summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 01:23:26 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 01:23:26 -0700
commit1333046b6c233aa4b513a0e461102a55636df39e (patch)
treeceb4e001fb986a5fbfb77bffa27d3d3ab8bfbc14
initial commit of ebook 20530HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--20530-8.txt8523
-rw-r--r--20530-8.zipbin0 -> 193940 bytes
-rw-r--r--20530-h.zipbin0 -> 4580972 bytes
-rw-r--r--20530-h/20530-h.htm6583
-rw-r--r--20530-h/images/p1273.jpgbin0 -> 119698 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1279.jpgbin0 -> 122996 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1280.jpgbin0 -> 155863 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1282.jpgbin0 -> 152237 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1284.jpgbin0 -> 116989 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1287.jpgbin0 -> 158259 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1289.jpgbin0 -> 105655 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1295.jpgbin0 -> 101790 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1296.jpgbin0 -> 98508 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1297.jpgbin0 -> 113810 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1300.jpgbin0 -> 115152 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1301.jpgbin0 -> 124670 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1305.jpgbin0 -> 115735 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1306.jpgbin0 -> 91453 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1312.jpgbin0 -> 152505 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1315.jpgbin0 -> 93294 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1316.jpgbin0 -> 93380 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1319.jpgbin0 -> 112651 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1321.jpgbin0 -> 146565 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1323.jpgbin0 -> 99999 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1324.jpgbin0 -> 98301 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1327.jpgbin0 -> 133918 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1329.jpgbin0 -> 121441 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1330.jpgbin0 -> 103732 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1332.jpgbin0 -> 114640 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1334.jpgbin0 -> 107546 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1336.jpgbin0 -> 153611 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1338.jpgbin0 -> 90895 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1340.jpgbin0 -> 116240 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1341.jpgbin0 -> 135640 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1342.jpgbin0 -> 142052 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1343.jpgbin0 -> 97202 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1345.jpgbin0 -> 168584 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1351.jpgbin0 -> 133353 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1353.jpgbin0 -> 162453 bytes
-rw-r--r--20530-h/images/p1357.jpgbin0 -> 106348 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
43 files changed, 15122 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/20530-8.txt b/20530-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..2087401
--- /dev/null
+++ b/20530-8.txt
@@ -0,0 +1,8523 @@
+The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Leven der Dieren
+ Hoofdstuk 7: De Knaagdieren
+
+Author: A. E. Brehm
+
+Release Date: February 6, 2007 [EBook #20530]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+Zevende Orde.
+
+De Knaagdieren (Rodentia).
+
+
+De Knaagdieren vormen een naar alle zijden goed begrensde groep. Zij
+dragen hun naam bijna met nog meer recht dan de Roofdieren den
+hunnen. Twee snijtanden in iedere kaak, die tot groote knaagtanden
+uitgegroeid zijn en het ontbreken der hoektanden, waardoor tusschen
+snij- en maaltanden een groote ruimte ontstaat, zijn kenmerken,
+die aan alle eigen zijn.
+
+Van het uitwendig voorkomen der Knaagdieren kan weinig in 't algemeen
+gezegd worden, daar deze orde zeer verschillende vormen omvat en
+daarom zeer rijk is aan familiën en soorten. De voor alle geldige
+kenteekenen komen tennaastenbij op het volgende neer: de romp is in de
+meeste gevallen rolvormig en rust op korte pooten, die in den regel
+ongelijke lengte hebben, daar de achterpooten gewoonlijk een weinig,
+en dikwijls zelfs veel langer zijn dan de voorpooten; de kop is door
+een korten, dikken hals met den romp verbonden; de oogen zijn groot
+en puilen gewoonlijk sterk uit; de lippen zijn vleezig, met snorharen
+bezet, zeer beweeglijk en van voren gespleten; de voorpooten hebben in
+den regel 4, de achterpooten 5 teenen; deze zijn met meer of minder
+sterke klauwen (soms ook met nagels van anderen vorm) gewapend, bij
+sommige door zwemvliezen met elkander verbonden. Het haarkleed is bijna
+altijd van gelijkmatige lengte, hoogstens aan de ooren tot kwastjes
+of aan den (in dit geval meestal ruigen) staart tot een pluim verlengd.
+
+De snijtanden of knaagtanden zijn aanmerkelijk grooter dan alle overige
+bestanddeelen van het gebit; de bovenste zijn altijd korter, maar
+breeder dan de onderste; in beide kaken zijn zij boogvormig gekromd
+(de bovenste het sterkst), aan de sneede breed of puntbeitelvormig,
+aan den wortel drie- of vierkantig, met een soms platte, soms gewelfde,
+nu eens gladde, dan weer gegroefde oppervlakte, wit of geelachtig
+of rood van kleur. Hun buitenste of voorste vlakte is met staalhard
+email bedekt; de scherpe spits of de breede, op het scherpe einde
+van een steekbeitel gelijkende bovenrand is uitsluitend uit genoemd
+materiaal samengesteld. Het overige deel van den tand bestaat uit
+een veel zachtere stof, n.l. tandbeen. Wegens het veelvuldig gebruik,
+dat van deze belangrijke tanden wordt gemaakt, zouden zij na korten
+tijd stomp worden of afslijten, indien zij niet een groot voorrecht
+hadden boven de meeste tanden van Zoogdieren; zij groeien n.l. altijd
+door. De tandwortel ligt in een tandholte, die zich tot diep in de
+kaak voortzet, en bevat aan zijn geheel open (en zelfs trechtervormig
+verwijd), achterste uiteinde, een blijvende kiem, die den tand van
+achteren voortdurend in gelijke mate herstelt, als hij van voren
+afslijt. De snede van den tand wordt vlijmscherp gehouden, doordat
+de onderling tegenovergestelde tanden over elkander wrijven, zoodat
+de eene langs den anderen schuurt. Daar nu de snijtanden op ongelijke
+wijze met email bekleed zijn, van voren met een dikke korst, terwijl
+van achteren het tandbeen onbedekt blijft, zal de top van den tand
+in schuinsche, van voren naar achteren afhellende richting geslepen
+worden. De zeer omvangrijke en samengestelde kauwspier moet door haar
+werking de onderkaak zoowel opheffen als naar voren schuiven. In
+verband hiermede is de gewrichtsknobbel van het onderkaaksbeen in
+overlangsche richting, van voren naar achteren ontwikkeld. De tanden
+zijn hierdoor niet tot grijpen en tot verscheuren, maar tot knagen, tot
+afknabbelen geschikt. Tegen de verbazend groote krachtsinspanning, die
+hiervoor vereischt wordt, zijn zij volkomen bestand. Van het voortduren
+van den groei der knaagtanden kan men zich gemakkelijk overtuigen,
+door bij een Knaagdier, b.v. bij een Konijn, een der knaagtanden,
+b.v. van de onderkaak, af te breken. Dan groeit de tegenovergestelde
+bovenkaaksnijtand, omdat hij niet meer onderhevig is aan afslijting,
+schielijk aan, komt boogvormig omgekruld buiten den bek te voorschijn,
+en verkrijgt, steeds groeiend en niet slijtend, een spiraalvormige
+gedaante; het geheele gebit wordt hierdoor nagenoeg onbruikbaar en de
+voeding zeer bemoeilijkt. Na het afbreken van een bovensnijtand zal
+de tegenovergestelde ondertand zich binnen de mondholte kolossaal
+verlengen en hier, door het gehemelte in zijn opwaartschen groei
+gestuit, een spiraalvormige gedaante verkrijgen, of wel in de bovenkaak
+doordringen. Zulke monsterachtige tanden missen natuurlijk den scherpen
+rand aan den top van de kroon.--De maaltanden hebben platte kronen,
+met dwars gerichte verhevenheden op de kauwvlakte, die slechts bij
+enkele door knobbels vervangen zijn. De voor- en achterwaartsche
+beweging van de onderkaak in aanmerking nemend, is het niet moeilijk
+in te zien, dat de dwarse richting der oneffenheden, het vermalen
+van harde stoffen in hooge mate bevordert.
+
+Bij vele Knaagdieren komen wangzakken voor, die door een opening aan
+de binnenzijde der lippen met de mondholte in gemeenschap staan, en
+zich tot in de schouderstreek kunnen uitstrekken; bij het inzamelen
+van voedsel kunnen zij als bergplaatsen dienen; een hiervoor bestemde
+spier trekt deze zakken terug, als zij gevuld moeten worden.
+
+De Knaagdieren zijn over alle werelddeelen verbreid en komen, zoover
+de plantengroei zich uitstrekt, in alle klimaten, op alle breedten en
+op alle hoogten voor. "Te midden van eeuwigdurende sneeuw en ijs." zegt
+Blasius, "daar, waar een warme zonnestraal slechts op sommige plaatsen
+en gedurende weinige weken, aan enkele planten een kortstondig en
+armoedig leven mogelijk maakt, op de stille eenzame, met sneeuw bedekte
+hoogten der Alpen, in de uitgestrekte onherbergzame vlakten van het
+noorden, vindt men nog Knaagdieren, die geen behoefte gevoelen aan een
+schoonere zon. Maar hoe rijker en weelderiger de plantenwereld is, des
+te bonter en menigvuldiger wordt het leven van deze Zoogdierenorde,
+die bijna geen plekje van de aarde onbewoond laat." De levenswijze
+van deze algemeen verbreide dieren, is zeer verschillend.
+
+Niet weinige van hen houden zich in de boomen op, vele leven in den
+grond sommige bewonen het water; hunne verblijfplaatsen zijn dikwijls
+onderaardsche, door henzelf gegraven holen, andere hebben hun leger te
+midden van het struikgewas, nog andere in het open veld. Alle zijn in
+meerdere of mindere mate vlugge dieren, die, in overeenstemming met
+de plaats waar zij zich ophouden, voortreffelijk loopen, òf klimmen,
+òf graven, òf zwemmen. Meestal scherpzinnig, wakker en lenig, zijn
+zij evenwel, naar het schijnt, niet schrander of met buitengewone
+geestesgaven bedeeld. Verreweg de meeste kenmerken zich door armoede
+van geest; zij kunnen wel schuw, maar niet voorzichtig of listig
+zijn, en onderscheiden zich ook in andere opzichten nooit door in
+'t oog vallende bekwaamheden. Sommige leven bij paren, andere zijn
+tot familiën en niet weinige tot groote troepen vereenigd; zij
+zijn verdraagzaam tegenover andere dieren, maar bemoeien zich niet
+met hen. Boosaardigheid en valschheid, wildheid en onbeschaamdheid,
+willens en wetens geopenbaard, treft men slechts bij weinige aan. Als
+hun een gevaar dreigt, keeren zij zoo schielijk mogelijk naar hunne
+schuilplaatsen terug; slechts zeer weinige onder hen zijn schrander
+genoeg, om op listige wijze vervolgingen te ontgaan. Alle Knaagdieren
+voeden zich hoofdzakelijk met plantaardige stoffen: wortels,
+schors, bladen, bloemen, allerlei soorten van vruchten, kruiden,
+gras, melige knollen, ja zelfs houtvezels worden door hen gegeten;
+de meeste maken echter ook van dierlijk voedsel gebruik, en zijn
+echte alleseters. Eigenaardig is het, dat vele, die te zwak zijn,
+om groote reistochten te ondernemen, of om weerstand te bieden aan
+de strengheid van den winter, voorraad inzamelen en in onderaardsche
+bergplaatsen bewaren. De Knaagdieren verdienen als bouwmeesters een
+eereplaats onder de Zoogdieren; sommige van hen vervaardigen zeer
+kunstige woningen, die reeds sedert overouden tijd de bewondering
+van den mensch getrokken hebben. Niet weinige brengen den winter
+door in een op den dood gelijkenden slaap, verkeeren in een toestand
+van verstijving, en teren op het vet, dat zij gedurende den zomer in
+hun lichaam hebben opgehoopt, en dat wegens de in ieder opzicht zeer
+sterk verminderde levenswerkzaamheid tot aan het volgende voorjaar
+in hunne behoeften kan voorzien.
+
+In verhouding tot hun geringe groote, is de beteekenis van de
+Knaagdieren in de huishouding der natuur zeer groot; zij zijn onze
+schadelijkste en gevaarlijkste vijanden. Als zij niet een talloos leger
+van vijanden tegenover zich hadden, en niet in hooge mate onderhevig
+waren aan ziekten en epidemiën van velerlei aard, zouden zij de aarde
+overheerschen en verwoesten. De onophoudelijke verdelgingsoorlog,
+die tegen hen gevoerd wordt, heeft een tegenwicht in hunne verbazende
+vruchtbaarheid en vermenigvuldigingsvermogen; maar al te dikwijls
+hebben deze de overhand. Het klinkt bijna ongeloofelijk, maar is
+toch waar, dat een paar Knaagdieren, binnen een tijdsverloop van
+één jaar, een nakomelingschap kan hebben die uit duizend individuën
+bestaat. Vriendschap kan men eigenlijk slechts voor hoogst weinige
+leden van deze vormenrijke orde gevoelen, en van deze weinige zijn
+slechts enkele waard getemd te worden. Belangrijker dan door de
+eigenschappen, die men gedurende hun leven kan opmerken, zijn de
+Knaagdieren voor ons door hun vel en hun vleesch.
+
+
+
+In de eerste familie plaatsen wij de _Eekhoornachtigen_ (_Sciuridae_),
+verdeeld over twee onderfamiliën: de _Eekhoorntjes_ en de _Marmotten_.
+
+De romp van de _Eekhoorntjes_ (_Sciurinae_) is lang en eindigt in
+een meer of minder langen, dikwijls twee-rijig behaarden staart. De
+oogen zijn groot en uitpuilend, de ooren bij sommige klein, bij andere
+groot, nu eens dun behaard, dan weer met een haarkwastje voorzien. De
+voorpooten zijn aanmerkelijk korter dan de achterpooten. Gene hebben 4
+teenen en een kort stompje op de plaats van den duim, de achterpooten
+hebben vijf teenen.
+
+Met uitzondering van Australië bewonen de Eekhoorntjes de geheele
+aarde; zoowel in tamelijk ver noordwaarts gelegen gewesten, als in
+de heetste landstreken tusschen de keerkringen komen zij voor; zij
+leven op verschillende hoogten, sommige soorten treft men zoowel in
+het gebergte als in de vlakte aan. Bosschen, of althans plaatsen waar
+boomen groeien, zijn hunne meest geliefde verblijfplaatsen; verreweg
+de meeste zijn echte boomdieren; eenige vestigen hun woonplaats in
+onderaardsche, door henzelf gegraven holen.
+
+Alle Eekhoorntjes bewegen zich vlug, snel en behendig, even goed op
+de boomen als op den grond. Alleen de Vliegende Eekhoorntjes gevoelen
+zich op den bodem niet thuis, maar zijn in staat buitengewoon groote
+sprongen te doen, hoewel altijd slechts van boven naar beneden. De
+meeste bewegen zich springend over den bodem en raken dezen met de
+geheele zool aan. Bijna alle klimmen uitmuntend en springen over
+groote tusschenruimten van den eenen boom op den anderen. Zij slapen
+ineengerold en doen dit bij voorkeur op een gemakkelijke ligplaats,
+die zij zich verschaffen nu eens door het graven van een onderaardsche
+woning, dan weer door een leger op te slaan in een hollen boom, en
+ook wel door het doelmatig inrichten van een door andere dieren of
+door henzelf gebouwd nest. De Eekhoorntjes, die koude landen bewonen,
+trekken zuidwaarts bij 't naderen van den winter, of vervallen in
+een onafgebroken winterslaap en brengen in dit geval een meer of
+minder grooten voorraad leeftocht bijeen, waarvan zij in geval van
+nood gebruik maken. Hun stem bestaat uit een fluitend geluid en uit
+een eigenaardig, niet nader te omschrijven gebrom, geknor en gesis.
+
+De meeste soorten werpen, naar het schijnt, ieder jaar meer dan
+éénmaal jongen. Vóór en na den paartijd houdt het mannetje zich
+dikwijls geruimen tijd bij het wijfje op; ook helpt hij haar wel bij
+het bouwen van de meer of minder kunstige woning, waarin zij later
+haar kroost zal verzorgen. Het aantal jongen in iederen worp wisselt
+af van twee tot zeven. De kleintjes komen nagenoeg kaal en blind ter
+wereld en hebben daarom behoefte aan een warm leger en een zorgvuldige
+verpleging. Jong uit het nest genomen Eekhoorntjes laten zich zonder
+bijzondere moeite temmen; bijna altijd komt echter op meer gevorderden
+leeftijd de weerspannige en knorrige aard, die aan vele Knaagdieren
+eigen schijnt te zijn, voor den dag; zij worden boosaardig en toonen
+lust tot bijten.
+
+Hoewel alle Eekhoorntjes bij voorkeur (en gedurende sommige tijden
+uitsluitend) plantaardig voedsel gebruiken, versmaden zij echter,
+evenals tal van andere Knaagdieren, het dierlijk voedsel niet;
+zij overvallen zwakke Zoogdieren en maken ijverig jacht op Vogels,
+welker nesten zij op onmeedoogende wijze plunderen. Ofschoon het vel
+van verscheidene soorten van Eekhoorntjes als pelswerk dienst doet
+en men op sommige plaatsen het vleesch van deze dieren eet, kan toch
+dit geringe nut niet opwegen tegen de schade, die zij toebrengen aan
+de door ons gekweekte planten en aan de nuttige Vogels.
+
+
+
+Verreweg de meeste leden van de eerste onderfamilie behooren tot
+het slechts in Australië ontbrekende geslacht der _Dag-eekhoorntjes_
+(_Sciurus_). Alle soorten van deze groep stemmen zoozeer met elkander
+overeen, wat gestalte, lichaamsbouw, levenswijze en aard betreft,
+dat het volkomen voldoende is, onzen Eekhoorn en zijn levenswijze te
+beschrijven, om een voorstelling te verkrijgen van het leven van al
+zijne verwanten.
+
+
+
+De _Eekhoorn_ of _Eeker_ (_Sciurus vulgaris_) is een van de weinige
+Knaagdieren, waarmede de mensch vriendschap gesloten heeft, en die
+hij, in weerwil van sommige onaangename eigenschappen, gaarne als
+huisgenoot aanneemt, heeft zelfs in de oogen van den dichter een
+bevallige gestalte. Dit werd reeds gevoeld door de Grieken, aan
+wie wij den wetenschappelijken naam van het Eekhoorntje ontleend
+hebben. Deze naam beteekent: "die zich met den staart overschaduwt",
+en onwillekeurig moet ieder, die de beteekenis van het woord _Sciurus_
+kent, aan het beweeglijke diertje denken, zooals het daar in de
+hoogte zit, boven op de hoogste boomkronen. Rückert heeft het wakkere
+schepseltje bezongen op zulk een wijze, dat de natuuronderzoeker het
+hem niet verbeteren kan.
+
+De lichaamslengte van het Eekhoorntje bedraagt, zonder den 20
+cM. langen staart, 25 cM., de schouderhoogte 10 cM. en het gewicht van
+het volwassen dier een weinig meer dan 0.25 KG. De vacht biedt groote
+verscheidenheid aan, al naar men het dier 's zomers of 's winters,
+in het noorden of in het zuiden beschouwt. In den zomer is de kleur
+van de bovendeelen bruinachtig rood, aan de zijden van den kop met
+grijs gemengd, aan de onderzijde (te beginnen bij de kin) wit; in den
+winter is het haarkleed aan de rugzijde bruinrood met grijsachtig wit
+gemengd, aan de buikzijde wit. In Siberië en Noord-Europa echter is
+het winterkleed van den Eekhoorn geheel en al witachtig grijs, terwijl
+het zomerkleed gelijkt op dat van het bij ons levende dier. Dikwijls
+ziet men in de bosschen van Middel-Europa ook zwarte exemplaren; deze
+behooren echter niet tot een bijzondere soort, want bij de jongen van
+een worp treft men dikwijls roode en zwarte voorwerpen aan. Witte of
+gevlekte Eekhoorntjes zijn zeer zeldzaam, zoo ook die met witten of
+halfwitten staart enz. De staart is zeer ruig en tweerijig behaard; het
+oor is versierd met een pluim van lange haren; de voetzolen zijn naakt.
+
+Ons Eekhoorntje is aan de Grieken en Spanjaarden even goed bekend
+als aan de Siberiërs en Laplanders. Zijn verbreidingsgebied strekt
+zich uit over geheel Europa, en reikt voorts over den Kaukasus en den
+Oeral, door het geheele zuiden van Siberië tot aan den Altaï en tot
+in Achter-Azië. Het dier is echter niet overal en ook niet in alle
+jaren even menigvuldig. Hoogstammige, droge en schaduwrijke wouden
+vormen zijne meest bevoorrechte verblijfplaatsen; nat weer is hem
+even onaangenaam als zonneschijn. Wanneer het ooft en de noten rijp
+zijn, bezoekt hij de tuinen van het dorp, doch slechts dan, als zij
+met het woud verbonden zijn door kreupelboschjes, of althans door
+struiken. Daar waar vele sparrekegels en denneappels rijp worden,
+vestigt hij zich voor goed; hier heeft hij één of meer woningen,
+gewoonlijk zijn dit oude kraaiennesten, welker inrichting hij
+naar zijne behoeften op kunstige wijze veranderd heeft. Voor een
+kortstondiger verblijf gebruikt hij de verlaten nesten van Eksters,
+Kraaien en Roofvogels, zooals zij zijn. De woningen echter, die als
+nachtverblijf, als toevluchtsoord bij slecht weder en als kraamkamer
+voor het wijfje dienen, worden opzettelijk voor dit doel gebouwd,
+hoewel hierbij dikwijls wordt gebruik gemaakt van de materialen,
+die door de Vogels bijeengebracht zijn. Sommigen meenen opgemerkt
+te hebben, dat ieder Eekhoorntje minstens vier nesten heeft; met
+zekerheid is dit echter nog niet gebleken. Gaten in boomen, het
+liefst holle boomstammen, worden eveneens door hem bezocht, en in
+sommige gevallen tot woning ingericht. De open en bloot liggende
+nesten komen gewoonlijk voor in een vork, dicht bij den hoofdstam
+van den boom; hun vloer is gebouwd als die van een groot vogelnest,
+van boven is het echter beschut door een plat, kegelvormig dak, op
+dat van een eksternest gelijkend en dicht genoeg om het binnendringen
+van den regen te verhinderen. De hoofdingang is naar beneden gericht,
+gewoonlijk naar het oosten, een iets kleiner vluchtgat bevindt zich
+dicht bij den stam. Van binnen is het nest aan alle zijden met een warm
+kussen van zacht mos gevoerd. De buitenwand bestaat uit dunne en dikke
+twijgen, die kruiselings door elkander gestoken zijn. Den stevigen,
+met aarde en leem bekleeden bodem van een verlaten kraaiennest gebruikt
+het Eekhoorntje gaarne als grondslag van zijn woning.
+
+Dit wakkere diertje is buiten kijf een der voornaamste
+aantrekkelijkheden van onze bosschen. Bij stil, helder weder
+beweegt het zich onverpoosd, en blijft intusschen zooveel mogelijk
+in de boomen, die hem te allen tijde voedsel en beschutting bieden;
+somtijds gaat het op zijn gemak bij den stam naar beneden, en loopt
+naar den boom, dien het beklimmen wil. Dikwijls doet de Eekhoorn
+dit alleen voor de aardigheid, want hij behoeft, als hij zulks niet
+wenscht, in 't geheel niet op den grond te komen. Hij is de Aap van
+onze bosschen en bezit vele eigenschappen welke herinneren aan die
+van den genoemden, nukkigen tropenbewoner. Er zijn waarschijnlijk
+maar weinige Zoogdieren, die zoolang achtereen in beweging zijn en
+zoo kort op dezelfde plaats blijven als de Eekhoorn bij tamelijk
+goed weder. Voortdurend gaat hij van den eenen boom op den anderen,
+van kroon tot kroon, van tak tot tak; zelfs op den grond is hij
+alles behalve vreemd en onbeholpen. Nooit stapt of draaft hij;
+altijd beweegt hij zich huppelend met groote of kleine sprongen;
+hij doet dit zoo snel, dat een Hond moeite heeft om hem in te halen,
+en een mensch reeds na korten tijd de vervolging moet opgeven. De
+sterkste bewijzen van behendigheid geeft hij echter eerst bij het
+klimmen. Met ongeloofelijke vastheid en snelheid sluipt hij bij de
+boomstammen omhoog, zelfs bij de gladste. De lange, scherpe klauwen
+aan de vingervormige teenen bewijzen hem hierbij voortreffelijke
+diensten. Hij haakt zich aan de boomschors vast en doet dit met alle
+vier pooten tegelijk. Dan zet hij zich af voor een nieuwen sprong en
+schiet verder naar boven; de eene sprong volgt echter zoo schielijk op
+den anderen, dat het omhoogstijgen zonder tusschenpoozen plaats heeft;
+men zou kunnen meenen, dat het dier bij den stam omhoogglijdt. De
+klimbeweging veroorzaakt een op een afstand hoorbaar geritsel, waarin
+men de verschillende oogenblikken van stilstand en de opeenvolgende
+sprongen niet onderscheiden kan. Gewoonlijk stijgt het dier zonder
+rust te nemen tot in de kroon van den boom, niet zelden tot in den
+top; daar loopt hij dan langs den een of anderen, waterpas liggende
+tak naar den buitenkant van de kroon en springt van hier gewoonlijk
+in den top van een tak van een anderen boom, over tusschenruimten van
+4 of 5 M., altijd van boven naar beneden. Van de noodzakelijkheid van
+den tweerijig behaarden staart voor 't springen heeft men zich door
+een wreede proefneming overtuigd; men heeft aan gevangen Eekhoorntjes
+den staart afgehouwen en opgemerkt, dat het verminkte dier niet half
+zoo ver meer springen kon, als vroeger. Ook het zwemmen verstaat de
+Eekhoorn uitmuntend, ofschoon hij niet gaarne te water gaat.
+
+Als de Eekhoorn geen stoornis behoeft te duchten, zoekt hij gedurende
+zijne zwerftochten voortdurend voedsel. Al naar het jaargetijde eet
+hij vruchten of zaden, knoppen, twijgen en paddestoelen. De zaden van
+dennen, sparren en zilversparren, knoppen en jonge uitspruitsels zullen
+wel het hoofdbestanddeel van zijn voedsel uitmaken. Hij bijt de kegels
+van onze naaldboomen bij den steel af, gaat op zijne achterpooten
+zitten, brengt den kegel met de voorpooten naar den bek, draait hem
+onophoudelijk rond en bijt nu met zijne uitmuntende tanden de eene
+schub na de andere er af, zoodat de zaden blootliggen, die hij dan
+met de tong opneemt en in den bek brengt. Aardig is het naar hem te
+zien, wanneer hij hazelnooten, zijn lievelingsspijs, in overvloed kan
+krijgen. Bittere zaden, b.v. van amandels, zijn voor hem vergiftig:
+twee bittere amandelen zijn voldoende om hem te dooden.
+
+Schadelijk voor de boschkultuur wordt de Eekhoorn vooral door het
+opeten van de zaadlobben der pas ontkiemde beukels, eikels en zaden van
+naaldboomen; zelfs tamelijk ver ontwikkelde jonge eiken worden door
+hem uitgegraven om er de wortels en de zaadlobben van te verslinden;
+verder doet hij schade, door zich te voeden met de zaden van boomen,
+die voor het aanleggen van bosschen noodig zijn, door het afknagen
+van de blad- en bloemknoppen van naaldboomen, door het spiraalvormig
+afschellen van de schors van berkenstammen, en ook door andere
+naaldboomen, alsmede haagbeuken, beuken, eiken enz. te ontschorsen;
+voorts geeft hij aanleiding tot vermindering van het aantal Vogels,
+die door het verdelgen van schadelijke Insecten voor de boschkultuur
+nuttig zijn. Hiertegenover staat als nut van den Eekhoorn alleen,
+dat hij in 't voorjaar, als de boomzaden schaarsch zijn, zich met de
+zoo schadelijke Meikevers voedt.
+
+Wanneer het dier voedsel in overvloed kan krijgen, verzamelt het
+voorraad voor latere tijden van schaarschte. In de spleten en gaten
+van holle boomen en boomwortels, in door hemzelf gegraven holen,
+onder struiken en steenen, in een van zijne nesten en op andere
+dergelijke plaatsen legt het zijne voorraadschuren aan; dikwijls
+sleept het de voor proviand bestemde noten, graankorrels en zaden over
+groote afstanden naar de bedoelde bergplaatsen. In de bosschen van
+het zuid-oosten van Siberië bewaart de Eekhoorn ook paddestoelen;
+hij doet dit op een hoogst eigenaardige wijze. "Zij zijn," merkt
+Radde op, "zoo weinig zelfzuchtig, dat zij den voorraad paddestoelen
+niet opbergen, maar aan de naalden of in de lorkenwouden aan de
+kleine takjes steken, ze daar droog laten worden, om in tijden van
+hongersnood hunne doortrekkende soortgenooten van dienst te zijn."
+
+Uit deze voorzorgsmaatregelen met het oog op den winter blijkt, hoe
+buitengewoon gevoelig de Eekhoorntjes voor den invloed van het weder
+zijn. Wanneer de zon wat meer warmte geeft dan gewoonlijk, houden zij
+hun middagslaapje in hun nest en zwerven dan alleen des morgens en des
+avonds in het bosch rond; nog veel meer echter schuwen zij regenbuien,
+hevige onweders, stormen en vooral sneeuwjacht. Klaarblijkelijk hebben
+zij een voorgevoel van aanstaande weersveranderingen. Reeds een halven
+dag vóórdat de gevreesde weersgesteldheid begint, geven zij bewijzen
+van onrust, door voortdurend in de boomen rond te springen en door een
+zeer eigenaardig gefluit en geschreeuw, dat men anders alleen van hen
+hoort, wanneer zij zeer opgewonden zijn. Zoodra de eerste voorboden van
+het slechte weder zich vertoonen, verschuilen zij zich in hunne nesten
+(dikwijls verscheidene in één nest) en laten, nadat zij de opening aan
+de windzijde zorgvuldig dichtgemaakt hebben, op hun gemak ineengerold,
+de bui uitrazen. Een ongunstig najaar wordt voor hen noodlottig, omdat
+zij dan reeds in den herfst den voor den winter bestemden voorraad
+opgebruiken. Wanneer nu de hieropvolgende winter eenigermate streng
+is, worden onze dieren in grooten getale er het slachtoffer van.
+
+Zoodra de nacht invalt, begeeft het Eekhoorntje, dat een blijvende
+bewoner is van een oord, zich naar zijn nest en slaapt hier, zoolang
+het donker is; toch kan het ook gedurende de duisternis zeer goed den
+weg vinden. Lenz liet eens door twee daglooners een lange ladder in het
+bosch dragen en tegen een boom plaatsen, waarop zich een nest met jonge
+Eekhoorntjes bevond. Alles geschiedde zoo stil mogelijk. De lantaarn
+bleef beneden bij de dragers en Lenz klom naar boven. Zoodra hij het
+nest met de hand aanraakte, snelden de bewoners hiervan zoo vlug als de
+wind naar buiten; voor zoover men kon nagaan, gingen er twee hooger op
+in den boom, één bij den stam langs naar beneden en één door de lucht
+naar den bodem; in een oogwenk was alles in de nabijheid weer stil.
+
+Schrik geeft de Eekhoorn te kennen door de klanken: "Doek, doek". Als
+hij zich op zijn gemak gevoelt of slechts in geringe mate ontevreden
+is, laat hij een eigenaardig gemor of geknor hooren, dat niet goed
+door klankteekens kan worden weergegeven. Buitengewone vreugde of
+opgewondenheid drukt hij uit door te fluiten. Alle zinnen, vooral het
+gezicht, het gehoor en de reuk, zijn scherp: bovendien moet ook het
+gevoel zeer fijn ontwikkeld zijn, daar anders het vooruitvoelen van
+weersveranderingen voor ons onverklaarbaar zou blijven; ook de smaak
+moet, volgens opmerkingen, die men bij gevangen dieren gedaan heeft,
+van eenige beteekenis zijn. Dat het dier goede geestvermogens bezit,
+blijkt uit zijn goed geheugen en uit de list en slimheid, waarmede
+het aan zijne vijanden weet te ontkomen. Bliksemsnel begeeft het zich
+naar den hoogsten boom, die zich in de nabijheid bevindt, loopt bijna
+altijd aan de zijde, die van den vijand afgewend is, bij den stam
+omhoog tot aan de eerste gaffelvormige verdeeling, komt dan hoogstens
+met zijn kopje te voorschijn, kruipt in elkander, verbergt zich zoo
+goed, als de omstandigheden dit toelaten, en tracht zoo veel mogelijk
+onzichtbaar te blijven, terwijl het zich uit de voeten maakt.
+
+Vier weken na de paring werpt het wijfje in het zachtste, doelmatigst
+gelegen nest 3 à 7 jongen, die ongeveer 9 dagen lang blind blijven en
+door de moeder met groote liefde verzorgd worden. Nadat zij gespeend
+zijn, brengt de moeder, en misschien ook de vader, hun eenige dagen
+achtereen voedsel; daarna laten de ouders de kleintjes aan hun lot
+over. De jongen blijven nog eenigen tijd bijeen, spelen aardig met
+elkander en nemen zeer schielijk de gewoonten van de volwassenen
+aan. In Juni heeft de oude reeds voor de tweede maal jongen; als ook
+deze zoo ver zijn, dat zij met haar rondzwerven kunnen, vereenigen de
+jongen van beide worpen en hun moeder zich tot een bende, die soms
+uit 12 à 16 leden bestaat, en die men van nu af in een en 't zelfde
+deel van 't woud ziet arbeiden.
+
+Het Eekhorentje is buitengewoon zindelijk; het belekt en poetst
+zich voortdurend. Om deze reden is het zeer goed geschikt om in de
+kamer gehouden te worden. Voor dit doel worden de jongen uit het nest
+genomen, wanneer zij half volwassen zijn; men voedert ze met melk en
+wittebrood, totdat men ze noten en zaden kan geven.
+
+In hun jeugd zijn alle Eekhoorntjes wakkere, vroolijke en volkomen
+onschadelijke diertjes, die gaarne hebben, dat men ze vleit en
+liefkoost. Zij herkennen hun verzorger en houden van hem; ook toonen
+zij eenige leerzaamheid door te komen, als hij roept. Ongelukkig worden
+bijna alle, zelfs de tamste, valsch of althans tot bijten geneigd,
+wanneer zij ouder worden.
+
+De Edelmarter is de ergste vijand van den Eekhoorn. Den Vos gelukt
+het maar zelden deze prooi te bekruipen. Aan Wouwen, Haviken en groote
+Uilen ontkomt de Eekhoorn door, zoodra de Vogel hem te lijf wil gaan,
+schielijk volgens een schroeflijn om den boomstam heen naar boven
+te klimmen. Daar de Vogels bij 't vliegen natuurlijk veel grootere
+kringen moeten beschrijven, bereikt de vervolgde eindelijk een holte,
+een dichte boomkruin, waar hij veilig is. Meer bezwaren heeft hij
+te overwinnen, wanneer hij voor den Edelmarter vluchten moet. Deze
+moordzuchtige roover is in 't klimmen even goed ervaren als zijn
+slachtoffer; hij volgt het op den voet, in de boomkronen zoowel
+als op den grond, kruipt het na, zelfs in de holen, waarin het een
+schuilplaats zoekt, of in het door dikke wanden begrensde nest. Onder
+angstig geschreeuw en gefluit vlucht de Eekhoorn voor den Marter; de
+behendige roover jaagt hem achterna, en beide wedijveren als 't ware
+in 't maken van prachtige sprongen. De eenige kans op redding, die
+er voor den Eekhoorn bestaat, berust op zijn geschiktheid om zonder
+bezwaar uit den top van den hoogsten boom op den grond te springen,
+schielijk een eind vooruit te snellen om een nieuwen boom te bereiken,
+waar hij, zoo noodig het oude spel zal herhalen. Men ziet hem derhalve,
+als de Edelmarter hem vervolgt, zoo vlug mogelijk naar boven klauteren,
+en intusschen steeds op de reeds aangeduide wijze een schroeflijn
+volgen, om altijd min of meer door den stam gedekt te zijn. Steeds
+klimt de Edelmarter ijverig achter hem aan; beide klimmen ongeloofelijk
+snel naar het hoogste deel van de kroon. Reeds schijnt de Edelmarter
+het ingehaald te hebben,--op eens doet de eekhoorn uit den hoogsten
+top een geweldigen, boogvormigen sprong in de lucht, strekt, alle
+ledematen in horizontale richting zijwaarts, snort door de lucht naar
+beneden, komt behouden op den bodem aan en ijlt nu angstig voort,
+zoo schielijk hij kan, om zoo mogelijk een betere schuilplaats te
+zoeken. Zoo'n sprong kan de Edelmarter niet doen, toch bereikt hij
+in den regel spoedig zijn doel, omdat hij de vervolging niet opgeeft,
+maar zoo lang jaagt tot het slachtoffer geheel uitgeput is en zich moet
+overgeven.--Jonge Eekhoorntjes zijn aan veel meer gevaren blootgesteld
+dan de oude; die, welke pas zelfstandig geworden zijn, kunnen zelfs
+door een behendig klimmend mensch achterhaald worden. Als jongens
+zochten wij zulke diertjes en klauterden hen in de boomen na; meer
+dan eens werd de onverschilligheid, waarmede zij ons lieten naderen,
+hun noodlottig. Zoodra wij den tak, waarop zij zaten, konden bereiken,
+waren zij verloren. Wij bewogen den tak met geweld heen en weer; het
+verschrikte diertje was gewoonlijk nergens anders op bedacht, dan om
+zich stevig vast te houden, uit vrees voor den val. Nu gingen wij al
+verder en verder naar den omtrek van de kroon, voortdurend den tak
+schuddend, totdat wij met een vluggen greep het diertje konden pakken.
+
+De boeren aan de oevers van de Lena houden zich van het begin van
+Maart tot in het midden van April voortdurend met de vangst van
+Eekhoorns bezig; er zijn er, die meer dan 1000 vallen plaatsen. De
+Toengoesen schieten ze met stompe pijlen, om het vel niet te bederven,
+of gebruiken buksen met nauwen loop, met kogels ter grootte van een
+erwt, en dooden het dier door het in den kop te treffen. Volgens
+mondelinge mededeelingen van Radde is de Eekhoornjacht in het
+zuidoosten van Siberië even onderhoudend als opwindend. Het gevangen
+wild beloont den jager voor zijn moeite, want het vel, dat onder den
+naam _petit gris_ (_grauwerk_, _feh_) bekend is, wordt als pelswerk
+zeer geschat; de handel in dit artikel houdt een groot aantal menschen
+bezig. De mooiste vellen komen uit Siberië; zij zijn des te donkerder
+en kostbaarder, naarmate zij uit verder oostwaarts gelegen gewesten
+afkomstig zijn; aan deze zijde van den Oeral zijn zij lichter van
+kleur. Het ruggedeelte en het buikgedeelte van deze vellen worden
+afzonderlijk verwerkt. Rusland en Siberië leveren jaarlijks 6 à
+7 millioen vellen ter waarde van 1.800.000 gulden; slechts 2 à 3
+millioen vellen komen in West-Europa ter markt, de overige worden in
+'t land zelf gebruikt of gaan naar China. Bovendien worden de staarten
+afzonderlijk verwerkt tot "boa's"; van de staartharen maakt men goede
+schilderspenseelen. Het witte, malsche, smakelijke vleesch wordt door
+deskundigen overal gaarne gegeten.
+
+
+
+Ook de wouden van Amerika, Afrika en Indië worden vervroolijkt door de
+tegenwoordigheid van Eekhoorntjes, die ten deele zeer fraai gekleurd
+zijn; door hunne vlugge bewegingen trekken zij dikwijls niet minder dan
+de Apen de aandacht van den onderzoeker. Bovendien laten sommige zich
+zonder bezwaar in een hok verzorgen, waardoor men in de gelegenheid
+is allerlei eigenaardigheden van deze dieren op te merken, die in
+'t geheel niet waargenomen kunnen worden bij die, welke in vrijen
+toestand in de wildernis leven. Een betrekkelijk zeer klein Afrikaansch
+Eekhoorntje werd een tijdlang door Pechuel-Loesche aan de Loango-kust
+verzorgd en nagegaan. Hij schrijft hierover: "Een allerliefst
+Eekhoorntje met roestgele vacht, versierd met twee dubbele, zwarte
+en witte zijdestrepen, werd mij eens levend ten geschenke gegeven. De
+inboorlingen noemden het _Mkaka_. Blijkbaar was het geheel volwassen,
+toch was het niet grooter dan een flinke Muis, zoodat men het in de
+holle hand bergen kon. Binnen weinige dagen werd het zoo tam, dat
+het zich voortaan vrij in de kamer mocht bewegen. Met het vroolijk en
+zacht geroep van 'tik, tak,' dat telkens met een opwaartsche beweging
+van den staart gepaard ging, begeleidde het zijne grappige spelen;
+des nachts was het echter vlugger dan over dag. Zijne liefhebberijen
+veranderden buitengewoon snel. Een tijdlang koos het, wanneer het
+nu en dan ging zitten, bij voorkeur mijn inktpot als rustplaats uit,
+poetste en kamde zich, en volgde intusschen al mijne bewegingen met
+zijne schrandere oogjes. Als ik de pen indoopte, sprong het altijd
+op mijn hand over, en wanneer ik deze terugtrok, nam het zijn vorige
+plaats weer in. Daarna vond het mijn hoofd voor zetel geschikt, later
+mijn schouder, kroop intusschen ook in het geopende hemd, in een van
+mijne zakken, zoodat ik bij 't opstaan altijd vooraf nagaan moest,
+of ik het kleine schepseltje, dat dikwijls onder de bedrijven in slaap
+viel, niet op de een of andere plaats bij mij had. Als slaapplaats had
+ik het een uitgeholde adansonia-vrucht aangewezen, die op een veilige
+hoogte was opgehangen. Voortdurend was het bezig deze ruimte te vullen,
+met zachte lapjes, pluisjes van watten en groote vlokken heede, die
+het uit de kamer van mijn buurman wegnam, en naar boven vervoerde,
+door langs een als ladder dienenden stok of langs het rieten beschot
+omhoog te klauteren.
+
+"Wegens zijne bedrijvigheid en zucht naar veranderingen kwam het nooit
+tot rust en schiep het nooit lang behagen in de zaken, die het tot
+stand had gebracht. Het had nauwelijks een week gebruik gemaakt van
+het zachte nest, of het begon al reeds de met moeite bijeengebrachte
+bekleeding te versleepen en over te brengen naar een verleidelijk
+hoekje op mijn boekenplank; nadat deze eenigen tijd als slaapplaats had
+gediend, werd een derde nest aangelegd in een zak van de jas, die naast
+mijn schrijfstoel aan den muur hing. Daar achtte het zich gedurende
+geruimen tijd goed geborgen; ik meende dat het eindelijk tot rust zou
+zijn gekomen. Toen ik echter op een goeden keer mijne waterlaarzen
+wilde aantrekken, die ik, om ze tegen de Ratten te beveiligen, aan
+een over een dakspant geslagen touw had opgehangen en die dus vrij
+in de lucht zweefden, vond ik een van deze ingericht tot woning voor
+mijn Eekhoorntje en tot het boveneinde gevuld met heede, watten en
+vederen. Toen ontdekte ik ook, dat mijn rustelooze lieveling, evenals
+de Ziesels de manie had allerlei glinsterende en gladde voorwerpen
+te verzamelen: percussions, patroonhulzen, bontgekleurde scherven
+en andere fraaiigheden, en ook de vingerhoed, die ik sedert geruimen
+tijd miste, kwamen uit de laars te voorschijn. Voor het overige deed
+het niet veel kwaad."
+
+
+
+De grootste en de kleinste Eekhoornsoort komen beide in den
+Oost-Indischen archipel voor. De _Reuzen-eekhoorn_ (_Sciurus maximus_)
+heeft een lichaamslengte van 43 cM. met een staart van gelijke
+lengte, terwijl de op Sumatra en Borneo inheemsch _Dwerg-eekhoorn_
+(_Sciurus exilis_) zonder den 6 cM. langen staart, 6.5 cM. lang
+is. Van alle zoö-geographische rijken is trouwens het Oostersche
+gebied het rijkst aan Eekhoorns; niet minder dan 50 van de 100 à
+120 tot dusver bekende soorten van het geslacht (_Sciurus_) komen in
+dit gebied voor. Merkwaardig is hetgeen Wallace van deze dieren zegt,
+naar aanleiding van een bezoek door hem gebracht aan den heuvel Boekit
+Seboentang bij Palembang, die voor de begraafplaats van den stamvader
+der voormalige Palembangsche vorsten wordt gehouden: "Op een plaats,
+die ongeveer drie palen van de stad verwijderd is [1], rijst de
+grond tot een kleinen heuvel, die door de inboorlingen als heilig
+wordt beschouwd; eenige fraaie boomen, bevolkt door een kolonie van
+half tam geworden Eekhoorntjes beschaduwen hem. Wanneer iemand hun
+eenige broodkruimels, of eene of andere vrucht voorhoudt, komen zij
+snel langs den stam naar beneden, grissen het aangeboden hapje uit
+zijn vingers weg, en zijn in een oogwenk weder verdwenen. Zij dragen
+hunne staarten recht omhoog, en het haar, dat grijs, geel en bruin
+geringd is, spreidt zich gelijkmatig straalswijze rondom hen uit,
+en geeft hun een allerliefst voorkomen. Zij bewegen zich eenigermate
+op de wijze van Muizen, en gaan voort met kleine rukken, terwijl zij,
+alvorens zich verder te wagen, met hunne groote, zwarte oogen strak
+rondom zich staren. De wijze waarop de Maleiers zich dikwijls het
+vertrouwen van wilde dieren weten te verwerven, vormt een aangenamen
+trek in hun karakter, en is tot op zekere hoogte te verklaren uit de
+kalme bedaardheid hunner manieren, en de voorkeur die zij aan rust
+boven beweging geven. De kinderen zijn gehoorzaam aan de wenschen
+hunner ouders, en schijnen niets te gevoelen van de neiging tot
+kattekwaad, die men bij Europeesche jongens opmerkt. Hoe lang zouden
+wel tamme Eekhoorns de boomen kunnen bewonen in de nabijheid van
+een Engelsch dorp, al ware het zelfs vlak bij de kerk? De dorpsjeugd
+zou, zoo zij ze niet strikte om ze in draaikooien op te sluiten, met
+allerlei voorwerpen op hen mikken en hen spoedig verdrijven. Nooit
+heb ik gehoord, dat deze aardige diertjes in Engeland op zoodanige
+wijze werden tam gemaakt; doch ik geloof, dat dit gemakkelijk in het
+park van ieder heerenhuis zou kunnen gebeuren, en dat tamme Eekhoorns
+hier een even aardige en aantrekkelijke, als buitengewone vertooning
+zouden opleveren."
+
+Ook de Eekhoorns van Java en Sumatra echter, halen zich de vervolging
+van den mensch op den hals door de schade, die zij aanrichten. Zoo
+wordt van den _Tweekleurigen_ en van den _Zwartgevlekten Eekhoorn_
+(_Sciurus bicolor_ en _S. nigro-vittatus_) bericht, dat zij voor de
+koffieplantages lastige gasten zijn, omdat zij het sappige gedeelte
+van den vruchtwand der koffiebessen verslinden. Een andere Eekhoorn
+doet schade aan de Vijgeboomen, door het afknagen der eindknoppen, enz.
+
+
+
+Op de Dag-eekhoorns moeten wij de nachtelijk levende _Vliegende
+Eekhoorns_ (_Pteromys_) laten volgen. Zij onderscheiden zich van
+de leden van 't vorige geslacht vooral door de breede fladder-huid,
+die hunne ledematen, met uitzondering van de voor- en achtervoeten,
+aaneenverbindt. Door dit valscherm zijn de Vliegende Eekhoorns in
+staat, om met gemak zeer groote sprongen in schuinsche richting
+van boven naar beneden te doen; het bestaat uit een stevige huid,
+die aan de voorste en achterste ledematen en aan beide zijden
+van den romp bevestigd is, aan de rugzijde is zij dicht, aan de
+buikzijde echter dun behaard. Bovendien wordt het voorste deel
+van de fladderhuid nog gesteund door een beenige spoor aan den
+handwortel. De staart, een krachtig stuurorgaan, is altijd flink
+ontwikkeld; bij de verschillende soorten echter ongelijk behaard,
+bij die van de eene groep n.l. eenvoudig ruig, bij die van de andere
+bovendien tweerijig. Hierbij komen nog geringe verschillen in de
+samenstelling van het gebit.
+
+
+
+De _Tagoean_ (_Pteromys petaurista_), het grootste lid van de geheele
+familie, komt in lichaamsomvang ongeveer overeen met een Huiskat. De
+fladderhuid begint aan de voorpooten, en strekt zich langs de zijden
+van het lichaam uit tot de achterste ledematen; bovendien is nog
+een klein verlengstuk van deze huid tusschen de voorpooten en het
+achterste deel van den kop, en tusschen de achterpooten en het begin
+van den staart aanwezig. In den toestand van rust wordt de fladderhuid
+geplooid en tegen den romp aangelegd. Aan de bovenzijde van den kop,
+op den rug en aan den wortel van den staart is de haarkleur een
+mengsel van grijs en zwart. Aan de geheele onderzijde heeft de vacht
+een vuil witachtig grijze kleur. De kleur van de fladderhuid wisselt
+af van zwartbruin tot kastanjebruin aan de bovenzijde, de randen zijn
+licht aschgrauw, de onderzijde is grijs met een eenigszins geelachtige
+tint. De staart is zwart.
+
+De Tagoean bewoont alle gewesten van Oost-Indië en Ceylon, waar
+uitgestrekte bosschen voorkomen; daar leeft hij afzonderlijk of bij
+paren in de dichtste deelen van het woud, en bij voorkeur op de hoogste
+boomen. Over dag slaapt hij in holle boomen, des nachts komt hij te
+voorschijn, klimt en springt met buitengewone snelheid, behendigheid
+en zekerheid van beweging in de boomkronen rond, of maakt zeer groote
+sprongen van boven naar beneden om naburige boomen te bereiken. Daarbij
+strekt hij zijne ledematen in horizontale richting zijwaarts en spant
+hierdoor de fladderhuid tot een groot valscherm uit. De staart wordt
+als stuurorgaan gebruikt en stelt het dier, naar men beweert, in staat
+om door een plotselinge wending gedurende den sprong de richting van de
+beweging te veranderen. Sanderson weerspreekt deze bewering en zegt,
+dat het dier niet meer van de gekozen richting kan afwijken, nadat
+het den sprong heeft aangevangen; de inboorlingen wachten het aan
+het eindpunt van den sprong op en dooden het met een stokslag. Naar
+men verhaalt, is de snelheid, waarmede deze dieren springen en andere
+bewegingen maken, zoo buitengewoon groot, dat het oog hen bijna niet
+volgen kan.
+
+
+
+In noordelijke gewesten komen Vliegende Eekhoorns voor met tweerijig
+behaarden, langen, ruigen staart. Tot deze groep behoort de _Gewone
+Vliegende Eekhoorn_, de _Ljoetaga_ der Russen (_Pteromys volans_),
+die het noordelijke deel van Oost-Europa en bijna geheel Siberië
+bewoont. Dit dier is aanmerkelijk kleiner dan ons Eekhoorntje; zijn
+romp is zonder den 10 cM. langen, staart, slechts 16 cM. lang. De
+dichte en voor 't gevoel zijdeachtige vacht is in den zomer aan
+de bovenzijde vaalbruin; de bovenzijde van de "vlieghuid" en de
+buitenzijde van de pooten zijn donkerder grijsbruin, de onderdeelen
+zijn wit. In den winter wordt de vacht langer, dichter en lichter
+van kleur; de bovendeelen en de staart zijn dan zilvergrijs.
+
+Het Gewone Vliegende Eekhoorntje bewoont groote berkenbosschen of
+gemengde bosschen, waarin sparren, dennen en berken met elkander
+afwisselen. De berken schijnen voor zijn leven noodzakelijk te
+zijn; hierop wijst ook de kleur van de vacht, die over 't geheel
+genomen evenzeer gelijkt op die van den berkenbast, als de kleur
+van ons Eekhoorntje gelijkt op die van de schors van dennen en
+sparren. Ofschoon het vel van den Ljoetaga als pelterij weinig waarde
+heeft, wordt het toch door de Chineezen voor dit doel gebruikt. Iederen
+winter worden een groot aantal van deze dieren gedood; hun aantal
+neemt dan ook sterk af; uit vele streken waar zij vroeger veelvuldig
+voorkwamen, zijn zij bijna geheel verdwenen; misschien komen zij er
+echter nog talrijker voor, dan men meent.
+
+Hun voedsel bestaat uit noten en zaden van allerlei boomen, bessen,
+knoppen, jonge spruiten en katjes van berken. Als de koude aanvangt,
+vervallen zij in een afgebroken winterslaap: gedurende de koude dagen
+slapen zij; als het weder zachter is, loopen zij iederen dag minstens
+een paar uur rond.
+
+
+
+Een merkwaardig geslacht is dat van de _Aard-eekhoorns_
+(_Tamias_). Door het bezit van wangzakken, die zich tot aan het
+achterhoofd uitstrekken, en door hun meer of minder onderaardsche
+levenswijze vormen zij een overgang van de Eekhoorns tot de Ziesels;
+zij stemmen echter meer met gene dan met deze overeen. De dun behaarde
+staart is een weinig korter dan het overige lichaam; de vacht is kort
+en niet zeer zacht, op den rug gewoonlijk met duidelijke, overlangsche
+streepen geteekend. De weinige, hiertoe behoorende soorten bewonen
+Oost-Europa, Siberië en Noord-Amerika.
+
+
+
+De _Boeroendoek_ of _Gestreepte Siberische Aard-eekhoorn_ (_Tamias
+striatus_) is aanmerkelijk kleiner, maar plomper gebouwd dan onze
+Eekhoorn. De kleur van de korte, ruige, dicht aanliggende vacht is aan
+den kop, den hals en de zijden van den romp geelachtig, en bevat vele
+lange haren met witte spitsen; over den rug loopen vijf overlangsche,
+zwarte streepen, die strooken van ongelijke breedte begrenzen: de
+middelste is boven de ruggegraat gelegen, de beide volgende strekken
+zich van den kop tot aan de achterpooten uit, daartusschen bevindt
+zich een bleekgele strook. De geheele onderzijde is geelachtig wit.
+
+Het vaderland van den Aard-eekhoorn van de Oude Wereld bestaat uit een
+groot deel van Noord-Azië en een klein stuk van Oost-Europa. Hij is een
+woudbewoner en komt zoowel in naaldboombosschen als in beukenbosschen
+voor, het veelvuldigst echter daar, waar vele Russische ceders of
+arven groeien, welker (ook voor den mensch) bruikbare zaden, hij
+gaarne eet. Onder de wortels van deze boomen graaft hij zijn tamelijk
+kunsteloos, eenvoudig hol, dat uit het eigenlijke nest en één, twee
+of drie voorraadkamers bestaat, welke ruimten het dier door een lange
+gekronkelde gang kan bereiken. Het voedt zich met zaden en bessen,
+maar vooral met noten en graankorrels; van deze beide voedingsmiddelen
+bevatten zijne voorraadschuren in sommige winters 5 à 8 KG., welke
+proviand in de wangzakken er heen wordt gebracht.
+
+De Aard-eekhoorns worden door de landbouwers niet gaarne
+gezien. Evenals de Muizen begeven zij zich naar de graanschuren en
+richten hier, wanneer zij zeer talrijk zijn, groote schade aan. Hunne
+gevulde voorraadschuren worden, evenals in andere landen die van de
+Hamsters, opgegraven en geledigd. De Siberiërs trekken ook partij
+van het vel van deze dieren, dat naar China wordt gezonden, waar het
+gebruikt wordt voor het boorden en garneeren van andere pelterijen.
+
+De Aard-eekhoorns zijn door hunne fraaie kleur en sierlijke, vlugge
+bewegingen geschikt om de belangstelling te wekken van hen, die gaarne
+dieren in gevangenschap houden. Volkomen tam worden zij nooit, altijd
+blijven zij vreesachtig en toonen lust tot bijten.
+
+
+
+De _Marmotten_ (_Arctomyinae_), die de tweede onderfamilie van
+de Eekhoornachtigen vormen, onderscheiden zich van de Eekhoorns in
+engeren zin door den loggeren, meer ineengedrongen romp, den korteren
+staart en door eigenaardigheden van het gebit. Deze diergroep omvat
+een tamelijk groot aantal soorten, die over Middel-Europa, Noord-Azië
+en Noord-Amerika verbreid zijn. De meeste bewonen de vlakten, eenige
+echter leven juist in de hoogste bergen van hun vaderland. Zij houden
+zich op in droge, leemachtige, zandige of steenachtige gewesten, in
+grasrijke vlakten en steppen, in bouwlanden en tuinen; de Marmotten,
+die in de gebergten leven, geven echter aan de weiden, die boven de
+grens van den boomgroei gelegen zijn, of aan de ravijnen en rotsdalen,
+die tusschen deze grens en de sneeuwgrens voorkomen, de voorkeur
+boven de genoemde vlakten. Alle soorten hebben vaste woonplaatsen
+en trekken niet van het eene oord naar het andere. Zij graven diepe,
+onderaardsche woningen en leven hier in gezelschappen, die dikwijls
+uit een verbazend groot aantal individuën bestaan. Sommige hebben
+meer dan één woning, en maken van de eene of de andere gebruik, al
+naar het jaargetijde, of al naar de werkzaamheden, die zij juist dan
+te verrichten hebben. Andere blijven jaar in jaar uit in hetzelfde
+hol. Alle leven op den bodem; hoewel hare bewegingen ook nog snel en
+vlug zijn, staan zij toch in dit opzicht bij de eigenlijke Eekhoorns
+achter; eenige soorten komen ons zelfs log voor. Gras, kruiden, malsche
+spruiten, jonge planten, zaden, veldvruchten, bessen, wortels, knollen
+en bollen verschaffen haar voedsel; alleen die soorten, welke zich
+met veel moeite in de boomen en struiken naar boven kunnen begeven,
+eten jonge boombladeren en knoppen. Waarschijnlijk gebruiken ook zij,
+behalve planten, Insecten en Zoogdieren tot voedsel, en verschalken
+zij soms Vogels, die zich niet vlug kunnen bewegen, of plunderen hunne
+nesten. Sommige soorten zijn schadelijk in koornvelden en tuinen;
+het door haar veroorzaakte nadeel is echter niet belangrijk. Bij
+het eten zitten zij als de Eekhoorntjes op haar achterwerk en
+brengen het voedsel met de voorpooten naar den mond. Zoodra de
+vruchten rijp zijn, beginnen zij winterprovisie te verzamelen en
+hare onderaardsche voorraadschuren te vullen met grassen, bladen,
+zaden en graanvruchten. Als de winter komt, verschuilen zij zich in
+hare holen en vervallen hier in een diepen, onafgebroken winterslaap.
+
+Haar stem bestaat uit een meer of minder luid gefluit of gekef,
+en een soort van geknor, dat, wanneer het zacht is, een tevredene
+gemoedstemming te kennen geeft, maar anders toorn verraadt. Vele
+soorten zijn hoogst opmerkzaam, voorzichtig en waakzaam, schuw
+en vreesachtig; zij zetten wachten uit tot vermeerdering van de
+veiligheid van het gezelschap, en vluchten bij het geringste vermoeden
+van een naderend gevaar ten spoedigste naar hare onderaardsche
+schuilplaatsen. Haar verstand blijkt hieruit, dat zij gemakkelijk
+en in vrij hooge mate getemd kunnen worden. De meeste leeren hare
+verzorgers kennen en worden zeer gemeenzaam; eenige geven zelfs
+bewijzen van volgzaamheid en leerzaamheid, en laten zich tot het doen
+van verscheidene kunstjes africhten.
+
+Zij vermenigvuldigen zich zeer sterk. Wel werpen zij gemiddeld slechts
+eens 't jaar jongen, maar elke worp bestaat uit 3 à 10 stuks.
+
+Van sommige wordt het vel gebruikt, van andere wordt het vleesch
+gegeten; ook zijn zij geschikt om, als huisgenooten van den mensch, tot
+zijn tijdverdrijf te dienen; ander voordeel verschaffen zij ons niet.
+
+
+
+De eerste groep van de Marmotachtige Knaagdieren omvat de _Ziesels_
+(_Spermophilus_). Van deze verdient, als bewoner van Middel-Europa,
+vermelding de _Gewone Ziesel_ (_Spermophilus citillus_), een aardig
+diertje, bijna van de grootte van een Hamster (hoogstens 24 cM. lang,
+zonder den 7 cM. langen staart; schouderhoogte omstreeks 9 cM.), maar
+met veel slankeren romp en bevalliger kopje. Hij heeft een losse,
+uit tamelijk stijve haren bestaande vacht, die aan de bovenzijde
+geelachtig grijs is, met onregelmatige roestgele golflijnen en fijne
+vlekjes, aan de onderzijde roestgeel, aan de kin en het voorste deel
+van den hals wit.
+
+De Ziesel komt voornamelijk in het oosten van Europa voor. Albertus
+Magnus heeft hem waargenomen in de nabijheid van Regensburg, waar
+hij thans niet meer gevonden wordt; in den laatsten tijd breidt
+zijn woongebied zich in Silezië hoe langer hoe verder naar 't westen
+uit. Voor omstreeks 60 jaren kende men hem daar niet, sedert 50 jaren
+echter is hij reeds in het westelijk deel van de provincie, en wel in
+het regeeringsdistrict Liegnitz doorgedrongen en schrijdt vanhier uit
+verder westwaarts voort. Naar het schijnt, heeft hij van alle verwante
+soorten het uitgestrektste verbreidingsgebied. Met zekerheid kent men
+hem als bewoner van het zuiden en midden van Rusland, van Galicië,
+Silezië en Hongarije, Stiermarken, Moravië en Boheme, Karinthië,
+Krain. Op de meeste plaatsen, waar de Ziesel zich ophoudt, komt hij
+veelvoudig voor; soms veroorzaakt hij een aanmerkelijke schade aan den
+landbouw. Droge, boomlooze gewesten strekken hem tot verblijfplaats,
+vooral houdt hij van een samenhangenden zand- of leembodem, dus van
+akkergrond en uitgestrekte grasvlakten. In den laatsten tijd is hij
+volgens Herklotz, begonnen zich te vestigen in streken, die door
+spoorwegen doorsneden worden; daar de spoordijken hem het graven
+gemakkelijk maken, en voor regenbuien eenigszins beveiligen. Deze
+dieren leven steeds gezellig, maar ieder hunner graaft zich zijn eigen
+hol in den grond, het mannetje dichter bij de oppervlakte, het wijfje
+dieper. De kamer ligt 1 à 1.5 M. onder de oppervlakte van den bodem,
+is van langwerpig ronden vorm, heeft ongeveer 30 cM. middellijn
+en wordt met droog gras gevoerd. Naar boven leidt altijd slechts
+een enkele, nauwe gang, vóór welker opening een kleine hoop aarde
+opgeworpen is. Andere ruimten van de onderaardsche woning dienen als
+bewaarplaatsen van den wintervoorraad, die in den herfst bijeengebracht
+wordt. Het hol, waarin het wijfje in de lente, gewoonlijk in April of
+Mei, hare 3 à 8 hulpbehoevende, naakte en blinde jongen ter wereld
+brengt is, om het teer geliefde kroost voldoende te beveiligen,
+altijd dieper aangelegd dan het gewone, tot woning dienende hol.
+
+"Ofschoon de Ziesel zeer wantrouwig en voorzichtig is," schrijft
+Herklotz, "geraakt hij toch aan dikwijls herhaalde storingen gewoon,
+zoodat deze hem ten slotte in 't geheel niet meer hinderen. Op een
+Hongaarschen spoorweg ontdekte ik aan het einde van een ten deele
+in 't puin bedolven dwarslegger, een in den spoordijk doordringend
+Zieselhol, waaraan ik door den reuk kon bemerken, dat het bewoond
+werd. Om mij hiervan volkomen te overtuigen, ging ik op de loer liggen,
+en het duurde niet lang of de Ziesel kwam te voorschijn. Een half
+uur later kwam de trein aansnorren, de Ziesel schoot in zijn hol,
+maar bleef met het halve lijf er buiten, liet rustig den trein over
+zich heen ratelen, kwam toen dadelijk weer te voorschijn en hervatte
+zijne vroegere bezigheden."
+
+Malsche kruiden en wortels, graansoorten, peulvruchten en allerlei
+bessen, maken het gewone voedsel van den Ziesel uit. Tegen den aanvang
+van den herfst begint hij voorraad in te zamelen, die hij op de
+wijze van den Hamster in de wangzakken naar zijn hol vervoert. Als
+de gelegenheid zich voordoet, wordt de Ziesel ook gevaarlijk voor
+Muizen en voor Vogels die op den grond nestelen; want hij ontrooft
+hun niet alleen de eieren, maar overvalt zelfs de volwassen Vogels,
+als zij niet voorzichtig zijn, brengt ze een paar beten toe, vreet hun
+de hersenen uit den kop en verslindt ze daarna geheel, met uitzondering
+van de huid. Het voedsel houdt hij zeer sierlijk tusschen de voorpooten
+vast en eet het op, terwijl hij in half opgerichte houding op zijn
+achterwerk zit.
+
+De schade, die de Ziesel door zijne dieverijen veroorzaakt,
+wordt alleen dan merkbaar, als het dier zich buitengewoon
+sterk vermenigvuldigt. Maar de Hermelijnen, Wezels, Bunzingen en
+Steenmarters, de Valken, Kraaien, Reigers en Trappen, zelfs de Katten,
+de Rattenvangers en andere bekende verdelgers van Knaagdieren maken
+ijverig jacht op hem. De Groote Trap o.a. vervolgt den Ziesel met
+evenveel ijver als behendigheid, doodt hem door een snavelhouw
+en verslindt hem met huid en haar. Ook de hand van den mensch is
+tegen hem; hij wordt vervolgd zoowel wegens zijn vel, als om zijn
+smakelijk vleesch; men vangt hem in strikken en vallen, graaft hem
+uit of dwingt hem zijn hol te verlaten door er water in te gieten,
+enz. Hierdoor wordt aan de sterke vermenigvuldiging van den Ziesel
+paal en perk gesteld.
+
+Het is niet moeielijk den Ziesel levend te vangen. De spade brengt het
+in zijn hol verborgen dier spoedig aan 't daglicht, of de arglistig
+voor den ingang geplaatste val doet hem bij het verlaten zijner woning
+de vrijheid verliezen. In dit geval gedraagt de Ziesel zich op een
+zeer beminnelijke wijze. Hij maakt van den nood een deugd en sluit
+langzamerhand vriendschap met den hem opgedrongen meester. Toch toont
+hij niet zelden de eigenaardige streken van de Knaagdieren door duchtig
+te bijten. Als hij goed behandeld wordt, kan de Ziesel verscheidene
+jaren lang als gevangene in 't leven blijven. Met de Hazelmuis is
+hij wel een van de aardigste dieren, die men in de kamer houden kan.
+
+
+
+De in Noord-Amerika levende _Prairie-hond_ (_Cynomys ludovicianus_)
+verbindt in zekeren zin de Ziesels met de eigelijke Marmotten;
+hoewel hij streng genomen tot gene behoort, gelijkt hij toch meer op
+deze. De romp is ineengedrongen, de kop groot, de staart zeer kort,
+ruig, van boven en aan de zijden gelijkmatig behaard; de wangzakken
+zijn onbeduidend. Volwassen Prairie-honden kunnen, met inbegrip
+van den ongeveer 7 cM. langen staart, een lengte van ongeveer 40
+cM. bereiken. De kleur van de bovenzijde is licht roodachtig bruin,
+met grijs en een zwartachtige tint gemengd, die van de onderzijde is
+vuilwit, de korte staart is aan de spits bruin gestreept.
+
+De naam "Prairiehond," die langzamerhand burgerrecht heeft gekregen, is
+aan dit dier gegeven door de oude Canadeesche trappers of pelsjagers,
+die het ontdekten, en welker aandacht vooral getrokken werd door het
+blaffend geluid, dat het laat hooren. In zijn uitwendig voorkomen is
+niets, wat aan den Hond herinnert. Zijne uitgestrekte verblijfplaatsen,
+die men, wegens hun omvang "dorpen" noemt, worden geregeld gevonden
+op eenigszins laag gelegen weiden, waar een sierlijke grassoort
+een prachtig tapijt vormt en tevens aan de dieren het verkrijgen van
+voedsel gemakkelijk maakt. "Tot welk een ongeloofelijke uitgestrektheid
+de koloniën van deze vreedzame bodembewoners zijn aangegroeid," zegt
+Balduin Möllhausen, "bemerkt men het best, wanneer men voortdurend,
+dagen achtereen tusschen de kleine heuvels doortrekt, die ieder aan
+twee of meer van deze dieren tot woonplaats dienen. De woningen zijn
+gewoonlijk 5 à 6 M. van elkander verwijderd; iedere kleine heuvel, die
+zich voor den ingang van zulk een woning verheft, bestaat vermoedelijk
+uit een flinke wagenvracht aarde, die langzamerhand door de bewoners
+uit de onderaardsche gangen aan de oppervlakte is gebracht. Sommige
+woningen hebben één, andere twee ingangen. Een vastgetreden pad
+leidt van de eene woning naar de andere; dit ziende, komt men tot het
+vermoeden, dat er tusschen deze vlugge diertjes een innige vriendschap
+moet bestaan. Tot de keuze van een plaats voor het aanleggen hunner
+'steden' schijnen zij bepaald te worden door de aanwezigheid van een
+korte grassoort met gekroesde bladen, die vooral op hoogvlakten tiert,
+en die, met den wortel van een andere plantensoort, het eenige voedsel
+van deze diertjes uitmaakt. Zelfs op de hoogvlakten van Nieuw-Mexico,
+waar vele mijlen in 't rond geen druppel water te vinden is, treft
+men dicht bevolkte vrijstaten van deze diersoort aan. Daar er in deze
+streken verscheidene maanden achtereen geen regen valt, en men ook, om
+het grondwater te bereiken, meer dan 30 M. diep moet graven, mag men
+wel aannemen, dat de Prairie-honden geen ander water noodig hebben,
+dan dat hetwelk door een sterken dauw van tijd tot tijd op de fijne
+grashalmen wordt neergeslagen. Als de Prairie-hond den tijd voelt
+naderen, waarin hij den winterslaap zal aanvangen, hetgeen gewoonlijk
+in de laatste dagen van October geschiedt, sluit hij alle uitgangen
+van zijn woning om zich tegen de koude winterlucht te beveiligen, en
+geeft zich aan den slaap over, om niet eerder de onderwereld weder
+te verlaten dan in de lentedagen, als de warmte hem tot een nieuw,
+vroolijk leven opwekt. Volgens de verhalen van de Indianen, opent
+hij dikwijls reeds de deuren zijner woning als het weder nog koud
+is. Dit wordt dan beschouwd als een betrouwbaar voorteeken van de
+spoedige komst van warme dagen.
+
+"Zulk een kolonie levert een merkwaardig schouwspel op, als het
+gelukt, haar tot op korten afstand te naderen, zonder door de wachten
+opgemerkt te worden. Zoover het oog reikt, ziet men overal leven en
+beweging; bijna op iederen heuvel zit rechtop als een Eekhoorntje, de
+kleine, geelachtig bruine Marmot; het naar boven gerichte staartje is
+voortdurend in beweging en de fijne, blaffende stemmetjes van de vele
+duizenden dieren, vereenigen zich tot een gonzend gedruisch. Als de
+toeschouwer nog eenige schreden naderbij komt, hoort en onderscheidt
+hij de zwaardere stem van de oude en ervaren hoofden; maar op
+eens, als door een tooverslag, is al dit leven van de oppervlakte
+verdwenen. Slechts hier en daar komt uit de opening van een hol de kop
+van een verspieder te voorschijn, die door een aanhoudend, uitdagend
+geblaf, zijne verwanten voor de gevaarlijke nabijheid van een mensch
+waarschuwt. Als men dan gaat liggen, en zonder zich te bewegen met
+geduld acht geeft op hetgeen er in de naaste omgeving voorvalt,
+zal men na verloop van korten tijd de schildwacht weder zijn plaats
+op den heuvel voor zijn deur zien innemen; door onophoudelijk te
+blaffen, maakt hij zijne soortgenooten bekend met het ophouden van het
+gevaar. Hij lokt daardoor de eene voor, de andere na uit de donkere
+gangen aan de oppervlakte, waar weldra de vreedzame werkzaamheden
+van deze gezellige dieren op nieuw een aanvang nemen. Uren lang zou
+men, zonder verveling, dit aanhoudend afwisselend tafereel kunnen
+beschouwen; 't is te begrijpen, dat menigeen dan de wensch in zich
+voelt opkomen, de taal van deze dieren te leeren verstaan, om hunne
+gesprekken te kunnen afluisteren en in hun gedachtenkring door te
+dringen."
+
+Een opmerkelijk feit, voor welks juistheid verscheidene
+natuuronderzoekers ons borg staan, is, dat de woningen der
+Prairie-honden ook aan twee gevaarlijke vijanden van kleine Knaagdieren
+huisvesting verschaffen. Het is volstrekt geen zeldzaamheid, Marmotten,
+Aarduilen en Ratelslangen door dezelfde opening naar binnen te
+zien gaan.
+
+"Ieder die met de prairie en hare bewoners goed bekend is", schrijft
+Finsch, "weet, dat deze dieren vreedzaam in een en 't zelfde hol
+bijeenwonen. De dierenopzetters in het verre westen, kiezen met
+voorliefde dit klaverblad als voorbeeld voor een dierengroep, die
+onder den naam van 'de gelukkige familie' bij de vreemdelingen niet
+weinig verwondering wekt."
+
+Van de gevangen Prairie-honden bericht Haacke onder meer het volgende:
+"Er zijn waarschijnlijk niet veel dieren, welker leven in den gevangen
+staat zich zoo gemakkelijk tot een nagenoeg met de natuur overeenkomend
+beeld van hun leven in den vrijen staat laat inrichten, als dat
+van de Prairie-honden, welker kunstige woningen en merkwaardige
+werkzaamheden met groote belangstelling door vele bezoekers van
+den Frankforter dierentuin worden nagegaan. Nauwelijks waren in den
+vorigen zomer de dieren weer toegelaten in ons Prairie-honden-park, dat
+door eenige nieuwe inrichtingen verbeterd was, of hun onderaardsche
+arbeid nam een aanvang. Des namiddags waren de dieren in 't park
+toegelaten, den volgenden nacht reeds konden zij in hunne nieuwe
+holen slapen. Bij het uitgraven van zijn hol gaat de Prairie-hond met
+groote omzichtigheid te werk. Nooit begint hij te graven op den bodem
+van den onderaardschen gang die hij verlengen wil, want daardoor
+zou hij zich den uitweg versperren of althans zeer bemoeilijken;
+steeds begint hij zijn arbeid in de onmiddellijke nabijheid van
+den ingang. Hier wordt de aarde die van een vorigen keer is blijven
+liggen, met de voorpooten onder den buik van het dier geschoven en
+vervolgens met de achterpooten naar buiten geslingerd; zoo verdwijnt
+het dier, dat afwisselend met de voor- en achterpooten arbeidt,
+langzamerhand in de diepte. Met het graven der gangen is echter het
+bouwen van de woning niet afgeloopen. Een belangrijk deel van den
+hiervoor vereischten arbeid is het opwerpen van een ringwal om de
+uitgangsopening, waardoor het hol tegen overstrooming gevrijwaard
+wordt. Met dit doel wordt de uitgegraven aarde bijeengebracht. Al
+wat te ver was voortgesmeten, wordt door de achterpooten weer in de
+buurt van den ingang van het hol geworpen; daarna schuift het dier,
+omdat hier degelijk werk verricht moet worden, de aarde zorgvuldig
+met de voorpooten voor zich uit, en hoopt haar rondom den ingang
+op. Om te maken dat zij hier blijft liggen en een flinken wal vormt,
+wordt zij netjes met den neus vastgestampt; om de beste uitkomst te
+verkrijgen, worden regendagen gekozen voor het stevig maken van den
+wal en van de wanden van den ingang; men ziet op zulke dagen rondom
+den ingang overal de indruksels van den neus van het dier.
+
+"Met het oog op de weersveranderingen brengt de Prairie-hond nu en dan
+tijdelijke wijzigingen aan in zijn woning. Toen het in October koud
+werd, maakten onze Prairie-honden drie van de vijf toegangsopeningen
+tot hun hol dicht. Voor dit doel werden de wallen gedeeltelijk
+afgebroken. Juist het tegendeel geschiedde, naar mij bleek, in den
+zomer, als de zon na eenige regendagen veel warmte gaf en er voor het
+uitdrogen van de woning gezorgd moest worden. Toen werden er, om het
+ontwijken van den waterdamp te bevorderen, luchtgangen gegraven. Om
+het hol bewoonbaar te maken, moet het leger van het dier met hooi
+en dergelijke materialen bekleed worden. Bij droog weder werpen
+wij onze Prairie-honden een handvol hooi toe. Met de voorpooten en
+den bek maken de dieren van het hooi boschjes, die zoo dik zijn,
+dat zij ze bijna niet met den mond kunnen vasthouden en verdwijnen
+hiermede in de diepte. Op soortgelijke wijze handelen zij met papier;
+geheele couranten worden tot een prop samengevouwen en in het hol
+gesleept. Als het hooi van het leger te vochtig geworden is, nemen
+zij het weg en vervangen het door nieuw hooi."
+
+
+
+Wat de Prairie-hond is in de Nieuwe Wereld, is de _Bobak_ (_Arctomys
+bobac_) in de Oude Wereld: een bewoner van de vlakte. De lichaamslengte
+van dit dier, dat men eerst in den laatsten tijd van de Marmot der
+Alpen heeft leeren onderscheiden, bedraagt 37 cM., zonder den 9
+cM. langen staart; de tamelijk dichte vacht is vaal roestgeel. De
+jongen zijn doffer van kleur dan de ouden.
+
+Het verbreidingsgebied van den Bobak strekt zich uit van 't zuiden
+van Polen en Galicië over een deel van Centraal-Azië tot aan den Amoer
+en misschien tot Kamtschatka en over den Himalaja tot in Sikkim. Hij
+bewoont vlakten en steenachtige heuvels; zoowel bosschen als zandige
+streken worden door hem gemeden, omdat deze hem het graven van
+zijne diepe woningen niet veroorloven. Adams vond hem in de breedste
+dalen van Kasjmir nog op hoogten van 2000 en zelfs van 3000 M. boven
+den zeespiegel. Hier houdt hij zich op in vruchtbare vlakten, waar
+gedurende den zomer een plantenkleed, dat veel afwisseling vertoont
+maar niet hoog opgroeit, den bodem bedekt. Altijd en overal leeft
+hij in gezelschappen, die uit een groot aantal individuën bestaan,
+en geeft hierdoor aan vele gewesten een eigenaardig voorkomen:
+tallooze heuvels, die men in de grassteppen van Centraal-Azië,
+opmerkt, danken hun ontstaan hoofdzakelijk aan deze Marmotten, die
+door hun bedrijvigheid den reiziger weten te boeien, en door hun
+vleesch voor de menschen en voor vele dieren, die de steppe bewonen,
+van groot belang zijn.
+
+
+
+Boven op de hoogste steengruishoopen der Alpen, waar geen boom, geen
+struik meer groeit, waar geen Rund meer komt en waar de Geiten en
+Schapen zich maar zelden vertoonen, zelfs op de kleine rotseilanden
+midden tusschen de groote gletschers, waar de sneeuw slechts gedurende
+hoogstens zes weken ieder jaar door de warme zonnestralen wordt
+weggevaagd: daar woont een reeds sinds overouden tijd bekend lid
+van de familie, wiens leven wel is waar, wat de hoofdzaken betreft,
+overeenstemt met dat van zijne vroeger beschrevene verwanten, maar
+wegens zijn eigenaardige woonplaats in vele opzichten er ook van
+afwijkt. De Romeinen noemden dit dier _Alpenmuis_, de Savoyaarden
+noemen het _Marmotta_, de bewoners van Engadin _Marmotella_. Van deze
+namen zijn zoowel het Nederlandsche woord _Marmot_, als het Duitsche
+woord _Murmelthier_ nabootsingen. In Bern heet het _Murmeli_, in
+Wallis _Murmentli_ en _Mistbelleri_, in Gauwbunderland _Marbetle_
+of _Murbentle_, in Glarus _Munk_.
+
+Dit dier is ons tegenwoordig vreemder, dan het vroeger was. De arme
+Savoyaardenjongens mogen niet meer zwerven; vroeger trokken zij tot
+in ons land en nog verder noordwaarts met hun tammen Marmot op den
+rug, om door de eenvoudige voorstellingen, die zij met hun eenige
+bezitting in dorpen en steden gaven, eenige centen op te halen. Het
+is met de Marmot gegaan als met het Kameel, den Aap en den Beer: zij
+heeft opgehouden een bron van vreugde voor de dorpsjeugd te zijn;
+men moet thans tamelijk ver reizen, tot in de dalen der Alpen, om
+nog een levende Marmot te zien.
+
+De _Marmot_ (_Arctomys marmota_) kan, met inbegrip van den
+11 cM. langen staart, een lengte van 62 cM. bereiken, bij een
+schouderhoogte van 15 cM. Door gestalte en lichaamsbouw gelijkt zij op
+hare verwanten. De beharing, die uit kort wolhaar en langer bovenhaar
+bestaat, is dicht, overvloedig en tamelijk lang; de kleur is aan de
+bovenzijde in meerdere of mindere mate bruinzwart, op de kruin en het
+achterhoofd afgebroken door eenige witachtige stippen, in den nek,
+aan den wortel van den staart en aan de geheele onderzijde donker
+roodachtig bruin, aan de pooten, de zijden van den romp en aan het
+achterwerk nog lichter, aan den snuit en aan de voeten roestgeelachtig
+wit. De oogen en de klauwen zijn zwart, de snijtanden bruinachtig
+geel. Men treft ook geheel zwarte of witte en parelkleurig wit gevlekte
+exemplaren aan.
+
+Uit onderzoekingen van den laatsten tijd is gebleken, dat de Marmot
+uitsluitend Europa bewoont. Zij houdt zich op in de hooge gebergten,
+in de Alpen, Pyreneën en Karpaten, en meer bepaaldelijk in de hoogst
+gelegen gedeelten, in de weiden die in de onmiddellijke nabijheid van
+de eeuwigdurende ijs- en sneeuwvelden gelegen zijn, en daalt over 't
+algemeen niet lager dan tot de boomgrens af. Als verblijfplaats kiest
+zij vrije ruimten, die aan alle zijden door steile rotswanden begrensd
+zijn of kleine, nauwe bergkloven tusschen alleenstaande spitsen,
+bij voorkeur oorden, die zoo ver mogelijk van de tooneelen van 's
+menschen bedrijvigheid verwijderd zijn. Hoe eenzamer het gebergte is,
+des te veelvuldiger komt zij voor; daar waar de mensch druk verkeert,
+is zij reeds uitgeroeid. In den regel bewoont zij alleen de naar 't
+zuiden, oosten en westen gekeerde bergvlakten en hellingen, omdat zij,
+evenals de meeste dagdieren, veel van de zonnestralen houdt. Hier
+heeft zij hare holen gegraven, sommige klein en eenvoudig, andere
+dieper en op ruimer schaal aangelegd, gene voor den zomer bestemd,
+deze voor den winter, gene tot beschutting tegen voorbijgaande
+gevaren of ongunstige weersveranderingen, deze om als schuilplaats te
+dienen gedurende den vreeselijk strengen winter, die hierboven 6, 8,
+ja zelfs 10 maanden lang den schepter zwaait. Minstens twee derden
+van het jaar verslaapt dit merkwaardige wezen, soms nog veel meer,
+want op zijne hoogst gelegen woonplaatsen duren zijn groei en zijn
+leven boven den grond ternauwernood een zesde deel van het jaar.
+
+Het leven van de Marmot gedurende den zomer is zeer
+merkwaardig. Volgens Tschudi vertoonen zich met het aanbreken van
+den dag in de eerste plaats de oude dieren; zij steken voorzichtig
+den kop buiten het hol, kijken rond, luisteren, wagen zich dan
+langzaam geheel naar buiten, loopen eenige schreden omhoog, gaan op
+de achterpooten zitten en plukken vervolgens gedurende eenigen tijd
+zelfs het kortste gras met ongeloofelijke snelheid af. Korten tijd
+daarna ziet men ook de kopjes van de jongen zich boven den ingang
+van de woning verheffen; zij sluipen naar buiten, grazen een weinig,
+liggen uren lang in de zon, gaan rechtop zitten en spelen lief met
+elkander. Alle oogenblikken kijken zij om en letten met de grootste
+opmerkzaamheid op al wat er in de omgeving voorvalt. Het eerste
+dier, dat een verdacht verschijnsel opmerkt, een Roofvogel, een
+Vos of een mensch, fluit luid en zwaar door den neus; sommige van
+de overige herhalen dit en in een oogwenk zijn alle verdwenen. In
+verscheidene gevallen heeft men van deze diertjes in plaats van
+fluiten een luid gekef vernomen; dit heeft misschien tot den naam
+"Mistbelleri" aanleiding gegeven. Of zij in den regel wel eigenlijke
+wachten uitzetten, is nog niet uitgemaakt. Hun kleinheid vermindert
+het gevaar van ontdekt te worden, terwijl bovendien het gezicht en
+in nog hoogere mate het gehoor en de reuk bij hen zeer scherp zijn.
+
+Gedurende den zomer wonen de Marmotten afzonderlijk of paarsgewijs
+in haar eigen zomerwoningen, die door gangen van 1 à 4 M. lengte, met
+zijgangen en vluchtopeningen voorzien, bereikt kunnen worden. Deze zijn
+dikwijls zoo nauw, dat het bijna niet mogelijk schijnt er den vuist
+in te steken. De losgegraven aarde werpen zij slechts voor een zeer
+klein deel naar buiten; voor het meerendeel trappen of drukken zij haar
+vast in de gangen, die hierdoor hard en glad worden. De uitgangen zijn
+meestal onder steenen aangebracht. De kamer is niet zeer ruim. Hier
+heeft, waarschijnlijk in April, de paring plaats; het wijfje werpt
+6 weken later 2 à 4 jongen, die in den eersten tijd zeer zelden voor
+het hol komen, dat zij tot in den volgenden zomer met de ouden deelen.
+
+Tegen den herfst graven zij op een minder hoog gelegen plaats van 't
+gebergte een winterwoning, die zelden dieper dan 1 1/2 M. onder de
+oppervlakte ligt. De zomerwoning bevindt zich dikwijls niet minder
+dan 2600 M. boven den zeespiegel, terwijl de winterwoning in den
+regel in den gordel van de bovenste Alpenwilgen, dikwijls echter ver
+onder de boomgrens ligt. Deze woning, bestemd voor de geheele familie,
+die uit 5 à 15 individuën bestaat, is zeer ruim. De jager herkent het
+bewoonde winterhol zoowel aan het hooi, dat er vóór verspreid ligt,
+als aan de ingangsopening, die ongeveer de grootte heeft van een vuist,
+maar van binnen goed met hooi, aarde en steenen verstopt is, terwijl
+de gangen van de zomerwoning altijd open zijn. Als men de bouwstoffen
+uit de ingangsopening wegneemt, vindt men eerst een van aarde, zand
+en steenen goed gemetselde, verscheidene voeten lange galerij, de
+zoogenaamde "spon". Als men deze eenige Meter ver nagaat, komt men
+weldra aan een plaats, waar de gang zich in tweeën verdeelt. De eene
+tak, waarin zich gewoonlijk drek en haren bevinden, is niet lang; hij
+heeft waarschijnlijk de bouwstof voor het bekleeden en stevig maken
+van de wanden van de hoofdgang geleverd. Deze stijgt nu langzamerhand
+omhoog en komt eindelijk uit in een ruime kamer, de verblijfplaats
+van de winterslapers, die dikwijls 8 à 10 M. boven den ingang van het
+hol gelegen is. Meestal is de kamer eirond of bakovenvormig, met kort,
+zacht, dor, gewoonlijk roodbruin hooi gevuld, dat gedeeltelijk ieder
+jaar vernieuwd wordt. Reeds in Augustus n.l. beginnen de schrandere
+diertjes gras af te bijten, te drogen en met den bek naar het hol
+te vervoeren; zij hoopen er hier zulk een grooten voorraad van op,
+dat een man het dikwijls niet alleen zou kunnen wegdragen. Vroeger
+werden van dezen hooioogst curieuze fabelen verteld. Men zei, dat een
+Marmot op den grond ging liggen, zich met hooi beladen en vervolgens
+bij wijze van een slede naar het hol trekken liet. Aanleiding tot
+dit verhaal vond men in het feit, dat bij vele Marmotten het haar
+van den rug geheel afgesleten is, wat echter alleen een gevolg is
+van het kruipen door de nauwe gangen van het hol.--Behalve de beide
+genoemde woningen heeft de Marmot nog afzonderlijke vluchtgangen,
+waarin zij zich verbergt, als haar gevaar dreigt. Als zij haar hol
+niet bereiken kan, verbergt zij zich onder steenen en in rotskloven.
+
+De bewegingen van de Marmot zijn zonderling. Haar gang is een hoogst
+eigenaardig gewaggel, waarbij de buik bijna of geheel over den grond
+sleept, en dat daarom een breed spoor achterlaat. Eigenlijke sprongen
+heb ik de Marmotten, mijne gevangenen althans, nooit zien doen;
+hiervoor zijn zij te log. Hoogst zonderling ziet het dier er uit, als
+het opzit; het rust dan kaarsrecht op zijn achterste, stijf als een
+stok; het heeft den staart loodrecht van 't lichaam afgebogen, laat de
+voorarmen slap naar beneden hangen en kijkt opmerkzaam de wereld rond.
+
+Frissche en sappige Alpenplanten, kruiden en wortels vormen het
+voedsel van de Marmot. Zelden gaat zij naar de drinkplaats, maar als
+zij er komt, drinkt zij veel op eens, smakt intusschen en richt na
+elken slok den kop omhoog, evenals de Hoenderen en de Ganzen. Uit
+de mededeelingen van verscheidene onderzoekers schijnt te blijken,
+dat de Marmot een voorgevoel van weersveranderingen heeft.
+
+Evenals de meeste winterslapers zijn de Marmotten in den nazomer
+en in den herfst buitengewoon vet. Zoodra de eerste vorst aanvangt,
+houden zij op met eten, maar drinken nog veel en dikwijls, ontlasten
+zich vervolgens van hunne uitwerpselen en betrekken nu familiesgewijs
+de winterwoningen. De kamer, welker zijwanden en bodem met een dikke
+laag droog hooi gevoerd zijn, is het gemeenschappelijke leger van
+het geheele gezelschap. Hier rusten de leden van het gezin dicht
+bijeen. Alle levenswerkzaamheden zijn tot op het allergeringste
+bedrag verminderd; ieder dier blijft bewegingloos en koud, door een
+op den dood gelijkende verstijving bevangen, in de eens aangenomen
+houding liggen; duidelijke bewijzen van leven zijn niet meer waar
+te nemen. De temperatuur van het bloed is verminderd tot op die van
+de lucht, welke het hol vult; de ademhalingen hebben slechts 15 maal
+per uur plaats. Als men een Marmot, die in winterslaap verkeert, uit
+haar hol neemt, en haar in een verwarmd vertrek brengt, wordt eerst,
+zoodra haar lichaamstemperatuur tot 21° C. gestegen is, de ademhaling
+duidelijker, bij 25° begint zij te snorken, bij 27.5° strekt zij de
+ledematen uit, bij 31° C. ontwaakt zij, beweegt zich als bedwelmd
+heen en weer, komt langzamerhand bij en begint eindelijk te eten. In
+het voorjaar komen de Marmotten in zeer vermagerden toestand voor de
+opening van haar winterwoning, zien smachtend uit naar iets eetbaars,
+en moeten dikwijls ver loopen, om aan de hoeken en kanten der bergen,
+daar waar de wind de sneeuw heeft doen verstuiven, een weinig verdord
+gras te vinden.--De jacht en de vangst van de Marmot bieden vele
+moeilijkheden aan. De naderende jager wordt bijna altijd door het een
+of ander lid van het gezelschap bemerkt en den overigen door een luid
+gefluit aangekondigd. Men vangt ze in allerlei vallen; ook graaft men
+ze soms in 't begin van den winter op. Terecht is in vele Zwitsersche
+kantons het opgraven van de Marmotten verboden, daar zij door deze
+handelwijze na verloop van korten tijd geheel en al uitgeroeid zouden
+worden; de eigenlijke jacht daarentegen wordt voor haar nooit zeer
+gevaarlijk. In gevallen van uitersten nood verdedigen de Marmotten
+zich moedig en vastberaden tegen hare vijanden door hevig te bijten
+of van hare stevige klauwen gebruik te maken.
+
+Voor den Alpenbewoner is dit kleine dier van belang, omdat het hem
+voedsel verschaft; bovendien levert het hem geneesmiddelen voor
+allerlei ziekten.
+
+Om Marmotten in gevangenschap te houden en te temmen, doet men het best
+de jongen te nemen, wanneer zij voor de eerste maal uitgaan, hoewel
+het moeilijk is ze aan hun moeder te ontrooven. Zeer jong gevangen
+Marmotten, die nog gezoogd worden, zijn moeilijk groot te brengen
+en bezwijken gewoonlijk spoedig, zelfs bij de beste verzorging;
+de halfwassen dieren kunnen gemakkelijk gevoederd en lang in 't
+leven gehouden worden. Hun voedsel bestaat in den gevangen staat uit
+verschillende plantaardige stoffen en uit melk. Als men zich met hen
+bemoeit, worden zij weldra bijzonder tam, zijn gehoorzaam en leerzaam,
+leeren hun verzorger kennen, komen, wanneer hij hen roept, nemen
+allerlei standen aan, springen in opgerichte houding rond, loopen
+met een stok, enz. Het onschadelijke en gezellige dier wordt dan de
+lieveling van jong en oud, ook wegens zijn zindelijkheid en netheid.
+
+
+
+Op de familie van de Eekhoornachtigen laten wij een groep van
+lieftallige, kleine Knaagdieren volgen, die men onder den naam
+_Slaapmuizen_ (_Myoxidae_) kan samenvatten. Haar gestalte en haar
+aard wettigen haar plaatsing in de nabijheid van de Eekhoorns, van
+welke zij zich echter door eigenaardigheden van den lichaamsbouw
+duidelijk onderscheiden. Zij hebben een smallen kop, met een meer
+of minder spits toeloopenden snuit, tamelijk groote oogen en groote,
+onbehaarde, vliezige ooren, een gedrongen romp, matig lange ledematen,
+fijn gebouwde voeten; de voorste hebben 4 teenen en in plaats van den
+duim, een wratje, dat een platten nagel draagt; aan de achtervoeten
+komen 5 teenen voor; de staart is middelmatig lang, dicht, ruig en
+tweerijig behaard; de vacht is goed gevuld en zachtharig.
+
+Men kent tot dusver ternauwernood meer dan een half dozijn goed
+omschreven soorten van deze familie; alle zijn bewoners van de
+Oude Wereld. Heuvelachtige of bergachtige gewesten, en hierin meer
+bepaaldelijk wouden en woudzoomen, kreupelbosschen en tuinen, zijn
+hare verblijfplaatsen. Zij leven op en in de boomen, minder dikwijls
+in door haar zelf gegraven holen in den grond, tusschen boomwortels of
+in spleten van rotsen en muren; in alle gevallen verbergen zij zich
+zooveel mogelijk. Verreweg de meeste slapen over dag, en gaan alleen
+gedurende de duisternis haar voedsel zoeken. Om deze reden krijgt men
+ze slechts zelden en alleen bij toeval te zien. Wanneer zij den slaap
+uit hebben, maken zij zeer vlugge bewegingen. Zij kunnen uitmuntend
+loopen en nog beter klimmen, maar kunnen niet, zooals de Eekhoorns,
+bijzonder groote sprongen doen.
+
+In gematigde gewesten vervallen zij bij den aanvang van den winter in
+een toestand van verstijving, en brengen den winter slapend in hare
+nesten door. Sommige verzamelen voorraad voor dezen tijd, en maken
+hiervan gebruik, wanneer zij tijdelijk wakker zijn; andere hebben dit
+niet eens noodig, daar zij zich vooraf zoozeer gemest hebben, dat zij
+op haar vet kunnen teren. Haar voedsel bestaat uit allerlei vruchten
+en zaden; de meeste gebruiken echter ook Insecten, benevens eieren
+en jongen van Vogels. Bij het eten zitten zij, evenals de Eekhoorns,
+op haar achterwerk, en brengen de spijzen met de voorpooten naar den
+mond. Een noemenswaard voordeel verschaffen de Slaapmuizen ons niet;
+wel kunnen zij ons benadeelen door hare rooverijen in tuinen.
+
+Het eerste geslacht is dat der _Relmuizen_ of _Zevenslapers_
+(_Myoxus_). zoo genoemd naar de meest bekende van de beide hiertoe
+behoorende soorten: de _Gewone Relmuis_ of _Zevenslaper_ (_Myoxus
+glis_), Duitsch: _Bilch_, Fransch: _Loir_ (afgebeeld op p. 284). De
+naam van dit in Zuid- en Oost-Europa voorkomend dier is meer algemeen
+bekend dan zijn gestalte en zijn uitzicht. In de oude geschiedboeken
+wordt vermeld, dat deze dieren lievelingen waren van de Romeinen,
+die bepaalde inrichtingen hadden voor hun verzorging. Eiken- en
+beukenboschjes omgaf men met gladde muren, waarlangs de Zevenslapers
+niet konden opklimmen; binnen deze omheining legde men verscheidene
+holen aan voor rust- en slaapplaatsen; met eikels en kastanjes voederde
+men de dieren, om ze ten slotte in groote aarden potten, van 2 voet
+middellijn, glirariën genaamd, geheel vet te mesten. De opgravingen
+te Herculaneum hebben ons de glirariën, die voor de laatste mesting
+bestemd waren, doen kennen als half bolvormige schalen, met veel
+luchtgaten, die langs de binnenwanden met terrasvormige oneffenheden
+voorzien waren om de dieren gelegenheid tot klimmen te geven; van boven
+waren zij met een nauwmazig traliewerk van metaal gesloten. Hierin
+werden verscheidene Zevenslapers opgesloten en rijkelijk van voedsel
+voorzien. De gemeste dieren prijkten, na gebraden te zijn, als een
+groote lekkernij op den disch van rijke fijnproevers.
+
+De Zevenslaper bereikt een lichaamslengte van 16 cM., zonder den
+13 cM. langen staart. De zachte, tamelijk dichte vacht is aan de
+bovenzijde eenkleurig aschgrauw, overtogen met een zwartachtig bruin
+waas, dat meer of minder donker kan zijn; hiervan is de melkwitte en
+als zilver glinsterende kleur van de onderzijde van den romp en van
+de binnenzijde der pooten scherp afgescheiden.
+
+Het verbreidingsgebied van den Zevenslaper reikt van Spanje,
+Griekenland en Italië tot Zuid- en Middel-Duitschland. In Oostenrijk,
+Stiermarken, Karinthië, Moravië, Silezië, Bohemen en Beieren komt hij
+veelvuldig voor; in Kroatië, Hongarije en Zuid-Rusland is hij algemeen;
+in het noorden van Europa, en reeds in 't noorden van Duitschland,
+in Nederland, Engeland en Denemarken ontbreekt hij. Hoofdzakelijk
+bewoont hij het Middelgebergte, bij voorkeur droge eiken- en
+beukenbosschen. Over dag houdt hij zich verscholen, tegen den avond
+komt hij uit zijne schuilplaatsen te voorschijn, zwerft 's nachts
+rond en zoekt zijn voedsel. Zoo leeft hij zoolang de zomer duurt.
+
+Waarschijnlijk zijn weinig Knaagdieren vraatzuchtiger dan de
+Zevenslapers. Hij vreet zoolang hij iets te vreten heeft. Eikels,
+beukenoten en hazelnoten maken misschien zijn gewone voedsel uit;
+walnoten, kastanjes, zoet en saprijk ooft worden echter ook niet
+versmaad; dierlijk voedsel is, naar het schijnt, onontbeerlijk voor
+hem; althans hij overvalt, doodt en verslindt ieder klein dier, dat
+hij overmeesteren kan. Voortdurend hoort men het kraken van de noten,
+die hij stuk maakt, en het vallen van de uitgevreten vruchten, die hij
+naar beneden werpt. Als de herfst komt, begint hij winterproviand in te
+zamelen en deze in zijne holen op te bergen. In dezen tijd is hij al
+"zoo vet als modder", maar blijft toch nog zoo lang mogelijk eten;
+daarna denkt hij aan het gereedmaken van zijn winterkwartier. Met
+dit doel bouwt hij in diepe holen in den grond, in gaten en spleten
+van rotsen en oude muren en ook wel in diepe holten van boomstammen
+een nest van zacht mos, rolt zich, gewoonlijk in gezelschap van
+verscheidene soortgenooten, in dit nest op, en valt, reeds lang,
+voordat de thermometer vorst aanwijst, in een diepen slaap, in de
+koude bergstreken reeds in Augustus, in de warmere vlakte eerst tegen
+October. Men merkt nu bij hem de gevoelloosheid van alle winterslapers
+op; misschien heeft hij wel de meest vaste slaap van hen allen. Men
+kan hem gerust uit het nest nemen en wegdragen; hij blijft koud
+en beweegt zich niet. In de warme kamer ontwaakt hij langzamerhand,
+maakt bewegingen met de pooten, beweegt zich hoe langer hoe meer, maar
+ziet er ook thans nog zeer slaperig uit. In de vrije natuur ontwaakt
+hij soms vanzelf gedurende den winter en gebruikt dan een deel van
+zijn voedselvoorraad, eigenlijk zonder te weten, wat hij doet. In
+den regel ontwaakt de Zevenslaper eerst zeer laat in 't voorjaar,
+zelden voor het einde van April. Zijn winterslaap duurt volle zeven
+maanden; hij draagt zijn naam dus te recht.
+
+De Zevenslaper heeft veel te lijden van zijne talrijke vijanden. De
+Boommarter en de Bunzing, de Wilde Kat en de Wezel, de Ooruil en
+de Uil zijn wel de ergste van zijne vervolgers, en hoewel hij zich,
+zelfs tegen de sterkste vijanden met veel moed verdedigt, delft hij
+toch het onderspit. Daar waar hij veelvuldig voorkomt, maakt de mensch
+ijverig jacht op hem, ten deele om zijn vleesch, ten deele om zijn
+vel; hij wordt meestal in kunstmatige winterwoningen, in kuilen of in
+andere vallen gelokt. In Beneden-Krain vangen de boeren hem in vallen
+met springveeren, waarin zij als lokaas een sappige peer of pruim
+leggen. Bovendien begraaft men vaten in den grond, die gedeeltelijk
+met ooft gevuld zijn en van boven slechts één toegangsopening hebben,
+n.l. een buis, waarin op zulk een wijze ijzerdraden zijn aangebracht,
+dat de Zevenslaper wel in het vat doordringen kan, maar er niet weer
+uit kan komen. Hierin vangt men deze dieren soms in zoo grooten getale,
+dat menige jager gedurende één herfst er 200 à 400 stuks buit maakt.
+
+De Zevenslaper wordt betrekkelijk zelden in gevangenschap
+gehouden. Zijn gemoedsaard is niet bepaald aangenaam, zijn grootste
+deugd is zindelijkheid; voor 't overige is hij niet geschikt om de
+belangstelling van zijn verzorger te behouden. Voortdurend verkeert
+hij in een prikkelbare stemming, sluit volstrekt geen vriendschap met
+den mensch, maar bromt woedend met een eigenaardige, snorkende stem
+tegen ieder die zich verstout, hem te naderen. Ook de jongen, die in
+gevangenschap geboren worden, zijn en blijven even onbeminnelijk als
+de oude dieren.
+
+
+
+De _Boomslaper_ (_Myoxus dryas_) kan men aanmerken als een
+overgangsvorm tusschen de Zevenslapers en de Tuinslapers; hij bereikt
+in 't geheel een lengte van 17 cM., waarvan ongeveer de helft op
+den staart komt; op den kop en aan de rugzijde van den romp is zijn
+kleur roodachtig bruin of bruinachtig grijs; de witte kleur van de
+onderdeelen is er scherp van afgescheiden. Onder de oogen begint een
+zwarte streep, deze omvat, breeder wordend, de oogen en zet zich voort
+tot aan de ooren. De staart is van boven donker bruinachtig grijs,
+van onderen wit.
+
+Het verbreidingsgebied van den Boomslaper strekt zich uit van
+Zuid-Rusland westwaarts tot Hongarije, Neder-Oostenrijk en Silezië;
+in de westelijkste van deze landen komt hij echter slechts zelden
+voor. Zijn levenswijze stemt, voor zoover men weet, in hoofdzaak met
+die van de Zevenslapers en Tuinslapers overeen.
+
+
+
+De _Tuinslapers_ (_Eliomys_) verschillen voornamelijk door hun gebit
+van de Zevenslapers. Bij deze hebben de kiezen van zes tot acht
+dwarsstrepen en slijten vlak af; bij de Tuinslapers is het aantal
+dwarsstrepen geringer en wordt de kroonvlakte van de kiezen door het
+afslijten eenigszins uitgehold. Uitwendig zijn de Tuinslapers kenbaar
+aan den staart, die aan den wortel met kort, aanliggend haar begroeid,
+aan de spits lang behaard, ruig en tweekleurig is. Evenals de leden van
+het vorige geslacht, verschillen zij van die van het volgende, doordat
+de bovenzijde van 't lichaam een andere kleur heeft dan de onderzijde.
+
+De _Tuinslaper_ of _Groote Hazelmuis_ (_Eliomys nitela_, afgebeeld
+op p. 284) (niet te verwarren met de Echte Hazelmuizen, die tot het
+volgende geslacht behooren) bereikt een lichaamslengte van hoogstens
+14 cM., zonder den 9.5 cM. langen staart. De kop is, evenals de
+bovenzijde van den romp, roodachtig grijsbruin, de onderzijde wit.
+
+De Groote Hazelmuis, die reeds in den ouden tijd aan de Romeinen
+onder den naam _Nitela_ bekend was, behoort hoofdzakelijk thuis
+in de gematigde gewesten van Middel- en West-Europa. In Nederland
+komt zij niet voor, wel echter in België, Frankrijk, Zwitserland,
+Italië, Duitschland, Hongarije, Galicië, Zevenbergen en de Russische
+Oostzee-provinciën. In Duitschland is zij in sommige streken, b.v. in
+de Hartz, zeer veelvuldig. Haar voedsel is gelijk aan dat van den
+Zevenslaper. Zij doet zich echter in de huizen der bergbewoners
+te goed aan vet, boter, spek en ham; ook eet zij eieren en jonge
+Vogels en doet dit vaker dan haar langzamere stamgenoot, die veel
+minder goed kan springen en klimmen. Haar nest verschilt van dat van
+'t laatstgenoemde dier, doordat het vrij opgehangen is tusschen
+boomtakken; zij maakt echter als schuilhoek ook wel gebruik van
+gaten in muren, van verlaten rattennesten en mollengangen en van
+andere holen in het gesteente en in den grond. Opmerkelijk is het,
+dat de overigens zeer zindelijke Tuinslaper weinig zorg draagt voor
+zijn nest, zoodat dit in den regel in de hoogste mate vuil is.
+
+Voor den winterslaap zoekt de Groote Hazelmuis droge en gedekte
+gaten in boomen of in muren en ook wel mollengangen op; ook begeeft
+zij zich soms naar de in 't woud staande boerderijen, tuinhuizen,
+schuren, hooischuren, kolenbrandershutten en andere gebouwen en
+vindt daar allicht een geschikte slaapplaats. Gewoonlijk slapen
+verscheidene van deze dieren bij elkander in één nest, het geheele
+gezelschap dicht ineengerold, bijna tot één klomp vereenigd. Zij slapen
+onafgebroken, maar niet zoo vast als andere dieren met winterslaap;
+want telkens als het weder zacht wordt, ontwaken zij, gebruiken iets
+van hun wintervoorraad en slapen eerst weder in, wanneer de koude op
+nieuw begint.
+
+De Groote Hazelmuis wordt zeer ongaarne gezien in tuinen, waar
+fijne soorten van ooft gekweekt worden. Eén enkel dier is in staat
+om de geheele perziken- of abrikozenoogst te vernielen. Bij hare
+snoeperijen geeft zij bewijzen van een buitengewoon fijnen smaak. Zij
+zoekt de beste en sappigste vruchten uit, knaagt echter ook andere om
+ze te keuren, en vernielt op deze wijze veel meer, dan zij eigenlijk
+opeet. Daar zij den mensch niet anders dan schade veroorzaakt en zoomin
+door haar vleesch als door haar vel eenig nut doet, wordt zij door de
+eigenaars van tuinen ijverig vervolgd. Het best kan men haar vangen
+in draadstrikken, die men vóór de leiboomen ophangt, of in kleine
+klemmen, die op een geschikte plaats neergelegd worden. Maar beter
+nog dan door zulke vallen, wordt de tuin voor deze brutale gauwdieven
+beveiligd door een goede Kat. Marters, Wezels, Ooruilen en Uilen maken
+ijverig jacht op de Hazelmuis. Daarom is het voor eigenaars van tuinen,
+die dicht bij het woud wonen, zeer raadzaam, alle bondgenooten in
+den strijd tegen schadelijke Knaagdieren zooveel mogelijk te sparen.
+
+De Groote Hazelmuis is, evenmin als de Zevenslaper, geschikt om
+getemd te worden. Zelden geraakt zij aan den mensch gewend en bij
+iedere verrassing maakt zij onmiddellijk, en dikwijls op een wijze,
+die voor den aangevallene hoogst pijnlijk is, van hare scherpe
+tanden gebruik. Van den roofgierigen aard dezer dieren kan men
+zich gemakkelijk overtuigen door na te gaan, hoe zij zich in de
+gevangenschap gedragen. Zij vereenigen den bloeddorst van de Wezel
+met de vraatzucht van de andere Relmuizen, vallen met ware woede op
+ieder Gewerveld Dier aan, dat men in haar hok brengt, dooden in een
+oogwenk een Vogel, maken binnen weinige minuten voor goed een einde
+aan den tegenstand van een bijtlustige Muis en vallen zelfs elkander
+aan. "Wanneer verscheidene Tuinslapers bij elkander opgesloten worden,"
+zegt Weber, "moeten zij voortdurend rijkelijk voorzien worden met
+voedsel--noten, beukenoten, ooft, wittebrood, hennep, lijnzaad
+enz.,--en met drinkwater; bovendien moet men door het matig warm
+houden van de ruimte, waarin de dieren zich bevinden, er voor zorgen,
+dat zij wakker blijven, en niet in winterslaap vervallen. De honger
+heeft onvermijdelijk een strijd tusschen hen tengevolge, waarvan het
+einde steeds is, dat de eene kampioen sneuvelt en door den anderen
+wordt opgegeten. De winterslaap wordt voor het dier, dat er door
+bevangen wordt, even noodlottig als de nederlaag voor den overwonnen
+strijder. Als van verscheidene in eenzelfde hok opgesloten Tuinslapers
+er een in winterslaap vervalt, terwijl de overige nog wakker zijn,
+dan is hij verloren; hij wordt door zijne verraderlijke kameraads
+doodgebeten en verslonden. Iets dergelijks geschiedt, als verscheidene
+in winterslaap verkeerende Tuinslapers achtereenvolgens wakker worden;
+die, welke het eerst ontwaakt, doodt den eenen weerloozen slaper na
+den anderen. De gewone dagelijksche slaap levert minder gevaar op,
+omdat het aangevallen dier spoedig ontwaakt en zijn leven verdedigt."
+
+
+
+Het derde geslacht van de familie der Slaapmuizen omvat de
+_Hazelmuizen_ (_Muscardinus_), die hoofdzakelijk door haar gebit,
+en meer bepaaldelijk door het aantal dwarsstrepen op de kiezen,
+van de leden der beide vorige geslachten verschillen. Bovendien zijn
+de boven- en onderzijde nagenoeg gelijk van kleur en is de staart,
+evenals bij de Zevenslapers, over zijn geheele lengte gelijkmatig
+behaard, hier echter tamelijk kort.
+
+In Europa leeft slechts een enkele soort van dit geslacht, n.l. de
+_Hazelmuis_ of _Kleine Hazelmuis_ (_Muscardinus avellanarius_),
+een van de aardigste, bevalligste en behendigste van alle Europeesche
+Knaagdieren, even aantrekkelijk door haar sierlijke gestalte en schoone
+kleur als door hare zindelijkheid, netheid en zachtmoedigheid. Zij
+is ongeveer zoo groot als onze Huismuis; haar totale lengte bedraagt
+14 cM., waarvan bijna de helft op den staart komt. De geheele vacht
+is geelachtig rood, van onderen een weinig lichter, met uitzondering
+van de borst en de keel, die wit zijn. In Nederland komt zij niet
+voor, in de meeste andere landen van Middel-Europa wel. Naar het
+schijnt, zijn Engeland en het zuiden van Zweden de noordelijkste,
+Toscane en het noorden van Turkije de zuidelijkste afdeelingen van
+haar verbreidingsgebied; verder oostwaarts dan Hongarije, Galicië
+en Zevenburgen komt zij niet voor. Zij bewoont nagenoeg dezelfde
+oorden als hare verwanten. Laag kreupelhout en struiken, bij voorkeur
+hazelaarboschjes, zijn hare meest geliefde verblijfplaatsen.
+
+Over dag ligt de Hazelmuis in den een of anderen schuilhoek te
+slapen, des nachts gaat zij haar voedsel zoeken, dat uit noten,
+eikels, harde zaden, sappige vruchten, bessen en knoppen van boomen
+bestaat; het liefst echter eet zij hazelnoten, die zij op een kunstige
+wijze opent en ledigt, zonder ze af te plukken of uit het napje te
+verwijderen. Ook zoekt zij lijsterbessen en wordt bijgevolg niet zelden
+in lijsterstrikken gevangen. Zij leeft in kleine gezelschappen, die
+niet bijzonder innig met elkaar verbonden zijn. Door iedere Hazelmuis,
+of door twee gezamenlijk, wordt in het dichtste struikgewas een
+zacht, warm, tamelijk kunstig nest van gras, bladen, mos, worteltjes
+en haren gebouwd; het dier zwerft vanhier uit iederen nacht door
+zijn gebied, bijna altijd gemeenschappelijk met andere, die in de
+nabijheid wonen. Het zijn echte boomdieren; zij klimmen merkwaardig
+goed, zelfs langs de dunste twijgen. In Augustus werpt het wijfje 3
+à 4 naakte, blinde jongen; dit gebeurt in het bolvormig zomernest,
+dat altijd in het dichtste struikgewas en gewoonlijk op een afstand
+van ongeveer één meter van den bodem gelegen is. De jongen groeien
+buitengewoon snel, maar worden toch een volle maand door de moeder
+gezoogd, hoewel zij intusschen zoo groot geworden zijn, dat zij nu
+en dan het nest verlaten kunnen. Aanvankelijk blijft de familie op de
+naastbijgelegen hazelaars; de dieren spelen genoegelijk met elkander
+en eten intusschen noten. Bij het geringste gedruisch snellen alle
+naar het nest terug om hier veiligheid te zoeken. Omstreeks het midden
+van October nemen de Hazelmuizen de wijk naar de schuilhoeken, waar
+zij haar wintervoorraad geborgen hebben, en maken zich van takjes,
+bladen, naalden, mos en gras een bolvormig hulsel, waar zij zich
+geheel inwikkelen; zij rollen zich tot een kluwen ineen en vallen
+in slaap; haar winterslaap is vaster dan die van hare verwanten; men
+kan ze in de hand nemen en over den grond voortrollen, zonder dat zij
+eenig bewijs van leven geven. Al naar de winter streng of zacht is,
+slapen zij 6 of 7 maanden en wordt haar slaap meer of minder vaak
+voor korten tijd afgebroken, totdat de schoone, warme lentezon haar
+tot een nieuw leven opwekt.
+
+Het kost moeite een Hazelmuis te vangen, zoolang zij volkomen
+wakker is; slechts bij toeval geraakt zij in de een of andere val;
+deze plaats men daar, waar zij zich het liefst ophoudt, en wordt
+met noten of met ander voedsel als lokaas voorzien. Gemakkelijker
+verkrijgt men ze in 't laatste gedeelte van den herfst of in den
+winter bij het opharken van 't loof of bij het uitroeien van de
+wortelspruiten. Zoodra men de Hazelmuis in de hand heeft, is zij
+zoo goed als getemd. Nooit waagt zij het, weerstand te bieden aan
+haar overweldiger, nooit tracht zij te bijten; de grootste angst
+ontlokt haar alleen een piepend of helder sissend geluid. Weldra
+echter schikt zij zich in het onvermijdelijke, laat zich bedaard
+naar huis dragen, en voegt zich geheel en al naar den wil van den
+mensch; zij verliest ook haar schuwheid, maar niet de aangeboren
+schuchterheid en vreesachtigheid. Men voedt haar met noten, pitten van
+ooft, ooft en brood, ook wel met tarwekorrels. Zij eet spaarzaam en
+bescheiden, aanvankelijk alleen 's nachts. Haar buitengewoon groote
+zindelijkheid, de vriendelijke en verdraagzame wijze, waarop zij met
+hare soortgenooten omgaat, hare aardige bewegingen en grappige gebaren
+maken haar tot een lieveling van den mensch. In Engeland wordt zij
+als kamerdier in gewone vogelkooien gehouden, en komt zij, evenals
+kamervogels, aan de markt. Men kan haar in de mooiste kamers houden,
+want zij verbreidt volstrekt geen onaangename lucht; alleen in den
+zomer merkt men bij haar een muskusachtigen reuk op, die echter zoo
+zwak is, dat men er geen hinder van heeft.
+
+Ook in de gevangenschap houdt de Hazelmuis winterslaap, als het vertrek
+niet altijd gelijkmatig warm gehouden wordt. Zij tracht dan een nestje
+te bouwen en omhult zich hiermede, of gaat eenvoudig in den een of
+anderen hoek van haar kooi slapen. Als men haar in de warmte brengt,
+o.a. reeds, als men haar in de warme hand neemt, ontwaakt zij, om
+echter kort daarna weer in te slapen.
+
+
+
+Hoewel de _Bever_ in belangrijke opzichten overeenstemt met de tot
+dusver beschreven Knaagdieren, verschilt hij toch in andere punten
+zoo belangrijk van hen en van de overige leden der orde, dat hij
+als vertegenwoordiger van een afzonderlijke familie (_Castoridae_)
+beschouwd moet worden. Deze familie omvat behalve onzen Bever hoogstens
+eenige voorwereldlijke soorten van Knaagdieren, die door hunne thans
+levende verwanten vervangen zijn; onder de Knaagdieren van onzen
+tijd zijn er wel enkele, die aan de Bever herinneren, maar geene,
+die werkelijk op hem gelijken.
+
+Reeds sedert overouden tijd heeft de Bever de aandacht van de
+natuuronderzoekers tot zich getrokken; door de oude schrijvers wordt
+hij onder de namen _Castor_ en _Fiber_ vaak vermeld. Van hen vernemen
+wij echter niet veel en geen zeer nauwkeurige berichten over zijn
+levenswijs. Zij leeren ons wel, dat dit dier vroeger veel algemeener
+verbreid was, dan thans; waarschijnlijk is van geen andere diersoort
+het aantal vertegenwoordigers zoo schielijk verminderd als van dit
+hooggeschatte Knaagdier. Het door den Bever bewoonde gebied omvat ook
+thans nog gedeelten van drie werelddeelen, en strekt zich uit over
+alle landen, die tusschen 33° en 68° N.B. gelegen zijn; in vroegere
+tijdperken moet het echter veel uitgestrekter geweest zijn. In een
+der teekens van het Egyptische hiëroglyphenschrift heeft men den
+Bever meenen te herkennen; hieruit zou voortvloeien, dat hij Afrika
+bewoond heeft. Door de godsdienstige voorschriften van de Indische
+Magiërs was het verboden hem te dooden: bijgevolg moet hij ook in
+Indië inheemsch geweest zijn.
+
+"De Bevers," schrijft Prof. Harting in "de Bouwkunst der Dieren,"
+"leefden eenmaal in alle Europeesche landen, ook in ons vaderland,
+gelijk sommige plaatsnamen nog getuigen, zooals die van Beverwijk,
+Bevervoord, waar zij vermoedelijk menigvuldiger waren dan elders. Onze
+van talrijke wateren doorsneden bodem, waarop eertijds dichte wouden
+welig tierden, leverde trouwens aan de Bevers een verblijfplaats
+op, even gunstig als het tegenwoordige Canada. Nog voor niet zeer
+langen tijd werden enkele Bevers langs de Waal, de Maas en de IJsel
+aangetroffen. Zoo werden te Gorinchem twee ouden met zes jongen
+gevangen; in 1757 schoot men er een in den IJsel bij het buitenverblijf
+Middachten, op den weg van Zutphen naar Arnhem; in 1770 werd, bij
+het op één uur van 's Hertogenbosch gelegen dorp Hedel, een Bever
+geschoten, die zich gedurende zes of zeven jaren in den omtrek had
+opgehouden en daar veel graan en jong hout bedorven had. De laatste
+Bever, die, voor zoover mij bekend is, hier te lande gevangen werd,
+is die, welke het onderwerp der Akademische Dissertatie van A. C. Bonn
+heeft uitgemaakt. Deze Bever werd den 17den December 1799 bij Epse,
+aan den oostelijken oever van de rivier den IJsel, op een half uur
+afstand van Deventer, in een otterstap gevangen." "Hij had aldaar
+in de nabijheid uit wilgentakken, biezen en slib eene zes voet (1.8
+M.) hooge hut gebouwd; de hoeveelheid van het daartoe gebezigde
+hout was zoo groot, dat twee Paarden het ter nauwernood vervoeren
+konden." "Echter was dit niet de laatste Bever, die deze streken
+bewoond heeft, want twee jaren later werd door eenige schippers
+en andere lieden op een plaats bij den IJsel, drie uren gaans van
+Doesburg gelegen, een dergelijk, ofschoon kleiner, dier gezien,
+dat wellicht het wijfje van eerstgenoemde is geweest." "Het blijkt
+uit de Kameraarsrekeningen van Deventer," schrijft P. C. Molhuijsen,
+"dat deze dieren in vroegeren tijd zeer talrijk moeten geweest zijn. In
+de rekening van 1454 is het eerst door ons opgemerkt, dat de stedelijke
+regeering een premie voor het vangen gaf. Ruim twintig jaren lang komt
+deze vermelding voor op den post van uitgaven, en bij een nauwkeurige
+optelling zou men het getal zeer aanzienlijk kunnen vinden, waarbij
+wij nog in het oog moeten houden, dat sommige rekeningen uit dat
+tijdvak ontbreken. Bij een vluchtig overzicht zijn b.v. in het jaar
+1454 opgemerkt vier, in 1467 veel meer, waaronder één op de Worp werd
+gevangen, in 1468 twee, in 1469 vier, waaronder een op de Stadsweerden,
+in 1474 drie jonge op de Landeweer in de Ouden IJsel, en nog vijf,
+in 1472 niet minder dan dertien, zoo oude als jonge".... Uit het
+register der Stadsrekeningen van Zutphen blijkt, dat van wege de
+stad aan de visschers op den IJsel geld verstrekt werd voor door
+hen geleverde Bevers en dat 1465 tot 1550, alzoo in 85 jaren, alleen
+bij Zutphen, dus waarschijnlijk op een oeverlengte van 3 uren gaans
+(de bochten niet medegerekend) op den IJsel gedood werden 66 Bevers,
+éénmaal 6 jongen te gelijk. (H. J. H. Groneman.)
+
+In Engeland is de Bever reeds sedert 500 jaren uitgeroeid. Scaliger
+en Buffon maken melding van verscheidene door den Bever bewoonde
+gewesten in Frankrijk, waar hij thans alleen voorkomt op het eiland
+Camargue, dat door de Rhônemondingen ("Le grand" en "Le petit Rhône")
+wordt ingesloten. Nog in October 1894 werden hier door visschers in
+hunne netten vijf Bevers gevangen. "Naarmate de ontginning van het
+deltaland voortschrijdt, wordt de Bever naar de overblijvende woeste
+streken teruggedrongen; hierdoor, en door de jacht voortdurend op hem
+gemaakt, is het aantal reeds te zeer afgenomen om nog het bestaan van
+ware koloniën toe te laten. Men vindt hem nu nog alleen paarsgewijze
+of als afzonderlijke families verspreid over de geheele delta, meer
+bepaald in de 'petit Rhône' tusschen Fourques en Sylvéréal. Ook wordt
+er nu en dan nog wel eens een enkele gevangen in de Gardon, die in den
+"petit Rhône" uitmondt. Boven Pont-du-Gars komt hij niet meer." In
+Strabo's tijd kwamen ook nog in Spanje Bevers voor. Volgens Geszner
+werden zij eertijds in de delta van de Po gevonden.
+
+Tegenwoordig vindt men hem in Duitschland nog aan de Elbe; nu en dan
+treft men hem aan in het deel der rivier, dat ongeveer begrensd wordt
+aan de eene zijde door Wartenburg boven Wittenberg en aan de andere
+door Maagdenburg. Met volle zekerheid kan hij echter beschouwd worden
+als voortdurende bewoner van een onder Aken gelegen deel der rivier,
+vooral in de opperhoutvesterdistricten Steckby en Tochheim alsmede
+Grünewald (tegenover Schönebeck) aan den rechteroever en Lödderitz aan
+den linkeroever, waar men het aantal dezer Knaagdieren op 60 stuks
+begroot. De Bevers komen van oudsher ook geregeld voor in de Saale,
+te beginnen bij haar uitmonding in de Elbe, tot bij Trabitz (beneden
+Kalbe); op dit gebied leven tegenwoordig misschien 15 stuks. Op
+de genoemde plaatsen behoort de Bever thuis, en men kan er niet
+alleen ten allen tijde de sporen zijner werkzaamheid waarnemen,
+maar ook nu en dan hem zelf aan 't werk zien. Enkele exemplaren
+worden nu en dan waargenomen in de oeverlanden van den Salzach, op de
+Oostenrijksch-Beiersche grens, en vroeger ook bij de Möhne (een aan de
+rechterzijde gelegen bij-riviertje van den Ruhr) in Westfalen (op de
+laatstgenoemde plaats echter sedert 1877 niet meer). Van alle landen
+van Europa zijn Bosnië, Rusland en Skandinavië (vooral Noorwegen) die,
+waar de Bevers thans nog het veelvuldigst leven. In Rusland vindt
+men ze vooral in de noordelijke bij-rivieren van den Pripet, in het
+gouvernement Minsk.--Veel talrijker dan in Europa zijn de Bevers in
+Azië. In grooten getale bewonen zij de groote rivieren van Middel-
+en Noord-Siberië; naar men zegt, komen zij ook voor in de rivieren,
+die zich in de Kaspische zee uitstorten. Zeker is het, dat zij gevonden
+worden in de bij-rivieren van den Koeban, aan de noordelijke helling
+van den Kaukasus, zoo ook in Mesopotamië. In Amerika waren de Bevers
+algemeen; door de hevige vervolging, waaraan zij blootstaan, is hun
+aantal reeds zeer afgenomen. Audubon noemde in 1849 alleen nog maar
+Labrador, Newfoundland, Canada en enkele gewesten van de staten Maine
+en Massachusetts als deelen van het door den Bever bewoonde gebied,
+maar voegt er bij, dat er ook in verscheidene andere, weinig bebouwde
+gewesten van de Vereenigde Staten enkele exemplaren gevonden worden.
+
+
+
+De _Bever_ (_Castor fiber_) is een van de grootste Knaagdieren. De
+lichaamslengte van het volwassen mannetje bedraagt, zonder den 30
+cM. langen staart, 75 à 95 cM., de schouderhoogte 30 cM., het gewicht
+20 à 30 KG. De romp is plomp en forsch, van achteren aanmerkelijk
+dikker dan van voren, de rug gewelfd, de buik hangend, de hals kort en
+dik, de kop van achteren breed, naar voren smaller wordend, met platte
+kruin en korten, stompen snoet; de pooten zijn kort en zeer krachtig,
+de achterste iets langer dan de voorste; de voeten hebben vijf teenen;
+die van de achtervoeten zijn tot de klauwen door een breed zwemvlies
+vereenigd. De staart is aan den wortel rond, in het midden van boven
+naar onderen plat gedrukt, soms wel 20 cM. breed, aan de spits stomp
+afgerond; de randen van het platte gedeelte zou men bijna scherp
+kunnen noemen. De ooren zijn klein en kort, van binnen en van buiten
+behaard, en kunnen zóó tegen den kop aangelegd worden, dat zij de
+gehoorgang bijna volkomen afsluiten. De kleine oogen zijn voorzien
+van een wenkvlies, d.w.z. van een derde doorschijnend ooglid, dat, van
+den binnenhoek van het oog uitgaande, onder de beide andere oogleden
+langs over den oogbol kan worden geschoven, evenals bij de Vogels. De
+pupil is langwerpig en verticaal geplaatst. De neusgaten kunnen door
+de sterk gezwollen neusvleugels gesloten worden. Het haarkleed bestaat
+uit buitengewoon dicht (bij wijze van vlokjes) bijeen geplaatste,
+zijdeachtige wolharen, en meer verspreide, lange, stevige, stijve en
+glanzige bovenharen, die aan den kop en het achterste deel van den
+rug kort, op de overige lichaamsdeelen meer dan 5 cM lang zijn. De
+bovenzijde is donker kastanjebruin, meer of min naar grijs zweemend;
+de onderzijde is lichter van kleur; elk wolhaartje is aan den wortel
+zilvergrijs, hoogerop geelachtig bruin. De staart is aan den wortel
+zeer lang behaard, overigens echter kaal en hier met langwerpig ronde,
+bijna zeshoekige, platte hoornplaatjes bedekt, waartusschen enkele
+korte, stijve haren te voorschijn komen. De kleur van de vacht wijkt
+soms van de zoo even aangeduide af. Zeer zelden treft men witte en
+gevlekte Bevers aan.
+
+De zeer groote en stevige, aan de voorzijde platte, gladde, op
+de dwarse doorsnede bijna driehoekige, aan de spits beitelvormige
+knaagtanden, steken ver buiten de kaken uit. Bij beide geslachten
+komen aan den onderbuik, in de liesstreek onder de huid verborgen,
+twee eigenaardige klierzakken voor, welker binnenste oppervlakte
+een vreemdsoortige stof, het _bevergeil_ (_Castoreum_) afscheidt;
+deze donkerroodachtig, geelachtig of zwartachtig bruine specie is
+aanvankelijk week, maar droogt weldra op tot een hars gelijkende
+massa; zij heeft een eigenaardigen, doordringenden, sterk aan phenol
+herinnerenden reuk, die door slechts weinige menschen aangenaam
+gevonden wordt, en een bitteren, balsemachtigen smaak. In vroegeren
+tijd werd zij als krampstillend middel veelvuldig voorgeschreven,
+tegenwoordig komt zij meer en meer in onbruik. Achter de beide
+bevergeilzakken bevinden zich twee dergelijke zakken, die echter geen
+_castoreum_, maar een olie- of vetachtige stof afscheiden.
+
+De Bevers leven tegenwoordig meestal paarsgewijs en vereenigen zich
+slechts in de stilste streken tot meer of minder groote familiën. In
+alle bevolkte landen bewonen zij, evenals de Vischotters, meestal
+eenvoudige, onderaardsche gangen, en denken zij er niet aan zich hutten
+te bouwen. Toch heeft men er nog in deze eeuw gevonden in de omstreken
+van de stadjes Barby en Aken (tusschen Wittenberg en Maagdenburg),
+op korten afstand van de plaats waar het riviertje de Nuthe zich in de
+Elbe stort. Hier vindt men een eenzame, met wilgen begroeide streek,
+die door het slechts 4 à 8 schreden breede riviertje doorstroomd
+wordt en sedert onheugelijke tijden Biberlacht ("Beverpoel") wordt
+genoemd. Vele jaren achtereen heeft de opperhoutvester von Meijerinck
+hier de Bevers nagegaan; in een in 1827 verschenen geschrift deelt hij
+over hen het volgende mede: "Er wonen thans (in 1822) nog verscheidene
+paren Bevers in holen, die op soortgelijke wijze ingericht zijn als een
+Dassenhol, een lengte van 30 à 40 schreden hebben en op gelijke hoogte
+met den waterspiegel liggen; op het land hebben zij uitgangen. In de
+nabijheid van de holen richten de Bevers hutten, zoogenaamde 'burgen'
+op. Deze zijn 2.5 à 3 M. hoog en uit dikke, kunsteloos tot een hoop
+opeengestapelde stokken samengesteld; dit hout bijten de dieren van de
+naburige boomen af en schillen het, omdat zij de schors als voedsel
+gebruiken. In den herfst bedekken de Bevers den houthoop met klei en
+andere grondsoorten van den rivieroever. De hut heeft de gedaante van
+een bakoven en dient niet als woning, maar alleen als toevluchtsoord,
+wanneer de hooge waterstand hen uit hunne gangen verdrijft. In den
+zomer van het genoemde jaar toen de kolonie uit 15 à 20 jonge en oude
+dieren bestond, bemerkte men, dat zij dammen opwierpen. De Nuthe
+was toen zóó ondiep, dat de uitgangen van de holen aan den oever
+overal zichtbaar werden en het water daaronder nog slechts weinige
+cM. diep was. De Bevers hadden een plaats uitgekozen, waar zich in
+het midden van het riviertje een kleine verhevenheid bevindt; hier
+begonnen zij aan weerszijden dikke takken in 't water te werpen, en
+de tusschenruimten met slijk en biezen te vullen; boven den hierdoor
+ontstanen dam was de waterspiegel 30 cM. hooger dan er beneden. De
+dam werd meermalen vernield, in den regel was hij echter telkens den
+volgenden dag weder hersteld. Toen het hooge water van de Elbe in de
+Nuthe doordrong en tot boven de woningen der Bevers steeg, waren zij
+ook over dag te zien. Zij lagen dan meestal boven op den hut of op
+de naburige knotwilgen."
+
+Aan de mededeelingen van andere onderzoekers ontleenen wij het
+volgende: Na rijp beraad kiezen de dieren een riviertje of beek
+uit, welker oevers hun een overvloed van wilgen kunnen verschaffen
+en hun voor het aanleggen van hunne woningen en hutten bijzonder
+geschikt voorkomen. De eenzaam levende individuën bewonen eenvoudige,
+onderaardsche holen in den trant van die van den Vischotter. Een of
+meer gangen van verschillende lengte (meestal 2 à 6 M.), die alle onder
+water uitkomen, leiden naar een ruime, meer of minder hoog boven den
+waterspiegel gelegen woning. Deze bestaat gewoonlijk slechts uit één
+woonkamer, die netjes en zorgvuldig met in fijne vezels verdeeld hout
+gevuld is, en als slaapplaats, bij uitzondering ook als kraamkamer
+dient. Gezelschappen, die gewoonlijk uit twee of meer familiën bestaan,
+bouwen in den regel hutten, en leggen, als dit noodig is, dammen aan
+om het water op te stuwen en op gelijkmatige hoogte te houden. Sommige
+van deze dammen zijn 150 à 200 M. lang, 2 à 3 M. hoog, van onderen 4
+à 6 M., van boven nog 1 à 2 M. dik. Zij bestaan uit stokken, welker
+dikte afwisselt tusschen die van een arm en die van een dij; zij
+zijn 1 à 2 M. lang, worden met het eene einde in den bodem bevestigd,
+steken met het andere boven het water uit, zijn door dunnere takken
+met elkander verbonden, waarna de tusschenruimten met riet, klei en
+zand op zulk een wijze dichtgemaakt worden, dat aan de stroomzijde
+de dam bijna loodrecht is, terwijl aan de tegenovergestelde zijde
+een glooiing ontstaat. Vervolgens worden nog loopgangen of kanalen
+aangelegd, waardoor de voor huttenbouw en voeding noodige stoffen
+gemakkelijker uit de vijvers, die boven de dammen ontstaan, naar het
+beneden den dam gelegen water gesleept of gevlot kunnen worden.
+
+De volgende beschrijving van de inrichting en het doel der hut
+is ontleend aan Prof. Harting's "Bouwkunst der Dieren": "Het dak
+steekt als een gewelf hoog boven het water uit en is van een luchtgat
+voorzien. De vloer ligt van binnen steeds boven den waterspiegel. Hij
+is begroeid met riet en bestrooid met houtspaanders. In dien vloer
+is een opening, waardoor de bewoners der hut onder het water door
+naar buiten kunnen geraken. Gewoonlijk bestaat zulk een hut slechts
+uit één enkele holte of kamer, welke dan tot woonplaats verstrekt aan
+twee beverfamiliën, namelijk vier ouden en zes tot acht jongen. Niet
+zelden gebeurt het echter ook, dat een hut in een zeker aantal kamers
+gescheiden is, die alle door een gemeenschappelijk dak overdekt worden,
+doch nimmer verdiepingsgewijs boven, maar steeds nevens elkander zijn
+aangelegd. Elke kamer heeft dan ook haar eigen opening of deur naar
+buiten. Zoo b.v. zag Hearne op een eilandje zulk een groot gebouw,
+dat inwendig uit niet minder dan twaalf afdeelingen bestond.
+
+"Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat op sommige plaatsen honderd
+en meer dezer koepelvormige woningen zich langs den oever verheffen,
+dan kan men zich begrijpen, hoe lieden, die deze voor het eerst zien,
+en met de levenswijs der Bevers onbekend zijn, daarin voortbrengselen
+van een nog op een lagen trap staande menschelijke bouwkunst meenden te
+herkennen, gelijk Möllhausen verhaalt van de lieden, die de expeditie
+van luitenant Whippler vergezelden, waaraan ook hij deelnam.
+
+"In Europa kiezen de Bevers bij voorkeur wilgen, populieren en berken;
+in Amerika bezigen zij ook verwante soorten en bovendien magnoliën,
+de rondbladige esch, sassafras enz. Met de schors van dezelfde boomen
+voeden zij zich. Hun voorraad van stammen en takken laten zij vóór
+hun woning in 't water liggen en halen daarvan al naar hun behoefte
+naar binnen, schillen het daar op hun gemak af en werpen het overige
+weder in het water. Cartwright zag zulke magazijnen, die meer dan
+een karrevracht hout bevatten.
+
+"De hutten der Bevers dienen eigenlijk alleen tot hun
+winterverblijf. Wanneer de dooi in de lente het water sterk doet
+rijzen en hen met overstrooming bedreigt, dan verlaten zij de
+hutten. De mannetjes blijven den geheelen zomer buiten, zwerven rond
+en slapen op te samen gebrachte takken; de wijfjes keeren weder naar
+de hutten terug, wanneer het water daalt en werpen aldaar in Juni
+hare jongen. Tegen den herfst begeven zich ook de mannetjes naar hun
+woning; te zamen herstellen zij dan de oude of bouwen een nieuwe hut
+en verzamelen vervolgens hun wintervoorraad."
+
+Alle werkzaamheden van den Bever staan in zulk een nauw verband met
+zijne gewoonten en behoeften, dat men zijn levenswijze schildert,
+wanneer men deze werkzaamheden beschrijft. Evenals de meeste
+Knaagdieren werken zij gedurende den nacht; alleen in zeer afgelegen
+landstreken, waar zij in langen tijd geen mensch te zien krijgen,
+zijn zij ook over dag aan den arbeid. "Kort na zonsondergang verlaten
+zij hunne rustplaatsen, fluiten luid en laten zich met een plomp in
+'t water vallen. Zij zwemmen een tijdlang rond in de nabijheid van
+den oever, tegen den stroom op even snel als met den stroom mede, en
+houden, naarmate zij zich min of meer veilig achten, hetzij den neus en
+het voorhoofd, òf den kop en den rug boven water. Na de veiligheid van
+de omgeving onderzocht te hebben, gaan zij aan land, waar zij zich tot
+op een afstand van 50 schreden of nog verder van den oever begeven,
+om de boomen af te snijden, die zij voor hun voeding of voor hunne
+bouwwerken noodig hebben." Takken, die eenige cM. dik zijn, worden in
+eens door den Bever afgebeten; boomen brengt hij ten val door in den
+stam een ringvormige groeve te knagen en deze aan de naar het water
+gerichte zijde dieper te maken, totdat de boom naar die zijde overhelt
+en in 't water valt. De sporen, die zijn arbeid op den stam achterlaat,
+bestaan uit tallooze, vlakke, schelpvormige insnijdingen, die zoo glad
+en scherp zijn, alsof zij met een zwak gebogen beitel uitgehouwen
+werden. Soms snijden de Bevers stammen van meer dan mansdikte af,
+dit doen zij ook wel in Duitschland. Takken met vele twijgen worden
+vóór het wegsleepen nauwkeurig bezichtigd, in sommige gevallen in
+stukken verdeeld, hinderlijke takstompjes worden afgesneden, alle
+stukken hout daarna in 't water gesleept en hier ontschorst of voor
+latere tijden bewaard. Eerst nadat de stok geschild is, gebruikt de
+Bever hem als bouwmateriaal, haalt hem uit het water, sleept hem naar
+de naastbijgelegen hut en geeft hem hier een bestemming. Van een regel
+bij het rangschikken van de voor 't bouwen dienende stokken is niets
+te bespeuren. Op een doelmatige wijze wordt in de behoeften voorzien,
+aan een regelmatige plaatsing van de bouwstoffen echter niet gedacht:
+eenige stokken liggen horizontaal, andere scheef, nog andere verticaal,
+enkele steken met het eene einde ver buiten de wanden van de hut uit,
+andere zijn geheel met aarde bedekt. Er wordt trouwens voortdurend
+iets aan de woning veranderd, vergroot en verbeterd. Alle voor het
+dichtstoppen en de bekleeding vereischte materialen, zooals aarde,
+zand, leem of slib worden op verschillende wijzen, maar toch altijd
+slechts met den bek en met de voorvoeten vervoerd en alleen met
+de voorvoeten verwerkt. De staart wordt hierbij hoogstens voor het
+behouden van het evenwicht, nooit als troffel gebruikt. Wel is het
+mogelijk, dat de zware achter hem aansleepende staart, die soms niet
+minder dan 2 KG. weegt, tot het gladmaken der slibbedekking bijdraagt.
+
+Evenals bij de meeste dieren is het wijfje van den Bever bij het
+bouwen met het belangrijkste deel van den arbeid belast, het mannetje
+verricht hoofdzakelijk oppermanswerk. Beide arbeiden gedurende het
+geheele jaar, hoewel niet altijd met denzelfden ijver. In den zomer
+en in het begin van den herfst zijn zij vaker aan 't spelen dan aan
+het voltooien van de woning; vóór het invallen van het koude weder
+arbeiden zij daarentegen onverpoosd gedurende den geheelen nacht. Zij
+hebben een fijn voorgevoel van de naderende weersgesteldheid en nemen
+hiertegen de best mogelijke voorzorgsmaatregelen.
+
+Het voedsel van de Bevers bestaat voornamelijk uit de schors en de
+bladeren van verschillende boomen. Van alle takken, die ik mijne
+gevangenen toewierp, kozen zij het allereerst die van den wilg uit,
+en alleen wanneer deze ontbraken, namen zij takken van witte, zwarte
+en ratel-populieren, esschen en berken, het minst graag die van
+elzen en eiken. Harde takken, die zij met de voorvoeten aanvatten
+en aanhoudend ronddraaien, ontschorsen zij zeer netjes en behendig;
+zij schillen ze zoo schoon af, dat men op den van schors beroofden
+tak geen sporen van de werking der tanden ontdekken kan. Spoedig
+geraken zij gewoon aan brood en scheepsbeschuit, appels en peren,
+en krijgen weldra een voorliefde voor vruchten.
+
+Hoewel de houding van den Bever verschillend is, vertoont zij toch
+over 't algemeen weinig afwisseling. Zittend gelijkt het dier op een
+groote, plompe Muis. Bij het gaan wordt de eene poot na de andere
+bewogen want de bijna over grond schurende buik laat geen snelle,
+gelijkmatige beweging toe. Als hij zeer groote haast heeft, doet de
+Bever sprongen, plomper en onbehendiger dan die van eenig ander, mij
+bekend landzoogdier; achtereenvolgens worden hierbij het achterste
+en het voorste deel van 't lichaam omhooggeheven; toch komt hij op
+deze wijze vrij schielijk vooruit. Bij het zwemmen is het achterdeel
+zoo diep ondergedompeld, dat alleen de neusgaten, oogen en ooren
+benevens het middelste deel van den rug boven den waterspiegel komen;
+het achterste deel van den rug en de staart zijn echter onder water. De
+voortbeweging heeft plaats door de achterpooten tegelijkertijd, zelden
+één voor één, te strekken en te buigen; de staart, die dikwijls
+eveneens in de gepaste richting met kracht schoksgewijs bewogen
+wordt, dient voor 't sturen; de voorpooten doen bij 't zwemmen geen
+dienst. Het dier kan 2 minuten onder water blijven, voordat de behoefte
+om adem te halen het noodzaakt weer aan de oppervlakte te komen.
+
+De stem is een zwak geluid, dat nog het best een gesteun genoemd
+kan worden; zij wordt gehoord, telkens als het dier een aandoening
+ondervindt; weldra leert men de verschillende beteekenissen van de
+voortgebrachte geluiden verstaan. Naar het schijnt, zijn het gehoor
+en de reuk de hoogst ontwikkelde zinnen; de kleine oogen hebben een
+tamelijk onnoozele uitdrukking; gebrekkig is het gezichtsorgaan echter
+evenmin als het smaakorgaan; ook het gevoel is bij dit dier niet
+onbeduidend. Over zijn verstandelijke ontwikkeling zou verschil van
+meening kunnen bestaan; in ieder geval zal men echter moeten erkennen,
+dat het te dezen aanzien in de orde der Knaagdieren een hooge plaats
+inneemt. Eerder dan eenig ander Knaagdier schikt het zich in veranderde
+omstandigheden, en leert het, zich deze op de meest voordeelige
+wijze ten nutte te maken; meer dan een zijner verwanten overlegt het,
+voordat het handelt, maakt het gebruik van ervaringen en leidt hieruit
+gevolgtrekkingen af. Zijne woningen zijn niet kunstiger dan die van
+andere Knaagdieren, steeds echter zijn zij aangelegd met een juist
+besef van de eigenaardigheden van de plaats, waar zij gelegen zijn;
+beschadigingen aan deze woningen worden altijd met overleg hersteld.
+
+Het gedrag van den gevangen Bever tegen andere dieren is onvriendelijk;
+tegenover den mensch zijn zij op zijn minst genomen koel. Die, welke
+goed behandeld worden, dulden ten slotte, dat men ze liefkoost, zij
+gaan ook wel naar hun oppasser toe om hem als 't ware te begroeten;
+tegen iederen dwang verzetten zij zich evenwel. Dat vrouwen en kinderen
+goedgeefs zijn, hebben zulke in de diergaarde levende Bevers spoedig
+geleerd; zij verschijnen daarom, als vrouwen en kinderen voorbijgaan,
+niet alleen vroeger dan gewoonlijk voor hun woning, maar bedelen ook,
+op de achterpooten staande, om eetwaren; handig nemen zij met de
+voorpooten appels, noten, suiker en brood aan; ieder die een beweging
+maakt, alsof hij, hun iets geven wil, en dit niet doet, of die hen
+plaagt, slaan zij echter op de vingers.
+
+Bevers, die jong gevangen zijn, kunnen zeer tam worden. In vele
+berichten van schrijvers over Amerika wordt melding gemaakt van
+Bevers, die in de dorpen van de Indianen in zekeren zin als huisdieren
+worden gehouden, of die in het bezit van de bedoelde schrijvers zelf
+waren. "Ik zag", zegt La Hontan, "in deze dorpen niets wat zoozeer mijn
+aandacht trok als Bevers die, zoowel in de beek als in het kreupelhout,
+ongestoord heen en weer liepen en zoo tam waren als Honden." Hearne
+had verscheidene Bevers zoo mak gemaakt, dat zij kwamen, als hij ze
+riep, hem als Honden naliepen en blijde waren, als zij geliefkoosd
+werden. Het gezelschap van de Indiaansche vrouwen en kinderen beviel
+hun, naar het scheen, zeer goed; zij waren onrustig, wanneer de
+menschen te lang wegbleven, en toonden blijdschap bij hun terugkomst.
+
+De paring van de Bevers heeft in verschillende maanden plaats,
+al naar het land dat zij bewonen. Volgens sommigen gebeurt dit in
+'t begin van den winter, volgens anderen in Februari of Maart. Na
+een draagtijd van zes weken werpt het wijfje in een droog hol 2 of 3
+behaarde, maar nog blinde jongen; na 8 dagen openen deze de oogen en
+worden zij door de moeder medegenomen naar het water; soms geschiedt
+dit echter eerst een paar dagen later.
+
+Behalve _Vorst_ Schwartzenberg, die op de Wereldtentoonstelling te
+Weenen een Beverpaar toonde, houdt tegenwoordig niemand zich met
+het fokken van Bevers bezig, hoewel dit bedrijf zoowel aangenaam
+als voordeelig is, en ook geen bijzondere bezwaren oplevert. Een
+paar Bevers, dat in het jaar 1773 op Rothenhof was gebracht, had
+zich zoo sterk vermenigvuldigd, dat het gezin 6 jaren later uit 14,
+10 jaren later uit 25 leden bestond; toen werd de fokkerij echter
+beperkt, daar de Bevers, die in de vrije natuur waren gebracht, hier
+veel schade aanrichtten. Te Nymphenburg, in Beieren, werden eveneens
+Bevers gehouden; het bleek, dat enkele van deze dieren 50 jaren lang
+in de gevangenschap in 't leven bleven.
+
+Behalve de mensch, heeft de Bever weinig vijanden. Zijn voorzichtigheid
+doet hem zelfs den behendigen jager gelukkig ontgaan. Nadat hij eens
+verontrust is, zoekt hij bij het geringste gevaar het water op, dat
+hem tamelijk goed beveiligt. De Noord-Amerikaansche trappers (zoo
+genoemd naar de vallen--in 't Engelsch "traps"--, die zij gebruiken
+om wild te vangen) beweren, dat de Bevers daar, waar zij in grooten
+getale bijeen wonen, wachten uitzetten, die de overige leden van het
+gezelschap voor een naderend gevaar waarschuwen door een signaal,
+bestaande uit het geluid, dat door het slaan met den staart tegen de
+oppervlakte van het water veroorzaakt wordt. De beteekenis van deze
+mededeeling is eigenlijk, dat een vijand door een vereeniging van
+verscheidene voorzichtige dieren gemakkelijker wordt waargenomen,
+dan door ieder van hen afzonderlijk; dat dus ieder van de leden van
+het gezelschap de hierboven bedoelde wachtdienst verricht. Daar het
+plassend geluid, dat het slaan met den staart op den waterspiegel
+veroorzaakt, alleen dan wordt gehoord, als de Bever zich plotseling
+te water begeeft en onderduikt, en dit in den regel dan geschiedt,
+als hij een gevaar meent op te merken, letten trouwens alle zijne
+metgezellen op dit verre waarneembare gedruisch, en verdwijnen,
+zoodra zij het vernemen, in de diepte. In Amerika doodt men den Bever
+vooral met het geweer, maar vangt hem bovendien in allerlei soorten
+van vallen. In den winter hakt men gaten in 't ijs en slaat de Bevers
+dood, wanneer zij daarin komen om te ademen. Ook neemt men wel eens
+de ijslaag weg van het bij de beverhutten gelegen deel van de rivier
+of beek, bedekt dit met een stevig net, breekt vervolgens de hutten
+open en jaagt de verschrikte dieren in het net.
+
+Het voordeel, dat de Bevers opleveren, weegt ten naastenbij op tegen de
+schade, die zij aanrichten. Men moet hierbij in 't oog houden, dat zij
+bij voorkeur onbevolkte landstreken bewonen, en het liefst zich bepalen
+tot het afsnijden van dunne takken van boomsoorten, die spoedig weder
+aangroeien. Niet alleen de aangerichte vernielingen, maar ook alle
+moeite en bezwaren van de jacht worden daarentegen door het vel en
+het vleesch van het dier, en in nog hoogere mate door het bevergeil,
+zeer rijkelijk vergoed. Uit Amerika komen ieder jaar omstreeks 150.000
+vellen in den handel, ter gezamenlijke waarde van 1.800.000 gulden;
+ieder vel brengt, al naar de kwaliteit, 12 à 36 gulden op.
+
+Bij de Amerikaansche wilden staat de Bever in zeer hoog aanzien. Zij
+schrijven hem bijna evenveel verstand toe als den mensch en gelooven,
+dat dit voortreffelijke dier een onsterfelijke ziel heeft,--om van
+andere sprookjes maar te zwijgen.
+
+
+
+De _Spring-knaagdieren_ (_Dipodidae_), herinneren door hun
+lichaamsbouw duidelijk aan de Kengoeroes. Bij beide komt dezelfde
+wanverhouding tusschen het voorste en het achterste deel van
+den romp voor. Het achterste deel van het lichaam is buitengewoon
+krachtig ontwikkeld: de achterpooten zijn wel driemaal zoolang als de
+voorste; de staart is naar verhouding zeer lang, aan het achterste
+gedeelte gewoonlijk tweerijig behaard, zoodat hij in een kwast
+uitloopt. De Spring-Knaagdieren verschillen echter aanmerkelijk
+van de Spring-buideldieren wat den kop betreft. Deze is bij de
+eerstgenoemde zeer dik; de hieraan groeiende snorren zijn naar
+verhouding de langste die bij eenig Zoogdier voorkomen: dikwijls
+zijn zij even lang als het geheele lichaam. De groote oogen wijzen op
+een nachtelijke levenswijze, maar zijn levendig en fraai, zooals bij
+weinige andere nachtdieren; dat het gehoor niet minder goed ontwikkeld
+is, blijkt uit de overeindstaande, lepelvormige ooren, welker lengte
+afwisselt van één derde tot de geheele lengte van den kop. De hals
+is zeer dik en onbeweeglijk, de romp mag wel slank heeten. Aan de
+kleine voorpooten komen gewoonlijk 5 teenen voor, aan de achterpooten
+3. De vacht is dicht en zacht, haar kleur gelijkt op die van het
+zand. De naast elkander gelegen beenderen, die bij de meeste andere
+Zoogdieren den middelvoet vormen, zijn vergroeid tot één enkel been,
+aan welks uiteinde de van elkander afgezonderde gewrichtsknobbels
+voor de teenen voorkomen.
+
+De Spring-knaagdieren zijn hoofdzakelijk bewoners van Afrika en Azië;
+van eenige soorten strekt zich het verbreidingsgebied echter tot in
+Zuid-Europa uit; één geslacht of onderfamilie behoort in Noord-Amerika
+thuis. Zij zijn bewoners van het droge, vrije veld, van de grasrijke
+steppe en van de dorre zandwoestijn; het zijn eigenlijk woestijndieren,
+zooals ook uit hun kleur oogenblikkelijk blijkt. Op leemachtigen
+of zandigen bodem, in de lage landen, zeldzamer op hoogten of aan
+dicht met kreupelhout begroeide weidezoomen en in de nabijheid van
+bouwland vestigen zij zich in door hen zelf gegraven holen met vele
+vertakte, doch meestal op zeer korten afstand van de oppervlakte
+gelegen pijpen, die altijd talrijke uitgangen hebben. Over dag
+in hunne holen verborgen, vertoonen zij zich na zonsondergang en
+leiden dan een vroolijk leven. Hun voedsel bestaat uit wortels,
+bollen, allerlei graansoorten en zaden, vruchten, bladen, gras en
+kruiden. Eenige verslinden ook Insecten, ja zelfs kleine Vogels,
+gebruiken zelfs aas als voedsel en eten in sommige gevallen elkander
+op. Het voedsel brengen zij met de voorpooten naar den mond, terwijl
+zij in half opgerichte houding op het achterste deel van den romp en
+op den staart steunen.
+
+Hunne bewegingen zijn zeer eigenaardig. De bedaarde gang verschilt van
+die der Kengoeroes in zoover, dat zij schielijk achtereen den eenen
+achterpoot vóór den anderen plaatsen; de snelle loop geschiedt echter
+sprongsgewijs; door het strekken van de krachtige achterpooten wordt
+het lichaam ver boven den grond verheven, terwijl intusschen met den
+tweerijig behaarden staart de richting van den sprong geregeld en zoo
+het evenwicht bewaard wordt. Daarbij leggen zij de voorpooten tegen de
+kin aan, of kruisen ze, gelijk een hardloopend mensch over de borst;
+dan is het, alsof zij maar twee pooten hebben. De grootste soorten
+kunnen kolossale sprongen doen; want bij al deze dieren bedraagt de
+sprongwijdte het twintigvoud van hun lichaamslengte. De eene sprong
+volgt onmiddellijk op den anderen; als zij haastig vluchten, ziet
+men eigenlijk niets anders dan een geel voorwerp, dat volgens vlakke
+bogen als een pijl door de lucht schiet. Met even groote behendigheid
+graven zij in den bodem, in weerwil van de zwakheid hunner voorpooten,
+die hoofdzakelijk dezen arbeid moeten verrichten. Terwijl zij grazen,
+gaan zij, ook weder evenals de Kengoeroes, op vier pooten; deze
+beweging is echter zeer langzaam en wordt nimmer lang voortgezet. Bij
+het zitten rusten zij op de zolen van de achtervoeten.
+
+Bij alle soorten zijn de zinnen scherp, vooral hebben zij een fijn
+gehoor en kunnen op grooten afstand zien; hierdoor kunnen zij aan
+dreigende gevaren gemakkelijk ontkomen. Uiterst vreesachtig, schuw
+en haastig, trachten zij bij iedere storing zoo schielijk mogelijk
+hun hol te bereiken of slaan, wanneer hun dit niet mogelijk is,
+met razende snelheid op de vlucht. De grootste soort verdedigt
+zich in gevallen van uitersten nood, op de wijze der Kengoeroes,
+met de achterpooten; de kleinere soorten daarentegen maken, als zij
+gegrepen worden, nooit van hunne natuurlijke wapens gebruik. Hun stem
+bestaat uit een soort van gehuil, dat op het geschreeuw van jonge
+Katten gelijkt, bij andere leden der familie ook wel uit een dof
+geknor. Men hoort echter over 't algemeen slechts zelden een geluid
+van hen. Bij geringen warmtegraad vervallen zij in winterslaap, of
+verstijven althans gedurende korten tijd; zij verzamelen echter geen
+wintervoorraad, gelijk andere Knaagdieren doen.
+
+In de gevangenschap zijn de Spring-Knaagdieren zeer aardige en
+bevallige gasten van den mensch; hunne goedaardigheid, zachtmoedigheid
+en argeloosheid doen hen ieders vriendschap verwerven.
+
+Bijna alle soorten zijn volkomen onschadelijk. De woestijn, die voor
+ieder open staat, biedt hen zooveel voedsel, dat zij er geen behoefte
+aan gevoelen, de bezittingen van den mensch te plunderen.
+
+
+
+De _Amerikaansche Springmuis_ (_Jaculus hudsonius_) is de eenige
+vertegenwoordiger van haar geslacht en van haar onderfamilie. Door
+haar lichaamsbouw gelijkt zij op hare naaste verwanten in de Oude
+Wereld, door den vorm en de beharing van den staart herinnert zij
+echter ook aan de gewone Muizen. In grootte komt zij ongeveer overeen
+met de Boschmuis; haar lichaamslengte bedraagt tennaastenbij 8 cM,
+zonder den 13 cM. langen staart. Het gladde en dichte haarkleed is
+aan de bovenzijde donker leder-bruin met bruingeel gemengd.
+
+Het hooge noorden van Amerika is het vaderland van dit dier. Het komt
+voor in alle gewesten die pelterijen leveren, van den Missouri tot in
+Labrador en van de oevers van den Atlantischen tot aan die van den
+Stillen Oceaan. Hier woont het in de met dicht struikgewas bezette
+weideranden en in de nabijheid van bosschen; over dag blijft het
+verborgen, des nachts zwerft het bij gezelschappen rond. Zijne holen
+zijn ongeveer 50 cM. diep, in het koude jaargetijde soms dieper. Vóór
+den aanvang van den winter vervaardigt het een nest van leem, dat op
+een hollen kogel gelijkt, rolt zich hierin samen, met den staart om
+het lichaam gewikkeld en blijft zoo in een toestand van verstijving
+liggen, tot de lente komt. Men verhaalt, dat een tuinman in Maart
+bij het omspitten van den grond een kluit vond ter grootte van een
+kegelbal, die wegens zijn regelmatigen vorm verwondering wekte; de
+tuinman sloeg den bal met de spade in twee stukken en vond hierin
+een diertje, dat zich opgerold had, ongeveer als een kuiken in een
+ei. Dit was de Amerikaansche Springmuis in haar winterkwartier. In
+den zomer is zij zeer vlug, zij springt buitengewoon behendig en
+snel op de achterpooten rond. In het bosch kan men haar, naar beweerd
+wordt, in 't geheel niet vangen. Met gemak springt zij hier over lage
+struiken heen, die de mensch niet zoo gemakkelijk overschrijden kan,
+en weet dan altijd een veilig plaatsje te vinden. Audubon betwijfelt,
+of eenig Zoogdier haar in behendigheid evenaart.
+
+Naar men zegt, kan het aardige diertje zonder moeite in 't leven
+gehouden worden.
+
+
+
+Over de _Echte Springmuizen_ (_Dipodinae_) is men beter onderricht. Men
+kan ze als typische vertegenwoordigers van de familie beschouwen, want
+zij vertoonen al hare eigenaardigheden het duidelijkst. Haselquist
+merkt niet onaardig op, dat zij er uitzien, alsof zij uit stukken
+van verschillende dieren zijn samengesteld. "Men zou kunnen zeggen,
+dat dit diertje den kop heeft van den Haas, den snorrebaard van den
+Eekhoorn, den snuit van het Zwijn, den romp en de voorvoeten van de
+Muis, de achtervoeten van den Vogel en den staart van den Leeuw." In
+de eerste plaats valt de kop in 't oog: er blijkt onmiddellijk uit,
+dat de Springmuizen echte woestijnbewoners zijn. Voor alle zintuigen
+is de noodige ruimte aanwezig. De oorschelpen zijn groot en vliezig, of
+althans uiterst dun behaard, de oogen groot, levendig en zacht, zooals
+bij vele andere woestijnbewoners, die een nachtelijke levenswijze
+hebben, de neusgaten wijd; ook de organen voor den tastzin zijn
+goed ontwikkeld: aan weerszijden van den kop steken verbazend lange
+snorren uit. De hals is buitengewoon kort en weinig beweeglijk,
+de staart daarentegen zeer lang, meestal langer, soms veel langer
+dan de romp: het voorste gedeelte is rond, overal gelijkmatig kort
+behaard, de staartspits echter meestal met twee rijen van langere
+borstelharen bezet, waardoor de staart eenige overeenkomst met een
+pijl verkrijgt. De zeer korte voorpooten, zijn gedurende het springen
+zoo tegen het lichaam aangedrukt en in de vacht verborgen, dat hierin
+een reden te vinden is voor de oude benaming "Tweevoet"; zij hebben
+slechts vier teenen met middelmatig lange, gekromde en scherpe klauwen,
+en op de plaats van den duim een wratje, dat soms met een nagel
+voorzien is, soms echter niet. De achterpooten zijn wel zesmaal zoo
+lang als de voorpooten, omdat zoowel het onderbeen als de middelvoet
+buitengewoon sterk verlengd zijn. Het haarkleed bestaat uit zachte,
+zijdeachtige haren; ieder haar van den rug is van onderen blauwachtig
+grijs, hoogerop zandkleurig, aan de spits echter zwart of donkerbruin;
+aan de onderdeelen is de vacht altijd wit, met overlangsche strepen
+aan de zijden. Een merkwaardig verschijnsel, dat men bij vele snel
+loopende dieren opmerkt en ook bij de Springmuizen aantreft, is,
+dat de voeten de eenvoudigst mogelijke samenstelling hebben, en
+slechts uiterst weinig beweeglijk zijn. De 3, 4 of 5 buitengewoon
+korte teenen van de springpooten hebben in den regel slechts twee
+leden; zij kunnen niet zijdelings bewogen, maar alleen gezamenlijk
+een weinig gebogen en gestrekt worden. Bij het loopen komt alleen
+de uiterste spits van het nagellid met den grond in aanraking; door
+een veerkrachtige, kraakbeenige massa, wordt zij echter gevrijwaard
+tegen den invloed van schokken bij den sprong.
+
+
+
+Als vertegenwoordiger van dit geslacht kies ik
+de _Woestijn-springmuis_, de _Djerboa_ der Arabieren (_Dipus
+aegyptius_), een allerliefst diertje van 17 cM. lengte, waarbij nog
+gevoegd moet worden 21 cM. voor den staart (zonder den haarkwast). De
+Woestijn-springmuizen, waarschijnlijk wel de Egyptische, waren reeds
+aan de ouden goed bekend. Dikwijls wordt in de werken van Grieksche en
+Romeinsche schrijvers van deze dieren melding gemaakt, altijd onder
+den naam van "tweevoetige Muizen", welke naam daarom ook thans nog
+tot aanduiding van het geslacht dient.
+
+Het verbreidingsgebied van de Woestijn-springmuis omvat het
+grootste deel van Noord-Oost-Afrika, en het aangrenzende deel van
+West-Azië. Kale, droge vlakten, steppen en zandwoestijnen worden door
+haar bewoond; zij bevolkt de dorste en eenzaamste landschappen, en
+leeft in streken waar, naar men zou zeggen, geen dier het noodige voor
+zijn levensonderhoud kan vinden. Op deze met harde grassen begroeide,
+naargeestige vlakten treft men ze soms tot groote gezelschappen
+vereenigd aan. Zij komt hier voor nevens het Woestijnhoen, de
+kleine Woestijn-leeuwerik en de isabelkleurige Woestijnlooper; het
+is moeielijk te begrijpen, dat ook de Springmuizen voedsel vinden
+daar, waar de genoemde Vogels, die, behalve zaden, toch ook veel
+Insecten eten, ter nauwernood aan den kost kunnen komen. In den harden
+grindgrond graven onze Knaagdieren sterk vertakte, maar tamelijk dicht
+bij de oppervlakte gelegen gangen, waarin zij zich bij het geringste
+gevaar verschuilen.
+
+Hoewel deze diertjes talrijk zijn in de door hen bewoonde gewesten,
+ziet men ze hier tamelijk zelden. Men kan ze wel niet schuw noemen,
+maar zij zijn onrustig en vreesachtig en begeven zich bij het geringste
+gedruisch en zoodra zij een vreemd voorwerp zien, zoo schielijk
+mogelijk naar hunne holen. Bovendien vallen zij eerst op geringen
+afstand in 't oog, omdat hun kleur volkomen met die van 't zand
+overeenkomt en men tamelijk dicht bij hen moet zijn, voordat men ze
+bemerkt; met hunne fijn bewerktuigde zintuigen kunnen zij daarentegen
+de nadering van den mensch reeds op grooten afstand waarnemen. Wel
+mag men zeggen, dat het moeite zal kosten een aanvalliger schepseltje
+aan te wijzen, dan deze Springmuis. Vreemdsoortig en schijnbaar
+wanstaltig moge haar voorkomen zijn, als men haar dood in de
+hand heeft of bewegingloos ziet zitten, bevallig is echter haar
+uitzicht, als zij in beweging geraakt. Eerst dan doen deze dieren
+zich kennen als echte kinderen van de woestijn, openbaren zij hunne
+merkwaardige begaafdheden. Zij bewegen zich met een snelheid die
+aan het ongeloofelijke grenst; 't is alsof zij vleugels hebben. Geen
+mensch is in staat een Springmuis in volle vaart bij te houden. Hoewel
+de Woestijn-springmuis een echt nachtdier is en hare zwerftochten
+eerst na zonsondergang begint, ziet men haar toch ook soms bij helder
+zonlicht, ja zelfs gedurende de heetste uren van den dag voor haar
+woning zitten en met hare soortgenooten spelen. De onverschilligheid
+voor den verzengenden gloed van de middagzon in Afrika, die zij bij
+deze gelegenheid openbaart, is werkelijk bewonderenswaardig; vooral
+als men bedenkt, dat nagenoeg geen enkel dier op dezen tijd van den
+dag zich in de woestijn beweegt, wijl de brandende hitte dan zelfs voor
+de echte bewoners van dit verheven landschap in den volsten zin van 't
+woord onverdragelijk is. Voor koude en vochtigheid daarentegen is zij
+zeer gevoelig; bij slecht weder blijft zij daarom altijd verborgen in
+haar hol; ook vervalt zij dan wel in een toestand van verstijving, die
+aan den winterslaap van de bewoners der noordelijke gewesten herinnert.
+
+Over de voortplanting van de Woestijn-springmuis is niets met zekerheid
+bekend. De Arabieren maken ijverig jacht op dit dier, omdat zij zijn
+vleesch eten en op tamelijk hoogen prijs stellen; zonder groote moeite
+vangen zij het levend of slaan het dood als het uit zijn hol komt.
+
+Behalve den mensch hebben deze dieren weinig vijanden. De Fenek en de
+Karakal en misschien ook de een of andere Uil zijn de gevaarlijkste
+warmbloedige roovers, die het op hen gemunt hebben; veel gevaarlijker
+wordt voor hen de Egyptische Brilslang. Deze leeft nl. op soortgelijke
+plaatsen als de Springmuizen, dringt zonder moeite door in de holen,
+die zij graven en doodt er vele van.
+
+De Europeesche dierenliefhebbers, die in Egypte wonen, houden dikwijls
+Springmuizen in gevangenschap. Op grond van mijn eigen ervaring kan
+ik verzekeren, dat men veel genoegen kan hebben van zulke in een hok
+of in een kamer opgesloten dieren. Gedurende mijn verblijf in Afrika
+werden mij dikwijls 10 of 12 stuks tegelijk gebracht. Ik gaf dan aan
+zulk een gezelschap een groote kamer tot woonplaats om de bewegingen
+dezer dieren te kunnen nagaan. Van 't eerste oogenblik af waren zij
+mak. Zonder bezwaar lieten zij toe, dat men ze aanraakte, en deden
+zelfs geen pogingen om den mensch te ontwijken. Bij het rondgaan
+in hun kamer moet men oppassen niet op hen te trappen, zoo rustig
+bleven zij zitten, als iemand op hen af kwam. Tegenover elkander
+zijn de springmuizen ook in de gevangenschap buitengewoon vreedzaam
+en gezellig. Zij zijn aan armoedig en droog voedsel gewoon. Als
+het droge voedsel haar geheel onthouden wordt, gaan zij treuren,
+verliezen haar gezondheid en sterven eindelijk. Wanneer zij tarwe,
+rijst, een weinig melk en af en toe een druif, een stukje appel,
+een wortel of zoo iets krijgen, blijven zij welvarend en kunnen lang
+in de gevangenschap leven. In den laatsten tijd is het geen groote
+zeldzaamheid meer, dat zij naar Europa gebracht worden.
+
+Van alle Knaagdieren, die ik tot dusver in gevangenschap hield, zijn
+mij de Springmuizen het best bevallen. Wegens hare eigenschappen
+moet ieder wel van haar houden. Zij zijn zoo merkwaardig argeloos,
+zoo vriendelijk, tam, zindelijk, en, als zij haar slaapje uit hebben,
+zoo vroolijk en vlug, elk van hare bewegingen is zoo eigenaardig en
+zij weten hierin zooveel afwisseling te brengen, dat men zich uren
+lang met haar kan bezig houden.
+
+Voor haar verzorger is de Springmuis zeer lieftallig. Nooit komt het
+haar in de gedachte den persoon te bijten, die haar opneemt. Men kan
+haar aanraken, liefkoozen, ronddragen: alles is haar goed. Wanneer
+iemand haar 's avonds een vinger toesteekt tusschen de traliën van haar
+hok door, gebeurt het wel, dat zij dien aanvat, en met de tanden een
+weinig langs den vingertop schaaft, waarschijnlijk omdat zij meent,
+dat men haar iets te eten wil geven; van werkelijke pogingen om te
+bijten is ook dan zelfs geen sprake. Het komt mij voor, dat men de
+Springmuis zeer goed in een salon of pronkkamer zou kunnen houden,
+zoo goedaardig, argeloos en zindelijk is dit dier.
+
+
+
+Door het maaksel van den schedel, van het gebit en vooral van de
+achterpooten verschillen de _Zandspringers_ (_Scirtetes_) van de
+Woestijn-springmuizen. Bij hen is een lang en stevig middelvoetsbeen
+aanwezig, dat van onderen drie gewrichtsvlakken heeft voor de
+aanhechting van de drie teenen, die met den grond in aanraking komen;
+aan weerszijden van het groote middelvoetsbeen bevindt zich een korter
+been, dat een bijteen draagt, die den grond niet raakt. De achtervoet
+is dus met vijf teenen voorzien.
+
+
+
+Door de uitmuntende beschrijvingen van Pallas, Brandt en anderen,
+zijn wij vooral met de _Paardepoot-springmuis_, den _Alakdaga_
+der Mongolen (_Scirtetes jaculus_) bekend geworden. Dit dier heeft
+ongeveer de grootte van een Eekhoorntje; zonder den 26 cM. langen
+staart heeft het een lengte van 18 cM. De ooren zijn zoo lang als de
+kop. Deze is werkelijk fraai en heeft levendige, uitpuilende oogen
+met cirkelvormige pupil, groote, lange en smalle ooren, die langer
+zijn dan de kop en zeer lange snorharen met zwartachtig grijze spitsen
+aan weerszijden van de bovenlip. De achterpooten zijn bijna viermaal
+zoo lang als de voorpooten. De middelste teen is de langste, want de
+beide zijdelingsche teenen reiken niet voorbij het eerste lid van de
+middelste en de twee bijteenen zijn, zooals reeds opgemerkt werd, zoo
+hoog geplaatst en kort, dat zij bij 't gaan den grond niet aanraken.
+
+Hoewel de Paardepoot-springmuis ook in het zuidoosten van Europa
+voorkomt, vooral in de steppen aan den Don en in de Krim, is Azië
+toch haar eigenlijk vaderland. Noordwaarts komt zij niet verder dan
+de 52e breedtegraad; oostwaarts strekt haar verbreidingsgebied zich
+uit tot in het oosten van Mongolië.
+
+Evenals de Djerboa de woestijnen van Afrika bewoont, leeft de Alakdaga
+in de open vlakten van het steppengebied van Zuid-Europa en Azië,
+vooral echter op leemachtigen grond; het eigenlijke, rondkorrelige zand
+vermijdt hij, omdat dit geen voldoende stevigheid voor zijne gangen en
+holen aanbiedt. Hij leeft gezellig evenals zijne verwanten, doch niet
+in groote troepen bijeen. Over dag rust hij, verborgen in zijn kunstig
+hol, na het vallen van de schemering zwerft hij rond, maar keert des
+nachts herhaaldelijk naar zijn hol terug. Zijne bewegingen gelijken op
+die van zijne reeds genoemde verwanten. Als hij rustig graast, loopt
+hij, evenals een Kengoeroe, die met zijn maal bezig is, op alle vier;
+de snellere beweging geschiedt springend op de achterpooten. Naar
+men zegt, maakt hij nog grooter sprongen dan de Woestijn-springmuis,
+en is hij hierdoor in staat zoo snel te vluchten, dat een Paard hem
+niet inhalen kan. Schuw en vreesachtig van aard neemt hij reeds
+bij het geringste gevaar de vlucht; zelfs als hij rustig graast,
+richt hij zich van tijd tot tijd op om de omgeving te bespieden. Als
+hij vervolgd wordt, springt hij niet volgens een rechte lijn weg,
+maar verandert zooveel mogelijk zigzagswijs van richting, totdat hij
+zijn vervolger afgemat, of een voor hem geschikt hol gevonden heeft,
+waarin hij zich oogenblikkelijk verbergt.
+
+De Alakdaga eet allerlei soorten van planten en allerlei deelen
+van planten. Zijn voornaamste voedsel bestaat uit bollen; Insecten
+versmaadt hij echter niet; nu en dan zal hij waarschijnlijk wel
+eens zijn maal doen met een Steppen-leeuwerik of althans met diens
+eieren en jongen. Van struiken knaagt hij de schors af, van de
+kruidachtige planten der steppe vreet hij echter alleen de jongste
+uitspruitsels. Als de felle koude begint, valt de Paardepoot-springmuis
+in slaap. Bij 't naderen van den winter sluit hij de uitgangen zijner
+onderaardsche galerijen zorgvuldiger af dan gewoonlijk en rolt zich
+met andere dieren van zijn soort in de zacht bekleede kamer van het
+hol tot een kluwen ineen.
+
+De Alakdaga wordt tamelijk sterk vervolgd, daar de steppenbewoners
+zeer veel houden van zijn vleesch. Slechts hoogst zelden houden de
+nomaden van deze steppen een Alakdaga in gevangenschap, ofschoon
+hij deze zeer goed verdraagt. Men heeft hem reeds meermalen levend
+in Europa gehad, waar hij niet alleen voor tijdverdrijf diende, maar
+ook soms voor een wetenschappelijk doel. De beste beschrijving van het
+leven van dit dier in de gevangenschap, hebben wij n.l. te danken aan
+den oudheidkundige Haym. Om een gouden munt uit Cyrene te verklaren,
+waarop aan de eene zijde een ruiter, aan de ander echter het beroemde
+kruid _Silphium_ [2] met een Zandspringer er onder afgebeeld was,
+schafte Haym zich een Alakdaga aan, hield hem meer dan een jaar lang
+in leven, teekende zorgvuldig op, wat er aan dit dier op te merken
+viel en gaf hiervan een nauwkeurig verslag.
+
+Gedurende de 3 of 4 eerste maanden van zijn leven in de gevangenschap,
+at deze Zandspringer niets anders dan amandelen, pistaches (de
+eetbare vruchten van een in Syrië en Mesopotamië inheemschen, in de
+oeverlanden van de Middellandsche zee gekweekten boom, _Pistacia
+vera_) en gebroken graan, zonder ooit te drinken; later gebruikte
+hij ook appels, peenen en nog liever kruiden, maar alleen zulke,
+die weinig geur hebben, zooals spinazie, salade, brandnetels, enz.;
+hij dronk toen ook nu en dan gaarne water, hoewel men Haym gezegd
+had, dat dit nooit geschiedde. Hij hield veel van brood, suiker en
+soortgelijke voedingsmiddelen; kaas en alle andere melkspijzen roerde
+hij nooit aan. Ten slotte gaf hij aan hennepzaad de voorkeur boven
+ieder ander voedsel. Hij verbreidde volstrekt geen onaangenamen reuk,
+zooals andere Knaagdieren--Muizen, Eekhoorns en Konijnen--doen; ook
+was hij zoo zachtaardig, dat men hem gerust in de handen kon nemen;
+hij beet nooit. Vreesachtig als een Haas, was hij zelfs bang voor
+diertjes, die kleiner waren dan hij en geen kwaad konden doen. In
+het koude jaargetijde had hij veel last van den lagen warmtegraad;
+des winters moest men derhalve zijn hok altijd in de nabijheid van
+het vuur plaatsen. Toch was niet het klimaat, maar een noodlottig
+toeval de oorzaak van den dood van dit dier.
+
+
+
+De _Springende Haas_, door de Hollandsch sprekende bewoners van
+Zuid-Afrika ook wel _Aardmannetje_ genoemd (_Pedetes caffer_),
+wordt tegenwoordig als vertegenwoordiger van een afzonderlijke
+onder-familie beschouwd. Van de overige Spring-knaagdieren verschilt
+hij aanmerkelijk door zijn gebit en ook nog in verschillende andere
+opzichten. De langwerpige romp neemt van voren naar achteren allengs
+in dikte toe, de hals is tamelijk dik, maar duidelijk van den romp te
+onderscheiden en veel beweeglijker dan bij de verwante geslachten;
+de voorpooten zijn ook bij hem nog kort, maar toch veel krachtiger
+dan bij de Springmuizen; hunne vijf teenen zijn met stevige, lange,
+sterk gekromde klauwen gewapend; de achterste ledematen daarentegen
+zijn lange, krachtige springpooten, hebben vier teenen, die ieder
+door een afzonderlijk middelvoetsbeen gedragen worden; zij dragen
+stevige, breede, maar tamelijk korte, bijna hoefvormige nagels. De
+middelste teen van den achterpoot is langer dan de overige teenen; de
+korte buitenteen is zoo hoog geplaatst, dat hij den grond bijna niet
+aanraakt. De zeer lange, krachtige, dicht en ruig behaarde, aan den
+oorsprong nog dunne staart, wordt door de overvloedige beharing naar de
+spits toe dikker en loopt uit in een stomp eindigenden haarkwast. Het
+lange, dichte, overvloedige en zachte haarkleed van den Springhaas,
+dat, wat de kleur betreft, een in 't oog loopende overeenkomst met het
+vel van onzen Haas vertoont, is aan de bovenzijde roest-bruinachtig
+vaalgeel (met bijmenging van zwart, omdat vele haren zwarte spitsen
+hebben), aan de onderzijde echter wit. In grootte komt dit dier,
+ongeveer met onzen Haas overeen: de lichaamslengte bedraagt ongeveer
+60 cM.; de hierbij niet meegerekende staart is nog iets langer.
+
+De Springende Haas bewoont armoedige landstreken en zelfs
+woestijnachtige steppen. Hij is over een groot deel van Zuid-Afrika
+verbreid, komt in het westen minstens tot op de breedte van Angola en
+in het oosten stellig nog in Duitsch Oost-Afrika voor. In het Kaapland
+is hij op sommige plaatsen zeer veelvuldig, zoowel in bergstreken
+als in open vlakten, soms vindt men deze dieren in zulk een groot
+aantal bijeen, dat zij echte koloniën vormen. Op soortgelijke wijze
+als zijne verwanten graaft hij onderaardsche woningen met lange
+gangen, die gewoonlijk sterk vertakt en op korten afstand van de
+oppervlakte gelegen zijn en naar een op grooter diepte voorkomende
+kamer leiden. Meestal dient zulk een woning tot verblijfplaats aan
+verscheidene paren, ja zelfs aan geheele familiën.
+
+Daar hij, evenals de andere leden van zijn familie, een nachtdier is,
+begint zijn bedrijvigheid eerst, als de avondschemering invalt. Hij
+komt langzaam uit zijn woning te voorschijn, en beweegt zich op
+alle vier ledematen terwijl hij zijn voedsel zoekt, dat uit wortels,
+bladeren en zaden bestaat; zijn beweging verdient dan eer den naam van
+kruipen dan van loopen. Bijna iedere minuut gaat hij op de achterpooten
+staan luisteren, want hij is voortdurend hoogst onrustig. Wanneer hij
+niet eet, poetst hij zich, en wanneer hij zich niet poetst, toont hij
+zich bekommerd over zijn veiligheid. Somtijds laat hij een soort van
+geknor of geblaat hooren, waarschijnlijk om zijne metgezellen bijeen te
+roepen. Het voedsel brengt hij, evenals de Springmuizen, met de korte
+voorpooten naar den mond. Zoo langzaam hij voortschrijdt, wanneer
+hij op alle vier gaat, zoo snel is zijn uit schielijk opeenvolgende
+sprongen bestaande loopbeweging. Door het strekken van de lange
+achterpooten verheft hij zich boven den bodem en komt weer op de
+achterpooten terecht, zonder met de voorpooten, die tegen de borst
+aangedrukt blijven, den grond aan te raken. Gewoonlijk bedraagt
+de sprongwijdte 2 à 3 M.; zoodra hij vervolgd wordt, vermeerdert
+echter zijn snelheid zoodanig, dat de gemiddelde sprongwijdte 6 à 10
+M. bedraagt.
+
+Bij den aanvang van 't regenseizoen blijft, naar men zegt, de geheele
+familie dikwijls dagen achtereen, ineengerold en dicht tegen elkander
+aangedrukt, binnen haar woning. Bij goede verzorging verdraagt de
+Springende Haas de gevangenis zeer goed en gedurende langen tijd;
+weldra wordt hij tam en stelt vertrouwen in zijn verzorger. Wegens
+zijn zindelijkheid verdient hij als huisdier aanbeveling; voedsel kan
+men hem gemakkelijk verschaffen: met tarwe, brood, salade en kool is
+hij best tevreden.
+
+De Hollandsche Boeren in Zuid-Afrika vinden veel vermaak in de jacht
+op dit dier; zijn vleesch wordt met smaak gegeten en het vel op
+soortgelijke wijze gebruikt als dat van onzen Haas.
+
+
+
+Om ons zoo grondig mogelijk bekend te maken met den aard der
+Knaagdieren, is geen andere familie van deze orde zoo goed geschikt,
+als die welke de _Muizen_ (_Muridae_) omvat. Deze familie is niet
+alleen het rijkst van alle aan geslachten en soorten, maar is ook
+verreweg het meest verbreid; haar verbreidingsgebied, althans dat
+van sommige soorten, neemt zelfs, dank zij haar gehechtheid aan den
+mensch, tot op den huidigen dag voortdurend toe. Hare leden zijn
+doorgaans klein van stuk, maar zij vergoeden, meer dan wenschelijk
+is, door talrijkheid, wat er aan de grootte van ieder individu te
+kort komt. Om een algemeene voorstelling te geven van de geheele
+familie, kan men zeggen, dat zij gekenmerkt is door den spitsen snuit,
+de groote, zwarte oogen, de breede en holle, zeer schraal behaarde
+ooren, den langen, behaarden of (niet minder dikwijls) onbehaarden,
+en dan met schubben bedekten staart, en de sierlijke pooten, met
+smalle, fijne vijfteenige voeten; voorts door de kortharige, zachte
+vacht. Wat haar algemeene gedaante betreft, vertoonen echter vele
+Muizen een toenadering tot andere familiën van de Knaagdieren-orde:
+stekelig bovenhaar herinnert aan de Stekelzwijnen; echte zwemvoeten,
+korte ooren en pooten doen aan de Bevers denken; een dicht behaarde
+staart roept ons het beeld van den Eekhoorn voor den geest enz. In
+overeenstemming met deze uitwendig zichtbare afwijkingen van den
+algemeenen vorm, is ook de bouw van het gebit in mindere of meerdere
+mate gewijzigd.
+
+De Muizen zijn wereldburgers, tot groote schade voor de menschheid. In
+alle werelddeelen komen leden van deze familie voor; de weinig
+talrijke, gelukkige eilanden, die tot dusver van een bezoek van de
+genoemde Knaagdieren verschoond bleven, zullen vroeger of later nog
+wel bevolkt worden door één soort, die door haar reislust reeds een
+ontzaglijk groot verbreidingsgebied heeft verkregen. De Muizen bewonen
+alle landstreken en alle klimaten; wel geven zij de voorkeur aan de
+vlakten van gematigde en warme gewesten boven het gure hoogland en
+het koude noorden; maar ook hier worden zij gevonden tot daar, waar de
+plantengroei ophoudt; zij komen dus ook nog voor in de onmiddellijke
+nabijheid van de eeuwigdurende sneeuw der gebergten. Goed bebouwde
+landerijen, vruchtbare akkers, plantages worden onvoorwaardelijk door
+haar het liefst als woonplaats gekozen; moerassige plaatsen, oevers van
+rivieren en beken, verschaffen haar echter evenzeer het noodige; zelfs
+op dorre, droge, met weinig gras en struikgewas begroeide vlakten,
+zien zij nog kans om in haar levensonderhoud te voorzien. Eenige
+vermijden de nabijheid van plaatsen, waar de mensch zich gevestigd
+heeft; andere dringen zich als ongenoode gasten aan hem op, en volgen
+hem overal, waar hij zich metterwoon nederzet, zelfs naar overzeesche
+gewesten. Zij bevolken huis en hof, schuur en stal, tuin en veld,
+weide en bosch, overal richten zij met de scherpe werktuigen harer
+vraatzucht schade en onheil aan. Er zijn er maar weinige onder,
+die eenzaam of bij paren leven; de meeste houden van gezelligheid;
+sommige soorten vormen soms ontzaglijk groote scharen. Bijna alle
+soorten vermenigvuldigen zich buitengewoon sterk, want het aantal
+jongen van een enkelen worp wisselt van 6 tot 21 af; de meeste planten
+zich ieder verscheidene malen voort, zelfs in den winter.
+
+De Muizen plagen en kwellen den mensch op allerlei wijzen; hare
+eigenschappen stellen haar, naar 't schijnt, juist hiertoe, in
+staat. Vlug en behendig in hare bewegingen, kunnen zij uitmuntend
+loopen, springen, klimmen, zwemmen; zij zien kans haar lichaam door de
+nauwste openingen heen te wringen; wanneer zij geen toegangsopeningen
+vinden, maken zij die met haar scherp gebit. Zij zijn tamelijk
+schrander en voorzichtig, maar tevens driest, brutaal, onbeschaamd,
+listig en moedig; hare zinnen zijn over 't geheel genomen fijn,
+hoewel de reuk en het gehoor verreweg de overhand hebben. Haar
+voedsel bestaat uit alle eetbare voortbrengselen van het planten-
+en dierenrijk: zaden, vruchten, wortels, schors, kruiden, gras,
+bloemen vormen haar gewone voedsel; niet minder graag echter eten
+zij Insecten, vleesch, vet, bloed en melk, boter en kaas, huiden en
+beenderen; wat zij niet opeten kunnen, knagen zij toch stuk, zooals
+b.v. papier en hout. Water drinken zij over 't algemeen slechts zelden:
+daarentegen zijn zij buitengewoon verlekkerd op alle vloeistoffen
+die voedingsmiddelen bevatten, en wenden allerlei listen aan om ze
+te verkrijgen. Zij vernielen altijd veel meer, dan zij gebruiken;
+door deze hebbelijkheid worden zij de onaangenaamste vijanden van den
+mensch. Slechts zeer weinig Muizen zijn onschadelijke dieren en hebben
+wegens haar sierlijke gestalte, de bevalligheid van hare bewegingen
+en haar innemend uiterlijk genade in onze oogen gevonden. Dit geldt
+vooral van de knapste bouwkunstenaars van deze familie, die boven alle
+Zoogdieren uitmunten door de kunstige nesten, die zij vervaardigen,
+en die door haar gering aantal en de kleine hoeveelheid voedsel,
+welke zij noodig hebben, niet veel last veroorzaken. Eenige soorten,
+die gewesten van den kouden en gematigden aardgordel bewonen, houden
+winterslaap en brengen vooraf wintervoorraad bijeen; andere ondernemen,
+tot tallooze scharen vereenigd, van tijd tot tijd verhuizingen,
+die echter in den regel noodlottig voor haar zijn.
+
+Voor de gevangenschap zijn weinig soorten geschikt; want slechts
+een gering aantal laten zich gemakkelijk temmen en zijn verdraagzaam
+ten opzichte van hare soortgenooten. De overige zijn ook in de kooi
+onaangename, onverdraagzame, bijtlustige gasten, die de vriendschap,
+welke men haar bewijst, en de verzorging, die zij vereischen, slecht
+vergelden. Nuttig in den eigelijken zin van 't woord zijn de Muizen
+nooit, want hoewel men van sommige soorten het vel gebruikt, of zelfs
+het vleesch eet, komen deze geringe voordeelen niet in aanmerking
+nevens de ontzaglijke schade, die deze familie als geheel beschouwd
+aanricht.
+
+
+
+De _Renmuizen_ worden in een afzonderlijke onderfamilie
+(_Merionidinae_) geplaatst, omdat zij zich door verschillende
+eigenaardigheden van alle overige leden der familie onderscheiden;
+het meest valt hiervan in 't oog de van voren tot achteren dicht
+behaarde staart.
+
+Haar verbreidingsgebied is beperkt tot Afrika, het zuiden van Azië
+en het zuidoosten van Europa. Bij voorkeur bewonen zij gewesten, die
+in cultuur gebracht zijn; zij komen echter ook in de dorste vlakten
+en steppen voor, dikwijls zelfs in buitengewoon grooten getale. De
+meeste graven op tamelijk geringen afstand van de oppervlakte
+onderaardsche gangen, waarin zij den dag doorbrengen. Hare bewegingen
+zijn buitengewoon snel en vlug; enkele kunnen, naar het schijnt,
+groote sprongen doen.
+
+Wegens de verwoestingen, die de Renmuizen aanrichten op de akkers,
+worden zij door de bewoners van de landen, waar zij voorkomen,
+evenzeer gehaat en vervolgd als onze Ratten.
+
+
+
+De _Zand-Renmuis_ (_Psammomys obesus_) heeft ongeveer de grootte van
+onze Bruine Rat, maar een veel korteren staart, daar deze slechts 13
+cM. lang is bij een totale lichaamslengte van 32 cM.; van boven is
+zij roodachtig zandkleurig, zwart gesprenkeld, aan de zijden en van
+onderen lichtgeel.
+
+In Egypte ziet men deze Muis op zandige plaatsen van de Woestijn; zeer
+veelvuldig is zij ook op de hoopen puin, die alle steden van het rijk
+der Pharaonen omgeven. Zij legt onderaardsche gangen en galerijen aan,
+die veelvuldig vertakt en tamelijk diep zijn; het liefst doet zij dit
+onder en tusschen het lage kreupelhout en de weinig talrijke, kruipende
+planten, die de door haar bewoonde plaatsen schraal genoeg bedekken
+en haar tevens het dagelijksch brood verschaffen. Daar zij zich ook
+over dag voor haar woning vertoont, kan men haar gemakkelijk leeren
+kennen. Dikwijls ziet men 10 à 15 van deze dieren tegelijk rondloopen,
+met elkander spelen en aan de een of andere plant knabbelen. De
+Zand-renmuis is van die leden der Knaagdieren-orde, welke men voor
+de gezelligheid gevangen houdt, een van de aardigste. Zij wordt
+merkwaardig tam, komt uit haar hok, loopt onbevreesd op de tafel
+rond, laat toe, dat men haar aanraakt en in de hand neemt, zonder
+aanstalten te maken om te bijten. De groote, niet sterk uitpuilende
+oogen en de fraaie vacht dragen veel bij tot den aangenamen indruk,
+dien dit dier op den toeschouwer maakt; ook de dichtbehaarde staart,
+met een zwarten haarkwast aan de spits, staat haar goed.
+
+
+
+De meest typische vertegenwoordigers van de familie--de _Muizen_
+in engeren zin (_Murinae_) zijn, wat haar aard en hare handelingen
+betreft, ons maar al te wel bekend. Tot deze groep behooren ook die
+soorten, welke zich met den mensch over de geheele wereld verbreid,
+en zich zelfs op de eenzaamste eilanden gevestigd hebben. Het is nog
+niet zoo lang geleden dat deze dieren zich over de wereld begonnen te
+verspreiden; voor vele plaatsen is zelfs het jaar, waarin zij voor
+'t eerst hier optraden, met juistheid bekend; thans echter hebben
+zij hun rondreis om de wereld volbracht. Nergens is de mensch hun
+dankbaar voor de volhardende gehechtheid, die zij voor zijn persoon,
+zijn huis, zijn hof aan den dag leggen; overal vervolgt en haat hij
+hen op de onmeedoogendste wijze; alle middelen stelt hij in 't werk
+om zich van hen te bevrijden, toch blijven zij aan hem verknocht,
+trouwer nog dan de Hond, trouwer dan eenig ander dier. Ongelukkig
+zijn deze aanhankelijke huisvrienden afschuwelijke gauwdieven; als
+echte spitsboeven uitgerust, weten zij zich overal te nestelen en
+bereiden hun gastheer niets anders dan schade en verdriet. Hierdoor
+is het te verklaren, dat alle echte Muizen kortweg voor leelijke,
+akelige dieren worden uitgescholden, hoewel zij in werkelijkheid in
+den regel dezen naam niet verdienen, maar veeleer sierlijke, bevallige,
+aardige wezentjes zijn.
+
+Reeds door het gewone spraakgebruik worden in deze onderfamilie
+twee hoofdgroepen onderscheiden, de _Ratten_ en de _Muizen_; deze
+verdeeling is ook wetenschappelijk juist. De Ratten zijn de plompste
+en leelijkste, de Muizen de lichtste en sierlijkste vormen. Bij gene
+heeft de staart 200 à 270 uit schubben bestaande ringen, bij deze 120
+à 180; de eerstgenoemde hebben dikke en krachtige, de andere slanke
+en fijne voeten; de Ratten zijn in volwassen toestand aanmerkelijk
+grooter dan hunne bevalliger verwanten.
+
+Het is nagenoeg zeker, dat de Ratten die tegenwoordig in Europa
+gevonden worden, hier oorspronkelijk niet inheemsch waren, maar
+van elders zijn gekomen. Bij de schrijvers der oudheid komt slechts
+één enkel bericht voor, dat op Ratten betrekking kan hebben. Welke
+soort Amyntas bedoeld heeft in zijn door Aelianus aangehaalde
+mededeeling, is nog niet uitgemaakt. De _Zwarte Rat_ is het eerst
+in Europa en ook in ons land verschenen of opgemerkt, op haar volgde
+de _Bruine Rat_; bij deze beide heeft zich in den laatsten tijd nog
+gevoegd (althans in Zuid-Europa en ook reeds in sommige gewesten van
+Zuid-Duitschland) de uit Egypte afkomstige _Egyptische Rat_ of _Dakrat_
+(_Mus alexandrinus_). De Bruine Rat, de sterkste van de drie, verdrijft
+en vernietigt hare beide verwanten en heeft zich bijna overal meester
+gemaakt van de alleenheerschappij. Het is te hopen, dat wij geen last
+krijgen van andere reislustige leden der Muizen-familie, en vooral,
+dat wij verschoond zullen blijven van een immigratie der _Hamsterrat_
+(_Mus_ of _Cricetomys gambianus_), die onze Ratten niet alleen
+door haar grootte, maar ook door haar werkzaamheid ver overtreft en
+tegenwoordig aan de kooplieden te Zanzibar meer moeite veroorzaakt
+dan alle Europeesche Ratten te zamen genomen: wij zouden, als dit
+dier tot ons kwam, eens recht ondervinden wat een Rat kan uitrichten.
+
+Voor ons doel zal een beschrijving van de beide meest bekende soorten,
+de _Zwarte Rat_ en de _Bruine Rat_, voldoende zijn.
+
+
+
+De _Zwarte Rat_ (_Mus rattus_) heeft, met inbegrip van den 19
+cM. langen staart, een lengte van 35 cM.; de bovendeelen zijn
+donker van kleur, bruinzwart, de onderdeelen een weinig lichter,
+grauwzwart. De pooten hebben een grijsachtig bruine, zelden een iets
+lichtere kleur. Aan den betrekkelijk slanken staart neemt men 260
+à 270 uit schubben bestaande ringen waar. Albino's (wezens die zich
+door gemis van de huidkleurstof onderscheiden) komen onder haar niet
+zelden voor.
+
+Wanneer deze soort voor 't eerst in Europa verschenen is, kan niet met
+zekerheid opgegeven worden. Albertus Magnus is de eerste dierkundige,
+die de Zwarte Rat als een Duitsch dier vermeldt; zij was dus hier
+reeds in de 13e eeuw inheemsch. Gesner noemt haar een dier dat
+"menigeen beter kent, dan hem lief is"; de bisschop van Autun sprak
+in het begin der 15e eeuw de banvloek der kerk over haar uit. 't Zou
+kunnen zijn, dat zij uit Perzië afkomstig is, waar zij tegenwoordig
+in ongeloofelijk groot aantal voorkomt. Tot in de eerste helft van
+de vorige eeuw voerde zij in Europa de opperheerschappij; sinds
+dezen tijd heeft de Bruine Rat haar dit gebied betwist, overal waar
+dit geschiedde, heeft zij moeten wijken. Toch is zij ook thans nog
+over nagenoeg alle werelddeelen verbreid; zij komt echter slechts
+zelden in grooten getale voor, maar leeft bijna overal afzonderlijk
+en ver uiteen. Naar het schijnt, is zij in Duitschland bijna overal
+verdwenen; toch zijn o.a. nog in Noordwest-Duitschland (Bremen,
+Luneburg) en in Thüringen (bij Rudolstad) woonplaatsen van de
+Zwarte Rat bekend. Prof. Ritzema Bos schrijft hierover het volgende
+(Landbouwdierkunde, Dl. I, p. 97): "Dat langzamerhand de Zwarte Rat in
+Europa vermindert, in vele streken zeldzamer wordt, of zelfs geheel
+verdwijnt, is het noodzakelijke gevolg van de voorrechten, welke de
+sterkere overal in de natuur boven den zwakkere heeft. En dat dit niet
+alleen in bepaalde streken, maar in 't algemeen het geval is, blijkt
+o.a. zeer duidelijk uit de prijslijsten van verschillende handelaars
+in opgezette dieren. Terwijl op die van voor 15 à 20 jaar de Zwarte
+Rat bijkans altijd naast de Bruine werd genoemd, en weinig duurder
+was dan deze, vindt men haar nu dikwijls niet meer vermeld, of ten
+opzichte van de Bruine Rat verbazend in prijs gestegen.--Zooveel
+is zeker, dat een twintigtal jaren geleden, de Zwarte Ratten ten
+onzent nog veel meer voorkwamen dan tegenwoordig, nu men ze in ons
+land bijna nergens meer in aanzienlijke hoeveelheid aantreft. Voor
+tien tot vijftien jaren was de Zwarte Rat de heerschende soort in
+'t binnenste, oudste gedeelte van de stad Groningen, het gedeelte
+dat door een aaneenschakeling van singels (de vroegere grachten der
+stad) van het nieuwe gedeelte is afgescheiden. Een tijdlang hadden
+dus die singels de verspreiding van de Bruine Rat tegengegaan, die
+in 't nieuwe gedeelte der stad reeds de zwakkere zuster geheel had
+verdreven; natuurlijk werd weldra de kleine hinderpaal overschreden,
+en thans vindt men in 't oudere gedeelte van Groningen, geloof ik, ook
+geen Zwarte Ratten meer; in elk geval zijn ze er zeldzamer geworden,
+terwijl de sterkere Bruine Rat er nu de heerschappij voert."
+
+De Zwarte Rat is den mensch gevolgd in alle klimaten der aarde; zij
+reisde met hem te land en over zee de wereld door. Ongetwijfeld was
+zij vroeger in Amerika, Australië en Afrika niet inheemsch, maar de
+schepen brachten haar naar alle kusten, en van de kusten trok zij
+al verder en verder het land in. Tegenwoordig vindt men haar ook
+in de zuidelijke gedeelten van Azië, met name in Indië, in Afrika,
+vooral in Egypte, Barbarije en aan de Kaap de Goede Hoop, in Amerika,
+in Australië, en op de eilanden in de Groote Zuidzee.
+
+
+
+De _Bruine Rat_ (_Mus decumanus_) is aanmerkelijk grooter dan haar
+zwakkere mededingster, n.l. 42 cM. lang, met inbegrip van den 18
+cM. langen staart, waarop men ongeveer 210 geschubde ringen telt;
+de kleur van de bovendeelen is anders dan die van de onderdeelen;
+beide kleuren zijn scherp van elkander gescheiden. De bovendeelen
+van kop, romp, ledematen en staart zijn bruinachtig grijs, de
+onderdeelen grijsachtig wit. Soms komen aan de bovenzijde der
+voorvoeten bruinachtige haartjes voor; ook treft men zwarte, vale en
+bonte exemplaren aan; voorts albino's (wit met roode oogen). De bonte
+exemplaren zijn òf zwart met wit, òf grijs en wit; bijna altijd zijn
+bij hen de kop, de hals, de schouders en de voorpooten, benevens
+een meer of minder breede streep over den rug, zwart (of grijs),
+de overige deelen wit.
+
+Met groote waarschijnlijkheid mag men aannemen, dat de Bruine Rat uit
+Indië en Perzië tot ons is gekomen. Aan Pallas heeft men de eerste
+betrouwbare berichten over het doordringen van de Bruine Rat in Europa
+te danken. Deze onderzoeker bericht, dat zij in den herfst van 1727
+na een aardbeving in groote scharen uit de landen om de Kaspische zee
+naar den oostelijken oever van den Wolga is verhuisd, en in Europa is
+binnengetrokken door bij Astrakan de rivier over te zwemmen. Vanhier
+uit verbreidde zij zich schielijk over de westelijke landen. Bijna
+ter zelfder tijd, n.l. in 1732, werd zij op schepen uit Oost-Indië
+naar Engeland overgebracht en begon nu vanhier uit haar reis om de
+wereld. In Oost-Pruisen verscheen zij in het jaar 1750, te Parijs reeds
+in 1753, in Duitschland was zij reeds in 1780 overal veelvuldig; in
+Zwitserland kent men haar eerst sedert het jaar 1809 en in Denemarken
+omstreeks dezelfden tijd als inheemsch dier. In het jaar 1755 kwam zij
+voor het eerst in Noord-Amerika en vermenigvuldigde zich ook hier in
+zeer korten tijd ongeloofelijk snel, terwijl zij zich over een groot
+gebied verbreidde; toch was zij in 1825 nog niet voorbij Kingston
+in Opper-Canada doorgedrongen en had in 1880 de bovenloop van den
+Missouri nog niet bereikt. Alle door den oceaan bespoelde, bewoonbare
+gewesten, zelfs de eenzaamste en afgelegenste eilanden, dienen echter
+tegenwoordig tot verblijfplaats aan de Bruine Rat. Grooter en sterker
+dan de Zwarte Rat, maakt zij zich overal meester van de plaatsen waar
+deze vroeger rustig leefde; haar verbreiding neemt in dezelfde mate
+toe, als die van haar mededingster afneemt.
+
+Door levenswijze, zeden en gewoonten, uiterlijk enz. stemmen beide
+Ratten zoozeer overeen, dat men de eene schildert, zoo men de andere
+beschrijft. Wanneer men in 't oog houdt, dat de Bruine Rat zich bij
+voorkeur in de onderste localiteiten van de gebouwen en vooral in
+vochtige kelders en gewelven, riolen, sluizen, zinkputten en aan de
+oevers van rivieren nestelt, terwijl de Zwarte Rat meer voorliefde
+heeft voor het bovenste deel van het huis, voor koornzolders, dakkamers
+enz., zal er niet veel overblijven, wat beide soorten van elkander
+onderscheidt. De eene zoowel als de andere neemt iedere ruimte in
+de woning van den mensch als woonplaats voor lief, en bezoekt elke
+denkbare plaats, waar voedsel voor haar te vinden kan zijn. Van den
+kelder tot aan den zolder, van de pronkkamer tot in het privaat,
+van het paleis tot in de hut, overal treft men haar aan. Tegen haar
+beschermen geene omheiningen noch muren, geene deuren of sloten:
+waar geen toegang bestaat, maken zij er een; door de sterkste eiken
+balken en door dikke muren knagen zij zich gangen. Alleen wanneer
+men de fondamenten diep in den grond legt, alle voegen tusschen de
+steenen flink met stevig cement aanvult, waarna het misschien als
+voorzorgsmaatregel nog noodig zal zijn, een laag glasscherven te
+midden van het metselwerk aan te brengen, is men tamelijk goed tegen
+hen beveiligd.
+
+Het vernielen van de woningen, het afschuwelijke stukknagen en
+doorwoelen van de afscheidingen is nog maar het geringste van de
+schade, die de Ratten kunnen aanrichten. Veel grooter nadeel brengen
+zij te weeg door hetgeen zij opeten. Al wat eetbaar is, valt in haar
+smaak. De mensch eet niets wat ook niet door de Rat gegeten wordt,
+en zij bepaalt zich niet tot den voedselvoorraad, maar maakt evenzeer
+gebruik van de dranken van den mensch. Er mankeert nog maar aan,
+dat de Ratten brandewijn en jenever leeren drinken, om te kunnen
+zeggen, dat dit ongedierte alle voedings- en genotmiddelen die door
+het menschelijk geslacht zijn uitgevonden, mede helpt opmaken. Niet
+tevreden met deze reeds zoo ruim voorziene spijskaart, vallen de
+Ratten ook zeer gretig op allerlei andere voorwerpen en met name op
+levende wezens aan. De walgelijkste afval uit de huishouding van
+den mensch is in bepaalde gevallen nog van haar gading, rottende
+krengen vinden in haar liefhebbers. Zij verslinden leder en hoorn,
+zaden en boomschors, of liever gezegd alle mogelijke stoffen en
+dierlijken en plantaardigen oorsprong. Wat zij niet opeten kunnen,
+wordt toch stuk geknaagd; op suikerriet- en koffie-plantages richten
+zij soms een ontzettende schade aan. Er zijn voorbeelden van bekend,
+dat zij kleine kinderen bij levenden lijve opgegeten hebben; iedere
+eigenaar van kleinvee weet trouwens door ervaring, hoe erg sommige van
+zijne huisdieren door de Ratten vervolgd worden. Zeer vette Zwijnen
+vreten zij gaten in 't lichaam, dicht opeengepakte Ganzen knabbelen
+zij de zwemvliezen tusschen de teenen weg, jonge Eenden trekken zij
+onder water om ze te verdrinken, den wilde-dieren-handelaar Hagenbeck
+hebben zij eens drie jonge Olifanten gedood door de voetzolen van
+deze kolossale dieren stuk te knagen.
+
+Als zij buitengewoon veelvuldig zijn op een plaats, kan men het
+er werkelijk bijna niet meer uithouden. En er zijn plaatsen waar
+zij in zoo grooten getale voorkomen, dat wij ons hiervan nagenoeg
+geen begrip kunnen vormen. In Parijs werden in den tijd van vier
+weken niet minder dan 10.000 stuks Ratten in een enkel slachthuis
+doodgeslagen; in een vilderij in de nabijheid van genoemde hoofdstad
+verslonden zij in een enkelen nacht 35 lijken van Paarden, zoodat
+er alleen de beenderen van overbleven. Zoodra zij bemerken, dat de
+mensch tegenover haar machteloos is, neemt haar onbeschaamdheid op
+een waarlijk verbazende wijze toe. Las Cases verhaalt, dat Napoleon,
+evenals de getrouwen, die den gevallen veroveraar in zijne ballingschap
+op St. Helena gevolgd waren, den 27en Juni 1816 zonder ontbijt moest
+blijven, omdat de Ratten gedurende den vorigen nacht in de keuken
+waren binnengedrongen en alles medegenomen hadden. Zij waren op dit
+verbanningsoord in groote menigte voorhanden, zeer kwaadaardig en
+buitengewoon stoutmoedig. Gewoonlijk hadden zij maar weinige dagen
+noodig om de muren en de houten beschotten van de eenvoudige woning
+van den keizer te doorknagen. Terwijl Napoleon aan den disch zat,
+kwamen zij in de eetzaal; na den maaltijd moesten de bedienden met deze
+Knaagdieren letterlijk oorlog voeren om de gerechten van de tafel te
+kunnen nemen. Het plan om Hoenderen en ander pluimvee te houden moest
+opgegeven worden, omdat de Ratten ze verslonden; zij haalden de Vogels
+'s nachts uit de boomen weg, waarop deze dieren zaten te slapen. In de
+factorijen of gebouwen van de handelsondernemingen op verre kusten,
+waar met de ruilartikelen ook Bruine Ratten heengevoerd werden,
+zijn deze dieren buitengewoon lastig, en richten zij soms groote
+schade aan. Alle reizigers, en vooral de verzamelaars van planten
+en dieren, klagen er over, dat de Ratten dikwijls zeer zeldzame
+voorwerpen vernielden, die met groote moeite verkregen waren en dat
+zij hen niet zelden door hare woeste gevechten en wilde drijfjachten
+op den bodem, langs de wanden en op de daken van hun slaapvertrek in
+hun nachtrust stoorden.
+
+Ook de zeelieden zijn niet best over de Ratten te spreken, want er
+is geen schip, of het heeft deze kwelduivels aan boord. Op de oude
+vaartuigen zijn zij niet uit te roeien, en de nieuwe nemen zij dadelijk
+in bezit, zoodra de eerste lading er in gebracht wordt. Gedurende
+lange zeereizen vermenigvuldigen zij zich dikwijls op een ontzettende
+wijze, vooral als zij genoeg voedsel kunnen vinden, en maken dan het
+verblijf op het schip bijna onverdragelijk. Toen het schip van den
+noordpoolreiziger Kane in de nabijheid van 80° N.B. was vastgevroren,
+waren de Ratten aan boord zoo zeer in aantal toegenomen, dat zij
+een geweldige schade aanrichtten. Men beproefde ze door verstikkende
+gassen te dooden. Alle luiken werden gesloten, en onder in 't schip
+werd een mengsel van zwavel, rattenkruid en leder aangestoken. De
+bemanning bracht den kouden nacht van den laatsten September op het
+dek door, in de hoop nu voor goed van het lastige ongedierte bevrijd
+te zullen zijn. Den volgenden morgen bespeurde zij, dat dit middel
+niet gebaat had. De Ratten waren even gezond als altijd. Toen ontstak
+men in het hol van het schip een groote hoeveelheid houtskolen, om
+de dieren te dooden door het gas (kooloxyde of kolendamp), dat bij
+de onvolledige verbranding gevormd wordt. Na verloop van korten tijd
+was de gesloten ruimte zoo sterk met dit gas gevuld, dat twee lieden,
+die de onvoorzichtigheid hadden er in neer te dalen, onmiddellijk
+bewusteloos op den grond vielen en niet dan na veel moeite weer op
+het dek gebracht konden worden. Een lantaarn, die men in het ruim
+liet zakken, ging oogenblikkelijk uit; plotseling begon echter
+op een ander gedeelte van het vaartuig een deel van de steenkool
+en ook van het houtwerk te gloeien; het gelukte eerst na groote
+inspanning, en nadat de gezagvoerder in levensgevaar had verkeerd,
+het vuur te blusschen. Den volgenden dag vond men niet meer dan 28
+lijken van Ratten; de overblijvende vermenigvuldigden zich vóór den
+volgenden winter zoo sterk, dat men niets meer voor hare aanvallen
+kon vrijwaren. Zij knaagden de pelzen, kleederen en schoenen stuk,
+nestelden zich in de bedden, sloegen haar verblijf op in handschoenen,
+mutsen en voorraadkisten, verslonden de proviand en ontsnapten met
+veel list en sluwheid aan alle vervolgingen. Men probeerde toen een
+ander middel. De schranderste en moedigste Hond werd in de gewone
+verblijfplaats van de Ratten, in 't hol van 't schip, neergelaten, om
+daar de orde te herstellen; weldra echter bleek het uit het jammerlijk
+gehuil van dit dier, dat het niet tegen de Ratten opgewassen was
+en dat deze ook nu nog den baas speelden. Men haalde den Hond uit
+zijn gevangenis te voorschijn en bemerkte, dat de Ratten hem reeds
+de huid van de voetzolen afgevreten hadden. Later stelde een Eskimo
+voor, de Ratten één voor één met pijlen dood te schieten; deze jager
+was zoo gelukkig, dat Kane, die de buitgemaakte dieren liet koken,
+gedurende den langen winter voortdurend versch vleesch voor de soep
+had. Eindelijk ving men een Vos levend; deze werd in het hol van het
+schip opgesloten, en scheen zich hier zeer wel te bevinden; hij leefde
+zeer vergenoegd van de Ratten, die hij kon vangen zooveel hij verkoos.
+
+In alle lichaamsoefeningen zijn de Ratten zeer bedreven. Zij
+loopen snel en met behendigheid, klauteren uitmuntend en kunnen
+zelfs langs vrij gladde muren omhoog gaan; zij zwemmen meesterlijk,
+weten een tamelijk ver afgelegen plek met zekerheid door één sprong
+te bereiken en kunnen vrij goed graven, ofschoon zij dit niet graag
+lang achtereen doen. De sterkere Bruine Rat is, naar het schijnt,
+nog behendiger dan de Zwarte; zij zwemt althans veel beter en steekt
+haar zwarte stamgenoot, naar het schijnt, ook in het klauteren de loef
+af. Duiken kan zij bijna even goed als echte waterdieren. Zij beweegt
+zich in 't water gemakkelijk genoeg om de eigenlijke bewoners van het
+vochtige element goed na te jagen. Dikwijls handelt zij alsof het
+water haar eigenlijke woonplaats is. Als men haar schrik aanjaagt,
+neemt zij onmiddellijk de vlucht naar een rivier, een vijver of
+een sloot. Als het noodig is, zwemt zij, zonder uit te rusten, den
+breedsten waterplas over, of loopt gedurende verscheidene minuten
+over den bodem van dien plas voort. Hier te lande wordt de Bruine
+Rat daarom dikwijls "Waterrat" genoemd. De Zwarte Rat begeeft zich
+alleen in den uitersten nood te water, ofschoon zij eveneens in de
+zwemkunst zeer goed bedreven is.
+
+Onder hare zinnen staan het gehoor en de reuk bovenaan, vooral het
+gehoor is voortreffelijk, doch ook haar gezicht is niet slecht,
+en van haar smaak geven de Ratten maar al te dikwijls deugdelijke
+bewijzen in de provisiekast, waar zij altijd de lekkerste spijzen
+weten te vinden. Van hare verstandelijke vermogens behoef ik na het
+voorafgaande niet veel meer te zeggen. Men kan waarlijk niet ontkennen,
+dat zij verstandig zijn, en evenmin, dat men bij haar een berekenende
+list en een zekere sluwheid waarneemt, die vooral blijken uit de
+wijze waarop zij aan de meest verschillende gevaren weten te ontkomen.
+
+Zooals reeds gezegd is, woedt er tusschen de beide soorten van Ratten
+een eeuwigdurende strijd, waarvan het sneuvelen der zwakste partij
+altijd het einde is. Maar Ratten van dezelfde soort bevechten elkander
+eveneens onverpoosd. Op plaatsen, waar zij veelvuldig zijn, houden
+des nachts de beweging en het geraas geen oogenblik op; want de strijd
+houdt ook dan nog aan, als een deel der strijders reeds op de vlucht
+geslagen is. Zeer oude, bijtlustige mannetjes worden soms door hunne
+stamgenooten in den ban gedaan en zoeken een stille, eenzame plaats op,
+waar zij brommig en ontevreden hunne laatste levensjaren doorbrengen.
+
+Reeds meermalen heeft men er over gestreden, hoe de Ratten het
+aanleggen om eieren te vervoeren, zonder ze te breken. Onzekerheid
+over haar handelwijze kan niet meer bestaan, sedert een onderzoeker
+als K. von Dalla Forre de volgende, in 't jaar 1880 door hem zelf
+waargenomen handelingen van de Ratten heeft openbaar gemaakt. "In
+den kelder van een huis te Innsbruck werden in dezen winter telkens
+weer eenige eieren vermist, die men hier voor het koude jaargetijde
+bewaard had. Natuurlijk viel de verdenking in de eerste plaats op
+de dienstbode, die nu alles in het werk stelde om haar onschuld te
+bewijzen, maar--te vergeefs. Om uit dezen onaangenamen toestand te
+geraken ging zij op de loer liggen en werd hierdoor getuige van de
+list, die de diefachtige Ratten aanwenden om in 't bezit van de eieren
+te komen. De eieren lagen ongeregeld op een hoop bijeen; begeerig
+naar buit kwam een Rat uit haar schuilhoek te voorschijn, weldra
+gevolgd door een tweede. De eerste vatte een ei met de voorpooten
+aan en schoof het, door de andere Rat geholpen, een weinig op zijde,
+zoover zij het met eenige krachtige rukken brengen kon. Hierop vatte
+de eerste Rat het ei met de voorpooten aan en omvaamde het stevig,
+op de wijze waarop de Spinnen haar eierzak vasthouden. Natuurlijk kon
+zij zich nu niet meer bewegen, daar de voorpooten gebruikt moesten
+worden voor 't vasthouden van den buit. Toen greep de tweede Rat den
+staart van de eerste met den bek en trok haar in groote haast en zonder
+eenigen omslag te maken naar het gat, waaruit zij gekomen waren! De
+geheele handeling--waarin zij, naar het aantal ontbrekende eieren te
+rekenen, reeds tamelijk geoefend waren,--duurde nauwelijks 2 minuten;
+één uur nadat het diefachtige paar van het schouwtooneel verdwenen
+was, kwam het opnieuw voor den dag, stellig met dezelfde bedoeling
+als vroeger. Door de welwillendheid van de familie, in welker huis het
+beschreven voorval plaats had, werd ik in staat gesteld om ooggetuige
+te zijn van zulk een verschijnsel, dat naar de dienstbode verzekerde,
+steeds op dezelfde wijze plaats had."
+
+Ongeveer een maand na de paring werpen de wijfjes 5 à 21 jongen,
+kleine, allerliefste diertjes, waarin iedereen behagen zou
+scheppen,--als het maar geen Ratten waren. Dehne, die albino's van
+de Bruine Rat in den gevangen staat heeft waargenomen, zegt van de
+eerste jeugd der jongen en van de wijze, waarop de moeder met hen
+omgaat, het volgende: "Den 1en Maart 1852 kreeg ik van een witte
+Rat zeven jongen. Het oude dier had zich in de kooi van ijzerdraad
+een dicht nest van stroo vervaardigd. De jongen waren zoo groot
+als Meikevers en hadden een bloedroode kleur. Bij elke beweging,
+die de moeder maakte, lieten zij een fijn, doordringend gepiep
+hooren. Den 8en waren zij reeds tamelijk wit. Van den 13den tot den
+16den werden hunne oogen geschikt om te zien. Den 18den des avonds
+kwamen zij voor de eerste maal te voorschijn; toen de moeder echter
+bemerkte, dat ik naar hen keek, nam zij ze één voor één in den bek
+en bracht ze weder in het nest. Enkele kwamen echter weder door een
+andere opening te voorschijn. Het waren allerliefste diertjes van
+de grootte van Dwergmuizen, met staarten van 8 cM. lang. Den 21en
+hadden zij reeds de grootte van een Gewone of Huismuis, den 28en den
+omvang van een Boschmuis bereikt. Zij zogen nog nu en dan (ik zag
+ze zelfs den 2en April nog zuigen), speelden onderling, vervolgden
+elkander en krakeelden; dit alles deden zij zoo vlug en op zulk een
+aardige wijze, dat het een lust was er naar te zien. Soms gingen
+zij tot afwisseling op den rug van haar moeder zitten, en lieten
+zich door haar ronddragen. Zij waren veel potsierlijker dan de witte
+Huismuizen.--Den 9en April scheidde ik de moeder van hare jongen, en
+plaatste haar weder bij het mannetje. Den 11en Mei wierp zij nogmaals
+een aantal jongen. Van de dieren, die den 1en Maart geboren waren,
+had ik sedert het begin van April een paar in een groot glas, met
+een opening van 20 cM. middellijn, afgezonderd gehouden, en reeds den
+11en Juni des namiddags, dus toen zij 103 dagen oud waren, kreeg ik
+van hen 6 jongen. In weerwil van de wijdte van het glas, scheen de
+moeder van oordeel te zijn, dat de ruimte voor hare jongen te klein
+was. Tevergeefs trachtte zij een grooter nest samen te stellen,
+waarbij zij dikwijls de arme kleintjes zoozeer verstopte, dat er
+niets meer van hen te zien was; zij zocht ze echter altijd weer
+bijeen. Zij zoogde hare jongen tot den 23en zeer goed; de kleine
+dieren waren reeds een weinig wit behaard; doch op eens waren zij
+allen verdwenen. De moeder had ze opgegeten!"--Reichenbach deed
+verscheidene malen achtereen dezelfde ervaring op.
+
+Goed verzorgde Ratten, die men onder nauw toezicht houdt, worden
+zoo tam, dat zij veilig aangeraakt kunnen worden en tot tijdverdrijf
+voor de kinderen kunnen dienen; ook kan men ze er aan gewennen zich
+vrij in huis, hof en tuin te bewegen; zij loopen hare verzorgers als
+Honden na, komen, als zij geroepen worden, kortom, zij zijn dan huis-
+of kamerdieren in de beste beteekenis van 't woord.
+
+Bij de Ratten in de vrije natuur komt soms een zeer eigenaardige ziekte
+voor. Verscheidene van deze dieren groeien met de staarten aaneen,
+en vormen dan een zoogenaamden "rattenkoning." Van dit monster, dat
+men thans in verscheidene verzamelingen zien kan, heeft men zich in
+vroegere tijden vaak een geheel verkeerde voorstelling gevormd. Vroeger
+meende men, dat de rattenkoning, versierd met een gouden kroon, op
+een aantal innig met elkander vergroeide Ratten gezeten was, en van
+den zetel den geheelen rattenstaat bestuurde. Het feit, dat men soms
+een aantal Ratten vindt, welker staarten stevig dooreengeward zijn,
+zoodat zij zich niet bewegen kunnen, en die daarom door medelijdende
+soortgenooten gevoederd moeten worden, heeft aanleiding gegeven tot
+dit sprookje. Het zou kunnen zijn, dat het samenkleven der staarten
+een gevolg is van het uitzweeten van een stof, die veroorzaakt wordt
+door een besmettelijke ziekte; tot nu toe heeft men hierover nog geen
+zekerheid gekregen. In Altenburg bewaart men een rattenkoning, die uit
+27 Ratten bestaat; ook in Erfurt en in Lindenau heeft men er gevonden.
+
+Tallooze middelen zijn reeds aangewend om de Ratten te
+verdelgen. Allerlei soorten van vallen worden te dien einde met meer of
+minder goed gevolg gebruikt. Om te maken dat zij goeden dienst kunnen
+doen, moet men dikke handschoenen aantrekken om ze te stellen, want de
+lucht, die de aanraking met de hand achterlaat, is genoeg om de Ratten
+te waarschuwen. Oude Ratten, die reeds andere stamgenooten hebben zien
+vangen, zijn bijna niet in een val te lokken. Als de dieren bemerken,
+dat zij zeer hevig vervolgd worden, verhuizen zij niet zelden, doch
+komen weder, zoodra de vervolging ophoudt. En, als zij zich ergens
+op nieuw vertoonen, vermenigvuldigen zij zich in korten tijd zoo
+sterk, dat de last, die men van hen ondervindt, weer even hevig is
+als vroeger. De meest gebruikelijke middelen tot verdelging van de
+Ratten zijn verschillende vergiften, die men neerlegt op de plaatsen,
+waar deze dieren zich bij voorkeur ophouden. Het toepassen van dit
+middel verdient echter afkeuring, niet alleen omdat de Ratten door het
+vergif op een wreede wijze doodgemarteld worden, maar ook, omdat zij
+dikwijls een deel van het door haar gebruikte voedsel weer uitbraken,
+en zoodoende in sommige gevallen de voedingsmiddelen, die men tegen
+hen beveiligen wil vergiftigen, en het leven van andere dieren of
+van den mensen in gevaar brengen. Beter is het een mengsel van mout
+en ongebluschte kalk voor de Ratten neer te zetten; als zij hiervan
+gegeten hebben, zullen zij zeer dorstig worden; door het water, dat
+zij drinken, wordt de kalk gebluscht, hetwelk den dood van het dier
+ten gevolge heeft.
+
+Een uitmuntende rattenval, welker uitvinding het menschelijk hart
+geen eer aandoet, doch veeleer een welsprekend bewijs levert van
+de arglistigheid van den aartsvijand der dieren, wordt door Lenz
+beschreven: Op door de Ratten druk bezochte looppaden, b.v. tusschen
+stallen, in de nabijheid van privaten, riolen en op dergelijke
+plaatsen, graaft men een kuil van omstreeks vier voet diepte en
+bekleedt deze van binnen met gladde, platte steenen of tegels. Een
+vierkante tegel van 3 voet zijde vormt den bodem van den kuil, vier
+anderen die naar boven toe smaller worden, de zijden. De vierkante
+opening van den kuil moet slechts half zoo wijd zijn als de bodem,
+zoodat alle zijwanden naar binnen overhellen, waardoor het aan een
+Rat, die in dezen kuil gevallen is, onmogelijk wordt, er weder uit te
+komen. Nu giet men op den bodem van den kuil een weinig gesmolten vet,
+een weinig met water verdunden honig en andere sterk riekende stoffen,
+plaatst daarop omgekeerd een bloempotje van ongeveer 5 cM. hoogte,
+dat, na met honig doortrokken en met maïs, tarwe, haver, een weinig
+gebraden spek en andere lekkernijen voor de Ratten gevuld te zijn,
+met cement aan den bodem van den kuil bevestigd wordt; door de
+nauwe opening aan den top van het potje verbreidt zich de geur van
+den voor Ratten niet bereikbaren inhoud. Op den bodem van den kuil
+wordt vervolgens heede gestrooid, terwijl men de opening van den
+kuil met een rooster bedekt om te verhoeden dat een kip of een jong,
+onervaren huisdier er in valt. Vervolgens heeft men zich niet meer
+met den val te bemoeien. "Aangelokt door den aangenamen etensreuk en
+de voor ligplaats zoo goed geschikte heede," schrijft Lenz, "springt
+de Rat vroolijk en vol verwachting in den afgrond. Het ruikt daar zoo
+heerlijk naar spek, honig, kaas en zaden, dat het Knaagdier aan de
+verleiding geen weerstand kan bieden. Doch ook in den kuil moet het
+met den reuk van al dat lekkers tevreden zijn, omdat het etenspotje
+ontoegankelijk is." De eerste Rat, die in den kuil springt, wordt,
+gelijk licht te begrijpen is, weldra door een woedenden honger gekweld,
+tevergeefs slooft zij zich af om uit deze afschuwelijke gevangenis
+te ontsnappen. Daar valt een tweede lekkerbek naar beneden. Wel is
+dat voor de eerste gevangene een heugelijk feit! De lotgenooten
+besnuffelen elkander, beraadslagen misschien ook over wat in het
+gegeven geval gedaan moet worden; de eerste gevangene is echter veel
+te hongerig om naar lange verhandelingen te luisteren. Haar leege
+maag noopt haar tot den strijd, een verwoed gevecht, een duel op
+leven en dood neemt een aanvang en de eene gevangene vermoordt de
+andere. Als de oorspronkelijke bewoner van de val overwinnaar blijft,
+zal hij oogenblikkelijk het lijk van zijn metgezel verslinden; als
+de tweede de zege behaalt, zal hetzelfde eenige uren later plaats
+hebben. Slechts hoogst zelden vindt men drie Ratten tegelijkertijd in
+deze val; den volgenden dag is het aantal gevangenen stellig met één
+verminderd. Om kort te gaan, de eene gevangene vreet de andere op;
+de kuil blijft altijd tamelijk schoon, doch is een moordhol in de
+vreeselijkste beteekenis van het woord.
+
+De natuurlijke vijanden van de Ratten--vooral de Uilen, Raven,
+Bunzingen, Wezels, Katten en sommige Honden--zijn nog de beste
+verdelgers van deze dieren. Het komt echter dikwijls voor, dat een
+Kat geen aanval op een Rat durft ondernemen; vooral de Bruine Rat
+wordt door haar geschuwd. Dehne zag vóór de riolen van Hamburg,
+Honden, Katten en Ratten vreedzaam bij elkander rondloopen; geen
+dezer dieren dacht er aan, het andere den oorlog aan te doen.--Ook
+ik zou vele voorbeelden kunnen aanhalen van Katten, die zich niet
+met de Ratten inlaten. Evenals bij de andere huisdieren dappere en
+lafhartige individuën voorkomen, vindt men ook bij de Katten gezinnen,
+welker leden zich door grooten moed onderscheiden en hartstochtelijke
+liefhebbers zijn van de rattenjacht, nevens andere die hiervoor
+den moed missen. Het kost aan de Kat in 't eerst veel moeite, een
+zoo kwaadaardig Knaagdier te overwinnen. Een van onze Katten ving
+reeds Ratten, toen zij te nauwernood het derde gedeelte van haar
+definitieve grootte had bereikt. Zij vervolgde de prooi met zulk
+een ijver, dat zij zich eens door een sterke Rat over het geheele
+erf en tot aan een muur liet voortslepen, zonder haar vijand los te
+laten, die zij eindelijk door een flinken beet buiten gevecht wist
+te stellen. Na dezen dag is zij de verwoedste vijandin der Ratten
+gebleven, en heeft zij ons huis bijna geheel van dit ongedierte
+gezuiverd. Het is hiervoor trouwens niet eens volstrekt noodig,
+dat een Kat aanhoudend Ratten vangt; zij verdrijft ze reeds door
+haar voortdurend rondsluipen in stallen en schuren, in kamers en
+kelders. Het is te begrijpen, dat de Ratten het zeer onaangenaam
+vinden, met haar aartsvijandin onder één dak te wonen. Zij zijn dan
+geen oogenblik veilig. Onhoorbaar komt de Kat in 't holste van den
+nacht aansluipen; geen enkel waarschuwend geritsel verraadt haar
+nadering; in alle gaten loeren haar groenachtige onheilspellende,
+glinsterende oogen; naast de meest bezochte looppaden der Ratten
+ligt zij op een verborgen plaats in hinderlaag, en, voordat deze
+dieren eenig gevaar vermoeden, bespringt zij er een van, en houdt
+het met hare puntige klauwen en scherpe hoektanden zoo stevig vast,
+dat het maar zelden den dans ontspringen, den dood ontloopen kan. Zulk
+een leven is zelfs voor een Rat niet om uit te houden. Zij verhuist
+liever naar een plaats waar haar minder zorgen kwellen. De Kat is
+dus de beste helpster van den mensch in zijn strijd tegen de listige
+Knaagdieren. De Bunzing en de Wezel bewijzen ons in dezen bijna even
+belangrijke diensten, de eerstgenoemde binnenshuis, de andere in
+den tuin en in de nabijheid van schuren en stallen. Tegen de schade,
+die deze Roofdieren ons kunnen veroorzaken, door van tijd tot tijd
+eieren, Duiven, kuikens, of ook wel Hoenderen te rooven, kan men
+voorzorgsmaatregelen nemen: men kan er voor zorgen, dat het kippenhok
+en de duiventil behoorlijk gesloten en ontoegankelijk zijn; tegen de
+Ratten baten zulke maatregelen echter niet. Het is daarom wenschelijk,
+dat de genoemde slanke roovers beschermd worden en gespaard blijven,
+zooveel zulks mogelijk is.
+
+
+
+Veel liefelijker, bevalliger en sierlijker dan de leelijke,
+langstaartige gauwdieven, die zooeven beschreven werden, zijn de
+_Muizen_; ook zij echter zijn, in weerwil van haar fraaie gestalte en
+haar vroolijk en proper uiterlijk, groote vijanden van den mensch en
+worden door hem bijna met dezelfde woede vervolgd als hare grootere
+en minder bevallige verwanten. Men kan gerust verzekeren, dat iedereen
+een Muis, die in een hokje is opgesloten, een aardig dier zal noemen;
+zelfs de dames, die in den regel een hevige, ofschoon volkomen
+ongegronde vrees koesteren voor een Muis, die haar in de keuken of in
+den kelder voorbijloopt, zullen bij het zien van een gevangen Muis
+moeten erkennen, dat zij een lief schepseltje is. Te verwonderen is
+het echter niet, dat de scherpe knaagtanden en de snoepzucht der
+Muis zelfs een teeder vrouwenhart met ergernis en toorn vervullen
+kunnen. Het is waarlijk niet aangenaam, dat men voortdurend bezorgd
+moet zijn voor het behoud van alle levensbehoeften, zelfs wanneer
+zij achter slot en grendel geborgen zijn; het is om uit zijn vel te
+springen, dat er eigenlijk geen plekje in 't geheele huis te vinden
+is, waar men geheel alleen baas kan zijn en niet lastig gevallen
+wordt door die kleine, viervoetige indringers, die zelfs toegang
+weten te verkrijgen tot plaatsen, die voor de Ratten ontoegankelijk
+zijn. Natuurlijk is het daarom, dat tegen haar een verdelgingsstrijd
+wordt gevoerd, die waarschijnlijk nimmer eindigen zal.
+
+In Nederland leven drie soorten van Echte Muizen, n.l. de _Huismuis_,
+de _Boschmuis_ en de _Dwergmuis_. Vooral de eerste en de laatste
+verdienen een uitvoeriger beschrijving, ofschoon ook de Boschmuis
+den mensch maar al te dikwijls te na komt en een kennismaking met dit
+diertje derhalve noodzakelijk is. De beide eerstgenoemde worden overal
+onmeedoogend vervolgd; de laatstgenoemde echter vindt, zoolang zij
+niet al te driest wordt, wegens haar buitengewoon sierlijke gestalte,
+hare lieftalligheid en eigenaardige levenswijze, genade in de oogen
+van den heer der schepping.
+
+Hoewel men de _Brandmuis_ of _Akkermuis_ tot dusver nog niet met
+volkomen zekerheid als bewoner van ons land heeft leeren kennen, is het
+toch wenschelijk ook haar hier te vermelden; daar zij in Duitschland
+op betrekkelijk korten afstand van onze grenzen op sommige plaatsen
+talrijk voorkomt en groote schade aanricht, waaruit de mogelijkheid
+voortvloeit, dat zij te eenigertijd ook hier te lande waargenomen
+zal worden.
+
+De _Gewone Muis_ of _Huismuis_ (_Mus musculus_), hoewel fijner en
+sierlijker gebouwd en ook aanmerkelijk kleiner dan de Zwarte Rat,
+vertoont door haar gestalte met deze eenige overeenkomst. Haar lengte
+bedraagt 18 cM., met inbegrip van den 9 cM. langen staart. Op dit
+lichaamsdeel vindt men 180 uit schubben bestaande ringen. De vacht
+van deze Muis is éénkleurig; de geelachtig of grijsachtig zwarte
+kleur der bovendeelen gaat onmerkbaar in de iets lichtere kleur der
+onderdeelen over; de voeten en de teenen zijn geelachtig grijs.
+
+De _Boschmuis_ (_Mus sylvaticus_) wordt nagenoeg 23 cM. lang; van deze
+lengte komt ongeveer de helft op den staart, die tennaastenbij 150
+uit schubben bestaande ringen bezit. Haar vacht is tweekleurig. De
+bovendeelen van het lichaam zijn grijs met een bruinachtig gele
+tint; de onderdeelen en ook de voeten zijn wit van kleur; de beide
+genoemde kleuren zijn scherp van elkander gescheiden. De Huismuis
+en de Boschmuis verschillen van de Brandmuis en de Dwergmuis,
+door de grootere lengte harer ooren, die, tegen de zijden van den
+kop aangedrukt, het oog bereiken, wat bij de beide andere soorten
+niet het geval is. "De bijzonder lange achterpooten maken, dat deze
+Muis zich veel meer huppelend, springend voortbeweegt dan de andere
+Muizen. Daarom wordt zij in sommige gedeelten van Groningen wel
+'_Springer_' genoemd." (Ritzema Bos.)
+
+De _Brandmuis_ of _Akkermuis_ (_Mus agrarius_) wordt omstreeks 19
+cM. lang, met inbegrip van den 8 1/2 cM. langen staart. De bovenste
+deelen van het lichaam zijn bruinachtig rood met een zwarte,
+overlangsche streep op den rug; de benedendeelen en de voeten zijn
+wit, welke kleur scherp begrensd is; dit dier is dus driekleurig. De
+staart heeft ongeveer 120 uit schubben bestaande ringen.
+
+De lichaamslengte van de _Dwergmuis_ (_Mus minutus_) bedraagt
+slechts 12 à 13 cM., waarvan nagenoeg 6 cM. op den staart komen. De
+hoogte in de schouderstreek bedraagt slechts 2 1/4 cM., het gewicht
+wisselt af van 4 tot 8 1/2 gram. De Dwergmuis draagt dus haar naam
+met recht; er bestaat slechts één inheemsch Zoogdier, dat kleiner
+is, n.l. de Dwerg-spitsmuis. De kleur van de vacht is tamelijk
+verschillend. Gewoonlijk is zij tweekleurig: de bovenzijde van 't
+lichaam is dan bruinachtig rood met geelachtige tint, de onderzijde
+is wit, evenals de teenen; de afscheiding tusschen deze beide kleuren
+is zeer scherp. De kleur van de bovendeelen kan echter meer of minder
+donker zijn, ook wel meer roodachtig of meer bruinachtig, meer grauw
+of meer geel; het kan voorkomen, dat de kleur van de bovenzijde niet
+zeer scherp afgescheiden is van die der onderzijde. Bij jonge dieren
+zijn voorts de verhoudingen tusschen de afmetingen der verschillende
+lichaamsdeelen anders dan bij oude; ook hebben zij een andere, meer
+grijze kleur.
+
+Al deze Muizen vertoonen in woonplaats, levenswijze en uiterlijk
+veel overeenkomst met elkander, ofschoon ieder van deze dieren
+eigenaardigheden heeft. In één opzicht stemmen de drie eerstgenoemde
+overeen, n.l. dat zij, althans van tijd tot tijd, een groote voorliefde
+voor de verblijfplaats van den mensch laten blijken. Alle drie komen
+zij, vooral des winters, veelvuldig in de huizen voor, zoowel in den
+kelder als op den zolder, in de kamers zoowel als in de keuken. De
+Huismuis is hier echter veelvuldiger dan hare verwanten. De Dwergmuis
+zouden wij hier nog bij kunnen noemen, daar zij in den winter dikwijls
+in groot aantal voorkomt onder koornschelven, of ook wel in schuren,
+waar zij met de ingeoogste producten wordt binnengebracht. Geen van de
+drie eerstgenoemde soorten is uitsluitend gebonden aan de woonplaats,
+waaraan zij haar naam ontleent; de Boschmuis leeft even goed van tijd
+tot tijd in schuren en huizen als op het veld; de Akkermuis wordt
+evenmin uitsluitend op akkers aangetroffen als de Huismuis zich
+uitsluitend tot de woningen van den mensch bepaalt. De namen dezer
+dieren duiden eenvoudig de woonplaats aan, die bij voorkeur door hen
+gekozen wordt.
+
+
+
+De _Huismuis_ was reeds in overouden tijd een getrouwe metgezel
+van den mensch; zij wordt reeds door Aristoteles en Plinius als een
+zeer veelvuldig voorkomend dier vermeld; Albertus Magnus heeft haar
+nauwkeurig beschreven. Tegenwoordig is zij over de geheele wereld
+verbreid. De Huismuis koloniseerde de aardoppervlakte tegelijk met den
+mensch; zij volgde hem tot in het barre noorden en tot in de hoogst
+gelegen Alpenhutten. Waarschijnlijk zijn er slechts weinig plekjes
+op den aardbol te vinden, waar dit dier in den tegenwoordigen tijd
+nog niet voorkomt; bovendien kan van deze plaatsen alleen gezegd
+worden, dat het er tot nog toe niet waargenomen is, niet, dat het
+er ontbreekt. Zoo wordt b.v. bericht, dat men op de Soenda-eilanden
+geen Muizen vindt.--Alle gedeelten van de woning van den mensch dienen
+haar tot verblijfplaats. Op het land leeft zij gedurende het gunstige
+jaargetijde ook wel buitenshuis, n.l. in den tuin of in naburige
+velden en boschjes; in de stad bepaalt zij zich tot de woonhuizen en
+bijgebouwen. Hier vindt zij in elke spleet, in elke holte, kortom in
+elk hoekje, waarin zij wegkruipen kan, een voldoende schuilplaats,
+vanwaar uit zij hare strooptochten onderneemt.
+
+De Huismuis is een buitengewoon behendig en beweeglijk dier. Met
+zeer groote snelheid loopt zij over den vlakken grond; zij klimt
+voortreffelijk, springt erg ver en huppelt dikwijls gedurende geruimen
+tijd met korte sprongen over den bodem voort. Bij gevangen Muizen
+kan men zeer goed waarnemen, hoe behendig ze al deze bewegingen
+maken. Als men een Muis op een schuins omhoog gespannen touw of
+op een stokje laat loopen, slingert zij, zoodra zij het evenwicht
+verliest, haar staart schielijk om het touw of om het stokje,
+herstelt hierdoor het evenwicht en klimt vervolgens verder. Als men
+haar op een zeer buigzamen halm neerzet, klimt zij omhoog, totdat zij
+den top van den halm bereikt heeft; als de halm door haar gewicht
+nedergebogen wordt, gaat zij er met den rug naar onderen gericht
+aan hangen en daalt vervolgens langzaam naar beneden, zonder ooit
+in verlegenheid te komen. Bij het klimmen bewijst de staart haar
+belangrijke diensten. Muizen, wien men een stuk van den staart
+had afgesneden om haar een vreemd voorkomen te verschaffen, waren
+niet meer in staat in 't klimmen met hare langstaartige zusters te
+concurreeren. Allerliefst zijn de verschillende houdingen, die de
+Muizen aannemen kunnen. Elke buiging, elke beweging geschiedt met
+gratie. Zelfs wanneer de Muis stilzit, ziet zij er bevallig uit;
+den aangenaamsten indruk brengt zij echter teweeg, wanneer zij,
+volgens de gewoonte der Knaagdieren, op haar achterste rust en zich
+met hare voorpooten reinigt en wascht. Zij kan nog wel andere kunstjes
+doen, o.a. zich geheel en al op de achterpooten oprichten, evenals de
+mensch, en zoo zelfs eenige schreden doen. Hierbij maakt zij slechts
+van tijd tot tijd van haar staart als steunsel gebruik. Zij is ook
+in 't zwemmen ervaren, ofschoon zij slechts in gevallen van hoogen
+nood te water gaat. Als men haar in 't water werpt, ziet men, dat zij
+zich bijna even snel als de Waterrat en de Dwergmuis voortbeweegt, en
+naar de eerste beste droge plaats zwemt om erop te klimmen en zich in
+veiligheid te stellen. Hare zintuigen zijn uitmuntend; zij hoort het
+zwakste gedruisch en heeft een zeer fijnen reuk, waardoor zij zelfs
+ver verwijderde voorwerpen kan waarnemen; ook kan zij vrij goed zien,
+des nachts misschien beter dan over dag. Ieder, die de levenswijze van
+de Huismuis nagaat, zal haar schranderheid bewonderen. Zoo boosaardig,
+arglistig en bijtlustig de Ratten zijn, zoo goedaardig en vreedzaam
+is zij. Bekend is haar nieuwsgierigheid; alles wordt door haar op de
+zorgvuldigste wijze onderzocht. Hare listigheid en schranderheid doen
+haar spoedig inzien, waar zij geduld wordt en waar niet; overal, waar
+men haar met vrede laat, geraakt zij mettertijd zoozeer aan den mensch
+gewoon, dat zij in zijn tegenwoordigheid heen en weer loopt en hare
+bezigheden verricht, alsof zij geen stoornis te vreezen heeft. Reeds
+na een gevangenschap van weinige dagen gedraagt zij zich allerliefst;
+zelfs oude Muizen worden nog tamelijk mak; de jonge echter overtreffen
+de meeste Knaagdieren, die geschikt zijn om gevangen gehouden te
+worden, door hare goedaardigheid en argeloosheid. Merkwaardig is de
+liefde voor de muziek, die bij de Muizen wordt opgemerkt. Welluidende
+tonen lokken haar uit haar schuilplaats naar buiten en doen haar
+alle vrees vergeten. Op klaarlichten dag komt zij in kamers, waar
+een muziekinstrument bespeeld wordt; vertrekken waar geregeld muziek
+gemaakt wordt, zijn ten slotte hare meest geliefde verblijfplaatsen.
+
+In den laatsten tijd komen in verscheidene tijdschriften berichten
+over "zingende Muizen" voor; ook heb ik een aantal meer directe
+mededeelingen over dit onderwerp ontvangen. Al deze berichten
+stemmen in dit opzicht overeen, dat men hier en daar, nu en dan
+Huismuizen heeft opgemerkt, die het gepiep en gekwetter, dat haar
+van nature eigen is, wijzigen tot geluiden, die aan het gezang van
+Vogels herinneren. Enkele berichtgevers spreken met geestdrift
+over het gezang van de Muis en vergelijken het met dat van den
+Kanarievogel of zelfs van den Nachtegaal; andere oordeelen er
+kalmer en waarschijnlijk juister over. De onderwijzer Schacht, een
+even betrouwbare als ontwikkelde opmerker, heeft een tijdlang zulk
+een zingende Muis gehad, die haar gezang meestal in de schemering,
+dikwijls eerst in den nacht liet hooren. Met den helderen slag van
+een Kanarievogel of met de smeltende melodiën van een Nachtegaal,
+had dit muizengezang niet de minste overeenkomst. Het was slechts een
+gekwetter, een mengelmoes van sleepende, gonzende en piepende toonen,
+die men in de nachtelijke stilte nog op een afstand van 20 schreden
+hooren kon. Het "gezang" van een andere zingende Muis, dat door den
+onderwijzer Müller werd waargenomen, bestond "uit opeenvolgende,
+zachte, fluitende tonen, die in 't eene oogenblik langzaam, in
+'t andere sneller werden uitgebracht en in 't laatstgenoemde geval
+duidelijk herinnerden aan het gezang van een Vogel, met dit verschil,
+dat zij aanmerkelijk zwakker waren." Deze Muis werd door muziek tot
+zingen opgewekt en floot dan soms ook over dag. Beide hiertoe bedoelde
+zingende Muizen waren mannetjes; het is dus niet onmogelijk dat ook
+bij deze diersoort de zoete gave van het gezang hoofdzakelijk aan de
+mannelijke sekse ten deel gevallen is. Pechuel-Loesche heeft maanden
+lang twee in een keuken vrij rondloopende, zoogenaamde zingende Muizen
+te gelijkertijd beluisterd. Van de eene hoorde men niets anders dan
+een ongeregeld gesjirp met trillers, doormengd met een zacht snorren,
+smakken of hikken en af en toe ook met een zwak gesnork, de andere
+had meer weeke tonen tot zijn beschikking, sommige van deze werden
+langer aangehouden, waardoor een min of meer welluidend geheel werd
+voortgebracht. Het zou echter juister zijn van het tjilpen en niet
+het zingen der Muizen te spreken.
+
+Tegenover deze aangename eigenschappen van de Huismuis, staan echter
+zeer lastige ondeugden; zij is een eerste snoepster en lekkerbek. Men
+kan zich moeielijk een snoeplustiger schepsel voorstellen dan een
+Huismuis, die zich in een goed voorziene provisiekamer naar vrije
+verkiezing bewegen kan! Zij zoekt zich altijd de lekkerste stukjes
+uit en geeft hierdoor een afdoend bewijs van de fijnheid van haar
+smaakzintuig. Aan allerlei zoetigheden, aan melk, goede vleeschspijzen,
+kaas, vetten, vruchten en zaden geeft zij de voorkeur boven alle
+andere voedingstoffen, en als zij de kans heeft, zoekt zij van het
+goede altijd het beste uit. Hare scherpe knaagtanden zijn een andere
+reden voor den haat, dien de mensch haar toedraagt. Als zij iets
+lekkers ruikt, weet zij zich tot de plaats waar het zich bevindt,
+toegang te verschaffen voor het genot, dat zij daar hoopt te smaken,
+heeft zij een ingespannen arbeid van één of meer nachten over; zij
+doorknaagt soms dikke deuren om haar doel te bereiken.--Als zij veel
+voedsel vindt, dat haar bijzonder lekker voorkomt, vervoert zij ook nog
+een flinken voorraad daarvan naar haar schuilplaats; zij arbeidt met
+de drift van een gierigaard aan de vermeerdering van hare schatten. "Op
+plaatsen, waar zij niet veel gevaar heeft van gestoord te worden," zegt
+Fitzinger, "vindt men wel eens in een hoek groote hoopen van walnoten
+en hazelnoten, soms niet minder dan een voet hoog; zij stapelt deze
+vruchten zoo regelmatig opeen, drukt ze zoo stevig tegen elkander aan
+en bedekt ze zoo zorgvuldig met geknaagde papieren en kleedingstukken,
+dat men onze Huismuis bijna niet in staat zou achten tot het verrichten
+van zulk een arbeid." Water drinkt zij in 't geheel niet, als zij
+saprijk voedsel krijgen kan; ook gebruikt zij het maar zelden, als
+zij zich met droog voedsel moet behelpen. Daarentegen is zij zeer
+verlekkerd op alle zoete dranken. Dat zij ook van alcoholische dranken
+snoept, blijkt uit de volgende mededeeling van den boschbeambte Block:
+"In het jaar 1843 werd ik eens, terwijl ik zat te schrijven door een
+zwak gedruisch gestoord; opziende, bemerkte ik een Muis, die langs
+den gladden poot van een tafeltje naar boven klom. Boven aangekomen,
+zocht zij vol ijver de kruimels op, die op een bord lagen. In het
+midden van dit bord stond een zeer licht, kelkvormig borrelglaasje,
+half gevuld met anisette. Met één sprong was de Muis op den rand van
+'t glas, boog zich voorover en slikte ijverig van de likeur. Nadat
+zij een behoorlijke dosis van het zoete vergif gebruikt had, sprong
+zij weer op de tafel. In hare bezigheden gestoord door het gedruisch
+dat ik maakte, wipte zij met één sprong van de tafel en verdween
+achter een kast. Waarschijnlijk ondervond zij spoedig de uitwerking
+van den drank, want kort daarna kwam zij weer te voorschijn en maakte
+allerlei vreemdsoortige bewegingen; ook deed zij vergeefsche pogingen
+om nogmaals op de tafel te klauteren. Ik stond op en ging op haar af,
+doch zij stoorde zich niet aan mij. Toen ik de Kat haalde, liep zij
+even weg, maar kwam dadelijk weer terug. De Kat sprong van mijn arm
+op haar af, en had het dronken muisje in hare klauwen."
+
+Grooter nog dan de schade, die de Muis door het verslinden van
+voedingsmiddelen aanricht, is die, welke zij den mensch toebrengt
+door het stukknagen van allerlei voorwerpen van waarde. Bibliotheken
+en verzamelingen van naturaliën hebben soms veel van deze Knaagdieren
+te lijden. Met allerlei middelen gaat men hun vernielzucht tegen. De
+ijverigste van alle vijanden van de Huismuis is en blijft de Kat. In
+oude gebouwen wordt zij ijverig geholpen door de Uilen, die ook op
+het land goede diensten bewijzen, evenals de Bunzing en de Wezel,
+de Egels en de Spitsmuizen. Hoe klein de Spitsmuis ook is, toch is
+zij veel sterker dan de voor ons zoo lastige Knaagdieren; met ijver
+wijdt zij zich aan de muizenjacht.
+
+De Huismuis plant zich zeer snel voort; 22 à 24 dagen na de paring
+werpt zij 4 à 6, niet zelden zelfs 8 jongen. Daar zij in één
+jaar stellig vijf à zes maal jongen werpt, bedraagt hun aantal na
+afloop van dien tijd minstens 30. Een witte Muis, die door Struve in
+gevangenschap werd gehouden wierp den 17den Mei zes, den 6den Juni zes
+en den 3en Juli acht jongen. Van den 3en tot den 28en Juli was zij van
+het mannetje gescheiden. Den 21en Augustus wierp zij weder zes jongen,
+den 1en October op nieuw zes en den 24en October vijf. Gedurende den
+winter vermeerderde haar nakomelingschap niet. Den 17den Maart bracht
+zij opnieuw jongen ter wereld. Eén van de wijfjes van den worp van 6
+Juni, kreeg den 18den Juni van 't volgende jaar voor 't eerst jongen,
+en wel vier te gelijk. Hieruit kan men afleiden hoe verbazend snel
+de Muizen zich kunnen vermenigvuldigen, in weerwil van haar groot
+aantal vijanden. Voor haar kraambed maakt de moeder gebruik van elken
+schuilhoek, waar zij voor vervolgingen beveiligd hoopt te zijn;
+men heeft muizennesten gevonden in uitgeholde brooden, uitgeholde
+koolrapen, doodshoofden, ja zelfs in muizenvallen. Gewoonlijk bestaat
+de ligplaats van de kleine familie uit met zorg opeengestapeld stroo,
+hooi, papier, vederen en andere zachte stoffen; soms echter bestaat
+het eenvoudig uit houtspaanders of zelfs uit notedoppen. De jongen
+zijn bij de geboorte buitengewoon klein en, bij witte Muizen althans,
+in den letterlijken zin van 't woord doorzichtig. Zij groeien echter
+schielijk aan, krijgen op den zevenden of achtsten levensdag haren,
+doch openen hunne oogen eerst op den dertienden dag. Nu blijven zij
+nog maar een paar dagen in 't nest, en gaan dan op de wijze van hunne
+ouders voedsel zoeken.--Een treffend voorbeeld van de moederliefde van
+de Muis wordt door Weinland medegedeeld: "In het zachte bed, dat een
+Huismuis voor hare jongen had bereid, ontdekte men haar en hare negen
+kinderen. De moeder kon ontsnappen,--doch week niet van de plaats. Het
+geheele gezin werd met een korenschop opgenomen,--zij bewoog zich
+niet. Men droeg alle onbedekt op de schop weg, verscheidene trappen
+af, tot in den hof;--zij bleef hare kinderen trouw en stierf met hen."
+
+Bij de bewoners van China en Japan, van welker ervarenheid in het
+fokken van dieren en het kweeken van planten vele merkwaardige
+staaltjes medegedeeld worden, is de Huismuis een huisdier geworden
+in den eigenlijken zin van 't woord. Haacke deelt over de Muizen,
+die sedert eenige jaren uit deze landen naar hier worden gevoerd,
+het volgende mede: "Van een handelaar in dieren te Hamburg ontbied
+ik van tijd tot tijd twee verschillende rassen van de Huismuis, die
+door den koopman met de namen Chineesche 'klimmuizen' en Japansche
+'dansmuizen' aangeduid worden. De eerstgenoemden onderscheiden zich
+trouwens alleen door haar zeer varieerende kleur, want klimmen doen
+zij, naar het schijnt, niet meer dan andere Muizen. Hare kleur is
+echter zeer verschillend. Behalve effen grijze, licht-bruinachtig gele
+en witte exemplaren, heb ik er gehad, die grijs en wit, zwart en wit,
+geel en wit, blauw en wit gevlekt waren. Driekleurige Muizen zijn, naar
+het schijnt, zeer zeldzaam. Zooals bekend is, komen ook bij ons witte,
+zwarte en gele soms ook wel gevlekte Muizen voor; maar de Chineezen
+hebben hun bekwaamheid in het fokken van nieuwe verscheidenheden
+ook op de Huismuizen toegepast. De niet minder op 't dierenfokken
+verzotte Japaneezen, hebben echter kans gezien, om van de Huismuis
+een werkelijk wonderbaarlijk dier te maken. De Japansche 'dansmuis',
+die te recht zoo genoemd wordt, komt eveneens in de bovengenoemde
+kleuren voor. Wat haar echter vooral onderscheidt, is de aangeboren
+gewoonte om met razende snelheid in een meer of minder grooten kring
+rond te loopen, of nog vaker, om, als een tol op één plaats blijvend,
+met ongeloofelijke snelheid rond te draaien. Dikwijls voeren twee,
+zeldzamer drie Muizen, gemeenschappelijk zulk een dans uit, die
+gewoonlijk in de schemering begint en gedurende den nacht van tijd
+tot tijd herhaald wordt; meestal echter danst iedere Muis afzonderlijk.
+
+
+
+De _Boschmuis_ komt in de meeste opzichten met de Huismuis overeen. Zij
+is over geheel Europa verbreid, waarschijnlijk alleen met uitzondering
+van de allernoordelijkste gedeelten; in bergachtige streken komt zij
+nog op een hoogte van 2000 M. boven den zeespiegel voor. Zij leeft
+zoowel in bosschen, als aan hun zoom; men vindt haar dikwijls in
+tuinen, doch minder veelvuldig op uitgestrekte vlakten, waar geen
+boomen zijn. Des winters verschuilt zij zich gaarne in huizen; zij
+bezoekt daar kelders en provisiekamers, doch vestigt zich bij voorkeur
+in de hooger gelegen deelen van het huis, waar zij op zolderkamers
+en onder dak overwintert. Ritzema Bos zegt van de woonplaatsen van
+deze muis in ons vaderland: "Overal waar hout groeit: in tuinen,
+langs wegen, rondom hofsteden is zij in vele streken van ons land zeer
+algemeen. Zij vestigt zich ook wel in alleenstaande huizen; op villa's
+en boerderijen vervangt zij soms de Huismuis. Daar zij sterker en
+vlugger is dan deze, moet zij--wanneer ze 't veld of het bosch verlaat,
+en zich in de huizen gaat vestigen--daar de Huismuis verdringen, even
+goed als de sterkere en vluggere Bruine Rat haar zwakkere zuster heeft
+verdreven. Werkelijk geschiedt dit, niet alleen in vele alléénstaande
+behuizingen, maar eveneens in de buitenwijken van dorpen en kleine
+landstadjes. Ik herinner mij dat--eenige jaren geleden--in 't gebouw
+der Rijks Hoogere Burgerschool te Warffum mijn verzameling naturaliën
+door Muizen werd aangetast. Het uitzetten van muizentarwe had den
+dood van verscheidene van deze indringers ten gevolge; alle bleken
+mij te behooren tot de soort _Mus sylvaticus_. Altum, hoogleeraar
+aan de academie voor boschbouw te Neustadt-Eberswalde, verzekert,
+dat in 't stadje zijner inwoning geen enkele Huismuis te vinden is,
+en dat de Boschmuis haar geheel en al verdrongen heeft.
+
+"Dat nu de laatste niet overal de eerste doet verdwijnen, moet
+eenvoudig worden toegeschreven aan de omstandigheid, dat beide soorten
+_in den regel_ niet dezelfde levenswijze hebben, m.a.w. dat zij op
+verschillende plaatsen voorkomen, en niet hetzelfde voedsel gebruiken,
+zoodat zij gewoonlijk niet als concurrenten optreden."
+
+In de vrije natuur eet zij gaarne Wormen en Insecten, vooral wanneer
+deze laatste zich als larven of poppen in den grond bevinden; hierdoor
+kan zij in de bosschen tamelijk veel nut aanbrengen. Schadelijk wordt
+zij hier daarentegen door het uithalen van de nestjes van nuttige
+Zangvogels. Het hoofdvoedsel van de Boschmuis bestaat echter uit
+steen- en pitvruchten, noten, eikels, beukenootjes, zaden van dennen
+en sparren. Zij verzamelt hiervan ook wel voorraad voor den winter,
+vervalt echter niet in winterslaap en maakt alleen bij ongunstig weer
+van de door haar bijeen gebrachte schatten gebruik. "De schade door dit
+diertje aan de houtteelt berokkend," zegt Ritzema Bos, "is niet zoo
+groot, als men dikwijls verzekert. Het is n.l. zeer waarschijnlijk,
+dat alle gevallen, waarin stammetjes van jonge boomen en takken door
+Muizen van de schors waren beroofd, moeten komen op de rekening van
+_Woelmuizen_ (_Arvicola arvalis_ en _A. glareolus_). De Boschmuis is
+op de ontschorsing van boomen nooit betrapt geworden en de door Muizen
+van schors beroofde stukken vertoonden alle de tandindruksels van
+Woelmuizen." "Van uit het bosch verspreidt zich onze 'springer' zeer
+dikwijls over de velden; ja somtijds komt zij op zeer aanzienlijken
+afstand van alle houtgewas op bouwland voor. Men treft haar dan, op
+de wijze der Veldmuizen, in en onder korenschoven en hokken aan. De
+boeren geven haar dan den naam van 'langstaartige Veldmuis,' in
+tegenstelling van de 'kortstaartige,' d.i. de _Eigenlijke Veldmuis_
+(_Arvicola arvalis_). Wanneer men op zandgronden van verwoestingen
+door Muizen hoort, dan is gewoonlijk de Boschmuis de dader, terwijl
+de Eigenlijke Veldmuis de beruchte landplaag der kleigronden is. Toch
+is ook de Boschmuis op de klei niet geheel onbekend, en de Eigenlijke
+Veldmuis komt op 't zand ook wel eens voor. Zoo vernielend als de
+laatste optreedt, vertoont zich de eerste nooit, daar zij jaarlijks
+niet zoo'n groote nakomelingschap kan leveren. Zij werpt 2-, hoogstens
+3maal 4 tot 6 jongen, terwijl de Veldmuis telkens 6 à 12 jongen werpt,
+en de in 't voorjaar en den zomer geboren individu's zich nog gedurende
+'t zelfde jaar weer voortplanten."
+
+In huis berokkent de Boschmuis ons dikwijls gevoelige schade en heeft
+zij eigenaardige liefhebberijen. Des nachts dringt zij in vogelkooien
+door en doodt de hier aanwezige Kanarievogels, Leeuweriken, Vinken
+enz. Van haar smaak voor zoete, bedwelmende dranken, deelt Lenz het
+volgende voorbeeld mede: Een zijner zusters hoorde op een avond een
+zeer eigenaardig zangerig gepiep in den kelder; zij zocht met een
+lantaarn naar de oorzaak van dit geluid en vond een Boschmuis, die
+naast een flesch malaga zat, de naderende dame vriendelijk en zonder
+vrees in 't gelaat zag en zich in haar gezang niet liet storen. De
+jonge dame verwijderde zich om hulp te halen; een geheel leger van
+helpers bezette den kelder; de Muis had haar liedje echter nog niet
+uit; zij bleef bedaard zitten, en was vermoedelijk zeer verwonderd,
+toen men haar met den tang bij den kop pakte. Bij nader onderzoek
+bleek het, dat de flesch een weinig lek was; rondom de plaats waar
+de droppels neervielen, lag een geheele kring van muizenkeutels,
+waaruit men opmaakte, dat de zooeven als dronkenlap gearresteerde
+Muis, waarschijnlijk reeds gedurende geruimen tijd hier aan 't pooien
+was geweest.
+
+
+
+De _Brandmuis_ bewoont een meer beperkt gebied dan de beide vroeger
+beschreven soorten; zij leeft tusschen den Rijn en West-Siberië,
+het noorden van Holstein en Lombardije. In Middel-Duitschland wordt
+zij overal veelvuldig aangetroffen, in ons vaderland tot dusver niet;
+in hooge bergstreken komt zij niet voor. Zij houdt zich des zomers
+op in bouwlanden, aan de kanten van bosschen en in lage boschjes,
+terwijl zij des winters in korenhoopen of in schuren verblijf houdt;
+ook overwintert zij in gaten in den grond. Bij 't maaien van 't koren
+in den herfst, ziet men geheele benden van deze dieren over de stoppels
+ontvluchten. Hare bewegingen zijn minder behendig dan die van hare
+verwanten; haar uiterlijk is goedaardiger of dommer. Zij voedt zich
+hoofdzakelijk met graan en andere zaden, met kruiden en knollen,
+Insecten en Wormen; ook zij verzamelt proviand voor den slechten
+tijd. Wegens haar snelle vermenigvuldiging kan zij in de streken,
+waar zij voorkomt, zeer schadelijk worden: in den zomer werpt zij 3-
+à 4maal 4 à 8 jongen, welke, evenals die van de Boschmuis, eerst in
+'t volgende jaar de kleur van de ouders hebben.
+
+
+
+Hoe lief en bevallig alle kleine Muizen ook zijn, hoe alleraardigst zij
+zich in de gevangenschap gedragen, het kleinste lid van de familie--de
+_Dwergmuis_ (_Mus minutus_)--overtreft haar alle te dezen aanzien. Zij
+is veel beweeglijker, behendiger, vroolijker, kortom, zij is een veel
+aardiger schepeltje dan hare verwanten.
+
+De Dwergmuis heeft aan de dierkundigen niet weinig hoofdbrekens
+veroorzaakt. Sinds Pallas haar in Siberië voor 't eerst aantrof,
+nauwkeurig beschreef en zeer goed afbeeldde, is zij in vele andere,
+ver uiteenliggende landen gevonden. Bijna iedere natuurbeschrijver,
+die haar onderzocht, meende het recht te hebben haar als een
+nieuwe soort te beschouwen, o.a. omdat het verbreidingsgebied van
+dezen vorm zoo uitgestrekt is en de kleur van de vacht tamelijk
+uiteenloopt. Door latere onderzoekingen is echter uitgemaakt, dat
+de ten onzent voorkomende Dwergmuis werkelijk verspreid is over een
+gebied, dat Siberië, geheel Rusland, Hongarije, Polen, Duitschland,
+Frankrijk, Engeland en Italië omvat en slechts bij uitzondering
+in sommige gewesten van deze landen niet voorkomt. Men vindt haar
+in alle vlakten waar de landbouw bloeit, en geenszins altijd op
+bouwland, maar dikwijls in het riet van de sloten, die de akkers
+omgeven, in riet- en biesbosschen, in moerassen en drasse landen
+enz. In Siberië en aan den voet van den Kaukasus is zij algemeen,
+in Rusland en Engeland, in Sleeswijk en Holstein is zij op zijn minst
+genomen niet zeldzaam. Maar ook in de overige genoemde landen kan zij
+soms in grooten getale voorkomen. Volgens Dr. G. A. Venema komt zij
+veelvuldig voor "in de breede strook van zulte of zeeaster (_Aster
+tripolium_), die de kweldergronden langs den Dollard van de hanepoot
+(_Salicornia herbacea_) scheidt. Daar bouwt de Dwergmuis haar nest
+in de hooge zulteplanten, tusschen hare geurige bloemen in; en als
+een hooge vloed door de zulte rolt, buigt de storm de stengels heen
+en weer, maar bereikt de bloemen niet. In wiegelende beweging door
+den stroom gebracht, bewaken de oude Muizen, die langs de stengels
+zijn opgeklommen, de jongen."
+
+Gedurende den zomer vindt men dit lieve diertje in gezelschap van
+de Boschmuis en van de Gewone Veldmuis op korenvelden; in den winter
+komt het soms in groot aantal voor onder hooibergen of in schuren. De
+Dwergmuis overwintert echter ook wel buiten, in holen in den grond;
+een groot deel van het koude jaargetijde brengt zij dan slapend door,
+hoewel zij geen eigenlijken winterslaap heeft. Als de nood aan den
+man komt, maakt zij gebruik van den aanzienlijken voedselvoorraad,
+die zij gedurende den zomer in haar hol heeft bijeengebracht. Haar
+voedsel is hetzelfde als dat van alle overige Muizen; op den akker
+kan zij nog al wat graan bederven; als zij den winter in woonhuizen
+doorbrengt, gebruikt zij zoowel dierlijk als plantaardig voedsel;
+in den zomer gebruikt zij, naar 't schijnt, allerlei kleine Insecten.
+
+Door hare bewegingen onderscheidt de Dwergmuis zich van alle overige
+soorten van de Muizenfamilie. In weerwil van hare geringe grootte
+loopt zij zeer snel; zij klimt zeer vlug, behendig en sierlijk. Langs
+de dunste takken van struiken, langs grashalmen, die zoo zwak zijn,
+dat zij zich ter aarde neigen, wanneer het diertje zich er op bevindt,
+stijgt zij, den rug naar boven of naar onderen gericht, omhoog. Bijna
+even snel beklimt zij boomen; de kleine, sierlijke staart wordt dan
+zoo behendig als grijpwerktuig gebezigd, alsof het kleine Knaagdier
+den Brulapen de kunst heeft afgezien. Ook in het zwemmen is het zeer
+bedreven; ook in het duiken is het een meester. Juist hierom kan het
+overal wonen.
+
+Vooral in een ander opzicht geeft de Dwergmuis echter bewijzen
+van groote bekwaamheid. Zij is een kunstenares, zooals er onder
+de Zoogdieren maar weinig gevonden worden; zij waagt het, met de
+meest begaafde Vogels te wedijveren en een nest te bouwen, dat in
+schoonheid de nesten van alle overige Zoogdieren verre overtreft. Haar
+sierlijke woning wordt op zulk een eigenaardige wijze gebouwd, alsof
+zij bij een Rietzanger of een Wevervogel in de leer is geweest. Het
+Dwergmuizennest is bijna zoo groot als een vuist, en rust, al naar
+de plaatselijke gesteldheid, op 20 à 30 bladen van rietgrassen,
+welker toppen uitgerafeld en zoo met elkander saamgevlochten zijn,
+dat zij het eigenlijke nest overal omgeven. Soms is het nest op een
+afstand van 5 à 10 M. boven den grond vrij opgehangen aan de takken
+van een struik, aan een riethalm of dergelijk voorwerp, zoodat het
+allen schijn heeft, dat het in de lucht zweeft. De vorm van het nest
+komt het meest overeen met dien van een ei, met zeer stompe punten,
+b.v. met een buitengewoon, bolvormig ganzenei, waarmede het ook
+in grootte nagenoeg overeenkomt. Het uitwendig bekleedsel bestaat
+altijd uit de geheel in strookjes verdeelde bladen van het riet of
+van andere grasachtige planten, welker stengels den grondslag van
+de geheele woning uitmaken. De kleine kunstenares neemt elk blad
+tusschen hare tanden, en haalt het verscheidene malen tusschen de
+vlijmscherpe kronen der snijtanden door, zoodat elk blad in 6, 8,
+10 of meer draadvormige strooken wordt verdeeld, die ieder aan een of
+meer taaie, overlangsche bladnerven haar stevigheid ontleenen; daarna
+worden deze vezels zorgvuldig dooreengeslingerd, ineengevlochten en
+saamgeweven. Van binnen is het nest met aren van riet, met de wol
+van de kolven der kannewasschers (_Typha_), met het vruchtpluis van
+paardenbloemen, met allerlei katjes en bloemtrossen opgevuld. Een
+kleine, zijdelingsche opening verleent toegang tot het nest; als men
+er den vinger insteekt en het van binnen betast, blijkt het geheel
+en al, zoowel van boven als van onderen, gelijkmatig glad gemaakt,
+en overal zacht en donzig te zijn. De materialen van het nest zijn
+zóó dicht met elkander vervilt en saamgevlochten, dat zij voor het
+dier een stevige rustplaats vormen.
+
+Als men in aanmerking neemt, dat de werktuigen, waarvan de Dwergmuis
+bij dezen arbeid gebruik maakt, veel minder doelmatig zijn dan de
+snavel van de bouwkunstenaars onder de Vogels, kan men niet nalaten
+de kunstvaardigheid van de Dwergmuizen te bewonderen en haar hooger
+te stellen, dan die van de veel beter uitgeruste, nestbouwende Vogels.
+
+Elk nestje is hoofdzakelijk samengesteld uit de nog aan den stengel
+vastgehechte bladen van de planten die de woning steunen. Een
+noodzakelijk gevolg hiervan is, dat het nest van buiten bijna (of
+geheel) dezelfde kleur heeft als de planten waartusschen het zich
+bevindt. Daar n.l. de Dwergmuis haar paleis alleen noodig heeft voor
+het groot brengen van hare jongen, en deze schielijk in staat zijn om
+zich zelf te redden, is het nest in den regel reeds door hare bewoners
+verlaten, voordat de bladen, die de buitenbekleeding vormen, verwelkt
+zijn, en een andere kleur hebben aangenomen. In 't najaar maakt de
+Muis haar nest in de graanschoven; in 't kreupelhout, aan struiken of
+laag hout hangt het aan den duinkant (waar het ook, vooral in Holland,
+veelvuldig voorkomt). De oude Muizen bouwen kunstiger en doelmatiger
+nesten dan de jonge; deze beginnen reeds in 't eerste levensjaar
+tamelijk flinke nesten te maken, die haar tot rustplaats dienen.
+
+Drie of vier maal per jaar brengt de Dwergmuis jongen ter wereld,
+telkens 5 à 8. Gewoonlijk blijven deze in hun wieg tot zij
+zien kunnen. De oude dekt ze warmpjes toe, of liever, zij sluit
+de opening van het nest telkens als zij uitgaat om voedsel te
+zoeken. Ternauwernood zijn de jongen zoover heen, dat zij eenigermate
+in hun onderhoud kunnen voorzien, of zij gaan hun eigen weg, nadat
+de moeder vooraf nog gedurende een paar dagen met hen buiten verkeerd
+en hun onderricht in haar beroep gegeven heeft.
+
+Wie het geluk heeft tegenwoordig te zijn, wanneer de oude Muis
+haar kroost voor de eerste maal naar buiten geleidt, zal een
+allerbekoorlijkst huiselijk tafereel aanschouwen. Hoe behendig het
+jonge volkje van nature moge zijn, een weinig onderricht is noodig;
+bovendien is het nog te veel aan de moeder gehecht om reeds dadelijk
+lust te hebben op eigen wieken te drijven en zich zelfstandig te
+bewegen in de uitgestrekte, gevaarlijke wereld. Het eene jong hangt
+aan dezen, een ander aan genen halm. Het eene sjirpt om door de moeder
+geholpen te worden, het andere verlangt nog naar de moedermelk. Hier
+wascht er zich een met de voorpootjes, daar heeft een ander een zaadje
+gevonden, dat met de pootjes vastgehouden en ontbolsterd wordt. Het
+vreesachtigste wijfje is nog binnen in het nest bezig, het dapperste
+en vermetelste mannetje is al ver weg en zwemt misschien reeds rond
+in de plas, welks bodem de pijlers van de woning draagt. Het geheele
+gezin is druk in de weer, de moeder niet het minst; het eene jong
+moet geholpen worden, een ander heeft behoefte aan raad, de ijver van
+het stoutmoedigste kind moet ingetoomd, die van het vreesachtigste
+aangewakkerd worden.
+
+Men kan dit aardig schouwspel op zijn gemak waarnemen, als men het
+geheele nest medeneemt naar huis en in een groote kooi van nauwmazig
+metaalgaas opsluit. Met hennep, haver, peren, zoete appels, vleesch en
+gewone Vliegen kan men de Dwergmuizen gemakkelijk in 't leven houden;
+haar lieftallig gedrag vergoedt ruimschoots de moeite, die men aan
+haar wijdt. Aardig is het na te gaan, wat zij doen, als men haar een
+Vlieg voorhoudt; alle ijlen dan met groote sprongen op het Insect
+af; de vlugste pakt het met de voorpootjes aan, brengt het naar den
+mond, en doodt het met evenveel drift en roofzucht als de Leeuw bij
+'t dooden van een Rund aan den dag legt; de prooi wordt daarna weer
+tusschen de voorpootjes genomen en bedachtzaam verslonden. De jongen
+worden zeer schielijk tam, doch wanneer men zich niet zeer dikwijls
+met hen bemoeit, op lateren leeftijd weer schuw. Omstreeks den tijd,
+waarin zij in den natuurstaat schuilplaatsen zouden opzoeken om daar
+te overwinteren, worden zij altijd zeer onrustig en zoeken met geweld
+te ontvluchten, juist zooals de trekvogels, die in een kooi gehouden
+worden, gewoon zijn te doen, als de tijd van vertrek hunner vrije
+soortgenooten aanbreekt. Ook in Maart neemt men bij de Dwergmuizen
+deze begeerte om uit haar kooi te ontsnappen waar. Overigens geraken
+zij schielijk aan de gevangenschap gewoon; zij beginnen vol ijver hare
+kunstvolle nesten te bouwen van de materialen die men haar hiervoor
+geeft, b.v. van papiersnippers en katoen.
+
+
+
+De laatste onderfamilie bevat de _Hamstermuizen_ (_Cricetinae_), meer
+of minder plomp gebouwde, dikwijls groote Muizen met gespleten bovenlip
+en groote wangzakken; even als de Echte Muizen hebben zij in elke
+kaakhelft drie kiezen met op dwarse reeksen geplaatste knobbeltjes.
+
+Onze _Hamster_ behoort tot het bekendste geslacht (_Cricetus_), welks
+belangrijkste kenmerken gelegen zijn in den plompen, dikken romp, die
+op korte ledematen rust, en in een zeer korten, dun behaarden staart
+eindigt. De knaagtanden zijn bijzonder groot. Deze diersoort bewoont
+de korenakkers van vruchtbare gewesten van de gematigde luchtstreek
+in Europa, Azië en Amerika. Hier graven de Hamsters diepe holen met
+verscheidene kamers, waarvan sommige in den herfst met een voorraad
+voedsel voor den winter gevuld worden; in de andere slijten zij een
+groot deel van haar leven, welks lusten en lasten wij zullen leeren
+kennen door het nagaan van den levensloop van onzen inheemschen
+Hamster. Inheemsch mogen wij hem noemen, daar hij, volgens Ritzema
+Bos, in 't zuidelijk gedeelte van Limburg voorkomt, waar het aantal
+dezer dieren sedert 1879 zoodanig vermeerderde, dat zij er als een
+landplaag berucht werden en de Commissaris des Konings op 14 Januari
+1880 een missive aan de gemeentebesturen in Limburg verzond, waarin
+de landbouwers werden aangespoord hunne nieuwe vijanden zooveel
+mogelijk uit te roeien. Niet op elken bodem komt de Hamster voor,
+in ieder geval niet op een bodem, die zeer zandig is, daar zijne
+gangen er te gemakkelijk zouden instorten. Vandaar, dat hij in het
+noordelijke gedeelte van Limburg ontbreekt, waar bovendien tarwe en
+paardeboonen, zijn hoofdvoedsel, niet of weinig gekweekt worden. In
+Zuidelijk Limburg daarentegen, op de zoogenoemde Limburgsche klei,
+is hij in zijn element.
+
+De in lichamelijk opzicht niet misdeelde en ook moedige _Hamster_
+(_Cricetus frumentarius_) is overigens geen aantrekkelijke
+verschijning; hij heeft een zeer onaangenaam, prikkelbaar en ontevreden
+karakter. Met inbegrip van den ongeveer 5 cM. langen staart kan hij een
+lengte van nagenoeg 30 cM. bereiken. De bovendeelen zijn grootendeels
+roodachtig geel met grijsbruin gemengd. Lichter, n.l. roestkleurig
+geel, zijn de zijden van den kop, een streepje onder het oor, een
+vlek op den schouder en een kleinere vlek achter den oksel. Donkerder,
+n.l. bruinachtig rood, zijn het oor, de omgeving van oor en oog en van
+den staartwortel, de buitenzijde van dij en onderbeen. De onderdeelen
+en ook de nog niet genoemde deelen van de pooten, met uitzondering
+van de witte voeten, zijn zwart; wit zijn ook de rand van het oor,
+de lippen, de spits van den snuit en een overlangsche streep op de
+keel. Van deze kleurverdeeling komen echter allerlei afwijkingen voor;
+sommige exemplaren zijn geheel zwart, andere zwart met witte keel
+en grijze kruin; andere van boven dof vaal, van onderen lichtgrijs,
+aan de schouders witachtig; ook treft men er soms albino's bij aan.
+
+Het verbreidingsgebied van den Hamster strekt zich uit van den Rijn
+tot den Ob. In de zuidelijke en zuidwestelijke deelen van Duitschland
+ontbreekt hij, evenals ook in Oost- en West-Pruisen; daarentegen is hij
+veelvuldig in Thüringen en Saksen. In de landen aan de Middellandsche
+Zee, in Engeland, Denemarken en Skandinavië is hij onbekend. Een
+bodem, die matig vast, droog en tevens vruchtbaar is, voldoet hem het
+best. Hij vermijdt alle zandige gewesten; om geen te groote bezwaren
+te ondervinden bij het graven, vestigt hij zich evenmin op een zeer
+vasten on steenachtigen bodem. Hij houdt niet van bergstreken en
+bosschen, evenmin van waterrijke laaglanden. Waar hij voorkomt,
+treft men hem veelvuldig, soms zelfs in ongeloofelijke scharen aan.
+
+Zijn woning bestaat uit een groote woonkamer, die op een diepte van
+1 à 2 M. gelegen is en met de buitenwereld in gemeenschap staat door
+twee gangen: een hellende, waardoor de bewoners het hol verlaten en
+een loodrechte, waardoor zij er inkomen. Door andere gangen is de
+woonkamer verbonden met de voorraadkamer. Het hol van den Hamster
+is gemakkelijk te herkennen aan den gewoonlijk met kaf en doppen
+van peulvruchten bedekten aardhoop, die voor de uitgangsopening
+ligt. De ingangspijp dringt altijd loodrecht in den bodem door,
+soms zoo, dat men er een langen stok in kan steken; zij komt echter
+niet onmiddellijk in de kamer uit, maar door tusschenkomst van een
+soms horizontale, soms hellende verbindingsbuis. De uitgangspijp
+daarentegen loopt zelden recht, maar is in den regel gekromd. Aan de
+gangen is het gemakkelijk te zien, of het hol bewoond wordt of verlaten
+is. Als zij mos, schimmelplanten of gras bevatten, of oneffene wanden
+hebben, kan men er zeker van zijn, dat het hol niet gebruikt wordt,
+want de Hamster is bijzonder netjes op zijn huis en zijn huisdeur. De
+kleinste van de kamers is de woonkamer; deze heeft gladde wanden en is
+altijd aangevuld met zeer fijn stroo, meestal met bladscheeden van de
+graanhalmen, die een zeer zachte ligplaats leveren. Drie gangen komen
+in deze kamer uit en stellen haar in gemeenschap met den ingang, den
+uitgang en de voorraadkamer. Deze is dieper gelegen dan de woonkamer,
+maar gelijkt er volkomen op; zij wordt als de herfst nadert, geheel
+gevuld. Jonge Hamsters leggen slechts één proviandpakhuis aan; de
+oude hebben er echter 3 à 5; men vindt soms meer dan 50 KG. voorraad
+in één enkele woning, meestal graan en zaden van peulvruchten, zelden
+ook wortels, rapen en dergelijke voedingsmiddelen.
+
+Vroeger werd beweerd, dat de Hamster iedere graansoort afzonderlijk
+opstapelt; ten onrechte deed men dit, want hij bergt de zaden op,
+zooals hij ze vindt; de reden waarom zij dikwijls soort bij soort
+leggen, is niet gelegen in de ordelievendheid van den verzamelaar,
+maar in de omstandigheid, dat hij in den eenen tijd niet anders dan
+deze, in een anderen tijd uitsluitend gene zaden vindt.
+
+De woning van het wijfje verschilt in sommige opzichten van die van
+het mannetje; hoewel zij slechts één uitgangsbuis heeft, bedraagt het
+aantal ingangsbuizen 2 à 8, waarvan er echter maar één druk gebruikt
+wordt, zoolang de jongen nog klein zijn.
+
+Ondanks zijn plomp voorkomen ontbreekt het den Hamster niet aan
+vaardigheid. Zijn gang, die tamelijk wel met dien van den Egel
+overeenkomt, en waarbij de buik bijna over den grond sleept, bestaat
+uit kleine stapjes. Als hij toornig is, maakt hij haastiger bewegingen
+en kan hij tamelijk ver en hoog springen. Het graven verstaat hij
+meesterlijk. Als men hem in een vat met aarde plaatst, gaat hij
+oogenblikkelijk aan den arbeid. De grond wordt met de voorpooten,
+of, bij het ontmoeten van meer weerstand, bovendien ook met de tanden
+losgewerkt en voorloopig onder den buik geworpen; de achterpooten halen
+hem van hier op en werpen hem naar achteren. Als hij dieper gekomen is,
+schuift hij achteruitgaand geheele hoopen aarde tegelijk naar buiten,
+nooit vult hij er echter zijne wangzakken mede, zooals ten onrechte
+beweerd wordt. Hoewel hij het water angstvallig vermijdt, beweegt
+hij zich hierin vrij goed. Als men hem in een tobbe met water werpt,
+zwemt hij hierin vlug rond, maar knort intusschen vol woede; uit alles
+blijkt dan, dat hij zich niet op zijn gemak gevoelt. Als hij overvallen
+wordt, gaat hij oogenblikkelijk op de achterpooten staan en laat de
+voorpooten bij zich neer hangen, de eene gewoonlijk een weinig lager
+dan de andere. Zoo houdt hij stijf de oogen gericht op den verstoorder
+van zijn rust, blijkbaar gereed om, zoodra de gelegenheid schoon is,
+toe te schieten en hem zijne scherpe tanden te laten voelen.
+
+Naar het schijnt, zijn de hoofdzintuigen van den Hamster tamelijk
+gelijkmatig ontwikkeld; het blijkt althans niet, dat het eene boven
+het andere bevoorrecht is. De eigenschappen van den geest zijn
+niet bijzonder geschikt om hem tot een lieveling van den mensch te
+maken. Geen ander Knaagdier van even geringe grootte, met uitzondering
+misschien van de Ratten of de Lemmingen, laat zich zoo geheel door
+den toorn overmeesteren. Bij de geringste aanleiding stelt hij zich
+vermetel te weer, laat een dof gebrom hooren, knarst met de tanden en
+slaat ze ongemeen snel en hevig tegen elkander aan. Even groot als
+zijn toorn, is ook zijn moed. Hij verdedigt zich tegen ieder dier,
+dat hem aanvalt en zet den strijd voort, zoolang hij kan. Als hij met
+onervaren Honden te doen heeft, behaalt hij niet zelden de zege; de
+schrandere Rattenvangers alleen weten hem aan te pakken en schudden
+hem dan bijna oogenblikkelijk dood. Alle Honden haten den Hamster
+bijna even hevig als den Egel, omdat zij het niet verdragen kunnen,
+dat zulk een klein dier hun oppermacht niet erkent. Niet alleen tegen
+Honden verweert de Hamster zich, ook den mensch valt hij stoutmoedig
+aan, zelfs hem, die niets met dit dier heeft uit te staan. Niet zelden
+gebeurt het, dat iemand die een Hamsterwoning voorbijgaat, plotseling
+het woedende dier aan zich (aan de kleederen meestal) voelt hangen. Ook
+bij Paarden doet hij dit. Tegen Roofvogels, die hem van den grond
+opnemen, verweert hij zich nog in de lucht. Als hij zich eens ergens
+aan vastgebeten heeft, laat hij niet los tenzij men hem doodslaat.
+
+Dat zulk een doldriftig dier niet verdraagzaam kan zijn, is licht
+te begrijpen. De jongen willen, zoodra hun eerste jeugd voorbij is,
+niet meer bij de moeder blijven; de mannelijke Hamster bijt het
+wijfje dood, als hij haar buiten den paartijd ontmoet. Gevangen
+Hamsters leven zelden in vrede met elkander, met oude dieren is dit
+waarschijnlijk nooit het geval; jongen, die nog geen jaar oud zijn,
+kunnen beter met elkander overweg. Ik heb gedurende geruimen tijd in
+een kist drie van deze dieren gehad, die nooit met elkander twistten,
+maar integendeel zeer verdraagzaam bijeenzaten, meestal zelfs het eene
+boven op het andere. Jonge Hamsters uit verschillende nesten vallen
+echter onmiddellijk op elkander aan en beginnen een strijd op leven
+en dood.--Een grappig schouwspel verschaft men zich, wanneer men den
+Hamster een Egel tot metgezel geeft. In 't eerst kijkt het Knaagdier
+nieuwsgierig naar zijn zonderlingen kameraad, die zich niet veel om
+zijn gezelschap bekommert, maar rustig zijn gang gaat. Maar de rust
+wordt spoedig verstoord. Toevallig komt de Egel in de buurt van zijn
+medegevangene, en wordt door dezen met een toornig gebrom begroet;
+vol schrik rolt het stekelige dier zich tot een bal ineen. Nu gaat
+de Hamster op verkenning uit. De stekelige bal wordt besnuffeld,--een
+bloedende neus is de uitkomst, tot welke hij geraakt. Woedend stoot de
+gewonde den bal weg--o wee, ook de hand is gekwetst! Nu ontbloot hij de
+tanden, piept, blaast, wipt op den bal, springt er ontsteld weer van
+af, tracht hem met den rug weg te duwen, steekt zich in den schouder,
+wordt al woedender en woedender, doet opnieuw vruchtelooze pogingen
+om het monsterachtige wezen uit den weg te ruimen, krijgt nog meer
+steken in de handen en de lippen--ten einde raad gaat hij eindelijk,
+terwijl allengs de verbazing de overhand krijgt over den toorn, voor
+"het stekelvarken" opzitten en kijkt naar het vreemdsoortig dier
+met een merkwaardig comische vrees en met een ingehouden woede, die
+hij niet zelden koelt aan een nabijzijnd voorwerp, aan een volkomen
+onschuldige soort- en lotgenoot, wien hij de beten tracht te geven,
+die hij den Egel had toegedacht. Zoo vaak de Egel zich verweert,
+begint het spel opnieuw, en weerklinkt een uitbundig gelach uit de
+rijen der toeschouwers.
+
+Tegenover andere, kleinere dieren toont de Hamster zich natuurlijk
+nog minder verdraagzaam als ten opzichte van zijne soortgenooten;
+of liever, hij maakt jacht op hen, want levende wezens maken
+een voornaam bestanddeel van zijn voedsel uit. Vogeltjes, Muizen,
+Hagedissen, Hazelwormen, Ringslangen en Insecten eet hij nog liever
+dan plantaardige stoffen.
+
+Ook de Hamster houdt winterslaap. Hij ontwaakt, zoodra de grond
+ontdooid is, dikwijls reeds in Februari, stellig in Maart. Niet
+dadelijk ontsluit hij de verstopte openingen van zijn woning,
+maar blijft stilletjes onder den grond en maakt gebruik van zijn
+winterprovisie. Omstreeks het midden van Maart maken de oude mannetjes,
+in het midden van April de oude wijfjes de deur van het winterverblijf
+open. Dan beginnen zij buitenshuis voedsel te zoeken.
+
+Omstreeks 4 à 5 weken na de paring--voor de eerste maal tegen het
+einde van Mei, voor de tweede maal in Juli--werpt het wijfje in haar
+zacht en warm gevoerd nest 6 à 18 jongen. Als zij 14 dagen oud zijn,
+beginnen de jonge Hamsters reeds in den grond te wroeten, en zoodra
+zij dit kunnen, denkt de onvriendelijke moeder er aan, zich van haar
+kroost te ontdoen; zij zet de kleintjes eenvoudig haar woning uit en
+dwingt ze zelfstandig in hun onderhoud te voorzien. Dit schijnt de
+jonge Hamsters niet veel moeite te kosten; want reeds op den zesden
+of zevenden dag van hun leven, als zij ternauwernood behaard zijn
+en nog in 't geheel niet zien kunnen, weten zij al heel aardig een
+tarwekorrel tusschen hunne voorpootjes vast te houden en met hunne
+scherpe tandjes te beknabbelen. Als er gevaar in aantocht is,
+sluipen de jonge diertjes, hoe hulpbehoevend zij ook schijnen,
+behendig naar allerlei schuilhoeken van het hol; het eene heeft
+zich schielijk op de best mogelijke wijze hier, het andere daar
+weten te verbergen; de meeste echter zijn de moeder gevolgd. Deze,
+die in andere omstandigheden zoo woedend en boosaardig, zoo moedig en
+dapper is, toont zich lafhartig, als het er op aankomt hare kinderen
+te verdedigen; zij neemt schandelijk de vlucht, zoodra zij bespeurt,
+dat haar of haar kroost onheil dreigt, en kruipt met hare spruiten
+weg in een blind eindigende gang; den weg, langs welken zij het nest
+verliet, tracht zij zoo schielijk mogelijk met aarde dicht te stoppen
+en de gang wordt met verbazende snelheid verlengd.
+
+Zoodra de veldvruchten rijp worden, hebben de Hamsters het druk met
+den oogst. Aan de zaaddoozen van 't vlas, aan groote paardeboonen en
+erwten geven zij, naar het schijnt, de voorkeur boven alle andere
+vruchten. Alleen daar, waar den Hamster niets in den weg wordt
+gelegd, haalt hij den oogst over dag binnen; gewoonlijk echter
+zijn de eerste helft van den nacht en de morgen vóór zonsopgang de
+voor den arbeid bestemde tijd. Met de voorpooten buigt hij de lange
+halmen naar beneden, snijdt er met één beet de aar af, pakt haar met
+de voorpooten aan, draait haar een paar malen heen en weer en heeft
+haar nu niet alleen van korrels beroofd, maar deze ook reeds in hare
+wangzakken geborgen. Zoo worden deze wijde, tot aan de schouders
+reikende zakken tot aan den rand gevuld; dikwijls sleept een Hamster
+ongeveer 50 gram graan tegelijk naar zijn woning. Als het dier zoo
+beladen is, ziet het er zeer grappig uit en is het zoo onbeholpen
+mogelijk. Zonder schroom kan men het nu in de handen nemen, want
+de volgepropte wangzakken stellen het buiten staat om te bijten;
+men moet het dier echter niet den tijd laten met de voorpooten de
+zakken leeg te strijken, want dan stelt het zich te weer.
+
+In het begin van October, als het koud wordt en de akkers kaal zijn,
+denkt de Hamster er ernstig aan, zijn winterkwartier in gereedheid
+te brengen. Het leger is zeer klein, en wordt met het fijnste stroo
+dicht bekleed. Nu eet de luie dagdief zich dik en vet, en gaat
+eindelijk ineengerold liggen om den winterslaap te beginnen. De
+ledematen blijken bij aanraking ijskoud te zijn, kunnen moeilijk
+gebogen worden, springen, als men ze met geweld gebogen heeft, gelijk
+bij doode dieren, onmiddellijk weder in hun vroegeren stand terug;
+de oogen zijn gesloten. De ademhaling en het kloppen van het hart
+zijn niet meer te voelen. Gewoonlijk slaat het hart 14 of 15 maal
+in de minuut. Vóór het ontwaken merkt men in de eerste plaats op,
+dat de stijfheid vermindert. Daarna begint het ademhalen merkbaar te
+worden; men bespeurt eenige bewegingen; de slaper gaapt en laat een
+rochelend geluid hooren, rekt zich uit, opent de oogen, waggelt rond,
+alsof hij beschonken is, tracht op zijne pooten te blijven staan,
+valt om, staat nogmaals op, schijnt in gedachten verzonken, en loopt
+eindelijk langzaam rond; als men hem iets eetbaars toewerpt, vreet
+hij het dadelijk op; hij poetst en strijkt zich de haren glad en is
+nu volkomen wakker. In een kamer, waar bij koud weer gestookt wordt,
+kan men de Hamsters voortdurend wakker houden; zij blijven dan echter
+niet gezond en sterven spoedig.
+
+Wel is het gelukkig, dat de Hamster, die zich soms zeer sterk
+vermenigvuldigt, en dan groote schade aanricht, zoovele vijanden
+heeft. Buizerden en Uilen, Raven en vele andere Vogels, vooral echter
+de Bunzing en de Wezel, zitten hem onophoudelijk op de hielen en
+dooden hem, waar en wanneer ze hem ook ontmoeten.
+
+In eenige streken wordt ook door den mensch een verdelgingsoorlog
+tegen den Hamster gevoerd. Het belangrijkste voordeel, dat deze jacht
+oplevert, is de voorraad, die deze kluizenaar verzamelt; het door hem
+voor de toekomst bewaarde graan wordt eenvoudig afgewasschen, daarna
+gedroogd en evenals ander koorn gemalen. Ook het vel van dit dier
+is bruikbaar; naar men bericht, levert het een zeer goede, lichte en
+duurzame pelterij. In vele gewesten wordt het vleesch van den Hamster
+gegeten. Hoe groot het aantal dezer dieren in sommige streken is, in
+weerwil van de ijverigste vervolgingen, kan men afleiden uit het door
+Altum medegedeelde bericht, dat in 1869, op de akkers om Aschersleben,
+39.000 Hamsters gevangen werden.
+
+
+
+De familie van de _Woelmuizen_ (_Arvicolidae_), omvat een groot
+aantal soorten van kleine Knaagdieren, die veel op elkander gelijken
+en in vele opzichten aan de Muizen herinneren, bij welke familie zij
+vroeger gevoegd werden. De uitwendig zichtbare kenmerken, waardoor
+zij zich van deze onderscheiden, zijn vooral: de plompe lichaamsbouw,
+de dikke kop, de ooren, die geheel onder de beharing verborgen zijn
+of slechts weinig er boven uitsteken en de korte staart, welks lengte
+hoogstens het twee derde deel van die van het overige lichaam bedraagt.
+
+Het gebit bevat, behalve de bij alle Knaagdieren voorkomende
+wortellooze (steeds doorgroeiende) snijtanden, drie kiezen in elke
+kaakhelft; deze hebben niet, evenals die der Echte Muizen, "ware"
+wortels, maar zijn "wortelloos". Het in de kaak verborgen deel van
+den tand of kies, wordt n.l. alleen dan een "ware" wortel genoemd,
+als het allengs dunner wordt, en aan het dunne uiteinde slechts
+fijne, moeielijk zichtbare openingen heeft, waardoor de bloedvaten
+voor het in den tand aanwezige tandbeenvormende orgaan (de pulpa)
+binnendringen. Wortellooze tanden hebben aan het bedoelde uiteinde een
+groote opening en heeten daarom ook wel tanden met "open wortels". De
+tandbeenvorming heeft hier wegens de meerdere toevoer van bloed naar
+de pulpa sneller plaats; "wortellooze" tanden (of kiezen) groeien dus
+van onderen aan, naarmate zij van boven afslijten. Bovendien bestaat
+de kauwvlakte van de kiezen der Woelmuizen niet, evenals die der Echte
+Muizen, uit met email bedekte knobbeltjes, maar vertoont dwars gerichte
+lijsten van email, gevormd door de naar binnen dringende plooien van
+de emaillaag, die de geheele kies omgeeft. Deze lijsten blijven steeds
+boven de kauwvlakte uitsteken, wijl de daarnevens gelegen bestanddeelen
+van de kies (tandbeen en cement) zachter zijn en sterker afslijten.
+
+De Woelmuizen bewonen het noorden van de Oude en Nieuwe Wereld. Zij
+leven zoowel in de vlakte als in het gebergte, op bouwland en ook
+op nagenoeg woeste gronden, op akkers en weiden, in tuinen, aan de
+oevers der rivieren, beken, meren en plassen. Holen en gaten, die door
+haar zelf gegraven zijn, dienen haar tot verblijfplaats. Bijna alle
+vermijden de nabuurschap van den mensch; slechts weinige komen soms
+in zijne stallen en schuren of in zijne tuinen. Hare holen bestaan
+uit meer of minder lange, al of niet vertakte gangen, welke zich
+van die der andere dieren dikwijls door hun ligging dicht bij de
+oppervlakte onderscheiden; vele echter graven kamers, die op hutten
+gelijken, andere maken woningen, die in meerdere of mindere mate van
+kunstvaardigheid getuigen. De meeste wonen alleen of paarsgewijs;
+nu en dan vereenigen zij zich echter tot groote scharen. Hun voedsel
+ontleenen zij vooral aan 't plantenrijk, door vele echter worden ook
+dierlijke stoffen niet versmaad. Vele verzamelen wintervoorraad, hoewel
+zij geen winterslaap houden. Voor 't overige gelijken zij in bijna
+alle opzichten op Echte Muizen. Haar levenswijze is bijna als die van
+deze dieren, die zich echter door meerdere vlugheid en behendigheid
+onderscheiden. Ook de Woelmuizen bewegen zich tamelijk snel;
+slechts weinige soorten kunnen klimmen; bijna alle zijn meesterlijk
+ervaren in het zwemmen, eenige leven zelfs geheel in 't water;
+andere houden maanden lang verblijf in de sneeuw, waarin zij langen
+gangen graven en kunstvolle nesten bouwen. Enkele soorten ondernemen,
+waarschijnlijk door gebrek aan voedsel gedreven, groote zwerftochten;
+hieraan is het toe te schrijven, dat tegenwoordig verscheidene soorten
+in Europa inheemsch geworden zijn, die vroeger uitsluitend in Azië
+leefden. Onder hare zinnen staan de reuk en het gezicht bovenaan. Hare
+geestvermogens zijn gering. Alle vermenigvuldigen zich sterk, sommige
+soorten zelfs ongeloofelijk snel. Bijna alle soorten zijn voor den
+mensch schadelijk zonder hem eenigen dienst van beteekenis te bewijzen;
+zij worden daarom terecht gehaat en op allerlei wijzen vervolgd.
+
+
+
+De _Muscus-rat_, _Bever-rat_ of _Ondatra_ (_Fiber zibethicus_),
+de eenige voor den mensch nuttige soort van de geheele familie,
+kan omschreven worden als een groote Waterrat met langen staart,
+breede achtervoeten (welker teenen door korte zwemvliezen met elkander
+verbonden zijn), stompen snuit en kort behaarde ooren (die gesloten
+kunnen worden). De staart is alleen in de nabijheid van den stam
+rolrond, voor het overige zijdelings samengedrukt, in de nabijheid
+van de spits tweesnijdig en met kleine schubben bezet. De beharing
+is dicht, glad aanliggend, zacht en glanzig, het wolhaar buitengewoon
+zacht, fijn en kort, het bovenhaar zeer glanzig en dubbel zoolang als
+het wolhaar. De bovendeelen, zijn bruin, soms geel, de onderdeelen
+zijn grijs, op sommige plaatsen met een roodachtig waas; de staart
+is zwart. Volwassen mannetjes worden omstreeks 58 cM. lang, waarvan
+ongeveer de helft op den staart komt.
+
+De Ondatra bewoont de landen van Noord-Amerika, die tusschen 30 en
+60° N.B. gelegen zijn. Het veelvuldigst komt dit dier voor in het
+waterrijke Canada en in Alaska. De met gras begroeide oevers van
+groote meren of van breede, langzaam stroomende rivieren, van stille
+beken en moerassen, zijn de verblijfplaatsen van deze om zijn vacht
+zeer gezochte Rat; het liefst echter vestigt zij zich aan de kanten
+van niet al te groote, met riet en waterplanten bedekte vijvers. Hier
+bewoont zij een bepaalde plaats en vormt met andere dieren van haar
+soort tamelijk innig verbonden familiën of volken. Haar levenswijze
+komt in vele opzichten met die van den Bever overeen: de Indianen
+noemen daarom deze beide dieren broeders, en beweren, dat de Bever
+de oudste en schranderste, de Muscusrat de domste van de twee is. De
+woningen zijn, evenals die van den Bever, eenvoudig onderaardsche
+kamers met verscheidene uitgangsbuizen, die alle onder den waterspiegel
+uitkomen, of hutten boven den grond. De laatstgenoemde, die vooral
+in noordelijke streken aangelegd worden, zijn half-kogelvormig of
+gelijken op koepels; zij rusten op een modderbank en verheffen zich
+dus boven den waterspiegel. De wanden dezer hutten worden van zeggen,
+riet en biezen vervaardigd, welke plantendeelen door slib met elkander
+verbonden zijn; eenige onderzoekers beweren echter, dat de geheele hut
+aanvankelijk uit slib bestaat, en zich langzamerhand eerst bedekt met
+een laag van gras en biezen, doordat deze er tegen aan drijven. De hut
+bevat slechts één kamer, die een middellijn van 40 à 65 cM. heeft. Een
+gang, die op den bodem van het water uitkomt, verleent toegang tot deze
+kamer. Van haar gaan andere blind eindigende buizen uit, die een eind
+weegs onder den grond doorloopen en naar gelang van de omstandigheden
+meer of minder verlengd worden, want zij dienen eigenlijk alleen om de
+wortels van de waterplanten, die hij als voedsel gebruikt, te kunnen
+bereiken. Vóór den winter bekleedt de Ondatra hare kamers met een zacht
+kussen van droge bladeren en zorgt voor luchtverversching in haar hut
+door het middelste deel van het dak uit los opeengestapelde planten
+samen te stellen, waartusschen genoeg ruimten overblijven om versche
+lucht toe te laten en de bedorven lucht te laten ontsnappen. Zoolang
+het moeras of de vijver niet tot op den bodem dicht vriest, leeft zij
+zeer genoegelijk in haar warme woning, die door het dikke sneeuwkleed,
+dat haar bedekt, nog meer tegen de koude beschut wordt.
+
+Het voedsel van deze dieren bestaat bijna uitsluitend uit waterplanten;
+in vele woningen werden echter ook leeggegeten schelpen van Weekdieren
+gevonden. Aan gevangen exemplaren merkte Audubon op, dat zij veel
+van Mossels houden. De Bever-ratten zijn zeer opgewekt en speelsch,
+als zij zich in haar eigenlijk element, in het water, bevinden. Wie
+zich in een stillen nacht in de nabijheid van een molenvijver of
+ander, diep, afgelegen water bevindt, ziet er vaak verscheidene van
+deze dieren bijeen, en kan nagaan, hoe zij zich vermaken; sommige
+zwemmen in verschillende richtingen heen en weer, waarbij zij lange
+glinsterende strepen op den waterspiegel doen ontstaan; andere rusten
+eenige oogenblikken op bosjes gras of op steenen en kluiten, van waar
+zij het voedsel dat op het water drijft, kunnen bereiken; nog andere
+zitten aan den oever en springen de eene na de andere als Kikvorschen
+in den plas. Een groote ontsteltenis maakt zich van de op deze wijze
+spelende Ondatra's meester, zoodra men een geweer afschiet. Overhaast
+nemen zij de vlucht; met een onvergelijkelijke snelheid duiken zij
+bij dozijnen te gelijk in de diepte, zoodra zij den knal hooren,
+of verdwijnen in hare holen.
+
+Van de voortplanting der Muscus-ratten is tot dusver niet veel
+bekend. Het wijfje werpt in haar hut of in een onderaardsch hol 3 à
+6 jongen.
+
+Over 't algemeen onderscheiden deze Woelmuizen zich door
+een buitengewoon zachten aard. Die, welke jong gevangen zijn,
+worden spoedig tam. De oude dieren blijven echter bijtlustig en
+ongenaakbaar. Men moet ze bewaren in een kist, die van binnen met
+blik bekleed is, daar zij andere hokken spoedig vernielen.
+
+De Ondatras worden ijverig vervolgd, niet zoo zeer wegens de schade,
+die zij aanrichten, als wegens het voordeel, dat zij na haar dood
+opleveren. Van het vel worden pelzen, kragen en moffen gemaakt, die
+vooral in Amerika en China aftrek vinden; sommige menschen houden
+er niet van, wegens den muscusreuk, die er nog lang aan blijft. Het
+vleesch wordt alleen door de Indianen gegeten; voor Europeanen is
+het onbruikbaar, daar het zoo sterk naar muscus of civet ruikt.
+
+De Bever-rat wordt in vallen gelokt, die met appels als lokaas worden
+voorzien; ook vangt men ze wel in klemmen, die voor hare woningen
+worden geplaatst, of doodt ze in hare hutten. De Indianen kunnen de
+bewoonde hutten zeer goed onderscheiden van die, welke verlaten zijn;
+zij sluipen er zonder gedruisch te maken heen en stooten een scherpe
+speer met groote kracht door den wand der hut, waardoor zij in den
+regel den bewoner dooden.
+
+
+
+Op de Muscus-ratten laten wij de _Eigenlijke Woelmuizen_ (_Arvicola_)
+volgen; deze hebben de teenen van de achtervoeten niet door zwemvliezen
+verbonden en een onbehaarde zool.
+
+Dit geslacht wordt in vier ondergeslachten verdeeld: de
+_Woelratten_ (_Paludicola_), de _Boschwoelmuizen_ (_Hypudaeus_),
+de _Akkerwoelmuizen_ (_Agricola_) en de _Veldmuizen_ (_Arvicola_).
+
+Geen van de leden van het geheele geslacht dringt zich meer aan onze
+aandacht op en maakt zich meer gehaat dan de _Waterrat_ of _Veldrat_
+[_Arvicola_ (_Paludicola_), _amphibius_], een der schadelijkste
+Knaagdieren, die er bestaan (niet te verwarren met de Bruine rat,
+die soms ook "Waterrat" wordt genoemd). Zij leeft niet, zooals men
+misschien uit den naam zou afleiden, uitsluitend in het water of
+aan den waterkant of in moerassige oorden. Er zijn er wel is waar,
+die aan het water en aan drassige gronden de voorkeur geven; deze
+hebben zelfs, voor zoover men heeft kunnen nagaan, het uitgestrektste
+verbreidingsgebied; het strekt zich uit van den Atlantischen Oceaan
+tot aan de Zee van Ochotsk, van de Noordkaap en de Witte Zee tot aan
+het zuiden van Italië, Dalmatië en de landstreken om den Kaukasus. Deze
+"eigenlijke Waterratten" zwemmen en duiken uitmuntend, sommige zoeken
+in 't water haar voedsel, andere komen ook in droge akkers en tuinen
+en niet zelden uren ver van 't water verwijderd voor. De in droge
+streken levende exemplaren zijn in den regel zeer licht van kleur;
+"zuiver zwarte of zwartbruine", zegt Blasius, "heb ik alleen in
+de nabijheid van 't water of op natte plaatsen gevonden."--Andere
+Waterratten echter houden zich bij voorkeur in droge gronden op en
+bekommeren zich, naar het schijnt, in 't geheel niet meer om het
+water. Met dit verschil in levenswijze gaan in den regel eenige
+afwijkingen van tint en lichaamsbouw gepaard; de laatstbedoelde
+zijn niet alleen meestal lichter van kleur, maar hebben o.a. ook een
+naar verhouding korteren staart. Onder deze op droge gronden levende
+Waterratten onderscheidt men twee vormen: de eene, de "Italiaansche
+Woelrat" werd tot dusver alleen in Provence, Italië, en misschien
+ook in den Kaukasus aangetroffen; de andere, die in de Pyreneeën,
+de Alpen, den Elzas, Thüringen, de Harts en Westelijk Duitschland
+gevonden werd, komt ook in eenige gemeenten van de graafschap Zutphen
+voor en is hier onder de namen "Aardwolf" en "Vreetwolf" bekend.
+
+Toch is het bij nader onderzoek gebleken, dat er geen voldoende
+redenen bestaan, om, in navolging van sommige dierkundigen, drie
+"soorten" van Waterratten te onderscheiden; daar nevens de vormen,
+die tot de bedoelde onderscheiding aanleiding zouden kunnen geven,
+tal van tusschenvormen bestaan, die òf meer tot den eenen, òf meer
+tot den anderen vorm overhellen.
+
+De Waterrat is 21 à 24 cM. lang, waarvan voor den staart 6.5 à 8.5
+cM. gerekend moeten worden. De vacht is nagenoeg eenkleurig, daar
+de grijsbruine of bruinzwarte kleur van de bovendeelen onmerkbaar
+overgaat in de iets lichtere kleur van de onderdeelen; deze kan zijn
+witachtig, of alle tinten vertoonen, die tusschen grijs en zwart of
+grijsachtig zwart gelegen zijn. Dat de kleur velerlei afwijkingen
+aanbiedt, werd reeds opgemerkt, en ook, dat dit aanleiding heeft
+gegeven tot het onderscheiden van drie typen: de Eigenlijke Waterrat,
+de Italiaansche Woelrat en de Molmuis of Aardwolf.
+
+Van de Echte Ratten kan men de Waterrat onmiddellijk onderscheiden,
+door te letten op haar dikken, ronden, korten kop met de in 't oog
+loopend korte, niet buiten de vacht te voorschijn komende ooren,
+welker lengte ter nauwernood een vierde deel van de lengte van den kop
+bedraagt; bovendien heeft zij een veel korteren staart. Deze soort
+bewoont de vlakte zoowel als de bergstreken, en komt in de Alpen op
+bouw- en weiland nog op een hoogte van 1200 M. geregeld voor; binnen
+de reeds genoemde grenzen is zij eigenlijk nergens zeldzaam.
+
+De levenswijze van de Waterrat herinnert aan die van den Mol,
+evenwel ook aan die van de Muscusrat en andere in het water levende
+Knaagdieren. De Eigenlijke Waterrat graaft haar woning bij voorkeur
+aan den oever van stilstaand water; gangen die aan den waterspiegel
+beginnen en scheef naar boven gericht zijn, monden uit in een ruime
+kamer, die niet zelden zeer zacht bekleed is. De holen in droge streken
+zijn samengestelder; het zijn gangen, die soms vele honderden schreden
+lang zijn en, evenals die van den Mol, grootendeels op zeer korten
+afstand van de aardoppervlakte gelegen zijn. De Mol blijft echter
+voortdurend onder den grond, onze Woelmuis verlaat haar gang nu en
+dan om zich een eindweegs over de oppervlakte te bewegen en dan op
+eenigen afstand van haar uitgangspunt haar onderaardsche werkzaamheid
+te hervatten. Terwijl zij aan 't graven is, werpt zij de planten om,
+die boven hare gangen staan, verslindt de wortels en richt op deze
+wijze veel meer schade aan, dan ooit uit het woelen van den Mol zou
+kunnen voortvloeien. De gangen van de Waterrat zijn zelden dieper
+gelegen dan de aardlaag, die de wortels van de door haar gezochte
+planten omgeeft; dikwijls zijn zij zoo ondiep, dat de grond er boven
+wordt opgelicht en de gang slechts door een gewelf van 2 à 3 cM. dikte
+van de buitenlucht gescheiden is; zulke gangen storten zeer dikwijls
+in en zijn dan onbruikbaar; steeds worden zij echter ten spoedigste
+weer hersteld; al moet zij verscheidene malen per dag denzelfden
+arbeid verrichten, de Waterrat is onvermoeid. Onbedekte loopgraven,
+zooals die van den Mol, graaft zij dus niet; ook verschillen de
+door haar opgeworpen aardhoopen van de molshoopen, doordat zij uit
+grootere kluiten bestaan, veel ongelijkmatiger zijn en te zamen geen
+rechte lijn vormen. In een dergelijke aardhoop, die grooter is dan
+de overige, bevindt zich de kamer, waarin de Waterrat hare jongen
+ter wereld brengt, nadat zij er vooraf een warm nest in gebouwd
+heeft. Ieder hol dient tot woonplaats aan een paar van deze dieren;
+het eene paar houdt zich gaarne in de nabijheid van het andere op.
+
+De Waterrat loopt niet bijzonder snel; zij verstaat echter
+uitmuntend de kunst van graven en is een meester in het zwemmen,
+hoewel de Waterspitsmuis haar in dezen overtreft. Op stille plaatsen
+ziet men haar zoowel over dag als 's nachts aan 't werk; zij is
+echter voorzichtig en vlucht in haar hol, zoodra zij bemerkt, dat
+men naar haar kijkt. Alleen als zij tusschen het riet bezig is,
+kan men haar gemakkelijk waarnemen. Toch hebben de Waterratten,
+die zich in het Johanna-park te Leipzig ophouden, zich zoozeer aan
+het hier dikwijls zeer drukke verkeer van menschen gewend, dat men
+haar werkzaamheid op ieder uur van den dag, zoolang als men wil,
+kan nagaan, indien men voedsel voor haar medeneemt. Onder een brug,
+die voor de wandelaars over den smalsten arm van den parkvijver is
+aangelegd, hebben de Waterratten zich genesteld; zij zwemmen ijverig
+rond en komen zonder schroom nader, als de over den brug gaande of
+daar verzamelde, jubelende kinderen allerlei stukjes voedsel naar
+beneden werpen. Deze gaven, die waarschijnlijk oorspronkelijk voor
+de Visschen en de Zwanen bestemd waren, hebben ook de Waterratten
+aangelokt en worden voor 't meerendeel ingezameld door deze vlugge
+zwemmers, wat dan ook tegenwoordig in den regel de bedoeling van de
+gevers is.
+
+Van de zintuigen van de Waterrat zijn, naar het schijnt, vooral die
+van het gezicht en van het gehoor voortreffelijk ontwikkeld. Haar
+karakter verschilt in haar voordeel van dat van de Ratten. Zij is
+nieuwsgierig, voor 't overige echter bekrompen van geest en tamelijk
+goedaardig. Haar voedsel ontleent zij grootendeels aan het plantenrijk;
+hierdoor wordt zij dikwijls zeer schadelijk, vooral als zij de tuinen
+als arbeidsveld heeft gekozen.
+
+De in 't water levende Waterrat doet weinig schade door het voedsel
+dat zij gebruikt en als winterproviand medevoert, maar wordt zeer
+gevaarlijk voor onze veiligheid, als zij zich in de nabijheid van
+rivierdijken sterk vermenigvuldigt. In alle richtingen _doorwoelen_ zij
+_de genoemde waterkeeringen_, zoodat deze bij hoogen waterstand voor
+de drukking van 't water bezwijken; middellijk zijn zij dus oorzaak
+van overstroomingen. Het voedsel, dat zij gedurende haar verblijf
+in 't water gebruiken, bestaat hoofdzakelijk uit rietstengels. Ook
+versmaden zij geen dierlijk voedsel. In 't water vangen zij volwassen
+Insecten en hunne larven, kleine Kikvorschen, Visschen, Schaaldieren,
+op het land vervolgen zij Veldmuizen en andere Muizen, verslinden de
+eieren van de in 't gras broedende Vogels, vreten groote gaten in de
+vellen, die de looiers in 't water leggen te weeken, enz. In den herfst
+vergrooten zij haar woning door een voorraadkamer aan te leggen, die
+door gangen met het oude nest verbonden is. Deze kamer wordt gevuld
+met erwten, boonen, uien en aardappels, die uit de naburige akkers
+en tuinen afkomstig zijn; op dezen voorraad teren zij gedurende het
+laatste gedeelte van den herfst en in het voorjaar, kortom zoolang
+het weder nog zacht is. Eerst bij felle vorst vallen zij in slaap,
+zonder evenwel in een toestand van verstijving over te gaan.
+
+De Waterratten vermenigvuldigen zich snel. Drie of viermaal per jaar
+vindt men in het onderaardsche, warme, zacht bekleede nest 2 à 7
+jongen; die van één worp zijn dikwijls van verschillende kleur. "De
+diepte van het hol, waarin het nest wordt aangelegd," zegt Landois,
+"wisselt af van 30 tot 60 cM. Het staat steeds in gemeenschap met
+verscheidene gangen. Het nest zelf vult de holte volkomen aan; het
+is bolvormig, heeft een middellijn van 15 à 20 cM. en bestaat uit
+een zeer groot aantal uiterst fijne, droge wortelvezeltjes. Dikke
+wortelvezels en wortels worden bij den bouw niet gebruikt; op deze
+wijze wordt een nest verkregen, dat wat zachtheid en warmte betreft,
+vele vogelnesten overtreft." Soms wordt het nest gebouwd te midden
+van dichte struiken onmiddellijk boven den grond, dikwijls ook in
+het riet. Zulk een nest wordt door Blasius beschreven. "Het stond
+1 M. boven den waterspiegel, op een afstand van ongeveer dertig
+schreden van den drogen oever; het was als dat van een Rietzanger
+tusschen drie riethalmen ingevlochten, bolvormig, uit fijne, zachte
+grasbladen gebouwd; de opening was dichtgestopt; buitenwerks had het
+een middellijn van ongeveer 10, binnenwerks van weinig meer dan 5 cM.;
+het bevatte twee koolzwarte, nagenoeg half volwassen jongen. Eén van
+de oude dieren, dat zich bij mijn komst van het nest verwijderde
+en in het water sprong, was eveneens zwart; het zwom en dook zeer
+behendig. De ouden konden alleen zwemmend bij het nest komen, daar de
+vijver van den oever tot aan het nest 1 M. diep was; zij moesten daarna
+bij een riethalm omhoog klauteren. De gewone wijze van nestbouw van
+de Waterratten is geheel anders; er bestond hier een zeer gunstige
+gelegenheid voor het bouwen van een onderaardsch nest in een der
+naburige akkers of tuinen; ook had het dier een nest kunnen bouwen
+op den grond in de dichte struiken van den ringdijk om den vijver;
+ik kon dus geen verklaring vinden voor deze afwijking van den regel."
+
+De Waterrat is niet goed geschikt om in een hokje gehouden te
+worden. Zij vereischt een zorgvuldige verpleging, daar zij zich
+niet licht in veranderde omstandigheden schikt, en nooit behoorlijk
+tam wordt.
+
+
+
+Op groote hoogten in de Alpen, daar waar geen andere dieren leven,
+woont een tweede soort van het geslacht Woelmuis, die merkwaardig
+is, doordat zij in ieder jaargetijde het klimaat trotseert, en
+zelfs in den winter er niet aan denkt, om, op gelijke wijze als de
+andere Knaagdieren, in den grond een schuilplaats te zoeken. Nog
+steeds ontbreken ons uitvoerige berichten over deze soort, hoewel de
+ijverigste onderzoekers zich bezig hebben gehouden met het nagaan van
+haar levenswijze; de ongastvrijheid van de gewesten, waarin dit dier
+zich ophoudt, maken het onderzoek te bezwaarlijk.
+
+De _sneeuwmuis_ [_Arvicola (Paludicola) nivalis_] is een tamelijk
+kleine Woelrat, die (zonder den 6.8 cM. langen staart) 12.5
+cM. lang wordt. Haar vacht is tweekleurig: licht bruinachtig grijs
+van boven, op het midden van den rug donkerder dan aan de zijden,
+grijsachtig wit van onderen; de beide kleuren zijn scherp van elkander
+gescheiden. Van deze soort komen eenige standvastige verscheidenheden
+voor, d.i. afwijkingen, die geregeld overerven. Deze verschillen
+echter, voor zoover men weet, niet in levenswijze. "Van alle Muizen,"
+zegt Blasius, "heeft de Sneeuwmuis het kleinste, maar tevens het
+eigenaardigste verbreidingsgebied. Het omvat de Alpen in hun geheele
+uitgestrektheid. Bovendien werd zij aan de Selys van uit de Pyreneeën
+toegezonden. Er is mij geen geval bekend, dat zij in de Alpen op een
+geringere hoogte dan 1000 M. boven den zeespiegel geregeld gevonden
+wordt; ook op een hoogte van 1300 M. komt zij op de meeste plaatsen
+niet veelvuldig voor. Van hier te beginnen treft men haar aan op alle
+hoogten tot aan de laatste grenspunten van het plantenleven. In de
+nabijheid van de sneeuwgrens wordt zij het veelvuldigst waargenomen;
+zij gaat echter nog hooger op en bewoont zelfs de kleinste oasen in
+de sneeuw- en ijswoestijn: de met armoedige alpenkruiden spaarzaam
+begroeide, aan alle zijden door de sneeuwvelden ingesloten, kale
+plekken aan de zuidzijde van de hooge toppen der Alpen, waar de warme
+zonnestralen dikwijls slechts gedurende 2 of 3 maanden het telkens weer
+vernieuwde sneeuwkleed uit den weg kunnen ruimen, en den bodem over
+een afstand van weinige schreden blootleggen. In deze ontzagwekkende
+eenzaamheid brengt zij, behalve den schoonen, korten Alpenzomer,
+ook den 9 of 10 maanden durenden, strengen winter door, waarin het
+nimmer wijkende sneeuw- en ijskleed, dat de Alpentoppen bedekt, zich
+ook uitstrekt over de bergstreken, die in andere jaargetijden met
+planten getooid zijn; zij verlaat haar woonplaats niet, maar graaft
+in den winter gangen onder de sneeuwlaag, om plantenwortels te zoeken,
+zoodra de door haar verzamelde wintervoorraad niet voldoende blijkt te
+zijn. Geen ander Zoogdier begeleidt de Sneeuwmuis het geheele jaar door
+op deze verstijfde hoogten der Alpen, die boven de grenzen der levende
+natuur vrij in 't luchtruim zich verheffen; slechts nu en dan volgt
+een onverbiddelijke vijand, een Wezel of een Hermelijn, haar spoor."
+
+De natuuronderzoekers kennen de Sneeuwmuis eerst sinds ruim een halve
+eeuw; Nagar ontdekte haar in 1841 in Andermatt op den St. Gotthard,
+Martins vond haar op den Faulhorn, _Hugi_ op den hoogsten kam van den
+Strahleck, op een hoogte van ruim 3000 M., en op den Finsteraarhorn
+op 3600 M. hoogte boven den zeespiegel midden in den winter in een
+Alpenhut in de nabijheid van den Grindelwald-gletscher. _Blasius_
+ontmoette de Sneeuwmuis op de bergen van Chambéry, op den Montblanc,
+op een 3600 M. hoog gelegen punt van den Bernina, op den hoogsten
+top van den Piz Linguard, die luttele schreden breed is en over een
+oppervlakte van slechts weinige vierkante voeten van sneeuw ontbloot
+was, op ongeveer 3300 M. hoogte in het hooge dal van den Oetz en op
+vele andere plaatsen van den Alpenketen.
+
+Het leven dat de Sneeuwmuis in haar ongastvrij, onbeschrijfelijk
+armoedig vaderland leidt, is tot dusver nog raadselachtig. Men weet,
+dat zij planten, hoofdzakelijk wortels en Alpenkruiden, gras en hooi
+tot voedsel gebruikt en ook een wintervoorraad van deze stoffen
+inzamelt; hoe zij op vele van de door haar bewoonde plaatsen nog
+voedsel genoeg kan vinden, is echter moeilijk te begrijpen.
+
+
+
+De _Rosse Veldmuis_ [_Arvicola (Hypudaeus) glareolus_], die (zonder
+den 4.5 cM. langen staart) een lengte van 10 cM. kan bereiken,
+is tweekleurig: van boven bruinrood, in de buurt van de flanken
+grijsachig; de witte kleur van de onderdeelen en van de voeten is
+scherp gescheiden van die der bovendeelen.
+
+Zij komt gewoonlijk voor in bosschen met breedgebladerde boomen en
+aan boschranden, zoo ook in het struikgewas en in tuinen met vele
+boomen. Zij is inheemsch en bewoont de meeste andere landen van
+Middel-Europa, o.a. Duitschland, Hongarije, Kroatië, Moldavië en
+Rusland. In de meeste streken van ons land is zij aanwezig, en vooral
+in de duinen niet zeldzaam; nergens komt zij echter in zeer grooten
+getale voor. Zij ontleent haar voedsel meer aan de dierenwereld dan aan
+het plantenrijk; zij eet vooral Insecten en Wormen, en maakt nu en dan
+waarschijnlijk ook wel het een of ander vogeltje buit. In gevangenschap
+bekomt de vleeschvoeding haar goed; zij versmaadt echter geenszins
+koorn of andere zaden en evenmin knolvormige wortels; in den winter
+voedt zij zich bij voorkeur met de schors van jonge boomen. Wanneer
+zij in een bosch veelvuldig voorkomt, kan zij door het afvreten van
+de schors van sinds kort geplante boompjes een ontzaglijke schade
+aanrichten en het jonge plantsoen over een groote uitgestrektheid
+geheel vernielen. Zij begeeft zich zelden op grooten afstand van
+'t bosch, maar bezoekt toch dikwijls de naburige akkers en richt dan
+hier even veel schade aan als de andere leden van hare familie.
+
+Zij kan gemakkelijk in 't leven gehouden worden en wordt spoedig
+zeer tam. Met andere dieren van haar soort en met leden van verwante
+soorten leeft zij in vrede.
+
+
+
+De _Aardmuis_ [_Arvicola (Argricola) agrestis_] is (zonder den 3.7
+cM. langen staart) 11 cM. lang, en heeft een tweekleurige vacht:
+van boven donker zwartachtig bruingrijs, bij de flanken iets
+lichter, van onderen en aan de voeten grijswit. Zij bewoont Noord-
+en Middel-Europa. In Nederland is zij enkele malen waargenomen,
+voorts in Skandinavië, Denemarken, Groot-Britannië, België, Frankrijk,
+Noord-Duitschland, Noord-Rusland; zij leeft gewoonlijk in bosschen,
+boschranden, kreupelhout, in dijken en nabij slooten; liefst in
+de nabijheid van het water, steeds in waterrijke streken. Dikwijls
+treft men haar in gezelschap van de vorige soort en van de veldmuis
+aan. Haar voedsel ontleent zij bij voorkeur aan het plantenrijk. In
+hare bewegingen is zij zoo onbeholpen, dat men haar zonder groote
+moeite met de hand vangen kan. Bovendien is zij in 't geheel niet
+schuw; zij verschijnt meestal op klaarlichten dag voor den ingang van
+hare in den grond gegraven holen. Het ronde nest bevindt zich op korten
+afstand beneden de aardoppervlakte, maar wordt van boven door dichte
+bundels gras beschut. Drie of vier maal per jaar vindt men in zulke
+nesten 4 à 7 jongen, die spoedig volwassen zijn en al dadelijk op de
+ouden gelijken. Men kan ze gemakkelijk gevangen in 't leven houden.
+
+Van de leden van het laatste ondergeslacht (_Arvicola_ in engeren zin)
+zijn sommige zoo kortoorig, dat het oor geheel onder de vacht verborgen
+blijft, andere met iets langere, even boven de vacht uitstekende
+oorschelpen bedeeld. Het is, volgens Van Bemmelen, mogelijk, dat
+ook in ons land de _Kortoorige Veldmuis_ (_Arvicola Subterraneus_)
+voorkomt. Deze, die door hare kleur (bovendeelen geelachtig grijs,
+onderdeelen witachtig, beide kleuren scherp gescheiden) en grootte
+niet veel van de volgende soort verschilt, is door geheel België
+verspreid en leeft in onderaardsche gangen, in vochtige weilanden,
+in moestuinen, nabij het water, soms ook in akkers.
+
+Van veel meer belang is voor ons de _Gewone Veldmuis_ (_Arvicola
+arvalis_), die zonder den 3 cM. langen staart, 11 cM. lang wordt. Haar
+vacht is onduidelijk tweekleurig, aan de bovendeelen geelachtig grijs,
+aan de zijden lichter, aan de onderdeelen vuil- (geelachtig) wit;
+de pooten zijn zuiverder wit.
+
+Het verbreidingsgebied van dit schadelijke Knaagdier omvat geheel
+Middel- en een deel van Noord-Europa benevens het westelijke deel
+van Middel- en Noord-Azië; in Europa strekt het zich uit tot in de
+noordelijke provinciën van Rusland, in Azië zuidwaarts tot Perzië,
+westwaarts tot aan gene zijde van den Ob. In Ierland, op IJsland,
+Corsica, Sardinië en Sicilië ontbreekt deze Muis geheel. Zij bewoont
+zoowel de vlakten als de bergstreken, hoewel zij in het vlakke land
+veelvuldiger voorkomt. In de Alpen vind men haar nog op hoogten van
+2000 M. boven den zeespiegel. Boomlooze gewesten, akkers en weiden
+zijn hare liefste woonplaatsen, zeldzamer bewoont zij boschranden en
+kale plekken in het bosch. Niet alleen het droge bouwland, maar ook
+de vochtige, moerassige laaglanden verschaffen haar het noodige voor
+haar levensonderhoud. Hier legt zij in de droge bulten hare gangen
+en nesten aan, daar graaft zij op geringe diepte gangen met 4 à 6
+ingangsopeningen, die boven den grond door platgetrapte, eenigszins
+uitgeloopen paden met elkander in gemeenschap staan. In den herfst
+neemt zij haar toevlucht tot graanhoopen of komt in de menschelijke
+woningen, in schuren, stallen en kelders. In de huizen houdt zij
+zich bij voorkeur in de kelders en niet, zooals de Echte Muizen op de
+zolders op. In den winter graaft zij lange gangen onder de sneeuw. Waar
+zij kan zamelt zij voorraad in, vooral graan en andere zaden. Als het
+voedsel schaarsch wordt, verhuizen de Veldmuizen gezamenlijk, in den
+regel eenvoudig naar een naburigen akker, soms echter ook in groote
+scharen uit de eene streek naar een andere, waarbij zij bergketenen
+overtrekken en breede stroomen overzwemmen. De Veldmuis kan goed
+loopen en uitmuntend zwemmen; zij klimt echter niet veel en doet dit
+op een onbeholpen wijze. Het graven verstaat zij meesterlijk. Zij
+doorwoelt den grond sneller dan eenige andere Muis en is onvermoeid
+in het aanleggen van gangen. Volgens haar levenswijze kan men haar
+even goed een dagdier als een nachtdier noemen. Men ziet haar ook
+bij de felste zonnehitte buiten haar woning; aan den morgen en den
+avond geeft zij echter de voorkeur boven den heeten middag. Warmte
+en droogte zijn noodig voor haar bestaan; bij langdurige vochtige
+weersgesteldheid sterft zij.
+
+Haar voedsel bestaat uit alle mogelijke plantaardige stoffen. Als
+zij zaden kan krijgen, kiest zij alleen deze; zoo niet, dan is zij
+ook tevreden met frisch gras en malsche kruiden, met wortels en
+bladen, met klaver zoowel als met bessen en ooft. Beukels en noten,
+graankorrels, rapen en aardappels worden in groote hoeveelheid door
+haar verslonden. Gedurende het ruwste jaargetijde heeft zij een
+onafgebroken winterslaap; bij zacht weder ontwaakt zij hieruit en
+teert dan van haar wintervoorraad. Zij is ongelooflijk vraatzuchtig
+en heeft zeer veel voedsel noodig om verzadigd te worden; ook kan
+zij niet buiten water.
+
+De Veldmuis is gezellig in de hoogste mate; zij leeft tamelijk
+eendrachtig met hare soortgenooten, minstens paarsgewijs, vaker evenwel
+tot groote scharen vereenigd; om deze reden zijn hare woningen zoo
+dicht bij elkander gelegen. Zij vermenigvuldigt zich buitengewoon
+sterk.
+
+"In gunstige omstandigheden," zegt Blasius, "neemt het aantal
+Veldmuizen op ongeloofelijke wijze toe. Er zijn vele voorbeelden
+van bekend, dat door haar bovenmatige vermenigvuldiging de oogst in
+uitgestrekte landstreken teloorgegaan is; jonge beukenaanplantingen
+heeft zij over een uitgestrektheid van meer dan 500 hectare door het
+afknagen van de schors vernield. In de jaren tusschen 1820 en 1830 kwam
+deze landplaag aan den Neder-Rijn herhaaldelijk voor. De bodem van
+de velden was op sommige plaatsen zoo doorwoeld, dat men bijna geen
+voetstap kon doen zonder in een muizengat te trappen; tusschen deze
+openingen waren tallooze wegen diep uitgeloopen. Zelfs op klaarlichten
+dag wemelde het van Muizen, die vrij en ongestoord rondliepen. Als men
+naar haar toeging, kwamen zij ten getale van zes á tien te gelijk voor
+een opening, waarin zij zich wilden verschuilen, en versperden elkander
+onwillekeurig den toegang. Het was niet moeilijk gedurende dit gedrang
+een half dozijn van deze dieren met één stokslag te dooden. Alle
+schenen krachtig en gezond, voor 't meerendeel waren zij echter
+tamelijk klein en waarschijnlijk van jeugdigen leeftijd. Drie weken
+later bezocht ik dezelfde plaats. Het aantal Muizen was nog grooter
+geworden, maar de dieren verkeerden klaarblijkelijk in een ziekelijken
+toestand. Velen hadden ontvellingen of verzweringen, die zich dikwijls
+over het geheele lichaam uitstrekten; de huid zat zelfs bij geheel
+gave exemplaren zoo los en kon zoo gemakkelijk verscheurd worden,
+dat men ze niet stevig kon aanpakken, zonder ze te beschadigen. Toen
+ik vier weken later voor de derde maal dezelfde streken bezocht, waren
+de Muizen spoorloos verdwenen. De ledige gangen en woningen brachten
+nu echter een nog veel treuriger indruk teweeg dan vroeger, toen zij
+vol leven en beweging waren. Men zeide mij, dat plotseling de geheele
+generatie als door een tooverslag van de aarde was weggevaagd. Vele
+zijn waarschijnlijk door een besmettelijke ziekte om 't leven gekomen,
+vele hebben vermoedelijk elkander opgegeten, gelijk zij ook doen, als
+zij gezamenlijk opgesloten worden, ook sprak men van ontelbare scharen
+Muizen, die op klaarlichten dag op verscheidene plaatsen over den Rijn
+gezwommen zouden zijn. Toch had men nergens in de verte, zoo min als
+nabij een ongewone vermeerdering van het aantal Muizen waargenomen;
+zij waren, naar het schijnt, overal tegelijkertijd verdwenen, zonder
+ergens weer voor den dag te komen. Waarschijnlijk brengt de natuur
+gedurende de buitengewone vermeerdering van het aantal dezer dieren
+tevens het middel voort, dat haar vernietiging ten gevolge heeft. Het
+weer, een mooie, warme nazomer, was voor hen, naar men zou zeggen,
+tot aan het laatste oogenblik gunstig geweest."
+
+Om getallen te noemen, die eenig denkbeeld kunnen geven van het
+kolossaal aantal Muizen, dat menigmaal in bepaalde streken voorkomt,
+behoef ik slechts te vermelden, dat alleen in het district Zabern
+in het jaar 1822 binnen 14 dagen 1.570.000, in het landraadsambt
+Nidda 590.327 en in het landraadsambt Putzbach 271.941 stuks
+Veldmuizen gevangen werden. In den zomer van het jaar 1861 werden
+in de omstreken van Alsheim in Rijn-Hessen 409,523 Muizen en 4707
+Hamsters gevangen en afgeleverd. De gemeentekas betaalde hiervoor
+2593 gulden. Vele gezinnen hebben bij deze muizenvervolging 50,
+60 of meer guldens door de werkzaamheid van de kinderen verdiend;
+een bijzonder gelukkige vader kreeg van zijn wakkere jongens niet
+minder dan 142 gulden, welke op deze wijze gewonnen waren. Hij kocht
+voor dit geld een klein stuk land, dat ten eeuwigen dage den naam van
+"muizenakker" moet dragen.--Ook door Prof. Ritzema Bos worden eenige
+merkwaardige voorbeelden van de talrijkheid der veldmuizen medegedeeld:
+"Een landbouwer te Blijham telde in 't beruchte muizenjaar 1857 op
+één bunder land, bij één omgang van de ploeg, 80 Muizen, welke door
+de ploegschaar waren doorgesneden. Rekent men, dat er 84 omgangen
+te doen waren, men zou dan komen tot 6720 Muizen, die zich juist op
+de diepte der ploegschaar ophielden. Hoevele er nog ontvlucht of in
+het land onder en boven de smalle steep gronds, die de ploegschaar
+doorsneed, aanwezig geweest zijn, valt moeilijk te zeggen.--Elders
+verzamelde een ploeger van boonenstoppels, niettegenstaande hij
+zijn dagwerk, een half bunder, had omploegd, nog tusschentijds uit
+de gaten een half mud boonen, die door de Muizen tot wintervoorraad
+waren opgelegd.--Te Wiewerd zijn in September 1857 op 4.5 bunder,
+bezaaid met koolzaad, in 8 dagen tijds 6700 Muizen gevangen in half
+met water gevulde aarden potten, geplaatst in ronde gaten van O.5
+M. diepte. Dat dan van den oogst niet veel overblijft, laat zich
+begrijpen. Bouwland en weiland zijn met gangen doorwoeld en geheel
+kaal. De geheel poreuze bodem dult geen voetstap: zet men den voet
+neer, dan zakt men weg. De grond leeft als 't ware van Muizen."
+
+Ongelukkig is de mensch tegenover deze Muizen zoo goed als
+machteloos. Alle verdelgingsmiddelen, die hij tot dusver
+heeft uitgedacht, blijken onvoldoende te zijn om de ontzaglijke
+vermenigvuldiging van deze vraatzuchtige dieren te keer te gaan;
+alleen de onder hen uitbrekende, besmettelijke ziekten kunnen redding
+verschaffen; ook de Roofdieren, die door den mensch dikwijls zoo
+vijandig behandeld worden, maken zich zeer verdienstelijk. Met goed
+gevolg worden muizenboren gebruikt, om hiermede in den grond gaten te
+maken, die 12 à 18 cM. middellijn hebben en ongeveer 60 cM. diep zijn;
+de hierin vallende Muizen vreten elkander op, zonder er aan te denken
+gangen te graven, waardoor zij zouden kunnen ontvluchten. Men doodt
+ze ook in hare holen door rook of door vergiftigde graankorrels. Zelfs
+wordt soms het geheele veld overgoten met een aftreksel van braaknoten
+of wolfsmelk, kortom men geeft zich alle mogelijke moeite om van
+deze vreeselijke plaag verlost te worden. Gewoonlijk echter zijn al
+deze middelen zoo goed als nutteloos, enkele zelfs hoogst gevaarlijk,
+n.l. het vergiftigen. Zelfs het krachtigst werkende vergif verdelgt
+niet alle Muizen van een akker; het veroorzaakt daarentegen geregeld
+den dood van een groot aantal van hare grootste vijanden en dus
+onze vrienden: Vossen, Bunzingen, Hermelijnen, Wezels, Buizerden,
+Uilen en Kraaien. Ook andere dieren loopen hierdoor gevaar, vooral de
+Patrijzen en Hazen, ook alle huisdieren, zoowel de kleine, gelijk de
+Duif, als de grootste, namelijk de Paarden en Runderen; er zijn dus
+redenen genoeg om het uitstrooien van vergif geheel te verwerpen.
+
+
+
+In Siberië, en meer bepaaldelijk van den Ob tot den Onon, treedt
+een Woelmuis op, die eveneens, hoewel om andere redenen dan de
+Veldmuis, onze aandacht verdient, n.l. de _Wortelmuis_ (_Arvicola
+oeconomus_). Zij is een weinig grooter dan onze Veldmuis, haar lengte
+bedraagt 18 cM., waarvan 5 cM. op den staart komen; van boven is zij
+licht geelachtig bruin, van onderen grijs. Van de Veldmuis onderscheidt
+zij zich door den korteren kop, de kleinere oogen en de korte, bijna
+geheel onder de vacht verborgen ooren.
+
+De Wortelmuis komt in de vlakten dikwijls in groote menigte voor
+en wordt door de arme bewoners van deze treurig eenzame gewesten
+als een weldoenster beschouwd, want haar arbeid komt den mensch ten
+goede in plaats van hem te benadeelen. Onder de zode graaft zij lange
+gangen, die naar een op geringe diepte gelegen, groot, rond nest van
+30 cM. middellijn leiden, dat met eenige zeer ruime voorraadkamers
+in gemeenschap staat. Het nest, waarin de Muis slaapt en hare jongen
+groot brengt, is met verscheidene plantaardige stoffen zacht bekleed;
+de voorraadkamers echter vult zij met allerlei wortels aan.
+
+De heidensche volken, die de genoemde landstreken bewonen, drijven
+geen akkerbouw; in den herfst, wanneer de voorraadskamers gevuld zijn,
+nemen zij de hierin verborgen schatten met een schop weg, zoeken
+de verdoovende witte wortels er uit en behouden de zwarte wortels
+van de Bevernel (_Sanguisorda officinalis_), die zij niet alleen als
+spijs, maar ook als thee gebruiken. De arme inboorlingen hebben door
+den voorraad, die zij aan de Muizen ontnemen, dikwijls gedurende
+den geheelen winter genoeg te eten; de in den grond overblijvende
+proviand wordt ten deele nog door de wilde Zwijnen blootgewoeld,
+die de zorgzame muis, als zij hun in den weg komt, mede verslinden.
+
+Opmerkelijk is de groote lust tot trekken, die deze en andere verwante
+Woelmuizen bezielt. Tot groot verdriet van de inboorlingen begeven zij
+zich in sommige jaren in de lente op reis en trekken bij groote scharen
+naar het westen, altijd rechtuit, over stroomen en bergen. Duizenden
+van deze landverhuizers verdrinken en worden door Visschen en
+Eenden verslonden, terwijl nogmaals duizenden de buit worden van de
+Sabeldieren en Vossen, welke de Muizen op dezen uittocht vergezellen.
+
+
+
+De _Lemmingen_ (_Myodes_) onderscheiden zich door den gedrongen
+lichaamsbouw en het korte staartje; door gestalte en aard nemen
+zij dus in de familie van de Woelmuizen tot op zekere hoogte de
+plaats in, die aan de Hamsters in de familie der Muizen toekomt. De
+betrekkelijk groote kop is dicht behaard, de bovenlip diep gespleten,
+het rondachtige oor klein en geheel in de vacht verborgen; het oog is
+eveneens klein; de vijfteenige voeten zijn dicht behaard, ook op de
+zolen; de klauwen zijn vooral aan de voorste ledematen groot en voor
+'t graven geschikt.
+
+De meest bekende soort van dit geslacht, de _Lemming_ (_Myodes
+lemmus_, _Lemmus norwegicus_) bereikt een totale lengte van 15 cM.,
+waarvan er hoogstens 2 op het staartstompje komen. De rijk gevulde,
+langharige vacht vertoont een zeer bevallige teekening. Bij de
+bruingele grondkleur, die in den nek met golflijnen voorzien is,
+steken donkere vlekken af; twee gele strepen strekken zich uit van
+de oogen naar den achterkop. De staart en de pooten zijn geel, de
+onderdeelen geelachtig, bijna zandkleurig.
+
+De Lemming is wel het raadselachtigste dier van geheel Skandinavië. Ook
+nu nog gelooven de boeren der Noorsche bergstreken, dat dit dier uit
+de lucht regent en daarom in zoo verbazend grooten getale voorkomt, en
+dat het later door zijn vraatzucht zich de maag bederft en zoo om het
+leven komt. Olaus Magnus, bisschop van Bergen in Noorwegen, verhaalt,
+dat hij in het jaar 1518 in een bosch zeer vele Hermelijnen zag, die
+het geheele bosch met hun stank vervulden. Hun veelvuldigheid was het
+gevolg van de aanwezigheid van kleine, viervoetige dieren, _Lemar_
+genaamd, die soms bij onverwacht opkomende onweers- en regenbuien
+van den hemel vielen; men wist niet, of zij van verafgelegen plaatsen
+door den wind waren aangebracht, of in de wolken ontstonden.
+
+Andere berichtgevers schreven het verhaal van den bisschop
+eenvoudig na; Linnaeus heeft voor 't eerst den Lemming naar de natuur
+geschilderd; zijn beschrijving is zoo uitvoerig, dat men er niet veel
+aan kan toevoegen. Ik zelf heb in het jaar 1860 het genoegen gehad,
+vooral op den Dovrefjeld, Lemmingen in groot aantal aan te treffen,
+zoodat ik ze door eigen onderzoek heb leeren kennen.
+
+Het zijn alleraardigste dieren. Zij zien er uit als kleine Marmotten
+of als Hamsters en gelijken door hun aard in vele opzichten op de
+laatstgenoemde Knaagdieren. Zij houden zich op in de betrekkelijk
+droge gedeelten van het moeras, dat een groot deel van Noorwegen
+beslaat. Zij bewonen hier kleine holen onder steenen of in het mos;
+ook ziet men ze dikwijls rondzwerven tusschen de kleine heuvels,
+die zich boven het moeras verheffen. Zelden merkt men uitgeloopen
+paden op, die van het eene hol naar het andere leiden; groote gangen
+graven zij alleen in de sneeuw. Over dag zoowel als 's nachts, zijn
+zij wakker en werkzaam. Zij hebben een trippelenden en snellen gang;
+een mensch kan ze echter gemakkelijk inhalen. Het water mijden zij met
+een zekeren schroom; als men ze in een niet te kleine plas of in een
+riviertje werpt, piepen en knorren zij zeer wrevelig en trachten ten
+spoedigste weer op 't droge te komen. Gewoonlijk verraden zij zelf
+haar aanwezigheid. Dikwijls zitten zij rustig in hare gaten en zijn
+hierin zoo goed verborgen, dat zij zeker niet door de voorbijgangers
+zouden opgemerkt worden; door het zien van een mensch worden zij
+echter zoo opgewonden, dat zij zich niet stil kunnen houden. Op de
+wijze van Guineesche Biggetjes, begroeten zij den bezoeker van haar
+gebied met luid geknor en gepiep, alsof zij hem het binnendringen
+willen beletten. Alleen als zij rondloopen, nemen zij bij nadering
+de vlucht, snellen naar een van hare tallooze gaten en blijven daar
+zitten. Verder wijken zij niet terug, hoewel het te voorzien is,
+dat zij doodgeslagen of medegenomen zullen worden.
+
+Met belangstelling heb ik deze moedige dieren gadegeslagen, en kon niet
+nalaten ze tot zelfverdediging te prikkelen. Als zij eenmaal post gevat
+hebben, weten zij van geen wijken. Als men haar een laars voorhoudt,
+bijten zij er in; zoo doen zij ook met een stok of een geweerloop,
+ofschoon zij bemerken dat dit haar niets baat. Sommige beten zich
+zoo stevig aan mijne broekspijpen vast, dat ik ze er bijna niet van
+afschudden kon. Bij zulk een strijd geraken zij in groote woede en
+gelijken dan volkomen op de boosaardige Hamsters. Soms gaan zij met
+kleine sprongen op haar tegenstander af; naar het schijnt, zijn zij
+voor geen enkel dier bevreesd, maar gaan vermetel op ieder wezen af,
+dat hen te na komt. Op de wegen worden zij dikwijls overreden, omdat
+zij eigenzinnig hun gang blijven gaan en niet vluchten willen. De
+Honden op de boerderijen bijten tal van deze dieren dood; door de
+Katten, die in dezen tijd steeds verzadigd zijn, worden zij in groote
+hoeveelheid verslonden.
+
+Volgens de verzekering van den ouden jager, die mij vergezelde,
+gebruiken de Lemmingen het door haar bewoonde nest ook om er hare
+jongen in groot te brengen. Linnaeus zegt, dat deze dieren meestal
+5 of 6 jongen hebben; Schäffer voegt er bij, dat zij verscheidene
+malen per jaar werpen. Meer is mij van haar voortplanting niet bekend.
+
+Het voedsel van de Lemmingen bestaat hoofdzakelijk uit de weinige
+Alpen-planten, die in haar armoedig vaderland groeien, vooral
+uit grassen, rendier-korstmossen, katjes van den Dwergberk en
+waarschijnlijk ook uit allerlei wortels. Lemmingen treft men aan
+op iedere hoogte, waar de grond nog met korstmossen bedekt is; daar
+waar deze planten ontbreken, ziet men ze in 't geheel niet meer. Voor
+zoover ik heb kunnen nagaan, verzamelen zij geen winter-provisie,
+maar leven ook in 't gure jaargetijde van 't geen zij onder de dikke
+sneeuwlaag vinden. Groote schade richten zij niet aan, want op de door
+haar bewoonde plaatsen zijn geen akkers meer, en in de huizen komen
+zij niet. Haar vaderland is trouwens, hoe arm het ook moge schijnen,
+rijk genoeg voor hare behoeften, en biedt haar al wat zij noodig
+hebben. In sommige jaren schijnt dit echter niet het geval te zijn,
+en zijn de Lemmingen gedwongen naar andere streken te verhuizen. Mijns
+inziens moet de reden van het trekken van deze en andere Woelmuizen
+gezocht worden in de nu en dan merkbaar wordende vermindering van
+den voedselvoorraad. Wanneer op een zachten winter een fraaie lente
+en een droge zomer volgen, zijn alle voorwaarden vervuld voor een
+vermenigvuldiging, even grenzeloos als die, welke men bij sommige
+andere Woelmuizen opmerkt. De droogte brengt echter tevens het
+verdorren (of althans een minder weligen groei) van de meest gewilde
+voederplanten teweeg; de uitgestrekte weidegronden zijn dan niet meer
+voldoende voor de groote menigte, zoodat deze wezens, die evenals alle
+Knaagdieren, zeer vraatzuchtig zijn, zich genoodzaakt zien op andere
+plaatsen voedsel te zoeken. In zulke omstandigheden zullen, zooals
+men weet, niet alleen de Knaagdieren, maar ook andere planteneters,
+b.v. de Antilopen, groote scharen vormen, die zich op weg begeven en
+onderweg hunne soortgenooten mede nemen; zij trekken ten slotte als 't
+ware in 't wilde weg verder, volgen geen bepaalde richting en begeven
+zich dus ook niet naar landstreken, waar werkelijk voedsel voor hen
+te vinden is. Eerst nadat honderdduizenden door gebrek aan voedsel,
+door ziekten, door de vermoeienissen en de gevaren van de reis om 't
+leven zijn gekomen, trachten de overblijvenden terug te keeren naar
+de hoogten, die hun eigenlijk woongebied uitmaken; ook in dit geval
+kan het verschijnsel zich voordoen, dat zij weder een rechte lijn
+volgen. De groote reizen van de Lemmingen komen mij daarom volstrekt
+niet wonderbaarlijker of minder verklaarbaar voor, dan die van andere
+trekkende Zoogdieren, en meer bepaaldelijk van andere Woelmuizen.
+
+Men mag het als een groot geluk beschouwen, dat de Lemmingen zoo
+vele vijanden hebben, daar zij anders het geheele land overstroomen,
+en al wat eetbaar is, verslinden zouden. Het meest nog draagt het
+klimaat tot haar verdelging bij. In een natten zomer, in een kouden,
+vroeg invallenden herfst zonder sneeuw, sterven zij bij millioenen;
+daarna zullen er, zooals licht te begrijpen is, vele jaren moeten
+verloopen, voordat de voortplanting de door zulk een kolossale
+sterfte gedunde rijen weer eenigszins heeft aangevuld. Het aantal
+levende vijanden van de Lemmingen is legio. Men mag wel zeggen, dat
+alle Skandinavische Roofdieren zich met haar vet mesten. De Wolven
+en Vossen, die deze dieren mijlen ver vervolgen, eten, wanneer zij
+Lemmingen kunnen krijgen, niets anders; de Veelvraten, Marters,
+Bunzingen en Hermelijnen verlangen geen anderen buit; de Honden van
+de Laplanders beleven in een Lemmingenjaar feestdagen, zooals aan
+deze arme hongerlijders maar zelden te beurt vallen; de Uilen volgen
+het Lemmingen-leger; de Buizerden, vooral de Ruigvoet-buizerd, zijn
+onophoudelijk bezig de ellendige zwervelingen te verdelgen; de Raven
+voederen er hare jongen mede groot; ook de Kraaien en Eksters beijveren
+zich naar den maatstaf hunner krachten deze bijtlustige schepsels
+te dooden; zelfs de Rendieren vreten nu en dan Lemmingen, naar door
+velen beweerd wordt, of slaan ze althans met de voorpooten dood.
+
+De mensch treedt slechts wanneer hij in grooten nood verkeert, als
+vijand van den Lemming op. Het vel van dit dier is niet veel waard,
+en zijn vleesch boezemt den Lappen, zooals licht te begrijpen is,
+ongeveer denzelfden afschuw in, als ons het rattenvleesch. Dikwijls
+worden de inboorlingen echter door den honger gedreven om aan de
+Lemmingen-jacht deel te nemen.
+
+
+
+De familie der _Molmuizen_ (_Spalacidae_) bestaat uit onbehouwen,
+leelijke, onder den grond levende Knaagdieren. Zij herinneren aan de
+Mollen, doordat zij alle onaangename eigenschappen dezer holenbewoners
+hebben, zonder hiervoor vergoeding te schenken door het nut dat zij
+aanbrengen. De romp is plomp en rolvormig, de dikke kop eindigt in
+een stompen snuit; de oogen zijn buitengewoon klein of liggen geheel
+verscholen onder de huid; de zeer kleine ooren hebben geen uitwendige
+waarneembare oorschelpen; de staart ontbreekt of is onder de vacht
+verborgen. Des te beter merkt men de voeten op, die vijf teenen
+hebben, welke met zeer stevige graafklauwen voorzien zijn; evenals
+bij de Mollen zijn de voorpooten krachtiger dan de achterpooten.
+
+Alle Molmuizen zijn bewoners van de Oude Wereld; zij houden zich
+meestal op in droge zandvlakten; op soortgelijke wijze als de
+Mollen doorwoelen zij den grond over groote afstanden. Geen enkele
+soort leeft gezellig, ieder dier leeft eenzaam in zijn hol en heeft
+ook den wreveligen, eenzelvigen aard van den Mol. Met buitengewone
+snelheid graven zij diepe gaten in den bodem, verscheidene zelfs in
+loodrechte richting. Op den grond zijn hare bewegingen zeer plomp
+en onbeholpen, in haar onderaardsche gangen echter bewegen zij zich
+voor- en achterwaarts even vlug. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit
+planten, meestal uit wortels, knollen en bollen, die zij loswroeten;
+bij uitzondering vreten sommige ook gras, schors, zaden en noten. Die,
+welke in koude gewesten leven, verzamelen wintervoorraad, maar hebben
+geen winterslaap.
+
+
+
+De meest bekende soort van deze Familie is de _Blindmuis_ (_Spalax
+typhlus_), in Rusland _Slapoesj_ ("de blinde"), in Hongarije
+_Földi-kölök_, in Galicië _Ziemnibisak_ genoemd. De kop, die in een
+stompen snuit eindigt, is dikker dan de korte, onbeweeglijke hals,
+die met den staartloozen romp in dikte overeenkomt; de korte pooten
+hebben breede voeten met forsche teenen en klauwen. De oogen hebben
+ternauwernood de grootte van een papaverzaadje, liggen onder de huid
+verborgen, en zijn dus ongeschikt voor 't zien. De lichaamslengte
+bedraagt 20 cM. Kolossale knaagtanden steken ver buiten den bek uit. De
+staart wordt aangeduid door een wratje van een paar mM. lengte. Een
+dichte, glad aanliggende, zachte vacht bekleedt het lichaam; de
+zijden van den kop, van de neusgaten tot achter de oogen, zijn
+begroeid met stijve, borstelachtige haren, die te zamen zich als
+een borstelvormige haarlijst boven de overige deelen van de vacht
+verheffen. Over 't algemeen is de kleur van de bovendeelen aschgrauw
+met witte overlangsche strepen aan het achterste deel van den buik
+en met witte vlekjes tusschen de achterpooten.
+
+De Blindmuis komt in het zuidoosten van Europa en in het westen
+van Azië voor, nl. in Zuid-Rusland van 50° N.B. tot aan den Oeral
+en den Kaukasus, in Bessarabië, Moldavië en een deel van Hongarije
+en Galicië, voorts in Turkije, in Griekenland en in het noorden en
+westen van Klein-Azië. Vooral in de Ukraine treft men haar veelvuldig
+aan. In den Altaï is zij vervangen door een grootere soort: de _Zokor_
+(_Spalax aspalax_).
+
+Evenals bijna alle Molmuizen bewoont zij vruchtbare landstreken; zelden
+komt zij aan de oppervlakte; bijna voortdurend blijft zij verborgen
+in hare sterk vertakte, onderaardsche holen, welker aanwezigheid
+zich verraadt door talrijke aardhoopen. Bij het graven gebruikt
+zij de krachtige snijtanden voor het stukknagen van de in haar weg
+liggende wortels en voor het fijnmaken van den grond tusschen de
+wortels. De gangen, waarin zij haar voedsel zoekt, liggen in de
+vruchtbare teelaardelaag, de voor verblijfplaats dienende holen in
+den regel dieper in het onvruchtbare, droge zand.
+
+De bewegingen van de Blindmuizen zijn niet zoo langzaam en onbeholpen
+als vaak beweerd wordt. De Zokor kan, zooals ik zelf gezien heb en
+van de Kirgiezen vernam, uitmuntend loopen en zwemmen; hetzelfde zal
+waarschijnlijk ook wel voor den Slapoesj gelden. Onder de zintuigen,
+die vermoedelijk alle weinig ontwikkeld zijn, speelt, naar het schijnt,
+dat van het gehoor een belangrijke rol. Men heeft opgemerkt, dat de
+Blindmuizen voor geluiden zeer gevoelig zijn en zich hoofdzakelijk
+door het gehoor laten leiden. Zij worden beschreven als moedige en
+bijtlustige dieren, die in gevallen van nood hunne tanden op een
+doeltreffende wijze weten te gebruiken, en die, als zij gegrepen
+worden, hevig snuiven en woedend om zich heen bijten.
+
+De Blindmuis voedt zich, zoo niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk
+met plantaardige stoffen, vooral met allerlei wortels, ingeval
+van nood ook met boomschors. Als in het door haar bewoonde gebied
+planten met diepgaande wortels voorkomen, zal zij hare gangen in den
+winter tot onder de hard bevroren, bovenste aardlaag uitbreiden,
+zoo niet, dan graaft zij gangen door de sneeuw om boomschors te
+verkrijgen. Wintervoorraad heeft men in hare gangen nog niet gevonden,
+wel echter nesten, die uit zeer fijne worteltjes samengesteld zijn. In
+zulk een nest werpt het wijfje in den zomer 2 à 4 jongen. Over
+'t geheel genomen is de schade, die dit dier den mensch toevoegt,
+gering; nuttig is het echter evenmin.
+
+
+
+In Zuid-Afrika leven Molmuizen, die een korten staart hebben. Vooral
+in de duinen en zandheuvels langs de kust komt b.v. de _Zandmol_
+(_Bathyergus maritimus_ of _suillus_) voor, die, met inbegrip van
+den 5 cM. langen staart, 30 cM. lang wordt. Deze heeft zich den haat
+van de Boeren op den hals gehaald, omdat hij den bodem zoo doorwoelt,
+dat de Paarden er vaak in wegzakken en gevaar loopen hunne pooten te
+breken. Gewoonlijk werpt hij 's nachts om 12 uur of 's morgens om 6
+uur de aarde uit zijne gangen. Hiervan maken de Boeren gebruik om hem
+te dooden. Zij ruimen een van zijne aardhoopen uit den weg, openen een
+van zijne holen, en leggen hierin een raap of een anderen wortel, die
+met een touw bevestigd is aan den trekker van een geladen geweer, welks
+loop naar de opening van het hol gericht is. Zoodra de Zandmol aan den
+raap trekt, gaat het geweer af en wordt hij door het schot getroffen.
+
+
+
+De _Wangzakratten_ (_Geomyidae_) heeten zoo wegens hare zeer sterk
+ontwikkelde wangzakken, die niet, zooals bij de Hamsters en andere
+knaagdieren, met de mondholte in gemeenschap staan, maar zich op de
+wangen naar buiten openen en van binnen overal behaard zijn. Bij
+het geslacht _Wangzakrat_ (_Geomys_) zijn de bovenkaaksnijtanden
+met een overlangsche groeve voorzien en ontbreken de oorschelpen
+zoo goed als geheel. De ledematen, vooral de voorpooten, zijn kort;
+de vijfteenige voeten zijn met sikkelvormige klauwen gewapend, die
+vooral aan de voorpooten een buitengewone lengte hebben. De leden van
+dit geslacht behooren tot de plompste Knaagdieren. De romp is log,
+de kop zeer groot, de hals dik, de staart kort en, met uitzondering
+van de naakte spits, behaard.
+
+
+
+De meest bekende soort, die de landstreken ten oosten van het
+Rotsgebergte en ten westen van den Mississippi tusschen 34
+en 52° N.B. bewoont, heet in zijn vaderland _Goffer_ (_Geomys
+bursarius_). Deze naam wordt trouwens in sommige streken van Amerika
+ook aan verscheidene andere soorten van Knaagdieren gegeven. Hij
+is iets kleiner dan onze Hamster. De vacht is buitengewoon dicht,
+zacht en fijn, roodachtig van boven en geelachtig grijs van onderen;
+de staart en de spaarzaam behaarde voeten zijn witachtig.
+
+De dierkundigen, die het eerst een beschrijving van den Goffer gemaakt
+hebben, ontvingen hem van Indianen, die zich vermaakt hadden, met
+de beide wangzakken van het doode dier vol te proppen met aarde en
+hierdoor zoo buitengewoon sterk uit te rekken, dat dezen zakken over
+den grond gesleept zouden hebben, indien het dier in dezen toestand
+had moeten loopen. Op grond van deze kunstmatig uitgerekte wangzakken
+kreeg de Goffer zijn naam; de persoon, die dieren opzette, achtte
+het zijn plicht de wangzakken in denzelfden toestand te brengen,
+als waarin zij door een grap van de Indianen gekomen waren; de
+teekenaar eindelijk kopieerde maar al te nauwgezet het op deze wijze
+verduurzaamde voorwerp. Hieraan is het toe te schrijven, dat ook nog
+vele afbeeldingen van den Goffer ons niet de ware gedaante van het
+dier, maar een wanstaltig monster te aanschouwen geven.
+
+De Goffer leeft, evenals de Mol, onder den grond; hij graaft hier
+talrijke en sterk vertakte gangen, welke groote overeenkomst vertoonen
+met die van onzen Mol.
+
+De oude gangen zijn van binnen vastgeslagen, de nieuwe niet. Op
+verschillende plaatsen staan er zijgangen mede in gemeenschap. De kamer
+wordt onder boomwortels op een diepte van ongeveer 1.5 M. aangelegd en
+is toegankelijk door een gang, die zich bij wijze van een wenteltrap
+kronkelt. Zij is groot, ongeveer op de wijze van een Eekhoornnest
+overal gevoerd met zacht gras, en verschaft het dier gelegenheid om te
+rusten en te slapen. Het nest, waarin het wijfje tegen het einde van
+Maart of in het begin van April hare 5 à 7 jongen ter wereld brengt,
+gelijkt op de bedoelde woonkamer, maar is van binnen bovendien nog
+met haar van de moeder bekleed. Evenals het nest van den Mol is het
+omgeven door ringvormige gangen, van waar andere gangen uitgaan. Gesner
+vond, dat van het nest een gang leidt naar een grooter hol, dat als
+voorraadskamer dient en gevuld is met wortels, aardappels, noten en
+zaden. In de morgenuren, tusschen 4 en 10, houdt de Goffer zich het
+ijverigst met de uitbreiding van zijne holen bezig, ongetwijfeld
+met de bedoeling om zich hierdoor voedsel te verschaffen. Als de
+plaats rijk aan voedingsmiddelen is, worden in deze tijdruimte gangen
+aangelegd ter lengte van 3 à 5 M. en 2 à 5 heuveltjes opgeworpen;
+in het tegenovergestelde geval doorwoelt het dier een grooter deel
+van den grond en werkt langer. Soms staakt het den arbeid gedurende
+eenige weken, naar het schijnt, teert het dan op den reeds verzamelden
+voorraad. Bij het opwerpen van den grond, dat geheel op de wijze van
+den Mol geschiedt, laat de Goffer zijn lichaam zoo weinig mogelijk
+zichtbaar worden; ten spoedigste keert hij naar de veilige diepte
+terug. Aan de oppervlakte komt hij om dor gras voor zijn woonkamer of
+zijn nest te verzamelen; volgens Audubon, komt hij ook boven om zich
+in de zon te koesteren. Zijn voortreffelijk reukzintuig en uitmuntend
+gehoor beveiligen hem in dit geval voor overrompeling; zoodra hij
+gevaar ducht, begeeft hij zich oogenblikkelijk naar de diepte, al moest
+hij zich vooraf door het graven van een nieuwe gang een toegang banen.
+
+Bij 't loopen over den grond toont de Goffer zich niet in zijn
+volste kracht; zijn gang is een log gehompel; nooit beweegt hij zich
+sprongsgewijs; dikwijls zijn bij 't gaan de klauwen van de voorpooten
+binnenwaarts omgeslagen en sleept de staart over den grond. Hij kan
+bijna even snel achteruit als vooruit loopen, maar doet dit aan de
+oppervlakte van den bodem niet sneller dan een mensch. In zijne holen
+beweegt hij zich, naar men zegt, met de vlugheid van een Mol.--Bij
+'t eten zit hij dikwijls op de achterpooten en gebruikt de voorste
+op de wijze van den Eekhoorn. Om te slapen, rolt hij zich ineen en
+houdt den kop tusschen de voorpooten tegen den borst gedrukt. Zijne
+verbazend groote wangzakken vult hij bij het grazen met behulp van
+de tong en ledigt ze weder met behulp van de voorpooten. Naarmate zij
+voller worden, puilen zij, evenals bij andere Knaagdieren, hoe langer
+hoe meer naar buiten uit, en krijgen een langwerpig eivormige gedaante;
+nooit hangen zij echter bij wijze van zakken aan weerszijden van den
+snuit naar beneden. Geheel uit de lucht gegrepen is ook de bewering,
+dat hij zijne wangzakken gebruikt om de losgewoelde aarde uit zijne
+holen te verwijderen.
+
+De schade, die de Goffer aanricht, kan zeer aanzienlijk worden. Hij
+vernielt soms door het afknagen van de wortels in weinige dagen
+honderden kostbare boomen en verwoest soms de opbrengst van geheele
+akkers door het opvreten van de door hem zeer gezochte knollen. Daarom
+is de mensch de gevaarlijkste vijand van dit dier, dat overigens
+alleen van Slangen en van overstroomingen te lijden heeft.
+
+Audubon heeft verscheidene Wangzakratten weken lang gevangen gehouden
+en met knollen gevoerd. Zij bleken buitengewoon vraatzuchtig te zijn,
+maar wilden niet drinken.
+
+
+
+Een overgang tot de Springmuizen aan de eene, tot de Molmuizen aan de
+andere zijde, vormen de _Wangzak-springmuizen_ (_Dipodomys_), die zich
+van de overige leden der familie, waarmede men ze gewoonlijk vereenigt,
+onderscheiden door haar dikwijls sierlijk en slank gebouwd lichaam,
+den grooten, breeden, platten kop met tamelijk lange, afgeronde ooren;
+de voorpooten zijn tamelijk lang, de achterpooten echter nog meer
+verlengd, de binnenteen is aan alle voeten zeer weinig ontwikkeld, maar
+met een klauw voorzien; de klauwen van de voorvoeten zijn grooter dan
+die van de achtervoeten; het verschil is echter geringer dan bij den
+Goffer; de staart is even lang als of langer dan het overige lichaam,
+over zijn geheele lengte behaard met een haarkwastje aan de spits. Ook
+zij hebben wangzakken, die zich naar buiten openen en van binnen met
+korte haren bekleed zijn. De meest bekende soort (_Dipodomys Philippi_)
+wordt met inbegrip van 17 cM. langen staart, 30 cM. lang en bewoont
+woestijnachtige landstreken van Californië, waar overigens geen andere
+dieren dan Hagedissen en Slangen den bodem verlevendigen.
+
+
+
+Veel meer dan bij andere met stekels gewapende Zoogdieren is
+het stekelkleed ontwikkeld in de familie van de _Stekelvarkens_
+(_Hystrichidae_), naar welker bekendste geslacht de geheele groep
+benoemd werd. Een lange beschrijving van de uitwendig waarneembare
+kenteekenen harer leden is overbodig; het stekelkleed, hoe verschillend
+ook ontwikkeld, is aan al deze dieren eigen.
+
+Alle Stekelvarkens bewonen de gematigde en warme landen van de Oude
+en Nieuwe Wereld; in deze treft men de klimmende, in gene de gravende
+leden van de familie aan. De Stekelvarkens van de Nieuwe Wereld zijn
+evenzeer aan het leven op de boomen gebonden, als die van de Oude aan
+het leven in den grond. Deze bewonen derhalve ijle bosschen en steppen,
+verbergen zich over dag in door hen zelf gegraven gangen en holen. Gene
+daarentegen worden aangetroffen in groote bosschen, over dag rustend
+in een hollen boom of ineengerold op een gevorkten tak in een dikke
+boomkroon. Hunne bewegingen zijn langzaam, afgemeten en traag. Zoodra
+echter de nacht aangebroken is en zij behoorlijk wakker geworden zijn,
+loopen de Stekelvarkens van de Oude Wereld met trippelenden gang zeer
+schielijk over den bodem voort; die van de Nieuwe Wereld zijn wel is
+waar niet zoo vlug als Eekhoorns, maar klimmen toch behendig bij de
+takken op neer. De bewoners van den bodem zijn meesterlijk ervaren
+in het graven en in het overwinnen van alle bezwaren, die harde
+grondsoorten aanbieden. Onder hunne zinnen staat, naar 't schijnt,
+bij alle zonder uitzondering de reuk bovenaan; bij de Klimmende
+Stekelvarkens schijnt ook de tastzin eenigermate ontwikkeld te zijn;
+alle zijn echter zwak van gezicht en van gehoor. Hunne verstandelijke
+vermogens staan op een lagen trap. Zij zijn dom, vergeetachtig, weinig
+vindingrijk, boosaardig, driftig, angstig, schuw en vreesachtig,
+hoewel alle bij dreigend gevaar, door het overeind zetten van hunne
+stekels en eenige door het ratelen met de staartstekels vrees trachten
+in te boezemen. Met andere dieren houden zij evenmin vriendschap als
+met hunne soortgenooten: een smakelijk stukje voedsel kan zelfs onder
+echtgenooten een ernstigen strijd doen ontbranden. Nooit ziet men twee
+Stekelvarkens met elkander spelen of ook maar vriendschappelijk met
+elkander verkeeren. Den mensch, die hen gevangen houdt en verzorgt,
+worden zij nooit genegen; ook leeren zij hun verzorger niet van andere
+personen onderscheiden. Hun stem bestaat uit knorrende doffe geluiden;
+ook hoort men ze snuiven en zachtjes steunen; soms verneemt men van
+hen een moeielijk te beschrijven gepiep: waarschijnlijk hebben zij aan
+hun stem den overigens geheel ontoepasselijken naam "varken" te danken.
+
+Allerlei plantendeelen, van de wortels in den grond tot de vruchten
+in den top van den boom, dienen tot voedsel aan de Stekelvarkens. Op
+gelijke wijze als vele andere Knaagdieren brengen zij het voedsel
+met de voorpooten naar den bek. Bijna alle kunnen, naar het schijnt,
+gedurende geruimen tijd buiten water; waarschijnlijk is de dauw op
+de bladen dien zij verslinden, voldoende tot bevrediging van hunne
+behoefte aan vloeistof.
+
+
+
+De _Eigenlijke Stekelvarkens_ (_Hystrix_)--de vroegst bekende
+vertegenwoordigers van de tot de Oude Wereld beperkte onderfamilie
+van de _Gravende Stekelvarkens_ (_Hystrichinae_)--zijn gemakkelijk
+te herkennen aan hun korten, gedrongen romp, den dikken, door een
+krachtigen hals gesteunden kop, die in een stompen snuit eindigt,
+den korten staart, die met holle, op penneschachten gelijkende stekels
+bezet is en het buitengewoon sterk ontwikkelde stekelkleed. Kenmerkend
+voor hen zijn bovendien de kleine, rondachtige ooren, de breede
+bovenlip en de spleetvormige neusgaten.
+
+
+
+Het _Stekelvarken_ (_Hystrix cristata_) is grooter, maar niet langer
+dan onze Das en schijnt, wegens zijn stekelkleed veel dikker en
+omvangrijker dan hij werkelijk is. Zijn lengte bedraagt 65 cM. met
+uitzondering van den 11 cM. langen staart; de hoogte in de schoften
+is 24 cM.; het gewicht wisselt af tusschen 15 en 20 KG. Alleen aan
+den korten, stompen snuit en aan den neus zitten eenige gewone haren;
+de bovenlip is met verscheidene rijen glanzige, zwarte snorren bedekt;
+zulke borstels staan ook op wratten boven en achter het oog. Langs den
+nek verheffen zich manen, die uit dikke, achterwaarts gerichte, zeer
+lange, gebogen borstels bestaan, die naar verkiezing overeind gezet en
+achterover gelegd kunnen worden. Deze borstels hebben een aanzienlijke
+lengte, zijn dun en buigzaam, gedeeltelijk wit, gedeeltelijk grijs van
+kleur en eindigen meestal in witte spitsen. Voor 't overige is de romp
+aan de rugzijde bedekt door naast elkander geplaatste, lange en korte,
+gladde stekels, die allengs tot aan de scherpe punt dunner worden,
+en waartusschen overal borstelige haren voorkomen. Op de stekels
+wisselen donker- of zwartbruine en witte ringen met elkander af;
+zij zitten los in 't vel bevestigd en vallen dus licht uit. Aan de
+zijden van den romp, op de schouders en in de buurt van 't kruis
+zijn de stekels korter en stomper dan op 't midden van den rug. De
+dunne, buigzame stekels bereiken een lengte van 40 cM., de korte en
+dikke daarentegen worden slechts 15 à 30 cM. lang, maar soms wel 0.5
+cM. dik. Alle zijn van binnen hol of met een sponsachtig merg gevuld;
+de wortel en de spits zijn meestal wit van kleur. De korte stekels
+hebben zwartbruine en witte ringen. Aan de staartspits staan stekels
+van verschillenden vorm, die ongeveer 5 cM. lang, en wel 7 mM. dik
+zijn. Hun bovenste gedeelte is een afgeknotte, dunwandige, aan het
+einde geopende buis en gelijkt op een spoel van een ganzeveer, waarvan
+de merghoudende schacht is afgesneden; het onderste gedeelte van deze
+stekels is lang, dun en buigzaam. Door een groote, krachtige spier,
+die onder de huid van het dier gelegen en voor sterke samentrekking
+vatbaar is, kunnen alle stekels naar verkiezing opgezet en neergelegd
+worden. De onderzijde van het lichaam is bezet met donkerbruine,
+aan de spits roodachtige haren; om de keel ligt een witte band. De
+klauwen zijn donker hoornkleurig, de oogen zwart. De in Europa wonende
+Stekelvarkens zijn, naar men zegt, uit Noord-Afrika afkomstig en eerst
+door de Romeinen naar ons werelddeel overgebracht. Tegenwoordig vindt
+men dit dier in de kustlanden van de Middellandsche zee, vooral in
+Algerië, Tripolis en Tunis en verder zuidwaarts tot in Senegambië
+en Soedan. In Europa leeft het veelvuldig in de Campagna van Rome,
+op Sicilië, in Calabrië en in Griekenland. In Beneden-Egypte, waar
+het heet voor te komen, heb ik nooit sporen van de aanwezigheid van
+dit dier gezien.
+
+Het Stekelvarken leeft eenzaam. Over dag rust het in lange, lage
+gangen, die het zelf in den grond graaft; des nachts komt het voor
+den dag en zwerft rond om voedsel te zoeken. Dit bestaat uit allerlei
+plantaardige stoffen, distels en andere kruiden, wortels en vruchten,
+de schors van verschillende boomen en vele soorten van bladen. Het
+bijt zijn voedsel af met de voortanden en houdt het met de voorpooten
+vast, zoolang het eet. Alle bewegingen van dit dier zijn langzaam
+en onbeholpen; zijn gang is traag en bedachtzaam; het loopt niet
+snel. Alleen voor 't graven heeft het eenige geschiktheid, die echter
+in 't geheel niet toereikend is om een vluggen en behendigen vijand
+te ontvlieden. In den winter houdt het zich langer dan gewoonlijk in
+zijn hol op en brengt hier dikwijls eenige dagen achtereen slapend
+door. Een echte winterslaap heeft het niet.
+
+Wanneer men een Stekelvarken buiten zijn hol verrast, heft het
+dreigend den kop en den nek omhoog, zet alle stekels van zijn lichaam
+overeind en maakt er een eigenaardig klapperend geluid mede; vooral
+de holle stekels van den staart worden door het bewegen van dit
+lichaamsdeel zoo tegen elkander geslagen, dat er een vreemdsoortig
+geratel ontstaat, wel geschikt om een onwetend of vreesachtig mensch
+schrik aan te jagen. Als het zeer opgewonden is, stampt het met de
+achterpooten op den grond; wanneer men het grijpt, laat het een dof
+geknor hooren, gelijkend op dat van het Zwijn. In weerwil van zijn
+vreeswekkend geklapper is dit dier volkomen ongevaarlijk; het wordt
+licht verschrikt, gaat iedereen uit den weg en denkt er bijna niet
+aan om van zijne scherpe tanden gebruik te maken. Ook de stekels zijn
+meer afweringsmiddelen dan aanvalswapenen. Wie dit dier onvoorzichtig
+nadert, kan licht door de stekels gewond worden; de ervaren jager
+grijpt het dier bij de rugmanen en draagt het op zijn gemak mede,
+of doodt het door een stokslag op den neus. Wel buigt het, als men
+het nadert, den kop naar beneden, richt de rugstekels naar voren en
+gaat den vijand eenige schreden tegemoet; met een stok kan men echter
+buiten het bereik van de stekels blijven; een groote doek is voldoende
+om het dier te ontwapenen. In den uitersten nood rolt het zich als
+een Egel op en kan dan natuurlijk moeilijk aangevat worden. Over 't
+algemeen valt het gemakkelijk ten buit aan iederen behendigen vijand.
+
+Het wijfje werpt 60 à 70 dagen na de paring op een tamelijk zacht,
+met bladen, wortels en kruiden bekleed nest in zijn hol 2 à 4
+jongen. De diertjes komen ter wereld met open oogen en korte, zachte,
+glad tegen het lichaam aanliggende stekels; deze verharden echter
+weldra en groeien schielijk, hoewel zij hun volle lengte eerst op
+hoogeren leeftijd bereiken. Zoodra de jongen in staat zijn om zelf
+voedsel te zoeken, verlaten zij de moeder, die hen met veel liefde
+heeft grootgebracht.
+
+Hoewel men eigenlijk niet zeggen kan, dat het Stekelvarken den mensch
+nadeel berokkent, wordt het toch ijverig vervolgd. Zijne stekels worden
+voor velerlei doeleinden gebruikt, in sommige streken eet men zijn
+vleesch. In de Campagna wordt de jacht op dit dier als een bijzonder
+vermaak beschouwd; het valt trouwens niet te ontkennen, dat er iets
+avontuurlijks en aantrekkelijks gelegen is in de wijze waarop het dier
+wordt opgespoord. In een donkeren nacht begeeft men zich op de jacht
+met eenige goed gedresseerde Honden, men brengt deze op het spoor van
+het wild en laat hen zoeken. Door een luid, toornig geblaf kondigen
+zij aan, dat zij een van de stekelige dieren staande gehouden hebben
+en wijzen zij het jachtgezelschap den weg naar het tooneel van den
+strijd--voor zoo ver hier trouwens van strijd sprake kan zijn. Alle
+jagers steken de door hen gereed gehouden fakkels aan en begeven zich
+hiermede naar de plaats waar het Stekelvarken zich bevindt. Zoodra
+de Honden de komst van hunne meesters bemerken, huilen zij luid van
+vreugde en gaan woedend op hun tegenpartij los. Het Stekelvarken
+tracht hen terug te drijven door op allerlei toonhoogten te ratelen,
+te grommen en te knorren; het verweert zich zoo goed mogelijk met
+zijne naar alle richtingen uitgestoken speren. Het jachtgezelschap
+vormt een kring om het dier en zijne belagers; bij het schelle licht
+der fakkels kost het den jager geen moeite het wild bij de rugmanen
+te grijpen en het te dooden of levend mede te nemen naar huis.
+
+Bij goede behandeling wordt het Stekelvarken spoedig tam. Jong
+gevangen dieren leeren hun verzorger kennen en volgen hem na als
+Honden. Zij verliezen echter nooit de hun aangeboren schuwheid en
+vreesachtigheid. In de kamer kan men zulk een dier eigenlijk niet
+houden. Het loopt zoo onbedachtzaam rond, dat af en toe een van de
+aanwezigen zich bezeert aan de scherpe stekels. Voorts knaagt het aan
+tafelpooten, deuren en ander houtwerk; bovendien is het een saaie
+gezel. Het is niet moeilijk een Stekelvarken 8 à 10 jaar in het
+leven te houden, wanneer men het niet al te slecht behandelt. Als
+voedsel krijgt het wortels, aardappels, salade, kool en andere
+plantaardige stoffen; het liefst eet het ooft. Water heeft het in
+'t geheel niet noodig, indien het sappige vruchten of bladen krijgt;
+als het met droog voedsel gevoederd wordt, drinkt het nu en dan,
+hoewel niet dikwijls. Niet zelden planten de Stekelvarkens zich in
+de gevangenschap voort.
+
+Evenals de Savoyaarden met Marmotten reizen, trekken de Italianen
+soms met tamme Stekelvarkens van dorp tot dorp om het vreemdsoortige
+dier voor geld te laten kijken.
+
+
+
+Van hetzelfde geslacht treft men ook eenige soorten in Indië. Ceylon
+en het zuiden van China aan. Op Java, Borneo en Sumatra leeft het
+_Javaansche Stekelvarken_ (_Hystrix javanica_), dat zich van het Gewone
+onderscheidt door het gemis van manen; het heeft veel kortere, platte
+stekels, en deze zijn met een diepe, overlangsche groeve voorzien. De
+borstels en stekels zijn donker kastanjebruin, ten deele met witte
+spitsen. Dit dier, dat door de Javanen _Landakli_ wordt genoemd,
+bewoont wilde, boschrijke oorden, waar het lange holen graaft,
+die steeds twee uitgangen hebben. Het hierin levende paar doorzoekt
+'s nachts gemeenschappelijk den omtrek, en richt o.a. in de maïs-
+en aardappelakkers soms groote schade aan. In vroegeren tijd speelde
+een van deze diersoort afkomstige galsteen (bezoar) een belangrijke
+rol in de geneeskunde. Soms werd voor zulk een "piedra del porco"
+wel 100 kronen betaald.
+
+
+
+De _Kwaststaart-stekelvarkens_ vormen het geslacht _Atherura_,
+waarvan één soort--de _Afrikaansche Kwaststaart_ (_Atherura
+africana_)--in West-Afrika leeft en tegenwoordig in dierentuinen geen
+zeldzaamheid is, terwijl een andere soort--de _Indische Kwaststaart_
+(_Atherura fasciculata_)--Siam, het Maleische schiereiland en Sumatra
+bewoont. Beide zijn ongeveer 40 cM. lang zonder den staart; deze heeft
+een vierde of een derde deel van de totale lichaamslengte, en eindigt
+in een eigenaardige kwast, welks bestanddeelen geen haren of borstels
+zijn, maar op strookjes perkament gelijken, die op een grillige wijze
+zijn uitgeknipt. Het betrekkelijk slanke lichaam is op den rug en de
+zijden met zeer scherpe, platte, overlangs gegroefde stekels bezet.
+
+
+
+De Stekelvarkens van de Nieuwe Wereld vormen een afzonderlijke
+onderfamilie, die der _Klimmende Stekelvarkens_ (_Cercolabinae_);
+door hunne met wratachtige verhevenheden bedekte voetzolen en groote,
+gekromde klauwen zijn zij voor het leven op de boomen geschikt.
+
+
+
+In de noordelijke helft van Noord-Amerika vindt men het _Canadeesche
+Stekelvarken_ of de _Oerson_ (_Erethizon dorsatum_). Van Labrador
+tot aan het Rotsgebergte bewoont het de bosschen van het gebied
+gelegen tusschen 67° N.-B. aan de eene, Virginië en Kentucky aan
+de andere zijde. In de bosschen ten westen van den Missouri is het
+niet bijzonder zeldzaam, in de oostelijke gewesten daarentegen is
+het nagenoeg uitgeroeid. Met een anderen vorm, die aan de westkust,
+van Californië tot Alaska, gevonden wordt brengt men deze soort tot het
+geslacht _Platstaart-stekelvarken_ (_Erethizon_). Dit onderscheidt zich
+door een ineengedrongen romp en den korten, afgeplatten of verbreeden
+staart, die aan de bovenzijde met stekels, aan de onderzijde met
+borstels bezet is. Met inbegrip van den 19 cM. langen staart bereikt
+de Oerson een lengte van 80 cM. De kop is kort, dik en stomp, de snuit
+is afgeknot; de kleine neusgaten kunnen door een halvemaanvormige
+klep min of meer afgesloten worden. De voorvoeten missen den duim
+en zijn dus vierteenig; aan de achtervoeten komen vijf teenen voor;
+de klauwen zijn lang en krachtig, de zolen naakt, met een netvormig
+geplooide huid bekleed. Een dikke vacht, bestaande uit haren, die
+in den nek een lengte van 11 cM. bereiken, maar aan de onderzijde
+en aan de spits van den staart door scherpe borstels vervangen zijn,
+bedekt den romp. Tusschen de haren en de borstels staan op de geheele
+bovenzijde stekels, die 8 cM. lang kunnen worden en grootendeels door
+de haren bedekt zijn. De kleur is een mengsel van bruin, zwart en wit.
+
+"De Oerson," zegt Cartwright, "is een behendige klimmer: in den winter
+verlaat hij een boom waarschijnlijk niet, voordat hij de kroon geheel
+van schors beroofd heeft. Aan de jongste boomen geeft hij de voorkeur:
+een enkele Oerson doodt waarschijnlijk gedurende één winter wel
+honderden boomen." Audubon verhaalt, dat hij bosschen gezien heeft,
+waarvan alle boomen door den Oerson ontschorst waren, zoodat zij er
+uitzagen, alsof er een boschbrand in gewoed had. Vooral de iepen,
+populieren en dennen waren zeer sterk beschadigd.
+
+Het nest wordt in holle boomen of in rotsholen aangelegd; in April
+of Mei vindt men hierin de jongen, gewoonlijk 2, zeldzamer 3 of
+4. De jongen, die uit het nest genomen en gevangen gehouden worden,
+geraken weldra aan hun meester en aan hun nieuwe omgeving gewoon. Men
+voedt ze met allerlei plantaardige stoffen; ook houden zij zeer veel
+van brood. Als men ze in den tuin vrij rondloopen laat, klimmen zij
+in de boomen en vreten er de schors en de bladeren van op. Audubon
+verhaalt, dat een door hem verzorgde Oerson alleen dan boos werd, als
+men hem verwijderen wilde van een geregeld door hem bezochten boom
+in den tuin. "Onze gevangene was langzamerhand zeer tam geworden,
+en maakte zelden van zijne nagels gebruik: men kon daarom af en
+toe zijn hok openen en hem het genot gunnen van een wandeling door
+den tuin. Hij kende ons; als wij hem riepen en hem een appel of een
+bataat ('zoete aardappel') voorhielden, draaide hij den kop langzaam
+naar ons toe, keek ons zachtmoedig en vriendelijk aan, hompelde dan
+langzaam nader, nam ons het voedsel uit de hand, ging opzitten, en
+bracht het voorwerp met de voorpooten naar den mond. Dikwijls kwam
+hij, als hij de deur open vond, in onze kamer, kwam naar ons toe,
+wreef zich tegen onze beenen aan, en keek smeekend tot ons op om de
+een of andere lekkernij te ontvangen. Tevergeefs beproefden wij hem
+boos te maken; nooit gebruikte hij zijne stekels tegen ons. Anders
+was het, wanneer er een Hond aankwam. Dan was hij onmiddellijk op
+tegenweer bedacht, boog den kop naar beneden, richtte alle stekels op,
+en bewoog den staart heen en weer, gereed tot den strijd.
+
+"Een groote, kwaadaardige en in de hoogste mate strijdlustige
+Bullenbijter uit de buurt, sprong eens onverwachts met geopenden bek op
+het Stekelvarken toe. De Oerson scheen in 't zelfde oogenblik tot den
+dubbelen omvang op te zwellen, hield den naderenden vijand scherp in
+'t oog, en bracht hem op het juiste oogenblik met den staart een zoo
+goed gerichten slag toe, dat de Bullenbijter oogenblikkelijk den moed
+verloor, en door de smart gepijnigd luid jankte. De bek, de tong en de
+neus waren bedekt met de stekels van zijn tegenpartij. Buiten staat
+den bek te sluiten, snelde hij met geopenden muil onophoudelijk het
+erf rond. Hoewel de omstanders hem onmiddellijk de stekels uit den
+bek trokken, bleef de kop nog verscheidene weken gezwollen; maanden
+gingen er voorbij, voordat de snuit genezen was."
+
+Alleen de Indianen weten een nuttig gebruik te maken van den gedooden
+Oerson. Het vleesch van dit dier wordt door hen met smaak gegeten, en
+bevalt ook aan den blanke zeer goed. Het vel is, nadat men de stekels
+er uit verwijderd heeft, bruikbaar wegens zijn aangename zachtheid;
+de stekels worden door den wilde hoofdzakelijk gebruikt tot opsiering
+van zijne weitasschen, laarzen enz.
+
+
+
+Tot het geslacht der _Grijpstaart-stekelvarkens_ (_Cercolabes_)
+eindelijk brengt men die soorten, welke een voor 't klimmen geschikten
+staart en aan de achtervoeten zoowel als aan de voorvoeten 4 teenen
+hebben, waarnevens een klein stompje de plaats van den binnenteen
+aanduidt. Als het haarkleed zoover boven de stekels uitgroeit,
+dat deze slechts op sommige plaatsen te voorschijn komen, en aan de
+keel, de borst en den buik geheel ontbreken, worden de soorten tot
+het ondergeslacht der _Boom-stekelvarkens_ (_Sphingurus_) gerekend;
+daarentegen treden de borstels op den achtergrond bij het ondergeslacht
+der _Grijpstaart-stekelvarkens_ of _Koeandoes_ (_Synetheres_).
+
+Het _Mexicaansche Boom-stekelvarken_ [_Cercolabes (Sphingurus)
+novae-hispaniae_], een dier van 95 cM. totale lengte, waarvan ongeveer
+een derde voor den staart gerekend moet worden, bewoont de oostkust
+van Mexico. De glanzige haren zijn zeer dicht en zacht, een weinig
+gekroesd en zoo lang, dat vele stekels volkomen door hen bedekt
+worden. De stekels ontbreken op de onderdeelen, met uitzondering van
+den onderhals, voorts aan de binnenzijde van de pooten, op den snuit
+en op de achterste helft van den staart, die van boven naakt, van
+onderen met zwarte, aan de zijden met gele borstels bezet is. Het
+haarkleed heeft een zwarte kleur. Op het gelaat komen zeer lange
+snorharen voor. De stekels, die over 't algemeen een zwavelgele kleur
+hebben met uitzondering van de zwarte spits, zijn bij den wortel
+veel dunner, hooger op overal even dik, behalve vlak onder de spits,
+waar zij plotseling in een punt uitloopen; in 't midden zijn zij
+glad en bij de naaldscherpe spits met naar beneden gerichte weerhaken
+voorzien. Zoolang het Boom-stekelvarken rustig is, bemerkt men zeer
+weinig van het stekelkleed, behalve in de omgeving van de oogen
+en ooren. Als het dier toornig is, heeft het alle stekels overeind
+geplaatst, zoodat zij in alle richtingen afstaan; wanneer men nu met
+de hand over het vel strijkt, bemerkt men ze overal. Zij zijn zoo
+zwak in de huid bevestigd, dat zij bij de minste aanraking uitvallen;
+zelfs als men het dier maar even aait, gaan zij bij dozijnen los;
+geregeld blijven er dan eenige in de hand steken.
+
+De mededeelingen over het leven van de Boom-stekelvarkens in de vrije
+natuur zijn zeer schaarsch en onvolledig. De meeste hebben betrekking
+op een soort, die nauw verwant is aan de zooeven genoemde, op den
+_Koeïy_ (_Cercolabes villosus_); over hem hebben Azara, Rengger,
+de _Prins_ Von Wied en Burmeister berichten gegeven. Hij is over
+geheel Brazilië en Paraguay en een deel der verder zuidwaarts gelegen
+landen verbreid; hoewel overal bekend, is hij nergens algemeen. Bij
+voorkeur kiest hij hoogstammige bosschen tot verblijfplaats. Gedurende
+het grootste deel van het jaar leeft hij hier alleen en wel in
+een bepaald gebied, altijd op de boomen, in welker takken hij zich
+behendig beweegt. Over dag slaapt hij, tot een bal ineengerold, in een
+takgaffel; des nachts zwerft hij rond, steeds langzaam en voorzichtig
+klimmend, zonder een mispas te doen. Hensel doet uitkomen, dat dit
+dier door zijn vorm en zijn kleur zich niet veel van de omgeving
+onderscheidt. "De natuur," zegt hij, "heeft aan dit dier een groot
+voorrecht geschonken; niet tevreden met het tegen vijanden uit zijn
+eigen dierklasse te beveiligen, droeg zij er ook nog bijzondere zorg
+voor het tegen Roofvogels te beschermen. Boven het stekelkleed van
+dit dier steken nl. lange, fijne haren uit. Deze verschaffen het,
+wanneer het half ineengerold en onbeweeglijk op een boomtak zit,
+een bedrieglijke overeenkomst met een klomp grijs baardmos; zelfs de
+scherpzichtige jager gaat het licht voorbij, bedrogen, door de in den
+wind heen en weer schommelende haren en zal misschien een andere keer
+zijn geweer afschieten op een hoop van deze korstmossen, die op boomen
+groeien, in de meening het gezochte dier te zullen treffen."--De
+houding, die het Boom-stekelvarken in de boomen aanneemt, is zeer
+eigenaardig; het zit op de achtervoeten, in welker onmiddellijke
+nabijheid de voorvoeten op den tak rusten; deze zijn dan dikwijls op
+zulk een wijze gebogen, dat het dier op den rug van de hand steunt;
+de kop is intusschen loodrecht naar beneden gericht, de staart recht
+uitgestrekt en haakvormig naar boven omgebogen. Gewoonlijk beveiligt
+het dier zich tegen den val door zijn grijpstaart om een tak te
+slingeren; ook zonder dezen voorzorgsmaatregel zit het zelfs op de
+dunste takken zeer stevig, omdat het zich met de breede, naar binnen
+gewelfde handen uitmuntend kan vasthouden. Bij het klimmen drukt het
+de breede, vleezige zolen vast tegen de takken, die het met den bal
+van de hand omklemt.
+
+Het voedsel van het Boom-stekelvarken bestaat hoofdzakelijk uit
+vruchten, knoppen, bladen en wortels, die het met de handen naar den
+mond brengt.
+
+Om het leven van dit dier in de gevangenschap te schilderen, zal ik
+Azara's waarnemingen vermelden. "Ik liet er een, dat reeds oud was,
+toen het gevangen werd, in mijne kamer losloopen; een jaar lang is het
+zonder water gebleven, want het drinkt niet. Als het verschrikt werd,
+liep het met groot gemak, ik kon het echter altijd wel bijhouden zonder
+mij in te spannen, als ik denzelfden kant uitging. Al zijne bewegingen
+zijn onbeholpen; het klimt echter met gemak langs den eersten den
+besten stok op en af, en klemt zich er zoo stevig aan vast, dat er een
+tamelijk groote kracht noodig is om het los te rukken. Op de leuning
+van een stoel, op den top van een loodrecht in den grond geslagen paal
+heeft het ruimte genoeg om veilig te slapen en ook werkelijk uit te
+rusten. Zijne stompzinnigheid en bedaardheid of traagheid zijn zoo
+groot, dat er wel 24 à 48 uren voorbij kunnen gaan, voordat het van
+plaats verandert, of ook maar de geringste wijziging in zijn houding
+aanbrengt. Mijn exemplaar bewoog zich alleen, als het eten wilde; dit
+geschiedde in den regel om 9 uur 's morgens en om 4 uur 's namiddags;
+slechts een enkele maal merkte ik op, dat het ook 's nachts rondliep;
+toch houd ik het voor een nachtelijk dier. Mijn Stekelvarken ging in de
+eerste dagen van zijn gevangenschap op de leuning van een stoel zitten,
+nooit op een vlak voorwerp; toen het echter eens bij het venster naar
+boven geklommen was en daar den kant van het vensterluik gevonden had,
+zocht het later geen andere rustplaats. Boven op dit luik bracht het
+zijn tijd door; het zat hier, zonder de minste beweging te maken, in
+een ongewone houding als een steenen beeld. Zonder zich met de hand
+of den staart tegen het vallen te beveiligen, hield het zich alleen
+met de voeten vast, legde de handen over elkander en hiertusschen zijn
+snuit, alsof het zich de handen wilde kussen. Zoo zat het zonder zich
+te bewegen, ja zelfs zonder rond te kijken, tot aan het uur van zijn
+maaltijd. Van het voorgediende voedsel--brood, maïs, maniokwortels,
+kruiden, bladen en bloemen--nam het slechtst uiterst weinig, het
+hield er echter van, nu eens het eene, dan weer het andere voedsel
+te gebruiken. Het beet of krabde nooit en deed niemand eenig kwaad.
+
+"Het best ontwikkeld is bij dit dier het zintuig van den reuk. Als ik
+chocolade dronk, of met bloemen de kamer binnenkwam, merkte ik op,
+dat mijn Stekelvarken den snuit omhoog stak; hieruit kon ik veilig
+afleiden, dat het den geur op tamelijk grooten afstand waarneemt. De
+spits van zijn staart is zoo gevoelig, dat het zelfs bij zachte
+aanraking van dit lichaamsdeel onmiddellijk opstaat en schrik laat
+blijken. Voor 't overige bemerkte men aan dit dier niets anders
+dan traagheid en domheid; men mag wel zeggen, dat het nauwelijks
+verstand genoeg heeft om te eten en te leven. Nooit liet het vreugde
+of droefheid of zelfs een aangename gemoedsstemming blijken. Soms
+draaide het den kop om, als het bij den naam genoemd werd. Gewoonlijk
+echter keek het niet om, maar deed, alsof het niet zien kon; ook bij
+aanraking gedroeg het zich, alsof het van steen was, behalve wanneer
+dit te ruw geschiedde; in dit geval zette het zijn stekels op; ook
+dan echter maakte het geen verdere beweging."
+
+Daar het uitwendig voorkomen van dit dier niet aanlokkelijk is, wordt
+het door de bewoners van Paraguay maar zelden gevangen en in het
+leven gehouden; toch blijft het niet van vervolging verschoond. De
+wilden eten zijn vleesch, dat wegens zijn onaangenamen reuk door
+de blanke bewoners versmaad wordt. Ook deze dooden het dier echter,
+waar zij het ontmoeten. Door Hensel worden de volgende redenen voor
+dezen haat medegedeeld: "Het griezeligste dier van het Braziliaansche
+oerwoud is het Boom-stekelvarken. De natuur heeft er zich niet toe
+bepaald het door stekels tegen de Roofdieren te beschutten, op gelijke
+wijze als b.v. de Egel, maar heeft deze verweermiddelen bovendien op
+zulk een wijze ingericht, dat zij den vijand voor zijn aanval op de
+vreeselijkste wijze straffen. De stekels zijn n.l. aan hun onderste
+gedeelte zoo fijn en ook zoo zwak in de huid bevestigd, dat zij los
+geraken, wanneer er maar even aan getrokken wordt; zij blijven derhalve
+aan een vreemd lichaam vastgehecht, zoodra zij er met de spits in
+doorgedrongen zijn. Wanneer dus een Hond een aanval doet op het rustig
+ter aarde liggend Boom-stekelvarken, dat, bewust van de vreeselijke
+werking zijner wapens, er niet aan denkt om te ontvluchten, zullen de
+weeke deelen van den bek van den vijand getroffen worden door tallooze
+stekels; deze zullen hierin steken blijven, omdat zij weerhaken hebben;
+om dezelfde reden en tengevolge van de bewegingen die het gewonde dier
+maakt, zullen zij steeds dieper doordringen. De ongelukkige Hond kan
+den bek niet sluiten, en zal, als men hem niet spoedig te hulp komt,
+door de zwelling van de mondholte en van het strottenhoofd, na een
+smartelijk lijden stikken of verhongeren. Als men er vlug bij is, kan
+men de stekels uittrekken door ze bij de spits tusschen de duim en de
+punt van een mes te vatten; later is ook dit niet meer mogelijk en
+breken zij veeleer. Daarom nemen vele jagers een tang mede, als zij
+zich naar 't woud begeven. Het is dus verklaarbaar, dat de jager in
+het oerwoud geen enkel dier, zelfs de Vergiftige Slangen niet, zoo
+zeer haat en vreest als dit Knaagdier. Overal waar hij het ontmoet,
+zal hij het zonder mededoogen dooden, hoewel het overigens geheel
+onschadelijk is."
+
+
+
+De tot de _Grijpstaart-stekelvarkens_ behoorende _Koeandoe_
+[_Cercolabes (Synetheres) prehensilis_] heeft over 't geheel genomen
+den vorm van den Koeïy, maar is aanmerkelijk grooter en krachtiger
+gebouwd dan deze. Zijn lengte bedraagt (met inbegrip van den 45
+cM. langen staart) 1.1 M. De bekleeding met stekels begint reeds
+op het aangezicht, strekt zich uit over de geheele rugzijde, over
+de pooten tot aan het polsgewricht en het spronggewricht, over de
+voorste helft van den staart en ook over de geheele buikzijde. De
+stekels liggen echter niet glad tegen het lichaam aan. De haren,
+die tusschen de stekels groeien, worden geheel door deze bedekt en
+zijn eerst zichtbaar, als men de stekels uiteenbuigt. Deze zijn ook
+hier zeer los aan de huid gehecht, bij de aanhechtingsplaats dun,
+overigens gelijkmatig van dikte, naaldvormig en in de nabijheid van
+de zeer fijne spits plotseling zeer sterk verdund; op het achterste
+deel van den rug bereiken zij een lengte van 12 cM.; hoe nader zij bij
+het onderlijf gelegen zijn, des te korter worden zij; op de buikzijde
+gaan zij allengs in echte borstels over, die aan de onderzijde van
+het voorste deel van den staart weder stijf en stekend worden.
+
+Van de levenswijze van den Koeandoe in de vrije natuur is
+weinig bekend. Hij bewoont een tamelijk groot deel van Zuid- en
+Midden-Amerika, vooral Brazilië en Guyana, en is op vele plaatsen
+volstrekt niet zeldzaam. Op soortgelijke wijze als zijne verwanten
+slaapt hij over dag, zittend in een boomkroon; des nachts loopt
+hij langzaam maar behendig over de takken. Zijn voedsel bestaat uit
+allerlei bladen. Het vleesch van dit dier wordt door de inboorlingen
+gaarne gegeten; deze weten ook van de stekels op verschillende wijzen
+gebruik te maken, o.a. worden zij in sommige ziektegevallen in de
+huid van den patiënt gestoken, met een soortgelijke bedoeling, als
+waarvoor bij ons Bloedzuigers gebruikt worden.
+
+
+
+De uitwendige kenteekenen van de Familie der _Halfhoevigen_ of
+_Zwijnachtige Knaagdieren_ (_Caviidae_ of _Subungulata_), waartoe ook
+het bekende Guineesche Biggetje behoort, zijn: een meer of minder
+gestrekte romp, die op middelmatig hooge of hooge pooten rust,
+welker voorvoeten vier en welker achtervoeten drie, vier of vijf
+teenen hebben, waaraan korte, breede, bijna hoefvormige, van boven
+gekielde nagels voorkomen; de zool is onbehaard; de staart is bij
+sommige soorten zeer kort, bij andere alleen als een klein wratje
+waarneembaar en ontbreekt bij de overige geheel; de ooren zijn in
+den regel kort, bij eenige half zoo lang als de kop; de vacht is uit
+grove haren samengesteld. Het gebit bestaat, behalve uit de vier breede
+knaagtanden, uit vier wortellooze kiezen van ongeveer gelijke grootte
+in iedere kaakhelft. Alle leden van deze familie zijn tot Middel-
+en Zuid-Amerika beperkt.
+
+
+
+Het _Guineesch Biggetje_ (_Cavia porcellus, Cavia cobaya_)--bij ons
+algemeen bekend onder den naam van "Marmot", die aan een geheel
+anders gebouwd Knaagdier toekomt--deelde tot voor korten tijd in
+het lot van vele huisdieren: men kon zijne stamouders niet met
+zekerheid aanwijzen. Voor zoover men kan nagaan, is dit dier kort
+na de ontdekking van Amerika, in de 16e eeuw dus, door Hollandsche
+zeelieden naar Europa gebracht. Gesner (geb. 1516, gest. 1565) kende
+het reeds. Sedert dien tijd heeft het zich in Europa voortdurend in
+gevangenschap voortgeplant. Tot voor kort heeft men, waarschijnlijk ten
+onrechte, vrij algemeen den Braziliaanschen _Aperea_ (_Cavia Aperea_)
+als stamsoort van ons Guineesch Biggetje beschouwd. (Bij dezen zijn
+de snijtanden van voren bruinachtig geel, bij het Guineesch Biggetje
+daarentegen geelachtig grijs.) Volgens de onderzoekingen van Nehring
+evenwel stamt het van de Peruaansche _Cavia cutleri_ af. Deze werd in
+zijn vaderland reeds ten tijde van de Inca's als huisdier gehouden en
+wordt, volgens A. Stübel, ook thans nog door de Indianen van Peru,
+Ecuador en Columbia gefokt en gegeten. Daarentegen wordt het bij de
+Indiaansche stammen van Brazilië, die nog niet met andere volken in
+aanraking gekomen zijn, in getemden staat niet aangetroffen. Onze naam
+"Guineesch biggetje" ("Guinea-pig" bij de Engelschen) is letterlijk al
+even onjuist als de Fransche naam "Cochon d'Inde", een vertaling van
+de reeds bij Aldrovandi (1522-1605) voorkomende aanduiding "Porcellus
+indicus", waaraan ook de wetenschappelijke soortnaam ontleend is.
+
+Behalve effenkleurige Guineesche Biggetjes, van welke de witte het
+veelvuldigst voorkomen, ziet men gewoonlijk alleen driekleurige:
+wit, geel en zwart gevlekte. Volgens de onderzoekingen van Nehring
+misten de mummiën van de Guineesche Biggetjes uit den Inca-tijd,
+die op het Doodenveld van Ancon in Peru gevonden worden, steeds de
+zwarte vlekken. De effenkleurige waren wit of roodachtig bruin;
+de tweekleurige hadden een der zooeven genoemde grondkleuren
+en roodachtig bruine of geelachtig witte vlekken. Bij ons zijn,
+volgens de onderzoekingen van Haacke, driekleurige exemplaren met
+aschgrauwe in plaats van zwarte vlekken geen zeldzaamheid; deze
+hebben altijd roode oogen. In den laatsten tijd is het _Langharige
+Guineesche Biggetje_, een ras met lange haren, die op verschillende
+lichaamsdeelen eigenaardige kruinen vormen, zeer gezocht.
+
+Het Guineesche Biggetje behoort tot de meest gewilde huisdieren uit de
+geheele Knaagdieren-orde, zoowel omdat het geen hooge eischen stelt,
+als wegens zijn onschadelijkheid en goedaardigheid. Als men het een
+frissche en droge ligplaats verschaft, kan men het overal gemakkelijk
+in 't leven houden. Het voedt zich met de meest verschillende
+plantaardige stoffen; alle deelen van de plant van de wortels tot
+aan de bladen, zaden zoowel als frissche sappige plantendeelen zijn
+naar zijn smaak; eenige afwisseling in het voedsel is echter zeer
+gewenscht. Als het saprijk voedsel krijgt, heeft het geen drank
+noodig; het houdt echter zeer veel van melk. Daar het zich allerlei
+behandeling laat welgevallen en zich zelfs tegen mishandeling niet
+verzet, is het een bron van vermaak voor de kinderen, die zich in den
+regel het meest met het verzorgen van dit dier bezighouden. Door zijn
+aard herinnert het in vele opzichten aan de Konijnen, in andere aan
+de Muizen. Zijn gang is bijzonder snel en bestaat uit opeenvolgende
+kleine sprongen; het dier is echter niet onbeholpen, maar tamelijk
+behendig. Als het rust, heeft het gewoonlijk alle vier pooten gebogen
+en is de romp plat tegen den grond gedrukt; het kan echter ook overeind
+zitten op de achterpooten. Bij 't eten brengt het zijn voedsel met de
+voorpooten naar den mond. Onophoudelijk loopt het in zijn hok rond,
+het liefst langs de muren, waardoor hier spoedig een glad getreden pad
+ontstaat. Wanneer men een groot aantal van deze dieren, bijeen heeft in
+een hok, levert hun gang een aardig schouwspel op. In den ganzenmarsch
+loopen zij achter elkander aan, de geheele troep loopt op deze wijze
+soms wel honderdmaal het hok rond, zonder op te houden.--De stem van
+dit dier bestaat uit een knorrend geluid, waaraan het waarschijnlijk
+den naam Biggetje te danken heeft, en uit een eigenaardig gemurmel
+en gepiep. Het murmelen geeft, naar het schijnt, een tevreden
+gemoedsstemming te kennen, het piepen verraadt steeds opgewondenheid.
+
+Weinige Zoogdieren evenaren het Guineesch Biggetje in
+vruchtbaarheid. Bij ons werpt het wijfje twee- of driemaal per jaar
+2 of 3, dikwijls 4 of 5 jongen, in warmen landen niet zelden 6 of
+7. Deze komen volkomen ontwikkeld ter wereld, hebben reeds bij de
+geboorte open oogen en zijn reeds weinige uren na hun geboorte in
+staat om met hun moeder rond te loopen. Na ongeveer 5 of 6 maanden
+zijn de jongen in staat om zich voort te planten, na 8 of 9 maanden
+hebben zij hun definitieve grootte bereikt. Als zij goed behandeld
+worden, kunnen zij 6 à 8 jaar oud worden.
+
+Wanneer men zich veel met de Guineesche Biggetjes bemoeit, worden
+zij zeer mak hoewel zij hun vreesachtigheid nooit geheel afleggen en
+wegens de geringe ontwikkeling hunner geestvermogens zelden zoover
+komen, dat zij hunne verzorgers van anderen onderscheiden. Er
+zijn echter ook uitzonderingen. "Een Guineesch Biggetje, dat aan
+mijne kinderen toebehoort," schrijft Friedel, "begroet mijn zoon,
+zoodra het diens schreden verneemt, met een luid opgewonden gepiep;
+het maakt uit dankbaarheid een duidelijk trommelend geluid, als
+het van hem voedsel krijgt; mijn dochtertje ontvangt als groet geen
+gepiep, maar slechts een zacht gemurmel; ook voor mijn vrouw en mij
+blijft het trommelen achterwege. Als mijn vrouw 's avonds laat de
+kamer voorbijgaat, waarin het dier geborgen is, wordt zij steeds
+door een klagend gepiep aangezocht om het iets te eten te geven;
+als ik er langs kom, houdt het dier zich stil, omdat het wel weet,
+dat ik op dit late uur niets geven zal. Het kan dus vier personen
+goed van elkander onderscheiden. Bovendien kan het kunstjes maken:
+het gaat op commando dood liggen en gehoorzaamt aan het bevel om weer
+op te staan."--Zelfs het kleinste kind kan men zonder bezwaar met het
+Guineesch Biggetje laten spelen, daar het nooit pogingen zal doen
+om te bijten. Dikwijls legt het een opmerkelijke onverschilligheid
+aan den dag. Hoe prettig deze dieren het verblijf in hun hok ook
+vinden, verlangen zij er toch, naar het schijnt, niet bijzonder naar,
+wanneer zij ergens anders gebracht zijn; zij laten zich oppassen en
+verzorgen, dulden, dat men hen op den schoot neemt, met hen solt,
+enz., zonder ooit ontevredenheid te toonen. Als zij iets te eten
+krijgen, zijn zij overal tevreden. Hier staat tegenover, dat zij
+nooit een wezenlijke gehechtheid aan den mensch laten blijken, maar
+voor iedereen nagenoeg even vriendelijk zijn. Voor koude en vochtig
+weder zijn zij zeer gevoelig; zij worden er ziek van en dikwijls is
+dit oorzaak van hun dood.
+
+Schade kunnen de Guineesche Biggetjes ons niet toebrengen, tenzij hun
+als woonplaats een kamer is aangewezen en zij hier aan het houtwerk
+knagen. De schade is echter van geen beteekenis in vergelijking met
+hunne goede eigenschappen, waardoor zij menigeen genoegen verschaffen
+en dus nuttig zijn. Bovendien hebben zij, geheel onwillekeurig
+trouwens, belangrijke diensten aan de wetenschap bewezen; daar op
+hen proeven zijn genomen bij tal van physiologische onderzoekingen.
+
+
+
+Een zeer vreemdsoortige woestijnbewoner--de _Mara_ (_Dolichotis
+patagonica_)--vertegenwoordigt een tweede geslacht van de
+Halfhoevigen. In vele opzichten doet hij aan de Hazen denken, van
+welke hij echter zeer verschilt door de langere pooten en de kortere,
+stompe ooren. Bij volwassen dieren bedraagt de lengte van den romp
+50 cM.; het 4 à 5 cM. lange staartstompje is hieronder begrepen; de
+hoogte in de schoften is soms niet minder dan 45 cM. Hierdoor gelijkt
+het dier op het eerste gezicht veeleer op een kleinen Herkauwer dan
+op een Knaagdier.
+
+De Mara bewoont de steenachtige en droge woestijnen van Patagonië. Daar
+waar de Sierra Talpaquen deze woestijn begrenst en de bodem vochtiger
+en rijker aan planten begint te worden, ziet men haar in 't geheel
+niet meer. In westelijke richting komt zij voor tot in de nabijheid
+van Mendoza, dus op 33° Z.B., wat tevens wel het noordelijkste
+punt van haar verbreidingsgebied zal zijn. Darwin neemt 37°
+Z.B. als noordelijke grens aan. Twee eeuwen geleden was zij veel
+algemeener dan thans, nu zij alleen nog maar veelvuldig is in die
+gewesten, waar de ongastvrijheid van het land haar voor vervolgingen
+vrijwaart. Hoe veelvuldig zij hier ook zij, toch kost het veel moeite
+het dier te bemachtigen, om de eenvoudige reden, dat men het tamelijk
+moeielijk te zien kan krijgen. Het ligt n.l. in zijn hol verborgen,
+òf het ligt plat tegen den grond aangedrukt en wordt dan wegens zijn
+aardkleurige vacht allicht niet opgemerkt. Bovendien is het zeer schuw
+en vreesachtig. Bij het geringste gevaar gaat de Mara onmiddelijk op
+de vlucht. Zij is een echt dagdier, hoewel zij gedurende de hitte
+van den middag haar hol opzoekt. Haar voedsel bestaat uit planten,
+misschien vooral uit wortels en schors, in allen gevalle uit stoffen,
+die door andere Zoogdieren versmaad worden. In sommige streken van
+Patagonië, waar op den steenachtigen grond slechts weinige, dorre en
+doornachtige struiken een armoedig leven kunnen leiden, is zij het
+eenige levende dier, dat de aandacht trekt.
+
+Te Mendoza heeft Göring een volwassen Mara gedurende geruimen tijd
+in den gevangen staat nagegaan. Zij was een lieftallig, goedaardig,
+onschuldig dier. Van den eersten dag af, toonde zij zich zeer weinig
+schuw tegenover haar meester, nam dezen het voedsel onbeschroomd uit
+de hand en liet zich aanraken en streelen, zonder onrust te kennen te
+geven. Op liefkoozingen was zij zeer gesteld; als men haar krauwde,
+kromde zij den rug, boog den kop ter zijde, alsof zij de hand, die
+haar zulk een aangename gewaarwording verschafte, te zien wilde
+krijgen en liet intusschen een onbeschrijfelijk gepiep of geknor
+hooren, dat de uitdrukking was van een hoogst prettige stemming. De
+Indianen en de Gauchos zijn hartstochtelijke liefhebbers van de jacht
+op dit dier; hoofdzakelijk vervolgen zij het om zijn vel, dat voor
+het vervaardigen van even fraaie als zachte vloerkleeden en dekens
+dient. De bovendeelen hebben een eigenaardige, bruinachtig grijze
+kleur, fijn wit gesprenkeld, de zijden en de buitenste oppervlakte
+van de pooten zijn licht kaneelbruin, de onderdeelen wit. In de
+Europeesche dierentuinen ziet men de Mara niet dikwijls.
+
+
+
+De _Agoeti_'s of _Goetis_ (_Dacyprocta_) herinneren door hun gestalte
+in 't oogloopend aan de Dwerg-Muskusdieren: het zijn hoogpootige,
+korte, dikke Knaagdieren met langen, in een spitsen snuit eindigenden
+kop, kleine, ronde ooren, een onbehaard staartstompje en achterpooten,
+die aanmerkelijk langer zijn dan de voorpooten. Deze hebben vier
+teenen en een klein wratje op de plaats van den duim, terwijl
+zij aan de achterpooten maar vier volkomen gescheiden, zeer lange
+teenen hebben. Alle teenen zijn voorzien van forsche, breede, niet
+sterk gekromde, hoefvormige klauwen, die vooral aan de achterpooten
+goed ontwikkeld zijn; de duimwrat alleen draagt een kleinen, platten
+nagel. Over 't geheel genomen hebben de Agoeti's een fijnen, lichten en
+bevalligen lichaamsbouw en maken hierdoor een aangenamen indruk. Het
+gebit is flink, de dikke, vlakke knaagtanden komen duidelijk voor den
+dag, vooral omdat het bovenste paar tamelijk schel rood, het onderste
+geelachtig is.
+
+De Agoeti's komen tegenwoordig paarsgewijs of tot kleine gezelschappen
+vereenigd in boschrijke vlakten voor, vooral in de dichtste wouden
+van de rivierdalen; sommige begeven zich in het gebergte tot op een
+hoogte van 2000 M.
+
+
+
+De _Agoeti_, _Goeti_ of, gelijk hij wegens zijn fraaie vacht ook wel
+heet, de _Goudhaas_ (_Daciprocta aguti_), een van de fraaiste leden
+van de geheele familie, heeft een dichte en gladaanliggende beharing
+van roodachtig citroengele, met zwartbruin gemengde kleur; het ruige,
+harde, borstelachtige haar, heeft een levendigen glans. Al naar het
+jaargetijde verandert de kleur van de vacht; in den zomer is zij
+lichter, in den winter donkerder. De lichaamslengte van het volwassen
+mannetje bedraagt 40 cM., die van het staartstompje slechts 1.5 cM.
+
+Guyana, het noorden van Brazilië en Noord-Peru zijn het vaderland
+van den Goeti. In de meeste gewesten is hij zeer veelvuldig, vooral
+in de rivierdalen van Brazilië. Hier, zooals overal, bewoont hij de
+bosschen, de vochtige oerwouden zoowel als de drogere bosschen van
+het binnenland; hij zwerft echter ook in de aangrenzende, grasrijke
+vlakten rond en neemt hier de plaats van onzen Haas in. In het vrije
+veld komt hij niet voor. Gewoonlijk vindt men hem boven de oppervlakte
+van den bodem, in holle boomen dicht bij den grond, en vaker alleen,
+dan in gezelschap. Over dag ligt hij rustig in zijn leger, en alleen
+daar, waar hij zich volkomen veilig acht, zwerft hij rond. Met het
+ondergaan der zon, gaat hij uit om voedsel te zoeken, en blijft, als
+het goed weder is, den geheelen nacht hiermede bezig. Hij heeft de
+gewoonte meermalen zijn verblijfplaats te verlaten en er weder terug te
+komen; hierdoor ontstaat een smal, dikwijls 100 M. lang voetpad, dat de
+plaats waar hij woont, verraadt. Als men een Hond op dit spoor brengt,
+gelukt het in den regel het dier te bemachtigen, tenzij het leger zich
+in het dichtste deel van het woud bevindt. De Honden geven door geblaf
+de ligplaats van het wild aan, dat men daarna uit zijn hol trekken of
+uitgraven kan. Wanneer de Agoeti de komst van de Honden tijdig bemerkt,
+verlaat hij oogenblikkelijk zijn hol; door zijn behendigheid en snellen
+gang komt hij dan schielijk buiten het bereik van zijne vervolgers.
+
+De Agoeti is een onschadelijk, vreesachtig diertje en derhalve aan
+vele gevaren blootgesteld, zoodat eigenlijk alleen de buitengewone
+vlugheid van zijne bewegingen en de fijnheid zijner zintuigen hem
+voor den ondergang kunnen behoeden. Door zijne sprongen herinnert
+hij aan de kleine soorten van Antilopen en aan de Dwerg-Muskusdieren.
+
+Zijn voedsel bestaat uit de meest verschillende soorten van kruiden
+en andere planten, waarvan hij allerlei deelen, van de wortels tot
+de bloemen of zaden, gebruikt. Weinige plantendeelen zijn tegen
+zijne scherpe knaagtanden bestand; hij maakt zelfs de hardste noten
+stuk. In bebouwde oorden wordt de Agoeti door zijne bezoeken aan de
+suikerrietplantages en groentetuinen lastig.
+
+Nauwkeurige berichten over de voortplanting van den in vrijheid
+levenden Agoeti ontbreken ons tot dusver. Men weet, dat dit dier zich
+tamelijk sterk vermenigvuldigt, dat de wijfjes in alle maanden van
+het jaar jongen ter wereld brengen en dat iedere worp uit verscheidene
+jongen bestaat.
+
+Rengger verhaalt, dat de Goeti, als hij jong gevangen en met zorg
+grootgebracht is, bijna een huisdier wordt. "Ik heb," zegt hij,
+"verscheidene Agoeti's gezien, die men vrij kon laten rondloopen,
+zonder dat zij ontvluchtten, zelfs op erven gelegen te midden van
+de groote wouden, die dit dier in vrijen toestand tot woonplaats
+dienen; wanneer zij eens getemd zijn, loopen zij niet weg. Zoo zag
+ik in de wouden van het noorden van Paraguay in de hutten van eenige
+inboorlingen twee tamme Agoeti's, die den morgen en den avond in
+het woud, den middag en den nacht bij de menschen doorbrachten. Het
+is niet zoozeer de gehechtheid aan den mensch als wel het gewoon
+raken aan hun nieuw verblijf, dat bij hen de begeerte naar vrijheid
+onderdrukt. Zij gevoelen slechts weinig genegenheid voor den mensch,
+maken volstrekt geen onderscheid tusschen hun verzorger en andere
+personen, gehoorzamen slechts zelden, als hij hen roept en zoeken hem
+alleen op, als de honger hen hiertoe dringt. Ook laten zij zich niet
+graag door hem aanraken; zij dulden geen dwang, leven geheel naar
+hun eigen verkiezing en kunnen hoogstens leeren hun voedsel op een
+bepaalde plaats te komen halen. Zij worden gevoed met het overschot
+van al wat er in huis gegeten wordt. Zij houden echter volstrekt niet
+zooveel van vleesch, als Azara beweert, maar eten het slechts bij gemis
+van voedsel, dat beter voor hen geschikt is. Rozen zijn een van hunne
+lievelingsspijzen. Zoodra zulk een bloem in hun woning gebracht wordt,
+ruiken zij haar onmiddellijk en zoeken haar op. Gewoonlijk grijpen
+zij het voedsel met de snijtanden en vatten het daarna tusschen de
+beide wratvormige duimen van de voorvoeten, intusschen zitten zij
+evenals de Eekhoorntjes op de achterpooten. Soms vreten zij ook in
+neergehurkte houding, gewoonlijk doen zij dit, als zij zeer kleine
+of te kleine stukjes voedsel voor zich hebben. Ik heb ze nooit zien
+drinken; naar men zegt, nemen zij het water met de tong leppend op."
+
+Bodinus zegt terecht, dat de Agoeti's wegens hunne sierlijke gestalte,
+fraai voorkomen en zindelijkheid aan alle dierenliefhebbers aanbevolen
+kunnen worden; alleen door hun groote lust in 't knagen zijn zij
+soms lastig. Die, welke Bodinus had, waren zoo aan hem gewoon,
+dat zij hem de lekkerbeetjes, die hij hun voorhield, uit de hand
+namen en oogenblikkelijk met echt dankbare blikken naar den gever,
+opaten. Andere gevangene Agoeti's trokken sterk de aandacht door een
+eigenaardigheid, die ik bij de overige schrijvers niet vermeld heb
+gevonden. Zij zijn namelijk gewoon een groot deel van hun voedsel
+te begraven om iets in voorraad te hebben, als de nood aan den man
+komt. Zoodra hun voedsel wordt aangeboden, vallen zij er begeerig op
+aan, eten er eenige stukken van op, kiezen van hetgeen hun gegeven
+is, een stuk wortel of een vrucht uit, dragen deze in den bek weg,
+graven op de een of andere plaats een gaatje in den grond, leggen
+hun schat er in, strijken er aarde over heen, en slaan of drukken
+deze met de voorpooten vast. Zeer grappig is het na te gaan, hoe
+zij telkens omkijken, en hoe zij hun best doen om het bergen van hun
+schat ongezien te verrichten.
+
+
+
+De _Paka_ of_Waterhaas_ (_Coelogenys paca_) is gekenmerkt door
+den eigenaardigen, dikken kop met groote oogen en kleine ooren,
+den bijzonder korten staart, de hooge pooten, welker voeten alle
+met vijf teenen voorzien zijn, het borstelige, dunne aanliggende
+haarkleed en vooral door den buitengewoon krachtigen jukboog, welks
+voorste gedeelte (het breede en gewelfde jukbeensuitsteeksel van
+het bovenkaaksbeen) binnenwaarts tot op een aanmerkelijke diepte
+is uitgehold. De vacht bestaat uit korte, nauw tegen het lichaam
+aanliggende haren, die aan den rug en de andere naar boven en naar
+buiten gekeerde lichaamsdeelen geelachtig bruin, aan de onderdeelen
+en aan de binnenzijde van de pooten geelachtig wit zijn. Vijf reeksen
+van geelachtig witte vlekken van ronde of eivormige gedaante strekken
+zich uit aan weerszijde van den romp van den schouder tot aan den
+achterrand van de dij. Volwassen mannetjes kunnen 70 cM. lang,
+ongeveer 35 cM. hoog en tot aan 9 KG. zwaar worden.
+
+De Paka is over het grootste deel van Zuid-Amerika, van Suriname door
+Brazilië tot aan Paraguay, verbreid; ook komt zij op de Zuidelijke
+Antillen voor. Hoe eenzamer en wilder de streek is, des te veelvuldiger
+vindt men haar; in de bevolkte gewesten is zij overal zeldzaam
+geworden. De woudzoom en de met struikgewas begroeide rivieroevers
+of moerassige plaatsen leveren haar een verblijfplaats. Hier graaft
+zij zich een hol van 1 à 2 M. lengte in den grond en brengt hier
+den geheelen dag slapend door. Als de schemering invalt, gaat zij
+voedsel zoeken; zij doet dit ook wel in aanplantingen van suikerriet en
+meloenen, waar zij aanzienlijke schade aanricht. Voor 't overige voedt
+zij zich met bladen, bloemen en vruchten van de meest verschillende
+planten. Zij leeft paarsgewijze of eenzaam. Het wijfje werpt midden in
+den zomer één jong (hoogstens twee), houdt het gedurende het zoogen in
+een hol verborgen en voert het daarna gedurende verscheidene maanden
+met zich mede op hare wandelingen.
+
+In Brazilië is zij, met de Agoeti's en verschillende soorten van
+Gordeldieren, het gewone wild in de wouden. De Prins Von Wied ving
+haar in de oerwouden dikwijls in klemmen. Ook jaagt men haar met
+Honden en brengt haar als "koninklijk wild" aan de markt. In haar
+hol is zij niet te genaken; wanneer men echter met aandacht den
+woudzoom onderzoekt, zal men spoedig in de dichte rietbosschen
+de wisselplaatsen van het dier bemerken. Hier stelt de jager
+zijne strikken, met een maïskolf als lokaas; den volgenden morgen
+vindt hij zijn moeite ruimschoots beloond. De Paka levert het beste
+wildbraad van Brazilië; wat fijnheid en malschheid betreft, wordt het
+misschien door geen ander overtroffen. Daar dit dier een zeer dunne
+en zachte huid heeft, wordt het niet gevild, maar in zijn geheel
+gebraden gelijk een Zwijn. Na deze toebereiding, en als de kop en
+de pooten er afgesneden zijn, gelijkt het zoozeer op een jong Zwijn,
+dat men zich er in zou kunnen vergissen. Volgens Kappler springt het
+dier, wanneer het vervolgd wordt en zijn hol niet kan bereiken, in
+'t water, waar het onderduikt en zoolang blijft, tot zijn vervolger
+zich verwijderd heeft; hij vermoedt, dat het onder water verder zwemt.
+
+In den laatsten tijd heeft men de Paka niet zelden levend naar Europa
+gebracht. Reeds Buffon heeft gedurende geruimen tijd een wijfje van
+deze diersoort gehad, dat volkomen tam was, zich onder den kachel
+een leger maakte, over dag sliep, 's nachts rondliep en als het
+in een kast opgesloten was, aan het houtwerk begon te knagen. Het
+likte de hand van bekende personen en liet zich door hen krauwen,
+intusschen rekte het zich uit en gaf zijn tevredenheid door een zwak
+geluid te kennen. Vreemde personen, kinderen en Honden trachtte het
+te bijten. Als het toornig was, knorde en knarsetande het op een zeer
+eigenaardige wijze. Het was zoo weinig gevoelig voor koude, dat het,
+naar Buffon meende, in Europa inheemsch zou kunnen worden. De Paka
+stelt geen hooge eischen, zoomin wat de voeding, als wat de huisvesting
+betreft. Ik ben het met Buffon eens, dat dit dier zeer goed tegen
+koud weer bestand is; ik geloof echter niet, dat het voordeel zou
+opleveren het in Europa te acclimatiseeren.
+
+
+
+Het _Waterzwijn_ (_Hydrochoerus capybara_) mag in één opzicht als het
+merkwaardigste van alle Knaagdieren beschouwd worden: _het is het
+grootste en plompste lid van de geheele orde_. Zijn Nederlandschen
+naam draagt het terecht, want het herinnert door zijn gestalte en
+zijne op borstels gelijkende haren duidelijk aan het Zwijn. Zijne
+kenmerken zijn: de kleine ooren, de gespleten bovenlip, het ontbreken
+van den staart, de korte zwemvliezen tusschen de teenen, de forsche
+op hoeven gelijkende nagels en de hoogst eigenaardige samenstelling
+van het gebit. De kolossaal sterk ontwikkelde snijtanden zijn,
+ondanks hun geringe dikte, minstens 2 cM. breed en hebben op hun
+voorvlakte verscheidene ondiepe groeven; de laatste van de vier kiezen
+is even groot als de drie voorste te zamen genomen. De romp is in
+'t oog loopend plomp en dik, en door een korten hals verbonden met
+den langwerpigen, hoogen en breeden kop, die in een stompen snuit
+eindigt. Tot de eigenaardige uitdrukking van het gelaat dragen de twee
+tamelijk groote, rondachtige, ver uitpuilende oogen veel bij. De ooren
+zijn van boven afgerond, aan den voorrand omgestulpt, van achteren als
+'t ware afgesneden. De achterste ledematen zijn merkbaar langer dan de
+voorste; de voorvoeten hebben vier, de achtervoeten drie teenen. Een
+bepaalde kleur kan men aan de ijle, grove beharing niet toekennen: een
+moeielijk te bepalen bruine tint met een zweem van rood of bruinachtig
+geel is over den romp verspreid, zonder ergens scherp op den voorgrond
+te treden. De borstels rondom den mond zijn echter duidelijk zwart. Een
+volwassen Waterzwijn bereikt ongeveer de grootte van een eenjarig
+Gewoon Zwijn en heeft een gewicht van 50 KG. De lichaamslengte bedraagt
+meer dan 1 M., de hoogte in de schoften 50 cM. en meer.
+
+De Capybara is over geheel Zuid-Amerika verbreid; van den Orinoko tot
+aan de La Plata, van den Atlantischen Oceaan tot aan de oostelijke
+uitloopers van de Andes bewoont zij lage, boschrijke, moerassige
+gewesten, vooral rivieren, meeroevers en moerassen. Het liefst houdt
+zij zich op bij groote stroomen; zij verlaat deze nooit, tenzij om
+den loop van kleine, in dezen stroom uitmondende beken en waterloopen
+te volgen. Op sommige plaatsen is zij buitengewoon veelvuldig; in
+bewoonde oorden komt zij, zooals licht te begrijpen is, zeldzamer voor
+dan in de wildernis. In bewoonde streken ziet men deze dieren alleen
+'s morgens en 's avonds; in onbewoonde, weinig bezochte rivierdalen
+daarentegen worden zij ook over dag in groote getale waargenomen;
+altijd bevinden zij zich in de onmiddellijke nabijheid van den rivier,
+waar zij grazen of als Honden op de bijeengebogen achterpooten zitten.
+
+De gewone gang van het Waterzwijn is een langzame draf, die evenwel
+niet lang wordt volgehouden, in geval van nood beweegt het zich ook
+wel sprongsgewijs. Het zwemt uitmuntend en komt met gemak aan den
+overkant van het water, maar doet dit alleen, wanneer het vervolgd
+wordt, of als het voedsel aan de eene zijde van de rivier schaarsch
+geworden is. Wanneer het niet gestoord wordt, is het een standvastige
+bewoner van een bepaald gebied; hoewel het dit steeds verlaat,
+indien het hier vervolgingen heeft te verduren. Een eigenlijk leger
+heeft het niet, hoewel het zich op gunstig gelegen plaatsen aan den
+oever geregeld ophoudt. Zijn voedsel bestaat uit waterplanten en uit
+de schors van jonge boomen; alleen wanneer het in de nabijheid van
+plantages woont, doet het zich soms te goed aan watermeloenen of aan
+maïs, rijst en suikerriet; het kan dan in sommige gevallen een zeer
+aanzienlijke schade aanrichten. Het Waterzwijn is een stil en rustig
+dier. Reeds bij oppervlakkige beschouwing zal iedereen bemerken, dat
+het in hooge mate stompzinnig en arm van geest is. Nooit heeft men
+het met andere dieren van zijn soort zien spelen. Men ziet de leden
+van een kudde met langzame schreden hun voedsel zoeken, voor zoover
+zij niet in zittende houding uitrusten. Van tijd tot tijd wenden
+zij den kop om, als maatregel van voorzorg tegen vijanden. Als een
+van deze zich vertoont, gaan zij niet overhaast op de vlucht, maar
+loopen langzaam naar den waterkant. In den hoogsten schrik storten zij
+zich onmiddellijk luid schreeuwend in den vloed en duiken onder. Als
+zij niet gewoon zijn aan het gezicht van menschen, staren zij deze
+dikwijls langen tijd aan, voordat zij vluchten. Men verneemt van hen
+geen ander geluid dan de zooeven bedoelde noodkreet, die Azara door
+"ap" aanduidt. Dit geschreeuw is echter zoo doordringend, dat men
+het op een kwartier uurs afstand kan hooren.
+
+Het wijfje werpt eenmaal in het jaar 5 of 6 jongen. De bigjes volgen
+onmiddellijk hun moeder, maar toonen haar slechts weinig genegenheid.
+
+In den laatsten tijd werd dit dier dikwijls levend naar Europa
+gebracht. Ik heb gedurende langen tijd een Waterzwijn onder mijn hoede
+gehad. Het was buitengewoon sterk aan mij gehecht, het kende mijn stem,
+kwam nader als ik het riep, was verheugd als ik het liefkoosde, en
+volgde mij als een Hond. Zoo vriendelijk was het niet tegen iedereen:
+eens sprong het zijn oppasser, die het terugdrijven wilde, tegen de
+borst en beet toen dadelijk toe; gelukkig trof het meer de kleeren
+dan den man. Gedwee was het volstrekt niet; het gehoorzaamde alleen,
+wanneer het zulks verkoos. Ik heb de bewegingen van het Waterzwijn
+nooit plomp of onbeholpen gevonden. Zelden loopt het vlug, gewoonlijk
+beweegt het zich op zijn gemak met groote stappen; het springt echter
+zonder moeite over afschuttingen die één meter hoog zijn. In het water
+toont het ongemeene behendigheid. Het zwemt met eenparige snelheid
+lijnrecht over een breed water, even snel als een mensch loopen
+kan, duikt na den sprong als een Vogel en blijft eenige minuten
+achtereen onder water; ook zwemt het in de diepte verder, zonder
+zich in de bedoelde richting te vergissen. Het is volstrekt niet
+moeielijk dit dier in 't leven te houden. Evenals een Zwijn vreet het
+allerlei plantaardige stoffen; het heeft wel veel, maar volstrekt geen
+uitgelezen voedsel noodig. Het meest houdt het van frisch, sappig gras;
+ook wortels, rapen en gekookte zemelen zijn zeer naar zijn smaak. Met
+zijne breede snijtanden graast het als een Paard; ook drinkt het,
+evenals dit dier slurpend, met lange teugen. Het houdt van warmte,
+maar vreest de koude niet. Nog in November springt het uit eigen
+beweging in het ijskoude water, zonder door schrik of vrees voor gevaar
+hiertoe genoopt te worden.--Volgens de berichten van alle reizigers
+maken alleen de Indianen van het vleesch van het Waterzwijn gebruik;
+de Europeanen hebben er een afkeer van, omdat het een eigenaardigen,
+onaangenamen, tranigen bijsmaak heeft. De dikke, bijna onbehaarde huid
+is buitengewoon sponsachtig en zacht; zij levert een soort van leder,
+waardoor het water gemakkelijk heendringen kan, en dat derhalve alleen
+voor riemen, voetkleeden en rijzadels gebruikt wordt. De meisjes van
+den Botokoedenstam rijgen de knaagtanden van het Waterzwijn aan een
+snoer en maken er arm- en halsbanden van. Ander nut levert dit dier
+niet op.
+
+De Zuid-Amerikanen maken voor hun vermaak jacht op de Capybara,
+overvallen haar onverwachts, snijden haar den weg naar 't water af
+en vangen haar met de lasso. Haar ergste vijand behalve de mensch is
+vermoedelijk de Jagoear. Dag en nacht volgt deze sluwe roover haar
+spoor; in de rivierdalen is zij waarschijnlijk de meest gewone buit,
+die aan deze Kat ten deel valt.
+
+
+
+Onder den naam van _Schijnratten_ (_Octodontidae_) worden een
+betrekkelijk gering aantal soorten van Zuid-Amerikaansche en
+Afrikaansche Knaagdieren samengevat, die wegens de niet onbelangrijke
+verscheidenheid van vormen, welke bij hen wordt opgemerkt, in een
+betrekkelijk groot aantal geslachten worden gerangschikt. De naam van
+deze niet zeer natuurlijke familie geeft te kennen, dat hare leden bij
+oppervlakkige beschouwing, o.a. door gestalte en kleur, eenigermate
+aan Ratten herinneren. De ooren zijn kort, breed en dun behaard,
+de voeten hebben vier of vijf teenen, de staart is verschillend van
+lengte, en dikwijls, evenals bij de Echte Ratten, met uit schubben
+bestaande ringen bekleed; hiermede is trouwens nagenoeg alles gezegd
+wat van de overeenkomst dezer dieren met Ratten te vermelden viel. Bij
+eenige Schijnratten is de vacht zacht en fijn, bij anderen stijf en
+borstelig, ja zelfs met enkele platte, overlangs gegroefde stekels
+gemengd; bij enkele soorten gelijkt de staart in 't geheel niet op
+dien van de Echte Ratten, maar is behaard en zelfs ruig behaard. Het
+gebit bevat, behalve de bij alle Knaagdieren voorkomende wortellooze
+snijtanden, in elke kaakhelft 4, bij uitzondering 3, kiezen, die in
+den regel met ware wortels voorzien zijn, bij enkele soorten komen,
+evenals bij de Woelmuizen, kiezen met open wortels voor.
+
+Sommige Schijnratten leven in bosschen, andere in 't vrije veld, nog
+andere in 't kreupelhout, of tusschen rotsen, of aan de oevers van
+rivieren en andere waterstroomen, of zelfs aan de zeekust. Gewoonlijk
+wonen zij gezellig in door haar zelf gegraven, onderaardsche holen
+met talrijke openingen. Eenige doorwoelen den grond als de Mollen,
+werpen, evenals deze, aardhoopen op en leven bijna voortdurend
+onder de oppervlakte van den bodem; andere bewonen dicht met planten
+begroeide plaatsen en bewegen zich behendig in de boomkronen. Haar
+gewone arbeidstijd is de nacht, slechts weinige zijn ook over dag
+werkzaam. Sommige soorten zijn echte waterdieren en zijn meesterlijk
+ervaren in het zwemmen en duiken. Tamelijk goed verdragen zij de
+gevangenschap; zij wekken onze belangstelling door haar sierlijke
+gestalte, zijn nieuwsgierig, beweeglijk, leeren haar verzorger
+onderscheiden en hem volgen. Zij vermenigvuldigen zich tamelijk sterk,
+want het aantal harer jongen wisselt af tusschen 2 en 7; zij kunnen
+aangroeien tot scharen, die in plantages en akkers aanzienlijke schade
+aanrichten. Het geringe nut, dat zij door haar vleesch en haar vel
+opleveren, komt in geen vergelijking met het nadeel, dat zij door de
+genoemde verwoestingen veroorzaken.
+
+In Chili, Peru en Bolivia leven de _Struikratten_ (_Octodon_), die als
+'t ware een overgang vormen van de Eekhoorntjes tot de Ratten. Haar
+gebit bestaat uit gladde, ongegroefde en spitse knaagtanden en
+wortellooze maaltanden, welker kauwvlakten bijna op het Arabische
+cijfer 8 gelijken. (Van hier de naam _Octodon_, "Achttand".)
+
+De _Degoe_ (_Octodon Cummingii_) is van boven bruinachtig grijs,
+ongelijkmatig gevlekt, van onderen grijsbruinachtig, aan de borst en
+in den nek donkerder, aan den staartwortel lichter, bijna wit. De
+totale lengte van dit dier bedraagt omstreeks 26 cM., waarvan de
+staart iets meer dan een derde in beslag neemt.
+
+De Degoe is in de middenprovinciën van Chili een van de algemeenste
+dieren; bij honderden bedekken zij de hagen en het struikgewas; zelfs
+in de nabijheid van drukke steden loopen zij onbeschroomd op de wegen
+rond en dringen onbevreesd in tuinen en akkers door, waar zij door het
+moedwillig stukknagen van planten bijna evenveel schade aanrichten,
+als door hun vraatzucht. Zelden verheffen zij zich boven den bodem om
+in de onderste takken der struiken te klimmen. Door zijne gewoonten
+gelijkt dit dier veel meer op een Eekhoorntje dan op een Rat. Het
+verzamelt voorraad in weerwil van het zachte klimaat, maar vervalt
+niet in winterslaap.
+
+
+
+Tot de Schijnratten behoort ook de _Rattenbever_ of _Coïpoe_, de
+_Noetria_ der Spaansch sprekende Amerikanen (_Myopotamus coypu_). De
+romp van dit dier is ineengedrongen, de hals kort en dik, de kop
+dik, lang en breed met stompen snuit en platte kruin; de oogen zijn
+middelmatig groot, rond en uitpuilend, de ooren klein, rond en weinig
+hooger dan breed; de ledematen zijn kort en krachtig, de achterste
+een weinig langer dan de voorste; de voor- en achtervoeten hebben
+vijf teenen, die door een breed zwemvlies verbonden en met lange,
+sterk gekromde en spitse klauwen gewapend zijn, met uitzondering van
+den binnenteen van de voorvoeten, die een platten nagel draagt. De
+lange staart is rolrond, ringvormig geschubd en tamelijk overvloedig
+begroeid met dicht aanliggende, stijve, borstelige haren. Overigens
+is het haarkleed dicht, tamelijk lang en zacht; het korte, zachte,
+donzige wolhaar is voor 't water bijna ondoordringbaar; het langere,
+zachte, zwak glinsterende bovenhaar bepaalt de kleur, daar het wolhaar
+er volkomen door bedekt wordt. Het gebit gelijkt door de buitengewone
+grootte en breedte der knaagtanden op dat van den Bever.
+
+De Rattenbever kan nagenoeg zoo groot worden als een Vischotter;
+zijn lichaamslengte bedraagt gewoonlijk 40 à 45 cM. zonder den bijna
+even langen staart; men treft echter soms oude mannetjes aan, die een
+totale lengte van 1 M. hebben. Gewoonlijk is de rug kastanjebruin en
+de onderzijde bijna zwartbruin, de zijden zijn fraai rood.
+
+Een groot deel van de gematigde gewesten van Zuid-Amerika vormt
+het vaderland van dit voor den pelterijhandel belangrijk dier. De
+Rattenbevers komen voor in bijna alle landen, die ten zuiden
+van den Steenbokskeerkring gelegen zijn. In de La-Plata-Staten,
+in Buenos-Ayres, Patagonië en het middelste deel van Chili zijn
+zij overal verbreid. Hun verbreidingsgebied strekt zich uit van
+den Atlantischen tot den Stillen Oceaan: het ligt aan weerszijden
+van het hooge gebergte tusschen 24 en 43 graden Z.B. Paarsgewijs
+bewonen zij de oevers van meren en rivieren, bij voorkeur stilstaand
+water waarin zooveel waterplanten groeien, dat zij een laag vormen,
+sterk genoeg om hen te dragen. Ieder paar graaft zich aan den oever
+een hol van 1 M. diepte en 40 à 60 cM. wijdte; hierin brengt het den
+nacht en soms ook een deel van den dag door. In deze woning werpt het
+wijfje later 4 à 6 jongen, die reeds op zeer jeugdigen leeftijd hun
+moeder volgen. De Coïpoe is een uitmuntend zwemmer, maar kan slecht
+duiken. Op het land beweegt hij zich langzaam, want zijne pooten zijn
+zoo kort, dat de buikzijde van den romp bijna over den grond sleept;
+hij gaat daarom alleen dan over het land, als hij zich van den eenen
+poel naar den anderen wil begeven. Als een gevaar hem bedreigt,
+begeeft hij zich oogenblikkelijk te water en duikt onder; als de
+vervolging aanhoudt, zoekt hij ten slotte een toevlucht in zijn hol,
+dat hij in gewone omstandigheden alleen des nachts opzoekt.
+
+Zijne geestvermogens zijn gering. Hij is schuw en vreesachtig,
+en behoudt deze eigenschappen ook in de gevangenschap. Schrander
+kan men hem niet noemen, hoewel hij mettertijd zijn verzorger leert
+herkennen. In den Londenschen dierentuin wordt hij geregeld gehouden;
+in den laatsten tijd treft men hem ook in andere diergaarden aan. "De
+Rattenbever", zegt Wood, "is een vlugge en rappe maat; het is een
+lust naar hem te kijken. Dikwijls heb ik op zijn grappige manier van
+bezig zijn gelet en mij bijzonder vermaakt met de bedrijvigheid, die
+hij openbaart bij 't zwemmen door den plas, die hem tot woonplaats
+dient; ieder voorwerp, dat hem nieuw schijnt, wordt zoo zorgvuldig
+mogelijk onderzocht. Zoodra men een hoopje gras in zijn hok werpt,
+pakt hij het dadelijk met de voorpooten aan, schudt het sterk,
+om de wortels van de aanhangende aarde te bevrijden, brengt het
+vervolgens naar het water en spoelt het hierin zoo behendig schoon,
+dat een waschvrouw van beroep het hem niet verbeteren zou."
+
+De gevangen Rattenbevers, die ik onder mijn hoede heb gehad, bleven
+met korte tusschenpoozen gedurende den geheelen dag in het water of
+aan den oever, rustten hoogstens in de middaguren en waren vooral tegen
+den avond bijzonder druk in de weer. Zij toonden begaafdheden, die men
+niet bij hen verwacht zou hebben. Hoewel zij zich niet bijzonder vlug
+en ook niet lang achtereen bewegen, geven zij toch voldoende bewijzen
+van kracht en behendigheid. Den naam "Bever" dragen zij niet geheel
+te recht, want zij gelijken door hun aard en door de wijze, waarop zij
+zwemmen, meer op Waterratten dan op Bevers. Zoolang zij niet verontrust
+worden, zwemmen zij gewoonlijk rechtuit, waarbij het achterlijf diep
+onder, de kop daarentegen tot op twee derde van zijn hoogte boven
+het water wordt gehouden, terwijl de staart gestrekt is. Alleen de
+achterpooten dienen voor het roeien; de voorpooten nemen aan dezen
+arbeid evenmin deel als bij den Bever.--De stem van den Coïpoe bestaat
+uit een klagend geluid, dat niet onaangenaam klinkt, als loktoon
+dient en door zijne soortgenooten beantwoord wordt; men hoort het
+dikwijls. Als het dier vertoornd of gestoord wordt, geeft het zijn
+ontevredenheid door een verdrietig geknor of gebrom te kennen.--Het
+liefste voedsel van den Rattenbever is gras; hij versmaadt echter geen
+wortels, knollen, bladen en zaden; in de gevangenschap lust hij ook
+wel brood; voorts eet hij met smaak dierlijk voedsel, b.v. Visschen;
+ook in dit opzicht gelijkt hij op de Ratten en niet op de Bevers. Van
+boomschors is hij, naar 't schijnt, geen liefhebber. Het gras wordt
+door hem op een behendige wijze afgegraasd en niet bij stukjes en
+beetjes afgeknabbeld; het voedsel dat men hem toewerpt, wordt met
+de voorpooten gegrepen en naar den mond gebracht. Bij 't naderen
+van den winter neemt de gevangen Rattenbever voorzorgsmaatregelen;
+zij trachten daar, waar zulks mogelijk is, groote holen te graven. In
+korten tijd maken zij diepe gangen en voorzien de hierbij behoorende
+kamer met een zacht bekleedsel, door een deel van het voedsel, dat
+hun wordt toegeworpen, vooral gras, in hun hol te sleepen.
+
+De verzorging van den Rattenbever is een eenvoudige zaak; men kan
+hem gemakkelijk en goedkoop van voedsel voorzien; daar de teelt van
+deze dieren geen bezwaren oplevert, kan aan iederen liefhebber van
+dieren, die een voor dit doel geschikte ruimte heeft, het houden
+van deze Knaagdieren aanbevolen worden. Het zou zelfs wel de moeite
+waard zijn, een proef te nemen met het plaatsen van een kolonie van
+4 of 5 Rattenbevers in een goed beveiligd bosch, waarin een vijver
+of een langzaam stroomend water voorkomt en waar voldoende gras te
+vinden is. Op grond van de reeds verkregen ervaringen geloof ik,
+dat deze dieren hier genoeg voedsel zouden vinden en dat zij zich
+ook wel gedurende den winter zouden redden, zonder aan het bosch of
+aan den landbouw een eenigszins belangrijke schade toe te brengen.
+
+Wegens zijn uitmuntende vacht wordt dit dier ijverig vervolgd. In
+het jaar 1827 werden, volgens officieele opgaven van het tolkantoor
+te Buenos Ayres, 300.000 Rattenbevervellen door de provincie
+Entre-Rios uitgevoerd; de uitvoer van dit artikel is later nog sterk
+toegenomen. Tegenwoordig komen ongeveer 1 1/2 millioen vellen van
+Rattenbevers in den handel, waarvan ongeveer twee derde, de geringste
+soort, voor de viltbereiding dienen; de overige lang- en dichtharige
+vellen worden door het uitplukken van het bovenhaar voorbereid
+om tot garneering van pelzen te dienen; ten deele behouden zij hun
+natuurlijke kleur, ten deele worden zij kunstmatig geverfd. Het witte,
+welsmakende vleesch van den Rattenbever wordt op vele plaatsen door de
+inboorlingen gegeten, in andere gewesten maakt men er geen gebruik van.
+
+In Buenos Ayres wordt de Rattenbever meestal met bepaaldelijk voor dit
+doel afgerichte Honden gejaagd; deze zoeken het dier in 't water op en
+brengen het binnen het schot van den jager, of dooden het zelf, hoewel
+het groote Knaagdier zich moedig en krachtdadig te weer stelt. Op de
+ondiepste gedeelten van de plassen, waarin het zich ophoudt, en vóór
+zijn hol plaatst men klemmen.
+
+
+
+In Afrika komen Schijnratten voor, die, wat het uitwendige betreft,
+niet ongelijk zijn aan den Rattenbever. De _Rietrat_ (_Aulacodes
+swinderianus_) is een gedrongen gebouwd dier met kleinen kop, korten
+en breeden snuit, kleine, onbehaarde, halfcirkelvormige ooren en korte
+voeten, die ieder vier teenen en een knobbeltje op de plaats van den
+duim hebben. Haar vacht bestaat uit gladde, stekelachtige borstels met
+buigzame spits, die van onderen aschgrauw, in het midden donkerder en
+aan de spits, die meestal door een bruinachtig gelen ring voorafgegaan
+wordt, zwart zijn. Voorzoover bekend, strekt het verbreidingsgebied
+van de Rietrat zich van Oost-Afrika zuidwaarts tot aan het Kaapland
+uit, en omvat het aan de westkust zoowel Opper- als Neder-Guinea. Dit
+dier houdt zich in de nabijheid van het water op; bij voorkeur kiest
+het dichte gras-, riet- en biesbosschen en verward dooreengroeiende
+struiken aan den waterkant tot woonplaats. Zijn voedsel bestaat uit
+grassen, wortels en knollen, die het in voldoende hoeveelheid aan
+den oever van het water en in de vochtige laaglanden vindt. Drummond
+zegt, dat de Rietratten zeer schadelijke dieren zijn, die vooral in
+de suikerriet- en maïsplantages groote verwoestingen kunnen aanrichten
+en daarom in bebouwde streken ijverig vervolgd worden.
+
+Bovendien wordt op de Rietrat jacht gemaakt zoowel door de inboorlingen
+als door de Europeanen, omdat haar vleesch welsmakender is dan dat
+van eenig ander Afrikaansch Zoogdier.
+
+
+
+Eerst in de laatste zestig jaren is men nauwkeuriger bekend geworden
+met de leden eener kleine familie van Amerikaansche Knaagdieren, welker
+vellen reeds sinds overouden tijd door de oorspronkelijke bewoners van
+Zuid-Amerika gebruikt worden, en die men sedert het einde van de vorige
+eeuw bij groote partijen naar Europa vervoert. Naar den vaderlandschen
+naam van het meest bekende, hiertoe behoorende geslacht (_Eriomys_
+= "Wolmuis") noemt men ze gewoonlijk allen te zamen _Chinchilla_'s
+(volgens den uitspraak Tsjintsjilla's). Aan den naam van een ander
+geslacht (_Lagostomus_ = "Haasbek") is de wetenschappelijke naam
+van de familie (_Lagostomidae_) ontleend. De naam _Haasmuizen_, die
+soms aan deze familie gegeven wordt--en ook wel meer bepaaldelijk
+tot aanduiding van een derde hiertoe behoorend geslacht (_Lagidium_
+= "Haasje") dient--geeft te kennen, dat men deze dieren, wat hun
+uitwendig voorkomen betreft, als overgangsvormen tusschen de Hazen
+en de Muizen kan beschouwen. Werkelijk zou men den indruk, die hun
+oppervlakkige beschouwing wekt, op de beste wijze kunnen weergeven,
+door ze "Konijnen met langen, ruigen staart" te noemen. Door hun gebit
+onderscheiden zij zich echter zeer duidelijk van de Hazen en naderen
+zij meer tot de Halfhoevigen. Zij hebben n.l. snijtanden die van voren
+glad (ongegroefd) zijn, en in elke kaakhelft een reeks van 4 kiezen
+met open wortels; de reeks van de linkerzijde loopt niet evenwijdig
+aan die van de rechterzijde maar nadert haar naar voren.--Van alle
+Zoogdieren hebben deze knaagdieren de fijnste vacht. Haar kleur is
+licht grijs, afwisselend met wit en zwartbruin of geel.
+
+Alle Chinchilla's bewonen Zuid-Amerika; voor 't meerendeel leven zij
+in het gebergte, waar zij zelfs op groote hoogte n.l. tusschen de kale
+rotsen in de nabijheid van de sneeuwgrens gevonden worden; slechts één
+soort komt in de vlakte voor. Zij houden zich op in holen, die door
+de natuur gevormd of door haar zelf gegraven zijn. Alle zijn gezellig,
+sommige soorten bewonen familiesgewijs eenzelfde hol. Afkeerig van 't
+licht, evenals de Hazen, vertoonen zij zich het meest in de schemering
+of in den nacht. Het zijn snelle, beweeglijke, behendige, schuwe en
+vreesachtige dieren; ook door hare bewegingen gelijken zij zoowel
+op de konijnen als op de Muizen. Het gehoor is, naar het schijnt,
+van alle zinnen het best ontwikkeld. Haar verstand is gering. Haar
+voedsel bestaat uit wortels en korstmossen, bollen en schors; doch ook
+wel uit vruchten. Haar vermenigvuldiging is ongeveer even sterk als
+die der Hazen. Zij schikken zich zeer goed in de gevangenschap en zijn
+aantrekkelijk door hare zindelijkheid en tamheid. Verscheidene soorten
+richten schade aan, of worden althans lastig voor den mensch door haar
+woelen in den grond: alle zijn echter nuttig door haar vleesch en vel.
+
+
+
+De _Chinchilla_'s (_Eriomys_), die het eerste geslacht van deze
+familie vormen, onderscheiden zich van hare verwanten door haar
+dikken kop, die breede, afgeronde ooren draagt, door voorvoeten met
+vijf, en achtervoeten met vier teenen en door de vacht, die uit lang,
+buitengewoon zacht en zijdeachtig haar bestaat. Van dit geslacht zijn
+slechts twee soorten bekend, de _Chinchilla_ (_Eriomys chinchilla_)
+en de _Wolmuis_ (_Eriomys lanigera_). De eerstgenoemde wordt 30
+cM. lang zonder den staart, die zonder de haren 13 cM., met de haren
+echter 20 cM. lang is. De gelijkmatige, fijne, buitengewone zachte
+haren zijn op den rug en aan de zijden meer dan 2 cM. lang; ieder
+haar is van onderen donker blauwgrijs, verderop met breede, witte
+ringen geteekend en aan de spits donkergrijs. Hierdoor verkrijgt de
+vacht een zilvergrijze kleur met een donker waas. De onderdeelen en
+de voeten zijn zuiver wit; de staart heeft aan de bovenzijde twee
+donkere strooken. De oogen zijn groot en zwart.
+
+Reeds ten tijde van de Inca's verwerkten de Peruanen het fijne,
+zijdeachtige haar van de Chinchilla tot doeken en dergelijke gewilde
+stoffen. In de vorige eeuw kwamen de vellen dezer dieren voor 't eerst,
+als een groote zeldzaamheid, over Spanje naar hier; thans zijn zij
+een gewoon handelsartikel geworden.
+
+De reiziger, die, uitgaande van de westkust van Zuid-Amerika,
+de Cordilleras beklimt, ziet wanneer hij een hoogte van 2 à
+3000 M. bereikt heeft, alle rotsen dikwijls over een afstand van
+verscheidene mijlen bedekt door echte Chinchilla's en door twee
+soorten van een ander geslacht dezer familie. In Peru, Bolivia en Chili
+moeten deze dieren buitengewoon veelvuldig zijn; daar uit de berichten
+van reizigers blijkt, dat zij er op één dag duizenden voorbijgegaan
+zijn. Zelfs op klaarlichten dag ziet men de Chinchilla's voor hare
+holen zitten, nooit echter aan de zonzijde der rotsen, maar altijd
+in de diepste schaduw. Nog veelvuldiger merkt men ze in de ochtend-
+en avonduren op. Zij verlevendigen dan het gebergte en vooral de hooge
+kammen in onvruchtbare, steenachtige en rotsachtige gewesten, waar de
+plantengroei zich slechts op de armoedigste wijze vertoont. Juist op
+deze schijnbaar geheel kale rotswanden houden zij zich het meest op;
+hier ziet men hen buitengewoon vlug en druk zich bewegen. Met een
+merkwaardige gemakkelijkheid klauteren zij op en neer langs wanden,
+die schijnbaar in 't geheel geen steunpunten opleveren. In loodrechte
+richting klimmen zij 6 à 10 M. hoog, zoo behendig en vlug, dat men
+ze met het oog nagenoeg niet volgen kan. Hoewel zij niet bepaald
+schuw zijn, laten zij toch niemand tot op korten afstand naderen;
+zij verdwijnen oogenblikkelijk, zoodra men aanstalten maakt om hen
+te vervolgen.
+
+Ofschoon de Chinchillas zich in den Londenschen dierentuin
+vermenigvuldigd hebben, zijn de mededeelingen over haar voortplanting
+nog zeer onvolledig. In haar vaderland heeft men in alle tijden van
+het jaar drachtige wijfjes gevonden; de inboorlingen zeggen, dat het
+aantal jongen in één worp van 4 tot 6 afwisselt. In Amerika wordt de
+Chinchilla vaak getemd; naar Europa komt zij niet dikwijls in levenden
+toestand. De bevalligheid van hare bewegingen, haar zindelijkheid en de
+gemakkelijkheid waarmede zij zich in haar lot schikt, verschaffen haar
+spoedig de vriendschap van den mensch. Zij toont zich zoo argeloos en
+goedvertrouwend, dat men haar vrij in huis en in de kamer kan laten
+rondloopen. Alleen door haar nieuwsgierigheid wordt zij lastig;
+want zij onderzoekt alles, wat zij op haar weg vindt, zelfs de
+gereedschappen die hoog boven den bodem opgehangen of neergelegd
+zijn, omdat het voor haar een kleinigheid is bij tafels en kasten
+op te klimmen. Niet zelden springt zij plotseling op het hoofd of op
+de schouders van een der huisgenooten. Hare verstandelijke vermogens
+staan ongeveer op één lijn met die van ons Konijn of van het Guineesch
+Biggetje.
+
+In vroegeren tijd is de Chinchilla, naar men meent, ook in lagere
+bergstreken tot op de hoogte van den zeespiegel even veelvuldig
+geweest, als zij nu op groote hoogten is; thans vindt men ze in de
+lager gelegen oorden slechts op enkele plaatsen en steeds eenzaam
+levend. De aanhoudende vervolging, waaraan zij wegens de kostbaarheid
+van haar vel is blootgesteld, heeft haar naar de hoogten de wijk
+doen nemen. De Europeanen schieten haar nu en dan met het geweer of
+met den handboog; deze wijze van jagen is echter met het oog op het
+voordeel altijd onzeker, want als een Chinchilla niet zóó getroffen
+wordt, dat zij oogenblikkelijk bezwijkt, sluipt zij steeds nog in
+de een of andere rotsspleet en is dan voor den jager verloren. De
+Indianen plaatsen goed bewerkte strikken vóór alle rotsspleten en
+zamelen den volgenden morgen de Chinchillas in, die zich hebben laten
+vangen. Bovendien verstaan zij meesterlijk de kunst om de Peruaansche
+Wezel te temmen en voor de jacht op Chinchillas af te richten; zij
+gebruiken dezen bondgenoot op dezelfde wijze als onze jagers het Fret.
+
+In het noorden en midden van Chili wordt de Chinchilla door de
+_Wolmuis_ vervangen. Door haar levenswijze komt deze soort, naar
+het schijnt, geheel met de vorige overeen; ook zij is ongeveer van
+dezelfde gestalte en heeft een nagenoeg gelijke kleur. Zij is echter
+veel kleiner, want haar totale lengte bedraagt hoogstens 35 à 40 cM.,
+waarvan ongeveer een derde afgetrokken moet worden voor den staart. De
+dicht bijeen geplaatste, zachte haren worden op den rug 2 cM., op het
+achterstel en de zijden 3 cM. lang. Haar kleur is licht aschgrauw,
+met een donkerder tint gesprenkeld.
+
+Hoewel reeds in zeer oude reisbeschrijvingen van de Wolmuis melding
+wordt gemaakt, kwamen eerst sinds betrekkelijk korten tijd op het
+herhaald aandringen van natuuronderzoekers eenige schedels en later
+ook levende exemplaren van dit dier naar Europa. In het jaar 1829 kwam
+er één levend te Londen en werd door Bennett onderzocht. Het was een
+zeer zachtaardig schepsel, dat evenwel nu en dan, als het niet goed
+gehumeurd was, dit door pogingen om te bijten toonde. Zelden was
+zij zeer opgewekt en slechts enkele keeren zag men hare zonderlinge
+sprongen. Gewoonlijk zat zij op haar achterkwartier, hoewel zij zich
+ook op hare achterpooten kon oprichten en in deze houding kon blijven
+staan; het voedsel bracht zij met de voorpooten naar den mond. In
+den winter moest men haar in een matig verwarmde kamer brengen en
+haar woning met een stuk flanel voeren.
+
+De waarnemingen, die ik zelf aan een gevangen Wolmuis heb kunnen
+doen, leverden uitkomsten op, welke met de mededeelingen van
+Bennett overeenstemmen. Aan mijn gevangene merkte ik echter op,
+dat zij meer nachtdier dan dagdier is. Wel was zij ook over dag
+wakker, maar alleen, als zij gestoord werd. Het licht ontwijkt zij;
+men zou zelfs zeggen, dat het haar angstig maakt; altijd zoekt zij
+trouwens de donkerste plaatsen op. Hier blijft zij met ineengetrokken
+lichaam stil zitten. Een hol wordt onmiddellijk als toevluchtsoord
+gebruikt. Haar stem, een scherp geknor, ongeveer als dat van een
+Konijn, hoort men alleen, als men haar aanraakt. Ongaarne laat zij dit
+toe, ook tracht zij zich, als zij gegrepen wordt, door plotselinge,
+springende bewegingen te bevrijden; nooit tracht zij zich echter met
+haar gebit te verdedigen. Aan hooi en gras geeft zij boven ieder ander
+voedsel de voorkeur. Zaden versmaadt zij, naar het schijnt; sappige
+wortels raakt zij bijna niet aan. Of zij drinkt is niet uitgemaakt:
+men zou bijna zeggen, dat zij alle drank ontberen kan.
+
+De Zuid-Amerikanen houden zeer veel van het vleesch van beide
+soorten van Chinchilla's en ook Europeesche reizigers hebben er,
+naar het schijnt, smaak in gevonden, hoewel zij zeggen, dat het de
+vergelijking met dat van onzen Haas niet kan doorstaan. Trouwens
+de bruikbaarheid van het vleesch van deze dieren is voor den jager
+bijzaak, het voordeel moet komen van het vel.
+
+In den pelterij-handel wordt onderscheid gemaakt tusschen de vellen
+van de groote, "echte" Chinchilla's en die van de kleine, kortharige
+"Bastaard-Chinchilla's"; de eerstgenoemde brengen f 9 à f 15, de
+laatstgenoemde slechts f 0.60 à f 3 per stuk op. Van gene komen ieder
+jaar 20,000, van deze 200,000 stuks in den handel.
+
+
+
+De _Haasmuizen_ (_Lagidium_) onderscheiden zich van de eigenlijke
+Wolmuizen door de veel langere ooren, door den staart, die even lang
+als het lichaam en aan de bovenzijde ruig behaard is en door de zeer
+lange snorren. In levenswijze komen deze dieren nagenoeg volkomen
+overeen. Men kent van dit geslacht tot dusver slechts twee soorten
+met zekerheid; beide leven op de hoogvlakten der Cordilleras en wel
+dicht onder de grenzen van de eeuwigdurende sneeuw, tusschen kale
+rotsen, op een hoogte van 3000 à 5000 M. boven den zeespiegel. Zij
+zijn even gezellig, even vlug en behendig als de Wolmuizen, openbaren
+dezelfde eigenaardigheden en voeden zich met dezelfde of althans met
+soortgelijke planten.
+
+De op deze pag. afgebeelde _Haasmuis_-soort (_Lagidium Cuvieri_)
+bewoont de hoogvlakten van 't zuiden van Peru en Bolivia en heeft
+ten naaste bij de gestalte en de grootte van een Konijn. Haar vacht
+is zeer zacht en langharig; de kleur is aschgrauw, aan de zijden een
+weinig meer naar geel overhellend.
+
+De andere Haasmuis-soort bewoont Ecuador en het noordelijk gedeelte
+van Peru.
+
+
+
+De vertegenwoordiger van het derde geslacht, de _Viscacha_ (_Lagostomus
+trichodactylus_), gelijkt meer op de Chinchilla dan op de leden van
+het vorige geslacht. Zij heeft een tamelijk dicht haarkleed, dat aan de
+bovenzijde uit gelijkmatig verdeelde, grijze en zwarte haren bestaat,
+waardoor de rug er tamelijk donker uitziet; de onderdeelen zijn wit
+behaard, evenals de binnenzijde van de pooten. Zonder den staart is
+het lichaam 50, met dezen 68 cM. lang.
+
+De Viscacha vertegenwoordigt haar familie ten oosten van de Andes;
+zij bewoont thans de Pampas van Buenos Aires tot Patagonië. Toen de
+bodem nog niet zoo ver ontgonnen was als nu, kwam zij ook in Paraguay
+voor. Waar deze dieren tegenwoordig nog gevonden worden, is hun aantal
+zeer groot. Op verscheidene plaatsen treft men ze zóó veelvuldig
+aan, dat overal, doch nooit over dag, aan weerszijden van den weg,
+die men volgt, geheele troepen zichtbaar zijn. Zij houden zich in de
+eenzaamste en minst bebouwde gewesten op, doch naderen de ontginningen
+tot op korten afstand; de reizigers kunnen zelfs uit het groot aantal
+"viscachera's" (of woningen van de Viscacha) langs hun weg afleiden,
+dat de Spaansche volkplantingen niet ver meer zijn.
+
+Schraal begroeide en voor een groot deel kale, dorre vlakten zijn het
+erf van de Viscacha; hier heeft zij hare uitgestrekte, onderaardsche
+woningen, bij voorkeur in de nabijheid van kreupelboschjes en op
+geringe afstand van bebouwde velden. De holen worden gemeenschappelijk
+gegraven en ook gemeenschappelijk bewoond; zij hebben een menigte
+galerijen en vluchtgangen, dikwijls wel 40 à 50, en zijn van binnen in
+verscheidene kamers verdeeld, al naar de talrijkheid van de familie,
+die zich hier metterwoon heeft gevestigd. Het aantal familieleden kan
+klimmen tot 8 à 10; daarna verlaat echter een deel van de familie de
+oude woning en legt een nieuwe aan, liefst in de nabijheid van de
+vorige. Bovendien kan het voorkomen, dat de Holen-uil, die wij als
+commensaal van de Prairie-honden hebben leeren kennen, ook hier zich
+vestigt en zonder veel plichtplegingen het een of ander hol in bezit
+neemt. De zindelijke Viscacha's dulden nooit een huisgenoot, die niet
+evenzeer als zij op netheid gesteld is en zoeken oogenblikkelijk
+een ander kwartier op, wanneer een van de indringers haar door
+onzindelijkheid last aandoet. Hierdoor wordt het verklaarbaar,
+waarom de bodem dikwijls over een uitgestrektheid van een vierkante
+mijl geheel en al ondermijnd is. Over dag ligt de geheele familie
+verborgen in haar woning, omstreeks zonsondergang komen enkele leden
+van het gezin te voorschijn, en zoodra de schemering aanbreekt, heeft
+een meer of minder talrijk gezelschap zich voor de uitgangsopeningen
+verzameld. Nadat deze dieren door een zorgvuldig onderzoek tot de
+overtuiging zijn gekomen, dat hun geen gevaar bedreigt en geruimen
+tijd in de nabijheid van het hol rondgezworven hebben, begeven zij
+zich op weg om voedsel te zoeken.
+
+De Viscacha's gelijken door de wijze, waarop zij zich bewegen, veel
+op onze Konijnen, die haar wel wat snelheid betreft aanmerkelijk
+overtreffen; maar minder opgewekt, vroolijk en tot spelen geneigd
+zijn. Terwijl zij aan 't grazen zijn, maken zij voortdurend grappen,
+loopen haastig rond, springen knorrend over elkander heen, wisselen
+begroetingen met den snuit enz. Evenals de Jakhals en de Poolvos
+nemen zij de meest verschillende voorwerpen, die zij bij het bezoeken
+van hare weideplaatsen vinden, naar hare holen mede en stapelen deze
+voor de ingangsopening in bonte verwarring opeen, als 't ware om als
+speelgoed te dienen. Zoo vindt men beenderen en vodderijen, koedrek en
+toevallig verloren geraakte voorwerpen, die voor haar zeer zeker in
+'t geheel niet dienstig kunnen zijn, voor hunne holen opeengehoopt;
+de Gauchos gaan derhalve, als zij iets missen, naar de naastbijgelegen
+viscachera's om daar het verlorene te zoeken. Uit hunne woningen
+verwijderen deze dieren zorgvuldig al wat er niet in behoort, ook de
+lijken van hunne soortgenooten. Het is nog niet uitgemaakt, of zij
+in hun hol voorraad voor den winter bijeenbrengen. Hun stem bestaat
+uit een zonderling, niet nader te omschrijven, luid en onaangenaam
+klinkend gesnuif en geknor.
+
+Over de voortplanting is tot dusver niets met zekerheid bekend. Men
+zegt, dat de wijfjes 2 à 4 jongen werpen en dat deze na 2 à 4 maanden
+volwassen zijn. Göring zag steeds niet meer dan één jong bij de oude
+Viscacha's. Het bleef voortdurend in de onmiddelijke nabijheid van zijn
+moeder. Deze behandelt het, zoover men kon nagaan, met veel liefde
+en verdedigt het in tijden van gevaar. Als men deze jongen vangt en
+zich met hen bemoeit, worden zij tam; evenals onze Konijnen, kan men ze
+zonder moeite in 't leven houden. Hier en daar treft men in Europeesche
+diergaarden levende Viscacha's aan; die van den Frankforter dierentuin
+was steeds stompzinnig, brommig en met boosaardige woede bezield.
+
+De Viscacha's worden vervolgd, niet zoo zeer wegens de waarde van
+haar vleesch en vel, als wel wegens den last, dien zij door haar
+woelen in den grond veroorzaken. Op de plaatsen waar zij veelvuldig
+zijn, gaat het rijden werkelijk met levensgevaar gepaard, omdat de
+Paarden dikwijls door de aardlaag, die hare dicht bij de oppervlakte
+gelegen gangen bedekt, heentrappen, waardoor zij in 't gunstigste
+geval schichtig worden, zoo zij niet vallen en daarbij hun berijder
+afwerpen of zelve de pooten breken. De bewoners van het vaderland
+der Viscacha's herkennen de viscacheras reeds van verre aan de
+aanwezigheid van een kleine, wilde, bittere meloen, die misschien
+een lievelingsspijs van deze dieren is. De bedoelde plant komt op
+plaatsen waar vele viscacheras zijn, geregeld voor; het is ook wel
+mogelijk, dat, omgekeerd, de holen aangelegd worden daar, waar de
+genoemde planten in alle richtingen hare groene ranken over den bodem
+uitbreiden. De gevaarlijkste plaatsen kunnen dus vermeden worden, door
+op dit kenteeken te letten. Met alle mogelijke middelen tracht men
+de Viscacha's uit de nabijheid van de volksplantingen te verdrijven;
+men wendt in den letterlijken zin van 't woord vuur en water aan om
+ze uit te roeien. Het gras om hare holen wordt in brand gestoken om
+haar het voedsel te ontnemen; hare holen worden onder water gezet en
+zij zelf hierdoor gedwongen om naar buiten te vluchten, waar de op
+de loer liggende Honden haar weldra te pakken hebben.
+
+De Indianen eten het vleesch van de Viscacha en maken ook wel gebruik
+van haar vel, ofschoon dit een veel geringere waarde heeft dan dat
+der vroeger genoemde soorten.
+
+
+
+Aan het einde van de orde der Knaagdieren plaatsen wij de _Hazen_
+(_Leporidae_); zij vormen een familie die zoo vele eigenaardigheden
+vertoont, dat er reden zou zijn om haar den rang van onderorde toe te
+kennen. Zij zijn de eenige leden van de geheele orde, die meer dan twee
+snijtanden in de bovenkaak hebben; want achter de scherpe en breede
+knaagtanden staan nog twee echte snijtanden: kleine, stompe, bijna
+vierzijdige stiften. Hierdoor verkrijgt het gebit een zóó eigenaardig
+voorkomen, dat de Hazen in dit opzicht geheel alleen staan. Bovendien
+komen in elke kaakhelft 5 of 6, ieder uit twee platen samengestelde,
+wortellooze kiezen voor. De algemeene kenmerken van de Hazen zijn: een
+in de lengte gerekt lichaam met lange achterpooten, een lange, smalle
+kop met groote ooren en oogen, vijf teenen aan de voorpooten, vier aan
+de achtervoeten, dikke, zeer beweeglijke, diep gespleten lippen met
+dikke snorharen aan weerszijden en een dicht, bijna wollig haarkleed.
+
+Hoewel deze familie slechts een gering aantal soorten omvat,
+is zij toch over een groot deel der aarde verbreid. Alleen in het
+Australische rijk zouden de Hazen ontbreken, indien zij er niet door
+den mensch ingevoerd waren; thans echter zijn over Nieuw-Holland en
+Nieuw-Zeeland twee soorten ver verbreid. De Hazen komen voor in alle
+klimaten, in vlakten en gebergten, in open velden en rotsspleten,
+op en onder den grond, kortom overal; daar waar de verbreiding van de
+eene soort ophoudt, begint die van een andere; de landstreek waar deze
+zich niet op haar plaats gevoelt, vindt in gene een tevreden bewoner.
+
+Alle voeden zich vooral met de zachte en sappige deelen der planten,
+doch eigenlijk versmaden zij er geen enkel deel van, voor zoover zij
+het bereiken kunnen. Zij verslinden de planten van den wortel tot aan
+de vruchten, ofschoon zij bij voorkeur gebruik maken van de bladen
+van laag groeiende kruiden. De meeste leven op een beperkte schaal
+gezellig en blijven trouw aan de eens gekozen of hun toebedeelde
+woonplaats. Hier liggen zij over dag verborgen in een ondiepen kuil
+of een hol in den grond, des nachts daarentegen zwerven zij rond om
+voedsel te zoeken. Zij rusten, strikt genomen, alleen gedurende de
+middaguren en loopen, als zij zich veilig gevoelen, ook 's morgens
+en 's avonds bij helderen zonneschijn rond. Zij hebben een zeer
+eigenaardige bewegingswijze. De spreekwoordelijke snelheid van den
+Haas openbaart zich alleen, wanneer hij al zijne krachten inspant;
+bij het langzaam gaan beweegt hij zich op een zeer logge en onbeholpen
+wijze, daar de lange achterpooten een gelijkmatigen gang moeilijk
+maken. Zij kunnen echter ook gedurende den snelsten loop allerlei
+wendingen maken en geven in dit geval bewijzen van een behendigheid,
+die men bij hen niet verwacht zou hebben. Zij vermijden het water,
+ofschoon zij in geval van nood ook rivieren overzwemmen.
+
+Onder hunne zinnen staat ongetwijfeld het gehoor bovenaan; het bereikt
+hier een ontwikkeling zooals bij weinige andere dieren, en ongetwijfeld
+bij geen der Knaagdieren, voorkomt; de reuk staat op een lageren trap,
+maar is ook niet zwak; het gezicht is tamelijk scherp. Hun stem bestaat
+uit een dof geknor en, als zij angstig zijn, uit een luid, klagelijk
+geschreeuw. [De tot deze familie behoorende, in bergstreken levende
+Fluithazen (Hamsterhazen of Peka's, _Lagomys_) dragen hun naam te
+recht.] Hun stem, die men trouwens slechts zelden hoort, gaat gepaard
+met een eigenaardig geluid, dat veroorzaakt wordt door het slaan met
+de achterpooten tegen den grond; dit geluid geeft zoowel vrees als
+toorn te kennen en dient als waarschuwend sein. Bij 't nagaan van
+de inborst dezer dieren merkt men verscheidene tegenstrijdigheden
+op. Over 't geheel genomen is het beeld, dat men zich gewoonlijk van
+den Haas vormt, niet juist. Men noemt hem goedaardig, vreedzaam,
+onschuldig en lafhartig; de ervaring leert echter, dat hij ook de
+hieraan tegenovergestelde eigenschappen kan hebben. Nauwgezette
+opmerkers willen van de goedaardigheid der Hazen niets weten, maar
+noemen ze ronduit boosaardig en twistziek in de hoogste mate. Algemeen
+bekend zijn hunne vreesachtigheid, oplettendheid en schuwheid, minder
+bekend de listigheid, die zij allengs verkrijgen en die met de jaren
+tot een werkelijk bewonderenswaardige hoogte kan toenemen. Ook hun
+lafhartigheid is niet zoo erg, als men meent. Stellig doet men hen
+onrecht, wanneer men deze eigenschap zoo op den voorgrond stelt, als
+Linnaeus deed, toen hij den Sneeuwhaas een naam gaf (_Lepus timidus_),
+die hem voor altoos als een lafaard aan de kaak gesteld heeft.
+
+Hoewel het voortplantingsvermogen van de Hazen niet zoo sterk is als
+dat der andere Knaagdieren, is het toch belangrijk genoeg om het oude
+jagersgezegde, dat de Hazen zich in 't voorjaar onder vier oogen naar
+'t veld begeven om in 't najaar met hun zestienen van daar terug te
+keeren, van volle kracht te doen blijven op plaatsen waar 't leven
+onzen Lampe vriendelijk tegenlacht en de vervolging niet al te erg
+is. De meeste Hazen werpen verscheidene malen per jaar jongen, soms
+3 à 6, in enkele gevallen zelfs 11 te gelijk; bijna alle behandelen
+hunne kinderen echter op eene buitengewoon lichtzinnige wijze, waarvan
+het gevolg is, dat er zoovele vroegtijdig sterven. Bovendien worden
+zij wegens hun smakelijk vleesch door een geheel leger van vijanden
+vervolgd; in ieder werelddeel zijn dit andere dieren, maar wat hun
+aantal betreft, bestaat er tusschen het eene deel der aarde en het
+andere niet veel verschil. Voor Duitschland heeft Wildungen de namen
+dezer dieren in een rijmpje bijeengevoegd, dat vrij vertaald ongeveer
+den volgenden inhoud heeft:
+
+
+ Menschen, Honden, Wolven, Lossen,
+ Katten, Marters, Wezels, Vossen,
+ Arend, Ooruil, Havik, Wouwen,
+ Elke Kraai, die wij aanschouwen,
+ Ekster, Raaf niet te vergeten,
+ Ieder, ieder wil hem--eten.
+
+
+Het is wegens de talrijkheid hunner vijanden waarlijk geen wonder,
+dat de Hazen zich aanmerkelijk minder sterk vermenigvuldigen dan
+anders het geval zou zijn; wij mogen ons gelukkig achten, dat dit
+zoo is, daar anders deze Knaagdieren niets op onze akkers zouden
+overlaten. In alle streken waar hun aantal aanmerkelijk toeneemt,
+worden zij een plaag voor het land.
+
+De leden van het geslacht _Haas_ (_Lepus_) onderscheiden zich door
+ooren, die bijna zoo lang zijn als de kop, door de kortheid van den
+duim der voorvoeten, de groote lengte der achterpooten (bijna het
+dubbele van die der voorpooten), het opwaarts gerichte staartstompje,
+en de 6 kiezen in elke bovenkaakshelft (in de onderkaak zijn er 5
+aan elke zijde).
+
+"Lampe", de _Gewone Haas_, een stevig Knaagdier van 75 cM. totale
+lengte, waarvan slechts 8 cM. op den staart komen, en 30 cM. hoogte,
+is een van de beide bij ons inheemsche vertegenwoordigers van
+het Hazengeslacht. Hij bereikt een gewicht van 3 1/2, 4, 5, soms
+van 6 KG., in zeldzame gevallen wordt een oud mannetje 7 of 8,
+ja zelfs 9 KG. zwaar. De afwijkingen van grootte en kleur, die
+men bij onze Hazen opmerkt, en die samengaan met het verschil in
+smaak van hun vleesch, zijn een gevolg van de ongelijkheid van de
+gronden, waarop zij leven, en van het voedsel, dat zij er vinden. Zoo
+wordt b.v. de "Steenhaas," die iets kleiner, lichter van kleur en
+volgens de fijnproevers lekkerder is dan de haas van de kleistreken,
+vooral op heidevelden aangetroffen. Ook spreekt men van Heidehazen,
+Grasbuiken en Duinhazen. De vacht bestaat uit kort wolhaar en lang
+bovenhaar. Van haar kleur kan niet gemakkelijk met weinige woorden
+een voor allen geldige beschrijving gegeven worden. In den regel is
+zij grijsachtig bruin, op den rug donkerder en aan den buik wit, het
+uiteinde der ooren en het bovendeel van den korten staart zijn zwart,
+van onderen is de staart wit, op de schouders en de zijden is de
+kleur bijna geheel ros. In den winter is de kleur altijd eenigszins
+anders dan des zomers; ook vindt men vele kleurverscheidenheden:
+donkere, gevlekte en witte. In den regel is de kleur van den Haas
+voortreffelijk geschikt om dit dier, als het op den grond rust,
+aan de blikken zijner vijanden te onttrekken.
+
+De (of, zooals de jager gewoonlijk zegt, "het") Haas draagt al naar
+geslacht en leeftijd verschillende namen (die voor 't meerendeel ook
+op het Konijn toepasselijk zijn). Het mannetje heet "rammelaar,"
+het wijfje "moerhaas" of "voedster". (Bij de Marters, Bunzingen
+en Wezels, en ook wel bij het Konijn, spreekt men van "ram" of
+"voedster".) "Halfwassen" is het jonge wild, wanneer het ongeveer
+de helft van zijn wasdom heeft bewerkt. "Drieling" noemt men "het"
+Haas, dat voor drie vierde volwassen is. De ooren heeten, volgens de
+"jachtmatige" spreekwijze "lepels", de oogen "spiegels", de kop "bol",
+de pooten "voorloopers" en "achterloopers", de achterbouten of dijen
+"kussens"; het haar wordt "wol", de staart "pluim", de huid "vel"
+genoemd. Voorts zijn ook de volgende termen van belang; "Het" Haas
+en ook het overige "loopend" (viervoetig) wild is aan 't "laveien",
+als het uitgegaan is om "lavei" (voedsel) te zoeken; het "drukt" zich,
+als het zich op den grond verbergt om niet door den jager opgemerkt te
+worden. Het "breekt uit" naar "'t veld" om te "laveien" en "vaart in"
+"het hout", als het de omgekeerde richting volgt om te gaan rusten;
+het volgt daarbij zijne "passen" of "wissels"; het "vaart in" het
+"leger" wanneer het zich begeeft naar de ondiepe uitholling van
+den bodem, waarin het over dag slaapt; het verlaten van het "leger"
+heet "uitvaren"; door de Honden wordt het genoodzaakt het bosch te
+"ruimen". De jager zal het dier "naoogen" ("nawaren"). In het veld,
+"waar het zich drukte," wordt het door den Hond "opgestooten", of
+"opgedaan", d.w.z. het "rijst" bij nadering van den Hond (of van den
+jager), wordt doodelijk getroffen door een "bladschot" (d.i. van ter
+zijde in het schouderblad, in het voorste gedeelte van den romp), maar
+niet onmiddellijk neergeveld door een "weidewond" (in de onedele of
+onderbuiksingewanden); men ziet het "zweet" (bloed); het dier "klaagt"
+(kermt), "sneuvelt", dikwijls na vooraf "genekt" te zijn (wanneer men
+"het" bij de "achterloopers" opgenomen Haas of Konijn doodt door een
+slag met den kant van de rechterhand in den nek), wordt "ontweid"
+(van ingewanden ontdaan), "afgehaald" (gevild) enz.
+
+Geheel Middel-Europa en een klein deel van westelijk Azië vormen het
+vaderland van onzen Haas. In het zuiden wordt hij vervangen door een
+soort van iets geringere grootte en meer rosse kleur, den Haas van
+'t Middellandsche-zee-gebied, op de hoogste gedeelten der Alpen en in
+het hooge noorden door den Sneeuwhaas. De Alpenhaas en de Sneeuwhaas
+zijn misschien verschillende soorten, hoewel zij onderling veel
+overeenkomst vertoonen. Onze Haas bereikt de noordelijkste grens
+van zijn verbreidingsgebied in Schotland, in 't zuiden van Zweden,
+in Noord-Rusland (op ongeveer 65 à 70° N.B.), de zuidelijkste
+grens in 't zuiden van Frankrijk en in 't Noorden van Italië. In
+Siberië werd hij nog niet aangetroffen. Binnen het genoemde gebied
+komt hij, zooals licht te begrijpen is, niet overal even veelvuldig
+voor. Hoewel de beperking van het aantal Hazen door de jacht, wegens
+de zeer verschillende wijzen, waarop de jacht wordt uitgeoefend,
+zeer ongelijkmatig geschiedt, spreekt het wel van zelf, dat deze
+dieren zich bij voorkeur ophouden in de vruchtbaarste gewesten,
+vooral in vlakten waar landbouw en veeteelt bloeien en waar bovendien
+geen gebrek is aan schuilplaatsen, b.v. struiken en kreupelhout. In
+gewesten, die grootendeels met bosschen bedekt zijn, komen zij
+minder overvloedig voor; in uitgestrekte wouden zijn zij betrekkelijk
+zeldzaam. Een golvend, heuvelachtig terrein vermijden zij niet geheel;
+hoogere bergstreken zijn echter arm aan Hazen. Hoewel zij in den
+Kaukasus nog voorkomen op 2000 M. en in de Alpen op 1600 M. hoogte,
+worden zij toch in het Beiersche Oberland reeds op 1000 M. hoogte
+slechts bij uitzondering aangetroffen; boven deze grens worden zij al
+spoedig vervangen door den Sneeuwhaas. Duidelijk geeft de Gewone Haas
+aan gematigde gewesten de voorkeur boven die, waar een ruw klimaat
+heerscht. Omdat hij van de warmte houdt, vestigt hij zich het liefst
+in velden, die onder den wind liggen en tegen de koudste winden beschut
+zijn. De pogingen die men gedaan heeft, om hem in noordelijker gewesten
+inheemsch te doen worden, zijn mislukt. Oude rammelaars zijn minder
+kieskeurig, wat hun woonplaats betreft, dan voedsters en jonge Hazen;
+gene maken zich dikwijls een leger in het struikgewas, in rietvelden
+en in hoog gelegen, boschachtige bergstreken; terwijl de andere bij
+de keuze van hun leger altijd zeer zorgvuldig te werk gaan.
+
+Over het algemeen is de Haas meer nachtdier dan dagdier, hoewel
+men hem op heldere zomerdagen 's avonds reeds vóór zonsondergang en
+'s morgens nog na zonsopgang in het veld ziet rondzwerven. Hoogst
+ongaarne verlaat hij de plaats waar hij geboren en getogen is. De
+jongen zijn gehecht aan de plek, waar zij het eerste levenslicht
+hebben aanschouwd; in het oude leger vertoeven zij ook op lateren
+leeftijd nog gaarne. Een der wijfjes-jongen vestigt zich daar veelal,
+maar heeft bovendien nog een paar andere nesten. De Haas heeft altijd
+meer dan één leger; wordt hij in 't eene ontdekt dan trekt hij naar een
+ander. Na den dood van de voedster; die het ouderlijk leger bewoonde,
+wordt deze schuilplaats al zeer spoedig, soms reeds den volgenden
+dag, door een anderen jongen moerhaas ingenomen, die er vermoedelijk
+insgelijks geboren is. Een natuurdrift schijnt de wijfjes aan deze plek
+te binden. Door allerlei tegenspoeden, gebrek aan voedsel, vervolging
+enz. worden zij dikwijls gedwongen ver van haar leger rond te zwerven;
+zij keeren er echter in terug, als de paartijd nadert. De rammelaar
+schijnt minder gehecht te zijn aan den geboortegrond, doch ook hij
+zoekt dezen in den herfst weer op. Dit geschiedt steeds, als de rust
+van den Haas niet of niet te veel verstoord wordt; voor een te lang
+aanhoudende vervolging neemt hij voor goed de wijk naar andere oorden.
+
+De neiging van de Hazen om steeds terug te keeren naar de woonplaats
+hunner voorouders en dezer eigenaardige levenswijze aan te nemen,
+geeft aanleiding tot het onderscheiden van verscheidenheden, die door
+woonplaats en gewoonten van elkander verschillen. Zoo spreekt men
+o.a. van Veldhazen, Boschhazen, Woudhazen en Berghazen. De "Veldhaas"
+houdt zich meestal in 't bouwland op en verschuilt zich bij droog en
+stil weder onder de te velde staande, groeiende of reeds verdroogde
+gewassen. Als 't regent, verlaten zij echter dit leger en zoeken,
+daar zij den regen boven den drop verkiezen, hun toevlucht op het
+opene, kale land. Daar de jager ze hier gemakkelijker kan vinden
+zal de jacht gedurende het regenachtige weer, dat meestal tegen het
+einde van den jachttijd invalt, niet zelden gelukkig zijn. Als de
+oogst op den door den Haas bewoonden akker aanvangt, begeeft hij zich
+naar andere plaatsen, waar graan, rapen, kool of dergelijke planten
+verbouwd worden. Hij eet klaver, jonge graangewassen, distels, kool
+en koolzaad; gele of roode wortelen, die hij met de pooten loswoelt,
+zijn voor hem een lekkernij; ook allerlei wilde planten in het bouwland
+en in de venen eet hij met smaak. Zijn lievelingskost schijnt echter
+peterselie te zijn. In het laatste gedeelte van den herfst vestigt
+hij zich bij voorkeur in een braak liggend land, dat reeds eenigen
+tijd geleden werd omgeploegd, of op een niet al te vochtigen, met
+biezen begroeiden grond of op een koolzaadakker. Het winterkoren en
+het winterkoolzaad maken nu zijn hoofdvoedsel uit. Zoolang er weinig
+of geen sneeuw ligt, verandert hij niet van leger. 's Nachts bezoekt
+hij de tuinen, waar hij kool kan vinden. Wanneer er veel sneeuw
+valt, laat hij zich in zijn leger insneeuwen, maar gaat, zoodra de
+bui ophoudt, in de buurt van de klaverakkers wonen. Zoodra er een
+ijskorst over de sneeuw komt, vangt voor hem een moeilijk tijdperk aan;
+hoe minder voedsel hij op de akkers vindt, des te meer schade zal hij
+aanrichten in de tuinen en boomkweekerijen. De schors van de meeste
+jonge boomen, vooral die van den acacia en van zeer jonge berken,
+is hem dan even welkom als de roode kool. Als de sneeuw door den dooi
+afneemt of geheel verdwijnt, keert de Haas naar het winterkoren terug,
+dat hem als voedsel dient, totdat het in de lente opnieuw begint
+te groeien. Kort vóór zonsondergang (na een warmen regen nog iets
+vroeger) begeeft hij zich naar het zomerkoren. Ook hiervan maakt hij
+geen gebruik meer, zoodra de planten ouder geworden zijn; hij blijft
+echter in het jonge graan liggen en bezoekt 's avonds de akkers,
+waarop de kool sinds kort werd overgeplant, de rapenvelden enz.
+
+De "Boschhaas" begeeft zich alleen 's avonds naar het veld en keert
+'s morgens met het aanbreken van den dag of kort na zonsopgang weder in
+'t bosch terug. Gedurende den zomer echter houdt hij zich soms ook wel
+over dag in het hooge koorn op, of, als het regent, op ongebroken of
+omgeploegd braakland. In den herfst, als de struiken hunne bladeren
+laten vallen, verlaat hij het bosch geheel, daar het vallen der bladen
+hem angstig maakt; in den winter trekt hij zich in het donkere deel van
+'t bosch terug; zoodra de dooi invalt, komt hij weder in het minder
+dichte gedeelte. De eigenlijke "Woudhaas" vertoeft gedurende het
+zachte en groeizame jaargetijde in den woudzoom; hij begeeft zich van
+hier des avonds naar de velden, wanneer op de weiden in het woud niet
+genoeg voedsel te vinden is. Bij felle vorst zoekt hij de duistere
+gedeelten van het woud op en dringt er steeds dieper in door, zonder
+zich om het afvallen der bladen te bekommeren.--De Berghaas vaart zoo
+goed bij het gebruik van de geurige kruiden, die in de nabijheid van
+zijn verblijfplaats groeien, dat hij, als er akkers in de nabijheid
+zijn, deze alleen uit lust tot snoepen bezoekt.
+
+"Buiten den paartijd," zegt Dietrich aus dem Winckell, "brengt de Haas
+den geheelen dag slapend of sluimerend in zijn leger door. Nooit gaat
+hij regelrecht op de plaats af, waar hij een oud leger weet of een
+nieuw wil maken, maar loopt eerst een eind voorbij de plaats waar
+hij rusten wil, keert terug, doet weer eenige sprongen te veel, dan
+weer een sprong zijwaarts en herhaalt dezen voorzorgsmaatregel eenige
+malen, tot hij eindelijk met een flinken sprong op de plaats aanlandt,
+waar hij blijven wil. Bij het maken van zijn leger graaft hij in
+'t vrije veld een ongeveer 5 à 8 cM. diepe uitholling in den grond,
+die daar, waar het achterste deel van 't lichaam moet liggen, een
+weinig gewelfd is; deze kuil is lang en breed genoeg om te maken dat
+er van het bovenste deel van den rug slechts zeer weinig te zien komt,
+als het dier in het leger de voorpooten uitstrekt, hierop den kop met
+de op den rug neerliggende ooren laat rusten en de achterpooten onder
+het lichaam samentrekt. Deze schuilplaats beschut den Haas gedurende
+het zachte jaargetijde tamelijk goed tegen storm en regen. In den
+winter holt hij het leger gewoonlijk zoover uit, dat er niets dan een
+klein zwartachtig grijs plekje van zichtbaar blijft. In den zomer
+keert hij den kop naar 't noorden, in den winter naar 't zuiden,
+bij stormachtig weer echter zoo, dat hij den wind achter zich heeft.
+
+"Het is, alsof de natuur den Haas door opgewektheid, snelheid en
+sluwheid heeft trachten schadeloos te stellen voor de hem aangeboren
+vreesachtigheid en schuwheid. Als hij de een of andere gelegenheid
+heeft gevonden om onder bescherming van de duisternis zijn zeer goede
+eetlust te bevredigen, en het weder niet al te ongunstig is, zal er
+bijna geen morgen voorbijgaan, zonder dat hij zich onmiddellijk na
+zonsopgang op droge, vooral op zandige plaatsen met zijne soortgenooten
+of in zijn eentje met lichaamsoefeningen vermaakt. Door grappige
+sprongen, door in een kring rond te loopen en zich over den grond
+te wentelen toont hij zijn vroolijke gemoedsstemming; soms is hij
+zoozeer in dit spel verdiept, dat hij zijn ergsten vijand, den Vos,
+niet opmerkt. Een oude Haas laat zich niet zoo gemakkelijk beetnemen,
+en weet, als hij gezond en niet vermoeid is, in den regel aan de
+vervolging van zijn aartsvijand te ontkomen. Hij tracht dan door
+'haken te slaan' (door zijsprongen en wendingen), een list, die
+hij meesterlijk ten uitvoer brengt, zijn vijand te foppen. Alleen
+wanneer hij voor snelle Windhonden vlucht, tracht hij een anderen Haas
+vooruit te schieten om zich in diens leger 'te drukken', waarna hij
+den uit zijn woning verdreven kameraad koelbloedig aan de vervolging
+prijs geeft. Ook begeeft hij zich dan wel te midden van een kudde
+vee of dringt in het eerste het beste rietbosch door; ingeval van
+nood zwemt hij over een tamelijk breed water. Nooit echter waagt hij
+het weerstand te bieden aan een levend wezen van een andere soort,
+en alleen als de ijverzucht hem prikkelt, geraakt hij in strijd met
+zijns gelijken. Soms komt het voor, dat een denkbeeldig of werkelijk
+bestaand gevaar hem zoozeer verrast en van zinnen brengt, dat hij ieder
+middel tot redding verzuimt, in de grootste angst heen en weer loopt,
+of zelfs op jammerlijke wijze begint te klagen."
+
+Over 't algemeen is hij voor onbekende voorwerpen buitengewoon
+schuw, hij mijdt daarom zorgvuldig alle in 't veld geplaatste
+"hazenverschrikkers". Het komt echter ook wel voor, dat oude, volleerde
+Hazen buitengewoon driest zijn, zich niet eens door Honden laten
+verdrijven en, zoodra zij bemerken, dat deze opgesloten zijn of vast
+liggen, met onvergelijkelijke onbeschaamdheid in den tuin komen om als
+'t ware onder de oogen van de Honden hunne rooverijen te plegen. Lenz
+heeft meermalen gezien, dat Hazen zoo dicht onder zijn venster en
+naast de vastliggende Honden langs gingen, dat het schuim uit den
+bek van de ten hoogste vertoornde Honden hen op de vacht spatte.
+
+De snelvoetigheid van den Haas is grootendeels hieraan te danken,
+dat zijne achterpooten langer zijn dan zijne voorpooten. Om dezelfde
+reden kan hij beter bij een helling op dan er af rennen. Als hij geen
+haast heeft, maakt hij veel korter sprongen dan wanneer hij zich er op
+toelegt om snel vooruit te komen. Bij het vluchten gaat hij dikwijls
+zonder bijzondere reden op eenigen afstand van zijn leger opzitten
+als een Hond; als hij de hem najagende Honden een eind weegs vóór is,
+gaat hij op de geheel gestrekte achterpooten staan, doet zoo een paar
+schreden vooruit en draait zich om en om.
+
+Gewoonlijk maakt hij alleen dan geluid, als hij zich in gevaar
+bevindt. Dit geschreeuw gelijkt op dat van kleine kinderen en wordt
+"klagen" genoemd.
+
+Onder de zinnen van den Haas is, gelijk men reeds uit de groote ooren
+kan opmaken, het gehoor het best ontwikkeld; de reuk is behoorlijk
+goed; het gezicht echter tamelijk zwak. Zijne meest in 't oog vallende
+eigenschappen zijn buitengewone voorzichtigheid en oplettendheid. Het
+zwakste geluid in zijn nabijheid, het suizen van den wind, die door
+de bladen speelt, het ritselen van een blad, zijn voldoende om hem,
+als hij slaapt, te wekken en scherp te doen opletten. Een bij hem
+langs sluipende Hagedis of het gekwaak van een Kikvorsch kan hem
+uit zijn leger verjagen, en zelfs als hij in vollen ren is, kan
+men hem door gefluit, dat niet eens krachtig behoeft te zijn, doen
+stilstaan. Ten onrechte noemt men hem zachtaardig. Dietrich aus dem
+Winkell zegt zelfs, dat de leelijkste eigenschap van den Haas zijn
+boosaardigheid is, al openbaart hij deze niet door krabben en bijten:
+de moerhaas geeft er de duidelijkste bewijzen van door de geringe
+zorg, die zij voor haar kroost draagt; de Rammelaar mishandelt de
+jonge haasjes dikwijls op afkeerwekkende wijze.
+
+De bronsttijd begint na strenge winters in 't begin van Maart,
+bij zachtere weersgesteldheid reeds in het laatst van Februari (of
+vroeger; soms reeds in het begin van deze maand of zelfs in Januari)
+over 't algemeen des te eerder, naarmate de Haas meer voedsel kan
+vinden. Alle Hazen zijn dan buitengewoon onrustig. De ijverzucht
+verbittert ook het gemoed van den Haas en geeft aanleiding tot
+gevechten, die voor den toeschouwer hoogst vermakelijk zijn. Twee,
+drie of meer rammelaars komen bijeen, rennen op elkander af, loopen
+terug, richten neergehurkt het lichaam omhoog en verheffen zich op de
+achterpooten, vliegen elkander opnieuw aan en deelen oorvijgen uit,
+zoodat de wol in 't rond stuift, totdat eindelijk de sterkste zijne
+tegenstanders het veld doet ruimen. Geloofwaardige jagers verzekeren,
+dat deze gevechten tusschen verliefde Hazen, hoe onschuldig zij
+ook schijnen, soms toch zware verwondingen ten gevolge hebben; niet
+zelden treffen zij op hun jachtveld blinde Hazen aan, die bij een
+minnestrijd aan de oogen verwond werden. De afgekrabde wol, die op
+de kampplaatsen verspreid ligt, is voor den jager een teeken, dat de
+bronsttijd werkelijk aangevangen is; in jaren met buitengewoon zacht
+weer zal iedere dierenvriend zich wel wachten na dit tijdstip nog op
+de hazenjacht te gaan.
+
+De moerhaas blijft ongeveer dertig dagen drachtig. Volgens Altum heeft
+men wel eens in Januari jonge Hazen gevonden. Gewoonlijk echter heeft
+de eerste worp plaats tusschen het midden en het einde van Maart,
+de vierde en laatste in Augustus. De eerste maal brengt het wijfje
+minstens één of twee, de tweede maal drie à vijf, de derde maal drie
+en de vierde maal één of twee jongen ter wereld. Hoogst zelden en
+slechts in een zeer gunstig jaar werpt een Haas vijfmaal jongen. De
+geboorteplaats van de jongen bestaat uit een hoogst eenvoudige
+uitholling van den bodem op een stille plaats van het bosch of van
+akker; veelal een droge, met gras begroeide of met ruigte omzette
+plek, waarin de moerhaas strooi of andere doode planten brengt,
+soms kiest zij het bloote, kale veld voor kraambed uit, als haar de
+tijd ontbroken heeft een betere schuilplaats te zoeken. De jongen
+komen met geopende oogen ter wereld; de ooren hangen aanvankelijk
+neer, doch richten zich weldra op; in alle opzichten is het bij
+de geboorte al zeer ontwikkeld. Vele jagers hebben gezien, dat de
+jonge Hazen onmiddellijk na de geboorte zichzelf moesten drogen en
+reinigen. Zeker is het, dat de moeder slechts gedurende de eerste
+vijf of zes dagen bij hare kinderen blijft, en ze daarna, met het oog
+op een nieuwe vrijage, aan hun lot overlaat. Slechts nu en dan komt
+zij weer terug op de plaats waar de jongen geboren werden, lokt ze
+bijeen door een eigenaardig geklepper met de ooren en laat ze zuigen,
+waarschijnlijk slechts om bevrijd te worden van de voor haar lastige
+melk en niet uit echte moederliefde. Bij het naderen van een vijand
+verlaat zij haar kroost in den regel, hoewel, er ook gevallen bekend
+zijn, dat oude voedsters haar kroost tegen kleine Roofvogels en Raven
+verdedigd hebben. Over 't algemeen is het aan de liefdeloosheid van de
+moeder te wijten, dat er zoo weinige jongen in 't leven blijven. Die
+van den eersten worp bezwijken in den regel door de koude. Indien er
+al een het zwakke leven behoudt, wordt het door gevaren van allerlei
+aard bedreigd, zelfs staat het aan de mishandelingen van zijn vader
+bloot. Het gedrag van den rammelaar ten opzichte van de jonge Hazen
+is werkelijk slecht; waar hij kan, kwelt hij ze dood. "Ik hoorde
+eens," zegt Dietrich aus dem Winckell, "een jongen Haas schreeuwen,
+en meende, daar het geluid van uit de nabijheid van het dorp kwam,
+dat het dier zich in de klauwen van een Kat bevond; om dezen roover
+met een schot te beloonen, kwam ik nader. In plaats van een Kat,
+zag ik echter vóór het haasje een rammelaar zitten, die het jonge
+dier met de beide voorpooten links en rechts zoo hevig om den kop
+sloeg, dat het er reeds suf van geworden was. Het oude dier moest
+zijn boosaardigheid met het leven boeten."
+
+Bij geen ander in 't wild levend dier heeft men zooveel misgeboorten
+opgemerkt, als bij de Hazen. Exemplaren, die twee koppen of althans
+een dubbele tong hebben, of met buiten den bek uitstekende tanden
+voorzien zijn, komen niet zelden voor.
+
+De jonge Hazen verlaten ongaarne de streek, waarin zij het eerste
+levenslicht aanschouwden. Zij verwijderen zich niet ver van elkander,
+hoewel ieder zich een eigen leger graaft. Des avonds gaan zij
+gezamenlijk voedsel zoeken, des morgens gaan zij gemeenschappelijk
+naar hun slaapplaats terug; zoo leven zij vroolijk voort, tot zij
+halfwassen zijn. Dan scheiden zij zich van elkander. Na 15 maanden
+zijn zij volwassen, maar reeds in het eerste levensjaar, (op een
+leeftijd van vijf maanden) voor de voortplanting geschikt. Zeven of
+acht jaren is waarschijnlijk de langste levensduur, die de Haas bij
+ons bereikt; er zijn echter voorbeelden bekend van Hazen, die nog
+gedurende langeren tijd aan alle vervolgingen ontkwamen, en toch niet
+door ouderdomsverzwakking het leven verloren. In het eerste vierde
+deel van deze eeuw was in mijn geboortestreek een rammelaar berucht
+onder de jagers; mijn vader kende hem al sedert 8 jaren. Steeds was
+het den leepert gelukt alle gevaren te trotseeren; gedurende een zeer
+strengen winter werd hij echter door mijn vader op den "aanstand"
+geschoten. Toen hij gewogen werd, bleek het, dat hij een gewicht van
+9 KG. had.
+
+"Het leven van dit Knaagdier," zegt Adolf Müller, "is een nagenoeg
+onafgebroken aaneenschakeling van vervolging, nood en lijden;
+deze worden wel is waar op den voet gevolgd door het zusterenpaar
+waakzaamheid en voorzichtigheid, maar zijn vergezeld door een
+kind dat hare begeleidsters verreweg over 't hoofd gegroeid is, en
+minder medelijden dan spotlust wekt, n.l. door de algemeen bekende
+angstvalligheid van den Haas. Verklaarbaar is dit, daar de legerscharen
+onze inheemsche roovers--Zoogdieren, zoowel als Vogels,--tal van
+spionnen, verspieders, struikroovers en moordenaars op den vreedzamen
+en weerloozen planteneter afzenden, om het stille Eden van zijne
+velden en bosschen in een schouwtooneel van verdrukking en dood
+te veranderen; bovendien jaagt een geheele trits van Jachthonden,
+van den krompootigen, langzamen Dashond, tot den hoogpootigen,
+slanken, in snelheid met den storm wedijverenden Windhond, den
+snelsten renner der velden en bosschen na, tot hij van uitputting
+bezwijkt. En zij, die aan de volharding en de vlugheid van den Hond
+ontkomen,--ondanks het speurvermogen, de list en de moordzucht der
+Roofdieren, hun leven hebben kunnen behouden,--gespaard blijven in
+weerwil van de soms levensgevaarlijke temperatuurswisselingen, stormen
+en onweders,--worden nog voortdurend bedreigd door de middelen, die
+de mensch heeft uitgedacht om hen te dooden. De mensch, sluwer en
+wreeder dan eenig Roofdier, sluipt bij nacht en ontijd in het woud,
+en legt in de pas van den Haas den strik van koperdraad, waarin
+het onschuldige dier met den kop geraakt, en waardoor het geworgd
+wordt. Dit doet evenwel alleen de strooper, niet de echte jager."
+
+Van het "hazenstrikken" geeft Dr. G. A. Venema de volgende
+beschrijving: "Bestraalt de maan met hare zachte lichtstralen de
+landstreek, dan verschuilt de Haas zich, als hij van zijne nachtelijke
+wandelingen uitrust, op plaatsen, waar het oog van zijn vijand hem
+moeielijk ontdekt; bij donkere maan waant hij zich meer veilig,
+en opene, onbeschutte plaatsen kiest hij voor zijn leger uit. Ook
+is de Haas bij maneschijn voorzichtiger; hij loopt minder snel,
+en dikwijls ziet hij, opgericht op de achterste pooten, angstig den
+omtrek rond, of hij iets ontdekt, dat voor hem gevaarlijk zou kunnen
+zijn. Bij duisteren hemel is zijn loop sneller, maar toch alleen,
+wanneer het pad zoo open is, dat zijn oog zich boven de omringende
+planten of den grond verheft. Gaat het pad naar boven, dan richt de
+Haas zich op het hoogste punt op, om het veld te verkennen; de helling
+op- en afwaarts springt hij door, maar bij iedere plant of struik,
+bij iedere oneffenheid in het pad, bij ieder kluitje, dat hij vindt,
+blikt hij wantrouwend rond, alsof hij een vijand waant te zien of te
+ontmoeten. Als de strooper hem dus in den koperen strik wil vangen,
+zet hij dezen bij duistere maan over het pad, waar het effen en ten
+minste zoo hoog als de omliggende grond is. Loopt het pad over heuvels,
+hij wacht zich, den strik op de hoogte te plaatsen, waar de Haas stil
+staat, of in de helling of den oploop, dien deze doorspringt. Maar hij
+plaatst hem in de laagte, waar de Haas snel doorrent, echter alleen
+als geen struiken of andere planten dezen het vrije uitzicht kunnen
+belemmeren, en wanneer zich geen kluiten of oneffenheden in het pad
+bevinden, waar de voorzichtigheid hem zou voorschrijven, zijn loop te
+vertragen, en, nu en dan stil staande, zich te overtuigen, of zijn
+leven, dat hij zoo lief heeft, met gevaar zou worden bedreigd. Ook
+daar, waar het pad bochtig is, beteugelt de Haas zijn snelheid,
+en een strik zou hem daar niet vangen. Is het buiig, dan loopt de
+Haas niet veel, en altijd, door ieder geluid, dat de heen en weer
+bewegende planten maken, beangst, is hij voorzichtig en behoedzaam;
+veelal houdt hij zich dan meer in het leger. Bij duistere maan, als
+het niet waait en de sterren helder schijnen, loopt de Haas sneller,
+en de strooper rekent op een betere vangst. Is het veld met sneeuw
+bedekt, dan is hij nog zekerder, om bij duistere maan den Haas in den
+strik te vangen. De honger drijft het dier tot meerdere en grootere
+reizen aan, want het voedsel is moeilijker te vinden. Jaagt de wind
+de sneeuw hier en daar hoog op, dan kiest de Haas wel eens een leger,
+dat met sneeuw bedekt is. Hij graaft dan door de sneeuw heen, van den
+wal van een sloot of laagte af een lange gang, aan het einde waarvan
+hij zich neervlijt. Bij zijn kop graaft hij de sneeuw tot een paar palm
+dikte door, zoodat zijn ademhaling niet wordt belemmerd. Aldra komt
+door de warmte een zeer kleine, geel omkleurde opening in de sneeuw,
+waardoor de frissche buitenlucht tot hem doordringt, en waardoor de
+warmere, uitgeademde lucht ontwijkt." "Veel sneeuw is voor de Hazen
+zeer te vreezen; daar zij, evenals alle andere dieren, betreden
+paden verkiezen boven ongebaande velden, huppelen zij bij hunne
+nachtelijke wandelingen het eens betreden paadje velen malen door,
+om in den strik, dien de sluwe strooper uitspant, of door het schot
+van een op hen wachtenden wilddief, hun leven jammerlijk te eindigen."
+
+Over de verschillende, al of niet jachtmatige wijzen van hazenvangst,
+zijn tal van boeken geschreven; het is mijn bedoeling niet hierover
+nader uit te wijden. Naar mijn smaak verschaffen het "zoeken" en de
+"aanstand" den jager het meeste genoegen. De hazenjacht met Windhonden,
+hoewel buitengewoon opwekkend, bederft het jachtveld. Drijf- en
+klopjachten, hoe genoegelijk ook in niet te sterk bevolkte districten,
+waar veel Hazen zijn, ontaarden in een echte slachterij; het "zoeken"
+en de "aanstand" daarentegen houden den jager voortdurend in spanning;
+hierbij speelt hij de waardigste rol. Bij het zoeken van den Haas is
+hij in de gelegenheid, om zich een ervaren jager te toonen. Op den
+"aanstand" valt voor hem veel te leeren, omdat hij dan allerlei dieren,
+de Hazen niet alleen, als 't ware nog in hun kamerjapon ontmoet,
+en waarnemen kan, hoe zij handelen, als zij nog volkomen rustig en
+zorgeloos zijn. Menig jager geeft aan den "aanstand" in 't woud de
+voorkeur boven iedere andere jachtwijze; trouw staat hem hierbij een
+liefelijke gezellin, de hoop, ter zijde. Tot den "aanstand" reken ik
+ook het "verlappen," een wijze van jagen, die niet algemeen bekend is,
+en waarvan ik daarom nog wel een beschrijving dien te geven:
+
+Onze angstvallige vriend Lampe ziet, zooals reeds opgemerkt werd, in
+ieder hem onbekend voorwerp een reden om verschrikt te zijn, en op deze
+eigenaardigheid berust het snoode plan, dat de arglistige mensch heeft
+uitgedacht, om hem te verschalken. In het stille middernachtelijk uur,
+als de Haas zich uit het bosch naar het veld heeft begeven om lekker
+te smullen, sluipen zij, die de deuren van den herberg, waar hij den
+dag doorbrengt, willen sluiten, in dezelfde richting voort. Drie of
+vier mannen dragen groote pakken, die bij nader onderzoek rollen stevig
+bindgaren blijken te zijn, waaraan op bepaalde afstanden twee vederen
+of desnoods witte lapjes verbonden zijn. Dit zijn de "lappen" gelijk de
+jager ze noemt. Men begint nu op een zekeren afstand van den woudzoom
+deze verschrikkingsmiddelen te plaatsen. Met kleine tusschenruimten
+worden dunne paaltjes in den grond gestoken volgens een kring, die
+de akkers omgeeft, en hieraan de "lappen" bevestigd, die ongeveer een
+halve meter boven den grond moeten zweven. Zoodoende wordt den Haas de
+terugtocht naar het bosch versperd. Het jachtgezelschap begeeft zich
+vroegtijdig op weg, daar het geruimen tijd voor het aanbreken van den
+dag ter bestemder plaatse moet zijn. Zoo stil mogelijk bewandelt het
+den daarheen leidenden weg. De eigenaar van de jacht plaatst de eene
+jager hier, de andere daar op de beste uitwegen; het aantal jagers
+in zijn nabijheid wordt allengs kleiner. Eindelijk is de omsingeling
+tot stand gekomen, iedere jager heeft de best mogelijke hinderlaag
+gekozen en wacht met gespannen aandacht de gebeurtenissen af, die nu
+komen zullen.
+
+Bij het eerste krieken van den dag maken de Hazen zich op, om van
+de akkers naar het bosch terug te keeren. Onbezorgd bewandelen zij
+het hun welbekende pad. Deze en gene haalt zijn zeer gewone grappen
+uit. Alles in de omgeving is doodstil, hoogstens wordt hier en daar
+geschreeuw van een kraai vernomen. In het oosten wordt de benedenste
+rand van het hemelgewelf door de opgaande zon rood gekleurd. Nader en
+nader bij de gevaarlijke lijn komt Lampe: daar valt hem de reeks van
+witte voorwerpen in 't oog! Hij krijgt achterdocht, schrikt, steekt de
+ooren op en wendt eerst het eene, dan het andere naar verschillende
+zijden. Overal blijft het stil. Nog een paar schreden gaat hij in
+dezelfde richting voort om het vreemdsoortige schouwspel van dichter
+bij gade te slaan; maar dit strekt slechts om zijn argwaan te doen
+toenemen. Een zeer zorgvuldig onderzoek schijnt hier noodzakelijk. Eén
+voor één deinzen de vreesachtige dieren vol ontzetting af, "slaan
+een haak" en keeren langs den zooeven gevolgden weg naar den akker
+terug, om op een andere plaats hun geluk te beproeven. Daar ginder
+is het echter niet beter gesteld dan op de plaats, die zij zooeven
+verlieten. Misschien zijn zij hier minder voorzichtig geweest en hebben
+zij zich te veel blootgegeven; want plotseling schiet een vuurstraal
+uit het woud en wordt de stilte van den morgen afgebroken door het
+gedonder van een schot. Door alle bergen wordt het geluid weerkaatst
+en de echo der bosschen draagt het al verder en verder. Thans komt er
+leven in de brouwerij. Hier en daar knalt een schot, langs de geheele
+lijn wordt gevuurd. Ten einde raad rennen de Hazen als dol in den
+tooverkring rond. De eene Haas deinst hier, de andere daar af, maar
+daar alle tot hun ongeluk zooveel mogelijk de van ouds bekende paden
+volgen, komen zij steeds weer opnieuw den jager onder het schot. Zoo
+duurt het moorden voort, totdat het klaarlichten dag geworden is. Want
+zoodra de dag herleeft, zijn alle Hazen verdwenen, voor zoover zij
+door den dood gespaard zijn. Zij hebben zich te midden van het veld
+"gedrukt" en wachten hier kalmere tijden af, niet vermoedend, dat in de
+middaguren het "verlappen" door de drijfjacht gevolgd zal worden. Ook
+in het bosch begint nu beweging te komen; elke schutter verlaat zijn
+post, om het door hem geschoten wild te halen. De meesten vinden veel
+minder Hazen, dan zij meenden te zullen vinden. Het kost moeite om
+in de schemering het dier behoorlijk in de vizierlijn te krijgen en
+in den regel wordt er veel vaker mis geschoten dan geraakt.--
+
+Gevangen Hazen worden licht tam en nemen zonder bezwaar alle soorten
+van voedsel aan, dat men aan de Konijnen geeft; zij zijn echter teer
+en aan groote sterfte onderhevig. Als men ze alleen hooi, brood,
+haver en water, maar nooit groen voer geeft, blijven zij langer
+in leven. Jonge Hazen, die in 't hok van de oude gebracht zijn,
+worden in den regel doodgebeten. Hetzelfde lot ondergaan de meeste
+andere zwakke dieren; in mijn hazenperk vond ik eens een doode, half
+opgevreten Rat. Met Guineesche Biggetjes leven de Hazen in vrede; met
+Konijnen en Sneeuwhazen paren zij, waardoor bastaardvormen ontstaan--de
+zoogenaamde _Haaskonijnen_ of _Leporiden_--, die zoowel bij paring
+onderling, als met dieren van de vaderlijke of moederlijke soort een
+vruchtbare nakomelingschap opleveren. Verreweg de meeste van deze
+bastaarden hebben een Haas tot vader en een Konijn tot moeder. De
+jongen, welke ontstaan, wanneer de wijfjes van dezen bastaardvorm met
+een Haas paren, zijn het voordeeligst. Van deze dieren heeft men reeds
+in vele opeenvolgende geslachten de uitkomsten van de voortplanting
+nagegaan, en opgemerkt, dat hun vruchtbaarheid niet afnam. Het wijfje
+brengt zesmaal per jaar telkens vijf à zes jongen ter wereld. Of zij,
+die zich met het fokken van deze dieren bezig houden, door dit bedrijf
+voordeel behalen, moeten wij in 't midden laten. Hij, die al het voer,
+dat deze dieren krijgen, koopen moet en toch nog winst verwacht van
+de leporiden-teelt, zal waarschijnlijk bedrogen uitkomen; terwijl
+dit bedrijf daarentegen in inrichtingen, waar een groote hoeveelheid
+voor voedsel geschikt afval, wordt verkregen, waarschijnlijk winst kan
+opleveren. "Het zou kunnen zijn," zegt Ritzema Bos, "dat mettertijd de
+leporidenteelt van eenig belang werd. Het vleesch toch van het tamme
+Konijn, dat om den geringen prijs, waarvoor het verkrijgbaar kan worden
+gesteld, voor min gegoede menschen een geschikt voedsel zou kunnen
+zijn, valt in ons land niet algemeen in den smaak. De witte kleur en
+de eenigszins zoetachtige smaak van 't vleesch schijnen daarvan de
+oorzaak te zijn. Het vleesch van Leporiden nu schijnt veel van dat van
+Konijnen te verschillen, en meer tot dat van Hazen te naderen, waarom
+het misschien meer kans zou kunnen hebben, eens onder de volksspijzen
+een plaats te erlangen. Het mist den eigenaardigen zoetachtigen smaak
+van konijnenvleesch; bij sommige Leporiden is het wit van kleur; bij
+andere in rauwen toestand roodachtig, gekookt donkergrijs."--In sommige
+opzichten bestaat er verschil tusschen de Leporiden ouderling. Dikwijls
+vindt men in één worp behalve jongen van den gewonen vorm ook zulke,
+die een eigenaardig zachte beharing vertoonen, afwijkend van de
+beharing der beide ouders. Deze "langharige Leporiden," hoewel
+verschillend in kleur, kwamen niet alleen overeen door de zachtheid
+en lengte der afzonderlijke haren, maar bovenal ook door de kleur van
+den ondergrond der beharing, die bij alle wit was, terwijl zij bij de
+gewone Leporiden een blauwgrijze tint vertoont. Bij gene kwam zij meer
+met die van Hazen, bij deze met die van Konijnen overeen. Individuën
+van den eerstgenoemden vorm met elkander gepaard, brachten jongen
+voort, waarop steeds de eigenschappen der vacht waren overgeërfd,
+terwijl, zooals reeds gezegd werd, door paring van gewone Leporiden,
+zoowel haaskleurige als konijnharige jongen (de laatste echter het
+meest) ontstonden. "Ledematen en staart van de gewone Leporide zijn
+langer dan die van het Konijn, korter dan die van den Haas. Het oog
+is niet donkerbruin, zooals dat van 't Konijn, en evenmin bruingeel,
+zooals dat van den Haas: het heeft een lichtbruine kleur, als die
+van afgevallen bladeren. De jongen openen sneller de oogen dan jonge
+Konijntjes, terwijl zij ook eerder hun nest verlaten, en in 't hok
+rondloopen." Vooral de ooren en de achterpooten zijn meer haasachtig.
+
+Jong gevangen Hazen geraken zoo aan den mensch gewoon, dat zij tot hem
+komen, als hij hen roept, uit zijn hand eten en ondanks hun domheid
+kunstjes kunnen leeren verrichten. De oude Hazen daarentegen blijven
+altijd dom en geraken ternauwernood aan hun verzorger gewend. De
+gevangene zijn vlug en vroolijk, maar blijven vreesachtig.
+
+Over het nut en de schadelijkheid van den Haas heerschen verschillende
+meeningen, al naar deze zaak door den bril van den econoom, of door
+dien van den jager wordt bekeken. Een onbevooroordeeld rechter zal
+de Haas echter, zonder voorbehoud, schadelijk moeten noemen, daar
+het voedsel, dat hij noodig heeft, minstens tweemaal zooveel waarde
+vertegenwoordigt, als het dier zelf. In de meeste streken van ons
+vaderland, waar het aantal Hazen betrekkelijk gering is, wordt dit
+verlies niet duidelijk merkbaar, omdat de Haas zelden lang op één
+plaats blijft eten, maar gewoon is overal een weinig te snoepen;
+zoo wordt de door hem aangerichte schade over een groot gebied
+verdeeld, hoewel zij er niet geringer om is. Bovendien is de Haas
+zeer kieschkeurig, zoolang hem nog eenige keuze wordt gelaten:
+hij neemt alleen het middenscheutje van de kool-, koolraap- en
+koolzaadplanten, de stengelspits van de granen, de knoppen en jonge
+loten van vruchtboomen, en ander houtgewas. Voor de houtteelt is
+hij in den winter, als een dikke sneeuwlaag de kruiden bedekt,
+niet alleen door het afbijten van de knoppen, maar ook door het
+ontschorsen der boomen, nadeelig; het meest hebben de acacia's en de
+gouden regens op deze wijze van hem te lijden. Bij heide-ontginningen
+kan de Haas de oorzaak van groote teleurstelling zijn, daar hij van
+het te velde staand gewas, dat dikwijls toch al schraal is, niet
+veel overlaat, als hij een bezoek aan de akkers brengt. Indirect
+is de Haas schadelijk, doordat zij, die middelen beramen om het
+wild in stand te houden, verklaarde vijanden zijn van Roofdieren,
+die als ijverige muizenverdelgers gespaard behoorden te blijven,
+zooals de Vossen, Bunzingen, Wezels, enz.
+
+Maar, al beschouwt men de schadelijkheid van den Haas als een
+uitgemaakte zaak, dan vloeit hieruit nog niet voort, dat deze
+diersoort uitgeroeid moet worden. Er wordt toch al genoeg gedaan voor
+de vermindering van het aantal harer leden; zij, die door deze dieren
+schade lijden, beschikken over afdoende middelen om hunne vermeerdering
+te beperken; aan de voorstanders van het onvoorwaardelijk uitroeien
+der Hazen zou men bovendien nog kunnen doen opmerken, dat ook de
+liefhebbers van het jachtvermaak en van smakelijk wildbraad in deze
+kwestie een woordje in 't midden hebben te brengen.
+
+De Haas is ook nuttig door zijn vel. In Rusland worden zeer veel
+hazenvellen gebruikt, en in Bohemen, waar reeds van oudsher veel werk
+gemaakt wordt van de fabricatie van vilten hoeden, zijn voor dezen tak
+van nijverheid ieder jaar omstreeks 40.000 hazenvellen noodig. Van
+de onthaarde en gelooide huid worden schoenen gemaakt; de van haar
+bevrijde huid dient ook voor de bereiding van perkament en van lijm.
+
+Nog is het niet uitgemaakt, of de _Sneeuwhaas_ van de Alpen en die
+van het hooge Noorden, een en dezelfde soort vormen. Over 't algemeen
+zijn beide trouwe kinderen van hun vaderland. Hun kleed is zooveel
+mogelijk in overeenstemming met den bodem, hoewel het eigenaardige
+afwijkingen vertoont. De Alpen-sneeuwhazen zijn in den winter zuiver
+wit, alleen aan de spits van de ooren zwart, in den zomer grijsbruin
+en wel volkomen effen, niet gesprenkeld, zooals de Gewone Hazen. De in
+Ierland levende, veel met den Alpen-sneeuwhaas overeenkomende Hazen,
+worden, naar men zegt, nooit wit; eenige geleerden beschouwen ze
+deswege als een afzonderlijke soort (_Lepus hibernicus_).
+
+Daarentegen hebben de Hazen in 't hooge Noorden van 't Europeesche
+vasteland en in Groenland des zomers geen andere kleur dan 's
+winters; ook zij worden om deze reden door sommige dierkundigen
+als een afzonderlijke soort aangemerkt (_Lepus glacialis_). Onder
+de Skandinavische Hazen, die alle Sneeuwhazen zijn, komen beide
+gevallen voor: sommige worden bij 't naderen van den winter op de
+zwarte oorspitsen na, wit, andere veranderen niet van kleur. Volgens
+Blasius moeten al deze Sneeuwhazen voor verscheidenheden van één soort
+(_Lepus variabilis_) gehouden worden.
+
+De _Alpenhaas_ of _Sneeuwhaas_ (_Lepus timidus, L. variabilis_)
+verschilt door lichaamsbouw en voorkomen duidelijk van den Gewonen
+Haas. "Hij is," zegt Tschudi, "opgewekter, levendiger, driester,
+heeft een korteren, ronderen, meer gewelfden kop, een korteren neus,
+kleinere ooren (die, tegen den kop aangedrukt, niet tot aan de spits
+van den snuit reiken), breedere wangen; de achterpooten zijn langer,
+de zolen sterker behaard, de teenen zijn dieper vaneengescheiden,
+kunnen verder uitgestrekt worden, en zijn met lange, spitse, kromme,
+gemakkelijk terugtrekbare nagels gewapend. De oogen zijn niet, zooals
+die van de witte Konijnen, witte Eekhoorns, witte Muizen enz., rood
+van kleur, maar donkerder bruin dan die van den Gewonen Haas.
+
+"Wanneer in December de Alpen onder de sneeuw begraven liggen, is deze
+Haas zoo zuiver wit als de sneeuw; alleen de spitsen van de ooren
+blijven zwart. De lentezon brengt, te beginnen in Maart, een zeer
+merkwaardige kleurverandering teweeg. Het eerst wordt de rug grijs;
+de grijze haren vertoonen zich ook aan de zijden in steeds toenemend
+aantal tusschen de witte. In April heeft het dier een zonderling,
+onregelmatig gevlekt of gesprenkeld voorkomen. Van dag tot dag breidt
+de donkerbruine kleur zich verder uit; eerst in Mei eindelijk komt
+de verandering tot stilstand; de Alpenhaas is dan geheel eenkleurig
+geworden en heeft geen gesprenkelde vacht zooals de Gewone Haas, die
+bovendien een grover haarkleed heeft. In den herfst begint hij reeds
+met het vallen van de eerste sneeuw enkele witte haren te krijgen;
+daar echter in de Alpen de strijd tusschen den winter en den herfst
+spoediger beslecht wordt dan die tusschen de lente en den winter,
+heeft de kleurverandering in 't najaar schielijker plaats dan die in
+'t voorjaar: zij duurt van 't begin van October tot in 't midden van
+November. Als de Gems zwart wordt, krijgt haar buurman, de Alpenhaas,
+een witte vacht. Men kan er zeker van zijn, in de hoog gelegen gewesten
+van alle Alpenkantons de Sneeuwhaas te ontmoeten; in den regel is hij
+hier even talrijk als de Gewone Haas in lagere streken. Het liefst
+houdt hij zich op tusschen de grens der dennen en de eeuwigdurende
+sneeuw, ongeveer op gelijke hoogte met het Sneeuwhoen en de Marmot,
+tusschen 1600 en 2600 M. boven den zeespiegel; zijne zwerftochten
+strekken zich echter dikwijls nog veel hooger uit.
+
+"Zijn leger bevindt zich tusschen steenen, in een grot of tusschen
+de neerliggende dennen (_Pinus mughus_) en dwerg-pijnboomen (_Pinus
+pumilio_). Des morgens vroeg of dikwijls reeds in den nacht verlaat
+hij dit leger en graast dan op de met gras begroeide plekjes grond,
+die over dag aan 't zonlicht blootgesteld zijn. Zijn liefste voedsel
+bestaat uit de talrijke, hier groeiende soorten van klaver, uit
+ganzebloemen (_Chrysanthemum parthenium_), duizendblad (_Achillea
+millefolium_) en violen; ook knaagt hij de dwerg-wilgen en de schors
+van het peperboompje (_Daphne muzereum_) af. De monnikskap (_Aconitum_)
+en de ooievaarsbekken (_Geranium_), die ook voor hem vergiftig schijnen
+te zijn, laat hij zelfs in winters, waarin groot gebrek aan voedsel
+heerscht, onaangeroerd. Des avonds gaat hij opnieuw voedsel zoeken,
+en maakt dan ook wel een wandeling langs de rotsen en door de wilgen,
+waarbij hij zich dikwijls op de achterpooten opricht. Vervolgens
+keert hij naar zijn leger terug. Des nachts staat hij bloot aan de
+vervolgingen van den Vos, den Bunsing en de Marters. De Ooruil,
+die hem gemakkelijk zou kunnen overmeesteren, komt nooit op deze
+hoogten. Menige Sneeuwhaas valt echter ten buit aan andere groote
+Roofvogels der Alpen. Onlangs ving een Steenarend in de Appenzeller
+bergen, die op eenden had zitten loeren, een vluchtenden Alpenhaas
+voor de oogen van de jagers weg en voerde hem door de lucht mede.
+
+"In den winter is het voedsel van den Alpenhaas dikwijls schaarsch. Als
+de sneeuw hem verrast, voordat hij zijn dikker winterkleed aangetrokken
+heeft, gaat hij dikwijls verscheidene dagen achtereen niet van onder
+de steenen of struiken weg; hij heeft dan veel te lijden van honger
+en koude. Ook blijft hij in 't veld liggen, wanneer een hevige
+sneeuwbui hem overvalt. Hij laat zich dan geheel onder de sneeuw
+begraven, dikwijls wel 60 cM. diep en komt eerst te voorschijn, als
+de vorst de sneeuw zoo hard heeft gemaakt, dat zij hem draagt. Tot
+zoolang graaft hij zich daaronder een vrije ruimte en beknabbelt de
+bladen en de wortels van de Alpenplanten. Als het winter geworden is,
+zoekt hij in de ijle Alpenbosschen naar gras en boomschors. Zoodra
+de wind de dieper gelegen plaatsen, die met sneeuw gevuld zijn,
+weer blootgelegd heeft, keert de Haas naar de hooge Alpen terug.
+
+"De moerhaas brengt bij elken worp 2 à 5 jongen ter wereld, die niet
+grooter zijn dan Muizen en een witte vlek aan 't voorhoofd hebben. De
+eerste worp heeft gewoonlijk plaats in April of Mei, de tweede in Juli
+of Augustus; of deze nog door een derden worp gevolgd wordt, en of er
+een aan de reeds genoemde voorafgaat, wordt dikwijls betwijfeld. Het is
+bijna onmogelijk het familieleven van de Alpenhazen te bespieden, daar
+deze dieren een zeer fijnen neus hebben en de jongen zich buitengewoon
+goed in alle spleten en gaten van gesteente weten te verbergen.
+
+"De jacht op den Alpenhaas heeft hare lasten en hare lusten. Daar
+zij eerst kan plaats hebben, als de sneeuw de Alpenketen bedekt,
+levert zij niet weinig bezwaren op; hier staat echter tegenover, dat
+het niet moeielijk is de verblijfplaats van het wild te ontdekken;
+daar het versche spoor in de sneeuw duidelijk aantoont, waar het zich
+bevindt. Als men de gangen gevonden heeft, die de Alpenhaas dikwijls
+in de sneeuw graaft om te grazen, en daarna het hiervan uitgaande
+spoor volgt, ontwaart men vele zigzagsgewijze wendingen naar rechts en
+links, die het dier gewoon is te maken, daar het zich na geëindigden
+maaltijd nooit regelrecht naar zijn leger begeeft. Van hier gaat een
+spoor uit, dat over een tamelijk grooten afstand geen afwijkingen
+vertoont. Het kromt zich, wordt daarna gevolgd door eenige afwijkingen
+heen en terug (in den regel minder dan bij den Gewonen Haas) en ten
+slotte door een ring- of lusvormig spoor, dat in de nabijheid van
+een steen, struik of wal eindigt. Hier moet de haas liggen. Bij goed
+weder ziet men hem boven op de sneeuw lang uitgestrekt, dikwijls met
+open oogen slapend; intusschen kleppert hij een weinig met de kaken,
+zoodat zijn ooren bestendig in trillende beweging zijn. Als het weder
+echter guur is door den ijskouden wind, die zoo dikwijls op deze
+hoogten heerscht, ligt de Haas meer verborgen, soms beschut door een
+steen, soms op den bodem van een in de sneeuw gegraven kuil. Hier
+kan de jager hem gemakkelijk schieten. Als hij hem niet treft,
+vlucht de Haas met stormachtige haast en maakt geweldige sprongen;
+hij gaat echter niet zeer ver, en is gemakkelijk weder onder schot
+te krijgen. Het kraken van de sneeuw en het knallen van 't geweer,
+boezemen hem geen schrik in; hij is aan dergelijke geluiden in het
+gebergte gewoon. Ook de Hazen in den omtrek worden er niet door op
+de vlucht gedreven; dikwijls brengt een jager er drie of vier stuks
+thuis, die alle in het leger geschoten werden. In één leger zal men
+er echter nooit twee bijeen vinden, zelfs niet in den paartijd. De
+beweging van den Alpenhaas heeft iets eigenaardigs: zij bestaat uit
+groote sprongen. Het spoor is kenbaar aan den betrekkelijk zeer breeden
+afdruk van den voet. Evenals bij de Gems is de bouw van den voet bij
+den Alpenhaas voortreffelijk ingericht voor het verblijf in het rijk
+der sneeuw. De zool is breeder, de voeten zijn dikker dan die van den
+Gewonen Haas. Bij het loopen spreidt hij de teenen ver uit, zoodat
+zij als sneeuwschoenen het wegzinken in de sneeuw verhoeden; op het
+ijs bewijzen de klauwen, die uitgestoken kunnen worden, uitstekende
+diensten. Als de Alpenhaas met Honden gejaagd wordt, blijft hij veel
+langer voor den staanden Hond liggen als zijn neef in 't laagland;
+wanneer hij vervolgd wordt, sluipt hij slechts zelden in de enge
+pijpen van de woningen der Marmotten, nooit echter in Vossenholen.
+
+"Opmerkelijk is het, dat de Alpenhaas gemakkelijker getemd kan worden
+dan de Gewone Haas, en zich rustiger en vertrouwelijker gedraagt;
+hij blijft echter zelden lang in 't leven, en wordt zelfs bij de
+rijkelijkste voeding niet vet. De Alpenlucht mist hij maar al te zeer
+in 't dal. In den winter neemt zijn vacht ook hier een witte kleur
+aan. Het vel van dit dier wordt niet hoog geschat, zijn vleesch is
+echter zeer smakelijk."
+
+
+
+Van de eigenlijke Hazen onderscheidt het _Konijn_ (_Lepus cuniculus_)
+zich door zijn veel geringere grootte, slankeren lichaamsbouw, korteren
+kop, kortere ooren en kortere achterpooten. De lengte van dit dier is
+40 cM., met inbegrip van den 7 cM. langen staart; het gewicht van een
+ouden rammelaar kan 2 à 3 KG. bedragen. Het oor is korter dan de kop,
+en steekt, als het tegen den kop aangedrukt wordt, niet voor den snuit
+uit. De staart is tweekleurig (van boven zwart, van onderen wit) met
+roeskleurige spits. Het grootendeels zwartachtig blauwgrijze wolhaar
+heeft aan de bovenzijde geelachtig bruine of roodachtig gele, aan de
+onderzijde en op de pooten witte spitsen. De hals is aan de onderzijde
+roestgeelachtig grijs, aan de bovenzijde effen roestrood; de buikzijde
+van den romp, de keel, en de binnenzijde van de pooten zijn wit. De
+spitsen der zwartachtig blauwgrijze bovenharen van de rugzijde van
+den romp zijn zwart, en treden bij sommige exemplaren zoozeer op den
+voorgrond, dat de kleur van de bovendeelen bij hen zeer donker en
+soms zelfs zwart is. In den regel is de romp van boven geelbruinachtig
+grijs, aan de zijden en op de schenkels lichter, de kop roodgeelachtig
+grijs, aan de zijden lichter. Kleurverscheidenheden komen bij het
+wilde Konijn veel zeldzamer voor dan bij den Haas; de tamme Konijnen
+echter wijken in kleur en andere eigenschappen zeer uiteen.
+
+Bijna alle natuuronderzoekers nemen aan, dat het oorspronkelijk
+vaderland van het Konijn Zuid-Europa was en dat het van hier naar de
+landen benoorden de Alpen is overgebracht. Plinius vermeldt het onder
+den naam _Cuniculus_, Aristoteles noemde het _Dasypus_. Alle oude
+schrijvers beweren, dat het uit Spanje afkomstig is. Volgens Strabo
+zou het van de Balearen naar Italië gekomen zijn; Plinius verhaalt,
+dat het zich in Spanje soms ontzaglijk sterk vermenigvuldigt, en op
+de Balearen door vernieling van den oogst hongersnood teweegbracht. De
+bewoners van deze eilanden wendden zich tot Keizer Augustus om hulp.
+
+Tegenwoordig is het Konijn over geheel Zuid- en Midden-Europa verbreid,
+en in sommige gewesten zeer algemeen. In ons land is het Konijn in alle
+duinstreken langs de kust buitengewoon menigvuldig. In de lage landen
+en op kleigronden wordt het niet waargenomen, daarentegen komt het zeer
+algemeen voor op den diluvialen bodem van onze grens-provinciën, vooral
+in Gelderland, Drente en Overijsel. O.a. omdat dit dier de duinen en
+dijken ondermijnt, tracht men zijn vermenigvuldiging zooveel mogelijk
+tegen te gaan; op enkele plaatsen heeft men het kunnen uitroeien,
+zooals op het eilandje Rottum sedert 1840.--Het talrijkst is het
+Konijn nog steeds in de landen, die om de Middellandsche zee gelegen
+zijn, hoewel men het ook daar nooit spaart, en in ieder jaargetijde
+vervolgt. Vele eeuwen geleden werd het ter wille van het jachtvermaak
+in verscheidene gewesten van Engeland ingevoerd, en aanvankelijk op
+hoogen prijs gesteld; nog in het jaar 1309 kostte een wild Konijn daar
+evenveel als een speenvarken. In noordelijke landen kan het niet in
+'t wild leven; te vergeefs heeft men indertijd pogingen aangewend om
+het in Rusland en Zweden te acclimatiseeren.
+
+Het Konijn verlangt heuvelachtige en zandige gewesten met ravijnen,
+rotsblokken of laag struikgewas, kortom oorden waar het zich goed
+en gemakkelijk verbergen en verschuilen kan. Bij voorkeur gezellig,
+tot volksplantingen vereenigd, graaft het op hiervoor geschikte,
+liefst zonnige plaatsen tamelijk eenvoudige holen. Ieder hol bestaat
+uit een tamelijk diepgelegen kamer en haaksgewijs gebogen pijpen,
+die ieder verscheidene uitgangen hebben. Deze openingen worden door
+het veelvuldig gebruik meestal tamelijk wijd; de eigenlijke pijp
+is echter zoo eng, dat de bewoner er juist doorkruipen kan. Ieder
+paar heeft zijn eigen woning en duldt hierin geen ander dier; de
+gangen van naburige woningen staan echter dikwijls met elkander in
+gemeenschap. In zijne holen leeft het Konijn bijna den geheelen dag
+verborgen, tenzij het struikgewas om zijn woning zoo dicht is, dat
+het bijna ongezien voedsel kan zoeken. Zoodra de avond aanbreekt,
+gaat het fourageeren; het doet dit met groote voorzichtigheid en
+bespiedt gedurende geruimen tijd den omtrek, voordat het zijn hol
+verlaat. Zoodra het gevaar bemerkt, waarschuwt het zijne soortgenooten
+door sterk met de achterpooten tegen den grond te kloppen; allen
+snellen op dit signaal zoo schielijk mogelijk naar hunne holen terug.
+
+De bewegingswijze van het Konijn verschilt aanmerkelijk van die van
+den Haas. In het eerste oogenblik overtreft het dezen in snelheid,
+op den duur niet; altijd echter toont het meer behendigheid. In het
+"haken slaan" is het meesterlijk ervaren; om het te vangen zijn een
+uitmuntend gedresseerde Windhond en een goed schutter noodig. Veel
+listiger en sluwer dan de Haas, laat het zich hoogst zelden op de
+weide verrassen en weet het in tijd van nood bijna altijd nog een
+schuilhoek te vinden. Als het rechtuit liep, zou het door iederen
+middelmatig goeden Hond reeds na verloop van korten tijd gevangen
+worden; het zoekt echter in allerlei struikgewas, in rotsspleten en
+holen zijn toevlucht en ontkomt hierdoor meestal aan de vervolgingen
+zijner vijanden. Zijn vermogen om te kijken, te luisteren en te
+speuren is even uitmuntend als dat van den Haas, misschien nog wel
+beter. Het Konijn is gezellig en vreedzaam; de voedster verzorgt
+hare kinderen met warme liefde, de jongen bewijzen hunne ouders veel
+eerbied en vooral de stamvader van het geheele gezelschap wordt hoog
+geacht. "Evenals de moerhaas," schrijft Dietrich aus dem Winckell
+"draagt ook het Konijn 30 dagen. Tot in October werpt het om de 5
+weken 4 à 12 jongen in een afzonderlijke kamer, die het vooraf met
+het wolhaar van zijn buik warm bekleed heeft. Eenige dagen blijven
+de kleinen blind; tot aan den volgenden worp van hun moeder blijven
+zij bij haar in het warme nest en zuigen. De voedster bewijst veel
+liefde aan haar kroost en verlaat haar gezin slechts zoo lang als
+zij noodig heeft, om zich te voeden. Zelfs aan den vader veroorlooft
+zij geen bezoek aan de jongen, waarschijnlijk omdat zij wel weet,
+dat hij ze in een aanval van razernij of uit overdreven liefde zou
+kunnen dooden. Dat hij dit niet uit boosaardigheid doet, blijkt uit de
+wijze waarop hij zijne kinderen ontvangt, als hij ze voor de eerste
+maal ziet: hij geeft hun dan onmiskenbare bewijzen van genegenheid,
+neemt ze tusschen de pooten, likt ze, en helpt de moeder, wanneer
+deze bezig is de kleinen voedsel te leeren zoeken."
+
+In warme landen zijn de jongen reeds in de vijfde, in koude in de
+achtste maand voor de voortplanting geschikt; eerst in de twaalfde
+maand bereiken zij hun vollen wasdom. Als men aanneemt, dat ieder
+wijfje zevenmaal per jaar jongen werpt en bij iederen worp, acht
+jongen ter wereld brengt, zou haar nakomelingschap binnen vier jaar
+uit niet minder dan 1,274,840 individuën bestaan.
+
+Het voedsel van het Konijn is hetzelfde als dat van den Haas. De
+schade, die het Konijn veroorzaakt, is echter veel duidelijker
+merkbaar, niet alleen omdat het zich bij 't fourageeren tot
+een kleinere ruimte bepaalt, maar ook omdat het zooveel van
+boomschors houdt, en, om dezen trek te bevredigen, dikwijls geheele
+boomaanplantingen vernielt. Men kan zich moeielijk voorstellen,
+hoe groot de verwoesting is, die een kolonie van deze dieren kan
+aanrichten, wanneer men hunne vermenigvuldiging niet met kracht
+tegengaat. "De ontzaglijke schade door dit Knaagdier aan bosch en veld
+toegebracht," zeggen de Gebroeders Müller, "berust eensdeels hierop,
+dat het plaatselijk in zoo grooten getale optreedt, ten anderen op
+zijn werkzaamheid als bewoner van onderaardsche gangen. Het voedsel,
+dat dit dier gebruikt, is van een klein plekje gronds afkomstig,
+daar het zich nooit ver van zijn hol verwijdert; hierdoor is de
+veroorzaakte schade veel duidelijker merkbaar, dan die, welke ten
+laste van den Haas komt. Voor den akker geldt dit, maar in nog hoogere
+mate voor het bosch, zooals ieder, die met houtteelt te maken heeft,
+kan getuigen. Alle jonge heesters en boomen, van den vlierstruik tot
+de edelste houtsoorten, zijn blootgesteld aan de vernielende werking
+van de zelden rustende knaagtanden, die het vooral op de schors gemunt
+hebben. Wat de Eekhoorn is in den boom, is het Konijn in den grond,
+die door de koloniën dezer dieren in alle richtingen doorwoeld en
+ondermijnd wordt; reeds hierdoor veroorzaakt het groote schade in de
+bosschen, vooral in die van naaldboomen, welke op zeer lossen bodem
+staan." Bovendien verdrijven de Konijnen door hun voortdurende onrust
+het overige wild; zelden ziet men Hazen daar waar Konijnen voor goed
+hebben post gevat. Waar deze dieren zich veilig achten, worden ze
+ongeloofelijk brutaal. In het Weener Prater hielden zij zich vroeger
+bij duizenden op, liepen er zelfs over dag onbeschroomd rond en lieten
+zich zoomin door geschreeuw als door het werpen met steenen bij het
+afknagen van de planten storen. Overal wordt het geheele jaar door op
+de Konijnen jacht gemaakt; toch zijn zij zonder de hulp van het Fret
+niet uit te roeien: alleen wanneer het aantal Bunzingen, Hermelijnen
+en Steenmarters sterk toeneemt in een streek of wanneer daar Ooruilen
+en andere Uilen voorkomen, kan men er eenige vermindering van het
+aantal Konijnen waarnemen. Door de Marterachtige Roofdieren worden
+zij vervolgd tot in hunne holen en hier bijna altijd buit gemaakt;
+de Ooruilen vangen hen 's nachts van de weide weg. In gewesten die
+voor de Konijnen zeer gunstig gelegen zijn, worden zij soms een plaag
+voor het land, en veroorzaken ontzaglijke schade. In Nieuw-Zeeland
+zoowel als op het vasteland van Australië hebben zij zich zoo kolossaal
+vermenigvuldigd, dat zij op vele plaatsen de weidegronden van het vee
+totaal kaal vreten; men heeft ze hier tot dusver zonder succes ijverig
+vervolgd. Hoe groot het bedrag der door hen aangerichte schade is, kan
+men afleiden uit het feit, dat de regeering van Nieuw-Zuid-Wales in
+de jaren 1880-1889 ongeveer 9 millioen gulden heeft ten koste gelegd
+aan het bestrijden dezer Knaagdieren en ten slotte een belooning van
+300.000 gulden heeft toegezegd aan hem, die een doeltreffend middel
+tegen deze landplaag wist aan te geven. Alle bekende middelen tot
+het uitroeien der Konijnen,--vergif, strikken, Fretten, omrastering
+met staaldraad enz.--zijn reeds toegepast en bleken onvoldoende,
+om de alle perken te buiten gaande vernieling van veevoeder te doen
+ophouden. Toen Pasteur had ontdekt, dat door het besmetten van het
+voedsel der Konijnen met de bacterie van de hoenderen-cholera deze
+dieren de genoemde besmettelijke ziekte krijgen, meende men hierin een
+middel gevonden te hebben om ze snel en volkomen uit te roeien; deze
+proefneming werd in Australië in het groot nagevolgd, maar heeft tot
+geen bevredigende uitkomsten geleid.--Op vele andere, tot verschillende
+aardgordels behoorende eilanden--zooals Porto Santo bij Madera, Jamaika
+en de Falklandseilanden,--zijn door het verwilderen van tamme Konijnen,
+nieuwe, van den stamvorm aanmerkelijk afwijkende rassen ontstaan.
+
+Na hun dood geven de Konijnen slechts een onbeduidende
+schadeloosstelling voor de schade, die zij gedurende hun leven
+veroorzaakten. Hun vleesch wordt, ofschoon het malsch, wit en goed
+van smaak is, niet voor een lekkernij gehouden; zelfs wordt het
+in sommige streken--b.v. in Saksen, waar het volksbijgeloof in het
+Konijn overeenkomst met de Kat ziet--door velen met dezelfde walging
+beschouwd, als in vele streken van Schotland de Paling wegens zijn
+vermeende uitwendige overeenkomst met een Slang.
+
+Het tamme Konijn, dat zich reeds sinds overoude tijden als huisdier
+heeft voortgeplant, stamt ongetwijfeld van het wilde af. Het wilde
+Konijn kan in korten tijd getemd worden; het tamme verwildert binnen
+weinige maanden geheel en al; de jongen die het dan werpt, hebben de
+kleur van het wilde. In mijn jeugd hield ik dikwijls een vrij groot
+aantal Konijnen; hieronder waren er eenige, die nu en dan op het
+erf en in den tuin rondliepen; deze wierpen steeds grijze jongen,
+hoewel de moeder wit en de vader gevlekt was.
+
+De Konijnen-fokkerij kan op tweeërlei wijze plaats hebben: Men kan
+deze dieren op een met muren of traliewerk omgeven, heuvelachtig
+terrein aan zichzelf overlaten en hier, voor zoover dit noodig is,
+met voedsel voorzien, òf ze in hokken verzorgen. De laatstgenoemde
+handelwijze is de doelmatigste. Het konijnenhok moet een steenen of
+planken vloer hebben en voorzien zijn van kunstmatige schuilplaatsen:
+lange kisten met verscheidene gaten, òf kunstmatige holen in
+den muur. Men moet de Konijnen veel stroo en droog mos geven, ze
+tegen de winterkoude beschutten en met hooi, gras, bladen, kool
+enz. voederen. Gemakkelijk kan men ze er aan gewennen, het voedsel,
+dat men hun voorhoudt, uit de hand te nemen; volkomen tam worden zij
+echter zelden, en, als men ze opneemt, trachten zij gewoonlijk te
+krabben en te bijten. Bovendien zijn zij minder verdraagzaam dan de
+wilde Konijnen. Die, welke gezamenlijk opgegroeid zijn, leven met
+elkander in goede overeenstemming; vreemde Konijnen worden echter
+door de oudere bewoners van het hok dikwijls erg mishandeld en soms
+zelfs doodgebeten. In den paartijd hebben tusschen de rammelaars
+hevige gevechten plaats, waarbij sommige niet onbelangrijke wonden
+opdoen. Het wijfje bouwt in haar woning een nest van stroo en mos en
+bekleedt dit zeer fraai met hare buikharen. Gewoonlijk werpt het vijf à
+zeven, dikwijls meer jongen. Lenz heeft aanteekening gehouden van het
+aantal jongen door één wijfje in één jaar geworpen: den 9en Januari
+zes, den 25en Maart negen, den 30en April vijf, den 29en Mei vier,
+den 29en Juni zeven, den 1en Augustus zes, den 1en September zes,
+den 7en October negen en den 8en December zes jongen, in één jaar
+dus acht en vijftig jongen. "In hetzelfde jaar," zegt hij, "deed ik
+twee jonge, uit één nest afkomstige wijfjes en twee mannetjes uit
+een ander nest, die twee dagen later geboren waren, met elkander in
+een afzonderlijk hok. Beide wijfjes brachten toen zij zes maanden oud
+geworden waren, het eene zes, het andere vier jongen ter wereld.--Het
+wijfje zoogt hare kinderen in den regel niet over dag, zelfs, wanneer
+zij nog zeer klein zijn, maar sluit 's morgens, als dit mogelijk is,
+den ingang van het nest af; dikwijls kijkt zij over dag niet meer
+naar hen om, maar doet, alsof zij van niets af weet. Toch let zij
+wel degelijk op het nest."--Voor hunne natuurlijke vijanden hebben
+ook de tamme Konijnen een buitengewone vrees. Lenz deed eens vijf
+tamme Konijnen gezamenlijk in een hok, waarin kort te voren een Vos
+gezeten had. Zoodra hij ze losliet, waren zij als razend en liepen
+met den kop tegen den wand. Eerst langzamerhand geraakten zij aan
+dit hok gewend.--Van denzelfden natuuronderzoeker, is het volgende
+aardige bericht afkomstig: "In Januari kreeg mijn Spitshondje één
+jong en daar dit niet al de melk kon uitzuigen, ging ik in den stal,
+haalde van daar een jong tam Konijn uit het nest en legde het onder
+de teef, die in mijn woonkamer lag; deze liet zonder bezwaar toe, dat
+het vreemde kind aan haar melk zich laafde. Op den derden dag bracht
+ik het Hondje met zijn zoontje en zijn pleegkind in den stal. Het
+bleef daar twee dagen lang, zonder van het nest af te gaan en zonder
+de daar huizende Konijnen en Geiten te storen. Op den derden dag riep
+mijn zuster het naar buiten om frissche lucht te scheppen. Terwijl
+het buiten is, sluipt het oude Konijn in het hondenest, neemt zijn
+jong er uit en brengt het bij zijne overige jongen terug. Ik riep nu
+dadelijk den Hond er bij, om te zien of deze het Konijn zou terug
+verlangen. Hij scheen echter geen erg te hebben in de verdwijning
+van zijn pleegkind."--Ik heb dikwijls jonge Konijnen onder onze
+voortreffelijke, reeds meermalen vermelde Kat neergelegd en gezien,
+dat zij deze rustig met hare katjes liet zuigen.
+
+Bij goede voeding worden de Konijnen soms zeer driest; zij krabben en
+bijten dan ieder die hen vangen wil; bovendien mishandelen zij zonder
+eenige aanleiding andere dieren, vooral wanneer deze hun nijd gaande
+maken. Een zwager van Lenz had een oud mannelijk Konijn bij zijne
+lammeren. "Toen de voedering met esparsette begon, smaakte deze kost
+den ouden heer zoo goed, dat hij graag den geheelen voorraad voor
+zich zelf in beslag genomen zou hebben. Hij ging er dus bij zitten,
+knorde, beet naar de lammeren, sprong zelfs een van hen op den hals
+en liet het duchtig zijne tanden voelen. De te hulp gesnelde lieden
+wierpen hem er af, maar hij beet de lammeren telkens weer, totdat hij
+van hen verwijderd werd. Een andere rammelaar beet een jonge Geit in
+den poot, zoodat zij bloedde, sprong de oude Geit op den nek en beet
+haar in de ooren. Hij moest weggedaan worden." Zeer oude rammelaars
+bijten soms ook hunne jongen of de voedster of brengen teweeg, dat
+deze hare jongen slecht behandelt. Als een moerkonijn de jongen niet
+goed zoogt, of ze dood bijten wil, is er slechts één middel om de
+jongen te redden, n.l. het afzonderlijk houden van den ram.
+
+Het gewone tamme Konijn onderscheidt zich van het wilde door
+forscheren lichaamsbouw en andere kleuren (grijs, haaskleurig, rood,
+geelbruin, licht leikleurig, zwart, wit gevlekt op al de genoemde
+kleuren, wit). Effen zwarte Konijnen zijn zeer zeldzaam; de geheel
+witte (albino's) hebben roode oogen. De meest in 't oogloopende
+kleurverscheidenheden zijn:
+
+Het _Zilvergrijze_ of _Chinchilla-Konijn_, zoo groot als het gewone
+tamme Konijn en even geschikt voor de vleeschvorming als dit; zijn vel
+wordt echter door de bontwerkers hooger geschat en veel gebruikt. Het
+wolhaar is leikleurig, het bovenhaar deels zwart, deels wit; als de
+witte bovenharen de overhand hebben, is de vacht zilvergrijs, in 't
+tegenovergestelde geval glanzig donkerblauwgrijs; allerlei overgangen
+tusschen deze beide uitersten komen voor. Bij alle heeft echter het
+geheele vel van den neus tot den staart, dezelfde gelijkmatige tint. De
+jongen zijn aanvankelijk zwart; als zij 3 maanden oud zijn, begint
+de kleurverandering, die afgeloopen is, als het dier den leeftijd
+van 6 à 7 maanden bereikt heeft. Naar men zegt, is dit ras uit Siam
+afkomstig. Het wordt in Champagne veelvuldig gefokt.
+
+Het _Chineesche_ of _Russische Konijn_ (ook wel _Himalaja-Konijn_
+genoemd) is wit met roode oogen, maar heeft een zwarten neus, zwarte
+ooren, zwarte voeten en een zwart staartje (niet zelden is het zwart
+door bruinzwart vervangen). Bij de jonge dieren komt de zwarte kleur
+nog niet voor; zij komt allengs; eerst op den leeftijd van 3 maanden
+is zij volkomen ontwikkeld. Vooral om de vacht is dit ras van belang;
+wegens zijn vruchtbaarheid is het, ondanks zijn kleinheid voor de
+vleeschproductie bruikbaar.
+
+Het _Hollandsche Konijn_ (_Nicard_), dat verschillende kleuren kan
+hebben, is wegens zijn geringe grootte merkwaardig; sommige exemplaren
+wegen weinig meer dan 1/2 KG. (terwijl een volwassen wild Konijn
+gemiddeld ongeveer 1.5 KG. zwaar is). De Konijnen van dit ras zijn
+uitmuntende voedsters voor andere, zwakkere soorten.
+
+Het _Japaneesche Konijn_ heeft een lichte grondkleur, die met vrij
+regelmatige, betrekkelijk kleine vlekken geteekend is.
+
+Tot de rassen, die zich door buitengewone grootte of hangende ooren
+(lapooren) onderscheiden, behooren o.a. de volgende:
+
+Het _Reuzenkonijn_ (_Lapin géant_), het grootste ras van het tamme
+Konijn, bereikt een gemiddeld gewicht van 6 K.G. De bovendeelen zijn
+grijs of grijsgeel, de kleur van de onderdeelen varieert van lichtgrijs
+tot wit; de rechtopstaande ooren hebben zwarte randen; onder den
+hals bevinden zich beweeglijke, dwarse huidplooien of kwabben, die
+zoover naar voren getrokken kunnen worden, dat zij bijna tot aan de
+spits van den snuit reiken; de beenderen zijn in verhouding tot het
+vleesch steviger en zwaarder dan bij het gewone tamme Konijn. Dit
+dier werpt zelden 6, bij uitzondering 8, in den regel minder jongen.
+
+Het Belgische of Vlaamsche Reuzenkonijn is haaskleurig en grooter
+dan het Rouaansche (Rouennais) en Italiaansche; het kan 8 K.G. zwaar
+worden. De voor het gebruik bestemde exemplaren zijn 6 à 8 maanden
+oud en hebben een gewicht van 4 à 4 1/2 KG. Ieder jaar komen ongeveer
+50.000 van deze Konijnen op de Engelsche markt.
+
+Het _Lapoorige Ramkonijn_ (_Lapin bélier_) is groot, heeft stevige
+beenderen en kan 6 KG. zwaar worden. De kleur is verschillend, de ooren
+zijn soms van de eene spits tot de andere gemeten 60 cM. lang en 15
+cM. breed, terwijl bij het wilde Konijn deze afmetingen ongeveer 20
+cM. en 5 cM. zijn. Dit ras is niet zeer vruchbaar en derhalve voor de
+vleeschproductie weinig geschikt. Een witte verscheidenheid met zwarte,
+parelgrijze of gele vlekken wordt Butterfly ("Vlinder") genoemd. De
+lange ooren worden soms naar boven gericht gedragen en wijken dan met
+de spitsen ver uiteen, soms hangen zij aan weerszijden, of ook wel
+alleen aan de eene zijde, bij den kop langs naar beneden. Ook bij de
+gewone tamme Konijnen, de Reuzenkonijnen en de Angora-Konijnen worden
+de ooren niet zelden aan één zijde of aan beide zijde hangend gedragen
+ten gevolge van het niet-gebruiken van de spieren, die voor de beweging
+van de ooren dienen. Bij eenige Konijnen met "half hangende" ooren
+is het hangende oor langer en breeder dan het naar boven gerichte.
+
+Het _Angora-Konijn_ (ook wel _Zijdehaas_ genoemd) is zoo groot
+als het gewone tamme Konijn, maar heeft fijne, zijdeachtige,
+elastische haren, die soms wel 20 cM. lang worden, en, met wol of
+katoen gemengd, voor het vervaardigen van fijne weefsels, vooral
+handschoenen, kousen, omslagdoeken enz., dienen. Vroeger bedroeg
+de productie van Angora-konijnenhaar in de omstreken van Caen
+(in het N.W. van Frankrijk) jaarlijks 3000 à 4000 KG. à 35 of 40
+francs per KG. Hierop is een tijdperk van achteruitgang van deze
+industrie gevolgd, waarin de prijzen van de grondstof slechts
+half zoo hoog waren. Thans echter is er weer meer vraag naar de
+genoemde artikels. Ieder Konijn levert 300 gram haren per jaar,
+die onder zachte drukking met de vingers uitgetrokken worden, in
+den zomer 2-maal, in den winter 1-maal per maand. De Zijdehazen zijn
+grijs of kastanjebruin, soms ook wel gemskleurig of wit. Deze dieren
+vereischen een bijzonder zorgvuldige verpleging, om te verhoeden dat
+de lange haren aaneenkleven; steeds moeten zij droog stroo hebben;
+de vacht moet dikwijls gekamd worden. Naar men zegt, zijn zij uit
+Klein-Azië afkomstig, wat vruchtbaarheid en vleeschvorming betreft,
+stemmen zij met de gewone tamme Konijnen overeen. Ook deze worden in
+Frankrijk veelvuldig gefokt; zij zijn zeer vruchtbaar, groeien snel,
+en kunnen goedkoop gevoederd worden; zij leveren voordeel op door
+hun smakelijk vleesch, hun vel en hunne haren.
+
+De vellen van tamme en wilde Konijnen worden tot pelterijen verwerkt,
+van hunne haren maakt men vilt voor hoeden, of soms, zooals hierboven
+gezegd is, weefsels. De vacht van het wilde Konijn is grijs roodachtig,
+die van het tamme verschillend van kleur; het meest geschat zijn
+de zuiver witte, zwarte en blauwgrijze vellen. Vooral in Frankrijk
+legt men zich toe op het fokken van Konijnen, die door een fraaie
+vacht uitmunten. Fraaie zwarte vellen met zilvergrijze haarspitsen
+zijn afkomstig van een ras van wilde Konijnen, die hiervoor in
+groote, omheinde perken gehouden worden. Ter vervanging van het
+Hermelijnbont, dient het vel van een klein, uit Polen afkomstig ras van
+Konijnen. Dikwijls wordt de kleur van de vacht kunstmatig veranderd;
+vooral in het fransche departement Aube en in België bloeit deze
+tak van industrie. De konijnenvellen zijn voor 't meerendeel van in
+'t wild levende dieren afkomstig; de meeste komen uit Nieuw-Zeeland
+en Nieuw-Holland. De handel in dit artikel is zeer belangrijk. In
+tien jaar tijds heeft alleen de kolonie Victoria 29 millioen stuks
+uitgevoerd. België verzendt ieder jaar meer dan 6 millioen toebereide
+vellen van tamme Konijnen naar Engeland. De waarde van de Konijnen,
+welker haren de grondstof voor de hoedenfabricatie in Frankrijk
+leveren, wordt geschat op 25 à 30 millioen franc per jaar.
+
+
+
+De in Azië inheemsche _Fluithazen_ of _Hamsterhazen_ (_Lagomys_)
+onderscheiden zich van de leden van het vorige geslacht door
+veel kortere ooren, een geringer verschil in lengte van voor- en
+achterpooten, een niet zichtbaar staartstompje, en een gebit, dat in
+elke bovenkaakshelft één kies minder heeft. Alle Hamsterhazen bewonen
+Centraal-Azië; sommige de hooge gebergten van 1000 tot 4000 M. boven
+den zeespiegel, andere de steppen. Hier leven zij het geheele jaar
+door op rotsachtige, woeste en grasrijke plaatsen, in nabijheid van
+beken, soms eenzaam, soms bij paren, soms in grooter aantal bijeen.
+
+
+
+De _Alpen-fluithaas_ (_Lagomys alpinus_) herinnert door gestalte en
+grootte aan het Guineesch Biggetje. De ruige, dichte en kortharige
+vacht is aan de bovenzijde fijn zwart gesprenkeld op roodachtig gelen
+grond; de zijden en het voorste deel van den hals zijn effen roestrood,
+de onderdeelen en de pooten licht okergeel. Enkele exemplaren zijn
+effen van kleur, n.l. donker zwart. In volwassen toestand is het dier
+ongeveer 25 cM. lang. De Alpenfluithaas behoort thuis in de geheele,
+ontzaglijk groote bergketen, die de noordelijke grens vormt van
+Centraal- en Achter-Azië, maar komt ook in Kamschatka voor.
+
+Deze dieren bewonen rotsspleten en kleine, door hen zelf
+gegraven holen. Bij helder weder liggen zij hier verborgen tot aan
+zonsondergang; bij donkere lucht zijn zij ook over dag werkzaam. Uit
+vrees voor hunne vijanden komen zij dikwijls slechts halverwegen
+uit hunne holen te voorschijn, en steken dan den kop omhoog, om
+zich te overtuigen of zij veilig zijn. Hun vreesachtigheid gaat met
+nieuwsgierigheid gepaard. Radde zegt, dat zij vredelievend en zeer
+arbeidzaam zijn; zij verzamelen groote hoeveelheden hooi, en vormen
+er hoopen van, die zij soms met breed gebladerde planten bedekken om
+ze tegen den regen te beschutten. Soms hebben deze hooischelven een
+hoogte van 15 à 18 cM. bij 15 à 30 cM. middellijn. Naar hunne holen
+leiden smalle paden, die door het drukke verkeer uitgeloopen zijn;
+aan weerszijden van het pad is het korte gras afgevreten. Als de
+winter aanvangt, graven zij onder de sneeuw gangen van hunne holen
+naar hunne hooischelven: deze gangen hebben vele kronkelingen, en
+zijn ieder met een luchtgat voorzien.
+
+Het geschreeuw van den Alpen-fluithaas, dat men nog omstreeks
+middernacht hoort, gelijkt op dat van onzen Bonten Specht, en wordt,
+zelden vaker dan driemaal, met zeer korte tusschenpoozen herhaald. Een
+andere soort--de _Ogotona_ (_Lagomys ogotona_)--fluit als een Muis,
+maar luider en helderder, en zoo vaak achtereen, dat zijn geschreeuw
+op een schrillen, sissenden triller gelijkt. Een derde soort--de
+_Dwergfluithaas_ (_Lagomys pusillus_)--maakt een geluid, dat, naar
+men zegt, groote overeenkomst heeft met dat van onzen Kwartel.
+
+Hoewel deze dieren door de jagers van Oost-Siberië niet vervolgd
+worden, ontbreekt het hun niet aan vijanden. Voortdurend maken de
+Manul (een in de genoemde gewesten voorkomende Wilde Kat), de Wolf,
+de Korsak, benevens verscheidene Arenden en Valken jacht op hen. Met
+geen ander doel wordt hun gebied 's winters bezocht door den Sneeuwuil,
+hun gevaarlijksten vijand. Ook de Buizerden brengen hunnentwege den
+winter in den Gobi door, daar zij zich dan uitsluitend met Ogotonen
+voeden. Ook de mensch benadeelt deze onschuldige Knaagdieren,
+door hen van hun wintervoorraad te berooven. Als er 's winters
+veel sneeuw valt, drijven de Mongolen hunne Schapen naar streken,
+waar vele Ogotonen huizen, of voederen hunne Paarden met het hooi,
+dat de Hamsterhazen bijeengebracht hebben.
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Ontleend aan "Insulinde: het land van den Orang-Oetan en den
+Paradijsvogel, door A. R. Wallace", vertaald en met aanteekeningen
+voorzien door Prof. Veth.
+
+[2] _Sylphium_ noemden de ouden een in Cyrenaica groeiend kruid,
+dat een bij de Romeinen zeer geliefde kruiderij opleverde; thans
+is deze plant, die tot de familie van de Schermbloemigen behoorde,
+niet meer te vinden.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+***** This file should be named 20530-8.txt or 20530-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/0/5/3/20530/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/20530-8.zip b/20530-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..552ab9c
--- /dev/null
+++ b/20530-8.zip
Binary files differ
diff --git a/20530-h.zip b/20530-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..150a6b1
--- /dev/null
+++ b/20530-h.zip
Binary files differ
diff --git a/20530-h/20530-h.htm b/20530-h/20530-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..042eb94
--- /dev/null
+++ b/20530-h/20530-h.htm
@@ -0,0 +1,6583 @@
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1">
+
+<title>Het Leven der Dieren</title>
+<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="author" content="A. E. Brehm">
+<meta name="DC.Creator" content="A. E. Brehm">
+<meta name="DC.Title" content="Het Leven der Dieren">
+<meta name="DC.Date" content="#">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css">
+
+
+body
+{
+font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+margin: 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+
+.titlePage
+{
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0% 7em 0%;
+padding: 5em 10% 6em 10%;
+}
+
+h1.docTitle
+{
+font-size:1.6em;
+line-height:2em;
+}
+
+h2.byline
+{
+font-size:1.1em;
+font-weight:normal;
+line-height:1.44em;
+}
+
+span.docAuthor
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:bold;
+}
+
+h2.docImprint
+{
+font-size:1.2em;
+font-weight:normal;
+}
+
+.transcribernote
+{
+background-color:#DDE;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+font-family:sans-serif;
+font-size:80%;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+
+.div0
+{
+padding-top: 5.6em;
+}
+
+.div1
+{
+padding-top: 4.8em;
+}
+
+.index
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+.div2
+{
+padding-top: 3.6em;
+}
+
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-top: 2.4em;
+}
+
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+padding: 0;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+
+h3
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h3.label
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h4
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+}
+
+h4.lghead
+{
+margin-left:10%;
+margin-right:10%;
+}
+
+.alignleft
+{
+text-align:left;
+}
+
+.alignright
+{
+text-align:right;
+}
+
+.alignblock
+{
+text-align:justify;
+}
+
+p.tb, hr.tb
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+text-align: center;
+}
+
+p.poetry
+{
+margin:0 10% 1.58em;
+}
+
+p.line
+{
+margin:0 10%;
+}
+
+p.argument,p.note
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+text-indent:0;
+}
+
+p.argument
+{
+margin:1.58em 10%;
+}
+
+div.epigraph
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+
+.epigraph .bibl
+{
+text-align: right;
+}
+
+.epigraph .poem
+{
+margin-left: 0;
+}
+
+.epigraph .line
+{
+margin-left: 0;
+text-indent: 0;
+}
+
+.trailer
+{
+clear: both;
+padding-top: 2.4em;
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+
+.floatLeft
+{
+float:left;
+margin:10px 10px 10px 0;
+}
+
+.floatRight
+{
+float:right;
+margin:10px 0 10px 10px;
+}
+
+p.figureHead
+{
+font-size:100%;
+text-align:center;
+}
+
+.figure p
+{
+font-size:80%;
+margin-top:0;
+text-align:center;
+}
+
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+color:#666666;
+font-size:80%;
+}
+
+p.question
+{
+margin-bottom:0;
+text-align:left;
+}
+
+p.answer
+{
+margin-top:0;
+text-align:right;
+}
+
+p.explanation
+{
+font-size:smaller;
+margin-left:0.9em;
+margin-right:0.9em;
+}
+
+.leftnote
+{
+font-size:0.8em;
+height:0;
+left:1%;
+line-height:1.2em;
+position:absolute;
+text-indent:0;
+width:14%;
+}
+
+.pagenum
+{
+display:inline;
+font-size:70%;
+font-style:normal;
+margin:0;
+padding:0;
+position:absolute;
+right:1%;
+text-align:right;
+}
+
+a.noteref
+{
+font-size: 80%;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+
+div.footnotes
+{
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+
+hr.fnsep
+{
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+
+p.footnote
+{
+font-size: 80%;
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+
+p.footnote .label
+{
+float: left;
+text-align:left;
+width:2em;
+}
+
+.footnotes td, .footnotes th, .footnotes .tablecaption
+{
+font-size: 80%;
+}
+
+
+.poem
+{
+margin-left:5%;
+position:relative;
+text-align:left;
+width:90%;
+}
+
+.poem h4
+{
+font-weight:normal;
+margin-left:5em;
+text-decoration:underline;
+}
+
+.poem .linenum
+{
+color:#777;
+font-size:90%;
+left:-2.5em;
+margin:0;
+position:absolute;
+text-align:center;
+text-indent:0;
+top:auto;
+width:1.75em;
+}
+
+.versenum
+{
+font-weight:bold;
+}
+
+.footnotes .line
+{
+font-size:80%;
+margin:0 5%;
+}
+
+.poem .i0
+{
+display:block;
+margin-left:2em;
+}
+
+.poem .i1
+{
+display:block;
+margin-left:3em;
+}
+
+.poem .i2
+{
+display:block;
+margin-left:4em;
+}
+
+.poem .i3
+{
+display:block;
+margin-left:5em;
+}
+
+.poem .i4
+{
+display:block;
+margin-left:6em;
+}
+
+.poem .i5
+{
+display:block;
+margin-left:7em;
+}
+
+.poem .i6
+{
+display:block;
+margin-left:8em;
+}
+
+.poem .i7
+{
+display:block;
+margin-left:9em;
+}
+
+.poem .i8
+{
+display:block;
+margin-left:10em;
+}
+
+.poem .i9
+{
+display:block;
+margin-left:11em;
+}
+
+span.corr
+{
+border-bottom:1px dotted red;
+}
+
+span.abbr
+{
+border-bottom:1px dotted gray;
+}
+
+span.measure
+{
+border-bottom:1px dotted green;
+}
+
+.letterspaced
+{
+letter-spacing:0.2em;
+}
+
+.smallcaps
+{
+font-variant:small-caps;
+}
+
+hr
+{
+clear:both;
+height:1px;
+margin-left:auto;
+margin-right:auto;
+margin-top:1em;
+text-align:center;
+width:45%;
+}
+
+h2.docImprint,h1.docTitle,h2.byline,h2.docTitle,.aligncenter,div.figure
+{
+text-align:center;
+}
+
+h1,h2
+{
+font-size:1.44em;
+line-height:1.5em;
+}
+
+h1.label,h2.label
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+
+h5,h6
+{
+font-size:1em;
+font-style:italic;
+line-height:1em;
+}
+
+p,p.initial
+{
+text-indent:0;
+}
+
+.poem .stanza
+{
+padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+
+p.quote,div.blockquote,div.argument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+margin:1.58em 5%;
+}
+
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+text-decoration:none;
+}
+
+
+
+
+
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+color: #001FA4;
+font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+
+p.byline
+{
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+
+.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend, .versenum
+{
+color: #001FA4;
+}
+
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+
+
+</style></head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Leven der Dieren
+ Hoofdstuk 7: De Knaagdieren
+
+Author: A. E. Brehm
+
+Release Date: February 6, 2007 [EBook #20530]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="body"><a id="d0e75"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e75">271</a>]</span><div class="div1">
+<h2 class="label">Zevende Orde.</h2>
+<h2>De Knaagdieren (<span class="letterspaced">Rodentia</span>).
+</h2>
+<p>De Knaagdieren vormen een naar alle zijden goed begrensde groep. Zij dragen hun naam bijna met nog meer recht dan de Roofdieren
+den hunnen. Twee snijtanden in iedere kaak, die tot groote knaagtanden uitgegroeid zijn en het ontbreken der hoektanden, waardoor
+tusschen snij- en maaltanden een groote ruimte ontstaat, zijn kenmerken, die aan alle eigen zijn.
+
+</p>
+<p>Van het uitwendig voorkomen der Knaagdieren kan weinig in &#8217;t algemeen gezegd worden, daar deze orde zeer verschillende vormen
+omvat en daarom zeer rijk is aan famili&euml;n en soorten. De voor alle geldige kenteekenen komen tennaastenbij op het volgende
+neer: de romp is in de meeste gevallen rolvormig en rust op korte pooten, die in den regel ongelijke lengte hebben, daar de
+achterpooten gewoonlijk een weinig, en dikwijls zelfs veel langer zijn dan de voorpooten; de kop is door een korten, dikken
+hals met den romp verbonden; de oogen zijn groot en puilen gewoonlijk sterk uit; de lippen zijn vleezig, met snorharen bezet,
+zeer beweeglijk en van voren gespleten; de voorpooten hebben in den regel 4, de achterpooten 5 teenen; deze zijn met meer
+of minder sterke klauwen (soms ook met nagels van anderen vorm) gewapend, bij sommige door zwemvliezen met elkander verbonden.
+Het haarkleed is bijna altijd van gelijkmatige lengte, hoogstens aan de ooren tot kwastjes of aan den (in dit geval meestal
+ruigen) staart tot een pluim verlengd.
+
+</p>
+<p>De snijtanden of knaagtanden zijn aanmerkelijk grooter dan alle overige bestanddeelen van het gebit; de bovenste zijn altijd
+korter, maar breeder dan de onderste; in beide kaken zijn zij boogvormig gekromd (de bovenste het sterkst), aan de sneede
+breed of puntbeitelvormig, aan den wortel drie- of vierkantig, met een soms platte, soms gewelfde, nu eens gladde, dan weer
+gegroefde oppervlakte, wit of geelachtig of rood van kleur. Hun buitenste of voorste vlakte is met staalhard email bedekt;
+de scherpe spits of de breede, op het scherpe einde van een steekbeitel gelijkende bovenrand is uitsluitend uit genoemd materiaal
+samengesteld. Het overige deel van den tand bestaat uit een veel zachtere stof, n.l. tandbeen. Wegens het veelvuldig gebruik,
+dat van deze belangrijke tanden wordt gemaakt, zouden zij na korten tijd stomp worden of afslijten, indien zij niet een groot
+voorrecht hadden boven de meeste tanden van Zoogdieren; zij groeien n.l. altijd door. De tandwortel ligt in een tandholte,
+die zich tot diep in de kaak voortzet, en bevat aan zijn geheel open (en zelfs trechtervormig verwijd), achterste uiteinde,
+een blijvende kiem, die den tand van achteren voortdurend in gelijke mate herstelt, als hij van voren afslijt. De snede van
+den tand wordt vlijmscherp gehouden, doordat de onderling tegenovergestelde tanden over elkander wrijven, zoodat de eene langs
+den anderen schuurt. Daar nu de snijtanden op ongelijke wijze met email bekleed zijn, van voren met een dikke korst, terwijl
+van achteren het tandbeen onbedekt blijft, zal de top van den tand in schuinsche, van voren naar achteren afhellende richting
+geslepen worden. De zeer omvangrijke en samengestelde kauwspier moet door haar werking de onderkaak zoowel opheffen als naar
+voren schuiven. In verband hiermede is de gewrichtsknobbel van het onderkaaksbeen in overlangsche richting, van voren naar
+achteren ontwikkeld. De tanden zijn hierdoor niet tot grijpen en tot verscheuren, maar tot knagen, tot afknabbelen geschikt.
+Tegen de verbazend groote krachtsinspanning, die hiervoor vereischt wordt, zijn zij volkomen bestand. Van het voortduren van
+den groei der knaagtanden kan men zich gemakkelijk overtuigen, door bij een Knaagdier, b.v. bij een Konijn, een der knaagtanden,
+b.v. van de onderkaak, af te breken. Dan groeit de tegenovergestelde bovenkaaksnijtand, omdat hij niet meer onderhevig is
+aan afslijting, schielijk aan, komt boogvormig omgekruld buiten den bek te voorschijn, en verkrijgt, steeds groeiend en niet
+slijtend, een spiraalvormige gedaante; het geheele gebit wordt hierdoor nagenoeg onbruikbaar en de voeding zeer bemoeilijkt.
+Na het afbreken van een bovensnijtand zal de tegenovergestelde ondertand zich binnen de mondholte kolossaal verlengen en hier,
+door het gehemelte in zijn opwaartschen groei gestuit, een spiraalvormige gedaante verkrijgen, of wel in de bovenkaak doordringen.
+Zulke monsterachtige tanden missen natuurlijk den scherpen rand aan den top van de kroon.&#8212;De maaltanden hebben platte kronen,
+met dwars gerichte verhevenheden op de kauwvlakte, die slechts bij enkele door knobbels vervangen zijn. De voor- en achterwaartsche
+beweging van de onderkaak in aanmerking nemend, is het niet moeilijk in te zien, dat de dwarse richting der oneffenheden,
+het vermalen van harde stoffen in hooge mate bevordert.
+
+</p>
+<p>Bij vele Knaagdieren komen wangzakken voor, die door een opening aan de binnenzijde der lippen met de mondholte in gemeenschap
+staan, en zich tot in de schouderstreek kunnen uitstrekken; bij het inzamelen van voedsel kunnen zij als bergplaatsen dienen;
+een hiervoor bestemde spier trekt deze zakken terug, als zij gevuld moeten worden.
+
+</p>
+<p>De Knaagdieren zijn over alle werelddeelen verbreid en komen, zoover de plantengroei zich uitstrekt, in <a id="d0e94"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e94">272</a>]</span>alle klimaten, op alle breedten en op alle hoogten voor. &#8220;Te midden van eeuwigdurende sneeuw en ijs.&#8221; zegt <span class="smallcaps">Blasius</span>, &#8220;daar, waar een warme zonnestraal slechts op sommige plaatsen en gedurende weinige weken, aan enkele planten een kortstondig
+en armoedig leven mogelijk maakt, op de stille eenzame, met sneeuw bedekte hoogten der Alpen, in de uitgestrekte onherbergzame
+vlakten van het noorden, vindt men nog Knaagdieren, die geen behoefte gevoelen aan een schoonere zon. Maar hoe rijker en weelderiger
+de plantenwereld is, des te bonter en menigvuldiger wordt het leven van deze Zoogdierenorde, die bijna geen plekje van de
+aarde onbewoond laat.&#8221; De levenswijze van deze algemeen verbreide dieren, is zeer verschillend.
+
+</p>
+<p>Niet weinige van hen houden zich in de boomen op, vele leven in den grond sommige bewonen het water; hunne verblijfplaatsen
+zijn dikwijls onderaardsche, door henzelf gegraven holen, andere hebben hun leger te midden van het struikgewas, nog andere
+in het open veld. Alle zijn in meerdere of mindere mate vlugge dieren, die, in overeenstemming met de plaats waar zij zich
+ophouden, voortreffelijk loopen, &ograve;f klimmen, &ograve;f graven, &ograve;f zwemmen. Meestal scherpzinnig, wakker en lenig, zijn zij evenwel,
+naar het schijnt, niet schrander of met buitengewone geestesgaven bedeeld. Verreweg de meeste kenmerken zich door armoede
+van geest; zij kunnen wel schuw, maar niet voorzichtig of listig zijn, en onderscheiden zich ook in andere opzichten nooit
+door in &#8217;t oog vallende bekwaamheden. Sommige leven bij paren, andere zijn tot famili&euml;n en niet weinige tot groote troepen
+vereenigd; zij zijn verdraagzaam tegenover andere dieren, maar bemoeien zich niet met hen. Boosaardigheid en valschheid, wildheid
+en onbeschaamdheid, willens en wetens geopenbaard, treft men slechts bij weinige aan. Als hun een gevaar dreigt, keeren zij
+zoo schielijk mogelijk naar hunne schuilplaatsen terug; slechts zeer weinige onder hen zijn schrander genoeg, om op listige
+wijze vervolgingen te ontgaan. Alle Knaagdieren voeden zich hoofdzakelijk met plantaardige stoffen: wortels, schors, bladen,
+bloemen, allerlei soorten van vruchten, kruiden, gras, melige knollen, ja zelfs houtvezels worden door hen gegeten; de meeste
+maken echter ook van dierlijk voedsel gebruik, en zijn echte alleseters. Eigenaardig is het, dat vele, die te zwak zijn, om
+groote reistochten te ondernemen, of om weerstand te bieden aan de strengheid van den winter, voorraad inzamelen en in onderaardsche
+bergplaatsen bewaren. De Knaagdieren verdienen als bouwmeesters een eereplaats onder de Zoogdieren; sommige van hen vervaardigen
+zeer kunstige woningen, die reeds sedert overouden tijd de bewondering van den mensch getrokken hebben. Niet weinige brengen
+den winter door in een op den dood gelijkenden slaap, verkeeren in een toestand van verstijving, en teren op het vet, dat
+zij gedurende den zomer in hun lichaam hebben opgehoopt, en dat wegens de in ieder opzicht zeer sterk verminderde levenswerkzaamheid
+tot aan het volgende voorjaar in hunne behoeften kan voorzien.
+
+</p>
+<p>In verhouding tot hun geringe groote, is de beteekenis van de Knaagdieren in de huishouding der natuur zeer groot; zij zijn
+onze schadelijkste en gevaarlijkste vijanden. Als zij niet een talloos leger van vijanden tegenover zich hadden, en niet in
+hooge mate onderhevig waren aan ziekten en epidemi&euml;n van velerlei aard, zouden zij de aarde overheerschen en verwoesten. De
+onophoudelijke verdelgingsoorlog, die tegen hen gevoerd wordt, heeft een tegenwicht in hunne verbazende vruchtbaarheid en
+vermenigvuldigingsvermogen; maar al te dikwijls hebben deze de overhand. Het klinkt bijna ongeloofelijk, maar is toch waar,
+dat een paar Knaagdieren, binnen een tijdsverloop van &eacute;&eacute;n jaar, een nakomelingschap kan hebben die uit duizend individu&euml;n
+bestaat. Vriendschap kan men eigenlijk slechts voor hoogst weinige leden van deze vormenrijke orde gevoelen, en van deze weinige
+zijn slechts enkele waard getemd te worden. Belangrijker dan door de eigenschappen, die men gedurende hun leven kan opmerken,
+zijn de Knaagdieren voor ons door hun vel en hun vleesch.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>In de eerste familie plaatsen wij de <span class="letterspaced">Eekhoornachtigen</span> (<i>Sciuridae</i>), verdeeld over twee onderfamili&euml;n: de <span class="letterspaced">Eekhoorntjes</span> en de <span class="letterspaced">Marmotten</span>.
+
+</p>
+<p>De romp van de <span class="letterspaced">Eekhoorntjes</span> (<i>Sciurinae</i>) is lang en eindigt in een meer of minder langen, dikwijls twee-rijig behaarden staart. De oogen zijn groot en uitpuilend,
+de ooren bij sommige klein, bij andere groot, nu eens dun behaard, dan weer met een haarkwastje voorzien. De voorpooten zijn
+aanmerkelijk korter dan de achterpooten. Gene hebben 4 teenen en een kort stompje op de plaats van den duim, de achterpooten
+hebben vijf teenen.
+
+</p>
+<p>Met uitzondering van Australi&euml; bewonen de Eekhoorntjes de geheele aarde; zoowel in tamelijk ver noordwaarts gelegen gewesten,
+als in de heetste landstreken tusschen de keerkringen komen zij voor; zij leven op verschillende hoogten, sommige soorten
+treft men zoowel in het gebergte als in de vlakte aan. Bosschen, of althans plaatsen waar boomen groeien, zijn hunne meest
+geliefde verblijfplaatsen; verreweg de meeste zijn echte boomdieren; eenige vestigen hun woonplaats in onderaardsche, door
+henzelf gegraven holen.
+
+</p>
+<p>Alle Eekhoorntjes bewegen zich vlug, snel en behendig, even goed op de boomen als op den grond. Alleen de Vliegende Eekhoorntjes
+gevoelen zich op den bodem niet thuis, maar zijn in staat buitengewoon groote sprongen te doen, hoewel altijd slechts van
+boven naar beneden. De meeste bewegen zich springend over den bodem en raken dezen met de geheele zool aan. Bijna alle klimmen
+uitmuntend en springen over groote tusschenruimten van den eenen boom op den anderen. Zij slapen ineengerold en doen dit bij
+voorkeur op een gemakkelijke ligplaats, die zij zich verschaffen nu eens door het graven van een onderaardsche woning, dan
+weer door een leger op te slaan in een hollen boom, en ook wel door het doelmatig inrichten van een door andere dieren of
+door henzelf gebouwd nest. De Eekhoorntjes, die koude landen bewonen, trekken zuidwaarts bij &#8217;t naderen van den winter, of
+vervallen in een onafgebroken winterslaap en brengen in dit geval een meer of minder grooten voorraad leeftocht bijeen, waarvan
+zij in geval van nood gebruik maken. Hun stem bestaat uit een fluitend geluid en uit een eigenaardig, niet nader te omschrijven
+gebrom, geknor en gesis.
+
+</p>
+<p>De meeste soorten werpen, naar het schijnt, ieder jaar meer dan &eacute;&eacute;nmaal jongen. V&oacute;&oacute;r en na den paartijd houdt het mannetje
+zich dikwijls geruimen tijd bij het wijfje op; ook helpt hij haar wel bij het bouwen van de meer of minder kunstige woning,
+waarin zij later haar kroost zal verzorgen. Het aantal jongen in iederen worp wisselt af van twee tot zeven. De kleintjes
+komen nagenoeg kaal en blind ter wereld en hebben daarom behoefte aan een warm leger en een zorgvuldige verpleging. <a id="d0e133"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e133">273</a>]</span>Jong uit het nest genomen Eekhoorntjes laten zich zonder bijzondere moeite temmen; bijna altijd komt echter op meer gevorderden
+leeftijd de weerspannige en knorrige aard, die aan vele Knaagdieren eigen schijnt te zijn, voor den dag; zij worden boosaardig
+en toonen lust tot bijten.
+
+</p>
+<p>Hoewel alle Eekhoorntjes bij voorkeur (en gedurende sommige tijden uitsluitend) plantaardig voedsel gebruiken, versmaden zij
+echter, evenals tal van andere Knaagdieren, het dierlijk voedsel niet; zij overvallen zwakke Zoogdieren en maken ijverig jacht
+op Vogels, welker nesten zij op onmeedoogende wijze plunderen. Ofschoon het vel van verscheidene soorten van Eekhoorntjes
+als pelswerk dienst doet en men op sommige plaatsen het vleesch van deze dieren eet, kan toch dit geringe nut niet opwegen
+tegen de schade, die zij toebrengen aan de door ons gekweekte planten en aan de nuttige Vogels.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Verreweg de meeste leden van de eerste onderfamilie behooren tot het slechts in Australi&euml; ontbrekende geslacht der <span class="letterspaced">Dag-eekhoorntjes</span> (<i>Sciurus</i>). Alle soorten van deze groep stemmen zoozeer met elkander overeen, wat gestalte, lichaamsbouw, levenswijze en aard betreft,
+dat het volkomen voldoende is, onzen Eekhoorn en zijn levenswijze te beschrijven, om een voorstelling te verkrijgen van het
+leven van al zijne verwanten.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Eekhoorn</span> of <span class="letterspaced">Eeker</span> (<i>Sciurus vulgaris</i>) <span id="d0e160" class="corr" title="Bron: ">is </span>een van de weinige Knaagdieren, waarmede de mensch vriendschap gesloten heeft, en die hij, in weerwil van sommige onaangename
+eigenschappen, gaarne als huisgenoot aanneemt, heeft zelfs in de oogen van den dichter een bevallige gestalte. Dit werd reeds
+gevoeld door de Grieken, aan wie wij den wetenschappelijken naam van het Eekhoorntje ontleend hebben. Deze naam beteekent:
+&#8220;die zich met den staart overschaduwt&#8221;, en onwillekeurig moet ieder, die de beteekenis van het woord <i>Sciurus</i> kent, aan het beweeglijke diertje denken, zooals het daar in de hoogte zit, boven op de hoogste boomkronen. <span class="smallcaps">R&uuml;ckert</span> heeft het wakkere schepseltje bezongen op zulk een wijze, dat de natuuronderzoeker het hem niet verbeteren kan.
+
+</p>
+<p>De lichaamslengte van het Eekhoorntje bedraagt, zonder den 20 cM. langen staart, 25 cM., de schouderhoogte 10 cM. en het gewicht
+van het volwassen dier een weinig meer dan 0.25 KG. De vacht biedt groote verscheidenheid aan, al naar men het dier &#8217;s zomers
+of &#8217;s winters, in het noorden of in het zuiden beschouwt. In den zomer is de kleur van de bovendeelen bruinachtig rood, aan
+de zijden van den kop met grijs gemengd, aan de onderzijde (te beginnen bij de kin) wit; in den winter is het haarkleed aan
+de rugzijde bruinrood met grijsachtig wit gemengd, aan de buikzijde wit. In Siberi&euml; en Noord-Europa echter is het winterkleed
+van den Eekhoorn geheel en al witachtig grijs, terwijl het zomerkleed gelijkt op dat van het bij ons levende dier. Dikwijls
+ziet men in de bosschen van Middel-Europa ook zwarte exemplaren; deze behooren echter niet tot een bijzondere soort, want
+bij de jongen van een worp treft men dikwijls roode en zwarte voorwerpen aan. Witte of gevlekte Eekhoorntjes zijn zeer zeldzaam,
+zoo ook die met witten of halfwitten staart enz. De staart is zeer ruig en tweerijig behaard; het oor is versierd met een
+pluim van lange haren; de voetzolen zijn naakt.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1273.jpg" alt="Eekhoorn (Sciurus vulgaris). &#8531; v.d. ware grootte." width="720" height="445"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Eekhoorn</span> (<i>Sciurus vulgaris</i>). &#8531; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Ons Eekhoorntje is aan de Grieken en Spanjaarden even goed bekend als aan de Siberi&euml;rs en Laplanders. Zijn verbreidingsgebied
+strekt zich uit over geheel Europa, en reikt voorts over den Kaukasus en den Oeral, door het geheele zuiden van Siberi&euml; tot
+aan den Alta&iuml; en tot in Achter-Azi&euml;. Het dier is echter niet overal en ook niet in alle jaren even menigvuldig. Hoogstammige,
+droge en schaduwrijke wouden vormen zijne meest bevoorrechte verblijfplaatsen; nat weer is hem even onaangenaam als zonneschijn.
+Wanneer het ooft en de noten rijp zijn, bezoekt hij de tuinen van het dorp, doch slechts dan, als zij met het woud verbonden
+zijn door kreupelboschjes, of althans door struiken. Daar waar vele sparrekegels en denneappels rijp worden, vestigt hij zich
+voor goed; hier heeft hij &eacute;&eacute;n of meer woningen, gewoonlijk zijn dit oude kraaiennesten, welker inrichting hij naar zijne behoeften
+op kunstige wijze veranderd heeft. Voor een kortstondiger verblijf gebruikt hij de verlaten nesten van Eksters, Kraaien en
+Roofvogels, zooals zij zijn. De woningen echter, die als nachtverblijf, als toevluchtsoord bij slecht weder en als kraamkamer
+voor het wijfje dienen, worden opzettelijk voor dit doel gebouwd, hoewel hierbij dikwijls wordt gebruik gemaakt van de materialen,
+die door de Vogels bijeengebracht zijn. Sommigen meenen opgemerkt te <a id="d0e182"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e182">274</a>]</span>hebben, dat ieder Eekhoorntje minstens vier nesten heeft; met zekerheid is dit echter nog niet gebleken. Gaten in boomen,
+het liefst holle boomstammen, worden eveneens door hem bezocht, en in sommige gevallen tot woning ingericht. De open en bloot
+liggende nesten komen gewoonlijk voor in een vork, dicht bij den hoofdstam van den boom; hun vloer is gebouwd als die van
+een groot vogelnest, van boven is het echter beschut door een plat, kegelvormig dak, op dat van een eksternest gelijkend en
+dicht genoeg om het binnendringen van den regen te verhinderen. De hoofdingang is naar beneden gericht, gewoonlijk naar het
+oosten, een iets kleiner vluchtgat bevindt zich dicht bij den stam. Van binnen is het nest aan alle zijden met een warm kussen
+van zacht mos gevoerd. De buitenwand bestaat uit dunne en dikke twijgen, die kruiselings door elkander gestoken zijn. Den
+stevigen, met aarde en leem bekleeden bodem van een verlaten kraaiennest gebruikt het Eekhoorntje gaarne als grondslag van
+zijn woning.
+
+</p>
+<p>Dit wakkere diertje is buiten kijf een der voornaamste aantrekkelijkheden van onze bosschen. Bij stil, helder weder beweegt
+het zich onverpoosd, en blijft intusschen zooveel mogelijk in de boomen, die hem te allen tijde voedsel en beschutting bieden;
+somtijds gaat het op zijn gemak bij den stam naar beneden, en loopt naar den boom, dien het beklimmen wil. Dikwijls doet de
+Eekhoorn dit alleen voor de aardigheid, want hij behoeft, als hij zulks niet wenscht, in &#8217;t geheel niet op den grond te komen.
+Hij is de Aap van onze bosschen en bezit vele eigenschappen welke herinneren aan die van den genoemden, nukkigen tropenbewoner.
+Er zijn waarschijnlijk maar weinige Zoogdieren, die zoolang achtereen in beweging zijn en zoo kort op dezelfde plaats blijven
+als de Eekhoorn bij tamelijk goed weder. Voortdurend gaat hij van den eenen boom op den anderen, van kroon tot kroon, van
+tak tot tak; zelfs op den grond is hij alles behalve vreemd en onbeholpen. Nooit stapt of draaft hij; altijd beweegt hij zich
+huppelend met groote of kleine sprongen; hij doet dit zoo snel, dat een Hond moeite heeft om hem in te halen, en een mensch
+reeds na korten tijd de vervolging moet opgeven. De sterkste bewijzen van behendigheid geeft hij echter eerst bij het klimmen.
+Met ongeloofelijke vastheid en snelheid sluipt hij bij de boomstammen omhoog, zelfs bij de gladste. De lange, scherpe klauwen
+aan de vingervormige teenen bewijzen hem hierbij voortreffelijke diensten. Hij haakt zich aan de boomschors vast en doet dit
+met alle vier pooten tegelijk. Dan zet hij zich af voor een nieuwen sprong en schiet verder naar boven; de eene sprong volgt
+echter zoo schielijk op den anderen, dat het omhoogstijgen zonder tusschenpoozen plaats heeft; men zou kunnen meenen, dat
+het dier bij den stam omhoogglijdt. De klimbeweging veroorzaakt een op een afstand hoorbaar geritsel, waarin men de verschillende
+oogenblikken van stilstand en de opeenvolgende sprongen niet onderscheiden kan. Gewoonlijk stijgt het dier zonder rust te
+nemen tot in de kroon van den boom, niet zelden tot in den top; daar loopt hij dan langs den een of anderen, waterpas liggende
+tak naar den buitenkant van de kroon en springt van hier gewoonlijk in den top van een tak van een anderen boom, over tusschenruimten
+van 4 of 5 M., altijd van boven naar beneden. Van de noodzakelijkheid van den tweerijig behaarden staart voor &#8217;t springen
+heeft men zich door een wreede proefneming overtuigd; men heeft aan gevangen Eekhoorntjes den staart afgehouwen en opgemerkt,
+dat het verminkte dier niet half zoo ver meer springen kon, als vroeger. Ook het zwemmen verstaat de Eekhoorn uitmuntend,
+ofschoon hij niet gaarne te water gaat.
+
+</p>
+<p>Als de Eekhoorn geen stoornis behoeft te duchten, zoekt hij gedurende zijne zwerftochten voortdurend voedsel. Al naar het
+jaargetijde eet hij vruchten of zaden, knoppen, twijgen en paddestoelen. De zaden van dennen, sparren en zilversparren, knoppen
+en jonge uitspruitsels zullen wel het hoofdbestanddeel van zijn voedsel uitmaken. Hij bijt de kegels van onze naaldboomen
+bij den steel af, gaat op zijne achterpooten zitten, brengt den kegel met de voorpooten naar den bek, draait hem onophoudelijk
+rond en bijt nu met zijne uitmuntende tanden de eene schub na de andere er af, zoodat de zaden blootliggen, die hij dan met
+de tong opneemt en in den bek brengt. Aardig is het naar hem te zien, wanneer hij hazelnooten, zijn lievelingsspijs, in overvloed
+kan krijgen. Bittere zaden, b.v. van amandels, zijn voor hem vergiftig: twee bittere amandelen zijn voldoende om hem te dooden.
+
+</p>
+<p>Schadelijk voor de boschkultuur wordt de Eekhoorn vooral door het opeten van de zaadlobben der pas ontkiemde beukels, eikels
+en zaden van naaldboomen; zelfs tamelijk ver ontwikkelde jonge eiken worden door hem uitgegraven om er de wortels en de zaadlobben
+van te verslinden; verder doet hij schade, door zich te voeden met de zaden van boomen, die voor het aanleggen van bosschen
+noodig zijn, door het afknagen van de blad- en bloemknoppen van naaldboomen, door het spiraalvormig afschellen van de schors
+van berkenstammen, en ook door andere naaldboomen, alsmede haagbeuken, beuken, eiken enz. te ontschorsen; voorts geeft hij
+aanleiding tot vermindering van het aantal Vogels, die door het verdelgen van schadelijke Insecten voor de boschkultuur nuttig
+zijn. Hiertegenover staat als nut van den Eekhoorn alleen, dat hij in &#8217;t voorjaar, als de boomzaden schaarsch zijn, zich met
+de zoo schadelijke Meikevers voedt.
+
+</p>
+<p>Wanneer het dier voedsel in overvloed kan krijgen, verzamelt het voorraad voor latere tijden van schaarschte. In de spleten
+en gaten van holle boomen en boomwortels, in door hemzelf gegraven holen, onder struiken en steenen, in een van zijne nesten
+en op andere dergelijke plaatsen legt het zijne voorraadschuren aan; dikwijls sleept het de voor proviand bestemde noten,
+graankorrels en zaden over groote afstanden naar de bedoelde bergplaatsen. In de bosschen van het zuid-oosten van Siberi&euml;
+bewaart de Eekhoorn ook paddestoelen; hij doet dit op een hoogst eigenaardige wijze. &#8220;Zij zijn,&#8221; merkt <span class="smallcaps">Radde</span> op, &#8220;zoo weinig zelfzuchtig, dat zij den voorraad paddestoelen niet opbergen, maar aan de naalden of in de lorkenwouden aan
+de kleine takjes steken, ze daar droog laten worden, om in tijden van hongersnood hunne doortrekkende soortgenooten van dienst
+te zijn.&#8221;
+
+</p>
+<p>Uit deze voorzorgsmaatregelen met het oog op den winter blijkt, hoe buitengewoon gevoelig de Eekhoorntjes voor den invloed
+van het weder zijn. Wanneer de zon wat meer warmte geeft dan gewoonlijk, houden zij hun middagslaapje in hun nest en zwerven
+dan alleen des morgens en des avonds in het bosch rond; nog veel meer echter schuwen zij regenbuien, hevige onweders, stormen
+en vooral sneeuwjacht. Klaarblijkelijk hebben zij een voorgevoel van aanstaande weersveranderingen. Reeds een halven dag v&oacute;&oacute;rdat
+de gevreesde weersgesteldheid begint, geven zij bewijzen van onrust, door voortdurend in de boomen rond te springen en <a id="d0e197"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e197">275</a>]</span>door een zeer eigenaardig gefluit en geschreeuw, dat men anders alleen van hen hoort, wanneer zij zeer opgewonden zijn. Zoodra
+de eerste voorboden van het slechte weder zich vertoonen, verschuilen zij zich in hunne nesten (dikwijls verscheidene in &eacute;&eacute;n
+nest) en laten, nadat zij de opening aan de windzijde zorgvuldig dichtgemaakt hebben, op hun gemak ineengerold, de bui uitrazen.
+Een ongunstig najaar wordt voor hen noodlottig, omdat zij dan reeds in den herfst den voor den winter bestemden voorraad opgebruiken.
+Wanneer nu de hieropvolgende winter eenigermate streng is, worden onze dieren in grooten getale er het slachtoffer van.
+
+</p>
+<p>Zoodra de nacht invalt, begeeft het Eekhoorntje, dat een blijvende bewoner is van een oord, zich naar zijn nest en slaapt
+hier, zoolang het donker is; toch kan het ook gedurende de duisternis zeer goed den weg vinden. <span class="smallcaps">Lenz</span> liet eens door twee daglooners een lange ladder in het bosch dragen en tegen een boom plaatsen, waarop zich een nest met
+jonge Eekhoorntjes bevond. Alles geschiedde zoo stil mogelijk. De lantaarn bleef beneden bij de dragers en <span class="smallcaps">Lenz</span> klom naar boven. Zoodra hij het nest met de hand aanraakte, snelden de bewoners hiervan zoo vlug als de wind naar buiten;
+voor zoover men kon nagaan, gingen er twee hooger op in den boom, &eacute;&eacute;n bij den stam langs naar beneden en &eacute;&eacute;n door de lucht
+naar den bodem; in een oogwenk was alles in de nabijheid weer stil.
+
+</p>
+<p>Schrik geeft de Eekhoorn te kennen door de klanken: &#8220;Doek, doek&#8221;. Als hij zich op zijn gemak gevoelt of slechts in geringe
+mate ontevreden is, laat hij een eigenaardig gemor of geknor hooren, dat niet goed door klankteekens kan worden weergegeven.
+Buitengewone vreugde of opgewondenheid drukt hij uit door te fluiten. Alle zinnen, vooral het gezicht, het gehoor en de reuk,
+zijn scherp: bovendien moet ook het gevoel zeer fijn ontwikkeld zijn, daar anders het vooruitvoelen van weersveranderingen
+voor ons onverklaarbaar zou blijven; ook de smaak moet, volgens opmerkingen, die men bij gevangen dieren gedaan heeft, van
+eenige beteekenis zijn. Dat het dier goede geestvermogens bezit, blijkt uit zijn goed geheugen en uit de list en slimheid,
+waarmede het aan zijne vijanden weet te ontkomen. Bliksemsnel begeeft het zich naar den hoogsten boom, die zich in de nabijheid
+bevindt, loopt bijna altijd aan de zijde, die van den vijand afgewend is, bij den stam omhoog tot aan de eerste gaffelvormige
+verdeeling, komt dan hoogstens met zijn kopje te voorschijn, kruipt in elkander, verbergt zich zoo goed, als de omstandigheden
+dit toelaten, en tracht zoo veel mogelijk onzichtbaar te blijven, terwijl het zich uit de voeten maakt.
+
+</p>
+<p>Vier weken na de paring werpt het wijfje in het zachtste, doelmatigst gelegen nest 3 &agrave; 7 jongen, die ongeveer 9 dagen lang
+blind blijven en door de moeder met groote liefde verzorgd worden. Nadat zij gespeend zijn, brengt de moeder, en misschien
+ook de vader, hun eenige dagen achtereen voedsel; daarna laten de ouders de kleintjes aan hun lot over. De jongen blijven
+nog eenigen tijd bijeen, spelen aardig met elkander en nemen zeer schielijk de gewoonten van de volwassenen aan. In Juni heeft
+de oude reeds voor de tweede maal jongen; als ook deze zoo ver zijn, dat zij met haar rondzwerven kunnen, vereenigen de jongen
+van beide worpen en hun moeder zich tot een bende, die soms uit 12 &agrave; 16 leden bestaat, en die men van nu af in een en &#8217;t zelfde
+deel van &#8217;t woud ziet arbeiden.
+
+</p>
+<p>Het Eekhorentje is buitengewoon zindelijk; het belekt en poetst zich voortdurend. Om deze reden is het zeer goed geschikt
+om in de kamer gehouden te worden. Voor dit doel worden de jongen uit het nest genomen, wanneer zij half volwassen zijn; men
+voedert ze met melk en wittebrood, totdat men ze noten en zaden kan geven.
+
+</p>
+<p>In hun jeugd zijn alle Eekhoorntjes wakkere, vroolijke en volkomen onschadelijke diertjes, die gaarne hebben, dat men ze vleit
+en liefkoost. Zij herkennen hun verzorger en houden van hem; ook toonen zij eenige leerzaamheid door te komen, als hij roept.
+Ongelukkig worden bijna alle, zelfs de tamste, valsch of althans tot bijten geneigd, wanneer zij ouder worden.
+
+</p>
+<p>De Edelmarter is de ergste vijand van den Eekhoorn. Den Vos gelukt het maar zelden deze prooi te bekruipen. Aan Wouwen, Haviken
+en groote Uilen ontkomt de Eekhoorn door, zoodra de Vogel hem te lijf wil gaan, schielijk volgens een schroeflijn om den boomstam
+heen naar boven te klimmen. Daar de Vogels bij &#8217;t vliegen natuurlijk veel grootere kringen moeten beschrijven, bereikt de
+vervolgde eindelijk een holte, een dichte boomkruin, waar hij veilig is. Meer bezwaren heeft hij te overwinnen, wanneer hij
+voor den Edelmarter vluchten moet. Deze moordzuchtige roover is in &#8217;t klimmen even goed ervaren als zijn slachtoffer; hij
+volgt het op den voet, in de boomkronen zoowel als op den grond, kruipt het na, zelfs in de holen, waarin het een schuilplaats
+zoekt, of in het door dikke wanden begrensde nest. Onder angstig geschreeuw en gefluit vlucht de Eekhoorn voor den Marter;
+de behendige roover jaagt hem achterna, en beide wedijveren als &#8217;t ware in &#8217;t maken van prachtige sprongen. De eenige kans
+op redding, die er voor den Eekhoorn bestaat, berust op zijn geschiktheid om zonder bezwaar uit den top van den hoogsten boom
+op den grond te springen, schielijk een eind vooruit te snellen om een nieuwen boom te bereiken, waar hij, zoo noodig het
+oude spel zal herhalen. Men ziet hem derhalve, als de Edelmarter hem vervolgt, zoo vlug mogelijk naar boven klauteren, en
+intusschen steeds op de reeds aangeduide wijze een schroeflijn volgen, om altijd min of meer door den stam gedekt te zijn.
+Steeds klimt de Edelmarter ijverig achter hem aan; beide klimmen ongeloofelijk snel naar het hoogste deel van de kroon. Reeds
+schijnt de Edelmarter het ingehaald te hebben,&#8212;op eens doet de eekhoorn uit den hoogsten top een geweldigen, boogvormigen
+sprong in de lucht, strekt, alle ledematen in horizontale richting zijwaarts, snort door de lucht naar beneden, komt behouden
+op den bodem aan en ijlt nu angstig voort, zoo schielijk hij kan, om zoo mogelijk een betere schuilplaats te zoeken. Zoo&#8217;n
+sprong kan de Edelmarter niet doen, toch bereikt hij in den regel spoedig zijn doel, omdat hij de vervolging niet opgeeft,
+maar zoo lang jaagt tot het slachtoffer geheel uitgeput is en zich moet overgeven.&#8212;Jonge Eekhoorntjes zijn aan veel meer gevaren
+blootgesteld dan de oude; die, welke pas zelfstandig geworden zijn, kunnen zelfs door een behendig klimmend mensch achterhaald
+worden. Als jongens zochten wij zulke diertjes en klauterden hen in de boomen na; meer dan eens werd de onverschilligheid,
+waarmede zij ons lieten naderen, hun noodlottig. Zoodra wij den tak, waarop zij zaten, konden bereiken, waren zij verloren.
+Wij bewogen den tak met geweld heen en weer; het verschrikte diertje was gewoonlijk nergens anders op bedacht, dan om zich
+stevig vast te houden, uit vrees voor den val. Nu gingen wij al verder en verder naar den omtrek van de kroon, voortdurend
+den tak schuddend, totdat wij met een vluggen greep het diertje konden pakken.
+<a id="d0e217"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e217">276</a>]</span></p>
+<p>De boeren aan de oevers van de Lena houden zich van het begin van Maart tot in het midden van April voortdurend met de vangst
+van Eekhoorns bezig; er zijn er, die meer dan 1000 vallen plaatsen. De Toengoesen schieten ze met stompe pijlen, om het vel
+niet te bederven, of gebruiken buksen met nauwen loop, met kogels ter grootte van een erwt, en dooden het dier door het in
+den kop te treffen. Volgens mondelinge mededeelingen van <span class="smallcaps">Radde</span> is de Eekhoornjacht in het zuidoosten van Siberi&euml; even onderhoudend als opwindend. Het gevangen wild beloont den jager voor
+zijn moeite, want het vel, dat onder den naam <i>petit gris</i> (<i>grauwerk</i>, <i>feh</i>) bekend is, wordt als pelswerk zeer geschat; de handel in dit artikel houdt een groot aantal menschen bezig. De mooiste vellen
+komen uit Siberi&euml;; zij zijn des te donkerder en kostbaarder, naarmate zij uit verder oostwaarts gelegen gewesten afkomstig
+zijn; aan deze zijde van den Oeral zijn zij lichter van kleur. Het ruggedeelte en het buikgedeelte van deze vellen worden
+afzonderlijk verwerkt. Rusland en Siberi&euml; leveren jaarlijks 6 &agrave; 7 millioen vellen ter waarde van 1.800.000 gulden; slechts
+2 &agrave; 3 millioen vellen komen in West-Europa ter markt, de overige worden in &#8217;t land zelf gebruikt of gaan naar China. Bovendien
+worden de staarten afzonderlijk verwerkt tot &#8220;boa&#8217;s&#8221;; van de staartharen maakt men goede schilderspenseelen. Het witte, malsche,
+smakelijke vleesch wordt door deskundigen overal gaarne gegeten.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Ook de wouden van Amerika, Afrika en Indi&euml; worden vervroolijkt door de tegenwoordigheid van Eekhoorntjes, die ten deele zeer
+fraai gekleurd zijn; door hunne vlugge bewegingen trekken zij dikwijls niet minder dan de Apen de aandacht van den onderzoeker.
+Bovendien laten sommige zich zonder bezwaar in een hok verzorgen, waardoor men in de gelegenheid is allerlei eigenaardigheden
+van deze dieren op te merken, die in &#8217;t geheel niet waargenomen kunnen worden bij die, welke in vrijen toestand in de wildernis
+leven. Een betrekkelijk zeer klein Afrikaansch Eekhoorntje werd een tijdlang door <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span> aan de Loango-kust verzorgd en nagegaan. Hij schrijft hierover: &#8220;Een allerliefst Eekhoorntje met roestgele vacht, versierd
+met twee dubbele, zwarte en witte zijdestrepen, werd mij eens levend ten geschenke gegeven. De inboorlingen noemden het <span class="letterspaced">Mkaka</span>. Blijkbaar was het geheel volwassen, toch was het niet grooter dan een flinke Muis, zoodat men het in de holle hand bergen
+kon. Binnen weinige dagen werd het zoo tam, dat het zich voortaan vrij in de kamer mocht bewegen. Met het vroolijk en zacht
+geroep van &#8216;tik, tak,&#8217; dat telkens met een opwaartsche beweging van den staart gepaard ging, begeleidde het zijne grappige
+spelen; des nachts was het echter vlugger dan over dag. Zijne liefhebberijen veranderden buitengewoon snel. Een tijdlang koos
+het, wanneer het nu en dan ging zitten, bij voorkeur mijn inktpot als rustplaats uit, poetste en kamde zich, en volgde intusschen
+al mijne bewegingen met zijne schrandere oogjes. Als ik de pen indoopte, sprong het altijd op mijn hand over, en wanneer ik
+deze terugtrok, nam het zijn vorige plaats weer in. Daarna vond het mijn hoofd voor zetel geschikt, later mijn schouder, kroop
+intusschen ook in het geopende hemd, in een van mijne zakken, zoodat ik bij &#8217;t opstaan altijd vooraf nagaan moest, of ik het
+kleine schepseltje, dat dikwijls onder de bedrijven in slaap viel, niet op de een of andere plaats bij mij had. Als slaapplaats
+had ik het een uitgeholde adansonia-vrucht aangewezen, die op een veilige hoogte was opgehangen. Voortdurend was het bezig
+deze ruimte te vullen, met zachte lapjes, pluisjes van watten en groote vlokken heede, die het uit de kamer van mijn buurman
+wegnam, en naar boven vervoerde, door langs een als ladder dienenden stok of langs het rieten beschot omhoog te klauteren.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wegens zijne bedrijvigheid en zucht naar veranderingen kwam het nooit tot rust en schiep het nooit lang behagen in de zaken,
+die het tot stand had gebracht. Het had nauwelijks een week gebruik gemaakt van het zachte nest, of het begon al reeds de
+met moeite bijeengebrachte bekleeding te versleepen en over te brengen naar een verleidelijk hoekje op mijn boekenplank; nadat
+deze eenigen tijd als slaapplaats had gediend, werd een derde nest aangelegd in een zak van de jas, die naast mijn schrijfstoel
+aan den muur hing. Daar achtte het zich gedurende geruimen tijd goed geborgen; ik meende dat het eindelijk tot rust zou zijn
+gekomen. Toen ik echter op een goeden keer mijne waterlaarzen wilde aantrekken, die ik, om ze tegen de Ratten te beveiligen,
+aan een over een dakspant geslagen touw had opgehangen en die dus vrij in de lucht zweefden, vond ik een van deze ingericht
+tot woning voor mijn Eekhoorntje en tot het boveneinde gevuld met heede, watten en vederen. Toen ontdekte ik ook, dat mijn
+rustelooze lieveling, evenals de Ziesels de manie had allerlei glinsterende en gladde voorwerpen te verzamelen: percussions,
+patroonhulzen, bontgekleurde scherven en andere fraaiigheden, en ook de vingerhoed, die ik sedert geruimen tijd miste, kwamen
+uit de laars te voorschijn. Voor het overige deed het niet veel kwaad.&#8221;
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De grootste en de kleinste Eekhoornsoort komen beide in den Oost-Indischen archipel voor. De <span class="letterspaced">Reuzen-eekhoorn</span> (<i>Sciurus maximus</i>) heeft een lichaamslengte van 43 cM. met een staart van gelijke lengte, terwijl de op Sumatra en Borneo inheemsch <span class="letterspaced">Dwerg-eekhoorn</span> (<i>Sciurus exilis</i>) zonder den 6 cM. langen staart, 6.5 cM. lang is. Van alle zo&ouml;-geographische rijken is trouwens het Oostersche gebied het
+rijkst aan Eekhoorns; niet minder dan 50 van de 100 &agrave; 120 tot dusver bekende soorten van het geslacht (<i>Sciurus</i>) komen in dit gebied voor. Merkwaardig is hetgeen <span class="smallcaps">Wallace</span> van deze dieren zegt, naar aanleiding van een bezoek door hem gebracht aan den heuvel Boekit Seboentang bij Palembang, die
+voor de begraafplaats van den stamvader der voormalige Palembangsche vorsten wordt gehouden: &#8220;Op een plaats, die ongeveer
+drie palen van de stad verwijderd is<a id="d0e266src" href="#d0e266" class="noteref">1</a>, rijst de grond tot een kleinen heuvel, die door de inboorlingen als heilig wordt beschouwd; eenige fraaie boomen, bevolkt
+door een kolonie van half tam geworden Eekhoorntjes beschaduwen hem. Wanneer iemand hun eenige broodkruimels, of eene of andere
+vrucht voorhoudt, komen zij snel langs den stam naar beneden, grissen het aangeboden hapje uit zijn vingers weg, en zijn in
+een oogwenk weder verdwenen. Zij dragen hunne staarten recht omhoog, en het haar, dat grijs, geel en bruin geringd is, spreidt
+zich gelijkmatig straalswijze rondom hen uit, en geeft hun een allerliefst voorkomen. Zij bewegen zich eenigermate op de wijze
+van Muizen, en gaan voort met kleine rukken, terwijl zij, alvorens zich verder te wagen, met hunne groote, zwarte oogen strak
+rondom zich staren. De wijze waarop <a id="d0e275"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e275">277</a>]</span>de Maleiers zich dikwijls het vertrouwen van wilde dieren weten te verwerven, vormt een aangenamen trek in hun karakter, en
+is tot op zekere hoogte te verklaren uit de kalme bedaardheid hunner manieren, en de voorkeur die zij aan rust boven beweging
+geven. De kinderen zijn gehoorzaam aan de wenschen hunner ouders, en schijnen niets te gevoelen van de neiging tot kattekwaad,
+die men bij Europeesche jongens opmerkt. Hoe lang zouden wel tamme Eekhoorns de boomen kunnen bewonen in de nabijheid van
+een Engelsch dorp, al ware het zelfs vlak bij de kerk? De dorpsjeugd zou, zoo zij ze niet strikte om ze in draaikooien op
+te sluiten, met allerlei voorwerpen op hen mikken en hen spoedig verdrijven. Nooit heb ik gehoord, dat deze aardige diertjes
+in Engeland op zoodanige wijze werden tam gemaakt; doch ik geloof, dat dit gemakkelijk in het park van ieder heerenhuis zou
+kunnen gebeuren, en dat tamme Eekhoorns hier een even aardige en aantrekkelijke, als buitengewone vertooning zouden opleveren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ook de Eekhoorns van Java en Sumatra echter, halen zich de vervolging van den mensch op den hals door de schade, die zij aanrichten.
+Zoo wordt van den <span class="letterspaced">Tweekleurigen</span> en van den <span class="letterspaced">Zwartgevlekten Eekhoorn</span> (<i>Sciurus bicolor</i> en <i>S. nigro-vittatus</i>) bericht, dat zij voor de koffieplantages lastige gasten zijn, omdat zij het sappige gedeelte van den vruchtwand der koffiebessen
+verslinden. Een andere Eekhoorn doet schade aan de Vijgeboomen, door het afknagen der eindknoppen, enz.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Op de Dag-eekhoorns moeten wij de nachtelijk levende <span class="letterspaced">Vliegende Eekhoorns</span> (<i>Pteromys</i>) laten volgen. Zij onderscheiden zich van de leden van &#8217;t vorige geslacht vooral door de breede fladder-huid, die hunne ledematen,
+met uitzondering van de voor- en achtervoeten, aaneenverbindt. Door dit valscherm zijn de Vliegende Eekhoorns in staat, om
+met gemak zeer groote sprongen in schuinsche richting van boven naar beneden te doen; het bestaat uit een stevige huid, die
+aan de voorste en achterste ledematen en aan beide zijden van den romp bevestigd is, aan de rugzijde is zij dicht, aan de
+buikzijde echter dun behaard. Bovendien wordt het voorste deel van de fladderhuid nog gesteund door een beenige spoor aan
+den handwortel. De staart, een krachtig stuurorgaan, is altijd flink ontwikkeld; bij de verschillende soorten echter ongelijk
+behaard, bij die van de eene groep n.l. eenvoudig ruig, bij die van de andere bovendien tweerijig. Hierbij komen nog geringe
+verschillen in de samenstelling van het gebit.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Tagoean</span> (<i>Pteromys petaurista</i>), het grootste lid van de geheele familie, komt in lichaamsomvang ongeveer overeen met een Huiskat. De fladderhuid begint
+aan de voorpooten, en strekt zich langs de zijden van het lichaam uit tot de achterste ledematen; bovendien is nog een klein
+verlengstuk van deze huid tusschen de voorpooten en het achterste deel van den kop, en tusschen de achterpooten en het begin
+van den staart aanwezig. In den toestand van rust wordt de fladderhuid geplooid en tegen den romp aangelegd. Aan de bovenzijde
+van den kop, op den rug en aan den wortel van den staart is de haarkleur een mengsel van grijs en zwart. Aan de geheele onderzijde
+heeft de vacht een vuil witachtig grijze kleur. De kleur van de fladderhuid wisselt af van zwartbruin tot kastanjebruin aan
+de bovenzijde, de randen zijn licht aschgrauw, de onderzijde is grijs met een eenigszins geelachtige tint. De staart is zwart.
+
+</p>
+<p>De Tagoean bewoont alle gewesten van Oost-Indi&euml; en Ceylon, waar uitgestrekte bosschen voorkomen; daar leeft hij afzonderlijk
+of bij paren in de dichtste deelen van het woud, en bij voorkeur op de hoogste boomen. Over dag slaapt hij in holle boomen,
+des nachts komt hij te voorschijn, klimt en springt met buitengewone snelheid, behendigheid en zekerheid van beweging in de
+boomkronen rond, of maakt zeer groote sprongen van boven naar beneden om naburige boomen te bereiken. Daarbij strekt hij zijne
+ledematen in horizontale richting zijwaarts en spant hierdoor de fladderhuid tot een groot valscherm uit. De staart wordt
+als stuurorgaan gebruikt en stelt het dier, naar men beweert, in staat om door een plotselinge wending gedurende den sprong
+de richting van de beweging te veranderen. <span class="smallcaps">Sanderson</span> weerspreekt deze bewering en zegt, dat het dier niet meer van de gekozen richting kan afwijken, nadat het den sprong heeft
+aangevangen; de inboorlingen wachten het aan het eindpunt van den sprong op en dooden het met een stokslag. Naar men verhaalt,
+is de snelheid, waarmede deze dieren springen en andere bewegingen maken, zoo buitengewoon groot, dat het oog hen bijna niet
+volgen kan.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>In noordelijke gewesten komen Vliegende Eekhoorns voor met tweerijig behaarden, langen, ruigen staart. Tot deze groep behoort
+de <span class="letterspaced">Gewone Vliegende Eekhoorn</span>, de <span class="letterspaced">Ljoetaga</span> der Russen (<i>Pteromys volans</i>), die het noordelijke deel van Oost-Europa en bijna geheel Siberi&euml; bewoont. Dit dier is aanmerkelijk kleiner dan ons Eekhoorntje;
+zijn romp is zonder den 10 cM. langen, staart, slechts 16 cM. lang. De dichte en voor &#8217;t gevoel zijdeachtige vacht is in den
+zomer aan de bovenzijde vaalbruin; de bovenzijde van de &#8220;vlieghuid&#8221; en de buitenzijde van de pooten zijn donkerder grijsbruin,
+de onderdeelen zijn wit. In den winter wordt de vacht langer, dichter en lichter van kleur; de bovendeelen en de staart zijn
+dan zilvergrijs.
+
+</p>
+<p>Het Gewone Vliegende Eekhoorntje bewoont groote berkenbosschen of gemengde bosschen, waarin sparren, dennen en berken met
+elkander afwisselen. De berken schijnen voor zijn leven noodzakelijk te zijn; hierop wijst ook de kleur van de vacht, die
+over &#8217;t geheel genomen evenzeer gelijkt op die van den berkenbast, als de kleur van ons Eekhoorntje gelijkt op die van de
+schors van dennen en sparren. Ofschoon het vel van den Ljoetaga als pelterij weinig waarde heeft, wordt het toch door de Chineezen
+voor dit doel gebruikt. Iederen winter worden een groot aantal van deze dieren gedood; hun aantal neemt dan ook sterk af;
+uit vele streken waar zij vroeger veelvuldig voorkwamen, zijn zij bijna geheel verdwenen; misschien komen zij er echter nog
+talrijker voor, dan men meent.
+
+</p>
+<p>Hun voedsel bestaat uit noten en zaden van allerlei boomen, bessen, knoppen, jonge spruiten en katjes van berken. Als de koude
+aanvangt, vervallen zij in een afgebroken winterslaap: gedurende de koude dagen slapen zij; als het weder zachter is, loopen
+zij iederen dag minstens een paar uur rond.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Een merkwaardig geslacht is dat van de <span class="letterspaced">Aard-eekhoorns</span> (<i>Tamias</i>). Door het bezit van wangzakken, die zich tot aan het achterhoofd uitstrekken, en door hun meer of minder onderaardsche levenswijze
+vormen zij een overgang van de Eekhoorns tot de Ziesels; zij stemmen echter meer met gene dan met <a id="d0e343"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e343">278</a>]</span>deze overeen. De dun behaarde staart is een weinig korter dan het overige lichaam; de vacht is kort en niet zeer zacht, op
+den rug gewoonlijk met duidelijke, overlangsche streepen geteekend. De weinige, hiertoe behoorende soorten bewonen Oost-Europa,
+Siberi&euml; en Noord-Amerika.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Boeroendoek</span> of <span class="letterspaced">Gestreepte Siberische Aard-eekhoorn</span> (<i>Tamias striatus</i>) is aanmerkelijk kleiner, maar plomper gebouwd dan onze Eekhoorn. De kleur van de korte, ruige, dicht aanliggende vacht is
+aan den kop, den hals en de zijden van den romp geelachtig, en bevat vele lange haren met witte spitsen; over den rug loopen
+vijf overlangsche, zwarte streepen, die strooken van ongelijke breedte begrenzen: de middelste is boven de ruggegraat gelegen,
+de beide volgende strekken zich van den kop tot aan de achterpooten uit, daartusschen bevindt zich een bleekgele strook. De
+geheele onderzijde is geelachtig wit.
+
+</p>
+<p>Het vaderland van den Aard-eekhoorn van de Oude Wereld bestaat uit een groot deel van Noord-Azi&euml; en een klein stuk van Oost-Europa.
+Hij is een woudbewoner en komt zoowel in naaldboombosschen als in beukenbosschen voor, het veelvuldigst echter daar, waar
+vele Russische ceders of arven groeien, welker (ook voor den mensch) bruikbare zaden, hij gaarne eet. Onder de wortels van
+deze boomen graaft hij zijn tamelijk kunsteloos, eenvoudig hol, dat uit het eigenlijke nest en &eacute;&eacute;n, twee of drie voorraadkamers
+bestaat, welke ruimten het dier door een lange gekronkelde gang kan bereiken. Het voedt zich met zaden en bessen, maar vooral
+met noten en graankorrels; van deze beide voedingsmiddelen bevatten zijne voorraadschuren in sommige winters 5 &agrave; 8 KG., welke
+proviand in de wangzakken er heen wordt gebracht.
+
+</p>
+<p>De Aard-eekhoorns worden door de landbouwers niet gaarne gezien. Evenals de Muizen begeven zij zich naar de graanschuren en
+richten hier, wanneer zij zeer talrijk zijn, groote schade aan. Hunne gevulde voorraadschuren worden, evenals in andere landen
+die van de Hamsters, opgegraven en geledigd. De Siberi&euml;rs trekken ook partij van het vel van deze dieren, dat naar China wordt
+gezonden, waar het gebruikt wordt voor het boorden en garneeren van andere pelterijen.
+
+</p>
+<p>De Aard-eekhoorns zijn door hunne fraaie kleur en sierlijke, vlugge bewegingen geschikt om de belangstelling te wekken van
+hen, die gaarne dieren in gevangenschap houden. Volkomen tam worden zij nooit, altijd blijven zij vreesachtig en toonen lust
+tot bijten.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Marmotten</span> (<i>Arctomyinae</i>), die de tweede onderfamilie van de Eekhoornachtigen vormen, onderscheiden zich van de Eekhoorns in engeren zin door den
+loggeren, meer ineengedrongen romp, den korteren staart en door eigenaardigheden van het gebit. Deze diergroep omvat een tamelijk
+groot aantal soorten, die over Middel-Europa, Noord-Azi&euml; en Noord-Amerika verbreid zijn. De meeste bewonen de vlakten, eenige
+echter leven juist in de hoogste bergen van hun vaderland. Zij houden zich op in droge, leemachtige, zandige of steenachtige
+gewesten, in grasrijke vlakten en steppen, in bouwlanden en tuinen; de Marmotten, die in de gebergten leven, geven echter
+aan de weiden, die boven de grens van den boomgroei gelegen zijn, of aan de ravijnen en rotsdalen, die tusschen deze grens
+en de sneeuwgrens voorkomen, de voorkeur boven de genoemde vlakten. Alle soorten hebben vaste woonplaatsen en trekken niet
+van het eene oord naar het andere. Zij graven diepe, onderaardsche woningen en leven hier in gezelschappen, die dikwijls uit
+een verbazend groot aantal individu&euml;n bestaan. Sommige hebben meer dan &eacute;&eacute;n woning, en maken van de eene of de andere gebruik,
+al naar het jaargetijde, of al naar de werkzaamheden, die zij juist dan te verrichten hebben. Andere blijven jaar in jaar
+uit in hetzelfde hol. Alle leven op den bodem; hoewel hare bewegingen ook nog snel en vlug zijn, staan zij toch in dit opzicht
+bij de eigenlijke Eekhoorns achter; eenige soorten komen ons zelfs log voor. Gras, kruiden, malsche spruiten, jonge planten,
+zaden, veldvruchten, bessen, wortels, knollen en bollen verschaffen haar voedsel; alleen die soorten, welke zich met veel
+moeite in de boomen en struiken naar boven kunnen begeven, eten jonge boombladeren en knoppen. Waarschijnlijk gebruiken ook
+zij, behalve planten, Insecten en Zoogdieren tot voedsel, en verschalken zij soms Vogels, die zich niet vlug kunnen bewegen,
+of plunderen hunne nesten. Sommige soorten zijn schadelijk in koornvelden en tuinen; het door haar veroorzaakte nadeel is
+echter niet belangrijk. Bij het eten zitten zij als de Eekhoorntjes op haar achterwerk en brengen het voedsel met de voorpooten
+naar den mond. Zoodra de vruchten rijp zijn, beginnen zij winterprovisie te verzamelen en hare onderaardsche voorraadschuren
+te vullen met grassen, bladen, zaden en graanvruchten. Als de winter komt, verschuilen zij zich in hare holen en vervallen
+hier in een diepen, onafgebroken winterslaap.
+
+</p>
+<p>Haar stem bestaat uit een meer of minder luid gefluit of gekef, en een soort van geknor, dat, wanneer het zacht is, een tevredene
+gemoedstemming te kennen geeft, maar anders toorn verraadt. Vele soorten zijn hoogst opmerkzaam, voorzichtig en waakzaam,
+schuw en vreesachtig; zij zetten wachten uit tot vermeerdering van de veiligheid van het gezelschap, en vluchten bij het geringste
+vermoeden van een naderend gevaar ten spoedigste naar hare onderaardsche schuilplaatsen. Haar verstand blijkt hieruit, dat
+zij gemakkelijk en in vrij hooge mate getemd kunnen worden. De meeste leeren hare verzorgers kennen en worden zeer gemeenzaam;
+eenige geven zelfs bewijzen van volgzaamheid en leerzaamheid, en laten zich tot het doen van verscheidene kunstjes africhten.
+
+</p>
+<p>Zij vermenigvuldigen zich zeer sterk. Wel werpen zij gemiddeld slechts eens &#8217;t jaar jongen, maar elke worp bestaat uit 3 &agrave;
+10 stuks.
+
+</p>
+<p>Van sommige wordt het vel gebruikt, van andere wordt het vleesch gegeten; ook zijn zij geschikt om, als huisgenooten van den
+mensch, tot zijn tijdverdrijf te dienen; ander voordeel verschaffen zij ons niet.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De eerste groep van de Marmotachtige Knaagdieren omvat de <span class="letterspaced">Ziesels</span> (<i>Spermophilus</i>). Van deze verdient, als bewoner van Middel-Europa, vermelding de <span class="letterspaced">Gewone Ziesel</span> (<i>Spermophilus citillus</i>), een aardig diertje, bijna van de grootte van een Hamster (hoogstens 24 cM. lang, zonder den 7 cM. langen staart; schouderhoogte
+omstreeks 9 cM.), maar met veel slankeren romp en bevalliger kopje. Hij heeft een losse, uit tamelijk stijve haren bestaande
+vacht, die aan de bovenzijde geelachtig grijs is, met onregelmatige roestgele golflijnen en fijne vlekjes, aan de onderzijde
+roestgeel, aan de kin en het voorste deel van den hals wit.
+
+</p>
+<p>De Ziesel komt voornamelijk in het oosten van Europa voor. <span class="smallcaps">Albertus Magnus</span> heeft hem waargenomen in de nabijheid van Regensburg, waar hij thans <a id="d0e401"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e401">279</a>]</span>niet meer gevonden wordt; in den laatsten tijd breidt zijn woongebied zich in Silezi&euml; hoe langer hoe verder naar &#8217;t westen
+uit. Voor omstreeks 60 jaren kende men hem daar niet, sedert 50 jaren echter is hij reeds in het westelijk deel van de provincie,
+en wel in het regeeringsdistrict Liegnitz doorgedrongen en schrijdt vanhier uit verder westwaarts voort. Naar het schijnt,
+heeft hij van alle verwante soorten het uitgestrektste verbreidingsgebied. Met zekerheid kent men hem als bewoner van het
+zuiden en midden van Rusland, van Galici&euml;, Silezi&euml; en Hongarije, Stiermarken, Moravi&euml; en Boheme, Karinthi&euml;, Krain. Op de meeste
+plaatsen, waar de Ziesel zich ophoudt, komt hij veelvoudig voor; soms veroorzaakt hij een aanmerkelijke schade aan den landbouw.
+Droge, boomlooze gewesten strekken hem tot verblijfplaats, vooral houdt hij van een samenhangenden zand- of leembodem, dus
+van akkergrond en uitgestrekte grasvlakten. In den laatsten tijd is hij volgens <span class="smallcaps">Herklotz</span>, begonnen zich te vestigen in streken, die door spoorwegen doorsneden worden; daar de spoordijken hem het graven gemakkelijk
+maken, en voor regenbuien eenigszins beveiligen. Deze dieren leven steeds gezellig, maar ieder hunner graaft zich zijn eigen
+hol in den grond, het mannetje dichter bij de oppervlakte, het wijfje dieper. De kamer ligt 1 &agrave; 1.5 M. onder de oppervlakte
+van den bodem, is van langwerpig ronden vorm, heeft ongeveer 30 cM. middellijn en wordt met droog gras gevoerd. Naar boven
+leidt altijd slechts een enkele, nauwe gang, v&oacute;&oacute;r welker opening een kleine hoop aarde opgeworpen is. Andere ruimten van de
+onderaardsche woning dienen als bewaarplaatsen van den wintervoorraad, die in den herfst bijeengebracht wordt. Het hol, waarin
+het wijfje in de lente, gewoonlijk in April of Mei, hare 3 &agrave; 8 hulpbehoevende, naakte en blinde jongen ter wereld brengt is,
+om het teer geliefde kroost voldoende te beveiligen, altijd dieper aangelegd dan het gewone, tot woning dienende hol.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1279.jpg" alt="Ziesel (Spermophilus citillus). &#8531; v.d. ware grootte." width="720" height="440"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Ziesel</span> (<i>Spermophilus citillus</i>). &#8531; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Ofschoon de Ziesel zeer wantrouwig en voorzichtig is,&#8221; schrijft <span class="smallcaps">Herklotz</span>, &#8220;geraakt hij toch aan dikwijls herhaalde storingen gewoon, zoodat deze hem ten slotte in &#8217;t geheel niet meer hinderen. Op
+een Hongaarschen spoorweg ontdekte ik aan het einde van een ten deele in &#8217;t puin bedolven dwarslegger, een in den spoordijk
+doordringend Zieselhol, waaraan ik door den reuk kon bemerken, dat het bewoond werd. Om mij hiervan volkomen te overtuigen,
+ging ik op de loer liggen, en het duurde niet lang of de Ziesel kwam te voorschijn. Een half uur later kwam de trein aansnorren,
+de Ziesel schoot in zijn hol, maar bleef met het halve lijf er buiten, liet rustig den trein over zich heen ratelen, kwam
+toen dadelijk weer te voorschijn en hervatte zijne vroegere bezigheden.&#8221;
+
+</p>
+<p>Malsche kruiden en wortels, graansoorten, peulvruchten en allerlei bessen, maken het gewone voedsel van den Ziesel uit. Tegen
+den aanvang van den herfst begint hij voorraad in te zamelen, die hij op de wijze van den Hamster in de <span id="d0e422" class="corr" title="Bron: wangzaken">wangzakken</span> naar zijn hol vervoert. Als de gelegenheid zich voordoet, wordt de Ziesel ook gevaarlijk voor Muizen en voor Vogels die op
+den grond nestelen; want hij ontrooft hun niet alleen de eieren, maar overvalt zelfs de volwassen Vogels, als zij niet voorzichtig
+zijn, brengt ze een paar beten toe, vreet hun de hersenen uit den kop en verslindt ze daarna geheel, met uitzondering van
+de huid. Het voedsel houdt hij zeer sierlijk tusschen de voorpooten vast en eet het op, terwijl hij in half opgerichte houding
+op zijn achterwerk zit.
+
+</p>
+<p>De schade, die de Ziesel door zijne dieverijen veroorzaakt, wordt alleen dan merkbaar, als het dier zich buitengewoon sterk
+vermenigvuldigt. Maar de Hermelijnen, Wezels, Bunzingen en Steenmarters, de Valken, Kraaien, Reigers en Trappen, zelfs de
+Katten, de Rattenvangers en andere bekende verdelgers van Knaagdieren maken ijverig jacht op hem. De Groote Trap o.a. vervolgt
+den Ziesel met evenveel ijver als behendigheid, doodt hem door een snavelhouw en verslindt hem met huid en haar. Ook de hand
+van den mensch is tegen hem; hij wordt vervolgd zoowel wegens zijn vel, als om zijn smakelijk vleesch; men vangt hem in strikken
+en vallen, graaft hem uit of dwingt hem zijn hol te verlaten door er water in te gieten, enz. Hierdoor wordt aan de sterke
+vermenigvuldiging van den Ziesel paal en perk gesteld.
+
+</p>
+<p>Het is niet moeielijk den Ziesel levend te vangen. De spade brengt het in zijn hol verborgen dier spoedig aan &#8217;t daglicht,
+of de arglistig voor den ingang geplaatste val doet hem bij het verlaten zijner woning de vrijheid verliezen. In dit geval
+gedraagt de Ziesel zich op een zeer beminnelijke wijze. Hij maakt van den nood een deugd en sluit langzamerhand vriendschap
+met den hem opgedrongen meester. Toch toont hij niet zelden <a id="d0e429"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e429">280</a>]</span>de eigenaardige streken van de Knaagdieren door duchtig te bijten. Als hij goed behandeld wordt, kan de Ziesel verscheidene
+jaren lang als gevangene in &#8217;t leven blijven. Met de Hazelmuis is hij wel een van de aardigste dieren, die men in de kamer
+houden kan.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De in Noord-Amerika levende <span class="letterspaced">Prairie-hond</span> (<i>Cynomys ludovicianus</i>) verbindt in zekeren zin de Ziesels met de eigelijke Marmotten; hoewel hij streng genomen tot gene behoort, gelijkt hij toch
+meer op deze. De romp is ineengedrongen, de kop groot, de staart zeer kort, ruig, van boven en aan de zijden gelijkmatig behaard;
+de wangzakken zijn onbeduidend. Volwassen Prairie-honden kunnen, met inbegrip van den ongeveer 7 cM. langen staart, een lengte
+van ongeveer 40 cM. bereiken. De kleur van de bovenzijde is licht roodachtig bruin, met grijs en een zwartachtige tint gemengd,
+die van de onderzijde is vuilwit, de korte staart is aan de spits bruin gestreept.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1280.jpg" alt="Prairie-hond (Cynomys ludovicianus). &frac14; v.d. ware grootte." width="720" height="572"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Prairie-hond</span> (<i>Cynomys ludovicianus</i>). &frac14; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De naam &#8220;Prairiehond,&#8221; die langzamerhand burgerrecht heeft gekregen, is aan dit dier gegeven door de oude Canadeesche trappers
+of pelsjagers, die het ontdekten, en welker aandacht vooral getrokken werd door het blaffend geluid, dat het laat hooren.
+In zijn uitwendig voorkomen is niets, wat aan den Hond herinnert. Zijne uitgestrekte verblijfplaatsen, die men, wegens hun
+omvang &#8220;dorpen&#8221; noemt, worden geregeld gevonden op eenigszins laag gelegen weiden, waar een sierlijke grassoort een prachtig
+tapijt vormt en tevens aan de dieren het verkrijgen van voedsel gemakkelijk maakt. &#8220;Tot welk een ongeloofelijke uitgestrektheid
+de koloni&euml;n van deze vreedzame bodembewoners zijn aangegroeid,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Balduin M&ouml;llhausen</span>, &#8220;bemerkt men het best, wanneer men voortdurend, dagen achtereen tusschen de kleine heuvels doortrekt, die ieder aan twee
+of meer van deze dieren tot woonplaats dienen. De woningen zijn gewoonlijk 5 &agrave; 6 M. van elkander verwijderd; iedere kleine
+heuvel, die zich voor den ingang van zulk een woning verheft, bestaat vermoedelijk uit een flinke wagenvracht aarde, die langzamerhand
+door de bewoners uit de onderaardsche gangen aan de oppervlakte is gebracht. Sommige woningen hebben &eacute;&eacute;n, andere twee ingangen.
+Een vastgetreden pad leidt van de eene woning naar de andere; dit ziende, komt men tot het vermoeden, dat er tusschen deze
+vlugge diertjes een innige vriendschap moet bestaan. Tot de keuze van een plaats voor het aanleggen hunner &#8216;steden&#8217; schijnen
+zij bepaald te worden door de aanwezigheid van een korte grassoort met gekroesde bladen, die vooral op hoogvlakten tiert,
+en die, met den wortel van een andere plantensoort, het eenige voedsel van deze diertjes uitmaakt. Zelfs op de hoogvlakten
+van Nieuw-Mexico, waar vele mijlen in &#8217;t rond geen druppel water te vinden is, treft men dicht bevolkte vrijstaten van deze
+diersoort aan. Daar er in deze streken verscheidene maanden achtereen geen regen valt, en men ook, om het grondwater te bereiken,
+meer dan 30 M. diep moet graven, mag men wel aannemen, dat de Prairie-honden geen ander water noodig hebben, dan dat hetwelk
+door een sterken dauw van tijd tot tijd op de fijne grashalmen wordt neergeslagen. Als de Prairie-hond den tijd voelt naderen,
+waarin hij den winterslaap zal aanvangen, hetgeen gewoonlijk in de laatste dagen van October geschiedt, sluit hij alle uitgangen
+van zijn woning om zich tegen de koude winterlucht te beveiligen, en geeft zich aan den slaap over, om niet eerder de onderwereld
+weder te verlaten dan in de lentedagen, als de warmte hem tot een nieuw, vroolijk leven opwekt. Volgens de verhalen van de
+Indianen, opent hij dikwijls reeds de deuren zijner woning als het weder nog koud is. Dit wordt dan beschouwd als een betrouwbaar
+voorteeken van de spoedige komst van warme dagen.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zulk een kolonie levert een merkwaardig schouwspel op, als het gelukt, haar tot op korten afstand te naderen, zonder door
+de wachten opgemerkt te worden. Zoover het oog reikt, ziet men overal leven en beweging; bijna op iederen heuvel zit rechtop
+als een Eekhoorntje, de kleine, geelachtig bruine Marmot; het <a id="d0e457"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e457">281</a>]</span>naar boven gerichte staartje is voortdurend in beweging en de fijne, blaffende stemmetjes van de vele duizenden dieren, vereenigen
+zich tot een gonzend gedruisch. Als de toeschouwer nog eenige schreden naderbij komt, hoort en onderscheidt hij de zwaardere
+stem van de oude en ervaren hoofden; maar op eens, als door een tooverslag, is al dit leven van de oppervlakte verdwenen.
+Slechts hier en daar komt uit de opening van een hol de kop van een verspieder te voorschijn, die door een aanhoudend, uitdagend
+geblaf, zijne verwanten voor de gevaarlijke nabijheid van een mensch waarschuwt. Als men dan gaat liggen, en zonder zich te
+bewegen met geduld acht geeft op hetgeen er in de naaste omgeving voorvalt, zal men na verloop van korten tijd de schildwacht
+weder zijn plaats op den heuvel voor zijn deur zien innemen; door onophoudelijk te blaffen, maakt hij zijne soortgenooten
+bekend met het ophouden van het gevaar. Hij lokt daardoor de eene voor, de andere na uit de donkere gangen aan de oppervlakte,
+waar weldra de vreedzame werkzaamheden van deze gezellige dieren op nieuw een aanvang nemen. Uren lang zou men, zonder verveling,
+dit aanhoudend afwisselend tafereel kunnen beschouwen; &#8217;t is te begrijpen, dat menigeen dan de wensch in zich voelt opkomen,
+de taal van deze dieren te leeren verstaan, om hunne gesprekken te kunnen afluisteren en in hun gedachtenkring door te dringen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Een opmerkelijk feit, voor welks juistheid verscheidene natuuronderzoekers ons borg staan, is, dat de woningen der Prairie-honden
+ook aan twee gevaarlijke vijanden van kleine Knaagdieren huisvesting verschaffen. Het is volstrekt geen zeldzaamheid, Marmotten,
+Aarduilen en Ratelslangen door dezelfde opening naar binnen te zien gaan.
+
+</p>
+<p>&#8220;Ieder die met de prairie en hare bewoners goed bekend is&#8221;, schrijft <span class="smallcaps">Finsch</span>, &#8220;weet, dat deze dieren vreedzaam in een en &#8217;t zelfde hol bijeenwonen. De dierenopzetters in het verre westen, kiezen met
+voorliefde dit klaverblad als voorbeeld voor een dierengroep, die onder den naam van &#8216;de gelukkige familie&#8217; bij de vreemdelingen
+niet weinig verwondering wekt.&#8221;
+
+</p>
+<p>Van de gevangen Prairie-honden bericht <span class="smallcaps">Haacke</span> onder meer het volgende: &#8220;Er zijn waarschijnlijk niet veel dieren, welker leven in den gevangen staat zich zoo gemakkelijk
+tot een nagenoeg met de natuur overeenkomend beeld van hun leven in den vrijen staat laat inrichten, als dat van de Prairie-honden,
+welker kunstige woningen en merkwaardige werkzaamheden met groote belangstelling door vele bezoekers van den Frankforter dierentuin
+worden nagegaan. Nauwelijks waren in den vorigen zomer de dieren weer toegelaten in ons Prairie-honden-park, dat door eenige
+nieuwe inrichtingen verbeterd was, of hun onderaardsche arbeid nam een aanvang. Des namiddags waren de dieren in &#8217;t park toegelaten,
+den volgenden nacht reeds konden zij in hunne nieuwe holen slapen. Bij het uitgraven van zijn hol gaat de Prairie-hond met
+groote omzichtigheid te werk. Nooit begint hij te graven op den bodem van den onderaardschen gang die hij verlengen wil, want
+daardoor zou hij zich den uitweg versperren of althans zeer bemoeilijken; steeds begint hij zijn arbeid in de onmiddellijke
+nabijheid van den ingang. Hier wordt de aarde die van een vorigen keer is blijven liggen, met de voorpooten onder den buik
+van het dier geschoven en vervolgens met de achterpooten naar buiten geslingerd; zoo verdwijnt het dier, dat afwisselend met
+de voor- en achterpooten arbeidt, langzamerhand in de diepte. Met het graven der gangen is echter het bouwen van de woning
+niet afgeloopen. Een belangrijk deel van den hiervoor vereischten arbeid is het opwerpen van een ringwal om de uitgangsopening,
+waardoor het hol tegen overstrooming gevrijwaard wordt. Met dit doel wordt de uitgegraven aarde bijeengebracht. Al wat te
+ver was voortgesmeten, wordt door de achterpooten weer in de buurt van den ingang van het hol geworpen; daarna schuift het
+dier, omdat hier degelijk werk verricht moet worden, de aarde zorgvuldig met de voorpooten voor zich uit, en hoopt haar rondom
+den ingang op. Om te maken dat zij hier blijft liggen en een flinken wal vormt, wordt zij netjes met den neus vastgestampt;
+om de beste uitkomst te verkrijgen, worden regendagen gekozen voor het stevig maken van den wal en van de wanden van den ingang;
+men ziet op zulke dagen rondom den ingang overal de indruksels van den neus van het dier.
+
+</p>
+<p>&#8220;Met het oog op de weersveranderingen brengt de Prairie-hond nu en dan tijdelijke wijzigingen aan in zijn woning. Toen het
+in October koud werd, maakten onze Prairie-honden drie van de vijf toegangsopeningen tot hun hol dicht. Voor dit doel werden
+de wallen gedeeltelijk afgebroken. Juist het tegendeel geschiedde, naar mij bleek, in den zomer, als de zon na eenige regendagen
+veel warmte gaf en er voor het uitdrogen van de woning gezorgd moest worden. Toen werden er, om het ontwijken van den waterdamp
+te bevorderen, luchtgangen gegraven. Om het hol bewoonbaar te maken, moet het leger van het dier met hooi en dergelijke materialen
+bekleed worden. Bij droog weder werpen wij onze Prairie-honden een handvol hooi toe. Met de voorpooten en den bek maken de
+dieren van het hooi boschjes, die zoo dik zijn, dat zij ze bijna niet met den mond kunnen vasthouden en verdwijnen hiermede
+in de diepte. Op soortgelijke wijze handelen zij met papier; geheele couranten worden tot een prop samengevouwen en in het
+hol gesleept. Als het hooi van het leger te vochtig geworden is, nemen zij het weg en vervangen het door nieuw hooi.&#8221;
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Wat de Prairie-hond is in de Nieuwe Wereld, is de <span class="letterspaced">Bobak</span> (<i>Arctomys bobac</i>) in de Oude Wereld: een bewoner van de vlakte. De lichaamslengte van dit dier, dat men eerst in den laatsten tijd van de
+Marmot der Alpen heeft leeren onderscheiden, bedraagt 37 cM., zonder den 9 cM. langen staart; de tamelijk dichte vacht is
+vaal roestgeel. De jongen zijn doffer van kleur dan de ouden.
+
+</p>
+<p>Het verbreidingsgebied van den Bobak strekt zich uit van &#8217;t zuiden van Polen en Galici&euml; over een deel van Centraal-Azi&euml; tot
+aan den Amoer en misschien tot Kamtschatka en over den Himalaja tot in Sikkim. Hij bewoont vlakten en steenachtige heuvels;
+zoowel bosschen als zandige streken worden door hem gemeden, omdat deze hem het graven van zijne diepe woningen niet veroorloven.
+<span class="smallcaps">Adams</span> vond hem in de breedste dalen van Kasjmir nog op hoogten van 2000 en zelfs van 3000 M. boven den zeespiegel. Hier houdt hij
+zich op in vruchtbare vlakten, waar gedurende den zomer een plantenkleed, dat veel afwisseling vertoont maar niet hoog opgroeit,
+den bodem bedekt. Altijd en overal leeft hij in gezelschappen, die uit een groot aantal individu&euml;n bestaan, en geeft hierdoor
+aan vele gewesten een eigenaardig voorkomen: tallooze heuvels, die men in de grassteppen van Centraal-Azi&euml;, opmerkt, danken
+hun ontstaan hoofdzakelijk aan deze Marmotten, die door hun bedrijvigheid den reiziger weten te boeien, en door hun vleesch
+voor de menschen en <a id="d0e488"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e488">282</a>]</span>voor vele dieren, die de steppe bewonen, van groot belang zijn.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Boven op de hoogste steengruishoopen der Alpen, waar geen boom, geen struik meer groeit, waar geen Rund meer komt en waar
+de Geiten en Schapen zich maar zelden vertoonen, zelfs op de kleine rotseilanden midden tusschen de groote gletschers, waar
+de sneeuw slechts gedurende hoogstens zes weken ieder jaar door de warme zonnestralen wordt weggevaagd: daar woont een reeds
+sinds overouden tijd bekend lid van de familie, wiens leven wel is waar, wat de hoofdzaken betreft, overeenstemt met dat van
+zijne vroeger beschrevene verwanten, maar wegens zijn eigenaardige woonplaats in vele opzichten er ook van afwijkt. De Romeinen
+noemden dit dier <span class="letterspaced">Alpenmuis</span>, de Savoyaarden noemen het <span class="letterspaced">Marmotta</span>, de bewoners van Engadin <span class="letterspaced">Marmotella</span>. Van deze namen zijn zoowel het Nederlandsche woord <span class="letterspaced">Marmot</span>, als het Duitsche woord <span class="letterspaced">Murmelthier</span> nabootsingen. In Bern heet het <span class="letterspaced">Murmeli</span>, in Wallis <span class="letterspaced">Murmentli</span> en <span class="letterspaced">Mistbelleri</span>, in Gauwbunderland <span class="letterspaced">Marbetle</span> of <span class="letterspaced">Murbentle</span>, in Glarus <span class="letterspaced">Munk</span>.
+
+</p>
+<p>Dit dier is ons tegenwoordig vreemder, dan het vroeger was. De arme Savoyaardenjongens mogen niet meer zwerven; vroeger trokken
+zij tot in ons land en nog verder noordwaarts met hun tammen Marmot op den rug, om door de eenvoudige voorstellingen, die
+zij met hun eenige bezitting in dorpen en steden gaven, eenige centen op te halen. Het is met de Marmot gegaan als met het
+Kameel, den Aap en den Beer: zij heeft opgehouden een bron van vreugde voor de dorpsjeugd te zijn; men moet thans tamelijk
+ver reizen, tot in de dalen der Alpen, om nog een levende Marmot te zien.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1282.jpg" alt="Marmot (Arctomys marmota). &#8533; v.d. ware grootte." width="720" height="589"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Marmot</span> (<i>Arctomys marmota</i>). &#8533; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Marmot</span> (<i>Arctomys marmota</i>) kan, met inbegrip van den 11 cM. langen staart, een lengte van 62 cM. bereiken, bij een schouderhoogte van 15 cM. Door gestalte
+en lichaamsbouw gelijkt zij op hare verwanten. De beharing, die uit kort wolhaar en langer bovenhaar bestaat, is dicht, overvloedig
+en tamelijk lang; de kleur is aan de bovenzijde in meerdere of mindere mate bruinzwart, op de kruin en het achterhoofd afgebroken
+door eenige witachtige stippen, in den nek, aan den wortel van den staart en aan de geheele onderzijde donker roodachtig bruin,
+aan de pooten, de zijden van den romp en aan het achterwerk nog lichter, aan den snuit en aan de voeten roestgeelachtig wit.
+De oogen en de klauwen zijn zwart, de snijtanden bruinachtig geel. Men treft ook geheel zwarte of witte en parelkleurig wit
+gevlekte exemplaren aan.
+
+</p>
+<p>Uit onderzoekingen van den laatsten tijd is gebleken, dat de Marmot uitsluitend Europa bewoont. Zij houdt zich op in de hooge
+gebergten, in de Alpen, Pyrene&euml;n en Karpaten, en meer bepaaldelijk in de hoogst gelegen gedeelten, in de weiden die in de
+onmiddellijke nabijheid van de eeuwigdurende ijs- en sneeuwvelden gelegen zijn, en daalt over &#8217;t algemeen niet lager dan tot
+de boomgrens af. Als verblijfplaats kiest zij vrije ruimten, die aan alle zijden door steile rotswanden begrensd zijn of kleine,
+nauwe bergkloven tusschen alleenstaande spitsen, bij voorkeur oorden, die zoo ver mogelijk van de tooneelen van &#8217;s menschen
+bedrijvigheid verwijderd zijn. Hoe eenzamer het gebergte is, des te veelvuldiger komt zij voor; daar waar de mensch druk verkeert,
+is zij reeds uitgeroeid. In den regel bewoont zij alleen de naar &#8217;t zuiden, oosten en westen gekeerde bergvlakten en hellingen,
+omdat zij, evenals de meeste dagdieren, veel van de zonnestralen houdt. Hier heeft zij hare holen gegraven, sommige klein
+en eenvoudig, andere dieper en op ruimer schaal aangelegd, gene voor den zomer bestemd, deze voor den winter, gene tot beschutting
+tegen voorbijgaande gevaren of ongunstige weersveranderingen, deze om als schuilplaats te dienen gedurende den vreeselijk
+strengen winter, die hierboven 6, 8, ja zelfs 10 maanden lang den schepter zwaait. Minstens twee derden van het <a id="d0e548"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e548">283</a>]</span>jaar verslaapt dit merkwaardige wezen, soms nog veel meer, want op zijne hoogst gelegen woonplaatsen duren zijn groei en zijn
+leven boven den grond ternauwernood een zesde deel van het jaar.
+
+</p>
+<p>Het leven van de Marmot gedurende den zomer is zeer merkwaardig. Volgens <span class="smallcaps">Tschudi</span> vertoonen zich met het aanbreken van den dag in de eerste plaats de oude dieren; zij steken voorzichtig den kop buiten het
+hol, kijken rond, luisteren, wagen zich dan langzaam geheel naar buiten, loopen eenige schreden omhoog, gaan op de achterpooten
+zitten en plukken vervolgens gedurende eenigen tijd zelfs het kortste gras met ongeloofelijke snelheid af. Korten tijd daarna
+ziet men ook de kopjes van de jongen zich boven den ingang van de woning verheffen; zij sluipen naar buiten, grazen een weinig,
+liggen uren lang in de zon, gaan rechtop zitten en spelen lief met elkander. Alle oogenblikken kijken zij om en letten met
+de grootste opmerkzaamheid op al wat er in de omgeving voorvalt. Het eerste dier, dat een verdacht verschijnsel opmerkt, een
+Roofvogel, een Vos of een mensch, fluit luid en zwaar door den neus; sommige van de overige herhalen dit en in een oogwenk
+zijn alle verdwenen. In verscheidene gevallen heeft men van deze diertjes in plaats van fluiten een luid gekef vernomen; dit
+heeft misschien tot den naam &#8220;Mistbelleri&#8221; aanleiding gegeven. Of zij in den regel wel eigenlijke wachten uitzetten, is nog
+niet uitgemaakt. Hun kleinheid vermindert het gevaar van ontdekt te worden, terwijl bovendien het gezicht en in nog hoogere
+mate het gehoor en de reuk bij hen zeer scherp zijn.
+
+</p>
+<p>Gedurende den zomer wonen de Marmotten afzonderlijk of paarsgewijs in haar eigen zomerwoningen, die door gangen van 1 &agrave; 4
+M. lengte, met zijgangen en vluchtopeningen voorzien, bereikt kunnen worden. Deze zijn dikwijls zoo nauw, dat het bijna niet
+mogelijk schijnt er den vuist in te steken. De losgegraven aarde werpen zij slechts voor een zeer klein deel naar buiten;
+voor het meerendeel trappen of drukken zij haar vast in de gangen, die hierdoor hard en glad worden. De uitgangen zijn meestal
+onder steenen aangebracht. De kamer is niet zeer ruim. Hier heeft, waarschijnlijk in April, de paring plaats; het wijfje werpt
+6 weken later 2 &agrave; 4 jongen, die in den eersten tijd zeer zelden voor het hol komen, dat zij tot in den volgenden zomer met
+de ouden deelen.
+
+</p>
+<p>Tegen den herfst graven zij op een minder hoog gelegen plaats van &#8217;t gebergte een winterwoning, die zelden dieper dan 1&frac12; M.
+onder de oppervlakte ligt. De zomerwoning bevindt zich dikwijls niet minder dan 2600 M. boven den zeespiegel, terwijl de winterwoning
+in den regel in den gordel van de bovenste Alpenwilgen, dikwijls echter ver onder de boomgrens ligt. Deze woning, bestemd
+voor de geheele familie, die uit 5 &agrave; 15 individu&euml;n bestaat, is zeer ruim. De jager herkent het bewoonde winterhol zoowel aan
+het hooi, dat er v&oacute;&oacute;r verspreid ligt, als aan de ingangsopening, die ongeveer de grootte heeft van een vuist, maar van binnen
+goed met hooi, aarde en steenen verstopt is, terwijl de gangen van de zomerwoning altijd open zijn. Als men de bouwstoffen
+uit de ingangsopening wegneemt, vindt men eerst een van aarde, zand en steenen goed gemetselde, verscheidene voeten lange
+galerij, de zoogenaamde &#8220;spon&#8221;. Als men deze eenige Meter ver nagaat, komt men weldra aan een plaats, waar de gang zich in
+twee&euml;n verdeelt. De eene tak, waarin zich gewoonlijk drek en haren bevinden, is niet lang; hij heeft waarschijnlijk de bouwstof
+voor het bekleeden en stevig maken van de wanden van de hoofdgang geleverd. Deze stijgt nu langzamerhand omhoog en komt eindelijk
+uit in een ruime kamer, de verblijfplaats van de winterslapers, die dikwijls 8 &agrave; 10 M. boven den ingang van het hol gelegen
+is. Meestal is de kamer eirond of bakovenvormig, met kort, zacht, dor, gewoonlijk roodbruin hooi gevuld, dat gedeeltelijk
+ieder jaar vernieuwd wordt. Reeds in Augustus n.l. beginnen de schrandere diertjes gras af te bijten, te drogen en met den
+bek naar het hol te vervoeren; zij hoopen er hier zulk een grooten voorraad van op, dat een man het dikwijls niet alleen zou
+kunnen wegdragen. Vroeger werden van dezen hooioogst curieuze fabelen verteld. Men zei, dat een Marmot op den grond ging liggen,
+zich met hooi beladen en vervolgens bij wijze van een slede naar het hol trekken liet. Aanleiding tot dit verhaal vond men
+in het feit, dat bij vele Marmotten het haar van den rug geheel afgesleten is, wat echter alleen een gevolg is van het kruipen
+door de nauwe gangen van het hol.&#8212;Behalve de beide genoemde woningen heeft de Marmot nog afzonderlijke vluchtgangen, waarin
+zij zich verbergt, als haar gevaar dreigt. Als zij haar hol niet bereiken kan, verbergt zij zich onder steenen en in rotskloven.
+
+</p>
+<p>De bewegingen van de Marmot zijn zonderling. Haar gang is een hoogst eigenaardig gewaggel, waarbij de buik bijna of geheel
+over den grond sleept, en dat daarom een breed spoor achterlaat. Eigenlijke sprongen heb ik de Marmotten, mijne gevangenen
+althans, nooit zien doen; hiervoor zijn zij te log. Hoogst zonderling ziet het dier er uit, als het opzit; het rust dan kaarsrecht
+op zijn achterste, stijf als een stok; het heeft den staart loodrecht van &#8217;t lichaam afgebogen, laat de voorarmen slap naar
+beneden hangen en kijkt opmerkzaam de wereld rond.
+
+</p>
+<p>Frissche en sappige Alpenplanten, kruiden en wortels vormen het voedsel van de Marmot. Zelden gaat zij naar de drinkplaats,
+maar als zij er komt, drinkt zij veel op eens, smakt intusschen en richt na elken slok den kop omhoog, evenals de Hoenderen
+en de Ganzen. Uit de mededeelingen van verscheidene onderzoekers schijnt te blijken, dat de Marmot een voorgevoel van weersveranderingen
+heeft.
+
+</p>
+<p>Evenals de meeste winterslapers zijn de Marmotten in den nazomer en in den herfst buitengewoon vet. Zoodra de eerste vorst
+aanvangt, houden zij op met eten, maar drinken nog veel en dikwijls, ontlasten zich vervolgens van hunne uitwerpselen en betrekken
+nu familiesgewijs de winterwoningen. De kamer, welker zijwanden en bodem met een dikke laag droog hooi gevoerd zijn, is het
+gemeenschappelijke leger van het geheele gezelschap. Hier rusten de leden van het gezin dicht bijeen. Alle levenswerkzaamheden
+zijn tot op het allergeringste bedrag verminderd; ieder dier blijft bewegingloos en koud, door een op den dood gelijkende
+verstijving bevangen, in de eens aangenomen houding liggen; duidelijke bewijzen van leven zijn niet meer waar te nemen. De
+temperatuur van het bloed is verminderd tot op die van de lucht, welke het hol vult; de ademhalingen hebben slechts 15 maal
+per uur plaats. Als men een Marmot, die in winterslaap verkeert, uit haar hol neemt, en haar in een verwarmd vertrek brengt,
+wordt eerst, zoodra haar lichaamstemperatuur tot 21&deg; C. gestegen is, de ademhaling duidelijker, bij 25&deg; begint zij te snorken,
+bij 27.5&deg; strekt zij de ledematen uit, bij 31&deg; C. ontwaakt zij, beweegt zich als bedwelmd heen en weer, komt langzamerhand
+bij en begint eindelijk te eten. In het voorjaar komen de Marmotten in zeer vermagerden toestand voor de opening van haar
+winterwoning, zien smachtend uit naar <a id="d0e565"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e565">284</a>]</span>iets eetbaars, en moeten dikwijls ver loopen, om aan de hoeken en kanten der bergen, daar waar de wind de sneeuw heeft doen
+verstuiven, een weinig verdord gras te vinden.&#8212;De jacht en de vangst van de Marmot bieden vele moeilijkheden aan. De naderende
+jager wordt bijna altijd door het een of ander lid van het gezelschap bemerkt en den overigen door een luid gefluit aangekondigd.
+Men vangt ze in allerlei vallen; ook graaft men ze soms in &#8217;t begin van den winter op. Terecht is in vele Zwitsersche kantons
+het opgraven van de Marmotten verboden, daar zij door deze handelwijze na verloop van korten tijd geheel en al uitgeroeid
+zouden worden; de eigenlijke jacht daarentegen wordt voor haar nooit zeer gevaarlijk. In gevallen van uitersten nood verdedigen
+de Marmotten zich moedig en vastberaden tegen hare vijanden door hevig te bijten of van hare stevige klauwen gebruik te maken.
+
+</p>
+<p>Voor den Alpenbewoner is dit kleine dier van belang, omdat het hem voedsel verschaft; bovendien levert het hem geneesmiddelen
+voor allerlei ziekten.
+
+</p>
+<p>Om Marmotten in gevangenschap te houden en te temmen, doet men het best de jongen te nemen, wanneer zij voor de eerste maal
+uitgaan, hoewel het moeilijk is ze aan hun moeder te ontrooven. Zeer jong gevangen Marmotten, die nog gezoogd worden, zijn
+moeilijk groot te brengen en bezwijken gewoonlijk spoedig, zelfs bij de beste verzorging; de halfwassen dieren kunnen gemakkelijk
+gevoederd en lang in &#8217;t leven gehouden worden. Hun voedsel bestaat in den gevangen staat uit verschillende plantaardige stoffen
+en uit melk. Als men zich met hen bemoeit, worden zij weldra bijzonder tam, zijn gehoorzaam en leerzaam, leeren hun verzorger
+kennen, komen, wanneer hij hen roept, nemen allerlei standen aan, springen in opgerichte houding rond, loopen met een stok,
+enz. Het onschadelijke en gezellige dier wordt dan de lieveling van jong en oud, ook wegens zijn zindelijkheid en netheid.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Op de familie van de Eekhoornachtigen laten wij een groep van lieftallige, kleine Knaagdieren volgen, die men onder den naam
+<span class="letterspaced">Slaapmuizen</span> (<i>Myoxidae</i>) kan samenvatten. Haar gestalte en haar aard wettigen haar plaatsing in de nabijheid van de Eekhoorns, van welke zij zich
+echter door eigenaardigheden van den lichaamsbouw duidelijk onderscheiden. Zij hebben een smallen kop, met een meer of minder
+spits toeloopenden snuit, tamelijk groote oogen en groote, onbehaarde, vliezige ooren, een gedrongen romp, matig lange ledematen,
+fijn gebouwde voeten; de voorste hebben 4 teenen en in plaats van den duim, een wratje, dat een platten nagel draagt; aan
+de achtervoeten komen 5 teenen voor; de staart is middelmatig lang, dicht, ruig en tweerijig behaard; de vacht is goed gevuld
+en zachtharig.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1284.jpg" alt="Gewone Relmuis (Myoxus glis) en Groote Hazelmuis of Tuinslaper (Eliomys nitela).&#xA;&frac12; v.d. ware grootte." width="720" height="439"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Gewone Relmuis</span> (<i>Myoxus glis</i>) en <span class="letterspaced">Groote Hazelmuis</span> of <span class="letterspaced">Tuinslaper</span> (<i>Eliomys nitela</i>).
+&frac12; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Men kent tot dusver ternauwernood meer dan een half dozijn goed omschreven soorten van deze familie; alle zijn bewoners van
+de Oude Wereld. Heuvelachtige of bergachtige gewesten, en hierin meer bepaaldelijk wouden en woudzoomen, kreupelbosschen en
+tuinen, zijn hare verblijfplaatsen. Zij leven op en in de boomen, minder dikwijls in door haar zelf gegraven holen in den
+grond, tusschen boomwortels of in spleten van rotsen en muren; in alle gevallen verbergen zij zich zooveel mogelijk. Verreweg
+de meeste slapen over dag, en gaan alleen gedurende de duisternis haar voedsel zoeken. Om deze reden krijgt men ze slechts
+zelden en alleen bij toeval te zien. Wanneer zij den slaap uit hebben, maken zij zeer vlugge bewegingen. Zij kunnen uitmuntend
+loopen en nog beter klimmen, maar kunnen niet, zooals de Eekhoorns, bijzonder groote sprongen doen.
+
+</p>
+<p>In gematigde gewesten vervallen zij bij den aanvang van den winter in een toestand van verstijving, en brengen den winter
+slapend in hare nesten door. Sommige verzamelen voorraad voor dezen tijd, en maken hiervan gebruik, wanneer zij tijdelijk
+wakker zijn; andere hebben dit niet eens noodig, daar zij zich vooraf zoozeer gemest hebben, dat zij op haar vet kunnen teren.
+Haar voedsel bestaat uit allerlei vruchten en zaden; de meeste gebruiken echter ook Insecten, benevens eieren en jongen van
+Vogels. Bij het eten zitten zij, evenals de Eekhoorns, op haar achterwerk, en brengen de spijzen met de voorpooten naar den
+mond. Een noemenswaard voordeel verschaffen de Slaapmuizen ons niet; wel kunnen zij ons benadeelen door hare rooverijen in
+tuinen.
+<a id="d0e603"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e603">285</a>]</span></p>
+<p>Het eerste geslacht is dat der <span class="letterspaced">Relmuizen</span> of <span class="letterspaced">Zevenslapers</span> (<i>Myoxus</i>). zoo genoemd naar de meest bekende van de beide hiertoe behoorende soorten: de <span class="letterspaced">Gewone Relmuis</span> of <span class="letterspaced">Zevenslaper</span> (<i>Myoxus glis</i>), Duitsch: <span class="letterspaced">Bilch</span>, Fransch: <span class="letterspaced">Loir</span> (afgebeeld op p. 284). De naam van dit in Zuid- en Oost-Europa voorkomend dier is meer algemeen bekend dan zijn gestalte
+en zijn uitzicht. In de oude geschiedboeken wordt vermeld, dat deze dieren lievelingen waren van de Romeinen, die bepaalde
+inrichtingen hadden voor hun verzorging. Eiken- en beukenboschjes omgaf men met gladde muren, waarlangs de Zevenslapers niet
+konden opklimmen; binnen deze omheining legde men verscheidene holen aan voor rust- en slaapplaatsen; met eikels en kastanjes
+voederde men de dieren, om ze ten slotte in groote aarden potten, van 2 voet middellijn, glirari&euml;n genaamd, geheel vet te
+mesten. De opgravingen te Herculaneum hebben ons de glirari&euml;n, die voor de laatste mesting bestemd waren, doen kennen als
+half bolvormige schalen, met veel luchtgaten, die langs de binnenwanden met terrasvormige oneffenheden voorzien waren om de
+dieren gelegenheid tot klimmen te geven; van boven waren zij met een nauwmazig traliewerk van metaal gesloten. Hierin werden
+verscheidene Zevenslapers opgesloten en rijkelijk van voedsel voorzien. De gemeste dieren prijkten, na gebraden te zijn, als
+een groote lekkernij op den disch van rijke fijnproevers.
+
+</p>
+<p>De Zevenslaper bereikt een lichaamslengte van 16 cM., zonder den 13 cM. langen staart. De zachte, tamelijk dichte vacht is
+aan de bovenzijde eenkleurig aschgrauw, overtogen met een zwartachtig bruin waas, dat meer of minder donker kan zijn; hiervan
+is de melkwitte en als zilver glinsterende kleur van de onderzijde van den romp en van de binnenzijde der pooten scherp afgescheiden.
+
+</p>
+<p>Het verbreidingsgebied van den Zevenslaper reikt van Spanje, Griekenland en Itali&euml; tot Zuid- en Middel-Duitschland. In Oostenrijk,
+Stiermarken, Karinthi&euml;, Moravi&euml;, Silezi&euml;, Bohemen en Beieren komt hij veelvuldig voor; in Kroati&euml;, Hongarije en Zuid-Rusland
+is hij algemeen; in het noorden van Europa, en reeds in &#8217;t noorden van Duitschland, in Nederland, Engeland en Denemarken ontbreekt
+hij. Hoofdzakelijk bewoont hij het Middelgebergte, bij voorkeur droge eiken- en beukenbosschen. Over dag houdt hij zich verscholen,
+tegen den avond komt hij uit zijne schuilplaatsen te voorschijn, zwerft &#8217;s nachts rond en zoekt zijn voedsel. Zoo leeft hij
+zoolang de zomer duurt.
+
+</p>
+<p>Waarschijnlijk zijn weinig Knaagdieren vraatzuchtiger dan de Zevenslapers. Hij vreet zoolang hij iets te vreten heeft. Eikels,
+beukenoten en hazelnoten maken <span id="d0e636" class="corr" title="Bron: misschen">misschien</span> zijn gewone voedsel uit; walnoten, kastanjes, zoet en saprijk ooft worden echter ook niet versmaad; dierlijk voedsel is,
+naar het schijnt, onontbeerlijk voor hem; althans hij overvalt, doodt en verslindt ieder klein dier, dat hij overmeesteren
+kan. Voortdurend hoort men het kraken van de noten, die hij stuk maakt, en het vallen van de uitgevreten vruchten, die hij
+naar beneden werpt<span id="d0e639" class="corr" title="Bron: ">.</span> Als de herfst komt, begint hij winterproviand in te zamelen en deze in zijne holen op te bergen. In dezen tijd is hij al
+&#8220;zoo vet als modder&#8221;, maar blijft toch nog zoo lang mogelijk eten; daarna denkt hij aan het gereedmaken van zijn winterkwartier.
+Met dit doel bouwt hij in diepe holen in den grond, in gaten en spleten van rotsen en oude muren en ook wel in diepe holten
+van boomstammen een nest van zacht mos, rolt zich, gewoonlijk in gezelschap van verscheidene soortgenooten, in dit nest op,
+en valt, reeds lang, voordat de thermometer vorst aanwijst, in een diepen slaap, in de koude bergstreken reeds in Augustus,
+in de warmere vlakte eerst tegen October. Men merkt nu bij hem de gevoelloosheid van alle winterslapers op; misschien heeft
+hij wel de meest vaste slaap van hen allen. Men kan hem gerust uit het nest nemen en wegdragen; hij blijft koud en beweegt
+zich niet. In de warme kamer ontwaakt hij langzamerhand, maakt bewegingen met de pooten, beweegt zich hoe langer hoe meer,
+maar ziet er ook thans nog zeer slaperig uit. In de vrije natuur ontwaakt hij soms vanzelf gedurende den winter en gebruikt
+dan een deel van zijn voedselvoorraad, eigenlijk zonder te weten, wat hij doet. In den regel ontwaakt de Zevenslaper eerst
+zeer laat in &#8217;t voorjaar, zelden voor het einde van April. Zijn winterslaap duurt volle zeven maanden; hij draagt zijn naam
+dus te recht.
+
+</p>
+<p>De Zevenslaper heeft veel te lijden van zijne talrijke vijanden. De Boommarter en de Bunzing, de Wilde Kat en de Wezel, de
+Ooruil en de Uil zijn wel de ergste van zijne vervolgers, en hoewel hij zich, zelfs tegen de sterkste vijanden met veel moed
+verdedigt, delft hij toch het onderspit. Daar waar hij veelvuldig voorkomt, maakt de mensch ijverig jacht op hem, ten deele
+om zijn vleesch, ten deele om zijn vel; hij wordt meestal in kunstmatige winterwoningen, in kuilen of in andere vallen gelokt.
+In Beneden-Krain vangen de boeren hem in vallen met springveeren, waarin zij als lokaas een sappige peer of pruim leggen.
+Bovendien begraaft men vaten in den grond, die gedeeltelijk met ooft gevuld zijn en van boven slechts &eacute;&eacute;n toegangsopening
+hebben, n.l. een buis, waarin op zulk een wijze ijzerdraden zijn aangebracht, dat de Zevenslaper wel in het vat doordringen
+kan, maar er niet weer uit kan komen. Hierin vangt men deze dieren soms in zoo grooten getale, dat menige jager gedurende
+&eacute;&eacute;n herfst er 200 &agrave; 400 stuks buit maakt.
+
+</p>
+<p>De Zevenslaper wordt betrekkelijk zelden in gevangenschap gehouden. Zijn gemoedsaard is niet bepaald aangenaam, zijn grootste
+deugd is zindelijkheid; voor &#8217;t overige is hij niet geschikt om de belangstelling van zijn verzorger te behouden. Voortdurend
+verkeert hij in een prikkelbare stemming, sluit volstrekt geen vriendschap met den mensch, maar bromt woedend met een eigenaardige,
+snorkende stem tegen ieder die zich verstout, hem te naderen. Ook de jongen, die in gevangenschap geboren worden, zijn en
+blijven even onbeminnelijk als de oude dieren.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Boomslaper</span> (<i>Myoxus dryas</i>) kan men aanmerken als een overgangsvorm tusschen de Zevenslapers en de Tuinslapers; hij bereikt in &#8217;t geheel een lengte
+van 17 cM., waarvan ongeveer de helft op den staart komt; op den kop en aan de rugzijde van den romp is zijn kleur roodachtig
+bruin of bruinachtig grijs; de witte kleur van de onderdeelen is er scherp van afgescheiden. Onder de oogen begint een zwarte
+streep, deze omvat, breeder wordend, de oogen en zet zich voort tot aan de ooren. De staart is van boven donker bruinachtig
+grijs, van onderen wit.
+
+</p>
+<p>Het verbreidingsgebied van den Boomslaper strekt zich uit van Zuid-Rusland westwaarts tot Hongarije, Neder-Oostenrijk en Silezi&euml;;
+in de westelijkste van deze landen komt hij echter slechts zelden voor. Zijn levenswijze stemt, voor zoover men weet, in hoofdzaak
+met die van de Zevenslapers en Tuinslapers overeen.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+<a id="d0e660"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e660">286</a>]</span></p>
+<p>De <span class="letterspaced">Tuinslapers</span> (<i>Eliomys</i>) verschillen voornamelijk door hun gebit van de Zevenslapers. Bij deze hebben de kiezen van zes tot acht dwarsstrepen en
+slijten vlak af; bij de Tuinslapers is het aantal dwarsstrepen geringer en wordt de kroonvlakte van de kiezen door het afslijten
+eenigszins uitgehold. Uitwendig zijn de Tuinslapers kenbaar aan den staart, die aan den wortel met kort, aanliggend haar begroeid,
+aan de spits lang behaard, ruig en tweekleurig is. Evenals de leden van het vorige geslacht, verschillen zij van die van het
+volgende, doordat de bovenzijde van &#8217;t lichaam een andere kleur heeft dan de onderzijde.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Tuinslaper</span> of <span class="letterspaced">Groote Hazelmuis</span> (<i>Eliomys nitela</i>, afgebeeld op p. 284) (niet te verwarren met de Echte Hazelmuizen, die tot het volgende geslacht behooren) bereikt een lichaamslengte
+van hoogstens 14 cM., zonder den 9.5 cM. langen staart. De kop is, evenals de bovenzijde van den romp, roodachtig grijsbruin,
+de onderzijde wit.
+
+</p>
+<p>De Groote Hazelmuis, die reeds in den ouden tijd aan de Romeinen onder den naam <span class="letterspaced">Nitela</span> bekend was, behoort hoofdzakelijk thuis in de gematigde gewesten van Middel- en West-Europa. In Nederland komt zij niet voor,
+wel echter in Belgi&euml;, Frankrijk, Zwitserland, Itali&euml;, Duitschland, Hongarije, Galici&euml;, Zevenbergen en de Russische Oostzee-provinci&euml;n.
+In Duitschland is zij in sommige streken, b.v. in de Hartz, zeer veelvuldig<span id="d0e685" class="corr" title="Bron: ">.</span> Haar voedsel is gelijk aan dat van den Zevenslaper. Zij doet zich echter in de huizen der bergbewoners te goed aan vet, boter,
+spek en ham; ook eet zij eieren en jonge Vogels en doet dit vaker dan haar langzamere stamgenoot, die veel minder goed kan
+springen en klimmen. Haar nest verschilt van dat van &#8217;t laatstgenoemde dier, doordat het vrij opgehangen is tusschen boomtakken;
+zij maakt echter als schuilhoek ook wel gebruik van gaten in muren, van verlaten rattennesten en mollengangen en van andere
+holen in het gesteente en in den grond. Opmerkelijk is het, dat de overigens zeer zindelijke Tuinslaper weinig zorg draagt
+voor zijn nest, zoodat dit in den regel in de hoogste mate vuil is.
+
+</p>
+<p>Voor den winterslaap zoekt de Groote Hazelmuis droge en gedekte gaten in boomen of in muren en ook wel mollengangen op; ook
+begeeft zij zich soms naar de in &#8217;t woud staande boerderijen, tuinhuizen, schuren, hooischuren, kolenbrandershutten en andere
+gebouwen en vindt daar allicht een geschikte slaapplaats. Gewoonlijk slapen verscheidene van deze dieren bij elkander in &eacute;&eacute;n
+nest, het geheele gezelschap dicht ineengerold, bijna tot &eacute;&eacute;n klomp vereenigd. Zij slapen onafgebroken, maar niet zoo vast
+als andere dieren met winterslaap; want telkens als het weder zacht wordt, ontwaken zij, gebruiken iets van hun wintervoorraad
+en slapen eerst weder in, wanneer de koude op nieuw begint.
+
+</p>
+<p>De Groote Hazelmuis wordt zeer ongaarne gezien in tuinen, waar fijne soorten van ooft gekweekt worden. E&eacute;n enkel dier is in
+staat om de geheele perziken- of abrikozenoogst te vernielen. Bij hare snoeperijen geeft zij bewijzen van een buitengewoon
+fijnen smaak. Zij zoekt de beste en sappigste vruchten uit, knaagt echter ook andere om ze te keuren, en vernielt op deze
+wijze veel meer, dan zij eigenlijk opeet. Daar zij den mensch niet anders dan schade veroorzaakt en zoomin door haar vleesch
+als door haar vel eenig nut doet, wordt zij door de eigenaars van tuinen ijverig vervolgd. Het best kan men haar vangen in
+draadstrikken, die men v&oacute;&oacute;r de leiboomen ophangt, of in kleine klemmen, die op een geschikte plaats neergelegd worden. Maar
+beter nog dan door zulke vallen, wordt de tuin voor deze brutale gauwdieven beveiligd door een goede Kat. Marters, Wezels,
+Ooruilen en Uilen maken ijverig jacht op de Hazelmuis. Daarom is het voor eigenaars van tuinen, die dicht bij het woud wonen,
+zeer raadzaam, alle bondgenooten in den strijd tegen schadelijke Knaagdieren zooveel mogelijk te sparen.
+
+</p>
+<p>De Groote Hazelmuis is, evenmin als de Zevenslaper, geschikt om getemd te worden. Zelden geraakt zij aan den mensch gewend
+en bij iedere verrassing maakt zij onmiddellijk, en dikwijls op een wijze, die voor den aangevallene hoogst pijnlijk is, van
+hare scherpe tanden gebruik. Van den roofgierigen aard dezer dieren kan men zich gemakkelijk overtuigen door na te gaan, hoe
+zij zich in de gevangenschap gedragen. Zij vereenigen den bloeddorst van de Wezel met de vraatzucht van de andere Relmuizen,
+vallen met ware woede op ieder Gewerveld Dier aan, dat men in haar hok brengt, dooden in een oogwenk een Vogel, maken binnen
+weinige minuten voor goed een einde aan den tegenstand van een bijtlustige Muis en vallen zelfs elkander aan. &#8220;Wanneer verscheidene
+Tuinslapers bij elkander opgesloten worden,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Weber</span>, &#8220;moeten zij voortdurend rijkelijk voorzien worden met voedsel&#8212;noten, beukenoten, ooft, wittebrood, hennep, lijnzaad enz.,&#8212;en
+met drinkwater; bovendien moet men door het matig warm houden van de ruimte, waarin de dieren zich bevinden, er voor zorgen,
+dat zij wakker blijven, en niet in winterslaap vervallen. De honger heeft onvermijdelijk een strijd tusschen hen tengevolge,
+waarvan het einde steeds is, dat de eene kampioen sneuvelt en door den anderen wordt opgegeten. De winterslaap wordt voor
+het dier, dat er door bevangen wordt, even noodlottig als de nederlaag voor den overwonnen strijder. Als van verscheidene
+in eenzelfde hok opgesloten Tuinslapers er een in winterslaap vervalt, terwijl de overige nog wakker zijn, dan is hij verloren;
+hij wordt door zijne verraderlijke kameraads doodgebeten en verslonden. Iets dergelijks geschiedt, als verscheidene in winterslaap
+verkeerende Tuinslapers achtereenvolgens wakker worden; die, welke het eerst ontwaakt, doodt den eenen weerloozen slaper na
+den anderen. De gewone dagelijksche slaap levert minder gevaar op, omdat het aangevallen dier spoedig ontwaakt en zijn leven
+verdedigt.&#8221;
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Het derde geslacht van de familie der Slaapmuizen omvat de <span class="letterspaced">Hazelmuizen</span> (<i>Muscardinus</i>), die hoofdzakelijk door haar gebit, en meer bepaaldelijk door het aantal dwarsstrepen op de kiezen, van de leden der beide
+vorige geslachten verschillen. Bovendien zijn de boven- en onderzijde nagenoeg gelijk van kleur en is de staart, evenals bij
+de Zevenslapers, over zijn geheele lengte gelijkmatig behaard, hier echter tamelijk kort.
+
+</p>
+<p>In Europa leeft slechts een enkele soort van dit geslacht, n.l. de <span class="letterspaced">Hazelmuis</span> of <span class="letterspaced">Kleine Hazelmuis</span> (<i>Muscardinus avellanarius</i>), een van de aardigste, bevalligste en behendigste van alle Europeesche Knaagdieren, even aantrekkelijk door haar sierlijke
+gestalte en schoone kleur als door hare zindelijkheid, netheid en zachtmoedigheid. Zij is ongeveer zoo groot als onze Huismuis;
+haar totale lengte bedraagt 14 cM., waarvan bijna de helft op den staart komt. De geheele vacht is geelachtig rood, van onderen
+een weinig lichter, met uitzondering van de borst en de keel, die wit zijn. In Nederland komt zij niet voor, in de meeste
+andere landen van Middel-Europa wel. <a id="d0e718"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e718">287</a>]</span>Naar het schijnt, zijn Engeland en het zuiden van Zweden de noordelijkste, Toscane en het noorden van Turkije de zuidelijkste
+afdeelingen van haar verbreidingsgebied; verder oostwaarts dan Hongarije, Galici&euml; en Zevenburgen komt zij niet voor. Zij bewoont
+nagenoeg dezelfde oorden als hare verwanten. Laag kreupelhout en struiken, bij voorkeur hazelaarboschjes, zijn hare meest
+geliefde verblijfplaatsen.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1287.jpg" alt="Kleine Hazelmuis (Muscardinus avellanarius). &#8536; v.d. ware grootte." width="720" height="557"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Kleine Hazelmuis</span> (<i>Muscardinus avellanarius</i>). &#8536; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Over dag ligt de Hazelmuis in den een of anderen schuilhoek te slapen, des nachts gaat zij haar voedsel zoeken, dat uit noten,
+eikels, harde zaden, sappige vruchten, bessen en knoppen van boomen bestaat; het liefst echter eet zij hazelnoten, die zij
+op een kunstige wijze opent en ledigt, zonder ze af te plukken of uit het napje te verwijderen. Ook zoekt zij lijsterbessen
+en wordt bijgevolg niet zelden in lijsterstrikken gevangen. Zij leeft in kleine gezelschappen, die niet bijzonder innig met
+elkaar verbonden zijn. Door iedere Hazelmuis, of door twee gezamenlijk, wordt in het dichtste struikgewas een zacht, warm,
+tamelijk kunstig nest van gras, bladen, mos, worteltjes en haren gebouwd; het dier zwerft vanhier uit iederen nacht door zijn
+gebied, bijna altijd gemeenschappelijk met andere, die in de nabijheid wonen. Het zijn echte boomdieren; zij klimmen merkwaardig
+goed, zelfs langs de dunste twijgen. In Augustus werpt het wijfje 3 &agrave; 4 naakte, blinde jongen; dit gebeurt in het bolvormig
+zomernest, dat altijd in het dichtste struikgewas en gewoonlijk op een afstand van ongeveer &eacute;&eacute;n meter van den bodem gelegen
+is. De jongen groeien buitengewoon snel, maar worden toch een volle maand door de moeder gezoogd, hoewel zij intusschen zoo
+groot geworden zijn, dat zij nu en dan het nest verlaten kunnen. Aanvankelijk blijft de familie op de naastbijgelegen hazelaars;
+de dieren spelen genoegelijk met elkander en eten intusschen noten. Bij het geringste gedruisch snellen alle naar het nest
+terug om hier veiligheid te zoeken. Omstreeks het midden van October nemen de Hazelmuizen de wijk naar de schuilhoeken, waar
+zij haar wintervoorraad geborgen hebben, en maken zich van takjes, bladen, naalden, mos en gras een bolvormig hulsel, waar
+zij zich geheel inwikkelen; zij rollen zich tot een kluwen ineen en vallen in slaap; haar winterslaap is vaster dan die van
+hare verwanten; men kan ze in de hand nemen en over den grond voortrollen, zonder dat zij eenig bewijs van leven geven. Al
+naar de winter streng of zacht is, slapen zij 6 of 7 maanden en wordt haar slaap meer of minder vaak voor korten tijd afgebroken,
+totdat de schoone, warme lentezon haar tot een nieuw leven opwekt.
+
+</p>
+<p>Het kost moeite een Hazelmuis te vangen, zoolang zij volkomen wakker is; slechts bij toeval geraakt zij in de een of andere
+val; deze plaats men daar, waar zij zich het liefst ophoudt, en wordt met noten of met ander voedsel als lokaas voorzien.
+Gemakkelijker verkrijgt men ze in &#8217;t laatste gedeelte van den herfst of in den winter bij het opharken van &#8217;t loof of bij
+het uitroeien van de wortelspruiten. Zoodra men de Hazelmuis in de hand heeft, is zij zoo goed als getemd. Nooit waagt zij
+het, weerstand te bieden aan haar overweldiger, nooit tracht zij te bijten; de grootste angst ontlokt haar alleen een piepend
+of helder sissend geluid. Weldra echter schikt zij zich in het onvermijdelijke, laat zich bedaard naar huis dragen, en voegt
+zich geheel en al naar den wil van den mensch; zij verliest ook haar schuwheid, maar niet de aangeboren schuchterheid en vreesachtigheid.
+Men voedt haar met noten, pitten van ooft, ooft en brood, ook wel met tarwekorrels. Zij eet spaarzaam en bescheiden, aanvankelijk
+alleen &#8217;s nachts. Haar buitengewoon groote zindelijkheid, de vriendelijke en verdraagzame wijze, waarop zij met hare soortgenooten
+omgaat, hare aardige bewegingen en grappige gebaren maken haar tot een lieveling van den mensch. In Engeland wordt zij als
+kamerdier in gewone vogelkooien gehouden, en komt zij, evenals kamervogels, aan de markt. Men kan haar in de mooiste kamers
+houden, want zij verbreidt volstrekt geen onaangename lucht; alleen in den zomer merkt men bij haar een <a id="d0e733"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e733">288</a>]</span>muskusachtigen reuk op, die echter zoo zwak is, dat men er geen hinder van heeft.
+
+</p>
+<p>Ook in de gevangenschap houdt de Hazelmuis winterslaap, als het vertrek niet altijd gelijkmatig warm gehouden wordt. Zij tracht
+dan een nestje te bouwen en omhult zich hiermede, of gaat eenvoudig in den een of anderen hoek van haar kooi slapen. Als men
+haar in de warmte brengt, o.a. reeds, als men haar in de warme hand neemt, ontwaakt zij, om echter kort daarna weer in te
+slapen.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Hoewel de <span class="letterspaced">Bever</span> in belangrijke opzichten overeenstemt met de tot dusver beschreven Knaagdieren, verschilt hij toch in andere punten zoo belangrijk
+van hen en van de overige leden der orde, dat hij als vertegenwoordiger van een afzonderlijke familie (<i>Castoridae</i>) beschouwd moet worden. Deze familie omvat behalve onzen Bever hoogstens eenige voorwereldlijke soorten van Knaagdieren,
+die door hunne thans levende verwanten vervangen zijn; onder de Knaagdieren van onzen tijd zijn er wel enkele, die aan de
+Bever herinneren, maar geene, die werkelijk op hem gelijken.
+
+</p>
+<p>Reeds sedert overouden tijd heeft de Bever de aandacht van de natuuronderzoekers tot zich getrokken; door de oude schrijvers
+wordt hij onder de namen <span class="letterspaced">Castor</span> en <span class="letterspaced">Fiber</span> vaak vermeld. Van hen vernemen wij echter niet veel en geen zeer nauwkeurige berichten over zijn levenswijs. Zij leeren ons
+wel, dat dit dier vroeger veel algemeener verbreid was, dan thans; waarschijnlijk is van geen andere diersoort het aantal
+vertegenwoordigers zoo schielijk verminderd als van dit hooggeschatte Knaagdier. Het door den Bever bewoonde gebied omvat
+ook thans nog gedeelten van drie werelddeelen, en strekt zich uit over alle landen, die tusschen 33&deg; en 68&deg; N.B. gelegen zijn;
+in vroegere tijdperken moet het echter veel uitgestrekter geweest zijn. In een der teekens van het Egyptische hi&euml;roglyphenschrift
+heeft men den Bever meenen te herkennen; hieruit zou voortvloeien, dat hij Afrika bewoond heeft. Door de godsdienstige voorschriften
+van de Indische Magi&euml;rs was het verboden hem te dooden: bijgevolg moet hij ook in Indi&euml; inheemsch geweest zijn.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Bevers,&#8221; schrijft Prof. <span class="smallcaps">Harting</span> in &#8220;de Bouwkunst der Dieren,&#8221; &#8220;leefden eenmaal in alle Europeesche landen, ook in ons vaderland, gelijk sommige plaatsnamen
+nog getuigen, zooals die van Beverwijk, Bevervoord, waar zij vermoedelijk menigvuldiger waren dan elders. Onze van talrijke
+wateren doorsneden bodem, waarop eertijds dichte wouden welig tierden, leverde trouwens aan de Bevers een verblijfplaats op,
+even gunstig als het tegenwoordige Canada. Nog voor niet zeer langen tijd werden enkele Bevers langs de Waal, de Maas en de
+IJsel aangetroffen. Zoo werden te Gorinchem twee ouden met zes jongen gevangen; in 1757 schoot men er een in den IJsel bij
+het buitenverblijf Middachten, op den weg van Zutphen naar Arnhem; in 1770 werd, bij het op &eacute;&eacute;n uur van &#8217;s Hertogenbosch gelegen
+dorp Hedel, een Bever geschoten, die zich gedurende zes of zeven jaren in den omtrek had opgehouden en daar veel graan en
+jong hout bedorven had. De laatste Bever, die, voor zoover mij bekend is, hier te lande gevangen werd, is die, welke het onderwerp
+der Akademische Dissertatie van <span class="smallcaps">A. C. Bonn</span> heeft uitgemaakt. Deze Bever werd den 17den December 1799 bij Epse, aan den oostelijken oever van de rivier den IJsel, op
+een half uur afstand van Deventer, in een otterstap gevangen.&#8221; &#8220;Hij had aldaar in de nabijheid uit wilgentakken, biezen en
+slib eene zes voet (1.8 M.) hooge hut gebouwd; de hoeveelheid van het daartoe gebezigde hout was zoo groot, dat twee Paarden
+het ter nauwernood vervoeren konden.&#8221; &#8220;Echter was dit niet de laatste Bever, die deze streken bewoond heeft, want twee jaren
+later werd door eenige schippers en andere lieden op een plaats bij den IJsel, drie uren gaans van Doesburg gelegen, een dergelijk,
+ofschoon kleiner, dier gezien, dat wellicht het wijfje van eerstgenoemde is geweest.&#8221; &#8220;Het blijkt uit de Kameraarsrekeningen
+van Deventer,&#8221; schrijft <span class="smallcaps">P. C. Molhuijsen</span>, &#8220;dat deze dieren in vroegeren tijd zeer talrijk moeten geweest zijn. In de rekening van 1454 is het eerst door ons opgemerkt,
+dat de stedelijke regeering een premie voor het vangen gaf. Ruim twintig jaren lang komt deze vermelding voor op den post
+van uitgaven, en bij een nauwkeurige optelling zou men het getal zeer aanzienlijk kunnen vinden, waarbij wij nog in het oog
+moeten houden, dat sommige rekeningen uit dat tijdvak ontbreken. Bij een vluchtig overzicht zijn b.v. in het jaar 1454 opgemerkt
+vier, in 1467 veel meer, waaronder &eacute;&eacute;n op de Worp werd gevangen, in 1468 twee, in 1469 vier, waaronder een op de Stadsweerden,
+in 1474 drie jonge op de Landeweer in de Ouden IJsel, en nog vijf, in 1472 niet minder dan dertien, zoo oude als jonge&#8221;....
+Uit het register der Stadsrekeningen van Zutphen blijkt, dat van wege de stad aan de visschers op den IJsel geld verstrekt
+werd voor door hen geleverde Bevers en dat 1465 tot 1550, alzoo in 85 jaren, alleen bij Zutphen, dus waarschijnlijk op een
+oeverlengte van 3 uren gaans (de bochten niet medegerekend) op den IJsel gedood werden 66 Bevers, &eacute;&eacute;nmaal 6 jongen te gelijk.
+(<span class="smallcaps">H. J. H. Groneman</span>.)
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1289.jpg" alt="Bever (Castor fiber)." width="478" height="720"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Bever</span> (<i>Castor fiber</i>).
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>In Engeland is de Bever reeds sedert 500 jaren uitgeroeid. <span class="smallcaps">Scaliger</span> en <span class="smallcaps">Buffon</span> maken melding van verscheidene door den Bever bewoonde gewesten in Frankrijk, waar hij thans alleen voorkomt op het eiland
+Camargue, dat door de Rh&ocirc;nemondingen (&#8220;Le grand&#8221; en &#8220;Le petit Rh&ocirc;ne&#8221;) wordt ingesloten. Nog in October 1894 werden hier door
+visschers in hunne netten vijf Bevers gevangen. &#8220;Naarmate de ontginning van het deltaland voortschrijdt, wordt de Bever naar
+de overblijvende woeste streken teruggedrongen; hierdoor, en door de jacht voortdurend op hem gemaakt, is het aantal reeds
+te zeer afgenomen om nog het bestaan van ware koloni&euml;n toe te laten. Men vindt hem nu nog alleen paarsgewijze of als afzonderlijke
+families verspreid over de geheele delta, meer bepaald in de &#8216;petit Rh&ocirc;ne&#8217; tusschen Fourques en Sylv&eacute;r&eacute;al. Ook wordt er nu
+en dan nog wel eens een enkele gevangen in de Gardon, die in den &#8220;petit Rh&ocirc;ne&#8221; uitmondt. Boven Pont-du-Gars komt hij niet
+meer.&#8221; In <span class="smallcaps">Strabo&#8217;s</span> tijd kwamen ook nog in Spanje Bevers voor. Volgens <span class="smallcaps">Geszner</span> werden zij eertijds in de delta van de Po gevonden.
+
+</p>
+<p>Tegenwoordig vindt men hem in Duitschland nog aan de Elbe; nu en dan treft men hem aan in het deel der rivier, dat ongeveer
+begrensd wordt aan de eene zijde door Wartenburg boven Wittenberg en aan de andere door Maagdenburg. Met volle zekerheid kan
+hij echter beschouwd worden als voortdurende bewoner van een onder Aken gelegen deel der rivier, vooral in de opperhoutvesterdistricten
+Steckby en Tochheim alsmede Gr&uuml;newald (tegenover Sch&ouml;nebeck) aan den rechteroever en L&ouml;dderitz aan den linkeroever, waar men
+het aantal dezer Knaagdieren op 60 stuks begroot. De Bevers komen van oudsher ook geregeld voor in de Saale, te beginnen bij
+haar uitmonding in de Elbe, tot bij Trabitz (beneden Kalbe); op dit gebied <a id="d0e794"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e794">290</a>]</span>leven tegenwoordig misschien 15 stuks. Op de genoemde plaatsen behoort de Bever thuis, en men kan er niet alleen ten allen
+tijde de sporen zijner werkzaamheid waarnemen, maar ook nu en dan hem zelf aan &#8217;t werk zien. Enkele exemplaren worden nu en
+dan waargenomen in de oeverlanden van den Salzach, op de Oostenrijksch-Beiersche grens, en vroeger ook bij de M&ouml;hne (een aan
+de rechterzijde gelegen bij-riviertje van den Ruhr) in Westfalen (op de laatstgenoemde plaats echter sedert 1877 niet meer).
+Van alle landen van Europa zijn Bosni&euml;, Rusland en Skandinavi&euml; (vooral Noorwegen) die, waar de Bevers thans nog het veelvuldigst
+leven. In Rusland vindt men ze vooral in de noordelijke bij-rivieren van den Pripet, in het gouvernement Minsk.&#8212;Veel talrijker
+dan in Europa zijn de Bevers in Azi&euml;. In grooten getale bewonen zij de groote rivieren van Middel- en Noord-Siberi&euml;; naar
+men zegt, komen zij ook voor in de rivieren, die zich in de Kaspische zee uitstorten. Zeker is het, dat zij gevonden worden
+in de bij-rivieren van den Koeban, aan de noordelijke helling van den Kaukasus, zoo ook in Mesopotami&euml;. In Amerika waren de
+Bevers algemeen; door de hevige vervolging, waaraan zij blootstaan, is hun aantal reeds zeer afgenomen. <span class="smallcaps">Audubon</span> noemde in 1849 alleen nog maar Labrador, Newfoundland, Canada en enkele gewesten van de staten Maine en Massachusetts als
+deelen van het door den Bever bewoonde gebied, maar voegt er bij, dat er ook in verscheidene andere, weinig bebouwde gewesten
+van de Vereenigde Staten enkele exemplaren gevonden worden.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Bever</span> (<i>Castor fiber</i>) is een van de grootste Knaagdieren. De lichaamslengte van het volwassen mannetje bedraagt, zonder den 30 cM. langen staart,
+75 &agrave; 95 cM., de schouderhoogte 30 cM., het gewicht 20 &agrave; 30 KG. De romp is plomp en forsch, van achteren aanmerkelijk dikker
+dan van voren, de rug gewelfd, de buik hangend, de hals kort en dik, de kop van achteren breed, naar voren smaller wordend,
+met platte kruin en korten, stompen snoet; de pooten zijn kort en zeer krachtig, de achterste iets langer dan de voorste;
+de voeten hebben vijf teenen; die van de achtervoeten zijn tot de klauwen door een breed zwemvlies vereenigd. De staart is
+aan den wortel rond, in het midden van boven naar onderen plat gedrukt, soms wel 20 cM. breed, aan de spits stomp afgerond;
+de randen van het platte gedeelte zou men bijna scherp kunnen noemen. De ooren zijn klein en kort, van binnen en van buiten
+behaard, en kunnen z&oacute;&oacute; tegen den kop aangelegd worden, dat zij de gehoorgang bijna volkomen afsluiten. De kleine oogen zijn
+voorzien van een wenkvlies, d.w.z. van een derde doorschijnend ooglid, dat, van den binnenhoek van het oog uitgaande, onder
+de beide andere oogleden langs over den oogbol kan worden geschoven, evenals bij de Vogels. De pupil is langwerpig en verticaal
+geplaatst. De neusgaten kunnen door de sterk gezwollen neusvleugels gesloten worden. Het haarkleed bestaat uit buitengewoon
+dicht (bij wijze van vlokjes) bijeen geplaatste, zijdeachtige wolharen, en meer verspreide, lange, stevige, stijve en glanzige
+bovenharen, die aan den kop en het achterste deel van den rug kort, op de overige lichaamsdeelen meer dan 5 cM lang zijn.
+De bovenzijde is donker kastanjebruin, meer of min naar grijs zweemend; de onderzijde is lichter van kleur; elk wolhaartje
+is aan den wortel zilvergrijs, hoogerop geelachtig bruin. De staart is aan den wortel zeer lang behaard, overigens echter
+kaal en hier met langwerpig ronde, bijna zeshoekige, platte hoornplaatjes bedekt, waartusschen enkele korte, stijve haren
+te voorschijn komen. De kleur van de vacht wijkt soms van de zoo even aangeduide af. Zeer zelden treft men witte en gevlekte
+Bevers aan.
+
+</p>
+<p>De zeer groote en stevige, aan de voorzijde platte, gladde, op de dwarse doorsnede bijna driehoekige, aan de spits beitelvormige
+knaagtanden, steken ver buiten de kaken uit. Bij beide geslachten komen aan den onderbuik, in de liesstreek onder de huid
+verborgen, twee eigenaardige klierzakken voor, welker binnenste oppervlakte een vreemdsoortige stof, het <span class="letterspaced">bevergeil</span> (<i>Castoreum</i>) afscheidt; deze donkerroodachtig, geelachtig of zwartachtig bruine specie is aanvankelijk week, maar droogt weldra op tot
+een hars gelijkende massa; zij heeft een eigenaardigen, doordringenden, sterk aan phenol herinnerenden reuk, die door slechts
+weinige menschen aangenaam gevonden wordt, en een bitteren, balsemachtigen smaak. In vroegeren tijd werd zij als krampstillend
+middel veelvuldig voorgeschreven, tegenwoordig komt zij meer en meer in onbruik. Achter de beide bevergeilzakken bevinden
+zich twee dergelijke zakken, die echter geen <i>castoreum</i>, maar een olie- of vetachtige stof afscheiden.
+
+</p>
+<p>De Bevers leven tegenwoordig meestal paarsgewijs en vereenigen zich slechts in de stilste streken tot meer of minder groote
+famili&euml;n. In alle bevolkte landen bewonen zij, evenals de Vischotters, meestal eenvoudige, onderaardsche gangen, en denken
+zij er niet aan zich hutten te bouwen. Toch heeft men er nog in deze eeuw gevonden in de omstreken van de stadjes Barby en
+Aken (tusschen Wittenberg en Maagdenburg), op korten afstand van de plaats waar het riviertje de Nuthe zich in de Elbe stort.
+Hier vindt men een eenzame, met wilgen begroeide streek, die door het slechts 4 &agrave; 8 schreden breede riviertje doorstroomd
+wordt en sedert onheugelijke tijden Biberlacht (&#8220;Beverpoel&#8221;) wordt genoemd. Vele jaren achtereen heeft de opperhoutvester
+<span class="smallcaps">von Meijerinck</span> hier de Bevers nagegaan; in een in 1827 verschenen geschrift deelt hij over hen het volgende mede: &#8220;Er wonen thans (in 1822)
+nog verscheidene paren Bevers in holen, die op soortgelijke wijze ingericht zijn als een Dassenhol, een lengte van 30 &agrave; 40
+schreden hebben en op gelijke hoogte met den waterspiegel liggen; op het land hebben zij uitgangen. In de nabijheid van de
+holen richten de Bevers hutten, zoogenaamde &#8216;burgen&#8217; op. Deze zijn 2.5 &agrave; 3 M. hoog en uit dikke, kunsteloos tot een hoop opeengestapelde
+stokken samengesteld; dit hout bijten de dieren van de naburige boomen af en schillen het, omdat zij de schors als voedsel
+gebruiken. In den herfst bedekken de Bevers den houthoop met klei en andere grondsoorten van den rivieroever. De hut heeft
+de gedaante van een bakoven en dient niet als woning, maar alleen als toevluchtsoord, wanneer de hooge waterstand hen uit
+hunne gangen verdrijft. In den zomer van het genoemde jaar toen de kolonie uit 15 &agrave; 20 jonge en oude dieren bestond, bemerkte
+men, dat zij dammen opwierpen. De Nuthe was toen z&oacute;&oacute; ondiep, dat de uitgangen van de holen aan den oever overal zichtbaar
+werden en het water daaronder nog slechts weinige cM. diep was. De Bevers hadden een plaats uitgekozen, waar zich in het midden
+van het riviertje een kleine verhevenheid bevindt; hier begonnen zij aan weerszijden dikke takken in &#8217;t water te werpen, en
+de tusschenruimten met slijk en biezen te vullen; boven den hierdoor ontstanen dam was de waterspiegel 30 cM. hooger dan er
+beneden. De dam werd meermalen vernield, <a id="d0e825"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e825">291</a>]</span>in den regel was hij echter telkens den volgenden dag weder hersteld. Toen het hooge water van de Elbe in de Nuthe doordrong
+en tot boven de woningen der Bevers steeg, waren zij ook over dag te zien. Zij lagen dan meestal boven op den hut of op de
+naburige knotwilgen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Aan de mededeelingen van andere onderzoekers ontleenen wij het volgende: Na rijp beraad kiezen de dieren een riviertje of
+beek uit, welker oevers hun een overvloed van wilgen kunnen verschaffen en hun voor het aanleggen van hunne woningen en hutten
+bijzonder geschikt voorkomen. De eenzaam levende individu&euml;n bewonen eenvoudige, onderaardsche holen in den trant van die van
+den Vischotter. Een of meer gangen van verschillende lengte (meestal 2 &agrave; 6 M.), die alle onder water uitkomen, leiden naar
+een ruime, meer of minder hoog boven den waterspiegel gelegen woning. Deze bestaat gewoonlijk slechts uit &eacute;&eacute;n woonkamer, die
+netjes en zorgvuldig met in fijne vezels verdeeld hout gevuld is, en als slaapplaats, bij uitzondering ook als kraamkamer
+dient. Gezelschappen, die gewoonlijk uit twee of meer famili&euml;n bestaan, bouwen in den regel hutten, en leggen, als dit noodig
+is, dammen aan om het water op te stuwen en op gelijkmatige hoogte te houden. Sommige van deze dammen zijn 150 &agrave; 200 M. lang,
+2 &agrave; 3 M. hoog, van onderen 4 &agrave; 6 M., van boven nog 1 &agrave; 2 M. dik. Zij bestaan uit stokken, welker dikte afwisselt tusschen
+die van een arm en die van een dij; zij zijn 1 &agrave; 2 M. lang, worden met het eene einde in den bodem bevestigd, steken met het
+andere boven het water uit, zijn door dunnere takken met elkander verbonden, waarna de tusschenruimten met riet, klei en zand
+op zulk een wijze dichtgemaakt worden, dat aan de stroomzijde de dam bijna loodrecht is, terwijl aan de tegenovergestelde
+zijde een glooiing ontstaat. Vervolgens worden nog loopgangen of kanalen aangelegd, waardoor de voor huttenbouw en voeding
+noodige stoffen gemakkelijker uit de vijvers, die boven de dammen ontstaan, naar het beneden den dam gelegen water gesleept
+of gevlot kunnen worden.
+
+</p>
+<p>De volgende beschrijving van de inrichting en het doel der hut is ontleend aan Prof. <span class="smallcaps">Harting&#8217;s</span> &#8220;Bouwkunst der Dieren&#8221;: &#8220;Het dak steekt als een gewelf hoog boven het water uit en is van een luchtgat voorzien. De vloer
+ligt van binnen steeds boven den waterspiegel. Hij is begroeid met riet en bestrooid met houtspaanders. In dien vloer is een
+opening, waardoor de bewoners der hut onder het water door naar buiten kunnen geraken. Gewoonlijk bestaat zulk een hut slechts
+uit &eacute;&eacute;n enkele holte of kamer, welke dan tot woonplaats verstrekt aan twee beverfamili&euml;n, namelijk vier ouden en zes tot acht
+jongen. Niet zelden gebeurt het echter ook, dat een hut in een zeker aantal kamers gescheiden is, die alle door een gemeenschappelijk
+dak overdekt worden, doch nimmer verdiepingsgewijs boven, maar steeds nevens elkander zijn aangelegd. Elke kamer heeft dan
+ook haar eigen opening of deur naar buiten. Zoo b.v. zag <span class="smallcaps">Hearne</span> op een eilandje zulk een groot gebouw, dat inwendig uit niet minder dan twaalf afdeelingen bestond.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat op sommige plaatsen honderd en meer dezer koepelvormige woningen zich langs den oever
+verheffen, dan kan men zich begrijpen, hoe lieden, die deze voor het eerst zien, en met de levenswijs der Bevers onbekend
+zijn, daarin voortbrengselen van een nog op een lagen trap staande menschelijke bouwkunst meenden te herkennen, gelijk <span class="smallcaps">M&ouml;llhausen</span> verhaalt van de lieden, die de expeditie van luitenant <span class="smallcaps">Whippler</span> vergezelden, waaraan ook hij deelnam.
+
+</p>
+<p>&#8220;In Europa kiezen de Bevers bij voorkeur wilgen, populieren en berken; in Amerika bezigen zij ook verwante soorten en bovendien
+magnoli&euml;n, de rondbladige esch, sassafras enz. Met de schors van dezelfde boomen voeden zij zich. Hun voorraad van stammen
+en takken laten zij v&oacute;&oacute;r hun woning in &#8217;t water liggen en halen daarvan al naar hun behoefte naar binnen, schillen het daar
+op hun gemak af en werpen het overige weder in het water. <span class="smallcaps">Cartwright</span> zag zulke magazijnen, die meer dan een karrevracht hout bevatten.
+
+</p>
+<p>&#8220;De hutten der Bevers dienen eigenlijk alleen tot hun winterverblijf. Wanneer de dooi in de lente het water sterk doet rijzen
+en hen met overstrooming bedreigt, dan verlaten zij de hutten. De mannetjes blijven den geheelen zomer buiten, zwerven rond
+en slapen op te samen gebrachte takken; de wijfjes keeren weder naar de hutten terug, wanneer het water daalt en werpen aldaar
+in Juni hare jongen. Tegen den herfst begeven zich ook de mannetjes naar hun woning; te zamen herstellen zij dan de oude of
+bouwen een nieuwe hut en verzamelen vervolgens hun wintervoorraad.&#8221;
+
+</p>
+<p>Alle werkzaamheden van den Bever staan in zulk een nauw verband met zijne gewoonten en behoeften, dat men zijn levenswijze
+schildert, wanneer men deze werkzaamheden beschrijft. Evenals de meeste Knaagdieren werken zij gedurende den nacht; alleen
+in zeer afgelegen landstreken, waar zij in langen tijd geen mensch te zien krijgen, zijn zij ook over dag aan den arbeid.
+&#8220;Kort na zonsondergang verlaten zij hunne rustplaatsen, fluiten luid en laten zich met een plomp in &#8217;t water vallen. Zij zwemmen
+een tijdlang rond in de nabijheid van den oever, tegen den stroom op even snel als met den stroom mede, en houden, naarmate
+zij zich min of meer veilig achten, hetzij den neus en het voorhoofd, &ograve;f den kop en den rug boven water. Na de veiligheid
+van de omgeving onderzocht te hebben, gaan zij aan land, waar zij zich tot op een afstand van 50 schreden of nog verder van
+den oever begeven, om de boomen af te snijden, die zij voor hun voeding of voor hunne bouwwerken noodig hebben.&#8221; Takken, die
+eenige cM. dik zijn, worden in eens door den Bever afgebeten; boomen brengt hij ten val door in den stam een ringvormige groeve
+te knagen en deze aan de naar het water gerichte zijde dieper te maken, totdat de boom naar die zijde overhelt en in &#8217;t water
+valt. De sporen, die zijn arbeid op den stam achterlaat, bestaan uit tallooze, vlakke, schelpvormige insnijdingen, die zoo
+glad en scherp zijn, alsof zij met een zwak gebogen beitel uitgehouwen werden. Soms snijden de Bevers stammen van meer dan
+mansdikte af, dit doen zij ook wel in Duitschland. Takken met vele twijgen worden v&oacute;&oacute;r het wegsleepen nauwkeurig bezichtigd,
+in sommige gevallen in stukken verdeeld, hinderlijke takstompjes worden afgesneden, alle stukken hout daarna in &#8217;t water gesleept
+en hier ontschorst of voor latere tijden bewaard. Eerst nadat de stok geschild is, gebruikt de Bever hem als bouwmateriaal,
+haalt hem uit het water, sleept hem naar de naastbijgelegen hut en geeft hem hier een bestemming. Van een regel bij het rangschikken
+van de voor &#8217;t bouwen dienende stokken is niets te bespeuren. Op een doelmatige wijze wordt in de behoeften voorzien, aan
+een regelmatige plaatsing van de bouwstoffen echter niet gedacht: eenige stokken liggen horizontaal, andere scheef, nog andere
+verticaal, enkele steken met het eene einde ver buiten de wanden van de hut uit, <a id="d0e854"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e854">292</a>]</span>andere zijn geheel met aarde bedekt. Er wordt trouwens voortdurend iets aan de woning veranderd, vergroot en verbeterd. Alle
+voor het dichtstoppen en de bekleeding vereischte materialen, zooals aarde, zand, leem of slib worden op verschillende wijzen,
+maar toch altijd slechts met den bek en met de voorvoeten vervoerd en alleen met de voorvoeten verwerkt. De staart wordt hierbij
+hoogstens voor het behouden van het evenwicht, nooit als troffel gebruikt. Wel is het mogelijk, dat de zware achter hem aansleepende
+staart, die soms niet minder dan 2 KG. weegt, tot het gladmaken der slibbedekking bijdraagt.
+
+</p>
+<p>Evenals bij de meeste dieren is het wijfje van den Bever bij het bouwen met het belangrijkste deel van den arbeid belast,
+het mannetje verricht hoofdzakelijk oppermanswerk. Beide arbeiden gedurende het geheele jaar, hoewel niet altijd met denzelfden
+ijver. In den zomer en in het begin van den herfst zijn zij vaker aan &#8217;t spelen dan aan het voltooien van de woning; v&oacute;&oacute;r
+het invallen van het koude weder arbeiden zij daarentegen onverpoosd gedurende den geheelen nacht. Zij hebben een fijn voorgevoel
+van de naderende weersgesteldheid en nemen hiertegen de best mogelijke voorzorgsmaatregelen.
+
+</p>
+<p>Het voedsel van de Bevers bestaat voornamelijk uit de schors en de bladeren van verschillende boomen. Van alle takken, die
+ik mijne gevangenen toewierp, kozen zij het allereerst die van den wilg uit, en alleen wanneer deze ontbraken, namen zij takken
+van witte, zwarte en ratel-populieren, esschen en berken, het minst graag die van elzen en eiken. Harde takken, die zij met
+de voorvoeten aanvatten en aanhoudend ronddraaien, ontschorsen zij zeer netjes en behendig; zij schillen ze zoo schoon af,
+dat men op den van schors beroofden tak geen sporen van de werking der tanden ontdekken kan. Spoedig geraken zij gewoon aan
+brood en scheepsbeschuit, appels en peren, en krijgen weldra een voorliefde voor vruchten.
+
+</p>
+<p>Hoewel de houding van den Bever verschillend is, vertoont zij toch over &#8217;t algemeen weinig afwisseling. Zittend gelijkt het
+dier op een groote, plompe Muis. Bij het gaan wordt de eene poot na de andere bewogen want de bijna over grond schurende buik
+laat geen snelle, gelijkmatige beweging toe. Als hij zeer groote haast heeft, doet de Bever sprongen, plomper en onbehendiger
+dan die van eenig ander, mij bekend landzoogdier; achtereenvolgens worden hierbij het achterste en het voorste deel van &#8217;t
+lichaam omhooggeheven; toch komt hij op deze wijze vrij schielijk vooruit. Bij het zwemmen is het achterdeel zoo diep ondergedompeld,
+dat alleen de neusgaten, oogen en ooren benevens het middelste deel van den rug boven den waterspiegel komen; het achterste
+deel van den rug en de staart zijn echter onder water. De voortbeweging heeft plaats door de achterpooten tegelijkertijd,
+zelden &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n, te strekken en te buigen; de staart, die dikwijls eveneens in de gepaste richting met kracht schoksgewijs
+bewogen wordt, dient voor &#8217;t sturen; de voorpooten doen bij &#8217;t zwemmen geen dienst. Het dier kan 2 minuten onder water blijven,
+voordat de behoefte om adem te halen het noodzaakt weer aan de oppervlakte te komen.
+
+</p>
+<p>De stem is een zwak geluid, dat nog het best een gesteun genoemd kan worden; zij wordt gehoord, telkens als het dier een aandoening
+ondervindt; weldra leert men de verschillende beteekenissen van de voortgebrachte geluiden verstaan. Naar het schijnt, zijn
+het gehoor en de reuk de hoogst ontwikkelde zinnen; de kleine oogen hebben een tamelijk onnoozele uitdrukking; gebrekkig is
+het gezichtsorgaan echter evenmin als het smaakorgaan; ook het gevoel is bij dit dier niet onbeduidend. Over zijn verstandelijke
+ontwikkeling zou verschil van meening kunnen bestaan; in ieder geval zal men echter moeten erkennen, dat het te dezen aanzien
+in de orde der Knaagdieren een hooge plaats inneemt. Eerder dan eenig ander Knaagdier schikt het zich in veranderde omstandigheden,
+en leert het, zich deze op de meest voordeelige wijze ten nutte te maken; meer dan een zijner verwanten overlegt het, voordat
+het handelt, maakt het gebruik van ervaringen en leidt hieruit gevolgtrekkingen af. Zijne woningen zijn niet kunstiger dan
+die van andere Knaagdieren, steeds echter zijn zij aangelegd met een juist besef van de eigenaardigheden van de plaats, waar
+zij gelegen zijn; beschadigingen aan deze woningen worden altijd met overleg hersteld.
+
+</p>
+<p>Het gedrag van den gevangen Bever tegen andere dieren is onvriendelijk; tegenover den mensch zijn zij op zijn minst genomen
+koel. Die, welke goed behandeld worden, dulden ten slotte, dat men ze liefkoost, zij gaan ook wel naar hun oppasser toe om
+hem als &#8217;t ware te begroeten; tegen iederen dwang verzetten zij zich evenwel. Dat vrouwen en kinderen goedgeefs zijn, hebben
+zulke in de diergaarde levende Bevers spoedig geleerd; zij verschijnen daarom, als vrouwen en kinderen voorbijgaan, niet alleen
+vroeger dan gewoonlijk voor hun woning, maar bedelen ook, op de achterpooten staande, om eetwaren; handig nemen zij met de
+voorpooten appels, noten, suiker en brood aan; ieder die een beweging maakt, alsof hij, hun iets geven wil, en dit niet doet,
+of die hen plaagt, slaan zij echter op de vingers.
+
+</p>
+<p>Bevers, die jong gevangen zijn, kunnen zeer tam worden. In vele berichten van schrijvers over Amerika wordt melding gemaakt
+van Bevers, die in de dorpen van de Indianen in zekeren zin als huisdieren worden gehouden, of die in het bezit van de bedoelde
+schrijvers zelf waren. &#8220;Ik zag&#8221;, zegt <span class="smallcaps">La Hontan</span>, &#8220;in deze dorpen niets wat zoozeer mijn aandacht trok als Bevers die, zoowel in de beek als in het kreupelhout, ongestoord
+heen en weer liepen en zoo tam waren als Honden.&#8221; <span class="smallcaps">Hearne</span> had verscheidene Bevers zoo mak gemaakt, dat zij kwamen, als hij ze riep, hem als Honden naliepen en blijde waren, als zij
+geliefkoosd werden. Het gezelschap van de Indiaansche vrouwen en kinderen beviel hun, naar het scheen, zeer goed; zij waren
+onrustig, wanneer de menschen te lang wegbleven, en toonden blijdschap bij hun terugkomst.
+
+</p>
+<p>De paring van de Bevers heeft in verschillende maanden plaats, al naar het land dat zij bewonen. Volgens sommigen gebeurt
+dit in &#8217;t begin van den winter, volgens anderen in Februari of Maart. Na een draagtijd van zes weken werpt het wijfje in een
+droog hol 2 of 3 behaarde, maar nog blinde jongen; na 8 dagen openen deze de oogen en worden zij door de moeder medegenomen
+naar het water; soms geschiedt dit echter eerst een paar dagen later.
+
+</p>
+<p>Behalve <span class="letterspaced">Vorst</span> <span class="smallcaps">Schwartzenberg</span>, die op de Wereldtentoonstelling te Weenen een Beverpaar toonde, houdt tegenwoordig niemand zich met het fokken van Bevers
+bezig, hoewel dit bedrijf zoowel aangenaam als voordeelig is, en ook geen bijzondere bezwaren oplevert. Een paar Bevers, dat
+in het jaar 1773 op Rothenhof was gebracht, had zich zoo sterk vermenigvuldigd, dat het gezin 6 jaren later uit 14, 10 jaren
+later uit 25 leden bestond; toen werd de fokkerij echter beperkt, daar de Bevers, die in de vrije natuur waren gebracht, hier
+veel schade aanrichtten. Te Nymphenburg, in <a id="d0e884"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e884">293</a>]</span>Beieren, werden eveneens Bevers gehouden; het bleek, dat enkele van deze dieren 50 jaren lang in de gevangenschap in &#8217;t leven
+bleven.
+
+</p>
+<p>Behalve de mensch, heeft de Bever weinig vijanden. Zijn voorzichtigheid doet hem zelfs den behendigen jager gelukkig ontgaan.
+Nadat hij eens verontrust is, zoekt hij bij het geringste gevaar het water op, dat hem tamelijk goed beveiligt. De Noord-Amerikaansche
+trappers (zoo genoemd naar de vallen&#8212;in &#8217;t Engelsch &#8220;traps&#8221;&#8212;, die zij gebruiken om wild te vangen) beweren, dat de Bevers
+daar, waar zij in grooten getale bijeen wonen, wachten uitzetten, die de overige leden van het gezelschap voor een naderend
+gevaar waarschuwen door een signaal, bestaande uit het geluid, dat door het slaan met den staart tegen de oppervlakte van
+het water veroorzaakt wordt. De beteekenis van deze mededeeling is eigenlijk, dat een vijand door een vereeniging van verscheidene
+voorzichtige dieren gemakkelijker wordt waargenomen, dan door ieder van hen afzonderlijk; dat dus ieder van de leden van het
+gezelschap de hierboven bedoelde wachtdienst verricht. Daar het plassend geluid, dat het slaan met den staart op den waterspiegel
+veroorzaakt, alleen dan wordt gehoord, als de Bever zich plotseling te water begeeft en onderduikt, en dit in den regel dan
+geschiedt, als hij een gevaar meent op te merken, letten trouwens alle zijne metgezellen op dit verre waarneembare gedruisch,
+en verdwijnen, zoodra zij het vernemen, in de diepte. In Amerika doodt men den Bever vooral met het geweer, maar vangt hem
+bovendien in allerlei soorten van vallen. In den winter hakt men gaten in &#8217;t ijs en slaat de Bevers dood, wanneer zij daarin
+komen om te ademen. Ook neemt men wel eens de ijslaag weg van het bij de beverhutten gelegen deel van de rivier of beek, bedekt
+dit met een stevig net, breekt vervolgens de hutten open en jaagt de verschrikte dieren in het net.
+
+</p>
+<p>Het voordeel, dat de Bevers opleveren, weegt ten naastenbij op tegen de schade, die zij aanrichten. Men moet hierbij in &#8217;t
+oog houden, dat zij bij voorkeur onbevolkte landstreken bewonen, en het liefst zich bepalen tot het afsnijden van dunne takken
+van boomsoorten, die spoedig weder aangroeien. Niet alleen de aangerichte vernielingen, maar ook alle moeite en bezwaren van
+de jacht worden daarentegen door het vel en het vleesch van het dier, en in nog hoogere mate door het bevergeil, zeer rijkelijk
+vergoed. Uit Amerika komen ieder jaar omstreeks 150.000 vellen in den handel, ter gezamenlijke waarde van 1.800.000 gulden;
+ieder vel brengt, al naar de kwaliteit, 12 &agrave; 36 gulden op.
+
+</p>
+<p>Bij de Amerikaansche wilden staat de Bever in zeer hoog aanzien. Zij schrijven hem bijna evenveel verstand toe als den mensch
+en gelooven, dat dit voortreffelijke dier een onsterfelijke ziel heeft,&#8212;om van andere sprookjes maar te zwijgen.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Spring-knaagdieren</span> (<i>Dipodidae</i><span id="d0e901" class="corr" title="Bron: ,)">),</span> herinneren door hun lichaamsbouw duidelijk aan de Kengoeroes. Bij beide komt dezelfde wanverhouding tusschen het voorste
+en het achterste deel van den romp voor. Het achterste deel van het lichaam is buitengewoon krachtig ontwikkeld: de achterpooten
+zijn wel driemaal zoolang als de voorste; de staart is naar verhouding zeer lang, aan het achterste gedeelte gewoonlijk tweerijig
+behaard, zoodat hij in een kwast uitloopt. De Spring-Knaagdieren verschillen echter aanmerkelijk van de Spring-buideldieren
+wat den kop betreft. Deze is bij de eerstgenoemde zeer dik; de hieraan groeiende snorren zijn naar verhouding de langste die
+bij eenig Zoogdier voorkomen: dikwijls zijn zij even lang als het geheele lichaam. De groote oogen wijzen op een nachtelijke
+levenswijze, maar zijn levendig en fraai, zooals bij weinige andere nachtdieren; dat het gehoor niet minder goed ontwikkeld
+is, blijkt uit de overeindstaande, lepelvormige ooren, welker lengte afwisselt van &eacute;&eacute;n derde tot de geheele lengte van den
+kop. De hals is zeer dik en onbeweeglijk, de romp mag wel slank heeten. Aan de kleine voorpooten komen gewoonlijk 5 teenen
+voor, aan de achterpooten 3. De vacht is dicht en zacht, haar kleur gelijkt op die van het zand. De naast elkander gelegen
+beenderen, die bij de meeste andere Zoogdieren den middelvoet vormen, zijn vergroeid tot &eacute;&eacute;n enkel been, aan welks uiteinde
+de van elkander afgezonderde gewrichtsknobbels voor de teenen voorkomen.
+
+</p>
+<p>De Spring-knaagdieren zijn hoofdzakelijk bewoners van Afrika en Azi&euml;; van eenige soorten strekt zich het verbreidingsgebied
+echter tot in Zuid-Europa uit; &eacute;&eacute;n geslacht of onderfamilie behoort in Noord-Amerika thuis. Zij zijn bewoners van het droge,
+vrije veld, van de grasrijke steppe en van de dorre zandwoestijn; het zijn eigenlijk woestijndieren, zooals ook uit hun kleur
+oogenblikkelijk blijkt. Op leemachtigen of zandigen bodem, in de lage landen, zeldzamer op hoogten of aan dicht met kreupelhout
+begroeide weidezoomen en in de nabijheid van bouwland vestigen zij zich in door hen zelf gegraven holen met vele vertakte,
+doch meestal op zeer korten afstand van de oppervlakte gelegen pijpen, die altijd talrijke uitgangen hebben. Over dag in hunne
+holen verborgen, vertoonen zij zich na zonsondergang en leiden dan een vroolijk leven. Hun voedsel bestaat uit wortels, bollen,
+allerlei graansoorten en zaden, vruchten, bladen, gras en kruiden. Eenige verslinden ook Insecten, ja zelfs kleine Vogels,
+gebruiken zelfs aas als voedsel en eten in sommige gevallen elkander op. Het voedsel brengen zij met de voorpooten naar den
+mond, terwijl zij in half opgerichte houding op het achterste deel van den romp en op den staart steunen.
+
+</p>
+<p>Hunne bewegingen zijn zeer eigenaardig. De bedaarde gang verschilt van die der Kengoeroes in zoover, dat zij schielijk achtereen
+den eenen achterpoot v&oacute;&oacute;r den anderen plaatsen; de snelle loop geschiedt echter sprongsgewijs; door het strekken van de krachtige
+achterpooten wordt het lichaam ver boven den grond verheven, terwijl intusschen met den tweerijig behaarden staart de richting
+van den sprong geregeld en zoo het evenwicht bewaard wordt. Daarbij leggen zij de voorpooten tegen de kin aan, of kruisen
+ze, gelijk een hardloopend mensch over de borst; dan is het, alsof zij maar twee pooten hebben. De grootste soorten kunnen
+kolossale sprongen doen; want bij al deze dieren bedraagt de sprongwijdte het twintigvoud van hun lichaamslengte. De eene
+sprong volgt onmiddellijk op den anderen; als zij haastig vluchten, ziet men eigenlijk niets anders dan een geel voorwerp,
+dat volgens vlakke bogen als een pijl door de lucht schiet. Met even groote behendigheid graven zij in den bodem, in weerwil
+van de zwakheid hunner voorpooten, die hoofdzakelijk dezen arbeid moeten verrichten. Terwijl zij grazen, gaan zij, ook weder
+evenals de Kengoeroes, op vier pooten; deze beweging is echter zeer langzaam en wordt nimmer lang voortgezet. Bij het zitten
+rusten zij op de zolen van de achtervoeten.
+
+</p>
+<p>Bij alle soorten zijn de zinnen scherp, vooral hebben <a id="d0e910"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e910">294</a>]</span>zij een fijn gehoor en kunnen op grooten afstand zien; hierdoor kunnen zij aan dreigende gevaren gemakkelijk ontkomen. Uiterst
+vreesachtig, schuw en haastig, trachten zij bij iedere storing zoo schielijk mogelijk hun hol te bereiken of slaan, wanneer
+hun dit niet mogelijk is, met razende snelheid op de vlucht. De grootste soort verdedigt zich in gevallen van uitersten nood,
+op de wijze der Kengoeroes, met de achterpooten; de kleinere soorten daarentegen maken, als zij gegrepen worden, nooit van
+hunne natuurlijke wapens gebruik. Hun stem bestaat uit een soort van gehuil, dat op het geschreeuw van jonge Katten gelijkt,
+bij andere leden der familie ook wel uit een dof geknor. Men hoort echter over &#8217;t algemeen slechts zelden een geluid van hen.
+Bij geringen warmtegraad vervallen zij in winterslaap, of verstijven althans gedurende korten tijd; zij verzamelen echter
+geen wintervoorraad, gelijk andere Knaagdieren doen.
+
+</p>
+<p>In de gevangenschap zijn de Spring-Knaagdieren zeer aardige en bevallige gasten van den mensch; hunne goedaardigheid, zachtmoedigheid
+en argeloosheid doen hen ieders vriendschap verwerven.
+
+</p>
+<p>Bijna alle soorten zijn volkomen onschadelijk. De woestijn, die voor ieder open staat, biedt hen zooveel voedsel, dat zij
+er geen behoefte aan gevoelen, de bezittingen van den mensch te plunderen.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Amerikaansche Springmuis</span> (<i>Jaculus hudsonius</i>) is de eenige vertegenwoordiger van haar geslacht en van haar onderfamilie. Door haar lichaamsbouw gelijkt zij op hare naaste
+verwanten in de Oude Wereld, door den vorm en de beharing van den staart herinnert zij echter ook aan de gewone Muizen. In
+grootte komt zij ongeveer overeen met de Boschmuis; haar lichaamslengte bedraagt tennaastenbij 8 cM, zonder den 13 cM. langen
+staart. Het gladde en dichte haarkleed is aan de bovenzijde donker leder-bruin met bruingeel gemengd.
+
+</p>
+<p>Het hooge noorden van Amerika is het vaderland van dit dier. Het komt voor in alle gewesten die pelterijen leveren, van den
+Missouri tot in Labrador en van de oevers van den Atlantischen tot aan die van den Stillen Oceaan. Hier woont het in de met
+dicht struikgewas bezette weideranden en in de nabijheid van bosschen; over dag blijft het verborgen, des nachts zwerft het
+bij gezelschappen rond. Zijne holen zijn ongeveer 50 cM. diep, in het koude jaargetijde soms dieper. V&oacute;&oacute;r den aanvang van
+den winter vervaardigt het een nest van leem, dat op een hollen kogel gelijkt, rolt zich hierin samen, met den staart om het
+lichaam gewikkeld en blijft zoo in een toestand van verstijving liggen, tot de lente komt. Men verhaalt, dat een tuinman in
+Maart bij het omspitten van den grond een kluit vond ter grootte van een kegelbal, die wegens zijn regelmatigen vorm verwondering
+wekte; de tuinman sloeg den bal met de spade in twee stukken en vond hierin een diertje, dat zich opgerold had, ongeveer als
+een kuiken in een ei. Dit was de Amerikaansche Springmuis in haar winterkwartier. In den zomer is zij zeer vlug, zij springt
+buitengewoon behendig en snel op de achterpooten rond. In het bosch kan men haar, naar beweerd wordt, in &#8217;t geheel niet vangen.
+Met gemak springt zij hier over lage struiken heen, die de mensch niet zoo gemakkelijk overschrijden kan, en weet dan altijd
+een veilig plaatsje te vinden. <span class="smallcaps">Audubon</span> betwijfelt, of eenig Zoogdier haar in behendigheid evenaart.
+
+</p>
+<p>Naar men zegt, kan het aardige diertje zonder moeite in &#8217;t leven gehouden worden.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Over de <span class="letterspaced">Echte Springmuizen</span> (<i>Dipodinae</i>) is men beter onderricht. Men kan ze als typische vertegenwoordigers van de familie beschouwen, want zij vertoonen al hare
+eigenaardigheden het duidelijkst. <span class="smallcaps">Haselquist</span> merkt niet onaardig op, dat zij er uitzien, alsof zij uit stukken van verschillende dieren zijn samengesteld. &#8220;Men zou kunnen
+zeggen, dat dit diertje den kop heeft van den Haas, den snorrebaard van den Eekhoorn, den snuit van het Zwijn, den romp en
+de voorvoeten van de Muis, de achtervoeten van den Vogel en den staart van den Leeuw.&#8221; In de eerste plaats valt de kop in
+&#8217;t oog: er blijkt onmiddellijk uit, dat de Springmuizen echte woestijnbewoners zijn. Voor alle zintuigen is de noodige ruimte
+aanwezig. De oorschelpen zijn groot en vliezig, of althans uiterst dun behaard, de oogen groot, levendig en zacht, zooals
+bij vele andere woestijnbewoners, die een nachtelijke levenswijze hebben, de neusgaten wijd; ook de organen voor den tastzin
+zijn goed ontwikkeld: aan weerszijden van den kop steken verbazend lange snorren uit. De hals is buitengewoon kort en weinig
+beweeglijk, de staart daarentegen zeer lang, meestal langer, soms veel langer dan de romp: het voorste gedeelte is rond, overal
+gelijkmatig kort behaard, de staartspits echter meestal met twee rijen van langere borstelharen bezet, waardoor de staart
+eenige overeenkomst met een pijl verkrijgt. De zeer korte voorpooten, zijn gedurende het springen zoo tegen het lichaam aangedrukt
+en in de vacht verborgen, dat hierin een reden te vinden is voor de oude benaming &#8220;Tweevoet&#8221;; zij hebben slechts vier teenen
+met middelmatig lange, gekromde en scherpe klauwen, en op de plaats van den duim een wratje, dat soms met een nagel voorzien
+is, soms echter niet. De achterpooten zijn wel zesmaal zoo lang als de voorpooten, omdat zoowel het onderbeen als de middelvoet
+buitengewoon sterk verlengd zijn. Het haarkleed bestaat uit zachte, zijdeachtige haren; ieder haar van den rug is van onderen
+blauwachtig grijs, hoogerop zandkleurig, aan de spits echter zwart of donkerbruin<span id="d0e946" class="corr" title="Bron: :">;</span> aan de onderdeelen is de vacht altijd wit, met overlangsche strepen aan de zijden. Een merkwaardig verschijnsel, dat men
+bij vele snel loopende dieren opmerkt en ook bij de Springmuizen aantreft, is, dat de voeten de eenvoudigst mogelijke samenstelling
+hebben, en slechts uiterst weinig beweeglijk zijn. De 3, 4 of 5 buitengewoon korte teenen van de springpooten hebben in den
+regel slechts twee leden; zij kunnen niet zijdelings bewogen, maar alleen gezamenlijk een weinig gebogen en gestrekt worden.
+Bij het loopen komt alleen de uiterste spits van het nagellid met den grond in aanraking; door een veerkrachtige, kraakbeenige
+massa, wordt zij echter gevrijwaard tegen den invloed van schokken bij den sprong.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Als vertegenwoordiger van dit geslacht kies ik de <span class="letterspaced">Woest&#307;n-springmuis</span>, de <span class="letterspaced">Djerboa</span> der Arabieren (<i>Dipus aegyptius</i>), een allerliefst diertje van 17 cM. lengte, waarbij nog gevoegd moet worden 21 cM. voor den staart (zonder den haarkwast).
+De Woestijn-springmuizen, waarschijnlijk wel de Egyptische, waren reeds aan de ouden goed bekend. Dikwijls wordt in de werken
+van Grieksche en Romeinsche schrijvers van deze dieren melding gemaakt, altijd onder den naam van &#8220;tweevoetige Muizen&#8221;, welke
+naam daarom ook thans nog tot aanduiding van het geslacht dient.
+<a id="d0e962"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e962">295</a>]</span></p>
+<p>Het verbreidingsgebied van de Woestijn-springmuis omvat het grootste deel van Noord-Oost-Afrika, en het aangrenzende deel
+van West-Azi&euml;. Kale, droge vlakten, steppen en zandwoestijnen worden door haar bewoond; zij bevolkt de dorste en eenzaamste
+landschappen, en leeft in streken waar, naar men zou zeggen, geen dier het noodige voor zijn levensonderhoud kan vinden. Op
+deze met harde grassen begroeide, naargeestige vlakten treft men ze soms tot groote gezelschappen vereenigd aan. Zij komt
+hier voor nevens het Woestijnhoen, de kleine Woestijn-leeuwerik en de isabelkleurige Woestijnlooper; het is moeielijk te begrijpen,
+dat ook de Springmuizen voedsel vinden daar, waar de genoemde Vogels, die, behalve zaden, toch ook veel Insecten eten, ter
+nauwernood aan den kost kunnen komen. In den harden grindgrond graven onze Knaagdieren sterk vertakte, maar tamelijk dicht
+bij de oppervlakte gelegen gangen, waarin zij zich bij het geringste gevaar verschuilen.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1295.jpg" alt="Woest&#307;n-springmuis (Dipus aegyptius). &frac12; v.d. ware grootte." width="720" height="622"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Woest&#307;n-springmuis</span> (<i>Dipus aegyptius</i>). &frac12; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Hoewel deze diertjes talrijk zijn in de door hen bewoonde gewesten, ziet men ze hier tamelijk zelden. Men kan ze wel niet
+schuw noemen, maar zij zijn onrustig en vreesachtig en begeven zich bij het geringste gedruisch en zoodra zij een vreemd voorwerp
+zien, zoo schielijk mogelijk naar hunne holen. Bovendien vallen zij eerst op geringen afstand in &#8217;t oog, omdat hun kleur volkomen
+met die van &#8217;t zand overeenkomt en men tamelijk dicht bij hen moet zijn, voordat men ze bemerkt; met hunne fijn bewerktuigde
+zintuigen kunnen zij daarentegen de nadering van den mensch reeds op grooten afstand waarnemen. Wel mag men zeggen, dat het
+moeite zal kosten een aanvalliger schepseltje aan te wijzen, dan deze Springmuis. Vreemdsoortig en schijnbaar wanstaltig moge
+haar voorkomen zijn, als men haar dood in de hand heeft of bewegingloos ziet zitten, bevallig is echter haar uitzicht, als
+zij in beweging geraakt. Eerst dan doen deze dieren zich kennen als echte kinderen van de woestijn, openbaren zij hunne merkwaardige
+begaafdheden. Zij bewegen zich met een snelheid die aan het ongeloofelijke grenst; &#8217;t is alsof zij vleugels hebben. Geen mensch
+is in staat een Springmuis in volle vaart bij te houden. Hoewel de Woestijn-springmuis een echt nachtdier is en hare zwerftochten
+eerst na zonsondergang begint, ziet men haar toch ook soms bij helder zonlicht, ja zelfs gedurende de heetste uren van den
+dag voor haar woning zitten en met hare soortgenooten spelen. De onverschilligheid voor den verzengenden gloed van de middagzon
+in Afrika, die zij bij deze gelegenheid openbaart, is werkelijk bewonderenswaardig; vooral als men bedenkt, dat nagenoeg geen
+enkel dier op dezen tijd van den dag zich in de woestijn beweegt, wijl de brandende hitte dan zelfs voor de echte bewoners
+van dit verheven landschap in den volsten zin van &#8217;t woord onverdragelijk is. Voor koude en vochtigheid daarentegen is zij
+zeer gevoelig; bij slecht weder blijft zij daarom altijd verborgen in haar hol; ook vervalt zij dan wel in een toestand van
+verstijving, die aan den winterslaap van de bewoners der noordelijke gewesten herinnert.
+
+</p>
+<p>Over de voortplanting van de Woestijn-springmuis is niets met zekerheid bekend. De Arabieren maken ijverig jacht op dit dier,
+omdat zij zijn vleesch eten en op tamelijk hoogen prijs stellen; zonder groote moeite vangen zij het levend of slaan het dood
+als het uit zijn hol komt.
+
+</p>
+<p>Behalve den mensch hebben deze dieren weinig vijanden. De Fenek en de Karakal en misschien ook de een of andere Uil zijn de
+gevaarlijkste warmbloedige roovers, die het op hen gemunt hebben; veel gevaarlijker wordt voor hen de Egyptische Brilslang.
+Deze leeft nl. op soortgelijke plaatsen als de Springmuizen, dringt zonder moeite door <a id="d0e980"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e980">296</a>]</span>in de holen, die zij graven en doodt er vele van.
+
+</p>
+<p>De Europeesche dierenliefhebbers, die in Egypte wonen, houden dikwijls Springmuizen in gevangenschap. Op grond van mijn eigen
+ervaring kan ik verzekeren, dat men veel genoegen kan hebben van zulke in een hok of in een kamer opgesloten dieren. Gedurende
+mijn verblijf in Afrika werden mij dikwijls 10 of 12 stuks tegelijk gebracht. Ik gaf dan aan zulk een gezelschap een groote
+kamer tot woonplaats om de bewegingen dezer dieren te kunnen nagaan. Van &#8217;t eerste oogenblik af waren zij mak. Zonder bezwaar
+lieten zij toe, dat men ze aanraakte, en deden zelfs geen pogingen om den mensch te ontwijken. Bij het rondgaan in hun kamer
+moet men oppassen niet op hen te trappen, zoo rustig bleven zij zitten, als iemand op hen af kwam. Tegenover elkander zijn
+de springmuizen ook in de gevangenschap buitengewoon vreedzaam en gezellig. Zij zijn aan armoedig en droog voedsel gewoon.
+Als het droge voedsel haar geheel onthouden wordt, gaan zij treuren, verliezen haar gezondheid en sterven eindelijk. Wanneer
+zij tarwe, rijst, een weinig melk en af en toe een druif, een stukje appel, een wortel of zoo iets krijgen, blijven zij welvarend
+en kunnen lang in de gevangenschap leven. In den laatsten tijd is het geen groote zeldzaamheid meer, dat zij naar Europa gebracht
+worden.
+
+</p>
+<p>Van alle Knaagdieren, die ik tot dusver in gevangenschap hield, zijn mij de Springmuizen het best bevallen. Wegens hare eigenschappen
+moet ieder wel van haar houden. Zij zijn zoo merkwaardig argeloos, zoo vriendelijk, tam, zindelijk, en, als zij haar slaapje
+uit hebben, zoo vroolijk en vlug, elk van hare bewegingen is zoo eigenaardig en zij weten hierin zooveel afwisseling te brengen,
+dat men zich uren lang met haar kan bezig houden.
+
+</p>
+<p>Voor haar verzorger is de Springmuis zeer lieftallig. Nooit komt het haar in de gedachte den persoon te bijten, die haar opneemt.
+Men kan haar aanraken, liefkoozen, ronddragen: alles is haar goed. Wanneer iemand haar &#8217;s avonds een vinger toesteekt tusschen
+de trali&euml;n van haar hok door, gebeurt het wel, dat zij dien aanvat, en met de tanden een weinig langs den vingertop schaaft,
+waarschijnlijk omdat zij meent, dat men haar iets te eten wil geven; van werkelijke pogingen om te bijten is ook dan zelfs
+geen sprake. Het komt mij voor, dat men de Springmuis zeer goed in een salon of pronkkamer zou kunnen houden, zoo goedaardig,
+argeloos en zindelijk is dit dier.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Door het maaksel van den schedel, van het gebit en vooral van de achterpooten verschillen de <span class="letterspaced">Zandspringers</span> (<i>Scirtetes</i>) van de Woestijn-springmuizen. Bij hen is een lang en stevig middelvoetsbeen aanwezig, dat van onderen drie gewrichtsvlakken
+heeft voor de aanhechting van de drie teenen, die met den grond in aanraking komen; aan weerszijden van het groote middelvoetsbeen
+bevindt zich een korter been, dat een bijteen draagt, die den grond niet raakt. De achtervoet is dus met vijf teenen voorzien.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Door de uitmuntende beschrijvingen van <span class="smallcaps">Pallas</span>, <span class="smallcaps">Brandt</span> en anderen, zijn wij vooral met de <span class="letterspaced">Paardepoot-springmuis</span>, den <span class="letterspaced">Alakdaga</span> der Mongolen (<i>Scirtetes jaculus</i>) bekend geworden. Dit dier heeft ongeveer de grootte van een Eekhoorntje; zonder den 26 cM. langen staart heeft het een lengte
+van 18 cM. De ooren zijn zoo lang als de kop. Deze is werkelijk fraai en heeft levendige, uitpuilende oogen met cirkelvormige
+pupil, groote, lange en smalle ooren, die langer zijn dan de kop en zeer lange snorharen met zwartachtig grijze spitsen aan
+weerszijden van de bovenlip. De achterpooten zijn bijna viermaal zoo lang als de voorpooten. De middelste teen is de langste,
+want de beide zijdelingsche teenen reiken niet voorbij het eerste lid van de middelste en de twee bijteenen zijn, zooals reeds
+opgemerkt werd, zoo hoog geplaatst en kort, dat zij bij &#8217;t gaan den grond niet aanraken.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1296.jpg" alt="Paardepoot-springmuis (Scirtetes jaculus) &#8531; v.d. ware grootte." width="720" height="445"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Paardepoot-springmuis</span> (<i>Scirtetes jaculus</i>) &#8531; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Hoewel de Paardepoot-springmuis ook in het zuidoosten van Europa voorkomt, vooral in de steppen aan den Don en in de Krim,
+is Azi&euml; toch haar eigenlijk vaderland. Noordwaarts komt zij niet verder dan de 52e breedtegraad; oostwaarts strekt haar verbreidingsgebied
+zich uit tot in het oosten van Mongoli&euml;.
+
+</p>
+<p>Evenals de Djerboa de woestijnen van Afrika bewoont, leeft de Alakdaga in de open vlakten van het steppengebied van Zuid-Europa
+en Azi&euml;, vooral echter op leemachtigen grond; het eigenlijke, rondkorrelige zand vermijdt hij, omdat dit geen voldoende stevigheid
+voor zijne gangen en holen aanbiedt. Hij leeft gezellig evenals zijne verwanten, doch niet in groote troepen bijeen. Over
+dag rust hij, verborgen in zijn kunstig hol, na het vallen van de schemering zwerft hij rond, maar keert des nachts herhaaldelijk
+naar zijn hol terug. Zijne bewegingen gelijken op die van zijne <a id="d0e1030"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1030">297</a>]</span>reeds genoemde verwanten. Als hij rustig graast, loopt hij, evenals een Kengoeroe, die met zijn maal bezig is, op alle vier;
+de snellere beweging geschiedt springend op de achterpooten. Naar men zegt, maakt hij nog grooter sprongen dan de Woestijn-springmuis,
+en is hij hierdoor in staat zoo snel te vluchten, dat een Paard hem niet inhalen kan. Schuw en vreesachtig van aard neemt
+hij reeds bij het geringste gevaar de vlucht; zelfs als hij rustig graast, richt hij zich van tijd tot tijd op om de omgeving
+te bespieden. Als hij vervolgd wordt, springt hij niet volgens een rechte lijn weg, maar verandert zooveel mogelijk zigzagswijs
+van richting, totdat hij zijn vervolger afgemat, of een voor hem geschikt hol gevonden heeft, waarin hij zich oogenblikkelijk
+verbergt.
+
+</p>
+<p>De Alakdaga eet allerlei soorten van planten en allerlei deelen van planten. Zijn voornaamste voedsel bestaat uit bollen;
+Insecten versmaadt hij echter niet; nu en dan zal hij waarschijnlijk wel eens zijn maal doen met een Steppen-leeuwerik of
+althans met diens eieren en jongen. Van struiken knaagt hij de schors af, van de kruidachtige planten der steppe vreet hij
+echter alleen de jongste uitspruitsels. Als de felle koude begint, valt de Paardepoot-springmuis in slaap. Bij &#8217;t naderen
+van den winter sluit hij de uitgangen zijner onderaardsche galerijen zorgvuldiger af dan gewoonlijk en rolt zich met andere
+dieren van zijn soort in de zacht bekleede kamer van het hol tot een kluwen ineen.
+
+</p>
+<p>De Alakdaga wordt tamelijk sterk vervolgd, daar de steppenbewoners zeer veel houden van zijn vleesch. Slechts hoogst zelden
+houden de nomaden van deze steppen een Alakdaga in gevangenschap, ofschoon hij deze zeer goed verdraagt. Men heeft hem reeds
+meermalen levend in Europa gehad, waar hij niet alleen voor tijdverdrijf diende, maar ook soms voor een wetenschappelijk doel.
+De beste beschrijving van het leven van dit dier in de gevangenschap, hebben wij n.l. te danken aan den oudheidkundige <span class="smallcaps">Haym</span>. Om een gouden munt uit Cyrene te verklaren, waarop aan de eene zijde een ruiter, aan de ander echter het beroemde kruid
+<i>Silphium</i><a id="d0e1041src" href="#d0e1041" class="noteref">2</a> met een Zandspringer er onder afgebeeld was, schafte <span class="smallcaps">Haym</span> zich een Alakdaga aan, hield hem meer dan een jaar lang in leven, teekende zorgvuldig op, wat er aan dit dier op te merken
+viel en gaf hiervan een nauwkeurig verslag.
+
+</p>
+<p>Gedurende de 3 of 4 eerste maanden van zijn leven in de gevangenschap, at deze Zandspringer niets anders dan amandelen, pistaches
+(de eetbare vruchten van een in Syri&euml; en Mesopotami&euml; inheemschen, in de oeverlanden van de Middellandsche zee gekweekten boom,
+<i>Pistacia vera</i>) en gebroken graan, zonder ooit te drinken; later gebruikte hij ook appels, peenen en nog liever kruiden, maar alleen zulke,
+die weinig geur hebben, zooals spinazie, salade, <span id="d0e1055" class="corr" title="Bron: braadnetels">brandnetels</span>, enz.; hij dronk toen ook nu en dan gaarne water, hoewel men <span class="smallcaps">Haym</span> gezegd had, dat dit nooit geschiedde. Hij hield veel van brood, suiker en soortgelijke voedingsmiddelen; kaas en alle andere
+melkspijzen roerde hij nooit aan. Ten slotte gaf hij aan hennepzaad de voorkeur boven ieder ander voedsel. Hij verbreidde
+volstrekt geen onaangenamen reuk, zooals andere Knaagdieren&#8212;Muizen, Eekhoorns en Konijnen&#8212;doen; ook was hij zoo zachtaardig,
+dat men hem gerust in de handen kon nemen; hij beet nooit. Vreesachtig als een Haas, was hij zelfs bang voor diertjes, die
+kleiner waren dan hij en geen kwaad konden doen. In het koude jaargetijde had hij veel last van den lagen warmtegraad; des
+winters moest men derhalve zijn hok altijd in de nabijheid van het vuur plaatsen. Toch was niet het klimaat, maar een noodlottig
+toeval de oorzaak van den dood van dit dier.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Springende Haas</span>, door de Hollandsch sprekende bewoners van Zuid-Afrika ook wel <span class="letterspaced">Aardmannetje</span> genoemd (<i>Pedetes caffer</i>), wordt tegenwoordig als vertegenwoordiger van een afzonderlijke onder-familie beschouwd. Van de overige Spring-knaagdieren
+verschilt hij aanmerkelijk door zijn gebit en ook nog in verschillende andere opzichten. De langwerpige romp neemt van voren
+naar achteren allengs in dikte toe, de hals is tamelijk dik, maar duidelijk van den romp te onderscheiden en veel beweeglijker
+dan bij de verwante geslachten; de voorpooten zijn ook bij hem nog kort, maar toch veel krachtiger dan bij de Springmuizen;
+hunne vijf teenen zijn met stevige, lange, sterk gekromde klauwen gewapend; de achterste ledematen daarentegen zijn lange,
+krachtige springpooten, hebben vier teenen, die ieder door een afzonderlijk <a id="d0e1074"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1074">298</a>]</span>middelvoetsbeen gedragen worden; zij dragen stevige, breede, maar tamelijk korte, bijna hoefvormige nagels. De middelste teen
+van den achterpoot is langer dan de overige teenen; de korte buitenteen is zoo hoog geplaatst, dat hij den grond bijna niet
+aanraakt. De zeer lange, krachtige, dicht en ruig behaarde, aan den oorsprong nog dunne staart, wordt door de overvloedige
+beharing naar de spits toe dikker en loopt uit in een stomp eindigenden haarkwast. Het lange, dichte, overvloedige en zachte
+haarkleed van den Springhaas, dat, wat de kleur betreft, een in &#8217;t oog loopende overeenkomst met het vel van onzen Haas vertoont,
+is aan de bovenzijde roest-bruinachtig vaalgeel (met bijmenging van zwart, omdat vele haren zwarte spitsen hebben), aan de
+onderzijde echter wit. In grootte komt dit dier, ongeveer met onzen Haas overeen: de lichaamslengte bedraagt ongeveer 60 cM.;
+de hierbij niet meegerekende staart is nog iets langer.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1297.jpg" alt="Springende Haas of Aardmannetje (Pedetes caffer.) &#8539; v.d. ware grootte." width="720" height="439"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Springende Haas</span> of <span class="letterspaced">Aardmannetje</span> (<i>Pedetes caffer</i>.) &#8539; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Springende Haas bewoont armoedige landstreken en zelfs woestijnachtige steppen. Hij is over een groot deel van Zuid-Afrika
+verbreid, komt in het westen minstens tot op de breedte van Angola en in het oosten stellig nog in Duitsch Oost-Afrika voor.
+In het Kaapland is hij op sommige plaatsen zeer veelvuldig, zoowel in bergstreken als in open vlakten, soms vindt men deze
+dieren in zulk een groot aantal bijeen, dat zij echte koloni&euml;n vormen. Op soortgelijke wijze als zijne verwanten graaft hij
+onderaardsche woningen met lange gangen, die gewoonlijk sterk vertakt en op korten afstand van de oppervlakte gelegen zijn
+en naar een op grooter diepte voorkomende kamer leiden<span id="d0e1090" class="corr" title="Bron: ">.</span> Meestal dient zulk een woning tot verblijfplaats aan verscheidene paren, ja zelfs aan geheele famili&euml;n.
+
+</p>
+<p>Daar hij, evenals de andere leden van zijn familie, een nachtdier is, begint zijn bedrijvigheid eerst, als de avondschemering
+invalt. Hij komt langzaam uit zijn woning te voorschijn, en beweegt zich op alle vier ledematen terwijl hij zijn voedsel zoekt,
+dat uit wortels, bladeren en zaden bestaat; zijn beweging verdient dan eer den naam van kruipen dan van loopen. Bijna iedere
+minuut gaat hij op de achterpooten staan luisteren, want hij is voortdurend hoogst onrustig. Wanneer hij niet eet, poetst
+hij zich, en wanneer hij zich niet poetst, toont hij zich bekommerd over zijn veiligheid. Somtijds laat hij een soort van
+geknor of geblaat hooren, waarschijnlijk om zijne metgezellen bijeen te roepen. Het voedsel brengt hij, evenals de Springmuizen,
+met de korte voorpooten naar den mond. Zoo langzaam hij voortschrijdt, wanneer hij op alle vier gaat, zoo snel is zijn uit
+schielijk opeenvolgende sprongen bestaande loopbeweging. Door het strekken van de lange achterpooten verheft hij zich boven
+den bodem en komt weer op de achterpooten terecht, zonder met de voorpooten, die tegen de borst aangedrukt blijven, den grond
+aan te raken. Gewoonlijk bedraagt de sprongwijdte 2 &agrave; 3 M.; zoodra hij vervolgd wordt, vermeerdert echter zijn snelheid zoodanig,
+dat de gemiddelde sprongwijdte 6 &agrave; 10 M. bedraagt.
+
+</p>
+<p>Bij den aanvang van &#8217;t regenseizoen blijft, naar men zegt, de geheele familie dikwijls dagen achtereen, ineengerold en dicht
+tegen elkander aangedrukt, binnen haar woning. Bij goede verzorging verdraagt de Springende Haas de gevangenis zeer goed en
+gedurende langen tijd; weldra wordt hij tam en stelt vertrouwen in zijn verzorger. Wegens zijn zindelijkheid verdient hij
+als huisdier aanbeveling; voedsel kan men hem gemakkelijk verschaffen: met tarwe, brood, salade en kool is hij best tevreden.
+
+</p>
+<p>De Hollandsche Boeren in Zuid-Afrika vinden veel vermaak in de jacht op dit dier; zijn vleesch wordt met smaak gegeten en
+het vel op soortgelijke wijze gebruikt als dat van onzen Haas.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Om ons zoo grondig mogelijk bekend te maken met den aard der Knaagdieren, is geen andere familie van deze orde zoo goed geschikt,
+als die welke de <span class="letterspaced">Muizen</span> (<i>Muridae</i>) omvat. Deze familie is niet alleen het rijkst van alle aan geslachten en soorten, maar is ook verreweg het meest verbreid;
+haar verbreidingsgebied, althans dat van sommige soorten, neemt zelfs, dank zij haar gehechtheid aan den mensch, tot op den
+huidigen dag voortdurend toe. Hare leden zijn doorgaans klein van stuk, maar zij vergoeden, meer dan wenschelijk is, door
+talrijkheid, wat er aan de grootte van ieder individu te kort komt. Om een algemeene voorstelling te geven van de geheele
+familie, kan men zeggen, dat zij gekenmerkt is door den spitsen snuit, de groote, zwarte oogen, de breede en holle, zeer schraal
+behaarde ooren, den langen, behaarden of (niet minder dikwijls) onbehaarden, en dan met schubben bedekten staart, en de sierlijke
+pooten, met smalle, fijne vijfteenige voeten; voorts door de kortharige, zachte vacht. Wat haar algemeene gedaante betreft,
+vertoonen echter vele Muizen een toenadering tot andere famili&euml;n van de Knaagdieren-orde: stekelig bovenhaar herinnert aan
+de Stekelzwijnen; echte zwemvoeten, korte ooren en pooten doen aan de Bevers denken; een dicht behaarde staart roept ons het
+beeld van den Eekhoorn voor den geest enz. In overeenstemming met deze uitwendig zichtbare afwijkingen van den algemeenen
+vorm, is ook de bouw van het gebit in mindere of meerdere mate gewijzigd.
+
+</p>
+<p>De Muizen zijn wereldburgers, tot groote schade voor de menschheid. In alle werelddeelen komen leden van deze familie voor;
+de weinig talrijke, gelukkige eilanden, die tot dusver van een bezoek van de genoemde Knaagdieren verschoond bleven, zullen
+vroeger of later nog wel bevolkt worden door &eacute;&eacute;n soort, die door haar reislust reeds een ontzaglijk groot verbreidingsgebied
+heeft verkregen. De Muizen bewonen alle landstreken en alle klimaten; wel geven zij de voorkeur aan de vlakten van gematigde
+en warme gewesten boven het gure hoogland en het koude noorden; maar ook hier worden zij gevonden tot daar, waar de plantengroei
+ophoudt; zij komen dus ook nog voor in de onmiddellijke nabijheid van de eeuwigdurende sneeuw der gebergten. Goed bebouwde
+landerijen, vruchtbare akkers, plantages worden onvoorwaardelijk door haar het liefst als woonplaats gekozen; moerassige plaatsen,
+oevers van rivieren en beken, verschaffen haar echter evenzeer het noodige; zelfs op dorre, droge, met weinig gras en struikgewas
+begroeide vlakten, zien zij nog kans om in haar levensonderhoud te voorzien. Eenige vermijden de nabijheid van plaatsen, waar
+de mensch zich gevestigd heeft; andere dringen zich als ongenoode gasten aan hem op, en volgen hem overal, waar hij zich metterwoon
+nederzet, zelfs naar overzeesche gewesten. Zij bevolken huis en hof, schuur en stal, tuin en veld, weide en bosch, overal
+richten zij met de scherpe werktuigen harer vraatzucht schade en onheil aan. Er zijn er maar weinige onder, die eenzaam of
+bij paren leven; de meeste houden van gezelligheid; sommige soorten vormen soms ontzaglijk groote scharen<span id="d0e1111" class="corr" title="Bron: ">.</span> Bijna alle soorten vermenigvuldigen zich buitengewoon sterk, want het aantal jongen van een enkelen worp <a id="d0e1114"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1114">299</a>]</span>wisselt van 6 tot 21 af; de meeste planten zich ieder verscheidene malen voort, zelfs in den winter.
+
+</p>
+<p>De Muizen plagen en kwellen den mensch op allerlei wijzen; hare eigenschappen stellen haar, naar &#8217;t schijnt, juist hiertoe,
+in staat. Vlug en behendig in hare bewegingen, kunnen zij uitmuntend loopen, springen, klimmen, zwemmen; zij zien kans haar
+lichaam door de nauwste openingen heen te wringen; wanneer zij geen toegangsopeningen vinden, maken zij die met haar scherp
+gebit. Zij zijn tamelijk schrander en voorzichtig, maar tevens driest, brutaal, onbeschaamd, listig en moedig; hare zinnen
+zijn over &#8217;t geheel genomen fijn, hoewel de reuk en het gehoor verreweg de overhand hebben. Haar voedsel bestaat uit alle
+eetbare voortbrengselen van het planten- en dierenrijk: zaden, vruchten, wortels, schors, kruiden, gras, bloemen vormen haar
+gewone voedsel; niet minder graag echter eten zij Insecten, vleesch, vet, bloed en melk, boter en kaas, huiden en beenderen;
+wat zij niet opeten kunnen, knagen zij toch stuk, zooals b.v. papier en hout. Water drinken zij over &#8217;t algemeen slechts zelden:
+daarentegen zijn zij buitengewoon verlekkerd op alle vloeistoffen die voedingsmiddelen bevatten, en wenden allerlei listen
+aan om ze te verkrijgen. Zij vernielen altijd veel meer, dan zij gebruiken; door deze hebbelijkheid worden zij de onaangenaamste
+vijanden van den mensch. Slechts zeer weinig Muizen zijn onschadelijke dieren en hebben wegens haar sierlijke gestalte, de
+bevalligheid van hare bewegingen en haar innemend uiterlijk genade in onze oogen gevonden. Dit geldt vooral van de knapste
+bouwkunstenaars van deze familie, die boven alle Zoogdieren uitmunten door de kunstige nesten, die zij vervaardigen, en die
+door haar gering aantal en de kleine hoeveelheid voedsel, welke zij noodig hebben, niet veel last veroorzaken. Eenige soorten,
+die gewesten van den kouden en gematigden aardgordel bewonen, houden winterslaap en brengen vooraf wintervoorraad bijeen;
+andere ondernemen, tot tallooze scharen vereenigd, van tijd tot tijd verhuizingen, die echter in den regel noodlottig voor
+haar zijn.
+
+</p>
+<p>Voor de gevangenschap zijn weinig soorten geschikt; want slechts een gering aantal laten zich gemakkelijk temmen en zijn verdraagzaam
+ten opzichte van hare soortgenooten. De overige zijn ook in de kooi onaangename, onverdraagzame, bijtlustige gasten, die de
+vriendschap, welke men haar bewijst, en de verzorging, die zij vereischen, slecht vergelden. Nuttig in den eigelijken zin
+van &#8217;t woord zijn de Muizen nooit, want hoewel men van sommige soorten het vel gebruikt, of zelfs het vleesch eet, komen deze
+geringe voordeelen niet in aanmerking nevens de ontzaglijke schade, die deze familie als geheel beschouwd aanricht.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Renmuizen</span> worden in een afzonderlijke onderfamilie (<i>Merionidinae</i>) geplaatst, omdat zij zich door verschillende eigenaardigheden van alle overige leden der familie onderscheiden; het meest
+valt hiervan in &#8217;t oog de van voren tot achteren dicht behaarde staart.
+
+</p>
+<p>Haar verbreidingsgebied is beperkt tot Afrika, het zuiden van Azi&euml; en het zuidoosten van Europa. Bij voorkeur bewonen zij
+gewesten, die in cultuur gebracht zijn; zij komen echter ook in de dorste vlakten en steppen voor, dikwijls zelfs in buitengewoon
+grooten getale. De meeste graven op tamelijk geringen afstand van de oppervlakte onderaardsche gangen, waarin zij den dag
+doorbrengen. Hare bewegingen zijn buitengewoon snel en vlug; enkele kunnen, naar het schijnt, groote sprongen doen.
+
+</p>
+<p>Wegens de verwoestingen, die de Renmuizen aanrichten op de akkers, worden zij door de bewoners van de landen, waar zij voorkomen,
+evenzeer gehaat en vervolgd als onze Ratten.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Zand-Renmuis</span> (<i>Psammomys obesus</i>) heeft ongeveer de grootte van onze Bruine Rat, maar een veel korteren staart, daar deze slechts 13 cM. lang is bij een totale
+lichaamslengte van 32 cM.; van boven is zij roodachtig zandkleurig, zwart gesprenkeld, aan de zijden en van onderen lichtgeel.
+
+</p>
+<p>In Egypte ziet men deze Muis op zandige plaatsen van de Woestijn; zeer veelvuldig is zij ook op de hoopen puin, die alle steden
+van het rijk der Pharaonen omgeven. Zij legt onderaardsche gangen en galerijen aan, die veelvuldig vertakt en tamelijk diep
+zijn; het liefst doet zij dit onder en tusschen het lage kreupelhout en de weinig talrijke, kruipende planten, die de door
+haar bewoonde plaatsen schraal genoeg bedekken en haar tevens het dagelijksch brood verschaffen. Daar zij zich ook over dag
+voor haar woning vertoont, kan men haar gemakkelijk leeren kennen. Dikwijls ziet men 10 &agrave; 15 van deze dieren tegelijk rondloopen,
+met elkander spelen en aan de een of andere plant knabbelen. De Zand-renmuis is van die leden der Knaagdieren-orde, welke
+men voor de gezelligheid gevangen houdt, een van de aardigste. Zij wordt merkwaardig tam, komt uit haar hok, loopt onbevreesd
+op de tafel rond, laat toe, dat men haar aanraakt en in de hand neemt, zonder aanstalten te maken om te bijten. De groote,
+niet sterk uitpuilende oogen en de fraaie vacht dragen veel bij tot den aangenamen indruk, dien dit dier op den toeschouwer
+maakt; ook de dichtbehaarde staart, met een zwarten haarkwast aan de spits, staat haar goed.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De meest typische vertegenwoordigers van de familie&#8212;de <span class="letterspaced">Muizen</span> in engeren zin (<i>Murinae</i>) zijn, wat haar aard en hare handelingen betreft, ons maar al te wel bekend. Tot deze groep behooren ook die soorten, welke
+zich met den mensch over de geheele wereld verbreid, en zich zelfs op de eenzaamste eilanden gevestigd hebben. Het is nog
+niet zoo lang geleden dat deze dieren zich over de wereld begonnen te verspreiden; voor vele plaatsen is zelfs het jaar, waarin
+zij voor &#8217;t eerst hier optraden, met juistheid bekend; thans echter hebben zij hun rondreis om de wereld volbracht. Nergens
+is de mensch hun dankbaar voor de volhardende gehechtheid, die zij voor zijn persoon, zijn huis, zijn hof aan den dag leggen;
+overal vervolgt en haat hij hen op de onmeedoogendste wijze; alle middelen stelt hij in &#8217;t werk om zich van hen te bevrijden,
+toch blijven zij aan hem verknocht, trouwer nog dan de Hond, trouwer dan eenig ander dier. Ongelukkig zijn deze aanhankelijke
+huisvrienden afschuwelijke gauwdieven; als echte spitsboeven uitgerust, weten zij zich overal te nestelen en bereiden hun
+gastheer niets anders dan schade en verdriet. Hierdoor is het te verklaren, dat alle echte Muizen kortweg voor leelijke, akelige
+dieren worden uitgescholden, hoewel zij in werkelijkheid in den regel dezen naam niet verdienen, maar veeleer sierlijke, bevallige,
+aardige wezentjes zijn.
+
+</p>
+<p>Reeds door het gewone spraakgebruik worden in deze onderfamilie twee hoofdgroepen onderscheiden, de <span class="letterspaced">Ratten</span> en de <span class="letterspaced">Muizen</span>; deze verdeeling is ook wetenschappelijk juist. De Ratten zijn de plompste en leelijkste, de Muizen de lichtste en sierlijkste
+vormen. Bij gene heeft de staart 200 &agrave; 270 uit schubben bestaande <a id="d0e1164"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1164">300</a>]</span>ringen, bij deze 120 &agrave; 180; de eerstgenoemde hebben dikke en krachtige, de andere slanke en fijne voeten; de Ratten zijn in
+volwassen toestand aanmerkelijk grooter dan hunne bevalliger verwanten.
+
+</p>
+<p>Het is nagenoeg zeker, dat de Ratten die tegenwoordig in Europa gevonden worden, hier oorspronkelijk niet inheemsch waren,
+maar van elders zijn gekomen. Bij de schrijvers der oudheid komt slechts &eacute;&eacute;n enkel bericht voor, dat op Ratten betrekking
+kan hebben. Welke soort <span class="smallcaps">Amyntas</span> bedoeld heeft in zijn door <span class="smallcaps">Aelianus</span> aangehaalde mededeeling, is nog niet uitgemaakt. De <span class="letterspaced">Zwarte Rat</span> is het eerst in Europa en ook in ons land verschenen of opgemerkt, op haar volgde de <span class="letterspaced">Bruine Rat</span>; bij deze beide heeft zich in den laatsten tijd nog gevoegd (althans in Zuid-Europa en ook reeds in sommige gewesten van
+Zuid-Duitschland) de uit Egypte afkomstige <span class="letterspaced">Egyptische Rat</span> of <span class="letterspaced">Dakrat</span> (<i>Mus alexandrinus</i>). De Bruine Rat, de sterkste van de drie, verdrijft en vernietigt hare beide verwanten en heeft zich bijna overal meester
+gemaakt van de alleenheerschappij. Het is te hopen, dat wij geen last krijgen van andere reislustige leden der Muizen-familie,
+en vooral, dat wij verschoond zullen blijven van een immigratie der <span class="letterspaced">Hamsterrat</span> (<i>Mus</i> of <i>Cricetomys gambianus</i>), die onze Ratten niet alleen door haar grootte, maar ook door haar werkzaamheid ver overtreft en tegenwoordig aan de kooplieden
+te Zanzibar meer moeite veroorzaakt dan alle Europeesche Ratten te zamen genomen: wij zouden, als dit dier tot ons kwam, eens
+recht ondervinden wat een Rat kan uitrichten.
+
+</p>
+<p>Voor ons doel zal een beschrijving van de beide meest bekende soorten, de <span class="letterspaced">Zwarte Rat</span> en de <span class="letterspaced">Bruine Rat</span>, voldoende zijn.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Zwarte Rat</span> (<i>Mus rattus</i>) heeft, met inbegrip van den 19 cM. langen staart, een lengte van 35 cM.; de bovendeelen zijn donker van kleur, bruinzwart,
+de onderdeelen een weinig lichter, grauwzwart. De pooten hebben een grijsachtig bruine, zelden een iets lichtere kleur. Aan
+den betrekkelijk slanken staart neemt men 260 &agrave; 270 uit schubben bestaande ringen waar. Albino&#8217;s (wezens die zich door gemis
+van de huidkleurstof onderscheiden) komen onder haar niet zelden voor.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1300.jpg" alt="Zwarte Rat (Mus rattus). &#8532; v.d. ware grootte." width="720" height="456"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Zwarte Rat</span> (<i>Mus rattus</i>). &#8532; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Wanneer deze soort voor &#8217;t eerst in Europa verschenen is, kan niet met zekerheid opgegeven worden. <span class="smallcaps">Albertus Magnus</span> is de eerste dierkundige, die de Zwarte Rat als een Duitsch dier vermeldt; zij was dus hier reeds in de 13e eeuw inheemsch.
+<span class="smallcaps">Gesner</span> noemt haar een dier dat &#8220;menigeen beter kent, dan hem lief is&#8221;; de bisschop van Autun sprak in het begin der 15e eeuw de
+banvloek der kerk over haar uit. &#8217;t Zou kunnen zijn, dat zij uit Perzi&euml; afkomstig is, waar zij tegenwoordig in ongeloofelijk
+groot aantal voorkomt. Tot in de eerste helft van de vorige eeuw voerde zij in Europa de opperheerschappij; sinds dezen tijd
+heeft de Bruine Rat haar dit gebied betwist, overal waar dit geschiedde, heeft zij moeten wijken. Toch is zij ook thans nog
+over nagenoeg alle werelddeelen verbreid; zij komt echter slechts zelden in grooten getale voor, maar leeft bijna overal afzonderlijk
+en ver uiteen. Naar het schijnt, is zij in Duitschland bijna overal verdwenen; toch zijn o.a. nog in Noordwest-Duitschland
+(Bremen, Luneburg) en in <span id="d0e1233" class="corr" title="Bron: Thuringen">Th&uuml;ringen</span> (bij Rudolstad) woonplaatsen van de Zwarte Rat bekend. Prof. <span class="smallcaps">Ritzema Bos</span> schrijft hierover het volgende (Landbouwdierkunde, Dl. I, p. 97): &#8220;Dat langzamerhand de Zwarte Rat in Europa vermindert,
+in vele streken zeldzamer wordt, of zelfs geheel verdwijnt, is het noodzakelijke gevolg van de voorrechten, welke de sterkere
+overal in de natuur boven den zwakkere heeft. En dat dit niet alleen in bepaalde streken, maar in &#8217;t algemeen het geval is,
+blijkt o.a. zeer duidelijk uit de prijslijsten van verschillende handelaars in opgezette dieren. Terwijl op die van voor 15
+&agrave; 20 jaar de Zwarte Rat bijkans altijd naast de Bruine werd genoemd, en weinig duurder was dan deze, vindt men haar nu dikwijls
+niet meer vermeld, of ten opzichte van de Bruine Rat verbazend in prijs gestegen.&#8212;Zooveel is zeker, dat een twintigtal jaren
+geleden, de Zwarte Ratten ten onzent nog veel meer voorkwamen dan tegenwoordig, nu men ze in ons land bijna nergens meer in
+aanzienlijke hoeveelheid aantreft. Voor tien tot vijftien jaren was de Zwarte Rat de heerschende soort in &#8217;t binnenste, oudste
+gedeelte van de stad Groningen, het gedeelte dat door een aaneenschakeling van singels (de vroegere grachten der stad) van
+het nieuwe gedeelte is afgescheiden. Een tijdlang hadden dus die singels de verspreiding van de Bruine Rat tegengegaan, die
+<a id="d0e1239"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1239">301</a>]</span>in &#8217;t nieuwe gedeelte der stad reeds de zwakkere zuster geheel had verdreven; natuurlijk werd weldra de kleine hinderpaal
+overschreden, en thans vindt men in &#8217;t oudere gedeelte van Groningen, geloof ik, ook geen Zwarte Ratten meer; in elk geval
+zijn ze er zeldzamer geworden, terwijl de sterkere Bruine Rat er nu de heerschappij voert.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Zwarte Rat is den mensch gevolgd in alle klimaten der aarde; zij reisde met hem te land en over zee de wereld door. Ongetwijfeld
+was zij vroeger in Amerika, Australi&euml; en Afrika niet inheemsch, maar de schepen brachten haar naar alle kusten, en van de
+kusten trok zij al verder en verder het land in. Tegenwoordig vindt men haar ook in de zuidelijke gedeelten van Azi&euml;, met
+name in Indi&euml;, in Afrika, vooral in Egypte, Barbarije en aan de Kaap de Goede Hoop, in Amerika, in Australi&euml;, en op de eilanden
+in de Groote Zuidzee.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Bruine Rat</span> (<i>Mus decumanus</i>) is aanmerkelijk grooter dan haar zwakkere mededingster, n.l. 42 cM. lang, met inbegrip van den 18 cM. langen staart, waarop
+men ongeveer 210 geschubde ringen telt; de kleur van de bovendeelen is anders dan die van de onderdeelen; beide kleuren zijn
+scherp van elkander gescheiden. De bovendeelen van kop, romp, ledematen en staart zijn bruinachtig grijs, de onderdeelen grijsachtig
+wit. Soms komen aan de bovenzijde der voorvoeten bruinachtige haartjes voor; ook treft men zwarte, vale en bonte exemplaren
+aan; voorts albino&#8217;s (wit met roode oogen). De bonte exemplaren zijn &ograve;f zwart met wit, &ograve;f grijs en wit; bijna altijd zijn
+bij hen de kop, de hals, de schouders en de voorpooten, benevens een meer of minder breede streep over den rug, zwart (of
+grijs), de overige deelen wit.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1301.jpg" alt="Bruine Rat (Mus decumanus). &frac12; v.d. ware grootte." width="720" height="472"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Bruine Rat</span> (<i>Mus decumanus</i>). &frac12; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Met groote waarschijnlijkheid mag men aannemen, dat de Bruine Rat uit Indi&euml; en Perzi&euml; tot ons is gekomen. Aan <span class="smallcaps">Pallas</span> heeft men de eerste betrouwbare berichten over het doordringen van de Bruine Rat in Europa te danken. Deze onderzoeker bericht,
+dat zij in den herfst van 1727 na een aardbeving in groote scharen uit de landen om de Kaspische zee naar den oostelijken
+oever van den Wolga is verhuisd, en in Europa is binnengetrokken door bij Astrakan de rivier over te zwemmen. Vanhier uit
+verbreidde zij zich schielijk over de westelijke landen. Bijna ter zelfder tijd, n.l. in 1732, werd zij op schepen uit Oost-Indi&euml;
+naar Engeland overgebracht en begon nu vanhier uit haar reis om de wereld. In Oost-Pruisen verscheen zij in het jaar 1750,
+te Parijs reeds in 1753, in Duitschland was zij reeds in 1780 overal veelvuldig; in Zwitserland kent men haar eerst sedert
+het jaar 1809 en in Denemarken omstreeks dezelfden tijd als inheemsch dier. In het jaar 1755 kwam zij voor het eerst in Noord-Amerika
+en vermenigvuldigde zich ook hier in zeer korten tijd ongeloofelijk snel, terwijl zij zich over een groot gebied verbreidde;
+toch was zij in 1825 nog niet voorbij Kingston in Opper-Canada doorgedrongen en had in 1880 de bovenloop van den Missouri
+nog niet bereikt. Alle door den oceaan bespoelde, bewoonbare gewesten, zelfs de eenzaamste en afgelegenste eilanden, dienen
+echter tegenwoordig tot verblijfplaats aan de Bruine Rat. Grooter en sterker dan de Zwarte Rat, maakt zij zich overal meester
+van de plaatsen waar deze vroeger rustig leefde; haar verbreiding neemt in dezelfde mate toe, als die van haar mededingster
+afneemt.
+
+</p>
+<p>Door levenswijze, zeden en gewoonten, uiterlijk enz. stemmen beide Ratten zoozeer overeen, dat men de eene schildert, zoo
+men de andere beschrijft. Wanneer men in &#8217;t oog houdt, dat de Bruine Rat zich bij voorkeur in de onderste localiteiten van
+de gebouwen en vooral in vochtige kelders en gewelven, riolen, sluizen, zinkputten en aan de oevers van rivieren nestelt,
+terwijl de Zwarte Rat meer voorliefde heeft voor het bovenste deel van het huis, voor koornzolders, dakkamers enz., zal er
+niet veel overblijven, wat beide soorten van elkander onderscheidt. De eene zoowel als de andere neemt iedere ruimte in de
+woning van den mensch als woonplaats voor lief, en bezoekt elke denkbare plaats, waar voedsel voor haar te vinden kan zijn.
+Van den kelder tot aan den zolder, van de pronkkamer tot in het privaat, van het paleis tot in de hut, overal treft men haar
+aan. Tegen haar beschermen geene omheiningen noch muren, geene <a id="d0e1269"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1269">302</a>]</span>deuren of sloten: waar geen toegang bestaat, maken zij er een; door de sterkste eiken balken en door dikke muren knagen zij
+zich gangen. Alleen wanneer men de fondamenten diep in den grond legt, alle voegen tusschen de steenen flink met stevig cement
+aanvult, waarna het misschien als voorzorgsmaatregel nog noodig zal zijn, een laag glasscherven te midden van het metselwerk
+aan te brengen, is men tamelijk goed tegen hen beveiligd.
+
+</p>
+<p>Het vernielen van de woningen, het afschuwelijke stukknagen en doorwoelen van de afscheidingen is nog maar het geringste van
+de schade, die de Ratten kunnen aanrichten. Veel grooter nadeel brengen zij te weeg door hetgeen zij opeten. Al wat eetbaar
+is, valt in haar smaak. De mensch eet niets wat ook niet door de Rat gegeten wordt, en zij bepaalt zich niet tot den voedselvoorraad,
+maar maakt evenzeer gebruik van de dranken van den mensch. Er mankeert nog maar aan, dat de Ratten brandewijn en jenever leeren
+drinken, om te kunnen zeggen, dat dit ongedierte alle voedings- en genotmiddelen die door het menschelijk geslacht zijn uitgevonden,
+mede helpt opmaken. Niet tevreden met deze reeds zoo ruim voorziene spijskaart, vallen de Ratten ook zeer gretig op allerlei
+andere voorwerpen en met name op levende wezens aan. De walgelijkste afval uit de huishouding van den mensch is in bepaalde
+gevallen nog van haar gading, rottende krengen vinden in haar liefhebbers. Zij verslinden leder en hoorn, zaden en boomschors,
+of liever gezegd alle mogelijke stoffen en dierlijken en plantaardigen oorsprong. Wat zij niet opeten kunnen, wordt toch stuk
+geknaagd; op suikerriet- en koffie-plantages richten zij soms een ontzettende schade aan. Er zijn voorbeelden van bekend,
+dat zij kleine kinderen bij levenden lijve opgegeten hebben; iedere eigenaar van kleinvee weet trouwens door ervaring, hoe
+erg sommige van zijne huisdieren door de Ratten vervolgd worden. Zeer vette Zwijnen vreten zij gaten in &#8217;t lichaam, dicht
+opeengepakte Ganzen knabbelen zij de zwemvliezen tusschen de teenen weg, jonge Eenden trekken zij onder water om ze te verdrinken,
+den wilde-dieren-handelaar <span class="smallcaps">Hagenbeck</span> hebben zij eens drie jonge Olifanten gedood door de voetzolen van deze kolossale dieren stuk te knagen.
+
+</p>
+<p>Als zij buitengewoon veelvuldig zijn op een plaats, kan men het er werkelijk bijna niet meer uithouden. En er zijn plaatsen
+waar zij in zoo grooten getale voorkomen, dat wij ons hiervan nagenoeg geen begrip kunnen vormen. In Parijs werden in den
+tijd van vier weken niet minder dan 10.000 stuks Ratten in een enkel slachthuis doodgeslagen; in een vilderij in de nabijheid
+van genoemde hoofdstad verslonden zij in een enkelen nacht 35 lijken van Paarden, zoodat er alleen de beenderen van overbleven.
+Zoodra zij bemerken, dat de mensch tegenover haar machteloos is, neemt haar onbeschaamdheid op een waarlijk verbazende wijze
+toe. <span class="smallcaps">Las Cases</span> verhaalt, dat <span class="smallcaps">Napoleon</span>, evenals de getrouwen, die den gevallen veroveraar in zijne ballingschap op St. Helena gevolgd waren, den 27en Juni 1816
+zonder ontbijt moest blijven, omdat de Ratten gedurende den vorigen nacht in de keuken waren binnengedrongen en alles medegenomen
+hadden. Zij waren op dit verbanningsoord in groote menigte voorhanden, zeer kwaadaardig en buitengewoon stoutmoedig. Gewoonlijk
+hadden zij maar weinige dagen noodig om de muren en de houten beschotten van de eenvoudige woning van den keizer te doorknagen.
+Terwijl <span class="smallcaps">Napoleon</span> aan den disch zat, kwamen zij in de eetzaal; na den maaltijd moesten de bedienden met deze Knaagdieren letterlijk oorlog
+voeren om de gerechten van de tafel te kunnen nemen. Het plan om Hoenderen en ander pluimvee te houden moest opgegeven worden,
+omdat de Ratten ze verslonden; zij haalden de Vogels &#8217;s nachts uit de boomen weg, waarop deze dieren zaten te slapen. In de
+factorijen of gebouwen van de handelsondernemingen op verre kusten, waar met de ruilartikelen ook Bruine Ratten heengevoerd
+werden, zijn deze dieren buitengewoon lastig, en richten zij soms groote schade aan. Alle reizigers, en vooral de verzamelaars
+van planten en dieren, klagen er over, dat de Ratten dikwijls zeer zeldzame voorwerpen vernielden, die met groote moeite verkregen
+waren en dat zij hen niet zelden door hare woeste gevechten en wilde drijfjachten op den bodem, langs de wanden en op de daken
+van hun slaapvertrek in hun nachtrust stoorden.
+
+</p>
+<p>Ook de zeelieden zijn niet best over de Ratten te spreken, want er is geen schip, of het heeft deze kwelduivels aan boord.
+Op de oude vaartuigen zijn zij niet uit te roeien, en de nieuwe nemen zij dadelijk in bezit, zoodra de eerste lading er in
+gebracht wordt. Gedurende lange zeereizen vermenigvuldigen zij zich dikwijls op een ontzettende wijze, vooral als zij genoeg
+voedsel kunnen vinden, en maken dan het verblijf op het schip bijna onverdragelijk. Toen het schip van den noordpoolreiziger
+<span class="smallcaps">Kane</span> in de nabijheid van 80&deg; N.B. was vastgevroren, waren de Ratten aan boord zoo zeer in aantal toegenomen, dat zij een geweldige
+schade aanrichtten. Men beproefde ze door verstikkende gassen te dooden. Alle luiken werden gesloten, en onder in &#8217;t schip
+werd een mengsel van zwavel, rattenkruid en leder aangestoken. De bemanning bracht den kouden nacht van den laatsten September
+op het dek door, in de hoop nu voor goed van het lastige ongedierte bevrijd te zullen zijn. Den volgenden morgen bespeurde
+zij, dat dit middel niet gebaat had. De Ratten waren even gezond als altijd. Toen ontstak men in het hol van het schip een
+groote hoeveelheid houtskolen, om de dieren te dooden door het gas (kooloxyde of kolendamp), dat bij de onvolledige verbranding
+gevormd wordt. Na verloop van korten tijd was de gesloten ruimte zoo sterk met dit gas gevuld, dat twee lieden, die de onvoorzichtigheid
+hadden er in neer te dalen, onmiddellijk bewusteloos op den grond vielen en niet dan na veel moeite weer op het dek gebracht
+konden worden. Een lantaarn, die men in het ruim liet zakken, ging oogenblikkelijk uit; plotseling begon echter op een ander
+gedeelte van het vaartuig een deel van de steenkool en ook van het houtwerk te gloeien; het gelukte eerst na groote inspanning,
+en nadat de gezagvoerder in levensgevaar had verkeerd, het vuur te blusschen. Den volgenden dag vond men niet meer dan 28
+lijken van Ratten; de overblijvende vermenigvuldigden zich v&oacute;&oacute;r den volgenden winter zoo sterk, dat men niets meer voor hare
+aanvallen kon vrijwaren. Zij knaagden de pelzen, kleederen en schoenen stuk, nestelden zich in de bedden, sloegen haar verblijf
+op in handschoenen, mutsen en voorraadkisten, verslonden de proviand en ontsnapten met veel list en sluwheid aan alle vervolgingen.
+Men probeerde toen een ander middel. De schranderste en moedigste Hond werd in de gewone verblijfplaats van de Ratten, in
+&#8217;t hol van &#8217;t schip, neergelaten, om daar de orde te herstellen; weldra echter bleek het uit het jammerlijk gehuil van dit
+dier, dat het niet tegen de Ratten opgewassen was en dat deze ook nu nog den baas speelden. Men haalde den Hond uit zijn gevangenis
+te voorschijn en bemerkte, dat de Ratten hem reeds de huid van de voetzolen afgevreten hadden. Later stelde een Eskimo <a id="d0e1292"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1292">303</a>]</span>voor, de Ratten &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n met pijlen dood te schieten; deze jager was zoo gelukkig, dat <span class="smallcaps">Kane</span>, die de buitgemaakte dieren liet koken, gedurende den langen winter voortdurend versch vleesch voor de soep had. Eindelijk
+ving men een Vos levend; deze werd in het hol van het schip opgesloten, en scheen zich hier zeer wel te bevinden; hij leefde
+zeer vergenoegd van de Ratten, die hij kon vangen zooveel hij verkoos.
+
+</p>
+<p>In alle lichaamsoefeningen zijn de Ratten zeer bedreven. Zij loopen snel en met behendigheid, klauteren uitmuntend en kunnen
+zelfs langs vrij gladde muren omhoog gaan; zij zwemmen meesterlijk, weten een tamelijk ver afgelegen plek met zekerheid door
+&eacute;&eacute;n sprong te bereiken en kunnen vrij goed graven, ofschoon zij dit niet graag lang achtereen doen. De sterkere Bruine Rat
+is, naar het schijnt, nog behendiger dan de Zwarte; zij zwemt althans veel beter en steekt haar zwarte stamgenoot, naar het
+schijnt, ook in het klauteren de loef af. Duiken kan zij bijna even goed als echte waterdieren. Zij beweegt zich in &#8217;t water
+gemakkelijk genoeg om de eigenlijke bewoners van het vochtige element goed na te jagen. Dikwijls handelt zij alsof het water
+haar eigenlijke woonplaats is. Als men haar schrik aanjaagt, neemt zij onmiddellijk de vlucht naar een rivier, een vijver
+of een sloot. Als het noodig is, zwemt zij, zonder uit te rusten, den breedsten waterplas over, of loopt gedurende verscheidene
+minuten over den bodem van dien plas voort. Hier te lande wordt de Bruine Rat daarom dikwijls &#8220;Waterrat&#8221; genoemd. De Zwarte
+Rat begeeft zich alleen in den uitersten nood te water, ofschoon zij eveneens in de zwemkunst zeer goed bedreven is.
+
+</p>
+<p>Onder hare zinnen staan het gehoor en de reuk bovenaan, vooral het gehoor is voortreffelijk, doch ook haar gezicht is niet
+slecht, en van haar smaak geven de Ratten maar al te dikwijls deugdelijke bewijzen in de provisiekast, waar zij altijd de
+lekkerste spijzen weten te vinden. Van hare verstandelijke vermogens behoef ik na het voorafgaande niet veel meer te zeggen.
+Men kan waarlijk niet ontkennen, dat zij verstandig zijn, en evenmin, dat men bij haar een berekenende list en een zekere
+sluwheid waarneemt, die vooral blijken uit de wijze waarop zij aan de meest verschillende gevaren weten te ontkomen.
+
+</p>
+<p>Zooals reeds gezegd is, woedt er tusschen de beide soorten van Ratten een eeuwigdurende strijd, waarvan het sneuvelen der
+zwakste partij altijd het einde is. Maar Ratten van dezelfde soort bevechten elkander eveneens onverpoosd. Op plaatsen, waar
+zij veelvuldig zijn, houden des nachts de beweging en het geraas geen oogenblik op; want de strijd houdt ook dan nog aan,
+als een deel der strijders reeds op de vlucht geslagen is. Zeer oude, bijtlustige mannetjes worden soms door hunne stamgenooten
+in den ban gedaan en zoeken een stille, eenzame plaats op, waar zij brommig en ontevreden hunne laatste levensjaren doorbrengen.
+
+</p>
+<p>Reeds meermalen heeft men er over gestreden, hoe de Ratten het aanleggen om eieren te vervoeren, zonder ze te breken. Onzekerheid
+over haar handelwijze kan niet meer bestaan, sedert een onderzoeker als <span class="smallcaps">K. von Dalla Forre</span> de volgende, in &#8217;t jaar 1880 door hem zelf waargenomen handelingen van de Ratten heeft openbaar gemaakt. &#8220;In den kelder van
+een huis te Innsbruck werden in dezen winter telkens weer eenige eieren vermist, die men hier voor het koude jaargetijde bewaard
+had. Natuurlijk viel de verdenking in de eerste plaats op de dienstbode, die nu alles in het werk stelde om haar onschuld
+te bewijzen, maar&#8212;te vergeefs. Om uit dezen onaangenamen toestand te geraken ging zij op de loer liggen en werd hierdoor getuige
+van de list, die de diefachtige Ratten aanwenden om in &#8217;t bezit van de eieren te komen. De eieren lagen ongeregeld op een
+hoop bijeen; begeerig naar buit kwam een Rat uit haar schuilhoek te voorschijn, weldra gevolgd door een tweede. De eerste
+vatte een ei met de voorpooten aan en schoof het, door de andere Rat geholpen, een weinig op zijde, zoover zij het met eenige
+krachtige rukken brengen kon. Hierop vatte de eerste Rat het ei met de voorpooten aan en omvaamde het stevig, op de wijze
+waarop de Spinnen haar eierzak vasthouden. Natuurlijk kon zij zich nu niet meer bewegen, daar de voorpooten gebruikt moesten
+worden voor &#8217;t vasthouden van den buit. Toen greep de tweede Rat den staart van de eerste met den bek en trok haar in groote
+haast en zonder eenigen omslag te maken naar het gat, waaruit zij gekomen waren! De geheele handeling&#8212;waarin zij, naar het
+aantal ontbrekende eieren te rekenen, reeds tamelijk geoefend waren,&#8212;duurde nauwelijks 2 minuten; &eacute;&eacute;n uur nadat het diefachtige
+paar van het schouwtooneel verdwenen was, kwam het opnieuw voor den dag, stellig met dezelfde bedoeling als vroeger. Door
+de welwillendheid van de familie, in welker huis het beschreven voorval plaats had, werd ik in staat gesteld om ooggetuige
+te zijn van zulk een verschijnsel, dat naar de dienstbode verzekerde, steeds op dezelfde wijze plaats had.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ongeveer een maand na de paring werpen de wijfjes 5 &agrave; 21 jongen, kleine, allerliefste diertjes, waarin iedereen behagen zou
+scheppen,&#8212;als het maar geen Ratten waren. <span class="smallcaps">Dehne</span>, die albino&#8217;s van de Bruine Rat in den gevangen staat heeft waargenomen, zegt van de eerste jeugd der jongen en van de wijze,
+waarop de moeder met hen omgaat, het volgende: &#8220;Den 1en Maart 1852 kreeg ik van een witte Rat zeven jongen. Het oude dier
+had zich in de kooi van ijzerdraad een dicht nest van stroo vervaardigd. De jongen waren zoo groot als Meikevers en hadden
+een bloedroode kleur. Bij elke beweging, die de moeder maakte, lieten zij een fijn, doordringend gepiep hooren. Den 8en waren
+zij reeds tamelijk wit. Van den 13den tot den 16den werden hunne oogen geschikt om te zien. Den 18den des avonds kwamen zij
+voor de eerste maal te voorschijn; toen de moeder echter bemerkte, dat ik naar hen keek, nam zij ze &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n in den bek
+en bracht ze weder in het nest. Enkele kwamen echter weder door een andere opening te voorschijn. Het waren allerliefste diertjes
+van de grootte van Dwergmuizen, met staarten van 8 cM. lang. Den 21en hadden zij reeds de grootte van een Gewone of Huismuis,
+den 28en den omvang van een Boschmuis bereikt. Zij zogen nog nu en dan (ik zag ze zelfs den 2en April nog zuigen), speelden
+onderling, vervolgden elkander en krakeelden; dit alles deden zij zoo vlug en op zulk een aardige wijze, dat het een lust
+was er naar te zien. Soms gingen zij tot afwisseling op den rug van haar moeder zitten, en lieten zich door haar ronddragen.
+Zij waren veel potsierlijker dan de witte Huismuizen.&#8212;Den 9en April scheidde ik de moeder van hare jongen, en plaatste haar
+weder bij het mannetje. Den 11en Mei wierp zij nogmaals een aantal jongen. Van de dieren, die den 1en Maart geboren waren,
+had ik sedert het begin van April een paar in een groot glas, met een opening van 20 cM. middellijn, afgezonderd gehouden,
+en reeds den 11en Juni des namiddags, dus toen zij 103 dagen oud waren, kreeg ik van hen 6 jongen. In weerwil van de wijdte
+van <a id="d0e1313"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1313">304</a>]</span>het glas, scheen de moeder van oordeel te zijn, dat de ruimte voor hare jongen te klein was. Tevergeefs trachtte zij een grooter
+nest samen te stellen, waarbij zij dikwijls de arme kleintjes zoozeer verstopte, dat er niets meer van hen te zien was; zij
+zocht ze echter altijd weer bijeen. Zij zoogde hare jongen tot den 23en zeer goed; de kleine dieren waren reeds een weinig
+wit behaard; doch op eens waren zij allen verdwenen. De moeder had ze opgegeten!&#8221;&#8212;<span class="smallcaps">Reichenbach</span> deed verscheidene malen achtereen dezelfde ervaring op.
+
+</p>
+<p>Goed verzorgde Ratten, die men onder nauw toezicht houdt, worden zoo tam, dat zij veilig aangeraakt kunnen worden en tot tijdverdrijf
+voor de kinderen kunnen dienen; ook kan men ze er aan gewennen zich vrij in huis, hof en tuin te bewegen; zij loopen hare
+verzorgers als Honden na, komen, als zij geroepen worden, kortom, zij zijn dan huis- of kamerdieren in de beste beteekenis
+van &#8217;t woord.
+
+</p>
+<p>Bij de Ratten in de vrije natuur komt soms een zeer eigenaardige ziekte voor. Verscheidene van deze dieren groeien met de
+staarten aaneen, en vormen dan een zoogenaamden &#8220;rattenkoning.&#8221; Van dit monster, dat men thans in verscheidene verzamelingen
+zien kan, heeft men zich in vroegere tijden vaak een geheel verkeerde voorstelling gevormd. Vroeger meende men, dat de rattenkoning,
+versierd met een gouden kroon, op een aantal innig met elkander vergroeide Ratten gezeten was, en van den zetel den geheelen
+rattenstaat bestuurde. Het feit, dat men soms een aantal Ratten vindt, welker staarten stevig dooreengeward zijn, zoodat zij
+zich niet bewegen kunnen, en die daarom door medelijdende soortgenooten gevoederd moeten worden, heeft aanleiding gegeven
+tot dit sprookje. Het zou kunnen zijn, dat het samenkleven der staarten een gevolg is van het uitzweeten van een stof, die
+veroorzaakt wordt door een besmettelijke ziekte; tot nu toe heeft men hierover nog geen zekerheid gekregen. In Altenburg bewaart
+men een rattenkoning, die uit 27 Ratten bestaat; ook in Erfurt en in Lindenau heeft men er gevonden.
+
+</p>
+<p>Tallooze middelen zijn reeds aangewend om de Ratten te verdelgen. Allerlei soorten van vallen worden te dien einde met meer
+of minder goed gevolg gebruikt. Om te maken dat zij goeden dienst kunnen doen, moet men dikke handschoenen aantrekken om ze
+te stellen, want de lucht, die de aanraking met de hand achterlaat, is genoeg om de Ratten te waarschuwen. Oude Ratten, die
+reeds andere stamgenooten hebben zien vangen, zijn bijna niet in een val te lokken. Als de dieren bemerken, dat zij zeer hevig
+vervolgd worden, verhuizen zij niet zelden, doch komen weder, zoodra de vervolging ophoudt. En, als zij zich ergens op nieuw
+vertoonen, vermenigvuldigen zij zich in korten tijd zoo sterk, dat de last, die men van hen ondervindt, weer even hevig is
+als vroeger. De meest gebruikelijke middelen tot verdelging van de Ratten zijn verschillende vergiften, die men neerlegt op
+de plaatsen, waar deze dieren zich bij voorkeur ophouden. Het toepassen van dit middel verdient echter afkeuring, niet alleen
+omdat de Ratten door het vergif op een wreede wijze doodgemarteld worden, maar ook, omdat zij dikwijls een deel van het door
+haar gebruikte voedsel weer uitbraken, en zoodoende in sommige gevallen de voedingsmiddelen, die men tegen hen beveiligen
+wil vergiftigen, en het leven van andere dieren of van den mensen in gevaar brengen. Beter is het een mengsel van mout en
+ongebluschte kalk voor de Ratten neer te zetten; als zij hiervan gegeten hebben, zullen zij zeer dorstig worden; door het
+water, dat zij drinken, wordt de kalk gebluscht, hetwelk den dood van het dier ten gevolge heeft.
+
+</p>
+<p>Een uitmuntende rattenval, welker uitvinding het menschelijk hart geen eer aandoet, doch veeleer een welsprekend bewijs levert
+van de arglistigheid van den aartsvijand der dieren, wordt door <span class="smallcaps">Lenz</span> beschreven: Op door de Ratten druk bezochte looppaden, b.v. tusschen stallen, in de nabijheid van privaten, riolen en op
+dergelijke plaatsen, graaft men een kuil van omstreeks vier voet diepte en bekleedt deze van binnen met gladde, platte steenen
+of tegels. Een vierkante tegel van 3 voet zijde vormt den bodem van den kuil, vier anderen die naar boven toe smaller worden,
+de zijden. De vierkante opening van den kuil moet slechts half zoo wijd zijn als de bodem, zoodat alle zijwanden naar binnen
+overhellen, waardoor het aan een Rat, die in dezen kuil gevallen is, onmogelijk wordt, er weder uit te komen. Nu giet men
+op den bodem van den kuil een weinig gesmolten vet, een weinig met water verdunden honig en andere sterk riekende stoffen,
+plaatst daarop omgekeerd een bloempotje van ongeveer 5 cM. hoogte, dat, na met honig doortrokken en met ma&iuml;s, tarwe, haver,
+een weinig gebraden spek en andere lekkernijen voor de Ratten gevuld te zijn, met cement aan den bodem van den kuil bevestigd
+wordt; door de nauwe opening aan den top van het potje verbreidt zich de geur van den voor Ratten niet bereikbaren inhoud.
+Op den bodem van den kuil wordt vervolgens heede gestrooid, terwijl men de opening van den kuil met een rooster bedekt om
+te verhoeden dat een kip of een jong, onervaren huisdier er in valt. Vervolgens heeft men zich niet meer met den val te bemoeien.
+&#8220;Aangelokt door den aangenamen etensreuk en de voor ligplaats zoo goed geschikte heede,&#8221; schrijft <span class="smallcaps">Lenz</span>, &#8220;springt de Rat vroolijk en vol verwachting in den afgrond. Het ruikt daar zoo heerlijk naar spek, honig, kaas en zaden,
+dat het Knaagdier aan de verleiding geen weerstand kan bieden. Doch ook in den kuil moet het met den reuk van al dat lekkers
+tevreden zijn, omdat het etenspotje ontoegankelijk is.&#8221; De eerste Rat, die in den kuil springt, wordt, gelijk licht te begrijpen
+is, weldra door een woedenden honger gekweld, tevergeefs slooft zij zich af om uit deze afschuwelijke gevangenis te ontsnappen.
+Daar valt een tweede lekkerbek naar beneden. Wel is dat voor de eerste gevangene een heugelijk feit! De lotgenooten besnuffelen
+elkander, beraadslagen misschien ook over wat in het gegeven geval gedaan moet worden; de eerste gevangene is echter veel
+te hongerig om naar lange verhandelingen te luisteren. Haar leege maag noopt haar tot den strijd, een verwoed gevecht, een
+duel op leven en dood neemt een aanvang en de eene gevangene vermoordt de andere. Als de oorspronkelijke bewoner van de val
+overwinnaar blijft, zal hij oogenblikkelijk het lijk van zijn metgezel verslinden; als de tweede de zege behaalt, zal hetzelfde
+eenige uren later plaats hebben. Slechts hoogst zelden vindt men drie Ratten tegelijkertijd in deze val; den volgenden dag
+is het aantal gevangenen stellig met &eacute;&eacute;n verminderd. Om kort te gaan, de eene gevangene vreet de andere op; de kuil blijft
+altijd tamelijk schoon, doch is een moordhol in de vreeselijkste beteekenis van het woord.
+
+</p>
+<p>De natuurlijke vijanden van de Ratten&#8212;vooral de Uilen, Raven, Bunzingen, Wezels, Katten en sommige Honden&#8212;zijn nog de beste
+verdelgers van deze dieren. Het komt echter dikwijls voor, dat een Kat geen aanval op een Rat durft ondernemen; vooral de
+Bruine Rat wordt door haar geschuwd. <span class="smallcaps">Dehne</span> zag <a id="d0e1337"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1337">305</a>]</span>v&oacute;&oacute;r de riolen van Hamburg, Honden, Katten en Ratten vreedzaam bij elkander rondloopen; geen dezer dieren dacht er aan, het
+andere den oorlog aan te doen.&#8212;Ook ik zou vele voorbeelden kunnen aanhalen van Katten, die zich niet met de Ratten inlaten.
+Evenals bij de andere huisdieren dappere en lafhartige individu&euml;n voorkomen, vindt men ook bij de Katten gezinnen, welker
+leden zich door grooten moed onderscheiden en hartstochtelijke liefhebbers zijn van de rattenjacht, nevens andere die hiervoor
+den moed missen. Het kost aan de Kat in &#8217;t eerst veel moeite, een zoo kwaadaardig Knaagdier te overwinnen. Een van onze Katten
+ving reeds Ratten, toen zij te nauwernood het derde gedeelte van haar definitieve grootte had bereikt. Zij vervolgde de prooi
+met zulk een ijver, dat zij zich eens door een sterke Rat over het geheele erf en tot aan een muur liet voortslepen, zonder
+haar vijand los te laten, die zij eindelijk door een flinken beet buiten gevecht wist te stellen. Na dezen dag is zij de verwoedste
+vijandin der Ratten gebleven, en heeft zij ons huis bijna geheel van dit ongedierte gezuiverd. Het is hiervoor trouwens niet
+eens volstrekt noodig, dat een Kat aanhoudend Ratten vangt; zij verdrijft ze reeds door haar voortdurend rondsluipen in stallen
+en schuren, in kamers en kelders. Het is te begrijpen, dat de Ratten het zeer onaangenaam vinden, met haar aartsvijandin onder
+&eacute;&eacute;n dak te wonen. Zij zijn dan geen oogenblik veilig. Onhoorbaar komt de Kat in &#8217;t holste van den nacht aansluipen; geen enkel
+waarschuwend geritsel verraadt haar nadering; in alle gaten loeren haar groenachtige onheilspellende, glinsterende oogen;
+naast de meest bezochte looppaden der Ratten ligt zij op een verborgen plaats in hinderlaag, en, voordat deze dieren eenig
+gevaar vermoeden, bespringt zij er een van, en houdt het met hare puntige klauwen en scherpe hoektanden zoo stevig vast, dat
+het maar zelden den dans ontspringen, den dood ontloopen kan. Zulk een leven is zelfs voor een Rat niet om uit te houden.
+Zij verhuist liever naar een plaats waar haar minder zorgen kwellen. De Kat is dus de beste helpster van den mensch in zijn
+strijd tegen de listige Knaagdieren. De Bunzing en de Wezel bewijzen ons in dezen bijna even belangrijke diensten, de eerstgenoemde
+binnenshuis, de andere in den tuin en in de nabijheid van schuren en stallen. Tegen de schade, die deze Roofdieren ons kunnen
+veroorzaken, door van tijd tot tijd eieren, Duiven, kuikens, of ook wel Hoenderen te rooven, kan men voorzorgsmaatregelen
+nemen: men kan er voor zorgen, dat het kippenhok en de duiventil behoorlijk gesloten en ontoegankelijk zijn; tegen de Ratten
+baten zulke maatregelen echter niet. Het is daarom wenschelijk, dat de genoemde slanke roovers beschermd worden en gespaard
+blijven, zooveel zulks mogelijk is.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Veel liefelijker, bevalliger en sierlijker dan de leelijke, langstaartige gauwdieven, die zooeven beschreven werden, zijn
+de <span class="letterspaced">Muizen</span>; ook zij echter zijn, in weerwil van haar fraaie gestalte en haar vroolijk en proper uiterlijk, groote vijanden van den mensch
+en worden door hem bijna met dezelfde woede vervolgd als hare grootere en minder bevallige verwanten. Men kan gerust verzekeren,
+dat iedereen een Muis, die in een hokje is opgesloten, een aardig dier zal noemen; zelfs de dames, die in den regel een hevige,
+ofschoon volkomen ongegronde vrees koesteren voor een Muis, die haar in de keuken of in den kelder voorbijloopt, zullen bij
+het zien van een gevangen Muis moeten erkennen, dat zij een lief schepseltje is. Te verwonderen is het echter niet, dat de
+scherpe knaagtanden en de snoepzucht der Muis zelfs een teeder vrouwenhart met ergernis en toorn vervullen kunnen. Het is
+waarlijk niet aangenaam, dat men voortdurend bezorgd moet zijn voor het behoud van alle levensbehoeften, zelfs wanneer zij
+achter slot en grendel geborgen zijn; het is om uit zijn vel te springen, dat er eigenlijk geen plekje in &#8217;t geheele huis
+te vinden is, waar men geheel alleen baas kan zijn en niet lastig gevallen wordt door die kleine, viervoetige indringers,
+die zelfs toegang weten te verkrijgen tot plaatsen, die voor de Ratten ontoegankelijk zijn. Natuurlijk is het daarom, dat
+tegen haar een verdelgingsstrijd wordt gevoerd, die waarschijnlijk nimmer eindigen zal.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1305.jpg" alt="Huismuis (Mus musculus). &#8536; v.d. ware grootte." width="720" height="530"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Huismuis</span> (<i>Mus musculus</i>). &#8536; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>In Nederland leven drie soorten van Echte Muizen, n.l. de <span class="letterspaced">Huismuis</span>, de <span class="letterspaced">Boschmuis</span> en de <span class="letterspaced">Dwergmuis</span>. Vooral de eerste en de laatste verdienen een uitvoeriger beschrijving, ofschoon ook de Boschmuis den <a id="d0e1366"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1366">306</a>]</span>mensch maar al te dikwijls te na komt en een kennismaking met dit diertje derhalve noodzakelijk is. De beide eerstgenoemde
+worden overal onmeedoogend vervolgd; de laatstgenoemde echter vindt, zoolang zij niet al te driest wordt, wegens haar buitengewoon
+sierlijke gestalte, hare lieftalligheid en eigenaardige levenswijze, genade in de oogen van den heer der schepping.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1306.jpg" alt="Brandmuis (Mus agrarius) en Boschmuis (Mus sylvaticus). &#8538; v.d. ware grootte." width="720" height="524"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Brandmuis</span> (<i>Mus agrarius</i>) en <span class="letterspaced">Boschmuis</span> (<i>Mus sylvaticus</i>). &#8538; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Hoewel men de <span class="letterspaced">Brandmuis</span> of <span class="letterspaced">Akkermuis</span> tot dusver nog niet met volkomen zekerheid als bewoner van ons land heeft leeren kennen, is het toch wenschelijk ook haar
+hier te vermelden; daar zij in Duitschland op betrekkelijk korten afstand van onze grenzen op sommige plaatsen talrijk voorkomt
+en groote schade aanricht, waaruit de mogelijkheid voortvloeit, dat zij te eenigertijd ook hier te lande waargenomen zal worden.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Gewone Muis</span> of <span class="letterspaced">Huismuis</span> (<i>Mus musculus</i>), hoewel fijner en sierlijker gebouwd en ook aanmerkelijk kleiner dan de Zwarte Rat, vertoont door haar gestalte met deze
+eenige overeenkomst. Haar lengte bedraagt 18 cM., met inbegrip van den 9 cM. langen staart. Op dit lichaamsdeel vindt men
+180 uit schubben bestaande ringen. De vacht van deze Muis is &eacute;&eacute;nkleurig; de geelachtig of grijsachtig zwarte kleur der bovendeelen
+gaat onmerkbaar in de iets lichtere kleur der onderdeelen over; de voeten en de teenen zijn geelachtig grijs.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Boschmuis</span> (<i>Mus sylvaticus</i>) wordt nagenoeg 23 cM. lang; van deze lengte komt ongeveer de helft op den staart, die tennaastenbij 150 uit schubben bestaande
+ringen bezit. Haar vacht is tweekleurig. De bovendeelen van het lichaam zijn grijs met een bruinachtig gele tint; de onderdeelen
+en ook de voeten zijn wit van kleur; de beide genoemde kleuren zijn scherp van elkander gescheiden. De Huismuis en de Boschmuis
+verschillen van de Brandmuis en de Dwergmuis, door de grootere lengte harer ooren, die, tegen de zijden van den kop aangedrukt,
+het oog bereiken, wat bij de beide andere soorten niet het geval is. &#8220;De bijzonder lange achterpooten maken, dat deze Muis
+zich veel meer huppelend, springend voortbeweegt dan de andere Muizen. Daarom wordt zij in sommige gedeelten van Groningen
+wel &#8216;<span class="letterspaced">Springer</span>&#8217; genoemd.&#8221; (<span class="smallcaps">Ritzema Bos</span>.)
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Brandmuis</span> of <span class="letterspaced">Akkermuis</span> (<i>Mus agrarius</i>) wordt omstreeks 19 cM. lang, met inbegrip van den 8&frac12; cM. langen staart. De bovenste deelen van het lichaam zijn bruinachtig
+rood met een zwarte, overlangsche streep op den rug; de benedendeelen en de voeten zijn wit, welke kleur scherp begrensd is;
+dit dier is dus driekleurig. De staart heeft ongeveer 120 uit schubben bestaande ringen.
+
+</p>
+<p>De lichaamslengte van de <span class="letterspaced">Dwergmuis</span> (<i>Mus minutus</i>) bedraagt slechts 12 &agrave; 13 cM., waarvan nagenoeg 6 cM. op den staart komen. De hoogte in de schouderstreek bedraagt slechts
+2&frac14; cM., het gewicht wisselt af van 4 tot 8&frac12; gram. De Dwergmuis draagt dus haar naam met recht; er bestaat slechts &eacute;&eacute;n inheemsch
+Zoogdier, dat kleiner is, n.l. de Dwerg-spitsmuis. De kleur van de vacht is tamelijk verschillend. Gewoonlijk is zij tweekleurig:
+de bovenzijde van &#8217;t lichaam is dan bruinachtig rood met geelachtige tint, de onderzijde is wit, evenals de teenen; de afscheiding
+tusschen deze beide kleuren is zeer scherp. De kleur van de bovendeelen kan echter meer of minder donker zijn, ook wel meer
+roodachtig of meer bruinachtig, meer grauw of meer geel; het kan voorkomen, dat de kleur van de bovenzijde niet zeer scherp
+afgescheiden is van die der onderzijde. Bij jonge dieren zijn voorts de verhoudingen tusschen de afmetingen der verschillende
+lichaamsdeelen anders dan bij oude; ook hebben zij een andere, meer grijze kleur.
+
+</p>
+<p>Al deze Muizen vertoonen in woonplaats, levenswijze en uiterlijk veel overeenkomst met elkander, ofschoon ieder van deze dieren
+eigenaardigheden heeft. In &eacute;&eacute;n opzicht stemmen de drie eerstgenoemde overeen, n.l. dat zij, althans van tijd tot tijd, een
+groote voorliefde voor de verblijfplaats van den mensch laten blijken. Alle drie komen zij, vooral des winters, veelvuldig
+in de huizen voor, zoowel in den kelder als op den zolder, in de kamers zoowel als in de keuken. De Huismuis is hier echter
+veelvuldiger dan hare verwanten. De Dwergmuis zouden wij hier nog bij kunnen noemen, daar zij in den winter dikwijls in groot
+aantal voorkomt onder koornschelven, of ook wel in schuren, waar zij met de ingeoogste producten wordt binnengebracht. <a id="d0e1437"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1437">307</a>]</span>Geen van de drie eerstgenoemde soorten is uitsluitend gebonden aan de woonplaats, waaraan zij haar naam ontleent; de Boschmuis
+leeft even goed van tijd tot tijd in schuren en huizen als op het veld; de Akkermuis wordt evenmin uitsluitend op akkers aangetroffen
+als de Huismuis zich uitsluitend tot de woningen van den mensch bepaalt. De namen dezer dieren duiden eenvoudig de woonplaats
+aan, die bij voorkeur door hen gekozen wordt.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Huismuis</span> was reeds in overouden tijd een getrouwe metgezel van den mensch; zij wordt reeds door <span class="smallcaps">Aristoteles</span> en <span class="smallcaps">Plinius</span> als een zeer veelvuldig voorkomend dier vermeld; <span class="smallcaps">Albertus Magnus</span> heeft haar nauwkeurig beschreven. Tegenwoordig is zij over de geheele wereld verbreid. De Huismuis koloniseerde de aardoppervlakte
+tegelijk met den mensch; zij volgde hem tot in het barre noorden en tot in de hoogst gelegen Alpenhutten. Waarschijnlijk zijn
+er slechts weinig plekjes op den aardbol te vinden, waar dit dier in den tegenwoordigen tijd nog niet voorkomt; bovendien
+kan van deze plaatsen alleen gezegd worden, dat het er tot nog toe niet waargenomen is, niet, dat het er ontbreekt. Zoo wordt
+b.v. bericht, dat men op de Soenda-eilanden geen Muizen vindt.&#8212;Alle gedeelten van de woning van den mensch dienen haar tot
+verblijfplaats. Op het land leeft zij gedurende het gunstige jaargetijde ook wel buitenshuis, n.l. in den tuin of in naburige
+velden en boschjes; in de stad bepaalt zij zich tot de woonhuizen en bijgebouwen. Hier vindt zij in elke spleet, in elke holte,
+kortom in elk hoekje, waarin zij wegkruipen kan, een voldoende schuilplaats, vanwaar uit zij hare strooptochten onderneemt.
+
+</p>
+<p>De Huismuis is een buitengewoon behendig en beweeglijk dier. Met zeer groote snelheid loopt zij over den vlakken grond; zij
+klimt voortreffelijk, springt erg ver en huppelt dikwijls gedurende geruimen tijd met korte sprongen over den bodem voort.
+Bij gevangen Muizen kan men zeer goed waarnemen, hoe behendig ze al deze bewegingen maken. Als men een Muis op een schuins
+omhoog gespannen touw of op een stokje laat loopen, slingert zij, zoodra zij het evenwicht verliest, haar staart schielijk
+om het touw of om het stokje, herstelt hierdoor het evenwicht en klimt vervolgens verder. Als men haar op een zeer buigzamen
+halm neerzet, klimt zij omhoog, totdat zij den top van den halm bereikt heeft; als de halm door haar gewicht nedergebogen
+wordt, gaat zij er met den rug naar onderen gericht aan hangen en daalt vervolgens langzaam naar beneden, zonder ooit in verlegenheid
+te komen. Bij het klimmen bewijst de staart haar belangrijke diensten. Muizen, wien men een stuk van den staart had afgesneden
+om haar een vreemd voorkomen te verschaffen, waren niet meer in staat in &#8217;t klimmen met hare langstaartige zusters te concurreeren.
+Allerliefst zijn de verschillende houdingen, die de Muizen aannemen kunnen. Elke buiging, elke beweging geschiedt met gratie.
+Zelfs wanneer de Muis stilzit, ziet zij er bevallig uit; den aangenaamsten indruk brengt zij echter teweeg, wanneer zij, volgens
+de gewoonte der Knaagdieren, op haar achterste rust en zich met hare voorpooten reinigt en wascht. Zij kan nog wel andere
+kunstjes doen, o.a. zich geheel en al op de achterpooten oprichten, evenals de mensch, en zoo zelfs eenige schreden doen.
+Hierbij maakt zij slechts van tijd tot tijd van haar staart als steunsel gebruik. Zij is ook in &#8217;t zwemmen ervaren, ofschoon
+zij slechts in gevallen van hoogen nood te water gaat. Als men haar in &#8217;t water werpt, ziet men, dat zij zich bijna even snel
+als de Waterrat en de Dwergmuis voortbeweegt, en naar de eerste beste droge plaats zwemt om erop te klimmen en zich in veiligheid
+te stellen. Hare zintuigen zijn uitmuntend; zij hoort het zwakste gedruisch en heeft een zeer fijnen reuk, waardoor zij zelfs
+ver verwijderde voorwerpen kan waarnemen; ook kan zij vrij goed zien, des nachts misschien beter dan over dag. Ieder, die
+de levenswijze van de Huismuis nagaat, zal haar schranderheid bewonderen. Zoo boosaardig, arglistig en bijtlustig de Ratten
+zijn, zoo goedaardig en vreedzaam is zij. Bekend is haar nieuwsgierigheid; alles wordt door haar op de zorgvuldigste wijze
+onderzocht. Hare listigheid en schranderheid doen haar spoedig inzien, waar zij geduld wordt en waar niet; overal, waar men
+haar met vrede laat, geraakt zij mettertijd zoozeer aan den mensch gewoon, dat zij in zijn tegenwoordigheid heen en weer loopt
+en hare bezigheden verricht, alsof zij geen stoornis te vreezen heeft. Reeds na een gevangenschap van weinige dagen gedraagt
+zij zich allerliefst; zelfs oude Muizen worden nog tamelijk mak; de jonge echter overtreffen de meeste Knaagdieren, die geschikt
+zijn om gevangen gehouden te worden, door hare goedaardigheid en argeloosheid. Merkwaardig is de liefde voor de muziek, die
+bij de Muizen wordt opgemerkt. Welluidende tonen lokken haar uit haar schuilplaats naar buiten en doen haar alle vrees vergeten.
+Op klaarlichten dag komt zij in kamers, waar een muziekinstrument bespeeld wordt; vertrekken waar geregeld muziek gemaakt
+wordt, zijn ten slotte hare meest geliefde verblijfplaatsen.
+
+</p>
+<p>In den laatsten tijd komen in verscheidene tijdschriften berichten over &#8220;zingende Muizen&#8221; voor; ook heb ik een aantal meer
+directe mededeelingen over dit onderwerp ontvangen. Al deze berichten stemmen in dit opzicht overeen, dat men hier en daar,
+nu en dan Huismuizen heeft opgemerkt, die het gepiep en gekwetter, dat haar van nature eigen is, wijzigen tot geluiden, die
+aan het gezang van Vogels herinneren. Enkele berichtgevers spreken met geestdrift over het gezang van de Muis en vergelijken
+het met dat van den Kanarievogel of zelfs van den Nachtegaal; andere oordeelen er kalmer en waarschijnlijk juister over. De
+onderwijzer <span class="smallcaps">Schacht</span>, een even betrouwbare als ontwikkelde opmerker, heeft een tijdlang zulk een zingende Muis gehad, die haar gezang meestal
+in de schemering, dikwijls eerst in den nacht liet hooren. Met den helderen slag van een Kanarievogel of met de smeltende
+melodi&euml;n van een Nachtegaal, had dit muizengezang niet de minste overeenkomst. Het was slechts een gekwetter, een mengelmoes
+van sleepende, gonzende en piepende toonen, die men in de nachtelijke stilte nog op een afstand van 20 schreden hooren kon.
+Het &#8220;gezang&#8221; van een andere zingende Muis, dat door den onderwijzer <span class="smallcaps">M&uuml;ller</span> werd waargenomen, bestond &#8220;uit opeenvolgende, zachte, fluitende tonen, die in &#8217;t eene oogenblik langzaam, in &#8217;t andere sneller
+werden uitgebracht en in &#8217;t laatstgenoemde geval duidelijk herinnerden aan het gezang van een Vogel, met dit verschil, dat
+zij aanmerkelijk zwakker waren.&#8221; Deze Muis werd door muziek tot zingen opgewekt en floot dan soms ook over dag. Beide hiertoe
+bedoelde zingende Muizen waren mannetjes; het is dus niet onmogelijk dat ook bij deze diersoort de zoete gave van het gezang
+hoofdzakelijk aan de mannelijke sekse ten deel gevallen is. <span class="smallcaps">Pechuel-Loesche</span> heeft maanden lang twee in een keuken vrij rondloopende, zoogenaamde zingende Muizen te gelijkertijd beluisterd. Van de eene
+hoorde men niets anders dan een ongeregeld gesjirp met trillers, doormengd met <a id="d0e1468"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1468">308</a>]</span>een zacht snorren, smakken of hikken en af en toe ook met een zwak gesnork, de andere had meer weeke tonen tot zijn beschikking,
+sommige van deze werden langer aangehouden, waardoor een min of meer welluidend geheel werd voortgebracht. Het zou echter
+juister zijn van het tjilpen en niet het zingen der Muizen te spreken.
+
+</p>
+<p>Tegenover deze aangename eigenschappen van de Huismuis, staan echter zeer lastige ondeugden; zij is een eerste snoepster en
+lekkerbek. Men kan zich moeielijk een snoeplustiger schepsel voorstellen dan een Huismuis, die zich in een goed voorziene
+provisiekamer naar vrije verkiezing bewegen kan! Zij zoekt zich altijd de lekkerste stukjes uit en geeft hierdoor een afdoend
+bewijs van de fijnheid van haar smaakzintuig. Aan allerlei zoetigheden, aan melk, goede vleeschspijzen, kaas, vetten, vruchten
+en zaden geeft zij de voorkeur boven alle andere voedingstoffen, en als zij de kans heeft, zoekt zij van het goede altijd
+het beste uit. Hare scherpe knaagtanden zijn een andere reden voor den haat, dien de mensch haar toedraagt. Als zij iets lekkers
+ruikt, weet zij zich tot de plaats waar het zich bevindt, toegang te verschaffen voor het genot, dat zij daar hoopt te smaken,
+heeft zij een ingespannen arbeid van &eacute;&eacute;n of meer nachten over; zij doorknaagt soms dikke deuren om haar doel te bereiken.&#8212;Als
+zij veel voedsel vindt, dat haar bijzonder lekker voorkomt, vervoert zij ook nog een flinken voorraad daarvan naar haar schuilplaats;
+zij arbeidt met de drift van een gierigaard aan de vermeerdering van hare schatten. &#8220;Op plaatsen, waar zij niet veel gevaar
+heeft van gestoord te worden,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Fitzinger</span>, &#8220;vindt men wel eens in een hoek groote hoopen van walnoten en hazelnoten, soms niet minder dan een voet hoog; zij stapelt
+deze vruchten zoo regelmatig opeen, drukt ze zoo stevig tegen elkander aan en bedekt ze zoo zorgvuldig met geknaagde papieren
+en kleedingstukken, dat men onze Huismuis bijna niet in staat zou achten tot het verrichten van zulk een arbeid.&#8221; Water drinkt
+zij in &#8217;t geheel niet, als zij saprijk voedsel krijgen kan; ook gebruikt zij het maar zelden, als zij zich met droog voedsel
+moet behelpen. Daarentegen is zij zeer verlekkerd op alle zoete dranken. Dat zij ook van alcoholische dranken snoept, blijkt
+uit de volgende mededeeling van den boschbeambte <span class="smallcaps">Block</span>: &#8220;In het jaar 1843 werd ik eens, terwijl ik zat te schrijven door een zwak gedruisch gestoord; opziende, bemerkte ik een
+Muis, die langs den gladden poot van een tafeltje naar boven klom. Boven aangekomen, zocht zij vol ijver de kruimels op, die
+op een bord lagen. In het midden van dit bord stond een zeer licht, kelkvormig borrelglaasje, half gevuld met anisette. Met
+&eacute;&eacute;n sprong was de Muis op den rand van &#8217;t glas, boog zich voorover en slikte ijverig van de likeur. Nadat zij een behoorlijke
+dosis van het zoete vergif gebruikt had, sprong zij weer op de tafel. In hare bezigheden gestoord door het gedruisch dat ik
+maakte, wipte zij met &eacute;&eacute;n sprong van de tafel en verdween achter een kast. Waarschijnlijk ondervond zij spoedig de uitwerking
+van den drank, want kort daarna kwam zij weer te voorschijn en maakte allerlei vreemdsoortige bewegingen; ook deed zij vergeefsche
+pogingen om nogmaals op de tafel te klauteren. Ik stond op en ging op haar af, doch zij stoorde zich niet aan mij. Toen ik
+de Kat haalde, liep zij even weg, maar kwam dadelijk weer terug. De Kat sprong van mijn arm op haar af, en had het dronken
+muisje in hare klauwen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Grooter nog dan de schade, die de Muis door het verslinden van voedingsmiddelen aanricht, is die, welke zij den mensch toebrengt
+door het stukknagen van allerlei voorwerpen van waarde. Bibliotheken en verzamelingen van naturali&euml;n hebben soms veel van
+deze Knaagdieren te lijden. Met allerlei middelen gaat men hun vernielzucht tegen. De ijverigste van alle vijanden van de
+Huismuis is en blijft de Kat. In oude gebouwen wordt zij ijverig geholpen door de Uilen, die ook op het land goede diensten
+bewijzen, evenals de Bunzing en de Wezel, de Egels en de Spitsmuizen. Hoe klein de Spitsmuis ook is, toch is zij veel sterker
+dan de voor ons zoo lastige Knaagdieren; met ijver wijdt zij zich aan de muizenjacht.
+
+</p>
+<p>De Huismuis plant zich zeer snel voort; 22 &agrave; 24 dagen na de paring werpt zij 4 &agrave; 6, niet zelden zelfs 8 jongen. Daar zij in
+&eacute;&eacute;n jaar stellig vijf &agrave; zes maal jongen werpt, bedraagt hun aantal na afloop van dien tijd minstens 30. Een witte Muis, die
+door <span class="smallcaps">Struve</span> in gevangenschap werd gehouden wierp den 17den Mei zes, den 6den Juni zes en den 3en Juli acht jongen. Van den 3en tot den
+28en Juli was zij van het mannetje gescheiden. Den 21en Augustus wierp zij weder zes jongen, den 1en October op nieuw zes
+en den 24en October vijf. Gedurende den winter vermeerderde haar nakomelingschap niet. Den 17den Maart bracht zij opnieuw
+jongen ter wereld. E&eacute;n van de wijfjes van den worp van 6 Juni, kreeg den 18den Juni van &#8217;t volgende jaar voor &#8217;t eerst jongen,
+en wel vier te gelijk. Hieruit kan men afleiden hoe verbazend snel de Muizen zich kunnen vermenigvuldigen, in weerwil van
+haar groot aantal vijanden. Voor haar kraambed maakt de moeder gebruik van elken schuilhoek, waar zij voor vervolgingen beveiligd
+hoopt te zijn; men heeft muizennesten gevonden in uitgeholde brooden, uitgeholde koolrapen, doodshoofden, ja zelfs in muizenvallen.
+Gewoonlijk bestaat de ligplaats van de kleine familie uit met zorg opeengestapeld stroo, hooi, papier, vederen en andere zachte
+stoffen; soms echter bestaat het eenvoudig uit houtspaanders of zelfs uit notedoppen. De jongen zijn bij de geboorte buitengewoon
+klein en, bij witte Muizen althans, in den letterlijken zin van &#8217;t woord doorzichtig. Zij groeien echter schielijk aan, krijgen
+op den zevenden of achtsten levensdag haren, doch openen hunne oogen eerst op den dertienden dag. Nu blijven zij nog maar
+een paar dagen in &#8217;t nest, en gaan dan op de wijze van hunne ouders voedsel zoeken.&#8212;Een treffend voorbeeld van de moederliefde
+van de Muis wordt door <span class="smallcaps">Weinland</span> medegedeeld: &#8220;In het zachte bed, dat een Huismuis voor hare jongen had bereid, ontdekte men haar en hare negen kinderen.
+De moeder kon ontsnappen,&#8212;doch week niet van de plaats. Het geheele gezin werd met een korenschop opgenomen,&#8212;zij bewoog zich
+niet. Men droeg alle onbedekt op de schop weg, verscheidene trappen af, tot in den hof;&#8212;zij bleef hare kinderen trouw en stierf
+met hen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Bij de bewoners van China en Japan, van welker ervarenheid in het fokken van dieren en het kweeken van planten vele merkwaardige
+staaltjes medegedeeld worden, is de Huismuis een huisdier geworden in den eigenlijken zin van &#8217;t woord. <span class="smallcaps">Haacke</span> deelt over de Muizen, die sedert eenige jaren uit deze landen naar hier worden gevoerd, het volgende mede: &#8220;Van een handelaar
+in dieren te Hamburg ontbied ik van tijd tot tijd twee verschillende rassen van de Huismuis, die door den koopman met de namen
+Chineesche &#8216;klimmuizen&#8217; en Japansche &#8216;dansmuizen&#8217; aangeduid worden. De eerstgenoemden onderscheiden zich trouwens alleen door
+haar zeer varieerende kleur, want klimmen doen zij, naar het schijnt, niet meer dan andere Muizen. Hare kleur is echter zeer
+verschillend. Behalve <a id="d0e1493"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1493">309</a>]</span>effen grijze, licht-bruinachtig gele en witte exemplaren, heb ik er gehad, die grijs en wit, zwart en wit, geel en wit, blauw
+en wit gevlekt waren. Driekleurige Muizen zijn, naar het schijnt, zeer zeldzaam. Zooals bekend is, komen ook bij ons witte,
+zwarte en gele soms ook wel gevlekte Muizen voor; maar de Chineezen hebben hun bekwaamheid in het fokken van nieuwe verscheidenheden
+ook op de Huismuizen toegepast. De niet minder op &#8217;t dierenfokken verzotte Japaneezen, hebben echter kans gezien, om van de
+Huismuis een werkelijk wonderbaarlijk dier te maken. De Japansche &#8216;dansmuis&#8217;, die te recht zoo genoemd wordt, komt eveneens
+in de bovengenoemde kleuren voor. Wat haar echter vooral onderscheidt, is de aangeboren gewoonte om met razende snelheid in
+een meer of minder grooten kring rond te loopen, of nog vaker, om, als een tol op &eacute;&eacute;n plaats blijvend, met ongeloofelijke
+snelheid rond te draaien. Dikwijls voeren twee, zeldzamer drie Muizen, gemeenschappelijk zulk een dans uit, die gewoonlijk
+in de schemering begint en gedurende den nacht van tijd tot tijd herhaald wordt; meestal echter danst iedere Muis afzonderlijk.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Boschmuis</span> komt in de meeste opzichten met de Huismuis overeen. Zij is over geheel Europa verbreid, waarschijnlijk alleen met uitzondering
+van de allernoordelijkste gedeelten; in bergachtige streken komt zij nog op een hoogte van 2000 M. boven den zeespiegel voor.
+Zij leeft zoowel in bosschen, als aan hun zoom; men vindt haar dikwijls in tuinen, doch minder veelvuldig op uitgestrekte
+vlakten, waar geen boomen zijn. Des winters verschuilt zij zich gaarne in huizen; zij bezoekt daar kelders en provisiekamers,
+doch vestigt zich bij voorkeur in de hooger gelegen deelen van het huis, waar zij op zolderkamers en onder dak overwintert.
+<span class="smallcaps">Ritzema Bos</span> zegt van de woonplaatsen van deze muis in ons vaderland: &#8220;Overal waar hout groeit: in tuinen, langs wegen, rondom hofsteden
+is zij in vele streken van ons land zeer algemeen. Zij vestigt zich ook wel in alleenstaande huizen; op villa&#8217;s en boerderijen
+vervangt zij soms de Huismuis. Daar zij sterker en vlugger is dan deze, moet zij&#8212;wanneer ze &#8217;t veld of het bosch verlaat,
+en zich in de huizen gaat vestigen&#8212;daar de Huismuis verdringen, even goed als de sterkere en vluggere Bruine Rat haar zwakkere
+zuster heeft verdreven. Werkelijk geschiedt dit, niet alleen in vele all&eacute;&eacute;nstaande behuizingen, maar eveneens in de buitenwijken
+van dorpen en kleine landstadjes. Ik herinner mij dat&#8212;eenige jaren geleden&#8212;in &#8217;t gebouw der Rijks Hoogere Burgerschool te
+Warffum mijn verzameling naturali&euml;n door Muizen werd aangetast. Het uitzetten van muizentarwe had den dood van verscheidene
+van deze indringers ten gevolge; alle bleken mij te behooren tot de soort <i>Mus sylvaticus</i>. <span class="smallcaps">Altum</span>, hoogleeraar aan de academie voor boschbouw te Neustadt-Eberswalde, verzekert, dat in &#8217;t stadje zijner inwoning geen enkele
+Huismuis te vinden is, en dat de Boschmuis haar geheel en al verdrongen heeft.
+
+</p>
+<p>&#8220;Dat nu de laatste niet overal de eerste doet verdwijnen, moet eenvoudig worden toegeschreven aan de omstandigheid, dat beide
+soorten <span class="letterspaced">in den regel</span> niet dezelfde levenswijze hebben, m.a.w. dat zij op verschillende plaatsen voorkomen, en niet hetzelfde voedsel gebruiken,
+zoodat zij gewoonlijk niet als concurrenten optreden.&#8221;
+
+</p>
+<p>In de vrije natuur eet zij gaarne Wormen en Insecten, vooral wanneer deze laatste zich als larven of poppen in den grond bevinden;
+hierdoor kan zij in de bosschen tamelijk veel nut aanbrengen. Schadelijk wordt zij hier daarentegen door het uithalen van
+de nestjes van nuttige Zangvogels. Het hoofdvoedsel van de Boschmuis bestaat echter uit steen- en pitvruchten, noten, eikels,
+beukenootjes, zaden van dennen en sparren. Zij verzamelt hiervan ook wel voorraad voor den winter, vervalt echter niet in
+winterslaap en maakt alleen bij ongunstig weer van de door haar bijeen gebrachte schatten gebruik. &#8220;De schade door dit diertje
+aan de houtteelt berokkend,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Ritzema Bos</span>, &#8220;is niet zoo groot, als men dikwijls verzekert. Het is n.l. zeer waarschijnlijk, dat alle gevallen, waarin stammetjes van
+jonge boomen en takken door Muizen van de schors waren beroofd, moeten komen op de rekening van <span class="letterspaced">Woelmuizen</span> (<i>Arvicola arvalis</i> en <i>A. glareolus</i>). De Boschmuis is op de ontschorsing van boomen nooit betrapt geworden en de door Muizen van schors beroofde stukken vertoonden
+alle de tandindruksels van Woelmuizen.&#8221; &#8220;Van uit het bosch verspreidt zich onze &#8216;springer&#8217; zeer dikwijls over de velden; ja
+somtijds komt zij op zeer aanzienlijken afstand van alle houtgewas op bouwland voor. Men treft haar dan, op de wijze der Veldmuizen,
+in en onder korenschoven en hokken aan. De boeren geven haar dan den naam van &#8216;langstaartige Veldmuis,&#8217; in tegenstelling van
+de &#8216;kortstaartige,&#8217; d.i. de <span class="letterspaced">Eigenl&#307;ke Veldmuis</span> (<i>Arvicola arvalis</i>). Wanneer men op zandgronden van verwoestingen door Muizen hoort, dan is gewoonlijk de Boschmuis de dader, terwijl de Eigenlijke
+Veldmuis de beruchte landplaag der kleigronden is. Toch is ook de Boschmuis op de klei niet geheel onbekend, en de Eigenlijke
+Veldmuis komt op &#8217;t zand ook wel eens voor. Zoo vernielend als de laatste optreedt, vertoont zich de eerste nooit, daar zij
+jaarlijks niet zoo&#8217;n groote nakomelingschap kan leveren. Zij werpt 2-, hoogstens 3maal 4 tot 6 jongen, terwijl de Veldmuis
+telkens 6 &agrave; 12 jongen werpt, en de in &#8217;t voorjaar en den zomer geboren individu&#8217;s zich nog gedurende &#8217;t zelfde jaar weer voortplanten.&#8221;
+
+</p>
+<p>In huis berokkent de Boschmuis ons dikwijls gevoelige schade en heeft zij eigenaardige liefhebberijen. Des nachts dringt zij
+in vogelkooien door en doodt de hier aanwezige Kanarievogels, Leeuweriken, Vinken enz. Van haar smaak voor zoete, bedwelmende
+dranken, deelt <span class="smallcaps">Lenz</span> het volgende voorbeeld mede: Een zijner zusters hoorde op een avond een zeer eigenaardig zangerig gepiep in den kelder; zij
+zocht met een lantaarn naar de oorzaak van dit geluid en vond een Boschmuis, die naast een flesch malaga zat, de naderende
+dame vriendelijk en zonder vrees in &#8217;t gelaat zag en zich in haar gezang niet liet storen. De jonge dame verwijderde zich
+om hulp te halen; een geheel leger van helpers bezette den kelder; de Muis had haar liedje echter nog niet uit; zij bleef
+bedaard zitten, en was vermoedelijk zeer verwonderd, toen men haar met den tang bij den kop pakte. Bij nader onderzoek bleek
+het, dat de flesch een weinig lek was; rondom de plaats waar de droppels neervielen, lag een geheele kring van muizenkeutels,
+waaruit men opmaakte, dat de zooeven als dronkenlap gearresteerde Muis, waarschijnlijk reeds gedurende geruimen tijd hier
+aan &#8217;t pooien was geweest.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Brandmuis</span> bewoont een meer beperkt gebied dan de beide vroeger beschreven soorten; zij leeft tusschen den Rijn en West-Siberi&euml;, het
+noorden van Holstein en Lombardije. In Middel-Duitschland wordt zij overal veelvuldig aangetroffen, in ons vaderland tot dusver
+niet; in hooge bergstreken komt zij niet <a id="d0e1548"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1548">310</a>]</span>voor. Zij houdt zich des zomers op in bouwlanden, aan de kanten van bosschen en in lage boschjes, terwijl zij des winters
+in korenhoopen of in schuren verblijf houdt; ook overwintert zij in gaten in den grond. Bij &#8217;t maaien van &#8217;t koren in den
+herfst, ziet men geheele benden van deze dieren over de stoppels ontvluchten. Hare bewegingen zijn minder behendig dan die
+van hare verwanten; haar uiterlijk is goedaardiger of dommer. Zij voedt zich hoofdzakelijk met graan en andere zaden, met
+kruiden en knollen, Insecten en Wormen; ook zij verzamelt proviand voor den slechten tijd. Wegens haar snelle vermenigvuldiging
+kan zij in de streken, waar zij voorkomt, zeer schadelijk worden: in den zomer werpt zij 3- &agrave; 4maal 4 &agrave; 8 jongen, welke, evenals
+die van de Boschmuis, eerst in &#8217;t volgende jaar de kleur van de ouders hebben.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Hoe lief en bevallig alle kleine Muizen ook zijn, hoe alleraardigst zij zich in de gevangenschap gedragen, het kleinste lid
+van de familie&#8212;de <span class="letterspaced">Dwergmuis</span> (<i>Mus minutus</i>)&#8212;overtreft haar alle te dezen aanzien. Zij is veel beweeglijker, behendiger, vroolijker, kortom, zij is een veel aardiger
+schepeltje dan hare verwanten.
+
+</p>
+<p>De Dwergmuis heeft aan de dierkundigen niet weinig hoofdbrekens veroorzaakt. Sinds <span class="smallcaps">Pallas</span> haar in Siberi&euml; voor &#8217;t eerst aantrof, nauwkeurig beschreef en zeer goed afbeeldde, is zij in vele andere, ver uiteenliggende
+landen gevonden. Bijna iedere natuurbeschrijver, die haar onderzocht, meende het recht te hebben haar als een nieuwe soort
+te beschouwen, o.a. omdat het verbreidingsgebied van dezen vorm zoo uitgestrekt is en de kleur van de vacht tamelijk uiteenloopt.
+Door latere onderzoekingen is echter uitgemaakt, dat de ten onzent voorkomende Dwergmuis werkelijk verspreid is over een gebied,
+dat Siberi&euml;, geheel Rusland, Hongarije, Polen, Duitschland, Frankrijk, Engeland en Itali&euml; omvat en slechts bij uitzondering
+in sommige gewesten van deze landen niet voorkomt. Men vindt haar in alle vlakten waar de landbouw bloeit, en geenszins altijd
+op bouwland, maar dikwijls in het riet van de sloten, die de akkers omgeven, in riet- en biesbosschen, in moerassen en drasse
+landen enz. In Siberi&euml; en aan den voet van den Kaukasus is zij algemeen, in Rusland en Engeland, in Sleeswijk en Holstein
+is zij op zijn minst genomen niet zeldzaam. Maar ook in de overige genoemde landen kan zij soms in grooten getale voorkomen.
+Volgens Dr. <span class="smallcaps">G. A. Venema</span> komt zij veelvuldig voor &#8220;in de breede strook van zulte of zeeaster (<i>Aster tripolium</i>), die de kweldergronden langs den Dollard van de hanepoot (<i>Salicornia herbacea</i>) scheidt. Daar bouwt de Dwergmuis haar nest in de hooge zulteplanten, tusschen hare geurige bloemen in; en als een hooge
+vloed door de zulte rolt, buigt de storm de stengels heen en weer, maar bereikt de bloemen niet. In wiegelende beweging door
+den stroom gebracht, bewaken de oude Muizen, die langs de stengels zijn opgeklommen, de jongen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Gedurende den zomer vindt men dit lieve diertje in gezelschap van de Boschmuis en van de Gewone Veldmuis op korenvelden; in
+den winter komt het soms in groot aantal voor onder hooibergen of in schuren. De Dwergmuis overwintert echter ook wel buiten,
+in holen in den grond; een groot deel van het koude jaargetijde brengt zij dan slapend door, hoewel zij geen eigenlijken winterslaap
+heeft. Als de nood aan den man komt, maakt zij gebruik van den aanzienlijken voedselvoorraad, die zij gedurende den zomer
+in haar hol heeft bijeengebracht. Haar voedsel is hetzelfde als dat van alle overige Muizen; op den akker kan zij nog al wat
+graan bederven; als zij den winter in woonhuizen doorbrengt, gebruikt zij zoowel dierlijk als plantaardig voedsel; in den
+zomer gebruikt zij, naar &#8217;t schijnt, allerlei kleine Insecten.
+
+</p>
+<p>Door hare bewegingen onderscheidt de Dwergmuis zich van alle overige soorten van de Muizenfamilie. In weerwil van hare geringe
+grootte loopt zij zeer snel; zij klimt zeer vlug, behendig en sierlijk. Langs de dunste takken van struiken, langs grashalmen,
+die zoo zwak zijn, dat zij zich ter aarde neigen, wanneer het diertje zich er op bevindt, stijgt zij, den rug naar boven of
+naar onderen gericht, omhoog. Bijna even snel beklimt zij boomen; de kleine, sierlijke staart wordt dan zoo behendig als grijpwerktuig
+gebezigd, alsof het kleine Knaagdier den Brulapen de kunst heeft afgezien. Ook in het zwemmen is het zeer bedreven; ook in
+het duiken is het een meester. Juist hierom kan het overal wonen.
+
+</p>
+<p>Vooral in een ander opzicht geeft de Dwergmuis echter bewijzen van groote bekwaamheid. Zij is een kunstenares, zooals er onder
+de Zoogdieren maar weinig gevonden worden; zij waagt het, met de meest begaafde Vogels te wedijveren en een nest te bouwen,
+dat in schoonheid de nesten van alle overige Zoogdieren verre overtreft. Haar sierlijke woning wordt op zulk een eigenaardige
+wijze gebouwd, alsof zij bij een Rietzanger of een Wevervogel in de leer is geweest. Het Dwergmuizennest is bijna zoo groot
+als een vuist, en rust, al naar de plaatselijke gesteldheid, op 20 &agrave; 30 bladen van rietgrassen, welker toppen uitgerafeld
+en zoo met elkander saamgevlochten zijn, dat zij het eigenlijke nest overal omgeven. Soms is het nest op een afstand van 5
+&agrave; 10 M. boven den grond vrij opgehangen aan de takken van een struik, aan een riethalm of dergelijk voorwerp, zoodat het allen
+schijn heeft, dat het in de lucht zweeft. De vorm van het nest komt het meest overeen met dien van een ei, met zeer stompe
+punten, b.v. met een buitengewoon, bolvormig ganzenei, waarmede het ook in grootte nagenoeg overeenkomt. Het uitwendig bekleedsel
+bestaat altijd uit de geheel in strookjes verdeelde bladen van het riet of van andere grasachtige planten, welker stengels
+den grondslag van de geheele woning uitmaken. De kleine kunstenares neemt elk blad tusschen hare tanden, en haalt het verscheidene
+malen tusschen de vlijmscherpe kronen der snijtanden door, zoodat elk blad in 6, 8, 10 of meer draadvormige strooken wordt
+verdeeld, die ieder aan een of meer taaie, overlangsche bladnerven haar stevigheid ontleenen; daarna worden deze vezels zorgvuldig
+dooreengeslingerd, ineengevlochten en saamgeweven. Van binnen is het nest met aren van riet, met de wol van de kolven der
+kannewasschers (<i>Typha</i>), met het vruchtpluis van paardenbloemen, met allerlei katjes en bloemtrossen opgevuld. Een kleine, zijdelingsche opening
+verleent toegang tot het nest; als men er den vinger insteekt en het van binnen betast, blijkt het geheel en al, zoowel van
+boven als van onderen, gelijkmatig glad gemaakt, en overal zacht en donzig te zijn. De materialen van het nest zijn z&oacute;&oacute; dicht
+met elkander vervilt en saamgevlochten, dat zij voor het dier een stevige rustplaats vormen.
+
+</p>
+<p>Als men in aanmerking neemt, dat de werktuigen, waarvan de Dwergmuis bij dezen arbeid gebruik maakt, veel minder doelmatig
+zijn dan de snavel van de bouwkunstenaars onder de Vogels, kan men niet nalaten de kunstvaardigheid van de Dwergmuizen te
+bewonderen en haar hooger te stellen, dan die van de veel beter uitgeruste, nestbouwende Vogels.
+<a id="d0e1585"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1585">311</a>]</span></p>
+<p>Elk nestje is hoofdzakelijk samengesteld uit de nog aan den stengel vastgehechte bladen van de planten die de woning steunen.
+Een noodzakelijk gevolg hiervan is, dat het nest van buiten bijna (of geheel) dezelfde kleur heeft als de planten waartusschen
+het zich bevindt. Daar n.l. de Dwergmuis haar paleis alleen noodig heeft voor het groot brengen van hare jongen, en deze schielijk
+in staat zijn om zich zelf te redden, is het nest in den regel reeds door hare bewoners verlaten, voordat de bladen, die de
+buitenbekleeding vormen, verwelkt zijn, en een andere kleur hebben aangenomen. In &#8217;t najaar maakt de Muis haar nest in de
+graanschoven; in &#8217;t kreupelhout, aan struiken of laag hout hangt het aan den duinkant (waar het ook, vooral in Holland, veelvuldig
+voorkomt). De oude Muizen bouwen kunstiger en doelmatiger nesten dan de jonge; deze beginnen reeds in &#8217;t eerste levensjaar
+tamelijk flinke nesten te maken, die haar tot rustplaats dienen.
+
+</p>
+<p>Drie of vier maal per jaar brengt de Dwergmuis jongen ter wereld, telkens 5 &agrave; 8. Gewoonlijk blijven deze in hun wieg tot zij
+zien kunnen. De oude dekt ze warmpjes toe, of liever, zij sluit de opening van het nest telkens als zij uitgaat om voedsel
+te zoeken. Ternauwernood zijn de jongen zoover heen, dat zij eenigermate in hun onderhoud kunnen voorzien, of zij gaan hun
+eigen weg, nadat de moeder vooraf nog gedurende een paar dagen met hen buiten verkeerd en hun onderricht in haar beroep gegeven
+heeft.
+
+</p>
+<p>Wie het geluk heeft tegenwoordig te zijn, wanneer de oude Muis haar kroost voor de eerste maal naar buiten geleidt, zal een
+allerbekoorlijkst huiselijk tafereel aanschouwen. Hoe behendig het jonge volkje van nature moge zijn, een weinig onderricht
+is noodig; bovendien is het nog te veel aan de moeder gehecht om reeds dadelijk lust te hebben op eigen wieken te drijven
+en zich zelfstandig te bewegen in de uitgestrekte, gevaarlijke wereld. Het eene jong hangt aan dezen, een ander aan genen
+halm. Het eene sjirpt om door de moeder geholpen te worden, het andere verlangt nog naar de moedermelk. Hier wascht er zich
+een met de voorpootjes, daar heeft een ander een zaadje gevonden, dat met de pootjes vastgehouden en ontbolsterd wordt. Het
+vreesachtigste wijfje is nog binnen in het nest bezig, het dapperste en vermetelste mannetje is al ver weg en zwemt misschien
+reeds rond in de plas, welks bodem de pijlers van de woning draagt. Het geheele gezin is druk in de weer, de moeder niet het
+minst; het eene jong moet geholpen worden, een ander heeft behoefte aan raad, de ijver van het stoutmoedigste kind moet ingetoomd,
+die van het vreesachtigste aangewakkerd worden.
+
+</p>
+<p>Men kan dit aardig schouwspel op zijn gemak waarnemen, als men het geheele nest medeneemt naar huis en in een groote kooi
+van nauwmazig metaalgaas opsluit. Met hennep, haver, peren, zoete appels, vleesch en gewone Vliegen kan men de Dwergmuizen
+gemakkelijk in &#8217;t leven houden; haar lieftallig gedrag vergoedt ruimschoots de moeite, die men aan haar wijdt. Aardig is het
+na te gaan, wat zij doen, als men haar een Vlieg voorhoudt; alle ijlen dan met groote sprongen op het Insect af; de vlugste
+pakt het met de voorpootjes aan, brengt het naar den mond, en doodt het met evenveel drift en roofzucht als de Leeuw bij &#8217;t
+dooden van een Rund aan den dag legt; de prooi wordt daarna weer tusschen de voorpootjes genomen en bedachtzaam verslonden.
+De jongen worden zeer schielijk tam, doch wanneer men zich niet zeer dikwijls met hen bemoeit, op lateren leeftijd weer schuw.
+Omstreeks den tijd, waarin zij in den natuurstaat schuilplaatsen zouden opzoeken om daar te overwinteren, worden zij altijd
+zeer onrustig en zoeken met geweld te ontvluchten, juist zooals de trekvogels, die in een kooi gehouden worden, gewoon zijn
+te doen, als de tijd van vertrek hunner vrije soortgenooten aanbreekt. Ook in Maart neemt men bij de Dwergmuizen deze begeerte
+om uit haar kooi te ontsnappen waar. Overigens geraken zij schielijk aan de gevangenschap gewoon; zij beginnen vol ijver hare
+kunstvolle nesten te bouwen van de materialen die men haar hiervoor geeft, b.v. van papiersnippers en katoen.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De laatste onderfamilie bevat de <span class="letterspaced">Hamstermuizen</span> (<i>Cricetinae</i>), meer of minder plomp gebouwde, dikwijls groote Muizen met gespleten bovenlip en groote wangzakken; even als de Echte Muizen
+hebben zij in elke kaakhelft drie kiezen met op dwarse reeksen geplaatste knobbeltjes.
+
+</p>
+<p>Onze <span class="letterspaced">Hamster</span> behoort tot het bekendste geslacht (<i>Cricetus</i>), welks belangrijkste kenmerken gelegen zijn in den plompen, dikken romp, die op korte ledematen rust, en in een zeer korten,
+dun behaarden staart eindigt. De knaagtanden zijn bijzonder groot. Deze diersoort bewoont de korenakkers van vruchtbare gewesten
+van de gematigde luchtstreek in Europa, Azi&euml; en Amerika. Hier graven de Hamsters diepe holen met verscheidene kamers, waarvan
+sommige in den herfst met een voorraad voedsel voor den winter gevuld worden; in de andere slijten zij een groot deel van
+haar leven, welks lusten en lasten wij zullen leeren kennen door het nagaan van den levensloop van onzen inheemschen Hamster.
+Inheemsch mogen wij hem noemen, daar hij, volgens <span class="smallcaps">Ritzema Bos</span>, in &#8217;t zuidelijk gedeelte van Limburg voorkomt, waar het aantal dezer dieren sedert 1879 zoodanig vermeerderde, dat zij er
+als een landplaag berucht werden en de Commissaris des Konings op 14 Januari 1880 een missive aan de gemeentebesturen in Limburg
+verzond, waarin de landbouwers werden aangespoord hunne nieuwe vijanden zooveel mogelijk uit te roeien. Niet op elken bodem
+komt de Hamster voor, in ieder geval niet op een bodem, die zeer zandig is, daar zijne gangen er te gemakkelijk zouden instorten.
+Vandaar, dat hij in het noordelijke gedeelte van Limburg ontbreekt, waar bovendien tarwe en paardeboonen, zijn hoofdvoedsel,
+niet of weinig gekweekt worden. In Zuidelijk Limburg daarentegen, op de zoogenoemde Limburgsche klei, is hij in zijn element.
+
+</p>
+<p>De in lichamelijk opzicht niet misdeelde en ook moedige <span class="letterspaced">Hamster</span> (<i>Cricetus frumentarius</i>) is overigens geen aantrekkelijke verschijning; hij heeft een zeer onaangenaam, prikkelbaar en ontevreden karakter. Met inbegrip
+van den ongeveer 5 cM. langen staart kan hij een lengte van nagenoeg 30 cM. bereiken. De bovendeelen zijn grootendeels roodachtig
+geel met grijsbruin gemengd. Lichter, n.l. roestkleurig geel, zijn de zijden van den kop, een streepje onder het oor, een
+vlek op den schouder en een kleinere vlek achter den oksel. Donkerder, n.l. bruinachtig rood, zijn het oor, de omgeving van
+oor en oog en van den staartwortel, de buitenzijde van dij en onderbeen. De onderdeelen en ook de nog niet genoemde deelen
+van de pooten, met uitzondering van de witte voeten, zijn zwart; wit zijn ook de rand van het oor, de lippen, de spits van
+den snuit en een overlangsche streep op de keel. Van deze <span id="d0e1623" class="corr" title="Bron: kleursverdeeling">kleurverdeeling</span> komen echter allerlei afwijkingen voor; sommige exemplaren <a id="d0e1626"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1626">312</a>]</span>zijn geheel zwart, andere zwart met witte keel en grijze kruin; andere van boven dof vaal, van onderen lichtgrijs, aan de
+schouders witachtig; ook treft men er soms albino&#8217;s bij aan.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1312.jpg" alt="Hamster (Cricetus frumentarius). &#8531; v.d. ware grootte." width="720" height="568"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Hamster</span> (<i>Cricetus frumentarius</i>). &#8531; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Het verbreidingsgebied van den Hamster strekt zich uit van den Rijn tot den Ob. In de zuidelijke en zuidwestelijke deelen
+van Duitschland ontbreekt hij, evenals ook in Oost- en West-Pruisen; daarentegen is hij veelvuldig in Th&uuml;ringen en Saksen.
+In de landen aan de Middellandsche Zee, in Engeland, Denemarken en Skandinavi&euml; is hij onbekend. Een bodem, die matig vast,
+droog en tevens vruchtbaar is, voldoet hem het best. Hij vermijdt alle zandige gewesten; om geen te groote bezwaren te ondervinden
+bij het graven, vestigt hij zich evenmin op een zeer vasten on steenachtigen bodem. Hij houdt niet van bergstreken en bosschen,
+evenmin van waterrijke laaglanden. Waar hij voorkomt, treft men hem veelvuldig, soms zelfs in ongeloofelijke scharen aan.
+
+</p>
+<p>Zijn woning bestaat uit een groote woonkamer, die op een diepte van 1 &agrave; 2 M. gelegen is en met de buitenwereld in gemeenschap
+staat door twee gangen: een hellende, waardoor de bewoners het hol verlaten en een loodrechte, waardoor zij er inkomen. Door
+andere gangen is de woonkamer verbonden met de voorraadkamer. Het hol van den Hamster is gemakkelijk te herkennen aan den
+gewoonlijk met kaf en doppen van peulvruchten bedekten aardhoop, die voor de uitgangsopening ligt. De ingangspijp dringt altijd
+loodrecht in den bodem door, soms zoo, dat men er een langen stok in kan steken; zij komt echter niet onmiddellijk in de kamer
+uit, maar door tusschenkomst van een soms horizontale, soms hellende verbindingsbuis. De uitgangspijp daarentegen loopt zelden
+recht, maar is in den regel gekromd. Aan de gangen is het gemakkelijk te zien, of het hol bewoond wordt of verlaten is. Als
+zij mos, schimmelplanten of gras bevatten, of oneffene wanden hebben, kan men er zeker van zijn, dat het hol niet gebruikt
+wordt, want de Hamster is bijzonder netjes op zijn huis en zijn huisdeur. De kleinste van de kamers is de woonkamer; deze
+heeft gladde wanden en is altijd aangevuld met zeer fijn stroo, meestal met bladscheeden van de graanhalmen, die een zeer
+zachte ligplaats leveren. Drie gangen komen in deze kamer uit en stellen haar in gemeenschap met den ingang, den uitgang en
+de voorraadkamer. Deze is dieper gelegen dan de woonkamer, maar gelijkt er volkomen op; zij wordt als de herfst nadert, geheel
+gevuld. Jonge Hamsters leggen slechts &eacute;&eacute;n proviandpakhuis aan; de oude hebben er echter 3 &agrave; 5; men vindt soms meer dan 50
+KG. voorraad in &eacute;&eacute;n enkele woning, meestal graan en zaden van peulvruchten, zelden ook wortels, rapen en dergelijke voedingsmiddelen.
+
+</p>
+<p>Vroeger werd beweerd, dat de Hamster iedere graansoort afzonderlijk opstapelt; ten onrechte deed men dit, want hij bergt de
+zaden op, zooals hij ze vindt; de reden waarom zij dikwijls soort bij soort leggen, is niet gelegen in de ordelievendheid
+van den verzamelaar, maar in de omstandigheid, dat hij in den eenen tijd niet anders dan deze, in een anderen tijd uitsluitend
+gene zaden vindt.
+
+</p>
+<p>De woning van het wijfje verschilt in sommige opzichten van die van het mannetje; hoewel zij slechts &eacute;&eacute;n uitgangsbuis heeft,
+bedraagt het aantal ingangsbuizen 2 &agrave; 8, waarvan er echter maar &eacute;&eacute;n druk gebruikt wordt, zoolang de jongen nog klein zijn.
+
+</p>
+<p>Ondanks zijn plomp voorkomen ontbreekt het den Hamster niet aan vaardigheid. Zijn gang, die tamelijk wel met dien van den
+Egel overeenkomt, en waarbij de buik bijna over den grond sleept, bestaat uit kleine stapjes. Als hij toornig is, maakt hij
+haastiger bewegingen en kan hij tamelijk ver en hoog springen. Het graven verstaat hij meesterlijk. Als men hem in een vat
+met aarde plaatst, gaat hij oogenblikkelijk aan den arbeid. De grond wordt met de voorpooten, of, bij het ontmoeten van meer
+weerstand, bovendien ook met de tanden losgewerkt en voorloopig onder den <a id="d0e1647"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1647">313</a>]</span>buik geworpen; de achterpooten halen hem van hier op en werpen hem naar achteren. Als hij dieper gekomen is, schuift hij achteruitgaand
+geheele hoopen aarde tegelijk naar buiten, nooit vult hij er echter zijne wangzakken mede, zooals ten onrechte beweerd wordt.
+Hoewel hij het water angstvallig vermijdt, beweegt hij zich hierin vrij goed. Als men hem in een tobbe met water werpt, zwemt
+hij hierin vlug rond, maar knort intusschen vol woede; uit alles blijkt dan, dat hij zich niet op zijn gemak gevoelt. Als
+hij overvallen wordt, gaat hij oogenblikkelijk op de achterpooten staan en laat de voorpooten bij zich neer hangen, de eene
+gewoonlijk een weinig lager dan de andere. Zoo houdt hij stijf de oogen gericht op den verstoorder van zijn rust, blijkbaar
+gereed om, zoodra de gelegenheid schoon is, toe te schieten en hem zijne scherpe tanden te laten voelen.
+
+</p>
+<p>Naar het schijnt, zijn de hoofdzintuigen van den Hamster tamelijk gelijkmatig ontwikkeld; het blijkt althans niet, dat het
+eene boven het andere bevoorrecht is. De eigenschappen van den geest zijn niet bijzonder geschikt om hem tot een lieveling
+van den mensch te maken. Geen ander Knaagdier van even geringe grootte, met uitzondering misschien van de Ratten of de Lemmingen,
+laat zich zoo geheel door den toorn overmeesteren. Bij de geringste aanleiding stelt hij zich vermetel te weer, laat een dof
+gebrom hooren, knarst met de tanden en slaat ze ongemeen snel en hevig tegen elkander aan. Even groot als zijn toorn, is ook
+zijn moed. Hij verdedigt zich tegen ieder dier, dat hem aanvalt en zet den strijd voort, zoolang hij kan. Als hij met onervaren
+Honden te doen heeft, behaalt hij niet zelden de zege; de schrandere Rattenvangers alleen weten hem aan te pakken en schudden
+hem dan bijna oogenblikkelijk dood. Alle Honden haten den Hamster bijna even hevig als den Egel, omdat zij het niet verdragen
+kunnen, dat zulk een klein dier hun oppermacht niet erkent. Niet alleen tegen Honden verweert de Hamster zich, ook den mensch
+valt hij stoutmoedig aan, zelfs hem, die niets met dit dier heeft uit te staan. Niet zelden gebeurt het, dat iemand die een
+Hamsterwoning voorbijgaat, plotseling het woedende dier aan zich (aan de kleederen meestal) voelt hangen. Ook bij Paarden
+doet hij dit. Tegen Roofvogels, die hem van den grond opnemen, verweert hij zich nog in de lucht. Als hij zich eens ergens
+aan vastgebeten heeft, laat hij niet los tenzij men hem doodslaat.
+
+</p>
+<p>Dat zulk een doldriftig dier niet verdraagzaam kan zijn, is licht te begrijpen. De jongen willen, zoodra hun eerste jeugd
+voorbij is, niet meer bij de moeder blijven; de mannelijke Hamster bijt het wijfje dood, als hij haar buiten den paartijd
+ontmoet. Gevangen Hamsters leven zelden in vrede met elkander, met oude dieren is dit waarschijnlijk nooit het geval; jongen,
+die nog geen jaar oud zijn, kunnen beter met elkander overweg. Ik heb gedurende geruimen tijd in een kist drie van deze dieren
+gehad, die nooit met elkander twistten, maar integendeel zeer verdraagzaam bijeenzaten, meestal zelfs het eene boven op het
+andere. Jonge Hamsters uit verschillende nesten vallen echter onmiddellijk op elkander aan en beginnen een strijd op leven
+en dood.&#8212;Een grappig schouwspel verschaft men zich, wanneer men den Hamster een Egel tot metgezel geeft. In &#8217;t eerst kijkt
+het Knaagdier nieuwsgierig naar zijn zonderlingen kameraad, die zich niet veel om zijn gezelschap bekommert, maar rustig zijn
+gang gaat. Maar de rust wordt spoedig verstoord. Toevallig komt de Egel in de buurt van zijn medegevangene, en wordt door
+dezen met een toornig gebrom begroet; vol schrik rolt het stekelige dier zich tot een bal ineen. Nu gaat de Hamster op verkenning
+uit. De stekelige bal wordt besnuffeld,&#8212;een bloedende neus is de uitkomst, tot welke hij geraakt. Woedend stoot de gewonde
+den bal weg&#8212;o wee, ook de hand is gekwetst! Nu ontbloot hij de tanden, piept, blaast, wipt op den bal, springt er ontsteld
+weer van af, tracht hem met den rug weg te duwen, steekt zich in den schouder, wordt al woedender en woedender, doet opnieuw
+vruchtelooze pogingen om het monsterachtige wezen uit den weg te ruimen, krijgt nog meer steken in de handen en de lippen&#8212;ten
+einde raad gaat hij eindelijk, terwijl allengs de verbazing de overhand krijgt over den toorn, voor &#8220;het stekelvarken&#8221; opzitten
+en kijkt naar het vreemdsoortig dier met een merkwaardig comische vrees en met een ingehouden woede, die hij niet zelden koelt
+aan een nabijzijnd voorwerp, aan een volkomen onschuldige soort- en lotgenoot, wien hij de beten tracht te geven, die hij
+den Egel had toegedacht. Zoo vaak de Egel zich verweert, begint het spel opnieuw, en weerklinkt een uitbundig gelach uit de
+rijen der toeschouwers.
+
+</p>
+<p>Tegenover andere, kleinere dieren toont de Hamster zich natuurlijk nog minder verdraagzaam als ten opzichte van zijne soortgenooten;
+of liever, hij maakt jacht op hen, want levende wezens maken een voornaam bestanddeel van zijn voedsel uit. Vogeltjes, Muizen,
+Hagedissen, Hazelwormen, Ringslangen en Insecten eet hij nog liever dan plantaardige stoffen.
+
+</p>
+<p>Ook de Hamster houdt winterslaap. Hij ontwaakt, zoodra de grond ontdooid is, dikwijls reeds in Februari, stellig in Maart.
+Niet dadelijk ontsluit hij de verstopte openingen van zijn woning, maar blijft stilletjes onder den grond en maakt gebruik
+van zijn winterprovisie. Omstreeks het midden van Maart maken de oude mannetjes, in het midden van April de oude wijfjes de
+deur van het winterverblijf open. Dan beginnen zij buitenshuis voedsel te zoeken.
+
+</p>
+<p>Omstreeks 4 &agrave; 5 weken na de paring&#8212;voor de eerste maal tegen het einde van Mei, voor de tweede maal in Juli&#8212;werpt het wijfje
+in haar zacht en warm gevoerd nest 6 &agrave; 18 jongen. Als zij 14 dagen oud zijn, beginnen de jonge Hamsters reeds in den grond
+te wroeten, en zoodra zij dit kunnen, denkt de onvriendelijke moeder er aan, zich van haar kroost te ontdoen; zij zet de kleintjes
+eenvoudig haar woning uit en dwingt ze zelfstandig in hun onderhoud te voorzien. Dit schijnt de jonge Hamsters niet veel moeite
+te kosten; want reeds op den zesden of zevenden dag van hun leven, als zij ternauwernood behaard zijn en nog in &#8217;t geheel
+niet zien kunnen, weten zij al heel aardig een tarwekorrel tusschen hunne voorpootjes vast te houden en met hunne scherpe
+tandjes te beknabbelen. Als er gevaar in aantocht is, sluipen de jonge diertjes, hoe hulpbehoevend zij ook schijnen, behendig
+naar allerlei schuilhoeken van het hol; het eene heeft zich schielijk op de best mogelijke wijze hier, het andere daar weten
+te verbergen; de meeste echter zijn de moeder gevolgd. Deze, die in andere omstandigheden zoo woedend en boosaardig, zoo moedig
+en dapper is, toont zich lafhartig, als het er op aankomt hare kinderen te verdedigen; zij neemt schandelijk de vlucht, zoodra
+zij bespeurt, dat haar of haar kroost onheil dreigt, en kruipt met hare spruiten weg in een blind eindigende gang; den weg,
+langs welken zij het nest verliet, tracht zij zoo schielijk mogelijk met aarde dicht te stoppen en de gang wordt met verbazende
+snelheid verlengd.
+<a id="d0e1659"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1659">314</a>]</span></p>
+<p>Zoodra de veldvruchten rijp worden, hebben de Hamsters het druk met den oogst. Aan de zaaddoozen van &#8217;t vlas, aan groote paardeboonen
+en erwten geven zij, naar het schijnt, de voorkeur boven alle andere vruchten. Alleen daar, waar den Hamster niets in den
+weg wordt gelegd, haalt hij den oogst over dag binnen; gewoonlijk echter zijn de eerste helft van den nacht en de morgen v&oacute;&oacute;r
+zonsopgang de voor den arbeid bestemde tijd. Met de voorpooten buigt hij de lange halmen naar beneden, snijdt er met &eacute;&eacute;n beet
+de aar af, pakt haar met de voorpooten aan, draait haar een paar malen heen en weer en heeft haar nu niet alleen van korrels
+beroofd, maar deze ook reeds in hare wangzakken geborgen. Zoo worden deze wijde, tot aan de schouders reikende zakken tot
+aan den rand gevuld; dikwijls sleept een Hamster ongeveer 50 gram graan tegelijk naar zijn woning. Als het dier zoo beladen
+is, ziet het er zeer grappig uit en is het zoo onbeholpen mogelijk. Zonder schroom kan men het nu in de handen nemen, want
+de volgepropte wangzakken stellen het buiten staat om te bijten; men moet het dier echter niet den tijd laten met de voorpooten
+de zakken leeg te strijken, want dan stelt het zich te weer.
+
+</p>
+<p>In het begin van October, als het koud wordt en de akkers kaal zijn, denkt de Hamster er ernstig aan, zijn winterkwartier
+in gereedheid te brengen. Het leger is zeer klein, en wordt met het fijnste stroo dicht bekleed. Nu eet de luie dagdief zich
+dik en vet, en gaat eindelijk ineengerold liggen om den winterslaap te beginnen. De ledematen blijken bij aanraking ijskoud
+te zijn, kunnen moeilijk gebogen worden, springen, als men ze met geweld gebogen heeft, gelijk bij doode dieren, onmiddellijk
+weder in hun vroegeren stand terug; de oogen zijn gesloten. De ademhaling en het kloppen van het hart zijn niet meer te voelen.
+Gewoonlijk slaat het hart 14 of 15 maal in de minuut. V&oacute;&oacute;r het ontwaken merkt men in de eerste plaats op, dat de stijfheid
+vermindert. Daarna begint het ademhalen merkbaar te worden; men bespeurt eenige bewegingen; de slaper gaapt en laat een rochelend
+geluid hooren, rekt zich uit, opent de oogen, waggelt rond, alsof hij beschonken is, tracht op zijne pooten te blijven staan,
+valt om, staat nogmaals op, schijnt in gedachten verzonken, en loopt eindelijk langzaam rond; als men hem iets eetbaars toewerpt,
+vreet hij het dadelijk op; hij poetst en strijkt zich de haren glad en is nu volkomen wakker. In een kamer, waar bij koud
+weer gestookt wordt, kan men de Hamsters voortdurend wakker houden; zij blijven dan echter niet gezond en sterven spoedig.
+
+</p>
+<p>Wel is het gelukkig, dat de Hamster, die zich soms zeer sterk vermenigvuldigt, en dan groote schade aanricht, zoovele vijanden
+heeft. Buizerden en Uilen, Raven en vele andere Vogels, vooral echter de Bunzing en de Wezel, zitten hem onophoudelijk op
+de hielen en dooden hem, waar en wanneer ze hem ook ontmoeten.
+
+</p>
+<p>In eenige streken wordt ook door den mensch een verdelgingsoorlog tegen den Hamster gevoerd. Het belangrijkste voordeel, dat
+deze jacht oplevert, is de voorraad, die deze kluizenaar verzamelt; het door hem voor de toekomst bewaarde graan wordt eenvoudig
+afgewasschen, daarna gedroogd en evenals ander koorn gemalen. Ook het vel van dit dier is bruikbaar; naar men bericht, levert
+het een zeer goede, lichte en duurzame pelterij. In vele gewesten wordt het vleesch van den Hamster gegeten. Hoe groot het
+aantal dezer dieren in sommige streken is, in weerwil van de ijverigste vervolgingen, kan men afleiden uit het door <span class="smallcaps">Altum</span> medegedeelde bericht, dat in 1869, op de akkers om Aschersleben, 39.000 Hamsters gevangen werden.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De familie van de <span class="letterspaced">Woelmuizen</span> (<i>Arvicolidae</i>), omvat een groot aantal soorten van kleine Knaagdieren, die veel op elkander gelijken en in vele opzichten aan de Muizen
+herinneren, bij welke familie zij vroeger gevoegd werden. De uitwendig zichtbare kenmerken, waardoor zij zich van deze onderscheiden,
+zijn vooral: de plompe lichaamsbouw, de dikke kop, de ooren, die geheel onder de beharing verborgen zijn of slechts weinig
+er boven uitsteken en de korte staart, welks lengte hoogstens het twee derde deel van die van het overige lichaam bedraagt.
+
+</p>
+<p>Het gebit bevat, behalve de bij alle Knaagdieren voorkomende wortellooze (steeds doorgroeiende) snijtanden, drie kiezen in
+elke kaakhelft; deze hebben niet, evenals die der Echte Muizen, &#8220;ware&#8221; wortels, maar zijn &#8220;wortelloos&#8221;. Het in de kaak verborgen
+deel van den tand of kies, wordt n.l. alleen dan een &#8220;ware&#8221; wortel genoemd, als het allengs dunner wordt, en aan het dunne
+uiteinde slechts fijne, moeielijk zichtbare openingen heeft, waardoor de bloedvaten voor het in den tand aanwezige tandbeenvormende
+orgaan (de pulpa) binnendringen. Wortellooze tanden hebben aan het bedoelde uiteinde een groote opening en heeten daarom ook
+wel tanden met &#8220;open wortels&#8221;. De tandbeenvorming heeft hier wegens de meerdere toevoer van bloed naar de pulpa sneller plaats;
+&#8220;wortellooze&#8221; tanden (of kiezen) groeien dus van onderen aan, naarmate zij van boven afslijten. Bovendien bestaat de kauwvlakte
+van de kiezen der Woelmuizen niet, evenals die der Echte Muizen, uit met email bedekte knobbeltjes, maar vertoont dwars gerichte
+lijsten van email, gevormd door de naar binnen dringende plooien van de emaillaag, die de geheele kies omgeeft. Deze lijsten
+blijven steeds boven de kauwvlakte uitsteken, wijl de daarnevens gelegen bestanddeelen van de kies (tandbeen en cement) zachter
+zijn en sterker afslijten.
+
+</p>
+<p>De Woelmuizen bewonen het noorden van de Oude en Nieuwe Wereld. Zij leven zoowel in de vlakte als in het gebergte, op bouwland
+en ook op nagenoeg woeste gronden, op akkers en weiden, in tuinen, aan de oevers der rivieren, beken, meren en plassen. Holen
+en gaten, die door haar zelf gegraven zijn, dienen haar tot verblijfplaats. Bijna alle vermijden de nabuurschap van den mensch;
+slechts weinige komen soms in zijne stallen en schuren of in zijne tuinen. Hare holen bestaan uit meer of minder lange, al
+of niet vertakte gangen, welke zich van die der andere dieren dikwijls door hun ligging dicht bij de oppervlakte onderscheiden;
+vele echter graven kamers, die op hutten gelijken, andere maken woningen, die in meerdere of mindere mate van kunstvaardigheid
+getuigen. De meeste wonen alleen of paarsgewijs; nu en dan vereenigen zij zich echter tot groote scharen. Hun voedsel ontleenen
+zij vooral aan &#8217;t plantenrijk, door vele echter worden ook dierlijke stoffen niet versmaad. Vele verzamelen wintervoorraad,
+hoewel zij geen winterslaap houden. Voor &#8217;t overige gelijken zij in bijna alle opzichten op Echte Muizen. Haar levenswijze
+is bijna als die van deze dieren, die zich echter door meerdere vlugheid en behendigheid onderscheiden. Ook de Woelmuizen
+bewegen zich tamelijk snel; slechts weinige soorten kunnen klimmen; bijna alle zijn meesterlijk ervaren in het zwemmen, eenige
+leven zelfs geheel in &#8217;t water; andere houden maanden lang verblijf in de sneeuw, waarin zij langen gangen graven en kunstvolle
+nesten bouwen. Enkele soorten ondernemen, waarschijnlijk door gebrek <a id="d0e1685"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1685">315</a>]</span>aan voedsel gedreven, groote zwerftochten; hieraan is het toe te schrijven, dat tegenwoordig verscheidene soorten in Europa
+inheemsch geworden zijn, die vroeger uitsluitend in Azi&euml; leefden. Onder hare zinnen staan de reuk en het gezicht bovenaan.
+Hare geestvermogens zijn gering. Alle vermenigvuldigen zich sterk, sommige soorten zelfs ongeloofelijk snel. Bijna alle soorten
+zijn voor den mensch schadelijk zonder hem eenigen dienst van beteekenis te bewijzen; zij worden daarom terecht gehaat en
+op allerlei wijzen vervolgd.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Muscus-rat</span>, <span class="letterspaced">Bever-rat</span> of <span class="letterspaced">Ondatra</span> (<i>Fiber zibethicus</i>), de eenige voor den mensch nuttige soort van de geheele familie, kan omschreven worden als een groote Waterrat met langen
+staart, breede achtervoeten (welker teenen door korte zwemvliezen met elkander verbonden zijn), stompen snuit en kort behaarde
+ooren (die gesloten kunnen worden). De staart is alleen in de nabijheid van den stam rolrond, voor het overige zijdelings
+samengedrukt, in de nabijheid van de spits tweesnijdig en met kleine schubben bezet. De beharing is dicht, glad aanliggend,
+zacht en glanzig, het wolhaar buitengewoon zacht, fijn en kort, het bovenhaar zeer glanzig en dubbel zoolang als het wolhaar.
+De bovendeelen, zijn bruin, soms geel, de onderdeelen zijn grijs, op sommige plaatsen met een roodachtig waas; de staart is
+zwart. Volwassen mannetjes worden omstreeks 58 cM. lang, waarvan ongeveer de helft op den staart komt.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1315.jpg" alt="Muscus-rat of Ondatra (Fiber zibethicus). &#8531; v.d. ware grootte." width="720" height="403"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Muscus-rat</span> of <span class="letterspaced">Ondatra</span> (<i>Fiber zibethicus</i>). &#8531; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Ondatra bewoont de landen van Noord-Amerika, die <span id="d0e1717" class="corr" title="Bron: tusschen tusschen">tusschen</span> 30 en 60&deg; N.B. gelegen zijn. Het veelvuldigst komt dit dier voor in het waterrijke Canada en in Alaska. De met gras begroeide
+oevers van groote meren of van breede, langzaam stroomende rivieren, van stille beken en moerassen, zijn de verblijfplaatsen
+van deze om zijn vacht zeer gezochte Rat; het liefst echter vestigt zij zich aan de kanten van niet al te groote, met riet
+en waterplanten bedekte vijvers. Hier bewoont zij een bepaalde plaats en vormt met andere dieren van haar soort tamelijk innig
+verbonden famili&euml;n of volken. Haar levenswijze komt in vele opzichten met die van den Bever overeen: de Indianen noemen daarom
+deze beide dieren broeders, en beweren, dat de Bever de oudste en schranderste, de Muscusrat de domste van de twee is. De
+woningen zijn, evenals die van den Bever, eenvoudig onderaardsche kamers met verscheidene uitgangsbuizen, die alle onder den
+waterspiegel uitkomen, of hutten boven den grond. De laatstgenoemde, die vooral in noordelijke streken aangelegd worden, zijn
+half-kogelvormig of gelijken op koepels; zij rusten op een modderbank en verheffen zich dus boven den waterspiegel. De wanden
+dezer hutten worden van zeggen, riet en biezen vervaardigd, welke plantendeelen door slib met elkander verbonden zijn; eenige
+onderzoekers beweren echter, dat de geheele hut aanvankelijk uit slib bestaat, en zich langzamerhand eerst bedekt met een
+laag van gras en biezen, doordat deze er tegen aan drijven. De hut bevat slechts &eacute;&eacute;n kamer, die een middellijn van 40 &agrave; 65
+cM. heeft. Een gang, die op den bodem van het water uitkomt, verleent toegang tot deze kamer. Van haar gaan andere blind eindigende
+buizen uit, die een eind weegs onder den grond doorloopen en naar gelang van de omstandigheden meer of minder verlengd worden,
+want zij dienen eigenlijk alleen om de wortels van de waterplanten, die hij als voedsel gebruikt, te kunnen bereiken. V&oacute;&oacute;r
+den winter bekleedt de Ondatra hare kamers met een zacht kussen van droge bladeren en zorgt voor luchtverversching in haar
+hut door het middelste deel van het dak uit los opeengestapelde planten samen te stellen, waartusschen genoeg ruimten overblijven
+om versche lucht toe te laten en de bedorven lucht te laten ontsnappen. Zoolang het moeras of de vijver niet tot op den bodem
+dicht vriest, leeft zij zeer genoegelijk in haar warme woning, die door het dikke sneeuwkleed, dat haar bedekt, nog meer tegen
+de koude beschut wordt.
+
+</p>
+<p>Het voedsel van deze dieren bestaat bijna uitsluitend uit waterplanten; in vele woningen werden echter ook leeggegeten schelpen
+van Weekdieren gevonden. Aan gevangen exemplaren merkte <span class="smallcaps">Audubon</span> op, dat zij veel van Mossels houden. De Bever-ratten zijn zeer opgewekt en speelsch, als zij zich in haar eigenlijk element,
+in het water, bevinden. Wie zich in een stillen nacht in de nabijheid van een molenvijver of ander, diep, afgelegen water
+bevindt, ziet er vaak verscheidene van deze dieren bijeen, en kan nagaan, hoe zij zich vermaken; sommige zwemmen in verschillende
+richtingen heen en weer, waarbij zij lange glinsterende strepen op den waterspiegel doen ontstaan; andere rusten eenige oogenblikken
+op bosjes gras of op steenen en kluiten, van waar zij het voedsel dat op het water drijft, kunnen bereiken; nog andere zitten
+aan den oever en springen de eene na de andere als Kikvorschen in den plas. Een groote ontsteltenis <a id="d0e1725"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1725">316</a>]</span>maakt zich van de op deze wijze spelende Ondatra&#8217;s meester, zoodra men een geweer afschiet. Overhaast nemen zij de vlucht;
+met een onvergelijkelijke snelheid duiken zij bij dozijnen te gelijk in de diepte, zoodra zij den knal hooren, of verdwijnen
+in hare holen.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1316.jpg" alt="Waterrat (Arvicola amphibius). &#8532; v. d. ware grootte." width="720" height="443"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Waterrat</span> (<i>Arvicola amphibius</i>)<span id="d0e1735" class="corr" title="Bron: ">.</span> &#8532; v. d<span id="d0e1738" class="corr" title="Bron: ">.</span> ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Van de voortplanting der Muscus-ratten is tot dusver niet veel bekend. Het wijfje werpt in haar hut of in een onderaardsch
+hol 3 &agrave; 6 jongen.
+
+</p>
+<p>Over &#8217;t algemeen onderscheiden deze Woelmuizen zich door een buitengewoon zachten aard. Die, welke jong gevangen zijn, worden
+spoedig tam. De oude dieren blijven echter bijtlustig en ongenaakbaar. Men moet ze bewaren in een kist, die van binnen met
+blik bekleed is, daar zij andere hokken spoedig vernielen.
+
+</p>
+<p>De Ondatras worden ijverig vervolgd, niet zoo zeer wegens de schade, die zij aanrichten, als wegens het voordeel, dat zij
+na haar dood opleveren. Van het vel worden pelzen, kragen en moffen gemaakt, die vooral in Amerika en China aftrek vinden;
+sommige menschen houden er niet van, wegens den muscusreuk, die er nog lang aan blijft. Het vleesch wordt alleen door de Indianen
+gegeten; voor Europeanen is het onbruikbaar, daar het zoo sterk naar muscus of civet ruikt.
+
+</p>
+<p>De Bever-rat wordt in vallen gelokt, die met appels als lokaas worden voorzien; ook vangt men ze wel in klemmen, die voor
+hare woningen worden geplaatst, of doodt ze in hare hutten. De Indianen kunnen de bewoonde hutten zeer goed onderscheiden
+van die, welke verlaten zijn; zij sluipen er zonder gedruisch te maken heen en stooten een scherpe speer met groote kracht
+door den wand der hut, waardoor zij in den regel den bewoner dooden.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Op de Muscus-ratten laten wij de <span class="letterspaced">Eigenl&#307;ke Woelmuizen</span> (<i>Arvicola</i>) volgen; deze hebben de teenen van de achtervoeten niet door zwemvliezen verbonden en een onbehaarde zool.
+
+</p>
+<p>Dit geslacht wordt in vier ondergeslachten verdeeld: de <span class="letterspaced">Woelratten</span> (<i>Paludicola</i>), de <span class="letterspaced">Boschwoelmuizen</span> (<i>Hypudaeus</i>), de <span class="letterspaced">Akkerwoelmuizen</span> (<i>Agricola</i>) en de <span class="letterspaced">Veldmuizen</span> (<i>Arvicola</i>).
+
+</p>
+<p>Geen van de leden van het geheele geslacht dringt zich meer aan onze aandacht op en maakt zich meer gehaat dan de <span class="letterspaced">Waterrat</span> of <span class="letterspaced">Veldrat</span> [<i>Arvicola</i> (<i>Paludicola</i>), <i>amphibius</i>], een der schadelijkste Knaagdieren, die er bestaan (niet te verwarren met de Bruine rat, die soms ook &#8220;Waterrat&#8221; wordt genoemd).
+Zij leeft niet, zooals men misschien uit den naam zou afleiden, uitsluitend in het water of aan den waterkant of in moerassige
+oorden. Er zijn er wel is waar, die aan het water en aan drassige gronden de voorkeur geven; deze hebben zelfs, voor zoover
+men heeft kunnen nagaan, het uitgestrektste verbreidingsgebied; het strekt zich uit van den Atlantischen Oceaan tot aan de
+Zee van Ochotsk, van de Noordkaap en de Witte Zee tot aan het zuiden van Itali&euml;, Dalmati&euml; en de landstreken om den Kaukasus.
+Deze &#8220;eigenlijke Waterratten&#8221; zwemmen en duiken uitmuntend, sommige zoeken in &#8217;t water haar voedsel, andere komen ook in droge
+akkers en tuinen en niet zelden uren ver van &#8217;t water verwijderd voor. De in droge streken levende exemplaren zijn in den
+regel zeer licht van kleur; &#8220;zuiver zwarte of zwartbruine&#8221;, zegt <span class="smallcaps">Blasius</span>, &#8220;heb ik alleen in de nabijheid van &#8217;t water of op natte plaatsen gevonden.&#8221;&#8212;Andere Waterratten echter houden zich bij voorkeur
+in droge gronden op en bekommeren zich, naar het schijnt, in &#8217;t geheel niet meer om het water. Met dit verschil in levenswijze
+gaan in den regel eenige afwijkingen van tint en lichaamsbouw gepaard; de laatstbedoelde zijn niet alleen meestal lichter
+van kleur, maar hebben o.a. ook een naar verhouding korteren staart. Onder deze op droge gronden levende Waterratten onderscheidt
+men twee vormen: de eene, de &#8220;Italiaansche Woelrat&#8221; werd tot dusver alleen in Provence, Itali&euml;, en misschien ook in den Kaukasus
+aangetroffen; de andere, die in de Pyrenee&euml;n, de Alpen, den Elzas, Th&uuml;ringen, de Harts en Westelijk Duitschland gevonden werd,
+komt ook in eenige gemeenten van de graafschap Zutphen voor en is hier onder de namen &#8220;Aardwolf&#8221; en &#8220;Vreetwolf&#8221; bekend.
+
+</p>
+<p>Toch is het bij nader onderzoek gebleken, dat er geen voldoende redenen bestaan, om, in navolging van sommige dierkundigen,
+drie &#8220;soorten&#8221; van Waterratten te onderscheiden; daar nevens de vormen, die tot de bedoelde onderscheiding aanleiding zouden
+kunnen geven, tal van tusschenvormen bestaan, die &ograve;f meer tot den eenen, &ograve;f meer tot den anderen vorm overhellen.
+
+</p>
+<p>De Waterrat is 21 &agrave; 24 cM. lang, waarvan voor den staart 6.5 &agrave; 8.5 cM. gerekend moeten worden. <a id="d0e1810"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1810">317</a>]</span>De vacht is nagenoeg eenkleurig, daar de grijsbruine of bruinzwarte kleur van de bovendeelen onmerkbaar overgaat in de iets
+lichtere kleur van de onderdeelen; deze kan zijn witachtig, of alle tinten vertoonen, die tusschen grijs en zwart of grijsachtig
+zwart gelegen zijn. Dat de kleur velerlei afwijkingen aanbiedt, werd reeds opgemerkt, en ook, dat dit aanleiding heeft gegeven
+tot het onderscheiden van drie typen: de Eigenlijke Waterrat, de Italiaansche Woelrat en de Molmuis of Aardwolf.
+
+</p>
+<p>Van de Echte Ratten kan men de Waterrat onmiddellijk onderscheiden, door te letten op haar dikken, ronden, korten kop met
+de in &#8217;t oog loopend korte, niet buiten de vacht te voorschijn komende ooren, welker lengte ter nauwernood een vierde deel
+van de lengte van den kop bedraagt; bovendien heeft zij een veel korteren staart. Deze soort bewoont de vlakte zoowel als
+de bergstreken, en komt in de Alpen op bouw- en weiland nog op een hoogte van 1200 M. geregeld voor; binnen de reeds genoemde
+grenzen is zij eigenlijk nergens zeldzaam.
+
+</p>
+<p>De levenswijze van de Waterrat herinnert aan die van den Mol, evenwel ook aan die van de Muscusrat en andere in het water
+levende Knaagdieren. De Eigenlijke Waterrat graaft haar woning bij voorkeur aan den oever van stilstaand water; gangen die
+aan den waterspiegel beginnen en scheef naar boven gericht zijn, monden uit in een ruime kamer, die niet zelden zeer zacht
+bekleed is. De holen in droge streken zijn samengestelder; het zijn gangen, die soms vele honderden schreden lang zijn en,
+evenals die van den Mol, grootendeels op zeer korten afstand van de aardoppervlakte gelegen zijn. De Mol blijft echter voortdurend
+onder den grond, onze Woelmuis verlaat haar gang nu en dan om zich een eindweegs over de oppervlakte te bewegen en dan op
+eenigen afstand van haar uitgangspunt haar onderaardsche werkzaamheid te hervatten. Terwijl zij aan &#8217;t graven is, werpt zij
+de planten om, die boven hare gangen staan, verslindt de wortels en richt op deze wijze veel meer schade aan, dan ooit uit
+het woelen van den Mol zou kunnen voortvloeien. De gangen van de Waterrat zijn zelden dieper gelegen dan de aardlaag, die
+de wortels van de door haar gezochte planten omgeeft; dikwijls zijn zij zoo ondiep, dat de grond er boven wordt opgelicht
+en de gang slechts door een gewelf van 2 &agrave; 3 cM. dikte van de buitenlucht gescheiden is; zulke gangen storten zeer dikwijls
+in en zijn dan onbruikbaar; steeds worden zij echter ten spoedigste weer hersteld; al moet zij verscheidene malen per dag
+denzelfden arbeid verrichten, de Waterrat is onvermoeid. Onbedekte loopgraven, zooals die van den Mol, graaft zij dus niet;
+ook verschillen de door haar opgeworpen aardhoopen van de molshoopen, doordat zij uit grootere kluiten bestaan, veel ongelijkmatiger
+zijn en te zamen geen rechte lijn vormen. In een dergelijke aardhoop, die grooter is dan de overige, bevindt zich de kamer,
+waarin de Waterrat hare jongen ter wereld brengt, nadat zij er vooraf een warm nest in gebouwd heeft. Ieder hol dient tot
+woonplaats aan een paar van deze dieren; het eene paar houdt zich gaarne in de nabijheid van het andere op.
+
+</p>
+<p>De Waterrat loopt niet bijzonder snel; zij verstaat echter uitmuntend de kunst van graven en is een meester in het zwemmen,
+hoewel de Waterspitsmuis haar in dezen overtreft. Op stille plaatsen ziet men haar zoowel over dag als &#8217;s nachts aan &#8217;t werk;
+zij is echter voorzichtig en vlucht in haar hol, zoodra zij bemerkt, dat men naar haar kijkt. Alleen als zij tusschen het
+riet bezig is, kan men haar gemakkelijk waarnemen. Toch hebben de Waterratten, die zich in het Johanna-park te Leipzig ophouden,
+zich zoozeer aan het hier dikwijls zeer drukke verkeer van menschen gewend, dat men haar werkzaamheid op ieder uur van den
+dag, zoolang als men wil, kan nagaan, indien men voedsel voor haar medeneemt. Onder een brug, die voor de wandelaars over
+den smalsten arm van den parkvijver is aangelegd, hebben de Waterratten zich genesteld; zij zwemmen ijverig rond en komen
+zonder schroom nader, als de over den brug gaande of daar verzamelde, jubelende kinderen allerlei stukjes voedsel naar beneden
+werpen. Deze gaven, die waarschijnlijk oorspronkelijk voor de Visschen en de Zwanen bestemd waren, hebben ook de Waterratten
+aangelokt en worden voor &#8217;t meerendeel ingezameld door deze vlugge zwemmers, wat dan ook tegenwoordig in den regel de bedoeling
+van de gevers is.
+
+</p>
+<p>Van de zintuigen van de Waterrat zijn, naar het schijnt, vooral die van het gezicht en van het gehoor voortreffelijk ontwikkeld.
+Haar karakter verschilt in haar voordeel van dat van de Ratten. Zij is nieuwsgierig, voor &#8217;t overige echter bekrompen van
+geest en tamelijk goedaardig. Haar voedsel ontleent zij grootendeels aan het plantenrijk; hierdoor wordt zij dikwijls zeer
+schadelijk, vooral als zij de tuinen als arbeidsveld heeft gekozen.
+
+</p>
+<p>De in &#8217;t water levende Waterrat doet weinig schade door het voedsel dat zij gebruikt en als winterproviand medevoert, maar
+wordt zeer gevaarlijk voor onze veiligheid, als zij zich in de nabijheid van rivierdijken sterk vermenigvuldigt. In alle richtingen
+<span class="letterspaced">doorwoelen</span> zij <span class="letterspaced">de genoemde waterkeeringen</span>, zoodat deze bij hoogen waterstand voor de drukking van &#8217;t water bezwijken; middellijk zijn zij dus oorzaak van overstroomingen.
+Het voedsel, dat zij gedurende haar verblijf in &#8217;t water gebruiken, bestaat hoofdzakelijk uit rietstengels. Ook versmaden
+zij geen dierlijk voedsel. In &#8217;t water vangen zij volwassen Insecten en hunne larven, kleine Kikvorschen, Visschen, Schaaldieren,
+op het land vervolgen zij Veldmuizen en andere Muizen, verslinden de eieren van de in &#8217;t gras broedende Vogels, vreten groote
+gaten in de vellen, die de looiers in &#8217;t water leggen te weeken, enz. In den herfst vergrooten zij haar woning door een voorraadkamer
+aan te leggen, die door gangen met het oude nest verbonden is. Deze kamer wordt gevuld met erwten, boonen, uien en aardappels,
+die uit de naburige akkers en tuinen afkomstig zijn; op dezen voorraad teren zij gedurende het laatste gedeelte van den herfst
+en in het voorjaar, kortom zoolang het weder nog zacht is. Eerst bij felle vorst vallen zij in slaap, zonder evenwel in een
+toestand van verstijving over te gaan.
+
+</p>
+<p>De Waterratten vermenigvuldigen zich snel. Drie of viermaal per jaar vindt men in het onderaardsche, warme, zacht bekleede
+nest 2 &agrave; 7 jongen; die van &eacute;&eacute;n worp zijn dikwijls van verschillende kleur. &#8220;De diepte van het hol, waarin het nest wordt aangelegd,&#8221;
+zegt <span class="smallcaps">Landois</span>, &#8220;wisselt af van 30 tot 60 cM. Het staat steeds in gemeenschap met verscheidene gangen. Het nest zelf vult de holte volkomen
+aan; het is bolvormig, heeft een middellijn van 15 &agrave; 20 cM. en bestaat uit een zeer groot aantal uiterst fijne, droge wortelvezeltjes.
+Dikke wortelvezels en wortels worden bij den bouw niet gebruikt; op deze wijze wordt een nest verkregen, dat wat zachtheid
+en warmte betreft, vele vogelnesten overtreft.&#8221; Soms wordt het nest gebouwd <a id="d0e1833"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1833">318</a>]</span>te midden van dichte struiken onmiddellijk boven den grond, dikwijls ook in het riet. Zulk een nest wordt door <span class="smallcaps">Blasius</span> beschreven. &#8220;Het stond 1 M. boven den waterspiegel, op een afstand van ongeveer dertig schreden van den drogen oever; het
+was als dat van een Rietzanger tusschen drie riethalmen ingevlochten, bolvormig, uit fijne, zachte grasbladen gebouwd; de
+opening was dichtgestopt; buitenwerks had het een middellijn van ongeveer 10, binnenwerks van weinig meer dan 5 cM.; het bevatte
+twee koolzwarte, nagenoeg half volwassen jongen. E&eacute;n van de oude dieren, dat zich bij mijn komst van het nest verwijderde
+en in het water sprong, was eveneens zwart; het zwom en dook zeer behendig. De ouden konden alleen zwemmend bij het nest komen,
+daar de vijver van den oever tot aan het nest 1 M. diep was; zij moesten daarna bij een riethalm omhoog klauteren. De gewone
+wijze van nestbouw van de Waterratten is geheel anders; er bestond hier een zeer gunstige gelegenheid voor het bouwen van
+een onderaardsch nest in een der naburige akkers of tuinen; ook had het dier een nest kunnen bouwen op den grond in de dichte
+struiken van den ringdijk om den vijver; ik kon dus geen verklaring vinden voor deze afwijking van den regel.&#8221;
+
+</p>
+<p>De Waterrat is niet goed geschikt om in een hokje gehouden te worden. Zij vereischt een zorgvuldige verpleging, daar zij zich
+niet licht in veranderde omstandigheden schikt, en nooit behoorlijk tam wordt.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Op groote hoogten in de Alpen, daar waar geen andere dieren leven, woont een tweede soort van het geslacht Woelmuis, die merkwaardig
+is, doordat zij in ieder jaargetijde het klimaat trotseert, en zelfs in den winter er niet aan denkt, om, op gelijke wijze
+als de andere Knaagdieren, in den grond een schuilplaats te zoeken. Nog steeds ontbreken ons uitvoerige berichten over deze
+soort, hoewel de ijverigste onderzoekers zich bezig hebben gehouden met het nagaan van haar levenswijze; de ongastvrijheid
+van de gewesten, waarin dit dier zich ophoudt, maken het onderzoek te bezwaarlijk.
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">sneeuwmuis</span> [<i>Arvicola (Paludicola) nivalis</i>] is een tamelijk kleine Woelrat, die (zonder den 6.8 cM. langen staart) 12.5 cM. lang wordt. Haar vacht is tweekleurig: licht
+bruinachtig grijs van boven, op het midden van den rug donkerder dan aan de zijden, grijsachtig wit van onderen; de beide
+kleuren zijn scherp van elkander gescheiden. Van deze soort komen eenige standvastige verscheidenheden voor, d.i. afwijkingen,
+die geregeld overerven. Deze verschillen echter, voor zoover men weet, niet in levenswijze. &#8220;Van alle Muizen,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Blasius</span>, &#8220;heeft de Sneeuwmuis het kleinste, maar tevens het eigenaardigste verbreidingsgebied. Het omvat de Alpen in hun geheele
+uitgestrektheid. Bovendien werd zij aan <span class="smallcaps">de Selys</span> van uit de Pyrenee&euml;n toegezonden. Er is mij geen geval bekend, dat zij in de Alpen op een geringere hoogte dan 1000 M. boven
+den zeespiegel geregeld gevonden wordt; ook op een hoogte van 1300 M. komt zij op de meeste plaatsen niet veelvuldig voor.
+Van hier te beginnen treft men haar aan op alle hoogten tot aan de laatste grenspunten van het plantenleven. In de nabijheid
+van de sneeuwgrens wordt zij het veelvuldigst waargenomen; zij gaat echter nog hooger op en bewoont zelfs de kleinste oasen
+in de sneeuw- en ijswoestijn: de met armoedige alpenkruiden spaarzaam begroeide, aan alle zijden door de sneeuwvelden ingesloten,
+kale plekken aan de zuidzijde van de hooge toppen der Alpen, waar de warme zonnestralen dikwijls slechts gedurende 2 of 3
+maanden het telkens weer vernieuwde sneeuwkleed uit den weg kunnen ruimen, en den bodem over een afstand van weinige schreden
+blootleggen. In deze ontzagwekkende eenzaamheid brengt zij, behalve den schoonen, korten Alpenzomer, ook den 9 of 10 maanden
+durenden, strengen winter door, waarin het nimmer wijkende sneeuw- en ijskleed, dat de Alpentoppen bedekt, zich ook uitstrekt
+over de bergstreken, die in andere jaargetijden met planten getooid zijn; zij verlaat haar woonplaats niet, maar graaft in
+den winter gangen onder de sneeuwlaag, om plantenwortels te zoeken, zoodra de door haar verzamelde wintervoorraad niet voldoende
+blijkt te zijn. Geen ander Zoogdier begeleidt de Sneeuwmuis het geheele jaar door op deze verstijfde hoogten der Alpen, die
+boven de grenzen der levende natuur vrij in &#8217;t luchtruim zich verheffen; slechts nu en dan volgt een onverbiddelijke vijand,
+een Wezel of een Hermelijn, haar spoor.&#8221;
+
+</p>
+<p>De natuuronderzoekers kennen de Sneeuwmuis eerst sinds ruim een halve eeuw; <span class="smallcaps">Nagar</span> ontdekte haar in 1841 in Andermatt op den St. Gotthard, <span class="smallcaps">Martins</span> vond haar op den Faulhorn, <i>Hugi</i> op den hoogsten kam van den Strahleck, op een hoogte van ruim 3000 M., en op den Finsteraarhorn op 3600 M. hoogte boven den
+zeespiegel midden in den winter in een Alpenhut in de nabijheid van den Grindelwald-gletscher. <i>Blasius</i> ontmoette de Sneeuwmuis op de bergen van Chamb&eacute;ry, op den Montblanc, op een 3600 M. hoog gelegen punt van den Bernina, op
+den hoogsten top van den Piz Linguard, die luttele schreden breed is en over een oppervlakte van slechts weinige vierkante
+voeten van sneeuw ontbloot was, op ongeveer 3300 M. hoogte in het hooge dal van den Oetz en op vele andere plaatsen van den
+Alpenketen.
+
+</p>
+<p>Het leven dat de Sneeuwmuis in haar ongastvrij, onbeschrijfelijk armoedig vaderland leidt, is tot dusver nog raadselachtig.
+Men weet, dat zij planten, hoofdzakelijk wortels en Alpenkruiden, gras en hooi tot voedsel gebruikt en ook een wintervoorraad
+van deze stoffen inzamelt; hoe zij op vele van de door haar bewoonde plaatsen nog voedsel genoeg kan vinden, is echter moeilijk
+te begrijpen.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Rosse Veldmuis</span> [<i>Arvicola (Hypudaeus) glareolus</i>], die (zonder den 4.5 cM. langen staart) een lengte van 10 cM. kan bereiken, is tweekleurig: van boven bruinrood, in de buurt
+van de flanken grijsachig; de witte kleur van de onderdeelen en van de voeten is scherp gescheiden van die der bovendeelen.
+
+</p>
+<p>Zij komt gewoonlijk voor in bosschen met breedgebladerde boomen en aan boschranden, zoo ook in het struikgewas en in tuinen
+met vele boomen. Zij is inheemsch en bewoont de meeste andere landen van Middel-Europa, o.a. Duitschland, Hongarije, Kroati&euml;,
+Moldavi&euml; en Rusland. In de meeste streken van ons land is zij aanwezig, en vooral in de duinen niet zeldzaam; nergens komt
+zij echter in zeer grooten getale voor. Zij ontleent haar voedsel meer aan de dierenwereld dan aan het plantenrijk; zij eet
+vooral Insecten en Wormen, en maakt nu en dan waarschijnlijk ook wel het een of ander vogeltje buit. In gevangenschap bekomt
+de vleeschvoeding haar goed; zij versmaadt echter geenszins koorn of andere zaden en evenmin knolvormige wortels; in den winter
+voedt zij zich bij voorkeur met de schors van jonge boomen. Wanneer zij in een bosch veelvuldig voorkomt, kan zij door het
+afvreten van de schors van sinds kort geplante boompjes een ontzaglijke <a id="d0e1886"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1886">319</a>]</span>schade aanrichten en het jonge plantsoen over een groote uitgestrektheid geheel vernielen. Zij begeeft zich zelden op grooten
+afstand van &#8217;t bosch, maar bezoekt toch dikwijls de naburige akkers en richt dan hier even veel schade aan als de andere leden
+van hare familie.
+
+</p>
+<p>Zij kan gemakkelijk in &#8217;t leven gehouden worden en wordt spoedig zeer tam. Met andere dieren van haar soort en met leden van
+verwante soorten leeft zij in vrede.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Aardmuis</span> [<i>Arvicola (Argricola) agrestis</i>] is (zonder den 3.7 cM. langen staart) 11 cM. lang, en heeft een tweekleurige vacht: van boven donker zwartachtig bruingrijs,
+bij de flanken iets lichter, van onderen en aan de voeten grijswit. Zij bewoont Noord- en Middel-Europa. In Nederland is zij
+enkele malen waargenomen, voorts in Skandinavi&euml;, Denemarken<span id="d0e1900" class="corr" title="Bron: .">,</span> Groot-Britanni&euml;, Belgi&euml;, Frankrijk, Noord-Duitschland, Noord-Rusland; zij leeft gewoonlijk in bosschen, boschranden, kreupelhout,
+in dijken en nabij slooten; liefst in de nabijheid van het water, steeds in waterrijke streken. Dikwijls treft men haar in
+gezelschap van de vorige soort en van de veldmuis aan. Haar voedsel ontleent zij bij voorkeur aan het plantenrijk. In hare
+bewegingen is zij zoo onbeholpen, dat men haar zonder groote moeite met de hand vangen kan. Bovendien is zij in &#8217;t geheel
+niet schuw; zij verschijnt meestal op klaarlichten dag voor den ingang van hare in den grond gegraven holen. Het ronde nest
+bevindt zich op korten afstand beneden de aardoppervlakte, maar wordt van boven door dichte bundels gras beschut. Drie of
+vier maal per jaar vindt men in zulke nesten 4 &agrave; 7 jongen, die spoedig volwassen zijn en al dadelijk op de ouden gelijken.
+Men kan ze gemakkelijk gevangen in &#8217;t leven houden.
+
+</p>
+<p>Van de leden van het laatste ondergeslacht (<i>Arvicola</i> in engeren zin) zijn sommige zoo kortoorig, dat het oor geheel onder de vacht verborgen blijft, andere met iets langere,
+even boven de vacht uitstekende oorschelpen bedeeld. Het is, volgens <span class="smallcaps">Van Bemmelen</span>, mogelijk, dat ook in ons land de <span class="letterspaced">Kortoorige Veldmuis</span> (<i>Arvicola Subterraneus</i>) voorkomt. Deze, die door hare kleur (bovendeelen geelachtig grijs, onderdeelen witachtig, beide kleuren scherp gescheiden)
+en grootte niet veel van de volgende soort verschilt, is door geheel Belgi&euml; verspreid en leeft in onderaardsche gangen, in
+vochtige weilanden, in moestuinen, nabij het water, soms ook in akkers.
+
+</p>
+<p>Van veel meer belang is voor ons de <span class="letterspaced">Gewone Veldmuis</span> (<i>Arvicola arvalis</i>), die zonder den 3 cM. langen staart, 11 cM. lang wordt. Haar vacht is onduidelijk tweekleurig, aan de bovendeelen geelachtig
+grijs, aan de zijden lichter, aan de onderdeelen vuil- (geelachtig) wit; de pooten zijn zuiverder wit.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1319.jpg" alt="Veldmuis (Arvicola arvalis). &#8532; v.d. ware grootte." width="720" height="409"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Veldmuis</span> (<i>Arvicola arvalis</i>). &#8532; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Het verbreidingsgebied van dit schadelijke Knaagdier omvat geheel Middel- en een deel van Noord-Europa benevens het westelijke
+deel van Middel- en Noord-Azi&euml;; in Europa strekt het zich uit tot in de noordelijke provinci&euml;n van Rusland, in Azi&euml; zuidwaarts
+tot Perzi&euml;, westwaarts tot aan gene zijde van den Ob. In Ierland, op IJsland, Corsica, Sardini&euml; en Sicili&euml; ontbreekt deze
+Muis geheel. Zij bewoont zoowel de vlakten als de bergstreken, hoewel zij in het vlakke land veelvuldiger voorkomt. In de
+Alpen vind men haar nog op hoogten van 2000 M. boven den zeespiegel. Boomlooze gewesten, akkers en weiden zijn hare liefste
+woonplaatsen, zeldzamer bewoont zij boschranden en kale plekken in het bosch. Niet alleen het droge bouwland, maar ook de
+vochtige, moerassige laaglanden verschaffen haar het noodige voor haar levensonderhoud. Hier legt zij in de droge bulten hare
+gangen en nesten aan, daar graaft zij op geringe diepte gangen met 4 &agrave; 6 ingangsopeningen, die boven den grond door platgetrapte,
+eenigszins uitgeloopen paden met elkander in gemeenschap staan. In den herfst neemt zij haar toevlucht tot graanhoopen of
+komt in de menschelijke woningen, in schuren, stallen en kelders. In de huizen houdt zij zich bij voorkeur in de kelders en
+niet, zooals de Echte Muizen op de zolders op. In den winter graaft zij lange gangen onder de sneeuw. Waar zij kan zamelt
+zij voorraad in, vooral graan en andere zaden. Als het voedsel schaarsch wordt, verhuizen de Veldmuizen gezamenlijk, in den
+regel eenvoudig naar een naburigen akker, soms echter ook in groote scharen uit de eene streek naar een andere, waarbij zij
+bergketenen overtrekken en breede stroomen overzwemmen. De Veldmuis kan goed loopen en uitmuntend zwemmen; zij klimt echter
+niet veel en doet dit op een onbeholpen wijze. Het graven verstaat zij meesterlijk. Zij doorwoelt den grond sneller dan eenige
+andere Muis en is onvermoeid in het aanleggen van gangen. Volgens haar levenswijze kan men haar even goed een dagdier als
+een nachtdier noemen. Men ziet haar ook bij de felste zonnehitte buiten haar <a id="d0e1936"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1936">320</a>]</span>woning; aan den morgen en den avond geeft zij echter de voorkeur boven den heeten middag. Warmte en droogte zijn noodig voor
+haar bestaan; bij langdurige vochtige weersgesteldheid sterft zij.
+
+</p>
+<p>Haar voedsel bestaat uit alle mogelijke plantaardige stoffen. Als zij zaden kan krijgen, kiest zij alleen deze; zoo niet,
+dan is zij ook tevreden met frisch gras en malsche kruiden, met wortels en bladen, met klaver zoowel als met bessen en ooft.
+Beukels en noten, graankorrels, rapen en aardappels worden in groote hoeveelheid door haar verslonden. Gedurende het ruwste
+jaargetijde heeft zij een onafgebroken winterslaap; bij zacht weder ontwaakt zij hieruit en teert dan van haar wintervoorraad.
+Zij is ongelooflijk vraatzuchtig en heeft zeer veel voedsel noodig om verzadigd te worden; ook kan zij niet buiten water.
+
+</p>
+<p>De Veldmuis is gezellig in de hoogste mate; zij leeft tamelijk eendrachtig met hare soortgenooten, minstens paarsgewijs, vaker
+evenwel tot groote scharen vereenigd; om deze reden zijn hare woningen zoo dicht bij elkander gelegen. Zij vermenigvuldigt
+zich buitengewoon sterk.
+
+</p>
+<p>&#8220;In gunstige omstandigheden,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Blasius</span>, <span id="d0e1947" class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>neemt het aantal Veldmuizen op ongeloofelijke wijze toe. Er zijn vele voorbeelden van bekend, dat door haar bovenmatige vermenigvuldiging
+de oogst in uitgestrekte landstreken teloorgegaan is; jonge beukenaanplantingen heeft zij over een uitgestrektheid van meer
+dan 500 hectare door het afknagen van de schors vernield. In de jaren tusschen 1820 en 1830 kwam deze landplaag aan den Neder-Rijn
+herhaaldelijk voor. De bodem van de velden was op sommige plaatsen zoo doorwoeld, dat men bijna geen voetstap kon doen zonder
+in een muizengat te trappen; tusschen deze openingen waren tallooze wegen diep uitgeloopen. Zelfs op klaarlichten dag wemelde
+het van Muizen, die vrij en ongestoord rondliepen. Als men naar haar toeging, kwamen zij ten getale van zes &aacute; tien te gelijk
+voor een opening, waarin zij zich wilden verschuilen, en versperden elkander onwillekeurig den toegang. Het was niet moeilijk
+gedurende dit gedrang een half dozijn van deze dieren met &eacute;&eacute;n stokslag te dooden. Alle schenen krachtig en gezond, voor &#8217;t
+meerendeel waren zij echter tamelijk klein en waarschijnlijk van jeugdigen leeftijd. Drie weken later bezocht ik dezelfde
+plaats. Het aantal Muizen was nog grooter geworden, maar de dieren verkeerden klaarblijkelijk in een ziekelijken toestand.
+Velen hadden ontvellingen of verzweringen, die zich dikwijls over het geheele lichaam uitstrekten; de huid zat zelfs bij geheel
+gave exemplaren zoo los en kon zoo gemakkelijk verscheurd worden, dat men ze niet stevig kon aanpakken, zonder ze te beschadigen.
+Toen ik vier weken later voor de derde maal dezelfde streken bezocht, waren de Muizen spoorloos verdwenen. De ledige gangen
+en woningen brachten nu echter een nog veel treuriger indruk teweeg dan vroeger, toen zij vol leven en beweging waren. Men
+zeide mij, dat plotseling de geheele generatie als door een tooverslag van de aarde was weggevaagd. Vele zijn waarschijnlijk
+door een besmettelijke ziekte om &#8217;t leven gekomen, vele hebben vermoedelijk elkander opgegeten, gelijk zij ook doen, als zij
+gezamenlijk opgesloten worden, ook sprak men van ontelbare scharen Muizen, die op klaarlichten dag op verscheidene plaatsen
+over den Rijn gezwommen zouden zijn. Toch had men nergens in de verte, zoo min als nabij een ongewone vermeerdering van het
+aantal Muizen waargenomen; zij waren, naar het schijnt, overal tegelijkertijd verdwenen, zonder ergens weer voor den dag te
+komen. Waarschijnlijk brengt de natuur gedurende de buitengewone vermeerdering van het aantal dezer dieren tevens het middel
+voort, dat haar vernietiging ten gevolge heeft. Het weer, een mooie, warme nazomer, was voor hen, naar men zou zeggen, tot
+aan het laatste oogenblik gunstig geweest.&#8221;
+
+</p>
+<p>Om getallen te noemen, die eenig denkbeeld kunnen geven van het kolossaal aantal Muizen, dat menigmaal in bepaalde streken
+voorkomt, behoef ik slechts te vermelden, dat alleen in het district Zabern in het jaar 1822 binnen 14 dagen 1.570.000, in
+het landraadsambt Nidda 590.327 en in het landraadsambt Putzbach 271.941 stuks Veldmuizen gevangen werden. In den zomer van
+het jaar 1861 werden in de omstreken van Alsheim in Rijn-Hessen 409,523 Muizen en 4707 Hamsters gevangen en afgeleverd. De
+gemeentekas betaalde hiervoor 2593 gulden. Vele gezinnen hebben bij deze muizenvervolging 50, 60 of meer guldens door de werkzaamheid
+van de kinderen verdiend; een bijzonder gelukkige vader kreeg van zijn wakkere jongens niet minder dan 142 gulden, welke op
+deze wijze gewonnen waren. Hij kocht voor dit geld een klein stuk land, dat ten eeuwigen dage den naam van &#8220;muizenakker&#8221; moet
+dragen.&#8212;Ook door Prof. <span class="smallcaps">Ritzema Bos</span> worden eenige merkwaardige voorbeelden van de talrijkheid der veldmuizen medegedeeld: &#8220;Een landbouwer te Blijham telde in
+&#8217;t beruchte muizenjaar 1857 op &eacute;&eacute;n bunder land, bij &eacute;&eacute;n omgang van de ploeg, 80 Muizen, welke door de ploegschaar waren doorgesneden.
+Rekent men, dat er 84 omgangen te doen waren, men zou dan komen tot 6720 Muizen, die zich juist op de diepte der ploegschaar
+ophielden. Hoevele er nog ontvlucht of in het land onder en boven de smalle steep gronds, die de ploegschaar doorsneed, aanwezig
+geweest zijn, valt moeilijk te zeggen.&#8212;Elders verzamelde een ploeger van boonenstoppels, niettegenstaande hij zijn dagwerk,
+een half bunder, had omploegd, nog tusschentijds uit de gaten een half mud boonen, die door de Muizen tot wintervoorraad waren
+opgelegd.&#8212;Te Wiewerd zijn in September 1857 op 4.5 bunder, bezaaid met koolzaad, in 8 dagen tijds 6700 Muizen gevangen in
+half met water gevulde aarden potten, geplaatst in ronde gaten van O.5 M. diepte. Dat dan van den oogst niet veel overblijft,
+laat zich begrijpen. Bouwland en weiland zijn met gangen doorwoeld en geheel kaal. De geheel poreuze bodem dult geen voetstap:
+zet men den voet neer, dan zakt men weg. De grond leeft als &#8217;t ware van Muizen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Ongelukkig is de mensch tegenover deze Muizen zoo goed als machteloos. Alle verdelgingsmiddelen, die hij tot dusver heeft
+uitgedacht, blijken onvoldoende te zijn om de ontzaglijke vermenigvuldiging van deze vraatzuchtige dieren te keer te gaan;
+alleen de onder hen uitbrekende, besmettelijke ziekten kunnen redding verschaffen; ook de Roofdieren, die door den mensch
+dikwijls zoo vijandig behandeld worden, maken zich zeer verdienstelijk. Met goed gevolg worden muizenboren gebruikt, om hiermede
+in den grond gaten te maken, die 12 &agrave; 18 cM. middellijn hebben en ongeveer 60 cM. diep zijn; de hierin vallende Muizen vreten
+elkander op, zonder er aan te denken gangen te graven, waardoor zij zouden kunnen ontvluchten. Men doodt ze ook in hare holen
+door rook of door vergiftigde graankorrels. Zelfs wordt soms het geheele veld overgoten met een aftreksel van braaknoten of
+wolfsmelk, kortom men geeft zich alle mogelijke moeite om van deze vreeselijke plaag verlost te worden. Gewoonlijk echter
+zijn al deze middelen zoo goed als <a id="d0e1957"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1957">321</a>]</span>nutteloos, enkele zelfs hoogst gevaarlijk, n.l. het vergiftigen. Zelfs het krachtigst werkende vergif verdelgt niet alle Muizen
+van een akker; het veroorzaakt daarentegen geregeld den dood van een groot aantal van hare grootste vijanden en dus onze vrienden:
+Vossen, Bunzingen, Hermelijnen, Wezels, Buizerden, Uilen en Kraaien. Ook andere dieren loopen hierdoor gevaar, vooral de Patrijzen
+en Hazen, ook alle huisdieren, zoowel de kleine, gelijk de Duif, als de grootste, namelijk de Paarden en Runderen; er zijn
+dus redenen genoeg om het uitstrooien van vergif geheel te verwerpen.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>In Siberi&euml;, en meer bepaaldelijk van den Ob tot den Onon, treedt een Woelmuis op, die eveneens, hoewel om andere redenen dan
+de Veldmuis, onze aandacht verdient, n.l. de <span class="letterspaced">Wortelmuis</span> (<i>Arvicola oeconomus</i>). Zij is een weinig grooter dan onze Veldmuis, haar lengte bedraagt 18 cM., waarvan 5 cM. op den staart komen; van boven
+is zij licht geelachtig bruin, van onderen grijs. Van de Veldmuis onderscheidt zij zich door den korteren kop, de kleinere
+oogen en de korte, bijna geheel onder de vacht verborgen ooren.
+
+</p>
+<p>De Wortelmuis komt in de vlakten dikwijls in groote menigte voor en wordt door de arme bewoners van deze treurig eenzame gewesten
+als een weldoenster beschouwd, want haar arbeid komt den mensch ten goede in plaats van hem te benadeelen. Onder de zode graaft
+zij lange gangen, die naar een op geringe diepte gelegen, groot, rond nest van 30 cM. middellijn leiden, dat met eenige zeer
+ruime voorraadkamers in gemeenschap staat. Het nest, waarin de Muis slaapt en hare jongen groot brengt, is met verscheidene
+plantaardige stoffen zacht bekleed; de voorraadkamers echter vult zij met allerlei wortels aan.
+
+</p>
+<p>De heidensche volken, die de genoemde landstreken bewonen, drijven geen akkerbouw; in den herfst, wanneer de voorraadskamers
+gevuld zijn, nemen zij de hierin verborgen schatten met een schop weg, zoeken de verdoovende witte wortels er uit en behouden
+de zwarte wortels van de Bevernel (<i>Sanguisorda officinalis</i>), die zij niet alleen als spijs, maar ook als thee gebruiken. De arme inboorlingen hebben door den voorraad, die zij aan
+de Muizen ontnemen, dikwijls gedurende den geheelen winter genoeg te eten; de in den grond overblijvende proviand wordt ten
+deele nog door de wilde Zwijnen blootgewoeld, die de zorgzame muis, als zij hun in den weg komt, mede verslinden.
+
+</p>
+<p>Opmerkelijk is de groote lust tot trekken, die deze en andere verwante Woelmuizen bezielt. Tot groot verdriet van de inboorlingen
+begeven zij zich in sommige jaren in de lente op reis en trekken bij groote scharen naar het westen, altijd rechtuit, over
+stroomen en bergen. Duizenden van deze landverhuizers verdrinken en worden door Visschen en Eenden verslonden, terwijl nogmaals
+duizenden de buit worden van de Sabeldieren en Vossen, welke de Muizen op dezen uittocht vergezellen.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Lemmingen</span> (<i>Myodes</i>) onderscheiden zich door den gedrongen lichaamsbouw en het korte staartje; door gestalte en aard nemen zij dus in de familie
+van de Woelmuizen tot op zekere hoogte de plaats in, die aan de Hamsters in de familie der Muizen toekomt. De betrekkelijk
+groote kop is dicht behaard, de bovenlip diep gespleten, het rondachtige oor klein en geheel in de vacht verborgen; het oog
+is eveneens klein; de vijfteenige voeten zijn dicht behaard, ook op de zolen; de klauwen zijn vooral aan de voorste ledematen
+groot en voor &#8217;t graven geschikt.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1321.jpg" alt="Lemming (Myodes lemmus). &frac12; v.d. ware grootte" width="720" height="551"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Lemming</span> (<i>Myodes lemmus</i>). &frac12; v.d. ware grootte
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De meest bekende soort van dit geslacht, de <span class="letterspaced">Lemming</span> (<i>Myodes lemmus</i>, <i>Lemmus norwegicus</i>) bereikt een totale lengte van 15 cM., waarvan er hoogstens 2 op het staartstompje komen. De rijk gevulde, langharige vacht
+vertoont een zeer bevallige teekening. Bij de bruingele grondkleur, die in den nek met golflijnen voorzien is, steken donkere
+vlekken af; twee gele strepen strekken zich uit van de oogen naar den achterkop. De staart en de pooten zijn geel, de onderdeelen
+geelachtig, bijna zandkleurig.
+<a id="d0e2008"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2008">322</a>]</span></p>
+<p>De Lemming is wel het raadselachtigste dier van geheel Skandinavi&euml;. Ook nu nog gelooven de boeren der Noorsche bergstreken,
+dat dit dier uit de lucht regent en daarom in zoo verbazend grooten getale voorkomt, en dat het later door zijn vraatzucht
+zich de maag bederft en zoo om het leven komt. <span class="smallcaps">Olaus Magnus</span>, bisschop van Bergen in Noorwegen, verhaalt, dat hij in het jaar 1518 in een bosch zeer vele Hermelijnen zag, die het geheele
+bosch met hun stank vervulden. Hun veelvuldigheid was het gevolg van de aanwezigheid van kleine, viervoetige dieren, <span class="letterspaced">Lemar</span> genaamd, die soms bij onverwacht opkomende onweers- en regenbuien van den hemel vielen; men wist niet, of zij van verafgelegen
+plaatsen door den wind waren aangebracht, of in de wolken ontstonden.
+
+</p>
+<p>Andere berichtgevers schreven het verhaal van den bisschop eenvoudig na; <span class="smallcaps">Linnaeus</span> heeft voor &#8217;t eerst den Lemming naar de natuur geschilderd; zijn beschrijving is zoo uitvoerig, dat men er niet veel aan
+kan toevoegen. Ik zelf heb in het jaar 1860 het genoegen gehad, vooral op den Dovrefjeld, Lemmingen in groot aantal aan te
+treffen, zoodat ik ze door eigen onderzoek heb leeren kennen.
+
+</p>
+<p>Het zijn alleraardigste dieren. Zij zien er uit als kleine Marmotten of als Hamsters en gelijken door hun aard in vele opzichten
+op de laatstgenoemde Knaagdieren. Zij houden zich op in de betrekkelijk droge gedeelten van het moeras, dat een groot deel
+van Noorwegen beslaat. Zij bewonen hier kleine holen onder steenen of in het mos; ook ziet men ze dikwijls rondzwerven tusschen
+de kleine heuvels, die zich boven het moeras verheffen. Zelden merkt men uitgeloopen paden op, die van het eene hol naar het
+andere leiden; groote gangen graven zij alleen in de sneeuw. Over dag zoowel als &#8217;s nachts, zijn zij wakker en werkzaam. Zij
+hebben een trippelenden en snellen gang; een mensch kan ze echter gemakkelijk inhalen. Het water mijden zij met een zekeren
+schroom; als men ze in een niet te kleine plas of in een riviertje werpt, piepen en knorren zij zeer wrevelig en trachten
+ten spoedigste weer op &#8217;t droge te komen. Gewoonlijk verraden zij zelf haar aanwezigheid. Dikwijls zitten zij rustig in hare
+gaten en zijn hierin zoo goed verborgen, dat zij zeker niet door de voorbijgangers zouden opgemerkt worden; door het zien
+van een mensch worden zij echter zoo opgewonden, dat zij zich niet stil kunnen houden. Op de wijze van Guineesche Biggetjes,
+begroeten zij den bezoeker van haar gebied met luid geknor en gepiep, alsof zij hem het binnendringen willen beletten. Alleen
+als zij rondloopen, nemen zij bij nadering de vlucht, snellen naar een van hare tallooze gaten en blijven daar zitten. Verder
+wijken zij niet terug, hoewel het te voorzien is, dat zij doodgeslagen of medegenomen zullen worden.
+
+</p>
+<p>Met belangstelling heb ik deze moedige dieren gadegeslagen, en kon niet nalaten ze tot zelfverdediging te prikkelen. Als zij
+eenmaal post gevat hebben, weten zij van geen wijken. Als men haar een laars voorhoudt, bijten zij er in; zoo doen zij ook
+met een stok of een geweerloop, ofschoon zij bemerken dat dit haar niets baat. Sommige beten zich zoo stevig aan mijne broekspijpen
+vast, dat ik ze er bijna niet van afschudden kon. Bij zulk een strijd geraken zij in groote woede en gelijken dan volkomen
+op de boosaardige Hamsters. Soms gaan zij met kleine sprongen op haar tegenstander af; naar het schijnt, zijn zij voor geen
+enkel dier bevreesd, maar gaan vermetel op ieder wezen af, dat hen te na komt. Op de wegen worden zij dikwijls overreden,
+omdat zij eigenzinnig hun gang blijven gaan en niet vluchten willen. De Honden op de boerderijen bijten tal van deze dieren
+dood; door de Katten, die in dezen tijd steeds verzadigd zijn, worden zij in groote hoeveelheid verslonden.
+
+</p>
+<p>Volgens de verzekering van den ouden jager, die mij vergezelde, gebruiken de Lemmingen het door haar bewoonde nest ook om
+er hare jongen in groot te brengen. <span class="smallcaps">Linnaeus</span> zegt, dat deze dieren meestal 5 of 6 jongen hebben; <span class="smallcaps">Sch&auml;ffer</span> voegt er bij, dat zij verscheidene malen per jaar werpen. Meer is mij van haar voortplanting niet bekend.
+
+</p>
+<p>Het voedsel van de Lemmingen bestaat hoofdzakelijk uit de weinige Alpen-planten, die in haar armoedig vaderland groeien, vooral
+uit grassen, rendier-korstmossen, katjes van den Dwergberk en waarschijnlijk ook uit allerlei wortels. Lemmingen treft men
+aan op iedere hoogte, waar de grond nog met korstmossen bedekt is; daar waar deze planten ontbreken, ziet men ze in &#8217;t geheel
+niet meer. Voor zoover ik heb kunnen nagaan, verzamelen zij geen winter-provisie, maar leven ook in &#8217;t gure jaargetijde van
+&#8217;t geen zij onder de dikke sneeuwlaag vinden. Groote schade richten zij niet aan, want op de door haar bewoonde plaatsen zijn
+geen akkers meer, en in de huizen komen zij niet. Haar vaderland is trouwens, hoe arm het ook moge schijnen, rijk genoeg voor
+hare behoeften, en biedt haar al wat zij noodig hebben. In sommige jaren schijnt dit echter niet het geval te zijn, en zijn
+de Lemmingen gedwongen naar andere streken te verhuizen. Mijns inziens moet de reden van het trekken van deze en andere Woelmuizen
+gezocht worden in de nu en dan merkbaar wordende vermindering van den voedselvoorraad. Wanneer op een zachten winter een fraaie
+lente en een droge zomer volgen, zijn alle voorwaarden vervuld voor een vermenigvuldiging, even grenzeloos als die, welke
+men bij sommige andere Woelmuizen opmerkt. De droogte brengt echter tevens het verdorren (of althans een minder weligen groei)
+van de meest gewilde voederplanten teweeg; de uitgestrekte weidegronden zijn dan niet meer voldoende voor de groote menigte,
+zoodat deze wezens, die evenals alle Knaagdieren, zeer vraatzuchtig zijn, zich genoodzaakt zien op andere plaatsen voedsel
+te zoeken. In zulke omstandigheden zullen, zooals men weet, niet alleen de Knaagdieren, maar ook andere planteneters, b.v.
+de Antilopen, groote scharen vormen, die zich op weg begeven en onderweg hunne soortgenooten mede nemen; zij trekken ten slotte
+als &#8217;t ware in &#8217;t wilde weg verder, volgen geen bepaalde richting en begeven zich dus ook niet naar landstreken, waar werkelijk
+voedsel voor hen te vinden is. Eerst nadat honderdduizenden door gebrek aan voedsel, door ziekten, door de vermoeienissen
+en de gevaren van de reis om &#8217;t leven zijn gekomen, trachten de overblijvenden terug te keeren naar de hoogten, die hun eigenlijk
+woongebied uitmaken; ook in dit geval kan het verschijnsel zich voordoen, dat zij weder een rechte lijn volgen. De groote
+reizen van de Lemmingen komen mij daarom volstrekt niet wonderbaarlijker of minder verklaarbaar voor, dan die van andere trekkende
+Zoogdieren, en meer bepaaldelijk van andere Woelmuizen.
+
+</p>
+<p>Men mag het als een groot geluk beschouwen, dat de Lemmingen zoo vele vijanden hebben, daar zij anders het geheele land overstroomen,
+en al wat eetbaar is, verslinden zouden. Het meest nog draagt het klimaat tot haar verdelging bij. In een natten zomer, in
+een kouden, vroeg invallenden herfst zonder sneeuw, sterven zij bij millioenen; daarna zullen er, zooals licht te begrijpen
+is, vele jaren moeten verloopen, voordat de <a id="d0e2038"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2038">323</a>]</span>voortplanting de door zulk een kolossale sterfte gedunde rijen weer eenigszins heeft aangevuld. Het aantal levende vijanden
+van de Lemmingen is legio. Men mag wel zeggen, dat alle Skandinavische Roofdieren zich met haar vet mesten. De Wolven en Vossen,
+die deze dieren mijlen ver vervolgen, eten, wanneer zij Lemmingen kunnen krijgen, niets anders; de Veelvraten, Marters, Bunzingen
+en Hermelijnen verlangen geen anderen buit; de Honden van de Laplanders beleven in een Lemmingenjaar feestdagen, zooals aan
+deze arme hongerlijders maar zelden te beurt vallen; de Uilen volgen het Lemmingen-leger; de Buizerden, vooral de Ruigvoet-buizerd,
+zijn onophoudelijk bezig de ellendige zwervelingen te verdelgen; de Raven voederen er hare jongen mede groot; ook de Kraaien
+en Eksters beijveren zich naar den maatstaf hunner krachten deze bijtlustige schepsels te dooden; zelfs de Rendieren vreten
+nu en dan Lemmingen, naar door velen beweerd wordt, of slaan ze althans met de voorpooten dood.
+
+</p>
+<p>De mensch treedt slechts wanneer hij in grooten nood verkeert, als vijand van den Lemming op. Het vel van dit dier is niet
+veel waard, en zijn vleesch boezemt den Lappen, zooals licht te begrijpen is, ongeveer denzelfden afschuw in, als ons het
+rattenvleesch. Dikwijls worden de inboorlingen echter door den honger gedreven om aan de Lemmingen-jacht deel te nemen.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De familie der <span class="letterspaced">Molmuizen</span> (<i>Spalacidae</i>) bestaat uit onbehouwen, leelijke, onder den grond levende Knaagdieren. Zij herinneren aan de Mollen, doordat zij alle onaangename
+eigenschappen dezer holenbewoners hebben, zonder hiervoor vergoeding te schenken door het nut dat zij aanbrengen. De romp
+is plomp en rolvormig, de dikke kop eindigt in een stompen snuit; de oogen zijn buitengewoon klein of liggen geheel verscholen
+onder de huid; de zeer kleine ooren hebben geen uitwendige waarneembare oorschelpen; de staart ontbreekt of is onder de vacht
+verborgen. Des te beter merkt men de voeten op, die vijf teenen hebben, welke met zeer stevige graafklauwen voorzien zijn;
+evenals bij de Mollen zijn de voorpooten krachtiger dan de achterpooten.
+
+</p>
+<p>Alle Molmuizen zijn bewoners van de Oude Wereld; zij houden zich meestal op in droge zandvlakten; op soortgelijke wijze als
+de Mollen doorwoelen zij den grond over groote afstanden. Geen enkele soort leeft gezellig, ieder dier leeft eenzaam in zijn
+hol en heeft ook den wreveligen, eenzelvigen aard van den Mol. Met buitengewone snelheid graven zij diepe gaten in den bodem,
+verscheidene zelfs in loodrechte richting. Op den grond zijn hare bewegingen zeer plomp en onbeholpen, in haar onderaardsche
+gangen echter bewegen zij zich voor- en achterwaarts even vlug. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit planten, meestal uit
+wortels, knollen en bollen, die zij loswroeten; bij uitzondering vreten sommige ook gras, schors, zaden en noten. Die, welke
+in koude gewesten leven, verzamelen wintervoorraad, maar hebben geen winterslaap.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De meest bekende soort van deze Familie is de <span class="letterspaced">Blindmuis</span> (<i>Spalax typhlus</i>), in Rusland <span class="letterspaced">Slapoesj</span> (&#8220;de blinde&#8221;), in Hongarije <span class="letterspaced">F&ouml;ldi-k&ouml;l&ouml;k</span>, in Galici&euml; <span class="letterspaced">Ziemnibisak</span> genoemd. De kop, die in een stompen snuit eindigt, is dikker dan de korte, onbeweeglijke hals, die met den staartloozen romp
+in dikte overeenkomt; de korte pooten hebben breede voeten met forsche teenen en klauwen. De oogen hebben ternauwernood de
+grootte van een papaverzaadje, liggen onder de huid verborgen, en zijn dus ongeschikt voor &#8217;t zien. De lichaamslengte bedraagt
+20 cM. Kolossale knaagtanden steken ver buiten den bek uit. De staart wordt aangeduid door een wratje van een paar mM. lengte.
+Een dichte, glad aanliggende, zachte vacht bekleedt het lichaam; de zijden van den kop, van de neusgaten tot achter de oogen,
+zijn begroeid met stijve, borstelachtige haren, die te zamen zich als een borstelvormige haarlijst boven de overige deelen
+van de vacht verheffen. Over &#8217;t algemeen is de kleur van de bovendeelen aschgrauw met witte overlangsche strepen aan het achterste
+deel van den buik en met witte vlekjes tusschen de achterpooten.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1323.jpg" alt="Blindmuis. (Spalax typhlus). &frac12; v.d. ware grootte." width="720" height="440"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Blindmuis</span>. (<i>Spalax typhlus</i>). &frac12; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Blindmuis komt in het zuidoosten van Europa en in het westen van Azi&euml; voor, nl. in Zuid-Rusland van 50&deg; N.B. tot aan den
+Oeral en den Kaukasus, in Bessarabi&euml;, Moldavi&euml; en een deel van Hongarije en Galici&euml;, voorts in Turkije, in Griekenland en
+in het noorden en westen van Klein-Azi&euml;. Vooral in de Ukraine treft men haar veelvuldig aan. In den Alta&iuml; is zij vervangen
+door een grootere soort: de <span class="letterspaced">Zokor</span> (<i>Spalax aspalax</i><span id="d0e2089" class="corr" title="Bron: .)">).</span>
+
+</p>
+<p>Evenals bijna alle Molmuizen bewoont zij vruchtbare <a id="d0e2094"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2094">324</a>]</span>landstreken; zelden komt zij aan de oppervlakte; bijna voortdurend blijft zij verborgen in hare sterk vertakte, onderaardsche
+holen, welker aanwezigheid zich verraadt door talrijke aardhoopen. Bij het graven gebruikt zij de krachtige snijtanden voor
+het stukknagen van de in haar weg liggende wortels en voor het fijnmaken van den grond tusschen de wortels. De gangen, waarin
+zij haar voedsel zoekt, liggen in de vruchtbare teelaardelaag, de voor verblijfplaats dienende holen in den regel dieper in
+het onvruchtbare, droge zand.
+
+</p>
+<p>De bewegingen van de Blindmuizen zijn niet zoo langzaam en onbeholpen als vaak beweerd wordt. De Zokor kan, zooals ik zelf
+gezien heb en van de Kirgiezen vernam, uitmuntend loopen en zwemmen; hetzelfde zal waarschijnlijk ook wel voor den Slapoesj
+gelden. Onder de zintuigen, die vermoedelijk alle weinig ontwikkeld zijn, speelt, naar het schijnt, dat van het gehoor een
+belangrijke rol. Men heeft opgemerkt, dat de Blindmuizen voor geluiden zeer gevoelig zijn en zich hoofdzakelijk door het gehoor
+laten leiden. Zij worden beschreven als moedige en bijtlustige dieren, die in gevallen van nood hunne tanden op een doeltreffende
+wijze weten te gebruiken, en die, als zij gegrepen worden, hevig snuiven en woedend om zich heen bijten.
+
+</p>
+<p>De Blindmuis voedt zich, zoo niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk met plantaardige stoffen, vooral met allerlei wortels,
+ingeval van nood ook met boomschors. Als in het door haar bewoonde gebied planten met diepgaande wortels voorkomen, zal zij
+hare gangen in den winter tot onder de hard bevroren, bovenste aardlaag uitbreiden, zoo niet, dan graaft zij gangen door de
+sneeuw om boomschors te verkrijgen. Wintervoorraad heeft men in hare gangen nog niet gevonden, wel echter nesten, die uit
+zeer fijne worteltjes samengesteld zijn. In zulk een nest werpt het wijfje in den zomer 2 &agrave; 4 jongen. Over &#8217;t geheel genomen
+is de schade, die dit dier den mensch toevoegt, gering; nuttig is het echter evenmin.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>In Zuid-Afrika leven Molmuizen, die een korten staart hebben. Vooral in de duinen en zandheuvels langs de kust komt b.v. de
+<span class="letterspaced">Zandmol</span> (<i>Bathyergus maritimus</i> of <i>suillus</i>) voor, die, met inbegrip van den 5 cM. langen staart, 30 cM. lang wordt. Deze heeft zich den haat van de Boeren op den hals
+gehaald, omdat hij den bodem zoo doorwoelt, dat de Paarden er vaak in wegzakken en gevaar loopen hunne pooten te breken. Gewoonlijk
+werpt hij &#8217;s nachts om 12 uur of &#8217;s morgens om 6 uur de aarde uit zijne gangen. Hiervan maken de Boeren gebruik om hem te
+dooden. Zij ruimen een van zijne aardhoopen uit den weg, openen een van zijne holen, en leggen hierin een raap of een anderen
+wortel, die met een touw bevestigd is aan den trekker van een geladen geweer, welks loop naar de opening van het hol gericht
+is. Zoodra de Zandmol aan den raap trekt, gaat het geweer af en wordt hij door het schot getroffen.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Wangzakratten</span> (<i>Geomyidae</i>) heeten zoo wegens hare zeer sterk ontwikkelde wangzakken, die niet, zooals bij de Hamsters en andere knaagdieren, met de
+mondholte in gemeenschap staan, maar zich op de wangen naar buiten openen en van binnen overal behaard zijn. Bij het geslacht
+<span class="letterspaced">Wangzakrat</span> (<i>Geomys</i>) zijn de bovenkaaksnijtanden met een overlangsche groeve voorzien en ontbreken de oorschelpen zoo goed als geheel. De ledematen,
+vooral de voorpooten, zijn kort; de vijfteenige voeten zijn met sikkelvormige klauwen gewapend, die vooral aan de voorpooten
+een buitengewone lengte hebben. De leden van dit geslacht behooren tot de plompste Knaagdieren. De romp is log, de kop zeer
+groot, de hals dik, de staart kort en, met uitzondering van de naakte spits, behaard.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De meest bekende soort, die de landstreken ten oosten van het Rotsgebergte en ten westen van den Mississippi tusschen 34 en
+52&deg; N.B. bewoont, heet in zijn vaderland <span class="letterspaced">Goffer</span> (<i>Geomys bursarius</i>). Deze naam wordt trouwens in sommige streken van Amerika ook aan verscheidene andere soorten van Knaagdieren gegeven. Hij
+is iets kleiner dan onze Hamster. De vacht is buitengewoon dicht, zacht en fijn, roodachtig van boven en geelachtig grijs
+van onderen; de staart en de spaarzaam behaarde voeten zijn witachtig.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1324.jpg" alt="Goffer (Geomys bursarius). &frac14; v.d. ware grootte." width="720" height="554"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Goffer</span> (<i>Geomys bursarius</i>). &frac14; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De dierkundigen, die het eerst een beschrijving van <a id="d0e2150"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2150">325</a>]</span>den Goffer gemaakt hebben, ontvingen hem van Indianen, die zich vermaakt hadden, met de beide wangzakken van het doode dier
+vol te proppen met aarde en hierdoor zoo buitengewoon sterk uit te rekken, dat dezen zakken over den grond gesleept zouden
+hebben, indien het dier in dezen toestand had moeten loopen. Op grond van deze kunstmatig uitgerekte wangzakken kreeg de Goffer
+zijn naam; de persoon, die dieren opzette, achtte het zijn plicht de wangzakken in denzelfden toestand te brengen, als waarin
+zij door een grap van de Indianen gekomen waren; de teekenaar eindelijk kopieerde maar al te nauwgezet <span id="d0e2152" class="corr" title="Bron: ">het </span>op deze wijze verduurzaamde voorwerp. Hieraan is het toe te schrijven, dat ook nog vele afbeeldingen van den Goffer ons niet
+de ware gedaante van het dier, maar een wanstaltig monster te aanschouwen geven.
+
+</p>
+<p>De Goffer leeft, evenals de Mol, onder den grond; hij graaft hier talrijke en sterk vertakte gangen, welke groote overeenkomst
+vertoonen met die van onzen Mol.
+
+</p>
+<p>De oude gangen zijn van binnen vastgeslagen, de nieuwe niet. Op verschillende plaatsen staan er zijgangen mede in gemeenschap.
+De kamer wordt onder boomwortels op een diepte van ongeveer 1.5 M. aangelegd en is toegankelijk door een gang, die zich bij
+wijze van een wenteltrap kronkelt. Zij is groot, ongeveer op de wijze van een Eekhoornnest overal gevoerd met zacht gras,
+en verschaft het dier gelegenheid om te rusten en te slapen. Het nest, waarin het wijfje tegen het einde van Maart of in het
+begin van April hare 5 &agrave; 7 jongen ter wereld brengt, gelijkt op de bedoelde woonkamer, maar is van binnen bovendien nog met
+haar van de moeder bekleed. Evenals het nest van den Mol is het omgeven door ringvormige gangen, van waar andere gangen uitgaan.
+<span class="smallcaps">Gesner</span> vond, dat van het nest een gang leidt naar een grooter hol, dat als voorraadskamer dient en gevuld is met wortels, aardappels,
+noten en zaden. In de morgenuren, tusschen 4 en 10, houdt de Goffer zich het ijverigst met de uitbreiding van zijne holen
+bezig, ongetwijfeld met de bedoeling om zich hierdoor voedsel te verschaffen. Als de plaats rijk aan voedingsmiddelen is,
+worden in deze tijdruimte gangen aangelegd ter lengte van 3 &agrave; 5 M. en 2 &agrave; 5 heuveltjes opgeworpen; in het tegenovergestelde
+geval doorwoelt het dier een grooter deel van den grond en werkt langer. Soms staakt het den arbeid gedurende eenige weken,
+naar het schijnt, teert het dan op den reeds verzamelden voorraad. Bij het opwerpen van den grond, dat geheel op de wijze
+van den Mol geschiedt, laat de Goffer zijn lichaam zoo weinig mogelijk zichtbaar worden; ten spoedigste keert hij naar de
+veilige diepte terug. Aan de oppervlakte komt hij om dor gras voor zijn woonkamer of zijn nest te verzamelen; volgens <span class="smallcaps">Audubon</span>, komt hij ook boven om zich in de zon te koesteren. Zijn voortreffelijk reukzintuig en uitmuntend gehoor beveiligen hem in
+dit geval voor overrompeling; zoodra hij gevaar ducht, begeeft hij zich oogenblikkelijk naar de diepte, al moest hij zich
+vooraf door het graven van een nieuwe gang een toegang banen.
+
+</p>
+<p>Bij &#8217;t loopen over den grond toont de Goffer zich niet in zijn volste kracht; zijn gang is een log gehompel; nooit beweegt
+hij zich sprongsgewijs; dikwijls zijn bij &#8217;t gaan de klauwen van de voorpooten binnenwaarts omgeslagen en sleept de staart
+over den grond. Hij kan bijna even snel achteruit als vooruit loopen, maar doet dit aan de oppervlakte van den bodem niet
+sneller dan een mensch. In zijne holen beweegt hij zich, naar men zegt, met de vlugheid van een Mol.&#8212;Bij &#8217;t eten zit hij dikwijls
+op de achterpooten en gebruikt de voorste op de wijze van den Eekhoorn. Om te slapen, rolt hij zich ineen en houdt den kop
+tusschen de voorpooten tegen den borst gedrukt. Zijne verbazend groote wangzakken vult hij bij het grazen met behulp van de
+tong en ledigt ze weder met behulp van de voorpooten. Naarmate zij voller worden, puilen zij, evenals bij andere Knaagdieren,
+hoe langer hoe meer naar buiten uit, en krijgen een langwerpig eivormige gedaante; nooit hangen zij echter bij wijze van zakken
+aan weerszijden van den snuit naar beneden. Geheel uit de lucht gegrepen is ook de bewering, dat hij zijne wangzakken gebruikt
+om de losgewoelde aarde uit zijne holen te verwijderen.
+
+</p>
+<p>De schade, die de Goffer aanricht, kan zeer aanzienlijk worden. Hij vernielt soms door het afknagen van de wortels in weinige
+dagen honderden kostbare boomen en verwoest soms de opbrengst van geheele akkers door het opvreten van de door hem zeer gezochte
+knollen. Daarom is de mensch de gevaarlijkste vijand van dit dier, dat overigens alleen van Slangen en van overstroomingen
+te lijden heeft.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Audubon</span> heeft verscheidene Wangzakratten weken lang gevangen gehouden en met knollen gevoerd. Zij bleken buitengewoon vraatzuchtig
+te zijn, maar wilden niet drinken.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Een overgang tot de Springmuizen aan de eene, tot de Molmuizen aan de andere zijde, vormen de <span class="letterspaced">Wangzak-springmuizen</span> (<i>Dipodomys</i>), die zich van de overige leden der familie, waarmede men ze gewoonlijk vereenigt, onderscheiden door haar dikwijls sierlijk
+en slank gebouwd lichaam, den grooten, breeden, platten kop met tamelijk lange, afgeronde ooren; de voorpooten zijn tamelijk
+lang, de achterpooten echter nog meer verlengd, de binnenteen is aan alle voeten zeer weinig ontwikkeld, maar met een klauw
+voorzien; de klauwen van de voorvoeten zijn grooter dan die van de achtervoeten; het verschil is echter geringer dan bij den
+Goffer; de staart is even lang als of langer dan het overige lichaam, over zijn geheele lengte behaard met een haarkwastje
+aan de spits. Ook zij hebben wangzakken, die zich naar buiten openen en van binnen met korte haren bekleed zijn. De meest
+bekende soort (<i>Dipodomys Philippi</i>) wordt met inbegrip van 17 cM. langen staart, 30 cM. lang en bewoont woestijnachtige landstreken van Californi&euml;, waar overigens
+geen andere dieren dan Hagedissen en Slangen den bodem verlevendigen.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Veel meer dan bij andere met stekels gewapende Zoogdieren is het stekelkleed ontwikkeld in de familie van de <span class="letterspaced">Stekelvarkens</span> (<i>Hystrichidae</i>), naar welker bekendste geslacht de geheele groep benoemd werd. Een lange beschrijving van de uitwendig waarneembare kenteekenen
+harer leden is overbodig; het stekelkleed, hoe verschillend ook ontwikkeld, is aan al deze dieren eigen.
+
+</p>
+<p>Alle Stekelvarkens bewonen de gematigde en warme landen van de Oude en Nieuwe Wereld; in deze treft men de klimmende, in gene
+de gravende leden van de familie aan. De Stekelvarkens van de Nieuwe Wereld zijn evenzeer aan het leven op de boomen gebonden,
+als die van de Oude aan het leven in den grond. Deze bewonen derhalve ijle bosschen en steppen, verbergen zich over dag in
+door hen zelf gegraven gangen en holen. Gene daarentegen worden aangetroffen in groote bosschen, over dag rustend in een hollen
+boom of ineengerold op een gevorkten tak in een dikke boomkroon. <a id="d0e2198"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2198">326</a>]</span>Hunne bewegingen zijn langzaam, afgemeten en traag. Zoodra echter de nacht aangebroken is en zij behoorlijk wakker geworden
+zijn, loopen de Stekelvarkens van de Oude Wereld met trippelenden gang zeer schielijk over den bodem voort; die van de Nieuwe
+Wereld zijn wel is waar niet zoo vlug als Eekhoorns, maar klimmen toch behendig bij de takken op neer. De bewoners van den
+bodem zijn meesterlijk ervaren in het graven en in het overwinnen van alle bezwaren, die harde grondsoorten aanbieden. Onder
+hunne zinnen staat, naar &#8217;t schijnt, bij alle zonder uitzondering de reuk bovenaan; bij de Klimmende Stekelvarkens schijnt
+ook de tastzin eenigermate ontwikkeld te zijn; alle zijn echter zwak van gezicht en van gehoor. Hunne verstandelijke vermogens
+staan op een lagen trap. Zij zijn dom, vergeetachtig, weinig vindingrijk, boosaardig, driftig, angstig, schuw en vreesachtig,
+hoewel alle bij dreigend gevaar, door het overeind zetten van hunne stekels en eenige door het ratelen met de staartstekels
+vrees trachten in te boezemen. Met andere dieren houden zij evenmin vriendschap als met hunne soortgenooten: een smakelijk
+stukje voedsel kan zelfs onder echtgenooten een ernstigen strijd doen ontbranden. Nooit ziet men twee Stekelvarkens met elkander
+spelen of ook maar vriendschappelijk met elkander verkeeren. Den mensch, die hen gevangen houdt en verzorgt, worden zij nooit
+genegen; ook leeren zij hun verzorger niet van andere personen onderscheiden. Hun stem bestaat uit knorrende doffe geluiden;
+ook hoort men ze snuiven en zachtjes steunen; soms verneemt men van hen een moeielijk te beschrijven gepiep: waarschijnlijk
+hebben zij aan hun stem den overigens geheel ontoepasselijken naam &#8220;varken&#8221; te danken.
+
+</p>
+<p>Allerlei plantendeelen, van de wortels in den grond tot de vruchten in den top van den boom, dienen tot voedsel aan de Stekelvarkens.
+Op gelijke wijze als vele andere Knaagdieren brengen zij het voedsel met de voorpooten naar den bek. Bijna alle kunnen, naar
+het schijnt, gedurende geruimen tijd buiten water; waarschijnlijk is de dauw op de bladen dien zij verslinden, voldoende tot
+bevrediging van hunne behoefte aan vloeistof.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Eigenl&#307;ke Stekelvarkens</span> (<i>Hystrix</i>)&#8212;de vroegst bekende vertegenwoordigers van de tot de Oude Wereld beperkte onderfamilie van de <span class="letterspaced">Gravende Stekelvarkens</span> (<i>Hystrichinae</i>)&#8212;zijn gemakkelijk te herkennen aan hun korten, gedrongen romp, den dikken, door een krachtigen hals gesteunden kop, die in
+een stompen snuit eindigt, den korten staart, die met holle, op penneschachten gelijkende stekels bezet is en het buitengewoon
+sterk ontwikkelde stekelkleed. Kenmerkend voor hen zijn bovendien de kleine, rondachtige ooren, de breede bovenlip en de spleetvormige
+neusgaten.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Het <span class="letterspaced">Stekelvarken</span> (<i>Hystrix cristata</i>) is grooter, maar niet langer dan onze Das en schijnt, wegens zijn stekelkleed veel dikker en omvangrijker dan hij werkelijk
+is. Zijn lengte bedraagt 65 cM. met uitzondering van den 11 cM. langen staart; de hoogte in de schoften is 24 cM.; het gewicht
+wisselt af tusschen 15 en 20 KG. Alleen aan den korten, stompen snuit en aan den neus zitten eenige gewone haren; de bovenlip
+is met verscheidene rijen glanzige, zwarte snorren bedekt; zulke borstels staan ook op wratten boven en achter het oog. Langs
+den nek verheffen zich manen, die uit dikke, achterwaarts gerichte, zeer lange, gebogen borstels bestaan, die naar verkiezing
+overeind gezet en achterover gelegd kunnen worden. Deze borstels hebben een aanzienlijke lengte, zijn dun en buigzaam, gedeeltelijk
+wit, gedeeltelijk grijs van kleur en eindigen meestal in witte spitsen. Voor &#8217;t overige is de romp aan de rugzijde bedekt
+door naast elkander geplaatste, lange en korte, gladde stekels, die allengs tot aan de scherpe punt dunner worden, en waartusschen
+overal borstelige haren voorkomen. Op de stekels wisselen donker- of zwartbruine en witte ringen met elkander af; zij zitten
+los in &#8217;t vel bevestigd en vallen dus licht uit. Aan de zijden van den romp, op de schouders en in de buurt van &#8217;t kruis zijn
+de stekels korter en stomper dan op &#8217;t midden van den rug. De dunne, buigzame stekels bereiken een lengte van 40 cM., de korte
+en dikke daarentegen worden slechts 15 &agrave; 30 cM. lang, maar soms wel 0.5 cM. dik. Alle zijn van binnen hol of met een sponsachtig
+merg gevuld; de wortel en de spits zijn meestal wit van kleur. De korte stekels hebben zwartbruine en witte ringen. Aan de
+staartspits staan stekels van verschillenden vorm, die ongeveer 5 cM. lang, en wel 7 mM. dik zijn. Hun bovenste gedeelte is
+een afgeknotte, dunwandige, aan het einde geopende buis en gelijkt op een spoel van een ganzeveer, waarvan de merghoudende
+schacht is afgesneden; het onderste gedeelte van deze stekels is lang, dun en buigzaam. Door een groote, krachtige spier,
+die onder de huid van het dier gelegen en voor sterke samentrekking vatbaar is, kunnen alle stekels naar verkiezing opgezet
+en neergelegd worden. De onderzijde van het lichaam is bezet met donkerbruine, aan de spits roodachtige haren; om de keel
+ligt een witte band. De klauwen zijn donker hoornkleurig, de oogen zwart. De in Europa wonende Stekelvarkens zijn, naar men
+zegt, uit Noord-Afrika afkomstig en eerst door de Romeinen naar ons werelddeel overgebracht. Tegenwoordig vindt men dit dier
+in de kustlanden van de Middellandsche zee, vooral in Algeri&euml;, Tripolis en Tunis en verder zuidwaarts tot in Senegambi&euml; en
+Soedan. In Europa leeft het veelvuldig in de Campagna van Rome, op Sicili&euml;, in Calabri&euml; en in Griekenland. In Beneden-Egypte,
+waar het heet voor te komen, heb ik nooit sporen van de aanwezigheid van dit dier gezien.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1327.jpg" alt="Stekelvarken (Hystrix cristata)." width="720" height="515"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Stekelvarken</span> (<i>Hystrix cristata</i>).
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Het Stekelvarken leeft eenzaam. Over dag rust het in lange, lage gangen, die het zelf in den grond graaft; des nachts komt
+het voor den dag en zwerft rond om voedsel te zoeken. Dit bestaat uit allerlei plantaardige stoffen, distels en andere kruiden,
+wortels en vruchten, de schors van verschillende boomen en vele soorten van bladen. Het bijt zijn voedsel af met de voortanden
+en houdt het met de voorpooten vast, zoolang het eet. Alle bewegingen van dit dier zijn langzaam en onbeholpen; zijn gang
+is traag en bedachtzaam; het loopt niet snel. Alleen voor &#8217;t graven heeft het eenige geschiktheid, die echter in &#8217;t geheel
+niet toereikend is om een vluggen en behendigen vijand te ontvlieden. In den winter houdt het zich langer dan gewoonlijk in
+zijn hol op en brengt hier dikwijls eenige dagen achtereen slapend door. Een echte winterslaap heeft het niet.
+
+</p>
+<p>Wanneer men een Stekelvarken buiten zijn hol verrast, heft het dreigend den kop en den nek omhoog, zet alle stekels van zijn
+lichaam overeind en maakt er een eigenaardig klapperend geluid mede; vooral de holle stekels van den staart worden door het
+bewegen van dit lichaamsdeel zoo tegen elkander geslagen, dat er een vreemdsoortig geratel ontstaat, wel geschikt om een onwetend
+of vreesachtig mensch schrik aan te jagen. Als het zeer opgewonden is, stampt het met <a id="d0e2241"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2241">328</a>]</span>de achterpooten op den grond; wanneer men het grijpt, laat het een dof geknor hooren, gelijkend op dat van het Zwijn. In weerwil
+van zijn vreeswekkend geklapper is dit dier volkomen ongevaarlijk; het wordt licht verschrikt, gaat iedereen uit den weg en
+denkt er bijna niet aan om van zijne scherpe tanden gebruik te maken. Ook de stekels zijn meer afweringsmiddelen dan aanvalswapenen.
+Wie dit dier onvoorzichtig nadert, kan licht door de stekels gewond worden; de ervaren jager grijpt het dier bij de rugmanen
+en draagt het op zijn gemak mede, of doodt het door een stokslag op den neus. Wel buigt het, als men het nadert, den kop naar
+beneden, richt de rugstekels naar voren en gaat den vijand eenige schreden tegemoet; met een stok kan men echter buiten het
+bereik van de stekels blijven; een groote doek is voldoende om het dier te ontwapenen. In den uitersten nood rolt het zich
+als een Egel op en kan dan natuurlijk moeilijk aangevat worden. Over &#8217;t algemeen valt het gemakkelijk ten buit aan iederen
+behendigen vijand.
+
+</p>
+<p>Het wijfje werpt 60 &agrave; 70 dagen na de paring op een tamelijk zacht, met bladen, wortels en kruiden bekleed nest in zijn hol
+2 &agrave; 4 jongen. De diertjes komen ter wereld met open oogen en korte, zachte, glad tegen het lichaam aanliggende stekels; deze
+verharden echter weldra en groeien schielijk, hoewel zij hun volle lengte eerst op hoogeren leeftijd bereiken. Zoodra de jongen
+in staat zijn om zelf voedsel te zoeken, verlaten zij de moeder, die hen met veel liefde heeft grootgebracht.
+
+</p>
+<p>Hoewel men eigenlijk niet zeggen kan, dat het Stekelvarken den mensch nadeel berokkent, wordt het toch ijverig vervolgd. Zijne
+stekels worden voor velerlei doeleinden gebruikt, in sommige streken eet men zijn vleesch. In de Campagna wordt de jacht op
+dit dier als een bijzonder vermaak beschouwd; het valt trouwens niet te ontkennen, dat er iets avontuurlijks en aantrekkelijks
+gelegen is in de wijze waarop het dier wordt opgespoord. In een donkeren nacht begeeft men zich op de jacht met eenige goed
+gedresseerde Honden, men brengt deze op het spoor van het wild en laat hen zoeken. Door een luid, toornig geblaf kondigen
+zij aan, dat zij een van de stekelige dieren staande gehouden hebben en wijzen zij het jachtgezelschap den weg naar het tooneel
+van den strijd&#8212;voor zoo ver hier trouwens van strijd sprake kan zijn. Alle jagers steken de door hen gereed gehouden fakkels
+aan en begeven zich hiermede naar de plaats waar het Stekelvarken zich bevindt. Zoodra de Honden de komst van hunne meesters
+bemerken, huilen zij luid van vreugde en gaan woedend op hun tegenpartij los. Het Stekelvarken tracht hen terug te drijven
+door op allerlei toonhoogten te ratelen, te grommen en te knorren; het verweert zich zoo goed mogelijk met zijne naar alle
+richtingen uitgestoken speren. Het jachtgezelschap vormt een kring om het dier en zijne belagers; bij het schelle licht der
+fakkels kost het den jager geen moeite het wild bij de rugmanen te grijpen en het te dooden of levend mede te nemen naar huis.
+
+</p>
+<p>Bij goede behandeling wordt het Stekelvarken spoedig tam. Jong gevangen dieren leeren hun verzorger kennen en volgen hem na
+als Honden. Zij verliezen echter nooit de hun aangeboren schuwheid en vreesachtigheid. In de kamer kan men zulk een dier eigenlijk
+niet houden. Het loopt zoo onbedachtzaam rond, dat af en toe een van de aanwezigen zich bezeert aan de scherpe stekels. Voorts
+knaagt het aan tafelpooten, deuren en ander houtwerk; bovendien is het een saaie gezel. Het is niet moeilijk een Stekelvarken
+8 &agrave; 10 jaar in het leven te houden, wanneer men het niet al te slecht behandelt. Als voedsel krijgt het wortels, aardappels,
+salade, kool en andere plantaardige stoffen; het liefst eet het ooft. Water heeft het in &#8217;t geheel niet noodig, indien het
+sappige vruchten of bladen krijgt; als het met droog voedsel gevoederd wordt, drinkt het nu en dan, hoewel niet dikwijls.
+Niet zelden planten de Stekelvarkens zich in de gevangenschap voort.
+
+</p>
+<p>Evenals de Savoyaarden met Marmotten reizen, trekken de Italianen soms met tamme Stekelvarkens van dorp tot dorp om het vreemdsoortige
+dier voor geld te laten kijken.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Van hetzelfde geslacht treft men ook eenige soorten in Indi&euml;. Ceylon en het zuiden van China aan. Op Java, Borneo en Sumatra
+leeft het <span class="letterspaced">Javaansche Stekelvarken</span> (<i>Hystrix javanica</i>), dat zich van het Gewone onderscheidt door het gemis van manen; het heeft veel kortere, platte stekels, en deze zijn met
+een diepe, overlangsche groeve voorzien. De borstels en stekels zijn donker kastanjebruin, ten deele met witte spitsen. Dit
+dier, dat door de Javanen <span class="letterspaced">Landakli</span> wordt genoemd, bewoont wilde, boschrijke oorden, waar het lange holen graaft, die steeds twee uitgangen hebben. Het hierin
+levende paar doorzoekt &#8217;s nachts gemeenschappelijk den omtrek, en richt o.a. in de ma&iuml;s- en aardappelakkers soms groote schade
+aan. In vroegeren tijd speelde een van deze diersoort afkomstige galsteen (bezoar) een belangrijke rol in de geneeskunde.
+Soms werd voor zulk een &#8220;piedra del porco&#8221; wel 100 kronen betaald.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Kwaststaart-stekelvarkens</span> vormen het geslacht <i>Atherura</i>, waarvan &eacute;&eacute;n soort&#8212;de <span class="letterspaced">Afrikaansche Kwaststaart</span> (<i>Atherura africana</i>)&#8212;in West-Afrika leeft en tegenwoordig in dierentuinen geen zeldzaamheid is, terwijl een andere soort&#8212;de <span class="letterspaced">Indische Kwaststaart</span> (<i>Atherura fasciculata</i>)&#8212;Siam, het Maleische schiereiland en Sumatra bewoont. Beide zijn ongeveer 40 cM. lang zonder den staart; deze heeft een vierde
+of een derde deel van de totale lichaamslengte, en eindigt in een eigenaardige kwast, welks bestanddeelen geen haren of borstels
+zijn, maar op <span id="d0e2286" class="corr" title="Bron: strookje">strookjes</span> perkament gelijken, die op een grillige wijze zijn uitgeknipt. Het betrekkelijk slanke lichaam is op den rug en de zijden
+met zeer scherpe, platte, overlangs gegroefde stekels bezet.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De Stekelvarkens van de Nieuwe Wereld vormen een afzonderlijke onderfamilie, die der <span class="letterspaced">Klimmende Stekelvarkens</span> (<i>Cercolabinae</i>); door hunne met wratachtige verhevenheden bedekte voetzolen en groote, gekromde klauwen zijn zij voor het leven op de boomen
+geschikt.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>In de noordelijke helft van Noord-Amerika vindt men het <span class="letterspaced">Canadeesche Stekelvarken</span> of de <span class="letterspaced">Oerson</span> (<i>Erethizon dorsatum</i>). Van Labrador tot aan het Rotsgebergte bewoont het de bosschen van het gebied gelegen tusschen 67&deg; N.-B. aan de eene, Virgini&euml;
+en Kentucky aan de andere zijde. In de bosschen ten westen van den Missouri is het niet bijzonder zeldzaam, in de oostelijke
+gewesten daarentegen is het nagenoeg uitgeroeid. Met een anderen vorm, die aan de westkust, van Californi&euml; tot Alaska, gevonden
+wordt brengt men deze soort tot het geslacht <span class="letterspaced">Platstaart-stekelvarken</span> (<i>Erethizon</i>). Dit onderscheidt zich door een ineengedrongen <a id="d0e2318"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2318">329</a>]</span>romp en den korten, afgeplatten of verbreeden staart, die aan de bovenzijde met stekels, aan de onderzijde met borstels bezet
+is. Met inbegrip van den 19 cM. langen staart bereikt de Oerson een lengte van 80 cM. De kop is kort, dik en stomp, de snuit
+is afgeknot; de kleine neusgaten kunnen door een halvemaanvormige klep min of meer afgesloten worden. De voorvoeten missen
+den duim en zijn dus vierteenig; aan de achtervoeten komen vijf teenen voor; de klauwen zijn lang en krachtig, de zolen naakt,
+met een netvormig geplooide huid bekleed. Een dikke vacht, bestaande uit haren, die in den nek een lengte van 11 cM. bereiken,
+maar aan de onderzijde en aan de spits van den staart door scherpe borstels vervangen zijn, bedekt den romp. Tusschen de haren
+en de borstels staan op de geheele bovenzijde stekels, die 8 cM. lang kunnen worden en grootendeels door de haren bedekt zijn.
+De kleur is een mengsel van bruin, zwart en wit.
+
+</p>
+<p>&#8220;De Oerson,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Cartwright</span>, &#8220;is een behendige klimmer: in den winter verlaat hij een boom waarschijnlijk niet, voordat hij de kroon geheel van schors
+beroofd heeft. Aan de jongste boomen geeft hij de voorkeur: een enkele Oerson doodt waarschijnlijk gedurende &eacute;&eacute;n winter wel
+honderden boomen.&#8221; <span class="smallcaps">Audubon</span> verhaalt, dat hij bosschen gezien heeft, waarvan alle boomen door den Oerson ontschorst waren, zoodat zij er uitzagen, alsof
+er een boschbrand in gewoed had. Vooral de iepen, populieren en dennen waren zeer sterk beschadigd.
+
+</p>
+<p>Het nest wordt in holle boomen of in rotsholen aangelegd; in April of Mei vindt men hierin de jongen, gewoonlijk 2, zeldzamer
+3 of 4. De jongen, die uit het nest genomen en gevangen gehouden worden, geraken weldra aan hun meester en aan hun nieuwe
+omgeving gewoon. Men voedt ze met allerlei plantaardige stoffen; ook houden zij zeer veel van brood. Als men ze in den tuin
+vrij rondloopen laat, klimmen zij in de boomen en vreten er de schors en de bladeren van op. <span class="smallcaps">Audubon</span> verhaalt, dat een door hem verzorgde Oerson alleen dan boos werd, als men hem verwijderen wilde van een geregeld door hem
+bezochten boom in den tuin. &#8220;Onze gevangene was langzamerhand zeer tam geworden, en maakte zelden van zijne nagels gebruik:
+men kon daarom af en toe zijn hok openen en hem het genot gunnen van een wandeling door den tuin. Hij kende ons; als wij hem
+riepen en hem een appel of een bataat (&#8216;zoete aardappel&#8217;) voorhielden, draaide hij den kop langzaam naar ons toe, keek ons
+zachtmoedig en vriendelijk aan, hompelde dan langzaam nader, nam ons het voedsel uit de hand, ging opzitten, en bracht het
+voorwerp met de voorpooten naar den mond. Dikwijls kwam hij, als hij de deur open vond, in onze kamer, kwam naar ons toe,
+wreef zich tegen onze beenen aan, en keek smeekend tot ons op om de een of andere lekkernij te ontvangen. Tevergeefs beproefden
+wij hem boos te maken; nooit gebruikte hij zijne stekels tegen ons. Anders was het, wanneer er een Hond aankwam. Dan was hij
+onmiddellijk op tegenweer bedacht, boog den kop naar beneden, richtte alle stekels op, en bewoog den staart heen en weer,
+gereed tot den strijd.
+
+</p>
+<p>&#8220;Een groote, kwaadaardige en in de hoogste mate strijdlustige Bullenbijter uit de buurt, sprong eens onverwachts met geopenden
+bek op het Stekelvarken toe. De Oerson scheen in &#8217;t zelfde oogenblik tot den dubbelen omvang op te zwellen, hield den naderenden
+vijand scherp in &#8217;t oog, en bracht hem op het juiste oogenblik met den staart een zoo goed gerichten slag toe, dat de Bullenbijter
+oogenblikkelijk den moed verloor, en door de smart gepijnigd luid jankte. De bek, de tong en de neus waren bedekt met de stekels
+van zijn tegenpartij. Buiten staat den bek te sluiten, snelde hij met geopenden muil onophoudelijk het erf rond. Hoewel de
+omstanders hem onmiddellijk de stekels uit den bek trokken, bleef de kop nog verscheidene weken gezwollen; maanden gingen
+er voorbij, voordat de snuit genezen was.&#8221;
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1329.jpg" alt="Oerson (Erethizon dorsatum). &#8537; v.d. ware grootte." width="720" height="444"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Oerson</span> (<i>Erethizon dorsatum</i>). &#8537; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Alleen de Indianen weten een nuttig gebruik te maken van den gedooden Oerson. Het vleesch van dit dier wordt door hen met
+smaak gegeten, en bevalt ook aan den blanke zeer goed. Het vel is, nadat men de stekels er uit verwijderd heeft, bruikbaar
+wegens zijn aangename zachtheid; de stekels worden door den wilde hoofdzakelijk gebruikt tot opsiering van zijne weitasschen,
+laarzen enz.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Tot het geslacht der <span class="letterspaced">Gr&#307;pstaart-stekelvarkens</span> (<i>Cercolabes</i>) eindelijk brengt men die soorten, welke een voor &#8217;t klimmen geschikten staart en aan de achtervoeten zoowel als aan de voorvoeten
+4 teenen hebben, waarnevens een klein stompje de plaats van <a id="d0e2356"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2356">330</a>]</span>den binnenteen aanduidt. Als het haarkleed zoover boven de stekels uitgroeit, dat deze slechts op sommige plaatsen te voorschijn
+komen, en aan de keel, de borst en den buik geheel ontbreken, worden de soorten tot het ondergeslacht der <span class="letterspaced">Boom-stekelvarkens</span> (<i>Sphingurus</i>) gerekend; daarentegen treden de borstels op den achtergrond bij het ondergeslacht der <span class="letterspaced">Gr&#307;pstaart-stekelvarkens</span> of <span class="letterspaced">Koeandoes</span> (<i>Synetheres</i>).
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1330.jpg" alt="Boom-stekelvarken (Cercolabes novae hispaniae). &#8537; v.d. ware grootte." width="720" height="447"><p class="figureHead"><span id="d0e2375" class="corr" title="Bron: Boomstekel-varken">Boom-stekelvarken</span> (<i>Cercolabes novae hispaniae</i>). &#8537; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Het <span class="letterspaced">Mexicaansche Boom-stekelvarken</span> [<i>Cercolabes (Sphingurus) novae-hispaniae</i>], een dier van 95 cM. totale lengte, waarvan ongeveer een derde voor den staart gerekend moet worden, bewoont de oostkust
+van Mexico. De glanzige haren zijn zeer dicht en zacht, een weinig gekroesd en zoo lang, dat vele stekels volkomen door hen
+bedekt worden. De stekels ontbreken op de onderdeelen, met uitzondering van den onderhals, voorts aan de binnenzijde van de
+pooten, op den snuit en op de achterste helft van den staart, die van boven naakt, van onderen met zwarte, aan de zijden met
+gele borstels bezet is. Het haarkleed heeft een zwarte kleur. Op het gelaat komen zeer lange snorharen voor. De stekels, die
+over &#8217;t algemeen een zwavelgele kleur hebben met uitzondering van de zwarte spits, zijn bij den wortel veel dunner, hooger
+op overal even dik, behalve vlak onder de spits, waar zij plotseling in een punt uitloopen; in &#8217;t midden zijn zij glad en
+bij de naaldscherpe spits met naar beneden gerichte weerhaken voorzien. Zoolang het Boom-stekelvarken rustig is, bemerkt men
+zeer weinig van het stekelkleed, behalve in de omgeving van de oogen en ooren. Als het dier toornig is, heeft het alle stekels
+overeind geplaatst, zoodat zij in alle richtingen afstaan; wanneer men nu met de hand over het vel strijkt, bemerkt men ze
+overal. Zij zijn zoo zwak in de huid bevestigd, dat zij bij de minste aanraking uitvallen; zelfs als men het dier maar even
+aait, gaan zij bij dozijnen los; geregeld blijven er dan eenige in de hand steken.
+
+</p>
+<p>De mededeelingen over het leven van de Boom-stekelvarkens in de vrije natuur zijn zeer schaarsch en onvolledig. De meeste
+hebben betrekking op een soort, die nauw verwant is aan de zooeven genoemde, op den <span class="letterspaced">Koe&iuml;y</span> (<i>Cercolabes villosus</i>); over hem hebben <span class="smallcaps">Azara</span>, <span class="smallcaps">Rengger</span>, de <span class="letterspaced">Prins</span> <span class="smallcaps">Von Wied</span> en <span class="smallcaps">Burmeister</span> berichten gegeven. Hij is over geheel Brazili&euml; en Paraguay en een deel der verder zuidwaarts gelegen landen verbreid; hoewel
+overal bekend, is hij nergens algemeen. Bij voorkeur kiest hij hoogstammige bosschen tot verblijfplaats. Gedurende het grootste
+deel van het jaar leeft hij hier alleen en wel in een bepaald gebied, altijd op de boomen, in welker takken hij zich behendig
+beweegt. Over dag slaapt hij, tot een bal ineengerold, in een takgaffel; des nachts zwerft hij rond, steeds langzaam en voorzichtig
+klimmend, zonder een mispas te doen. <span class="smallcaps">Hensel</span> doet uitkomen, dat dit dier door zijn vorm en zijn kleur zich niet veel van de omgeving onderscheidt. &#8220;De natuur,&#8221; zegt hij,
+&#8220;heeft aan dit dier een groot voorrecht geschonken; niet tevreden met het tegen vijanden uit zijn eigen dierklasse te beveiligen,
+droeg zij er ook nog bijzondere zorg voor het tegen Roofvogels te beschermen. Boven het stekelkleed van dit dier steken nl.
+lange, fijne haren uit. Deze verschaffen het, wanneer het half ineengerold en onbeweeglijk op een boomtak zit, een bedrieglijke
+overeenkomst met een klomp grijs baardmos; zelfs de scherpzichtige jager gaat het licht voorbij, bedrogen, door de in den
+wind heen en weer schommelende haren en zal misschien een andere keer zijn geweer afschieten op een hoop van deze korstmossen,
+die op boomen groeien, in de meening het gezochte dier te zullen treffen.&#8221;&#8212;De houding, die het Boom-stekelvarken in de boomen
+aanneemt, is zeer eigenaardig; het zit op de achtervoeten, in welker onmiddellijke nabijheid de voorvoeten op den tak rusten;
+deze zijn dan dikwijls op zulk een wijze gebogen, dat het dier op den rug van de hand steunt; de kop is intusschen loodrecht
+naar beneden gericht, de staart recht uitgestrekt en haakvormig naar boven omgebogen. Gewoonlijk beveiligt het dier zich tegen
+den val door zijn grijpstaart om een tak te slingeren; ook zonder dezen voorzorgsmaatregel zit het zelfs op de dunste takken
+zeer stevig, omdat het zich met de breede, naar binnen gewelfde handen uitmuntend kan vasthouden. Bij het klimmen drukt het
+de breede, vleezige zolen vast tegen de takken, die het met den bal van de hand omklemt.
+
+</p>
+<p>Het voedsel van het Boom-stekelvarken bestaat hoofdzakelijk uit vruchten, knoppen, bladen en wortels, die het met de handen
+naar den mond brengt.
+
+</p>
+<p>Om het leven van dit dier in de gevangenschap te schilderen, zal ik <span class="smallcaps">Azara&#8217;s</span> waarnemingen vermelden. <a id="d0e2425"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2425">331</a>]</span>&#8220;Ik liet er een, dat reeds oud was, toen het gevangen werd, in mijne kamer losloopen; een jaar lang is het zonder water gebleven,
+want het drinkt niet. Als het verschrikt werd, liep het met groot gemak, ik kon het echter altijd wel bijhouden zonder mij
+in te spannen, als ik denzelfden kant uitging. Al zijne bewegingen zijn onbeholpen; het klimt echter met gemak langs den eersten
+den besten stok op en af, en klemt zich er zoo stevig aan vast, dat er een tamelijk groote kracht noodig is om het los te
+rukken<span id="d0e2427" class="corr" title="Bron: ">.</span> Op de leuning van een stoel, op den top van een loodrecht in den grond geslagen paal heeft het ruimte genoeg om veilig te
+slapen en ook werkelijk uit te rusten. Zijne stompzinnigheid en bedaardheid of traagheid zijn zoo groot, dat er wel 24 &agrave; 48
+uren voorbij kunnen gaan, voordat het van plaats verandert, of ook maar de geringste wijziging in zijn houding aanbrengt.
+Mijn exemplaar bewoog zich alleen, als het eten wilde; dit geschiedde in den regel om 9 uur &#8217;s morgens en om 4 uur &#8217;s namiddags;
+slechts een enkele maal merkte ik op, dat het ook &#8217;s nachts rondliep; toch houd ik het voor een nachtelijk dier. Mijn Stekelvarken
+ging in de eerste dagen van zijn gevangenschap op de leuning van een stoel zitten, nooit op een vlak voorwerp; toen het echter
+eens bij het venster naar boven geklommen was en daar den kant van het vensterluik gevonden had, zocht het later geen andere
+rustplaats. Boven op dit luik bracht het zijn tijd door; het zat hier, zonder de minste beweging te maken, in een ongewone
+houding als een steenen beeld. Zonder zich met de hand of den staart tegen het vallen te beveiligen, hield het zich alleen
+met de voeten vast, legde de handen over elkander en hiertusschen zijn snuit, alsof het zich de handen wilde kussen. Zoo zat
+het zonder zich te bewegen, ja zelfs zonder rond te kijken, tot aan het uur van zijn maaltijd. Van het voorgediende voedsel&#8212;brood,
+ma&iuml;s, maniokwortels, kruiden, bladen en bloemen&#8212;nam het slechtst uiterst weinig, het hield er echter van, nu eens het eene,
+dan weer het andere voedsel te gebruiken. Het beet of krabde nooit en deed niemand eenig kwaad.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het best ontwikkeld is bij dit dier het zintuig van den reuk. Als ik chocolade dronk, of met bloemen de kamer binnenkwam,
+merkte ik op, dat mijn Stekelvarken den snuit omhoog stak; hieruit kon ik veilig afleiden, dat het den geur op tamelijk grooten
+afstand waarneemt. De spits van zijn staart is zoo gevoelig, dat het zelfs bij zachte aanraking van dit lichaamsdeel onmiddellijk
+opstaat en schrik laat blijken. Voor &#8217;t overige bemerkte men aan dit dier niets anders dan traagheid en domheid; men mag wel
+zeggen, dat het nauwelijks verstand genoeg heeft om te eten en te leven. Nooit liet het vreugde of droefheid of zelfs een
+aangename gemoedsstemming blijken. Soms draaide het den kop om, als het bij den naam genoemd werd. Gewoonlijk echter keek
+het niet om, maar deed, alsof het niet zien kon; ook bij aanraking gedroeg het zich, alsof het van steen was, behalve wanneer
+dit te ruw geschiedde; in dit geval zette het zijn stekels op; ook dan echter maakte het geen verdere beweging.&#8221;
+
+</p>
+<p>Daar het uitwendig voorkomen van dit dier niet aanlokkelijk is, wordt het door de bewoners van Paraguay maar zelden gevangen
+en in het leven gehouden; toch blijft het niet van vervolging verschoond. De wilden eten zijn vleesch, dat wegens zijn onaangenamen
+reuk door de blanke bewoners versmaad wordt. Ook deze dooden het dier echter, waar zij het ontmoeten. Door <span class="smallcaps">Hensel</span> worden de volgende redenen voor dezen haat medegedeeld: &#8220;Het griezeligste dier van het Braziliaansche oerwoud is het Boom-stekelvarken.
+De natuur heeft er zich niet toe bepaald het door stekels tegen de Roofdieren te beschutten, op gelijke wijze als b.v. de
+Egel, maar heeft deze verweermiddelen bovendien op zulk een wijze ingericht, dat zij den vijand voor zijn aanval op de vreeselijkste
+wijze straffen. De stekels zijn n.l. aan hun onderste gedeelte zoo fijn en ook zoo zwak in de huid bevestigd, dat zij los
+geraken, wanneer er maar even aan getrokken wordt; zij blijven derhalve aan een vreemd lichaam vastgehecht, zoodra zij er
+met de spits in doorgedrongen zijn. Wanneer dus een Hond een aanval doet op het rustig ter aarde liggend Boom-stekelvarken,
+dat, bewust van de vreeselijke werking zijner wapens, er niet aan denkt om te ontvluchten, zullen de weeke deelen van den
+bek van den vijand getroffen worden door tallooze stekels; deze zullen hierin steken blijven, omdat zij weerhaken hebben;
+om dezelfde reden en tengevolge van de bewegingen die het gewonde dier maakt, zullen zij steeds dieper doordringen. De ongelukkige
+Hond kan den bek niet sluiten, en zal, als men hem niet spoedig te hulp komt, door de zwelling van de mondholte en van het
+strottenhoofd, na een smartelijk lijden stikken of verhongeren. Als men er vlug bij is, kan men de stekels uittrekken door
+ze bij de spits tusschen de duim en de punt van een mes te vatten; later is ook dit niet meer mogelijk en breken zij veeleer.
+Daarom nemen vele jagers een tang mede, als zij zich naar &#8217;t woud begeven. Het is dus verklaarbaar, dat de jager in het oerwoud
+geen enkel dier, zelfs de Vergiftige Slangen niet, zoo zeer haat en vreest als dit Knaagdier. Overal waar hij het ontmoet,
+zal hij het zonder mededoogen dooden, hoewel het overigens geheel onschadelijk is.&#8221;
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De tot de <span class="letterspaced">Gr&#307;pstaart-stekelvarkens</span> behoorende <span class="letterspaced">Koeandoe</span> [<i>Cercolabes (Synetheres) prehensilis</i>] heeft over &#8217;t geheel genomen den vorm van den Koe&iuml;y, maar is aanmerkelijk grooter en krachtiger gebouwd dan deze. Zijn lengte
+bedraagt (met inbegrip van den 45 cM. langen staart) 1.1 M. De bekleeding met stekels begint reeds op het aangezicht, strekt
+zich uit over de geheele rugzijde, over de pooten tot aan het polsgewricht en het spronggewricht, over de voorste helft van
+den staart en ook over de geheele buikzijde. De stekels liggen echter niet glad tegen het lichaam aan. De haren, die tusschen
+de stekels groeien, worden geheel door deze bedekt en zijn eerst zichtbaar, als men de stekels uiteenbuigt. Deze zijn ook
+hier zeer los aan de huid gehecht, bij de aanhechtingsplaats dun, overigens gelijkmatig van dikte, naaldvormig en in de nabijheid
+van de zeer fijne spits plotseling zeer sterk verdund; op het achterste deel van den rug bereiken zij een lengte van 12 cM.;
+hoe nader zij bij het onderlijf gelegen zijn, des te korter worden zij; op de buikzijde gaan zij allengs in echte borstels
+over, die aan de onderzijde van het voorste deel van den staart weder stijf en stekend worden.
+
+</p>
+<p>Van de levenswijze van den Koeandoe in de vrije natuur is weinig bekend. Hij bewoont een tamelijk groot deel van Zuid- en
+Midden-Amerika, vooral Brazili&euml; en Guyana, en is op vele plaatsen volstrekt niet zeldzaam. Op soortgelijke wijze als zijne
+verwanten slaapt hij over dag, zittend in een boomkroon; des nachts loopt hij langzaam maar behendig over de takken. Zijn
+voedsel bestaat uit allerlei bladen. Het vleesch van dit dier wordt door de inboorlingen gaarne gegeten; deze weten ook van
+de stekels op verschillende <a id="d0e2452"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2452">332</a>]</span>wijzen gebruik te maken, o.a. worden zij in sommige ziektegevallen in de huid van den pati&euml;nt gestoken, met een soortgelijke
+bedoeling, als waarvoor bij ons Bloedzuigers gebruikt worden.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>De uitwendige kenteekenen van de Familie der <span class="letterspaced">Halfhoevigen</span> of <span class="letterspaced">Zw&#307;nachtige Knaagdieren</span> (<i>Caviidae</i> of <i>Subungulata</i>), waartoe ook het bekende Guineesche Biggetje behoort, zijn: een meer of minder gestrekte romp, die op middelmatig hooge
+of hooge pooten rust, welker voorvoeten vier en welker achtervoeten drie, vier of vijf teenen hebben, waaraan korte, breede,
+bijna hoefvormige, van boven gekielde nagels voorkomen; de zool is onbehaard; de staart is bij sommige soorten zeer kort,
+bij andere alleen als een klein wratje waarneembaar en ontbreekt bij de overige geheel; de ooren zijn in den regel kort, bij
+eenige half zoo lang als de kop; de vacht is uit grove haren samengesteld. Het gebit bestaat, behalve uit de vier breede knaagtanden,
+uit vier wortellooze kiezen van ongeveer gelijke grootte in iedere kaakhelft. Alle leden van deze familie zijn tot Middel-
+en Zuid-Amerika beperkt.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Het <span class="letterspaced">Guineesch Biggetje</span> (<i>Cavia porcellus, Cavia cobaya</i>)&#8212;bij ons algemeen bekend onder den naam van &#8220;Marmot&#8221;, die aan een geheel anders gebouwd Knaagdier toekomt&#8212;deelde tot voor
+korten tijd in het lot van vele huisdieren: men kon zijne stamouders niet met zekerheid aanwijzen. Voor zoover men kan nagaan,
+is dit dier kort na de ontdekking van Amerika, in de 16e eeuw dus, door Hollandsche zeelieden naar Europa gebracht. <span class="smallcaps">Gesner</span> (geb. 1516, gest. 1565) kende het reeds. Sedert dien tijd heeft het zich in Europa voortdurend in gevangenschap voortgeplant.
+Tot voor kort heeft men, waarschijnlijk ten onrechte, vrij algemeen den Braziliaanschen <span class="letterspaced">Aperea</span> (<i>Cavia Aperea</i>) als stamsoort van ons Guineesch Biggetje beschouwd. (Bij dezen zijn de snijtanden van voren bruinachtig geel, bij het Guineesch
+Biggetje daarentegen geelachtig grijs<span id="d0e2489" class="corr" title="Bron: ">.</span>) Volgens de onderzoekingen van <span class="smallcaps">Nehring</span> evenwel stamt het van de Peruaansche <i>Cavia cutleri</i> af. Deze werd in zijn vaderland reeds ten tijde van de Inca&#8217;s als huisdier gehouden en wordt, volgens <span class="smallcaps">A. St&uuml;bel</span>, ook thans nog door de Indianen van Peru, Ecuador en Columbia gefokt en gegeten. Daarentegen wordt het bij de Indiaansche
+stammen van Brazili&euml;, die nog niet met andere volken in aanraking gekomen zijn, in getemden staat niet aangetroffen. Onze
+naam &#8220;Guineesch biggetje&#8221; (&#8220;Guinea-pig&#8221; bij de Engelschen) is letterlijk al even onjuist als de Fransche naam &#8220;Cochon d&#8217;Inde&#8221;, een vertaling van de reeds bij <span class="smallcaps">Aldrovandi</span> (1522&#8211;1605) voorkomende aanduiding &#8220;Porcellus indicus&#8221;, waaraan ook de wetenschappelijke soortnaam ontleend is.
+
+</p>
+<p>Behalve effenkleurige Guineesche Biggetjes, van welke de witte het veelvuldigst voorkomen, ziet men gewoonlijk alleen driekleurige:
+wit, geel en zwart gevlekte. Volgens de onderzoekingen van <span class="smallcaps">Nehring</span> misten de mummi&euml;n van de Guineesche Biggetjes uit den Inca-tijd, die op het Doodenveld van Ancon in Peru gevonden worden,
+steeds de zwarte vlekken. De effenkleurige waren wit of roodachtig bruin; de tweekleurige hadden een der zooeven genoemde
+grondkleuren en roodachtig bruine of geelachtig witte vlekken. Bij ons zijn, volgens de onderzoekingen van <span class="smallcaps">Haacke</span>, driekleurige exemplaren met aschgrauwe in plaats van zwarte vlekken geen zeldzaamheid; deze hebben altijd roode oogen. In
+den laatsten tijd is het <span class="letterspaced">Langharige Guineesche Biggetje</span>, een ras met lange haren, die op verschillende lichaamsdeelen eigenaardige kruinen vormen, zeer gezocht.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1332.jpg" alt="Guineesch Biggetje (Cavia porcellus). &frac12; v.d. ware grootte." width="720" height="505"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Guineesch Biggetje</span> (<i>Cavia porcellus</i>). &frac12; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Het Guineesche Biggetje behoort tot de meest gewilde huisdieren uit de geheele Knaagdieren-orde, zoowel omdat het geen hooge
+eischen stelt, als wegens zijn onschadelijkheid en goedaardigheid. Als men het een frissche en droge ligplaats verschaft,
+kan men het overal gemakkelijk in &#8217;t leven houden. Het voedt zich met de meest verschillende plantaardige stoffen; alle deelen
+van de plant van de wortels tot aan de bladen, zaden zoowel als frissche sappige plantendeelen zijn naar zijn smaak; eenige
+afwisseling in het voedsel is <a id="d0e2535"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2535">333</a>]</span>echter zeer gewenscht. Als het saprijk voedsel krijgt, heeft het geen drank noodig; het houdt echter zeer veel van melk. Daar
+het zich allerlei behandeling laat welgevallen en zich zelfs tegen mishandeling niet verzet, is het een bron van vermaak voor
+de kinderen, die zich in den regel het meest met het verzorgen van dit dier bezighouden. Door zijn aard herinnert het in vele
+opzichten aan de Konijnen, in andere aan de Muizen. Zijn gang is bijzonder snel en bestaat uit opeenvolgende kleine sprongen;
+het dier is echter niet onbeholpen, maar tamelijk behendig. Als het rust, heeft het gewoonlijk alle vier pooten gebogen en
+is de romp plat tegen den grond gedrukt; het kan echter ook overeind zitten op de achterpooten. Bij &#8217;t eten brengt het zijn
+voedsel met de voorpooten naar den mond. Onophoudelijk loopt het in zijn hok rond, het liefst langs de muren, waardoor hier
+spoedig een glad getreden pad ontstaat. Wanneer men een groot aantal van deze dieren, bijeen heeft in een hok, levert hun
+gang een aardig schouwspel op. In den ganzenmarsch loopen zij achter elkander aan, de geheele troep loopt op deze wijze soms
+wel honderdmaal het hok rond, zonder op te houden.&#8212;De stem van dit dier bestaat uit een knorrend geluid, waaraan het waarschijnlijk
+den naam Biggetje te danken heeft, en uit een eigenaardig gemurmel en gepiep. Het murmelen geeft, naar het schijnt, een tevreden
+gemoedsstemming te kennen, het piepen verraadt steeds opgewondenheid.
+
+</p>
+<p>Weinige Zoogdieren evenaren het Guineesch Biggetje in vruchtbaarheid. Bij ons werpt het wijfje twee- of driemaal per jaar
+2 of 3, dikwijls 4 of 5 jongen, in warmen landen niet zelden 6 of 7. Deze komen volkomen ontwikkeld ter wereld, hebben reeds
+bij de geboorte open oogen en zijn reeds weinige uren na hun geboorte in staat om met hun moeder rond te loopen. Na ongeveer
+5 of 6 maanden zijn de jongen in staat om zich voort te planten, na 8 of 9 maanden hebben zij hun definitieve grootte bereikt.
+Als zij goed behandeld worden, kunnen zij 6 &agrave; 8 jaar oud worden.
+
+</p>
+<p>Wanneer men zich veel met de Guineesche Biggetjes bemoeit, worden zij zeer mak hoewel zij hun vreesachtigheid nooit geheel
+afleggen en wegens de geringe ontwikkeling hunner geestvermogens zelden zoover komen, dat zij hunne verzorgers van anderen
+onderscheiden. Er zijn echter ook uitzonderingen. &#8220;Een Guineesch Biggetje, dat aan mijne kinderen toebehoort,&#8221; schrijft <span class="smallcaps">Friedel</span>, &#8220;begroet mijn zoon, zoodra het diens schreden verneemt, met een luid opgewonden gepiep; het maakt uit dankbaarheid een duidelijk
+trommelend geluid, als het van hem voedsel krijgt; mijn dochtertje ontvangt als groet geen gepiep, maar slechts een zacht
+gemurmel; ook voor mijn vrouw en mij blijft het trommelen achterwege. Als mijn vrouw &#8217;s avonds laat de kamer voorbijgaat,
+waarin het dier geborgen is, wordt zij steeds door een klagend gepiep aangezocht om het iets te eten te geven; als ik er langs
+kom, houdt het dier zich stil, omdat het wel weet, dat ik op dit late uur niets geven zal. Het kan dus vier personen goed
+van elkander onderscheiden. Bovendien kan het kunstjes maken: het gaat op commando dood liggen en gehoorzaamt aan het bevel
+om weer op te staan.&#8221;&#8212;Zelfs het kleinste kind kan men zonder bezwaar met het Guineesch Biggetje laten spelen, daar het nooit
+pogingen zal doen om te bijten. Dikwijls legt het een opmerkelijke onverschilligheid aan den dag. Hoe prettig deze dieren
+het verblijf in hun hok ook vinden, verlangen zij er toch, naar het schijnt, niet bijzonder naar, wanneer zij ergens anders
+gebracht zijn; zij laten zich oppassen en verzorgen, dulden, dat men hen op den schoot neemt, met hen solt, enz., zonder ooit
+ontevredenheid te toonen. Als zij iets te eten krijgen, zijn zij overal tevreden. Hier staat tegenover, dat zij nooit een
+wezenlijke gehechtheid aan den mensch laten blijken, maar voor iedereen nagenoeg even vriendelijk zijn. Voor koude en vochtig
+weder zijn zij zeer gevoelig; zij worden er ziek van en dikwijls is dit oorzaak van hun dood.
+
+</p>
+<p>Schade kunnen de Guineesche Biggetjes ons niet toebrengen, tenzij hun als woonplaats een kamer is aangewezen en zij hier aan
+het houtwerk knagen. De schade is echter van geen beteekenis in vergelijking met hunne goede eigenschappen, waardoor zij menigeen
+genoegen verschaffen en dus nuttig zijn. Bovendien hebben zij, geheel onwillekeurig trouwens, belangrijke diensten aan de
+wetenschap bewezen; daar op hen proeven zijn genomen bij tal van physiologische onderzoekingen.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Een zeer vreemdsoortige woestijnbewoner&#8212;de <span class="letterspaced">Mara</span> (<i>Dolichotis patagonica</i>)&#8212;vertegenwoordigt een tweede geslacht van de Halfhoevigen. In vele opzichten doet hij aan de Hazen denken, van welke hij
+echter zeer verschilt door de langere pooten en de kortere, stompe ooren. Bij volwassen dieren bedraagt de lengte van den
+romp 50 cM.; het 4 &agrave; 5 cM. lange staartstompje is hieronder begrepen; de hoogte in de schoften is soms niet minder dan 45
+cM. Hierdoor gelijkt het dier op het eerste gezicht veeleer op een kleinen Herkauwer dan op een Knaagdier.
+
+</p>
+<p>De Mara bewoont de steenachtige en droge woestijnen van Patagoni&euml;. Daar waar de Sierra Talpaquen deze woestijn begrenst en
+de bodem vochtiger en rijker aan planten begint te worden, ziet men haar in &#8217;t geheel niet meer. In westelijke richting komt
+zij voor tot in de nabijheid van Mendoza, dus op 33&deg; Z.B., wat tevens wel het noordelijkste punt van haar verbreidingsgebied
+zal zijn. <span class="smallcaps">Darwin</span> neemt 37&deg; Z.B. als noordelijke grens aan. Twee eeuwen geleden was zij veel algemeener dan thans, nu zij alleen nog maar veelvuldig
+is in die gewesten, waar de ongastvrijheid van het land haar voor vervolgingen vrijwaart. Hoe veelvuldig zij hier ook zij,
+toch kost het veel moeite het dier te bemachtigen, om de eenvoudige reden, dat men het tamelijk moeielijk te zien kan krijgen.
+Het ligt n.l. in zijn hol verborgen, &ograve;f het ligt plat tegen den grond aangedrukt en wordt dan wegens zijn aardkleurige vacht
+allicht niet opgemerkt. Bovendien is het zeer schuw en vreesachtig. Bij het geringste gevaar gaat de Mara onmiddelijk op de
+vlucht. Zij is een echt dagdier, hoewel zij gedurende de hitte van den middag haar hol opzoekt. Haar voedsel bestaat uit planten,
+misschien vooral uit wortels en schors, in allen gevalle uit stoffen, die door andere Zoogdieren versmaad worden. In sommige
+streken van Patagoni&euml;, waar op den steenachtigen grond slechts weinige, dorre en doornachtige struiken een armoedig leven
+kunnen leiden, is zij het eenige levende dier, dat de aandacht trekt.
+
+</p>
+<p>Te Mendoza heeft <span class="smallcaps">G&ouml;ring</span> een volwassen Mara gedurende geruimen tijd in den gevangen staat nagegaan. Zij was een lieftallig, goedaardig, onschuldig
+dier. Van den eersten dag af, toonde zij zich zeer weinig schuw tegenover haar meester, nam dezen het voedsel onbeschroomd
+uit de hand en liet zich aanraken en streelen, zonder onrust te kennen te geven. Op liefkoozingen was zij zeer gesteld; als
+men haar krauwde, <a id="d0e2566"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2566">334</a>]</span>kromde zij den rug, boog den kop ter zijde, alsof zij de hand, die haar zulk een aangename gewaarwording verschafte, te zien
+wilde krijgen en liet intusschen een onbeschrijfelijk gepiep of geknor hooren, dat de uitdrukking was van een hoogst prettige
+stemming. De Indianen en de Gauchos zijn hartstochtelijke liefhebbers van de jacht op dit dier; hoofdzakelijk vervolgen zij
+het om zijn vel, dat voor het vervaardigen van even fraaie als zachte vloerkleeden en dekens dient. De bovendeelen hebben
+een eigenaardige, bruinachtig grijze kleur, fijn wit gesprenkeld, de zijden en de buitenste oppervlakte van de pooten zijn
+licht kaneelbruin, de onderdeelen wit. In de Europeesche dierentuinen ziet men de Mara niet dikwijls.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Agoeti</span>&#8217;s of <span class="letterspaced">Goetis</span> (<i>Dacyprocta</i>) herinneren door hun gestalte in &#8217;t oogloopend aan de Dwerg-Muskusdieren: het zijn hoogpootige, korte, dikke Knaagdieren
+met langen, in een spitsen snuit eindigenden kop, kleine, ronde ooren, een onbehaard staartstompje en achterpooten, die aanmerkelijk
+langer zijn dan de voorpooten. Deze hebben vier teenen en een klein wratje op de plaats van den duim, terwijl zij aan de achterpooten
+maar vier volkomen gescheiden, zeer lange teenen hebben. Alle teenen zijn voorzien van forsche, breede, niet sterk gekromde,
+hoefvormige klauwen, die vooral aan de achterpooten goed ontwikkeld zijn; de duimwrat alleen draagt een kleinen, platten nagel.
+Over &#8217;t geheel genomen hebben de <span id="d0e2581" class="corr" title="Bron: Agoetis">Agoeti&#8217;s</span> een fijnen, lichten en bevalligen lichaamsbouw en maken hierdoor een aangenamen indruk. Het gebit is flink, de dikke, vlakke
+knaagtanden komen duidelijk voor den dag, vooral omdat het bovenste paar tamelijk schel rood, het onderste geelachtig is.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1334.jpg" alt="Agoeti (Dasyprocta aguti). &frac14; v.d. ware grootte." width="720" height="440"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Agoeti</span> (<i>Dasyprocta aguti</i>). &frac14; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Agoeti&#8217;s komen tegenwoordig paarsgewijs of tot kleine gezelschappen vereenigd in boschrijke vlakten voor, vooral in de
+dichtste wouden van de rivierdalen; sommige begeven zich in het gebergte tot op een hoogte van 2000 M.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Agoeti</span>, <span class="letterspaced">Goeti</span> of, gelijk hij wegens zijn fraaie vacht ook wel heet, de <span class="letterspaced">Goudhaas</span> (<i>Daciprocta aguti</i>), een van de fraaiste leden van de geheele familie, heeft een dichte en gladaanliggende beharing van roodachtig citroengele,
+met zwartbruin gemengde kleur; het ruige, harde, borstelachtige haar, heeft een levendigen glans. Al naar het jaargetijde
+verandert de kleur van de vacht; in den zomer is zij lichter, in den winter donkerder. De lichaamslengte van het volwassen
+mannetje bedraagt 40 cM., die van het staartstompje slechts 1.5 cM.
+
+</p>
+<p>Guyana, het noorden van Brazili&euml; en Noord-Peru zijn het vaderland van den Goeti. In de meeste gewesten is hij zeer veelvuldig,
+vooral in de rivierdalen van Brazili&euml;. Hier, zooals overal, bewoont hij de bosschen, de vochtige oerwouden zoowel als de drogere
+bosschen van het binnenland; hij zwerft echter ook in de aangrenzende, grasrijke vlakten rond en neemt hier de plaats van
+onzen Haas in. In het vrije veld komt hij niet voor. Gewoonlijk vindt men hem boven de oppervlakte van den bodem, in holle
+boomen dicht bij den grond, en vaker alleen, dan in gezelschap. Over dag ligt hij rustig in zijn leger, en alleen daar, waar
+hij zich volkomen veilig acht, zwerft hij rond. Met het ondergaan der zon, gaat hij uit om voedsel te zoeken, en blijft, als
+het goed weder is, den geheelen nacht hiermede bezig. Hij heeft de gewoonte meermalen zijn verblijfplaats te verlaten en er
+weder terug te komen; hierdoor ontstaat een smal, dikwijls 100 M. lang voetpad, dat de plaats waar hij woont, verraadt. Als
+men een Hond op dit spoor brengt, gelukt het in den regel het dier te bemachtigen, tenzij het leger zich in het dichtste deel
+van het woud bevindt. De Honden geven door geblaf de ligplaats van het wild aan, dat men daarna uit zijn hol trekken of uitgraven
+kan. Wanneer de Agoeti de komst van de Honden tijdig bemerkt, verlaat hij oogenblikkelijk zijn hol; door zijn behendigheid
+en snellen gang komt hij dan schielijk buiten het bereik van zijne vervolgers.
+
+</p>
+<p>De Agoeti is een onschadelijk, vreesachtig diertje en derhalve aan vele gevaren blootgesteld, zoodat eigenlijk alleen de buitengewone
+vlugheid van zijne bewegingen en de fijnheid zijner zintuigen hem voor den ondergang kunnen behoeden. Door zijne sprongen
+herinnert hij aan de kleine soorten van Antilopen en aan de <span id="d0e2615" class="corr" title="Bron: Dwerg-Muskuskieren">Dwerg-Muskusdieren</span>.
+
+</p>
+<p>Zijn voedsel bestaat uit de meest verschillende soorten van kruiden en andere planten, waarvan hij allerlei deelen, van de
+wortels tot de bloemen of zaden, gebruikt. Weinige plantendeelen zijn tegen zijne scherpe knaagtanden bestand; hij maakt zelfs
+de hardste noten stuk. In bebouwde oorden wordt de Agoeti door zijne bezoeken aan de suikerrietplantages en groentetuinen
+lastig.
+<a id="d0e2620"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2620">335</a>]</span></p>
+<p>Nauwkeurige berichten over de voortplanting van den in vrijheid levenden Agoeti ontbreken ons tot dusver. Men weet, dat dit
+dier zich tamelijk sterk vermenigvuldigt, dat de wijfjes in alle maanden van het jaar jongen ter wereld brengen en dat iedere
+worp uit verscheidene jongen bestaat.
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Rengger</span> verhaalt, dat de Goeti, als hij jong gevangen en met zorg grootgebracht is, bijna een huisdier wordt. &#8220;Ik heb,&#8221; zegt hij,
+&#8220;verscheidene Agoeti&#8217;s gezien, die men vrij kon laten rondloopen, zonder dat zij ontvluchtten, zelfs op erven gelegen te midden
+van de groote wouden, die dit dier in vrijen toestand tot woonplaats dienen; wanneer zij eens getemd zijn, loopen zij niet
+weg. Zoo zag ik in de wouden van het noorden van Paraguay in de hutten van eenige inboorlingen twee tamme Agoeti&#8217;s, die den
+morgen en den avond in het woud, den middag en den nacht bij de menschen doorbrachten. Het is niet zoozeer de gehechtheid
+aan den mensch als wel het gewoon raken aan hun nieuw verblijf, dat bij hen de begeerte naar vrijheid onderdrukt. Zij gevoelen
+slechts weinig genegenheid voor den mensch, maken volstrekt geen onderscheid tusschen hun verzorger en andere personen, gehoorzamen
+slechts zelden, als hij hen roept en zoeken hem alleen op, als de honger hen hiertoe dringt. Ook laten zij zich niet graag
+door hem aanraken; zij dulden geen dwang, leven geheel naar hun eigen verkiezing en kunnen hoogstens leeren hun voedsel op
+een bepaalde plaats te komen halen. Zij worden gevoed met het overschot van al wat er in huis gegeten wordt. Zij houden echter
+volstrekt niet zooveel van vleesch, als <span class="smallcaps">Azara</span> beweert, maar eten het slechts bij gemis van voedsel, dat beter voor hen geschikt is. Rozen zijn een van hunne lievelingsspijzen.
+Zoodra zulk een bloem in hun woning gebracht wordt, ruiken zij haar onmiddellijk en zoeken haar op. Gewoonlijk grijpen zij
+het voedsel met de snijtanden en vatten het daarna tusschen de beide wratvormige duimen van de voorvoeten, intusschen zitten
+zij evenals de Eekhoorntjes op de achterpooten. Soms vreten zij ook in neergehurkte houding, gewoonlijk doen zij dit, als
+zij zeer kleine of te kleine stukjes voedsel voor zich hebben. Ik heb ze nooit zien drinken; naar men zegt, nemen zij het
+water met de tong leppend op.&#8221;
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">Bodinus</span> zegt terecht, dat de <span id="d0e2634" class="corr" title="Bron: Agoetis">Agoeti&#8217;s</span> wegens hunne sierlijke gestalte, fraai voorkomen en zindelijkheid aan alle dierenliefhebbers aanbevolen kunnen worden; alleen
+door hun groote lust in &#8217;t knagen zijn zij soms lastig. Die, welke <span class="smallcaps">Bodinus</span> had, waren zoo aan hem gewoon, dat zij hem de lekkerbeetjes, die hij hun voorhield, uit de hand namen en oogenblikkelijk
+met echt dankbare blikken naar den gever, opaten. Andere gevangene Agoeti&#8217;s trokken sterk de aandacht door een eigenaardigheid,
+die ik bij de overige schrijvers niet vermeld heb gevonden. Zij zijn namelijk gewoon een groot deel van hun voedsel te begraven
+om iets in voorraad te hebben, als de nood aan den man komt. Zoodra hun voedsel wordt aangeboden, vallen zij er begeerig op
+aan, eten er eenige stukken van op, kiezen van hetgeen hun gegeven is, een stuk wortel of een vrucht uit, dragen deze in den
+bek weg, graven op de een of andere plaats een gaatje in den grond, leggen hun schat er in, strijken er aarde over heen, en
+slaan of drukken deze met de voorpooten vast. Zeer grappig is het na te gaan, hoe zij telkens omkijken, en hoe zij hun best
+doen om het bergen van hun schat ongezien te verrichten.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Paka</span> of<span class="letterspaced">Waterhaas</span> (<i>Coelogenys paca</i>) is gekenmerkt door den eigenaardigen, dikken kop met groote oogen en kleine ooren, den bijzonder korten staart, de hooge
+pooten, welker voeten alle met vijf teenen voorzien zijn, het borstelige, dunne aanliggende haarkleed en vooral door den buitengewoon
+krachtigen jukboog, welks voorste gedeelte (het breede en gewelfde jukbeensuitsteeksel van het bovenkaaksbeen) binnenwaarts
+tot op een aanmerkelijke diepte is <span id="d0e2653" class="corr" title="Bron: uitgeholt">uitgehold</span><span id="d0e2655" class="corr" title="Bron: ">.</span> De vacht bestaat uit korte, nauw tegen het lichaam aanliggende haren, die aan den rug en de andere naar boven en naar buiten
+gekeerde lichaamsdeelen geelachtig bruin, aan de onderdeelen en aan de binnenzijde van de pooten geelachtig wit zijn. Vijf
+reeksen van geelachtig witte vlekken van ronde of eivormige gedaante strekken zich uit aan weerszijde van den romp van den
+schouder tot aan den achterrand van de dij. Volwassen mannetjes kunnen 70 cM. lang, ongeveer 35 cM. hoog en tot aan 9 KG.
+zwaar worden.
+
+</p>
+<p>De Paka is over het grootste deel van Zuid-Amerika, van Suriname door Brazili&euml; tot aan Paraguay, verbreid; ook komt zij op
+de Zuidelijke Antillen voor. Hoe eenzamer en wilder de streek is, des te veelvuldiger vindt men haar; in de bevolkte gewesten
+is zij overal zeldzaam geworden. De woudzoom en de met struikgewas begroeide rivieroevers of moerassige plaatsen leveren haar
+een verblijfplaats. Hier graaft zij zich een hol van 1 &agrave; 2 M. lengte in den grond en brengt hier den geheelen dag slapend
+door. Als de schemering invalt, gaat zij voedsel zoeken; zij doet dit ook wel in aanplantingen van suikerriet en meloenen,
+waar zij aanzienlijke schade aanricht. Voor &#8217;t overige voedt zij zich met bladen, bloemen en vruchten van de meest verschillende
+planten. Zij leeft paarsgewijze of eenzaam. Het wijfje werpt midden in den zomer &eacute;&eacute;n jong (hoogstens twee), houdt het gedurende
+het zoogen in een hol verborgen en voert het daarna gedurende verscheidene maanden met zich mede op hare wandelingen.
+
+</p>
+<p>In Brazili&euml; is zij, met de <span id="d0e2662" class="corr" title="Bron: Agoetis">Agoeti&#8217;s</span> en verschillende soorten van Gordeldieren, het gewone wild in de wouden. De Prins <span class="smallcaps">Von Wied</span> ving haar in de oerwouden dikwijls in klemmen. Ook jaagt men haar met Honden en brengt haar als &#8220;koninklijk wild&#8221; aan de
+markt. In haar hol is zij niet te genaken; wanneer men echter met aandacht den woudzoom onderzoekt, zal men spoedig in de
+dichte rietbosschen de wisselplaatsen van het dier bemerken. Hier stelt de jager zijne strikken, met een ma&iuml;skolf als lokaas;
+den volgenden morgen vindt hij zijn moeite ruimschoots beloond. De Paka levert het beste wildbraad van Brazili&euml;; wat fijnheid
+en malschheid betreft, wordt het misschien door geen ander overtroffen. Daar dit dier een zeer dunne en zachte huid heeft,
+wordt het niet gevild, maar in zijn geheel gebraden gelijk een Zwijn. Na deze toebereiding, en als de kop en de pooten er
+afgesneden zijn, gelijkt het zoozeer op een jong Zwijn, dat men zich er in zou kunnen vergissen. Volgens <span class="smallcaps">Kappler</span> springt het dier, wanneer het vervolgd wordt en zijn hol niet kan bereiken, in &#8217;t water, waar het onderduikt en zoolang blijft,
+tot zijn vervolger zich verwijderd heeft; hij vermoedt, dat het onder water verder zwemt.
+
+</p>
+<p>In den laatsten tijd heeft men de Paka niet zelden levend naar Europa gebracht. Reeds <span class="smallcaps">Buffon</span> heeft gedurende geruimen tijd een wijfje van deze diersoort gehad, dat volkomen tam was, zich onder den kachel een leger
+maakte, over dag sliep, &#8217;s nachts rondliep en als het in een kast opgesloten was, aan het houtwerk <a id="d0e2676"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2676">336</a>]</span>begon te knagen. Het likte de hand van bekende personen en liet zich door hen krauwen, intusschen rekte het zich uit en gaf
+zijn tevredenheid door een zwak geluid te kennen. Vreemde personen, kinderen en Honden trachtte het te bijten. Als het toornig
+was, knorde en knarsetande het op een zeer eigenaardige wijze. Het was zoo weinig gevoelig voor koude, dat het, naar <span class="smallcaps">Buffon</span> meende, in Europa inheemsch zou kunnen worden. De Paka stelt geen hooge eischen, zoomin wat de voeding, als wat de huisvesting
+betreft. Ik ben het met <span class="smallcaps">Buffon</span> eens, dat dit dier zeer goed tegen koud weer bestand is; ik geloof echter niet, dat het voordeel zou opleveren het in Europa
+te acclimatiseeren.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Het <span class="letterspaced">Waterzw&#307;n</span> (<i>Hydrochoerus capybara</i>) mag in &eacute;&eacute;n opzicht als het merkwaardigste van alle Knaagdieren beschouwd worden: <span class="letterspaced">het is het grootste en plompste lid van de geheele orde</span>. Zijn Nederlandschen naam draagt het terecht, want het herinnert door zijn gestalte en zijne op borstels gelijkende haren
+duidelijk aan het Zwijn. Zijne kenmerken zijn: de kleine ooren, de gespleten bovenlip, het ontbreken van den staart, de korte
+zwemvliezen tusschen de teenen, de forsche op hoeven gelijkende nagels en de hoogst eigenaardige samenstelling van het gebit.
+De kolossaal sterk ontwikkelde snijtanden zijn, ondanks hun geringe dikte, minstens 2 cM. breed en hebben op hun voorvlakte
+verscheidene ondiepe groeven; de laatste van de vier kiezen is even groot als de drie voorste te zamen genomen. De romp is
+in &#8217;t oog loopend plomp en dik, en door een korten hals verbonden met den langwerpigen, hoogen en breeden kop, die in een
+stompen snuit eindigt. Tot de eigenaardige uitdrukking van het gelaat dragen de twee tamelijk groote, rondachtige, ver uitpuilende
+oogen veel bij. De ooren zijn van boven afgerond, aan den voorrand omgestulpt, van achteren als &#8217;t ware afgesneden. De achterste
+ledematen zijn merkbaar langer dan de voorste; de voorvoeten hebben vier, de achtervoeten drie teenen. Een bepaalde kleur
+kan men aan de ijle, grove beharing niet toekennen: een moeielijk te bepalen bruine tint met een zweem van rood of bruinachtig
+geel is over den romp verspreid, zonder ergens scherp op den voorgrond te treden. De borstels rondom den mond zijn echter
+duidelijk zwart. Een volwassen Waterzwijn bereikt ongeveer de grootte van een eenjarig Gewoon Zwijn en heeft een gewicht van
+50 KG. De lichaamslengte bedraagt meer dan 1 M., de hoogte in de schoften 50 cM. en meer.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1336.jpg" alt="Paka of Waterhaas (Coclogenys paca). &frac14; v.d. ware grootte." width="720" height="615"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Paka</span> of <span class="letterspaced">Waterhaas</span> (<i>Coclogenys paca</i>). &frac14; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Capybara is over geheel Zuid-Amerika verbreid; van den Orinoko tot aan de La Plata, van den Atlantischen Oceaan tot aan
+de oostelijke uitloopers van de Andes bewoont zij lage, boschrijke, moerassige gewesten, vooral rivieren, meeroevers en moerassen.
+Het liefst houdt zij zich op bij groote stroomen; zij verlaat deze nooit, tenzij om den loop van kleine, in dezen stroom uitmondende
+beken en waterloopen te volgen. Op sommige plaatsen is zij buitengewoon veelvuldig; in bewoonde oorden komt zij, zooals licht
+te begrijpen is, zeldzamer voor dan in de wildernis. In bewoonde streken ziet men deze dieren alleen &#8217;s morgens en &#8217;s avonds;
+in onbewoonde, weinig bezochte rivierdalen daarentegen worden zij ook over dag in groote getale waargenomen; altijd bevinden
+zij zich in de onmiddellijke nabijheid van den rivier, waar zij grazen of als Honden op de bijeengebogen achterpooten zitten.
+
+</p>
+<p>De gewone gang van het Waterzwijn is een langzame draf, die evenwel niet lang wordt volgehouden, in geval van nood beweegt
+het zich ook wel sprongsgewijs. Het zwemt uitmuntend en komt met gemak aan den overkant van het water, maar doet dit alleen,
+wanneer het vervolgd wordt, of als het voedsel aan de eene zijde van de rivier schaarsch geworden is. <a id="d0e2713"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2713">337</a>]</span>Wanneer het niet gestoord wordt, is het een standvastige bewoner van een bepaald gebied; hoewel het dit steeds verlaat, indien
+het hier vervolgingen heeft te verduren. Een eigenlijk leger heeft het niet, hoewel het zich op gunstig gelegen plaatsen aan
+den oever geregeld ophoudt. Zijn voedsel bestaat uit waterplanten en uit de schors van jonge boomen; alleen wanneer het in
+de nabijheid van plantages woont, doet het zich soms te goed aan watermeloenen of aan ma&iuml;s, rijst en suikerriet; het kan dan
+in sommige gevallen een zeer aanzienlijke schade aanrichten. Het Waterzwijn is een stil en rustig dier. Reeds bij oppervlakkige
+beschouwing zal iedereen bemerken, dat het in hooge mate stompzinnig en arm van geest is. Nooit heeft men het met andere dieren
+van zijn soort zien spelen. Men ziet de leden van een kudde met langzame schreden hun voedsel zoeken, voor zoover zij niet
+in zittende houding uitrusten. Van tijd tot tijd wenden zij den kop om, als maatregel van voorzorg tegen vijanden. Als een
+van deze zich vertoont, gaan zij niet overhaast op de vlucht, maar loopen langzaam naar den waterkant. In den hoogsten schrik
+storten zij zich onmiddellijk luid schreeuwend in den vloed en duiken onder. Als zij niet gewoon zijn aan het gezicht van
+menschen, staren zij deze dikwijls langen tijd aan, voordat zij vluchten. Men verneemt van hen geen ander geluid dan de zooeven
+bedoelde noodkreet, die <span class="smallcaps">Azara</span> door &#8220;ap&#8221; aanduidt. Dit geschreeuw is echter zoo doordringend, dat men het op een kwartier uurs afstand kan hooren.
+
+</p>
+<p>Het wijfje werpt eenmaal in het jaar 5 of 6 jongen. De bigjes volgen onmiddellijk hun moeder, maar toonen haar slechts weinig
+genegenheid.
+
+</p>
+<p>In den laatsten tijd werd dit dier dikwijls levend naar Europa gebracht. Ik heb gedurende langen tijd een Waterzwijn onder
+mijn hoede gehad. Het was buitengewoon sterk aan mij gehecht, het kende mijn stem, kwam nader als ik het riep, was verheugd
+als ik het liefkoosde, en volgde mij als een Hond. Zoo vriendelijk was het niet tegen iedereen: eens sprong het zijn oppasser,
+die het terugdrijven wilde, tegen de borst en beet toen dadelijk toe; gelukkig trof het meer de kleeren dan den man. Gedwee
+was het volstrekt niet; het gehoorzaamde alleen, wanneer het zulks verkoos. Ik heb de bewegingen van het Waterzwijn nooit
+plomp of onbeholpen gevonden. Zelden loopt het vlug, gewoonlijk beweegt het zich op zijn gemak met groote stappen; het springt
+echter zonder moeite over afschuttingen die &eacute;&eacute;n meter hoog zijn. In het water toont het ongemeene behendigheid. Het zwemt
+met eenparige snelheid lijnrecht over een breed water, even snel als een mensch loopen kan, duikt na den sprong als een Vogel
+en blijft eenige minuten achtereen onder water; ook zwemt het in de diepte verder, zonder zich in de bedoelde richting te
+vergissen. Het is volstrekt niet moeielijk dit dier in &#8217;t leven te houden. Evenals een Zwijn vreet het allerlei plantaardige
+stoffen; het heeft wel veel, maar volstrekt geen uitgelezen voedsel noodig. Het meest houdt het van frisch, sappig gras; ook
+wortels, rapen en gekookte zemelen zijn zeer naar zijn smaak. Met zijne breede snijtanden graast het als een Paard; ook drinkt
+het, evenals dit dier slurpend, met lange teugen. Het houdt van warmte, maar vreest de koude niet. Nog in November springt
+het uit eigen beweging in het ijskoude water, zonder door schrik of vrees voor gevaar hiertoe genoopt te worden.&#8212;Volgens de
+berichten van alle reizigers maken alleen de Indianen van het vleesch van het Waterzwijn gebruik; de Europeanen hebben er
+een afkeer van, omdat het een eigenaardigen, onaangenamen, tranigen bijsmaak heeft. De dikke, bijna onbehaarde huid is buitengewoon
+sponsachtig en zacht; zij levert een soort van leder, waardoor het water gemakkelijk heendringen kan, en dat derhalve alleen
+voor riemen, voetkleeden en rijzadels gebruikt wordt. De meisjes van den Botokoedenstam rijgen de knaagtanden van het Waterzwijn
+aan een snoer en maken er arm- en halsbanden van. Ander nut levert dit dier niet op.
+
+</p>
+<p>De Zuid-Amerikanen maken voor hun vermaak jacht op de Capybara, overvallen haar onverwachts, snijden haar den weg naar &#8217;t
+water af en vangen haar met de lasso. Haar ergste vijand behalve de mensch is vermoedelijk de Jagoear. Dag en nacht volgt
+deze sluwe roover haar spoor; in de rivierdalen is zij waarschijnlijk de meest gewone buit, die aan deze Kat ten deel valt.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Onder den naam van <span class="letterspaced">Sch&#307;nratten</span> (<i>Octodontidae</i>) worden een betrekkelijk gering aantal soorten van Zuid-Amerikaansche en Afrikaansche Knaagdieren samengevat, die wegens
+de niet onbelangrijke verscheidenheid van vormen, welke bij hen wordt opgemerkt, in een betrekkelijk groot aantal geslachten
+worden gerangschikt. De naam van deze niet zeer natuurlijke familie geeft te kennen, dat hare leden bij oppervlakkige beschouwing,
+o.a. door gestalte en kleur, eenigermate aan Ratten herinneren. De ooren zijn kort, breed en dun behaard, de voeten hebben
+vier of vijf teenen, de staart is verschillend van lengte, en dikwijls, evenals bij de Echte Ratten, met uit schubben bestaande
+ringen bekleed; hiermede is trouwens nagenoeg alles gezegd wat van de overeenkomst dezer dieren met Ratten te vermelden viel.
+Bij eenige Schijnratten is de vacht zacht en fijn, bij anderen stijf en borstelig, ja zelfs met enkele platte, overlangs gegroefde
+stekels gemengd; bij enkele soorten gelijkt de staart in &#8217;t geheel niet op dien van de Echte Ratten, maar is behaard en zelfs
+ruig behaard. Het gebit bevat, behalve de bij alle Knaagdieren voorkomende wortellooze snijtanden, in elke kaakhelft 4, bij
+uitzondering 3, kiezen, die in den regel met ware wortels voorzien zijn, bij enkele soorten komen, evenals bij de Woelmuizen,
+kiezen met open wortels voor.
+
+</p>
+<p>Sommige Schijnratten leven in bosschen, andere in &#8217;t vrije veld, nog andere in &#8217;t kreupelhout, of tusschen rotsen, of aan
+de oevers van rivieren en andere waterstroomen, of zelfs aan de zeekust. Gewoonlijk wonen zij gezellig in door haar zelf gegraven,
+onderaardsche holen met talrijke openingen. Eenige doorwoelen den grond als de Mollen, werpen, evenals deze, aardhoopen op
+en leven bijna voortdurend onder de oppervlakte van den bodem; andere bewonen dicht met planten begroeide plaatsen en bewegen
+zich behendig in de boomkronen. Haar gewone arbeidstijd is de nacht, slechts weinige zijn ook over dag werkzaam. Sommige soorten
+zijn echte waterdieren en zijn meesterlijk ervaren in het zwemmen en duiken. Tamelijk goed verdragen zij de gevangenschap;
+zij wekken onze belangstelling door haar sierlijke gestalte, zijn nieuwsgierig, beweeglijk, leeren haar verzorger onderscheiden
+en hem volgen. Zij vermenigvuldigen zich tamelijk sterk, want het aantal harer jongen wisselt af tusschen 2 en 7; zij kunnen
+aangroeien tot scharen, die in plantages en akkers aanzienlijke schade aanrichten. Het geringe nut, dat zij door haar vleesch
+en haar vel opleveren, komt in geen vergelijking met het nadeel, dat zij door de genoemde verwoestingen veroorzaken.
+<a id="d0e2736"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2736">338</a>]</span></p>
+<p>In Chili, Peru en Bolivia leven de <span class="letterspaced">Struikratten</span> (<i>Octodon</i>), die als &#8217;t ware een overgang vormen van de Eekhoorntjes tot de Ratten. Haar gebit bestaat uit gladde, ongegroefde en spitse
+knaagtanden en wortellooze maaltanden, welker kauwvlakten bijna op het Arabische cijfer 8 gelijken. (Van hier de naam <i>Octodon</i>, &#8220;Achttand&#8221;.)
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Degoe</span> (<i>Octodon Cummingii</i>) is van boven bruinachtig grijs, ongelijkmatig gevlekt, van onderen grijsbruinachtig, aan de borst en in den nek donkerder,
+aan den staartwortel lichter, bijna wit. De totale lengte van dit dier bedraagt omstreeks 26 cM., waarvan de staart iets meer
+dan een derde in beslag neemt.
+
+</p>
+<p>De Degoe is in de middenprovinci&euml;n van Chili een van de algemeenste dieren; bij honderden bedekken zij de hagen en het struikgewas;
+zelfs in de nabijheid van drukke steden loopen zij onbeschroomd op de wegen rond en dringen onbevreesd in tuinen en akkers
+door, waar zij door het moedwillig stukknagen van planten bijna evenveel schade aanrichten, als door hun vraatzucht. Zelden
+verheffen zij zich boven den bodem om in de onderste takken der struiken te klimmen. Door zijne gewoonten gelijkt dit dier
+veel meer op een Eekhoorntje dan op een Rat. Het verzamelt voorraad in weerwil van het zachte klimaat, maar vervalt niet in
+winterslaap.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>Tot de Schijnratten behoort ook de <span class="letterspaced">Rattenbever</span> of <span class="letterspaced">Co&iuml;poe</span>, de <span class="letterspaced">Noetria</span> der Spaansch sprekende Amerikanen (<i>Myopotamus coypu</i>). De romp van dit dier is ineengedrongen, de hals kort en dik, de kop dik, lang en breed met stompen snuit en platte kruin;
+de oogen zijn middelmatig groot, rond en uitpuilend, de ooren klein, rond en weinig hooger dan breed; de ledematen zijn kort
+en krachtig, de achterste een weinig langer dan de voorste; de voor- en achtervoeten hebben vijf teenen, die door een breed
+zwemvlies verbonden en met lange, sterk gekromde en spitse klauwen gewapend zijn, met uitzondering van den binnenteen van
+de voorvoeten, die een platten nagel draagt. De lange staart is rolrond, ringvormig geschubd en tamelijk overvloedig begroeid
+met dicht aanliggende, stijve, borstelige haren. Overigens is het haarkleed dicht, tamelijk lang en zacht; het korte, zachte,
+donzige wolhaar is voor &#8217;t water bijna ondoordringbaar; het langere, zachte, zwak glinsterende bovenhaar bepaalt de kleur,
+daar het wolhaar er volkomen door bedekt wordt. Het gebit gelijkt door de buitengewone grootte en breedte der knaagtanden
+op dat van den Bever.
+
+</p>
+<p>De Rattenbever kan nagenoeg zoo groot worden als een Vischotter; zijn lichaamslengte bedraagt gewoonlijk 40 &agrave; 45 cM. zonder
+den bijna even langen staart; men treft echter soms oude mannetjes aan, die een totale lengte van 1 M. hebben. Gewoonlijk
+is de rug kastanjebruin en de onderzijde bijna zwartbruin, de zijden zijn fraai rood.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1338.jpg" alt="Rattenbever (Myopotamus coypu). &#8533; v.d. ware grootte." width="720" height="408"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Rattenbever</span> (<i>Myopotamus coypu</i>). &#8533; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Een groot deel van de gematigde gewesten van Zuid-Amerika vormt het vaderland van dit voor den pelterijhandel belangrijk dier.
+De Rattenbevers komen voor in bijna alle landen, die ten zuiden van den Steenbokskeerkring gelegen zijn. In de La-Plata-Staten,
+in Buenos-Ayres, Patagoni&euml; en het middelste deel van Chili zijn zij overal verbreid. Hun verbreidingsgebied strekt zich uit
+van den Atlantischen tot den Stillen Oceaan: het ligt aan weerszijden van het hooge gebergte tusschen 24 en 43 graden Z.B.
+Paarsgewijs bewonen zij de oevers van meren en rivieren, bij voorkeur stilstaand water waarin zooveel waterplanten groeien,
+dat zij een laag vormen, sterk genoeg om hen te dragen. Ieder paar graaft zich aan den oever een hol van 1 M. diepte en 40
+&agrave; 60 cM. wijdte; hierin brengt het den nacht en soms ook een deel van den dag door. In deze woning werpt het wijfje later
+4 &agrave; 6 jongen, die reeds op zeer jeugdigen leeftijd hun moeder volgen. De Co&iuml;poe is een uitmuntend zwemmer, maar kan slecht
+duiken. Op het land beweegt hij zich langzaam, want zijne pooten zijn zoo kort, dat de buikzijde van den romp bijna over den
+grond sleept; hij gaat daarom alleen dan over het land, als hij zich van den eenen poel naar den anderen wil begeven. Als
+een gevaar hem bedreigt, begeeft hij zich oogenblikkelijk te water en duikt onder; als de vervolging aanhoudt, zoekt hij ten
+slotte een toevlucht in zijn hol, dat hij in gewone omstandigheden alleen des nachts opzoekt.
+
+</p>
+<p>Zijne geestvermogens zijn gering. Hij is schuw en vreesachtig, en behoudt deze eigenschappen ook in de gevangenschap. Schrander
+kan men hem niet noemen, hoewel hij mettertijd zijn verzorger leert herkennen. In den Londenschen dierentuin wordt hij geregeld
+gehouden; in den laatsten tijd treft men hem ook in andere diergaarden aan. &#8220;De Rattenbever&#8221;, zegt <span class="smallcaps">Wood</span>, <a id="d0e2792"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2792">339</a>]</span>&#8220;is een vlugge en rappe maat; het is een lust naar hem te kijken. Dikwijls heb ik op zijn grappige manier van bezig zijn gelet
+en mij bijzonder vermaakt met de bedrijvigheid, die hij openbaart bij &#8217;t zwemmen door den plas, die hem tot woonplaats dient;
+ieder voorwerp, dat hem nieuw schijnt, wordt zoo zorgvuldig mogelijk onderzocht. Zoodra men een hoopje gras in zijn hok werpt,
+pakt hij het dadelijk met de voorpooten aan, schudt het sterk, om de wortels van de aanhangende aarde te bevrijden, brengt
+het vervolgens naar het water en spoelt het hierin zoo behendig schoon, dat een waschvrouw van beroep het hem niet verbeteren
+zou.&#8221;
+
+</p>
+<p>De gevangen Rattenbevers, die ik onder mijn hoede heb gehad, bleven met korte tusschenpoozen gedurende den geheelen dag in
+het water of aan den oever, rustten hoogstens in de middaguren en waren vooral tegen den avond bijzonder druk in de weer.
+Zij toonden begaafdheden, die men niet bij hen verwacht zou hebben. Hoewel zij zich niet bijzonder vlug en ook niet lang achtereen
+bewegen, geven zij toch voldoende bewijzen van kracht en behendigheid. Den naam &#8220;Bever&#8221; dragen zij niet geheel te recht, want
+zij gelijken door hun aard en door de wijze, waarop zij zwemmen, meer op Waterratten dan op Bevers. Zoolang zij niet verontrust
+worden, zwemmen zij gewoonlijk rechtuit, waarbij het achterlijf diep onder, de kop daarentegen tot op twee derde van zijn
+hoogte boven het water wordt gehouden, terwijl de staart gestrekt is. Alleen de achterpooten dienen voor het roeien; de voorpooten
+nemen aan dezen arbeid evenmin deel als bij den Bever.&#8212;De stem van den Co&iuml;poe bestaat uit een klagend geluid, dat niet onaangenaam
+klinkt, als loktoon dient en door zijne soortgenooten beantwoord wordt; men hoort het dikwijls. Als het dier vertoornd of
+gestoord wordt, geeft het zijn ontevredenheid door een verdrietig geknor of gebrom te kennen.&#8212;Het liefste voedsel van den
+Rattenbever is gras; hij versmaadt echter geen wortels, knollen, bladen en zaden; in de gevangenschap lust hij ook wel brood;
+voorts eet hij met smaak dierlijk voedsel, b.v. Visschen; ook in dit opzicht gelijkt hij op de Ratten en niet op de Bevers.
+Van boomschors is hij, naar &#8217;t schijnt, geen liefhebber. Het gras wordt door hem op een behendige wijze afgegraasd en niet
+bij stukjes en beetjes afgeknabbeld; het voedsel dat men hem toewerpt, wordt met de voorpooten gegrepen en naar den mond gebracht.
+Bij &#8217;t naderen van den winter neemt de gevangen Rattenbever voorzorgsmaatregelen; zij trachten daar, waar zulks mogelijk is,
+groote holen te graven. In korten tijd maken zij diepe gangen en voorzien de hierbij behoorende kamer met een zacht bekleedsel,
+door een deel van het voedsel, dat hun wordt toegeworpen, vooral gras, in hun hol te sleepen.
+
+</p>
+<p>De verzorging van den Rattenbever is een eenvoudige zaak; men kan hem gemakkelijk en goedkoop van voedsel voorzien; daar de
+teelt van deze dieren geen bezwaren oplevert, kan aan iederen liefhebber van dieren, die een voor dit doel geschikte ruimte
+heeft, het houden van deze Knaagdieren aanbevolen worden. Het zou zelfs wel de moeite waard zijn, een proef te nemen met het
+plaatsen van een kolonie van 4 of 5 Rattenbevers in een goed beveiligd bosch, waarin een vijver of een langzaam stroomend
+water voorkomt en waar voldoende gras te vinden is. Op grond van de reeds verkregen ervaringen geloof ik, dat deze dieren
+hier genoeg voedsel zouden vinden en dat zij zich ook wel gedurende den winter zouden redden, zonder aan het bosch of aan
+den landbouw een eenigszins belangrijke schade toe te brengen.
+
+</p>
+<p>Wegens zijn uitmuntende vacht wordt dit dier ijverig vervolgd. In het jaar 1827 werden, volgens officieele opgaven van het
+tolkantoor te Buenos Ayres, 300.000 Rattenbevervellen door de provincie Entre-Rios uitgevoerd; de uitvoer van dit artikel
+is later nog sterk toegenomen. Tegenwoordig komen ongeveer 1&frac12; millioen vellen van Rattenbevers in den handel, waarvan ongeveer
+twee derde, de geringste soort, voor de viltbereiding dienen; de overige lang- en dichtharige vellen worden door het uitplukken
+van het bovenhaar voorbereid om tot garneering van pelzen te dienen; ten deele behouden zij hun natuurlijke kleur, ten deele
+worden zij kunstmatig geverfd. Het witte, welsmakende vleesch van den Rattenbever wordt op vele plaatsen door de inboorlingen
+gegeten, in andere gewesten maakt men er geen gebruik van.
+
+</p>
+<p>In Buenos Ayres wordt de Rattenbever meestal met bepaaldelijk voor dit doel afgerichte Honden gejaagd; deze zoeken het dier
+in &#8217;t water op en brengen het binnen het schot van den jager, of dooden het zelf, hoewel het groote Knaagdier zich moedig
+en krachtdadig te weer stelt. Op de ondiepste gedeelten van de plassen, waarin het zich ophoudt, en v&oacute;&oacute;r zijn hol plaatst
+men klemmen.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>In Afrika komen Schijnratten voor, die, wat het uitwendige betreft, niet ongelijk zijn aan den Rattenbever. De <span class="letterspaced">Rietrat</span> (<i>Aulacodes swinderianus</i>) is een gedrongen gebouwd dier met kleinen kop, korten en breeden snuit, kleine, onbehaarde, halfcirkelvormige ooren en korte
+voeten, die ieder vier teenen en een knobbeltje op de plaats van den duim hebben. Haar vacht bestaat uit gladde, stekelachtige
+borstels met buigzame spits, die van onderen aschgrauw, in het midden donkerder en aan de spits, die meestal door een bruinachtig
+gelen ring voorafgegaan wordt, zwart zijn. Voorzoover bekend, strekt het verbreidingsgebied van de Rietrat zich van Oost-Afrika
+zuidwaarts tot aan het Kaapland uit, en omvat het aan de westkust zoowel Opper- als Neder-Guinea. Dit dier houdt zich in de
+nabijheid van het water op; bij voorkeur kiest het dichte gras-, riet- en biesbosschen en verward dooreengroeiende struiken
+aan den waterkant tot woonplaats. Zijn voedsel bestaat uit grassen, wortels en knollen, die het in voldoende hoeveelheid aan
+den oever van het water en in de vochtige laaglanden vindt. <span class="smallcaps">Drummond</span> zegt, dat de Rietratten zeer schadelijke dieren zijn, die vooral in de suikerriet- en ma&iuml;splantages groote verwoestingen
+kunnen aanrichten en daarom in bebouwde streken ijverig vervolgd worden.
+
+</p>
+<p>Bovendien wordt op de Rietrat jacht gemaakt zoowel door de inboorlingen als door de Europeanen, omdat haar vleesch welsmakender
+is dan dat van eenig ander Afrikaansch Zoogdier.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Eerst in de laatste zestig jaren is men nauwkeuriger bekend geworden met de leden eener kleine familie van Amerikaansche Knaagdieren,
+welker vellen reeds sinds overouden tijd door de oorspronkelijke bewoners van Zuid-Amerika gebruikt worden, en die men sedert
+het einde van de vorige eeuw bij groote partijen naar Europa vervoert. Naar den vaderlandschen naam van het meest bekende,
+hiertoe behoorende geslacht (<i>Eriomys</i> = &#8220;Wolmuis&#8221;) noemt men ze gewoonlijk allen te zamen <span class="letterspaced">Chinchilla</span>&#8217;s (volgens den uitspraak Tsjintsjilla&#8217;s). Aan den naam van een ander <a id="d0e2827"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2827">340</a>]</span>geslacht (<i>Lagostomus</i> = &#8220;Haasbek&#8221;) is de wetenschappelijke naam van de familie (<i>Lagostomidae</i>) ontleend. De naam <span class="letterspaced">Haasmuizen</span>, die soms aan deze familie gegeven wordt&#8212;en ook wel meer bepaaldelijk tot aanduiding van een derde hiertoe behoorend geslacht
+(<i>Lagidium</i> = &#8220;Haasje&#8221;) dient&#8212;geeft te kennen, dat men deze dieren, wat hun uitwendig voorkomen betreft, als overgangsvormen tusschen
+de Hazen en de Muizen kan beschouwen. Werkelijk zou men den indruk, die hun oppervlakkige beschouwing wekt, op de beste wijze
+kunnen weergeven, door ze &#8220;Konijnen met langen, ruigen staart&#8221; te noemen. Door hun gebit onderscheiden zij zich echter zeer
+duidelijk van de Hazen en naderen zij meer tot de Halfhoevigen. Zij hebben n.l. snijtanden die van voren glad (ongegroefd)
+zijn, en in elke kaakhelft een reeks van 4 kiezen met open wortels; de reeks van de linkerzijde loopt niet evenwijdig aan
+die van de rechterzijde maar nadert haar naar voren.&#8212;Van alle Zoogdieren hebben deze knaagdieren de fijnste vacht. Haar kleur
+is licht grijs, afwisselend met wit en zwartbruin of geel.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1340.jpg" alt="Rietrat (Aulacodus swinderianus). &frac14; v.d. ware grootte." width="720" height="469"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Rietrat</span> (<i>Aulacodus swinderianus</i>). &frac14; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Alle Chinchilla&#8217;s bewonen Zuid-Amerika; voor &#8217;t meerendeel leven zij in het gebergte, waar zij zelfs op groote hoogte n.l.
+tusschen de kale rotsen in de nabijheid van de sneeuwgrens gevonden worden; slechts &eacute;&eacute;n soort komt in de vlakte voor. Zij
+houden zich op in holen, die door de natuur gevormd of door haar zelf gegraven zijn. Alle zijn gezellig, sommige soorten bewonen
+familiesgewijs eenzelfde hol. Afkeerig van &#8217;t licht, evenals de Hazen, vertoonen zij zich het meest in de schemering of in
+den nacht. Het zijn snelle, beweeglijke, behendige, schuwe en vreesachtige dieren; ook door hare bewegingen gelijken zij zoowel
+op de konijnen als op de Muizen. Het gehoor is, naar het schijnt, van alle zinnen het best ontwikkeld. Haar verstand is gering.
+Haar voedsel bestaat uit wortels en korstmossen, bollen en schors; doch ook wel uit vruchten. Haar vermenigvuldiging is ongeveer
+even sterk als die der Hazen. Zij schikken zich zeer goed in de gevangenschap en zijn aantrekkelijk door hare zindelijkheid
+en tamheid. Verscheidene soorten richten schade aan, of worden althans lastig voor den mensch door haar woelen in den grond:
+alle zijn echter nuttig door haar vleesch en vel.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Chinchilla</span>&#8217;s (<i>Eriomys</i>), die het eerste geslacht van deze familie vormen, onderscheiden zich van hare verwanten door haar dikken kop, die breede,
+afgeronde ooren draagt, door voorvoeten met vijf, en achtervoeten met vier teenen en door de vacht, die uit lang, buitengewoon
+zacht en zijdeachtig haar bestaat. Van dit geslacht zijn slechts twee soorten bekend, de <span class="letterspaced">Chinchilla</span> (<i>Eriomys chinchilla</i>) en de <span class="letterspaced">Wolmuis</span> (<i>Eriomys lanigera</i>). De eerstgenoemde wordt 30 cM. lang zonder den staart, die zonder de haren 13 cM., met de haren echter 20 cM. lang is. De
+gelijkmatige, fijne, buitengewone zachte haren zijn op den rug en aan de zijden meer dan 2 cM. lang; ieder haar is van onderen
+donker blauwgrijs, verderop met breede, witte ringen geteekend en aan de spits donkergrijs. Hierdoor verkrijgt de vacht een
+zilvergrijze kleur met een donker waas. De onderdeelen en de voeten zijn zuiver wit; de staart heeft aan de bovenzijde twee
+donkere strooken. De oogen zijn groot en zwart.
+
+</p>
+<p>Reeds ten tijde van de Inca&#8217;s verwerkten de Peruanen het fijne, zijdeachtige haar van de Chinchilla tot doeken en dergelijke
+gewilde stoffen. In de vorige eeuw kwamen de vellen dezer dieren voor &#8217;t eerst, als een groote zeldzaamheid, over Spanje naar
+hier; thans zijn zij een gewoon handelsartikel geworden.
+
+</p>
+<p>De reiziger, die, uitgaande van de westkust van Zuid-Amerika, de Cordilleras beklimt, ziet wanneer hij een hoogte van 2 &agrave;
+3000 M. bereikt heeft, alle rotsen dikwijls over een afstand van verscheidene mijlen bedekt door echte Chinchilla&#8217;s en door
+twee soorten van een ander geslacht dezer familie. In Peru, Bolivia en Chili moeten deze dieren buitengewoon veelvuldig zijn;
+daar uit de berichten van reizigers blijkt, dat zij er op &eacute;&eacute;n dag duizenden voorbijgegaan zijn. Zelfs op klaarlichten dag
+ziet men de Chinchilla&#8217;s voor hare holen zitten, nooit echter aan de zonzijde der rotsen, maar altijd in de diepste schaduw.
+Nog veelvuldiger merkt men ze in de ochtend- en avonduren op. Zij verlevendigen dan het gebergte en vooral de hooge kammen
+in onvruchtbare, steenachtige en rotsachtige gewesten, waar de plantengroei zich slechts op de armoedigste wijze vertoont.
+Juist op deze schijnbaar geheel kale rotswanden houden zij zich het meest op; hier ziet men hen buitengewoon vlug en druk
+zich bewegen. <a id="d0e2878"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2878">341</a>]</span>Met een merkwaardige gemakkelijkheid klauteren zij op en neer langs wanden, die schijnbaar in &#8217;t geheel geen steunpunten opleveren.
+In loodrechte richting klimmen zij 6 &agrave; 10 M. hoog, zoo behendig en vlug, dat men ze met het oog nagenoeg niet volgen kan.
+Hoewel zij niet bepaald schuw zijn, laten zij toch niemand tot op korten afstand naderen; zij verdwijnen oogenblikkelijk,
+zoodra men aanstalten maakt om hen te vervolgen.
+
+</p>
+<p>Ofschoon de Chinchillas zich in den Londenschen dierentuin vermenigvuldigd hebben, zijn de mededeelingen over haar voortplanting
+nog zeer onvolledig. In haar vaderland heeft men in alle tijden van het jaar drachtige wijfjes gevonden; de inboorlingen zeggen,
+dat het aantal jongen in &eacute;&eacute;n worp van 4 tot 6 afwisselt. In Amerika wordt de Chinchilla vaak getemd; naar Europa komt zij
+niet dikwijls in levenden toestand. De bevalligheid van hare bewegingen, haar zindelijkheid en de gemakkelijkheid waarmede
+zij zich in haar lot schikt, verschaffen haar spoedig de vriendschap van den mensch. Zij toont zich zoo argeloos en goedvertrouwend,
+dat men haar vrij in huis en in de kamer kan laten rondloopen. Alleen door haar nieuwsgierigheid wordt zij lastig; want zij
+onderzoekt alles, wat zij op haar weg vindt, zelfs de gereedschappen die hoog boven den bodem opgehangen of neergelegd zijn,
+omdat het voor haar een kleinigheid is bij tafels en kasten op te klimmen. Niet zelden springt zij plotseling op het hoofd
+of op de schouders van een der huisgenooten. Hare verstandelijke vermogens staan ongeveer op &eacute;&eacute;n lijn met die van ons Konijn
+of van het Guineesch Biggetje.
+
+</p>
+<p>In vroegeren tijd is de Chinchilla, naar men meent, ook in lagere bergstreken tot op de hoogte van den zeespiegel even veelvuldig
+geweest, als zij nu op groote hoogten is; thans vindt men ze in de lager gelegen oorden slechts op enkele plaatsen en steeds
+eenzaam levend. De aanhoudende vervolging, waaraan zij wegens de kostbaarheid van haar vel is blootgesteld, heeft haar naar
+de hoogten de wijk doen nemen. De Europeanen schieten haar nu en dan met het geweer of met den handboog; deze wijze van jagen
+is echter met het oog op het voordeel altijd onzeker, want als een Chinchilla niet z&oacute;&oacute; getroffen wordt, dat zij oogenblikkelijk
+bezwijkt, sluipt zij steeds nog in de een of andere rotsspleet en is dan voor den jager verloren. De Indianen plaatsen goed
+bewerkte strikken v&oacute;&oacute;r alle rotsspleten en zamelen den volgenden morgen de Chinchillas in, die zich hebben laten vangen. Bovendien
+verstaan zij meesterlijk de kunst om de Peruaansche Wezel te temmen en voor de jacht op Chinchillas af te richten; zij gebruiken
+dezen bondgenoot op dezelfde wijze als onze jagers het Fret.
+
+</p>
+<p>In het noorden en midden van Chili wordt de Chinchilla door de <span class="letterspaced">Wolmuis</span> vervangen. Door haar levenswijze komt deze soort, naar het schijnt, geheel met de vorige overeen; ook zij is ongeveer van
+dezelfde gestalte en heeft een nagenoeg gelijke kleur. Zij is echter veel kleiner, want haar totale lengte bedraagt hoogstens
+35 &agrave; 40 cM., waarvan ongeveer een derde afgetrokken moet worden voor den staart. De dicht bijeen geplaatste, zachte haren
+worden op den rug 2 cM., op het achterstel en de zijden 3 cM. lang. Haar kleur is licht aschgrauw, met een donkerder tint
+gesprenkeld.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1341.jpg" alt="Wolmuis (Eriomys lanigera). &#8531; v.d. ware grootte." width="720" height="534"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Wolmuis</span> (<i>Eriomys lanigera</i>). &#8531; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Hoewel reeds in zeer oude reisbeschrijvingen van de Wolmuis melding wordt gemaakt, kwamen eerst sinds betrekkelijk korten
+tijd op het herhaald aandringen van natuuronderzoekers eenige schedels en later ook levende exemplaren van dit dier naar Europa.
+In het jaar 1829 kwam er &eacute;&eacute;n levend te Londen en werd door <span class="smallcaps">Bennett</span> onderzocht. Het was een zeer zachtaardig schepsel, dat evenwel nu en dan, als het niet goed gehumeurd was, dit door pogingen
+om te bijten toonde. Zelden was zij zeer opgewekt en slechts enkele keeren zag men hare zonderlinge sprongen. Gewoonlijk zat
+zij op haar achterkwartier, hoewel zij zich ook op hare achterpooten kon oprichten en in deze houding kon blijven staan; het
+voedsel bracht zij met de voorpooten naar den mond. In den winter moest men haar in <a id="d0e2903"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2903">342</a>]</span>een matig verwarmde kamer brengen en haar woning met een stuk flanel voeren.
+
+</p>
+<p>De waarnemingen, die ik zelf aan een gevangen Wolmuis heb kunnen doen, leverden uitkomsten op, welke met de mededeelingen
+van <span class="smallcaps">Bennett</span> overeenstemmen. Aan mijn gevangene merkte ik echter op, dat zij meer nachtdier dan dagdier is. Wel was zij ook over dag wakker,
+maar alleen, als zij gestoord werd. Het licht ontwijkt zij; men zou zelfs zeggen, dat het haar angstig maakt; altijd zoekt
+zij trouwens de donkerste plaatsen op. Hier blijft zij met ineengetrokken lichaam stil zitten. Een hol wordt onmiddellijk
+als toevluchtsoord gebruikt. Haar stem, een scherp geknor, ongeveer als dat van een Konijn, hoort men alleen, als men haar
+aanraakt. Ongaarne laat zij dit toe, ook tracht zij zich, als zij gegrepen wordt, door plotselinge, springende bewegingen
+te bevrijden; nooit tracht zij zich echter met haar gebit te verdedigen. Aan hooi en gras geeft zij boven ieder ander voedsel
+de voorkeur. Zaden versmaadt zij, naar het schijnt; sappige wortels raakt zij bijna niet aan. Of zij drinkt is niet uitgemaakt:
+men zou bijna zeggen, dat zij alle drank ontberen kan.
+
+</p>
+<p>De Zuid-Amerikanen houden zeer veel van het vleesch van beide soorten van Chinchilla&#8217;s en ook Europeesche reizigers hebben
+er, naar het schijnt, smaak in gevonden, hoewel zij zeggen, dat het de vergelijking met dat van onzen Haas niet kan doorstaan.
+Trouwens de bruikbaarheid van het vleesch van deze dieren is voor den jager bijzaak, het voordeel moet komen van het vel.
+
+</p>
+<p>In den pelterij-handel wordt onderscheid gemaakt tusschen de vellen van de groote, &#8220;echte&#8221; Chinchilla&#8217;s en die van de kleine,
+kortharige &#8220;Bastaard-Chinchilla&#8217;s&#8221;; de eerstgenoemde brengen &#402; 9 &agrave; &#402; 15, de laatstgenoemde slechts &#402; 0.60 &agrave; &#402; 3 per stuk op.
+Van gene komen ieder jaar 20,000, van deze 200,000 stuks in den handel.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Haasmuizen</span> (<i>Lagidium</i>) onderscheiden zich van de eigenlijke Wolmuizen door de veel langere ooren, door den staart, die even lang als het lichaam
+en aan de bovenzijde ruig behaard is en door de zeer lange snorren. In levenswijze komen deze dieren nagenoeg volkomen overeen.
+Men kent van dit geslacht tot dusver slechts twee soorten met zekerheid; beide leven op de hoogvlakten der Cordilleras en
+wel dicht onder de grenzen van de <span id="d0e2924" class="corr" title="Bron: eeuwigdurendesneeuw">eeuwigdurende sneeuw</span>, tusschen kale rotsen, op een hoogte van 3000 &agrave; 5000 M. boven den zeespiegel. Zij zijn even gezellig, even vlug en behendig
+als de Wolmuizen, openbaren dezelfde eigenaardigheden en voeden zich met dezelfde of althans met soortgelijke planten.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1342.jpg" alt="Haasmuis (Lagidium Cuvieri). &frac14; v.d. ware grootte." width="720" height="578"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Haasmuis</span> (<i>Lagidium Cuvieri</i>). &frac14; v.d. ware <span id="d0e2935" class="corr" title="Bron: groote">grootte</span>.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De op deze <span class="abbr" title="pagina"><abbr title="pagina">pag.</abbr></span> afgebeelde <span class="letterspaced">Haasmuis</span>-soort (<i>Lagidium Cuvieri</i>) bewoont de hoogvlakten van &#8217;t zuiden van Peru en Bolivia en heeft ten naaste bij de gestalte en de grootte van een Konijn.
+Haar vacht is zeer zacht en langharig; de kleur is aschgrauw, aan de zijden een weinig meer naar geel overhellend.
+
+</p>
+<p>De andere Haasmuis-soort bewoont Ecuador en het noordelijk gedeelte van Peru.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+
+</p>
+<p>De vertegenwoordiger van het derde geslacht, de <span class="letterspaced">Viscacha</span> (<i>Lagostomus trichodactylus</i>), gelijkt meer op de Chinchilla dan op de leden van het vorige geslacht. Zij heeft een tamelijk dicht haarkleed, dat aan
+de bovenzijde uit gelijkmatig verdeelde, grijze en zwarte haren bestaat, waardoor de rug er tamelijk donker uitziet; de onderdeelen
+zijn wit behaard, evenals de binnenzijde van de pooten. Zonder den staart is het lichaam 50, met dezen 68 cM. lang.
+
+</p>
+<p>De Viscacha vertegenwoordigt haar familie ten oosten van de Andes; zij bewoont thans de Pampas van Buenos Aires tot Patagoni&euml;.
+Toen de bodem nog niet zoo ver ontgonnen was als nu, kwam zij ook in Paraguay voor. Waar deze dieren tegenwoordig nog <a id="d0e2964"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2964">343</a>]</span>gevonden worden, is hun aantal zeer groot. Op verscheidene plaatsen treft men ze z&oacute;&oacute; veelvuldig aan, dat overal, doch nooit
+over dag, aan weerszijden van den weg, die men volgt, geheele troepen zichtbaar zijn. Zij houden zich in de eenzaamste en
+minst bebouwde gewesten op, doch naderen de ontginningen tot op korten afstand; de reizigers kunnen zelfs uit het groot aantal
+&#8220;viscachera&#8217;s&#8221; (of woningen van de Viscacha) langs hun weg afleiden, dat de Spaansche volkplantingen niet ver meer zijn.
+
+</p>
+<p>Schraal begroeide en voor een groot deel kale, dorre vlakten zijn het erf van de Viscacha; hier heeft zij hare uitgestrekte,
+onderaardsche woningen, bij voorkeur in de nabijheid van kreupelboschjes en op geringe afstand van bebouwde velden. De holen
+worden gemeenschappelijk gegraven en ook gemeenschappelijk bewoond; zij hebben een menigte galerijen en vluchtgangen, dikwijls
+wel 40 &agrave; 50, en zijn van binnen in verscheidene kamers verdeeld, al naar de talrijkheid van de familie, die zich hier metterwoon
+heeft gevestigd. Het aantal familieleden kan klimmen tot 8 &agrave; 10; daarna verlaat echter een deel van de familie de oude woning
+en legt een nieuwe aan, liefst in de nabijheid van de vorige. Bovendien kan het voorkomen, dat de Holen-uil, die wij als commensaal
+van de Prairie-honden hebben leeren kennen, ook hier zich vestigt en zonder veel plichtplegingen het een of ander hol in bezit
+neemt. De zindelijke Viscacha&#8217;s dulden nooit een huisgenoot, die niet evenzeer als zij op netheid gesteld is en zoeken oogenblikkelijk
+een ander kwartier op, wanneer een van de indringers haar door onzindelijkheid last aandoet. Hierdoor wordt het verklaarbaar,
+waarom de bodem dikwijls over een uitgestrektheid van een vierkante mijl geheel en al ondermijnd is. Over dag ligt de geheele
+familie verborgen in haar woning, omstreeks zonsondergang komen enkele leden van het gezin te voorschijn, en zoodra de schemering
+aanbreekt, heeft een meer of minder talrijk gezelschap zich voor de uitgangsopeningen verzameld. Nadat deze dieren door een
+zorgvuldig onderzoek tot de overtuiging zijn gekomen, dat hun geen gevaar bedreigt en geruimen tijd in de nabijheid van het
+hol rondgezworven hebben, begeven zij zich op weg om voedsel te zoeken.
+
+</p>
+<p>De Viscacha&#8217;s gelijken door de wijze, waarop zij zich bewegen, veel op onze Konijnen, die haar wel wat snelheid betreft aanmerkelijk
+overtreffen; maar minder opgewekt, vroolijk en tot spelen geneigd zijn. Terwijl zij aan &#8217;t grazen zijn, maken zij voortdurend
+grappen, loopen haastig rond, springen knorrend over elkander heen, wisselen begroetingen met den snuit enz. Evenals de Jakhals
+en de Poolvos nemen zij de meest verschillende voorwerpen, die zij bij het bezoeken van hare weideplaatsen vinden, naar hare
+holen mede en stapelen deze voor de ingangsopening in bonte verwarring opeen, als &#8217;t ware om als speelgoed te dienen. Zoo
+vindt men beenderen en vodderijen, koedrek en toevallig verloren geraakte voorwerpen, die voor haar zeer zeker in &#8217;t geheel
+niet dienstig kunnen zijn, voor hunne holen opeengehoopt; de Gauchos gaan derhalve, als zij iets missen, naar de naastbijgelegen
+viscachera&#8217;s om daar het verlorene te zoeken. Uit hunne woningen verwijderen deze dieren zorgvuldig al wat er niet in behoort,
+ook de lijken van hunne soortgenooten. Het is nog niet uitgemaakt, of zij in hun hol voorraad voor den winter bijeenbrengen.
+Hun stem bestaat uit een zonderling, niet nader te omschrijven, luid en onaangenaam klinkend gesnuif en geknor.
+
+</p>
+<p>Over de voortplanting is tot dusver niets met zekerheid bekend. Men zegt, dat de wijfjes 2 &agrave; 4 jongen werpen en dat deze na
+2 &agrave; 4 maanden volwassen zijn. <span class="smallcaps">G&ouml;ring</span> zag steeds niet meer dan &eacute;&eacute;n jong bij de oude Viscacha&#8217;s. Het bleef voortdurend in de onmiddelijke nabijheid van zijn moeder.
+Deze behandelt het, zoover men kon nagaan, met veel liefde en verdedigt het in tijden van gevaar. Als men deze jongen vangt
+en zich met hen bemoeit, worden zij tam; evenals onze Konijnen, kan men ze zonder moeite in &#8217;t leven houden. Hier en daar
+treft men in Europeesche diergaarden levende Viscacha&#8217;s aan; die van den Frankforter dierentuin was steeds stompzinnig, brommig
+en met boosaardige woede bezield.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1343.jpg" alt="Viscacha (Lagostomus trichodactylus). &#8533; v.d. ware grootte." width="720" height="442"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Viscacha</span> (<i>Lagostomus trichodactylus</i>). &#8533; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De Viscacha&#8217;s worden vervolgd, niet zoo zeer wegens de waarde van haar vleesch en vel, als wel wegens den last, dien zij door
+haar woelen in den grond veroorzaken. Op de plaatsen waar zij veelvuldig zijn, gaat het rijden werkelijk met levensgevaar
+gepaard, omdat de Paarden dikwijls door de aardlaag, die hare dicht bij de oppervlakte gelegen gangen bedekt, heentrappen,
+waardoor zij in &#8217;t gunstigste geval schichtig worden, zoo zij niet vallen en daarbij hun berijder afwerpen of zelve de pooten
+breken. De bewoners van <a id="d0e2986"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2986">344</a>]</span>het vaderland der Viscacha&#8217;s herkennen de viscacheras reeds van verre aan de aanwezigheid van een kleine, wilde, bittere meloen,
+die misschien een lievelingsspijs van deze dieren is. De bedoelde plant komt op plaatsen waar vele viscacheras zijn, geregeld
+voor; het is ook wel mogelijk, dat, omgekeerd, de holen aangelegd worden daar, waar de genoemde planten in alle richtingen
+hare groene ranken over den bodem uitbreiden. De gevaarlijkste plaatsen kunnen dus vermeden worden, door op dit kenteeken
+te letten. Met alle mogelijke middelen tracht men de Viscacha&#8217;s uit de nabijheid van de volksplantingen te verdrijven; men
+wendt in den letterlijken zin van &#8217;t woord vuur en water aan om ze uit te roeien. Het gras om hare holen wordt in brand gestoken
+om haar het voedsel te ontnemen; hare holen worden onder water gezet en zij zelf hierdoor gedwongen om naar buiten te vluchten,
+waar de op de loer liggende Honden haar weldra te pakken hebben.
+
+</p>
+<p>De Indianen eten het vleesch van de Viscacha en maken ook wel gebruik van haar vel, ofschoon dit een veel geringere waarde
+heeft dan dat der vroeger genoemde soorten.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+
+</p>
+<p>Aan het einde van de orde der Knaagdieren plaatsen wij de <span class="letterspaced">Hazen</span> (<i>Leporidae</i>); zij vormen een familie die zoo vele eigenaardigheden vertoont, dat er reden zou zijn om haar den rang van onderorde toe
+te kennen. Zij zijn de eenige leden van de geheele orde, die meer dan twee snijtanden in de bovenkaak hebben; want achter
+de scherpe en breede knaagtanden staan nog twee echte snijtanden: kleine, stompe, bijna vierzijdige stiften. Hierdoor verkrijgt
+het gebit een z&oacute;&oacute; eigenaardig voorkomen, dat de Hazen in dit opzicht geheel alleen staan. Bovendien komen in elke kaakhelft
+5 of 6, ieder uit twee platen samengestelde, wortellooze kiezen voor. De algemeene kenmerken van de Hazen zijn: een in de
+lengte gerekt lichaam met lange achterpooten, een lange, smalle kop met groote ooren en oogen, vijf teenen aan de voorpooten,
+vier aan de achtervoeten, dikke, zeer beweeglijke, diep gespleten lippen met dikke snorharen aan weerszijden en een dicht,
+bijna wollig haarkleed.
+
+</p>
+<p>Hoewel deze familie slechts een gering aantal soorten omvat, is zij toch over een groot deel der aarde verbreid. Alleen in
+het Australische rijk zouden de Hazen ontbreken, indien zij er niet door den mensch ingevoerd waren; thans echter zijn over
+Nieuw-Holland en Nieuw-Zeeland twee soorten ver verbreid. De Hazen komen voor in alle klimaten, in vlakten en gebergten, in
+open velden en rotsspleten, op en onder den grond, kortom overal; daar waar de verbreiding van de eene soort ophoudt, begint
+die van een andere; de landstreek waar deze zich niet op haar plaats gevoelt, vindt in gene een tevreden bewoner.
+
+</p>
+<p>Alle voeden zich vooral met de zachte en sappige deelen der planten, doch eigenlijk versmaden zij er geen enkel deel van,
+voor zoover zij het bereiken kunnen. Zij verslinden de planten van den wortel tot aan de vruchten, ofschoon zij bij voorkeur
+gebruik maken van de bladen van laag groeiende kruiden. De meeste leven op een beperkte schaal gezellig en blijven trouw aan
+de eens gekozen of hun toebedeelde woonplaats. Hier liggen zij over dag verborgen in een ondiepen kuil of een hol in den grond,
+des nachts daarentegen zwerven zij rond om voedsel te zoeken. Zij rusten, strikt genomen, alleen gedurende de middaguren en
+loopen, als zij zich veilig gevoelen, ook &#8217;s morgens en &#8217;s avonds bij helderen zonneschijn rond. Zij hebben een zeer eigenaardige
+bewegingswijze. De spreekwoordelijke snelheid van den Haas openbaart zich alleen, wanneer hij al zijne krachten inspant; bij
+het langzaam gaan beweegt hij zich op een zeer logge en onbeholpen wijze, daar de lange achterpooten een gelijkmatigen gang
+moeilijk maken. Zij kunnen echter ook gedurende den snelsten loop allerlei wendingen maken en geven in dit geval bewijzen
+van een behendigheid, die men bij hen niet verwacht zou hebben. Zij vermijden het water, ofschoon zij in geval van nood ook
+rivieren overzwemmen.
+
+</p>
+<p>Onder hunne zinnen staat ongetwijfeld het gehoor bovenaan; het bereikt hier een ontwikkeling zooals bij weinige andere dieren,
+en ongetwijfeld bij geen der Knaagdieren, voorkomt; de reuk staat op een lageren trap, maar is ook niet zwak; het gezicht
+is tamelijk scherp. Hun stem bestaat uit een dof geknor en, als zij angstig zijn, uit een luid, klagelijk geschreeuw. [De
+tot deze familie behoorende, in bergstreken levende Fluithazen (Hamsterhazen of Peka&#8217;s, <i>Lagomys</i>) dragen hun naam te recht.] Hun stem, die men trouwens slechts zelden hoort, gaat gepaard met een eigenaardig geluid, dat
+veroorzaakt wordt door het slaan met de achterpooten tegen den grond; dit geluid geeft zoowel vrees als toorn te kennen en
+dient als waarschuwend sein. Bij &#8217;t nagaan van de inborst dezer dieren merkt men verscheidene tegenstrijdigheden op. Over
+&#8217;t geheel genomen is het beeld, dat men zich gewoonlijk van den Haas vormt, niet juist. Men noemt hem goedaardig, vreedzaam,
+onschuldig en lafhartig; de ervaring leert echter, dat hij ook de hieraan tegenovergestelde eigenschappen kan hebben. Nauwgezette
+opmerkers willen van de goedaardigheid der Hazen niets weten, maar noemen ze ronduit boosaardig en twistziek in de hoogste
+mate. Algemeen bekend zijn hunne vreesachtigheid, oplettendheid en schuwheid, minder bekend de listigheid, die zij allengs
+verkrijgen en die met de jaren tot een werkelijk bewonderenswaardige hoogte kan toenemen. Ook hun lafhartigheid is niet zoo
+erg, als men meent. Stellig doet men hen onrecht, wanneer men deze eigenschap zoo op den voorgrond stelt, als <span class="smallcaps">Linnaeus</span> deed, toen hij den Sneeuwhaas een naam gaf (<i>Lepus timidus</i>), die hem voor altoos als een lafaard aan de kaak gesteld heeft.
+
+</p>
+<p>Hoewel het voortplantingsvermogen van de Hazen niet zoo sterk is als dat der andere Knaagdieren, is het toch belangrijk genoeg
+om het oude jagersgezegde, dat de Hazen zich in &#8217;t voorjaar onder vier oogen naar &#8217;t veld begeven om in &#8217;t najaar met hun
+zestienen van daar terug te keeren, van volle kracht te doen blijven op plaatsen waar &#8217;t leven onzen Lampe vriendelijk tegenlacht
+en de vervolging niet al te erg is. De meeste Hazen werpen verscheidene malen per jaar jongen, soms 3 &agrave; 6, in enkele gevallen
+zelfs 11 te gelijk; bijna alle behandelen hunne kinderen echter op eene buitengewoon lichtzinnige wijze, waarvan het gevolg
+is, dat er zoovele vroegtijdig sterven. Bovendien worden zij wegens hun smakelijk vleesch door een geheel leger van vijanden
+vervolgd; in ieder werelddeel zijn dit andere dieren, maar wat hun aantal betreft, bestaat er tusschen het eene deel der aarde
+en het andere niet veel verschil. Voor Duitschland heeft <span class="smallcaps">Wildungen</span> de namen dezer dieren in een rijmpje bijeengevoegd, dat vrij vertaald ongeveer den volgenden inhoud heeft:
+
+<a id="d0e3020"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3020">345</a>]</span></p>
+<div class="poem">
+<div class="stanza">
+<p class="line" style=""><span>Menschen, Honden, Wolven, Lossen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Katten, Marters, Wezels, Vossen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Arend, Ooruil, Havik, Wouwen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Elke Kraai, die wij aanschouwen,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Ekster, Raaf niet te vergeten,
+</span></p>
+<p class="line" style=""><span>Ieder, ieder wil hem&#8212;eten.</span></p>
+</div>
+</div>
+<p>Het is wegens de talrijkheid hunner vijanden waarlijk geen wonder, dat de Hazen zich aanmerkelijk minder sterk vermenigvuldigen
+dan anders het geval zou zijn; wij mogen ons gelukkig achten, dat dit zoo is, daar anders deze Knaagdieren niets op onze akkers
+zouden overlaten. In alle streken waar hun aantal aanmerkelijk toeneemt, worden zij een plaag voor het land.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1345.jpg" alt="Haas (Lepus vulgaris). &#8533; v.d. ware grootte." width="720" height="673"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Haas</span> (<i>Lepus vulgaris</i>). &#8533; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De leden van het geslacht <span class="letterspaced">Haas</span> (<i>Lepus</i>) onderscheiden zich door ooren, die bijna zoo lang zijn als de kop, door de kortheid van den duim der voorvoeten, de groote
+lengte der achterpooten (bijna het dubbele van die der voorpooten), het opwaarts gerichte staartstompje, en de 6 kiezen in
+elke bovenkaakshelft (in de onderkaak zijn er 5 aan elke zijde).
+
+</p>
+<p>&#8220;Lampe&#8221;, de <span class="letterspaced">Gewone Haas</span>, een stevig Knaagdier van 75 cM. totale lengte, waarvan slechts 8 cM. op den staart komen, en 30 cM. hoogte, is een van de
+beide bij ons inheemsche vertegenwoordigers van het Hazengeslacht. Hij bereikt een gewicht van 3&frac12;, 4, 5, soms van 6 KG., in
+zeldzame gevallen wordt een oud mannetje 7 of 8, ja zelfs 9 KG. zwaar. De afwijkingen van grootte en kleur, die men bij onze
+Hazen opmerkt, en die samengaan met het verschil in smaak van hun vleesch, zijn een gevolg van de ongelijkheid van de gronden,
+waarop zij leven, en van het voedsel, dat zij er vinden. Zoo wordt b.v. de &#8220;Steenhaas,&#8221; die iets kleiner, lichter van kleur
+en volgens de fijnproevers lekkerder is dan de haas van de kleistreken, vooral op heidevelden aangetroffen. Ook spreekt men
+van Heidehazen, Grasbuiken en Duinhazen. De vacht bestaat uit kort wolhaar en lang bovenhaar. Van haar kleur kan niet gemakkelijk
+met weinige woorden een voor allen geldige beschrijving gegeven worden. In den regel is zij grijsachtig bruin, op den rug
+donkerder en aan den buik wit, het uiteinde der ooren en het bovendeel van den korten staart zijn zwart, van onderen is de
+staart wit, op de schouders en de zijden is de kleur bijna geheel ros. In den winter is de kleur altijd eenigszins anders
+dan des zomers; ook vindt men vele kleurverscheidenheden: donkere, gevlekte en witte. In den regel is de kleur van den Haas
+voortreffelijk geschikt om dit dier, als het op den grond rust, aan de blikken zijner vijanden te onttrekken.
+
+</p>
+<p>De (of, zooals de jager gewoonlijk zegt, &#8220;het&#8221;) Haas draagt al naar geslacht en leeftijd verschillende namen (die voor &#8217;t
+meerendeel ook op het Konijn toepasselijk zijn). Het mannetje heet &#8220;rammelaar,&#8221; het wijfje &#8220;moerhaas&#8221; of &#8220;voedster&#8221;<span id="d0e3060" class="corr" title="Bron: ">.</span> (Bij de Marters, Bunzingen en Wezels, en ook wel bij het Konijn, spreekt men van &#8220;ram&#8221; of &#8220;voedster&#8221;.) &#8220;Halfwassen&#8221; is het
+jonge wild, wanneer het ongeveer de helft van zijn wasdom heeft bewerkt. &#8220;Drieling&#8221; noemt men &#8220;het&#8221; Haas, dat voor drie vierde
+volwassen is. De ooren heeten, volgens de &#8220;jachtmatige&#8221; spreekwijze &#8220;lepels&#8221;, de oogen &#8220;spiegels&#8221;, de kop &#8220;bol&#8221;, de pooten
+&#8220;voorloopers&#8221; en &#8220;achterloopers&#8221;, de achterbouten of dijen &#8220;kussens&#8221;; het haar wordt &#8220;wol&#8221;, de staart &#8220;pluim&#8221;, de huid &#8220;vel&#8221;
+genoemd. Voorts zijn ook de volgende termen van belang; &#8220;Het&#8221; Haas en ook het overige &#8220;loopend&#8221; (viervoetig) wild is aan &#8217;t
+&#8220;laveien&#8221;, als het uitgegaan is om &#8220;lavei&#8221; (voedsel) te zoeken; het &#8220;drukt&#8221; zich, als het zich op den grond verbergt om niet
+door den jager opgemerkt te worden. Het &#8220;breekt uit&#8221; naar &#8221;&#8217;t veld&#8221; <a id="d0e3063"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3063">346</a>]</span>om te &#8220;laveien&#8221; en &#8220;vaart in&#8221; &#8220;het hout&#8221;, als het de omgekeerde richting volgt om te gaan rusten; het volgt daarbij zijne
+&#8220;passen&#8221; of &#8220;wissels&#8221;; het &#8220;vaart in&#8221; het &#8220;leger&#8221; wanneer het zich begeeft naar de ondiepe uitholling van den bodem, waarin
+het over dag slaapt; het verlaten van het &#8220;leger&#8221; heet &#8220;uitvaren&#8221;; door de Honden wordt het genoodzaakt het bosch te &#8220;ruimen&#8221;.
+De jager zal het dier &#8220;naoogen&#8221; (&#8220;nawaren&#8221;). In het veld, &#8220;waar het zich drukte,&#8221; wordt het door den Hond &#8220;opgestooten&#8221;, of
+&#8220;opgedaan&#8221;, d.w.z. het &#8220;rijst&#8221; bij nadering van den Hond (of van den jager), wordt doodelijk getroffen door een &#8220;bladschot&#8221;
+(d.i. van ter zijde in het schouderblad, in het voorste gedeelte van den romp), maar niet onmiddellijk neergeveld door een
+&#8220;weidewond&#8221; (in de onedele of onderbuiksingewanden); men ziet het &#8220;zweet&#8221; (bloed); het dier &#8220;klaagt&#8221; (kermt), &#8220;sneuvelt&#8221;,
+dikwijls na vooraf &#8220;genekt&#8221; te zijn (wanneer men &#8220;het&#8221; bij de &#8220;achterloopers&#8221; opgenomen Haas of Konijn doodt door een slag
+met den kant van de rechterhand in den nek), wordt &#8220;ontweid&#8221; (van ingewanden ontdaan), &#8220;afgehaald&#8221; (gevild)<span id="d0e3065" class="corr" title="Bron: &#8221;"></span> enz.
+
+</p>
+<p>Geheel Middel-Europa en een klein deel van westelijk Azi&euml; vormen het vaderland van onzen Haas. In het zuiden wordt hij vervangen
+door een soort van iets geringere grootte en meer rosse kleur, den Haas van &#8217;t Middellandsche-zee-gebied, op de hoogste gedeelten
+der Alpen en in het hooge noorden door den Sneeuwhaas. De Alpenhaas en de Sneeuwhaas zijn misschien verschillende soorten,
+hoewel zij onderling veel overeenkomst vertoonen. Onze Haas bereikt de noordelijkste grens van zijn verbreidingsgebied in
+Schotland, in &#8217;t zuiden van Zweden, in Noord-Rusland (op ongeveer 65 &agrave; 70&deg; N.B.), de zuidelijkste grens in &#8217;t zuiden van Frankrijk
+en in &#8217;t Noorden van Itali&euml;. In Siberi&euml; werd hij nog niet aangetroffen. Binnen het genoemde gebied komt hij, zooals licht
+te begrijpen is, niet overal even veelvuldig voor. Hoewel de beperking van het aantal Hazen door de jacht, wegens de zeer
+verschillende wijzen, waarop de jacht wordt uitgeoefend, zeer ongelijkmatig geschiedt, spreekt het wel van zelf, dat deze
+dieren zich bij voorkeur ophouden in de vruchtbaarste gewesten, vooral in vlakten waar landbouw en veeteelt bloeien en waar
+bovendien geen gebrek is aan schuilplaatsen, b.v. struiken en kreupelhout. In gewesten, die grootendeels met bosschen bedekt
+zijn, komen zij minder overvloedig voor; in uitgestrekte wouden zijn zij betrekkelijk zeldzaam. Een golvend, heuvelachtig
+terrein vermijden zij niet geheel; hoogere bergstreken zijn echter arm aan Hazen. Hoewel zij in den Kaukasus nog voorkomen
+op 2000 M. en in de Alpen op 1600 M. hoogte, worden zij toch in het Beiersche Oberland reeds op 1000 M. hoogte slechts bij
+uitzondering aangetroffen; boven deze grens worden zij al spoedig vervangen door den Sneeuwhaas. Duidelijk geeft de Gewone
+Haas aan gematigde gewesten de voorkeur boven die, waar een ruw klimaat heerscht. Omdat hij van de warmte houdt, vestigt hij
+zich het liefst in velden, die onder den wind liggen en tegen de koudste winden beschut zijn. De pogingen die men gedaan heeft,
+om hem in noordelijker gewesten inheemsch te doen worden, zijn mislukt. Oude rammelaars zijn minder kieskeurig, wat hun woonplaats
+betreft, dan voedsters en jonge Hazen; gene maken zich dikwijls een leger in het struikgewas, in rietvelden en in hoog gelegen,
+boschachtige bergstreken; terwijl de andere bij de keuze van hun leger altijd zeer zorgvuldig te werk gaan.
+
+</p>
+<p>Over het algemeen is de Haas meer nachtdier dan dagdier, hoewel men hem op heldere zomerdagen &#8217;s avonds reeds v&oacute;&oacute;r zonsondergang
+en &#8217;s morgens nog na zonsopgang in het veld ziet rondzwerven. Hoogst ongaarne verlaat hij de plaats waar hij geboren en getogen
+is. De jongen zijn gehecht aan de plek, waar zij het eerste levenslicht hebben aanschouwd; in het oude leger vertoeven zij
+ook op lateren leeftijd nog gaarne. Een der wijfjes-jongen vestigt zich daar veelal, maar heeft bovendien nog een paar andere
+nesten. De Haas heeft altijd meer dan &eacute;&eacute;n leger; wordt hij in &#8217;t eene ontdekt dan trekt hij naar een ander. Na den dood van
+de voedster; die het ouderlijk leger bewoonde, wordt deze schuilplaats al zeer spoedig, soms reeds den volgenden dag, door
+een anderen jongen moerhaas ingenomen, die er vermoedelijk insgelijks geboren is. Een natuurdrift schijnt de wijfjes aan deze
+plek te binden. Door allerlei tegenspoeden, gebrek aan voedsel, vervolging enz. worden zij dikwijls gedwongen ver van haar
+leger rond te zwerven; zij keeren er echter in terug, als de paartijd nadert. De rammelaar schijnt minder gehecht te zijn
+aan den geboortegrond, doch ook hij zoekt dezen in den herfst weer op. Dit geschiedt steeds, als de rust van den Haas niet
+of niet te veel verstoord wordt; voor een te lang aanhoudende vervolging neemt hij voor goed de wijk naar andere oorden.
+
+</p>
+<p>De neiging van de Hazen om steeds terug te keeren naar de woonplaats hunner voorouders en dezer eigenaardige levenswijze aan
+te nemen, geeft aanleiding tot het onderscheiden van verscheidenheden, die door woonplaats en gewoonten van elkander verschillen.
+Zoo spreekt men o.a. van Veldhazen, Boschhazen, Woudhazen en Berghazen. De &#8220;Veldhaas&#8221; houdt zich meestal in &#8217;t bouwland op
+en verschuilt zich bij droog en stil weder onder de te velde staande, groeiende of reeds verdroogde gewassen. Als &#8217;t regent,
+verlaten zij echter dit leger en zoeken, daar zij den regen boven den drop verkiezen, hun toevlucht op het opene, kale land.
+Daar de jager ze hier gemakkelijker kan vinden zal de jacht gedurende het regenachtige weer, dat meestal tegen het einde van
+den jachttijd invalt, niet zelden gelukkig zijn. Als de oogst op den door den Haas bewoonden akker aanvangt, begeeft hij zich
+naar andere plaatsen, waar graan, rapen, kool of dergelijke planten verbouwd worden. Hij eet klaver, jonge graangewassen,
+distels, kool en koolzaad; gele of roode wortelen, die hij met de pooten loswoelt, zijn voor hem een lekkernij; ook allerlei
+wilde planten in het bouwland en in de venen eet hij met smaak. Zijn lievelingskost schijnt echter peterselie te zijn. In
+het laatste gedeelte van den herfst vestigt hij zich bij voorkeur in een braak liggend land, dat reeds eenigen tijd geleden
+werd omgeploegd, of op een niet al te vochtigen, met biezen begroeiden grond of op een koolzaadakker. Het winterkoren en het
+winterkoolzaad maken nu zijn hoofdvoedsel uit. Zoolang er weinig of geen sneeuw ligt, verandert hij niet van leger. &#8217;s Nachts
+bezoekt hij de tuinen, waar hij kool kan vinden. Wanneer er veel sneeuw valt, laat hij zich in zijn leger insneeuwen, maar
+gaat, zoodra de bui ophoudt, in de buurt van de klaverakkers wonen. Zoodra er een ijskorst over de sneeuw komt, vangt voor
+hem een moeilijk tijdperk aan; hoe minder voedsel hij op de akkers vindt, des te meer schade zal hij aanrichten in de tuinen
+en boomkweekerijen. De schors van de meeste jonge boomen, vooral die van den acacia en van zeer jonge berken, is hem dan even
+welkom als de roode kool. Als de sneeuw door den dooi afneemt of geheel verdwijnt, keert de Haas naar het winterkoren terug,
+dat hem als voedsel dient, totdat het in de lente opnieuw begint te groeien. Kort <a id="d0e3073"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3073">347</a>]</span>v&oacute;&oacute;r zonsondergang (na een warmen regen nog iets vroeger) begeeft hij zich naar het zomerkoren. Ook hiervan maakt hij geen
+gebruik meer, zoodra de planten ouder geworden zijn; hij blijft echter in het jonge graan liggen en bezoekt &#8217;s avonds de akkers,
+waarop de kool sinds kort werd overgeplant, de rapenvelden enz.
+
+</p>
+<p>De &#8220;Boschhaas&#8221; begeeft zich alleen &#8217;s avonds naar het veld en keert &#8217;s morgens met het aanbreken van den dag of kort na zonsopgang
+weder in &#8217;t bosch terug. Gedurende den zomer echter houdt hij zich soms ook wel over dag in het hooge koorn op, of, als het
+regent, op ongebroken of omgeploegd braakland. In den herfst, als de struiken hunne bladeren laten vallen, verlaat hij het
+bosch geheel, daar het vallen der bladen hem angstig maakt; in den winter trekt hij zich in het donkere deel van &#8217;t bosch
+terug; zoodra de dooi invalt, komt hij weder in het minder dichte gedeelte. De eigenlijke &#8220;Woudhaas&#8221; vertoeft gedurende het
+zachte en groeizame jaargetijde in den woudzoom; hij begeeft zich van hier des avonds naar de velden, wanneer op de weiden
+in het woud niet genoeg voedsel te vinden is. Bij felle vorst zoekt hij de duistere gedeelten van het woud op en dringt er
+steeds dieper in door, zonder zich om het afvallen der bladen te bekommeren.&#8212;De Berghaas vaart zoo goed bij het gebruik van
+de geurige kruiden, die in de nabijheid van zijn verblijfplaats groeien, dat hij, als er akkers in de nabijheid zijn, deze
+alleen uit lust tot snoepen bezoekt.
+
+</p>
+<p>&#8220;Buiten den paartijd,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Dietrich aus dem Winckell</span>, &#8220;brengt de Haas den geheelen dag slapend of sluimerend in zijn leger door. Nooit gaat hij regelrecht op de plaats af, waar
+hij een oud leger weet of een nieuw wil maken, maar loopt eerst een eind voorbij de plaats waar hij rusten wil, keert terug,
+doet weer eenige sprongen te veel, dan weer een sprong zijwaarts en herhaalt dezen voorzorgsmaatregel eenige malen, tot hij
+eindelijk met een flinken sprong op de plaats aanlandt, waar hij blijven wil. Bij het maken van zijn leger graaft hij in &#8217;t
+vrije veld een ongeveer 5 &agrave; 8 cM. diepe uitholling in den grond, die daar, waar het achterste deel van &#8217;t lichaam moet liggen,
+een weinig gewelfd is; deze kuil is lang en breed genoeg om te maken dat er van het bovenste deel van den rug slechts zeer
+weinig te zien komt, als het dier in het leger de voorpooten uitstrekt, hierop den kop met de op den rug neerliggende ooren
+laat rusten en de achterpooten onder het lichaam samentrekt. Deze schuilplaats beschut den Haas gedurende het zachte jaargetijde
+tamelijk goed tegen storm en regen. In den winter holt hij het leger gewoonlijk zoover uit, dat er niets dan een klein zwartachtig
+grijs plekje van zichtbaar blijft. In den zomer keert hij den kop naar &#8217;t noorden, in den winter naar &#8217;t zuiden, bij stormachtig
+weer echter zoo, dat hij den wind achter zich heeft.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het is, alsof de natuur den Haas door opgewektheid, snelheid en sluwheid heeft trachten schadeloos te stellen voor de hem
+aangeboren vreesachtigheid en schuwheid. Als hij de een of andere gelegenheid heeft gevonden om onder bescherming van de duisternis
+zijn zeer goede eetlust te bevredigen, en het weder niet al te ongunstig is, zal er bijna geen morgen voorbijgaan, zonder
+dat hij zich onmiddellijk na zonsopgang op droge, vooral op zandige plaatsen met zijne soortgenooten of in zijn eentje met
+lichaamsoefeningen vermaakt. Door grappige sprongen, door in een kring rond te loopen en zich over den grond te wentelen toont
+hij zijn vroolijke gemoedsstemming; soms is hij zoozeer in dit spel verdiept, dat hij zijn ergsten vijand, den Vos, niet opmerkt.
+Een oude Haas laat zich niet zoo gemakkelijk beetnemen, en weet, als hij gezond en niet vermoeid is, in den regel aan de vervolging
+van zijn aartsvijand te ontkomen. Hij tracht dan door &#8216;haken te slaan&#8217; (door zijsprongen en wendingen), een list, die hij
+meesterlijk ten uitvoer brengt, zijn vijand te foppen. Alleen wanneer hij voor snelle Windhonden vlucht, tracht hij een anderen
+Haas vooruit te schieten om zich in diens leger &#8216;te drukken&#8217;, waarna hij den uit zijn woning verdreven kameraad koelbloedig
+aan de vervolging prijs geeft. Ook begeeft hij zich dan wel te midden van een kudde vee of dringt in het eerste het beste
+rietbosch door; ingeval van nood zwemt hij over een tamelijk breed water. Nooit echter waagt hij het weerstand te bieden aan
+een levend wezen van een andere soort, en alleen als de ijverzucht hem prikkelt, geraakt hij in strijd met zijns gelijken.
+Soms komt het voor, dat een denkbeeldig of werkelijk bestaand gevaar hem zoozeer verrast en van zinnen brengt, dat hij ieder
+middel tot redding verzuimt, in de grootste angst heen en weer loopt, of zelfs op jammerlijke wijze begint te klagen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Over &#8217;t algemeen is hij voor onbekende voorwerpen buitengewoon schuw, hij mijdt daarom zorgvuldig alle in &#8217;t veld geplaatste
+&#8220;hazenverschrikkers&#8221;. Het komt echter ook wel voor, dat oude, volleerde Hazen buitengewoon driest zijn, zich niet eens door
+Honden laten verdrijven en, zoodra zij bemerken, dat deze opgesloten zijn of vast liggen, met onvergelijkelijke onbeschaamdheid
+in den tuin komen om als &#8217;t ware onder de oogen van de Honden hunne rooverijen te plegen. <span class="smallcaps">Lenz</span> heeft meermalen gezien, dat Hazen zoo dicht onder zijn venster en naast de vastliggende Honden langs gingen, dat het schuim
+uit den bek van de ten hoogste vertoornde Honden hen op de vacht spatte.
+
+</p>
+<p>De snelvoetigheid van den Haas is grootendeels hieraan te danken, dat zijne achterpooten langer zijn dan zijne voorpooten.
+Om dezelfde reden kan hij beter bij een helling op dan er af rennen. Als hij geen haast heeft, maakt hij veel korter sprongen
+dan wanneer hij zich er op toelegt om snel vooruit te komen. Bij het vluchten gaat hij dikwijls zonder bijzondere reden op
+eenigen afstand van zijn leger opzitten als een Hond; als hij de hem najagende Honden een eind weegs v&oacute;&oacute;r is, gaat hij op
+de geheel gestrekte achterpooten staan, doet zoo een paar schreden vooruit en draait zich om en om.
+
+</p>
+<p>Gewoonlijk maakt hij alleen dan geluid, als hij zich in gevaar bevindt. Dit geschreeuw gelijkt op dat van kleine kinderen
+en wordt &#8220;klagen&#8221; genoemd.
+
+</p>
+<p>Onder de zinnen van den Haas is, gelijk men reeds uit de groote ooren kan opmaken, het gehoor het best ontwikkeld; de reuk
+is behoorlijk goed; het gezicht echter tamelijk zwak. Zijne meest in &#8217;t oog vallende eigenschappen zijn buitengewone voorzichtigheid
+en oplettendheid. Het zwakste geluid in zijn nabijheid, het suizen van den wind, die door de bladen speelt, het ritselen van
+een blad, zijn voldoende om hem, als hij slaapt, te wekken en scherp te doen opletten. Een bij hem langs sluipende Hagedis
+of het gekwaak van een Kikvorsch kan hem uit zijn leger verjagen, en zelfs als hij in vollen ren is, kan men hem door gefluit,
+dat niet eens krachtig behoeft te zijn, doen stilstaan. Ten onrechte noemt men hem zachtaardig. <span class="smallcaps">Dietrich aus dem Winkell</span> zegt zelfs, dat de leelijkste eigenschap van den Haas zijn boosaardigheid is, al openbaart hij deze niet door krabben en
+bijten: de <a id="d0e3098"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3098">348</a>]</span>moerhaas geeft er de duidelijkste bewijzen van door de geringe zorg, die zij voor haar kroost draagt; de Rammelaar mishandelt
+de jonge haasjes dikwijls op afkeerwekkende wijze.
+
+</p>
+<p>De bronsttijd begint na strenge winters in &#8217;t begin van Maart, bij zachtere weersgesteldheid reeds in het laatst van Februari
+(of vroeger; soms reeds in het begin van deze maand of zelfs in Januari) over &#8217;t algemeen des te eerder, naarmate de Haas
+meer voedsel kan vinden. Alle Hazen zijn dan buitengewoon onrustig. De ijverzucht verbittert ook het gemoed van den Haas en
+geeft aanleiding tot gevechten, die voor den toeschouwer hoogst vermakelijk zijn. Twee, drie of meer rammelaars komen bijeen,
+rennen op elkander af, loopen terug, richten neergehurkt het lichaam omhoog en verheffen zich op de achterpooten, vliegen
+elkander opnieuw aan en deelen oorvijgen uit, zoodat de wol in &#8217;t rond stuift, totdat eindelijk de sterkste zijne tegenstanders
+het veld doet ruimen. Geloofwaardige jagers verzekeren, dat deze gevechten tusschen verliefde Hazen, hoe onschuldig zij ook
+schijnen, soms toch zware verwondingen ten gevolge hebben; niet zelden treffen zij op hun jachtveld blinde Hazen aan, die
+bij een minnestrijd aan de oogen verwond werden. De afgekrabde wol, die op de kampplaatsen verspreid ligt, is voor den jager
+een teeken, dat de bronsttijd werkelijk aangevangen is; in jaren met buitengewoon zacht weer zal iedere dierenvriend zich
+wel wachten na dit tijdstip nog op de hazenjacht te gaan.
+
+</p>
+<p>De moerhaas blijft ongeveer dertig dagen drachtig. Volgens <span class="smallcaps">Altum</span> heeft men wel eens in Januari jonge Hazen gevonden. Gewoonlijk echter heeft de eerste worp plaats tusschen het midden en
+het einde van Maart, de vierde en laatste in Augustus. De eerste maal brengt het wijfje minstens &eacute;&eacute;n of twee, de tweede maal
+drie &agrave; vijf, de derde maal drie en de vierde maal &eacute;&eacute;n of twee jongen ter wereld. Hoogst zelden en slechts in een zeer gunstig
+jaar werpt een Haas vijfmaal jongen. De geboorteplaats van de jongen bestaat uit een hoogst eenvoudige uitholling van den
+bodem op een stille plaats van het bosch of van akker; veelal een droge, met gras begroeide of met ruigte omzette plek, waarin
+de moerhaas strooi of andere doode planten brengt, soms kiest zij het bloote, kale veld voor kraambed uit, als haar de tijd
+ontbroken heeft een betere schuilplaats te zoeken. De jongen komen met geopende oogen ter wereld; de ooren hangen aanvankelijk
+neer, doch richten zich weldra op; in alle opzichten is het bij de geboorte al zeer ontwikkeld. Vele jagers hebben gezien,
+dat de jonge Hazen onmiddellijk na de geboorte zichzelf moesten drogen en reinigen. Zeker is het, dat de moeder slechts gedurende
+de eerste vijf of zes dagen bij hare kinderen blijft, en ze daarna, met het oog op een nieuwe vrijage, aan hun lot overlaat.
+Slechts nu en dan komt zij weer terug op de plaats waar de jongen geboren werden, lokt ze bijeen door een eigenaardig geklepper
+met de ooren en laat ze zuigen, waarschijnlijk slechts om bevrijd te worden van de voor haar lastige melk en niet uit echte
+moederliefde. Bij het naderen van een vijand verlaat zij haar kroost in den regel, hoewel, er ook gevallen bekend zijn, dat
+oude voedsters haar kroost tegen kleine Roofvogels en Raven verdedigd hebben. Over &#8217;t algemeen is het aan de liefdeloosheid
+van de moeder te wijten, dat er zoo weinige jongen in &#8217;t leven blijven. Die van den eersten worp bezwijken in den regel door
+de koude. Indien er al een het zwakke leven behoudt, wordt het door gevaren van allerlei aard bedreigd, zelfs staat het aan
+de mishandelingen van zijn vader bloot. Het gedrag van den rammelaar ten opzichte van de jonge Hazen is werkelijk slecht;
+waar hij kan, kwelt hij ze dood. &#8220;Ik hoorde eens,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Dietrich aus dem Winckell</span>, &#8220;een jongen Haas schreeuwen, en meende, daar het geluid van uit de nabijheid van het dorp kwam, dat het dier zich in de
+klauwen van een Kat bevond; om dezen roover met een schot te beloonen, kwam ik nader. In plaats van een Kat, zag ik echter
+v&oacute;&oacute;r het haasje een rammelaar zitten, die het jonge dier met de beide voorpooten links en rechts zoo hevig om den kop sloeg,
+dat het er reeds suf van geworden was. Het oude dier moest zijn boosaardigheid met het leven boeten.&#8221;
+
+</p>
+<p>Bij geen ander in &#8217;t wild levend dier heeft men zooveel misgeboorten opgemerkt, als bij de Hazen. Exemplaren, die twee koppen
+of althans een dubbele tong hebben, of met buiten den bek uitstekende tanden voorzien zijn, komen niet zelden voor.
+
+</p>
+<p>De jonge Hazen verlaten ongaarne de streek, waarin zij het eerste levenslicht aanschouwden. Zij verwijderen zich niet ver
+van elkander, hoewel ieder zich een eigen leger graaft. Des avonds gaan zij gezamenlijk voedsel zoeken, des morgens gaan zij
+gemeenschappelijk naar hun slaapplaats terug; zoo leven zij vroolijk voort, tot zij halfwassen zijn. Dan scheiden zij zich
+van elkander. Na 15 maanden zijn zij volwassen, maar reeds in het eerste levensjaar, (op een leeftijd van vijf maanden) voor
+de voortplanting geschikt. Zeven of acht jaren is waarschijnlijk de langste levensduur, die de Haas bij ons bereikt; er zijn
+echter voorbeelden bekend van Hazen, die nog gedurende langeren tijd aan alle vervolgingen ontkwamen, en toch niet door ouderdomsverzwakking
+het leven verloren. In het eerste vierde deel van deze eeuw was in mijn geboortestreek een rammelaar berucht onder de jagers;
+mijn vader kende hem al sedert 8 jaren. Steeds was het den leepert gelukt alle gevaren te trotseeren; gedurende een zeer strengen
+winter werd hij echter door mijn vader op den &#8220;aanstand&#8221; geschoten. Toen hij gewogen werd, bleek het, dat hij een gewicht
+van 9 KG. had.
+
+</p>
+<p>&#8220;Het leven van dit Knaagdier,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Adolf M&uuml;ller</span>, &#8220;is een nagenoeg onafgebroken aaneenschakeling van vervolging, nood en lijden; deze worden wel is waar op den voet <span id="d0e3119" class="corr" title="Bron: gevold">gevolgd</span> door het zusterenpaar waakzaamheid en voorzichtigheid, maar zijn vergezeld door een kind dat hare begeleidsters verreweg
+over &#8217;t hoofd gegroeid is, en minder medelijden dan spotlust wekt, n.l. door de algemeen bekende angstvalligheid van den Haas.
+Verklaarbaar is dit, daar de legerscharen onze inheemsche roovers&#8212;Zoogdieren, zoowel als Vogels,&#8212;tal van spionnen, verspieders,
+struikroovers en moordenaars op den vreedzamen en weerloozen planteneter afzenden, om het stille Eden van zijne velden en
+bosschen in een schouwtooneel van verdrukking en dood te veranderen; bovendien jaagt een geheele trits van Jachthonden, van
+den krompootigen, langzamen Dashond, tot den hoogpootigen, slanken, in snelheid met den storm wedijverenden Windhond, den
+snelsten renner der velden en bosschen na, tot hij van uitputting bezwijkt. En zij, die aan de volharding en de vlugheid van
+den Hond ontkomen,&#8212;ondanks het speurvermogen, de list en de moordzucht der Roofdieren, hun leven hebben kunnen behouden,&#8212;gespaard
+blijven in weerwil van de soms levensgevaarlijke temperatuurswisselingen, stormen en onweders,&#8212;worden nog voortdurend bedreigd
+door de middelen, die de mensch heeft uitgedacht om hen te dooden. De mensch, sluwer en wreeder dan eenig Roofdier, sluipt
+bij nacht en ontijd in het woud, en legt in de pas van den Haas den strik van koperdraad, waarin <a id="d0e3122"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3122">349</a>]</span>het onschuldige dier met den kop geraakt, en waardoor het geworgd wordt. Dit doet evenwel alleen de strooper, niet de echte
+jager.&#8221;
+
+</p>
+<p>Van het &#8220;hazenstrikken&#8221; geeft Dr. <span class="smallcaps">G. A<span id="d0e3128" class="corr" title="Bron: ">.</span> Venema</span> de volgende beschrijving: &#8220;Bestraalt de maan met hare zachte lichtstralen de landstreek, dan verschuilt de Haas zich, als
+hij van zijne nachtelijke wandelingen uitrust, op plaatsen, waar het oog van zijn vijand hem moeielijk ontdekt; bij donkere
+maan waant hij zich meer veilig, en opene, onbeschutte plaatsen kiest hij voor zijn leger uit. Ook is de Haas bij maneschijn
+voorzichtiger; hij loopt minder snel, en dikwijls ziet hij, opgericht op de achterste pooten, angstig den omtrek rond, of
+hij iets ontdekt, dat voor hem gevaarlijk zou kunnen zijn. Bij duisteren hemel is zijn loop sneller, maar toch alleen, wanneer
+het pad zoo open is, dat zijn oog zich boven de omringende planten of den grond verheft. Gaat het pad naar boven, dan richt
+de Haas zich op het hoogste punt op, om het veld te verkennen; de helling op- en afwaarts springt hij door, maar bij iedere
+plant of struik, bij iedere oneffenheid in het pad, bij ieder kluitje, dat hij vindt, blikt hij wantrouwend rond, alsof hij
+een vijand waant te zien of te ontmoeten. Als de strooper hem dus in den koperen strik wil vangen, zet hij dezen bij duistere
+maan over het pad, waar het effen en ten minste zoo hoog als de omliggende grond is. Loopt het pad over heuvels, hij wacht
+zich, den strik op de hoogte te plaatsen, waar de Haas stil staat, of in de helling of den oploop, dien deze doorspringt.
+Maar hij plaatst hem in de laagte, waar de Haas snel doorrent, echter alleen als geen struiken of andere planten dezen het
+vrije uitzicht kunnen belemmeren, en wanneer zich geen kluiten of oneffenheden in het pad bevinden, waar de voorzichtigheid
+hem zou voorschrijven, zijn loop te vertragen, en, nu en dan stil staande, zich te overtuigen, of zijn leven, dat hij zoo
+lief heeft, met gevaar zou worden bedreigd. Ook daar, waar het pad bochtig is, beteugelt de Haas zijn snelheid, en een strik
+zou hem daar niet vangen. Is het buiig, dan loopt de Haas niet veel, en altijd, door ieder geluid, dat de heen en weer bewegende
+planten maken, beangst, is hij voorzichtig en behoedzaam; veelal houdt hij zich dan meer in het leger. Bij duistere maan,
+als het niet waait en de sterren helder schijnen, loopt de Haas sneller, en de strooper rekent op een betere vangst<span id="d0e3132" class="corr" title="Bron: ">.</span> Is het veld met sneeuw bedekt, dan is hij nog zekerder, om bij duistere maan den Haas in den strik te vangen. De honger drijft
+het dier tot meerdere en grootere reizen aan, want het voedsel is moeilijker te vinden. Jaagt de wind de sneeuw hier en daar
+hoog op, dan kiest de Haas wel eens een leger, dat met sneeuw bedekt is. Hij graaft dan door de sneeuw heen, van den wal van
+een sloot of laagte af een lange gang, aan het einde waarvan hij zich neervlijt. Bij zijn kop graaft hij de sneeuw tot een
+paar palm dikte door, zoodat zijn ademhaling niet wordt belemmerd. Aldra komt door de warmte een zeer kleine, geel omkleurde
+opening in de sneeuw, waardoor de frissche buitenlucht tot hem doordringt, en waardoor de warmere, uitgeademde lucht ontwijkt.&#8221;
+&#8220;Veel sneeuw is voor de Hazen zeer te vreezen; daar zij, evenals alle andere dieren, betreden paden verkiezen boven ongebaande
+velden, huppelen zij bij hunne nachtelijke wandelingen het eens betreden paadje velen malen door, om in den strik, dien de
+sluwe strooper uitspant, of door het schot van een op hen wachtenden wilddief, hun leven jammerlijk te eindigen.&#8221;
+
+</p>
+<p>Over de verschillende, al of niet jachtmatige wijzen van hazenvangst, zijn tal van boeken geschreven; het is mijn bedoeling
+niet hierover nader uit te wijden. Naar mijn smaak verschaffen het &#8220;zoeken&#8221; en de &#8220;aanstand&#8221; den jager het meeste genoegen.
+De hazenjacht met Windhonden, hoewel buitengewoon opwekkend, bederft het jachtveld. Drijf- en klopjachten, hoe genoegelijk
+ook in niet te sterk bevolkte districten, waar veel Hazen zijn, ontaarden in een echte slachterij; het &#8220;zoeken&#8221; en de &#8220;aanstand&#8221;
+daarentegen houden den jager voortdurend in spanning; hierbij speelt hij de waardigste rol. Bij het zoeken van den Haas is
+hij in de gelegenheid, om zich een ervaren jager te toonen. Op den &#8220;aanstand&#8221; valt voor hem veel te leeren, omdat hij dan
+allerlei dieren, de Hazen niet alleen, als &#8217;t ware nog in hun kamerjapon ontmoet, en waarnemen kan, hoe zij handelen, als
+zij nog volkomen rustig en zorgeloos zijn. Menig jager geeft aan den &#8220;aanstand&#8221; in &#8217;t woud de voorkeur boven iedere andere
+jachtwijze; trouw staat hem hierbij een liefelijke gezellin, de hoop, ter zijde. Tot den &#8220;aanstand&#8221; reken ik ook het &#8220;verlappen,&#8221;
+een wijze van jagen, die niet algemeen bekend is, en waarvan ik daarom nog wel een beschrijving dien te geven:
+
+</p>
+<p>Onze angstvallige vriend Lampe ziet, zooals reeds opgemerkt werd, in ieder hem onbekend voorwerp een reden om verschrikt te
+zijn, en op deze eigenaardigheid berust het snoode plan, dat de arglistige mensch heeft uitgedacht, om hem te verschalken.
+In het stille middernachtelijk uur, als de Haas zich uit het bosch naar het veld heeft begeven om lekker te smullen, sluipen
+zij, die de deuren van den herberg, waar hij den dag doorbrengt, willen sluiten, in dezelfde richting voort. Drie of vier
+mannen dragen groote pakken, die bij nader onderzoek rollen stevig bindgaren blijken te zijn, waaraan op bepaalde afstanden
+twee vederen of desnoods witte lapjes verbonden zijn. Dit zijn de &#8220;lappen&#8221; gelijk de jager ze noemt. Men begint nu op een
+zekeren afstand van den woudzoom deze verschrikkingsmiddelen te plaatsen. Met kleine tusschenruimten worden dunne paaltjes
+in den grond gestoken volgens een kring, die de akkers omgeeft, en hieraan de &#8220;lappen&#8221; bevestigd, die ongeveer een halve meter
+boven den grond moeten zweven. Zoodoende wordt den Haas de terugtocht naar het bosch versperd. Het jachtgezelschap begeeft
+zich vroegtijdig op weg, daar het geruimen tijd voor het aanbreken van den dag ter bestemder plaatse moet zijn. Zoo stil mogelijk
+bewandelt het den daarheen leidenden weg. De eigenaar van de jacht <span id="d0e3139" class="corr" title="Bron: plaats">plaatst</span> de eene jager hier, de andere daar op de beste uitwegen; het aantal jagers in zijn nabijheid wordt allengs kleiner. Eindelijk
+is de omsingeling tot stand gekomen, iedere jager heeft de best mogelijke hinderlaag gekozen en wacht met gespannen aandacht
+de gebeurtenissen af, die nu komen zullen.
+
+</p>
+<p>Bij het eerste krieken van den dag maken de Hazen zich op, om van de akkers naar het bosch terug te keeren. Onbezorgd bewandelen
+zij het hun welbekende pad. Deze en gene haalt zijn zeer gewone grappen uit. Alles in de omgeving is doodstil, hoogstens wordt
+hier en daar geschreeuw van een kraai vernomen. In het oosten wordt de benedenste rand van het hemelgewelf door de opgaande
+zon rood gekleurd. Nader en nader bij de gevaarlijke lijn komt Lampe: daar valt hem de reeks van witte voorwerpen in &#8217;t oog!
+Hij krijgt achterdocht, schrikt, steekt de ooren op en wendt eerst het eene, dan het andere naar verschillende zijden. Overal
+blijft het stil. Nog een paar schreden gaat hij in dezelfde richting voort om <a id="d0e3144"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3144">350</a>]</span>het vreemdsoortige schouwspel van dichter bij gade te slaan; maar dit strekt slechts om zijn argwaan te doen toenemen. Een
+zeer zorgvuldig onderzoek schijnt hier noodzakelijk. E&eacute;n voor &eacute;&eacute;n deinzen de vreesachtige dieren vol ontzetting af, &#8220;slaan
+een haak&#8221; en keeren langs den zooeven gevolgden weg naar den akker terug, om op een andere plaats hun geluk te beproeven.
+Daar ginder is het echter niet beter gesteld dan op de plaats, die zij zooeven verlieten. Misschien zijn zij hier minder voorzichtig
+geweest en hebben zij zich te veel blootgegeven; want plotseling schiet een vuurstraal uit het woud en wordt de stilte van
+den morgen afgebroken door het gedonder van een schot. Door alle bergen wordt het geluid weerkaatst en de echo der bosschen
+draagt het al verder en verder. Thans komt er leven in de brouwerij. Hier en daar knalt een schot, langs de geheele lijn wordt
+gevuurd. Ten einde raad rennen de Hazen als dol in den tooverkring rond. De eene Haas deinst hier, de andere daar af, maar
+daar alle tot hun ongeluk zooveel mogelijk de van ouds bekende paden volgen, komen zij steeds weer opnieuw den jager onder
+het schot. Zoo duurt het moorden voort, totdat het klaarlichten dag geworden is. Want zoodra de dag herleeft, zijn alle Hazen
+verdwenen, voor zoover zij door den dood gespaard zijn. Zij hebben zich te midden van het veld &#8220;gedrukt&#8221; en wachten hier kalmere
+tijden af, niet vermoedend, dat in de middaguren het &#8220;verlappen&#8221; door de drijfjacht gevolgd zal worden. Ook in het bosch begint
+nu beweging te komen; elke schutter verlaat zijn post, om het door hem geschoten wild te halen. De meesten vinden veel minder
+Hazen, dan zij meenden te zullen vinden. Het kost moeite om in de schemering het dier behoorlijk in de vizierlijn te krijgen
+en in den regel wordt er veel vaker mis geschoten dan geraakt.&#8212;
+
+</p>
+<p>Gevangen Hazen worden licht tam en nemen zonder bezwaar alle soorten van voedsel aan, dat men aan de Konijnen geeft; zij zijn
+echter teer en aan groote sterfte onderhevig. Als men ze alleen hooi, brood, haver en water, maar nooit groen voer geeft,
+blijven zij langer in leven. Jonge Hazen, die in &#8217;t hok van de oude gebracht zijn, worden in den regel doodgebeten. Hetzelfde
+lot ondergaan de meeste andere zwakke dieren; in mijn hazenperk vond ik eens een doode, half opgevreten Rat. Met Guineesche
+Biggetjes leven de Hazen in vrede; met Konijnen en Sneeuwhazen paren zij, waardoor bastaardvormen ontstaan&#8212;de zoogenaamde
+<span class="letterspaced">Haaskon&#307;nen</span> of <span class="letterspaced">Leporiden</span>&#8212;, die zoowel bij paring onderling, als met dieren van de vaderlijke of moederlijke soort een vruchtbare nakomelingschap opleveren.
+Verreweg de meeste van deze bastaarden hebben een Haas tot vader en een Konijn tot moeder. De jongen, welke ontstaan, wanneer
+de wijfjes van dezen bastaardvorm met een Haas paren, zijn het voordeeligst. Van deze dieren heeft men reeds in vele opeenvolgende
+geslachten de uitkomsten van de voortplanting nagegaan, en opgemerkt, dat hun vruchtbaarheid niet afnam. Het wijfje brengt
+zesmaal per jaar telkens vijf &agrave; zes jongen ter wereld. Of zij, die zich met het fokken van deze dieren bezig houden, door
+dit bedrijf voordeel behalen, moeten wij in &#8217;t midden laten. Hij, die al het voer, dat deze dieren krijgen, koopen moet en
+toch nog winst verwacht van de leporiden-teelt, zal waarschijnlijk bedrogen uitkomen; terwijl dit bedrijf daarentegen in inrichtingen,
+waar een groote hoeveelheid voor voedsel geschikt afval, wordt verkregen, waarschijnlijk winst kan opleveren. &#8220;Het zou kunnen
+zijn,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Ritzema Bos</span>, &#8220;dat mettertijd de leporidenteelt van eenig belang werd. Het vleesch toch van het tamme Konijn, dat om den geringen prijs,
+waarvoor het verkrijgbaar kan worden gesteld, voor min gegoede menschen een geschikt voedsel zou kunnen zijn, valt in ons
+land niet algemeen in den smaak. De witte kleur en de eenigszins zoetachtige smaak van &#8217;t vleesch schijnen daarvan de oorzaak
+te zijn. Het vleesch van Leporiden nu schijnt veel van dat van Konijnen te verschillen, en meer tot dat van Hazen te naderen,
+waarom het misschien meer kans zou kunnen hebben, eens onder de volksspijzen een plaats te erlangen. Het mist den eigenaardigen
+zoetachtigen smaak van konijnenvleesch; bij sommige Leporiden is het wit van kleur; bij andere in rauwen toestand roodachtig,
+gekookt donkergrijs.&#8221;&#8212;In sommige opzichten bestaat er verschil tusschen de Leporiden ouderling. Dikwijls vindt men in &eacute;&eacute;n
+worp behalve jongen van den gewonen vorm ook zulke, die een eigenaardig zachte beharing vertoonen, afwijkend van de beharing
+der beide ouders. Deze &#8220;langharige Leporiden,&#8221; hoewel verschillend in kleur, kwamen niet alleen overeen door de zachtheid
+en lengte der afzonderlijke haren, maar bovenal ook door de kleur van den ondergrond der beharing, die bij alle wit was, terwijl
+zij bij de gewone Leporiden een blauwgrijze tint vertoont. Bij gene kwam zij meer met die van Hazen, bij deze met die van
+Konijnen overeen. Individu&euml;n van den eerstgenoemden vorm met elkander gepaard, brachten jongen voort, waarop steeds de eigenschappen
+der vacht waren overge&euml;rfd, terwijl, zooals reeds gezegd werd, door paring van gewone Leporiden, zoowel haaskleurige als konijnharige
+jongen (de laatste echter het meest) ontstonden. &#8220;Ledematen en staart van de gewone Leporide zijn langer dan die van het Konijn,
+korter dan die van den Haas. Het oog is niet donkerbruin, zooals dat van &#8217;t Konijn, en evenmin bruingeel, zooals dat van den
+Haas: het heeft een lichtbruine kleur, als die van afgevallen bladeren. De jongen openen sneller de oogen dan jonge Konijntjes,
+terwijl zij ook eerder hun nest verlaten, en in &#8217;t hok rondloopen.&#8221; Vooral de ooren en de achterpooten zijn meer haasachtig.
+
+</p>
+<p>Jong gevangen Hazen geraken zoo aan den mensch gewoon, dat zij tot hem komen, als hij hen roept, uit zijn hand eten en ondanks
+hun domheid kunstjes kunnen leeren verrichten. De oude Hazen daarentegen blijven altijd dom en geraken ternauwernood aan hun
+verzorger gewend. De gevangene zijn vlug en vroolijk, maar blijven vreesachtig.
+
+</p>
+<p>Over het nut en de schadelijkheid van den Haas heerschen verschillende meeningen, al naar deze zaak door den bril van den
+econoom, of door dien van den jager wordt bekeken. Een onbevooroordeeld rechter zal de Haas echter, zonder voorbehoud, schadelijk
+moeten noemen, daar het voedsel, dat hij noodig heeft, minstens tweemaal zooveel waarde vertegenwoordigt, als het dier zelf.
+In de meeste streken van ons vaderland, waar het aantal Hazen betrekkelijk gering is, wordt dit verlies niet duidelijk merkbaar,
+omdat de Haas zelden lang op &eacute;&eacute;n plaats blijft eten, maar gewoon is overal een weinig te snoepen; zoo wordt de door hem aangerichte
+schade over een groot gebied verdeeld, hoewel zij er niet geringer om is. Bovendien is de Haas zeer kieschkeurig, zoolang
+hem nog eenige keuze wordt gelaten: hij neemt alleen het middenscheutje van de kool-, koolraap- en koolzaadplanten, de stengelspits
+van de granen, de knoppen en jonge loten van vruchtboomen, en ander houtgewas. <a id="d0e3161"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3161">351</a>]</span>Voor de houtteelt is hij in den winter, als een dikke sneeuwlaag de kruiden bedekt, niet alleen door het afbijten van de knoppen,
+maar ook door het ontschorsen der boomen, nadeelig; het meest hebben de acacia&#8217;s en de gouden regens op deze wijze van hem
+te lijden. Bij heide-ontginningen kan de Haas de oorzaak van groote teleurstelling zijn, daar hij van het te velde staand
+gewas, dat dikwijls toch al schraal is, niet veel overlaat, als hij een bezoek aan de akkers brengt. Indirect is de Haas schadelijk,
+doordat zij, die middelen beramen om het wild in stand te houden, verklaarde vijanden zijn van Roofdieren, die als ijverige
+muizenverdelgers gespaard behoorden te blijven, zooals de Vossen, Bunzingen, Wezels, enz.
+
+</p>
+<p>Maar, al beschouwt men de schadelijkheid van den Haas als een uitgemaakte zaak, dan vloeit hieruit nog niet voort, dat deze
+diersoort uitgeroeid moet worden. Er wordt toch al genoeg gedaan voor de vermindering van het aantal harer leden; zij, die
+door deze dieren schade lijden, beschikken over afdoende middelen om hunne vermeerdering te beperken; aan de voorstanders
+van het onvoorwaardelijk uitroeien der Hazen zou men bovendien nog kunnen doen opmerken, dat ook de liefhebbers van het jachtvermaak
+en van smakelijk wildbraad in deze kwestie een woordje in &#8217;t midden hebben te brengen.
+
+</p>
+<p>De Haas is ook nuttig door zijn vel. In Rusland worden zeer veel hazenvellen gebruikt, en in Bohemen, waar reeds van oudsher
+veel werk gemaakt wordt van de fabricatie van vilten hoeden, zijn voor dezen tak van nijverheid ieder jaar omstreeks 40.000
+hazenvellen noodig. Van de onthaarde en gelooide huid worden schoenen gemaakt; de van haar bevrijde huid dient ook voor de
+bereiding van perkament en van lijm.
+
+</p>
+<p>Nog is het niet uitgemaakt, of de <span class="letterspaced">Sneeuwhaas</span> van de Alpen en die van het hooge Noorden, een en dezelfde soort vormen. Over &#8217;t algemeen zijn beide trouwe kinderen van
+hun vaderland. Hun kleed is zooveel mogelijk in overeenstemming met den bodem, hoewel het eigenaardige afwijkingen vertoont.
+De Alpen-sneeuwhazen zijn in den winter zuiver wit, alleen aan de spits van de ooren zwart, in den zomer grijsbruin en wel
+volkomen effen, niet gesprenkeld, zooals de Gewone Hazen. De in Ierland levende, veel met den Alpen-sneeuwhaas overeenkomende
+Hazen, worden, naar men zegt, nooit wit; eenige geleerden beschouwen ze deswege als een afzonderlijke soort (<i>Lepus hibernicus</i>).
+
+</p>
+<p>Daarentegen hebben de Hazen in &#8217;t hooge Noorden van &#8217;t Europeesche vasteland en in Groenland des zomers geen andere kleur
+dan &#8217;s winters; ook zij worden om deze reden door sommige dierkundigen als een afzonderlijke soort aangemerkt (<i>Lepus glacialis</i>). Onder de Skandinavische Hazen, die alle Sneeuwhazen zijn, komen beide gevallen voor: sommige worden bij &#8217;t naderen van
+den winter op de zwarte oorspitsen na, wit, andere veranderen niet van kleur. Volgens <span class="smallcaps">Blasius</span> moeten al deze Sneeuwhazen voor verscheidenheden van &eacute;&eacute;n soort (<i>Lepus variabilis</i>) gehouden worden.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1351.jpg" alt="Alpenhaas of Sneeuwhaas (Lepus timidus, L. variabilis). &#8533; v.d. ware grootte." width="720" height="552"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Alpenhaas</span> of <span class="letterspaced">Sneeuwhaas</span> (<i>Lepus timidus, L. variabilis</i>). &#8533; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Alpenhaas</span> of <span class="letterspaced">Sneeuwhaas</span> (<i>Lepus timidus, L. variabilis</i>) verschilt door lichaamsbouw en voorkomen duidelijk van den Gewonen Haas. &#8220;Hij is,&#8221; zegt <span class="smallcaps">Tschudi</span>, &#8220;opgewekter, levendiger, driester, heeft een korteren, ronderen, meer gewelfden kop, een korteren neus, kleinere ooren (die,
+tegen den kop aangedrukt, niet tot aan de spits van den snuit reiken), breedere wangen; de achterpooten zijn langer, de zolen
+sterker behaard, de teenen zijn dieper vaneengescheiden, kunnen verder uitgestrekt worden, en zijn met lange, spitse, kromme,
+gemakkelijk terugtrekbare nagels gewapend. De oogen zijn niet, zooals die van de witte Konijnen, witte Eekhoorns, witte Muizen
+enz., rood van kleur, maar donkerder bruin dan die van den Gewonen Haas.
+
+</p>
+<p>&#8220;Wanneer in December de Alpen onder de sneeuw begraven liggen, is deze Haas zoo zuiver wit als de sneeuw; alleen de spitsen
+van de ooren blijven zwart. De lentezon brengt, te beginnen in Maart, een zeer merkwaardige <span id="d0e3214" class="corr" title="Bron: kleursverandering">kleurverandering</span> teweeg. Het eerst <a id="d0e3217"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3217">352</a>]</span>wordt de rug grijs; de grijze haren vertoonen zich ook aan de zijden in steeds toenemend aantal tusschen de witte. In April
+heeft het dier een zonderling, onregelmatig gevlekt of gesprenkeld voorkomen. Van dag tot dag breidt de donkerbruine kleur
+zich verder uit; eerst in Mei eindelijk komt de verandering tot stilstand; de Alpenhaas is dan geheel eenkleurig geworden
+en heeft geen gesprenkelde vacht zooals de Gewone Haas, die bovendien een grover haarkleed heeft. In den herfst begint hij
+reeds met het vallen van de eerste sneeuw enkele witte haren te krijgen; daar echter in de Alpen de strijd tusschen den winter
+en den herfst spoediger beslecht wordt dan die tusschen de lente en den winter, heeft de kleurverandering in &#8217;t najaar schielijker
+plaats dan die in &#8217;t voorjaar: zij duurt van &#8217;t begin van October tot in &#8217;t midden van November. Als de Gems zwart wordt,
+krijgt haar buurman, de Alpenhaas, een witte vacht. Men kan er zeker van zijn, in de hoog gelegen gewesten van alle Alpenkantons
+de Sneeuwhaas te ontmoeten; in den regel is hij hier even talrijk als de Gewone Haas in lagere streken. Het liefst houdt hij
+zich op tusschen de grens der dennen en de eeuwigdurende sneeuw, ongeveer op gelijke hoogte met het Sneeuwhoen en de Marmot,
+tusschen 1600 en 2600 M. boven den zeespiegel; zijne zwerftochten strekken zich echter dikwijls nog veel hooger uit.
+
+</p>
+<p>&#8220;Zijn leger bevindt zich tusschen steenen, in een grot of tusschen de neerliggende dennen (<i>Pinus mughus</i>) en dwerg-pijnboomen (<i>Pinus pumilio</i>). Des morgens vroeg of dikwijls reeds in den nacht verlaat hij dit leger en graast dan op de met gras begroeide plekjes grond,
+die over dag aan &#8217;t zonlicht blootgesteld zijn. Zijn liefste voedsel bestaat uit de talrijke, hier groeiende soorten van klaver,
+uit ganzebloemen (<i>Chrysanthemum parthenium</i>), duizendblad (<i>Achillea millefolium</i>) en violen; ook knaagt hij de dwerg-wilgen <span id="d0e3233" class="corr" title="Bron: en en">en</span> de schors van het peperboompje (<i>Daphne muzereum</i>) af. De monnikskap (<i>Aconitum</i>) en de ooievaarsbekken (<i>Geranium</i>), die ook voor hem vergiftig schijnen te zijn, laat hij zelfs in winters, waarin groot gebrek aan voedsel heerscht, onaangeroerd.
+Des avonds gaat hij opnieuw voedsel zoeken, en maakt dan ook wel een wandeling langs de rotsen en door de wilgen, waarbij
+hij zich dikwijls op de achterpooten opricht<span id="d0e3245" class="corr" title="Bron: ">.</span> Vervolgens keert hij naar zijn leger terug. Des nachts staat hij bloot aan de vervolgingen van den Vos, den Bunsing en de
+Marters. De Ooruil, die hem gemakkelijk zou kunnen overmeesteren, komt nooit op deze hoogten. Menige Sneeuwhaas valt echter
+ten buit aan andere groote Roofvogels der Alpen. Onlangs ving een Steenarend in de Appenzeller bergen, die op <span id="d0e3248" class="corr" title="Bron: een den">eenden</span> had zitten loeren, een vluchtenden Alpenhaas voor de oogen van de jagers weg en voerde hem door de lucht mede.
+
+</p>
+<p>&#8220;In den winter is het voedsel van den Alpenhaas dikwijls schaarsch. Als de sneeuw hem verrast, voordat hij zijn dikker winterkleed
+aangetrokken heeft, gaat hij dikwijls verscheidene dagen achtereen niet van onder de steenen of struiken weg; hij heeft dan
+veel te lijden van honger en koude. Ook blijft hij in &#8217;t veld liggen, wanneer een hevige sneeuwbui hem overvalt. Hij laat
+zich dan geheel onder de sneeuw begraven, dikwijls wel 60 cM. diep en komt eerst te voorschijn, als de vorst de sneeuw zoo
+hard heeft gemaakt, dat zij hem draagt. Tot zoolang graaft hij zich daaronder een vrije ruimte en beknabbelt de bladen en
+de wortels van de Alpenplanten. Als het winter geworden is, zoekt hij in de ijle Alpenbosschen naar gras en boomschors. Zoodra
+de wind de dieper gelegen plaatsen, die met sneeuw gevuld zijn, weer blootgelegd heeft, keert de Haas naar de hooge Alpen
+terug.
+
+</p>
+<p>&#8220;De moerhaas brengt bij elken worp 2 &agrave; 5 jongen ter wereld, die niet grooter zijn dan Muizen en een witte vlek aan &#8217;t voorhoofd
+hebben. De eerste worp heeft gewoonlijk plaats in April of Mei, de tweede in Juli of Augustus; of deze nog door een derden
+worp gevolgd wordt, en of er een aan de reeds genoemde voorafgaat, wordt dikwijls betwijfeld. Het is bijna onmogelijk het
+familieleven van de Alpenhazen te bespieden, daar deze dieren een zeer fijnen neus hebben en de jongen zich buitengewoon goed
+in alle spleten en gaten van gesteente weten te verbergen.
+
+</p>
+<p>&#8220;De jacht op den Alpenhaas heeft hare lasten en hare lusten. Daar zij eerst kan plaats hebben, als de sneeuw de Alpenketen
+bedekt, levert zij niet weinig bezwaren op; hier staat echter tegenover, dat het niet moeielijk is de verblijfplaats van het
+wild te ontdekken; daar het versche spoor in de sneeuw duidelijk aantoont, waar het zich bevindt. Als men de gangen gevonden
+heeft, die de Alpenhaas dikwijls in de sneeuw graaft om te grazen, en daarna het hiervan uitgaande spoor volgt, ontwaart men
+vele zigzagsgewijze wendingen naar rechts en links, die het dier gewoon is te maken, daar het zich na ge&euml;indigden maaltijd
+nooit regelrecht naar zijn leger begeeft. Van hier gaat een spoor uit, dat over een tamelijk grooten afstand geen afwijkingen
+vertoont. Het kromt zich, wordt daarna gevolgd door eenige afwijkingen heen en terug (in den regel minder dan bij den Gewonen
+Haas) en ten slotte door een ring- of lusvormig spoor, dat in de nabijheid van een steen, struik of wal eindigt. Hier moet
+de haas liggen. Bij goed weder ziet men hem boven op de sneeuw lang uitgestrekt, dikwijls met open oogen slapend; intusschen
+kleppert hij een weinig met de kaken, zoodat zijn ooren bestendig in trillende beweging zijn. Als het weder echter guur is
+door den ijskouden wind, die zoo dikwijls op deze hoogten heerscht, ligt de Haas meer verborgen, soms beschut door een steen,
+soms op den bodem van een in de sneeuw gegraven kuil. Hier kan de jager hem gemakkelijk schieten. Als hij hem niet treft,
+vlucht de Haas met stormachtige haast en maakt geweldige sprongen; hij gaat echter niet zeer ver, en is gemakkelijk weder
+onder schot te krijgen. Het kraken van de sneeuw en het knallen van &#8217;t geweer, boezemen hem geen schrik in; hij is aan dergelijke
+geluiden in het gebergte gewoon. Ook de Hazen in den omtrek worden er niet door op de vlucht gedreven; dikwijls brengt een
+jager er drie of vier stuks thuis, die alle in het leger geschoten werden. In &eacute;&eacute;n leger zal men er echter nooit twee bijeen
+vinden, zelfs niet in den paartijd. De beweging van den Alpenhaas heeft iets eigenaardigs: zij bestaat uit groote sprongen.
+Het spoor is kenbaar aan den betrekkelijk zeer breeden afdruk van den voet. Evenals bij de Gems is de bouw van den voet bij
+den Alpenhaas voortreffelijk ingericht voor het verblijf in het rijk der sneeuw. De zool is breeder, de voeten zijn dikker
+dan die van den Gewonen Haas. Bij het loopen spreidt hij de teenen ver uit, zoodat zij als sneeuwschoenen het wegzinken in
+de sneeuw verhoeden; op het ijs bewijzen de klauwen, die uitgestoken kunnen worden, uitstekende diensten. Als de Alpenhaas
+met Honden gejaagd wordt, blijft hij veel langer voor den staanden Hond liggen als zijn neef in &#8217;t laagland; wanneer hij vervolgd
+wordt, sluipt hij slechts zelden in de enge pijpen van de woningen der Marmotten, nooit echter in Vossenholen.
+<a id="d0e3257"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3257">353</a>]</span></p>
+<p>&#8220;Opmerkelijk is het, dat de Alpenhaas gemakkelijker getemd kan worden dan de Gewone Haas, en zich rustiger en vertrouwelijker
+gedraagt; hij blijft echter zelden lang in &#8217;t leven, en wordt zelfs bij de rijkelijkste voeding niet vet. De Alpenlucht mist
+hij maar al te zeer in &#8217;t dal. In den winter neemt zijn vacht ook hier een witte kleur aan. Het vel van dit dier wordt niet
+hoog geschat, zijn vleesch is echter zeer smakelijk.&#8221;
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>Van de eigenlijke Hazen onderscheidt het <span class="letterspaced">Kon&#307;n</span> (<i>Lepus cuniculus</i>) zich door zijn veel geringere grootte, slankeren lichaamsbouw, korteren kop, kortere ooren en kortere achterpooten. De lengte
+van dit dier is 40 cM., met inbegrip van den 7 cM. langen staart; het gewicht van een ouden rammelaar kan 2 &agrave; 3 KG. bedragen.
+Het oor is korter dan de kop, en steekt, als het tegen den kop aangedrukt wordt, niet voor den snuit uit. De staart is tweekleurig
+(van boven zwart, van onderen wit) met roeskleurige spits. Het grootendeels zwartachtig blauwgrijze wolhaar heeft aan de bovenzijde
+geelachtig bruine of roodachtig gele, aan de onderzijde en op de pooten witte spitsen. De hals is aan de onderzijde roestgeelachtig
+grijs, aan de bovenzijde effen roestrood; de buikzijde van den romp, de keel, en de binnenzijde van de pooten zijn wit. De
+spitsen der zwartachtig blauwgrijze bovenharen van de rugzijde van den romp zijn zwart, en treden bij sommige exemplaren zoozeer
+op den voorgrond, dat de kleur van de bovendeelen bij hen zeer donker en soms zelfs zwart is. In den regel is de romp van
+boven geelbruinachtig grijs, aan de zijden en op de schenkels lichter, de kop roodgeelachtig grijs, aan de zijden lichter.
+<span id="d0e3270" class="corr" title="Bron: Kleursverscheidenheden">Kleurverscheidenheden</span> komen bij het wilde Konijn veel zeldzamer voor dan bij den Haas; de tamme Konijnen echter wijken in kleur en andere eigenschappen
+zeer uiteen.
+
+</p>
+<p>Bijna alle natuuronderzoekers nemen aan, dat het oorspronkelijk vaderland van het Konijn Zuid-Europa was en dat het van hier
+naar de landen benoorden de Alpen is overgebracht. <span class="smallcaps">Plinius</span> vermeldt het onder den naam <i>Cuniculus</i>, <span class="smallcaps">Aristoteles</span> noemde het <i>Dasypus</i>. Alle oude schrijvers beweren, dat het uit Spanje afkomstig is. Volgens <span class="smallcaps">Strabo</span> zou het van de Balearen naar Itali&euml; gekomen zijn; <span class="smallcaps">Plinius</span> verhaalt, dat het zich in Spanje soms ontzaglijk sterk vermenigvuldigt, en op de Balearen door vernieling van den oogst hongersnood
+teweegbracht. De bewoners van deze eilanden wendden zich tot Keizer <span class="smallcaps">Augustus</span> om hulp.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1353.jpg" alt="Kon&#307;n (Lepus cuniculus). &#8537; v.d. ware grootte." width="720" height="662"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Kon&#307;n</span> (<i>Lepus cuniculus</i>). &#8537; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Tegenwoordig is het Konijn over geheel Zuid- en Midden-Europa verbreid, en in sommige gewesten zeer algemeen. In ons land
+is het Konijn in alle duinstreken langs de kust buitengewoon menigvuldig. In de lage landen en op kleigronden wordt het niet
+waargenomen, daarentegen komt het zeer algemeen voor op den diluvialen bodem van onze grens-provinci&euml;n, vooral in Gelderland,
+Drente en Overijsel. O.a. omdat dit dier de duinen en dijken ondermijnt, tracht men zijn vermenigvuldiging zooveel mogelijk
+tegen te gaan; op enkele plaatsen heeft men het kunnen uitroeien, zooals op het eilandje Rottum sedert 1840.&#8212;Het talrijkst
+is het Konijn nog steeds in de landen, die om de Middellandsche zee gelegen zijn, hoewel men het ook daar nooit spaart, en
+in ieder jaargetijde vervolgt. Vele eeuwen geleden werd het ter wille van het jachtvermaak in verscheidene gewesten van Engeland
+ingevoerd, en aanvankelijk op hoogen prijs gesteld; nog in het jaar 1309 kostte een wild Konijn daar evenveel als een speenvarken.
+In noordelijke landen kan het niet in &#8217;t wild leven; te vergeefs heeft men indertijd pogingen aangewend <a id="d0e3307"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3307">354</a>]</span>om het in Rusland en Zweden te acclimatiseeren.
+
+</p>
+<p>Het Konijn verlangt heuvelachtige en zandige gewesten met ravijnen, rotsblokken of laag struikgewas, kortom oorden waar het
+zich goed en gemakkelijk verbergen en verschuilen kan. Bij voorkeur gezellig, tot volksplantingen vereenigd, graaft het op
+hiervoor geschikte, liefst zonnige plaatsen tamelijk eenvoudige holen. Ieder hol bestaat uit een tamelijk diepgelegen kamer
+en haaksgewijs gebogen pijpen, die ieder verscheidene uitgangen hebben. Deze openingen worden door het veelvuldig gebruik
+meestal tamelijk wijd; de eigenlijke pijp is echter zoo eng, dat de bewoner er juist doorkruipen kan. Ieder paar heeft zijn
+eigen woning en duldt hierin geen ander dier; de gangen van naburige woningen staan echter dikwijls met elkander in gemeenschap.
+In zijne holen leeft het Konijn bijna den geheelen dag verborgen, tenzij het struikgewas om zijn woning zoo dicht is, dat
+het bijna ongezien voedsel kan zoeken. Zoodra de avond aanbreekt, gaat het fourageeren; het doet dit met groote voorzichtigheid
+en bespiedt gedurende geruimen tijd den omtrek, voordat het zijn hol verlaat. Zoodra het gevaar bemerkt, waarschuwt het zijne
+soortgenooten door sterk met de achterpooten tegen den grond te kloppen; allen snellen op dit signaal zoo schielijk mogelijk
+naar hunne holen terug.
+
+</p>
+<p>De bewegingswijze van het Konijn verschilt aanmerkelijk van die van den Haas. In het eerste oogenblik overtreft het dezen
+in snelheid, op den duur niet; altijd echter toont het meer behendigheid. In het &#8220;haken slaan&#8221; is het meesterlijk ervaren;
+om het te vangen zijn een uitmuntend gedresseerde Windhond en een goed schutter noodig. Veel listiger en sluwer dan de Haas,
+laat het zich hoogst zelden op de weide verrassen en weet het in tijd van nood bijna altijd nog een schuilhoek te vinden.
+Als het rechtuit liep, zou het door iederen middelmatig goeden Hond reeds na verloop van korten tijd gevangen worden; het
+zoekt echter in allerlei struikgewas, in rotsspleten en holen zijn toevlucht en ontkomt hierdoor meestal aan de vervolgingen
+zijner vijanden. Zijn vermogen om te kijken, te luisteren en te speuren is even uitmuntend als dat van den Haas, misschien
+nog wel beter. Het Konijn is gezellig en vreedzaam; de voedster verzorgt hare kinderen met warme liefde, de jongen bewijzen
+hunne ouders veel eerbied en vooral de stamvader van het geheele gezelschap wordt hoog geacht. &#8220;Evenals de moerhaas,&#8221; schrijft
+<span class="smallcaps">Dietrich aus dem Winckell</span> &#8220;draagt ook het Konijn 30 dagen. Tot in October werpt het om de 5 weken 4 &agrave; 12 jongen in een afzonderlijke kamer, die het
+vooraf met het wolhaar van zijn buik warm bekleed heeft. Eenige dagen blijven de kleinen blind; tot aan den volgenden worp
+van hun moeder blijven zij bij haar in het warme nest en zuigen. De voedster bewijst veel liefde aan haar kroost en verlaat
+haar gezin slechts zoo lang als zij noodig heeft, om zich te voeden. Zelfs aan den vader veroorlooft zij geen bezoek aan de
+jongen, waarschijnlijk omdat zij wel weet, dat hij ze in een aanval van razernij of uit overdreven liefde zou kunnen dooden.
+Dat hij dit niet uit boosaardigheid doet, blijkt uit de wijze waarop hij zijne kinderen ontvangt, als hij ze voor de eerste
+maal ziet: hij geeft hun dan onmiskenbare bewijzen van genegenheid, neemt ze tusschen de pooten, likt ze, en helpt de moeder,
+wanneer deze bezig is de kleinen voedsel te leeren zoeken.&#8221;
+
+</p>
+<p>In warme landen zijn de jongen reeds in de vijfde, in koude in de achtste maand voor de voortplanting geschikt; eerst in de
+twaalfde maand bereiken zij hun vollen wasdom. Als men aanneemt, dat ieder wijfje zevenmaal per jaar jongen werpt en bij iederen
+worp, acht jongen ter wereld brengt, zou haar nakomelingschap binnen vier jaar uit niet minder dan 1,274,840 <span id="d0e3318" class="corr" title="Bron: individuen">individu&euml;n</span> bestaan.
+
+</p>
+<p>Het voedsel van het Konijn is hetzelfde als dat van den Haas. De schade, die het Konijn veroorzaakt, is echter veel duidelijker
+merkbaar, niet alleen omdat het zich bij &#8217;t fourageeren tot een kleinere ruimte bepaalt, maar ook omdat het zooveel van boomschors
+houdt, en, om dezen trek te bevredigen, dikwijls geheele boomaanplantingen vernielt. Men kan zich moeielijk voorstellen, hoe
+groot de verwoesting is, die een kolonie van deze dieren kan aanrichten, wanneer men hunne vermenigvuldiging niet met kracht
+tegengaat. &#8220;De ontzaglijke schade door dit Knaagdier aan bosch en veld toegebracht,&#8221; zeggen de Gebroeders <span class="smallcaps">M&uuml;ller</span>, &#8220;berust eensdeels hierop, dat het plaatselijk in zoo grooten getale optreedt, ten anderen op zijn werkzaamheid als bewoner
+van onderaardsche gangen. Het voedsel, dat dit dier gebruikt, is van een klein plekje gronds afkomstig, daar het zich nooit
+ver van zijn hol verwijdert; hierdoor is de veroorzaakte schade veel duidelijker merkbaar, dan die, welke ten laste van den
+Haas komt. Voor den akker geldt dit, maar in nog hoogere mate voor het bosch, zooals ieder, die met houtteelt te maken heeft,
+kan getuigen. Alle jonge heesters en boomen, van den vlierstruik tot de edelste houtsoorten, zijn blootgesteld aan de vernielende
+werking van de zelden rustende knaagtanden, die het vooral op de schors gemunt hebben. Wat de Eekhoorn is in den boom, is
+het Konijn in den grond, die door de koloni&euml;n dezer dieren in alle richtingen doorwoeld en ondermijnd wordt; reeds hierdoor
+veroorzaakt het groote schade in de bosschen, vooral in die van naaldboomen, welke op zeer lossen bodem staan.&#8221; Bovendien
+verdrijven de Konijnen door hun voortdurende onrust het overige wild; zelden ziet men Hazen daar waar Konijnen voor goed hebben
+post gevat. Waar deze dieren zich veilig achten, worden ze ongeloofelijk brutaal. In het Weener Prater hielden zij zich vroeger
+bij duizenden op, liepen er zelfs over dag onbeschroomd rond en lieten zich zoomin door geschreeuw als door het werpen met
+steenen bij het afknagen van de planten storen. Overal wordt het geheele jaar door op de Konijnen jacht gemaakt; toch zijn
+zij zonder de hulp van het Fret niet uit te roeien: alleen wanneer het aantal Bunzingen<span id="d0e3326" class="corr" title="Bron: ">,</span> Hermelijnen en Steenmarters sterk toeneemt in een streek of wanneer daar Ooruilen en andere Uilen voorkomen, kan men er eenige
+vermindering van het aantal Konijnen waarnemen. Door de Marterachtige Roofdieren worden zij vervolgd tot in hunne holen en
+hier bijna altijd buit gemaakt; de Ooruilen vangen hen &#8217;s nachts van de weide weg. In gewesten die voor de Konijnen zeer gunstig
+gelegen zijn, worden zij soms een plaag voor het land, en veroorzaken ontzaglijke schade. In Nieuw-Zeeland zoowel als op het
+vasteland van Australi&euml; hebben zij zich zoo kolossaal vermenigvuldigd, dat zij op vele plaatsen de weidegronden van het vee
+totaal kaal vreten; men heeft ze hier tot dusver zonder succes ijverig vervolgd. Hoe groot het bedrag der door hen aangerichte
+schade is, kan men afleiden uit het feit, dat de regeering van Nieuw-Zuid-Wales in de jaren 1880&#8211;1889 ongeveer 9 millioen
+gulden heeft ten koste gelegd aan het bestrijden dezer Knaagdieren en ten slotte een belooning van 300.000 gulden heeft toegezegd
+aan hem, die een doeltreffend middel tegen deze landplaag wist aan te geven. Alle bekende middelen tot het uitroeien der Konijnen,&#8212;vergif,
+strikken, <a id="d0e3329"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3329">355</a>]</span>Fretten, omrastering met staaldraad enz.&#8212;zijn reeds toegepast en bleken onvoldoende, om de alle perken te buiten gaande vernieling
+van veevoeder te doen ophouden. Toen <span class="smallcaps">Pasteur</span> had ontdekt, dat door het besmetten van het voedsel der Konijnen met de bacterie van de hoenderen-cholera deze dieren de
+genoemde besmettelijke ziekte krijgen, meende men hierin een middel gevonden te hebben om ze snel en volkomen uit te roeien;
+deze proefneming werd in Australi&euml; in het groot nagevolgd, maar heeft tot geen bevredigende uitkomsten geleid.&#8212;Op vele andere,
+tot verschillende aardgordels behoorende eilanden&#8212;zooals Porto Santo bij Madera, Jamaika en de Falklandseilanden,&#8212;zijn door
+het verwilderen van tamme Konijnen, nieuwe, van den stamvorm aanmerkelijk afwijkende rassen ontstaan.
+
+</p>
+<p>Na hun dood geven de Konijnen slechts een onbeduidende schadeloosstelling voor de schade, die zij gedurende hun leven veroorzaakten.
+Hun vleesch wordt, ofschoon het malsch, wit en goed van smaak is, niet voor een lekkernij gehouden; zelfs wordt het in sommige
+streken&#8212;b.v. in Saksen, waar het volksbijgeloof in het Konijn overeenkomst met de Kat ziet&#8212;door velen met dezelfde walging
+beschouwd, als in vele streken van Schotland de Paling wegens zijn vermeende uitwendige overeenkomst met een Slang.
+
+</p>
+<p>Het tamme Konijn, dat zich reeds sinds overoude tijden als huisdier heeft voortgeplant, stamt ongetwijfeld van het wilde af.
+Het wilde Konijn kan in korten tijd getemd worden; het tamme verwildert binnen weinige maanden geheel en al; de jongen die
+het dan werpt, hebben de kleur van het wilde. In mijn jeugd hield ik dikwijls een vrij groot aantal Konijnen; hieronder waren
+er eenige, die nu en dan op het erf en in den tuin rondliepen; deze wierpen steeds grijze jongen, hoewel de moeder wit en
+de vader gevlekt was.
+
+</p>
+<p>De Konijnen-fokkerij kan op twee&euml;rlei wijze plaats hebben: Men kan deze dieren op een met muren of traliewerk omgeven, heuvelachtig
+terrein aan zichzelf overlaten en hier, voor zoover dit noodig is, met voedsel voorzien, &ograve;f ze in hokken verzorgen. De laatstgenoemde
+handelwijze is de doelmatigste. Het konijnenhok moet een steenen of planken vloer hebben en voorzien zijn van kunstmatige
+schuilplaatsen: lange kisten met verscheidene gaten, &ograve;f kunstmatige holen in den muur. Men moet de Konijnen veel stroo en
+droog mos geven, ze tegen de winterkoude beschutten en met hooi, gras, bladen, kool enz. voederen. Gemakkelijk kan men ze
+er aan gewennen, het voedsel, dat men hun voorhoudt, uit de hand te nemen; volkomen tam worden zij echter zelden, en, als
+men ze opneemt, trachten zij gewoonlijk te krabben en te bijten. Bovendien zijn zij minder verdraagzaam dan de wilde Konijnen.
+Die, welke gezamenlijk opgegroeid zijn, leven met elkander in goede overeenstemming; vreemde Konijnen worden echter door de
+oudere bewoners van het hok dikwijls erg mishandeld en soms zelfs doodgebeten. In den paartijd hebben tusschen de rammelaars
+hevige gevechten plaats, waarbij sommige niet onbelangrijke wonden opdoen. Het wijfje bouwt in haar woning een nest van stroo
+en mos en bekleedt dit zeer fraai met hare buikharen. Gewoonlijk werpt het vijf &agrave; zeven, dikwijls meer jongen. <span class="smallcaps">Lenz</span> heeft aanteekening gehouden van het aantal jongen door &eacute;&eacute;n wijfje in &eacute;&eacute;n jaar geworpen: den 9en Januari zes, den 25en Maart
+negen, den 30en April vijf, den 29en Mei vier, den 29en Juni zeven, den 1en Augustus zes, den 1en September zes, den 7en October
+negen en den 8en December zes jongen, in &eacute;&eacute;n jaar dus acht en vijftig jongen. &#8220;In hetzelfde jaar,&#8221; zegt hij, <span id="d0e3343" class="corr" title="Bron: ">&#8220;</span>deed ik twee jonge, uit &eacute;&eacute;n nest afkomstige wijfjes en twee mannetjes uit een ander nest, die twee dagen later geboren waren,
+met elkander in een afzonderlijk hok. Beide wijfjes brachten toen zij zes maanden oud geworden waren, het eene zes, het andere
+vier jongen ter wereld.&#8212;Het wijfje zoogt hare kinderen in den regel niet over dag, zelfs, wanneer zij nog zeer klein zijn,
+maar sluit &#8217;s morgens, als dit mogelijk is, den ingang van het nest af; dikwijls kijkt zij over dag niet meer naar hen om,
+maar doet, alsof zij van niets af weet. Toch let zij wel degelijk op het nest.&#8221;&#8212;Voor hunne natuurlijke vijanden hebben ook
+de tamme Konijnen een buitengewone vrees. <span class="smallcaps">Lenz</span> deed eens vijf tamme Konijnen gezamenlijk in een hok, waarin kort te voren een Vos gezeten had. Zoodra hij ze losliet, waren
+zij als razend en liepen met den kop tegen den wand. Eerst langzamerhand geraakten zij aan dit hok gewend.&#8212;Van denzelfden
+natuuronderzoeker, is het volgende aardige bericht afkomstig: &#8220;In Januari kreeg mijn Spitshondje &eacute;&eacute;n jong en daar dit niet
+al de melk kon uitzuigen, ging ik in den stal, haalde van daar een jong tam Konijn uit het nest en legde het onder de teef,
+die in mijn woonkamer lag; deze liet zonder bezwaar toe, dat het vreemde kind aan haar melk zich laafde. Op den derden dag
+bracht ik het Hondje met zijn zoontje en zijn pleegkind in den stal. Het bleef daar twee dagen lang, zonder van het nest af
+te gaan en zonder de daar huizende Konijnen en Geiten te storen. Op den derden dag riep mijn zuster het naar buiten om frissche
+lucht te scheppen. Terwijl het buiten is, sluipt het oude Konijn in het hondenest, neemt zijn jong er uit en brengt het bij
+zijne overige jongen terug. Ik riep nu dadelijk den Hond er bij, om te zien of deze het Konijn zou terug verlangen. Hij scheen
+echter geen erg te hebben in de verdwijning van zijn pleegkind.&#8221;&#8212;Ik heb dikwijls jonge Konijnen onder onze voortreffelijke,
+reeds meermalen vermelde Kat neergelegd en gezien, dat zij deze rustig met hare katjes liet zuigen.
+
+</p>
+<p>Bij goede voeding worden de Konijnen soms zeer driest; zij krabben en bijten dan ieder die hen vangen wil; bovendien mishandelen
+zij zonder eenige aanleiding andere dieren, vooral wanneer deze hun nijd gaande maken. Een zwager van <span class="smallcaps">Lenz</span> had een oud mannelijk Konijn bij zijne lammeren. &#8220;Toen de voedering met esparsette begon, smaakte deze kost den ouden heer
+zoo goed, dat hij graag den geheelen voorraad voor zich zelf in beslag genomen zou hebben. Hij ging er dus bij zitten, knorde,
+beet naar de lammeren, sprong zelfs een van hen op den hals en liet het duchtig zijne tanden voelen. De te hulp gesnelde lieden
+wierpen hem er af, maar hij beet de lammeren telkens weer, totdat hij van hen verwijderd werd. Een andere rammelaar beet een
+jonge Geit in den poot, zoodat zij bloedde, sprong de oude Geit op den nek en beet haar in de ooren. Hij moest weggedaan worden.&#8221;
+Zeer oude rammelaars bijten soms ook hunne jongen of de voedster of brengen teweeg, dat deze hare jongen slecht behandelt.
+Als een moerkonijn de jongen niet goed zoogt, of ze dood bijten wil, is er slechts &eacute;&eacute;n middel om de jongen te redden, n.l.
+het afzonderlijk houden van den ram.
+
+</p>
+<p>Het gewone tamme Konijn onderscheidt zich van het wilde door forscheren lichaamsbouw en andere kleuren (grijs, haaskleurig,
+rood, geelbruin, licht leikleurig, zwart, wit gevlekt op al de genoemde kleuren, <a id="d0e3356"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3356">356</a>]</span>wit). Effen zwarte Konijnen zijn zeer zeldzaam; de geheel witte (albino&#8217;s) hebben roode oogen. De meest in &#8217;t oogloopende
+kleurverscheidenheden zijn:
+
+</p>
+<p>Het <span class="letterspaced">Zilvergr&#307;ze</span> of <span class="letterspaced">Chinchilla-Kon&#307;n</span>, zoo groot als het gewone tamme Konijn en even geschikt voor de vleeschvorming als dit; zijn vel wordt echter door de bontwerkers
+hooger geschat en veel gebruikt. Het wolhaar is leikleurig, het bovenhaar deels zwart, deels wit; als de witte bovenharen
+de overhand hebben, is de vacht zilvergrijs, in &#8217;t tegenovergestelde geval glanzig donkerblauwgrijs; allerlei overgangen tusschen
+deze beide uitersten komen voor. Bij alle heeft echter het geheele vel van den neus tot den staart, dezelfde gelijkmatige
+tint. De jongen zijn aanvankelijk zwart; als zij 3 maanden oud zijn, begint de kleurverandering, die afgeloopen is, als het
+dier den leeftijd van 6 &agrave; 7 maanden bereikt heeft. Naar men zegt, is dit ras uit Siam afkomstig. Het wordt in Champagne veelvuldig
+gefokt.
+
+</p>
+<p>Het <span class="letterspaced">Chineesche</span> of <span class="letterspaced">Russische Kon&#307;n</span> (ook wel <span class="letterspaced">Himalaja-Kon&#307;n</span> genoemd) is wit met roode oogen, maar heeft een zwarten neus, zwarte ooren, zwarte voeten en een zwart staartje (niet zelden
+is het zwart door bruinzwart vervangen). Bij de jonge dieren komt de zwarte kleur nog niet voor; zij komt allengs; eerst op
+den leeftijd van 3 maanden is zij volkomen ontwikkeld. Vooral om de vacht is dit ras van belang; wegens zijn vruchtbaarheid
+is het, ondanks zijn kleinheid voor de vleeschproductie bruikbaar.
+
+</p>
+<p>Het <span class="letterspaced">Hollandsche Kon&#307;n</span> (<span class="letterspaced">Nicard</span>), dat verschillende kleuren kan hebben, is wegens zijn geringe grootte merkwaardig; sommige exemplaren wegen weinig meer
+dan &frac12; KG. (terwijl een volwassen wild Konijn gemiddeld ongeveer 1.5 KG. zwaar is). De Konijnen van dit ras zijn uitmuntende
+voedsters voor andere, zwakkere soorten.
+
+</p>
+<p>Het <span class="letterspaced">Japaneesche Kon&#307;n</span> heeft een lichte grondkleur, die met vrij regelmatige, betrekkelijk kleine vlekken geteekend is.
+
+</p>
+<p>Tot de rassen, die zich door buitengewone grootte of hangende ooren (lapooren) onderscheiden, behooren o.a. de volgende:
+
+</p>
+<p>Het <span class="letterspaced">Reuzenkon&#307;n</span> (<span class="letterspaced">Lapin g&eacute;ant</span>), het grootste ras van het tamme Konijn, bereikt een gemiddeld gewicht van 6 K.G. De bovendeelen zijn grijs of grijsgeel,
+de kleur van de onderdeelen varieert van lichtgrijs tot wit; de rechtopstaande ooren hebben zwarte randen; onder den hals
+bevinden zich beweeglijke, dwarse huidplooien of kwabben, die zoover naar voren getrokken kunnen worden, dat zij bijna tot
+aan de spits van den snuit reiken; de beenderen zijn in verhouding tot het vleesch steviger en zwaarder dan bij het gewone
+tamme Konijn. Dit dier werpt zelden 6, bij uitzondering 8, in den regel minder jongen.
+
+</p>
+<p>Het Belgische of Vlaamsche Reuzenkonijn is haaskleurig en grooter dan het Rouaansche (Rouennais) en Italiaansche; het kan
+8 K.G. zwaar worden. De voor het gebruik bestemde exemplaren zijn 6 &agrave; 8 maanden oud en hebben een gewicht van 4 &agrave; 4&frac12; KG. Ieder
+jaar komen ongeveer 50.000 van deze Konijnen op de Engelsche markt.
+
+</p>
+<p>Het <span class="letterspaced">Lapoorige Ramkon&#307;n</span> (<span class="letterspaced">Lapin b&eacute;lier</span>) is groot, heeft stevige beenderen en kan 6 KG. zwaar worden. De kleur is verschillend, de ooren zijn soms van de eene spits
+tot de andere gemeten 60 cM. lang en 15 cM. breed, terwijl bij het wilde Konijn deze afmetingen ongeveer 20 cM. en 5 cM. zijn.
+Dit ras is niet zeer vruchbaar en derhalve voor de vleeschproductie weinig geschikt. Een witte verscheidenheid met zwarte,
+parelgrijze of gele vlekken wordt Butterfly (&#8220;Vlinder&#8221;) genoemd. De lange ooren worden soms naar boven gericht gedragen en
+wijken dan met de spitsen ver uiteen, soms hangen zij aan weerszijden, of ook wel alleen aan de eene zijde, bij den kop langs
+naar beneden. Ook bij de gewone tamme Konijnen, de Reuzenkonijnen en de Angora-Konijnen worden de ooren niet zelden aan &eacute;&eacute;n
+zijde of aan beide zijde hangend gedragen ten gevolge van het niet-gebruiken van de spieren, die voor de beweging van de ooren
+dienen. Bij eenige Konijnen met &#8220;half hangende&#8221; ooren is het hangende oor langer en breeder dan het naar boven gerichte.
+
+</p>
+<p>Het <span class="letterspaced">Angora-Kon&#307;n</span> (ook wel <span class="letterspaced">Z&#307;dehaas</span> genoemd) is zoo groot als het gewone tamme Konijn, maar heeft fijne, zijdeachtige, elastische haren, die soms wel 20 cM.
+lang worden, en, met wol of katoen gemengd, voor het vervaardigen van fijne weefsels, vooral handschoenen, kousen, omslagdoeken
+enz., dienen. Vroeger bedroeg de productie van Angora-konijnenhaar in de omstreken van Caen (in het N.W. van Frankrijk) jaarlijks
+3000 &agrave; 4000 KG. &agrave; 35 of 40 francs per KG. Hierop is een tijdperk van achteruitgang van deze industrie gevolgd, waarin de prijzen
+van de grondstof slechts half zoo hoog waren. Thans echter is er weer meer vraag naar de genoemde artikels. Ieder Konijn levert
+300 gram haren per jaar, die onder zachte drukking met de vingers uitgetrokken worden, in den zomer 2-maal, in den winter
+1-maal per maand. De Zijdehazen zijn grijs of kastanjebruin, soms ook wel gemskleurig of wit<span id="d0e3418" class="corr" title="Bron: ">.</span> Deze dieren vereischen een bijzonder zorgvuldige verpleging, om te verhoeden dat de lange haren aaneenkleven; steeds moeten
+zij droog stroo hebben; de vacht moet dikwijls gekamd worden. Naar men zegt, zijn zij uit Klein-Azi&euml; afkomstig, wat vruchtbaarheid
+en vleeschvorming betreft, stemmen zij met de gewone tamme Konijnen overeen. Ook deze worden in Frankrijk veelvuldig gefokt;
+zij zijn zeer vruchtbaar, groeien snel, en kunnen goedkoop gevoederd worden; zij leveren voordeel op door hun smakelijk vleesch,
+hun vel en hunne haren.
+
+</p>
+<p>De vellen van tamme en wilde Konijnen worden tot pelterijen verwerkt, van hunne haren maakt men vilt voor hoeden, of soms,
+zooals hierboven gezegd is, weefsels. De vacht van het wilde Konijn is grijs roodachtig, die van het tamme verschillend van
+kleur; het meest geschat zijn de zuiver witte, zwarte en blauwgrijze vellen. Vooral in Frankrijk legt men zich toe op het
+fokken van Konijnen, die door een fraaie vacht uitmunten. Fraaie zwarte vellen met zilvergrijze haarspitsen zijn afkomstig
+van een ras van wilde Konijnen, die hiervoor in groote, omheinde perken gehouden worden. Ter vervanging van het Hermelijnbont,
+dient het vel van een klein, uit Polen afkomstig ras van Konijnen. Dikwijls wordt de kleur van de vacht kunstmatig veranderd;
+vooral in het fransche departement Aube en in Belgi&euml; bloeit deze tak van industrie. De konijnenvellen zijn voor &#8217;t meerendeel
+van in &#8217;t wild levende dieren afkomstig; de meeste komen uit Nieuw-Zeeland en Nieuw-Holland. De handel in dit artikel is zeer
+belangrijk. In tien jaar tijds heeft alleen de kolonie Victoria 29 millioen stuks uitgevoerd. Belgi&euml; verzendt ieder jaar meer
+dan 6 millioen toebereide vellen van tamme Konijnen naar Engeland. De waarde van de Konijnen, welker haren de grondstof voor
+de hoedenfabricatie in Frankrijk leveren, wordt geschat op 25 &agrave; 30 millioen franc per jaar.
+</p>
+<p class="tb">*</p><p>
+<a id="d0e3425"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e3425">357</a>]</span></p>
+<p>De in Azi&euml; inheemsche <span class="letterspaced">Fluithazen</span> of <span class="letterspaced">Hamsterhazen</span> (<i>Lagomys</i>) onderscheiden zich van de leden van het vorige geslacht door veel kortere ooren, een geringer verschil in lengte van voor-
+en achterpooten, een niet zichtbaar staartstompje, en een gebit, dat in elke bovenkaakshelft &eacute;&eacute;n kies minder heeft. Alle Hamsterhazen
+bewonen Centraal-Azi&euml;; sommige de hooge gebergten van 1000 tot 4000 M. boven den zeespiegel, andere de steppen. Hier leven
+zij het geheele jaar door op rotsachtige, woeste en grasrijke plaatsen, in nabijheid van beken, soms eenzaam, soms bij paren,
+soms in grooter aantal bijeen.
+</p>
+<p class="tb"></p><p>
+
+</p>
+<p>De <span class="letterspaced">Alpen-fluithaas</span> (<i>Lagomys alpinus</i>) herinnert door gestalte en grootte aan het Guineesch Biggetje. De ruige, dichte en kortharige vacht is aan de bovenzijde
+fijn zwart gesprenkeld op roodachtig gelen grond; de zijden en het voorste deel van den hals zijn effen roestrood, de onderdeelen
+en de pooten licht okergeel. Enkele exemplaren zijn effen van kleur, n.l. donker zwart. In volwassen toestand is het dier
+ongeveer 25 cM. lang. De Alpenfluithaas behoort thuis in de geheele, ontzaglijk groote bergketen, die de noordelijke grens
+vormt van Centraal- en Achter-Azi&euml;, maar komt ook in Kamschatka voor.
+
+</p>
+<p>Deze dieren bewonen rotsspleten en kleine, door hen zelf gegraven holen. Bij helder weder liggen zij hier verborgen tot aan
+zonsondergang; bij donkere lucht zijn zij ook over dag werkzaam. Uit vrees voor hunne vijanden komen zij dikwijls slechts
+halverwegen uit hunne holen te voorschijn, en steken dan den kop omhoog, om zich te overtuigen of zij veilig zijn. Hun vreesachtigheid
+gaat met nieuwsgierigheid gepaard. <span class="smallcaps">Radde</span> zegt, dat zij vredelievend en zeer arbeidzaam zijn; zij verzamelen groote hoeveelheden hooi, en vormen er hoopen van, die
+zij soms met breed gebladerde planten bedekken om ze tegen den regen te beschutten. Soms hebben deze hooischelven een hoogte
+van 15 &agrave; 18 cM. bij 15 &agrave; 30 cM. middellijn. Naar hunne holen leiden smalle paden, die door het drukke verkeer uitgeloopen
+zijn; aan weerszijden van het pad is het korte gras afgevreten. Als de winter aanvangt, graven zij onder de sneeuw gangen
+van hunne holen naar hunne hooischelven: deze gangen hebben vele kronkelingen, en zijn ieder met een luchtgat voorzien.
+
+</p>
+<p>Het geschreeuw van den Alpen-fluithaas, dat men nog omstreeks middernacht hoort, gelijkt op dat van onzen Bonten Specht, en
+wordt, zelden vaker dan driemaal, met zeer korte tusschenpoozen herhaald. Een andere soort&#8212;de <span class="letterspaced">Ogotona</span> (<i>Lagomys ogotona</i>)&#8212;fluit als een Muis, maar luider en helderder, en zoo vaak achtereen, dat zijn geschreeuw op een schrillen, sissenden triller
+gelijkt. Een derde soort&#8212;de <span class="letterspaced">Dwergfluithaas</span> (<i>Lagomys pusillus</i>)&#8212;maakt een geluid, dat, naar men zegt, groote overeenkomst heeft met dat van onzen Kwartel.
+
+
+</p>
+<div class="figure"><img border="0" src="images/p1357.jpg" alt="Alpen-fluithaas (Lagomys alpinus). &#8531; v.d. ware grootte." width="720" height="451"><p class="figureHead"><span class="letterspaced">Alpen-fluithaas</span> (<i>Lagomys alpinus</i>). &#8531; v.d. ware grootte.
+</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Hoewel deze dieren door de jagers van Oost-Siberi&euml; niet vervolgd worden, ontbreekt het hun niet aan vijanden. Voortdurend
+maken de Manul (een in de genoemde gewesten voorkomende Wilde Kat), de Wolf, de Korsak, benevens verscheidene Arenden en Valken
+jacht op hen. Met geen ander doel wordt hun gebied &#8217;s winters bezocht door den Sneeuwuil, hun gevaarlijksten vijand. Ook de
+Buizerden brengen hunnentwege den winter in den Gobi door, daar zij zich dan uitsluitend met Ogotonen voeden. Ook de mensch
+benadeelt deze onschuldige Knaagdieren, door hen van hun wintervoorraad te berooven. Als er &#8217;s winters veel sneeuw valt, drijven
+de Mongolen hunne Schapen naar streken, waar vele Ogotonen huizen, of voederen hunne Paarden met het hooi, dat de Hamsterhazen
+bijeengebracht hebben.
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e266" href="#d0e266src" class="noteref">1</a></span> Ontleend aan &#8220;Insulinde: het land van den Orang-Oetan en den Paradijsvogel, door <span class="smallcaps">A. R. Wallace</span>&#8221;, vertaald en met aanteekeningen voorzien door Prof. <span class="smallcaps">Veth</span>.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e1041" href="#d0e1041src" class="noteref">2</a></span> <i>Sylphium</i> noemden de ouden een in Cyrenaica groeiend kruid, dat een bij de Romeinen zeer geliefde kruiderij opleverde; thans is deze
+plant, die tot de familie van de Schermbloemigen behoorde, niet meer te vinden.
+</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="transcribernote">
+<h2>Colofon</h2>
+<h3>Beschikbaarheid</h3>
+<p>Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
+
+</p>
+<p>This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give
+it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at <a href="http://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.
+
+</p>
+<h3>Codering</h3>
+<p>Dit bestand is in de oude spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van
+de regel zijn hersteld.
+
+</p>
+<p>Hoewel in dit werk laag liggende aanhalingstekens openen worden gebruikt, zijn deze gecodeerd met &#8220;. Geneste dubbele aanhalingstekens
+zijn stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.
+
+</p>
+<h3>Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>3-FEB-2007 begonnen.</li>
+</ul>
+<h3>Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table width="75%">
+<tr>
+<th>Plaats</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e160">Bladzijde 273</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">is </td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e422">Bladzijde 279</a></td>
+<td width="40%">wangzaken</td>
+<td width="40%">wangzakken</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e636">Bladzijde 285</a></td>
+<td width="40%">misschen</td>
+<td width="40%">misschien</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e639">Bladzijde 285</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e685">Bladzijde 286</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e901">Bladzijde 293</a></td>
+<td width="40%">,)</td>
+<td width="40%">),</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e946">Bladzijde 294</a></td>
+<td width="40%">:</td>
+<td width="40%">;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1055">Bladzijde 297</a></td>
+<td width="40%">braadnetels</td>
+<td width="40%">brandnetels</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1090">Bladzijde 298</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1111">Bladzijde 298</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1233">Bladzijde 300</a></td>
+<td width="40%">Thuringen</td>
+<td width="40%">Th&uuml;ringen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1623">Bladzijde 311</a></td>
+<td width="40%">kleursverdeeling</td>
+<td width="40%">kleurverdeeling</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1717">Bladzijde 315</a></td>
+<td width="40%">tusschen tusschen</td>
+<td width="40%">tusschen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1735">Bladzijde 316</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1738">Bladzijde 316</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1900">Bladzijde 319</a></td>
+<td width="40%">.</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e1947">Bladzijde 320</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8220;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2089">Bladzijde 323</a></td>
+<td width="40%">.)</td>
+<td width="40%">).</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2152">Bladzijde 325</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">het </td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2286">Bladzijde 328</a></td>
+<td width="40%">strookje</td>
+<td width="40%">strookjes</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2375">Bladzijde 330</a></td>
+<td width="40%">Boomstekel-varken</td>
+<td width="40%">Boom-stekelvarken</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2427">Bladzijde 331</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2489">Bladzijde 332</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2581">Bladzijde 334</a></td>
+<td width="40%">Agoetis</td>
+<td width="40%">Agoeti&#8217;s</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2615">Bladzijde 334</a></td>
+<td width="40%">Dwerg-Muskuskieren</td>
+<td width="40%">Dwerg-Muskusdieren</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2634">Bladzijde 335</a></td>
+<td width="40%">Agoetis</td>
+<td width="40%">Agoeti&#8217;s</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2653">Bladzijde 335</a></td>
+<td width="40%">uitgeholt</td>
+<td width="40%">uitgehold</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2655">Bladzijde 335</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2662">Bladzijde 335</a></td>
+<td width="40%">Agoetis</td>
+<td width="40%">Agoeti&#8217;s</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2924">Bladzijde 342</a></td>
+<td width="40%">eeuwigdurendesneeuw</td>
+<td width="40%">eeuwigdurende sneeuw</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e2935">Bladzijde 342</a></td>
+<td width="40%">groote</td>
+<td width="40%">grootte</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3060">Bladzijde 345</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3065">Bladzijde 346</a></td>
+<td width="40%">&#8221;</td>
+<td width="40%">
+[<i>Verwijderd</i>]
+
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3119">Bladzijde 348</a></td>
+<td width="40%">gevold</td>
+<td width="40%">gevolgd</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3128">Bladzijde 349</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3132">Bladzijde 349</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3139">Bladzijde 349</a></td>
+<td width="40%">plaats</td>
+<td width="40%">plaatst</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3214">Bladzijde 351</a></td>
+<td width="40%">kleursverandering</td>
+<td width="40%">kleurverandering</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3233">Bladzijde 352</a></td>
+<td width="40%">en en</td>
+<td width="40%">en</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3245">Bladzijde 352</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3248">Bladzijde 352</a></td>
+<td width="40%">een den</td>
+<td width="40%">eenden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3270">Bladzijde 353</a></td>
+<td width="40%">Kleursverscheidenheden</td>
+<td width="40%">Kleurverscheidenheden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3318">Bladzijde 354</a></td>
+<td width="40%">individuen</td>
+<td width="40%">individu&euml;n</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3326">Bladzijde 354</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3343">Bladzijde 355</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">&#8220;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td width="20%"><a href="#d0e3418">Bladzijde 356</a></td>
+<td width="40%">
+[<i>Niet in bron</i>]
+
+</td>
+<td width="40%">.</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+***** This file should be named 20530-h.htm or 20530-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/0/5/3/20530/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/20530-h/images/p1273.jpg b/20530-h/images/p1273.jpg
new file mode 100644
index 0000000..77b3736
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1273.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1279.jpg b/20530-h/images/p1279.jpg
new file mode 100644
index 0000000..87bf500
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1279.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1280.jpg b/20530-h/images/p1280.jpg
new file mode 100644
index 0000000..746bf5e
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1280.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1282.jpg b/20530-h/images/p1282.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e838335
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1282.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1284.jpg b/20530-h/images/p1284.jpg
new file mode 100644
index 0000000..d94c029
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1284.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1287.jpg b/20530-h/images/p1287.jpg
new file mode 100644
index 0000000..2749a93
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1287.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1289.jpg b/20530-h/images/p1289.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0232be0
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1289.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1295.jpg b/20530-h/images/p1295.jpg
new file mode 100644
index 0000000..fe110dc
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1295.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1296.jpg b/20530-h/images/p1296.jpg
new file mode 100644
index 0000000..c5daf69
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1296.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1297.jpg b/20530-h/images/p1297.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a0e626a
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1297.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1300.jpg b/20530-h/images/p1300.jpg
new file mode 100644
index 0000000..ef60c75
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1300.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1301.jpg b/20530-h/images/p1301.jpg
new file mode 100644
index 0000000..91ff1ab
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1301.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1305.jpg b/20530-h/images/p1305.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3f32b6d
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1305.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1306.jpg b/20530-h/images/p1306.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0e77c3a
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1306.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1312.jpg b/20530-h/images/p1312.jpg
new file mode 100644
index 0000000..22aff1b
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1312.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1315.jpg b/20530-h/images/p1315.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a2b86b2
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1315.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1316.jpg b/20530-h/images/p1316.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b12895a
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1316.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1319.jpg b/20530-h/images/p1319.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a72404c
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1319.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1321.jpg b/20530-h/images/p1321.jpg
new file mode 100644
index 0000000..50b8d78
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1321.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1323.jpg b/20530-h/images/p1323.jpg
new file mode 100644
index 0000000..4f59d1a
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1323.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1324.jpg b/20530-h/images/p1324.jpg
new file mode 100644
index 0000000..af444c5
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1324.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1327.jpg b/20530-h/images/p1327.jpg
new file mode 100644
index 0000000..961a12f
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1327.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1329.jpg b/20530-h/images/p1329.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b26ee67
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1329.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1330.jpg b/20530-h/images/p1330.jpg
new file mode 100644
index 0000000..258b237
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1330.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1332.jpg b/20530-h/images/p1332.jpg
new file mode 100644
index 0000000..1a255fe
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1332.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1334.jpg b/20530-h/images/p1334.jpg
new file mode 100644
index 0000000..920a212
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1334.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1336.jpg b/20530-h/images/p1336.jpg
new file mode 100644
index 0000000..a62f026
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1336.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1338.jpg b/20530-h/images/p1338.jpg
new file mode 100644
index 0000000..10c06fb
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1338.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1340.jpg b/20530-h/images/p1340.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8bcf39b
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1340.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1341.jpg b/20530-h/images/p1341.jpg
new file mode 100644
index 0000000..557c992
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1341.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1342.jpg b/20530-h/images/p1342.jpg
new file mode 100644
index 0000000..991ca87
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1342.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1343.jpg b/20530-h/images/p1343.jpg
new file mode 100644
index 0000000..76d1f5f
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1343.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1345.jpg b/20530-h/images/p1345.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e1312f6
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1345.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1351.jpg b/20530-h/images/p1351.jpg
new file mode 100644
index 0000000..cd103c1
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1351.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1353.jpg b/20530-h/images/p1353.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b11191c
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1353.jpg
Binary files differ
diff --git a/20530-h/images/p1357.jpg b/20530-h/images/p1357.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f0a268b
--- /dev/null
+++ b/20530-h/images/p1357.jpg
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..6aa8724
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #20530 (https://www.gutenberg.org/ebooks/20530)