summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/20530-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '20530-8.txt')
-rw-r--r--20530-8.txt8523
1 files changed, 8523 insertions, 0 deletions
diff --git a/20530-8.txt b/20530-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..2087401
--- /dev/null
+++ b/20530-8.txt
@@ -0,0 +1,8523 @@
+The Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Leven der Dieren
+ Hoofdstuk 7: De Knaagdieren
+
+Author: A. E. Brehm
+
+Release Date: February 6, 2007 [EBook #20530]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+Zevende Orde.
+
+De Knaagdieren (Rodentia).
+
+
+De Knaagdieren vormen een naar alle zijden goed begrensde groep. Zij
+dragen hun naam bijna met nog meer recht dan de Roofdieren den
+hunnen. Twee snijtanden in iedere kaak, die tot groote knaagtanden
+uitgegroeid zijn en het ontbreken der hoektanden, waardoor tusschen
+snij- en maaltanden een groote ruimte ontstaat, zijn kenmerken,
+die aan alle eigen zijn.
+
+Van het uitwendig voorkomen der Knaagdieren kan weinig in 't algemeen
+gezegd worden, daar deze orde zeer verschillende vormen omvat en
+daarom zeer rijk is aan familiën en soorten. De voor alle geldige
+kenteekenen komen tennaastenbij op het volgende neer: de romp is in de
+meeste gevallen rolvormig en rust op korte pooten, die in den regel
+ongelijke lengte hebben, daar de achterpooten gewoonlijk een weinig,
+en dikwijls zelfs veel langer zijn dan de voorpooten; de kop is door
+een korten, dikken hals met den romp verbonden; de oogen zijn groot
+en puilen gewoonlijk sterk uit; de lippen zijn vleezig, met snorharen
+bezet, zeer beweeglijk en van voren gespleten; de voorpooten hebben in
+den regel 4, de achterpooten 5 teenen; deze zijn met meer of minder
+sterke klauwen (soms ook met nagels van anderen vorm) gewapend, bij
+sommige door zwemvliezen met elkander verbonden. Het haarkleed is bijna
+altijd van gelijkmatige lengte, hoogstens aan de ooren tot kwastjes
+of aan den (in dit geval meestal ruigen) staart tot een pluim verlengd.
+
+De snijtanden of knaagtanden zijn aanmerkelijk grooter dan alle overige
+bestanddeelen van het gebit; de bovenste zijn altijd korter, maar
+breeder dan de onderste; in beide kaken zijn zij boogvormig gekromd
+(de bovenste het sterkst), aan de sneede breed of puntbeitelvormig,
+aan den wortel drie- of vierkantig, met een soms platte, soms gewelfde,
+nu eens gladde, dan weer gegroefde oppervlakte, wit of geelachtig
+of rood van kleur. Hun buitenste of voorste vlakte is met staalhard
+email bedekt; de scherpe spits of de breede, op het scherpe einde
+van een steekbeitel gelijkende bovenrand is uitsluitend uit genoemd
+materiaal samengesteld. Het overige deel van den tand bestaat uit
+een veel zachtere stof, n.l. tandbeen. Wegens het veelvuldig gebruik,
+dat van deze belangrijke tanden wordt gemaakt, zouden zij na korten
+tijd stomp worden of afslijten, indien zij niet een groot voorrecht
+hadden boven de meeste tanden van Zoogdieren; zij groeien n.l. altijd
+door. De tandwortel ligt in een tandholte, die zich tot diep in de
+kaak voortzet, en bevat aan zijn geheel open (en zelfs trechtervormig
+verwijd), achterste uiteinde, een blijvende kiem, die den tand van
+achteren voortdurend in gelijke mate herstelt, als hij van voren
+afslijt. De snede van den tand wordt vlijmscherp gehouden, doordat
+de onderling tegenovergestelde tanden over elkander wrijven, zoodat
+de eene langs den anderen schuurt. Daar nu de snijtanden op ongelijke
+wijze met email bekleed zijn, van voren met een dikke korst, terwijl
+van achteren het tandbeen onbedekt blijft, zal de top van den tand
+in schuinsche, van voren naar achteren afhellende richting geslepen
+worden. De zeer omvangrijke en samengestelde kauwspier moet door haar
+werking de onderkaak zoowel opheffen als naar voren schuiven. In
+verband hiermede is de gewrichtsknobbel van het onderkaaksbeen in
+overlangsche richting, van voren naar achteren ontwikkeld. De tanden
+zijn hierdoor niet tot grijpen en tot verscheuren, maar tot knagen, tot
+afknabbelen geschikt. Tegen de verbazend groote krachtsinspanning, die
+hiervoor vereischt wordt, zijn zij volkomen bestand. Van het voortduren
+van den groei der knaagtanden kan men zich gemakkelijk overtuigen,
+door bij een Knaagdier, b.v. bij een Konijn, een der knaagtanden,
+b.v. van de onderkaak, af te breken. Dan groeit de tegenovergestelde
+bovenkaaksnijtand, omdat hij niet meer onderhevig is aan afslijting,
+schielijk aan, komt boogvormig omgekruld buiten den bek te voorschijn,
+en verkrijgt, steeds groeiend en niet slijtend, een spiraalvormige
+gedaante; het geheele gebit wordt hierdoor nagenoeg onbruikbaar en de
+voeding zeer bemoeilijkt. Na het afbreken van een bovensnijtand zal
+de tegenovergestelde ondertand zich binnen de mondholte kolossaal
+verlengen en hier, door het gehemelte in zijn opwaartschen groei
+gestuit, een spiraalvormige gedaante verkrijgen, of wel in de bovenkaak
+doordringen. Zulke monsterachtige tanden missen natuurlijk den scherpen
+rand aan den top van de kroon.--De maaltanden hebben platte kronen,
+met dwars gerichte verhevenheden op de kauwvlakte, die slechts bij
+enkele door knobbels vervangen zijn. De voor- en achterwaartsche
+beweging van de onderkaak in aanmerking nemend, is het niet moeilijk
+in te zien, dat de dwarse richting der oneffenheden, het vermalen
+van harde stoffen in hooge mate bevordert.
+
+Bij vele Knaagdieren komen wangzakken voor, die door een opening aan
+de binnenzijde der lippen met de mondholte in gemeenschap staan, en
+zich tot in de schouderstreek kunnen uitstrekken; bij het inzamelen
+van voedsel kunnen zij als bergplaatsen dienen; een hiervoor bestemde
+spier trekt deze zakken terug, als zij gevuld moeten worden.
+
+De Knaagdieren zijn over alle werelddeelen verbreid en komen, zoover
+de plantengroei zich uitstrekt, in alle klimaten, op alle breedten en
+op alle hoogten voor. "Te midden van eeuwigdurende sneeuw en ijs." zegt
+Blasius, "daar, waar een warme zonnestraal slechts op sommige plaatsen
+en gedurende weinige weken, aan enkele planten een kortstondig en
+armoedig leven mogelijk maakt, op de stille eenzame, met sneeuw bedekte
+hoogten der Alpen, in de uitgestrekte onherbergzame vlakten van het
+noorden, vindt men nog Knaagdieren, die geen behoefte gevoelen aan een
+schoonere zon. Maar hoe rijker en weelderiger de plantenwereld is, des
+te bonter en menigvuldiger wordt het leven van deze Zoogdierenorde,
+die bijna geen plekje van de aarde onbewoond laat." De levenswijze
+van deze algemeen verbreide dieren, is zeer verschillend.
+
+Niet weinige van hen houden zich in de boomen op, vele leven in den
+grond sommige bewonen het water; hunne verblijfplaatsen zijn dikwijls
+onderaardsche, door henzelf gegraven holen, andere hebben hun leger te
+midden van het struikgewas, nog andere in het open veld. Alle zijn in
+meerdere of mindere mate vlugge dieren, die, in overeenstemming met
+de plaats waar zij zich ophouden, voortreffelijk loopen, òf klimmen,
+òf graven, òf zwemmen. Meestal scherpzinnig, wakker en lenig, zijn
+zij evenwel, naar het schijnt, niet schrander of met buitengewone
+geestesgaven bedeeld. Verreweg de meeste kenmerken zich door armoede
+van geest; zij kunnen wel schuw, maar niet voorzichtig of listig
+zijn, en onderscheiden zich ook in andere opzichten nooit door in
+'t oog vallende bekwaamheden. Sommige leven bij paren, andere zijn
+tot familiën en niet weinige tot groote troepen vereenigd; zij
+zijn verdraagzaam tegenover andere dieren, maar bemoeien zich niet
+met hen. Boosaardigheid en valschheid, wildheid en onbeschaamdheid,
+willens en wetens geopenbaard, treft men slechts bij weinige aan. Als
+hun een gevaar dreigt, keeren zij zoo schielijk mogelijk naar hunne
+schuilplaatsen terug; slechts zeer weinige onder hen zijn schrander
+genoeg, om op listige wijze vervolgingen te ontgaan. Alle Knaagdieren
+voeden zich hoofdzakelijk met plantaardige stoffen: wortels,
+schors, bladen, bloemen, allerlei soorten van vruchten, kruiden,
+gras, melige knollen, ja zelfs houtvezels worden door hen gegeten;
+de meeste maken echter ook van dierlijk voedsel gebruik, en zijn
+echte alleseters. Eigenaardig is het, dat vele, die te zwak zijn,
+om groote reistochten te ondernemen, of om weerstand te bieden aan
+de strengheid van den winter, voorraad inzamelen en in onderaardsche
+bergplaatsen bewaren. De Knaagdieren verdienen als bouwmeesters een
+eereplaats onder de Zoogdieren; sommige van hen vervaardigen zeer
+kunstige woningen, die reeds sedert overouden tijd de bewondering
+van den mensch getrokken hebben. Niet weinige brengen den winter
+door in een op den dood gelijkenden slaap, verkeeren in een toestand
+van verstijving, en teren op het vet, dat zij gedurende den zomer in
+hun lichaam hebben opgehoopt, en dat wegens de in ieder opzicht zeer
+sterk verminderde levenswerkzaamheid tot aan het volgende voorjaar
+in hunne behoeften kan voorzien.
+
+In verhouding tot hun geringe groote, is de beteekenis van de
+Knaagdieren in de huishouding der natuur zeer groot; zij zijn onze
+schadelijkste en gevaarlijkste vijanden. Als zij niet een talloos leger
+van vijanden tegenover zich hadden, en niet in hooge mate onderhevig
+waren aan ziekten en epidemiën van velerlei aard, zouden zij de aarde
+overheerschen en verwoesten. De onophoudelijke verdelgingsoorlog,
+die tegen hen gevoerd wordt, heeft een tegenwicht in hunne verbazende
+vruchtbaarheid en vermenigvuldigingsvermogen; maar al te dikwijls
+hebben deze de overhand. Het klinkt bijna ongeloofelijk, maar is
+toch waar, dat een paar Knaagdieren, binnen een tijdsverloop van
+één jaar, een nakomelingschap kan hebben die uit duizend individuën
+bestaat. Vriendschap kan men eigenlijk slechts voor hoogst weinige
+leden van deze vormenrijke orde gevoelen, en van deze weinige zijn
+slechts enkele waard getemd te worden. Belangrijker dan door de
+eigenschappen, die men gedurende hun leven kan opmerken, zijn de
+Knaagdieren voor ons door hun vel en hun vleesch.
+
+
+
+In de eerste familie plaatsen wij de _Eekhoornachtigen_ (_Sciuridae_),
+verdeeld over twee onderfamiliën: de _Eekhoorntjes_ en de _Marmotten_.
+
+De romp van de _Eekhoorntjes_ (_Sciurinae_) is lang en eindigt in
+een meer of minder langen, dikwijls twee-rijig behaarden staart. De
+oogen zijn groot en uitpuilend, de ooren bij sommige klein, bij andere
+groot, nu eens dun behaard, dan weer met een haarkwastje voorzien. De
+voorpooten zijn aanmerkelijk korter dan de achterpooten. Gene hebben 4
+teenen en een kort stompje op de plaats van den duim, de achterpooten
+hebben vijf teenen.
+
+Met uitzondering van Australië bewonen de Eekhoorntjes de geheele
+aarde; zoowel in tamelijk ver noordwaarts gelegen gewesten, als in
+de heetste landstreken tusschen de keerkringen komen zij voor; zij
+leven op verschillende hoogten, sommige soorten treft men zoowel in
+het gebergte als in de vlakte aan. Bosschen, of althans plaatsen waar
+boomen groeien, zijn hunne meest geliefde verblijfplaatsen; verreweg
+de meeste zijn echte boomdieren; eenige vestigen hun woonplaats in
+onderaardsche, door henzelf gegraven holen.
+
+Alle Eekhoorntjes bewegen zich vlug, snel en behendig, even goed op
+de boomen als op den grond. Alleen de Vliegende Eekhoorntjes gevoelen
+zich op den bodem niet thuis, maar zijn in staat buitengewoon groote
+sprongen te doen, hoewel altijd slechts van boven naar beneden. De
+meeste bewegen zich springend over den bodem en raken dezen met de
+geheele zool aan. Bijna alle klimmen uitmuntend en springen over
+groote tusschenruimten van den eenen boom op den anderen. Zij slapen
+ineengerold en doen dit bij voorkeur op een gemakkelijke ligplaats,
+die zij zich verschaffen nu eens door het graven van een onderaardsche
+woning, dan weer door een leger op te slaan in een hollen boom, en
+ook wel door het doelmatig inrichten van een door andere dieren of
+door henzelf gebouwd nest. De Eekhoorntjes, die koude landen bewonen,
+trekken zuidwaarts bij 't naderen van den winter, of vervallen in
+een onafgebroken winterslaap en brengen in dit geval een meer of
+minder grooten voorraad leeftocht bijeen, waarvan zij in geval van
+nood gebruik maken. Hun stem bestaat uit een fluitend geluid en uit
+een eigenaardig, niet nader te omschrijven gebrom, geknor en gesis.
+
+De meeste soorten werpen, naar het schijnt, ieder jaar meer dan
+éénmaal jongen. Vóór en na den paartijd houdt het mannetje zich
+dikwijls geruimen tijd bij het wijfje op; ook helpt hij haar wel bij
+het bouwen van de meer of minder kunstige woning, waarin zij later
+haar kroost zal verzorgen. Het aantal jongen in iederen worp wisselt
+af van twee tot zeven. De kleintjes komen nagenoeg kaal en blind ter
+wereld en hebben daarom behoefte aan een warm leger en een zorgvuldige
+verpleging. Jong uit het nest genomen Eekhoorntjes laten zich zonder
+bijzondere moeite temmen; bijna altijd komt echter op meer gevorderden
+leeftijd de weerspannige en knorrige aard, die aan vele Knaagdieren
+eigen schijnt te zijn, voor den dag; zij worden boosaardig en toonen
+lust tot bijten.
+
+Hoewel alle Eekhoorntjes bij voorkeur (en gedurende sommige tijden
+uitsluitend) plantaardig voedsel gebruiken, versmaden zij echter,
+evenals tal van andere Knaagdieren, het dierlijk voedsel niet;
+zij overvallen zwakke Zoogdieren en maken ijverig jacht op Vogels,
+welker nesten zij op onmeedoogende wijze plunderen. Ofschoon het vel
+van verscheidene soorten van Eekhoorntjes als pelswerk dienst doet
+en men op sommige plaatsen het vleesch van deze dieren eet, kan toch
+dit geringe nut niet opwegen tegen de schade, die zij toebrengen aan
+de door ons gekweekte planten en aan de nuttige Vogels.
+
+
+
+Verreweg de meeste leden van de eerste onderfamilie behooren tot
+het slechts in Australië ontbrekende geslacht der _Dag-eekhoorntjes_
+(_Sciurus_). Alle soorten van deze groep stemmen zoozeer met elkander
+overeen, wat gestalte, lichaamsbouw, levenswijze en aard betreft,
+dat het volkomen voldoende is, onzen Eekhoorn en zijn levenswijze te
+beschrijven, om een voorstelling te verkrijgen van het leven van al
+zijne verwanten.
+
+
+
+De _Eekhoorn_ of _Eeker_ (_Sciurus vulgaris_) is een van de weinige
+Knaagdieren, waarmede de mensch vriendschap gesloten heeft, en die
+hij, in weerwil van sommige onaangename eigenschappen, gaarne als
+huisgenoot aanneemt, heeft zelfs in de oogen van den dichter een
+bevallige gestalte. Dit werd reeds gevoeld door de Grieken, aan
+wie wij den wetenschappelijken naam van het Eekhoorntje ontleend
+hebben. Deze naam beteekent: "die zich met den staart overschaduwt",
+en onwillekeurig moet ieder, die de beteekenis van het woord _Sciurus_
+kent, aan het beweeglijke diertje denken, zooals het daar in de
+hoogte zit, boven op de hoogste boomkronen. Rückert heeft het wakkere
+schepseltje bezongen op zulk een wijze, dat de natuuronderzoeker het
+hem niet verbeteren kan.
+
+De lichaamslengte van het Eekhoorntje bedraagt, zonder den 20
+cM. langen staart, 25 cM., de schouderhoogte 10 cM. en het gewicht van
+het volwassen dier een weinig meer dan 0.25 KG. De vacht biedt groote
+verscheidenheid aan, al naar men het dier 's zomers of 's winters,
+in het noorden of in het zuiden beschouwt. In den zomer is de kleur
+van de bovendeelen bruinachtig rood, aan de zijden van den kop met
+grijs gemengd, aan de onderzijde (te beginnen bij de kin) wit; in den
+winter is het haarkleed aan de rugzijde bruinrood met grijsachtig wit
+gemengd, aan de buikzijde wit. In Siberië en Noord-Europa echter is
+het winterkleed van den Eekhoorn geheel en al witachtig grijs, terwijl
+het zomerkleed gelijkt op dat van het bij ons levende dier. Dikwijls
+ziet men in de bosschen van Middel-Europa ook zwarte exemplaren; deze
+behooren echter niet tot een bijzondere soort, want bij de jongen van
+een worp treft men dikwijls roode en zwarte voorwerpen aan. Witte of
+gevlekte Eekhoorntjes zijn zeer zeldzaam, zoo ook die met witten of
+halfwitten staart enz. De staart is zeer ruig en tweerijig behaard; het
+oor is versierd met een pluim van lange haren; de voetzolen zijn naakt.
+
+Ons Eekhoorntje is aan de Grieken en Spanjaarden even goed bekend
+als aan de Siberiërs en Laplanders. Zijn verbreidingsgebied strekt
+zich uit over geheel Europa, en reikt voorts over den Kaukasus en den
+Oeral, door het geheele zuiden van Siberië tot aan den Altaï en tot
+in Achter-Azië. Het dier is echter niet overal en ook niet in alle
+jaren even menigvuldig. Hoogstammige, droge en schaduwrijke wouden
+vormen zijne meest bevoorrechte verblijfplaatsen; nat weer is hem
+even onaangenaam als zonneschijn. Wanneer het ooft en de noten rijp
+zijn, bezoekt hij de tuinen van het dorp, doch slechts dan, als zij
+met het woud verbonden zijn door kreupelboschjes, of althans door
+struiken. Daar waar vele sparrekegels en denneappels rijp worden,
+vestigt hij zich voor goed; hier heeft hij één of meer woningen,
+gewoonlijk zijn dit oude kraaiennesten, welker inrichting hij
+naar zijne behoeften op kunstige wijze veranderd heeft. Voor een
+kortstondiger verblijf gebruikt hij de verlaten nesten van Eksters,
+Kraaien en Roofvogels, zooals zij zijn. De woningen echter, die als
+nachtverblijf, als toevluchtsoord bij slecht weder en als kraamkamer
+voor het wijfje dienen, worden opzettelijk voor dit doel gebouwd,
+hoewel hierbij dikwijls wordt gebruik gemaakt van de materialen,
+die door de Vogels bijeengebracht zijn. Sommigen meenen opgemerkt
+te hebben, dat ieder Eekhoorntje minstens vier nesten heeft; met
+zekerheid is dit echter nog niet gebleken. Gaten in boomen, het
+liefst holle boomstammen, worden eveneens door hem bezocht, en in
+sommige gevallen tot woning ingericht. De open en bloot liggende
+nesten komen gewoonlijk voor in een vork, dicht bij den hoofdstam
+van den boom; hun vloer is gebouwd als die van een groot vogelnest,
+van boven is het echter beschut door een plat, kegelvormig dak, op
+dat van een eksternest gelijkend en dicht genoeg om het binnendringen
+van den regen te verhinderen. De hoofdingang is naar beneden gericht,
+gewoonlijk naar het oosten, een iets kleiner vluchtgat bevindt zich
+dicht bij den stam. Van binnen is het nest aan alle zijden met een warm
+kussen van zacht mos gevoerd. De buitenwand bestaat uit dunne en dikke
+twijgen, die kruiselings door elkander gestoken zijn. Den stevigen,
+met aarde en leem bekleeden bodem van een verlaten kraaiennest gebruikt
+het Eekhoorntje gaarne als grondslag van zijn woning.
+
+Dit wakkere diertje is buiten kijf een der voornaamste
+aantrekkelijkheden van onze bosschen. Bij stil, helder weder
+beweegt het zich onverpoosd, en blijft intusschen zooveel mogelijk
+in de boomen, die hem te allen tijde voedsel en beschutting bieden;
+somtijds gaat het op zijn gemak bij den stam naar beneden, en loopt
+naar den boom, dien het beklimmen wil. Dikwijls doet de Eekhoorn
+dit alleen voor de aardigheid, want hij behoeft, als hij zulks niet
+wenscht, in 't geheel niet op den grond te komen. Hij is de Aap van
+onze bosschen en bezit vele eigenschappen welke herinneren aan die
+van den genoemden, nukkigen tropenbewoner. Er zijn waarschijnlijk
+maar weinige Zoogdieren, die zoolang achtereen in beweging zijn en
+zoo kort op dezelfde plaats blijven als de Eekhoorn bij tamelijk
+goed weder. Voortdurend gaat hij van den eenen boom op den anderen,
+van kroon tot kroon, van tak tot tak; zelfs op den grond is hij
+alles behalve vreemd en onbeholpen. Nooit stapt of draaft hij;
+altijd beweegt hij zich huppelend met groote of kleine sprongen;
+hij doet dit zoo snel, dat een Hond moeite heeft om hem in te halen,
+en een mensch reeds na korten tijd de vervolging moet opgeven. De
+sterkste bewijzen van behendigheid geeft hij echter eerst bij het
+klimmen. Met ongeloofelijke vastheid en snelheid sluipt hij bij de
+boomstammen omhoog, zelfs bij de gladste. De lange, scherpe klauwen
+aan de vingervormige teenen bewijzen hem hierbij voortreffelijke
+diensten. Hij haakt zich aan de boomschors vast en doet dit met alle
+vier pooten tegelijk. Dan zet hij zich af voor een nieuwen sprong en
+schiet verder naar boven; de eene sprong volgt echter zoo schielijk op
+den anderen, dat het omhoogstijgen zonder tusschenpoozen plaats heeft;
+men zou kunnen meenen, dat het dier bij den stam omhoogglijdt. De
+klimbeweging veroorzaakt een op een afstand hoorbaar geritsel, waarin
+men de verschillende oogenblikken van stilstand en de opeenvolgende
+sprongen niet onderscheiden kan. Gewoonlijk stijgt het dier zonder
+rust te nemen tot in de kroon van den boom, niet zelden tot in den
+top; daar loopt hij dan langs den een of anderen, waterpas liggende
+tak naar den buitenkant van de kroon en springt van hier gewoonlijk
+in den top van een tak van een anderen boom, over tusschenruimten van
+4 of 5 M., altijd van boven naar beneden. Van de noodzakelijkheid van
+den tweerijig behaarden staart voor 't springen heeft men zich door
+een wreede proefneming overtuigd; men heeft aan gevangen Eekhoorntjes
+den staart afgehouwen en opgemerkt, dat het verminkte dier niet half
+zoo ver meer springen kon, als vroeger. Ook het zwemmen verstaat de
+Eekhoorn uitmuntend, ofschoon hij niet gaarne te water gaat.
+
+Als de Eekhoorn geen stoornis behoeft te duchten, zoekt hij gedurende
+zijne zwerftochten voortdurend voedsel. Al naar het jaargetijde eet
+hij vruchten of zaden, knoppen, twijgen en paddestoelen. De zaden van
+dennen, sparren en zilversparren, knoppen en jonge uitspruitsels zullen
+wel het hoofdbestanddeel van zijn voedsel uitmaken. Hij bijt de kegels
+van onze naaldboomen bij den steel af, gaat op zijne achterpooten
+zitten, brengt den kegel met de voorpooten naar den bek, draait hem
+onophoudelijk rond en bijt nu met zijne uitmuntende tanden de eene
+schub na de andere er af, zoodat de zaden blootliggen, die hij dan
+met de tong opneemt en in den bek brengt. Aardig is het naar hem te
+zien, wanneer hij hazelnooten, zijn lievelingsspijs, in overvloed kan
+krijgen. Bittere zaden, b.v. van amandels, zijn voor hem vergiftig:
+twee bittere amandelen zijn voldoende om hem te dooden.
+
+Schadelijk voor de boschkultuur wordt de Eekhoorn vooral door het
+opeten van de zaadlobben der pas ontkiemde beukels, eikels en zaden van
+naaldboomen; zelfs tamelijk ver ontwikkelde jonge eiken worden door
+hem uitgegraven om er de wortels en de zaadlobben van te verslinden;
+verder doet hij schade, door zich te voeden met de zaden van boomen,
+die voor het aanleggen van bosschen noodig zijn, door het afknagen
+van de blad- en bloemknoppen van naaldboomen, door het spiraalvormig
+afschellen van de schors van berkenstammen, en ook door andere
+naaldboomen, alsmede haagbeuken, beuken, eiken enz. te ontschorsen;
+voorts geeft hij aanleiding tot vermindering van het aantal Vogels,
+die door het verdelgen van schadelijke Insecten voor de boschkultuur
+nuttig zijn. Hiertegenover staat als nut van den Eekhoorn alleen,
+dat hij in 't voorjaar, als de boomzaden schaarsch zijn, zich met de
+zoo schadelijke Meikevers voedt.
+
+Wanneer het dier voedsel in overvloed kan krijgen, verzamelt het
+voorraad voor latere tijden van schaarschte. In de spleten en gaten
+van holle boomen en boomwortels, in door hemzelf gegraven holen,
+onder struiken en steenen, in een van zijne nesten en op andere
+dergelijke plaatsen legt het zijne voorraadschuren aan; dikwijls
+sleept het de voor proviand bestemde noten, graankorrels en zaden over
+groote afstanden naar de bedoelde bergplaatsen. In de bosschen van
+het zuid-oosten van Siberië bewaart de Eekhoorn ook paddestoelen;
+hij doet dit op een hoogst eigenaardige wijze. "Zij zijn," merkt
+Radde op, "zoo weinig zelfzuchtig, dat zij den voorraad paddestoelen
+niet opbergen, maar aan de naalden of in de lorkenwouden aan de
+kleine takjes steken, ze daar droog laten worden, om in tijden van
+hongersnood hunne doortrekkende soortgenooten van dienst te zijn."
+
+Uit deze voorzorgsmaatregelen met het oog op den winter blijkt, hoe
+buitengewoon gevoelig de Eekhoorntjes voor den invloed van het weder
+zijn. Wanneer de zon wat meer warmte geeft dan gewoonlijk, houden zij
+hun middagslaapje in hun nest en zwerven dan alleen des morgens en des
+avonds in het bosch rond; nog veel meer echter schuwen zij regenbuien,
+hevige onweders, stormen en vooral sneeuwjacht. Klaarblijkelijk hebben
+zij een voorgevoel van aanstaande weersveranderingen. Reeds een halven
+dag vóórdat de gevreesde weersgesteldheid begint, geven zij bewijzen
+van onrust, door voortdurend in de boomen rond te springen en door een
+zeer eigenaardig gefluit en geschreeuw, dat men anders alleen van hen
+hoort, wanneer zij zeer opgewonden zijn. Zoodra de eerste voorboden van
+het slechte weder zich vertoonen, verschuilen zij zich in hunne nesten
+(dikwijls verscheidene in één nest) en laten, nadat zij de opening aan
+de windzijde zorgvuldig dichtgemaakt hebben, op hun gemak ineengerold,
+de bui uitrazen. Een ongunstig najaar wordt voor hen noodlottig, omdat
+zij dan reeds in den herfst den voor den winter bestemden voorraad
+opgebruiken. Wanneer nu de hieropvolgende winter eenigermate streng
+is, worden onze dieren in grooten getale er het slachtoffer van.
+
+Zoodra de nacht invalt, begeeft het Eekhoorntje, dat een blijvende
+bewoner is van een oord, zich naar zijn nest en slaapt hier, zoolang
+het donker is; toch kan het ook gedurende de duisternis zeer goed den
+weg vinden. Lenz liet eens door twee daglooners een lange ladder in het
+bosch dragen en tegen een boom plaatsen, waarop zich een nest met jonge
+Eekhoorntjes bevond. Alles geschiedde zoo stil mogelijk. De lantaarn
+bleef beneden bij de dragers en Lenz klom naar boven. Zoodra hij het
+nest met de hand aanraakte, snelden de bewoners hiervan zoo vlug als de
+wind naar buiten; voor zoover men kon nagaan, gingen er twee hooger op
+in den boom, één bij den stam langs naar beneden en één door de lucht
+naar den bodem; in een oogwenk was alles in de nabijheid weer stil.
+
+Schrik geeft de Eekhoorn te kennen door de klanken: "Doek, doek". Als
+hij zich op zijn gemak gevoelt of slechts in geringe mate ontevreden
+is, laat hij een eigenaardig gemor of geknor hooren, dat niet goed
+door klankteekens kan worden weergegeven. Buitengewone vreugde of
+opgewondenheid drukt hij uit door te fluiten. Alle zinnen, vooral het
+gezicht, het gehoor en de reuk, zijn scherp: bovendien moet ook het
+gevoel zeer fijn ontwikkeld zijn, daar anders het vooruitvoelen van
+weersveranderingen voor ons onverklaarbaar zou blijven; ook de smaak
+moet, volgens opmerkingen, die men bij gevangen dieren gedaan heeft,
+van eenige beteekenis zijn. Dat het dier goede geestvermogens bezit,
+blijkt uit zijn goed geheugen en uit de list en slimheid, waarmede
+het aan zijne vijanden weet te ontkomen. Bliksemsnel begeeft het zich
+naar den hoogsten boom, die zich in de nabijheid bevindt, loopt bijna
+altijd aan de zijde, die van den vijand afgewend is, bij den stam
+omhoog tot aan de eerste gaffelvormige verdeeling, komt dan hoogstens
+met zijn kopje te voorschijn, kruipt in elkander, verbergt zich zoo
+goed, als de omstandigheden dit toelaten, en tracht zoo veel mogelijk
+onzichtbaar te blijven, terwijl het zich uit de voeten maakt.
+
+Vier weken na de paring werpt het wijfje in het zachtste, doelmatigst
+gelegen nest 3 à 7 jongen, die ongeveer 9 dagen lang blind blijven en
+door de moeder met groote liefde verzorgd worden. Nadat zij gespeend
+zijn, brengt de moeder, en misschien ook de vader, hun eenige dagen
+achtereen voedsel; daarna laten de ouders de kleintjes aan hun lot
+over. De jongen blijven nog eenigen tijd bijeen, spelen aardig met
+elkander en nemen zeer schielijk de gewoonten van de volwassenen
+aan. In Juni heeft de oude reeds voor de tweede maal jongen; als ook
+deze zoo ver zijn, dat zij met haar rondzwerven kunnen, vereenigen de
+jongen van beide worpen en hun moeder zich tot een bende, die soms
+uit 12 à 16 leden bestaat, en die men van nu af in een en 't zelfde
+deel van 't woud ziet arbeiden.
+
+Het Eekhorentje is buitengewoon zindelijk; het belekt en poetst
+zich voortdurend. Om deze reden is het zeer goed geschikt om in de
+kamer gehouden te worden. Voor dit doel worden de jongen uit het nest
+genomen, wanneer zij half volwassen zijn; men voedert ze met melk en
+wittebrood, totdat men ze noten en zaden kan geven.
+
+In hun jeugd zijn alle Eekhoorntjes wakkere, vroolijke en volkomen
+onschadelijke diertjes, die gaarne hebben, dat men ze vleit en
+liefkoost. Zij herkennen hun verzorger en houden van hem; ook toonen
+zij eenige leerzaamheid door te komen, als hij roept. Ongelukkig worden
+bijna alle, zelfs de tamste, valsch of althans tot bijten geneigd,
+wanneer zij ouder worden.
+
+De Edelmarter is de ergste vijand van den Eekhoorn. Den Vos gelukt
+het maar zelden deze prooi te bekruipen. Aan Wouwen, Haviken en groote
+Uilen ontkomt de Eekhoorn door, zoodra de Vogel hem te lijf wil gaan,
+schielijk volgens een schroeflijn om den boomstam heen naar boven
+te klimmen. Daar de Vogels bij 't vliegen natuurlijk veel grootere
+kringen moeten beschrijven, bereikt de vervolgde eindelijk een holte,
+een dichte boomkruin, waar hij veilig is. Meer bezwaren heeft hij
+te overwinnen, wanneer hij voor den Edelmarter vluchten moet. Deze
+moordzuchtige roover is in 't klimmen even goed ervaren als zijn
+slachtoffer; hij volgt het op den voet, in de boomkronen zoowel
+als op den grond, kruipt het na, zelfs in de holen, waarin het een
+schuilplaats zoekt, of in het door dikke wanden begrensde nest. Onder
+angstig geschreeuw en gefluit vlucht de Eekhoorn voor den Marter; de
+behendige roover jaagt hem achterna, en beide wedijveren als 't ware
+in 't maken van prachtige sprongen. De eenige kans op redding, die
+er voor den Eekhoorn bestaat, berust op zijn geschiktheid om zonder
+bezwaar uit den top van den hoogsten boom op den grond te springen,
+schielijk een eind vooruit te snellen om een nieuwen boom te bereiken,
+waar hij, zoo noodig het oude spel zal herhalen. Men ziet hem derhalve,
+als de Edelmarter hem vervolgt, zoo vlug mogelijk naar boven klauteren,
+en intusschen steeds op de reeds aangeduide wijze een schroeflijn
+volgen, om altijd min of meer door den stam gedekt te zijn. Steeds
+klimt de Edelmarter ijverig achter hem aan; beide klimmen ongeloofelijk
+snel naar het hoogste deel van de kroon. Reeds schijnt de Edelmarter
+het ingehaald te hebben,--op eens doet de eekhoorn uit den hoogsten
+top een geweldigen, boogvormigen sprong in de lucht, strekt, alle
+ledematen in horizontale richting zijwaarts, snort door de lucht naar
+beneden, komt behouden op den bodem aan en ijlt nu angstig voort,
+zoo schielijk hij kan, om zoo mogelijk een betere schuilplaats te
+zoeken. Zoo'n sprong kan de Edelmarter niet doen, toch bereikt hij
+in den regel spoedig zijn doel, omdat hij de vervolging niet opgeeft,
+maar zoo lang jaagt tot het slachtoffer geheel uitgeput is en zich moet
+overgeven.--Jonge Eekhoorntjes zijn aan veel meer gevaren blootgesteld
+dan de oude; die, welke pas zelfstandig geworden zijn, kunnen zelfs
+door een behendig klimmend mensch achterhaald worden. Als jongens
+zochten wij zulke diertjes en klauterden hen in de boomen na; meer
+dan eens werd de onverschilligheid, waarmede zij ons lieten naderen,
+hun noodlottig. Zoodra wij den tak, waarop zij zaten, konden bereiken,
+waren zij verloren. Wij bewogen den tak met geweld heen en weer; het
+verschrikte diertje was gewoonlijk nergens anders op bedacht, dan om
+zich stevig vast te houden, uit vrees voor den val. Nu gingen wij al
+verder en verder naar den omtrek van de kroon, voortdurend den tak
+schuddend, totdat wij met een vluggen greep het diertje konden pakken.
+
+De boeren aan de oevers van de Lena houden zich van het begin van
+Maart tot in het midden van April voortdurend met de vangst van
+Eekhoorns bezig; er zijn er, die meer dan 1000 vallen plaatsen. De
+Toengoesen schieten ze met stompe pijlen, om het vel niet te bederven,
+of gebruiken buksen met nauwen loop, met kogels ter grootte van een
+erwt, en dooden het dier door het in den kop te treffen. Volgens
+mondelinge mededeelingen van Radde is de Eekhoornjacht in het
+zuidoosten van Siberië even onderhoudend als opwindend. Het gevangen
+wild beloont den jager voor zijn moeite, want het vel, dat onder den
+naam _petit gris_ (_grauwerk_, _feh_) bekend is, wordt als pelswerk
+zeer geschat; de handel in dit artikel houdt een groot aantal menschen
+bezig. De mooiste vellen komen uit Siberië; zij zijn des te donkerder
+en kostbaarder, naarmate zij uit verder oostwaarts gelegen gewesten
+afkomstig zijn; aan deze zijde van den Oeral zijn zij lichter van
+kleur. Het ruggedeelte en het buikgedeelte van deze vellen worden
+afzonderlijk verwerkt. Rusland en Siberië leveren jaarlijks 6 à
+7 millioen vellen ter waarde van 1.800.000 gulden; slechts 2 à 3
+millioen vellen komen in West-Europa ter markt, de overige worden in
+'t land zelf gebruikt of gaan naar China. Bovendien worden de staarten
+afzonderlijk verwerkt tot "boa's"; van de staartharen maakt men goede
+schilderspenseelen. Het witte, malsche, smakelijke vleesch wordt door
+deskundigen overal gaarne gegeten.
+
+
+
+Ook de wouden van Amerika, Afrika en Indië worden vervroolijkt door de
+tegenwoordigheid van Eekhoorntjes, die ten deele zeer fraai gekleurd
+zijn; door hunne vlugge bewegingen trekken zij dikwijls niet minder dan
+de Apen de aandacht van den onderzoeker. Bovendien laten sommige zich
+zonder bezwaar in een hok verzorgen, waardoor men in de gelegenheid
+is allerlei eigenaardigheden van deze dieren op te merken, die in
+'t geheel niet waargenomen kunnen worden bij die, welke in vrijen
+toestand in de wildernis leven. Een betrekkelijk zeer klein Afrikaansch
+Eekhoorntje werd een tijdlang door Pechuel-Loesche aan de Loango-kust
+verzorgd en nagegaan. Hij schrijft hierover: "Een allerliefst
+Eekhoorntje met roestgele vacht, versierd met twee dubbele, zwarte
+en witte zijdestrepen, werd mij eens levend ten geschenke gegeven. De
+inboorlingen noemden het _Mkaka_. Blijkbaar was het geheel volwassen,
+toch was het niet grooter dan een flinke Muis, zoodat men het in de
+holle hand bergen kon. Binnen weinige dagen werd het zoo tam, dat
+het zich voortaan vrij in de kamer mocht bewegen. Met het vroolijk en
+zacht geroep van 'tik, tak,' dat telkens met een opwaartsche beweging
+van den staart gepaard ging, begeleidde het zijne grappige spelen;
+des nachts was het echter vlugger dan over dag. Zijne liefhebberijen
+veranderden buitengewoon snel. Een tijdlang koos het, wanneer het
+nu en dan ging zitten, bij voorkeur mijn inktpot als rustplaats uit,
+poetste en kamde zich, en volgde intusschen al mijne bewegingen met
+zijne schrandere oogjes. Als ik de pen indoopte, sprong het altijd
+op mijn hand over, en wanneer ik deze terugtrok, nam het zijn vorige
+plaats weer in. Daarna vond het mijn hoofd voor zetel geschikt, later
+mijn schouder, kroop intusschen ook in het geopende hemd, in een van
+mijne zakken, zoodat ik bij 't opstaan altijd vooraf nagaan moest,
+of ik het kleine schepseltje, dat dikwijls onder de bedrijven in slaap
+viel, niet op de een of andere plaats bij mij had. Als slaapplaats had
+ik het een uitgeholde adansonia-vrucht aangewezen, die op een veilige
+hoogte was opgehangen. Voortdurend was het bezig deze ruimte te vullen,
+met zachte lapjes, pluisjes van watten en groote vlokken heede, die
+het uit de kamer van mijn buurman wegnam, en naar boven vervoerde,
+door langs een als ladder dienenden stok of langs het rieten beschot
+omhoog te klauteren.
+
+"Wegens zijne bedrijvigheid en zucht naar veranderingen kwam het nooit
+tot rust en schiep het nooit lang behagen in de zaken, die het tot
+stand had gebracht. Het had nauwelijks een week gebruik gemaakt van
+het zachte nest, of het begon al reeds de met moeite bijeengebrachte
+bekleeding te versleepen en over te brengen naar een verleidelijk
+hoekje op mijn boekenplank; nadat deze eenigen tijd als slaapplaats had
+gediend, werd een derde nest aangelegd in een zak van de jas, die naast
+mijn schrijfstoel aan den muur hing. Daar achtte het zich gedurende
+geruimen tijd goed geborgen; ik meende dat het eindelijk tot rust zou
+zijn gekomen. Toen ik echter op een goeden keer mijne waterlaarzen
+wilde aantrekken, die ik, om ze tegen de Ratten te beveiligen, aan
+een over een dakspant geslagen touw had opgehangen en die dus vrij
+in de lucht zweefden, vond ik een van deze ingericht tot woning voor
+mijn Eekhoorntje en tot het boveneinde gevuld met heede, watten en
+vederen. Toen ontdekte ik ook, dat mijn rustelooze lieveling, evenals
+de Ziesels de manie had allerlei glinsterende en gladde voorwerpen
+te verzamelen: percussions, patroonhulzen, bontgekleurde scherven
+en andere fraaiigheden, en ook de vingerhoed, die ik sedert geruimen
+tijd miste, kwamen uit de laars te voorschijn. Voor het overige deed
+het niet veel kwaad."
+
+
+
+De grootste en de kleinste Eekhoornsoort komen beide in den
+Oost-Indischen archipel voor. De _Reuzen-eekhoorn_ (_Sciurus maximus_)
+heeft een lichaamslengte van 43 cM. met een staart van gelijke
+lengte, terwijl de op Sumatra en Borneo inheemsch _Dwerg-eekhoorn_
+(_Sciurus exilis_) zonder den 6 cM. langen staart, 6.5 cM. lang
+is. Van alle zoö-geographische rijken is trouwens het Oostersche
+gebied het rijkst aan Eekhoorns; niet minder dan 50 van de 100 à
+120 tot dusver bekende soorten van het geslacht (_Sciurus_) komen in
+dit gebied voor. Merkwaardig is hetgeen Wallace van deze dieren zegt,
+naar aanleiding van een bezoek door hem gebracht aan den heuvel Boekit
+Seboentang bij Palembang, die voor de begraafplaats van den stamvader
+der voormalige Palembangsche vorsten wordt gehouden: "Op een plaats,
+die ongeveer drie palen van de stad verwijderd is [1], rijst de
+grond tot een kleinen heuvel, die door de inboorlingen als heilig
+wordt beschouwd; eenige fraaie boomen, bevolkt door een kolonie van
+half tam geworden Eekhoorntjes beschaduwen hem. Wanneer iemand hun
+eenige broodkruimels, of eene of andere vrucht voorhoudt, komen zij
+snel langs den stam naar beneden, grissen het aangeboden hapje uit
+zijn vingers weg, en zijn in een oogwenk weder verdwenen. Zij dragen
+hunne staarten recht omhoog, en het haar, dat grijs, geel en bruin
+geringd is, spreidt zich gelijkmatig straalswijze rondom hen uit,
+en geeft hun een allerliefst voorkomen. Zij bewegen zich eenigermate
+op de wijze van Muizen, en gaan voort met kleine rukken, terwijl zij,
+alvorens zich verder te wagen, met hunne groote, zwarte oogen strak
+rondom zich staren. De wijze waarop de Maleiers zich dikwijls het
+vertrouwen van wilde dieren weten te verwerven, vormt een aangenamen
+trek in hun karakter, en is tot op zekere hoogte te verklaren uit de
+kalme bedaardheid hunner manieren, en de voorkeur die zij aan rust
+boven beweging geven. De kinderen zijn gehoorzaam aan de wenschen
+hunner ouders, en schijnen niets te gevoelen van de neiging tot
+kattekwaad, die men bij Europeesche jongens opmerkt. Hoe lang zouden
+wel tamme Eekhoorns de boomen kunnen bewonen in de nabijheid van
+een Engelsch dorp, al ware het zelfs vlak bij de kerk? De dorpsjeugd
+zou, zoo zij ze niet strikte om ze in draaikooien op te sluiten, met
+allerlei voorwerpen op hen mikken en hen spoedig verdrijven. Nooit
+heb ik gehoord, dat deze aardige diertjes in Engeland op zoodanige
+wijze werden tam gemaakt; doch ik geloof, dat dit gemakkelijk in het
+park van ieder heerenhuis zou kunnen gebeuren, en dat tamme Eekhoorns
+hier een even aardige en aantrekkelijke, als buitengewone vertooning
+zouden opleveren."
+
+Ook de Eekhoorns van Java en Sumatra echter, halen zich de vervolging
+van den mensch op den hals door de schade, die zij aanrichten. Zoo
+wordt van den _Tweekleurigen_ en van den _Zwartgevlekten Eekhoorn_
+(_Sciurus bicolor_ en _S. nigro-vittatus_) bericht, dat zij voor de
+koffieplantages lastige gasten zijn, omdat zij het sappige gedeelte
+van den vruchtwand der koffiebessen verslinden. Een andere Eekhoorn
+doet schade aan de Vijgeboomen, door het afknagen der eindknoppen, enz.
+
+
+
+Op de Dag-eekhoorns moeten wij de nachtelijk levende _Vliegende
+Eekhoorns_ (_Pteromys_) laten volgen. Zij onderscheiden zich van
+de leden van 't vorige geslacht vooral door de breede fladder-huid,
+die hunne ledematen, met uitzondering van de voor- en achtervoeten,
+aaneenverbindt. Door dit valscherm zijn de Vliegende Eekhoorns in
+staat, om met gemak zeer groote sprongen in schuinsche richting
+van boven naar beneden te doen; het bestaat uit een stevige huid,
+die aan de voorste en achterste ledematen en aan beide zijden
+van den romp bevestigd is, aan de rugzijde is zij dicht, aan de
+buikzijde echter dun behaard. Bovendien wordt het voorste deel
+van de fladderhuid nog gesteund door een beenige spoor aan den
+handwortel. De staart, een krachtig stuurorgaan, is altijd flink
+ontwikkeld; bij de verschillende soorten echter ongelijk behaard,
+bij die van de eene groep n.l. eenvoudig ruig, bij die van de andere
+bovendien tweerijig. Hierbij komen nog geringe verschillen in de
+samenstelling van het gebit.
+
+
+
+De _Tagoean_ (_Pteromys petaurista_), het grootste lid van de geheele
+familie, komt in lichaamsomvang ongeveer overeen met een Huiskat. De
+fladderhuid begint aan de voorpooten, en strekt zich langs de zijden
+van het lichaam uit tot de achterste ledematen; bovendien is nog
+een klein verlengstuk van deze huid tusschen de voorpooten en het
+achterste deel van den kop, en tusschen de achterpooten en het begin
+van den staart aanwezig. In den toestand van rust wordt de fladderhuid
+geplooid en tegen den romp aangelegd. Aan de bovenzijde van den kop,
+op den rug en aan den wortel van den staart is de haarkleur een
+mengsel van grijs en zwart. Aan de geheele onderzijde heeft de vacht
+een vuil witachtig grijze kleur. De kleur van de fladderhuid wisselt
+af van zwartbruin tot kastanjebruin aan de bovenzijde, de randen zijn
+licht aschgrauw, de onderzijde is grijs met een eenigszins geelachtige
+tint. De staart is zwart.
+
+De Tagoean bewoont alle gewesten van Oost-Indië en Ceylon, waar
+uitgestrekte bosschen voorkomen; daar leeft hij afzonderlijk of bij
+paren in de dichtste deelen van het woud, en bij voorkeur op de hoogste
+boomen. Over dag slaapt hij in holle boomen, des nachts komt hij te
+voorschijn, klimt en springt met buitengewone snelheid, behendigheid
+en zekerheid van beweging in de boomkronen rond, of maakt zeer groote
+sprongen van boven naar beneden om naburige boomen te bereiken. Daarbij
+strekt hij zijne ledematen in horizontale richting zijwaarts en spant
+hierdoor de fladderhuid tot een groot valscherm uit. De staart wordt
+als stuurorgaan gebruikt en stelt het dier, naar men beweert, in staat
+om door een plotselinge wending gedurende den sprong de richting van de
+beweging te veranderen. Sanderson weerspreekt deze bewering en zegt,
+dat het dier niet meer van de gekozen richting kan afwijken, nadat
+het den sprong heeft aangevangen; de inboorlingen wachten het aan
+het eindpunt van den sprong op en dooden het met een stokslag. Naar
+men verhaalt, is de snelheid, waarmede deze dieren springen en andere
+bewegingen maken, zoo buitengewoon groot, dat het oog hen bijna niet
+volgen kan.
+
+
+
+In noordelijke gewesten komen Vliegende Eekhoorns voor met tweerijig
+behaarden, langen, ruigen staart. Tot deze groep behoort de _Gewone
+Vliegende Eekhoorn_, de _Ljoetaga_ der Russen (_Pteromys volans_),
+die het noordelijke deel van Oost-Europa en bijna geheel Siberië
+bewoont. Dit dier is aanmerkelijk kleiner dan ons Eekhoorntje; zijn
+romp is zonder den 10 cM. langen, staart, slechts 16 cM. lang. De
+dichte en voor 't gevoel zijdeachtige vacht is in den zomer aan
+de bovenzijde vaalbruin; de bovenzijde van de "vlieghuid" en de
+buitenzijde van de pooten zijn donkerder grijsbruin, de onderdeelen
+zijn wit. In den winter wordt de vacht langer, dichter en lichter
+van kleur; de bovendeelen en de staart zijn dan zilvergrijs.
+
+Het Gewone Vliegende Eekhoorntje bewoont groote berkenbosschen of
+gemengde bosschen, waarin sparren, dennen en berken met elkander
+afwisselen. De berken schijnen voor zijn leven noodzakelijk te
+zijn; hierop wijst ook de kleur van de vacht, die over 't geheel
+genomen evenzeer gelijkt op die van den berkenbast, als de kleur
+van ons Eekhoorntje gelijkt op die van de schors van dennen en
+sparren. Ofschoon het vel van den Ljoetaga als pelterij weinig waarde
+heeft, wordt het toch door de Chineezen voor dit doel gebruikt. Iederen
+winter worden een groot aantal van deze dieren gedood; hun aantal
+neemt dan ook sterk af; uit vele streken waar zij vroeger veelvuldig
+voorkwamen, zijn zij bijna geheel verdwenen; misschien komen zij er
+echter nog talrijker voor, dan men meent.
+
+Hun voedsel bestaat uit noten en zaden van allerlei boomen, bessen,
+knoppen, jonge spruiten en katjes van berken. Als de koude aanvangt,
+vervallen zij in een afgebroken winterslaap: gedurende de koude dagen
+slapen zij; als het weder zachter is, loopen zij iederen dag minstens
+een paar uur rond.
+
+
+
+Een merkwaardig geslacht is dat van de _Aard-eekhoorns_
+(_Tamias_). Door het bezit van wangzakken, die zich tot aan het
+achterhoofd uitstrekken, en door hun meer of minder onderaardsche
+levenswijze vormen zij een overgang van de Eekhoorns tot de Ziesels;
+zij stemmen echter meer met gene dan met deze overeen. De dun behaarde
+staart is een weinig korter dan het overige lichaam; de vacht is kort
+en niet zeer zacht, op den rug gewoonlijk met duidelijke, overlangsche
+streepen geteekend. De weinige, hiertoe behoorende soorten bewonen
+Oost-Europa, Siberië en Noord-Amerika.
+
+
+
+De _Boeroendoek_ of _Gestreepte Siberische Aard-eekhoorn_ (_Tamias
+striatus_) is aanmerkelijk kleiner, maar plomper gebouwd dan onze
+Eekhoorn. De kleur van de korte, ruige, dicht aanliggende vacht is aan
+den kop, den hals en de zijden van den romp geelachtig, en bevat vele
+lange haren met witte spitsen; over den rug loopen vijf overlangsche,
+zwarte streepen, die strooken van ongelijke breedte begrenzen: de
+middelste is boven de ruggegraat gelegen, de beide volgende strekken
+zich van den kop tot aan de achterpooten uit, daartusschen bevindt
+zich een bleekgele strook. De geheele onderzijde is geelachtig wit.
+
+Het vaderland van den Aard-eekhoorn van de Oude Wereld bestaat uit een
+groot deel van Noord-Azië en een klein stuk van Oost-Europa. Hij is een
+woudbewoner en komt zoowel in naaldboombosschen als in beukenbosschen
+voor, het veelvuldigst echter daar, waar vele Russische ceders of
+arven groeien, welker (ook voor den mensch) bruikbare zaden, hij
+gaarne eet. Onder de wortels van deze boomen graaft hij zijn tamelijk
+kunsteloos, eenvoudig hol, dat uit het eigenlijke nest en één, twee
+of drie voorraadkamers bestaat, welke ruimten het dier door een lange
+gekronkelde gang kan bereiken. Het voedt zich met zaden en bessen,
+maar vooral met noten en graankorrels; van deze beide voedingsmiddelen
+bevatten zijne voorraadschuren in sommige winters 5 à 8 KG., welke
+proviand in de wangzakken er heen wordt gebracht.
+
+De Aard-eekhoorns worden door de landbouwers niet gaarne
+gezien. Evenals de Muizen begeven zij zich naar de graanschuren en
+richten hier, wanneer zij zeer talrijk zijn, groote schade aan. Hunne
+gevulde voorraadschuren worden, evenals in andere landen die van de
+Hamsters, opgegraven en geledigd. De Siberiërs trekken ook partij
+van het vel van deze dieren, dat naar China wordt gezonden, waar het
+gebruikt wordt voor het boorden en garneeren van andere pelterijen.
+
+De Aard-eekhoorns zijn door hunne fraaie kleur en sierlijke, vlugge
+bewegingen geschikt om de belangstelling te wekken van hen, die gaarne
+dieren in gevangenschap houden. Volkomen tam worden zij nooit, altijd
+blijven zij vreesachtig en toonen lust tot bijten.
+
+
+
+De _Marmotten_ (_Arctomyinae_), die de tweede onderfamilie van
+de Eekhoornachtigen vormen, onderscheiden zich van de Eekhoorns in
+engeren zin door den loggeren, meer ineengedrongen romp, den korteren
+staart en door eigenaardigheden van het gebit. Deze diergroep omvat
+een tamelijk groot aantal soorten, die over Middel-Europa, Noord-Azië
+en Noord-Amerika verbreid zijn. De meeste bewonen de vlakten, eenige
+echter leven juist in de hoogste bergen van hun vaderland. Zij houden
+zich op in droge, leemachtige, zandige of steenachtige gewesten, in
+grasrijke vlakten en steppen, in bouwlanden en tuinen; de Marmotten,
+die in de gebergten leven, geven echter aan de weiden, die boven de
+grens van den boomgroei gelegen zijn, of aan de ravijnen en rotsdalen,
+die tusschen deze grens en de sneeuwgrens voorkomen, de voorkeur
+boven de genoemde vlakten. Alle soorten hebben vaste woonplaatsen
+en trekken niet van het eene oord naar het andere. Zij graven diepe,
+onderaardsche woningen en leven hier in gezelschappen, die dikwijls
+uit een verbazend groot aantal individuën bestaan. Sommige hebben
+meer dan één woning, en maken van de eene of de andere gebruik, al
+naar het jaargetijde, of al naar de werkzaamheden, die zij juist dan
+te verrichten hebben. Andere blijven jaar in jaar uit in hetzelfde
+hol. Alle leven op den bodem; hoewel hare bewegingen ook nog snel en
+vlug zijn, staan zij toch in dit opzicht bij de eigenlijke Eekhoorns
+achter; eenige soorten komen ons zelfs log voor. Gras, kruiden, malsche
+spruiten, jonge planten, zaden, veldvruchten, bessen, wortels, knollen
+en bollen verschaffen haar voedsel; alleen die soorten, welke zich
+met veel moeite in de boomen en struiken naar boven kunnen begeven,
+eten jonge boombladeren en knoppen. Waarschijnlijk gebruiken ook zij,
+behalve planten, Insecten en Zoogdieren tot voedsel, en verschalken
+zij soms Vogels, die zich niet vlug kunnen bewegen, of plunderen hunne
+nesten. Sommige soorten zijn schadelijk in koornvelden en tuinen;
+het door haar veroorzaakte nadeel is echter niet belangrijk. Bij
+het eten zitten zij als de Eekhoorntjes op haar achterwerk en
+brengen het voedsel met de voorpooten naar den mond. Zoodra de
+vruchten rijp zijn, beginnen zij winterprovisie te verzamelen en
+hare onderaardsche voorraadschuren te vullen met grassen, bladen,
+zaden en graanvruchten. Als de winter komt, verschuilen zij zich in
+hare holen en vervallen hier in een diepen, onafgebroken winterslaap.
+
+Haar stem bestaat uit een meer of minder luid gefluit of gekef,
+en een soort van geknor, dat, wanneer het zacht is, een tevredene
+gemoedstemming te kennen geeft, maar anders toorn verraadt. Vele
+soorten zijn hoogst opmerkzaam, voorzichtig en waakzaam, schuw
+en vreesachtig; zij zetten wachten uit tot vermeerdering van de
+veiligheid van het gezelschap, en vluchten bij het geringste vermoeden
+van een naderend gevaar ten spoedigste naar hare onderaardsche
+schuilplaatsen. Haar verstand blijkt hieruit, dat zij gemakkelijk
+en in vrij hooge mate getemd kunnen worden. De meeste leeren hare
+verzorgers kennen en worden zeer gemeenzaam; eenige geven zelfs
+bewijzen van volgzaamheid en leerzaamheid, en laten zich tot het doen
+van verscheidene kunstjes africhten.
+
+Zij vermenigvuldigen zich zeer sterk. Wel werpen zij gemiddeld slechts
+eens 't jaar jongen, maar elke worp bestaat uit 3 à 10 stuks.
+
+Van sommige wordt het vel gebruikt, van andere wordt het vleesch
+gegeten; ook zijn zij geschikt om, als huisgenooten van den mensch, tot
+zijn tijdverdrijf te dienen; ander voordeel verschaffen zij ons niet.
+
+
+
+De eerste groep van de Marmotachtige Knaagdieren omvat de _Ziesels_
+(_Spermophilus_). Van deze verdient, als bewoner van Middel-Europa,
+vermelding de _Gewone Ziesel_ (_Spermophilus citillus_), een aardig
+diertje, bijna van de grootte van een Hamster (hoogstens 24 cM. lang,
+zonder den 7 cM. langen staart; schouderhoogte omstreeks 9 cM.), maar
+met veel slankeren romp en bevalliger kopje. Hij heeft een losse,
+uit tamelijk stijve haren bestaande vacht, die aan de bovenzijde
+geelachtig grijs is, met onregelmatige roestgele golflijnen en fijne
+vlekjes, aan de onderzijde roestgeel, aan de kin en het voorste deel
+van den hals wit.
+
+De Ziesel komt voornamelijk in het oosten van Europa voor. Albertus
+Magnus heeft hem waargenomen in de nabijheid van Regensburg, waar
+hij thans niet meer gevonden wordt; in den laatsten tijd breidt
+zijn woongebied zich in Silezië hoe langer hoe verder naar 't westen
+uit. Voor omstreeks 60 jaren kende men hem daar niet, sedert 50 jaren
+echter is hij reeds in het westelijk deel van de provincie, en wel in
+het regeeringsdistrict Liegnitz doorgedrongen en schrijdt vanhier uit
+verder westwaarts voort. Naar het schijnt, heeft hij van alle verwante
+soorten het uitgestrektste verbreidingsgebied. Met zekerheid kent men
+hem als bewoner van het zuiden en midden van Rusland, van Galicië,
+Silezië en Hongarije, Stiermarken, Moravië en Boheme, Karinthië,
+Krain. Op de meeste plaatsen, waar de Ziesel zich ophoudt, komt hij
+veelvoudig voor; soms veroorzaakt hij een aanmerkelijke schade aan den
+landbouw. Droge, boomlooze gewesten strekken hem tot verblijfplaats,
+vooral houdt hij van een samenhangenden zand- of leembodem, dus van
+akkergrond en uitgestrekte grasvlakten. In den laatsten tijd is hij
+volgens Herklotz, begonnen zich te vestigen in streken, die door
+spoorwegen doorsneden worden; daar de spoordijken hem het graven
+gemakkelijk maken, en voor regenbuien eenigszins beveiligen. Deze
+dieren leven steeds gezellig, maar ieder hunner graaft zich zijn eigen
+hol in den grond, het mannetje dichter bij de oppervlakte, het wijfje
+dieper. De kamer ligt 1 à 1.5 M. onder de oppervlakte van den bodem,
+is van langwerpig ronden vorm, heeft ongeveer 30 cM. middellijn
+en wordt met droog gras gevoerd. Naar boven leidt altijd slechts
+een enkele, nauwe gang, vóór welker opening een kleine hoop aarde
+opgeworpen is. Andere ruimten van de onderaardsche woning dienen als
+bewaarplaatsen van den wintervoorraad, die in den herfst bijeengebracht
+wordt. Het hol, waarin het wijfje in de lente, gewoonlijk in April of
+Mei, hare 3 à 8 hulpbehoevende, naakte en blinde jongen ter wereld
+brengt is, om het teer geliefde kroost voldoende te beveiligen,
+altijd dieper aangelegd dan het gewone, tot woning dienende hol.
+
+"Ofschoon de Ziesel zeer wantrouwig en voorzichtig is," schrijft
+Herklotz, "geraakt hij toch aan dikwijls herhaalde storingen gewoon,
+zoodat deze hem ten slotte in 't geheel niet meer hinderen. Op een
+Hongaarschen spoorweg ontdekte ik aan het einde van een ten deele
+in 't puin bedolven dwarslegger, een in den spoordijk doordringend
+Zieselhol, waaraan ik door den reuk kon bemerken, dat het bewoond
+werd. Om mij hiervan volkomen te overtuigen, ging ik op de loer liggen,
+en het duurde niet lang of de Ziesel kwam te voorschijn. Een half
+uur later kwam de trein aansnorren, de Ziesel schoot in zijn hol,
+maar bleef met het halve lijf er buiten, liet rustig den trein over
+zich heen ratelen, kwam toen dadelijk weer te voorschijn en hervatte
+zijne vroegere bezigheden."
+
+Malsche kruiden en wortels, graansoorten, peulvruchten en allerlei
+bessen, maken het gewone voedsel van den Ziesel uit. Tegen den aanvang
+van den herfst begint hij voorraad in te zamelen, die hij op de
+wijze van den Hamster in de wangzakken naar zijn hol vervoert. Als
+de gelegenheid zich voordoet, wordt de Ziesel ook gevaarlijk voor
+Muizen en voor Vogels die op den grond nestelen; want hij ontrooft
+hun niet alleen de eieren, maar overvalt zelfs de volwassen Vogels,
+als zij niet voorzichtig zijn, brengt ze een paar beten toe, vreet hun
+de hersenen uit den kop en verslindt ze daarna geheel, met uitzondering
+van de huid. Het voedsel houdt hij zeer sierlijk tusschen de voorpooten
+vast en eet het op, terwijl hij in half opgerichte houding op zijn
+achterwerk zit.
+
+De schade, die de Ziesel door zijne dieverijen veroorzaakt,
+wordt alleen dan merkbaar, als het dier zich buitengewoon
+sterk vermenigvuldigt. Maar de Hermelijnen, Wezels, Bunzingen en
+Steenmarters, de Valken, Kraaien, Reigers en Trappen, zelfs de Katten,
+de Rattenvangers en andere bekende verdelgers van Knaagdieren maken
+ijverig jacht op hem. De Groote Trap o.a. vervolgt den Ziesel met
+evenveel ijver als behendigheid, doodt hem door een snavelhouw
+en verslindt hem met huid en haar. Ook de hand van den mensch is
+tegen hem; hij wordt vervolgd zoowel wegens zijn vel, als om zijn
+smakelijk vleesch; men vangt hem in strikken en vallen, graaft hem
+uit of dwingt hem zijn hol te verlaten door er water in te gieten,
+enz. Hierdoor wordt aan de sterke vermenigvuldiging van den Ziesel
+paal en perk gesteld.
+
+Het is niet moeielijk den Ziesel levend te vangen. De spade brengt het
+in zijn hol verborgen dier spoedig aan 't daglicht, of de arglistig
+voor den ingang geplaatste val doet hem bij het verlaten zijner woning
+de vrijheid verliezen. In dit geval gedraagt de Ziesel zich op een
+zeer beminnelijke wijze. Hij maakt van den nood een deugd en sluit
+langzamerhand vriendschap met den hem opgedrongen meester. Toch toont
+hij niet zelden de eigenaardige streken van de Knaagdieren door duchtig
+te bijten. Als hij goed behandeld wordt, kan de Ziesel verscheidene
+jaren lang als gevangene in 't leven blijven. Met de Hazelmuis is
+hij wel een van de aardigste dieren, die men in de kamer houden kan.
+
+
+
+De in Noord-Amerika levende _Prairie-hond_ (_Cynomys ludovicianus_)
+verbindt in zekeren zin de Ziesels met de eigelijke Marmotten;
+hoewel hij streng genomen tot gene behoort, gelijkt hij toch meer op
+deze. De romp is ineengedrongen, de kop groot, de staart zeer kort,
+ruig, van boven en aan de zijden gelijkmatig behaard; de wangzakken
+zijn onbeduidend. Volwassen Prairie-honden kunnen, met inbegrip
+van den ongeveer 7 cM. langen staart, een lengte van ongeveer 40
+cM. bereiken. De kleur van de bovenzijde is licht roodachtig bruin,
+met grijs en een zwartachtige tint gemengd, die van de onderzijde is
+vuilwit, de korte staart is aan de spits bruin gestreept.
+
+De naam "Prairiehond," die langzamerhand burgerrecht heeft gekregen, is
+aan dit dier gegeven door de oude Canadeesche trappers of pelsjagers,
+die het ontdekten, en welker aandacht vooral getrokken werd door het
+blaffend geluid, dat het laat hooren. In zijn uitwendig voorkomen is
+niets, wat aan den Hond herinnert. Zijne uitgestrekte verblijfplaatsen,
+die men, wegens hun omvang "dorpen" noemt, worden geregeld gevonden
+op eenigszins laag gelegen weiden, waar een sierlijke grassoort
+een prachtig tapijt vormt en tevens aan de dieren het verkrijgen van
+voedsel gemakkelijk maakt. "Tot welk een ongeloofelijke uitgestrektheid
+de koloniën van deze vreedzame bodembewoners zijn aangegroeid," zegt
+Balduin Möllhausen, "bemerkt men het best, wanneer men voortdurend,
+dagen achtereen tusschen de kleine heuvels doortrekt, die ieder aan
+twee of meer van deze dieren tot woonplaats dienen. De woningen zijn
+gewoonlijk 5 à 6 M. van elkander verwijderd; iedere kleine heuvel, die
+zich voor den ingang van zulk een woning verheft, bestaat vermoedelijk
+uit een flinke wagenvracht aarde, die langzamerhand door de bewoners
+uit de onderaardsche gangen aan de oppervlakte is gebracht. Sommige
+woningen hebben één, andere twee ingangen. Een vastgetreden pad
+leidt van de eene woning naar de andere; dit ziende, komt men tot het
+vermoeden, dat er tusschen deze vlugge diertjes een innige vriendschap
+moet bestaan. Tot de keuze van een plaats voor het aanleggen hunner
+'steden' schijnen zij bepaald te worden door de aanwezigheid van een
+korte grassoort met gekroesde bladen, die vooral op hoogvlakten tiert,
+en die, met den wortel van een andere plantensoort, het eenige voedsel
+van deze diertjes uitmaakt. Zelfs op de hoogvlakten van Nieuw-Mexico,
+waar vele mijlen in 't rond geen druppel water te vinden is, treft
+men dicht bevolkte vrijstaten van deze diersoort aan. Daar er in deze
+streken verscheidene maanden achtereen geen regen valt, en men ook, om
+het grondwater te bereiken, meer dan 30 M. diep moet graven, mag men
+wel aannemen, dat de Prairie-honden geen ander water noodig hebben,
+dan dat hetwelk door een sterken dauw van tijd tot tijd op de fijne
+grashalmen wordt neergeslagen. Als de Prairie-hond den tijd voelt
+naderen, waarin hij den winterslaap zal aanvangen, hetgeen gewoonlijk
+in de laatste dagen van October geschiedt, sluit hij alle uitgangen
+van zijn woning om zich tegen de koude winterlucht te beveiligen, en
+geeft zich aan den slaap over, om niet eerder de onderwereld weder
+te verlaten dan in de lentedagen, als de warmte hem tot een nieuw,
+vroolijk leven opwekt. Volgens de verhalen van de Indianen, opent
+hij dikwijls reeds de deuren zijner woning als het weder nog koud
+is. Dit wordt dan beschouwd als een betrouwbaar voorteeken van de
+spoedige komst van warme dagen.
+
+"Zulk een kolonie levert een merkwaardig schouwspel op, als het
+gelukt, haar tot op korten afstand te naderen, zonder door de wachten
+opgemerkt te worden. Zoover het oog reikt, ziet men overal leven en
+beweging; bijna op iederen heuvel zit rechtop als een Eekhoorntje, de
+kleine, geelachtig bruine Marmot; het naar boven gerichte staartje is
+voortdurend in beweging en de fijne, blaffende stemmetjes van de vele
+duizenden dieren, vereenigen zich tot een gonzend gedruisch. Als de
+toeschouwer nog eenige schreden naderbij komt, hoort en onderscheidt
+hij de zwaardere stem van de oude en ervaren hoofden; maar op
+eens, als door een tooverslag, is al dit leven van de oppervlakte
+verdwenen. Slechts hier en daar komt uit de opening van een hol de kop
+van een verspieder te voorschijn, die door een aanhoudend, uitdagend
+geblaf, zijne verwanten voor de gevaarlijke nabijheid van een mensch
+waarschuwt. Als men dan gaat liggen, en zonder zich te bewegen met
+geduld acht geeft op hetgeen er in de naaste omgeving voorvalt,
+zal men na verloop van korten tijd de schildwacht weder zijn plaats
+op den heuvel voor zijn deur zien innemen; door onophoudelijk te
+blaffen, maakt hij zijne soortgenooten bekend met het ophouden van het
+gevaar. Hij lokt daardoor de eene voor, de andere na uit de donkere
+gangen aan de oppervlakte, waar weldra de vreedzame werkzaamheden
+van deze gezellige dieren op nieuw een aanvang nemen. Uren lang zou
+men, zonder verveling, dit aanhoudend afwisselend tafereel kunnen
+beschouwen; 't is te begrijpen, dat menigeen dan de wensch in zich
+voelt opkomen, de taal van deze dieren te leeren verstaan, om hunne
+gesprekken te kunnen afluisteren en in hun gedachtenkring door te
+dringen."
+
+Een opmerkelijk feit, voor welks juistheid verscheidene
+natuuronderzoekers ons borg staan, is, dat de woningen der
+Prairie-honden ook aan twee gevaarlijke vijanden van kleine Knaagdieren
+huisvesting verschaffen. Het is volstrekt geen zeldzaamheid, Marmotten,
+Aarduilen en Ratelslangen door dezelfde opening naar binnen te
+zien gaan.
+
+"Ieder die met de prairie en hare bewoners goed bekend is", schrijft
+Finsch, "weet, dat deze dieren vreedzaam in een en 't zelfde hol
+bijeenwonen. De dierenopzetters in het verre westen, kiezen met
+voorliefde dit klaverblad als voorbeeld voor een dierengroep, die
+onder den naam van 'de gelukkige familie' bij de vreemdelingen niet
+weinig verwondering wekt."
+
+Van de gevangen Prairie-honden bericht Haacke onder meer het volgende:
+"Er zijn waarschijnlijk niet veel dieren, welker leven in den gevangen
+staat zich zoo gemakkelijk tot een nagenoeg met de natuur overeenkomend
+beeld van hun leven in den vrijen staat laat inrichten, als dat
+van de Prairie-honden, welker kunstige woningen en merkwaardige
+werkzaamheden met groote belangstelling door vele bezoekers van
+den Frankforter dierentuin worden nagegaan. Nauwelijks waren in den
+vorigen zomer de dieren weer toegelaten in ons Prairie-honden-park, dat
+door eenige nieuwe inrichtingen verbeterd was, of hun onderaardsche
+arbeid nam een aanvang. Des namiddags waren de dieren in 't park
+toegelaten, den volgenden nacht reeds konden zij in hunne nieuwe
+holen slapen. Bij het uitgraven van zijn hol gaat de Prairie-hond met
+groote omzichtigheid te werk. Nooit begint hij te graven op den bodem
+van den onderaardschen gang die hij verlengen wil, want daardoor
+zou hij zich den uitweg versperren of althans zeer bemoeilijken;
+steeds begint hij zijn arbeid in de onmiddellijke nabijheid van
+den ingang. Hier wordt de aarde die van een vorigen keer is blijven
+liggen, met de voorpooten onder den buik van het dier geschoven en
+vervolgens met de achterpooten naar buiten geslingerd; zoo verdwijnt
+het dier, dat afwisselend met de voor- en achterpooten arbeidt,
+langzamerhand in de diepte. Met het graven der gangen is echter het
+bouwen van de woning niet afgeloopen. Een belangrijk deel van den
+hiervoor vereischten arbeid is het opwerpen van een ringwal om de
+uitgangsopening, waardoor het hol tegen overstrooming gevrijwaard
+wordt. Met dit doel wordt de uitgegraven aarde bijeengebracht. Al
+wat te ver was voortgesmeten, wordt door de achterpooten weer in de
+buurt van den ingang van het hol geworpen; daarna schuift het dier,
+omdat hier degelijk werk verricht moet worden, de aarde zorgvuldig
+met de voorpooten voor zich uit, en hoopt haar rondom den ingang
+op. Om te maken dat zij hier blijft liggen en een flinken wal vormt,
+wordt zij netjes met den neus vastgestampt; om de beste uitkomst te
+verkrijgen, worden regendagen gekozen voor het stevig maken van den
+wal en van de wanden van den ingang; men ziet op zulke dagen rondom
+den ingang overal de indruksels van den neus van het dier.
+
+"Met het oog op de weersveranderingen brengt de Prairie-hond nu en dan
+tijdelijke wijzigingen aan in zijn woning. Toen het in October koud
+werd, maakten onze Prairie-honden drie van de vijf toegangsopeningen
+tot hun hol dicht. Voor dit doel werden de wallen gedeeltelijk
+afgebroken. Juist het tegendeel geschiedde, naar mij bleek, in den
+zomer, als de zon na eenige regendagen veel warmte gaf en er voor het
+uitdrogen van de woning gezorgd moest worden. Toen werden er, om het
+ontwijken van den waterdamp te bevorderen, luchtgangen gegraven. Om
+het hol bewoonbaar te maken, moet het leger van het dier met hooi
+en dergelijke materialen bekleed worden. Bij droog weder werpen
+wij onze Prairie-honden een handvol hooi toe. Met de voorpooten en
+den bek maken de dieren van het hooi boschjes, die zoo dik zijn,
+dat zij ze bijna niet met den mond kunnen vasthouden en verdwijnen
+hiermede in de diepte. Op soortgelijke wijze handelen zij met papier;
+geheele couranten worden tot een prop samengevouwen en in het hol
+gesleept. Als het hooi van het leger te vochtig geworden is, nemen
+zij het weg en vervangen het door nieuw hooi."
+
+
+
+Wat de Prairie-hond is in de Nieuwe Wereld, is de _Bobak_ (_Arctomys
+bobac_) in de Oude Wereld: een bewoner van de vlakte. De lichaamslengte
+van dit dier, dat men eerst in den laatsten tijd van de Marmot der
+Alpen heeft leeren onderscheiden, bedraagt 37 cM., zonder den 9
+cM. langen staart; de tamelijk dichte vacht is vaal roestgeel. De
+jongen zijn doffer van kleur dan de ouden.
+
+Het verbreidingsgebied van den Bobak strekt zich uit van 't zuiden
+van Polen en Galicië over een deel van Centraal-Azië tot aan den Amoer
+en misschien tot Kamtschatka en over den Himalaja tot in Sikkim. Hij
+bewoont vlakten en steenachtige heuvels; zoowel bosschen als zandige
+streken worden door hem gemeden, omdat deze hem het graven van
+zijne diepe woningen niet veroorloven. Adams vond hem in de breedste
+dalen van Kasjmir nog op hoogten van 2000 en zelfs van 3000 M. boven
+den zeespiegel. Hier houdt hij zich op in vruchtbare vlakten, waar
+gedurende den zomer een plantenkleed, dat veel afwisseling vertoont
+maar niet hoog opgroeit, den bodem bedekt. Altijd en overal leeft
+hij in gezelschappen, die uit een groot aantal individuën bestaan,
+en geeft hierdoor aan vele gewesten een eigenaardig voorkomen:
+tallooze heuvels, die men in de grassteppen van Centraal-Azië,
+opmerkt, danken hun ontstaan hoofdzakelijk aan deze Marmotten, die
+door hun bedrijvigheid den reiziger weten te boeien, en door hun
+vleesch voor de menschen en voor vele dieren, die de steppe bewonen,
+van groot belang zijn.
+
+
+
+Boven op de hoogste steengruishoopen der Alpen, waar geen boom, geen
+struik meer groeit, waar geen Rund meer komt en waar de Geiten en
+Schapen zich maar zelden vertoonen, zelfs op de kleine rotseilanden
+midden tusschen de groote gletschers, waar de sneeuw slechts gedurende
+hoogstens zes weken ieder jaar door de warme zonnestralen wordt
+weggevaagd: daar woont een reeds sinds overouden tijd bekend lid
+van de familie, wiens leven wel is waar, wat de hoofdzaken betreft,
+overeenstemt met dat van zijne vroeger beschrevene verwanten, maar
+wegens zijn eigenaardige woonplaats in vele opzichten er ook van
+afwijkt. De Romeinen noemden dit dier _Alpenmuis_, de Savoyaarden
+noemen het _Marmotta_, de bewoners van Engadin _Marmotella_. Van deze
+namen zijn zoowel het Nederlandsche woord _Marmot_, als het Duitsche
+woord _Murmelthier_ nabootsingen. In Bern heet het _Murmeli_, in
+Wallis _Murmentli_ en _Mistbelleri_, in Gauwbunderland _Marbetle_
+of _Murbentle_, in Glarus _Munk_.
+
+Dit dier is ons tegenwoordig vreemder, dan het vroeger was. De arme
+Savoyaardenjongens mogen niet meer zwerven; vroeger trokken zij tot
+in ons land en nog verder noordwaarts met hun tammen Marmot op den
+rug, om door de eenvoudige voorstellingen, die zij met hun eenige
+bezitting in dorpen en steden gaven, eenige centen op te halen. Het
+is met de Marmot gegaan als met het Kameel, den Aap en den Beer: zij
+heeft opgehouden een bron van vreugde voor de dorpsjeugd te zijn;
+men moet thans tamelijk ver reizen, tot in de dalen der Alpen, om
+nog een levende Marmot te zien.
+
+De _Marmot_ (_Arctomys marmota_) kan, met inbegrip van den
+11 cM. langen staart, een lengte van 62 cM. bereiken, bij een
+schouderhoogte van 15 cM. Door gestalte en lichaamsbouw gelijkt zij op
+hare verwanten. De beharing, die uit kort wolhaar en langer bovenhaar
+bestaat, is dicht, overvloedig en tamelijk lang; de kleur is aan de
+bovenzijde in meerdere of mindere mate bruinzwart, op de kruin en het
+achterhoofd afgebroken door eenige witachtige stippen, in den nek,
+aan den wortel van den staart en aan de geheele onderzijde donker
+roodachtig bruin, aan de pooten, de zijden van den romp en aan het
+achterwerk nog lichter, aan den snuit en aan de voeten roestgeelachtig
+wit. De oogen en de klauwen zijn zwart, de snijtanden bruinachtig
+geel. Men treft ook geheel zwarte of witte en parelkleurig wit gevlekte
+exemplaren aan.
+
+Uit onderzoekingen van den laatsten tijd is gebleken, dat de Marmot
+uitsluitend Europa bewoont. Zij houdt zich op in de hooge gebergten,
+in de Alpen, Pyreneën en Karpaten, en meer bepaaldelijk in de hoogst
+gelegen gedeelten, in de weiden die in de onmiddellijke nabijheid van
+de eeuwigdurende ijs- en sneeuwvelden gelegen zijn, en daalt over 't
+algemeen niet lager dan tot de boomgrens af. Als verblijfplaats kiest
+zij vrije ruimten, die aan alle zijden door steile rotswanden begrensd
+zijn of kleine, nauwe bergkloven tusschen alleenstaande spitsen,
+bij voorkeur oorden, die zoo ver mogelijk van de tooneelen van 's
+menschen bedrijvigheid verwijderd zijn. Hoe eenzamer het gebergte is,
+des te veelvuldiger komt zij voor; daar waar de mensch druk verkeert,
+is zij reeds uitgeroeid. In den regel bewoont zij alleen de naar 't
+zuiden, oosten en westen gekeerde bergvlakten en hellingen, omdat zij,
+evenals de meeste dagdieren, veel van de zonnestralen houdt. Hier
+heeft zij hare holen gegraven, sommige klein en eenvoudig, andere
+dieper en op ruimer schaal aangelegd, gene voor den zomer bestemd,
+deze voor den winter, gene tot beschutting tegen voorbijgaande
+gevaren of ongunstige weersveranderingen, deze om als schuilplaats te
+dienen gedurende den vreeselijk strengen winter, die hierboven 6, 8,
+ja zelfs 10 maanden lang den schepter zwaait. Minstens twee derden
+van het jaar verslaapt dit merkwaardige wezen, soms nog veel meer,
+want op zijne hoogst gelegen woonplaatsen duren zijn groei en zijn
+leven boven den grond ternauwernood een zesde deel van het jaar.
+
+Het leven van de Marmot gedurende den zomer is zeer
+merkwaardig. Volgens Tschudi vertoonen zich met het aanbreken van
+den dag in de eerste plaats de oude dieren; zij steken voorzichtig
+den kop buiten het hol, kijken rond, luisteren, wagen zich dan
+langzaam geheel naar buiten, loopen eenige schreden omhoog, gaan op
+de achterpooten zitten en plukken vervolgens gedurende eenigen tijd
+zelfs het kortste gras met ongeloofelijke snelheid af. Korten tijd
+daarna ziet men ook de kopjes van de jongen zich boven den ingang
+van de woning verheffen; zij sluipen naar buiten, grazen een weinig,
+liggen uren lang in de zon, gaan rechtop zitten en spelen lief met
+elkander. Alle oogenblikken kijken zij om en letten met de grootste
+opmerkzaamheid op al wat er in de omgeving voorvalt. Het eerste
+dier, dat een verdacht verschijnsel opmerkt, een Roofvogel, een
+Vos of een mensch, fluit luid en zwaar door den neus; sommige van
+de overige herhalen dit en in een oogwenk zijn alle verdwenen. In
+verscheidene gevallen heeft men van deze diertjes in plaats van
+fluiten een luid gekef vernomen; dit heeft misschien tot den naam
+"Mistbelleri" aanleiding gegeven. Of zij in den regel wel eigenlijke
+wachten uitzetten, is nog niet uitgemaakt. Hun kleinheid vermindert
+het gevaar van ontdekt te worden, terwijl bovendien het gezicht en
+in nog hoogere mate het gehoor en de reuk bij hen zeer scherp zijn.
+
+Gedurende den zomer wonen de Marmotten afzonderlijk of paarsgewijs
+in haar eigen zomerwoningen, die door gangen van 1 à 4 M. lengte, met
+zijgangen en vluchtopeningen voorzien, bereikt kunnen worden. Deze zijn
+dikwijls zoo nauw, dat het bijna niet mogelijk schijnt er den vuist
+in te steken. De losgegraven aarde werpen zij slechts voor een zeer
+klein deel naar buiten; voor het meerendeel trappen of drukken zij haar
+vast in de gangen, die hierdoor hard en glad worden. De uitgangen zijn
+meestal onder steenen aangebracht. De kamer is niet zeer ruim. Hier
+heeft, waarschijnlijk in April, de paring plaats; het wijfje werpt
+6 weken later 2 à 4 jongen, die in den eersten tijd zeer zelden voor
+het hol komen, dat zij tot in den volgenden zomer met de ouden deelen.
+
+Tegen den herfst graven zij op een minder hoog gelegen plaats van 't
+gebergte een winterwoning, die zelden dieper dan 1 1/2 M. onder de
+oppervlakte ligt. De zomerwoning bevindt zich dikwijls niet minder
+dan 2600 M. boven den zeespiegel, terwijl de winterwoning in den
+regel in den gordel van de bovenste Alpenwilgen, dikwijls echter ver
+onder de boomgrens ligt. Deze woning, bestemd voor de geheele familie,
+die uit 5 à 15 individuën bestaat, is zeer ruim. De jager herkent het
+bewoonde winterhol zoowel aan het hooi, dat er vóór verspreid ligt,
+als aan de ingangsopening, die ongeveer de grootte heeft van een vuist,
+maar van binnen goed met hooi, aarde en steenen verstopt is, terwijl
+de gangen van de zomerwoning altijd open zijn. Als men de bouwstoffen
+uit de ingangsopening wegneemt, vindt men eerst een van aarde, zand
+en steenen goed gemetselde, verscheidene voeten lange galerij, de
+zoogenaamde "spon". Als men deze eenige Meter ver nagaat, komt men
+weldra aan een plaats, waar de gang zich in tweeën verdeelt. De eene
+tak, waarin zich gewoonlijk drek en haren bevinden, is niet lang; hij
+heeft waarschijnlijk de bouwstof voor het bekleeden en stevig maken
+van de wanden van de hoofdgang geleverd. Deze stijgt nu langzamerhand
+omhoog en komt eindelijk uit in een ruime kamer, de verblijfplaats
+van de winterslapers, die dikwijls 8 à 10 M. boven den ingang van het
+hol gelegen is. Meestal is de kamer eirond of bakovenvormig, met kort,
+zacht, dor, gewoonlijk roodbruin hooi gevuld, dat gedeeltelijk ieder
+jaar vernieuwd wordt. Reeds in Augustus n.l. beginnen de schrandere
+diertjes gras af te bijten, te drogen en met den bek naar het hol
+te vervoeren; zij hoopen er hier zulk een grooten voorraad van op,
+dat een man het dikwijls niet alleen zou kunnen wegdragen. Vroeger
+werden van dezen hooioogst curieuze fabelen verteld. Men zei, dat een
+Marmot op den grond ging liggen, zich met hooi beladen en vervolgens
+bij wijze van een slede naar het hol trekken liet. Aanleiding tot
+dit verhaal vond men in het feit, dat bij vele Marmotten het haar
+van den rug geheel afgesleten is, wat echter alleen een gevolg is
+van het kruipen door de nauwe gangen van het hol.--Behalve de beide
+genoemde woningen heeft de Marmot nog afzonderlijke vluchtgangen,
+waarin zij zich verbergt, als haar gevaar dreigt. Als zij haar hol
+niet bereiken kan, verbergt zij zich onder steenen en in rotskloven.
+
+De bewegingen van de Marmot zijn zonderling. Haar gang is een hoogst
+eigenaardig gewaggel, waarbij de buik bijna of geheel over den grond
+sleept, en dat daarom een breed spoor achterlaat. Eigenlijke sprongen
+heb ik de Marmotten, mijne gevangenen althans, nooit zien doen;
+hiervoor zijn zij te log. Hoogst zonderling ziet het dier er uit, als
+het opzit; het rust dan kaarsrecht op zijn achterste, stijf als een
+stok; het heeft den staart loodrecht van 't lichaam afgebogen, laat de
+voorarmen slap naar beneden hangen en kijkt opmerkzaam de wereld rond.
+
+Frissche en sappige Alpenplanten, kruiden en wortels vormen het
+voedsel van de Marmot. Zelden gaat zij naar de drinkplaats, maar als
+zij er komt, drinkt zij veel op eens, smakt intusschen en richt na
+elken slok den kop omhoog, evenals de Hoenderen en de Ganzen. Uit
+de mededeelingen van verscheidene onderzoekers schijnt te blijken,
+dat de Marmot een voorgevoel van weersveranderingen heeft.
+
+Evenals de meeste winterslapers zijn de Marmotten in den nazomer
+en in den herfst buitengewoon vet. Zoodra de eerste vorst aanvangt,
+houden zij op met eten, maar drinken nog veel en dikwijls, ontlasten
+zich vervolgens van hunne uitwerpselen en betrekken nu familiesgewijs
+de winterwoningen. De kamer, welker zijwanden en bodem met een dikke
+laag droog hooi gevoerd zijn, is het gemeenschappelijke leger van
+het geheele gezelschap. Hier rusten de leden van het gezin dicht
+bijeen. Alle levenswerkzaamheden zijn tot op het allergeringste
+bedrag verminderd; ieder dier blijft bewegingloos en koud, door een
+op den dood gelijkende verstijving bevangen, in de eens aangenomen
+houding liggen; duidelijke bewijzen van leven zijn niet meer waar
+te nemen. De temperatuur van het bloed is verminderd tot op die van
+de lucht, welke het hol vult; de ademhalingen hebben slechts 15 maal
+per uur plaats. Als men een Marmot, die in winterslaap verkeert, uit
+haar hol neemt, en haar in een verwarmd vertrek brengt, wordt eerst,
+zoodra haar lichaamstemperatuur tot 21° C. gestegen is, de ademhaling
+duidelijker, bij 25° begint zij te snorken, bij 27.5° strekt zij de
+ledematen uit, bij 31° C. ontwaakt zij, beweegt zich als bedwelmd
+heen en weer, komt langzamerhand bij en begint eindelijk te eten. In
+het voorjaar komen de Marmotten in zeer vermagerden toestand voor de
+opening van haar winterwoning, zien smachtend uit naar iets eetbaars,
+en moeten dikwijls ver loopen, om aan de hoeken en kanten der bergen,
+daar waar de wind de sneeuw heeft doen verstuiven, een weinig verdord
+gras te vinden.--De jacht en de vangst van de Marmot bieden vele
+moeilijkheden aan. De naderende jager wordt bijna altijd door het een
+of ander lid van het gezelschap bemerkt en den overigen door een luid
+gefluit aangekondigd. Men vangt ze in allerlei vallen; ook graaft men
+ze soms in 't begin van den winter op. Terecht is in vele Zwitsersche
+kantons het opgraven van de Marmotten verboden, daar zij door deze
+handelwijze na verloop van korten tijd geheel en al uitgeroeid zouden
+worden; de eigenlijke jacht daarentegen wordt voor haar nooit zeer
+gevaarlijk. In gevallen van uitersten nood verdedigen de Marmotten
+zich moedig en vastberaden tegen hare vijanden door hevig te bijten
+of van hare stevige klauwen gebruik te maken.
+
+Voor den Alpenbewoner is dit kleine dier van belang, omdat het hem
+voedsel verschaft; bovendien levert het hem geneesmiddelen voor
+allerlei ziekten.
+
+Om Marmotten in gevangenschap te houden en te temmen, doet men het best
+de jongen te nemen, wanneer zij voor de eerste maal uitgaan, hoewel
+het moeilijk is ze aan hun moeder te ontrooven. Zeer jong gevangen
+Marmotten, die nog gezoogd worden, zijn moeilijk groot te brengen
+en bezwijken gewoonlijk spoedig, zelfs bij de beste verzorging;
+de halfwassen dieren kunnen gemakkelijk gevoederd en lang in 't
+leven gehouden worden. Hun voedsel bestaat in den gevangen staat uit
+verschillende plantaardige stoffen en uit melk. Als men zich met hen
+bemoeit, worden zij weldra bijzonder tam, zijn gehoorzaam en leerzaam,
+leeren hun verzorger kennen, komen, wanneer hij hen roept, nemen
+allerlei standen aan, springen in opgerichte houding rond, loopen
+met een stok, enz. Het onschadelijke en gezellige dier wordt dan de
+lieveling van jong en oud, ook wegens zijn zindelijkheid en netheid.
+
+
+
+Op de familie van de Eekhoornachtigen laten wij een groep van
+lieftallige, kleine Knaagdieren volgen, die men onder den naam
+_Slaapmuizen_ (_Myoxidae_) kan samenvatten. Haar gestalte en haar
+aard wettigen haar plaatsing in de nabijheid van de Eekhoorns, van
+welke zij zich echter door eigenaardigheden van den lichaamsbouw
+duidelijk onderscheiden. Zij hebben een smallen kop, met een meer
+of minder spits toeloopenden snuit, tamelijk groote oogen en groote,
+onbehaarde, vliezige ooren, een gedrongen romp, matig lange ledematen,
+fijn gebouwde voeten; de voorste hebben 4 teenen en in plaats van den
+duim, een wratje, dat een platten nagel draagt; aan de achtervoeten
+komen 5 teenen voor; de staart is middelmatig lang, dicht, ruig en
+tweerijig behaard; de vacht is goed gevuld en zachtharig.
+
+Men kent tot dusver ternauwernood meer dan een half dozijn goed
+omschreven soorten van deze familie; alle zijn bewoners van de
+Oude Wereld. Heuvelachtige of bergachtige gewesten, en hierin meer
+bepaaldelijk wouden en woudzoomen, kreupelbosschen en tuinen, zijn
+hare verblijfplaatsen. Zij leven op en in de boomen, minder dikwijls
+in door haar zelf gegraven holen in den grond, tusschen boomwortels of
+in spleten van rotsen en muren; in alle gevallen verbergen zij zich
+zooveel mogelijk. Verreweg de meeste slapen over dag, en gaan alleen
+gedurende de duisternis haar voedsel zoeken. Om deze reden krijgt men
+ze slechts zelden en alleen bij toeval te zien. Wanneer zij den slaap
+uit hebben, maken zij zeer vlugge bewegingen. Zij kunnen uitmuntend
+loopen en nog beter klimmen, maar kunnen niet, zooals de Eekhoorns,
+bijzonder groote sprongen doen.
+
+In gematigde gewesten vervallen zij bij den aanvang van den winter in
+een toestand van verstijving, en brengen den winter slapend in hare
+nesten door. Sommige verzamelen voorraad voor dezen tijd, en maken
+hiervan gebruik, wanneer zij tijdelijk wakker zijn; andere hebben dit
+niet eens noodig, daar zij zich vooraf zoozeer gemest hebben, dat zij
+op haar vet kunnen teren. Haar voedsel bestaat uit allerlei vruchten
+en zaden; de meeste gebruiken echter ook Insecten, benevens eieren
+en jongen van Vogels. Bij het eten zitten zij, evenals de Eekhoorns,
+op haar achterwerk, en brengen de spijzen met de voorpooten naar den
+mond. Een noemenswaard voordeel verschaffen de Slaapmuizen ons niet;
+wel kunnen zij ons benadeelen door hare rooverijen in tuinen.
+
+Het eerste geslacht is dat der _Relmuizen_ of _Zevenslapers_
+(_Myoxus_). zoo genoemd naar de meest bekende van de beide hiertoe
+behoorende soorten: de _Gewone Relmuis_ of _Zevenslaper_ (_Myoxus
+glis_), Duitsch: _Bilch_, Fransch: _Loir_ (afgebeeld op p. 284). De
+naam van dit in Zuid- en Oost-Europa voorkomend dier is meer algemeen
+bekend dan zijn gestalte en zijn uitzicht. In de oude geschiedboeken
+wordt vermeld, dat deze dieren lievelingen waren van de Romeinen,
+die bepaalde inrichtingen hadden voor hun verzorging. Eiken- en
+beukenboschjes omgaf men met gladde muren, waarlangs de Zevenslapers
+niet konden opklimmen; binnen deze omheining legde men verscheidene
+holen aan voor rust- en slaapplaatsen; met eikels en kastanjes voederde
+men de dieren, om ze ten slotte in groote aarden potten, van 2 voet
+middellijn, glirariën genaamd, geheel vet te mesten. De opgravingen
+te Herculaneum hebben ons de glirariën, die voor de laatste mesting
+bestemd waren, doen kennen als half bolvormige schalen, met veel
+luchtgaten, die langs de binnenwanden met terrasvormige oneffenheden
+voorzien waren om de dieren gelegenheid tot klimmen te geven; van boven
+waren zij met een nauwmazig traliewerk van metaal gesloten. Hierin
+werden verscheidene Zevenslapers opgesloten en rijkelijk van voedsel
+voorzien. De gemeste dieren prijkten, na gebraden te zijn, als een
+groote lekkernij op den disch van rijke fijnproevers.
+
+De Zevenslaper bereikt een lichaamslengte van 16 cM., zonder den
+13 cM. langen staart. De zachte, tamelijk dichte vacht is aan de
+bovenzijde eenkleurig aschgrauw, overtogen met een zwartachtig bruin
+waas, dat meer of minder donker kan zijn; hiervan is de melkwitte en
+als zilver glinsterende kleur van de onderzijde van den romp en van
+de binnenzijde der pooten scherp afgescheiden.
+
+Het verbreidingsgebied van den Zevenslaper reikt van Spanje,
+Griekenland en Italië tot Zuid- en Middel-Duitschland. In Oostenrijk,
+Stiermarken, Karinthië, Moravië, Silezië, Bohemen en Beieren komt hij
+veelvuldig voor; in Kroatië, Hongarije en Zuid-Rusland is hij algemeen;
+in het noorden van Europa, en reeds in 't noorden van Duitschland,
+in Nederland, Engeland en Denemarken ontbreekt hij. Hoofdzakelijk
+bewoont hij het Middelgebergte, bij voorkeur droge eiken- en
+beukenbosschen. Over dag houdt hij zich verscholen, tegen den avond
+komt hij uit zijne schuilplaatsen te voorschijn, zwerft 's nachts
+rond en zoekt zijn voedsel. Zoo leeft hij zoolang de zomer duurt.
+
+Waarschijnlijk zijn weinig Knaagdieren vraatzuchtiger dan de
+Zevenslapers. Hij vreet zoolang hij iets te vreten heeft. Eikels,
+beukenoten en hazelnoten maken misschien zijn gewone voedsel uit;
+walnoten, kastanjes, zoet en saprijk ooft worden echter ook niet
+versmaad; dierlijk voedsel is, naar het schijnt, onontbeerlijk voor
+hem; althans hij overvalt, doodt en verslindt ieder klein dier, dat
+hij overmeesteren kan. Voortdurend hoort men het kraken van de noten,
+die hij stuk maakt, en het vallen van de uitgevreten vruchten, die hij
+naar beneden werpt. Als de herfst komt, begint hij winterproviand in te
+zamelen en deze in zijne holen op te bergen. In dezen tijd is hij al
+"zoo vet als modder", maar blijft toch nog zoo lang mogelijk eten;
+daarna denkt hij aan het gereedmaken van zijn winterkwartier. Met
+dit doel bouwt hij in diepe holen in den grond, in gaten en spleten
+van rotsen en oude muren en ook wel in diepe holten van boomstammen
+een nest van zacht mos, rolt zich, gewoonlijk in gezelschap van
+verscheidene soortgenooten, in dit nest op, en valt, reeds lang,
+voordat de thermometer vorst aanwijst, in een diepen slaap, in de
+koude bergstreken reeds in Augustus, in de warmere vlakte eerst tegen
+October. Men merkt nu bij hem de gevoelloosheid van alle winterslapers
+op; misschien heeft hij wel de meest vaste slaap van hen allen. Men
+kan hem gerust uit het nest nemen en wegdragen; hij blijft koud
+en beweegt zich niet. In de warme kamer ontwaakt hij langzamerhand,
+maakt bewegingen met de pooten, beweegt zich hoe langer hoe meer, maar
+ziet er ook thans nog zeer slaperig uit. In de vrije natuur ontwaakt
+hij soms vanzelf gedurende den winter en gebruikt dan een deel van
+zijn voedselvoorraad, eigenlijk zonder te weten, wat hij doet. In
+den regel ontwaakt de Zevenslaper eerst zeer laat in 't voorjaar,
+zelden voor het einde van April. Zijn winterslaap duurt volle zeven
+maanden; hij draagt zijn naam dus te recht.
+
+De Zevenslaper heeft veel te lijden van zijne talrijke vijanden. De
+Boommarter en de Bunzing, de Wilde Kat en de Wezel, de Ooruil en
+de Uil zijn wel de ergste van zijne vervolgers, en hoewel hij zich,
+zelfs tegen de sterkste vijanden met veel moed verdedigt, delft hij
+toch het onderspit. Daar waar hij veelvuldig voorkomt, maakt de mensch
+ijverig jacht op hem, ten deele om zijn vleesch, ten deele om zijn
+vel; hij wordt meestal in kunstmatige winterwoningen, in kuilen of in
+andere vallen gelokt. In Beneden-Krain vangen de boeren hem in vallen
+met springveeren, waarin zij als lokaas een sappige peer of pruim
+leggen. Bovendien begraaft men vaten in den grond, die gedeeltelijk
+met ooft gevuld zijn en van boven slechts één toegangsopening hebben,
+n.l. een buis, waarin op zulk een wijze ijzerdraden zijn aangebracht,
+dat de Zevenslaper wel in het vat doordringen kan, maar er niet weer
+uit kan komen. Hierin vangt men deze dieren soms in zoo grooten getale,
+dat menige jager gedurende één herfst er 200 à 400 stuks buit maakt.
+
+De Zevenslaper wordt betrekkelijk zelden in gevangenschap
+gehouden. Zijn gemoedsaard is niet bepaald aangenaam, zijn grootste
+deugd is zindelijkheid; voor 't overige is hij niet geschikt om de
+belangstelling van zijn verzorger te behouden. Voortdurend verkeert
+hij in een prikkelbare stemming, sluit volstrekt geen vriendschap met
+den mensch, maar bromt woedend met een eigenaardige, snorkende stem
+tegen ieder die zich verstout, hem te naderen. Ook de jongen, die in
+gevangenschap geboren worden, zijn en blijven even onbeminnelijk als
+de oude dieren.
+
+
+
+De _Boomslaper_ (_Myoxus dryas_) kan men aanmerken als een
+overgangsvorm tusschen de Zevenslapers en de Tuinslapers; hij bereikt
+in 't geheel een lengte van 17 cM., waarvan ongeveer de helft op
+den staart komt; op den kop en aan de rugzijde van den romp is zijn
+kleur roodachtig bruin of bruinachtig grijs; de witte kleur van de
+onderdeelen is er scherp van afgescheiden. Onder de oogen begint een
+zwarte streep, deze omvat, breeder wordend, de oogen en zet zich voort
+tot aan de ooren. De staart is van boven donker bruinachtig grijs,
+van onderen wit.
+
+Het verbreidingsgebied van den Boomslaper strekt zich uit van
+Zuid-Rusland westwaarts tot Hongarije, Neder-Oostenrijk en Silezië;
+in de westelijkste van deze landen komt hij echter slechts zelden
+voor. Zijn levenswijze stemt, voor zoover men weet, in hoofdzaak met
+die van de Zevenslapers en Tuinslapers overeen.
+
+
+
+De _Tuinslapers_ (_Eliomys_) verschillen voornamelijk door hun gebit
+van de Zevenslapers. Bij deze hebben de kiezen van zes tot acht
+dwarsstrepen en slijten vlak af; bij de Tuinslapers is het aantal
+dwarsstrepen geringer en wordt de kroonvlakte van de kiezen door het
+afslijten eenigszins uitgehold. Uitwendig zijn de Tuinslapers kenbaar
+aan den staart, die aan den wortel met kort, aanliggend haar begroeid,
+aan de spits lang behaard, ruig en tweekleurig is. Evenals de leden van
+het vorige geslacht, verschillen zij van die van het volgende, doordat
+de bovenzijde van 't lichaam een andere kleur heeft dan de onderzijde.
+
+De _Tuinslaper_ of _Groote Hazelmuis_ (_Eliomys nitela_, afgebeeld
+op p. 284) (niet te verwarren met de Echte Hazelmuizen, die tot het
+volgende geslacht behooren) bereikt een lichaamslengte van hoogstens
+14 cM., zonder den 9.5 cM. langen staart. De kop is, evenals de
+bovenzijde van den romp, roodachtig grijsbruin, de onderzijde wit.
+
+De Groote Hazelmuis, die reeds in den ouden tijd aan de Romeinen
+onder den naam _Nitela_ bekend was, behoort hoofdzakelijk thuis
+in de gematigde gewesten van Middel- en West-Europa. In Nederland
+komt zij niet voor, wel echter in België, Frankrijk, Zwitserland,
+Italië, Duitschland, Hongarije, Galicië, Zevenbergen en de Russische
+Oostzee-provinciën. In Duitschland is zij in sommige streken, b.v. in
+de Hartz, zeer veelvuldig. Haar voedsel is gelijk aan dat van den
+Zevenslaper. Zij doet zich echter in de huizen der bergbewoners
+te goed aan vet, boter, spek en ham; ook eet zij eieren en jonge
+Vogels en doet dit vaker dan haar langzamere stamgenoot, die veel
+minder goed kan springen en klimmen. Haar nest verschilt van dat van
+'t laatstgenoemde dier, doordat het vrij opgehangen is tusschen
+boomtakken; zij maakt echter als schuilhoek ook wel gebruik van
+gaten in muren, van verlaten rattennesten en mollengangen en van
+andere holen in het gesteente en in den grond. Opmerkelijk is het,
+dat de overigens zeer zindelijke Tuinslaper weinig zorg draagt voor
+zijn nest, zoodat dit in den regel in de hoogste mate vuil is.
+
+Voor den winterslaap zoekt de Groote Hazelmuis droge en gedekte
+gaten in boomen of in muren en ook wel mollengangen op; ook begeeft
+zij zich soms naar de in 't woud staande boerderijen, tuinhuizen,
+schuren, hooischuren, kolenbrandershutten en andere gebouwen en
+vindt daar allicht een geschikte slaapplaats. Gewoonlijk slapen
+verscheidene van deze dieren bij elkander in één nest, het geheele
+gezelschap dicht ineengerold, bijna tot één klomp vereenigd. Zij slapen
+onafgebroken, maar niet zoo vast als andere dieren met winterslaap;
+want telkens als het weder zacht wordt, ontwaken zij, gebruiken iets
+van hun wintervoorraad en slapen eerst weder in, wanneer de koude op
+nieuw begint.
+
+De Groote Hazelmuis wordt zeer ongaarne gezien in tuinen, waar
+fijne soorten van ooft gekweekt worden. Eén enkel dier is in staat
+om de geheele perziken- of abrikozenoogst te vernielen. Bij hare
+snoeperijen geeft zij bewijzen van een buitengewoon fijnen smaak. Zij
+zoekt de beste en sappigste vruchten uit, knaagt echter ook andere om
+ze te keuren, en vernielt op deze wijze veel meer, dan zij eigenlijk
+opeet. Daar zij den mensch niet anders dan schade veroorzaakt en zoomin
+door haar vleesch als door haar vel eenig nut doet, wordt zij door de
+eigenaars van tuinen ijverig vervolgd. Het best kan men haar vangen
+in draadstrikken, die men vóór de leiboomen ophangt, of in kleine
+klemmen, die op een geschikte plaats neergelegd worden. Maar beter
+nog dan door zulke vallen, wordt de tuin voor deze brutale gauwdieven
+beveiligd door een goede Kat. Marters, Wezels, Ooruilen en Uilen maken
+ijverig jacht op de Hazelmuis. Daarom is het voor eigenaars van tuinen,
+die dicht bij het woud wonen, zeer raadzaam, alle bondgenooten in
+den strijd tegen schadelijke Knaagdieren zooveel mogelijk te sparen.
+
+De Groote Hazelmuis is, evenmin als de Zevenslaper, geschikt om
+getemd te worden. Zelden geraakt zij aan den mensch gewend en bij
+iedere verrassing maakt zij onmiddellijk, en dikwijls op een wijze,
+die voor den aangevallene hoogst pijnlijk is, van hare scherpe
+tanden gebruik. Van den roofgierigen aard dezer dieren kan men
+zich gemakkelijk overtuigen door na te gaan, hoe zij zich in de
+gevangenschap gedragen. Zij vereenigen den bloeddorst van de Wezel
+met de vraatzucht van de andere Relmuizen, vallen met ware woede op
+ieder Gewerveld Dier aan, dat men in haar hok brengt, dooden in een
+oogwenk een Vogel, maken binnen weinige minuten voor goed een einde
+aan den tegenstand van een bijtlustige Muis en vallen zelfs elkander
+aan. "Wanneer verscheidene Tuinslapers bij elkander opgesloten worden,"
+zegt Weber, "moeten zij voortdurend rijkelijk voorzien worden met
+voedsel--noten, beukenoten, ooft, wittebrood, hennep, lijnzaad
+enz.,--en met drinkwater; bovendien moet men door het matig warm
+houden van de ruimte, waarin de dieren zich bevinden, er voor zorgen,
+dat zij wakker blijven, en niet in winterslaap vervallen. De honger
+heeft onvermijdelijk een strijd tusschen hen tengevolge, waarvan het
+einde steeds is, dat de eene kampioen sneuvelt en door den anderen
+wordt opgegeten. De winterslaap wordt voor het dier, dat er door
+bevangen wordt, even noodlottig als de nederlaag voor den overwonnen
+strijder. Als van verscheidene in eenzelfde hok opgesloten Tuinslapers
+er een in winterslaap vervalt, terwijl de overige nog wakker zijn,
+dan is hij verloren; hij wordt door zijne verraderlijke kameraads
+doodgebeten en verslonden. Iets dergelijks geschiedt, als verscheidene
+in winterslaap verkeerende Tuinslapers achtereenvolgens wakker worden;
+die, welke het eerst ontwaakt, doodt den eenen weerloozen slaper na
+den anderen. De gewone dagelijksche slaap levert minder gevaar op,
+omdat het aangevallen dier spoedig ontwaakt en zijn leven verdedigt."
+
+
+
+Het derde geslacht van de familie der Slaapmuizen omvat de
+_Hazelmuizen_ (_Muscardinus_), die hoofdzakelijk door haar gebit,
+en meer bepaaldelijk door het aantal dwarsstrepen op de kiezen,
+van de leden der beide vorige geslachten verschillen. Bovendien zijn
+de boven- en onderzijde nagenoeg gelijk van kleur en is de staart,
+evenals bij de Zevenslapers, over zijn geheele lengte gelijkmatig
+behaard, hier echter tamelijk kort.
+
+In Europa leeft slechts een enkele soort van dit geslacht, n.l. de
+_Hazelmuis_ of _Kleine Hazelmuis_ (_Muscardinus avellanarius_),
+een van de aardigste, bevalligste en behendigste van alle Europeesche
+Knaagdieren, even aantrekkelijk door haar sierlijke gestalte en schoone
+kleur als door hare zindelijkheid, netheid en zachtmoedigheid. Zij
+is ongeveer zoo groot als onze Huismuis; haar totale lengte bedraagt
+14 cM., waarvan bijna de helft op den staart komt. De geheele vacht
+is geelachtig rood, van onderen een weinig lichter, met uitzondering
+van de borst en de keel, die wit zijn. In Nederland komt zij niet
+voor, in de meeste andere landen van Middel-Europa wel. Naar het
+schijnt, zijn Engeland en het zuiden van Zweden de noordelijkste,
+Toscane en het noorden van Turkije de zuidelijkste afdeelingen van
+haar verbreidingsgebied; verder oostwaarts dan Hongarije, Galicië
+en Zevenburgen komt zij niet voor. Zij bewoont nagenoeg dezelfde
+oorden als hare verwanten. Laag kreupelhout en struiken, bij voorkeur
+hazelaarboschjes, zijn hare meest geliefde verblijfplaatsen.
+
+Over dag ligt de Hazelmuis in den een of anderen schuilhoek te
+slapen, des nachts gaat zij haar voedsel zoeken, dat uit noten,
+eikels, harde zaden, sappige vruchten, bessen en knoppen van boomen
+bestaat; het liefst echter eet zij hazelnoten, die zij op een kunstige
+wijze opent en ledigt, zonder ze af te plukken of uit het napje te
+verwijderen. Ook zoekt zij lijsterbessen en wordt bijgevolg niet zelden
+in lijsterstrikken gevangen. Zij leeft in kleine gezelschappen, die
+niet bijzonder innig met elkaar verbonden zijn. Door iedere Hazelmuis,
+of door twee gezamenlijk, wordt in het dichtste struikgewas een
+zacht, warm, tamelijk kunstig nest van gras, bladen, mos, worteltjes
+en haren gebouwd; het dier zwerft vanhier uit iederen nacht door
+zijn gebied, bijna altijd gemeenschappelijk met andere, die in de
+nabijheid wonen. Het zijn echte boomdieren; zij klimmen merkwaardig
+goed, zelfs langs de dunste twijgen. In Augustus werpt het wijfje 3
+à 4 naakte, blinde jongen; dit gebeurt in het bolvormig zomernest,
+dat altijd in het dichtste struikgewas en gewoonlijk op een afstand
+van ongeveer één meter van den bodem gelegen is. De jongen groeien
+buitengewoon snel, maar worden toch een volle maand door de moeder
+gezoogd, hoewel zij intusschen zoo groot geworden zijn, dat zij nu
+en dan het nest verlaten kunnen. Aanvankelijk blijft de familie op de
+naastbijgelegen hazelaars; de dieren spelen genoegelijk met elkander
+en eten intusschen noten. Bij het geringste gedruisch snellen alle
+naar het nest terug om hier veiligheid te zoeken. Omstreeks het midden
+van October nemen de Hazelmuizen de wijk naar de schuilhoeken, waar
+zij haar wintervoorraad geborgen hebben, en maken zich van takjes,
+bladen, naalden, mos en gras een bolvormig hulsel, waar zij zich
+geheel inwikkelen; zij rollen zich tot een kluwen ineen en vallen
+in slaap; haar winterslaap is vaster dan die van hare verwanten; men
+kan ze in de hand nemen en over den grond voortrollen, zonder dat zij
+eenig bewijs van leven geven. Al naar de winter streng of zacht is,
+slapen zij 6 of 7 maanden en wordt haar slaap meer of minder vaak
+voor korten tijd afgebroken, totdat de schoone, warme lentezon haar
+tot een nieuw leven opwekt.
+
+Het kost moeite een Hazelmuis te vangen, zoolang zij volkomen
+wakker is; slechts bij toeval geraakt zij in de een of andere val;
+deze plaats men daar, waar zij zich het liefst ophoudt, en wordt
+met noten of met ander voedsel als lokaas voorzien. Gemakkelijker
+verkrijgt men ze in 't laatste gedeelte van den herfst of in den
+winter bij het opharken van 't loof of bij het uitroeien van de
+wortelspruiten. Zoodra men de Hazelmuis in de hand heeft, is zij
+zoo goed als getemd. Nooit waagt zij het, weerstand te bieden aan
+haar overweldiger, nooit tracht zij te bijten; de grootste angst
+ontlokt haar alleen een piepend of helder sissend geluid. Weldra
+echter schikt zij zich in het onvermijdelijke, laat zich bedaard
+naar huis dragen, en voegt zich geheel en al naar den wil van den
+mensch; zij verliest ook haar schuwheid, maar niet de aangeboren
+schuchterheid en vreesachtigheid. Men voedt haar met noten, pitten van
+ooft, ooft en brood, ook wel met tarwekorrels. Zij eet spaarzaam en
+bescheiden, aanvankelijk alleen 's nachts. Haar buitengewoon groote
+zindelijkheid, de vriendelijke en verdraagzame wijze, waarop zij met
+hare soortgenooten omgaat, hare aardige bewegingen en grappige gebaren
+maken haar tot een lieveling van den mensch. In Engeland wordt zij
+als kamerdier in gewone vogelkooien gehouden, en komt zij, evenals
+kamervogels, aan de markt. Men kan haar in de mooiste kamers houden,
+want zij verbreidt volstrekt geen onaangename lucht; alleen in den
+zomer merkt men bij haar een muskusachtigen reuk op, die echter zoo
+zwak is, dat men er geen hinder van heeft.
+
+Ook in de gevangenschap houdt de Hazelmuis winterslaap, als het vertrek
+niet altijd gelijkmatig warm gehouden wordt. Zij tracht dan een nestje
+te bouwen en omhult zich hiermede, of gaat eenvoudig in den een of
+anderen hoek van haar kooi slapen. Als men haar in de warmte brengt,
+o.a. reeds, als men haar in de warme hand neemt, ontwaakt zij, om
+echter kort daarna weer in te slapen.
+
+
+
+Hoewel de _Bever_ in belangrijke opzichten overeenstemt met de tot
+dusver beschreven Knaagdieren, verschilt hij toch in andere punten
+zoo belangrijk van hen en van de overige leden der orde, dat hij
+als vertegenwoordiger van een afzonderlijke familie (_Castoridae_)
+beschouwd moet worden. Deze familie omvat behalve onzen Bever hoogstens
+eenige voorwereldlijke soorten van Knaagdieren, die door hunne thans
+levende verwanten vervangen zijn; onder de Knaagdieren van onzen
+tijd zijn er wel enkele, die aan de Bever herinneren, maar geene,
+die werkelijk op hem gelijken.
+
+Reeds sedert overouden tijd heeft de Bever de aandacht van de
+natuuronderzoekers tot zich getrokken; door de oude schrijvers wordt
+hij onder de namen _Castor_ en _Fiber_ vaak vermeld. Van hen vernemen
+wij echter niet veel en geen zeer nauwkeurige berichten over zijn
+levenswijs. Zij leeren ons wel, dat dit dier vroeger veel algemeener
+verbreid was, dan thans; waarschijnlijk is van geen andere diersoort
+het aantal vertegenwoordigers zoo schielijk verminderd als van dit
+hooggeschatte Knaagdier. Het door den Bever bewoonde gebied omvat ook
+thans nog gedeelten van drie werelddeelen, en strekt zich uit over
+alle landen, die tusschen 33° en 68° N.B. gelegen zijn; in vroegere
+tijdperken moet het echter veel uitgestrekter geweest zijn. In een
+der teekens van het Egyptische hiëroglyphenschrift heeft men den
+Bever meenen te herkennen; hieruit zou voortvloeien, dat hij Afrika
+bewoond heeft. Door de godsdienstige voorschriften van de Indische
+Magiërs was het verboden hem te dooden: bijgevolg moet hij ook in
+Indië inheemsch geweest zijn.
+
+"De Bevers," schrijft Prof. Harting in "de Bouwkunst der Dieren,"
+"leefden eenmaal in alle Europeesche landen, ook in ons vaderland,
+gelijk sommige plaatsnamen nog getuigen, zooals die van Beverwijk,
+Bevervoord, waar zij vermoedelijk menigvuldiger waren dan elders. Onze
+van talrijke wateren doorsneden bodem, waarop eertijds dichte wouden
+welig tierden, leverde trouwens aan de Bevers een verblijfplaats
+op, even gunstig als het tegenwoordige Canada. Nog voor niet zeer
+langen tijd werden enkele Bevers langs de Waal, de Maas en de IJsel
+aangetroffen. Zoo werden te Gorinchem twee ouden met zes jongen
+gevangen; in 1757 schoot men er een in den IJsel bij het buitenverblijf
+Middachten, op den weg van Zutphen naar Arnhem; in 1770 werd, bij
+het op één uur van 's Hertogenbosch gelegen dorp Hedel, een Bever
+geschoten, die zich gedurende zes of zeven jaren in den omtrek had
+opgehouden en daar veel graan en jong hout bedorven had. De laatste
+Bever, die, voor zoover mij bekend is, hier te lande gevangen werd,
+is die, welke het onderwerp der Akademische Dissertatie van A. C. Bonn
+heeft uitgemaakt. Deze Bever werd den 17den December 1799 bij Epse,
+aan den oostelijken oever van de rivier den IJsel, op een half uur
+afstand van Deventer, in een otterstap gevangen." "Hij had aldaar
+in de nabijheid uit wilgentakken, biezen en slib eene zes voet (1.8
+M.) hooge hut gebouwd; de hoeveelheid van het daartoe gebezigde
+hout was zoo groot, dat twee Paarden het ter nauwernood vervoeren
+konden." "Echter was dit niet de laatste Bever, die deze streken
+bewoond heeft, want twee jaren later werd door eenige schippers
+en andere lieden op een plaats bij den IJsel, drie uren gaans van
+Doesburg gelegen, een dergelijk, ofschoon kleiner, dier gezien,
+dat wellicht het wijfje van eerstgenoemde is geweest." "Het blijkt
+uit de Kameraarsrekeningen van Deventer," schrijft P. C. Molhuijsen,
+"dat deze dieren in vroegeren tijd zeer talrijk moeten geweest zijn. In
+de rekening van 1454 is het eerst door ons opgemerkt, dat de stedelijke
+regeering een premie voor het vangen gaf. Ruim twintig jaren lang komt
+deze vermelding voor op den post van uitgaven, en bij een nauwkeurige
+optelling zou men het getal zeer aanzienlijk kunnen vinden, waarbij
+wij nog in het oog moeten houden, dat sommige rekeningen uit dat
+tijdvak ontbreken. Bij een vluchtig overzicht zijn b.v. in het jaar
+1454 opgemerkt vier, in 1467 veel meer, waaronder één op de Worp werd
+gevangen, in 1468 twee, in 1469 vier, waaronder een op de Stadsweerden,
+in 1474 drie jonge op de Landeweer in de Ouden IJsel, en nog vijf,
+in 1472 niet minder dan dertien, zoo oude als jonge".... Uit het
+register der Stadsrekeningen van Zutphen blijkt, dat van wege de
+stad aan de visschers op den IJsel geld verstrekt werd voor door
+hen geleverde Bevers en dat 1465 tot 1550, alzoo in 85 jaren, alleen
+bij Zutphen, dus waarschijnlijk op een oeverlengte van 3 uren gaans
+(de bochten niet medegerekend) op den IJsel gedood werden 66 Bevers,
+éénmaal 6 jongen te gelijk. (H. J. H. Groneman.)
+
+In Engeland is de Bever reeds sedert 500 jaren uitgeroeid. Scaliger
+en Buffon maken melding van verscheidene door den Bever bewoonde
+gewesten in Frankrijk, waar hij thans alleen voorkomt op het eiland
+Camargue, dat door de Rhônemondingen ("Le grand" en "Le petit Rhône")
+wordt ingesloten. Nog in October 1894 werden hier door visschers in
+hunne netten vijf Bevers gevangen. "Naarmate de ontginning van het
+deltaland voortschrijdt, wordt de Bever naar de overblijvende woeste
+streken teruggedrongen; hierdoor, en door de jacht voortdurend op hem
+gemaakt, is het aantal reeds te zeer afgenomen om nog het bestaan van
+ware koloniën toe te laten. Men vindt hem nu nog alleen paarsgewijze
+of als afzonderlijke families verspreid over de geheele delta, meer
+bepaald in de 'petit Rhône' tusschen Fourques en Sylvéréal. Ook wordt
+er nu en dan nog wel eens een enkele gevangen in de Gardon, die in den
+"petit Rhône" uitmondt. Boven Pont-du-Gars komt hij niet meer." In
+Strabo's tijd kwamen ook nog in Spanje Bevers voor. Volgens Geszner
+werden zij eertijds in de delta van de Po gevonden.
+
+Tegenwoordig vindt men hem in Duitschland nog aan de Elbe; nu en dan
+treft men hem aan in het deel der rivier, dat ongeveer begrensd wordt
+aan de eene zijde door Wartenburg boven Wittenberg en aan de andere
+door Maagdenburg. Met volle zekerheid kan hij echter beschouwd worden
+als voortdurende bewoner van een onder Aken gelegen deel der rivier,
+vooral in de opperhoutvesterdistricten Steckby en Tochheim alsmede
+Grünewald (tegenover Schönebeck) aan den rechteroever en Lödderitz aan
+den linkeroever, waar men het aantal dezer Knaagdieren op 60 stuks
+begroot. De Bevers komen van oudsher ook geregeld voor in de Saale,
+te beginnen bij haar uitmonding in de Elbe, tot bij Trabitz (beneden
+Kalbe); op dit gebied leven tegenwoordig misschien 15 stuks. Op
+de genoemde plaatsen behoort de Bever thuis, en men kan er niet
+alleen ten allen tijde de sporen zijner werkzaamheid waarnemen,
+maar ook nu en dan hem zelf aan 't werk zien. Enkele exemplaren
+worden nu en dan waargenomen in de oeverlanden van den Salzach, op de
+Oostenrijksch-Beiersche grens, en vroeger ook bij de Möhne (een aan de
+rechterzijde gelegen bij-riviertje van den Ruhr) in Westfalen (op de
+laatstgenoemde plaats echter sedert 1877 niet meer). Van alle landen
+van Europa zijn Bosnië, Rusland en Skandinavië (vooral Noorwegen) die,
+waar de Bevers thans nog het veelvuldigst leven. In Rusland vindt
+men ze vooral in de noordelijke bij-rivieren van den Pripet, in het
+gouvernement Minsk.--Veel talrijker dan in Europa zijn de Bevers in
+Azië. In grooten getale bewonen zij de groote rivieren van Middel-
+en Noord-Siberië; naar men zegt, komen zij ook voor in de rivieren,
+die zich in de Kaspische zee uitstorten. Zeker is het, dat zij gevonden
+worden in de bij-rivieren van den Koeban, aan de noordelijke helling
+van den Kaukasus, zoo ook in Mesopotamië. In Amerika waren de Bevers
+algemeen; door de hevige vervolging, waaraan zij blootstaan, is hun
+aantal reeds zeer afgenomen. Audubon noemde in 1849 alleen nog maar
+Labrador, Newfoundland, Canada en enkele gewesten van de staten Maine
+en Massachusetts als deelen van het door den Bever bewoonde gebied,
+maar voegt er bij, dat er ook in verscheidene andere, weinig bebouwde
+gewesten van de Vereenigde Staten enkele exemplaren gevonden worden.
+
+
+
+De _Bever_ (_Castor fiber_) is een van de grootste Knaagdieren. De
+lichaamslengte van het volwassen mannetje bedraagt, zonder den 30
+cM. langen staart, 75 à 95 cM., de schouderhoogte 30 cM., het gewicht
+20 à 30 KG. De romp is plomp en forsch, van achteren aanmerkelijk
+dikker dan van voren, de rug gewelfd, de buik hangend, de hals kort en
+dik, de kop van achteren breed, naar voren smaller wordend, met platte
+kruin en korten, stompen snoet; de pooten zijn kort en zeer krachtig,
+de achterste iets langer dan de voorste; de voeten hebben vijf teenen;
+die van de achtervoeten zijn tot de klauwen door een breed zwemvlies
+vereenigd. De staart is aan den wortel rond, in het midden van boven
+naar onderen plat gedrukt, soms wel 20 cM. breed, aan de spits stomp
+afgerond; de randen van het platte gedeelte zou men bijna scherp
+kunnen noemen. De ooren zijn klein en kort, van binnen en van buiten
+behaard, en kunnen zóó tegen den kop aangelegd worden, dat zij de
+gehoorgang bijna volkomen afsluiten. De kleine oogen zijn voorzien
+van een wenkvlies, d.w.z. van een derde doorschijnend ooglid, dat, van
+den binnenhoek van het oog uitgaande, onder de beide andere oogleden
+langs over den oogbol kan worden geschoven, evenals bij de Vogels. De
+pupil is langwerpig en verticaal geplaatst. De neusgaten kunnen door
+de sterk gezwollen neusvleugels gesloten worden. Het haarkleed bestaat
+uit buitengewoon dicht (bij wijze van vlokjes) bijeen geplaatste,
+zijdeachtige wolharen, en meer verspreide, lange, stevige, stijve en
+glanzige bovenharen, die aan den kop en het achterste deel van den
+rug kort, op de overige lichaamsdeelen meer dan 5 cM lang zijn. De
+bovenzijde is donker kastanjebruin, meer of min naar grijs zweemend;
+de onderzijde is lichter van kleur; elk wolhaartje is aan den wortel
+zilvergrijs, hoogerop geelachtig bruin. De staart is aan den wortel
+zeer lang behaard, overigens echter kaal en hier met langwerpig ronde,
+bijna zeshoekige, platte hoornplaatjes bedekt, waartusschen enkele
+korte, stijve haren te voorschijn komen. De kleur van de vacht wijkt
+soms van de zoo even aangeduide af. Zeer zelden treft men witte en
+gevlekte Bevers aan.
+
+De zeer groote en stevige, aan de voorzijde platte, gladde, op
+de dwarse doorsnede bijna driehoekige, aan de spits beitelvormige
+knaagtanden, steken ver buiten de kaken uit. Bij beide geslachten
+komen aan den onderbuik, in de liesstreek onder de huid verborgen,
+twee eigenaardige klierzakken voor, welker binnenste oppervlakte
+een vreemdsoortige stof, het _bevergeil_ (_Castoreum_) afscheidt;
+deze donkerroodachtig, geelachtig of zwartachtig bruine specie is
+aanvankelijk week, maar droogt weldra op tot een hars gelijkende
+massa; zij heeft een eigenaardigen, doordringenden, sterk aan phenol
+herinnerenden reuk, die door slechts weinige menschen aangenaam
+gevonden wordt, en een bitteren, balsemachtigen smaak. In vroegeren
+tijd werd zij als krampstillend middel veelvuldig voorgeschreven,
+tegenwoordig komt zij meer en meer in onbruik. Achter de beide
+bevergeilzakken bevinden zich twee dergelijke zakken, die echter geen
+_castoreum_, maar een olie- of vetachtige stof afscheiden.
+
+De Bevers leven tegenwoordig meestal paarsgewijs en vereenigen zich
+slechts in de stilste streken tot meer of minder groote familiën. In
+alle bevolkte landen bewonen zij, evenals de Vischotters, meestal
+eenvoudige, onderaardsche gangen, en denken zij er niet aan zich hutten
+te bouwen. Toch heeft men er nog in deze eeuw gevonden in de omstreken
+van de stadjes Barby en Aken (tusschen Wittenberg en Maagdenburg),
+op korten afstand van de plaats waar het riviertje de Nuthe zich in de
+Elbe stort. Hier vindt men een eenzame, met wilgen begroeide streek,
+die door het slechts 4 à 8 schreden breede riviertje doorstroomd
+wordt en sedert onheugelijke tijden Biberlacht ("Beverpoel") wordt
+genoemd. Vele jaren achtereen heeft de opperhoutvester von Meijerinck
+hier de Bevers nagegaan; in een in 1827 verschenen geschrift deelt hij
+over hen het volgende mede: "Er wonen thans (in 1822) nog verscheidene
+paren Bevers in holen, die op soortgelijke wijze ingericht zijn als een
+Dassenhol, een lengte van 30 à 40 schreden hebben en op gelijke hoogte
+met den waterspiegel liggen; op het land hebben zij uitgangen. In de
+nabijheid van de holen richten de Bevers hutten, zoogenaamde 'burgen'
+op. Deze zijn 2.5 à 3 M. hoog en uit dikke, kunsteloos tot een hoop
+opeengestapelde stokken samengesteld; dit hout bijten de dieren van de
+naburige boomen af en schillen het, omdat zij de schors als voedsel
+gebruiken. In den herfst bedekken de Bevers den houthoop met klei en
+andere grondsoorten van den rivieroever. De hut heeft de gedaante van
+een bakoven en dient niet als woning, maar alleen als toevluchtsoord,
+wanneer de hooge waterstand hen uit hunne gangen verdrijft. In den
+zomer van het genoemde jaar toen de kolonie uit 15 à 20 jonge en oude
+dieren bestond, bemerkte men, dat zij dammen opwierpen. De Nuthe
+was toen zóó ondiep, dat de uitgangen van de holen aan den oever
+overal zichtbaar werden en het water daaronder nog slechts weinige
+cM. diep was. De Bevers hadden een plaats uitgekozen, waar zich in
+het midden van het riviertje een kleine verhevenheid bevindt; hier
+begonnen zij aan weerszijden dikke takken in 't water te werpen, en
+de tusschenruimten met slijk en biezen te vullen; boven den hierdoor
+ontstanen dam was de waterspiegel 30 cM. hooger dan er beneden. De
+dam werd meermalen vernield, in den regel was hij echter telkens den
+volgenden dag weder hersteld. Toen het hooge water van de Elbe in de
+Nuthe doordrong en tot boven de woningen der Bevers steeg, waren zij
+ook over dag te zien. Zij lagen dan meestal boven op den hut of op
+de naburige knotwilgen."
+
+Aan de mededeelingen van andere onderzoekers ontleenen wij het
+volgende: Na rijp beraad kiezen de dieren een riviertje of beek
+uit, welker oevers hun een overvloed van wilgen kunnen verschaffen
+en hun voor het aanleggen van hunne woningen en hutten bijzonder
+geschikt voorkomen. De eenzaam levende individuën bewonen eenvoudige,
+onderaardsche holen in den trant van die van den Vischotter. Een of
+meer gangen van verschillende lengte (meestal 2 à 6 M.), die alle onder
+water uitkomen, leiden naar een ruime, meer of minder hoog boven den
+waterspiegel gelegen woning. Deze bestaat gewoonlijk slechts uit één
+woonkamer, die netjes en zorgvuldig met in fijne vezels verdeeld hout
+gevuld is, en als slaapplaats, bij uitzondering ook als kraamkamer
+dient. Gezelschappen, die gewoonlijk uit twee of meer familiën bestaan,
+bouwen in den regel hutten, en leggen, als dit noodig is, dammen aan
+om het water op te stuwen en op gelijkmatige hoogte te houden. Sommige
+van deze dammen zijn 150 à 200 M. lang, 2 à 3 M. hoog, van onderen 4
+à 6 M., van boven nog 1 à 2 M. dik. Zij bestaan uit stokken, welker
+dikte afwisselt tusschen die van een arm en die van een dij; zij
+zijn 1 à 2 M. lang, worden met het eene einde in den bodem bevestigd,
+steken met het andere boven het water uit, zijn door dunnere takken
+met elkander verbonden, waarna de tusschenruimten met riet, klei en
+zand op zulk een wijze dichtgemaakt worden, dat aan de stroomzijde
+de dam bijna loodrecht is, terwijl aan de tegenovergestelde zijde
+een glooiing ontstaat. Vervolgens worden nog loopgangen of kanalen
+aangelegd, waardoor de voor huttenbouw en voeding noodige stoffen
+gemakkelijker uit de vijvers, die boven de dammen ontstaan, naar het
+beneden den dam gelegen water gesleept of gevlot kunnen worden.
+
+De volgende beschrijving van de inrichting en het doel der hut
+is ontleend aan Prof. Harting's "Bouwkunst der Dieren": "Het dak
+steekt als een gewelf hoog boven het water uit en is van een luchtgat
+voorzien. De vloer ligt van binnen steeds boven den waterspiegel. Hij
+is begroeid met riet en bestrooid met houtspaanders. In dien vloer
+is een opening, waardoor de bewoners der hut onder het water door
+naar buiten kunnen geraken. Gewoonlijk bestaat zulk een hut slechts
+uit één enkele holte of kamer, welke dan tot woonplaats verstrekt aan
+twee beverfamiliën, namelijk vier ouden en zes tot acht jongen. Niet
+zelden gebeurt het echter ook, dat een hut in een zeker aantal kamers
+gescheiden is, die alle door een gemeenschappelijk dak overdekt worden,
+doch nimmer verdiepingsgewijs boven, maar steeds nevens elkander zijn
+aangelegd. Elke kamer heeft dan ook haar eigen opening of deur naar
+buiten. Zoo b.v. zag Hearne op een eilandje zulk een groot gebouw,
+dat inwendig uit niet minder dan twaalf afdeelingen bestond.
+
+"Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat op sommige plaatsen honderd
+en meer dezer koepelvormige woningen zich langs den oever verheffen,
+dan kan men zich begrijpen, hoe lieden, die deze voor het eerst zien,
+en met de levenswijs der Bevers onbekend zijn, daarin voortbrengselen
+van een nog op een lagen trap staande menschelijke bouwkunst meenden te
+herkennen, gelijk Möllhausen verhaalt van de lieden, die de expeditie
+van luitenant Whippler vergezelden, waaraan ook hij deelnam.
+
+"In Europa kiezen de Bevers bij voorkeur wilgen, populieren en berken;
+in Amerika bezigen zij ook verwante soorten en bovendien magnoliën,
+de rondbladige esch, sassafras enz. Met de schors van dezelfde boomen
+voeden zij zich. Hun voorraad van stammen en takken laten zij vóór
+hun woning in 't water liggen en halen daarvan al naar hun behoefte
+naar binnen, schillen het daar op hun gemak af en werpen het overige
+weder in het water. Cartwright zag zulke magazijnen, die meer dan
+een karrevracht hout bevatten.
+
+"De hutten der Bevers dienen eigenlijk alleen tot hun
+winterverblijf. Wanneer de dooi in de lente het water sterk doet
+rijzen en hen met overstrooming bedreigt, dan verlaten zij de
+hutten. De mannetjes blijven den geheelen zomer buiten, zwerven rond
+en slapen op te samen gebrachte takken; de wijfjes keeren weder naar
+de hutten terug, wanneer het water daalt en werpen aldaar in Juni
+hare jongen. Tegen den herfst begeven zich ook de mannetjes naar hun
+woning; te zamen herstellen zij dan de oude of bouwen een nieuwe hut
+en verzamelen vervolgens hun wintervoorraad."
+
+Alle werkzaamheden van den Bever staan in zulk een nauw verband met
+zijne gewoonten en behoeften, dat men zijn levenswijze schildert,
+wanneer men deze werkzaamheden beschrijft. Evenals de meeste
+Knaagdieren werken zij gedurende den nacht; alleen in zeer afgelegen
+landstreken, waar zij in langen tijd geen mensch te zien krijgen,
+zijn zij ook over dag aan den arbeid. "Kort na zonsondergang verlaten
+zij hunne rustplaatsen, fluiten luid en laten zich met een plomp in
+'t water vallen. Zij zwemmen een tijdlang rond in de nabijheid van
+den oever, tegen den stroom op even snel als met den stroom mede, en
+houden, naarmate zij zich min of meer veilig achten, hetzij den neus en
+het voorhoofd, òf den kop en den rug boven water. Na de veiligheid van
+de omgeving onderzocht te hebben, gaan zij aan land, waar zij zich tot
+op een afstand van 50 schreden of nog verder van den oever begeven,
+om de boomen af te snijden, die zij voor hun voeding of voor hunne
+bouwwerken noodig hebben." Takken, die eenige cM. dik zijn, worden in
+eens door den Bever afgebeten; boomen brengt hij ten val door in den
+stam een ringvormige groeve te knagen en deze aan de naar het water
+gerichte zijde dieper te maken, totdat de boom naar die zijde overhelt
+en in 't water valt. De sporen, die zijn arbeid op den stam achterlaat,
+bestaan uit tallooze, vlakke, schelpvormige insnijdingen, die zoo glad
+en scherp zijn, alsof zij met een zwak gebogen beitel uitgehouwen
+werden. Soms snijden de Bevers stammen van meer dan mansdikte af,
+dit doen zij ook wel in Duitschland. Takken met vele twijgen worden
+vóór het wegsleepen nauwkeurig bezichtigd, in sommige gevallen in
+stukken verdeeld, hinderlijke takstompjes worden afgesneden, alle
+stukken hout daarna in 't water gesleept en hier ontschorst of voor
+latere tijden bewaard. Eerst nadat de stok geschild is, gebruikt de
+Bever hem als bouwmateriaal, haalt hem uit het water, sleept hem naar
+de naastbijgelegen hut en geeft hem hier een bestemming. Van een regel
+bij het rangschikken van de voor 't bouwen dienende stokken is niets
+te bespeuren. Op een doelmatige wijze wordt in de behoeften voorzien,
+aan een regelmatige plaatsing van de bouwstoffen echter niet gedacht:
+eenige stokken liggen horizontaal, andere scheef, nog andere verticaal,
+enkele steken met het eene einde ver buiten de wanden van de hut uit,
+andere zijn geheel met aarde bedekt. Er wordt trouwens voortdurend
+iets aan de woning veranderd, vergroot en verbeterd. Alle voor het
+dichtstoppen en de bekleeding vereischte materialen, zooals aarde,
+zand, leem of slib worden op verschillende wijzen, maar toch altijd
+slechts met den bek en met de voorvoeten vervoerd en alleen met
+de voorvoeten verwerkt. De staart wordt hierbij hoogstens voor het
+behouden van het evenwicht, nooit als troffel gebruikt. Wel is het
+mogelijk, dat de zware achter hem aansleepende staart, die soms niet
+minder dan 2 KG. weegt, tot het gladmaken der slibbedekking bijdraagt.
+
+Evenals bij de meeste dieren is het wijfje van den Bever bij het
+bouwen met het belangrijkste deel van den arbeid belast, het mannetje
+verricht hoofdzakelijk oppermanswerk. Beide arbeiden gedurende het
+geheele jaar, hoewel niet altijd met denzelfden ijver. In den zomer
+en in het begin van den herfst zijn zij vaker aan 't spelen dan aan
+het voltooien van de woning; vóór het invallen van het koude weder
+arbeiden zij daarentegen onverpoosd gedurende den geheelen nacht. Zij
+hebben een fijn voorgevoel van de naderende weersgesteldheid en nemen
+hiertegen de best mogelijke voorzorgsmaatregelen.
+
+Het voedsel van de Bevers bestaat voornamelijk uit de schors en de
+bladeren van verschillende boomen. Van alle takken, die ik mijne
+gevangenen toewierp, kozen zij het allereerst die van den wilg uit,
+en alleen wanneer deze ontbraken, namen zij takken van witte, zwarte
+en ratel-populieren, esschen en berken, het minst graag die van
+elzen en eiken. Harde takken, die zij met de voorvoeten aanvatten
+en aanhoudend ronddraaien, ontschorsen zij zeer netjes en behendig;
+zij schillen ze zoo schoon af, dat men op den van schors beroofden
+tak geen sporen van de werking der tanden ontdekken kan. Spoedig
+geraken zij gewoon aan brood en scheepsbeschuit, appels en peren,
+en krijgen weldra een voorliefde voor vruchten.
+
+Hoewel de houding van den Bever verschillend is, vertoont zij toch
+over 't algemeen weinig afwisseling. Zittend gelijkt het dier op een
+groote, plompe Muis. Bij het gaan wordt de eene poot na de andere
+bewogen want de bijna over grond schurende buik laat geen snelle,
+gelijkmatige beweging toe. Als hij zeer groote haast heeft, doet de
+Bever sprongen, plomper en onbehendiger dan die van eenig ander, mij
+bekend landzoogdier; achtereenvolgens worden hierbij het achterste
+en het voorste deel van 't lichaam omhooggeheven; toch komt hij op
+deze wijze vrij schielijk vooruit. Bij het zwemmen is het achterdeel
+zoo diep ondergedompeld, dat alleen de neusgaten, oogen en ooren
+benevens het middelste deel van den rug boven den waterspiegel komen;
+het achterste deel van den rug en de staart zijn echter onder water. De
+voortbeweging heeft plaats door de achterpooten tegelijkertijd, zelden
+één voor één, te strekken en te buigen; de staart, die dikwijls
+eveneens in de gepaste richting met kracht schoksgewijs bewogen
+wordt, dient voor 't sturen; de voorpooten doen bij 't zwemmen geen
+dienst. Het dier kan 2 minuten onder water blijven, voordat de behoefte
+om adem te halen het noodzaakt weer aan de oppervlakte te komen.
+
+De stem is een zwak geluid, dat nog het best een gesteun genoemd
+kan worden; zij wordt gehoord, telkens als het dier een aandoening
+ondervindt; weldra leert men de verschillende beteekenissen van de
+voortgebrachte geluiden verstaan. Naar het schijnt, zijn het gehoor
+en de reuk de hoogst ontwikkelde zinnen; de kleine oogen hebben een
+tamelijk onnoozele uitdrukking; gebrekkig is het gezichtsorgaan echter
+evenmin als het smaakorgaan; ook het gevoel is bij dit dier niet
+onbeduidend. Over zijn verstandelijke ontwikkeling zou verschil van
+meening kunnen bestaan; in ieder geval zal men echter moeten erkennen,
+dat het te dezen aanzien in de orde der Knaagdieren een hooge plaats
+inneemt. Eerder dan eenig ander Knaagdier schikt het zich in veranderde
+omstandigheden, en leert het, zich deze op de meest voordeelige
+wijze ten nutte te maken; meer dan een zijner verwanten overlegt het,
+voordat het handelt, maakt het gebruik van ervaringen en leidt hieruit
+gevolgtrekkingen af. Zijne woningen zijn niet kunstiger dan die van
+andere Knaagdieren, steeds echter zijn zij aangelegd met een juist
+besef van de eigenaardigheden van de plaats, waar zij gelegen zijn;
+beschadigingen aan deze woningen worden altijd met overleg hersteld.
+
+Het gedrag van den gevangen Bever tegen andere dieren is onvriendelijk;
+tegenover den mensch zijn zij op zijn minst genomen koel. Die, welke
+goed behandeld worden, dulden ten slotte, dat men ze liefkoost, zij
+gaan ook wel naar hun oppasser toe om hem als 't ware te begroeten;
+tegen iederen dwang verzetten zij zich evenwel. Dat vrouwen en kinderen
+goedgeefs zijn, hebben zulke in de diergaarde levende Bevers spoedig
+geleerd; zij verschijnen daarom, als vrouwen en kinderen voorbijgaan,
+niet alleen vroeger dan gewoonlijk voor hun woning, maar bedelen ook,
+op de achterpooten staande, om eetwaren; handig nemen zij met de
+voorpooten appels, noten, suiker en brood aan; ieder die een beweging
+maakt, alsof hij, hun iets geven wil, en dit niet doet, of die hen
+plaagt, slaan zij echter op de vingers.
+
+Bevers, die jong gevangen zijn, kunnen zeer tam worden. In vele
+berichten van schrijvers over Amerika wordt melding gemaakt van
+Bevers, die in de dorpen van de Indianen in zekeren zin als huisdieren
+worden gehouden, of die in het bezit van de bedoelde schrijvers zelf
+waren. "Ik zag", zegt La Hontan, "in deze dorpen niets wat zoozeer mijn
+aandacht trok als Bevers die, zoowel in de beek als in het kreupelhout,
+ongestoord heen en weer liepen en zoo tam waren als Honden." Hearne
+had verscheidene Bevers zoo mak gemaakt, dat zij kwamen, als hij ze
+riep, hem als Honden naliepen en blijde waren, als zij geliefkoosd
+werden. Het gezelschap van de Indiaansche vrouwen en kinderen beviel
+hun, naar het scheen, zeer goed; zij waren onrustig, wanneer de
+menschen te lang wegbleven, en toonden blijdschap bij hun terugkomst.
+
+De paring van de Bevers heeft in verschillende maanden plaats,
+al naar het land dat zij bewonen. Volgens sommigen gebeurt dit in
+'t begin van den winter, volgens anderen in Februari of Maart. Na
+een draagtijd van zes weken werpt het wijfje in een droog hol 2 of 3
+behaarde, maar nog blinde jongen; na 8 dagen openen deze de oogen en
+worden zij door de moeder medegenomen naar het water; soms geschiedt
+dit echter eerst een paar dagen later.
+
+Behalve _Vorst_ Schwartzenberg, die op de Wereldtentoonstelling te
+Weenen een Beverpaar toonde, houdt tegenwoordig niemand zich met
+het fokken van Bevers bezig, hoewel dit bedrijf zoowel aangenaam
+als voordeelig is, en ook geen bijzondere bezwaren oplevert. Een
+paar Bevers, dat in het jaar 1773 op Rothenhof was gebracht, had
+zich zoo sterk vermenigvuldigd, dat het gezin 6 jaren later uit 14,
+10 jaren later uit 25 leden bestond; toen werd de fokkerij echter
+beperkt, daar de Bevers, die in de vrije natuur waren gebracht, hier
+veel schade aanrichtten. Te Nymphenburg, in Beieren, werden eveneens
+Bevers gehouden; het bleek, dat enkele van deze dieren 50 jaren lang
+in de gevangenschap in 't leven bleven.
+
+Behalve de mensch, heeft de Bever weinig vijanden. Zijn voorzichtigheid
+doet hem zelfs den behendigen jager gelukkig ontgaan. Nadat hij eens
+verontrust is, zoekt hij bij het geringste gevaar het water op, dat
+hem tamelijk goed beveiligt. De Noord-Amerikaansche trappers (zoo
+genoemd naar de vallen--in 't Engelsch "traps"--, die zij gebruiken
+om wild te vangen) beweren, dat de Bevers daar, waar zij in grooten
+getale bijeen wonen, wachten uitzetten, die de overige leden van het
+gezelschap voor een naderend gevaar waarschuwen door een signaal,
+bestaande uit het geluid, dat door het slaan met den staart tegen de
+oppervlakte van het water veroorzaakt wordt. De beteekenis van deze
+mededeeling is eigenlijk, dat een vijand door een vereeniging van
+verscheidene voorzichtige dieren gemakkelijker wordt waargenomen,
+dan door ieder van hen afzonderlijk; dat dus ieder van de leden van
+het gezelschap de hierboven bedoelde wachtdienst verricht. Daar het
+plassend geluid, dat het slaan met den staart op den waterspiegel
+veroorzaakt, alleen dan wordt gehoord, als de Bever zich plotseling
+te water begeeft en onderduikt, en dit in den regel dan geschiedt,
+als hij een gevaar meent op te merken, letten trouwens alle zijne
+metgezellen op dit verre waarneembare gedruisch, en verdwijnen,
+zoodra zij het vernemen, in de diepte. In Amerika doodt men den Bever
+vooral met het geweer, maar vangt hem bovendien in allerlei soorten
+van vallen. In den winter hakt men gaten in 't ijs en slaat de Bevers
+dood, wanneer zij daarin komen om te ademen. Ook neemt men wel eens
+de ijslaag weg van het bij de beverhutten gelegen deel van de rivier
+of beek, bedekt dit met een stevig net, breekt vervolgens de hutten
+open en jaagt de verschrikte dieren in het net.
+
+Het voordeel, dat de Bevers opleveren, weegt ten naastenbij op tegen de
+schade, die zij aanrichten. Men moet hierbij in 't oog houden, dat zij
+bij voorkeur onbevolkte landstreken bewonen, en het liefst zich bepalen
+tot het afsnijden van dunne takken van boomsoorten, die spoedig weder
+aangroeien. Niet alleen de aangerichte vernielingen, maar ook alle
+moeite en bezwaren van de jacht worden daarentegen door het vel en
+het vleesch van het dier, en in nog hoogere mate door het bevergeil,
+zeer rijkelijk vergoed. Uit Amerika komen ieder jaar omstreeks 150.000
+vellen in den handel, ter gezamenlijke waarde van 1.800.000 gulden;
+ieder vel brengt, al naar de kwaliteit, 12 à 36 gulden op.
+
+Bij de Amerikaansche wilden staat de Bever in zeer hoog aanzien. Zij
+schrijven hem bijna evenveel verstand toe als den mensch en gelooven,
+dat dit voortreffelijke dier een onsterfelijke ziel heeft,--om van
+andere sprookjes maar te zwijgen.
+
+
+
+De _Spring-knaagdieren_ (_Dipodidae_), herinneren door hun
+lichaamsbouw duidelijk aan de Kengoeroes. Bij beide komt dezelfde
+wanverhouding tusschen het voorste en het achterste deel van
+den romp voor. Het achterste deel van het lichaam is buitengewoon
+krachtig ontwikkeld: de achterpooten zijn wel driemaal zoolang als de
+voorste; de staart is naar verhouding zeer lang, aan het achterste
+gedeelte gewoonlijk tweerijig behaard, zoodat hij in een kwast
+uitloopt. De Spring-Knaagdieren verschillen echter aanmerkelijk
+van de Spring-buideldieren wat den kop betreft. Deze is bij de
+eerstgenoemde zeer dik; de hieraan groeiende snorren zijn naar
+verhouding de langste die bij eenig Zoogdier voorkomen: dikwijls
+zijn zij even lang als het geheele lichaam. De groote oogen wijzen op
+een nachtelijke levenswijze, maar zijn levendig en fraai, zooals bij
+weinige andere nachtdieren; dat het gehoor niet minder goed ontwikkeld
+is, blijkt uit de overeindstaande, lepelvormige ooren, welker lengte
+afwisselt van één derde tot de geheele lengte van den kop. De hals
+is zeer dik en onbeweeglijk, de romp mag wel slank heeten. Aan de
+kleine voorpooten komen gewoonlijk 5 teenen voor, aan de achterpooten
+3. De vacht is dicht en zacht, haar kleur gelijkt op die van het
+zand. De naast elkander gelegen beenderen, die bij de meeste andere
+Zoogdieren den middelvoet vormen, zijn vergroeid tot één enkel been,
+aan welks uiteinde de van elkander afgezonderde gewrichtsknobbels
+voor de teenen voorkomen.
+
+De Spring-knaagdieren zijn hoofdzakelijk bewoners van Afrika en Azië;
+van eenige soorten strekt zich het verbreidingsgebied echter tot in
+Zuid-Europa uit; één geslacht of onderfamilie behoort in Noord-Amerika
+thuis. Zij zijn bewoners van het droge, vrije veld, van de grasrijke
+steppe en van de dorre zandwoestijn; het zijn eigenlijk woestijndieren,
+zooals ook uit hun kleur oogenblikkelijk blijkt. Op leemachtigen
+of zandigen bodem, in de lage landen, zeldzamer op hoogten of aan
+dicht met kreupelhout begroeide weidezoomen en in de nabijheid van
+bouwland vestigen zij zich in door hen zelf gegraven holen met vele
+vertakte, doch meestal op zeer korten afstand van de oppervlakte
+gelegen pijpen, die altijd talrijke uitgangen hebben. Over dag
+in hunne holen verborgen, vertoonen zij zich na zonsondergang en
+leiden dan een vroolijk leven. Hun voedsel bestaat uit wortels,
+bollen, allerlei graansoorten en zaden, vruchten, bladen, gras en
+kruiden. Eenige verslinden ook Insecten, ja zelfs kleine Vogels,
+gebruiken zelfs aas als voedsel en eten in sommige gevallen elkander
+op. Het voedsel brengen zij met de voorpooten naar den mond, terwijl
+zij in half opgerichte houding op het achterste deel van den romp en
+op den staart steunen.
+
+Hunne bewegingen zijn zeer eigenaardig. De bedaarde gang verschilt van
+die der Kengoeroes in zoover, dat zij schielijk achtereen den eenen
+achterpoot vóór den anderen plaatsen; de snelle loop geschiedt echter
+sprongsgewijs; door het strekken van de krachtige achterpooten wordt
+het lichaam ver boven den grond verheven, terwijl intusschen met den
+tweerijig behaarden staart de richting van den sprong geregeld en zoo
+het evenwicht bewaard wordt. Daarbij leggen zij de voorpooten tegen de
+kin aan, of kruisen ze, gelijk een hardloopend mensch over de borst;
+dan is het, alsof zij maar twee pooten hebben. De grootste soorten
+kunnen kolossale sprongen doen; want bij al deze dieren bedraagt de
+sprongwijdte het twintigvoud van hun lichaamslengte. De eene sprong
+volgt onmiddellijk op den anderen; als zij haastig vluchten, ziet
+men eigenlijk niets anders dan een geel voorwerp, dat volgens vlakke
+bogen als een pijl door de lucht schiet. Met even groote behendigheid
+graven zij in den bodem, in weerwil van de zwakheid hunner voorpooten,
+die hoofdzakelijk dezen arbeid moeten verrichten. Terwijl zij grazen,
+gaan zij, ook weder evenals de Kengoeroes, op vier pooten; deze
+beweging is echter zeer langzaam en wordt nimmer lang voortgezet. Bij
+het zitten rusten zij op de zolen van de achtervoeten.
+
+Bij alle soorten zijn de zinnen scherp, vooral hebben zij een fijn
+gehoor en kunnen op grooten afstand zien; hierdoor kunnen zij aan
+dreigende gevaren gemakkelijk ontkomen. Uiterst vreesachtig, schuw
+en haastig, trachten zij bij iedere storing zoo schielijk mogelijk
+hun hol te bereiken of slaan, wanneer hun dit niet mogelijk is,
+met razende snelheid op de vlucht. De grootste soort verdedigt
+zich in gevallen van uitersten nood, op de wijze der Kengoeroes,
+met de achterpooten; de kleinere soorten daarentegen maken, als zij
+gegrepen worden, nooit van hunne natuurlijke wapens gebruik. Hun stem
+bestaat uit een soort van gehuil, dat op het geschreeuw van jonge
+Katten gelijkt, bij andere leden der familie ook wel uit een dof
+geknor. Men hoort echter over 't algemeen slechts zelden een geluid
+van hen. Bij geringen warmtegraad vervallen zij in winterslaap, of
+verstijven althans gedurende korten tijd; zij verzamelen echter geen
+wintervoorraad, gelijk andere Knaagdieren doen.
+
+In de gevangenschap zijn de Spring-Knaagdieren zeer aardige en
+bevallige gasten van den mensch; hunne goedaardigheid, zachtmoedigheid
+en argeloosheid doen hen ieders vriendschap verwerven.
+
+Bijna alle soorten zijn volkomen onschadelijk. De woestijn, die voor
+ieder open staat, biedt hen zooveel voedsel, dat zij er geen behoefte
+aan gevoelen, de bezittingen van den mensch te plunderen.
+
+
+
+De _Amerikaansche Springmuis_ (_Jaculus hudsonius_) is de eenige
+vertegenwoordiger van haar geslacht en van haar onderfamilie. Door
+haar lichaamsbouw gelijkt zij op hare naaste verwanten in de Oude
+Wereld, door den vorm en de beharing van den staart herinnert zij
+echter ook aan de gewone Muizen. In grootte komt zij ongeveer overeen
+met de Boschmuis; haar lichaamslengte bedraagt tennaastenbij 8 cM,
+zonder den 13 cM. langen staart. Het gladde en dichte haarkleed is
+aan de bovenzijde donker leder-bruin met bruingeel gemengd.
+
+Het hooge noorden van Amerika is het vaderland van dit dier. Het komt
+voor in alle gewesten die pelterijen leveren, van den Missouri tot in
+Labrador en van de oevers van den Atlantischen tot aan die van den
+Stillen Oceaan. Hier woont het in de met dicht struikgewas bezette
+weideranden en in de nabijheid van bosschen; over dag blijft het
+verborgen, des nachts zwerft het bij gezelschappen rond. Zijne holen
+zijn ongeveer 50 cM. diep, in het koude jaargetijde soms dieper. Vóór
+den aanvang van den winter vervaardigt het een nest van leem, dat op
+een hollen kogel gelijkt, rolt zich hierin samen, met den staart om
+het lichaam gewikkeld en blijft zoo in een toestand van verstijving
+liggen, tot de lente komt. Men verhaalt, dat een tuinman in Maart
+bij het omspitten van den grond een kluit vond ter grootte van een
+kegelbal, die wegens zijn regelmatigen vorm verwondering wekte; de
+tuinman sloeg den bal met de spade in twee stukken en vond hierin
+een diertje, dat zich opgerold had, ongeveer als een kuiken in een
+ei. Dit was de Amerikaansche Springmuis in haar winterkwartier. In
+den zomer is zij zeer vlug, zij springt buitengewoon behendig en
+snel op de achterpooten rond. In het bosch kan men haar, naar beweerd
+wordt, in 't geheel niet vangen. Met gemak springt zij hier over lage
+struiken heen, die de mensch niet zoo gemakkelijk overschrijden kan,
+en weet dan altijd een veilig plaatsje te vinden. Audubon betwijfelt,
+of eenig Zoogdier haar in behendigheid evenaart.
+
+Naar men zegt, kan het aardige diertje zonder moeite in 't leven
+gehouden worden.
+
+
+
+Over de _Echte Springmuizen_ (_Dipodinae_) is men beter onderricht. Men
+kan ze als typische vertegenwoordigers van de familie beschouwen, want
+zij vertoonen al hare eigenaardigheden het duidelijkst. Haselquist
+merkt niet onaardig op, dat zij er uitzien, alsof zij uit stukken
+van verschillende dieren zijn samengesteld. "Men zou kunnen zeggen,
+dat dit diertje den kop heeft van den Haas, den snorrebaard van den
+Eekhoorn, den snuit van het Zwijn, den romp en de voorvoeten van de
+Muis, de achtervoeten van den Vogel en den staart van den Leeuw." In
+de eerste plaats valt de kop in 't oog: er blijkt onmiddellijk uit,
+dat de Springmuizen echte woestijnbewoners zijn. Voor alle zintuigen
+is de noodige ruimte aanwezig. De oorschelpen zijn groot en vliezig, of
+althans uiterst dun behaard, de oogen groot, levendig en zacht, zooals
+bij vele andere woestijnbewoners, die een nachtelijke levenswijze
+hebben, de neusgaten wijd; ook de organen voor den tastzin zijn
+goed ontwikkeld: aan weerszijden van den kop steken verbazend lange
+snorren uit. De hals is buitengewoon kort en weinig beweeglijk,
+de staart daarentegen zeer lang, meestal langer, soms veel langer
+dan de romp: het voorste gedeelte is rond, overal gelijkmatig kort
+behaard, de staartspits echter meestal met twee rijen van langere
+borstelharen bezet, waardoor de staart eenige overeenkomst met een
+pijl verkrijgt. De zeer korte voorpooten, zijn gedurende het springen
+zoo tegen het lichaam aangedrukt en in de vacht verborgen, dat hierin
+een reden te vinden is voor de oude benaming "Tweevoet"; zij hebben
+slechts vier teenen met middelmatig lange, gekromde en scherpe klauwen,
+en op de plaats van den duim een wratje, dat soms met een nagel
+voorzien is, soms echter niet. De achterpooten zijn wel zesmaal zoo
+lang als de voorpooten, omdat zoowel het onderbeen als de middelvoet
+buitengewoon sterk verlengd zijn. Het haarkleed bestaat uit zachte,
+zijdeachtige haren; ieder haar van den rug is van onderen blauwachtig
+grijs, hoogerop zandkleurig, aan de spits echter zwart of donkerbruin;
+aan de onderdeelen is de vacht altijd wit, met overlangsche strepen
+aan de zijden. Een merkwaardig verschijnsel, dat men bij vele snel
+loopende dieren opmerkt en ook bij de Springmuizen aantreft, is,
+dat de voeten de eenvoudigst mogelijke samenstelling hebben, en
+slechts uiterst weinig beweeglijk zijn. De 3, 4 of 5 buitengewoon
+korte teenen van de springpooten hebben in den regel slechts twee
+leden; zij kunnen niet zijdelings bewogen, maar alleen gezamenlijk
+een weinig gebogen en gestrekt worden. Bij het loopen komt alleen
+de uiterste spits van het nagellid met den grond in aanraking; door
+een veerkrachtige, kraakbeenige massa, wordt zij echter gevrijwaard
+tegen den invloed van schokken bij den sprong.
+
+
+
+Als vertegenwoordiger van dit geslacht kies ik
+de _Woestijn-springmuis_, de _Djerboa_ der Arabieren (_Dipus
+aegyptius_), een allerliefst diertje van 17 cM. lengte, waarbij nog
+gevoegd moet worden 21 cM. voor den staart (zonder den haarkwast). De
+Woestijn-springmuizen, waarschijnlijk wel de Egyptische, waren reeds
+aan de ouden goed bekend. Dikwijls wordt in de werken van Grieksche en
+Romeinsche schrijvers van deze dieren melding gemaakt, altijd onder
+den naam van "tweevoetige Muizen", welke naam daarom ook thans nog
+tot aanduiding van het geslacht dient.
+
+Het verbreidingsgebied van de Woestijn-springmuis omvat het
+grootste deel van Noord-Oost-Afrika, en het aangrenzende deel van
+West-Azië. Kale, droge vlakten, steppen en zandwoestijnen worden door
+haar bewoond; zij bevolkt de dorste en eenzaamste landschappen, en
+leeft in streken waar, naar men zou zeggen, geen dier het noodige voor
+zijn levensonderhoud kan vinden. Op deze met harde grassen begroeide,
+naargeestige vlakten treft men ze soms tot groote gezelschappen
+vereenigd aan. Zij komt hier voor nevens het Woestijnhoen, de
+kleine Woestijn-leeuwerik en de isabelkleurige Woestijnlooper; het
+is moeielijk te begrijpen, dat ook de Springmuizen voedsel vinden
+daar, waar de genoemde Vogels, die, behalve zaden, toch ook veel
+Insecten eten, ter nauwernood aan den kost kunnen komen. In den harden
+grindgrond graven onze Knaagdieren sterk vertakte, maar tamelijk dicht
+bij de oppervlakte gelegen gangen, waarin zij zich bij het geringste
+gevaar verschuilen.
+
+Hoewel deze diertjes talrijk zijn in de door hen bewoonde gewesten,
+ziet men ze hier tamelijk zelden. Men kan ze wel niet schuw noemen,
+maar zij zijn onrustig en vreesachtig en begeven zich bij het geringste
+gedruisch en zoodra zij een vreemd voorwerp zien, zoo schielijk
+mogelijk naar hunne holen. Bovendien vallen zij eerst op geringen
+afstand in 't oog, omdat hun kleur volkomen met die van 't zand
+overeenkomt en men tamelijk dicht bij hen moet zijn, voordat men ze
+bemerkt; met hunne fijn bewerktuigde zintuigen kunnen zij daarentegen
+de nadering van den mensch reeds op grooten afstand waarnemen. Wel
+mag men zeggen, dat het moeite zal kosten een aanvalliger schepseltje
+aan te wijzen, dan deze Springmuis. Vreemdsoortig en schijnbaar
+wanstaltig moge haar voorkomen zijn, als men haar dood in de
+hand heeft of bewegingloos ziet zitten, bevallig is echter haar
+uitzicht, als zij in beweging geraakt. Eerst dan doen deze dieren
+zich kennen als echte kinderen van de woestijn, openbaren zij hunne
+merkwaardige begaafdheden. Zij bewegen zich met een snelheid die
+aan het ongeloofelijke grenst; 't is alsof zij vleugels hebben. Geen
+mensch is in staat een Springmuis in volle vaart bij te houden. Hoewel
+de Woestijn-springmuis een echt nachtdier is en hare zwerftochten
+eerst na zonsondergang begint, ziet men haar toch ook soms bij helder
+zonlicht, ja zelfs gedurende de heetste uren van den dag voor haar
+woning zitten en met hare soortgenooten spelen. De onverschilligheid
+voor den verzengenden gloed van de middagzon in Afrika, die zij bij
+deze gelegenheid openbaart, is werkelijk bewonderenswaardig; vooral
+als men bedenkt, dat nagenoeg geen enkel dier op dezen tijd van den
+dag zich in de woestijn beweegt, wijl de brandende hitte dan zelfs voor
+de echte bewoners van dit verheven landschap in den volsten zin van 't
+woord onverdragelijk is. Voor koude en vochtigheid daarentegen is zij
+zeer gevoelig; bij slecht weder blijft zij daarom altijd verborgen in
+haar hol; ook vervalt zij dan wel in een toestand van verstijving, die
+aan den winterslaap van de bewoners der noordelijke gewesten herinnert.
+
+Over de voortplanting van de Woestijn-springmuis is niets met zekerheid
+bekend. De Arabieren maken ijverig jacht op dit dier, omdat zij zijn
+vleesch eten en op tamelijk hoogen prijs stellen; zonder groote moeite
+vangen zij het levend of slaan het dood als het uit zijn hol komt.
+
+Behalve den mensch hebben deze dieren weinig vijanden. De Fenek en de
+Karakal en misschien ook de een of andere Uil zijn de gevaarlijkste
+warmbloedige roovers, die het op hen gemunt hebben; veel gevaarlijker
+wordt voor hen de Egyptische Brilslang. Deze leeft nl. op soortgelijke
+plaatsen als de Springmuizen, dringt zonder moeite door in de holen,
+die zij graven en doodt er vele van.
+
+De Europeesche dierenliefhebbers, die in Egypte wonen, houden dikwijls
+Springmuizen in gevangenschap. Op grond van mijn eigen ervaring kan
+ik verzekeren, dat men veel genoegen kan hebben van zulke in een hok
+of in een kamer opgesloten dieren. Gedurende mijn verblijf in Afrika
+werden mij dikwijls 10 of 12 stuks tegelijk gebracht. Ik gaf dan aan
+zulk een gezelschap een groote kamer tot woonplaats om de bewegingen
+dezer dieren te kunnen nagaan. Van 't eerste oogenblik af waren zij
+mak. Zonder bezwaar lieten zij toe, dat men ze aanraakte, en deden
+zelfs geen pogingen om den mensch te ontwijken. Bij het rondgaan
+in hun kamer moet men oppassen niet op hen te trappen, zoo rustig
+bleven zij zitten, als iemand op hen af kwam. Tegenover elkander
+zijn de springmuizen ook in de gevangenschap buitengewoon vreedzaam
+en gezellig. Zij zijn aan armoedig en droog voedsel gewoon. Als
+het droge voedsel haar geheel onthouden wordt, gaan zij treuren,
+verliezen haar gezondheid en sterven eindelijk. Wanneer zij tarwe,
+rijst, een weinig melk en af en toe een druif, een stukje appel,
+een wortel of zoo iets krijgen, blijven zij welvarend en kunnen lang
+in de gevangenschap leven. In den laatsten tijd is het geen groote
+zeldzaamheid meer, dat zij naar Europa gebracht worden.
+
+Van alle Knaagdieren, die ik tot dusver in gevangenschap hield, zijn
+mij de Springmuizen het best bevallen. Wegens hare eigenschappen
+moet ieder wel van haar houden. Zij zijn zoo merkwaardig argeloos,
+zoo vriendelijk, tam, zindelijk, en, als zij haar slaapje uit hebben,
+zoo vroolijk en vlug, elk van hare bewegingen is zoo eigenaardig en
+zij weten hierin zooveel afwisseling te brengen, dat men zich uren
+lang met haar kan bezig houden.
+
+Voor haar verzorger is de Springmuis zeer lieftallig. Nooit komt het
+haar in de gedachte den persoon te bijten, die haar opneemt. Men kan
+haar aanraken, liefkoozen, ronddragen: alles is haar goed. Wanneer
+iemand haar 's avonds een vinger toesteekt tusschen de traliën van haar
+hok door, gebeurt het wel, dat zij dien aanvat, en met de tanden een
+weinig langs den vingertop schaaft, waarschijnlijk omdat zij meent,
+dat men haar iets te eten wil geven; van werkelijke pogingen om te
+bijten is ook dan zelfs geen sprake. Het komt mij voor, dat men de
+Springmuis zeer goed in een salon of pronkkamer zou kunnen houden,
+zoo goedaardig, argeloos en zindelijk is dit dier.
+
+
+
+Door het maaksel van den schedel, van het gebit en vooral van de
+achterpooten verschillen de _Zandspringers_ (_Scirtetes_) van de
+Woestijn-springmuizen. Bij hen is een lang en stevig middelvoetsbeen
+aanwezig, dat van onderen drie gewrichtsvlakken heeft voor de
+aanhechting van de drie teenen, die met den grond in aanraking komen;
+aan weerszijden van het groote middelvoetsbeen bevindt zich een korter
+been, dat een bijteen draagt, die den grond niet raakt. De achtervoet
+is dus met vijf teenen voorzien.
+
+
+
+Door de uitmuntende beschrijvingen van Pallas, Brandt en anderen,
+zijn wij vooral met de _Paardepoot-springmuis_, den _Alakdaga_
+der Mongolen (_Scirtetes jaculus_) bekend geworden. Dit dier heeft
+ongeveer de grootte van een Eekhoorntje; zonder den 26 cM. langen
+staart heeft het een lengte van 18 cM. De ooren zijn zoo lang als de
+kop. Deze is werkelijk fraai en heeft levendige, uitpuilende oogen
+met cirkelvormige pupil, groote, lange en smalle ooren, die langer
+zijn dan de kop en zeer lange snorharen met zwartachtig grijze spitsen
+aan weerszijden van de bovenlip. De achterpooten zijn bijna viermaal
+zoo lang als de voorpooten. De middelste teen is de langste, want de
+beide zijdelingsche teenen reiken niet voorbij het eerste lid van de
+middelste en de twee bijteenen zijn, zooals reeds opgemerkt werd, zoo
+hoog geplaatst en kort, dat zij bij 't gaan den grond niet aanraken.
+
+Hoewel de Paardepoot-springmuis ook in het zuidoosten van Europa
+voorkomt, vooral in de steppen aan den Don en in de Krim, is Azië
+toch haar eigenlijk vaderland. Noordwaarts komt zij niet verder dan
+de 52e breedtegraad; oostwaarts strekt haar verbreidingsgebied zich
+uit tot in het oosten van Mongolië.
+
+Evenals de Djerboa de woestijnen van Afrika bewoont, leeft de Alakdaga
+in de open vlakten van het steppengebied van Zuid-Europa en Azië,
+vooral echter op leemachtigen grond; het eigenlijke, rondkorrelige zand
+vermijdt hij, omdat dit geen voldoende stevigheid voor zijne gangen en
+holen aanbiedt. Hij leeft gezellig evenals zijne verwanten, doch niet
+in groote troepen bijeen. Over dag rust hij, verborgen in zijn kunstig
+hol, na het vallen van de schemering zwerft hij rond, maar keert des
+nachts herhaaldelijk naar zijn hol terug. Zijne bewegingen gelijken op
+die van zijne reeds genoemde verwanten. Als hij rustig graast, loopt
+hij, evenals een Kengoeroe, die met zijn maal bezig is, op alle vier;
+de snellere beweging geschiedt springend op de achterpooten. Naar
+men zegt, maakt hij nog grooter sprongen dan de Woestijn-springmuis,
+en is hij hierdoor in staat zoo snel te vluchten, dat een Paard hem
+niet inhalen kan. Schuw en vreesachtig van aard neemt hij reeds
+bij het geringste gevaar de vlucht; zelfs als hij rustig graast,
+richt hij zich van tijd tot tijd op om de omgeving te bespieden. Als
+hij vervolgd wordt, springt hij niet volgens een rechte lijn weg,
+maar verandert zooveel mogelijk zigzagswijs van richting, totdat hij
+zijn vervolger afgemat, of een voor hem geschikt hol gevonden heeft,
+waarin hij zich oogenblikkelijk verbergt.
+
+De Alakdaga eet allerlei soorten van planten en allerlei deelen
+van planten. Zijn voornaamste voedsel bestaat uit bollen; Insecten
+versmaadt hij echter niet; nu en dan zal hij waarschijnlijk wel
+eens zijn maal doen met een Steppen-leeuwerik of althans met diens
+eieren en jongen. Van struiken knaagt hij de schors af, van de
+kruidachtige planten der steppe vreet hij echter alleen de jongste
+uitspruitsels. Als de felle koude begint, valt de Paardepoot-springmuis
+in slaap. Bij 't naderen van den winter sluit hij de uitgangen zijner
+onderaardsche galerijen zorgvuldiger af dan gewoonlijk en rolt zich
+met andere dieren van zijn soort in de zacht bekleede kamer van het
+hol tot een kluwen ineen.
+
+De Alakdaga wordt tamelijk sterk vervolgd, daar de steppenbewoners
+zeer veel houden van zijn vleesch. Slechts hoogst zelden houden de
+nomaden van deze steppen een Alakdaga in gevangenschap, ofschoon
+hij deze zeer goed verdraagt. Men heeft hem reeds meermalen levend
+in Europa gehad, waar hij niet alleen voor tijdverdrijf diende, maar
+ook soms voor een wetenschappelijk doel. De beste beschrijving van het
+leven van dit dier in de gevangenschap, hebben wij n.l. te danken aan
+den oudheidkundige Haym. Om een gouden munt uit Cyrene te verklaren,
+waarop aan de eene zijde een ruiter, aan de ander echter het beroemde
+kruid _Silphium_ [2] met een Zandspringer er onder afgebeeld was,
+schafte Haym zich een Alakdaga aan, hield hem meer dan een jaar lang
+in leven, teekende zorgvuldig op, wat er aan dit dier op te merken
+viel en gaf hiervan een nauwkeurig verslag.
+
+Gedurende de 3 of 4 eerste maanden van zijn leven in de gevangenschap,
+at deze Zandspringer niets anders dan amandelen, pistaches (de
+eetbare vruchten van een in Syrië en Mesopotamië inheemschen, in de
+oeverlanden van de Middellandsche zee gekweekten boom, _Pistacia
+vera_) en gebroken graan, zonder ooit te drinken; later gebruikte
+hij ook appels, peenen en nog liever kruiden, maar alleen zulke,
+die weinig geur hebben, zooals spinazie, salade, brandnetels, enz.;
+hij dronk toen ook nu en dan gaarne water, hoewel men Haym gezegd
+had, dat dit nooit geschiedde. Hij hield veel van brood, suiker en
+soortgelijke voedingsmiddelen; kaas en alle andere melkspijzen roerde
+hij nooit aan. Ten slotte gaf hij aan hennepzaad de voorkeur boven
+ieder ander voedsel. Hij verbreidde volstrekt geen onaangenamen reuk,
+zooals andere Knaagdieren--Muizen, Eekhoorns en Konijnen--doen; ook
+was hij zoo zachtaardig, dat men hem gerust in de handen kon nemen;
+hij beet nooit. Vreesachtig als een Haas, was hij zelfs bang voor
+diertjes, die kleiner waren dan hij en geen kwaad konden doen. In
+het koude jaargetijde had hij veel last van den lagen warmtegraad;
+des winters moest men derhalve zijn hok altijd in de nabijheid van
+het vuur plaatsen. Toch was niet het klimaat, maar een noodlottig
+toeval de oorzaak van den dood van dit dier.
+
+
+
+De _Springende Haas_, door de Hollandsch sprekende bewoners van
+Zuid-Afrika ook wel _Aardmannetje_ genoemd (_Pedetes caffer_),
+wordt tegenwoordig als vertegenwoordiger van een afzonderlijke
+onder-familie beschouwd. Van de overige Spring-knaagdieren verschilt
+hij aanmerkelijk door zijn gebit en ook nog in verschillende andere
+opzichten. De langwerpige romp neemt van voren naar achteren allengs
+in dikte toe, de hals is tamelijk dik, maar duidelijk van den romp te
+onderscheiden en veel beweeglijker dan bij de verwante geslachten;
+de voorpooten zijn ook bij hem nog kort, maar toch veel krachtiger
+dan bij de Springmuizen; hunne vijf teenen zijn met stevige, lange,
+sterk gekromde klauwen gewapend; de achterste ledematen daarentegen
+zijn lange, krachtige springpooten, hebben vier teenen, die ieder
+door een afzonderlijk middelvoetsbeen gedragen worden; zij dragen
+stevige, breede, maar tamelijk korte, bijna hoefvormige nagels. De
+middelste teen van den achterpoot is langer dan de overige teenen; de
+korte buitenteen is zoo hoog geplaatst, dat hij den grond bijna niet
+aanraakt. De zeer lange, krachtige, dicht en ruig behaarde, aan den
+oorsprong nog dunne staart, wordt door de overvloedige beharing naar de
+spits toe dikker en loopt uit in een stomp eindigenden haarkwast. Het
+lange, dichte, overvloedige en zachte haarkleed van den Springhaas,
+dat, wat de kleur betreft, een in 't oog loopende overeenkomst met het
+vel van onzen Haas vertoont, is aan de bovenzijde roest-bruinachtig
+vaalgeel (met bijmenging van zwart, omdat vele haren zwarte spitsen
+hebben), aan de onderzijde echter wit. In grootte komt dit dier,
+ongeveer met onzen Haas overeen: de lichaamslengte bedraagt ongeveer
+60 cM.; de hierbij niet meegerekende staart is nog iets langer.
+
+De Springende Haas bewoont armoedige landstreken en zelfs
+woestijnachtige steppen. Hij is over een groot deel van Zuid-Afrika
+verbreid, komt in het westen minstens tot op de breedte van Angola en
+in het oosten stellig nog in Duitsch Oost-Afrika voor. In het Kaapland
+is hij op sommige plaatsen zeer veelvuldig, zoowel in bergstreken
+als in open vlakten, soms vindt men deze dieren in zulk een groot
+aantal bijeen, dat zij echte koloniën vormen. Op soortgelijke wijze
+als zijne verwanten graaft hij onderaardsche woningen met lange
+gangen, die gewoonlijk sterk vertakt en op korten afstand van de
+oppervlakte gelegen zijn en naar een op grooter diepte voorkomende
+kamer leiden. Meestal dient zulk een woning tot verblijfplaats aan
+verscheidene paren, ja zelfs aan geheele familiën.
+
+Daar hij, evenals de andere leden van zijn familie, een nachtdier is,
+begint zijn bedrijvigheid eerst, als de avondschemering invalt. Hij
+komt langzaam uit zijn woning te voorschijn, en beweegt zich op
+alle vier ledematen terwijl hij zijn voedsel zoekt, dat uit wortels,
+bladeren en zaden bestaat; zijn beweging verdient dan eer den naam van
+kruipen dan van loopen. Bijna iedere minuut gaat hij op de achterpooten
+staan luisteren, want hij is voortdurend hoogst onrustig. Wanneer hij
+niet eet, poetst hij zich, en wanneer hij zich niet poetst, toont hij
+zich bekommerd over zijn veiligheid. Somtijds laat hij een soort van
+geknor of geblaat hooren, waarschijnlijk om zijne metgezellen bijeen te
+roepen. Het voedsel brengt hij, evenals de Springmuizen, met de korte
+voorpooten naar den mond. Zoo langzaam hij voortschrijdt, wanneer
+hij op alle vier gaat, zoo snel is zijn uit schielijk opeenvolgende
+sprongen bestaande loopbeweging. Door het strekken van de lange
+achterpooten verheft hij zich boven den bodem en komt weer op de
+achterpooten terecht, zonder met de voorpooten, die tegen de borst
+aangedrukt blijven, den grond aan te raken. Gewoonlijk bedraagt
+de sprongwijdte 2 à 3 M.; zoodra hij vervolgd wordt, vermeerdert
+echter zijn snelheid zoodanig, dat de gemiddelde sprongwijdte 6 à 10
+M. bedraagt.
+
+Bij den aanvang van 't regenseizoen blijft, naar men zegt, de geheele
+familie dikwijls dagen achtereen, ineengerold en dicht tegen elkander
+aangedrukt, binnen haar woning. Bij goede verzorging verdraagt de
+Springende Haas de gevangenis zeer goed en gedurende langen tijd;
+weldra wordt hij tam en stelt vertrouwen in zijn verzorger. Wegens
+zijn zindelijkheid verdient hij als huisdier aanbeveling; voedsel kan
+men hem gemakkelijk verschaffen: met tarwe, brood, salade en kool is
+hij best tevreden.
+
+De Hollandsche Boeren in Zuid-Afrika vinden veel vermaak in de jacht
+op dit dier; zijn vleesch wordt met smaak gegeten en het vel op
+soortgelijke wijze gebruikt als dat van onzen Haas.
+
+
+
+Om ons zoo grondig mogelijk bekend te maken met den aard der
+Knaagdieren, is geen andere familie van deze orde zoo goed geschikt,
+als die welke de _Muizen_ (_Muridae_) omvat. Deze familie is niet
+alleen het rijkst van alle aan geslachten en soorten, maar is ook
+verreweg het meest verbreid; haar verbreidingsgebied, althans dat
+van sommige soorten, neemt zelfs, dank zij haar gehechtheid aan den
+mensch, tot op den huidigen dag voortdurend toe. Hare leden zijn
+doorgaans klein van stuk, maar zij vergoeden, meer dan wenschelijk
+is, door talrijkheid, wat er aan de grootte van ieder individu te
+kort komt. Om een algemeene voorstelling te geven van de geheele
+familie, kan men zeggen, dat zij gekenmerkt is door den spitsen snuit,
+de groote, zwarte oogen, de breede en holle, zeer schraal behaarde
+ooren, den langen, behaarden of (niet minder dikwijls) onbehaarden,
+en dan met schubben bedekten staart, en de sierlijke pooten, met
+smalle, fijne vijfteenige voeten; voorts door de kortharige, zachte
+vacht. Wat haar algemeene gedaante betreft, vertoonen echter vele
+Muizen een toenadering tot andere familiën van de Knaagdieren-orde:
+stekelig bovenhaar herinnert aan de Stekelzwijnen; echte zwemvoeten,
+korte ooren en pooten doen aan de Bevers denken; een dicht behaarde
+staart roept ons het beeld van den Eekhoorn voor den geest enz. In
+overeenstemming met deze uitwendig zichtbare afwijkingen van den
+algemeenen vorm, is ook de bouw van het gebit in mindere of meerdere
+mate gewijzigd.
+
+De Muizen zijn wereldburgers, tot groote schade voor de menschheid. In
+alle werelddeelen komen leden van deze familie voor; de weinig
+talrijke, gelukkige eilanden, die tot dusver van een bezoek van de
+genoemde Knaagdieren verschoond bleven, zullen vroeger of later nog
+wel bevolkt worden door één soort, die door haar reislust reeds een
+ontzaglijk groot verbreidingsgebied heeft verkregen. De Muizen bewonen
+alle landstreken en alle klimaten; wel geven zij de voorkeur aan de
+vlakten van gematigde en warme gewesten boven het gure hoogland en
+het koude noorden; maar ook hier worden zij gevonden tot daar, waar de
+plantengroei ophoudt; zij komen dus ook nog voor in de onmiddellijke
+nabijheid van de eeuwigdurende sneeuw der gebergten. Goed bebouwde
+landerijen, vruchtbare akkers, plantages worden onvoorwaardelijk door
+haar het liefst als woonplaats gekozen; moerassige plaatsen, oevers van
+rivieren en beken, verschaffen haar echter evenzeer het noodige; zelfs
+op dorre, droge, met weinig gras en struikgewas begroeide vlakten,
+zien zij nog kans om in haar levensonderhoud te voorzien. Eenige
+vermijden de nabijheid van plaatsen, waar de mensch zich gevestigd
+heeft; andere dringen zich als ongenoode gasten aan hem op, en volgen
+hem overal, waar hij zich metterwoon nederzet, zelfs naar overzeesche
+gewesten. Zij bevolken huis en hof, schuur en stal, tuin en veld,
+weide en bosch, overal richten zij met de scherpe werktuigen harer
+vraatzucht schade en onheil aan. Er zijn er maar weinige onder,
+die eenzaam of bij paren leven; de meeste houden van gezelligheid;
+sommige soorten vormen soms ontzaglijk groote scharen. Bijna alle
+soorten vermenigvuldigen zich buitengewoon sterk, want het aantal
+jongen van een enkelen worp wisselt van 6 tot 21 af; de meeste planten
+zich ieder verscheidene malen voort, zelfs in den winter.
+
+De Muizen plagen en kwellen den mensch op allerlei wijzen; hare
+eigenschappen stellen haar, naar 't schijnt, juist hiertoe, in
+staat. Vlug en behendig in hare bewegingen, kunnen zij uitmuntend
+loopen, springen, klimmen, zwemmen; zij zien kans haar lichaam door de
+nauwste openingen heen te wringen; wanneer zij geen toegangsopeningen
+vinden, maken zij die met haar scherp gebit. Zij zijn tamelijk
+schrander en voorzichtig, maar tevens driest, brutaal, onbeschaamd,
+listig en moedig; hare zinnen zijn over 't geheel genomen fijn,
+hoewel de reuk en het gehoor verreweg de overhand hebben. Haar
+voedsel bestaat uit alle eetbare voortbrengselen van het planten-
+en dierenrijk: zaden, vruchten, wortels, schors, kruiden, gras,
+bloemen vormen haar gewone voedsel; niet minder graag echter eten
+zij Insecten, vleesch, vet, bloed en melk, boter en kaas, huiden en
+beenderen; wat zij niet opeten kunnen, knagen zij toch stuk, zooals
+b.v. papier en hout. Water drinken zij over 't algemeen slechts zelden:
+daarentegen zijn zij buitengewoon verlekkerd op alle vloeistoffen
+die voedingsmiddelen bevatten, en wenden allerlei listen aan om ze
+te verkrijgen. Zij vernielen altijd veel meer, dan zij gebruiken;
+door deze hebbelijkheid worden zij de onaangenaamste vijanden van den
+mensch. Slechts zeer weinig Muizen zijn onschadelijke dieren en hebben
+wegens haar sierlijke gestalte, de bevalligheid van hare bewegingen
+en haar innemend uiterlijk genade in onze oogen gevonden. Dit geldt
+vooral van de knapste bouwkunstenaars van deze familie, die boven alle
+Zoogdieren uitmunten door de kunstige nesten, die zij vervaardigen,
+en die door haar gering aantal en de kleine hoeveelheid voedsel,
+welke zij noodig hebben, niet veel last veroorzaken. Eenige soorten,
+die gewesten van den kouden en gematigden aardgordel bewonen, houden
+winterslaap en brengen vooraf wintervoorraad bijeen; andere ondernemen,
+tot tallooze scharen vereenigd, van tijd tot tijd verhuizingen,
+die echter in den regel noodlottig voor haar zijn.
+
+Voor de gevangenschap zijn weinig soorten geschikt; want slechts
+een gering aantal laten zich gemakkelijk temmen en zijn verdraagzaam
+ten opzichte van hare soortgenooten. De overige zijn ook in de kooi
+onaangename, onverdraagzame, bijtlustige gasten, die de vriendschap,
+welke men haar bewijst, en de verzorging, die zij vereischen, slecht
+vergelden. Nuttig in den eigelijken zin van 't woord zijn de Muizen
+nooit, want hoewel men van sommige soorten het vel gebruikt, of zelfs
+het vleesch eet, komen deze geringe voordeelen niet in aanmerking
+nevens de ontzaglijke schade, die deze familie als geheel beschouwd
+aanricht.
+
+
+
+De _Renmuizen_ worden in een afzonderlijke onderfamilie
+(_Merionidinae_) geplaatst, omdat zij zich door verschillende
+eigenaardigheden van alle overige leden der familie onderscheiden;
+het meest valt hiervan in 't oog de van voren tot achteren dicht
+behaarde staart.
+
+Haar verbreidingsgebied is beperkt tot Afrika, het zuiden van Azië
+en het zuidoosten van Europa. Bij voorkeur bewonen zij gewesten, die
+in cultuur gebracht zijn; zij komen echter ook in de dorste vlakten
+en steppen voor, dikwijls zelfs in buitengewoon grooten getale. De
+meeste graven op tamelijk geringen afstand van de oppervlakte
+onderaardsche gangen, waarin zij den dag doorbrengen. Hare bewegingen
+zijn buitengewoon snel en vlug; enkele kunnen, naar het schijnt,
+groote sprongen doen.
+
+Wegens de verwoestingen, die de Renmuizen aanrichten op de akkers,
+worden zij door de bewoners van de landen, waar zij voorkomen,
+evenzeer gehaat en vervolgd als onze Ratten.
+
+
+
+De _Zand-Renmuis_ (_Psammomys obesus_) heeft ongeveer de grootte van
+onze Bruine Rat, maar een veel korteren staart, daar deze slechts 13
+cM. lang is bij een totale lichaamslengte van 32 cM.; van boven is
+zij roodachtig zandkleurig, zwart gesprenkeld, aan de zijden en van
+onderen lichtgeel.
+
+In Egypte ziet men deze Muis op zandige plaatsen van de Woestijn; zeer
+veelvuldig is zij ook op de hoopen puin, die alle steden van het rijk
+der Pharaonen omgeven. Zij legt onderaardsche gangen en galerijen aan,
+die veelvuldig vertakt en tamelijk diep zijn; het liefst doet zij dit
+onder en tusschen het lage kreupelhout en de weinig talrijke, kruipende
+planten, die de door haar bewoonde plaatsen schraal genoeg bedekken
+en haar tevens het dagelijksch brood verschaffen. Daar zij zich ook
+over dag voor haar woning vertoont, kan men haar gemakkelijk leeren
+kennen. Dikwijls ziet men 10 à 15 van deze dieren tegelijk rondloopen,
+met elkander spelen en aan de een of andere plant knabbelen. De
+Zand-renmuis is van die leden der Knaagdieren-orde, welke men voor
+de gezelligheid gevangen houdt, een van de aardigste. Zij wordt
+merkwaardig tam, komt uit haar hok, loopt onbevreesd op de tafel
+rond, laat toe, dat men haar aanraakt en in de hand neemt, zonder
+aanstalten te maken om te bijten. De groote, niet sterk uitpuilende
+oogen en de fraaie vacht dragen veel bij tot den aangenamen indruk,
+dien dit dier op den toeschouwer maakt; ook de dichtbehaarde staart,
+met een zwarten haarkwast aan de spits, staat haar goed.
+
+
+
+De meest typische vertegenwoordigers van de familie--de _Muizen_
+in engeren zin (_Murinae_) zijn, wat haar aard en hare handelingen
+betreft, ons maar al te wel bekend. Tot deze groep behooren ook die
+soorten, welke zich met den mensch over de geheele wereld verbreid,
+en zich zelfs op de eenzaamste eilanden gevestigd hebben. Het is nog
+niet zoo lang geleden dat deze dieren zich over de wereld begonnen te
+verspreiden; voor vele plaatsen is zelfs het jaar, waarin zij voor
+'t eerst hier optraden, met juistheid bekend; thans echter hebben
+zij hun rondreis om de wereld volbracht. Nergens is de mensch hun
+dankbaar voor de volhardende gehechtheid, die zij voor zijn persoon,
+zijn huis, zijn hof aan den dag leggen; overal vervolgt en haat hij
+hen op de onmeedoogendste wijze; alle middelen stelt hij in 't werk
+om zich van hen te bevrijden, toch blijven zij aan hem verknocht,
+trouwer nog dan de Hond, trouwer dan eenig ander dier. Ongelukkig
+zijn deze aanhankelijke huisvrienden afschuwelijke gauwdieven; als
+echte spitsboeven uitgerust, weten zij zich overal te nestelen en
+bereiden hun gastheer niets anders dan schade en verdriet. Hierdoor
+is het te verklaren, dat alle echte Muizen kortweg voor leelijke,
+akelige dieren worden uitgescholden, hoewel zij in werkelijkheid in
+den regel dezen naam niet verdienen, maar veeleer sierlijke, bevallige,
+aardige wezentjes zijn.
+
+Reeds door het gewone spraakgebruik worden in deze onderfamilie
+twee hoofdgroepen onderscheiden, de _Ratten_ en de _Muizen_; deze
+verdeeling is ook wetenschappelijk juist. De Ratten zijn de plompste
+en leelijkste, de Muizen de lichtste en sierlijkste vormen. Bij gene
+heeft de staart 200 à 270 uit schubben bestaande ringen, bij deze 120
+à 180; de eerstgenoemde hebben dikke en krachtige, de andere slanke
+en fijne voeten; de Ratten zijn in volwassen toestand aanmerkelijk
+grooter dan hunne bevalliger verwanten.
+
+Het is nagenoeg zeker, dat de Ratten die tegenwoordig in Europa
+gevonden worden, hier oorspronkelijk niet inheemsch waren, maar
+van elders zijn gekomen. Bij de schrijvers der oudheid komt slechts
+één enkel bericht voor, dat op Ratten betrekking kan hebben. Welke
+soort Amyntas bedoeld heeft in zijn door Aelianus aangehaalde
+mededeeling, is nog niet uitgemaakt. De _Zwarte Rat_ is het eerst
+in Europa en ook in ons land verschenen of opgemerkt, op haar volgde
+de _Bruine Rat_; bij deze beide heeft zich in den laatsten tijd nog
+gevoegd (althans in Zuid-Europa en ook reeds in sommige gewesten van
+Zuid-Duitschland) de uit Egypte afkomstige _Egyptische Rat_ of _Dakrat_
+(_Mus alexandrinus_). De Bruine Rat, de sterkste van de drie, verdrijft
+en vernietigt hare beide verwanten en heeft zich bijna overal meester
+gemaakt van de alleenheerschappij. Het is te hopen, dat wij geen last
+krijgen van andere reislustige leden der Muizen-familie, en vooral,
+dat wij verschoond zullen blijven van een immigratie der _Hamsterrat_
+(_Mus_ of _Cricetomys gambianus_), die onze Ratten niet alleen
+door haar grootte, maar ook door haar werkzaamheid ver overtreft en
+tegenwoordig aan de kooplieden te Zanzibar meer moeite veroorzaakt
+dan alle Europeesche Ratten te zamen genomen: wij zouden, als dit
+dier tot ons kwam, eens recht ondervinden wat een Rat kan uitrichten.
+
+Voor ons doel zal een beschrijving van de beide meest bekende soorten,
+de _Zwarte Rat_ en de _Bruine Rat_, voldoende zijn.
+
+
+
+De _Zwarte Rat_ (_Mus rattus_) heeft, met inbegrip van den 19
+cM. langen staart, een lengte van 35 cM.; de bovendeelen zijn
+donker van kleur, bruinzwart, de onderdeelen een weinig lichter,
+grauwzwart. De pooten hebben een grijsachtig bruine, zelden een iets
+lichtere kleur. Aan den betrekkelijk slanken staart neemt men 260
+à 270 uit schubben bestaande ringen waar. Albino's (wezens die zich
+door gemis van de huidkleurstof onderscheiden) komen onder haar niet
+zelden voor.
+
+Wanneer deze soort voor 't eerst in Europa verschenen is, kan niet met
+zekerheid opgegeven worden. Albertus Magnus is de eerste dierkundige,
+die de Zwarte Rat als een Duitsch dier vermeldt; zij was dus hier
+reeds in de 13e eeuw inheemsch. Gesner noemt haar een dier dat
+"menigeen beter kent, dan hem lief is"; de bisschop van Autun sprak
+in het begin der 15e eeuw de banvloek der kerk over haar uit. 't Zou
+kunnen zijn, dat zij uit Perzië afkomstig is, waar zij tegenwoordig
+in ongeloofelijk groot aantal voorkomt. Tot in de eerste helft van
+de vorige eeuw voerde zij in Europa de opperheerschappij; sinds
+dezen tijd heeft de Bruine Rat haar dit gebied betwist, overal waar
+dit geschiedde, heeft zij moeten wijken. Toch is zij ook thans nog
+over nagenoeg alle werelddeelen verbreid; zij komt echter slechts
+zelden in grooten getale voor, maar leeft bijna overal afzonderlijk
+en ver uiteen. Naar het schijnt, is zij in Duitschland bijna overal
+verdwenen; toch zijn o.a. nog in Noordwest-Duitschland (Bremen,
+Luneburg) en in Thüringen (bij Rudolstad) woonplaatsen van de
+Zwarte Rat bekend. Prof. Ritzema Bos schrijft hierover het volgende
+(Landbouwdierkunde, Dl. I, p. 97): "Dat langzamerhand de Zwarte Rat in
+Europa vermindert, in vele streken zeldzamer wordt, of zelfs geheel
+verdwijnt, is het noodzakelijke gevolg van de voorrechten, welke de
+sterkere overal in de natuur boven den zwakkere heeft. En dat dit niet
+alleen in bepaalde streken, maar in 't algemeen het geval is, blijkt
+o.a. zeer duidelijk uit de prijslijsten van verschillende handelaars
+in opgezette dieren. Terwijl op die van voor 15 à 20 jaar de Zwarte
+Rat bijkans altijd naast de Bruine werd genoemd, en weinig duurder
+was dan deze, vindt men haar nu dikwijls niet meer vermeld, of ten
+opzichte van de Bruine Rat verbazend in prijs gestegen.--Zooveel
+is zeker, dat een twintigtal jaren geleden, de Zwarte Ratten ten
+onzent nog veel meer voorkwamen dan tegenwoordig, nu men ze in ons
+land bijna nergens meer in aanzienlijke hoeveelheid aantreft. Voor
+tien tot vijftien jaren was de Zwarte Rat de heerschende soort in
+'t binnenste, oudste gedeelte van de stad Groningen, het gedeelte
+dat door een aaneenschakeling van singels (de vroegere grachten der
+stad) van het nieuwe gedeelte is afgescheiden. Een tijdlang hadden
+dus die singels de verspreiding van de Bruine Rat tegengegaan, die
+in 't nieuwe gedeelte der stad reeds de zwakkere zuster geheel had
+verdreven; natuurlijk werd weldra de kleine hinderpaal overschreden,
+en thans vindt men in 't oudere gedeelte van Groningen, geloof ik, ook
+geen Zwarte Ratten meer; in elk geval zijn ze er zeldzamer geworden,
+terwijl de sterkere Bruine Rat er nu de heerschappij voert."
+
+De Zwarte Rat is den mensch gevolgd in alle klimaten der aarde; zij
+reisde met hem te land en over zee de wereld door. Ongetwijfeld was
+zij vroeger in Amerika, Australië en Afrika niet inheemsch, maar de
+schepen brachten haar naar alle kusten, en van de kusten trok zij
+al verder en verder het land in. Tegenwoordig vindt men haar ook
+in de zuidelijke gedeelten van Azië, met name in Indië, in Afrika,
+vooral in Egypte, Barbarije en aan de Kaap de Goede Hoop, in Amerika,
+in Australië, en op de eilanden in de Groote Zuidzee.
+
+
+
+De _Bruine Rat_ (_Mus decumanus_) is aanmerkelijk grooter dan haar
+zwakkere mededingster, n.l. 42 cM. lang, met inbegrip van den 18
+cM. langen staart, waarop men ongeveer 210 geschubde ringen telt;
+de kleur van de bovendeelen is anders dan die van de onderdeelen;
+beide kleuren zijn scherp van elkander gescheiden. De bovendeelen
+van kop, romp, ledematen en staart zijn bruinachtig grijs, de
+onderdeelen grijsachtig wit. Soms komen aan de bovenzijde der
+voorvoeten bruinachtige haartjes voor; ook treft men zwarte, vale en
+bonte exemplaren aan; voorts albino's (wit met roode oogen). De bonte
+exemplaren zijn òf zwart met wit, òf grijs en wit; bijna altijd zijn
+bij hen de kop, de hals, de schouders en de voorpooten, benevens
+een meer of minder breede streep over den rug, zwart (of grijs),
+de overige deelen wit.
+
+Met groote waarschijnlijkheid mag men aannemen, dat de Bruine Rat uit
+Indië en Perzië tot ons is gekomen. Aan Pallas heeft men de eerste
+betrouwbare berichten over het doordringen van de Bruine Rat in Europa
+te danken. Deze onderzoeker bericht, dat zij in den herfst van 1727
+na een aardbeving in groote scharen uit de landen om de Kaspische zee
+naar den oostelijken oever van den Wolga is verhuisd, en in Europa is
+binnengetrokken door bij Astrakan de rivier over te zwemmen. Vanhier
+uit verbreidde zij zich schielijk over de westelijke landen. Bijna
+ter zelfder tijd, n.l. in 1732, werd zij op schepen uit Oost-Indië
+naar Engeland overgebracht en begon nu vanhier uit haar reis om de
+wereld. In Oost-Pruisen verscheen zij in het jaar 1750, te Parijs reeds
+in 1753, in Duitschland was zij reeds in 1780 overal veelvuldig; in
+Zwitserland kent men haar eerst sedert het jaar 1809 en in Denemarken
+omstreeks dezelfden tijd als inheemsch dier. In het jaar 1755 kwam zij
+voor het eerst in Noord-Amerika en vermenigvuldigde zich ook hier in
+zeer korten tijd ongeloofelijk snel, terwijl zij zich over een groot
+gebied verbreidde; toch was zij in 1825 nog niet voorbij Kingston
+in Opper-Canada doorgedrongen en had in 1880 de bovenloop van den
+Missouri nog niet bereikt. Alle door den oceaan bespoelde, bewoonbare
+gewesten, zelfs de eenzaamste en afgelegenste eilanden, dienen echter
+tegenwoordig tot verblijfplaats aan de Bruine Rat. Grooter en sterker
+dan de Zwarte Rat, maakt zij zich overal meester van de plaatsen waar
+deze vroeger rustig leefde; haar verbreiding neemt in dezelfde mate
+toe, als die van haar mededingster afneemt.
+
+Door levenswijze, zeden en gewoonten, uiterlijk enz. stemmen beide
+Ratten zoozeer overeen, dat men de eene schildert, zoo men de andere
+beschrijft. Wanneer men in 't oog houdt, dat de Bruine Rat zich bij
+voorkeur in de onderste localiteiten van de gebouwen en vooral in
+vochtige kelders en gewelven, riolen, sluizen, zinkputten en aan de
+oevers van rivieren nestelt, terwijl de Zwarte Rat meer voorliefde
+heeft voor het bovenste deel van het huis, voor koornzolders, dakkamers
+enz., zal er niet veel overblijven, wat beide soorten van elkander
+onderscheidt. De eene zoowel als de andere neemt iedere ruimte in
+de woning van den mensch als woonplaats voor lief, en bezoekt elke
+denkbare plaats, waar voedsel voor haar te vinden kan zijn. Van den
+kelder tot aan den zolder, van de pronkkamer tot in het privaat,
+van het paleis tot in de hut, overal treft men haar aan. Tegen haar
+beschermen geene omheiningen noch muren, geene deuren of sloten:
+waar geen toegang bestaat, maken zij er een; door de sterkste eiken
+balken en door dikke muren knagen zij zich gangen. Alleen wanneer
+men de fondamenten diep in den grond legt, alle voegen tusschen de
+steenen flink met stevig cement aanvult, waarna het misschien als
+voorzorgsmaatregel nog noodig zal zijn, een laag glasscherven te
+midden van het metselwerk aan te brengen, is men tamelijk goed tegen
+hen beveiligd.
+
+Het vernielen van de woningen, het afschuwelijke stukknagen en
+doorwoelen van de afscheidingen is nog maar het geringste van de
+schade, die de Ratten kunnen aanrichten. Veel grooter nadeel brengen
+zij te weeg door hetgeen zij opeten. Al wat eetbaar is, valt in haar
+smaak. De mensch eet niets wat ook niet door de Rat gegeten wordt,
+en zij bepaalt zich niet tot den voedselvoorraad, maar maakt evenzeer
+gebruik van de dranken van den mensch. Er mankeert nog maar aan,
+dat de Ratten brandewijn en jenever leeren drinken, om te kunnen
+zeggen, dat dit ongedierte alle voedings- en genotmiddelen die door
+het menschelijk geslacht zijn uitgevonden, mede helpt opmaken. Niet
+tevreden met deze reeds zoo ruim voorziene spijskaart, vallen de
+Ratten ook zeer gretig op allerlei andere voorwerpen en met name op
+levende wezens aan. De walgelijkste afval uit de huishouding van
+den mensch is in bepaalde gevallen nog van haar gading, rottende
+krengen vinden in haar liefhebbers. Zij verslinden leder en hoorn,
+zaden en boomschors, of liever gezegd alle mogelijke stoffen en
+dierlijken en plantaardigen oorsprong. Wat zij niet opeten kunnen,
+wordt toch stuk geknaagd; op suikerriet- en koffie-plantages richten
+zij soms een ontzettende schade aan. Er zijn voorbeelden van bekend,
+dat zij kleine kinderen bij levenden lijve opgegeten hebben; iedere
+eigenaar van kleinvee weet trouwens door ervaring, hoe erg sommige van
+zijne huisdieren door de Ratten vervolgd worden. Zeer vette Zwijnen
+vreten zij gaten in 't lichaam, dicht opeengepakte Ganzen knabbelen
+zij de zwemvliezen tusschen de teenen weg, jonge Eenden trekken zij
+onder water om ze te verdrinken, den wilde-dieren-handelaar Hagenbeck
+hebben zij eens drie jonge Olifanten gedood door de voetzolen van
+deze kolossale dieren stuk te knagen.
+
+Als zij buitengewoon veelvuldig zijn op een plaats, kan men het
+er werkelijk bijna niet meer uithouden. En er zijn plaatsen waar
+zij in zoo grooten getale voorkomen, dat wij ons hiervan nagenoeg
+geen begrip kunnen vormen. In Parijs werden in den tijd van vier
+weken niet minder dan 10.000 stuks Ratten in een enkel slachthuis
+doodgeslagen; in een vilderij in de nabijheid van genoemde hoofdstad
+verslonden zij in een enkelen nacht 35 lijken van Paarden, zoodat
+er alleen de beenderen van overbleven. Zoodra zij bemerken, dat de
+mensch tegenover haar machteloos is, neemt haar onbeschaamdheid op
+een waarlijk verbazende wijze toe. Las Cases verhaalt, dat Napoleon,
+evenals de getrouwen, die den gevallen veroveraar in zijne ballingschap
+op St. Helena gevolgd waren, den 27en Juni 1816 zonder ontbijt moest
+blijven, omdat de Ratten gedurende den vorigen nacht in de keuken
+waren binnengedrongen en alles medegenomen hadden. Zij waren op dit
+verbanningsoord in groote menigte voorhanden, zeer kwaadaardig en
+buitengewoon stoutmoedig. Gewoonlijk hadden zij maar weinige dagen
+noodig om de muren en de houten beschotten van de eenvoudige woning
+van den keizer te doorknagen. Terwijl Napoleon aan den disch zat,
+kwamen zij in de eetzaal; na den maaltijd moesten de bedienden met deze
+Knaagdieren letterlijk oorlog voeren om de gerechten van de tafel te
+kunnen nemen. Het plan om Hoenderen en ander pluimvee te houden moest
+opgegeven worden, omdat de Ratten ze verslonden; zij haalden de Vogels
+'s nachts uit de boomen weg, waarop deze dieren zaten te slapen. In de
+factorijen of gebouwen van de handelsondernemingen op verre kusten,
+waar met de ruilartikelen ook Bruine Ratten heengevoerd werden,
+zijn deze dieren buitengewoon lastig, en richten zij soms groote
+schade aan. Alle reizigers, en vooral de verzamelaars van planten
+en dieren, klagen er over, dat de Ratten dikwijls zeer zeldzame
+voorwerpen vernielden, die met groote moeite verkregen waren en dat
+zij hen niet zelden door hare woeste gevechten en wilde drijfjachten
+op den bodem, langs de wanden en op de daken van hun slaapvertrek in
+hun nachtrust stoorden.
+
+Ook de zeelieden zijn niet best over de Ratten te spreken, want er
+is geen schip, of het heeft deze kwelduivels aan boord. Op de oude
+vaartuigen zijn zij niet uit te roeien, en de nieuwe nemen zij dadelijk
+in bezit, zoodra de eerste lading er in gebracht wordt. Gedurende
+lange zeereizen vermenigvuldigen zij zich dikwijls op een ontzettende
+wijze, vooral als zij genoeg voedsel kunnen vinden, en maken dan het
+verblijf op het schip bijna onverdragelijk. Toen het schip van den
+noordpoolreiziger Kane in de nabijheid van 80° N.B. was vastgevroren,
+waren de Ratten aan boord zoo zeer in aantal toegenomen, dat zij
+een geweldige schade aanrichtten. Men beproefde ze door verstikkende
+gassen te dooden. Alle luiken werden gesloten, en onder in 't schip
+werd een mengsel van zwavel, rattenkruid en leder aangestoken. De
+bemanning bracht den kouden nacht van den laatsten September op het
+dek door, in de hoop nu voor goed van het lastige ongedierte bevrijd
+te zullen zijn. Den volgenden morgen bespeurde zij, dat dit middel
+niet gebaat had. De Ratten waren even gezond als altijd. Toen ontstak
+men in het hol van het schip een groote hoeveelheid houtskolen, om
+de dieren te dooden door het gas (kooloxyde of kolendamp), dat bij
+de onvolledige verbranding gevormd wordt. Na verloop van korten tijd
+was de gesloten ruimte zoo sterk met dit gas gevuld, dat twee lieden,
+die de onvoorzichtigheid hadden er in neer te dalen, onmiddellijk
+bewusteloos op den grond vielen en niet dan na veel moeite weer op
+het dek gebracht konden worden. Een lantaarn, die men in het ruim
+liet zakken, ging oogenblikkelijk uit; plotseling begon echter
+op een ander gedeelte van het vaartuig een deel van de steenkool
+en ook van het houtwerk te gloeien; het gelukte eerst na groote
+inspanning, en nadat de gezagvoerder in levensgevaar had verkeerd,
+het vuur te blusschen. Den volgenden dag vond men niet meer dan 28
+lijken van Ratten; de overblijvende vermenigvuldigden zich vóór den
+volgenden winter zoo sterk, dat men niets meer voor hare aanvallen
+kon vrijwaren. Zij knaagden de pelzen, kleederen en schoenen stuk,
+nestelden zich in de bedden, sloegen haar verblijf op in handschoenen,
+mutsen en voorraadkisten, verslonden de proviand en ontsnapten met
+veel list en sluwheid aan alle vervolgingen. Men probeerde toen een
+ander middel. De schranderste en moedigste Hond werd in de gewone
+verblijfplaats van de Ratten, in 't hol van 't schip, neergelaten, om
+daar de orde te herstellen; weldra echter bleek het uit het jammerlijk
+gehuil van dit dier, dat het niet tegen de Ratten opgewassen was
+en dat deze ook nu nog den baas speelden. Men haalde den Hond uit
+zijn gevangenis te voorschijn en bemerkte, dat de Ratten hem reeds
+de huid van de voetzolen afgevreten hadden. Later stelde een Eskimo
+voor, de Ratten één voor één met pijlen dood te schieten; deze jager
+was zoo gelukkig, dat Kane, die de buitgemaakte dieren liet koken,
+gedurende den langen winter voortdurend versch vleesch voor de soep
+had. Eindelijk ving men een Vos levend; deze werd in het hol van het
+schip opgesloten, en scheen zich hier zeer wel te bevinden; hij leefde
+zeer vergenoegd van de Ratten, die hij kon vangen zooveel hij verkoos.
+
+In alle lichaamsoefeningen zijn de Ratten zeer bedreven. Zij
+loopen snel en met behendigheid, klauteren uitmuntend en kunnen
+zelfs langs vrij gladde muren omhoog gaan; zij zwemmen meesterlijk,
+weten een tamelijk ver afgelegen plek met zekerheid door één sprong
+te bereiken en kunnen vrij goed graven, ofschoon zij dit niet graag
+lang achtereen doen. De sterkere Bruine Rat is, naar het schijnt,
+nog behendiger dan de Zwarte; zij zwemt althans veel beter en steekt
+haar zwarte stamgenoot, naar het schijnt, ook in het klauteren de loef
+af. Duiken kan zij bijna even goed als echte waterdieren. Zij beweegt
+zich in 't water gemakkelijk genoeg om de eigenlijke bewoners van het
+vochtige element goed na te jagen. Dikwijls handelt zij alsof het
+water haar eigenlijke woonplaats is. Als men haar schrik aanjaagt,
+neemt zij onmiddellijk de vlucht naar een rivier, een vijver of
+een sloot. Als het noodig is, zwemt zij, zonder uit te rusten, den
+breedsten waterplas over, of loopt gedurende verscheidene minuten
+over den bodem van dien plas voort. Hier te lande wordt de Bruine
+Rat daarom dikwijls "Waterrat" genoemd. De Zwarte Rat begeeft zich
+alleen in den uitersten nood te water, ofschoon zij eveneens in de
+zwemkunst zeer goed bedreven is.
+
+Onder hare zinnen staan het gehoor en de reuk bovenaan, vooral het
+gehoor is voortreffelijk, doch ook haar gezicht is niet slecht,
+en van haar smaak geven de Ratten maar al te dikwijls deugdelijke
+bewijzen in de provisiekast, waar zij altijd de lekkerste spijzen
+weten te vinden. Van hare verstandelijke vermogens behoef ik na het
+voorafgaande niet veel meer te zeggen. Men kan waarlijk niet ontkennen,
+dat zij verstandig zijn, en evenmin, dat men bij haar een berekenende
+list en een zekere sluwheid waarneemt, die vooral blijken uit de
+wijze waarop zij aan de meest verschillende gevaren weten te ontkomen.
+
+Zooals reeds gezegd is, woedt er tusschen de beide soorten van Ratten
+een eeuwigdurende strijd, waarvan het sneuvelen der zwakste partij
+altijd het einde is. Maar Ratten van dezelfde soort bevechten elkander
+eveneens onverpoosd. Op plaatsen, waar zij veelvuldig zijn, houden
+des nachts de beweging en het geraas geen oogenblik op; want de strijd
+houdt ook dan nog aan, als een deel der strijders reeds op de vlucht
+geslagen is. Zeer oude, bijtlustige mannetjes worden soms door hunne
+stamgenooten in den ban gedaan en zoeken een stille, eenzame plaats op,
+waar zij brommig en ontevreden hunne laatste levensjaren doorbrengen.
+
+Reeds meermalen heeft men er over gestreden, hoe de Ratten het
+aanleggen om eieren te vervoeren, zonder ze te breken. Onzekerheid
+over haar handelwijze kan niet meer bestaan, sedert een onderzoeker
+als K. von Dalla Forre de volgende, in 't jaar 1880 door hem zelf
+waargenomen handelingen van de Ratten heeft openbaar gemaakt. "In
+den kelder van een huis te Innsbruck werden in dezen winter telkens
+weer eenige eieren vermist, die men hier voor het koude jaargetijde
+bewaard had. Natuurlijk viel de verdenking in de eerste plaats op
+de dienstbode, die nu alles in het werk stelde om haar onschuld te
+bewijzen, maar--te vergeefs. Om uit dezen onaangenamen toestand te
+geraken ging zij op de loer liggen en werd hierdoor getuige van de
+list, die de diefachtige Ratten aanwenden om in 't bezit van de eieren
+te komen. De eieren lagen ongeregeld op een hoop bijeen; begeerig
+naar buit kwam een Rat uit haar schuilhoek te voorschijn, weldra
+gevolgd door een tweede. De eerste vatte een ei met de voorpooten
+aan en schoof het, door de andere Rat geholpen, een weinig op zijde,
+zoover zij het met eenige krachtige rukken brengen kon. Hierop vatte
+de eerste Rat het ei met de voorpooten aan en omvaamde het stevig,
+op de wijze waarop de Spinnen haar eierzak vasthouden. Natuurlijk kon
+zij zich nu niet meer bewegen, daar de voorpooten gebruikt moesten
+worden voor 't vasthouden van den buit. Toen greep de tweede Rat den
+staart van de eerste met den bek en trok haar in groote haast en zonder
+eenigen omslag te maken naar het gat, waaruit zij gekomen waren! De
+geheele handeling--waarin zij, naar het aantal ontbrekende eieren te
+rekenen, reeds tamelijk geoefend waren,--duurde nauwelijks 2 minuten;
+één uur nadat het diefachtige paar van het schouwtooneel verdwenen
+was, kwam het opnieuw voor den dag, stellig met dezelfde bedoeling
+als vroeger. Door de welwillendheid van de familie, in welker huis het
+beschreven voorval plaats had, werd ik in staat gesteld om ooggetuige
+te zijn van zulk een verschijnsel, dat naar de dienstbode verzekerde,
+steeds op dezelfde wijze plaats had."
+
+Ongeveer een maand na de paring werpen de wijfjes 5 à 21 jongen,
+kleine, allerliefste diertjes, waarin iedereen behagen zou
+scheppen,--als het maar geen Ratten waren. Dehne, die albino's van
+de Bruine Rat in den gevangen staat heeft waargenomen, zegt van de
+eerste jeugd der jongen en van de wijze, waarop de moeder met hen
+omgaat, het volgende: "Den 1en Maart 1852 kreeg ik van een witte
+Rat zeven jongen. Het oude dier had zich in de kooi van ijzerdraad
+een dicht nest van stroo vervaardigd. De jongen waren zoo groot
+als Meikevers en hadden een bloedroode kleur. Bij elke beweging,
+die de moeder maakte, lieten zij een fijn, doordringend gepiep
+hooren. Den 8en waren zij reeds tamelijk wit. Van den 13den tot den
+16den werden hunne oogen geschikt om te zien. Den 18den des avonds
+kwamen zij voor de eerste maal te voorschijn; toen de moeder echter
+bemerkte, dat ik naar hen keek, nam zij ze één voor één in den bek
+en bracht ze weder in het nest. Enkele kwamen echter weder door een
+andere opening te voorschijn. Het waren allerliefste diertjes van
+de grootte van Dwergmuizen, met staarten van 8 cM. lang. Den 21en
+hadden zij reeds de grootte van een Gewone of Huismuis, den 28en den
+omvang van een Boschmuis bereikt. Zij zogen nog nu en dan (ik zag
+ze zelfs den 2en April nog zuigen), speelden onderling, vervolgden
+elkander en krakeelden; dit alles deden zij zoo vlug en op zulk een
+aardige wijze, dat het een lust was er naar te zien. Soms gingen
+zij tot afwisseling op den rug van haar moeder zitten, en lieten
+zich door haar ronddragen. Zij waren veel potsierlijker dan de witte
+Huismuizen.--Den 9en April scheidde ik de moeder van hare jongen, en
+plaatste haar weder bij het mannetje. Den 11en Mei wierp zij nogmaals
+een aantal jongen. Van de dieren, die den 1en Maart geboren waren,
+had ik sedert het begin van April een paar in een groot glas, met
+een opening van 20 cM. middellijn, afgezonderd gehouden, en reeds den
+11en Juni des namiddags, dus toen zij 103 dagen oud waren, kreeg ik
+van hen 6 jongen. In weerwil van de wijdte van het glas, scheen de
+moeder van oordeel te zijn, dat de ruimte voor hare jongen te klein
+was. Tevergeefs trachtte zij een grooter nest samen te stellen,
+waarbij zij dikwijls de arme kleintjes zoozeer verstopte, dat er
+niets meer van hen te zien was; zij zocht ze echter altijd weer
+bijeen. Zij zoogde hare jongen tot den 23en zeer goed; de kleine
+dieren waren reeds een weinig wit behaard; doch op eens waren zij
+allen verdwenen. De moeder had ze opgegeten!"--Reichenbach deed
+verscheidene malen achtereen dezelfde ervaring op.
+
+Goed verzorgde Ratten, die men onder nauw toezicht houdt, worden
+zoo tam, dat zij veilig aangeraakt kunnen worden en tot tijdverdrijf
+voor de kinderen kunnen dienen; ook kan men ze er aan gewennen zich
+vrij in huis, hof en tuin te bewegen; zij loopen hare verzorgers als
+Honden na, komen, als zij geroepen worden, kortom, zij zijn dan huis-
+of kamerdieren in de beste beteekenis van 't woord.
+
+Bij de Ratten in de vrije natuur komt soms een zeer eigenaardige ziekte
+voor. Verscheidene van deze dieren groeien met de staarten aaneen,
+en vormen dan een zoogenaamden "rattenkoning." Van dit monster, dat
+men thans in verscheidene verzamelingen zien kan, heeft men zich in
+vroegere tijden vaak een geheel verkeerde voorstelling gevormd. Vroeger
+meende men, dat de rattenkoning, versierd met een gouden kroon, op
+een aantal innig met elkander vergroeide Ratten gezeten was, en van
+den zetel den geheelen rattenstaat bestuurde. Het feit, dat men soms
+een aantal Ratten vindt, welker staarten stevig dooreengeward zijn,
+zoodat zij zich niet bewegen kunnen, en die daarom door medelijdende
+soortgenooten gevoederd moeten worden, heeft aanleiding gegeven tot
+dit sprookje. Het zou kunnen zijn, dat het samenkleven der staarten
+een gevolg is van het uitzweeten van een stof, die veroorzaakt wordt
+door een besmettelijke ziekte; tot nu toe heeft men hierover nog geen
+zekerheid gekregen. In Altenburg bewaart men een rattenkoning, die uit
+27 Ratten bestaat; ook in Erfurt en in Lindenau heeft men er gevonden.
+
+Tallooze middelen zijn reeds aangewend om de Ratten te
+verdelgen. Allerlei soorten van vallen worden te dien einde met meer of
+minder goed gevolg gebruikt. Om te maken dat zij goeden dienst kunnen
+doen, moet men dikke handschoenen aantrekken om ze te stellen, want de
+lucht, die de aanraking met de hand achterlaat, is genoeg om de Ratten
+te waarschuwen. Oude Ratten, die reeds andere stamgenooten hebben zien
+vangen, zijn bijna niet in een val te lokken. Als de dieren bemerken,
+dat zij zeer hevig vervolgd worden, verhuizen zij niet zelden, doch
+komen weder, zoodra de vervolging ophoudt. En, als zij zich ergens
+op nieuw vertoonen, vermenigvuldigen zij zich in korten tijd zoo
+sterk, dat de last, die men van hen ondervindt, weer even hevig is
+als vroeger. De meest gebruikelijke middelen tot verdelging van de
+Ratten zijn verschillende vergiften, die men neerlegt op de plaatsen,
+waar deze dieren zich bij voorkeur ophouden. Het toepassen van dit
+middel verdient echter afkeuring, niet alleen omdat de Ratten door het
+vergif op een wreede wijze doodgemarteld worden, maar ook, omdat zij
+dikwijls een deel van het door haar gebruikte voedsel weer uitbraken,
+en zoodoende in sommige gevallen de voedingsmiddelen, die men tegen
+hen beveiligen wil vergiftigen, en het leven van andere dieren of
+van den mensen in gevaar brengen. Beter is het een mengsel van mout
+en ongebluschte kalk voor de Ratten neer te zetten; als zij hiervan
+gegeten hebben, zullen zij zeer dorstig worden; door het water, dat
+zij drinken, wordt de kalk gebluscht, hetwelk den dood van het dier
+ten gevolge heeft.
+
+Een uitmuntende rattenval, welker uitvinding het menschelijk hart
+geen eer aandoet, doch veeleer een welsprekend bewijs levert van
+de arglistigheid van den aartsvijand der dieren, wordt door Lenz
+beschreven: Op door de Ratten druk bezochte looppaden, b.v. tusschen
+stallen, in de nabijheid van privaten, riolen en op dergelijke
+plaatsen, graaft men een kuil van omstreeks vier voet diepte en
+bekleedt deze van binnen met gladde, platte steenen of tegels. Een
+vierkante tegel van 3 voet zijde vormt den bodem van den kuil, vier
+anderen die naar boven toe smaller worden, de zijden. De vierkante
+opening van den kuil moet slechts half zoo wijd zijn als de bodem,
+zoodat alle zijwanden naar binnen overhellen, waardoor het aan een
+Rat, die in dezen kuil gevallen is, onmogelijk wordt, er weder uit te
+komen. Nu giet men op den bodem van den kuil een weinig gesmolten vet,
+een weinig met water verdunden honig en andere sterk riekende stoffen,
+plaatst daarop omgekeerd een bloempotje van ongeveer 5 cM. hoogte,
+dat, na met honig doortrokken en met maïs, tarwe, haver, een weinig
+gebraden spek en andere lekkernijen voor de Ratten gevuld te zijn,
+met cement aan den bodem van den kuil bevestigd wordt; door de
+nauwe opening aan den top van het potje verbreidt zich de geur van
+den voor Ratten niet bereikbaren inhoud. Op den bodem van den kuil
+wordt vervolgens heede gestrooid, terwijl men de opening van den
+kuil met een rooster bedekt om te verhoeden dat een kip of een jong,
+onervaren huisdier er in valt. Vervolgens heeft men zich niet meer
+met den val te bemoeien. "Aangelokt door den aangenamen etensreuk en
+de voor ligplaats zoo goed geschikte heede," schrijft Lenz, "springt
+de Rat vroolijk en vol verwachting in den afgrond. Het ruikt daar zoo
+heerlijk naar spek, honig, kaas en zaden, dat het Knaagdier aan de
+verleiding geen weerstand kan bieden. Doch ook in den kuil moet het
+met den reuk van al dat lekkers tevreden zijn, omdat het etenspotje
+ontoegankelijk is." De eerste Rat, die in den kuil springt, wordt,
+gelijk licht te begrijpen is, weldra door een woedenden honger gekweld,
+tevergeefs slooft zij zich af om uit deze afschuwelijke gevangenis
+te ontsnappen. Daar valt een tweede lekkerbek naar beneden. Wel is
+dat voor de eerste gevangene een heugelijk feit! De lotgenooten
+besnuffelen elkander, beraadslagen misschien ook over wat in het
+gegeven geval gedaan moet worden; de eerste gevangene is echter veel
+te hongerig om naar lange verhandelingen te luisteren. Haar leege
+maag noopt haar tot den strijd, een verwoed gevecht, een duel op
+leven en dood neemt een aanvang en de eene gevangene vermoordt de
+andere. Als de oorspronkelijke bewoner van de val overwinnaar blijft,
+zal hij oogenblikkelijk het lijk van zijn metgezel verslinden; als
+de tweede de zege behaalt, zal hetzelfde eenige uren later plaats
+hebben. Slechts hoogst zelden vindt men drie Ratten tegelijkertijd in
+deze val; den volgenden dag is het aantal gevangenen stellig met één
+verminderd. Om kort te gaan, de eene gevangene vreet de andere op;
+de kuil blijft altijd tamelijk schoon, doch is een moordhol in de
+vreeselijkste beteekenis van het woord.
+
+De natuurlijke vijanden van de Ratten--vooral de Uilen, Raven,
+Bunzingen, Wezels, Katten en sommige Honden--zijn nog de beste
+verdelgers van deze dieren. Het komt echter dikwijls voor, dat een
+Kat geen aanval op een Rat durft ondernemen; vooral de Bruine Rat
+wordt door haar geschuwd. Dehne zag vóór de riolen van Hamburg,
+Honden, Katten en Ratten vreedzaam bij elkander rondloopen; geen
+dezer dieren dacht er aan, het andere den oorlog aan te doen.--Ook
+ik zou vele voorbeelden kunnen aanhalen van Katten, die zich niet
+met de Ratten inlaten. Evenals bij de andere huisdieren dappere en
+lafhartige individuën voorkomen, vindt men ook bij de Katten gezinnen,
+welker leden zich door grooten moed onderscheiden en hartstochtelijke
+liefhebbers zijn van de rattenjacht, nevens andere die hiervoor
+den moed missen. Het kost aan de Kat in 't eerst veel moeite, een
+zoo kwaadaardig Knaagdier te overwinnen. Een van onze Katten ving
+reeds Ratten, toen zij te nauwernood het derde gedeelte van haar
+definitieve grootte had bereikt. Zij vervolgde de prooi met zulk
+een ijver, dat zij zich eens door een sterke Rat over het geheele
+erf en tot aan een muur liet voortslepen, zonder haar vijand los te
+laten, die zij eindelijk door een flinken beet buiten gevecht wist
+te stellen. Na dezen dag is zij de verwoedste vijandin der Ratten
+gebleven, en heeft zij ons huis bijna geheel van dit ongedierte
+gezuiverd. Het is hiervoor trouwens niet eens volstrekt noodig,
+dat een Kat aanhoudend Ratten vangt; zij verdrijft ze reeds door
+haar voortdurend rondsluipen in stallen en schuren, in kamers en
+kelders. Het is te begrijpen, dat de Ratten het zeer onaangenaam
+vinden, met haar aartsvijandin onder één dak te wonen. Zij zijn dan
+geen oogenblik veilig. Onhoorbaar komt de Kat in 't holste van den
+nacht aansluipen; geen enkel waarschuwend geritsel verraadt haar
+nadering; in alle gaten loeren haar groenachtige onheilspellende,
+glinsterende oogen; naast de meest bezochte looppaden der Ratten
+ligt zij op een verborgen plaats in hinderlaag, en, voordat deze
+dieren eenig gevaar vermoeden, bespringt zij er een van, en houdt
+het met hare puntige klauwen en scherpe hoektanden zoo stevig vast,
+dat het maar zelden den dans ontspringen, den dood ontloopen kan. Zulk
+een leven is zelfs voor een Rat niet om uit te houden. Zij verhuist
+liever naar een plaats waar haar minder zorgen kwellen. De Kat is
+dus de beste helpster van den mensch in zijn strijd tegen de listige
+Knaagdieren. De Bunzing en de Wezel bewijzen ons in dezen bijna even
+belangrijke diensten, de eerstgenoemde binnenshuis, de andere in
+den tuin en in de nabijheid van schuren en stallen. Tegen de schade,
+die deze Roofdieren ons kunnen veroorzaken, door van tijd tot tijd
+eieren, Duiven, kuikens, of ook wel Hoenderen te rooven, kan men
+voorzorgsmaatregelen nemen: men kan er voor zorgen, dat het kippenhok
+en de duiventil behoorlijk gesloten en ontoegankelijk zijn; tegen de
+Ratten baten zulke maatregelen echter niet. Het is daarom wenschelijk,
+dat de genoemde slanke roovers beschermd worden en gespaard blijven,
+zooveel zulks mogelijk is.
+
+
+
+Veel liefelijker, bevalliger en sierlijker dan de leelijke,
+langstaartige gauwdieven, die zooeven beschreven werden, zijn de
+_Muizen_; ook zij echter zijn, in weerwil van haar fraaie gestalte en
+haar vroolijk en proper uiterlijk, groote vijanden van den mensch en
+worden door hem bijna met dezelfde woede vervolgd als hare grootere
+en minder bevallige verwanten. Men kan gerust verzekeren, dat iedereen
+een Muis, die in een hokje is opgesloten, een aardig dier zal noemen;
+zelfs de dames, die in den regel een hevige, ofschoon volkomen
+ongegronde vrees koesteren voor een Muis, die haar in de keuken of in
+den kelder voorbijloopt, zullen bij het zien van een gevangen Muis
+moeten erkennen, dat zij een lief schepseltje is. Te verwonderen is
+het echter niet, dat de scherpe knaagtanden en de snoepzucht der
+Muis zelfs een teeder vrouwenhart met ergernis en toorn vervullen
+kunnen. Het is waarlijk niet aangenaam, dat men voortdurend bezorgd
+moet zijn voor het behoud van alle levensbehoeften, zelfs wanneer
+zij achter slot en grendel geborgen zijn; het is om uit zijn vel te
+springen, dat er eigenlijk geen plekje in 't geheele huis te vinden
+is, waar men geheel alleen baas kan zijn en niet lastig gevallen
+wordt door die kleine, viervoetige indringers, die zelfs toegang
+weten te verkrijgen tot plaatsen, die voor de Ratten ontoegankelijk
+zijn. Natuurlijk is het daarom, dat tegen haar een verdelgingsstrijd
+wordt gevoerd, die waarschijnlijk nimmer eindigen zal.
+
+In Nederland leven drie soorten van Echte Muizen, n.l. de _Huismuis_,
+de _Boschmuis_ en de _Dwergmuis_. Vooral de eerste en de laatste
+verdienen een uitvoeriger beschrijving, ofschoon ook de Boschmuis
+den mensch maar al te dikwijls te na komt en een kennismaking met dit
+diertje derhalve noodzakelijk is. De beide eerstgenoemde worden overal
+onmeedoogend vervolgd; de laatstgenoemde echter vindt, zoolang zij
+niet al te driest wordt, wegens haar buitengewoon sierlijke gestalte,
+hare lieftalligheid en eigenaardige levenswijze, genade in de oogen
+van den heer der schepping.
+
+Hoewel men de _Brandmuis_ of _Akkermuis_ tot dusver nog niet met
+volkomen zekerheid als bewoner van ons land heeft leeren kennen, is het
+toch wenschelijk ook haar hier te vermelden; daar zij in Duitschland
+op betrekkelijk korten afstand van onze grenzen op sommige plaatsen
+talrijk voorkomt en groote schade aanricht, waaruit de mogelijkheid
+voortvloeit, dat zij te eenigertijd ook hier te lande waargenomen
+zal worden.
+
+De _Gewone Muis_ of _Huismuis_ (_Mus musculus_), hoewel fijner en
+sierlijker gebouwd en ook aanmerkelijk kleiner dan de Zwarte Rat,
+vertoont door haar gestalte met deze eenige overeenkomst. Haar lengte
+bedraagt 18 cM., met inbegrip van den 9 cM. langen staart. Op dit
+lichaamsdeel vindt men 180 uit schubben bestaande ringen. De vacht
+van deze Muis is éénkleurig; de geelachtig of grijsachtig zwarte
+kleur der bovendeelen gaat onmerkbaar in de iets lichtere kleur der
+onderdeelen over; de voeten en de teenen zijn geelachtig grijs.
+
+De _Boschmuis_ (_Mus sylvaticus_) wordt nagenoeg 23 cM. lang; van deze
+lengte komt ongeveer de helft op den staart, die tennaastenbij 150
+uit schubben bestaande ringen bezit. Haar vacht is tweekleurig. De
+bovendeelen van het lichaam zijn grijs met een bruinachtig gele
+tint; de onderdeelen en ook de voeten zijn wit van kleur; de beide
+genoemde kleuren zijn scherp van elkander gescheiden. De Huismuis
+en de Boschmuis verschillen van de Brandmuis en de Dwergmuis,
+door de grootere lengte harer ooren, die, tegen de zijden van den
+kop aangedrukt, het oog bereiken, wat bij de beide andere soorten
+niet het geval is. "De bijzonder lange achterpooten maken, dat deze
+Muis zich veel meer huppelend, springend voortbeweegt dan de andere
+Muizen. Daarom wordt zij in sommige gedeelten van Groningen wel
+'_Springer_' genoemd." (Ritzema Bos.)
+
+De _Brandmuis_ of _Akkermuis_ (_Mus agrarius_) wordt omstreeks 19
+cM. lang, met inbegrip van den 8 1/2 cM. langen staart. De bovenste
+deelen van het lichaam zijn bruinachtig rood met een zwarte,
+overlangsche streep op den rug; de benedendeelen en de voeten zijn
+wit, welke kleur scherp begrensd is; dit dier is dus driekleurig. De
+staart heeft ongeveer 120 uit schubben bestaande ringen.
+
+De lichaamslengte van de _Dwergmuis_ (_Mus minutus_) bedraagt
+slechts 12 à 13 cM., waarvan nagenoeg 6 cM. op den staart komen. De
+hoogte in de schouderstreek bedraagt slechts 2 1/4 cM., het gewicht
+wisselt af van 4 tot 8 1/2 gram. De Dwergmuis draagt dus haar naam
+met recht; er bestaat slechts één inheemsch Zoogdier, dat kleiner
+is, n.l. de Dwerg-spitsmuis. De kleur van de vacht is tamelijk
+verschillend. Gewoonlijk is zij tweekleurig: de bovenzijde van 't
+lichaam is dan bruinachtig rood met geelachtige tint, de onderzijde
+is wit, evenals de teenen; de afscheiding tusschen deze beide kleuren
+is zeer scherp. De kleur van de bovendeelen kan echter meer of minder
+donker zijn, ook wel meer roodachtig of meer bruinachtig, meer grauw
+of meer geel; het kan voorkomen, dat de kleur van de bovenzijde niet
+zeer scherp afgescheiden is van die der onderzijde. Bij jonge dieren
+zijn voorts de verhoudingen tusschen de afmetingen der verschillende
+lichaamsdeelen anders dan bij oude; ook hebben zij een andere, meer
+grijze kleur.
+
+Al deze Muizen vertoonen in woonplaats, levenswijze en uiterlijk
+veel overeenkomst met elkander, ofschoon ieder van deze dieren
+eigenaardigheden heeft. In één opzicht stemmen de drie eerstgenoemde
+overeen, n.l. dat zij, althans van tijd tot tijd, een groote voorliefde
+voor de verblijfplaats van den mensch laten blijken. Alle drie komen
+zij, vooral des winters, veelvuldig in de huizen voor, zoowel in den
+kelder als op den zolder, in de kamers zoowel als in de keuken. De
+Huismuis is hier echter veelvuldiger dan hare verwanten. De Dwergmuis
+zouden wij hier nog bij kunnen noemen, daar zij in den winter dikwijls
+in groot aantal voorkomt onder koornschelven, of ook wel in schuren,
+waar zij met de ingeoogste producten wordt binnengebracht. Geen van de
+drie eerstgenoemde soorten is uitsluitend gebonden aan de woonplaats,
+waaraan zij haar naam ontleent; de Boschmuis leeft even goed van tijd
+tot tijd in schuren en huizen als op het veld; de Akkermuis wordt
+evenmin uitsluitend op akkers aangetroffen als de Huismuis zich
+uitsluitend tot de woningen van den mensch bepaalt. De namen dezer
+dieren duiden eenvoudig de woonplaats aan, die bij voorkeur door hen
+gekozen wordt.
+
+
+
+De _Huismuis_ was reeds in overouden tijd een getrouwe metgezel
+van den mensch; zij wordt reeds door Aristoteles en Plinius als een
+zeer veelvuldig voorkomend dier vermeld; Albertus Magnus heeft haar
+nauwkeurig beschreven. Tegenwoordig is zij over de geheele wereld
+verbreid. De Huismuis koloniseerde de aardoppervlakte tegelijk met den
+mensch; zij volgde hem tot in het barre noorden en tot in de hoogst
+gelegen Alpenhutten. Waarschijnlijk zijn er slechts weinig plekjes
+op den aardbol te vinden, waar dit dier in den tegenwoordigen tijd
+nog niet voorkomt; bovendien kan van deze plaatsen alleen gezegd
+worden, dat het er tot nog toe niet waargenomen is, niet, dat het
+er ontbreekt. Zoo wordt b.v. bericht, dat men op de Soenda-eilanden
+geen Muizen vindt.--Alle gedeelten van de woning van den mensch dienen
+haar tot verblijfplaats. Op het land leeft zij gedurende het gunstige
+jaargetijde ook wel buitenshuis, n.l. in den tuin of in naburige
+velden en boschjes; in de stad bepaalt zij zich tot de woonhuizen en
+bijgebouwen. Hier vindt zij in elke spleet, in elke holte, kortom in
+elk hoekje, waarin zij wegkruipen kan, een voldoende schuilplaats,
+vanwaar uit zij hare strooptochten onderneemt.
+
+De Huismuis is een buitengewoon behendig en beweeglijk dier. Met
+zeer groote snelheid loopt zij over den vlakken grond; zij klimt
+voortreffelijk, springt erg ver en huppelt dikwijls gedurende geruimen
+tijd met korte sprongen over den bodem voort. Bij gevangen Muizen
+kan men zeer goed waarnemen, hoe behendig ze al deze bewegingen
+maken. Als men een Muis op een schuins omhoog gespannen touw of
+op een stokje laat loopen, slingert zij, zoodra zij het evenwicht
+verliest, haar staart schielijk om het touw of om het stokje,
+herstelt hierdoor het evenwicht en klimt vervolgens verder. Als men
+haar op een zeer buigzamen halm neerzet, klimt zij omhoog, totdat zij
+den top van den halm bereikt heeft; als de halm door haar gewicht
+nedergebogen wordt, gaat zij er met den rug naar onderen gericht
+aan hangen en daalt vervolgens langzaam naar beneden, zonder ooit
+in verlegenheid te komen. Bij het klimmen bewijst de staart haar
+belangrijke diensten. Muizen, wien men een stuk van den staart
+had afgesneden om haar een vreemd voorkomen te verschaffen, waren
+niet meer in staat in 't klimmen met hare langstaartige zusters te
+concurreeren. Allerliefst zijn de verschillende houdingen, die de
+Muizen aannemen kunnen. Elke buiging, elke beweging geschiedt met
+gratie. Zelfs wanneer de Muis stilzit, ziet zij er bevallig uit;
+den aangenaamsten indruk brengt zij echter teweeg, wanneer zij,
+volgens de gewoonte der Knaagdieren, op haar achterste rust en zich
+met hare voorpooten reinigt en wascht. Zij kan nog wel andere kunstjes
+doen, o.a. zich geheel en al op de achterpooten oprichten, evenals de
+mensch, en zoo zelfs eenige schreden doen. Hierbij maakt zij slechts
+van tijd tot tijd van haar staart als steunsel gebruik. Zij is ook
+in 't zwemmen ervaren, ofschoon zij slechts in gevallen van hoogen
+nood te water gaat. Als men haar in 't water werpt, ziet men, dat zij
+zich bijna even snel als de Waterrat en de Dwergmuis voortbeweegt, en
+naar de eerste beste droge plaats zwemt om erop te klimmen en zich in
+veiligheid te stellen. Hare zintuigen zijn uitmuntend; zij hoort het
+zwakste gedruisch en heeft een zeer fijnen reuk, waardoor zij zelfs
+ver verwijderde voorwerpen kan waarnemen; ook kan zij vrij goed zien,
+des nachts misschien beter dan over dag. Ieder, die de levenswijze van
+de Huismuis nagaat, zal haar schranderheid bewonderen. Zoo boosaardig,
+arglistig en bijtlustig de Ratten zijn, zoo goedaardig en vreedzaam
+is zij. Bekend is haar nieuwsgierigheid; alles wordt door haar op de
+zorgvuldigste wijze onderzocht. Hare listigheid en schranderheid doen
+haar spoedig inzien, waar zij geduld wordt en waar niet; overal, waar
+men haar met vrede laat, geraakt zij mettertijd zoozeer aan den mensch
+gewoon, dat zij in zijn tegenwoordigheid heen en weer loopt en hare
+bezigheden verricht, alsof zij geen stoornis te vreezen heeft. Reeds
+na een gevangenschap van weinige dagen gedraagt zij zich allerliefst;
+zelfs oude Muizen worden nog tamelijk mak; de jonge echter overtreffen
+de meeste Knaagdieren, die geschikt zijn om gevangen gehouden te
+worden, door hare goedaardigheid en argeloosheid. Merkwaardig is de
+liefde voor de muziek, die bij de Muizen wordt opgemerkt. Welluidende
+tonen lokken haar uit haar schuilplaats naar buiten en doen haar
+alle vrees vergeten. Op klaarlichten dag komt zij in kamers, waar
+een muziekinstrument bespeeld wordt; vertrekken waar geregeld muziek
+gemaakt wordt, zijn ten slotte hare meest geliefde verblijfplaatsen.
+
+In den laatsten tijd komen in verscheidene tijdschriften berichten
+over "zingende Muizen" voor; ook heb ik een aantal meer directe
+mededeelingen over dit onderwerp ontvangen. Al deze berichten
+stemmen in dit opzicht overeen, dat men hier en daar, nu en dan
+Huismuizen heeft opgemerkt, die het gepiep en gekwetter, dat haar
+van nature eigen is, wijzigen tot geluiden, die aan het gezang van
+Vogels herinneren. Enkele berichtgevers spreken met geestdrift
+over het gezang van de Muis en vergelijken het met dat van den
+Kanarievogel of zelfs van den Nachtegaal; andere oordeelen er
+kalmer en waarschijnlijk juister over. De onderwijzer Schacht, een
+even betrouwbare als ontwikkelde opmerker, heeft een tijdlang zulk
+een zingende Muis gehad, die haar gezang meestal in de schemering,
+dikwijls eerst in den nacht liet hooren. Met den helderen slag van
+een Kanarievogel of met de smeltende melodiën van een Nachtegaal,
+had dit muizengezang niet de minste overeenkomst. Het was slechts een
+gekwetter, een mengelmoes van sleepende, gonzende en piepende toonen,
+die men in de nachtelijke stilte nog op een afstand van 20 schreden
+hooren kon. Het "gezang" van een andere zingende Muis, dat door den
+onderwijzer Müller werd waargenomen, bestond "uit opeenvolgende,
+zachte, fluitende tonen, die in 't eene oogenblik langzaam, in
+'t andere sneller werden uitgebracht en in 't laatstgenoemde geval
+duidelijk herinnerden aan het gezang van een Vogel, met dit verschil,
+dat zij aanmerkelijk zwakker waren." Deze Muis werd door muziek tot
+zingen opgewekt en floot dan soms ook over dag. Beide hiertoe bedoelde
+zingende Muizen waren mannetjes; het is dus niet onmogelijk dat ook
+bij deze diersoort de zoete gave van het gezang hoofdzakelijk aan de
+mannelijke sekse ten deel gevallen is. Pechuel-Loesche heeft maanden
+lang twee in een keuken vrij rondloopende, zoogenaamde zingende Muizen
+te gelijkertijd beluisterd. Van de eene hoorde men niets anders dan
+een ongeregeld gesjirp met trillers, doormengd met een zacht snorren,
+smakken of hikken en af en toe ook met een zwak gesnork, de andere
+had meer weeke tonen tot zijn beschikking, sommige van deze werden
+langer aangehouden, waardoor een min of meer welluidend geheel werd
+voortgebracht. Het zou echter juister zijn van het tjilpen en niet
+het zingen der Muizen te spreken.
+
+Tegenover deze aangename eigenschappen van de Huismuis, staan echter
+zeer lastige ondeugden; zij is een eerste snoepster en lekkerbek. Men
+kan zich moeielijk een snoeplustiger schepsel voorstellen dan een
+Huismuis, die zich in een goed voorziene provisiekamer naar vrije
+verkiezing bewegen kan! Zij zoekt zich altijd de lekkerste stukjes
+uit en geeft hierdoor een afdoend bewijs van de fijnheid van haar
+smaakzintuig. Aan allerlei zoetigheden, aan melk, goede vleeschspijzen,
+kaas, vetten, vruchten en zaden geeft zij de voorkeur boven alle
+andere voedingstoffen, en als zij de kans heeft, zoekt zij van het
+goede altijd het beste uit. Hare scherpe knaagtanden zijn een andere
+reden voor den haat, dien de mensch haar toedraagt. Als zij iets
+lekkers ruikt, weet zij zich tot de plaats waar het zich bevindt,
+toegang te verschaffen voor het genot, dat zij daar hoopt te smaken,
+heeft zij een ingespannen arbeid van één of meer nachten over; zij
+doorknaagt soms dikke deuren om haar doel te bereiken.--Als zij veel
+voedsel vindt, dat haar bijzonder lekker voorkomt, vervoert zij ook nog
+een flinken voorraad daarvan naar haar schuilplaats; zij arbeidt met
+de drift van een gierigaard aan de vermeerdering van hare schatten. "Op
+plaatsen, waar zij niet veel gevaar heeft van gestoord te worden," zegt
+Fitzinger, "vindt men wel eens in een hoek groote hoopen van walnoten
+en hazelnoten, soms niet minder dan een voet hoog; zij stapelt deze
+vruchten zoo regelmatig opeen, drukt ze zoo stevig tegen elkander aan
+en bedekt ze zoo zorgvuldig met geknaagde papieren en kleedingstukken,
+dat men onze Huismuis bijna niet in staat zou achten tot het verrichten
+van zulk een arbeid." Water drinkt zij in 't geheel niet, als zij
+saprijk voedsel krijgen kan; ook gebruikt zij het maar zelden, als
+zij zich met droog voedsel moet behelpen. Daarentegen is zij zeer
+verlekkerd op alle zoete dranken. Dat zij ook van alcoholische dranken
+snoept, blijkt uit de volgende mededeeling van den boschbeambte Block:
+"In het jaar 1843 werd ik eens, terwijl ik zat te schrijven door een
+zwak gedruisch gestoord; opziende, bemerkte ik een Muis, die langs
+den gladden poot van een tafeltje naar boven klom. Boven aangekomen,
+zocht zij vol ijver de kruimels op, die op een bord lagen. In het
+midden van dit bord stond een zeer licht, kelkvormig borrelglaasje,
+half gevuld met anisette. Met één sprong was de Muis op den rand van
+'t glas, boog zich voorover en slikte ijverig van de likeur. Nadat
+zij een behoorlijke dosis van het zoete vergif gebruikt had, sprong
+zij weer op de tafel. In hare bezigheden gestoord door het gedruisch
+dat ik maakte, wipte zij met één sprong van de tafel en verdween
+achter een kast. Waarschijnlijk ondervond zij spoedig de uitwerking
+van den drank, want kort daarna kwam zij weer te voorschijn en maakte
+allerlei vreemdsoortige bewegingen; ook deed zij vergeefsche pogingen
+om nogmaals op de tafel te klauteren. Ik stond op en ging op haar af,
+doch zij stoorde zich niet aan mij. Toen ik de Kat haalde, liep zij
+even weg, maar kwam dadelijk weer terug. De Kat sprong van mijn arm
+op haar af, en had het dronken muisje in hare klauwen."
+
+Grooter nog dan de schade, die de Muis door het verslinden van
+voedingsmiddelen aanricht, is die, welke zij den mensch toebrengt
+door het stukknagen van allerlei voorwerpen van waarde. Bibliotheken
+en verzamelingen van naturaliën hebben soms veel van deze Knaagdieren
+te lijden. Met allerlei middelen gaat men hun vernielzucht tegen. De
+ijverigste van alle vijanden van de Huismuis is en blijft de Kat. In
+oude gebouwen wordt zij ijverig geholpen door de Uilen, die ook op
+het land goede diensten bewijzen, evenals de Bunzing en de Wezel,
+de Egels en de Spitsmuizen. Hoe klein de Spitsmuis ook is, toch is
+zij veel sterker dan de voor ons zoo lastige Knaagdieren; met ijver
+wijdt zij zich aan de muizenjacht.
+
+De Huismuis plant zich zeer snel voort; 22 à 24 dagen na de paring
+werpt zij 4 à 6, niet zelden zelfs 8 jongen. Daar zij in één
+jaar stellig vijf à zes maal jongen werpt, bedraagt hun aantal na
+afloop van dien tijd minstens 30. Een witte Muis, die door Struve in
+gevangenschap werd gehouden wierp den 17den Mei zes, den 6den Juni zes
+en den 3en Juli acht jongen. Van den 3en tot den 28en Juli was zij van
+het mannetje gescheiden. Den 21en Augustus wierp zij weder zes jongen,
+den 1en October op nieuw zes en den 24en October vijf. Gedurende den
+winter vermeerderde haar nakomelingschap niet. Den 17den Maart bracht
+zij opnieuw jongen ter wereld. Eén van de wijfjes van den worp van 6
+Juni, kreeg den 18den Juni van 't volgende jaar voor 't eerst jongen,
+en wel vier te gelijk. Hieruit kan men afleiden hoe verbazend snel
+de Muizen zich kunnen vermenigvuldigen, in weerwil van haar groot
+aantal vijanden. Voor haar kraambed maakt de moeder gebruik van elken
+schuilhoek, waar zij voor vervolgingen beveiligd hoopt te zijn;
+men heeft muizennesten gevonden in uitgeholde brooden, uitgeholde
+koolrapen, doodshoofden, ja zelfs in muizenvallen. Gewoonlijk bestaat
+de ligplaats van de kleine familie uit met zorg opeengestapeld stroo,
+hooi, papier, vederen en andere zachte stoffen; soms echter bestaat
+het eenvoudig uit houtspaanders of zelfs uit notedoppen. De jongen
+zijn bij de geboorte buitengewoon klein en, bij witte Muizen althans,
+in den letterlijken zin van 't woord doorzichtig. Zij groeien echter
+schielijk aan, krijgen op den zevenden of achtsten levensdag haren,
+doch openen hunne oogen eerst op den dertienden dag. Nu blijven zij
+nog maar een paar dagen in 't nest, en gaan dan op de wijze van hunne
+ouders voedsel zoeken.--Een treffend voorbeeld van de moederliefde van
+de Muis wordt door Weinland medegedeeld: "In het zachte bed, dat een
+Huismuis voor hare jongen had bereid, ontdekte men haar en hare negen
+kinderen. De moeder kon ontsnappen,--doch week niet van de plaats. Het
+geheele gezin werd met een korenschop opgenomen,--zij bewoog zich
+niet. Men droeg alle onbedekt op de schop weg, verscheidene trappen
+af, tot in den hof;--zij bleef hare kinderen trouw en stierf met hen."
+
+Bij de bewoners van China en Japan, van welker ervarenheid in het
+fokken van dieren en het kweeken van planten vele merkwaardige
+staaltjes medegedeeld worden, is de Huismuis een huisdier geworden
+in den eigenlijken zin van 't woord. Haacke deelt over de Muizen,
+die sedert eenige jaren uit deze landen naar hier worden gevoerd,
+het volgende mede: "Van een handelaar in dieren te Hamburg ontbied
+ik van tijd tot tijd twee verschillende rassen van de Huismuis, die
+door den koopman met de namen Chineesche 'klimmuizen' en Japansche
+'dansmuizen' aangeduid worden. De eerstgenoemden onderscheiden zich
+trouwens alleen door haar zeer varieerende kleur, want klimmen doen
+zij, naar het schijnt, niet meer dan andere Muizen. Hare kleur is
+echter zeer verschillend. Behalve effen grijze, licht-bruinachtig gele
+en witte exemplaren, heb ik er gehad, die grijs en wit, zwart en wit,
+geel en wit, blauw en wit gevlekt waren. Driekleurige Muizen zijn, naar
+het schijnt, zeer zeldzaam. Zooals bekend is, komen ook bij ons witte,
+zwarte en gele soms ook wel gevlekte Muizen voor; maar de Chineezen
+hebben hun bekwaamheid in het fokken van nieuwe verscheidenheden
+ook op de Huismuizen toegepast. De niet minder op 't dierenfokken
+verzotte Japaneezen, hebben echter kans gezien, om van de Huismuis
+een werkelijk wonderbaarlijk dier te maken. De Japansche 'dansmuis',
+die te recht zoo genoemd wordt, komt eveneens in de bovengenoemde
+kleuren voor. Wat haar echter vooral onderscheidt, is de aangeboren
+gewoonte om met razende snelheid in een meer of minder grooten kring
+rond te loopen, of nog vaker, om, als een tol op één plaats blijvend,
+met ongeloofelijke snelheid rond te draaien. Dikwijls voeren twee,
+zeldzamer drie Muizen, gemeenschappelijk zulk een dans uit, die
+gewoonlijk in de schemering begint en gedurende den nacht van tijd
+tot tijd herhaald wordt; meestal echter danst iedere Muis afzonderlijk.
+
+
+
+De _Boschmuis_ komt in de meeste opzichten met de Huismuis overeen. Zij
+is over geheel Europa verbreid, waarschijnlijk alleen met uitzondering
+van de allernoordelijkste gedeelten; in bergachtige streken komt zij
+nog op een hoogte van 2000 M. boven den zeespiegel voor. Zij leeft
+zoowel in bosschen, als aan hun zoom; men vindt haar dikwijls in
+tuinen, doch minder veelvuldig op uitgestrekte vlakten, waar geen
+boomen zijn. Des winters verschuilt zij zich gaarne in huizen; zij
+bezoekt daar kelders en provisiekamers, doch vestigt zich bij voorkeur
+in de hooger gelegen deelen van het huis, waar zij op zolderkamers
+en onder dak overwintert. Ritzema Bos zegt van de woonplaatsen van
+deze muis in ons vaderland: "Overal waar hout groeit: in tuinen,
+langs wegen, rondom hofsteden is zij in vele streken van ons land zeer
+algemeen. Zij vestigt zich ook wel in alleenstaande huizen; op villa's
+en boerderijen vervangt zij soms de Huismuis. Daar zij sterker en
+vlugger is dan deze, moet zij--wanneer ze 't veld of het bosch verlaat,
+en zich in de huizen gaat vestigen--daar de Huismuis verdringen, even
+goed als de sterkere en vluggere Bruine Rat haar zwakkere zuster heeft
+verdreven. Werkelijk geschiedt dit, niet alleen in vele alléénstaande
+behuizingen, maar eveneens in de buitenwijken van dorpen en kleine
+landstadjes. Ik herinner mij dat--eenige jaren geleden--in 't gebouw
+der Rijks Hoogere Burgerschool te Warffum mijn verzameling naturaliën
+door Muizen werd aangetast. Het uitzetten van muizentarwe had den
+dood van verscheidene van deze indringers ten gevolge; alle bleken
+mij te behooren tot de soort _Mus sylvaticus_. Altum, hoogleeraar
+aan de academie voor boschbouw te Neustadt-Eberswalde, verzekert,
+dat in 't stadje zijner inwoning geen enkele Huismuis te vinden is,
+en dat de Boschmuis haar geheel en al verdrongen heeft.
+
+"Dat nu de laatste niet overal de eerste doet verdwijnen, moet
+eenvoudig worden toegeschreven aan de omstandigheid, dat beide soorten
+_in den regel_ niet dezelfde levenswijze hebben, m.a.w. dat zij op
+verschillende plaatsen voorkomen, en niet hetzelfde voedsel gebruiken,
+zoodat zij gewoonlijk niet als concurrenten optreden."
+
+In de vrije natuur eet zij gaarne Wormen en Insecten, vooral wanneer
+deze laatste zich als larven of poppen in den grond bevinden; hierdoor
+kan zij in de bosschen tamelijk veel nut aanbrengen. Schadelijk wordt
+zij hier daarentegen door het uithalen van de nestjes van nuttige
+Zangvogels. Het hoofdvoedsel van de Boschmuis bestaat echter uit
+steen- en pitvruchten, noten, eikels, beukenootjes, zaden van dennen
+en sparren. Zij verzamelt hiervan ook wel voorraad voor den winter,
+vervalt echter niet in winterslaap en maakt alleen bij ongunstig weer
+van de door haar bijeen gebrachte schatten gebruik. "De schade door dit
+diertje aan de houtteelt berokkend," zegt Ritzema Bos, "is niet zoo
+groot, als men dikwijls verzekert. Het is n.l. zeer waarschijnlijk,
+dat alle gevallen, waarin stammetjes van jonge boomen en takken door
+Muizen van de schors waren beroofd, moeten komen op de rekening van
+_Woelmuizen_ (_Arvicola arvalis_ en _A. glareolus_). De Boschmuis is
+op de ontschorsing van boomen nooit betrapt geworden en de door Muizen
+van schors beroofde stukken vertoonden alle de tandindruksels van
+Woelmuizen." "Van uit het bosch verspreidt zich onze 'springer' zeer
+dikwijls over de velden; ja somtijds komt zij op zeer aanzienlijken
+afstand van alle houtgewas op bouwland voor. Men treft haar dan, op
+de wijze der Veldmuizen, in en onder korenschoven en hokken aan. De
+boeren geven haar dan den naam van 'langstaartige Veldmuis,' in
+tegenstelling van de 'kortstaartige,' d.i. de _Eigenlijke Veldmuis_
+(_Arvicola arvalis_). Wanneer men op zandgronden van verwoestingen
+door Muizen hoort, dan is gewoonlijk de Boschmuis de dader, terwijl
+de Eigenlijke Veldmuis de beruchte landplaag der kleigronden is. Toch
+is ook de Boschmuis op de klei niet geheel onbekend, en de Eigenlijke
+Veldmuis komt op 't zand ook wel eens voor. Zoo vernielend als de
+laatste optreedt, vertoont zich de eerste nooit, daar zij jaarlijks
+niet zoo'n groote nakomelingschap kan leveren. Zij werpt 2-, hoogstens
+3maal 4 tot 6 jongen, terwijl de Veldmuis telkens 6 à 12 jongen werpt,
+en de in 't voorjaar en den zomer geboren individu's zich nog gedurende
+'t zelfde jaar weer voortplanten."
+
+In huis berokkent de Boschmuis ons dikwijls gevoelige schade en heeft
+zij eigenaardige liefhebberijen. Des nachts dringt zij in vogelkooien
+door en doodt de hier aanwezige Kanarievogels, Leeuweriken, Vinken
+enz. Van haar smaak voor zoete, bedwelmende dranken, deelt Lenz het
+volgende voorbeeld mede: Een zijner zusters hoorde op een avond een
+zeer eigenaardig zangerig gepiep in den kelder; zij zocht met een
+lantaarn naar de oorzaak van dit geluid en vond een Boschmuis, die
+naast een flesch malaga zat, de naderende dame vriendelijk en zonder
+vrees in 't gelaat zag en zich in haar gezang niet liet storen. De
+jonge dame verwijderde zich om hulp te halen; een geheel leger van
+helpers bezette den kelder; de Muis had haar liedje echter nog niet
+uit; zij bleef bedaard zitten, en was vermoedelijk zeer verwonderd,
+toen men haar met den tang bij den kop pakte. Bij nader onderzoek
+bleek het, dat de flesch een weinig lek was; rondom de plaats waar
+de droppels neervielen, lag een geheele kring van muizenkeutels,
+waaruit men opmaakte, dat de zooeven als dronkenlap gearresteerde
+Muis, waarschijnlijk reeds gedurende geruimen tijd hier aan 't pooien
+was geweest.
+
+
+
+De _Brandmuis_ bewoont een meer beperkt gebied dan de beide vroeger
+beschreven soorten; zij leeft tusschen den Rijn en West-Siberië,
+het noorden van Holstein en Lombardije. In Middel-Duitschland wordt
+zij overal veelvuldig aangetroffen, in ons vaderland tot dusver niet;
+in hooge bergstreken komt zij niet voor. Zij houdt zich des zomers
+op in bouwlanden, aan de kanten van bosschen en in lage boschjes,
+terwijl zij des winters in korenhoopen of in schuren verblijf houdt;
+ook overwintert zij in gaten in den grond. Bij 't maaien van 't koren
+in den herfst, ziet men geheele benden van deze dieren over de stoppels
+ontvluchten. Hare bewegingen zijn minder behendig dan die van hare
+verwanten; haar uiterlijk is goedaardiger of dommer. Zij voedt zich
+hoofdzakelijk met graan en andere zaden, met kruiden en knollen,
+Insecten en Wormen; ook zij verzamelt proviand voor den slechten
+tijd. Wegens haar snelle vermenigvuldiging kan zij in de streken,
+waar zij voorkomt, zeer schadelijk worden: in den zomer werpt zij 3-
+à 4maal 4 à 8 jongen, welke, evenals die van de Boschmuis, eerst in
+'t volgende jaar de kleur van de ouders hebben.
+
+
+
+Hoe lief en bevallig alle kleine Muizen ook zijn, hoe alleraardigst zij
+zich in de gevangenschap gedragen, het kleinste lid van de familie--de
+_Dwergmuis_ (_Mus minutus_)--overtreft haar alle te dezen aanzien. Zij
+is veel beweeglijker, behendiger, vroolijker, kortom, zij is een veel
+aardiger schepeltje dan hare verwanten.
+
+De Dwergmuis heeft aan de dierkundigen niet weinig hoofdbrekens
+veroorzaakt. Sinds Pallas haar in Siberië voor 't eerst aantrof,
+nauwkeurig beschreef en zeer goed afbeeldde, is zij in vele andere,
+ver uiteenliggende landen gevonden. Bijna iedere natuurbeschrijver,
+die haar onderzocht, meende het recht te hebben haar als een
+nieuwe soort te beschouwen, o.a. omdat het verbreidingsgebied van
+dezen vorm zoo uitgestrekt is en de kleur van de vacht tamelijk
+uiteenloopt. Door latere onderzoekingen is echter uitgemaakt, dat
+de ten onzent voorkomende Dwergmuis werkelijk verspreid is over een
+gebied, dat Siberië, geheel Rusland, Hongarije, Polen, Duitschland,
+Frankrijk, Engeland en Italië omvat en slechts bij uitzondering
+in sommige gewesten van deze landen niet voorkomt. Men vindt haar
+in alle vlakten waar de landbouw bloeit, en geenszins altijd op
+bouwland, maar dikwijls in het riet van de sloten, die de akkers
+omgeven, in riet- en biesbosschen, in moerassen en drasse landen
+enz. In Siberië en aan den voet van den Kaukasus is zij algemeen,
+in Rusland en Engeland, in Sleeswijk en Holstein is zij op zijn minst
+genomen niet zeldzaam. Maar ook in de overige genoemde landen kan zij
+soms in grooten getale voorkomen. Volgens Dr. G. A. Venema komt zij
+veelvuldig voor "in de breede strook van zulte of zeeaster (_Aster
+tripolium_), die de kweldergronden langs den Dollard van de hanepoot
+(_Salicornia herbacea_) scheidt. Daar bouwt de Dwergmuis haar nest
+in de hooge zulteplanten, tusschen hare geurige bloemen in; en als
+een hooge vloed door de zulte rolt, buigt de storm de stengels heen
+en weer, maar bereikt de bloemen niet. In wiegelende beweging door
+den stroom gebracht, bewaken de oude Muizen, die langs de stengels
+zijn opgeklommen, de jongen."
+
+Gedurende den zomer vindt men dit lieve diertje in gezelschap van
+de Boschmuis en van de Gewone Veldmuis op korenvelden; in den winter
+komt het soms in groot aantal voor onder hooibergen of in schuren. De
+Dwergmuis overwintert echter ook wel buiten, in holen in den grond;
+een groot deel van het koude jaargetijde brengt zij dan slapend door,
+hoewel zij geen eigenlijken winterslaap heeft. Als de nood aan den
+man komt, maakt zij gebruik van den aanzienlijken voedselvoorraad,
+die zij gedurende den zomer in haar hol heeft bijeengebracht. Haar
+voedsel is hetzelfde als dat van alle overige Muizen; op den akker
+kan zij nog al wat graan bederven; als zij den winter in woonhuizen
+doorbrengt, gebruikt zij zoowel dierlijk als plantaardig voedsel;
+in den zomer gebruikt zij, naar 't schijnt, allerlei kleine Insecten.
+
+Door hare bewegingen onderscheidt de Dwergmuis zich van alle overige
+soorten van de Muizenfamilie. In weerwil van hare geringe grootte
+loopt zij zeer snel; zij klimt zeer vlug, behendig en sierlijk. Langs
+de dunste takken van struiken, langs grashalmen, die zoo zwak zijn,
+dat zij zich ter aarde neigen, wanneer het diertje zich er op bevindt,
+stijgt zij, den rug naar boven of naar onderen gericht, omhoog. Bijna
+even snel beklimt zij boomen; de kleine, sierlijke staart wordt dan
+zoo behendig als grijpwerktuig gebezigd, alsof het kleine Knaagdier
+den Brulapen de kunst heeft afgezien. Ook in het zwemmen is het zeer
+bedreven; ook in het duiken is het een meester. Juist hierom kan het
+overal wonen.
+
+Vooral in een ander opzicht geeft de Dwergmuis echter bewijzen
+van groote bekwaamheid. Zij is een kunstenares, zooals er onder
+de Zoogdieren maar weinig gevonden worden; zij waagt het, met de
+meest begaafde Vogels te wedijveren en een nest te bouwen, dat in
+schoonheid de nesten van alle overige Zoogdieren verre overtreft. Haar
+sierlijke woning wordt op zulk een eigenaardige wijze gebouwd, alsof
+zij bij een Rietzanger of een Wevervogel in de leer is geweest. Het
+Dwergmuizennest is bijna zoo groot als een vuist, en rust, al naar
+de plaatselijke gesteldheid, op 20 à 30 bladen van rietgrassen,
+welker toppen uitgerafeld en zoo met elkander saamgevlochten zijn,
+dat zij het eigenlijke nest overal omgeven. Soms is het nest op een
+afstand van 5 à 10 M. boven den grond vrij opgehangen aan de takken
+van een struik, aan een riethalm of dergelijk voorwerp, zoodat het
+allen schijn heeft, dat het in de lucht zweeft. De vorm van het nest
+komt het meest overeen met dien van een ei, met zeer stompe punten,
+b.v. met een buitengewoon, bolvormig ganzenei, waarmede het ook
+in grootte nagenoeg overeenkomt. Het uitwendig bekleedsel bestaat
+altijd uit de geheel in strookjes verdeelde bladen van het riet of
+van andere grasachtige planten, welker stengels den grondslag van
+de geheele woning uitmaken. De kleine kunstenares neemt elk blad
+tusschen hare tanden, en haalt het verscheidene malen tusschen de
+vlijmscherpe kronen der snijtanden door, zoodat elk blad in 6, 8,
+10 of meer draadvormige strooken wordt verdeeld, die ieder aan een of
+meer taaie, overlangsche bladnerven haar stevigheid ontleenen; daarna
+worden deze vezels zorgvuldig dooreengeslingerd, ineengevlochten en
+saamgeweven. Van binnen is het nest met aren van riet, met de wol
+van de kolven der kannewasschers (_Typha_), met het vruchtpluis van
+paardenbloemen, met allerlei katjes en bloemtrossen opgevuld. Een
+kleine, zijdelingsche opening verleent toegang tot het nest; als men
+er den vinger insteekt en het van binnen betast, blijkt het geheel
+en al, zoowel van boven als van onderen, gelijkmatig glad gemaakt,
+en overal zacht en donzig te zijn. De materialen van het nest zijn
+zóó dicht met elkander vervilt en saamgevlochten, dat zij voor het
+dier een stevige rustplaats vormen.
+
+Als men in aanmerking neemt, dat de werktuigen, waarvan de Dwergmuis
+bij dezen arbeid gebruik maakt, veel minder doelmatig zijn dan de
+snavel van de bouwkunstenaars onder de Vogels, kan men niet nalaten
+de kunstvaardigheid van de Dwergmuizen te bewonderen en haar hooger
+te stellen, dan die van de veel beter uitgeruste, nestbouwende Vogels.
+
+Elk nestje is hoofdzakelijk samengesteld uit de nog aan den stengel
+vastgehechte bladen van de planten die de woning steunen. Een
+noodzakelijk gevolg hiervan is, dat het nest van buiten bijna (of
+geheel) dezelfde kleur heeft als de planten waartusschen het zich
+bevindt. Daar n.l. de Dwergmuis haar paleis alleen noodig heeft voor
+het groot brengen van hare jongen, en deze schielijk in staat zijn om
+zich zelf te redden, is het nest in den regel reeds door hare bewoners
+verlaten, voordat de bladen, die de buitenbekleeding vormen, verwelkt
+zijn, en een andere kleur hebben aangenomen. In 't najaar maakt de
+Muis haar nest in de graanschoven; in 't kreupelhout, aan struiken of
+laag hout hangt het aan den duinkant (waar het ook, vooral in Holland,
+veelvuldig voorkomt). De oude Muizen bouwen kunstiger en doelmatiger
+nesten dan de jonge; deze beginnen reeds in 't eerste levensjaar
+tamelijk flinke nesten te maken, die haar tot rustplaats dienen.
+
+Drie of vier maal per jaar brengt de Dwergmuis jongen ter wereld,
+telkens 5 à 8. Gewoonlijk blijven deze in hun wieg tot zij
+zien kunnen. De oude dekt ze warmpjes toe, of liever, zij sluit
+de opening van het nest telkens als zij uitgaat om voedsel te
+zoeken. Ternauwernood zijn de jongen zoover heen, dat zij eenigermate
+in hun onderhoud kunnen voorzien, of zij gaan hun eigen weg, nadat
+de moeder vooraf nog gedurende een paar dagen met hen buiten verkeerd
+en hun onderricht in haar beroep gegeven heeft.
+
+Wie het geluk heeft tegenwoordig te zijn, wanneer de oude Muis
+haar kroost voor de eerste maal naar buiten geleidt, zal een
+allerbekoorlijkst huiselijk tafereel aanschouwen. Hoe behendig het
+jonge volkje van nature moge zijn, een weinig onderricht is noodig;
+bovendien is het nog te veel aan de moeder gehecht om reeds dadelijk
+lust te hebben op eigen wieken te drijven en zich zelfstandig te
+bewegen in de uitgestrekte, gevaarlijke wereld. Het eene jong hangt
+aan dezen, een ander aan genen halm. Het eene sjirpt om door de moeder
+geholpen te worden, het andere verlangt nog naar de moedermelk. Hier
+wascht er zich een met de voorpootjes, daar heeft een ander een zaadje
+gevonden, dat met de pootjes vastgehouden en ontbolsterd wordt. Het
+vreesachtigste wijfje is nog binnen in het nest bezig, het dapperste
+en vermetelste mannetje is al ver weg en zwemt misschien reeds rond
+in de plas, welks bodem de pijlers van de woning draagt. Het geheele
+gezin is druk in de weer, de moeder niet het minst; het eene jong
+moet geholpen worden, een ander heeft behoefte aan raad, de ijver van
+het stoutmoedigste kind moet ingetoomd, die van het vreesachtigste
+aangewakkerd worden.
+
+Men kan dit aardig schouwspel op zijn gemak waarnemen, als men het
+geheele nest medeneemt naar huis en in een groote kooi van nauwmazig
+metaalgaas opsluit. Met hennep, haver, peren, zoete appels, vleesch en
+gewone Vliegen kan men de Dwergmuizen gemakkelijk in 't leven houden;
+haar lieftallig gedrag vergoedt ruimschoots de moeite, die men aan
+haar wijdt. Aardig is het na te gaan, wat zij doen, als men haar een
+Vlieg voorhoudt; alle ijlen dan met groote sprongen op het Insect
+af; de vlugste pakt het met de voorpootjes aan, brengt het naar den
+mond, en doodt het met evenveel drift en roofzucht als de Leeuw bij
+'t dooden van een Rund aan den dag legt; de prooi wordt daarna weer
+tusschen de voorpootjes genomen en bedachtzaam verslonden. De jongen
+worden zeer schielijk tam, doch wanneer men zich niet zeer dikwijls
+met hen bemoeit, op lateren leeftijd weer schuw. Omstreeks den tijd,
+waarin zij in den natuurstaat schuilplaatsen zouden opzoeken om daar
+te overwinteren, worden zij altijd zeer onrustig en zoeken met geweld
+te ontvluchten, juist zooals de trekvogels, die in een kooi gehouden
+worden, gewoon zijn te doen, als de tijd van vertrek hunner vrije
+soortgenooten aanbreekt. Ook in Maart neemt men bij de Dwergmuizen
+deze begeerte om uit haar kooi te ontsnappen waar. Overigens geraken
+zij schielijk aan de gevangenschap gewoon; zij beginnen vol ijver hare
+kunstvolle nesten te bouwen van de materialen die men haar hiervoor
+geeft, b.v. van papiersnippers en katoen.
+
+
+
+De laatste onderfamilie bevat de _Hamstermuizen_ (_Cricetinae_), meer
+of minder plomp gebouwde, dikwijls groote Muizen met gespleten bovenlip
+en groote wangzakken; even als de Echte Muizen hebben zij in elke
+kaakhelft drie kiezen met op dwarse reeksen geplaatste knobbeltjes.
+
+Onze _Hamster_ behoort tot het bekendste geslacht (_Cricetus_), welks
+belangrijkste kenmerken gelegen zijn in den plompen, dikken romp, die
+op korte ledematen rust, en in een zeer korten, dun behaarden staart
+eindigt. De knaagtanden zijn bijzonder groot. Deze diersoort bewoont
+de korenakkers van vruchtbare gewesten van de gematigde luchtstreek
+in Europa, Azië en Amerika. Hier graven de Hamsters diepe holen met
+verscheidene kamers, waarvan sommige in den herfst met een voorraad
+voedsel voor den winter gevuld worden; in de andere slijten zij een
+groot deel van haar leven, welks lusten en lasten wij zullen leeren
+kennen door het nagaan van den levensloop van onzen inheemschen
+Hamster. Inheemsch mogen wij hem noemen, daar hij, volgens Ritzema
+Bos, in 't zuidelijk gedeelte van Limburg voorkomt, waar het aantal
+dezer dieren sedert 1879 zoodanig vermeerderde, dat zij er als een
+landplaag berucht werden en de Commissaris des Konings op 14 Januari
+1880 een missive aan de gemeentebesturen in Limburg verzond, waarin
+de landbouwers werden aangespoord hunne nieuwe vijanden zooveel
+mogelijk uit te roeien. Niet op elken bodem komt de Hamster voor,
+in ieder geval niet op een bodem, die zeer zandig is, daar zijne
+gangen er te gemakkelijk zouden instorten. Vandaar, dat hij in het
+noordelijke gedeelte van Limburg ontbreekt, waar bovendien tarwe en
+paardeboonen, zijn hoofdvoedsel, niet of weinig gekweekt worden. In
+Zuidelijk Limburg daarentegen, op de zoogenoemde Limburgsche klei,
+is hij in zijn element.
+
+De in lichamelijk opzicht niet misdeelde en ook moedige _Hamster_
+(_Cricetus frumentarius_) is overigens geen aantrekkelijke
+verschijning; hij heeft een zeer onaangenaam, prikkelbaar en ontevreden
+karakter. Met inbegrip van den ongeveer 5 cM. langen staart kan hij een
+lengte van nagenoeg 30 cM. bereiken. De bovendeelen zijn grootendeels
+roodachtig geel met grijsbruin gemengd. Lichter, n.l. roestkleurig
+geel, zijn de zijden van den kop, een streepje onder het oor, een
+vlek op den schouder en een kleinere vlek achter den oksel. Donkerder,
+n.l. bruinachtig rood, zijn het oor, de omgeving van oor en oog en van
+den staartwortel, de buitenzijde van dij en onderbeen. De onderdeelen
+en ook de nog niet genoemde deelen van de pooten, met uitzondering
+van de witte voeten, zijn zwart; wit zijn ook de rand van het oor,
+de lippen, de spits van den snuit en een overlangsche streep op de
+keel. Van deze kleurverdeeling komen echter allerlei afwijkingen voor;
+sommige exemplaren zijn geheel zwart, andere zwart met witte keel
+en grijze kruin; andere van boven dof vaal, van onderen lichtgrijs,
+aan de schouders witachtig; ook treft men er soms albino's bij aan.
+
+Het verbreidingsgebied van den Hamster strekt zich uit van den Rijn
+tot den Ob. In de zuidelijke en zuidwestelijke deelen van Duitschland
+ontbreekt hij, evenals ook in Oost- en West-Pruisen; daarentegen is hij
+veelvuldig in Thüringen en Saksen. In de landen aan de Middellandsche
+Zee, in Engeland, Denemarken en Skandinavië is hij onbekend. Een
+bodem, die matig vast, droog en tevens vruchtbaar is, voldoet hem het
+best. Hij vermijdt alle zandige gewesten; om geen te groote bezwaren
+te ondervinden bij het graven, vestigt hij zich evenmin op een zeer
+vasten on steenachtigen bodem. Hij houdt niet van bergstreken en
+bosschen, evenmin van waterrijke laaglanden. Waar hij voorkomt,
+treft men hem veelvuldig, soms zelfs in ongeloofelijke scharen aan.
+
+Zijn woning bestaat uit een groote woonkamer, die op een diepte van
+1 à 2 M. gelegen is en met de buitenwereld in gemeenschap staat door
+twee gangen: een hellende, waardoor de bewoners het hol verlaten en
+een loodrechte, waardoor zij er inkomen. Door andere gangen is de
+woonkamer verbonden met de voorraadkamer. Het hol van den Hamster
+is gemakkelijk te herkennen aan den gewoonlijk met kaf en doppen
+van peulvruchten bedekten aardhoop, die voor de uitgangsopening
+ligt. De ingangspijp dringt altijd loodrecht in den bodem door,
+soms zoo, dat men er een langen stok in kan steken; zij komt echter
+niet onmiddellijk in de kamer uit, maar door tusschenkomst van een
+soms horizontale, soms hellende verbindingsbuis. De uitgangspijp
+daarentegen loopt zelden recht, maar is in den regel gekromd. Aan de
+gangen is het gemakkelijk te zien, of het hol bewoond wordt of verlaten
+is. Als zij mos, schimmelplanten of gras bevatten, of oneffene wanden
+hebben, kan men er zeker van zijn, dat het hol niet gebruikt wordt,
+want de Hamster is bijzonder netjes op zijn huis en zijn huisdeur. De
+kleinste van de kamers is de woonkamer; deze heeft gladde wanden en is
+altijd aangevuld met zeer fijn stroo, meestal met bladscheeden van de
+graanhalmen, die een zeer zachte ligplaats leveren. Drie gangen komen
+in deze kamer uit en stellen haar in gemeenschap met den ingang, den
+uitgang en de voorraadkamer. Deze is dieper gelegen dan de woonkamer,
+maar gelijkt er volkomen op; zij wordt als de herfst nadert, geheel
+gevuld. Jonge Hamsters leggen slechts één proviandpakhuis aan; de
+oude hebben er echter 3 à 5; men vindt soms meer dan 50 KG. voorraad
+in één enkele woning, meestal graan en zaden van peulvruchten, zelden
+ook wortels, rapen en dergelijke voedingsmiddelen.
+
+Vroeger werd beweerd, dat de Hamster iedere graansoort afzonderlijk
+opstapelt; ten onrechte deed men dit, want hij bergt de zaden op,
+zooals hij ze vindt; de reden waarom zij dikwijls soort bij soort
+leggen, is niet gelegen in de ordelievendheid van den verzamelaar,
+maar in de omstandigheid, dat hij in den eenen tijd niet anders dan
+deze, in een anderen tijd uitsluitend gene zaden vindt.
+
+De woning van het wijfje verschilt in sommige opzichten van die van
+het mannetje; hoewel zij slechts één uitgangsbuis heeft, bedraagt het
+aantal ingangsbuizen 2 à 8, waarvan er echter maar één druk gebruikt
+wordt, zoolang de jongen nog klein zijn.
+
+Ondanks zijn plomp voorkomen ontbreekt het den Hamster niet aan
+vaardigheid. Zijn gang, die tamelijk wel met dien van den Egel
+overeenkomt, en waarbij de buik bijna over den grond sleept, bestaat
+uit kleine stapjes. Als hij toornig is, maakt hij haastiger bewegingen
+en kan hij tamelijk ver en hoog springen. Het graven verstaat hij
+meesterlijk. Als men hem in een vat met aarde plaatst, gaat hij
+oogenblikkelijk aan den arbeid. De grond wordt met de voorpooten,
+of, bij het ontmoeten van meer weerstand, bovendien ook met de tanden
+losgewerkt en voorloopig onder den buik geworpen; de achterpooten halen
+hem van hier op en werpen hem naar achteren. Als hij dieper gekomen is,
+schuift hij achteruitgaand geheele hoopen aarde tegelijk naar buiten,
+nooit vult hij er echter zijne wangzakken mede, zooals ten onrechte
+beweerd wordt. Hoewel hij het water angstvallig vermijdt, beweegt
+hij zich hierin vrij goed. Als men hem in een tobbe met water werpt,
+zwemt hij hierin vlug rond, maar knort intusschen vol woede; uit alles
+blijkt dan, dat hij zich niet op zijn gemak gevoelt. Als hij overvallen
+wordt, gaat hij oogenblikkelijk op de achterpooten staan en laat de
+voorpooten bij zich neer hangen, de eene gewoonlijk een weinig lager
+dan de andere. Zoo houdt hij stijf de oogen gericht op den verstoorder
+van zijn rust, blijkbaar gereed om, zoodra de gelegenheid schoon is,
+toe te schieten en hem zijne scherpe tanden te laten voelen.
+
+Naar het schijnt, zijn de hoofdzintuigen van den Hamster tamelijk
+gelijkmatig ontwikkeld; het blijkt althans niet, dat het eene boven
+het andere bevoorrecht is. De eigenschappen van den geest zijn
+niet bijzonder geschikt om hem tot een lieveling van den mensch te
+maken. Geen ander Knaagdier van even geringe grootte, met uitzondering
+misschien van de Ratten of de Lemmingen, laat zich zoo geheel door
+den toorn overmeesteren. Bij de geringste aanleiding stelt hij zich
+vermetel te weer, laat een dof gebrom hooren, knarst met de tanden en
+slaat ze ongemeen snel en hevig tegen elkander aan. Even groot als
+zijn toorn, is ook zijn moed. Hij verdedigt zich tegen ieder dier,
+dat hem aanvalt en zet den strijd voort, zoolang hij kan. Als hij met
+onervaren Honden te doen heeft, behaalt hij niet zelden de zege; de
+schrandere Rattenvangers alleen weten hem aan te pakken en schudden
+hem dan bijna oogenblikkelijk dood. Alle Honden haten den Hamster
+bijna even hevig als den Egel, omdat zij het niet verdragen kunnen,
+dat zulk een klein dier hun oppermacht niet erkent. Niet alleen tegen
+Honden verweert de Hamster zich, ook den mensch valt hij stoutmoedig
+aan, zelfs hem, die niets met dit dier heeft uit te staan. Niet zelden
+gebeurt het, dat iemand die een Hamsterwoning voorbijgaat, plotseling
+het woedende dier aan zich (aan de kleederen meestal) voelt hangen. Ook
+bij Paarden doet hij dit. Tegen Roofvogels, die hem van den grond
+opnemen, verweert hij zich nog in de lucht. Als hij zich eens ergens
+aan vastgebeten heeft, laat hij niet los tenzij men hem doodslaat.
+
+Dat zulk een doldriftig dier niet verdraagzaam kan zijn, is licht
+te begrijpen. De jongen willen, zoodra hun eerste jeugd voorbij is,
+niet meer bij de moeder blijven; de mannelijke Hamster bijt het
+wijfje dood, als hij haar buiten den paartijd ontmoet. Gevangen
+Hamsters leven zelden in vrede met elkander, met oude dieren is dit
+waarschijnlijk nooit het geval; jongen, die nog geen jaar oud zijn,
+kunnen beter met elkander overweg. Ik heb gedurende geruimen tijd in
+een kist drie van deze dieren gehad, die nooit met elkander twistten,
+maar integendeel zeer verdraagzaam bijeenzaten, meestal zelfs het eene
+boven op het andere. Jonge Hamsters uit verschillende nesten vallen
+echter onmiddellijk op elkander aan en beginnen een strijd op leven
+en dood.--Een grappig schouwspel verschaft men zich, wanneer men den
+Hamster een Egel tot metgezel geeft. In 't eerst kijkt het Knaagdier
+nieuwsgierig naar zijn zonderlingen kameraad, die zich niet veel om
+zijn gezelschap bekommert, maar rustig zijn gang gaat. Maar de rust
+wordt spoedig verstoord. Toevallig komt de Egel in de buurt van zijn
+medegevangene, en wordt door dezen met een toornig gebrom begroet;
+vol schrik rolt het stekelige dier zich tot een bal ineen. Nu gaat
+de Hamster op verkenning uit. De stekelige bal wordt besnuffeld,--een
+bloedende neus is de uitkomst, tot welke hij geraakt. Woedend stoot de
+gewonde den bal weg--o wee, ook de hand is gekwetst! Nu ontbloot hij de
+tanden, piept, blaast, wipt op den bal, springt er ontsteld weer van
+af, tracht hem met den rug weg te duwen, steekt zich in den schouder,
+wordt al woedender en woedender, doet opnieuw vruchtelooze pogingen
+om het monsterachtige wezen uit den weg te ruimen, krijgt nog meer
+steken in de handen en de lippen--ten einde raad gaat hij eindelijk,
+terwijl allengs de verbazing de overhand krijgt over den toorn, voor
+"het stekelvarken" opzitten en kijkt naar het vreemdsoortig dier
+met een merkwaardig comische vrees en met een ingehouden woede, die
+hij niet zelden koelt aan een nabijzijnd voorwerp, aan een volkomen
+onschuldige soort- en lotgenoot, wien hij de beten tracht te geven,
+die hij den Egel had toegedacht. Zoo vaak de Egel zich verweert,
+begint het spel opnieuw, en weerklinkt een uitbundig gelach uit de
+rijen der toeschouwers.
+
+Tegenover andere, kleinere dieren toont de Hamster zich natuurlijk
+nog minder verdraagzaam als ten opzichte van zijne soortgenooten;
+of liever, hij maakt jacht op hen, want levende wezens maken
+een voornaam bestanddeel van zijn voedsel uit. Vogeltjes, Muizen,
+Hagedissen, Hazelwormen, Ringslangen en Insecten eet hij nog liever
+dan plantaardige stoffen.
+
+Ook de Hamster houdt winterslaap. Hij ontwaakt, zoodra de grond
+ontdooid is, dikwijls reeds in Februari, stellig in Maart. Niet
+dadelijk ontsluit hij de verstopte openingen van zijn woning,
+maar blijft stilletjes onder den grond en maakt gebruik van zijn
+winterprovisie. Omstreeks het midden van Maart maken de oude mannetjes,
+in het midden van April de oude wijfjes de deur van het winterverblijf
+open. Dan beginnen zij buitenshuis voedsel te zoeken.
+
+Omstreeks 4 à 5 weken na de paring--voor de eerste maal tegen het
+einde van Mei, voor de tweede maal in Juli--werpt het wijfje in haar
+zacht en warm gevoerd nest 6 à 18 jongen. Als zij 14 dagen oud zijn,
+beginnen de jonge Hamsters reeds in den grond te wroeten, en zoodra
+zij dit kunnen, denkt de onvriendelijke moeder er aan, zich van haar
+kroost te ontdoen; zij zet de kleintjes eenvoudig haar woning uit en
+dwingt ze zelfstandig in hun onderhoud te voorzien. Dit schijnt de
+jonge Hamsters niet veel moeite te kosten; want reeds op den zesden
+of zevenden dag van hun leven, als zij ternauwernood behaard zijn
+en nog in 't geheel niet zien kunnen, weten zij al heel aardig een
+tarwekorrel tusschen hunne voorpootjes vast te houden en met hunne
+scherpe tandjes te beknabbelen. Als er gevaar in aantocht is,
+sluipen de jonge diertjes, hoe hulpbehoevend zij ook schijnen,
+behendig naar allerlei schuilhoeken van het hol; het eene heeft
+zich schielijk op de best mogelijke wijze hier, het andere daar
+weten te verbergen; de meeste echter zijn de moeder gevolgd. Deze,
+die in andere omstandigheden zoo woedend en boosaardig, zoo moedig en
+dapper is, toont zich lafhartig, als het er op aankomt hare kinderen
+te verdedigen; zij neemt schandelijk de vlucht, zoodra zij bespeurt,
+dat haar of haar kroost onheil dreigt, en kruipt met hare spruiten
+weg in een blind eindigende gang; den weg, langs welken zij het nest
+verliet, tracht zij zoo schielijk mogelijk met aarde dicht te stoppen
+en de gang wordt met verbazende snelheid verlengd.
+
+Zoodra de veldvruchten rijp worden, hebben de Hamsters het druk met
+den oogst. Aan de zaaddoozen van 't vlas, aan groote paardeboonen en
+erwten geven zij, naar het schijnt, de voorkeur boven alle andere
+vruchten. Alleen daar, waar den Hamster niets in den weg wordt
+gelegd, haalt hij den oogst over dag binnen; gewoonlijk echter
+zijn de eerste helft van den nacht en de morgen vóór zonsopgang de
+voor den arbeid bestemde tijd. Met de voorpooten buigt hij de lange
+halmen naar beneden, snijdt er met één beet de aar af, pakt haar met
+de voorpooten aan, draait haar een paar malen heen en weer en heeft
+haar nu niet alleen van korrels beroofd, maar deze ook reeds in hare
+wangzakken geborgen. Zoo worden deze wijde, tot aan de schouders
+reikende zakken tot aan den rand gevuld; dikwijls sleept een Hamster
+ongeveer 50 gram graan tegelijk naar zijn woning. Als het dier zoo
+beladen is, ziet het er zeer grappig uit en is het zoo onbeholpen
+mogelijk. Zonder schroom kan men het nu in de handen nemen, want
+de volgepropte wangzakken stellen het buiten staat om te bijten;
+men moet het dier echter niet den tijd laten met de voorpooten de
+zakken leeg te strijken, want dan stelt het zich te weer.
+
+In het begin van October, als het koud wordt en de akkers kaal zijn,
+denkt de Hamster er ernstig aan, zijn winterkwartier in gereedheid
+te brengen. Het leger is zeer klein, en wordt met het fijnste stroo
+dicht bekleed. Nu eet de luie dagdief zich dik en vet, en gaat
+eindelijk ineengerold liggen om den winterslaap te beginnen. De
+ledematen blijken bij aanraking ijskoud te zijn, kunnen moeilijk
+gebogen worden, springen, als men ze met geweld gebogen heeft, gelijk
+bij doode dieren, onmiddellijk weder in hun vroegeren stand terug;
+de oogen zijn gesloten. De ademhaling en het kloppen van het hart
+zijn niet meer te voelen. Gewoonlijk slaat het hart 14 of 15 maal
+in de minuut. Vóór het ontwaken merkt men in de eerste plaats op,
+dat de stijfheid vermindert. Daarna begint het ademhalen merkbaar te
+worden; men bespeurt eenige bewegingen; de slaper gaapt en laat een
+rochelend geluid hooren, rekt zich uit, opent de oogen, waggelt rond,
+alsof hij beschonken is, tracht op zijne pooten te blijven staan,
+valt om, staat nogmaals op, schijnt in gedachten verzonken, en loopt
+eindelijk langzaam rond; als men hem iets eetbaars toewerpt, vreet
+hij het dadelijk op; hij poetst en strijkt zich de haren glad en is
+nu volkomen wakker. In een kamer, waar bij koud weer gestookt wordt,
+kan men de Hamsters voortdurend wakker houden; zij blijven dan echter
+niet gezond en sterven spoedig.
+
+Wel is het gelukkig, dat de Hamster, die zich soms zeer sterk
+vermenigvuldigt, en dan groote schade aanricht, zoovele vijanden
+heeft. Buizerden en Uilen, Raven en vele andere Vogels, vooral echter
+de Bunzing en de Wezel, zitten hem onophoudelijk op de hielen en
+dooden hem, waar en wanneer ze hem ook ontmoeten.
+
+In eenige streken wordt ook door den mensch een verdelgingsoorlog
+tegen den Hamster gevoerd. Het belangrijkste voordeel, dat deze jacht
+oplevert, is de voorraad, die deze kluizenaar verzamelt; het door hem
+voor de toekomst bewaarde graan wordt eenvoudig afgewasschen, daarna
+gedroogd en evenals ander koorn gemalen. Ook het vel van dit dier
+is bruikbaar; naar men bericht, levert het een zeer goede, lichte en
+duurzame pelterij. In vele gewesten wordt het vleesch van den Hamster
+gegeten. Hoe groot het aantal dezer dieren in sommige streken is, in
+weerwil van de ijverigste vervolgingen, kan men afleiden uit het door
+Altum medegedeelde bericht, dat in 1869, op de akkers om Aschersleben,
+39.000 Hamsters gevangen werden.
+
+
+
+De familie van de _Woelmuizen_ (_Arvicolidae_), omvat een groot
+aantal soorten van kleine Knaagdieren, die veel op elkander gelijken
+en in vele opzichten aan de Muizen herinneren, bij welke familie zij
+vroeger gevoegd werden. De uitwendig zichtbare kenmerken, waardoor
+zij zich van deze onderscheiden, zijn vooral: de plompe lichaamsbouw,
+de dikke kop, de ooren, die geheel onder de beharing verborgen zijn
+of slechts weinig er boven uitsteken en de korte staart, welks lengte
+hoogstens het twee derde deel van die van het overige lichaam bedraagt.
+
+Het gebit bevat, behalve de bij alle Knaagdieren voorkomende
+wortellooze (steeds doorgroeiende) snijtanden, drie kiezen in elke
+kaakhelft; deze hebben niet, evenals die der Echte Muizen, "ware"
+wortels, maar zijn "wortelloos". Het in de kaak verborgen deel van
+den tand of kies, wordt n.l. alleen dan een "ware" wortel genoemd,
+als het allengs dunner wordt, en aan het dunne uiteinde slechts
+fijne, moeielijk zichtbare openingen heeft, waardoor de bloedvaten
+voor het in den tand aanwezige tandbeenvormende orgaan (de pulpa)
+binnendringen. Wortellooze tanden hebben aan het bedoelde uiteinde een
+groote opening en heeten daarom ook wel tanden met "open wortels". De
+tandbeenvorming heeft hier wegens de meerdere toevoer van bloed naar
+de pulpa sneller plaats; "wortellooze" tanden (of kiezen) groeien dus
+van onderen aan, naarmate zij van boven afslijten. Bovendien bestaat
+de kauwvlakte van de kiezen der Woelmuizen niet, evenals die der Echte
+Muizen, uit met email bedekte knobbeltjes, maar vertoont dwars gerichte
+lijsten van email, gevormd door de naar binnen dringende plooien van
+de emaillaag, die de geheele kies omgeeft. Deze lijsten blijven steeds
+boven de kauwvlakte uitsteken, wijl de daarnevens gelegen bestanddeelen
+van de kies (tandbeen en cement) zachter zijn en sterker afslijten.
+
+De Woelmuizen bewonen het noorden van de Oude en Nieuwe Wereld. Zij
+leven zoowel in de vlakte als in het gebergte, op bouwland en ook
+op nagenoeg woeste gronden, op akkers en weiden, in tuinen, aan de
+oevers der rivieren, beken, meren en plassen. Holen en gaten, die door
+haar zelf gegraven zijn, dienen haar tot verblijfplaats. Bijna alle
+vermijden de nabuurschap van den mensch; slechts weinige komen soms
+in zijne stallen en schuren of in zijne tuinen. Hare holen bestaan
+uit meer of minder lange, al of niet vertakte gangen, welke zich
+van die der andere dieren dikwijls door hun ligging dicht bij de
+oppervlakte onderscheiden; vele echter graven kamers, die op hutten
+gelijken, andere maken woningen, die in meerdere of mindere mate van
+kunstvaardigheid getuigen. De meeste wonen alleen of paarsgewijs;
+nu en dan vereenigen zij zich echter tot groote scharen. Hun voedsel
+ontleenen zij vooral aan 't plantenrijk, door vele echter worden ook
+dierlijke stoffen niet versmaad. Vele verzamelen wintervoorraad, hoewel
+zij geen winterslaap houden. Voor 't overige gelijken zij in bijna
+alle opzichten op Echte Muizen. Haar levenswijze is bijna als die van
+deze dieren, die zich echter door meerdere vlugheid en behendigheid
+onderscheiden. Ook de Woelmuizen bewegen zich tamelijk snel;
+slechts weinige soorten kunnen klimmen; bijna alle zijn meesterlijk
+ervaren in het zwemmen, eenige leven zelfs geheel in 't water;
+andere houden maanden lang verblijf in de sneeuw, waarin zij langen
+gangen graven en kunstvolle nesten bouwen. Enkele soorten ondernemen,
+waarschijnlijk door gebrek aan voedsel gedreven, groote zwerftochten;
+hieraan is het toe te schrijven, dat tegenwoordig verscheidene soorten
+in Europa inheemsch geworden zijn, die vroeger uitsluitend in Azië
+leefden. Onder hare zinnen staan de reuk en het gezicht bovenaan. Hare
+geestvermogens zijn gering. Alle vermenigvuldigen zich sterk, sommige
+soorten zelfs ongeloofelijk snel. Bijna alle soorten zijn voor den
+mensch schadelijk zonder hem eenigen dienst van beteekenis te bewijzen;
+zij worden daarom terecht gehaat en op allerlei wijzen vervolgd.
+
+
+
+De _Muscus-rat_, _Bever-rat_ of _Ondatra_ (_Fiber zibethicus_),
+de eenige voor den mensch nuttige soort van de geheele familie,
+kan omschreven worden als een groote Waterrat met langen staart,
+breede achtervoeten (welker teenen door korte zwemvliezen met elkander
+verbonden zijn), stompen snuit en kort behaarde ooren (die gesloten
+kunnen worden). De staart is alleen in de nabijheid van den stam
+rolrond, voor het overige zijdelings samengedrukt, in de nabijheid
+van de spits tweesnijdig en met kleine schubben bezet. De beharing
+is dicht, glad aanliggend, zacht en glanzig, het wolhaar buitengewoon
+zacht, fijn en kort, het bovenhaar zeer glanzig en dubbel zoolang als
+het wolhaar. De bovendeelen, zijn bruin, soms geel, de onderdeelen
+zijn grijs, op sommige plaatsen met een roodachtig waas; de staart
+is zwart. Volwassen mannetjes worden omstreeks 58 cM. lang, waarvan
+ongeveer de helft op den staart komt.
+
+De Ondatra bewoont de landen van Noord-Amerika, die tusschen 30 en
+60° N.B. gelegen zijn. Het veelvuldigst komt dit dier voor in het
+waterrijke Canada en in Alaska. De met gras begroeide oevers van
+groote meren of van breede, langzaam stroomende rivieren, van stille
+beken en moerassen, zijn de verblijfplaatsen van deze om zijn vacht
+zeer gezochte Rat; het liefst echter vestigt zij zich aan de kanten
+van niet al te groote, met riet en waterplanten bedekte vijvers. Hier
+bewoont zij een bepaalde plaats en vormt met andere dieren van haar
+soort tamelijk innig verbonden familiën of volken. Haar levenswijze
+komt in vele opzichten met die van den Bever overeen: de Indianen
+noemen daarom deze beide dieren broeders, en beweren, dat de Bever
+de oudste en schranderste, de Muscusrat de domste van de twee is. De
+woningen zijn, evenals die van den Bever, eenvoudig onderaardsche
+kamers met verscheidene uitgangsbuizen, die alle onder den waterspiegel
+uitkomen, of hutten boven den grond. De laatstgenoemde, die vooral
+in noordelijke streken aangelegd worden, zijn half-kogelvormig of
+gelijken op koepels; zij rusten op een modderbank en verheffen zich
+dus boven den waterspiegel. De wanden dezer hutten worden van zeggen,
+riet en biezen vervaardigd, welke plantendeelen door slib met elkander
+verbonden zijn; eenige onderzoekers beweren echter, dat de geheele hut
+aanvankelijk uit slib bestaat, en zich langzamerhand eerst bedekt met
+een laag van gras en biezen, doordat deze er tegen aan drijven. De hut
+bevat slechts één kamer, die een middellijn van 40 à 65 cM. heeft. Een
+gang, die op den bodem van het water uitkomt, verleent toegang tot deze
+kamer. Van haar gaan andere blind eindigende buizen uit, die een eind
+weegs onder den grond doorloopen en naar gelang van de omstandigheden
+meer of minder verlengd worden, want zij dienen eigenlijk alleen om de
+wortels van de waterplanten, die hij als voedsel gebruikt, te kunnen
+bereiken. Vóór den winter bekleedt de Ondatra hare kamers met een zacht
+kussen van droge bladeren en zorgt voor luchtverversching in haar hut
+door het middelste deel van het dak uit los opeengestapelde planten
+samen te stellen, waartusschen genoeg ruimten overblijven om versche
+lucht toe te laten en de bedorven lucht te laten ontsnappen. Zoolang
+het moeras of de vijver niet tot op den bodem dicht vriest, leeft zij
+zeer genoegelijk in haar warme woning, die door het dikke sneeuwkleed,
+dat haar bedekt, nog meer tegen de koude beschut wordt.
+
+Het voedsel van deze dieren bestaat bijna uitsluitend uit waterplanten;
+in vele woningen werden echter ook leeggegeten schelpen van Weekdieren
+gevonden. Aan gevangen exemplaren merkte Audubon op, dat zij veel
+van Mossels houden. De Bever-ratten zijn zeer opgewekt en speelsch,
+als zij zich in haar eigenlijk element, in het water, bevinden. Wie
+zich in een stillen nacht in de nabijheid van een molenvijver of
+ander, diep, afgelegen water bevindt, ziet er vaak verscheidene van
+deze dieren bijeen, en kan nagaan, hoe zij zich vermaken; sommige
+zwemmen in verschillende richtingen heen en weer, waarbij zij lange
+glinsterende strepen op den waterspiegel doen ontstaan; andere rusten
+eenige oogenblikken op bosjes gras of op steenen en kluiten, van waar
+zij het voedsel dat op het water drijft, kunnen bereiken; nog andere
+zitten aan den oever en springen de eene na de andere als Kikvorschen
+in den plas. Een groote ontsteltenis maakt zich van de op deze wijze
+spelende Ondatra's meester, zoodra men een geweer afschiet. Overhaast
+nemen zij de vlucht; met een onvergelijkelijke snelheid duiken zij
+bij dozijnen te gelijk in de diepte, zoodra zij den knal hooren,
+of verdwijnen in hare holen.
+
+Van de voortplanting der Muscus-ratten is tot dusver niet veel
+bekend. Het wijfje werpt in haar hut of in een onderaardsch hol 3 à
+6 jongen.
+
+Over 't algemeen onderscheiden deze Woelmuizen zich door
+een buitengewoon zachten aard. Die, welke jong gevangen zijn,
+worden spoedig tam. De oude dieren blijven echter bijtlustig en
+ongenaakbaar. Men moet ze bewaren in een kist, die van binnen met
+blik bekleed is, daar zij andere hokken spoedig vernielen.
+
+De Ondatras worden ijverig vervolgd, niet zoo zeer wegens de schade,
+die zij aanrichten, als wegens het voordeel, dat zij na haar dood
+opleveren. Van het vel worden pelzen, kragen en moffen gemaakt, die
+vooral in Amerika en China aftrek vinden; sommige menschen houden
+er niet van, wegens den muscusreuk, die er nog lang aan blijft. Het
+vleesch wordt alleen door de Indianen gegeten; voor Europeanen is
+het onbruikbaar, daar het zoo sterk naar muscus of civet ruikt.
+
+De Bever-rat wordt in vallen gelokt, die met appels als lokaas worden
+voorzien; ook vangt men ze wel in klemmen, die voor hare woningen
+worden geplaatst, of doodt ze in hare hutten. De Indianen kunnen de
+bewoonde hutten zeer goed onderscheiden van die, welke verlaten zijn;
+zij sluipen er zonder gedruisch te maken heen en stooten een scherpe
+speer met groote kracht door den wand der hut, waardoor zij in den
+regel den bewoner dooden.
+
+
+
+Op de Muscus-ratten laten wij de _Eigenlijke Woelmuizen_ (_Arvicola_)
+volgen; deze hebben de teenen van de achtervoeten niet door zwemvliezen
+verbonden en een onbehaarde zool.
+
+Dit geslacht wordt in vier ondergeslachten verdeeld: de
+_Woelratten_ (_Paludicola_), de _Boschwoelmuizen_ (_Hypudaeus_),
+de _Akkerwoelmuizen_ (_Agricola_) en de _Veldmuizen_ (_Arvicola_).
+
+Geen van de leden van het geheele geslacht dringt zich meer aan onze
+aandacht op en maakt zich meer gehaat dan de _Waterrat_ of _Veldrat_
+[_Arvicola_ (_Paludicola_), _amphibius_], een der schadelijkste
+Knaagdieren, die er bestaan (niet te verwarren met de Bruine rat,
+die soms ook "Waterrat" wordt genoemd). Zij leeft niet, zooals men
+misschien uit den naam zou afleiden, uitsluitend in het water of
+aan den waterkant of in moerassige oorden. Er zijn er wel is waar,
+die aan het water en aan drassige gronden de voorkeur geven; deze
+hebben zelfs, voor zoover men heeft kunnen nagaan, het uitgestrektste
+verbreidingsgebied; het strekt zich uit van den Atlantischen Oceaan
+tot aan de Zee van Ochotsk, van de Noordkaap en de Witte Zee tot aan
+het zuiden van Italië, Dalmatië en de landstreken om den Kaukasus. Deze
+"eigenlijke Waterratten" zwemmen en duiken uitmuntend, sommige zoeken
+in 't water haar voedsel, andere komen ook in droge akkers en tuinen
+en niet zelden uren ver van 't water verwijderd voor. De in droge
+streken levende exemplaren zijn in den regel zeer licht van kleur;
+"zuiver zwarte of zwartbruine", zegt Blasius, "heb ik alleen in
+de nabijheid van 't water of op natte plaatsen gevonden."--Andere
+Waterratten echter houden zich bij voorkeur in droge gronden op en
+bekommeren zich, naar het schijnt, in 't geheel niet meer om het
+water. Met dit verschil in levenswijze gaan in den regel eenige
+afwijkingen van tint en lichaamsbouw gepaard; de laatstbedoelde
+zijn niet alleen meestal lichter van kleur, maar hebben o.a. ook een
+naar verhouding korteren staart. Onder deze op droge gronden levende
+Waterratten onderscheidt men twee vormen: de eene, de "Italiaansche
+Woelrat" werd tot dusver alleen in Provence, Italië, en misschien
+ook in den Kaukasus aangetroffen; de andere, die in de Pyreneeën,
+de Alpen, den Elzas, Thüringen, de Harts en Westelijk Duitschland
+gevonden werd, komt ook in eenige gemeenten van de graafschap Zutphen
+voor en is hier onder de namen "Aardwolf" en "Vreetwolf" bekend.
+
+Toch is het bij nader onderzoek gebleken, dat er geen voldoende
+redenen bestaan, om, in navolging van sommige dierkundigen, drie
+"soorten" van Waterratten te onderscheiden; daar nevens de vormen,
+die tot de bedoelde onderscheiding aanleiding zouden kunnen geven,
+tal van tusschenvormen bestaan, die òf meer tot den eenen, òf meer
+tot den anderen vorm overhellen.
+
+De Waterrat is 21 à 24 cM. lang, waarvan voor den staart 6.5 à 8.5
+cM. gerekend moeten worden. De vacht is nagenoeg eenkleurig, daar
+de grijsbruine of bruinzwarte kleur van de bovendeelen onmerkbaar
+overgaat in de iets lichtere kleur van de onderdeelen; deze kan zijn
+witachtig, of alle tinten vertoonen, die tusschen grijs en zwart of
+grijsachtig zwart gelegen zijn. Dat de kleur velerlei afwijkingen
+aanbiedt, werd reeds opgemerkt, en ook, dat dit aanleiding heeft
+gegeven tot het onderscheiden van drie typen: de Eigenlijke Waterrat,
+de Italiaansche Woelrat en de Molmuis of Aardwolf.
+
+Van de Echte Ratten kan men de Waterrat onmiddellijk onderscheiden,
+door te letten op haar dikken, ronden, korten kop met de in 't oog
+loopend korte, niet buiten de vacht te voorschijn komende ooren,
+welker lengte ter nauwernood een vierde deel van de lengte van den kop
+bedraagt; bovendien heeft zij een veel korteren staart. Deze soort
+bewoont de vlakte zoowel als de bergstreken, en komt in de Alpen op
+bouw- en weiland nog op een hoogte van 1200 M. geregeld voor; binnen
+de reeds genoemde grenzen is zij eigenlijk nergens zeldzaam.
+
+De levenswijze van de Waterrat herinnert aan die van den Mol,
+evenwel ook aan die van de Muscusrat en andere in het water levende
+Knaagdieren. De Eigenlijke Waterrat graaft haar woning bij voorkeur
+aan den oever van stilstaand water; gangen die aan den waterspiegel
+beginnen en scheef naar boven gericht zijn, monden uit in een ruime
+kamer, die niet zelden zeer zacht bekleed is. De holen in droge streken
+zijn samengestelder; het zijn gangen, die soms vele honderden schreden
+lang zijn en, evenals die van den Mol, grootendeels op zeer korten
+afstand van de aardoppervlakte gelegen zijn. De Mol blijft echter
+voortdurend onder den grond, onze Woelmuis verlaat haar gang nu en
+dan om zich een eindweegs over de oppervlakte te bewegen en dan op
+eenigen afstand van haar uitgangspunt haar onderaardsche werkzaamheid
+te hervatten. Terwijl zij aan 't graven is, werpt zij de planten om,
+die boven hare gangen staan, verslindt de wortels en richt op deze
+wijze veel meer schade aan, dan ooit uit het woelen van den Mol zou
+kunnen voortvloeien. De gangen van de Waterrat zijn zelden dieper
+gelegen dan de aardlaag, die de wortels van de door haar gezochte
+planten omgeeft; dikwijls zijn zij zoo ondiep, dat de grond er boven
+wordt opgelicht en de gang slechts door een gewelf van 2 à 3 cM. dikte
+van de buitenlucht gescheiden is; zulke gangen storten zeer dikwijls
+in en zijn dan onbruikbaar; steeds worden zij echter ten spoedigste
+weer hersteld; al moet zij verscheidene malen per dag denzelfden
+arbeid verrichten, de Waterrat is onvermoeid. Onbedekte loopgraven,
+zooals die van den Mol, graaft zij dus niet; ook verschillen de
+door haar opgeworpen aardhoopen van de molshoopen, doordat zij uit
+grootere kluiten bestaan, veel ongelijkmatiger zijn en te zamen geen
+rechte lijn vormen. In een dergelijke aardhoop, die grooter is dan
+de overige, bevindt zich de kamer, waarin de Waterrat hare jongen
+ter wereld brengt, nadat zij er vooraf een warm nest in gebouwd
+heeft. Ieder hol dient tot woonplaats aan een paar van deze dieren;
+het eene paar houdt zich gaarne in de nabijheid van het andere op.
+
+De Waterrat loopt niet bijzonder snel; zij verstaat echter
+uitmuntend de kunst van graven en is een meester in het zwemmen,
+hoewel de Waterspitsmuis haar in dezen overtreft. Op stille plaatsen
+ziet men haar zoowel over dag als 's nachts aan 't werk; zij is
+echter voorzichtig en vlucht in haar hol, zoodra zij bemerkt, dat
+men naar haar kijkt. Alleen als zij tusschen het riet bezig is,
+kan men haar gemakkelijk waarnemen. Toch hebben de Waterratten,
+die zich in het Johanna-park te Leipzig ophouden, zich zoozeer aan
+het hier dikwijls zeer drukke verkeer van menschen gewend, dat men
+haar werkzaamheid op ieder uur van den dag, zoolang als men wil,
+kan nagaan, indien men voedsel voor haar medeneemt. Onder een brug,
+die voor de wandelaars over den smalsten arm van den parkvijver is
+aangelegd, hebben de Waterratten zich genesteld; zij zwemmen ijverig
+rond en komen zonder schroom nader, als de over den brug gaande of
+daar verzamelde, jubelende kinderen allerlei stukjes voedsel naar
+beneden werpen. Deze gaven, die waarschijnlijk oorspronkelijk voor
+de Visschen en de Zwanen bestemd waren, hebben ook de Waterratten
+aangelokt en worden voor 't meerendeel ingezameld door deze vlugge
+zwemmers, wat dan ook tegenwoordig in den regel de bedoeling van de
+gevers is.
+
+Van de zintuigen van de Waterrat zijn, naar het schijnt, vooral die
+van het gezicht en van het gehoor voortreffelijk ontwikkeld. Haar
+karakter verschilt in haar voordeel van dat van de Ratten. Zij is
+nieuwsgierig, voor 't overige echter bekrompen van geest en tamelijk
+goedaardig. Haar voedsel ontleent zij grootendeels aan het plantenrijk;
+hierdoor wordt zij dikwijls zeer schadelijk, vooral als zij de tuinen
+als arbeidsveld heeft gekozen.
+
+De in 't water levende Waterrat doet weinig schade door het voedsel
+dat zij gebruikt en als winterproviand medevoert, maar wordt zeer
+gevaarlijk voor onze veiligheid, als zij zich in de nabijheid van
+rivierdijken sterk vermenigvuldigt. In alle richtingen _doorwoelen_ zij
+_de genoemde waterkeeringen_, zoodat deze bij hoogen waterstand voor
+de drukking van 't water bezwijken; middellijk zijn zij dus oorzaak
+van overstroomingen. Het voedsel, dat zij gedurende haar verblijf
+in 't water gebruiken, bestaat hoofdzakelijk uit rietstengels. Ook
+versmaden zij geen dierlijk voedsel. In 't water vangen zij volwassen
+Insecten en hunne larven, kleine Kikvorschen, Visschen, Schaaldieren,
+op het land vervolgen zij Veldmuizen en andere Muizen, verslinden de
+eieren van de in 't gras broedende Vogels, vreten groote gaten in de
+vellen, die de looiers in 't water leggen te weeken, enz. In den herfst
+vergrooten zij haar woning door een voorraadkamer aan te leggen, die
+door gangen met het oude nest verbonden is. Deze kamer wordt gevuld
+met erwten, boonen, uien en aardappels, die uit de naburige akkers
+en tuinen afkomstig zijn; op dezen voorraad teren zij gedurende het
+laatste gedeelte van den herfst en in het voorjaar, kortom zoolang
+het weder nog zacht is. Eerst bij felle vorst vallen zij in slaap,
+zonder evenwel in een toestand van verstijving over te gaan.
+
+De Waterratten vermenigvuldigen zich snel. Drie of viermaal per jaar
+vindt men in het onderaardsche, warme, zacht bekleede nest 2 à 7
+jongen; die van één worp zijn dikwijls van verschillende kleur. "De
+diepte van het hol, waarin het nest wordt aangelegd," zegt Landois,
+"wisselt af van 30 tot 60 cM. Het staat steeds in gemeenschap met
+verscheidene gangen. Het nest zelf vult de holte volkomen aan; het
+is bolvormig, heeft een middellijn van 15 à 20 cM. en bestaat uit
+een zeer groot aantal uiterst fijne, droge wortelvezeltjes. Dikke
+wortelvezels en wortels worden bij den bouw niet gebruikt; op deze
+wijze wordt een nest verkregen, dat wat zachtheid en warmte betreft,
+vele vogelnesten overtreft." Soms wordt het nest gebouwd te midden
+van dichte struiken onmiddellijk boven den grond, dikwijls ook in
+het riet. Zulk een nest wordt door Blasius beschreven. "Het stond
+1 M. boven den waterspiegel, op een afstand van ongeveer dertig
+schreden van den drogen oever; het was als dat van een Rietzanger
+tusschen drie riethalmen ingevlochten, bolvormig, uit fijne, zachte
+grasbladen gebouwd; de opening was dichtgestopt; buitenwerks had het
+een middellijn van ongeveer 10, binnenwerks van weinig meer dan 5 cM.;
+het bevatte twee koolzwarte, nagenoeg half volwassen jongen. Eén van
+de oude dieren, dat zich bij mijn komst van het nest verwijderde
+en in het water sprong, was eveneens zwart; het zwom en dook zeer
+behendig. De ouden konden alleen zwemmend bij het nest komen, daar de
+vijver van den oever tot aan het nest 1 M. diep was; zij moesten daarna
+bij een riethalm omhoog klauteren. De gewone wijze van nestbouw van
+de Waterratten is geheel anders; er bestond hier een zeer gunstige
+gelegenheid voor het bouwen van een onderaardsch nest in een der
+naburige akkers of tuinen; ook had het dier een nest kunnen bouwen
+op den grond in de dichte struiken van den ringdijk om den vijver;
+ik kon dus geen verklaring vinden voor deze afwijking van den regel."
+
+De Waterrat is niet goed geschikt om in een hokje gehouden te
+worden. Zij vereischt een zorgvuldige verpleging, daar zij zich
+niet licht in veranderde omstandigheden schikt, en nooit behoorlijk
+tam wordt.
+
+
+
+Op groote hoogten in de Alpen, daar waar geen andere dieren leven,
+woont een tweede soort van het geslacht Woelmuis, die merkwaardig
+is, doordat zij in ieder jaargetijde het klimaat trotseert, en
+zelfs in den winter er niet aan denkt, om, op gelijke wijze als de
+andere Knaagdieren, in den grond een schuilplaats te zoeken. Nog
+steeds ontbreken ons uitvoerige berichten over deze soort, hoewel de
+ijverigste onderzoekers zich bezig hebben gehouden met het nagaan van
+haar levenswijze; de ongastvrijheid van de gewesten, waarin dit dier
+zich ophoudt, maken het onderzoek te bezwaarlijk.
+
+De _sneeuwmuis_ [_Arvicola (Paludicola) nivalis_] is een tamelijk
+kleine Woelrat, die (zonder den 6.8 cM. langen staart) 12.5
+cM. lang wordt. Haar vacht is tweekleurig: licht bruinachtig grijs
+van boven, op het midden van den rug donkerder dan aan de zijden,
+grijsachtig wit van onderen; de beide kleuren zijn scherp van elkander
+gescheiden. Van deze soort komen eenige standvastige verscheidenheden
+voor, d.i. afwijkingen, die geregeld overerven. Deze verschillen
+echter, voor zoover men weet, niet in levenswijze. "Van alle Muizen,"
+zegt Blasius, "heeft de Sneeuwmuis het kleinste, maar tevens het
+eigenaardigste verbreidingsgebied. Het omvat de Alpen in hun geheele
+uitgestrektheid. Bovendien werd zij aan de Selys van uit de Pyreneeën
+toegezonden. Er is mij geen geval bekend, dat zij in de Alpen op een
+geringere hoogte dan 1000 M. boven den zeespiegel geregeld gevonden
+wordt; ook op een hoogte van 1300 M. komt zij op de meeste plaatsen
+niet veelvuldig voor. Van hier te beginnen treft men haar aan op alle
+hoogten tot aan de laatste grenspunten van het plantenleven. In de
+nabijheid van de sneeuwgrens wordt zij het veelvuldigst waargenomen;
+zij gaat echter nog hooger op en bewoont zelfs de kleinste oasen in
+de sneeuw- en ijswoestijn: de met armoedige alpenkruiden spaarzaam
+begroeide, aan alle zijden door de sneeuwvelden ingesloten, kale
+plekken aan de zuidzijde van de hooge toppen der Alpen, waar de warme
+zonnestralen dikwijls slechts gedurende 2 of 3 maanden het telkens weer
+vernieuwde sneeuwkleed uit den weg kunnen ruimen, en den bodem over
+een afstand van weinige schreden blootleggen. In deze ontzagwekkende
+eenzaamheid brengt zij, behalve den schoonen, korten Alpenzomer,
+ook den 9 of 10 maanden durenden, strengen winter door, waarin het
+nimmer wijkende sneeuw- en ijskleed, dat de Alpentoppen bedekt, zich
+ook uitstrekt over de bergstreken, die in andere jaargetijden met
+planten getooid zijn; zij verlaat haar woonplaats niet, maar graaft
+in den winter gangen onder de sneeuwlaag, om plantenwortels te zoeken,
+zoodra de door haar verzamelde wintervoorraad niet voldoende blijkt te
+zijn. Geen ander Zoogdier begeleidt de Sneeuwmuis het geheele jaar door
+op deze verstijfde hoogten der Alpen, die boven de grenzen der levende
+natuur vrij in 't luchtruim zich verheffen; slechts nu en dan volgt
+een onverbiddelijke vijand, een Wezel of een Hermelijn, haar spoor."
+
+De natuuronderzoekers kennen de Sneeuwmuis eerst sinds ruim een halve
+eeuw; Nagar ontdekte haar in 1841 in Andermatt op den St. Gotthard,
+Martins vond haar op den Faulhorn, _Hugi_ op den hoogsten kam van den
+Strahleck, op een hoogte van ruim 3000 M., en op den Finsteraarhorn
+op 3600 M. hoogte boven den zeespiegel midden in den winter in een
+Alpenhut in de nabijheid van den Grindelwald-gletscher. _Blasius_
+ontmoette de Sneeuwmuis op de bergen van Chambéry, op den Montblanc,
+op een 3600 M. hoog gelegen punt van den Bernina, op den hoogsten
+top van den Piz Linguard, die luttele schreden breed is en over een
+oppervlakte van slechts weinige vierkante voeten van sneeuw ontbloot
+was, op ongeveer 3300 M. hoogte in het hooge dal van den Oetz en op
+vele andere plaatsen van den Alpenketen.
+
+Het leven dat de Sneeuwmuis in haar ongastvrij, onbeschrijfelijk
+armoedig vaderland leidt, is tot dusver nog raadselachtig. Men weet,
+dat zij planten, hoofdzakelijk wortels en Alpenkruiden, gras en hooi
+tot voedsel gebruikt en ook een wintervoorraad van deze stoffen
+inzamelt; hoe zij op vele van de door haar bewoonde plaatsen nog
+voedsel genoeg kan vinden, is echter moeilijk te begrijpen.
+
+
+
+De _Rosse Veldmuis_ [_Arvicola (Hypudaeus) glareolus_], die (zonder
+den 4.5 cM. langen staart) een lengte van 10 cM. kan bereiken,
+is tweekleurig: van boven bruinrood, in de buurt van de flanken
+grijsachig; de witte kleur van de onderdeelen en van de voeten is
+scherp gescheiden van die der bovendeelen.
+
+Zij komt gewoonlijk voor in bosschen met breedgebladerde boomen en
+aan boschranden, zoo ook in het struikgewas en in tuinen met vele
+boomen. Zij is inheemsch en bewoont de meeste andere landen van
+Middel-Europa, o.a. Duitschland, Hongarije, Kroatië, Moldavië en
+Rusland. In de meeste streken van ons land is zij aanwezig, en vooral
+in de duinen niet zeldzaam; nergens komt zij echter in zeer grooten
+getale voor. Zij ontleent haar voedsel meer aan de dierenwereld dan aan
+het plantenrijk; zij eet vooral Insecten en Wormen, en maakt nu en dan
+waarschijnlijk ook wel het een of ander vogeltje buit. In gevangenschap
+bekomt de vleeschvoeding haar goed; zij versmaadt echter geenszins
+koorn of andere zaden en evenmin knolvormige wortels; in den winter
+voedt zij zich bij voorkeur met de schors van jonge boomen. Wanneer
+zij in een bosch veelvuldig voorkomt, kan zij door het afvreten van
+de schors van sinds kort geplante boompjes een ontzaglijke schade
+aanrichten en het jonge plantsoen over een groote uitgestrektheid
+geheel vernielen. Zij begeeft zich zelden op grooten afstand van
+'t bosch, maar bezoekt toch dikwijls de naburige akkers en richt dan
+hier even veel schade aan als de andere leden van hare familie.
+
+Zij kan gemakkelijk in 't leven gehouden worden en wordt spoedig
+zeer tam. Met andere dieren van haar soort en met leden van verwante
+soorten leeft zij in vrede.
+
+
+
+De _Aardmuis_ [_Arvicola (Argricola) agrestis_] is (zonder den 3.7
+cM. langen staart) 11 cM. lang, en heeft een tweekleurige vacht:
+van boven donker zwartachtig bruingrijs, bij de flanken iets
+lichter, van onderen en aan de voeten grijswit. Zij bewoont Noord-
+en Middel-Europa. In Nederland is zij enkele malen waargenomen,
+voorts in Skandinavië, Denemarken, Groot-Britannië, België, Frankrijk,
+Noord-Duitschland, Noord-Rusland; zij leeft gewoonlijk in bosschen,
+boschranden, kreupelhout, in dijken en nabij slooten; liefst in
+de nabijheid van het water, steeds in waterrijke streken. Dikwijls
+treft men haar in gezelschap van de vorige soort en van de veldmuis
+aan. Haar voedsel ontleent zij bij voorkeur aan het plantenrijk. In
+hare bewegingen is zij zoo onbeholpen, dat men haar zonder groote
+moeite met de hand vangen kan. Bovendien is zij in 't geheel niet
+schuw; zij verschijnt meestal op klaarlichten dag voor den ingang van
+hare in den grond gegraven holen. Het ronde nest bevindt zich op korten
+afstand beneden de aardoppervlakte, maar wordt van boven door dichte
+bundels gras beschut. Drie of vier maal per jaar vindt men in zulke
+nesten 4 à 7 jongen, die spoedig volwassen zijn en al dadelijk op de
+ouden gelijken. Men kan ze gemakkelijk gevangen in 't leven houden.
+
+Van de leden van het laatste ondergeslacht (_Arvicola_ in engeren zin)
+zijn sommige zoo kortoorig, dat het oor geheel onder de vacht verborgen
+blijft, andere met iets langere, even boven de vacht uitstekende
+oorschelpen bedeeld. Het is, volgens Van Bemmelen, mogelijk, dat
+ook in ons land de _Kortoorige Veldmuis_ (_Arvicola Subterraneus_)
+voorkomt. Deze, die door hare kleur (bovendeelen geelachtig grijs,
+onderdeelen witachtig, beide kleuren scherp gescheiden) en grootte
+niet veel van de volgende soort verschilt, is door geheel België
+verspreid en leeft in onderaardsche gangen, in vochtige weilanden,
+in moestuinen, nabij het water, soms ook in akkers.
+
+Van veel meer belang is voor ons de _Gewone Veldmuis_ (_Arvicola
+arvalis_), die zonder den 3 cM. langen staart, 11 cM. lang wordt. Haar
+vacht is onduidelijk tweekleurig, aan de bovendeelen geelachtig grijs,
+aan de zijden lichter, aan de onderdeelen vuil- (geelachtig) wit;
+de pooten zijn zuiverder wit.
+
+Het verbreidingsgebied van dit schadelijke Knaagdier omvat geheel
+Middel- en een deel van Noord-Europa benevens het westelijke deel
+van Middel- en Noord-Azië; in Europa strekt het zich uit tot in de
+noordelijke provinciën van Rusland, in Azië zuidwaarts tot Perzië,
+westwaarts tot aan gene zijde van den Ob. In Ierland, op IJsland,
+Corsica, Sardinië en Sicilië ontbreekt deze Muis geheel. Zij bewoont
+zoowel de vlakten als de bergstreken, hoewel zij in het vlakke land
+veelvuldiger voorkomt. In de Alpen vind men haar nog op hoogten van
+2000 M. boven den zeespiegel. Boomlooze gewesten, akkers en weiden
+zijn hare liefste woonplaatsen, zeldzamer bewoont zij boschranden en
+kale plekken in het bosch. Niet alleen het droge bouwland, maar ook
+de vochtige, moerassige laaglanden verschaffen haar het noodige voor
+haar levensonderhoud. Hier legt zij in de droge bulten hare gangen
+en nesten aan, daar graaft zij op geringe diepte gangen met 4 à 6
+ingangsopeningen, die boven den grond door platgetrapte, eenigszins
+uitgeloopen paden met elkander in gemeenschap staan. In den herfst
+neemt zij haar toevlucht tot graanhoopen of komt in de menschelijke
+woningen, in schuren, stallen en kelders. In de huizen houdt zij
+zich bij voorkeur in de kelders en niet, zooals de Echte Muizen op de
+zolders op. In den winter graaft zij lange gangen onder de sneeuw. Waar
+zij kan zamelt zij voorraad in, vooral graan en andere zaden. Als het
+voedsel schaarsch wordt, verhuizen de Veldmuizen gezamenlijk, in den
+regel eenvoudig naar een naburigen akker, soms echter ook in groote
+scharen uit de eene streek naar een andere, waarbij zij bergketenen
+overtrekken en breede stroomen overzwemmen. De Veldmuis kan goed
+loopen en uitmuntend zwemmen; zij klimt echter niet veel en doet dit
+op een onbeholpen wijze. Het graven verstaat zij meesterlijk. Zij
+doorwoelt den grond sneller dan eenige andere Muis en is onvermoeid
+in het aanleggen van gangen. Volgens haar levenswijze kan men haar
+even goed een dagdier als een nachtdier noemen. Men ziet haar ook
+bij de felste zonnehitte buiten haar woning; aan den morgen en den
+avond geeft zij echter de voorkeur boven den heeten middag. Warmte
+en droogte zijn noodig voor haar bestaan; bij langdurige vochtige
+weersgesteldheid sterft zij.
+
+Haar voedsel bestaat uit alle mogelijke plantaardige stoffen. Als
+zij zaden kan krijgen, kiest zij alleen deze; zoo niet, dan is zij
+ook tevreden met frisch gras en malsche kruiden, met wortels en
+bladen, met klaver zoowel als met bessen en ooft. Beukels en noten,
+graankorrels, rapen en aardappels worden in groote hoeveelheid door
+haar verslonden. Gedurende het ruwste jaargetijde heeft zij een
+onafgebroken winterslaap; bij zacht weder ontwaakt zij hieruit en
+teert dan van haar wintervoorraad. Zij is ongelooflijk vraatzuchtig
+en heeft zeer veel voedsel noodig om verzadigd te worden; ook kan
+zij niet buiten water.
+
+De Veldmuis is gezellig in de hoogste mate; zij leeft tamelijk
+eendrachtig met hare soortgenooten, minstens paarsgewijs, vaker evenwel
+tot groote scharen vereenigd; om deze reden zijn hare woningen zoo
+dicht bij elkander gelegen. Zij vermenigvuldigt zich buitengewoon
+sterk.
+
+"In gunstige omstandigheden," zegt Blasius, "neemt het aantal
+Veldmuizen op ongeloofelijke wijze toe. Er zijn vele voorbeelden
+van bekend, dat door haar bovenmatige vermenigvuldiging de oogst in
+uitgestrekte landstreken teloorgegaan is; jonge beukenaanplantingen
+heeft zij over een uitgestrektheid van meer dan 500 hectare door het
+afknagen van de schors vernield. In de jaren tusschen 1820 en 1830 kwam
+deze landplaag aan den Neder-Rijn herhaaldelijk voor. De bodem van
+de velden was op sommige plaatsen zoo doorwoeld, dat men bijna geen
+voetstap kon doen zonder in een muizengat te trappen; tusschen deze
+openingen waren tallooze wegen diep uitgeloopen. Zelfs op klaarlichten
+dag wemelde het van Muizen, die vrij en ongestoord rondliepen. Als men
+naar haar toeging, kwamen zij ten getale van zes á tien te gelijk voor
+een opening, waarin zij zich wilden verschuilen, en versperden elkander
+onwillekeurig den toegang. Het was niet moeilijk gedurende dit gedrang
+een half dozijn van deze dieren met één stokslag te dooden. Alle
+schenen krachtig en gezond, voor 't meerendeel waren zij echter
+tamelijk klein en waarschijnlijk van jeugdigen leeftijd. Drie weken
+later bezocht ik dezelfde plaats. Het aantal Muizen was nog grooter
+geworden, maar de dieren verkeerden klaarblijkelijk in een ziekelijken
+toestand. Velen hadden ontvellingen of verzweringen, die zich dikwijls
+over het geheele lichaam uitstrekten; de huid zat zelfs bij geheel
+gave exemplaren zoo los en kon zoo gemakkelijk verscheurd worden,
+dat men ze niet stevig kon aanpakken, zonder ze te beschadigen. Toen
+ik vier weken later voor de derde maal dezelfde streken bezocht, waren
+de Muizen spoorloos verdwenen. De ledige gangen en woningen brachten
+nu echter een nog veel treuriger indruk teweeg dan vroeger, toen zij
+vol leven en beweging waren. Men zeide mij, dat plotseling de geheele
+generatie als door een tooverslag van de aarde was weggevaagd. Vele
+zijn waarschijnlijk door een besmettelijke ziekte om 't leven gekomen,
+vele hebben vermoedelijk elkander opgegeten, gelijk zij ook doen, als
+zij gezamenlijk opgesloten worden, ook sprak men van ontelbare scharen
+Muizen, die op klaarlichten dag op verscheidene plaatsen over den Rijn
+gezwommen zouden zijn. Toch had men nergens in de verte, zoo min als
+nabij een ongewone vermeerdering van het aantal Muizen waargenomen;
+zij waren, naar het schijnt, overal tegelijkertijd verdwenen, zonder
+ergens weer voor den dag te komen. Waarschijnlijk brengt de natuur
+gedurende de buitengewone vermeerdering van het aantal dezer dieren
+tevens het middel voort, dat haar vernietiging ten gevolge heeft. Het
+weer, een mooie, warme nazomer, was voor hen, naar men zou zeggen,
+tot aan het laatste oogenblik gunstig geweest."
+
+Om getallen te noemen, die eenig denkbeeld kunnen geven van het
+kolossaal aantal Muizen, dat menigmaal in bepaalde streken voorkomt,
+behoef ik slechts te vermelden, dat alleen in het district Zabern
+in het jaar 1822 binnen 14 dagen 1.570.000, in het landraadsambt
+Nidda 590.327 en in het landraadsambt Putzbach 271.941 stuks
+Veldmuizen gevangen werden. In den zomer van het jaar 1861 werden
+in de omstreken van Alsheim in Rijn-Hessen 409,523 Muizen en 4707
+Hamsters gevangen en afgeleverd. De gemeentekas betaalde hiervoor
+2593 gulden. Vele gezinnen hebben bij deze muizenvervolging 50,
+60 of meer guldens door de werkzaamheid van de kinderen verdiend;
+een bijzonder gelukkige vader kreeg van zijn wakkere jongens niet
+minder dan 142 gulden, welke op deze wijze gewonnen waren. Hij kocht
+voor dit geld een klein stuk land, dat ten eeuwigen dage den naam van
+"muizenakker" moet dragen.--Ook door Prof. Ritzema Bos worden eenige
+merkwaardige voorbeelden van de talrijkheid der veldmuizen medegedeeld:
+"Een landbouwer te Blijham telde in 't beruchte muizenjaar 1857 op
+één bunder land, bij één omgang van de ploeg, 80 Muizen, welke door
+de ploegschaar waren doorgesneden. Rekent men, dat er 84 omgangen
+te doen waren, men zou dan komen tot 6720 Muizen, die zich juist op
+de diepte der ploegschaar ophielden. Hoevele er nog ontvlucht of in
+het land onder en boven de smalle steep gronds, die de ploegschaar
+doorsneed, aanwezig geweest zijn, valt moeilijk te zeggen.--Elders
+verzamelde een ploeger van boonenstoppels, niettegenstaande hij
+zijn dagwerk, een half bunder, had omploegd, nog tusschentijds uit
+de gaten een half mud boonen, die door de Muizen tot wintervoorraad
+waren opgelegd.--Te Wiewerd zijn in September 1857 op 4.5 bunder,
+bezaaid met koolzaad, in 8 dagen tijds 6700 Muizen gevangen in half
+met water gevulde aarden potten, geplaatst in ronde gaten van O.5
+M. diepte. Dat dan van den oogst niet veel overblijft, laat zich
+begrijpen. Bouwland en weiland zijn met gangen doorwoeld en geheel
+kaal. De geheel poreuze bodem dult geen voetstap: zet men den voet
+neer, dan zakt men weg. De grond leeft als 't ware van Muizen."
+
+Ongelukkig is de mensch tegenover deze Muizen zoo goed als
+machteloos. Alle verdelgingsmiddelen, die hij tot dusver
+heeft uitgedacht, blijken onvoldoende te zijn om de ontzaglijke
+vermenigvuldiging van deze vraatzuchtige dieren te keer te gaan;
+alleen de onder hen uitbrekende, besmettelijke ziekten kunnen redding
+verschaffen; ook de Roofdieren, die door den mensch dikwijls zoo
+vijandig behandeld worden, maken zich zeer verdienstelijk. Met goed
+gevolg worden muizenboren gebruikt, om hiermede in den grond gaten te
+maken, die 12 à 18 cM. middellijn hebben en ongeveer 60 cM. diep zijn;
+de hierin vallende Muizen vreten elkander op, zonder er aan te denken
+gangen te graven, waardoor zij zouden kunnen ontvluchten. Men doodt
+ze ook in hare holen door rook of door vergiftigde graankorrels. Zelfs
+wordt soms het geheele veld overgoten met een aftreksel van braaknoten
+of wolfsmelk, kortom men geeft zich alle mogelijke moeite om van
+deze vreeselijke plaag verlost te worden. Gewoonlijk echter zijn al
+deze middelen zoo goed als nutteloos, enkele zelfs hoogst gevaarlijk,
+n.l. het vergiftigen. Zelfs het krachtigst werkende vergif verdelgt
+niet alle Muizen van een akker; het veroorzaakt daarentegen geregeld
+den dood van een groot aantal van hare grootste vijanden en dus
+onze vrienden: Vossen, Bunzingen, Hermelijnen, Wezels, Buizerden,
+Uilen en Kraaien. Ook andere dieren loopen hierdoor gevaar, vooral de
+Patrijzen en Hazen, ook alle huisdieren, zoowel de kleine, gelijk de
+Duif, als de grootste, namelijk de Paarden en Runderen; er zijn dus
+redenen genoeg om het uitstrooien van vergif geheel te verwerpen.
+
+
+
+In Siberië, en meer bepaaldelijk van den Ob tot den Onon, treedt
+een Woelmuis op, die eveneens, hoewel om andere redenen dan de
+Veldmuis, onze aandacht verdient, n.l. de _Wortelmuis_ (_Arvicola
+oeconomus_). Zij is een weinig grooter dan onze Veldmuis, haar lengte
+bedraagt 18 cM., waarvan 5 cM. op den staart komen; van boven is zij
+licht geelachtig bruin, van onderen grijs. Van de Veldmuis onderscheidt
+zij zich door den korteren kop, de kleinere oogen en de korte, bijna
+geheel onder de vacht verborgen ooren.
+
+De Wortelmuis komt in de vlakten dikwijls in groote menigte voor
+en wordt door de arme bewoners van deze treurig eenzame gewesten
+als een weldoenster beschouwd, want haar arbeid komt den mensch ten
+goede in plaats van hem te benadeelen. Onder de zode graaft zij lange
+gangen, die naar een op geringe diepte gelegen, groot, rond nest van
+30 cM. middellijn leiden, dat met eenige zeer ruime voorraadkamers
+in gemeenschap staat. Het nest, waarin de Muis slaapt en hare jongen
+groot brengt, is met verscheidene plantaardige stoffen zacht bekleed;
+de voorraadkamers echter vult zij met allerlei wortels aan.
+
+De heidensche volken, die de genoemde landstreken bewonen, drijven
+geen akkerbouw; in den herfst, wanneer de voorraadskamers gevuld zijn,
+nemen zij de hierin verborgen schatten met een schop weg, zoeken
+de verdoovende witte wortels er uit en behouden de zwarte wortels
+van de Bevernel (_Sanguisorda officinalis_), die zij niet alleen als
+spijs, maar ook als thee gebruiken. De arme inboorlingen hebben door
+den voorraad, die zij aan de Muizen ontnemen, dikwijls gedurende
+den geheelen winter genoeg te eten; de in den grond overblijvende
+proviand wordt ten deele nog door de wilde Zwijnen blootgewoeld,
+die de zorgzame muis, als zij hun in den weg komt, mede verslinden.
+
+Opmerkelijk is de groote lust tot trekken, die deze en andere verwante
+Woelmuizen bezielt. Tot groot verdriet van de inboorlingen begeven zij
+zich in sommige jaren in de lente op reis en trekken bij groote scharen
+naar het westen, altijd rechtuit, over stroomen en bergen. Duizenden
+van deze landverhuizers verdrinken en worden door Visschen en
+Eenden verslonden, terwijl nogmaals duizenden de buit worden van de
+Sabeldieren en Vossen, welke de Muizen op dezen uittocht vergezellen.
+
+
+
+De _Lemmingen_ (_Myodes_) onderscheiden zich door den gedrongen
+lichaamsbouw en het korte staartje; door gestalte en aard nemen
+zij dus in de familie van de Woelmuizen tot op zekere hoogte de
+plaats in, die aan de Hamsters in de familie der Muizen toekomt. De
+betrekkelijk groote kop is dicht behaard, de bovenlip diep gespleten,
+het rondachtige oor klein en geheel in de vacht verborgen; het oog is
+eveneens klein; de vijfteenige voeten zijn dicht behaard, ook op de
+zolen; de klauwen zijn vooral aan de voorste ledematen groot en voor
+'t graven geschikt.
+
+De meest bekende soort van dit geslacht, de _Lemming_ (_Myodes
+lemmus_, _Lemmus norwegicus_) bereikt een totale lengte van 15 cM.,
+waarvan er hoogstens 2 op het staartstompje komen. De rijk gevulde,
+langharige vacht vertoont een zeer bevallige teekening. Bij de
+bruingele grondkleur, die in den nek met golflijnen voorzien is,
+steken donkere vlekken af; twee gele strepen strekken zich uit van
+de oogen naar den achterkop. De staart en de pooten zijn geel, de
+onderdeelen geelachtig, bijna zandkleurig.
+
+De Lemming is wel het raadselachtigste dier van geheel Skandinavië. Ook
+nu nog gelooven de boeren der Noorsche bergstreken, dat dit dier uit
+de lucht regent en daarom in zoo verbazend grooten getale voorkomt, en
+dat het later door zijn vraatzucht zich de maag bederft en zoo om het
+leven komt. Olaus Magnus, bisschop van Bergen in Noorwegen, verhaalt,
+dat hij in het jaar 1518 in een bosch zeer vele Hermelijnen zag, die
+het geheele bosch met hun stank vervulden. Hun veelvuldigheid was het
+gevolg van de aanwezigheid van kleine, viervoetige dieren, _Lemar_
+genaamd, die soms bij onverwacht opkomende onweers- en regenbuien
+van den hemel vielen; men wist niet, of zij van verafgelegen plaatsen
+door den wind waren aangebracht, of in de wolken ontstonden.
+
+Andere berichtgevers schreven het verhaal van den bisschop
+eenvoudig na; Linnaeus heeft voor 't eerst den Lemming naar de natuur
+geschilderd; zijn beschrijving is zoo uitvoerig, dat men er niet veel
+aan kan toevoegen. Ik zelf heb in het jaar 1860 het genoegen gehad,
+vooral op den Dovrefjeld, Lemmingen in groot aantal aan te treffen,
+zoodat ik ze door eigen onderzoek heb leeren kennen.
+
+Het zijn alleraardigste dieren. Zij zien er uit als kleine Marmotten
+of als Hamsters en gelijken door hun aard in vele opzichten op de
+laatstgenoemde Knaagdieren. Zij houden zich op in de betrekkelijk
+droge gedeelten van het moeras, dat een groot deel van Noorwegen
+beslaat. Zij bewonen hier kleine holen onder steenen of in het mos;
+ook ziet men ze dikwijls rondzwerven tusschen de kleine heuvels,
+die zich boven het moeras verheffen. Zelden merkt men uitgeloopen
+paden op, die van het eene hol naar het andere leiden; groote gangen
+graven zij alleen in de sneeuw. Over dag zoowel als 's nachts, zijn
+zij wakker en werkzaam. Zij hebben een trippelenden en snellen gang;
+een mensch kan ze echter gemakkelijk inhalen. Het water mijden zij met
+een zekeren schroom; als men ze in een niet te kleine plas of in een
+riviertje werpt, piepen en knorren zij zeer wrevelig en trachten ten
+spoedigste weer op 't droge te komen. Gewoonlijk verraden zij zelf
+haar aanwezigheid. Dikwijls zitten zij rustig in hare gaten en zijn
+hierin zoo goed verborgen, dat zij zeker niet door de voorbijgangers
+zouden opgemerkt worden; door het zien van een mensch worden zij
+echter zoo opgewonden, dat zij zich niet stil kunnen houden. Op de
+wijze van Guineesche Biggetjes, begroeten zij den bezoeker van haar
+gebied met luid geknor en gepiep, alsof zij hem het binnendringen
+willen beletten. Alleen als zij rondloopen, nemen zij bij nadering
+de vlucht, snellen naar een van hare tallooze gaten en blijven daar
+zitten. Verder wijken zij niet terug, hoewel het te voorzien is,
+dat zij doodgeslagen of medegenomen zullen worden.
+
+Met belangstelling heb ik deze moedige dieren gadegeslagen, en kon niet
+nalaten ze tot zelfverdediging te prikkelen. Als zij eenmaal post gevat
+hebben, weten zij van geen wijken. Als men haar een laars voorhoudt,
+bijten zij er in; zoo doen zij ook met een stok of een geweerloop,
+ofschoon zij bemerken dat dit haar niets baat. Sommige beten zich
+zoo stevig aan mijne broekspijpen vast, dat ik ze er bijna niet van
+afschudden kon. Bij zulk een strijd geraken zij in groote woede en
+gelijken dan volkomen op de boosaardige Hamsters. Soms gaan zij met
+kleine sprongen op haar tegenstander af; naar het schijnt, zijn zij
+voor geen enkel dier bevreesd, maar gaan vermetel op ieder wezen af,
+dat hen te na komt. Op de wegen worden zij dikwijls overreden, omdat
+zij eigenzinnig hun gang blijven gaan en niet vluchten willen. De
+Honden op de boerderijen bijten tal van deze dieren dood; door de
+Katten, die in dezen tijd steeds verzadigd zijn, worden zij in groote
+hoeveelheid verslonden.
+
+Volgens de verzekering van den ouden jager, die mij vergezelde,
+gebruiken de Lemmingen het door haar bewoonde nest ook om er hare
+jongen in groot te brengen. Linnaeus zegt, dat deze dieren meestal
+5 of 6 jongen hebben; Schäffer voegt er bij, dat zij verscheidene
+malen per jaar werpen. Meer is mij van haar voortplanting niet bekend.
+
+Het voedsel van de Lemmingen bestaat hoofdzakelijk uit de weinige
+Alpen-planten, die in haar armoedig vaderland groeien, vooral
+uit grassen, rendier-korstmossen, katjes van den Dwergberk en
+waarschijnlijk ook uit allerlei wortels. Lemmingen treft men aan
+op iedere hoogte, waar de grond nog met korstmossen bedekt is; daar
+waar deze planten ontbreken, ziet men ze in 't geheel niet meer. Voor
+zoover ik heb kunnen nagaan, verzamelen zij geen winter-provisie,
+maar leven ook in 't gure jaargetijde van 't geen zij onder de dikke
+sneeuwlaag vinden. Groote schade richten zij niet aan, want op de door
+haar bewoonde plaatsen zijn geen akkers meer, en in de huizen komen
+zij niet. Haar vaderland is trouwens, hoe arm het ook moge schijnen,
+rijk genoeg voor hare behoeften, en biedt haar al wat zij noodig
+hebben. In sommige jaren schijnt dit echter niet het geval te zijn,
+en zijn de Lemmingen gedwongen naar andere streken te verhuizen. Mijns
+inziens moet de reden van het trekken van deze en andere Woelmuizen
+gezocht worden in de nu en dan merkbaar wordende vermindering van
+den voedselvoorraad. Wanneer op een zachten winter een fraaie lente
+en een droge zomer volgen, zijn alle voorwaarden vervuld voor een
+vermenigvuldiging, even grenzeloos als die, welke men bij sommige
+andere Woelmuizen opmerkt. De droogte brengt echter tevens het
+verdorren (of althans een minder weligen groei) van de meest gewilde
+voederplanten teweeg; de uitgestrekte weidegronden zijn dan niet meer
+voldoende voor de groote menigte, zoodat deze wezens, die evenals alle
+Knaagdieren, zeer vraatzuchtig zijn, zich genoodzaakt zien op andere
+plaatsen voedsel te zoeken. In zulke omstandigheden zullen, zooals
+men weet, niet alleen de Knaagdieren, maar ook andere planteneters,
+b.v. de Antilopen, groote scharen vormen, die zich op weg begeven en
+onderweg hunne soortgenooten mede nemen; zij trekken ten slotte als 't
+ware in 't wilde weg verder, volgen geen bepaalde richting en begeven
+zich dus ook niet naar landstreken, waar werkelijk voedsel voor hen
+te vinden is. Eerst nadat honderdduizenden door gebrek aan voedsel,
+door ziekten, door de vermoeienissen en de gevaren van de reis om 't
+leven zijn gekomen, trachten de overblijvenden terug te keeren naar
+de hoogten, die hun eigenlijk woongebied uitmaken; ook in dit geval
+kan het verschijnsel zich voordoen, dat zij weder een rechte lijn
+volgen. De groote reizen van de Lemmingen komen mij daarom volstrekt
+niet wonderbaarlijker of minder verklaarbaar voor, dan die van andere
+trekkende Zoogdieren, en meer bepaaldelijk van andere Woelmuizen.
+
+Men mag het als een groot geluk beschouwen, dat de Lemmingen zoo
+vele vijanden hebben, daar zij anders het geheele land overstroomen,
+en al wat eetbaar is, verslinden zouden. Het meest nog draagt het
+klimaat tot haar verdelging bij. In een natten zomer, in een kouden,
+vroeg invallenden herfst zonder sneeuw, sterven zij bij millioenen;
+daarna zullen er, zooals licht te begrijpen is, vele jaren moeten
+verloopen, voordat de voortplanting de door zulk een kolossale
+sterfte gedunde rijen weer eenigszins heeft aangevuld. Het aantal
+levende vijanden van de Lemmingen is legio. Men mag wel zeggen, dat
+alle Skandinavische Roofdieren zich met haar vet mesten. De Wolven
+en Vossen, die deze dieren mijlen ver vervolgen, eten, wanneer zij
+Lemmingen kunnen krijgen, niets anders; de Veelvraten, Marters,
+Bunzingen en Hermelijnen verlangen geen anderen buit; de Honden van
+de Laplanders beleven in een Lemmingenjaar feestdagen, zooals aan
+deze arme hongerlijders maar zelden te beurt vallen; de Uilen volgen
+het Lemmingen-leger; de Buizerden, vooral de Ruigvoet-buizerd, zijn
+onophoudelijk bezig de ellendige zwervelingen te verdelgen; de Raven
+voederen er hare jongen mede groot; ook de Kraaien en Eksters beijveren
+zich naar den maatstaf hunner krachten deze bijtlustige schepsels
+te dooden; zelfs de Rendieren vreten nu en dan Lemmingen, naar door
+velen beweerd wordt, of slaan ze althans met de voorpooten dood.
+
+De mensch treedt slechts wanneer hij in grooten nood verkeert, als
+vijand van den Lemming op. Het vel van dit dier is niet veel waard,
+en zijn vleesch boezemt den Lappen, zooals licht te begrijpen is,
+ongeveer denzelfden afschuw in, als ons het rattenvleesch. Dikwijls
+worden de inboorlingen echter door den honger gedreven om aan de
+Lemmingen-jacht deel te nemen.
+
+
+
+De familie der _Molmuizen_ (_Spalacidae_) bestaat uit onbehouwen,
+leelijke, onder den grond levende Knaagdieren. Zij herinneren aan de
+Mollen, doordat zij alle onaangename eigenschappen dezer holenbewoners
+hebben, zonder hiervoor vergoeding te schenken door het nut dat zij
+aanbrengen. De romp is plomp en rolvormig, de dikke kop eindigt in
+een stompen snuit; de oogen zijn buitengewoon klein of liggen geheel
+verscholen onder de huid; de zeer kleine ooren hebben geen uitwendige
+waarneembare oorschelpen; de staart ontbreekt of is onder de vacht
+verborgen. Des te beter merkt men de voeten op, die vijf teenen
+hebben, welke met zeer stevige graafklauwen voorzien zijn; evenals
+bij de Mollen zijn de voorpooten krachtiger dan de achterpooten.
+
+Alle Molmuizen zijn bewoners van de Oude Wereld; zij houden zich
+meestal op in droge zandvlakten; op soortgelijke wijze als de
+Mollen doorwoelen zij den grond over groote afstanden. Geen enkele
+soort leeft gezellig, ieder dier leeft eenzaam in zijn hol en heeft
+ook den wreveligen, eenzelvigen aard van den Mol. Met buitengewone
+snelheid graven zij diepe gaten in den bodem, verscheidene zelfs in
+loodrechte richting. Op den grond zijn hare bewegingen zeer plomp
+en onbeholpen, in haar onderaardsche gangen echter bewegen zij zich
+voor- en achterwaarts even vlug. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit
+planten, meestal uit wortels, knollen en bollen, die zij loswroeten;
+bij uitzondering vreten sommige ook gras, schors, zaden en noten. Die,
+welke in koude gewesten leven, verzamelen wintervoorraad, maar hebben
+geen winterslaap.
+
+
+
+De meest bekende soort van deze Familie is de _Blindmuis_ (_Spalax
+typhlus_), in Rusland _Slapoesj_ ("de blinde"), in Hongarije
+_Földi-kölök_, in Galicië _Ziemnibisak_ genoemd. De kop, die in een
+stompen snuit eindigt, is dikker dan de korte, onbeweeglijke hals,
+die met den staartloozen romp in dikte overeenkomt; de korte pooten
+hebben breede voeten met forsche teenen en klauwen. De oogen hebben
+ternauwernood de grootte van een papaverzaadje, liggen onder de huid
+verborgen, en zijn dus ongeschikt voor 't zien. De lichaamslengte
+bedraagt 20 cM. Kolossale knaagtanden steken ver buiten den bek uit. De
+staart wordt aangeduid door een wratje van een paar mM. lengte. Een
+dichte, glad aanliggende, zachte vacht bekleedt het lichaam; de
+zijden van den kop, van de neusgaten tot achter de oogen, zijn
+begroeid met stijve, borstelachtige haren, die te zamen zich als
+een borstelvormige haarlijst boven de overige deelen van de vacht
+verheffen. Over 't algemeen is de kleur van de bovendeelen aschgrauw
+met witte overlangsche strepen aan het achterste deel van den buik
+en met witte vlekjes tusschen de achterpooten.
+
+De Blindmuis komt in het zuidoosten van Europa en in het westen
+van Azië voor, nl. in Zuid-Rusland van 50° N.B. tot aan den Oeral
+en den Kaukasus, in Bessarabië, Moldavië en een deel van Hongarije
+en Galicië, voorts in Turkije, in Griekenland en in het noorden en
+westen van Klein-Azië. Vooral in de Ukraine treft men haar veelvuldig
+aan. In den Altaï is zij vervangen door een grootere soort: de _Zokor_
+(_Spalax aspalax_).
+
+Evenals bijna alle Molmuizen bewoont zij vruchtbare landstreken; zelden
+komt zij aan de oppervlakte; bijna voortdurend blijft zij verborgen
+in hare sterk vertakte, onderaardsche holen, welker aanwezigheid
+zich verraadt door talrijke aardhoopen. Bij het graven gebruikt
+zij de krachtige snijtanden voor het stukknagen van de in haar weg
+liggende wortels en voor het fijnmaken van den grond tusschen de
+wortels. De gangen, waarin zij haar voedsel zoekt, liggen in de
+vruchtbare teelaardelaag, de voor verblijfplaats dienende holen in
+den regel dieper in het onvruchtbare, droge zand.
+
+De bewegingen van de Blindmuizen zijn niet zoo langzaam en onbeholpen
+als vaak beweerd wordt. De Zokor kan, zooals ik zelf gezien heb en
+van de Kirgiezen vernam, uitmuntend loopen en zwemmen; hetzelfde zal
+waarschijnlijk ook wel voor den Slapoesj gelden. Onder de zintuigen,
+die vermoedelijk alle weinig ontwikkeld zijn, speelt, naar het schijnt,
+dat van het gehoor een belangrijke rol. Men heeft opgemerkt, dat de
+Blindmuizen voor geluiden zeer gevoelig zijn en zich hoofdzakelijk
+door het gehoor laten leiden. Zij worden beschreven als moedige en
+bijtlustige dieren, die in gevallen van nood hunne tanden op een
+doeltreffende wijze weten te gebruiken, en die, als zij gegrepen
+worden, hevig snuiven en woedend om zich heen bijten.
+
+De Blindmuis voedt zich, zoo niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk
+met plantaardige stoffen, vooral met allerlei wortels, ingeval
+van nood ook met boomschors. Als in het door haar bewoonde gebied
+planten met diepgaande wortels voorkomen, zal zij hare gangen in den
+winter tot onder de hard bevroren, bovenste aardlaag uitbreiden,
+zoo niet, dan graaft zij gangen door de sneeuw om boomschors te
+verkrijgen. Wintervoorraad heeft men in hare gangen nog niet gevonden,
+wel echter nesten, die uit zeer fijne worteltjes samengesteld zijn. In
+zulk een nest werpt het wijfje in den zomer 2 à 4 jongen. Over
+'t geheel genomen is de schade, die dit dier den mensch toevoegt,
+gering; nuttig is het echter evenmin.
+
+
+
+In Zuid-Afrika leven Molmuizen, die een korten staart hebben. Vooral
+in de duinen en zandheuvels langs de kust komt b.v. de _Zandmol_
+(_Bathyergus maritimus_ of _suillus_) voor, die, met inbegrip van
+den 5 cM. langen staart, 30 cM. lang wordt. Deze heeft zich den haat
+van de Boeren op den hals gehaald, omdat hij den bodem zoo doorwoelt,
+dat de Paarden er vaak in wegzakken en gevaar loopen hunne pooten te
+breken. Gewoonlijk werpt hij 's nachts om 12 uur of 's morgens om 6
+uur de aarde uit zijne gangen. Hiervan maken de Boeren gebruik om hem
+te dooden. Zij ruimen een van zijne aardhoopen uit den weg, openen een
+van zijne holen, en leggen hierin een raap of een anderen wortel, die
+met een touw bevestigd is aan den trekker van een geladen geweer, welks
+loop naar de opening van het hol gericht is. Zoodra de Zandmol aan den
+raap trekt, gaat het geweer af en wordt hij door het schot getroffen.
+
+
+
+De _Wangzakratten_ (_Geomyidae_) heeten zoo wegens hare zeer sterk
+ontwikkelde wangzakken, die niet, zooals bij de Hamsters en andere
+knaagdieren, met de mondholte in gemeenschap staan, maar zich op de
+wangen naar buiten openen en van binnen overal behaard zijn. Bij
+het geslacht _Wangzakrat_ (_Geomys_) zijn de bovenkaaksnijtanden
+met een overlangsche groeve voorzien en ontbreken de oorschelpen
+zoo goed als geheel. De ledematen, vooral de voorpooten, zijn kort;
+de vijfteenige voeten zijn met sikkelvormige klauwen gewapend, die
+vooral aan de voorpooten een buitengewone lengte hebben. De leden van
+dit geslacht behooren tot de plompste Knaagdieren. De romp is log,
+de kop zeer groot, de hals dik, de staart kort en, met uitzondering
+van de naakte spits, behaard.
+
+
+
+De meest bekende soort, die de landstreken ten oosten van het
+Rotsgebergte en ten westen van den Mississippi tusschen 34
+en 52° N.B. bewoont, heet in zijn vaderland _Goffer_ (_Geomys
+bursarius_). Deze naam wordt trouwens in sommige streken van Amerika
+ook aan verscheidene andere soorten van Knaagdieren gegeven. Hij
+is iets kleiner dan onze Hamster. De vacht is buitengewoon dicht,
+zacht en fijn, roodachtig van boven en geelachtig grijs van onderen;
+de staart en de spaarzaam behaarde voeten zijn witachtig.
+
+De dierkundigen, die het eerst een beschrijving van den Goffer gemaakt
+hebben, ontvingen hem van Indianen, die zich vermaakt hadden, met
+de beide wangzakken van het doode dier vol te proppen met aarde en
+hierdoor zoo buitengewoon sterk uit te rekken, dat dezen zakken over
+den grond gesleept zouden hebben, indien het dier in dezen toestand
+had moeten loopen. Op grond van deze kunstmatig uitgerekte wangzakken
+kreeg de Goffer zijn naam; de persoon, die dieren opzette, achtte
+het zijn plicht de wangzakken in denzelfden toestand te brengen,
+als waarin zij door een grap van de Indianen gekomen waren; de
+teekenaar eindelijk kopieerde maar al te nauwgezet het op deze wijze
+verduurzaamde voorwerp. Hieraan is het toe te schrijven, dat ook nog
+vele afbeeldingen van den Goffer ons niet de ware gedaante van het
+dier, maar een wanstaltig monster te aanschouwen geven.
+
+De Goffer leeft, evenals de Mol, onder den grond; hij graaft hier
+talrijke en sterk vertakte gangen, welke groote overeenkomst vertoonen
+met die van onzen Mol.
+
+De oude gangen zijn van binnen vastgeslagen, de nieuwe niet. Op
+verschillende plaatsen staan er zijgangen mede in gemeenschap. De kamer
+wordt onder boomwortels op een diepte van ongeveer 1.5 M. aangelegd en
+is toegankelijk door een gang, die zich bij wijze van een wenteltrap
+kronkelt. Zij is groot, ongeveer op de wijze van een Eekhoornnest
+overal gevoerd met zacht gras, en verschaft het dier gelegenheid om te
+rusten en te slapen. Het nest, waarin het wijfje tegen het einde van
+Maart of in het begin van April hare 5 à 7 jongen ter wereld brengt,
+gelijkt op de bedoelde woonkamer, maar is van binnen bovendien nog
+met haar van de moeder bekleed. Evenals het nest van den Mol is het
+omgeven door ringvormige gangen, van waar andere gangen uitgaan. Gesner
+vond, dat van het nest een gang leidt naar een grooter hol, dat als
+voorraadskamer dient en gevuld is met wortels, aardappels, noten en
+zaden. In de morgenuren, tusschen 4 en 10, houdt de Goffer zich het
+ijverigst met de uitbreiding van zijne holen bezig, ongetwijfeld
+met de bedoeling om zich hierdoor voedsel te verschaffen. Als de
+plaats rijk aan voedingsmiddelen is, worden in deze tijdruimte gangen
+aangelegd ter lengte van 3 à 5 M. en 2 à 5 heuveltjes opgeworpen;
+in het tegenovergestelde geval doorwoelt het dier een grooter deel
+van den grond en werkt langer. Soms staakt het den arbeid gedurende
+eenige weken, naar het schijnt, teert het dan op den reeds verzamelden
+voorraad. Bij het opwerpen van den grond, dat geheel op de wijze van
+den Mol geschiedt, laat de Goffer zijn lichaam zoo weinig mogelijk
+zichtbaar worden; ten spoedigste keert hij naar de veilige diepte
+terug. Aan de oppervlakte komt hij om dor gras voor zijn woonkamer of
+zijn nest te verzamelen; volgens Audubon, komt hij ook boven om zich
+in de zon te koesteren. Zijn voortreffelijk reukzintuig en uitmuntend
+gehoor beveiligen hem in dit geval voor overrompeling; zoodra hij
+gevaar ducht, begeeft hij zich oogenblikkelijk naar de diepte, al moest
+hij zich vooraf door het graven van een nieuwe gang een toegang banen.
+
+Bij 't loopen over den grond toont de Goffer zich niet in zijn
+volste kracht; zijn gang is een log gehompel; nooit beweegt hij zich
+sprongsgewijs; dikwijls zijn bij 't gaan de klauwen van de voorpooten
+binnenwaarts omgeslagen en sleept de staart over den grond. Hij kan
+bijna even snel achteruit als vooruit loopen, maar doet dit aan de
+oppervlakte van den bodem niet sneller dan een mensch. In zijne holen
+beweegt hij zich, naar men zegt, met de vlugheid van een Mol.--Bij
+'t eten zit hij dikwijls op de achterpooten en gebruikt de voorste
+op de wijze van den Eekhoorn. Om te slapen, rolt hij zich ineen en
+houdt den kop tusschen de voorpooten tegen den borst gedrukt. Zijne
+verbazend groote wangzakken vult hij bij het grazen met behulp van
+de tong en ledigt ze weder met behulp van de voorpooten. Naarmate zij
+voller worden, puilen zij, evenals bij andere Knaagdieren, hoe langer
+hoe meer naar buiten uit, en krijgen een langwerpig eivormige gedaante;
+nooit hangen zij echter bij wijze van zakken aan weerszijden van den
+snuit naar beneden. Geheel uit de lucht gegrepen is ook de bewering,
+dat hij zijne wangzakken gebruikt om de losgewoelde aarde uit zijne
+holen te verwijderen.
+
+De schade, die de Goffer aanricht, kan zeer aanzienlijk worden. Hij
+vernielt soms door het afknagen van de wortels in weinige dagen
+honderden kostbare boomen en verwoest soms de opbrengst van geheele
+akkers door het opvreten van de door hem zeer gezochte knollen. Daarom
+is de mensch de gevaarlijkste vijand van dit dier, dat overigens
+alleen van Slangen en van overstroomingen te lijden heeft.
+
+Audubon heeft verscheidene Wangzakratten weken lang gevangen gehouden
+en met knollen gevoerd. Zij bleken buitengewoon vraatzuchtig te zijn,
+maar wilden niet drinken.
+
+
+
+Een overgang tot de Springmuizen aan de eene, tot de Molmuizen aan de
+andere zijde, vormen de _Wangzak-springmuizen_ (_Dipodomys_), die zich
+van de overige leden der familie, waarmede men ze gewoonlijk vereenigt,
+onderscheiden door haar dikwijls sierlijk en slank gebouwd lichaam,
+den grooten, breeden, platten kop met tamelijk lange, afgeronde ooren;
+de voorpooten zijn tamelijk lang, de achterpooten echter nog meer
+verlengd, de binnenteen is aan alle voeten zeer weinig ontwikkeld, maar
+met een klauw voorzien; de klauwen van de voorvoeten zijn grooter dan
+die van de achtervoeten; het verschil is echter geringer dan bij den
+Goffer; de staart is even lang als of langer dan het overige lichaam,
+over zijn geheele lengte behaard met een haarkwastje aan de spits. Ook
+zij hebben wangzakken, die zich naar buiten openen en van binnen met
+korte haren bekleed zijn. De meest bekende soort (_Dipodomys Philippi_)
+wordt met inbegrip van 17 cM. langen staart, 30 cM. lang en bewoont
+woestijnachtige landstreken van Californië, waar overigens geen andere
+dieren dan Hagedissen en Slangen den bodem verlevendigen.
+
+
+
+Veel meer dan bij andere met stekels gewapende Zoogdieren is
+het stekelkleed ontwikkeld in de familie van de _Stekelvarkens_
+(_Hystrichidae_), naar welker bekendste geslacht de geheele groep
+benoemd werd. Een lange beschrijving van de uitwendig waarneembare
+kenteekenen harer leden is overbodig; het stekelkleed, hoe verschillend
+ook ontwikkeld, is aan al deze dieren eigen.
+
+Alle Stekelvarkens bewonen de gematigde en warme landen van de Oude
+en Nieuwe Wereld; in deze treft men de klimmende, in gene de gravende
+leden van de familie aan. De Stekelvarkens van de Nieuwe Wereld zijn
+evenzeer aan het leven op de boomen gebonden, als die van de Oude aan
+het leven in den grond. Deze bewonen derhalve ijle bosschen en steppen,
+verbergen zich over dag in door hen zelf gegraven gangen en holen. Gene
+daarentegen worden aangetroffen in groote bosschen, over dag rustend
+in een hollen boom of ineengerold op een gevorkten tak in een dikke
+boomkroon. Hunne bewegingen zijn langzaam, afgemeten en traag. Zoodra
+echter de nacht aangebroken is en zij behoorlijk wakker geworden zijn,
+loopen de Stekelvarkens van de Oude Wereld met trippelenden gang zeer
+schielijk over den bodem voort; die van de Nieuwe Wereld zijn wel is
+waar niet zoo vlug als Eekhoorns, maar klimmen toch behendig bij de
+takken op neer. De bewoners van den bodem zijn meesterlijk ervaren
+in het graven en in het overwinnen van alle bezwaren, die harde
+grondsoorten aanbieden. Onder hunne zinnen staat, naar 't schijnt,
+bij alle zonder uitzondering de reuk bovenaan; bij de Klimmende
+Stekelvarkens schijnt ook de tastzin eenigermate ontwikkeld te zijn;
+alle zijn echter zwak van gezicht en van gehoor. Hunne verstandelijke
+vermogens staan op een lagen trap. Zij zijn dom, vergeetachtig, weinig
+vindingrijk, boosaardig, driftig, angstig, schuw en vreesachtig,
+hoewel alle bij dreigend gevaar, door het overeind zetten van hunne
+stekels en eenige door het ratelen met de staartstekels vrees trachten
+in te boezemen. Met andere dieren houden zij evenmin vriendschap als
+met hunne soortgenooten: een smakelijk stukje voedsel kan zelfs onder
+echtgenooten een ernstigen strijd doen ontbranden. Nooit ziet men twee
+Stekelvarkens met elkander spelen of ook maar vriendschappelijk met
+elkander verkeeren. Den mensch, die hen gevangen houdt en verzorgt,
+worden zij nooit genegen; ook leeren zij hun verzorger niet van andere
+personen onderscheiden. Hun stem bestaat uit knorrende doffe geluiden;
+ook hoort men ze snuiven en zachtjes steunen; soms verneemt men van
+hen een moeielijk te beschrijven gepiep: waarschijnlijk hebben zij aan
+hun stem den overigens geheel ontoepasselijken naam "varken" te danken.
+
+Allerlei plantendeelen, van de wortels in den grond tot de vruchten
+in den top van den boom, dienen tot voedsel aan de Stekelvarkens. Op
+gelijke wijze als vele andere Knaagdieren brengen zij het voedsel
+met de voorpooten naar den bek. Bijna alle kunnen, naar het schijnt,
+gedurende geruimen tijd buiten water; waarschijnlijk is de dauw op
+de bladen dien zij verslinden, voldoende tot bevrediging van hunne
+behoefte aan vloeistof.
+
+
+
+De _Eigenlijke Stekelvarkens_ (_Hystrix_)--de vroegst bekende
+vertegenwoordigers van de tot de Oude Wereld beperkte onderfamilie
+van de _Gravende Stekelvarkens_ (_Hystrichinae_)--zijn gemakkelijk
+te herkennen aan hun korten, gedrongen romp, den dikken, door een
+krachtigen hals gesteunden kop, die in een stompen snuit eindigt,
+den korten staart, die met holle, op penneschachten gelijkende stekels
+bezet is en het buitengewoon sterk ontwikkelde stekelkleed. Kenmerkend
+voor hen zijn bovendien de kleine, rondachtige ooren, de breede
+bovenlip en de spleetvormige neusgaten.
+
+
+
+Het _Stekelvarken_ (_Hystrix cristata_) is grooter, maar niet langer
+dan onze Das en schijnt, wegens zijn stekelkleed veel dikker en
+omvangrijker dan hij werkelijk is. Zijn lengte bedraagt 65 cM. met
+uitzondering van den 11 cM. langen staart; de hoogte in de schoften
+is 24 cM.; het gewicht wisselt af tusschen 15 en 20 KG. Alleen aan
+den korten, stompen snuit en aan den neus zitten eenige gewone haren;
+de bovenlip is met verscheidene rijen glanzige, zwarte snorren bedekt;
+zulke borstels staan ook op wratten boven en achter het oog. Langs den
+nek verheffen zich manen, die uit dikke, achterwaarts gerichte, zeer
+lange, gebogen borstels bestaan, die naar verkiezing overeind gezet en
+achterover gelegd kunnen worden. Deze borstels hebben een aanzienlijke
+lengte, zijn dun en buigzaam, gedeeltelijk wit, gedeeltelijk grijs van
+kleur en eindigen meestal in witte spitsen. Voor 't overige is de romp
+aan de rugzijde bedekt door naast elkander geplaatste, lange en korte,
+gladde stekels, die allengs tot aan de scherpe punt dunner worden,
+en waartusschen overal borstelige haren voorkomen. Op de stekels
+wisselen donker- of zwartbruine en witte ringen met elkander af;
+zij zitten los in 't vel bevestigd en vallen dus licht uit. Aan de
+zijden van den romp, op de schouders en in de buurt van 't kruis
+zijn de stekels korter en stomper dan op 't midden van den rug. De
+dunne, buigzame stekels bereiken een lengte van 40 cM., de korte en
+dikke daarentegen worden slechts 15 à 30 cM. lang, maar soms wel 0.5
+cM. dik. Alle zijn van binnen hol of met een sponsachtig merg gevuld;
+de wortel en de spits zijn meestal wit van kleur. De korte stekels
+hebben zwartbruine en witte ringen. Aan de staartspits staan stekels
+van verschillenden vorm, die ongeveer 5 cM. lang, en wel 7 mM. dik
+zijn. Hun bovenste gedeelte is een afgeknotte, dunwandige, aan het
+einde geopende buis en gelijkt op een spoel van een ganzeveer, waarvan
+de merghoudende schacht is afgesneden; het onderste gedeelte van deze
+stekels is lang, dun en buigzaam. Door een groote, krachtige spier,
+die onder de huid van het dier gelegen en voor sterke samentrekking
+vatbaar is, kunnen alle stekels naar verkiezing opgezet en neergelegd
+worden. De onderzijde van het lichaam is bezet met donkerbruine,
+aan de spits roodachtige haren; om de keel ligt een witte band. De
+klauwen zijn donker hoornkleurig, de oogen zwart. De in Europa wonende
+Stekelvarkens zijn, naar men zegt, uit Noord-Afrika afkomstig en eerst
+door de Romeinen naar ons werelddeel overgebracht. Tegenwoordig vindt
+men dit dier in de kustlanden van de Middellandsche zee, vooral in
+Algerië, Tripolis en Tunis en verder zuidwaarts tot in Senegambië
+en Soedan. In Europa leeft het veelvuldig in de Campagna van Rome,
+op Sicilië, in Calabrië en in Griekenland. In Beneden-Egypte, waar
+het heet voor te komen, heb ik nooit sporen van de aanwezigheid van
+dit dier gezien.
+
+Het Stekelvarken leeft eenzaam. Over dag rust het in lange, lage
+gangen, die het zelf in den grond graaft; des nachts komt het voor
+den dag en zwerft rond om voedsel te zoeken. Dit bestaat uit allerlei
+plantaardige stoffen, distels en andere kruiden, wortels en vruchten,
+de schors van verschillende boomen en vele soorten van bladen. Het
+bijt zijn voedsel af met de voortanden en houdt het met de voorpooten
+vast, zoolang het eet. Alle bewegingen van dit dier zijn langzaam
+en onbeholpen; zijn gang is traag en bedachtzaam; het loopt niet
+snel. Alleen voor 't graven heeft het eenige geschiktheid, die echter
+in 't geheel niet toereikend is om een vluggen en behendigen vijand
+te ontvlieden. In den winter houdt het zich langer dan gewoonlijk in
+zijn hol op en brengt hier dikwijls eenige dagen achtereen slapend
+door. Een echte winterslaap heeft het niet.
+
+Wanneer men een Stekelvarken buiten zijn hol verrast, heft het
+dreigend den kop en den nek omhoog, zet alle stekels van zijn lichaam
+overeind en maakt er een eigenaardig klapperend geluid mede; vooral
+de holle stekels van den staart worden door het bewegen van dit
+lichaamsdeel zoo tegen elkander geslagen, dat er een vreemdsoortig
+geratel ontstaat, wel geschikt om een onwetend of vreesachtig mensch
+schrik aan te jagen. Als het zeer opgewonden is, stampt het met de
+achterpooten op den grond; wanneer men het grijpt, laat het een dof
+geknor hooren, gelijkend op dat van het Zwijn. In weerwil van zijn
+vreeswekkend geklapper is dit dier volkomen ongevaarlijk; het wordt
+licht verschrikt, gaat iedereen uit den weg en denkt er bijna niet
+aan om van zijne scherpe tanden gebruik te maken. Ook de stekels zijn
+meer afweringsmiddelen dan aanvalswapenen. Wie dit dier onvoorzichtig
+nadert, kan licht door de stekels gewond worden; de ervaren jager
+grijpt het dier bij de rugmanen en draagt het op zijn gemak mede,
+of doodt het door een stokslag op den neus. Wel buigt het, als men
+het nadert, den kop naar beneden, richt de rugstekels naar voren en
+gaat den vijand eenige schreden tegemoet; met een stok kan men echter
+buiten het bereik van de stekels blijven; een groote doek is voldoende
+om het dier te ontwapenen. In den uitersten nood rolt het zich als
+een Egel op en kan dan natuurlijk moeilijk aangevat worden. Over 't
+algemeen valt het gemakkelijk ten buit aan iederen behendigen vijand.
+
+Het wijfje werpt 60 à 70 dagen na de paring op een tamelijk zacht,
+met bladen, wortels en kruiden bekleed nest in zijn hol 2 à 4
+jongen. De diertjes komen ter wereld met open oogen en korte, zachte,
+glad tegen het lichaam aanliggende stekels; deze verharden echter
+weldra en groeien schielijk, hoewel zij hun volle lengte eerst op
+hoogeren leeftijd bereiken. Zoodra de jongen in staat zijn om zelf
+voedsel te zoeken, verlaten zij de moeder, die hen met veel liefde
+heeft grootgebracht.
+
+Hoewel men eigenlijk niet zeggen kan, dat het Stekelvarken den mensch
+nadeel berokkent, wordt het toch ijverig vervolgd. Zijne stekels worden
+voor velerlei doeleinden gebruikt, in sommige streken eet men zijn
+vleesch. In de Campagna wordt de jacht op dit dier als een bijzonder
+vermaak beschouwd; het valt trouwens niet te ontkennen, dat er iets
+avontuurlijks en aantrekkelijks gelegen is in de wijze waarop het dier
+wordt opgespoord. In een donkeren nacht begeeft men zich op de jacht
+met eenige goed gedresseerde Honden, men brengt deze op het spoor van
+het wild en laat hen zoeken. Door een luid, toornig geblaf kondigen
+zij aan, dat zij een van de stekelige dieren staande gehouden hebben
+en wijzen zij het jachtgezelschap den weg naar het tooneel van den
+strijd--voor zoo ver hier trouwens van strijd sprake kan zijn. Alle
+jagers steken de door hen gereed gehouden fakkels aan en begeven zich
+hiermede naar de plaats waar het Stekelvarken zich bevindt. Zoodra
+de Honden de komst van hunne meesters bemerken, huilen zij luid van
+vreugde en gaan woedend op hun tegenpartij los. Het Stekelvarken
+tracht hen terug te drijven door op allerlei toonhoogten te ratelen,
+te grommen en te knorren; het verweert zich zoo goed mogelijk met
+zijne naar alle richtingen uitgestoken speren. Het jachtgezelschap
+vormt een kring om het dier en zijne belagers; bij het schelle licht
+der fakkels kost het den jager geen moeite het wild bij de rugmanen
+te grijpen en het te dooden of levend mede te nemen naar huis.
+
+Bij goede behandeling wordt het Stekelvarken spoedig tam. Jong
+gevangen dieren leeren hun verzorger kennen en volgen hem na als
+Honden. Zij verliezen echter nooit de hun aangeboren schuwheid en
+vreesachtigheid. In de kamer kan men zulk een dier eigenlijk niet
+houden. Het loopt zoo onbedachtzaam rond, dat af en toe een van de
+aanwezigen zich bezeert aan de scherpe stekels. Voorts knaagt het aan
+tafelpooten, deuren en ander houtwerk; bovendien is het een saaie
+gezel. Het is niet moeilijk een Stekelvarken 8 à 10 jaar in het
+leven te houden, wanneer men het niet al te slecht behandelt. Als
+voedsel krijgt het wortels, aardappels, salade, kool en andere
+plantaardige stoffen; het liefst eet het ooft. Water heeft het in
+'t geheel niet noodig, indien het sappige vruchten of bladen krijgt;
+als het met droog voedsel gevoederd wordt, drinkt het nu en dan,
+hoewel niet dikwijls. Niet zelden planten de Stekelvarkens zich in
+de gevangenschap voort.
+
+Evenals de Savoyaarden met Marmotten reizen, trekken de Italianen
+soms met tamme Stekelvarkens van dorp tot dorp om het vreemdsoortige
+dier voor geld te laten kijken.
+
+
+
+Van hetzelfde geslacht treft men ook eenige soorten in Indië. Ceylon
+en het zuiden van China aan. Op Java, Borneo en Sumatra leeft het
+_Javaansche Stekelvarken_ (_Hystrix javanica_), dat zich van het Gewone
+onderscheidt door het gemis van manen; het heeft veel kortere, platte
+stekels, en deze zijn met een diepe, overlangsche groeve voorzien. De
+borstels en stekels zijn donker kastanjebruin, ten deele met witte
+spitsen. Dit dier, dat door de Javanen _Landakli_ wordt genoemd,
+bewoont wilde, boschrijke oorden, waar het lange holen graaft,
+die steeds twee uitgangen hebben. Het hierin levende paar doorzoekt
+'s nachts gemeenschappelijk den omtrek, en richt o.a. in de maïs-
+en aardappelakkers soms groote schade aan. In vroegeren tijd speelde
+een van deze diersoort afkomstige galsteen (bezoar) een belangrijke
+rol in de geneeskunde. Soms werd voor zulk een "piedra del porco"
+wel 100 kronen betaald.
+
+
+
+De _Kwaststaart-stekelvarkens_ vormen het geslacht _Atherura_,
+waarvan één soort--de _Afrikaansche Kwaststaart_ (_Atherura
+africana_)--in West-Afrika leeft en tegenwoordig in dierentuinen geen
+zeldzaamheid is, terwijl een andere soort--de _Indische Kwaststaart_
+(_Atherura fasciculata_)--Siam, het Maleische schiereiland en Sumatra
+bewoont. Beide zijn ongeveer 40 cM. lang zonder den staart; deze heeft
+een vierde of een derde deel van de totale lichaamslengte, en eindigt
+in een eigenaardige kwast, welks bestanddeelen geen haren of borstels
+zijn, maar op strookjes perkament gelijken, die op een grillige wijze
+zijn uitgeknipt. Het betrekkelijk slanke lichaam is op den rug en de
+zijden met zeer scherpe, platte, overlangs gegroefde stekels bezet.
+
+
+
+De Stekelvarkens van de Nieuwe Wereld vormen een afzonderlijke
+onderfamilie, die der _Klimmende Stekelvarkens_ (_Cercolabinae_);
+door hunne met wratachtige verhevenheden bedekte voetzolen en groote,
+gekromde klauwen zijn zij voor het leven op de boomen geschikt.
+
+
+
+In de noordelijke helft van Noord-Amerika vindt men het _Canadeesche
+Stekelvarken_ of de _Oerson_ (_Erethizon dorsatum_). Van Labrador
+tot aan het Rotsgebergte bewoont het de bosschen van het gebied
+gelegen tusschen 67° N.-B. aan de eene, Virginië en Kentucky aan
+de andere zijde. In de bosschen ten westen van den Missouri is het
+niet bijzonder zeldzaam, in de oostelijke gewesten daarentegen is
+het nagenoeg uitgeroeid. Met een anderen vorm, die aan de westkust,
+van Californië tot Alaska, gevonden wordt brengt men deze soort tot het
+geslacht _Platstaart-stekelvarken_ (_Erethizon_). Dit onderscheidt zich
+door een ineengedrongen romp en den korten, afgeplatten of verbreeden
+staart, die aan de bovenzijde met stekels, aan de onderzijde met
+borstels bezet is. Met inbegrip van den 19 cM. langen staart bereikt
+de Oerson een lengte van 80 cM. De kop is kort, dik en stomp, de snuit
+is afgeknot; de kleine neusgaten kunnen door een halvemaanvormige
+klep min of meer afgesloten worden. De voorvoeten missen den duim
+en zijn dus vierteenig; aan de achtervoeten komen vijf teenen voor;
+de klauwen zijn lang en krachtig, de zolen naakt, met een netvormig
+geplooide huid bekleed. Een dikke vacht, bestaande uit haren, die
+in den nek een lengte van 11 cM. bereiken, maar aan de onderzijde
+en aan de spits van den staart door scherpe borstels vervangen zijn,
+bedekt den romp. Tusschen de haren en de borstels staan op de geheele
+bovenzijde stekels, die 8 cM. lang kunnen worden en grootendeels door
+de haren bedekt zijn. De kleur is een mengsel van bruin, zwart en wit.
+
+"De Oerson," zegt Cartwright, "is een behendige klimmer: in den winter
+verlaat hij een boom waarschijnlijk niet, voordat hij de kroon geheel
+van schors beroofd heeft. Aan de jongste boomen geeft hij de voorkeur:
+een enkele Oerson doodt waarschijnlijk gedurende één winter wel
+honderden boomen." Audubon verhaalt, dat hij bosschen gezien heeft,
+waarvan alle boomen door den Oerson ontschorst waren, zoodat zij er
+uitzagen, alsof er een boschbrand in gewoed had. Vooral de iepen,
+populieren en dennen waren zeer sterk beschadigd.
+
+Het nest wordt in holle boomen of in rotsholen aangelegd; in April
+of Mei vindt men hierin de jongen, gewoonlijk 2, zeldzamer 3 of
+4. De jongen, die uit het nest genomen en gevangen gehouden worden,
+geraken weldra aan hun meester en aan hun nieuwe omgeving gewoon. Men
+voedt ze met allerlei plantaardige stoffen; ook houden zij zeer veel
+van brood. Als men ze in den tuin vrij rondloopen laat, klimmen zij
+in de boomen en vreten er de schors en de bladeren van op. Audubon
+verhaalt, dat een door hem verzorgde Oerson alleen dan boos werd, als
+men hem verwijderen wilde van een geregeld door hem bezochten boom
+in den tuin. "Onze gevangene was langzamerhand zeer tam geworden,
+en maakte zelden van zijne nagels gebruik: men kon daarom af en
+toe zijn hok openen en hem het genot gunnen van een wandeling door
+den tuin. Hij kende ons; als wij hem riepen en hem een appel of een
+bataat ('zoete aardappel') voorhielden, draaide hij den kop langzaam
+naar ons toe, keek ons zachtmoedig en vriendelijk aan, hompelde dan
+langzaam nader, nam ons het voedsel uit de hand, ging opzitten, en
+bracht het voorwerp met de voorpooten naar den mond. Dikwijls kwam
+hij, als hij de deur open vond, in onze kamer, kwam naar ons toe,
+wreef zich tegen onze beenen aan, en keek smeekend tot ons op om de
+een of andere lekkernij te ontvangen. Tevergeefs beproefden wij hem
+boos te maken; nooit gebruikte hij zijne stekels tegen ons. Anders
+was het, wanneer er een Hond aankwam. Dan was hij onmiddellijk op
+tegenweer bedacht, boog den kop naar beneden, richtte alle stekels op,
+en bewoog den staart heen en weer, gereed tot den strijd.
+
+"Een groote, kwaadaardige en in de hoogste mate strijdlustige
+Bullenbijter uit de buurt, sprong eens onverwachts met geopenden bek op
+het Stekelvarken toe. De Oerson scheen in 't zelfde oogenblik tot den
+dubbelen omvang op te zwellen, hield den naderenden vijand scherp in
+'t oog, en bracht hem op het juiste oogenblik met den staart een zoo
+goed gerichten slag toe, dat de Bullenbijter oogenblikkelijk den moed
+verloor, en door de smart gepijnigd luid jankte. De bek, de tong en de
+neus waren bedekt met de stekels van zijn tegenpartij. Buiten staat
+den bek te sluiten, snelde hij met geopenden muil onophoudelijk het
+erf rond. Hoewel de omstanders hem onmiddellijk de stekels uit den
+bek trokken, bleef de kop nog verscheidene weken gezwollen; maanden
+gingen er voorbij, voordat de snuit genezen was."
+
+Alleen de Indianen weten een nuttig gebruik te maken van den gedooden
+Oerson. Het vleesch van dit dier wordt door hen met smaak gegeten, en
+bevalt ook aan den blanke zeer goed. Het vel is, nadat men de stekels
+er uit verwijderd heeft, bruikbaar wegens zijn aangename zachtheid;
+de stekels worden door den wilde hoofdzakelijk gebruikt tot opsiering
+van zijne weitasschen, laarzen enz.
+
+
+
+Tot het geslacht der _Grijpstaart-stekelvarkens_ (_Cercolabes_)
+eindelijk brengt men die soorten, welke een voor 't klimmen geschikten
+staart en aan de achtervoeten zoowel als aan de voorvoeten 4 teenen
+hebben, waarnevens een klein stompje de plaats van den binnenteen
+aanduidt. Als het haarkleed zoover boven de stekels uitgroeit,
+dat deze slechts op sommige plaatsen te voorschijn komen, en aan de
+keel, de borst en den buik geheel ontbreken, worden de soorten tot
+het ondergeslacht der _Boom-stekelvarkens_ (_Sphingurus_) gerekend;
+daarentegen treden de borstels op den achtergrond bij het ondergeslacht
+der _Grijpstaart-stekelvarkens_ of _Koeandoes_ (_Synetheres_).
+
+Het _Mexicaansche Boom-stekelvarken_ [_Cercolabes (Sphingurus)
+novae-hispaniae_], een dier van 95 cM. totale lengte, waarvan ongeveer
+een derde voor den staart gerekend moet worden, bewoont de oostkust
+van Mexico. De glanzige haren zijn zeer dicht en zacht, een weinig
+gekroesd en zoo lang, dat vele stekels volkomen door hen bedekt
+worden. De stekels ontbreken op de onderdeelen, met uitzondering van
+den onderhals, voorts aan de binnenzijde van de pooten, op den snuit
+en op de achterste helft van den staart, die van boven naakt, van
+onderen met zwarte, aan de zijden met gele borstels bezet is. Het
+haarkleed heeft een zwarte kleur. Op het gelaat komen zeer lange
+snorharen voor. De stekels, die over 't algemeen een zwavelgele kleur
+hebben met uitzondering van de zwarte spits, zijn bij den wortel
+veel dunner, hooger op overal even dik, behalve vlak onder de spits,
+waar zij plotseling in een punt uitloopen; in 't midden zijn zij
+glad en bij de naaldscherpe spits met naar beneden gerichte weerhaken
+voorzien. Zoolang het Boom-stekelvarken rustig is, bemerkt men zeer
+weinig van het stekelkleed, behalve in de omgeving van de oogen
+en ooren. Als het dier toornig is, heeft het alle stekels overeind
+geplaatst, zoodat zij in alle richtingen afstaan; wanneer men nu met
+de hand over het vel strijkt, bemerkt men ze overal. Zij zijn zoo
+zwak in de huid bevestigd, dat zij bij de minste aanraking uitvallen;
+zelfs als men het dier maar even aait, gaan zij bij dozijnen los;
+geregeld blijven er dan eenige in de hand steken.
+
+De mededeelingen over het leven van de Boom-stekelvarkens in de vrije
+natuur zijn zeer schaarsch en onvolledig. De meeste hebben betrekking
+op een soort, die nauw verwant is aan de zooeven genoemde, op den
+_Koeïy_ (_Cercolabes villosus_); over hem hebben Azara, Rengger,
+de _Prins_ Von Wied en Burmeister berichten gegeven. Hij is over
+geheel Brazilië en Paraguay en een deel der verder zuidwaarts gelegen
+landen verbreid; hoewel overal bekend, is hij nergens algemeen. Bij
+voorkeur kiest hij hoogstammige bosschen tot verblijfplaats. Gedurende
+het grootste deel van het jaar leeft hij hier alleen en wel in
+een bepaald gebied, altijd op de boomen, in welker takken hij zich
+behendig beweegt. Over dag slaapt hij, tot een bal ineengerold, in een
+takgaffel; des nachts zwerft hij rond, steeds langzaam en voorzichtig
+klimmend, zonder een mispas te doen. Hensel doet uitkomen, dat dit
+dier door zijn vorm en zijn kleur zich niet veel van de omgeving
+onderscheidt. "De natuur," zegt hij, "heeft aan dit dier een groot
+voorrecht geschonken; niet tevreden met het tegen vijanden uit zijn
+eigen dierklasse te beveiligen, droeg zij er ook nog bijzondere zorg
+voor het tegen Roofvogels te beschermen. Boven het stekelkleed van
+dit dier steken nl. lange, fijne haren uit. Deze verschaffen het,
+wanneer het half ineengerold en onbeweeglijk op een boomtak zit,
+een bedrieglijke overeenkomst met een klomp grijs baardmos; zelfs de
+scherpzichtige jager gaat het licht voorbij, bedrogen, door de in den
+wind heen en weer schommelende haren en zal misschien een andere keer
+zijn geweer afschieten op een hoop van deze korstmossen, die op boomen
+groeien, in de meening het gezochte dier te zullen treffen."--De
+houding, die het Boom-stekelvarken in de boomen aanneemt, is zeer
+eigenaardig; het zit op de achtervoeten, in welker onmiddellijke
+nabijheid de voorvoeten op den tak rusten; deze zijn dan dikwijls op
+zulk een wijze gebogen, dat het dier op den rug van de hand steunt;
+de kop is intusschen loodrecht naar beneden gericht, de staart recht
+uitgestrekt en haakvormig naar boven omgebogen. Gewoonlijk beveiligt
+het dier zich tegen den val door zijn grijpstaart om een tak te
+slingeren; ook zonder dezen voorzorgsmaatregel zit het zelfs op de
+dunste takken zeer stevig, omdat het zich met de breede, naar binnen
+gewelfde handen uitmuntend kan vasthouden. Bij het klimmen drukt het
+de breede, vleezige zolen vast tegen de takken, die het met den bal
+van de hand omklemt.
+
+Het voedsel van het Boom-stekelvarken bestaat hoofdzakelijk uit
+vruchten, knoppen, bladen en wortels, die het met de handen naar den
+mond brengt.
+
+Om het leven van dit dier in de gevangenschap te schilderen, zal ik
+Azara's waarnemingen vermelden. "Ik liet er een, dat reeds oud was,
+toen het gevangen werd, in mijne kamer losloopen; een jaar lang is het
+zonder water gebleven, want het drinkt niet. Als het verschrikt werd,
+liep het met groot gemak, ik kon het echter altijd wel bijhouden zonder
+mij in te spannen, als ik denzelfden kant uitging. Al zijne bewegingen
+zijn onbeholpen; het klimt echter met gemak langs den eersten den
+besten stok op en af, en klemt zich er zoo stevig aan vast, dat er een
+tamelijk groote kracht noodig is om het los te rukken. Op de leuning
+van een stoel, op den top van een loodrecht in den grond geslagen paal
+heeft het ruimte genoeg om veilig te slapen en ook werkelijk uit te
+rusten. Zijne stompzinnigheid en bedaardheid of traagheid zijn zoo
+groot, dat er wel 24 à 48 uren voorbij kunnen gaan, voordat het van
+plaats verandert, of ook maar de geringste wijziging in zijn houding
+aanbrengt. Mijn exemplaar bewoog zich alleen, als het eten wilde; dit
+geschiedde in den regel om 9 uur 's morgens en om 4 uur 's namiddags;
+slechts een enkele maal merkte ik op, dat het ook 's nachts rondliep;
+toch houd ik het voor een nachtelijk dier. Mijn Stekelvarken ging in de
+eerste dagen van zijn gevangenschap op de leuning van een stoel zitten,
+nooit op een vlak voorwerp; toen het echter eens bij het venster naar
+boven geklommen was en daar den kant van het vensterluik gevonden had,
+zocht het later geen andere rustplaats. Boven op dit luik bracht het
+zijn tijd door; het zat hier, zonder de minste beweging te maken, in
+een ongewone houding als een steenen beeld. Zonder zich met de hand
+of den staart tegen het vallen te beveiligen, hield het zich alleen
+met de voeten vast, legde de handen over elkander en hiertusschen zijn
+snuit, alsof het zich de handen wilde kussen. Zoo zat het zonder zich
+te bewegen, ja zelfs zonder rond te kijken, tot aan het uur van zijn
+maaltijd. Van het voorgediende voedsel--brood, maïs, maniokwortels,
+kruiden, bladen en bloemen--nam het slechtst uiterst weinig, het
+hield er echter van, nu eens het eene, dan weer het andere voedsel
+te gebruiken. Het beet of krabde nooit en deed niemand eenig kwaad.
+
+"Het best ontwikkeld is bij dit dier het zintuig van den reuk. Als ik
+chocolade dronk, of met bloemen de kamer binnenkwam, merkte ik op,
+dat mijn Stekelvarken den snuit omhoog stak; hieruit kon ik veilig
+afleiden, dat het den geur op tamelijk grooten afstand waarneemt. De
+spits van zijn staart is zoo gevoelig, dat het zelfs bij zachte
+aanraking van dit lichaamsdeel onmiddellijk opstaat en schrik laat
+blijken. Voor 't overige bemerkte men aan dit dier niets anders
+dan traagheid en domheid; men mag wel zeggen, dat het nauwelijks
+verstand genoeg heeft om te eten en te leven. Nooit liet het vreugde
+of droefheid of zelfs een aangename gemoedsstemming blijken. Soms
+draaide het den kop om, als het bij den naam genoemd werd. Gewoonlijk
+echter keek het niet om, maar deed, alsof het niet zien kon; ook bij
+aanraking gedroeg het zich, alsof het van steen was, behalve wanneer
+dit te ruw geschiedde; in dit geval zette het zijn stekels op; ook
+dan echter maakte het geen verdere beweging."
+
+Daar het uitwendig voorkomen van dit dier niet aanlokkelijk is, wordt
+het door de bewoners van Paraguay maar zelden gevangen en in het
+leven gehouden; toch blijft het niet van vervolging verschoond. De
+wilden eten zijn vleesch, dat wegens zijn onaangenamen reuk door
+de blanke bewoners versmaad wordt. Ook deze dooden het dier echter,
+waar zij het ontmoeten. Door Hensel worden de volgende redenen voor
+dezen haat medegedeeld: "Het griezeligste dier van het Braziliaansche
+oerwoud is het Boom-stekelvarken. De natuur heeft er zich niet toe
+bepaald het door stekels tegen de Roofdieren te beschutten, op gelijke
+wijze als b.v. de Egel, maar heeft deze verweermiddelen bovendien op
+zulk een wijze ingericht, dat zij den vijand voor zijn aanval op de
+vreeselijkste wijze straffen. De stekels zijn n.l. aan hun onderste
+gedeelte zoo fijn en ook zoo zwak in de huid bevestigd, dat zij los
+geraken, wanneer er maar even aan getrokken wordt; zij blijven derhalve
+aan een vreemd lichaam vastgehecht, zoodra zij er met de spits in
+doorgedrongen zijn. Wanneer dus een Hond een aanval doet op het rustig
+ter aarde liggend Boom-stekelvarken, dat, bewust van de vreeselijke
+werking zijner wapens, er niet aan denkt om te ontvluchten, zullen de
+weeke deelen van den bek van den vijand getroffen worden door tallooze
+stekels; deze zullen hierin steken blijven, omdat zij weerhaken hebben;
+om dezelfde reden en tengevolge van de bewegingen die het gewonde dier
+maakt, zullen zij steeds dieper doordringen. De ongelukkige Hond kan
+den bek niet sluiten, en zal, als men hem niet spoedig te hulp komt,
+door de zwelling van de mondholte en van het strottenhoofd, na een
+smartelijk lijden stikken of verhongeren. Als men er vlug bij is, kan
+men de stekels uittrekken door ze bij de spits tusschen de duim en de
+punt van een mes te vatten; later is ook dit niet meer mogelijk en
+breken zij veeleer. Daarom nemen vele jagers een tang mede, als zij
+zich naar 't woud begeven. Het is dus verklaarbaar, dat de jager in
+het oerwoud geen enkel dier, zelfs de Vergiftige Slangen niet, zoo
+zeer haat en vreest als dit Knaagdier. Overal waar hij het ontmoet,
+zal hij het zonder mededoogen dooden, hoewel het overigens geheel
+onschadelijk is."
+
+
+
+De tot de _Grijpstaart-stekelvarkens_ behoorende _Koeandoe_
+[_Cercolabes (Synetheres) prehensilis_] heeft over 't geheel genomen
+den vorm van den Koeïy, maar is aanmerkelijk grooter en krachtiger
+gebouwd dan deze. Zijn lengte bedraagt (met inbegrip van den 45
+cM. langen staart) 1.1 M. De bekleeding met stekels begint reeds
+op het aangezicht, strekt zich uit over de geheele rugzijde, over
+de pooten tot aan het polsgewricht en het spronggewricht, over de
+voorste helft van den staart en ook over de geheele buikzijde. De
+stekels liggen echter niet glad tegen het lichaam aan. De haren,
+die tusschen de stekels groeien, worden geheel door deze bedekt en
+zijn eerst zichtbaar, als men de stekels uiteenbuigt. Deze zijn ook
+hier zeer los aan de huid gehecht, bij de aanhechtingsplaats dun,
+overigens gelijkmatig van dikte, naaldvormig en in de nabijheid van
+de zeer fijne spits plotseling zeer sterk verdund; op het achterste
+deel van den rug bereiken zij een lengte van 12 cM.; hoe nader zij bij
+het onderlijf gelegen zijn, des te korter worden zij; op de buikzijde
+gaan zij allengs in echte borstels over, die aan de onderzijde van
+het voorste deel van den staart weder stijf en stekend worden.
+
+Van de levenswijze van den Koeandoe in de vrije natuur is
+weinig bekend. Hij bewoont een tamelijk groot deel van Zuid- en
+Midden-Amerika, vooral Brazilië en Guyana, en is op vele plaatsen
+volstrekt niet zeldzaam. Op soortgelijke wijze als zijne verwanten
+slaapt hij over dag, zittend in een boomkroon; des nachts loopt
+hij langzaam maar behendig over de takken. Zijn voedsel bestaat uit
+allerlei bladen. Het vleesch van dit dier wordt door de inboorlingen
+gaarne gegeten; deze weten ook van de stekels op verschillende wijzen
+gebruik te maken, o.a. worden zij in sommige ziektegevallen in de
+huid van den patiënt gestoken, met een soortgelijke bedoeling, als
+waarvoor bij ons Bloedzuigers gebruikt worden.
+
+
+
+De uitwendige kenteekenen van de Familie der _Halfhoevigen_ of
+_Zwijnachtige Knaagdieren_ (_Caviidae_ of _Subungulata_), waartoe ook
+het bekende Guineesche Biggetje behoort, zijn: een meer of minder
+gestrekte romp, die op middelmatig hooge of hooge pooten rust,
+welker voorvoeten vier en welker achtervoeten drie, vier of vijf
+teenen hebben, waaraan korte, breede, bijna hoefvormige, van boven
+gekielde nagels voorkomen; de zool is onbehaard; de staart is bij
+sommige soorten zeer kort, bij andere alleen als een klein wratje
+waarneembaar en ontbreekt bij de overige geheel; de ooren zijn in
+den regel kort, bij eenige half zoo lang als de kop; de vacht is uit
+grove haren samengesteld. Het gebit bestaat, behalve uit de vier breede
+knaagtanden, uit vier wortellooze kiezen van ongeveer gelijke grootte
+in iedere kaakhelft. Alle leden van deze familie zijn tot Middel-
+en Zuid-Amerika beperkt.
+
+
+
+Het _Guineesch Biggetje_ (_Cavia porcellus, Cavia cobaya_)--bij ons
+algemeen bekend onder den naam van "Marmot", die aan een geheel
+anders gebouwd Knaagdier toekomt--deelde tot voor korten tijd in
+het lot van vele huisdieren: men kon zijne stamouders niet met
+zekerheid aanwijzen. Voor zoover men kan nagaan, is dit dier kort
+na de ontdekking van Amerika, in de 16e eeuw dus, door Hollandsche
+zeelieden naar Europa gebracht. Gesner (geb. 1516, gest. 1565) kende
+het reeds. Sedert dien tijd heeft het zich in Europa voortdurend in
+gevangenschap voortgeplant. Tot voor kort heeft men, waarschijnlijk ten
+onrechte, vrij algemeen den Braziliaanschen _Aperea_ (_Cavia Aperea_)
+als stamsoort van ons Guineesch Biggetje beschouwd. (Bij dezen zijn
+de snijtanden van voren bruinachtig geel, bij het Guineesch Biggetje
+daarentegen geelachtig grijs.) Volgens de onderzoekingen van Nehring
+evenwel stamt het van de Peruaansche _Cavia cutleri_ af. Deze werd in
+zijn vaderland reeds ten tijde van de Inca's als huisdier gehouden en
+wordt, volgens A. Stübel, ook thans nog door de Indianen van Peru,
+Ecuador en Columbia gefokt en gegeten. Daarentegen wordt het bij de
+Indiaansche stammen van Brazilië, die nog niet met andere volken in
+aanraking gekomen zijn, in getemden staat niet aangetroffen. Onze naam
+"Guineesch biggetje" ("Guinea-pig" bij de Engelschen) is letterlijk al
+even onjuist als de Fransche naam "Cochon d'Inde", een vertaling van
+de reeds bij Aldrovandi (1522-1605) voorkomende aanduiding "Porcellus
+indicus", waaraan ook de wetenschappelijke soortnaam ontleend is.
+
+Behalve effenkleurige Guineesche Biggetjes, van welke de witte het
+veelvuldigst voorkomen, ziet men gewoonlijk alleen driekleurige:
+wit, geel en zwart gevlekte. Volgens de onderzoekingen van Nehring
+misten de mummiën van de Guineesche Biggetjes uit den Inca-tijd,
+die op het Doodenveld van Ancon in Peru gevonden worden, steeds de
+zwarte vlekken. De effenkleurige waren wit of roodachtig bruin;
+de tweekleurige hadden een der zooeven genoemde grondkleuren
+en roodachtig bruine of geelachtig witte vlekken. Bij ons zijn,
+volgens de onderzoekingen van Haacke, driekleurige exemplaren met
+aschgrauwe in plaats van zwarte vlekken geen zeldzaamheid; deze
+hebben altijd roode oogen. In den laatsten tijd is het _Langharige
+Guineesche Biggetje_, een ras met lange haren, die op verschillende
+lichaamsdeelen eigenaardige kruinen vormen, zeer gezocht.
+
+Het Guineesche Biggetje behoort tot de meest gewilde huisdieren uit de
+geheele Knaagdieren-orde, zoowel omdat het geen hooge eischen stelt,
+als wegens zijn onschadelijkheid en goedaardigheid. Als men het een
+frissche en droge ligplaats verschaft, kan men het overal gemakkelijk
+in 't leven houden. Het voedt zich met de meest verschillende
+plantaardige stoffen; alle deelen van de plant van de wortels tot
+aan de bladen, zaden zoowel als frissche sappige plantendeelen zijn
+naar zijn smaak; eenige afwisseling in het voedsel is echter zeer
+gewenscht. Als het saprijk voedsel krijgt, heeft het geen drank
+noodig; het houdt echter zeer veel van melk. Daar het zich allerlei
+behandeling laat welgevallen en zich zelfs tegen mishandeling niet
+verzet, is het een bron van vermaak voor de kinderen, die zich in den
+regel het meest met het verzorgen van dit dier bezighouden. Door zijn
+aard herinnert het in vele opzichten aan de Konijnen, in andere aan
+de Muizen. Zijn gang is bijzonder snel en bestaat uit opeenvolgende
+kleine sprongen; het dier is echter niet onbeholpen, maar tamelijk
+behendig. Als het rust, heeft het gewoonlijk alle vier pooten gebogen
+en is de romp plat tegen den grond gedrukt; het kan echter ook overeind
+zitten op de achterpooten. Bij 't eten brengt het zijn voedsel met de
+voorpooten naar den mond. Onophoudelijk loopt het in zijn hok rond,
+het liefst langs de muren, waardoor hier spoedig een glad getreden pad
+ontstaat. Wanneer men een groot aantal van deze dieren, bijeen heeft in
+een hok, levert hun gang een aardig schouwspel op. In den ganzenmarsch
+loopen zij achter elkander aan, de geheele troep loopt op deze wijze
+soms wel honderdmaal het hok rond, zonder op te houden.--De stem van
+dit dier bestaat uit een knorrend geluid, waaraan het waarschijnlijk
+den naam Biggetje te danken heeft, en uit een eigenaardig gemurmel
+en gepiep. Het murmelen geeft, naar het schijnt, een tevreden
+gemoedsstemming te kennen, het piepen verraadt steeds opgewondenheid.
+
+Weinige Zoogdieren evenaren het Guineesch Biggetje in
+vruchtbaarheid. Bij ons werpt het wijfje twee- of driemaal per jaar
+2 of 3, dikwijls 4 of 5 jongen, in warmen landen niet zelden 6 of
+7. Deze komen volkomen ontwikkeld ter wereld, hebben reeds bij de
+geboorte open oogen en zijn reeds weinige uren na hun geboorte in
+staat om met hun moeder rond te loopen. Na ongeveer 5 of 6 maanden
+zijn de jongen in staat om zich voort te planten, na 8 of 9 maanden
+hebben zij hun definitieve grootte bereikt. Als zij goed behandeld
+worden, kunnen zij 6 à 8 jaar oud worden.
+
+Wanneer men zich veel met de Guineesche Biggetjes bemoeit, worden
+zij zeer mak hoewel zij hun vreesachtigheid nooit geheel afleggen en
+wegens de geringe ontwikkeling hunner geestvermogens zelden zoover
+komen, dat zij hunne verzorgers van anderen onderscheiden. Er
+zijn echter ook uitzonderingen. "Een Guineesch Biggetje, dat aan
+mijne kinderen toebehoort," schrijft Friedel, "begroet mijn zoon,
+zoodra het diens schreden verneemt, met een luid opgewonden gepiep;
+het maakt uit dankbaarheid een duidelijk trommelend geluid, als
+het van hem voedsel krijgt; mijn dochtertje ontvangt als groet geen
+gepiep, maar slechts een zacht gemurmel; ook voor mijn vrouw en mij
+blijft het trommelen achterwege. Als mijn vrouw 's avonds laat de
+kamer voorbijgaat, waarin het dier geborgen is, wordt zij steeds
+door een klagend gepiep aangezocht om het iets te eten te geven;
+als ik er langs kom, houdt het dier zich stil, omdat het wel weet,
+dat ik op dit late uur niets geven zal. Het kan dus vier personen
+goed van elkander onderscheiden. Bovendien kan het kunstjes maken:
+het gaat op commando dood liggen en gehoorzaamt aan het bevel om weer
+op te staan."--Zelfs het kleinste kind kan men zonder bezwaar met het
+Guineesch Biggetje laten spelen, daar het nooit pogingen zal doen
+om te bijten. Dikwijls legt het een opmerkelijke onverschilligheid
+aan den dag. Hoe prettig deze dieren het verblijf in hun hok ook
+vinden, verlangen zij er toch, naar het schijnt, niet bijzonder naar,
+wanneer zij ergens anders gebracht zijn; zij laten zich oppassen en
+verzorgen, dulden, dat men hen op den schoot neemt, met hen solt,
+enz., zonder ooit ontevredenheid te toonen. Als zij iets te eten
+krijgen, zijn zij overal tevreden. Hier staat tegenover, dat zij
+nooit een wezenlijke gehechtheid aan den mensch laten blijken, maar
+voor iedereen nagenoeg even vriendelijk zijn. Voor koude en vochtig
+weder zijn zij zeer gevoelig; zij worden er ziek van en dikwijls is
+dit oorzaak van hun dood.
+
+Schade kunnen de Guineesche Biggetjes ons niet toebrengen, tenzij hun
+als woonplaats een kamer is aangewezen en zij hier aan het houtwerk
+knagen. De schade is echter van geen beteekenis in vergelijking met
+hunne goede eigenschappen, waardoor zij menigeen genoegen verschaffen
+en dus nuttig zijn. Bovendien hebben zij, geheel onwillekeurig
+trouwens, belangrijke diensten aan de wetenschap bewezen; daar op
+hen proeven zijn genomen bij tal van physiologische onderzoekingen.
+
+
+
+Een zeer vreemdsoortige woestijnbewoner--de _Mara_ (_Dolichotis
+patagonica_)--vertegenwoordigt een tweede geslacht van de
+Halfhoevigen. In vele opzichten doet hij aan de Hazen denken, van
+welke hij echter zeer verschilt door de langere pooten en de kortere,
+stompe ooren. Bij volwassen dieren bedraagt de lengte van den romp
+50 cM.; het 4 à 5 cM. lange staartstompje is hieronder begrepen; de
+hoogte in de schoften is soms niet minder dan 45 cM. Hierdoor gelijkt
+het dier op het eerste gezicht veeleer op een kleinen Herkauwer dan
+op een Knaagdier.
+
+De Mara bewoont de steenachtige en droge woestijnen van Patagonië. Daar
+waar de Sierra Talpaquen deze woestijn begrenst en de bodem vochtiger
+en rijker aan planten begint te worden, ziet men haar in 't geheel
+niet meer. In westelijke richting komt zij voor tot in de nabijheid
+van Mendoza, dus op 33° Z.B., wat tevens wel het noordelijkste
+punt van haar verbreidingsgebied zal zijn. Darwin neemt 37°
+Z.B. als noordelijke grens aan. Twee eeuwen geleden was zij veel
+algemeener dan thans, nu zij alleen nog maar veelvuldig is in die
+gewesten, waar de ongastvrijheid van het land haar voor vervolgingen
+vrijwaart. Hoe veelvuldig zij hier ook zij, toch kost het veel moeite
+het dier te bemachtigen, om de eenvoudige reden, dat men het tamelijk
+moeielijk te zien kan krijgen. Het ligt n.l. in zijn hol verborgen,
+òf het ligt plat tegen den grond aangedrukt en wordt dan wegens zijn
+aardkleurige vacht allicht niet opgemerkt. Bovendien is het zeer schuw
+en vreesachtig. Bij het geringste gevaar gaat de Mara onmiddelijk op
+de vlucht. Zij is een echt dagdier, hoewel zij gedurende de hitte
+van den middag haar hol opzoekt. Haar voedsel bestaat uit planten,
+misschien vooral uit wortels en schors, in allen gevalle uit stoffen,
+die door andere Zoogdieren versmaad worden. In sommige streken van
+Patagonië, waar op den steenachtigen grond slechts weinige, dorre en
+doornachtige struiken een armoedig leven kunnen leiden, is zij het
+eenige levende dier, dat de aandacht trekt.
+
+Te Mendoza heeft Göring een volwassen Mara gedurende geruimen tijd
+in den gevangen staat nagegaan. Zij was een lieftallig, goedaardig,
+onschuldig dier. Van den eersten dag af, toonde zij zich zeer weinig
+schuw tegenover haar meester, nam dezen het voedsel onbeschroomd uit
+de hand en liet zich aanraken en streelen, zonder onrust te kennen te
+geven. Op liefkoozingen was zij zeer gesteld; als men haar krauwde,
+kromde zij den rug, boog den kop ter zijde, alsof zij de hand, die
+haar zulk een aangename gewaarwording verschafte, te zien wilde
+krijgen en liet intusschen een onbeschrijfelijk gepiep of geknor
+hooren, dat de uitdrukking was van een hoogst prettige stemming. De
+Indianen en de Gauchos zijn hartstochtelijke liefhebbers van de jacht
+op dit dier; hoofdzakelijk vervolgen zij het om zijn vel, dat voor
+het vervaardigen van even fraaie als zachte vloerkleeden en dekens
+dient. De bovendeelen hebben een eigenaardige, bruinachtig grijze
+kleur, fijn wit gesprenkeld, de zijden en de buitenste oppervlakte
+van de pooten zijn licht kaneelbruin, de onderdeelen wit. In de
+Europeesche dierentuinen ziet men de Mara niet dikwijls.
+
+
+
+De _Agoeti_'s of _Goetis_ (_Dacyprocta_) herinneren door hun gestalte
+in 't oogloopend aan de Dwerg-Muskusdieren: het zijn hoogpootige,
+korte, dikke Knaagdieren met langen, in een spitsen snuit eindigenden
+kop, kleine, ronde ooren, een onbehaard staartstompje en achterpooten,
+die aanmerkelijk langer zijn dan de voorpooten. Deze hebben vier
+teenen en een klein wratje op de plaats van den duim, terwijl
+zij aan de achterpooten maar vier volkomen gescheiden, zeer lange
+teenen hebben. Alle teenen zijn voorzien van forsche, breede, niet
+sterk gekromde, hoefvormige klauwen, die vooral aan de achterpooten
+goed ontwikkeld zijn; de duimwrat alleen draagt een kleinen, platten
+nagel. Over 't geheel genomen hebben de Agoeti's een fijnen, lichten en
+bevalligen lichaamsbouw en maken hierdoor een aangenamen indruk. Het
+gebit is flink, de dikke, vlakke knaagtanden komen duidelijk voor den
+dag, vooral omdat het bovenste paar tamelijk schel rood, het onderste
+geelachtig is.
+
+De Agoeti's komen tegenwoordig paarsgewijs of tot kleine gezelschappen
+vereenigd in boschrijke vlakten voor, vooral in de dichtste wouden
+van de rivierdalen; sommige begeven zich in het gebergte tot op een
+hoogte van 2000 M.
+
+
+
+De _Agoeti_, _Goeti_ of, gelijk hij wegens zijn fraaie vacht ook wel
+heet, de _Goudhaas_ (_Daciprocta aguti_), een van de fraaiste leden
+van de geheele familie, heeft een dichte en gladaanliggende beharing
+van roodachtig citroengele, met zwartbruin gemengde kleur; het ruige,
+harde, borstelachtige haar, heeft een levendigen glans. Al naar het
+jaargetijde verandert de kleur van de vacht; in den zomer is zij
+lichter, in den winter donkerder. De lichaamslengte van het volwassen
+mannetje bedraagt 40 cM., die van het staartstompje slechts 1.5 cM.
+
+Guyana, het noorden van Brazilië en Noord-Peru zijn het vaderland
+van den Goeti. In de meeste gewesten is hij zeer veelvuldig, vooral
+in de rivierdalen van Brazilië. Hier, zooals overal, bewoont hij de
+bosschen, de vochtige oerwouden zoowel als de drogere bosschen van
+het binnenland; hij zwerft echter ook in de aangrenzende, grasrijke
+vlakten rond en neemt hier de plaats van onzen Haas in. In het vrije
+veld komt hij niet voor. Gewoonlijk vindt men hem boven de oppervlakte
+van den bodem, in holle boomen dicht bij den grond, en vaker alleen,
+dan in gezelschap. Over dag ligt hij rustig in zijn leger, en alleen
+daar, waar hij zich volkomen veilig acht, zwerft hij rond. Met het
+ondergaan der zon, gaat hij uit om voedsel te zoeken, en blijft, als
+het goed weder is, den geheelen nacht hiermede bezig. Hij heeft de
+gewoonte meermalen zijn verblijfplaats te verlaten en er weder terug te
+komen; hierdoor ontstaat een smal, dikwijls 100 M. lang voetpad, dat de
+plaats waar hij woont, verraadt. Als men een Hond op dit spoor brengt,
+gelukt het in den regel het dier te bemachtigen, tenzij het leger zich
+in het dichtste deel van het woud bevindt. De Honden geven door geblaf
+de ligplaats van het wild aan, dat men daarna uit zijn hol trekken of
+uitgraven kan. Wanneer de Agoeti de komst van de Honden tijdig bemerkt,
+verlaat hij oogenblikkelijk zijn hol; door zijn behendigheid en snellen
+gang komt hij dan schielijk buiten het bereik van zijne vervolgers.
+
+De Agoeti is een onschadelijk, vreesachtig diertje en derhalve aan
+vele gevaren blootgesteld, zoodat eigenlijk alleen de buitengewone
+vlugheid van zijne bewegingen en de fijnheid zijner zintuigen hem
+voor den ondergang kunnen behoeden. Door zijne sprongen herinnert
+hij aan de kleine soorten van Antilopen en aan de Dwerg-Muskusdieren.
+
+Zijn voedsel bestaat uit de meest verschillende soorten van kruiden
+en andere planten, waarvan hij allerlei deelen, van de wortels tot
+de bloemen of zaden, gebruikt. Weinige plantendeelen zijn tegen
+zijne scherpe knaagtanden bestand; hij maakt zelfs de hardste noten
+stuk. In bebouwde oorden wordt de Agoeti door zijne bezoeken aan de
+suikerrietplantages en groentetuinen lastig.
+
+Nauwkeurige berichten over de voortplanting van den in vrijheid
+levenden Agoeti ontbreken ons tot dusver. Men weet, dat dit dier zich
+tamelijk sterk vermenigvuldigt, dat de wijfjes in alle maanden van
+het jaar jongen ter wereld brengen en dat iedere worp uit verscheidene
+jongen bestaat.
+
+Rengger verhaalt, dat de Goeti, als hij jong gevangen en met zorg
+grootgebracht is, bijna een huisdier wordt. "Ik heb," zegt hij,
+"verscheidene Agoeti's gezien, die men vrij kon laten rondloopen,
+zonder dat zij ontvluchtten, zelfs op erven gelegen te midden van
+de groote wouden, die dit dier in vrijen toestand tot woonplaats
+dienen; wanneer zij eens getemd zijn, loopen zij niet weg. Zoo zag
+ik in de wouden van het noorden van Paraguay in de hutten van eenige
+inboorlingen twee tamme Agoeti's, die den morgen en den avond in
+het woud, den middag en den nacht bij de menschen doorbrachten. Het
+is niet zoozeer de gehechtheid aan den mensch als wel het gewoon
+raken aan hun nieuw verblijf, dat bij hen de begeerte naar vrijheid
+onderdrukt. Zij gevoelen slechts weinig genegenheid voor den mensch,
+maken volstrekt geen onderscheid tusschen hun verzorger en andere
+personen, gehoorzamen slechts zelden, als hij hen roept en zoeken hem
+alleen op, als de honger hen hiertoe dringt. Ook laten zij zich niet
+graag door hem aanraken; zij dulden geen dwang, leven geheel naar
+hun eigen verkiezing en kunnen hoogstens leeren hun voedsel op een
+bepaalde plaats te komen halen. Zij worden gevoed met het overschot
+van al wat er in huis gegeten wordt. Zij houden echter volstrekt niet
+zooveel van vleesch, als Azara beweert, maar eten het slechts bij gemis
+van voedsel, dat beter voor hen geschikt is. Rozen zijn een van hunne
+lievelingsspijzen. Zoodra zulk een bloem in hun woning gebracht wordt,
+ruiken zij haar onmiddellijk en zoeken haar op. Gewoonlijk grijpen
+zij het voedsel met de snijtanden en vatten het daarna tusschen de
+beide wratvormige duimen van de voorvoeten, intusschen zitten zij
+evenals de Eekhoorntjes op de achterpooten. Soms vreten zij ook in
+neergehurkte houding, gewoonlijk doen zij dit, als zij zeer kleine
+of te kleine stukjes voedsel voor zich hebben. Ik heb ze nooit zien
+drinken; naar men zegt, nemen zij het water met de tong leppend op."
+
+Bodinus zegt terecht, dat de Agoeti's wegens hunne sierlijke gestalte,
+fraai voorkomen en zindelijkheid aan alle dierenliefhebbers aanbevolen
+kunnen worden; alleen door hun groote lust in 't knagen zijn zij
+soms lastig. Die, welke Bodinus had, waren zoo aan hem gewoon,
+dat zij hem de lekkerbeetjes, die hij hun voorhield, uit de hand
+namen en oogenblikkelijk met echt dankbare blikken naar den gever,
+opaten. Andere gevangene Agoeti's trokken sterk de aandacht door een
+eigenaardigheid, die ik bij de overige schrijvers niet vermeld heb
+gevonden. Zij zijn namelijk gewoon een groot deel van hun voedsel
+te begraven om iets in voorraad te hebben, als de nood aan den man
+komt. Zoodra hun voedsel wordt aangeboden, vallen zij er begeerig op
+aan, eten er eenige stukken van op, kiezen van hetgeen hun gegeven
+is, een stuk wortel of een vrucht uit, dragen deze in den bek weg,
+graven op de een of andere plaats een gaatje in den grond, leggen
+hun schat er in, strijken er aarde over heen, en slaan of drukken
+deze met de voorpooten vast. Zeer grappig is het na te gaan, hoe
+zij telkens omkijken, en hoe zij hun best doen om het bergen van hun
+schat ongezien te verrichten.
+
+
+
+De _Paka_ of_Waterhaas_ (_Coelogenys paca_) is gekenmerkt door
+den eigenaardigen, dikken kop met groote oogen en kleine ooren,
+den bijzonder korten staart, de hooge pooten, welker voeten alle
+met vijf teenen voorzien zijn, het borstelige, dunne aanliggende
+haarkleed en vooral door den buitengewoon krachtigen jukboog, welks
+voorste gedeelte (het breede en gewelfde jukbeensuitsteeksel van
+het bovenkaaksbeen) binnenwaarts tot op een aanmerkelijke diepte
+is uitgehold. De vacht bestaat uit korte, nauw tegen het lichaam
+aanliggende haren, die aan den rug en de andere naar boven en naar
+buiten gekeerde lichaamsdeelen geelachtig bruin, aan de onderdeelen
+en aan de binnenzijde van de pooten geelachtig wit zijn. Vijf reeksen
+van geelachtig witte vlekken van ronde of eivormige gedaante strekken
+zich uit aan weerszijde van den romp van den schouder tot aan den
+achterrand van de dij. Volwassen mannetjes kunnen 70 cM. lang,
+ongeveer 35 cM. hoog en tot aan 9 KG. zwaar worden.
+
+De Paka is over het grootste deel van Zuid-Amerika, van Suriname door
+Brazilië tot aan Paraguay, verbreid; ook komt zij op de Zuidelijke
+Antillen voor. Hoe eenzamer en wilder de streek is, des te veelvuldiger
+vindt men haar; in de bevolkte gewesten is zij overal zeldzaam
+geworden. De woudzoom en de met struikgewas begroeide rivieroevers
+of moerassige plaatsen leveren haar een verblijfplaats. Hier graaft
+zij zich een hol van 1 à 2 M. lengte in den grond en brengt hier
+den geheelen dag slapend door. Als de schemering invalt, gaat zij
+voedsel zoeken; zij doet dit ook wel in aanplantingen van suikerriet en
+meloenen, waar zij aanzienlijke schade aanricht. Voor 't overige voedt
+zij zich met bladen, bloemen en vruchten van de meest verschillende
+planten. Zij leeft paarsgewijze of eenzaam. Het wijfje werpt midden in
+den zomer één jong (hoogstens twee), houdt het gedurende het zoogen in
+een hol verborgen en voert het daarna gedurende verscheidene maanden
+met zich mede op hare wandelingen.
+
+In Brazilië is zij, met de Agoeti's en verschillende soorten van
+Gordeldieren, het gewone wild in de wouden. De Prins Von Wied ving
+haar in de oerwouden dikwijls in klemmen. Ook jaagt men haar met
+Honden en brengt haar als "koninklijk wild" aan de markt. In haar
+hol is zij niet te genaken; wanneer men echter met aandacht den
+woudzoom onderzoekt, zal men spoedig in de dichte rietbosschen
+de wisselplaatsen van het dier bemerken. Hier stelt de jager
+zijne strikken, met een maïskolf als lokaas; den volgenden morgen
+vindt hij zijn moeite ruimschoots beloond. De Paka levert het beste
+wildbraad van Brazilië; wat fijnheid en malschheid betreft, wordt het
+misschien door geen ander overtroffen. Daar dit dier een zeer dunne
+en zachte huid heeft, wordt het niet gevild, maar in zijn geheel
+gebraden gelijk een Zwijn. Na deze toebereiding, en als de kop en
+de pooten er afgesneden zijn, gelijkt het zoozeer op een jong Zwijn,
+dat men zich er in zou kunnen vergissen. Volgens Kappler springt het
+dier, wanneer het vervolgd wordt en zijn hol niet kan bereiken, in
+'t water, waar het onderduikt en zoolang blijft, tot zijn vervolger
+zich verwijderd heeft; hij vermoedt, dat het onder water verder zwemt.
+
+In den laatsten tijd heeft men de Paka niet zelden levend naar Europa
+gebracht. Reeds Buffon heeft gedurende geruimen tijd een wijfje van
+deze diersoort gehad, dat volkomen tam was, zich onder den kachel
+een leger maakte, over dag sliep, 's nachts rondliep en als het
+in een kast opgesloten was, aan het houtwerk begon te knagen. Het
+likte de hand van bekende personen en liet zich door hen krauwen,
+intusschen rekte het zich uit en gaf zijn tevredenheid door een zwak
+geluid te kennen. Vreemde personen, kinderen en Honden trachtte het
+te bijten. Als het toornig was, knorde en knarsetande het op een zeer
+eigenaardige wijze. Het was zoo weinig gevoelig voor koude, dat het,
+naar Buffon meende, in Europa inheemsch zou kunnen worden. De Paka
+stelt geen hooge eischen, zoomin wat de voeding, als wat de huisvesting
+betreft. Ik ben het met Buffon eens, dat dit dier zeer goed tegen
+koud weer bestand is; ik geloof echter niet, dat het voordeel zou
+opleveren het in Europa te acclimatiseeren.
+
+
+
+Het _Waterzwijn_ (_Hydrochoerus capybara_) mag in één opzicht als het
+merkwaardigste van alle Knaagdieren beschouwd worden: _het is het
+grootste en plompste lid van de geheele orde_. Zijn Nederlandschen
+naam draagt het terecht, want het herinnert door zijn gestalte en
+zijne op borstels gelijkende haren duidelijk aan het Zwijn. Zijne
+kenmerken zijn: de kleine ooren, de gespleten bovenlip, het ontbreken
+van den staart, de korte zwemvliezen tusschen de teenen, de forsche
+op hoeven gelijkende nagels en de hoogst eigenaardige samenstelling
+van het gebit. De kolossaal sterk ontwikkelde snijtanden zijn,
+ondanks hun geringe dikte, minstens 2 cM. breed en hebben op hun
+voorvlakte verscheidene ondiepe groeven; de laatste van de vier kiezen
+is even groot als de drie voorste te zamen genomen. De romp is in
+'t oog loopend plomp en dik, en door een korten hals verbonden met
+den langwerpigen, hoogen en breeden kop, die in een stompen snuit
+eindigt. Tot de eigenaardige uitdrukking van het gelaat dragen de twee
+tamelijk groote, rondachtige, ver uitpuilende oogen veel bij. De ooren
+zijn van boven afgerond, aan den voorrand omgestulpt, van achteren als
+'t ware afgesneden. De achterste ledematen zijn merkbaar langer dan de
+voorste; de voorvoeten hebben vier, de achtervoeten drie teenen. Een
+bepaalde kleur kan men aan de ijle, grove beharing niet toekennen: een
+moeielijk te bepalen bruine tint met een zweem van rood of bruinachtig
+geel is over den romp verspreid, zonder ergens scherp op den voorgrond
+te treden. De borstels rondom den mond zijn echter duidelijk zwart. Een
+volwassen Waterzwijn bereikt ongeveer de grootte van een eenjarig
+Gewoon Zwijn en heeft een gewicht van 50 KG. De lichaamslengte bedraagt
+meer dan 1 M., de hoogte in de schoften 50 cM. en meer.
+
+De Capybara is over geheel Zuid-Amerika verbreid; van den Orinoko tot
+aan de La Plata, van den Atlantischen Oceaan tot aan de oostelijke
+uitloopers van de Andes bewoont zij lage, boschrijke, moerassige
+gewesten, vooral rivieren, meeroevers en moerassen. Het liefst houdt
+zij zich op bij groote stroomen; zij verlaat deze nooit, tenzij om
+den loop van kleine, in dezen stroom uitmondende beken en waterloopen
+te volgen. Op sommige plaatsen is zij buitengewoon veelvuldig; in
+bewoonde oorden komt zij, zooals licht te begrijpen is, zeldzamer voor
+dan in de wildernis. In bewoonde streken ziet men deze dieren alleen
+'s morgens en 's avonds; in onbewoonde, weinig bezochte rivierdalen
+daarentegen worden zij ook over dag in groote getale waargenomen;
+altijd bevinden zij zich in de onmiddellijke nabijheid van den rivier,
+waar zij grazen of als Honden op de bijeengebogen achterpooten zitten.
+
+De gewone gang van het Waterzwijn is een langzame draf, die evenwel
+niet lang wordt volgehouden, in geval van nood beweegt het zich ook
+wel sprongsgewijs. Het zwemt uitmuntend en komt met gemak aan den
+overkant van het water, maar doet dit alleen, wanneer het vervolgd
+wordt, of als het voedsel aan de eene zijde van de rivier schaarsch
+geworden is. Wanneer het niet gestoord wordt, is het een standvastige
+bewoner van een bepaald gebied; hoewel het dit steeds verlaat,
+indien het hier vervolgingen heeft te verduren. Een eigenlijk leger
+heeft het niet, hoewel het zich op gunstig gelegen plaatsen aan den
+oever geregeld ophoudt. Zijn voedsel bestaat uit waterplanten en uit
+de schors van jonge boomen; alleen wanneer het in de nabijheid van
+plantages woont, doet het zich soms te goed aan watermeloenen of aan
+maïs, rijst en suikerriet; het kan dan in sommige gevallen een zeer
+aanzienlijke schade aanrichten. Het Waterzwijn is een stil en rustig
+dier. Reeds bij oppervlakkige beschouwing zal iedereen bemerken, dat
+het in hooge mate stompzinnig en arm van geest is. Nooit heeft men
+het met andere dieren van zijn soort zien spelen. Men ziet de leden
+van een kudde met langzame schreden hun voedsel zoeken, voor zoover
+zij niet in zittende houding uitrusten. Van tijd tot tijd wenden
+zij den kop om, als maatregel van voorzorg tegen vijanden. Als een
+van deze zich vertoont, gaan zij niet overhaast op de vlucht, maar
+loopen langzaam naar den waterkant. In den hoogsten schrik storten zij
+zich onmiddellijk luid schreeuwend in den vloed en duiken onder. Als
+zij niet gewoon zijn aan het gezicht van menschen, staren zij deze
+dikwijls langen tijd aan, voordat zij vluchten. Men verneemt van hen
+geen ander geluid dan de zooeven bedoelde noodkreet, die Azara door
+"ap" aanduidt. Dit geschreeuw is echter zoo doordringend, dat men
+het op een kwartier uurs afstand kan hooren.
+
+Het wijfje werpt eenmaal in het jaar 5 of 6 jongen. De bigjes volgen
+onmiddellijk hun moeder, maar toonen haar slechts weinig genegenheid.
+
+In den laatsten tijd werd dit dier dikwijls levend naar Europa
+gebracht. Ik heb gedurende langen tijd een Waterzwijn onder mijn hoede
+gehad. Het was buitengewoon sterk aan mij gehecht, het kende mijn stem,
+kwam nader als ik het riep, was verheugd als ik het liefkoosde, en
+volgde mij als een Hond. Zoo vriendelijk was het niet tegen iedereen:
+eens sprong het zijn oppasser, die het terugdrijven wilde, tegen de
+borst en beet toen dadelijk toe; gelukkig trof het meer de kleeren
+dan den man. Gedwee was het volstrekt niet; het gehoorzaamde alleen,
+wanneer het zulks verkoos. Ik heb de bewegingen van het Waterzwijn
+nooit plomp of onbeholpen gevonden. Zelden loopt het vlug, gewoonlijk
+beweegt het zich op zijn gemak met groote stappen; het springt echter
+zonder moeite over afschuttingen die één meter hoog zijn. In het water
+toont het ongemeene behendigheid. Het zwemt met eenparige snelheid
+lijnrecht over een breed water, even snel als een mensch loopen
+kan, duikt na den sprong als een Vogel en blijft eenige minuten
+achtereen onder water; ook zwemt het in de diepte verder, zonder
+zich in de bedoelde richting te vergissen. Het is volstrekt niet
+moeielijk dit dier in 't leven te houden. Evenals een Zwijn vreet het
+allerlei plantaardige stoffen; het heeft wel veel, maar volstrekt geen
+uitgelezen voedsel noodig. Het meest houdt het van frisch, sappig gras;
+ook wortels, rapen en gekookte zemelen zijn zeer naar zijn smaak. Met
+zijne breede snijtanden graast het als een Paard; ook drinkt het,
+evenals dit dier slurpend, met lange teugen. Het houdt van warmte,
+maar vreest de koude niet. Nog in November springt het uit eigen
+beweging in het ijskoude water, zonder door schrik of vrees voor gevaar
+hiertoe genoopt te worden.--Volgens de berichten van alle reizigers
+maken alleen de Indianen van het vleesch van het Waterzwijn gebruik;
+de Europeanen hebben er een afkeer van, omdat het een eigenaardigen,
+onaangenamen, tranigen bijsmaak heeft. De dikke, bijna onbehaarde huid
+is buitengewoon sponsachtig en zacht; zij levert een soort van leder,
+waardoor het water gemakkelijk heendringen kan, en dat derhalve alleen
+voor riemen, voetkleeden en rijzadels gebruikt wordt. De meisjes van
+den Botokoedenstam rijgen de knaagtanden van het Waterzwijn aan een
+snoer en maken er arm- en halsbanden van. Ander nut levert dit dier
+niet op.
+
+De Zuid-Amerikanen maken voor hun vermaak jacht op de Capybara,
+overvallen haar onverwachts, snijden haar den weg naar 't water af
+en vangen haar met de lasso. Haar ergste vijand behalve de mensch is
+vermoedelijk de Jagoear. Dag en nacht volgt deze sluwe roover haar
+spoor; in de rivierdalen is zij waarschijnlijk de meest gewone buit,
+die aan deze Kat ten deel valt.
+
+
+
+Onder den naam van _Schijnratten_ (_Octodontidae_) worden een
+betrekkelijk gering aantal soorten van Zuid-Amerikaansche en
+Afrikaansche Knaagdieren samengevat, die wegens de niet onbelangrijke
+verscheidenheid van vormen, welke bij hen wordt opgemerkt, in een
+betrekkelijk groot aantal geslachten worden gerangschikt. De naam van
+deze niet zeer natuurlijke familie geeft te kennen, dat hare leden bij
+oppervlakkige beschouwing, o.a. door gestalte en kleur, eenigermate
+aan Ratten herinneren. De ooren zijn kort, breed en dun behaard,
+de voeten hebben vier of vijf teenen, de staart is verschillend van
+lengte, en dikwijls, evenals bij de Echte Ratten, met uit schubben
+bestaande ringen bekleed; hiermede is trouwens nagenoeg alles gezegd
+wat van de overeenkomst dezer dieren met Ratten te vermelden viel. Bij
+eenige Schijnratten is de vacht zacht en fijn, bij anderen stijf en
+borstelig, ja zelfs met enkele platte, overlangs gegroefde stekels
+gemengd; bij enkele soorten gelijkt de staart in 't geheel niet op
+dien van de Echte Ratten, maar is behaard en zelfs ruig behaard. Het
+gebit bevat, behalve de bij alle Knaagdieren voorkomende wortellooze
+snijtanden, in elke kaakhelft 4, bij uitzondering 3, kiezen, die in
+den regel met ware wortels voorzien zijn, bij enkele soorten komen,
+evenals bij de Woelmuizen, kiezen met open wortels voor.
+
+Sommige Schijnratten leven in bosschen, andere in 't vrije veld, nog
+andere in 't kreupelhout, of tusschen rotsen, of aan de oevers van
+rivieren en andere waterstroomen, of zelfs aan de zeekust. Gewoonlijk
+wonen zij gezellig in door haar zelf gegraven, onderaardsche holen
+met talrijke openingen. Eenige doorwoelen den grond als de Mollen,
+werpen, evenals deze, aardhoopen op en leven bijna voortdurend
+onder de oppervlakte van den bodem; andere bewonen dicht met planten
+begroeide plaatsen en bewegen zich behendig in de boomkronen. Haar
+gewone arbeidstijd is de nacht, slechts weinige zijn ook over dag
+werkzaam. Sommige soorten zijn echte waterdieren en zijn meesterlijk
+ervaren in het zwemmen en duiken. Tamelijk goed verdragen zij de
+gevangenschap; zij wekken onze belangstelling door haar sierlijke
+gestalte, zijn nieuwsgierig, beweeglijk, leeren haar verzorger
+onderscheiden en hem volgen. Zij vermenigvuldigen zich tamelijk sterk,
+want het aantal harer jongen wisselt af tusschen 2 en 7; zij kunnen
+aangroeien tot scharen, die in plantages en akkers aanzienlijke schade
+aanrichten. Het geringe nut, dat zij door haar vleesch en haar vel
+opleveren, komt in geen vergelijking met het nadeel, dat zij door de
+genoemde verwoestingen veroorzaken.
+
+In Chili, Peru en Bolivia leven de _Struikratten_ (_Octodon_), die als
+'t ware een overgang vormen van de Eekhoorntjes tot de Ratten. Haar
+gebit bestaat uit gladde, ongegroefde en spitse knaagtanden en
+wortellooze maaltanden, welker kauwvlakten bijna op het Arabische
+cijfer 8 gelijken. (Van hier de naam _Octodon_, "Achttand".)
+
+De _Degoe_ (_Octodon Cummingii_) is van boven bruinachtig grijs,
+ongelijkmatig gevlekt, van onderen grijsbruinachtig, aan de borst en
+in den nek donkerder, aan den staartwortel lichter, bijna wit. De
+totale lengte van dit dier bedraagt omstreeks 26 cM., waarvan de
+staart iets meer dan een derde in beslag neemt.
+
+De Degoe is in de middenprovinciën van Chili een van de algemeenste
+dieren; bij honderden bedekken zij de hagen en het struikgewas; zelfs
+in de nabijheid van drukke steden loopen zij onbeschroomd op de wegen
+rond en dringen onbevreesd in tuinen en akkers door, waar zij door het
+moedwillig stukknagen van planten bijna evenveel schade aanrichten,
+als door hun vraatzucht. Zelden verheffen zij zich boven den bodem om
+in de onderste takken der struiken te klimmen. Door zijne gewoonten
+gelijkt dit dier veel meer op een Eekhoorntje dan op een Rat. Het
+verzamelt voorraad in weerwil van het zachte klimaat, maar vervalt
+niet in winterslaap.
+
+
+
+Tot de Schijnratten behoort ook de _Rattenbever_ of _Coïpoe_, de
+_Noetria_ der Spaansch sprekende Amerikanen (_Myopotamus coypu_). De
+romp van dit dier is ineengedrongen, de hals kort en dik, de kop
+dik, lang en breed met stompen snuit en platte kruin; de oogen zijn
+middelmatig groot, rond en uitpuilend, de ooren klein, rond en weinig
+hooger dan breed; de ledematen zijn kort en krachtig, de achterste
+een weinig langer dan de voorste; de voor- en achtervoeten hebben
+vijf teenen, die door een breed zwemvlies verbonden en met lange,
+sterk gekromde en spitse klauwen gewapend zijn, met uitzondering van
+den binnenteen van de voorvoeten, die een platten nagel draagt. De
+lange staart is rolrond, ringvormig geschubd en tamelijk overvloedig
+begroeid met dicht aanliggende, stijve, borstelige haren. Overigens
+is het haarkleed dicht, tamelijk lang en zacht; het korte, zachte,
+donzige wolhaar is voor 't water bijna ondoordringbaar; het langere,
+zachte, zwak glinsterende bovenhaar bepaalt de kleur, daar het wolhaar
+er volkomen door bedekt wordt. Het gebit gelijkt door de buitengewone
+grootte en breedte der knaagtanden op dat van den Bever.
+
+De Rattenbever kan nagenoeg zoo groot worden als een Vischotter;
+zijn lichaamslengte bedraagt gewoonlijk 40 à 45 cM. zonder den bijna
+even langen staart; men treft echter soms oude mannetjes aan, die een
+totale lengte van 1 M. hebben. Gewoonlijk is de rug kastanjebruin en
+de onderzijde bijna zwartbruin, de zijden zijn fraai rood.
+
+Een groot deel van de gematigde gewesten van Zuid-Amerika vormt
+het vaderland van dit voor den pelterijhandel belangrijk dier. De
+Rattenbevers komen voor in bijna alle landen, die ten zuiden
+van den Steenbokskeerkring gelegen zijn. In de La-Plata-Staten,
+in Buenos-Ayres, Patagonië en het middelste deel van Chili zijn
+zij overal verbreid. Hun verbreidingsgebied strekt zich uit van
+den Atlantischen tot den Stillen Oceaan: het ligt aan weerszijden
+van het hooge gebergte tusschen 24 en 43 graden Z.B. Paarsgewijs
+bewonen zij de oevers van meren en rivieren, bij voorkeur stilstaand
+water waarin zooveel waterplanten groeien, dat zij een laag vormen,
+sterk genoeg om hen te dragen. Ieder paar graaft zich aan den oever
+een hol van 1 M. diepte en 40 à 60 cM. wijdte; hierin brengt het den
+nacht en soms ook een deel van den dag door. In deze woning werpt het
+wijfje later 4 à 6 jongen, die reeds op zeer jeugdigen leeftijd hun
+moeder volgen. De Coïpoe is een uitmuntend zwemmer, maar kan slecht
+duiken. Op het land beweegt hij zich langzaam, want zijne pooten zijn
+zoo kort, dat de buikzijde van den romp bijna over den grond sleept;
+hij gaat daarom alleen dan over het land, als hij zich van den eenen
+poel naar den anderen wil begeven. Als een gevaar hem bedreigt,
+begeeft hij zich oogenblikkelijk te water en duikt onder; als de
+vervolging aanhoudt, zoekt hij ten slotte een toevlucht in zijn hol,
+dat hij in gewone omstandigheden alleen des nachts opzoekt.
+
+Zijne geestvermogens zijn gering. Hij is schuw en vreesachtig,
+en behoudt deze eigenschappen ook in de gevangenschap. Schrander
+kan men hem niet noemen, hoewel hij mettertijd zijn verzorger leert
+herkennen. In den Londenschen dierentuin wordt hij geregeld gehouden;
+in den laatsten tijd treft men hem ook in andere diergaarden aan. "De
+Rattenbever", zegt Wood, "is een vlugge en rappe maat; het is een
+lust naar hem te kijken. Dikwijls heb ik op zijn grappige manier van
+bezig zijn gelet en mij bijzonder vermaakt met de bedrijvigheid, die
+hij openbaart bij 't zwemmen door den plas, die hem tot woonplaats
+dient; ieder voorwerp, dat hem nieuw schijnt, wordt zoo zorgvuldig
+mogelijk onderzocht. Zoodra men een hoopje gras in zijn hok werpt,
+pakt hij het dadelijk met de voorpooten aan, schudt het sterk,
+om de wortels van de aanhangende aarde te bevrijden, brengt het
+vervolgens naar het water en spoelt het hierin zoo behendig schoon,
+dat een waschvrouw van beroep het hem niet verbeteren zou."
+
+De gevangen Rattenbevers, die ik onder mijn hoede heb gehad, bleven
+met korte tusschenpoozen gedurende den geheelen dag in het water of
+aan den oever, rustten hoogstens in de middaguren en waren vooral tegen
+den avond bijzonder druk in de weer. Zij toonden begaafdheden, die men
+niet bij hen verwacht zou hebben. Hoewel zij zich niet bijzonder vlug
+en ook niet lang achtereen bewegen, geven zij toch voldoende bewijzen
+van kracht en behendigheid. Den naam "Bever" dragen zij niet geheel
+te recht, want zij gelijken door hun aard en door de wijze, waarop zij
+zwemmen, meer op Waterratten dan op Bevers. Zoolang zij niet verontrust
+worden, zwemmen zij gewoonlijk rechtuit, waarbij het achterlijf diep
+onder, de kop daarentegen tot op twee derde van zijn hoogte boven
+het water wordt gehouden, terwijl de staart gestrekt is. Alleen de
+achterpooten dienen voor het roeien; de voorpooten nemen aan dezen
+arbeid evenmin deel als bij den Bever.--De stem van den Coïpoe bestaat
+uit een klagend geluid, dat niet onaangenaam klinkt, als loktoon
+dient en door zijne soortgenooten beantwoord wordt; men hoort het
+dikwijls. Als het dier vertoornd of gestoord wordt, geeft het zijn
+ontevredenheid door een verdrietig geknor of gebrom te kennen.--Het
+liefste voedsel van den Rattenbever is gras; hij versmaadt echter geen
+wortels, knollen, bladen en zaden; in de gevangenschap lust hij ook
+wel brood; voorts eet hij met smaak dierlijk voedsel, b.v. Visschen;
+ook in dit opzicht gelijkt hij op de Ratten en niet op de Bevers. Van
+boomschors is hij, naar 't schijnt, geen liefhebber. Het gras wordt
+door hem op een behendige wijze afgegraasd en niet bij stukjes en
+beetjes afgeknabbeld; het voedsel dat men hem toewerpt, wordt met
+de voorpooten gegrepen en naar den mond gebracht. Bij 't naderen
+van den winter neemt de gevangen Rattenbever voorzorgsmaatregelen;
+zij trachten daar, waar zulks mogelijk is, groote holen te graven. In
+korten tijd maken zij diepe gangen en voorzien de hierbij behoorende
+kamer met een zacht bekleedsel, door een deel van het voedsel, dat
+hun wordt toegeworpen, vooral gras, in hun hol te sleepen.
+
+De verzorging van den Rattenbever is een eenvoudige zaak; men kan
+hem gemakkelijk en goedkoop van voedsel voorzien; daar de teelt van
+deze dieren geen bezwaren oplevert, kan aan iederen liefhebber van
+dieren, die een voor dit doel geschikte ruimte heeft, het houden
+van deze Knaagdieren aanbevolen worden. Het zou zelfs wel de moeite
+waard zijn, een proef te nemen met het plaatsen van een kolonie van
+4 of 5 Rattenbevers in een goed beveiligd bosch, waarin een vijver
+of een langzaam stroomend water voorkomt en waar voldoende gras te
+vinden is. Op grond van de reeds verkregen ervaringen geloof ik,
+dat deze dieren hier genoeg voedsel zouden vinden en dat zij zich
+ook wel gedurende den winter zouden redden, zonder aan het bosch of
+aan den landbouw een eenigszins belangrijke schade toe te brengen.
+
+Wegens zijn uitmuntende vacht wordt dit dier ijverig vervolgd. In
+het jaar 1827 werden, volgens officieele opgaven van het tolkantoor
+te Buenos Ayres, 300.000 Rattenbevervellen door de provincie
+Entre-Rios uitgevoerd; de uitvoer van dit artikel is later nog sterk
+toegenomen. Tegenwoordig komen ongeveer 1 1/2 millioen vellen van
+Rattenbevers in den handel, waarvan ongeveer twee derde, de geringste
+soort, voor de viltbereiding dienen; de overige lang- en dichtharige
+vellen worden door het uitplukken van het bovenhaar voorbereid
+om tot garneering van pelzen te dienen; ten deele behouden zij hun
+natuurlijke kleur, ten deele worden zij kunstmatig geverfd. Het witte,
+welsmakende vleesch van den Rattenbever wordt op vele plaatsen door de
+inboorlingen gegeten, in andere gewesten maakt men er geen gebruik van.
+
+In Buenos Ayres wordt de Rattenbever meestal met bepaaldelijk voor dit
+doel afgerichte Honden gejaagd; deze zoeken het dier in 't water op en
+brengen het binnen het schot van den jager, of dooden het zelf, hoewel
+het groote Knaagdier zich moedig en krachtdadig te weer stelt. Op de
+ondiepste gedeelten van de plassen, waarin het zich ophoudt, en vóór
+zijn hol plaatst men klemmen.
+
+
+
+In Afrika komen Schijnratten voor, die, wat het uitwendige betreft,
+niet ongelijk zijn aan den Rattenbever. De _Rietrat_ (_Aulacodes
+swinderianus_) is een gedrongen gebouwd dier met kleinen kop, korten
+en breeden snuit, kleine, onbehaarde, halfcirkelvormige ooren en korte
+voeten, die ieder vier teenen en een knobbeltje op de plaats van den
+duim hebben. Haar vacht bestaat uit gladde, stekelachtige borstels met
+buigzame spits, die van onderen aschgrauw, in het midden donkerder en
+aan de spits, die meestal door een bruinachtig gelen ring voorafgegaan
+wordt, zwart zijn. Voorzoover bekend, strekt het verbreidingsgebied
+van de Rietrat zich van Oost-Afrika zuidwaarts tot aan het Kaapland
+uit, en omvat het aan de westkust zoowel Opper- als Neder-Guinea. Dit
+dier houdt zich in de nabijheid van het water op; bij voorkeur kiest
+het dichte gras-, riet- en biesbosschen en verward dooreengroeiende
+struiken aan den waterkant tot woonplaats. Zijn voedsel bestaat uit
+grassen, wortels en knollen, die het in voldoende hoeveelheid aan
+den oever van het water en in de vochtige laaglanden vindt. Drummond
+zegt, dat de Rietratten zeer schadelijke dieren zijn, die vooral in
+de suikerriet- en maïsplantages groote verwoestingen kunnen aanrichten
+en daarom in bebouwde streken ijverig vervolgd worden.
+
+Bovendien wordt op de Rietrat jacht gemaakt zoowel door de inboorlingen
+als door de Europeanen, omdat haar vleesch welsmakender is dan dat
+van eenig ander Afrikaansch Zoogdier.
+
+
+
+Eerst in de laatste zestig jaren is men nauwkeuriger bekend geworden
+met de leden eener kleine familie van Amerikaansche Knaagdieren, welker
+vellen reeds sinds overouden tijd door de oorspronkelijke bewoners van
+Zuid-Amerika gebruikt worden, en die men sedert het einde van de vorige
+eeuw bij groote partijen naar Europa vervoert. Naar den vaderlandschen
+naam van het meest bekende, hiertoe behoorende geslacht (_Eriomys_
+= "Wolmuis") noemt men ze gewoonlijk allen te zamen _Chinchilla_'s
+(volgens den uitspraak Tsjintsjilla's). Aan den naam van een ander
+geslacht (_Lagostomus_ = "Haasbek") is de wetenschappelijke naam
+van de familie (_Lagostomidae_) ontleend. De naam _Haasmuizen_, die
+soms aan deze familie gegeven wordt--en ook wel meer bepaaldelijk
+tot aanduiding van een derde hiertoe behoorend geslacht (_Lagidium_
+= "Haasje") dient--geeft te kennen, dat men deze dieren, wat hun
+uitwendig voorkomen betreft, als overgangsvormen tusschen de Hazen
+en de Muizen kan beschouwen. Werkelijk zou men den indruk, die hun
+oppervlakkige beschouwing wekt, op de beste wijze kunnen weergeven,
+door ze "Konijnen met langen, ruigen staart" te noemen. Door hun gebit
+onderscheiden zij zich echter zeer duidelijk van de Hazen en naderen
+zij meer tot de Halfhoevigen. Zij hebben n.l. snijtanden die van voren
+glad (ongegroefd) zijn, en in elke kaakhelft een reeks van 4 kiezen
+met open wortels; de reeks van de linkerzijde loopt niet evenwijdig
+aan die van de rechterzijde maar nadert haar naar voren.--Van alle
+Zoogdieren hebben deze knaagdieren de fijnste vacht. Haar kleur is
+licht grijs, afwisselend met wit en zwartbruin of geel.
+
+Alle Chinchilla's bewonen Zuid-Amerika; voor 't meerendeel leven zij
+in het gebergte, waar zij zelfs op groote hoogte n.l. tusschen de kale
+rotsen in de nabijheid van de sneeuwgrens gevonden worden; slechts één
+soort komt in de vlakte voor. Zij houden zich op in holen, die door
+de natuur gevormd of door haar zelf gegraven zijn. Alle zijn gezellig,
+sommige soorten bewonen familiesgewijs eenzelfde hol. Afkeerig van 't
+licht, evenals de Hazen, vertoonen zij zich het meest in de schemering
+of in den nacht. Het zijn snelle, beweeglijke, behendige, schuwe en
+vreesachtige dieren; ook door hare bewegingen gelijken zij zoowel
+op de konijnen als op de Muizen. Het gehoor is, naar het schijnt,
+van alle zinnen het best ontwikkeld. Haar verstand is gering. Haar
+voedsel bestaat uit wortels en korstmossen, bollen en schors; doch ook
+wel uit vruchten. Haar vermenigvuldiging is ongeveer even sterk als
+die der Hazen. Zij schikken zich zeer goed in de gevangenschap en zijn
+aantrekkelijk door hare zindelijkheid en tamheid. Verscheidene soorten
+richten schade aan, of worden althans lastig voor den mensch door haar
+woelen in den grond: alle zijn echter nuttig door haar vleesch en vel.
+
+
+
+De _Chinchilla_'s (_Eriomys_), die het eerste geslacht van deze
+familie vormen, onderscheiden zich van hare verwanten door haar
+dikken kop, die breede, afgeronde ooren draagt, door voorvoeten met
+vijf, en achtervoeten met vier teenen en door de vacht, die uit lang,
+buitengewoon zacht en zijdeachtig haar bestaat. Van dit geslacht zijn
+slechts twee soorten bekend, de _Chinchilla_ (_Eriomys chinchilla_)
+en de _Wolmuis_ (_Eriomys lanigera_). De eerstgenoemde wordt 30
+cM. lang zonder den staart, die zonder de haren 13 cM., met de haren
+echter 20 cM. lang is. De gelijkmatige, fijne, buitengewone zachte
+haren zijn op den rug en aan de zijden meer dan 2 cM. lang; ieder
+haar is van onderen donker blauwgrijs, verderop met breede, witte
+ringen geteekend en aan de spits donkergrijs. Hierdoor verkrijgt de
+vacht een zilvergrijze kleur met een donker waas. De onderdeelen en
+de voeten zijn zuiver wit; de staart heeft aan de bovenzijde twee
+donkere strooken. De oogen zijn groot en zwart.
+
+Reeds ten tijde van de Inca's verwerkten de Peruanen het fijne,
+zijdeachtige haar van de Chinchilla tot doeken en dergelijke gewilde
+stoffen. In de vorige eeuw kwamen de vellen dezer dieren voor 't eerst,
+als een groote zeldzaamheid, over Spanje naar hier; thans zijn zij
+een gewoon handelsartikel geworden.
+
+De reiziger, die, uitgaande van de westkust van Zuid-Amerika,
+de Cordilleras beklimt, ziet wanneer hij een hoogte van 2 à
+3000 M. bereikt heeft, alle rotsen dikwijls over een afstand van
+verscheidene mijlen bedekt door echte Chinchilla's en door twee
+soorten van een ander geslacht dezer familie. In Peru, Bolivia en Chili
+moeten deze dieren buitengewoon veelvuldig zijn; daar uit de berichten
+van reizigers blijkt, dat zij er op één dag duizenden voorbijgegaan
+zijn. Zelfs op klaarlichten dag ziet men de Chinchilla's voor hare
+holen zitten, nooit echter aan de zonzijde der rotsen, maar altijd
+in de diepste schaduw. Nog veelvuldiger merkt men ze in de ochtend-
+en avonduren op. Zij verlevendigen dan het gebergte en vooral de hooge
+kammen in onvruchtbare, steenachtige en rotsachtige gewesten, waar de
+plantengroei zich slechts op de armoedigste wijze vertoont. Juist op
+deze schijnbaar geheel kale rotswanden houden zij zich het meest op;
+hier ziet men hen buitengewoon vlug en druk zich bewegen. Met een
+merkwaardige gemakkelijkheid klauteren zij op en neer langs wanden,
+die schijnbaar in 't geheel geen steunpunten opleveren. In loodrechte
+richting klimmen zij 6 à 10 M. hoog, zoo behendig en vlug, dat men
+ze met het oog nagenoeg niet volgen kan. Hoewel zij niet bepaald
+schuw zijn, laten zij toch niemand tot op korten afstand naderen;
+zij verdwijnen oogenblikkelijk, zoodra men aanstalten maakt om hen
+te vervolgen.
+
+Ofschoon de Chinchillas zich in den Londenschen dierentuin
+vermenigvuldigd hebben, zijn de mededeelingen over haar voortplanting
+nog zeer onvolledig. In haar vaderland heeft men in alle tijden van
+het jaar drachtige wijfjes gevonden; de inboorlingen zeggen, dat het
+aantal jongen in één worp van 4 tot 6 afwisselt. In Amerika wordt de
+Chinchilla vaak getemd; naar Europa komt zij niet dikwijls in levenden
+toestand. De bevalligheid van hare bewegingen, haar zindelijkheid en de
+gemakkelijkheid waarmede zij zich in haar lot schikt, verschaffen haar
+spoedig de vriendschap van den mensch. Zij toont zich zoo argeloos en
+goedvertrouwend, dat men haar vrij in huis en in de kamer kan laten
+rondloopen. Alleen door haar nieuwsgierigheid wordt zij lastig;
+want zij onderzoekt alles, wat zij op haar weg vindt, zelfs de
+gereedschappen die hoog boven den bodem opgehangen of neergelegd
+zijn, omdat het voor haar een kleinigheid is bij tafels en kasten
+op te klimmen. Niet zelden springt zij plotseling op het hoofd of op
+de schouders van een der huisgenooten. Hare verstandelijke vermogens
+staan ongeveer op één lijn met die van ons Konijn of van het Guineesch
+Biggetje.
+
+In vroegeren tijd is de Chinchilla, naar men meent, ook in lagere
+bergstreken tot op de hoogte van den zeespiegel even veelvuldig
+geweest, als zij nu op groote hoogten is; thans vindt men ze in de
+lager gelegen oorden slechts op enkele plaatsen en steeds eenzaam
+levend. De aanhoudende vervolging, waaraan zij wegens de kostbaarheid
+van haar vel is blootgesteld, heeft haar naar de hoogten de wijk
+doen nemen. De Europeanen schieten haar nu en dan met het geweer of
+met den handboog; deze wijze van jagen is echter met het oog op het
+voordeel altijd onzeker, want als een Chinchilla niet zóó getroffen
+wordt, dat zij oogenblikkelijk bezwijkt, sluipt zij steeds nog in
+de een of andere rotsspleet en is dan voor den jager verloren. De
+Indianen plaatsen goed bewerkte strikken vóór alle rotsspleten en
+zamelen den volgenden morgen de Chinchillas in, die zich hebben laten
+vangen. Bovendien verstaan zij meesterlijk de kunst om de Peruaansche
+Wezel te temmen en voor de jacht op Chinchillas af te richten; zij
+gebruiken dezen bondgenoot op dezelfde wijze als onze jagers het Fret.
+
+In het noorden en midden van Chili wordt de Chinchilla door de
+_Wolmuis_ vervangen. Door haar levenswijze komt deze soort, naar
+het schijnt, geheel met de vorige overeen; ook zij is ongeveer van
+dezelfde gestalte en heeft een nagenoeg gelijke kleur. Zij is echter
+veel kleiner, want haar totale lengte bedraagt hoogstens 35 à 40 cM.,
+waarvan ongeveer een derde afgetrokken moet worden voor den staart. De
+dicht bijeen geplaatste, zachte haren worden op den rug 2 cM., op het
+achterstel en de zijden 3 cM. lang. Haar kleur is licht aschgrauw,
+met een donkerder tint gesprenkeld.
+
+Hoewel reeds in zeer oude reisbeschrijvingen van de Wolmuis melding
+wordt gemaakt, kwamen eerst sinds betrekkelijk korten tijd op het
+herhaald aandringen van natuuronderzoekers eenige schedels en later
+ook levende exemplaren van dit dier naar Europa. In het jaar 1829 kwam
+er één levend te Londen en werd door Bennett onderzocht. Het was een
+zeer zachtaardig schepsel, dat evenwel nu en dan, als het niet goed
+gehumeurd was, dit door pogingen om te bijten toonde. Zelden was
+zij zeer opgewekt en slechts enkele keeren zag men hare zonderlinge
+sprongen. Gewoonlijk zat zij op haar achterkwartier, hoewel zij zich
+ook op hare achterpooten kon oprichten en in deze houding kon blijven
+staan; het voedsel bracht zij met de voorpooten naar den mond. In
+den winter moest men haar in een matig verwarmde kamer brengen en
+haar woning met een stuk flanel voeren.
+
+De waarnemingen, die ik zelf aan een gevangen Wolmuis heb kunnen
+doen, leverden uitkomsten op, welke met de mededeelingen van
+Bennett overeenstemmen. Aan mijn gevangene merkte ik echter op,
+dat zij meer nachtdier dan dagdier is. Wel was zij ook over dag
+wakker, maar alleen, als zij gestoord werd. Het licht ontwijkt zij;
+men zou zelfs zeggen, dat het haar angstig maakt; altijd zoekt zij
+trouwens de donkerste plaatsen op. Hier blijft zij met ineengetrokken
+lichaam stil zitten. Een hol wordt onmiddellijk als toevluchtsoord
+gebruikt. Haar stem, een scherp geknor, ongeveer als dat van een
+Konijn, hoort men alleen, als men haar aanraakt. Ongaarne laat zij dit
+toe, ook tracht zij zich, als zij gegrepen wordt, door plotselinge,
+springende bewegingen te bevrijden; nooit tracht zij zich echter met
+haar gebit te verdedigen. Aan hooi en gras geeft zij boven ieder ander
+voedsel de voorkeur. Zaden versmaadt zij, naar het schijnt; sappige
+wortels raakt zij bijna niet aan. Of zij drinkt is niet uitgemaakt:
+men zou bijna zeggen, dat zij alle drank ontberen kan.
+
+De Zuid-Amerikanen houden zeer veel van het vleesch van beide
+soorten van Chinchilla's en ook Europeesche reizigers hebben er,
+naar het schijnt, smaak in gevonden, hoewel zij zeggen, dat het de
+vergelijking met dat van onzen Haas niet kan doorstaan. Trouwens
+de bruikbaarheid van het vleesch van deze dieren is voor den jager
+bijzaak, het voordeel moet komen van het vel.
+
+In den pelterij-handel wordt onderscheid gemaakt tusschen de vellen
+van de groote, "echte" Chinchilla's en die van de kleine, kortharige
+"Bastaard-Chinchilla's"; de eerstgenoemde brengen f 9 à f 15, de
+laatstgenoemde slechts f 0.60 à f 3 per stuk op. Van gene komen ieder
+jaar 20,000, van deze 200,000 stuks in den handel.
+
+
+
+De _Haasmuizen_ (_Lagidium_) onderscheiden zich van de eigenlijke
+Wolmuizen door de veel langere ooren, door den staart, die even lang
+als het lichaam en aan de bovenzijde ruig behaard is en door de zeer
+lange snorren. In levenswijze komen deze dieren nagenoeg volkomen
+overeen. Men kent van dit geslacht tot dusver slechts twee soorten
+met zekerheid; beide leven op de hoogvlakten der Cordilleras en wel
+dicht onder de grenzen van de eeuwigdurende sneeuw, tusschen kale
+rotsen, op een hoogte van 3000 à 5000 M. boven den zeespiegel. Zij
+zijn even gezellig, even vlug en behendig als de Wolmuizen, openbaren
+dezelfde eigenaardigheden en voeden zich met dezelfde of althans met
+soortgelijke planten.
+
+De op deze pag. afgebeelde _Haasmuis_-soort (_Lagidium Cuvieri_)
+bewoont de hoogvlakten van 't zuiden van Peru en Bolivia en heeft
+ten naaste bij de gestalte en de grootte van een Konijn. Haar vacht
+is zeer zacht en langharig; de kleur is aschgrauw, aan de zijden een
+weinig meer naar geel overhellend.
+
+De andere Haasmuis-soort bewoont Ecuador en het noordelijk gedeelte
+van Peru.
+
+
+
+De vertegenwoordiger van het derde geslacht, de _Viscacha_ (_Lagostomus
+trichodactylus_), gelijkt meer op de Chinchilla dan op de leden van
+het vorige geslacht. Zij heeft een tamelijk dicht haarkleed, dat aan de
+bovenzijde uit gelijkmatig verdeelde, grijze en zwarte haren bestaat,
+waardoor de rug er tamelijk donker uitziet; de onderdeelen zijn wit
+behaard, evenals de binnenzijde van de pooten. Zonder den staart is
+het lichaam 50, met dezen 68 cM. lang.
+
+De Viscacha vertegenwoordigt haar familie ten oosten van de Andes;
+zij bewoont thans de Pampas van Buenos Aires tot Patagonië. Toen de
+bodem nog niet zoo ver ontgonnen was als nu, kwam zij ook in Paraguay
+voor. Waar deze dieren tegenwoordig nog gevonden worden, is hun aantal
+zeer groot. Op verscheidene plaatsen treft men ze zóó veelvuldig
+aan, dat overal, doch nooit over dag, aan weerszijden van den weg,
+die men volgt, geheele troepen zichtbaar zijn. Zij houden zich in de
+eenzaamste en minst bebouwde gewesten op, doch naderen de ontginningen
+tot op korten afstand; de reizigers kunnen zelfs uit het groot aantal
+"viscachera's" (of woningen van de Viscacha) langs hun weg afleiden,
+dat de Spaansche volkplantingen niet ver meer zijn.
+
+Schraal begroeide en voor een groot deel kale, dorre vlakten zijn het
+erf van de Viscacha; hier heeft zij hare uitgestrekte, onderaardsche
+woningen, bij voorkeur in de nabijheid van kreupelboschjes en op
+geringe afstand van bebouwde velden. De holen worden gemeenschappelijk
+gegraven en ook gemeenschappelijk bewoond; zij hebben een menigte
+galerijen en vluchtgangen, dikwijls wel 40 à 50, en zijn van binnen in
+verscheidene kamers verdeeld, al naar de talrijkheid van de familie,
+die zich hier metterwoon heeft gevestigd. Het aantal familieleden kan
+klimmen tot 8 à 10; daarna verlaat echter een deel van de familie de
+oude woning en legt een nieuwe aan, liefst in de nabijheid van de
+vorige. Bovendien kan het voorkomen, dat de Holen-uil, die wij als
+commensaal van de Prairie-honden hebben leeren kennen, ook hier zich
+vestigt en zonder veel plichtplegingen het een of ander hol in bezit
+neemt. De zindelijke Viscacha's dulden nooit een huisgenoot, die niet
+evenzeer als zij op netheid gesteld is en zoeken oogenblikkelijk
+een ander kwartier op, wanneer een van de indringers haar door
+onzindelijkheid last aandoet. Hierdoor wordt het verklaarbaar,
+waarom de bodem dikwijls over een uitgestrektheid van een vierkante
+mijl geheel en al ondermijnd is. Over dag ligt de geheele familie
+verborgen in haar woning, omstreeks zonsondergang komen enkele leden
+van het gezin te voorschijn, en zoodra de schemering aanbreekt, heeft
+een meer of minder talrijk gezelschap zich voor de uitgangsopeningen
+verzameld. Nadat deze dieren door een zorgvuldig onderzoek tot de
+overtuiging zijn gekomen, dat hun geen gevaar bedreigt en geruimen
+tijd in de nabijheid van het hol rondgezworven hebben, begeven zij
+zich op weg om voedsel te zoeken.
+
+De Viscacha's gelijken door de wijze, waarop zij zich bewegen, veel
+op onze Konijnen, die haar wel wat snelheid betreft aanmerkelijk
+overtreffen; maar minder opgewekt, vroolijk en tot spelen geneigd
+zijn. Terwijl zij aan 't grazen zijn, maken zij voortdurend grappen,
+loopen haastig rond, springen knorrend over elkander heen, wisselen
+begroetingen met den snuit enz. Evenals de Jakhals en de Poolvos
+nemen zij de meest verschillende voorwerpen, die zij bij het bezoeken
+van hare weideplaatsen vinden, naar hare holen mede en stapelen deze
+voor de ingangsopening in bonte verwarring opeen, als 't ware om als
+speelgoed te dienen. Zoo vindt men beenderen en vodderijen, koedrek en
+toevallig verloren geraakte voorwerpen, die voor haar zeer zeker in
+'t geheel niet dienstig kunnen zijn, voor hunne holen opeengehoopt;
+de Gauchos gaan derhalve, als zij iets missen, naar de naastbijgelegen
+viscachera's om daar het verlorene te zoeken. Uit hunne woningen
+verwijderen deze dieren zorgvuldig al wat er niet in behoort, ook de
+lijken van hunne soortgenooten. Het is nog niet uitgemaakt, of zij
+in hun hol voorraad voor den winter bijeenbrengen. Hun stem bestaat
+uit een zonderling, niet nader te omschrijven, luid en onaangenaam
+klinkend gesnuif en geknor.
+
+Over de voortplanting is tot dusver niets met zekerheid bekend. Men
+zegt, dat de wijfjes 2 à 4 jongen werpen en dat deze na 2 à 4 maanden
+volwassen zijn. Göring zag steeds niet meer dan één jong bij de oude
+Viscacha's. Het bleef voortdurend in de onmiddelijke nabijheid van zijn
+moeder. Deze behandelt het, zoover men kon nagaan, met veel liefde
+en verdedigt het in tijden van gevaar. Als men deze jongen vangt en
+zich met hen bemoeit, worden zij tam; evenals onze Konijnen, kan men ze
+zonder moeite in 't leven houden. Hier en daar treft men in Europeesche
+diergaarden levende Viscacha's aan; die van den Frankforter dierentuin
+was steeds stompzinnig, brommig en met boosaardige woede bezield.
+
+De Viscacha's worden vervolgd, niet zoo zeer wegens de waarde van
+haar vleesch en vel, als wel wegens den last, dien zij door haar
+woelen in den grond veroorzaken. Op de plaatsen waar zij veelvuldig
+zijn, gaat het rijden werkelijk met levensgevaar gepaard, omdat de
+Paarden dikwijls door de aardlaag, die hare dicht bij de oppervlakte
+gelegen gangen bedekt, heentrappen, waardoor zij in 't gunstigste
+geval schichtig worden, zoo zij niet vallen en daarbij hun berijder
+afwerpen of zelve de pooten breken. De bewoners van het vaderland
+der Viscacha's herkennen de viscacheras reeds van verre aan de
+aanwezigheid van een kleine, wilde, bittere meloen, die misschien
+een lievelingsspijs van deze dieren is. De bedoelde plant komt op
+plaatsen waar vele viscacheras zijn, geregeld voor; het is ook wel
+mogelijk, dat, omgekeerd, de holen aangelegd worden daar, waar de
+genoemde planten in alle richtingen hare groene ranken over den bodem
+uitbreiden. De gevaarlijkste plaatsen kunnen dus vermeden worden, door
+op dit kenteeken te letten. Met alle mogelijke middelen tracht men
+de Viscacha's uit de nabijheid van de volksplantingen te verdrijven;
+men wendt in den letterlijken zin van 't woord vuur en water aan om
+ze uit te roeien. Het gras om hare holen wordt in brand gestoken om
+haar het voedsel te ontnemen; hare holen worden onder water gezet en
+zij zelf hierdoor gedwongen om naar buiten te vluchten, waar de op
+de loer liggende Honden haar weldra te pakken hebben.
+
+De Indianen eten het vleesch van de Viscacha en maken ook wel gebruik
+van haar vel, ofschoon dit een veel geringere waarde heeft dan dat
+der vroeger genoemde soorten.
+
+
+
+Aan het einde van de orde der Knaagdieren plaatsen wij de _Hazen_
+(_Leporidae_); zij vormen een familie die zoo vele eigenaardigheden
+vertoont, dat er reden zou zijn om haar den rang van onderorde toe te
+kennen. Zij zijn de eenige leden van de geheele orde, die meer dan twee
+snijtanden in de bovenkaak hebben; want achter de scherpe en breede
+knaagtanden staan nog twee echte snijtanden: kleine, stompe, bijna
+vierzijdige stiften. Hierdoor verkrijgt het gebit een zóó eigenaardig
+voorkomen, dat de Hazen in dit opzicht geheel alleen staan. Bovendien
+komen in elke kaakhelft 5 of 6, ieder uit twee platen samengestelde,
+wortellooze kiezen voor. De algemeene kenmerken van de Hazen zijn: een
+in de lengte gerekt lichaam met lange achterpooten, een lange, smalle
+kop met groote ooren en oogen, vijf teenen aan de voorpooten, vier aan
+de achtervoeten, dikke, zeer beweeglijke, diep gespleten lippen met
+dikke snorharen aan weerszijden en een dicht, bijna wollig haarkleed.
+
+Hoewel deze familie slechts een gering aantal soorten omvat,
+is zij toch over een groot deel der aarde verbreid. Alleen in het
+Australische rijk zouden de Hazen ontbreken, indien zij er niet door
+den mensch ingevoerd waren; thans echter zijn over Nieuw-Holland en
+Nieuw-Zeeland twee soorten ver verbreid. De Hazen komen voor in alle
+klimaten, in vlakten en gebergten, in open velden en rotsspleten,
+op en onder den grond, kortom overal; daar waar de verbreiding van de
+eene soort ophoudt, begint die van een andere; de landstreek waar deze
+zich niet op haar plaats gevoelt, vindt in gene een tevreden bewoner.
+
+Alle voeden zich vooral met de zachte en sappige deelen der planten,
+doch eigenlijk versmaden zij er geen enkel deel van, voor zoover zij
+het bereiken kunnen. Zij verslinden de planten van den wortel tot aan
+de vruchten, ofschoon zij bij voorkeur gebruik maken van de bladen
+van laag groeiende kruiden. De meeste leven op een beperkte schaal
+gezellig en blijven trouw aan de eens gekozen of hun toebedeelde
+woonplaats. Hier liggen zij over dag verborgen in een ondiepen kuil
+of een hol in den grond, des nachts daarentegen zwerven zij rond om
+voedsel te zoeken. Zij rusten, strikt genomen, alleen gedurende de
+middaguren en loopen, als zij zich veilig gevoelen, ook 's morgens
+en 's avonds bij helderen zonneschijn rond. Zij hebben een zeer
+eigenaardige bewegingswijze. De spreekwoordelijke snelheid van den
+Haas openbaart zich alleen, wanneer hij al zijne krachten inspant;
+bij het langzaam gaan beweegt hij zich op een zeer logge en onbeholpen
+wijze, daar de lange achterpooten een gelijkmatigen gang moeilijk
+maken. Zij kunnen echter ook gedurende den snelsten loop allerlei
+wendingen maken en geven in dit geval bewijzen van een behendigheid,
+die men bij hen niet verwacht zou hebben. Zij vermijden het water,
+ofschoon zij in geval van nood ook rivieren overzwemmen.
+
+Onder hunne zinnen staat ongetwijfeld het gehoor bovenaan; het bereikt
+hier een ontwikkeling zooals bij weinige andere dieren, en ongetwijfeld
+bij geen der Knaagdieren, voorkomt; de reuk staat op een lageren trap,
+maar is ook niet zwak; het gezicht is tamelijk scherp. Hun stem bestaat
+uit een dof geknor en, als zij angstig zijn, uit een luid, klagelijk
+geschreeuw. [De tot deze familie behoorende, in bergstreken levende
+Fluithazen (Hamsterhazen of Peka's, _Lagomys_) dragen hun naam te
+recht.] Hun stem, die men trouwens slechts zelden hoort, gaat gepaard
+met een eigenaardig geluid, dat veroorzaakt wordt door het slaan met
+de achterpooten tegen den grond; dit geluid geeft zoowel vrees als
+toorn te kennen en dient als waarschuwend sein. Bij 't nagaan van
+de inborst dezer dieren merkt men verscheidene tegenstrijdigheden
+op. Over 't geheel genomen is het beeld, dat men zich gewoonlijk van
+den Haas vormt, niet juist. Men noemt hem goedaardig, vreedzaam,
+onschuldig en lafhartig; de ervaring leert echter, dat hij ook de
+hieraan tegenovergestelde eigenschappen kan hebben. Nauwgezette
+opmerkers willen van de goedaardigheid der Hazen niets weten, maar
+noemen ze ronduit boosaardig en twistziek in de hoogste mate. Algemeen
+bekend zijn hunne vreesachtigheid, oplettendheid en schuwheid, minder
+bekend de listigheid, die zij allengs verkrijgen en die met de jaren
+tot een werkelijk bewonderenswaardige hoogte kan toenemen. Ook hun
+lafhartigheid is niet zoo erg, als men meent. Stellig doet men hen
+onrecht, wanneer men deze eigenschap zoo op den voorgrond stelt, als
+Linnaeus deed, toen hij den Sneeuwhaas een naam gaf (_Lepus timidus_),
+die hem voor altoos als een lafaard aan de kaak gesteld heeft.
+
+Hoewel het voortplantingsvermogen van de Hazen niet zoo sterk is als
+dat der andere Knaagdieren, is het toch belangrijk genoeg om het oude
+jagersgezegde, dat de Hazen zich in 't voorjaar onder vier oogen naar
+'t veld begeven om in 't najaar met hun zestienen van daar terug te
+keeren, van volle kracht te doen blijven op plaatsen waar 't leven
+onzen Lampe vriendelijk tegenlacht en de vervolging niet al te erg
+is. De meeste Hazen werpen verscheidene malen per jaar jongen, soms
+3 à 6, in enkele gevallen zelfs 11 te gelijk; bijna alle behandelen
+hunne kinderen echter op eene buitengewoon lichtzinnige wijze, waarvan
+het gevolg is, dat er zoovele vroegtijdig sterven. Bovendien worden
+zij wegens hun smakelijk vleesch door een geheel leger van vijanden
+vervolgd; in ieder werelddeel zijn dit andere dieren, maar wat hun
+aantal betreft, bestaat er tusschen het eene deel der aarde en het
+andere niet veel verschil. Voor Duitschland heeft Wildungen de namen
+dezer dieren in een rijmpje bijeengevoegd, dat vrij vertaald ongeveer
+den volgenden inhoud heeft:
+
+
+ Menschen, Honden, Wolven, Lossen,
+ Katten, Marters, Wezels, Vossen,
+ Arend, Ooruil, Havik, Wouwen,
+ Elke Kraai, die wij aanschouwen,
+ Ekster, Raaf niet te vergeten,
+ Ieder, ieder wil hem--eten.
+
+
+Het is wegens de talrijkheid hunner vijanden waarlijk geen wonder,
+dat de Hazen zich aanmerkelijk minder sterk vermenigvuldigen dan
+anders het geval zou zijn; wij mogen ons gelukkig achten, dat dit
+zoo is, daar anders deze Knaagdieren niets op onze akkers zouden
+overlaten. In alle streken waar hun aantal aanmerkelijk toeneemt,
+worden zij een plaag voor het land.
+
+De leden van het geslacht _Haas_ (_Lepus_) onderscheiden zich door
+ooren, die bijna zoo lang zijn als de kop, door de kortheid van den
+duim der voorvoeten, de groote lengte der achterpooten (bijna het
+dubbele van die der voorpooten), het opwaarts gerichte staartstompje,
+en de 6 kiezen in elke bovenkaakshelft (in de onderkaak zijn er 5
+aan elke zijde).
+
+"Lampe", de _Gewone Haas_, een stevig Knaagdier van 75 cM. totale
+lengte, waarvan slechts 8 cM. op den staart komen, en 30 cM. hoogte,
+is een van de beide bij ons inheemsche vertegenwoordigers van
+het Hazengeslacht. Hij bereikt een gewicht van 3 1/2, 4, 5, soms
+van 6 KG., in zeldzame gevallen wordt een oud mannetje 7 of 8,
+ja zelfs 9 KG. zwaar. De afwijkingen van grootte en kleur, die
+men bij onze Hazen opmerkt, en die samengaan met het verschil in
+smaak van hun vleesch, zijn een gevolg van de ongelijkheid van de
+gronden, waarop zij leven, en van het voedsel, dat zij er vinden. Zoo
+wordt b.v. de "Steenhaas," die iets kleiner, lichter van kleur en
+volgens de fijnproevers lekkerder is dan de haas van de kleistreken,
+vooral op heidevelden aangetroffen. Ook spreekt men van Heidehazen,
+Grasbuiken en Duinhazen. De vacht bestaat uit kort wolhaar en lang
+bovenhaar. Van haar kleur kan niet gemakkelijk met weinige woorden
+een voor allen geldige beschrijving gegeven worden. In den regel is
+zij grijsachtig bruin, op den rug donkerder en aan den buik wit, het
+uiteinde der ooren en het bovendeel van den korten staart zijn zwart,
+van onderen is de staart wit, op de schouders en de zijden is de
+kleur bijna geheel ros. In den winter is de kleur altijd eenigszins
+anders dan des zomers; ook vindt men vele kleurverscheidenheden:
+donkere, gevlekte en witte. In den regel is de kleur van den Haas
+voortreffelijk geschikt om dit dier, als het op den grond rust,
+aan de blikken zijner vijanden te onttrekken.
+
+De (of, zooals de jager gewoonlijk zegt, "het") Haas draagt al naar
+geslacht en leeftijd verschillende namen (die voor 't meerendeel ook
+op het Konijn toepasselijk zijn). Het mannetje heet "rammelaar,"
+het wijfje "moerhaas" of "voedster". (Bij de Marters, Bunzingen
+en Wezels, en ook wel bij het Konijn, spreekt men van "ram" of
+"voedster".) "Halfwassen" is het jonge wild, wanneer het ongeveer
+de helft van zijn wasdom heeft bewerkt. "Drieling" noemt men "het"
+Haas, dat voor drie vierde volwassen is. De ooren heeten, volgens de
+"jachtmatige" spreekwijze "lepels", de oogen "spiegels", de kop "bol",
+de pooten "voorloopers" en "achterloopers", de achterbouten of dijen
+"kussens"; het haar wordt "wol", de staart "pluim", de huid "vel"
+genoemd. Voorts zijn ook de volgende termen van belang; "Het" Haas
+en ook het overige "loopend" (viervoetig) wild is aan 't "laveien",
+als het uitgegaan is om "lavei" (voedsel) te zoeken; het "drukt" zich,
+als het zich op den grond verbergt om niet door den jager opgemerkt te
+worden. Het "breekt uit" naar "'t veld" om te "laveien" en "vaart in"
+"het hout", als het de omgekeerde richting volgt om te gaan rusten;
+het volgt daarbij zijne "passen" of "wissels"; het "vaart in" het
+"leger" wanneer het zich begeeft naar de ondiepe uitholling van
+den bodem, waarin het over dag slaapt; het verlaten van het "leger"
+heet "uitvaren"; door de Honden wordt het genoodzaakt het bosch te
+"ruimen". De jager zal het dier "naoogen" ("nawaren"). In het veld,
+"waar het zich drukte," wordt het door den Hond "opgestooten", of
+"opgedaan", d.w.z. het "rijst" bij nadering van den Hond (of van den
+jager), wordt doodelijk getroffen door een "bladschot" (d.i. van ter
+zijde in het schouderblad, in het voorste gedeelte van den romp), maar
+niet onmiddellijk neergeveld door een "weidewond" (in de onedele of
+onderbuiksingewanden); men ziet het "zweet" (bloed); het dier "klaagt"
+(kermt), "sneuvelt", dikwijls na vooraf "genekt" te zijn (wanneer men
+"het" bij de "achterloopers" opgenomen Haas of Konijn doodt door een
+slag met den kant van de rechterhand in den nek), wordt "ontweid"
+(van ingewanden ontdaan), "afgehaald" (gevild) enz.
+
+Geheel Middel-Europa en een klein deel van westelijk Azië vormen het
+vaderland van onzen Haas. In het zuiden wordt hij vervangen door een
+soort van iets geringere grootte en meer rosse kleur, den Haas van
+'t Middellandsche-zee-gebied, op de hoogste gedeelten der Alpen en in
+het hooge noorden door den Sneeuwhaas. De Alpenhaas en de Sneeuwhaas
+zijn misschien verschillende soorten, hoewel zij onderling veel
+overeenkomst vertoonen. Onze Haas bereikt de noordelijkste grens
+van zijn verbreidingsgebied in Schotland, in 't zuiden van Zweden,
+in Noord-Rusland (op ongeveer 65 à 70° N.B.), de zuidelijkste
+grens in 't zuiden van Frankrijk en in 't Noorden van Italië. In
+Siberië werd hij nog niet aangetroffen. Binnen het genoemde gebied
+komt hij, zooals licht te begrijpen is, niet overal even veelvuldig
+voor. Hoewel de beperking van het aantal Hazen door de jacht, wegens
+de zeer verschillende wijzen, waarop de jacht wordt uitgeoefend,
+zeer ongelijkmatig geschiedt, spreekt het wel van zelf, dat deze
+dieren zich bij voorkeur ophouden in de vruchtbaarste gewesten,
+vooral in vlakten waar landbouw en veeteelt bloeien en waar bovendien
+geen gebrek is aan schuilplaatsen, b.v. struiken en kreupelhout. In
+gewesten, die grootendeels met bosschen bedekt zijn, komen zij
+minder overvloedig voor; in uitgestrekte wouden zijn zij betrekkelijk
+zeldzaam. Een golvend, heuvelachtig terrein vermijden zij niet geheel;
+hoogere bergstreken zijn echter arm aan Hazen. Hoewel zij in den
+Kaukasus nog voorkomen op 2000 M. en in de Alpen op 1600 M. hoogte,
+worden zij toch in het Beiersche Oberland reeds op 1000 M. hoogte
+slechts bij uitzondering aangetroffen; boven deze grens worden zij al
+spoedig vervangen door den Sneeuwhaas. Duidelijk geeft de Gewone Haas
+aan gematigde gewesten de voorkeur boven die, waar een ruw klimaat
+heerscht. Omdat hij van de warmte houdt, vestigt hij zich het liefst
+in velden, die onder den wind liggen en tegen de koudste winden beschut
+zijn. De pogingen die men gedaan heeft, om hem in noordelijker gewesten
+inheemsch te doen worden, zijn mislukt. Oude rammelaars zijn minder
+kieskeurig, wat hun woonplaats betreft, dan voedsters en jonge Hazen;
+gene maken zich dikwijls een leger in het struikgewas, in rietvelden
+en in hoog gelegen, boschachtige bergstreken; terwijl de andere bij
+de keuze van hun leger altijd zeer zorgvuldig te werk gaan.
+
+Over het algemeen is de Haas meer nachtdier dan dagdier, hoewel
+men hem op heldere zomerdagen 's avonds reeds vóór zonsondergang en
+'s morgens nog na zonsopgang in het veld ziet rondzwerven. Hoogst
+ongaarne verlaat hij de plaats waar hij geboren en getogen is. De
+jongen zijn gehecht aan de plek, waar zij het eerste levenslicht
+hebben aanschouwd; in het oude leger vertoeven zij ook op lateren
+leeftijd nog gaarne. Een der wijfjes-jongen vestigt zich daar veelal,
+maar heeft bovendien nog een paar andere nesten. De Haas heeft altijd
+meer dan één leger; wordt hij in 't eene ontdekt dan trekt hij naar een
+ander. Na den dood van de voedster; die het ouderlijk leger bewoonde,
+wordt deze schuilplaats al zeer spoedig, soms reeds den volgenden
+dag, door een anderen jongen moerhaas ingenomen, die er vermoedelijk
+insgelijks geboren is. Een natuurdrift schijnt de wijfjes aan deze plek
+te binden. Door allerlei tegenspoeden, gebrek aan voedsel, vervolging
+enz. worden zij dikwijls gedwongen ver van haar leger rond te zwerven;
+zij keeren er echter in terug, als de paartijd nadert. De rammelaar
+schijnt minder gehecht te zijn aan den geboortegrond, doch ook hij
+zoekt dezen in den herfst weer op. Dit geschiedt steeds, als de rust
+van den Haas niet of niet te veel verstoord wordt; voor een te lang
+aanhoudende vervolging neemt hij voor goed de wijk naar andere oorden.
+
+De neiging van de Hazen om steeds terug te keeren naar de woonplaats
+hunner voorouders en dezer eigenaardige levenswijze aan te nemen,
+geeft aanleiding tot het onderscheiden van verscheidenheden, die door
+woonplaats en gewoonten van elkander verschillen. Zoo spreekt men
+o.a. van Veldhazen, Boschhazen, Woudhazen en Berghazen. De "Veldhaas"
+houdt zich meestal in 't bouwland op en verschuilt zich bij droog en
+stil weder onder de te velde staande, groeiende of reeds verdroogde
+gewassen. Als 't regent, verlaten zij echter dit leger en zoeken,
+daar zij den regen boven den drop verkiezen, hun toevlucht op het
+opene, kale land. Daar de jager ze hier gemakkelijker kan vinden
+zal de jacht gedurende het regenachtige weer, dat meestal tegen het
+einde van den jachttijd invalt, niet zelden gelukkig zijn. Als de
+oogst op den door den Haas bewoonden akker aanvangt, begeeft hij zich
+naar andere plaatsen, waar graan, rapen, kool of dergelijke planten
+verbouwd worden. Hij eet klaver, jonge graangewassen, distels, kool
+en koolzaad; gele of roode wortelen, die hij met de pooten loswoelt,
+zijn voor hem een lekkernij; ook allerlei wilde planten in het bouwland
+en in de venen eet hij met smaak. Zijn lievelingskost schijnt echter
+peterselie te zijn. In het laatste gedeelte van den herfst vestigt
+hij zich bij voorkeur in een braak liggend land, dat reeds eenigen
+tijd geleden werd omgeploegd, of op een niet al te vochtigen, met
+biezen begroeiden grond of op een koolzaadakker. Het winterkoren en
+het winterkoolzaad maken nu zijn hoofdvoedsel uit. Zoolang er weinig
+of geen sneeuw ligt, verandert hij niet van leger. 's Nachts bezoekt
+hij de tuinen, waar hij kool kan vinden. Wanneer er veel sneeuw
+valt, laat hij zich in zijn leger insneeuwen, maar gaat, zoodra de
+bui ophoudt, in de buurt van de klaverakkers wonen. Zoodra er een
+ijskorst over de sneeuw komt, vangt voor hem een moeilijk tijdperk aan;
+hoe minder voedsel hij op de akkers vindt, des te meer schade zal hij
+aanrichten in de tuinen en boomkweekerijen. De schors van de meeste
+jonge boomen, vooral die van den acacia en van zeer jonge berken,
+is hem dan even welkom als de roode kool. Als de sneeuw door den dooi
+afneemt of geheel verdwijnt, keert de Haas naar het winterkoren terug,
+dat hem als voedsel dient, totdat het in de lente opnieuw begint
+te groeien. Kort vóór zonsondergang (na een warmen regen nog iets
+vroeger) begeeft hij zich naar het zomerkoren. Ook hiervan maakt hij
+geen gebruik meer, zoodra de planten ouder geworden zijn; hij blijft
+echter in het jonge graan liggen en bezoekt 's avonds de akkers,
+waarop de kool sinds kort werd overgeplant, de rapenvelden enz.
+
+De "Boschhaas" begeeft zich alleen 's avonds naar het veld en keert
+'s morgens met het aanbreken van den dag of kort na zonsopgang weder in
+'t bosch terug. Gedurende den zomer echter houdt hij zich soms ook wel
+over dag in het hooge koorn op, of, als het regent, op ongebroken of
+omgeploegd braakland. In den herfst, als de struiken hunne bladeren
+laten vallen, verlaat hij het bosch geheel, daar het vallen der bladen
+hem angstig maakt; in den winter trekt hij zich in het donkere deel van
+'t bosch terug; zoodra de dooi invalt, komt hij weder in het minder
+dichte gedeelte. De eigenlijke "Woudhaas" vertoeft gedurende het
+zachte en groeizame jaargetijde in den woudzoom; hij begeeft zich van
+hier des avonds naar de velden, wanneer op de weiden in het woud niet
+genoeg voedsel te vinden is. Bij felle vorst zoekt hij de duistere
+gedeelten van het woud op en dringt er steeds dieper in door, zonder
+zich om het afvallen der bladen te bekommeren.--De Berghaas vaart zoo
+goed bij het gebruik van de geurige kruiden, die in de nabijheid van
+zijn verblijfplaats groeien, dat hij, als er akkers in de nabijheid
+zijn, deze alleen uit lust tot snoepen bezoekt.
+
+"Buiten den paartijd," zegt Dietrich aus dem Winckell, "brengt de Haas
+den geheelen dag slapend of sluimerend in zijn leger door. Nooit gaat
+hij regelrecht op de plaats af, waar hij een oud leger weet of een
+nieuw wil maken, maar loopt eerst een eind voorbij de plaats waar
+hij rusten wil, keert terug, doet weer eenige sprongen te veel, dan
+weer een sprong zijwaarts en herhaalt dezen voorzorgsmaatregel eenige
+malen, tot hij eindelijk met een flinken sprong op de plaats aanlandt,
+waar hij blijven wil. Bij het maken van zijn leger graaft hij in
+'t vrije veld een ongeveer 5 à 8 cM. diepe uitholling in den grond,
+die daar, waar het achterste deel van 't lichaam moet liggen, een
+weinig gewelfd is; deze kuil is lang en breed genoeg om te maken dat
+er van het bovenste deel van den rug slechts zeer weinig te zien komt,
+als het dier in het leger de voorpooten uitstrekt, hierop den kop met
+de op den rug neerliggende ooren laat rusten en de achterpooten onder
+het lichaam samentrekt. Deze schuilplaats beschut den Haas gedurende
+het zachte jaargetijde tamelijk goed tegen storm en regen. In den
+winter holt hij het leger gewoonlijk zoover uit, dat er niets dan een
+klein zwartachtig grijs plekje van zichtbaar blijft. In den zomer
+keert hij den kop naar 't noorden, in den winter naar 't zuiden,
+bij stormachtig weer echter zoo, dat hij den wind achter zich heeft.
+
+"Het is, alsof de natuur den Haas door opgewektheid, snelheid en
+sluwheid heeft trachten schadeloos te stellen voor de hem aangeboren
+vreesachtigheid en schuwheid. Als hij de een of andere gelegenheid
+heeft gevonden om onder bescherming van de duisternis zijn zeer goede
+eetlust te bevredigen, en het weder niet al te ongunstig is, zal er
+bijna geen morgen voorbijgaan, zonder dat hij zich onmiddellijk na
+zonsopgang op droge, vooral op zandige plaatsen met zijne soortgenooten
+of in zijn eentje met lichaamsoefeningen vermaakt. Door grappige
+sprongen, door in een kring rond te loopen en zich over den grond
+te wentelen toont hij zijn vroolijke gemoedsstemming; soms is hij
+zoozeer in dit spel verdiept, dat hij zijn ergsten vijand, den Vos,
+niet opmerkt. Een oude Haas laat zich niet zoo gemakkelijk beetnemen,
+en weet, als hij gezond en niet vermoeid is, in den regel aan de
+vervolging van zijn aartsvijand te ontkomen. Hij tracht dan door
+'haken te slaan' (door zijsprongen en wendingen), een list, die
+hij meesterlijk ten uitvoer brengt, zijn vijand te foppen. Alleen
+wanneer hij voor snelle Windhonden vlucht, tracht hij een anderen Haas
+vooruit te schieten om zich in diens leger 'te drukken', waarna hij
+den uit zijn woning verdreven kameraad koelbloedig aan de vervolging
+prijs geeft. Ook begeeft hij zich dan wel te midden van een kudde
+vee of dringt in het eerste het beste rietbosch door; ingeval van
+nood zwemt hij over een tamelijk breed water. Nooit echter waagt hij
+het weerstand te bieden aan een levend wezen van een andere soort,
+en alleen als de ijverzucht hem prikkelt, geraakt hij in strijd met
+zijns gelijken. Soms komt het voor, dat een denkbeeldig of werkelijk
+bestaand gevaar hem zoozeer verrast en van zinnen brengt, dat hij ieder
+middel tot redding verzuimt, in de grootste angst heen en weer loopt,
+of zelfs op jammerlijke wijze begint te klagen."
+
+Over 't algemeen is hij voor onbekende voorwerpen buitengewoon
+schuw, hij mijdt daarom zorgvuldig alle in 't veld geplaatste
+"hazenverschrikkers". Het komt echter ook wel voor, dat oude, volleerde
+Hazen buitengewoon driest zijn, zich niet eens door Honden laten
+verdrijven en, zoodra zij bemerken, dat deze opgesloten zijn of vast
+liggen, met onvergelijkelijke onbeschaamdheid in den tuin komen om als
+'t ware onder de oogen van de Honden hunne rooverijen te plegen. Lenz
+heeft meermalen gezien, dat Hazen zoo dicht onder zijn venster en
+naast de vastliggende Honden langs gingen, dat het schuim uit den
+bek van de ten hoogste vertoornde Honden hen op de vacht spatte.
+
+De snelvoetigheid van den Haas is grootendeels hieraan te danken,
+dat zijne achterpooten langer zijn dan zijne voorpooten. Om dezelfde
+reden kan hij beter bij een helling op dan er af rennen. Als hij geen
+haast heeft, maakt hij veel korter sprongen dan wanneer hij zich er op
+toelegt om snel vooruit te komen. Bij het vluchten gaat hij dikwijls
+zonder bijzondere reden op eenigen afstand van zijn leger opzitten
+als een Hond; als hij de hem najagende Honden een eind weegs vóór is,
+gaat hij op de geheel gestrekte achterpooten staan, doet zoo een paar
+schreden vooruit en draait zich om en om.
+
+Gewoonlijk maakt hij alleen dan geluid, als hij zich in gevaar
+bevindt. Dit geschreeuw gelijkt op dat van kleine kinderen en wordt
+"klagen" genoemd.
+
+Onder de zinnen van den Haas is, gelijk men reeds uit de groote ooren
+kan opmaken, het gehoor het best ontwikkeld; de reuk is behoorlijk
+goed; het gezicht echter tamelijk zwak. Zijne meest in 't oog vallende
+eigenschappen zijn buitengewone voorzichtigheid en oplettendheid. Het
+zwakste geluid in zijn nabijheid, het suizen van den wind, die door
+de bladen speelt, het ritselen van een blad, zijn voldoende om hem,
+als hij slaapt, te wekken en scherp te doen opletten. Een bij hem
+langs sluipende Hagedis of het gekwaak van een Kikvorsch kan hem
+uit zijn leger verjagen, en zelfs als hij in vollen ren is, kan
+men hem door gefluit, dat niet eens krachtig behoeft te zijn, doen
+stilstaan. Ten onrechte noemt men hem zachtaardig. Dietrich aus dem
+Winkell zegt zelfs, dat de leelijkste eigenschap van den Haas zijn
+boosaardigheid is, al openbaart hij deze niet door krabben en bijten:
+de moerhaas geeft er de duidelijkste bewijzen van door de geringe
+zorg, die zij voor haar kroost draagt; de Rammelaar mishandelt de
+jonge haasjes dikwijls op afkeerwekkende wijze.
+
+De bronsttijd begint na strenge winters in 't begin van Maart,
+bij zachtere weersgesteldheid reeds in het laatst van Februari (of
+vroeger; soms reeds in het begin van deze maand of zelfs in Januari)
+over 't algemeen des te eerder, naarmate de Haas meer voedsel kan
+vinden. Alle Hazen zijn dan buitengewoon onrustig. De ijverzucht
+verbittert ook het gemoed van den Haas en geeft aanleiding tot
+gevechten, die voor den toeschouwer hoogst vermakelijk zijn. Twee,
+drie of meer rammelaars komen bijeen, rennen op elkander af, loopen
+terug, richten neergehurkt het lichaam omhoog en verheffen zich op de
+achterpooten, vliegen elkander opnieuw aan en deelen oorvijgen uit,
+zoodat de wol in 't rond stuift, totdat eindelijk de sterkste zijne
+tegenstanders het veld doet ruimen. Geloofwaardige jagers verzekeren,
+dat deze gevechten tusschen verliefde Hazen, hoe onschuldig zij
+ook schijnen, soms toch zware verwondingen ten gevolge hebben; niet
+zelden treffen zij op hun jachtveld blinde Hazen aan, die bij een
+minnestrijd aan de oogen verwond werden. De afgekrabde wol, die op
+de kampplaatsen verspreid ligt, is voor den jager een teeken, dat de
+bronsttijd werkelijk aangevangen is; in jaren met buitengewoon zacht
+weer zal iedere dierenvriend zich wel wachten na dit tijdstip nog op
+de hazenjacht te gaan.
+
+De moerhaas blijft ongeveer dertig dagen drachtig. Volgens Altum heeft
+men wel eens in Januari jonge Hazen gevonden. Gewoonlijk echter heeft
+de eerste worp plaats tusschen het midden en het einde van Maart,
+de vierde en laatste in Augustus. De eerste maal brengt het wijfje
+minstens één of twee, de tweede maal drie à vijf, de derde maal drie
+en de vierde maal één of twee jongen ter wereld. Hoogst zelden en
+slechts in een zeer gunstig jaar werpt een Haas vijfmaal jongen. De
+geboorteplaats van de jongen bestaat uit een hoogst eenvoudige
+uitholling van den bodem op een stille plaats van het bosch of van
+akker; veelal een droge, met gras begroeide of met ruigte omzette
+plek, waarin de moerhaas strooi of andere doode planten brengt,
+soms kiest zij het bloote, kale veld voor kraambed uit, als haar de
+tijd ontbroken heeft een betere schuilplaats te zoeken. De jongen
+komen met geopende oogen ter wereld; de ooren hangen aanvankelijk
+neer, doch richten zich weldra op; in alle opzichten is het bij
+de geboorte al zeer ontwikkeld. Vele jagers hebben gezien, dat de
+jonge Hazen onmiddellijk na de geboorte zichzelf moesten drogen en
+reinigen. Zeker is het, dat de moeder slechts gedurende de eerste
+vijf of zes dagen bij hare kinderen blijft, en ze daarna, met het oog
+op een nieuwe vrijage, aan hun lot overlaat. Slechts nu en dan komt
+zij weer terug op de plaats waar de jongen geboren werden, lokt ze
+bijeen door een eigenaardig geklepper met de ooren en laat ze zuigen,
+waarschijnlijk slechts om bevrijd te worden van de voor haar lastige
+melk en niet uit echte moederliefde. Bij het naderen van een vijand
+verlaat zij haar kroost in den regel, hoewel, er ook gevallen bekend
+zijn, dat oude voedsters haar kroost tegen kleine Roofvogels en Raven
+verdedigd hebben. Over 't algemeen is het aan de liefdeloosheid van de
+moeder te wijten, dat er zoo weinige jongen in 't leven blijven. Die
+van den eersten worp bezwijken in den regel door de koude. Indien er
+al een het zwakke leven behoudt, wordt het door gevaren van allerlei
+aard bedreigd, zelfs staat het aan de mishandelingen van zijn vader
+bloot. Het gedrag van den rammelaar ten opzichte van de jonge Hazen
+is werkelijk slecht; waar hij kan, kwelt hij ze dood. "Ik hoorde
+eens," zegt Dietrich aus dem Winckell, "een jongen Haas schreeuwen,
+en meende, daar het geluid van uit de nabijheid van het dorp kwam,
+dat het dier zich in de klauwen van een Kat bevond; om dezen roover
+met een schot te beloonen, kwam ik nader. In plaats van een Kat,
+zag ik echter vóór het haasje een rammelaar zitten, die het jonge
+dier met de beide voorpooten links en rechts zoo hevig om den kop
+sloeg, dat het er reeds suf van geworden was. Het oude dier moest
+zijn boosaardigheid met het leven boeten."
+
+Bij geen ander in 't wild levend dier heeft men zooveel misgeboorten
+opgemerkt, als bij de Hazen. Exemplaren, die twee koppen of althans
+een dubbele tong hebben, of met buiten den bek uitstekende tanden
+voorzien zijn, komen niet zelden voor.
+
+De jonge Hazen verlaten ongaarne de streek, waarin zij het eerste
+levenslicht aanschouwden. Zij verwijderen zich niet ver van elkander,
+hoewel ieder zich een eigen leger graaft. Des avonds gaan zij
+gezamenlijk voedsel zoeken, des morgens gaan zij gemeenschappelijk
+naar hun slaapplaats terug; zoo leven zij vroolijk voort, tot zij
+halfwassen zijn. Dan scheiden zij zich van elkander. Na 15 maanden
+zijn zij volwassen, maar reeds in het eerste levensjaar, (op een
+leeftijd van vijf maanden) voor de voortplanting geschikt. Zeven of
+acht jaren is waarschijnlijk de langste levensduur, die de Haas bij
+ons bereikt; er zijn echter voorbeelden bekend van Hazen, die nog
+gedurende langeren tijd aan alle vervolgingen ontkwamen, en toch niet
+door ouderdomsverzwakking het leven verloren. In het eerste vierde
+deel van deze eeuw was in mijn geboortestreek een rammelaar berucht
+onder de jagers; mijn vader kende hem al sedert 8 jaren. Steeds was
+het den leepert gelukt alle gevaren te trotseeren; gedurende een zeer
+strengen winter werd hij echter door mijn vader op den "aanstand"
+geschoten. Toen hij gewogen werd, bleek het, dat hij een gewicht van
+9 KG. had.
+
+"Het leven van dit Knaagdier," zegt Adolf Müller, "is een nagenoeg
+onafgebroken aaneenschakeling van vervolging, nood en lijden;
+deze worden wel is waar op den voet gevolgd door het zusterenpaar
+waakzaamheid en voorzichtigheid, maar zijn vergezeld door een
+kind dat hare begeleidsters verreweg over 't hoofd gegroeid is, en
+minder medelijden dan spotlust wekt, n.l. door de algemeen bekende
+angstvalligheid van den Haas. Verklaarbaar is dit, daar de legerscharen
+onze inheemsche roovers--Zoogdieren, zoowel als Vogels,--tal van
+spionnen, verspieders, struikroovers en moordenaars op den vreedzamen
+en weerloozen planteneter afzenden, om het stille Eden van zijne
+velden en bosschen in een schouwtooneel van verdrukking en dood
+te veranderen; bovendien jaagt een geheele trits van Jachthonden,
+van den krompootigen, langzamen Dashond, tot den hoogpootigen,
+slanken, in snelheid met den storm wedijverenden Windhond, den
+snelsten renner der velden en bosschen na, tot hij van uitputting
+bezwijkt. En zij, die aan de volharding en de vlugheid van den Hond
+ontkomen,--ondanks het speurvermogen, de list en de moordzucht der
+Roofdieren, hun leven hebben kunnen behouden,--gespaard blijven in
+weerwil van de soms levensgevaarlijke temperatuurswisselingen, stormen
+en onweders,--worden nog voortdurend bedreigd door de middelen, die
+de mensch heeft uitgedacht om hen te dooden. De mensch, sluwer en
+wreeder dan eenig Roofdier, sluipt bij nacht en ontijd in het woud,
+en legt in de pas van den Haas den strik van koperdraad, waarin
+het onschuldige dier met den kop geraakt, en waardoor het geworgd
+wordt. Dit doet evenwel alleen de strooper, niet de echte jager."
+
+Van het "hazenstrikken" geeft Dr. G. A. Venema de volgende
+beschrijving: "Bestraalt de maan met hare zachte lichtstralen de
+landstreek, dan verschuilt de Haas zich, als hij van zijne nachtelijke
+wandelingen uitrust, op plaatsen, waar het oog van zijn vijand hem
+moeielijk ontdekt; bij donkere maan waant hij zich meer veilig,
+en opene, onbeschutte plaatsen kiest hij voor zijn leger uit. Ook
+is de Haas bij maneschijn voorzichtiger; hij loopt minder snel,
+en dikwijls ziet hij, opgericht op de achterste pooten, angstig den
+omtrek rond, of hij iets ontdekt, dat voor hem gevaarlijk zou kunnen
+zijn. Bij duisteren hemel is zijn loop sneller, maar toch alleen,
+wanneer het pad zoo open is, dat zijn oog zich boven de omringende
+planten of den grond verheft. Gaat het pad naar boven, dan richt de
+Haas zich op het hoogste punt op, om het veld te verkennen; de helling
+op- en afwaarts springt hij door, maar bij iedere plant of struik,
+bij iedere oneffenheid in het pad, bij ieder kluitje, dat hij vindt,
+blikt hij wantrouwend rond, alsof hij een vijand waant te zien of te
+ontmoeten. Als de strooper hem dus in den koperen strik wil vangen,
+zet hij dezen bij duistere maan over het pad, waar het effen en ten
+minste zoo hoog als de omliggende grond is. Loopt het pad over heuvels,
+hij wacht zich, den strik op de hoogte te plaatsen, waar de Haas stil
+staat, of in de helling of den oploop, dien deze doorspringt. Maar hij
+plaatst hem in de laagte, waar de Haas snel doorrent, echter alleen
+als geen struiken of andere planten dezen het vrije uitzicht kunnen
+belemmeren, en wanneer zich geen kluiten of oneffenheden in het pad
+bevinden, waar de voorzichtigheid hem zou voorschrijven, zijn loop te
+vertragen, en, nu en dan stil staande, zich te overtuigen, of zijn
+leven, dat hij zoo lief heeft, met gevaar zou worden bedreigd. Ook
+daar, waar het pad bochtig is, beteugelt de Haas zijn snelheid,
+en een strik zou hem daar niet vangen. Is het buiig, dan loopt de
+Haas niet veel, en altijd, door ieder geluid, dat de heen en weer
+bewegende planten maken, beangst, is hij voorzichtig en behoedzaam;
+veelal houdt hij zich dan meer in het leger. Bij duistere maan, als
+het niet waait en de sterren helder schijnen, loopt de Haas sneller,
+en de strooper rekent op een betere vangst. Is het veld met sneeuw
+bedekt, dan is hij nog zekerder, om bij duistere maan den Haas in den
+strik te vangen. De honger drijft het dier tot meerdere en grootere
+reizen aan, want het voedsel is moeilijker te vinden. Jaagt de wind
+de sneeuw hier en daar hoog op, dan kiest de Haas wel eens een leger,
+dat met sneeuw bedekt is. Hij graaft dan door de sneeuw heen, van den
+wal van een sloot of laagte af een lange gang, aan het einde waarvan
+hij zich neervlijt. Bij zijn kop graaft hij de sneeuw tot een paar palm
+dikte door, zoodat zijn ademhaling niet wordt belemmerd. Aldra komt
+door de warmte een zeer kleine, geel omkleurde opening in de sneeuw,
+waardoor de frissche buitenlucht tot hem doordringt, en waardoor de
+warmere, uitgeademde lucht ontwijkt." "Veel sneeuw is voor de Hazen
+zeer te vreezen; daar zij, evenals alle andere dieren, betreden
+paden verkiezen boven ongebaande velden, huppelen zij bij hunne
+nachtelijke wandelingen het eens betreden paadje velen malen door,
+om in den strik, dien de sluwe strooper uitspant, of door het schot
+van een op hen wachtenden wilddief, hun leven jammerlijk te eindigen."
+
+Over de verschillende, al of niet jachtmatige wijzen van hazenvangst,
+zijn tal van boeken geschreven; het is mijn bedoeling niet hierover
+nader uit te wijden. Naar mijn smaak verschaffen het "zoeken" en de
+"aanstand" den jager het meeste genoegen. De hazenjacht met Windhonden,
+hoewel buitengewoon opwekkend, bederft het jachtveld. Drijf- en
+klopjachten, hoe genoegelijk ook in niet te sterk bevolkte districten,
+waar veel Hazen zijn, ontaarden in een echte slachterij; het "zoeken"
+en de "aanstand" daarentegen houden den jager voortdurend in spanning;
+hierbij speelt hij de waardigste rol. Bij het zoeken van den Haas is
+hij in de gelegenheid, om zich een ervaren jager te toonen. Op den
+"aanstand" valt voor hem veel te leeren, omdat hij dan allerlei dieren,
+de Hazen niet alleen, als 't ware nog in hun kamerjapon ontmoet,
+en waarnemen kan, hoe zij handelen, als zij nog volkomen rustig en
+zorgeloos zijn. Menig jager geeft aan den "aanstand" in 't woud de
+voorkeur boven iedere andere jachtwijze; trouw staat hem hierbij een
+liefelijke gezellin, de hoop, ter zijde. Tot den "aanstand" reken ik
+ook het "verlappen," een wijze van jagen, die niet algemeen bekend is,
+en waarvan ik daarom nog wel een beschrijving dien te geven:
+
+Onze angstvallige vriend Lampe ziet, zooals reeds opgemerkt werd, in
+ieder hem onbekend voorwerp een reden om verschrikt te zijn, en op deze
+eigenaardigheid berust het snoode plan, dat de arglistige mensch heeft
+uitgedacht, om hem te verschalken. In het stille middernachtelijk uur,
+als de Haas zich uit het bosch naar het veld heeft begeven om lekker
+te smullen, sluipen zij, die de deuren van den herberg, waar hij den
+dag doorbrengt, willen sluiten, in dezelfde richting voort. Drie of
+vier mannen dragen groote pakken, die bij nader onderzoek rollen stevig
+bindgaren blijken te zijn, waaraan op bepaalde afstanden twee vederen
+of desnoods witte lapjes verbonden zijn. Dit zijn de "lappen" gelijk de
+jager ze noemt. Men begint nu op een zekeren afstand van den woudzoom
+deze verschrikkingsmiddelen te plaatsen. Met kleine tusschenruimten
+worden dunne paaltjes in den grond gestoken volgens een kring, die
+de akkers omgeeft, en hieraan de "lappen" bevestigd, die ongeveer een
+halve meter boven den grond moeten zweven. Zoodoende wordt den Haas de
+terugtocht naar het bosch versperd. Het jachtgezelschap begeeft zich
+vroegtijdig op weg, daar het geruimen tijd voor het aanbreken van den
+dag ter bestemder plaatse moet zijn. Zoo stil mogelijk bewandelt het
+den daarheen leidenden weg. De eigenaar van de jacht plaatst de eene
+jager hier, de andere daar op de beste uitwegen; het aantal jagers
+in zijn nabijheid wordt allengs kleiner. Eindelijk is de omsingeling
+tot stand gekomen, iedere jager heeft de best mogelijke hinderlaag
+gekozen en wacht met gespannen aandacht de gebeurtenissen af, die nu
+komen zullen.
+
+Bij het eerste krieken van den dag maken de Hazen zich op, om van
+de akkers naar het bosch terug te keeren. Onbezorgd bewandelen zij
+het hun welbekende pad. Deze en gene haalt zijn zeer gewone grappen
+uit. Alles in de omgeving is doodstil, hoogstens wordt hier en daar
+geschreeuw van een kraai vernomen. In het oosten wordt de benedenste
+rand van het hemelgewelf door de opgaande zon rood gekleurd. Nader en
+nader bij de gevaarlijke lijn komt Lampe: daar valt hem de reeks van
+witte voorwerpen in 't oog! Hij krijgt achterdocht, schrikt, steekt de
+ooren op en wendt eerst het eene, dan het andere naar verschillende
+zijden. Overal blijft het stil. Nog een paar schreden gaat hij in
+dezelfde richting voort om het vreemdsoortige schouwspel van dichter
+bij gade te slaan; maar dit strekt slechts om zijn argwaan te doen
+toenemen. Een zeer zorgvuldig onderzoek schijnt hier noodzakelijk. Eén
+voor één deinzen de vreesachtige dieren vol ontzetting af, "slaan
+een haak" en keeren langs den zooeven gevolgden weg naar den akker
+terug, om op een andere plaats hun geluk te beproeven. Daar ginder
+is het echter niet beter gesteld dan op de plaats, die zij zooeven
+verlieten. Misschien zijn zij hier minder voorzichtig geweest en hebben
+zij zich te veel blootgegeven; want plotseling schiet een vuurstraal
+uit het woud en wordt de stilte van den morgen afgebroken door het
+gedonder van een schot. Door alle bergen wordt het geluid weerkaatst
+en de echo der bosschen draagt het al verder en verder. Thans komt er
+leven in de brouwerij. Hier en daar knalt een schot, langs de geheele
+lijn wordt gevuurd. Ten einde raad rennen de Hazen als dol in den
+tooverkring rond. De eene Haas deinst hier, de andere daar af, maar
+daar alle tot hun ongeluk zooveel mogelijk de van ouds bekende paden
+volgen, komen zij steeds weer opnieuw den jager onder het schot. Zoo
+duurt het moorden voort, totdat het klaarlichten dag geworden is. Want
+zoodra de dag herleeft, zijn alle Hazen verdwenen, voor zoover zij
+door den dood gespaard zijn. Zij hebben zich te midden van het veld
+"gedrukt" en wachten hier kalmere tijden af, niet vermoedend, dat in de
+middaguren het "verlappen" door de drijfjacht gevolgd zal worden. Ook
+in het bosch begint nu beweging te komen; elke schutter verlaat zijn
+post, om het door hem geschoten wild te halen. De meesten vinden veel
+minder Hazen, dan zij meenden te zullen vinden. Het kost moeite om
+in de schemering het dier behoorlijk in de vizierlijn te krijgen en
+in den regel wordt er veel vaker mis geschoten dan geraakt.--
+
+Gevangen Hazen worden licht tam en nemen zonder bezwaar alle soorten
+van voedsel aan, dat men aan de Konijnen geeft; zij zijn echter teer
+en aan groote sterfte onderhevig. Als men ze alleen hooi, brood,
+haver en water, maar nooit groen voer geeft, blijven zij langer
+in leven. Jonge Hazen, die in 't hok van de oude gebracht zijn,
+worden in den regel doodgebeten. Hetzelfde lot ondergaan de meeste
+andere zwakke dieren; in mijn hazenperk vond ik eens een doode, half
+opgevreten Rat. Met Guineesche Biggetjes leven de Hazen in vrede; met
+Konijnen en Sneeuwhazen paren zij, waardoor bastaardvormen ontstaan--de
+zoogenaamde _Haaskonijnen_ of _Leporiden_--, die zoowel bij paring
+onderling, als met dieren van de vaderlijke of moederlijke soort een
+vruchtbare nakomelingschap opleveren. Verreweg de meeste van deze
+bastaarden hebben een Haas tot vader en een Konijn tot moeder. De
+jongen, welke ontstaan, wanneer de wijfjes van dezen bastaardvorm met
+een Haas paren, zijn het voordeeligst. Van deze dieren heeft men reeds
+in vele opeenvolgende geslachten de uitkomsten van de voortplanting
+nagegaan, en opgemerkt, dat hun vruchtbaarheid niet afnam. Het wijfje
+brengt zesmaal per jaar telkens vijf à zes jongen ter wereld. Of zij,
+die zich met het fokken van deze dieren bezig houden, door dit bedrijf
+voordeel behalen, moeten wij in 't midden laten. Hij, die al het voer,
+dat deze dieren krijgen, koopen moet en toch nog winst verwacht van
+de leporiden-teelt, zal waarschijnlijk bedrogen uitkomen; terwijl
+dit bedrijf daarentegen in inrichtingen, waar een groote hoeveelheid
+voor voedsel geschikt afval, wordt verkregen, waarschijnlijk winst kan
+opleveren. "Het zou kunnen zijn," zegt Ritzema Bos, "dat mettertijd de
+leporidenteelt van eenig belang werd. Het vleesch toch van het tamme
+Konijn, dat om den geringen prijs, waarvoor het verkrijgbaar kan worden
+gesteld, voor min gegoede menschen een geschikt voedsel zou kunnen
+zijn, valt in ons land niet algemeen in den smaak. De witte kleur en
+de eenigszins zoetachtige smaak van 't vleesch schijnen daarvan de
+oorzaak te zijn. Het vleesch van Leporiden nu schijnt veel van dat van
+Konijnen te verschillen, en meer tot dat van Hazen te naderen, waarom
+het misschien meer kans zou kunnen hebben, eens onder de volksspijzen
+een plaats te erlangen. Het mist den eigenaardigen zoetachtigen smaak
+van konijnenvleesch; bij sommige Leporiden is het wit van kleur; bij
+andere in rauwen toestand roodachtig, gekookt donkergrijs."--In sommige
+opzichten bestaat er verschil tusschen de Leporiden ouderling. Dikwijls
+vindt men in één worp behalve jongen van den gewonen vorm ook zulke,
+die een eigenaardig zachte beharing vertoonen, afwijkend van de
+beharing der beide ouders. Deze "langharige Leporiden," hoewel
+verschillend in kleur, kwamen niet alleen overeen door de zachtheid
+en lengte der afzonderlijke haren, maar bovenal ook door de kleur van
+den ondergrond der beharing, die bij alle wit was, terwijl zij bij de
+gewone Leporiden een blauwgrijze tint vertoont. Bij gene kwam zij meer
+met die van Hazen, bij deze met die van Konijnen overeen. Individuën
+van den eerstgenoemden vorm met elkander gepaard, brachten jongen
+voort, waarop steeds de eigenschappen der vacht waren overgeërfd,
+terwijl, zooals reeds gezegd werd, door paring van gewone Leporiden,
+zoowel haaskleurige als konijnharige jongen (de laatste echter het
+meest) ontstonden. "Ledematen en staart van de gewone Leporide zijn
+langer dan die van het Konijn, korter dan die van den Haas. Het oog
+is niet donkerbruin, zooals dat van 't Konijn, en evenmin bruingeel,
+zooals dat van den Haas: het heeft een lichtbruine kleur, als die
+van afgevallen bladeren. De jongen openen sneller de oogen dan jonge
+Konijntjes, terwijl zij ook eerder hun nest verlaten, en in 't hok
+rondloopen." Vooral de ooren en de achterpooten zijn meer haasachtig.
+
+Jong gevangen Hazen geraken zoo aan den mensch gewoon, dat zij tot hem
+komen, als hij hen roept, uit zijn hand eten en ondanks hun domheid
+kunstjes kunnen leeren verrichten. De oude Hazen daarentegen blijven
+altijd dom en geraken ternauwernood aan hun verzorger gewend. De
+gevangene zijn vlug en vroolijk, maar blijven vreesachtig.
+
+Over het nut en de schadelijkheid van den Haas heerschen verschillende
+meeningen, al naar deze zaak door den bril van den econoom, of door
+dien van den jager wordt bekeken. Een onbevooroordeeld rechter zal
+de Haas echter, zonder voorbehoud, schadelijk moeten noemen, daar
+het voedsel, dat hij noodig heeft, minstens tweemaal zooveel waarde
+vertegenwoordigt, als het dier zelf. In de meeste streken van ons
+vaderland, waar het aantal Hazen betrekkelijk gering is, wordt dit
+verlies niet duidelijk merkbaar, omdat de Haas zelden lang op één
+plaats blijft eten, maar gewoon is overal een weinig te snoepen;
+zoo wordt de door hem aangerichte schade over een groot gebied
+verdeeld, hoewel zij er niet geringer om is. Bovendien is de Haas
+zeer kieschkeurig, zoolang hem nog eenige keuze wordt gelaten:
+hij neemt alleen het middenscheutje van de kool-, koolraap- en
+koolzaadplanten, de stengelspits van de granen, de knoppen en jonge
+loten van vruchtboomen, en ander houtgewas. Voor de houtteelt is
+hij in den winter, als een dikke sneeuwlaag de kruiden bedekt,
+niet alleen door het afbijten van de knoppen, maar ook door het
+ontschorsen der boomen, nadeelig; het meest hebben de acacia's en de
+gouden regens op deze wijze van hem te lijden. Bij heide-ontginningen
+kan de Haas de oorzaak van groote teleurstelling zijn, daar hij van
+het te velde staand gewas, dat dikwijls toch al schraal is, niet
+veel overlaat, als hij een bezoek aan de akkers brengt. Indirect
+is de Haas schadelijk, doordat zij, die middelen beramen om het
+wild in stand te houden, verklaarde vijanden zijn van Roofdieren,
+die als ijverige muizenverdelgers gespaard behoorden te blijven,
+zooals de Vossen, Bunzingen, Wezels, enz.
+
+Maar, al beschouwt men de schadelijkheid van den Haas als een
+uitgemaakte zaak, dan vloeit hieruit nog niet voort, dat deze
+diersoort uitgeroeid moet worden. Er wordt toch al genoeg gedaan voor
+de vermindering van het aantal harer leden; zij, die door deze dieren
+schade lijden, beschikken over afdoende middelen om hunne vermeerdering
+te beperken; aan de voorstanders van het onvoorwaardelijk uitroeien
+der Hazen zou men bovendien nog kunnen doen opmerken, dat ook de
+liefhebbers van het jachtvermaak en van smakelijk wildbraad in deze
+kwestie een woordje in 't midden hebben te brengen.
+
+De Haas is ook nuttig door zijn vel. In Rusland worden zeer veel
+hazenvellen gebruikt, en in Bohemen, waar reeds van oudsher veel werk
+gemaakt wordt van de fabricatie van vilten hoeden, zijn voor dezen tak
+van nijverheid ieder jaar omstreeks 40.000 hazenvellen noodig. Van
+de onthaarde en gelooide huid worden schoenen gemaakt; de van haar
+bevrijde huid dient ook voor de bereiding van perkament en van lijm.
+
+Nog is het niet uitgemaakt, of de _Sneeuwhaas_ van de Alpen en die
+van het hooge Noorden, een en dezelfde soort vormen. Over 't algemeen
+zijn beide trouwe kinderen van hun vaderland. Hun kleed is zooveel
+mogelijk in overeenstemming met den bodem, hoewel het eigenaardige
+afwijkingen vertoont. De Alpen-sneeuwhazen zijn in den winter zuiver
+wit, alleen aan de spits van de ooren zwart, in den zomer grijsbruin
+en wel volkomen effen, niet gesprenkeld, zooals de Gewone Hazen. De in
+Ierland levende, veel met den Alpen-sneeuwhaas overeenkomende Hazen,
+worden, naar men zegt, nooit wit; eenige geleerden beschouwen ze
+deswege als een afzonderlijke soort (_Lepus hibernicus_).
+
+Daarentegen hebben de Hazen in 't hooge Noorden van 't Europeesche
+vasteland en in Groenland des zomers geen andere kleur dan 's
+winters; ook zij worden om deze reden door sommige dierkundigen
+als een afzonderlijke soort aangemerkt (_Lepus glacialis_). Onder
+de Skandinavische Hazen, die alle Sneeuwhazen zijn, komen beide
+gevallen voor: sommige worden bij 't naderen van den winter op de
+zwarte oorspitsen na, wit, andere veranderen niet van kleur. Volgens
+Blasius moeten al deze Sneeuwhazen voor verscheidenheden van één soort
+(_Lepus variabilis_) gehouden worden.
+
+De _Alpenhaas_ of _Sneeuwhaas_ (_Lepus timidus, L. variabilis_)
+verschilt door lichaamsbouw en voorkomen duidelijk van den Gewonen
+Haas. "Hij is," zegt Tschudi, "opgewekter, levendiger, driester,
+heeft een korteren, ronderen, meer gewelfden kop, een korteren neus,
+kleinere ooren (die, tegen den kop aangedrukt, niet tot aan de spits
+van den snuit reiken), breedere wangen; de achterpooten zijn langer,
+de zolen sterker behaard, de teenen zijn dieper vaneengescheiden,
+kunnen verder uitgestrekt worden, en zijn met lange, spitse, kromme,
+gemakkelijk terugtrekbare nagels gewapend. De oogen zijn niet, zooals
+die van de witte Konijnen, witte Eekhoorns, witte Muizen enz., rood
+van kleur, maar donkerder bruin dan die van den Gewonen Haas.
+
+"Wanneer in December de Alpen onder de sneeuw begraven liggen, is deze
+Haas zoo zuiver wit als de sneeuw; alleen de spitsen van de ooren
+blijven zwart. De lentezon brengt, te beginnen in Maart, een zeer
+merkwaardige kleurverandering teweeg. Het eerst wordt de rug grijs;
+de grijze haren vertoonen zich ook aan de zijden in steeds toenemend
+aantal tusschen de witte. In April heeft het dier een zonderling,
+onregelmatig gevlekt of gesprenkeld voorkomen. Van dag tot dag breidt
+de donkerbruine kleur zich verder uit; eerst in Mei eindelijk komt
+de verandering tot stilstand; de Alpenhaas is dan geheel eenkleurig
+geworden en heeft geen gesprenkelde vacht zooals de Gewone Haas, die
+bovendien een grover haarkleed heeft. In den herfst begint hij reeds
+met het vallen van de eerste sneeuw enkele witte haren te krijgen;
+daar echter in de Alpen de strijd tusschen den winter en den herfst
+spoediger beslecht wordt dan die tusschen de lente en den winter,
+heeft de kleurverandering in 't najaar schielijker plaats dan die in
+'t voorjaar: zij duurt van 't begin van October tot in 't midden van
+November. Als de Gems zwart wordt, krijgt haar buurman, de Alpenhaas,
+een witte vacht. Men kan er zeker van zijn, in de hoog gelegen gewesten
+van alle Alpenkantons de Sneeuwhaas te ontmoeten; in den regel is hij
+hier even talrijk als de Gewone Haas in lagere streken. Het liefst
+houdt hij zich op tusschen de grens der dennen en de eeuwigdurende
+sneeuw, ongeveer op gelijke hoogte met het Sneeuwhoen en de Marmot,
+tusschen 1600 en 2600 M. boven den zeespiegel; zijne zwerftochten
+strekken zich echter dikwijls nog veel hooger uit.
+
+"Zijn leger bevindt zich tusschen steenen, in een grot of tusschen
+de neerliggende dennen (_Pinus mughus_) en dwerg-pijnboomen (_Pinus
+pumilio_). Des morgens vroeg of dikwijls reeds in den nacht verlaat
+hij dit leger en graast dan op de met gras begroeide plekjes grond,
+die over dag aan 't zonlicht blootgesteld zijn. Zijn liefste voedsel
+bestaat uit de talrijke, hier groeiende soorten van klaver, uit
+ganzebloemen (_Chrysanthemum parthenium_), duizendblad (_Achillea
+millefolium_) en violen; ook knaagt hij de dwerg-wilgen en de schors
+van het peperboompje (_Daphne muzereum_) af. De monnikskap (_Aconitum_)
+en de ooievaarsbekken (_Geranium_), die ook voor hem vergiftig schijnen
+te zijn, laat hij zelfs in winters, waarin groot gebrek aan voedsel
+heerscht, onaangeroerd. Des avonds gaat hij opnieuw voedsel zoeken,
+en maakt dan ook wel een wandeling langs de rotsen en door de wilgen,
+waarbij hij zich dikwijls op de achterpooten opricht. Vervolgens
+keert hij naar zijn leger terug. Des nachts staat hij bloot aan de
+vervolgingen van den Vos, den Bunsing en de Marters. De Ooruil,
+die hem gemakkelijk zou kunnen overmeesteren, komt nooit op deze
+hoogten. Menige Sneeuwhaas valt echter ten buit aan andere groote
+Roofvogels der Alpen. Onlangs ving een Steenarend in de Appenzeller
+bergen, die op eenden had zitten loeren, een vluchtenden Alpenhaas
+voor de oogen van de jagers weg en voerde hem door de lucht mede.
+
+"In den winter is het voedsel van den Alpenhaas dikwijls schaarsch. Als
+de sneeuw hem verrast, voordat hij zijn dikker winterkleed aangetrokken
+heeft, gaat hij dikwijls verscheidene dagen achtereen niet van onder
+de steenen of struiken weg; hij heeft dan veel te lijden van honger
+en koude. Ook blijft hij in 't veld liggen, wanneer een hevige
+sneeuwbui hem overvalt. Hij laat zich dan geheel onder de sneeuw
+begraven, dikwijls wel 60 cM. diep en komt eerst te voorschijn, als
+de vorst de sneeuw zoo hard heeft gemaakt, dat zij hem draagt. Tot
+zoolang graaft hij zich daaronder een vrije ruimte en beknabbelt de
+bladen en de wortels van de Alpenplanten. Als het winter geworden is,
+zoekt hij in de ijle Alpenbosschen naar gras en boomschors. Zoodra
+de wind de dieper gelegen plaatsen, die met sneeuw gevuld zijn,
+weer blootgelegd heeft, keert de Haas naar de hooge Alpen terug.
+
+"De moerhaas brengt bij elken worp 2 à 5 jongen ter wereld, die niet
+grooter zijn dan Muizen en een witte vlek aan 't voorhoofd hebben. De
+eerste worp heeft gewoonlijk plaats in April of Mei, de tweede in Juli
+of Augustus; of deze nog door een derden worp gevolgd wordt, en of er
+een aan de reeds genoemde voorafgaat, wordt dikwijls betwijfeld. Het is
+bijna onmogelijk het familieleven van de Alpenhazen te bespieden, daar
+deze dieren een zeer fijnen neus hebben en de jongen zich buitengewoon
+goed in alle spleten en gaten van gesteente weten te verbergen.
+
+"De jacht op den Alpenhaas heeft hare lasten en hare lusten. Daar
+zij eerst kan plaats hebben, als de sneeuw de Alpenketen bedekt,
+levert zij niet weinig bezwaren op; hier staat echter tegenover, dat
+het niet moeielijk is de verblijfplaats van het wild te ontdekken;
+daar het versche spoor in de sneeuw duidelijk aantoont, waar het zich
+bevindt. Als men de gangen gevonden heeft, die de Alpenhaas dikwijls
+in de sneeuw graaft om te grazen, en daarna het hiervan uitgaande
+spoor volgt, ontwaart men vele zigzagsgewijze wendingen naar rechts en
+links, die het dier gewoon is te maken, daar het zich na geëindigden
+maaltijd nooit regelrecht naar zijn leger begeeft. Van hier gaat een
+spoor uit, dat over een tamelijk grooten afstand geen afwijkingen
+vertoont. Het kromt zich, wordt daarna gevolgd door eenige afwijkingen
+heen en terug (in den regel minder dan bij den Gewonen Haas) en ten
+slotte door een ring- of lusvormig spoor, dat in de nabijheid van
+een steen, struik of wal eindigt. Hier moet de haas liggen. Bij goed
+weder ziet men hem boven op de sneeuw lang uitgestrekt, dikwijls met
+open oogen slapend; intusschen kleppert hij een weinig met de kaken,
+zoodat zijn ooren bestendig in trillende beweging zijn. Als het weder
+echter guur is door den ijskouden wind, die zoo dikwijls op deze
+hoogten heerscht, ligt de Haas meer verborgen, soms beschut door een
+steen, soms op den bodem van een in de sneeuw gegraven kuil. Hier
+kan de jager hem gemakkelijk schieten. Als hij hem niet treft,
+vlucht de Haas met stormachtige haast en maakt geweldige sprongen;
+hij gaat echter niet zeer ver, en is gemakkelijk weder onder schot
+te krijgen. Het kraken van de sneeuw en het knallen van 't geweer,
+boezemen hem geen schrik in; hij is aan dergelijke geluiden in het
+gebergte gewoon. Ook de Hazen in den omtrek worden er niet door op
+de vlucht gedreven; dikwijls brengt een jager er drie of vier stuks
+thuis, die alle in het leger geschoten werden. In één leger zal men
+er echter nooit twee bijeen vinden, zelfs niet in den paartijd. De
+beweging van den Alpenhaas heeft iets eigenaardigs: zij bestaat uit
+groote sprongen. Het spoor is kenbaar aan den betrekkelijk zeer breeden
+afdruk van den voet. Evenals bij de Gems is de bouw van den voet bij
+den Alpenhaas voortreffelijk ingericht voor het verblijf in het rijk
+der sneeuw. De zool is breeder, de voeten zijn dikker dan die van den
+Gewonen Haas. Bij het loopen spreidt hij de teenen ver uit, zoodat
+zij als sneeuwschoenen het wegzinken in de sneeuw verhoeden; op het
+ijs bewijzen de klauwen, die uitgestoken kunnen worden, uitstekende
+diensten. Als de Alpenhaas met Honden gejaagd wordt, blijft hij veel
+langer voor den staanden Hond liggen als zijn neef in 't laagland;
+wanneer hij vervolgd wordt, sluipt hij slechts zelden in de enge
+pijpen van de woningen der Marmotten, nooit echter in Vossenholen.
+
+"Opmerkelijk is het, dat de Alpenhaas gemakkelijker getemd kan worden
+dan de Gewone Haas, en zich rustiger en vertrouwelijker gedraagt;
+hij blijft echter zelden lang in 't leven, en wordt zelfs bij de
+rijkelijkste voeding niet vet. De Alpenlucht mist hij maar al te zeer
+in 't dal. In den winter neemt zijn vacht ook hier een witte kleur
+aan. Het vel van dit dier wordt niet hoog geschat, zijn vleesch is
+echter zeer smakelijk."
+
+
+
+Van de eigenlijke Hazen onderscheidt het _Konijn_ (_Lepus cuniculus_)
+zich door zijn veel geringere grootte, slankeren lichaamsbouw, korteren
+kop, kortere ooren en kortere achterpooten. De lengte van dit dier is
+40 cM., met inbegrip van den 7 cM. langen staart; het gewicht van een
+ouden rammelaar kan 2 à 3 KG. bedragen. Het oor is korter dan de kop,
+en steekt, als het tegen den kop aangedrukt wordt, niet voor den snuit
+uit. De staart is tweekleurig (van boven zwart, van onderen wit) met
+roeskleurige spits. Het grootendeels zwartachtig blauwgrijze wolhaar
+heeft aan de bovenzijde geelachtig bruine of roodachtig gele, aan de
+onderzijde en op de pooten witte spitsen. De hals is aan de onderzijde
+roestgeelachtig grijs, aan de bovenzijde effen roestrood; de buikzijde
+van den romp, de keel, en de binnenzijde van de pooten zijn wit. De
+spitsen der zwartachtig blauwgrijze bovenharen van de rugzijde van
+den romp zijn zwart, en treden bij sommige exemplaren zoozeer op den
+voorgrond, dat de kleur van de bovendeelen bij hen zeer donker en
+soms zelfs zwart is. In den regel is de romp van boven geelbruinachtig
+grijs, aan de zijden en op de schenkels lichter, de kop roodgeelachtig
+grijs, aan de zijden lichter. Kleurverscheidenheden komen bij het
+wilde Konijn veel zeldzamer voor dan bij den Haas; de tamme Konijnen
+echter wijken in kleur en andere eigenschappen zeer uiteen.
+
+Bijna alle natuuronderzoekers nemen aan, dat het oorspronkelijk
+vaderland van het Konijn Zuid-Europa was en dat het van hier naar de
+landen benoorden de Alpen is overgebracht. Plinius vermeldt het onder
+den naam _Cuniculus_, Aristoteles noemde het _Dasypus_. Alle oude
+schrijvers beweren, dat het uit Spanje afkomstig is. Volgens Strabo
+zou het van de Balearen naar Italië gekomen zijn; Plinius verhaalt,
+dat het zich in Spanje soms ontzaglijk sterk vermenigvuldigt, en op
+de Balearen door vernieling van den oogst hongersnood teweegbracht. De
+bewoners van deze eilanden wendden zich tot Keizer Augustus om hulp.
+
+Tegenwoordig is het Konijn over geheel Zuid- en Midden-Europa verbreid,
+en in sommige gewesten zeer algemeen. In ons land is het Konijn in alle
+duinstreken langs de kust buitengewoon menigvuldig. In de lage landen
+en op kleigronden wordt het niet waargenomen, daarentegen komt het zeer
+algemeen voor op den diluvialen bodem van onze grens-provinciën, vooral
+in Gelderland, Drente en Overijsel. O.a. omdat dit dier de duinen en
+dijken ondermijnt, tracht men zijn vermenigvuldiging zooveel mogelijk
+tegen te gaan; op enkele plaatsen heeft men het kunnen uitroeien,
+zooals op het eilandje Rottum sedert 1840.--Het talrijkst is het
+Konijn nog steeds in de landen, die om de Middellandsche zee gelegen
+zijn, hoewel men het ook daar nooit spaart, en in ieder jaargetijde
+vervolgt. Vele eeuwen geleden werd het ter wille van het jachtvermaak
+in verscheidene gewesten van Engeland ingevoerd, en aanvankelijk op
+hoogen prijs gesteld; nog in het jaar 1309 kostte een wild Konijn daar
+evenveel als een speenvarken. In noordelijke landen kan het niet in
+'t wild leven; te vergeefs heeft men indertijd pogingen aangewend om
+het in Rusland en Zweden te acclimatiseeren.
+
+Het Konijn verlangt heuvelachtige en zandige gewesten met ravijnen,
+rotsblokken of laag struikgewas, kortom oorden waar het zich goed
+en gemakkelijk verbergen en verschuilen kan. Bij voorkeur gezellig,
+tot volksplantingen vereenigd, graaft het op hiervoor geschikte,
+liefst zonnige plaatsen tamelijk eenvoudige holen. Ieder hol bestaat
+uit een tamelijk diepgelegen kamer en haaksgewijs gebogen pijpen,
+die ieder verscheidene uitgangen hebben. Deze openingen worden door
+het veelvuldig gebruik meestal tamelijk wijd; de eigenlijke pijp
+is echter zoo eng, dat de bewoner er juist doorkruipen kan. Ieder
+paar heeft zijn eigen woning en duldt hierin geen ander dier; de
+gangen van naburige woningen staan echter dikwijls met elkander in
+gemeenschap. In zijne holen leeft het Konijn bijna den geheelen dag
+verborgen, tenzij het struikgewas om zijn woning zoo dicht is, dat
+het bijna ongezien voedsel kan zoeken. Zoodra de avond aanbreekt,
+gaat het fourageeren; het doet dit met groote voorzichtigheid en
+bespiedt gedurende geruimen tijd den omtrek, voordat het zijn hol
+verlaat. Zoodra het gevaar bemerkt, waarschuwt het zijne soortgenooten
+door sterk met de achterpooten tegen den grond te kloppen; allen
+snellen op dit signaal zoo schielijk mogelijk naar hunne holen terug.
+
+De bewegingswijze van het Konijn verschilt aanmerkelijk van die van
+den Haas. In het eerste oogenblik overtreft het dezen in snelheid,
+op den duur niet; altijd echter toont het meer behendigheid. In het
+"haken slaan" is het meesterlijk ervaren; om het te vangen zijn een
+uitmuntend gedresseerde Windhond en een goed schutter noodig. Veel
+listiger en sluwer dan de Haas, laat het zich hoogst zelden op de
+weide verrassen en weet het in tijd van nood bijna altijd nog een
+schuilhoek te vinden. Als het rechtuit liep, zou het door iederen
+middelmatig goeden Hond reeds na verloop van korten tijd gevangen
+worden; het zoekt echter in allerlei struikgewas, in rotsspleten en
+holen zijn toevlucht en ontkomt hierdoor meestal aan de vervolgingen
+zijner vijanden. Zijn vermogen om te kijken, te luisteren en te
+speuren is even uitmuntend als dat van den Haas, misschien nog wel
+beter. Het Konijn is gezellig en vreedzaam; de voedster verzorgt
+hare kinderen met warme liefde, de jongen bewijzen hunne ouders veel
+eerbied en vooral de stamvader van het geheele gezelschap wordt hoog
+geacht. "Evenals de moerhaas," schrijft Dietrich aus dem Winckell
+"draagt ook het Konijn 30 dagen. Tot in October werpt het om de 5
+weken 4 à 12 jongen in een afzonderlijke kamer, die het vooraf met
+het wolhaar van zijn buik warm bekleed heeft. Eenige dagen blijven
+de kleinen blind; tot aan den volgenden worp van hun moeder blijven
+zij bij haar in het warme nest en zuigen. De voedster bewijst veel
+liefde aan haar kroost en verlaat haar gezin slechts zoo lang als
+zij noodig heeft, om zich te voeden. Zelfs aan den vader veroorlooft
+zij geen bezoek aan de jongen, waarschijnlijk omdat zij wel weet,
+dat hij ze in een aanval van razernij of uit overdreven liefde zou
+kunnen dooden. Dat hij dit niet uit boosaardigheid doet, blijkt uit de
+wijze waarop hij zijne kinderen ontvangt, als hij ze voor de eerste
+maal ziet: hij geeft hun dan onmiskenbare bewijzen van genegenheid,
+neemt ze tusschen de pooten, likt ze, en helpt de moeder, wanneer
+deze bezig is de kleinen voedsel te leeren zoeken."
+
+In warme landen zijn de jongen reeds in de vijfde, in koude in de
+achtste maand voor de voortplanting geschikt; eerst in de twaalfde
+maand bereiken zij hun vollen wasdom. Als men aanneemt, dat ieder
+wijfje zevenmaal per jaar jongen werpt en bij iederen worp, acht
+jongen ter wereld brengt, zou haar nakomelingschap binnen vier jaar
+uit niet minder dan 1,274,840 individuën bestaan.
+
+Het voedsel van het Konijn is hetzelfde als dat van den Haas. De
+schade, die het Konijn veroorzaakt, is echter veel duidelijker
+merkbaar, niet alleen omdat het zich bij 't fourageeren tot
+een kleinere ruimte bepaalt, maar ook omdat het zooveel van
+boomschors houdt, en, om dezen trek te bevredigen, dikwijls geheele
+boomaanplantingen vernielt. Men kan zich moeielijk voorstellen,
+hoe groot de verwoesting is, die een kolonie van deze dieren kan
+aanrichten, wanneer men hunne vermenigvuldiging niet met kracht
+tegengaat. "De ontzaglijke schade door dit Knaagdier aan bosch en veld
+toegebracht," zeggen de Gebroeders Müller, "berust eensdeels hierop,
+dat het plaatselijk in zoo grooten getale optreedt, ten anderen op
+zijn werkzaamheid als bewoner van onderaardsche gangen. Het voedsel,
+dat dit dier gebruikt, is van een klein plekje gronds afkomstig,
+daar het zich nooit ver van zijn hol verwijdert; hierdoor is de
+veroorzaakte schade veel duidelijker merkbaar, dan die, welke ten
+laste van den Haas komt. Voor den akker geldt dit, maar in nog hoogere
+mate voor het bosch, zooals ieder, die met houtteelt te maken heeft,
+kan getuigen. Alle jonge heesters en boomen, van den vlierstruik tot
+de edelste houtsoorten, zijn blootgesteld aan de vernielende werking
+van de zelden rustende knaagtanden, die het vooral op de schors gemunt
+hebben. Wat de Eekhoorn is in den boom, is het Konijn in den grond,
+die door de koloniën dezer dieren in alle richtingen doorwoeld en
+ondermijnd wordt; reeds hierdoor veroorzaakt het groote schade in de
+bosschen, vooral in die van naaldboomen, welke op zeer lossen bodem
+staan." Bovendien verdrijven de Konijnen door hun voortdurende onrust
+het overige wild; zelden ziet men Hazen daar waar Konijnen voor goed
+hebben post gevat. Waar deze dieren zich veilig achten, worden ze
+ongeloofelijk brutaal. In het Weener Prater hielden zij zich vroeger
+bij duizenden op, liepen er zelfs over dag onbeschroomd rond en lieten
+zich zoomin door geschreeuw als door het werpen met steenen bij het
+afknagen van de planten storen. Overal wordt het geheele jaar door op
+de Konijnen jacht gemaakt; toch zijn zij zonder de hulp van het Fret
+niet uit te roeien: alleen wanneer het aantal Bunzingen, Hermelijnen
+en Steenmarters sterk toeneemt in een streek of wanneer daar Ooruilen
+en andere Uilen voorkomen, kan men er eenige vermindering van het
+aantal Konijnen waarnemen. Door de Marterachtige Roofdieren worden
+zij vervolgd tot in hunne holen en hier bijna altijd buit gemaakt;
+de Ooruilen vangen hen 's nachts van de weide weg. In gewesten die
+voor de Konijnen zeer gunstig gelegen zijn, worden zij soms een plaag
+voor het land, en veroorzaken ontzaglijke schade. In Nieuw-Zeeland
+zoowel als op het vasteland van Australië hebben zij zich zoo kolossaal
+vermenigvuldigd, dat zij op vele plaatsen de weidegronden van het vee
+totaal kaal vreten; men heeft ze hier tot dusver zonder succes ijverig
+vervolgd. Hoe groot het bedrag der door hen aangerichte schade is, kan
+men afleiden uit het feit, dat de regeering van Nieuw-Zuid-Wales in
+de jaren 1880-1889 ongeveer 9 millioen gulden heeft ten koste gelegd
+aan het bestrijden dezer Knaagdieren en ten slotte een belooning van
+300.000 gulden heeft toegezegd aan hem, die een doeltreffend middel
+tegen deze landplaag wist aan te geven. Alle bekende middelen tot
+het uitroeien der Konijnen,--vergif, strikken, Fretten, omrastering
+met staaldraad enz.--zijn reeds toegepast en bleken onvoldoende,
+om de alle perken te buiten gaande vernieling van veevoeder te doen
+ophouden. Toen Pasteur had ontdekt, dat door het besmetten van het
+voedsel der Konijnen met de bacterie van de hoenderen-cholera deze
+dieren de genoemde besmettelijke ziekte krijgen, meende men hierin een
+middel gevonden te hebben om ze snel en volkomen uit te roeien; deze
+proefneming werd in Australië in het groot nagevolgd, maar heeft tot
+geen bevredigende uitkomsten geleid.--Op vele andere, tot verschillende
+aardgordels behoorende eilanden--zooals Porto Santo bij Madera, Jamaika
+en de Falklandseilanden,--zijn door het verwilderen van tamme Konijnen,
+nieuwe, van den stamvorm aanmerkelijk afwijkende rassen ontstaan.
+
+Na hun dood geven de Konijnen slechts een onbeduidende
+schadeloosstelling voor de schade, die zij gedurende hun leven
+veroorzaakten. Hun vleesch wordt, ofschoon het malsch, wit en goed
+van smaak is, niet voor een lekkernij gehouden; zelfs wordt het
+in sommige streken--b.v. in Saksen, waar het volksbijgeloof in het
+Konijn overeenkomst met de Kat ziet--door velen met dezelfde walging
+beschouwd, als in vele streken van Schotland de Paling wegens zijn
+vermeende uitwendige overeenkomst met een Slang.
+
+Het tamme Konijn, dat zich reeds sinds overoude tijden als huisdier
+heeft voortgeplant, stamt ongetwijfeld van het wilde af. Het wilde
+Konijn kan in korten tijd getemd worden; het tamme verwildert binnen
+weinige maanden geheel en al; de jongen die het dan werpt, hebben de
+kleur van het wilde. In mijn jeugd hield ik dikwijls een vrij groot
+aantal Konijnen; hieronder waren er eenige, die nu en dan op het
+erf en in den tuin rondliepen; deze wierpen steeds grijze jongen,
+hoewel de moeder wit en de vader gevlekt was.
+
+De Konijnen-fokkerij kan op tweeërlei wijze plaats hebben: Men kan
+deze dieren op een met muren of traliewerk omgeven, heuvelachtig
+terrein aan zichzelf overlaten en hier, voor zoover dit noodig is,
+met voedsel voorzien, òf ze in hokken verzorgen. De laatstgenoemde
+handelwijze is de doelmatigste. Het konijnenhok moet een steenen of
+planken vloer hebben en voorzien zijn van kunstmatige schuilplaatsen:
+lange kisten met verscheidene gaten, òf kunstmatige holen in
+den muur. Men moet de Konijnen veel stroo en droog mos geven, ze
+tegen de winterkoude beschutten en met hooi, gras, bladen, kool
+enz. voederen. Gemakkelijk kan men ze er aan gewennen, het voedsel,
+dat men hun voorhoudt, uit de hand te nemen; volkomen tam worden zij
+echter zelden, en, als men ze opneemt, trachten zij gewoonlijk te
+krabben en te bijten. Bovendien zijn zij minder verdraagzaam dan de
+wilde Konijnen. Die, welke gezamenlijk opgegroeid zijn, leven met
+elkander in goede overeenstemming; vreemde Konijnen worden echter
+door de oudere bewoners van het hok dikwijls erg mishandeld en soms
+zelfs doodgebeten. In den paartijd hebben tusschen de rammelaars
+hevige gevechten plaats, waarbij sommige niet onbelangrijke wonden
+opdoen. Het wijfje bouwt in haar woning een nest van stroo en mos en
+bekleedt dit zeer fraai met hare buikharen. Gewoonlijk werpt het vijf à
+zeven, dikwijls meer jongen. Lenz heeft aanteekening gehouden van het
+aantal jongen door één wijfje in één jaar geworpen: den 9en Januari
+zes, den 25en Maart negen, den 30en April vijf, den 29en Mei vier,
+den 29en Juni zeven, den 1en Augustus zes, den 1en September zes,
+den 7en October negen en den 8en December zes jongen, in één jaar
+dus acht en vijftig jongen. "In hetzelfde jaar," zegt hij, "deed ik
+twee jonge, uit één nest afkomstige wijfjes en twee mannetjes uit
+een ander nest, die twee dagen later geboren waren, met elkander in
+een afzonderlijk hok. Beide wijfjes brachten toen zij zes maanden oud
+geworden waren, het eene zes, het andere vier jongen ter wereld.--Het
+wijfje zoogt hare kinderen in den regel niet over dag, zelfs, wanneer
+zij nog zeer klein zijn, maar sluit 's morgens, als dit mogelijk is,
+den ingang van het nest af; dikwijls kijkt zij over dag niet meer
+naar hen om, maar doet, alsof zij van niets af weet. Toch let zij
+wel degelijk op het nest."--Voor hunne natuurlijke vijanden hebben
+ook de tamme Konijnen een buitengewone vrees. Lenz deed eens vijf
+tamme Konijnen gezamenlijk in een hok, waarin kort te voren een Vos
+gezeten had. Zoodra hij ze losliet, waren zij als razend en liepen
+met den kop tegen den wand. Eerst langzamerhand geraakten zij aan
+dit hok gewend.--Van denzelfden natuuronderzoeker, is het volgende
+aardige bericht afkomstig: "In Januari kreeg mijn Spitshondje één
+jong en daar dit niet al de melk kon uitzuigen, ging ik in den stal,
+haalde van daar een jong tam Konijn uit het nest en legde het onder
+de teef, die in mijn woonkamer lag; deze liet zonder bezwaar toe, dat
+het vreemde kind aan haar melk zich laafde. Op den derden dag bracht
+ik het Hondje met zijn zoontje en zijn pleegkind in den stal. Het
+bleef daar twee dagen lang, zonder van het nest af te gaan en zonder
+de daar huizende Konijnen en Geiten te storen. Op den derden dag riep
+mijn zuster het naar buiten om frissche lucht te scheppen. Terwijl
+het buiten is, sluipt het oude Konijn in het hondenest, neemt zijn
+jong er uit en brengt het bij zijne overige jongen terug. Ik riep nu
+dadelijk den Hond er bij, om te zien of deze het Konijn zou terug
+verlangen. Hij scheen echter geen erg te hebben in de verdwijning
+van zijn pleegkind."--Ik heb dikwijls jonge Konijnen onder onze
+voortreffelijke, reeds meermalen vermelde Kat neergelegd en gezien,
+dat zij deze rustig met hare katjes liet zuigen.
+
+Bij goede voeding worden de Konijnen soms zeer driest; zij krabben en
+bijten dan ieder die hen vangen wil; bovendien mishandelen zij zonder
+eenige aanleiding andere dieren, vooral wanneer deze hun nijd gaande
+maken. Een zwager van Lenz had een oud mannelijk Konijn bij zijne
+lammeren. "Toen de voedering met esparsette begon, smaakte deze kost
+den ouden heer zoo goed, dat hij graag den geheelen voorraad voor
+zich zelf in beslag genomen zou hebben. Hij ging er dus bij zitten,
+knorde, beet naar de lammeren, sprong zelfs een van hen op den hals
+en liet het duchtig zijne tanden voelen. De te hulp gesnelde lieden
+wierpen hem er af, maar hij beet de lammeren telkens weer, totdat hij
+van hen verwijderd werd. Een andere rammelaar beet een jonge Geit in
+den poot, zoodat zij bloedde, sprong de oude Geit op den nek en beet
+haar in de ooren. Hij moest weggedaan worden." Zeer oude rammelaars
+bijten soms ook hunne jongen of de voedster of brengen teweeg, dat
+deze hare jongen slecht behandelt. Als een moerkonijn de jongen niet
+goed zoogt, of ze dood bijten wil, is er slechts één middel om de
+jongen te redden, n.l. het afzonderlijk houden van den ram.
+
+Het gewone tamme Konijn onderscheidt zich van het wilde door
+forscheren lichaamsbouw en andere kleuren (grijs, haaskleurig, rood,
+geelbruin, licht leikleurig, zwart, wit gevlekt op al de genoemde
+kleuren, wit). Effen zwarte Konijnen zijn zeer zeldzaam; de geheel
+witte (albino's) hebben roode oogen. De meest in 't oogloopende
+kleurverscheidenheden zijn:
+
+Het _Zilvergrijze_ of _Chinchilla-Konijn_, zoo groot als het gewone
+tamme Konijn en even geschikt voor de vleeschvorming als dit; zijn vel
+wordt echter door de bontwerkers hooger geschat en veel gebruikt. Het
+wolhaar is leikleurig, het bovenhaar deels zwart, deels wit; als de
+witte bovenharen de overhand hebben, is de vacht zilvergrijs, in 't
+tegenovergestelde geval glanzig donkerblauwgrijs; allerlei overgangen
+tusschen deze beide uitersten komen voor. Bij alle heeft echter het
+geheele vel van den neus tot den staart, dezelfde gelijkmatige tint. De
+jongen zijn aanvankelijk zwart; als zij 3 maanden oud zijn, begint
+de kleurverandering, die afgeloopen is, als het dier den leeftijd
+van 6 à 7 maanden bereikt heeft. Naar men zegt, is dit ras uit Siam
+afkomstig. Het wordt in Champagne veelvuldig gefokt.
+
+Het _Chineesche_ of _Russische Konijn_ (ook wel _Himalaja-Konijn_
+genoemd) is wit met roode oogen, maar heeft een zwarten neus, zwarte
+ooren, zwarte voeten en een zwart staartje (niet zelden is het zwart
+door bruinzwart vervangen). Bij de jonge dieren komt de zwarte kleur
+nog niet voor; zij komt allengs; eerst op den leeftijd van 3 maanden
+is zij volkomen ontwikkeld. Vooral om de vacht is dit ras van belang;
+wegens zijn vruchtbaarheid is het, ondanks zijn kleinheid voor de
+vleeschproductie bruikbaar.
+
+Het _Hollandsche Konijn_ (_Nicard_), dat verschillende kleuren kan
+hebben, is wegens zijn geringe grootte merkwaardig; sommige exemplaren
+wegen weinig meer dan 1/2 KG. (terwijl een volwassen wild Konijn
+gemiddeld ongeveer 1.5 KG. zwaar is). De Konijnen van dit ras zijn
+uitmuntende voedsters voor andere, zwakkere soorten.
+
+Het _Japaneesche Konijn_ heeft een lichte grondkleur, die met vrij
+regelmatige, betrekkelijk kleine vlekken geteekend is.
+
+Tot de rassen, die zich door buitengewone grootte of hangende ooren
+(lapooren) onderscheiden, behooren o.a. de volgende:
+
+Het _Reuzenkonijn_ (_Lapin géant_), het grootste ras van het tamme
+Konijn, bereikt een gemiddeld gewicht van 6 K.G. De bovendeelen zijn
+grijs of grijsgeel, de kleur van de onderdeelen varieert van lichtgrijs
+tot wit; de rechtopstaande ooren hebben zwarte randen; onder den
+hals bevinden zich beweeglijke, dwarse huidplooien of kwabben, die
+zoover naar voren getrokken kunnen worden, dat zij bijna tot aan de
+spits van den snuit reiken; de beenderen zijn in verhouding tot het
+vleesch steviger en zwaarder dan bij het gewone tamme Konijn. Dit
+dier werpt zelden 6, bij uitzondering 8, in den regel minder jongen.
+
+Het Belgische of Vlaamsche Reuzenkonijn is haaskleurig en grooter
+dan het Rouaansche (Rouennais) en Italiaansche; het kan 8 K.G. zwaar
+worden. De voor het gebruik bestemde exemplaren zijn 6 à 8 maanden
+oud en hebben een gewicht van 4 à 4 1/2 KG. Ieder jaar komen ongeveer
+50.000 van deze Konijnen op de Engelsche markt.
+
+Het _Lapoorige Ramkonijn_ (_Lapin bélier_) is groot, heeft stevige
+beenderen en kan 6 KG. zwaar worden. De kleur is verschillend, de ooren
+zijn soms van de eene spits tot de andere gemeten 60 cM. lang en 15
+cM. breed, terwijl bij het wilde Konijn deze afmetingen ongeveer 20
+cM. en 5 cM. zijn. Dit ras is niet zeer vruchbaar en derhalve voor de
+vleeschproductie weinig geschikt. Een witte verscheidenheid met zwarte,
+parelgrijze of gele vlekken wordt Butterfly ("Vlinder") genoemd. De
+lange ooren worden soms naar boven gericht gedragen en wijken dan met
+de spitsen ver uiteen, soms hangen zij aan weerszijden, of ook wel
+alleen aan de eene zijde, bij den kop langs naar beneden. Ook bij de
+gewone tamme Konijnen, de Reuzenkonijnen en de Angora-Konijnen worden
+de ooren niet zelden aan één zijde of aan beide zijde hangend gedragen
+ten gevolge van het niet-gebruiken van de spieren, die voor de beweging
+van de ooren dienen. Bij eenige Konijnen met "half hangende" ooren
+is het hangende oor langer en breeder dan het naar boven gerichte.
+
+Het _Angora-Konijn_ (ook wel _Zijdehaas_ genoemd) is zoo groot
+als het gewone tamme Konijn, maar heeft fijne, zijdeachtige,
+elastische haren, die soms wel 20 cM. lang worden, en, met wol of
+katoen gemengd, voor het vervaardigen van fijne weefsels, vooral
+handschoenen, kousen, omslagdoeken enz., dienen. Vroeger bedroeg
+de productie van Angora-konijnenhaar in de omstreken van Caen
+(in het N.W. van Frankrijk) jaarlijks 3000 à 4000 KG. à 35 of 40
+francs per KG. Hierop is een tijdperk van achteruitgang van deze
+industrie gevolgd, waarin de prijzen van de grondstof slechts
+half zoo hoog waren. Thans echter is er weer meer vraag naar de
+genoemde artikels. Ieder Konijn levert 300 gram haren per jaar,
+die onder zachte drukking met de vingers uitgetrokken worden, in
+den zomer 2-maal, in den winter 1-maal per maand. De Zijdehazen zijn
+grijs of kastanjebruin, soms ook wel gemskleurig of wit. Deze dieren
+vereischen een bijzonder zorgvuldige verpleging, om te verhoeden dat
+de lange haren aaneenkleven; steeds moeten zij droog stroo hebben;
+de vacht moet dikwijls gekamd worden. Naar men zegt, zijn zij uit
+Klein-Azië afkomstig, wat vruchtbaarheid en vleeschvorming betreft,
+stemmen zij met de gewone tamme Konijnen overeen. Ook deze worden in
+Frankrijk veelvuldig gefokt; zij zijn zeer vruchtbaar, groeien snel,
+en kunnen goedkoop gevoederd worden; zij leveren voordeel op door
+hun smakelijk vleesch, hun vel en hunne haren.
+
+De vellen van tamme en wilde Konijnen worden tot pelterijen verwerkt,
+van hunne haren maakt men vilt voor hoeden, of soms, zooals hierboven
+gezegd is, weefsels. De vacht van het wilde Konijn is grijs roodachtig,
+die van het tamme verschillend van kleur; het meest geschat zijn
+de zuiver witte, zwarte en blauwgrijze vellen. Vooral in Frankrijk
+legt men zich toe op het fokken van Konijnen, die door een fraaie
+vacht uitmunten. Fraaie zwarte vellen met zilvergrijze haarspitsen
+zijn afkomstig van een ras van wilde Konijnen, die hiervoor in
+groote, omheinde perken gehouden worden. Ter vervanging van het
+Hermelijnbont, dient het vel van een klein, uit Polen afkomstig ras van
+Konijnen. Dikwijls wordt de kleur van de vacht kunstmatig veranderd;
+vooral in het fransche departement Aube en in België bloeit deze
+tak van industrie. De konijnenvellen zijn voor 't meerendeel van in
+'t wild levende dieren afkomstig; de meeste komen uit Nieuw-Zeeland
+en Nieuw-Holland. De handel in dit artikel is zeer belangrijk. In
+tien jaar tijds heeft alleen de kolonie Victoria 29 millioen stuks
+uitgevoerd. België verzendt ieder jaar meer dan 6 millioen toebereide
+vellen van tamme Konijnen naar Engeland. De waarde van de Konijnen,
+welker haren de grondstof voor de hoedenfabricatie in Frankrijk
+leveren, wordt geschat op 25 à 30 millioen franc per jaar.
+
+
+
+De in Azië inheemsche _Fluithazen_ of _Hamsterhazen_ (_Lagomys_)
+onderscheiden zich van de leden van het vorige geslacht door
+veel kortere ooren, een geringer verschil in lengte van voor- en
+achterpooten, een niet zichtbaar staartstompje, en een gebit, dat in
+elke bovenkaakshelft één kies minder heeft. Alle Hamsterhazen bewonen
+Centraal-Azië; sommige de hooge gebergten van 1000 tot 4000 M. boven
+den zeespiegel, andere de steppen. Hier leven zij het geheele jaar
+door op rotsachtige, woeste en grasrijke plaatsen, in nabijheid van
+beken, soms eenzaam, soms bij paren, soms in grooter aantal bijeen.
+
+
+
+De _Alpen-fluithaas_ (_Lagomys alpinus_) herinnert door gestalte en
+grootte aan het Guineesch Biggetje. De ruige, dichte en kortharige
+vacht is aan de bovenzijde fijn zwart gesprenkeld op roodachtig gelen
+grond; de zijden en het voorste deel van den hals zijn effen roestrood,
+de onderdeelen en de pooten licht okergeel. Enkele exemplaren zijn
+effen van kleur, n.l. donker zwart. In volwassen toestand is het dier
+ongeveer 25 cM. lang. De Alpenfluithaas behoort thuis in de geheele,
+ontzaglijk groote bergketen, die de noordelijke grens vormt van
+Centraal- en Achter-Azië, maar komt ook in Kamschatka voor.
+
+Deze dieren bewonen rotsspleten en kleine, door hen zelf
+gegraven holen. Bij helder weder liggen zij hier verborgen tot aan
+zonsondergang; bij donkere lucht zijn zij ook over dag werkzaam. Uit
+vrees voor hunne vijanden komen zij dikwijls slechts halverwegen
+uit hunne holen te voorschijn, en steken dan den kop omhoog, om
+zich te overtuigen of zij veilig zijn. Hun vreesachtigheid gaat met
+nieuwsgierigheid gepaard. Radde zegt, dat zij vredelievend en zeer
+arbeidzaam zijn; zij verzamelen groote hoeveelheden hooi, en vormen
+er hoopen van, die zij soms met breed gebladerde planten bedekken om
+ze tegen den regen te beschutten. Soms hebben deze hooischelven een
+hoogte van 15 à 18 cM. bij 15 à 30 cM. middellijn. Naar hunne holen
+leiden smalle paden, die door het drukke verkeer uitgeloopen zijn;
+aan weerszijden van het pad is het korte gras afgevreten. Als de
+winter aanvangt, graven zij onder de sneeuw gangen van hunne holen
+naar hunne hooischelven: deze gangen hebben vele kronkelingen, en
+zijn ieder met een luchtgat voorzien.
+
+Het geschreeuw van den Alpen-fluithaas, dat men nog omstreeks
+middernacht hoort, gelijkt op dat van onzen Bonten Specht, en wordt,
+zelden vaker dan driemaal, met zeer korte tusschenpoozen herhaald. Een
+andere soort--de _Ogotona_ (_Lagomys ogotona_)--fluit als een Muis,
+maar luider en helderder, en zoo vaak achtereen, dat zijn geschreeuw
+op een schrillen, sissenden triller gelijkt. Een derde soort--de
+_Dwergfluithaas_ (_Lagomys pusillus_)--maakt een geluid, dat, naar
+men zegt, groote overeenkomst heeft met dat van onzen Kwartel.
+
+Hoewel deze dieren door de jagers van Oost-Siberië niet vervolgd
+worden, ontbreekt het hun niet aan vijanden. Voortdurend maken de
+Manul (een in de genoemde gewesten voorkomende Wilde Kat), de Wolf,
+de Korsak, benevens verscheidene Arenden en Valken jacht op hen. Met
+geen ander doel wordt hun gebied 's winters bezocht door den Sneeuwuil,
+hun gevaarlijksten vijand. Ook de Buizerden brengen hunnentwege den
+winter in den Gobi door, daar zij zich dan uitsluitend met Ogotonen
+voeden. Ook de mensch benadeelt deze onschuldige Knaagdieren,
+door hen van hun wintervoorraad te berooven. Als er 's winters
+veel sneeuw valt, drijven de Mongolen hunne Schapen naar streken,
+waar vele Ogotonen huizen, of voederen hunne Paarden met het hooi,
+dat de Hamsterhazen bijeengebracht hebben.
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Ontleend aan "Insulinde: het land van den Orang-Oetan en den
+Paradijsvogel, door A. R. Wallace", vertaald en met aanteekeningen
+voorzien door Prof. Veth.
+
+[2] _Sylphium_ noemden de ouden een in Cyrenaica groeiend kruid,
+dat een bij de Romeinen zeer geliefde kruiderij opleverde; thans
+is deze plant, die tot de familie van de Schermbloemigen behoorde,
+niet meer te vinden.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het Leven der Dieren, by A. E. Brehm
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN ***
+
+***** This file should be named 20530-8.txt or 20530-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/0/5/3/20530/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.