Romeinen noemden dit dier _Alpenmuis_, de Savoyaarden +noemen het _Marmotta_, de bewoners van Engadin _Marmotella_. Van deze +namen zijn zoowel het Nederlandsche woord _Marmot_, als het Duitsche +woord _Murmelthier_ nabootsingen. In Bern heet het _Murmeli_, in +Wallis _Murmentli_ en _Mistbelleri_, in Gauwbunderland _Marbetle_ +of _Murbentle_, in Glarus _Munk_. + +Dit dier is ons tegenwoordig vreemder, dan het vroeger was. De arme +Savoyaardenjongens mogen niet meer zwerven; vroeger trokken zij tot +in ons land en nog verder noordwaarts met hun tammen Marmot op den +rug, om door de eenvoudige voorstellingen, die zij met hun eenige +bezitting in dorpen en steden gaven, eenige centen op te halen. Het +is met de Marmot gegaan als met het Kameel, den Aap en den Beer: zij +heeft opgehouden een bron van vreugde voor de dorpsjeugd te zijn; +men moet thans tamelijk ver reizen, tot in de dalen der Alpen, om +nog een levende Marmot te zien. + +De _Marmot_ (_Arctomys marmota_) kan, met inbegrip van den +11 cM. langen staart, een lengte van 62 cM. bereiken, bij een +schouderhoogte van 15 cM. Door gestalte en lichaamsbouw gelijkt zij op +hare verwanten. De beharing, die uit kort wolhaar en langer bovenhaar +bestaat, is dicht, overvloedig en tamelijk lang; de kleur is aan de +bovenzijde in meerdere of mindere mate bruinzwart, op de kruin en het +achterhoofd afgebroken door eenige witachtige stippen, in den nek, +aan den wortel van den staart en aan de geheele onderzijde donker +roodachtig bruin, aan de pooten, de zijden van den romp en aan het +achterwerk nog lichter, aan den snuit en aan de voeten roestgeelachtig +wit. De oogen en de klauwen zijn zwart, de snijtanden bruinachtig +geel. Men treft ook geheel zwarte of witte en parelkleurig wit gevlekte +exemplaren aan. + +Uit onderzoekingen van den laatsten tijd is gebleken, dat de Marmot +uitsluitend Europa bewoont. Zij houdt zich op in de hooge gebergten, +in de Alpen, Pyreneën en Karpaten, en meer bepaaldelijk in de hoogst +gelegen gedeelten, in de weiden die in de onmiddellijke nabijheid van +de eeuwigdurende ijs- en sneeuwvelden gelegen zijn, en daalt over 't +algemeen niet lager dan tot de boomgrens af. Als verblijfplaats kiest +zij vrije ruimten, die aan alle zijden door steile rotswanden begrensd +zijn of kleine, nauwe bergkloven tusschen alleenstaande spitsen, +bij voorkeur oorden, die zoo ver mogelijk van de tooneelen van 's +menschen bedrijvigheid verwijderd zijn. Hoe eenzamer het gebergte is, +des te veelvuldiger komt zij voor; daar waar de mensch druk verkeert, +is zij reeds uitgeroeid. In den regel bewoont zij alleen de naar 't +zuiden, oosten en westen gekeerde bergvlakten en hellingen, omdat zij, +evenals de meeste dagdieren, veel van de zonnestralen houdt. Hier +heeft zij hare holen gegraven, sommige klein en eenvoudig, andere +dieper en op ruimer schaal aangelegd, gene voor den zomer bestemd, +deze voor den winter, gene tot beschutting tegen voorbijgaande +gevaren of ongunstige weersveranderingen, deze om als schuilplaats te +dienen gedurende den vreeselijk strengen winter, die hierboven 6, 8, +ja zelfs 10 maanden lang den schepter zwaait. Minstens twee derden +van het jaar verslaapt dit merkwaardige wezen, soms nog veel meer, +want op zijne hoogst gelegen woonplaatsen duren zijn groei en zijn +leven boven den grond ternauwernood een zesde deel van het jaar. + +Het leven van de Marmot gedurende den zomer is zeer +merkwaardig. Volgens Tschudi vertoonen zich met het aanbreken van +den dag in de eerste plaats de oude dieren; zij steken voorzichtig +den kop buiten het hol, kijken rond, luisteren, wagen zich dan +langzaam geheel naar buiten, loopen eenige schreden omhoog, gaan op +de achterpooten zitten en plukken vervolgens gedurende eenigen tijd +zelfs het kortste gras met ongeloofelijke snelheid af. Korten tijd +daarna ziet men ook de kopjes van de jongen zich boven den ingang +van de woning verheffen; zij sluipen naar buiten, grazen een weinig, +liggen uren lang in de zon, gaan rechtop zitten en spelen lief met +elkander. Alle oogenblikken kijken zij om en letten met de grootste +opmerkzaamheid op al wat er in de omgeving voorvalt. Het eerste +dier, dat een verdacht verschijnsel opmerkt, een Roofvogel, een +Vos of een mensch, fluit luid en zwaar door den neus; sommige van +de overige herhalen dit en in een oogwenk zijn alle verdwenen. In +verscheidene gevallen heeft men van deze diertjes in plaats van +fluiten een luid gekef vernomen; dit heeft misschien tot den naam +"Mistbelleri" aanleiding gegeven. Of zij in den regel wel eigenlijke +wachten uitzetten, is nog niet uitgemaakt. Hun kleinheid vermindert +het gevaar van ontdekt te worden, terwijl bovendien het gezicht en +in nog hoogere mate het gehoor en de reuk bij hen zeer scherp zijn. + +Gedurende den zomer wonen de Marmotten afzonderlijk of paarsgewijs +in haar eigen zomerwoningen, die door gangen van 1 à 4 M. lengte, met +zijgangen en vluchtopeningen voorzien, bereikt kunnen worden. Deze zijn +dikwijls zoo nauw, dat het bijna niet mogelijk schijnt er den vuist +in te steken. De losgegraven aarde werpen zij slechts voor een zeer +klein deel naar buiten; voor het meerendeel trappen of drukken zij haar +vast in de gangen, die hierdoor hard en glad worden. De uitgangen zijn +meestal onder steenen aangebracht. De kamer is niet zeer ruim. Hier +heeft, waarschijnlijk in April, de paring plaats; het wijfje werpt +6 weken later 2 à 4 jongen, die in den eersten tijd zeer zelden voor +het hol komen, dat zij tot in den volgenden zomer met de ouden deelen. + +Tegen den herfst graven zij op een minder hoog gelegen plaats van 't +gebergte een winterwoning, die zelden dieper dan 1 1/2 M. onder de +oppervlakte ligt. De zomerwoning bevindt zich dikwijls niet minder +dan 2600 M. boven den zeespiegel, terwijl de winterwoning in den +regel in den gordel van de bovenste Alpenwilgen, dikwijls echter ver +onder de boomgrens ligt. Deze woning, bestemd voor de geheele familie, +die uit 5 à 15 individuën bestaat, is zeer ruim. De jager herkent het +bewoonde winterhol zoowel aan het hooi, dat er vóór verspreid ligt, +als aan de ingangsopening, die ongeveer de grootte heeft van een vuist, +maar van binnen goed met hooi, aarde en steenen verstopt is, terwijl +de gangen van de zomerwoning altijd open zijn. Als men de bouwstoffen +uit de ingangsopening wegneemt, vindt men eerst een van aarde, zand +en steenen goed gemetselde, verscheidene voeten lange galerij, de +zoogenaamde "spon". Als men deze eenige Meter ver nagaat, komt men +weldra aan een plaats, waar de gang zich in tweeën verdeelt. De eene +tak, waarin zich gewoonlijk drek en haren bevinden, is niet lang; hij +heeft waarschijnlijk de bouwstof voor het bekleeden en stevig maken +van de wanden van de hoofdgang geleverd. Deze stijgt nu langzamerhand +omhoog en komt eindelijk uit in een ruime kamer, de verblijfplaats +van de winterslapers, die dikwijls 8 à 10 M. boven den ingang van het +hol gelegen is. Meestal is de kamer eirond of bakovenvormig, met kort, +zacht, dor, gewoonlijk roodbruin hooi gevuld, dat gedeeltelijk ieder +jaar vernieuwd wordt. Reeds in Augustus n.l. beginnen de schrandere +diertjes gras af te bijten, te drogen en met den bek naar het hol +te vervoeren; zij hoopen er hier zulk een grooten voorraad van op, +dat een man het dikwijls niet alleen zou kunnen wegdragen. Vroeger +werden van dezen hooioogst curieuze fabelen verteld. Men zei, dat een +Marmot op den grond ging liggen, zich met hooi beladen en vervolgens +bij wijze van een slede naar het hol trekken liet. Aanleiding tot +dit verhaal vond men in het feit, dat bij vele Marmotten het haar +van den rug geheel afgesleten is, wat echter alleen een gevolg is +van het kruipen door de nauwe gangen van het hol.--Behalve de beide +genoemde woningen heeft de Marmot nog afzonderlijke vluchtgangen, +waarin zij zich verbergt, als haar gevaar dreigt. Als zij haar hol +niet bereiken kan, verbergt zij zich onder steenen en in rotskloven. + +De bewegingen van de Marmot zijn zonderling. Haar gang is een hoogst +eigenaardig gewaggel, waarbij de buik bijna of geheel over den grond +sleept, en dat daarom een breed spoor achterlaat. Eigenlijke sprongen +heb ik de Marmotten, mijne gevangenen althans, nooit zien doen; +hiervoor zijn zij te log. Hoogst zonderling ziet het dier er uit, als +het opzit; het rust dan kaarsrecht op zijn achterste, stijf als een +stok; het heeft den staart loodrecht van 't lichaam afgebogen, laat de +voorarmen slap naar beneden hangen en kijkt opmerkzaam de wereld rond. + +Frissche en sappige Alpenplanten, kruiden en wortels vormen het +voedsel van de Marmot. Zelden gaat zij naar de drinkplaats, maar als +zij er komt, drinkt zij veel op eens, smakt intusschen en richt na +elken slok den kop omhoog, evenals de Hoenderen en de Ganzen. Uit +de mededeelingen van verscheidene onderzoekers schijnt te blijken, +dat de Marmot een voorgevoel van weersveranderingen heeft. + +Evenals de meeste winterslapers zijn de Marmotten in den nazomer +en in den herfst buitengewoon vet. Zoodra de eerste vorst aanvangt, +houden zij op met eten, maar drinken nog veel en dikwijls, ontlasten +zich vervolgens van hunne uitwerpselen en betrekken nu familiesgewijs +de winterwoningen. De kamer, welker zijwanden en bodem met een dikke +laag droog hooi gevoerd zijn, is het gemeenschappelijke leger van +het geheele gezelschap. Hier rusten de leden van het gezin dicht +bijeen. Alle levenswerkzaamheden zijn tot op het allergeringste +bedrag verminderd; ieder dier blijft bewegingloos en koud, door een +op den dood gelijkende verstijving bevangen, in de eens aangenomen +houding liggen; duidelijke bewijzen van leven zijn niet meer waar +te nemen. De temperatuur van het bloed is verminderd tot op die van +de lucht, welke het hol vult; de ademhalingen hebben slechts 15 maal +per uur plaats. Als men een Marmot, die in winterslaap verkeert, uit +haar hol neemt, en haar in een verwarmd vertrek brengt, wordt eerst, +zoodra haar lichaamstemperatuur tot 21° C. gestegen is, de ademhaling +duidelijker, bij 25° begint zij te snorken, bij 27.5° strekt zij de +ledematen uit, bij 31° C. ontwaakt zij, beweegt zich als bedwelmd +heen en weer, komt langzamerhand bij en begint eindelijk te eten. In +het voorjaar komen de Marmotten in zeer vermagerden toestand voor de +opening van haar winterwoning, zien smachtend uit naar iets eetbaars, +en moeten dikwijls ver loopen, om aan de hoeken en kanten der bergen, +daar waar de wind de sneeuw heeft doen verstuiven, een weinig verdord +gras te vinden.--De jacht en de vangst van de Marmot bieden vele +moeilijkheden aan. De naderende jager wordt bijna altijd door het een +of ander lid van het gezelschap bemerkt en den overigen door een luid +gefluit aangekondigd. Men vangt ze in allerlei vallen; ook graaft men +ze soms in 't begin van den winter op. Terecht is in vele Zwitsersche +kantons het opgraven van de Marmotten verboden, daar zij door deze +handelwijze na verloop van korten tijd geheel en al uitgeroeid zouden +worden; de eigenlijke jacht daarentegen wordt voor haar nooit zeer +gevaarlijk. In gevallen van uitersten nood verdedigen de Marmotten +zich moedig en vastberaden tegen hare vijanden door hevig te bijten +of van hare stevige klauwen gebruik te maken. + +Voor den Alpenbewoner is dit kleine dier van belang, omdat het hem +voedsel verschaft; bovendien levert het hem geneesmiddelen voor +allerlei ziekten. + +Om Marmotten in gevangenschap te houden en te temmen, doet men het best +de jongen te nemen, wanneer zij voor de eerste maal uitgaan, hoewel +het moeilijk is ze aan hun moeder te ontrooven. Zeer jong gevangen +Marmotten, die nog gezoogd worden, zijn moeilijk groot te brengen +en bezwijken gewoonlijk spoedig, zelfs bij de beste verzorging; +de halfwassen dieren kunnen gemakkelijk gevoederd en lang in 't +leven gehouden worden. Hun voedsel bestaat in den gevangen staat uit +verschillende plantaardige stoffen en uit melk. Als men zich met hen +bemoeit, worden zij weldra bijzonder tam, zijn gehoorzaam en leerzaam, +leeren hun verzorger kennen, komen, wanneer hij hen roept, nemen +allerlei standen aan, springen in opgerichte houding rond, loopen +met een stok, enz. Het onschadelijke en gezellige dier wordt dan de +lieveling van jong en oud, ook wegens zijn zindelijkheid en netheid. + + + +Op de familie van de Eekhoornachtigen laten wij een groep van +lieftallige, kleine Knaagdieren volgen, die men onder den naam +_Slaapmuizen_ (_Myoxidae_) kan samenvatten. Haar gestalte en haar +aard wettigen haar plaatsing in de nabijheid van de Eekhoorns, van +welke zij zich echter door eigenaardigheden van den lichaamsbouw +duidelijk onderscheiden. Zij hebben een smallen kop, met een meer +of minder spits toeloopenden snuit, tamelijk groote oogen en groote, +onbehaarde, vliezige ooren, een gedrongen romp, matig lange ledematen, +fijn gebouwde voeten; de voorste hebben 4 teenen en in plaats van den +duim, een wratje, dat een platten nagel draagt; aan de achtervoeten +komen 5 teenen voor; de staart is middelmatig lang, dicht, ruig en +tweerijig behaard; de vacht is goed gevuld en zachtharig. + +Men kent tot dusver ternauwernood meer dan een half dozijn goed +omschreven soorten van deze familie; alle zijn bewoners van de +Oude Wereld. Heuvelachtige of bergachtige gewesten, en hierin meer +bepaaldelijk wouden en woudzoomen, kreupelbosschen en tuinen, zijn +hare verblijfplaatsen. Zij leven op en in de boomen, minder dikwijls +in door haar zelf gegraven holen in den grond, tusschen boomwortels of +in spleten van rotsen en muren; in alle gevallen verbergen zij zich +zooveel mogelijk. Verreweg de meeste slapen over dag, en gaan alleen +gedurende de duisternis haar voedsel zoeken. Om deze reden krijgt men +ze slechts zelden en alleen bij toeval te zien. Wanneer zij den slaap +uit hebben, maken zij zeer vlugge bewegingen. Zij kunnen uitmuntend +loopen en nog beter klimmen, maar kunnen niet, zooals de Eekhoorns, +bijzonder groote sprongen doen. + +In gematigde gewesten vervallen zij bij den aanvang van den winter in +een toestand van verstijving, en brengen den winter slapend in hare +nesten door. Sommige verzamelen voorraad voor dezen tijd, en maken +hiervan gebruik, wanneer zij tijdelijk wakker zijn; andere hebben dit +niet eens noodig, daar zij zich vooraf zoozeer gemest hebben, dat zij +op haar vet kunnen teren. Haar voedsel bestaat uit allerlei vruchten +en zaden; de meeste gebruiken echter ook Insecten, benevens eieren +en jongen van Vogels. Bij het eten zitten zij, evenals de Eekhoorns, +op haar achterwerk, en brengen de spijzen met de voorpooten naar den +mond. Een noemenswaard voordeel verschaffen de Slaapmuizen ons niet; +wel kunnen zij ons benadeelen door hare rooverijen in tuinen. + +Het eerste geslacht is dat der _Relmuizen_ of _Zevenslapers_ +(_Myoxus_). zoo genoemd naar de meest bekende van de beide hiertoe +behoorende soorten: de _Gewone Relmuis_ of _Zevenslaper_ (_Myoxus +glis_), Duitsch: _Bilch_, Fransch: _Loir_ (afgebeeld op p. 284). De +naam van dit in Zuid- en Oost-Europa voorkomend dier is meer algemeen +bekend dan zijn gestalte en zijn uitzicht. In de oude geschiedboeken +wordt vermeld, dat deze dieren lievelingen waren van de Romeinen, +die bepaalde inrichtingen hadden voor hun verzorging. Eiken- en +beukenboschjes omgaf men met gladde muren, waarlangs de Zevenslapers +niet konden opklimmen; binnen deze omheining legde men verscheidene +holen aan voor rust- en slaapplaatsen; met eikels en kastanjes voederde +men de dieren, om ze ten slotte in groote aarden potten, van 2 voet +middellijn, glirariën genaamd, geheel vet te mesten. De opgravingen +te Herculaneum hebben ons de glirariën, die voor de laatste mesting +bestemd waren, doen kennen als half bolvormige schalen, met veel +luchtgaten, die langs de binnenwanden met terrasvormige oneffenheden +voorzien waren om de dieren gelegenheid tot klimmen te geven; van boven +waren zij met een nauwmazig traliewerk van metaal gesloten. Hierin +werden verscheidene Zevenslapers opgesloten en rijkelijk van voedsel +voorzien. De gemeste dieren prijkten, na gebraden te zijn, als een +groote lekkernij op den disch van rijke fijnproevers. + +De Zevenslaper bereikt een lichaamslengte van 16 cM., zonder den +13 cM. langen staart. De zachte, tamelijk dichte vacht is aan de +bovenzijde eenkleurig aschgrauw, overtogen met een zwartachtig bruin +waas, dat meer of minder donker kan zijn; hiervan is de melkwitte en +als zilver glinsterende kleur van de onderzijde van den romp en van +de binnenzijde der pooten scherp afgescheiden. + +Het verbreidingsgebied van den Zevenslaper reikt van Spanje, +Griekenland en Italië tot Zuid- en Middel-Duitschland. In Oostenrijk, +Stiermarken, Karinthië, Moravië, Silezië, Bohemen en Beieren komt hij +veelvuldig voor; in Kroatië, Hongarije en Zuid-Rusland is hij algemeen; +in het noorden van Europa, en reeds in 't noorden van Duitschland, +in Nederland, Engeland en Denemarken ontbreekt hij. Hoofdzakelijk +bewoont hij het Middelgebergte, bij voorkeur droge eiken- en +beukenbosschen. Over dag houdt hij zich verscholen, tegen den avond +komt hij uit zijne schuilplaatsen te voorschijn, zwerft 's nachts +rond en zoekt zijn voedsel. Zoo leeft hij zoolang de zomer duurt. + +Waarschijnlijk zijn weinig Knaagdieren vraatzuchtiger dan de +Zevenslapers. Hij vreet zoolang hij iets te vreten heeft. Eikels, +beukenoten en hazelnoten maken misschien zijn gewone voedsel uit; +walnoten, kastanjes, zoet en saprijk ooft worden echter ook niet +versmaad; dierlijk voedsel is, naar het schijnt, onontbeerlijk voor +hem; althans hij overvalt, doodt en verslindt ieder klein dier, dat +hij overmeesteren kan. Voortdurend hoort men het kraken van de noten, +die hij stuk maakt, en het vallen van de uitgevreten vruchten, die hij +naar beneden werpt. Als de herfst komt, begint hij winterproviand in te +zamelen en deze in zijne holen op te bergen. In dezen tijd is hij al +"zoo vet als modder", maar blijft toch nog zoo lang mogelijk eten; +daarna denkt hij aan het gereedmaken van zijn winterkwartier. Met +dit doel bouwt hij in diepe holen in den grond, in gaten en spleten +van rotsen en oude muren en ook wel in diepe holten van boomstammen +een nest van zacht mos, rolt zich, gewoonlijk in gezelschap van +verscheidene soortgenooten, in dit nest op, en valt, reeds lang, +voordat de thermometer vorst aanwijst, in een diepen slaap, in de +koude bergstreken reeds in Augustus, in de warmere vlakte eerst tegen +October. Men merkt nu bij hem de gevoelloosheid van alle winterslapers +op; misschien heeft hij wel de meest vaste slaap van hen allen. Men +kan hem gerust uit het nest nemen en wegdragen; hij blijft koud +en beweegt zich niet. In de warme kamer ontwaakt hij langzamerhand, +maakt bewegingen met de pooten, beweegt zich hoe langer hoe meer, maar +ziet er ook thans nog zeer slaperig uit. In de vrije natuur ontwaakt +hij soms vanzelf gedurende den winter en gebruikt dan een deel van +zijn voedselvoorraad, eigenlijk zonder te weten, wat hij doet. In +den regel ontwaakt de Zevenslaper eerst zeer laat in 't voorjaar, +zelden voor het einde van April. Zijn winterslaap duurt volle zeven +maanden; hij draagt zijn naam dus te recht. + +De Zevenslaper heeft veel te lijden van zijne talrijke vijanden. De +Boommarter en de Bunzing, de Wilde Kat en de Wezel, de Ooruil en +de Uil zijn wel de ergste van zijne vervolgers, en hoewel hij zich, +zelfs tegen de sterkste vijanden met veel moed verdedigt, delft hij +toch het onderspit. Daar waar hij veelvuldig voorkomt, maakt de mensch +ijverig jacht op hem, ten deele om zijn vleesch, ten deele om zijn +vel; hij wordt meestal in kunstmatige winterwoningen, in kuilen of in +andere vallen gelokt. In Beneden-Krain vangen de boeren hem in vallen +met springveeren, waarin zij als lokaas een sappige peer of pruim +leggen. Bovendien begraaft men vaten in den grond, die gedeeltelijk +met ooft gevuld zijn en van boven slechts één toegangsopening hebben, +n.l. een buis, waarin op zulk een wijze ijzerdraden zijn aangebracht, +dat de Zevenslaper wel in het vat doordringen kan, maar er niet weer +uit kan komen. Hierin vangt men deze dieren soms in zoo grooten getale, +dat menige jager gedurende één herfst er 200 à 400 stuks buit maakt. + +De Zevenslaper wordt betrekkelijk zelden in gevangenschap +gehouden. Zijn gemoedsaard is niet bepaald aangenaam, zijn grootste +deugd is zindelijkheid; voor 't overige is hij niet geschikt om de +belangstelling van zijn verzorger te behouden. Voortdurend verkeert +hij in een prikkelbare stemming, sluit volstrekt geen vriendschap met +den mensch, maar bromt woedend met een eigenaardige, snorkende stem +tegen ieder die zich verstout, hem te naderen. Ook de jongen, die in +gevangenschap geboren worden, zijn en blijven even onbeminnelijk als +de oude dieren. + + + +De _Boomslaper_ (_Myoxus dryas_) kan men aanmerken als een +overgangsvorm tusschen de Zevenslapers en de Tuinslapers; hij bereikt +in 't geheel een lengte van 17 cM., waarvan ongeveer de helft op +den staart komt; op den kop en aan de rugzijde van den romp is zijn +kleur roodachtig bruin of bruinachtig grijs; de witte kleur van de +onderdeelen is er scherp van afgescheiden. Onder de oogen begint een +zwarte streep, deze omvat, breeder wordend, de oogen en zet zich voort +tot aan de ooren. De staart is van boven donker bruinachtig grijs, +van onderen wit. + +Het verbreidingsgebied van den Boomslaper strekt zich uit van +Zuid-Rusland westwaarts tot Hongarije, Neder-Oostenrijk en Silezië; +in de westelijkste van deze landen komt hij echter slechts zelden +voor. Zijn levenswijze stemt, voor zoover men weet, in hoofdzaak met +die van de Zevenslapers en Tuinslapers overeen. + + + +De _Tuinslapers_ (_Eliomys_) verschillen voornamelijk door hun gebit +van de Zevenslapers. Bij deze hebben de kiezen van zes tot acht +dwarsstrepen en slijten vlak af; bij de Tuinslapers is het aantal +dwarsstrepen geringer en wordt de kroonvlakte van de kiezen door het +afslijten eenigszins uitgehold. Uitwendig zijn de Tuinslapers kenbaar +aan den staart, die aan den wortel met kort, aanliggend haar begroeid, +aan de spits lang behaard, ruig en tweekleurig is. Evenals de leden van +het vorige geslacht, verschillen zij van die van het volgende, doordat +de bovenzijde van 't lichaam een andere kleur heeft dan de onderzijde. + +De _Tuinslaper_ of _Groote Hazelmuis_ (_Eliomys nitela_, afgebeeld +op p. 284) (niet te verwarren met de Echte Hazelmuizen, die tot het +volgende geslacht behooren) bereikt een lichaamslengte van hoogstens +14 cM., zonder den 9.5 cM. langen staart. De kop is, evenals de +bovenzijde van den romp, roodachtig grijsbruin, de onderzijde wit. + +De Groote Hazelmuis, die reeds in den ouden tijd aan de Romeinen +onder den naam _Nitela_ bekend was, behoort hoofdzakelijk thuis +in de gematigde gewesten van Middel- en West-Europa. In Nederland +komt zij niet voor, wel echter in België, Frankrijk, Zwitserland, +Italië, Duitschland, Hongarije, Galicië, Zevenbergen en de Russische +Oostzee-provinciën. In Duitschland is zij in sommige streken, b.v. in +de Hartz, zeer veelvuldig. Haar voedsel is gelijk aan dat van den +Zevenslaper. Zij doet zich echter in de huizen der bergbewoners +te goed aan vet, boter, spek en ham; ook eet zij eieren en jonge +Vogels en doet dit vaker dan haar langzamere stamgenoot, die veel +minder goed kan springen en klimmen. Haar nest verschilt van dat van +'t laatstgenoemde dier, doordat het vrij opgehangen is tusschen +boomtakken; zij maakt echter als schuilhoek ook wel gebruik van +gaten in muren, van verlaten rattennesten en mollengangen en van +andere holen in het gesteente en in den grond. Opmerkelijk is het, +dat de overigens zeer zindelijke Tuinslaper weinig zorg draagt voor +zijn nest, zoodat dit in den regel in de hoogste mate vuil is. + +Voor den winterslaap zoekt de Groote Hazelmuis droge en gedekte +gaten in boomen of in muren en ook wel mollengangen op; ook begeeft +zij zich soms naar de in 't woud staande boerderijen, tuinhuizen, +schuren, hooischuren, kolenbrandershutten en andere gebouwen en +vindt daar allicht een geschikte slaapplaats. Gewoonlijk slapen +verscheidene van deze dieren bij elkander in één nest, het geheele +gezelschap dicht ineengerold, bijna tot één klomp vereenigd. Zij slapen +onafgebroken, maar niet zoo vast als andere dieren met winterslaap; +want telkens als het weder zacht wordt, ontwaken zij, gebruiken iets +van hun wintervoorraad en slapen eerst weder in, wanneer de koude op +nieuw begint. + +De Groote Hazelmuis wordt zeer ongaarne gezien in tuinen, waar +fijne soorten van ooft gekweekt worden. Eén enkel dier is in staat +om de geheele perziken- of abrikozenoogst te vernielen. Bij hare +snoeperijen geeft zij bewijzen van een buitengewoon fijnen smaak. Zij +zoekt de beste en sappigste vruchten uit, knaagt echter ook andere om +ze te keuren, en vernielt op deze wijze veel meer, dan zij eigenlijk +opeet. Daar zij den mensch niet anders dan schade veroorzaakt en zoomin +door haar vleesch als door haar vel eenig nut doet, wordt zij door de +eigenaars van tuinen ijverig vervolgd. Het best kan men haar vangen +in draadstrikken, die men vóór de leiboomen ophangt, of in kleine +klemmen, die op een geschikte plaats neergelegd worden. Maar beter +nog dan door zulke vallen, wordt de tuin voor deze brutale gauwdieven +beveiligd door een goede Kat. Marters, Wezels, Ooruilen en Uilen maken +ijverig jacht op de Hazelmuis. Daarom is het voor eigenaars van tuinen, +die dicht bij het woud wonen, zeer raadzaam, alle bondgenooten in +den strijd tegen schadelijke Knaagdieren zooveel mogelijk te sparen. + +De Groote Hazelmuis is, evenmin als de Zevenslaper, geschikt om +getemd te worden. Zelden geraakt zij aan den mensch gewend en bij +iedere verrassing maakt zij onmiddellijk, en dikwijls op een wijze, +die voor den aangevallene hoogst pijnlijk is, van hare scherpe +tanden gebruik. Van den roofgierigen aard dezer dieren kan men +zich gemakkelijk overtuigen door na te gaan, hoe zij zich in de +gevangenschap gedragen. Zij vereenigen den bloeddorst van de Wezel +met de vraatzucht van de andere Relmuizen, vallen met ware woede op +ieder Gewerveld Dier aan, dat men in haar hok brengt, dooden in een +oogwenk een Vogel, maken binnen weinige minuten voor goed een einde +aan den tegenstand van een bijtlustige Muis en vallen zelfs elkander +aan. "Wanneer verscheidene Tuinslapers bij elkander opgesloten worden," +zegt Weber, "moeten zij voortdurend rijkelijk voorzien worden met +voedsel--noten, beukenoten, ooft, wittebrood, hennep, lijnzaad +enz.,--en met drinkwater; bovendien moet men door het matig warm +houden van de ruimte, waarin de dieren zich bevinden, er voor zorgen, +dat zij wakker blijven, en niet in winterslaap vervallen. De honger +heeft onvermijdelijk een strijd tusschen hen tengevolge, waarvan het +einde steeds is, dat de eene kampioen sneuvelt en door den anderen +wordt opgegeten. De winterslaap wordt voor het dier, dat er door +bevangen wordt, even noodlottig als de nederlaag voor den overwonnen +strijder. Als van verscheidene in eenzelfde hok opgesloten Tuinslapers +er een in winterslaap vervalt, terwijl de overige nog wakker zijn, +dan is hij verloren; hij wordt door zijne verraderlijke kameraads +doodgebeten en verslonden. Iets dergelijks geschiedt, als verscheidene +in winterslaap verkeerende Tuinslapers achtereenvolgens wakker worden; +die, welke het eerst ontwaakt, doodt den eenen weerloozen slaper na +den anderen. De gewone dagelijksche slaap levert minder gevaar op, +omdat het aangevallen dier spoedig ontwaakt en zijn leven verdedigt." + + + +Het derde geslacht van de familie der Slaapmuizen omvat de +_Hazelmuizen_ (_Muscardinus_), die hoofdzakelijk door haar gebit, +en meer bepaaldelijk door het aantal dwarsstrepen op de kiezen, +van de leden der beide vorige geslachten verschillen. Bovendien zijn +de boven- en onderzijde nagenoeg gelijk van kleur en is de staart, +evenals bij de Zevenslapers, over zijn geheele lengte gelijkmatig +behaard, hier echter tamelijk kort. + +In Europa leeft slechts een enkele soort van dit geslacht, n.l. de +_Hazelmuis_ of _Kleine Hazelmuis_ (_Muscardinus avellanarius_), +een van de aardigste, bevalligste en behendigste van alle Europeesche +Knaagdieren, even aantrekkelijk door haar sierlijke gestalte en schoone +kleur als door hare zindelijkheid, netheid en zachtmoedigheid. Zij +is ongeveer zoo groot als onze Huismuis; haar totale lengte bedraagt +14 cM., waarvan bijna de helft op den staart komt. De geheele vacht +is geelachtig rood, van onderen een weinig lichter, met uitzondering +van de borst en de keel, die wit zijn. In Nederland komt zij niet +voor, in de meeste andere landen van Middel-Europa wel. Naar het +schijnt, zijn Engeland en het zuiden van Zweden de noordelijkste, +Toscane en het noorden van Turkije de zuidelijkste afdeelingen van +haar verbreidingsgebied; verder oostwaarts dan Hongarije, Galicië +en Zevenburgen komt zij niet voor. Zij bewoont nagenoeg dezelfde +oorden als hare verwanten. Laag kreupelhout en struiken, bij voorkeur +hazelaarboschjes, zijn hare meest geliefde verblijfplaatsen. + +Over dag ligt de Hazelmuis in den een of anderen schuilhoek te +slapen, des nachts gaat zij haar voedsel zoeken, dat uit noten, +eikels, harde zaden, sappige vruchten, bessen en knoppen van boomen +bestaat; het liefst echter eet zij hazelnoten, die zij op een kunstige +wijze opent en ledigt, zonder ze af te plukken of uit het napje te +verwijderen. Ook zoekt zij lijsterbessen en wordt bijgevolg niet zelden +in lijsterstrikken gevangen. Zij leeft in kleine gezelschappen, die +niet bijzonder innig met elkaar verbonden zijn. Door iedere Hazelmuis, +of door twee gezamenlijk, wordt in het dichtste struikgewas een +zacht, warm, tamelijk kunstig nest van gras, bladen, mos, worteltjes +en haren gebouwd; het dier zwerft vanhier uit iederen nacht door +zijn gebied, bijna altijd gemeenschappelijk met andere, die in de +nabijheid wonen. Het zijn echte boomdieren; zij klimmen merkwaardig +goed, zelfs langs de dunste twijgen. In Augustus werpt het wijfje 3 +à 4 naakte, blinde jongen; dit gebeurt in het bolvormig zomernest, +dat altijd in het dichtste struikgewas en gewoonlijk op een afstand +van ongeveer één meter van den bodem gelegen is. De jongen groeien +buitengewoon snel, maar worden toch een volle maand door de moeder +gezoogd, hoewel zij intusschen zoo groot geworden zijn, dat zij nu +en dan het nest verlaten kunnen. Aanvankelijk blijft de familie op de +naastbijgelegen hazelaars; de dieren spelen genoegelijk met elkander +en eten intusschen noten. Bij het geringste gedruisch snellen alle +naar het nest terug om hier veiligheid te zoeken. Omstreeks het midden +van October nemen de Hazelmuizen de wijk naar de schuilhoeken, waar +zij haar wintervoorraad geborgen hebben, en maken zich van takjes, +bladen, naalden, mos en gras een bolvormig hulsel, waar zij zich +geheel inwikkelen; zij rollen zich tot een kluwen ineen en vallen +in slaap; haar winterslaap is vaster dan die van hare verwanten; men +kan ze in de hand nemen en over den grond voortrollen, zonder dat zij +eenig bewijs van leven geven. Al naar de winter streng of zacht is, +slapen zij 6 of 7 maanden en wordt haar slaap meer of minder vaak +voor korten tijd afgebroken, totdat de schoone, warme lentezon haar +tot een nieuw leven opwekt. + +Het kost moeite een Hazelmuis te vangen, zoolang zij volkomen +wakker is; slechts bij toeval geraakt zij in de een of andere val; +deze plaats men daar, waar zij zich het liefst ophoudt, en wordt +met noten of met ander voedsel als lokaas voorzien. Gemakkelijker +verkrijgt men ze in 't laatste gedeelte van den herfst of in den +winter bij het opharken van 't loof of bij het uitroeien van de +wortelspruiten. Zoodra men de Hazelmuis in de hand heeft, is zij +zoo goed als getemd. Nooit waagt zij het, weerstand te bieden aan +haar overweldiger, nooit tracht zij te bijten; de grootste angst +ontlokt haar alleen een piepend of helder sissend geluid. Weldra +echter schikt zij zich in het onvermijdelijke, laat zich bedaard +naar huis dragen, en voegt zich geheel en al naar den wil van den +mensch; zij verliest ook haar schuwheid, maar niet de aangeboren +schuchterheid en vreesachtigheid. Men voedt haar met noten, pitten van +ooft, ooft en brood, ook wel met tarwekorrels. Zij eet spaarzaam en +bescheiden, aanvankelijk alleen 's nachts. Haar buitengewoon groote +zindelijkheid, de vriendelijke en verdraagzame wijze, waarop zij met +hare soortgenooten omgaat, hare aardige bewegingen en grappige gebaren +maken haar tot een lieveling van den mensch. In Engeland wordt zij +als kamerdier in gewone vogelkooien gehouden, en komt zij, evenals +kamervogels, aan de markt. Men kan haar in de mooiste kamers houden, +want zij verbreidt volstrekt geen onaangename lucht; alleen in den +zomer merkt men bij haar een muskusachtigen reuk op, die echter zoo +zwak is, dat men er geen hinder van heeft. + +Ook in de gevangenschap houdt de Hazelmuis winterslaap, als het vertrek +niet altijd gelijkmatig warm gehouden wordt. Zij tracht dan een nestje +te bouwen en omhult zich hiermede, of gaat eenvoudig in den een of +anderen hoek van haar kooi slapen. Als men haar in de warmte brengt, +o.a. reeds, als men haar in de warme hand neemt, ontwaakt zij, om +echter kort daarna weer in te slapen. + + + +Hoewel de _Bever_ in belangrijke opzichten overeenstemt met de tot +dusver beschreven Knaagdieren, verschilt hij toch in andere punten +zoo belangrijk van hen en van de overige leden der orde, dat hij +als vertegenwoordiger van een afzonderlijke familie (_Castoridae_) +beschouwd moet worden. Deze familie omvat behalve onzen Bever hoogstens +eenige voorwereldlijke soorten van Knaagdieren, die door hunne thans +levende verwanten vervangen zijn; onder de Knaagdieren van onzen +tijd zijn er wel enkele, die aan de Bever herinneren, maar geene, +die werkelijk op hem gelijken. + +Reeds sedert overouden tijd heeft de Bever de aandacht van de +natuuronderzoekers tot zich getrokken; door de oude schrijvers wordt +hij onder de namen _Castor_ en _Fiber_ vaak vermeld. Van hen vernemen +wij echter niet veel en geen zeer nauwkeurige berichten over zijn +levenswijs. Zij leeren ons wel, dat dit dier vroeger veel algemeener +verbreid was, dan thans; waarschijnlijk is van geen andere diersoort +het aantal vertegenwoordigers zoo schielijk verminderd als van dit +hooggeschatte Knaagdier. Het door den Bever bewoonde gebied omvat ook +thans nog gedeelten van drie werelddeelen, en strekt zich uit over +alle landen, die tusschen 33° en 68° N.B. gelegen zijn; in vroegere +tijdperken moet het echter veel uitgestrekter geweest zijn. In een +der teekens van het Egyptische hiëroglyphenschrift heeft men den +Bever meenen te herkennen; hieruit zou voortvloeien, dat hij Afrika +bewoond heeft. Door de godsdienstige voorschriften van de Indische +Magiërs was het verboden hem te dooden: bijgevolg moet hij ook in +Indië inheemsch geweest zijn. + +"De Bevers," schrijft Prof. Harting in "de Bouwkunst der Dieren," +"leefden eenmaal in alle Europeesche landen, ook in ons vaderland, +gelijk sommige plaatsnamen nog getuigen, zooals die van Beverwijk, +Bevervoord, waar zij vermoedelijk menigvuldiger waren dan elders. Onze +van talrijke wateren doorsneden bodem, waarop eertijds dichte wouden +welig tierden, leverde trouwens aan de Bevers een verblijfplaats +op, even gunstig als het tegenwoordige Canada. Nog voor niet zeer +langen tijd werden enkele Bevers langs de Waal, de Maas en de IJsel +aangetroffen. Zoo werden te Gorinchem twee ouden met zes jongen +gevangen; in 1757 schoot men er een in den IJsel bij het buitenverblijf +Middachten, op den weg van Zutphen naar Arnhem; in 1770 werd, bij +het op één uur van 's Hertogenbosch gelegen dorp Hedel, een Bever +geschoten, die zich gedurende zes of zeven jaren in den omtrek had +opgehouden en daar veel graan en jong hout bedorven had. De laatste +Bever, die, voor zoover mij bekend is, hier te lande gevangen werd, +is die, welke het onderwerp der Akademische Dissertatie van A. C. Bonn +heeft uitgemaakt. Deze Bever werd den 17den December 1799 bij Epse, +aan den oostelijken oever van de rivier den IJsel, op een half uur +afstand van Deventer, in een otterstap gevangen." "Hij had aldaar +in de nabijheid uit wilgentakken, biezen en slib eene zes voet (1.8 +M.) hooge hut gebouwd; de hoeveelheid van het daartoe gebezigde +hout was zoo groot, dat twee Paarden het ter nauwernood vervoeren +konden." "Echter was dit niet de laatste Bever, die deze streken +bewoond heeft, want twee jaren later werd door eenige schippers +en andere lieden op een plaats bij den IJsel, drie uren gaans van +Doesburg gelegen, een dergelijk, ofschoon kleiner, dier gezien, +dat wellicht het wijfje van eerstgenoemde is geweest." "Het blijkt +uit de Kameraarsrekeningen van Deventer," schrijft P. C. Molhuijsen, +"dat deze dieren in vroegeren tijd zeer talrijk moeten geweest zijn. In +de rekening van 1454 is het eerst door ons opgemerkt, dat de stedelijke +regeering een premie voor het vangen gaf. Ruim twintig jaren lang komt +deze vermelding voor op den post van uitgaven, en bij een nauwkeurige +optelling zou men het getal zeer aanzienlijk kunnen vinden, waarbij +wij nog in het oog moeten houden, dat sommige rekeningen uit dat +tijdvak ontbreken. Bij een vluchtig overzicht zijn b.v. in het jaar +1454 opgemerkt vier, in 1467 veel meer, waaronder één op de Worp werd +gevangen, in 1468 twee, in 1469 vier, waaronder een op de Stadsweerden, +in 1474 drie jonge op de Landeweer in de Ouden IJsel, en nog vijf, +in 1472 niet minder dan dertien, zoo oude als jonge".... Uit het +register der Stadsrekeningen van Zutphen blijkt, dat van wege de +stad aan de visschers op den IJsel geld verstrekt werd voor door +hen geleverde Bevers en dat 1465 tot 1550, alzoo in 85 jaren, alleen +bij Zutphen, dus waarschijnlijk op een oeverlengte van 3 uren gaans +(de bochten niet medegerekend) op den IJsel gedood werden 66 Bevers, +éénmaal 6 jongen te gelijk. (H. J. H. Groneman.) + +In Engeland is de Bever reeds sedert 500 jaren uitgeroeid. Scaliger +en Buffon maken melding van verscheidene door den Bever bewoonde +gewesten in Frankrijk, waar hij thans alleen voorkomt op het eiland +Camargue, dat door de Rhônemondingen ("Le grand" en "Le petit Rhône") +wordt ingesloten. Nog in October 1894 werden hier door visschers in +hunne netten vijf Bevers gevangen. "Naarmate de ontginning van het +deltaland voortschrijdt, wordt de Bever naar de overblijvende woeste +streken teruggedrongen; hierdoor, en door de jacht voortdurend op hem +gemaakt, is het aantal reeds te zeer afgenomen om nog het bestaan van +ware koloniën toe te laten. Men vindt hem nu nog alleen paarsgewijze +of als afzonderlijke families verspreid over de geheele delta, meer +bepaald in de 'petit Rhône' tusschen Fourques en Sylvéréal. Ook wordt +er nu en dan nog wel eens een enkele gevangen in de Gardon, die in den +"petit Rhône" uitmondt. Boven Pont-du-Gars komt hij niet meer." In +Strabo's tijd kwamen ook nog in Spanje Bevers voor. Volgens Geszner +werden zij eertijds in de delta van de Po gevonden. + +Tegenwoordig vindt men hem in Duitschland nog aan de Elbe; nu en dan +treft men hem aan in het deel der rivier, dat ongeveer begrensd wordt +aan de eene zijde door Wartenburg boven Wittenberg en aan de andere +door Maagdenburg. Met volle zekerheid kan hij echter beschouwd worden +als voortdurende bewoner van een onder Aken gelegen deel der rivier, +vooral in de opperhoutvesterdistricten Steckby en Tochheim alsmede +Grünewald (tegenover Schönebeck) aan den rechteroever en Lödderitz aan +den linkeroever, waar men het aantal dezer Knaagdieren op 60 stuks +begroot. De Bevers komen van oudsher ook geregeld voor in de Saale, +te beginnen bij haar uitmonding in de Elbe, tot bij Trabitz (beneden +Kalbe); op dit gebied leven tegenwoordig misschien 15 stuks. Op +de genoemde plaatsen behoort de Bever thuis, en men kan er niet +alleen ten allen tijde de sporen zijner werkzaamheid waarnemen, +maar ook nu en dan hem zelf aan 't werk zien. Enkele exemplaren +worden nu en dan waargenomen in de oeverlanden van den Salzach, op de +Oostenrijksch-Beiersche grens, en vroeger ook bij de Möhne (een aan de +rechterzijde gelegen bij-riviertje van den Ruhr) in Westfalen (op de +laatstgenoemde plaats echter sedert 1877 niet meer). Van alle landen +van Europa zijn Bosnië, Rusland en Skandinavië (vooral Noorwegen) die, +waar de Bevers thans nog het veelvuldigst leven. In Rusland vindt +men ze vooral in de noordelijke bij-rivieren van den Pripet, in het +gouvernement Minsk.--Veel talrijker dan in Europa zijn de Bevers in +Azië. In grooten getale bewonen zij de groote rivieren van Middel- +en Noord-Siberië; naar men zegt, komen zij ook voor in de rivieren, +die zich in de Kaspische zee uitstorten. Zeker is het, dat zij gevonden +worden in de bij-rivieren van den Koeban, aan de noordelijke helling +van den Kaukasus, zoo ook in Mesopotamië. In Amerika waren de Bevers +algemeen; door de hevige vervolging, waaraan zij blootstaan, is hun +aantal reeds zeer afgenomen. Audubon noemde in 1849 alleen nog maar +Labrador, Newfoundland, Canada en enkele gewesten van de staten Maine +en Massachusetts als deelen van het door den Bever bewoonde gebied, +maar voegt er bij, dat er ook in verscheidene andere, weinig bebouwde +gewesten van de Vereenigde Staten enkele exemplaren gevonden worden. + + + +De _Bever_ (_Castor fiber_) is een van de grootste Knaagdieren. De +lichaamslengte van het volwassen mannetje bedraagt, zonder den 30 +cM. langen staart, 75 à 95 cM., de schouderhoogte 30 cM., het gewicht +20 à 30 KG. De romp is plomp en forsch, van achteren aanmerkelijk +dikker dan van voren, de rug gewelfd, de buik hangend, de hals kort en +dik, de kop van achteren breed, naar voren smaller wordend, met platte +kruin en korten, stompen snoet; de pooten zijn kort en zeer krachtig, +de achterste iets langer dan de voorste; de voeten hebben vijf teenen; +die van de achtervoeten zijn tot de klauwen door een breed zwemvlies +vereenigd. De staart is aan den wortel rond, in het midden van boven +naar onderen plat gedrukt, soms wel 20 cM. breed, aan de spits stomp +afgerond; de randen van het platte gedeelte zou men bijna scherp +kunnen noemen. De ooren zijn klein en kort, van binnen en van buiten +behaard, en kunnen zóó tegen den kop aangelegd worden, dat zij de +gehoorgang bijna volkomen afsluiten. De kleine oogen zijn voorzien +van een wenkvlies, d.w.z. van een derde doorschijnend ooglid, dat, van +den binnenhoek van het oog uitgaande, onder de beide andere oogleden +langs over den oogbol kan worden geschoven, evenals bij de Vogels. De +pupil is langwerpig en verticaal geplaatst. De neusgaten kunnen door +de sterk gezwollen neusvleugels gesloten worden. Het haarkleed bestaat +uit buitengewoon dicht (bij wijze van vlokjes) bijeen geplaatste, +zijdeachtige wolharen, en meer verspreide, lange, stevige, stijve en +glanzige bovenharen, die aan den kop en het achterste deel van den +rug kort, op de overige lichaamsdeelen meer dan 5 cM lang zijn. De +bovenzijde is donker kastanjebruin, meer of min naar grijs zweemend; +de onderzijde is lichter van kleur; elk wolhaartje is aan den wortel +zilvergrijs, hoogerop geelachtig bruin. De staart is aan den wortel +zeer lang behaard, overigens echter kaal en hier met langwerpig ronde, +bijna zeshoekige, platte hoornplaatjes bedekt, waartusschen enkele +korte, stijve haren te voorschijn komen. De kleur van de vacht wijkt +soms van de zoo even aangeduide af. Zeer zelden treft men witte en +gevlekte Bevers aan. + +De zeer groote en stevige, aan de voorzijde platte, gladde, op +de dwarse doorsnede bijna driehoekige, aan de spits beitelvormige +knaagtanden, steken ver buiten de kaken uit. Bij beide geslachten +komen aan den onderbuik, in de liesstreek onder de huid verborgen, +twee eigenaardige klierzakken voor, welker binnenste oppervlakte +een vreemdsoortige stof, het _bevergeil_ (_Castoreum_) afscheidt; +deze donkerroodachtig, geelachtig of zwartachtig bruine specie is +aanvankelijk week, maar droogt weldra op tot een hars gelijkende +massa; zij heeft een eigenaardigen, doordringenden, sterk aan phenol +herinnerenden reuk, die door slechts weinige menschen aangenaam +gevonden wordt, en een bitteren, balsemachtigen smaak. In vroegeren +tijd werd zij als krampstillend middel veelvuldig voorgeschreven, +tegenwoordig komt zij meer en meer in onbruik. Achter de beide +bevergeilzakken bevinden zich twee dergelijke zakken, die echter geen +_castoreum_, maar een olie- of vetachtige stof afscheiden. + +De Bevers leven tegenwoordig meestal paarsgewijs en vereenigen zich +slechts in de stilste streken tot meer of minder groote familiën. In +alle bevolkte landen bewonen zij, evenals de Vischotters, meestal +eenvoudige, onderaardsche gangen, en denken zij er niet aan zich hutten +te bouwen. Toch heeft men er nog in deze eeuw gevonden in de omstreken +van de stadjes Barby en Aken (tusschen Wittenberg en Maagdenburg), +op korten afstand van de plaats waar het riviertje de Nuthe zich in de +Elbe stort. Hier vindt men een eenzame, met wilgen begroeide streek, +die door het slechts 4 à 8 schreden breede riviertje doorstroomd +wordt en sedert onheugelijke tijden Biberlacht ("Beverpoel") wordt +genoemd. Vele jaren achtereen heeft de opperhoutvester von Meijerinck +hier de Bevers nagegaan; in een in 1827 verschenen geschrift deelt hij +over hen het volgende mede: "Er wonen thans (in 1822) nog verscheidene +paren Bevers in holen, die op soortgelijke wijze ingericht zijn als een +Dassenhol, een lengte van 30 à 40 schreden hebben en op gelijke hoogte +met den waterspiegel liggen; op het land hebben zij uitgangen. In de +nabijheid van de holen richten de Bevers hutten, zoogenaamde 'burgen' +op. Deze zijn 2.5 à 3 M. hoog en uit dikke, kunsteloos tot een hoop +opeengestapelde stokken samengesteld; dit hout bijten de dieren van de +naburige boomen af en schillen het, omdat zij de schors als voedsel +gebruiken. In den herfst bedekken de Bevers den houthoop met klei en +andere grondsoorten van den rivieroever. De hut heeft de gedaante van +een bakoven en dient niet als woning, maar alleen als toevluchtsoord, +wanneer de hooge waterstand hen uit hunne gangen verdrijft. In den +zomer van het genoemde jaar toen de kolonie uit 15 à 20 jonge en oude +dieren bestond, bemerkte men, dat zij dammen opwierpen. De Nuthe +was toen zóó ondiep, dat de uitgangen van de holen aan den oever +overal zichtbaar werden en het water daaronder nog slechts weinige +cM. diep was. De Bevers hadden een plaats uitgekozen, waar zich in +het midden van het riviertje een kleine verhevenheid bevindt; hier +begonnen zij aan weerszijden dikke takken in 't water te werpen, en +de tusschenruimten met slijk en biezen te vullen; boven den hierdoor +ontstanen dam was de waterspiegel 30 cM. hooger dan er beneden. De +dam werd meermalen vernield, in den regel was hij echter telkens den +volgenden dag weder hersteld. Toen het hooge water van de Elbe in de +Nuthe doordrong en tot boven de woningen der Bevers steeg, waren zij +ook over dag te zien. Zij lagen dan meestal boven op den hut of op +de naburige knotwilgen." + +Aan de mededeelingen van andere onderzoekers ontleenen wij het +volgende: Na rijp beraad kiezen de dieren een riviertje of beek +uit, welker oevers hun een overvloed van wilgen kunnen verschaffen +en hun voor het aanleggen van hunne woningen en hutten bijzonder +geschikt voorkomen. De eenzaam levende individuën bewonen eenvoudige, +onderaardsche holen in den trant van die van den Vischotter. Een of +meer gangen van verschillende lengte (meestal 2 à 6 M.), die alle onder +water uitkomen, leiden naar een ruime, meer of minder hoog boven den +waterspiegel gelegen woning. Deze bestaat gewoonlijk slechts uit één +woonkamer, die netjes en zorgvuldig met in fijne vezels verdeeld hout +gevuld is, en als slaapplaats, bij uitzondering ook als kraamkamer +dient. Gezelschappen, die gewoonlijk uit twee of meer familiën bestaan, +bouwen in den regel hutten, en leggen, als dit noodig is, dammen aan +om het water op te stuwen en op gelijkmatige hoogte te houden. Sommige +van deze dammen zijn 150 à 200 M. lang, 2 à 3 M. hoog, van onderen 4 +à 6 M., van boven nog 1 à 2 M. dik. Zij bestaan uit stokken, welker +dikte afwisselt tusschen die van een arm en die van een dij; zij +zijn 1 à 2 M. lang, worden met het eene einde in den bodem bevestigd, +steken met het andere boven het water uit, zijn door dunnere takken +met elkander verbonden, waarna de tusschenruimten met riet, klei en +zand op zulk een wijze dichtgemaakt worden, dat aan de stroomzijde +de dam bijna loodrecht is, terwijl aan de tegenovergestelde zijde +een glooiing ontstaat. Vervolgens worden nog loopgangen of kanalen +aangelegd, waardoor de voor huttenbouw en voeding noodige stoffen +gemakkelijker uit de vijvers, die boven de dammen ontstaan, naar het +beneden den dam gelegen water gesleept of gevlot kunnen worden. + +De volgende beschrijving van de inrichting en het doel der hut +is ontleend aan Prof. Harting's "Bouwkunst der Dieren": "Het dak +steekt als een gewelf hoog boven het water uit en is van een luchtgat +voorzien. De vloer ligt van binnen steeds boven den waterspiegel. Hij +is begroeid met riet en bestrooid met houtspaanders. In dien vloer +is een opening, waardoor de bewoners der hut onder het water door +naar buiten kunnen geraken. Gewoonlijk bestaat zulk een hut slechts +uit één enkele holte of kamer, welke dan tot woonplaats verstrekt aan +twee beverfamiliën, namelijk vier ouden en zes tot acht jongen. Niet +zelden gebeurt het echter ook, dat een hut in een zeker aantal kamers +gescheiden is, die alle door een gemeenschappelijk dak overdekt worden, +doch nimmer verdiepingsgewijs boven, maar steeds nevens elkander zijn +aangelegd. Elke kamer heeft dan ook haar eigen opening of deur naar +buiten. Zoo b.v. zag Hearne op een eilandje zulk een groot gebouw, +dat inwendig uit niet minder dan twaalf afdeelingen bestond. + +"Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat op sommige plaatsen honderd +en meer dezer koepelvormige woningen zich langs den oever verheffen, +dan kan men zich begrijpen, hoe lieden, die deze voor het eerst zien, +en met de levenswijs der Bevers onbekend zijn, daarin voortbrengselen +van een nog op een lagen trap staande menschelijke bouwkunst meenden te +herkennen, gelijk Möllhausen verhaalt van de lieden, die de expeditie +van luitenant Whippler vergezelden, waaraan ook hij deelnam. + +"In Europa kiezen de Bevers bij voorkeur wilgen, populieren en berken; +in Amerika bezigen zij ook verwante soorten en bovendien magnoliën, +de rondbladige esch, sassafras enz. Met de schors van dezelfde boomen +voeden zij zich. Hun voorraad van stammen en takken laten zij vóór +hun woning in 't water liggen en halen daarvan al naar hun behoefte +naar binnen, schillen het daar op hun gemak af en werpen het overige +weder in het water. Cartwright zag zulke magazijnen, die meer dan +een karrevracht hout bevatten. + +"De hutten der Bevers dienen eigenlijk alleen tot hun +winterverblijf. Wanneer de dooi in de lente het water sterk doet +rijzen en hen met overstrooming bedreigt, dan verlaten zij de +hutten. De mannetjes blijven den geheelen zomer buiten, zwerven rond +en slapen op te samen gebrachte takken; de wijfjes keeren weder naar +de hutten terug, wanneer het water daalt en werpen aldaar in Juni +hare jongen. Tegen den herfst begeven zich ook de mannetjes naar hun +woning; te zamen herstellen zij dan de oude of bouwen een nieuwe hut +en verzamelen vervolgens hun wintervoorraad." + +Alle werkzaamheden van den Bever staan in zulk een nauw verband met +zijne gewoonten en behoeften, dat men zijn levenswijze schildert, +wanneer men deze werkzaamheden beschrijft. Evenals de meeste +Knaagdieren werken zij gedurende den nacht; alleen in zeer afgelegen +landstreken, waar zij in langen tijd geen mensch te zien krijgen, +zijn zij ook over dag aan den arbeid. "Kort na zonsondergang verlaten +zij hunne rustplaatsen, fluiten luid en laten zich met een plomp in +'t water vallen. Zij zwemmen een tijdlang rond in de nabijheid van +den oever, tegen den stroom op even snel als met den stroom mede, en +houden, naarmate zij zich min of meer veilig achten, hetzij den neus en +het voorhoofd, òf den kop en den rug boven water. Na de veiligheid van +de omgeving onderzocht te hebben, gaan zij aan land, waar zij zich tot +op een afstand van 50 schreden of nog verder van den oever begeven, +om de boomen af te snijden, die zij voor hun voeding of voor hunne +bouwwerken noodig hebben." Takken, die eenige cM. dik zijn, worden in +eens door den Bever afgebeten; boomen brengt hij ten val door in den +stam een ringvormige groeve te knagen en deze aan de naar het water +gerichte zijde dieper te maken, totdat de boom naar die zijde overhelt +en in 't water valt. De sporen, die zijn arbeid op den stam achterlaat, +bestaan uit tallooze, vlakke, schelpvormige insnijdingen, die zoo glad +en scherp zijn, alsof zij met een zwak gebogen beitel uitgehouwen +werden. Soms snijden de Bevers stammen van meer dan mansdikte af, +dit doen zij ook wel in Duitschland. Takken met vele twijgen worden +vóór het wegsleepen nauwkeurig bezichtigd, in sommige gevallen in +stukken verdeeld, hinderlijke takstompjes worden afgesneden, alle +stukken hout daarna in 't water gesleept en hier ontschorst of voor +latere tijden bewaard. Eerst nadat de stok geschild is, gebruikt de +Bever hem als bouwmateriaal, haalt hem uit het water, sleept hem naar +de naastbijgelegen hut en geeft hem hier een bestemming. Van een regel +bij het rangschikken van de voor 't bouwen dienende stokken is niets +te bespeuren. Op een doelmatige wijze wordt in de behoeften voorzien, +aan een regelmatige plaatsing van de bouwstoffen echter niet gedacht: +eenige stokken liggen horizontaal, andere scheef, nog andere verticaal, +enkele steken met het eene einde ver buiten de wanden van de hut uit, +andere zijn geheel met aarde bedekt. Er wordt trouwens voortdurend +iets aan de woning veranderd, vergroot en verbeterd. Alle voor het +dichtstoppen en de bekleeding vereischte materialen, zooals aarde, +zand, leem of slib worden op verschillende wijzen, maar toch altijd +slechts met den bek en met de voorvoeten vervoerd en alleen met +de voorvoeten verwerkt. De staart wordt hierbij hoogstens voor het +behouden van het evenwicht, nooit als troffel gebruikt. Wel is het +mogelijk, dat de zware achter hem aansleepende staart, die soms niet +minder dan 2 KG. weegt, tot het gladmaken der slibbedekking bijdraagt. + +Evenals bij de meeste dieren is het wijfje van den Bever bij het +bouwen met het belangrijkste deel van den arbeid belast, het mannetje +verricht hoofdzakelijk oppermanswerk. Beide arbeiden gedurende het +geheele jaar, hoewel niet altijd met denzelfden ijver. In den zomer +en in het begin van den herfst zijn zij vaker aan 't spelen dan aan +het voltooien van de woning; vóór het invallen van het koude weder +arbeiden zij daarentegen onverpoosd gedurende den geheelen nacht. Zij +hebben een fijn voorgevoel van de naderende weersgesteldheid en nemen +hiertegen de best mogelijke voorzorgsmaatregelen. + +Het voedsel van de Bevers bestaat voornamelijk uit de schors en de +bladeren van verschillende boomen. Van alle takken, die ik mijne +gevangenen toewierp, kozen zij het allereerst die van den wilg uit, +en alleen wanneer deze ontbraken, namen zij takken van witte, zwarte +en ratel-populieren, esschen en berken, het minst graag die van +elzen en eiken. Harde takken, die zij met de voorvoeten aanvatten +en aanhoudend ronddraaien, ontschorsen zij zeer netjes en behendig; +zij schillen ze zoo schoon af, dat men op den van schors beroofden +tak geen sporen van de werking der tanden ontdekken kan. Spoedig +geraken zij gewoon aan brood en scheepsbeschuit, appels en peren, +en krijgen weldra een voorliefde voor vruchten. + +Hoewel de houding van den Bever verschillend is, vertoont zij toch +over 't algemeen weinig afwisseling. Zittend gelijkt het dier op een +groote, plompe Muis. Bij het gaan wordt de eene poot na de andere +bewogen want de bijna over grond schurende buik laat geen snelle, +gelijkmatige beweging toe. Als hij zeer groote haast heeft, doet de +Bever sprongen, plomper en onbehendiger dan die van eenig ander, mij +bekend landzoogdier; achtereenvolgens worden hierbij het achterste +en het voorste deel van 't lichaam omhooggeheven; toch komt hij op +deze wijze vrij schielijk vooruit. Bij het zwemmen is het achterdeel +zoo diep ondergedompeld, dat alleen de neusgaten, oogen en ooren +benevens het middelste deel van den rug boven den waterspiegel komen; +het achterste deel van den rug en de staart zijn echter onder water. De +voortbeweging heeft plaats door de achterpooten tegelijkertijd, zelden +één voor één, te strekken en te buigen; de staart, die dikwijls +eveneens in de gepaste richting met kracht schoksgewijs bewogen +wordt, dient voor 't sturen; de voorpooten doen bij 't zwemmen geen +dienst. Het dier kan 2 minuten onder water blijven, voordat de behoefte +om adem te halen het noodzaakt weer aan de oppervlakte te komen. + +De stem is een zwak geluid, dat nog het best een gesteun genoemd +kan worden; zij wordt gehoord, telkens als het dier een aandoening +ondervindt; weldra leert men de verschillende beteekenissen van de +voortgebrachte geluiden verstaan. Naar het schijnt, zijn het gehoor +en de reuk de hoogst ontwikkelde zinnen; de kleine oogen hebben een +tamelijk onnoozele uitdrukking; gebrekkig is het gezichtsorgaan echter +evenmin als het smaakorgaan; ook het gevoel is bij dit dier niet +onbeduidend. Over zijn verstandelijke ontwikkeling zou verschil van +meening kunnen bestaan; in ieder geval zal men echter moeten erkennen, +dat het te dezen aanzien in de orde der Knaagdieren een hooge plaats +inneemt. Eerder dan eenig ander Knaagdier schikt het zich in veranderde +omstandigheden, en leert het, zich deze op de meest voordeelige +wijze ten nutte te maken; meer dan een zijner verwanten overlegt het, +voordat het handelt, maakt het gebruik van ervaringen en leidt hieruit +gevolgtrekkingen af. Zijne woningen zijn niet kunstiger dan die van +andere Knaagdieren, steeds echter zijn zij aangelegd met een juist +besef van de eigenaardigheden van de plaats, waar zij gelegen zijn; +beschadigingen aan deze woningen worden altijd met overleg hersteld. + +Het gedrag van den gevangen Bever tegen andere dieren is onvriendelijk; +tegenover den mensch zijn zij op zijn minst genomen koel. Die, welke +goed behandeld worden, dulden ten slotte, dat men ze liefkoost, zij +gaan ook wel naar hun oppasser toe om hem als 't ware te begroeten; +tegen iederen dwang verzetten zij zich evenwel. Dat vrouwen en kinderen +goedgeefs zijn, hebben zulke in de diergaarde levende Bevers spoedig +geleerd; zij verschijnen daarom, als vrouwen en kinderen voorbijgaan, +niet alleen vroeger dan gewoonlijk voor hun woning, maar bedelen ook, +op de achterpooten staande, om eetwaren; handig nemen zij met de +voorpooten appels, noten, suiker en brood aan; ieder die een beweging +maakt, alsof hij, hun iets geven wil, en dit niet doet, of die hen +plaagt, slaan zij echter op de vingers. + +Bevers, die jong gevangen zijn, kunnen zeer tam worden. In vele +berichten van schrijvers over Amerika wordt melding gemaakt van +Bevers, die in de dorpen van de Indianen in zekeren zin als huisdieren +worden gehouden, of die in het bezit van de bedoelde schrijvers zelf +waren. "Ik zag", zegt La Hontan, "in deze dorpen niets wat zoozeer mijn +aandacht trok als Bevers die, zoowel in de beek als in het kreupelhout, +ongestoord heen en weer liepen en zoo tam waren als Honden." Hearne +had verscheidene Bevers zoo mak gemaakt, dat zij kwamen, als hij ze +riep, hem als Honden naliepen en blijde waren, als zij geliefkoosd +werden. Het gezelschap van de Indiaansche vrouwen en kinderen beviel +hun, naar het scheen, zeer goed; zij waren onrustig, wanneer de +menschen te lang wegbleven, en toonden blijdschap bij hun terugkomst. + +De paring van de Bevers heeft in verschillende maanden plaats, +al naar het land dat zij bewonen. Volgens sommigen gebeurt dit in +'t begin van den winter, volgens anderen in Februari of Maart. Na +een draagtijd van zes weken werpt het wijfje in een droog hol 2 of 3 +behaarde, maar nog blinde jongen; na 8 dagen openen deze de oogen en +worden zij door de moeder medegenomen naar het water; soms geschiedt +dit echter eerst een paar dagen later. + +Behalve _Vorst_ Schwartzenberg, die op de Wereldtentoonstelling te +Weenen een Beverpaar toonde, houdt tegenwoordig niemand zich met +het fokken van Bevers bezig, hoewel dit bedrijf zoowel aangenaam +als voordeelig is, en ook geen bijzondere bezwaren oplevert. Een +paar Bevers, dat in het jaar 1773 op Rothenhof was gebracht, had +zich zoo sterk vermenigvuldigd, dat het gezin 6 jaren later uit 14, +10 jaren later uit 25 leden bestond; toen werd de fokkerij echter +beperkt, daar de Bevers, die in de vrije natuur waren gebracht, hier +veel schade aanrichtten. Te Nymphenburg, in Beieren, werden eveneens +Bevers gehouden; het bleek, dat enkele van deze dieren 50 jaren lang +in de gevangenschap in 't leven bleven. + +Behalve de mensch, heeft de Bever weinig vijanden. Zijn voorzichtigheid +doet hem zelfs den behendigen jager gelukkig ontgaan. Nadat hij eens +verontrust is, zoekt hij bij het geringste gevaar het water op, dat +hem tamelijk goed beveiligt. De Noord-Amerikaansche trappers (zoo +genoemd naar de vallen--in 't Engelsch "traps"--, die zij gebruiken +om wild te vangen) beweren, dat de Bevers daar, waar zij in grooten +getale bijeen wonen, wachten uitzetten, die de overige leden van het +gezelschap voor een naderend gevaar waarschuwen door een signaal, +bestaande uit het geluid, dat door het slaan met den staart tegen de +oppervlakte van het water veroorzaakt wordt. De beteekenis van deze +mededeeling is eigenlijk, dat een vijand door een vereeniging van +verscheidene voorzichtige dieren gemakkelijker wordt waargenomen, +dan door ieder van hen afzonderlijk; dat dus ieder van de leden van +het gezelschap de hierboven bedoelde wachtdienst verricht. Daar het +plassend geluid, dat het slaan met den staart op den waterspiegel +veroorzaakt, alleen dan wordt gehoord, als de Bever zich plotseling +te water begeeft en onderduikt, en dit in den regel dan geschiedt, +als hij een gevaar meent op te merken, letten trouwens alle zijne +metgezellen op dit verre waarneembare gedruisch, en verdwijnen, +zoodra zij het vernemen, in de diepte. In Amerika doodt men den Bever +vooral met het geweer, maar vangt hem bovendien in allerlei soorten +van vallen. In den winter hakt men gaten in 't ijs en slaat de Bevers +dood, wanneer zij daarin komen om te ademen. Ook neemt men wel eens +de ijslaag weg van het bij de beverhutten gelegen deel van de rivier +of beek, bedekt dit met een stevig net, breekt vervolgens de hutten +open en jaagt de verschrikte dieren in het net. + +Het voordeel, dat de Bevers opleveren, weegt ten naastenbij op tegen de +schade, die zij aanrichten. Men moet hierbij in 't oog houden, dat zij +bij voorkeur onbevolkte landstreken bewonen, en het liefst zich bepalen +tot het afsnijden van dunne takken van boomsoorten, die spoedig weder +aangroeien. Niet alleen de aangerichte vernielingen, maar ook alle +moeite en bezwaren van de jacht worden daarentegen door het vel en +het vleesch van het dier, en in nog hoogere mate door het bevergeil, +zeer rijkelijk vergoed. Uit Amerika komen ieder jaar omstreeks 150.000 +vellen in den handel, ter gezamenlijke waarde van 1.800.000 gulden; +ieder vel brengt, al naar de kwaliteit, 12 à 36 gulden op. + +Bij de Amerikaansche wilden staat de Bever in zeer hoog aanzien. Zij +schrijven hem bijna evenveel verstand toe als den mensch en gelooven, +dat dit voortreffelijke dier een onsterfelijke ziel heeft,--om van +andere sprookjes maar te zwijgen. + + + +De _Spring-knaagdieren_ (_Dipodidae_), herinneren door hun +lichaamsbouw duidelijk aan de Kengoeroes. Bij beide komt dezelfde +wanverhouding tusschen het voorste en het achterste deel van +den romp voor. Het achterste deel van het lichaam is buitengewoon +krachtig ontwikkeld: de achterpooten zijn wel driemaal zoolang als de +voorste; de staart is naar verhouding zeer lang, aan het achterste +gedeelte gewoonlijk tweerijig behaard, zoodat hij in een kwast +uitloopt. De Spring-Knaagdieren verschillen echter aanmerkelijk +van de Spring-buideldieren wat den kop betreft. Deze is bij de +eerstgenoemde zeer dik; de hieraan groeiende snorren zijn naar +verhouding de langste die bij eenig Zoogdier voorkomen: dikwijls +zijn zij even lang als het geheele lichaam. De groote oogen wijzen op +een nachtelijke levenswijze, maar zijn levendig en fraai, zooals bij +weinige andere nachtdieren; dat het gehoor niet minder goed ontwikkeld +is, blijkt uit de overeindstaande, lepelvormige ooren, welker lengte +afwisselt van één derde tot de geheele lengte van den kop. De hals +is zeer dik en onbeweeglijk, de romp mag wel slank heeten. Aan de +kleine voorpooten komen gewoonlijk 5 teenen voor, aan de achterpooten +3. De vacht is dicht en zacht, haar kleur gelijkt op die van het +zand. De naast elkander gelegen beenderen, die bij de meeste andere +Zoogdieren den middelvoet vormen, zijn vergroeid tot één enkel been, +aan welks uiteinde de van elkander afgezonderde gewrichtsknobbels +voor de teenen voorkomen. + +De Spring-knaagdieren zijn hoofdzakelijk bewoners van Afrika en Azië; +van eenige soorten strekt zich het verbreidingsgebied echter tot in +Zuid-Europa uit; één geslacht of onderfamilie behoort in Noord-Amerika +thuis. Zij zijn bewoners van het droge, vrije veld, van de grasrijke +steppe en van de dorre zandwoestijn; het zijn eigenlijk woestijndieren, +zooals ook uit hun kleur oogenblikkelijk blijkt. Op leemachtigen +of zandigen bodem, in de lage landen, zeldzamer op hoogten of aan +dicht met kreupelhout begroeide weidezoomen en in de nabijheid van +bouwland vestigen zij zich in door hen zelf gegraven holen met vele +vertakte, doch meestal op zeer korten afstand van de oppervlakte +gelegen pijpen, die altijd talrijke uitgangen hebben. Over dag +in hunne holen verborgen, vertoonen zij zich na zonsondergang en +leiden dan een vroolijk leven. Hun voedsel bestaat uit wortels, +bollen, allerlei graansoorten en zaden, vruchten, bladen, gras en +kruiden. Eenige verslinden ook Insecten, ja zelfs kleine Vogels, +gebruiken zelfs aas als voedsel en eten in sommige gevallen elkander +op. Het voedsel brengen zij met de voorpooten naar den mond, terwijl +zij in half opgerichte houding op het achterste deel van den romp en +op den staart steunen. + +Hunne bewegingen zijn zeer eigenaardig. De bedaarde gang verschilt van +die der Kengoeroes in zoover, dat zij schielijk achtereen den eenen +achterpoot vóór den anderen plaatsen; de snelle loop geschiedt echter +sprongsgewijs; door het strekken van de krachtige achterpooten wordt +het lichaam ver boven den grond verheven, terwijl intusschen met den +tweerijig behaarden staart de richting van den sprong geregeld en zoo +het evenwicht bewaard wordt. Daarbij leggen zij de voorpooten tegen de +kin aan, of kruisen ze, gelijk een hardloopend mensch over de borst; +dan is het, alsof zij maar twee pooten hebben. De grootste soorten +kunnen kolossale sprongen doen; want bij al deze dieren bedraagt de +sprongwijdte het twintigvoud van hun lichaamslengte. De eene sprong +volgt onmiddellijk op den anderen; als zij haastig vluchten, ziet +men eigenlijk niets anders dan een geel voorwerp, dat volgens vlakke +bogen als een pijl door de lucht schiet. Met even groote behendigheid +graven zij in den bodem, in weerwil van de zwakheid hunner voorpooten, +die hoofdzakelijk dezen arbeid moeten verrichten. Terwijl zij grazen, +gaan zij, ook weder evenals de Kengoeroes, op vier pooten; deze +beweging is echter zeer langzaam en wordt nimmer lang voortgezet. Bij +het zitten rusten zij op de zolen van de achtervoeten. + +Bij alle soorten zijn de zinnen scherp, vooral hebben zij een fijn +gehoor en kunnen op grooten afstand zien; hierdoor kunnen zij aan +dreigende gevaren gemakkelijk ontkomen. Uiterst vreesachtig, schuw +en haastig, trachten zij bij iedere storing zoo schielijk mogelijk +hun hol te bereiken of slaan, wanneer hun dit niet mogelijk is, +met razende snelheid op de vlucht. De grootste soort verdedigt +zich in gevallen van uitersten nood, op de wijze der Kengoeroes, +met de achterpooten; de kleinere soorten daarentegen maken, als zij +gegrepen worden, nooit van hunne natuurlijke wapens gebruik. Hun stem +bestaat uit een soort van gehuil, dat op het geschreeuw van jonge +Katten gelijkt, bij andere leden der familie ook wel uit een dof +geknor. Men hoort echter over 't algemeen slechts zelden een geluid +van hen. Bij geringen warmtegraad vervallen zij in winterslaap, of +verstijven althans gedurende korten tijd; zij verzamelen echter geen +wintervoorraad, gelijk andere Knaagdieren doen. + +In de gevangenschap zijn de Spring-Knaagdieren zeer aardige en +bevallige gasten van den mensch; hunne goedaardigheid, zachtmoedigheid +en argeloosheid doen hen ieders vriendschap verwerven. + +Bijna alle soorten zijn volkomen onschadelijk. De woestijn, die voor +ieder open staat, biedt hen zooveel voedsel, dat zij er geen behoefte +aan gevoelen, de bezittingen van den mensch te plunderen. + + + +De _Amerikaansche Springmuis_ (_Jaculus hudsonius_) is de eenige +vertegenwoordiger van haar geslacht en van haar onderfamilie. Door +haar lichaamsbouw gelijkt zij op hare naaste verwanten in de Oude +Wereld, door den vorm en de beharing van den staart herinnert zij +echter ook aan de gewone Muizen. In grootte komt zij ongeveer overeen +met de Boschmuis; haar lichaamslengte bedraagt tennaastenbij 8 cM, +zonder den 13 cM. langen staart. Het gladde en dichte haarkleed is +aan de bovenzijde donker leder-bruin met bruingeel gemengd. + +Het hooge noorden van Amerika is het vaderland van dit dier. Het komt +voor in alle gewesten die pelterijen leveren, van den Missouri tot in +Labrador en van de oevers van den Atlantischen tot aan die van den +Stillen Oceaan. Hier woont het in de met dicht struikgewas bezette +weideranden en in de nabijheid van bosschen; over dag blijft het +verborgen, des nachts zwerft het bij gezelschappen rond. Zijne holen +zijn ongeveer 50 cM. diep, in het koude jaargetijde soms dieper. Vóór +den aanvang van den winter vervaardigt het een nest van leem, dat op +een hollen kogel gelijkt, rolt zich hierin samen, met den staart om +het lichaam gewikkeld en blijft zoo in een toestand van verstijving +liggen, tot de lente komt. Men verhaalt, dat een tuinman in Maart +bij het omspitten van den grond een kluit vond ter grootte van een +kegelbal, die wegens zijn regelmatigen vorm verwondering wekte; de +tuinman sloeg den bal met de spade in twee stukken en vond hierin +een diertje, dat zich opgerold had, ongeveer als een kuiken in een +ei. Dit was de Amerikaansche Springmuis in haar winterkwartier. In +den zomer is zij zeer vlug, zij springt buitengewoon behendig en +snel op de achterpooten rond. In het bosch kan men haar, naar beweerd +wordt, in 't geheel niet vangen. Met gemak springt zij hier over lage +struiken heen, die de mensch niet zoo gemakkelijk overschrijden kan, +en weet dan altijd een veilig plaatsje te vinden. Audubon betwijfelt, +of eenig Zoogdier haar in behendigheid evenaart. + +Naar men zegt, kan het aardige diertje zonder moeite in 't leven +gehouden worden. + + + +Over de _Echte Springmuizen_ (_Dipodinae_) is men beter onderricht. Men +kan ze als typische vertegenwoordigers van de familie beschouwen, want +zij vertoonen al hare eigenaardigheden het duidelijkst. Haselquist +merkt niet onaardig op, dat zij er uitzien, alsof zij uit stukken +van verschillende dieren zijn samengesteld. "Men zou kunnen zeggen, +dat dit diertje den kop heeft van den Haas, den snorrebaard van den +Eekhoorn, den snuit van het Zwijn, den romp en de voorvoeten van de +Muis, de achtervoeten van den Vogel en den staart van den Leeuw." In +de eerste plaats valt de kop in 't oog: er blijkt onmiddellijk uit, +dat de Springmuizen echte woestijnbewoners zijn. Voor alle zintuigen +is de noodige ruimte aanwezig. De oorschelpen zijn groot en vliezig, of +althans uiterst dun behaard, de oogen groot, levendig en zacht, zooals +bij vele andere woestijnbewoners, die een nachtelijke levenswijze +hebben, de neusgaten wijd; ook de organen voor den tastzin zijn +goed ontwikkeld: aan weerszijden van den kop steken verbazend lange +snorren uit. De hals is buitengewoon kort en weinig beweeglijk, +de staart daarentegen zeer lang, meestal langer, soms veel langer +dan de romp: het voorste gedeelte is rond, overal gelijkmatig kort +behaard, de staartspits echter meestal met twee rijen van langere +borstelharen bezet, waardoor de staart eenige overeenkomst met een +pijl verkrijgt. De zeer korte voorpooten, zijn gedurende het springen +zoo tegen het lichaam aangedrukt en in de vacht verborgen, dat hierin +een reden te vinden is voor de oude benaming "Tweevoet"; zij hebben +slechts vier teenen met middelmatig lange, gekromde en scherpe klauwen, +en op de plaats van den duim een wratje, dat soms met een nagel +voorzien is, soms echter niet. De achterpooten zijn wel zesmaal zoo +lang als de voorpooten, omdat zoowel het onderbeen als de middelvoet +buitengewoon sterk verlengd zijn. Het haarkleed bestaat uit zachte, +zijdeachtige haren; ieder haar van den rug is van onderen blauwachtig +grijs, hoogerop zandkleurig, aan de spits echter zwart of donkerbruin; +aan de onderdeelen is de vacht altijd wit, met overlangsche strepen +aan de zijden. Een merkwaardig verschijnsel, dat men bij vele snel +loopende dieren opmerkt en ook bij de Springmuizen aantreft, is, +dat de voeten de eenvoudigst mogelijke samenstelling hebben, en +slechts uiterst weinig beweeglijk zijn. De 3, 4 of 5 buitengewoon +korte teenen van de springpooten hebben in den regel slechts twee +leden; zij kunnen niet zijdelings bewogen, maar alleen gezamenlijk +een weinig gebogen en gestrekt worden. Bij het loopen komt alleen +de uiterste spits van het nagellid met den grond in aanraking; door +een veerkrachtige, kraakbeenige massa, wordt zij echter gevrijwaard +tegen den invloed van schokken bij den sprong. + + + +Als vertegenwoordiger van dit geslacht kies ik +de _Woestijn-springmuis_, de _Djerboa_ der Arabieren (_Dipus +aegyptius_), een allerliefst diertje van 17 cM. lengte, waarbij nog +gevoegd moet worden 21 cM. voor den staart (zonder den haarkwast). De +Woestijn-springmuizen, waarschijnlijk wel de Egyptische, waren reeds +aan de ouden goed bekend. Dikwijls wordt in de werken van Grieksche en +Romeinsche schrijvers van deze dieren melding gemaakt, altijd onder +den naam van "tweevoetige Muizen", welke naam daarom ook thans nog +tot aanduiding van het geslacht dient. + +Het verbreidingsgebied van de Woestijn-springmuis omvat het +grootste deel van Noord-Oost-Afrika, en het aangrenzende deel van +West-Azië. Kale, droge vlakten, steppen en zandwoestijnen worden door +haar bewoond; zij bevolkt de dorste en eenzaamste landschappen, en +leeft in streken waar, naar men zou zeggen, geen dier het noodige voor +zijn levensonderhoud kan vinden. Op deze met harde grassen begroeide, +naargeestige vlakten treft men ze soms tot groote gezelschappen +vereenigd aan. Zij komt hier voor nevens het Woestijnhoen, de +kleine Woestijn-leeuwerik en de isabelkleurige Woestijnlooper; het +is moeielijk te begrijpen, dat ook de Springmuizen voedsel vinden +daar, waar de genoemde Vogels, die, behalve zaden, toch ook veel +Insecten eten, ter nauwernood aan den kost kunnen komen. In den harden +grindgrond graven onze Knaagdieren sterk vertakte, maar tamelijk dicht +bij de oppervlakte gelegen gangen, waarin zij zich bij het geringste +gevaar verschuilen. + +Hoewel deze diertjes talrijk zijn in de door hen bewoonde gewesten, +ziet men ze hier tamelijk zelden. Men kan ze wel niet schuw noemen, +maar zij zijn onrustig en vreesachtig en begeven zich bij het geringste +gedruisch en zoodra zij een vreemd voorwerp zien, zoo schielijk +mogelijk naar hunne holen. Bovendien vallen zij eerst op geringen +afstand in 't oog, omdat hun kleur volkomen met die van 't zand +overeenkomt en men tamelijk dicht bij hen moet zijn, voordat men ze +bemerkt; met hunne fijn bewerktuigde zintuigen kunnen zij daarentegen +de nadering van den mensch reeds op grooten afstand waarnemen. Wel +mag men zeggen, dat het moeite zal kosten een aanvalliger schepseltje +aan te wijzen, dan deze Springmuis. Vreemdsoortig en schijnbaar +wanstaltig moge haar voorkomen zijn, als men haar dood in de +hand heeft of bewegingloos ziet zitten, bevallig is echter haar +uitzicht, als zij in beweging geraakt. Eerst dan doen deze dieren +zich kennen als echte kinderen van de woestijn, openbaren zij hunne +merkwaardige begaafdheden. Zij bewegen zich met een snelheid die +aan het ongeloofelijke grenst; 't is alsof zij vleugels hebben. Geen +mensch is in staat een Springmuis in volle vaart bij te houden. Hoewel +de Woestijn-springmuis een echt nachtdier is en hare zwerftochten +eerst na zonsondergang begint, ziet men haar toch ook soms bij helder +zonlicht, ja zelfs gedurende de heetste uren van den dag voor haar +woning zitten en met hare soortgenooten spelen. De onverschilligheid +voor den verzengenden gloed van de middagzon in Afrika, die zij bij +deze gelegenheid openbaart, is werkelijk bewonderenswaardig; vooral +als men bedenkt, dat nagenoeg geen enkel dier op dezen tijd van den +dag zich in de woestijn beweegt, wijl de brandende hitte dan zelfs voor +de echte bewoners van dit verheven landschap in den volsten zin van 't +woord onverdragelijk is. Voor koude en vochtigheid daarentegen is zij +zeer gevoelig; bij slecht weder blijft zij daarom altijd verborgen in +haar hol; ook vervalt zij dan wel in een toestand van verstijving, die +aan den winterslaap van de bewoners der noordelijke gewesten herinnert. + +Over de voortplanting van de Woestijn-springmuis is niets met zekerheid +bekend. De Arabieren maken ijverig jacht op dit dier, omdat zij zijn +vleesch eten en op tamelijk hoogen prijs stellen; zonder groote moeite +vangen zij het levend of slaan het dood als het uit zijn hol komt. + +Behalve den mensch hebben deze dieren weinig vijanden. De Fenek en de +Karakal en misschien ook de een of andere Uil zijn de gevaarlijkste +warmbloedige roovers, die het op hen gemunt hebben; veel gevaarlijker +wordt voor hen de Egyptische Brilslang. Deze leeft nl. op soortgelijke +plaatsen als de Springmuizen, dringt zonder moeite door in de holen, +die zij graven en doodt er vele van. + +De Europeesche dierenliefhebbers, die in Egypte wonen, houden dikwijls +Springmuizen in gevangenschap. Op grond van mijn eigen ervaring kan +ik verzekeren, dat men veel genoegen kan hebben van zulke in een hok +of in een kamer opgesloten dieren. Gedurende mijn verblijf in Afrika +werden mij dikwijls 10 of 12 stuks tegelijk gebracht. Ik gaf dan aan +zulk een gezelschap een groote kamer tot woonplaats om de bewegingen +dezer dieren te kunnen nagaan. Van 't eerste oogenblik af waren zij +mak. Zonder bezwaar lieten zij toe, dat men ze aanraakte, en deden +zelfs geen pogingen om den mensch te ontwijken. Bij het rondgaan +in hun kamer moet men oppassen niet op hen te trappen, zoo rustig +bleven zij zitten, als iemand op hen af kwam. Tegenover elkander +zijn de springmuizen ook in de gevangenschap buitengewoon vreedzaam +en gezellig. Zij zijn aan armoedig en droog voedsel gewoon. Als +het droge voedsel haar geheel onthouden wordt, gaan zij treuren, +verliezen haar gezondheid en sterven eindelijk. Wanneer zij tarwe, +rijst, een weinig melk en af en toe een druif, een stukje appel, +een wortel of zoo iets krijgen, blijven zij welvarend en kunnen lang +in de gevangenschap leven. In den laatsten tijd is het geen groote +zeldzaamheid meer, dat zij naar Europa gebracht worden. + +Van alle Knaagdieren, die ik tot dusver in gevangenschap hield, zijn +mij de Springmuizen het best bevallen. Wegens hare eigenschappen +moet ieder wel van haar houden. Zij zijn zoo merkwaardig argeloos, +zoo vriendelijk, tam, zindelijk, en, als zij haar slaapje uit hebben, +zoo vroolijk en vlug, elk van hare bewegingen is zoo eigenaardig en +zij weten hierin zooveel afwisseling te brengen, dat men zich uren +lang met haar kan bezig houden. + +Voor haar verzorger is de Springmuis zeer lieftallig. Nooit komt het +haar in de gedachte den persoon te bijten, die haar opneemt. Men kan +haar aanraken, liefkoozen, ronddragen: alles is haar goed. Wanneer +iemand haar 's avonds een vinger toesteekt tusschen de traliën van haar +hok door, gebeurt het wel, dat zij dien aanvat, en met de tanden een +weinig langs den vingertop schaaft, waarschijnlijk omdat zij meent, +dat men haar iets te eten wil geven; van werkelijke pogingen om te +bijten is ook dan zelfs geen sprake. Het komt mij voor, dat men de +Springmuis zeer goed in een salon of pronkkamer zou kunnen houden, +zoo goedaardig, argeloos en zindelijk is dit dier. + + + +Door het maaksel van den schedel, van het gebit en vooral van de +achterpooten verschillen de _Zandspringers_ (_Scirtetes_) van de +Woestijn-springmuizen. Bij hen is een lang en stevig middelvoetsbeen +aanwezig, dat van onderen drie gewrichtsvlakken heeft voor de +aanhechting van de drie teenen, die met den grond in aanraking komen; +aan weerszijden van het groote middelvoetsbeen bevindt zich een korter +been, dat een bijteen draagt, die den grond niet raakt. De achtervoet +is dus met vijf teenen voorzien. + + + +Door de uitmuntende beschrijvingen van Pallas, Brandt en anderen, +zijn wij vooral met de _Paardepoot-springmuis_, den _Alakdaga_ +der Mongolen (_Scirtetes jaculus_) bekend geworden. Dit dier heeft +ongeveer de grootte van een Eekhoorntje; zonder den 26 cM. langen +staart heeft het een lengte van 18 cM. De ooren zijn zoo lang als de +kop. Deze is werkelijk fraai en heeft levendige, uitpuilende oogen +met cirkelvormige pupil, groote, lange en smalle ooren, die langer +zijn dan de kop en zeer lange snorharen met zwartachtig grijze spitsen +aan weerszijden van de bovenlip. De achterpooten zijn bijna viermaal +zoo lang als de voorpooten. De middelste teen is de langste, want de +beide zijdelingsche teenen reiken niet voorbij het eerste lid van de +middelste en de twee bijteenen zijn, zooals reeds opgemerkt werd, zoo +hoog geplaatst en kort, dat zij bij 't gaan den grond niet aanraken. + +Hoewel de Paardepoot-springmuis ook in het zuidoosten van Europa +voorkomt, vooral in de steppen aan den Don en in de Krim, is Azië +toch haar eigenlijk vaderland. Noordwaarts komt zij niet verder dan +de 52e breedtegraad; oostwaarts strekt haar verbreidingsgebied zich +uit tot in het oosten van Mongolië. + +Evenals de Djerboa de woestijnen van Afrika bewoont, leeft de Alakdaga +in de open vlakten van het steppengebied van Zuid-Europa en Azië, +vooral echter op leemachtigen grond; het eigenlijke, rondkorrelige zand +vermijdt hij, omdat dit geen voldoende stevigheid voor zijne gangen en +holen aanbiedt. Hij leeft gezellig evenals zijne verwanten, doch niet +in groote troepen bijeen. Over dag rust hij, verborgen in zijn kunstig +hol, na het vallen van de schemering zwerft hij rond, maar keert des +nachts herhaaldelijk naar zijn hol terug. Zijne bewegingen gelijken op +die van zijne reeds genoemde verwanten. Als hij rustig graast, loopt +hij, evenals een Kengoeroe, die met zijn maal bezig is, op alle vier; +de snellere beweging geschiedt springend op de achterpooten. Naar +men zegt, maakt hij nog grooter sprongen dan de Woestijn-springmuis, +en is hij hierdoor in staat zoo snel te vluchten, dat een Paard hem +niet inhalen kan. Schuw en vreesachtig van aard neemt hij reeds +bij het geringste gevaar de vlucht; zelfs als hij rustig graast, +richt hij zich van tijd tot tijd op om de omgeving te bespieden. Als +hij vervolgd wordt, springt hij niet volgens een rechte lijn weg, +maar verandert zooveel mogelijk zigzagswijs van richting, totdat hij +zijn vervolger afgemat, of een voor hem geschikt hol gevonden heeft, +waarin hij zich oogenblikkelijk verbergt. + +De Alakdaga eet allerlei soorten van planten en allerlei deelen +van planten. Zijn voornaamste voedsel bestaat uit bollen; Insecten +versmaadt hij echter niet; nu en dan zal hij waarschijnlijk wel +eens zijn maal doen met een Steppen-leeuwerik of althans met diens +eieren en jongen. Van struiken knaagt hij de schors af, van de +kruidachtige planten der steppe vreet hij echter alleen de jongste +uitspruitsels. Als de felle koude begint, valt de Paardepoot-springmuis +in slaap. Bij 't naderen van den winter sluit hij de uitgangen zijner +onderaardsche galerijen zorgvuldiger af dan gewoonlijk en rolt zich +met andere dieren van zijn soort in de zacht bekleede kamer van het +hol tot een kluwen ineen. + +De Alakdaga wordt tamelijk sterk vervolgd, daar de steppenbewoners +zeer veel houden van zijn vleesch. Slechts hoogst zelden houden de +nomaden van deze steppen een Alakdaga in gevangenschap, ofschoon +hij deze zeer goed verdraagt. Men heeft hem reeds meermalen levend +in Europa gehad, waar hij niet alleen voor tijdverdrijf diende, maar +ook soms voor een wetenschappelijk doel. De beste beschrijving van het +leven van dit dier in de gevangenschap, hebben wij n.l. te danken aan +den oudheidkundige Haym. Om een gouden munt uit Cyrene te verklaren, +waarop aan de eene zijde een ruiter, aan de ander echter het beroemde +kruid _Silphium_ [2] met een Zandspringer er onder afgebeeld was, +schafte Haym zich een Alakdaga aan, hield hem meer dan een jaar lang +in leven, teekende zorgvuldig op, wat er aan dit dier op te merken +viel en gaf hiervan een nauwkeurig verslag. + +Gedurende de 3 of 4 eerste maanden van zijn leven in de gevangenschap, +at deze Zandspringer niets anders dan amandelen, pistaches (de +eetbare vruchten van een in Syrië en Mesopotamië inheemschen, in de +oeverlanden van de Middellandsche zee gekweekten boom, _Pistacia +vera_) en gebroken graan, zonder ooit te drinken; later gebruikte +hij ook appels, peenen en nog liever kruiden, maar alleen zulke, +die weinig geur hebben, zooals spinazie, salade, brandnetels, enz.; +hij dronk toen ook nu en dan gaarne water, hoewel men Haym gezegd +had, dat dit nooit geschiedde. Hij hield veel van brood, suiker en +soortgelijke voedingsmiddelen; kaas en alle andere melkspijzen roerde +hij nooit aan. Ten slotte gaf hij aan hennepzaad de voorkeur boven +ieder ander voedsel. Hij verbreidde volstrekt geen onaangenamen reuk, +zooals andere Knaagdieren--Muizen, Eekhoorns en Konijnen--doen; ook +was hij zoo zachtaardig, dat men hem gerust in de handen kon nemen; +hij beet nooit. Vreesachtig als een Haas, was hij zelfs bang voor +diertjes, die kleiner waren dan hij en geen kwaad konden doen. In +het koude jaargetijde had hij veel last van den lagen warmtegraad; +des winters moest men derhalve zijn hok altijd in de nabijheid van +het vuur plaatsen. Toch was niet het klimaat, maar een noodlottig +toeval de oorzaak van den dood van dit dier. + + + +De _Springende Haas_, door de Hollandsch sprekende bewoners van +Zuid-Afrika ook wel _Aardmannetje_ genoemd (_Pedetes caffer_), +wordt tegenwoordig als vertegenwoordiger van een afzonderlijke +onder-familie beschouwd. Van de overige Spring-knaagdieren verschilt +hij aanmerkelijk door zijn gebit en ook nog in verschillende andere +opzichten. De langwerpige romp neemt van voren naar achteren allengs +in dikte toe, de hals is tamelijk dik, maar duidelijk van den romp te +onderscheiden en veel beweeglijker dan bij de verwante geslachten; +de voorpooten zijn ook bij hem nog kort, maar toch veel krachtiger +dan bij de Springmuizen; hunne vijf teenen zijn met stevige, lange, +sterk gekromde klauwen gewapend; de achterste ledematen daarentegen +zijn lange, krachtige springpooten, hebben vier teenen, die ieder +door een afzonderlijk middelvoetsbeen gedragen worden; zij dragen +stevige, breede, maar tamelijk korte, bijna hoefvormige nagels. De +middelste teen van den achterpoot is langer dan de overige teenen; de +korte buitenteen is zoo hoog geplaatst, dat hij den grond bijna niet +aanraakt. De zeer lange, krachtige, dicht en ruig behaarde, aan den +oorsprong nog dunne staart, wordt door de overvloedige beharing naar de +spits toe dikker en loopt uit in een stomp eindigenden haarkwast. Het +lange, dichte, overvloedige en zachte haarkleed van den Springhaas, +dat, wat de kleur betreft, een in 't oog loopende overeenkomst met het +vel van onzen Haas vertoont, is aan de bovenzijde roest-bruinachtig +vaalgeel (met bijmenging van zwart, omdat vele haren zwarte spitsen +hebben), aan de onderzijde echter wit. In grootte komt dit dier, +ongeveer met onzen Haas overeen: de lichaamslengte bedraagt ongeveer +60 cM.; de hierbij niet meegerekende staart is nog iets langer. + +De Springende Haas bewoont armoedige landstreken en zelfs +woestijnachtige steppen. Hij is over een groot deel van Zuid-Afrika +verbreid, komt in het westen minstens tot op de breedte van Angola en +in het oosten stellig nog in Duitsch Oost-Afrika voor. In het Kaapland +is hij op sommige plaatsen zeer veelvuldig, zoowel in bergstreken +als in open vlakten, soms vindt men deze dieren in zulk een groot +aantal bijeen, dat zij echte koloniën vormen. Op soortgelijke wijze +als zijne verwanten graaft hij onderaardsche woningen met lange +gangen, die gewoonlijk sterk vertakt en op korten afstand van de +oppervlakte gelegen zijn en naar een op grooter diepte voorkomende +kamer leiden. Meestal dient zulk een woning tot verblijfplaats aan +verscheidene paren, ja zelfs aan geheele familiën. + +Daar hij, evenals de andere leden van zijn familie, een nachtdier is, +begint zijn bedrijvigheid eerst, als de avondschemering invalt. Hij +komt langzaam uit zijn woning te voorschijn, en beweegt zich op +alle vier ledematen terwijl hij zijn voedsel zoekt, dat uit wortels, +bladeren en zaden bestaat; zijn beweging verdient dan eer den naam van +kruipen dan van loopen. Bijna iedere minuut gaat hij op de achterpooten +staan luisteren, want hij is voortdurend hoogst onrustig. Wanneer hij +niet eet, poetst hij zich, en wanneer hij zich niet poetst, toont hij +zich bekommerd over zijn veiligheid. Somtijds laat hij een soort van +geknor of geblaat hooren, waarschijnlijk om zijne metgezellen bijeen te +roepen. Het voedsel brengt hij, evenals de Springmuizen, met de korte +voorpooten naar den mond. Zoo langzaam hij voortschrijdt, wanneer +hij op alle vier gaat, zoo snel is zijn uit schielijk opeenvolgende +sprongen bestaande loopbeweging. Door het strekken van de lange +achterpooten verheft hij zich boven den bodem en komt weer op de +achterpooten terecht, zonder met de voorpooten, die tegen de borst +aangedrukt blijven, den grond aan te raken. Gewoonlijk bedraagt +de sprongwijdte 2 à 3 M.; zoodra hij vervolgd wordt, vermeerdert +echter zijn snelheid zoodanig, dat de gemiddelde sprongwijdte 6 à 10 +M. bedraagt. + +Bij den aanvang van 't regenseizoen blijft, naar men zegt, de geheele +familie dikwijls dagen achtereen, ineengerold en dicht tegen elkander +aangedrukt, binnen haar woning. Bij goede verzorging verdraagt de +Springende Haas de gevangenis zeer goed en gedurende langen tijd; +weldra wordt hij tam en stelt vertrouwen in zijn verzorger. Wegens +zijn zindelijkheid verdient hij als huisdier aanbeveling; voedsel kan +men hem gemakkelijk verschaffen: met tarwe, brood, salade en kool is +hij best tevreden. + +De Hollandsche Boeren in Zuid-Afrika vinden veel vermaak in de jacht +op dit dier; zijn vleesch wordt met smaak gegeten en het vel op +soortgelijke wijze gebruikt als dat van onzen Haas. + + + +Om ons zoo grondig mogelijk bekend te maken met den aard der +Knaagdieren, is geen andere familie van deze orde zoo goed geschikt, +als die welke de _Muizen_ (_Muridae_) omvat. Deze familie is niet +alleen het rijkst van alle aan geslachten en soorten, maar is ook +verreweg het meest verbreid; haar verbreidingsgebied, althans dat +van sommige soorten, neemt zelfs, dank zij haar gehechtheid aan den +mensch, tot op den huidigen dag voortdurend toe. Hare leden zijn +doorgaans klein van stuk, maar zij vergoeden, meer dan wenschelijk +is, door talrijkheid, wat er aan de grootte van ieder individu te +kort komt. Om een algemeene voorstelling te geven van de geheele +familie, kan men zeggen, dat zij gekenmerkt is door den spitsen snuit, +de groote, zwarte oogen, de breede en holle, zeer schraal behaarde +ooren, den langen, behaarden of (niet minder dikwijls) onbehaarden, +en dan met schubben bedekten staart, en de sierlijke pooten, met +smalle, fijne vijfteenige voeten; voorts door de kortharige, zachte +vacht. Wat haar algemeene gedaante betreft, vertoonen echter vele +Muizen een toenadering tot andere familiën van de Knaagdieren-orde: +stekelig bovenhaar herinnert aan de Stekelzwijnen; echte zwemvoeten, +korte ooren en pooten doen aan de Bevers denken; een dicht behaarde +staart roept ons het beeld van den Eekhoorn voor den geest enz. In +overeenstemming met deze uitwendig zichtbare afwijkingen van den +algemeenen vorm, is ook de bouw van het gebit in mindere of meerdere +mate gewijzigd. + +De Muizen zijn wereldburgers, tot groote schade voor de menschheid. In +alle werelddeelen komen leden van deze familie voor; de weinig +talrijke, gelukkige eilanden, die tot dusver van een bezoek van de +genoemde Knaagdieren verschoond bleven, zullen vroeger of later nog +wel bevolkt worden door één soort, die door haar reislust reeds een +ontzaglijk groot verbreidingsgebied heeft verkregen. De Muizen bewonen +alle landstreken en alle klimaten; wel geven zij de voorkeur aan de +vlakten van gematigde en warme gewesten boven het gure hoogland en +het koude noorden; maar ook hier worden zij gevonden tot daar, waar de +plantengroei ophoudt; zij komen dus ook nog voor in de onmiddellijke +nabijheid van de eeuwigdurende sneeuw der gebergten. Goed bebouwde +landerijen, vruchtbare akkers, plantages worden onvoorwaardelijk door +haar het liefst als woonplaats gekozen; moerassige plaatsen, oevers van +rivieren en beken, verschaffen haar echter evenzeer het noodige; zelfs +op dorre, droge, met weinig gras en struikgewas begroeide vlakten, +zien zij nog kans om in haar levensonderhoud te voorzien. Eenige +vermijden de nabijheid van plaatsen, waar de mensch zich gevestigd +heeft; andere dringen zich als ongenoode gasten aan hem op, en volgen +hem overal, waar hij zich metterwoon nederzet, zelfs naar overzeesche +gewesten. Zij bevolken huis en hof, schuur en stal, tuin en veld, +weide en bosch, overal richten zij met de scherpe werktuigen harer +vraatzucht schade en onheil aan. Er zijn er maar weinige onder, +die eenzaam of bij paren leven; de meeste houden van gezelligheid; +sommige soorten vormen soms ontzaglijk groote scharen. Bijna alle +soorten vermenigvuldigen zich buitengewoon sterk, want het aantal +jongen van een enkelen worp wisselt van 6 tot 21 af; de meeste planten +zich ieder verscheidene malen voort, zelfs in den winter. + +De Muizen plagen en kwellen den mensch op allerlei wijzen; hare +eigenschappen stellen haar, naar 't schijnt, juist hiertoe, in +staat. Vlug en behendig in hare bewegingen, kunnen zij uitmuntend +loopen, springen, klimmen, zwemmen; zij zien kans haar lichaam door de +nauwste openingen heen te wringen; wanneer zij geen toegangsopeningen +vinden, maken zij die met haar scherp gebit. Zij zijn tamelijk +schrander en voorzichtig, maar tevens driest, brutaal, onbeschaamd, +listig en moedig; hare zinnen zijn over 't geheel genomen fijn, +hoewel de reuk en het gehoor verreweg de overhand hebben. Haar +voedsel bestaat uit alle eetbare voortbrengselen van het planten- +en dierenrijk: zaden, vruchten, wortels, schors, kruiden, gras, +bloemen vormen haar gewone voedsel; niet minder graag echter eten +zij Insecten, vleesch, vet, bloed en melk, boter en kaas, huiden en +beenderen; wat zij niet opeten kunnen, knagen zij toch stuk, zooals +b.v. papier en hout. Water drinken zij over 't algemeen slechts zelden: +daarentegen zijn zij buitengewoon verlekkerd op alle vloeistoffen +die voedingsmiddelen bevatten, en wenden allerlei listen aan om ze +te verkrijgen. Zij vernielen altijd veel meer, dan zij gebruiken; +door deze hebbelijkheid worden zij de onaangenaamste vijanden van den +mensch. Slechts zeer weinig Muizen zijn onschadelijke dieren en hebben +wegens haar sierlijke gestalte, de bevalligheid van hare bewegingen +en haar innemend uiterlijk genade in onze oogen gevonden. Dit geldt +vooral van de knapste bouwkunstenaars van deze familie, die boven alle +Zoogdieren uitmunten door de kunstige nesten, die zij vervaardigen, +en die door haar gering aantal en de kleine hoeveelheid voedsel, +welke zij noodig hebben, niet veel last veroorzaken. Eenige soorten, +die gewesten van den kouden en gematigden aardgordel bewonen, houden +winterslaap en brengen vooraf wintervoorraad bijeen; andere ondernemen, +tot tallooze scharen vereenigd, van tijd tot tijd verhuizingen, +die echter in den regel noodlottig voor haar zijn. + +Voor de gevangenschap zijn weinig soorten geschikt; want slechts +een gering aantal laten zich gemakkelijk temmen en zijn verdraagzaam +ten opzichte van hare soortgenooten. De overige zijn ook in de kooi +onaangename, onverdraagzame, bijtlustige gasten, die de vriendschap, +welke men haar bewijst, en de verzorging, die zij vereischen, slecht +vergelden. Nuttig in den eigelijken zin van 't woord zijn de Muizen +nooit, want hoewel men van sommige soorten het vel gebruikt, of zelfs +het vleesch eet, komen deze geringe voordeelen niet in aanmerking +nevens de ontzaglijke schade, die deze familie als geheel beschouwd +aanricht. + + + +De _Renmuizen_ worden in een afzonderlijke onderfamilie +(_Merionidinae_) geplaatst, omdat zij zich door verschillende +eigenaardigheden van alle overige leden der familie onderscheiden; +het meest valt hiervan in 't oog de van voren tot achteren dicht +behaarde staart. + +Haar verbreidingsgebied is beperkt tot Afrika, het zuiden van Azië +en het zuidoosten van Europa. Bij voorkeur bewonen zij gewesten, die +in cultuur gebracht zijn; zij komen echter ook in de dorste vlakten +en steppen voor, dikwijls zelfs in buitengewoon grooten getale. De +meeste graven op tamelijk geringen afstand van de oppervlakte +onderaardsche gangen, waarin zij den dag doorbrengen. Hare bewegingen +zijn buitengewoon snel en vlug; enkele kunnen, naar het schijnt, +groote sprongen doen. + +Wegens de verwoestingen, die de Renmuizen aanrichten op de akkers, +worden zij door de bewoners van de landen, waar zij voorkomen, +evenzeer gehaat en vervolgd als onze Ratten. + + + +De _Zand-Renmuis_ (_Psammomys obesus_) heeft ongeveer de grootte van +onze Bruine Rat, maar een veel korteren staart, daar deze slechts 13 +cM. lang is bij een totale lichaamslengte van 32 cM.; van boven is +zij roodachtig zandkleurig, zwart gesprenkeld, aan de zijden en van +onderen lichtgeel. + +In Egypte ziet men deze Muis op zandige plaatsen van de Woestijn; zeer +veelvuldig is zij ook op de hoopen puin, die alle steden van het rijk +der Pharaonen omgeven. Zij legt onderaardsche gangen en galerijen aan, +die veelvuldig vertakt en tamelijk diep zijn; het liefst doet zij dit +onder en tusschen het lage kreupelhout en de weinig talrijke, kruipende +planten, die de door haar bewoonde plaatsen schraal genoeg bedekken +en haar tevens het dagelijksch brood verschaffen. Daar zij zich ook +over dag voor haar woning vertoont, kan men haar gemakkelijk leeren +kennen. Dikwijls ziet men 10 à 15 van deze dieren tegelijk rondloopen, +met elkander spelen en aan de een of andere plant knabbelen. De +Zand-renmuis is van die leden der Knaagdieren-orde, welke men voor +de gezelligheid gevangen houdt, een van de aardigste. Zij wordt +merkwaardig tam, komt uit haar hok, loopt onbevreesd op de tafel +rond, laat toe, dat men haar aanraakt en in de hand neemt, zonder +aanstalten te maken om te bijten. De groote, niet sterk uitpuilende +oogen en de fraaie vacht dragen veel bij tot den aangenamen indruk, +dien dit dier op den toeschouwer maakt; ook de dichtbehaarde staart, +met een zwarten haarkwast aan de spits, staat haar goed. + + + +De meest typische vertegenwoordigers van de familie--de _Muizen_ +in engeren zin (_Murinae_) zijn, wat haar aard en hare handelingen +betreft, ons maar al te wel bekend. Tot deze groep behooren ook die +soorten, welke zich met den mensch over de geheele wereld verbreid, +en zich zelfs op de eenzaamste eilanden gevestigd hebben. Het is nog +niet zoo lang geleden dat deze dieren zich over de wereld begonnen te +verspreiden; voor vele plaatsen is zelfs het jaar, waarin zij voor +'t eerst hier optraden, met juistheid bekend; thans echter hebben +zij hun rondreis om de wereld volbracht. Nergens is de mensch hun +dankbaar voor de volhardende gehechtheid, die zij voor zijn persoon, +zijn huis, zijn hof aan den dag leggen; overal vervolgt en haat hij +hen op de onmeedoogendste wijze; alle middelen stelt hij in 't werk +om zich van hen te bevrijden, toch blijven zij aan hem verknocht, +trouwer nog dan de Hond, trouwer dan eenig ander dier. Ongelukkig +zijn deze aanhankelijke huisvrienden afschuwelijke gauwdieven; als +echte spitsboeven uitgerust, weten zij zich overal te nestelen en +bereiden hun gastheer niets anders dan schade en verdriet. Hierdoor +is het te verklaren, dat alle echte Muizen kortweg voor leelijke, +akelige dieren worden uitgescholden, hoewel zij in werkelijkheid in +den regel dezen naam niet verdienen, maar veeleer sierlijke, bevallige, +aardige wezentjes zijn. + +Reeds door het gewone spraakgebruik worden in deze onderfamilie +twee hoofdgroepen onderscheiden, de _Ratten_ en de _Muizen_; deze +verdeeling is ook wetenschappelijk juist. De Ratten zijn de plompste +en leelijkste, de Muizen de lichtste en sierlijkste vormen. Bij gene +heeft de staart 200 à 270 uit schubben bestaande ringen, bij deze 120 +à 180; de eerstgenoemde hebben dikke en krachtige, de andere slanke +en fijne voeten; de Ratten zijn in volwassen toestand aanmerkelijk +grooter dan hunne bevalliger verwanten. + +Het is nagenoeg zeker, dat de Ratten die tegenwoordig in Europa +gevonden worden, hier oorspronkelijk niet inheemsch waren, maar +van elders zijn gekomen. Bij de schrijvers der oudheid komt slechts +één enkel bericht voor, dat op Ratten betrekking kan hebben. Welke +soort Amyntas bedoeld heeft in zijn door Aelianus aangehaalde +mededeeling, is nog niet uitgemaakt. De _Zwarte Rat_ is het eerst +in Europa en ook in ons land verschenen of opgemerkt, op haar volgde +de _Bruine Rat_; bij deze beide heeft zich in den laatsten tijd nog +gevoegd (althans in Zuid-Europa en ook reeds in sommige gewesten van +Zuid-Duitschland) de uit Egypte afkomstige _Egyptische Rat_ of _Dakrat_ +(_Mus alexandrinus_). De Bruine Rat, de sterkste van de drie, verdrijft +en vernietigt hare beide verwanten en heeft zich bijna overal meester +gemaakt van de alleenheerschappij. Het is te hopen, dat wij geen last +krijgen van andere reislustige leden der Muizen-familie, en vooral, +dat wij verschoond zullen blijven van een immigratie der _Hamsterrat_ +(_Mus_ of _Cricetomys gambianus_), die onze Ratten niet alleen +door haar grootte, maar ook door haar werkzaamheid ver overtreft en +tegenwoordig aan de kooplieden te Zanzibar meer moeite veroorzaakt +dan alle Europeesche Ratten te zamen genomen: wij zouden, als dit +dier tot ons kwam, eens recht ondervinden wat een Rat kan uitrichten. + +Voor ons doel zal een beschrijving van de beide meest bekende soorten, +de _Zwarte Rat_ en de _Bruine Rat_, voldoende zijn. + + + +De _Zwarte Rat_ (_Mus rattus_) heeft, met inbegrip van den 19 +cM. langen staart, een lengte van 35 cM.; de bovendeelen zijn +donker van kleur, bruinzwart, de onderdeelen een weinig lichter, +grauwzwart. De pooten hebben een grijsachtig bruine, zelden een iets +lichtere kleur. Aan den betrekkelijk slanken staart neemt men 260 +à 270 uit schubben bestaande ringen waar. Albino's (wezens die zich +door gemis van de huidkleurstof onderscheiden) komen onder haar niet +zelden voor. + +Wanneer deze soort voor 't eerst in Europa verschenen is, kan niet met +zekerheid opgegeven worden. Albertus Magnus is de eerste dierkundige, +die de Zwarte Rat als een Duitsch dier vermeldt; zij was dus hier +reeds in de 13e eeuw inheemsch. Gesner noemt haar een dier dat +"menigeen beter kent, dan hem lief is"; de bisschop van Autun sprak +in het begin der 15e eeuw de banvloek der kerk over haar uit. 't Zou +kunnen zijn, dat zij uit Perzië afkomstig is, waar zij tegenwoordig +in ongeloofelijk groot aantal voorkomt. Tot in de eerste helft van +de vorige eeuw voerde zij in Europa de opperheerschappij; sinds +dezen tijd heeft de Bruine Rat haar dit gebied betwist, overal waar +dit geschiedde, heeft zij moeten wijken. Toch is zij ook thans nog +over nagenoeg alle werelddeelen verbreid; zij komt echter slechts +zelden in grooten getale voor, maar leeft bijna overal afzonderlijk +en ver uiteen. Naar het schijnt, is zij in Duitschland bijna overal +verdwenen; toch zijn o.a. nog in Noordwest-Duitschland (Bremen, +Luneburg) en in Thüringen (bij Rudolstad) woonplaatsen van de +Zwarte Rat bekend. Prof. Ritzema Bos schrijft hierover het volgende +(Landbouwdierkunde, Dl. I, p. 97): "Dat langzamerhand de Zwarte Rat in +Europa vermindert, in vele streken zeldzamer wordt, of zelfs geheel +verdwijnt, is het noodzakelijke gevolg van de voorrechten, welke de +sterkere overal in de natuur boven den zwakkere heeft. En dat dit niet +alleen in bepaalde streken, maar in 't algemeen het geval is, blijkt +o.a. zeer duidelijk uit de prijslijsten van verschillende handelaars +in opgezette dieren. Terwijl op die van voor 15 à 20 jaar de Zwarte +Rat bijkans altijd naast de Bruine werd genoemd, en weinig duurder +was dan deze, vindt men haar nu dikwijls niet meer vermeld, of ten +opzichte van de Bruine Rat verbazend in prijs gestegen.--Zooveel +is zeker, dat een twintigtal jaren geleden, de Zwarte Ratten ten +onzent nog veel meer voorkwamen dan tegenwoordig, nu men ze in ons +land bijna nergens meer in aanzienlijke hoeveelheid aantreft. Voor +tien tot vijftien jaren was de Zwarte Rat de heerschende soort in +'t binnenste, oudste gedeelte van de stad Groningen, het gedeelte +dat door een aaneenschakeling van singels (de vroegere grachten der +stad) van het nieuwe gedeelte is afgescheiden. Een tijdlang hadden +dus die singels de verspreiding van de Bruine Rat tegengegaan, die +in 't nieuwe gedeelte der stad reeds de zwakkere zuster geheel had +verdreven; natuurlijk werd weldra de kleine hinderpaal overschreden, +en thans vindt men in 't oudere gedeelte van Groningen, geloof ik, ook +geen Zwarte Ratten meer; in elk geval zijn ze er zeldzamer geworden, +terwijl de sterkere Bruine Rat er nu de heerschappij voert." + +De Zwarte Rat is den mensch gevolgd in alle klimaten der aarde; zij +reisde met hem te land en over zee de wereld door. Ongetwijfeld was +zij vroeger in Amerika, Australië en Afrika niet inheemsch, maar de +schepen brachten haar naar alle kusten, en van de kusten trok zij +al verder en verder het land in. Tegenwoordig vindt men haar ook +in de zuidelijke gedeelten van Azië, met name in Indië, in Afrika, +vooral in Egypte, Barbarije en aan de Kaap de Goede Hoop, in Amerika, +in Australië, en op de eilanden in de Groote Zuidzee. + + + +De _Bruine Rat_ (_Mus decumanus_) is aanmerkelijk grooter dan haar +zwakkere mededingster, n.l. 42 cM. lang, met inbegrip van den 18 +cM. langen staart, waarop men ongeveer 210 geschubde ringen telt; +de kleur van de bovendeelen is anders dan die van de onderdeelen; +beide kleuren zijn scherp van elkander gescheiden. De bovendeelen +van kop, romp, ledematen en staart zijn bruinachtig grijs, de +onderdeelen grijsachtig wit. Soms komen aan de bovenzijde der +voorvoeten bruinachtige haartjes voor; ook treft men zwarte, vale en +bonte exemplaren aan; voorts albino's (wit met roode oogen). De bonte +exemplaren zijn òf zwart met wit, òf grijs en wit; bijna altijd zijn +bij hen de kop, de hals, de schouders en de voorpooten, benevens +een meer of minder breede streep over den rug, zwart (of grijs), +de overige deelen wit. + +Met groote waarschijnlijkheid mag men aannemen, dat de Bruine Rat uit +Indië en Perzië tot ons is gekomen. Aan Pallas heeft men de eerste +betrouwbare berichten over het doordringen van de Bruine Rat in Europa +te danken. Deze onderzoeker bericht, dat zij in den herfst van 1727 +na een aardbeving in groote scharen uit de landen om de Kaspische zee +naar den oostelijken oever van den Wolga is verhuisd, en in Europa is +binnengetrokken door bij Astrakan de rivier over te zwemmen. Vanhier +uit verbreidde zij zich schielijk over de westelijke landen. Bijna +ter zelfder tijd, n.l. in 1732, werd zij op schepen uit Oost-Indië +naar Engeland overgebracht en begon nu vanhier uit haar reis om de +wereld. In Oost-Pruisen verscheen zij in het jaar 1750, te Parijs reeds +in 1753, in Duitschland was zij reeds in 1780 overal veelvuldig; in +Zwitserland kent men haar eerst sedert het jaar 1809 en in Denemarken +omstreeks dezelfden tijd als inheemsch dier. In het jaar 1755 kwam zij +voor het eerst in Noord-Amerika en vermenigvuldigde zich ook hier in +zeer korten tijd ongeloofelijk snel, terwijl zij zich over een groot +gebied verbreidde; toch was zij in 1825 nog niet voorbij Kingston +in Opper-Canada doorgedrongen en had in 1880 de bovenloop van den +Missouri nog niet bereikt. Alle door den oceaan bespoelde, bewoonbare +gewesten, zelfs de eenzaamste en afgelegenste eilanden, dienen echter +tegenwoordig tot verblijfplaats aan de Bruine Rat. Grooter en sterker +dan de Zwarte Rat, maakt zij zich overal meester van de plaatsen waar +deze vroeger rustig leefde; haar verbreiding neemt in dezelfde mate +toe, als die van haar mededingster afneemt. + +Door levenswijze, zeden en gewoonten, uiterlijk enz. stemmen beide +Ratten zoozeer overeen, dat men de eene schildert, zoo men de andere +beschrijft. Wanneer men in 't oog houdt, dat de Bruine Rat zich bij +voorkeur in de onderste localiteiten van de gebouwen en vooral in +vochtige kelders en gewelven, riolen, sluizen, zinkputten en aan de +oevers van rivieren nestelt, terwijl de Zwarte Rat meer voorliefde +heeft voor het bovenste deel van het huis, voor koornzolders, dakkamers +enz., zal er niet veel overblijven, wat beide soorten van elkander +onderscheidt. De eene zoowel als de andere neemt iedere ruimte in +de woning van den mensch als woonplaats voor lief, en bezoekt elke +denkbare plaats, waar voedsel voor haar te vinden kan zijn. Van den +kelder tot aan den zolder, van de pronkkamer tot in het privaat, +van het paleis tot in de hut, overal treft men haar aan. Tegen haar +beschermen geene omheiningen noch muren, geene deuren of sloten: +waar geen toegang bestaat, maken zij er een; door de sterkste eiken +balken en door dikke muren knagen zij zich gangen. Alleen wanneer +men de fondamenten diep in den grond legt, alle voegen tusschen de +steenen flink met stevig cement aanvult, waarna het misschien als +voorzorgsmaatregel nog noodig zal zijn, een laag glasscherven te +midden van het metselwerk aan te brengen, is men tamelijk goed tegen +hen beveiligd. + +Het vernielen van de woningen, het afschuwelijke stukknagen en +doorwoelen van de afscheidingen is nog maar het geringste van de +schade, die de Ratten kunnen aanrichten. Veel grooter nadeel brengen +zij te weeg door hetgeen zij opeten. Al wat eetbaar is, valt in haar +smaak. De mensch eet niets wat ook niet door de Rat gegeten wordt, +en zij bepaalt zich niet tot den voedselvoorraad, maar maakt evenzeer +gebruik van de dranken van den mensch. Er mankeert nog maar aan, +dat de Ratten brandewijn en jenever leeren drinken, om te kunnen +zeggen, dat dit ongedierte alle voedings- en genotmiddelen die door +het menschelijk geslacht zijn uitgevonden, mede helpt opmaken. Niet +tevreden met deze reeds zoo ruim voorziene spijskaart, vallen de +Ratten ook zeer gretig op allerlei andere voorwerpen en met name op +levende wezens aan. De walgelijkste afval uit de huishouding van +den mensch is in bepaalde gevallen nog van haar gading, rottende +krengen vinden in haar liefhebbers. Zij verslinden leder en hoorn, +zaden en boomschors, of liever gezegd alle mogelijke stoffen en +dierlijken en plantaardigen oorsprong. Wat zij niet opeten kunnen, +wordt toch stuk geknaagd; op suikerriet- en koffie-plantages richten +zij soms een ontzettende schade aan. Er zijn voorbeelden van bekend, +dat zij kleine kinderen bij levenden lijve opgegeten hebben; iedere +eigenaar van kleinvee weet trouwens door ervaring, hoe erg sommige van +zijne huisdieren door de Ratten vervolgd worden. Zeer vette Zwijnen +vreten zij gaten in 't lichaam, dicht opeengepakte Ganzen knabbelen +zij de zwemvliezen tusschen de teenen weg, jonge Eenden trekken zij +onder water om ze te verdrinken, den wilde-dieren-handelaar Hagenbeck +hebben zij eens drie jonge Olifanten gedood door de voetzolen van +deze kolossale dieren stuk te knagen. + +Als zij buitengewoon veelvuldig zijn op een plaats, kan men het +er werkelijk bijna niet meer uithouden. En er zijn plaatsen waar +zij in zoo grooten getale voorkomen, dat wij ons hiervan nagenoeg +geen begrip kunnen vormen. In Parijs werden in den tijd van vier +weken niet minder dan 10.000 stuks Ratten in een enkel slachthuis +doodgeslagen; in een vilderij in de nabijheid van genoemde hoofdstad +verslonden zij in een enkelen nacht 35 lijken van Paarden, zoodat +er alleen de beenderen van overbleven. Zoodra zij bemerken, dat de +mensch tegenover haar machteloos is, neemt haar onbeschaamdheid op +een waarlijk verbazende wijze toe. Las Cases verhaalt, dat Napoleon, +evenals de getrouwen, die den gevallen veroveraar in zijne ballingschap +op St. Helena gevolgd waren, den 27en Juni 1816 zonder ontbijt moest +blijven, omdat de Ratten gedurende den vorigen nacht in de keuken +waren binnengedrongen en alles medegenomen hadden. Zij waren op dit +verbanningsoord in groote menigte voorhanden, zeer kwaadaardig en +buitengewoon stoutmoedig. Gewoonlijk hadden zij maar weinige dagen +noodig om de muren en de houten beschotten van de eenvoudige woning +van den keizer te doorknagen. Terwijl Napoleon aan den disch zat, +kwamen zij in de eetzaal; na den maaltijd moesten de bedienden met deze +Knaagdieren letterlijk oorlog voeren om de gerechten van de tafel te +kunnen nemen. Het plan om Hoenderen en ander pluimvee te houden moest +opgegeven worden, omdat de Ratten ze verslonden; zij haalden de Vogels +'s nachts uit de boomen weg, waarop deze dieren zaten te slapen. In de +factorijen of gebouwen van de handelsondernemingen op verre kusten, +waar met de ruilartikelen ook Bruine Ratten heengevoerd werden, +zijn deze dieren buitengewoon lastig, en richten zij soms groote +schade aan. Alle reizigers, en vooral de verzamelaars van planten +en dieren, klagen er over, dat de Ratten dikwijls zeer zeldzame +voorwerpen vernielden, die met groote moeite verkregen waren en dat +zij hen niet zelden door hare woeste gevechten en wilde drijfjachten +op den bodem, langs de wanden en op de daken van hun slaapvertrek in +hun nachtrust stoorden. + +Ook de zeelieden zijn niet best over de Ratten te spreken, want er +is geen schip, of het heeft deze kwelduivels aan boord. Op de oude +vaartuigen zijn zij niet uit te roeien, en de nieuwe nemen zij dadelijk +in bezit, zoodra de eerste lading er in gebracht wordt. Gedurende +lange zeereizen vermenigvuldigen zij zich dikwijls op een ontzettende +wijze, vooral als zij genoeg voedsel kunnen vinden, en maken dan het +verblijf op het schip bijna onverdragelijk. Toen het schip van den +noordpoolreiziger Kane in de nabijheid van 80° N.B. was vastgevroren, +waren de Ratten aan boord zoo zeer in aantal toegenomen, dat zij +een geweldige schade aanrichtten. Men beproefde ze door verstikkende +gassen te dooden. Alle luiken werden gesloten, en onder in 't schip +werd een mengsel van zwavel, rattenkruid en leder aangestoken. De +bemanning bracht den kouden nacht van den laatsten September op het +dek door, in de hoop nu voor goed van het lastige ongedierte bevrijd +te zullen zijn. Den volgenden morgen bespeurde zij, dat dit middel +niet gebaat had. De Ratten waren even gezond als altijd. Toen ontstak +men in het hol van het schip een groote hoeveelheid houtskolen, om +de dieren te dooden door het gas (kooloxyde of kolendamp), dat bij +de onvolledige verbranding gevormd wordt. Na verloop van korten tijd +was de gesloten ruimte zoo sterk met dit gas gevuld, dat twee lieden, +die de onvoorzichtigheid hadden er in neer te dalen, onmiddellijk +bewusteloos op den grond vielen en niet dan na veel moeite weer op +het dek gebracht konden worden. Een lantaarn, die men in het ruim +liet zakken, ging oogenblikkelijk uit; plotseling begon echter +op een ander gedeelte van het vaartuig een deel van de steenkool +en ook van het houtwerk te gloeien; het gelukte eerst na groote +inspanning, en nadat de gezagvoerder in levensgevaar had verkeerd, +het vuur te blusschen. Den volgenden dag vond men niet meer dan 28 +lijken van Ratten; de overblijvende vermenigvuldigden zich vóór den +volgenden winter zoo sterk, dat men niets meer voor hare aanvallen +kon vrijwaren. Zij knaagden de pelzen, kleederen en schoenen stuk, +nestelden zich in de bedden, sloegen haar verblijf op in handschoenen, +mutsen en voorraadkisten, verslonden de proviand en ontsnapten met +veel list en sluwheid aan alle vervolgingen. Men probeerde toen een +ander middel. De schranderste en moedigste Hond werd in de gewone +verblijfplaats van de Ratten, in 't hol van 't schip, neergelaten, om +daar de orde te herstellen; weldra echter bleek het uit het jammerlijk +gehuil van dit dier, dat het niet tegen de Ratten opgewassen was +en dat deze ook nu nog den baas speelden. Men haalde den Hond uit +zijn gevangenis te voorschijn en bemerkte, dat de Ratten hem reeds +de huid van de voetzolen afgevreten hadden. Later stelde een Eskimo +voor, de Ratten één voor één met pijlen dood te schieten; deze jager +was zoo gelukkig, dat Kane, die de buitgemaakte dieren liet koken, +gedurende den langen winter voortdurend versch vleesch voor de soep +had. Eindelijk ving men een Vos levend; deze werd in het hol van het +schip opgesloten, en scheen zich hier zeer wel te bevinden; hij leefde +zeer vergenoegd van de Ratten, die hij kon vangen zooveel hij verkoos. + +In alle lichaamsoefeningen zijn de Ratten zeer bedreven. Zij +loopen snel en met behendigheid, klauteren uitmuntend en kunnen +zelfs langs vrij gladde muren omhoog gaan; zij zwemmen meesterlijk, +weten een tamelijk ver afgelegen plek met zekerheid door één sprong +te bereiken en kunnen vrij goed graven, ofschoon zij dit niet graag +lang achtereen doen. De sterkere Bruine Rat is, naar het schijnt, +nog behendiger dan de Zwarte; zij zwemt althans veel beter en steekt +haar zwarte stamgenoot, naar het schijnt, ook in het klauteren de loef +af. Duiken kan zij bijna even goed als echte waterdieren. Zij beweegt +zich in 't water gemakkelijk genoeg om de eigenlijke bewoners van het +vochtige element goed na te jagen. Dikwijls handelt zij alsof het +water haar eigenlijke woonplaats is. Als men haar schrik aanjaagt, +neemt zij onmiddellijk de vlucht naar een rivier, een vijver of +een sloot. Als het noodig is, zwemt zij, zonder uit te rusten, den +breedsten waterplas over, of loopt gedurende verscheidene minuten +over den bodem van dien plas voort. Hier te lande wordt de Bruine +Rat daarom dikwijls "Waterrat" genoemd. De Zwarte Rat begeeft zich +alleen in den uitersten nood te water, ofschoon zij eveneens in de +zwemkunst zeer goed bedreven is. + +Onder hare zinnen staan het gehoor en de reuk bovenaan, vooral het +gehoor is voortreffelijk, doch ook haar gezicht is niet slecht, +en van haar smaak geven de Ratten maar al te dikwijls deugdelijke +bewijzen in de provisiekast, waar zij altijd de lekkerste spijzen +weten te vinden. Van hare verstandelijke vermogens behoef ik na het +voorafgaande niet veel meer te zeggen. Men kan waarlijk niet ontkennen, +dat zij verstandig zijn, en evenmin, dat men bij haar een berekenende +list en een zekere sluwheid waarneemt, die vooral blijken uit de +wijze waarop zij aan de meest verschillende gevaren weten te ontkomen. + +Zooals reeds gezegd is, woedt er tusschen de beide soorten van Ratten +een eeuwigdurende strijd, waarvan het sneuvelen der zwakste partij +altijd het einde is. Maar Ratten van dezelfde soort bevechten elkander +eveneens onverpoosd. Op plaatsen, waar zij veelvuldig zijn, houden +des nachts de beweging en het geraas geen oogenblik op; want de strijd +houdt ook dan nog aan, als een deel der strijders reeds op de vlucht +geslagen is. Zeer oude, bijtlustige mannetjes worden soms door hunne +stamgenooten in den ban gedaan en zoeken een stille, eenzame plaats op, +waar zij brommig en ontevreden hunne laatste levensjaren doorbrengen. + +Reeds meermalen heeft men er over gestreden, hoe de Ratten het +aanleggen om eieren te vervoeren, zonder ze te breken. Onzekerheid +over haar handelwijze kan niet meer bestaan, sedert een onderzoeker +als K. von Dalla Forre de volgende, in 't jaar 1880 door hem zelf +waargenomen handelingen van de Ratten heeft openbaar gemaakt. "In +den kelder van een huis te Innsbruck werden in dezen winter telkens +weer eenige eieren vermist, die men hier voor het koude jaargetijde +bewaard had. Natuurlijk viel de verdenking in de eerste plaats op +de dienstbode, die nu alles in het werk stelde om haar onschuld te +bewijzen, maar--te vergeefs. Om uit dezen onaangenamen toestand te +geraken ging zij op de loer liggen en werd hierdoor getuige van de +list, die de diefachtige Ratten aanwenden om in 't bezit van de eieren +te komen. De eieren lagen ongeregeld op een hoop bijeen; begeerig +naar buit kwam een Rat uit haar schuilhoek te voorschijn, weldra +gevolgd door een tweede. De eerste vatte een ei met de voorpooten +aan en schoof het, door de andere Rat geholpen, een weinig op zijde, +zoover zij het met eenige krachtige rukken brengen kon. Hierop vatte +de eerste Rat het ei met de voorpooten aan en omvaamde het stevig, +op de wijze waarop de Spinnen haar eierzak vasthouden. Natuurlijk kon +zij zich nu niet meer bewegen, daar de voorpooten gebruikt moesten +worden voor 't vasthouden van den buit. Toen greep de tweede Rat den +staart van de eerste met den bek en trok haar in groote haast en zonder +eenigen omslag te maken naar het gat, waaruit zij gekomen waren! De +geheele handeling--waarin zij, naar het aantal ontbrekende eieren te +rekenen, reeds tamelijk geoefend waren,--duurde nauwelijks 2 minuten; +één uur nadat het diefachtige paar van het schouwtooneel verdwenen +was, kwam het opnieuw voor den dag, stellig met dezelfde bedoeling +als vroeger. Door de welwillendheid van de familie, in welker huis het +beschreven voorval plaats had, werd ik in staat gesteld om ooggetuige +te zijn van zulk een verschijnsel, dat naar de dienstbode verzekerde, +steeds op dezelfde wijze plaats had." + +Ongeveer een maand na de paring werpen de wijfjes 5 à 21 jongen, +kleine, allerliefste diertjes, waarin iedereen behagen zou +scheppen,--als het maar geen Ratten waren. Dehne, die albino's van +de Bruine Rat in den gevangen staat heeft waargenomen, zegt van de +eerste jeugd der jongen en van de wijze, waarop de moeder met hen +omgaat, het volgende: "Den 1en Maart 1852 kreeg ik van een witte +Rat zeven jongen. Het oude dier had zich in de kooi van ijzerdraad +een dicht nest van stroo vervaardigd. De jongen waren zoo groot +als Meikevers en hadden een bloedroode kleur. Bij elke beweging, +die de moeder maakte, lieten zij een fijn, doordringend gepiep +hooren. Den 8en waren zij reeds tamelijk wit. Van den 13den tot den +16den werden hunne oogen geschikt om te zien. Den 18den des avonds +kwamen zij voor de eerste maal te voorschijn; toen de moeder echter +bemerkte, dat ik naar hen keek, nam zij ze één voor één in den bek +en bracht ze weder in het nest. Enkele kwamen echter weder door een +andere opening te voorschijn. Het waren allerliefste diertjes van +de grootte van Dwergmuizen, met staarten van 8 cM. lang. Den 21en +hadden zij reeds de grootte van een Gewone of Huismuis, den 28en den +omvang van een Boschmuis bereikt. Zij zogen nog nu en dan (ik zag +ze zelfs den 2en April nog zuigen), speelden onderling, vervolgden +elkander en krakeelden; dit alles deden zij zoo vlug en op zulk een +aardige wijze, dat het een lust was er naar te zien. Soms gingen +zij tot afwisseling op den rug van haar moeder zitten, en lieten +zich door haar ronddragen. Zij waren veel potsierlijker dan de witte +Huismuizen.--Den 9en April scheidde ik de moeder van hare jongen, en +plaatste haar weder bij het mannetje. Den 11en Mei wierp zij nogmaals +een aantal jongen. Van de dieren, die den 1en Maart geboren waren, +had ik sedert het begin van April een paar in een groot glas, met +een opening van 20 cM. middellijn, afgezonderd gehouden, en reeds den +11en Juni des namiddags, dus toen zij 103 dagen oud waren, kreeg ik +van hen 6 jongen. In weerwil van de wijdte van het glas, scheen de +moeder van oordeel te zijn, dat de ruimte voor hare jongen te klein +was. Tevergeefs trachtte zij een grooter nest samen te stellen, +waarbij zij dikwijls de arme kleintjes zoozeer verstopte, dat er +niets meer van hen te zien was; zij zocht ze echter altijd weer +bijeen. Zij zoogde hare jongen tot den 23en zeer goed; de kleine +dieren waren reeds een weinig wit behaard; doch op eens waren zij +allen verdwenen. De moeder had ze opgegeten!"--Reichenbach deed +verscheidene malen achtereen dezelfde ervaring op. + +Goed verzorgde Ratten, die men onder nauw toezicht houdt, worden +zoo tam, dat zij veilig aangeraakt kunnen worden en tot tijdverdrijf +voor de kinderen kunnen dienen; ook kan men ze er aan gewennen zich +vrij in huis, hof en tuin te bewegen; zij loopen hare verzorgers als +Honden na, komen, als zij geroepen worden, kortom, zij zijn dan huis- +of kamerdieren in de beste beteekenis van 't woord. + +Bij de Ratten in de vrije natuur komt soms een zeer eigenaardige ziekte +voor. Verscheidene van deze dieren groeien met de staarten aaneen, +en vormen dan een zoogenaamden "rattenkoning." Van dit monster, dat +men thans in verscheidene verzamelingen zien kan, heeft men zich in +vroegere tijden vaak een geheel verkeerde voorstelling gevormd. Vroeger +meende men, dat de rattenkoning, versierd met een gouden kroon, op +een aantal innig met elkander vergroeide Ratten gezeten was, en van +den zetel den geheelen rattenstaat bestuurde. Het feit, dat men soms +een aantal Ratten vindt, welker staarten stevig dooreengeward zijn, +zoodat zij zich niet bewegen kunnen, en die daarom door medelijdende +soortgenooten gevoederd moeten worden, heeft aanleiding gegeven tot +dit sprookje. Het zou kunnen zijn, dat het samenkleven der staarten +een gevolg is van het uitzweeten van een stof, die veroorzaakt wordt +door een besmettelijke ziekte; tot nu toe heeft men hierover nog geen +zekerheid gekregen. In Altenburg bewaart men een rattenkoning, die uit +27 Ratten bestaat; ook in Erfurt en in Lindenau heeft men er gevonden. + +Tallooze middelen zijn reeds aangewend om de Ratten te +verdelgen. Allerlei soorten van vallen worden te dien einde met meer of +minder goed gevolg gebruikt. Om te maken dat zij goeden dienst kunnen +doen, moet men dikke handschoenen aantrekken om ze te stellen, want de +lucht, die de aanraking met de hand achterlaat, is genoeg om de Ratten +te waarschuwen. Oude Ratten, die reeds andere stamgenooten hebben zien +vangen, zijn bijna niet in een val te lokken. Als de dieren bemerken, +dat zij zeer hevig vervolgd worden, verhuizen zij niet zelden, doch +komen weder, zoodra de vervolging ophoudt. En, als zij zich ergens +op nieuw vertoonen, vermenigvuldigen zij zich in korten tijd zoo +sterk, dat de last, die men van hen ondervindt, weer even hevig is +als vroeger. De meest gebruikelijke middelen tot verdelging van de +Ratten zijn verschillende vergiften, die men neerlegt op de plaatsen, +waar deze dieren zich bij voorkeur ophouden. Het toepassen van dit +middel verdient echter afkeuring, niet alleen omdat de Ratten door het +vergif op een wreede wijze doodgemarteld worden, maar ook, omdat zij +dikwijls een deel van het door haar gebruikte voedsel weer uitbraken, +en zoodoende in sommige gevallen de voedingsmiddelen, die men tegen +hen beveiligen wil vergiftigen, en het leven van andere dieren of +van den mensen in gevaar brengen. Beter is het een mengsel van mout +en ongebluschte kalk voor de Ratten neer te zetten; als zij hiervan +gegeten hebben, zullen zij zeer dorstig worden; door het water, dat +zij drinken, wordt de kalk gebluscht, hetwelk den dood van het dier +ten gevolge heeft. + +Een uitmuntende rattenval, welker uitvinding het menschelijk hart +geen eer aandoet, doch veeleer een welsprekend bewijs levert van +de arglistigheid van den aartsvijand der dieren, wordt door Lenz +beschreven: Op door de Ratten druk bezochte looppaden, b.v. tusschen +stallen, in de nabijheid van privaten, riolen en op dergelijke +plaatsen, graaft men een kuil van omstreeks vier voet diepte en +bekleedt deze van binnen met gladde, platte steenen of tegels. Een +vierkante tegel van 3 voet zijde vormt den bodem van den kuil, vier +anderen die naar boven toe smaller worden, de zijden. De vierkante +opening van den kuil moet slechts half zoo wijd zijn als de bodem, +zoodat alle zijwanden naar binnen overhellen, waardoor het aan een +Rat, die in dezen kuil gevallen is, onmogelijk wordt, er weder uit te +komen. Nu giet men op den bodem van den kuil een weinig gesmolten vet, +een weinig met water verdunden honig en andere sterk riekende stoffen, +plaatst daarop omgekeerd een bloempotje van ongeveer 5 cM. hoogte, +dat, na met honig doortrokken en met maïs, tarwe, haver, een weinig +gebraden spek en andere lekkernijen voor de Ratten gevuld te zijn, +met cement aan den bodem van den kuil bevestigd wordt; door de +nauwe opening aan den top van het potje verbreidt zich de geur van +den voor Ratten niet bereikbaren inhoud. Op den bodem van den kuil +wordt vervolgens heede gestrooid, terwijl men de opening van den +kuil met een rooster bedekt om te verhoeden dat een kip of een jong, +onervaren huisdier er in valt. Vervolgens heeft men zich niet meer +met den val te bemoeien. "Aangelokt door den aangenamen etensreuk en +de voor ligplaats zoo goed geschikte heede," schrijft Lenz, "springt +de Rat vroolijk en vol verwachting in den afgrond. Het ruikt daar zoo +heerlijk naar spek, honig, kaas en zaden, dat het Knaagdier aan de +verleiding geen weerstand kan bieden. Doch ook in den kuil moet het +met den reuk van al dat lekkers tevreden zijn, omdat het etenspotje +ontoegankelijk is." De eerste Rat, die in den kuil springt, wordt, +gelijk licht te begrijpen is, weldra door een woedenden honger gekweld, +tevergeefs slooft zij zich af om uit deze afschuwelijke gevangenis +te ontsnappen. Daar valt een tweede lekkerbek naar beneden. Wel is +dat voor de eerste gevangene een heugelijk feit! De lotgenooten +besnuffelen elkander, beraadslagen misschien ook over wat in het +gegeven geval gedaan moet worden; de eerste gevangene is echter veel +te hongerig om naar lange verhandelingen te luisteren. Haar leege +maag noopt haar tot den strijd, een verwoed gevecht, een duel op +leven en dood neemt een aanvang en de eene gevangene vermoordt de +andere. Als de oorspronkelijke bewoner van de val overwinnaar blijft, +zal hij oogenblikkelijk het lijk van zijn metgezel verslinden; als +de tweede de zege behaalt, zal hetzelfde eenige uren later plaats +hebben. Slechts hoogst zelden vindt men drie Ratten tegelijkertijd in +deze val; den volgenden dag is het aantal gevangenen stellig met één +verminderd. Om kort te gaan, de eene gevangene vreet de andere op; +de kuil blijft altijd tamelijk schoon, doch is een moordhol in de +vreeselijkste beteekenis van het woord. + +De natuurlijke vijanden van de Ratten--vooral de Uilen, Raven, +Bunzingen, Wezels, Katten en sommige Honden--zijn nog de beste +verdelgers van deze dieren. Het komt echter dikwijls voor, dat een +Kat geen aanval op een Rat durft ondernemen; vooral de Bruine Rat +wordt door haar geschuwd. Dehne zag vóór de riolen van Hamburg, +Honden, Katten en Ratten vreedzaam bij elkander rondloopen; geen +dezer dieren dacht er aan, het andere den oorlog aan te doen.--Ook +ik zou vele voorbeelden kunnen aanhalen van Katten, die zich niet +met de Ratten inlaten. Evenals bij de andere huisdieren dappere en +lafhartige individuën voorkomen, vindt men ook bij de Katten gezinnen, +welker leden zich door grooten moed onderscheiden en hartstochtelijke +liefhebbers zijn van de rattenjacht, nevens andere die hiervoor +den moed missen. Het kost aan de Kat in 't eerst veel moeite, een +zoo kwaadaardig Knaagdier te overwinnen. Een van onze Katten ving +reeds Ratten, toen zij te nauwernood het derde gedeelte van haar +definitieve grootte had bereikt. Zij vervolgde de prooi met zulk +een ijver, dat zij zich eens door een sterke Rat over het geheele +erf en tot aan een muur liet voortslepen, zonder haar vijand los te +laten, die zij eindelijk door een flinken beet buiten gevecht wist +te stellen. Na dezen dag is zij de verwoedste vijandin der Ratten +gebleven, en heeft zij ons huis bijna geheel van dit ongedierte +gezuiverd. Het is hiervoor trouwens niet eens volstrekt noodig, +dat een Kat aanhoudend Ratten vangt; zij verdrijft ze reeds door +haar voortdurend rondsluipen in stallen en schuren, in kamers en +kelders. Het is te begrijpen, dat de Ratten het zeer onaangenaam +vinden, met haar aartsvijandin onder één dak te wonen. Zij zijn dan +geen oogenblik veilig. Onhoorbaar komt de Kat in 't holste van den +nacht aansluipen; geen enkel waarschuwend geritsel verraadt haar +nadering; in alle gaten loeren haar groenachtige onheilspellende, +glinsterende oogen; naast de meest bezochte looppaden der Ratten +ligt zij op een verborgen plaats in hinderlaag, en, voordat deze +dieren eenig gevaar vermoeden, bespringt zij er een van, en houdt +het met hare puntige klauwen en scherpe hoektanden zoo stevig vast, +dat het maar zelden den dans ontspringen, den dood ontloopen kan. Zulk +een leven is zelfs voor een Rat niet om uit te houden. Zij verhuist +liever naar een plaats waar haar minder zorgen kwellen. De Kat is +dus de beste helpster van den mensch in zijn strijd tegen de listige +Knaagdieren. De Bunzing en de Wezel bewijzen ons in dezen bijna even +belangrijke diensten, de eerstgenoemde binnenshuis, de andere in +den tuin en in de nabijheid van schuren en stallen. Tegen de schade, +die deze Roofdieren ons kunnen veroorzaken, door van tijd tot tijd +eieren, Duiven, kuikens, of ook wel Hoenderen te rooven, kan men +voorzorgsmaatregelen nemen: men kan er voor zorgen, dat het kippenhok +en de duiventil behoorlijk gesloten en ontoegankelijk zijn; tegen de +Ratten baten zulke maatregelen echter niet. Het is daarom wenschelijk, +dat de genoemde slanke roovers beschermd worden en gespaard blijven, +zooveel zulks mogelijk is. + + + +Veel liefelijker, bevalliger en sierlijker dan de leelijke, +langstaartige gauwdieven, die zooeven beschreven werden, zijn de +_Muizen_; ook zij echter zijn, in weerwil van haar fraaie gestalte en +haar vroolijk en proper uiterlijk, groote vijanden van den mensch en +worden door hem bijna met dezelfde woede vervolgd als hare grootere +en minder bevallige verwanten. Men kan gerust verzekeren, dat iedereen +een Muis, die in een hokje is opgesloten, een aardig dier zal noemen; +zelfs de dames, die in den regel een hevige, ofschoon volkomen +ongegronde vrees koesteren voor een Muis, die haar in de keuken of in +den kelder voorbijloopt, zullen bij het zien van een gevangen Muis +moeten erkennen, dat zij een lief schepseltje is. Te verwonderen is +het echter niet, dat de scherpe knaagtanden en de snoepzucht der +Muis zelfs een teeder vrouwenhart met ergernis en toorn vervullen +kunnen. Het is waarlijk niet aangenaam, dat men voortdurend bezorgd +moet zijn voor het behoud van alle levensbehoeften, zelfs wanneer +zij achter slot en grendel geborgen zijn; het is om uit zijn vel te +springen, dat er eigenlijk geen plekje in 't geheele huis te vinden +is, waar men geheel alleen baas kan zijn en niet lastig gevallen +wordt door die kleine, viervoetige indringers, die zelfs toegang +weten te verkrijgen tot plaatsen, die voor de Ratten ontoegankelijk +zijn. Natuurlijk is het daarom, dat tegen haar een verdelgingsstrijd +wordt gevoerd, die waarschijnlijk nimmer eindigen zal. + +In Nederland leven drie soorten van Echte Muizen, n.l. de _Huismuis_, +de _Boschmuis_ en de _Dwergmuis_. Vooral de eerste en de laatste +verdienen een uitvoeriger beschrijving, ofschoon ook de Boschmuis +den mensch maar al te dikwijls te na komt en een kennismaking met dit +diertje derhalve noodzakelijk is. De beide eerstgenoemde worden overal +onmeedoogend vervolgd; de laatstgenoemde echter vindt, zoolang zij +niet al te driest wordt, wegens haar buitengewoon sierlijke gestalte, +hare lieftalligheid en eigenaardige levenswijze, genade in de oogen +van den heer der schepping. + +Hoewel men de _Brandmuis_ of _Akkermuis_ tot dusver nog niet met +volkomen zekerheid als bewoner van ons land heeft leeren kennen, is het +toch wenschelijk ook haar hier te vermelden; daar zij in Duitschland +op betrekkelijk korten afstand van onze grenzen op sommige plaatsen +talrijk voorkomt en groote schade aanricht, waaruit de mogelijkheid +voortvloeit, dat zij te eenigertijd ook hier te lande waargenomen +zal worden. + +De _Gewone Muis_ of _Huismuis_ (_Mus musculus_), hoewel fijner en +sierlijker gebouwd en ook aanmerkelijk kleiner dan de Zwarte Rat, +vertoont door haar gestalte met deze eenige overeenkomst. Haar lengte +bedraagt 18 cM., met inbegrip van den 9 cM. langen staart. Op dit +lichaamsdeel vindt men 180 uit schubben bestaande ringen. De vacht +van deze Muis is éénkleurig; de geelachtig of grijsachtig zwarte +kleur der bovendeelen gaat onmerkbaar in de iets lichtere kleur der +onderdeelen over; de voeten en de teenen zijn geelachtig grijs. + +De _Boschmuis_ (_Mus sylvaticus_) wordt nagenoeg 23 cM. lang; van deze +lengte komt ongeveer de helft op den staart, die tennaastenbij 150 +uit schubben bestaande ringen bezit. Haar vacht is tweekleurig. De +bovendeelen van het lichaam zijn grijs met een bruinachtig gele +tint; de onderdeelen en ook de voeten zijn wit van kleur; de beide +genoemde kleuren zijn scherp van elkander gescheiden. De Huismuis +en de Boschmuis verschillen van de Brandmuis en de Dwergmuis, +door de grootere lengte harer ooren, die, tegen de zijden van den +kop aangedrukt, het oog bereiken, wat bij de beide andere soorten +niet het geval is. "De bijzonder lange achterpooten maken, dat deze +Muis zich veel meer huppelend, springend voortbeweegt dan de andere +Muizen. Daarom wordt zij in sommige gedeelten van Groningen wel +'_Springer_' genoemd." (Ritzema Bos.) + +De _Brandmuis_ of _Akkermuis_ (_Mus agrarius_) wordt omstreeks 19 +cM. lang, met inbegrip van den 8 1/2 cM. langen staart. De bovenste +deelen van het lichaam zijn bruinachtig rood met een zwarte, +overlangsche streep op den rug; de benedendeelen en de voeten zijn +wit, welke kleur scherp begrensd is; dit dier is dus driekleurig. De +staart heeft ongeveer 120 uit schubben bestaande ringen. + +De lichaamslengte van de _Dwergmuis_ (_Mus minutus_) bedraagt +slechts 12 à 13 cM., waarvan nagenoeg 6 cM. op den staart komen. De +hoogte in de schouderstreek bedraagt slechts 2 1/4 cM., het gewicht +wisselt af van 4 tot 8 1/2 gram. De Dwergmuis draagt dus haar naam +met recht; er bestaat slechts één inheemsch Zoogdier, dat kleiner +is, n.l. de Dwerg-spitsmuis. De kleur van de vacht is tamelijk +verschillend. Gewoonlijk is zij tweekleurig: de bovenzijde van 't +lichaam is dan bruinachtig rood met geelachtige tint, de onderzijde +is wit, evenals de teenen; de afscheiding tusschen deze beide kleuren +is zeer scherp. De kleur van de bovendeelen kan echter meer of minder +donker zijn, ook wel meer roodachtig of meer bruinachtig, meer grauw +of meer geel; het kan voorkomen, dat de kleur van de bovenzijde niet +zeer scherp afgescheiden is van die der onderzijde. Bij jonge dieren +zijn voorts de verhoudingen tusschen de afmetingen der verschillende +lichaamsdeelen anders dan bij oude; ook hebben zij een andere, meer +grijze kleur. + +Al deze Muizen vertoonen in woonplaats, levenswijze en uiterlijk +veel overeenkomst met elkander, ofschoon ieder van deze dieren +eigenaardigheden heeft. In één opzicht stemmen de drie eerstgenoemde +overeen, n.l. dat zij, althans van tijd tot tijd, een groote voorliefde +voor de verblijfplaats van den mensch laten blijken. Alle drie komen +zij, vooral des winters, veelvuldig in de huizen voor, zoowel in den +kelder als op den zolder, in de kamers zoowel als in de keuken. De +Huismuis is hier echter veelvuldiger dan hare verwanten. De Dwergmuis +zouden wij hier nog bij kunnen noemen, daar zij in den winter dikwijls +in groot aantal voorkomt onder koornschelven, of ook wel in schuren, +waar zij met de ingeoogste producten wordt binnengebracht. Geen van de +drie eerstgenoemde soorten is uitsluitend gebonden aan de woonplaats, +waaraan zij haar naam ontleent; de Boschmuis leeft even goed van tijd +tot tijd in schuren en huizen als op het veld; de Akkermuis wordt +evenmin uitsluitend op akkers aangetroffen als de Huismuis zich +uitsluitend tot de woningen van den mensch bepaalt. De namen dezer +dieren duiden eenvoudig de woonplaats aan, die bij voorkeur door hen +gekozen wordt. + + + +De _Huismuis_ was reeds in overouden tijd een getrouwe metgezel +van den mensch; zij wordt reeds door Aristoteles en Plinius als een +zeer veelvuldig voorkomend dier vermeld; Albertus Magnus heeft haar +nauwkeurig beschreven. Tegenwoordig is zij over de geheele wereld +verbreid. De Huismuis koloniseerde de aardoppervlakte tegelijk met den +mensch; zij volgde hem tot in het barre noorden en tot in de hoogst +gelegen Alpenhutten. Waarschijnlijk zijn er slechts weinig plekjes +op den aardbol te vinden, waar dit dier in den tegenwoordigen tijd +nog niet voorkomt; bovendien kan van deze plaatsen alleen gezegd +worden, dat het er tot nog toe niet waargenomen is, niet, dat het +er ontbreekt. Zoo wordt b.v. bericht, dat men op de Soenda-eilanden +geen Muizen vindt.--Alle gedeelten van de woning van den mensch dienen +haar tot verblijfplaats. Op het land leeft zij gedurende het gunstige +jaargetijde ook wel buitenshuis, n.l. in den tuin of in naburige +velden en boschjes; in de stad bepaalt zij zich tot de woonhuizen en +bijgebouwen. Hier vindt zij in elke spleet, in elke holte, kortom in +elk hoekje, waarin zij wegkruipen kan, een voldoende schuilplaats, +vanwaar uit zij hare strooptochten onderneemt. + +De Huismuis is een buitengewoon behendig en beweeglijk dier. Met +zeer groote snelheid loopt zij over den vlakken grond; zij klimt +voortreffelijk, springt erg ver en huppelt dikwijls gedurende geruimen +tijd met korte sprongen over den bodem voort. Bij gevangen Muizen +kan men zeer goed waarnemen, hoe behendig ze al deze bewegingen +maken. Als men een Muis op een schuins omhoog gespannen touw of +op een stokje laat loopen, slingert zij, zoodra zij het evenwicht +verliest, haar staart schielijk om het touw of om het stokje, +herstelt hierdoor het evenwicht en klimt vervolgens verder. Als men +haar op een zeer buigzamen halm neerzet, klimt zij omhoog, totdat zij +den top van den halm bereikt heeft; als de halm door haar gewicht +nedergebogen wordt, gaat zij er met den rug naar onderen gericht +aan hangen en daalt vervolgens langzaam naar beneden, zonder ooit +in verlegenheid te komen. Bij het klimmen bewijst de staart haar +belangrijke diensten. Muizen, wien men een stuk van den staart +had afgesneden om haar een vreemd voorkomen te verschaffen, waren +niet meer in staat in 't klimmen met hare langstaartige zusters te +concurreeren. Allerliefst zijn de verschillende houdingen, die de +Muizen aannemen kunnen. Elke buiging, elke beweging geschiedt met +gratie. Zelfs wanneer de Muis stilzit, ziet zij er bevallig uit; +den aangenaamsten indruk brengt zij echter teweeg, wanneer zij, +volgens de gewoonte der Knaagdieren, op haar achterste rust en zich +met hare voorpooten reinigt en wascht. Zij kan nog wel andere kunstjes +doen, o.a. zich geheel en al op de achterpooten oprichten, evenals de +mensch, en zoo zelfs eenige schreden doen. Hierbij maakt zij slechts +van tijd tot tijd van haar staart als steunsel gebruik. Zij is ook +in 't zwemmen ervaren, ofschoon zij slechts in gevallen van hoogen +nood te water gaat. Als men haar in 't water werpt, ziet men, dat zij +zich bijna even snel als de Waterrat en de Dwergmuis voortbeweegt, en +naar de eerste beste droge plaats zwemt om erop te klimmen en zich in +veiligheid te stellen. Hare zintuigen zijn uitmuntend; zij hoort het +zwakste gedruisch en heeft een zeer fijnen reuk, waardoor zij zelfs +ver verwijderde voorwerpen kan waarnemen; ook kan zij vrij goed zien, +des nachts misschien beter dan over dag. Ieder, die de levenswijze van +de Huismuis nagaat, zal haar schranderheid bewonderen. Zoo boosaardig, +arglistig en bijtlustig de Ratten zijn, zoo goedaardig en vreedzaam +is zij. Bekend is haar nieuwsgierigheid; alles wordt door haar op de +zorgvuldigste wijze onderzocht. Hare listigheid en schranderheid doen +haar spoedig inzien, waar zij geduld wordt en waar niet; overal, waar +men haar met vrede laat, geraakt zij mettertijd zoozeer aan den mensch +gewoon, dat zij in zijn tegenwoordigheid heen en weer loopt en hare +bezigheden verricht, alsof zij geen stoornis te vreezen heeft. Reeds +na een gevangenschap van weinige dagen gedraagt zij zich allerliefst; +zelfs oude Muizen worden nog tamelijk mak; de jonge echter overtreffen +de meeste Knaagdieren, die geschikt zijn om gevangen gehouden te +worden, door hare goedaardigheid en argeloosheid. Merkwaardig is de +liefde voor de muziek, die bij de Muizen wordt opgemerkt. Welluidende +tonen lokken haar uit haar schuilplaats naar buiten en doen haar +alle vrees vergeten. Op klaarlichten dag komt zij in kamers, waar +een muziekinstrument bespeeld wordt; vertrekken waar geregeld muziek +gemaakt wordt, zijn ten slotte hare meest geliefde verblijfplaatsen. + +In den laatsten tijd komen in verscheidene tijdschriften berichten +over "zingende Muizen" voor; ook heb ik een aantal meer directe +mededeelingen over dit onderwerp ontvangen. Al deze berichten +stemmen in dit opzicht overeen, dat men hier en daar, nu en dan +Huismuizen heeft opgemerkt, die het gepiep en gekwetter, dat haar +van nature eigen is, wijzigen tot geluiden, die aan het gezang van +Vogels herinneren. Enkele berichtgevers spreken met geestdrift +over het gezang van de Muis en vergelijken het met dat van den +Kanarievogel of zelfs van den Nachtegaal; andere oordeelen er +kalmer en waarschijnlijk juister over. De onderwijzer Schacht, een +even betrouwbare als ontwikkelde opmerker, heeft een tijdlang zulk +een zingende Muis gehad, die haar gezang meestal in de schemering, +dikwijls eerst in den nacht liet hooren. Met den helderen slag van +een Kanarievogel of met de smeltende melodiën van een Nachtegaal, +had dit muizengezang niet de minste overeenkomst. Het was slechts een +gekwetter, een mengelmoes van sleepende, gonzende en piepende toonen, +die men in de nachtelijke stilte nog op een afstand van 20 schreden +hooren kon. Het "gezang" van een andere zingende Muis, dat door den +onderwijzer Müller werd waargenomen, bestond "uit opeenvolgende, +zachte, fluitende tonen, die in 't eene oogenblik langzaam, in +'t andere sneller werden uitgebracht en in 't laatstgenoemde geval +duidelijk herinnerden aan het gezang van een Vogel, met dit verschil, +dat zij aanmerkelijk zwakker waren." Deze Muis werd door muziek tot +zingen opgewekt en floot dan soms ook over dag. Beide hiertoe bedoelde +zingende Muizen waren mannetjes; het is dus niet onmogelijk dat ook +bij deze diersoort de zoete gave van het gezang hoofdzakelijk aan de +mannelijke sekse ten deel gevallen is. Pechuel-Loesche heeft maanden +lang twee in een keuken vrij rondloopende, zoogenaamde zingende Muizen +te gelijkertijd beluisterd. Van de eene hoorde men niets anders dan +een ongeregeld gesjirp met trillers, doormengd met een zacht snorren, +smakken of hikken en af en toe ook met een zwak gesnork, de andere +had meer weeke tonen tot zijn beschikking, sommige van deze werden +langer aangehouden, waardoor een min of meer welluidend geheel werd +voortgebracht. Het zou echter juister zijn van het tjilpen en niet +het zingen der Muizen te spreken. + +Tegenover deze aangename eigenschappen van de Huismuis, staan echter +zeer lastige ondeugden; zij is een eerste snoepster en lekkerbek. Men +kan zich moeielijk een snoeplustiger schepsel voorstellen dan een +Huismuis, die zich in een goed voorziene provisiekamer naar vrije +verkiezing bewegen kan! Zij zoekt zich altijd de lekkerste stukjes +uit en geeft hierdoor een afdoend bewijs van de fijnheid van haar +smaakzintuig. Aan allerlei zoetigheden, aan melk, goede vleeschspijzen, +kaas, vetten, vruchten en zaden geeft zij de voorkeur boven alle +andere voedingstoffen, en als zij de kans heeft, zoekt zij van het +goede altijd het beste uit. Hare scherpe knaagtanden zijn een andere +reden voor den haat, dien de mensch haar toedraagt. Als zij iets +lekkers ruikt, weet zij zich tot de plaats waar het zich bevindt, +toegang te verschaffen voor het genot, dat zij daar hoopt te smaken, +heeft zij een ingespannen arbeid van één of meer nachten over; zij +doorknaagt soms dikke deuren om haar doel te bereiken.--Als zij veel +voedsel vindt, dat haar bijzonder lekker voorkomt, vervoert zij ook nog +een flinken voorraad daarvan naar haar schuilplaats; zij arbeidt met +de drift van een gierigaard aan de vermeerdering van hare schatten. "Op +plaatsen, waar zij niet veel gevaar heeft van gestoord te worden," zegt +Fitzinger, "vindt men wel eens in een hoek groote hoopen van walnoten +en hazelnoten, soms niet minder dan een voet hoog; zij stapelt deze +vruchten zoo regelmatig opeen, drukt ze zoo stevig tegen elkander aan +en bedekt ze zoo zorgvuldig met geknaagde papieren en kleedingstukken, +dat men onze Huismuis bijna niet in staat zou achten tot het verrichten +van zulk een arbeid." Water drinkt zij in 't geheel niet, als zij +saprijk voedsel krijgen kan; ook gebruikt zij het maar zelden, als +zij zich met droog voedsel moet behelpen. Daarentegen is zij zeer +verlekkerd op alle zoete dranken. Dat zij ook van alcoholische dranken +snoept, blijkt uit de volgende mededeeling van den boschbeambte Block: +"In het jaar 1843 werd ik eens, terwijl ik zat te schrijven door een +zwak gedruisch gestoord; opziende, bemerkte ik een Muis, die langs +den gladden poot van een tafeltje naar boven klom. Boven aangekomen, +zocht zij vol ijver de kruimels op, die op een bord lagen. In het +midden van dit bord stond een zeer licht, kelkvormig borrelglaasje, +half gevuld met anisette. Met één sprong was de Muis op den rand van +'t glas, boog zich voorover en slikte ijverig van de likeur. Nadat +zij een behoorlijke dosis van het zoete vergif gebruikt had, sprong +zij weer op de tafel. In hare bezigheden gestoord door het gedruisch +dat ik maakte, wipte zij met één sprong van de tafel en verdween +achter een kast. Waarschijnlijk ondervond zij spoedig de uitwerking +van den drank, want kort daarna kwam zij weer te voorschijn en maakte +allerlei vreemdsoortige bewegingen; ook deed zij vergeefsche pogingen +om nogmaals op de tafel te klauteren. Ik stond op en ging op haar af, +doch zij stoorde zich niet aan mij. Toen ik de Kat haalde, liep zij +even weg, maar kwam dadelijk weer terug. De Kat sprong van mijn arm +op haar af, en had het dronken muisje in hare klauwen." + +Grooter nog dan de schade, die de Muis door het verslinden van +voedingsmiddelen aanricht, is die, welke zij den mensch toebrengt +door het stukknagen van allerlei voorwerpen van waarde. Bibliotheken +en verzamelingen van naturaliën hebben soms veel van deze Knaagdieren +te lijden. Met allerlei middelen gaat men hun vernielzucht tegen. De +ijverigste van alle vijanden van de Huismuis is en blijft de Kat. In +oude gebouwen wordt zij ijverig geholpen door de Uilen, die ook op +het land goede diensten bewijzen, evenals de Bunzing en de Wezel, +de Egels en de Spitsmuizen. Hoe klein de Spitsmuis ook is, toch is +zij veel sterker dan de voor ons zoo lastige Knaagdieren; met ijver +wijdt zij zich aan de muizenjacht. + +De Huismuis plant zich zeer snel voort; 22 à 24 dagen na de paring +werpt zij 4 à 6, niet zelden zelfs 8 jongen. Daar zij in één +jaar stellig vijf à zes maal jongen werpt, bedraagt hun aantal na +afloop van dien tijd minstens 30. Een witte Muis, die door Struve in +gevangenschap werd gehouden wierp den 17den Mei zes, den 6den Juni zes +en den 3en Juli acht jongen. Van den 3en tot den 28en Juli was zij van +het mannetje gescheiden. Den 21en Augustus wierp zij weder zes jongen, +den 1en October op nieuw zes en den 24en October vijf. Gedurende den +winter vermeerderde haar nakomelingschap niet. Den 17den Maart bracht +zij opnieuw jongen ter wereld. Eén van de wijfjes van den worp van 6 +Juni, kreeg den 18den Juni van 't volgende jaar voor 't eerst jongen, +en wel vier te gelijk. Hieruit kan men afleiden hoe verbazend snel +de Muizen zich kunnen vermenigvuldigen, in weerwil van haar groot +aantal vijanden. Voor haar kraambed maakt de moeder gebruik van elken +schuilhoek, waar zij voor vervolgingen beveiligd hoopt te zijn; +men heeft muizennesten gevonden in uitgeholde brooden, uitgeholde +koolrapen, doodshoofden, ja zelfs in muizenvallen. Gewoonlijk bestaat +de ligplaats van de kleine familie uit met zorg opeengestapeld stroo, +hooi, papier, vederen en andere zachte stoffen; soms echter bestaat +het eenvoudig uit houtspaanders of zelfs uit notedoppen. De jongen +zijn bij de geboorte buitengewoon klein en, bij witte Muizen althans, +in den letterlijken zin van 't woord doorzichtig. Zij groeien echter +schielijk aan, krijgen op den zevenden of achtsten levensdag haren, +doch openen hunne oogen eerst op den dertienden dag. Nu blijven zij +nog maar een paar dagen in 't nest, en gaan dan op de wijze van hunne +ouders voedsel zoeken.--Een treffend voorbeeld van de moederliefde van +de Muis wordt door Weinland medegedeeld: "In het zachte bed, dat een +Huismuis voor hare jongen had bereid, ontdekte men haar en hare negen +kinderen. De moeder kon ontsnappen,--doch week niet van de plaats. Het +geheele gezin werd met een korenschop opgenomen,--zij bewoog zich +niet. Men droeg alle onbedekt op de schop weg, verscheidene trappen +af, tot in den hof;--zij bleef hare kinderen trouw en stierf met hen." + +Bij de bewoners van China en Japan, van welker ervarenheid in het +fokken van dieren en het kweeken van planten vele merkwaardige +staaltjes medegedeeld worden, is de Huismuis een huisdier geworden +in den eigenlijken zin van 't woord. Haacke deelt over de Muizen, +die sedert eenige jaren uit deze landen naar hier worden gevoerd, +het volgende mede: "Van een handelaar in dieren te Hamburg ontbied +ik van tijd tot tijd twee verschillende rassen van de Huismuis, die +door den koopman met de namen Chineesche 'klimmuizen' en Japansche +'dansmuizen' aangeduid worden. De eerstgenoemden onderscheiden zich +trouwens alleen door haar zeer varieerende kleur, want klimmen doen +zij, naar het schijnt, niet meer dan andere Muizen. Hare kleur is +echter zeer verschillend. Behalve effen grijze, licht-bruinachtig gele +en witte exemplaren, heb ik er gehad, die grijs en wit, zwart en wit, +geel en wit, blauw en wit gevlekt waren. Driekleurige Muizen zijn, naar +het schijnt, zeer zeldzaam. Zooals bekend is, komen ook bij ons witte, +zwarte en gele soms ook wel gevlekte Muizen voor; maar de Chineezen +hebben hun bekwaamheid in het fokken van nieuwe verscheidenheden +ook op de Huismuizen toegepast. De niet minder op 't dierenfokken +verzotte Japaneezen, hebben echter kans gezien, om van de Huismuis +een werkelijk wonderbaarlijk dier te maken. De Japansche 'dansmuis', +die te recht zoo genoemd wordt, komt eveneens in de bovengenoemde +kleuren voor. Wat haar echter vooral onderscheidt, is de aangeboren +gewoonte om met razende snelheid in een meer of minder grooten kring +rond te loopen, of nog vaker, om, als een tol op één plaats blijvend, +met ongeloofelijke snelheid rond te draaien. Dikwijls voeren twee, +zeldzamer drie Muizen, gemeenschappelijk zulk een dans uit, die +gewoonlijk in de schemering begint en gedurende den nacht van tijd +tot tijd herhaald wordt; meestal echter danst iedere Muis afzonderlijk. + + + +De _Boschmuis_ komt in de meeste opzichten met de Huismuis overeen. Zij +is over geheel Europa verbreid, waarschijnlijk alleen met uitzondering +van de allernoordelijkste gedeelten; in bergachtige streken komt zij +nog op een hoogte van 2000 M. boven den zeespiegel voor. Zij leeft +zoowel in bosschen, als aan hun zoom; men vindt haar dikwijls in +tuinen, doch minder veelvuldig op uitgestrekte vlakten, waar geen +boomen zijn. Des winters verschuilt zij zich gaarne in huizen; zij +bezoekt daar kelders en provisiekamers, doch vestigt zich bij voorkeur +in de hooger gelegen deelen van het huis, waar zij op zolderkamers +en onder dak overwintert. Ritzema Bos zegt van de woonplaatsen van +deze muis in ons vaderland: "Overal waar hout groeit: in tuinen, +langs wegen, rondom hofsteden is zij in vele streken van ons land zeer +algemeen. Zij vestigt zich ook wel in alleenstaande huizen; op villa's +en boerderijen vervangt zij soms de Huismuis. Daar zij sterker en +vlugger is dan deze, moet zij--wanneer ze 't veld of het bosch verlaat, +en zich in de huizen gaat vestigen--daar de Huismuis verdringen, even +goed als de sterkere en vluggere Bruine Rat haar zwakkere zuster heeft +verdreven. Werkelijk geschiedt dit, niet alleen in vele alléénstaande +behuizingen, maar eveneens in de buitenwijken van dorpen en kleine +landstadjes. Ik herinner mij dat--eenige jaren geleden--in 't gebouw +der Rijks Hoogere Burgerschool te Warffum mijn verzameling naturaliën +door Muizen werd aangetast. Het uitzetten van muizentarwe had den +dood van verscheidene van deze indringers ten gevolge; alle bleken +mij te behooren tot de soort _Mus sylvaticus_. Altum, hoogleeraar +aan de academie voor boschbouw te Neustadt-Eberswalde, verzekert, +dat in 't stadje zijner inwoning geen enkele Huismuis te vinden is, +en dat de Boschmuis haar geheel en al verdrongen heeft. + +"Dat nu de laatste niet overal de eerste doet verdwijnen, moet +eenvoudig worden toegeschreven aan de omstandigheid, dat beide soorten +_in den regel_ niet dezelfde levenswijze hebben, m.a.w. dat zij op +verschillende plaatsen voorkomen, en niet hetzelfde voedsel gebruiken, +zoodat zij gewoonlijk niet als concurrenten optreden." + +In de vrije natuur eet zij gaarne Wormen en Insecten, vooral wanneer +deze laatste zich als larven of poppen in den grond bevinden; hierdoor +kan zij in de bosschen tamelijk veel nut aanbrengen. Schadelijk wordt +zij hier daarentegen door het uithalen van de nestjes van nuttige +Zangvogels. Het hoofdvoedsel van de Boschmuis bestaat echter uit +steen- en pitvruchten, noten, eikels, beukenootjes, zaden van dennen +en sparren. Zij verzamelt hiervan ook wel voorraad voor den winter, +vervalt echter niet in winterslaap en maakt alleen bij ongunstig weer +van de door haar bijeen gebrachte schatten gebruik. "De schade door dit +diertje aan de houtteelt berokkend," zegt Ritzema Bos, "is niet zoo +groot, als men dikwijls verzekert. Het is n.l. zeer waarschijnlijk, +dat alle gevallen, waarin stammetjes van jonge boomen en takken door +Muizen van de schors waren beroofd, moeten komen op de rekening van +_Woelmuizen_ (_Arvicola arvalis_ en _A. glareolus_). De Boschmuis is +op de ontschorsing van boomen nooit betrapt geworden en de door Muizen +van schors beroofde stukken vertoonden alle de tandindruksels van +Woelmuizen." "Van uit het bosch verspreidt zich onze 'springer' zeer +dikwijls over de velden; ja somtijds komt zij op zeer aanzienlijken +afstand van alle houtgewas op bouwland voor. Men treft haar dan, op +de wijze der Veldmuizen, in en onder korenschoven en hokken aan. De +boeren geven haar dan den naam van 'langstaartige Veldmuis,' in +tegenstelling van de 'kortstaartige,' d.i. de _Eigenlijke Veldmuis_ +(_Arvicola arvalis_). Wanneer men op zandgronden van verwoestingen +door Muizen hoort, dan is gewoonlijk de Boschmuis de dader, terwijl +de Eigenlijke Veldmuis de beruchte landplaag der kleigronden is. Toch +is ook de Boschmuis op de klei niet geheel onbekend, en de Eigenlijke +Veldmuis komt op 't zand ook wel eens voor. Zoo vernielend als de +laatste optreedt, vertoont zich de eerste nooit, daar zij jaarlijks +niet zoo'n groote nakomelingschap kan leveren. Zij werpt 2-, hoogstens +3maal 4 tot 6 jongen, terwijl de Veldmuis telkens 6 à 12 jongen werpt, +en de in 't voorjaar en den zomer geboren individu's zich nog gedurende +'t zelfde jaar weer voortplanten." + +In huis berokkent de Boschmuis ons dikwijls gevoelige schade en heeft +zij eigenaardige liefhebberijen. Des nachts dringt zij in vogelkooien +door en doodt de hier aanwezige Kanarievogels, Leeuweriken, Vinken +enz. Van haar smaak voor zoete, bedwelmende dranken, deelt Lenz het +volgende voorbeeld mede: Een zijner zusters hoorde op een avond een +zeer eigenaardig zangerig gepiep in den kelder; zij zocht met een +lantaarn naar de oorzaak van dit geluid en vond een Boschmuis, die +naast een flesch malaga zat, de naderende dame vriendelijk en zonder +vrees in 't gelaat zag en zich in haar gezang niet liet storen. De +jonge dame verwijderde zich om hulp te halen; een geheel leger van +helpers bezette den kelder; de Muis had haar liedje echter nog niet +uit; zij bleef bedaard zitten, en was vermoedelijk zeer verwonderd, +toen men haar met den tang bij den kop pakte. Bij nader onderzoek +bleek het, dat de flesch een weinig lek was; rondom de plaats waar +de droppels neervielen, lag een geheele kring van muizenkeutels, +waaruit men opmaakte, dat de zooeven als dronkenlap gearresteerde +Muis, waarschijnlijk reeds gedurende geruimen tijd hier aan 't pooien +was geweest. + + + +De _Brandmuis_ bewoont een meer beperkt gebied dan de beide vroeger +beschreven soorten; zij leeft tusschen den Rijn en West-Siberië, +het noorden van Holstein en Lombardije. In Middel-Duitschland wordt +zij overal veelvuldig aangetroffen, in ons vaderland tot dusver niet; +in hooge bergstreken komt zij niet voor. Zij houdt zich des zomers +op in bouwlanden, aan de kanten van bosschen en in lage boschjes, +terwijl zij des winters in korenhoopen of in schuren verblijf houdt; +ook overwintert zij in gaten in den grond. Bij 't maaien van 't koren +in den herfst, ziet men geheele benden van deze dieren over de stoppels +ontvluchten. Hare bewegingen zijn minder behendig dan die van hare +verwanten; haar uiterlijk is goedaardiger of dommer. Zij voedt zich +hoofdzakelijk met graan en andere zaden, met kruiden en knollen, +Insecten en Wormen; ook zij verzamelt proviand voor den slechten +tijd. Wegens haar snelle vermenigvuldiging kan zij in de streken, +waar zij voorkomt, zeer schadelijk worden: in den zomer werpt zij 3- +à 4maal 4 à 8 jongen, welke, evenals die van de Boschmuis, eerst in +'t volgende jaar de kleur van de ouders hebben. + + + +Hoe lief en bevallig alle kleine Muizen ook zijn, hoe alleraardigst zij +zich in de gevangenschap gedragen, het kleinste lid van de familie--de +_Dwergmuis_ (_Mus minutus_)--overtreft haar alle te dezen aanzien. Zij +is veel beweeglijker, behendiger, vroolijker, kortom, zij is een veel +aardiger schepeltje dan hare verwanten. + +De Dwergmuis heeft aan de dierkundigen niet weinig hoofdbrekens +veroorzaakt. Sinds Pallas haar in Siberië voor 't eerst aantrof, +nauwkeurig beschreef en zeer goed afbeeldde, is zij in vele andere, +ver uiteenliggende landen gevonden. Bijna iedere natuurbeschrijver, +die haar onderzocht, meende het recht te hebben haar als een +nieuwe soort te beschouwen, o.a. omdat het verbreidingsgebied van +dezen vorm zoo uitgestrekt is en de kleur van de vacht tamelijk +uiteenloopt. Door latere onderzoekingen is echter uitgemaakt, dat +de ten onzent voorkomende Dwergmuis werkelijk verspreid is over een +gebied, dat Siberië, geheel Rusland, Hongarije, Polen, Duitschland, +Frankrijk, Engeland en Italië omvat en slechts bij uitzondering +in sommige gewesten van deze landen niet voorkomt. Men vindt haar +in alle vlakten waar de landbouw bloeit, en geenszins altijd op +bouwland, maar dikwijls in het riet van de sloten, die de akkers +omgeven, in riet- en biesbosschen, in moerassen en drasse landen +enz. In Siberië en aan den voet van den Kaukasus is zij algemeen, +in Rusland en Engeland, in Sleeswijk en Holstein is zij op zijn minst +genomen niet zeldzaam. Maar ook in de overige genoemde landen kan zij +soms in grooten getale voorkomen. Volgens Dr. G. A. Venema komt zij +veelvuldig voor "in de breede strook van zulte of zeeaster (_Aster +tripolium_), die de kweldergronden langs den Dollard van de hanepoot +(_Salicornia herbacea_) scheidt. Daar bouwt de Dwergmuis haar nest +in de hooge zulteplanten, tusschen hare geurige bloemen in; en als +een hooge vloed door de zulte rolt, buigt de storm de stengels heen +en weer, maar bereikt de bloemen niet. In wiegelende beweging door +den stroom gebracht, bewaken de oude Muizen, die langs de stengels +zijn opgeklommen, de jongen." + +Gedurende den zomer vindt men dit lieve diertje in gezelschap van +de Boschmuis en van de Gewone Veldmuis op korenvelden; in den winter +komt het soms in groot aantal voor onder hooibergen of in schuren. De +Dwergmuis overwintert echter ook wel buiten, in holen in den grond; +een groot deel van het koude jaargetijde brengt zij dan slapend door, +hoewel zij geen eigenlijken winterslaap heeft. Als de nood aan den +man komt, maakt zij gebruik van den aanzienlijken voedselvoorraad, +die zij gedurende den zomer in haar hol heeft bijeengebracht. Haar +voedsel is hetzelfde als dat van alle overige Muizen; op den akker +kan zij nog al wat graan bederven; als zij den winter in woonhuizen +doorbrengt, gebruikt zij zoowel dierlijk als plantaardig voedsel; +in den zomer gebruikt zij, naar 't schijnt, allerlei kleine Insecten. + +Door hare bewegingen onderscheidt de Dwergmuis zich van alle overige +soorten van de Muizenfamilie. In weerwil van hare geringe grootte +loopt zij zeer snel; zij klimt zeer vlug, behendig en sierlijk. Langs +de dunste takken van struiken, langs grashalmen, die zoo zwak zijn, +dat zij zich ter aarde neigen, wanneer het diertje zich er op bevindt, +stijgt zij, den rug naar boven of naar onderen gericht, omhoog. Bijna +even snel beklimt zij boomen; de kleine, sierlijke staart wordt dan +zoo behendig als grijpwerktuig gebezigd, alsof het kleine Knaagdier +den Brulapen de kunst heeft afgezien. Ook in het zwemmen is het zeer +bedreven; ook in het duiken is het een meester. Juist hierom kan het +overal wonen. + +Vooral in een ander opzicht geeft de Dwergmuis echter bewijzen +van groote bekwaamheid. Zij is een kunstenares, zooals er onder +de Zoogdieren maar weinig gevonden worden; zij waagt het, met de +meest begaafde Vogels te wedijveren en een nest te bouwen, dat in +schoonheid de nesten van alle overige Zoogdieren verre overtreft. Haar +sierlijke woning wordt op zulk een eigenaardige wijze gebouwd, alsof +zij bij een Rietzanger of een Wevervogel in de leer is geweest. Het +Dwergmuizennest is bijna zoo groot als een vuist, en rust, al naar +de plaatselijke gesteldheid, op 20 à 30 bladen van rietgrassen, +welker toppen uitgerafeld en zoo met elkander saamgevlochten zijn, +dat zij het eigenlijke nest overal omgeven. Soms is het nest op een +afstand van 5 à 10 M. boven den grond vrij opgehangen aan de takken +van een struik, aan een riethalm of dergelijk voorwerp, zoodat het +allen schijn heeft, dat het in de lucht zweeft. De vorm van het nest +komt het meest overeen met dien van een ei, met zeer stompe punten, +b.v. met een buitengewoon, bolvormig ganzenei, waarmede het ook +in grootte nagenoeg overeenkomt. Het uitwendig bekleedsel bestaat +altijd uit de geheel in strookjes verdeelde bladen van het riet of +van andere grasachtige planten, welker stengels den grondslag van +de geheele woning uitmaken. De kleine kunstenares neemt elk blad +tusschen hare tanden, en haalt het verscheidene malen tusschen de +vlijmscherpe kronen der snijtanden door, zoodat elk blad in 6, 8, +10 of meer draadvormige strooken wordt verdeeld, die ieder aan een of +meer taaie, overlangsche bladnerven haar stevigheid ontleenen; daarna +worden deze vezels zorgvuldig dooreengeslingerd, ineengevlochten en +saamgeweven. Van binnen is het nest met aren van riet, met de wol +van de kolven der kannewasschers (_Typha_), met het vruchtpluis van +paardenbloemen, met allerlei katjes en bloemtrossen opgevuld. Een +kleine, zijdelingsche opening verleent toegang tot het nest; als men +er den vinger insteekt en het van binnen betast, blijkt het geheel +en al, zoowel van boven als van onderen, gelijkmatig glad gemaakt, +en overal zacht en donzig te zijn. De materialen van het nest zijn +zóó dicht met elkander vervilt en saamgevlochten, dat zij voor het +dier een stevige rustplaats vormen. + +Als men in aanmerking neemt, dat de werktuigen, waarvan de Dwergmuis +bij dezen arbeid gebruik maakt, veel minder doelmatig zijn dan de +snavel van de bouwkunstenaars onder de Vogels, kan men niet nalaten +de kunstvaardigheid van de Dwergmuizen te bewonderen en haar hooger +te stellen, dan die van de veel beter uitgeruste, nestbouwende Vogels. + +Elk nestje is hoofdzakelijk samengesteld uit de nog aan den stengel +vastgehechte bladen van de planten die de woning steunen. Een +noodzakelijk gevolg hiervan is, dat het nest van buiten bijna (of +geheel) dezelfde kleur heeft als de planten waartusschen het zich +bevindt. Daar n.l. de Dwergmuis haar paleis alleen noodig heeft voor +het groot brengen van hare jongen, en deze schielijk in staat zijn om +zich zelf te redden, is het nest in den regel reeds door hare bewoners +verlaten, voordat de bladen, die de buitenbekleeding vormen, verwelkt +zijn, en een andere kleur hebben aangenomen. In 't najaar maakt de +Muis haar nest in de graanschoven; in 't kreupelhout, aan struiken of +laag hout hangt het aan den duinkant (waar het ook, vooral in Holland, +veelvuldig voorkomt). De oude Muizen bouwen kunstiger en doelmatiger +nesten dan de jonge; deze beginnen reeds in 't eerste levensjaar +tamelijk flinke nesten te maken, die haar tot rustplaats dienen. + +Drie of vier maal per jaar brengt de Dwergmuis jongen ter wereld, +telkens 5 à 8. Gewoonlijk blijven deze in hun wieg tot zij +zien kunnen. De oude dekt ze warmpjes toe, of liever, zij sluit +de opening van het nest telkens als zij uitgaat om voedsel te +zoeken. Ternauwernood zijn de jongen zoover heen, dat zij eenigermate +in hun onderhoud kunnen voorzien, of zij gaan hun eigen weg, nadat +de moeder vooraf nog gedurende een paar dagen met hen buiten verkeerd +en hun onderricht in haar beroep gegeven heeft. + +Wie het geluk heeft tegenwoordig te zijn, wanneer de oude Muis +haar kroost voor de eerste maal naar buiten geleidt, zal een +allerbekoorlijkst huiselijk tafereel aanschouwen. Hoe behendig het +jonge volkje van nature moge zijn, een weinig onderricht is noodig; +bovendien is het nog te veel aan de moeder gehecht om reeds dadelijk +lust te hebben op eigen wieken te drijven en zich zelfstandig te +bewegen in de uitgestrekte, gevaarlijke wereld. Het eene jong hangt +aan dezen, een ander aan genen halm. Het eene sjirpt om door de moeder +geholpen te worden, het andere verlangt nog naar de moedermelk. Hier +wascht er zich een met de voorpootjes, daar heeft een ander een zaadje +gevonden, dat met de pootjes vastgehouden en ontbolsterd wordt. Het +vreesachtigste wijfje is nog binnen in het nest bezig, het dapperste +en vermetelste mannetje is al ver weg en zwemt misschien reeds rond +in de plas, welks bodem de pijlers van de woning draagt. Het geheele +gezin is druk in de weer, de moeder niet het minst; het eene jong +moet geholpen worden, een ander heeft behoefte aan raad, de ijver van +het stoutmoedigste kind moet ingetoomd, die van het vreesachtigste +aangewakkerd worden. + +Men kan dit aardig schouwspel op zijn gemak waarnemen, als men het +geheele nest medeneemt naar huis en in een groote kooi van nauwmazig +metaalgaas opsluit. Met hennep, haver, peren, zoete appels, vleesch en +gewone Vliegen kan men de Dwergmuizen gemakkelijk in 't leven houden; +haar lieftallig gedrag vergoedt ruimschoots de moeite, die men aan +haar wijdt. Aardig is het na te gaan, wat zij doen, als men haar een +Vlieg voorhoudt; alle ijlen dan met groote sprongen op het Insect +af; de vlugste pakt het met de voorpootjes aan, brengt het naar den +mond, en doodt het met evenveel drift en roofzucht als de Leeuw bij +'t dooden van een Rund aan den dag legt; de prooi wordt daarna weer +tusschen de voorpootjes genomen en bedachtzaam verslonden. De jongen +worden zeer schielijk tam, doch wanneer men zich niet zeer dikwijls +met hen bemoeit, op lateren leeftijd weer schuw. Omstreeks den tijd, +waarin zij in den natuurstaat schuilplaatsen zouden opzoeken om daar +te overwinteren, worden zij altijd zeer onrustig en zoeken met geweld +te ontvluchten, juist zooals de trekvogels, die in een kooi gehouden +worden, gewoon zijn te doen, als de tijd van vertrek hunner vrije +soortgenooten aanbreekt. Ook in Maart neemt men bij de Dwergmuizen +deze begeerte om uit haar kooi te ontsnappen waar. Overigens geraken +zij schielijk aan de gevangenschap gewoon; zij beginnen vol ijver hare +kunstvolle nesten te bouwen van de materialen die men haar hiervoor +geeft, b.v. van papiersnippers en katoen. + + + +De laatste onderfamilie bevat de _Hamstermuizen_ (_Cricetinae_), meer +of minder plomp gebouwde, dikwijls groote Muizen met gespleten bovenlip +en groote wangzakken; even als de Echte Muizen hebben zij in elke +kaakhelft drie kiezen met op dwarse reeksen geplaatste knobbeltjes. + +Onze _Hamster_ behoort tot het bekendste geslacht (_Cricetus_), welks +belangrijkste kenmerken gelegen zijn in den plompen, dikken romp, die +op korte ledematen rust, en in een zeer korten, dun behaarden staart +eindigt. De knaagtanden zijn bijzonder groot. Deze diersoort bewoont +de korenakkers van vruchtbare gewesten van de gematigde luchtstreek +in Europa, Azië en Amerika. Hier graven de Hamsters diepe holen met +verscheidene kamers, waarvan sommige in den herfst met een voorraad +voedsel voor den winter gevuld worden; in de andere slijten zij een +groot deel van haar leven, welks lusten en lasten wij zullen leeren +kennen door het nagaan van den levensloop van onzen inheemschen +Hamster. Inheemsch mogen wij hem noemen, daar hij, volgens Ritzema +Bos, in 't zuidelijk gedeelte van Limburg voorkomt, waar het aantal +dezer dieren sedert 1879 zoodanig vermeerderde, dat zij er als een +landplaag berucht werden en de Commissaris des Konings op 14 Januari +1880 een missive aan de gemeentebesturen in Limburg verzond, waarin +de landbouwers werden aangespoord hunne nieuwe vijanden zooveel +mogelijk uit te roeien. Niet op elken bodem komt de Hamster voor, +in ieder geval niet op een bodem, die zeer zandig is, daar zijne +gangen er te gemakkelijk zouden instorten. Vandaar, dat hij in het +noordelijke gedeelte van Limburg ontbreekt, waar bovendien tarwe en +paardeboonen, zijn hoofdvoedsel, niet of weinig gekweekt worden. In +Zuidelijk Limburg daarentegen, op de zoogenoemde Limburgsche klei, +is hij in zijn element. + +De in lichamelijk opzicht niet misdeelde en ook moedige _Hamster_ +(_Cricetus frumentarius_) is overigens geen aantrekkelijke +verschijning; hij heeft een zeer onaangenaam, prikkelbaar en ontevreden +karakter. Met inbegrip van den ongeveer 5 cM. langen staart kan hij een +lengte van nagenoeg 30 cM. bereiken. De bovendeelen zijn grootendeels +roodachtig geel met grijsbruin gemengd. Lichter, n.l. roestkleurig +geel, zijn de zijden van den kop, een streepje onder het oor, een +vlek op den schouder en een kleinere vlek achter den oksel. Donkerder, +n.l. bruinachtig rood, zijn het oor, de omgeving van oor en oog en van +den staartwortel, de buitenzijde van dij en onderbeen. De onderdeelen +en ook de nog niet genoemde deelen van de pooten, met uitzondering +van de witte voeten, zijn zwart; wit zijn ook de rand van het oor, +de lippen, de spits van den snuit en een overlangsche streep op de +keel. Van deze kleurverdeeling komen echter allerlei afwijkingen voor; +sommige exemplaren zijn geheel zwart, andere zwart met witte keel +en grijze kruin; andere van boven dof vaal, van onderen lichtgrijs, +aan de schouders witachtig; ook treft men er soms albino's bij aan. + +Het verbreidingsgebied van den Hamster strekt zich uit van den Rijn +tot den Ob. In de zuidelijke en zuidwestelijke deelen van Duitschland +ontbreekt hij, evenals ook in Oost- en West-Pruisen; daarentegen is hij +veelvuldig in Thüringen en Saksen. In de landen aan de Middellandsche +Zee, in Engeland, Denemarken en Skandinavië is hij onbekend. Een +bodem, die matig vast, droog en tevens vruchtbaar is, voldoet hem het +best. Hij vermijdt alle zandige gewesten; om geen te groote bezwaren +te ondervinden bij het graven, vestigt hij zich evenmin op een zeer +vasten on steenachtigen bodem. Hij houdt niet van bergstreken en +bosschen, evenmin van waterrijke laaglanden. Waar hij voorkomt, +treft men hem veelvuldig, soms zelfs in ongeloofelijke scharen aan. + +Zijn woning bestaat uit een groote woonkamer, die op een diepte van +1 à 2 M. gelegen is en met de buitenwereld in gemeenschap staat door +twee gangen: een hellende, waardoor de bewoners het hol verlaten en +een loodrechte, waardoor zij er inkomen. Door andere gangen is de +woonkamer verbonden met de voorraadkamer. Het hol van den Hamster +is gemakkelijk te herkennen aan den gewoonlijk met kaf en doppen +van peulvruchten bedekten aardhoop, die voor de uitgangsopening +ligt. De ingangspijp dringt altijd loodrecht in den bodem door, +soms zoo, dat men er een langen stok in kan steken; zij komt echter +niet onmiddellijk in de kamer uit, maar door tusschenkomst van een +soms horizontale, soms hellende verbindingsbuis. De uitgangspijp +daarentegen loopt zelden recht, maar is in den regel gekromd. Aan de +gangen is het gemakkelijk te zien, of het hol bewoond wordt of verlaten +is. Als zij mos, schimmelplanten of gras bevatten, of oneffene wanden +hebben, kan men er zeker van zijn, dat het hol niet gebruikt wordt, +want de Hamster is bijzonder netjes op zijn huis en zijn huisdeur. De +kleinste van de kamers is de woonkamer; deze heeft gladde wanden en is +altijd aangevuld met zeer fijn stroo, meestal met bladscheeden van de +graanhalmen, die een zeer zachte ligplaats leveren. Drie gangen komen +in deze kamer uit en stellen haar in gemeenschap met den ingang, den +uitgang en de voorraadkamer. Deze is dieper gelegen dan de woonkamer, +maar gelijkt er volkomen op; zij wordt als de herfst nadert, geheel +gevuld. Jonge Hamsters leggen slechts één proviandpakhuis aan; de +oude hebben er echter 3 à 5; men vindt soms meer dan 50 KG. voorraad +in één enkele woning, meestal graan en zaden van peulvruchten, zelden +ook wortels, rapen en dergelijke voedingsmiddelen. + +Vroeger werd beweerd, dat de Hamster iedere graansoort afzonderlijk +opstapelt; ten onrechte deed men dit, want hij bergt de zaden op, +zooals hij ze vindt; de reden waarom zij dikwijls soort bij soort +leggen, is niet gelegen in de ordelievendheid van den verzamelaar, +maar in de omstandigheid, dat hij in den eenen tijd niet anders dan +deze, in een anderen tijd uitsluitend gene zaden vindt. + +De woning van het wijfje verschilt in sommige opzichten van die van +het mannetje; hoewel zij slechts één uitgangsbuis heeft, bedraagt het +aantal ingangsbuizen 2 à 8, waarvan er echter maar één druk gebruikt +wordt, zoolang de jongen nog klein zijn. + +Ondanks zijn plomp voorkomen ontbreekt het den Hamster niet aan +vaardigheid. Zijn gang, die tamelijk wel met dien van den Egel +overeenkomt, en waarbij de buik bijna over den grond sleept, bestaat +uit kleine stapjes. Als hij toornig is, maakt hij haastiger bewegingen +en kan hij tamelijk ver en hoog springen. Het graven verstaat hij +meesterlijk. Als men hem in een vat met aarde plaatst, gaat hij +oogenblikkelijk aan den arbeid. De grond wordt met de voorpooten, +of, bij het ontmoeten van meer weerstand, bovendien ook met de tanden +losgewerkt en voorloopig onder den buik geworpen; de achterpooten halen +hem van hier op en werpen hem naar achteren. Als hij dieper gekomen is, +schuift hij achteruitgaand geheele hoopen aarde tegelijk naar buiten, +nooit vult hij er echter zijne wangzakken mede, zooals ten onrechte +beweerd wordt. Hoewel hij het water angstvallig vermijdt, beweegt +hij zich hierin vrij goed. Als men hem in een tobbe met water werpt, +zwemt hij hierin vlug rond, maar knort intusschen vol woede; uit alles +blijkt dan, dat hij zich niet op zijn gemak gevoelt. Als hij overvallen +wordt, gaat hij oogenblikkelijk op de achterpooten staan en laat de +voorpooten bij zich neer hangen, de eene gewoonlijk een weinig lager +dan de andere. Zoo houdt hij stijf de oogen gericht op den verstoorder +van zijn rust, blijkbaar gereed om, zoodra de gelegenheid schoon is, +toe te schieten en hem zijne scherpe tanden te laten voelen. + +Naar het schijnt, zijn de hoofdzintuigen van den Hamster tamelijk +gelijkmatig ontwikkeld; het blijkt althans niet, dat het eene boven +het andere bevoorrecht is. De eigenschappen van den geest zijn +niet bijzonder geschikt om hem tot een lieveling van den mensch te +maken. Geen ander Knaagdier van even geringe grootte, met uitzondering +misschien van de Ratten of de Lemmingen, laat zich zoo geheel door +den toorn overmeesteren. Bij de geringste aanleiding stelt hij zich +vermetel te weer, laat een dof gebrom hooren, knarst met de tanden en +slaat ze ongemeen snel en hevig tegen elkander aan. Even groot als +zijn toorn, is ook zijn moed. Hij verdedigt zich tegen ieder dier, +dat hem aanvalt en zet den strijd voort, zoolang hij kan. Als hij met +onervaren Honden te doen heeft, behaalt hij niet zelden de zege; de +schrandere Rattenvangers alleen weten hem aan te pakken en schudden +hem dan bijna oogenblikkelijk dood. Alle Honden haten den Hamster +bijna even hevig als den Egel, omdat zij het niet verdragen kunnen, +dat zulk een klein dier hun oppermacht niet erkent. Niet alleen tegen +Honden verweert de Hamster zich, ook den mensch valt hij stoutmoedig +aan, zelfs hem, die niets met dit dier heeft uit te staan. Niet zelden +gebeurt het, dat iemand die een Hamsterwoning voorbijgaat, plotseling +het woedende dier aan zich (aan de kleederen meestal) voelt hangen. Ook +bij Paarden doet hij dit. Tegen Roofvogels, die hem van den grond +opnemen, verweert hij zich nog in de lucht. Als hij zich eens ergens +aan vastgebeten heeft, laat hij niet los tenzij men hem doodslaat. + +Dat zulk een doldriftig dier niet verdraagzaam kan zijn, is licht +te begrijpen. De jongen willen, zoodra hun eerste jeugd voorbij is, +niet meer bij de moeder blijven; de mannelijke Hamster bijt het +wijfje dood, als hij haar buiten den paartijd ontmoet. Gevangen +Hamsters leven zelden in vrede met elkander, met oude dieren is dit +waarschijnlijk nooit het geval; jongen, die nog geen jaar oud zijn, +kunnen beter met elkander overweg. Ik heb gedurende geruimen tijd in +een kist drie van deze dieren gehad, die nooit met elkander twistten, +maar integendeel zeer verdraagzaam bijeenzaten, meestal zelfs het eene +boven op het andere. Jonge Hamsters uit verschillende nesten vallen +echter onmiddellijk op elkander aan en beginnen een strijd op leven +en dood.--Een grappig schouwspel verschaft men zich, wanneer men den +Hamster een Egel tot metgezel geeft. In 't eerst kijkt het Knaagdier +nieuwsgierig naar zijn zonderlingen kameraad, die zich niet veel om +zijn gezelschap bekommert, maar rustig zijn gang gaat. Maar de rust +wordt spoedig verstoord. Toevallig komt de Egel in de buurt van zijn +medegevangene, en wordt door dezen met een toornig gebrom begroet; +vol schrik rolt het stekelige dier zich tot een bal ineen. Nu gaat +de Hamster op verkenning uit. De stekelige bal wordt besnuffeld,--een +bloedende neus is de uitkomst, tot welke hij geraakt. Woedend stoot de +gewonde den bal weg--o wee, ook de hand is gekwetst! Nu ontbloot hij de +tanden, piept, blaast, wipt op den bal, springt er ontsteld weer van +af, tracht hem met den rug weg te duwen, steekt zich in den schouder, +wordt al woedender en woedender, doet opnieuw vruchtelooze pogingen +om het monsterachtige wezen uit den weg te ruimen, krijgt nog meer +steken in de handen en de lippen--ten einde raad gaat hij eindelijk, +terwijl allengs de verbazing de overhand krijgt over den toorn, voor +"het stekelvarken" opzitten en kijkt naar het vreemdsoortig dier +met een merkwaardig comische vrees en met een ingehouden woede, die +hij niet zelden koelt aan een nabijzijnd voorwerp, aan een volkomen +onschuldige soort- en lotgenoot, wien hij de beten tracht te geven, +die hij den Egel had toegedacht. Zoo vaak de Egel zich verweert, +begint het spel opnieuw, en weerklinkt een uitbundig gelach uit de +rijen der toeschouwers. + +Tegenover andere, kleinere dieren toont de Hamster zich natuurlijk +nog minder verdraagzaam als ten opzichte van zijne soortgenooten; +of liever, hij maakt jacht op hen, want levende wezens maken +een voornaam bestanddeel van zijn voedsel uit. Vogeltjes, Muizen, +Hagedissen, Hazelwormen, Ringslangen en Insecten eet hij nog liever +dan plantaardige stoffen. + +Ook de Hamster houdt winterslaap. Hij ontwaakt, zoodra de grond +ontdooid is, dikwijls reeds in Februari, stellig in Maart. Niet +dadelijk ontsluit hij de verstopte openingen van zijn woning, +maar blijft stilletjes onder den grond en maakt gebruik van zijn +winterprovisie. Omstreeks het midden van Maart maken de oude mannetjes, +in het midden van April de oude wijfjes de deur van het winterverblijf +open. Dan beginnen zij buitenshuis voedsel te zoeken. + +Omstreeks 4 à 5 weken na de paring--voor de eerste maal tegen het +einde van Mei, voor de tweede maal in Juli--werpt het wijfje in haar +zacht en warm gevoerd nest 6 à 18 jongen. Als zij 14 dagen oud zijn, +beginnen de jonge Hamsters reeds in den grond te wroeten, en zoodra +zij dit kunnen, denkt de onvriendelijke moeder er aan, zich van haar +kroost te ontdoen; zij zet de kleintjes eenvoudig haar woning uit en +dwingt ze zelfstandig in hun onderhoud te voorzien. Dit schijnt de +jonge Hamsters niet veel moeite te kosten; want reeds op den zesden +of zevenden dag van hun leven, als zij ternauwernood behaard zijn +en nog in 't geheel niet zien kunnen, weten zij al heel aardig een +tarwekorrel tusschen hunne voorpootjes vast te houden en met hunne +scherpe tandjes te beknabbelen. Als er gevaar in aantocht is, +sluipen de jonge diertjes, hoe hulpbehoevend zij ook schijnen, +behendig naar allerlei schuilhoeken van het hol; het eene heeft +zich schielijk op de best mogelijke wijze hier, het andere daar +weten te verbergen; de meeste echter zijn de moeder gevolgd. Deze, +die in andere omstandigheden zoo woedend en boosaardig, zoo moedig en +dapper is, toont zich lafhartig, als het er op aankomt hare kinderen +te verdedigen; zij neemt schandelijk de vlucht, zoodra zij bespeurt, +dat haar of haar kroost onheil dreigt, en kruipt met hare spruiten +weg in een blind eindigende gang; den weg, langs welken zij het nest +verliet, tracht zij zoo schielijk mogelijk met aarde dicht te stoppen +en de gang wordt met verbazende snelheid verlengd. + +Zoodra de veldvruchten rijp worden, hebben de Hamsters het druk met +den oogst. Aan de zaaddoozen van 't vlas, aan groote paardeboonen en +erwten geven zij, naar het schijnt, de voorkeur boven alle andere +vruchten. Alleen daar, waar den Hamster niets in den weg wordt +gelegd, haalt hij den oogst over dag binnen; gewoonlijk echter +zijn de eerste helft van den nacht en de morgen vóór zonsopgang de +voor den arbeid bestemde tijd. Met de voorpooten buigt hij de lange +halmen naar beneden, snijdt er met één beet de aar af, pakt haar met +de voorpooten aan, draait haar een paar malen heen en weer en heeft +haar nu niet alleen van korrels beroofd, maar deze ook reeds in hare +wangzakken geborgen. Zoo worden deze wijde, tot aan de schouders +reikende zakken tot aan den rand gevuld; dikwijls sleept een Hamster +ongeveer 50 gram graan tegelijk naar zijn woning. Als het dier zoo +beladen is, ziet het er zeer grappig uit en is het zoo onbeholpen +mogelijk. Zonder schroom kan men het nu in de handen nemen, want +de volgepropte wangzakken stellen het buiten staat om te bijten; +men moet het dier echter niet den tijd laten met de voorpooten de +zakken leeg te strijken, want dan stelt het zich te weer. + +In het begin van October, als het koud wordt en de akkers kaal zijn, +denkt de Hamster er ernstig aan, zijn winterkwartier in gereedheid +te brengen. Het leger is zeer klein, en wordt met het fijnste stroo +dicht bekleed. Nu eet de luie dagdief zich dik en vet, en gaat +eindelijk ineengerold liggen om den winterslaap te beginnen. De +ledematen blijken bij aanraking ijskoud te zijn, kunnen moeilijk +gebogen worden, springen, als men ze met geweld gebogen heeft, gelijk +bij doode dieren, onmiddellijk weder in hun vroegeren stand terug; +de oogen zijn gesloten. De ademhaling en het kloppen van het hart +zijn niet meer te voelen. Gewoonlijk slaat het hart 14 of 15 maal +in de minuut. Vóór het ontwaken merkt men in de eerste plaats op, +dat de stijfheid vermindert. Daarna begint het ademhalen merkbaar te +worden; men bespeurt eenige bewegingen; de slaper gaapt en laat een +rochelend geluid hooren, rekt zich uit, opent de oogen, waggelt rond, +alsof hij beschonken is, tracht op zijne pooten te blijven staan, +valt om, staat nogmaals op, schijnt in gedachten verzonken, en loopt +eindelijk langzaam rond; als men hem iets eetbaars toewerpt, vreet +hij het dadelijk op; hij poetst en strijkt zich de haren glad en is +nu volkomen wakker. In een kamer, waar bij koud weer gestookt wordt, +kan men de Hamsters voortdurend wakker houden; zij blijven dan echter +niet gezond en sterven spoedig. + +Wel is het gelukkig, dat de Hamster, die zich soms zeer sterk +vermenigvuldigt, en dan groote schade aanricht, zoovele vijanden +heeft. Buizerden en Uilen, Raven en vele andere Vogels, vooral echter +de Bunzing en de Wezel, zitten hem onophoudelijk op de hielen en +dooden hem, waar en wanneer ze hem ook ontmoeten. + +In eenige streken wordt ook door den mensch een verdelgingsoorlog +tegen den Hamster gevoerd. Het belangrijkste voordeel, dat deze jacht +oplevert, is de voorraad, die deze kluizenaar verzamelt; het door hem +voor de toekomst bewaarde graan wordt eenvoudig afgewasschen, daarna +gedroogd en evenals ander koorn gemalen. Ook het vel van dit dier +is bruikbaar; naar men bericht, levert het een zeer goede, lichte en +duurzame pelterij. In vele gewesten wordt het vleesch van den Hamster +gegeten. Hoe groot het aantal dezer dieren in sommige streken is, in +weerwil van de ijverigste vervolgingen, kan men afleiden uit het door +Altum medegedeelde bericht, dat in 1869, op de akkers om Aschersleben, +39.000 Hamsters gevangen werden. + + + +De familie van de _Woelmuizen_ (_Arvicolidae_), omvat een groot +aantal soorten van kleine Knaagdieren, die veel op elkander gelijken +en in vele opzichten aan de Muizen herinneren, bij welke familie zij +vroeger gevoegd werden. De uitwendig zichtbare kenmerken, waardoor +zij zich van deze onderscheiden, zijn vooral: de plompe lichaamsbouw, +de dikke kop, de ooren, die geheel onder de beharing verborgen zijn +of slechts weinig er boven uitsteken en de korte staart, welks lengte +hoogstens het twee derde deel van die van het overige lichaam bedraagt. + +Het gebit bevat, behalve de bij alle Knaagdieren voorkomende +wortellooze (steeds doorgroeiende) snijtanden, drie kiezen in elke +kaakhelft; deze hebben niet, evenals die der Echte Muizen, "ware" +wortels, maar zijn "wortelloos". Het in de kaak verborgen deel van +den tand of kies, wordt n.l. alleen dan een "ware" wortel genoemd, +als het allengs dunner wordt, en aan het dunne uiteinde slechts +fijne, moeielijk zichtbare openingen heeft, waardoor de bloedvaten +voor het in den tand aanwezige tandbeenvormende orgaan (de pulpa) +binnendringen. Wortellooze tanden hebben aan het bedoelde uiteinde een +groote opening en heeten daarom ook wel tanden met "open wortels". De +tandbeenvorming heeft hier wegens de meerdere toevoer van bloed naar +de pulpa sneller plaats; "wortellooze" tanden (of kiezen) groeien dus +van onderen aan, naarmate zij van boven afslijten. Bovendien bestaat +de kauwvlakte van de kiezen der Woelmuizen niet, evenals die der Echte +Muizen, uit met email bedekte knobbeltjes, maar vertoont dwars gerichte +lijsten van email, gevormd door de naar binnen dringende plooien van +de emaillaag, die de geheele kies omgeeft. Deze lijsten blijven steeds +boven de kauwvlakte uitsteken, wijl de daarnevens gelegen bestanddeelen +van de kies (tandbeen en cement) zachter zijn en sterker afslijten. + +De Woelmuizen bewonen het noorden van de Oude en Nieuwe Wereld. Zij +leven zoowel in de vlakte als in het gebergte, op bouwland en ook +op nagenoeg woeste gronden, op akkers en weiden, in tuinen, aan de +oevers der rivieren, beken, meren en plassen. Holen en gaten, die door +haar zelf gegraven zijn, dienen haar tot verblijfplaats. Bijna alle +vermijden de nabuurschap van den mensch; slechts weinige komen soms +in zijne stallen en schuren of in zijne tuinen. Hare holen bestaan +uit meer of minder lange, al of niet vertakte gangen, welke zich +van die der andere dieren dikwijls door hun ligging dicht bij de +oppervlakte onderscheiden; vele echter graven kamers, die op hutten +gelijken, andere maken woningen, die in meerdere of mindere mate van +kunstvaardigheid getuigen. De meeste wonen alleen of paarsgewijs; +nu en dan vereenigen zij zich echter tot groote scharen. Hun voedsel +ontleenen zij vooral aan 't plantenrijk, door vele echter worden ook +dierlijke stoffen niet versmaad. Vele verzamelen wintervoorraad, hoewel +zij geen winterslaap houden. Voor 't overige gelijken zij in bijna +alle opzichten op Echte Muizen. Haar levenswijze is bijna als die van +deze dieren, die zich echter door meerdere vlugheid en behendigheid +onderscheiden. Ook de Woelmuizen bewegen zich tamelijk snel; +slechts weinige soorten kunnen klimmen; bijna alle zijn meesterlijk +ervaren in het zwemmen, eenige leven zelfs geheel in 't water; +andere houden maanden lang verblijf in de sneeuw, waarin zij langen +gangen graven en kunstvolle nesten bouwen. Enkele soorten ondernemen, +waarschijnlijk door gebrek aan voedsel gedreven, groote zwerftochten; +hieraan is het toe te schrijven, dat tegenwoordig verscheidene soorten +in Europa inheemsch geworden zijn, die vroeger uitsluitend in Azië +leefden. Onder hare zinnen staan de reuk en het gezicht bovenaan. Hare +geestvermogens zijn gering. Alle vermenigvuldigen zich sterk, sommige +soorten zelfs ongeloofelijk snel. Bijna alle soorten zijn voor den +mensch schadelijk zonder hem eenigen dienst van beteekenis te bewijzen; +zij worden daarom terecht gehaat en op allerlei wijzen vervolgd. + + + +De _Muscus-rat_, _Bever-rat_ of _Ondatra_ (_Fiber zibethicus_), +de eenige voor den mensch nuttige soort van de geheele familie, +kan omschreven worden als een groote Waterrat met langen staart, +breede achtervoeten (welker teenen door korte zwemvliezen met elkander +verbonden zijn), stompen snuit en kort behaarde ooren (die gesloten +kunnen worden). De staart is alleen in de nabijheid van den stam +rolrond, voor het overige zijdelings samengedrukt, in de nabijheid +van de spits tweesnijdig en met kleine schubben bezet. De beharing +is dicht, glad aanliggend, zacht en glanzig, het wolhaar buitengewoon +zacht, fijn en kort, het bovenhaar zeer glanzig en dubbel zoolang als +het wolhaar. De bovendeelen, zijn bruin, soms geel, de onderdeelen +zijn grijs, op sommige plaatsen met een roodachtig waas; de staart +is zwart. Volwassen mannetjes worden omstreeks 58 cM. lang, waarvan +ongeveer de helft op den staart komt. + +De Ondatra bewoont de landen van Noord-Amerika, die tusschen 30 en +60° N.B. gelegen zijn. Het veelvuldigst komt dit dier voor in het +waterrijke Canada en in Alaska. De met gras begroeide oevers van +groote meren of van breede, langzaam stroomende rivieren, van stille +beken en moerassen, zijn de verblijfplaatsen van deze om zijn vacht +zeer gezochte Rat; het liefst echter vestigt zij zich aan de kanten +van niet al te groote, met riet en waterplanten bedekte vijvers. Hier +bewoont zij een bepaalde plaats en vormt met andere dieren van haar +soort tamelijk innig verbonden familiën of volken. Haar levenswijze +komt in vele opzichten met die van den Bever overeen: de Indianen +noemen daarom deze beide dieren broeders, en beweren, dat de Bever +de oudste en schranderste, de Muscusrat de domste van de twee is. De +woningen zijn, evenals die van den Bever, eenvoudig onderaardsche +kamers met verscheidene uitgangsbuizen, die alle onder den waterspiegel +uitkomen, of hutten boven den grond. De laatstgenoemde, die vooral +in noordelijke streken aangelegd worden, zijn half-kogelvormig of +gelijken op koepels; zij rusten op een modderbank en verheffen zich +dus boven den waterspiegel. De wanden dezer hutten worden van zeggen, +riet en biezen vervaardigd, welke plantendeelen door slib met elkander +verbonden zijn; eenige onderzoekers beweren echter, dat de geheele hut +aanvankelijk uit slib bestaat, en zich langzamerhand eerst bedekt met +een laag van gras en biezen, doordat deze er tegen aan drijven. De hut +bevat slechts één kamer, die een middellijn van 40 à 65 cM. heeft. Een +gang, die op den bodem van het water uitkomt, verleent toegang tot deze +kamer. Van haar gaan andere blind eindigende buizen uit, die een eind +weegs onder den grond doorloopen en naar gelang van de omstandigheden +meer of minder verlengd worden, want zij dienen eigenlijk alleen om de +wortels van de waterplanten, die hij als voedsel gebruikt, te kunnen +bereiken. Vóór den winter bekleedt de Ondatra hare kamers met een zacht +kussen van droge bladeren en zorgt voor luchtverversching in haar hut +door het middelste deel van het dak uit los opeengestapelde planten +samen te stellen, waartusschen genoeg ruimten overblijven om versche +lucht toe te laten en de bedorven lucht te laten ontsnappen. Zoolang +het moeras of de vijver niet tot op den bodem dicht vriest, leeft zij +zeer genoegelijk in haar warme woning, die door het dikke sneeuwkleed, +dat haar bedekt, nog meer tegen de koude beschut wordt. + +Het voedsel van deze dieren bestaat bijna uitsluitend uit waterplanten; +in vele woningen werden echter ook leeggegeten schelpen van Weekdieren +gevonden. Aan gevangen exemplaren merkte Audubon op, dat zij veel +van Mossels houden. De Bever-ratten zijn zeer opgewekt en speelsch, +als zij zich in haar eigenlijk element, in het water, bevinden. Wie +zich in een stillen nacht in de nabijheid van een molenvijver of +ander, diep, afgelegen water bevindt, ziet er vaak verscheidene van +deze dieren bijeen, en kan nagaan, hoe zij zich vermaken; sommige +zwemmen in verschillende richtingen heen en weer, waarbij zij lange +glinsterende strepen op den waterspiegel doen ontstaan; andere rusten +eenige oogenblikken op bosjes gras of op steenen en kluiten, van waar +zij het voedsel dat op het water drijft, kunnen bereiken; nog andere +zitten aan den oever en springen de eene na de andere als Kikvorschen +in den plas. Een groote ontsteltenis maakt zich van de op deze wijze +spelende Ondatra's meester, zoodra men een geweer afschiet. Overhaast +nemen zij de vlucht; met een onvergelijkelijke snelheid duiken zij +bij dozijnen te gelijk in de diepte, zoodra zij den knal hooren, +of verdwijnen in hare holen. + +Van de voortplanting der Muscus-ratten is tot dusver niet veel +bekend. Het wijfje werpt in haar hut of in een onderaardsch hol 3 à +6 jongen. + +Over 't algemeen onderscheiden deze Woelmuizen zich door +een buitengewoon zachten aard. Die, welke jong gevangen zijn, +worden spoedig tam. De oude dieren blijven echter bijtlustig en +ongenaakbaar. Men moet ze bewaren in een kist, die van binnen met +blik bekleed is, daar zij andere hokken spoedig vernielen. + +De Ondatras worden ijverig vervolgd, niet zoo zeer wegens de schade, +die zij aanrichten, als wegens het voordeel, dat zij na haar dood +opleveren. Van het vel worden pelzen, kragen en moffen gemaakt, die +vooral in Amerika en China aftrek vinden; sommige menschen houden +er niet van, wegens den muscusreuk, die er nog lang aan blijft. Het +vleesch wordt alleen door de Indianen gegeten; voor Europeanen is +het onbruikbaar, daar het zoo sterk naar muscus of civet ruikt. + +De Bever-rat wordt in vallen gelokt, die met appels als lokaas worden +voorzien; ook vangt men ze wel in klemmen, die voor hare woningen +worden geplaatst, of doodt ze in hare hutten. De Indianen kunnen de +bewoonde hutten zeer goed onderscheiden van die, welke verlaten zijn; +zij sluipen er zonder gedruisch te maken heen en stooten een scherpe +speer met groote kracht door den wand der hut, waardoor zij in den +regel den bewoner dooden. + + + +Op de Muscus-ratten laten wij de _Eigenlijke Woelmuizen_ (_Arvicola_) +volgen; deze hebben de teenen van de achtervoeten niet door zwemvliezen +verbonden en een onbehaarde zool. + +Dit geslacht wordt in vier ondergeslachten verdeeld: de +_Woelratten_ (_Paludicola_), de _Boschwoelmuizen_ (_Hypudaeus_), +de _Akkerwoelmuizen_ (_Agricola_) en de _Veldmuizen_ (_Arvicola_). + +Geen van de leden van het geheele geslacht dringt zich meer aan onze +aandacht op en maakt zich meer gehaat dan de _Waterrat_ of _Veldrat_ +[_Arvicola_ (_Paludicola_), _amphibius_], een der schadelijkste +Knaagdieren, die er bestaan (niet te verwarren met de Bruine rat, +die soms ook "Waterrat" wordt genoemd). Zij leeft niet, zooals men +misschien uit den naam zou afleiden, uitsluitend in het water of +aan den waterkant of in moerassige oorden. Er zijn er wel is waar, +die aan het water en aan drassige gronden de voorkeur geven; deze +hebben zelfs, voor zoover men heeft kunnen nagaan, het uitgestrektste +verbreidingsgebied; het strekt zich uit van den Atlantischen Oceaan +tot aan de Zee van Ochotsk, van de Noordkaap en de Witte Zee tot aan +het zuiden van Italië, Dalmatië en de landstreken om den Kaukasus. Deze +"eigenlijke Waterratten" zwemmen en duiken uitmuntend, sommige zoeken +in 't water haar voedsel, andere komen ook in droge akkers en tuinen +en niet zelden uren ver van 't water verwijderd voor. De in droge +streken levende exemplaren zijn in den regel zeer licht van kleur; +"zuiver zwarte of zwartbruine", zegt Blasius, "heb ik alleen in +de nabijheid van 't water of op natte plaatsen gevonden."--Andere +Waterratten echter houden zich bij voorkeur in droge gronden op en +bekommeren zich, naar het schijnt, in 't geheel niet meer om het +water. Met dit verschil in levenswijze gaan in den regel eenige +afwijkingen van tint en lichaamsbouw gepaard; de laatstbedoelde +zijn niet alleen meestal lichter van kleur, maar hebben o.a. ook een +naar verhouding korteren staart. Onder deze op droge gronden levende +Waterratten onderscheidt men twee vormen: de eene, de "Italiaansche +Woelrat" werd tot dusver alleen in Provence, Italië, en misschien +ook in den Kaukasus aangetroffen; de andere, die in de Pyreneeën, +de Alpen, den Elzas, Thüringen, de Harts en Westelijk Duitschland +gevonden werd, komt ook in eenige gemeenten van de graafschap Zutphen +voor en is hier onder de namen "Aardwolf" en "Vreetwolf" bekend. + +Toch is het bij nader onderzoek gebleken, dat er geen voldoende +redenen bestaan, om, in navolging van sommige dierkundigen, drie +"soorten" van Waterratten te onderscheiden; daar nevens de vormen, +die tot de bedoelde onderscheiding aanleiding zouden kunnen geven, +tal van tusschenvormen bestaan, die òf meer tot den eenen, òf meer +tot den anderen vorm overhellen. + +De Waterrat is 21 à 24 cM. lang, waarvan voor den staart 6.5 à 8.5 +cM. gerekend moeten worden. De vacht is nagenoeg eenkleurig, daar +de grijsbruine of bruinzwarte kleur van de bovendeelen onmerkbaar +overgaat in de iets lichtere kleur van de onderdeelen; deze kan zijn +witachtig, of alle tinten vertoonen, die tusschen grijs en zwart of +grijsachtig zwart gelegen zijn. Dat de kleur velerlei afwijkingen +aanbiedt, werd reeds opgemerkt, en ook, dat dit aanleiding heeft +gegeven tot het onderscheiden van drie typen: de Eigenlijke Waterrat, +de Italiaansche Woelrat en de Molmuis of Aardwolf. + +Van de Echte Ratten kan men de Waterrat onmiddellijk onderscheiden, +door te letten op haar dikken, ronden, korten kop met de in 't oog +loopend korte, niet buiten de vacht te voorschijn komende ooren, +welker lengte ter nauwernood een vierde deel van de lengte van den kop +bedraagt; bovendien heeft zij een veel korteren staart. Deze soort +bewoont de vlakte zoowel als de bergstreken, en komt in de Alpen op +bouw- en weiland nog op een hoogte van 1200 M. geregeld voor; binnen +de reeds genoemde grenzen is zij eigenlijk nergens zeldzaam. + +De levenswijze van de Waterrat herinnert aan die van den Mol, +evenwel ook aan die van de Muscusrat en andere in het water levende +Knaagdieren. De Eigenlijke Waterrat graaft haar woning bij voorkeur +aan den oever van stilstaand water; gangen die aan den waterspiegel +beginnen en scheef naar boven gericht zijn, monden uit in een ruime +kamer, die niet zelden zeer zacht bekleed is. De holen in droge streken +zijn samengestelder; het zijn gangen, die soms vele honderden schreden +lang zijn en, evenals die van den Mol, grootendeels op zeer korten +afstand van de aardoppervlakte gelegen zijn. De Mol blijft echter +voortdurend onder den grond, onze Woelmuis verlaat haar gang nu en +dan om zich een eindweegs over de oppervlakte te bewegen en dan op +eenigen afstand van haar uitgangspunt haar onderaardsche werkzaamheid +te hervatten. Terwijl zij aan 't graven is, werpt zij de planten om, +die boven hare gangen staan, verslindt de wortels en richt op deze +wijze veel meer schade aan, dan ooit uit het woelen van den Mol zou +kunnen voortvloeien. De gangen van de Waterrat zijn zelden dieper +gelegen dan de aardlaag, die de wortels van de door haar gezochte +planten omgeeft; dikwijls zijn zij zoo ondiep, dat de grond er boven +wordt opgelicht en de gang slechts door een gewelf van 2 à 3 cM. dikte +van de buitenlucht gescheiden is; zulke gangen storten zeer dikwijls +in en zijn dan onbruikbaar; steeds worden zij echter ten spoedigste +weer hersteld; al moet zij verscheidene malen per dag denzelfden +arbeid verrichten, de Waterrat is onvermoeid. Onbedekte loopgraven, +zooals die van den Mol, graaft zij dus niet; ook verschillen de +door haar opgeworpen aardhoopen van de molshoopen, doordat zij uit +grootere kluiten bestaan, veel ongelijkmatiger zijn en te zamen geen +rechte lijn vormen. In een dergelijke aardhoop, die grooter is dan +de overige, bevindt zich de kamer, waarin de Waterrat hare jongen +ter wereld brengt, nadat zij er vooraf een warm nest in gebouwd +heeft. Ieder hol dient tot woonplaats aan een paar van deze dieren; +het eene paar houdt zich gaarne in de nabijheid van het andere op. + +De Waterrat loopt niet bijzonder snel; zij verstaat echter +uitmuntend de kunst van graven en is een meester in het zwemmen, +hoewel de Waterspitsmuis haar in dezen overtreft. Op stille plaatsen +ziet men haar zoowel over dag als 's nachts aan 't werk; zij is +echter voorzichtig en vlucht in haar hol, zoodra zij bemerkt, dat +men naar haar kijkt. Alleen als zij tusschen het riet bezig is, +kan men haar gemakkelijk waarnemen. Toch hebben de Waterratten, +die zich in het Johanna-park te Leipzig ophouden, zich zoozeer aan +het hier dikwijls zeer drukke verkeer van menschen gewend, dat men +haar werkzaamheid op ieder uur van den dag, zoolang als men wil, +kan nagaan, indien men voedsel voor haar medeneemt. Onder een brug, +die voor de wandelaars over den smalsten arm van den parkvijver is +aangelegd, hebben de Waterratten zich genesteld; zij zwemmen ijverig +rond en komen zonder schroom nader, als de over den brug gaande of +daar verzamelde, jubelende kinderen allerlei stukjes voedsel naar +beneden werpen. Deze gaven, die waarschijnlijk oorspronkelijk voor +de Visschen en de Zwanen bestemd waren, hebben ook de Waterratten +aangelokt en worden voor 't meerendeel ingezameld door deze vlugge +zwemmers, wat dan ook tegenwoordig in den regel de bedoeling van de +gevers is. + +Van de zintuigen van de Waterrat zijn, naar het schijnt, vooral die +van het gezicht en van het gehoor voortreffelijk ontwikkeld. Haar +karakter verschilt in haar voordeel van dat van de Ratten. Zij is +nieuwsgierig, voor 't overige echter bekrompen van geest en tamelijk +goedaardig. Haar voedsel ontleent zij grootendeels aan het plantenrijk; +hierdoor wordt zij dikwijls zeer schadelijk, vooral als zij de tuinen +als arbeidsveld heeft gekozen. + +De in 't water levende Waterrat doet weinig schade door het voedsel +dat zij gebruikt en als winterproviand medevoert, maar wordt zeer +gevaarlijk voor onze veiligheid, als zij zich in de nabijheid van +rivierdijken sterk vermenigvuldigt. In alle richtingen _doorwoelen_ zij +_de genoemde waterkeeringen_, zoodat deze bij hoogen waterstand voor +de drukking van 't water bezwijken; middellijk zijn zij dus oorzaak +van overstroomingen. Het voedsel, dat zij gedurende haar verblijf +in 't water gebruiken, bestaat hoofdzakelijk uit rietstengels. Ook +versmaden zij geen dierlijk voedsel. In 't water vangen zij volwassen +Insecten en hunne larven, kleine Kikvorschen, Visschen, Schaaldieren, +op het land vervolgen zij Veldmuizen en andere Muizen, verslinden de +eieren van de in 't gras broedende Vogels, vreten groote gaten in de +vellen, die de looiers in 't water leggen te weeken, enz. In den herfst +vergrooten zij haar woning door een voorraadkamer aan te leggen, die +door gangen met het oude nest verbonden is. Deze kamer wordt gevuld +met erwten, boonen, uien en aardappels, die uit de naburige akkers +en tuinen afkomstig zijn; op dezen voorraad teren zij gedurende het +laatste gedeelte van den herfst en in het voorjaar, kortom zoolang +het weder nog zacht is. Eerst bij felle vorst vallen zij in slaap, +zonder evenwel in een toestand van verstijving over te gaan. + +De Waterratten vermenigvuldigen zich snel. Drie of viermaal per jaar +vindt men in het onderaardsche, warme, zacht bekleede nest 2 à 7 +jongen; die van één worp zijn dikwijls van verschillende kleur. "De +diepte van het hol, waarin het nest wordt aangelegd," zegt Landois, +"wisselt af van 30 tot 60 cM. Het staat steeds in gemeenschap met +verscheidene gangen. Het nest zelf vult de holte volkomen aan; het +is bolvormig, heeft een middellijn van 15 à 20 cM. en bestaat uit +een zeer groot aantal uiterst fijne, droge wortelvezeltjes. Dikke +wortelvezels en wortels worden bij den bouw niet gebruikt; op deze +wijze wordt een nest verkregen, dat wat zachtheid en warmte betreft, +vele vogelnesten overtreft." Soms wordt het nest gebouwd te midden +van dichte struiken onmiddellijk boven den grond, dikwijls ook in +het riet. Zulk een nest wordt door Blasius beschreven. "Het stond +1 M. boven den waterspiegel, op een afstand van ongeveer dertig +schreden van den drogen oever; het was als dat van een Rietzanger +tusschen drie riethalmen ingevlochten, bolvormig, uit fijne, zachte +grasbladen gebouwd; de opening was dichtgestopt; buitenwerks had het +een middellijn van ongeveer 10, binnenwerks van weinig meer dan 5 cM.; +het bevatte twee koolzwarte, nagenoeg half volwassen jongen. Eén van +de oude dieren, dat zich bij mijn komst van het nest verwijderde +en in het water sprong, was eveneens zwart; het zwom en dook zeer +behendig. De ouden konden alleen zwemmend bij het nest komen, daar de +vijver van den oever tot aan het nest 1 M. diep was; zij moesten daarna +bij een riethalm omhoog klauteren. De gewone wijze van nestbouw van +de Waterratten is geheel anders; er bestond hier een zeer gunstige +gelegenheid voor het bouwen van een onderaardsch nest in een der +naburige akkers of tuinen; ook had het dier een nest kunnen bouwen +op den grond in de dichte struiken van den ringdijk om den vijver; +ik kon dus geen verklaring vinden voor deze afwijking van den regel." + +De Waterrat is niet goed geschikt om in een hokje gehouden te +worden. Zij vereischt een zorgvuldige verpleging, daar zij zich +niet licht in veranderde omstandigheden schikt, en nooit behoorlijk +tam wordt. + + + +Op groote hoogten in de Alpen, daar waar geen andere dieren leven, +woont een tweede soort van het geslacht Woelmuis, die merkwaardig +is, doordat zij in ieder jaargetijde het klimaat trotseert, en +zelfs in den winter er niet aan denkt, om, op gelijke wijze als de +andere Knaagdieren, in den grond een schuilplaats te zoeken. Nog +steeds ontbreken ons uitvoerige berichten over deze soort, hoewel de +ijverigste onderzoekers zich bezig hebben gehouden met het nagaan van +haar levenswijze; de ongastvrijheid van de gewesten, waarin dit dier +zich ophoudt, maken het onderzoek te bezwaarlijk. + +De _sneeuwmuis_ [_Arvicola (Paludicola) nivalis_] is een tamelijk +kleine Woelrat, die (zonder den 6.8 cM. langen staart) 12.5 +cM. lang wordt. Haar vacht is tweekleurig: licht bruinachtig grijs +van boven, op het midden van den rug donkerder dan aan de zijden, +grijsachtig wit van onderen; de beide kleuren zijn scherp van elkander +gescheiden. Van deze soort komen eenige standvastige verscheidenheden +voor, d.i. afwijkingen, die geregeld overerven. Deze verschillen +echter, voor zoover men weet, niet in levenswijze. "Van alle Muizen," +zegt Blasius, "heeft de Sneeuwmuis het kleinste, maar tevens het +eigenaardigste verbreidingsgebied. Het omvat de Alpen in hun geheele +uitgestrektheid. Bovendien werd zij aan de Selys van uit de Pyreneeën +toegezonden. Er is mij geen geval bekend, dat zij in de Alpen op een +geringere hoogte dan 1000 M. boven den zeespiegel geregeld gevonden +wordt; ook op een hoogte van 1300 M. komt zij op de meeste plaatsen +niet veelvuldig voor. Van hier te beginnen treft men haar aan op alle +hoogten tot aan de laatste grenspunten van het plantenleven. In de +nabijheid van de sneeuwgrens wordt zij het veelvuldigst waargenomen; +zij gaat echter nog hooger op en bewoont zelfs de kleinste oasen in +de sneeuw- en ijswoestijn: de met armoedige alpenkruiden spaarzaam +begroeide, aan alle zijden door de sneeuwvelden ingesloten, kale +plekken aan de zuidzijde van de hooge toppen der Alpen, waar de warme +zonnestralen dikwijls slechts gedurende 2 of 3 maanden het telkens weer +vernieuwde sneeuwkleed uit den weg kunnen ruimen, en den bodem over +een afstand van weinige schreden blootleggen. In deze ontzagwekkende +eenzaamheid brengt zij, behalve den schoonen, korten Alpenzomer, +ook den 9 of 10 maanden durenden, strengen winter door, waarin het +nimmer wijkende sneeuw- en ijskleed, dat de Alpentoppen bedekt, zich +ook uitstrekt over de bergstreken, die in andere jaargetijden met +planten getooid zijn; zij verlaat haar woonplaats niet, maar graaft +in den winter gangen onder de sneeuwlaag, om plantenwortels te zoeken, +zoodra de door haar verzamelde wintervoorraad niet voldoende blijkt te +zijn. Geen ander Zoogdier begeleidt de Sneeuwmuis het geheele jaar door +op deze verstijfde hoogten der Alpen, die boven de grenzen der levende +natuur vrij in 't luchtruim zich verheffen; slechts nu en dan volgt +een onverbiddelijke vijand, een Wezel of een Hermelijn, haar spoor." + +De natuuronderzoekers kennen de Sneeuwmuis eerst sinds ruim een halve +eeuw; Nagar ontdekte haar in 1841 in Andermatt op den St. Gotthard, +Martins vond haar op den Faulhorn, _Hugi_ op den hoogsten kam van den +Strahleck, op een hoogte van ruim 3000 M., en op den Finsteraarhorn +op 3600 M. hoogte boven den zeespiegel midden in den winter in een +Alpenhut in de nabijheid van den Grindelwald-gletscher. _Blasius_ +ontmoette de Sneeuwmuis op de bergen van Chambéry, op den Montblanc, +op een 3600 M. hoog gelegen punt van den Bernina, op den hoogsten +top van den Piz Linguard, die luttele schreden breed is en over een +oppervlakte van slechts weinige vierkante voeten van sneeuw ontbloot +was, op ongeveer 3300 M. hoogte in het hooge dal van den Oetz en op +vele andere plaatsen van den Alpenketen. + +Het leven dat de Sneeuwmuis in haar ongastvrij, onbeschrijfelijk +armoedig vaderland leidt, is tot dusver nog raadselachtig. Men weet, +dat zij planten, hoofdzakelijk wortels en Alpenkruiden, gras en hooi +tot voedsel gebruikt en ook een wintervoorraad van deze stoffen +inzamelt; hoe zij op vele van de door haar bewoonde plaatsen nog +voedsel genoeg kan vinden, is echter moeilijk te begrijpen. + + + +De _Rosse Veldmuis_ [_Arvicola (Hypudaeus) glareolus_], die (zonder +den 4.5 cM. langen staart) een lengte van 10 cM. kan bereiken, +is tweekleurig: van boven bruinrood, in de buurt van de flanken +grijsachig; de witte kleur van de onderdeelen en van de voeten is +scherp gescheiden van die der bovendeelen. + +Zij komt gewoonlijk voor in bosschen met breedgebladerde boomen en +aan boschranden, zoo ook in het struikgewas en in tuinen met vele +boomen. Zij is inheemsch en bewoont de meeste andere landen van +Middel-Europa, o.a. Duitschland, Hongarije, Kroatië, Moldavië en +Rusland. In de meeste streken van ons land is zij aanwezig, en vooral +in de duinen niet zeldzaam; nergens komt zij echter in zeer grooten +getale voor. Zij ontleent haar voedsel meer aan de dierenwereld dan aan +het plantenrijk; zij eet vooral Insecten en Wormen, en maakt nu en dan +waarschijnlijk ook wel het een of ander vogeltje buit. In gevangenschap +bekomt de vleeschvoeding haar goed; zij versmaadt echter geenszins +koorn of andere zaden en evenmin knolvormige wortels; in den winter +voedt zij zich bij voorkeur met de schors van jonge boomen. Wanneer +zij in een bosch veelvuldig voorkomt, kan zij door het afvreten van +de schors van sinds kort geplante boompjes een ontzaglijke schade +aanrichten en het jonge plantsoen over een groote uitgestrektheid +geheel vernielen. Zij begeeft zich zelden op grooten afstand van +'t bosch, maar bezoekt toch dikwijls de naburige akkers en richt dan +hier even veel schade aan als de andere leden van hare familie. + +Zij kan gemakkelijk in 't leven gehouden worden en wordt spoedig +zeer tam. Met andere dieren van haar soort en met leden van verwante +soorten leeft zij in vrede. + + + +De _Aardmuis_ [_Arvicola (Argricola) agrestis_] is (zonder den 3.7 +cM. langen staart) 11 cM. lang, en heeft een tweekleurige vacht: +van boven donker zwartachtig bruingrijs, bij de flanken iets +lichter, van onderen en aan de voeten grijswit. Zij bewoont Noord- +en Middel-Europa. In Nederland is zij enkele malen waargenomen, +voorts in Skandinavië, Denemarken, Groot-Britannië, België, Frankrijk, +Noord-Duitschland, Noord-Rusland; zij leeft gewoonlijk in bosschen, +boschranden, kreupelhout, in dijken en nabij slooten; liefst in +de nabijheid van het water, steeds in waterrijke streken. Dikwijls +treft men haar in gezelschap van de vorige soort en van de veldmuis +aan. Haar voedsel ontleent zij bij voorkeur aan het plantenrijk. In +hare bewegingen is zij zoo onbeholpen, dat men haar zonder groote +moeite met de hand vangen kan. Bovendien is zij in 't geheel niet +schuw; zij verschijnt meestal op klaarlichten dag voor den ingang van +hare in den grond gegraven holen. Het ronde nest bevindt zich op korten +afstand beneden de aardoppervlakte, maar wordt van boven door dichte +bundels gras beschut. Drie of vier maal per jaar vindt men in zulke +nesten 4 à 7 jongen, die spoedig volwassen zijn en al dadelijk op de +ouden gelijken. Men kan ze gemakkelijk gevangen in 't leven houden. + +Van de leden van het laatste ondergeslacht (_Arvicola_ in engeren zin) +zijn sommige zoo kortoorig, dat het oor geheel onder de vacht verborgen +blijft, andere met iets langere, even boven de vacht uitstekende +oorschelpen bedeeld. Het is, volgens Van Bemmelen, mogelijk, dat +ook in ons land de _Kortoorige Veldmuis_ (_Arvicola Subterraneus_) +voorkomt. Deze, die door hare kleur (bovendeelen geelachtig grijs, +onderdeelen witachtig, beide kleuren scherp gescheiden) en grootte +niet veel van de volgende soort verschilt, is door geheel België +verspreid en leeft in onderaardsche gangen, in vochtige weilanden, +in moestuinen, nabij het water, soms ook in akkers. + +Van veel meer belang is voor ons de _Gewone Veldmuis_ (_Arvicola +arvalis_), die zonder den 3 cM. langen staart, 11 cM. lang wordt. Haar +vacht is onduidelijk tweekleurig, aan de bovendeelen geelachtig grijs, +aan de zijden lichter, aan de onderdeelen vuil- (geelachtig) wit; +de pooten zijn zuiverder wit. + +Het verbreidingsgebied van dit schadelijke Knaagdier omvat geheel +Middel- en een deel van Noord-Europa benevens het westelijke deel +van Middel- en Noord-Azië; in Europa strekt het zich uit tot in de +noordelijke provinciën van Rusland, in Azië zuidwaarts tot Perzië, +westwaarts tot aan gene zijde van den Ob. In Ierland, op IJsland, +Corsica, Sardinië en Sicilië ontbreekt deze Muis geheel. Zij bewoont +zoowel de vlakten als de bergstreken, hoewel zij in het vlakke land +veelvuldiger voorkomt. In de Alpen vind men haar nog op hoogten van +2000 M. boven den zeespiegel. Boomlooze gewesten, akkers en weiden +zijn hare liefste woonplaatsen, zeldzamer bewoont zij boschranden en +kale plekken in het bosch. Niet alleen het droge bouwland, maar ook +de vochtige, moerassige laaglanden verschaffen haar het noodige voor +haar levensonderhoud. Hier legt zij in de droge bulten hare gangen +en nesten aan, daar graaft zij op geringe diepte gangen met 4 à 6 +ingangsopeningen, die boven den grond door platgetrapte, eenigszins +uitgeloopen paden met elkander in gemeenschap staan. In den herfst +neemt zij haar toevlucht tot graanhoopen of komt in de menschelijke +woningen, in schuren, stallen en kelders. In de huizen houdt zij +zich bij voorkeur in de kelders en niet, zooals de Echte Muizen op de +zolders op. In den winter graaft zij lange gangen onder de sneeuw. Waar +zij kan zamelt zij voorraad in, vooral graan en andere zaden. Als het +voedsel schaarsch wordt, verhuizen de Veldmuizen gezamenlijk, in den +regel eenvoudig naar een naburigen akker, soms echter ook in groote +scharen uit de eene streek naar een andere, waarbij zij bergketenen +overtrekken en breede stroomen overzwemmen. De Veldmuis kan goed +loopen en uitmuntend zwemmen; zij klimt echter niet veel en doet dit +op een onbeholpen wijze. Het graven verstaat zij meesterlijk. Zij +doorwoelt den grond sneller dan eenige andere Muis en is onvermoeid +in het aanleggen van gangen. Volgens haar levenswijze kan men haar +even goed een dagdier als een nachtdier noemen. Men ziet haar ook +bij de felste zonnehitte buiten haar woning; aan den morgen en den +avond geeft zij echter de voorkeur boven den heeten middag. Warmte +en droogte zijn noodig voor haar bestaan; bij langdurige vochtige +weersgesteldheid sterft zij. + +Haar voedsel bestaat uit alle mogelijke plantaardige stoffen. Als +zij zaden kan krijgen, kiest zij alleen deze; zoo niet, dan is zij +ook tevreden met frisch gras en malsche kruiden, met wortels en +bladen, met klaver zoowel als met bessen en ooft. Beukels en noten, +graankorrels, rapen en aardappels worden in groote hoeveelheid door +haar verslonden. Gedurende het ruwste jaargetijde heeft zij een +onafgebroken winterslaap; bij zacht weder ontwaakt zij hieruit en +teert dan van haar wintervoorraad. Zij is ongelooflijk vraatzuchtig +en heeft zeer veel voedsel noodig om verzadigd te worden; ook kan +zij niet buiten water. + +De Veldmuis is gezellig in de hoogste mate; zij leeft tamelijk +eendrachtig met hare soortgenooten, minstens paarsgewijs, vaker evenwel +tot groote scharen vereenigd; om deze reden zijn hare woningen zoo +dicht bij elkander gelegen. Zij vermenigvuldigt zich buitengewoon +sterk. + +"In gunstige omstandigheden," zegt Blasius, "neemt het aantal +Veldmuizen op ongeloofelijke wijze toe. Er zijn vele voorbeelden +van bekend, dat door haar bovenmatige vermenigvuldiging de oogst in +uitgestrekte landstreken teloorgegaan is; jonge beukenaanplantingen +heeft zij over een uitgestrektheid van meer dan 500 hectare door het +afknagen van de schors vernield. In de jaren tusschen 1820 en 1830 kwam +deze landplaag aan den Neder-Rijn herhaaldelijk voor. De bodem van +de velden was op sommige plaatsen zoo doorwoeld, dat men bijna geen +voetstap kon doen zonder in een muizengat te trappen; tusschen deze +openingen waren tallooze wegen diep uitgeloopen. Zelfs op klaarlichten +dag wemelde het van Muizen, die vrij en ongestoord rondliepen. Als men +naar haar toeging, kwamen zij ten getale van zes á tien te gelijk voor +een opening, waarin zij zich wilden verschuilen, en versperden elkander +onwillekeurig den toegang. Het was niet moeilijk gedurende dit gedrang +een half dozijn van deze dieren met één stokslag te dooden. Alle +schenen krachtig en gezond, voor 't meerendeel waren zij echter +tamelijk klein en waarschijnlijk van jeugdigen leeftijd. Drie weken +later bezocht ik dezelfde plaats. Het aantal Muizen was nog grooter +geworden, maar de dieren verkeerden klaarblijkelijk in een ziekelijken +toestand. Velen hadden ontvellingen of verzweringen, die zich dikwijls +over het geheele lichaam uitstrekten; de huid zat zelfs bij geheel +gave exemplaren zoo los en kon zoo gemakkelijk verscheurd worden, +dat men ze niet stevig kon aanpakken, zonder ze te beschadigen. Toen +ik vier weken later voor de derde maal dezelfde streken bezocht, waren +de Muizen spoorloos verdwenen. De ledige gangen en woningen brachten +nu echter een nog veel treuriger indruk teweeg dan vroeger, toen zij +vol leven en beweging waren. Men zeide mij, dat plotseling de geheele +generatie als door een tooverslag van de aarde was weggevaagd. Vele +zijn waarschijnlijk door een besmettelijke ziekte om 't leven gekomen, +vele hebben vermoedelijk elkander opgegeten, gelijk zij ook doen, als +zij gezamenlijk opgesloten worden, ook sprak men van ontelbare scharen +Muizen, die op klaarlichten dag op verscheidene plaatsen over den Rijn +gezwommen zouden zijn. Toch had men nergens in de verte, zoo min als +nabij een ongewone vermeerdering van het aantal Muizen waargenomen; +zij waren, naar het schijnt, overal tegelijkertijd verdwenen, zonder +ergens weer voor den dag te komen. Waarschijnlijk brengt de natuur +gedurende de buitengewone vermeerdering van het aantal dezer dieren +tevens het middel voort, dat haar vernietiging ten gevolge heeft. Het +weer, een mooie, warme nazomer, was voor hen, naar men zou zeggen, +tot aan het laatste oogenblik gunstig geweest." + +Om getallen te noemen, die eenig denkbeeld kunnen geven van het +kolossaal aantal Muizen, dat menigmaal in bepaalde streken voorkomt, +behoef ik slechts te vermelden, dat alleen in het district Zabern +in het jaar 1822 binnen 14 dagen 1.570.000, in het landraadsambt +Nidda 590.327 en in het landraadsambt Putzbach 271.941 stuks +Veldmuizen gevangen werden. In den zomer van het jaar 1861 werden +in de omstreken van Alsheim in Rijn-Hessen 409,523 Muizen en 4707 +Hamsters gevangen en afgeleverd. De gemeentekas betaalde hiervoor +2593 gulden. Vele gezinnen hebben bij deze muizenvervolging 50, +60 of meer guldens door de werkzaamheid van de kinderen verdiend; +een bijzonder gelukkige vader kreeg van zijn wakkere jongens niet +minder dan 142 gulden, welke op deze wijze gewonnen waren. Hij kocht +voor dit geld een klein stuk land, dat ten eeuwigen dage den naam van +"muizenakker" moet dragen.--Ook door Prof. Ritzema Bos worden eenige +merkwaardige voorbeelden van de talrijkheid der veldmuizen medegedeeld: +"Een landbouwer te Blijham telde in 't beruchte muizenjaar 1857 op +één bunder land, bij één omgang van de ploeg, 80 Muizen, welke door +de ploegschaar waren doorgesneden. Rekent men, dat er 84 omgangen +te doen waren, men zou dan komen tot 6720 Muizen, die zich juist op +de diepte der ploegschaar ophielden. Hoevele er nog ontvlucht of in +het land onder en boven de smalle steep gronds, die de ploegschaar +doorsneed, aanwezig geweest zijn, valt moeilijk te zeggen.--Elders +verzamelde een ploeger van boonenstoppels, niettegenstaande hij +zijn dagwerk, een half bunder, had omploegd, nog tusschentijds uit +de gaten een half mud boonen, die door de Muizen tot wintervoorraad +waren opgelegd.--Te Wiewerd zijn in September 1857 op 4.5 bunder, +bezaaid met koolzaad, in 8 dagen tijds 6700 Muizen gevangen in half +met water gevulde aarden potten, geplaatst in ronde gaten van O.5 +M. diepte. Dat dan van den oogst niet veel overblijft, laat zich +begrijpen. Bouwland en weiland zijn met gangen doorwoeld en geheel +kaal. De geheel poreuze bodem dult geen voetstap: zet men den voet +neer, dan zakt men weg. De grond leeft als 't ware van Muizen." + +Ongelukkig is de mensch tegenover deze Muizen zoo goed als +machteloos. Alle verdelgingsmiddelen, die hij tot dusver +heeft uitgedacht, blijken onvoldoende te zijn om de ontzaglijke +vermenigvuldiging van deze vraatzuchtige dieren te keer te gaan; +alleen de onder hen uitbrekende, besmettelijke ziekten kunnen redding +verschaffen; ook de Roofdieren, die door den mensch dikwijls zoo +vijandig behandeld worden, maken zich zeer verdienstelijk. Met goed +gevolg worden muizenboren gebruikt, om hiermede in den grond gaten te +maken, die 12 à 18 cM. middellijn hebben en ongeveer 60 cM. diep zijn; +de hierin vallende Muizen vreten elkander op, zonder er aan te denken +gangen te graven, waardoor zij zouden kunnen ontvluchten. Men doodt +ze ook in hare holen door rook of door vergiftigde graankorrels. Zelfs +wordt soms het geheele veld overgoten met een aftreksel van braaknoten +of wolfsmelk, kortom men geeft zich alle mogelijke moeite om van +deze vreeselijke plaag verlost te worden. Gewoonlijk echter zijn al +deze middelen zoo goed als nutteloos, enkele zelfs hoogst gevaarlijk, +n.l. het vergiftigen. Zelfs het krachtigst werkende vergif verdelgt +niet alle Muizen van een akker; het veroorzaakt daarentegen geregeld +den dood van een groot aantal van hare grootste vijanden en dus +onze vrienden: Vossen, Bunzingen, Hermelijnen, Wezels, Buizerden, +Uilen en Kraaien. Ook andere dieren loopen hierdoor gevaar, vooral de +Patrijzen en Hazen, ook alle huisdieren, zoowel de kleine, gelijk de +Duif, als de grootste, namelijk de Paarden en Runderen; er zijn dus +redenen genoeg om het uitstrooien van vergif geheel te verwerpen. + + + +In Siberië, en meer bepaaldelijk van den Ob tot den Onon, treedt +een Woelmuis op, die eveneens, hoewel om andere redenen dan de +Veldmuis, onze aandacht verdient, n.l. de _Wortelmuis_ (_Arvicola +oeconomus_). Zij is een weinig grooter dan onze Veldmuis, haar lengte +bedraagt 18 cM., waarvan 5 cM. op den staart komen; van boven is zij +licht geelachtig bruin, van onderen grijs. Van de Veldmuis onderscheidt +zij zich door den korteren kop, de kleinere oogen en de korte, bijna +geheel onder de vacht verborgen ooren. + +De Wortelmuis komt in de vlakten dikwijls in groote menigte voor +en wordt door de arme bewoners van deze treurig eenzame gewesten +als een weldoenster beschouwd, want haar arbeid komt den mensch ten +goede in plaats van hem te benadeelen. Onder de zode graaft zij lange +gangen, die naar een op geringe diepte gelegen, groot, rond nest van +30 cM. middellijn leiden, dat met eenige zeer ruime voorraadkamers +in gemeenschap staat. Het nest, waarin de Muis slaapt en hare jongen +groot brengt, is met verscheidene plantaardige stoffen zacht bekleed; +de voorraadkamers echter vult zij met allerlei wortels aan. + +De heidensche volken, die de genoemde landstreken bewonen, drijven +geen akkerbouw; in den herfst, wanneer de voorraadskamers gevuld zijn, +nemen zij de hierin verborgen schatten met een schop weg, zoeken +de verdoovende witte wortels er uit en behouden de zwarte wortels +van de Bevernel (_Sanguisorda officinalis_), die zij niet alleen als +spijs, maar ook als thee gebruiken. De arme inboorlingen hebben door +den voorraad, die zij aan de Muizen ontnemen, dikwijls gedurende +den geheelen winter genoeg te eten; de in den grond overblijvende +proviand wordt ten deele nog door de wilde Zwijnen blootgewoeld, +die de zorgzame muis, als zij hun in den weg komt, mede verslinden. + +Opmerkelijk is de groote lust tot trekken, die deze en andere verwante +Woelmuizen bezielt. Tot groot verdriet van de inboorlingen begeven zij +zich in sommige jaren in de lente op reis en trekken bij groote scharen +naar het westen, altijd rechtuit, over stroomen en bergen. Duizenden +van deze landverhuizers verdrinken en worden door Visschen en +Eenden verslonden, terwijl nogmaals duizenden de buit worden van de +Sabeldieren en Vossen, welke de Muizen op dezen uittocht vergezellen. + + + +De _Lemmingen_ (_Myodes_) onderscheiden zich door den gedrongen +lichaamsbouw en het korte staartje; door gestalte en aard nemen +zij dus in de familie van de Woelmuizen tot op zekere hoogte de +plaats in, die aan de Hamsters in de familie der Muizen toekomt. De +betrekkelijk groote kop is dicht behaard, de bovenlip diep gespleten, +het rondachtige oor klein en geheel in de vacht verborgen; het oog is +eveneens klein; de vijfteenige voeten zijn dicht behaard, ook op de +zolen; de klauwen zijn vooral aan de voorste ledematen groot en voor +'t graven geschikt. + +De meest bekende soort van dit geslacht, de _Lemming_ (_Myodes +lemmus_, _Lemmus norwegicus_) bereikt een totale lengte van 15 cM., +waarvan er hoogstens 2 op het staartstompje komen. De rijk gevulde, +langharige vacht vertoont een zeer bevallige teekening. Bij de +bruingele grondkleur, die in den nek met golflijnen voorzien is, +steken donkere vlekken af; twee gele strepen strekken zich uit van +de oogen naar den achterkop. De staart en de pooten zijn geel, de +onderdeelen geelachtig, bijna zandkleurig. + +De Lemming is wel het raadselachtigste dier van geheel Skandinavië. Ook +nu nog gelooven de boeren der Noorsche bergstreken, dat dit dier uit +de lucht regent en daarom in zoo verbazend grooten getale voorkomt, en +dat het later door zijn vraatzucht zich de maag bederft en zoo om het +leven komt. Olaus Magnus, bisschop van Bergen in Noorwegen, verhaalt, +dat hij in het jaar 1518 in een bosch zeer vele Hermelijnen zag, die +het geheele bosch met hun stank vervulden. Hun veelvuldigheid was het +gevolg van de aanwezigheid van kleine, viervoetige dieren, _Lemar_ +genaamd, die soms bij onverwacht opkomende onweers- en regenbuien +van den hemel vielen; men wist niet, of zij van verafgelegen plaatsen +door den wind waren aangebracht, of in de wolken ontstonden. + +Andere berichtgevers schreven het verhaal van den bisschop +eenvoudig na; Linnaeus heeft voor 't eerst den Lemming naar de natuur +geschilderd; zijn beschrijving is zoo uitvoerig, dat men er niet veel +aan kan toevoegen. Ik zelf heb in het jaar 1860 het genoegen gehad, +vooral op den Dovrefjeld, Lemmingen in groot aantal aan te treffen, +zoodat ik ze door eigen onderzoek heb leeren kennen. + +Het zijn alleraardigste dieren. Zij zien er uit als kleine Marmotten +of als Hamsters en gelijken door hun aard in vele opzichten op de +laatstgenoemde Knaagdieren. Zij houden zich op in de betrekkelijk +droge gedeelten van het moeras, dat een groot deel van Noorwegen +beslaat. Zij bewonen hier kleine holen onder steenen of in het mos; +ook ziet men ze dikwijls rondzwerven tusschen de kleine heuvels, +die zich boven het moeras verheffen. Zelden merkt men uitgeloopen +paden op, die van het eene hol naar het andere leiden; groote gangen +graven zij alleen in de sneeuw. Over dag zoowel als 's nachts, zijn +zij wakker en werkzaam. Zij hebben een trippelenden en snellen gang; +een mensch kan ze echter gemakkelijk inhalen. Het water mijden zij met +een zekeren schroom; als men ze in een niet te kleine plas of in een +riviertje werpt, piepen en knorren zij zeer wrevelig en trachten ten +spoedigste weer op 't droge te komen. Gewoonlijk verraden zij zelf +haar aanwezigheid. Dikwijls zitten zij rustig in hare gaten en zijn +hierin zoo goed verborgen, dat zij zeker niet door de voorbijgangers +zouden opgemerkt worden; door het zien van een mensch worden zij +echter zoo opgewonden, dat zij zich niet stil kunnen houden. Op de +wijze van Guineesche Biggetjes, begroeten zij den bezoeker van haar +gebied met luid geknor en gepiep, alsof zij hem het binnendringen +willen beletten. Alleen als zij rondloopen, nemen zij bij nadering +de vlucht, snellen naar een van hare tallooze gaten en blijven daar +zitten. Verder wijken zij niet terug, hoewel het te voorzien is, +dat zij doodgeslagen of medegenomen zullen worden. + +Met belangstelling heb ik deze moedige dieren gadegeslagen, en kon niet +nalaten ze tot zelfverdediging te prikkelen. Als zij eenmaal post gevat +hebben, weten zij van geen wijken. Als men haar een laars voorhoudt, +bijten zij er in; zoo doen zij ook met een stok of een geweerloop, +ofschoon zij bemerken dat dit haar niets baat. Sommige beten zich +zoo stevig aan mijne broekspijpen vast, dat ik ze er bijna niet van +afschudden kon. Bij zulk een strijd geraken zij in groote woede en +gelijken dan volkomen op de boosaardige Hamsters. Soms gaan zij met +kleine sprongen op haar tegenstander af; naar het schijnt, zijn zij +voor geen enkel dier bevreesd, maar gaan vermetel op ieder wezen af, +dat hen te na komt. Op de wegen worden zij dikwijls overreden, omdat +zij eigenzinnig hun gang blijven gaan en niet vluchten willen. De +Honden op de boerderijen bijten tal van deze dieren dood; door de +Katten, die in dezen tijd steeds verzadigd zijn, worden zij in groote +hoeveelheid verslonden. + +Volgens de verzekering van den ouden jager, die mij vergezelde, +gebruiken de Lemmingen het door haar bewoonde nest ook om er hare +jongen in groot te brengen. Linnaeus zegt, dat deze dieren meestal +5 of 6 jongen hebben; Schäffer voegt er bij, dat zij verscheidene +malen per jaar werpen. Meer is mij van haar voortplanting niet bekend. + +Het voedsel van de Lemmingen bestaat hoofdzakelijk uit de weinige +Alpen-planten, die in haar armoedig vaderland groeien, vooral +uit grassen, rendier-korstmossen, katjes van den Dwergberk en +waarschijnlijk ook uit allerlei wortels. Lemmingen treft men aan +op iedere hoogte, waar de grond nog met korstmossen bedekt is; daar +waar deze planten ontbreken, ziet men ze in 't geheel niet meer. Voor +zoover ik heb kunnen nagaan, verzamelen zij geen winter-provisie, +maar leven ook in 't gure jaargetijde van 't geen zij onder de dikke +sneeuwlaag vinden. Groote schade richten zij niet aan, want op de door +haar bewoonde plaatsen zijn geen akkers meer, en in de huizen komen +zij niet. Haar vaderland is trouwens, hoe arm het ook moge schijnen, +rijk genoeg voor hare behoeften, en biedt haar al wat zij noodig +hebben. In sommige jaren schijnt dit echter niet het geval te zijn, +en zijn de Lemmingen gedwongen naar andere streken te verhuizen. Mijns +inziens moet de reden van het trekken van deze en andere Woelmuizen +gezocht worden in de nu en dan merkbaar wordende vermindering van +den voedselvoorraad. Wanneer op een zachten winter een fraaie lente +en een droge zomer volgen, zijn alle voorwaarden vervuld voor een +vermenigvuldiging, even grenzeloos als die, welke men bij sommige +andere Woelmuizen opmerkt. De droogte brengt echter tevens het +verdorren (of althans een minder weligen groei) van de meest gewilde +voederplanten teweeg; de uitgestrekte weidegronden zijn dan niet meer +voldoende voor de groote menigte, zoodat deze wezens, die evenals alle +Knaagdieren, zeer vraatzuchtig zijn, zich genoodzaakt zien op andere +plaatsen voedsel te zoeken. In zulke omstandigheden zullen, zooals +men weet, niet alleen de Knaagdieren, maar ook andere planteneters, +b.v. de Antilopen, groote scharen vormen, die zich op weg begeven en +onderweg hunne soortgenooten mede nemen; zij trekken ten slotte als 't +ware in 't wilde weg verder, volgen geen bepaalde richting en begeven +zich dus ook niet naar landstreken, waar werkelijk voedsel voor hen +te vinden is. Eerst nadat honderdduizenden door gebrek aan voedsel, +door ziekten, door de vermoeienissen en de gevaren van de reis om 't +leven zijn gekomen, trachten de overblijvenden terug te keeren naar +de hoogten, die hun eigenlijk woongebied uitmaken; ook in dit geval +kan het verschijnsel zich voordoen, dat zij weder een rechte lijn +volgen. De groote reizen van de Lemmingen komen mij daarom volstrekt +niet wonderbaarlijker of minder verklaarbaar voor, dan die van andere +trekkende Zoogdieren, en meer bepaaldelijk van andere Woelmuizen. + +Men mag het als een groot geluk beschouwen, dat de Lemmingen zoo +vele vijanden hebben, daar zij anders het geheele land overstroomen, +en al wat eetbaar is, verslinden zouden. Het meest nog draagt het +klimaat tot haar verdelging bij. In een natten zomer, in een kouden, +vroeg invallenden herfst zonder sneeuw, sterven zij bij millioenen; +daarna zullen er, zooals licht te begrijpen is, vele jaren moeten +verloopen, voordat de voortplanting de door zulk een kolossale +sterfte gedunde rijen weer eenigszins heeft aangevuld. Het aantal +levende vijanden van de Lemmingen is legio. Men mag wel zeggen, dat +alle Skandinavische Roofdieren zich met haar vet mesten. De Wolven +en Vossen, die deze dieren mijlen ver vervolgen, eten, wanneer zij +Lemmingen kunnen krijgen, niets anders; de Veelvraten, Marters, +Bunzingen en Hermelijnen verlangen geen anderen buit; de Honden van +de Laplanders beleven in een Lemmingenjaar feestdagen, zooals aan +deze arme hongerlijders maar zelden te beurt vallen; de Uilen volgen +het Lemmingen-leger; de Buizerden, vooral de Ruigvoet-buizerd, zijn +onophoudelijk bezig de ellendige zwervelingen te verdelgen; de Raven +voederen er hare jongen mede groot; ook de Kraaien en Eksters beijveren +zich naar den maatstaf hunner krachten deze bijtlustige schepsels +te dooden; zelfs de Rendieren vreten nu en dan Lemmingen, naar door +velen beweerd wordt, of slaan ze althans met de voorpooten dood. + +De mensch treedt slechts wanneer hij in grooten nood verkeert, als +vijand van den Lemming op. Het vel van dit dier is niet veel waard, +en zijn vleesch boezemt den Lappen, zooals licht te begrijpen is, +ongeveer denzelfden afschuw in, als ons het rattenvleesch. Dikwijls +worden de inboorlingen echter door den honger gedreven om aan de +Lemmingen-jacht deel te nemen. + + + +De familie der _Molmuizen_ (_Spalacidae_) bestaat uit onbehouwen, +leelijke, onder den grond levende Knaagdieren. Zij herinneren aan de +Mollen, doordat zij alle onaangename eigenschappen dezer holenbewoners +hebben, zonder hiervoor vergoeding te schenken door het nut dat zij +aanbrengen. De romp is plomp en rolvormig, de dikke kop eindigt in +een stompen snuit; de oogen zijn buitengewoon klein of liggen geheel +verscholen onder de huid; de zeer kleine ooren hebben geen uitwendige +waarneembare oorschelpen; de staart ontbreekt of is onder de vacht +verborgen. Des te beter merkt men de voeten op, die vijf teenen +hebben, welke met zeer stevige graafklauwen voorzien zijn; evenals +bij de Mollen zijn de voorpooten krachtiger dan de achterpooten. + +Alle Molmuizen zijn bewoners van de Oude Wereld; zij houden zich +meestal op in droge zandvlakten; op soortgelijke wijze als de +Mollen doorwoelen zij den grond over groote afstanden. Geen enkele +soort leeft gezellig, ieder dier leeft eenzaam in zijn hol en heeft +ook den wreveligen, eenzelvigen aard van den Mol. Met buitengewone +snelheid graven zij diepe gaten in den bodem, verscheidene zelfs in +loodrechte richting. Op den grond zijn hare bewegingen zeer plomp +en onbeholpen, in haar onderaardsche gangen echter bewegen zij zich +voor- en achterwaarts even vlug. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit +planten, meestal uit wortels, knollen en bollen, die zij loswroeten; +bij uitzondering vreten sommige ook gras, schors, zaden en noten. Die, +welke in koude gewesten leven, verzamelen wintervoorraad, maar hebben +geen winterslaap. + + + +De meest bekende soort van deze Familie is de _Blindmuis_ (_Spalax +typhlus_), in Rusland _Slapoesj_ ("de blinde"), in Hongarije +_Földi-kölök_, in Galicië _Ziemnibisak_ genoemd. De kop, die in een +stompen snuit eindigt, is dikker dan de korte, onbeweeglijke hals, +die met den staartloozen romp in dikte overeenkomt; de korte pooten +hebben breede voeten met forsche teenen en klauwen. De oogen hebben +ternauwernood de grootte van een papaverzaadje, liggen onder de huid +verborgen, en zijn dus ongeschikt voor 't zien. De lichaamslengte +bedraagt 20 cM. Kolossale knaagtanden steken ver buiten den bek uit. De +staart wordt aangeduid door een wratje van een paar mM. lengte. Een +dichte, glad aanliggende, zachte vacht bekleedt het lichaam; de +zijden van den kop, van de neusgaten tot achter de oogen, zijn +begroeid met stijve, borstelachtige haren, die te zamen zich als +een borstelvormige haarlijst boven de overige deelen van de vacht +verheffen. Over 't algemeen is de kleur van de bovendeelen aschgrauw +met witte overlangsche strepen aan het achterste deel van den buik +en met witte vlekjes tusschen de achterpooten. + +De Blindmuis komt in het zuidoosten van Europa en in het westen +van Azië voor, nl. in Zuid-Rusland van 50° N.B. tot aan den Oeral +en den Kaukasus, in Bessarabië, Moldavië en een deel van Hongarije +en Galicië, voorts in Turkije, in Griekenland en in het noorden en +westen van Klein-Azië. Vooral in de Ukraine treft men haar veelvuldig +aan. In den Altaï is zij vervangen door een grootere soort: de _Zokor_ +(_Spalax aspalax_). + +Evenals bijna alle Molmuizen bewoont zij vruchtbare landstreken; zelden +komt zij aan de oppervlakte; bijna voortdurend blijft zij verborgen +in hare sterk vertakte, onderaardsche holen, welker aanwezigheid +zich verraadt door talrijke aardhoopen. Bij het graven gebruikt +zij de krachtige snijtanden voor het stukknagen van de in haar weg +liggende wortels en voor het fijnmaken van den grond tusschen de +wortels. De gangen, waarin zij haar voedsel zoekt, liggen in de +vruchtbare teelaardelaag, de voor verblijfplaats dienende holen in +den regel dieper in het onvruchtbare, droge zand. + +De bewegingen van de Blindmuizen zijn niet zoo langzaam en onbeholpen +als vaak beweerd wordt. De Zokor kan, zooals ik zelf gezien heb en +van de Kirgiezen vernam, uitmuntend loopen en zwemmen; hetzelfde zal +waarschijnlijk ook wel voor den Slapoesj gelden. Onder de zintuigen, +die vermoedelijk alle weinig ontwikkeld zijn, speelt, naar het schijnt, +dat van het gehoor een belangrijke rol. Men heeft opgemerkt, dat de +Blindmuizen voor geluiden zeer gevoelig zijn en zich hoofdzakelijk +door het gehoor laten leiden. Zij worden beschreven als moedige en +bijtlustige dieren, die in gevallen van nood hunne tanden op een +doeltreffende wijze weten te gebruiken, en die, als zij gegrepen +worden, hevig snuiven en woedend om zich heen bijten. + +De Blindmuis voedt zich, zoo niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk +met plantaardige stoffen, vooral met allerlei wortels, ingeval +van nood ook met boomschors. Als in het door haar bewoonde gebied +planten met diepgaande wortels voorkomen, zal zij hare gangen in den +winter tot onder de hard bevroren, bovenste aardlaag uitbreiden, +zoo niet, dan graaft zij gangen door de sneeuw om boomschors te +verkrijgen. Wintervoorraad heeft men in hare gangen nog niet gevonden, +wel echter nesten, die uit zeer fijne worteltjes samengesteld zijn. In +zulk een nest werpt het wijfje in den zomer 2 à 4 jongen. Over +'t geheel genomen is de schade, die dit dier den mensch toevoegt, +gering; nuttig is het echter evenmin. + + + +In Zuid-Afrika leven Molmuizen, die een korten staart hebben. Vooral +in de duinen en zandheuvels langs de kust komt b.v. de _Zandmol_ +(_Bathyergus maritimus_ of _suillus_) voor, die, met inbegrip van +den 5 cM. langen staart, 30 cM. lang wordt. Deze heeft zich den haat +van de Boeren op den hals gehaald, omdat hij den bodem zoo doorwoelt, +dat de Paarden er vaak in wegzakken en gevaar loopen hunne pooten te +breken. Gewoonlijk werpt hij 's nachts om 12 uur of 's morgens om 6 +uur de aarde uit zijne gangen. Hiervan maken de Boeren gebruik om hem +te dooden. Zij ruimen een van zijne aardhoopen uit den weg, openen een +van zijne holen, en leggen hierin een raap of een anderen wortel, die +met een touw bevestigd is aan den trekker van een geladen geweer, welks +loop naar de opening van het hol gericht is. Zoodra de Zandmol aan den +raap trekt, gaat het geweer af en wordt hij door het schot getroffen. + + + +De _Wangzakratten_ (_Geomyidae_) heeten zoo wegens hare zeer sterk +ontwikkelde wangzakken, die niet, zooals bij de Hamsters en andere +knaagdieren, met de mondholte in gemeenschap staan, maar zich op de +wangen naar buiten openen en van binnen overal behaard zijn. Bij +het geslacht _Wangzakrat_ (_Geomys_) zijn de bovenkaaksnijtanden +met een overlangsche groeve voorzien en ontbreken de oorschelpen +zoo goed als geheel. De ledematen, vooral de voorpooten, zijn kort; +de vijfteenige voeten zijn met sikkelvormige klauwen gewapend, die +vooral aan de voorpooten een buitengewone lengte hebben. De leden van +dit geslacht behooren tot de plompste Knaagdieren. De romp is log, +de kop zeer groot, de hals dik, de staart kort en, met uitzondering +van de naakte spits, behaard. + + + +De meest bekende soort, die de landstreken ten oosten van het +Rotsgebergte en ten westen van den Mississippi tusschen 34 +en 52° N.B. bewoont, heet in zijn vaderland _Goffer_ (_Geomys +bursarius_). Deze naam wordt trouwens in sommige streken van Amerika +ook aan verscheidene andere soorten van Knaagdieren gegeven. Hij +is iets kleiner dan onze Hamster. De vacht is buitengewoon dicht, +zacht en fijn, roodachtig van boven en geelachtig grijs van onderen; +de staart en de spaarzaam behaarde voeten zijn witachtig. + +De dierkundigen, die het eerst een beschrijving van den Goffer gemaakt +hebben, ontvingen hem van Indianen, die zich vermaakt hadden, met +de beide wangzakken van het doode dier vol te proppen met aarde en +hierdoor zoo buitengewoon sterk uit te rekken, dat dezen zakken over +den grond gesleept zouden hebben, indien het dier in dezen toestand +had moeten loopen. Op grond van deze kunstmatig uitgerekte wangzakken +kreeg de Goffer zijn naam; de persoon, die dieren opzette, achtte +het zijn plicht de wangzakken in denzelfden toestand te brengen, +als waarin zij door een grap van de Indianen gekomen waren; de +teekenaar eindelijk kopieerde maar al te nauwgezet het op deze wijze +verduurzaamde voorwerp. Hieraan is het toe te schrijven, dat ook nog +vele afbeeldingen van den Goffer ons niet de ware gedaante van het +dier, maar een wanstaltig monster te aanschouwen geven. + +De Goffer leeft, evenals de Mol, onder den grond; hij graaft hier +talrijke en sterk vertakte gangen, welke groote overeenkomst vertoonen +met die van onzen Mol. + +De oude gangen zijn van binnen vastgeslagen, de nieuwe niet. Op +verschillende plaatsen staan er zijgangen mede in gemeenschap. De kamer +wordt onder boomwortels op een diepte van ongeveer 1.5 M. aangelegd en +is toegankelijk door een gang, die zich bij wijze van een wenteltrap +kronkelt. Zij is groot, ongeveer op de wijze van een Eekhoornnest +overal gevoerd met zacht gras, en verschaft het dier gelegenheid om te +rusten en te slapen. Het nest, waarin het wijfje tegen het einde van +Maart of in het begin van April hare 5 à 7 jongen ter wereld brengt, +gelijkt op de bedoelde woonkamer, maar is van binnen bovendien nog +met haar van de moeder bekleed. Evenals het nest van den Mol is het +omgeven door ringvormige gangen, van waar andere gangen uitgaan. Gesner +vond, dat van het nest een gang leidt naar een grooter hol, dat als +voorraadskamer dient en gevuld is met wortels, aardappels, noten en +zaden. In de morgenuren, tusschen 4 en 10, houdt de Goffer zich het +ijverigst met de uitbreiding van zijne holen bezig, ongetwijfeld +met de bedoeling om zich hierdoor voedsel te verschaffen. Als de +plaats rijk aan voedingsmiddelen is, worden in deze tijdruimte gangen +aangelegd ter lengte van 3 à 5 M. en 2 à 5 heuveltjes opgeworpen; +in het tegenovergestelde geval doorwoelt het dier een grooter deel +van den grond en werkt langer. Soms staakt het den arbeid gedurende +eenige weken, naar het schijnt, teert het dan op den reeds verzamelden +voorraad. Bij het opwerpen van den grond, dat geheel op de wijze van +den Mol geschiedt, laat de Goffer zijn lichaam zoo weinig mogelijk +zichtbaar worden; ten spoedigste keert hij naar de veilige diepte +terug. Aan de oppervlakte komt hij om dor gras voor zijn woonkamer of +zijn nest te verzamelen; volgens Audubon, komt hij ook boven om zich +in de zon te koesteren. Zijn voortreffelijk reukzintuig en uitmuntend +gehoor beveiligen hem in dit geval voor overrompeling; zoodra hij +gevaar ducht, begeeft hij zich oogenblikkelijk naar de diepte, al moest +hij zich vooraf door het graven van een nieuwe gang een toegang banen. + +Bij 't loopen over den grond toont de Goffer zich niet in zijn +volste kracht; zijn gang is een log gehompel; nooit beweegt hij zich +sprongsgewijs; dikwijls zijn bij 't gaan de klauwen van de voorpooten +binnenwaarts omgeslagen en sleept de staart over den grond. Hij kan +bijna even snel achteruit als vooruit loopen, maar doet dit aan de +oppervlakte van den bodem niet sneller dan een mensch. In zijne holen +beweegt hij zich, naar men zegt, met de vlugheid van een Mol.--Bij +'t eten zit hij dikwijls op de achterpooten en gebruikt de voorste +op de wijze van den Eekhoorn. Om te slapen, rolt hij zich ineen en +houdt den kop tusschen de voorpooten tegen den borst gedrukt. Zijne +verbazend groote wangzakken vult hij bij het grazen met behulp van +de tong en ledigt ze weder met behulp van de voorpooten. Naarmate zij +voller worden, puilen zij, evenals bij andere Knaagdieren, hoe langer +hoe meer naar buiten uit, en krijgen een langwerpig eivormige gedaante; +nooit hangen zij echter bij wijze van zakken aan weerszijden van den +snuit naar beneden. Geheel uit de lucht gegrepen is ook de bewering, +dat hij zijne wangzakken gebruikt om de losgewoelde aarde uit zijne +holen te verwijderen. + +De schade, die de Goffer aanricht, kan zeer aanzienlijk worden. Hij +vernielt soms door het afknagen van de wortels in weinige dagen +honderden kostbare boomen en verwoest soms de opbrengst van geheele +akkers door het opvreten van de door hem zeer gezochte knollen. Daarom +is de mensch de gevaarlijkste vijand van dit dier, dat overigens +alleen van Slangen en van overstroomingen te lijden heeft. + +Audubon heeft verscheidene Wangzakratten weken lang gevangen gehouden +en met knollen gevoerd. Zij bleken buitengewoon vraatzuchtig te zijn, +maar wilden niet drinken. + + + +Een overgang tot de Springmuizen aan de eene, tot de Molmuizen aan de +andere zijde, vormen de _Wangzak-springmuizen_ (_Dipodomys_), die zich +van de overige leden der familie, waarmede men ze gewoonlijk vereenigt, +onderscheiden door haar dikwijls sierlijk en slank gebouwd lichaam, +den grooten, breeden, platten kop met tamelijk lange, afgeronde ooren; +de voorpooten zijn tamelijk lang, de achterpooten echter nog meer +verlengd, de binnenteen is aan alle voeten zeer weinig ontwikkeld, maar +met een klauw voorzien; de klauwen van de voorvoeten zijn grooter dan +die van de achtervoeten; het verschil is echter geringer dan bij den +Goffer; de staart is even lang als of langer dan het overige lichaam, +over zijn geheele lengte behaard met een haarkwastje aan de spits. Ook +zij hebben wangzakken, die zich naar buiten openen en van binnen met +korte haren bekleed zijn. De meest bekende soort (_Dipodomys Philippi_) +wordt met inbegrip van 17 cM. langen staart, 30 cM. lang en bewoont +woestijnachtige landstreken van Californië, waar overigens geen andere +dieren dan Hagedissen en Slangen den bodem verlevendigen. + + + +Veel meer dan bij andere met stekels gewapende Zoogdieren is +het stekelkleed ontwikkeld in de familie van de _Stekelvarkens_ +(_Hystrichidae_), naar welker bekendste geslacht de geheele groep +benoemd werd. Een lange beschrijving van de uitwendig waarneembare +kenteekenen harer leden is overbodig; het stekelkleed, hoe verschillend +ook ontwikkeld, is aan al deze dieren eigen. + +Alle Stekelvarkens bewonen de gematigde en warme landen van de Oude +en Nieuwe Wereld; in deze treft men de klimmende, in gene de gravende +leden van de familie aan. De Stekelvarkens van de Nieuwe Wereld zijn +evenzeer aan het leven op de boomen gebonden, als die van de Oude aan +het leven in den grond. Deze bewonen derhalve ijle bosschen en steppen, +verbergen zich over dag in door hen zelf gegraven gangen en holen. Gene +daarentegen worden aangetroffen in groote bosschen, over dag rustend +in een hollen boom of ineengerold op een gevorkten tak in een dikke +boomkroon. Hunne bewegingen zijn langzaam, afgemeten en traag. Zoodra +echter de nacht aangebroken is en zij behoorlijk wakker geworden zijn, +loopen de Stekelvarkens van de Oude Wereld met trippelenden gang zeer +schielijk over den bodem voort; die van de Nieuwe Wereld zijn wel is +waar niet zoo vlug als Eekhoorns, maar klimmen toch behendig bij de +takken op neer. De bewoners van den bodem zijn meesterlijk ervaren +in het graven en in het overwinnen van alle bezwaren, die harde +grondsoorten aanbieden. Onder hunne zinnen staat, naar 't schijnt, +bij alle zonder uitzondering de reuk bovenaan; bij de Klimmende +Stekelvarkens schijnt ook de tastzin eenigermate ontwikkeld te zijn; +alle zijn echter zwak van gezicht en van gehoor. Hunne verstandelijke +vermogens staan op een lagen trap. Zij zijn dom, vergeetachtig, weinig +vindingrijk, boosaardig, driftig, angstig, schuw en vreesachtig, +hoewel alle bij dreigend gevaar, door het overeind zetten van hunne +stekels en eenige door het ratelen met de staartstekels vrees trachten +in te boezemen. Met andere dieren houden zij evenmin vriendschap als +met hunne soortgenooten: een smakelijk stukje voedsel kan zelfs onder +echtgenooten een ernstigen strijd doen ontbranden. Nooit ziet men twee +Stekelvarkens met elkander spelen of ook maar vriendschappelijk met +elkander verkeeren. Den mensch, die hen gevangen houdt en verzorgt, +worden zij nooit genegen; ook leeren zij hun verzorger niet van andere +personen onderscheiden. Hun stem bestaat uit knorrende doffe geluiden; +ook hoort men ze snuiven en zachtjes steunen; soms verneemt men van +hen een moeielijk te beschrijven gepiep: waarschijnlijk hebben zij aan +hun stem den overigens geheel ontoepasselijken naam "varken" te danken. + +Allerlei plantendeelen, van de wortels in den grond tot de vruchten +in den top van den boom, dienen tot voedsel aan de Stekelvarkens. Op +gelijke wijze als vele andere Knaagdieren brengen zij het voedsel +met de voorpooten naar den bek. Bijna alle kunnen, naar het schijnt, +gedurende geruimen tijd buiten water; waarschijnlijk is de dauw op +de bladen dien zij verslinden, voldoende tot bevrediging van hunne +behoefte aan vloeistof. + + + +De _Eigenlijke Stekelvarkens_ (_Hystrix_)--de vroegst bekende +vertegenwoordigers van de tot de Oude Wereld beperkte onderfamilie +van de _Gravende Stekelvarkens_ (_Hystrichinae_)--zijn gemakkelijk +te herkennen aan hun korten, gedrongen romp, den dikken, door een +krachtigen hals gesteunden kop, die in een stompen snuit eindigt, +den korten staart, die met holle, op penneschachten gelijkende stekels +bezet is en het buitengewoon sterk ontwikkelde stekelkleed. Kenmerkend +voor hen zijn bovendien de kleine, rondachtige ooren, de breede +bovenlip en de spleetvormige neusgaten. + + + +Het _Stekelvarken_ (_Hystrix cristata_) is grooter, maar niet langer +dan onze Das en schijnt, wegens zijn stekelkleed veel dikker en +omvangrijker dan hij werkelijk is. Zijn lengte bedraagt 65 cM. met +uitzondering van den 11 cM. langen staart; de hoogte in de schoften +is 24 cM.; het gewicht wisselt af tusschen 15 en 20 KG. Alleen aan +den korten, stompen snuit en aan den neus zitten eenige gewone haren; +de bovenlip is met verscheidene rijen glanzige, zwarte snorren bedekt; +zulke borstels staan ook op wratten boven en achter het oog. Langs den +nek verheffen zich manen, die uit dikke, achterwaarts gerichte, zeer +lange, gebogen borstels bestaan, die naar verkiezing overeind gezet en +achterover gelegd kunnen worden. Deze borstels hebben een aanzienlijke +lengte, zijn dun en buigzaam, gedeeltelijk wit, gedeeltelijk grijs van +kleur en eindigen meestal in witte spitsen. Voor 't overige is de romp +aan de rugzijde bedekt door naast elkander geplaatste, lange en korte, +gladde stekels, die allengs tot aan de scherpe punt dunner worden, +en waartusschen overal borstelige haren voorkomen. Op de stekels +wisselen donker- of zwartbruine en witte ringen met elkander af; +zij zitten los in 't vel bevestigd en vallen dus licht uit. Aan de +zijden van den romp, op de schouders en in de buurt van 't kruis +zijn de stekels korter en stomper dan op 't midden van den rug. De +dunne, buigzame stekels bereiken een lengte van 40 cM., de korte en +dikke daarentegen worden slechts 15 à 30 cM. lang, maar soms wel 0.5 +cM. dik. Alle zijn van binnen hol of met een sponsachtig merg gevuld; +de wortel en de spits zijn meestal wit van kleur. De korte stekels +hebben zwartbruine en witte ringen. Aan de staartspits staan stekels +van verschillenden vorm, die ongeveer 5 cM. lang, en wel 7 mM. dik +zijn. Hun bovenste gedeelte is een afgeknotte, dunwandige, aan het +einde geopende buis en gelijkt op een spoel van een ganzeveer, waarvan +de merghoudende schacht is afgesneden; het onderste gedeelte van deze +stekels is lang, dun en buigzaam. Door een groote, krachtige spier, +die onder de huid van het dier gelegen en voor sterke samentrekking +vatbaar is, kunnen alle stekels naar verkiezing opgezet en neergelegd +worden. De onderzijde van het lichaam is bezet met donkerbruine, +aan de spits roodachtige haren; om de keel ligt een witte band. De +klauwen zijn donker hoornkleurig, de oogen zwart. De in Europa wonende +Stekelvarkens zijn, naar men zegt, uit Noord-Afrika afkomstig en eerst +door de Romeinen naar ons werelddeel overgebracht. Tegenwoordig vindt +men dit dier in de kustlanden van de Middellandsche zee, vooral in +Algerië, Tripolis en Tunis en verder zuidwaarts tot in Senegambië +en Soedan. In Europa leeft het veelvuldig in de Campagna van Rome, +op Sicilië, in Calabrië en in Griekenland. In Beneden-Egypte, waar +het heet voor te komen, heb ik nooit sporen van de aanwezigheid van +dit dier gezien. + +Het Stekelvarken leeft eenzaam. Over dag rust het in lange, lage +gangen, die het zelf in den grond graaft; des nachts komt het voor +den dag en zwerft rond om voedsel te zoeken. Dit bestaat uit allerlei +plantaardige stoffen, distels en andere kruiden, wortels en vruchten, +de schors van verschillende boomen en vele soorten van bladen. Het +bijt zijn voedsel af met de voortanden en houdt het met de voorpooten +vast, zoolang het eet. Alle bewegingen van dit dier zijn langzaam +en onbeholpen; zijn gang is traag en bedachtzaam; het loopt niet +snel. Alleen voor 't graven heeft het eenige geschiktheid, die echter +in 't geheel niet toereikend is om een vluggen en behendigen vijand +te ontvlieden. In den winter houdt het zich langer dan gewoonlijk in +zijn hol op en brengt hier dikwijls eenige dagen achtereen slapend +door. Een echte winterslaap heeft het niet. + +Wanneer men een Stekelvarken buiten zijn hol verrast, heft het +dreigend den kop en den nek omhoog, zet alle stekels van zijn lichaam +overeind en maakt er een eigenaardig klapperend geluid mede; vooral +de holle stekels van den staart worden door het bewegen van dit +lichaamsdeel zoo tegen elkander geslagen, dat er een vreemdsoortig +geratel ontstaat, wel geschikt om een onwetend of vreesachtig mensch +schrik aan te jagen. Als het zeer opgewonden is, stampt het met de +achterpooten op den grond; wanneer men het grijpt, laat het een dof +geknor hooren, gelijkend op dat van het Zwijn. In weerwil van zijn +vreeswekkend geklapper is dit dier volkomen ongevaarlijk; het wordt +licht verschrikt, gaat iedereen uit den weg en denkt er bijna niet +aan om van zijne scherpe tanden gebruik te maken. Ook de stekels zijn +meer afweringsmiddelen dan aanvalswapenen. Wie dit dier onvoorzichtig +nadert, kan licht door de stekels gewond worden; de ervaren jager +grijpt het dier bij de rugmanen en draagt het op zijn gemak mede, +of doodt het door een stokslag op den neus. Wel buigt het, als men +het nadert, den kop naar beneden, richt de rugstekels naar voren en +gaat den vijand eenige schreden tegemoet; met een stok kan men echter +buiten het bereik van de stekels blijven; een groote doek is voldoende +om het dier te ontwapenen. In den uitersten nood rolt het zich als +een Egel op en kan dan natuurlijk moeilijk aangevat worden. Over 't +algemeen valt het gemakkelijk ten buit aan iederen behendigen vijand. + +Het wijfje werpt 60 à 70 dagen na de paring op een tamelijk zacht, +met bladen, wortels en kruiden bekleed nest in zijn hol 2 à 4 +jongen. De diertjes komen ter wereld met open oogen en korte, zachte, +glad tegen het lichaam aanliggende stekels; deze verharden echter +weldra en groeien schielijk, hoewel zij hun volle lengte eerst op +hoogeren leeftijd bereiken. Zoodra de jongen in staat zijn om zelf +voedsel te zoeken, verlaten zij de moeder, die hen met veel liefde +heeft grootgebracht. + +Hoewel men eigenlijk niet zeggen kan, dat het Stekelvarken den mensch +nadeel berokkent, wordt het toch ijverig vervolgd. Zijne stekels worden +voor velerlei doeleinden gebruikt, in sommige streken eet men zijn +vleesch. In de Campagna wordt de jacht op dit dier als een bijzonder +vermaak beschouwd; het valt trouwens niet te ontkennen, dat er iets +avontuurlijks en aantrekkelijks gelegen is in de wijze waarop het dier +wordt opgespoord. In een donkeren nacht begeeft men zich op de jacht +met eenige goed gedresseerde Honden, men brengt deze op het spoor van +het wild en laat hen zoeken. Door een luid, toornig geblaf kondigen +zij aan, dat zij een van de stekelige dieren staande gehouden hebben +en wijzen zij het jachtgezelschap den weg naar het tooneel van den +strijd--voor zoo ver hier trouwens van strijd sprake kan zijn. Alle +jagers steken de door hen gereed gehouden fakkels aan en begeven zich +hiermede naar de plaats waar het Stekelvarken zich bevindt. Zoodra +de Honden de komst van hunne meesters bemerken, huilen zij luid van +vreugde en gaan woedend op hun tegenpartij los. Het Stekelvarken +tracht hen terug te drijven door op allerlei toonhoogten te ratelen, +te grommen en te knorren; het verweert zich zoo goed mogelijk met +zijne naar alle richtingen uitgestoken speren. Het jachtgezelschap +vormt een kring om het dier en zijne belagers; bij het schelle licht +der fakkels kost het den jager geen moeite het wild bij de rugmanen +te grijpen en het te dooden of levend mede te nemen naar huis. + +Bij goede behandeling wordt het Stekelvarken spoedig tam. Jong +gevangen dieren leeren hun verzorger kennen en volgen hem na als +Honden. Zij verliezen echter nooit de hun aangeboren schuwheid en +vreesachtigheid. In de kamer kan men zulk een dier eigenlijk niet +houden. Het loopt zoo onbedachtzaam rond, dat af en toe een van de +aanwezigen zich bezeert aan de scherpe stekels. Voorts knaagt het aan +tafelpooten, deuren en ander houtwerk; bovendien is het een saaie +gezel. Het is niet moeilijk een Stekelvarken 8 à 10 jaar in het +leven te houden, wanneer men het niet al te slecht behandelt. Als +voedsel krijgt het wortels, aardappels, salade, kool en andere +plantaardige stoffen; het liefst eet het ooft. Water heeft het in +'t geheel niet noodig, indien het sappige vruchten of bladen krijgt; +als het met droog voedsel gevoederd wordt, drinkt het nu en dan, +hoewel niet dikwijls. Niet zelden planten de Stekelvarkens zich in +de gevangenschap voort. + +Evenals de Savoyaarden met Marmotten reizen, trekken de Italianen +soms met tamme Stekelvarkens van dorp tot dorp om het vreemdsoortige +dier voor geld te laten kijken. + + + +Van hetzelfde geslacht treft men ook eenige soorten in Indië. Ceylon +en het zuiden van China aan. Op Java, Borneo en Sumatra leeft het +_Javaansche Stekelvarken_ (_Hystrix javanica_), dat zich van het Gewone +onderscheidt door het gemis van manen; het heeft veel kortere, platte +stekels, en deze zijn met een diepe, overlangsche groeve voorzien. De +borstels en stekels zijn donker kastanjebruin, ten deele met witte +spitsen. Dit dier, dat door de Javanen _Landakli_ wordt genoemd, +bewoont wilde, boschrijke oorden, waar het lange holen graaft, +die steeds twee uitgangen hebben. Het hierin levende paar doorzoekt +'s nachts gemeenschappelijk den omtrek, en richt o.a. in de maïs- +en aardappelakkers soms groote schade aan. In vroegeren tijd speelde +een van deze diersoort afkomstige galsteen (bezoar) een belangrijke +rol in de geneeskunde. Soms werd voor zulk een "piedra del porco" +wel 100 kronen betaald. + + + +De _Kwaststaart-stekelvarkens_ vormen het geslacht _Atherura_, +waarvan één soort--de _Afrikaansche Kwaststaart_ (_Atherura +africana_)--in West-Afrika leeft en tegenwoordig in dierentuinen geen +zeldzaamheid is, terwijl een andere soort--de _Indische Kwaststaart_ +(_Atherura fasciculata_)--Siam, het Maleische schiereiland en Sumatra +bewoont. Beide zijn ongeveer 40 cM. lang zonder den staart; deze heeft +een vierde of een derde deel van de totale lichaamslengte, en eindigt +in een eigenaardige kwast, welks bestanddeelen geen haren of borstels +zijn, maar op strookjes perkament gelijken, die op een grillige wijze +zijn uitgeknipt. Het betrekkelijk slanke lichaam is op den rug en de +zijden met zeer scherpe, platte, overlangs gegroefde stekels bezet. + + + +De Stekelvarkens van de Nieuwe Wereld vormen een afzonderlijke +onderfamilie, die der _Klimmende Stekelvarkens_ (_Cercolabinae_); +door hunne met wratachtige verhevenheden bedekte voetzolen en groote, +gekromde klauwen zijn zij voor het leven op de boomen geschikt. + + + +In de noordelijke helft van Noord-Amerika vindt men het _Canadeesche +Stekelvarken_ of de _Oerson_ (_Erethizon dorsatum_). Van Labrador +tot aan het Rotsgebergte bewoont het de bosschen van het gebied +gelegen tusschen 67° N.-B. aan de eene, Virginië en Kentucky aan +de andere zijde. In de bosschen ten westen van den Missouri is het +niet bijzonder zeldzaam, in de oostelijke gewesten daarentegen is +het nagenoeg uitgeroeid. Met een anderen vorm, die aan de westkust, +van Californië tot Alaska, gevonden wordt brengt men deze soort tot het +geslacht _Platstaart-stekelvarken_ (_Erethizon_). Dit onderscheidt zich +door een ineengedrongen romp en den korten, afgeplatten of verbreeden +staart, die aan de bovenzijde met stekels, aan de onderzijde met +borstels bezet is. Met inbegrip van den 19 cM. langen staart bereikt +de Oerson een lengte van 80 cM. De kop is kort, dik en stomp, de snuit +is afgeknot; de kleine neusgaten kunnen door een halvemaanvormige +klep min of meer afgesloten worden. De voorvoeten missen den duim +en zijn dus vierteenig; aan de achtervoeten komen vijf teenen voor; +de klauwen zijn lang en krachtig, de zolen naakt, met een netvormig +geplooide huid bekleed. Een dikke vacht, bestaande uit haren, die +in den nek een lengte van 11 cM. bereiken, maar aan de onderzijde +en aan de spits van den staart door scherpe borstels vervangen zijn, +bedekt den romp. Tusschen de haren en de borstels staan op de geheele +bovenzijde stekels, die 8 cM. lang kunnen worden en grootendeels door +de haren bedekt zijn. De kleur is een mengsel van bruin, zwart en wit. + +"De Oerson," zegt Cartwright, "is een behendige klimmer: in den winter +verlaat hij een boom waarschijnlijk niet, voordat hij de kroon geheel +van schors beroofd heeft. Aan de jongste boomen geeft hij de voorkeur: +een enkele Oerson doodt waarschijnlijk gedurende één winter wel +honderden boomen." Audubon verhaalt, dat hij bosschen gezien heeft, +waarvan alle boomen door den Oerson ontschorst waren, zoodat zij er +uitzagen, alsof er een boschbrand in gewoed had. Vooral de iepen, +populieren en dennen waren zeer sterk beschadigd. + +Het nest wordt in holle boomen of in rotsholen aangelegd; in April +of Mei vindt men hierin de jongen, gewoonlijk 2, zeldzamer 3 of +4. De jongen, die uit het nest genomen en gevangen gehouden worden, +geraken weldra aan hun meester en aan hun nieuwe omgeving gewoon. Men +voedt ze met allerlei plantaardige stoffen; ook houden zij zeer veel +van brood. Als men ze in den tuin vrij rondloopen laat, klimmen zij +in de boomen en vreten er de schors en de bladeren van op. Audubon +verhaalt, dat een door hem verzorgde Oerson alleen dan boos werd, als +men hem verwijderen wilde van een geregeld door hem bezochten boom +in den tuin. "Onze gevangene was langzamerhand zeer tam geworden, +en maakte zelden van zijne nagels gebruik: men kon daarom af en +toe zijn hok openen en hem het genot gunnen van een wandeling door +den tuin. Hij kende ons; als wij hem riepen en hem een appel of een +bataat ('zoete aardappel') voorhielden, draaide hij den kop langzaam +naar ons toe, keek ons zachtmoedig en vriendelijk aan, hompelde dan +langzaam nader, nam ons het voedsel uit de hand, ging opzitten, en +bracht het voorwerp met de voorpooten naar den mond. Dikwijls kwam +hij, als hij de deur open vond, in onze kamer, kwam naar ons toe, +wreef zich tegen onze beenen aan, en keek smeekend tot ons op om de +een of andere lekkernij te ontvangen. Tevergeefs beproefden wij hem +boos te maken; nooit gebruikte hij zijne stekels tegen ons. Anders +was het, wanneer er een Hond aankwam. Dan was hij onmiddellijk op +tegenweer bedacht, boog den kop naar beneden, richtte alle stekels op, +en bewoog den staart heen en weer, gereed tot den strijd. + +"Een groote, kwaadaardige en in de hoogste mate strijdlustige +Bullenbijter uit de buurt, sprong eens onverwachts met geopenden bek op +het Stekelvarken toe. De Oerson scheen in 't zelfde oogenblik tot den +dubbelen omvang op te zwellen, hield den naderenden vijand scherp in +'t oog, en bracht hem op het juiste oogenblik met den staart een zoo +goed gerichten slag toe, dat de Bullenbijter oogenblikkelijk den moed +verloor, en door de smart gepijnigd luid jankte. De bek, de tong en de +neus waren bedekt met de stekels van zijn tegenpartij. Buiten staat +den bek te sluiten, snelde hij met geopenden muil onophoudelijk het +erf rond. Hoewel de omstanders hem onmiddellijk de stekels uit den +bek trokken, bleef de kop nog verscheidene weken gezwollen; maanden +gingen er voorbij, voordat de snuit genezen was." + +Alleen de Indianen weten een nuttig gebruik te maken van den gedooden +Oerson. Het vleesch van dit dier wordt door hen met smaak gegeten, en +bevalt ook aan den blanke zeer goed. Het vel is, nadat men de stekels +er uit verwijderd heeft, bruikbaar wegens zijn aangename zachtheid; +de stekels worden door den wilde hoofdzakelijk gebruikt tot opsiering +van zijne weitasschen, laarzen enz. + + + +Tot het geslacht der _Grijpstaart-stekelvarkens_ (_Cercolabes_) +eindelijk brengt men die soorten, welke een voor 't klimmen geschikten +staart en aan de achtervoeten zoowel als aan de voorvoeten 4 teenen +hebben, waarnevens een klein stompje de plaats van den binnenteen +aanduidt. Als het haarkleed zoover boven de stekels uitgroeit, +dat deze slechts op sommige plaatsen te voorschijn komen, en aan de +keel, de borst en den buik geheel ontbreken, worden de soorten tot +het ondergeslacht der _Boom-stekelvarkens_ (_Sphingurus_) gerekend; +daarentegen treden de borstels op den achtergrond bij het ondergeslacht +der _Grijpstaart-stekelvarkens_ of _Koeandoes_ (_Synetheres_). + +Het _Mexicaansche Boom-stekelvarken_ [_Cercolabes (Sphingurus) +novae-hispaniae_], een dier van 95 cM. totale lengte, waarvan ongeveer +een derde voor den staart gerekend moet worden, bewoont de oostkust +van Mexico. De glanzige haren zijn zeer dicht en zacht, een weinig +gekroesd en zoo lang, dat vele stekels volkomen door hen bedekt +worden. De stekels ontbreken op de onderdeelen, met uitzondering van +den onderhals, voorts aan de binnenzijde van de pooten, op den snuit +en op de achterste helft van den staart, die van boven naakt, van +onderen met zwarte, aan de zijden met gele borstels bezet is. Het +haarkleed heeft een zwarte kleur. Op het gelaat komen zeer lange +snorharen voor. De stekels, die over 't algemeen een zwavelgele kleur +hebben met uitzondering van de zwarte spits, zijn bij den wortel +veel dunner, hooger op overal even dik, behalve vlak onder de spits, +waar zij plotseling in een punt uitloopen; in 't midden zijn zij +glad en bij de naaldscherpe spits met naar beneden gerichte weerhaken +voorzien. Zoolang het Boom-stekelvarken rustig is, bemerkt men zeer +weinig van het stekelkleed, behalve in de omgeving van de oogen +en ooren. Als het dier toornig is, heeft het alle stekels overeind +geplaatst, zoodat zij in alle richtingen afstaan; wanneer men nu met +de hand over het vel strijkt, bemerkt men ze overal. Zij zijn zoo +zwak in de huid bevestigd, dat zij bij de minste aanraking uitvallen; +zelfs als men het dier maar even aait, gaan zij bij dozijnen los; +geregeld blijven er dan eenige in de hand steken. + +De mededeelingen over het leven van de Boom-stekelvarkens in de vrije +natuur zijn zeer schaarsch en onvolledig. De meeste hebben betrekking +op een soort, die nauw verwant is aan de zooeven genoemde, op den +_Koeïy_ (_Cercolabes villosus_); over hem hebben Azara, Rengger, +de _Prins_ Von Wied en Burmeister berichten gegeven. Hij is over +geheel Brazilië en Paraguay en een deel der verder zuidwaarts gelegen +landen verbreid; hoewel overal bekend, is hij nergens algemeen. Bij +voorkeur kiest hij hoogstammige bosschen tot verblijfplaats. Gedurende +het grootste deel van het jaar leeft hij hier alleen en wel in +een bepaald gebied, altijd op de boomen, in welker takken hij zich +behendig beweegt. Over dag slaapt hij, tot een bal ineengerold, in een +takgaffel; des nachts zwerft hij rond, steeds langzaam en voorzichtig +klimmend, zonder een mispas te doen. Hensel doet uitkomen, dat dit +dier door zijn vorm en zijn kleur zich niet veel van de omgeving +onderscheidt. "De natuur," zegt hij, "heeft aan dit dier een groot +voorrecht geschonken; niet tevreden met het tegen vijanden uit zijn +eigen dierklasse te beveiligen, droeg zij er ook nog bijzondere zorg +voor het tegen Roofvogels te beschermen. Boven het stekelkleed van +dit dier steken nl. lange, fijne haren uit. Deze verschaffen het, +wanneer het half ineengerold en onbeweeglijk op een boomtak zit, +een bedrieglijke overeenkomst met een klomp grijs baardmos; zelfs de +scherpzichtige jager gaat het licht voorbij, bedrogen, door de in den +wind heen en weer schommelende haren en zal misschien een andere keer +zijn geweer afschieten op een hoop van deze korstmossen, die op boomen +groeien, in de meening het gezochte dier te zullen treffen."--De +houding, die het Boom-stekelvarken in de boomen aanneemt, is zeer +eigenaardig; het zit op de achtervoeten, in welker onmiddellijke +nabijheid de voorvoeten op den tak rusten; deze zijn dan dikwijls op +zulk een wijze gebogen, dat het dier op den rug van de hand steunt; +de kop is intusschen loodrecht naar beneden gericht, de staart recht +uitgestrekt en haakvormig naar boven omgebogen. Gewoonlijk beveiligt +het dier zich tegen den val door zijn grijpstaart om een tak te +slingeren; ook zonder dezen voorzorgsmaatregel zit het zelfs op de +dunste takken zeer stevig, omdat het zich met de breede, naar binnen +gewelfde handen uitmuntend kan vasthouden. Bij het klimmen drukt het +de breede, vleezige zolen vast tegen de takken, die het met den bal +van de hand omklemt. + +Het voedsel van het Boom-stekelvarken bestaat hoofdzakelijk uit +vruchten, knoppen, bladen en wortels, die het met de handen naar den +mond brengt. + +Om het leven van dit dier in de gevangenschap te schilderen, zal ik +Azara's waarnemingen vermelden. "Ik liet er een, dat reeds oud was, +toen het gevangen werd, in mijne kamer losloopen; een jaar lang is het +zonder water gebleven, want het drinkt niet. Als het verschrikt werd, +liep het met groot gemak, ik kon het echter altijd wel bijhouden zonder +mij in te spannen, als ik denzelfden kant uitging. Al zijne bewegingen +zijn onbeholpen; het klimt echter met gemak langs den eersten den +besten stok op en af, en klemt zich er zoo stevig aan vast, dat er een +tamelijk groote kracht noodig is om het los te rukken. Op de leuning +van een stoel, op den top van een loodrecht in den grond geslagen paal +heeft het ruimte genoeg om veilig te slapen en ook werkelijk uit te +rusten. Zijne stompzinnigheid en bedaardheid of traagheid zijn zoo +groot, dat er wel 24 à 48 uren voorbij kunnen gaan, voordat het van +plaats verandert, of ook maar de geringste wijziging in zijn houding +aanbrengt. Mijn exemplaar bewoog zich alleen, als het eten wilde; dit +geschiedde in den regel om 9 uur 's morgens en om 4 uur 's namiddags; +slechts een enkele maal merkte ik op, dat het ook 's nachts rondliep; +toch houd ik het voor een nachtelijk dier. Mijn Stekelvarken ging in de +eerste dagen van zijn gevangenschap op de leuning van een stoel zitten, +nooit op een vlak voorwerp; toen het echter eens bij het venster naar +boven geklommen was en daar den kant van het vensterluik gevonden had, +zocht het later geen andere rustplaats. Boven op dit luik bracht het +zijn tijd door; het zat hier, zonder de minste beweging te maken, in +een ongewone houding als een steenen beeld. Zonder zich met de hand +of den staart tegen het vallen te beveiligen, hield het zich alleen +met de voeten vast, legde de handen over elkander en hiertusschen zijn +snuit, alsof het zich de handen wilde kussen. Zoo zat het zonder zich +te bewegen, ja zelfs zonder rond te kijken, tot aan het uur van zijn +maaltijd. Van het voorgediende voedsel--brood, maïs, maniokwortels, +kruiden, bladen en bloemen--nam het slechtst uiterst weinig, het +hield er echter van, nu eens het eene, dan weer het andere voedsel +te gebruiken. Het beet of krabde nooit en deed niemand eenig kwaad. + +"Het best ontwikkeld is bij dit dier het zintuig van den reuk. Als ik +chocolade dronk, of met bloemen de kamer binnenkwam, merkte ik op, +dat mijn Stekelvarken den snuit omhoog stak; hieruit kon ik veilig +afleiden, dat het den geur op tamelijk grooten afstand waarneemt. De +spits van zijn staart is zoo gevoelig, dat het zelfs bij zachte +aanraking van dit lichaamsdeel onmiddellijk opstaat en schrik laat +blijken. Voor 't overige bemerkte men aan dit dier niets anders +dan traagheid en domheid; men mag wel zeggen, dat het nauwelijks +verstand genoeg heeft om te eten en te leven. Nooit liet het vreugde +of droefheid of zelfs een aangename gemoedsstemming blijken. Soms +draaide het den kop om, als het bij den naam genoemd werd. Gewoonlijk +echter keek het niet om, maar deed, alsof het niet zien kon; ook bij +aanraking gedroeg het zich, alsof het van steen was, behalve wanneer +dit te ruw geschiedde; in dit geval zette het zijn stekels op; ook +dan echter maakte het geen verdere beweging." + +Daar het uitwendig voorkomen van dit dier niet aanlokkelijk is, wordt +het door de bewoners van Paraguay maar zelden gevangen en in het +leven gehouden; toch blijft het niet van vervolging verschoond. De +wilden eten zijn vleesch, dat wegens zijn onaangenamen reuk door +de blanke bewoners versmaad wordt. Ook deze dooden het dier echter, +waar zij het ontmoeten. Door Hensel worden de volgende redenen voor +dezen haat medegedeeld: "Het griezeligste dier van het Braziliaansche +oerwoud is het Boom-stekelvarken. De natuur heeft er zich niet toe +bepaald het door stekels tegen de Roofdieren te beschutten, op gelijke +wijze als b.v. de Egel, maar heeft deze verweermiddelen bovendien op +zulk een wijze ingericht, dat zij den vijand voor zijn aanval op de +vreeselijkste wijze straffen. De stekels zijn n.l. aan hun onderste +gedeelte zoo fijn en ook zoo zwak in de huid bevestigd, dat zij los +geraken, wanneer er maar even aan getrokken wordt; zij blijven derhalve +aan een vreemd lichaam vastgehecht, zoodra zij er met de spits in +doorgedrongen zijn. Wanneer dus een Hond een aanval doet op het rustig +ter aarde liggend Boom-stekelvarken, dat, bewust van de vreeselijke +werking zijner wapens, er niet aan denkt om te ontvluchten, zullen de +weeke deelen van den bek van den vijand getroffen worden door tallooze +stekels; deze zullen hierin steken blijven, omdat zij weerhaken hebben; +om dezelfde reden en tengevolge van de bewegingen die het gewonde dier +maakt, zullen zij steeds dieper doordringen. De ongelukkige Hond kan +den bek niet sluiten, en zal, als men hem niet spoedig te hulp komt, +door de zwelling van de mondholte en van het strottenhoofd, na een +smartelijk lijden stikken of verhongeren. Als men er vlug bij is, kan +men de stekels uittrekken door ze bij de spits tusschen de duim en de +punt van een mes te vatten; later is ook dit niet meer mogelijk en +breken zij veeleer. Daarom nemen vele jagers een tang mede, als zij +zich naar 't woud begeven. Het is dus verklaarbaar, dat de jager in +het oerwoud geen enkel dier, zelfs de Vergiftige Slangen niet, zoo +zeer haat en vreest als dit Knaagdier. Overal waar hij het ontmoet, +zal hij het zonder mededoogen dooden, hoewel het overigens geheel +onschadelijk is." + + + +De tot de _Grijpstaart-stekelvarkens_ behoorende _Koeandoe_ +[_Cercolabes (Synetheres) prehensilis_] heeft over 't geheel genomen +den vorm van den Koeïy, maar is aanmerkelijk grooter en krachtiger +gebouwd dan deze. Zijn lengte bedraagt (met inbegrip van den 45 +cM. langen staart) 1.1 M. De bekleeding met stekels begint reeds +op het aangezicht, strekt zich uit over de geheele rugzijde, over +de pooten tot aan het polsgewricht en het spronggewricht, over de +voorste helft van den staart en ook over de geheele buikzijde. De +stekels liggen echter niet glad tegen het lichaam aan. De haren, +die tusschen de stekels groeien, worden geheel door deze bedekt en +zijn eerst zichtbaar, als men de stekels uiteenbuigt. Deze zijn ook +hier zeer los aan de huid gehecht, bij de aanhechtingsplaats dun, +overigens gelijkmatig van dikte, naaldvormig en in de nabijheid van +de zeer fijne spits plotseling zeer sterk verdund; op het achterste +deel van den rug bereiken zij een lengte van 12 cM.; hoe nader zij bij +het onderlijf gelegen zijn, des te korter worden zij; op de buikzijde +gaan zij allengs in echte borstels over, die aan de onderzijde van +het voorste deel van den staart weder stijf en stekend worden. + +Van de levenswijze van den Koeandoe in de vrije natuur is +weinig bekend. Hij bewoont een tamelijk groot deel van Zuid- en +Midden-Amerika, vooral Brazilië en Guyana, en is op vele plaatsen +volstrekt niet zeldzaam. Op soortgelijke wijze als zijne verwanten +slaapt hij over dag, zittend in een boomkroon; des nachts loopt +hij langzaam maar behendig over de takken. Zijn voedsel bestaat uit +allerlei bladen. Het vleesch van dit dier wordt door de inboorlingen +gaarne gegeten; deze weten ook van de stekels op verschillende wijzen +gebruik te maken, o.a. worden zij in sommige ziektegevallen in de +huid van den patiënt gestoken, met een soortgelijke bedoeling, als +waarvoor bij ons Bloedzuigers gebruikt worden. + + + +De uitwendige kenteekenen van de Familie der _Halfhoevigen_ of +_Zwijnachtige Knaagdieren_ (_Caviidae_ of _Subungulata_), waartoe ook +het bekende Guineesche Biggetje behoort, zijn: een meer of minder +gestrekte romp, die op middelmatig hooge of hooge pooten rust, +welker voorvoeten vier en welker achtervoeten drie, vier of vijf +teenen hebben, waaraan korte, breede, bijna hoefvormige, van boven +gekielde nagels voorkomen; de zool is onbehaard; de staart is bij +sommige soorten zeer kort, bij andere alleen als een klein wratje +waarneembaar en ontbreekt bij de overige geheel; de ooren zijn in +den regel kort, bij eenige half zoo lang als de kop; de vacht is uit +grove haren samengesteld. Het gebit bestaat, behalve uit de vier breede +knaagtanden, uit vier wortellooze kiezen van ongeveer gelijke grootte +in iedere kaakhelft. Alle leden van deze familie zijn tot Middel- +en Zuid-Amerika beperkt. + + + +Het _Guineesch Biggetje_ (_Cavia porcellus, Cavia cobaya_)--bij ons +algemeen bekend onder den naam van "Marmot", die aan een geheel +anders gebouwd Knaagdier toekomt--deelde tot voor korten tijd in +het lot van vele huisdieren: men kon zijne stamouders niet met +zekerheid aanwijzen. Voor zoover men kan nagaan, is dit dier kort +na de ontdekking van Amerika, in de 16e eeuw dus, door Hollandsche +zeelieden naar Europa gebracht. Gesner (geb. 1516, gest. 1565) kende +het reeds. Sedert dien tijd heeft het zich in Europa voortdurend in +gevangenschap voortgeplant. Tot voor kort heeft men, waarschijnlijk ten +onrechte, vrij algemeen den Braziliaanschen _Aperea_ (_Cavia Aperea_) +als stamsoort van ons Guineesch Biggetje beschouwd. (Bij dezen zijn +de snijtanden van voren bruinachtig geel, bij het Guineesch Biggetje +daarentegen geelachtig grijs.) Volgens de onderzoekingen van Nehring +evenwel stamt het van de Peruaansche _Cavia cutleri_ af. Deze werd in +zijn vaderland reeds ten tijde van de Inca's als huisdier gehouden en +wordt, volgens A. Stübel, ook thans nog door de Indianen van Peru, +Ecuador en Columbia gefokt en gegeten. Daarentegen wordt het bij de +Indiaansche stammen van Brazilië, die nog niet met andere volken in +aanraking gekomen zijn, in getemden staat niet aangetroffen. Onze naam +"Guineesch biggetje" ("Guinea-pig" bij de Engelschen) is letterlijk al +even onjuist als de Fransche naam "Cochon d'Inde", een vertaling van +de reeds bij Aldrovandi (1522-1605) voorkomende aanduiding "Porcellus +indicus", waaraan ook de wetenschappelijke soortnaam ontleend is. + +Behalve effenkleurige Guineesche Biggetjes, van welke de witte het +veelvuldigst voorkomen, ziet men gewoonlijk alleen driekleurige: +wit, geel en zwart gevlekte. Volgens de onderzoekingen van Nehring +misten de mummiën van de Guineesche Biggetjes uit den Inca-tijd, +die op het Doodenveld van Ancon in Peru gevonden worden, steeds de +zwarte vlekken. De effenkleurige waren wit of roodachtig bruin; +de tweekleurige hadden een der zooeven genoemde grondkleuren +en roodachtig bruine of geelachtig witte vlekken. Bij ons zijn, +volgens de onderzoekingen van Haacke, driekleurige exemplaren met +aschgrauwe in plaats van zwarte vlekken geen zeldzaamheid; deze +hebben altijd roode oogen. In den laatsten tijd is het _Langharige +Guineesche Biggetje_, een ras met lange haren, die op verschillende +lichaamsdeelen eigenaardige kruinen vormen, zeer gezocht. + +Het Guineesche Biggetje behoort tot de meest gewilde huisdieren uit de +geheele Knaagdieren-orde, zoowel omdat het geen hooge eischen stelt, +als wegens zijn onschadelijkheid en goedaardigheid. Als men het een +frissche en droge ligplaats verschaft, kan men het overal gemakkelijk +in 't leven houden. Het voedt zich met de meest verschillende +plantaardige stoffen; alle deelen van de plant van de wortels tot +aan de bladen, zaden zoowel als frissche sappige plantendeelen zijn +naar zijn smaak; eenige afwisseling in het voedsel is echter zeer +gewenscht. Als het saprijk voedsel krijgt, heeft het geen drank +noodig; het houdt echter zeer veel van melk. Daar het zich allerlei +behandeling laat welgevallen en zich zelfs tegen mishandeling niet +verzet, is het een bron van vermaak voor de kinderen, die zich in den +regel het meest met het verzorgen van dit dier bezighouden. Door zijn +aard herinnert het in vele opzichten aan de Konijnen, in andere aan +de Muizen. Zijn gang is bijzonder snel en bestaat uit opeenvolgende +kleine sprongen; het dier is echter niet onbeholpen, maar tamelijk +behendig. Als het rust, heeft het gewoonlijk alle vier pooten gebogen +en is de romp plat tegen den grond gedrukt; het kan echter ook overeind +zitten op de achterpooten. Bij 't eten brengt het zijn voedsel met de +voorpooten naar den mond. Onophoudelijk loopt het in zijn hok rond, +het liefst langs de muren, waardoor hier spoedig een glad getreden pad +ontstaat. Wanneer men een groot aantal van deze dieren, bijeen heeft in +een hok, levert hun gang een aardig schouwspel op. In den ganzenmarsch +loopen zij achter elkander aan, de geheele troep loopt op deze wijze +soms wel honderdmaal het hok rond, zonder op te houden.--De stem van +dit dier bestaat uit een knorrend geluid, waaraan het waarschijnlijk +den naam Biggetje te danken heeft, en uit een eigenaardig gemurmel +en gepiep. Het murmelen geeft, naar het schijnt, een tevreden +gemoedsstemming te kennen, het piepen verraadt steeds opgewondenheid. + +Weinige Zoogdieren evenaren het Guineesch Biggetje in +vruchtbaarheid. Bij ons werpt het wijfje twee- of driemaal per jaar +2 of 3, dikwijls 4 of 5 jongen, in warmen landen niet zelden 6 of +7. Deze komen volkomen ontwikkeld ter wereld, hebben reeds bij de +geboorte open oogen en zijn reeds weinige uren na hun geboorte in +staat om met hun moeder rond te loopen. Na ongeveer 5 of 6 maanden +zijn de jongen in staat om zich voort te planten, na 8 of 9 maanden +hebben zij hun definitieve grootte bereikt. Als zij goed behandeld +worden, kunnen zij 6 à 8 jaar oud worden. + +Wanneer men zich veel met de Guineesche Biggetjes bemoeit, worden +zij zeer mak hoewel zij hun vreesachtigheid nooit geheel afleggen en +wegens de geringe ontwikkeling hunner geestvermogens zelden zoover +komen, dat zij hunne verzorgers van anderen onderscheiden. Er +zijn echter ook uitzonderingen. "Een Guineesch Biggetje, dat aan +mijne kinderen toebehoort," schrijft Friedel, "begroet mijn zoon, +zoodra het diens schreden verneemt, met een luid opgewonden gepiep; +het maakt uit dankbaarheid een duidelijk trommelend geluid, als +het van hem voedsel krijgt; mijn dochtertje ontvangt als groet geen +gepiep, maar slechts een zacht gemurmel; ook voor mijn vrouw en mij +blijft het trommelen achterwege. Als mijn vrouw 's avonds laat de +kamer voorbijgaat, waarin het dier geborgen is, wordt zij steeds +door een klagend gepiep aangezocht om het iets te eten te geven; +als ik er langs kom, houdt het dier zich stil, omdat het wel weet, +dat ik op dit late uur niets geven zal. Het kan dus vier personen +goed van elkander onderscheiden. Bovendien kan het kunstjes maken: +het gaat op commando dood liggen en gehoorzaamt aan het bevel om weer +op te staan."--Zelfs het kleinste kind kan men zonder bezwaar met het +Guineesch Biggetje laten spelen, daar het nooit pogingen zal doen +om te bijten. Dikwijls legt het een opmerkelijke onverschilligheid +aan den dag. Hoe prettig deze dieren het verblijf in hun hok ook +vinden, verlangen zij er toch, naar het schijnt, niet bijzonder naar, +wanneer zij ergens anders gebracht zijn; zij laten zich oppassen en +verzorgen, dulden, dat men hen op den schoot neemt, met hen solt, +enz., zonder ooit ontevredenheid te toonen. Als zij iets te eten +krijgen, zijn zij overal tevreden. Hier staat tegenover, dat zij +nooit een wezenlijke gehechtheid aan den mensch laten blijken, maar +voor iedereen nagenoeg even vriendelijk zijn. Voor koude en vochtig +weder zijn zij zeer gevoelig; zij worden er ziek van en dikwijls is +dit oorzaak van hun dood. + +Schade kunnen de Guineesche Biggetjes ons niet toebrengen, tenzij hun +als woonplaats een kamer is aangewezen en zij hier aan het houtwerk +knagen. De schade is echter van geen beteekenis in vergelijking met +hunne goede eigenschappen, waardoor zij menigeen genoegen verschaffen +en dus nuttig zijn. Bovendien hebben zij, geheel onwillekeurig +trouwens, belangrijke diensten aan de wetenschap bewezen; daar op +hen proeven zijn genomen bij tal van physiologische onderzoekingen. + + + +Een zeer vreemdsoortige woestijnbewoner--de _Mara_ (_Dolichotis +patagonica_)--vertegenwoordigt een tweede geslacht van de +Halfhoevigen. In vele opzichten doet hij aan de Hazen denken, van +welke hij echter zeer verschilt door de langere pooten en de kortere, +stompe ooren. Bij volwassen dieren bedraagt de lengte van den romp +50 cM.; het 4 à 5 cM. lange staartstompje is hieronder begrepen; de +hoogte in de schoften is soms niet minder dan 45 cM. Hierdoor gelijkt +het dier op het eerste gezicht veeleer op een kleinen Herkauwer dan +op een Knaagdier. + +De Mara bewoont de steenachtige en droge woestijnen van Patagonië. Daar +waar de Sierra Talpaquen deze woestijn begrenst en de bodem vochtiger +en rijker aan planten begint te worden, ziet men haar in 't geheel +niet meer. In westelijke richting komt zij voor tot in de nabijheid +van Mendoza, dus op 33° Z.B., wat tevens wel het noordelijkste +punt van haar verbreidingsgebied zal zijn. Darwin neemt 37° +Z.B. als noordelijke grens aan. Twee eeuwen geleden was zij veel +algemeener dan thans, nu zij alleen nog maar veelvuldig is in die +gewesten, waar de ongastvrijheid van het land haar voor vervolgingen +vrijwaart. Hoe veelvuldig zij hier ook zij, toch kost het veel moeite +het dier te bemachtigen, om de eenvoudige reden, dat men het tamelijk +moeielijk te zien kan krijgen. Het ligt n.l. in zijn hol verborgen, +òf het ligt plat tegen den grond aangedrukt en wordt dan wegens zijn +aardkleurige vacht allicht niet opgemerkt. Bovendien is het zeer schuw +en vreesachtig. Bij het geringste gevaar gaat de Mara onmiddelijk op +de vlucht. Zij is een echt dagdier, hoewel zij gedurende de hitte +van den middag haar hol opzoekt. Haar voedsel bestaat uit planten, +misschien vooral uit wortels en schors, in allen gevalle uit stoffen, +die door andere Zoogdieren versmaad worden. In sommige streken van +Patagonië, waar op den steenachtigen grond slechts weinige, dorre en +doornachtige struiken een armoedig leven kunnen leiden, is zij het +eenige levende dier, dat de aandacht trekt. + +Te Mendoza heeft Göring een volwassen Mara gedurende geruimen tijd +in den gevangen staat nagegaan. Zij was een lieftallig, goedaardig, +onschuldig dier. Van den eersten dag af, toonde zij zich zeer weinig +schuw tegenover haar meester, nam dezen het voedsel onbeschroomd uit +de hand en liet zich aanraken en streelen, zonder onrust te kennen te +geven. Op liefkoozingen was zij zeer gesteld; als men haar krauwde, +kromde zij den rug, boog den kop ter zijde, alsof zij de hand, die +haar zulk een aangename gewaarwording verschafte, te zien wilde +krijgen en liet intusschen een onbeschrijfelijk gepiep of geknor +hooren, dat de uitdrukking was van een hoogst prettige stemming. De +Indianen en de Gauchos zijn hartstochtelijke liefhebbers van de jacht +op dit dier; hoofdzakelijk vervolgen zij het om zijn vel, dat voor +het vervaardigen van even fraaie als zachte vloerkleeden en dekens +dient. De bovendeelen hebben een eigenaardige, bruinachtig grijze +kleur, fijn wit gesprenkeld, de zijden en de buitenste oppervlakte +van de pooten zijn licht kaneelbruin, de onderdeelen wit. In de +Europeesche dierentuinen ziet men de Mara niet dikwijls. + + + +De _Agoeti_'s of _Goetis_ (_Dacyprocta_) herinneren door hun gestalte +in 't oogloopend aan de Dwerg-Muskusdieren: het zijn hoogpootige, +korte, dikke Knaagdieren met langen, in een spitsen snuit eindigenden +kop, kleine, ronde ooren, een onbehaard staartstompje en achterpooten, +die aanmerkelijk langer zijn dan de voorpooten. Deze hebben vier +teenen en een klein wratje op de plaats van den duim, terwijl +zij aan de achterpooten maar vier volkomen gescheiden, zeer lange +teenen hebben. Alle teenen zijn voorzien van forsche, breede, niet +sterk gekromde, hoefvormige klauwen, die vooral aan de achterpooten +goed ontwikkeld zijn; de duimwrat alleen draagt een kleinen, platten +nagel. Over 't geheel genomen hebben de Agoeti's een fijnen, lichten en +bevalligen lichaamsbouw en maken hierdoor een aangenamen indruk. Het +gebit is flink, de dikke, vlakke knaagtanden komen duidelijk voor den +dag, vooral omdat het bovenste paar tamelijk schel rood, het onderste +geelachtig is. + +De Agoeti's komen tegenwoordig paarsgewijs of tot kleine gezelschappen +vereenigd in boschrijke vlakten voor, vooral in de dichtste wouden +van de rivierdalen; sommige begeven zich in het gebergte tot op een +hoogte van 2000 M. + + + +De _Agoeti_, _Goeti_ of, gelijk hij wegens zijn fraaie vacht ook wel +heet, de _Goudhaas_ (_Daciprocta aguti_), een van de fraaiste leden +van de geheele familie, heeft een dichte en gladaanliggende beharing +van roodachtig citroengele, met zwartbruin gemengde kleur; het ruige, +harde, borstelachtige haar, heeft een levendigen glans. Al naar het +jaargetijde verandert de kleur van de vacht; in den zomer is zij +lichter, in den winter donkerder. De lichaamslengte van het volwassen +mannetje bedraagt 40 cM., die van het staartstompje slechts 1.5 cM. + +Guyana, het noorden van Brazilië en Noord-Peru zijn het vaderland +van den Goeti. In de meeste gewesten is hij zeer veelvuldig, vooral +in de rivierdalen van Brazilië. Hier, zooals overal, bewoont hij de +bosschen, de vochtige oerwouden zoowel als de drogere bosschen van +het binnenland; hij zwerft echter ook in de aangrenzende, grasrijke +vlakten rond en neemt hier de plaats van onzen Haas in. In het vrije +veld komt hij niet voor. Gewoonlijk vindt men hem boven de oppervlakte +van den bodem, in holle boomen dicht bij den grond, en vaker alleen, +dan in gezelschap. Over dag ligt hij rustig in zijn leger, en alleen +daar, waar hij zich volkomen veilig acht, zwerft hij rond. Met het +ondergaan der zon, gaat hij uit om voedsel te zoeken, en blijft, als +het goed weder is, den geheelen nacht hiermede bezig. Hij heeft de +gewoonte meermalen zijn verblijfplaats te verlaten en er weder terug te +komen; hierdoor ontstaat een smal, dikwijls 100 M. lang voetpad, dat de +plaats waar hij woont, verraadt. Als men een Hond op dit spoor brengt, +gelukt het in den regel het dier te bemachtigen, tenzij het leger zich +in het dichtste deel van het woud bevindt. De Honden geven door geblaf +de ligplaats van het wild aan, dat men daarna uit zijn hol trekken of +uitgraven kan. Wanneer de Agoeti de komst van de Honden tijdig bemerkt, +verlaat hij oogenblikkelijk zijn hol; door zijn behendigheid en snellen +gang komt hij dan schielijk buiten het bereik van zijne vervolgers. + +De Agoeti is een onschadelijk, vreesachtig diertje en derhalve aan +vele gevaren blootgesteld, zoodat eigenlijk alleen de buitengewone +vlugheid van zijne bewegingen en de fijnheid zijner zintuigen hem +voor den ondergang kunnen behoeden. Door zijne sprongen herinnert +hij aan de kleine soorten van Antilopen en aan de Dwerg-Muskusdieren. + +Zijn voedsel bestaat uit de meest verschillende soorten van kruiden +en andere planten, waarvan hij allerlei deelen, van de wortels tot +de bloemen of zaden, gebruikt. Weinige plantendeelen zijn tegen +zijne scherpe knaagtanden bestand; hij maakt zelfs de hardste noten +stuk. In bebouwde oorden wordt de Agoeti door zijne bezoeken aan de +suikerrietplantages en groentetuinen lastig. + +Nauwkeurige berichten over de voortplanting van den in vrijheid +levenden Agoeti ontbreken ons tot dusver. Men weet, dat dit dier zich +tamelijk sterk vermenigvuldigt, dat de wijfjes in alle maanden van +het jaar jongen ter wereld brengen en dat iedere worp uit verscheidene +jongen bestaat. + +Rengger verhaalt, dat de Goeti, als hij jong gevangen en met zorg +grootgebracht is, bijna een huisdier wordt. "Ik heb," zegt hij, +"verscheidene Agoeti's gezien, die men vrij kon laten rondloopen, +zonder dat zij ontvluchtten, zelfs op erven gelegen te midden van +de groote wouden, die dit dier in vrijen toestand tot woonplaats +dienen; wanneer zij eens getemd zijn, loopen zij niet weg. Zoo zag +ik in de wouden van het noorden van Paraguay in de hutten van eenige +inboorlingen twee tamme Agoeti's, die den morgen en den avond in +het woud, den middag en den nacht bij de menschen doorbrachten. Het +is niet zoozeer de gehechtheid aan den mensch als wel het gewoon +raken aan hun nieuw verblijf, dat bij hen de begeerte naar vrijheid +onderdrukt. Zij gevoelen slechts weinig genegenheid voor den mensch, +maken volstrekt geen onderscheid tusschen hun verzorger en andere +personen, gehoorzamen slechts zelden, als hij hen roept en zoeken hem +alleen op, als de honger hen hiertoe dringt. Ook laten zij zich niet +graag door hem aanraken; zij dulden geen dwang, leven geheel naar +hun eigen verkiezing en kunnen hoogstens leeren hun voedsel op een +bepaalde plaats te komen halen. Zij worden gevoed met het overschot +van al wat er in huis gegeten wordt. Zij houden echter volstrekt niet +zooveel van vleesch, als Azara beweert, maar eten het slechts bij gemis +van voedsel, dat beter voor hen geschikt is. Rozen zijn een van hunne +lievelingsspijzen. Zoodra zulk een bloem in hun woning gebracht wordt, +ruiken zij haar onmiddellijk en zoeken haar op. Gewoonlijk grijpen +zij het voedsel met de snijtanden en vatten het daarna tusschen de +beide wratvormige duimen van de voorvoeten, intusschen zitten zij +evenals de Eekhoorntjes op de achterpooten. Soms vreten zij ook in +neergehurkte houding, gewoonlijk doen zij dit, als zij zeer kleine +of te kleine stukjes voedsel voor zich hebben. Ik heb ze nooit zien +drinken; naar men zegt, nemen zij het water met de tong leppend op." + +Bodinus zegt terecht, dat de Agoeti's wegens hunne sierlijke gestalte, +fraai voorkomen en zindelijkheid aan alle dierenliefhebbers aanbevolen +kunnen worden; alleen door hun groote lust in 't knagen zijn zij +soms lastig. Die, welke Bodinus had, waren zoo aan hem gewoon, +dat zij hem de lekkerbeetjes, die hij hun voorhield, uit de hand +namen en oogenblikkelijk met echt dankbare blikken naar den gever, +opaten. Andere gevangene Agoeti's trokken sterk de aandacht door een +eigenaardigheid, die ik bij de overige schrijvers niet vermeld heb +gevonden. Zij zijn namelijk gewoon een groot deel van hun voedsel +te begraven om iets in voorraad te hebben, als de nood aan den man +komt. Zoodra hun voedsel wordt aangeboden, vallen zij er begeerig op +aan, eten er eenige stukken van op, kiezen van hetgeen hun gegeven +is, een stuk wortel of een vrucht uit, dragen deze in den bek weg, +graven op de een of andere plaats een gaatje in den grond, leggen +hun schat er in, strijken er aarde over heen, en slaan of drukken +deze met de voorpooten vast. Zeer grappig is het na te gaan, hoe +zij telkens omkijken, en hoe zij hun best doen om het bergen van hun +schat ongezien te verrichten. + + + +De _Paka_ of_Waterhaas_ (_Coelogenys paca_) is gekenmerkt door +den eigenaardigen, dikken kop met groote oogen en kleine ooren, +den bijzonder korten staart, de hooge pooten, welker voeten alle +met vijf teenen voorzien zijn, het borstelige, dunne aanliggende +haarkleed en vooral door den buitengewoon krachtigen jukboog, welks +voorste gedeelte (het breede en gewelfde jukbeensuitsteeksel van +het bovenkaaksbeen) binnenwaarts tot op een aanmerkelijke diepte +is uitgehold. De vacht bestaat uit korte, nauw tegen het lichaam +aanliggende haren, die aan den rug en de andere naar boven en naar +buiten gekeerde lichaamsdeelen geelachtig bruin, aan de onderdeelen +en aan de binnenzijde van de pooten geelachtig wit zijn. Vijf reeksen +van geelachtig witte vlekken van ronde of eivormige gedaante strekken +zich uit aan weerszijde van den romp van den schouder tot aan den +achterrand van de dij. Volwassen mannetjes kunnen 70 cM. lang, +ongeveer 35 cM. hoog en tot aan 9 KG. zwaar worden. + +De Paka is over het grootste deel van Zuid-Amerika, van Suriname door +Brazilië tot aan Paraguay, verbreid; ook komt zij op de Zuidelijke +Antillen voor. Hoe eenzamer en wilder de streek is, des te veelvuldiger +vindt men haar; in de bevolkte gewesten is zij overal zeldzaam +geworden. De woudzoom en de met struikgewas begroeide rivieroevers +of moerassige plaatsen leveren haar een verblijfplaats. Hier graaft +zij zich een hol van 1 à 2 M. lengte in den grond en brengt hier +den geheelen dag slapend door. Als de schemering invalt, gaat zij +voedsel zoeken; zij doet dit ook wel in aanplantingen van suikerriet en +meloenen, waar zij aanzienlijke schade aanricht. Voor 't overige voedt +zij zich met bladen, bloemen en vruchten van de meest verschillende +planten. Zij leeft paarsgewijze of eenzaam. Het wijfje werpt midden in +den zomer één jong (hoogstens twee), houdt het gedurende het zoogen in +een hol verborgen en voert het daarna gedurende verscheidene maanden +met zich mede op hare wandelingen. + +In Brazilië is zij, met de Agoeti's en verschillende soorten van +Gordeldieren, het gewone wild in de wouden. De Prins Von Wied ving +haar in de oerwouden dikwijls in klemmen. Ook jaagt men haar met +Honden en brengt haar als "koninklijk wild" aan de markt. In haar +hol is zij niet te genaken; wanneer men echter met aandacht den +woudzoom onderzoekt, zal men spoedig in de dichte rietbosschen +de wisselplaatsen van het dier bemerken. Hier stelt de jager +zijne strikken, met een maïskolf als lokaas; den volgenden morgen +vindt hij zijn moeite ruimschoots beloond. De Paka levert het beste +wildbraad van Brazilië; wat fijnheid en malschheid betreft, wordt het +misschien door geen ander overtroffen. Daar dit dier een zeer dunne +en zachte huid heeft, wordt het niet gevild, maar in zijn geheel +gebraden gelijk een Zwijn. Na deze toebereiding, en als de kop en +de pooten er afgesneden zijn, gelijkt het zoozeer op een jong Zwijn, +dat men zich er in zou kunnen vergissen. Volgens Kappler springt het +dier, wanneer het vervolgd wordt en zijn hol niet kan bereiken, in +'t water, waar het onderduikt en zoolang blijft, tot zijn vervolger +zich verwijderd heeft; hij vermoedt, dat het onder water verder zwemt. + +In den laatsten tijd heeft men de Paka niet zelden levend naar Europa +gebracht. Reeds Buffon heeft gedurende geruimen tijd een wijfje van +deze diersoort gehad, dat volkomen tam was, zich onder den kachel +een leger maakte, over dag sliep, 's nachts rondliep en als het +in een kast opgesloten was, aan het houtwerk begon te knagen. Het +likte de hand van bekende personen en liet zich door hen krauwen, +intusschen rekte het zich uit en gaf zijn tevredenheid door een zwak +geluid te kennen. Vreemde personen, kinderen en Honden trachtte het +te bijten. Als het toornig was, knorde en knarsetande het op een zeer +eigenaardige wijze. Het was zoo weinig gevoelig voor koude, dat het, +naar Buffon meende, in Europa inheemsch zou kunnen worden. De Paka +stelt geen hooge eischen, zoomin wat de voeding, als wat de huisvesting +betreft. Ik ben het met Buffon eens, dat dit dier zeer goed tegen +koud weer bestand is; ik geloof echter niet, dat het voordeel zou +opleveren het in Europa te acclimatiseeren. + + + +Het _Waterzwijn_ (_Hydrochoerus capybara_) mag in één opzicht als het +merkwaardigste van alle Knaagdieren beschouwd worden: _het is het +grootste en plompste lid van de geheele orde_. Zijn Nederlandschen +naam draagt het terecht, want het herinnert door zijn gestalte en +zijne op borstels gelijkende haren duidelijk aan het Zwijn. Zijne +kenmerken zijn: de kleine ooren, de gespleten bovenlip, het ontbreken +van den staart, de korte zwemvliezen tusschen de teenen, de forsche +op hoeven gelijkende nagels en de hoogst eigenaardige samenstelling +van het gebit. De kolossaal sterk ontwikkelde snijtanden zijn, +ondanks hun geringe dikte, minstens 2 cM. breed en hebben op hun +voorvlakte verscheidene ondiepe groeven; de laatste van de vier kiezen +is even groot als de drie voorste te zamen genomen. De romp is in +'t oog loopend plomp en dik, en door een korten hals verbonden met +den langwerpigen, hoogen en breeden kop, die in een stompen snuit +eindigt. Tot de eigenaardige uitdrukking van het gelaat dragen de twee +tamelijk groote, rondachtige, ver uitpuilende oogen veel bij. De ooren +zijn van boven afgerond, aan den voorrand omgestulpt, van achteren als +'t ware afgesneden. De achterste ledematen zijn merkbaar langer dan de +voorste; de voorvoeten hebben vier, de achtervoeten drie teenen. Een +bepaalde kleur kan men aan de ijle, grove beharing niet toekennen: een +moeielijk te bepalen bruine tint met een zweem van rood of bruinachtig +geel is over den romp verspreid, zonder ergens scherp op den voorgrond +te treden. De borstels rondom den mond zijn echter duidelijk zwart. Een +volwassen Waterzwijn bereikt ongeveer de grootte van een eenjarig +Gewoon Zwijn en heeft een gewicht van 50 KG. De lichaamslengte bedraagt +meer dan 1 M., de hoogte in de schoften 50 cM. en meer. + +De Capybara is over geheel Zuid-Amerika verbreid; van den Orinoko tot +aan de La Plata, van den Atlantischen Oceaan tot aan de oostelijke +uitloopers van de Andes bewoont zij lage, boschrijke, moerassige +gewesten, vooral rivieren, meeroevers en moerassen. Het liefst houdt +zij zich op bij groote stroomen; zij verlaat deze nooit, tenzij om +den loop van kleine, in dezen stroom uitmondende beken en waterloopen +te volgen. Op sommige plaatsen is zij buitengewoon veelvuldig; in +bewoonde oorden komt zij, zooals licht te begrijpen is, zeldzamer voor +dan in de wildernis. In bewoonde streken ziet men deze dieren alleen +'s morgens en 's avonds; in onbewoonde, weinig bezochte rivierdalen +daarentegen worden zij ook over dag in groote getale waargenomen; +altijd bevinden zij zich in de onmiddellijke nabijheid van den rivier, +waar zij grazen of als Honden op de bijeengebogen achterpooten zitten. + +De gewone gang van het Waterzwijn is een langzame draf, die evenwel +niet lang wordt volgehouden, in geval van nood beweegt het zich ook +wel sprongsgewijs. Het zwemt uitmuntend en komt met gemak aan den +overkant van het water, maar doet dit alleen, wanneer het vervolgd +wordt, of als het voedsel aan de eene zijde van de rivier schaarsch +geworden is. Wanneer het niet gestoord wordt, is het een standvastige +bewoner van een bepaald gebied; hoewel het dit steeds verlaat, +indien het hier vervolgingen heeft te verduren. Een eigenlijk leger +heeft het niet, hoewel het zich op gunstig gelegen plaatsen aan den +oever geregeld ophoudt. Zijn voedsel bestaat uit waterplanten en uit +de schors van jonge boomen; alleen wanneer het in de nabijheid van +plantages woont, doet het zich soms te goed aan watermeloenen of aan +maïs, rijst en suikerriet; het kan dan in sommige gevallen een zeer +aanzienlijke schade aanrichten. Het Waterzwijn is een stil en rustig +dier. Reeds bij oppervlakkige beschouwing zal iedereen bemerken, dat +het in hooge mate stompzinnig en arm van geest is. Nooit heeft men +het met andere dieren van zijn soort zien spelen. Men ziet de leden +van een kudde met langzame schreden hun voedsel zoeken, voor zoover +zij niet in zittende houding uitrusten. Van tijd tot tijd wenden +zij den kop om, als maatregel van voorzorg tegen vijanden. Als een +van deze zich vertoont, gaan zij niet overhaast op de vlucht, maar +loopen langzaam naar den waterkant. In den hoogsten schrik storten zij +zich onmiddellijk luid schreeuwend in den vloed en duiken onder. Als +zij niet gewoon zijn aan het gezicht van menschen, staren zij deze +dikwijls langen tijd aan, voordat zij vluchten. Men verneemt van hen +geen ander geluid dan de zooeven bedoelde noodkreet, die Azara door +"ap" aanduidt. Dit geschreeuw is echter zoo doordringend, dat men +het op een kwartier uurs afstand kan hooren. + +Het wijfje werpt eenmaal in het jaar 5 of 6 jongen. De bigjes volgen +onmiddellijk hun moeder, maar toonen haar slechts weinig genegenheid. + +In den laatsten tijd werd dit dier dikwijls levend naar Europa +gebracht. Ik heb gedurende langen tijd een Waterzwijn onder mijn hoede +gehad. Het was buitengewoon sterk aan mij gehecht, het kende mijn stem, +kwam nader als ik het riep, was verheugd als ik het liefkoosde, en +volgde mij als een Hond. Zoo vriendelijk was het niet tegen iedereen: +eens sprong het zijn oppasser, die het terugdrijven wilde, tegen de +borst en beet toen dadelijk toe; gelukkig trof het meer de kleeren +dan den man. Gedwee was het volstrekt niet; het gehoorzaamde alleen, +wanneer het zulks verkoos. Ik heb de bewegingen van het Waterzwijn +nooit plomp of onbeholpen gevonden. Zelden loopt het vlug, gewoonlijk +beweegt het zich op zijn gemak met groote stappen; het springt echter +zonder moeite over afschuttingen die één meter hoog zijn. In het water +toont het ongemeene behendigheid. Het zwemt met eenparige snelheid +lijnrecht over een breed water, even snel als een mensch loopen +kan, duikt na den sprong als een Vogel en blijft eenige minuten +achtereen onder water; ook zwemt het in de diepte verder, zonder +zich in de bedoelde richting te vergissen. Het is volstrekt niet +moeielijk dit dier in 't leven te houden. Evenals een Zwijn vreet het +allerlei plantaardige stoffen; het heeft wel veel, maar volstrekt geen +uitgelezen voedsel noodig. Het meest houdt het van frisch, sappig gras; +ook wortels, rapen en gekookte zemelen zijn zeer naar zijn smaak. Met +zijne breede snijtanden graast het als een Paard; ook drinkt het, +evenals dit dier slurpend, met lange teugen. Het houdt van warmte, +maar vreest de koude niet. Nog in November springt het uit eigen +beweging in het ijskoude water, zonder door schrik of vrees voor gevaar +hiertoe genoopt te worden.--Volgens de berichten van alle reizigers +maken alleen de Indianen van het vleesch van het Waterzwijn gebruik; +de Europeanen hebben er een afkeer van, omdat het een eigenaardigen, +onaangenamen, tranigen bijsmaak heeft. De dikke, bijna onbehaarde huid +is buitengewoon sponsachtig en zacht; zij levert een soort van leder, +waardoor het water gemakkelijk heendringen kan, en dat derhalve alleen +voor riemen, voetkleeden en rijzadels gebruikt wordt. De meisjes van +den Botokoedenstam rijgen de knaagtanden van het Waterzwijn aan een +snoer en maken er arm- en halsbanden van. Ander nut levert dit dier +niet op. + +De Zuid-Amerikanen maken voor hun vermaak jacht op de Capybara, +overvallen haar onverwachts, snijden haar den weg naar 't water af +en vangen haar met de lasso. Haar ergste vijand behalve de mensch is +vermoedelijk de Jagoear. Dag en nacht volgt deze sluwe roover haar +spoor; in de rivierdalen is zij waarschijnlijk de meest gewone buit, +die aan deze Kat ten deel valt. + + + +Onder den naam van _Schijnratten_ (_Octodontidae_) worden een +betrekkelijk gering aantal soorten van Zuid-Amerikaansche en +Afrikaansche Knaagdieren samengevat, die wegens de niet onbelangrijke +verscheidenheid van vormen, welke bij hen wordt opgemerkt, in een +betrekkelijk groot aantal geslachten worden gerangschikt. De naam van +deze niet zeer natuurlijke familie geeft te kennen, dat hare leden bij +oppervlakkige beschouwing, o.a. door gestalte en kleur, eenigermate +aan Ratten herinneren. De ooren zijn kort, breed en dun behaard, +de voeten hebben vier of vijf teenen, de staart is verschillend van +lengte, en dikwijls, evenals bij de Echte Ratten, met uit schubben +bestaande ringen bekleed; hiermede is trouwens nagenoeg alles gezegd +wat van de overeenkomst dezer dieren met Ratten te vermelden viel. Bij +eenige Schijnratten is de vacht zacht en fijn, bij anderen stijf en +borstelig, ja zelfs met enkele platte, overlangs gegroefde stekels +gemengd; bij enkele soorten gelijkt de staart in 't geheel niet op +dien van de Echte Ratten, maar is behaard en zelfs ruig behaard. Het +gebit bevat, behalve de bij alle Knaagdieren voorkomende wortellooze +snijtanden, in elke kaakhelft 4, bij uitzondering 3, kiezen, die in +den regel met ware wortels voorzien zijn, bij enkele soorten komen, +evenals bij de Woelmuizen, kiezen met open wortels voor. + +Sommige Schijnratten leven in bosschen, andere in 't vrije veld, nog +andere in 't kreupelhout, of tusschen rotsen, of aan de oevers van +rivieren en andere waterstroomen, of zelfs aan de zeekust. Gewoonlijk +wonen zij gezellig in door haar zelf gegraven, onderaardsche holen +met talrijke openingen. Eenige doorwoelen den grond als de Mollen, +werpen, evenals deze, aardhoopen op en leven bijna voortdurend +onder de oppervlakte van den bodem; andere bewonen dicht met planten +begroeide plaatsen en bewegen zich behendig in de boomkronen. Haar +gewone arbeidstijd is de nacht, slechts weinige zijn ook over dag +werkzaam. Sommige soorten zijn echte waterdieren en zijn meesterlijk +ervaren in het zwemmen en duiken. Tamelijk goed verdragen zij de +gevangenschap; zij wekken onze belangstelling door haar sierlijke +gestalte, zijn nieuwsgierig, beweeglijk, leeren haar verzorger +onderscheiden en hem volgen. Zij vermenigvuldigen zich tamelijk sterk, +want het aantal harer jongen wisselt af tusschen 2 en 7; zij kunnen +aangroeien tot scharen, die in plantages en akkers aanzienlijke schade +aanrichten. Het geringe nut, dat zij door haar vleesch en haar vel +opleveren, komt in geen vergelijking met het nadeel, dat zij door de +genoemde verwoestingen veroorzaken. + +In Chili, Peru en Bolivia leven de _Struikratten_ (_Octodon_), die als +'t ware een overgang vormen van de Eekhoorntjes tot de Ratten. Haar +gebit bestaat uit gladde, ongegroefde en spitse knaagtanden en +wortellooze maaltanden, welker kauwvlakten bijna op het Arabische +cijfer 8 gelijken. (Van hier de naam _Octodon_, "Achttand".) + +De _Degoe_ (_Octodon Cummingii_) is van boven bruinachtig grijs, +ongelijkmatig gevlekt, van onderen grijsbruinachtig, aan de borst en +in den nek donkerder, aan den staartwortel lichter, bijna wit. De +totale lengte van dit dier bedraagt omstreeks 26 cM., waarvan de +staart iets meer dan een derde in beslag neemt. + +De Degoe is in de middenprovinciën van Chili een van de algemeenste +dieren; bij honderden bedekken zij de hagen en het struikgewas; zelfs +in de nabijheid van drukke steden loopen zij onbeschroomd op de wegen +rond en dringen onbevreesd in tuinen en akkers door, waar zij door het +moedwillig stukknagen van planten bijna evenveel schade aanrichten, +als door hun vraatzucht. Zelden verheffen zij zich boven den bodem om +in de onderste takken der struiken te klimmen. Door zijne gewoonten +gelijkt dit dier veel meer op een Eekhoorntje dan op een Rat. Het +verzamelt voorraad in weerwil van het zachte klimaat, maar vervalt +niet in winterslaap. + + + +Tot de Schijnratten behoort ook de _Rattenbever_ of _Coïpoe_, de +_Noetria_ der Spaansch sprekende Amerikanen (_Myopotamus coypu_). De +romp van dit dier is ineengedrongen, de hals kort en dik, de kop +dik, lang en breed met stompen snuit en platte kruin; de oogen zijn +middelmatig groot, rond en uitpuilend, de ooren klein, rond en weinig +hooger dan breed; de ledematen zijn kort en krachtig, de achterste +een weinig langer dan de voorste; de voor- en achtervoeten hebben +vijf teenen, die door een breed zwemvlies verbonden en met lange, +sterk gekromde en spitse klauwen gewapend zijn, met uitzondering van +den binnenteen van de voorvoeten, die een platten nagel draagt. De +lange staart is rolrond, ringvormig geschubd en tamelijk overvloedig +begroeid met dicht aanliggende, stijve, borstelige haren. Overigens +is het haarkleed dicht, tamelijk lang en zacht; het korte, zachte, +donzige wolhaar is voor 't water bijna ondoordringbaar; het langere, +zachte, zwak glinsterende bovenhaar bepaalt de kleur, daar het wolhaar +er volkomen door bedekt wordt. Het gebit gelijkt door de buitengewone +grootte en breedte der knaagtanden op dat van den Bever. + +De Rattenbever kan nagenoeg zoo groot worden als een Vischotter; +zijn lichaamslengte bedraagt gewoonlijk 40 à 45 cM. zonder den bijna +even langen staart; men treft echter soms oude mannetjes aan, die een +totale lengte van 1 M. hebben. Gewoonlijk is de rug kastanjebruin en +de onderzijde bijna zwartbruin, de zijden zijn fraai rood. + +Een groot deel van de gematigde gewesten van Zuid-Amerika vormt +het vaderland van dit voor den pelterijhandel belangrijk dier. De +Rattenbevers komen voor in bijna alle landen, die ten zuiden +van den Steenbokskeerkring gelegen zijn. In de La-Plata-Staten, +in Buenos-Ayres, Patagonië en het middelste deel van Chili zijn +zij overal verbreid. Hun verbreidingsgebied strekt zich uit van +den Atlantischen tot den Stillen Oceaan: het ligt aan weerszijden +van het hooge gebergte tusschen 24 en 43 graden Z.B. Paarsgewijs +bewonen zij de oevers van meren en rivieren, bij voorkeur stilstaand +water waarin zooveel waterplanten groeien, dat zij een laag vormen, +sterk genoeg om hen te dragen. Ieder paar graaft zich aan den oever +een hol van 1 M. diepte en 40 à 60 cM. wijdte; hierin brengt het den +nacht en soms ook een deel van den dag door. In deze woning werpt het +wijfje later 4 à 6 jongen, die reeds op zeer jeugdigen leeftijd hun +moeder volgen. De Coïpoe is een uitmuntend zwemmer, maar kan slecht +duiken. Op het land beweegt hij zich langzaam, want zijne pooten zijn +zoo kort, dat de buikzijde van den romp bijna over den grond sleept; +hij gaat daarom alleen dan over het land, als hij zich van den eenen +poel naar den anderen wil begeven. Als een gevaar hem bedreigt, +begeeft hij zich oogenblikkelijk te water en duikt onder; als de +vervolging aanhoudt, zoekt hij ten slotte een toevlucht in zijn hol, +dat hij in gewone omstandigheden alleen des nachts opzoekt. + +Zijne geestvermogens zijn gering. Hij is schuw en vreesachtig, +en behoudt deze eigenschappen ook in de gevangenschap. Schrander +kan men hem niet noemen, hoewel hij mettertijd zijn verzorger leert +herkennen. In den Londenschen dierentuin wordt hij geregeld gehouden; +in den laatsten tijd treft men hem ook in andere diergaarden aan. "De +Rattenbever", zegt Wood, "is een vlugge en rappe maat; het is een +lust naar hem te kijken. Dikwijls heb ik op zijn grappige manier van +bezig zijn gelet en mij bijzonder vermaakt met de bedrijvigheid, die +hij openbaart bij 't zwemmen door den plas, die hem tot woonplaats +dient; ieder voorwerp, dat hem nieuw schijnt, wordt zoo zorgvuldig +mogelijk onderzocht. Zoodra men een hoopje gras in zijn hok werpt, +pakt hij het dadelijk met de voorpooten aan, schudt het sterk, +om de wortels van de aanhangende aarde te bevrijden, brengt het +vervolgens naar het water en spoelt het hierin zoo behendig schoon, +dat een waschvrouw van beroep het hem niet verbeteren zou." + +De gevangen Rattenbevers, die ik onder mijn hoede heb gehad, bleven +met korte tusschenpoozen gedurende den geheelen dag in het water of +aan den oever, rustten hoogstens in de middaguren en waren vooral tegen +den avond bijzonder druk in de weer. Zij toonden begaafdheden, die men +niet bij hen verwacht zou hebben. Hoewel zij zich niet bijzonder vlug +en ook niet lang achtereen bewegen, geven zij toch voldoende bewijzen +van kracht en behendigheid. Den naam "Bever" dragen zij niet geheel +te recht, want zij gelijken door hun aard en door de wijze, waarop zij +zwemmen, meer op Waterratten dan op Bevers. Zoolang zij niet verontrust +worden, zwemmen zij gewoonlijk rechtuit, waarbij het achterlijf diep +onder, de kop daarentegen tot op twee derde van zijn hoogte boven +het water wordt gehouden, terwijl de staart gestrekt is. Alleen de +achterpooten dienen voor het roeien; de voorpooten nemen aan dezen +arbeid evenmin deel als bij den Bever.--De stem van den Coïpoe bestaat +uit een klagend geluid, dat niet onaangenaam klinkt, als loktoon +dient en door zijne soortgenooten beantwoord wordt; men hoort het +dikwijls. Als het dier vertoornd of gestoord wordt, geeft het zijn +ontevredenheid door een verdrietig geknor of gebrom te kennen.--Het +liefste voedsel van den Rattenbever is gras; hij versmaadt echter geen +wortels, knollen, bladen en zaden; in de gevangenschap lust hij ook +wel brood; voorts eet hij met smaak dierlijk voedsel, b.v. Visschen; +ook in dit opzicht gelijkt hij op de Ratten en niet op de Bevers. Van +boomschors is hij, naar 't schijnt, geen liefhebber. Het gras wordt +door hem op een behendige wijze afgegraasd en niet bij stukjes en +beetjes afgeknabbeld; het voedsel dat men hem toewerpt, wordt met +de voorpooten gegrepen en naar den mond gebracht. Bij 't naderen +van den winter neemt de gevangen Rattenbever voorzorgsmaatregelen; +zij trachten daar, waar zulks mogelijk is, groote holen te graven. In +korten tijd maken zij diepe gangen en voorzien de hierbij behoorende +kamer met een zacht bekleedsel, door een deel van het voedsel, dat +hun wordt toegeworpen, vooral gras, in hun hol te sleepen. + +De verzorging van den Rattenbever is een eenvoudige zaak; men kan +hem gemakkelijk en goedkoop van voedsel voorzien; daar de teelt van +deze dieren geen bezwaren oplevert, kan aan iederen liefhebber van +dieren, die een voor dit doel geschikte ruimte heeft, het houden +van deze Knaagdieren aanbevolen worden. Het zou zelfs wel de moeite +waard zijn, een proef te nemen met het plaatsen van een kolonie van +4 of 5 Rattenbevers in een goed beveiligd bosch, waarin een vijver +of een langzaam stroomend water voorkomt en waar voldoende gras te +vinden is. Op grond van de reeds verkregen ervaringen geloof ik, +dat deze dieren hier genoeg voedsel zouden vinden en dat zij zich +ook wel gedurende den winter zouden redden, zonder aan het bosch of +aan den landbouw een eenigszins belangrijke schade toe te brengen. + +Wegens zijn uitmuntende vacht wordt dit dier ijverig vervolgd. In +het jaar 1827 werden, volgens officieele opgaven van het tolkantoor +te Buenos Ayres, 300.000 Rattenbevervellen door de provincie +Entre-Rios uitgevoerd; de uitvoer van dit artikel is later nog sterk +toegenomen. Tegenwoordig komen ongeveer 1 1/2 millioen vellen van +Rattenbevers in den handel, waarvan ongeveer twee derde, de geringste +soort, voor de viltbereiding dienen; de overige lang- en dichtharige +vellen worden door het uitplukken van het bovenhaar voorbereid +om tot garneering van pelzen te dienen; ten deele behouden zij hun +natuurlijke kleur, ten deele worden zij kunstmatig geverfd. Het witte, +welsmakende vleesch van den Rattenbever wordt op vele plaatsen door de +inboorlingen gegeten, in andere gewesten maakt men er geen gebruik van. + +In Buenos Ayres wordt de Rattenbever meestal met bepaaldelijk voor dit +doel afgerichte Honden gejaagd; deze zoeken het dier in 't water op en +brengen het binnen het schot van den jager, of dooden het zelf, hoewel +het groote Knaagdier zich moedig en krachtdadig te weer stelt. Op de +ondiepste gedeelten van de plassen, waarin het zich ophoudt, en vóór +zijn hol plaatst men klemmen. + + + +In Afrika komen Schijnratten voor, die, wat het uitwendige betreft, +niet ongelijk zijn aan den Rattenbever. De _Rietrat_ (_Aulacodes +swinderianus_) is een gedrongen gebouwd dier met kleinen kop, korten +en breeden snuit, kleine, onbehaarde, halfcirkelvormige ooren en korte +voeten, die ieder vier teenen en een knobbeltje op de plaats van den +duim hebben. Haar vacht bestaat uit gladde, stekelachtige borstels met +buigzame spits, die van onderen aschgrauw, in het midden donkerder en +aan de spits, die meestal door een bruinachtig gelen ring voorafgegaan +wordt, zwart zijn. Voorzoover bekend, strekt het verbreidingsgebied +van de Rietrat zich van Oost-Afrika zuidwaarts tot aan het Kaapland +uit, en omvat het aan de westkust zoowel Opper- als Neder-Guinea. Dit +dier houdt zich in de nabijheid van het water op; bij voorkeur kiest +het dichte gras-, riet- en biesbosschen en verward dooreengroeiende +struiken aan den waterkant tot woonplaats. Zijn voedsel bestaat uit +grassen, wortels en knollen, die het in voldoende hoeveelheid aan +den oever van het water en in de vochtige laaglanden vindt. Drummond +zegt, dat de Rietratten zeer schadelijke dieren zijn, die vooral in +de suikerriet- en maïsplantages groote verwoestingen kunnen aanrichten +en daarom in bebouwde streken ijverig vervolgd worden. + +Bovendien wordt op de Rietrat jacht gemaakt zoowel door de inboorlingen +als door de Europeanen, omdat haar vleesch welsmakender is dan dat +van eenig ander Afrikaansch Zoogdier. + + + +Eerst in de laatste zestig jaren is men nauwkeuriger bekend geworden +met de leden eener kleine familie van Amerikaansche Knaagdieren, welker +vellen reeds sinds overouden tijd door de oorspronkelijke bewoners van +Zuid-Amerika gebruikt worden, en die men sedert het einde van de vorige +eeuw bij groote partijen naar Europa vervoert. Naar den vaderlandschen +naam van het meest bekende, hiertoe behoorende geslacht (_Eriomys_ += "Wolmuis") noemt men ze gewoonlijk allen te zamen _Chinchilla_'s +(volgens den uitspraak Tsjintsjilla's). Aan den naam van een ander +geslacht (_Lagostomus_ = "Haasbek") is de wetenschappelijke naam +van de familie (_Lagostomidae_) ontleend. De naam _Haasmuizen_, die +soms aan deze familie gegeven wordt--en ook wel meer bepaaldelijk +tot aanduiding van een derde hiertoe behoorend geslacht (_Lagidium_ += "Haasje") dient--geeft te kennen, dat men deze dieren, wat hun +uitwendig voorkomen betreft, als overgangsvormen tusschen de Hazen +en de Muizen kan beschouwen. Werkelijk zou men den indruk, die hun +oppervlakkige beschouwing wekt, op de beste wijze kunnen weergeven, +door ze "Konijnen met langen, ruigen staart" te noemen. Door hun gebit +onderscheiden zij zich echter zeer duidelijk van de Hazen en naderen +zij meer tot de Halfhoevigen. Zij hebben n.l. snijtanden die van voren +glad (ongegroefd) zijn, en in elke kaakhelft een reeks van 4 kiezen +met open wortels; de reeks van de linkerzijde loopt niet evenwijdig +aan die van de rechterzijde maar nadert haar naar voren.--Van alle +Zoogdieren hebben deze knaagdieren de fijnste vacht. Haar kleur is +licht grijs, afwisselend met wit en zwartbruin of geel. + +Alle Chinchilla's bewonen Zuid-Amerika; voor 't meerendeel leven zij +in het gebergte, waar zij zelfs op groote hoogte n.l. tusschen de kale +rotsen in de nabijheid van de sneeuwgrens gevonden worden; slechts één +soort komt in de vlakte voor. Zij houden zich op in holen, die door +de natuur gevormd of door haar zelf gegraven zijn. Alle zijn gezellig, +sommige soorten bewonen familiesgewijs eenzelfde hol. Afkeerig van 't +licht, evenals de Hazen, vertoonen zij zich het meest in de schemering +of in den nacht. Het zijn snelle, beweeglijke, behendige, schuwe en +vreesachtige dieren; ook door hare bewegingen gelijken zij zoowel +op de konijnen als op de Muizen. Het gehoor is, naar het schijnt, +van alle zinnen het best ontwikkeld. Haar verstand is gering. Haar +voedsel bestaat uit wortels en korstmossen, bollen en schors; doch ook +wel uit vruchten. Haar vermenigvuldiging is ongeveer even sterk als +die der Hazen. Zij schikken zich zeer goed in de gevangenschap en zijn +aantrekkelijk door hare zindelijkheid en tamheid. Verscheidene soorten +richten schade aan, of worden althans lastig voor den mensch door haar +woelen in den grond: alle zijn echter nuttig door haar vleesch en vel. + + + +De _Chinchilla_'s (_Eriomys_), die het eerste geslacht van deze +familie vormen, onderscheiden zich van hare verwanten door haar +dikken kop, die breede, afgeronde ooren draagt, door voorvoeten met +vijf, en achtervoeten met vier teenen en door de vacht, die uit lang, +buitengewoon zacht en zijdeachtig haar bestaat. Van dit geslacht zijn +slechts twee soorten bekend, de _Chinchilla_ (_Eriomys chinchilla_) +en de _Wolmuis_ (_Eriomys lanigera_). De eerstgenoemde wordt 30 +cM. lang zonder den staart, die zonder de haren 13 cM., met de haren +echter 20 cM. lang is. De gelijkmatige, fijne, buitengewone zachte +haren zijn op den rug en aan de zijden meer dan 2 cM. lang; ieder +haar is van onderen donker blauwgrijs, verderop met breede, witte +ringen geteekend en aan de spits donkergrijs. Hierdoor verkrijgt de +vacht een zilvergrijze kleur met een donker waas. De onderdeelen en +de voeten zijn zuiver wit; de staart heeft aan de bovenzijde twee +donkere strooken. De oogen zijn groot en zwart. + +Reeds ten tijde van de Inca's verwerkten de Peruanen het fijne, +zijdeachtige haar van de Chinchilla tot doeken en dergelijke gewilde +stoffen. In de vorige eeuw kwamen de vellen dezer dieren voor 't eerst, +als een groote zeldzaamheid, over Spanje naar hier; thans zijn zij +een gewoon handelsartikel geworden. + +De reiziger, die, uitgaande van de westkust van Zuid-Amerika, +de Cordilleras beklimt, ziet wanneer hij een hoogte van 2 à +3000 M. bereikt heeft, alle rotsen dikwijls over een afstand van +verscheidene mijlen bedekt door echte Chinchilla's en door twee +soorten van een ander geslacht dezer familie. In Peru, Bolivia en Chili +moeten deze dieren buitengewoon veelvuldig zijn; daar uit de berichten +van reizigers blijkt, dat zij er op één dag duizenden voorbijgegaan +zijn. Zelfs op klaarlichten dag ziet men de Chinchilla's voor hare +holen zitten, nooit echter aan de zonzijde der rotsen, maar altijd +in de diepste schaduw. Nog veelvuldiger merkt men ze in de ochtend- +en avonduren op. Zij verlevendigen dan het gebergte en vooral de hooge +kammen in onvruchtbare, steenachtige en rotsachtige gewesten, waar de +plantengroei zich slechts op de armoedigste wijze vertoont. Juist op +deze schijnbaar geheel kale rotswanden houden zij zich het meest op; +hier ziet men hen buitengewoon vlug en druk zich bewegen. Met een +merkwaardige gemakkelijkheid klauteren zij op en neer langs wanden, +die schijnbaar in 't geheel geen steunpunten opleveren. In loodrechte +richting klimmen zij 6 à 10 M. hoog, zoo behendig en vlug, dat men +ze met het oog nagenoeg niet volgen kan. Hoewel zij niet bepaald +schuw zijn, laten zij toch niemand tot op korten afstand naderen; +zij verdwijnen oogenblikkelijk, zoodra men aanstalten maakt om hen +te vervolgen. + +Ofschoon de Chinchillas zich in den Londenschen dierentuin +vermenigvuldigd hebben, zijn de mededeelingen over haar voortplanting +nog zeer onvolledig. In haar vaderland heeft men in alle tijden van +het jaar drachtige wijfjes gevonden; de inboorlingen zeggen, dat het +aantal jongen in één worp van 4 tot 6 afwisselt. In Amerika wordt de +Chinchilla vaak getemd; naar Europa komt zij niet dikwijls in levenden +toestand. De bevalligheid van hare bewegingen, haar zindelijkheid en de +gemakkelijkheid waarmede zij zich in haar lot schikt, verschaffen haar +spoedig de vriendschap van den mensch. Zij toont zich zoo argeloos en +goedvertrouwend, dat men haar vrij in huis en in de kamer kan laten +rondloopen. Alleen door haar nieuwsgierigheid wordt zij lastig; +want zij onderzoekt alles, wat zij op haar weg vindt, zelfs de +gereedschappen die hoog boven den bodem opgehangen of neergelegd +zijn, omdat het voor haar een kleinigheid is bij tafels en kasten +op te klimmen. Niet zelden springt zij plotseling op het hoofd of op +de schouders van een der huisgenooten. Hare verstandelijke vermogens +staan ongeveer op één lijn met die van ons Konijn of van het Guineesch +Biggetje. + +In vroegeren tijd is de Chinchilla, naar men meent, ook in lagere +bergstreken tot op de hoogte van den zeespiegel even veelvuldig +geweest, als zij nu op groote hoogten is; thans vindt men ze in de +lager gelegen oorden slechts op enkele plaatsen en steeds eenzaam +levend. De aanhoudende vervolging, waaraan zij wegens de kostbaarheid +van haar vel is blootgesteld, heeft haar naar de hoogten de wijk +doen nemen. De Europeanen schieten haar nu en dan met het geweer of +met den handboog; deze wijze van jagen is echter met het oog op het +voordeel altijd onzeker, want als een Chinchilla niet zóó getroffen +wordt, dat zij oogenblikkelijk bezwijkt, sluipt zij steeds nog in +de een of andere rotsspleet en is dan voor den jager verloren. De +Indianen plaatsen goed bewerkte strikken vóór alle rotsspleten en +zamelen den volgenden morgen de Chinchillas in, die zich hebben laten +vangen. Bovendien verstaan zij meesterlijk de kunst om de Peruaansche +Wezel te temmen en voor de jacht op Chinchillas af te richten; zij +gebruiken dezen bondgenoot op dezelfde wijze als onze jagers het Fret. + +In het noorden en midden van Chili wordt de Chinchilla door de +_Wolmuis_ vervangen. Door haar levenswijze komt deze soort, naar +het schijnt, geheel met de vorige overeen; ook zij is ongeveer van +dezelfde gestalte en heeft een nagenoeg gelijke kleur. Zij is echter +veel kleiner, want haar totale lengte bedraagt hoogstens 35 à 40 cM., +waarvan ongeveer een derde afgetrokken moet worden voor den staart. De +dicht bijeen geplaatste, zachte haren worden op den rug 2 cM., op het +achterstel en de zijden 3 cM. lang. Haar kleur is licht aschgrauw, +met een donkerder tint gesprenkeld. + +Hoewel reeds in zeer oude reisbeschrijvingen van de Wolmuis melding +wordt gemaakt, kwamen eerst sinds betrekkelijk korten tijd op het +herhaald aandringen van natuuronderzoekers eenige schedels en later +ook levende exemplaren van dit dier naar Europa. In het jaar 1829 kwam +er één levend te Londen en werd door Bennett onderzocht. Het was een +zeer zachtaardig schepsel, dat evenwel nu en dan, als het niet goed +gehumeurd was, dit door pogingen om te bijten toonde. Zelden was +zij zeer opgewekt en slechts enkele keeren zag men hare zonderlinge +sprongen. Gewoonlijk zat zij op haar achterkwartier, hoewel zij zich +ook op hare achterpooten kon oprichten en in deze houding kon blijven +staan; het voedsel bracht zij met de voorpooten naar den mond. In +den winter moest men haar in een matig verwarmde kamer brengen en +haar woning met een stuk flanel voeren. + +De waarnemingen, die ik zelf aan een gevangen Wolmuis heb kunnen +doen, leverden uitkomsten op, welke met de mededeelingen van +Bennett overeenstemmen. Aan mijn gevangene merkte ik echter op, +dat zij meer nachtdier dan dagdier is. Wel was zij ook over dag +wakker, maar alleen, als zij gestoord werd. Het licht ontwijkt zij; +men zou zelfs zeggen, dat het haar angstig maakt; altijd zoekt zij +trouwens de donkerste plaatsen op. Hier blijft zij met ineengetrokken +lichaam stil zitten. Een hol wordt onmiddellijk als toevluchtsoord +gebruikt. Haar stem, een scherp geknor, ongeveer als dat van een +Konijn, hoort men alleen, als men haar aanraakt. Ongaarne laat zij dit +toe, ook tracht zij zich, als zij gegrepen wordt, door plotselinge, +springende bewegingen te bevrijden; nooit tracht zij zich echter met +haar gebit te verdedigen. Aan hooi en gras geeft zij boven ieder ander +voedsel de voorkeur. Zaden versmaadt zij, naar het schijnt; sappige +wortels raakt zij bijna niet aan. Of zij drinkt is niet uitgemaakt: +men zou bijna zeggen, dat zij alle drank ontberen kan. + +De Zuid-Amerikanen houden zeer veel van het vleesch van beide +soorten van Chinchilla's en ook Europeesche reizigers hebben er, +naar het schijnt, smaak in gevonden, hoewel zij zeggen, dat het de +vergelijking met dat van onzen Haas niet kan doorstaan. Trouwens +de bruikbaarheid van het vleesch van deze dieren is voor den jager +bijzaak, het voordeel moet komen van het vel. + +In den pelterij-handel wordt onderscheid gemaakt tusschen de vellen +van de groote, "echte" Chinchilla's en die van de kleine, kortharige +"Bastaard-Chinchilla's"; de eerstgenoemde brengen f 9 à f 15, de +laatstgenoemde slechts f 0.60 à f 3 per stuk op. Van gene komen ieder +jaar 20,000, van deze 200,000 stuks in den handel. + + + +De _Haasmuizen_ (_Lagidium_) onderscheiden zich van de eigenlijke +Wolmuizen door de veel langere ooren, door den staart, die even lang +als het lichaam en aan de bovenzijde ruig behaard is en door de zeer +lange snorren. In levenswijze komen deze dieren nagenoeg volkomen +overeen. Men kent van dit geslacht tot dusver slechts twee soorten +met zekerheid; beide leven op de hoogvlakten der Cordilleras en wel +dicht onder de grenzen van de eeuwigdurende sneeuw, tusschen kale +rotsen, op een hoogte van 3000 à 5000 M. boven den zeespiegel. Zij +zijn even gezellig, even vlug en behendig als de Wolmuizen, openbaren +dezelfde eigenaardigheden en voeden zich met dezelfde of althans met +soortgelijke planten. + +De op deze pag. afgebeelde _Haasmuis_-soort (_Lagidium Cuvieri_) +bewoont de hoogvlakten van 't zuiden van Peru en Bolivia en heeft +ten naaste bij de gestalte en de grootte van een Konijn. Haar vacht +is zeer zacht en langharig; de kleur is aschgrauw, aan de zijden een +weinig meer naar geel overhellend. + +De andere Haasmuis-soort bewoont Ecuador en het noordelijk gedeelte +van Peru. + + + +De vertegenwoordiger van het derde geslacht, de _Viscacha_ (_Lagostomus +trichodactylus_), gelijkt meer op de Chinchilla dan op de leden van +het vorige geslacht. Zij heeft een tamelijk dicht haarkleed, dat aan de +bovenzijde uit gelijkmatig verdeelde, grijze en zwarte haren bestaat, +waardoor de rug er tamelijk donker uitziet; de onderdeelen zijn wit +behaard, evenals de binnenzijde van de pooten. Zonder den staart is +het lichaam 50, met dezen 68 cM. lang. + +De Viscacha vertegenwoordigt haar familie ten oosten van de Andes; +zij bewoont thans de Pampas van Buenos Aires tot Patagonië. Toen de +bodem nog niet zoo ver ontgonnen was als nu, kwam zij ook in Paraguay +voor. Waar deze dieren tegenwoordig nog gevonden worden, is hun aantal +zeer groot. Op verscheidene plaatsen treft men ze zóó veelvuldig +aan, dat overal, doch nooit over dag, aan weerszijden van den weg, +die men volgt, geheele troepen zichtbaar zijn. Zij houden zich in de +eenzaamste en minst bebouwde gewesten op, doch naderen de ontginningen +tot op korten afstand; de reizigers kunnen zelfs uit het groot aantal +"viscachera's" (of woningen van de Viscacha) langs hun weg afleiden, +dat de Spaansche volkplantingen niet ver meer zijn. + +Schraal begroeide en voor een groot deel kale, dorre vlakten zijn het +erf van de Viscacha; hier heeft zij hare uitgestrekte, onderaardsche +woningen, bij voorkeur in de nabijheid van kreupelboschjes en op +geringe afstand van bebouwde velden. De holen worden gemeenschappelijk +gegraven en ook gemeenschappelijk bewoond; zij hebben een menigte +galerijen en vluchtgangen, dikwijls wel 40 à 50, en zijn van binnen in +verscheidene kamers verdeeld, al naar de talrijkheid van de familie, +die zich hier metterwoon heeft gevestigd. Het aantal familieleden kan +klimmen tot 8 à 10; daarna verlaat echter een deel van de familie de +oude woning en legt een nieuwe aan, liefst in de nabijheid van de +vorige. Bovendien kan het voorkomen, dat de Holen-uil, die wij als +commensaal van de Prairie-honden hebben leeren kennen, ook hier zich +vestigt en zonder veel plichtplegingen het een of ander hol in bezit +neemt. De zindelijke Viscacha's dulden nooit een huisgenoot, die niet +evenzeer als zij op netheid gesteld is en zoeken oogenblikkelijk +een ander kwartier op, wanneer een van de indringers haar door +onzindelijkheid last aandoet. Hierdoor wordt het verklaarbaar, +waarom de bodem dikwijls over een uitgestrektheid van een vierkante +mijl geheel en al ondermijnd is. Over dag ligt de geheele familie +verborgen in haar woning, omstreeks zonsondergang komen enkele leden +van het gezin te voorschijn, en zoodra de schemering aanbreekt, heeft +een meer of minder talrijk gezelschap zich voor de uitgangsopeningen +verzameld. Nadat deze dieren door een zorgvuldig onderzoek tot de +overtuiging zijn gekomen, dat hun geen gevaar bedreigt en geruimen +tijd in de nabijheid van het hol rondgezworven hebben, begeven zij +zich op weg om voedsel te zoeken. + +De Viscacha's gelijken door de wijze, waarop zij zich bewegen, veel +op onze Konijnen, die haar wel wat snelheid betreft aanmerkelijk +overtreffen; maar minder opgewekt, vroolijk en tot spelen geneigd +zijn. Terwijl zij aan 't grazen zijn, maken zij voortdurend grappen, +loopen haastig rond, springen knorrend over elkander heen, wisselen +begroetingen met den snuit enz. Evenals de Jakhals en de Poolvos +nemen zij de meest verschillende voorwerpen, die zij bij het bezoeken +van hare weideplaatsen vinden, naar hare holen mede en stapelen deze +voor de ingangsopening in bonte verwarring opeen, als 't ware om als +speelgoed te dienen. Zoo vindt men beenderen en vodderijen, koedrek en +toevallig verloren geraakte voorwerpen, die voor haar zeer zeker in +'t geheel niet dienstig kunnen zijn, voor hunne holen opeengehoopt; +de Gauchos gaan derhalve, als zij iets missen, naar de naastbijgelegen +viscachera's om daar het verlorene te zoeken. Uit hunne woningen +verwijderen deze dieren zorgvuldig al wat er niet in behoort, ook de +lijken van hunne soortgenooten. Het is nog niet uitgemaakt, of zij +in hun hol voorraad voor den winter bijeenbrengen. Hun stem bestaat +uit een zonderling, niet nader te omschrijven, luid en onaangenaam +klinkend gesnuif en geknor. + +Over de voortplanting is tot dusver niets met zekerheid bekend. Men +zegt, dat de wijfjes 2 à 4 jongen werpen en dat deze na 2 à 4 maanden +volwassen zijn. Göring zag steeds niet meer dan één jong bij de oude +Viscacha's. Het bleef voortdurend in de onmiddelijke nabijheid van zijn +moeder. Deze behandelt het, zoover men kon nagaan, met veel liefde +en verdedigt het in tijden van gevaar. Als men deze jongen vangt en +zich met hen bemoeit, worden zij tam; evenals onze Konijnen, kan men ze +zonder moeite in 't leven houden. Hier en daar treft men in Europeesche +diergaarden levende Viscacha's aan; die van den Frankforter dierentuin +was steeds stompzinnig, brommig en met boosaardige woede bezield. + +De Viscacha's worden vervolgd, niet zoo zeer wegens de waarde van +haar vleesch en vel, als wel wegens den last, dien zij door haar +woelen in den grond veroorzaken. Op de plaatsen waar zij veelvuldig +zijn, gaat het rijden werkelijk met levensgevaar gepaard, omdat de +Paarden dikwijls door de aardlaag, die hare dicht bij de oppervlakte +gelegen gangen bedekt, heentrappen, waardoor zij in 't gunstigste +geval schichtig worden, zoo zij niet vallen en daarbij hun berijder +afwerpen of zelve de pooten breken. De bewoners van het vaderland +der Viscacha's herkennen de viscacheras reeds van verre aan de +aanwezigheid van een kleine, wilde, bittere meloen, die misschien +een lievelingsspijs van deze dieren is. De bedoelde plant komt op +plaatsen waar vele viscacheras zijn, geregeld voor; het is ook wel +mogelijk, dat, omgekeerd, de holen aangelegd worden daar, waar de +genoemde planten in alle richtingen hare groene ranken over den bodem +uitbreiden. De gevaarlijkste plaatsen kunnen dus vermeden worden, door +op dit kenteeken te letten. Met alle mogelijke middelen tracht men +de Viscacha's uit de nabijheid van de volksplantingen te verdrijven; +men wendt in den letterlijken zin van 't woord vuur en water aan om +ze uit te roeien. Het gras om hare holen wordt in brand gestoken om +haar het voedsel te ontnemen; hare holen worden onder water gezet en +zij zelf hierdoor gedwongen om naar buiten te vluchten, waar de op +de loer liggende Honden haar weldra te pakken hebben. + +De Indianen eten het vleesch van de Viscacha en maken ook wel gebruik +van haar vel, ofschoon dit een veel geringere waarde heeft dan dat +der vroeger genoemde soorten. + + + +Aan het einde van de orde der Knaagdieren plaatsen wij de _Hazen_ +(_Leporidae_); zij vormen een familie die zoo vele eigenaardigheden +vertoont, dat er reden zou zijn om haar den rang van onderorde toe te +kennen. Zij zijn de eenige leden van de geheele orde, die meer dan twee +snijtanden in de bovenkaak hebben; want achter de scherpe en breede +knaagtanden staan nog twee echte snijtanden: kleine, stompe, bijna +vierzijdige stiften. Hierdoor verkrijgt het gebit een zóó eigenaardig +voorkomen, dat de Hazen in dit opzicht geheel alleen staan. Bovendien +komen in elke kaakhelft 5 of 6, ieder uit twee platen samengestelde, +wortellooze kiezen voor. De algemeene kenmerken van de Hazen zijn: een +in de lengte gerekt lichaam met lange achterpooten, een lange, smalle +kop met groote ooren en oogen, vijf teenen aan de voorpooten, vier aan +de achtervoeten, dikke, zeer beweeglijke, diep gespleten lippen met +dikke snorharen aan weerszijden en een dicht, bijna wollig haarkleed. + +Hoewel deze familie slechts een gering aantal soorten omvat, +is zij toch over een groot deel der aarde verbreid. Alleen in het +Australische rijk zouden de Hazen ontbreken, indien zij er niet door +den mensch ingevoerd waren; thans echter zijn over Nieuw-Holland en +Nieuw-Zeeland twee soorten ver verbreid. De Hazen komen voor in alle +klimaten, in vlakten en gebergten, in open velden en rotsspleten, +op en onder den grond, kortom overal; daar waar de verbreiding van de +eene soort ophoudt, begint die van een andere; de landstreek waar deze +zich niet op haar plaats gevoelt, vindt in gene een tevreden bewoner. + +Alle voeden zich vooral met de zachte en sappige deelen der planten, +doch eigenlijk versmaden zij er geen enkel deel van, voor zoover zij +het bereiken kunnen. Zij verslinden de planten van den wortel tot aan +de vruchten, ofschoon zij bij voorkeur gebruik maken van de bladen +van laag groeiende kruiden. De meeste leven op een beperkte schaal +gezellig en blijven trouw aan de eens gekozen of hun toebedeelde +woonplaats. Hier liggen zij over dag verborgen in een ondiepen kuil +of een hol in den grond, des nachts daarentegen zwerven zij rond om +voedsel te zoeken. Zij rusten, strikt genomen, alleen gedurende de +middaguren en loopen, als zij zich veilig gevoelen, ook 's morgens +en 's avonds bij helderen zonneschijn rond. Zij hebben een zeer +eigenaardige bewegingswijze. De spreekwoordelijke snelheid van den +Haas openbaart zich alleen, wanneer hij al zijne krachten inspant; +bij het langzaam gaan beweegt hij zich op een zeer logge en onbeholpen +wijze, daar de lange achterpooten een gelijkmatigen gang moeilijk +maken. Zij kunnen echter ook gedurende den snelsten loop allerlei +wendingen maken en geven in dit geval bewijzen van een behendigheid, +die men bij hen niet verwacht zou hebben. Zij vermijden het water, +ofschoon zij in geval van nood ook rivieren overzwemmen. + +Onder hunne zinnen staat ongetwijfeld het gehoor bovenaan; het bereikt +hier een ontwikkeling zooals bij weinige andere dieren, en ongetwijfeld +bij geen der Knaagdieren, voorkomt; de reuk staat op een lageren trap, +maar is ook niet zwak; het gezicht is tamelijk scherp. Hun stem bestaat +uit een dof geknor en, als zij angstig zijn, uit een luid, klagelijk +geschreeuw. [De tot deze familie behoorende, in bergstreken levende +Fluithazen (Hamsterhazen of Peka's, _Lagomys_) dragen hun naam te +recht.] Hun stem, die men trouwens slechts zelden hoort, gaat gepaard +met een eigenaardig geluid, dat veroorzaakt wordt door het slaan met +de achterpooten tegen den grond; dit geluid geeft zoowel vrees als +toorn te kennen en dient als waarschuwend sein. Bij 't nagaan van +de inborst dezer dieren merkt men verscheidene tegenstrijdigheden +op. Over 't geheel genomen is het beeld, dat men zich gewoonlijk van +den Haas vormt, niet juist. Men noemt hem goedaardig, vreedzaam, +onschuldig en lafhartig; de ervaring leert echter, dat hij ook de +hieraan tegenovergestelde eigenschappen kan hebben. Nauwgezette +opmerkers willen van de goedaardigheid der Hazen niets weten, maar +noemen ze ronduit boosaardig en twistziek in de hoogste mate. Algemeen +bekend zijn hunne vreesachtigheid, oplettendheid en schuwheid, minder +bekend de listigheid, die zij allengs verkrijgen en die met de jaren +tot een werkelijk bewonderenswaardige hoogte kan toenemen. Ook hun +lafhartigheid is niet zoo erg, als men meent. Stellig doet men hen +onrecht, wanneer men deze eigenschap zoo op den voorgrond stelt, als +Linnaeus deed, toen hij den Sneeuwhaas een naam gaf (_Lepus timidus_), +die hem voor altoos als een lafaard aan de kaak gesteld heeft. + +Hoewel het voortplantingsvermogen van de Hazen niet zoo sterk is als +dat der andere Knaagdieren, is het toch belangrijk genoeg om het oude +jagersgezegde, dat de Hazen zich in 't voorjaar onder vier oogen naar +'t veld begeven om in 't najaar met hun zestienen van daar terug te +keeren, van volle kracht te doen blijven op plaatsen waar 't leven +onzen Lampe vriendelijk tegenlacht en de vervolging niet al te erg +is. De meeste Hazen werpen verscheidene malen per jaar jongen, soms +3 à 6, in enkele gevallen zelfs 11 te gelijk; bijna alle behandelen +hunne kinderen echter op eene buitengewoon lichtzinnige wijze, waarvan +het gevolg is, dat er zoovele vroegtijdig sterven. Bovendien worden +zij wegens hun smakelijk vleesch door een geheel leger van vijanden +vervolgd; in ieder werelddeel zijn dit andere dieren, maar wat hun +aantal betreft, bestaat er tusschen het eene deel der aarde en het +andere niet veel verschil. Voor Duitschland heeft Wildungen de namen +dezer dieren in een rijmpje bijeengevoegd, dat vrij vertaald ongeveer +den volgenden inhoud heeft: + + + Menschen, Honden, Wolven, Lossen, + Katten, Marters, Wezels, Vossen, + Arend, Ooruil, Havik, Wouwen, + Elke Kraai, die wij aanschouwen, + Ekster, Raaf niet te vergeten, + Ieder, ieder wil hem--eten. + + +Het is wegens de talrijkheid hunner vijanden waarlijk geen wonder, +dat de Hazen zich aanmerkelijk minder sterk vermenigvuldigen dan +anders het geval zou zijn; wij mogen ons gelukkig achten, dat dit +zoo is, daar anders deze Knaagdieren niets op onze akkers zouden +overlaten. In alle streken waar hun aantal aanmerkelijk toeneemt, +worden zij een plaag voor het land. + +De leden van het geslacht _Haas_ (_Lepus_) onderscheiden zich door +ooren, die bijna zoo lang zijn als de kop, door de kortheid van den +duim der voorvoeten, de groote lengte der achterpooten (bijna het +dubbele van die der voorpooten), het opwaarts gerichte staartstompje, +en de 6 kiezen in elke bovenkaakshelft (in de onderkaak zijn er 5 +aan elke zijde). + +"Lampe", de _Gewone Haas_, een stevig Knaagdier van 75 cM. totale +lengte, waarvan slechts 8 cM. op den staart komen, en 30 cM. hoogte, +is een van de beide bij ons inheemsche vertegenwoordigers van +het Hazengeslacht. Hij bereikt een gewicht van 3 1/2, 4, 5, soms +van 6 KG., in zeldzame gevallen wordt een oud mannetje 7 of 8, +ja zelfs 9 KG. zwaar. De afwijkingen van grootte en kleur, die +men bij onze Hazen opmerkt, en die samengaan met het verschil in +smaak van hun vleesch, zijn een gevolg van de ongelijkheid van de +gronden, waarop zij leven, en van het voedsel, dat zij er vinden. Zoo +wordt b.v. de "Steenhaas," die iets kleiner, lichter van kleur en +volgens de fijnproevers lekkerder is dan de haas van de kleistreken, +vooral op heidevelden aangetroffen. Ook spreekt men van Heidehazen, +Grasbuiken en Duinhazen. De vacht bestaat uit kort wolhaar en lang +bovenhaar. Van haar kleur kan niet gemakkelijk met weinige woorden +een voor allen geldige beschrijving gegeven worden. In den regel is +zij grijsachtig bruin, op den rug donkerder en aan den buik wit, het +uiteinde der ooren en het bovendeel van den korten staart zijn zwart, +van onderen is de staart wit, op de schouders en de zijden is de +kleur bijna geheel ros. In den winter is de kleur altijd eenigszins +anders dan des zomers; ook vindt men vele kleurverscheidenheden: +donkere, gevlekte en witte. In den regel is de kleur van den Haas +voortreffelijk geschikt om dit dier, als het op den grond rust, +aan de blikken zijner vijanden te onttrekken. + +De (of, zooals de jager gewoonlijk zegt, "het") Haas draagt al naar +geslacht en leeftijd verschillende namen (die voor 't meerendeel ook +op het Konijn toepasselijk zijn). Het mannetje heet "rammelaar," +het wijfje "moerhaas" of "voedster". (Bij de Marters, Bunzingen +en Wezels, en ook wel bij het Konijn, spreekt men van "ram" of +"voedster".) "Halfwassen" is het jonge wild, wanneer het ongeveer +de helft van zijn wasdom heeft bewerkt. "Drieling" noemt men "het" +Haas, dat voor drie vierde volwassen is. De ooren heeten, volgens de +"jachtmatige" spreekwijze "lepels", de oogen "spiegels", de kop "bol", +de pooten "voorloopers" en "achterloopers", de achterbouten of dijen +"kussens"; het haar wordt "wol", de staart "pluim", de huid "vel" +genoemd. Voorts zijn ook de volgende termen van belang; "Het" Haas +en ook het overige "loopend" (viervoetig) wild is aan 't "laveien", +als het uitgegaan is om "lavei" (voedsel) te zoeken; het "drukt" zich, +als het zich op den grond verbergt om niet door den jager opgemerkt te +worden. Het "breekt uit" naar "'t veld" om te "laveien" en "vaart in" +"het hout", als het de omgekeerde richting volgt om te gaan rusten; +het volgt daarbij zijne "passen" of "wissels"; het "vaart in" het +"leger" wanneer het zich begeeft naar de ondiepe uitholling van +den bodem, waarin het over dag slaapt; het verlaten van het "leger" +heet "uitvaren"; door de Honden wordt het genoodzaakt het bosch te +"ruimen". De jager zal het dier "naoogen" ("nawaren"). In het veld, +"waar het zich drukte," wordt het door den Hond "opgestooten", of +"opgedaan", d.w.z. het "rijst" bij nadering van den Hond (of van den +jager), wordt doodelijk getroffen door een "bladschot" (d.i. van ter +zijde in het schouderblad, in het voorste gedeelte van den romp), maar +niet onmiddellijk neergeveld door een "weidewond" (in de onedele of +onderbuiksingewanden); men ziet het "zweet" (bloed); het dier "klaagt" +(kermt), "sneuvelt", dikwijls na vooraf "genekt" te zijn (wanneer men +"het" bij de "achterloopers" opgenomen Haas of Konijn doodt door een +slag met den kant van de rechterhand in den nek), wordt "ontweid" +(van ingewanden ontdaan), "afgehaald" (gevild) enz. + +Geheel Middel-Europa en een klein deel van westelijk Azië vormen het +vaderland van onzen Haas. In het zuiden wordt hij vervangen door een +soort van iets geringere grootte en meer rosse kleur, den Haas van +'t Middellandsche-zee-gebied, op de hoogste gedeelten der Alpen en in +het hooge noorden door den Sneeuwhaas. De Alpenhaas en de Sneeuwhaas +zijn misschien verschillende soorten, hoewel zij onderling veel +overeenkomst vertoonen. Onze Haas bereikt de noordelijkste grens +van zijn verbreidingsgebied in Schotland, in 't zuiden van Zweden, +in Noord-Rusland (op ongeveer 65 à 70° N.B.), de zuidelijkste +grens in 't zuiden van Frankrijk en in 't Noorden van Italië. In +Siberië werd hij nog niet aangetroffen. Binnen het genoemde gebied +komt hij, zooals licht te begrijpen is, niet overal even veelvuldig +voor. Hoewel de beperking van het aantal Hazen door de jacht, wegens +de zeer verschillende wijzen, waarop de jacht wordt uitgeoefend, +zeer ongelijkmatig geschiedt, spreekt het wel van zelf, dat deze +dieren zich bij voorkeur ophouden in de vruchtbaarste gewesten, +vooral in vlakten waar landbouw en veeteelt bloeien en waar bovendien +geen gebrek is aan schuilplaatsen, b.v. struiken en kreupelhout. In +gewesten, die grootendeels met bosschen bedekt zijn, komen zij +minder overvloedig voor; in uitgestrekte wouden zijn zij betrekkelijk +zeldzaam. Een golvend, heuvelachtig terrein vermijden zij niet geheel; +hoogere bergstreken zijn echter arm aan Hazen. Hoewel zij in den +Kaukasus nog voorkomen op 2000 M. en in de Alpen op 1600 M. hoogte, +worden zij toch in het Beiersche Oberland reeds op 1000 M. hoogte +slechts bij uitzondering aangetroffen; boven deze grens worden zij al +spoedig vervangen door den Sneeuwhaas. Duidelijk geeft de Gewone Haas +aan gematigde gewesten de voorkeur boven die, waar een ruw klimaat +heerscht. Omdat hij van de warmte houdt, vestigt hij zich het liefst +in velden, die onder den wind liggen en tegen de koudste winden beschut +zijn. De pogingen die men gedaan heeft, om hem in noordelijker gewesten +inheemsch te doen worden, zijn mislukt. Oude rammelaars zijn minder +kieskeurig, wat hun woonplaats betreft, dan voedsters en jonge Hazen; +gene maken zich dikwijls een leger in het struikgewas, in rietvelden +en in hoog gelegen, boschachtige bergstreken; terwijl de andere bij +de keuze van hun leger altijd zeer zorgvuldig te werk gaan. + +Over het algemeen is de Haas meer nachtdier dan dagdier, hoewel +men hem op heldere zomerdagen 's avonds reeds vóór zonsondergang en +'s morgens nog na zonsopgang in het veld ziet rondzwerven. Hoogst +ongaarne verlaat hij de plaats waar hij geboren en getogen is. De +jongen zijn gehecht aan de plek, waar zij het eerste levenslicht +hebben aanschouwd; in het oude leger vertoeven zij ook op lateren +leeftijd nog gaarne. Een der wijfjes-jongen vestigt zich daar veelal, +maar heeft bovendien nog een paar andere nesten. De Haas heeft altijd +meer dan één leger; wordt hij in 't eene ontdekt dan trekt hij naar een +ander. Na den dood van de voedster; die het ouderlijk leger bewoonde, +wordt deze schuilplaats al zeer spoedig, soms reeds den volgenden +dag, door een anderen jongen moerhaas ingenomen, die er vermoedelijk +insgelijks geboren is. Een natuurdrift schijnt de wijfjes aan deze plek +te binden. Door allerlei tegenspoeden, gebrek aan voedsel, vervolging +enz. worden zij dikwijls gedwongen ver van haar leger rond te zwerven; +zij keeren er echter in terug, als de paartijd nadert. De rammelaar +schijnt minder gehecht te zijn aan den geboortegrond, doch ook hij +zoekt dezen in den herfst weer op. Dit geschiedt steeds, als de rust +van den Haas niet of niet te veel verstoord wordt; voor een te lang +aanhoudende vervolging neemt hij voor goed de wijk naar andere oorden. + +De neiging van de Hazen om steeds terug te keeren naar de woonplaats +hunner voorouders en dezer eigenaardige levenswijze aan te nemen, +geeft aanleiding tot het onderscheiden van verscheidenheden, die door +woonplaats en gewoonten van elkander verschillen. Zoo spreekt men +o.a. van Veldhazen, Boschhazen, Woudhazen en Berghazen. De "Veldhaas" +houdt zich meestal in 't bouwland op en verschuilt zich bij droog en +stil weder onder de te velde staande, groeiende of reeds verdroogde +gewassen. Als 't regent, verlaten zij echter dit leger en zoeken, +daar zij den regen boven den drop verkiezen, hun toevlucht op het +opene, kale land. Daar de jager ze hier gemakkelijker kan vinden +zal de jacht gedurende het regenachtige weer, dat meestal tegen het +einde van den jachttijd invalt, niet zelden gelukkig zijn. Als de +oogst op den door den Haas bewoonden akker aanvangt, begeeft hij zich +naar andere plaatsen, waar graan, rapen, kool of dergelijke planten +verbouwd worden. Hij eet klaver, jonge graangewassen, distels, kool +en koolzaad; gele of roode wortelen, die hij met de pooten loswoelt, +zijn voor hem een lekkernij; ook allerlei wilde planten in het bouwland +en in de venen eet hij met smaak. Zijn lievelingskost schijnt echter +peterselie te zijn. In het laatste gedeelte van den herfst vestigt +hij zich bij voorkeur in een braak liggend land, dat reeds eenigen +tijd geleden werd omgeploegd, of op een niet al te vochtigen, met +biezen begroeiden grond of op een koolzaadakker. Het winterkoren en +het winterkoolzaad maken nu zijn hoofdvoedsel uit. Zoolang er weinig +of geen sneeuw ligt, verandert hij niet van leger. 's Nachts bezoekt +hij de tuinen, waar hij kool kan vinden. Wanneer er veel sneeuw +valt, laat hij zich in zijn leger insneeuwen, maar gaat, zoodra de +bui ophoudt, in de buurt van de klaverakkers wonen. Zoodra er een +ijskorst over de sneeuw komt, vangt voor hem een moeilijk tijdperk aan; +hoe minder voedsel hij op de akkers vindt, des te meer schade zal hij +aanrichten in de tuinen en boomkweekerijen. De schors van de meeste +jonge boomen, vooral die van den acacia en van zeer jonge berken, +is hem dan even welkom als de roode kool. Als de sneeuw door den dooi +afneemt of geheel verdwijnt, keert de Haas naar het winterkoren terug, +dat hem als voedsel dient, totdat het in de lente opnieuw begint +te groeien. Kort vóór zonsondergang (na een warmen regen nog iets +vroeger) begeeft hij zich naar het zomerkoren. Ook hiervan maakt hij +geen gebruik meer, zoodra de planten ouder geworden zijn; hij blijft +echter in het jonge graan liggen en bezoekt 's avonds de akkers, +waarop de kool sinds kort werd overgeplant, de rapenvelden enz. + +De "Boschhaas" begeeft zich alleen 's avonds naar het veld en keert +'s morgens met het aanbreken van den dag of kort na zonsopgang weder in +'t bosch terug. Gedurende den zomer echter houdt hij zich soms ook wel +over dag in het hooge koorn op, of, als het regent, op ongebroken of +omgeploegd braakland. In den herfst, als de struiken hunne bladeren +laten vallen, verlaat hij het bosch geheel, daar het vallen der bladen +hem angstig maakt; in den winter trekt hij zich in het donkere deel van +'t bosch terug; zoodra de dooi invalt, komt hij weder in het minder +dichte gedeelte. De eigenlijke "Woudhaas" vertoeft gedurende het +zachte en groeizame jaargetijde in den woudzoom; hij begeeft zich van +hier des avonds naar de velden, wanneer op de weiden in het woud niet +genoeg voedsel te vinden is. Bij felle vorst zoekt hij de duistere +gedeelten van het woud op en dringt er steeds dieper in door, zonder +zich om het afvallen der bladen te bekommeren.--De Berghaas vaart zoo +goed bij het gebruik van de geurige kruiden, die in de nabijheid van +zijn verblijfplaats groeien, dat hij, als er akkers in de nabijheid +zijn, deze alleen uit lust tot snoepen bezoekt. + +"Buiten den paartijd," zegt Dietrich aus dem Winckell, "brengt de Haas +den geheelen dag slapend of sluimerend in zijn leger door. Nooit gaat +hij regelrecht op de plaats af, waar hij een oud leger weet of een +nieuw wil maken, maar loopt eerst een eind voorbij de plaats waar +hij rusten wil, keert terug, doet weer eenige sprongen te veel, dan +weer een sprong zijwaarts en herhaalt dezen voorzorgsmaatregel eenige +malen, tot hij eindelijk met een flinken sprong op de plaats aanlandt, +waar hij blijven wil. Bij het maken van zijn leger graaft hij in +'t vrije veld een ongeveer 5 à 8 cM. diepe uitholling in den grond, +die daar, waar het achterste deel van 't lichaam moet liggen, een +weinig gewelfd is; deze kuil is lang en breed genoeg om te maken dat +er van het bovenste deel van den rug slechts zeer weinig te zien komt, +als het dier in het leger de voorpooten uitstrekt, hierop den kop met +de op den rug neerliggende ooren laat rusten en de achterpooten onder +het lichaam samentrekt. Deze schuilplaats beschut den Haas gedurende +het zachte jaargetijde tamelijk goed tegen storm en regen. In den +winter holt hij het leger gewoonlijk zoover uit, dat er niets dan een +klein zwartachtig grijs plekje van zichtbaar blijft. In den zomer +keert hij den kop naar 't noorden, in den winter naar 't zuiden, +bij stormachtig weer echter zoo, dat hij den wind achter zich heeft. + +"Het is, alsof de natuur den Haas door opgewektheid, snelheid en +sluwheid heeft trachten schadeloos te stellen voor de hem aangeboren +vreesachtigheid en schuwheid. Als hij de een of andere gelegenheid +heeft gevonden om onder bescherming van de duisternis zijn zeer goede +eetlust te bevredigen, en het weder niet al te ongunstig is, zal er +bijna geen morgen voorbijgaan, zonder dat hij zich onmiddellijk na +zonsopgang op droge, vooral op zandige plaatsen met zijne soortgenooten +of in zijn eentje met lichaamsoefeningen vermaakt. Door grappige +sprongen, door in een kring rond te loopen en zich over den grond +te wentelen toont hij zijn vroolijke gemoedsstemming; soms is hij +zoozeer in dit spel verdiept, dat hij zijn ergsten vijand, den Vos, +niet opmerkt. Een oude Haas laat zich niet zoo gemakkelijk beetnemen, +en weet, als hij gezond en niet vermoeid is, in den regel aan de +vervolging van zijn aartsvijand te ontkomen. Hij tracht dan door +'haken te slaan' (door zijsprongen en wendingen), een list, die +hij meesterlijk ten uitvoer brengt, zijn vijand te foppen. Alleen +wanneer hij voor snelle Windhonden vlucht, tracht hij een anderen Haas +vooruit te schieten om zich in diens leger 'te drukken', waarna hij +den uit zijn woning verdreven kameraad koelbloedig aan de vervolging +prijs geeft. Ook begeeft hij zich dan wel te midden van een kudde +vee of dringt in het eerste het beste rietbosch door; ingeval van +nood zwemt hij over een tamelijk breed water. Nooit echter waagt hij +het weerstand te bieden aan een levend wezen van een andere soort, +en alleen als de ijverzucht hem prikkelt, geraakt hij in strijd met +zijns gelijken. Soms komt het voor, dat een denkbeeldig of werkelijk +bestaand gevaar hem zoozeer verrast en van zinnen brengt, dat hij ieder +middel tot redding verzuimt, in de grootste angst heen en weer loopt, +of zelfs op jammerlijke wijze begint te klagen." + +Over 't algemeen is hij voor onbekende voorwerpen buitengewoon +schuw, hij mijdt daarom zorgvuldig alle in 't veld geplaatste +"hazenverschrikkers". Het komt echter ook wel voor, dat oude, volleerde +Hazen buitengewoon driest zijn, zich niet eens door Honden laten +verdrijven en, zoodra zij bemerken, dat deze opgesloten zijn of vast +liggen, met onvergelijkelijke onbeschaamdheid in den tuin komen om als +'t ware onder de oogen van de Honden hunne rooverijen te plegen. Lenz +heeft meermalen gezien, dat Hazen zoo dicht onder zijn venster en +naast de vastliggende Honden langs gingen, dat het schuim uit den +bek van de ten hoogste vertoornde Honden hen op de vacht spatte. + +De snelvoetigheid van den Haas is grootendeels hieraan te danken, +dat zijne achterpooten langer zijn dan zijne voorpooten. Om dezelfde +reden kan hij beter bij een helling op dan er af rennen. Als hij geen +haast heeft, maakt hij veel korter sprongen dan wanneer hij zich er op +toelegt om snel vooruit te komen. Bij het vluchten gaat hij dikwijls +zonder bijzondere reden op eenigen afstand van zijn leger opzitten +als een Hond; als hij de hem najagende Honden een eind weegs vóór is, +gaat hij op de geheel gestrekte achterpooten staan, doet zoo een paar +schreden vooruit en draait zich om en om. + +Gewoonlijk maakt hij alleen dan geluid, als hij zich in gevaar +bevindt. Dit geschreeuw gelijkt op dat van kleine kinderen en wordt +"klagen" genoemd. + +Onder de zinnen van den Haas is, gelijk men reeds uit de groote ooren +kan opmaken, het gehoor het best ontwikkeld; de reuk is behoorlijk +goed; het gezicht echter tamelijk zwak. Zijne meest in 't oog vallende +eigenschappen zijn buitengewone voorzichtigheid en oplettendheid. Het +zwakste geluid in zijn nabijheid, het suizen van den wind, die door +de bladen speelt, het ritselen van een blad, zijn voldoende om hem, +als hij slaapt, te wekken en scherp te doen opletten. Een bij hem +langs sluipende Hagedis of het gekwaak van een Kikvorsch kan hem +uit zijn leger verjagen, en zelfs als hij in vollen ren is, kan +men hem door gefluit, dat niet eens krachtig behoeft te zijn, doen +stilstaan. Ten onrechte noemt men hem zachtaardig. Dietrich aus dem +Winkell zegt zelfs, dat de leelijkste eigenschap van den Haas zijn +boosaardigheid is, al openbaart hij deze niet door krabben en bijten: +de moerhaas geeft er de duidelijkste bewijzen van door de geringe +zorg, die zij voor haar kroost draagt; de Rammelaar mishandelt de +jonge haasjes dikwijls op afkeerwekkende wijze. + +De bronsttijd begint na strenge winters in 't begin van Maart, +bij zachtere weersgesteldheid reeds in het laatst van Februari (of +vroeger; soms reeds in het begin van deze maand of zelfs in Januari) +over 't algemeen des te eerder, naarmate de Haas meer voedsel kan +vinden. Alle Hazen zijn dan buitengewoon onrustig. De ijverzucht +verbittert ook het gemoed van den Haas en geeft aanleiding tot +gevechten, die voor den toeschouwer hoogst vermakelijk zijn. Twee, +drie of meer rammelaars komen bijeen, rennen op elkander af, loopen +terug, richten neergehurkt het lichaam omhoog en verheffen zich op de +achterpooten, vliegen elkander opnieuw aan en deelen oorvijgen uit, +zoodat de wol in 't rond stuift, totdat eindelijk de sterkste zijne +tegenstanders het veld doet ruimen. Geloofwaardige jagers verzekeren, +dat deze gevechten tusschen verliefde Hazen, hoe onschuldig zij +ook schijnen, soms toch zware verwondingen ten gevolge hebben; niet +zelden treffen zij op hun jachtveld blinde Hazen aan, die bij een +minnestrijd aan de oogen verwond werden. De afgekrabde wol, die op +de kampplaatsen verspreid ligt, is voor den jager een teeken, dat de +bronsttijd werkelijk aangevangen is; in jaren met buitengewoon zacht +weer zal iedere dierenvriend zich wel wachten na dit tijdstip nog op +de hazenjacht te gaan. + +De moerhaas blijft ongeveer dertig dagen drachtig. Volgens Altum heeft +men wel eens in Januari jonge Hazen gevonden. Gewoonlijk echter heeft +de eerste worp plaats tusschen het midden en het einde van Maart, +de vierde en laatste in Augustus. De eerste maal brengt het wijfje +minstens één of twee, de tweede maal drie à vijf, de derde maal drie +en de vierde maal één of twee jongen ter wereld. Hoogst zelden en +slechts in een zeer gunstig jaar werpt een Haas vijfmaal jongen. De +geboorteplaats van de jongen bestaat uit een hoogst eenvoudige +uitholling van den bodem op een stille plaats van het bosch of van +akker; veelal een droge, met gras begroeide of met ruigte omzette +plek, waarin de moerhaas strooi of andere doode planten brengt, +soms kiest zij het bloote, kale veld voor kraambed uit, als haar de +tijd ontbroken heeft een betere schuilplaats te zoeken. De jongen +komen met geopende oogen ter wereld; de ooren hangen aanvankelijk +neer, doch richten zich weldra op; in alle opzichten is het bij +de geboorte al zeer ontwikkeld. Vele jagers hebben gezien, dat de +jonge Hazen onmiddellijk na de geboorte zichzelf moesten drogen en +reinigen. Zeker is het, dat de moeder slechts gedurende de eerste +vijf of zes dagen bij hare kinderen blijft, en ze daarna, met het oog +op een nieuwe vrijage, aan hun lot overlaat. Slechts nu en dan komt +zij weer terug op de plaats waar de jongen geboren werden, lokt ze +bijeen door een eigenaardig geklepper met de ooren en laat ze zuigen, +waarschijnlijk slechts om bevrijd te worden van de voor haar lastige +melk en niet uit echte moederliefde. Bij het naderen van een vijand +verlaat zij haar kroost in den regel, hoewel, er ook gevallen bekend +zijn, dat oude voedsters haar kroost tegen kleine Roofvogels en Raven +verdedigd hebben. Over 't algemeen is het aan de liefdeloosheid van de +moeder te wijten, dat er zoo weinige jongen in 't leven blijven. Die +van den eersten worp bezwijken in den regel door de koude. Indien er +al een het zwakke leven behoudt, wordt het door gevaren van allerlei +aard bedreigd, zelfs staat het aan de mishandelingen van zijn vader +bloot. Het gedrag van den rammelaar ten opzichte van de jonge Hazen +is werkelijk slecht; waar hij kan, kwelt hij ze dood. "Ik hoorde +eens," zegt Dietrich aus dem Winckell, "een jongen Haas schreeuwen, +en meende, daar het geluid van uit de nabijheid van het dorp kwam, +dat het dier zich in de klauwen van een Kat bevond; om dezen roover +met een schot te beloonen, kwam ik nader. In plaats van een Kat, +zag ik echter vóór het haasje een rammelaar zitten, die het jonge +dier met de beide voorpooten links en rechts zoo hevig om den kop +sloeg, dat het er reeds suf van geworden was. Het oude dier moest +zijn boosaardigheid met het leven boeten." + +Bij geen ander in 't wild levend dier heeft men zooveel misgeboorten +opgemerkt, als bij de Hazen. Exemplaren, die twee koppen of althans +een dubbele tong hebben, of met buiten den bek uitstekende tanden +voorzien zijn, komen niet zelden voor. + +De jonge Hazen verlaten ongaarne de streek, waarin zij het eerste +levenslicht aanschouwden. Zij verwijderen zich niet ver van elkander, +hoewel ieder zich een eigen leger graaft. Des avonds gaan zij +gezamenlijk voedsel zoeken, des morgens gaan zij gemeenschappelijk +naar hun slaapplaats terug; zoo leven zij vroolijk voort, tot zij +halfwassen zijn. Dan scheiden zij zich van elkander. Na 15 maanden +zijn zij volwassen, maar reeds in het eerste levensjaar, (op een +leeftijd van vijf maanden) voor de voortplanting geschikt. Zeven of +acht jaren is waarschijnlijk de langste levensduur, die de Haas bij +ons bereikt; er zijn echter voorbeelden bekend van Hazen, die nog +gedurende langeren tijd aan alle vervolgingen ontkwamen, en toch niet +door ouderdomsverzwakking het leven verloren. In het eerste vierde +deel van deze eeuw was in mijn geboortestreek een rammelaar berucht +onder de jagers; mijn vader kende hem al sedert 8 jaren. Steeds was +het den leepert gelukt alle gevaren te trotseeren; gedurende een zeer +strengen winter werd hij echter door mijn vader op den "aanstand" +geschoten. Toen hij gewogen werd, bleek het, dat hij een gewicht van +9 KG. had. + +"Het leven van dit Knaagdier," zegt Adolf Müller, "is een nagenoeg +onafgebroken aaneenschakeling van vervolging, nood en lijden; +deze worden wel is waar op den voet gevolgd door het zusterenpaar +waakzaamheid en voorzichtigheid, maar zijn vergezeld door een +kind dat hare begeleidsters verreweg over 't hoofd gegroeid is, en +minder medelijden dan spotlust wekt, n.l. door de algemeen bekende +angstvalligheid van den Haas. Verklaarbaar is dit, daar de legerscharen +onze inheemsche roovers--Zoogdieren, zoowel als Vogels,--tal van +spionnen, verspieders, struikroovers en moordenaars op den vreedzamen +en weerloozen planteneter afzenden, om het stille Eden van zijne +velden en bosschen in een schouwtooneel van verdrukking en dood +te veranderen; bovendien jaagt een geheele trits van Jachthonden, +van den krompootigen, langzamen Dashond, tot den hoogpootigen, +slanken, in snelheid met den storm wedijverenden Windhond, den +snelsten renner der velden en bosschen na, tot hij van uitputting +bezwijkt. En zij, die aan de volharding en de vlugheid van den Hond +ontkomen,--ondanks het speurvermogen, de list en de moordzucht der +Roofdieren, hun leven hebben kunnen behouden,--gespaard blijven in +weerwil van de soms levensgevaarlijke temperatuurswisselingen, stormen +en onweders,--worden nog voortdurend bedreigd door de middelen, die +de mensch heeft uitgedacht om hen te dooden. De mensch, sluwer en +wreeder dan eenig Roofdier, sluipt bij nacht en ontijd in het woud, +en legt in de pas van den Haas den strik van koperdraad, waarin +het onschuldige dier met den kop geraakt, en waardoor het geworgd +wordt. Dit doet evenwel alleen de strooper, niet de echte jager." + +Van het "hazenstrikken" geeft Dr. G. A. Venema de volgende +beschrijving: "Bestraalt de maan met hare zachte lichtstralen de +landstreek, dan verschuilt de Haas zich, als hij van zijne nachtelijke +wandelingen uitrust, op plaatsen, waar het oog van zijn vijand hem +moeielijk ontdekt; bij donkere maan waant hij zich meer veilig, +en opene, onbeschutte plaatsen kiest hij voor zijn leger uit. Ook +is de Haas bij maneschijn voorzichtiger; hij loopt minder snel, +en dikwijls ziet hij, opgericht op de achterste pooten, angstig den +omtrek rond, of hij iets ontdekt, dat voor hem gevaarlijk zou kunnen +zijn. Bij duisteren hemel is zijn loop sneller, maar toch alleen, +wanneer het pad zoo open is, dat zijn oog zich boven de omringende +planten of den grond verheft. Gaat het pad naar boven, dan richt de +Haas zich op het hoogste punt op, om het veld te verkennen; de helling +op- en afwaarts springt hij door, maar bij iedere plant of struik, +bij iedere oneffenheid in het pad, bij ieder kluitje, dat hij vindt, +blikt hij wantrouwend rond, alsof hij een vijand waant te zien of te +ontmoeten. Als de strooper hem dus in den koperen strik wil vangen, +zet hij dezen bij duistere maan over het pad, waar het effen en ten +minste zoo hoog als de omliggende grond is. Loopt het pad over heuvels, +hij wacht zich, den strik op de hoogte te plaatsen, waar de Haas stil +staat, of in de helling of den oploop, dien deze doorspringt. Maar hij +plaatst hem in de laagte, waar de Haas snel doorrent, echter alleen +als geen struiken of andere planten dezen het vrije uitzicht kunnen +belemmeren, en wanneer zich geen kluiten of oneffenheden in het pad +bevinden, waar de voorzichtigheid hem zou voorschrijven, zijn loop te +vertragen, en, nu en dan stil staande, zich te overtuigen, of zijn +leven, dat hij zoo lief heeft, met gevaar zou worden bedreigd. Ook +daar, waar het pad bochtig is, beteugelt de Haas zijn snelheid, +en een strik zou hem daar niet vangen. Is het buiig, dan loopt de +Haas niet veel, en altijd, door ieder geluid, dat de heen en weer +bewegende planten maken, beangst, is hij voorzichtig en behoedzaam; +veelal houdt hij zich dan meer in het leger. Bij duistere maan, als +het niet waait en de sterren helder schijnen, loopt de Haas sneller, +en de strooper rekent op een betere vangst. Is het veld met sneeuw +bedekt, dan is hij nog zekerder, om bij duistere maan den Haas in den +strik te vangen. De honger drijft het dier tot meerdere en grootere +reizen aan, want het voedsel is moeilijker te vinden. Jaagt de wind +de sneeuw hier en daar hoog op, dan kiest de Haas wel eens een leger, +dat met sneeuw bedekt is. Hij graaft dan door de sneeuw heen, van den +wal van een sloot of laagte af een lange gang, aan het einde waarvan +hij zich neervlijt. Bij zijn kop graaft hij de sneeuw tot een paar palm +dikte door, zoodat zijn ademhaling niet wordt belemmerd. Aldra komt +door de warmte een zeer kleine, geel omkleurde opening in de sneeuw, +waardoor de frissche buitenlucht tot hem doordringt, en waardoor de +warmere, uitgeademde lucht ontwijkt." "Veel sneeuw is voor de Hazen +zeer te vreezen; daar zij, evenals alle andere dieren, betreden +paden verkiezen boven ongebaande velden, huppelen zij bij hunne +nachtelijke wandelingen het eens betreden paadje velen malen door, +om in den strik, dien de sluwe strooper uitspant, of door het schot +van een op hen wachtenden wilddief, hun leven jammerlijk te eindigen." + +Over de verschillende, al of niet jachtmatige wijzen van hazenvangst, +zijn tal van boeken geschreven; het is mijn bedoeling niet hierover +nader uit te wijden. Naar mijn smaak verschaffen het "zoeken" en de +"aanstand" den jager het meeste genoegen. De hazenjacht met Windhonden, +hoewel buitengewoon opwekkend, bederft het jachtveld. Drijf- en +klopjachten, hoe genoegelijk ook in niet te sterk bevolkte districten, +waar veel Hazen zijn, ontaarden in een echte slachterij; het "zoeken" +en de "aanstand" daarentegen houden den jager voortdurend in spanning; +hierbij speelt hij de waardigste rol. Bij het zoeken van den Haas is +hij in de gelegenheid, om zich een ervaren jager te toonen. Op den +"aanstand" valt voor hem veel te leeren, omdat hij dan allerlei dieren, +de Hazen niet alleen, als 't ware nog in hun kamerjapon ontmoet, +en waarnemen kan, hoe zij handelen, als zij nog volkomen rustig en +zorgeloos zijn. Menig jager geeft aan den "aanstand" in 't woud de +voorkeur boven iedere andere jachtwijze; trouw staat hem hierbij een +liefelijke gezellin, de hoop, ter zijde. Tot den "aanstand" reken ik +ook het "verlappen," een wijze van jagen, die niet algemeen bekend is, +en waarvan ik daarom nog wel een beschrijving dien te geven: + +Onze angstvallige vriend Lampe ziet, zooals reeds opgemerkt werd, in +ieder hem onbekend voorwerp een reden om verschrikt te zijn, en op deze +eigenaardigheid berust het snoode plan, dat de arglistige mensch heeft +uitgedacht, om hem te verschalken. In het stille middernachtelijk uur, +als de Haas zich uit het bosch naar het veld heeft begeven om lekker +te smullen, sluipen zij, die de deuren van den herberg, waar hij den +dag doorbrengt, willen sluiten, in dezelfde richting voort. Drie of +vier mannen dragen groote pakken, die bij nader onderzoek rollen stevig +bindgaren blijken te zijn, waaraan op bepaalde afstanden twee vederen +of desnoods witte lapjes verbonden zijn. Dit zijn de "lappen" gelijk de +jager ze noemt. Men begint nu op een zekeren afstand van den woudzoom +deze verschrikkingsmiddelen te plaatsen. Met kleine tusschenruimten +worden dunne paaltjes in den grond gestoken volgens een kring, die +de akkers omgeeft, en hieraan de "lappen" bevestigd, die ongeveer een +halve meter boven den grond moeten zweven. Zoodoende wordt den Haas de +terugtocht naar het bosch versperd. Het jachtgezelschap begeeft zich +vroegtijdig op weg, daar het geruimen tijd voor het aanbreken van den +dag ter bestemder plaatse moet zijn. Zoo stil mogelijk bewandelt het +den daarheen leidenden weg. De eigenaar van de jacht plaatst de eene +jager hier, de andere daar op de beste uitwegen; het aantal jagers +in zijn nabijheid wordt allengs kleiner. Eindelijk is de omsingeling +tot stand gekomen, iedere jager heeft de best mogelijke hinderlaag +gekozen en wacht met gespannen aandacht de gebeurtenissen af, die nu +komen zullen. + +Bij het eerste krieken van den dag maken de Hazen zich op, om van +de akkers naar het bosch terug te keeren. Onbezorgd bewandelen zij +het hun welbekende pad. Deze en gene haalt zijn zeer gewone grappen +uit. Alles in de omgeving is doodstil, hoogstens wordt hier en daar +geschreeuw van een kraai vernomen. In het oosten wordt de benedenste +rand van het hemelgewelf door de opgaande zon rood gekleurd. Nader en +nader bij de gevaarlijke lijn komt Lampe: daar valt hem de reeks van +witte voorwerpen in 't oog! Hij krijgt achterdocht, schrikt, steekt de +ooren op en wendt eerst het eene, dan het andere naar verschillende +zijden. Overal blijft het stil. Nog een paar schreden gaat hij in +dezelfde richting voort om het vreemdsoortige schouwspel van dichter +bij gade te slaan; maar dit strekt slechts om zijn argwaan te doen +toenemen. Een zeer zorgvuldig onderzoek schijnt hier noodzakelijk. Eén +voor één deinzen de vreesachtige dieren vol ontzetting af, "slaan +een haak" en keeren langs den zooeven gevolgden weg naar den akker +terug, om op een andere plaats hun geluk te beproeven. Daar ginder +is het echter niet beter gesteld dan op de plaats, die zij zooeven +verlieten. Misschien zijn zij hier minder voorzichtig geweest en hebben +zij zich te veel blootgegeven; want plotseling schiet een vuurstraal +uit het woud en wordt de stilte van den morgen afgebroken door het +gedonder van een schot. Door alle bergen wordt het geluid weerkaatst +en de echo der bosschen draagt het al verder en verder. Thans komt er +leven in de brouwerij. Hier en daar knalt een schot, langs de geheele +lijn wordt gevuurd. Ten einde raad rennen de Hazen als dol in den +tooverkring rond. De eene Haas deinst hier, de andere daar af, maar +daar alle tot hun ongeluk zooveel mogelijk de van ouds bekende paden +volgen, komen zij steeds weer opnieuw den jager onder het schot. Zoo +duurt het moorden voort, totdat het klaarlichten dag geworden is. Want +zoodra de dag herleeft, zijn alle Hazen verdwenen, voor zoover zij +door den dood gespaard zijn. Zij hebben zich te midden van het veld +"gedrukt" en wachten hier kalmere tijden af, niet vermoedend, dat in de +middaguren het "verlappen" door de drijfjacht gevolgd zal worden. Ook +in het bosch begint nu beweging te komen; elke schutter verlaat zijn +post, om het door hem geschoten wild te halen. De meesten vinden veel +minder Hazen, dan zij meenden te zullen vinden. Het kost moeite om +in de schemering het dier behoorlijk in de vizierlijn te krijgen en +in den regel wordt er veel vaker mis geschoten dan geraakt.-- + +Gevangen Hazen worden licht tam en nemen zonder bezwaar alle soorten +van voedsel aan, dat men aan de Konijnen geeft; zij zijn echter teer +en aan groote sterfte onderhevig. Als men ze alleen hooi, brood, +haver en water, maar nooit groen voer geeft, blijven zij langer +in leven. Jonge Hazen, die in 't hok van de oude gebracht zijn, +worden in den regel doodgebeten. Hetzelfde lot ondergaan de meeste +andere zwakke dieren; in mijn hazenperk vond ik eens een doode, half +opgevreten Rat. Met Guineesche Biggetjes leven de Hazen in vrede; met +Konijnen en Sneeuwhazen paren zij, waardoor bastaardvormen ontstaan--de +zoogenaamde _Haaskonijnen_ of _Leporiden_--, die zoowel bij paring +onderling, als met dieren van de vaderlijke of moederlijke soort een +vruchtbare nakomelingschap opleveren. Verreweg de meeste van deze +bastaarden hebben een Haas tot vader en een Konijn tot moeder. De +jongen, welke ontstaan, wanneer de wijfjes van dezen bastaardvorm met +een Haas paren, zijn het voordeeligst. Van deze dieren heeft men reeds +in vele opeenvolgende geslachten de uitkomsten van de voortplanting +nagegaan, en opgemerkt, dat hun vruchtbaarheid niet afnam. Het wijfje +brengt zesmaal per jaar telkens vijf à zes jongen ter wereld. Of zij, +die zich met het fokken van deze dieren bezig houden, door dit bedrijf +voordeel behalen, moeten wij in 't midden laten. Hij, die al het voer, +dat deze dieren krijgen, koopen moet en toch nog winst verwacht van +de leporiden-teelt, zal waarschijnlijk bedrogen uitkomen; terwijl +dit bedrijf daarentegen in inrichtingen, waar een groote hoeveelheid +voor voedsel geschikt afval, wordt verkregen, waarschijnlijk winst kan +opleveren. "Het zou kunnen zijn," zegt Ritzema Bos, "dat mettertijd de +leporidenteelt van eenig belang werd. Het vleesch toch van het tamme +Konijn, dat om den geringen prijs, waarvoor het verkrijgbaar kan worden +gesteld, voor min gegoede menschen een geschikt voedsel zou kunnen +zijn, valt in ons land niet algemeen in den smaak. De witte kleur en +de eenigszins zoetachtige smaak van 't vleesch schijnen daarvan de +oorzaak te zijn. Het vleesch van Leporiden nu schijnt veel van dat van +Konijnen te verschillen, en meer tot dat van Hazen te naderen, waarom +het misschien meer kans zou kunnen hebben, eens onder de volksspijzen +een plaats te erlangen. Het mist den eigenaardigen zoetachtigen smaak +van konijnenvleesch; bij sommige Leporiden is het wit van kleur; bij +andere in rauwen toestand roodachtig, gekookt donkergrijs."--In sommige +opzichten bestaat er verschil tusschen de Leporiden ouderling. Dikwijls +vindt men in één worp behalve jongen van den gewonen vorm ook zulke, +die een eigenaardig zachte beharing vertoonen, afwijkend van de +beharing der beide ouders. Deze "langharige Leporiden," hoewel +verschillend in kleur, kwamen niet alleen overeen door de zachtheid +en lengte der afzonderlijke haren, maar bovenal ook door de kleur van +den ondergrond der beharing, die bij alle wit was, terwijl zij bij de +gewone Leporiden een blauwgrijze tint vertoont. Bij gene kwam zij meer +met die van Hazen, bij deze met die van Konijnen overeen. Individuën +van den eerstgenoemden vorm met elkander gepaard, brachten jongen +voort, waarop steeds de eigenschappen der vacht waren overgeërfd, +terwijl, zooals reeds gezegd werd, door paring van gewone Leporiden, +zoowel haaskleurige als konijnharige jongen (de laatste echter het +meest) ontstonden. "Ledematen en staart van de gewone Leporide zijn +langer dan die van het Konijn, korter dan die van den Haas. Het oog +is niet donkerbruin, zooals dat van 't Konijn, en evenmin bruingeel, +zooals dat van den Haas: het heeft een lichtbruine kleur, als die +van afgevallen bladeren. De jongen openen sneller de oogen dan jonge +Konijntjes, terwijl zij ook eerder hun nest verlaten, en in 't hok +rondloopen." Vooral de ooren en de achterpooten zijn meer haasachtig. + +Jong gevangen Hazen geraken zoo aan den mensch gewoon, dat zij tot hem +komen, als hij hen roept, uit zijn hand eten en ondanks hun domheid +kunstjes kunnen leeren verrichten. De oude Hazen daarentegen blijven +altijd dom en geraken ternauwernood aan hun verzorger gewend. De +gevangene zijn vlug en vroolijk, maar blijven vreesachtig. + +Over het nut en de schadelijkheid van den Haas heerschen verschillende +meeningen, al naar deze zaak door den bril van den econoom, of door +dien van den jager wordt bekeken. Een onbevooroordeeld rechter zal +de Haas echter, zonder voorbehoud, schadelijk moeten noemen, daar +het voedsel, dat hij noodig heeft, minstens tweemaal zooveel waarde +vertegenwoordigt, als het dier zelf. In de meeste streken van ons +vaderland, waar het aantal Hazen betrekkelijk gering is, wordt dit +verlies niet duidelijk merkbaar, omdat de Haas zelden lang op één +plaats blijft eten, maar gewoon is overal een weinig te snoepen; +zoo wordt de door hem aangerichte schade over een groot gebied +verdeeld, hoewel zij er niet geringer om is. Bovendien is de Haas +zeer kieschkeurig, zoolang hem nog eenige keuze wordt gelaten: +hij neemt alleen het middenscheutje van de kool-, koolraap- en +koolzaadplanten, de stengelspits van de granen, de knoppen en jonge +loten van vruchtboomen, en ander houtgewas. Voor de houtteelt is +hij in den winter, als een dikke sneeuwlaag de kruiden bedekt, +niet alleen door het afbijten van de knoppen, maar ook door het +ontschorsen der boomen, nadeelig; het meest hebben de acacia's en de +gouden regens op deze wijze van hem te lijden. Bij heide-ontginningen +kan de Haas de oorzaak van groote teleurstelling zijn, daar hij van +het te velde staand gewas, dat dikwijls toch al schraal is, niet +veel overlaat, als hij een bezoek aan de akkers brengt. Indirect +is de Haas schadelijk, doordat zij, die middelen beramen om het +wild in stand te houden, verklaarde vijanden zijn van Roofdieren, +die als ijverige muizenverdelgers gespaard behoorden te blijven, +zooals de Vossen, Bunzingen, Wezels, enz. + +Maar, al beschouwt men de schadelijkheid van den Haas als een +uitgemaakte zaak, dan vloeit hieruit nog niet voort, dat deze +diersoort uitgeroeid moet worden. Er wordt toch al genoeg gedaan voor +de vermindering van het aantal harer leden; zij, die door deze dieren +schade lijden, beschikken over afdoende middelen om hunne vermeerdering +te beperken; aan de voorstanders van het onvoorwaardelijk uitroeien +der Hazen zou men bovendien nog kunnen doen opmerken, dat ook de +liefhebbers van het jachtvermaak en van smakelijk wildbraad in deze +kwestie een woordje in 't midden hebben te brengen. + +De Haas is ook nuttig door zijn vel. In Rusland worden zeer veel +hazenvellen gebruikt, en in Bohemen, waar reeds van oudsher veel werk +gemaakt wordt van de fabricatie van vilten hoeden, zijn voor dezen tak +van nijverheid ieder jaar omstreeks 40.000 hazenvellen noodig. Van +de onthaarde en gelooide huid worden schoenen gemaakt; de van haar +bevrijde huid dient ook voor de bereiding van perkament en van lijm. + +Nog is het niet uitgemaakt, of de _Sneeuwhaas_ van de Alpen en die +van het hooge Noorden, een en dezelfde soort vormen. Over 't algemeen +zijn beide trouwe kinderen van hun vaderland. Hun kleed is zooveel +mogelijk in overeenstemming met den bodem, hoewel het eigenaardige +afwijkingen vertoont. De Alpen-sneeuwhazen zijn in den winter zuiver +wit, alleen aan de spits van de ooren zwart, in den zomer grijsbruin +en wel volkomen effen, niet gesprenkeld, zooals de Gewone Hazen. De in +Ierland levende, veel met den Alpen-sneeuwhaas overeenkomende Hazen, +worden, naar men zegt, nooit wit; eenige geleerden beschouwen ze +deswege als een afzonderlijke soort (_Lepus hibernicus_). + +Daarentegen hebben de Hazen in 't hooge Noorden van 't Europeesche +vasteland en in Groenland des zomers geen andere kleur dan 's +winters; ook zij worden om deze reden door sommige dierkundigen +als een afzonderlijke soort aangemerkt (_Lepus glacialis_). Onder +de Skandinavische Hazen, die alle Sneeuwhazen zijn, komen beide +gevallen voor: sommige worden bij 't naderen van den winter op de +zwarte oorspitsen na, wit, andere veranderen niet van kleur. Volgens +Blasius moeten al deze Sneeuwhazen voor verscheidenheden van één soort +(_Lepus variabilis_) gehouden worden. + +De _Alpenhaas_ of _Sneeuwhaas_ (_Lepus timidus, L. variabilis_) +verschilt door lichaamsbouw en voorkomen duidelijk van den Gewonen +Haas. "Hij is," zegt Tschudi, "opgewekter, levendiger, driester, +heeft een korteren, ronderen, meer gewelfden kop, een korteren neus, +kleinere ooren (die, tegen den kop aangedrukt, niet tot aan de spits +van den snuit reiken), breedere wangen; de achterpooten zijn langer, +de zolen sterker behaard, de teenen zijn dieper vaneengescheiden, +kunnen verder uitgestrekt worden, en zijn met lange, spitse, kromme, +gemakkelijk terugtrekbare nagels gewapend. De oogen zijn niet, zooals +die van de witte Konijnen, witte Eekhoorns, witte Muizen enz., rood +van kleur, maar donkerder bruin dan die van den Gewonen Haas. + +"Wanneer in December de Alpen onder de sneeuw begraven liggen, is deze +Haas zoo zuiver wit als de sneeuw; alleen de spitsen van de ooren +blijven zwart. De lentezon brengt, te beginnen in Maart, een zeer +merkwaardige kleurverandering teweeg. Het eerst wordt de rug grijs; +de grijze haren vertoonen zich ook aan de zijden in steeds toenemend +aantal tusschen de witte. In April heeft het dier een zonderling, +onregelmatig gevlekt of gesprenkeld voorkomen. Van dag tot dag breidt +de donkerbruine kleur zich verder uit; eerst in Mei eindelijk komt +de verandering tot stilstand; de Alpenhaas is dan geheel eenkleurig +geworden en heeft geen gesprenkelde vacht zooals de Gewone Haas, die +bovendien een grover haarkleed heeft. In den herfst begint hij reeds +met het vallen van de eerste sneeuw enkele witte haren te krijgen; +daar echter in de Alpen de strijd tusschen den winter en den herfst +spoediger beslecht wordt dan die tusschen de lente en den winter, +heeft de kleurverandering in 't najaar schielijker plaats dan die in +'t voorjaar: zij duurt van 't begin van October tot in 't midden van +November. Als de Gems zwart wordt, krijgt haar buurman, de Alpenhaas, +een witte vacht. Men kan er zeker van zijn, in de hoog gelegen gewesten +van alle Alpenkantons de Sneeuwhaas te ontmoeten; in den regel is hij +hier even talrijk als de Gewone Haas in lagere streken. Het liefst +houdt hij zich op tusschen de grens der dennen en de eeuwigdurende +sneeuw, ongeveer op gelijke hoogte met het Sneeuwhoen en de Marmot, +tusschen 1600 en 2600 M. boven den zeespiegel; zijne zwerftochten +strekken zich echter dikwijls nog veel hooger uit. + +"Zijn leger bevindt zich tusschen steenen, in een grot of tusschen +de neerliggende dennen (_Pinus mughus_) en dwerg-pijnboomen (_Pinus +pumilio_). Des morgens vroeg of dikwijls reeds in den nacht verlaat +hij dit leger en graast dan op de met gras begroeide plekjes grond, +die over dag aan 't zonlicht blootgesteld zijn. Zijn liefste voedsel +bestaat uit de talrijke, hier groeiende soorten van klaver, uit +ganzebloemen (_Chrysanthemum parthenium_), duizendblad (_Achillea +millefolium_) en violen; ook knaagt hij de dwerg-wilgen en de schors +van het peperboompje (_Daphne muzereum_) af. De monnikskap (_Aconitum_) +en de ooievaarsbekken (_Geranium_), die ook voor hem vergiftig schijnen +te zijn, laat hij zelfs in winters, waarin groot gebrek aan voedsel +heerscht, onaangeroerd. Des avonds gaat hij opnieuw voedsel zoeken, +en maakt dan ook wel een wandeling langs de rotsen en door de wilgen, +waarbij hij zich dikwijls op de achterpooten opricht. Vervolgens +keert hij naar zijn leger terug. Des nachts staat hij bloot aan de +vervolgingen van den Vos, den Bunsing en de Marters. De Ooruil, +die hem gemakkelijk zou kunnen overmeesteren, komt nooit op deze +hoogten. Menige Sneeuwhaas valt echter ten buit aan andere groote +Roofvogels der Alpen. Onlangs ving een Steenarend in de Appenzeller +bergen, die op eenden had zitten loeren, een vluchtenden Alpenhaas +voor de oogen van de jagers weg en voerde hem door de lucht mede. + +"In den winter is het voedsel van den Alpenhaas dikwijls schaarsch. Als +de sneeuw hem verrast, voordat hij zijn dikker winterkleed aangetrokken +heeft, gaat hij dikwijls verscheidene dagen achtereen niet van onder +de steenen of struiken weg; hij heeft dan veel te lijden van honger +en koude. Ook blijft hij in 't veld liggen, wanneer een hevige +sneeuwbui hem overvalt. Hij laat zich dan geheel onder de sneeuw +begraven, dikwijls wel 60 cM. diep en komt eerst te voorschijn, als +de vorst de sneeuw zoo hard heeft gemaakt, dat zij hem draagt. Tot +zoolang graaft hij zich daaronder een vrije ruimte en beknabbelt de +bladen en de wortels van de Alpenplanten. Als het winter geworden is, +zoekt hij in de ijle Alpenbosschen naar gras en boomschors. Zoodra +de wind de dieper gelegen plaatsen, die met sneeuw gevuld zijn, +weer blootgelegd heeft, keert de Haas naar de hooge Alpen terug. + +"De moerhaas brengt bij elken worp 2 à 5 jongen ter wereld, die niet +grooter zijn dan Muizen en een witte vlek aan 't voorhoofd hebben. De +eerste worp heeft gewoonlijk plaats in April of Mei, de tweede in Juli +of Augustus; of deze nog door een derden worp gevolgd wordt, en of er +een aan de reeds genoemde voorafgaat, wordt dikwijls betwijfeld. Het is +bijna onmogelijk het familieleven van de Alpenhazen te bespieden, daar +deze dieren een zeer fijnen neus hebben en de jongen zich buitengewoon +goed in alle spleten en gaten van gesteente weten te verbergen. + +"De jacht op den Alpenhaas heeft hare lasten en hare lusten. Daar +zij eerst kan plaats hebben, als de sneeuw de Alpenketen bedekt, +levert zij niet weinig bezwaren op; hier staat echter tegenover, dat +het niet moeielijk is de verblijfplaats van het wild te ontdekken; +daar het versche spoor in de sneeuw duidelijk aantoont, waar het zich +bevindt. Als men de gangen gevonden heeft, die de Alpenhaas dikwijls +in de sneeuw graaft om te grazen, en daarna het hiervan uitgaande +spoor volgt, ontwaart men vele zigzagsgewijze wendingen naar rechts en +links, die het dier gewoon is te maken, daar het zich na geëindigden +maaltijd nooit regelrecht naar zijn leger begeeft. Van hier gaat een +spoor uit, dat over een tamelijk grooten afstand geen afwijkingen +vertoont. Het kromt zich, wordt daarna gevolgd door eenige afwijkingen +heen en terug (in den regel minder dan bij den Gewonen Haas) en ten +slotte door een ring- of lusvormig spoor, dat in de nabijheid van +een steen, struik of wal eindigt. Hier moet de haas liggen. Bij goed +weder ziet men hem boven op de sneeuw lang uitgestrekt, dikwijls met +open oogen slapend; intusschen kleppert hij een weinig met de kaken, +zoodat zijn ooren bestendig in trillende beweging zijn. Als het weder +echter guur is door den ijskouden wind, die zoo dikwijls op deze +hoogten heerscht, ligt de Haas meer verborgen, soms beschut door een +steen, soms op den bodem van een in de sneeuw gegraven kuil. Hier +kan de jager hem gemakkelijk schieten. Als hij hem niet treft, +vlucht de Haas met stormachtige haast en maakt geweldige sprongen; +hij gaat echter niet zeer ver, en is gemakkelijk weder onder schot +te krijgen. Het kraken van de sneeuw en het knallen van 't geweer, +boezemen hem geen schrik in; hij is aan dergelijke geluiden in het +gebergte gewoon. Ook de Hazen in den omtrek worden er niet door op +de vlucht gedreven; dikwijls brengt een jager er drie of vier stuks +thuis, die alle in het leger geschoten werden. In één leger zal men +er echter nooit twee bijeen vinden, zelfs niet in den paartijd. De +beweging van den Alpenhaas heeft iets eigenaardigs: zij bestaat uit +groote sprongen. Het spoor is kenbaar aan den betrekkelijk zeer breeden +afdruk van den voet. Evenals bij de Gems is de bouw van den voet bij +den Alpenhaas voortreffelijk ingericht voor het verblijf in het rijk +der sneeuw. De zool is breeder, de voeten zijn dikker dan die van den +Gewonen Haas. Bij het loopen spreidt hij de teenen ver uit, zoodat +zij als sneeuwschoenen het wegzinken in de sneeuw verhoeden; op het +ijs bewijzen de klauwen, die uitgestoken kunnen worden, uitstekende +diensten. Als de Alpenhaas met Honden gejaagd wordt, blijft hij veel +langer voor den staanden Hond liggen als zijn neef in 't laagland; +wanneer hij vervolgd wordt, sluipt hij slechts zelden in de enge +pijpen van de woningen der Marmotten, nooit echter in Vossenholen. + +"Opmerkelijk is het, dat de Alpenhaas gemakkelijker getemd kan worden +dan de Gewone Haas, en zich rustiger en vertrouwelijker gedraagt; +hij blijft echter zelden lang in 't leven, en wordt zelfs bij de +rijkelijkste voeding niet vet. De Alpenlucht mist hij maar al te zeer +in 't dal. In den winter neemt zijn vacht ook hier een witte kleur +aan. Het vel van dit dier wordt niet hoog geschat, zijn vleesch is +echter zeer smakelijk." + + + +Van de eigenlijke Hazen onderscheidt het _Konijn_ (_Lepus cuniculus_) +zich door zijn veel geringere grootte, slankeren lichaamsbouw, korteren +kop, kortere ooren en kortere achterpooten. De lengte van dit dier is +40 cM., met inbegrip van den 7 cM. langen staart; het gewicht van een +ouden rammelaar kan 2 à 3 KG. bedragen. Het oor is korter dan de kop, +en steekt, als het tegen den kop aangedrukt wordt, niet voor den snuit +uit. De staart is tweekleurig (van boven zwart, van onderen wit) met +roeskleurige spits. Het grootendeels zwartachtig blauwgrijze wolhaar +heeft aan de bovenzijde geelachtig bruine of roodachtig gele, aan de +onderzijde en op de pooten witte spitsen. De hals is aan de onderzijde +roestgeelachtig grijs, aan de bovenzijde effen roestrood; de buikzijde +van den romp, de keel, en de binnenzijde van de pooten zijn wit. De +spitsen der zwartachtig blauwgrijze bovenharen van de rugzijde van +den romp zijn zwart, en treden bij sommige exemplaren zoozeer op den +voorgrond, dat de kleur van de bovendeelen bij hen zeer donker en +soms zelfs zwart is. In den regel is de romp van boven geelbruinachtig +grijs, aan de zijden en op de schenkels lichter, de kop roodgeelachtig +grijs, aan de zijden lichter. Kleurverscheidenheden komen bij het +wilde Konijn veel zeldzamer voor dan bij den Haas; de tamme Konijnen +echter wijken in kleur en andere eigenschappen zeer uiteen. + +Bijna alle natuuronderzoekers nemen aan, dat het oorspronkelijk +vaderland van het Konijn Zuid-Europa was en dat het van hier naar de +landen benoorden de Alpen is overgebracht. Plinius vermeldt het onder +den naam _Cuniculus_, Aristoteles noemde het _Dasypus_. Alle oude +schrijvers beweren, dat het uit Spanje afkomstig is. Volgens Strabo +zou het van de Balearen naar Italië gekomen zijn; Plinius verhaalt, +dat het zich in Spanje soms ontzaglijk sterk vermenigvuldigt, en op +de Balearen door vernieling van den oogst hongersnood teweegbracht. De +bewoners van deze eilanden wendden zich tot Keizer Augustus om hulp. + +Tegenwoordig is het Konijn over geheel Zuid- en Midden-Europa verbreid, +en in sommige gewesten zeer algemeen. In ons land is het Konijn in alle +duinstreken langs de kust buitengewoon menigvuldig. In de lage landen +en op kleigronden wordt het niet waargenomen, daarentegen komt het zeer +algemeen voor op den diluvialen bodem van onze grens-provinciën, vooral +in Gelderland, Drente en Overijsel. O.a. omdat dit dier de duinen en +dijken ondermijnt, tracht men zijn vermenigvuldiging zooveel mogelijk +tegen te gaan; op enkele plaatsen heeft men het kunnen uitroeien, +zooals op het eilandje Rottum sedert 1840.--Het talrijkst is het +Konijn nog steeds in de landen, die om de Middellandsche zee gelegen +zijn, hoewel men het ook daar nooit spaart, en in ieder jaargetijde +vervolgt. Vele eeuwen geleden werd het ter wille van het jachtvermaak +in verscheidene gewesten van Engeland ingevoerd, en aanvankelijk op +hoogen prijs gesteld; nog in het jaar 1309 kostte een wild Konijn daar +evenveel als een speenvarken. In noordelijke landen kan het niet in +'t wild leven; te vergeefs heeft men indertijd pogingen aangewend om +het in Rusland en Zweden te acclimatiseeren. + +Het Konijn verlangt heuvelachtige en zandige gewesten met ravijnen, +rotsblokken of laag struikgewas, kortom oorden waar het zich goed +en gemakkelijk verbergen en verschuilen kan. Bij voorkeur gezellig, +tot volksplantingen vereenigd, graaft het op hiervoor geschikte, +liefst zonnige plaatsen tamelijk eenvoudige holen. Ieder hol bestaat +uit een tamelijk diepgelegen kamer en haaksgewijs gebogen pijpen, +die ieder verscheidene uitgangen hebben. Deze openingen worden door +het veelvuldig gebruik meestal tamelijk wijd; de eigenlijke pijp +is echter zoo eng, dat de bewoner er juist doorkruipen kan. Ieder +paar heeft zijn eigen woning en duldt hierin geen ander dier; de +gangen van naburige woningen staan echter dikwijls met elkander in +gemeenschap. In zijne holen leeft het Konijn bijna den geheelen dag +verborgen, tenzij het struikgewas om zijn woning zoo dicht is, dat +het bijna ongezien voedsel kan zoeken. Zoodra de avond aanbreekt, +gaat het fourageeren; het doet dit met groote voorzichtigheid en +bespiedt gedurende geruimen tijd den omtrek, voordat het zijn hol +verlaat. Zoodra het gevaar bemerkt, waarschuwt het zijne soortgenooten +door sterk met de achterpooten tegen den grond te kloppen; allen +snellen op dit signaal zoo schielijk mogelijk naar hunne holen terug. + +De bewegingswijze van het Konijn verschilt aanmerkelijk van die van +den Haas. In het eerste oogenblik overtreft het dezen in snelheid, +op den duur niet; altijd echter toont het meer behendigheid. In het +"haken slaan" is het meesterlijk ervaren; om het te vangen zijn een +uitmuntend gedresseerde Windhond en een goed schutter noodig. Veel +listiger en sluwer dan de Haas, laat het zich hoogst zelden op de +weide verrassen en weet het in tijd van nood bijna altijd nog een +schuilhoek te vinden. Als het rechtuit liep, zou het door iederen +middelmatig goeden Hond reeds na verloop van korten tijd gevangen +worden; het zoekt echter in allerlei struikgewas, in rotsspleten en +holen zijn toevlucht en ontkomt hierdoor meestal aan de vervolgingen +zijner vijanden. Zijn vermogen om te kijken, te luisteren en te +speuren is even uitmuntend als dat van den Haas, misschien nog wel +beter. Het Konijn is gezellig en vreedzaam; de voedster verzorgt +hare kinderen met warme liefde, de jongen bewijzen hunne ouders veel +eerbied en vooral de stamvader van het geheele gezelschap wordt hoog +geacht. "Evenals de moerhaas," schrijft Dietrich aus dem Winckell +"draagt ook het Konijn 30 dagen. Tot in October werpt het om de 5 +weken 4 à 12 jongen in een afzonderlijke kamer, die het vooraf met +het wolhaar van zijn buik warm bekleed heeft. Eenige dagen blijven +de kleinen blind; tot aan den volgenden worp van hun moeder blijven +zij bij haar in het warme nest en zuigen. De voedster bewijst veel +liefde aan haar kroost en verlaat haar gezin slechts zoo lang als +zij noodig heeft, om zich te voeden. Zelfs aan den vader veroorlooft +zij geen bezoek aan de jongen, waarschijnlijk omdat zij wel weet, +dat hij ze in een aanval van razernij of uit overdreven liefde zou +kunnen dooden. Dat hij dit niet uit boosaardigheid doet, blijkt uit de +wijze waarop hij zijne kinderen ontvangt, als hij ze voor de eerste +maal ziet: hij geeft hun dan onmiskenbare bewijzen van genegenheid, +neemt ze tusschen de pooten, likt ze, en helpt de moeder, wanneer +deze bezig is de kleinen voedsel te leeren zoeken." + +In warme landen zijn de jongen reeds in de vijfde, in koude in de +achtste maand voor de voortplanting geschikt; eerst in de twaalfde +maand bereiken zij hun vollen wasdom. Als men aanneemt, dat ieder +wijfje zevenmaal per jaar jongen werpt en bij iederen worp, acht +jongen ter wereld brengt, zou haar nakomelingschap binnen vier jaar +uit niet minder dan 1,274,840 individuën bestaan. + +Het voedsel van het Konijn is hetzelfde als dat van den Haas. De +schade, die het Konijn veroorzaakt, is echter veel duidelijker +merkbaar, niet alleen omdat het zich bij 't fourageeren tot +een kleinere ruimte bepaalt, maar ook omdat het zooveel van +boomschors houdt, en, om dezen trek te bevredigen, dikwijls geheele +boomaanplantingen vernielt. Men kan zich moeielijk voorstellen, +hoe groot de verwoesting is, die een kolonie van deze dieren kan +aanrichten, wanneer men hunne vermenigvuldiging niet met kracht +tegengaat. "De ontzaglijke schade door dit Knaagdier aan bosch en veld +toegebracht," zeggen de Gebroeders Müller, "berust eensdeels hierop, +dat het plaatselijk in zoo grooten getale optreedt, ten anderen op +zijn werkzaamheid als bewoner van onderaardsche gangen. Het voedsel, +dat dit dier gebruikt, is van een klein plekje gronds afkomstig, +daar het zich nooit ver van zijn hol verwijdert; hierdoor is de +veroorzaakte schade veel duidelijker merkbaar, dan die, welke ten +laste van den Haas komt. Voor den akker geldt dit, maar in nog hoogere +mate voor het bosch, zooals ieder, die met houtteelt te maken heeft, +kan getuigen. Alle jonge heesters en boomen, van den vlierstruik tot +de edelste houtsoorten, zijn blootgesteld aan de vernielende werking +van de zelden rustende knaagtanden, die het vooral op de schors gemunt +hebben. Wat de Eekhoorn is in den boom, is het Konijn in den grond, +die door de koloniën dezer dieren in alle richtingen doorwoeld en +ondermijnd wordt; reeds hierdoor veroorzaakt het groote schade in de +bosschen, vooral in die van naaldboomen, welke op zeer lossen bodem +staan." Bovendien verdrijven de Konijnen door hun voortdurende onrust +het overige wild; zelden ziet men Hazen daar waar Konijnen voor goed +hebben post gevat. Waar deze dieren zich veilig achten, worden ze +ongeloofelijk brutaal. In het Weener Prater hielden zij zich vroeger +bij duizenden op, liepen er zelfs over dag onbeschroomd rond en lieten +zich zoomin door geschreeuw als door het werpen met steenen bij het +afknagen van de planten storen. Overal wordt het geheele jaar door op +de Konijnen jacht gemaakt; toch zijn zij zonder de hulp van het Fret +niet uit te roeien: alleen wanneer het aantal Bunzingen, Hermelijnen +en Steenmarters sterk toeneemt in een streek of wanneer daar Ooruilen +en andere Uilen voorkomen, kan men er eenige vermindering van het +aantal Konijnen waarnemen. Door de Marterachtige Roofdieren worden +zij vervolgd tot in hunne holen en hier bijna altijd buit gemaakt; +de Ooruilen vangen hen 's nachts van de weide weg. In gewesten die +voor de Konijnen zeer gunstig gelegen zijn, worden zij soms een plaag +voor het land, en veroorzaken ontzaglijke schade. In Nieuw-Zeeland +zoowel als op het vasteland van Australië hebben zij zich zoo kolossaal +vermenigvuldigd, dat zij op vele plaatsen de weidegronden van het vee +totaal kaal vreten; men heeft ze hier tot dusver zonder succes ijverig +vervolgd. Hoe groot het bedrag der door hen aangerichte schade is, kan +men afleiden uit het feit, dat de regeering van Nieuw-Zuid-Wales in +de jaren 1880-1889 ongeveer 9 millioen gulden heeft ten koste gelegd +aan het bestrijden dezer Knaagdieren en ten slotte een belooning van +300.000 gulden heeft toegezegd aan hem, die een doeltreffend middel +tegen deze landplaag wist aan te geven. Alle bekende middelen tot +het uitroeien der Konijnen,--vergif, strikken, Fretten, omrastering +met staaldraad enz.--zijn reeds toegepast en bleken onvoldoende, +om de alle perken te buiten gaande vernieling van veevoeder te doen +ophouden. Toen Pasteur had ontdekt, dat door het besmetten van het +voedsel der Konijnen met de bacterie van de hoenderen-cholera deze +dieren de genoemde besmettelijke ziekte krijgen, meende men hierin een +middel gevonden te hebben om ze snel en volkomen uit te roeien; deze +proefneming werd in Australië in het groot nagevolgd, maar heeft tot +geen bevredigende uitkomsten geleid.--Op vele andere, tot verschillende +aardgordels behoorende eilanden--zooals Porto Santo bij Madera, Jamaika +en de Falklandseilanden,--zijn door het verwilderen van tamme Konijnen, +nieuwe, van den stamvorm aanmerkelijk afwijkende rassen ontstaan. + +Na hun dood geven de Konijnen slechts een onbeduidende +schadeloosstelling voor de schade, die zij gedurende hun leven +veroorzaakten. Hun vleesch wordt, ofschoon het malsch, wit en goed +van smaak is, niet voor een lekkernij gehouden; zelfs wordt het +in sommige streken--b.v. in Saksen, waar het volksbijgeloof in het +Konijn overeenkomst met de Kat ziet--door velen met dezelfde walging +beschouwd, als in vele streken van Schotland de Paling wegens zijn +vermeende uitwendige overeenkomst met een Slang. + +Het tamme Konijn, dat zich reeds sinds overoude tijden als huisdier +heeft voortgeplant, stamt ongetwijfeld van het wilde af. Het wilde +Konijn kan in korten tijd getemd worden; het tamme verwildert binnen +weinige maanden geheel en al; de jongen die het dan werpt, hebben de +kleur van het wilde. In mijn jeugd hield ik dikwijls een vrij groot +aantal Konijnen; hieronder waren er eenige, die nu en dan op het +erf en in den tuin rondliepen; deze wierpen steeds grijze jongen, +hoewel de moeder wit en de vader gevlekt was. + +De Konijnen-fokkerij kan op tweeërlei wijze plaats hebben: Men kan +deze dieren op een met muren of traliewerk omgeven, heuvelachtig +terrein aan zichzelf overlaten en hier, voor zoover dit noodig is, +met voedsel voorzien, òf ze in hokken verzorgen. De laatstgenoemde +handelwijze is de doelmatigste. Het konijnenhok moet een steenen of +planken vloer hebben en voorzien zijn van kunstmatige schuilplaatsen: +lange kisten met verscheidene gaten, òf kunstmatige holen in +den muur. Men moet de Konijnen veel stroo en droog mos geven, ze +tegen de winterkoude beschutten en met hooi, gras, bladen, kool +enz. voederen. Gemakkelijk kan men ze er aan gewennen, het voedsel, +dat men hun voorhoudt, uit de hand te nemen; volkomen tam worden zij +echter zelden, en, als men ze opneemt, trachten zij gewoonlijk te +krabben en te bijten. Bovendien zijn zij minder verdraagzaam dan de +wilde Konijnen. Die, welke gezamenlijk opgegroeid zijn, leven met +elkander in goede overeenstemming; vreemde Konijnen worden echter +door de oudere bewoners van het hok dikwijls erg mishandeld en soms +zelfs doodgebeten. In den paartijd hebben tusschen de rammelaars +hevige gevechten plaats, waarbij sommige niet onbelangrijke wonden +opdoen. Het wijfje bouwt in haar woning een nest van stroo en mos en +bekleedt dit zeer fraai met hare buikharen. Gewoonlijk werpt het vijf à +zeven, dikwijls meer jongen. Lenz heeft aanteekening gehouden van het +aantal jongen door één wijfje in één jaar geworpen: den 9en Januari +zes, den 25en Maart negen, den 30en April vijf, den 29en Mei vier, +den 29en Juni zeven, den 1en Augustus zes, den 1en September zes, +den 7en October negen en den 8en December zes jongen, in één jaar +dus acht en vijftig jongen. "In hetzelfde jaar," zegt hij, "deed ik +twee jonge, uit één nest afkomstige wijfjes en twee mannetjes uit +een ander nest, die twee dagen later geboren waren, met elkander in +een afzonderlijk hok. Beide wijfjes brachten toen zij zes maanden oud +geworden waren, het eene zes, het andere vier jongen ter wereld.--Het +wijfje zoogt hare kinderen in den regel niet over dag, zelfs, wanneer +zij nog zeer klein zijn, maar sluit 's morgens, als dit mogelijk is, +den ingang van het nest af; dikwijls kijkt zij over dag niet meer +naar hen om, maar doet, alsof zij van niets af weet. Toch let zij +wel degelijk op het nest."--Voor hunne natuurlijke vijanden hebben +ook de tamme Konijnen een buitengewone vrees. Lenz deed eens vijf +tamme Konijnen gezamenlijk in een hok, waarin kort te voren een Vos +gezeten had. Zoodra hij ze losliet, waren zij als razend en liepen +met den kop tegen den wand. Eerst langzamerhand geraakten zij aan +dit hok gewend.--Van denzelfden natuuronderzoeker, is het volgende +aardige bericht afkomstig: "In Januari kreeg mijn Spitshondje één +jong en daar dit niet al de melk kon uitzuigen, ging ik in den stal, +haalde van daar een jong tam Konijn uit het nest en legde het onder +de teef, die in mijn woonkamer lag; deze liet zonder bezwaar toe, dat +het vreemde kind aan haar melk zich laafde. Op den derden dag bracht +ik het Hondje met zijn zoontje en zijn pleegkind in den stal. Het +bleef daar twee dagen lang, zonder van het nest af te gaan en zonder +de daar huizende Konijnen en Geiten te storen. Op den derden dag riep +mijn zuster het naar buiten om frissche lucht te scheppen. Terwijl +het buiten is, sluipt het oude Konijn in het hondenest, neemt zijn +jong er uit en brengt het bij zijne overige jongen terug. Ik riep nu +dadelijk den Hond er bij, om te zien of deze het Konijn zou terug +verlangen. Hij scheen echter geen erg te hebben in de verdwijning +van zijn pleegkind."--Ik heb dikwijls jonge Konijnen onder onze +voortreffelijke, reeds meermalen vermelde Kat neergelegd en gezien, +dat zij deze rustig met hare katjes liet zuigen. + +Bij goede voeding worden de Konijnen soms zeer driest; zij krabben en +bijten dan ieder die hen vangen wil; bovendien mishandelen zij zonder +eenige aanleiding andere dieren, vooral wanneer deze hun nijd gaande +maken. Een zwager van Lenz had een oud mannelijk Konijn bij zijne +lammeren. "Toen de voedering met esparsette begon, smaakte deze kost +den ouden heer zoo goed, dat hij graag den geheelen voorraad voor +zich zelf in beslag genomen zou hebben. Hij ging er dus bij zitten, +knorde, beet naar de lammeren, sprong zelfs een van hen op den hals +en liet het duchtig zijne tanden voelen. De te hulp gesnelde lieden +wierpen hem er af, maar hij beet de lammeren telkens weer, totdat hij +van hen verwijderd werd. Een andere rammelaar beet een jonge Geit in +den poot, zoodat zij bloedde, sprong de oude Geit op den nek en beet +haar in de ooren. Hij moest weggedaan worden." Zeer oude rammelaars +bijten soms ook hunne jongen of de voedster of brengen teweeg, dat +deze hare jongen slecht behandelt. Als een moerkonijn de jongen niet +goed zoogt, of ze dood bijten wil, is er slechts één middel om de +jongen te redden, n.l. het afzonderlijk houden van den ram. + +Het gewone tamme Konijn onderscheidt zich van het wilde door +forscheren lichaamsbouw en andere kleuren (grijs, haaskleurig, rood, +geelbruin, licht leikleurig, zwart, wit gevlekt op al de genoemde +kleuren, wit). Effen zwarte Konijnen zijn zeer zeldzaam; de geheel +witte (albino's) hebben roode oogen. De meest in 't oogloopende +kleurverscheidenheden zijn: + +Het _Zilvergrijze_ of _Chinchilla-Konijn_, zoo groot als het gewone +tamme Konijn en even geschikt voor de vleeschvorming als dit; zijn vel +wordt echter door de bontwerkers hooger geschat en veel gebruikt. Het +wolhaar is leikleurig, het bovenhaar deels zwart, deels wit; als de +witte bovenharen de overhand hebben, is de vacht zilvergrijs, in 't +tegenovergestelde geval glanzig donkerblauwgrijs; allerlei overgangen +tusschen deze beide uitersten komen voor. Bij alle heeft echter het +geheele vel van den neus tot den staart, dezelfde gelijkmatige tint. De +jongen zijn aanvankelijk zwart; als zij 3 maanden oud zijn, begint +de kleurverandering, die afgeloopen is, als het dier den leeftijd +van 6 à 7 maanden bereikt heeft. Naar men zegt, is dit ras uit Siam +afkomstig. Het wordt in Champagne veelvuldig gefokt. + +Het _Chineesche_ of _Russische Konijn_ (ook wel _Himalaja-Konijn_ +genoemd) is wit met roode oogen, maar heeft een zwarten neus, zwarte +ooren, zwarte voeten en een zwart staartje (niet zelden is het zwart +door bruinzwart vervangen). Bij de jonge dieren komt de zwarte kleur +nog niet voor; zij komt allengs; eerst op den leeftijd van 3 maanden +is zij volkomen ontwikkeld. Vooral om de vacht is dit ras van belang; +wegens zijn vruchtbaarheid is het, ondanks zijn kleinheid voor de +vleeschproductie bruikbaar. + +Het _Hollandsche Konijn_ (_Nicard_), dat verschillende kleuren kan +hebben, is wegens zijn geringe grootte merkwaardig; sommige exemplaren +wegen weinig meer dan 1/2 KG. (terwijl een volwassen wild Konijn +gemiddeld ongeveer 1.5 KG. zwaar is). De Konijnen van dit ras zijn +uitmuntende voedsters voor andere, zwakkere soorten. + +Het _Japaneesche Konijn_ heeft een lichte grondkleur, die met vrij +regelmatige, betrekkelijk kleine vlekken geteekend is. + +Tot de rassen, die zich door buitengewone grootte of hangende ooren +(lapooren) onderscheiden, behooren o.a. de volgende: + +Het _Reuzenkonijn_ (_Lapin géant_), het grootste ras van het tamme +Konijn, bereikt een gemiddeld gewicht van 6 K.G. De bovendeelen zijn +grijs of grijsgeel, de kleur van de onderdeelen varieert van lichtgrijs +tot wit; de rechtopstaande ooren hebben zwarte randen; onder den +hals bevinden zich beweeglijke, dwarse huidplooien of kwabben, die +zoover naar voren getrokken kunnen worden, dat zij bijna tot aan de +spits van den snuit reiken; de beenderen zijn in verhouding tot het +vleesch steviger en zwaarder dan bij het gewone tamme Konijn. Dit +dier werpt zelden 6, bij uitzondering 8, in den regel minder jongen. + +Het Belgische of Vlaamsche Reuzenkonijn is haaskleurig en grooter +dan het Rouaansche (Rouennais) en Italiaansche; het kan 8 K.G. zwaar +worden. De voor het gebruik bestemde exemplaren zijn 6 à 8 maanden +oud en hebben een gewicht van 4 à 4 1/2 KG. Ieder jaar komen ongeveer +50.000 van deze Konijnen op de Engelsche markt. + +Het _Lapoorige Ramkonijn_ (_Lapin bélier_) is groot, heeft stevige +beenderen en kan 6 KG. zwaar worden. De kleur is verschillend, de ooren +zijn soms van de eene spits tot de andere gemeten 60 cM. lang en 15 +cM. breed, terwijl bij het wilde Konijn deze afmetingen ongeveer 20 +cM. en 5 cM. zijn. Dit ras is niet zeer vruchbaar en derhalve voor de +vleeschproductie weinig geschikt. Een witte verscheidenheid met zwarte, +parelgrijze of gele vlekken wordt Butterfly ("Vlinder") genoemd. De +lange ooren worden soms naar boven gericht gedragen en wijken dan met +de spitsen ver uiteen, soms hangen zij aan weerszijden, of ook wel +alleen aan de eene zijde, bij den kop langs naar beneden. Ook bij de +gewone tamme Konijnen, de Reuzenkonijnen en de Angora-Konijnen worden +de ooren niet zelden aan één zijde of aan beide zijde hangend gedragen +ten gevolge van het niet-gebruiken van de spieren, die voor de beweging +van de ooren dienen. Bij eenige Konijnen met "half hangende" ooren +is het hangende oor langer en breeder dan het naar boven gerichte. + +Het _Angora-Konijn_ (ook wel _Zijdehaas_ genoemd) is zoo groot +als het gewone tamme Konijn, maar heeft fijne, zijdeachtige, +elastische haren, die soms wel 20 cM. lang worden, en, met wol of +katoen gemengd, voor het vervaardigen van fijne weefsels, vooral +handschoenen, kousen, omslagdoeken enz., dienen. Vroeger bedroeg +de productie van Angora-konijnenhaar in de omstreken van Caen +(in het N.W. van Frankrijk) jaarlijks 3000 à 4000 KG. à 35 of 40 +francs per KG. Hierop is een tijdperk van achteruitgang van deze +industrie gevolgd, waarin de prijzen van de grondstof slechts +half zoo hoog waren. Thans echter is er weer meer vraag naar de +genoemde artikels. Ieder Konijn levert 300 gram haren per jaar, +die onder zachte drukking met de vingers uitgetrokken worden, in +den zomer 2-maal, in den winter 1-maal per maand. De Zijdehazen zijn +grijs of kastanjebruin, soms ook wel gemskleurig of wit. Deze dieren +vereischen een bijzonder zorgvuldige verpleging, om te verhoeden dat +de lange haren aaneenkleven; steeds moeten zij droog stroo hebben; +de vacht moet dikwijls gekamd worden. Naar men zegt, zijn zij uit +Klein-Azië afkomstig, wat vruchtbaarheid en vleeschvorming betreft, +stemmen zij met de gewone tamme Konijnen overeen. Ook deze worden in +Frankrijk veelvuldig gefokt; zij zijn zeer vruchtbaar, groeien snel, +en kunnen goedkoop gevoederd worden; zij leveren voordeel op door +hun smakelijk vleesch, hun vel en hunne haren. + +De vellen van tamme en wilde Konijnen worden tot pelterijen verwerkt, +van hunne haren maakt men vilt voor hoeden, of soms, zooals hierboven +gezegd is, weefsels. De vacht van het wilde Konijn is grijs roodachtig, +die van het tamme verschillend van kleur; het meest geschat zijn +de zuiver witte, zwarte en blauwgrijze vellen. Vooral in Frankrijk +legt men zich toe op het fokken van Konijnen, die door een fraaie +vacht uitmunten. Fraaie zwarte vellen met zilvergrijze haarspitsen +zijn afkomstig van een ras van wilde Konijnen, die hiervoor in +groote, omheinde perken gehouden worden. Ter vervanging van het +Hermelijnbont, dient het vel van een klein, uit Polen afkomstig ras van +Konijnen. Dikwijls wordt de kleur van de vacht kunstmatig veranderd; +vooral in het fransche departement Aube en in België bloeit deze +tak van industrie. De konijnenvellen zijn voor 't meerendeel van in +'t wild levende dieren afkomstig; de meeste komen uit Nieuw-Zeeland +en Nieuw-Holland. De handel in dit artikel is zeer belangrijk. In +tien jaar tijds heeft alleen de kolonie Victoria 29 millioen stuks +uitgevoerd. België verzendt ieder jaar meer dan 6 millioen toebereide +vellen van tamme Konijnen naar Engeland. De waarde van de Konijnen, +welker haren de grondstof voor de hoedenfabricatie in Frankrijk +leveren, wordt geschat op 25 à 30 millioen franc per jaar. + + + +De in Azië inheemsche _Fluithazen_ of _Hamsterhazen_ (_Lagomys_) +onderscheiden zich van de leden van het vorige geslacht door +veel kortere ooren, een geringer verschil in lengte van voor- en +achterpooten, een niet zichtbaar staartstompje, en een gebit, dat in +elke bovenkaakshelft één kies minder heeft. Alle Hamsterhazen bewonen +Centraal-Azië; sommige de hooge gebergten van 1000 tot 4000 M. boven +den zeespiegel, andere de steppen. Hier leven zij het geheele jaar +door op rotsachtige, woeste en grasrijke plaatsen, in nabijheid van +beken, soms eenzaam, soms bij paren, soms in grooter aantal bijeen. + + + +De _Alpen-fluithaas_ (_Lagomys alpinus_) herinnert door gestalte en +grootte aan het Guineesch Biggetje. De ruige, dichte en kortharige +vacht is aan de bovenzijde fijn zwart gesprenkeld op roodachtig gelen +grond; de zijden en het voorste deel van den hals zijn effen roestrood, +de onderdeelen en de pooten licht okergeel. Enkele exemplaren zijn +effen van kleur, n.l. donker zwart. In volwassen toestand is het dier +ongeveer 25 cM. lang. De Alpenfluithaas behoort thuis in de geheele, +ontzaglijk groote bergketen, die de noordelijke grens vormt van +Centraal- en Achter-Azië, maar komt ook in Kamschatka voor. + +Deze dieren bewonen rotsspleten en kleine, door hen zelf +gegraven holen. Bij helder weder liggen zij hier verborgen tot aan +zonsondergang; bij donkere lucht zijn zij ook over dag werkzaam. Uit +vrees voor hunne vijanden komen zij dikwijls slechts halverwegen +uit hunne holen te voorschijn, en steken dan den kop omhoog, om +zich te overtuigen of zij veilig zijn. Hun vreesachtigheid gaat met +nieuwsgierigheid gepaard. Radde zegt, dat zij vredelievend en zeer +arbeidzaam zijn; zij verzamelen groote hoeveelheden hooi, en vormen +er hoopen van, die zij soms met breed gebladerde planten bedekken om +ze tegen den regen te beschutten. Soms hebben deze hooischelven een +hoogte van 15 à 18 cM. bij 15 à 30 cM. middellijn. Naar hunne holen +leiden smalle paden, die door het drukke verkeer uitgeloopen zijn; +aan weerszijden van het pad is het korte gras afgevreten. Als de +winter aanvangt, graven zij onder de sneeuw gangen van hunne holen +naar hunne hooischelven: deze gangen hebben vele kronkelingen, en +zijn ieder met een luchtgat voorzien. + +Het geschreeuw van den Alpen-fluithaas, dat men nog omstreeks +middernacht hoort, gelijkt op dat van onzen Bonten Specht, en wordt, +zelden vaker dan driemaal, met zeer korte tusschenpoozen herhaald. Een +andere soort--de _Ogotona_ (_Lagomys ogotona_)--fluit als een Muis, +maar luider en helderder, en zoo vaak achtereen, dat zijn geschreeuw +op een schrillen, sissenden triller gelijkt. Een derde soort--de +_Dwergfluithaas_ (_Lagomys pusillus_)--maakt een geluid, dat, naar +men zegt, groote overeenkomst heeft met dat van onzen Kwartel. + +Hoewel deze dieren door de jagers van Oost-Siberië niet vervolgd +worden, ontbreekt het hun niet aan vijanden. Voortdurend maken de +Manul (een in de genoemde gewesten voorkomende Wilde Kat), de Wolf, +de Korsak, benevens verscheidene Arenden en Valken jacht op hen. Met +geen ander doel wordt hun gebied 's winters bezocht door den Sneeuwuil, +hun gevaarlijksten vijand. Ook de Buizerden brengen hunnentwege den +winter in den Gobi door, daar zij zich dan uitsluitend met Ogotonen +voeden. Ook de mensch benadeelt deze onschuldige Knaagdieren, +door hen van hun wintervoorraad te berooven. Als er 's winters +veel sneeuw valt, drijven de Mongolen hunne Schapen naar streken, +waar vele Ogotonen huizen, of voederen hunne Paarden met het hooi, +dat de Hamsterhazen bijeengebracht hebben. + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Ontleend aan "Insulinde: het land van den Orang-Oetan en den +Paradijsvogel, door A. R. Wallace", vertaald en met aanteekeningen +voorzien door Prof. Veth. + +[2] _Sylphium_ noemden de ouden een in Cyrenaica groeiend kruid, +dat een bij de Romeinen zeer geliefde kruiderij opleverde; thans +is deze plant, die tot de familie van de Schermbloemigen behoorde, +niet meer te vinden. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + +***** This file should be named 20530-8.txt or 20530-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/0/5/3/20530/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/20530-8.zip b/20530-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..552ab9c --- /dev/null +++ b/20530-8.zip diff --git a/20530-h.zip b/20530-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..150a6b1 --- /dev/null +++ b/20530-h.zip diff --git a/20530-h/20530-h.htm b/20530-h/20530-h.htm new file mode 100644 index 0000000..042eb94 --- /dev/null +++ b/20530-h/20530-h.htm @@ -0,0 +1,6583 @@ +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> + +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1"> + +<title>Het Leven der Dieren</title> +<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="A. E. Brehm"> +<meta name="DC.Creator" content="A. E. Brehm"> +<meta name="DC.Title" content="Het Leven der Dieren"> +<meta name="DC.Date" content="#"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css"> + + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} + +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +} + +h1.docTitle +{ +font-size:1.6em; +line-height:2em; +} + +h2.byline +{ +font-size:1.1em; +font-weight:normal; +line-height:1.44em; +} + +span.docAuthor +{ +font-size:1.2em; +font-weight:bold; +} + +h2.docImprint +{ +font-size:1.2em; +font-weight:normal; +} + +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} + +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} + +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} + +.index +{ +font-size: 80%; +} + +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} + +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} + +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} + +h3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} + +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} + +h4.lghead +{ +margin-left:10%; +margin-right:10%; +} + +.alignleft +{ +text-align:left; +} + +.alignright +{ +text-align:right; +} + +.alignblock +{ +text-align:justify; +} + +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} + +p.poetry +{ +margin:0 10% 1.58em; +} + +p.line +{ +margin:0 10%; +} + +p.argument,p.note +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} + +p.argument +{ +margin:1.58em 10%; +} + +div.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} + +.epigraph .bibl +{ +text-align: right; +} + +.epigraph .poem +{ +margin-left: 0; +} + +.epigraph .line +{ +margin-left: 0; +text-indent: 0; +} + +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} + +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} + +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} + +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} + +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} + +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} + +p.question +{ +margin-bottom:0; +text-align:left; +} + +p.answer +{ +margin-top:0; +text-align:right; +} + +p.explanation +{ +font-size:smaller; +margin-left:0.9em; +margin-right:0.9em; +} + +.leftnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} + +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} + +a.noteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} + +div.footnotes +{ +margin-top: 1em; +padding: 0; +} + +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} + +p.footnote +{ +font-size: 80%; +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} + +p.footnote .label +{ +float: left; +text-align:left; +width:2em; +} + +.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption +{ +font-size: 80%; +} + + +.poem +{ +margin-left:5%; +position:relative; +text-align:left; +width:90%; +} + +.poem h4 +{ +font-weight:normal; +margin-left:5em; +text-decoration:underline; +} + +.poem .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left:-2.5em; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} + +.versenum +{ +font-weight:bold; +} + +.footnotes .line +{ +font-size:80%; +margin:0 5%; +} + +.poem .i0 +{ +display:block; +margin-left:2em; +} + +.poem .i1 +{ +display:block; +margin-left:3em; +} + +.poem .i2 +{ +display:block; +margin-left:4em; +} + +.poem .i3 +{ +display:block; +margin-left:5em; +} + +.poem .i4 +{ +display:block; +margin-left:6em; +} + +.poem .i5 +{ +display:block; +margin-left:7em; +} + +.poem .i6 +{ +display:block; +margin-left:8em; +} + +.poem .i7 +{ +display:block; +margin-left:9em; +} + +.poem .i8 +{ +display:block; +margin-left:10em; +} + +.poem .i9 +{ +display:block; +margin-left:11em; +} + +span.corr +{ +border-bottom:1px dotted red; +} + +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} + +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} + +.letterspaced +{ +letter-spacing:0.2em; +} + +.smallcaps +{ +font-variant:small-caps; +} + +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} + +h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure +{ +text-align:center; +} + +h1,h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} + +h1.label,h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} + +h5,h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} + +p,p.initial +{ +text-indent:0; +} + +.poem .stanza +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} + +p.quote,div.blockquote,div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} + +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} + + + + + +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} + +body, a.hidden +{ +color: black; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} + +p.byline +{ +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} + +.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .versenum +{ +color: #001FA4; +} + +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} + +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} + + +</style></head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het Leven der Dieren + Hoofdstuk 7: De Knaagdieren + +Author: A. E. Brehm + +Release Date: February 6, 2007 [EBook #20530] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + +</pre> + + +<div class="body"><a id="d0e75"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e75">271</a>]</span><div class="div1"> +<h2 class="label">Zevende Orde.</h2> +<h2>De Knaagdieren (<span class="letterspaced">Rodentia</span>). +</h2> +<p>De Knaagdieren vormen een naar alle zijden goed begrensde groep. Zij dragen hun naam bijna met nog meer recht dan de Roofdieren +den hunnen. Twee snijtanden in iedere kaak, die tot groote knaagtanden uitgegroeid zijn en het ontbreken der hoektanden, waardoor +tusschen snij- en maaltanden een groote ruimte ontstaat, zijn kenmerken, die aan alle eigen zijn. + +</p> +<p>Van het uitwendig voorkomen der Knaagdieren kan weinig in ’t algemeen gezegd worden, daar deze orde zeer verschillende vormen +omvat en daarom zeer rijk is aan familiën en soorten. De voor alle geldige kenteekenen komen tennaastenbij op het volgende +neer: de romp is in de meeste gevallen rolvormig en rust op korte pooten, die in den regel ongelijke lengte hebben, daar de +achterpooten gewoonlijk een weinig, en dikwijls zelfs veel langer zijn dan de voorpooten; de kop is door een korten, dikken +hals met den romp verbonden; de oogen zijn groot en puilen gewoonlijk sterk uit; de lippen zijn vleezig, met snorharen bezet, +zeer beweeglijk en van voren gespleten; de voorpooten hebben in den regel 4, de achterpooten 5 teenen; deze zijn met meer +of minder sterke klauwen (soms ook met nagels van anderen vorm) gewapend, bij sommige door zwemvliezen met elkander verbonden. +Het haarkleed is bijna altijd van gelijkmatige lengte, hoogstens aan de ooren tot kwastjes of aan den (in dit geval meestal +ruigen) staart tot een pluim verlengd. + +</p> +<p>De snijtanden of knaagtanden zijn aanmerkelijk grooter dan alle overige bestanddeelen van het gebit; de bovenste zijn altijd +korter, maar breeder dan de onderste; in beide kaken zijn zij boogvormig gekromd (de bovenste het sterkst), aan de sneede +breed of puntbeitelvormig, aan den wortel drie- of vierkantig, met een soms platte, soms gewelfde, nu eens gladde, dan weer +gegroefde oppervlakte, wit of geelachtig of rood van kleur. Hun buitenste of voorste vlakte is met staalhard email bedekt; +de scherpe spits of de breede, op het scherpe einde van een steekbeitel gelijkende bovenrand is uitsluitend uit genoemd materiaal +samengesteld. Het overige deel van den tand bestaat uit een veel zachtere stof, n.l. tandbeen. Wegens het veelvuldig gebruik, +dat van deze belangrijke tanden wordt gemaakt, zouden zij na korten tijd stomp worden of afslijten, indien zij niet een groot +voorrecht hadden boven de meeste tanden van Zoogdieren; zij groeien n.l. altijd door. De tandwortel ligt in een tandholte, +die zich tot diep in de kaak voortzet, en bevat aan zijn geheel open (en zelfs trechtervormig verwijd), achterste uiteinde, +een blijvende kiem, die den tand van achteren voortdurend in gelijke mate herstelt, als hij van voren afslijt. De snede van +den tand wordt vlijmscherp gehouden, doordat de onderling tegenovergestelde tanden over elkander wrijven, zoodat de eene langs +den anderen schuurt. Daar nu de snijtanden op ongelijke wijze met email bekleed zijn, van voren met een dikke korst, terwijl +van achteren het tandbeen onbedekt blijft, zal de top van den tand in schuinsche, van voren naar achteren afhellende richting +geslepen worden. De zeer omvangrijke en samengestelde kauwspier moet door haar werking de onderkaak zoowel opheffen als naar +voren schuiven. In verband hiermede is de gewrichtsknobbel van het onderkaaksbeen in overlangsche richting, van voren naar +achteren ontwikkeld. De tanden zijn hierdoor niet tot grijpen en tot verscheuren, maar tot knagen, tot afknabbelen geschikt. +Tegen de verbazend groote krachtsinspanning, die hiervoor vereischt wordt, zijn zij volkomen bestand. Van het voortduren van +den groei der knaagtanden kan men zich gemakkelijk overtuigen, door bij een Knaagdier, b.v. bij een Konijn, een der knaagtanden, +b.v. van de onderkaak, af te breken. Dan groeit de tegenovergestelde bovenkaaksnijtand, omdat hij niet meer onderhevig is +aan afslijting, schielijk aan, komt boogvormig omgekruld buiten den bek te voorschijn, en verkrijgt, steeds groeiend en niet +slijtend, een spiraalvormige gedaante; het geheele gebit wordt hierdoor nagenoeg onbruikbaar en de voeding zeer bemoeilijkt. +Na het afbreken van een bovensnijtand zal de tegenovergestelde ondertand zich binnen de mondholte kolossaal verlengen en hier, +door het gehemelte in zijn opwaartschen groei gestuit, een spiraalvormige gedaante verkrijgen, of wel in de bovenkaak doordringen. +Zulke monsterachtige tanden missen natuurlijk den scherpen rand aan den top van de kroon.—De maaltanden hebben platte kronen, +met dwars gerichte verhevenheden op de kauwvlakte, die slechts bij enkele door knobbels vervangen zijn. De voor- en achterwaartsche +beweging van de onderkaak in aanmerking nemend, is het niet moeilijk in te zien, dat de dwarse richting der oneffenheden, +het vermalen van harde stoffen in hooge mate bevordert. + +</p> +<p>Bij vele Knaagdieren komen wangzakken voor, die door een opening aan de binnenzijde der lippen met de mondholte in gemeenschap +staan, en zich tot in de schouderstreek kunnen uitstrekken; bij het inzamelen van voedsel kunnen zij als bergplaatsen dienen; +een hiervoor bestemde spier trekt deze zakken terug, als zij gevuld moeten worden. + +</p> +<p>De Knaagdieren zijn over alle werelddeelen verbreid en komen, zoover de plantengroei zich uitstrekt, in <a id="d0e94"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e94">272</a>]</span>alle klimaten, op alle breedten en op alle hoogten voor. “Te midden van eeuwigdurende sneeuw en ijs.” zegt <span class="smallcaps">Blasius</span>, “daar, waar een warme zonnestraal slechts op sommige plaatsen en gedurende weinige weken, aan enkele planten een kortstondig +en armoedig leven mogelijk maakt, op de stille eenzame, met sneeuw bedekte hoogten der Alpen, in de uitgestrekte onherbergzame +vlakten van het noorden, vindt men nog Knaagdieren, die geen behoefte gevoelen aan een schoonere zon. Maar hoe rijker en weelderiger +de plantenwereld is, des te bonter en menigvuldiger wordt het leven van deze Zoogdierenorde, die bijna geen plekje van de +aarde onbewoond laat.” De levenswijze van deze algemeen verbreide dieren, is zeer verschillend. + +</p> +<p>Niet weinige van hen houden zich in de boomen op, vele leven in den grond sommige bewonen het water; hunne verblijfplaatsen +zijn dikwijls onderaardsche, door henzelf gegraven holen, andere hebben hun leger te midden van het struikgewas, nog andere +in het open veld. Alle zijn in meerdere of mindere mate vlugge dieren, die, in overeenstemming met de plaats waar zij zich +ophouden, voortreffelijk loopen, òf klimmen, òf graven, òf zwemmen. Meestal scherpzinnig, wakker en lenig, zijn zij evenwel, +naar het schijnt, niet schrander of met buitengewone geestesgaven bedeeld. Verreweg de meeste kenmerken zich door armoede +van geest; zij kunnen wel schuw, maar niet voorzichtig of listig zijn, en onderscheiden zich ook in andere opzichten nooit +door in ’t oog vallende bekwaamheden. Sommige leven bij paren, andere zijn tot familiën en niet weinige tot groote troepen +vereenigd; zij zijn verdraagzaam tegenover andere dieren, maar bemoeien zich niet met hen. Boosaardigheid en valschheid, wildheid +en onbeschaamdheid, willens en wetens geopenbaard, treft men slechts bij weinige aan. Als hun een gevaar dreigt, keeren zij +zoo schielijk mogelijk naar hunne schuilplaatsen terug; slechts zeer weinige onder hen zijn schrander genoeg, om op listige +wijze vervolgingen te ontgaan. Alle Knaagdieren voeden zich hoofdzakelijk met plantaardige stoffen: wortels, schors, bladen, +bloemen, allerlei soorten van vruchten, kruiden, gras, melige knollen, ja zelfs houtvezels worden door hen gegeten; de meeste +maken echter ook van dierlijk voedsel gebruik, en zijn echte alleseters. Eigenaardig is het, dat vele, die te zwak zijn, om +groote reistochten te ondernemen, of om weerstand te bieden aan de strengheid van den winter, voorraad inzamelen en in onderaardsche +bergplaatsen bewaren. De Knaagdieren verdienen als bouwmeesters een eereplaats onder de Zoogdieren; sommige van hen vervaardigen +zeer kunstige woningen, die reeds sedert overouden tijd de bewondering van den mensch getrokken hebben. Niet weinige brengen +den winter door in een op den dood gelijkenden slaap, verkeeren in een toestand van verstijving, en teren op het vet, dat +zij gedurende den zomer in hun lichaam hebben opgehoopt, en dat wegens de in ieder opzicht zeer sterk verminderde levenswerkzaamheid +tot aan het volgende voorjaar in hunne behoeften kan voorzien. + +</p> +<p>In verhouding tot hun geringe groote, is de beteekenis van de Knaagdieren in de huishouding der natuur zeer groot; zij zijn +onze schadelijkste en gevaarlijkste vijanden. Als zij niet een talloos leger van vijanden tegenover zich hadden, en niet in +hooge mate onderhevig waren aan ziekten en epidemiën van velerlei aard, zouden zij de aarde overheerschen en verwoesten. De +onophoudelijke verdelgingsoorlog, die tegen hen gevoerd wordt, heeft een tegenwicht in hunne verbazende vruchtbaarheid en +vermenigvuldigingsvermogen; maar al te dikwijls hebben deze de overhand. Het klinkt bijna ongeloofelijk, maar is toch waar, +dat een paar Knaagdieren, binnen een tijdsverloop van één jaar, een nakomelingschap kan hebben die uit duizend individuën +bestaat. Vriendschap kan men eigenlijk slechts voor hoogst weinige leden van deze vormenrijke orde gevoelen, en van deze weinige +zijn slechts enkele waard getemd te worden. Belangrijker dan door de eigenschappen, die men gedurende hun leven kan opmerken, +zijn de Knaagdieren voor ons door hun vel en hun vleesch. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>In de eerste familie plaatsen wij de <span class="letterspaced">Eekhoornachtigen</span> (<i>Sciuridae</i>), verdeeld over twee onderfamiliën: de <span class="letterspaced">Eekhoorntjes</span> en de <span class="letterspaced">Marmotten</span>. + +</p> +<p>De romp van de <span class="letterspaced">Eekhoorntjes</span> (<i>Sciurinae</i>) is lang en eindigt in een meer of minder langen, dikwijls twee-rijig behaarden staart. De oogen zijn groot en uitpuilend, +de ooren bij sommige klein, bij andere groot, nu eens dun behaard, dan weer met een haarkwastje voorzien. De voorpooten zijn +aanmerkelijk korter dan de achterpooten. Gene hebben 4 teenen en een kort stompje op de plaats van den duim, de achterpooten +hebben vijf teenen. + +</p> +<p>Met uitzondering van Australië bewonen de Eekhoorntjes de geheele aarde; zoowel in tamelijk ver noordwaarts gelegen gewesten, +als in de heetste landstreken tusschen de keerkringen komen zij voor; zij leven op verschillende hoogten, sommige soorten +treft men zoowel in het gebergte als in de vlakte aan. Bosschen, of althans plaatsen waar boomen groeien, zijn hunne meest +geliefde verblijfplaatsen; verreweg de meeste zijn echte boomdieren; eenige vestigen hun woonplaats in onderaardsche, door +henzelf gegraven holen. + +</p> +<p>Alle Eekhoorntjes bewegen zich vlug, snel en behendig, even goed op de boomen als op den grond. Alleen de Vliegende Eekhoorntjes +gevoelen zich op den bodem niet thuis, maar zijn in staat buitengewoon groote sprongen te doen, hoewel altijd slechts van +boven naar beneden. De meeste bewegen zich springend over den bodem en raken dezen met de geheele zool aan. Bijna alle klimmen +uitmuntend en springen over groote tusschenruimten van den eenen boom op den anderen. Zij slapen ineengerold en doen dit bij +voorkeur op een gemakkelijke ligplaats, die zij zich verschaffen nu eens door het graven van een onderaardsche woning, dan +weer door een leger op te slaan in een hollen boom, en ook wel door het doelmatig inrichten van een door andere dieren of +door henzelf gebouwd nest. De Eekhoorntjes, die koude landen bewonen, trekken zuidwaarts bij ’t naderen van den winter, of +vervallen in een onafgebroken winterslaap en brengen in dit geval een meer of minder grooten voorraad leeftocht bijeen, waarvan +zij in geval van nood gebruik maken. Hun stem bestaat uit een fluitend geluid en uit een eigenaardig, niet nader te omschrijven +gebrom, geknor en gesis. + +</p> +<p>De meeste soorten werpen, naar het schijnt, ieder jaar meer dan éénmaal jongen. Vóór en na den paartijd houdt het mannetje +zich dikwijls geruimen tijd bij het wijfje op; ook helpt hij haar wel bij het bouwen van de meer of minder kunstige woning, +waarin zij later haar kroost zal verzorgen. Het aantal jongen in iederen worp wisselt af van twee tot zeven. De kleintjes +komen nagenoeg kaal en blind ter wereld en hebben daarom behoefte aan een warm leger en een zorgvuldige verpleging. <a id="d0e133"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e133">273</a>]</span>Jong uit het nest genomen Eekhoorntjes laten zich zonder bijzondere moeite temmen; bijna altijd komt echter op meer gevorderden +leeftijd de weerspannige en knorrige aard, die aan vele Knaagdieren eigen schijnt te zijn, voor den dag; zij worden boosaardig +en toonen lust tot bijten. + +</p> +<p>Hoewel alle Eekhoorntjes bij voorkeur (en gedurende sommige tijden uitsluitend) plantaardig voedsel gebruiken, versmaden zij +echter, evenals tal van andere Knaagdieren, het dierlijk voedsel niet; zij overvallen zwakke Zoogdieren en maken ijverig jacht +op Vogels, welker nesten zij op onmeedoogende wijze plunderen. Ofschoon het vel van verscheidene soorten van Eekhoorntjes +als pelswerk dienst doet en men op sommige plaatsen het vleesch van deze dieren eet, kan toch dit geringe nut niet opwegen +tegen de schade, die zij toebrengen aan de door ons gekweekte planten en aan de nuttige Vogels. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Verreweg de meeste leden van de eerste onderfamilie behooren tot het slechts in Australië ontbrekende geslacht der <span class="letterspaced">Dag-eekhoorntjes</span> (<i>Sciurus</i>). Alle soorten van deze groep stemmen zoozeer met elkander overeen, wat gestalte, lichaamsbouw, levenswijze en aard betreft, +dat het volkomen voldoende is, onzen Eekhoorn en zijn levenswijze te beschrijven, om een voorstelling te verkrijgen van het +leven van al zijne verwanten. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Eekhoorn</span> of <span class="letterspaced">Eeker</span> (<i>Sciurus vulgaris</i>) <span id="d0e160" class="corr" title="Bron: ">is </span>een van de weinige Knaagdieren, waarmede de mensch vriendschap gesloten heeft, en die hij, in weerwil van sommige onaangename +eigenschappen, gaarne als huisgenoot aanneemt, heeft zelfs in de oogen van den dichter een bevallige gestalte. Dit werd reeds +gevoeld door de Grieken, aan wie wij den wetenschappelijken naam van het Eekhoorntje ontleend hebben. Deze naam beteekent: +“die zich met den staart overschaduwt”, en onwillekeurig moet ieder, die de beteekenis van het woord <i>Sciurus</i> kent, aan het beweeglijke diertje denken, zooals het daar in de hoogte zit, boven op de hoogste boomkronen. <span class="smallcaps">Rückert</span> heeft het wakkere schepseltje bezongen op zulk een wijze, dat de natuuronderzoeker het hem niet verbeteren kan. + +</p> +<p>De lichaamslengte van het Eekhoorntje bedraagt, zonder den 20 cM. langen staart, 25 cM., de schouderhoogte 10 cM. en het gewicht +van het volwassen dier een weinig meer dan 0.25 KG. De vacht biedt groote verscheidenheid aan, al naar men het dier ’s zomers +of ’s winters, in het noorden of in het zuiden beschouwt. In den zomer is de kleur van de bovendeelen bruinachtig rood, aan +de zijden van den kop met grijs gemengd, aan de onderzijde (te beginnen bij de kin) wit; in den winter is het haarkleed aan +de rugzijde bruinrood met grijsachtig wit gemengd, aan de buikzijde wit. In Siberië en Noord-Europa echter is het winterkleed +van den Eekhoorn geheel en al witachtig grijs, terwijl het zomerkleed gelijkt op dat van het bij ons levende dier. Dikwijls +ziet men in de bosschen van Middel-Europa ook zwarte exemplaren; deze behooren echter niet tot een bijzondere soort, want +bij de jongen van een worp treft men dikwijls roode en zwarte voorwerpen aan. Witte of gevlekte Eekhoorntjes zijn zeer zeldzaam, +zoo ook die met witten of halfwitten staart enz. De staart is zeer ruig en tweerijig behaard; het oor is versierd met een +pluim van lange haren; de voetzolen zijn naakt. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1273.jpg" alt="Eekhoorn (Sciurus vulgaris). ⅓ v.d. ware grootte." width="720" height="445"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Eekhoorn</span> (<i>Sciurus vulgaris</i>). ⅓ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Ons Eekhoorntje is aan de Grieken en Spanjaarden even goed bekend als aan de Siberiërs en Laplanders. Zijn verbreidingsgebied +strekt zich uit over geheel Europa, en reikt voorts over den Kaukasus en den Oeral, door het geheele zuiden van Siberië tot +aan den Altaï en tot in Achter-Azië. Het dier is echter niet overal en ook niet in alle jaren even menigvuldig. Hoogstammige, +droge en schaduwrijke wouden vormen zijne meest bevoorrechte verblijfplaatsen; nat weer is hem even onaangenaam als zonneschijn. +Wanneer het ooft en de noten rijp zijn, bezoekt hij de tuinen van het dorp, doch slechts dan, als zij met het woud verbonden +zijn door kreupelboschjes, of althans door struiken. Daar waar vele sparrekegels en denneappels rijp worden, vestigt hij zich +voor goed; hier heeft hij één of meer woningen, gewoonlijk zijn dit oude kraaiennesten, welker inrichting hij naar zijne behoeften +op kunstige wijze veranderd heeft. Voor een kortstondiger verblijf gebruikt hij de verlaten nesten van Eksters, Kraaien en +Roofvogels, zooals zij zijn. De woningen echter, die als nachtverblijf, als toevluchtsoord bij slecht weder en als kraamkamer +voor het wijfje dienen, worden opzettelijk voor dit doel gebouwd, hoewel hierbij dikwijls wordt gebruik gemaakt van de materialen, +die door de Vogels bijeengebracht zijn. Sommigen meenen opgemerkt te <a id="d0e182"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e182">274</a>]</span>hebben, dat ieder Eekhoorntje minstens vier nesten heeft; met zekerheid is dit echter nog niet gebleken. Gaten in boomen, +het liefst holle boomstammen, worden eveneens door hem bezocht, en in sommige gevallen tot woning ingericht. De open en bloot +liggende nesten komen gewoonlijk voor in een vork, dicht bij den hoofdstam van den boom; hun vloer is gebouwd als die van +een groot vogelnest, van boven is het echter beschut door een plat, kegelvormig dak, op dat van een eksternest gelijkend en +dicht genoeg om het binnendringen van den regen te verhinderen. De hoofdingang is naar beneden gericht, gewoonlijk naar het +oosten, een iets kleiner vluchtgat bevindt zich dicht bij den stam. Van binnen is het nest aan alle zijden met een warm kussen +van zacht mos gevoerd. De buitenwand bestaat uit dunne en dikke twijgen, die kruiselings door elkander gestoken zijn. Den +stevigen, met aarde en leem bekleeden bodem van een verlaten kraaiennest gebruikt het Eekhoorntje gaarne als grondslag van +zijn woning. + +</p> +<p>Dit wakkere diertje is buiten kijf een der voornaamste aantrekkelijkheden van onze bosschen. Bij stil, helder weder beweegt +het zich onverpoosd, en blijft intusschen zooveel mogelijk in de boomen, die hem te allen tijde voedsel en beschutting bieden; +somtijds gaat het op zijn gemak bij den stam naar beneden, en loopt naar den boom, dien het beklimmen wil. Dikwijls doet de +Eekhoorn dit alleen voor de aardigheid, want hij behoeft, als hij zulks niet wenscht, in ’t geheel niet op den grond te komen. +Hij is de Aap van onze bosschen en bezit vele eigenschappen welke herinneren aan die van den genoemden, nukkigen tropenbewoner. +Er zijn waarschijnlijk maar weinige Zoogdieren, die zoolang achtereen in beweging zijn en zoo kort op dezelfde plaats blijven +als de Eekhoorn bij tamelijk goed weder. Voortdurend gaat hij van den eenen boom op den anderen, van kroon tot kroon, van +tak tot tak; zelfs op den grond is hij alles behalve vreemd en onbeholpen. Nooit stapt of draaft hij; altijd beweegt hij zich +huppelend met groote of kleine sprongen; hij doet dit zoo snel, dat een Hond moeite heeft om hem in te halen, en een mensch +reeds na korten tijd de vervolging moet opgeven. De sterkste bewijzen van behendigheid geeft hij echter eerst bij het klimmen. +Met ongeloofelijke vastheid en snelheid sluipt hij bij de boomstammen omhoog, zelfs bij de gladste. De lange, scherpe klauwen +aan de vingervormige teenen bewijzen hem hierbij voortreffelijke diensten. Hij haakt zich aan de boomschors vast en doet dit +met alle vier pooten tegelijk. Dan zet hij zich af voor een nieuwen sprong en schiet verder naar boven; de eene sprong volgt +echter zoo schielijk op den anderen, dat het omhoogstijgen zonder tusschenpoozen plaats heeft; men zou kunnen meenen, dat +het dier bij den stam omhoogglijdt. De klimbeweging veroorzaakt een op een afstand hoorbaar geritsel, waarin men de verschillende +oogenblikken van stilstand en de opeenvolgende sprongen niet onderscheiden kan. Gewoonlijk stijgt het dier zonder rust te +nemen tot in de kroon van den boom, niet zelden tot in den top; daar loopt hij dan langs den een of anderen, waterpas liggende +tak naar den buitenkant van de kroon en springt van hier gewoonlijk in den top van een tak van een anderen boom, over tusschenruimten +van 4 of 5 M., altijd van boven naar beneden. Van de noodzakelijkheid van den tweerijig behaarden staart voor ’t springen +heeft men zich door een wreede proefneming overtuigd; men heeft aan gevangen Eekhoorntjes den staart afgehouwen en opgemerkt, +dat het verminkte dier niet half zoo ver meer springen kon, als vroeger. Ook het zwemmen verstaat de Eekhoorn uitmuntend, +ofschoon hij niet gaarne te water gaat. + +</p> +<p>Als de Eekhoorn geen stoornis behoeft te duchten, zoekt hij gedurende zijne zwerftochten voortdurend voedsel. Al naar het +jaargetijde eet hij vruchten of zaden, knoppen, twijgen en paddestoelen. De zaden van dennen, sparren en zilversparren, knoppen +en jonge uitspruitsels zullen wel het hoofdbestanddeel van zijn voedsel uitmaken. Hij bijt de kegels van onze naaldboomen +bij den steel af, gaat op zijne achterpooten zitten, brengt den kegel met de voorpooten naar den bek, draait hem onophoudelijk +rond en bijt nu met zijne uitmuntende tanden de eene schub na de andere er af, zoodat de zaden blootliggen, die hij dan met +de tong opneemt en in den bek brengt. Aardig is het naar hem te zien, wanneer hij hazelnooten, zijn lievelingsspijs, in overvloed +kan krijgen. Bittere zaden, b.v. van amandels, zijn voor hem vergiftig: twee bittere amandelen zijn voldoende om hem te dooden. + +</p> +<p>Schadelijk voor de boschkultuur wordt de Eekhoorn vooral door het opeten van de zaadlobben der pas ontkiemde beukels, eikels +en zaden van naaldboomen; zelfs tamelijk ver ontwikkelde jonge eiken worden door hem uitgegraven om er de wortels en de zaadlobben +van te verslinden; verder doet hij schade, door zich te voeden met de zaden van boomen, die voor het aanleggen van bosschen +noodig zijn, door het afknagen van de blad- en bloemknoppen van naaldboomen, door het spiraalvormig afschellen van de schors +van berkenstammen, en ook door andere naaldboomen, alsmede haagbeuken, beuken, eiken enz. te ontschorsen; voorts geeft hij +aanleiding tot vermindering van het aantal Vogels, die door het verdelgen van schadelijke Insecten voor de boschkultuur nuttig +zijn. Hiertegenover staat als nut van den Eekhoorn alleen, dat hij in ’t voorjaar, als de boomzaden schaarsch zijn, zich met +de zoo schadelijke Meikevers voedt. + +</p> +<p>Wanneer het dier voedsel in overvloed kan krijgen, verzamelt het voorraad voor latere tijden van schaarschte. In de spleten +en gaten van holle boomen en boomwortels, in door hemzelf gegraven holen, onder struiken en steenen, in een van zijne nesten +en op andere dergelijke plaatsen legt het zijne voorraadschuren aan; dikwijls sleept het de voor proviand bestemde noten, +graankorrels en zaden over groote afstanden naar de bedoelde bergplaatsen. In de bosschen van het zuid-oosten van Siberië +bewaart de Eekhoorn ook paddestoelen; hij doet dit op een hoogst eigenaardige wijze. “Zij zijn,” merkt <span class="smallcaps">Radde</span> op, “zoo weinig zelfzuchtig, dat zij den voorraad paddestoelen niet opbergen, maar aan de naalden of in de lorkenwouden aan +de kleine takjes steken, ze daar droog laten worden, om in tijden van hongersnood hunne doortrekkende soortgenooten van dienst +te zijn.” + +</p> +<p>Uit deze voorzorgsmaatregelen met het oog op den winter blijkt, hoe buitengewoon gevoelig de Eekhoorntjes voor den invloed +van het weder zijn. Wanneer de zon wat meer warmte geeft dan gewoonlijk, houden zij hun middagslaapje in hun nest en zwerven +dan alleen des morgens en des avonds in het bosch rond; nog veel meer echter schuwen zij regenbuien, hevige onweders, stormen +en vooral sneeuwjacht. Klaarblijkelijk hebben zij een voorgevoel van aanstaande weersveranderingen. Reeds een halven dag vóórdat +de gevreesde weersgesteldheid begint, geven zij bewijzen van onrust, door voortdurend in de boomen rond te springen en <a id="d0e197"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e197">275</a>]</span>door een zeer eigenaardig gefluit en geschreeuw, dat men anders alleen van hen hoort, wanneer zij zeer opgewonden zijn. Zoodra +de eerste voorboden van het slechte weder zich vertoonen, verschuilen zij zich in hunne nesten (dikwijls verscheidene in één +nest) en laten, nadat zij de opening aan de windzijde zorgvuldig dichtgemaakt hebben, op hun gemak ineengerold, de bui uitrazen. +Een ongunstig najaar wordt voor hen noodlottig, omdat zij dan reeds in den herfst den voor den winter bestemden voorraad opgebruiken. +Wanneer nu de hieropvolgende winter eenigermate streng is, worden onze dieren in grooten getale er het slachtoffer van. + +</p> +<p>Zoodra de nacht invalt, begeeft het Eekhoorntje, dat een blijvende bewoner is van een oord, zich naar zijn nest en slaapt +hier, zoolang het donker is; toch kan het ook gedurende de duisternis zeer goed den weg vinden. <span class="smallcaps">Lenz</span> liet eens door twee daglooners een lange ladder in het bosch dragen en tegen een boom plaatsen, waarop zich een nest met +jonge Eekhoorntjes bevond. Alles geschiedde zoo stil mogelijk. De lantaarn bleef beneden bij de dragers en <span class="smallcaps">Lenz</span> klom naar boven. Zoodra hij het nest met de hand aanraakte, snelden de bewoners hiervan zoo vlug als de wind naar buiten; +voor zoover men kon nagaan, gingen er twee hooger op in den boom, één bij den stam langs naar beneden en één door de lucht +naar den bodem; in een oogwenk was alles in de nabijheid weer stil. + +</p> +<p>Schrik geeft de Eekhoorn te kennen door de klanken: “Doek, doek”. Als hij zich op zijn gemak gevoelt of slechts in geringe +mate ontevreden is, laat hij een eigenaardig gemor of geknor hooren, dat niet goed door klankteekens kan worden weergegeven. +Buitengewone vreugde of opgewondenheid drukt hij uit door te fluiten. Alle zinnen, vooral het gezicht, het gehoor en de reuk, +zijn scherp: bovendien moet ook het gevoel zeer fijn ontwikkeld zijn, daar anders het vooruitvoelen van weersveranderingen +voor ons onverklaarbaar zou blijven; ook de smaak moet, volgens opmerkingen, die men bij gevangen dieren gedaan heeft, van +eenige beteekenis zijn. Dat het dier goede geestvermogens bezit, blijkt uit zijn goed geheugen en uit de list en slimheid, +waarmede het aan zijne vijanden weet te ontkomen. Bliksemsnel begeeft het zich naar den hoogsten boom, die zich in de nabijheid +bevindt, loopt bijna altijd aan de zijde, die van den vijand afgewend is, bij den stam omhoog tot aan de eerste gaffelvormige +verdeeling, komt dan hoogstens met zijn kopje te voorschijn, kruipt in elkander, verbergt zich zoo goed, als de omstandigheden +dit toelaten, en tracht zoo veel mogelijk onzichtbaar te blijven, terwijl het zich uit de voeten maakt. + +</p> +<p>Vier weken na de paring werpt het wijfje in het zachtste, doelmatigst gelegen nest 3 à 7 jongen, die ongeveer 9 dagen lang +blind blijven en door de moeder met groote liefde verzorgd worden. Nadat zij gespeend zijn, brengt de moeder, en misschien +ook de vader, hun eenige dagen achtereen voedsel; daarna laten de ouders de kleintjes aan hun lot over. De jongen blijven +nog eenigen tijd bijeen, spelen aardig met elkander en nemen zeer schielijk de gewoonten van de volwassenen aan. In Juni heeft +de oude reeds voor de tweede maal jongen; als ook deze zoo ver zijn, dat zij met haar rondzwerven kunnen, vereenigen de jongen +van beide worpen en hun moeder zich tot een bende, die soms uit 12 à 16 leden bestaat, en die men van nu af in een en ’t zelfde +deel van ’t woud ziet arbeiden. + +</p> +<p>Het Eekhorentje is buitengewoon zindelijk; het belekt en poetst zich voortdurend. Om deze reden is het zeer goed geschikt +om in de kamer gehouden te worden. Voor dit doel worden de jongen uit het nest genomen, wanneer zij half volwassen zijn; men +voedert ze met melk en wittebrood, totdat men ze noten en zaden kan geven. + +</p> +<p>In hun jeugd zijn alle Eekhoorntjes wakkere, vroolijke en volkomen onschadelijke diertjes, die gaarne hebben, dat men ze vleit +en liefkoost. Zij herkennen hun verzorger en houden van hem; ook toonen zij eenige leerzaamheid door te komen, als hij roept. +Ongelukkig worden bijna alle, zelfs de tamste, valsch of althans tot bijten geneigd, wanneer zij ouder worden. + +</p> +<p>De Edelmarter is de ergste vijand van den Eekhoorn. Den Vos gelukt het maar zelden deze prooi te bekruipen. Aan Wouwen, Haviken +en groote Uilen ontkomt de Eekhoorn door, zoodra de Vogel hem te lijf wil gaan, schielijk volgens een schroeflijn om den boomstam +heen naar boven te klimmen. Daar de Vogels bij ’t vliegen natuurlijk veel grootere kringen moeten beschrijven, bereikt de +vervolgde eindelijk een holte, een dichte boomkruin, waar hij veilig is. Meer bezwaren heeft hij te overwinnen, wanneer hij +voor den Edelmarter vluchten moet. Deze moordzuchtige roover is in ’t klimmen even goed ervaren als zijn slachtoffer; hij +volgt het op den voet, in de boomkronen zoowel als op den grond, kruipt het na, zelfs in de holen, waarin het een schuilplaats +zoekt, of in het door dikke wanden begrensde nest. Onder angstig geschreeuw en gefluit vlucht de Eekhoorn voor den Marter; +de behendige roover jaagt hem achterna, en beide wedijveren als ’t ware in ’t maken van prachtige sprongen. De eenige kans +op redding, die er voor den Eekhoorn bestaat, berust op zijn geschiktheid om zonder bezwaar uit den top van den hoogsten boom +op den grond te springen, schielijk een eind vooruit te snellen om een nieuwen boom te bereiken, waar hij, zoo noodig het +oude spel zal herhalen. Men ziet hem derhalve, als de Edelmarter hem vervolgt, zoo vlug mogelijk naar boven klauteren, en +intusschen steeds op de reeds aangeduide wijze een schroeflijn volgen, om altijd min of meer door den stam gedekt te zijn. +Steeds klimt de Edelmarter ijverig achter hem aan; beide klimmen ongeloofelijk snel naar het hoogste deel van de kroon. Reeds +schijnt de Edelmarter het ingehaald te hebben,—op eens doet de eekhoorn uit den hoogsten top een geweldigen, boogvormigen +sprong in de lucht, strekt, alle ledematen in horizontale richting zijwaarts, snort door de lucht naar beneden, komt behouden +op den bodem aan en ijlt nu angstig voort, zoo schielijk hij kan, om zoo mogelijk een betere schuilplaats te zoeken. Zoo’n +sprong kan de Edelmarter niet doen, toch bereikt hij in den regel spoedig zijn doel, omdat hij de vervolging niet opgeeft, +maar zoo lang jaagt tot het slachtoffer geheel uitgeput is en zich moet overgeven.—Jonge Eekhoorntjes zijn aan veel meer gevaren +blootgesteld dan de oude; die, welke pas zelfstandig geworden zijn, kunnen zelfs door een behendig klimmend mensch achterhaald +worden. Als jongens zochten wij zulke diertjes en klauterden hen in de boomen na; meer dan eens werd de onverschilligheid, +waarmede zij ons lieten naderen, hun noodlottig. Zoodra wij den tak, waarop zij zaten, konden bereiken, waren zij verloren. +Wij bewogen den tak met geweld heen en weer; het verschrikte diertje was gewoonlijk nergens anders op bedacht, dan om zich +stevig vast te houden, uit vrees voor den val. Nu gingen wij al verder en verder naar den omtrek van de kroon, voortdurend +den tak schuddend, totdat wij met een vluggen greep het diertje konden pakken. +<a id="d0e217"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e217">276</a>]</span></p> +<p>De boeren aan de oevers van de Lena houden zich van het begin van Maart tot in het midden van April voortdurend met de vangst +van Eekhoorns bezig; er zijn er, die meer dan 1000 vallen plaatsen. De Toengoesen schieten ze met stompe pijlen, om het vel +niet te bederven, of gebruiken buksen met nauwen loop, met kogels ter grootte van een erwt, en dooden het dier door het in +den kop te treffen. Volgens mondelinge mededeelingen van <span class="smallcaps">Radde</span> is de Eekhoornjacht in het zuidoosten van Siberië even onderhoudend als opwindend. Het gevangen wild beloont den jager voor +zijn moeite, want het vel, dat onder den naam <i>petit gris</i> (<i>grauwerk</i>, <i>feh</i>) bekend is, wordt als pelswerk zeer geschat; de handel in dit artikel houdt een groot aantal menschen bezig. De mooiste vellen +komen uit Siberië; zij zijn des te donkerder en kostbaarder, naarmate zij uit verder oostwaarts gelegen gewesten afkomstig +zijn; aan deze zijde van den Oeral zijn zij lichter van kleur. Het ruggedeelte en het buikgedeelte van deze vellen worden +afzonderlijk verwerkt. Rusland en Siberië leveren jaarlijks 6 à 7 millioen vellen ter waarde van 1.800.000 gulden; slechts +2 à 3 millioen vellen komen in West-Europa ter markt, de overige worden in ’t land zelf gebruikt of gaan naar China. Bovendien +worden de staarten afzonderlijk verwerkt tot “boa’s”; van de staartharen maakt men goede schilderspenseelen. Het witte, malsche, +smakelijke vleesch wordt door deskundigen overal gaarne gegeten. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Ook de wouden van Amerika, Afrika en Indië worden vervroolijkt door de tegenwoordigheid van Eekhoorntjes, die ten deele zeer +fraai gekleurd zijn; door hunne vlugge bewegingen trekken zij dikwijls niet minder dan de Apen de aandacht van den onderzoeker. +Bovendien laten sommige zich zonder bezwaar in een hok verzorgen, waardoor men in de gelegenheid is allerlei eigenaardigheden +van deze dieren op te merken, die in ’t geheel niet waargenomen kunnen worden bij die, welke in vrijen toestand in de wildernis +leven. Een betrekkelijk zeer klein Afrikaansch Eekhoorntje werd een tijdlang door <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span> aan de Loango-kust verzorgd en nagegaan. Hij schrijft hierover: “Een allerliefst Eekhoorntje met roestgele vacht, versierd +met twee dubbele, zwarte en witte zijdestrepen, werd mij eens levend ten geschenke gegeven. De inboorlingen noemden het <span class="letterspaced">Mkaka</span>. Blijkbaar was het geheel volwassen, toch was het niet grooter dan een flinke Muis, zoodat men het in de holle hand bergen +kon. Binnen weinige dagen werd het zoo tam, dat het zich voortaan vrij in de kamer mocht bewegen. Met het vroolijk en zacht +geroep van ‘tik, tak,’ dat telkens met een opwaartsche beweging van den staart gepaard ging, begeleidde het zijne grappige +spelen; des nachts was het echter vlugger dan over dag. Zijne liefhebberijen veranderden buitengewoon snel. Een tijdlang koos +het, wanneer het nu en dan ging zitten, bij voorkeur mijn inktpot als rustplaats uit, poetste en kamde zich, en volgde intusschen +al mijne bewegingen met zijne schrandere oogjes. Als ik de pen indoopte, sprong het altijd op mijn hand over, en wanneer ik +deze terugtrok, nam het zijn vorige plaats weer in. Daarna vond het mijn hoofd voor zetel geschikt, later mijn schouder, kroop +intusschen ook in het geopende hemd, in een van mijne zakken, zoodat ik bij ’t opstaan altijd vooraf nagaan moest, of ik het +kleine schepseltje, dat dikwijls onder de bedrijven in slaap viel, niet op de een of andere plaats bij mij had. Als slaapplaats +had ik het een uitgeholde adansonia-vrucht aangewezen, die op een veilige hoogte was opgehangen. Voortdurend was het bezig +deze ruimte te vullen, met zachte lapjes, pluisjes van watten en groote vlokken heede, die het uit de kamer van mijn buurman +wegnam, en naar boven vervoerde, door langs een als ladder dienenden stok of langs het rieten beschot omhoog te klauteren. + +</p> +<p>“Wegens zijne bedrijvigheid en zucht naar veranderingen kwam het nooit tot rust en schiep het nooit lang behagen in de zaken, +die het tot stand had gebracht. Het had nauwelijks een week gebruik gemaakt van het zachte nest, of het begon al reeds de +met moeite bijeengebrachte bekleeding te versleepen en over te brengen naar een verleidelijk hoekje op mijn boekenplank; nadat +deze eenigen tijd als slaapplaats had gediend, werd een derde nest aangelegd in een zak van de jas, die naast mijn schrijfstoel +aan den muur hing. Daar achtte het zich gedurende geruimen tijd goed geborgen; ik meende dat het eindelijk tot rust zou zijn +gekomen. Toen ik echter op een goeden keer mijne waterlaarzen wilde aantrekken, die ik, om ze tegen de Ratten te beveiligen, +aan een over een dakspant geslagen touw had opgehangen en die dus vrij in de lucht zweefden, vond ik een van deze ingericht +tot woning voor mijn Eekhoorntje en tot het boveneinde gevuld met heede, watten en vederen. Toen ontdekte ik ook, dat mijn +rustelooze lieveling, evenals de Ziesels de manie had allerlei glinsterende en gladde voorwerpen te verzamelen: percussions, +patroonhulzen, bontgekleurde scherven en andere fraaiigheden, en ook de vingerhoed, die ik sedert geruimen tijd miste, kwamen +uit de laars te voorschijn. Voor het overige deed het niet veel kwaad.” +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De grootste en de kleinste Eekhoornsoort komen beide in den Oost-Indischen archipel voor. De <span class="letterspaced">Reuzen-eekhoorn</span> (<i>Sciurus maximus</i>) heeft een lichaamslengte van 43 cM. met een staart van gelijke lengte, terwijl de op Sumatra en Borneo inheemsch <span class="letterspaced">Dwerg-eekhoorn</span> (<i>Sciurus exilis</i>) zonder den 6 cM. langen staart, 6.5 cM. lang is. Van alle zoö-geographische rijken is trouwens het Oostersche gebied het +rijkst aan Eekhoorns; niet minder dan 50 van de 100 à 120 tot dusver bekende soorten van het geslacht (<i>Sciurus</i>) komen in dit gebied voor. Merkwaardig is hetgeen <span class="smallcaps">Wallace</span> van deze dieren zegt, naar aanleiding van een bezoek door hem gebracht aan den heuvel Boekit Seboentang bij Palembang, die +voor de begraafplaats van den stamvader der voormalige Palembangsche vorsten wordt gehouden: “Op een plaats, die ongeveer +drie palen van de stad verwijderd is<a id="d0e266src" href="#d0e266" class="noteref">1</a>, rijst de grond tot een kleinen heuvel, die door de inboorlingen als heilig wordt beschouwd; eenige fraaie boomen, bevolkt +door een kolonie van half tam geworden Eekhoorntjes beschaduwen hem. Wanneer iemand hun eenige broodkruimels, of eene of andere +vrucht voorhoudt, komen zij snel langs den stam naar beneden, grissen het aangeboden hapje uit zijn vingers weg, en zijn in +een oogwenk weder verdwenen. Zij dragen hunne staarten recht omhoog, en het haar, dat grijs, geel en bruin geringd is, spreidt +zich gelijkmatig straalswijze rondom hen uit, en geeft hun een allerliefst voorkomen. Zij bewegen zich eenigermate op de wijze +van Muizen, en gaan voort met kleine rukken, terwijl zij, alvorens zich verder te wagen, met hunne groote, zwarte oogen strak +rondom zich staren. De wijze waarop <a id="d0e275"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e275">277</a>]</span>de Maleiers zich dikwijls het vertrouwen van wilde dieren weten te verwerven, vormt een aangenamen trek in hun karakter, en +is tot op zekere hoogte te verklaren uit de kalme bedaardheid hunner manieren, en de voorkeur die zij aan rust boven beweging +geven. De kinderen zijn gehoorzaam aan de wenschen hunner ouders, en schijnen niets te gevoelen van de neiging tot kattekwaad, +die men bij Europeesche jongens opmerkt. Hoe lang zouden wel tamme Eekhoorns de boomen kunnen bewonen in de nabijheid van +een Engelsch dorp, al ware het zelfs vlak bij de kerk? De dorpsjeugd zou, zoo zij ze niet strikte om ze in draaikooien op +te sluiten, met allerlei voorwerpen op hen mikken en hen spoedig verdrijven. Nooit heb ik gehoord, dat deze aardige diertjes +in Engeland op zoodanige wijze werden tam gemaakt; doch ik geloof, dat dit gemakkelijk in het park van ieder heerenhuis zou +kunnen gebeuren, en dat tamme Eekhoorns hier een even aardige en aantrekkelijke, als buitengewone vertooning zouden opleveren.” + +</p> +<p>Ook de Eekhoorns van Java en Sumatra echter, halen zich de vervolging van den mensch op den hals door de schade, die zij aanrichten. +Zoo wordt van den <span class="letterspaced">Tweekleurigen</span> en van den <span class="letterspaced">Zwartgevlekten Eekhoorn</span> (<i>Sciurus bicolor</i> en <i>S. nigro-vittatus</i>) bericht, dat zij voor de koffieplantages lastige gasten zijn, omdat zij het sappige gedeelte van den vruchtwand der koffiebessen +verslinden. Een andere Eekhoorn doet schade aan de Vijgeboomen, door het afknagen der eindknoppen, enz. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Op de Dag-eekhoorns moeten wij de nachtelijk levende <span class="letterspaced">Vliegende Eekhoorns</span> (<i>Pteromys</i>) laten volgen. Zij onderscheiden zich van de leden van ’t vorige geslacht vooral door de breede fladder-huid, die hunne ledematen, +met uitzondering van de voor- en achtervoeten, aaneenverbindt. Door dit valscherm zijn de Vliegende Eekhoorns in staat, om +met gemak zeer groote sprongen in schuinsche richting van boven naar beneden te doen; het bestaat uit een stevige huid, die +aan de voorste en achterste ledematen en aan beide zijden van den romp bevestigd is, aan de rugzijde is zij dicht, aan de +buikzijde echter dun behaard. Bovendien wordt het voorste deel van de fladderhuid nog gesteund door een beenige spoor aan +den handwortel. De staart, een krachtig stuurorgaan, is altijd flink ontwikkeld; bij de verschillende soorten echter ongelijk +behaard, bij die van de eene groep n.l. eenvoudig ruig, bij die van de andere bovendien tweerijig. Hierbij komen nog geringe +verschillen in de samenstelling van het gebit. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Tagoean</span> (<i>Pteromys petaurista</i>), het grootste lid van de geheele familie, komt in lichaamsomvang ongeveer overeen met een Huiskat. De fladderhuid begint +aan de voorpooten, en strekt zich langs de zijden van het lichaam uit tot de achterste ledematen; bovendien is nog een klein +verlengstuk van deze huid tusschen de voorpooten en het achterste deel van den kop, en tusschen de achterpooten en het begin +van den staart aanwezig. In den toestand van rust wordt de fladderhuid geplooid en tegen den romp aangelegd. Aan de bovenzijde +van den kop, op den rug en aan den wortel van den staart is de haarkleur een mengsel van grijs en zwart. Aan de geheele onderzijde +heeft de vacht een vuil witachtig grijze kleur. De kleur van de fladderhuid wisselt af van zwartbruin tot kastanjebruin aan +de bovenzijde, de randen zijn licht aschgrauw, de onderzijde is grijs met een eenigszins geelachtige tint. De staart is zwart. + +</p> +<p>De Tagoean bewoont alle gewesten van Oost-Indië en Ceylon, waar uitgestrekte bosschen voorkomen; daar leeft hij afzonderlijk +of bij paren in de dichtste deelen van het woud, en bij voorkeur op de hoogste boomen. Over dag slaapt hij in holle boomen, +des nachts komt hij te voorschijn, klimt en springt met buitengewone snelheid, behendigheid en zekerheid van beweging in de +boomkronen rond, of maakt zeer groote sprongen van boven naar beneden om naburige boomen te bereiken. Daarbij strekt hij zijne +ledematen in horizontale richting zijwaarts en spant hierdoor de fladderhuid tot een groot valscherm uit. De staart wordt +als stuurorgaan gebruikt en stelt het dier, naar men beweert, in staat om door een plotselinge wending gedurende den sprong +de richting van de beweging te veranderen. <span class="smallcaps">Sanderson</span> weerspreekt deze bewering en zegt, dat het dier niet meer van de gekozen richting kan afwijken, nadat het den sprong heeft +aangevangen; de inboorlingen wachten het aan het eindpunt van den sprong op en dooden het met een stokslag. Naar men verhaalt, +is de snelheid, waarmede deze dieren springen en andere bewegingen maken, zoo buitengewoon groot, dat het oog hen bijna niet +volgen kan. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>In noordelijke gewesten komen Vliegende Eekhoorns voor met tweerijig behaarden, langen, ruigen staart. Tot deze groep behoort +de <span class="letterspaced">Gewone Vliegende Eekhoorn</span>, de <span class="letterspaced">Ljoetaga</span> der Russen (<i>Pteromys volans</i>), die het noordelijke deel van Oost-Europa en bijna geheel Siberië bewoont. Dit dier is aanmerkelijk kleiner dan ons Eekhoorntje; +zijn romp is zonder den 10 cM. langen, staart, slechts 16 cM. lang. De dichte en voor ’t gevoel zijdeachtige vacht is in den +zomer aan de bovenzijde vaalbruin; de bovenzijde van de “vlieghuid” en de buitenzijde van de pooten zijn donkerder grijsbruin, +de onderdeelen zijn wit. In den winter wordt de vacht langer, dichter en lichter van kleur; de bovendeelen en de staart zijn +dan zilvergrijs. + +</p> +<p>Het Gewone Vliegende Eekhoorntje bewoont groote berkenbosschen of gemengde bosschen, waarin sparren, dennen en berken met +elkander afwisselen. De berken schijnen voor zijn leven noodzakelijk te zijn; hierop wijst ook de kleur van de vacht, die +over ’t geheel genomen evenzeer gelijkt op die van den berkenbast, als de kleur van ons Eekhoorntje gelijkt op die van de +schors van dennen en sparren. Ofschoon het vel van den Ljoetaga als pelterij weinig waarde heeft, wordt het toch door de Chineezen +voor dit doel gebruikt. Iederen winter worden een groot aantal van deze dieren gedood; hun aantal neemt dan ook sterk af; +uit vele streken waar zij vroeger veelvuldig voorkwamen, zijn zij bijna geheel verdwenen; misschien komen zij er echter nog +talrijker voor, dan men meent. + +</p> +<p>Hun voedsel bestaat uit noten en zaden van allerlei boomen, bessen, knoppen, jonge spruiten en katjes van berken. Als de koude +aanvangt, vervallen zij in een afgebroken winterslaap: gedurende de koude dagen slapen zij; als het weder zachter is, loopen +zij iederen dag minstens een paar uur rond. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Een merkwaardig geslacht is dat van de <span class="letterspaced">Aard-eekhoorns</span> (<i>Tamias</i>). Door het bezit van wangzakken, die zich tot aan het achterhoofd uitstrekken, en door hun meer of minder onderaardsche levenswijze +vormen zij een overgang van de Eekhoorns tot de Ziesels; zij stemmen echter meer met gene dan met <a id="d0e343"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e343">278</a>]</span>deze overeen. De dun behaarde staart is een weinig korter dan het overige lichaam; de vacht is kort en niet zeer zacht, op +den rug gewoonlijk met duidelijke, overlangsche streepen geteekend. De weinige, hiertoe behoorende soorten bewonen Oost-Europa, +Siberië en Noord-Amerika. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Boeroendoek</span> of <span class="letterspaced">Gestreepte Siberische Aard-eekhoorn</span> (<i>Tamias striatus</i>) is aanmerkelijk kleiner, maar plomper gebouwd dan onze Eekhoorn. De kleur van de korte, ruige, dicht aanliggende vacht is +aan den kop, den hals en de zijden van den romp geelachtig, en bevat vele lange haren met witte spitsen; over den rug loopen +vijf overlangsche, zwarte streepen, die strooken van ongelijke breedte begrenzen: de middelste is boven de ruggegraat gelegen, +de beide volgende strekken zich van den kop tot aan de achterpooten uit, daartusschen bevindt zich een bleekgele strook. De +geheele onderzijde is geelachtig wit. + +</p> +<p>Het vaderland van den Aard-eekhoorn van de Oude Wereld bestaat uit een groot deel van Noord-Azië en een klein stuk van Oost-Europa. +Hij is een woudbewoner en komt zoowel in naaldboombosschen als in beukenbosschen voor, het veelvuldigst echter daar, waar +vele Russische ceders of arven groeien, welker (ook voor den mensch) bruikbare zaden, hij gaarne eet. Onder de wortels van +deze boomen graaft hij zijn tamelijk kunsteloos, eenvoudig hol, dat uit het eigenlijke nest en één, twee of drie voorraadkamers +bestaat, welke ruimten het dier door een lange gekronkelde gang kan bereiken. Het voedt zich met zaden en bessen, maar vooral +met noten en graankorrels; van deze beide voedingsmiddelen bevatten zijne voorraadschuren in sommige winters 5 à 8 KG., welke +proviand in de wangzakken er heen wordt gebracht. + +</p> +<p>De Aard-eekhoorns worden door de landbouwers niet gaarne gezien. Evenals de Muizen begeven zij zich naar de graanschuren en +richten hier, wanneer zij zeer talrijk zijn, groote schade aan. Hunne gevulde voorraadschuren worden, evenals in andere landen +die van de Hamsters, opgegraven en geledigd. De Siberiërs trekken ook partij van het vel van deze dieren, dat naar China wordt +gezonden, waar het gebruikt wordt voor het boorden en garneeren van andere pelterijen. + +</p> +<p>De Aard-eekhoorns zijn door hunne fraaie kleur en sierlijke, vlugge bewegingen geschikt om de belangstelling te wekken van +hen, die gaarne dieren in gevangenschap houden. Volkomen tam worden zij nooit, altijd blijven zij vreesachtig en toonen lust +tot bijten. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Marmotten</span> (<i>Arctomyinae</i>), die de tweede onderfamilie van de Eekhoornachtigen vormen, onderscheiden zich van de Eekhoorns in engeren zin door den +loggeren, meer ineengedrongen romp, den korteren staart en door eigenaardigheden van het gebit. Deze diergroep omvat een tamelijk +groot aantal soorten, die over Middel-Europa, Noord-Azië en Noord-Amerika verbreid zijn. De meeste bewonen de vlakten, eenige +echter leven juist in de hoogste bergen van hun vaderland. Zij houden zich op in droge, leemachtige, zandige of steenachtige +gewesten, in grasrijke vlakten en steppen, in bouwlanden en tuinen; de Marmotten, die in de gebergten leven, geven echter +aan de weiden, die boven de grens van den boomgroei gelegen zijn, of aan de ravijnen en rotsdalen, die tusschen deze grens +en de sneeuwgrens voorkomen, de voorkeur boven de genoemde vlakten. Alle soorten hebben vaste woonplaatsen en trekken niet +van het eene oord naar het andere. Zij graven diepe, onderaardsche woningen en leven hier in gezelschappen, die dikwijls uit +een verbazend groot aantal individuën bestaan. Sommige hebben meer dan één woning, en maken van de eene of de andere gebruik, +al naar het jaargetijde, of al naar de werkzaamheden, die zij juist dan te verrichten hebben. Andere blijven jaar in jaar +uit in hetzelfde hol. Alle leven op den bodem; hoewel hare bewegingen ook nog snel en vlug zijn, staan zij toch in dit opzicht +bij de eigenlijke Eekhoorns achter; eenige soorten komen ons zelfs log voor. Gras, kruiden, malsche spruiten, jonge planten, +zaden, veldvruchten, bessen, wortels, knollen en bollen verschaffen haar voedsel; alleen die soorten, welke zich met veel +moeite in de boomen en struiken naar boven kunnen begeven, eten jonge boombladeren en knoppen. Waarschijnlijk gebruiken ook +zij, behalve planten, Insecten en Zoogdieren tot voedsel, en verschalken zij soms Vogels, die zich niet vlug kunnen bewegen, +of plunderen hunne nesten. Sommige soorten zijn schadelijk in koornvelden en tuinen; het door haar veroorzaakte nadeel is +echter niet belangrijk. Bij het eten zitten zij als de Eekhoorntjes op haar achterwerk en brengen het voedsel met de voorpooten +naar den mond. Zoodra de vruchten rijp zijn, beginnen zij winterprovisie te verzamelen en hare onderaardsche voorraadschuren +te vullen met grassen, bladen, zaden en graanvruchten. Als de winter komt, verschuilen zij zich in hare holen en vervallen +hier in een diepen, onafgebroken winterslaap. + +</p> +<p>Haar stem bestaat uit een meer of minder luid gefluit of gekef, en een soort van geknor, dat, wanneer het zacht is, een tevredene +gemoedstemming te kennen geeft, maar anders toorn verraadt. Vele soorten zijn hoogst opmerkzaam, voorzichtig en waakzaam, +schuw en vreesachtig; zij zetten wachten uit tot vermeerdering van de veiligheid van het gezelschap, en vluchten bij het geringste +vermoeden van een naderend gevaar ten spoedigste naar hare onderaardsche schuilplaatsen. Haar verstand blijkt hieruit, dat +zij gemakkelijk en in vrij hooge mate getemd kunnen worden. De meeste leeren hare verzorgers kennen en worden zeer gemeenzaam; +eenige geven zelfs bewijzen van volgzaamheid en leerzaamheid, en laten zich tot het doen van verscheidene kunstjes africhten. + +</p> +<p>Zij vermenigvuldigen zich zeer sterk. Wel werpen zij gemiddeld slechts eens ’t jaar jongen, maar elke worp bestaat uit 3 à +10 stuks. + +</p> +<p>Van sommige wordt het vel gebruikt, van andere wordt het vleesch gegeten; ook zijn zij geschikt om, als huisgenooten van den +mensch, tot zijn tijdverdrijf te dienen; ander voordeel verschaffen zij ons niet. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De eerste groep van de Marmotachtige Knaagdieren omvat de <span class="letterspaced">Ziesels</span> (<i>Spermophilus</i>). Van deze verdient, als bewoner van Middel-Europa, vermelding de <span class="letterspaced">Gewone Ziesel</span> (<i>Spermophilus citillus</i>), een aardig diertje, bijna van de grootte van een Hamster (hoogstens 24 cM. lang, zonder den 7 cM. langen staart; schouderhoogte +omstreeks 9 cM.), maar met veel slankeren romp en bevalliger kopje. Hij heeft een losse, uit tamelijk stijve haren bestaande +vacht, die aan de bovenzijde geelachtig grijs is, met onregelmatige roestgele golflijnen en fijne vlekjes, aan de onderzijde +roestgeel, aan de kin en het voorste deel van den hals wit. + +</p> +<p>De Ziesel komt voornamelijk in het oosten van Europa voor. <span class="smallcaps">Albertus Magnus</span> heeft hem waargenomen in de nabijheid van Regensburg, waar hij thans <a id="d0e401"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e401">279</a>]</span>niet meer gevonden wordt; in den laatsten tijd breidt zijn woongebied zich in Silezië hoe langer hoe verder naar ’t westen +uit. Voor omstreeks 60 jaren kende men hem daar niet, sedert 50 jaren echter is hij reeds in het westelijk deel van de provincie, +en wel in het regeeringsdistrict Liegnitz doorgedrongen en schrijdt vanhier uit verder westwaarts voort. Naar het schijnt, +heeft hij van alle verwante soorten het uitgestrektste verbreidingsgebied. Met zekerheid kent men hem als bewoner van het +zuiden en midden van Rusland, van Galicië, Silezië en Hongarije, Stiermarken, Moravië en Boheme, Karinthië, Krain. Op de meeste +plaatsen, waar de Ziesel zich ophoudt, komt hij veelvoudig voor; soms veroorzaakt hij een aanmerkelijke schade aan den landbouw. +Droge, boomlooze gewesten strekken hem tot verblijfplaats, vooral houdt hij van een samenhangenden zand- of leembodem, dus +van akkergrond en uitgestrekte grasvlakten. In den laatsten tijd is hij volgens <span class="smallcaps">Herklotz</span>, begonnen zich te vestigen in streken, die door spoorwegen doorsneden worden; daar de spoordijken hem het graven gemakkelijk +maken, en voor regenbuien eenigszins beveiligen. Deze dieren leven steeds gezellig, maar ieder hunner graaft zich zijn eigen +hol in den grond, het mannetje dichter bij de oppervlakte, het wijfje dieper. De kamer ligt 1 à 1.5 M. onder de oppervlakte +van den bodem, is van langwerpig ronden vorm, heeft ongeveer 30 cM. middellijn en wordt met droog gras gevoerd. Naar boven +leidt altijd slechts een enkele, nauwe gang, vóór welker opening een kleine hoop aarde opgeworpen is. Andere ruimten van de +onderaardsche woning dienen als bewaarplaatsen van den wintervoorraad, die in den herfst bijeengebracht wordt. Het hol, waarin +het wijfje in de lente, gewoonlijk in April of Mei, hare 3 à 8 hulpbehoevende, naakte en blinde jongen ter wereld brengt is, +om het teer geliefde kroost voldoende te beveiligen, altijd dieper aangelegd dan het gewone, tot woning dienende hol. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1279.jpg" alt="Ziesel (Spermophilus citillus). ⅓ v.d. ware grootte." width="720" height="440"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Ziesel</span> (<i>Spermophilus citillus</i>). ⅓ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>“Ofschoon de Ziesel zeer wantrouwig en voorzichtig is,” schrijft <span class="smallcaps">Herklotz</span>, “geraakt hij toch aan dikwijls herhaalde storingen gewoon, zoodat deze hem ten slotte in ’t geheel niet meer hinderen. Op +een Hongaarschen spoorweg ontdekte ik aan het einde van een ten deele in ’t puin bedolven dwarslegger, een in den spoordijk +doordringend Zieselhol, waaraan ik door den reuk kon bemerken, dat het bewoond werd. Om mij hiervan volkomen te overtuigen, +ging ik op de loer liggen, en het duurde niet lang of de Ziesel kwam te voorschijn. Een half uur later kwam de trein aansnorren, +de Ziesel schoot in zijn hol, maar bleef met het halve lijf er buiten, liet rustig den trein over zich heen ratelen, kwam +toen dadelijk weer te voorschijn en hervatte zijne vroegere bezigheden.” + +</p> +<p>Malsche kruiden en wortels, graansoorten, peulvruchten en allerlei bessen, maken het gewone voedsel van den Ziesel uit. Tegen +den aanvang van den herfst begint hij voorraad in te zamelen, die hij op de wijze van den Hamster in de <span id="d0e422" class="corr" title="Bron: wangzaken">wangzakken</span> naar zijn hol vervoert. Als de gelegenheid zich voordoet, wordt de Ziesel ook gevaarlijk voor Muizen en voor Vogels die op +den grond nestelen; want hij ontrooft hun niet alleen de eieren, maar overvalt zelfs de volwassen Vogels, als zij niet voorzichtig +zijn, brengt ze een paar beten toe, vreet hun de hersenen uit den kop en verslindt ze daarna geheel, met uitzondering van +de huid. Het voedsel houdt hij zeer sierlijk tusschen de voorpooten vast en eet het op, terwijl hij in half opgerichte houding +op zijn achterwerk zit. + +</p> +<p>De schade, die de Ziesel door zijne dieverijen veroorzaakt, wordt alleen dan merkbaar, als het dier zich buitengewoon sterk +vermenigvuldigt. Maar de Hermelijnen, Wezels, Bunzingen en Steenmarters, de Valken, Kraaien, Reigers en Trappen, zelfs de +Katten, de Rattenvangers en andere bekende verdelgers van Knaagdieren maken ijverig jacht op hem. De Groote Trap o.a. vervolgt +den Ziesel met evenveel ijver als behendigheid, doodt hem door een snavelhouw en verslindt hem met huid en haar. Ook de hand +van den mensch is tegen hem; hij wordt vervolgd zoowel wegens zijn vel, als om zijn smakelijk vleesch; men vangt hem in strikken +en vallen, graaft hem uit of dwingt hem zijn hol te verlaten door er water in te gieten, enz. Hierdoor wordt aan de sterke +vermenigvuldiging van den Ziesel paal en perk gesteld. + +</p> +<p>Het is niet moeielijk den Ziesel levend te vangen. De spade brengt het in zijn hol verborgen dier spoedig aan ’t daglicht, +of de arglistig voor den ingang geplaatste val doet hem bij het verlaten zijner woning de vrijheid verliezen. In dit geval +gedraagt de Ziesel zich op een zeer beminnelijke wijze. Hij maakt van den nood een deugd en sluit langzamerhand vriendschap +met den hem opgedrongen meester. Toch toont hij niet zelden <a id="d0e429"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e429">280</a>]</span>de eigenaardige streken van de Knaagdieren door duchtig te bijten. Als hij goed behandeld wordt, kan de Ziesel verscheidene +jaren lang als gevangene in ’t leven blijven. Met de Hazelmuis is hij wel een van de aardigste dieren, die men in de kamer +houden kan. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De in Noord-Amerika levende <span class="letterspaced">Prairie-hond</span> (<i>Cynomys ludovicianus</i>) verbindt in zekeren zin de Ziesels met de eigelijke Marmotten; hoewel hij streng genomen tot gene behoort, gelijkt hij toch +meer op deze. De romp is ineengedrongen, de kop groot, de staart zeer kort, ruig, van boven en aan de zijden gelijkmatig behaard; +de wangzakken zijn onbeduidend. Volwassen Prairie-honden kunnen, met inbegrip van den ongeveer 7 cM. langen staart, een lengte +van ongeveer 40 cM. bereiken. De kleur van de bovenzijde is licht roodachtig bruin, met grijs en een zwartachtige tint gemengd, +die van de onderzijde is vuilwit, de korte staart is aan de spits bruin gestreept. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1280.jpg" alt="Prairie-hond (Cynomys ludovicianus). ¼ v.d. ware grootte." width="720" height="572"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Prairie-hond</span> (<i>Cynomys ludovicianus</i>). ¼ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De naam “Prairiehond,” die langzamerhand burgerrecht heeft gekregen, is aan dit dier gegeven door de oude Canadeesche trappers +of pelsjagers, die het ontdekten, en welker aandacht vooral getrokken werd door het blaffend geluid, dat het laat hooren. +In zijn uitwendig voorkomen is niets, wat aan den Hond herinnert. Zijne uitgestrekte verblijfplaatsen, die men, wegens hun +omvang “dorpen” noemt, worden geregeld gevonden op eenigszins laag gelegen weiden, waar een sierlijke grassoort een prachtig +tapijt vormt en tevens aan de dieren het verkrijgen van voedsel gemakkelijk maakt. “Tot welk een ongeloofelijke uitgestrektheid +de koloniën van deze vreedzame bodembewoners zijn aangegroeid,” zegt <span class="smallcaps">Balduin Möllhausen</span>, “bemerkt men het best, wanneer men voortdurend, dagen achtereen tusschen de kleine heuvels doortrekt, die ieder aan twee +of meer van deze dieren tot woonplaats dienen. De woningen zijn gewoonlijk 5 à 6 M. van elkander verwijderd; iedere kleine +heuvel, die zich voor den ingang van zulk een woning verheft, bestaat vermoedelijk uit een flinke wagenvracht aarde, die langzamerhand +door de bewoners uit de onderaardsche gangen aan de oppervlakte is gebracht. Sommige woningen hebben één, andere twee ingangen. +Een vastgetreden pad leidt van de eene woning naar de andere; dit ziende, komt men tot het vermoeden, dat er tusschen deze +vlugge diertjes een innige vriendschap moet bestaan. Tot de keuze van een plaats voor het aanleggen hunner ‘steden’ schijnen +zij bepaald te worden door de aanwezigheid van een korte grassoort met gekroesde bladen, die vooral op hoogvlakten tiert, +en die, met den wortel van een andere plantensoort, het eenige voedsel van deze diertjes uitmaakt. Zelfs op de hoogvlakten +van Nieuw-Mexico, waar vele mijlen in ’t rond geen druppel water te vinden is, treft men dicht bevolkte vrijstaten van deze +diersoort aan. Daar er in deze streken verscheidene maanden achtereen geen regen valt, en men ook, om het grondwater te bereiken, +meer dan 30 M. diep moet graven, mag men wel aannemen, dat de Prairie-honden geen ander water noodig hebben, dan dat hetwelk +door een sterken dauw van tijd tot tijd op de fijne grashalmen wordt neergeslagen. Als de Prairie-hond den tijd voelt naderen, +waarin hij den winterslaap zal aanvangen, hetgeen gewoonlijk in de laatste dagen van October geschiedt, sluit hij alle uitgangen +van zijn woning om zich tegen de koude winterlucht te beveiligen, en geeft zich aan den slaap over, om niet eerder de onderwereld +weder te verlaten dan in de lentedagen, als de warmte hem tot een nieuw, vroolijk leven opwekt. Volgens de verhalen van de +Indianen, opent hij dikwijls reeds de deuren zijner woning als het weder nog koud is. Dit wordt dan beschouwd als een betrouwbaar +voorteeken van de spoedige komst van warme dagen. + +</p> +<p>“Zulk een kolonie levert een merkwaardig schouwspel op, als het gelukt, haar tot op korten afstand te naderen, zonder door +de wachten opgemerkt te worden. Zoover het oog reikt, ziet men overal leven en beweging; bijna op iederen heuvel zit rechtop +als een Eekhoorntje, de kleine, geelachtig bruine Marmot; het <a id="d0e457"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e457">281</a>]</span>naar boven gerichte staartje is voortdurend in beweging en de fijne, blaffende stemmetjes van de vele duizenden dieren, vereenigen +zich tot een gonzend gedruisch. Als de toeschouwer nog eenige schreden naderbij komt, hoort en onderscheidt hij de zwaardere +stem van de oude en ervaren hoofden; maar op eens, als door een tooverslag, is al dit leven van de oppervlakte verdwenen. +Slechts hier en daar komt uit de opening van een hol de kop van een verspieder te voorschijn, die door een aanhoudend, uitdagend +geblaf, zijne verwanten voor de gevaarlijke nabijheid van een mensch waarschuwt. Als men dan gaat liggen, en zonder zich te +bewegen met geduld acht geeft op hetgeen er in de naaste omgeving voorvalt, zal men na verloop van korten tijd de schildwacht +weder zijn plaats op den heuvel voor zijn deur zien innemen; door onophoudelijk te blaffen, maakt hij zijne soortgenooten +bekend met het ophouden van het gevaar. Hij lokt daardoor de eene voor, de andere na uit de donkere gangen aan de oppervlakte, +waar weldra de vreedzame werkzaamheden van deze gezellige dieren op nieuw een aanvang nemen. Uren lang zou men, zonder verveling, +dit aanhoudend afwisselend tafereel kunnen beschouwen; ’t is te begrijpen, dat menigeen dan de wensch in zich voelt opkomen, +de taal van deze dieren te leeren verstaan, om hunne gesprekken te kunnen afluisteren en in hun gedachtenkring door te dringen.” + +</p> +<p>Een opmerkelijk feit, voor welks juistheid verscheidene natuuronderzoekers ons borg staan, is, dat de woningen der Prairie-honden +ook aan twee gevaarlijke vijanden van kleine Knaagdieren huisvesting verschaffen. Het is volstrekt geen zeldzaamheid, Marmotten, +Aarduilen en Ratelslangen door dezelfde opening naar binnen te zien gaan. + +</p> +<p>“Ieder die met de prairie en hare bewoners goed bekend is”, schrijft <span class="smallcaps">Finsch</span>, “weet, dat deze dieren vreedzaam in een en ’t zelfde hol bijeenwonen. De dierenopzetters in het verre westen, kiezen met +voorliefde dit klaverblad als voorbeeld voor een dierengroep, die onder den naam van ‘de gelukkige familie’ bij de vreemdelingen +niet weinig verwondering wekt.” + +</p> +<p>Van de gevangen Prairie-honden bericht <span class="smallcaps">Haacke</span> onder meer het volgende: “Er zijn waarschijnlijk niet veel dieren, welker leven in den gevangen staat zich zoo gemakkelijk +tot een nagenoeg met de natuur overeenkomend beeld van hun leven in den vrijen staat laat inrichten, als dat van de Prairie-honden, +welker kunstige woningen en merkwaardige werkzaamheden met groote belangstelling door vele bezoekers van den Frankforter dierentuin +worden nagegaan. Nauwelijks waren in den vorigen zomer de dieren weer toegelaten in ons Prairie-honden-park, dat door eenige +nieuwe inrichtingen verbeterd was, of hun onderaardsche arbeid nam een aanvang. Des namiddags waren de dieren in ’t park toegelaten, +den volgenden nacht reeds konden zij in hunne nieuwe holen slapen. Bij het uitgraven van zijn hol gaat de Prairie-hond met +groote omzichtigheid te werk. Nooit begint hij te graven op den bodem van den onderaardschen gang die hij verlengen wil, want +daardoor zou hij zich den uitweg versperren of althans zeer bemoeilijken; steeds begint hij zijn arbeid in de onmiddellijke +nabijheid van den ingang. Hier wordt de aarde die van een vorigen keer is blijven liggen, met de voorpooten onder den buik +van het dier geschoven en vervolgens met de achterpooten naar buiten geslingerd; zoo verdwijnt het dier, dat afwisselend met +de voor- en achterpooten arbeidt, langzamerhand in de diepte. Met het graven der gangen is echter het bouwen van de woning +niet afgeloopen. Een belangrijk deel van den hiervoor vereischten arbeid is het opwerpen van een ringwal om de uitgangsopening, +waardoor het hol tegen overstrooming gevrijwaard wordt. Met dit doel wordt de uitgegraven aarde bijeengebracht. Al wat te +ver was voortgesmeten, wordt door de achterpooten weer in de buurt van den ingang van het hol geworpen; daarna schuift het +dier, omdat hier degelijk werk verricht moet worden, de aarde zorgvuldig met de voorpooten voor zich uit, en hoopt haar rondom +den ingang op. Om te maken dat zij hier blijft liggen en een flinken wal vormt, wordt zij netjes met den neus vastgestampt; +om de beste uitkomst te verkrijgen, worden regendagen gekozen voor het stevig maken van den wal en van de wanden van den ingang; +men ziet op zulke dagen rondom den ingang overal de indruksels van den neus van het dier. + +</p> +<p>“Met het oog op de weersveranderingen brengt de Prairie-hond nu en dan tijdelijke wijzigingen aan in zijn woning. Toen het +in October koud werd, maakten onze Prairie-honden drie van de vijf toegangsopeningen tot hun hol dicht. Voor dit doel werden +de wallen gedeeltelijk afgebroken. Juist het tegendeel geschiedde, naar mij bleek, in den zomer, als de zon na eenige regendagen +veel warmte gaf en er voor het uitdrogen van de woning gezorgd moest worden. Toen werden er, om het ontwijken van den waterdamp +te bevorderen, luchtgangen gegraven. Om het hol bewoonbaar te maken, moet het leger van het dier met hooi en dergelijke materialen +bekleed worden. Bij droog weder werpen wij onze Prairie-honden een handvol hooi toe. Met de voorpooten en den bek maken de +dieren van het hooi boschjes, die zoo dik zijn, dat zij ze bijna niet met den mond kunnen vasthouden en verdwijnen hiermede +in de diepte. Op soortgelijke wijze handelen zij met papier; geheele couranten worden tot een prop samengevouwen en in het +hol gesleept. Als het hooi van het leger te vochtig geworden is, nemen zij het weg en vervangen het door nieuw hooi.” +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Wat de Prairie-hond is in de Nieuwe Wereld, is de <span class="letterspaced">Bobak</span> (<i>Arctomys bobac</i>) in de Oude Wereld: een bewoner van de vlakte. De lichaamslengte van dit dier, dat men eerst in den laatsten tijd van de +Marmot der Alpen heeft leeren onderscheiden, bedraagt 37 cM., zonder den 9 cM. langen staart; de tamelijk dichte vacht is +vaal roestgeel. De jongen zijn doffer van kleur dan de ouden. + +</p> +<p>Het verbreidingsgebied van den Bobak strekt zich uit van ’t zuiden van Polen en Galicië over een deel van Centraal-Azië tot +aan den Amoer en misschien tot Kamtschatka en over den Himalaja tot in Sikkim. Hij bewoont vlakten en steenachtige heuvels; +zoowel bosschen als zandige streken worden door hem gemeden, omdat deze hem het graven van zijne diepe woningen niet veroorloven. +<span class="smallcaps">Adams</span> vond hem in de breedste dalen van Kasjmir nog op hoogten van 2000 en zelfs van 3000 M. boven den zeespiegel. Hier houdt hij +zich op in vruchtbare vlakten, waar gedurende den zomer een plantenkleed, dat veel afwisseling vertoont maar niet hoog opgroeit, +den bodem bedekt. Altijd en overal leeft hij in gezelschappen, die uit een groot aantal individuën bestaan, en geeft hierdoor +aan vele gewesten een eigenaardig voorkomen: tallooze heuvels, die men in de grassteppen van Centraal-Azië, opmerkt, danken +hun ontstaan hoofdzakelijk aan deze Marmotten, die door hun bedrijvigheid den reiziger weten te boeien, en door hun vleesch +voor de menschen en <a id="d0e488"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e488">282</a>]</span>voor vele dieren, die de steppe bewonen, van groot belang zijn. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Boven op de hoogste steengruishoopen der Alpen, waar geen boom, geen struik meer groeit, waar geen Rund meer komt en waar +de Geiten en Schapen zich maar zelden vertoonen, zelfs op de kleine rotseilanden midden tusschen de groote gletschers, waar +de sneeuw slechts gedurende hoogstens zes weken ieder jaar door de warme zonnestralen wordt weggevaagd: daar woont een reeds +sinds overouden tijd bekend lid van de familie, wiens leven wel is waar, wat de hoofdzaken betreft, overeenstemt met dat van +zijne vroeger beschrevene verwanten, maar wegens zijn eigenaardige woonplaats in vele opzichten er ook van afwijkt. De Romeinen +noemden dit dier <span class="letterspaced">Alpenmuis</span>, de Savoyaarden noemen het <span class="letterspaced">Marmotta</span>, de bewoners van Engadin <span class="letterspaced">Marmotella</span>. Van deze namen zijn zoowel het Nederlandsche woord <span class="letterspaced">Marmot</span>, als het Duitsche woord <span class="letterspaced">Murmelthier</span> nabootsingen. In Bern heet het <span class="letterspaced">Murmeli</span>, in Wallis <span class="letterspaced">Murmentli</span> en <span class="letterspaced">Mistbelleri</span>, in Gauwbunderland <span class="letterspaced">Marbetle</span> of <span class="letterspaced">Murbentle</span>, in Glarus <span class="letterspaced">Munk</span>. + +</p> +<p>Dit dier is ons tegenwoordig vreemder, dan het vroeger was. De arme Savoyaardenjongens mogen niet meer zwerven; vroeger trokken +zij tot in ons land en nog verder noordwaarts met hun tammen Marmot op den rug, om door de eenvoudige voorstellingen, die +zij met hun eenige bezitting in dorpen en steden gaven, eenige centen op te halen. Het is met de Marmot gegaan als met het +Kameel, den Aap en den Beer: zij heeft opgehouden een bron van vreugde voor de dorpsjeugd te zijn; men moet thans tamelijk +ver reizen, tot in de dalen der Alpen, om nog een levende Marmot te zien. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1282.jpg" alt="Marmot (Arctomys marmota). ⅕ v.d. ware grootte." width="720" height="589"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Marmot</span> (<i>Arctomys marmota</i>). ⅕ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Marmot</span> (<i>Arctomys marmota</i>) kan, met inbegrip van den 11 cM. langen staart, een lengte van 62 cM. bereiken, bij een schouderhoogte van 15 cM. Door gestalte +en lichaamsbouw gelijkt zij op hare verwanten. De beharing, die uit kort wolhaar en langer bovenhaar bestaat, is dicht, overvloedig +en tamelijk lang; de kleur is aan de bovenzijde in meerdere of mindere mate bruinzwart, op de kruin en het achterhoofd afgebroken +door eenige witachtige stippen, in den nek, aan den wortel van den staart en aan de geheele onderzijde donker roodachtig bruin, +aan de pooten, de zijden van den romp en aan het achterwerk nog lichter, aan den snuit en aan de voeten roestgeelachtig wit. +De oogen en de klauwen zijn zwart, de snijtanden bruinachtig geel. Men treft ook geheel zwarte of witte en parelkleurig wit +gevlekte exemplaren aan. + +</p> +<p>Uit onderzoekingen van den laatsten tijd is gebleken, dat de Marmot uitsluitend Europa bewoont. Zij houdt zich op in de hooge +gebergten, in de Alpen, Pyreneën en Karpaten, en meer bepaaldelijk in de hoogst gelegen gedeelten, in de weiden die in de +onmiddellijke nabijheid van de eeuwigdurende ijs- en sneeuwvelden gelegen zijn, en daalt over ’t algemeen niet lager dan tot +de boomgrens af. Als verblijfplaats kiest zij vrije ruimten, die aan alle zijden door steile rotswanden begrensd zijn of kleine, +nauwe bergkloven tusschen alleenstaande spitsen, bij voorkeur oorden, die zoo ver mogelijk van de tooneelen van ’s menschen +bedrijvigheid verwijderd zijn. Hoe eenzamer het gebergte is, des te veelvuldiger komt zij voor; daar waar de mensch druk verkeert, +is zij reeds uitgeroeid. In den regel bewoont zij alleen de naar ’t zuiden, oosten en westen gekeerde bergvlakten en hellingen, +omdat zij, evenals de meeste dagdieren, veel van de zonnestralen houdt. Hier heeft zij hare holen gegraven, sommige klein +en eenvoudig, andere dieper en op ruimer schaal aangelegd, gene voor den zomer bestemd, deze voor den winter, gene tot beschutting +tegen voorbijgaande gevaren of ongunstige weersveranderingen, deze om als schuilplaats te dienen gedurende den vreeselijk +strengen winter, die hierboven 6, 8, ja zelfs 10 maanden lang den schepter zwaait. Minstens twee derden van het <a id="d0e548"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e548">283</a>]</span>jaar verslaapt dit merkwaardige wezen, soms nog veel meer, want op zijne hoogst gelegen woonplaatsen duren zijn groei en zijn +leven boven den grond ternauwernood een zesde deel van het jaar. + +</p> +<p>Het leven van de Marmot gedurende den zomer is zeer merkwaardig. Volgens <span class="smallcaps">Tschudi</span> vertoonen zich met het aanbreken van den dag in de eerste plaats de oude dieren; zij steken voorzichtig den kop buiten het +hol, kijken rond, luisteren, wagen zich dan langzaam geheel naar buiten, loopen eenige schreden omhoog, gaan op de achterpooten +zitten en plukken vervolgens gedurende eenigen tijd zelfs het kortste gras met ongeloofelijke snelheid af. Korten tijd daarna +ziet men ook de kopjes van de jongen zich boven den ingang van de woning verheffen; zij sluipen naar buiten, grazen een weinig, +liggen uren lang in de zon, gaan rechtop zitten en spelen lief met elkander. Alle oogenblikken kijken zij om en letten met +de grootste opmerkzaamheid op al wat er in de omgeving voorvalt. Het eerste dier, dat een verdacht verschijnsel opmerkt, een +Roofvogel, een Vos of een mensch, fluit luid en zwaar door den neus; sommige van de overige herhalen dit en in een oogwenk +zijn alle verdwenen. In verscheidene gevallen heeft men van deze diertjes in plaats van fluiten een luid gekef vernomen; dit +heeft misschien tot den naam “Mistbelleri” aanleiding gegeven. Of zij in den regel wel eigenlijke wachten uitzetten, is nog +niet uitgemaakt. Hun kleinheid vermindert het gevaar van ontdekt te worden, terwijl bovendien het gezicht en in nog hoogere +mate het gehoor en de reuk bij hen zeer scherp zijn. + +</p> +<p>Gedurende den zomer wonen de Marmotten afzonderlijk of paarsgewijs in haar eigen zomerwoningen, die door gangen van 1 à 4 +M. lengte, met zijgangen en vluchtopeningen voorzien, bereikt kunnen worden. Deze zijn dikwijls zoo nauw, dat het bijna niet +mogelijk schijnt er den vuist in te steken. De losgegraven aarde werpen zij slechts voor een zeer klein deel naar buiten; +voor het meerendeel trappen of drukken zij haar vast in de gangen, die hierdoor hard en glad worden. De uitgangen zijn meestal +onder steenen aangebracht. De kamer is niet zeer ruim. Hier heeft, waarschijnlijk in April, de paring plaats; het wijfje werpt +6 weken later 2 à 4 jongen, die in den eersten tijd zeer zelden voor het hol komen, dat zij tot in den volgenden zomer met +de ouden deelen. + +</p> +<p>Tegen den herfst graven zij op een minder hoog gelegen plaats van ’t gebergte een winterwoning, die zelden dieper dan 1½ M. +onder de oppervlakte ligt. De zomerwoning bevindt zich dikwijls niet minder dan 2600 M. boven den zeespiegel, terwijl de winterwoning +in den regel in den gordel van de bovenste Alpenwilgen, dikwijls echter ver onder de boomgrens ligt. Deze woning, bestemd +voor de geheele familie, die uit 5 à 15 individuën bestaat, is zeer ruim. De jager herkent het bewoonde winterhol zoowel aan +het hooi, dat er vóór verspreid ligt, als aan de ingangsopening, die ongeveer de grootte heeft van een vuist, maar van binnen +goed met hooi, aarde en steenen verstopt is, terwijl de gangen van de zomerwoning altijd open zijn. Als men de bouwstoffen +uit de ingangsopening wegneemt, vindt men eerst een van aarde, zand en steenen goed gemetselde, verscheidene voeten lange +galerij, de zoogenaamde “spon”. Als men deze eenige Meter ver nagaat, komt men weldra aan een plaats, waar de gang zich in +tweeën verdeelt. De eene tak, waarin zich gewoonlijk drek en haren bevinden, is niet lang; hij heeft waarschijnlijk de bouwstof +voor het bekleeden en stevig maken van de wanden van de hoofdgang geleverd. Deze stijgt nu langzamerhand omhoog en komt eindelijk +uit in een ruime kamer, de verblijfplaats van de winterslapers, die dikwijls 8 à 10 M. boven den ingang van het hol gelegen +is. Meestal is de kamer eirond of bakovenvormig, met kort, zacht, dor, gewoonlijk roodbruin hooi gevuld, dat gedeeltelijk +ieder jaar vernieuwd wordt. Reeds in Augustus n.l. beginnen de schrandere diertjes gras af te bijten, te drogen en met den +bek naar het hol te vervoeren; zij hoopen er hier zulk een grooten voorraad van op, dat een man het dikwijls niet alleen zou +kunnen wegdragen. Vroeger werden van dezen hooioogst curieuze fabelen verteld. Men zei, dat een Marmot op den grond ging liggen, +zich met hooi beladen en vervolgens bij wijze van een slede naar het hol trekken liet. Aanleiding tot dit verhaal vond men +in het feit, dat bij vele Marmotten het haar van den rug geheel afgesleten is, wat echter alleen een gevolg is van het kruipen +door de nauwe gangen van het hol.—Behalve de beide genoemde woningen heeft de Marmot nog afzonderlijke vluchtgangen, waarin +zij zich verbergt, als haar gevaar dreigt. Als zij haar hol niet bereiken kan, verbergt zij zich onder steenen en in rotskloven. + +</p> +<p>De bewegingen van de Marmot zijn zonderling. Haar gang is een hoogst eigenaardig gewaggel, waarbij de buik bijna of geheel +over den grond sleept, en dat daarom een breed spoor achterlaat. Eigenlijke sprongen heb ik de Marmotten, mijne gevangenen +althans, nooit zien doen; hiervoor zijn zij te log. Hoogst zonderling ziet het dier er uit, als het opzit; het rust dan kaarsrecht +op zijn achterste, stijf als een stok; het heeft den staart loodrecht van ’t lichaam afgebogen, laat de voorarmen slap naar +beneden hangen en kijkt opmerkzaam de wereld rond. + +</p> +<p>Frissche en sappige Alpenplanten, kruiden en wortels vormen het voedsel van de Marmot. Zelden gaat zij naar de drinkplaats, +maar als zij er komt, drinkt zij veel op eens, smakt intusschen en richt na elken slok den kop omhoog, evenals de Hoenderen +en de Ganzen. Uit de mededeelingen van verscheidene onderzoekers schijnt te blijken, dat de Marmot een voorgevoel van weersveranderingen +heeft. + +</p> +<p>Evenals de meeste winterslapers zijn de Marmotten in den nazomer en in den herfst buitengewoon vet. Zoodra de eerste vorst +aanvangt, houden zij op met eten, maar drinken nog veel en dikwijls, ontlasten zich vervolgens van hunne uitwerpselen en betrekken +nu familiesgewijs de winterwoningen. De kamer, welker zijwanden en bodem met een dikke laag droog hooi gevoerd zijn, is het +gemeenschappelijke leger van het geheele gezelschap. Hier rusten de leden van het gezin dicht bijeen. Alle levenswerkzaamheden +zijn tot op het allergeringste bedrag verminderd; ieder dier blijft bewegingloos en koud, door een op den dood gelijkende +verstijving bevangen, in de eens aangenomen houding liggen; duidelijke bewijzen van leven zijn niet meer waar te nemen. De +temperatuur van het bloed is verminderd tot op die van de lucht, welke het hol vult; de ademhalingen hebben slechts 15 maal +per uur plaats. Als men een Marmot, die in winterslaap verkeert, uit haar hol neemt, en haar in een verwarmd vertrek brengt, +wordt eerst, zoodra haar lichaamstemperatuur tot 21° C. gestegen is, de ademhaling duidelijker, bij 25° begint zij te snorken, +bij 27.5° strekt zij de ledematen uit, bij 31° C. ontwaakt zij, beweegt zich als bedwelmd heen en weer, komt langzamerhand +bij en begint eindelijk te eten. In het voorjaar komen de Marmotten in zeer vermagerden toestand voor de opening van haar +winterwoning, zien smachtend uit naar <a id="d0e565"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e565">284</a>]</span>iets eetbaars, en moeten dikwijls ver loopen, om aan de hoeken en kanten der bergen, daar waar de wind de sneeuw heeft doen +verstuiven, een weinig verdord gras te vinden.—De jacht en de vangst van de Marmot bieden vele moeilijkheden aan. De naderende +jager wordt bijna altijd door het een of ander lid van het gezelschap bemerkt en den overigen door een luid gefluit aangekondigd. +Men vangt ze in allerlei vallen; ook graaft men ze soms in ’t begin van den winter op. Terecht is in vele Zwitsersche kantons +het opgraven van de Marmotten verboden, daar zij door deze handelwijze na verloop van korten tijd geheel en al uitgeroeid +zouden worden; de eigenlijke jacht daarentegen wordt voor haar nooit zeer gevaarlijk. In gevallen van uitersten nood verdedigen +de Marmotten zich moedig en vastberaden tegen hare vijanden door hevig te bijten of van hare stevige klauwen gebruik te maken. + +</p> +<p>Voor den Alpenbewoner is dit kleine dier van belang, omdat het hem voedsel verschaft; bovendien levert het hem geneesmiddelen +voor allerlei ziekten. + +</p> +<p>Om Marmotten in gevangenschap te houden en te temmen, doet men het best de jongen te nemen, wanneer zij voor de eerste maal +uitgaan, hoewel het moeilijk is ze aan hun moeder te ontrooven. Zeer jong gevangen Marmotten, die nog gezoogd worden, zijn +moeilijk groot te brengen en bezwijken gewoonlijk spoedig, zelfs bij de beste verzorging; de halfwassen dieren kunnen gemakkelijk +gevoederd en lang in ’t leven gehouden worden. Hun voedsel bestaat in den gevangen staat uit verschillende plantaardige stoffen +en uit melk. Als men zich met hen bemoeit, worden zij weldra bijzonder tam, zijn gehoorzaam en leerzaam, leeren hun verzorger +kennen, komen, wanneer hij hen roept, nemen allerlei standen aan, springen in opgerichte houding rond, loopen met een stok, +enz. Het onschadelijke en gezellige dier wordt dan de lieveling van jong en oud, ook wegens zijn zindelijkheid en netheid. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Op de familie van de Eekhoornachtigen laten wij een groep van lieftallige, kleine Knaagdieren volgen, die men onder den naam +<span class="letterspaced">Slaapmuizen</span> (<i>Myoxidae</i>) kan samenvatten. Haar gestalte en haar aard wettigen haar plaatsing in de nabijheid van de Eekhoorns, van welke zij zich +echter door eigenaardigheden van den lichaamsbouw duidelijk onderscheiden. Zij hebben een smallen kop, met een meer of minder +spits toeloopenden snuit, tamelijk groote oogen en groote, onbehaarde, vliezige ooren, een gedrongen romp, matig lange ledematen, +fijn gebouwde voeten; de voorste hebben 4 teenen en in plaats van den duim, een wratje, dat een platten nagel draagt; aan +de achtervoeten komen 5 teenen voor; de staart is middelmatig lang, dicht, ruig en tweerijig behaard; de vacht is goed gevuld +en zachtharig. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1284.jpg" alt="Gewone Relmuis (Myoxus glis) en Groote Hazelmuis of Tuinslaper (Eliomys nitela).
½ v.d. ware grootte." width="720" height="439"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Gewone Relmuis</span> (<i>Myoxus glis</i>) en <span class="letterspaced">Groote Hazelmuis</span> of <span class="letterspaced">Tuinslaper</span> (<i>Eliomys nitela</i>). +½ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Men kent tot dusver ternauwernood meer dan een half dozijn goed omschreven soorten van deze familie; alle zijn bewoners van +de Oude Wereld. Heuvelachtige of bergachtige gewesten, en hierin meer bepaaldelijk wouden en woudzoomen, kreupelbosschen en +tuinen, zijn hare verblijfplaatsen. Zij leven op en in de boomen, minder dikwijls in door haar zelf gegraven holen in den +grond, tusschen boomwortels of in spleten van rotsen en muren; in alle gevallen verbergen zij zich zooveel mogelijk. Verreweg +de meeste slapen over dag, en gaan alleen gedurende de duisternis haar voedsel zoeken. Om deze reden krijgt men ze slechts +zelden en alleen bij toeval te zien. Wanneer zij den slaap uit hebben, maken zij zeer vlugge bewegingen. Zij kunnen uitmuntend +loopen en nog beter klimmen, maar kunnen niet, zooals de Eekhoorns, bijzonder groote sprongen doen. + +</p> +<p>In gematigde gewesten vervallen zij bij den aanvang van den winter in een toestand van verstijving, en brengen den winter +slapend in hare nesten door. Sommige verzamelen voorraad voor dezen tijd, en maken hiervan gebruik, wanneer zij tijdelijk +wakker zijn; andere hebben dit niet eens noodig, daar zij zich vooraf zoozeer gemest hebben, dat zij op haar vet kunnen teren. +Haar voedsel bestaat uit allerlei vruchten en zaden; de meeste gebruiken echter ook Insecten, benevens eieren en jongen van +Vogels. Bij het eten zitten zij, evenals de Eekhoorns, op haar achterwerk, en brengen de spijzen met de voorpooten naar den +mond. Een noemenswaard voordeel verschaffen de Slaapmuizen ons niet; wel kunnen zij ons benadeelen door hare rooverijen in +tuinen. +<a id="d0e603"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e603">285</a>]</span></p> +<p>Het eerste geslacht is dat der <span class="letterspaced">Relmuizen</span> of <span class="letterspaced">Zevenslapers</span> (<i>Myoxus</i>). zoo genoemd naar de meest bekende van de beide hiertoe behoorende soorten: de <span class="letterspaced">Gewone Relmuis</span> of <span class="letterspaced">Zevenslaper</span> (<i>Myoxus glis</i>), Duitsch: <span class="letterspaced">Bilch</span>, Fransch: <span class="letterspaced">Loir</span> (afgebeeld op p. 284). De naam van dit in Zuid- en Oost-Europa voorkomend dier is meer algemeen bekend dan zijn gestalte +en zijn uitzicht. In de oude geschiedboeken wordt vermeld, dat deze dieren lievelingen waren van de Romeinen, die bepaalde +inrichtingen hadden voor hun verzorging. Eiken- en beukenboschjes omgaf men met gladde muren, waarlangs de Zevenslapers niet +konden opklimmen; binnen deze omheining legde men verscheidene holen aan voor rust- en slaapplaatsen; met eikels en kastanjes +voederde men de dieren, om ze ten slotte in groote aarden potten, van 2 voet middellijn, glirariën genaamd, geheel vet te +mesten. De opgravingen te Herculaneum hebben ons de glirariën, die voor de laatste mesting bestemd waren, doen kennen als +half bolvormige schalen, met veel luchtgaten, die langs de binnenwanden met terrasvormige oneffenheden voorzien waren om de +dieren gelegenheid tot klimmen te geven; van boven waren zij met een nauwmazig traliewerk van metaal gesloten. Hierin werden +verscheidene Zevenslapers opgesloten en rijkelijk van voedsel voorzien. De gemeste dieren prijkten, na gebraden te zijn, als +een groote lekkernij op den disch van rijke fijnproevers. + +</p> +<p>De Zevenslaper bereikt een lichaamslengte van 16 cM., zonder den 13 cM. langen staart. De zachte, tamelijk dichte vacht is +aan de bovenzijde eenkleurig aschgrauw, overtogen met een zwartachtig bruin waas, dat meer of minder donker kan zijn; hiervan +is de melkwitte en als zilver glinsterende kleur van de onderzijde van den romp en van de binnenzijde der pooten scherp afgescheiden. + +</p> +<p>Het verbreidingsgebied van den Zevenslaper reikt van Spanje, Griekenland en Italië tot Zuid- en Middel-Duitschland. In Oostenrijk, +Stiermarken, Karinthië, Moravië, Silezië, Bohemen en Beieren komt hij veelvuldig voor; in Kroatië, Hongarije en Zuid-Rusland +is hij algemeen; in het noorden van Europa, en reeds in ’t noorden van Duitschland, in Nederland, Engeland en Denemarken ontbreekt +hij. Hoofdzakelijk bewoont hij het Middelgebergte, bij voorkeur droge eiken- en beukenbosschen. Over dag houdt hij zich verscholen, +tegen den avond komt hij uit zijne schuilplaatsen te voorschijn, zwerft ’s nachts rond en zoekt zijn voedsel. Zoo leeft hij +zoolang de zomer duurt. + +</p> +<p>Waarschijnlijk zijn weinig Knaagdieren vraatzuchtiger dan de Zevenslapers. Hij vreet zoolang hij iets te vreten heeft. Eikels, +beukenoten en hazelnoten maken <span id="d0e636" class="corr" title="Bron: misschen">misschien</span> zijn gewone voedsel uit; walnoten, kastanjes, zoet en saprijk ooft worden echter ook niet versmaad; dierlijk voedsel is, +naar het schijnt, onontbeerlijk voor hem; althans hij overvalt, doodt en verslindt ieder klein dier, dat hij overmeesteren +kan. Voortdurend hoort men het kraken van de noten, die hij stuk maakt, en het vallen van de uitgevreten vruchten, die hij +naar beneden werpt<span id="d0e639" class="corr" title="Bron: ">.</span> Als de herfst komt, begint hij winterproviand in te zamelen en deze in zijne holen op te bergen. In dezen tijd is hij al +“zoo vet als modder”, maar blijft toch nog zoo lang mogelijk eten; daarna denkt hij aan het gereedmaken van zijn winterkwartier. +Met dit doel bouwt hij in diepe holen in den grond, in gaten en spleten van rotsen en oude muren en ook wel in diepe holten +van boomstammen een nest van zacht mos, rolt zich, gewoonlijk in gezelschap van verscheidene soortgenooten, in dit nest op, +en valt, reeds lang, voordat de thermometer vorst aanwijst, in een diepen slaap, in de koude bergstreken reeds in Augustus, +in de warmere vlakte eerst tegen October. Men merkt nu bij hem de gevoelloosheid van alle winterslapers op; misschien heeft +hij wel de meest vaste slaap van hen allen. Men kan hem gerust uit het nest nemen en wegdragen; hij blijft koud en beweegt +zich niet. In de warme kamer ontwaakt hij langzamerhand, maakt bewegingen met de pooten, beweegt zich hoe langer hoe meer, +maar ziet er ook thans nog zeer slaperig uit. In de vrije natuur ontwaakt hij soms vanzelf gedurende den winter en gebruikt +dan een deel van zijn voedselvoorraad, eigenlijk zonder te weten, wat hij doet. In den regel ontwaakt de Zevenslaper eerst +zeer laat in ’t voorjaar, zelden voor het einde van April. Zijn winterslaap duurt volle zeven maanden; hij draagt zijn naam +dus te recht. + +</p> +<p>De Zevenslaper heeft veel te lijden van zijne talrijke vijanden. De Boommarter en de Bunzing, de Wilde Kat en de Wezel, de +Ooruil en de Uil zijn wel de ergste van zijne vervolgers, en hoewel hij zich, zelfs tegen de sterkste vijanden met veel moed +verdedigt, delft hij toch het onderspit. Daar waar hij veelvuldig voorkomt, maakt de mensch ijverig jacht op hem, ten deele +om zijn vleesch, ten deele om zijn vel; hij wordt meestal in kunstmatige winterwoningen, in kuilen of in andere vallen gelokt. +In Beneden-Krain vangen de boeren hem in vallen met springveeren, waarin zij als lokaas een sappige peer of pruim leggen. +Bovendien begraaft men vaten in den grond, die gedeeltelijk met ooft gevuld zijn en van boven slechts één toegangsopening +hebben, n.l. een buis, waarin op zulk een wijze ijzerdraden zijn aangebracht, dat de Zevenslaper wel in het vat doordringen +kan, maar er niet weer uit kan komen. Hierin vangt men deze dieren soms in zoo grooten getale, dat menige jager gedurende +één herfst er 200 à 400 stuks buit maakt. + +</p> +<p>De Zevenslaper wordt betrekkelijk zelden in gevangenschap gehouden. Zijn gemoedsaard is niet bepaald aangenaam, zijn grootste +deugd is zindelijkheid; voor ’t overige is hij niet geschikt om de belangstelling van zijn verzorger te behouden. Voortdurend +verkeert hij in een prikkelbare stemming, sluit volstrekt geen vriendschap met den mensch, maar bromt woedend met een eigenaardige, +snorkende stem tegen ieder die zich verstout, hem te naderen. Ook de jongen, die in gevangenschap geboren worden, zijn en +blijven even onbeminnelijk als de oude dieren. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Boomslaper</span> (<i>Myoxus dryas</i>) kan men aanmerken als een overgangsvorm tusschen de Zevenslapers en de Tuinslapers; hij bereikt in ’t geheel een lengte +van 17 cM., waarvan ongeveer de helft op den staart komt; op den kop en aan de rugzijde van den romp is zijn kleur roodachtig +bruin of bruinachtig grijs; de witte kleur van de onderdeelen is er scherp van afgescheiden. Onder de oogen begint een zwarte +streep, deze omvat, breeder wordend, de oogen en zet zich voort tot aan de ooren. De staart is van boven donker bruinachtig +grijs, van onderen wit. + +</p> +<p>Het verbreidingsgebied van den Boomslaper strekt zich uit van Zuid-Rusland westwaarts tot Hongarije, Neder-Oostenrijk en Silezië; +in de westelijkste van deze landen komt hij echter slechts zelden voor. Zijn levenswijze stemt, voor zoover men weet, in hoofdzaak +met die van de Zevenslapers en Tuinslapers overeen. +</p> +<p class="tb">*</p><p> +<a id="d0e660"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e660">286</a>]</span></p> +<p>De <span class="letterspaced">Tuinslapers</span> (<i>Eliomys</i>) verschillen voornamelijk door hun gebit van de Zevenslapers. Bij deze hebben de kiezen van zes tot acht dwarsstrepen en +slijten vlak af; bij de Tuinslapers is het aantal dwarsstrepen geringer en wordt de kroonvlakte van de kiezen door het afslijten +eenigszins uitgehold. Uitwendig zijn de Tuinslapers kenbaar aan den staart, die aan den wortel met kort, aanliggend haar begroeid, +aan de spits lang behaard, ruig en tweekleurig is. Evenals de leden van het vorige geslacht, verschillen zij van die van het +volgende, doordat de bovenzijde van ’t lichaam een andere kleur heeft dan de onderzijde. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Tuinslaper</span> of <span class="letterspaced">Groote Hazelmuis</span> (<i>Eliomys nitela</i>, afgebeeld op p. 284) (niet te verwarren met de Echte Hazelmuizen, die tot het volgende geslacht behooren) bereikt een lichaamslengte +van hoogstens 14 cM., zonder den 9.5 cM. langen staart. De kop is, evenals de bovenzijde van den romp, roodachtig grijsbruin, +de onderzijde wit. + +</p> +<p>De Groote Hazelmuis, die reeds in den ouden tijd aan de Romeinen onder den naam <span class="letterspaced">Nitela</span> bekend was, behoort hoofdzakelijk thuis in de gematigde gewesten van Middel- en West-Europa. In Nederland komt zij niet voor, +wel echter in België, Frankrijk, Zwitserland, Italië, Duitschland, Hongarije, Galicië, Zevenbergen en de Russische Oostzee-provinciën. +In Duitschland is zij in sommige streken, b.v. in de Hartz, zeer veelvuldig<span id="d0e685" class="corr" title="Bron: ">.</span> Haar voedsel is gelijk aan dat van den Zevenslaper. Zij doet zich echter in de huizen der bergbewoners te goed aan vet, boter, +spek en ham; ook eet zij eieren en jonge Vogels en doet dit vaker dan haar langzamere stamgenoot, die veel minder goed kan +springen en klimmen. Haar nest verschilt van dat van ’t laatstgenoemde dier, doordat het vrij opgehangen is tusschen boomtakken; +zij maakt echter als schuilhoek ook wel gebruik van gaten in muren, van verlaten rattennesten en mollengangen en van andere +holen in het gesteente en in den grond. Opmerkelijk is het, dat de overigens zeer zindelijke Tuinslaper weinig zorg draagt +voor zijn nest, zoodat dit in den regel in de hoogste mate vuil is. + +</p> +<p>Voor den winterslaap zoekt de Groote Hazelmuis droge en gedekte gaten in boomen of in muren en ook wel mollengangen op; ook +begeeft zij zich soms naar de in ’t woud staande boerderijen, tuinhuizen, schuren, hooischuren, kolenbrandershutten en andere +gebouwen en vindt daar allicht een geschikte slaapplaats. Gewoonlijk slapen verscheidene van deze dieren bij elkander in één +nest, het geheele gezelschap dicht ineengerold, bijna tot één klomp vereenigd. Zij slapen onafgebroken, maar niet zoo vast +als andere dieren met winterslaap; want telkens als het weder zacht wordt, ontwaken zij, gebruiken iets van hun wintervoorraad +en slapen eerst weder in, wanneer de koude op nieuw begint. + +</p> +<p>De Groote Hazelmuis wordt zeer ongaarne gezien in tuinen, waar fijne soorten van ooft gekweekt worden. Eén enkel dier is in +staat om de geheele perziken- of abrikozenoogst te vernielen. Bij hare snoeperijen geeft zij bewijzen van een buitengewoon +fijnen smaak. Zij zoekt de beste en sappigste vruchten uit, knaagt echter ook andere om ze te keuren, en vernielt op deze +wijze veel meer, dan zij eigenlijk opeet. Daar zij den mensch niet anders dan schade veroorzaakt en zoomin door haar vleesch +als door haar vel eenig nut doet, wordt zij door de eigenaars van tuinen ijverig vervolgd. Het best kan men haar vangen in +draadstrikken, die men vóór de leiboomen ophangt, of in kleine klemmen, die op een geschikte plaats neergelegd worden. Maar +beter nog dan door zulke vallen, wordt de tuin voor deze brutale gauwdieven beveiligd door een goede Kat. Marters, Wezels, +Ooruilen en Uilen maken ijverig jacht op de Hazelmuis. Daarom is het voor eigenaars van tuinen, die dicht bij het woud wonen, +zeer raadzaam, alle bondgenooten in den strijd tegen schadelijke Knaagdieren zooveel mogelijk te sparen. + +</p> +<p>De Groote Hazelmuis is, evenmin als de Zevenslaper, geschikt om getemd te worden. Zelden geraakt zij aan den mensch gewend +en bij iedere verrassing maakt zij onmiddellijk, en dikwijls op een wijze, die voor den aangevallene hoogst pijnlijk is, van +hare scherpe tanden gebruik. Van den roofgierigen aard dezer dieren kan men zich gemakkelijk overtuigen door na te gaan, hoe +zij zich in de gevangenschap gedragen. Zij vereenigen den bloeddorst van de Wezel met de vraatzucht van de andere Relmuizen, +vallen met ware woede op ieder Gewerveld Dier aan, dat men in haar hok brengt, dooden in een oogwenk een Vogel, maken binnen +weinige minuten voor goed een einde aan den tegenstand van een bijtlustige Muis en vallen zelfs elkander aan. “Wanneer verscheidene +Tuinslapers bij elkander opgesloten worden,” zegt <span class="smallcaps">Weber</span>, “moeten zij voortdurend rijkelijk voorzien worden met voedsel—noten, beukenoten, ooft, wittebrood, hennep, lijnzaad enz.,—en +met drinkwater; bovendien moet men door het matig warm houden van de ruimte, waarin de dieren zich bevinden, er voor zorgen, +dat zij wakker blijven, en niet in winterslaap vervallen. De honger heeft onvermijdelijk een strijd tusschen hen tengevolge, +waarvan het einde steeds is, dat de eene kampioen sneuvelt en door den anderen wordt opgegeten. De winterslaap wordt voor +het dier, dat er door bevangen wordt, even noodlottig als de nederlaag voor den overwonnen strijder. Als van verscheidene +in eenzelfde hok opgesloten Tuinslapers er een in winterslaap vervalt, terwijl de overige nog wakker zijn, dan is hij verloren; +hij wordt door zijne verraderlijke kameraads doodgebeten en verslonden. Iets dergelijks geschiedt, als verscheidene in winterslaap +verkeerende Tuinslapers achtereenvolgens wakker worden; die, welke het eerst ontwaakt, doodt den eenen weerloozen slaper na +den anderen. De gewone dagelijksche slaap levert minder gevaar op, omdat het aangevallen dier spoedig ontwaakt en zijn leven +verdedigt.” +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Het derde geslacht van de familie der Slaapmuizen omvat de <span class="letterspaced">Hazelmuizen</span> (<i>Muscardinus</i>), die hoofdzakelijk door haar gebit, en meer bepaaldelijk door het aantal dwarsstrepen op de kiezen, van de leden der beide +vorige geslachten verschillen. Bovendien zijn de boven- en onderzijde nagenoeg gelijk van kleur en is de staart, evenals bij +de Zevenslapers, over zijn geheele lengte gelijkmatig behaard, hier echter tamelijk kort. + +</p> +<p>In Europa leeft slechts een enkele soort van dit geslacht, n.l. de <span class="letterspaced">Hazelmuis</span> of <span class="letterspaced">Kleine Hazelmuis</span> (<i>Muscardinus avellanarius</i>), een van de aardigste, bevalligste en behendigste van alle Europeesche Knaagdieren, even aantrekkelijk door haar sierlijke +gestalte en schoone kleur als door hare zindelijkheid, netheid en zachtmoedigheid. Zij is ongeveer zoo groot als onze Huismuis; +haar totale lengte bedraagt 14 cM., waarvan bijna de helft op den staart komt. De geheele vacht is geelachtig rood, van onderen +een weinig lichter, met uitzondering van de borst en de keel, die wit zijn. In Nederland komt zij niet voor, in de meeste +andere landen van Middel-Europa wel. <a id="d0e718"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e718">287</a>]</span>Naar het schijnt, zijn Engeland en het zuiden van Zweden de noordelijkste, Toscane en het noorden van Turkije de zuidelijkste +afdeelingen van haar verbreidingsgebied; verder oostwaarts dan Hongarije, Galicië en Zevenburgen komt zij niet voor. Zij bewoont +nagenoeg dezelfde oorden als hare verwanten. Laag kreupelhout en struiken, bij voorkeur hazelaarboschjes, zijn hare meest +geliefde verblijfplaatsen. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1287.jpg" alt="Kleine Hazelmuis (Muscardinus avellanarius). ⅘ v.d. ware grootte." width="720" height="557"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Kleine Hazelmuis</span> (<i>Muscardinus avellanarius</i>). ⅘ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Over dag ligt de Hazelmuis in den een of anderen schuilhoek te slapen, des nachts gaat zij haar voedsel zoeken, dat uit noten, +eikels, harde zaden, sappige vruchten, bessen en knoppen van boomen bestaat; het liefst echter eet zij hazelnoten, die zij +op een kunstige wijze opent en ledigt, zonder ze af te plukken of uit het napje te verwijderen. Ook zoekt zij lijsterbessen +en wordt bijgevolg niet zelden in lijsterstrikken gevangen. Zij leeft in kleine gezelschappen, die niet bijzonder innig met +elkaar verbonden zijn. Door iedere Hazelmuis, of door twee gezamenlijk, wordt in het dichtste struikgewas een zacht, warm, +tamelijk kunstig nest van gras, bladen, mos, worteltjes en haren gebouwd; het dier zwerft vanhier uit iederen nacht door zijn +gebied, bijna altijd gemeenschappelijk met andere, die in de nabijheid wonen. Het zijn echte boomdieren; zij klimmen merkwaardig +goed, zelfs langs de dunste twijgen. In Augustus werpt het wijfje 3 à 4 naakte, blinde jongen; dit gebeurt in het bolvormig +zomernest, dat altijd in het dichtste struikgewas en gewoonlijk op een afstand van ongeveer één meter van den bodem gelegen +is. De jongen groeien buitengewoon snel, maar worden toch een volle maand door de moeder gezoogd, hoewel zij intusschen zoo +groot geworden zijn, dat zij nu en dan het nest verlaten kunnen. Aanvankelijk blijft de familie op de naastbijgelegen hazelaars; +de dieren spelen genoegelijk met elkander en eten intusschen noten. Bij het geringste gedruisch snellen alle naar het nest +terug om hier veiligheid te zoeken. Omstreeks het midden van October nemen de Hazelmuizen de wijk naar de schuilhoeken, waar +zij haar wintervoorraad geborgen hebben, en maken zich van takjes, bladen, naalden, mos en gras een bolvormig hulsel, waar +zij zich geheel inwikkelen; zij rollen zich tot een kluwen ineen en vallen in slaap; haar winterslaap is vaster dan die van +hare verwanten; men kan ze in de hand nemen en over den grond voortrollen, zonder dat zij eenig bewijs van leven geven. Al +naar de winter streng of zacht is, slapen zij 6 of 7 maanden en wordt haar slaap meer of minder vaak voor korten tijd afgebroken, +totdat de schoone, warme lentezon haar tot een nieuw leven opwekt. + +</p> +<p>Het kost moeite een Hazelmuis te vangen, zoolang zij volkomen wakker is; slechts bij toeval geraakt zij in de een of andere +val; deze plaats men daar, waar zij zich het liefst ophoudt, en wordt met noten of met ander voedsel als lokaas voorzien. +Gemakkelijker verkrijgt men ze in ’t laatste gedeelte van den herfst of in den winter bij het opharken van ’t loof of bij +het uitroeien van de wortelspruiten. Zoodra men de Hazelmuis in de hand heeft, is zij zoo goed als getemd. Nooit waagt zij +het, weerstand te bieden aan haar overweldiger, nooit tracht zij te bijten; de grootste angst ontlokt haar alleen een piepend +of helder sissend geluid. Weldra echter schikt zij zich in het onvermijdelijke, laat zich bedaard naar huis dragen, en voegt +zich geheel en al naar den wil van den mensch; zij verliest ook haar schuwheid, maar niet de aangeboren schuchterheid en vreesachtigheid. +Men voedt haar met noten, pitten van ooft, ooft en brood, ook wel met tarwekorrels. Zij eet spaarzaam en bescheiden, aanvankelijk +alleen ’s nachts. Haar buitengewoon groote zindelijkheid, de vriendelijke en verdraagzame wijze, waarop zij met hare soortgenooten +omgaat, hare aardige bewegingen en grappige gebaren maken haar tot een lieveling van den mensch. In Engeland wordt zij als +kamerdier in gewone vogelkooien gehouden, en komt zij, evenals kamervogels, aan de markt. Men kan haar in de mooiste kamers +houden, want zij verbreidt volstrekt geen onaangename lucht; alleen in den zomer merkt men bij haar een <a id="d0e733"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e733">288</a>]</span>muskusachtigen reuk op, die echter zoo zwak is, dat men er geen hinder van heeft. + +</p> +<p>Ook in de gevangenschap houdt de Hazelmuis winterslaap, als het vertrek niet altijd gelijkmatig warm gehouden wordt. Zij tracht +dan een nestje te bouwen en omhult zich hiermede, of gaat eenvoudig in den een of anderen hoek van haar kooi slapen. Als men +haar in de warmte brengt, o.a. reeds, als men haar in de warme hand neemt, ontwaakt zij, om echter kort daarna weer in te +slapen. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Hoewel de <span class="letterspaced">Bever</span> in belangrijke opzichten overeenstemt met de tot dusver beschreven Knaagdieren, verschilt hij toch in andere punten zoo belangrijk +van hen en van de overige leden der orde, dat hij als vertegenwoordiger van een afzonderlijke familie (<i>Castoridae</i>) beschouwd moet worden. Deze familie omvat behalve onzen Bever hoogstens eenige voorwereldlijke soorten van Knaagdieren, +die door hunne thans levende verwanten vervangen zijn; onder de Knaagdieren van onzen tijd zijn er wel enkele, die aan de +Bever herinneren, maar geene, die werkelijk op hem gelijken. + +</p> +<p>Reeds sedert overouden tijd heeft de Bever de aandacht van de natuuronderzoekers tot zich getrokken; door de oude schrijvers +wordt hij onder de namen <span class="letterspaced">Castor</span> en <span class="letterspaced">Fiber</span> vaak vermeld. Van hen vernemen wij echter niet veel en geen zeer nauwkeurige berichten over zijn levenswijs. Zij leeren ons +wel, dat dit dier vroeger veel algemeener verbreid was, dan thans; waarschijnlijk is van geen andere diersoort het aantal +vertegenwoordigers zoo schielijk verminderd als van dit hooggeschatte Knaagdier. Het door den Bever bewoonde gebied omvat +ook thans nog gedeelten van drie werelddeelen, en strekt zich uit over alle landen, die tusschen 33° en 68° N.B. gelegen zijn; +in vroegere tijdperken moet het echter veel uitgestrekter geweest zijn. In een der teekens van het Egyptische hiëroglyphenschrift +heeft men den Bever meenen te herkennen; hieruit zou voortvloeien, dat hij Afrika bewoond heeft. Door de godsdienstige voorschriften +van de Indische Magiërs was het verboden hem te dooden: bijgevolg moet hij ook in Indië inheemsch geweest zijn. + +</p> +<p>“De Bevers,” schrijft Prof. <span class="smallcaps">Harting</span> in “de Bouwkunst der Dieren,” “leefden eenmaal in alle Europeesche landen, ook in ons vaderland, gelijk sommige plaatsnamen +nog getuigen, zooals die van Beverwijk, Bevervoord, waar zij vermoedelijk menigvuldiger waren dan elders. Onze van talrijke +wateren doorsneden bodem, waarop eertijds dichte wouden welig tierden, leverde trouwens aan de Bevers een verblijfplaats op, +even gunstig als het tegenwoordige Canada. Nog voor niet zeer langen tijd werden enkele Bevers langs de Waal, de Maas en de +IJsel aangetroffen. Zoo werden te Gorinchem twee ouden met zes jongen gevangen; in 1757 schoot men er een in den IJsel bij +het buitenverblijf Middachten, op den weg van Zutphen naar Arnhem; in 1770 werd, bij het op één uur van ’s Hertogenbosch gelegen +dorp Hedel, een Bever geschoten, die zich gedurende zes of zeven jaren in den omtrek had opgehouden en daar veel graan en +jong hout bedorven had. De laatste Bever, die, voor zoover mij bekend is, hier te lande gevangen werd, is die, welke het onderwerp +der Akademische Dissertatie van <span class="smallcaps">A. C. Bonn</span> heeft uitgemaakt. Deze Bever werd den 17den December 1799 bij Epse, aan den oostelijken oever van de rivier den IJsel, op +een half uur afstand van Deventer, in een otterstap gevangen.” “Hij had aldaar in de nabijheid uit wilgentakken, biezen en +slib eene zes voet (1.8 M.) hooge hut gebouwd; de hoeveelheid van het daartoe gebezigde hout was zoo groot, dat twee Paarden +het ter nauwernood vervoeren konden.” “Echter was dit niet de laatste Bever, die deze streken bewoond heeft, want twee jaren +later werd door eenige schippers en andere lieden op een plaats bij den IJsel, drie uren gaans van Doesburg gelegen, een dergelijk, +ofschoon kleiner, dier gezien, dat wellicht het wijfje van eerstgenoemde is geweest.” “Het blijkt uit de Kameraarsrekeningen +van Deventer,” schrijft <span class="smallcaps">P. C. Molhuijsen</span>, “dat deze dieren in vroegeren tijd zeer talrijk moeten geweest zijn. In de rekening van 1454 is het eerst door ons opgemerkt, +dat de stedelijke regeering een premie voor het vangen gaf. Ruim twintig jaren lang komt deze vermelding voor op den post +van uitgaven, en bij een nauwkeurige optelling zou men het getal zeer aanzienlijk kunnen vinden, waarbij wij nog in het oog +moeten houden, dat sommige rekeningen uit dat tijdvak ontbreken. Bij een vluchtig overzicht zijn b.v. in het jaar 1454 opgemerkt +vier, in 1467 veel meer, waaronder één op de Worp werd gevangen, in 1468 twee, in 1469 vier, waaronder een op de Stadsweerden, +in 1474 drie jonge op de Landeweer in de Ouden IJsel, en nog vijf, in 1472 niet minder dan dertien, zoo oude als jonge”.... +Uit het register der Stadsrekeningen van Zutphen blijkt, dat van wege de stad aan de visschers op den IJsel geld verstrekt +werd voor door hen geleverde Bevers en dat 1465 tot 1550, alzoo in 85 jaren, alleen bij Zutphen, dus waarschijnlijk op een +oeverlengte van 3 uren gaans (de bochten niet medegerekend) op den IJsel gedood werden 66 Bevers, éénmaal 6 jongen te gelijk. +(<span class="smallcaps">H. J. H. Groneman</span>.) + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1289.jpg" alt="Bever (Castor fiber)." width="478" height="720"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Bever</span> (<i>Castor fiber</i>). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>In Engeland is de Bever reeds sedert 500 jaren uitgeroeid. <span class="smallcaps">Scaliger</span> en <span class="smallcaps">Buffon</span> maken melding van verscheidene door den Bever bewoonde gewesten in Frankrijk, waar hij thans alleen voorkomt op het eiland +Camargue, dat door de Rhônemondingen (“Le grand” en “Le petit Rhône”) wordt ingesloten. Nog in October 1894 werden hier door +visschers in hunne netten vijf Bevers gevangen. “Naarmate de ontginning van het deltaland voortschrijdt, wordt de Bever naar +de overblijvende woeste streken teruggedrongen; hierdoor, en door de jacht voortdurend op hem gemaakt, is het aantal reeds +te zeer afgenomen om nog het bestaan van ware koloniën toe te laten. Men vindt hem nu nog alleen paarsgewijze of als afzonderlijke +families verspreid over de geheele delta, meer bepaald in de ‘petit Rhône’ tusschen Fourques en Sylvéréal. Ook wordt er nu +en dan nog wel eens een enkele gevangen in de Gardon, die in den “petit Rhône” uitmondt. Boven Pont-du-Gars komt hij niet +meer.” In <span class="smallcaps">Strabo’s</span> tijd kwamen ook nog in Spanje Bevers voor. Volgens <span class="smallcaps">Geszner</span> werden zij eertijds in de delta van de Po gevonden. + +</p> +<p>Tegenwoordig vindt men hem in Duitschland nog aan de Elbe; nu en dan treft men hem aan in het deel der rivier, dat ongeveer +begrensd wordt aan de eene zijde door Wartenburg boven Wittenberg en aan de andere door Maagdenburg. Met volle zekerheid kan +hij echter beschouwd worden als voortdurende bewoner van een onder Aken gelegen deel der rivier, vooral in de opperhoutvesterdistricten +Steckby en Tochheim alsmede Grünewald (tegenover Schönebeck) aan den rechteroever en Lödderitz aan den linkeroever, waar men +het aantal dezer Knaagdieren op 60 stuks begroot. De Bevers komen van oudsher ook geregeld voor in de Saale, te beginnen bij +haar uitmonding in de Elbe, tot bij Trabitz (beneden Kalbe); op dit gebied <a id="d0e794"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e794">290</a>]</span>leven tegenwoordig misschien 15 stuks. Op de genoemde plaatsen behoort de Bever thuis, en men kan er niet alleen ten allen +tijde de sporen zijner werkzaamheid waarnemen, maar ook nu en dan hem zelf aan ’t werk zien. Enkele exemplaren worden nu en +dan waargenomen in de oeverlanden van den Salzach, op de Oostenrijksch-Beiersche grens, en vroeger ook bij de Möhne (een aan +de rechterzijde gelegen bij-riviertje van den Ruhr) in Westfalen (op de laatstgenoemde plaats echter sedert 1877 niet meer). +Van alle landen van Europa zijn Bosnië, Rusland en Skandinavië (vooral Noorwegen) die, waar de Bevers thans nog het veelvuldigst +leven. In Rusland vindt men ze vooral in de noordelijke bij-rivieren van den Pripet, in het gouvernement Minsk.—Veel talrijker +dan in Europa zijn de Bevers in Azië. In grooten getale bewonen zij de groote rivieren van Middel- en Noord-Siberië; naar +men zegt, komen zij ook voor in de rivieren, die zich in de Kaspische zee uitstorten. Zeker is het, dat zij gevonden worden +in de bij-rivieren van den Koeban, aan de noordelijke helling van den Kaukasus, zoo ook in Mesopotamië. In Amerika waren de +Bevers algemeen; door de hevige vervolging, waaraan zij blootstaan, is hun aantal reeds zeer afgenomen. <span class="smallcaps">Audubon</span> noemde in 1849 alleen nog maar Labrador, Newfoundland, Canada en enkele gewesten van de staten Maine en Massachusetts als +deelen van het door den Bever bewoonde gebied, maar voegt er bij, dat er ook in verscheidene andere, weinig bebouwde gewesten +van de Vereenigde Staten enkele exemplaren gevonden worden. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Bever</span> (<i>Castor fiber</i>) is een van de grootste Knaagdieren. De lichaamslengte van het volwassen mannetje bedraagt, zonder den 30 cM. langen staart, +75 à 95 cM., de schouderhoogte 30 cM., het gewicht 20 à 30 KG. De romp is plomp en forsch, van achteren aanmerkelijk dikker +dan van voren, de rug gewelfd, de buik hangend, de hals kort en dik, de kop van achteren breed, naar voren smaller wordend, +met platte kruin en korten, stompen snoet; de pooten zijn kort en zeer krachtig, de achterste iets langer dan de voorste; +de voeten hebben vijf teenen; die van de achtervoeten zijn tot de klauwen door een breed zwemvlies vereenigd. De staart is +aan den wortel rond, in het midden van boven naar onderen plat gedrukt, soms wel 20 cM. breed, aan de spits stomp afgerond; +de randen van het platte gedeelte zou men bijna scherp kunnen noemen. De ooren zijn klein en kort, van binnen en van buiten +behaard, en kunnen zóó tegen den kop aangelegd worden, dat zij de gehoorgang bijna volkomen afsluiten. De kleine oogen zijn +voorzien van een wenkvlies, d.w.z. van een derde doorschijnend ooglid, dat, van den binnenhoek van het oog uitgaande, onder +de beide andere oogleden langs over den oogbol kan worden geschoven, evenals bij de Vogels. De pupil is langwerpig en verticaal +geplaatst. De neusgaten kunnen door de sterk gezwollen neusvleugels gesloten worden. Het haarkleed bestaat uit buitengewoon +dicht (bij wijze van vlokjes) bijeen geplaatste, zijdeachtige wolharen, en meer verspreide, lange, stevige, stijve en glanzige +bovenharen, die aan den kop en het achterste deel van den rug kort, op de overige lichaamsdeelen meer dan 5 cM lang zijn. +De bovenzijde is donker kastanjebruin, meer of min naar grijs zweemend; de onderzijde is lichter van kleur; elk wolhaartje +is aan den wortel zilvergrijs, hoogerop geelachtig bruin. De staart is aan den wortel zeer lang behaard, overigens echter +kaal en hier met langwerpig ronde, bijna zeshoekige, platte hoornplaatjes bedekt, waartusschen enkele korte, stijve haren +te voorschijn komen. De kleur van de vacht wijkt soms van de zoo even aangeduide af. Zeer zelden treft men witte en gevlekte +Bevers aan. + +</p> +<p>De zeer groote en stevige, aan de voorzijde platte, gladde, op de dwarse doorsnede bijna driehoekige, aan de spits beitelvormige +knaagtanden, steken ver buiten de kaken uit. Bij beide geslachten komen aan den onderbuik, in de liesstreek onder de huid +verborgen, twee eigenaardige klierzakken voor, welker binnenste oppervlakte een vreemdsoortige stof, het <span class="letterspaced">bevergeil</span> (<i>Castoreum</i>) afscheidt; deze donkerroodachtig, geelachtig of zwartachtig bruine specie is aanvankelijk week, maar droogt weldra op tot +een hars gelijkende massa; zij heeft een eigenaardigen, doordringenden, sterk aan phenol herinnerenden reuk, die door slechts +weinige menschen aangenaam gevonden wordt, en een bitteren, balsemachtigen smaak. In vroegeren tijd werd zij als krampstillend +middel veelvuldig voorgeschreven, tegenwoordig komt zij meer en meer in onbruik. Achter de beide bevergeilzakken bevinden +zich twee dergelijke zakken, die echter geen <i>castoreum</i>, maar een olie- of vetachtige stof afscheiden. + +</p> +<p>De Bevers leven tegenwoordig meestal paarsgewijs en vereenigen zich slechts in de stilste streken tot meer of minder groote +familiën. In alle bevolkte landen bewonen zij, evenals de Vischotters, meestal eenvoudige, onderaardsche gangen, en denken +zij er niet aan zich hutten te bouwen. Toch heeft men er nog in deze eeuw gevonden in de omstreken van de stadjes Barby en +Aken (tusschen Wittenberg en Maagdenburg), op korten afstand van de plaats waar het riviertje de Nuthe zich in de Elbe stort. +Hier vindt men een eenzame, met wilgen begroeide streek, die door het slechts 4 à 8 schreden breede riviertje doorstroomd +wordt en sedert onheugelijke tijden Biberlacht (“Beverpoel”) wordt genoemd. Vele jaren achtereen heeft de opperhoutvester +<span class="smallcaps">von Meijerinck</span> hier de Bevers nagegaan; in een in 1827 verschenen geschrift deelt hij over hen het volgende mede: “Er wonen thans (in 1822) +nog verscheidene paren Bevers in holen, die op soortgelijke wijze ingericht zijn als een Dassenhol, een lengte van 30 à 40 +schreden hebben en op gelijke hoogte met den waterspiegel liggen; op het land hebben zij uitgangen. In de nabijheid van de +holen richten de Bevers hutten, zoogenaamde ‘burgen’ op. Deze zijn 2.5 à 3 M. hoog en uit dikke, kunsteloos tot een hoop opeengestapelde +stokken samengesteld; dit hout bijten de dieren van de naburige boomen af en schillen het, omdat zij de schors als voedsel +gebruiken. In den herfst bedekken de Bevers den houthoop met klei en andere grondsoorten van den rivieroever. De hut heeft +de gedaante van een bakoven en dient niet als woning, maar alleen als toevluchtsoord, wanneer de hooge waterstand hen uit +hunne gangen verdrijft. In den zomer van het genoemde jaar toen de kolonie uit 15 à 20 jonge en oude dieren bestond, bemerkte +men, dat zij dammen opwierpen. De Nuthe was toen zóó ondiep, dat de uitgangen van de holen aan den oever overal zichtbaar +werden en het water daaronder nog slechts weinige cM. diep was. De Bevers hadden een plaats uitgekozen, waar zich in het midden +van het riviertje een kleine verhevenheid bevindt; hier begonnen zij aan weerszijden dikke takken in ’t water te werpen, en +de tusschenruimten met slijk en biezen te vullen; boven den hierdoor ontstanen dam was de waterspiegel 30 cM. hooger dan er +beneden. De dam werd meermalen vernield, <a id="d0e825"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e825">291</a>]</span>in den regel was hij echter telkens den volgenden dag weder hersteld. Toen het hooge water van de Elbe in de Nuthe doordrong +en tot boven de woningen der Bevers steeg, waren zij ook over dag te zien. Zij lagen dan meestal boven op den hut of op de +naburige knotwilgen.” + +</p> +<p>Aan de mededeelingen van andere onderzoekers ontleenen wij het volgende: Na rijp beraad kiezen de dieren een riviertje of +beek uit, welker oevers hun een overvloed van wilgen kunnen verschaffen en hun voor het aanleggen van hunne woningen en hutten +bijzonder geschikt voorkomen. De eenzaam levende individuën bewonen eenvoudige, onderaardsche holen in den trant van die van +den Vischotter. Een of meer gangen van verschillende lengte (meestal 2 à 6 M.), die alle onder water uitkomen, leiden naar +een ruime, meer of minder hoog boven den waterspiegel gelegen woning. Deze bestaat gewoonlijk slechts uit één woonkamer, die +netjes en zorgvuldig met in fijne vezels verdeeld hout gevuld is, en als slaapplaats, bij uitzondering ook als kraamkamer +dient. Gezelschappen, die gewoonlijk uit twee of meer familiën bestaan, bouwen in den regel hutten, en leggen, als dit noodig +is, dammen aan om het water op te stuwen en op gelijkmatige hoogte te houden. Sommige van deze dammen zijn 150 à 200 M. lang, +2 à 3 M. hoog, van onderen 4 à 6 M., van boven nog 1 à 2 M. dik. Zij bestaan uit stokken, welker dikte afwisselt tusschen +die van een arm en die van een dij; zij zijn 1 à 2 M. lang, worden met het eene einde in den bodem bevestigd, steken met het +andere boven het water uit, zijn door dunnere takken met elkander verbonden, waarna de tusschenruimten met riet, klei en zand +op zulk een wijze dichtgemaakt worden, dat aan de stroomzijde de dam bijna loodrecht is, terwijl aan de tegenovergestelde +zijde een glooiing ontstaat. Vervolgens worden nog loopgangen of kanalen aangelegd, waardoor de voor huttenbouw en voeding +noodige stoffen gemakkelijker uit de vijvers, die boven de dammen ontstaan, naar het beneden den dam gelegen water gesleept +of gevlot kunnen worden. + +</p> +<p>De volgende beschrijving van de inrichting en het doel der hut is ontleend aan Prof. <span class="smallcaps">Harting’s</span> “Bouwkunst der Dieren”: “Het dak steekt als een gewelf hoog boven het water uit en is van een luchtgat voorzien. De vloer +ligt van binnen steeds boven den waterspiegel. Hij is begroeid met riet en bestrooid met houtspaanders. In dien vloer is een +opening, waardoor de bewoners der hut onder het water door naar buiten kunnen geraken. Gewoonlijk bestaat zulk een hut slechts +uit één enkele holte of kamer, welke dan tot woonplaats verstrekt aan twee beverfamiliën, namelijk vier ouden en zes tot acht +jongen. Niet zelden gebeurt het echter ook, dat een hut in een zeker aantal kamers gescheiden is, die alle door een gemeenschappelijk +dak overdekt worden, doch nimmer verdiepingsgewijs boven, maar steeds nevens elkander zijn aangelegd. Elke kamer heeft dan +ook haar eigen opening of deur naar buiten. Zoo b.v. zag <span class="smallcaps">Hearne</span> op een eilandje zulk een groot gebouw, dat inwendig uit niet minder dan twaalf afdeelingen bestond. + +</p> +<p>“Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat op sommige plaatsen honderd en meer dezer koepelvormige woningen zich langs den oever +verheffen, dan kan men zich begrijpen, hoe lieden, die deze voor het eerst zien, en met de levenswijs der Bevers onbekend +zijn, daarin voortbrengselen van een nog op een lagen trap staande menschelijke bouwkunst meenden te herkennen, gelijk <span class="smallcaps">Möllhausen</span> verhaalt van de lieden, die de expeditie van luitenant <span class="smallcaps">Whippler</span> vergezelden, waaraan ook hij deelnam. + +</p> +<p>“In Europa kiezen de Bevers bij voorkeur wilgen, populieren en berken; in Amerika bezigen zij ook verwante soorten en bovendien +magnoliën, de rondbladige esch, sassafras enz. Met de schors van dezelfde boomen voeden zij zich. Hun voorraad van stammen +en takken laten zij vóór hun woning in ’t water liggen en halen daarvan al naar hun behoefte naar binnen, schillen het daar +op hun gemak af en werpen het overige weder in het water. <span class="smallcaps">Cartwright</span> zag zulke magazijnen, die meer dan een karrevracht hout bevatten. + +</p> +<p>“De hutten der Bevers dienen eigenlijk alleen tot hun winterverblijf. Wanneer de dooi in de lente het water sterk doet rijzen +en hen met overstrooming bedreigt, dan verlaten zij de hutten. De mannetjes blijven den geheelen zomer buiten, zwerven rond +en slapen op te samen gebrachte takken; de wijfjes keeren weder naar de hutten terug, wanneer het water daalt en werpen aldaar +in Juni hare jongen. Tegen den herfst begeven zich ook de mannetjes naar hun woning; te zamen herstellen zij dan de oude of +bouwen een nieuwe hut en verzamelen vervolgens hun wintervoorraad.” + +</p> +<p>Alle werkzaamheden van den Bever staan in zulk een nauw verband met zijne gewoonten en behoeften, dat men zijn levenswijze +schildert, wanneer men deze werkzaamheden beschrijft. Evenals de meeste Knaagdieren werken zij gedurende den nacht; alleen +in zeer afgelegen landstreken, waar zij in langen tijd geen mensch te zien krijgen, zijn zij ook over dag aan den arbeid. +“Kort na zonsondergang verlaten zij hunne rustplaatsen, fluiten luid en laten zich met een plomp in ’t water vallen. Zij zwemmen +een tijdlang rond in de nabijheid van den oever, tegen den stroom op even snel als met den stroom mede, en houden, naarmate +zij zich min of meer veilig achten, hetzij den neus en het voorhoofd, òf den kop en den rug boven water. Na de veiligheid +van de omgeving onderzocht te hebben, gaan zij aan land, waar zij zich tot op een afstand van 50 schreden of nog verder van +den oever begeven, om de boomen af te snijden, die zij voor hun voeding of voor hunne bouwwerken noodig hebben.” Takken, die +eenige cM. dik zijn, worden in eens door den Bever afgebeten; boomen brengt hij ten val door in den stam een ringvormige groeve +te knagen en deze aan de naar het water gerichte zijde dieper te maken, totdat de boom naar die zijde overhelt en in ’t water +valt. De sporen, die zijn arbeid op den stam achterlaat, bestaan uit tallooze, vlakke, schelpvormige insnijdingen, die zoo +glad en scherp zijn, alsof zij met een zwak gebogen beitel uitgehouwen werden. Soms snijden de Bevers stammen van meer dan +mansdikte af, dit doen zij ook wel in Duitschland. Takken met vele twijgen worden vóór het wegsleepen nauwkeurig bezichtigd, +in sommige gevallen in stukken verdeeld, hinderlijke takstompjes worden afgesneden, alle stukken hout daarna in ’t water gesleept +en hier ontschorst of voor latere tijden bewaard. Eerst nadat de stok geschild is, gebruikt de Bever hem als bouwmateriaal, +haalt hem uit het water, sleept hem naar de naastbijgelegen hut en geeft hem hier een bestemming. Van een regel bij het rangschikken +van de voor ’t bouwen dienende stokken is niets te bespeuren. Op een doelmatige wijze wordt in de behoeften voorzien, aan +een regelmatige plaatsing van de bouwstoffen echter niet gedacht: eenige stokken liggen horizontaal, andere scheef, nog andere +verticaal, enkele steken met het eene einde ver buiten de wanden van de hut uit, <a id="d0e854"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e854">292</a>]</span>andere zijn geheel met aarde bedekt. Er wordt trouwens voortdurend iets aan de woning veranderd, vergroot en verbeterd. Alle +voor het dichtstoppen en de bekleeding vereischte materialen, zooals aarde, zand, leem of slib worden op verschillende wijzen, +maar toch altijd slechts met den bek en met de voorvoeten vervoerd en alleen met de voorvoeten verwerkt. De staart wordt hierbij +hoogstens voor het behouden van het evenwicht, nooit als troffel gebruikt. Wel is het mogelijk, dat de zware achter hem aansleepende +staart, die soms niet minder dan 2 KG. weegt, tot het gladmaken der slibbedekking bijdraagt. + +</p> +<p>Evenals bij de meeste dieren is het wijfje van den Bever bij het bouwen met het belangrijkste deel van den arbeid belast, +het mannetje verricht hoofdzakelijk oppermanswerk. Beide arbeiden gedurende het geheele jaar, hoewel niet altijd met denzelfden +ijver. In den zomer en in het begin van den herfst zijn zij vaker aan ’t spelen dan aan het voltooien van de woning; vóór +het invallen van het koude weder arbeiden zij daarentegen onverpoosd gedurende den geheelen nacht. Zij hebben een fijn voorgevoel +van de naderende weersgesteldheid en nemen hiertegen de best mogelijke voorzorgsmaatregelen. + +</p> +<p>Het voedsel van de Bevers bestaat voornamelijk uit de schors en de bladeren van verschillende boomen. Van alle takken, die +ik mijne gevangenen toewierp, kozen zij het allereerst die van den wilg uit, en alleen wanneer deze ontbraken, namen zij takken +van witte, zwarte en ratel-populieren, esschen en berken, het minst graag die van elzen en eiken. Harde takken, die zij met +de voorvoeten aanvatten en aanhoudend ronddraaien, ontschorsen zij zeer netjes en behendig; zij schillen ze zoo schoon af, +dat men op den van schors beroofden tak geen sporen van de werking der tanden ontdekken kan. Spoedig geraken zij gewoon aan +brood en scheepsbeschuit, appels en peren, en krijgen weldra een voorliefde voor vruchten. + +</p> +<p>Hoewel de houding van den Bever verschillend is, vertoont zij toch over ’t algemeen weinig afwisseling. Zittend gelijkt het +dier op een groote, plompe Muis. Bij het gaan wordt de eene poot na de andere bewogen want de bijna over grond schurende buik +laat geen snelle, gelijkmatige beweging toe. Als hij zeer groote haast heeft, doet de Bever sprongen, plomper en onbehendiger +dan die van eenig ander, mij bekend landzoogdier; achtereenvolgens worden hierbij het achterste en het voorste deel van ’t +lichaam omhooggeheven; toch komt hij op deze wijze vrij schielijk vooruit. Bij het zwemmen is het achterdeel zoo diep ondergedompeld, +dat alleen de neusgaten, oogen en ooren benevens het middelste deel van den rug boven den waterspiegel komen; het achterste +deel van den rug en de staart zijn echter onder water. De voortbeweging heeft plaats door de achterpooten tegelijkertijd, +zelden één voor één, te strekken en te buigen; de staart, die dikwijls eveneens in de gepaste richting met kracht schoksgewijs +bewogen wordt, dient voor ’t sturen; de voorpooten doen bij ’t zwemmen geen dienst. Het dier kan 2 minuten onder water blijven, +voordat de behoefte om adem te halen het noodzaakt weer aan de oppervlakte te komen. + +</p> +<p>De stem is een zwak geluid, dat nog het best een gesteun genoemd kan worden; zij wordt gehoord, telkens als het dier een aandoening +ondervindt; weldra leert men de verschillende beteekenissen van de voortgebrachte geluiden verstaan. Naar het schijnt, zijn +het gehoor en de reuk de hoogst ontwikkelde zinnen; de kleine oogen hebben een tamelijk onnoozele uitdrukking; gebrekkig is +het gezichtsorgaan echter evenmin als het smaakorgaan; ook het gevoel is bij dit dier niet onbeduidend. Over zijn verstandelijke +ontwikkeling zou verschil van meening kunnen bestaan; in ieder geval zal men echter moeten erkennen, dat het te dezen aanzien +in de orde der Knaagdieren een hooge plaats inneemt. Eerder dan eenig ander Knaagdier schikt het zich in veranderde omstandigheden, +en leert het, zich deze op de meest voordeelige wijze ten nutte te maken; meer dan een zijner verwanten overlegt het, voordat +het handelt, maakt het gebruik van ervaringen en leidt hieruit gevolgtrekkingen af. Zijne woningen zijn niet kunstiger dan +die van andere Knaagdieren, steeds echter zijn zij aangelegd met een juist besef van de eigenaardigheden van de plaats, waar +zij gelegen zijn; beschadigingen aan deze woningen worden altijd met overleg hersteld. + +</p> +<p>Het gedrag van den gevangen Bever tegen andere dieren is onvriendelijk; tegenover den mensch zijn zij op zijn minst genomen +koel. Die, welke goed behandeld worden, dulden ten slotte, dat men ze liefkoost, zij gaan ook wel naar hun oppasser toe om +hem als ’t ware te begroeten; tegen iederen dwang verzetten zij zich evenwel. Dat vrouwen en kinderen goedgeefs zijn, hebben +zulke in de diergaarde levende Bevers spoedig geleerd; zij verschijnen daarom, als vrouwen en kinderen voorbijgaan, niet alleen +vroeger dan gewoonlijk voor hun woning, maar bedelen ook, op de achterpooten staande, om eetwaren; handig nemen zij met de +voorpooten appels, noten, suiker en brood aan; ieder die een beweging maakt, alsof hij, hun iets geven wil, en dit niet doet, +of die hen plaagt, slaan zij echter op de vingers. + +</p> +<p>Bevers, die jong gevangen zijn, kunnen zeer tam worden. In vele berichten van schrijvers over Amerika wordt melding gemaakt +van Bevers, die in de dorpen van de Indianen in zekeren zin als huisdieren worden gehouden, of die in het bezit van de bedoelde +schrijvers zelf waren. “Ik zag”, zegt <span class="smallcaps">La Hontan</span>, “in deze dorpen niets wat zoozeer mijn aandacht trok als Bevers die, zoowel in de beek als in het kreupelhout, ongestoord +heen en weer liepen en zoo tam waren als Honden.” <span class="smallcaps">Hearne</span> had verscheidene Bevers zoo mak gemaakt, dat zij kwamen, als hij ze riep, hem als Honden naliepen en blijde waren, als zij +geliefkoosd werden. Het gezelschap van de Indiaansche vrouwen en kinderen beviel hun, naar het scheen, zeer goed; zij waren +onrustig, wanneer de menschen te lang wegbleven, en toonden blijdschap bij hun terugkomst. + +</p> +<p>De paring van de Bevers heeft in verschillende maanden plaats, al naar het land dat zij bewonen. Volgens sommigen gebeurt +dit in ’t begin van den winter, volgens anderen in Februari of Maart. Na een draagtijd van zes weken werpt het wijfje in een +droog hol 2 of 3 behaarde, maar nog blinde jongen; na 8 dagen openen deze de oogen en worden zij door de moeder medegenomen +naar het water; soms geschiedt dit echter eerst een paar dagen later. + +</p> +<p>Behalve <span class="letterspaced">Vorst</span> <span class="smallcaps">Schwartzenberg</span>, die op de Wereldtentoonstelling te Weenen een Beverpaar toonde, houdt tegenwoordig niemand zich met het fokken van Bevers +bezig, hoewel dit bedrijf zoowel aangenaam als voordeelig is, en ook geen bijzondere bezwaren oplevert. Een paar Bevers, dat +in het jaar 1773 op Rothenhof was gebracht, had zich zoo sterk vermenigvuldigd, dat het gezin 6 jaren later uit 14, 10 jaren +later uit 25 leden bestond; toen werd de fokkerij echter beperkt, daar de Bevers, die in de vrije natuur waren gebracht, hier +veel schade aanrichtten. Te Nymphenburg, in <a id="d0e884"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e884">293</a>]</span>Beieren, werden eveneens Bevers gehouden; het bleek, dat enkele van deze dieren 50 jaren lang in de gevangenschap in ’t leven +bleven. + +</p> +<p>Behalve de mensch, heeft de Bever weinig vijanden. Zijn voorzichtigheid doet hem zelfs den behendigen jager gelukkig ontgaan. +Nadat hij eens verontrust is, zoekt hij bij het geringste gevaar het water op, dat hem tamelijk goed beveiligt. De Noord-Amerikaansche +trappers (zoo genoemd naar de vallen—in ’t Engelsch “traps”—, die zij gebruiken om wild te vangen) beweren, dat de Bevers +daar, waar zij in grooten getale bijeen wonen, wachten uitzetten, die de overige leden van het gezelschap voor een naderend +gevaar waarschuwen door een signaal, bestaande uit het geluid, dat door het slaan met den staart tegen de oppervlakte van +het water veroorzaakt wordt. De beteekenis van deze mededeeling is eigenlijk, dat een vijand door een vereeniging van verscheidene +voorzichtige dieren gemakkelijker wordt waargenomen, dan door ieder van hen afzonderlijk; dat dus ieder van de leden van het +gezelschap de hierboven bedoelde wachtdienst verricht. Daar het plassend geluid, dat het slaan met den staart op den waterspiegel +veroorzaakt, alleen dan wordt gehoord, als de Bever zich plotseling te water begeeft en onderduikt, en dit in den regel dan +geschiedt, als hij een gevaar meent op te merken, letten trouwens alle zijne metgezellen op dit verre waarneembare gedruisch, +en verdwijnen, zoodra zij het vernemen, in de diepte. In Amerika doodt men den Bever vooral met het geweer, maar vangt hem +bovendien in allerlei soorten van vallen. In den winter hakt men gaten in ’t ijs en slaat de Bevers dood, wanneer zij daarin +komen om te ademen. Ook neemt men wel eens de ijslaag weg van het bij de beverhutten gelegen deel van de rivier of beek, bedekt +dit met een stevig net, breekt vervolgens de hutten open en jaagt de verschrikte dieren in het net. + +</p> +<p>Het voordeel, dat de Bevers opleveren, weegt ten naastenbij op tegen de schade, die zij aanrichten. Men moet hierbij in ’t +oog houden, dat zij bij voorkeur onbevolkte landstreken bewonen, en het liefst zich bepalen tot het afsnijden van dunne takken +van boomsoorten, die spoedig weder aangroeien. Niet alleen de aangerichte vernielingen, maar ook alle moeite en bezwaren van +de jacht worden daarentegen door het vel en het vleesch van het dier, en in nog hoogere mate door het bevergeil, zeer rijkelijk +vergoed. Uit Amerika komen ieder jaar omstreeks 150.000 vellen in den handel, ter gezamenlijke waarde van 1.800.000 gulden; +ieder vel brengt, al naar de kwaliteit, 12 à 36 gulden op. + +</p> +<p>Bij de Amerikaansche wilden staat de Bever in zeer hoog aanzien. Zij schrijven hem bijna evenveel verstand toe als den mensch +en gelooven, dat dit voortreffelijke dier een onsterfelijke ziel heeft,—om van andere sprookjes maar te zwijgen. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Spring-knaagdieren</span> (<i>Dipodidae</i><span id="d0e901" class="corr" title="Bron: ,)">),</span> herinneren door hun lichaamsbouw duidelijk aan de Kengoeroes. Bij beide komt dezelfde wanverhouding tusschen het voorste +en het achterste deel van den romp voor. Het achterste deel van het lichaam is buitengewoon krachtig ontwikkeld: de achterpooten +zijn wel driemaal zoolang als de voorste; de staart is naar verhouding zeer lang, aan het achterste gedeelte gewoonlijk tweerijig +behaard, zoodat hij in een kwast uitloopt. De Spring-Knaagdieren verschillen echter aanmerkelijk van de Spring-buideldieren +wat den kop betreft. Deze is bij de eerstgenoemde zeer dik; de hieraan groeiende snorren zijn naar verhouding de langste die +bij eenig Zoogdier voorkomen: dikwijls zijn zij even lang als het geheele lichaam. De groote oogen wijzen op een nachtelijke +levenswijze, maar zijn levendig en fraai, zooals bij weinige andere nachtdieren; dat het gehoor niet minder goed ontwikkeld +is, blijkt uit de overeindstaande, lepelvormige ooren, welker lengte afwisselt van één derde tot de geheele lengte van den +kop. De hals is zeer dik en onbeweeglijk, de romp mag wel slank heeten. Aan de kleine voorpooten komen gewoonlijk 5 teenen +voor, aan de achterpooten 3. De vacht is dicht en zacht, haar kleur gelijkt op die van het zand. De naast elkander gelegen +beenderen, die bij de meeste andere Zoogdieren den middelvoet vormen, zijn vergroeid tot één enkel been, aan welks uiteinde +de van elkander afgezonderde gewrichtsknobbels voor de teenen voorkomen. + +</p> +<p>De Spring-knaagdieren zijn hoofdzakelijk bewoners van Afrika en Azië; van eenige soorten strekt zich het verbreidingsgebied +echter tot in Zuid-Europa uit; één geslacht of onderfamilie behoort in Noord-Amerika thuis. Zij zijn bewoners van het droge, +vrije veld, van de grasrijke steppe en van de dorre zandwoestijn; het zijn eigenlijk woestijndieren, zooals ook uit hun kleur +oogenblikkelijk blijkt. Op leemachtigen of zandigen bodem, in de lage landen, zeldzamer op hoogten of aan dicht met kreupelhout +begroeide weidezoomen en in de nabijheid van bouwland vestigen zij zich in door hen zelf gegraven holen met vele vertakte, +doch meestal op zeer korten afstand van de oppervlakte gelegen pijpen, die altijd talrijke uitgangen hebben. Over dag in hunne +holen verborgen, vertoonen zij zich na zonsondergang en leiden dan een vroolijk leven. Hun voedsel bestaat uit wortels, bollen, +allerlei graansoorten en zaden, vruchten, bladen, gras en kruiden. Eenige verslinden ook Insecten, ja zelfs kleine Vogels, +gebruiken zelfs aas als voedsel en eten in sommige gevallen elkander op. Het voedsel brengen zij met de voorpooten naar den +mond, terwijl zij in half opgerichte houding op het achterste deel van den romp en op den staart steunen. + +</p> +<p>Hunne bewegingen zijn zeer eigenaardig. De bedaarde gang verschilt van die der Kengoeroes in zoover, dat zij schielijk achtereen +den eenen achterpoot vóór den anderen plaatsen; de snelle loop geschiedt echter sprongsgewijs; door het strekken van de krachtige +achterpooten wordt het lichaam ver boven den grond verheven, terwijl intusschen met den tweerijig behaarden staart de richting +van den sprong geregeld en zoo het evenwicht bewaard wordt. Daarbij leggen zij de voorpooten tegen de kin aan, of kruisen +ze, gelijk een hardloopend mensch over de borst; dan is het, alsof zij maar twee pooten hebben. De grootste soorten kunnen +kolossale sprongen doen; want bij al deze dieren bedraagt de sprongwijdte het twintigvoud van hun lichaamslengte. De eene +sprong volgt onmiddellijk op den anderen; als zij haastig vluchten, ziet men eigenlijk niets anders dan een geel voorwerp, +dat volgens vlakke bogen als een pijl door de lucht schiet. Met even groote behendigheid graven zij in den bodem, in weerwil +van de zwakheid hunner voorpooten, die hoofdzakelijk dezen arbeid moeten verrichten. Terwijl zij grazen, gaan zij, ook weder +evenals de Kengoeroes, op vier pooten; deze beweging is echter zeer langzaam en wordt nimmer lang voortgezet. Bij het zitten +rusten zij op de zolen van de achtervoeten. + +</p> +<p>Bij alle soorten zijn de zinnen scherp, vooral hebben <a id="d0e910"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e910">294</a>]</span>zij een fijn gehoor en kunnen op grooten afstand zien; hierdoor kunnen zij aan dreigende gevaren gemakkelijk ontkomen. Uiterst +vreesachtig, schuw en haastig, trachten zij bij iedere storing zoo schielijk mogelijk hun hol te bereiken of slaan, wanneer +hun dit niet mogelijk is, met razende snelheid op de vlucht. De grootste soort verdedigt zich in gevallen van uitersten nood, +op de wijze der Kengoeroes, met de achterpooten; de kleinere soorten daarentegen maken, als zij gegrepen worden, nooit van +hunne natuurlijke wapens gebruik. Hun stem bestaat uit een soort van gehuil, dat op het geschreeuw van jonge Katten gelijkt, +bij andere leden der familie ook wel uit een dof geknor. Men hoort echter over ’t algemeen slechts zelden een geluid van hen. +Bij geringen warmtegraad vervallen zij in winterslaap, of verstijven althans gedurende korten tijd; zij verzamelen echter +geen wintervoorraad, gelijk andere Knaagdieren doen. + +</p> +<p>In de gevangenschap zijn de Spring-Knaagdieren zeer aardige en bevallige gasten van den mensch; hunne goedaardigheid, zachtmoedigheid +en argeloosheid doen hen ieders vriendschap verwerven. + +</p> +<p>Bijna alle soorten zijn volkomen onschadelijk. De woestijn, die voor ieder open staat, biedt hen zooveel voedsel, dat zij +er geen behoefte aan gevoelen, de bezittingen van den mensch te plunderen. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Amerikaansche Springmuis</span> (<i>Jaculus hudsonius</i>) is de eenige vertegenwoordiger van haar geslacht en van haar onderfamilie. Door haar lichaamsbouw gelijkt zij op hare naaste +verwanten in de Oude Wereld, door den vorm en de beharing van den staart herinnert zij echter ook aan de gewone Muizen. In +grootte komt zij ongeveer overeen met de Boschmuis; haar lichaamslengte bedraagt tennaastenbij 8 cM, zonder den 13 cM. langen +staart. Het gladde en dichte haarkleed is aan de bovenzijde donker leder-bruin met bruingeel gemengd. + +</p> +<p>Het hooge noorden van Amerika is het vaderland van dit dier. Het komt voor in alle gewesten die pelterijen leveren, van den +Missouri tot in Labrador en van de oevers van den Atlantischen tot aan die van den Stillen Oceaan. Hier woont het in de met +dicht struikgewas bezette weideranden en in de nabijheid van bosschen; over dag blijft het verborgen, des nachts zwerft het +bij gezelschappen rond. Zijne holen zijn ongeveer 50 cM. diep, in het koude jaargetijde soms dieper. Vóór den aanvang van +den winter vervaardigt het een nest van leem, dat op een hollen kogel gelijkt, rolt zich hierin samen, met den staart om het +lichaam gewikkeld en blijft zoo in een toestand van verstijving liggen, tot de lente komt. Men verhaalt, dat een tuinman in +Maart bij het omspitten van den grond een kluit vond ter grootte van een kegelbal, die wegens zijn regelmatigen vorm verwondering +wekte; de tuinman sloeg den bal met de spade in twee stukken en vond hierin een diertje, dat zich opgerold had, ongeveer als +een kuiken in een ei. Dit was de Amerikaansche Springmuis in haar winterkwartier. In den zomer is zij zeer vlug, zij springt +buitengewoon behendig en snel op de achterpooten rond. In het bosch kan men haar, naar beweerd wordt, in ’t geheel niet vangen. +Met gemak springt zij hier over lage struiken heen, die de mensch niet zoo gemakkelijk overschrijden kan, en weet dan altijd +een veilig plaatsje te vinden. <span class="smallcaps">Audubon</span> betwijfelt, of eenig Zoogdier haar in behendigheid evenaart. + +</p> +<p>Naar men zegt, kan het aardige diertje zonder moeite in ’t leven gehouden worden. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Over de <span class="letterspaced">Echte Springmuizen</span> (<i>Dipodinae</i>) is men beter onderricht. Men kan ze als typische vertegenwoordigers van de familie beschouwen, want zij vertoonen al hare +eigenaardigheden het duidelijkst. <span class="smallcaps">Haselquist</span> merkt niet onaardig op, dat zij er uitzien, alsof zij uit stukken van verschillende dieren zijn samengesteld. “Men zou kunnen +zeggen, dat dit diertje den kop heeft van den Haas, den snorrebaard van den Eekhoorn, den snuit van het Zwijn, den romp en +de voorvoeten van de Muis, de achtervoeten van den Vogel en den staart van den Leeuw.” In de eerste plaats valt de kop in +’t oog: er blijkt onmiddellijk uit, dat de Springmuizen echte woestijnbewoners zijn. Voor alle zintuigen is de noodige ruimte +aanwezig. De oorschelpen zijn groot en vliezig, of althans uiterst dun behaard, de oogen groot, levendig en zacht, zooals +bij vele andere woestijnbewoners, die een nachtelijke levenswijze hebben, de neusgaten wijd; ook de organen voor den tastzin +zijn goed ontwikkeld: aan weerszijden van den kop steken verbazend lange snorren uit. De hals is buitengewoon kort en weinig +beweeglijk, de staart daarentegen zeer lang, meestal langer, soms veel langer dan de romp: het voorste gedeelte is rond, overal +gelijkmatig kort behaard, de staartspits echter meestal met twee rijen van langere borstelharen bezet, waardoor de staart +eenige overeenkomst met een pijl verkrijgt. De zeer korte voorpooten, zijn gedurende het springen zoo tegen het lichaam aangedrukt +en in de vacht verborgen, dat hierin een reden te vinden is voor de oude benaming “Tweevoet”; zij hebben slechts vier teenen +met middelmatig lange, gekromde en scherpe klauwen, en op de plaats van den duim een wratje, dat soms met een nagel voorzien +is, soms echter niet. De achterpooten zijn wel zesmaal zoo lang als de voorpooten, omdat zoowel het onderbeen als de middelvoet +buitengewoon sterk verlengd zijn. Het haarkleed bestaat uit zachte, zijdeachtige haren; ieder haar van den rug is van onderen +blauwachtig grijs, hoogerop zandkleurig, aan de spits echter zwart of donkerbruin<span id="d0e946" class="corr" title="Bron: :">;</span> aan de onderdeelen is de vacht altijd wit, met overlangsche strepen aan de zijden. Een merkwaardig verschijnsel, dat men +bij vele snel loopende dieren opmerkt en ook bij de Springmuizen aantreft, is, dat de voeten de eenvoudigst mogelijke samenstelling +hebben, en slechts uiterst weinig beweeglijk zijn. De 3, 4 of 5 buitengewoon korte teenen van de springpooten hebben in den +regel slechts twee leden; zij kunnen niet zijdelings bewogen, maar alleen gezamenlijk een weinig gebogen en gestrekt worden. +Bij het loopen komt alleen de uiterste spits van het nagellid met den grond in aanraking; door een veerkrachtige, kraakbeenige +massa, wordt zij echter gevrijwaard tegen den invloed van schokken bij den sprong. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Als vertegenwoordiger van dit geslacht kies ik de <span class="letterspaced">Woestijn-springmuis</span>, de <span class="letterspaced">Djerboa</span> der Arabieren (<i>Dipus aegyptius</i>), een allerliefst diertje van 17 cM. lengte, waarbij nog gevoegd moet worden 21 cM. voor den staart (zonder den haarkwast). +De Woestijn-springmuizen, waarschijnlijk wel de Egyptische, waren reeds aan de ouden goed bekend. Dikwijls wordt in de werken +van Grieksche en Romeinsche schrijvers van deze dieren melding gemaakt, altijd onder den naam van “tweevoetige Muizen”, welke +naam daarom ook thans nog tot aanduiding van het geslacht dient. +<a id="d0e962"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e962">295</a>]</span></p> +<p>Het verbreidingsgebied van de Woestijn-springmuis omvat het grootste deel van Noord-Oost-Afrika, en het aangrenzende deel +van West-Azië. Kale, droge vlakten, steppen en zandwoestijnen worden door haar bewoond; zij bevolkt de dorste en eenzaamste +landschappen, en leeft in streken waar, naar men zou zeggen, geen dier het noodige voor zijn levensonderhoud kan vinden. Op +deze met harde grassen begroeide, naargeestige vlakten treft men ze soms tot groote gezelschappen vereenigd aan. Zij komt +hier voor nevens het Woestijnhoen, de kleine Woestijn-leeuwerik en de isabelkleurige Woestijnlooper; het is moeielijk te begrijpen, +dat ook de Springmuizen voedsel vinden daar, waar de genoemde Vogels, die, behalve zaden, toch ook veel Insecten eten, ter +nauwernood aan den kost kunnen komen. In den harden grindgrond graven onze Knaagdieren sterk vertakte, maar tamelijk dicht +bij de oppervlakte gelegen gangen, waarin zij zich bij het geringste gevaar verschuilen. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1295.jpg" alt="Woestijn-springmuis (Dipus aegyptius). ½ v.d. ware grootte." width="720" height="622"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Woestijn-springmuis</span> (<i>Dipus aegyptius</i>). ½ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Hoewel deze diertjes talrijk zijn in de door hen bewoonde gewesten, ziet men ze hier tamelijk zelden. Men kan ze wel niet +schuw noemen, maar zij zijn onrustig en vreesachtig en begeven zich bij het geringste gedruisch en zoodra zij een vreemd voorwerp +zien, zoo schielijk mogelijk naar hunne holen. Bovendien vallen zij eerst op geringen afstand in ’t oog, omdat hun kleur volkomen +met die van ’t zand overeenkomt en men tamelijk dicht bij hen moet zijn, voordat men ze bemerkt; met hunne fijn bewerktuigde +zintuigen kunnen zij daarentegen de nadering van den mensch reeds op grooten afstand waarnemen. Wel mag men zeggen, dat het +moeite zal kosten een aanvalliger schepseltje aan te wijzen, dan deze Springmuis. Vreemdsoortig en schijnbaar wanstaltig moge +haar voorkomen zijn, als men haar dood in de hand heeft of bewegingloos ziet zitten, bevallig is echter haar uitzicht, als +zij in beweging geraakt. Eerst dan doen deze dieren zich kennen als echte kinderen van de woestijn, openbaren zij hunne merkwaardige +begaafdheden. Zij bewegen zich met een snelheid die aan het ongeloofelijke grenst; ’t is alsof zij vleugels hebben. Geen mensch +is in staat een Springmuis in volle vaart bij te houden. Hoewel de Woestijn-springmuis een echt nachtdier is en hare zwerftochten +eerst na zonsondergang begint, ziet men haar toch ook soms bij helder zonlicht, ja zelfs gedurende de heetste uren van den +dag voor haar woning zitten en met hare soortgenooten spelen. De onverschilligheid voor den verzengenden gloed van de middagzon +in Afrika, die zij bij deze gelegenheid openbaart, is werkelijk bewonderenswaardig; vooral als men bedenkt, dat nagenoeg geen +enkel dier op dezen tijd van den dag zich in de woestijn beweegt, wijl de brandende hitte dan zelfs voor de echte bewoners +van dit verheven landschap in den volsten zin van ’t woord onverdragelijk is. Voor koude en vochtigheid daarentegen is zij +zeer gevoelig; bij slecht weder blijft zij daarom altijd verborgen in haar hol; ook vervalt zij dan wel in een toestand van +verstijving, die aan den winterslaap van de bewoners der noordelijke gewesten herinnert. + +</p> +<p>Over de voortplanting van de Woestijn-springmuis is niets met zekerheid bekend. De Arabieren maken ijverig jacht op dit dier, +omdat zij zijn vleesch eten en op tamelijk hoogen prijs stellen; zonder groote moeite vangen zij het levend of slaan het dood +als het uit zijn hol komt. + +</p> +<p>Behalve den mensch hebben deze dieren weinig vijanden. De Fenek en de Karakal en misschien ook de een of andere Uil zijn de +gevaarlijkste warmbloedige roovers, die het op hen gemunt hebben; veel gevaarlijker wordt voor hen de Egyptische Brilslang. +Deze leeft nl. op soortgelijke plaatsen als de Springmuizen, dringt zonder moeite door <a id="d0e980"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e980">296</a>]</span>in de holen, die zij graven en doodt er vele van. + +</p> +<p>De Europeesche dierenliefhebbers, die in Egypte wonen, houden dikwijls Springmuizen in gevangenschap. Op grond van mijn eigen +ervaring kan ik verzekeren, dat men veel genoegen kan hebben van zulke in een hok of in een kamer opgesloten dieren. Gedurende +mijn verblijf in Afrika werden mij dikwijls 10 of 12 stuks tegelijk gebracht. Ik gaf dan aan zulk een gezelschap een groote +kamer tot woonplaats om de bewegingen dezer dieren te kunnen nagaan. Van ’t eerste oogenblik af waren zij mak. Zonder bezwaar +lieten zij toe, dat men ze aanraakte, en deden zelfs geen pogingen om den mensch te ontwijken. Bij het rondgaan in hun kamer +moet men oppassen niet op hen te trappen, zoo rustig bleven zij zitten, als iemand op hen af kwam. Tegenover elkander zijn +de springmuizen ook in de gevangenschap buitengewoon vreedzaam en gezellig. Zij zijn aan armoedig en droog voedsel gewoon. +Als het droge voedsel haar geheel onthouden wordt, gaan zij treuren, verliezen haar gezondheid en sterven eindelijk. Wanneer +zij tarwe, rijst, een weinig melk en af en toe een druif, een stukje appel, een wortel of zoo iets krijgen, blijven zij welvarend +en kunnen lang in de gevangenschap leven. In den laatsten tijd is het geen groote zeldzaamheid meer, dat zij naar Europa gebracht +worden. + +</p> +<p>Van alle Knaagdieren, die ik tot dusver in gevangenschap hield, zijn mij de Springmuizen het best bevallen. Wegens hare eigenschappen +moet ieder wel van haar houden. Zij zijn zoo merkwaardig argeloos, zoo vriendelijk, tam, zindelijk, en, als zij haar slaapje +uit hebben, zoo vroolijk en vlug, elk van hare bewegingen is zoo eigenaardig en zij weten hierin zooveel afwisseling te brengen, +dat men zich uren lang met haar kan bezig houden. + +</p> +<p>Voor haar verzorger is de Springmuis zeer lieftallig. Nooit komt het haar in de gedachte den persoon te bijten, die haar opneemt. +Men kan haar aanraken, liefkoozen, ronddragen: alles is haar goed. Wanneer iemand haar ’s avonds een vinger toesteekt tusschen +de traliën van haar hok door, gebeurt het wel, dat zij dien aanvat, en met de tanden een weinig langs den vingertop schaaft, +waarschijnlijk omdat zij meent, dat men haar iets te eten wil geven; van werkelijke pogingen om te bijten is ook dan zelfs +geen sprake. Het komt mij voor, dat men de Springmuis zeer goed in een salon of pronkkamer zou kunnen houden, zoo goedaardig, +argeloos en zindelijk is dit dier. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Door het maaksel van den schedel, van het gebit en vooral van de achterpooten verschillen de <span class="letterspaced">Zandspringers</span> (<i>Scirtetes</i>) van de Woestijn-springmuizen. Bij hen is een lang en stevig middelvoetsbeen aanwezig, dat van onderen drie gewrichtsvlakken +heeft voor de aanhechting van de drie teenen, die met den grond in aanraking komen; aan weerszijden van het groote middelvoetsbeen +bevindt zich een korter been, dat een bijteen draagt, die den grond niet raakt. De achtervoet is dus met vijf teenen voorzien. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Door de uitmuntende beschrijvingen van <span class="smallcaps">Pallas</span>, <span class="smallcaps">Brandt</span> en anderen, zijn wij vooral met de <span class="letterspaced">Paardepoot-springmuis</span>, den <span class="letterspaced">Alakdaga</span> der Mongolen (<i>Scirtetes jaculus</i>) bekend geworden. Dit dier heeft ongeveer de grootte van een Eekhoorntje; zonder den 26 cM. langen staart heeft het een lengte +van 18 cM. De ooren zijn zoo lang als de kop. Deze is werkelijk fraai en heeft levendige, uitpuilende oogen met cirkelvormige +pupil, groote, lange en smalle ooren, die langer zijn dan de kop en zeer lange snorharen met zwartachtig grijze spitsen aan +weerszijden van de bovenlip. De achterpooten zijn bijna viermaal zoo lang als de voorpooten. De middelste teen is de langste, +want de beide zijdelingsche teenen reiken niet voorbij het eerste lid van de middelste en de twee bijteenen zijn, zooals reeds +opgemerkt werd, zoo hoog geplaatst en kort, dat zij bij ’t gaan den grond niet aanraken. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1296.jpg" alt="Paardepoot-springmuis (Scirtetes jaculus) ⅓ v.d. ware grootte." width="720" height="445"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Paardepoot-springmuis</span> (<i>Scirtetes jaculus</i>) ⅓ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Hoewel de Paardepoot-springmuis ook in het zuidoosten van Europa voorkomt, vooral in de steppen aan den Don en in de Krim, +is Azië toch haar eigenlijk vaderland. Noordwaarts komt zij niet verder dan de 52e breedtegraad; oostwaarts strekt haar verbreidingsgebied +zich uit tot in het oosten van Mongolië. + +</p> +<p>Evenals de Djerboa de woestijnen van Afrika bewoont, leeft de Alakdaga in de open vlakten van het steppengebied van Zuid-Europa +en Azië, vooral echter op leemachtigen grond; het eigenlijke, rondkorrelige zand vermijdt hij, omdat dit geen voldoende stevigheid +voor zijne gangen en holen aanbiedt. Hij leeft gezellig evenals zijne verwanten, doch niet in groote troepen bijeen. Over +dag rust hij, verborgen in zijn kunstig hol, na het vallen van de schemering zwerft hij rond, maar keert des nachts herhaaldelijk +naar zijn hol terug. Zijne bewegingen gelijken op die van zijne <a id="d0e1030"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1030">297</a>]</span>reeds genoemde verwanten. Als hij rustig graast, loopt hij, evenals een Kengoeroe, die met zijn maal bezig is, op alle vier; +de snellere beweging geschiedt springend op de achterpooten. Naar men zegt, maakt hij nog grooter sprongen dan de Woestijn-springmuis, +en is hij hierdoor in staat zoo snel te vluchten, dat een Paard hem niet inhalen kan. Schuw en vreesachtig van aard neemt +hij reeds bij het geringste gevaar de vlucht; zelfs als hij rustig graast, richt hij zich van tijd tot tijd op om de omgeving +te bespieden. Als hij vervolgd wordt, springt hij niet volgens een rechte lijn weg, maar verandert zooveel mogelijk zigzagswijs +van richting, totdat hij zijn vervolger afgemat, of een voor hem geschikt hol gevonden heeft, waarin hij zich oogenblikkelijk +verbergt. + +</p> +<p>De Alakdaga eet allerlei soorten van planten en allerlei deelen van planten. Zijn voornaamste voedsel bestaat uit bollen; +Insecten versmaadt hij echter niet; nu en dan zal hij waarschijnlijk wel eens zijn maal doen met een Steppen-leeuwerik of +althans met diens eieren en jongen. Van struiken knaagt hij de schors af, van de kruidachtige planten der steppe vreet hij +echter alleen de jongste uitspruitsels. Als de felle koude begint, valt de Paardepoot-springmuis in slaap. Bij ’t naderen +van den winter sluit hij de uitgangen zijner onderaardsche galerijen zorgvuldiger af dan gewoonlijk en rolt zich met andere +dieren van zijn soort in de zacht bekleede kamer van het hol tot een kluwen ineen. + +</p> +<p>De Alakdaga wordt tamelijk sterk vervolgd, daar de steppenbewoners zeer veel houden van zijn vleesch. Slechts hoogst zelden +houden de nomaden van deze steppen een Alakdaga in gevangenschap, ofschoon hij deze zeer goed verdraagt. Men heeft hem reeds +meermalen levend in Europa gehad, waar hij niet alleen voor tijdverdrijf diende, maar ook soms voor een wetenschappelijk doel. +De beste beschrijving van het leven van dit dier in de gevangenschap, hebben wij n.l. te danken aan den oudheidkundige <span class="smallcaps">Haym</span>. Om een gouden munt uit Cyrene te verklaren, waarop aan de eene zijde een ruiter, aan de ander echter het beroemde kruid +<i>Silphium</i><a id="d0e1041src" href="#d0e1041" class="noteref">2</a> met een Zandspringer er onder afgebeeld was, schafte <span class="smallcaps">Haym</span> zich een Alakdaga aan, hield hem meer dan een jaar lang in leven, teekende zorgvuldig op, wat er aan dit dier op te merken +viel en gaf hiervan een nauwkeurig verslag. + +</p> +<p>Gedurende de 3 of 4 eerste maanden van zijn leven in de gevangenschap, at deze Zandspringer niets anders dan amandelen, pistaches +(de eetbare vruchten van een in Syrië en Mesopotamië inheemschen, in de oeverlanden van de Middellandsche zee gekweekten boom, +<i>Pistacia vera</i>) en gebroken graan, zonder ooit te drinken; later gebruikte hij ook appels, peenen en nog liever kruiden, maar alleen zulke, +die weinig geur hebben, zooals spinazie, salade, <span id="d0e1055" class="corr" title="Bron: braadnetels">brandnetels</span>, enz.; hij dronk toen ook nu en dan gaarne water, hoewel men <span class="smallcaps">Haym</span> gezegd had, dat dit nooit geschiedde. Hij hield veel van brood, suiker en soortgelijke voedingsmiddelen; kaas en alle andere +melkspijzen roerde hij nooit aan. Ten slotte gaf hij aan hennepzaad de voorkeur boven ieder ander voedsel. Hij verbreidde +volstrekt geen onaangenamen reuk, zooals andere Knaagdieren—Muizen, Eekhoorns en Konijnen—doen; ook was hij zoo zachtaardig, +dat men hem gerust in de handen kon nemen; hij beet nooit. Vreesachtig als een Haas, was hij zelfs bang voor diertjes, die +kleiner waren dan hij en geen kwaad konden doen. In het koude jaargetijde had hij veel last van den lagen warmtegraad; des +winters moest men derhalve zijn hok altijd in de nabijheid van het vuur plaatsen. Toch was niet het klimaat, maar een noodlottig +toeval de oorzaak van den dood van dit dier. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Springende Haas</span>, door de Hollandsch sprekende bewoners van Zuid-Afrika ook wel <span class="letterspaced">Aardmannetje</span> genoemd (<i>Pedetes caffer</i>), wordt tegenwoordig als vertegenwoordiger van een afzonderlijke onder-familie beschouwd. Van de overige Spring-knaagdieren +verschilt hij aanmerkelijk door zijn gebit en ook nog in verschillende andere opzichten. De langwerpige romp neemt van voren +naar achteren allengs in dikte toe, de hals is tamelijk dik, maar duidelijk van den romp te onderscheiden en veel beweeglijker +dan bij de verwante geslachten; de voorpooten zijn ook bij hem nog kort, maar toch veel krachtiger dan bij de Springmuizen; +hunne vijf teenen zijn met stevige, lange, sterk gekromde klauwen gewapend; de achterste ledematen daarentegen zijn lange, +krachtige springpooten, hebben vier teenen, die ieder door een afzonderlijk <a id="d0e1074"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1074">298</a>]</span>middelvoetsbeen gedragen worden; zij dragen stevige, breede, maar tamelijk korte, bijna hoefvormige nagels. De middelste teen +van den achterpoot is langer dan de overige teenen; de korte buitenteen is zoo hoog geplaatst, dat hij den grond bijna niet +aanraakt. De zeer lange, krachtige, dicht en ruig behaarde, aan den oorsprong nog dunne staart, wordt door de overvloedige +beharing naar de spits toe dikker en loopt uit in een stomp eindigenden haarkwast. Het lange, dichte, overvloedige en zachte +haarkleed van den Springhaas, dat, wat de kleur betreft, een in ’t oog loopende overeenkomst met het vel van onzen Haas vertoont, +is aan de bovenzijde roest-bruinachtig vaalgeel (met bijmenging van zwart, omdat vele haren zwarte spitsen hebben), aan de +onderzijde echter wit. In grootte komt dit dier, ongeveer met onzen Haas overeen: de lichaamslengte bedraagt ongeveer 60 cM.; +de hierbij niet meegerekende staart is nog iets langer. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1297.jpg" alt="Springende Haas of Aardmannetje (Pedetes caffer.) ⅛ v.d. ware grootte." width="720" height="439"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Springende Haas</span> of <span class="letterspaced">Aardmannetje</span> (<i>Pedetes caffer</i>.) ⅛ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Springende Haas bewoont armoedige landstreken en zelfs woestijnachtige steppen. Hij is over een groot deel van Zuid-Afrika +verbreid, komt in het westen minstens tot op de breedte van Angola en in het oosten stellig nog in Duitsch Oost-Afrika voor. +In het Kaapland is hij op sommige plaatsen zeer veelvuldig, zoowel in bergstreken als in open vlakten, soms vindt men deze +dieren in zulk een groot aantal bijeen, dat zij echte koloniën vormen. Op soortgelijke wijze als zijne verwanten graaft hij +onderaardsche woningen met lange gangen, die gewoonlijk sterk vertakt en op korten afstand van de oppervlakte gelegen zijn +en naar een op grooter diepte voorkomende kamer leiden<span id="d0e1090" class="corr" title="Bron: ">.</span> Meestal dient zulk een woning tot verblijfplaats aan verscheidene paren, ja zelfs aan geheele familiën. + +</p> +<p>Daar hij, evenals de andere leden van zijn familie, een nachtdier is, begint zijn bedrijvigheid eerst, als de avondschemering +invalt. Hij komt langzaam uit zijn woning te voorschijn, en beweegt zich op alle vier ledematen terwijl hij zijn voedsel zoekt, +dat uit wortels, bladeren en zaden bestaat; zijn beweging verdient dan eer den naam van kruipen dan van loopen. Bijna iedere +minuut gaat hij op de achterpooten staan luisteren, want hij is voortdurend hoogst onrustig. Wanneer hij niet eet, poetst +hij zich, en wanneer hij zich niet poetst, toont hij zich bekommerd over zijn veiligheid. Somtijds laat hij een soort van +geknor of geblaat hooren, waarschijnlijk om zijne metgezellen bijeen te roepen. Het voedsel brengt hij, evenals de Springmuizen, +met de korte voorpooten naar den mond. Zoo langzaam hij voortschrijdt, wanneer hij op alle vier gaat, zoo snel is zijn uit +schielijk opeenvolgende sprongen bestaande loopbeweging. Door het strekken van de lange achterpooten verheft hij zich boven +den bodem en komt weer op de achterpooten terecht, zonder met de voorpooten, die tegen de borst aangedrukt blijven, den grond +aan te raken. Gewoonlijk bedraagt de sprongwijdte 2 à 3 M.; zoodra hij vervolgd wordt, vermeerdert echter zijn snelheid zoodanig, +dat de gemiddelde sprongwijdte 6 à 10 M. bedraagt. + +</p> +<p>Bij den aanvang van ’t regenseizoen blijft, naar men zegt, de geheele familie dikwijls dagen achtereen, ineengerold en dicht +tegen elkander aangedrukt, binnen haar woning. Bij goede verzorging verdraagt de Springende Haas de gevangenis zeer goed en +gedurende langen tijd; weldra wordt hij tam en stelt vertrouwen in zijn verzorger. Wegens zijn zindelijkheid verdient hij +als huisdier aanbeveling; voedsel kan men hem gemakkelijk verschaffen: met tarwe, brood, salade en kool is hij best tevreden. + +</p> +<p>De Hollandsche Boeren in Zuid-Afrika vinden veel vermaak in de jacht op dit dier; zijn vleesch wordt met smaak gegeten en +het vel op soortgelijke wijze gebruikt als dat van onzen Haas. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Om ons zoo grondig mogelijk bekend te maken met den aard der Knaagdieren, is geen andere familie van deze orde zoo goed geschikt, +als die welke de <span class="letterspaced">Muizen</span> (<i>Muridae</i>) omvat. Deze familie is niet alleen het rijkst van alle aan geslachten en soorten, maar is ook verreweg het meest verbreid; +haar verbreidingsgebied, althans dat van sommige soorten, neemt zelfs, dank zij haar gehechtheid aan den mensch, tot op den +huidigen dag voortdurend toe. Hare leden zijn doorgaans klein van stuk, maar zij vergoeden, meer dan wenschelijk is, door +talrijkheid, wat er aan de grootte van ieder individu te kort komt. Om een algemeene voorstelling te geven van de geheele +familie, kan men zeggen, dat zij gekenmerkt is door den spitsen snuit, de groote, zwarte oogen, de breede en holle, zeer schraal +behaarde ooren, den langen, behaarden of (niet minder dikwijls) onbehaarden, en dan met schubben bedekten staart, en de sierlijke +pooten, met smalle, fijne vijfteenige voeten; voorts door de kortharige, zachte vacht. Wat haar algemeene gedaante betreft, +vertoonen echter vele Muizen een toenadering tot andere familiën van de Knaagdieren-orde: stekelig bovenhaar herinnert aan +de Stekelzwijnen; echte zwemvoeten, korte ooren en pooten doen aan de Bevers denken; een dicht behaarde staart roept ons het +beeld van den Eekhoorn voor den geest enz. In overeenstemming met deze uitwendig zichtbare afwijkingen van den algemeenen +vorm, is ook de bouw van het gebit in mindere of meerdere mate gewijzigd. + +</p> +<p>De Muizen zijn wereldburgers, tot groote schade voor de menschheid. In alle werelddeelen komen leden van deze familie voor; +de weinig talrijke, gelukkige eilanden, die tot dusver van een bezoek van de genoemde Knaagdieren verschoond bleven, zullen +vroeger of later nog wel bevolkt worden door één soort, die door haar reislust reeds een ontzaglijk groot verbreidingsgebied +heeft verkregen. De Muizen bewonen alle landstreken en alle klimaten; wel geven zij de voorkeur aan de vlakten van gematigde +en warme gewesten boven het gure hoogland en het koude noorden; maar ook hier worden zij gevonden tot daar, waar de plantengroei +ophoudt; zij komen dus ook nog voor in de onmiddellijke nabijheid van de eeuwigdurende sneeuw der gebergten. Goed bebouwde +landerijen, vruchtbare akkers, plantages worden onvoorwaardelijk door haar het liefst als woonplaats gekozen; moerassige plaatsen, +oevers van rivieren en beken, verschaffen haar echter evenzeer het noodige; zelfs op dorre, droge, met weinig gras en struikgewas +begroeide vlakten, zien zij nog kans om in haar levensonderhoud te voorzien. Eenige vermijden de nabijheid van plaatsen, waar +de mensch zich gevestigd heeft; andere dringen zich als ongenoode gasten aan hem op, en volgen hem overal, waar hij zich metterwoon +nederzet, zelfs naar overzeesche gewesten. Zij bevolken huis en hof, schuur en stal, tuin en veld, weide en bosch, overal +richten zij met de scherpe werktuigen harer vraatzucht schade en onheil aan. Er zijn er maar weinige onder, die eenzaam of +bij paren leven; de meeste houden van gezelligheid; sommige soorten vormen soms ontzaglijk groote scharen<span id="d0e1111" class="corr" title="Bron: ">.</span> Bijna alle soorten vermenigvuldigen zich buitengewoon sterk, want het aantal jongen van een enkelen worp <a id="d0e1114"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1114">299</a>]</span>wisselt van 6 tot 21 af; de meeste planten zich ieder verscheidene malen voort, zelfs in den winter. + +</p> +<p>De Muizen plagen en kwellen den mensch op allerlei wijzen; hare eigenschappen stellen haar, naar ’t schijnt, juist hiertoe, +in staat. Vlug en behendig in hare bewegingen, kunnen zij uitmuntend loopen, springen, klimmen, zwemmen; zij zien kans haar +lichaam door de nauwste openingen heen te wringen; wanneer zij geen toegangsopeningen vinden, maken zij die met haar scherp +gebit. Zij zijn tamelijk schrander en voorzichtig, maar tevens driest, brutaal, onbeschaamd, listig en moedig; hare zinnen +zijn over ’t geheel genomen fijn, hoewel de reuk en het gehoor verreweg de overhand hebben. Haar voedsel bestaat uit alle +eetbare voortbrengselen van het planten- en dierenrijk: zaden, vruchten, wortels, schors, kruiden, gras, bloemen vormen haar +gewone voedsel; niet minder graag echter eten zij Insecten, vleesch, vet, bloed en melk, boter en kaas, huiden en beenderen; +wat zij niet opeten kunnen, knagen zij toch stuk, zooals b.v. papier en hout. Water drinken zij over ’t algemeen slechts zelden: +daarentegen zijn zij buitengewoon verlekkerd op alle vloeistoffen die voedingsmiddelen bevatten, en wenden allerlei listen +aan om ze te verkrijgen. Zij vernielen altijd veel meer, dan zij gebruiken; door deze hebbelijkheid worden zij de onaangenaamste +vijanden van den mensch. Slechts zeer weinig Muizen zijn onschadelijke dieren en hebben wegens haar sierlijke gestalte, de +bevalligheid van hare bewegingen en haar innemend uiterlijk genade in onze oogen gevonden. Dit geldt vooral van de knapste +bouwkunstenaars van deze familie, die boven alle Zoogdieren uitmunten door de kunstige nesten, die zij vervaardigen, en die +door haar gering aantal en de kleine hoeveelheid voedsel, welke zij noodig hebben, niet veel last veroorzaken. Eenige soorten, +die gewesten van den kouden en gematigden aardgordel bewonen, houden winterslaap en brengen vooraf wintervoorraad bijeen; +andere ondernemen, tot tallooze scharen vereenigd, van tijd tot tijd verhuizingen, die echter in den regel noodlottig voor +haar zijn. + +</p> +<p>Voor de gevangenschap zijn weinig soorten geschikt; want slechts een gering aantal laten zich gemakkelijk temmen en zijn verdraagzaam +ten opzichte van hare soortgenooten. De overige zijn ook in de kooi onaangename, onverdraagzame, bijtlustige gasten, die de +vriendschap, welke men haar bewijst, en de verzorging, die zij vereischen, slecht vergelden. Nuttig in den eigelijken zin +van ’t woord zijn de Muizen nooit, want hoewel men van sommige soorten het vel gebruikt, of zelfs het vleesch eet, komen deze +geringe voordeelen niet in aanmerking nevens de ontzaglijke schade, die deze familie als geheel beschouwd aanricht. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Renmuizen</span> worden in een afzonderlijke onderfamilie (<i>Merionidinae</i>) geplaatst, omdat zij zich door verschillende eigenaardigheden van alle overige leden der familie onderscheiden; het meest +valt hiervan in ’t oog de van voren tot achteren dicht behaarde staart. + +</p> +<p>Haar verbreidingsgebied is beperkt tot Afrika, het zuiden van Azië en het zuidoosten van Europa. Bij voorkeur bewonen zij +gewesten, die in cultuur gebracht zijn; zij komen echter ook in de dorste vlakten en steppen voor, dikwijls zelfs in buitengewoon +grooten getale. De meeste graven op tamelijk geringen afstand van de oppervlakte onderaardsche gangen, waarin zij den dag +doorbrengen. Hare bewegingen zijn buitengewoon snel en vlug; enkele kunnen, naar het schijnt, groote sprongen doen. + +</p> +<p>Wegens de verwoestingen, die de Renmuizen aanrichten op de akkers, worden zij door de bewoners van de landen, waar zij voorkomen, +evenzeer gehaat en vervolgd als onze Ratten. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Zand-Renmuis</span> (<i>Psammomys obesus</i>) heeft ongeveer de grootte van onze Bruine Rat, maar een veel korteren staart, daar deze slechts 13 cM. lang is bij een totale +lichaamslengte van 32 cM.; van boven is zij roodachtig zandkleurig, zwart gesprenkeld, aan de zijden en van onderen lichtgeel. + +</p> +<p>In Egypte ziet men deze Muis op zandige plaatsen van de Woestijn; zeer veelvuldig is zij ook op de hoopen puin, die alle steden +van het rijk der Pharaonen omgeven. Zij legt onderaardsche gangen en galerijen aan, die veelvuldig vertakt en tamelijk diep +zijn; het liefst doet zij dit onder en tusschen het lage kreupelhout en de weinig talrijke, kruipende planten, die de door +haar bewoonde plaatsen schraal genoeg bedekken en haar tevens het dagelijksch brood verschaffen. Daar zij zich ook over dag +voor haar woning vertoont, kan men haar gemakkelijk leeren kennen. Dikwijls ziet men 10 à 15 van deze dieren tegelijk rondloopen, +met elkander spelen en aan de een of andere plant knabbelen. De Zand-renmuis is van die leden der Knaagdieren-orde, welke +men voor de gezelligheid gevangen houdt, een van de aardigste. Zij wordt merkwaardig tam, komt uit haar hok, loopt onbevreesd +op de tafel rond, laat toe, dat men haar aanraakt en in de hand neemt, zonder aanstalten te maken om te bijten. De groote, +niet sterk uitpuilende oogen en de fraaie vacht dragen veel bij tot den aangenamen indruk, dien dit dier op den toeschouwer +maakt; ook de dichtbehaarde staart, met een zwarten haarkwast aan de spits, staat haar goed. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De meest typische vertegenwoordigers van de familie—de <span class="letterspaced">Muizen</span> in engeren zin (<i>Murinae</i>) zijn, wat haar aard en hare handelingen betreft, ons maar al te wel bekend. Tot deze groep behooren ook die soorten, welke +zich met den mensch over de geheele wereld verbreid, en zich zelfs op de eenzaamste eilanden gevestigd hebben. Het is nog +niet zoo lang geleden dat deze dieren zich over de wereld begonnen te verspreiden; voor vele plaatsen is zelfs het jaar, waarin +zij voor ’t eerst hier optraden, met juistheid bekend; thans echter hebben zij hun rondreis om de wereld volbracht. Nergens +is de mensch hun dankbaar voor de volhardende gehechtheid, die zij voor zijn persoon, zijn huis, zijn hof aan den dag leggen; +overal vervolgt en haat hij hen op de onmeedoogendste wijze; alle middelen stelt hij in ’t werk om zich van hen te bevrijden, +toch blijven zij aan hem verknocht, trouwer nog dan de Hond, trouwer dan eenig ander dier. Ongelukkig zijn deze aanhankelijke +huisvrienden afschuwelijke gauwdieven; als echte spitsboeven uitgerust, weten zij zich overal te nestelen en bereiden hun +gastheer niets anders dan schade en verdriet. Hierdoor is het te verklaren, dat alle echte Muizen kortweg voor leelijke, akelige +dieren worden uitgescholden, hoewel zij in werkelijkheid in den regel dezen naam niet verdienen, maar veeleer sierlijke, bevallige, +aardige wezentjes zijn. + +</p> +<p>Reeds door het gewone spraakgebruik worden in deze onderfamilie twee hoofdgroepen onderscheiden, de <span class="letterspaced">Ratten</span> en de <span class="letterspaced">Muizen</span>; deze verdeeling is ook wetenschappelijk juist. De Ratten zijn de plompste en leelijkste, de Muizen de lichtste en sierlijkste +vormen. Bij gene heeft de staart 200 à 270 uit schubben bestaande <a id="d0e1164"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1164">300</a>]</span>ringen, bij deze 120 à 180; de eerstgenoemde hebben dikke en krachtige, de andere slanke en fijne voeten; de Ratten zijn in +volwassen toestand aanmerkelijk grooter dan hunne bevalliger verwanten. + +</p> +<p>Het is nagenoeg zeker, dat de Ratten die tegenwoordig in Europa gevonden worden, hier oorspronkelijk niet inheemsch waren, +maar van elders zijn gekomen. Bij de schrijvers der oudheid komt slechts één enkel bericht voor, dat op Ratten betrekking +kan hebben. Welke soort <span class="smallcaps">Amyntas</span> bedoeld heeft in zijn door <span class="smallcaps">Aelianus</span> aangehaalde mededeeling, is nog niet uitgemaakt. De <span class="letterspaced">Zwarte Rat</span> is het eerst in Europa en ook in ons land verschenen of opgemerkt, op haar volgde de <span class="letterspaced">Bruine Rat</span>; bij deze beide heeft zich in den laatsten tijd nog gevoegd (althans in Zuid-Europa en ook reeds in sommige gewesten van +Zuid-Duitschland) de uit Egypte afkomstige <span class="letterspaced">Egyptische Rat</span> of <span class="letterspaced">Dakrat</span> (<i>Mus alexandrinus</i>). De Bruine Rat, de sterkste van de drie, verdrijft en vernietigt hare beide verwanten en heeft zich bijna overal meester +gemaakt van de alleenheerschappij. Het is te hopen, dat wij geen last krijgen van andere reislustige leden der Muizen-familie, +en vooral, dat wij verschoond zullen blijven van een immigratie der <span class="letterspaced">Hamsterrat</span> (<i>Mus</i> of <i>Cricetomys gambianus</i>), die onze Ratten niet alleen door haar grootte, maar ook door haar werkzaamheid ver overtreft en tegenwoordig aan de kooplieden +te Zanzibar meer moeite veroorzaakt dan alle Europeesche Ratten te zamen genomen: wij zouden, als dit dier tot ons kwam, eens +recht ondervinden wat een Rat kan uitrichten. + +</p> +<p>Voor ons doel zal een beschrijving van de beide meest bekende soorten, de <span class="letterspaced">Zwarte Rat</span> en de <span class="letterspaced">Bruine Rat</span>, voldoende zijn. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Zwarte Rat</span> (<i>Mus rattus</i>) heeft, met inbegrip van den 19 cM. langen staart, een lengte van 35 cM.; de bovendeelen zijn donker van kleur, bruinzwart, +de onderdeelen een weinig lichter, grauwzwart. De pooten hebben een grijsachtig bruine, zelden een iets lichtere kleur. Aan +den betrekkelijk slanken staart neemt men 260 à 270 uit schubben bestaande ringen waar. Albino’s (wezens die zich door gemis +van de huidkleurstof onderscheiden) komen onder haar niet zelden voor. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1300.jpg" alt="Zwarte Rat (Mus rattus). ⅔ v.d. ware grootte." width="720" height="456"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Zwarte Rat</span> (<i>Mus rattus</i>). ⅔ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Wanneer deze soort voor ’t eerst in Europa verschenen is, kan niet met zekerheid opgegeven worden. <span class="smallcaps">Albertus Magnus</span> is de eerste dierkundige, die de Zwarte Rat als een Duitsch dier vermeldt; zij was dus hier reeds in de 13e eeuw inheemsch. +<span class="smallcaps">Gesner</span> noemt haar een dier dat “menigeen beter kent, dan hem lief is”; de bisschop van Autun sprak in het begin der 15e eeuw de +banvloek der kerk over haar uit. ’t Zou kunnen zijn, dat zij uit Perzië afkomstig is, waar zij tegenwoordig in ongeloofelijk +groot aantal voorkomt. Tot in de eerste helft van de vorige eeuw voerde zij in Europa de opperheerschappij; sinds dezen tijd +heeft de Bruine Rat haar dit gebied betwist, overal waar dit geschiedde, heeft zij moeten wijken. Toch is zij ook thans nog +over nagenoeg alle werelddeelen verbreid; zij komt echter slechts zelden in grooten getale voor, maar leeft bijna overal afzonderlijk +en ver uiteen. Naar het schijnt, is zij in Duitschland bijna overal verdwenen; toch zijn o.a. nog in Noordwest-Duitschland +(Bremen, Luneburg) en in <span id="d0e1233" class="corr" title="Bron: Thuringen">Thüringen</span> (bij Rudolstad) woonplaatsen van de Zwarte Rat bekend. Prof. <span class="smallcaps">Ritzema Bos</span> schrijft hierover het volgende (Landbouwdierkunde, Dl. I, p. 97): “Dat langzamerhand de Zwarte Rat in Europa vermindert, +in vele streken zeldzamer wordt, of zelfs geheel verdwijnt, is het noodzakelijke gevolg van de voorrechten, welke de sterkere +overal in de natuur boven den zwakkere heeft. En dat dit niet alleen in bepaalde streken, maar in ’t algemeen het geval is, +blijkt o.a. zeer duidelijk uit de prijslijsten van verschillende handelaars in opgezette dieren. Terwijl op die van voor 15 +à 20 jaar de Zwarte Rat bijkans altijd naast de Bruine werd genoemd, en weinig duurder was dan deze, vindt men haar nu dikwijls +niet meer vermeld, of ten opzichte van de Bruine Rat verbazend in prijs gestegen.—Zooveel is zeker, dat een twintigtal jaren +geleden, de Zwarte Ratten ten onzent nog veel meer voorkwamen dan tegenwoordig, nu men ze in ons land bijna nergens meer in +aanzienlijke hoeveelheid aantreft. Voor tien tot vijftien jaren was de Zwarte Rat de heerschende soort in ’t binnenste, oudste +gedeelte van de stad Groningen, het gedeelte dat door een aaneenschakeling van singels (de vroegere grachten der stad) van +het nieuwe gedeelte is afgescheiden. Een tijdlang hadden dus die singels de verspreiding van de Bruine Rat tegengegaan, die +<a id="d0e1239"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1239">301</a>]</span>in ’t nieuwe gedeelte der stad reeds de zwakkere zuster geheel had verdreven; natuurlijk werd weldra de kleine hinderpaal +overschreden, en thans vindt men in ’t oudere gedeelte van Groningen, geloof ik, ook geen Zwarte Ratten meer; in elk geval +zijn ze er zeldzamer geworden, terwijl de sterkere Bruine Rat er nu de heerschappij voert.” + +</p> +<p>De Zwarte Rat is den mensch gevolgd in alle klimaten der aarde; zij reisde met hem te land en over zee de wereld door. Ongetwijfeld +was zij vroeger in Amerika, Australië en Afrika niet inheemsch, maar de schepen brachten haar naar alle kusten, en van de +kusten trok zij al verder en verder het land in. Tegenwoordig vindt men haar ook in de zuidelijke gedeelten van Azië, met +name in Indië, in Afrika, vooral in Egypte, Barbarije en aan de Kaap de Goede Hoop, in Amerika, in Australië, en op de eilanden +in de Groote Zuidzee. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Bruine Rat</span> (<i>Mus decumanus</i>) is aanmerkelijk grooter dan haar zwakkere mededingster, n.l. 42 cM. lang, met inbegrip van den 18 cM. langen staart, waarop +men ongeveer 210 geschubde ringen telt; de kleur van de bovendeelen is anders dan die van de onderdeelen; beide kleuren zijn +scherp van elkander gescheiden. De bovendeelen van kop, romp, ledematen en staart zijn bruinachtig grijs, de onderdeelen grijsachtig +wit. Soms komen aan de bovenzijde der voorvoeten bruinachtige haartjes voor; ook treft men zwarte, vale en bonte exemplaren +aan; voorts albino’s (wit met roode oogen). De bonte exemplaren zijn òf zwart met wit, òf grijs en wit; bijna altijd zijn +bij hen de kop, de hals, de schouders en de voorpooten, benevens een meer of minder breede streep over den rug, zwart (of +grijs), de overige deelen wit. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1301.jpg" alt="Bruine Rat (Mus decumanus). ½ v.d. ware grootte." width="720" height="472"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Bruine Rat</span> (<i>Mus decumanus</i>). ½ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Met groote waarschijnlijkheid mag men aannemen, dat de Bruine Rat uit Indië en Perzië tot ons is gekomen. Aan <span class="smallcaps">Pallas</span> heeft men de eerste betrouwbare berichten over het doordringen van de Bruine Rat in Europa te danken. Deze onderzoeker bericht, +dat zij in den herfst van 1727 na een aardbeving in groote scharen uit de landen om de Kaspische zee naar den oostelijken +oever van den Wolga is verhuisd, en in Europa is binnengetrokken door bij Astrakan de rivier over te zwemmen. Vanhier uit +verbreidde zij zich schielijk over de westelijke landen. Bijna ter zelfder tijd, n.l. in 1732, werd zij op schepen uit Oost-Indië +naar Engeland overgebracht en begon nu vanhier uit haar reis om de wereld. In Oost-Pruisen verscheen zij in het jaar 1750, +te Parijs reeds in 1753, in Duitschland was zij reeds in 1780 overal veelvuldig; in Zwitserland kent men haar eerst sedert +het jaar 1809 en in Denemarken omstreeks dezelfden tijd als inheemsch dier. In het jaar 1755 kwam zij voor het eerst in Noord-Amerika +en vermenigvuldigde zich ook hier in zeer korten tijd ongeloofelijk snel, terwijl zij zich over een groot gebied verbreidde; +toch was zij in 1825 nog niet voorbij Kingston in Opper-Canada doorgedrongen en had in 1880 de bovenloop van den Missouri +nog niet bereikt. Alle door den oceaan bespoelde, bewoonbare gewesten, zelfs de eenzaamste en afgelegenste eilanden, dienen +echter tegenwoordig tot verblijfplaats aan de Bruine Rat. Grooter en sterker dan de Zwarte Rat, maakt zij zich overal meester +van de plaatsen waar deze vroeger rustig leefde; haar verbreiding neemt in dezelfde mate toe, als die van haar mededingster +afneemt. + +</p> +<p>Door levenswijze, zeden en gewoonten, uiterlijk enz. stemmen beide Ratten zoozeer overeen, dat men de eene schildert, zoo +men de andere beschrijft. Wanneer men in ’t oog houdt, dat de Bruine Rat zich bij voorkeur in de onderste localiteiten van +de gebouwen en vooral in vochtige kelders en gewelven, riolen, sluizen, zinkputten en aan de oevers van rivieren nestelt, +terwijl de Zwarte Rat meer voorliefde heeft voor het bovenste deel van het huis, voor koornzolders, dakkamers enz., zal er +niet veel overblijven, wat beide soorten van elkander onderscheidt. De eene zoowel als de andere neemt iedere ruimte in de +woning van den mensch als woonplaats voor lief, en bezoekt elke denkbare plaats, waar voedsel voor haar te vinden kan zijn. +Van den kelder tot aan den zolder, van de pronkkamer tot in het privaat, van het paleis tot in de hut, overal treft men haar +aan. Tegen haar beschermen geene omheiningen noch muren, geene <a id="d0e1269"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1269">302</a>]</span>deuren of sloten: waar geen toegang bestaat, maken zij er een; door de sterkste eiken balken en door dikke muren knagen zij +zich gangen. Alleen wanneer men de fondamenten diep in den grond legt, alle voegen tusschen de steenen flink met stevig cement +aanvult, waarna het misschien als voorzorgsmaatregel nog noodig zal zijn, een laag glasscherven te midden van het metselwerk +aan te brengen, is men tamelijk goed tegen hen beveiligd. + +</p> +<p>Het vernielen van de woningen, het afschuwelijke stukknagen en doorwoelen van de afscheidingen is nog maar het geringste van +de schade, die de Ratten kunnen aanrichten. Veel grooter nadeel brengen zij te weeg door hetgeen zij opeten. Al wat eetbaar +is, valt in haar smaak. De mensch eet niets wat ook niet door de Rat gegeten wordt, en zij bepaalt zich niet tot den voedselvoorraad, +maar maakt evenzeer gebruik van de dranken van den mensch. Er mankeert nog maar aan, dat de Ratten brandewijn en jenever leeren +drinken, om te kunnen zeggen, dat dit ongedierte alle voedings- en genotmiddelen die door het menschelijk geslacht zijn uitgevonden, +mede helpt opmaken. Niet tevreden met deze reeds zoo ruim voorziene spijskaart, vallen de Ratten ook zeer gretig op allerlei +andere voorwerpen en met name op levende wezens aan. De walgelijkste afval uit de huishouding van den mensch is in bepaalde +gevallen nog van haar gading, rottende krengen vinden in haar liefhebbers. Zij verslinden leder en hoorn, zaden en boomschors, +of liever gezegd alle mogelijke stoffen en dierlijken en plantaardigen oorsprong. Wat zij niet opeten kunnen, wordt toch stuk +geknaagd; op suikerriet- en koffie-plantages richten zij soms een ontzettende schade aan. Er zijn voorbeelden van bekend, +dat zij kleine kinderen bij levenden lijve opgegeten hebben; iedere eigenaar van kleinvee weet trouwens door ervaring, hoe +erg sommige van zijne huisdieren door de Ratten vervolgd worden. Zeer vette Zwijnen vreten zij gaten in ’t lichaam, dicht +opeengepakte Ganzen knabbelen zij de zwemvliezen tusschen de teenen weg, jonge Eenden trekken zij onder water om ze te verdrinken, +den wilde-dieren-handelaar <span class="smallcaps">Hagenbeck</span> hebben zij eens drie jonge Olifanten gedood door de voetzolen van deze kolossale dieren stuk te knagen. + +</p> +<p>Als zij buitengewoon veelvuldig zijn op een plaats, kan men het er werkelijk bijna niet meer uithouden. En er zijn plaatsen +waar zij in zoo grooten getale voorkomen, dat wij ons hiervan nagenoeg geen begrip kunnen vormen. In Parijs werden in den +tijd van vier weken niet minder dan 10.000 stuks Ratten in een enkel slachthuis doodgeslagen; in een vilderij in de nabijheid +van genoemde hoofdstad verslonden zij in een enkelen nacht 35 lijken van Paarden, zoodat er alleen de beenderen van overbleven. +Zoodra zij bemerken, dat de mensch tegenover haar machteloos is, neemt haar onbeschaamdheid op een waarlijk verbazende wijze +toe. <span class="smallcaps">Las Cases</span> verhaalt, dat <span class="smallcaps">Napoleon</span>, evenals de getrouwen, die den gevallen veroveraar in zijne ballingschap op St. Helena gevolgd waren, den 27en Juni 1816 +zonder ontbijt moest blijven, omdat de Ratten gedurende den vorigen nacht in de keuken waren binnengedrongen en alles medegenomen +hadden. Zij waren op dit verbanningsoord in groote menigte voorhanden, zeer kwaadaardig en buitengewoon stoutmoedig. Gewoonlijk +hadden zij maar weinige dagen noodig om de muren en de houten beschotten van de eenvoudige woning van den keizer te doorknagen. +Terwijl <span class="smallcaps">Napoleon</span> aan den disch zat, kwamen zij in de eetzaal; na den maaltijd moesten de bedienden met deze Knaagdieren letterlijk oorlog +voeren om de gerechten van de tafel te kunnen nemen. Het plan om Hoenderen en ander pluimvee te houden moest opgegeven worden, +omdat de Ratten ze verslonden; zij haalden de Vogels ’s nachts uit de boomen weg, waarop deze dieren zaten te slapen. In de +factorijen of gebouwen van de handelsondernemingen op verre kusten, waar met de ruilartikelen ook Bruine Ratten heengevoerd +werden, zijn deze dieren buitengewoon lastig, en richten zij soms groote schade aan. Alle reizigers, en vooral de verzamelaars +van planten en dieren, klagen er over, dat de Ratten dikwijls zeer zeldzame voorwerpen vernielden, die met groote moeite verkregen +waren en dat zij hen niet zelden door hare woeste gevechten en wilde drijfjachten op den bodem, langs de wanden en op de daken +van hun slaapvertrek in hun nachtrust stoorden. + +</p> +<p>Ook de zeelieden zijn niet best over de Ratten te spreken, want er is geen schip, of het heeft deze kwelduivels aan boord. +Op de oude vaartuigen zijn zij niet uit te roeien, en de nieuwe nemen zij dadelijk in bezit, zoodra de eerste lading er in +gebracht wordt. Gedurende lange zeereizen vermenigvuldigen zij zich dikwijls op een ontzettende wijze, vooral als zij genoeg +voedsel kunnen vinden, en maken dan het verblijf op het schip bijna onverdragelijk. Toen het schip van den noordpoolreiziger +<span class="smallcaps">Kane</span> in de nabijheid van 80° N.B. was vastgevroren, waren de Ratten aan boord zoo zeer in aantal toegenomen, dat zij een geweldige +schade aanrichtten. Men beproefde ze door verstikkende gassen te dooden. Alle luiken werden gesloten, en onder in ’t schip +werd een mengsel van zwavel, rattenkruid en leder aangestoken. De bemanning bracht den kouden nacht van den laatsten September +op het dek door, in de hoop nu voor goed van het lastige ongedierte bevrijd te zullen zijn. Den volgenden morgen bespeurde +zij, dat dit middel niet gebaat had. De Ratten waren even gezond als altijd. Toen ontstak men in het hol van het schip een +groote hoeveelheid houtskolen, om de dieren te dooden door het gas (kooloxyde of kolendamp), dat bij de onvolledige verbranding +gevormd wordt. Na verloop van korten tijd was de gesloten ruimte zoo sterk met dit gas gevuld, dat twee lieden, die de onvoorzichtigheid +hadden er in neer te dalen, onmiddellijk bewusteloos op den grond vielen en niet dan na veel moeite weer op het dek gebracht +konden worden. Een lantaarn, die men in het ruim liet zakken, ging oogenblikkelijk uit; plotseling begon echter op een ander +gedeelte van het vaartuig een deel van de steenkool en ook van het houtwerk te gloeien; het gelukte eerst na groote inspanning, +en nadat de gezagvoerder in levensgevaar had verkeerd, het vuur te blusschen. Den volgenden dag vond men niet meer dan 28 +lijken van Ratten; de overblijvende vermenigvuldigden zich vóór den volgenden winter zoo sterk, dat men niets meer voor hare +aanvallen kon vrijwaren. Zij knaagden de pelzen, kleederen en schoenen stuk, nestelden zich in de bedden, sloegen haar verblijf +op in handschoenen, mutsen en voorraadkisten, verslonden de proviand en ontsnapten met veel list en sluwheid aan alle vervolgingen. +Men probeerde toen een ander middel. De schranderste en moedigste Hond werd in de gewone verblijfplaats van de Ratten, in +’t hol van ’t schip, neergelaten, om daar de orde te herstellen; weldra echter bleek het uit het jammerlijk gehuil van dit +dier, dat het niet tegen de Ratten opgewassen was en dat deze ook nu nog den baas speelden. Men haalde den Hond uit zijn gevangenis +te voorschijn en bemerkte, dat de Ratten hem reeds de huid van de voetzolen afgevreten hadden. Later stelde een Eskimo <a id="d0e1292"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1292">303</a>]</span>voor, de Ratten één voor één met pijlen dood te schieten; deze jager was zoo gelukkig, dat <span class="smallcaps">Kane</span>, die de buitgemaakte dieren liet koken, gedurende den langen winter voortdurend versch vleesch voor de soep had. Eindelijk +ving men een Vos levend; deze werd in het hol van het schip opgesloten, en scheen zich hier zeer wel te bevinden; hij leefde +zeer vergenoegd van de Ratten, die hij kon vangen zooveel hij verkoos. + +</p> +<p>In alle lichaamsoefeningen zijn de Ratten zeer bedreven. Zij loopen snel en met behendigheid, klauteren uitmuntend en kunnen +zelfs langs vrij gladde muren omhoog gaan; zij zwemmen meesterlijk, weten een tamelijk ver afgelegen plek met zekerheid door +één sprong te bereiken en kunnen vrij goed graven, ofschoon zij dit niet graag lang achtereen doen. De sterkere Bruine Rat +is, naar het schijnt, nog behendiger dan de Zwarte; zij zwemt althans veel beter en steekt haar zwarte stamgenoot, naar het +schijnt, ook in het klauteren de loef af. Duiken kan zij bijna even goed als echte waterdieren. Zij beweegt zich in ’t water +gemakkelijk genoeg om de eigenlijke bewoners van het vochtige element goed na te jagen. Dikwijls handelt zij alsof het water +haar eigenlijke woonplaats is. Als men haar schrik aanjaagt, neemt zij onmiddellijk de vlucht naar een rivier, een vijver +of een sloot. Als het noodig is, zwemt zij, zonder uit te rusten, den breedsten waterplas over, of loopt gedurende verscheidene +minuten over den bodem van dien plas voort. Hier te lande wordt de Bruine Rat daarom dikwijls “Waterrat” genoemd. De Zwarte +Rat begeeft zich alleen in den uitersten nood te water, ofschoon zij eveneens in de zwemkunst zeer goed bedreven is. + +</p> +<p>Onder hare zinnen staan het gehoor en de reuk bovenaan, vooral het gehoor is voortreffelijk, doch ook haar gezicht is niet +slecht, en van haar smaak geven de Ratten maar al te dikwijls deugdelijke bewijzen in de provisiekast, waar zij altijd de +lekkerste spijzen weten te vinden. Van hare verstandelijke vermogens behoef ik na het voorafgaande niet veel meer te zeggen. +Men kan waarlijk niet ontkennen, dat zij verstandig zijn, en evenmin, dat men bij haar een berekenende list en een zekere +sluwheid waarneemt, die vooral blijken uit de wijze waarop zij aan de meest verschillende gevaren weten te ontkomen. + +</p> +<p>Zooals reeds gezegd is, woedt er tusschen de beide soorten van Ratten een eeuwigdurende strijd, waarvan het sneuvelen der +zwakste partij altijd het einde is. Maar Ratten van dezelfde soort bevechten elkander eveneens onverpoosd. Op plaatsen, waar +zij veelvuldig zijn, houden des nachts de beweging en het geraas geen oogenblik op; want de strijd houdt ook dan nog aan, +als een deel der strijders reeds op de vlucht geslagen is. Zeer oude, bijtlustige mannetjes worden soms door hunne stamgenooten +in den ban gedaan en zoeken een stille, eenzame plaats op, waar zij brommig en ontevreden hunne laatste levensjaren doorbrengen. + +</p> +<p>Reeds meermalen heeft men er over gestreden, hoe de Ratten het aanleggen om eieren te vervoeren, zonder ze te breken. Onzekerheid +over haar handelwijze kan niet meer bestaan, sedert een onderzoeker als <span class="smallcaps">K. von Dalla Forre</span> de volgende, in ’t jaar 1880 door hem zelf waargenomen handelingen van de Ratten heeft openbaar gemaakt. “In den kelder van +een huis te Innsbruck werden in dezen winter telkens weer eenige eieren vermist, die men hier voor het koude jaargetijde bewaard +had. Natuurlijk viel de verdenking in de eerste plaats op de dienstbode, die nu alles in het werk stelde om haar onschuld +te bewijzen, maar—te vergeefs. Om uit dezen onaangenamen toestand te geraken ging zij op de loer liggen en werd hierdoor getuige +van de list, die de diefachtige Ratten aanwenden om in ’t bezit van de eieren te komen. De eieren lagen ongeregeld op een +hoop bijeen; begeerig naar buit kwam een Rat uit haar schuilhoek te voorschijn, weldra gevolgd door een tweede. De eerste +vatte een ei met de voorpooten aan en schoof het, door de andere Rat geholpen, een weinig op zijde, zoover zij het met eenige +krachtige rukken brengen kon. Hierop vatte de eerste Rat het ei met de voorpooten aan en omvaamde het stevig, op de wijze +waarop de Spinnen haar eierzak vasthouden. Natuurlijk kon zij zich nu niet meer bewegen, daar de voorpooten gebruikt moesten +worden voor ’t vasthouden van den buit. Toen greep de tweede Rat den staart van de eerste met den bek en trok haar in groote +haast en zonder eenigen omslag te maken naar het gat, waaruit zij gekomen waren! De geheele handeling—waarin zij, naar het +aantal ontbrekende eieren te rekenen, reeds tamelijk geoefend waren,—duurde nauwelijks 2 minuten; één uur nadat het diefachtige +paar van het schouwtooneel verdwenen was, kwam het opnieuw voor den dag, stellig met dezelfde bedoeling als vroeger. Door +de welwillendheid van de familie, in welker huis het beschreven voorval plaats had, werd ik in staat gesteld om ooggetuige +te zijn van zulk een verschijnsel, dat naar de dienstbode verzekerde, steeds op dezelfde wijze plaats had.” + +</p> +<p>Ongeveer een maand na de paring werpen de wijfjes 5 à 21 jongen, kleine, allerliefste diertjes, waarin iedereen behagen zou +scheppen,—als het maar geen Ratten waren. <span class="smallcaps">Dehne</span>, die albino’s van de Bruine Rat in den gevangen staat heeft waargenomen, zegt van de eerste jeugd der jongen en van de wijze, +waarop de moeder met hen omgaat, het volgende: “Den 1en Maart 1852 kreeg ik van een witte Rat zeven jongen. Het oude dier +had zich in de kooi van ijzerdraad een dicht nest van stroo vervaardigd. De jongen waren zoo groot als Meikevers en hadden +een bloedroode kleur. Bij elke beweging, die de moeder maakte, lieten zij een fijn, doordringend gepiep hooren. Den 8en waren +zij reeds tamelijk wit. Van den 13den tot den 16den werden hunne oogen geschikt om te zien. Den 18den des avonds kwamen zij +voor de eerste maal te voorschijn; toen de moeder echter bemerkte, dat ik naar hen keek, nam zij ze één voor één in den bek +en bracht ze weder in het nest. Enkele kwamen echter weder door een andere opening te voorschijn. Het waren allerliefste diertjes +van de grootte van Dwergmuizen, met staarten van 8 cM. lang. Den 21en hadden zij reeds de grootte van een Gewone of Huismuis, +den 28en den omvang van een Boschmuis bereikt. Zij zogen nog nu en dan (ik zag ze zelfs den 2en April nog zuigen), speelden +onderling, vervolgden elkander en krakeelden; dit alles deden zij zoo vlug en op zulk een aardige wijze, dat het een lust +was er naar te zien. Soms gingen zij tot afwisseling op den rug van haar moeder zitten, en lieten zich door haar ronddragen. +Zij waren veel potsierlijker dan de witte Huismuizen.—Den 9en April scheidde ik de moeder van hare jongen, en plaatste haar +weder bij het mannetje. Den 11en Mei wierp zij nogmaals een aantal jongen. Van de dieren, die den 1en Maart geboren waren, +had ik sedert het begin van April een paar in een groot glas, met een opening van 20 cM. middellijn, afgezonderd gehouden, +en reeds den 11en Juni des namiddags, dus toen zij 103 dagen oud waren, kreeg ik van hen 6 jongen. In weerwil van de wijdte +van <a id="d0e1313"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1313">304</a>]</span>het glas, scheen de moeder van oordeel te zijn, dat de ruimte voor hare jongen te klein was. Tevergeefs trachtte zij een grooter +nest samen te stellen, waarbij zij dikwijls de arme kleintjes zoozeer verstopte, dat er niets meer van hen te zien was; zij +zocht ze echter altijd weer bijeen. Zij zoogde hare jongen tot den 23en zeer goed; de kleine dieren waren reeds een weinig +wit behaard; doch op eens waren zij allen verdwenen. De moeder had ze opgegeten!”—<span class="smallcaps">Reichenbach</span> deed verscheidene malen achtereen dezelfde ervaring op. + +</p> +<p>Goed verzorgde Ratten, die men onder nauw toezicht houdt, worden zoo tam, dat zij veilig aangeraakt kunnen worden en tot tijdverdrijf +voor de kinderen kunnen dienen; ook kan men ze er aan gewennen zich vrij in huis, hof en tuin te bewegen; zij loopen hare +verzorgers als Honden na, komen, als zij geroepen worden, kortom, zij zijn dan huis- of kamerdieren in de beste beteekenis +van ’t woord. + +</p> +<p>Bij de Ratten in de vrije natuur komt soms een zeer eigenaardige ziekte voor. Verscheidene van deze dieren groeien met de +staarten aaneen, en vormen dan een zoogenaamden “rattenkoning.” Van dit monster, dat men thans in verscheidene verzamelingen +zien kan, heeft men zich in vroegere tijden vaak een geheel verkeerde voorstelling gevormd. Vroeger meende men, dat de rattenkoning, +versierd met een gouden kroon, op een aantal innig met elkander vergroeide Ratten gezeten was, en van den zetel den geheelen +rattenstaat bestuurde. Het feit, dat men soms een aantal Ratten vindt, welker staarten stevig dooreengeward zijn, zoodat zij +zich niet bewegen kunnen, en die daarom door medelijdende soortgenooten gevoederd moeten worden, heeft aanleiding gegeven +tot dit sprookje. Het zou kunnen zijn, dat het samenkleven der staarten een gevolg is van het uitzweeten van een stof, die +veroorzaakt wordt door een besmettelijke ziekte; tot nu toe heeft men hierover nog geen zekerheid gekregen. In Altenburg bewaart +men een rattenkoning, die uit 27 Ratten bestaat; ook in Erfurt en in Lindenau heeft men er gevonden. + +</p> +<p>Tallooze middelen zijn reeds aangewend om de Ratten te verdelgen. Allerlei soorten van vallen worden te dien einde met meer +of minder goed gevolg gebruikt. Om te maken dat zij goeden dienst kunnen doen, moet men dikke handschoenen aantrekken om ze +te stellen, want de lucht, die de aanraking met de hand achterlaat, is genoeg om de Ratten te waarschuwen. Oude Ratten, die +reeds andere stamgenooten hebben zien vangen, zijn bijna niet in een val te lokken. Als de dieren bemerken, dat zij zeer hevig +vervolgd worden, verhuizen zij niet zelden, doch komen weder, zoodra de vervolging ophoudt. En, als zij zich ergens op nieuw +vertoonen, vermenigvuldigen zij zich in korten tijd zoo sterk, dat de last, die men van hen ondervindt, weer even hevig is +als vroeger. De meest gebruikelijke middelen tot verdelging van de Ratten zijn verschillende vergiften, die men neerlegt op +de plaatsen, waar deze dieren zich bij voorkeur ophouden. Het toepassen van dit middel verdient echter afkeuring, niet alleen +omdat de Ratten door het vergif op een wreede wijze doodgemarteld worden, maar ook, omdat zij dikwijls een deel van het door +haar gebruikte voedsel weer uitbraken, en zoodoende in sommige gevallen de voedingsmiddelen, die men tegen hen beveiligen +wil vergiftigen, en het leven van andere dieren of van den mensen in gevaar brengen. Beter is het een mengsel van mout en +ongebluschte kalk voor de Ratten neer te zetten; als zij hiervan gegeten hebben, zullen zij zeer dorstig worden; door het +water, dat zij drinken, wordt de kalk gebluscht, hetwelk den dood van het dier ten gevolge heeft. + +</p> +<p>Een uitmuntende rattenval, welker uitvinding het menschelijk hart geen eer aandoet, doch veeleer een welsprekend bewijs levert +van de arglistigheid van den aartsvijand der dieren, wordt door <span class="smallcaps">Lenz</span> beschreven: Op door de Ratten druk bezochte looppaden, b.v. tusschen stallen, in de nabijheid van privaten, riolen en op +dergelijke plaatsen, graaft men een kuil van omstreeks vier voet diepte en bekleedt deze van binnen met gladde, platte steenen +of tegels. Een vierkante tegel van 3 voet zijde vormt den bodem van den kuil, vier anderen die naar boven toe smaller worden, +de zijden. De vierkante opening van den kuil moet slechts half zoo wijd zijn als de bodem, zoodat alle zijwanden naar binnen +overhellen, waardoor het aan een Rat, die in dezen kuil gevallen is, onmogelijk wordt, er weder uit te komen. Nu giet men +op den bodem van den kuil een weinig gesmolten vet, een weinig met water verdunden honig en andere sterk riekende stoffen, +plaatst daarop omgekeerd een bloempotje van ongeveer 5 cM. hoogte, dat, na met honig doortrokken en met maïs, tarwe, haver, +een weinig gebraden spek en andere lekkernijen voor de Ratten gevuld te zijn, met cement aan den bodem van den kuil bevestigd +wordt; door de nauwe opening aan den top van het potje verbreidt zich de geur van den voor Ratten niet bereikbaren inhoud. +Op den bodem van den kuil wordt vervolgens heede gestrooid, terwijl men de opening van den kuil met een rooster bedekt om +te verhoeden dat een kip of een jong, onervaren huisdier er in valt. Vervolgens heeft men zich niet meer met den val te bemoeien. +“Aangelokt door den aangenamen etensreuk en de voor ligplaats zoo goed geschikte heede,” schrijft <span class="smallcaps">Lenz</span>, “springt de Rat vroolijk en vol verwachting in den afgrond. Het ruikt daar zoo heerlijk naar spek, honig, kaas en zaden, +dat het Knaagdier aan de verleiding geen weerstand kan bieden. Doch ook in den kuil moet het met den reuk van al dat lekkers +tevreden zijn, omdat het etenspotje ontoegankelijk is.” De eerste Rat, die in den kuil springt, wordt, gelijk licht te begrijpen +is, weldra door een woedenden honger gekweld, tevergeefs slooft zij zich af om uit deze afschuwelijke gevangenis te ontsnappen. +Daar valt een tweede lekkerbek naar beneden. Wel is dat voor de eerste gevangene een heugelijk feit! De lotgenooten besnuffelen +elkander, beraadslagen misschien ook over wat in het gegeven geval gedaan moet worden; de eerste gevangene is echter veel +te hongerig om naar lange verhandelingen te luisteren. Haar leege maag noopt haar tot den strijd, een verwoed gevecht, een +duel op leven en dood neemt een aanvang en de eene gevangene vermoordt de andere. Als de oorspronkelijke bewoner van de val +overwinnaar blijft, zal hij oogenblikkelijk het lijk van zijn metgezel verslinden; als de tweede de zege behaalt, zal hetzelfde +eenige uren later plaats hebben. Slechts hoogst zelden vindt men drie Ratten tegelijkertijd in deze val; den volgenden dag +is het aantal gevangenen stellig met één verminderd. Om kort te gaan, de eene gevangene vreet de andere op; de kuil blijft +altijd tamelijk schoon, doch is een moordhol in de vreeselijkste beteekenis van het woord. + +</p> +<p>De natuurlijke vijanden van de Ratten—vooral de Uilen, Raven, Bunzingen, Wezels, Katten en sommige Honden—zijn nog de beste +verdelgers van deze dieren. Het komt echter dikwijls voor, dat een Kat geen aanval op een Rat durft ondernemen; vooral de +Bruine Rat wordt door haar geschuwd. <span class="smallcaps">Dehne</span> zag <a id="d0e1337"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1337">305</a>]</span>vóór de riolen van Hamburg, Honden, Katten en Ratten vreedzaam bij elkander rondloopen; geen dezer dieren dacht er aan, het +andere den oorlog aan te doen.—Ook ik zou vele voorbeelden kunnen aanhalen van Katten, die zich niet met de Ratten inlaten. +Evenals bij de andere huisdieren dappere en lafhartige individuën voorkomen, vindt men ook bij de Katten gezinnen, welker +leden zich door grooten moed onderscheiden en hartstochtelijke liefhebbers zijn van de rattenjacht, nevens andere die hiervoor +den moed missen. Het kost aan de Kat in ’t eerst veel moeite, een zoo kwaadaardig Knaagdier te overwinnen. Een van onze Katten +ving reeds Ratten, toen zij te nauwernood het derde gedeelte van haar definitieve grootte had bereikt. Zij vervolgde de prooi +met zulk een ijver, dat zij zich eens door een sterke Rat over het geheele erf en tot aan een muur liet voortslepen, zonder +haar vijand los te laten, die zij eindelijk door een flinken beet buiten gevecht wist te stellen. Na dezen dag is zij de verwoedste +vijandin der Ratten gebleven, en heeft zij ons huis bijna geheel van dit ongedierte gezuiverd. Het is hiervoor trouwens niet +eens volstrekt noodig, dat een Kat aanhoudend Ratten vangt; zij verdrijft ze reeds door haar voortdurend rondsluipen in stallen +en schuren, in kamers en kelders. Het is te begrijpen, dat de Ratten het zeer onaangenaam vinden, met haar aartsvijandin onder +één dak te wonen. Zij zijn dan geen oogenblik veilig. Onhoorbaar komt de Kat in ’t holste van den nacht aansluipen; geen enkel +waarschuwend geritsel verraadt haar nadering; in alle gaten loeren haar groenachtige onheilspellende, glinsterende oogen; +naast de meest bezochte looppaden der Ratten ligt zij op een verborgen plaats in hinderlaag, en, voordat deze dieren eenig +gevaar vermoeden, bespringt zij er een van, en houdt het met hare puntige klauwen en scherpe hoektanden zoo stevig vast, dat +het maar zelden den dans ontspringen, den dood ontloopen kan. Zulk een leven is zelfs voor een Rat niet om uit te houden. +Zij verhuist liever naar een plaats waar haar minder zorgen kwellen. De Kat is dus de beste helpster van den mensch in zijn +strijd tegen de listige Knaagdieren. De Bunzing en de Wezel bewijzen ons in dezen bijna even belangrijke diensten, de eerstgenoemde +binnenshuis, de andere in den tuin en in de nabijheid van schuren en stallen. Tegen de schade, die deze Roofdieren ons kunnen +veroorzaken, door van tijd tot tijd eieren, Duiven, kuikens, of ook wel Hoenderen te rooven, kan men voorzorgsmaatregelen +nemen: men kan er voor zorgen, dat het kippenhok en de duiventil behoorlijk gesloten en ontoegankelijk zijn; tegen de Ratten +baten zulke maatregelen echter niet. Het is daarom wenschelijk, dat de genoemde slanke roovers beschermd worden en gespaard +blijven, zooveel zulks mogelijk is. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Veel liefelijker, bevalliger en sierlijker dan de leelijke, langstaartige gauwdieven, die zooeven beschreven werden, zijn +de <span class="letterspaced">Muizen</span>; ook zij echter zijn, in weerwil van haar fraaie gestalte en haar vroolijk en proper uiterlijk, groote vijanden van den mensch +en worden door hem bijna met dezelfde woede vervolgd als hare grootere en minder bevallige verwanten. Men kan gerust verzekeren, +dat iedereen een Muis, die in een hokje is opgesloten, een aardig dier zal noemen; zelfs de dames, die in den regel een hevige, +ofschoon volkomen ongegronde vrees koesteren voor een Muis, die haar in de keuken of in den kelder voorbijloopt, zullen bij +het zien van een gevangen Muis moeten erkennen, dat zij een lief schepseltje is. Te verwonderen is het echter niet, dat de +scherpe knaagtanden en de snoepzucht der Muis zelfs een teeder vrouwenhart met ergernis en toorn vervullen kunnen. Het is +waarlijk niet aangenaam, dat men voortdurend bezorgd moet zijn voor het behoud van alle levensbehoeften, zelfs wanneer zij +achter slot en grendel geborgen zijn; het is om uit zijn vel te springen, dat er eigenlijk geen plekje in ’t geheele huis +te vinden is, waar men geheel alleen baas kan zijn en niet lastig gevallen wordt door die kleine, viervoetige indringers, +die zelfs toegang weten te verkrijgen tot plaatsen, die voor de Ratten ontoegankelijk zijn. Natuurlijk is het daarom, dat +tegen haar een verdelgingsstrijd wordt gevoerd, die waarschijnlijk nimmer eindigen zal. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1305.jpg" alt="Huismuis (Mus musculus). ⅘ v.d. ware grootte." width="720" height="530"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Huismuis</span> (<i>Mus musculus</i>). ⅘ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>In Nederland leven drie soorten van Echte Muizen, n.l. de <span class="letterspaced">Huismuis</span>, de <span class="letterspaced">Boschmuis</span> en de <span class="letterspaced">Dwergmuis</span>. Vooral de eerste en de laatste verdienen een uitvoeriger beschrijving, ofschoon ook de Boschmuis den <a id="d0e1366"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1366">306</a>]</span>mensch maar al te dikwijls te na komt en een kennismaking met dit diertje derhalve noodzakelijk is. De beide eerstgenoemde +worden overal onmeedoogend vervolgd; de laatstgenoemde echter vindt, zoolang zij niet al te driest wordt, wegens haar buitengewoon +sierlijke gestalte, hare lieftalligheid en eigenaardige levenswijze, genade in de oogen van den heer der schepping. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1306.jpg" alt="Brandmuis (Mus agrarius) en Boschmuis (Mus sylvaticus). ⅚ v.d. ware grootte." width="720" height="524"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Brandmuis</span> (<i>Mus agrarius</i>) en <span class="letterspaced">Boschmuis</span> (<i>Mus sylvaticus</i>). ⅚ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Hoewel men de <span class="letterspaced">Brandmuis</span> of <span class="letterspaced">Akkermuis</span> tot dusver nog niet met volkomen zekerheid als bewoner van ons land heeft leeren kennen, is het toch wenschelijk ook haar +hier te vermelden; daar zij in Duitschland op betrekkelijk korten afstand van onze grenzen op sommige plaatsen talrijk voorkomt +en groote schade aanricht, waaruit de mogelijkheid voortvloeit, dat zij te eenigertijd ook hier te lande waargenomen zal worden. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Gewone Muis</span> of <span class="letterspaced">Huismuis</span> (<i>Mus musculus</i>), hoewel fijner en sierlijker gebouwd en ook aanmerkelijk kleiner dan de Zwarte Rat, vertoont door haar gestalte met deze +eenige overeenkomst. Haar lengte bedraagt 18 cM., met inbegrip van den 9 cM. langen staart. Op dit lichaamsdeel vindt men +180 uit schubben bestaande ringen. De vacht van deze Muis is éénkleurig; de geelachtig of grijsachtig zwarte kleur der bovendeelen +gaat onmerkbaar in de iets lichtere kleur der onderdeelen over; de voeten en de teenen zijn geelachtig grijs. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Boschmuis</span> (<i>Mus sylvaticus</i>) wordt nagenoeg 23 cM. lang; van deze lengte komt ongeveer de helft op den staart, die tennaastenbij 150 uit schubben bestaande +ringen bezit. Haar vacht is tweekleurig. De bovendeelen van het lichaam zijn grijs met een bruinachtig gele tint; de onderdeelen +en ook de voeten zijn wit van kleur; de beide genoemde kleuren zijn scherp van elkander gescheiden. De Huismuis en de Boschmuis +verschillen van de Brandmuis en de Dwergmuis, door de grootere lengte harer ooren, die, tegen de zijden van den kop aangedrukt, +het oog bereiken, wat bij de beide andere soorten niet het geval is. “De bijzonder lange achterpooten maken, dat deze Muis +zich veel meer huppelend, springend voortbeweegt dan de andere Muizen. Daarom wordt zij in sommige gedeelten van Groningen +wel ‘<span class="letterspaced">Springer</span>’ genoemd.” (<span class="smallcaps">Ritzema Bos</span>.) + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Brandmuis</span> of <span class="letterspaced">Akkermuis</span> (<i>Mus agrarius</i>) wordt omstreeks 19 cM. lang, met inbegrip van den 8½ cM. langen staart. De bovenste deelen van het lichaam zijn bruinachtig +rood met een zwarte, overlangsche streep op den rug; de benedendeelen en de voeten zijn wit, welke kleur scherp begrensd is; +dit dier is dus driekleurig. De staart heeft ongeveer 120 uit schubben bestaande ringen. + +</p> +<p>De lichaamslengte van de <span class="letterspaced">Dwergmuis</span> (<i>Mus minutus</i>) bedraagt slechts 12 à 13 cM., waarvan nagenoeg 6 cM. op den staart komen. De hoogte in de schouderstreek bedraagt slechts +2¼ cM., het gewicht wisselt af van 4 tot 8½ gram. De Dwergmuis draagt dus haar naam met recht; er bestaat slechts één inheemsch +Zoogdier, dat kleiner is, n.l. de Dwerg-spitsmuis. De kleur van de vacht is tamelijk verschillend. Gewoonlijk is zij tweekleurig: +de bovenzijde van ’t lichaam is dan bruinachtig rood met geelachtige tint, de onderzijde is wit, evenals de teenen; de afscheiding +tusschen deze beide kleuren is zeer scherp. De kleur van de bovendeelen kan echter meer of minder donker zijn, ook wel meer +roodachtig of meer bruinachtig, meer grauw of meer geel; het kan voorkomen, dat de kleur van de bovenzijde niet zeer scherp +afgescheiden is van die der onderzijde. Bij jonge dieren zijn voorts de verhoudingen tusschen de afmetingen der verschillende +lichaamsdeelen anders dan bij oude; ook hebben zij een andere, meer grijze kleur. + +</p> +<p>Al deze Muizen vertoonen in woonplaats, levenswijze en uiterlijk veel overeenkomst met elkander, ofschoon ieder van deze dieren +eigenaardigheden heeft. In één opzicht stemmen de drie eerstgenoemde overeen, n.l. dat zij, althans van tijd tot tijd, een +groote voorliefde voor de verblijfplaats van den mensch laten blijken. Alle drie komen zij, vooral des winters, veelvuldig +in de huizen voor, zoowel in den kelder als op den zolder, in de kamers zoowel als in de keuken. De Huismuis is hier echter +veelvuldiger dan hare verwanten. De Dwergmuis zouden wij hier nog bij kunnen noemen, daar zij in den winter dikwijls in groot +aantal voorkomt onder koornschelven, of ook wel in schuren, waar zij met de ingeoogste producten wordt binnengebracht. <a id="d0e1437"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1437">307</a>]</span>Geen van de drie eerstgenoemde soorten is uitsluitend gebonden aan de woonplaats, waaraan zij haar naam ontleent; de Boschmuis +leeft even goed van tijd tot tijd in schuren en huizen als op het veld; de Akkermuis wordt evenmin uitsluitend op akkers aangetroffen +als de Huismuis zich uitsluitend tot de woningen van den mensch bepaalt. De namen dezer dieren duiden eenvoudig de woonplaats +aan, die bij voorkeur door hen gekozen wordt. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Huismuis</span> was reeds in overouden tijd een getrouwe metgezel van den mensch; zij wordt reeds door <span class="smallcaps">Aristoteles</span> en <span class="smallcaps">Plinius</span> als een zeer veelvuldig voorkomend dier vermeld; <span class="smallcaps">Albertus Magnus</span> heeft haar nauwkeurig beschreven. Tegenwoordig is zij over de geheele wereld verbreid. De Huismuis koloniseerde de aardoppervlakte +tegelijk met den mensch; zij volgde hem tot in het barre noorden en tot in de hoogst gelegen Alpenhutten. Waarschijnlijk zijn +er slechts weinig plekjes op den aardbol te vinden, waar dit dier in den tegenwoordigen tijd nog niet voorkomt; bovendien +kan van deze plaatsen alleen gezegd worden, dat het er tot nog toe niet waargenomen is, niet, dat het er ontbreekt. Zoo wordt +b.v. bericht, dat men op de Soenda-eilanden geen Muizen vindt.—Alle gedeelten van de woning van den mensch dienen haar tot +verblijfplaats. Op het land leeft zij gedurende het gunstige jaargetijde ook wel buitenshuis, n.l. in den tuin of in naburige +velden en boschjes; in de stad bepaalt zij zich tot de woonhuizen en bijgebouwen. Hier vindt zij in elke spleet, in elke holte, +kortom in elk hoekje, waarin zij wegkruipen kan, een voldoende schuilplaats, vanwaar uit zij hare strooptochten onderneemt. + +</p> +<p>De Huismuis is een buitengewoon behendig en beweeglijk dier. Met zeer groote snelheid loopt zij over den vlakken grond; zij +klimt voortreffelijk, springt erg ver en huppelt dikwijls gedurende geruimen tijd met korte sprongen over den bodem voort. +Bij gevangen Muizen kan men zeer goed waarnemen, hoe behendig ze al deze bewegingen maken. Als men een Muis op een schuins +omhoog gespannen touw of op een stokje laat loopen, slingert zij, zoodra zij het evenwicht verliest, haar staart schielijk +om het touw of om het stokje, herstelt hierdoor het evenwicht en klimt vervolgens verder. Als men haar op een zeer buigzamen +halm neerzet, klimt zij omhoog, totdat zij den top van den halm bereikt heeft; als de halm door haar gewicht nedergebogen +wordt, gaat zij er met den rug naar onderen gericht aan hangen en daalt vervolgens langzaam naar beneden, zonder ooit in verlegenheid +te komen. Bij het klimmen bewijst de staart haar belangrijke diensten. Muizen, wien men een stuk van den staart had afgesneden +om haar een vreemd voorkomen te verschaffen, waren niet meer in staat in ’t klimmen met hare langstaartige zusters te concurreeren. +Allerliefst zijn de verschillende houdingen, die de Muizen aannemen kunnen. Elke buiging, elke beweging geschiedt met gratie. +Zelfs wanneer de Muis stilzit, ziet zij er bevallig uit; den aangenaamsten indruk brengt zij echter teweeg, wanneer zij, volgens +de gewoonte der Knaagdieren, op haar achterste rust en zich met hare voorpooten reinigt en wascht. Zij kan nog wel andere +kunstjes doen, o.a. zich geheel en al op de achterpooten oprichten, evenals de mensch, en zoo zelfs eenige schreden doen. +Hierbij maakt zij slechts van tijd tot tijd van haar staart als steunsel gebruik. Zij is ook in ’t zwemmen ervaren, ofschoon +zij slechts in gevallen van hoogen nood te water gaat. Als men haar in ’t water werpt, ziet men, dat zij zich bijna even snel +als de Waterrat en de Dwergmuis voortbeweegt, en naar de eerste beste droge plaats zwemt om erop te klimmen en zich in veiligheid +te stellen. Hare zintuigen zijn uitmuntend; zij hoort het zwakste gedruisch en heeft een zeer fijnen reuk, waardoor zij zelfs +ver verwijderde voorwerpen kan waarnemen; ook kan zij vrij goed zien, des nachts misschien beter dan over dag. Ieder, die +de levenswijze van de Huismuis nagaat, zal haar schranderheid bewonderen. Zoo boosaardig, arglistig en bijtlustig de Ratten +zijn, zoo goedaardig en vreedzaam is zij. Bekend is haar nieuwsgierigheid; alles wordt door haar op de zorgvuldigste wijze +onderzocht. Hare listigheid en schranderheid doen haar spoedig inzien, waar zij geduld wordt en waar niet; overal, waar men +haar met vrede laat, geraakt zij mettertijd zoozeer aan den mensch gewoon, dat zij in zijn tegenwoordigheid heen en weer loopt +en hare bezigheden verricht, alsof zij geen stoornis te vreezen heeft. Reeds na een gevangenschap van weinige dagen gedraagt +zij zich allerliefst; zelfs oude Muizen worden nog tamelijk mak; de jonge echter overtreffen de meeste Knaagdieren, die geschikt +zijn om gevangen gehouden te worden, door hare goedaardigheid en argeloosheid. Merkwaardig is de liefde voor de muziek, die +bij de Muizen wordt opgemerkt. Welluidende tonen lokken haar uit haar schuilplaats naar buiten en doen haar alle vrees vergeten. +Op klaarlichten dag komt zij in kamers, waar een muziekinstrument bespeeld wordt; vertrekken waar geregeld muziek gemaakt +wordt, zijn ten slotte hare meest geliefde verblijfplaatsen. + +</p> +<p>In den laatsten tijd komen in verscheidene tijdschriften berichten over “zingende Muizen” voor; ook heb ik een aantal meer +directe mededeelingen over dit onderwerp ontvangen. Al deze berichten stemmen in dit opzicht overeen, dat men hier en daar, +nu en dan Huismuizen heeft opgemerkt, die het gepiep en gekwetter, dat haar van nature eigen is, wijzigen tot geluiden, die +aan het gezang van Vogels herinneren. Enkele berichtgevers spreken met geestdrift over het gezang van de Muis en vergelijken +het met dat van den Kanarievogel of zelfs van den Nachtegaal; andere oordeelen er kalmer en waarschijnlijk juister over. De +onderwijzer <span class="smallcaps">Schacht</span>, een even betrouwbare als ontwikkelde opmerker, heeft een tijdlang zulk een zingende Muis gehad, die haar gezang meestal +in de schemering, dikwijls eerst in den nacht liet hooren. Met den helderen slag van een Kanarievogel of met de smeltende +melodiën van een Nachtegaal, had dit muizengezang niet de minste overeenkomst. Het was slechts een gekwetter, een mengelmoes +van sleepende, gonzende en piepende toonen, die men in de nachtelijke stilte nog op een afstand van 20 schreden hooren kon. +Het “gezang” van een andere zingende Muis, dat door den onderwijzer <span class="smallcaps">Müller</span> werd waargenomen, bestond “uit opeenvolgende, zachte, fluitende tonen, die in ’t eene oogenblik langzaam, in ’t andere sneller +werden uitgebracht en in ’t laatstgenoemde geval duidelijk herinnerden aan het gezang van een Vogel, met dit verschil, dat +zij aanmerkelijk zwakker waren.” Deze Muis werd door muziek tot zingen opgewekt en floot dan soms ook over dag. Beide hiertoe +bedoelde zingende Muizen waren mannetjes; het is dus niet onmogelijk dat ook bij deze diersoort de zoete gave van het gezang +hoofdzakelijk aan de mannelijke sekse ten deel gevallen is. <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span> heeft maanden lang twee in een keuken vrij rondloopende, zoogenaamde zingende Muizen te gelijkertijd beluisterd. Van de eene +hoorde men niets anders dan een ongeregeld gesjirp met trillers, doormengd met <a id="d0e1468"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1468">308</a>]</span>een zacht snorren, smakken of hikken en af en toe ook met een zwak gesnork, de andere had meer weeke tonen tot zijn beschikking, +sommige van deze werden langer aangehouden, waardoor een min of meer welluidend geheel werd voortgebracht. Het zou echter +juister zijn van het tjilpen en niet het zingen der Muizen te spreken. + +</p> +<p>Tegenover deze aangename eigenschappen van de Huismuis, staan echter zeer lastige ondeugden; zij is een eerste snoepster en +lekkerbek. Men kan zich moeielijk een snoeplustiger schepsel voorstellen dan een Huismuis, die zich in een goed voorziene +provisiekamer naar vrije verkiezing bewegen kan! Zij zoekt zich altijd de lekkerste stukjes uit en geeft hierdoor een afdoend +bewijs van de fijnheid van haar smaakzintuig. Aan allerlei zoetigheden, aan melk, goede vleeschspijzen, kaas, vetten, vruchten +en zaden geeft zij de voorkeur boven alle andere voedingstoffen, en als zij de kans heeft, zoekt zij van het goede altijd +het beste uit. Hare scherpe knaagtanden zijn een andere reden voor den haat, dien de mensch haar toedraagt. Als zij iets lekkers +ruikt, weet zij zich tot de plaats waar het zich bevindt, toegang te verschaffen voor het genot, dat zij daar hoopt te smaken, +heeft zij een ingespannen arbeid van één of meer nachten over; zij doorknaagt soms dikke deuren om haar doel te bereiken.—Als +zij veel voedsel vindt, dat haar bijzonder lekker voorkomt, vervoert zij ook nog een flinken voorraad daarvan naar haar schuilplaats; +zij arbeidt met de drift van een gierigaard aan de vermeerdering van hare schatten. “Op plaatsen, waar zij niet veel gevaar +heeft van gestoord te worden,” zegt <span class="smallcaps">Fitzinger</span>, “vindt men wel eens in een hoek groote hoopen van walnoten en hazelnoten, soms niet minder dan een voet hoog; zij stapelt +deze vruchten zoo regelmatig opeen, drukt ze zoo stevig tegen elkander aan en bedekt ze zoo zorgvuldig met geknaagde papieren +en kleedingstukken, dat men onze Huismuis bijna niet in staat zou achten tot het verrichten van zulk een arbeid.” Water drinkt +zij in ’t geheel niet, als zij saprijk voedsel krijgen kan; ook gebruikt zij het maar zelden, als zij zich met droog voedsel +moet behelpen. Daarentegen is zij zeer verlekkerd op alle zoete dranken. Dat zij ook van alcoholische dranken snoept, blijkt +uit de volgende mededeeling van den boschbeambte <span class="smallcaps">Block</span>: “In het jaar 1843 werd ik eens, terwijl ik zat te schrijven door een zwak gedruisch gestoord; opziende, bemerkte ik een +Muis, die langs den gladden poot van een tafeltje naar boven klom. Boven aangekomen, zocht zij vol ijver de kruimels op, die +op een bord lagen. In het midden van dit bord stond een zeer licht, kelkvormig borrelglaasje, half gevuld met anisette. Met +één sprong was de Muis op den rand van ’t glas, boog zich voorover en slikte ijverig van de likeur. Nadat zij een behoorlijke +dosis van het zoete vergif gebruikt had, sprong zij weer op de tafel. In hare bezigheden gestoord door het gedruisch dat ik +maakte, wipte zij met één sprong van de tafel en verdween achter een kast. Waarschijnlijk ondervond zij spoedig de uitwerking +van den drank, want kort daarna kwam zij weer te voorschijn en maakte allerlei vreemdsoortige bewegingen; ook deed zij vergeefsche +pogingen om nogmaals op de tafel te klauteren. Ik stond op en ging op haar af, doch zij stoorde zich niet aan mij. Toen ik +de Kat haalde, liep zij even weg, maar kwam dadelijk weer terug. De Kat sprong van mijn arm op haar af, en had het dronken +muisje in hare klauwen.” + +</p> +<p>Grooter nog dan de schade, die de Muis door het verslinden van voedingsmiddelen aanricht, is die, welke zij den mensch toebrengt +door het stukknagen van allerlei voorwerpen van waarde. Bibliotheken en verzamelingen van naturaliën hebben soms veel van +deze Knaagdieren te lijden. Met allerlei middelen gaat men hun vernielzucht tegen. De ijverigste van alle vijanden van de +Huismuis is en blijft de Kat. In oude gebouwen wordt zij ijverig geholpen door de Uilen, die ook op het land goede diensten +bewijzen, evenals de Bunzing en de Wezel, de Egels en de Spitsmuizen. Hoe klein de Spitsmuis ook is, toch is zij veel sterker +dan de voor ons zoo lastige Knaagdieren; met ijver wijdt zij zich aan de muizenjacht. + +</p> +<p>De Huismuis plant zich zeer snel voort; 22 à 24 dagen na de paring werpt zij 4 à 6, niet zelden zelfs 8 jongen. Daar zij in +één jaar stellig vijf à zes maal jongen werpt, bedraagt hun aantal na afloop van dien tijd minstens 30. Een witte Muis, die +door <span class="smallcaps">Struve</span> in gevangenschap werd gehouden wierp den 17den Mei zes, den 6den Juni zes en den 3en Juli acht jongen. Van den 3en tot den +28en Juli was zij van het mannetje gescheiden. Den 21en Augustus wierp zij weder zes jongen, den 1en October op nieuw zes +en den 24en October vijf. Gedurende den winter vermeerderde haar nakomelingschap niet. Den 17den Maart bracht zij opnieuw +jongen ter wereld. Eén van de wijfjes van den worp van 6 Juni, kreeg den 18den Juni van ’t volgende jaar voor ’t eerst jongen, +en wel vier te gelijk. Hieruit kan men afleiden hoe verbazend snel de Muizen zich kunnen vermenigvuldigen, in weerwil van +haar groot aantal vijanden. Voor haar kraambed maakt de moeder gebruik van elken schuilhoek, waar zij voor vervolgingen beveiligd +hoopt te zijn; men heeft muizennesten gevonden in uitgeholde brooden, uitgeholde koolrapen, doodshoofden, ja zelfs in muizenvallen. +Gewoonlijk bestaat de ligplaats van de kleine familie uit met zorg opeengestapeld stroo, hooi, papier, vederen en andere zachte +stoffen; soms echter bestaat het eenvoudig uit houtspaanders of zelfs uit notedoppen. De jongen zijn bij de geboorte buitengewoon +klein en, bij witte Muizen althans, in den letterlijken zin van ’t woord doorzichtig. Zij groeien echter schielijk aan, krijgen +op den zevenden of achtsten levensdag haren, doch openen hunne oogen eerst op den dertienden dag. Nu blijven zij nog maar +een paar dagen in ’t nest, en gaan dan op de wijze van hunne ouders voedsel zoeken.—Een treffend voorbeeld van de moederliefde +van de Muis wordt door <span class="smallcaps">Weinland</span> medegedeeld: “In het zachte bed, dat een Huismuis voor hare jongen had bereid, ontdekte men haar en hare negen kinderen. +De moeder kon ontsnappen,—doch week niet van de plaats. Het geheele gezin werd met een korenschop opgenomen,—zij bewoog zich +niet. Men droeg alle onbedekt op de schop weg, verscheidene trappen af, tot in den hof;—zij bleef hare kinderen trouw en stierf +met hen.” + +</p> +<p>Bij de bewoners van China en Japan, van welker ervarenheid in het fokken van dieren en het kweeken van planten vele merkwaardige +staaltjes medegedeeld worden, is de Huismuis een huisdier geworden in den eigenlijken zin van ’t woord. <span class="smallcaps">Haacke</span> deelt over de Muizen, die sedert eenige jaren uit deze landen naar hier worden gevoerd, het volgende mede: “Van een handelaar +in dieren te Hamburg ontbied ik van tijd tot tijd twee verschillende rassen van de Huismuis, die door den koopman met de namen +Chineesche ‘klimmuizen’ en Japansche ‘dansmuizen’ aangeduid worden. De eerstgenoemden onderscheiden zich trouwens alleen door +haar zeer varieerende kleur, want klimmen doen zij, naar het schijnt, niet meer dan andere Muizen. Hare kleur is echter zeer +verschillend. Behalve <a id="d0e1493"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1493">309</a>]</span>effen grijze, licht-bruinachtig gele en witte exemplaren, heb ik er gehad, die grijs en wit, zwart en wit, geel en wit, blauw +en wit gevlekt waren. Driekleurige Muizen zijn, naar het schijnt, zeer zeldzaam. Zooals bekend is, komen ook bij ons witte, +zwarte en gele soms ook wel gevlekte Muizen voor; maar de Chineezen hebben hun bekwaamheid in het fokken van nieuwe verscheidenheden +ook op de Huismuizen toegepast. De niet minder op ’t dierenfokken verzotte Japaneezen, hebben echter kans gezien, om van de +Huismuis een werkelijk wonderbaarlijk dier te maken. De Japansche ‘dansmuis’, die te recht zoo genoemd wordt, komt eveneens +in de bovengenoemde kleuren voor. Wat haar echter vooral onderscheidt, is de aangeboren gewoonte om met razende snelheid in +een meer of minder grooten kring rond te loopen, of nog vaker, om, als een tol op één plaats blijvend, met ongeloofelijke +snelheid rond te draaien. Dikwijls voeren twee, zeldzamer drie Muizen, gemeenschappelijk zulk een dans uit, die gewoonlijk +in de schemering begint en gedurende den nacht van tijd tot tijd herhaald wordt; meestal echter danst iedere Muis afzonderlijk. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Boschmuis</span> komt in de meeste opzichten met de Huismuis overeen. Zij is over geheel Europa verbreid, waarschijnlijk alleen met uitzondering +van de allernoordelijkste gedeelten; in bergachtige streken komt zij nog op een hoogte van 2000 M. boven den zeespiegel voor. +Zij leeft zoowel in bosschen, als aan hun zoom; men vindt haar dikwijls in tuinen, doch minder veelvuldig op uitgestrekte +vlakten, waar geen boomen zijn. Des winters verschuilt zij zich gaarne in huizen; zij bezoekt daar kelders en provisiekamers, +doch vestigt zich bij voorkeur in de hooger gelegen deelen van het huis, waar zij op zolderkamers en onder dak overwintert. +<span class="smallcaps">Ritzema Bos</span> zegt van de woonplaatsen van deze muis in ons vaderland: “Overal waar hout groeit: in tuinen, langs wegen, rondom hofsteden +is zij in vele streken van ons land zeer algemeen. Zij vestigt zich ook wel in alleenstaande huizen; op villa’s en boerderijen +vervangt zij soms de Huismuis. Daar zij sterker en vlugger is dan deze, moet zij—wanneer ze ’t veld of het bosch verlaat, +en zich in de huizen gaat vestigen—daar de Huismuis verdringen, even goed als de sterkere en vluggere Bruine Rat haar zwakkere +zuster heeft verdreven. Werkelijk geschiedt dit, niet alleen in vele alléénstaande behuizingen, maar eveneens in de buitenwijken +van dorpen en kleine landstadjes. Ik herinner mij dat—eenige jaren geleden—in ’t gebouw der Rijks Hoogere Burgerschool te +Warffum mijn verzameling naturaliën door Muizen werd aangetast. Het uitzetten van muizentarwe had den dood van verscheidene +van deze indringers ten gevolge; alle bleken mij te behooren tot de soort <i>Mus sylvaticus</i>. <span class="smallcaps">Altum</span>, hoogleeraar aan de academie voor boschbouw te Neustadt-Eberswalde, verzekert, dat in ’t stadje zijner inwoning geen enkele +Huismuis te vinden is, en dat de Boschmuis haar geheel en al verdrongen heeft. + +</p> +<p>“Dat nu de laatste niet overal de eerste doet verdwijnen, moet eenvoudig worden toegeschreven aan de omstandigheid, dat beide +soorten <span class="letterspaced">in den regel</span> niet dezelfde levenswijze hebben, m.a.w. dat zij op verschillende plaatsen voorkomen, en niet hetzelfde voedsel gebruiken, +zoodat zij gewoonlijk niet als concurrenten optreden.” + +</p> +<p>In de vrije natuur eet zij gaarne Wormen en Insecten, vooral wanneer deze laatste zich als larven of poppen in den grond bevinden; +hierdoor kan zij in de bosschen tamelijk veel nut aanbrengen. Schadelijk wordt zij hier daarentegen door het uithalen van +de nestjes van nuttige Zangvogels. Het hoofdvoedsel van de Boschmuis bestaat echter uit steen- en pitvruchten, noten, eikels, +beukenootjes, zaden van dennen en sparren. Zij verzamelt hiervan ook wel voorraad voor den winter, vervalt echter niet in +winterslaap en maakt alleen bij ongunstig weer van de door haar bijeen gebrachte schatten gebruik. “De schade door dit diertje +aan de houtteelt berokkend,” zegt <span class="smallcaps">Ritzema Bos</span>, “is niet zoo groot, als men dikwijls verzekert. Het is n.l. zeer waarschijnlijk, dat alle gevallen, waarin stammetjes van +jonge boomen en takken door Muizen van de schors waren beroofd, moeten komen op de rekening van <span class="letterspaced">Woelmuizen</span> (<i>Arvicola arvalis</i> en <i>A. glareolus</i>). De Boschmuis is op de ontschorsing van boomen nooit betrapt geworden en de door Muizen van schors beroofde stukken vertoonden +alle de tandindruksels van Woelmuizen.” “Van uit het bosch verspreidt zich onze ‘springer’ zeer dikwijls over de velden; ja +somtijds komt zij op zeer aanzienlijken afstand van alle houtgewas op bouwland voor. Men treft haar dan, op de wijze der Veldmuizen, +in en onder korenschoven en hokken aan. De boeren geven haar dan den naam van ‘langstaartige Veldmuis,’ in tegenstelling van +de ‘kortstaartige,’ d.i. de <span class="letterspaced">Eigenlijke Veldmuis</span> (<i>Arvicola arvalis</i>). Wanneer men op zandgronden van verwoestingen door Muizen hoort, dan is gewoonlijk de Boschmuis de dader, terwijl de Eigenlijke +Veldmuis de beruchte landplaag der kleigronden is. Toch is ook de Boschmuis op de klei niet geheel onbekend, en de Eigenlijke +Veldmuis komt op ’t zand ook wel eens voor. Zoo vernielend als de laatste optreedt, vertoont zich de eerste nooit, daar zij +jaarlijks niet zoo’n groote nakomelingschap kan leveren. Zij werpt 2-, hoogstens 3maal 4 tot 6 jongen, terwijl de Veldmuis +telkens 6 à 12 jongen werpt, en de in ’t voorjaar en den zomer geboren individu’s zich nog gedurende ’t zelfde jaar weer voortplanten.” + +</p> +<p>In huis berokkent de Boschmuis ons dikwijls gevoelige schade en heeft zij eigenaardige liefhebberijen. Des nachts dringt zij +in vogelkooien door en doodt de hier aanwezige Kanarievogels, Leeuweriken, Vinken enz. Van haar smaak voor zoete, bedwelmende +dranken, deelt <span class="smallcaps">Lenz</span> het volgende voorbeeld mede: Een zijner zusters hoorde op een avond een zeer eigenaardig zangerig gepiep in den kelder; zij +zocht met een lantaarn naar de oorzaak van dit geluid en vond een Boschmuis, die naast een flesch malaga zat, de naderende +dame vriendelijk en zonder vrees in ’t gelaat zag en zich in haar gezang niet liet storen. De jonge dame verwijderde zich +om hulp te halen; een geheel leger van helpers bezette den kelder; de Muis had haar liedje echter nog niet uit; zij bleef +bedaard zitten, en was vermoedelijk zeer verwonderd, toen men haar met den tang bij den kop pakte. Bij nader onderzoek bleek +het, dat de flesch een weinig lek was; rondom de plaats waar de droppels neervielen, lag een geheele kring van muizenkeutels, +waaruit men opmaakte, dat de zooeven als dronkenlap gearresteerde Muis, waarschijnlijk reeds gedurende geruimen tijd hier +aan ’t pooien was geweest. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Brandmuis</span> bewoont een meer beperkt gebied dan de beide vroeger beschreven soorten; zij leeft tusschen den Rijn en West-Siberië, het +noorden van Holstein en Lombardije. In Middel-Duitschland wordt zij overal veelvuldig aangetroffen, in ons vaderland tot dusver +niet; in hooge bergstreken komt zij niet <a id="d0e1548"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1548">310</a>]</span>voor. Zij houdt zich des zomers op in bouwlanden, aan de kanten van bosschen en in lage boschjes, terwijl zij des winters +in korenhoopen of in schuren verblijf houdt; ook overwintert zij in gaten in den grond. Bij ’t maaien van ’t koren in den +herfst, ziet men geheele benden van deze dieren over de stoppels ontvluchten. Hare bewegingen zijn minder behendig dan die +van hare verwanten; haar uiterlijk is goedaardiger of dommer. Zij voedt zich hoofdzakelijk met graan en andere zaden, met +kruiden en knollen, Insecten en Wormen; ook zij verzamelt proviand voor den slechten tijd. Wegens haar snelle vermenigvuldiging +kan zij in de streken, waar zij voorkomt, zeer schadelijk worden: in den zomer werpt zij 3- à 4maal 4 à 8 jongen, welke, evenals +die van de Boschmuis, eerst in ’t volgende jaar de kleur van de ouders hebben. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Hoe lief en bevallig alle kleine Muizen ook zijn, hoe alleraardigst zij zich in de gevangenschap gedragen, het kleinste lid +van de familie—de <span class="letterspaced">Dwergmuis</span> (<i>Mus minutus</i>)—overtreft haar alle te dezen aanzien. Zij is veel beweeglijker, behendiger, vroolijker, kortom, zij is een veel aardiger +schepeltje dan hare verwanten. + +</p> +<p>De Dwergmuis heeft aan de dierkundigen niet weinig hoofdbrekens veroorzaakt. Sinds <span class="smallcaps">Pallas</span> haar in Siberië voor ’t eerst aantrof, nauwkeurig beschreef en zeer goed afbeeldde, is zij in vele andere, ver uiteenliggende +landen gevonden. Bijna iedere natuurbeschrijver, die haar onderzocht, meende het recht te hebben haar als een nieuwe soort +te beschouwen, o.a. omdat het verbreidingsgebied van dezen vorm zoo uitgestrekt is en de kleur van de vacht tamelijk uiteenloopt. +Door latere onderzoekingen is echter uitgemaakt, dat de ten onzent voorkomende Dwergmuis werkelijk verspreid is over een gebied, +dat Siberië, geheel Rusland, Hongarije, Polen, Duitschland, Frankrijk, Engeland en Italië omvat en slechts bij uitzondering +in sommige gewesten van deze landen niet voorkomt. Men vindt haar in alle vlakten waar de landbouw bloeit, en geenszins altijd +op bouwland, maar dikwijls in het riet van de sloten, die de akkers omgeven, in riet- en biesbosschen, in moerassen en drasse +landen enz. In Siberië en aan den voet van den Kaukasus is zij algemeen, in Rusland en Engeland, in Sleeswijk en Holstein +is zij op zijn minst genomen niet zeldzaam. Maar ook in de overige genoemde landen kan zij soms in grooten getale voorkomen. +Volgens Dr. <span class="smallcaps">G. A. Venema</span> komt zij veelvuldig voor “in de breede strook van zulte of zeeaster (<i>Aster tripolium</i>), die de kweldergronden langs den Dollard van de hanepoot (<i>Salicornia herbacea</i>) scheidt. Daar bouwt de Dwergmuis haar nest in de hooge zulteplanten, tusschen hare geurige bloemen in; en als een hooge +vloed door de zulte rolt, buigt de storm de stengels heen en weer, maar bereikt de bloemen niet. In wiegelende beweging door +den stroom gebracht, bewaken de oude Muizen, die langs de stengels zijn opgeklommen, de jongen.” + +</p> +<p>Gedurende den zomer vindt men dit lieve diertje in gezelschap van de Boschmuis en van de Gewone Veldmuis op korenvelden; in +den winter komt het soms in groot aantal voor onder hooibergen of in schuren. De Dwergmuis overwintert echter ook wel buiten, +in holen in den grond; een groot deel van het koude jaargetijde brengt zij dan slapend door, hoewel zij geen eigenlijken winterslaap +heeft. Als de nood aan den man komt, maakt zij gebruik van den aanzienlijken voedselvoorraad, die zij gedurende den zomer +in haar hol heeft bijeengebracht. Haar voedsel is hetzelfde als dat van alle overige Muizen; op den akker kan zij nog al wat +graan bederven; als zij den winter in woonhuizen doorbrengt, gebruikt zij zoowel dierlijk als plantaardig voedsel; in den +zomer gebruikt zij, naar ’t schijnt, allerlei kleine Insecten. + +</p> +<p>Door hare bewegingen onderscheidt de Dwergmuis zich van alle overige soorten van de Muizenfamilie. In weerwil van hare geringe +grootte loopt zij zeer snel; zij klimt zeer vlug, behendig en sierlijk. Langs de dunste takken van struiken, langs grashalmen, +die zoo zwak zijn, dat zij zich ter aarde neigen, wanneer het diertje zich er op bevindt, stijgt zij, den rug naar boven of +naar onderen gericht, omhoog. Bijna even snel beklimt zij boomen; de kleine, sierlijke staart wordt dan zoo behendig als grijpwerktuig +gebezigd, alsof het kleine Knaagdier den Brulapen de kunst heeft afgezien. Ook in het zwemmen is het zeer bedreven; ook in +het duiken is het een meester. Juist hierom kan het overal wonen. + +</p> +<p>Vooral in een ander opzicht geeft de Dwergmuis echter bewijzen van groote bekwaamheid. Zij is een kunstenares, zooals er onder +de Zoogdieren maar weinig gevonden worden; zij waagt het, met de meest begaafde Vogels te wedijveren en een nest te bouwen, +dat in schoonheid de nesten van alle overige Zoogdieren verre overtreft. Haar sierlijke woning wordt op zulk een eigenaardige +wijze gebouwd, alsof zij bij een Rietzanger of een Wevervogel in de leer is geweest. Het Dwergmuizennest is bijna zoo groot +als een vuist, en rust, al naar de plaatselijke gesteldheid, op 20 à 30 bladen van rietgrassen, welker toppen uitgerafeld +en zoo met elkander saamgevlochten zijn, dat zij het eigenlijke nest overal omgeven. Soms is het nest op een afstand van 5 +à 10 M. boven den grond vrij opgehangen aan de takken van een struik, aan een riethalm of dergelijk voorwerp, zoodat het allen +schijn heeft, dat het in de lucht zweeft. De vorm van het nest komt het meest overeen met dien van een ei, met zeer stompe +punten, b.v. met een buitengewoon, bolvormig ganzenei, waarmede het ook in grootte nagenoeg overeenkomt. Het uitwendig bekleedsel +bestaat altijd uit de geheel in strookjes verdeelde bladen van het riet of van andere grasachtige planten, welker stengels +den grondslag van de geheele woning uitmaken. De kleine kunstenares neemt elk blad tusschen hare tanden, en haalt het verscheidene +malen tusschen de vlijmscherpe kronen der snijtanden door, zoodat elk blad in 6, 8, 10 of meer draadvormige strooken wordt +verdeeld, die ieder aan een of meer taaie, overlangsche bladnerven haar stevigheid ontleenen; daarna worden deze vezels zorgvuldig +dooreengeslingerd, ineengevlochten en saamgeweven. Van binnen is het nest met aren van riet, met de wol van de kolven der +kannewasschers (<i>Typha</i>), met het vruchtpluis van paardenbloemen, met allerlei katjes en bloemtrossen opgevuld. Een kleine, zijdelingsche opening +verleent toegang tot het nest; als men er den vinger insteekt en het van binnen betast, blijkt het geheel en al, zoowel van +boven als van onderen, gelijkmatig glad gemaakt, en overal zacht en donzig te zijn. De materialen van het nest zijn zóó dicht +met elkander vervilt en saamgevlochten, dat zij voor het dier een stevige rustplaats vormen. + +</p> +<p>Als men in aanmerking neemt, dat de werktuigen, waarvan de Dwergmuis bij dezen arbeid gebruik maakt, veel minder doelmatig +zijn dan de snavel van de bouwkunstenaars onder de Vogels, kan men niet nalaten de kunstvaardigheid van de Dwergmuizen te +bewonderen en haar hooger te stellen, dan die van de veel beter uitgeruste, nestbouwende Vogels. +<a id="d0e1585"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1585">311</a>]</span></p> +<p>Elk nestje is hoofdzakelijk samengesteld uit de nog aan den stengel vastgehechte bladen van de planten die de woning steunen. +Een noodzakelijk gevolg hiervan is, dat het nest van buiten bijna (of geheel) dezelfde kleur heeft als de planten waartusschen +het zich bevindt. Daar n.l. de Dwergmuis haar paleis alleen noodig heeft voor het groot brengen van hare jongen, en deze schielijk +in staat zijn om zich zelf te redden, is het nest in den regel reeds door hare bewoners verlaten, voordat de bladen, die de +buitenbekleeding vormen, verwelkt zijn, en een andere kleur hebben aangenomen. In ’t najaar maakt de Muis haar nest in de +graanschoven; in ’t kreupelhout, aan struiken of laag hout hangt het aan den duinkant (waar het ook, vooral in Holland, veelvuldig +voorkomt). De oude Muizen bouwen kunstiger en doelmatiger nesten dan de jonge; deze beginnen reeds in ’t eerste levensjaar +tamelijk flinke nesten te maken, die haar tot rustplaats dienen. + +</p> +<p>Drie of vier maal per jaar brengt de Dwergmuis jongen ter wereld, telkens 5 à 8. Gewoonlijk blijven deze in hun wieg tot zij +zien kunnen. De oude dekt ze warmpjes toe, of liever, zij sluit de opening van het nest telkens als zij uitgaat om voedsel +te zoeken. Ternauwernood zijn de jongen zoover heen, dat zij eenigermate in hun onderhoud kunnen voorzien, of zij gaan hun +eigen weg, nadat de moeder vooraf nog gedurende een paar dagen met hen buiten verkeerd en hun onderricht in haar beroep gegeven +heeft. + +</p> +<p>Wie het geluk heeft tegenwoordig te zijn, wanneer de oude Muis haar kroost voor de eerste maal naar buiten geleidt, zal een +allerbekoorlijkst huiselijk tafereel aanschouwen. Hoe behendig het jonge volkje van nature moge zijn, een weinig onderricht +is noodig; bovendien is het nog te veel aan de moeder gehecht om reeds dadelijk lust te hebben op eigen wieken te drijven +en zich zelfstandig te bewegen in de uitgestrekte, gevaarlijke wereld. Het eene jong hangt aan dezen, een ander aan genen +halm. Het eene sjirpt om door de moeder geholpen te worden, het andere verlangt nog naar de moedermelk. Hier wascht er zich +een met de voorpootjes, daar heeft een ander een zaadje gevonden, dat met de pootjes vastgehouden en ontbolsterd wordt. Het +vreesachtigste wijfje is nog binnen in het nest bezig, het dapperste en vermetelste mannetje is al ver weg en zwemt misschien +reeds rond in de plas, welks bodem de pijlers van de woning draagt. Het geheele gezin is druk in de weer, de moeder niet het +minst; het eene jong moet geholpen worden, een ander heeft behoefte aan raad, de ijver van het stoutmoedigste kind moet ingetoomd, +die van het vreesachtigste aangewakkerd worden. + +</p> +<p>Men kan dit aardig schouwspel op zijn gemak waarnemen, als men het geheele nest medeneemt naar huis en in een groote kooi +van nauwmazig metaalgaas opsluit. Met hennep, haver, peren, zoete appels, vleesch en gewone Vliegen kan men de Dwergmuizen +gemakkelijk in ’t leven houden; haar lieftallig gedrag vergoedt ruimschoots de moeite, die men aan haar wijdt. Aardig is het +na te gaan, wat zij doen, als men haar een Vlieg voorhoudt; alle ijlen dan met groote sprongen op het Insect af; de vlugste +pakt het met de voorpootjes aan, brengt het naar den mond, en doodt het met evenveel drift en roofzucht als de Leeuw bij ’t +dooden van een Rund aan den dag legt; de prooi wordt daarna weer tusschen de voorpootjes genomen en bedachtzaam verslonden. +De jongen worden zeer schielijk tam, doch wanneer men zich niet zeer dikwijls met hen bemoeit, op lateren leeftijd weer schuw. +Omstreeks den tijd, waarin zij in den natuurstaat schuilplaatsen zouden opzoeken om daar te overwinteren, worden zij altijd +zeer onrustig en zoeken met geweld te ontvluchten, juist zooals de trekvogels, die in een kooi gehouden worden, gewoon zijn +te doen, als de tijd van vertrek hunner vrije soortgenooten aanbreekt. Ook in Maart neemt men bij de Dwergmuizen deze begeerte +om uit haar kooi te ontsnappen waar. Overigens geraken zij schielijk aan de gevangenschap gewoon; zij beginnen vol ijver hare +kunstvolle nesten te bouwen van de materialen die men haar hiervoor geeft, b.v. van papiersnippers en katoen. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De laatste onderfamilie bevat de <span class="letterspaced">Hamstermuizen</span> (<i>Cricetinae</i>), meer of minder plomp gebouwde, dikwijls groote Muizen met gespleten bovenlip en groote wangzakken; even als de Echte Muizen +hebben zij in elke kaakhelft drie kiezen met op dwarse reeksen geplaatste knobbeltjes. + +</p> +<p>Onze <span class="letterspaced">Hamster</span> behoort tot het bekendste geslacht (<i>Cricetus</i>), welks belangrijkste kenmerken gelegen zijn in den plompen, dikken romp, die op korte ledematen rust, en in een zeer korten, +dun behaarden staart eindigt. De knaagtanden zijn bijzonder groot. Deze diersoort bewoont de korenakkers van vruchtbare gewesten +van de gematigde luchtstreek in Europa, Azië en Amerika. Hier graven de Hamsters diepe holen met verscheidene kamers, waarvan +sommige in den herfst met een voorraad voedsel voor den winter gevuld worden; in de andere slijten zij een groot deel van +haar leven, welks lusten en lasten wij zullen leeren kennen door het nagaan van den levensloop van onzen inheemschen Hamster. +Inheemsch mogen wij hem noemen, daar hij, volgens <span class="smallcaps">Ritzema Bos</span>, in ’t zuidelijk gedeelte van Limburg voorkomt, waar het aantal dezer dieren sedert 1879 zoodanig vermeerderde, dat zij er +als een landplaag berucht werden en de Commissaris des Konings op 14 Januari 1880 een missive aan de gemeentebesturen in Limburg +verzond, waarin de landbouwers werden aangespoord hunne nieuwe vijanden zooveel mogelijk uit te roeien. Niet op elken bodem +komt de Hamster voor, in ieder geval niet op een bodem, die zeer zandig is, daar zijne gangen er te gemakkelijk zouden instorten. +Vandaar, dat hij in het noordelijke gedeelte van Limburg ontbreekt, waar bovendien tarwe en paardeboonen, zijn hoofdvoedsel, +niet of weinig gekweekt worden. In Zuidelijk Limburg daarentegen, op de zoogenoemde Limburgsche klei, is hij in zijn element. + +</p> +<p>De in lichamelijk opzicht niet misdeelde en ook moedige <span class="letterspaced">Hamster</span> (<i>Cricetus frumentarius</i>) is overigens geen aantrekkelijke verschijning; hij heeft een zeer onaangenaam, prikkelbaar en ontevreden karakter. Met inbegrip +van den ongeveer 5 cM. langen staart kan hij een lengte van nagenoeg 30 cM. bereiken. De bovendeelen zijn grootendeels roodachtig +geel met grijsbruin gemengd. Lichter, n.l. roestkleurig geel, zijn de zijden van den kop, een streepje onder het oor, een +vlek op den schouder en een kleinere vlek achter den oksel. Donkerder, n.l. bruinachtig rood, zijn het oor, de omgeving van +oor en oog en van den staartwortel, de buitenzijde van dij en onderbeen. De onderdeelen en ook de nog niet genoemde deelen +van de pooten, met uitzondering van de witte voeten, zijn zwart; wit zijn ook de rand van het oor, de lippen, de spits van +den snuit en een overlangsche streep op de keel. Van deze <span id="d0e1623" class="corr" title="Bron: kleursverdeeling">kleurverdeeling</span> komen echter allerlei afwijkingen voor; sommige exemplaren <a id="d0e1626"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1626">312</a>]</span>zijn geheel zwart, andere zwart met witte keel en grijze kruin; andere van boven dof vaal, van onderen lichtgrijs, aan de +schouders witachtig; ook treft men er soms albino’s bij aan. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1312.jpg" alt="Hamster (Cricetus frumentarius). ⅓ v.d. ware grootte." width="720" height="568"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Hamster</span> (<i>Cricetus frumentarius</i>). ⅓ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Het verbreidingsgebied van den Hamster strekt zich uit van den Rijn tot den Ob. In de zuidelijke en zuidwestelijke deelen +van Duitschland ontbreekt hij, evenals ook in Oost- en West-Pruisen; daarentegen is hij veelvuldig in Thüringen en Saksen. +In de landen aan de Middellandsche Zee, in Engeland, Denemarken en Skandinavië is hij onbekend. Een bodem, die matig vast, +droog en tevens vruchtbaar is, voldoet hem het best. Hij vermijdt alle zandige gewesten; om geen te groote bezwaren te ondervinden +bij het graven, vestigt hij zich evenmin op een zeer vasten on steenachtigen bodem. Hij houdt niet van bergstreken en bosschen, +evenmin van waterrijke laaglanden. Waar hij voorkomt, treft men hem veelvuldig, soms zelfs in ongeloofelijke scharen aan. + +</p> +<p>Zijn woning bestaat uit een groote woonkamer, die op een diepte van 1 à 2 M. gelegen is en met de buitenwereld in gemeenschap +staat door twee gangen: een hellende, waardoor de bewoners het hol verlaten en een loodrechte, waardoor zij er inkomen. Door +andere gangen is de woonkamer verbonden met de voorraadkamer. Het hol van den Hamster is gemakkelijk te herkennen aan den +gewoonlijk met kaf en doppen van peulvruchten bedekten aardhoop, die voor de uitgangsopening ligt. De ingangspijp dringt altijd +loodrecht in den bodem door, soms zoo, dat men er een langen stok in kan steken; zij komt echter niet onmiddellijk in de kamer +uit, maar door tusschenkomst van een soms horizontale, soms hellende verbindingsbuis. De uitgangspijp daarentegen loopt zelden +recht, maar is in den regel gekromd. Aan de gangen is het gemakkelijk te zien, of het hol bewoond wordt of verlaten is. Als +zij mos, schimmelplanten of gras bevatten, of oneffene wanden hebben, kan men er zeker van zijn, dat het hol niet gebruikt +wordt, want de Hamster is bijzonder netjes op zijn huis en zijn huisdeur. De kleinste van de kamers is de woonkamer; deze +heeft gladde wanden en is altijd aangevuld met zeer fijn stroo, meestal met bladscheeden van de graanhalmen, die een zeer +zachte ligplaats leveren. Drie gangen komen in deze kamer uit en stellen haar in gemeenschap met den ingang, den uitgang en +de voorraadkamer. Deze is dieper gelegen dan de woonkamer, maar gelijkt er volkomen op; zij wordt als de herfst nadert, geheel +gevuld. Jonge Hamsters leggen slechts één proviandpakhuis aan; de oude hebben er echter 3 à 5; men vindt soms meer dan 50 +KG. voorraad in één enkele woning, meestal graan en zaden van peulvruchten, zelden ook wortels, rapen en dergelijke voedingsmiddelen. + +</p> +<p>Vroeger werd beweerd, dat de Hamster iedere graansoort afzonderlijk opstapelt; ten onrechte deed men dit, want hij bergt de +zaden op, zooals hij ze vindt; de reden waarom zij dikwijls soort bij soort leggen, is niet gelegen in de ordelievendheid +van den verzamelaar, maar in de omstandigheid, dat hij in den eenen tijd niet anders dan deze, in een anderen tijd uitsluitend +gene zaden vindt. + +</p> +<p>De woning van het wijfje verschilt in sommige opzichten van die van het mannetje; hoewel zij slechts één uitgangsbuis heeft, +bedraagt het aantal ingangsbuizen 2 à 8, waarvan er echter maar één druk gebruikt wordt, zoolang de jongen nog klein zijn. + +</p> +<p>Ondanks zijn plomp voorkomen ontbreekt het den Hamster niet aan vaardigheid. Zijn gang, die tamelijk wel met dien van den +Egel overeenkomt, en waarbij de buik bijna over den grond sleept, bestaat uit kleine stapjes. Als hij toornig is, maakt hij +haastiger bewegingen en kan hij tamelijk ver en hoog springen. Het graven verstaat hij meesterlijk. Als men hem in een vat +met aarde plaatst, gaat hij oogenblikkelijk aan den arbeid. De grond wordt met de voorpooten, of, bij het ontmoeten van meer +weerstand, bovendien ook met de tanden losgewerkt en voorloopig onder den <a id="d0e1647"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1647">313</a>]</span>buik geworpen; de achterpooten halen hem van hier op en werpen hem naar achteren. Als hij dieper gekomen is, schuift hij achteruitgaand +geheele hoopen aarde tegelijk naar buiten, nooit vult hij er echter zijne wangzakken mede, zooals ten onrechte beweerd wordt. +Hoewel hij het water angstvallig vermijdt, beweegt hij zich hierin vrij goed. Als men hem in een tobbe met water werpt, zwemt +hij hierin vlug rond, maar knort intusschen vol woede; uit alles blijkt dan, dat hij zich niet op zijn gemak gevoelt. Als +hij overvallen wordt, gaat hij oogenblikkelijk op de achterpooten staan en laat de voorpooten bij zich neer hangen, de eene +gewoonlijk een weinig lager dan de andere. Zoo houdt hij stijf de oogen gericht op den verstoorder van zijn rust, blijkbaar +gereed om, zoodra de gelegenheid schoon is, toe te schieten en hem zijne scherpe tanden te laten voelen. + +</p> +<p>Naar het schijnt, zijn de hoofdzintuigen van den Hamster tamelijk gelijkmatig ontwikkeld; het blijkt althans niet, dat het +eene boven het andere bevoorrecht is. De eigenschappen van den geest zijn niet bijzonder geschikt om hem tot een lieveling +van den mensch te maken. Geen ander Knaagdier van even geringe grootte, met uitzondering misschien van de Ratten of de Lemmingen, +laat zich zoo geheel door den toorn overmeesteren. Bij de geringste aanleiding stelt hij zich vermetel te weer, laat een dof +gebrom hooren, knarst met de tanden en slaat ze ongemeen snel en hevig tegen elkander aan. Even groot als zijn toorn, is ook +zijn moed. Hij verdedigt zich tegen ieder dier, dat hem aanvalt en zet den strijd voort, zoolang hij kan. Als hij met onervaren +Honden te doen heeft, behaalt hij niet zelden de zege; de schrandere Rattenvangers alleen weten hem aan te pakken en schudden +hem dan bijna oogenblikkelijk dood. Alle Honden haten den Hamster bijna even hevig als den Egel, omdat zij het niet verdragen +kunnen, dat zulk een klein dier hun oppermacht niet erkent. Niet alleen tegen Honden verweert de Hamster zich, ook den mensch +valt hij stoutmoedig aan, zelfs hem, die niets met dit dier heeft uit te staan. Niet zelden gebeurt het, dat iemand die een +Hamsterwoning voorbijgaat, plotseling het woedende dier aan zich (aan de kleederen meestal) voelt hangen. Ook bij Paarden +doet hij dit. Tegen Roofvogels, die hem van den grond opnemen, verweert hij zich nog in de lucht. Als hij zich eens ergens +aan vastgebeten heeft, laat hij niet los tenzij men hem doodslaat. + +</p> +<p>Dat zulk een doldriftig dier niet verdraagzaam kan zijn, is licht te begrijpen. De jongen willen, zoodra hun eerste jeugd +voorbij is, niet meer bij de moeder blijven; de mannelijke Hamster bijt het wijfje dood, als hij haar buiten den paartijd +ontmoet. Gevangen Hamsters leven zelden in vrede met elkander, met oude dieren is dit waarschijnlijk nooit het geval; jongen, +die nog geen jaar oud zijn, kunnen beter met elkander overweg. Ik heb gedurende geruimen tijd in een kist drie van deze dieren +gehad, die nooit met elkander twistten, maar integendeel zeer verdraagzaam bijeenzaten, meestal zelfs het eene boven op het +andere. Jonge Hamsters uit verschillende nesten vallen echter onmiddellijk op elkander aan en beginnen een strijd op leven +en dood.—Een grappig schouwspel verschaft men zich, wanneer men den Hamster een Egel tot metgezel geeft. In ’t eerst kijkt +het Knaagdier nieuwsgierig naar zijn zonderlingen kameraad, die zich niet veel om zijn gezelschap bekommert, maar rustig zijn +gang gaat. Maar de rust wordt spoedig verstoord. Toevallig komt de Egel in de buurt van zijn medegevangene, en wordt door +dezen met een toornig gebrom begroet; vol schrik rolt het stekelige dier zich tot een bal ineen. Nu gaat de Hamster op verkenning +uit. De stekelige bal wordt besnuffeld,—een bloedende neus is de uitkomst, tot welke hij geraakt. Woedend stoot de gewonde +den bal weg—o wee, ook de hand is gekwetst! Nu ontbloot hij de tanden, piept, blaast, wipt op den bal, springt er ontsteld +weer van af, tracht hem met den rug weg te duwen, steekt zich in den schouder, wordt al woedender en woedender, doet opnieuw +vruchtelooze pogingen om het monsterachtige wezen uit den weg te ruimen, krijgt nog meer steken in de handen en de lippen—ten +einde raad gaat hij eindelijk, terwijl allengs de verbazing de overhand krijgt over den toorn, voor “het stekelvarken” opzitten +en kijkt naar het vreemdsoortig dier met een merkwaardig comische vrees en met een ingehouden woede, die hij niet zelden koelt +aan een nabijzijnd voorwerp, aan een volkomen onschuldige soort- en lotgenoot, wien hij de beten tracht te geven, die hij +den Egel had toegedacht. Zoo vaak de Egel zich verweert, begint het spel opnieuw, en weerklinkt een uitbundig gelach uit de +rijen der toeschouwers. + +</p> +<p>Tegenover andere, kleinere dieren toont de Hamster zich natuurlijk nog minder verdraagzaam als ten opzichte van zijne soortgenooten; +of liever, hij maakt jacht op hen, want levende wezens maken een voornaam bestanddeel van zijn voedsel uit. Vogeltjes, Muizen, +Hagedissen, Hazelwormen, Ringslangen en Insecten eet hij nog liever dan plantaardige stoffen. + +</p> +<p>Ook de Hamster houdt winterslaap. Hij ontwaakt, zoodra de grond ontdooid is, dikwijls reeds in Februari, stellig in Maart. +Niet dadelijk ontsluit hij de verstopte openingen van zijn woning, maar blijft stilletjes onder den grond en maakt gebruik +van zijn winterprovisie. Omstreeks het midden van Maart maken de oude mannetjes, in het midden van April de oude wijfjes de +deur van het winterverblijf open. Dan beginnen zij buitenshuis voedsel te zoeken. + +</p> +<p>Omstreeks 4 à 5 weken na de paring—voor de eerste maal tegen het einde van Mei, voor de tweede maal in Juli—werpt het wijfje +in haar zacht en warm gevoerd nest 6 à 18 jongen. Als zij 14 dagen oud zijn, beginnen de jonge Hamsters reeds in den grond +te wroeten, en zoodra zij dit kunnen, denkt de onvriendelijke moeder er aan, zich van haar kroost te ontdoen; zij zet de kleintjes +eenvoudig haar woning uit en dwingt ze zelfstandig in hun onderhoud te voorzien. Dit schijnt de jonge Hamsters niet veel moeite +te kosten; want reeds op den zesden of zevenden dag van hun leven, als zij ternauwernood behaard zijn en nog in ’t geheel +niet zien kunnen, weten zij al heel aardig een tarwekorrel tusschen hunne voorpootjes vast te houden en met hunne scherpe +tandjes te beknabbelen. Als er gevaar in aantocht is, sluipen de jonge diertjes, hoe hulpbehoevend zij ook schijnen, behendig +naar allerlei schuilhoeken van het hol; het eene heeft zich schielijk op de best mogelijke wijze hier, het andere daar weten +te verbergen; de meeste echter zijn de moeder gevolgd. Deze, die in andere omstandigheden zoo woedend en boosaardig, zoo moedig +en dapper is, toont zich lafhartig, als het er op aankomt hare kinderen te verdedigen; zij neemt schandelijk de vlucht, zoodra +zij bespeurt, dat haar of haar kroost onheil dreigt, en kruipt met hare spruiten weg in een blind eindigende gang; den weg, +langs welken zij het nest verliet, tracht zij zoo schielijk mogelijk met aarde dicht te stoppen en de gang wordt met verbazende +snelheid verlengd. +<a id="d0e1659"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1659">314</a>]</span></p> +<p>Zoodra de veldvruchten rijp worden, hebben de Hamsters het druk met den oogst. Aan de zaaddoozen van ’t vlas, aan groote paardeboonen +en erwten geven zij, naar het schijnt, de voorkeur boven alle andere vruchten. Alleen daar, waar den Hamster niets in den +weg wordt gelegd, haalt hij den oogst over dag binnen; gewoonlijk echter zijn de eerste helft van den nacht en de morgen vóór +zonsopgang de voor den arbeid bestemde tijd. Met de voorpooten buigt hij de lange halmen naar beneden, snijdt er met één beet +de aar af, pakt haar met de voorpooten aan, draait haar een paar malen heen en weer en heeft haar nu niet alleen van korrels +beroofd, maar deze ook reeds in hare wangzakken geborgen. Zoo worden deze wijde, tot aan de schouders reikende zakken tot +aan den rand gevuld; dikwijls sleept een Hamster ongeveer 50 gram graan tegelijk naar zijn woning. Als het dier zoo beladen +is, ziet het er zeer grappig uit en is het zoo onbeholpen mogelijk. Zonder schroom kan men het nu in de handen nemen, want +de volgepropte wangzakken stellen het buiten staat om te bijten; men moet het dier echter niet den tijd laten met de voorpooten +de zakken leeg te strijken, want dan stelt het zich te weer. + +</p> +<p>In het begin van October, als het koud wordt en de akkers kaal zijn, denkt de Hamster er ernstig aan, zijn winterkwartier +in gereedheid te brengen. Het leger is zeer klein, en wordt met het fijnste stroo dicht bekleed. Nu eet de luie dagdief zich +dik en vet, en gaat eindelijk ineengerold liggen om den winterslaap te beginnen. De ledematen blijken bij aanraking ijskoud +te zijn, kunnen moeilijk gebogen worden, springen, als men ze met geweld gebogen heeft, gelijk bij doode dieren, onmiddellijk +weder in hun vroegeren stand terug; de oogen zijn gesloten. De ademhaling en het kloppen van het hart zijn niet meer te voelen. +Gewoonlijk slaat het hart 14 of 15 maal in de minuut. Vóór het ontwaken merkt men in de eerste plaats op, dat de stijfheid +vermindert. Daarna begint het ademhalen merkbaar te worden; men bespeurt eenige bewegingen; de slaper gaapt en laat een rochelend +geluid hooren, rekt zich uit, opent de oogen, waggelt rond, alsof hij beschonken is, tracht op zijne pooten te blijven staan, +valt om, staat nogmaals op, schijnt in gedachten verzonken, en loopt eindelijk langzaam rond; als men hem iets eetbaars toewerpt, +vreet hij het dadelijk op; hij poetst en strijkt zich de haren glad en is nu volkomen wakker. In een kamer, waar bij koud +weer gestookt wordt, kan men de Hamsters voortdurend wakker houden; zij blijven dan echter niet gezond en sterven spoedig. + +</p> +<p>Wel is het gelukkig, dat de Hamster, die zich soms zeer sterk vermenigvuldigt, en dan groote schade aanricht, zoovele vijanden +heeft. Buizerden en Uilen, Raven en vele andere Vogels, vooral echter de Bunzing en de Wezel, zitten hem onophoudelijk op +de hielen en dooden hem, waar en wanneer ze hem ook ontmoeten. + +</p> +<p>In eenige streken wordt ook door den mensch een verdelgingsoorlog tegen den Hamster gevoerd. Het belangrijkste voordeel, dat +deze jacht oplevert, is de voorraad, die deze kluizenaar verzamelt; het door hem voor de toekomst bewaarde graan wordt eenvoudig +afgewasschen, daarna gedroogd en evenals ander koorn gemalen. Ook het vel van dit dier is bruikbaar; naar men bericht, levert +het een zeer goede, lichte en duurzame pelterij. In vele gewesten wordt het vleesch van den Hamster gegeten. Hoe groot het +aantal dezer dieren in sommige streken is, in weerwil van de ijverigste vervolgingen, kan men afleiden uit het door <span class="smallcaps">Altum</span> medegedeelde bericht, dat in 1869, op de akkers om Aschersleben, 39.000 Hamsters gevangen werden. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De familie van de <span class="letterspaced">Woelmuizen</span> (<i>Arvicolidae</i>), omvat een groot aantal soorten van kleine Knaagdieren, die veel op elkander gelijken en in vele opzichten aan de Muizen +herinneren, bij welke familie zij vroeger gevoegd werden. De uitwendig zichtbare kenmerken, waardoor zij zich van deze onderscheiden, +zijn vooral: de plompe lichaamsbouw, de dikke kop, de ooren, die geheel onder de beharing verborgen zijn of slechts weinig +er boven uitsteken en de korte staart, welks lengte hoogstens het twee derde deel van die van het overige lichaam bedraagt. + +</p> +<p>Het gebit bevat, behalve de bij alle Knaagdieren voorkomende wortellooze (steeds doorgroeiende) snijtanden, drie kiezen in +elke kaakhelft; deze hebben niet, evenals die der Echte Muizen, “ware” wortels, maar zijn “wortelloos”. Het in de kaak verborgen +deel van den tand of kies, wordt n.l. alleen dan een “ware” wortel genoemd, als het allengs dunner wordt, en aan het dunne +uiteinde slechts fijne, moeielijk zichtbare openingen heeft, waardoor de bloedvaten voor het in den tand aanwezige tandbeenvormende +orgaan (de pulpa) binnendringen. Wortellooze tanden hebben aan het bedoelde uiteinde een groote opening en heeten daarom ook +wel tanden met “open wortels”. De tandbeenvorming heeft hier wegens de meerdere toevoer van bloed naar de pulpa sneller plaats; +“wortellooze” tanden (of kiezen) groeien dus van onderen aan, naarmate zij van boven afslijten. Bovendien bestaat de kauwvlakte +van de kiezen der Woelmuizen niet, evenals die der Echte Muizen, uit met email bedekte knobbeltjes, maar vertoont dwars gerichte +lijsten van email, gevormd door de naar binnen dringende plooien van de emaillaag, die de geheele kies omgeeft. Deze lijsten +blijven steeds boven de kauwvlakte uitsteken, wijl de daarnevens gelegen bestanddeelen van de kies (tandbeen en cement) zachter +zijn en sterker afslijten. + +</p> +<p>De Woelmuizen bewonen het noorden van de Oude en Nieuwe Wereld. Zij leven zoowel in de vlakte als in het gebergte, op bouwland +en ook op nagenoeg woeste gronden, op akkers en weiden, in tuinen, aan de oevers der rivieren, beken, meren en plassen. Holen +en gaten, die door haar zelf gegraven zijn, dienen haar tot verblijfplaats. Bijna alle vermijden de nabuurschap van den mensch; +slechts weinige komen soms in zijne stallen en schuren of in zijne tuinen. Hare holen bestaan uit meer of minder lange, al +of niet vertakte gangen, welke zich van die der andere dieren dikwijls door hun ligging dicht bij de oppervlakte onderscheiden; +vele echter graven kamers, die op hutten gelijken, andere maken woningen, die in meerdere of mindere mate van kunstvaardigheid +getuigen. De meeste wonen alleen of paarsgewijs; nu en dan vereenigen zij zich echter tot groote scharen. Hun voedsel ontleenen +zij vooral aan ’t plantenrijk, door vele echter worden ook dierlijke stoffen niet versmaad. Vele verzamelen wintervoorraad, +hoewel zij geen winterslaap houden. Voor ’t overige gelijken zij in bijna alle opzichten op Echte Muizen. Haar levenswijze +is bijna als die van deze dieren, die zich echter door meerdere vlugheid en behendigheid onderscheiden. Ook de Woelmuizen +bewegen zich tamelijk snel; slechts weinige soorten kunnen klimmen; bijna alle zijn meesterlijk ervaren in het zwemmen, eenige +leven zelfs geheel in ’t water; andere houden maanden lang verblijf in de sneeuw, waarin zij langen gangen graven en kunstvolle +nesten bouwen. Enkele soorten ondernemen, waarschijnlijk door gebrek <a id="d0e1685"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1685">315</a>]</span>aan voedsel gedreven, groote zwerftochten; hieraan is het toe te schrijven, dat tegenwoordig verscheidene soorten in Europa +inheemsch geworden zijn, die vroeger uitsluitend in Azië leefden. Onder hare zinnen staan de reuk en het gezicht bovenaan. +Hare geestvermogens zijn gering. Alle vermenigvuldigen zich sterk, sommige soorten zelfs ongeloofelijk snel. Bijna alle soorten +zijn voor den mensch schadelijk zonder hem eenigen dienst van beteekenis te bewijzen; zij worden daarom terecht gehaat en +op allerlei wijzen vervolgd. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Muscus-rat</span>, <span class="letterspaced">Bever-rat</span> of <span class="letterspaced">Ondatra</span> (<i>Fiber zibethicus</i>), de eenige voor den mensch nuttige soort van de geheele familie, kan omschreven worden als een groote Waterrat met langen +staart, breede achtervoeten (welker teenen door korte zwemvliezen met elkander verbonden zijn), stompen snuit en kort behaarde +ooren (die gesloten kunnen worden). De staart is alleen in de nabijheid van den stam rolrond, voor het overige zijdelings +samengedrukt, in de nabijheid van de spits tweesnijdig en met kleine schubben bezet. De beharing is dicht, glad aanliggend, +zacht en glanzig, het wolhaar buitengewoon zacht, fijn en kort, het bovenhaar zeer glanzig en dubbel zoolang als het wolhaar. +De bovendeelen, zijn bruin, soms geel, de onderdeelen zijn grijs, op sommige plaatsen met een roodachtig waas; de staart is +zwart. Volwassen mannetjes worden omstreeks 58 cM. lang, waarvan ongeveer de helft op den staart komt. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1315.jpg" alt="Muscus-rat of Ondatra (Fiber zibethicus). ⅓ v.d. ware grootte." width="720" height="403"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Muscus-rat</span> of <span class="letterspaced">Ondatra</span> (<i>Fiber zibethicus</i>). ⅓ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Ondatra bewoont de landen van Noord-Amerika, die <span id="d0e1717" class="corr" title="Bron: tusschen tusschen">tusschen</span> 30 en 60° N.B. gelegen zijn. Het veelvuldigst komt dit dier voor in het waterrijke Canada en in Alaska. De met gras begroeide +oevers van groote meren of van breede, langzaam stroomende rivieren, van stille beken en moerassen, zijn de verblijfplaatsen +van deze om zijn vacht zeer gezochte Rat; het liefst echter vestigt zij zich aan de kanten van niet al te groote, met riet +en waterplanten bedekte vijvers. Hier bewoont zij een bepaalde plaats en vormt met andere dieren van haar soort tamelijk innig +verbonden familiën of volken. Haar levenswijze komt in vele opzichten met die van den Bever overeen: de Indianen noemen daarom +deze beide dieren broeders, en beweren, dat de Bever de oudste en schranderste, de Muscusrat de domste van de twee is. De +woningen zijn, evenals die van den Bever, eenvoudig onderaardsche kamers met verscheidene uitgangsbuizen, die alle onder den +waterspiegel uitkomen, of hutten boven den grond. De laatstgenoemde, die vooral in noordelijke streken aangelegd worden, zijn +half-kogelvormig of gelijken op koepels; zij rusten op een modderbank en verheffen zich dus boven den waterspiegel. De wanden +dezer hutten worden van zeggen, riet en biezen vervaardigd, welke plantendeelen door slib met elkander verbonden zijn; eenige +onderzoekers beweren echter, dat de geheele hut aanvankelijk uit slib bestaat, en zich langzamerhand eerst bedekt met een +laag van gras en biezen, doordat deze er tegen aan drijven. De hut bevat slechts één kamer, die een middellijn van 40 à 65 +cM. heeft. Een gang, die op den bodem van het water uitkomt, verleent toegang tot deze kamer. Van haar gaan andere blind eindigende +buizen uit, die een eind weegs onder den grond doorloopen en naar gelang van de omstandigheden meer of minder verlengd worden, +want zij dienen eigenlijk alleen om de wortels van de waterplanten, die hij als voedsel gebruikt, te kunnen bereiken. Vóór +den winter bekleedt de Ondatra hare kamers met een zacht kussen van droge bladeren en zorgt voor luchtverversching in haar +hut door het middelste deel van het dak uit los opeengestapelde planten samen te stellen, waartusschen genoeg ruimten overblijven +om versche lucht toe te laten en de bedorven lucht te laten ontsnappen. Zoolang het moeras of de vijver niet tot op den bodem +dicht vriest, leeft zij zeer genoegelijk in haar warme woning, die door het dikke sneeuwkleed, dat haar bedekt, nog meer tegen +de koude beschut wordt. + +</p> +<p>Het voedsel van deze dieren bestaat bijna uitsluitend uit waterplanten; in vele woningen werden echter ook leeggegeten schelpen +van Weekdieren gevonden. Aan gevangen exemplaren merkte <span class="smallcaps">Audubon</span> op, dat zij veel van Mossels houden. De Bever-ratten zijn zeer opgewekt en speelsch, als zij zich in haar eigenlijk element, +in het water, bevinden. Wie zich in een stillen nacht in de nabijheid van een molenvijver of ander, diep, afgelegen water +bevindt, ziet er vaak verscheidene van deze dieren bijeen, en kan nagaan, hoe zij zich vermaken; sommige zwemmen in verschillende +richtingen heen en weer, waarbij zij lange glinsterende strepen op den waterspiegel doen ontstaan; andere rusten eenige oogenblikken +op bosjes gras of op steenen en kluiten, van waar zij het voedsel dat op het water drijft, kunnen bereiken; nog andere zitten +aan den oever en springen de eene na de andere als Kikvorschen in den plas. Een groote ontsteltenis <a id="d0e1725"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1725">316</a>]</span>maakt zich van de op deze wijze spelende Ondatra’s meester, zoodra men een geweer afschiet. Overhaast nemen zij de vlucht; +met een onvergelijkelijke snelheid duiken zij bij dozijnen te gelijk in de diepte, zoodra zij den knal hooren, of verdwijnen +in hare holen. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1316.jpg" alt="Waterrat (Arvicola amphibius). ⅔ v. d. ware grootte." width="720" height="443"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Waterrat</span> (<i>Arvicola amphibius</i>)<span id="d0e1735" class="corr" title="Bron: ">.</span> ⅔ v. d<span id="d0e1738" class="corr" title="Bron: ">.</span> ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Van de voortplanting der Muscus-ratten is tot dusver niet veel bekend. Het wijfje werpt in haar hut of in een onderaardsch +hol 3 à 6 jongen. + +</p> +<p>Over ’t algemeen onderscheiden deze Woelmuizen zich door een buitengewoon zachten aard. Die, welke jong gevangen zijn, worden +spoedig tam. De oude dieren blijven echter bijtlustig en ongenaakbaar. Men moet ze bewaren in een kist, die van binnen met +blik bekleed is, daar zij andere hokken spoedig vernielen. + +</p> +<p>De Ondatras worden ijverig vervolgd, niet zoo zeer wegens de schade, die zij aanrichten, als wegens het voordeel, dat zij +na haar dood opleveren. Van het vel worden pelzen, kragen en moffen gemaakt, die vooral in Amerika en China aftrek vinden; +sommige menschen houden er niet van, wegens den muscusreuk, die er nog lang aan blijft. Het vleesch wordt alleen door de Indianen +gegeten; voor Europeanen is het onbruikbaar, daar het zoo sterk naar muscus of civet ruikt. + +</p> +<p>De Bever-rat wordt in vallen gelokt, die met appels als lokaas worden voorzien; ook vangt men ze wel in klemmen, die voor +hare woningen worden geplaatst, of doodt ze in hare hutten. De Indianen kunnen de bewoonde hutten zeer goed onderscheiden +van die, welke verlaten zijn; zij sluipen er zonder gedruisch te maken heen en stooten een scherpe speer met groote kracht +door den wand der hut, waardoor zij in den regel den bewoner dooden. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Op de Muscus-ratten laten wij de <span class="letterspaced">Eigenlijke Woelmuizen</span> (<i>Arvicola</i>) volgen; deze hebben de teenen van de achtervoeten niet door zwemvliezen verbonden en een onbehaarde zool. + +</p> +<p>Dit geslacht wordt in vier ondergeslachten verdeeld: de <span class="letterspaced">Woelratten</span> (<i>Paludicola</i>), de <span class="letterspaced">Boschwoelmuizen</span> (<i>Hypudaeus</i>), de <span class="letterspaced">Akkerwoelmuizen</span> (<i>Agricola</i>) en de <span class="letterspaced">Veldmuizen</span> (<i>Arvicola</i>). + +</p> +<p>Geen van de leden van het geheele geslacht dringt zich meer aan onze aandacht op en maakt zich meer gehaat dan de <span class="letterspaced">Waterrat</span> of <span class="letterspaced">Veldrat</span> [<i>Arvicola</i> (<i>Paludicola</i>), <i>amphibius</i>], een der schadelijkste Knaagdieren, die er bestaan (niet te verwarren met de Bruine rat, die soms ook “Waterrat” wordt genoemd). +Zij leeft niet, zooals men misschien uit den naam zou afleiden, uitsluitend in het water of aan den waterkant of in moerassige +oorden. Er zijn er wel is waar, die aan het water en aan drassige gronden de voorkeur geven; deze hebben zelfs, voor zoover +men heeft kunnen nagaan, het uitgestrektste verbreidingsgebied; het strekt zich uit van den Atlantischen Oceaan tot aan de +Zee van Ochotsk, van de Noordkaap en de Witte Zee tot aan het zuiden van Italië, Dalmatië en de landstreken om den Kaukasus. +Deze “eigenlijke Waterratten” zwemmen en duiken uitmuntend, sommige zoeken in ’t water haar voedsel, andere komen ook in droge +akkers en tuinen en niet zelden uren ver van ’t water verwijderd voor. De in droge streken levende exemplaren zijn in den +regel zeer licht van kleur; “zuiver zwarte of zwartbruine”, zegt <span class="smallcaps">Blasius</span>, “heb ik alleen in de nabijheid van ’t water of op natte plaatsen gevonden.”—Andere Waterratten echter houden zich bij voorkeur +in droge gronden op en bekommeren zich, naar het schijnt, in ’t geheel niet meer om het water. Met dit verschil in levenswijze +gaan in den regel eenige afwijkingen van tint en lichaamsbouw gepaard; de laatstbedoelde zijn niet alleen meestal lichter +van kleur, maar hebben o.a. ook een naar verhouding korteren staart. Onder deze op droge gronden levende Waterratten onderscheidt +men twee vormen: de eene, de “Italiaansche Woelrat” werd tot dusver alleen in Provence, Italië, en misschien ook in den Kaukasus +aangetroffen; de andere, die in de Pyreneeën, de Alpen, den Elzas, Thüringen, de Harts en Westelijk Duitschland gevonden werd, +komt ook in eenige gemeenten van de graafschap Zutphen voor en is hier onder de namen “Aardwolf” en “Vreetwolf” bekend. + +</p> +<p>Toch is het bij nader onderzoek gebleken, dat er geen voldoende redenen bestaan, om, in navolging van sommige dierkundigen, +drie “soorten” van Waterratten te onderscheiden; daar nevens de vormen, die tot de bedoelde onderscheiding aanleiding zouden +kunnen geven, tal van tusschenvormen bestaan, die òf meer tot den eenen, òf meer tot den anderen vorm overhellen. + +</p> +<p>De Waterrat is 21 à 24 cM. lang, waarvan voor den staart 6.5 à 8.5 cM. gerekend moeten worden. <a id="d0e1810"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1810">317</a>]</span>De vacht is nagenoeg eenkleurig, daar de grijsbruine of bruinzwarte kleur van de bovendeelen onmerkbaar overgaat in de iets +lichtere kleur van de onderdeelen; deze kan zijn witachtig, of alle tinten vertoonen, die tusschen grijs en zwart of grijsachtig +zwart gelegen zijn. Dat de kleur velerlei afwijkingen aanbiedt, werd reeds opgemerkt, en ook, dat dit aanleiding heeft gegeven +tot het onderscheiden van drie typen: de Eigenlijke Waterrat, de Italiaansche Woelrat en de Molmuis of Aardwolf. + +</p> +<p>Van de Echte Ratten kan men de Waterrat onmiddellijk onderscheiden, door te letten op haar dikken, ronden, korten kop met +de in ’t oog loopend korte, niet buiten de vacht te voorschijn komende ooren, welker lengte ter nauwernood een vierde deel +van de lengte van den kop bedraagt; bovendien heeft zij een veel korteren staart. Deze soort bewoont de vlakte zoowel als +de bergstreken, en komt in de Alpen op bouw- en weiland nog op een hoogte van 1200 M. geregeld voor; binnen de reeds genoemde +grenzen is zij eigenlijk nergens zeldzaam. + +</p> +<p>De levenswijze van de Waterrat herinnert aan die van den Mol, evenwel ook aan die van de Muscusrat en andere in het water +levende Knaagdieren. De Eigenlijke Waterrat graaft haar woning bij voorkeur aan den oever van stilstaand water; gangen die +aan den waterspiegel beginnen en scheef naar boven gericht zijn, monden uit in een ruime kamer, die niet zelden zeer zacht +bekleed is. De holen in droge streken zijn samengestelder; het zijn gangen, die soms vele honderden schreden lang zijn en, +evenals die van den Mol, grootendeels op zeer korten afstand van de aardoppervlakte gelegen zijn. De Mol blijft echter voortdurend +onder den grond, onze Woelmuis verlaat haar gang nu en dan om zich een eindweegs over de oppervlakte te bewegen en dan op +eenigen afstand van haar uitgangspunt haar onderaardsche werkzaamheid te hervatten. Terwijl zij aan ’t graven is, werpt zij +de planten om, die boven hare gangen staan, verslindt de wortels en richt op deze wijze veel meer schade aan, dan ooit uit +het woelen van den Mol zou kunnen voortvloeien. De gangen van de Waterrat zijn zelden dieper gelegen dan de aardlaag, die +de wortels van de door haar gezochte planten omgeeft; dikwijls zijn zij zoo ondiep, dat de grond er boven wordt opgelicht +en de gang slechts door een gewelf van 2 à 3 cM. dikte van de buitenlucht gescheiden is; zulke gangen storten zeer dikwijls +in en zijn dan onbruikbaar; steeds worden zij echter ten spoedigste weer hersteld; al moet zij verscheidene malen per dag +denzelfden arbeid verrichten, de Waterrat is onvermoeid. Onbedekte loopgraven, zooals die van den Mol, graaft zij dus niet; +ook verschillen de door haar opgeworpen aardhoopen van de molshoopen, doordat zij uit grootere kluiten bestaan, veel ongelijkmatiger +zijn en te zamen geen rechte lijn vormen. In een dergelijke aardhoop, die grooter is dan de overige, bevindt zich de kamer, +waarin de Waterrat hare jongen ter wereld brengt, nadat zij er vooraf een warm nest in gebouwd heeft. Ieder hol dient tot +woonplaats aan een paar van deze dieren; het eene paar houdt zich gaarne in de nabijheid van het andere op. + +</p> +<p>De Waterrat loopt niet bijzonder snel; zij verstaat echter uitmuntend de kunst van graven en is een meester in het zwemmen, +hoewel de Waterspitsmuis haar in dezen overtreft. Op stille plaatsen ziet men haar zoowel over dag als ’s nachts aan ’t werk; +zij is echter voorzichtig en vlucht in haar hol, zoodra zij bemerkt, dat men naar haar kijkt. Alleen als zij tusschen het +riet bezig is, kan men haar gemakkelijk waarnemen. Toch hebben de Waterratten, die zich in het Johanna-park te Leipzig ophouden, +zich zoozeer aan het hier dikwijls zeer drukke verkeer van menschen gewend, dat men haar werkzaamheid op ieder uur van den +dag, zoolang als men wil, kan nagaan, indien men voedsel voor haar medeneemt. Onder een brug, die voor de wandelaars over +den smalsten arm van den parkvijver is aangelegd, hebben de Waterratten zich genesteld; zij zwemmen ijverig rond en komen +zonder schroom nader, als de over den brug gaande of daar verzamelde, jubelende kinderen allerlei stukjes voedsel naar beneden +werpen. Deze gaven, die waarschijnlijk oorspronkelijk voor de Visschen en de Zwanen bestemd waren, hebben ook de Waterratten +aangelokt en worden voor ’t meerendeel ingezameld door deze vlugge zwemmers, wat dan ook tegenwoordig in den regel de bedoeling +van de gevers is. + +</p> +<p>Van de zintuigen van de Waterrat zijn, naar het schijnt, vooral die van het gezicht en van het gehoor voortreffelijk ontwikkeld. +Haar karakter verschilt in haar voordeel van dat van de Ratten. Zij is nieuwsgierig, voor ’t overige echter bekrompen van +geest en tamelijk goedaardig. Haar voedsel ontleent zij grootendeels aan het plantenrijk; hierdoor wordt zij dikwijls zeer +schadelijk, vooral als zij de tuinen als arbeidsveld heeft gekozen. + +</p> +<p>De in ’t water levende Waterrat doet weinig schade door het voedsel dat zij gebruikt en als winterproviand medevoert, maar +wordt zeer gevaarlijk voor onze veiligheid, als zij zich in de nabijheid van rivierdijken sterk vermenigvuldigt. In alle richtingen +<span class="letterspaced">doorwoelen</span> zij <span class="letterspaced">de genoemde waterkeeringen</span>, zoodat deze bij hoogen waterstand voor de drukking van ’t water bezwijken; middellijk zijn zij dus oorzaak van overstroomingen. +Het voedsel, dat zij gedurende haar verblijf in ’t water gebruiken, bestaat hoofdzakelijk uit rietstengels. Ook versmaden +zij geen dierlijk voedsel. In ’t water vangen zij volwassen Insecten en hunne larven, kleine Kikvorschen, Visschen, Schaaldieren, +op het land vervolgen zij Veldmuizen en andere Muizen, verslinden de eieren van de in ’t gras broedende Vogels, vreten groote +gaten in de vellen, die de looiers in ’t water leggen te weeken, enz. In den herfst vergrooten zij haar woning door een voorraadkamer +aan te leggen, die door gangen met het oude nest verbonden is. Deze kamer wordt gevuld met erwten, boonen, uien en aardappels, +die uit de naburige akkers en tuinen afkomstig zijn; op dezen voorraad teren zij gedurende het laatste gedeelte van den herfst +en in het voorjaar, kortom zoolang het weder nog zacht is. Eerst bij felle vorst vallen zij in slaap, zonder evenwel in een +toestand van verstijving over te gaan. + +</p> +<p>De Waterratten vermenigvuldigen zich snel. Drie of viermaal per jaar vindt men in het onderaardsche, warme, zacht bekleede +nest 2 à 7 jongen; die van één worp zijn dikwijls van verschillende kleur. “De diepte van het hol, waarin het nest wordt aangelegd,” +zegt <span class="smallcaps">Landois</span>, “wisselt af van 30 tot 60 cM. Het staat steeds in gemeenschap met verscheidene gangen. Het nest zelf vult de holte volkomen +aan; het is bolvormig, heeft een middellijn van 15 à 20 cM. en bestaat uit een zeer groot aantal uiterst fijne, droge wortelvezeltjes. +Dikke wortelvezels en wortels worden bij den bouw niet gebruikt; op deze wijze wordt een nest verkregen, dat wat zachtheid +en warmte betreft, vele vogelnesten overtreft.” Soms wordt het nest gebouwd <a id="d0e1833"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1833">318</a>]</span>te midden van dichte struiken onmiddellijk boven den grond, dikwijls ook in het riet. Zulk een nest wordt door <span class="smallcaps">Blasius</span> beschreven. “Het stond 1 M. boven den waterspiegel, op een afstand van ongeveer dertig schreden van den drogen oever; het +was als dat van een Rietzanger tusschen drie riethalmen ingevlochten, bolvormig, uit fijne, zachte grasbladen gebouwd; de +opening was dichtgestopt; buitenwerks had het een middellijn van ongeveer 10, binnenwerks van weinig meer dan 5 cM.; het bevatte +twee koolzwarte, nagenoeg half volwassen jongen. Eén van de oude dieren, dat zich bij mijn komst van het nest verwijderde +en in het water sprong, was eveneens zwart; het zwom en dook zeer behendig. De ouden konden alleen zwemmend bij het nest komen, +daar de vijver van den oever tot aan het nest 1 M. diep was; zij moesten daarna bij een riethalm omhoog klauteren. De gewone +wijze van nestbouw van de Waterratten is geheel anders; er bestond hier een zeer gunstige gelegenheid voor het bouwen van +een onderaardsch nest in een der naburige akkers of tuinen; ook had het dier een nest kunnen bouwen op den grond in de dichte +struiken van den ringdijk om den vijver; ik kon dus geen verklaring vinden voor deze afwijking van den regel.” + +</p> +<p>De Waterrat is niet goed geschikt om in een hokje gehouden te worden. Zij vereischt een zorgvuldige verpleging, daar zij zich +niet licht in veranderde omstandigheden schikt, en nooit behoorlijk tam wordt. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Op groote hoogten in de Alpen, daar waar geen andere dieren leven, woont een tweede soort van het geslacht Woelmuis, die merkwaardig +is, doordat zij in ieder jaargetijde het klimaat trotseert, en zelfs in den winter er niet aan denkt, om, op gelijke wijze +als de andere Knaagdieren, in den grond een schuilplaats te zoeken. Nog steeds ontbreken ons uitvoerige berichten over deze +soort, hoewel de ijverigste onderzoekers zich bezig hebben gehouden met het nagaan van haar levenswijze; de ongastvrijheid +van de gewesten, waarin dit dier zich ophoudt, maken het onderzoek te bezwaarlijk. + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">sneeuwmuis</span> [<i>Arvicola (Paludicola) nivalis</i>] is een tamelijk kleine Woelrat, die (zonder den 6.8 cM. langen staart) 12.5 cM. lang wordt. Haar vacht is tweekleurig: licht +bruinachtig grijs van boven, op het midden van den rug donkerder dan aan de zijden, grijsachtig wit van onderen; de beide +kleuren zijn scherp van elkander gescheiden. Van deze soort komen eenige standvastige verscheidenheden voor, d.i. afwijkingen, +die geregeld overerven. Deze verschillen echter, voor zoover men weet, niet in levenswijze. “Van alle Muizen,” zegt <span class="smallcaps">Blasius</span>, “heeft de Sneeuwmuis het kleinste, maar tevens het eigenaardigste verbreidingsgebied. Het omvat de Alpen in hun geheele +uitgestrektheid. Bovendien werd zij aan <span class="smallcaps">de Selys</span> van uit de Pyreneeën toegezonden. Er is mij geen geval bekend, dat zij in de Alpen op een geringere hoogte dan 1000 M. boven +den zeespiegel geregeld gevonden wordt; ook op een hoogte van 1300 M. komt zij op de meeste plaatsen niet veelvuldig voor. +Van hier te beginnen treft men haar aan op alle hoogten tot aan de laatste grenspunten van het plantenleven. In de nabijheid +van de sneeuwgrens wordt zij het veelvuldigst waargenomen; zij gaat echter nog hooger op en bewoont zelfs de kleinste oasen +in de sneeuw- en ijswoestijn: de met armoedige alpenkruiden spaarzaam begroeide, aan alle zijden door de sneeuwvelden ingesloten, +kale plekken aan de zuidzijde van de hooge toppen der Alpen, waar de warme zonnestralen dikwijls slechts gedurende 2 of 3 +maanden het telkens weer vernieuwde sneeuwkleed uit den weg kunnen ruimen, en den bodem over een afstand van weinige schreden +blootleggen. In deze ontzagwekkende eenzaamheid brengt zij, behalve den schoonen, korten Alpenzomer, ook den 9 of 10 maanden +durenden, strengen winter door, waarin het nimmer wijkende sneeuw- en ijskleed, dat de Alpentoppen bedekt, zich ook uitstrekt +over de bergstreken, die in andere jaargetijden met planten getooid zijn; zij verlaat haar woonplaats niet, maar graaft in +den winter gangen onder de sneeuwlaag, om plantenwortels te zoeken, zoodra de door haar verzamelde wintervoorraad niet voldoende +blijkt te zijn. Geen ander Zoogdier begeleidt de Sneeuwmuis het geheele jaar door op deze verstijfde hoogten der Alpen, die +boven de grenzen der levende natuur vrij in ’t luchtruim zich verheffen; slechts nu en dan volgt een onverbiddelijke vijand, +een Wezel of een Hermelijn, haar spoor.” + +</p> +<p>De natuuronderzoekers kennen de Sneeuwmuis eerst sinds ruim een halve eeuw; <span class="smallcaps">Nagar</span> ontdekte haar in 1841 in Andermatt op den St. Gotthard, <span class="smallcaps">Martins</span> vond haar op den Faulhorn, <i>Hugi</i> op den hoogsten kam van den Strahleck, op een hoogte van ruim 3000 M., en op den Finsteraarhorn op 3600 M. hoogte boven den +zeespiegel midden in den winter in een Alpenhut in de nabijheid van den Grindelwald-gletscher. <i>Blasius</i> ontmoette de Sneeuwmuis op de bergen van Chambéry, op den Montblanc, op een 3600 M. hoog gelegen punt van den Bernina, op +den hoogsten top van den Piz Linguard, die luttele schreden breed is en over een oppervlakte van slechts weinige vierkante +voeten van sneeuw ontbloot was, op ongeveer 3300 M. hoogte in het hooge dal van den Oetz en op vele andere plaatsen van den +Alpenketen. + +</p> +<p>Het leven dat de Sneeuwmuis in haar ongastvrij, onbeschrijfelijk armoedig vaderland leidt, is tot dusver nog raadselachtig. +Men weet, dat zij planten, hoofdzakelijk wortels en Alpenkruiden, gras en hooi tot voedsel gebruikt en ook een wintervoorraad +van deze stoffen inzamelt; hoe zij op vele van de door haar bewoonde plaatsen nog voedsel genoeg kan vinden, is echter moeilijk +te begrijpen. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Rosse Veldmuis</span> [<i>Arvicola (Hypudaeus) glareolus</i>], die (zonder den 4.5 cM. langen staart) een lengte van 10 cM. kan bereiken, is tweekleurig: van boven bruinrood, in de buurt +van de flanken grijsachig; de witte kleur van de onderdeelen en van de voeten is scherp gescheiden van die der bovendeelen. + +</p> +<p>Zij komt gewoonlijk voor in bosschen met breedgebladerde boomen en aan boschranden, zoo ook in het struikgewas en in tuinen +met vele boomen. Zij is inheemsch en bewoont de meeste andere landen van Middel-Europa, o.a. Duitschland, Hongarije, Kroatië, +Moldavië en Rusland. In de meeste streken van ons land is zij aanwezig, en vooral in de duinen niet zeldzaam; nergens komt +zij echter in zeer grooten getale voor. Zij ontleent haar voedsel meer aan de dierenwereld dan aan het plantenrijk; zij eet +vooral Insecten en Wormen, en maakt nu en dan waarschijnlijk ook wel het een of ander vogeltje buit. In gevangenschap bekomt +de vleeschvoeding haar goed; zij versmaadt echter geenszins koorn of andere zaden en evenmin knolvormige wortels; in den winter +voedt zij zich bij voorkeur met de schors van jonge boomen. Wanneer zij in een bosch veelvuldig voorkomt, kan zij door het +afvreten van de schors van sinds kort geplante boompjes een ontzaglijke <a id="d0e1886"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1886">319</a>]</span>schade aanrichten en het jonge plantsoen over een groote uitgestrektheid geheel vernielen. Zij begeeft zich zelden op grooten +afstand van ’t bosch, maar bezoekt toch dikwijls de naburige akkers en richt dan hier even veel schade aan als de andere leden +van hare familie. + +</p> +<p>Zij kan gemakkelijk in ’t leven gehouden worden en wordt spoedig zeer tam. Met andere dieren van haar soort en met leden van +verwante soorten leeft zij in vrede. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Aardmuis</span> [<i>Arvicola (Argricola) agrestis</i>] is (zonder den 3.7 cM. langen staart) 11 cM. lang, en heeft een tweekleurige vacht: van boven donker zwartachtig bruingrijs, +bij de flanken iets lichter, van onderen en aan de voeten grijswit. Zij bewoont Noord- en Middel-Europa. In Nederland is zij +enkele malen waargenomen, voorts in Skandinavië, Denemarken<span id="d0e1900" class="corr" title="Bron: .">,</span> Groot-Britannië, België, Frankrijk, Noord-Duitschland, Noord-Rusland; zij leeft gewoonlijk in bosschen, boschranden, kreupelhout, +in dijken en nabij slooten; liefst in de nabijheid van het water, steeds in waterrijke streken. Dikwijls treft men haar in +gezelschap van de vorige soort en van de veldmuis aan. Haar voedsel ontleent zij bij voorkeur aan het plantenrijk. In hare +bewegingen is zij zoo onbeholpen, dat men haar zonder groote moeite met de hand vangen kan. Bovendien is zij in ’t geheel +niet schuw; zij verschijnt meestal op klaarlichten dag voor den ingang van hare in den grond gegraven holen. Het ronde nest +bevindt zich op korten afstand beneden de aardoppervlakte, maar wordt van boven door dichte bundels gras beschut. Drie of +vier maal per jaar vindt men in zulke nesten 4 à 7 jongen, die spoedig volwassen zijn en al dadelijk op de ouden gelijken. +Men kan ze gemakkelijk gevangen in ’t leven houden. + +</p> +<p>Van de leden van het laatste ondergeslacht (<i>Arvicola</i> in engeren zin) zijn sommige zoo kortoorig, dat het oor geheel onder de vacht verborgen blijft, andere met iets langere, +even boven de vacht uitstekende oorschelpen bedeeld. Het is, volgens <span class="smallcaps">Van Bemmelen</span>, mogelijk, dat ook in ons land de <span class="letterspaced">Kortoorige Veldmuis</span> (<i>Arvicola Subterraneus</i>) voorkomt. Deze, die door hare kleur (bovendeelen geelachtig grijs, onderdeelen witachtig, beide kleuren scherp gescheiden) +en grootte niet veel van de volgende soort verschilt, is door geheel België verspreid en leeft in onderaardsche gangen, in +vochtige weilanden, in moestuinen, nabij het water, soms ook in akkers. + +</p> +<p>Van veel meer belang is voor ons de <span class="letterspaced">Gewone Veldmuis</span> (<i>Arvicola arvalis</i>), die zonder den 3 cM. langen staart, 11 cM. lang wordt. Haar vacht is onduidelijk tweekleurig, aan de bovendeelen geelachtig +grijs, aan de zijden lichter, aan de onderdeelen vuil- (geelachtig) wit; de pooten zijn zuiverder wit. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1319.jpg" alt="Veldmuis (Arvicola arvalis). ⅔ v.d. ware grootte." width="720" height="409"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Veldmuis</span> (<i>Arvicola arvalis</i>). ⅔ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Het verbreidingsgebied van dit schadelijke Knaagdier omvat geheel Middel- en een deel van Noord-Europa benevens het westelijke +deel van Middel- en Noord-Azië; in Europa strekt het zich uit tot in de noordelijke provinciën van Rusland, in Azië zuidwaarts +tot Perzië, westwaarts tot aan gene zijde van den Ob. In Ierland, op IJsland, Corsica, Sardinië en Sicilië ontbreekt deze +Muis geheel. Zij bewoont zoowel de vlakten als de bergstreken, hoewel zij in het vlakke land veelvuldiger voorkomt. In de +Alpen vind men haar nog op hoogten van 2000 M. boven den zeespiegel. Boomlooze gewesten, akkers en weiden zijn hare liefste +woonplaatsen, zeldzamer bewoont zij boschranden en kale plekken in het bosch. Niet alleen het droge bouwland, maar ook de +vochtige, moerassige laaglanden verschaffen haar het noodige voor haar levensonderhoud. Hier legt zij in de droge bulten hare +gangen en nesten aan, daar graaft zij op geringe diepte gangen met 4 à 6 ingangsopeningen, die boven den grond door platgetrapte, +eenigszins uitgeloopen paden met elkander in gemeenschap staan. In den herfst neemt zij haar toevlucht tot graanhoopen of +komt in de menschelijke woningen, in schuren, stallen en kelders. In de huizen houdt zij zich bij voorkeur in de kelders en +niet, zooals de Echte Muizen op de zolders op. In den winter graaft zij lange gangen onder de sneeuw. Waar zij kan zamelt +zij voorraad in, vooral graan en andere zaden. Als het voedsel schaarsch wordt, verhuizen de Veldmuizen gezamenlijk, in den +regel eenvoudig naar een naburigen akker, soms echter ook in groote scharen uit de eene streek naar een andere, waarbij zij +bergketenen overtrekken en breede stroomen overzwemmen. De Veldmuis kan goed loopen en uitmuntend zwemmen; zij klimt echter +niet veel en doet dit op een onbeholpen wijze. Het graven verstaat zij meesterlijk. Zij doorwoelt den grond sneller dan eenige +andere Muis en is onvermoeid in het aanleggen van gangen. Volgens haar levenswijze kan men haar even goed een dagdier als +een nachtdier noemen. Men ziet haar ook bij de felste zonnehitte buiten haar <a id="d0e1936"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1936">320</a>]</span>woning; aan den morgen en den avond geeft zij echter de voorkeur boven den heeten middag. Warmte en droogte zijn noodig voor +haar bestaan; bij langdurige vochtige weersgesteldheid sterft zij. + +</p> +<p>Haar voedsel bestaat uit alle mogelijke plantaardige stoffen. Als zij zaden kan krijgen, kiest zij alleen deze; zoo niet, +dan is zij ook tevreden met frisch gras en malsche kruiden, met wortels en bladen, met klaver zoowel als met bessen en ooft. +Beukels en noten, graankorrels, rapen en aardappels worden in groote hoeveelheid door haar verslonden. Gedurende het ruwste +jaargetijde heeft zij een onafgebroken winterslaap; bij zacht weder ontwaakt zij hieruit en teert dan van haar wintervoorraad. +Zij is ongelooflijk vraatzuchtig en heeft zeer veel voedsel noodig om verzadigd te worden; ook kan zij niet buiten water. + +</p> +<p>De Veldmuis is gezellig in de hoogste mate; zij leeft tamelijk eendrachtig met hare soortgenooten, minstens paarsgewijs, vaker +evenwel tot groote scharen vereenigd; om deze reden zijn hare woningen zoo dicht bij elkander gelegen. Zij vermenigvuldigt +zich buitengewoon sterk. + +</p> +<p>“In gunstige omstandigheden,” zegt <span class="smallcaps">Blasius</span>, <span id="d0e1947" class="corr" title="Bron: ">“</span>neemt het aantal Veldmuizen op ongeloofelijke wijze toe. Er zijn vele voorbeelden van bekend, dat door haar bovenmatige vermenigvuldiging +de oogst in uitgestrekte landstreken teloorgegaan is; jonge beukenaanplantingen heeft zij over een uitgestrektheid van meer +dan 500 hectare door het afknagen van de schors vernield. In de jaren tusschen 1820 en 1830 kwam deze landplaag aan den Neder-Rijn +herhaaldelijk voor. De bodem van de velden was op sommige plaatsen zoo doorwoeld, dat men bijna geen voetstap kon doen zonder +in een muizengat te trappen; tusschen deze openingen waren tallooze wegen diep uitgeloopen. Zelfs op klaarlichten dag wemelde +het van Muizen, die vrij en ongestoord rondliepen. Als men naar haar toeging, kwamen zij ten getale van zes á tien te gelijk +voor een opening, waarin zij zich wilden verschuilen, en versperden elkander onwillekeurig den toegang. Het was niet moeilijk +gedurende dit gedrang een half dozijn van deze dieren met één stokslag te dooden. Alle schenen krachtig en gezond, voor ’t +meerendeel waren zij echter tamelijk klein en waarschijnlijk van jeugdigen leeftijd. Drie weken later bezocht ik dezelfde +plaats. Het aantal Muizen was nog grooter geworden, maar de dieren verkeerden klaarblijkelijk in een ziekelijken toestand. +Velen hadden ontvellingen of verzweringen, die zich dikwijls over het geheele lichaam uitstrekten; de huid zat zelfs bij geheel +gave exemplaren zoo los en kon zoo gemakkelijk verscheurd worden, dat men ze niet stevig kon aanpakken, zonder ze te beschadigen. +Toen ik vier weken later voor de derde maal dezelfde streken bezocht, waren de Muizen spoorloos verdwenen. De ledige gangen +en woningen brachten nu echter een nog veel treuriger indruk teweeg dan vroeger, toen zij vol leven en beweging waren. Men +zeide mij, dat plotseling de geheele generatie als door een tooverslag van de aarde was weggevaagd. Vele zijn waarschijnlijk +door een besmettelijke ziekte om ’t leven gekomen, vele hebben vermoedelijk elkander opgegeten, gelijk zij ook doen, als zij +gezamenlijk opgesloten worden, ook sprak men van ontelbare scharen Muizen, die op klaarlichten dag op verscheidene plaatsen +over den Rijn gezwommen zouden zijn. Toch had men nergens in de verte, zoo min als nabij een ongewone vermeerdering van het +aantal Muizen waargenomen; zij waren, naar het schijnt, overal tegelijkertijd verdwenen, zonder ergens weer voor den dag te +komen. Waarschijnlijk brengt de natuur gedurende de buitengewone vermeerdering van het aantal dezer dieren tevens het middel +voort, dat haar vernietiging ten gevolge heeft. Het weer, een mooie, warme nazomer, was voor hen, naar men zou zeggen, tot +aan het laatste oogenblik gunstig geweest.” + +</p> +<p>Om getallen te noemen, die eenig denkbeeld kunnen geven van het kolossaal aantal Muizen, dat menigmaal in bepaalde streken +voorkomt, behoef ik slechts te vermelden, dat alleen in het district Zabern in het jaar 1822 binnen 14 dagen 1.570.000, in +het landraadsambt Nidda 590.327 en in het landraadsambt Putzbach 271.941 stuks Veldmuizen gevangen werden. In den zomer van +het jaar 1861 werden in de omstreken van Alsheim in Rijn-Hessen 409,523 Muizen en 4707 Hamsters gevangen en afgeleverd. De +gemeentekas betaalde hiervoor 2593 gulden. Vele gezinnen hebben bij deze muizenvervolging 50, 60 of meer guldens door de werkzaamheid +van de kinderen verdiend; een bijzonder gelukkige vader kreeg van zijn wakkere jongens niet minder dan 142 gulden, welke op +deze wijze gewonnen waren. Hij kocht voor dit geld een klein stuk land, dat ten eeuwigen dage den naam van “muizenakker” moet +dragen.—Ook door Prof. <span class="smallcaps">Ritzema Bos</span> worden eenige merkwaardige voorbeelden van de talrijkheid der veldmuizen medegedeeld: “Een landbouwer te Blijham telde in +’t beruchte muizenjaar 1857 op één bunder land, bij één omgang van de ploeg, 80 Muizen, welke door de ploegschaar waren doorgesneden. +Rekent men, dat er 84 omgangen te doen waren, men zou dan komen tot 6720 Muizen, die zich juist op de diepte der ploegschaar +ophielden. Hoevele er nog ontvlucht of in het land onder en boven de smalle steep gronds, die de ploegschaar doorsneed, aanwezig +geweest zijn, valt moeilijk te zeggen.—Elders verzamelde een ploeger van boonenstoppels, niettegenstaande hij zijn dagwerk, +een half bunder, had omploegd, nog tusschentijds uit de gaten een half mud boonen, die door de Muizen tot wintervoorraad waren +opgelegd.—Te Wiewerd zijn in September 1857 op 4.5 bunder, bezaaid met koolzaad, in 8 dagen tijds 6700 Muizen gevangen in +half met water gevulde aarden potten, geplaatst in ronde gaten van O.5 M. diepte. Dat dan van den oogst niet veel overblijft, +laat zich begrijpen. Bouwland en weiland zijn met gangen doorwoeld en geheel kaal. De geheel poreuze bodem dult geen voetstap: +zet men den voet neer, dan zakt men weg. De grond leeft als ’t ware van Muizen.” + +</p> +<p>Ongelukkig is de mensch tegenover deze Muizen zoo goed als machteloos. Alle verdelgingsmiddelen, die hij tot dusver heeft +uitgedacht, blijken onvoldoende te zijn om de ontzaglijke vermenigvuldiging van deze vraatzuchtige dieren te keer te gaan; +alleen de onder hen uitbrekende, besmettelijke ziekten kunnen redding verschaffen; ook de Roofdieren, die door den mensch +dikwijls zoo vijandig behandeld worden, maken zich zeer verdienstelijk. Met goed gevolg worden muizenboren gebruikt, om hiermede +in den grond gaten te maken, die 12 à 18 cM. middellijn hebben en ongeveer 60 cM. diep zijn; de hierin vallende Muizen vreten +elkander op, zonder er aan te denken gangen te graven, waardoor zij zouden kunnen ontvluchten. Men doodt ze ook in hare holen +door rook of door vergiftigde graankorrels. Zelfs wordt soms het geheele veld overgoten met een aftreksel van braaknoten of +wolfsmelk, kortom men geeft zich alle mogelijke moeite om van deze vreeselijke plaag verlost te worden. Gewoonlijk echter +zijn al deze middelen zoo goed als <a id="d0e1957"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1957">321</a>]</span>nutteloos, enkele zelfs hoogst gevaarlijk, n.l. het vergiftigen. Zelfs het krachtigst werkende vergif verdelgt niet alle Muizen +van een akker; het veroorzaakt daarentegen geregeld den dood van een groot aantal van hare grootste vijanden en dus onze vrienden: +Vossen, Bunzingen, Hermelijnen, Wezels, Buizerden, Uilen en Kraaien. Ook andere dieren loopen hierdoor gevaar, vooral de Patrijzen +en Hazen, ook alle huisdieren, zoowel de kleine, gelijk de Duif, als de grootste, namelijk de Paarden en Runderen; er zijn +dus redenen genoeg om het uitstrooien van vergif geheel te verwerpen. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>In Siberië, en meer bepaaldelijk van den Ob tot den Onon, treedt een Woelmuis op, die eveneens, hoewel om andere redenen dan +de Veldmuis, onze aandacht verdient, n.l. de <span class="letterspaced">Wortelmuis</span> (<i>Arvicola oeconomus</i>). Zij is een weinig grooter dan onze Veldmuis, haar lengte bedraagt 18 cM., waarvan 5 cM. op den staart komen; van boven +is zij licht geelachtig bruin, van onderen grijs. Van de Veldmuis onderscheidt zij zich door den korteren kop, de kleinere +oogen en de korte, bijna geheel onder de vacht verborgen ooren. + +</p> +<p>De Wortelmuis komt in de vlakten dikwijls in groote menigte voor en wordt door de arme bewoners van deze treurig eenzame gewesten +als een weldoenster beschouwd, want haar arbeid komt den mensch ten goede in plaats van hem te benadeelen. Onder de zode graaft +zij lange gangen, die naar een op geringe diepte gelegen, groot, rond nest van 30 cM. middellijn leiden, dat met eenige zeer +ruime voorraadkamers in gemeenschap staat. Het nest, waarin de Muis slaapt en hare jongen groot brengt, is met verscheidene +plantaardige stoffen zacht bekleed; de voorraadkamers echter vult zij met allerlei wortels aan. + +</p> +<p>De heidensche volken, die de genoemde landstreken bewonen, drijven geen akkerbouw; in den herfst, wanneer de voorraadskamers +gevuld zijn, nemen zij de hierin verborgen schatten met een schop weg, zoeken de verdoovende witte wortels er uit en behouden +de zwarte wortels van de Bevernel (<i>Sanguisorda officinalis</i>), die zij niet alleen als spijs, maar ook als thee gebruiken. De arme inboorlingen hebben door den voorraad, die zij aan +de Muizen ontnemen, dikwijls gedurende den geheelen winter genoeg te eten; de in den grond overblijvende proviand wordt ten +deele nog door de wilde Zwijnen blootgewoeld, die de zorgzame muis, als zij hun in den weg komt, mede verslinden. + +</p> +<p>Opmerkelijk is de groote lust tot trekken, die deze en andere verwante Woelmuizen bezielt. Tot groot verdriet van de inboorlingen +begeven zij zich in sommige jaren in de lente op reis en trekken bij groote scharen naar het westen, altijd rechtuit, over +stroomen en bergen. Duizenden van deze landverhuizers verdrinken en worden door Visschen en Eenden verslonden, terwijl nogmaals +duizenden de buit worden van de Sabeldieren en Vossen, welke de Muizen op dezen uittocht vergezellen. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Lemmingen</span> (<i>Myodes</i>) onderscheiden zich door den gedrongen lichaamsbouw en het korte staartje; door gestalte en aard nemen zij dus in de familie +van de Woelmuizen tot op zekere hoogte de plaats in, die aan de Hamsters in de familie der Muizen toekomt. De betrekkelijk +groote kop is dicht behaard, de bovenlip diep gespleten, het rondachtige oor klein en geheel in de vacht verborgen; het oog +is eveneens klein; de vijfteenige voeten zijn dicht behaard, ook op de zolen; de klauwen zijn vooral aan de voorste ledematen +groot en voor ’t graven geschikt. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1321.jpg" alt="Lemming (Myodes lemmus). ½ v.d. ware grootte" width="720" height="551"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Lemming</span> (<i>Myodes lemmus</i>). ½ v.d. ware grootte +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De meest bekende soort van dit geslacht, de <span class="letterspaced">Lemming</span> (<i>Myodes lemmus</i>, <i>Lemmus norwegicus</i>) bereikt een totale lengte van 15 cM., waarvan er hoogstens 2 op het staartstompje komen. De rijk gevulde, langharige vacht +vertoont een zeer bevallige teekening. Bij de bruingele grondkleur, die in den nek met golflijnen voorzien is, steken donkere +vlekken af; twee gele strepen strekken zich uit van de oogen naar den achterkop. De staart en de pooten zijn geel, de onderdeelen +geelachtig, bijna zandkleurig. +<a id="d0e2008"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2008">322</a>]</span></p> +<p>De Lemming is wel het raadselachtigste dier van geheel Skandinavië. Ook nu nog gelooven de boeren der Noorsche bergstreken, +dat dit dier uit de lucht regent en daarom in zoo verbazend grooten getale voorkomt, en dat het later door zijn vraatzucht +zich de maag bederft en zoo om het leven komt. <span class="smallcaps">Olaus Magnus</span>, bisschop van Bergen in Noorwegen, verhaalt, dat hij in het jaar 1518 in een bosch zeer vele Hermelijnen zag, die het geheele +bosch met hun stank vervulden. Hun veelvuldigheid was het gevolg van de aanwezigheid van kleine, viervoetige dieren, <span class="letterspaced">Lemar</span> genaamd, die soms bij onverwacht opkomende onweers- en regenbuien van den hemel vielen; men wist niet, of zij van verafgelegen +plaatsen door den wind waren aangebracht, of in de wolken ontstonden. + +</p> +<p>Andere berichtgevers schreven het verhaal van den bisschop eenvoudig na; <span class="smallcaps">Linnaeus</span> heeft voor ’t eerst den Lemming naar de natuur geschilderd; zijn beschrijving is zoo uitvoerig, dat men er niet veel aan +kan toevoegen. Ik zelf heb in het jaar 1860 het genoegen gehad, vooral op den Dovrefjeld, Lemmingen in groot aantal aan te +treffen, zoodat ik ze door eigen onderzoek heb leeren kennen. + +</p> +<p>Het zijn alleraardigste dieren. Zij zien er uit als kleine Marmotten of als Hamsters en gelijken door hun aard in vele opzichten +op de laatstgenoemde Knaagdieren. Zij houden zich op in de betrekkelijk droge gedeelten van het moeras, dat een groot deel +van Noorwegen beslaat. Zij bewonen hier kleine holen onder steenen of in het mos; ook ziet men ze dikwijls rondzwerven tusschen +de kleine heuvels, die zich boven het moeras verheffen. Zelden merkt men uitgeloopen paden op, die van het eene hol naar het +andere leiden; groote gangen graven zij alleen in de sneeuw. Over dag zoowel als ’s nachts, zijn zij wakker en werkzaam. Zij +hebben een trippelenden en snellen gang; een mensch kan ze echter gemakkelijk inhalen. Het water mijden zij met een zekeren +schroom; als men ze in een niet te kleine plas of in een riviertje werpt, piepen en knorren zij zeer wrevelig en trachten +ten spoedigste weer op ’t droge te komen. Gewoonlijk verraden zij zelf haar aanwezigheid. Dikwijls zitten zij rustig in hare +gaten en zijn hierin zoo goed verborgen, dat zij zeker niet door de voorbijgangers zouden opgemerkt worden; door het zien +van een mensch worden zij echter zoo opgewonden, dat zij zich niet stil kunnen houden. Op de wijze van Guineesche Biggetjes, +begroeten zij den bezoeker van haar gebied met luid geknor en gepiep, alsof zij hem het binnendringen willen beletten. Alleen +als zij rondloopen, nemen zij bij nadering de vlucht, snellen naar een van hare tallooze gaten en blijven daar zitten. Verder +wijken zij niet terug, hoewel het te voorzien is, dat zij doodgeslagen of medegenomen zullen worden. + +</p> +<p>Met belangstelling heb ik deze moedige dieren gadegeslagen, en kon niet nalaten ze tot zelfverdediging te prikkelen. Als zij +eenmaal post gevat hebben, weten zij van geen wijken. Als men haar een laars voorhoudt, bijten zij er in; zoo doen zij ook +met een stok of een geweerloop, ofschoon zij bemerken dat dit haar niets baat. Sommige beten zich zoo stevig aan mijne broekspijpen +vast, dat ik ze er bijna niet van afschudden kon. Bij zulk een strijd geraken zij in groote woede en gelijken dan volkomen +op de boosaardige Hamsters. Soms gaan zij met kleine sprongen op haar tegenstander af; naar het schijnt, zijn zij voor geen +enkel dier bevreesd, maar gaan vermetel op ieder wezen af, dat hen te na komt. Op de wegen worden zij dikwijls overreden, +omdat zij eigenzinnig hun gang blijven gaan en niet vluchten willen. De Honden op de boerderijen bijten tal van deze dieren +dood; door de Katten, die in dezen tijd steeds verzadigd zijn, worden zij in groote hoeveelheid verslonden. + +</p> +<p>Volgens de verzekering van den ouden jager, die mij vergezelde, gebruiken de Lemmingen het door haar bewoonde nest ook om +er hare jongen in groot te brengen. <span class="smallcaps">Linnaeus</span> zegt, dat deze dieren meestal 5 of 6 jongen hebben; <span class="smallcaps">Schäffer</span> voegt er bij, dat zij verscheidene malen per jaar werpen. Meer is mij van haar voortplanting niet bekend. + +</p> +<p>Het voedsel van de Lemmingen bestaat hoofdzakelijk uit de weinige Alpen-planten, die in haar armoedig vaderland groeien, vooral +uit grassen, rendier-korstmossen, katjes van den Dwergberk en waarschijnlijk ook uit allerlei wortels. Lemmingen treft men +aan op iedere hoogte, waar de grond nog met korstmossen bedekt is; daar waar deze planten ontbreken, ziet men ze in ’t geheel +niet meer. Voor zoover ik heb kunnen nagaan, verzamelen zij geen winter-provisie, maar leven ook in ’t gure jaargetijde van +’t geen zij onder de dikke sneeuwlaag vinden. Groote schade richten zij niet aan, want op de door haar bewoonde plaatsen zijn +geen akkers meer, en in de huizen komen zij niet. Haar vaderland is trouwens, hoe arm het ook moge schijnen, rijk genoeg voor +hare behoeften, en biedt haar al wat zij noodig hebben. In sommige jaren schijnt dit echter niet het geval te zijn, en zijn +de Lemmingen gedwongen naar andere streken te verhuizen. Mijns inziens moet de reden van het trekken van deze en andere Woelmuizen +gezocht worden in de nu en dan merkbaar wordende vermindering van den voedselvoorraad. Wanneer op een zachten winter een fraaie +lente en een droge zomer volgen, zijn alle voorwaarden vervuld voor een vermenigvuldiging, even grenzeloos als die, welke +men bij sommige andere Woelmuizen opmerkt. De droogte brengt echter tevens het verdorren (of althans een minder weligen groei) +van de meest gewilde voederplanten teweeg; de uitgestrekte weidegronden zijn dan niet meer voldoende voor de groote menigte, +zoodat deze wezens, die evenals alle Knaagdieren, zeer vraatzuchtig zijn, zich genoodzaakt zien op andere plaatsen voedsel +te zoeken. In zulke omstandigheden zullen, zooals men weet, niet alleen de Knaagdieren, maar ook andere planteneters, b.v. +de Antilopen, groote scharen vormen, die zich op weg begeven en onderweg hunne soortgenooten mede nemen; zij trekken ten slotte +als ’t ware in ’t wilde weg verder, volgen geen bepaalde richting en begeven zich dus ook niet naar landstreken, waar werkelijk +voedsel voor hen te vinden is. Eerst nadat honderdduizenden door gebrek aan voedsel, door ziekten, door de vermoeienissen +en de gevaren van de reis om ’t leven zijn gekomen, trachten de overblijvenden terug te keeren naar de hoogten, die hun eigenlijk +woongebied uitmaken; ook in dit geval kan het verschijnsel zich voordoen, dat zij weder een rechte lijn volgen. De groote +reizen van de Lemmingen komen mij daarom volstrekt niet wonderbaarlijker of minder verklaarbaar voor, dan die van andere trekkende +Zoogdieren, en meer bepaaldelijk van andere Woelmuizen. + +</p> +<p>Men mag het als een groot geluk beschouwen, dat de Lemmingen zoo vele vijanden hebben, daar zij anders het geheele land overstroomen, +en al wat eetbaar is, verslinden zouden. Het meest nog draagt het klimaat tot haar verdelging bij. In een natten zomer, in +een kouden, vroeg invallenden herfst zonder sneeuw, sterven zij bij millioenen; daarna zullen er, zooals licht te begrijpen +is, vele jaren moeten verloopen, voordat de <a id="d0e2038"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2038">323</a>]</span>voortplanting de door zulk een kolossale sterfte gedunde rijen weer eenigszins heeft aangevuld. Het aantal levende vijanden +van de Lemmingen is legio. Men mag wel zeggen, dat alle Skandinavische Roofdieren zich met haar vet mesten. De Wolven en Vossen, +die deze dieren mijlen ver vervolgen, eten, wanneer zij Lemmingen kunnen krijgen, niets anders; de Veelvraten, Marters, Bunzingen +en Hermelijnen verlangen geen anderen buit; de Honden van de Laplanders beleven in een Lemmingenjaar feestdagen, zooals aan +deze arme hongerlijders maar zelden te beurt vallen; de Uilen volgen het Lemmingen-leger; de Buizerden, vooral de Ruigvoet-buizerd, +zijn onophoudelijk bezig de ellendige zwervelingen te verdelgen; de Raven voederen er hare jongen mede groot; ook de Kraaien +en Eksters beijveren zich naar den maatstaf hunner krachten deze bijtlustige schepsels te dooden; zelfs de Rendieren vreten +nu en dan Lemmingen, naar door velen beweerd wordt, of slaan ze althans met de voorpooten dood. + +</p> +<p>De mensch treedt slechts wanneer hij in grooten nood verkeert, als vijand van den Lemming op. Het vel van dit dier is niet +veel waard, en zijn vleesch boezemt den Lappen, zooals licht te begrijpen is, ongeveer denzelfden afschuw in, als ons het +rattenvleesch. Dikwijls worden de inboorlingen echter door den honger gedreven om aan de Lemmingen-jacht deel te nemen. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De familie der <span class="letterspaced">Molmuizen</span> (<i>Spalacidae</i>) bestaat uit onbehouwen, leelijke, onder den grond levende Knaagdieren. Zij herinneren aan de Mollen, doordat zij alle onaangename +eigenschappen dezer holenbewoners hebben, zonder hiervoor vergoeding te schenken door het nut dat zij aanbrengen. De romp +is plomp en rolvormig, de dikke kop eindigt in een stompen snuit; de oogen zijn buitengewoon klein of liggen geheel verscholen +onder de huid; de zeer kleine ooren hebben geen uitwendige waarneembare oorschelpen; de staart ontbreekt of is onder de vacht +verborgen. Des te beter merkt men de voeten op, die vijf teenen hebben, welke met zeer stevige graafklauwen voorzien zijn; +evenals bij de Mollen zijn de voorpooten krachtiger dan de achterpooten. + +</p> +<p>Alle Molmuizen zijn bewoners van de Oude Wereld; zij houden zich meestal op in droge zandvlakten; op soortgelijke wijze als +de Mollen doorwoelen zij den grond over groote afstanden. Geen enkele soort leeft gezellig, ieder dier leeft eenzaam in zijn +hol en heeft ook den wreveligen, eenzelvigen aard van den Mol. Met buitengewone snelheid graven zij diepe gaten in den bodem, +verscheidene zelfs in loodrechte richting. Op den grond zijn hare bewegingen zeer plomp en onbeholpen, in haar onderaardsche +gangen echter bewegen zij zich voor- en achterwaarts even vlug. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit planten, meestal uit +wortels, knollen en bollen, die zij loswroeten; bij uitzondering vreten sommige ook gras, schors, zaden en noten. Die, welke +in koude gewesten leven, verzamelen wintervoorraad, maar hebben geen winterslaap. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De meest bekende soort van deze Familie is de <span class="letterspaced">Blindmuis</span> (<i>Spalax typhlus</i>), in Rusland <span class="letterspaced">Slapoesj</span> (“de blinde”), in Hongarije <span class="letterspaced">Földi-kölök</span>, in Galicië <span class="letterspaced">Ziemnibisak</span> genoemd. De kop, die in een stompen snuit eindigt, is dikker dan de korte, onbeweeglijke hals, die met den staartloozen romp +in dikte overeenkomt; de korte pooten hebben breede voeten met forsche teenen en klauwen. De oogen hebben ternauwernood de +grootte van een papaverzaadje, liggen onder de huid verborgen, en zijn dus ongeschikt voor ’t zien. De lichaamslengte bedraagt +20 cM. Kolossale knaagtanden steken ver buiten den bek uit. De staart wordt aangeduid door een wratje van een paar mM. lengte. +Een dichte, glad aanliggende, zachte vacht bekleedt het lichaam; de zijden van den kop, van de neusgaten tot achter de oogen, +zijn begroeid met stijve, borstelachtige haren, die te zamen zich als een borstelvormige haarlijst boven de overige deelen +van de vacht verheffen. Over ’t algemeen is de kleur van de bovendeelen aschgrauw met witte overlangsche strepen aan het achterste +deel van den buik en met witte vlekjes tusschen de achterpooten. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1323.jpg" alt="Blindmuis. (Spalax typhlus). ½ v.d. ware grootte." width="720" height="440"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Blindmuis</span>. (<i>Spalax typhlus</i>). ½ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Blindmuis komt in het zuidoosten van Europa en in het westen van Azië voor, nl. in Zuid-Rusland van 50° N.B. tot aan den +Oeral en den Kaukasus, in Bessarabië, Moldavië en een deel van Hongarije en Galicië, voorts in Turkije, in Griekenland en +in het noorden en westen van Klein-Azië. Vooral in de Ukraine treft men haar veelvuldig aan. In den Altaï is zij vervangen +door een grootere soort: de <span class="letterspaced">Zokor</span> (<i>Spalax aspalax</i><span id="d0e2089" class="corr" title="Bron: .)">).</span> + +</p> +<p>Evenals bijna alle Molmuizen bewoont zij vruchtbare <a id="d0e2094"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2094">324</a>]</span>landstreken; zelden komt zij aan de oppervlakte; bijna voortdurend blijft zij verborgen in hare sterk vertakte, onderaardsche +holen, welker aanwezigheid zich verraadt door talrijke aardhoopen. Bij het graven gebruikt zij de krachtige snijtanden voor +het stukknagen van de in haar weg liggende wortels en voor het fijnmaken van den grond tusschen de wortels. De gangen, waarin +zij haar voedsel zoekt, liggen in de vruchtbare teelaardelaag, de voor verblijfplaats dienende holen in den regel dieper in +het onvruchtbare, droge zand. + +</p> +<p>De bewegingen van de Blindmuizen zijn niet zoo langzaam en onbeholpen als vaak beweerd wordt. De Zokor kan, zooals ik zelf +gezien heb en van de Kirgiezen vernam, uitmuntend loopen en zwemmen; hetzelfde zal waarschijnlijk ook wel voor den Slapoesj +gelden. Onder de zintuigen, die vermoedelijk alle weinig ontwikkeld zijn, speelt, naar het schijnt, dat van het gehoor een +belangrijke rol. Men heeft opgemerkt, dat de Blindmuizen voor geluiden zeer gevoelig zijn en zich hoofdzakelijk door het gehoor +laten leiden. Zij worden beschreven als moedige en bijtlustige dieren, die in gevallen van nood hunne tanden op een doeltreffende +wijze weten te gebruiken, en die, als zij gegrepen worden, hevig snuiven en woedend om zich heen bijten. + +</p> +<p>De Blindmuis voedt zich, zoo niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk met plantaardige stoffen, vooral met allerlei wortels, +ingeval van nood ook met boomschors. Als in het door haar bewoonde gebied planten met diepgaande wortels voorkomen, zal zij +hare gangen in den winter tot onder de hard bevroren, bovenste aardlaag uitbreiden, zoo niet, dan graaft zij gangen door de +sneeuw om boomschors te verkrijgen. Wintervoorraad heeft men in hare gangen nog niet gevonden, wel echter nesten, die uit +zeer fijne worteltjes samengesteld zijn. In zulk een nest werpt het wijfje in den zomer 2 à 4 jongen. Over ’t geheel genomen +is de schade, die dit dier den mensch toevoegt, gering; nuttig is het echter evenmin. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>In Zuid-Afrika leven Molmuizen, die een korten staart hebben. Vooral in de duinen en zandheuvels langs de kust komt b.v. de +<span class="letterspaced">Zandmol</span> (<i>Bathyergus maritimus</i> of <i>suillus</i>) voor, die, met inbegrip van den 5 cM. langen staart, 30 cM. lang wordt. Deze heeft zich den haat van de Boeren op den hals +gehaald, omdat hij den bodem zoo doorwoelt, dat de Paarden er vaak in wegzakken en gevaar loopen hunne pooten te breken. Gewoonlijk +werpt hij ’s nachts om 12 uur of ’s morgens om 6 uur de aarde uit zijne gangen. Hiervan maken de Boeren gebruik om hem te +dooden. Zij ruimen een van zijne aardhoopen uit den weg, openen een van zijne holen, en leggen hierin een raap of een anderen +wortel, die met een touw bevestigd is aan den trekker van een geladen geweer, welks loop naar de opening van het hol gericht +is. Zoodra de Zandmol aan den raap trekt, gaat het geweer af en wordt hij door het schot getroffen. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Wangzakratten</span> (<i>Geomyidae</i>) heeten zoo wegens hare zeer sterk ontwikkelde wangzakken, die niet, zooals bij de Hamsters en andere knaagdieren, met de +mondholte in gemeenschap staan, maar zich op de wangen naar buiten openen en van binnen overal behaard zijn. Bij het geslacht +<span class="letterspaced">Wangzakrat</span> (<i>Geomys</i>) zijn de bovenkaaksnijtanden met een overlangsche groeve voorzien en ontbreken de oorschelpen zoo goed als geheel. De ledematen, +vooral de voorpooten, zijn kort; de vijfteenige voeten zijn met sikkelvormige klauwen gewapend, die vooral aan de voorpooten +een buitengewone lengte hebben. De leden van dit geslacht behooren tot de plompste Knaagdieren. De romp is log, de kop zeer +groot, de hals dik, de staart kort en, met uitzondering van de naakte spits, behaard. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De meest bekende soort, die de landstreken ten oosten van het Rotsgebergte en ten westen van den Mississippi tusschen 34 en +52° N.B. bewoont, heet in zijn vaderland <span class="letterspaced">Goffer</span> (<i>Geomys bursarius</i>). Deze naam wordt trouwens in sommige streken van Amerika ook aan verscheidene andere soorten van Knaagdieren gegeven. Hij +is iets kleiner dan onze Hamster. De vacht is buitengewoon dicht, zacht en fijn, roodachtig van boven en geelachtig grijs +van onderen; de staart en de spaarzaam behaarde voeten zijn witachtig. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1324.jpg" alt="Goffer (Geomys bursarius). ¼ v.d. ware grootte." width="720" height="554"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Goffer</span> (<i>Geomys bursarius</i>). ¼ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De dierkundigen, die het eerst een beschrijving van <a id="d0e2150"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2150">325</a>]</span>den Goffer gemaakt hebben, ontvingen hem van Indianen, die zich vermaakt hadden, met de beide wangzakken van het doode dier +vol te proppen met aarde en hierdoor zoo buitengewoon sterk uit te rekken, dat dezen zakken over den grond gesleept zouden +hebben, indien het dier in dezen toestand had moeten loopen. Op grond van deze kunstmatig uitgerekte wangzakken kreeg de Goffer +zijn naam; de persoon, die dieren opzette, achtte het zijn plicht de wangzakken in denzelfden toestand te brengen, als waarin +zij door een grap van de Indianen gekomen waren; de teekenaar eindelijk kopieerde maar al te nauwgezet <span id="d0e2152" class="corr" title="Bron: ">het </span>op deze wijze verduurzaamde voorwerp. Hieraan is het toe te schrijven, dat ook nog vele afbeeldingen van den Goffer ons niet +de ware gedaante van het dier, maar een wanstaltig monster te aanschouwen geven. + +</p> +<p>De Goffer leeft, evenals de Mol, onder den grond; hij graaft hier talrijke en sterk vertakte gangen, welke groote overeenkomst +vertoonen met die van onzen Mol. + +</p> +<p>De oude gangen zijn van binnen vastgeslagen, de nieuwe niet. Op verschillende plaatsen staan er zijgangen mede in gemeenschap. +De kamer wordt onder boomwortels op een diepte van ongeveer 1.5 M. aangelegd en is toegankelijk door een gang, die zich bij +wijze van een wenteltrap kronkelt. Zij is groot, ongeveer op de wijze van een Eekhoornnest overal gevoerd met zacht gras, +en verschaft het dier gelegenheid om te rusten en te slapen. Het nest, waarin het wijfje tegen het einde van Maart of in het +begin van April hare 5 à 7 jongen ter wereld brengt, gelijkt op de bedoelde woonkamer, maar is van binnen bovendien nog met +haar van de moeder bekleed. Evenals het nest van den Mol is het omgeven door ringvormige gangen, van waar andere gangen uitgaan. +<span class="smallcaps">Gesner</span> vond, dat van het nest een gang leidt naar een grooter hol, dat als voorraadskamer dient en gevuld is met wortels, aardappels, +noten en zaden. In de morgenuren, tusschen 4 en 10, houdt de Goffer zich het ijverigst met de uitbreiding van zijne holen +bezig, ongetwijfeld met de bedoeling om zich hierdoor voedsel te verschaffen. Als de plaats rijk aan voedingsmiddelen is, +worden in deze tijdruimte gangen aangelegd ter lengte van 3 à 5 M. en 2 à 5 heuveltjes opgeworpen; in het tegenovergestelde +geval doorwoelt het dier een grooter deel van den grond en werkt langer. Soms staakt het den arbeid gedurende eenige weken, +naar het schijnt, teert het dan op den reeds verzamelden voorraad. Bij het opwerpen van den grond, dat geheel op de wijze +van den Mol geschiedt, laat de Goffer zijn lichaam zoo weinig mogelijk zichtbaar worden; ten spoedigste keert hij naar de +veilige diepte terug. Aan de oppervlakte komt hij om dor gras voor zijn woonkamer of zijn nest te verzamelen; volgens <span class="smallcaps">Audubon</span>, komt hij ook boven om zich in de zon te koesteren. Zijn voortreffelijk reukzintuig en uitmuntend gehoor beveiligen hem in +dit geval voor overrompeling; zoodra hij gevaar ducht, begeeft hij zich oogenblikkelijk naar de diepte, al moest hij zich +vooraf door het graven van een nieuwe gang een toegang banen. + +</p> +<p>Bij ’t loopen over den grond toont de Goffer zich niet in zijn volste kracht; zijn gang is een log gehompel; nooit beweegt +hij zich sprongsgewijs; dikwijls zijn bij ’t gaan de klauwen van de voorpooten binnenwaarts omgeslagen en sleept de staart +over den grond. Hij kan bijna even snel achteruit als vooruit loopen, maar doet dit aan de oppervlakte van den bodem niet +sneller dan een mensch. In zijne holen beweegt hij zich, naar men zegt, met de vlugheid van een Mol.—Bij ’t eten zit hij dikwijls +op de achterpooten en gebruikt de voorste op de wijze van den Eekhoorn. Om te slapen, rolt hij zich ineen en houdt den kop +tusschen de voorpooten tegen den borst gedrukt. Zijne verbazend groote wangzakken vult hij bij het grazen met behulp van de +tong en ledigt ze weder met behulp van de voorpooten. Naarmate zij voller worden, puilen zij, evenals bij andere Knaagdieren, +hoe langer hoe meer naar buiten uit, en krijgen een langwerpig eivormige gedaante; nooit hangen zij echter bij wijze van zakken +aan weerszijden van den snuit naar beneden. Geheel uit de lucht gegrepen is ook de bewering, dat hij zijne wangzakken gebruikt +om de losgewoelde aarde uit zijne holen te verwijderen. + +</p> +<p>De schade, die de Goffer aanricht, kan zeer aanzienlijk worden. Hij vernielt soms door het afknagen van de wortels in weinige +dagen honderden kostbare boomen en verwoest soms de opbrengst van geheele akkers door het opvreten van de door hem zeer gezochte +knollen. Daarom is de mensch de gevaarlijkste vijand van dit dier, dat overigens alleen van Slangen en van overstroomingen +te lijden heeft. + +</p> +<p><span class="smallcaps">Audubon</span> heeft verscheidene Wangzakratten weken lang gevangen gehouden en met knollen gevoerd. Zij bleken buitengewoon vraatzuchtig +te zijn, maar wilden niet drinken. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Een overgang tot de Springmuizen aan de eene, tot de Molmuizen aan de andere zijde, vormen de <span class="letterspaced">Wangzak-springmuizen</span> (<i>Dipodomys</i>), die zich van de overige leden der familie, waarmede men ze gewoonlijk vereenigt, onderscheiden door haar dikwijls sierlijk +en slank gebouwd lichaam, den grooten, breeden, platten kop met tamelijk lange, afgeronde ooren; de voorpooten zijn tamelijk +lang, de achterpooten echter nog meer verlengd, de binnenteen is aan alle voeten zeer weinig ontwikkeld, maar met een klauw +voorzien; de klauwen van de voorvoeten zijn grooter dan die van de achtervoeten; het verschil is echter geringer dan bij den +Goffer; de staart is even lang als of langer dan het overige lichaam, over zijn geheele lengte behaard met een haarkwastje +aan de spits. Ook zij hebben wangzakken, die zich naar buiten openen en van binnen met korte haren bekleed zijn. De meest +bekende soort (<i>Dipodomys Philippi</i>) wordt met inbegrip van 17 cM. langen staart, 30 cM. lang en bewoont woestijnachtige landstreken van Californië, waar overigens +geen andere dieren dan Hagedissen en Slangen den bodem verlevendigen. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Veel meer dan bij andere met stekels gewapende Zoogdieren is het stekelkleed ontwikkeld in de familie van de <span class="letterspaced">Stekelvarkens</span> (<i>Hystrichidae</i>), naar welker bekendste geslacht de geheele groep benoemd werd. Een lange beschrijving van de uitwendig waarneembare kenteekenen +harer leden is overbodig; het stekelkleed, hoe verschillend ook ontwikkeld, is aan al deze dieren eigen. + +</p> +<p>Alle Stekelvarkens bewonen de gematigde en warme landen van de Oude en Nieuwe Wereld; in deze treft men de klimmende, in gene +de gravende leden van de familie aan. De Stekelvarkens van de Nieuwe Wereld zijn evenzeer aan het leven op de boomen gebonden, +als die van de Oude aan het leven in den grond. Deze bewonen derhalve ijle bosschen en steppen, verbergen zich over dag in +door hen zelf gegraven gangen en holen. Gene daarentegen worden aangetroffen in groote bosschen, over dag rustend in een hollen +boom of ineengerold op een gevorkten tak in een dikke boomkroon. <a id="d0e2198"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2198">326</a>]</span>Hunne bewegingen zijn langzaam, afgemeten en traag. Zoodra echter de nacht aangebroken is en zij behoorlijk wakker geworden +zijn, loopen de Stekelvarkens van de Oude Wereld met trippelenden gang zeer schielijk over den bodem voort; die van de Nieuwe +Wereld zijn wel is waar niet zoo vlug als Eekhoorns, maar klimmen toch behendig bij de takken op neer. De bewoners van den +bodem zijn meesterlijk ervaren in het graven en in het overwinnen van alle bezwaren, die harde grondsoorten aanbieden. Onder +hunne zinnen staat, naar ’t schijnt, bij alle zonder uitzondering de reuk bovenaan; bij de Klimmende Stekelvarkens schijnt +ook de tastzin eenigermate ontwikkeld te zijn; alle zijn echter zwak van gezicht en van gehoor. Hunne verstandelijke vermogens +staan op een lagen trap. Zij zijn dom, vergeetachtig, weinig vindingrijk, boosaardig, driftig, angstig, schuw en vreesachtig, +hoewel alle bij dreigend gevaar, door het overeind zetten van hunne stekels en eenige door het ratelen met de staartstekels +vrees trachten in te boezemen. Met andere dieren houden zij evenmin vriendschap als met hunne soortgenooten: een smakelijk +stukje voedsel kan zelfs onder echtgenooten een ernstigen strijd doen ontbranden. Nooit ziet men twee Stekelvarkens met elkander +spelen of ook maar vriendschappelijk met elkander verkeeren. Den mensch, die hen gevangen houdt en verzorgt, worden zij nooit +genegen; ook leeren zij hun verzorger niet van andere personen onderscheiden. Hun stem bestaat uit knorrende doffe geluiden; +ook hoort men ze snuiven en zachtjes steunen; soms verneemt men van hen een moeielijk te beschrijven gepiep: waarschijnlijk +hebben zij aan hun stem den overigens geheel ontoepasselijken naam “varken” te danken. + +</p> +<p>Allerlei plantendeelen, van de wortels in den grond tot de vruchten in den top van den boom, dienen tot voedsel aan de Stekelvarkens. +Op gelijke wijze als vele andere Knaagdieren brengen zij het voedsel met de voorpooten naar den bek. Bijna alle kunnen, naar +het schijnt, gedurende geruimen tijd buiten water; waarschijnlijk is de dauw op de bladen dien zij verslinden, voldoende tot +bevrediging van hunne behoefte aan vloeistof. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Eigenlijke Stekelvarkens</span> (<i>Hystrix</i>)—de vroegst bekende vertegenwoordigers van de tot de Oude Wereld beperkte onderfamilie van de <span class="letterspaced">Gravende Stekelvarkens</span> (<i>Hystrichinae</i>)—zijn gemakkelijk te herkennen aan hun korten, gedrongen romp, den dikken, door een krachtigen hals gesteunden kop, die in +een stompen snuit eindigt, den korten staart, die met holle, op penneschachten gelijkende stekels bezet is en het buitengewoon +sterk ontwikkelde stekelkleed. Kenmerkend voor hen zijn bovendien de kleine, rondachtige ooren, de breede bovenlip en de spleetvormige +neusgaten. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Het <span class="letterspaced">Stekelvarken</span> (<i>Hystrix cristata</i>) is grooter, maar niet langer dan onze Das en schijnt, wegens zijn stekelkleed veel dikker en omvangrijker dan hij werkelijk +is. Zijn lengte bedraagt 65 cM. met uitzondering van den 11 cM. langen staart; de hoogte in de schoften is 24 cM.; het gewicht +wisselt af tusschen 15 en 20 KG. Alleen aan den korten, stompen snuit en aan den neus zitten eenige gewone haren; de bovenlip +is met verscheidene rijen glanzige, zwarte snorren bedekt; zulke borstels staan ook op wratten boven en achter het oog. Langs +den nek verheffen zich manen, die uit dikke, achterwaarts gerichte, zeer lange, gebogen borstels bestaan, die naar verkiezing +overeind gezet en achterover gelegd kunnen worden. Deze borstels hebben een aanzienlijke lengte, zijn dun en buigzaam, gedeeltelijk +wit, gedeeltelijk grijs van kleur en eindigen meestal in witte spitsen. Voor ’t overige is de romp aan de rugzijde bedekt +door naast elkander geplaatste, lange en korte, gladde stekels, die allengs tot aan de scherpe punt dunner worden, en waartusschen +overal borstelige haren voorkomen. Op de stekels wisselen donker- of zwartbruine en witte ringen met elkander af; zij zitten +los in ’t vel bevestigd en vallen dus licht uit. Aan de zijden van den romp, op de schouders en in de buurt van ’t kruis zijn +de stekels korter en stomper dan op ’t midden van den rug. De dunne, buigzame stekels bereiken een lengte van 40 cM., de korte +en dikke daarentegen worden slechts 15 à 30 cM. lang, maar soms wel 0.5 cM. dik. Alle zijn van binnen hol of met een sponsachtig +merg gevuld; de wortel en de spits zijn meestal wit van kleur. De korte stekels hebben zwartbruine en witte ringen. Aan de +staartspits staan stekels van verschillenden vorm, die ongeveer 5 cM. lang, en wel 7 mM. dik zijn. Hun bovenste gedeelte is +een afgeknotte, dunwandige, aan het einde geopende buis en gelijkt op een spoel van een ganzeveer, waarvan de merghoudende +schacht is afgesneden; het onderste gedeelte van deze stekels is lang, dun en buigzaam. Door een groote, krachtige spier, +die onder de huid van het dier gelegen en voor sterke samentrekking vatbaar is, kunnen alle stekels naar verkiezing opgezet +en neergelegd worden. De onderzijde van het lichaam is bezet met donkerbruine, aan de spits roodachtige haren; om de keel +ligt een witte band. De klauwen zijn donker hoornkleurig, de oogen zwart. De in Europa wonende Stekelvarkens zijn, naar men +zegt, uit Noord-Afrika afkomstig en eerst door de Romeinen naar ons werelddeel overgebracht. Tegenwoordig vindt men dit dier +in de kustlanden van de Middellandsche zee, vooral in Algerië, Tripolis en Tunis en verder zuidwaarts tot in Senegambië en +Soedan. In Europa leeft het veelvuldig in de Campagna van Rome, op Sicilië, in Calabrië en in Griekenland. In Beneden-Egypte, +waar het heet voor te komen, heb ik nooit sporen van de aanwezigheid van dit dier gezien. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1327.jpg" alt="Stekelvarken (Hystrix cristata)." width="720" height="515"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Stekelvarken</span> (<i>Hystrix cristata</i>). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Het Stekelvarken leeft eenzaam. Over dag rust het in lange, lage gangen, die het zelf in den grond graaft; des nachts komt +het voor den dag en zwerft rond om voedsel te zoeken. Dit bestaat uit allerlei plantaardige stoffen, distels en andere kruiden, +wortels en vruchten, de schors van verschillende boomen en vele soorten van bladen. Het bijt zijn voedsel af met de voortanden +en houdt het met de voorpooten vast, zoolang het eet. Alle bewegingen van dit dier zijn langzaam en onbeholpen; zijn gang +is traag en bedachtzaam; het loopt niet snel. Alleen voor ’t graven heeft het eenige geschiktheid, die echter in ’t geheel +niet toereikend is om een vluggen en behendigen vijand te ontvlieden. In den winter houdt het zich langer dan gewoonlijk in +zijn hol op en brengt hier dikwijls eenige dagen achtereen slapend door. Een echte winterslaap heeft het niet. + +</p> +<p>Wanneer men een Stekelvarken buiten zijn hol verrast, heft het dreigend den kop en den nek omhoog, zet alle stekels van zijn +lichaam overeind en maakt er een eigenaardig klapperend geluid mede; vooral de holle stekels van den staart worden door het +bewegen van dit lichaamsdeel zoo tegen elkander geslagen, dat er een vreemdsoortig geratel ontstaat, wel geschikt om een onwetend +of vreesachtig mensch schrik aan te jagen. Als het zeer opgewonden is, stampt het met <a id="d0e2241"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2241">328</a>]</span>de achterpooten op den grond; wanneer men het grijpt, laat het een dof geknor hooren, gelijkend op dat van het Zwijn. In weerwil +van zijn vreeswekkend geklapper is dit dier volkomen ongevaarlijk; het wordt licht verschrikt, gaat iedereen uit den weg en +denkt er bijna niet aan om van zijne scherpe tanden gebruik te maken. Ook de stekels zijn meer afweringsmiddelen dan aanvalswapenen. +Wie dit dier onvoorzichtig nadert, kan licht door de stekels gewond worden; de ervaren jager grijpt het dier bij de rugmanen +en draagt het op zijn gemak mede, of doodt het door een stokslag op den neus. Wel buigt het, als men het nadert, den kop naar +beneden, richt de rugstekels naar voren en gaat den vijand eenige schreden tegemoet; met een stok kan men echter buiten het +bereik van de stekels blijven; een groote doek is voldoende om het dier te ontwapenen. In den uitersten nood rolt het zich +als een Egel op en kan dan natuurlijk moeilijk aangevat worden. Over ’t algemeen valt het gemakkelijk ten buit aan iederen +behendigen vijand. + +</p> +<p>Het wijfje werpt 60 à 70 dagen na de paring op een tamelijk zacht, met bladen, wortels en kruiden bekleed nest in zijn hol +2 à 4 jongen. De diertjes komen ter wereld met open oogen en korte, zachte, glad tegen het lichaam aanliggende stekels; deze +verharden echter weldra en groeien schielijk, hoewel zij hun volle lengte eerst op hoogeren leeftijd bereiken. Zoodra de jongen +in staat zijn om zelf voedsel te zoeken, verlaten zij de moeder, die hen met veel liefde heeft grootgebracht. + +</p> +<p>Hoewel men eigenlijk niet zeggen kan, dat het Stekelvarken den mensch nadeel berokkent, wordt het toch ijverig vervolgd. Zijne +stekels worden voor velerlei doeleinden gebruikt, in sommige streken eet men zijn vleesch. In de Campagna wordt de jacht op +dit dier als een bijzonder vermaak beschouwd; het valt trouwens niet te ontkennen, dat er iets avontuurlijks en aantrekkelijks +gelegen is in de wijze waarop het dier wordt opgespoord. In een donkeren nacht begeeft men zich op de jacht met eenige goed +gedresseerde Honden, men brengt deze op het spoor van het wild en laat hen zoeken. Door een luid, toornig geblaf kondigen +zij aan, dat zij een van de stekelige dieren staande gehouden hebben en wijzen zij het jachtgezelschap den weg naar het tooneel +van den strijd—voor zoo ver hier trouwens van strijd sprake kan zijn. Alle jagers steken de door hen gereed gehouden fakkels +aan en begeven zich hiermede naar de plaats waar het Stekelvarken zich bevindt. Zoodra de Honden de komst van hunne meesters +bemerken, huilen zij luid van vreugde en gaan woedend op hun tegenpartij los. Het Stekelvarken tracht hen terug te drijven +door op allerlei toonhoogten te ratelen, te grommen en te knorren; het verweert zich zoo goed mogelijk met zijne naar alle +richtingen uitgestoken speren. Het jachtgezelschap vormt een kring om het dier en zijne belagers; bij het schelle licht der +fakkels kost het den jager geen moeite het wild bij de rugmanen te grijpen en het te dooden of levend mede te nemen naar huis. + +</p> +<p>Bij goede behandeling wordt het Stekelvarken spoedig tam. Jong gevangen dieren leeren hun verzorger kennen en volgen hem na +als Honden. Zij verliezen echter nooit de hun aangeboren schuwheid en vreesachtigheid. In de kamer kan men zulk een dier eigenlijk +niet houden. Het loopt zoo onbedachtzaam rond, dat af en toe een van de aanwezigen zich bezeert aan de scherpe stekels. Voorts +knaagt het aan tafelpooten, deuren en ander houtwerk; bovendien is het een saaie gezel. Het is niet moeilijk een Stekelvarken +8 à 10 jaar in het leven te houden, wanneer men het niet al te slecht behandelt. Als voedsel krijgt het wortels, aardappels, +salade, kool en andere plantaardige stoffen; het liefst eet het ooft. Water heeft het in ’t geheel niet noodig, indien het +sappige vruchten of bladen krijgt; als het met droog voedsel gevoederd wordt, drinkt het nu en dan, hoewel niet dikwijls. +Niet zelden planten de Stekelvarkens zich in de gevangenschap voort. + +</p> +<p>Evenals de Savoyaarden met Marmotten reizen, trekken de Italianen soms met tamme Stekelvarkens van dorp tot dorp om het vreemdsoortige +dier voor geld te laten kijken. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Van hetzelfde geslacht treft men ook eenige soorten in Indië. Ceylon en het zuiden van China aan. Op Java, Borneo en Sumatra +leeft het <span class="letterspaced">Javaansche Stekelvarken</span> (<i>Hystrix javanica</i>), dat zich van het Gewone onderscheidt door het gemis van manen; het heeft veel kortere, platte stekels, en deze zijn met +een diepe, overlangsche groeve voorzien. De borstels en stekels zijn donker kastanjebruin, ten deele met witte spitsen. Dit +dier, dat door de Javanen <span class="letterspaced">Landakli</span> wordt genoemd, bewoont wilde, boschrijke oorden, waar het lange holen graaft, die steeds twee uitgangen hebben. Het hierin +levende paar doorzoekt ’s nachts gemeenschappelijk den omtrek, en richt o.a. in de maïs- en aardappelakkers soms groote schade +aan. In vroegeren tijd speelde een van deze diersoort afkomstige galsteen (bezoar) een belangrijke rol in de geneeskunde. +Soms werd voor zulk een “piedra del porco” wel 100 kronen betaald. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Kwaststaart-stekelvarkens</span> vormen het geslacht <i>Atherura</i>, waarvan één soort—de <span class="letterspaced">Afrikaansche Kwaststaart</span> (<i>Atherura africana</i>)—in West-Afrika leeft en tegenwoordig in dierentuinen geen zeldzaamheid is, terwijl een andere soort—de <span class="letterspaced">Indische Kwaststaart</span> (<i>Atherura fasciculata</i>)—Siam, het Maleische schiereiland en Sumatra bewoont. Beide zijn ongeveer 40 cM. lang zonder den staart; deze heeft een vierde +of een derde deel van de totale lichaamslengte, en eindigt in een eigenaardige kwast, welks bestanddeelen geen haren of borstels +zijn, maar op <span id="d0e2286" class="corr" title="Bron: strookje">strookjes</span> perkament gelijken, die op een grillige wijze zijn uitgeknipt. Het betrekkelijk slanke lichaam is op den rug en de zijden +met zeer scherpe, platte, overlangs gegroefde stekels bezet. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De Stekelvarkens van de Nieuwe Wereld vormen een afzonderlijke onderfamilie, die der <span class="letterspaced">Klimmende Stekelvarkens</span> (<i>Cercolabinae</i>); door hunne met wratachtige verhevenheden bedekte voetzolen en groote, gekromde klauwen zijn zij voor het leven op de boomen +geschikt. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>In de noordelijke helft van Noord-Amerika vindt men het <span class="letterspaced">Canadeesche Stekelvarken</span> of de <span class="letterspaced">Oerson</span> (<i>Erethizon dorsatum</i>). Van Labrador tot aan het Rotsgebergte bewoont het de bosschen van het gebied gelegen tusschen 67° N.-B. aan de eene, Virginië +en Kentucky aan de andere zijde. In de bosschen ten westen van den Missouri is het niet bijzonder zeldzaam, in de oostelijke +gewesten daarentegen is het nagenoeg uitgeroeid. Met een anderen vorm, die aan de westkust, van Californië tot Alaska, gevonden +wordt brengt men deze soort tot het geslacht <span class="letterspaced">Platstaart-stekelvarken</span> (<i>Erethizon</i>). Dit onderscheidt zich door een ineengedrongen <a id="d0e2318"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2318">329</a>]</span>romp en den korten, afgeplatten of verbreeden staart, die aan de bovenzijde met stekels, aan de onderzijde met borstels bezet +is. Met inbegrip van den 19 cM. langen staart bereikt de Oerson een lengte van 80 cM. De kop is kort, dik en stomp, de snuit +is afgeknot; de kleine neusgaten kunnen door een halvemaanvormige klep min of meer afgesloten worden. De voorvoeten missen +den duim en zijn dus vierteenig; aan de achtervoeten komen vijf teenen voor; de klauwen zijn lang en krachtig, de zolen naakt, +met een netvormig geplooide huid bekleed. Een dikke vacht, bestaande uit haren, die in den nek een lengte van 11 cM. bereiken, +maar aan de onderzijde en aan de spits van den staart door scherpe borstels vervangen zijn, bedekt den romp. Tusschen de haren +en de borstels staan op de geheele bovenzijde stekels, die 8 cM. lang kunnen worden en grootendeels door de haren bedekt zijn. +De kleur is een mengsel van bruin, zwart en wit. + +</p> +<p>“De Oerson,” zegt <span class="smallcaps">Cartwright</span>, “is een behendige klimmer: in den winter verlaat hij een boom waarschijnlijk niet, voordat hij de kroon geheel van schors +beroofd heeft. Aan de jongste boomen geeft hij de voorkeur: een enkele Oerson doodt waarschijnlijk gedurende één winter wel +honderden boomen.” <span class="smallcaps">Audubon</span> verhaalt, dat hij bosschen gezien heeft, waarvan alle boomen door den Oerson ontschorst waren, zoodat zij er uitzagen, alsof +er een boschbrand in gewoed had. Vooral de iepen, populieren en dennen waren zeer sterk beschadigd. + +</p> +<p>Het nest wordt in holle boomen of in rotsholen aangelegd; in April of Mei vindt men hierin de jongen, gewoonlijk 2, zeldzamer +3 of 4. De jongen, die uit het nest genomen en gevangen gehouden worden, geraken weldra aan hun meester en aan hun nieuwe +omgeving gewoon. Men voedt ze met allerlei plantaardige stoffen; ook houden zij zeer veel van brood. Als men ze in den tuin +vrij rondloopen laat, klimmen zij in de boomen en vreten er de schors en de bladeren van op. <span class="smallcaps">Audubon</span> verhaalt, dat een door hem verzorgde Oerson alleen dan boos werd, als men hem verwijderen wilde van een geregeld door hem +bezochten boom in den tuin. “Onze gevangene was langzamerhand zeer tam geworden, en maakte zelden van zijne nagels gebruik: +men kon daarom af en toe zijn hok openen en hem het genot gunnen van een wandeling door den tuin. Hij kende ons; als wij hem +riepen en hem een appel of een bataat (‘zoete aardappel’) voorhielden, draaide hij den kop langzaam naar ons toe, keek ons +zachtmoedig en vriendelijk aan, hompelde dan langzaam nader, nam ons het voedsel uit de hand, ging opzitten, en bracht het +voorwerp met de voorpooten naar den mond. Dikwijls kwam hij, als hij de deur open vond, in onze kamer, kwam naar ons toe, +wreef zich tegen onze beenen aan, en keek smeekend tot ons op om de een of andere lekkernij te ontvangen. Tevergeefs beproefden +wij hem boos te maken; nooit gebruikte hij zijne stekels tegen ons. Anders was het, wanneer er een Hond aankwam. Dan was hij +onmiddellijk op tegenweer bedacht, boog den kop naar beneden, richtte alle stekels op, en bewoog den staart heen en weer, +gereed tot den strijd. + +</p> +<p>“Een groote, kwaadaardige en in de hoogste mate strijdlustige Bullenbijter uit de buurt, sprong eens onverwachts met geopenden +bek op het Stekelvarken toe. De Oerson scheen in ’t zelfde oogenblik tot den dubbelen omvang op te zwellen, hield den naderenden +vijand scherp in ’t oog, en bracht hem op het juiste oogenblik met den staart een zoo goed gerichten slag toe, dat de Bullenbijter +oogenblikkelijk den moed verloor, en door de smart gepijnigd luid jankte. De bek, de tong en de neus waren bedekt met de stekels +van zijn tegenpartij. Buiten staat den bek te sluiten, snelde hij met geopenden muil onophoudelijk het erf rond. Hoewel de +omstanders hem onmiddellijk de stekels uit den bek trokken, bleef de kop nog verscheidene weken gezwollen; maanden gingen +er voorbij, voordat de snuit genezen was.” + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1329.jpg" alt="Oerson (Erethizon dorsatum). ⅙ v.d. ware grootte." width="720" height="444"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Oerson</span> (<i>Erethizon dorsatum</i>). ⅙ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Alleen de Indianen weten een nuttig gebruik te maken van den gedooden Oerson. Het vleesch van dit dier wordt door hen met +smaak gegeten, en bevalt ook aan den blanke zeer goed. Het vel is, nadat men de stekels er uit verwijderd heeft, bruikbaar +wegens zijn aangename zachtheid; de stekels worden door den wilde hoofdzakelijk gebruikt tot opsiering van zijne weitasschen, +laarzen enz. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Tot het geslacht der <span class="letterspaced">Grijpstaart-stekelvarkens</span> (<i>Cercolabes</i>) eindelijk brengt men die soorten, welke een voor ’t klimmen geschikten staart en aan de achtervoeten zoowel als aan de voorvoeten +4 teenen hebben, waarnevens een klein stompje de plaats van <a id="d0e2356"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2356">330</a>]</span>den binnenteen aanduidt. Als het haarkleed zoover boven de stekels uitgroeit, dat deze slechts op sommige plaatsen te voorschijn +komen, en aan de keel, de borst en den buik geheel ontbreken, worden de soorten tot het ondergeslacht der <span class="letterspaced">Boom-stekelvarkens</span> (<i>Sphingurus</i>) gerekend; daarentegen treden de borstels op den achtergrond bij het ondergeslacht der <span class="letterspaced">Grijpstaart-stekelvarkens</span> of <span class="letterspaced">Koeandoes</span> (<i>Synetheres</i>). + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1330.jpg" alt="Boom-stekelvarken (Cercolabes novae hispaniae). ⅙ v.d. ware grootte." width="720" height="447"><p class="figureHead"><span id="d0e2375" class="corr" title="Bron: Boomstekel-varken">Boom-stekelvarken</span> (<i>Cercolabes novae hispaniae</i>). ⅙ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Het <span class="letterspaced">Mexicaansche Boom-stekelvarken</span> [<i>Cercolabes (Sphingurus) novae-hispaniae</i>], een dier van 95 cM. totale lengte, waarvan ongeveer een derde voor den staart gerekend moet worden, bewoont de oostkust +van Mexico. De glanzige haren zijn zeer dicht en zacht, een weinig gekroesd en zoo lang, dat vele stekels volkomen door hen +bedekt worden. De stekels ontbreken op de onderdeelen, met uitzondering van den onderhals, voorts aan de binnenzijde van de +pooten, op den snuit en op de achterste helft van den staart, die van boven naakt, van onderen met zwarte, aan de zijden met +gele borstels bezet is. Het haarkleed heeft een zwarte kleur. Op het gelaat komen zeer lange snorharen voor. De stekels, die +over ’t algemeen een zwavelgele kleur hebben met uitzondering van de zwarte spits, zijn bij den wortel veel dunner, hooger +op overal even dik, behalve vlak onder de spits, waar zij plotseling in een punt uitloopen; in ’t midden zijn zij glad en +bij de naaldscherpe spits met naar beneden gerichte weerhaken voorzien. Zoolang het Boom-stekelvarken rustig is, bemerkt men +zeer weinig van het stekelkleed, behalve in de omgeving van de oogen en ooren. Als het dier toornig is, heeft het alle stekels +overeind geplaatst, zoodat zij in alle richtingen afstaan; wanneer men nu met de hand over het vel strijkt, bemerkt men ze +overal. Zij zijn zoo zwak in de huid bevestigd, dat zij bij de minste aanraking uitvallen; zelfs als men het dier maar even +aait, gaan zij bij dozijnen los; geregeld blijven er dan eenige in de hand steken. + +</p> +<p>De mededeelingen over het leven van de Boom-stekelvarkens in de vrije natuur zijn zeer schaarsch en onvolledig. De meeste +hebben betrekking op een soort, die nauw verwant is aan de zooeven genoemde, op den <span class="letterspaced">Koeïy</span> (<i>Cercolabes villosus</i>); over hem hebben <span class="smallcaps">Azara</span>, <span class="smallcaps">Rengger</span>, de <span class="letterspaced">Prins</span> <span class="smallcaps">Von Wied</span> en <span class="smallcaps">Burmeister</span> berichten gegeven. Hij is over geheel Brazilië en Paraguay en een deel der verder zuidwaarts gelegen landen verbreid; hoewel +overal bekend, is hij nergens algemeen. Bij voorkeur kiest hij hoogstammige bosschen tot verblijfplaats. Gedurende het grootste +deel van het jaar leeft hij hier alleen en wel in een bepaald gebied, altijd op de boomen, in welker takken hij zich behendig +beweegt. Over dag slaapt hij, tot een bal ineengerold, in een takgaffel; des nachts zwerft hij rond, steeds langzaam en voorzichtig +klimmend, zonder een mispas te doen. <span class="smallcaps">Hensel</span> doet uitkomen, dat dit dier door zijn vorm en zijn kleur zich niet veel van de omgeving onderscheidt. “De natuur,” zegt hij, +“heeft aan dit dier een groot voorrecht geschonken; niet tevreden met het tegen vijanden uit zijn eigen dierklasse te beveiligen, +droeg zij er ook nog bijzondere zorg voor het tegen Roofvogels te beschermen. Boven het stekelkleed van dit dier steken nl. +lange, fijne haren uit. Deze verschaffen het, wanneer het half ineengerold en onbeweeglijk op een boomtak zit, een bedrieglijke +overeenkomst met een klomp grijs baardmos; zelfs de scherpzichtige jager gaat het licht voorbij, bedrogen, door de in den +wind heen en weer schommelende haren en zal misschien een andere keer zijn geweer afschieten op een hoop van deze korstmossen, +die op boomen groeien, in de meening het gezochte dier te zullen treffen.”—De houding, die het Boom-stekelvarken in de boomen +aanneemt, is zeer eigenaardig; het zit op de achtervoeten, in welker onmiddellijke nabijheid de voorvoeten op den tak rusten; +deze zijn dan dikwijls op zulk een wijze gebogen, dat het dier op den rug van de hand steunt; de kop is intusschen loodrecht +naar beneden gericht, de staart recht uitgestrekt en haakvormig naar boven omgebogen. Gewoonlijk beveiligt het dier zich tegen +den val door zijn grijpstaart om een tak te slingeren; ook zonder dezen voorzorgsmaatregel zit het zelfs op de dunste takken +zeer stevig, omdat het zich met de breede, naar binnen gewelfde handen uitmuntend kan vasthouden. Bij het klimmen drukt het +de breede, vleezige zolen vast tegen de takken, die het met den bal van de hand omklemt. + +</p> +<p>Het voedsel van het Boom-stekelvarken bestaat hoofdzakelijk uit vruchten, knoppen, bladen en wortels, die het met de handen +naar den mond brengt. + +</p> +<p>Om het leven van dit dier in de gevangenschap te schilderen, zal ik <span class="smallcaps">Azara’s</span> waarnemingen vermelden. <a id="d0e2425"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2425">331</a>]</span>“Ik liet er een, dat reeds oud was, toen het gevangen werd, in mijne kamer losloopen; een jaar lang is het zonder water gebleven, +want het drinkt niet. Als het verschrikt werd, liep het met groot gemak, ik kon het echter altijd wel bijhouden zonder mij +in te spannen, als ik denzelfden kant uitging. Al zijne bewegingen zijn onbeholpen; het klimt echter met gemak langs den eersten +den besten stok op en af, en klemt zich er zoo stevig aan vast, dat er een tamelijk groote kracht noodig is om het los te +rukken<span id="d0e2427" class="corr" title="Bron: ">.</span> Op de leuning van een stoel, op den top van een loodrecht in den grond geslagen paal heeft het ruimte genoeg om veilig te +slapen en ook werkelijk uit te rusten. Zijne stompzinnigheid en bedaardheid of traagheid zijn zoo groot, dat er wel 24 à 48 +uren voorbij kunnen gaan, voordat het van plaats verandert, of ook maar de geringste wijziging in zijn houding aanbrengt. +Mijn exemplaar bewoog zich alleen, als het eten wilde; dit geschiedde in den regel om 9 uur ’s morgens en om 4 uur ’s namiddags; +slechts een enkele maal merkte ik op, dat het ook ’s nachts rondliep; toch houd ik het voor een nachtelijk dier. Mijn Stekelvarken +ging in de eerste dagen van zijn gevangenschap op de leuning van een stoel zitten, nooit op een vlak voorwerp; toen het echter +eens bij het venster naar boven geklommen was en daar den kant van het vensterluik gevonden had, zocht het later geen andere +rustplaats. Boven op dit luik bracht het zijn tijd door; het zat hier, zonder de minste beweging te maken, in een ongewone +houding als een steenen beeld. Zonder zich met de hand of den staart tegen het vallen te beveiligen, hield het zich alleen +met de voeten vast, legde de handen over elkander en hiertusschen zijn snuit, alsof het zich de handen wilde kussen. Zoo zat +het zonder zich te bewegen, ja zelfs zonder rond te kijken, tot aan het uur van zijn maaltijd. Van het voorgediende voedsel—brood, +maïs, maniokwortels, kruiden, bladen en bloemen—nam het slechtst uiterst weinig, het hield er echter van, nu eens het eene, +dan weer het andere voedsel te gebruiken. Het beet of krabde nooit en deed niemand eenig kwaad. + +</p> +<p>“Het best ontwikkeld is bij dit dier het zintuig van den reuk. Als ik chocolade dronk, of met bloemen de kamer binnenkwam, +merkte ik op, dat mijn Stekelvarken den snuit omhoog stak; hieruit kon ik veilig afleiden, dat het den geur op tamelijk grooten +afstand waarneemt. De spits van zijn staart is zoo gevoelig, dat het zelfs bij zachte aanraking van dit lichaamsdeel onmiddellijk +opstaat en schrik laat blijken. Voor ’t overige bemerkte men aan dit dier niets anders dan traagheid en domheid; men mag wel +zeggen, dat het nauwelijks verstand genoeg heeft om te eten en te leven. Nooit liet het vreugde of droefheid of zelfs een +aangename gemoedsstemming blijken. Soms draaide het den kop om, als het bij den naam genoemd werd. Gewoonlijk echter keek +het niet om, maar deed, alsof het niet zien kon; ook bij aanraking gedroeg het zich, alsof het van steen was, behalve wanneer +dit te ruw geschiedde; in dit geval zette het zijn stekels op; ook dan echter maakte het geen verdere beweging.” + +</p> +<p>Daar het uitwendig voorkomen van dit dier niet aanlokkelijk is, wordt het door de bewoners van Paraguay maar zelden gevangen +en in het leven gehouden; toch blijft het niet van vervolging verschoond. De wilden eten zijn vleesch, dat wegens zijn onaangenamen +reuk door de blanke bewoners versmaad wordt. Ook deze dooden het dier echter, waar zij het ontmoeten. Door <span class="smallcaps">Hensel</span> worden de volgende redenen voor dezen haat medegedeeld: “Het griezeligste dier van het Braziliaansche oerwoud is het Boom-stekelvarken. +De natuur heeft er zich niet toe bepaald het door stekels tegen de Roofdieren te beschutten, op gelijke wijze als b.v. de +Egel, maar heeft deze verweermiddelen bovendien op zulk een wijze ingericht, dat zij den vijand voor zijn aanval op de vreeselijkste +wijze straffen. De stekels zijn n.l. aan hun onderste gedeelte zoo fijn en ook zoo zwak in de huid bevestigd, dat zij los +geraken, wanneer er maar even aan getrokken wordt; zij blijven derhalve aan een vreemd lichaam vastgehecht, zoodra zij er +met de spits in doorgedrongen zijn. Wanneer dus een Hond een aanval doet op het rustig ter aarde liggend Boom-stekelvarken, +dat, bewust van de vreeselijke werking zijner wapens, er niet aan denkt om te ontvluchten, zullen de weeke deelen van den +bek van den vijand getroffen worden door tallooze stekels; deze zullen hierin steken blijven, omdat zij weerhaken hebben; +om dezelfde reden en tengevolge van de bewegingen die het gewonde dier maakt, zullen zij steeds dieper doordringen. De ongelukkige +Hond kan den bek niet sluiten, en zal, als men hem niet spoedig te hulp komt, door de zwelling van de mondholte en van het +strottenhoofd, na een smartelijk lijden stikken of verhongeren. Als men er vlug bij is, kan men de stekels uittrekken door +ze bij de spits tusschen de duim en de punt van een mes te vatten; later is ook dit niet meer mogelijk en breken zij veeleer. +Daarom nemen vele jagers een tang mede, als zij zich naar ’t woud begeven. Het is dus verklaarbaar, dat de jager in het oerwoud +geen enkel dier, zelfs de Vergiftige Slangen niet, zoo zeer haat en vreest als dit Knaagdier. Overal waar hij het ontmoet, +zal hij het zonder mededoogen dooden, hoewel het overigens geheel onschadelijk is.” +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De tot de <span class="letterspaced">Grijpstaart-stekelvarkens</span> behoorende <span class="letterspaced">Koeandoe</span> [<i>Cercolabes (Synetheres) prehensilis</i>] heeft over ’t geheel genomen den vorm van den Koeïy, maar is aanmerkelijk grooter en krachtiger gebouwd dan deze. Zijn lengte +bedraagt (met inbegrip van den 45 cM. langen staart) 1.1 M. De bekleeding met stekels begint reeds op het aangezicht, strekt +zich uit over de geheele rugzijde, over de pooten tot aan het polsgewricht en het spronggewricht, over de voorste helft van +den staart en ook over de geheele buikzijde. De stekels liggen echter niet glad tegen het lichaam aan. De haren, die tusschen +de stekels groeien, worden geheel door deze bedekt en zijn eerst zichtbaar, als men de stekels uiteenbuigt. Deze zijn ook +hier zeer los aan de huid gehecht, bij de aanhechtingsplaats dun, overigens gelijkmatig van dikte, naaldvormig en in de nabijheid +van de zeer fijne spits plotseling zeer sterk verdund; op het achterste deel van den rug bereiken zij een lengte van 12 cM.; +hoe nader zij bij het onderlijf gelegen zijn, des te korter worden zij; op de buikzijde gaan zij allengs in echte borstels +over, die aan de onderzijde van het voorste deel van den staart weder stijf en stekend worden. + +</p> +<p>Van de levenswijze van den Koeandoe in de vrije natuur is weinig bekend. Hij bewoont een tamelijk groot deel van Zuid- en +Midden-Amerika, vooral Brazilië en Guyana, en is op vele plaatsen volstrekt niet zeldzaam. Op soortgelijke wijze als zijne +verwanten slaapt hij over dag, zittend in een boomkroon; des nachts loopt hij langzaam maar behendig over de takken. Zijn +voedsel bestaat uit allerlei bladen. Het vleesch van dit dier wordt door de inboorlingen gaarne gegeten; deze weten ook van +de stekels op verschillende <a id="d0e2452"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2452">332</a>]</span>wijzen gebruik te maken, o.a. worden zij in sommige ziektegevallen in de huid van den patiënt gestoken, met een soortgelijke +bedoeling, als waarvoor bij ons Bloedzuigers gebruikt worden. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>De uitwendige kenteekenen van de Familie der <span class="letterspaced">Halfhoevigen</span> of <span class="letterspaced">Zwijnachtige Knaagdieren</span> (<i>Caviidae</i> of <i>Subungulata</i>), waartoe ook het bekende Guineesche Biggetje behoort, zijn: een meer of minder gestrekte romp, die op middelmatig hooge +of hooge pooten rust, welker voorvoeten vier en welker achtervoeten drie, vier of vijf teenen hebben, waaraan korte, breede, +bijna hoefvormige, van boven gekielde nagels voorkomen; de zool is onbehaard; de staart is bij sommige soorten zeer kort, +bij andere alleen als een klein wratje waarneembaar en ontbreekt bij de overige geheel; de ooren zijn in den regel kort, bij +eenige half zoo lang als de kop; de vacht is uit grove haren samengesteld. Het gebit bestaat, behalve uit de vier breede knaagtanden, +uit vier wortellooze kiezen van ongeveer gelijke grootte in iedere kaakhelft. Alle leden van deze familie zijn tot Middel- +en Zuid-Amerika beperkt. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Het <span class="letterspaced">Guineesch Biggetje</span> (<i>Cavia porcellus, Cavia cobaya</i>)—bij ons algemeen bekend onder den naam van “Marmot”, die aan een geheel anders gebouwd Knaagdier toekomt—deelde tot voor +korten tijd in het lot van vele huisdieren: men kon zijne stamouders niet met zekerheid aanwijzen. Voor zoover men kan nagaan, +is dit dier kort na de ontdekking van Amerika, in de 16e eeuw dus, door Hollandsche zeelieden naar Europa gebracht. <span class="smallcaps">Gesner</span> (geb. 1516, gest. 1565) kende het reeds. Sedert dien tijd heeft het zich in Europa voortdurend in gevangenschap voortgeplant. +Tot voor kort heeft men, waarschijnlijk ten onrechte, vrij algemeen den Braziliaanschen <span class="letterspaced">Aperea</span> (<i>Cavia Aperea</i>) als stamsoort van ons Guineesch Biggetje beschouwd. (Bij dezen zijn de snijtanden van voren bruinachtig geel, bij het Guineesch +Biggetje daarentegen geelachtig grijs<span id="d0e2489" class="corr" title="Bron: ">.</span>) Volgens de onderzoekingen van <span class="smallcaps">Nehring</span> evenwel stamt het van de Peruaansche <i>Cavia cutleri</i> af. Deze werd in zijn vaderland reeds ten tijde van de Inca’s als huisdier gehouden en wordt, volgens <span class="smallcaps">A. Stübel</span>, ook thans nog door de Indianen van Peru, Ecuador en Columbia gefokt en gegeten. Daarentegen wordt het bij de Indiaansche +stammen van Brazilië, die nog niet met andere volken in aanraking gekomen zijn, in getemden staat niet aangetroffen. Onze +naam “Guineesch biggetje” (“Guinea-pig” bij de Engelschen) is letterlijk al even onjuist als de Fransche naam “Cochon d’Inde”, een vertaling van de reeds bij <span class="smallcaps">Aldrovandi</span> (1522–1605) voorkomende aanduiding “Porcellus indicus”, waaraan ook de wetenschappelijke soortnaam ontleend is. + +</p> +<p>Behalve effenkleurige Guineesche Biggetjes, van welke de witte het veelvuldigst voorkomen, ziet men gewoonlijk alleen driekleurige: +wit, geel en zwart gevlekte. Volgens de onderzoekingen van <span class="smallcaps">Nehring</span> misten de mummiën van de Guineesche Biggetjes uit den Inca-tijd, die op het Doodenveld van Ancon in Peru gevonden worden, +steeds de zwarte vlekken. De effenkleurige waren wit of roodachtig bruin; de tweekleurige hadden een der zooeven genoemde +grondkleuren en roodachtig bruine of geelachtig witte vlekken. Bij ons zijn, volgens de onderzoekingen van <span class="smallcaps">Haacke</span>, driekleurige exemplaren met aschgrauwe in plaats van zwarte vlekken geen zeldzaamheid; deze hebben altijd roode oogen. In +den laatsten tijd is het <span class="letterspaced">Langharige Guineesche Biggetje</span>, een ras met lange haren, die op verschillende lichaamsdeelen eigenaardige kruinen vormen, zeer gezocht. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1332.jpg" alt="Guineesch Biggetje (Cavia porcellus). ½ v.d. ware grootte." width="720" height="505"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Guineesch Biggetje</span> (<i>Cavia porcellus</i>). ½ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Het Guineesche Biggetje behoort tot de meest gewilde huisdieren uit de geheele Knaagdieren-orde, zoowel omdat het geen hooge +eischen stelt, als wegens zijn onschadelijkheid en goedaardigheid. Als men het een frissche en droge ligplaats verschaft, +kan men het overal gemakkelijk in ’t leven houden. Het voedt zich met de meest verschillende plantaardige stoffen; alle deelen +van de plant van de wortels tot aan de bladen, zaden zoowel als frissche sappige plantendeelen zijn naar zijn smaak; eenige +afwisseling in het voedsel is <a id="d0e2535"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2535">333</a>]</span>echter zeer gewenscht. Als het saprijk voedsel krijgt, heeft het geen drank noodig; het houdt echter zeer veel van melk. Daar +het zich allerlei behandeling laat welgevallen en zich zelfs tegen mishandeling niet verzet, is het een bron van vermaak voor +de kinderen, die zich in den regel het meest met het verzorgen van dit dier bezighouden. Door zijn aard herinnert het in vele +opzichten aan de Konijnen, in andere aan de Muizen. Zijn gang is bijzonder snel en bestaat uit opeenvolgende kleine sprongen; +het dier is echter niet onbeholpen, maar tamelijk behendig. Als het rust, heeft het gewoonlijk alle vier pooten gebogen en +is de romp plat tegen den grond gedrukt; het kan echter ook overeind zitten op de achterpooten. Bij ’t eten brengt het zijn +voedsel met de voorpooten naar den mond. Onophoudelijk loopt het in zijn hok rond, het liefst langs de muren, waardoor hier +spoedig een glad getreden pad ontstaat. Wanneer men een groot aantal van deze dieren, bijeen heeft in een hok, levert hun +gang een aardig schouwspel op. In den ganzenmarsch loopen zij achter elkander aan, de geheele troep loopt op deze wijze soms +wel honderdmaal het hok rond, zonder op te houden.—De stem van dit dier bestaat uit een knorrend geluid, waaraan het waarschijnlijk +den naam Biggetje te danken heeft, en uit een eigenaardig gemurmel en gepiep. Het murmelen geeft, naar het schijnt, een tevreden +gemoedsstemming te kennen, het piepen verraadt steeds opgewondenheid. + +</p> +<p>Weinige Zoogdieren evenaren het Guineesch Biggetje in vruchtbaarheid. Bij ons werpt het wijfje twee- of driemaal per jaar +2 of 3, dikwijls 4 of 5 jongen, in warmen landen niet zelden 6 of 7. Deze komen volkomen ontwikkeld ter wereld, hebben reeds +bij de geboorte open oogen en zijn reeds weinige uren na hun geboorte in staat om met hun moeder rond te loopen. Na ongeveer +5 of 6 maanden zijn de jongen in staat om zich voort te planten, na 8 of 9 maanden hebben zij hun definitieve grootte bereikt. +Als zij goed behandeld worden, kunnen zij 6 à 8 jaar oud worden. + +</p> +<p>Wanneer men zich veel met de Guineesche Biggetjes bemoeit, worden zij zeer mak hoewel zij hun vreesachtigheid nooit geheel +afleggen en wegens de geringe ontwikkeling hunner geestvermogens zelden zoover komen, dat zij hunne verzorgers van anderen +onderscheiden. Er zijn echter ook uitzonderingen. “Een Guineesch Biggetje, dat aan mijne kinderen toebehoort,” schrijft <span class="smallcaps">Friedel</span>, “begroet mijn zoon, zoodra het diens schreden verneemt, met een luid opgewonden gepiep; het maakt uit dankbaarheid een duidelijk +trommelend geluid, als het van hem voedsel krijgt; mijn dochtertje ontvangt als groet geen gepiep, maar slechts een zacht +gemurmel; ook voor mijn vrouw en mij blijft het trommelen achterwege. Als mijn vrouw ’s avonds laat de kamer voorbijgaat, +waarin het dier geborgen is, wordt zij steeds door een klagend gepiep aangezocht om het iets te eten te geven; als ik er langs +kom, houdt het dier zich stil, omdat het wel weet, dat ik op dit late uur niets geven zal. Het kan dus vier personen goed +van elkander onderscheiden. Bovendien kan het kunstjes maken: het gaat op commando dood liggen en gehoorzaamt aan het bevel +om weer op te staan.”—Zelfs het kleinste kind kan men zonder bezwaar met het Guineesch Biggetje laten spelen, daar het nooit +pogingen zal doen om te bijten. Dikwijls legt het een opmerkelijke onverschilligheid aan den dag. Hoe prettig deze dieren +het verblijf in hun hok ook vinden, verlangen zij er toch, naar het schijnt, niet bijzonder naar, wanneer zij ergens anders +gebracht zijn; zij laten zich oppassen en verzorgen, dulden, dat men hen op den schoot neemt, met hen solt, enz., zonder ooit +ontevredenheid te toonen. Als zij iets te eten krijgen, zijn zij overal tevreden. Hier staat tegenover, dat zij nooit een +wezenlijke gehechtheid aan den mensch laten blijken, maar voor iedereen nagenoeg even vriendelijk zijn. Voor koude en vochtig +weder zijn zij zeer gevoelig; zij worden er ziek van en dikwijls is dit oorzaak van hun dood. + +</p> +<p>Schade kunnen de Guineesche Biggetjes ons niet toebrengen, tenzij hun als woonplaats een kamer is aangewezen en zij hier aan +het houtwerk knagen. De schade is echter van geen beteekenis in vergelijking met hunne goede eigenschappen, waardoor zij menigeen +genoegen verschaffen en dus nuttig zijn. Bovendien hebben zij, geheel onwillekeurig trouwens, belangrijke diensten aan de +wetenschap bewezen; daar op hen proeven zijn genomen bij tal van physiologische onderzoekingen. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Een zeer vreemdsoortige woestijnbewoner—de <span class="letterspaced">Mara</span> (<i>Dolichotis patagonica</i>)—vertegenwoordigt een tweede geslacht van de Halfhoevigen. In vele opzichten doet hij aan de Hazen denken, van welke hij +echter zeer verschilt door de langere pooten en de kortere, stompe ooren. Bij volwassen dieren bedraagt de lengte van den +romp 50 cM.; het 4 à 5 cM. lange staartstompje is hieronder begrepen; de hoogte in de schoften is soms niet minder dan 45 +cM. Hierdoor gelijkt het dier op het eerste gezicht veeleer op een kleinen Herkauwer dan op een Knaagdier. + +</p> +<p>De Mara bewoont de steenachtige en droge woestijnen van Patagonië. Daar waar de Sierra Talpaquen deze woestijn begrenst en +de bodem vochtiger en rijker aan planten begint te worden, ziet men haar in ’t geheel niet meer. In westelijke richting komt +zij voor tot in de nabijheid van Mendoza, dus op 33° Z.B., wat tevens wel het noordelijkste punt van haar verbreidingsgebied +zal zijn. <span class="smallcaps">Darwin</span> neemt 37° Z.B. als noordelijke grens aan. Twee eeuwen geleden was zij veel algemeener dan thans, nu zij alleen nog maar veelvuldig +is in die gewesten, waar de ongastvrijheid van het land haar voor vervolgingen vrijwaart. Hoe veelvuldig zij hier ook zij, +toch kost het veel moeite het dier te bemachtigen, om de eenvoudige reden, dat men het tamelijk moeielijk te zien kan krijgen. +Het ligt n.l. in zijn hol verborgen, òf het ligt plat tegen den grond aangedrukt en wordt dan wegens zijn aardkleurige vacht +allicht niet opgemerkt. Bovendien is het zeer schuw en vreesachtig. Bij het geringste gevaar gaat de Mara onmiddelijk op de +vlucht. Zij is een echt dagdier, hoewel zij gedurende de hitte van den middag haar hol opzoekt. Haar voedsel bestaat uit planten, +misschien vooral uit wortels en schors, in allen gevalle uit stoffen, die door andere Zoogdieren versmaad worden. In sommige +streken van Patagonië, waar op den steenachtigen grond slechts weinige, dorre en doornachtige struiken een armoedig leven +kunnen leiden, is zij het eenige levende dier, dat de aandacht trekt. + +</p> +<p>Te Mendoza heeft <span class="smallcaps">Göring</span> een volwassen Mara gedurende geruimen tijd in den gevangen staat nagegaan. Zij was een lieftallig, goedaardig, onschuldig +dier. Van den eersten dag af, toonde zij zich zeer weinig schuw tegenover haar meester, nam dezen het voedsel onbeschroomd +uit de hand en liet zich aanraken en streelen, zonder onrust te kennen te geven. Op liefkoozingen was zij zeer gesteld; als +men haar krauwde, <a id="d0e2566"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2566">334</a>]</span>kromde zij den rug, boog den kop ter zijde, alsof zij de hand, die haar zulk een aangename gewaarwording verschafte, te zien +wilde krijgen en liet intusschen een onbeschrijfelijk gepiep of geknor hooren, dat de uitdrukking was van een hoogst prettige +stemming. De Indianen en de Gauchos zijn hartstochtelijke liefhebbers van de jacht op dit dier; hoofdzakelijk vervolgen zij +het om zijn vel, dat voor het vervaardigen van even fraaie als zachte vloerkleeden en dekens dient. De bovendeelen hebben +een eigenaardige, bruinachtig grijze kleur, fijn wit gesprenkeld, de zijden en de buitenste oppervlakte van de pooten zijn +licht kaneelbruin, de onderdeelen wit. In de Europeesche dierentuinen ziet men de Mara niet dikwijls. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Agoeti</span>’s of <span class="letterspaced">Goetis</span> (<i>Dacyprocta</i>) herinneren door hun gestalte in ’t oogloopend aan de Dwerg-Muskusdieren: het zijn hoogpootige, korte, dikke Knaagdieren +met langen, in een spitsen snuit eindigenden kop, kleine, ronde ooren, een onbehaard staartstompje en achterpooten, die aanmerkelijk +langer zijn dan de voorpooten. Deze hebben vier teenen en een klein wratje op de plaats van den duim, terwijl zij aan de achterpooten +maar vier volkomen gescheiden, zeer lange teenen hebben. Alle teenen zijn voorzien van forsche, breede, niet sterk gekromde, +hoefvormige klauwen, die vooral aan de achterpooten goed ontwikkeld zijn; de duimwrat alleen draagt een kleinen, platten nagel. +Over ’t geheel genomen hebben de <span id="d0e2581" class="corr" title="Bron: Agoetis">Agoeti’s</span> een fijnen, lichten en bevalligen lichaamsbouw en maken hierdoor een aangenamen indruk. Het gebit is flink, de dikke, vlakke +knaagtanden komen duidelijk voor den dag, vooral omdat het bovenste paar tamelijk schel rood, het onderste geelachtig is. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1334.jpg" alt="Agoeti (Dasyprocta aguti). ¼ v.d. ware grootte." width="720" height="440"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Agoeti</span> (<i>Dasyprocta aguti</i>). ¼ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Agoeti’s komen tegenwoordig paarsgewijs of tot kleine gezelschappen vereenigd in boschrijke vlakten voor, vooral in de +dichtste wouden van de rivierdalen; sommige begeven zich in het gebergte tot op een hoogte van 2000 M. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Agoeti</span>, <span class="letterspaced">Goeti</span> of, gelijk hij wegens zijn fraaie vacht ook wel heet, de <span class="letterspaced">Goudhaas</span> (<i>Daciprocta aguti</i>), een van de fraaiste leden van de geheele familie, heeft een dichte en gladaanliggende beharing van roodachtig citroengele, +met zwartbruin gemengde kleur; het ruige, harde, borstelachtige haar, heeft een levendigen glans. Al naar het jaargetijde +verandert de kleur van de vacht; in den zomer is zij lichter, in den winter donkerder. De lichaamslengte van het volwassen +mannetje bedraagt 40 cM., die van het staartstompje slechts 1.5 cM. + +</p> +<p>Guyana, het noorden van Brazilië en Noord-Peru zijn het vaderland van den Goeti. In de meeste gewesten is hij zeer veelvuldig, +vooral in de rivierdalen van Brazilië. Hier, zooals overal, bewoont hij de bosschen, de vochtige oerwouden zoowel als de drogere +bosschen van het binnenland; hij zwerft echter ook in de aangrenzende, grasrijke vlakten rond en neemt hier de plaats van +onzen Haas in. In het vrije veld komt hij niet voor. Gewoonlijk vindt men hem boven de oppervlakte van den bodem, in holle +boomen dicht bij den grond, en vaker alleen, dan in gezelschap. Over dag ligt hij rustig in zijn leger, en alleen daar, waar +hij zich volkomen veilig acht, zwerft hij rond. Met het ondergaan der zon, gaat hij uit om voedsel te zoeken, en blijft, als +het goed weder is, den geheelen nacht hiermede bezig. Hij heeft de gewoonte meermalen zijn verblijfplaats te verlaten en er +weder terug te komen; hierdoor ontstaat een smal, dikwijls 100 M. lang voetpad, dat de plaats waar hij woont, verraadt. Als +men een Hond op dit spoor brengt, gelukt het in den regel het dier te bemachtigen, tenzij het leger zich in het dichtste deel +van het woud bevindt. De Honden geven door geblaf de ligplaats van het wild aan, dat men daarna uit zijn hol trekken of uitgraven +kan. Wanneer de Agoeti de komst van de Honden tijdig bemerkt, verlaat hij oogenblikkelijk zijn hol; door zijn behendigheid +en snellen gang komt hij dan schielijk buiten het bereik van zijne vervolgers. + +</p> +<p>De Agoeti is een onschadelijk, vreesachtig diertje en derhalve aan vele gevaren blootgesteld, zoodat eigenlijk alleen de buitengewone +vlugheid van zijne bewegingen en de fijnheid zijner zintuigen hem voor den ondergang kunnen behoeden. Door zijne sprongen +herinnert hij aan de kleine soorten van Antilopen en aan de <span id="d0e2615" class="corr" title="Bron: Dwerg-Muskuskieren">Dwerg-Muskusdieren</span>. + +</p> +<p>Zijn voedsel bestaat uit de meest verschillende soorten van kruiden en andere planten, waarvan hij allerlei deelen, van de +wortels tot de bloemen of zaden, gebruikt. Weinige plantendeelen zijn tegen zijne scherpe knaagtanden bestand; hij maakt zelfs +de hardste noten stuk. In bebouwde oorden wordt de Agoeti door zijne bezoeken aan de suikerrietplantages en groentetuinen +lastig. +<a id="d0e2620"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2620">335</a>]</span></p> +<p>Nauwkeurige berichten over de voortplanting van den in vrijheid levenden Agoeti ontbreken ons tot dusver. Men weet, dat dit +dier zich tamelijk sterk vermenigvuldigt, dat de wijfjes in alle maanden van het jaar jongen ter wereld brengen en dat iedere +worp uit verscheidene jongen bestaat. + +</p> +<p><span class="smallcaps">Rengger</span> verhaalt, dat de Goeti, als hij jong gevangen en met zorg grootgebracht is, bijna een huisdier wordt. “Ik heb,” zegt hij, +“verscheidene Agoeti’s gezien, die men vrij kon laten rondloopen, zonder dat zij ontvluchtten, zelfs op erven gelegen te midden +van de groote wouden, die dit dier in vrijen toestand tot woonplaats dienen; wanneer zij eens getemd zijn, loopen zij niet +weg. Zoo zag ik in de wouden van het noorden van Paraguay in de hutten van eenige inboorlingen twee tamme Agoeti’s, die den +morgen en den avond in het woud, den middag en den nacht bij de menschen doorbrachten. Het is niet zoozeer de gehechtheid +aan den mensch als wel het gewoon raken aan hun nieuw verblijf, dat bij hen de begeerte naar vrijheid onderdrukt. Zij gevoelen +slechts weinig genegenheid voor den mensch, maken volstrekt geen onderscheid tusschen hun verzorger en andere personen, gehoorzamen +slechts zelden, als hij hen roept en zoeken hem alleen op, als de honger hen hiertoe dringt. Ook laten zij zich niet graag +door hem aanraken; zij dulden geen dwang, leven geheel naar hun eigen verkiezing en kunnen hoogstens leeren hun voedsel op +een bepaalde plaats te komen halen. Zij worden gevoed met het overschot van al wat er in huis gegeten wordt. Zij houden echter +volstrekt niet zooveel van vleesch, als <span class="smallcaps">Azara</span> beweert, maar eten het slechts bij gemis van voedsel, dat beter voor hen geschikt is. Rozen zijn een van hunne lievelingsspijzen. +Zoodra zulk een bloem in hun woning gebracht wordt, ruiken zij haar onmiddellijk en zoeken haar op. Gewoonlijk grijpen zij +het voedsel met de snijtanden en vatten het daarna tusschen de beide wratvormige duimen van de voorvoeten, intusschen zitten +zij evenals de Eekhoorntjes op de achterpooten. Soms vreten zij ook in neergehurkte houding, gewoonlijk doen zij dit, als +zij zeer kleine of te kleine stukjes voedsel voor zich hebben. Ik heb ze nooit zien drinken; naar men zegt, nemen zij het +water met de tong leppend op.” + +</p> +<p><span class="smallcaps">Bodinus</span> zegt terecht, dat de <span id="d0e2634" class="corr" title="Bron: Agoetis">Agoeti’s</span> wegens hunne sierlijke gestalte, fraai voorkomen en zindelijkheid aan alle dierenliefhebbers aanbevolen kunnen worden; alleen +door hun groote lust in ’t knagen zijn zij soms lastig. Die, welke <span class="smallcaps">Bodinus</span> had, waren zoo aan hem gewoon, dat zij hem de lekkerbeetjes, die hij hun voorhield, uit de hand namen en oogenblikkelijk +met echt dankbare blikken naar den gever, opaten. Andere gevangene Agoeti’s trokken sterk de aandacht door een eigenaardigheid, +die ik bij de overige schrijvers niet vermeld heb gevonden. Zij zijn namelijk gewoon een groot deel van hun voedsel te begraven +om iets in voorraad te hebben, als de nood aan den man komt. Zoodra hun voedsel wordt aangeboden, vallen zij er begeerig op +aan, eten er eenige stukken van op, kiezen van hetgeen hun gegeven is, een stuk wortel of een vrucht uit, dragen deze in den +bek weg, graven op de een of andere plaats een gaatje in den grond, leggen hun schat er in, strijken er aarde over heen, en +slaan of drukken deze met de voorpooten vast. Zeer grappig is het na te gaan, hoe zij telkens omkijken, en hoe zij hun best +doen om het bergen van hun schat ongezien te verrichten. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Paka</span> of<span class="letterspaced">Waterhaas</span> (<i>Coelogenys paca</i>) is gekenmerkt door den eigenaardigen, dikken kop met groote oogen en kleine ooren, den bijzonder korten staart, de hooge +pooten, welker voeten alle met vijf teenen voorzien zijn, het borstelige, dunne aanliggende haarkleed en vooral door den buitengewoon +krachtigen jukboog, welks voorste gedeelte (het breede en gewelfde jukbeensuitsteeksel van het bovenkaaksbeen) binnenwaarts +tot op een aanmerkelijke diepte is <span id="d0e2653" class="corr" title="Bron: uitgeholt">uitgehold</span><span id="d0e2655" class="corr" title="Bron: ">.</span> De vacht bestaat uit korte, nauw tegen het lichaam aanliggende haren, die aan den rug en de andere naar boven en naar buiten +gekeerde lichaamsdeelen geelachtig bruin, aan de onderdeelen en aan de binnenzijde van de pooten geelachtig wit zijn. Vijf +reeksen van geelachtig witte vlekken van ronde of eivormige gedaante strekken zich uit aan weerszijde van den romp van den +schouder tot aan den achterrand van de dij. Volwassen mannetjes kunnen 70 cM. lang, ongeveer 35 cM. hoog en tot aan 9 KG. +zwaar worden. + +</p> +<p>De Paka is over het grootste deel van Zuid-Amerika, van Suriname door Brazilië tot aan Paraguay, verbreid; ook komt zij op +de Zuidelijke Antillen voor. Hoe eenzamer en wilder de streek is, des te veelvuldiger vindt men haar; in de bevolkte gewesten +is zij overal zeldzaam geworden. De woudzoom en de met struikgewas begroeide rivieroevers of moerassige plaatsen leveren haar +een verblijfplaats. Hier graaft zij zich een hol van 1 à 2 M. lengte in den grond en brengt hier den geheelen dag slapend +door. Als de schemering invalt, gaat zij voedsel zoeken; zij doet dit ook wel in aanplantingen van suikerriet en meloenen, +waar zij aanzienlijke schade aanricht. Voor ’t overige voedt zij zich met bladen, bloemen en vruchten van de meest verschillende +planten. Zij leeft paarsgewijze of eenzaam. Het wijfje werpt midden in den zomer één jong (hoogstens twee), houdt het gedurende +het zoogen in een hol verborgen en voert het daarna gedurende verscheidene maanden met zich mede op hare wandelingen. + +</p> +<p>In Brazilië is zij, met de <span id="d0e2662" class="corr" title="Bron: Agoetis">Agoeti’s</span> en verschillende soorten van Gordeldieren, het gewone wild in de wouden. De Prins <span class="smallcaps">Von Wied</span> ving haar in de oerwouden dikwijls in klemmen. Ook jaagt men haar met Honden en brengt haar als “koninklijk wild” aan de +markt. In haar hol is zij niet te genaken; wanneer men echter met aandacht den woudzoom onderzoekt, zal men spoedig in de +dichte rietbosschen de wisselplaatsen van het dier bemerken. Hier stelt de jager zijne strikken, met een maïskolf als lokaas; +den volgenden morgen vindt hij zijn moeite ruimschoots beloond. De Paka levert het beste wildbraad van Brazilië; wat fijnheid +en malschheid betreft, wordt het misschien door geen ander overtroffen. Daar dit dier een zeer dunne en zachte huid heeft, +wordt het niet gevild, maar in zijn geheel gebraden gelijk een Zwijn. Na deze toebereiding, en als de kop en de pooten er +afgesneden zijn, gelijkt het zoozeer op een jong Zwijn, dat men zich er in zou kunnen vergissen. Volgens <span class="smallcaps">Kappler</span> springt het dier, wanneer het vervolgd wordt en zijn hol niet kan bereiken, in ’t water, waar het onderduikt en zoolang blijft, +tot zijn vervolger zich verwijderd heeft; hij vermoedt, dat het onder water verder zwemt. + +</p> +<p>In den laatsten tijd heeft men de Paka niet zelden levend naar Europa gebracht. Reeds <span class="smallcaps">Buffon</span> heeft gedurende geruimen tijd een wijfje van deze diersoort gehad, dat volkomen tam was, zich onder den kachel een leger +maakte, over dag sliep, ’s nachts rondliep en als het in een kast opgesloten was, aan het houtwerk <a id="d0e2676"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2676">336</a>]</span>begon te knagen. Het likte de hand van bekende personen en liet zich door hen krauwen, intusschen rekte het zich uit en gaf +zijn tevredenheid door een zwak geluid te kennen. Vreemde personen, kinderen en Honden trachtte het te bijten. Als het toornig +was, knorde en knarsetande het op een zeer eigenaardige wijze. Het was zoo weinig gevoelig voor koude, dat het, naar <span class="smallcaps">Buffon</span> meende, in Europa inheemsch zou kunnen worden. De Paka stelt geen hooge eischen, zoomin wat de voeding, als wat de huisvesting +betreft. Ik ben het met <span class="smallcaps">Buffon</span> eens, dat dit dier zeer goed tegen koud weer bestand is; ik geloof echter niet, dat het voordeel zou opleveren het in Europa +te acclimatiseeren. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Het <span class="letterspaced">Waterzwijn</span> (<i>Hydrochoerus capybara</i>) mag in één opzicht als het merkwaardigste van alle Knaagdieren beschouwd worden: <span class="letterspaced">het is het grootste en plompste lid van de geheele orde</span>. Zijn Nederlandschen naam draagt het terecht, want het herinnert door zijn gestalte en zijne op borstels gelijkende haren +duidelijk aan het Zwijn. Zijne kenmerken zijn: de kleine ooren, de gespleten bovenlip, het ontbreken van den staart, de korte +zwemvliezen tusschen de teenen, de forsche op hoeven gelijkende nagels en de hoogst eigenaardige samenstelling van het gebit. +De kolossaal sterk ontwikkelde snijtanden zijn, ondanks hun geringe dikte, minstens 2 cM. breed en hebben op hun voorvlakte +verscheidene ondiepe groeven; de laatste van de vier kiezen is even groot als de drie voorste te zamen genomen. De romp is +in ’t oog loopend plomp en dik, en door een korten hals verbonden met den langwerpigen, hoogen en breeden kop, die in een +stompen snuit eindigt. Tot de eigenaardige uitdrukking van het gelaat dragen de twee tamelijk groote, rondachtige, ver uitpuilende +oogen veel bij. De ooren zijn van boven afgerond, aan den voorrand omgestulpt, van achteren als ’t ware afgesneden. De achterste +ledematen zijn merkbaar langer dan de voorste; de voorvoeten hebben vier, de achtervoeten drie teenen. Een bepaalde kleur +kan men aan de ijle, grove beharing niet toekennen: een moeielijk te bepalen bruine tint met een zweem van rood of bruinachtig +geel is over den romp verspreid, zonder ergens scherp op den voorgrond te treden. De borstels rondom den mond zijn echter +duidelijk zwart. Een volwassen Waterzwijn bereikt ongeveer de grootte van een eenjarig Gewoon Zwijn en heeft een gewicht van +50 KG. De lichaamslengte bedraagt meer dan 1 M., de hoogte in de schoften 50 cM. en meer. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1336.jpg" alt="Paka of Waterhaas (Coclogenys paca). ¼ v.d. ware grootte." width="720" height="615"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Paka</span> of <span class="letterspaced">Waterhaas</span> (<i>Coclogenys paca</i>). ¼ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Capybara is over geheel Zuid-Amerika verbreid; van den Orinoko tot aan de La Plata, van den Atlantischen Oceaan tot aan +de oostelijke uitloopers van de Andes bewoont zij lage, boschrijke, moerassige gewesten, vooral rivieren, meeroevers en moerassen. +Het liefst houdt zij zich op bij groote stroomen; zij verlaat deze nooit, tenzij om den loop van kleine, in dezen stroom uitmondende +beken en waterloopen te volgen. Op sommige plaatsen is zij buitengewoon veelvuldig; in bewoonde oorden komt zij, zooals licht +te begrijpen is, zeldzamer voor dan in de wildernis. In bewoonde streken ziet men deze dieren alleen ’s morgens en ’s avonds; +in onbewoonde, weinig bezochte rivierdalen daarentegen worden zij ook over dag in groote getale waargenomen; altijd bevinden +zij zich in de onmiddellijke nabijheid van den rivier, waar zij grazen of als Honden op de bijeengebogen achterpooten zitten. + +</p> +<p>De gewone gang van het Waterzwijn is een langzame draf, die evenwel niet lang wordt volgehouden, in geval van nood beweegt +het zich ook wel sprongsgewijs. Het zwemt uitmuntend en komt met gemak aan den overkant van het water, maar doet dit alleen, +wanneer het vervolgd wordt, of als het voedsel aan de eene zijde van de rivier schaarsch geworden is. <a id="d0e2713"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2713">337</a>]</span>Wanneer het niet gestoord wordt, is het een standvastige bewoner van een bepaald gebied; hoewel het dit steeds verlaat, indien +het hier vervolgingen heeft te verduren. Een eigenlijk leger heeft het niet, hoewel het zich op gunstig gelegen plaatsen aan +den oever geregeld ophoudt. Zijn voedsel bestaat uit waterplanten en uit de schors van jonge boomen; alleen wanneer het in +de nabijheid van plantages woont, doet het zich soms te goed aan watermeloenen of aan maïs, rijst en suikerriet; het kan dan +in sommige gevallen een zeer aanzienlijke schade aanrichten. Het Waterzwijn is een stil en rustig dier. Reeds bij oppervlakkige +beschouwing zal iedereen bemerken, dat het in hooge mate stompzinnig en arm van geest is. Nooit heeft men het met andere dieren +van zijn soort zien spelen. Men ziet de leden van een kudde met langzame schreden hun voedsel zoeken, voor zoover zij niet +in zittende houding uitrusten. Van tijd tot tijd wenden zij den kop om, als maatregel van voorzorg tegen vijanden. Als een +van deze zich vertoont, gaan zij niet overhaast op de vlucht, maar loopen langzaam naar den waterkant. In den hoogsten schrik +storten zij zich onmiddellijk luid schreeuwend in den vloed en duiken onder. Als zij niet gewoon zijn aan het gezicht van +menschen, staren zij deze dikwijls langen tijd aan, voordat zij vluchten. Men verneemt van hen geen ander geluid dan de zooeven +bedoelde noodkreet, die <span class="smallcaps">Azara</span> door “ap” aanduidt. Dit geschreeuw is echter zoo doordringend, dat men het op een kwartier uurs afstand kan hooren. + +</p> +<p>Het wijfje werpt eenmaal in het jaar 5 of 6 jongen. De bigjes volgen onmiddellijk hun moeder, maar toonen haar slechts weinig +genegenheid. + +</p> +<p>In den laatsten tijd werd dit dier dikwijls levend naar Europa gebracht. Ik heb gedurende langen tijd een Waterzwijn onder +mijn hoede gehad. Het was buitengewoon sterk aan mij gehecht, het kende mijn stem, kwam nader als ik het riep, was verheugd +als ik het liefkoosde, en volgde mij als een Hond. Zoo vriendelijk was het niet tegen iedereen: eens sprong het zijn oppasser, +die het terugdrijven wilde, tegen de borst en beet toen dadelijk toe; gelukkig trof het meer de kleeren dan den man. Gedwee +was het volstrekt niet; het gehoorzaamde alleen, wanneer het zulks verkoos. Ik heb de bewegingen van het Waterzwijn nooit +plomp of onbeholpen gevonden. Zelden loopt het vlug, gewoonlijk beweegt het zich op zijn gemak met groote stappen; het springt +echter zonder moeite over afschuttingen die één meter hoog zijn. In het water toont het ongemeene behendigheid. Het zwemt +met eenparige snelheid lijnrecht over een breed water, even snel als een mensch loopen kan, duikt na den sprong als een Vogel +en blijft eenige minuten achtereen onder water; ook zwemt het in de diepte verder, zonder zich in de bedoelde richting te +vergissen. Het is volstrekt niet moeielijk dit dier in ’t leven te houden. Evenals een Zwijn vreet het allerlei plantaardige +stoffen; het heeft wel veel, maar volstrekt geen uitgelezen voedsel noodig. Het meest houdt het van frisch, sappig gras; ook +wortels, rapen en gekookte zemelen zijn zeer naar zijn smaak. Met zijne breede snijtanden graast het als een Paard; ook drinkt +het, evenals dit dier slurpend, met lange teugen. Het houdt van warmte, maar vreest de koude niet. Nog in November springt +het uit eigen beweging in het ijskoude water, zonder door schrik of vrees voor gevaar hiertoe genoopt te worden.—Volgens de +berichten van alle reizigers maken alleen de Indianen van het vleesch van het Waterzwijn gebruik; de Europeanen hebben er +een afkeer van, omdat het een eigenaardigen, onaangenamen, tranigen bijsmaak heeft. De dikke, bijna onbehaarde huid is buitengewoon +sponsachtig en zacht; zij levert een soort van leder, waardoor het water gemakkelijk heendringen kan, en dat derhalve alleen +voor riemen, voetkleeden en rijzadels gebruikt wordt. De meisjes van den Botokoedenstam rijgen de knaagtanden van het Waterzwijn +aan een snoer en maken er arm- en halsbanden van. Ander nut levert dit dier niet op. + +</p> +<p>De Zuid-Amerikanen maken voor hun vermaak jacht op de Capybara, overvallen haar onverwachts, snijden haar den weg naar ’t +water af en vangen haar met de lasso. Haar ergste vijand behalve de mensch is vermoedelijk de Jagoear. Dag en nacht volgt +deze sluwe roover haar spoor; in de rivierdalen is zij waarschijnlijk de meest gewone buit, die aan deze Kat ten deel valt. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Onder den naam van <span class="letterspaced">Schijnratten</span> (<i>Octodontidae</i>) worden een betrekkelijk gering aantal soorten van Zuid-Amerikaansche en Afrikaansche Knaagdieren samengevat, die wegens +de niet onbelangrijke verscheidenheid van vormen, welke bij hen wordt opgemerkt, in een betrekkelijk groot aantal geslachten +worden gerangschikt. De naam van deze niet zeer natuurlijke familie geeft te kennen, dat hare leden bij oppervlakkige beschouwing, +o.a. door gestalte en kleur, eenigermate aan Ratten herinneren. De ooren zijn kort, breed en dun behaard, de voeten hebben +vier of vijf teenen, de staart is verschillend van lengte, en dikwijls, evenals bij de Echte Ratten, met uit schubben bestaande +ringen bekleed; hiermede is trouwens nagenoeg alles gezegd wat van de overeenkomst dezer dieren met Ratten te vermelden viel. +Bij eenige Schijnratten is de vacht zacht en fijn, bij anderen stijf en borstelig, ja zelfs met enkele platte, overlangs gegroefde +stekels gemengd; bij enkele soorten gelijkt de staart in ’t geheel niet op dien van de Echte Ratten, maar is behaard en zelfs +ruig behaard. Het gebit bevat, behalve de bij alle Knaagdieren voorkomende wortellooze snijtanden, in elke kaakhelft 4, bij +uitzondering 3, kiezen, die in den regel met ware wortels voorzien zijn, bij enkele soorten komen, evenals bij de Woelmuizen, +kiezen met open wortels voor. + +</p> +<p>Sommige Schijnratten leven in bosschen, andere in ’t vrije veld, nog andere in ’t kreupelhout, of tusschen rotsen, of aan +de oevers van rivieren en andere waterstroomen, of zelfs aan de zeekust. Gewoonlijk wonen zij gezellig in door haar zelf gegraven, +onderaardsche holen met talrijke openingen. Eenige doorwoelen den grond als de Mollen, werpen, evenals deze, aardhoopen op +en leven bijna voortdurend onder de oppervlakte van den bodem; andere bewonen dicht met planten begroeide plaatsen en bewegen +zich behendig in de boomkronen. Haar gewone arbeidstijd is de nacht, slechts weinige zijn ook over dag werkzaam. Sommige soorten +zijn echte waterdieren en zijn meesterlijk ervaren in het zwemmen en duiken. Tamelijk goed verdragen zij de gevangenschap; +zij wekken onze belangstelling door haar sierlijke gestalte, zijn nieuwsgierig, beweeglijk, leeren haar verzorger onderscheiden +en hem volgen. Zij vermenigvuldigen zich tamelijk sterk, want het aantal harer jongen wisselt af tusschen 2 en 7; zij kunnen +aangroeien tot scharen, die in plantages en akkers aanzienlijke schade aanrichten. Het geringe nut, dat zij door haar vleesch +en haar vel opleveren, komt in geen vergelijking met het nadeel, dat zij door de genoemde verwoestingen veroorzaken. +<a id="d0e2736"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2736">338</a>]</span></p> +<p>In Chili, Peru en Bolivia leven de <span class="letterspaced">Struikratten</span> (<i>Octodon</i>), die als ’t ware een overgang vormen van de Eekhoorntjes tot de Ratten. Haar gebit bestaat uit gladde, ongegroefde en spitse +knaagtanden en wortellooze maaltanden, welker kauwvlakten bijna op het Arabische cijfer 8 gelijken. (Van hier de naam <i>Octodon</i>, “Achttand”.) + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Degoe</span> (<i>Octodon Cummingii</i>) is van boven bruinachtig grijs, ongelijkmatig gevlekt, van onderen grijsbruinachtig, aan de borst en in den nek donkerder, +aan den staartwortel lichter, bijna wit. De totale lengte van dit dier bedraagt omstreeks 26 cM., waarvan de staart iets meer +dan een derde in beslag neemt. + +</p> +<p>De Degoe is in de middenprovinciën van Chili een van de algemeenste dieren; bij honderden bedekken zij de hagen en het struikgewas; +zelfs in de nabijheid van drukke steden loopen zij onbeschroomd op de wegen rond en dringen onbevreesd in tuinen en akkers +door, waar zij door het moedwillig stukknagen van planten bijna evenveel schade aanrichten, als door hun vraatzucht. Zelden +verheffen zij zich boven den bodem om in de onderste takken der struiken te klimmen. Door zijne gewoonten gelijkt dit dier +veel meer op een Eekhoorntje dan op een Rat. Het verzamelt voorraad in weerwil van het zachte klimaat, maar vervalt niet in +winterslaap. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>Tot de Schijnratten behoort ook de <span class="letterspaced">Rattenbever</span> of <span class="letterspaced">Coïpoe</span>, de <span class="letterspaced">Noetria</span> der Spaansch sprekende Amerikanen (<i>Myopotamus coypu</i>). De romp van dit dier is ineengedrongen, de hals kort en dik, de kop dik, lang en breed met stompen snuit en platte kruin; +de oogen zijn middelmatig groot, rond en uitpuilend, de ooren klein, rond en weinig hooger dan breed; de ledematen zijn kort +en krachtig, de achterste een weinig langer dan de voorste; de voor- en achtervoeten hebben vijf teenen, die door een breed +zwemvlies verbonden en met lange, sterk gekromde en spitse klauwen gewapend zijn, met uitzondering van den binnenteen van +de voorvoeten, die een platten nagel draagt. De lange staart is rolrond, ringvormig geschubd en tamelijk overvloedig begroeid +met dicht aanliggende, stijve, borstelige haren. Overigens is het haarkleed dicht, tamelijk lang en zacht; het korte, zachte, +donzige wolhaar is voor ’t water bijna ondoordringbaar; het langere, zachte, zwak glinsterende bovenhaar bepaalt de kleur, +daar het wolhaar er volkomen door bedekt wordt. Het gebit gelijkt door de buitengewone grootte en breedte der knaagtanden +op dat van den Bever. + +</p> +<p>De Rattenbever kan nagenoeg zoo groot worden als een Vischotter; zijn lichaamslengte bedraagt gewoonlijk 40 à 45 cM. zonder +den bijna even langen staart; men treft echter soms oude mannetjes aan, die een totale lengte van 1 M. hebben. Gewoonlijk +is de rug kastanjebruin en de onderzijde bijna zwartbruin, de zijden zijn fraai rood. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1338.jpg" alt="Rattenbever (Myopotamus coypu). ⅕ v.d. ware grootte." width="720" height="408"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Rattenbever</span> (<i>Myopotamus coypu</i>). ⅕ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Een groot deel van de gematigde gewesten van Zuid-Amerika vormt het vaderland van dit voor den pelterijhandel belangrijk dier. +De Rattenbevers komen voor in bijna alle landen, die ten zuiden van den Steenbokskeerkring gelegen zijn. In de La-Plata-Staten, +in Buenos-Ayres, Patagonië en het middelste deel van Chili zijn zij overal verbreid. Hun verbreidingsgebied strekt zich uit +van den Atlantischen tot den Stillen Oceaan: het ligt aan weerszijden van het hooge gebergte tusschen 24 en 43 graden Z.B. +Paarsgewijs bewonen zij de oevers van meren en rivieren, bij voorkeur stilstaand water waarin zooveel waterplanten groeien, +dat zij een laag vormen, sterk genoeg om hen te dragen. Ieder paar graaft zich aan den oever een hol van 1 M. diepte en 40 +à 60 cM. wijdte; hierin brengt het den nacht en soms ook een deel van den dag door. In deze woning werpt het wijfje later +4 à 6 jongen, die reeds op zeer jeugdigen leeftijd hun moeder volgen. De Coïpoe is een uitmuntend zwemmer, maar kan slecht +duiken. Op het land beweegt hij zich langzaam, want zijne pooten zijn zoo kort, dat de buikzijde van den romp bijna over den +grond sleept; hij gaat daarom alleen dan over het land, als hij zich van den eenen poel naar den anderen wil begeven. Als +een gevaar hem bedreigt, begeeft hij zich oogenblikkelijk te water en duikt onder; als de vervolging aanhoudt, zoekt hij ten +slotte een toevlucht in zijn hol, dat hij in gewone omstandigheden alleen des nachts opzoekt. + +</p> +<p>Zijne geestvermogens zijn gering. Hij is schuw en vreesachtig, en behoudt deze eigenschappen ook in de gevangenschap. Schrander +kan men hem niet noemen, hoewel hij mettertijd zijn verzorger leert herkennen. In den Londenschen dierentuin wordt hij geregeld +gehouden; in den laatsten tijd treft men hem ook in andere diergaarden aan. “De Rattenbever”, zegt <span class="smallcaps">Wood</span>, <a id="d0e2792"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2792">339</a>]</span>“is een vlugge en rappe maat; het is een lust naar hem te kijken. Dikwijls heb ik op zijn grappige manier van bezig zijn gelet +en mij bijzonder vermaakt met de bedrijvigheid, die hij openbaart bij ’t zwemmen door den plas, die hem tot woonplaats dient; +ieder voorwerp, dat hem nieuw schijnt, wordt zoo zorgvuldig mogelijk onderzocht. Zoodra men een hoopje gras in zijn hok werpt, +pakt hij het dadelijk met de voorpooten aan, schudt het sterk, om de wortels van de aanhangende aarde te bevrijden, brengt +het vervolgens naar het water en spoelt het hierin zoo behendig schoon, dat een waschvrouw van beroep het hem niet verbeteren +zou.” + +</p> +<p>De gevangen Rattenbevers, die ik onder mijn hoede heb gehad, bleven met korte tusschenpoozen gedurende den geheelen dag in +het water of aan den oever, rustten hoogstens in de middaguren en waren vooral tegen den avond bijzonder druk in de weer. +Zij toonden begaafdheden, die men niet bij hen verwacht zou hebben. Hoewel zij zich niet bijzonder vlug en ook niet lang achtereen +bewegen, geven zij toch voldoende bewijzen van kracht en behendigheid. Den naam “Bever” dragen zij niet geheel te recht, want +zij gelijken door hun aard en door de wijze, waarop zij zwemmen, meer op Waterratten dan op Bevers. Zoolang zij niet verontrust +worden, zwemmen zij gewoonlijk rechtuit, waarbij het achterlijf diep onder, de kop daarentegen tot op twee derde van zijn +hoogte boven het water wordt gehouden, terwijl de staart gestrekt is. Alleen de achterpooten dienen voor het roeien; de voorpooten +nemen aan dezen arbeid evenmin deel als bij den Bever.—De stem van den Coïpoe bestaat uit een klagend geluid, dat niet onaangenaam +klinkt, als loktoon dient en door zijne soortgenooten beantwoord wordt; men hoort het dikwijls. Als het dier vertoornd of +gestoord wordt, geeft het zijn ontevredenheid door een verdrietig geknor of gebrom te kennen.—Het liefste voedsel van den +Rattenbever is gras; hij versmaadt echter geen wortels, knollen, bladen en zaden; in de gevangenschap lust hij ook wel brood; +voorts eet hij met smaak dierlijk voedsel, b.v. Visschen; ook in dit opzicht gelijkt hij op de Ratten en niet op de Bevers. +Van boomschors is hij, naar ’t schijnt, geen liefhebber. Het gras wordt door hem op een behendige wijze afgegraasd en niet +bij stukjes en beetjes afgeknabbeld; het voedsel dat men hem toewerpt, wordt met de voorpooten gegrepen en naar den mond gebracht. +Bij ’t naderen van den winter neemt de gevangen Rattenbever voorzorgsmaatregelen; zij trachten daar, waar zulks mogelijk is, +groote holen te graven. In korten tijd maken zij diepe gangen en voorzien de hierbij behoorende kamer met een zacht bekleedsel, +door een deel van het voedsel, dat hun wordt toegeworpen, vooral gras, in hun hol te sleepen. + +</p> +<p>De verzorging van den Rattenbever is een eenvoudige zaak; men kan hem gemakkelijk en goedkoop van voedsel voorzien; daar de +teelt van deze dieren geen bezwaren oplevert, kan aan iederen liefhebber van dieren, die een voor dit doel geschikte ruimte +heeft, het houden van deze Knaagdieren aanbevolen worden. Het zou zelfs wel de moeite waard zijn, een proef te nemen met het +plaatsen van een kolonie van 4 of 5 Rattenbevers in een goed beveiligd bosch, waarin een vijver of een langzaam stroomend +water voorkomt en waar voldoende gras te vinden is. Op grond van de reeds verkregen ervaringen geloof ik, dat deze dieren +hier genoeg voedsel zouden vinden en dat zij zich ook wel gedurende den winter zouden redden, zonder aan het bosch of aan +den landbouw een eenigszins belangrijke schade toe te brengen. + +</p> +<p>Wegens zijn uitmuntende vacht wordt dit dier ijverig vervolgd. In het jaar 1827 werden, volgens officieele opgaven van het +tolkantoor te Buenos Ayres, 300.000 Rattenbevervellen door de provincie Entre-Rios uitgevoerd; de uitvoer van dit artikel +is later nog sterk toegenomen. Tegenwoordig komen ongeveer 1½ millioen vellen van Rattenbevers in den handel, waarvan ongeveer +twee derde, de geringste soort, voor de viltbereiding dienen; de overige lang- en dichtharige vellen worden door het uitplukken +van het bovenhaar voorbereid om tot garneering van pelzen te dienen; ten deele behouden zij hun natuurlijke kleur, ten deele +worden zij kunstmatig geverfd. Het witte, welsmakende vleesch van den Rattenbever wordt op vele plaatsen door de inboorlingen +gegeten, in andere gewesten maakt men er geen gebruik van. + +</p> +<p>In Buenos Ayres wordt de Rattenbever meestal met bepaaldelijk voor dit doel afgerichte Honden gejaagd; deze zoeken het dier +in ’t water op en brengen het binnen het schot van den jager, of dooden het zelf, hoewel het groote Knaagdier zich moedig +en krachtdadig te weer stelt. Op de ondiepste gedeelten van de plassen, waarin het zich ophoudt, en vóór zijn hol plaatst +men klemmen. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>In Afrika komen Schijnratten voor, die, wat het uitwendige betreft, niet ongelijk zijn aan den Rattenbever. De <span class="letterspaced">Rietrat</span> (<i>Aulacodes swinderianus</i>) is een gedrongen gebouwd dier met kleinen kop, korten en breeden snuit, kleine, onbehaarde, halfcirkelvormige ooren en korte +voeten, die ieder vier teenen en een knobbeltje op de plaats van den duim hebben. Haar vacht bestaat uit gladde, stekelachtige +borstels met buigzame spits, die van onderen aschgrauw, in het midden donkerder en aan de spits, die meestal door een bruinachtig +gelen ring voorafgegaan wordt, zwart zijn. Voorzoover bekend, strekt het verbreidingsgebied van de Rietrat zich van Oost-Afrika +zuidwaarts tot aan het Kaapland uit, en omvat het aan de westkust zoowel Opper- als Neder-Guinea. Dit dier houdt zich in de +nabijheid van het water op; bij voorkeur kiest het dichte gras-, riet- en biesbosschen en verward dooreengroeiende struiken +aan den waterkant tot woonplaats. Zijn voedsel bestaat uit grassen, wortels en knollen, die het in voldoende hoeveelheid aan +den oever van het water en in de vochtige laaglanden vindt. <span class="smallcaps">Drummond</span> zegt, dat de Rietratten zeer schadelijke dieren zijn, die vooral in de suikerriet- en maïsplantages groote verwoestingen +kunnen aanrichten en daarom in bebouwde streken ijverig vervolgd worden. + +</p> +<p>Bovendien wordt op de Rietrat jacht gemaakt zoowel door de inboorlingen als door de Europeanen, omdat haar vleesch welsmakender +is dan dat van eenig ander Afrikaansch Zoogdier. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Eerst in de laatste zestig jaren is men nauwkeuriger bekend geworden met de leden eener kleine familie van Amerikaansche Knaagdieren, +welker vellen reeds sinds overouden tijd door de oorspronkelijke bewoners van Zuid-Amerika gebruikt worden, en die men sedert +het einde van de vorige eeuw bij groote partijen naar Europa vervoert. Naar den vaderlandschen naam van het meest bekende, +hiertoe behoorende geslacht (<i>Eriomys</i> = “Wolmuis”) noemt men ze gewoonlijk allen te zamen <span class="letterspaced">Chinchilla</span>’s (volgens den uitspraak Tsjintsjilla’s). Aan den naam van een ander <a id="d0e2827"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2827">340</a>]</span>geslacht (<i>Lagostomus</i> = “Haasbek”) is de wetenschappelijke naam van de familie (<i>Lagostomidae</i>) ontleend. De naam <span class="letterspaced">Haasmuizen</span>, die soms aan deze familie gegeven wordt—en ook wel meer bepaaldelijk tot aanduiding van een derde hiertoe behoorend geslacht +(<i>Lagidium</i> = “Haasje”) dient—geeft te kennen, dat men deze dieren, wat hun uitwendig voorkomen betreft, als overgangsvormen tusschen +de Hazen en de Muizen kan beschouwen. Werkelijk zou men den indruk, die hun oppervlakkige beschouwing wekt, op de beste wijze +kunnen weergeven, door ze “Konijnen met langen, ruigen staart” te noemen. Door hun gebit onderscheiden zij zich echter zeer +duidelijk van de Hazen en naderen zij meer tot de Halfhoevigen. Zij hebben n.l. snijtanden die van voren glad (ongegroefd) +zijn, en in elke kaakhelft een reeks van 4 kiezen met open wortels; de reeks van de linkerzijde loopt niet evenwijdig aan +die van de rechterzijde maar nadert haar naar voren.—Van alle Zoogdieren hebben deze knaagdieren de fijnste vacht. Haar kleur +is licht grijs, afwisselend met wit en zwartbruin of geel. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1340.jpg" alt="Rietrat (Aulacodus swinderianus). ¼ v.d. ware grootte." width="720" height="469"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Rietrat</span> (<i>Aulacodus swinderianus</i>). ¼ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Alle Chinchilla’s bewonen Zuid-Amerika; voor ’t meerendeel leven zij in het gebergte, waar zij zelfs op groote hoogte n.l. +tusschen de kale rotsen in de nabijheid van de sneeuwgrens gevonden worden; slechts één soort komt in de vlakte voor. Zij +houden zich op in holen, die door de natuur gevormd of door haar zelf gegraven zijn. Alle zijn gezellig, sommige soorten bewonen +familiesgewijs eenzelfde hol. Afkeerig van ’t licht, evenals de Hazen, vertoonen zij zich het meest in de schemering of in +den nacht. Het zijn snelle, beweeglijke, behendige, schuwe en vreesachtige dieren; ook door hare bewegingen gelijken zij zoowel +op de konijnen als op de Muizen. Het gehoor is, naar het schijnt, van alle zinnen het best ontwikkeld. Haar verstand is gering. +Haar voedsel bestaat uit wortels en korstmossen, bollen en schors; doch ook wel uit vruchten. Haar vermenigvuldiging is ongeveer +even sterk als die der Hazen. Zij schikken zich zeer goed in de gevangenschap en zijn aantrekkelijk door hare zindelijkheid +en tamheid. Verscheidene soorten richten schade aan, of worden althans lastig voor den mensch door haar woelen in den grond: +alle zijn echter nuttig door haar vleesch en vel. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Chinchilla</span>’s (<i>Eriomys</i>), die het eerste geslacht van deze familie vormen, onderscheiden zich van hare verwanten door haar dikken kop, die breede, +afgeronde ooren draagt, door voorvoeten met vijf, en achtervoeten met vier teenen en door de vacht, die uit lang, buitengewoon +zacht en zijdeachtig haar bestaat. Van dit geslacht zijn slechts twee soorten bekend, de <span class="letterspaced">Chinchilla</span> (<i>Eriomys chinchilla</i>) en de <span class="letterspaced">Wolmuis</span> (<i>Eriomys lanigera</i>). De eerstgenoemde wordt 30 cM. lang zonder den staart, die zonder de haren 13 cM., met de haren echter 20 cM. lang is. De +gelijkmatige, fijne, buitengewone zachte haren zijn op den rug en aan de zijden meer dan 2 cM. lang; ieder haar is van onderen +donker blauwgrijs, verderop met breede, witte ringen geteekend en aan de spits donkergrijs. Hierdoor verkrijgt de vacht een +zilvergrijze kleur met een donker waas. De onderdeelen en de voeten zijn zuiver wit; de staart heeft aan de bovenzijde twee +donkere strooken. De oogen zijn groot en zwart. + +</p> +<p>Reeds ten tijde van de Inca’s verwerkten de Peruanen het fijne, zijdeachtige haar van de Chinchilla tot doeken en dergelijke +gewilde stoffen. In de vorige eeuw kwamen de vellen dezer dieren voor ’t eerst, als een groote zeldzaamheid, over Spanje naar +hier; thans zijn zij een gewoon handelsartikel geworden. + +</p> +<p>De reiziger, die, uitgaande van de westkust van Zuid-Amerika, de Cordilleras beklimt, ziet wanneer hij een hoogte van 2 à +3000 M. bereikt heeft, alle rotsen dikwijls over een afstand van verscheidene mijlen bedekt door echte Chinchilla’s en door +twee soorten van een ander geslacht dezer familie. In Peru, Bolivia en Chili moeten deze dieren buitengewoon veelvuldig zijn; +daar uit de berichten van reizigers blijkt, dat zij er op één dag duizenden voorbijgegaan zijn. Zelfs op klaarlichten dag +ziet men de Chinchilla’s voor hare holen zitten, nooit echter aan de zonzijde der rotsen, maar altijd in de diepste schaduw. +Nog veelvuldiger merkt men ze in de ochtend- en avonduren op. Zij verlevendigen dan het gebergte en vooral de hooge kammen +in onvruchtbare, steenachtige en rotsachtige gewesten, waar de plantengroei zich slechts op de armoedigste wijze vertoont. +Juist op deze schijnbaar geheel kale rotswanden houden zij zich het meest op; hier ziet men hen buitengewoon vlug en druk +zich bewegen. <a id="d0e2878"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2878">341</a>]</span>Met een merkwaardige gemakkelijkheid klauteren zij op en neer langs wanden, die schijnbaar in ’t geheel geen steunpunten opleveren. +In loodrechte richting klimmen zij 6 à 10 M. hoog, zoo behendig en vlug, dat men ze met het oog nagenoeg niet volgen kan. +Hoewel zij niet bepaald schuw zijn, laten zij toch niemand tot op korten afstand naderen; zij verdwijnen oogenblikkelijk, +zoodra men aanstalten maakt om hen te vervolgen. + +</p> +<p>Ofschoon de Chinchillas zich in den Londenschen dierentuin vermenigvuldigd hebben, zijn de mededeelingen over haar voortplanting +nog zeer onvolledig. In haar vaderland heeft men in alle tijden van het jaar drachtige wijfjes gevonden; de inboorlingen zeggen, +dat het aantal jongen in één worp van 4 tot 6 afwisselt. In Amerika wordt de Chinchilla vaak getemd; naar Europa komt zij +niet dikwijls in levenden toestand. De bevalligheid van hare bewegingen, haar zindelijkheid en de gemakkelijkheid waarmede +zij zich in haar lot schikt, verschaffen haar spoedig de vriendschap van den mensch. Zij toont zich zoo argeloos en goedvertrouwend, +dat men haar vrij in huis en in de kamer kan laten rondloopen. Alleen door haar nieuwsgierigheid wordt zij lastig; want zij +onderzoekt alles, wat zij op haar weg vindt, zelfs de gereedschappen die hoog boven den bodem opgehangen of neergelegd zijn, +omdat het voor haar een kleinigheid is bij tafels en kasten op te klimmen. Niet zelden springt zij plotseling op het hoofd +of op de schouders van een der huisgenooten. Hare verstandelijke vermogens staan ongeveer op één lijn met die van ons Konijn +of van het Guineesch Biggetje. + +</p> +<p>In vroegeren tijd is de Chinchilla, naar men meent, ook in lagere bergstreken tot op de hoogte van den zeespiegel even veelvuldig +geweest, als zij nu op groote hoogten is; thans vindt men ze in de lager gelegen oorden slechts op enkele plaatsen en steeds +eenzaam levend. De aanhoudende vervolging, waaraan zij wegens de kostbaarheid van haar vel is blootgesteld, heeft haar naar +de hoogten de wijk doen nemen. De Europeanen schieten haar nu en dan met het geweer of met den handboog; deze wijze van jagen +is echter met het oog op het voordeel altijd onzeker, want als een Chinchilla niet zóó getroffen wordt, dat zij oogenblikkelijk +bezwijkt, sluipt zij steeds nog in de een of andere rotsspleet en is dan voor den jager verloren. De Indianen plaatsen goed +bewerkte strikken vóór alle rotsspleten en zamelen den volgenden morgen de Chinchillas in, die zich hebben laten vangen. Bovendien +verstaan zij meesterlijk de kunst om de Peruaansche Wezel te temmen en voor de jacht op Chinchillas af te richten; zij gebruiken +dezen bondgenoot op dezelfde wijze als onze jagers het Fret. + +</p> +<p>In het noorden en midden van Chili wordt de Chinchilla door de <span class="letterspaced">Wolmuis</span> vervangen. Door haar levenswijze komt deze soort, naar het schijnt, geheel met de vorige overeen; ook zij is ongeveer van +dezelfde gestalte en heeft een nagenoeg gelijke kleur. Zij is echter veel kleiner, want haar totale lengte bedraagt hoogstens +35 à 40 cM., waarvan ongeveer een derde afgetrokken moet worden voor den staart. De dicht bijeen geplaatste, zachte haren +worden op den rug 2 cM., op het achterstel en de zijden 3 cM. lang. Haar kleur is licht aschgrauw, met een donkerder tint +gesprenkeld. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1341.jpg" alt="Wolmuis (Eriomys lanigera). ⅓ v.d. ware grootte." width="720" height="534"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Wolmuis</span> (<i>Eriomys lanigera</i>). ⅓ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Hoewel reeds in zeer oude reisbeschrijvingen van de Wolmuis melding wordt gemaakt, kwamen eerst sinds betrekkelijk korten +tijd op het herhaald aandringen van natuuronderzoekers eenige schedels en later ook levende exemplaren van dit dier naar Europa. +In het jaar 1829 kwam er één levend te Londen en werd door <span class="smallcaps">Bennett</span> onderzocht. Het was een zeer zachtaardig schepsel, dat evenwel nu en dan, als het niet goed gehumeurd was, dit door pogingen +om te bijten toonde. Zelden was zij zeer opgewekt en slechts enkele keeren zag men hare zonderlinge sprongen. Gewoonlijk zat +zij op haar achterkwartier, hoewel zij zich ook op hare achterpooten kon oprichten en in deze houding kon blijven staan; het +voedsel bracht zij met de voorpooten naar den mond. In den winter moest men haar in <a id="d0e2903"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2903">342</a>]</span>een matig verwarmde kamer brengen en haar woning met een stuk flanel voeren. + +</p> +<p>De waarnemingen, die ik zelf aan een gevangen Wolmuis heb kunnen doen, leverden uitkomsten op, welke met de mededeelingen +van <span class="smallcaps">Bennett</span> overeenstemmen. Aan mijn gevangene merkte ik echter op, dat zij meer nachtdier dan dagdier is. Wel was zij ook over dag wakker, +maar alleen, als zij gestoord werd. Het licht ontwijkt zij; men zou zelfs zeggen, dat het haar angstig maakt; altijd zoekt +zij trouwens de donkerste plaatsen op. Hier blijft zij met ineengetrokken lichaam stil zitten. Een hol wordt onmiddellijk +als toevluchtsoord gebruikt. Haar stem, een scherp geknor, ongeveer als dat van een Konijn, hoort men alleen, als men haar +aanraakt. Ongaarne laat zij dit toe, ook tracht zij zich, als zij gegrepen wordt, door plotselinge, springende bewegingen +te bevrijden; nooit tracht zij zich echter met haar gebit te verdedigen. Aan hooi en gras geeft zij boven ieder ander voedsel +de voorkeur. Zaden versmaadt zij, naar het schijnt; sappige wortels raakt zij bijna niet aan. Of zij drinkt is niet uitgemaakt: +men zou bijna zeggen, dat zij alle drank ontberen kan. + +</p> +<p>De Zuid-Amerikanen houden zeer veel van het vleesch van beide soorten van Chinchilla’s en ook Europeesche reizigers hebben +er, naar het schijnt, smaak in gevonden, hoewel zij zeggen, dat het de vergelijking met dat van onzen Haas niet kan doorstaan. +Trouwens de bruikbaarheid van het vleesch van deze dieren is voor den jager bijzaak, het voordeel moet komen van het vel. + +</p> +<p>In den pelterij-handel wordt onderscheid gemaakt tusschen de vellen van de groote, “echte” Chinchilla’s en die van de kleine, +kortharige “Bastaard-Chinchilla’s”; de eerstgenoemde brengen ƒ 9 à ƒ 15, de laatstgenoemde slechts ƒ 0.60 à ƒ 3 per stuk op. +Van gene komen ieder jaar 20,000, van deze 200,000 stuks in den handel. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Haasmuizen</span> (<i>Lagidium</i>) onderscheiden zich van de eigenlijke Wolmuizen door de veel langere ooren, door den staart, die even lang als het lichaam +en aan de bovenzijde ruig behaard is en door de zeer lange snorren. In levenswijze komen deze dieren nagenoeg volkomen overeen. +Men kent van dit geslacht tot dusver slechts twee soorten met zekerheid; beide leven op de hoogvlakten der Cordilleras en +wel dicht onder de grenzen van de <span id="d0e2924" class="corr" title="Bron: eeuwigdurendesneeuw">eeuwigdurende sneeuw</span>, tusschen kale rotsen, op een hoogte van 3000 à 5000 M. boven den zeespiegel. Zij zijn even gezellig, even vlug en behendig +als de Wolmuizen, openbaren dezelfde eigenaardigheden en voeden zich met dezelfde of althans met soortgelijke planten. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1342.jpg" alt="Haasmuis (Lagidium Cuvieri). ¼ v.d. ware grootte." width="720" height="578"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Haasmuis</span> (<i>Lagidium Cuvieri</i>). ¼ v.d. ware <span id="d0e2935" class="corr" title="Bron: groote">grootte</span>. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De op deze <span class="abbr" title="pagina"><abbr title="pagina">pag.</abbr></span> afgebeelde <span class="letterspaced">Haasmuis</span>-soort (<i>Lagidium Cuvieri</i>) bewoont de hoogvlakten van ’t zuiden van Peru en Bolivia en heeft ten naaste bij de gestalte en de grootte van een Konijn. +Haar vacht is zeer zacht en langharig; de kleur is aschgrauw, aan de zijden een weinig meer naar geel overhellend. + +</p> +<p>De andere Haasmuis-soort bewoont Ecuador en het noordelijk gedeelte van Peru. +</p> +<p class="tb">*</p><p> + +</p> +<p>De vertegenwoordiger van het derde geslacht, de <span class="letterspaced">Viscacha</span> (<i>Lagostomus trichodactylus</i>), gelijkt meer op de Chinchilla dan op de leden van het vorige geslacht. Zij heeft een tamelijk dicht haarkleed, dat aan +de bovenzijde uit gelijkmatig verdeelde, grijze en zwarte haren bestaat, waardoor de rug er tamelijk donker uitziet; de onderdeelen +zijn wit behaard, evenals de binnenzijde van de pooten. Zonder den staart is het lichaam 50, met dezen 68 cM. lang. + +</p> +<p>De Viscacha vertegenwoordigt haar familie ten oosten van de Andes; zij bewoont thans de Pampas van Buenos Aires tot Patagonië. +Toen de bodem nog niet zoo ver ontgonnen was als nu, kwam zij ook in Paraguay voor. Waar deze dieren tegenwoordig nog <a id="d0e2964"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2964">343</a>]</span>gevonden worden, is hun aantal zeer groot. Op verscheidene plaatsen treft men ze zóó veelvuldig aan, dat overal, doch nooit +over dag, aan weerszijden van den weg, die men volgt, geheele troepen zichtbaar zijn. Zij houden zich in de eenzaamste en +minst bebouwde gewesten op, doch naderen de ontginningen tot op korten afstand; de reizigers kunnen zelfs uit het groot aantal +“viscachera’s” (of woningen van de Viscacha) langs hun weg afleiden, dat de Spaansche volkplantingen niet ver meer zijn. + +</p> +<p>Schraal begroeide en voor een groot deel kale, dorre vlakten zijn het erf van de Viscacha; hier heeft zij hare uitgestrekte, +onderaardsche woningen, bij voorkeur in de nabijheid van kreupelboschjes en op geringe afstand van bebouwde velden. De holen +worden gemeenschappelijk gegraven en ook gemeenschappelijk bewoond; zij hebben een menigte galerijen en vluchtgangen, dikwijls +wel 40 à 50, en zijn van binnen in verscheidene kamers verdeeld, al naar de talrijkheid van de familie, die zich hier metterwoon +heeft gevestigd. Het aantal familieleden kan klimmen tot 8 à 10; daarna verlaat echter een deel van de familie de oude woning +en legt een nieuwe aan, liefst in de nabijheid van de vorige. Bovendien kan het voorkomen, dat de Holen-uil, die wij als commensaal +van de Prairie-honden hebben leeren kennen, ook hier zich vestigt en zonder veel plichtplegingen het een of ander hol in bezit +neemt. De zindelijke Viscacha’s dulden nooit een huisgenoot, die niet evenzeer als zij op netheid gesteld is en zoeken oogenblikkelijk +een ander kwartier op, wanneer een van de indringers haar door onzindelijkheid last aandoet. Hierdoor wordt het verklaarbaar, +waarom de bodem dikwijls over een uitgestrektheid van een vierkante mijl geheel en al ondermijnd is. Over dag ligt de geheele +familie verborgen in haar woning, omstreeks zonsondergang komen enkele leden van het gezin te voorschijn, en zoodra de schemering +aanbreekt, heeft een meer of minder talrijk gezelschap zich voor de uitgangsopeningen verzameld. Nadat deze dieren door een +zorgvuldig onderzoek tot de overtuiging zijn gekomen, dat hun geen gevaar bedreigt en geruimen tijd in de nabijheid van het +hol rondgezworven hebben, begeven zij zich op weg om voedsel te zoeken. + +</p> +<p>De Viscacha’s gelijken door de wijze, waarop zij zich bewegen, veel op onze Konijnen, die haar wel wat snelheid betreft aanmerkelijk +overtreffen; maar minder opgewekt, vroolijk en tot spelen geneigd zijn. Terwijl zij aan ’t grazen zijn, maken zij voortdurend +grappen, loopen haastig rond, springen knorrend over elkander heen, wisselen begroetingen met den snuit enz. Evenals de Jakhals +en de Poolvos nemen zij de meest verschillende voorwerpen, die zij bij het bezoeken van hare weideplaatsen vinden, naar hare +holen mede en stapelen deze voor de ingangsopening in bonte verwarring opeen, als ’t ware om als speelgoed te dienen. Zoo +vindt men beenderen en vodderijen, koedrek en toevallig verloren geraakte voorwerpen, die voor haar zeer zeker in ’t geheel +niet dienstig kunnen zijn, voor hunne holen opeengehoopt; de Gauchos gaan derhalve, als zij iets missen, naar de naastbijgelegen +viscachera’s om daar het verlorene te zoeken. Uit hunne woningen verwijderen deze dieren zorgvuldig al wat er niet in behoort, +ook de lijken van hunne soortgenooten. Het is nog niet uitgemaakt, of zij in hun hol voorraad voor den winter bijeenbrengen. +Hun stem bestaat uit een zonderling, niet nader te omschrijven, luid en onaangenaam klinkend gesnuif en geknor. + +</p> +<p>Over de voortplanting is tot dusver niets met zekerheid bekend. Men zegt, dat de wijfjes 2 à 4 jongen werpen en dat deze na +2 à 4 maanden volwassen zijn. <span class="smallcaps">Göring</span> zag steeds niet meer dan één jong bij de oude Viscacha’s. Het bleef voortdurend in de onmiddelijke nabijheid van zijn moeder. +Deze behandelt het, zoover men kon nagaan, met veel liefde en verdedigt het in tijden van gevaar. Als men deze jongen vangt +en zich met hen bemoeit, worden zij tam; evenals onze Konijnen, kan men ze zonder moeite in ’t leven houden. Hier en daar +treft men in Europeesche diergaarden levende Viscacha’s aan; die van den Frankforter dierentuin was steeds stompzinnig, brommig +en met boosaardige woede bezield. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1343.jpg" alt="Viscacha (Lagostomus trichodactylus). ⅕ v.d. ware grootte." width="720" height="442"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Viscacha</span> (<i>Lagostomus trichodactylus</i>). ⅕ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De Viscacha’s worden vervolgd, niet zoo zeer wegens de waarde van haar vleesch en vel, als wel wegens den last, dien zij door +haar woelen in den grond veroorzaken. Op de plaatsen waar zij veelvuldig zijn, gaat het rijden werkelijk met levensgevaar +gepaard, omdat de Paarden dikwijls door de aardlaag, die hare dicht bij de oppervlakte gelegen gangen bedekt, heentrappen, +waardoor zij in ’t gunstigste geval schichtig worden, zoo zij niet vallen en daarbij hun berijder afwerpen of zelve de pooten +breken. De bewoners van <a id="d0e2986"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2986">344</a>]</span>het vaderland der Viscacha’s herkennen de viscacheras reeds van verre aan de aanwezigheid van een kleine, wilde, bittere meloen, +die misschien een lievelingsspijs van deze dieren is. De bedoelde plant komt op plaatsen waar vele viscacheras zijn, geregeld +voor; het is ook wel mogelijk, dat, omgekeerd, de holen aangelegd worden daar, waar de genoemde planten in alle richtingen +hare groene ranken over den bodem uitbreiden. De gevaarlijkste plaatsen kunnen dus vermeden worden, door op dit kenteeken +te letten. Met alle mogelijke middelen tracht men de Viscacha’s uit de nabijheid van de volksplantingen te verdrijven; men +wendt in den letterlijken zin van ’t woord vuur en water aan om ze uit te roeien. Het gras om hare holen wordt in brand gestoken +om haar het voedsel te ontnemen; hare holen worden onder water gezet en zij zelf hierdoor gedwongen om naar buiten te vluchten, +waar de op de loer liggende Honden haar weldra te pakken hebben. + +</p> +<p>De Indianen eten het vleesch van de Viscacha en maken ook wel gebruik van haar vel, ofschoon dit een veel geringere waarde +heeft dan dat der vroeger genoemde soorten. +</p> +<hr class="tb"><p> + +</p> +<p>Aan het einde van de orde der Knaagdieren plaatsen wij de <span class="letterspaced">Hazen</span> (<i>Leporidae</i>); zij vormen een familie die zoo vele eigenaardigheden vertoont, dat er reden zou zijn om haar den rang van onderorde toe +te kennen. Zij zijn de eenige leden van de geheele orde, die meer dan twee snijtanden in de bovenkaak hebben; want achter +de scherpe en breede knaagtanden staan nog twee echte snijtanden: kleine, stompe, bijna vierzijdige stiften. Hierdoor verkrijgt +het gebit een zóó eigenaardig voorkomen, dat de Hazen in dit opzicht geheel alleen staan. Bovendien komen in elke kaakhelft +5 of 6, ieder uit twee platen samengestelde, wortellooze kiezen voor. De algemeene kenmerken van de Hazen zijn: een in de +lengte gerekt lichaam met lange achterpooten, een lange, smalle kop met groote ooren en oogen, vijf teenen aan de voorpooten, +vier aan de achtervoeten, dikke, zeer beweeglijke, diep gespleten lippen met dikke snorharen aan weerszijden en een dicht, +bijna wollig haarkleed. + +</p> +<p>Hoewel deze familie slechts een gering aantal soorten omvat, is zij toch over een groot deel der aarde verbreid. Alleen in +het Australische rijk zouden de Hazen ontbreken, indien zij er niet door den mensch ingevoerd waren; thans echter zijn over +Nieuw-Holland en Nieuw-Zeeland twee soorten ver verbreid. De Hazen komen voor in alle klimaten, in vlakten en gebergten, in +open velden en rotsspleten, op en onder den grond, kortom overal; daar waar de verbreiding van de eene soort ophoudt, begint +die van een andere; de landstreek waar deze zich niet op haar plaats gevoelt, vindt in gene een tevreden bewoner. + +</p> +<p>Alle voeden zich vooral met de zachte en sappige deelen der planten, doch eigenlijk versmaden zij er geen enkel deel van, +voor zoover zij het bereiken kunnen. Zij verslinden de planten van den wortel tot aan de vruchten, ofschoon zij bij voorkeur +gebruik maken van de bladen van laag groeiende kruiden. De meeste leven op een beperkte schaal gezellig en blijven trouw aan +de eens gekozen of hun toebedeelde woonplaats. Hier liggen zij over dag verborgen in een ondiepen kuil of een hol in den grond, +des nachts daarentegen zwerven zij rond om voedsel te zoeken. Zij rusten, strikt genomen, alleen gedurende de middaguren en +loopen, als zij zich veilig gevoelen, ook ’s morgens en ’s avonds bij helderen zonneschijn rond. Zij hebben een zeer eigenaardige +bewegingswijze. De spreekwoordelijke snelheid van den Haas openbaart zich alleen, wanneer hij al zijne krachten inspant; bij +het langzaam gaan beweegt hij zich op een zeer logge en onbeholpen wijze, daar de lange achterpooten een gelijkmatigen gang +moeilijk maken. Zij kunnen echter ook gedurende den snelsten loop allerlei wendingen maken en geven in dit geval bewijzen +van een behendigheid, die men bij hen niet verwacht zou hebben. Zij vermijden het water, ofschoon zij in geval van nood ook +rivieren overzwemmen. + +</p> +<p>Onder hunne zinnen staat ongetwijfeld het gehoor bovenaan; het bereikt hier een ontwikkeling zooals bij weinige andere dieren, +en ongetwijfeld bij geen der Knaagdieren, voorkomt; de reuk staat op een lageren trap, maar is ook niet zwak; het gezicht +is tamelijk scherp. Hun stem bestaat uit een dof geknor en, als zij angstig zijn, uit een luid, klagelijk geschreeuw. [De +tot deze familie behoorende, in bergstreken levende Fluithazen (Hamsterhazen of Peka’s, <i>Lagomys</i>) dragen hun naam te recht.] Hun stem, die men trouwens slechts zelden hoort, gaat gepaard met een eigenaardig geluid, dat +veroorzaakt wordt door het slaan met de achterpooten tegen den grond; dit geluid geeft zoowel vrees als toorn te kennen en +dient als waarschuwend sein. Bij ’t nagaan van de inborst dezer dieren merkt men verscheidene tegenstrijdigheden op. Over +’t geheel genomen is het beeld, dat men zich gewoonlijk van den Haas vormt, niet juist. Men noemt hem goedaardig, vreedzaam, +onschuldig en lafhartig; de ervaring leert echter, dat hij ook de hieraan tegenovergestelde eigenschappen kan hebben. Nauwgezette +opmerkers willen van de goedaardigheid der Hazen niets weten, maar noemen ze ronduit boosaardig en twistziek in de hoogste +mate. Algemeen bekend zijn hunne vreesachtigheid, oplettendheid en schuwheid, minder bekend de listigheid, die zij allengs +verkrijgen en die met de jaren tot een werkelijk bewonderenswaardige hoogte kan toenemen. Ook hun lafhartigheid is niet zoo +erg, als men meent. Stellig doet men hen onrecht, wanneer men deze eigenschap zoo op den voorgrond stelt, als <span class="smallcaps">Linnaeus</span> deed, toen hij den Sneeuwhaas een naam gaf (<i>Lepus timidus</i>), die hem voor altoos als een lafaard aan de kaak gesteld heeft. + +</p> +<p>Hoewel het voortplantingsvermogen van de Hazen niet zoo sterk is als dat der andere Knaagdieren, is het toch belangrijk genoeg +om het oude jagersgezegde, dat de Hazen zich in ’t voorjaar onder vier oogen naar ’t veld begeven om in ’t najaar met hun +zestienen van daar terug te keeren, van volle kracht te doen blijven op plaatsen waar ’t leven onzen Lampe vriendelijk tegenlacht +en de vervolging niet al te erg is. De meeste Hazen werpen verscheidene malen per jaar jongen, soms 3 à 6, in enkele gevallen +zelfs 11 te gelijk; bijna alle behandelen hunne kinderen echter op eene buitengewoon lichtzinnige wijze, waarvan het gevolg +is, dat er zoovele vroegtijdig sterven. Bovendien worden zij wegens hun smakelijk vleesch door een geheel leger van vijanden +vervolgd; in ieder werelddeel zijn dit andere dieren, maar wat hun aantal betreft, bestaat er tusschen het eene deel der aarde +en het andere niet veel verschil. Voor Duitschland heeft <span class="smallcaps">Wildungen</span> de namen dezer dieren in een rijmpje bijeengevoegd, dat vrij vertaald ongeveer den volgenden inhoud heeft: + +<a id="d0e3020"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3020">345</a>]</span></p> +<div class="poem"> +<div class="stanza"> +<p class="line" style=""><span>Menschen, Honden, Wolven, Lossen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Katten, Marters, Wezels, Vossen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Arend, Ooruil, Havik, Wouwen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Elke Kraai, die wij aanschouwen, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Ekster, Raaf niet te vergeten, +</span></p> +<p class="line" style=""><span>Ieder, ieder wil hem—eten.</span></p> +</div> +</div> +<p>Het is wegens de talrijkheid hunner vijanden waarlijk geen wonder, dat de Hazen zich aanmerkelijk minder sterk vermenigvuldigen +dan anders het geval zou zijn; wij mogen ons gelukkig achten, dat dit zoo is, daar anders deze Knaagdieren niets op onze akkers +zouden overlaten. In alle streken waar hun aantal aanmerkelijk toeneemt, worden zij een plaag voor het land. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1345.jpg" alt="Haas (Lepus vulgaris). ⅕ v.d. ware grootte." width="720" height="673"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Haas</span> (<i>Lepus vulgaris</i>). ⅕ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De leden van het geslacht <span class="letterspaced">Haas</span> (<i>Lepus</i>) onderscheiden zich door ooren, die bijna zoo lang zijn als de kop, door de kortheid van den duim der voorvoeten, de groote +lengte der achterpooten (bijna het dubbele van die der voorpooten), het opwaarts gerichte staartstompje, en de 6 kiezen in +elke bovenkaakshelft (in de onderkaak zijn er 5 aan elke zijde). + +</p> +<p>“Lampe”, de <span class="letterspaced">Gewone Haas</span>, een stevig Knaagdier van 75 cM. totale lengte, waarvan slechts 8 cM. op den staart komen, en 30 cM. hoogte, is een van de +beide bij ons inheemsche vertegenwoordigers van het Hazengeslacht. Hij bereikt een gewicht van 3½, 4, 5, soms van 6 KG., in +zeldzame gevallen wordt een oud mannetje 7 of 8, ja zelfs 9 KG. zwaar. De afwijkingen van grootte en kleur, die men bij onze +Hazen opmerkt, en die samengaan met het verschil in smaak van hun vleesch, zijn een gevolg van de ongelijkheid van de gronden, +waarop zij leven, en van het voedsel, dat zij er vinden. Zoo wordt b.v. de “Steenhaas,” die iets kleiner, lichter van kleur +en volgens de fijnproevers lekkerder is dan de haas van de kleistreken, vooral op heidevelden aangetroffen. Ook spreekt men +van Heidehazen, Grasbuiken en Duinhazen. De vacht bestaat uit kort wolhaar en lang bovenhaar. Van haar kleur kan niet gemakkelijk +met weinige woorden een voor allen geldige beschrijving gegeven worden. In den regel is zij grijsachtig bruin, op den rug +donkerder en aan den buik wit, het uiteinde der ooren en het bovendeel van den korten staart zijn zwart, van onderen is de +staart wit, op de schouders en de zijden is de kleur bijna geheel ros. In den winter is de kleur altijd eenigszins anders +dan des zomers; ook vindt men vele kleurverscheidenheden: donkere, gevlekte en witte. In den regel is de kleur van den Haas +voortreffelijk geschikt om dit dier, als het op den grond rust, aan de blikken zijner vijanden te onttrekken. + +</p> +<p>De (of, zooals de jager gewoonlijk zegt, “het”) Haas draagt al naar geslacht en leeftijd verschillende namen (die voor ’t +meerendeel ook op het Konijn toepasselijk zijn). Het mannetje heet “rammelaar,” het wijfje “moerhaas” of “voedster”<span id="d0e3060" class="corr" title="Bron: ">.</span> (Bij de Marters, Bunzingen en Wezels, en ook wel bij het Konijn, spreekt men van “ram” of “voedster”.) “Halfwassen” is het +jonge wild, wanneer het ongeveer de helft van zijn wasdom heeft bewerkt. “Drieling” noemt men “het” Haas, dat voor drie vierde +volwassen is. De ooren heeten, volgens de “jachtmatige” spreekwijze “lepels”, de oogen “spiegels”, de kop “bol”, de pooten +“voorloopers” en “achterloopers”, de achterbouten of dijen “kussens”; het haar wordt “wol”, de staart “pluim”, de huid “vel” +genoemd. Voorts zijn ook de volgende termen van belang; “Het” Haas en ook het overige “loopend” (viervoetig) wild is aan ’t +“laveien”, als het uitgegaan is om “lavei” (voedsel) te zoeken; het “drukt” zich, als het zich op den grond verbergt om niet +door den jager opgemerkt te worden. Het “breekt uit” naar ”’t veld” <a id="d0e3063"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3063">346</a>]</span>om te “laveien” en “vaart in” “het hout”, als het de omgekeerde richting volgt om te gaan rusten; het volgt daarbij zijne +“passen” of “wissels”; het “vaart in” het “leger” wanneer het zich begeeft naar de ondiepe uitholling van den bodem, waarin +het over dag slaapt; het verlaten van het “leger” heet “uitvaren”; door de Honden wordt het genoodzaakt het bosch te “ruimen”. +De jager zal het dier “naoogen” (“nawaren”). In het veld, “waar het zich drukte,” wordt het door den Hond “opgestooten”, of +“opgedaan”, d.w.z. het “rijst” bij nadering van den Hond (of van den jager), wordt doodelijk getroffen door een “bladschot” +(d.i. van ter zijde in het schouderblad, in het voorste gedeelte van den romp), maar niet onmiddellijk neergeveld door een +“weidewond” (in de onedele of onderbuiksingewanden); men ziet het “zweet” (bloed); het dier “klaagt” (kermt), “sneuvelt”, +dikwijls na vooraf “genekt” te zijn (wanneer men “het” bij de “achterloopers” opgenomen Haas of Konijn doodt door een slag +met den kant van de rechterhand in den nek), wordt “ontweid” (van ingewanden ontdaan), “afgehaald” (gevild)<span id="d0e3065" class="corr" title="Bron: ”"></span> enz. + +</p> +<p>Geheel Middel-Europa en een klein deel van westelijk Azië vormen het vaderland van onzen Haas. In het zuiden wordt hij vervangen +door een soort van iets geringere grootte en meer rosse kleur, den Haas van ’t Middellandsche-zee-gebied, op de hoogste gedeelten +der Alpen en in het hooge noorden door den Sneeuwhaas. De Alpenhaas en de Sneeuwhaas zijn misschien verschillende soorten, +hoewel zij onderling veel overeenkomst vertoonen. Onze Haas bereikt de noordelijkste grens van zijn verbreidingsgebied in +Schotland, in ’t zuiden van Zweden, in Noord-Rusland (op ongeveer 65 à 70° N.B.), de zuidelijkste grens in ’t zuiden van Frankrijk +en in ’t Noorden van Italië. In Siberië werd hij nog niet aangetroffen. Binnen het genoemde gebied komt hij, zooals licht +te begrijpen is, niet overal even veelvuldig voor. Hoewel de beperking van het aantal Hazen door de jacht, wegens de zeer +verschillende wijzen, waarop de jacht wordt uitgeoefend, zeer ongelijkmatig geschiedt, spreekt het wel van zelf, dat deze +dieren zich bij voorkeur ophouden in de vruchtbaarste gewesten, vooral in vlakten waar landbouw en veeteelt bloeien en waar +bovendien geen gebrek is aan schuilplaatsen, b.v. struiken en kreupelhout. In gewesten, die grootendeels met bosschen bedekt +zijn, komen zij minder overvloedig voor; in uitgestrekte wouden zijn zij betrekkelijk zeldzaam. Een golvend, heuvelachtig +terrein vermijden zij niet geheel; hoogere bergstreken zijn echter arm aan Hazen. Hoewel zij in den Kaukasus nog voorkomen +op 2000 M. en in de Alpen op 1600 M. hoogte, worden zij toch in het Beiersche Oberland reeds op 1000 M. hoogte slechts bij +uitzondering aangetroffen; boven deze grens worden zij al spoedig vervangen door den Sneeuwhaas. Duidelijk geeft de Gewone +Haas aan gematigde gewesten de voorkeur boven die, waar een ruw klimaat heerscht. Omdat hij van de warmte houdt, vestigt hij +zich het liefst in velden, die onder den wind liggen en tegen de koudste winden beschut zijn. De pogingen die men gedaan heeft, +om hem in noordelijker gewesten inheemsch te doen worden, zijn mislukt. Oude rammelaars zijn minder kieskeurig, wat hun woonplaats +betreft, dan voedsters en jonge Hazen; gene maken zich dikwijls een leger in het struikgewas, in rietvelden en in hoog gelegen, +boschachtige bergstreken; terwijl de andere bij de keuze van hun leger altijd zeer zorgvuldig te werk gaan. + +</p> +<p>Over het algemeen is de Haas meer nachtdier dan dagdier, hoewel men hem op heldere zomerdagen ’s avonds reeds vóór zonsondergang +en ’s morgens nog na zonsopgang in het veld ziet rondzwerven. Hoogst ongaarne verlaat hij de plaats waar hij geboren en getogen +is. De jongen zijn gehecht aan de plek, waar zij het eerste levenslicht hebben aanschouwd; in het oude leger vertoeven zij +ook op lateren leeftijd nog gaarne. Een der wijfjes-jongen vestigt zich daar veelal, maar heeft bovendien nog een paar andere +nesten. De Haas heeft altijd meer dan één leger; wordt hij in ’t eene ontdekt dan trekt hij naar een ander. Na den dood van +de voedster; die het ouderlijk leger bewoonde, wordt deze schuilplaats al zeer spoedig, soms reeds den volgenden dag, door +een anderen jongen moerhaas ingenomen, die er vermoedelijk insgelijks geboren is. Een natuurdrift schijnt de wijfjes aan deze +plek te binden. Door allerlei tegenspoeden, gebrek aan voedsel, vervolging enz. worden zij dikwijls gedwongen ver van haar +leger rond te zwerven; zij keeren er echter in terug, als de paartijd nadert. De rammelaar schijnt minder gehecht te zijn +aan den geboortegrond, doch ook hij zoekt dezen in den herfst weer op. Dit geschiedt steeds, als de rust van den Haas niet +of niet te veel verstoord wordt; voor een te lang aanhoudende vervolging neemt hij voor goed de wijk naar andere oorden. + +</p> +<p>De neiging van de Hazen om steeds terug te keeren naar de woonplaats hunner voorouders en dezer eigenaardige levenswijze aan +te nemen, geeft aanleiding tot het onderscheiden van verscheidenheden, die door woonplaats en gewoonten van elkander verschillen. +Zoo spreekt men o.a. van Veldhazen, Boschhazen, Woudhazen en Berghazen. De “Veldhaas” houdt zich meestal in ’t bouwland op +en verschuilt zich bij droog en stil weder onder de te velde staande, groeiende of reeds verdroogde gewassen. Als ’t regent, +verlaten zij echter dit leger en zoeken, daar zij den regen boven den drop verkiezen, hun toevlucht op het opene, kale land. +Daar de jager ze hier gemakkelijker kan vinden zal de jacht gedurende het regenachtige weer, dat meestal tegen het einde van +den jachttijd invalt, niet zelden gelukkig zijn. Als de oogst op den door den Haas bewoonden akker aanvangt, begeeft hij zich +naar andere plaatsen, waar graan, rapen, kool of dergelijke planten verbouwd worden. Hij eet klaver, jonge graangewassen, +distels, kool en koolzaad; gele of roode wortelen, die hij met de pooten loswoelt, zijn voor hem een lekkernij; ook allerlei +wilde planten in het bouwland en in de venen eet hij met smaak. Zijn lievelingskost schijnt echter peterselie te zijn. In +het laatste gedeelte van den herfst vestigt hij zich bij voorkeur in een braak liggend land, dat reeds eenigen tijd geleden +werd omgeploegd, of op een niet al te vochtigen, met biezen begroeiden grond of op een koolzaadakker. Het winterkoren en het +winterkoolzaad maken nu zijn hoofdvoedsel uit. Zoolang er weinig of geen sneeuw ligt, verandert hij niet van leger. ’s Nachts +bezoekt hij de tuinen, waar hij kool kan vinden. Wanneer er veel sneeuw valt, laat hij zich in zijn leger insneeuwen, maar +gaat, zoodra de bui ophoudt, in de buurt van de klaverakkers wonen. Zoodra er een ijskorst over de sneeuw komt, vangt voor +hem een moeilijk tijdperk aan; hoe minder voedsel hij op de akkers vindt, des te meer schade zal hij aanrichten in de tuinen +en boomkweekerijen. De schors van de meeste jonge boomen, vooral die van den acacia en van zeer jonge berken, is hem dan even +welkom als de roode kool. Als de sneeuw door den dooi afneemt of geheel verdwijnt, keert de Haas naar het winterkoren terug, +dat hem als voedsel dient, totdat het in de lente opnieuw begint te groeien. Kort <a id="d0e3073"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3073">347</a>]</span>vóór zonsondergang (na een warmen regen nog iets vroeger) begeeft hij zich naar het zomerkoren. Ook hiervan maakt hij geen +gebruik meer, zoodra de planten ouder geworden zijn; hij blijft echter in het jonge graan liggen en bezoekt ’s avonds de akkers, +waarop de kool sinds kort werd overgeplant, de rapenvelden enz. + +</p> +<p>De “Boschhaas” begeeft zich alleen ’s avonds naar het veld en keert ’s morgens met het aanbreken van den dag of kort na zonsopgang +weder in ’t bosch terug. Gedurende den zomer echter houdt hij zich soms ook wel over dag in het hooge koorn op, of, als het +regent, op ongebroken of omgeploegd braakland. In den herfst, als de struiken hunne bladeren laten vallen, verlaat hij het +bosch geheel, daar het vallen der bladen hem angstig maakt; in den winter trekt hij zich in het donkere deel van ’t bosch +terug; zoodra de dooi invalt, komt hij weder in het minder dichte gedeelte. De eigenlijke “Woudhaas” vertoeft gedurende het +zachte en groeizame jaargetijde in den woudzoom; hij begeeft zich van hier des avonds naar de velden, wanneer op de weiden +in het woud niet genoeg voedsel te vinden is. Bij felle vorst zoekt hij de duistere gedeelten van het woud op en dringt er +steeds dieper in door, zonder zich om het afvallen der bladen te bekommeren.—De Berghaas vaart zoo goed bij het gebruik van +de geurige kruiden, die in de nabijheid van zijn verblijfplaats groeien, dat hij, als er akkers in de nabijheid zijn, deze +alleen uit lust tot snoepen bezoekt. + +</p> +<p>“Buiten den paartijd,” zegt <span class="smallcaps">Dietrich aus dem Winckell</span>, “brengt de Haas den geheelen dag slapend of sluimerend in zijn leger door. Nooit gaat hij regelrecht op de plaats af, waar +hij een oud leger weet of een nieuw wil maken, maar loopt eerst een eind voorbij de plaats waar hij rusten wil, keert terug, +doet weer eenige sprongen te veel, dan weer een sprong zijwaarts en herhaalt dezen voorzorgsmaatregel eenige malen, tot hij +eindelijk met een flinken sprong op de plaats aanlandt, waar hij blijven wil. Bij het maken van zijn leger graaft hij in ’t +vrije veld een ongeveer 5 à 8 cM. diepe uitholling in den grond, die daar, waar het achterste deel van ’t lichaam moet liggen, +een weinig gewelfd is; deze kuil is lang en breed genoeg om te maken dat er van het bovenste deel van den rug slechts zeer +weinig te zien komt, als het dier in het leger de voorpooten uitstrekt, hierop den kop met de op den rug neerliggende ooren +laat rusten en de achterpooten onder het lichaam samentrekt. Deze schuilplaats beschut den Haas gedurende het zachte jaargetijde +tamelijk goed tegen storm en regen. In den winter holt hij het leger gewoonlijk zoover uit, dat er niets dan een klein zwartachtig +grijs plekje van zichtbaar blijft. In den zomer keert hij den kop naar ’t noorden, in den winter naar ’t zuiden, bij stormachtig +weer echter zoo, dat hij den wind achter zich heeft. + +</p> +<p>“Het is, alsof de natuur den Haas door opgewektheid, snelheid en sluwheid heeft trachten schadeloos te stellen voor de hem +aangeboren vreesachtigheid en schuwheid. Als hij de een of andere gelegenheid heeft gevonden om onder bescherming van de duisternis +zijn zeer goede eetlust te bevredigen, en het weder niet al te ongunstig is, zal er bijna geen morgen voorbijgaan, zonder +dat hij zich onmiddellijk na zonsopgang op droge, vooral op zandige plaatsen met zijne soortgenooten of in zijn eentje met +lichaamsoefeningen vermaakt. Door grappige sprongen, door in een kring rond te loopen en zich over den grond te wentelen toont +hij zijn vroolijke gemoedsstemming; soms is hij zoozeer in dit spel verdiept, dat hij zijn ergsten vijand, den Vos, niet opmerkt. +Een oude Haas laat zich niet zoo gemakkelijk beetnemen, en weet, als hij gezond en niet vermoeid is, in den regel aan de vervolging +van zijn aartsvijand te ontkomen. Hij tracht dan door ‘haken te slaan’ (door zijsprongen en wendingen), een list, die hij +meesterlijk ten uitvoer brengt, zijn vijand te foppen. Alleen wanneer hij voor snelle Windhonden vlucht, tracht hij een anderen +Haas vooruit te schieten om zich in diens leger ‘te drukken’, waarna hij den uit zijn woning verdreven kameraad koelbloedig +aan de vervolging prijs geeft. Ook begeeft hij zich dan wel te midden van een kudde vee of dringt in het eerste het beste +rietbosch door; ingeval van nood zwemt hij over een tamelijk breed water. Nooit echter waagt hij het weerstand te bieden aan +een levend wezen van een andere soort, en alleen als de ijverzucht hem prikkelt, geraakt hij in strijd met zijns gelijken. +Soms komt het voor, dat een denkbeeldig of werkelijk bestaand gevaar hem zoozeer verrast en van zinnen brengt, dat hij ieder +middel tot redding verzuimt, in de grootste angst heen en weer loopt, of zelfs op jammerlijke wijze begint te klagen.” + +</p> +<p>Over ’t algemeen is hij voor onbekende voorwerpen buitengewoon schuw, hij mijdt daarom zorgvuldig alle in ’t veld geplaatste +“hazenverschrikkers”. Het komt echter ook wel voor, dat oude, volleerde Hazen buitengewoon driest zijn, zich niet eens door +Honden laten verdrijven en, zoodra zij bemerken, dat deze opgesloten zijn of vast liggen, met onvergelijkelijke onbeschaamdheid +in den tuin komen om als ’t ware onder de oogen van de Honden hunne rooverijen te plegen. <span class="smallcaps">Lenz</span> heeft meermalen gezien, dat Hazen zoo dicht onder zijn venster en naast de vastliggende Honden langs gingen, dat het schuim +uit den bek van de ten hoogste vertoornde Honden hen op de vacht spatte. + +</p> +<p>De snelvoetigheid van den Haas is grootendeels hieraan te danken, dat zijne achterpooten langer zijn dan zijne voorpooten. +Om dezelfde reden kan hij beter bij een helling op dan er af rennen. Als hij geen haast heeft, maakt hij veel korter sprongen +dan wanneer hij zich er op toelegt om snel vooruit te komen. Bij het vluchten gaat hij dikwijls zonder bijzondere reden op +eenigen afstand van zijn leger opzitten als een Hond; als hij de hem najagende Honden een eind weegs vóór is, gaat hij op +de geheel gestrekte achterpooten staan, doet zoo een paar schreden vooruit en draait zich om en om. + +</p> +<p>Gewoonlijk maakt hij alleen dan geluid, als hij zich in gevaar bevindt. Dit geschreeuw gelijkt op dat van kleine kinderen +en wordt “klagen” genoemd. + +</p> +<p>Onder de zinnen van den Haas is, gelijk men reeds uit de groote ooren kan opmaken, het gehoor het best ontwikkeld; de reuk +is behoorlijk goed; het gezicht echter tamelijk zwak. Zijne meest in ’t oog vallende eigenschappen zijn buitengewone voorzichtigheid +en oplettendheid. Het zwakste geluid in zijn nabijheid, het suizen van den wind, die door de bladen speelt, het ritselen van +een blad, zijn voldoende om hem, als hij slaapt, te wekken en scherp te doen opletten. Een bij hem langs sluipende Hagedis +of het gekwaak van een Kikvorsch kan hem uit zijn leger verjagen, en zelfs als hij in vollen ren is, kan men hem door gefluit, +dat niet eens krachtig behoeft te zijn, doen stilstaan. Ten onrechte noemt men hem zachtaardig. <span class="smallcaps">Dietrich aus dem Winkell</span> zegt zelfs, dat de leelijkste eigenschap van den Haas zijn boosaardigheid is, al openbaart hij deze niet door krabben en +bijten: de <a id="d0e3098"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3098">348</a>]</span>moerhaas geeft er de duidelijkste bewijzen van door de geringe zorg, die zij voor haar kroost draagt; de Rammelaar mishandelt +de jonge haasjes dikwijls op afkeerwekkende wijze. + +</p> +<p>De bronsttijd begint na strenge winters in ’t begin van Maart, bij zachtere weersgesteldheid reeds in het laatst van Februari +(of vroeger; soms reeds in het begin van deze maand of zelfs in Januari) over ’t algemeen des te eerder, naarmate de Haas +meer voedsel kan vinden. Alle Hazen zijn dan buitengewoon onrustig. De ijverzucht verbittert ook het gemoed van den Haas en +geeft aanleiding tot gevechten, die voor den toeschouwer hoogst vermakelijk zijn. Twee, drie of meer rammelaars komen bijeen, +rennen op elkander af, loopen terug, richten neergehurkt het lichaam omhoog en verheffen zich op de achterpooten, vliegen +elkander opnieuw aan en deelen oorvijgen uit, zoodat de wol in ’t rond stuift, totdat eindelijk de sterkste zijne tegenstanders +het veld doet ruimen. Geloofwaardige jagers verzekeren, dat deze gevechten tusschen verliefde Hazen, hoe onschuldig zij ook +schijnen, soms toch zware verwondingen ten gevolge hebben; niet zelden treffen zij op hun jachtveld blinde Hazen aan, die +bij een minnestrijd aan de oogen verwond werden. De afgekrabde wol, die op de kampplaatsen verspreid ligt, is voor den jager +een teeken, dat de bronsttijd werkelijk aangevangen is; in jaren met buitengewoon zacht weer zal iedere dierenvriend zich +wel wachten na dit tijdstip nog op de hazenjacht te gaan. + +</p> +<p>De moerhaas blijft ongeveer dertig dagen drachtig. Volgens <span class="smallcaps">Altum</span> heeft men wel eens in Januari jonge Hazen gevonden. Gewoonlijk echter heeft de eerste worp plaats tusschen het midden en +het einde van Maart, de vierde en laatste in Augustus. De eerste maal brengt het wijfje minstens één of twee, de tweede maal +drie à vijf, de derde maal drie en de vierde maal één of twee jongen ter wereld. Hoogst zelden en slechts in een zeer gunstig +jaar werpt een Haas vijfmaal jongen. De geboorteplaats van de jongen bestaat uit een hoogst eenvoudige uitholling van den +bodem op een stille plaats van het bosch of van akker; veelal een droge, met gras begroeide of met ruigte omzette plek, waarin +de moerhaas strooi of andere doode planten brengt, soms kiest zij het bloote, kale veld voor kraambed uit, als haar de tijd +ontbroken heeft een betere schuilplaats te zoeken. De jongen komen met geopende oogen ter wereld; de ooren hangen aanvankelijk +neer, doch richten zich weldra op; in alle opzichten is het bij de geboorte al zeer ontwikkeld. Vele jagers hebben gezien, +dat de jonge Hazen onmiddellijk na de geboorte zichzelf moesten drogen en reinigen. Zeker is het, dat de moeder slechts gedurende +de eerste vijf of zes dagen bij hare kinderen blijft, en ze daarna, met het oog op een nieuwe vrijage, aan hun lot overlaat. +Slechts nu en dan komt zij weer terug op de plaats waar de jongen geboren werden, lokt ze bijeen door een eigenaardig geklepper +met de ooren en laat ze zuigen, waarschijnlijk slechts om bevrijd te worden van de voor haar lastige melk en niet uit echte +moederliefde. Bij het naderen van een vijand verlaat zij haar kroost in den regel, hoewel, er ook gevallen bekend zijn, dat +oude voedsters haar kroost tegen kleine Roofvogels en Raven verdedigd hebben. Over ’t algemeen is het aan de liefdeloosheid +van de moeder te wijten, dat er zoo weinige jongen in ’t leven blijven. Die van den eersten worp bezwijken in den regel door +de koude. Indien er al een het zwakke leven behoudt, wordt het door gevaren van allerlei aard bedreigd, zelfs staat het aan +de mishandelingen van zijn vader bloot. Het gedrag van den rammelaar ten opzichte van de jonge Hazen is werkelijk slecht; +waar hij kan, kwelt hij ze dood. “Ik hoorde eens,” zegt <span class="smallcaps">Dietrich aus dem Winckell</span>, “een jongen Haas schreeuwen, en meende, daar het geluid van uit de nabijheid van het dorp kwam, dat het dier zich in de +klauwen van een Kat bevond; om dezen roover met een schot te beloonen, kwam ik nader. In plaats van een Kat, zag ik echter +vóór het haasje een rammelaar zitten, die het jonge dier met de beide voorpooten links en rechts zoo hevig om den kop sloeg, +dat het er reeds suf van geworden was. Het oude dier moest zijn boosaardigheid met het leven boeten.” + +</p> +<p>Bij geen ander in ’t wild levend dier heeft men zooveel misgeboorten opgemerkt, als bij de Hazen. Exemplaren, die twee koppen +of althans een dubbele tong hebben, of met buiten den bek uitstekende tanden voorzien zijn, komen niet zelden voor. + +</p> +<p>De jonge Hazen verlaten ongaarne de streek, waarin zij het eerste levenslicht aanschouwden. Zij verwijderen zich niet ver +van elkander, hoewel ieder zich een eigen leger graaft. Des avonds gaan zij gezamenlijk voedsel zoeken, des morgens gaan zij +gemeenschappelijk naar hun slaapplaats terug; zoo leven zij vroolijk voort, tot zij halfwassen zijn. Dan scheiden zij zich +van elkander. Na 15 maanden zijn zij volwassen, maar reeds in het eerste levensjaar, (op een leeftijd van vijf maanden) voor +de voortplanting geschikt. Zeven of acht jaren is waarschijnlijk de langste levensduur, die de Haas bij ons bereikt; er zijn +echter voorbeelden bekend van Hazen, die nog gedurende langeren tijd aan alle vervolgingen ontkwamen, en toch niet door ouderdomsverzwakking +het leven verloren. In het eerste vierde deel van deze eeuw was in mijn geboortestreek een rammelaar berucht onder de jagers; +mijn vader kende hem al sedert 8 jaren. Steeds was het den leepert gelukt alle gevaren te trotseeren; gedurende een zeer strengen +winter werd hij echter door mijn vader op den “aanstand” geschoten. Toen hij gewogen werd, bleek het, dat hij een gewicht +van 9 KG. had. + +</p> +<p>“Het leven van dit Knaagdier,” zegt <span class="smallcaps">Adolf Müller</span>, “is een nagenoeg onafgebroken aaneenschakeling van vervolging, nood en lijden; deze worden wel is waar op den voet <span id="d0e3119" class="corr" title="Bron: gevold">gevolgd</span> door het zusterenpaar waakzaamheid en voorzichtigheid, maar zijn vergezeld door een kind dat hare begeleidsters verreweg +over ’t hoofd gegroeid is, en minder medelijden dan spotlust wekt, n.l. door de algemeen bekende angstvalligheid van den Haas. +Verklaarbaar is dit, daar de legerscharen onze inheemsche roovers—Zoogdieren, zoowel als Vogels,—tal van spionnen, verspieders, +struikroovers en moordenaars op den vreedzamen en weerloozen planteneter afzenden, om het stille Eden van zijne velden en +bosschen in een schouwtooneel van verdrukking en dood te veranderen; bovendien jaagt een geheele trits van Jachthonden, van +den krompootigen, langzamen Dashond, tot den hoogpootigen, slanken, in snelheid met den storm wedijverenden Windhond, den +snelsten renner der velden en bosschen na, tot hij van uitputting bezwijkt. En zij, die aan de volharding en de vlugheid van +den Hond ontkomen,—ondanks het speurvermogen, de list en de moordzucht der Roofdieren, hun leven hebben kunnen behouden,—gespaard +blijven in weerwil van de soms levensgevaarlijke temperatuurswisselingen, stormen en onweders,—worden nog voortdurend bedreigd +door de middelen, die de mensch heeft uitgedacht om hen te dooden. De mensch, sluwer en wreeder dan eenig Roofdier, sluipt +bij nacht en ontijd in het woud, en legt in de pas van den Haas den strik van koperdraad, waarin <a id="d0e3122"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3122">349</a>]</span>het onschuldige dier met den kop geraakt, en waardoor het geworgd wordt. Dit doet evenwel alleen de strooper, niet de echte +jager.” + +</p> +<p>Van het “hazenstrikken” geeft Dr. <span class="smallcaps">G. A<span id="d0e3128" class="corr" title="Bron: ">.</span> Venema</span> de volgende beschrijving: “Bestraalt de maan met hare zachte lichtstralen de landstreek, dan verschuilt de Haas zich, als +hij van zijne nachtelijke wandelingen uitrust, op plaatsen, waar het oog van zijn vijand hem moeielijk ontdekt; bij donkere +maan waant hij zich meer veilig, en opene, onbeschutte plaatsen kiest hij voor zijn leger uit. Ook is de Haas bij maneschijn +voorzichtiger; hij loopt minder snel, en dikwijls ziet hij, opgericht op de achterste pooten, angstig den omtrek rond, of +hij iets ontdekt, dat voor hem gevaarlijk zou kunnen zijn. Bij duisteren hemel is zijn loop sneller, maar toch alleen, wanneer +het pad zoo open is, dat zijn oog zich boven de omringende planten of den grond verheft. Gaat het pad naar boven, dan richt +de Haas zich op het hoogste punt op, om het veld te verkennen; de helling op- en afwaarts springt hij door, maar bij iedere +plant of struik, bij iedere oneffenheid in het pad, bij ieder kluitje, dat hij vindt, blikt hij wantrouwend rond, alsof hij +een vijand waant te zien of te ontmoeten. Als de strooper hem dus in den koperen strik wil vangen, zet hij dezen bij duistere +maan over het pad, waar het effen en ten minste zoo hoog als de omliggende grond is. Loopt het pad over heuvels, hij wacht +zich, den strik op de hoogte te plaatsen, waar de Haas stil staat, of in de helling of den oploop, dien deze doorspringt. +Maar hij plaatst hem in de laagte, waar de Haas snel doorrent, echter alleen als geen struiken of andere planten dezen het +vrije uitzicht kunnen belemmeren, en wanneer zich geen kluiten of oneffenheden in het pad bevinden, waar de voorzichtigheid +hem zou voorschrijven, zijn loop te vertragen, en, nu en dan stil staande, zich te overtuigen, of zijn leven, dat hij zoo +lief heeft, met gevaar zou worden bedreigd. Ook daar, waar het pad bochtig is, beteugelt de Haas zijn snelheid, en een strik +zou hem daar niet vangen. Is het buiig, dan loopt de Haas niet veel, en altijd, door ieder geluid, dat de heen en weer bewegende +planten maken, beangst, is hij voorzichtig en behoedzaam; veelal houdt hij zich dan meer in het leger. Bij duistere maan, +als het niet waait en de sterren helder schijnen, loopt de Haas sneller, en de strooper rekent op een betere vangst<span id="d0e3132" class="corr" title="Bron: ">.</span> Is het veld met sneeuw bedekt, dan is hij nog zekerder, om bij duistere maan den Haas in den strik te vangen. De honger drijft +het dier tot meerdere en grootere reizen aan, want het voedsel is moeilijker te vinden. Jaagt de wind de sneeuw hier en daar +hoog op, dan kiest de Haas wel eens een leger, dat met sneeuw bedekt is. Hij graaft dan door de sneeuw heen, van den wal van +een sloot of laagte af een lange gang, aan het einde waarvan hij zich neervlijt. Bij zijn kop graaft hij de sneeuw tot een +paar palm dikte door, zoodat zijn ademhaling niet wordt belemmerd. Aldra komt door de warmte een zeer kleine, geel omkleurde +opening in de sneeuw, waardoor de frissche buitenlucht tot hem doordringt, en waardoor de warmere, uitgeademde lucht ontwijkt.” +“Veel sneeuw is voor de Hazen zeer te vreezen; daar zij, evenals alle andere dieren, betreden paden verkiezen boven ongebaande +velden, huppelen zij bij hunne nachtelijke wandelingen het eens betreden paadje velen malen door, om in den strik, dien de +sluwe strooper uitspant, of door het schot van een op hen wachtenden wilddief, hun leven jammerlijk te eindigen.” + +</p> +<p>Over de verschillende, al of niet jachtmatige wijzen van hazenvangst, zijn tal van boeken geschreven; het is mijn bedoeling +niet hierover nader uit te wijden. Naar mijn smaak verschaffen het “zoeken” en de “aanstand” den jager het meeste genoegen. +De hazenjacht met Windhonden, hoewel buitengewoon opwekkend, bederft het jachtveld. Drijf- en klopjachten, hoe genoegelijk +ook in niet te sterk bevolkte districten, waar veel Hazen zijn, ontaarden in een echte slachterij; het “zoeken” en de “aanstand” +daarentegen houden den jager voortdurend in spanning; hierbij speelt hij de waardigste rol. Bij het zoeken van den Haas is +hij in de gelegenheid, om zich een ervaren jager te toonen. Op den “aanstand” valt voor hem veel te leeren, omdat hij dan +allerlei dieren, de Hazen niet alleen, als ’t ware nog in hun kamerjapon ontmoet, en waarnemen kan, hoe zij handelen, als +zij nog volkomen rustig en zorgeloos zijn. Menig jager geeft aan den “aanstand” in ’t woud de voorkeur boven iedere andere +jachtwijze; trouw staat hem hierbij een liefelijke gezellin, de hoop, ter zijde. Tot den “aanstand” reken ik ook het “verlappen,” +een wijze van jagen, die niet algemeen bekend is, en waarvan ik daarom nog wel een beschrijving dien te geven: + +</p> +<p>Onze angstvallige vriend Lampe ziet, zooals reeds opgemerkt werd, in ieder hem onbekend voorwerp een reden om verschrikt te +zijn, en op deze eigenaardigheid berust het snoode plan, dat de arglistige mensch heeft uitgedacht, om hem te verschalken. +In het stille middernachtelijk uur, als de Haas zich uit het bosch naar het veld heeft begeven om lekker te smullen, sluipen +zij, die de deuren van den herberg, waar hij den dag doorbrengt, willen sluiten, in dezelfde richting voort. Drie of vier +mannen dragen groote pakken, die bij nader onderzoek rollen stevig bindgaren blijken te zijn, waaraan op bepaalde afstanden +twee vederen of desnoods witte lapjes verbonden zijn. Dit zijn de “lappen” gelijk de jager ze noemt. Men begint nu op een +zekeren afstand van den woudzoom deze verschrikkingsmiddelen te plaatsen. Met kleine tusschenruimten worden dunne paaltjes +in den grond gestoken volgens een kring, die de akkers omgeeft, en hieraan de “lappen” bevestigd, die ongeveer een halve meter +boven den grond moeten zweven. Zoodoende wordt den Haas de terugtocht naar het bosch versperd. Het jachtgezelschap begeeft +zich vroegtijdig op weg, daar het geruimen tijd voor het aanbreken van den dag ter bestemder plaatse moet zijn. Zoo stil mogelijk +bewandelt het den daarheen leidenden weg. De eigenaar van de jacht <span id="d0e3139" class="corr" title="Bron: plaats">plaatst</span> de eene jager hier, de andere daar op de beste uitwegen; het aantal jagers in zijn nabijheid wordt allengs kleiner. Eindelijk +is de omsingeling tot stand gekomen, iedere jager heeft de best mogelijke hinderlaag gekozen en wacht met gespannen aandacht +de gebeurtenissen af, die nu komen zullen. + +</p> +<p>Bij het eerste krieken van den dag maken de Hazen zich op, om van de akkers naar het bosch terug te keeren. Onbezorgd bewandelen +zij het hun welbekende pad. Deze en gene haalt zijn zeer gewone grappen uit. Alles in de omgeving is doodstil, hoogstens wordt +hier en daar geschreeuw van een kraai vernomen. In het oosten wordt de benedenste rand van het hemelgewelf door de opgaande +zon rood gekleurd. Nader en nader bij de gevaarlijke lijn komt Lampe: daar valt hem de reeks van witte voorwerpen in ’t oog! +Hij krijgt achterdocht, schrikt, steekt de ooren op en wendt eerst het eene, dan het andere naar verschillende zijden. Overal +blijft het stil. Nog een paar schreden gaat hij in dezelfde richting voort om <a id="d0e3144"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3144">350</a>]</span>het vreemdsoortige schouwspel van dichter bij gade te slaan; maar dit strekt slechts om zijn argwaan te doen toenemen. Een +zeer zorgvuldig onderzoek schijnt hier noodzakelijk. Eén voor één deinzen de vreesachtige dieren vol ontzetting af, “slaan +een haak” en keeren langs den zooeven gevolgden weg naar den akker terug, om op een andere plaats hun geluk te beproeven. +Daar ginder is het echter niet beter gesteld dan op de plaats, die zij zooeven verlieten. Misschien zijn zij hier minder voorzichtig +geweest en hebben zij zich te veel blootgegeven; want plotseling schiet een vuurstraal uit het woud en wordt de stilte van +den morgen afgebroken door het gedonder van een schot. Door alle bergen wordt het geluid weerkaatst en de echo der bosschen +draagt het al verder en verder. Thans komt er leven in de brouwerij. Hier en daar knalt een schot, langs de geheele lijn wordt +gevuurd. Ten einde raad rennen de Hazen als dol in den tooverkring rond. De eene Haas deinst hier, de andere daar af, maar +daar alle tot hun ongeluk zooveel mogelijk de van ouds bekende paden volgen, komen zij steeds weer opnieuw den jager onder +het schot. Zoo duurt het moorden voort, totdat het klaarlichten dag geworden is. Want zoodra de dag herleeft, zijn alle Hazen +verdwenen, voor zoover zij door den dood gespaard zijn. Zij hebben zich te midden van het veld “gedrukt” en wachten hier kalmere +tijden af, niet vermoedend, dat in de middaguren het “verlappen” door de drijfjacht gevolgd zal worden. Ook in het bosch begint +nu beweging te komen; elke schutter verlaat zijn post, om het door hem geschoten wild te halen. De meesten vinden veel minder +Hazen, dan zij meenden te zullen vinden. Het kost moeite om in de schemering het dier behoorlijk in de vizierlijn te krijgen +en in den regel wordt er veel vaker mis geschoten dan geraakt.— + +</p> +<p>Gevangen Hazen worden licht tam en nemen zonder bezwaar alle soorten van voedsel aan, dat men aan de Konijnen geeft; zij zijn +echter teer en aan groote sterfte onderhevig. Als men ze alleen hooi, brood, haver en water, maar nooit groen voer geeft, +blijven zij langer in leven. Jonge Hazen, die in ’t hok van de oude gebracht zijn, worden in den regel doodgebeten. Hetzelfde +lot ondergaan de meeste andere zwakke dieren; in mijn hazenperk vond ik eens een doode, half opgevreten Rat. Met Guineesche +Biggetjes leven de Hazen in vrede; met Konijnen en Sneeuwhazen paren zij, waardoor bastaardvormen ontstaan—de zoogenaamde +<span class="letterspaced">Haaskonijnen</span> of <span class="letterspaced">Leporiden</span>—, die zoowel bij paring onderling, als met dieren van de vaderlijke of moederlijke soort een vruchtbare nakomelingschap opleveren. +Verreweg de meeste van deze bastaarden hebben een Haas tot vader en een Konijn tot moeder. De jongen, welke ontstaan, wanneer +de wijfjes van dezen bastaardvorm met een Haas paren, zijn het voordeeligst. Van deze dieren heeft men reeds in vele opeenvolgende +geslachten de uitkomsten van de voortplanting nagegaan, en opgemerkt, dat hun vruchtbaarheid niet afnam. Het wijfje brengt +zesmaal per jaar telkens vijf à zes jongen ter wereld. Of zij, die zich met het fokken van deze dieren bezig houden, door +dit bedrijf voordeel behalen, moeten wij in ’t midden laten. Hij, die al het voer, dat deze dieren krijgen, koopen moet en +toch nog winst verwacht van de leporiden-teelt, zal waarschijnlijk bedrogen uitkomen; terwijl dit bedrijf daarentegen in inrichtingen, +waar een groote hoeveelheid voor voedsel geschikt afval, wordt verkregen, waarschijnlijk winst kan opleveren. “Het zou kunnen +zijn,” zegt <span class="smallcaps">Ritzema Bos</span>, “dat mettertijd de leporidenteelt van eenig belang werd. Het vleesch toch van het tamme Konijn, dat om den geringen prijs, +waarvoor het verkrijgbaar kan worden gesteld, voor min gegoede menschen een geschikt voedsel zou kunnen zijn, valt in ons +land niet algemeen in den smaak. De witte kleur en de eenigszins zoetachtige smaak van ’t vleesch schijnen daarvan de oorzaak +te zijn. Het vleesch van Leporiden nu schijnt veel van dat van Konijnen te verschillen, en meer tot dat van Hazen te naderen, +waarom het misschien meer kans zou kunnen hebben, eens onder de volksspijzen een plaats te erlangen. Het mist den eigenaardigen +zoetachtigen smaak van konijnenvleesch; bij sommige Leporiden is het wit van kleur; bij andere in rauwen toestand roodachtig, +gekookt donkergrijs.”—In sommige opzichten bestaat er verschil tusschen de Leporiden ouderling. Dikwijls vindt men in één +worp behalve jongen van den gewonen vorm ook zulke, die een eigenaardig zachte beharing vertoonen, afwijkend van de beharing +der beide ouders. Deze “langharige Leporiden,” hoewel verschillend in kleur, kwamen niet alleen overeen door de zachtheid +en lengte der afzonderlijke haren, maar bovenal ook door de kleur van den ondergrond der beharing, die bij alle wit was, terwijl +zij bij de gewone Leporiden een blauwgrijze tint vertoont. Bij gene kwam zij meer met die van Hazen, bij deze met die van +Konijnen overeen. Individuën van den eerstgenoemden vorm met elkander gepaard, brachten jongen voort, waarop steeds de eigenschappen +der vacht waren overgeërfd, terwijl, zooals reeds gezegd werd, door paring van gewone Leporiden, zoowel haaskleurige als konijnharige +jongen (de laatste echter het meest) ontstonden. “Ledematen en staart van de gewone Leporide zijn langer dan die van het Konijn, +korter dan die van den Haas. Het oog is niet donkerbruin, zooals dat van ’t Konijn, en evenmin bruingeel, zooals dat van den +Haas: het heeft een lichtbruine kleur, als die van afgevallen bladeren. De jongen openen sneller de oogen dan jonge Konijntjes, +terwijl zij ook eerder hun nest verlaten, en in ’t hok rondloopen.” Vooral de ooren en de achterpooten zijn meer haasachtig. + +</p> +<p>Jong gevangen Hazen geraken zoo aan den mensch gewoon, dat zij tot hem komen, als hij hen roept, uit zijn hand eten en ondanks +hun domheid kunstjes kunnen leeren verrichten. De oude Hazen daarentegen blijven altijd dom en geraken ternauwernood aan hun +verzorger gewend. De gevangene zijn vlug en vroolijk, maar blijven vreesachtig. + +</p> +<p>Over het nut en de schadelijkheid van den Haas heerschen verschillende meeningen, al naar deze zaak door den bril van den +econoom, of door dien van den jager wordt bekeken. Een onbevooroordeeld rechter zal de Haas echter, zonder voorbehoud, schadelijk +moeten noemen, daar het voedsel, dat hij noodig heeft, minstens tweemaal zooveel waarde vertegenwoordigt, als het dier zelf. +In de meeste streken van ons vaderland, waar het aantal Hazen betrekkelijk gering is, wordt dit verlies niet duidelijk merkbaar, +omdat de Haas zelden lang op één plaats blijft eten, maar gewoon is overal een weinig te snoepen; zoo wordt de door hem aangerichte +schade over een groot gebied verdeeld, hoewel zij er niet geringer om is. Bovendien is de Haas zeer kieschkeurig, zoolang +hem nog eenige keuze wordt gelaten: hij neemt alleen het middenscheutje van de kool-, koolraap- en koolzaadplanten, de stengelspits +van de granen, de knoppen en jonge loten van vruchtboomen, en ander houtgewas. <a id="d0e3161"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3161">351</a>]</span>Voor de houtteelt is hij in den winter, als een dikke sneeuwlaag de kruiden bedekt, niet alleen door het afbijten van de knoppen, +maar ook door het ontschorsen der boomen, nadeelig; het meest hebben de acacia’s en de gouden regens op deze wijze van hem +te lijden. Bij heide-ontginningen kan de Haas de oorzaak van groote teleurstelling zijn, daar hij van het te velde staand +gewas, dat dikwijls toch al schraal is, niet veel overlaat, als hij een bezoek aan de akkers brengt. Indirect is de Haas schadelijk, +doordat zij, die middelen beramen om het wild in stand te houden, verklaarde vijanden zijn van Roofdieren, die als ijverige +muizenverdelgers gespaard behoorden te blijven, zooals de Vossen, Bunzingen, Wezels, enz. + +</p> +<p>Maar, al beschouwt men de schadelijkheid van den Haas als een uitgemaakte zaak, dan vloeit hieruit nog niet voort, dat deze +diersoort uitgeroeid moet worden. Er wordt toch al genoeg gedaan voor de vermindering van het aantal harer leden; zij, die +door deze dieren schade lijden, beschikken over afdoende middelen om hunne vermeerdering te beperken; aan de voorstanders +van het onvoorwaardelijk uitroeien der Hazen zou men bovendien nog kunnen doen opmerken, dat ook de liefhebbers van het jachtvermaak +en van smakelijk wildbraad in deze kwestie een woordje in ’t midden hebben te brengen. + +</p> +<p>De Haas is ook nuttig door zijn vel. In Rusland worden zeer veel hazenvellen gebruikt, en in Bohemen, waar reeds van oudsher +veel werk gemaakt wordt van de fabricatie van vilten hoeden, zijn voor dezen tak van nijverheid ieder jaar omstreeks 40.000 +hazenvellen noodig. Van de onthaarde en gelooide huid worden schoenen gemaakt; de van haar bevrijde huid dient ook voor de +bereiding van perkament en van lijm. + +</p> +<p>Nog is het niet uitgemaakt, of de <span class="letterspaced">Sneeuwhaas</span> van de Alpen en die van het hooge Noorden, een en dezelfde soort vormen. Over ’t algemeen zijn beide trouwe kinderen van +hun vaderland. Hun kleed is zooveel mogelijk in overeenstemming met den bodem, hoewel het eigenaardige afwijkingen vertoont. +De Alpen-sneeuwhazen zijn in den winter zuiver wit, alleen aan de spits van de ooren zwart, in den zomer grijsbruin en wel +volkomen effen, niet gesprenkeld, zooals de Gewone Hazen. De in Ierland levende, veel met den Alpen-sneeuwhaas overeenkomende +Hazen, worden, naar men zegt, nooit wit; eenige geleerden beschouwen ze deswege als een afzonderlijke soort (<i>Lepus hibernicus</i>). + +</p> +<p>Daarentegen hebben de Hazen in ’t hooge Noorden van ’t Europeesche vasteland en in Groenland des zomers geen andere kleur +dan ’s winters; ook zij worden om deze reden door sommige dierkundigen als een afzonderlijke soort aangemerkt (<i>Lepus glacialis</i>). Onder de Skandinavische Hazen, die alle Sneeuwhazen zijn, komen beide gevallen voor: sommige worden bij ’t naderen van +den winter op de zwarte oorspitsen na, wit, andere veranderen niet van kleur. Volgens <span class="smallcaps">Blasius</span> moeten al deze Sneeuwhazen voor verscheidenheden van één soort (<i>Lepus variabilis</i>) gehouden worden. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1351.jpg" alt="Alpenhaas of Sneeuwhaas (Lepus timidus, L. variabilis). ⅕ v.d. ware grootte." width="720" height="552"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Alpenhaas</span> of <span class="letterspaced">Sneeuwhaas</span> (<i>Lepus timidus, L. variabilis</i>). ⅕ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Alpenhaas</span> of <span class="letterspaced">Sneeuwhaas</span> (<i>Lepus timidus, L. variabilis</i>) verschilt door lichaamsbouw en voorkomen duidelijk van den Gewonen Haas. “Hij is,” zegt <span class="smallcaps">Tschudi</span>, “opgewekter, levendiger, driester, heeft een korteren, ronderen, meer gewelfden kop, een korteren neus, kleinere ooren (die, +tegen den kop aangedrukt, niet tot aan de spits van den snuit reiken), breedere wangen; de achterpooten zijn langer, de zolen +sterker behaard, de teenen zijn dieper vaneengescheiden, kunnen verder uitgestrekt worden, en zijn met lange, spitse, kromme, +gemakkelijk terugtrekbare nagels gewapend. De oogen zijn niet, zooals die van de witte Konijnen, witte Eekhoorns, witte Muizen +enz., rood van kleur, maar donkerder bruin dan die van den Gewonen Haas. + +</p> +<p>“Wanneer in December de Alpen onder de sneeuw begraven liggen, is deze Haas zoo zuiver wit als de sneeuw; alleen de spitsen +van de ooren blijven zwart. De lentezon brengt, te beginnen in Maart, een zeer merkwaardige <span id="d0e3214" class="corr" title="Bron: kleursverandering">kleurverandering</span> teweeg. Het eerst <a id="d0e3217"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3217">352</a>]</span>wordt de rug grijs; de grijze haren vertoonen zich ook aan de zijden in steeds toenemend aantal tusschen de witte. In April +heeft het dier een zonderling, onregelmatig gevlekt of gesprenkeld voorkomen. Van dag tot dag breidt de donkerbruine kleur +zich verder uit; eerst in Mei eindelijk komt de verandering tot stilstand; de Alpenhaas is dan geheel eenkleurig geworden +en heeft geen gesprenkelde vacht zooals de Gewone Haas, die bovendien een grover haarkleed heeft. In den herfst begint hij +reeds met het vallen van de eerste sneeuw enkele witte haren te krijgen; daar echter in de Alpen de strijd tusschen den winter +en den herfst spoediger beslecht wordt dan die tusschen de lente en den winter, heeft de kleurverandering in ’t najaar schielijker +plaats dan die in ’t voorjaar: zij duurt van ’t begin van October tot in ’t midden van November. Als de Gems zwart wordt, +krijgt haar buurman, de Alpenhaas, een witte vacht. Men kan er zeker van zijn, in de hoog gelegen gewesten van alle Alpenkantons +de Sneeuwhaas te ontmoeten; in den regel is hij hier even talrijk als de Gewone Haas in lagere streken. Het liefst houdt hij +zich op tusschen de grens der dennen en de eeuwigdurende sneeuw, ongeveer op gelijke hoogte met het Sneeuwhoen en de Marmot, +tusschen 1600 en 2600 M. boven den zeespiegel; zijne zwerftochten strekken zich echter dikwijls nog veel hooger uit. + +</p> +<p>“Zijn leger bevindt zich tusschen steenen, in een grot of tusschen de neerliggende dennen (<i>Pinus mughus</i>) en dwerg-pijnboomen (<i>Pinus pumilio</i>). Des morgens vroeg of dikwijls reeds in den nacht verlaat hij dit leger en graast dan op de met gras begroeide plekjes grond, +die over dag aan ’t zonlicht blootgesteld zijn. Zijn liefste voedsel bestaat uit de talrijke, hier groeiende soorten van klaver, +uit ganzebloemen (<i>Chrysanthemum parthenium</i>), duizendblad (<i>Achillea millefolium</i>) en violen; ook knaagt hij de dwerg-wilgen <span id="d0e3233" class="corr" title="Bron: en en">en</span> de schors van het peperboompje (<i>Daphne muzereum</i>) af. De monnikskap (<i>Aconitum</i>) en de ooievaarsbekken (<i>Geranium</i>), die ook voor hem vergiftig schijnen te zijn, laat hij zelfs in winters, waarin groot gebrek aan voedsel heerscht, onaangeroerd. +Des avonds gaat hij opnieuw voedsel zoeken, en maakt dan ook wel een wandeling langs de rotsen en door de wilgen, waarbij +hij zich dikwijls op de achterpooten opricht<span id="d0e3245" class="corr" title="Bron: ">.</span> Vervolgens keert hij naar zijn leger terug. Des nachts staat hij bloot aan de vervolgingen van den Vos, den Bunsing en de +Marters. De Ooruil, die hem gemakkelijk zou kunnen overmeesteren, komt nooit op deze hoogten. Menige Sneeuwhaas valt echter +ten buit aan andere groote Roofvogels der Alpen. Onlangs ving een Steenarend in de Appenzeller bergen, die op <span id="d0e3248" class="corr" title="Bron: een den">eenden</span> had zitten loeren, een vluchtenden Alpenhaas voor de oogen van de jagers weg en voerde hem door de lucht mede. + +</p> +<p>“In den winter is het voedsel van den Alpenhaas dikwijls schaarsch. Als de sneeuw hem verrast, voordat hij zijn dikker winterkleed +aangetrokken heeft, gaat hij dikwijls verscheidene dagen achtereen niet van onder de steenen of struiken weg; hij heeft dan +veel te lijden van honger en koude. Ook blijft hij in ’t veld liggen, wanneer een hevige sneeuwbui hem overvalt. Hij laat +zich dan geheel onder de sneeuw begraven, dikwijls wel 60 cM. diep en komt eerst te voorschijn, als de vorst de sneeuw zoo +hard heeft gemaakt, dat zij hem draagt. Tot zoolang graaft hij zich daaronder een vrije ruimte en beknabbelt de bladen en +de wortels van de Alpenplanten. Als het winter geworden is, zoekt hij in de ijle Alpenbosschen naar gras en boomschors. Zoodra +de wind de dieper gelegen plaatsen, die met sneeuw gevuld zijn, weer blootgelegd heeft, keert de Haas naar de hooge Alpen +terug. + +</p> +<p>“De moerhaas brengt bij elken worp 2 à 5 jongen ter wereld, die niet grooter zijn dan Muizen en een witte vlek aan ’t voorhoofd +hebben. De eerste worp heeft gewoonlijk plaats in April of Mei, de tweede in Juli of Augustus; of deze nog door een derden +worp gevolgd wordt, en of er een aan de reeds genoemde voorafgaat, wordt dikwijls betwijfeld. Het is bijna onmogelijk het +familieleven van de Alpenhazen te bespieden, daar deze dieren een zeer fijnen neus hebben en de jongen zich buitengewoon goed +in alle spleten en gaten van gesteente weten te verbergen. + +</p> +<p>“De jacht op den Alpenhaas heeft hare lasten en hare lusten. Daar zij eerst kan plaats hebben, als de sneeuw de Alpenketen +bedekt, levert zij niet weinig bezwaren op; hier staat echter tegenover, dat het niet moeielijk is de verblijfplaats van het +wild te ontdekken; daar het versche spoor in de sneeuw duidelijk aantoont, waar het zich bevindt. Als men de gangen gevonden +heeft, die de Alpenhaas dikwijls in de sneeuw graaft om te grazen, en daarna het hiervan uitgaande spoor volgt, ontwaart men +vele zigzagsgewijze wendingen naar rechts en links, die het dier gewoon is te maken, daar het zich na geëindigden maaltijd +nooit regelrecht naar zijn leger begeeft. Van hier gaat een spoor uit, dat over een tamelijk grooten afstand geen afwijkingen +vertoont. Het kromt zich, wordt daarna gevolgd door eenige afwijkingen heen en terug (in den regel minder dan bij den Gewonen +Haas) en ten slotte door een ring- of lusvormig spoor, dat in de nabijheid van een steen, struik of wal eindigt. Hier moet +de haas liggen. Bij goed weder ziet men hem boven op de sneeuw lang uitgestrekt, dikwijls met open oogen slapend; intusschen +kleppert hij een weinig met de kaken, zoodat zijn ooren bestendig in trillende beweging zijn. Als het weder echter guur is +door den ijskouden wind, die zoo dikwijls op deze hoogten heerscht, ligt de Haas meer verborgen, soms beschut door een steen, +soms op den bodem van een in de sneeuw gegraven kuil. Hier kan de jager hem gemakkelijk schieten. Als hij hem niet treft, +vlucht de Haas met stormachtige haast en maakt geweldige sprongen; hij gaat echter niet zeer ver, en is gemakkelijk weder +onder schot te krijgen. Het kraken van de sneeuw en het knallen van ’t geweer, boezemen hem geen schrik in; hij is aan dergelijke +geluiden in het gebergte gewoon. Ook de Hazen in den omtrek worden er niet door op de vlucht gedreven; dikwijls brengt een +jager er drie of vier stuks thuis, die alle in het leger geschoten werden. In één leger zal men er echter nooit twee bijeen +vinden, zelfs niet in den paartijd. De beweging van den Alpenhaas heeft iets eigenaardigs: zij bestaat uit groote sprongen. +Het spoor is kenbaar aan den betrekkelijk zeer breeden afdruk van den voet. Evenals bij de Gems is de bouw van den voet bij +den Alpenhaas voortreffelijk ingericht voor het verblijf in het rijk der sneeuw. De zool is breeder, de voeten zijn dikker +dan die van den Gewonen Haas. Bij het loopen spreidt hij de teenen ver uit, zoodat zij als sneeuwschoenen het wegzinken in +de sneeuw verhoeden; op het ijs bewijzen de klauwen, die uitgestoken kunnen worden, uitstekende diensten. Als de Alpenhaas +met Honden gejaagd wordt, blijft hij veel langer voor den staanden Hond liggen als zijn neef in ’t laagland; wanneer hij vervolgd +wordt, sluipt hij slechts zelden in de enge pijpen van de woningen der Marmotten, nooit echter in Vossenholen. +<a id="d0e3257"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3257">353</a>]</span></p> +<p>“Opmerkelijk is het, dat de Alpenhaas gemakkelijker getemd kan worden dan de Gewone Haas, en zich rustiger en vertrouwelijker +gedraagt; hij blijft echter zelden lang in ’t leven, en wordt zelfs bij de rijkelijkste voeding niet vet. De Alpenlucht mist +hij maar al te zeer in ’t dal. In den winter neemt zijn vacht ook hier een witte kleur aan. Het vel van dit dier wordt niet +hoog geschat, zijn vleesch is echter zeer smakelijk.” +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>Van de eigenlijke Hazen onderscheidt het <span class="letterspaced">Konijn</span> (<i>Lepus cuniculus</i>) zich door zijn veel geringere grootte, slankeren lichaamsbouw, korteren kop, kortere ooren en kortere achterpooten. De lengte +van dit dier is 40 cM., met inbegrip van den 7 cM. langen staart; het gewicht van een ouden rammelaar kan 2 à 3 KG. bedragen. +Het oor is korter dan de kop, en steekt, als het tegen den kop aangedrukt wordt, niet voor den snuit uit. De staart is tweekleurig +(van boven zwart, van onderen wit) met roeskleurige spits. Het grootendeels zwartachtig blauwgrijze wolhaar heeft aan de bovenzijde +geelachtig bruine of roodachtig gele, aan de onderzijde en op de pooten witte spitsen. De hals is aan de onderzijde roestgeelachtig +grijs, aan de bovenzijde effen roestrood; de buikzijde van den romp, de keel, en de binnenzijde van de pooten zijn wit. De +spitsen der zwartachtig blauwgrijze bovenharen van de rugzijde van den romp zijn zwart, en treden bij sommige exemplaren zoozeer +op den voorgrond, dat de kleur van de bovendeelen bij hen zeer donker en soms zelfs zwart is. In den regel is de romp van +boven geelbruinachtig grijs, aan de zijden en op de schenkels lichter, de kop roodgeelachtig grijs, aan de zijden lichter. +<span id="d0e3270" class="corr" title="Bron: Kleursverscheidenheden">Kleurverscheidenheden</span> komen bij het wilde Konijn veel zeldzamer voor dan bij den Haas; de tamme Konijnen echter wijken in kleur en andere eigenschappen +zeer uiteen. + +</p> +<p>Bijna alle natuuronderzoekers nemen aan, dat het oorspronkelijk vaderland van het Konijn Zuid-Europa was en dat het van hier +naar de landen benoorden de Alpen is overgebracht. <span class="smallcaps">Plinius</span> vermeldt het onder den naam <i>Cuniculus</i>, <span class="smallcaps">Aristoteles</span> noemde het <i>Dasypus</i>. Alle oude schrijvers beweren, dat het uit Spanje afkomstig is. Volgens <span class="smallcaps">Strabo</span> zou het van de Balearen naar Italië gekomen zijn; <span class="smallcaps">Plinius</span> verhaalt, dat het zich in Spanje soms ontzaglijk sterk vermenigvuldigt, en op de Balearen door vernieling van den oogst hongersnood +teweegbracht. De bewoners van deze eilanden wendden zich tot Keizer <span class="smallcaps">Augustus</span> om hulp. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1353.jpg" alt="Konijn (Lepus cuniculus). ⅙ v.d. ware grootte." width="720" height="662"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Konijn</span> (<i>Lepus cuniculus</i>). ⅙ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Tegenwoordig is het Konijn over geheel Zuid- en Midden-Europa verbreid, en in sommige gewesten zeer algemeen. In ons land +is het Konijn in alle duinstreken langs de kust buitengewoon menigvuldig. In de lage landen en op kleigronden wordt het niet +waargenomen, daarentegen komt het zeer algemeen voor op den diluvialen bodem van onze grens-provinciën, vooral in Gelderland, +Drente en Overijsel. O.a. omdat dit dier de duinen en dijken ondermijnt, tracht men zijn vermenigvuldiging zooveel mogelijk +tegen te gaan; op enkele plaatsen heeft men het kunnen uitroeien, zooals op het eilandje Rottum sedert 1840.—Het talrijkst +is het Konijn nog steeds in de landen, die om de Middellandsche zee gelegen zijn, hoewel men het ook daar nooit spaart, en +in ieder jaargetijde vervolgt. Vele eeuwen geleden werd het ter wille van het jachtvermaak in verscheidene gewesten van Engeland +ingevoerd, en aanvankelijk op hoogen prijs gesteld; nog in het jaar 1309 kostte een wild Konijn daar evenveel als een speenvarken. +In noordelijke landen kan het niet in ’t wild leven; te vergeefs heeft men indertijd pogingen aangewend <a id="d0e3307"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3307">354</a>]</span>om het in Rusland en Zweden te acclimatiseeren. + +</p> +<p>Het Konijn verlangt heuvelachtige en zandige gewesten met ravijnen, rotsblokken of laag struikgewas, kortom oorden waar het +zich goed en gemakkelijk verbergen en verschuilen kan. Bij voorkeur gezellig, tot volksplantingen vereenigd, graaft het op +hiervoor geschikte, liefst zonnige plaatsen tamelijk eenvoudige holen. Ieder hol bestaat uit een tamelijk diepgelegen kamer +en haaksgewijs gebogen pijpen, die ieder verscheidene uitgangen hebben. Deze openingen worden door het veelvuldig gebruik +meestal tamelijk wijd; de eigenlijke pijp is echter zoo eng, dat de bewoner er juist doorkruipen kan. Ieder paar heeft zijn +eigen woning en duldt hierin geen ander dier; de gangen van naburige woningen staan echter dikwijls met elkander in gemeenschap. +In zijne holen leeft het Konijn bijna den geheelen dag verborgen, tenzij het struikgewas om zijn woning zoo dicht is, dat +het bijna ongezien voedsel kan zoeken. Zoodra de avond aanbreekt, gaat het fourageeren; het doet dit met groote voorzichtigheid +en bespiedt gedurende geruimen tijd den omtrek, voordat het zijn hol verlaat. Zoodra het gevaar bemerkt, waarschuwt het zijne +soortgenooten door sterk met de achterpooten tegen den grond te kloppen; allen snellen op dit signaal zoo schielijk mogelijk +naar hunne holen terug. + +</p> +<p>De bewegingswijze van het Konijn verschilt aanmerkelijk van die van den Haas. In het eerste oogenblik overtreft het dezen +in snelheid, op den duur niet; altijd echter toont het meer behendigheid. In het “haken slaan” is het meesterlijk ervaren; +om het te vangen zijn een uitmuntend gedresseerde Windhond en een goed schutter noodig. Veel listiger en sluwer dan de Haas, +laat het zich hoogst zelden op de weide verrassen en weet het in tijd van nood bijna altijd nog een schuilhoek te vinden. +Als het rechtuit liep, zou het door iederen middelmatig goeden Hond reeds na verloop van korten tijd gevangen worden; het +zoekt echter in allerlei struikgewas, in rotsspleten en holen zijn toevlucht en ontkomt hierdoor meestal aan de vervolgingen +zijner vijanden. Zijn vermogen om te kijken, te luisteren en te speuren is even uitmuntend als dat van den Haas, misschien +nog wel beter. Het Konijn is gezellig en vreedzaam; de voedster verzorgt hare kinderen met warme liefde, de jongen bewijzen +hunne ouders veel eerbied en vooral de stamvader van het geheele gezelschap wordt hoog geacht. “Evenals de moerhaas,” schrijft +<span class="smallcaps">Dietrich aus dem Winckell</span> “draagt ook het Konijn 30 dagen. Tot in October werpt het om de 5 weken 4 à 12 jongen in een afzonderlijke kamer, die het +vooraf met het wolhaar van zijn buik warm bekleed heeft. Eenige dagen blijven de kleinen blind; tot aan den volgenden worp +van hun moeder blijven zij bij haar in het warme nest en zuigen. De voedster bewijst veel liefde aan haar kroost en verlaat +haar gezin slechts zoo lang als zij noodig heeft, om zich te voeden. Zelfs aan den vader veroorlooft zij geen bezoek aan de +jongen, waarschijnlijk omdat zij wel weet, dat hij ze in een aanval van razernij of uit overdreven liefde zou kunnen dooden. +Dat hij dit niet uit boosaardigheid doet, blijkt uit de wijze waarop hij zijne kinderen ontvangt, als hij ze voor de eerste +maal ziet: hij geeft hun dan onmiskenbare bewijzen van genegenheid, neemt ze tusschen de pooten, likt ze, en helpt de moeder, +wanneer deze bezig is de kleinen voedsel te leeren zoeken.” + +</p> +<p>In warme landen zijn de jongen reeds in de vijfde, in koude in de achtste maand voor de voortplanting geschikt; eerst in de +twaalfde maand bereiken zij hun vollen wasdom. Als men aanneemt, dat ieder wijfje zevenmaal per jaar jongen werpt en bij iederen +worp, acht jongen ter wereld brengt, zou haar nakomelingschap binnen vier jaar uit niet minder dan 1,274,840 <span id="d0e3318" class="corr" title="Bron: individuen">individuën</span> bestaan. + +</p> +<p>Het voedsel van het Konijn is hetzelfde als dat van den Haas. De schade, die het Konijn veroorzaakt, is echter veel duidelijker +merkbaar, niet alleen omdat het zich bij ’t fourageeren tot een kleinere ruimte bepaalt, maar ook omdat het zooveel van boomschors +houdt, en, om dezen trek te bevredigen, dikwijls geheele boomaanplantingen vernielt. Men kan zich moeielijk voorstellen, hoe +groot de verwoesting is, die een kolonie van deze dieren kan aanrichten, wanneer men hunne vermenigvuldiging niet met kracht +tegengaat. “De ontzaglijke schade door dit Knaagdier aan bosch en veld toegebracht,” zeggen de Gebroeders <span class="smallcaps">Müller</span>, “berust eensdeels hierop, dat het plaatselijk in zoo grooten getale optreedt, ten anderen op zijn werkzaamheid als bewoner +van onderaardsche gangen. Het voedsel, dat dit dier gebruikt, is van een klein plekje gronds afkomstig, daar het zich nooit +ver van zijn hol verwijdert; hierdoor is de veroorzaakte schade veel duidelijker merkbaar, dan die, welke ten laste van den +Haas komt. Voor den akker geldt dit, maar in nog hoogere mate voor het bosch, zooals ieder, die met houtteelt te maken heeft, +kan getuigen. Alle jonge heesters en boomen, van den vlierstruik tot de edelste houtsoorten, zijn blootgesteld aan de vernielende +werking van de zelden rustende knaagtanden, die het vooral op de schors gemunt hebben. Wat de Eekhoorn is in den boom, is +het Konijn in den grond, die door de koloniën dezer dieren in alle richtingen doorwoeld en ondermijnd wordt; reeds hierdoor +veroorzaakt het groote schade in de bosschen, vooral in die van naaldboomen, welke op zeer lossen bodem staan.” Bovendien +verdrijven de Konijnen door hun voortdurende onrust het overige wild; zelden ziet men Hazen daar waar Konijnen voor goed hebben +post gevat. Waar deze dieren zich veilig achten, worden ze ongeloofelijk brutaal. In het Weener Prater hielden zij zich vroeger +bij duizenden op, liepen er zelfs over dag onbeschroomd rond en lieten zich zoomin door geschreeuw als door het werpen met +steenen bij het afknagen van de planten storen. Overal wordt het geheele jaar door op de Konijnen jacht gemaakt; toch zijn +zij zonder de hulp van het Fret niet uit te roeien: alleen wanneer het aantal Bunzingen<span id="d0e3326" class="corr" title="Bron: ">,</span> Hermelijnen en Steenmarters sterk toeneemt in een streek of wanneer daar Ooruilen en andere Uilen voorkomen, kan men er eenige +vermindering van het aantal Konijnen waarnemen. Door de Marterachtige Roofdieren worden zij vervolgd tot in hunne holen en +hier bijna altijd buit gemaakt; de Ooruilen vangen hen ’s nachts van de weide weg. In gewesten die voor de Konijnen zeer gunstig +gelegen zijn, worden zij soms een plaag voor het land, en veroorzaken ontzaglijke schade. In Nieuw-Zeeland zoowel als op het +vasteland van Australië hebben zij zich zoo kolossaal vermenigvuldigd, dat zij op vele plaatsen de weidegronden van het vee +totaal kaal vreten; men heeft ze hier tot dusver zonder succes ijverig vervolgd. Hoe groot het bedrag der door hen aangerichte +schade is, kan men afleiden uit het feit, dat de regeering van Nieuw-Zuid-Wales in de jaren 1880–1889 ongeveer 9 millioen +gulden heeft ten koste gelegd aan het bestrijden dezer Knaagdieren en ten slotte een belooning van 300.000 gulden heeft toegezegd +aan hem, die een doeltreffend middel tegen deze landplaag wist aan te geven. Alle bekende middelen tot het uitroeien der Konijnen,—vergif, +strikken, <a id="d0e3329"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3329">355</a>]</span>Fretten, omrastering met staaldraad enz.—zijn reeds toegepast en bleken onvoldoende, om de alle perken te buiten gaande vernieling +van veevoeder te doen ophouden. Toen <span class="smallcaps">Pasteur</span> had ontdekt, dat door het besmetten van het voedsel der Konijnen met de bacterie van de hoenderen-cholera deze dieren de +genoemde besmettelijke ziekte krijgen, meende men hierin een middel gevonden te hebben om ze snel en volkomen uit te roeien; +deze proefneming werd in Australië in het groot nagevolgd, maar heeft tot geen bevredigende uitkomsten geleid.—Op vele andere, +tot verschillende aardgordels behoorende eilanden—zooals Porto Santo bij Madera, Jamaika en de Falklandseilanden,—zijn door +het verwilderen van tamme Konijnen, nieuwe, van den stamvorm aanmerkelijk afwijkende rassen ontstaan. + +</p> +<p>Na hun dood geven de Konijnen slechts een onbeduidende schadeloosstelling voor de schade, die zij gedurende hun leven veroorzaakten. +Hun vleesch wordt, ofschoon het malsch, wit en goed van smaak is, niet voor een lekkernij gehouden; zelfs wordt het in sommige +streken—b.v. in Saksen, waar het volksbijgeloof in het Konijn overeenkomst met de Kat ziet—door velen met dezelfde walging +beschouwd, als in vele streken van Schotland de Paling wegens zijn vermeende uitwendige overeenkomst met een Slang. + +</p> +<p>Het tamme Konijn, dat zich reeds sinds overoude tijden als huisdier heeft voortgeplant, stamt ongetwijfeld van het wilde af. +Het wilde Konijn kan in korten tijd getemd worden; het tamme verwildert binnen weinige maanden geheel en al; de jongen die +het dan werpt, hebben de kleur van het wilde. In mijn jeugd hield ik dikwijls een vrij groot aantal Konijnen; hieronder waren +er eenige, die nu en dan op het erf en in den tuin rondliepen; deze wierpen steeds grijze jongen, hoewel de moeder wit en +de vader gevlekt was. + +</p> +<p>De Konijnen-fokkerij kan op tweeërlei wijze plaats hebben: Men kan deze dieren op een met muren of traliewerk omgeven, heuvelachtig +terrein aan zichzelf overlaten en hier, voor zoover dit noodig is, met voedsel voorzien, òf ze in hokken verzorgen. De laatstgenoemde +handelwijze is de doelmatigste. Het konijnenhok moet een steenen of planken vloer hebben en voorzien zijn van kunstmatige +schuilplaatsen: lange kisten met verscheidene gaten, òf kunstmatige holen in den muur. Men moet de Konijnen veel stroo en +droog mos geven, ze tegen de winterkoude beschutten en met hooi, gras, bladen, kool enz. voederen. Gemakkelijk kan men ze +er aan gewennen, het voedsel, dat men hun voorhoudt, uit de hand te nemen; volkomen tam worden zij echter zelden, en, als +men ze opneemt, trachten zij gewoonlijk te krabben en te bijten. Bovendien zijn zij minder verdraagzaam dan de wilde Konijnen. +Die, welke gezamenlijk opgegroeid zijn, leven met elkander in goede overeenstemming; vreemde Konijnen worden echter door de +oudere bewoners van het hok dikwijls erg mishandeld en soms zelfs doodgebeten. In den paartijd hebben tusschen de rammelaars +hevige gevechten plaats, waarbij sommige niet onbelangrijke wonden opdoen. Het wijfje bouwt in haar woning een nest van stroo +en mos en bekleedt dit zeer fraai met hare buikharen. Gewoonlijk werpt het vijf à zeven, dikwijls meer jongen. <span class="smallcaps">Lenz</span> heeft aanteekening gehouden van het aantal jongen door één wijfje in één jaar geworpen: den 9en Januari zes, den 25en Maart +negen, den 30en April vijf, den 29en Mei vier, den 29en Juni zeven, den 1en Augustus zes, den 1en September zes, den 7en October +negen en den 8en December zes jongen, in één jaar dus acht en vijftig jongen. “In hetzelfde jaar,” zegt hij, <span id="d0e3343" class="corr" title="Bron: ">“</span>deed ik twee jonge, uit één nest afkomstige wijfjes en twee mannetjes uit een ander nest, die twee dagen later geboren waren, +met elkander in een afzonderlijk hok. Beide wijfjes brachten toen zij zes maanden oud geworden waren, het eene zes, het andere +vier jongen ter wereld.—Het wijfje zoogt hare kinderen in den regel niet over dag, zelfs, wanneer zij nog zeer klein zijn, +maar sluit ’s morgens, als dit mogelijk is, den ingang van het nest af; dikwijls kijkt zij over dag niet meer naar hen om, +maar doet, alsof zij van niets af weet. Toch let zij wel degelijk op het nest.”—Voor hunne natuurlijke vijanden hebben ook +de tamme Konijnen een buitengewone vrees. <span class="smallcaps">Lenz</span> deed eens vijf tamme Konijnen gezamenlijk in een hok, waarin kort te voren een Vos gezeten had. Zoodra hij ze losliet, waren +zij als razend en liepen met den kop tegen den wand. Eerst langzamerhand geraakten zij aan dit hok gewend.—Van denzelfden +natuuronderzoeker, is het volgende aardige bericht afkomstig: “In Januari kreeg mijn Spitshondje één jong en daar dit niet +al de melk kon uitzuigen, ging ik in den stal, haalde van daar een jong tam Konijn uit het nest en legde het onder de teef, +die in mijn woonkamer lag; deze liet zonder bezwaar toe, dat het vreemde kind aan haar melk zich laafde. Op den derden dag +bracht ik het Hondje met zijn zoontje en zijn pleegkind in den stal. Het bleef daar twee dagen lang, zonder van het nest af +te gaan en zonder de daar huizende Konijnen en Geiten te storen. Op den derden dag riep mijn zuster het naar buiten om frissche +lucht te scheppen. Terwijl het buiten is, sluipt het oude Konijn in het hondenest, neemt zijn jong er uit en brengt het bij +zijne overige jongen terug. Ik riep nu dadelijk den Hond er bij, om te zien of deze het Konijn zou terug verlangen. Hij scheen +echter geen erg te hebben in de verdwijning van zijn pleegkind.”—Ik heb dikwijls jonge Konijnen onder onze voortreffelijke, +reeds meermalen vermelde Kat neergelegd en gezien, dat zij deze rustig met hare katjes liet zuigen. + +</p> +<p>Bij goede voeding worden de Konijnen soms zeer driest; zij krabben en bijten dan ieder die hen vangen wil; bovendien mishandelen +zij zonder eenige aanleiding andere dieren, vooral wanneer deze hun nijd gaande maken. Een zwager van <span class="smallcaps">Lenz</span> had een oud mannelijk Konijn bij zijne lammeren. “Toen de voedering met esparsette begon, smaakte deze kost den ouden heer +zoo goed, dat hij graag den geheelen voorraad voor zich zelf in beslag genomen zou hebben. Hij ging er dus bij zitten, knorde, +beet naar de lammeren, sprong zelfs een van hen op den hals en liet het duchtig zijne tanden voelen. De te hulp gesnelde lieden +wierpen hem er af, maar hij beet de lammeren telkens weer, totdat hij van hen verwijderd werd. Een andere rammelaar beet een +jonge Geit in den poot, zoodat zij bloedde, sprong de oude Geit op den nek en beet haar in de ooren. Hij moest weggedaan worden.” +Zeer oude rammelaars bijten soms ook hunne jongen of de voedster of brengen teweeg, dat deze hare jongen slecht behandelt. +Als een moerkonijn de jongen niet goed zoogt, of ze dood bijten wil, is er slechts één middel om de jongen te redden, n.l. +het afzonderlijk houden van den ram. + +</p> +<p>Het gewone tamme Konijn onderscheidt zich van het wilde door forscheren lichaamsbouw en andere kleuren (grijs, haaskleurig, +rood, geelbruin, licht leikleurig, zwart, wit gevlekt op al de genoemde kleuren, <a id="d0e3356"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3356">356</a>]</span>wit). Effen zwarte Konijnen zijn zeer zeldzaam; de geheel witte (albino’s) hebben roode oogen. De meest in ’t oogloopende +kleurverscheidenheden zijn: + +</p> +<p>Het <span class="letterspaced">Zilvergrijze</span> of <span class="letterspaced">Chinchilla-Konijn</span>, zoo groot als het gewone tamme Konijn en even geschikt voor de vleeschvorming als dit; zijn vel wordt echter door de bontwerkers +hooger geschat en veel gebruikt. Het wolhaar is leikleurig, het bovenhaar deels zwart, deels wit; als de witte bovenharen +de overhand hebben, is de vacht zilvergrijs, in ’t tegenovergestelde geval glanzig donkerblauwgrijs; allerlei overgangen tusschen +deze beide uitersten komen voor. Bij alle heeft echter het geheele vel van den neus tot den staart, dezelfde gelijkmatige +tint. De jongen zijn aanvankelijk zwart; als zij 3 maanden oud zijn, begint de kleurverandering, die afgeloopen is, als het +dier den leeftijd van 6 à 7 maanden bereikt heeft. Naar men zegt, is dit ras uit Siam afkomstig. Het wordt in Champagne veelvuldig +gefokt. + +</p> +<p>Het <span class="letterspaced">Chineesche</span> of <span class="letterspaced">Russische Konijn</span> (ook wel <span class="letterspaced">Himalaja-Konijn</span> genoemd) is wit met roode oogen, maar heeft een zwarten neus, zwarte ooren, zwarte voeten en een zwart staartje (niet zelden +is het zwart door bruinzwart vervangen). Bij de jonge dieren komt de zwarte kleur nog niet voor; zij komt allengs; eerst op +den leeftijd van 3 maanden is zij volkomen ontwikkeld. Vooral om de vacht is dit ras van belang; wegens zijn vruchtbaarheid +is het, ondanks zijn kleinheid voor de vleeschproductie bruikbaar. + +</p> +<p>Het <span class="letterspaced">Hollandsche Konijn</span> (<span class="letterspaced">Nicard</span>), dat verschillende kleuren kan hebben, is wegens zijn geringe grootte merkwaardig; sommige exemplaren wegen weinig meer +dan ½ KG. (terwijl een volwassen wild Konijn gemiddeld ongeveer 1.5 KG. zwaar is). De Konijnen van dit ras zijn uitmuntende +voedsters voor andere, zwakkere soorten. + +</p> +<p>Het <span class="letterspaced">Japaneesche Konijn</span> heeft een lichte grondkleur, die met vrij regelmatige, betrekkelijk kleine vlekken geteekend is. + +</p> +<p>Tot de rassen, die zich door buitengewone grootte of hangende ooren (lapooren) onderscheiden, behooren o.a. de volgende: + +</p> +<p>Het <span class="letterspaced">Reuzenkonijn</span> (<span class="letterspaced">Lapin géant</span>), het grootste ras van het tamme Konijn, bereikt een gemiddeld gewicht van 6 K.G. De bovendeelen zijn grijs of grijsgeel, +de kleur van de onderdeelen varieert van lichtgrijs tot wit; de rechtopstaande ooren hebben zwarte randen; onder den hals +bevinden zich beweeglijke, dwarse huidplooien of kwabben, die zoover naar voren getrokken kunnen worden, dat zij bijna tot +aan de spits van den snuit reiken; de beenderen zijn in verhouding tot het vleesch steviger en zwaarder dan bij het gewone +tamme Konijn. Dit dier werpt zelden 6, bij uitzondering 8, in den regel minder jongen. + +</p> +<p>Het Belgische of Vlaamsche Reuzenkonijn is haaskleurig en grooter dan het Rouaansche (Rouennais) en Italiaansche; het kan +8 K.G. zwaar worden. De voor het gebruik bestemde exemplaren zijn 6 à 8 maanden oud en hebben een gewicht van 4 à 4½ KG. Ieder +jaar komen ongeveer 50.000 van deze Konijnen op de Engelsche markt. + +</p> +<p>Het <span class="letterspaced">Lapoorige Ramkonijn</span> (<span class="letterspaced">Lapin bélier</span>) is groot, heeft stevige beenderen en kan 6 KG. zwaar worden. De kleur is verschillend, de ooren zijn soms van de eene spits +tot de andere gemeten 60 cM. lang en 15 cM. breed, terwijl bij het wilde Konijn deze afmetingen ongeveer 20 cM. en 5 cM. zijn. +Dit ras is niet zeer vruchbaar en derhalve voor de vleeschproductie weinig geschikt. Een witte verscheidenheid met zwarte, +parelgrijze of gele vlekken wordt Butterfly (“Vlinder”) genoemd. De lange ooren worden soms naar boven gericht gedragen en +wijken dan met de spitsen ver uiteen, soms hangen zij aan weerszijden, of ook wel alleen aan de eene zijde, bij den kop langs +naar beneden. Ook bij de gewone tamme Konijnen, de Reuzenkonijnen en de Angora-Konijnen worden de ooren niet zelden aan één +zijde of aan beide zijde hangend gedragen ten gevolge van het niet-gebruiken van de spieren, die voor de beweging van de ooren +dienen. Bij eenige Konijnen met “half hangende” ooren is het hangende oor langer en breeder dan het naar boven gerichte. + +</p> +<p>Het <span class="letterspaced">Angora-Konijn</span> (ook wel <span class="letterspaced">Zijdehaas</span> genoemd) is zoo groot als het gewone tamme Konijn, maar heeft fijne, zijdeachtige, elastische haren, die soms wel 20 cM. +lang worden, en, met wol of katoen gemengd, voor het vervaardigen van fijne weefsels, vooral handschoenen, kousen, omslagdoeken +enz., dienen. Vroeger bedroeg de productie van Angora-konijnenhaar in de omstreken van Caen (in het N.W. van Frankrijk) jaarlijks +3000 à 4000 KG. à 35 of 40 francs per KG. Hierop is een tijdperk van achteruitgang van deze industrie gevolgd, waarin de prijzen +van de grondstof slechts half zoo hoog waren. Thans echter is er weer meer vraag naar de genoemde artikels. Ieder Konijn levert +300 gram haren per jaar, die onder zachte drukking met de vingers uitgetrokken worden, in den zomer 2-maal, in den winter +1-maal per maand. De Zijdehazen zijn grijs of kastanjebruin, soms ook wel gemskleurig of wit<span id="d0e3418" class="corr" title="Bron: ">.</span> Deze dieren vereischen een bijzonder zorgvuldige verpleging, om te verhoeden dat de lange haren aaneenkleven; steeds moeten +zij droog stroo hebben; de vacht moet dikwijls gekamd worden. Naar men zegt, zijn zij uit Klein-Azië afkomstig, wat vruchtbaarheid +en vleeschvorming betreft, stemmen zij met de gewone tamme Konijnen overeen. Ook deze worden in Frankrijk veelvuldig gefokt; +zij zijn zeer vruchtbaar, groeien snel, en kunnen goedkoop gevoederd worden; zij leveren voordeel op door hun smakelijk vleesch, +hun vel en hunne haren. + +</p> +<p>De vellen van tamme en wilde Konijnen worden tot pelterijen verwerkt, van hunne haren maakt men vilt voor hoeden, of soms, +zooals hierboven gezegd is, weefsels. De vacht van het wilde Konijn is grijs roodachtig, die van het tamme verschillend van +kleur; het meest geschat zijn de zuiver witte, zwarte en blauwgrijze vellen. Vooral in Frankrijk legt men zich toe op het +fokken van Konijnen, die door een fraaie vacht uitmunten. Fraaie zwarte vellen met zilvergrijze haarspitsen zijn afkomstig +van een ras van wilde Konijnen, die hiervoor in groote, omheinde perken gehouden worden. Ter vervanging van het Hermelijnbont, +dient het vel van een klein, uit Polen afkomstig ras van Konijnen. Dikwijls wordt de kleur van de vacht kunstmatig veranderd; +vooral in het fransche departement Aube en in België bloeit deze tak van industrie. De konijnenvellen zijn voor ’t meerendeel +van in ’t wild levende dieren afkomstig; de meeste komen uit Nieuw-Zeeland en Nieuw-Holland. De handel in dit artikel is zeer +belangrijk. In tien jaar tijds heeft alleen de kolonie Victoria 29 millioen stuks uitgevoerd. België verzendt ieder jaar meer +dan 6 millioen toebereide vellen van tamme Konijnen naar Engeland. De waarde van de Konijnen, welker haren de grondstof voor +de hoedenfabricatie in Frankrijk leveren, wordt geschat op 25 à 30 millioen franc per jaar. +</p> +<p class="tb">*</p><p> +<a id="d0e3425"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3425">357</a>]</span></p> +<p>De in Azië inheemsche <span class="letterspaced">Fluithazen</span> of <span class="letterspaced">Hamsterhazen</span> (<i>Lagomys</i>) onderscheiden zich van de leden van het vorige geslacht door veel kortere ooren, een geringer verschil in lengte van voor- +en achterpooten, een niet zichtbaar staartstompje, en een gebit, dat in elke bovenkaakshelft één kies minder heeft. Alle Hamsterhazen +bewonen Centraal-Azië; sommige de hooge gebergten van 1000 tot 4000 M. boven den zeespiegel, andere de steppen. Hier leven +zij het geheele jaar door op rotsachtige, woeste en grasrijke plaatsen, in nabijheid van beken, soms eenzaam, soms bij paren, +soms in grooter aantal bijeen. +</p> +<p class="tb"></p><p> + +</p> +<p>De <span class="letterspaced">Alpen-fluithaas</span> (<i>Lagomys alpinus</i>) herinnert door gestalte en grootte aan het Guineesch Biggetje. De ruige, dichte en kortharige vacht is aan de bovenzijde +fijn zwart gesprenkeld op roodachtig gelen grond; de zijden en het voorste deel van den hals zijn effen roestrood, de onderdeelen +en de pooten licht okergeel. Enkele exemplaren zijn effen van kleur, n.l. donker zwart. In volwassen toestand is het dier +ongeveer 25 cM. lang. De Alpenfluithaas behoort thuis in de geheele, ontzaglijk groote bergketen, die de noordelijke grens +vormt van Centraal- en Achter-Azië, maar komt ook in Kamschatka voor. + +</p> +<p>Deze dieren bewonen rotsspleten en kleine, door hen zelf gegraven holen. Bij helder weder liggen zij hier verborgen tot aan +zonsondergang; bij donkere lucht zijn zij ook over dag werkzaam. Uit vrees voor hunne vijanden komen zij dikwijls slechts +halverwegen uit hunne holen te voorschijn, en steken dan den kop omhoog, om zich te overtuigen of zij veilig zijn. Hun vreesachtigheid +gaat met nieuwsgierigheid gepaard. <span class="smallcaps">Radde</span> zegt, dat zij vredelievend en zeer arbeidzaam zijn; zij verzamelen groote hoeveelheden hooi, en vormen er hoopen van, die +zij soms met breed gebladerde planten bedekken om ze tegen den regen te beschutten. Soms hebben deze hooischelven een hoogte +van 15 à 18 cM. bij 15 à 30 cM. middellijn. Naar hunne holen leiden smalle paden, die door het drukke verkeer uitgeloopen +zijn; aan weerszijden van het pad is het korte gras afgevreten. Als de winter aanvangt, graven zij onder de sneeuw gangen +van hunne holen naar hunne hooischelven: deze gangen hebben vele kronkelingen, en zijn ieder met een luchtgat voorzien. + +</p> +<p>Het geschreeuw van den Alpen-fluithaas, dat men nog omstreeks middernacht hoort, gelijkt op dat van onzen Bonten Specht, en +wordt, zelden vaker dan driemaal, met zeer korte tusschenpoozen herhaald. Een andere soort—de <span class="letterspaced">Ogotona</span> (<i>Lagomys ogotona</i>)—fluit als een Muis, maar luider en helderder, en zoo vaak achtereen, dat zijn geschreeuw op een schrillen, sissenden triller +gelijkt. Een derde soort—de <span class="letterspaced">Dwergfluithaas</span> (<i>Lagomys pusillus</i>)—maakt een geluid, dat, naar men zegt, groote overeenkomst heeft met dat van onzen Kwartel. + + +</p> +<div class="figure"><img border="0" src="images/p1357.jpg" alt="Alpen-fluithaas (Lagomys alpinus). ⅓ v.d. ware grootte." width="720" height="451"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Alpen-fluithaas</span> (<i>Lagomys alpinus</i>). ⅓ v.d. ware grootte. +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Hoewel deze dieren door de jagers van Oost-Siberië niet vervolgd worden, ontbreekt het hun niet aan vijanden. Voortdurend +maken de Manul (een in de genoemde gewesten voorkomende Wilde Kat), de Wolf, de Korsak, benevens verscheidene Arenden en Valken +jacht op hen. Met geen ander doel wordt hun gebied ’s winters bezocht door den Sneeuwuil, hun gevaarlijksten vijand. Ook de +Buizerden brengen hunnentwege den winter in den Gobi door, daar zij zich dan uitsluitend met Ogotonen voeden. Ook de mensch +benadeelt deze onschuldige Knaagdieren, door hen van hun wintervoorraad te berooven. Als er ’s winters veel sneeuw valt, drijven +de Mongolen hunne Schapen naar streken, waar vele Ogotonen huizen, of voederen hunne Paarden met het hooi, dat de Hamsterhazen +bijeengebracht hebben. + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e266" href="#d0e266src" class="noteref">1</a></span> Ontleend aan “Insulinde: het land van den Orang-Oetan en den Paradijsvogel, door <span class="smallcaps">A. R. Wallace</span>”, vertaald en met aanteekeningen voorzien door Prof. <span class="smallcaps">Veth</span>. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1041" href="#d0e1041src" class="noteref">2</a></span> <i>Sylphium</i> noemden de ouden een in Cyrenaica groeiend kruid, dat een bij de Romeinen zeer geliefde kruiderij opleverde; thans is deze +plant, die tot de familie van de Schermbloemigen behoorde, niet meer te vinden. +</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="transcribernote"> +<h2>Colofon</h2> +<h3>Beschikbaarheid</h3> +<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. + +</p> +<p>This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give +it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>. + +</p> +<h3>Codering</h3> +<p>Dit bestand is in de oude spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van +de regel zijn hersteld. + +</p> +<p>Hoewel in dit werk laag liggende aanhalingstekens openen worden gebruikt, zijn deze gecodeerd met “. Geneste dubbele aanhalingstekens +zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens. + +</p> +<h3>Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>3-FEB-2007 begonnen.</li> +</ul> +<h3>Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%"> +<tr> +<th>Plaats</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e160">Bladzijde 273</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">is </td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e422">Bladzijde 279</a></td> +<td width="40%">wangzaken</td> +<td width="40%">wangzakken</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e636">Bladzijde 285</a></td> +<td width="40%">misschen</td> +<td width="40%">misschien</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e639">Bladzijde 285</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e685">Bladzijde 286</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e901">Bladzijde 293</a></td> +<td width="40%">,)</td> +<td width="40%">),</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e946">Bladzijde 294</a></td> +<td width="40%">:</td> +<td width="40%">;</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1055">Bladzijde 297</a></td> +<td width="40%">braadnetels</td> +<td width="40%">brandnetels</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1090">Bladzijde 298</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1111">Bladzijde 298</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1233">Bladzijde 300</a></td> +<td width="40%">Thuringen</td> +<td width="40%">Thüringen</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1623">Bladzijde 311</a></td> +<td width="40%">kleursverdeeling</td> +<td width="40%">kleurverdeeling</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1717">Bladzijde 315</a></td> +<td width="40%">tusschen tusschen</td> +<td width="40%">tusschen</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1735">Bladzijde 316</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1738">Bladzijde 316</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1900">Bladzijde 319</a></td> +<td width="40%">.</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e1947">Bladzijde 320</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2089">Bladzijde 323</a></td> +<td width="40%">.)</td> +<td width="40%">).</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2152">Bladzijde 325</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">het </td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2286">Bladzijde 328</a></td> +<td width="40%">strookje</td> +<td width="40%">strookjes</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2375">Bladzijde 330</a></td> +<td width="40%">Boomstekel-varken</td> +<td width="40%">Boom-stekelvarken</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2427">Bladzijde 331</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2489">Bladzijde 332</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2581">Bladzijde 334</a></td> +<td width="40%">Agoetis</td> +<td width="40%">Agoeti’s</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2615">Bladzijde 334</a></td> +<td width="40%">Dwerg-Muskuskieren</td> +<td width="40%">Dwerg-Muskusdieren</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2634">Bladzijde 335</a></td> +<td width="40%">Agoetis</td> +<td width="40%">Agoeti’s</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2653">Bladzijde 335</a></td> +<td width="40%">uitgeholt</td> +<td width="40%">uitgehold</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2655">Bladzijde 335</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2662">Bladzijde 335</a></td> +<td width="40%">Agoetis</td> +<td width="40%">Agoeti’s</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2924">Bladzijde 342</a></td> +<td width="40%">eeuwigdurendesneeuw</td> +<td width="40%">eeuwigdurende sneeuw</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e2935">Bladzijde 342</a></td> +<td width="40%">groote</td> +<td width="40%">grootte</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3060">Bladzijde 345</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3065">Bladzijde 346</a></td> +<td width="40%">”</td> +<td width="40%"> +[<i>Verwijderd</i>] + +</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3119">Bladzijde 348</a></td> +<td width="40%">gevold</td> +<td width="40%">gevolgd</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3128">Bladzijde 349</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3132">Bladzijde 349</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3139">Bladzijde 349</a></td> +<td width="40%">plaats</td> +<td width="40%">plaatst</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3214">Bladzijde 351</a></td> +<td width="40%">kleursverandering</td> +<td width="40%">kleurverandering</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3233">Bladzijde 352</a></td> +<td width="40%">en en</td> +<td width="40%">en</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3245">Bladzijde 352</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3248">Bladzijde 352</a></td> +<td width="40%">een den</td> +<td width="40%">eenden</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3270">Bladzijde 353</a></td> +<td width="40%">Kleursverscheidenheden</td> +<td width="40%">Kleurverscheidenheden</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3318">Bladzijde 354</a></td> +<td width="40%">individuen</td> +<td width="40%">individuën</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3326">Bladzijde 354</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">,</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3343">Bladzijde 355</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">“</td> +</tr> +<tr> +<td width="20%"><a href="#d0e3418">Bladzijde 356</a></td> +<td width="40%"> +[<i>Niet in bron</i>] + +</td> +<td width="40%">.</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN *** + +***** This file should be named 20530-h.htm or 20530-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/0/5/3/20530/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/20530-h/images/p1273.jpg b/20530-h/images/p1273.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..77b3736 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1273.jpg diff --git a/20530-h/images/p1279.jpg b/20530-h/images/p1279.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..87bf500 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1279.jpg diff --git a/20530-h/images/p1280.jpg b/20530-h/images/p1280.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..746bf5e --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1280.jpg diff --git a/20530-h/images/p1282.jpg b/20530-h/images/p1282.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e838335 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1282.jpg diff --git a/20530-h/images/p1284.jpg b/20530-h/images/p1284.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d94c029 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1284.jpg diff --git a/20530-h/images/p1287.jpg b/20530-h/images/p1287.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2749a93 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1287.jpg diff --git a/20530-h/images/p1289.jpg b/20530-h/images/p1289.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0232be0 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1289.jpg diff --git a/20530-h/images/p1295.jpg b/20530-h/images/p1295.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fe110dc --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1295.jpg diff --git a/20530-h/images/p1296.jpg b/20530-h/images/p1296.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c5daf69 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1296.jpg diff --git a/20530-h/images/p1297.jpg b/20530-h/images/p1297.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a0e626a --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1297.jpg diff --git a/20530-h/images/p1300.jpg b/20530-h/images/p1300.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ef60c75 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1300.jpg diff --git a/20530-h/images/p1301.jpg b/20530-h/images/p1301.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..91ff1ab --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1301.jpg diff --git a/20530-h/images/p1305.jpg b/20530-h/images/p1305.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3f32b6d --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1305.jpg diff --git a/20530-h/images/p1306.jpg b/20530-h/images/p1306.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0e77c3a --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1306.jpg diff --git a/20530-h/images/p1312.jpg b/20530-h/images/p1312.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..22aff1b --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1312.jpg diff --git a/20530-h/images/p1315.jpg b/20530-h/images/p1315.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a2b86b2 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1315.jpg diff --git a/20530-h/images/p1316.jpg b/20530-h/images/p1316.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b12895a --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1316.jpg diff --git a/20530-h/images/p1319.jpg b/20530-h/images/p1319.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a72404c --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1319.jpg diff --git a/20530-h/images/p1321.jpg b/20530-h/images/p1321.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..50b8d78 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1321.jpg diff --git a/20530-h/images/p1323.jpg b/20530-h/images/p1323.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4f59d1a --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1323.jpg diff --git a/20530-h/images/p1324.jpg b/20530-h/images/p1324.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..af444c5 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1324.jpg diff --git a/20530-h/images/p1327.jpg b/20530-h/images/p1327.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..961a12f --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1327.jpg diff --git a/20530-h/images/p1329.jpg b/20530-h/images/p1329.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b26ee67 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1329.jpg diff --git a/20530-h/images/p1330.jpg b/20530-h/images/p1330.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..258b237 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1330.jpg diff --git a/20530-h/images/p1332.jpg b/20530-h/images/p1332.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1a255fe --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1332.jpg diff --git a/20530-h/images/p1334.jpg b/20530-h/images/p1334.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..920a212 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1334.jpg diff --git a/20530-h/images/p1336.jpg b/20530-h/images/p1336.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..a62f026 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1336.jpg diff --git a/20530-h/images/p1338.jpg b/20530-h/images/p1338.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..10c06fb --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1338.jpg diff --git a/20530-h/images/p1340.jpg b/20530-h/images/p1340.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8bcf39b --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1340.jpg diff --git a/20530-h/images/p1341.jpg b/20530-h/images/p1341.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..557c992 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1341.jpg diff --git a/20530-h/images/p1342.jpg b/20530-h/images/p1342.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..991ca87 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1342.jpg diff --git a/20530-h/images/p1343.jpg b/20530-h/images/p1343.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..76d1f5f --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1343.jpg diff --git a/20530-h/images/p1345.jpg b/20530-h/images/p1345.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e1312f6 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1345.jpg diff --git a/20530-h/images/p1351.jpg b/20530-h/images/p1351.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..cd103c1 --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1351.jpg diff --git a/20530-h/images/p1353.jpg b/20530-h/images/p1353.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b11191c --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1353.jpg diff --git a/20530-h/images/p1357.jpg b/20530-h/images/p1357.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f0a268b --- /dev/null +++ b/20530-h/images/p1357.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..6aa8724 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #20530 (https://www.gutenberg.org/ebooks/20530) |
