summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/20128-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 01:19:25 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 01:19:25 -0700
commita877ce4bdbac4918e19adfe42bd05925a5baccaa (patch)
tree4bddebd70dbe0d4a94e341c655a1588df09bca00 /20128-8.txt
initial commit of ebook 20128HEADmain
Diffstat (limited to '20128-8.txt')
-rw-r--r--20128-8.txt15648
1 files changed, 15648 insertions, 0 deletions
diff --git a/20128-8.txt b/20128-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..ccc5ffd
--- /dev/null
+++ b/20128-8.txt
@@ -0,0 +1,15648 @@
+The Project Gutenberg EBook of Tolstoi's leven, by Pavel Ivanovich Biroekoff
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Tolstoi's leven
+ Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen 1828-1863
+
+Author: Pavel Ivanovich Biroekoff
+
+Contributor: Lev Nikolaevich Tolstoj
+
+Translator: Emma B. van der Wijk
+
+Release Date: December 18, 2006 [EBook #20128]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TOLSTOI'S LEVEN ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Tolstoi's leven
+
+ Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen
+
+ 1828-1863
+
+
+ Bewerkt door
+
+ P. Biroekoff
+
+ Geautoriseerde vertaling naar het Russische handschrift
+
+ Door
+
+ Emma B. van der Wijk
+
+ Met afbeeldingen
+
+
+ Amsterdam P. N. van Kampen & Zoon.
+
+
+
+
+
+OPDRACHT.
+
+
+Aan mijne vrouw Paula Nikolajewna wijd ik dit boek, het groote
+werk van mijn leven, dat zoo zwaren, moeitevollen arbeid van mij
+eischte. Met oprechten dank draag ik het op aan haar, die mij zoo
+menigmaal mijn' last verlichtte, en mij uren schonk van ontspanning,
+zoo noodig bij 't vervullen van mijn' taak.
+
+Nooit toch had ik dit boek kunnen schrijven zonder hare
+zelfverloochenende en zelfopofferende hulp, waarmee zij mij bijstond
+in alle omstandigheden van mijn leven.
+
+Ik draag mijn arbeid dus op aan mijne vrouw, en aan allen die er,
+ongenoemd, aan hebben meegewerkt.
+
+P. B.
+
+
+
+
+
+
+INLEIDING.
+
+
+Met eerbiedigen schroom en overtuigd van mijne geringe krachten, bereid
+ik mij voor tot dit mij heilige werk: het schrijven van eene biographie
+van den grooten ouden man, van mijn' onderwijzer, van Leo Tolstoi.
+
+Eenige jaren geleden lag dit plan mij nog zóó ver, dat ik, hoewel
+levende in zijne onmiddellijke nabijheid, en terwijl ik uren, ja soms
+heele dagen in zijn huis doorbracht, nooit de minste aanteekening
+maakte van hetgeen ik daar op kon vangen, zoo min van hem, als van de
+hem omringende personen. En nu, om mijne godsdienstige overtuiging
+verbannen uit mijn vaderland, ga ik dat groote werk beginnen. Eene
+biographie van iemand wordt niet geschreven zonder toestemming van
+die persoon zelf en zijne familie; dus wendde ik mij tot gravin Sofie
+Andrejewna Tolstaja met verzoek eene biographie van haar echtgenoot
+te mogen schrijven. Spoedig daarop ontving ik een mij zeer aangenaam
+stemmend gunstig antwoord. Uit haar brief haal ik aan, wat op de zaak
+betrekking heeft.
+
+"Natuurlijk moogt gij gaarne met eene levensbeschrijving beginnen. Zelf
+zou Tolstoi u wel willen antwoorden op wat gij hem gaat vragen,
+maar dan zult ge u moeten haasten,--bijna toch was aan dit ons allen
+zoo dierbare leven een einde gekomen. Gode zij dank is hij nu weer
+herstellende en al weer aan den arbeid."
+
+Om nu Tolstoi zelf niet lastig te vallen en overtuigd, dat hij mij
+geene hinderpalen in den weg zou leggen, begon ik dus na ontvangst
+van den brief. Na kennis te hebben genomen van de stof en na mij in
+'t wezen van het werk te hebben ingedacht, beklaagde ik mij eenerzijds
+om den grooten omvang ervan, maar anderzijds heeft diezelfde arbeid
+mij langzamerhand zóó meegesleept, mijne belangstelling zóó opgewekt,
+en voel ik mij er reeds zoo mee verbonden, dat ik het nu noem: "het
+Werk van mijn leven", ongeacht iedere overweging van den uitgever in
+mij, welke het ook zij.
+
+Ik begon dus de stof te bestudeeren, en, onvoorbereid als ik was,
+ben ik gaan naslaan welke verklaring de encyclopaedie van Brockhaus
+geeft van het woord "biographie". Ik vond daar de volgende definitie:
+
+"Eene levensbeschrijving noemt men de schildering van een
+zekere persoon, die voldoet aan de historische wetenschap. Als
+wetenschappelijk werk bepaalt de beschrijving zich niet alleen tot
+de uiterlijkheden, maar moet zij er naar streven de geestelijke en
+moreele ontwikkeling te schetsen. Als kunstwerk moet zij den grondslag
+van het karakter aangeven en in 't algemeen de behandelde persoon in
+'t helderste licht plaatsen."
+
+Deze verklaring bevredigde mij volkomen, zoodat ik een aanvang met
+mijn werk kon maken. Het is een verheven arbeid (des te meer, waar
+dit een Tolstoi geldt), eene beschrijving te geven van 's menschen
+innerlijk, d.w.z. van zijn geestelijk leven, van de ontwikkeling en
+de veranderingen die erin plaats grijpen.
+
+Maar nóg verhevener, nóg rijker is het, aan te toonen volgens welk
+algemeen beginsel deze innerlijke ontwikkeling zich voltooide,
+hoe karakter en ideeën zich vormden en hervormden. Slaagt men nu
+tevens in 't weergeven van de uiterlijke omstandigheden van 't leven,
+dienende gedeeltelijk als omlijsting, gedeeltelijk om nog scherper
+licht te laten vallen op den mensch, dan kan men zeggen: "mijn arbeid
+is geslaagd".
+
+Deze overwegingen hebben mij gediend als gids bij mijn werk,
+
+Het is van bijzonder groot gewicht, bij het geven van eene biographie,
+dat de behandelde persoon nog leeft, daar iedere tegenspraak die men
+ontmoet (door vergelijking met de getuigenissen uit andere bronnen)
+misschien kan worden opgehelderd door de persoon zelf, zoodat de
+feiten nu gegeven worden in hunne volle waarde.
+
+De voorbereidende werkzaamheden bestonden in 't verzamelen der stof.
+
+Deze stof nu splitste ik in vier deelen.
+
+In de eerste afdeeling bracht ik:
+
+Auto-biographische aanteekeningen van Leo Tolstoi, zijne brieven
+gericht tot verschillende personen, en een uittreksel uit zijn dagboek.
+
+In de tweede afdeeling: verschillende herinneringen en biographische
+schetsjes van menschen, die Tolstoi van zeer nabij kenden, van
+zijne bloedverwanten, zijne vrienden, enz., personen dus, die men
+ieder op zichzelf kan vertrouwen. Aan deze tweede afdeeling voegde
+ik nog toe verschillende officiëele gegevens, als: dienstbrieven,
+stadhuispapieren, brieven van schoolbesturen, copie van gerechtelijke
+en administratieve zaken, enz. enz.
+
+In de derde afdeeling nam ik opstellen over Leo Tolstoi op, verkregen
+uit andere bronnen, doch ook geschriften van hem zelf. Men moet echter
+voorzichtig zijn met het gebruiken hiervan, daar werkelijke feiten
+allicht zijn saamgeweven met des kunstenaars phantasie.
+
+Ten slotte in de vierde afdeeling:
+
+Kleine artikels, en ook opmerkingen van schrijvers, die niet ons volle
+vertrouwen verdienen, maar die toch eene betrekkelijke waarde kunnen
+hebben, ter aanvulling daar, waar andere bronnen te kort schoten. De
+vermelding van de namen dier schrijvers acht ik overbodig.
+
+De buitenlandsche literatuur is zeer arm aan biographische gegevens
+aangaande Tolstoi, vooral wat betreft zijne eerste levensjaren. Daarom
+heb ik deze bronnen niet afzonderlijk vermeld. [1]
+
+Nadat ik de eerste schrede gedaan had, reeds bij 't schiften van
+'t verkregen materiaal, voelde ik dat het noodzakelijk was mij met
+Tolstoi zelf in verbinding te stellen, daar ik op vele duistere punten
+stootte, die alleen hij kon ophelderen. Ik heb lang overwogen of het
+resultaat van den arbeid het zou rechtvaardigen, dat ik hem zooveel
+moeite veroorzaakte. Evenwel, wetende dat hij een' kunstenaar nog nooit
+geweigerd had eene buste naar hem te modelleeren of een portret van
+hem te schilderen, noch den amateur-photografen eene opname te doen
+(hoewel het hemzelf geen genoegen verschaft), besloot ook ik hem te
+vragen voor mij te willen poseeren, ter verkrijging van zijn beeld
+door woord en taal. Ook nu weer ontving ik een gunstig antwoord,
+neergelegd in het volgend citaat van den aan mij gerichten brief van
+den 2den December 1901:
+
+"Zeer gaarne zal ik voor u poseeren en de vragen naar volgorde
+beantwoorden."
+
+Een gewichtige dienst bewees mij mijn vriend W. Gr. Tschjerkoff,
+door het voor mij openstellen van zijn rijk archief, bevattende
+eene persoonlijke correspondentie van Tolstoi en een uittreksel uit
+zijn dagboek.
+
+De onaangename zijde van mijn werk bestond hierin, dat ik, krachtens
+eene onhebbelijke verordening uit Rusland verbannen [2], niet in
+staat was mij persoonlijk in verbinding te stellen met den man over
+wien ik ging schrijven. Ook werd ik daardoor verhinderd te werken
+in Russische openbare bibliotheken en archieven. Deze hinderpalen
+belemmerden mijn arbeid aanmerkelijk en zij konden, hoewel niet ten
+volle, slechts door mij worden overwonnen door de vriendelijkheid van
+eenige bezitters van Russische particuliere bibliotheken en de rijk
+voorziene Russische afdeeling in 't Britsch Museum. Ik deed daarvoor
+wat in mijn vermogen was; zelfs zond ik een smeekschrift aan den
+Russischen minister van binnenlandsche zaken, ten einde toestemming
+te verkrijgen, om _twee maanden_ in Rusland te mogen doorbrengen, doch
+ontving eene onvoorwaardelijke afwijzing. En wat nu mijn werk betreft,
+zal de lezer in het eerste deel wetenswaardigheden vinden, die voor
+hem beslist nieuw zijn, herinneringen uit Tolstoi's jeugd, van zijne
+familie, een groot aantal brieven en een uittreksel uit zijn dagboek.
+
+Om te doen zien, hoeveel moeite het kostte om Tolstoi over te halen
+zijne herinneringen neer te schrijven, laat ik hier een uittreksel
+uit mijne correspondentie met hem over dat onderwerp volgen.
+
+Herhaalde malen schreef ik hem en zijne bloedverwanten om mij eenige
+aanteekeningen te zenden over zijne kinderjaren, al waren het maar
+door hem gedane mondelinge vertellinkjes. Eindelijk kreeg ik daarop
+het volgende antwoord:
+
+".... Hoe graag ik ook wilde, dacht ik eerst u niet te kunnen
+helpen. Ik vreesde de onoprechtheid, eigen aan iedere auto-biographie,
+maar nu geloof ik den vorm gevonden te hebben, waarin ik aan uw wensch
+kan voldoen, door u de hoofdtrekken te geven der verschillende elkander
+opvolgende perioden in mijn leven: die uit mijne kinderjaren, mijne
+jongelingsjaren en uit den tijd, toen ik volwassen was. Zoodra ik er
+toe in staat zal zijn, zal ik er eenige uren aan wijden, en trachten
+het op die wijze te doen."
+
+In een der volgende brieven schrijft hij mij:
+
+".... Mijne belofte om eenige van mijne herinneringen voor u op te
+teekenen, vreesde ik niet te kunnen nakomen. Ik heb er over nagedacht,
+en zag, hoe moeilijk het is Scylla en Charybdis te vermijden,
+d.w.z. eenerzijds de klip van den eigenlof, door alleen het goede te
+vermelden, en aan den anderen kant de cynische openhartigheid om alles
+wat slecht is aan het licht te brengen. Indien ik vertel van al die
+laagheid, domheid, verdorvenheid, en dan naar waarheid, oprechter nog
+dan Rousseau, dan zal dat een boek of een hoofdstuk worden, dat veel
+ergernis zal verwekken. De menschen zullen zeggen: 'Dat is dus de man,
+dien velen hoogachten, en zie, hij is een nietswaardige! Och, wij
+eenvoudige menschen, wat kunnen wij ons vergissen. Nu, 't is Gods wil.'
+
+"Maar, zonder scherts, toen ik begon mijn leven ernstig te overdenken
+zag ik al de domheid--werkelijke domheid--en laagheid ervan, en ik
+dacht bij mij zelf: 'hoe toch zullen andere lieden zijn, als ik,
+de veel geprezene, zoo'n dom, laag schepsel ben?' Daarbij komt het
+dan nog aan 't licht, dat ik zooveel listiger ben dan de anderen. Dit
+alles schrijf ik u niet om u wat mooie woorden te laten lezen, maar
+ik heb dat alles werkelijk doorleefd."
+
+Tolstoi's weifelingen ziende en 't volle gewicht ervan voelende,
+besloot ik toch vol te houden en hem, om zoo te zeggen, een begonnen
+patroon te geven, waaraan hij verder kon borduren. Daarom stuurde ik
+hem het door mij ontworpen plan van zijne biographie. In dat programma
+volgde ik het door velen aangenomen systeem van de verdeeling van het
+menschelijk leven in zevenjarige tijdperken. Deze verdeeling hoorde ik
+van Tolstoi zelf, toen hij, eens met mij pratende, de meening uitte,
+dat de zevenjarige perioden in het physisch menschelijk leven (eene
+leer, aangenomen door sommige physiologen) telkens in overeenstemming
+zijn met een zevenjarig tijdperk van de ontwikkeling van het geestelijk
+leven; waaruit voortvloeit, dat iedere zevenjarige periode ook eene
+afzonderlijke geestelijke gestalte aanneemt.
+
+Op bovenbedoelde wijze ingedeeld, krijgen we dus het volgend schema
+van Tolstoi's leven:
+
+
+ Jaartal. Leeftijd. Inhoud van de perioden.
+
+ 1 1828-1835 Van geboorte-7 jaren Kinderjaren.
+ 2 1835-1842 Van 7-14 jaren Jongensjaren.
+ 3 1842-1849 Van 14-21 jaren Jongelingsjaren, leertijd,
+ universiteit, begin van 't
+ besturen van zijn landgoed.
+ 4 1849-1856 Van 21-28 jaren Begin van het schrijven,
+ dienstjaren, Kaukasus, Donau,
+ Sebastopol, Petersburg.
+ 5 1856-1863 Van 28-35 jaren Ontslag, reizen, dood van een
+ broeder, paedagogie, huwelijk.
+ 6 1863-1870 Van 35-42 jaren Familieleven, "Oorlog en Vrede",
+ huishouding.
+ 7 1870-1877 Van 42-49 jaren Hongersnood te Samarsk, "Anna
+ Karjenina", hoogtepunt van
+ literairen roem, familiegeluk
+ en rijkdom,
+ 8 1877-1884 Van 49-56 jaren Crisis, biecht, evangelie,
+ "Waarin ik geloof?"
+ 9 1884-1891 Van 56-63 jaren Moskou, "Wat moeten wij doen?"
+ volksliteratuur, bemiddelaar,
+ verspreiding zijner ideeën
+ onder de hoogere standen en
+ het volk, kritieken.
+10 1891-1898 Van 63-70 jaren "Honger", "Het koninkrijk Gods
+ in ons", ketters, vervolging van
+ de aanhangers der ideeën.
+11 1898-1905 Van 70-77 jaren "Opstanding", in den ban gedaan,
+ ziekte, laatste periode, bezig
+ met militairisme, volk,
+ geestelijke en politieke
+ personen, oorlog revolutionaire
+ en hervormingsbeweging in
+ Rusland.
+
+
+Reeds met den eersten oogopslag bemerkt de lezer de afscheiding van
+iedere geestelijke periode.
+
+Het opzenden van dit schema of beginpatroon bleef niet zonder
+resultaat. Heel spoedig ontving ik van Tolstoi een' brief, waarin
+hij o.a. het volgende schrijft:
+
+...."Ik kom u zeggen, dat ik u bij mijne levensbeschrijving heel gaarne
+wil helpen, en ik zal u de gewichtigste gebeurtenissen meedeelen. Ik
+besloot dat ik ertoe mocht overgaan, omdat het misschien interessant
+en nuttig voor het menschdom kan zijn, wanneer ik het wijs op al de
+verdorvenheid in mijn leven tot aan mijn ontwaken, en zonder valsche
+bescheidenheid, al het goede na dien tijd (hoewel de goede voornemens
+niet altijd werden uitgevoerd, door gebrek aan wilskracht). In dien
+geest wilde ik u dan ook schrijven.
+
+"Uw programma, met zijn 7-jarige indeeling, zal van nut zijn en zeker
+vele gedachten bij mij opwekken. Ik zal ermee beginnen zoodra het
+werk dat ik onderhanden heb is afgeloopen."
+
+Eindelijk, na vier maanden, ontving ik de kostbare bladzijden met
+herinneringen, door Tolstoi zelf geschreven en na dien niet meer
+gecorrigeerd [3]. Ik haastte mij ze te gebruiken in de biographie,
+aan welke zij kleur en gloed zullen verleenen.
+
+Bij de eerste gelegenheid zond ik Tolstoi 't begin van mijn werk,
+met verzoek mij zijn oordeel te zeggen. Daarop ontving ik een brief,
+waarin hij o.a. het volgende schrijft:
+
+"Mijn totale indruk is, dat ge een heel goed gebruik van mijne
+aanteekeningen hebt gemaakt. In bijzonderheden treden zal ik niet,
+omdat het me zou verleiden veranderingen aan te brengen, hetgeen ik
+niet wil doen.
+
+"Ik laat dus alles aan u over en voeg er slechts dit bij, dat gij in
+de biographie, sprekende over mijne jeugd, moet vermelden:
+
+"_Uit de mij verstrekte en ter verwerking gegeven ongecorrigeerde
+gedenkschriften._"
+
+Ik deel dit mede, om Tolstoi van iedere literaire verantwoordelijkheid
+te ontslaan, en ik zal den gecursiveerden zin overal inlasschen waar
+dit noodig is.
+
+En zoo, onder deze opwekkende omstandigheden, begon ik mijn werk.
+
+Het eerste deel dat het licht zal zien bevat de afstamming van Leo
+Tolstoi en 't eerste tijdperk van zijn leven, dus: kinderjaren,
+jongelingsjaren en ten slotte zijn huwelijk.
+
+Het is noodig hier een rustpunt te maken, ten eerste omdat Tolstoi
+zelf zijn huwelijk een begin van een nieuw leven noemt en ten tweede
+uit een practisch oogpunt, daar de aanteekeningen voor dit eerste
+gedeelte reeds voldoende zijn om een geheel boekdeel te vullen.
+
+In het tweede deel hoop ik te spreken over het toppunt van Tolstoi's
+literairen roem, van zijn familiegeluk en rijkdom, en de wedergeboorte
+tot een nieuw geestelijk leven. Dit viel ongeveer tusschen de jaren
+1863 en 1884, dus tusschen zijn 35ste en 56ste jaar.
+
+Ten slotte volgt in het derde deel de tegenwoordige episode uit
+Tolstoi's leven, die, naar wij hopen, nog in lang niet zal worden
+afgesloten.
+
+Volgens eene juiste opmerking van een of anderen schrijver gelijkt
+Tolstoi's leven op een omgekeerde pyramide, die met den top naar
+beneden, den voet naar boven, zich meer en meer verbreedt. In diezelfde
+verhouding breidt de stof voor Tolstoi's levensbeschrijving zich uit,
+gering zijnde in den aanvang, aangroeiende tot het onmetelijke. Ik zal
+niet beproeven in deze inleiding eene karakterbeschrijving van Tolstoi
+te geven. Reeds lang immers kent de geheele wereld hem als een genie.
+
+Ik wil hier evenwel een paar feiten noemen, waaruit de lezer zelf
+zijne gevolgtrekkingen kan maken.
+
+Volgens mijne berekening zijn Tolstoi's werken nu reeds overgebracht en
+uitgegeven in 45 verschillende talen, zoowel Oostersche als Westersche,
+zoowel in die van Noordelijke als van Zuidelijke landen. En immer meer
+neemt de uitbreiding toe. Gedurende mijn bijna tienjarig directeurschap
+van de _Posrjednik_ verkochten wij jaarlijks gemiddeld drie millioen
+brochures, in hoofdzaak verhalen van Tolstoi zelf, en verder artikels
+en opstellen van schrijvers die op de een of andere wijze zijne ideeën
+verkondigden, en die dikwijls door hemzelf waren aangegeven.
+
+De _Posrjednik_ bestaat reeds ongeveer 20 jaren. Aangenomen dat het
+aantal uitgegeven werken verminderde, kunnen wij toch constateeren, dat
+de verkoop van boeken en brochures, meer of minder Tolstoi betreffende,
+het ronde cijfer van 50 millioen bedroeg. En de stroom van deze ideeën
+stortte zich uit over heel Rusland, alle hinderpalen wegspoelende,
+die zoowel door kerkbesturen als door de lauwe, willooze liberalen
+werden opgeworpen.
+
+Het eerste deel van mijn boek is daarom bestemd om aan te toonen,
+hoe deze schoone gedachten zich ontwikkelden en vormden.
+
+
+_Onex bij Genève_, Villa Russe.
+
+_Zwitserland._
+
+15 Oct. 1904. P. J. Biroekoff.
+
+
+
+
+
+Ik had het eerste deel van mijn werk reeds geëindigd, toen ik,
+als gevolg van de mindere strengheid in Rusland, verlof kreeg
+daarheen terug te keeren. Ik maakte hiervan gebruik en werd alzoo
+in staat gesteld, de stof voor het eerste deel van de biographie nog
+belangrijk te vermeerderen, zoowel doordat ik mij nu met Tolstoi in
+onmiddellijke verbinding kon stellen als door de lectuur van zijn
+dagboek en aanteekeningen.
+
+Mijn oprechten dank breng ik aan gravin Sofie Andrejewna Tolstaja,
+die mij de gelegenheid verschafte om het door haar verzamelde
+materiaal (dat bewaard wordt in het historisch museum te Moskou,
+in de "Tolstoi-kamer") te bestudeeren.
+
+Waarschijnlijk was mijn werk, ware het onder gunstiger omstandigheden
+begonnen, beter geslaagd, maar 't is mij onmogelijk terug te keeren om
+nog eens op nieuw te beginnen. Ik liet het dus zooals het is, alleen
+bracht ik die veranderingen aan, die het noodzakelijk uitvloeisel
+waren van de in Rusland verzamelde gegevens.
+
+Ook de inleiding laat ik onveranderd, daar zij naar waarheid schetst
+hoe mijn werk tot stand is gekomen, en ik hoop dat de lezer zal
+begrijpen onder welke eigenaardige voorwaarden dit geschiedde. Want
+als men schrijft over eene nog levende energieke persoonlijkheid, kan
+het laatste woord nog niet gesproken worden. Een slotrede, waarin ik
+den man, met zijn nog warm kloppend hart, de zoo wel verdiende hulde
+zou willen brengen, kan ik dus niet schrijven.
+
+Ten slotte noem ik dezen arbeid, met oprecht gemeende bescheidenheid,
+slechts _een door mij verzameld materiaal voor het geven van een
+levensbeschrijving van Leo Nikolajewitsch Tolstoi_.
+
+Ik wilde niet langer wachten met het uitgeven van het eerste deel,
+in de hoop dat het lezende publiek in mij iemand zal zien, die zeer
+dankbaar alle herinneringen, documenten enz., Leo Tolstoi betreffende,
+in ontvangst zal nemen.
+
+
+P. B.
+
+23 Augustus 1905.
+
+
+
+
+
+
+Inleiding
+
+Van Leo Tolstoi bij zijne herinneringen.
+
+
+Mijn vriend P. Biroekoff, die van plan is een levensbeschrijving
+van mij het licht te doen zien, vroeg mij om eenige gegevens. Heel
+gaarne wilde ik zijn verzoek inwilligen en in gedachten begon ik
+reeds met de samenstelling. In den beginne, zonder het te willen,
+zonder het zelfs te bemerken, herinnerde ik mij alleen maar het goede
+uit mijn leven, terwijl alle slechte, donkere oogenblikken zich
+niet scherper vertoonden dan de schaduw op een schilderij. Dieper
+echter in mijn leven doordringende, zag ik dat zulk een biographie
+een leugen zou zijn, misschien niet in den vollen zin van 't woord,
+maar dan toch een leugen als gevolg van het valsche licht, dat ik op
+de gebeurtenissen liet vallen, en van de opsomming van al het goede,
+gevoegd bij de verzwijging of vergoelijking van al het slechte. Ik
+nam mij daarom voor, de waarheid neer te schrijven, en niets wat
+slecht in mij is te verbergen, maar schrikte terug voor den indruk,
+die zulk een biographie moest maken. Juist in dien tijd werd ik
+ziek. In dien gedwongen rusttijd dwaalden mijne gedachten steeds weer
+naar mijne herinneringen en deze waren ontzettend. Ik doorleefde alle
+gewaarwordingen die Poeschkin beschrijft in zijn gedicht "Herinnering",
+waarvan de laatste woorden zijn: "maar de regels van droefheid laten
+zich niet uitwisschen", wat ik zou willen veranderen in: "maar de
+regels van _schande_ laten zich niet uitwisschen".
+
+Onder den indruk van het bovenstaande schreef ik in mijn dagboek:
+
+
+
+_6 Januari 1903._
+
+Ik lijd tegenwoordig hellepijnen. Ik herinner me al het lage van mijn
+vroeger leven en die herinneringen laten me niet los en vergiftigen
+mij. Gewoonlijk beklaagt men zich, dat de herinnering verdwijnt met den
+dood. Welk een geluk, dat het zoo is. Wat zou het een kwelling zijn,
+indien ik in het leven hiernamaals de herinnering moest meenemen
+aan al het wreede, al het lage wat ik op aarde beging. Want zoo we
+ons het goede konden herinneren zouden we het slechte niet kunnen
+vergeten. Wat een geluk, dat de herinnering verdwijnt met den dood,
+dat er slechts één bewustzijn overblijft, het bewustzijn dat ons wijst
+op een vermenging van al het goede en het kwade, alles samenvloeiend
+tot de groote onbekende X, tot het positieve of het negatieve, tot
+het groote of het kleine.
+
+Ja het is een groot geluk, dat de herinnering verdwijnt; bleef zij
+bestaan, dan zouden wij nooit weer vroolijk kunnen zijn. Nu echter,
+door haar vernietiging, zullen we in het andere leven overgaan met
+een schoone, reine bladzijde, waarop wederom het goede en het kwade
+kan worden neergeschreven.
+
+
+
+Het is waar, dat mijn leven niet altijd zoo verdorven was als in den
+tijd toen ik ongeveer 20 jaren telde; het is ook waar, dat het niet
+voortdurend zoo slecht was, als ik het mij voorstelde in de dagen
+mijner ziekte. Ook in dat tijdperk ontwaakte in mij soms de drang naar
+het goede, te snel helaas weer verstikt door blinde hartstochten, die
+mij naar omlaag trokken. Maar hoe het ook zij, de gedachten, ontkiemd
+in de dagen mijner ziekte, toonden mij duidelijk aan, dat mijne
+biographie, samengesteld op de wijze zooals men dat gewoonlijk doet,
+n.l. met weglating van alle misslagen, verdorvenheid en onreinheid,
+een leugen zou zijn, en laat ik haar verschijnen, dan moet zij waarheid
+en niets dan waarheid bevatten. Geschreven op deze wijze, kan zij,
+hoeveel schande ook over mij brengende, van groot en werkelijk nut
+zijn voor den lezer.
+
+Zoo mij in mijne herinneringen verdiepende en alles beschouwende
+uit het gezichtspunt van goed en kwaad, kwam ik tot het besluit mijn
+geheele leven in vier tijdperken te verdeelen.
+
+Ten eerste: De heerlijke, blijde, onschuldige, poëtische periode
+mijner kindsheid tot aan mijn 14de jaar.
+
+Vervolgens de tweede, die vreeslijke 20 jaren, het tijdperk van
+mijn groote bandeloosheid, van mijn verlangen naar roem en eer,
+en in hoofdzaak van mijne zinnelijke begeerten. Dan de derde,
+18-jarige periode, van mijn huwelijk af tot aan mijne geestelijke
+wedergeboorte. Van een wereldsch standpunt bezien, kan dit tijdperk
+het meest zedelijke worden genoemd. In die achttien jaren toch
+leidde ik een ordelijk, geregeld, huiselijk leven, bekommerde mij
+niet om de publieke opinie of lasterlijke praatjes, terwijl mijne
+geheele belangstelling zich egoïstisch bepaalde tot mijne familie,
+de vermeerdering van mijn vermogen en literair succes, en verder tot
+allerlei kalme genoegens. En ten slotte de vierde, 20-jarige periode,
+waarin ik nu leef, waarin ik ook hoop te sterven, in wier licht ik
+de geheele beteekenis begrijp van het leven dat achter mij ligt,
+en waaraan ik niets meer wensch te veranderen, behalve die slechte
+gewoonten, die mij bij zijn gebleven uit mijn vorige tijdperken.
+
+De geschiedenis nu van deze vier tijdperken, geheel naar waarheid,
+wensch ik te vertellen, zoo God mij kracht en leven schenkt. Ik geloof,
+dat zulk een biographie van grooter nut voor het menschdom zal zijn
+dan alle fraaie redeneeringen waarmee mijn twaalf deelen gevuld zijn
+en waaraan de menschen van onzen tijd zoo'n grooten, onverdienden
+lof toezwaaien.
+
+En nu ga ik beginnen. Ik zal aanvangen met het eerste, vroolijke
+tijdperk van mijn kinderjaren, waaraan ik zulke heerlijke herinneringen
+heb, en dan (hoeveel schande het ook over mij zal brengen) zal ik
+vertellen en niets verzwijgen van die vreeselijke twintig jaren, die
+daarop volgen. Dan komt de derde periode, die velen minder belang
+in zal boezemen, en ten slotte de laatste, waarin ik ontwaakte tot
+de waarheid, en die mij het hoogste levensgeluk en een blijde rust
+heeft geschonken, in afwachting van den naderenden dood.
+
+Om niet in herhalingen te vervallen, herlas ik eens wat ik vroeger
+onder den titel _Kinderjaren_ had uitgegeven en betreur het nu, dat dit
+boek ooit het licht zag, zoo slecht en, van een letterkundig standpunt,
+onwaardig als het geschreven is. Dat kon ook niet anders. Ten eerste,
+omdat het niet de geschiedenis bevat van mijn eigen jeugd maar die
+mijner vrienden uit dien tijd, en ten tweede, omdat ik toen nog lang
+niet zelfstandig was in het vormen van mijn uitdrukkingen en sterk
+onder den invloed stond van de twee schrijvers Sterne (_Sentimental
+Journey_) en Töpfer (_Bibliothèque de mon Oncle_). Hoofdzakelijk zijn
+het de twee laatste deelen, die mij nu niet meer bevallen. Behalve
+een verward mengsel van waarheid en fantasie, is het tevens een
+onwaar boek, waarin ik iets voorstel als gewichtig en goed, dat ik
+in dien tijd noch goed, noch gewichtig vond, n.l. mijne democratische
+richting. Ik hoop, dat wat ik nu ga schrijven beter en hoofdzakelijk
+nuttiger voor anderen zal zijn. [4]
+
+
+
+
+
+
+
+
+EERSTE DEEL.
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE VOOROUDERS VAN LEO TOLSTOI VAN VADERSZIJDE. [5]
+
+
+De graven van Tolstoi zijn van een oud adellijk geslacht, dat volgens
+de genealogen afstamt van den heiligen Indriss, die in 1353 met twee
+zonen en een leger van 3000 man naar Tschernigoff trok. Hij liet zich
+doopen, ontving den naam Leontii en werd de stamvader van eenige
+adellijke families. Zijn achterkleinzoon, Andrei Charjitonowitsch,
+verhuisde van Tschernigoff naar Moskou, ontving van grootvorst
+Wassilii Tjenni den achternaam Tolstoi, en was de stamvader van
+de Tolstoi's. (Volgens den graaflijken stamboom van het geslacht
+Tolstoi is Leo Nikolajewitsch een nakomeling van Indriss in den
+tweeden graad). [6]
+
+Een van zijn nakomelingen, Peter Andrejewitsch Tolstoi, diende in 1683
+als Stolnik (een hoveling die het oppertoezicht heeft over de tafel,
+enz.) aan het hof en was één van de hoofdleiders van den opstand der
+Strelitzen. De val van de Tsarina Sophie dwong Tolstoi zijn bakens te
+verzetten en naar de partij van Tsaar Peter over te gaan. Deze hield
+hem echter steeds op een afstand en het duurde een langen tijd voor
+dat Peter Andrejewitsch het vertrouwen van den Tsaar mocht winnen.
+
+Daarvan vertelt men het volgende.
+
+Eens, bij een woest drinkgelag, behaagde het den Tsaar Tolstoi zijn
+grooten pruik van het hoofd te rukken. Hij sloeg hem er mee op den
+kalen schedel en sprak: "Hoofdje, hoofdje, als jij niet zoo verstandig
+waart, dan had men je reeds lang van den romp gescheiden."
+
+Zelfs de groote militaire verdiensten van Tolstoi, in den tweeden
+strijd om Azoff, konden het wantrouwen van den Tsaar niet overwinnen.
+
+In 1697 zond Tsaar Peter eenige vrijwilligers naar het buitenland in
+de leer. Tolstoi, toen reeds een man van rijperen leeftijd, bood aan
+er heen te gaan, ter bestudeering van het zeewezen. Tevens stelde
+hij zich volkomen op de hoogte van de West-Europeesche cultuur. In
+'t eind van 1701 werd Tolstoi benoemd tot gezant te Constantinopel,
+een gewichtige maar moeilijke post. Ten tijde van de verwikkelingen
+van 1710-1713 zat hij tweemaal op het "slot met de zeven torens"
+gevangen. Daarom voeren de graven Tolstoi een wapen waarop dit slot
+is afgebeeld.
+
+In 1717 bewees Tolstoi den Tsaar een grooten dienst, waardoor hij
+voor goed bij dezen in de gunst kwam.
+
+Op korten afstand van Napels, waarheen Tolstoi was gezonden, ligt het
+kasteel Sint-Elmo. Daar hield zich in dien tijd de Tsarewitsch Alexei
+met zijne vriendin Eufrosyne verborgen. Met behulp van die vrouw
+gelukte het Tolstoi, door ruwe bedreigingen en valsche beloften, den
+Tsarewitsch te bewegen naar Rusland terug te keeren. Zijn werkzaam
+aandeel in het gerechtelijk onderzoek, de zittingen van de geheime
+rechtbank en de, op bevel van den Tsaar, heimelijke voltrekking
+van het doodvonnis (met medewerking van Roemjantseff, Oeschakoff en
+Boetoerlin) bezorgden hem eene belooning. Hij kreeg eenige landgoederen
+ten geschenke en werd benoemd tot chef van de geheime kanselarij,
+waar juist zeer veel te doen viel wegens oproer en gisting onder
+'t volk, veroorzaakt door den dood van den Tsarewitsch Alexei.
+
+Tolstoi was in dien tijd een van de personen die zich steeds in de
+onmiddellijke nabijheid van den Tsaar bevonden, en die het meest door
+hem werden vertrouwd.
+
+Door de zaak met den Tsarewitsch kwam hij ook in nauwere aanraking met
+Keizerin Catharina. In vereeniging met Menschikoff werkte hij krachtig
+mede aan hare troonsbestijging, waarvoor hij op den kroningsdag
+beloond werd met den titel van graaf, en naderhand veel gunsten
+bleef genieten. Onder de regeering van Peter II, een' zoon van den
+vermoorden Tsarewitsch, was zijn val echter onvermijdelijk. Zonder
+dat er met zijn hoogen leeftijd rekening werd gehouden (82 jaar),
+werd Peter Tolstoi in het Solowetski-klooster gevangen gezet, waar
+hij niet lang daarna, in 1729, overleed.
+
+Er bestaat nog een dagboek met aanteekeningen van Tolstoi's
+buitenlandsche reis van 1697 tot 1699, een karakteristiek staaltje
+van den indruk, dien een Rus uit den tijd van Peter den Groote van
+West-Europa kreeg. In 1705 stelde hij een geschrift samen, handelende
+over de Zwarte Zee. Bovendien zijn van hem twee vertalingen bekend: _De
+Metamorphose van Ovidius_ en _De Regeering van den Turkschen Staat_.
+
+Tolstoi had een zoon, Iwan Petrowitsch, president van de rechtbank,
+die tegelijkertijd met hem in de gevangenis werd gezet, waar hij
+spoedig na zijn vader overleed.
+
+Reeds onder de regeering van Elizabeth Petrowna, 26 Maart 1760, werden
+de nakomelingen van Peter Tolstoi in hunne graaflijke waardigheid
+hersteld en wel in de persoon van zijn kleinzoon Andrei Iwanowitsch,
+den overgrootvader van Leo Tolstoi.
+
+"Van een van mijne tantes hoorde ik van dezen Andrei Iwanowitsch,
+die zeer jong met eene vorstin Tschtschetininaja in 't huwelijk trad,
+eens het volgende verhaal.
+
+"Door het een of ander toeval moest de vorstin zonder haar man naar
+een bal. Toen ze was weggereden, waarschijnlijk in een koets, waaruit
+men de banken had moeten verwijderen opdat het hooge kapsel niet door
+het stooten tegen de zoldering zou worden beschadigd, herinnerde de
+jonge vorstin (ze was waarschijnlijk 17 jaar) zich plotseling, dat
+ze geen afscheid had genomen van haar man. Dadelijk liet ze keeren en
+vond thuisgekomen haar gemaal in tranen. Hij weende omdat zij zonder
+hem te groeten was weggegaan." [7]
+
+
+
+Tolstoi vertelt het volgende van zijn grootvader en grootmoeder
+van vaderszijde.
+
+
+
+"Mijne grootmoeder Pelageja Nikolajewna was eene dochter van den
+blinden vorst Nikolaas Iwan. Gortschakoff. Zij was, zoover ik het mij
+kan herinneren, weinig ontwikkeld. Zooals allen in dien tijd sprak
+zij beter Fransch dan Russisch, maar dat was dan ook alles wat ze
+wist. Zij werd haar geheele leven zeer verwend, eerst door haar vader,
+toen door haar man en daarna door haar zoon.
+
+"Bovendien werd haar, als dochter van den oudste van het geslacht,
+de grootste achting bewezen door alle Gortschakoffs, t.w. den gewezen
+minister van oorlog, Nikolaas Iwanowitsch, Andrei Iwanowitsch en
+de zonen van den vrijdenker Dimitri Petrowitsch, Peter Sergius en
+Michael Sebastopolski.
+
+"Mijn grootvader was ook, voor zoover ik nog weet, een weinig
+ontwikkeld man, zwak van karakter, niet slechts vrijgevig maar
+zelfs onuitsprekelijk verkwistend, en daarbij veel te goed van
+vertrouwen. Op zijn landgoed, gelegen in het district Bjellewskaja
+Paljana (niet te verwarren met Jasnaja Paljana) hield men steeds
+feesten en drinkgelagen. Bals, comedie, diners en 't maken van kleine
+uitstapjes wisselden elkaar af. Grootvader had een grooten hartstocht
+voor het spel, hombre en whist, dat hij niet goed kende en waardoor
+hij dus groote sommen verloor, daarenboven gaf en leende hij steeds
+maar groote sommen uit, waarvan hij nooit iets terug zag. Het einde
+van dit alles was, dat het groote landgoed van mijn grootmoeder zoo
+met schulden was belast, dat er niets meer overbleef om van te leven,
+en grootvader gedwongen was de betrekking van Gouverneur te Kazan aan
+te nemen. Door zijn vele relaties viel het hem gemakkelijk dien post
+te krijgen.
+
+"Mijn grootvader was onomkoopbaar en nam slechts het geld dat
+hem volgens algemeen gebruik van de pacht toekwam. Hij werd boos
+wanneer men trachtte hem heimelijk om te koopen. Maar grootmoeder,
+zooals men mij vertelde, nam, zonder dat haar man er iets van wist,
+wel geschenken aan.
+
+"De jongste dochter van grootmoeder, Pelageja, trouwde te Kazan
+met Joeschkoff, de oudste, Alexandra, nog te Petersburg, met graaf
+Osten Sacken.
+
+"Na den dood van haar man, die te Kazan overleed, en na het huwelijk
+van mijn vader, kwam grootmoeder bij ons te Jasnaja Paljana, en
+zooals ze toen was, reeds een oude vrouw, kan ik mij haar nog heel
+duidelijk voorstellen.
+
+"Grootmoeder hield hartstochtelijk veel van mijn vader; wij, haar
+kleinkinderen, werden door haar verwend; van de tantes hield zij ook,
+maar ik geloof dat zij mijne moeder niet graag mocht lijden, omdat
+zij haar niet goed genoeg vond voor vader en--omdat zij jaloersch
+op haar was. Voor het personeel behoefde zij niet veeleischend te
+zijn, want, wetende dat zij de eerste persoon in huis was, deden
+alle bedienden ongevraagd alles wat ze konden om het haar naar
+den zin te maken. Gascha, haar kamenier, had echter veel van haar
+luimen te lijden en werd geregeld door haar gekweld. Met de woorden:
+'jij bent mij de liefste' verlangde zij de onmogelijkste dingen van
+haar en plaagde haar op alle manieren. Het opmerkelijkste hierbij is,
+dat Gascha Arafa Michaïlowna [8], die ik nog heel goed gekend heb,
+alle luimen van grootmoeder overnam en met haar ondergeschikten,
+met haar kat, in één woord met allen over wie zij iets te zeggen had,
+juist zoo omging als grootmoeder met haar.
+
+"Van mijne eerste herinneringen aan mijne grootmoeder, tot aan onze
+reis naar Moskou en ons leven daar, zijn drie indrukken het levendigst
+gebleven.
+
+"De eerste is, dat grootmoeder, als zij zich wiesch, met een bijzondere
+zeep verwonderlijk mooie zeepbellen op haar handen te voorschijn
+kon tooveren, die, naar ik toen geloofde, niemand dan zij zoo mooi
+kon maken.
+
+"Men bracht ons expres naar haar toe om er bij te zijn als zij zich
+wiesch. Ik herinner mij haar witte koftoschka (lijfje met mouwen),
+haar joebka (vrouwenrok), haar witte oude handen met de zeepbellen
+en haar bleek, tevreden glimlachend gelaat.
+
+"De tweede herinnering is deze: Grootmoeder zit in de groene cabriolet
+op veeren, waarin wij dikwijls met onzen goeverneur Feodor Iwanowitsch
+uit rijden gaan. Zij wordt getrokken niet door paarden maar door de
+knechts van mijn vader. Wij gaan uit om noten te schudden, die er
+dit jaar zeer overvloedig zijn.
+
+"Ik herinner me den zwaar beladen noteboom met de krakende, bewegende
+takken, hoe Petroeschka en Matjoeschka, de tuinknechts, die de groene
+cabriolet, waarin grootmoeder gezeten is, voorttrokken, de takken naar
+haar toe bogen, en hoe grootmoeder zelf de heerlijk rijpe vruchten
+aftrok en in haar tasch deed; hoe wij zelf de noten plukten, en hoe
+Feodor Iwanowitsch ons verbaasde met zijne kracht, door de dikste
+takken naar beneden te wringen. Hoe wij zelf noten verzamelden uit
+alle macht, en hoe wij toch nog zagen, toen Feodor Iwanowitsch de
+takken los liet, die zich langzaam, zich in elkaar verwarrend, weer
+oprichtten, dat er vele noten waren blijven hangen. Ik herinner mij hoe
+warm het was op die kleine weide, en hoe heerlijk koel in de schaduw,
+hoe wij de prikkelende geuren inademden die noten en notebladeren van
+zich gaven, hoe kleine meisjes, die bij ons waren, de noten kraakten
+en tusschen hun lipjes staken, en hoe wij, onophoudelijk kauwden en
+al maar kauwden aan de frissche, blanke, sappige kern.
+
+"Wij verzamelden de noten in onze zakken, in onzen schoot en in
+de groene cabriolet, en grootmoeder nam ze aan en prees ons. Wat
+er verder gebeurde, nadat we thuis waren gekomen, daarvan heb ik
+niets onthouden. Ik herinner me slechts grootmoeder, den noteboom,
+den scherpen geur der bladeren, de knechts, de groene cabriolet,
+de zon en dat alles samensmeltende tot eene blijde herinnering. Ik
+geloofde dat, even als de zeepbellen slechts op grootmoeders handen
+konden zijn, zoo ook de zon, het bosch en de noteboom een geheel
+vormden met grootmoeder in haar groene cabriolet op veeren, die
+getrokken werd door Petroeschka en Matjoeschka.
+
+"De herinnering, die het innigst met grootmoeder is saamgeweven, is
+die nacht, doorgebracht in grootmoeders slaapkamer: Leo Stepanitsch
+(hij was een blinde sprookjesverteller, en reeds oud toen ik hem
+leerde kennen), een overblijfsel uit den tijd toen de lijfeigenschap
+nog bestond, een lijfeigene van mijn' grootvader. Hij was indertijd
+gekocht alleen om sprookjes te vertellen, die hij, dank zij een slechts
+blinden eigen bijzonder sterk geheugen, woordelijk kon verhalen nadat
+men ze hem een paar maal had voorgelezen.
+
+"Hij woonde ergens in ons huis en den geheelen dag bleef hij
+onzichtbaar tot hij 's avonds in grootmoeders slaapkamer voor den dag
+kwam. Grootmoeders slaapkamer was een groot, laag vertrek, waartoe een
+klein trapje van een paar treedjes toegang gaf. Leo Stepanitsch zette
+zich dan in de breede vensterbank, waar men hem zijn avondeten bracht
+dat van de heerentafel kwam. Hier wachtte hij op grootmoeder die,
+zonder schroom voor de tegenwoordigheid van den blinden ouden man,
+haar nachttoilet in orde kon maken.
+
+"Op dien dag, toen 't mijn beurt was om bij grootmoeder te overnachten,
+zat Leo Stepanitsch met zijn blinde oogen, gekleed in een lange blauwe
+jas en een doek om zijn schouders, reeds in de vensterbank bij zijn
+avondeten. Ik kan mij niet herinneren of grootmoeder zich uitkleedde
+in deze of in een andere kamer, ook niet hoe men mij te bed heeft
+gebracht. Ik herinner mij slechts, toen het licht werd uitgedaan
+en alleen een lampje bleef branden voor de gouden heiligenbeelden,
+grootmoeder, diezelfde wonderbare grootmoeder, die zulke prachtige
+zeepbellen kon maken, geheel in 't wit, omhuld met wit, bedekt
+met wit, hoog liggend op haar witte kussen, en toen,--van uit de
+diepe vensternis--de eentonige, rustige stem van Leo Stepanitsch:
+'Beveelt ge, dat ik ga vervolgen?'--'Ja, ga verder.'--'Mijn geliefd
+zustertje,' hernam Leo Stepanitsch met zijn langzame oude stem,
+'doe ons een van die boeiende verhalen die gij zoo goed weet te
+vertellen.' 'Zeer gaarne,' antwoordde Scheherezade, 'ik zou u de
+geschiedenis van Prins Kamaralzaman willen vertellen, zoo gij ons
+daarvoor uwe toestemming wilt geven.' Nadat zij deze had verkregen
+begon de Sultane Scheherezade als volgt: 'Er was eens een Tsaar die
+een eenigen zoon had...' en duidelijk woord voor woord vertelde Leo
+Stepanitsch de geschiedenis van Prins Kamaralzaman. Ik hoorde noch
+begreep wat hij zei, zoo geheel ging ik op in den geheimzinnigen
+aanblik van mijne witte grootmoeder, van haar schaduw die zich op
+den muur heen en weer bewoog, en van den grijsaard met zijn blinde
+oogen, dien ik nu niet zag, maar dien ik mij bewust was, zittende op
+de vensterbank, zeggende met zijne langzame stem eenige, naar het
+mij toescheen, verheven woorden die weerklonken in deze in schemer
+gehulde kamer, slechts verlicht door de trillende vlam eener lamp.
+
+"Het kan zijn, dat ik dadelijk insliep en mij daarom niets meer
+herinner dan dat ik den volgenden morgen, wakker geworden, weer in
+verrukking kwam voor de wondermooie zeepbellen op de handen van mijn
+grootmoeder." [9].
+
+
+
+De volgende tabel geeft den lezer een overzicht van de jongste
+voorouders van Leo Tolstoi.
+
+
+Graven Tolstoi.
+
+
+ Peter Andrejewitsch, eerste graaf Tolstoi [† 1729].
+ Iwan Petrowitsch [† 1728].
+ Andrei Iwanowitsch [† 1803].
+ Ilija Andrejewitsch [† 1820] (Gouverneur van Kazan).
+
+ Alexandra, getrouwd met graaf Osten Sacken.
+ Nikolaas [† 1837].
+ Pelageja, getrouwd met W. I. Joeschkoff.
+ Ilija, stierf kinderloos
+ Nikolaas, geb. 1823.
+ Sergius, geb. 1826.
+ Dimitri, geb. 1827.
+ Leo, geb. 1828.
+ Maria, geb. 1830.
+
+
+
+
+De familie Tolstoi heeft haar vertegenwoordigers in vele standen van
+de maatschappij.
+
+Wij veronderstellen, dat het den lezer zal interesseeren te weten
+in welken graad van bloedverwantschap Leo Tolstoi tot eenigen hunner
+staat. Wij herinneren hier aan Feodor Petrowitsch Tolstoi, een bekend
+kunstenaar en vice-president van de Keizerlijke Kunstacademie, die
+een neef was van den vader van den dichter Alex. Const. Tolstoi,
+die op zijn beurt weer een achterneef is van Leo Tolstoi. De
+gewezen minister Dimitri Andrejewitsch Tolstoi, bekend om zijn
+reactionnaire maatregelen, staande in een meer verwijderden graad
+van bloedverwantschap tot Tolstoi, stamt af van den algemeenen
+stamvader Iwan Petrowitsch Tolstoi, zoon van den eersten graaf
+Tolstoi, Peter Andrejewitsch, die evenals zijn vader stierf in het
+Solowetski-klooster.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+VOOROUDERS VAN LEO TOLSTOI VAN MOEDERSZIJDE.
+
+
+De vorsten Wolkonski klimmen met hun stamboom op tot Rurik.
+
+Bij het leven van mijn grootvader bestond er nog een in olieverf
+geschilderde stamboom van de vorsten Wolkonski. Daarop was de
+stamvader, vorst Tschernogorski (als de heilige Michaël) afgebeeld,
+met een boom in zijn vuist, wiens vertakkingen de rij van zijn
+nakomelingen voorstellen.
+
+Vorst Iwan Joerjewitsch, het 13de geslacht na Rurik, ontving in het
+begin van de 14de eeuw het vorstendom Wolkon, gelegen aan de rivier
+de Wolkona, die stroomt in het tegenwoordige gouvernement Kaloeka en
+Toela; dit was het stamgoed van de vorsten van Wolkonski. Zijn zoon
+Feodor Iwanowitsch viel in den slag bij Mamajeff in 1380. Wij noemen
+van Leo Tolstoi's jongste voorouders zijn' overgrootvader, vorst
+Sergius Fedorowitsch Wolkonski, om wiens persoon zich de volgende
+legende weeft.
+
+Vorst Sergius Fedorowitsch Wolkonski heeft deelgenomen aan den
+zevenjarigen oorlog in den rang van generaal. Zijn vrouw droomde eens,
+tijdens dien veldtocht, dat eene stem haar beval een heiligenbeeldje
+te laten maken, vertoonende aan de eene zijde Sjiwonosni Istotschnik,
+aan den anderen kant Nikolaas Tschoedotwortz, en hem dat te zenden. Zij
+zocht daarvoor een plankje uit, gaf bevel het te schilderen en zond
+het haren man door bemiddeling van den veldmaarschalk Apraksin. Op
+dien zelfden dag bracht een koerier hem het bevel zich op weg te
+begeven om den vijand op te zoeken. Vorst Sergius Feodorowitsch
+bad God om hulp en stak het beeldje bij zich. Nu gebeurde het dat
+een vijandelijke kogel hem trof, juist op de borst, waar hij op het
+beeldje afstuitte. Dit beeldje, dat nu nog bewaard wordt door zijn
+jongsten zoon, vorst Nikolaas Serghejewitsch, redde hem dus het
+leven. Hij stierf 10 Maart 1784.
+
+Leo Tolstoi, die deze legende natuurlijk kende, bediende zich ervan in
+zijn roman _Oorlog en Vrede_, om de godsdienstige gevoelens weer te
+geven van vorstin Maria Wolkonskaja, voordat vorst Andreï ten oorlog
+trekt. De lezer zal zich herinneren dat Maria haar broeder vraagt,
+dit beeldje mee te nemen. Terwijl zij het hem geeft, zegt ze: "Denk
+wat je wilt, maar doe het dan voor mij, doe het, ik smeek het je! De
+vader van mijn vader, onze grootvader, droeg het in alle oorlogen..."
+
+Wij zien hier hoe de verbeeldingskracht van den kunstenaar en de
+werkelijke historie in elkaar vloeien. Terwijl de laatste aan de
+eerste het karakter van waarheid verleent, daar geeft de eerste aan
+de laatste dien schijn van het echte leven, die aan alle personen,
+voorkomend in _Oorlog en Vrede_, bezieling schenkt, zoodat wij niet
+twijfelen aan hun werkelijk bestaan.
+
+De jongste zoon van Sergius Feodorowitsch, Nikolaas Serghejewitsch,
+was Tolstoi's grootvader van moederszijde. Hier volgt hetgeen de
+stamboom van hem zegt.
+
+Nikolaas Serghejewitsch, generaal der infanterie, jongste zoon van
+vorst Sergius Feodorowitsch en vorstin Maria Dmitrijewna, geboren
+Tschadajewna, werd geboren 30 Maart 1753. In 1780 werd hij opgenomen
+in 't gevolg van Keizerin Catharina II te Moghileff, waar hij de
+eerste samenkomst van haar met Keizer Joseph II bijwoonde. Later
+begeleidde hij de Keizerin naar Taurië. In 1793 werd hij benoemd tot
+eersten gezant te Berlijn, bij gelegenheid van het huwelijk van den
+kroonprins, den lateren Frederik Willem III. Hij stierf 3 Februari
+1821 op het landgoed Jasnaja Paljana, waar hij, zonder het ooit meer
+te verlaten, zijne laatste jaren doorbracht, en dat, onder den naam
+van Liesig Gor, door zijn kleinzoon in den roman _Oorlog en Vrede_
+onsterfelijk is gemaakt.
+
+Het lijk van dezen vorst is bijgezet in het Troitzko Serghejewskaja
+lawra (een klooster).
+
+Leo Tolstoi vertelt ons in zijne herinneringen het volgende van zijn'
+grootvader.
+
+"Van mijn' grootvader weet ik, dat hij onder Keizerin Catharina
+het hooge ambt van generaal-en-chef bekleedde, doch plotseling werd
+ontslagen, omdat hij weigerde te trouwen met Warjenka Engelhardt,
+de nicht en tevens geliefde van Potjemkin. Hij antwoordde toen deze
+het hem vroeg: 'Hoe kom je op de gedachte, dat ik zou trouwen met uwe
+bijzit.' Dat antwoord brak zijne carrière. Behalve dat hij niet werd
+bevorderd, verplaatste men hem als veldmaarschalk naar Archangel,
+waar hij, geloof ik, bleef tot aan de troonsbestijging van Keizer
+Paul. Hij nam ontslag uit den dienst, trouwde met vorstin Catharina
+Dmitrijewna Troebjetzkaja en vestigde zich op het landgoed Jasnaja
+Paljana, dat hij van zijn' vader had gekregen.
+
+"Vorstin Catharina Dmitrijewna stierf jong, hem een eenige dochter
+nalatende.
+
+"Hij hield heel veel van deze dochter en bleef tot aan zijn dood,
+in 1821, met haar en hare Fransche gezelschapsjuffrouw samenwonen.
+
+"Men zegt van mijn' grootvader, dat hij een zeer streng landheer
+was, hoewel ik nooit van die vreeselijke straffen hoorde gewagen,
+zoo algemeen in zwang in die tijden. Ik veronderstel dat er toch
+wel gestraft werd en mijn vader sprak ook wel eens minder gunstig
+over hem. De boeren echter uit dien tijd hadden zoo grooten eerbied
+voor gezag en macht, dat zij, hoe dikwijls er ook naar gevraagd,
+zich er niet over uitlieten. Zij roemden grootvader als een goed
+landheer, die zorg droeg voor zijne boeren en voor zijne groote,
+mooie bezitting. Hij liet huisjes bouwen voor de boerenknechts,
+en zorgde dat ze niet slechts goed gevoed maar ook goed gekleed en
+vroolijk zouden zijn. Op feestdagen was het voor hen ook feest. Hij
+zorgde dan voor schommels en liet hen dansen, enz.
+
+"Iedere verstandige landheer uit die dagen zorgde voor den welstand der
+boeren. Zoo deed ook hij, terwijl zijne hooge positie den Iesprawnik
+(de eerste uit het district) met zijne dienaren eerbiedig ontzag
+inboezemde, hetgeen zijne boeren weer vrijwaarde voor uitbuiting en
+onderdrukking, zoodat het hun steeds beter ging.
+
+"Waarschijnlijk was hij zeer aesthetisch aangelegd. De huisjes,
+door hem gebouwd, waren eenvoudig, gemakkelijk en daarbij zeer mooi,
+evenals het door hem aangelegde park vóor het huis. Van muziek scheen
+hij zeer veel te houden, want alleen voor zich en zijn vrouw hield hij
+er een klein maar goed orkest op na. Ik heb nog den reuzenboom in de
+lindenlaan gezien, dien dikken boom, door drie personen nauwelijks te
+omspannen, waarom banken en lessenaars voor de muzikanten stonden. Hij
+wandelde 's morgens de lindenallée op en neer en luisterde naar de
+muziek. Van de jacht hield hij niet, maar wel van bloemen en planten.
+
+"Het noodlot bracht mijn' grootvader op een eigenaardige wijze weer
+samen met diezelfde Warjenka Engelhardt, die zijne carrière had
+gebroken. Zij was n.l. getrouwd met vorst Sergius Feodorowitsch
+Galitzin, die daarvoor allerlei ambten, orden en gunsten had
+ontvangen. Er ontstond zulk eene intieme verhouding tusschen mijn
+grootvader en dien zelfden Sergius Feodorowitsch en zijne familie,
+dus ook met zijne vrouw, dat mijne moeder, toen ze nog heel jong was,
+reeds aan een van de tien zoons van Galitzin werd toegezegd.
+
+"Verder schonken de beide vorsten elkaar portretten uit hunne galerij,
+natuurlijk niet de oorspronkelijke, maar de copieën, geschilderd
+door hunne lijfeigenen, waaronder zich schilders bevonden. In
+ons huis bevinden zich nog al die portretten, o.a. een van Sergius
+Feodorowitsch, met het lint van Andrejew, en van Warwara Wasilewnaja,
+ook met eene ridderorde.
+
+"Het stond echter geschreven dat de twee families niet nauwer met
+elkaar zouden worden verbonden. Leo Galitzin, de bruidegom mijner
+moeder, stierf nog vóór het huwelijk" [10].
+
+Den stamboom der vorsten Wolkonski overziende, valt mijn blik op eene
+interessante verschijning, n.l. op Warwara Alexandrowna Wolkonskaja
+(eene nicht van Tolstoi's moeder), die heel veel gebeurtenissen ten
+zijnen huize heeft bijgewoond.
+
+Deze vorstin (dochter van vorst Alexander Serghejewitsch, dus een
+nicht van den grootvader van Leo Tolstoi); bleef na haar moeders dood
+dikwijls geruimen tijd met haar vader bij diens broeder Nikolaas
+Serghejewitsch. Hier ontmoette zij verschillende personen, door
+Tolstoi beschreven in zijn' roman _Oorlog en Vrede_.
+
+Tot in hoogen ouderdom bleef de herinnering aan die personen en
+gebeurtenissen haar levendig bij.
+
+Ouder geworden verhuisde zij naar het dichtbij gelegen dorpje
+Sogaljewo, eene vroegere bezitting van hare ouders. Daar richtte zij
+zich vlak naast de kerk een huisje in, waar zij woonde met een paar
+oude, getrouwe vrouwelijke gedienstigen, die haar niet wilden verlaten,
+en met wie zij, den roman _Oorlog en Vrede_ lezende en herlezende,
+oude herinneringen ophaalde. Bijna door iedereen elders vergeten,
+genoot zij de achting en vereering der dorpelingen.
+
+Aan iemand, die in 1876 toevallig eens bij haar kwam, vertelde zij
+met innig genoegen, dat de boeren uit den omtrek, die toch reeds
+lang waren verkocht en al in de derde hand waren overgegaan, haar op
+haar 90sten verjaardag een zak met meel en een zilveren roebel ten
+geschenke hadden gebracht, en van de boerinnen kreeg zij een roebel,
+kippen, linnen, enz. Zij vertelde dit niet alleen met een gevoel
+van dankbaarheid maar ook van trots, als een bewijs van de goede
+herinnering, door haar ouders achtergelaten.
+
+
+
+"Ik maakte kennis met die nicht van mijne moeder, dat goede oudje,
+toen ik in 't jaar '50 in Moskou woonde. Vermoeid door het drukke
+wereldsche leven, dat ik daar leidde, zocht ik haar en haar landgoed
+op, en bleef er eenige weken. Zij bestuurde haar huishouding, borduurde
+een weinig, en zette mij zuurkool, pastila [11] en twarok [12] voor,
+zooals dat gaat op die kleine buitentjes. Onderwijl spraken wij over
+den ouden tijd en vertelde ze mij van mijn' grootvader, van mijne
+moeder, van de drie kroningen die zij had bijgewoond en schreef ik
+mijn' roman _Drie dooden_. Die weken, bij haar doorgebracht, vormen
+een van de reinste en mooiste herinneringen van mijn leven" [13].
+
+Nu rest ons nog één persoon uit het geslacht der Wolkonski's, die,
+hoewel niet in de rechte lijn, toch met Tolstoi verwant is, n.l. vorst
+Sergius Grigorjewitsch Wolkonski, een dekabrist. Hij was een achterneef
+van Tolstoi's moeder, kleinzoon van Semjon Feodorowitsch Wolkonski
+en broeder van vorst Sergius Feodorowitsch van wien wij reeds boven
+gesproken hebben.
+
+Vorst Sergius Feod. Wolkonski werd geboren in 1788. Hij werd lid van
+een geheim genootschap, en werd wegens deelneming aan het complot
+der Dekabristen naar Oost-Siberië verbannen, waar hij 30 jaren
+bleef. De eerste jaren moest hij, steeds geketend, werken bij den
+vestingbouw; daarna kreeg hij meer vrijheid, maar bleef steeds onder
+politietoezicht. De reis en aankomst van zijne vrouw, vorstin Maria
+Nikolajewna, is bezongen in 't bekende gedicht van Njekrasoff.
+
+Zijn broer Nikolaas Grigorjewitsch nam in 1801, op bevel van Keizer
+Alexander I, den naam Rjennin aan. Rjennin was de familienaam van
+zijn' grootvader van moederszijde, wiens geslacht was uitgestorven. In
+de Keizerlijke oekase kan men lezen, dat de Rjennins het vaderland
+steeds zoo roemvol dienden, dat hun naam niet mocht uitsterven,
+maar een levende herinnering moest blijven voor den Russischen
+adel. Vorst Nikolaas Grigorjewitsch nam deel aan de veldtochten
+tegen Napoleon en alle toenmalige vaderlandsche oorlogen. Na den
+slag bij Austerlitz kreeg hij de orde van den Heiligen Gregorius
+4de klasse. In dien veldslag maakte hij als escadrons-commandant den
+beroemden cavallerie-aanval mee, waarbij hij door een kogel aan het
+hoofd werd gewond en zijn bewustzijn verloor. De Franschen vonden hem
+op het slagveld en brachten hem naar het veldhospitaal. Napoleon, die
+dit den volgenden dag hoorde, liet hem bij zich brengen en bood, uit
+achting voor zijne dapperheid, niet alleen hem, maar allen officieren
+die onder zijn commando stonden de vrijheid aan, op voorwaarde dat
+zij gedurende twee jaren niet meer aan den oorlog zouden deelnemen.
+
+Nikolaas Grigorjewitsch antwoordde, onder dankzegging, dat hij gezworen
+had zijn vaderland te dienen tot den laatsten druppel bloeds en daarom
+het aanbod moest afslaan.
+
+Kort daarna teruggekeerd uit de krijgsgevangenschap, werd hij wegens
+zijne verwonding uit den dienst ontslagen.
+
+In de Roeskaja Starina van 1890 komt een brief voor, gericht aan
+Mich. Daniljewski, waarin vorst Rjennin uitvoerig deze episode heeft
+beschreven. Het eerste gedeelte van het gesprek met Napoleon komt
+ook woordelijk voor in den roman _Oorlog en Vrede_.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+DE OUDERS VAN LEO TOLSTOI.
+
+
+Tolstoi houdt zich in dit hoofdstuk geheel aan de chronologische
+volgorde, in dien zin, dat hij begint met de vage herinneringen
+aan zijne moeder, hoofdzakelijk bestaande in verhalen die vrienden
+en bloedverwanten hem van haar deden, om dan over te gaan tot de
+gebeurtenissen van latere dagen, betreffende zijn vader en zijne tante,
+die hem duidelijk voor den geest staan.
+
+Om zijn werk de oorsponkelijke gedaante te laten behouden, hebben
+wij zoo weinig mogelijk veranderingen in deze opeenvolging gemaakt,
+maar alleen het verhaal van zijn' grootvader Wolkonski er uitgelicht,
+om het onder het hoofdstuk te plaatsen, dat zijn voorouders van
+moederszijde behandelt [14].
+
+
+
+"Mijne moeder kan ik mij in 't geheel niet meer herinneren. Zij
+stierf toen ik anderhalf jaar oud was, en daar er door een vreemd
+toeval niet één portret van haar meer bestaat, weet ik niet hoe zij
+er heeft uitgezien.
+
+"Gedeeltelijk verheugt mij dit, omdat ik nu alleen haar geestelijk
+beeld voor oogen heb. Alles wat ik van haar weet is goed en mooi,
+en ik geloof dat men mij niet slechts veel goeds van haar vertelde,
+maar dat zij ook waarlijk goed was. Overigens, niet alleen mijn
+moeder, maar alle personen die mij in mijne kinderjaren omringden,
+van mijn vader af tot aan den koetsier, stel ik mij voor als goede
+menschen. Waarschijnlijk was het mijn jong, rein liefhebbend hart,
+dat mij in iedereen de goede eigenschappen deed ontdekken, en zeker
+is het, dat ik de waarheid meer nabij was, toen alle menschen mij
+goed toeschenen, dan toen ik alleen hunne feilen zag.
+
+"Mijne moeder was niet mooi, maar zeer ontwikkeld voor haar tijd. Zij
+kende behalve Russisch, dat zij, in tegenstelling met de toen
+heerschende gebrekkige kennis der spraakkunst, zeer goed schreef,
+vier talen: Fransch, Duitsch, Engelsch en Italiaansch, moet veel
+kunstzin gehad hebben en volgens tijdgenooten, die mij dat zeiden, een
+kunstenares zijn geweest in het verhalen van boeiende sprookjes, die
+zij dichtte onder 't vertellen. Zij kon--en dat was wel haar schoonste
+eigenschap--, hoewel zeer driftig volgens zeggen der bedienden, zich
+steeds bedwingen. Het bloed steeg haar dan plotseling naar 't gelaat,
+zelfs barstte zij wel eens in tranen uit, maar ruwe woorden zei ze
+nooit. Hoe zou zij ook? Die kende zij niet eens.
+
+"In mijn bezit zijn nog eenige van hare brieven, aan mijn' vader,
+aan mijne tante en ook een dagboek, bevattende een verslag van het
+doen en laten van Nikoljenka, mijn oudsten broer, die zes jaar was
+toen zij stierf en die het meest van allen op haar geleek. Beiden
+hadden een eigenschap gemeen, die mij zeer lief is, namelijk hunne
+onverschilligheid tegenover alles 'wat de menschen van hen zeiden,'
+en de bescheidenheid waarmede zij trachtten hunne goede hoedanigheden
+te verbergen. Van mijn' broer, die, zooals Toerghenjeff eens zeer
+terecht opmerkte, die gebreken miste, welke een goed schrijver eigen
+moeten zijn, heb ik het dikwijls zelf kunnen opmerken, van mijne
+moeder kwam ik het te weten uit hare brieven. Zoo herinner ik mij dat
+wij eens jaagden in gezelschap van een dommen, slechten jongen man,
+den adjudant van den gouverneur, die zich tegenover mij over hem
+vroolijk maakte. Mijn broer, die dit bemerkte, glimlachte goedmoedig
+en had er zelf pleizier in.
+
+"Die zelfde trekken vond ik terug in de brieven van mijne moeder. Zij
+stond klaarblijkelijk veel hooger dan mijn vader en zijne familie,
+behalve een zekere Tatjana Alex. Jergolskaja, eene moreel zeer hoog
+staande vrouw, in wier nabijheid ik mijn halve leven doorbracht.
+
+"Nog een gemeenschappelijke trek van mijne moeder en mijn' broer,
+waaruit waarschijnlijk hunne onverschilligheid voor 't oordeel
+der menschen voortvloeide, bestond daarin, dat zij nooit iemand
+veroordeelden.
+
+"Dezen karaktertrek van moeder leerde ik kennen uit hare brieven en
+hoorde ik vertellen door menschen, die haar goed hebben gekend. Wat
+mijn' broer betreft, met wien ik heel lang samen bleef, in hem had
+ik dikwijls gelegenheid het op te merken. Kwam het voor, dat hij
+iets tegen iemand had, dan gaf hij dat te kennen door fijnen humor
+en een lachje.
+
+"In de _Levensbeschrijving_ van Dmitri Rostowski is een geschiedenis,
+die mij altijd bijzonder heeft getroffen.
+
+"Een oude monnik had eens een heel vreemden droom. Hij zag een anderen
+monnik, die, even als zijne broeders, zeer veel gebreken had, niet
+slechts in 't paradijs, maar daar zelfs op de allereerste plaats. Op
+zijn verbaasde vraag, waarom deze monnik, die toch op aarde lang
+niet alles had verzaakt, zulk eene belooning ontving, kreeg hij ten
+antwoord: 'hij oordeelde nooit iemand.'
+
+"Wanneer er zulk eene belooning bestond, dan zouden mijne moeder en
+mijn broer die zeker bekomen.
+
+"Een derde karaktertrek van mijne moeder was haar zin voor waarheid
+en eenvoudigheid in hare brieven.
+
+"In dien tijd was het eene gewoonte om in brieven zeer overdreven
+uitdrukkingen te gebruiken, b.v. waren 'onvergelijkelijke, aangebedene,
+vreugde van mijn leven, ontschatbare,' en dergelijke meer gekunstelde
+dan ware uitdrukkingen zeer gangbare titels onder menschen die elkaar
+intiem kenden.
+
+"Deze gewoonte, hoewel niet zoo overdreven, vind ik ook in de brieven
+van mijn' vader. Hij schrijft: '_ma bien douce amie, je ne pense
+qu'au bonheur d'être auprès de tot_.' 't Is nog de vraag, of dat
+geheel waar was! Mijne moeder schrijft altijd denzelfden aanhef:
+'_mon bon ami_', en in een van hare brieven zegt ze ronduit: '_le
+temps me parait long sans toi, quoiqu'à dire vrai nous ne jouissons pas
+beaucoup de ta société quand tu es ici_', en zij onderteekende altijd:
+'_ta devouée Marie_.'
+
+
+
+"Mijne moeder bracht hare jeugd gedeeltelijk door in Moskou,
+gedeeltelijk buiten bij mijn' grootvader Wolkonski, een verstandig
+begaafd en trotsch man. Men heeft mij verteld dat mijn moedertje heel
+veel van ons hield en mij '_mon petit Benjamin_' noemde.
+
+"Ik denk dat de liefde voor haren gestorven bruidegom, juist omdat
+zij met den dood eindigde, die poëtische liefde was, waaraan een
+meisje zich maar eenmaal in haar leven overgeeft.
+
+
+
+"Het huwelijk van mijn vader was het werk van zijne ouders en hare
+bloedverwanten. Zij was rijk, niet meer in de eerste jeugd en een
+wees. Mijn vader was een vroolijke, schitterende jonge man met een
+klinkenden naam, goede relaties, maar het familiegoed was door het
+slechte beheer van mijn grootvader zóó met schulden beladen, dat mijn
+vader het als erfenis niet aanvaardde. Ik denk dat mijne moeder mijn'
+vader lief had als haar echtgenoot, en hoofdzakelijk als vader van hare
+kinderen, maar dat ze niet verliefd op hem was. Zij koesterde drie of
+vier groote genegenheden. Ten eerste de liefde tot haren gestorven
+bruidegom, vervolgens eene hartstochtelijke vriendschap voor eene
+zekere melle Enisienne, eene Française, welke vriendschap echter,
+zooals ik van de tantes hoorde, met eene ontnuchtering eindigde. Die
+melle Enisienne trouwde met vorst Michael Alexander Wolkonski, een'
+neef van mijne moeder.
+
+"Over die vriendschap zegt zij, schrijvende over twee jonge meisjes,
+die bij haar in huis zijn: [15]
+
+"'Ik kan het zeer goed met beiden vinden, met de eene musiceer ik,
+lach ik en ben ik uitgelaten of sentimenteel, met de andere spreek ik,
+lichtzinnig, kwaad van de wereld; beiden houden dol van mij en ik ben
+de vertrouwde van elk van beiden; ik verzoen ze wanneer zij oneenigheid
+hebben, want nooit zag men een vriendschap waarbij zoo gekibbeld werd
+en van zoo vreemden aard als de hare: 't is eene opeenvolging van
+pruilerij en tranen, verzoeningen, beleedigingen, en dan weer hevige
+vlagen van vriendschap; kortom ik zie er de overdreven en romantische
+vriendschap in weerspiegeld, die gedurende eenige jaren mijn leven
+beurtelings heeft opgevroolijkt en verduisterd. Ik zie haar aan met
+een onbeschrijfelijke gewaarwording; soms benijd ik haar de illusies,
+die ik niet meer heb, maar welker streeling ik ken, en zeg ik ronduit:
+"weegt het degelijke en echte geluk van den rijperen leeftijd wel
+op tegen de bekorende illusies der jeugd, waarbij de kracht der
+verbeelding alles mooi doet schijnen?" En dan weer glimlach ik om
+haar kinderachtigheid.'
+
+"De derde, en misschien de hechtste genegenheid was de liefde voor
+mijn oudsten broer Koko. Zij hield een dagboek bij, in 't Russisch
+geschreven, waarin zij al diens kleine gebreken opschreef, die ze
+hem dan later voorlas. Daaruit spreekt haar innige wensch om alles
+te doen wat in haar vermogen was voor de goede opvoeding van haren
+Koko, maar tevens is het een bewijs, dat zij niet heel goed wist wat
+daarvoor noodig was.
+
+"Zoo onderhield zij hem er o.a. over, dat hij te teergevoelig was
+en weende bij het zien van het lijden van een dier. Naar haar begrip
+moest een man hard zijn.
+
+"Eene andere fout, die zij trachtte te verbeteren, was zijne
+verstrooidheid, zoodat hij b.v. inplaats van _bonsoir_ of _bonjour_,
+'_je vous remercie_' tegen zijne grootmoeder zeide.
+
+"Het vierde sterke gevoel was, volgens mijne tantes (en ik hoop dat
+het waar is), haar liefde voor mij, waardoor hare genegenheid voor
+Koko een weinig verminderde, die, toen ik geboren werd, van mijne
+moeder werd weggenomen om onder mannelijke leiding te komen. Mijne
+moeder was iemand die liefde moest geven, en deze van den een op den
+ander overdroeg.
+
+"Zoo dus stelde ik mij het innerlijke leven van mijne moeder voor. Zij
+scheen mij zoo hoog, zoo rein, zoo bovenaardsch, dat ik mij dikwijls
+tot haar wendde in die uren van mijn leven, waarin de verzoeking mij te
+sterk dreigde te worden en booze hartstochten mij overweldigden. Dan
+riep ik haar geest aan, en bad tot haar, en dat gebed werd dikwijls
+verhoord.
+
+"Het leven van mijne moeder te midden van mijn vaders familie was
+volgens hare brieven en naar men vertelde, zeer gelukkig.
+
+"Vaders familie bestond uit grootmoeder (vaders moeder), haar
+dochter, mijne tante, gravin Ilin. Osten-Sacken met haar pleegkind
+Paschenka, eene andere tante, ten minste wij noemden haar zoo,
+Tatjana Alex. Jergolskaja, die opgevoed was in het huis van mijn'
+grootvader, maar verder haar heele leven bij ons heeft gewoond, en
+dan nog den gouverneur Feodor Iwan. Rjessel, door mij in mijn boek
+_Kinderjaren_ beschreven.
+
+"Wij waren met ons vijven kinderen: Nikolaas, Sergius, Dmitri, ik en
+de jongste, onze zuster Maria, bij wier geboorte moeder stierf. Het
+korte negenjarige huwelijksleven van mijne moeder was gelukkig en
+goed. De liefde had haar leven gevuld en mooi gemaakt, de liefde van
+haar voor ons allen--van ons allen voor haar.
+
+"Te oordeelen naar hare brieven, leefde zij heel eenzaam. Niemand,
+behalve een zeer intieme kennis, Ogarjewitsch, en een bloedverwant
+die toevallig eens over den dorpsweg reed en ons wilde opzoeken,
+kwam bij ons op Jasnaja Paljana.
+
+"Mijne moeder gaf haar leven aan haar kinderen, las grootmoeder
+'s avond wat voor, nam voor zich zelf meer ernstige lectuur, als
+Rousseau's _Emile_, en sprak over het gelezene; zij speelde piano,
+gaf een van mijn tantes Italiaansche les, ging wandelen en verzorgde
+haar huishouding. In iedere familie komt een tijd, dat er geen
+ziekte heerscht of dood en allen rustig voortleven. Zulk een tijd,
+geloof ik, beleefde mijne moeder gedurende haar huwelijk. Er werd
+niemand ziek, niemand stierf en de verwarde zaken van mijn vader
+kwamen weer terecht. Allen waren gezond, welgemoed en prettig onder
+elkaar. Vader vroolijkte ons allen op met zijn aardige verhalen. Ik
+beleefde dien tijd niet. Toen ik begon te begrijpen, was mijne moeder
+reeds gestorven en had de dood zijn' stempel op onze familie gedrukt.
+
+"Alles wat ik hier verteld heb weet ik uit brieven en door verhalen
+van anderen. Nu begin ik te beschrijven wat ik zelf beleefd heb en
+waarvan ik zelf nog heugenis heb. Ik zal het niet hebben over die
+wazige, vage herinneringen uit mijn prilste jeugd, toen ik nog te
+klein was om waarheid van droomen te kunnen onderscheiden. Ik begin
+dus met wat mij uit mijne omgeving van die eerste jaren duidelijk voor
+den geest staat. De eerste plaats wordt ingenomen door mijn vader,
+hoewel hij niet zoo'n grooten invloed op mijn leven uitoefende en ik
+niet het meest van hem hield.
+
+"Mijn vader werd heel jong eenige zoon, daar een jongere broeder door
+een val gebrekkig werd en spoedig stierf. In 1812, toen hij zeventien
+jaar was, ging hij, ondanks den angst en 't verdriet van zijne ouders,
+in dienst. Vorst Nikolaas Iw. Gortschakoff, een bloedverwant van
+mijne moeder, was in dien tijd minister van oorlog. Deze had een'
+broer Andreï Iw., generaal bij het staande leger, aan wien mijn
+vader als adjudant werd toegevoegd. Hij nam deel aan den veldtocht
+van 1813/14, werd in het eerste jaar ergens in Duitschland, waar hij
+als koerier werd heengezonden, door de Franschen gevangen genomen, en
+eerst ontslagen in 1815, toen de onzen in Parijs kwamen. Mijn vader
+was op zijn twintigste jaar al niet meer wat men een onschuldigen
+jongeling noemt. Reeds vóor zijn intrede in het leger, ongeveer op
+zijn zestiende jaar, werd hij door zijne ouders, volgens de begrippen
+over gezondheid van die dagen, met een dienstmeisje in aanraking
+gebracht. Hieruit werd een zoon geboren, dien men later postiljon
+maakte. Zoolang mijn vader leefde paste die zoon goed op, maar na diens
+dood kwam hij op verkeerde wegen en wendde zich dikwijls tot ons, zijne
+volwassen broers, om hulp. Ik kan mij nog heel goed het vreemde gevoel
+herinneren, dat mij bekroop, toen deze tot armoede vervallen oudere
+broer, die meer dan een van ons allen op mijn' vader geleek, bij ons
+om hulp kwam, en dankbaar was voor iedere 15 roebel, die wij hem gaven.
+
+"Teleurgesteld door den krijgsdienst nam vader zijn ontslag en
+kwam te Kazan, waar mijn grootvader, toen reeds geheel geruïneerd,
+gouverneur was. Ook bevond zich daar de zuster van mijn' vader,
+die getrouwd was met Joeschkoff.
+
+"Mijn grootvader stierf al spoedig en mijn vader bleef achter met eene
+erfenis, die door de schulden werd overtroffen, en met de zorg voor
+zijne aan weelde gewende moeder, zuster en nicht. In dien tijd bracht
+men het huwelijk tot stand met mijne moeder en verhuisde hij naar
+Jasnaja Paljana. Negen jaren woonden zij daar; toen werd hij weduwnaar,
+en van dien tijd af aan begint hij in mijne herinnering te leven.
+
+"Mijn vader was een middelmatig groote, goed gevormde, sanguinische
+man, met een prettig, aantrekkelijk gezicht, waarin een paar altijd
+droevige oogen stonden. Hij bracht zijn leven door met het besturen
+van zijn landgoed, doch heeft het, naar ik geloof, daarin nooit ver
+gebracht. Maar hij had eene voor dien tijd zeer goede eigenschap:
+hij was namelijk niet wreed, zelfs zachtmoedig, zoodat ik bij zijn
+leven nooit van lichamelijke straffen hoorde. Toch moeten ze bestaan
+hebben (immers men kon zich toen nauwelijks voorstellen, dat regeeren
+mogelijk was, zonder ze nu en dan toe te passen), maar het gebeurde
+zoo zelden, dat wij kinderen er nooit iets van bemerkten. 't Was
+dan ook eerst na den dood van mijn' vader, dat ik te weten kwam,
+dat die strafoefeningen bij ons werden voltrokken.
+
+"Wij kinderen keerden eens met onzen onderwijzer van eene wandeling
+terug en ontmoetten bij den dorschvloer den dikken opzichter Andreï
+Ilin, gevolgd door den hulp-koetsier Koezma Kriwoi, die in dat
+oogenblik een eigenaardig treurigen indruk op ons maakte. Koezma Kriwoi
+was een getrouwde, niet meer jonge man. Een van ons vroeg waar zij
+heen gingen en Andreï Ilin antwoordde rustig: 'naar den dorschvloer,
+waar Koezma gestraft moet worden'. Ik kan onmogelijk het gevoel voor
+ontzetting beschrijven, dat me aangreep bij 't hooren van die woorden
+en het gezicht van dien goeden, treurigen Koezma. Ik vertelde het 's
+avonds aan tante Tatjana, die ons opvoedde. Zij haatte de lijfstraffen,
+paste ze nooit op ons toe en behoedde, voor zoover haar invloed reikte,
+er ook de lijfeigenen voor. Zij was zeer verontwaardigd, toen zij het
+hoorde en zei verwijtend: 'Waarom heb je het niet tegengehouden?' Haar
+woorden maakten mij nog droeviger. Ik had nooit gedacht dat wij ons
+in die zaken konden mengen en nu bleek het, dat ik het had kunnen
+doen. Nu echter was het te laat en het ontzettende was gebeurd.
+
+"Maar, om op mijn vader terug te komen en hoe ik mij zijn leven
+voorstel: zijne bezigheden bestonden in het besturen van zijn landgoed
+en hoofdzakelijk in het voeren van processen. Procedeeren kwam in dien
+tijd over 't algemeen veel voor, maar bij mijn' vader was 't aan de
+orde van den dag, omdat hij de verwarde zaken van grootvader nog moest
+afwikkelen. Daardoor moest hij veel van huis zijn en bovendien ging
+hij dikwijls op jacht. Zijn voornaamste jachtgezelschap bestond uit
+zijn' vrienden, den ouden, rijken vrijgezel Kirjejewski, Jaziekoff,
+Gljeboff en Isljeneff. Mijn vader deelde in de toenmalige algemeene
+gewoonte der landeigenaren, namelijk eene zekere voorliefde voor
+een der knechts. Petroeschka en Matjoeschka waren de door hem
+uitverkorenen, twee mooie flinke knapen.
+
+"Thuis zijnde bemoeide vader zich met ons en zijn landgoed en las
+hij veel. Hij had een bibliotheek, bestaande uit Fransche klassieken,
+historische boeken en natuur-historische werken van Buffon en Cuvier.
+
+"Tante vertelde mij, dat mijn vader als regel had aangenomen geen
+nieuwe werken te koopen, zoolang hij de oude niet had gelezen. Nu,
+hij las veel, maar toch kan ik moeielijk aannemen dat hij al die
+deelen _Histoire des Croisades_ en _Histoire des Papes_ doorworstelde,
+die hij zich aangeschaft had. Voor zoover ik kan nagaan, had hij geen
+wetenschappelijke neigingen, doch stond hij op dezelfde hoogte als
+alle beschaafde menschen van zijn' tijd. Zooals velen uit den tijd van
+Keizer Alexander I en van de veldtochten in 1813, '14, '15, was hij
+wel niet wat men tegenwoordig liberaal noemt maar het was eenvoudig
+zijn gevoel van eigenwaarde, dat hem verbood een ambt aan te nemen,
+zoowel onder Alexander I als onder Nikolaas I. Niet alleen hij zelf,
+maar al zijne vrienden waren zoo; ze dienden niemand en lieten
+zich zelfs wel eens ongunstig uit over de regeering van Nikolaas
+Pawlowitsch. Gedurende mijne kinder- en zelfs mijne jongelingsjaren
+hadden wij met niet één ambtenaar intieme betrekkingen aangeknoopt.
+
+"Ik begreep toen nog niet juist waarom, maar ik had opgemerkt dat mijn
+vader zich nooit voor iemand vernederde, noch zijn luidruchtigheid of
+zijn vroolijk lachende stem temperde. En om dat gevoel van eigenwaarde
+hield ik nog meer van mijn vader en steeg mijne bewondering voor hem.
+
+"Ik kan hem mij nog voorstellen in zijne werkkamer. Wij kwamen binnen
+om hem goeden dag te wenschen of eenvoudig om bij hem te spelen. Hij
+zat met zijne pijp in den mond op den leeren divan, haalde ons aan
+en soms--en dat was het heerlijkst van al--mochten wij achter zijn
+rug op den divan liggen, terwijl hij las of praatte met den dienaar
+die tegen den deurpost stond, of met S .L. Jaziekoff, mijn peetoom,
+die dikwijls bij ons logeerde. Ik herinner me dat hij met ons
+naar beneden ging en daar iets voor ons teekende, dat ons volmaakt
+toescheen. Ook weet ik nog, dat hij mij eens mijn lievelingsvers, dat
+ik van buiten kende, _Aan de Zee_ van Poeschkin, ('Vaarwel gij vrije
+elementen!') of _Napoleon_ ('Het wonderbare lot heeft zich voltrokken,
+vergaan is de groote man!') liet opzeggen. Ik herinner mij, hoe hij
+had opgemerkt met hoeveel pathos ik die verzen declameerde, hoe hij
+naar mij luisterde en nu en dan veelbeteekenend knikte naar den kant
+van Jaziekoff. Ik begreep dat hij iets moois vond in mijn lezen en dat
+maakte mij heel gelukkig. Ik herinner mij zijne vroolijke scherts en
+vertellingen bij middag- en avondeten, en dat grootmoeder, de tantes
+en wij kinderen naar hem luisterden en lachten. Ik herinner mij nog de
+reis naar de stad en hoe wondermooi hij er uitzag in zijn overjas en
+zijn nauwen pantalon. Maar duidelijker dan alles herinner ik mij hem
+als hij met de honden ging jagen. Ik zie nog den uittocht. Dikwijls
+heb ik later gedacht, dat Poeschkin hem tot voorbeeld nam in zijn
+gedicht _Vertrek voor de jacht van Graaf Noelin_. Ik herinner mij
+dat wij met hem gingen wandelen, dat de jonge windhonden tegen ons
+opsprongen, dolden op de nog niet afgemaaide weiden, waar het hooge
+gras hen streelde en prikte, hoe zij rolden en speelden en om ons
+heen dartelden, zoodat hunne staarten op en neer dansten, en hoe zij
+weer wegvlogen, en hoe mijn vader zich er kostelijk mee vermaakte.
+
+"Ik herinner mij den dag van het jachtfeest op 1 September. Wij
+allen reden op de lineïka [16] naar het dichte bosch, waar een vos
+was losgelaten. Ik herinner mij hoe de honden hem najoegen en hem
+ergens--wij zagen niet waar--grepen. Ik herinner mij ook nog zeer
+duidelijk de kooi van den wolf. Het was juist naast ons huis. Wij
+gingen er allen te voet heen. Op een boerenwagen vervoerden ze een
+grooten, met touwen gebonden, levend gevangen wolf. Hij lag stil en
+wierp nu en dan een loenschen blik maar wie er bij hem kwam. Op eene
+open plaats achter onzen tuin trokken zij hem er af, hielden hem met
+hooivorken op den grond en maakten zijne touwen los. Hij scheurde en
+trok en beet woedend op de ijzers. Men nam de laatste touwen weg en
+iemand riep er 'los!' Bevrijd richtte de wolf zich op en stond een
+paar seconden stil; men schreeuwde luid, hitste de honden op hem aan,
+en wolf, honden, paarden en ruiters vlogen over de velden. De wolf
+ontsnapte! Ik herinner mij dat mijn vader iets zeggende en toornig
+gesticuleerend naar huis ging.
+
+"Mijn allermooiste herinnering aan hem is die waar hij, met
+grootmoeder, naast haar op den divan zittende, patience speelde. Vader
+ging met allen beleefd en aardig om, maar met grootmoeder bijna
+hartstochtelijk teeder. Grootmoeder, met haar smal gelaat, het mutsje
+met linten op het hoofd, placht op den divan te zitten, de kaarten
+schuddende of met haar vingertoppen een snuifje nemende uit de gouden
+snuifdoos. Naast den divan, in een' leunstoel, zit Petrowna (de vrouw
+van den wapensmid) in haar pelsjakje en spint en stoot steeds met haar
+spinrokken tegen den muur, waarin zich reeds een deukje heeft gevormd.
+
+"Petrowna was ook koopvrouw. Grootmoeder hield om de een of andere
+reden heel veel van haar. Zij kwam dikwijls bij ons op bezoek en zat
+dan steeds in den leunstoel, naast grootmoeder die op den divan zat.
+
+"De tantes zitten ook in leuningstoelen en een van haar leest voor. In
+een nestje, dat hij zich gemaakt heeft, ook al in een leunstoel,
+ligt Milka, mijn vaders gevlekte, dartele lievelingshond, met zijn
+mooie zwarte oogen. Wij komen binnen om te groeten en somtijds gaan we
+zitten. Grootmoeder en de tantes groeten we altijd met een handkus. Ik
+herinner mij, dat eens, midden in 't patience-spel, vader de tantes
+een' wenk geeft en, naar den spiegel wijzende, iets fluistert. Wij
+allen kijken daarheen.
+
+"Het was Tichon, de officiant, die, wetende dat vader in 't salon was,
+naar diens werkkamer ging en tabak nam uit den lederen tabakszak, die
+den vorm heeft van eene bloem met saamgevouwen blaadjes. Mijn vader
+ziet hem in dien spiegel en kijkt naar de op de teenen voortsluipende
+verschijning. De tantes lachen. Grootmoeder, die eerst niets begrijpt,
+het dan bemerkt, glimlacht ook. Ik raak in vervoering over de goedheid
+van mijn vader, en bij het weggaan kus ik met groote teederheid zijne
+witte hand. Ik hield heel veel van mijn' vader, maar wist niet hoe
+groot die liefde was, voordat ik hem door den dood had verloren." [17]
+
+
+
+Bovenstaande mededeelingen over zijne ouders zijn door Tolstoi zelf
+verschaft. Eenige minder belangrijke feiten en historische documenten
+willen wij hier nog bijvoegen.
+
+Graaf Nikolaas Ilitsch Tolstoi, vader van Leo Tolstoi, werd geboren
+in 1797. In het archief van de universiteit te Kazan wordt met het
+portocol, inhoudende de inschrijving als student van Leo Tolstoi,
+het volgend merkwaardig document bewaard: een attestatie voor den
+militairen dienst van zijn vader d.d. 29 Jan. 1825.
+
+"Brenger dezes, graaf Nikolaas Ilitsch, zoon van Tolstoi (3de),
+volgens geboorte-acte 28 jaar, heeft de orde van den heiligen
+Wladimir 4de klasse, van adel, heeft geen lijfeigenen, in dienst
+van zijne Keizerlijke Hoogheid als kornet in het 3de Irkoetskische
+kozakken-regiment, 11 Juni 1812, waaruit hij overging naar het
+Irk.-huzaren-regiment, 18 Aug. 1812; bevorderd wegens verdienste tot
+1ste luitenant, 27 April 1813; in dat zelfde regiment staf-ritmeester
+7 Oct. 1813; bevorderd met den zelfden titel wegens verdienste
+naar een kavallerie-regiment, 6 Aug. 1814, vanwaar als majoor naar
+het huzaren-regiment van den Prins van Oranje, 11 Dec. 1817. Wegens
+ziekte uit den dienst ontslagen met verhooging tot overste, 14 Maart
+1819; aangesteld tot hulp-opzichter aan de oorlogsweezen-afdeeling te
+Moskou, 15 December 1821. Gedurende zijn diensttijd nam hij deel aan
+verschillende veldtochten en woonde meermalen werkelijke gevechten
+bij, was in krijgsgevangenschap tot aan de bezetting van Parijs en
+voor zijn verdienste in die gevechten, zooals reeds boven gezegd,
+beloond met den titel van 1ste luitenant en ritmeester bij den staf,
+en kreeg de orde van den heiligen Wladimir met het lint."
+
+In dat zelfde document zien wij nog, dat graaf N. I. Tolstoi den
+dienst verliet wegens huiselijke omstandigheden en overging naar de
+oorlogs-weezen-afdeeling, 8 Jan. 1824.
+
+Na den dienst te hebben verlaten, vestigde graaf N. I. Tolstoi zich
+te Jasnaja Paljana. Het echtpaar had toen nog slechts één jongen,
+den een-jarigen Nikolaas, geboren in 1823. Daarna vermeerderde de
+familie zich zeer snel. 17 Febr. 1826 werd hun zoon Sergius geboren,
+23 April 1827 Dmitri en 28 Aug. 1828 hun zoon Leo.
+
+Het rustige, stille dorpsleven duurde niet lang. In 1830, bij de
+geboorte van hunne dochter Maria, stierf gravin Tolstoi, haar man
+met vijf kinderen achterlatende.
+
+Tatjana Alexandrowna Jergolskaja, eene verre bloedverwante, die
+groot gebracht was ten huize van Tolstoi's grootvader (reeds vroeger
+genoemd), belastte zich met de opvoeding der kinderen.
+
+In de familie Tolstoi bewaart men nog de herinnering aan eene
+interessante episode uit het leven van Tolstoi's vader.
+
+In 1813, na de blokkade van Erfurt, werd deze met depêches naar
+St.-Petersburg gestuurd. Op die tocht, bij het plaatsje Saint-Obie,
+werd hij met zijn' oppasser, een' lijfeigene, gevangen genomen. Deze
+wist, zonder dat het werd opgemerkt, het geld van zijn' heer in zijne
+laars te bewaren. Gedurende drie maanden kleedde hij zich niet uit,
+om het geheim niet prijs te geven, en ondanks eene groote wonde aan
+zijn voet klaagde hij nooit over pijn. Zijn heer, Nikolaas Ilitsch,
+behoefde, dank zij deze opofferende daad, die hij nooit heeft vergeten,
+te Parijs geen gebrek te lijden.
+
+Bij de lezing van deze persoonlijke herinneringen van Tolstoi zal
+men begrijpen, dat de personen, als zijne ouders beschreven in zijne
+vertelling _Kinderjaren_, niet zijne ouders zijn geweest.
+
+Voor zoover het ons bekend is beschreef hij daar als zijn' vader
+een zekeren Al. Mich. Isljeneff, een' vriend en buurman van zijn
+werkelijken vader. Zijne moeder in dat boek is eene verdichte
+persoon. Het is niet moeilijk te raden, dat in den roman _Oorlog en
+Vrede_ in de personen graaf Nikolaas Ilitsch Rostoff en vorstin Maria
+Wolkonski de werkelijke ouders van Tolstoi door hem zijn beschreven.
+
+Van graaf Ilia Andrejewitsch tot het pleegkind Sonja beantwoordt
+bijna ieder lid van de familie Rostoff aan een type, voorkomende in
+de familie-kroniek der Tolstoi's. Even duidelijk te herkennen zijn
+ook de eigenaars van Liesig Gor. Daarom zal het lezen van dien roman
+eene aanvulling zijn voor hetgeen wij weten van de voorouders van
+Leo Tolstoi.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE DEEL.
+
+KINDERJAREN, JONGENSJAREN EN JONGELINGSJAREN.
+
+1828-1851.
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+KINDERJAREN.
+
+
+"Ik ben geboren en bracht mijn kinderjaren door te Jasnaja Paljana."
+
+Met deze woorden begint Tolstoi ons zijne herinneringen mede te
+deelen. Wij achten het niet overbodig, vóór wij verder gaan, iets
+naders te vertellen van dit merkwaardige plekje gronds, dat, zooals
+wij allen weten, eene wereldberoemdheid heeft verkregen. Welke gasten
+heeft Jasnaja Paljana al niet geherbergd! Bewoners van den Maleischen
+Archipel, Australiërs, Japanners, Amerikanen, vluchtelingen uit Siberië
+en verder tallooze vertegenwoordigers van alle Europeesche landen
+kwamen er, gaven het bekendheid en verspreidden tot in de uiterste
+hoeken der aarde, de woorden en gedachten van den grooten grijsaard,
+die het bewoont.
+
+Jasnaja Paljana is het stamgoed van de vorsten Wolkonski, gelegen
+15 wersten ten zuiden van Toela, bijna op de grens van dat
+gouvernement. Dicht bij het landgoed komen drie wegen te samen,
+vertegenwoordigende drie verschillende tijdperken. De oude met
+gras begroeide Kiefsche weg, de nieuwe Kiefsche chaussée en de
+Moskou-spoorbaan. Tolstoi's huis, staande in eene schoone heuvelachtige
+streek, die van 't Oosten naar 't Westen door een prachtig bosch in
+twee deelen wordt gescheiden, ligt drie en een half uur verwijderd
+van het naaste station. Deze landstreek draagt den naam Zasjeka,
+die ons wijst op die tijden, toen de Slavische bevolking voor de
+invallen van de Krim-Tartaren en andere Mongoolsche volken moest
+terugwijken. Om zich tegen die vijandelijke horden te beschermen,
+wierp zij versperringen op, gemaakt van boomen, die men eerst moest
+omkappen (zasjektj), vandaar de naam Zasjeka.
+
+Het huis waar Leo Tolstoi werd geboren staat niet meer te Jasnaja
+Paljana. Het werd het eerst bewoond door zijn' grootvader, daarna
+door zijn' vader, ten slotte verkocht aan een buurman Gorochoff en
+verplaatst naar het dorp Dolgom, op 30 wersten afstand van Jasnaja
+Paljana. Tolstoi had namelijk omstreeks 1850 veel geld noodig en gaf
+daarom een van zijn familieleden last het te verkoopen. 't Groote
+heerenhuis, met zijn pilaren en balcons, werd voor eene betrekkelijk
+geringe som, 5000 roebel, verkocht. Uit een' brief van Tolstoi aan
+zijn' broer blijkt, dat het hem zwaar viel tot den verkoop over te
+gaan, maar dat hij het geld noodig had. Het huis staat nu in het
+dorpje Dolgom, verlaten met gebroken ruiten. De twee nu bestaande
+Jasnaja-Paljanische huizen zijn opgetrokken uit de twee vleugels,
+die vroeger naast het groote, thans verkochte, huis stonden. De plek
+waar dit vroeger stond is gedeeltelijk met boomen beplant. Verder
+wordt er croquet gespeeld, terwijl de overblijvende ruimte gebruikt
+wordt om er bij mooi weer 's middags te eten.
+
+Vóór de huizen bevinden zich tegenwoordig bloemperken, er achter
+een groote tuin met vijver en een lindenallée, wier boomen reeds
+honderden jaren oud zijn. Het geheel wordt omringd door eene gracht met
+wallen. Bij den ingang staan twee witgeverfde baksteenen torens, waar,
+volgens zeggen van oude lieden, vroeger eene wacht was geplaatst. Langs
+dezen toren bereikt men het huis door eene berkenlaan, het zoogenaamde
+"prospekt".
+
+Achter den ouden tuin bevindt zich nog een boomgaard met vruchtboomen,
+die onder Tolstoi's persoonlijke leiding zijn geplant. De geheele
+aanplanting, gelegen tegen een' heuvel, wordt door het dichte groen
+aan ons oog onttrokken.
+
+Van de geboorte van Leo Tolstoi weten we helaas geen andere
+bijzonderheden, dan die, welke Zagoskin ons heeft verstrekt.
+
+"In het jaar 1828, den 28sten Augustus, werd graaf N. I. Tolstoi te
+Jasnaja Paljana een zoon, Leo, geboren. Hij werd 29 Aug. gedoopt door
+den geestelijke Wassiliï Mosjaïski, met den diaken Archip. Iwanowitsch,
+den dijatschek Alexander Feodorowitsch en den ponomar Feodor
+Grigorjewitsch. De landeigenaar Sjemon J. Jaziekoff en gravin Pelageja
+Tolstaja waren peter en meter."
+
+Dat is alles wat wij van Tolstoi's geboorte vernemen. Van zijn prilste
+jeugd weten wij reeds veel interessante bijzonderheden. Zelden kan
+een schrijver beschikken over de eerste autobiographische gegevens van
+de persoon, die hij wil beschrijven. In zijne _Eerste Herinneringen_
+beschrijft Tolstoi zijne vroegste gewaarwordingen, de vage indrukken
+van zijn eerste levensjaar.
+
+Wij geven deze herinneringen onveranderd, geheel zooals ze zijn
+neergeschreven.
+
+
+
+"Ziehier mijne vroegste herinneringen, die ik niet in geregelde orde
+op elkaar kan laten volgen, omdat ik niet weet, wat eerst of wat later
+gebeurde. Van enkele weet ik zelfs niet of zij de werkelijkheid of
+slechts droomen weergeven.
+
+
+
+"Ik lig vastgebonden. Ik wil mijne armen uitslaan en ik kan
+het niet. Ik schreeuw en ween en dat schreeuwen doet mij zelf
+onaangenaam aan, maar ik kan het niet laten. Iemand heeft zich
+over mij heengebogen, ik herinner me niet wie, en alles is als in
+schemering gehuld. Ik herinner mij, dat er twee menschen stonden;
+mijne kreten maken indruk op hen, zij maken zich ongerust over mijn
+huilen, maar ze maken mijne banden niet los. En dat wilde ik toch
+en ik ga nog harder schreien. Zij denken dat het noodig is (dat
+wil zeggen, dat ik gebonden blijf), terwijl ik weet dat het niet
+zoo behoeft te zijn. Ik wil het hun bewijzen. Ik stoot een gil uit,
+waar ik zelf van gruw, maar ik kan het niet laten. Ik voel dat niet
+de menschen onrechtvaardig en slecht voor mij zijn, maar het is het
+noodlot en ik heb medelijden met mij zelf. Ik weet niet en ik zal
+het nooit te weten komen wat dit is geweest. Bonden zij mij vast
+toen ik nog een bakerkindje was en wilde ik mijne armen vrij hebben,
+of bonden zij mij, toen ik reeds meer dan een jaar was, opdat ik een
+uitslag niet zou openkrabben? Verzamelde ik in deze ééne herinnering
+meer indrukken, zooals dat veel in droomen geschiedt? Zeker is het,
+dat deze de eerste en heftigste gewaarwording in mijn leven is. Het
+is niet de herinnering aan mijne kreten, mijne kwellingen, die zich
+aan mij opdringt, maar aan de verwikkelingen, de tegenstrijdigheden
+van het leven. Ik wilde vrij zijn, niemand zou er door lijden, en ik,
+die sterk moest zijn, ben zwak en zij zijn sterk.
+
+"Een andere, vroolijke indruk. Ik zit in eene tobbe en mij omringt
+een nieuwe, aangename geur van een of ander iets, waarmee men
+mijn klein lichaampje inwrijft. Waarschijnlijk was het een poeder,
+misschien in het water in de tobbe, maar de indruk van het poeder
+heeft mij wakker geschud. Voor het eerst zag ik en ging ik houden
+van mijn lichaampje met de kleine ribben, werd ik de donkerkleurige
+gladde tobbe gewaar, de opgestroopte mouwen van de njanja, het warme
+dampende water, het geplas, en vooral het gevoel van de natte randen
+van de tobbe, als ik er met mijn handjes aan kom.--Het is vreemd en
+angstig te bedenken, dat ik mij, behalve deze twee, niet één indruk
+kan herinneren van mijn geboorte tot aan mijn derde jaar; van dien
+tijd af, dat men mij voedde aan de borst, mij speende, dat ik begon
+te kruipen, te loopen en te spreken. Wanneer toch ontwaakte mijn
+bewustzijn? Wanneer begin ik te leven en waarom verheugt het mij,
+als ik mij het verleden kan herinneren, en waarom beangstigt het mij
+(en met mij vele anderen), mij te verplaatsen in dien toestand van
+vergetelheid waarvan geen herinnering blijft die zich door woorden
+laat vertolken? Leefde ik dan niet in dien tijd toen ik leerde zien,
+hooren, begrijpen, praten, toen ik sliep, toen men mij voedde aan
+de borst en ik die kuste, toen ik lachte en mijne moeder vreugde
+schonk? Ik leefde en mijn leven was gezegend. Verwierf ik dan niet in
+die dagen alles waarmee ik nu leef, en verkreeg ik niet zoo snel zoo
+veel, dat in 't geheele verdere leven niet een honderdste gedeelte
+daarvan verworven werd? Van den vijfjarigen knaap tot den man, die
+ik nu ben,--is slechts een schrede. Van de geboorte tot het vijfde
+jaar--een ontzettende afstand. Tusschen de geboorte en de kiem ligt
+een afgrond. Tusschen het niet-zijn en de kiem ligt niet slechts een
+afgrond maar het mysterie. Ruimte, tijd en oorzaak zijn vormen der
+gedachten; ons leven staat daar buiten; en toch is ons geheele leven
+een meer en meer volkomen onderwerping aan die vormen en later weer
+een vrijmaking er van.
+
+"Mijne volgende herinneringen hebben betrekking op den tijd, toen ik
+reeds vier of vijf jaar was. 't Zijn er nog maar weinige en zij bepalen
+zich uitsluitend tot hetgeen binnen de vier muren gebeurde. Tot aan
+mijn vijfde jaar bestond de natuur niet voor mij en al wat ik mij
+herinner valt voor in de kamer of in mijn bedje.
+
+"Er bestaan voor mij geen gras, geen bladeren, geen hemel, geen
+zon. Het is niet aan te nemen dat men mij nooit bloemen of bladeren
+gaf om mee te spelen, dat ik het gras nooit zag, of men mij nooit
+beschutte tegen de zon. Toch heb ik tot mijn vijfde of zesde jaar
+geen herinnering aan datgene wat wij de natuur noemen. Misschien
+ook moet men zich eerst van haar verwijderen om haar te leeren zien,
+en ik was immers zelf natuur.
+
+"De herinnering, die op de tobbe volgt, is die aan 'Jerjemjejewna',
+het woord waarmee men ons als kinderen bang maakte. Ik lig in mijn
+bedje en ben vroolijk en opgeruimd, zooals altijd. Ik zou mij ook niets
+hebben herinnerd, als niet plotseling de njanja, of iemand anders,
+die voor mij het leven vertegenwoordigde, iets met een vreemde stem
+gezegd had en was weggegaan. Ik word vroolijk en angstig tegelijk. Ik
+herinner mij, dat ik niet alleen was, maar dat er nog iemand was
+zooals ik. (Waarschijnlijk was het mijn zusje Maschenka, wier bedje
+op dezelfde kamer stond.) Ik herinner mij dat er een gordijn om mijn
+bedje hangt en mijn zusje en ik, wij verheugen ons en hebben toch ook
+angst voor het vreemde, dat er om ons is. Ik verstop mijn hoofd in
+het kussen en gluur toch naar de deur en verwacht van dien kant iets
+vreemds en prettigs en ben toch angstig. Wij lachen en wij kruipen
+weg en wij wachten. En daar komt iemand in een kleed en met een muts
+zooals ik nog nooit heb gezien, maar ik voel dat het iemand is, die
+zich altijd in onze omgeving bevindt (de njanja of tante, dat weet
+ik niet), en die iemand zegt met eene bromstem iets vreeselijks van
+stoute kinderen en van Jerjemjejewna. Ik schreeuw van angstig genot,
+ik word bang en verheug me dat ik angst heb, en ik wil niet dat zij
+die mij angstig maakt weet dat ik haar herken.
+
+"Wij worden stil en zwijgen, maar gaan dan weer met elkaar fluisteren,
+in de hoop Jerjemjejewna nog eens weer te zien verschijnen.
+
+"In mijn geheugen hangt nog eene herinnering, waarschijnlijk van
+lateren datum, want zij is helderder maar toch altijd onbegrijpelijk
+voor mij gebleven. De hoofdrol speelt onze Duitsche onderwijzer Feodor
+Iwanowitsch. Ik weet heel zeker, dat ik nog niet onder zijn toezicht
+stond, dus moet het zijn gebeurd voordat ik vijf jaar was. Het is de
+eerste maal dat hij in mijne herinnering voorkomt, en ik moet nog
+heel jong geweest zijn, daar ik mij niemand, vader, noch broeder,
+noch iemand anders kan voorstellen. Zoo ik één herinnering heb, dan is
+'t die aan mijn zusje, en dat komt dan door onzen gemeenschappelijken
+angst voor Jerjemjejewna.
+
+"Met de herinnering aan Feodor Iwanowitsch verbindt zich tevens de
+indruk, dat wij eene tweede verdieping op ons huis hebben. Hoe ik
+er kwam, of ik er heen liep of dat men mij er heen droeg, dat kan ik
+mij niet meer te binnen brengen, maar ik weet dat wij met velen zijn,
+wij draaien in een kring en houden elkaar bij de hand. Ik weet ook,
+dat er vreemde vrouwen bij zijn en ik denk (waarom weet ik niet), dat
+het waschvrouwen zijn. Wij loopen in het rond en springen en huppelen
+en Feodor Iwanowitsch springt ook mee en werpt zijn beenen te hoog
+in de lucht en maakt te veel leven, en op dat zelfde oogenblik voel
+ik, dat wat hij doet niet goed, dat het verdorven is; ik begin hem
+plotseling te zien; ik geloof dat ik ging weenen, en--het is uit."
+
+Hier moeten we een geschiedenis inlasschen van Maria Nikolajewna,
+het zusje van Tolstoi.
+
+"Wij sliepen met ons drieën op één kamer: ik, Lewotschka (Leo) en
+Doenjetschka [18]. Wij speelden altijd samen en vormden een heel
+afzonderlijk groepje, afgescheiden van de andere broers, die altijd
+met hun' gouverneur beneden waren.
+
+"Het liefst van alles speelden wij 'Milaschka' (lieveling). Een van
+ons drieën stelde Milaschka voor, d.w.z. het kind dat door allen
+vertroeteld wordt. Men legt het te slapen, voedt het, verpleegt het,
+in één woord: houdt er zich voortdurend mee bezig. Milaschka moet
+volgens de regelen van het spel zich blijmoedig onderwerpen aan alles
+wat men met hem doet en zonder morren zijne rol vervullen.
+
+"Ik herinner mij eens het verdriet en de ellende toen onze Milaschka
+(meestal was dat Leo) door het langdurig schommelen werkelijk in
+slaap was gevallen. Volgens het programma had hij moeten huilen,
+dan zou men hem medicijnen geven, hem wrijven enz... De slaap echter
+maakte plotseling een einde aan ons spel, en bracht ons uit het rijk
+der verbeelding tot de werkelijkheid terug".
+
+
+
+"Dit is alles wat ik mij herinner tot aan mijn vijfde jaar. Niet mijne
+njanja, niet de tantes, geen broers, zuster, vader, kamer of speelgoed,
+niets kan ik mij te binnen brengen. Mijne indrukken beginnen vorm
+aan te nemen van den tijd af, toen men mij naar beneden bracht bij
+Feodor Iwanowitsch en de grootere knapen. Bij mijne verhuizing naar
+beneden kreeg ik voor het eerst en daarom des te sterker het besef
+van plichtsgevoel, het bewustzijn zijn kruis te moeten dragen, zooals
+het den mensch betaamt. Het deed mij verdriet, met mijne gewoonten (de
+gewoonten van mijn geheele leven) te moeten breken. Treurig was het,
+poëtisch treurig, te moeten scheiden, niet zoo zeer van de menschen,
+van mijne zuster, de njanja en tante, als wel van mijn bedje, mijn
+gordijntje, mijn kussen, en met angst ging ik naar beneden. Ik deed
+mijn best het vroolijke in dit nieuwe leven op te zoeken, ik trachtte
+geloof te schenken aan de lieve woorden waarmee Feodor Iwanowitsch
+mij tot zich lokte, ik trachtte de verachting niet te zien waarmee de
+oudere jongens mij, den jongeren, ontvingen; ik wilde mij opdringen dat
+het voor een grooten jongen schande was alleen met meisjes om te gaan,
+dat er niets moois was in het leven daarboven bij de njanja, maar--op
+mijn borst drukte een zware last en droevig was het mij te moede. Ik
+was er van overtuigd, dat ik schier onherroepelijk mijne onschuld en
+mijn geluk verloor. Slechts het bewustzijn van mijn plicht te doen,
+mijn gevoel van eigenwaarde, hield mij staande. Vele jaren later,
+aan een kruisweg gekomen, een nieuw leven beginnend, voelde ik weer
+diezelfde gewaarwordingen. Een groote smart vervulde mij om hetgeen
+ik onherroepelijk had verloren. Ik kon maar niet gelooven dat het ooit
+zou gebeuren! Hoewel men er mij op had voorbereid dat ik naar beneden,
+naar de grooteren moest gaan, kreeg ik het gevoel alsof met het jasje,
+dat men mij aantrok, de wereld op de bovenverdieping voor mij werd
+afgesloten. Nu zag ik voor het eerst andere personen dan die mij tot
+nu toe hadden omringd, en voor het eerst eene hoofdpersoon, met wie ik
+toch reeds lang was saamgeweest, maar die ik niet had opgemerkt. Dat
+was mijne tante Tatjana. Ik herinner mij de flinke, teedere, goede,
+barmhartige, niet groote vrouw met haar zwarte haren. Zij kleedde
+mij aan en kuste mij, en ik begreep dat zij voelde zooals ik, dat
+ook zij het betreurde, het diep betreurde, maar dat het moest.
+
+"Voor de eerste maal voelde ik, dat het leven geen spel, maar een
+moeielijke taak is. Zal ik niet het zelfde voelen als ik eens ga
+sterven, en begrijpen, dat ook de dood en het volgend leven geen
+spel zijn?
+
+"_5 Mei 1878._"
+
+Van deze Tatjana Alexandrowna geeft Tolstoi de volgende interessante
+beschrijving:
+
+
+
+"Tatjana Alexandrowna Jergolskaja was, na mijn vader en mijne moeder,
+de persoon die den meesten invloed op mijn leven heeft uitgeoefend. Zij
+was eene verre bloedverwant van mijne grootmoeder van de zijde der
+Gortschakoffs. Zij en haar zuster Liza, die later met graaf Peter
+Iwanowitsch Tolstoi trouwde, bleven, heel jong nog, als weezen achter.
+
+"Hun broers werden door de familie aan een of andere betrekking
+geholpen. Mijne grootmoeder en de waardige invloedrijke
+Tat. Sjem. Skoeratowa namen de beide meisjes tot zich. Het lot
+heeft beslist waar zij zouden wonen. Twee biljetten met hare namen
+werden onder de heiligenbeelden neergelegd, een gebed werd gedaan en
+de biljetten werden getrokken. Zoo gebeurde het, dat Lizanka naar
+Tatj. Sjemjojewna ging en de zwarte Tatjana, Tanitschka zooals men
+haar bij ons noemde, naar mijne grootmoeder. Zij werd geboren in 1795,
+was ongeveer even oud als mijn vader, en werd geheel als mijne tantes
+opgevoed. Allen hielden veel van haar, en dat kon ook niet anders bij
+haar ferm, energiek en toch zelfopofferend karakter. Het volgende,
+dat zij ons eens vertelde en waarbij zij ons een groot litteeken even
+onder den elleboog liet zien, geeft een juist beeld van haar.
+
+"Als kinderen lazen zij eens de geschiedenis van Mucius Scaevola en
+begonnen te twisten over de vraag of een van allen hem dat wel na
+zou durven doen. 'Ik zal het doen,' zei Tatjana. 'Je doet het toch
+niet,' zei Jaziekoff, mijn peetoom, en hield, ook weer karakteristiek
+voor hem, eene liniaal zoo lang in een kaars, tot ze gloeiend was en
+rookte. 'Leg die nu tegen je arm,' zei hij. Zij strekte haar blanken
+arm uit (de meisjes hadden toen altijd korte mouwen) en Jaziekoff
+drukte er de gloeiende liniaal tegen aan. Zij fronste haar wenkbrauwen
+maar trok haar arm niet terug, en steunde slechts even toen met de
+liniaal het vel van haar arm werd afgetrokken. De ouderen, die de
+wonde zagen en vroegen hoe zij daar aan kwam, kregen ten antwoord,
+dat zij het zelf gedaan had, omdat ze wilde ondervinden, wat Mucius
+Scaevola had gevoeld.
+
+"Zoo was zij in alles, vlug besloten en zelfopofferend.
+
+"Haar voorkomen moet zeer innemend geweest zijn, met haar
+zwart, dik, krullend haar, donkere oogen en levendige, energieke
+trekken. W. M. Joeschkoff, de man van mijne tante Pelageja, een echte
+don Juan, zei dikwijls--hij was toen reeds een grijsaard--op een'
+toon zooals men van eene vroegere liefde spreekt: 'Toinette, oh,
+elle était charmante!'
+
+"Toen ik haar leerde kennen was zij reeds over de veertig, en ik dacht
+er nooit over na of zij mooi was of niet. Ik hield eenvoudig van haar,
+ik hield van haar oogen, van haar glimlach, van haar bruine, breede,
+kleine hand, met de energieke lijnen. Het is wel aan te nemen, dat zij
+vader beminde en vader haar. Toch is zij nooit met hem getrouwd. Niet
+in haar jeugd, omdat vader met mijne rijke moeder zou kunnen trouwen,
+en later niet, omdat zij de reine, poëtische verhouding niet wilde
+bederven die er bestond tusschen haar en vader, en ook tusschen haar
+en ons. Onder haar papieren, in haar met kralen bewerkte portefeuille,
+bevindt zich het volgende, geschreven in 1836, zes jaren na den dood
+van moeder:
+
+"'16 Aug. 1836. Nikolaas heeft mij heden eene vreemde vraag gedaan,
+namelijk om met hem te trouwen, de moeder te worden van zijne kinderen
+en hen nooit te verlaten. Het eerste voorstel heb ik geweigerd, het
+tweede heb ik aangenomen, en ik zal de belofte nakomen, zoolang als
+ik leef.'
+
+"Dit heeft zij neergeschreven, maar nooit heeft zij er met ons of met
+wien ook over gesproken. Na den dood van mijn' vader vervulde zij
+de tweede van zijne wenschen. Wij hadden twee echte tantes en eene
+grootmoeder. Die hadden allen een grooter recht op ons dan Tatjana,
+die wij maar tante noemden en die zoo'n ver verwijderd familielid was,
+dat ik nooit kon begrijpen, hoe zij eigenlijk tot ons in betrekking
+stond. Het recht der liefde evenwel bezorgde haar de eerste plaats
+bij onze opvoeding en wij hebben dat ook steeds gevoeld.
+
+"Ik hield van haar, hartstochtelijk, overweldigend en teeder.
+
+"Ik herinner mij, dat ik mij eens in het salon (ik was toen ongeveer
+vijf jaar) dicht tegen haar aan vleide. Streelend beroerde zij mijne
+hand. Ik greep die hand, kuste haar en begon van teedere liefde tot
+haar te weenen.
+
+"Zij was opgevoed als eene dame van goeden huize, sprak en schreef
+beter Fransch dan Russisch, speelde heel goed piano, maar had de
+toetsen in geen dertig jaren aangeraakt. Zij begon eerst weer toen ik,
+reeds volwassen, het ging leeren. Wij speelden soms wel eens vierhandig
+en dan verbaasde zij mij door haar correct, voortreffelijk spel. Zij
+was heel goed voor de bedienden, gaf hun nooit booze woorden; de
+gedachte aan roede of knoet kon zij niet verdragen, maar toch dacht
+zij: 'lijfeigenen zijn lijfeigenen,' en was tegenover hen geheel
+de meesteres. Desondanks hielden zij meer van haar dan van één der
+anderen. Toen zij stierf en door het dorp werd gedragen, kwamen alle
+boeren uit hunne huizen en zeiden de gebeden der stervenden. De
+hoofdtrek van haar karakter was liefde. Gaarne had ik gewild, dat
+die zich tot één mensch, tot mijn' vader, had bepaald. Haar liefde
+echter voor hem straalde af op ons allen. Ons had zij lief om hem,
+allen had zij lief door hem, haar heele leven was liefde.
+
+"Hare groote liefde gaf haar zedelijk recht op ons, maar onze eigen
+tantes, vooral Pelageja Ilinischna, toen zij ons naar Kazan bracht,
+hadden de uiterlijke rechten. Tatjana voegde zich hier naar en
+hare liefde voor ons verminderde er niet door. Zij woonde toen bij
+haar zuster Liza A. Tolstoi, maar met haar hart was zij bij ons,
+en zoo spoedig mogelijk keerde zij tot ons terug. Het was voor mij
+een groot geluk, dat zij den laatsten tijd van haar leven, ongeveer
+twintig jaren, bij mij op Jasnaja Paljana doorbracht. Jammer is het,
+dat wij ons geluk, vooral zoo'n groot innig geluk, nooit naar waarde
+schatten. Ik stelde het op prijs, maar niet volkomen, niet genoeg. Zij
+hield er van om op haar kamer verschillende schaaltjes met lekkernijen
+te hebben: gedroogde vijgen, dadels, enz. Zij vond het prettig die
+dingen te koopen en in de eerste plaats gaf zij ze dan weer aan mij. Ik
+zal het nooit vergeten en herinner het mij steeds met gewetenswroeging,
+dat ik haar eens geld voor snoeperijen heb geweigerd. Zij zuchtte diep
+en zweeg. Ik zat in geldverlegenheid, dat is waar, maar toch kan ik mij
+nooit zonder wroeging herinneren, dat ik het haar niet heb toegestaan.
+
+"Eens--ik was reeds getrouwd en zij begon al te verzwakken--toen ik
+bij haar op haar kamer kwam, zeide zij, met afgewend gelaat (maar
+ik zag wel, dat zij op het punt stond in tranen uit te barsten):
+'Zie eens, mes chers amis, mijne kamer is zoo mooi en gij kunt haar
+zoo goed gebruiken. Wanneer ik hier nu sterf,' vervolgde zij met
+bevende stem, 'dan zal die herinnering u niet aangenaam zijn. Geef
+mij daarom liever eene andere kamer'.--Zoo is zij altijd geweest,
+van mijn eerste kinderjaren af, toen ik nog niets kon begrijpen.
+
+"Haar kamer was zóó ingericht: in den linkerhoek stond eene
+chiffonnière met ontelbare kleinigheden die alleen voor haar waarde
+hadden; rechts het glazen kastje met heiligenbeelden en het groote
+zilveren Christusbeeld; in het midden bevond zich de divan, waarop
+zij sliep en daarvoor eene tafel. Naar rechts gaf een deur toegang
+tot het vertrek van haar kamenier.
+
+"Ik heb reeds gezegd, dat tante Tatjana den grootsten invloed op mijn
+leven heeft gehad, die in hoofdzaak daarin bestond, dat zij mij,
+reeds in mijne jeugd, deed begrijpen hoe heerlijk het is lief te
+hebben. Niet met woorden maar door daden leerde zij het mij. Ik zag,
+ik voelde, hoe goed het haar was lief te hebben en ik begreep het
+geluk er van. Dat was het eerste gevolg van haar invloed op mij. Ten
+tweede leerde zij mij de aantrekkelijkheid kennen van een rustig,
+ongetrouwd leven, maar daarvan zullen wij te zijner plaatse spreken.
+
+"Hoewel deze herinnering niet in mijne jeugd thuis behoort, kan ik
+toch niet nalaten mijn leven met haar te beschrijven, toen ik nog
+als jonggezel op Jasnaja woonde." [19]
+
+
+
+Wij hebben in het hoofdstuk over Tolstoi's ouders reeds opgemerkt,
+dat zijne vertelling _Kinder-, Jongens- en Jongelingsjaren_ niet als
+een auto-biographie kan worden aangemerkt. Die opmerking geldt in
+hoofdzaak de uiterlijke omstandigheden, door den auteur medegedeeld
+om het geheel aan te vullen.
+
+Wat de schildering betreft van het inwendige van den kind-held kunnen
+wij verklaren, dat op de een of andere wijze al die zielstoestanden
+door den auteur zelf zijn beleefd. Wij voelen ons dus gerechtigd onze
+biographie er mee aan te vullen. Bovendien weten wij dat eenige typen
+uit dat werk naar het leven zijn geteekend.
+
+Zoo is b.v. de Duitscher Karel Iwanowitsch Mayer niemand anders
+dan Feodor Iwanowitsch Rjessel, de Duitsche onderwijzer, die in
+werkelijkheid bij de familie Tolstoi heeft gewoond, en dien wij
+reeds vroeger vermeld hebben. Tolstoi noemt hem ook in zijne _Eerste
+Herinneringen_. Deze man moet ongetwijfeld een grooten invloed gehad
+hebben op de geestelijke ontwikkeling van den knaap. Door de bijzondere
+liefde, waarmee de auteur van _Kinderjaren_ zijne oprechte, eerlijke,
+goedhartige en liefhebbende natuur teekent, mogen wij aannemen dat
+deze invloed een goede was.
+
+Het is dus niet zonder reden, dat Tolstoi de geschiedenis van zijne
+jeugd begint met de schildering van dezen persoon.
+
+Feodor Iwanowitsch stierf te Jasnaja Paljana en werd begraven bij
+de kerk.
+
+Een tweede persoon die in _Kinderjaren_ wordt beschreven is een
+Joerodiewi [20].
+
+Deze Grischa heeft niet bepaald bestaan, maar is ongetwijfeld
+grootendeels naar het leven geteekend. Hij maakte klaarblijkelijk een
+diepen indruk op Tolstoi's kinderziel. De volgende roerende woorden
+zijn aan hem gewijd. Tolstoi geeft daarin een beschrijving van een
+avondgebed van den Joerodiewi.
+
+
+
+"Zijne woorden waren onsamenhangend maar treffend. Hij bad voor zijne
+weldoeners (zoo noemde hij degenen waar hij wel eens mocht komen),
+voor zijne moeder, voor ons, en voor zich zelf. Hij smeekte dat God
+hem zijne zware zonden zou vergeven en herhaalde telkens: 'O God,
+vergeef ook mijne vijanden!'
+
+"Zuchtend richtte hij zich op, en steeds dezelfde woorden herhalend,
+wierp hij zich ter aarde en richtte zich weer op en lette niet op
+de zware kettingen, die met een scherp knarsend geluid tegen den
+grond sloegen....
+
+".... Lang nog bevond Grischa zich in dezen staat van godsdienstige
+geestvervoering en improviseerde gebeden. Hij herhaalde eenige
+malen: 'Heer, vergeef mij', telkens met sterkeren, grooteren nadruk,
+'Heer, Heer, vergeef mij, leer mij wat ik doen moet', en sprak met
+zóóveel uitdrukking, alsof hij dadelijk een antwoord op zijn smeeken
+verwachtte. Daarop weerklonk een klaaglijk weenen... Hij bleef liggen,
+geknield, vouwde zijne handen op de borst en zweeg.
+
+"--'Heer, Uw wil geschiede', riep hij plotseling met volle overtuiging,
+viel met zijn hoofd op den grond en weende als een kind.
+
+"Veel water vloeide er sinds dien naar zee, vele herinneringen aan
+'t verleden verloren voor mij hunne beteekenis en werden wazige
+droombeelden, ook de pelgrim Grischa volbracht reeds lang zijn
+laatsten tocht, maar de indruk dien hij bij mij te weeg bracht, het
+gevoel dat hij bij mij wakker riep, zal nooit uit mijne herinnering
+worden gewischt.
+
+"O, groote Christen Grischa! Uw geloof was zoo sterk, gij gevoeldet
+Gods nabijheid; Uwe liefde was zóó groot, dat de woorden van zelf over
+uwe lippen stroomden; Gij toetstet ze niet aan het verstand.... en
+welk een grooten lof bracht Gij het Opperwezen! Toen Gij geen woorden
+meer vondt, vielt gij weenend ter neer." [21]
+
+
+
+Hebben wij niet het volste recht dien man den eersten prediker van het
+volksgeloof te noemen, dat geloof, dat Tolstoi's geest overwon, na de
+onvruchtbare omzwervingen op het gebied van theologie, filosofie en de
+exacte wetenschappen, en dat hij op zijn beurt heeft beschenen met het
+licht van zijn verstand, gereinigd en gestaald door strijd en lijden,
+de noodzakelijke metgezellen van allen die zoeken naar waarheid.
+
+
+
+Een bewijs voor het bovenstaande vinden wij in Tolstoi's herinneringen.
+
+
+
+"De simpele Grischa is een verdicht persoon. In ons huis kwamen er
+velen van zijns gelijken, en ik ben er mijn' opvoeders dankbaar voor,
+dat zij mij leerden, hen met achting te behandelen.
+
+"Al schuilen er ook onoprechten onder hen, al hebben zij ook zwakke
+oogenblikken, toch is hun levenstaak zóó hoog, hoewel praktisch
+onuitvoerbaar, dat het mij verheugt, dat ik van mijn kindsheid af,
+geheel onbewust, het grootsche van hun streven leerde begrijpen. Zij
+ondervinden wat Marcus Aurelius zegt: 'er is niets verheveners,
+dan de verachting te verdragen voor zijn goed leven.'
+
+
+
+"De lokstem van den roem, die zich verbindt met iedere goede daad, is
+zoo verderfelijk voor ons, dat men de verzoeking wel moet meevoelen,
+niet slechts om zich aan den lof te willen onttrekken, maar om de
+verachting der menschen op zich te laden.
+
+"Zoo eene Joerodiewaja waren ook Marja Gherasimowna, de peettante van
+mijne zuster, en de half waanzinnige Jewdokimoeschka en nog eenigen,
+die wel in ons huis kwamen.
+
+"Wij kinderen hoorden het gebed niet van een Joerodiewi, maar wel
+van Akim, een waanzinnigen tuinmansjongen. Hij deed zijn gebed in de
+groote zaal van een zomerhuis en het trof mij diep, dat eenvoudige
+gebed, tot God gericht als tot een levend mensch.
+
+"'Gij mijn dokter, gij mijn apotheker,' sprak hij met overtuigend
+vertrouwen. Daarop zong hij liederen van het laatste gericht: dat God
+de rechtvaardigen van de zondaars scheidde en den laatsten de oogen
+volstrooide met geel zand."
+
+
+
+In andere, minderwaardige papieren lezen wij van Mimi en haar dochter
+Katjenka, "zoo iets van een eerste liefde". Onder den naam Mimi vinden
+wij de gouvernante van de buren, onder Katjenka een pleegkind der
+familie terug, door Tolstoi beschreven als Doenjetschka Tjemjeschewa.
+
+
+
+Van deze Doenjetschka vertelt Tolstoi in zijne herinneringen:
+
+
+
+"Behalve de broers en mijne zuster woonde van haar vijfde jaar af
+bij ons in Doenjetschka Tjemjeschewa, en ik moet vertellen, wie zij
+was en hoe zij bij ons kwam.
+
+"Onder het aantal bezoekers, die ik mij nog uit mijne jeugd herinner,
+bevindt zich o.a. de man van tante Joeschkoff, van wien ik nog
+veel zal moeten spreken. Hij had een uiterlijk dat kinderen opvalt,
+zwarte snor, bakkebaarden en een bril op zijn neus. Ten tweede, mijn
+peetoom S. J. Jaziekoff. Deze had een bijzonder leelijke gestalte,
+rook altijd naar tabak, had veel te ruim vel op zijn breed gezicht,
+waarmee hij voortdurend de onmogelijkste grimassen trok.
+
+"Behalve onze twee buren Ogarjeff en Isljenjeff, bezocht ons nog een
+verre bloedverwant van de zijde der Gortschakoffs, de rijke vrijgezel
+Tjemjeschoff, die heel veel van mijn' vader hield en hem steeds
+'broeder' noemde.
+
+"Hij woonde op veertig wersten afstand van Jasnaja Paljana, in het dorp
+Pirogowo, en bracht ons van daar eens varkentjes met krulstaartjes mee,
+die op een groot blad in de bediendenkamer werden neergezet.
+
+"Tjemjeschoff, Pirogowo en de varkentjes zijn in mijne herinnering
+één. Bovendien kunnen wij kinderen ons hem nog altijd herinneren,
+zooals hij voor de piano zat. Hij speelde een danswijsje (hij kende
+er maar één) en wilde dat wij er op zouden dansen. Als wij dan vroegen
+wat hij eigenlijk speelde, dan antwoordde hij dat op die muziek alles
+kon worden gedanst. Wij vonden het aardig en dansten er op los.
+
+"Het was op een' winteravond, er was al thee gedronken en wij zouden
+spoedig naar bed worden gebracht; onze oogen vielen reeds bijna
+toe, toen plotseling iemand met vlugge, onhoorbare schreden uit de
+bediendenkamer in het salon trad, waar wij allen in half donker zaten,
+omdat er maar twee lampen brandden. Hij liep naar 't midden van de
+kamer en viel daar op zijne knieën. De brandende pijp met den langen
+steel, die hij in zijn hand hield, stootte op den grond zoodat het
+vuur er uitviel, en het gelaat van den knielenden man verlichtte. Die
+man was--Tjemjeschoff. Wat hij tegen vader zei, terwijl hij voor
+hem neerknielde, herinner ik mij niet en verstond ik ook niet. Later
+hoorde ik dat hij zijn onwettig dochtertje Doenjetschka bij zich had,
+waarover hij reeds vroeger had gesproken en dat door vader tegelijk
+met ons zou worden opgevoed.
+
+
+
+"Van dien tijd af kwam Doenjetschka bij ons in huis. Zij had een breed
+gezicht, was even oud als ik en had een njanja: Jewpraksija. Deze was
+eene rimpelige oude vrouw; ze had een zak onder aan haar kin als van
+een kalkoenschen haan, met een balletje er in, dat zij ons liet voelen.
+
+"Met de verschijning van Doenjetschka kwam er ook een ingewikkeld
+contract in ons huis. Tjemjeschoff was zeer rijk. Hij had geen
+wettige kinderen. De twee meisjes Doenjetschka en Wjerotschka waren
+zijne natuurlijke dochters. De laatste was mismaakt. Haar moeder was
+eene gewezen lijfeigene Marfoescha. Tjemjeschoff's erfgenamen waren
+zijne zusters. Hij vermaakte haar alles, behalve Pirogowo, waar hij
+woonde. Dit wenschte hij mijn vader te verkoopen onder voorwaarde,
+dat de prijs van het goed, 300,000 roebel (men zei van Pirogowo,
+dat het een goudmijn en veel meer waard was), door vader aan de
+twee meisjes zou worden betaald. Om dat nu zoo in te richten was men
+het volgende overeengekomen. Tjemjeschoff maakte een koopbrief op,
+waarin beschreven stond, dat hij vader het goed verkocht voor 300,000
+roebel. Vader gaf nu drie wissels ieder van 100,000 aan Isljeneff,
+Jaziekoff en en Gljeboff. Ingeval van Tjemjescheff's overlijden kwam
+het goed aan mijn' vader, die dan de geheele som aan de drie houders
+van de wissels moest betalen, welken het weer aan de twee meisjes
+zouden uitkeeren. Misschien vergis ik mij met de beschrijving van het
+contract, maar ik weet zeker, dat het landgoed na vaders dood aan ons
+kwam en dat er drie wissels waren op naam van Isljeneff, Gljeboff
+en Jaziekoff. Onze voogd betaalde het geld uit en de twee eersten
+gaven het op hun beurt aan de meisjes, maar de derde, Jaziekoff,
+eigende het zich toe. Daarover echter later.
+
+"Doenjetschka woonde dus bij ons, was een lief, eenvoudig, rustig,
+maar dom meisje en daarbij een groote huilebalk. Ik herinner mij,
+dat ik reeds een weinig Fransch kon lezen en schrijven en dat men
+mij opdroeg haar de letters te leeren. In 't begin ging alles goed
+(wij waren ongeveer vijf jaar), maar later, waarschijnlijk omdat ze
+moe werd, kon zij de letters die ik haar aanwees niet meer noemen. Ik
+hield vol, zij begon te weenen, ik ook, en toen er later iemand bij ons
+kwam, konden wij niet praten, zoo huilden wij. Ook herinner ik me nog,
+dat er eens een pruim van de schaal was verdwenen en men de schuldige
+niet kon vinden. Feodor Iwanowitsch zei met een ernstig gelaat,
+zonder ons aan te zien, dat het niet zoo erg was dat die pruim was
+opgegeten, maar als we de pit hadden ingeslikt, dan zouden we moeten
+sterven. Doenjetschka, die den angst niet meer kon verdragen, zei,
+dat ze de pit had uitgespogen.
+
+"Nog herinner ik mij haar vreeselijken tranenvloed, toen eens, onder
+'t spelen met mijn broertje Mitjenka, het volgende gebeurde. Het
+spel bestond daarin, dat zij elkaar een koperen kettinkje in den
+mond spuwden. Nu spoog zij met zoo'n kracht en hij sperde zijn mond
+zoo wijd open, dat hij het doorslikte. Doenjetschka weende wanhopig,
+totdat de dokter kwam en ons allen gerust stelde.
+
+"Zij was niet verstandig, maar goed en eenvoudig en daarbij zoo rein,
+dat er nooit een andere dan een broederlijke verhouding tusschen ons
+heeft bestaan."
+
+
+
+De mededeelingen die Tolstoi doet over de bedienden, die hem in zijn
+prilste jeugd omringden, zijn schaarsch, maar zeer interessant. Zij
+vullen de gegevens aan, reeds beschreven in zijn werk _Kinderjaren_.
+
+"Onder den naam Natalie Cawischni heb ik in _Kinderjaren_ Praskowa
+Isajewna vrij nauwkeurig beschreven. Alles wat ik van haar vertelde is
+werkelijkheid. Zij was onze huishoudster en een zeer achtenswaardige
+vrouw.
+
+"Een van de prettigste herinneringen die ik aan haar heb behouden is
+wel, dat we na of tusschen de lessen in haar kamertje kwamen om met
+haar te praten en naar haar te luisteren. Zij hield waarschijnlijk
+van ons om onze heerlijke kinderlijke oprechtheid. 'Praskowa Isajewna,
+hoe ging grootvader naar den oorlog? te paard?', vroegen wij om haar
+maar aan 't praten te krijgen. 'Hij ging te voet en te paard. Daarvoor
+was hij generaal-en-chef', en daarbij opende zij een kast, en nam er
+een stukje hars uit dat zij 'Koerjen van Otschakoff' noemde. Volgens
+haar had grootvader het uit Otschakoff meegenomen. Zij stak een papier
+aan boven het lampje bij de heiligenbeelden, maakte daarmee het hars
+aan het branden, dat dan een aangenamen geur verspreidde.
+
+"In _Kinderjaren_ vertelde ik, dat zij mij eens beleedigde, door
+mij een slag met een natten vaatdoek te geven. Zij deed mij nog een
+tweede beleediging aan. Tot haar plichten behoorde ook, dat zij,
+als het noodig was, ons een lavement zette. Het gebeurde eens op een'
+morgen, toen ik al niet meer op de vrouwenafdeeling was, maar onder
+toezicht stond van Feodor Iwanowitsch. Wij waren opgestaan, de andere
+broers waren al gekleed, maar ik had me verlaat en wilde juist mijn
+nachthemd voor mijn kleeren gaan verwisselen, toen Praskowa met haar
+instrumenten binnentrad. Deze bestonden uit een in een doek gewikkelde
+spuit, waarvan alleen het uiterste gele pijpje te zien was, en een
+schoteltje met boomolie, waar zij het pijpje mee bevochtigde. Mij
+ziende, dacht zij dat ik degene was, voor wie tante de operatie bestemd
+had. In werkelijkheid was het Mitjenka, die toevallig of met opzet,
+wel wetende dat hem iets wachtte waar wij geen van allen op gesteld
+waren, zich vlug had aangekleed en was weggeloopen. En zonder acht
+te slaan op mijn heilige verzekeringen dat ik de persoon niet was,
+voerde zij de operatie uit.
+
+"Ik hield zoo veel van haar, niet alleen om haar eerlijkheid en
+toewijding, maar ook omdat zij met het stukje hars van Otschakoff
+voor mij een vertegenwoordigster was van die geheimzinnige wereld
+uit den tijd van grootvader.
+
+
+
+"Anna Iwanowna leefde stil; tweemaal is zij bij ons in huis geweest;
+toen heb ik haar gezien. Men zei, dat zij wel honderd jaar was. Zij
+had pikzwarte oogen en één tand. Zij was zoo'n oude vrouw waar kinderen
+bang voor worden.
+
+"De bruine Tatjana Filippowna, met haar kleine handjes, was eene jonge
+hulp-njanja van Anna Iwanowna, welke laatste ik me bijna niet kan
+herinneren, want van het oogenblik af dat ik mij mezelf bewust werd,
+zie ik mij steeds met njanja Annoeschka. En daar ik mij mijzelf in dien
+tijd bijna niet kan voorstellen, herinner ik me de njanja ook niet.
+
+"Njanja Tatjana kan ik mij nog voorstellen omdat zij njanja bij mijn
+nichtjes werd en later ook bij mijn oudsten zoon.
+
+"Zij was een van die aandoenlijke wezens uit het volk, die zoo met
+hunne pleegkinderen meeleven, dat zij al hun belangstelling op hen
+overbrengen, terwijl zij voor haar eigen familie slechts de bron
+zijn, waaruit voor deze het geld vloeit om van te leven. Zij hebben
+altijd een' man, broer of zoon die een verkwister is, en verkwisters
+waren ook de man en zoon van Tatjana Filippowna. Ik herinner mij nog,
+dat zij stil en gelaten stierf, juist op de plaats waar ik nu deze
+herinneringen zit te schrijven. Haar broer Nikolaas Filippowitsch
+was onze koetsier, van wien we niet alleen veel hielden, maar wien
+we (dat doen de meeste kinderen van de landheeren) groote achting
+toedroegen. Hij had heel zware laarzen, rook altijd heerlijk naar
+den stal en had eene vroolijke, welluidende stem.
+
+"Nu moet ik spreken van Wassiliï Troebjetzki, onzen bottelier. Hij
+was een lieve, vriendelijke man, die veel van kinderen dus ook veel
+van ons hield, maar het meest van Sergius, bij wien hij later in
+dienst kwam en in wiens huis hij ook stierf. Ik herinner mij zijn
+goedig gerimpeld gezicht met den vriendelijken scheeven glimlach en
+ook dien bijzonderen geur, als hij ons op den arm nam of op een blad
+zette (dat was een van onze grootste genoegens: 'ik ook, nu ik!'),
+en ons naar den wijnkelder droeg, die voor ons zoo geheimzinnige
+plaats met de onderaardsche gang. De duidelijkste herinnering, die ik
+aan hem heb, is zijn vertrek naar Schtscherbatschewka, een landgoed
+in de nabijheid van Koersk, dat vader geërfd had van Perowska. Dat
+vertrek van Wassiliï Troebjetzki viel omstreeks de swjatki [22],
+een' tijd dat alle kinderen, en ook eenige van de bedienden, in de
+groote zaal 'roebeltje rol' spelen. Van deze swjatki-feesten moet ik
+nog vertellen. Alle bedienden ('t waren er veel, wel dertig) hadden
+zich verkleed en kwamen in ons huis. Zij vermaakten zich met allerlei
+spelen en dansten bij de viool van den ouden Grigoriï, die alleen in
+dien tijd bij ons kwam. De gecostumeerden stelden meestal beren met
+berenleiders, geiten, Turken en Turkinnen, Tirolers, roovers, boeren
+en boerinnen voor. Ik herinner mij, hoe prachtig ik sommige van de
+gecostumeerden vond en vooral Mascha, die eene Turkin voorstelde. Soms
+verkleedde tante ons ook. Het meest gewenscht vonden wij een' gordel
+met steenen, tule en neteldoek met goud bewerkt, en ik vond mijzelf
+heel mooi met mijn met kurk geteekende snor. Ik herinner mij dat ik,
+in den spiegel ziende naar mijn gezicht met zwarte wenkbrauwen, een
+vergenoegd lachje niet terug kon houden, ofschoon ik het ernstige
+gezicht van een' Turk moest vertoonen. De gecostumeerden liepen door
+alle kamers en voorzagen zich van allerlei versnaperingen. Op een
+van die feesten--ik was toen nog heel jong--kwamen alle Isljeneffs,
+de vader (de grootvader van mijn vrouw), drie zoons en drie dochters,
+verkleed bij ons. In onze oogen waren zij prachtig gecostumeerd. De
+japonnen, de laarzen, de bordpapieren gordels, alles was mooi.
+
+"De Isljeneffs kwamen veertig wersten ver en hadden zich in het dorp
+verkleed. Toen zij in de zaal kwamen ging Isljeneff dadelijk naar de
+piano en zong met een' stem, die ik me nu nog herinner, een lied dat
+hij zelf had gemaakt.
+
+"Het gedicht luidde als volgt:
+
+
+
+ Op 't Nieuwe Jaar zijn wij gekomen
+ En bieden onze wenschen aan,
+ Als 't u genoegen heeft gegeven,
+ Gaan wij verheugd hier weer vandaan.
+
+
+
+"Het was alles zoo wonderbaarlijk en voor de grooteren waarschijnlijk
+wel mooi, maar voor ons kinderen waren de bedienden toch het
+allerprachtigst.
+
+"De feesten werden gevierd in de dagen na Kerstmis en Nieuwjaar en
+soms ook nog na Drie-Koningen. Na Nieuwjaar ging het echter niet
+meer zoo lustig toe. Zoo was het ook op dien dag toen Wassiliï naar
+Schtscherbatschewka ging. Ik herinner mij, dat we in een' kring in de
+bijna donkere zaal zaten op stoelen van rood hout met leeren zittingen,
+die bij ons thuis gemaakt waren. Wij speelden 'roebeltje rol'. Een van
+allen moest den roebel zoeken, dien wij van hand tot hand lieten gaan,
+waarbij wij zongen: 'rol roebeltje, rol'. Ik herinner mij, dat een
+van de vrouwelijke bedienden met een bijzonder prettige stem telkens
+deze woorden herhaalde. Plotseling ging de deur open en Wassiliï,
+gelaarsd en gespoord, zonder blad of servies, kwam naar binnen en
+liep recht langs den muur naar de studeerkamer. Nu eerst vernam ik,
+dat Wassiliï als prikaztschik [23] naar Schtscherbatschjewka ging. Ik
+begreep, dat het een bevordering voor hem was. Ik was dus blij voor
+Wassiliï, maar tegelijkertijd betreurde ik het, niet slechts dat ik
+van hem moest scheiden, dat hij ons niet meer op het blad zou dragen,
+maar omdat ik nooit had kunnen begrijpen, nooit had kunnen gelooven,
+dat er zoo'n verandering kon plaats grijpen. Het werd mij vreemd,
+treurig te moede en de melodie van 'rol roebeltje, rol' deed mij
+zacht ontroeren. Toen Wassiliï, met zijn vriendelijken, scheeven
+lach, van tante terug kwam, en ons op den schouder kuste, voelde ik
+voor de eerste maal den angst voor de onbestendigheid van 't leven
+en medelijden en liefde voor den goeden Wassiliï. Toen ik hem later
+weer zag (ik weet niet of hij een goede of een slechte prikaztschik
+was), vermoedde ik, dat er in hem geen spoor meer was overgebleven
+van zijne heilige, broederlijke, menschelijke gevoelens." [24]
+
+Op eene voor het menschelijk verstand geheimzinnige, onbegrijpelijke
+wijze, blijven de indrukken onzer prilste jeugd niet alleen bestaan,
+maar evenals het zaad in vruchtbare aarde tot een jonge, frissche plant
+wordt, ontwikkelen zich ook in de geheimzinnige diepten onzer ziel onze
+herinneringen, om plotseling, na jaren soms, in het licht te treden.
+
+Zoo waren ook de spelen met de jongere broers als het zaad, waaruit
+de herinneringen ontsproten; de herinnering aan den berg Fanfaronoff,
+aan de Moerawjeïsche broeders en aan het groene takje, evenals aan
+Nikolaas, een anderen broeder, over wiens invloed op Tolstoi's leven
+reeds in zijne aanteekeningen is gesproken.
+
+"Ja, de berg Fanfaronoff vertegenwoordigt een van mijn jongste, liefste
+en gewichtigste herinneringen. Onze oudste broer Nikolaas was zes jaar
+ouder dan ik. Hij was dus ongeveer tien of elf toen ik vier of vijf
+jaar telde, het tijdstip waarop hij ons naar den berg Fanfaronoff
+geleidde. Toen wij nog heel jong waren--hoe het zoo kwam weet ik
+niet--spraken wij hem aan met 'U'. Hij was een bewonderenswaardige
+jongen en werd later een bewonderenswaardig mensch.
+
+"Toerghenjeff zeide zeer terecht van hem, dat hij al die
+gebreken miste, die noodzakelijk zijn voor een' schrijver. De
+eigenschappen die hij wel had waren een fijn gevoel voor kunst, een
+goedhartige, vroolijke humor en een buitengewone, onuitputtelijke,
+verbeeldingskracht, zóó groot, dat hij zonder ophouden en zonder de
+gebruikelijke 'en toen's' allerlei sprookjes, spookgeschiedenissen en
+humoristische verhaaltjes à la madame Radcliffe kon vertellen, met zulk
+een overtuiging, dat men geheel vergat dat hij fantaseerde. Als hij
+niet vertelde of las (en lezen deed hij verbazend veel), dan teekende
+hij. Bijna altijd waren het duivels met horens en omgekrulde snorren,
+die onderling de meest verschillende groepen vormden en zich met de
+meest verschillende dingen bezig hielden. Die teekeningen getuigen
+ook van zijne groote verbeeldingskracht en humor.
+
+"Wij broers waren, ik zelf vijf, Mitjenka zes en Serjezja zeven
+jaren toen die zelfde Nikolaas ons eens vertelde, dat hij een geheim
+wist, waarmee hij, als hij het openbaarde, alle menschen gelukkig kon
+maken. Ziekte en verdriet zouden er niet meer zijn, de menschen zouden
+niet meer twisten en allen zouden elkander liefhebben en Moerawjeïsche
+[25] broeders worden. Waarschijnlijk bedoelde hij 'Moravische
+broeders', waarvan hij wel eens gehoord of gelezen had, maar in onze
+taal heette het de Moerawjeïsche broeders. Ik herinner mij, dat het
+woord 'mier' ons bijzonder goed beviel; wij dachten daarbij aan een'
+mierenhoop. Zelfs vonden wij een spel uit, dat daarop betrekking
+had. Wij kropen onder een stoel, schoven daar kisten om heen, die we
+met lappen hadden behangen, en zaten daar dicht opeengedrongen in het
+donker. Ik herinner mij, dat mij dan altijd eene zachte aandoening,
+een gevoel van liefde doordrong en ik hield heel veel van dat spel. Van
+die mieren-broeders had hij ons dus verteld, maar het groote geheim
+van wat men doen moest, opdat alle menschen gelukkig zouden worden,
+ziekte noch ongeluk, strijd noch boosheid zouden bestaan, dat, zei hij,
+stond geschreven op een groen takje en dat takje lag begraven aan den
+rand van een hollen weg, 'starai zakas', op die plaats waar ik (men
+moet toch ergens begraven worden) ter herinnering aan Nikolaas ook eens
+wensch te rusten. Behalve dat takje was er nog een berg Fanfaronoff,
+waar hij ons heen zou brengen, mits wij alle voorwaarden, die hij
+ons stelde, vervulden. Die voorwaarden luidden: ten eerste in een
+hoek gaan staan en niet aan den witten beer denken. Ik herinner mij,
+dat ik in een hoek ging staan en mijn best deed, maar dat het mij
+nooit gelukte niet aan dien witten beer te denken. Ten tweede: zoo
+te loopen, dat we alleen de spleet tusschen de planken in den vloer
+aanraakten, en ten derde mochten wij in een heel jaar niet één haas
+zien, hetzij levend, geschoten of gebraden. Natuurlijk mochten wij
+niets van ons geheim vertellen. Diegene, die deze voorwaarden en nog
+eenige, die Nikolaas ons later zou vertellen, had nageleefd, zou zijne
+wenschen, welke het ook waren, vervuld zien. Wij moesten zeggen wat
+wij wenschten. Serjezja wenschte zich, dat hij paarden en kippen in was
+zou kunnen kneden, en Mitjenka, dat hij groote schilderijen zou kunnen
+maken. Ik kon niets anders bedenken, dan den wensch om maar kleine
+dingen te kunnen schilderen. Deze heele geschiedenis werd, zooals
+dat altijd bij kinderen gaat, heel spoedig vergeten en niemand kwam
+bij den berg Fanfaronoff, maar nog herinner ik mij de gewichtigheid,
+waarmee Nikolaas ons in zijne geheimen inwijdde, ons ontzag en onze
+vrees voor die wonderbare dingen, die hij ons openbaarde. Een zeer
+sterken indruk heb ik behouden van de Moerawjeïsche broeders en het
+groene takje, dat iedereen gelukkig zou maken.
+
+"Tegenwoordig begrijp ik dat Nikolaas eens gelezen of gehoord had
+van de vrijmetselaars, van hun streven om de menschen gelukkig te
+maken en van de geheimzinnige ceremoniën bij het opnemen in hunne
+orde. Ook van de Moravische broederschap kwam hem wel eens iets ter
+oore, en zijne verbeeldingskracht, bijgestaan door zijne liefde voor
+de menschen en voor het goede, weefde alles samen tot het verhaal
+waarmee hij ons zoo fopte.
+
+"Het ideaal der Moerawjeïsche broeders, elkaar lief te hebben en te
+steunen (niet slechts onder een paar stoelen met kleeden behangen,
+maar nagestreefd door alle menschen op Gods aardbodem) is nog steeds
+mijn ideaal. En--zooals ik toen geloofde aan het groene takje, dat alle
+ellende kon verdrijven, en de menschen het hoogste heil brengen, zoo
+geloof ik ook nu aan het bestaan eener waarheid, die hun geopenbaard
+zal worden en hun alles zal geven wat zij belooft." [26]
+
+
+
+De herinneringen aan Tolstoi's broer Dmitri zullen wij plaatsen
+onder het hoofdstuk over zijne jongelingsjaren. Hier laten we nog
+een fragment volgen van de onafgewerkte herinneringen aan zijn broer
+Sergius, betrekking hebbende op zijne vroegste kindsheid:
+
+
+
+
+"Mitjenka en ik waren kameraden, voor Nikolaas gevoelde ik achting,
+maar Sergius beminde, aanbad ik. Ik wilde 'hem' zijn. Ik bewonderde
+zijne krachtige gestalte, zijn zingen (hij zong altijd), zijne
+teekeningen, zijne vroolijkheid en vooral, hoe vreemd het ook klinken
+moge, zijn onafhankelijk egoïsme. Ik onderzocht altijd al mijn daden,
+luisterde of de menschen goed of kwaad van mij spraken en dat bedierf
+mijn leven. Daarom bewonderde ik in anderen juist het tegenovergestelde
+daarvan, dat onafhankelijk egoïsme. Daarom had ik Sergius lief. Het
+woord, 'liefhebben' zegt niets. Nikoljenka had ik lief, maar Sergius
+aanbad ik, en ik zag in hem een heel bijzonder wezen. Ik bewonderde
+hem, maar ik begreep hem niet en dat maakte hem voor mij nog veel
+aantrekkelijker.
+
+"Hij stierf dezer dagen en stervende was hij mij nog even
+onbegrijpelijk en nog even dierbaar als in de dagen onzer kindsheid. De
+laatste jaren, toen hij ouder werd, hield hij meer van mij, hij
+waardeerde mijne aanhankelijkheid, was trotsch op mij, trachtte met
+mij overeen te stemmen maar kon het niet en hij bleef die hij was:
+geheel bijzonder, geheel zich zelf. Hij was mooi, goed gebouwd,
+trotsch, maar, meer dan dat alles: hij was tot in den hoogsten graad
+oprecht en waarheidlievend. Hij was zooals hij was en trachtte zich
+niet mooier noch minder voor te doen.
+
+"Met Nikolaas wilde ik gaarne samen zijn, met hem praten, met hem
+overleggen. Sergius wilde ik slechts navolgen. Toen we nog heel
+jong waren begon het reeds. Hij hield kippen en kuikentjes en ik
+hield kippen en kuikentjes. Dat waren waarschijnlijk mijn eerste
+navorschingen op het gebied van de dierenwereld. Ik herinner mij
+nog de verschillende soorten: grijze en bonte kippen, en kippen met
+pluimen, en alle kwamen zij naar ons toe, als wij ze riepen om gevoerd
+te worden. Den Hollandschen haan mochten wij niet lijden, want die was
+niet goed voor de kippen. Sergius had gevraagd, kippen te mogen houden,
+en ik vroeg het ook. Sergius teekende, en mij leek het prachtig, op
+een groot stuk papier, in verschillende kleuren, kippen en hanen. Ik
+deed het ook, maar leelijk. Op dit gebied had ik juist gehoopt mij
+te volmaken, door middel van den berg Fanfaronoff. Sergius kwam
+eens op de gedachte, toen de ramen weer ingezet waren, de kippen
+met lange worstjes, die hij van worst en wittebrood had gemaakt,
+door het sleutelgat te voeren en--ik deed hetzelfde" [27].
+
+
+
+Wij laten hier nog een paar losse herinneringen volgen, die ons ook
+door Tolstoi zijn verstrekt, maar die, evenals het grootste gedeelte
+der herinneringen uit zijn kinderjaren, niet in chronologische
+volgorde geplaatst kunnen worden. Toch zou het jammer zijn, ze niet te
+plaatsen, daar zij ons helpen het beeld van Leo Tolstoi's kinderjaren
+te voltooien.
+
+
+
+"Eene herinnering aan eene onbelangrijke gebeurtenis, die een sterken
+indruk bij mij naliet. Het staat mij voor als volgt.
+
+"In onze kinderkamer op de bovenverdieping zit Tjemjeschoff en praat
+met Feodor Iwanowitsch. Ik herinner mij niet waarom het gesprek over
+de vasten liep, maar Tjemjeschoff, de goedhartige Tjemjeschoff,
+zei heel gewoon: 'mijn kok ('t kan ook knecht zijn, dat weet ik
+niet meer) kreeg het in zijn hoofd eene vleeschspijs te gaan eten;
+ik heb hem weggezonden om soldaat te worden'. Ik heb het onthouden
+omdat het toen voor mij zoo vreemd, zoo geheel onbegrijpelijk was.
+
+"Eene andere gebeurtenis. De erfenis Perowski. Ik herinner mij
+een hoog bevrachten wagen, die uit Neroetsch kwam, toen het proces
+over de erfenis, dank zij Ilija Mitrofanowitsch, gunstig voor ons
+was afgeloopen. Ilija Mitrofanowitsch was een dronkaard. Hij was
+reeds een oude man, groot, met lang haar, een gewezen lijfeigene
+van Perowska, een groot kenner (zooals dat vroeger meer voorkwam)
+van contracten. Hij had het proces gevoerd, het gewonnen, en woonde
+daarvoor tot aan zijn dood te Jasnaja Paljana.
+
+"Nog een indruk. Aankomst van Peter Iwanowitsch Tolstoi, den vader van
+Walerian, den man van mijne zuster. Hij kwam in een chambercloak in
+de ontvangkamer; wij begrepen niet waarom, maar hoorden later, dat het
+was omdat hij in het laatste stadium van tering verkeerde. Een andere
+indruk. De aankomst van zijn' broeder Feodor Tolstoi, den bekenden
+Amerikaan. Ik herinner mij dat hij in een wagen met postpaarden kwam
+aanrijden, naar vader in de studeerkamer ging en zijn eigen hard
+Fransch brood vroeg; ander brood at hij niet. Broer Sergius had juist
+erge tandpijn. De Amerikaan vroeg wat hem scheelde, en toen hij 't
+wist, beweerde hij de pijn door magnetisme te kunnen verdrijven. Hij
+ging naar de studeerkamer, sloot de deur, en kwam terug met twee
+batisten zakdoeken. Ik herinner mij, dat ze een lila rand hadden. Hij
+gaf tante de beide zakdoeken en zei: 'als hij dezen omdoet, dan zal de
+pijn weggaan, en dezen, dan gaat hij slapen'. Sergius nam de zakdoeken,
+deed ze om en wij hebben den indruk behouden, dat het juist zoo ging
+als ons voorspeld was.
+
+"Ik herinner me hem nog, met zijn mooi gebronsd gezicht. Hij droeg
+geen vollen baard, maar wel een dichten grijzen bakkebaard, die tot
+aan zijn mondhoeken groeide. Zijn hoofdhaar was grijs en krullend. Ik
+zou nog heel veel willen vertellen van dezen ongewonen, verdorven,
+maar toch zoo aantrekkelijken man!"
+
+
+
+Wij zullen dit hoofdstuk _Kinderjaren_ besluiten met de poëtische
+herinnering uit een vroeger uitgegeven werk van Tolstoi.
+
+"Gelukkige, gelukkige kinderjaren, die nooit meer terugkomen! Wie
+zou zich niet verlustigen in hunne herinnering? Mij zijn ze een
+bron van het heerlijkst genot, zij verheffen, zij verlichten mijne
+ziel.... Na het gebed, in de koesterende dekens, als de ziel zoo licht
+is, zoo klaar, zoo blij, begint de fantasie haar werk. Wat schildert
+zij? Te grijpen zijn haar beelden niet, maar zij zijn vol van reine
+liefde en hoop op rein geluk.--Dan dacht ik aan Karel Iwanowitsch,
+den eenigen man van wien ik wist dat hij ongelukkig was, en aan zijn
+bitter lot, en mijn medelijden was zoo groot en mijn liefde zoo innig,
+dat tranen uit mijne oogen vloeiden en ik bad: 'God, geef hem geluk
+en stel mij in staat hem te helpen en zijne smart te verlichten; ik
+ben geheel bereid mij voor hem op te offeren'. Dan weer bewonder ik
+het liefste porseleinen speelgoed--het haasje of den hond--weggedrukt
+in een hoekje van het donzen kussen; hoe heerlijk warm en gemakkelijk
+ligt het daar! En nog weer een gebed tot God om geluk en tevredenheid
+voor allen, om mooi weer voor de wandeling van morgen; dan keer je
+je om en je valt in slaap, zoo rustig en stil, het gelaat nog nat van
+tranen. Zullen zij ooit terugkeeren, die frischheid, die zorgeloosheid,
+die behoefte aan liefde, dat krachtig geloof, die schatten van onze
+kinderjaren? Welke tijd kan beter zijn dan die, waar de twee grootste
+deugden, de onschuldige vroolijkheid en de oneindige behoefte aan
+liefde de eenige drijfveer zijn van 't leven? Waar zijn die vurige
+gebeden? Waar het heerlijkste geschenk, die reine traan van mededoogen?
+
+"Een engel der vertroosting kwam en wischte met zijn' glimlach onze
+tranen af en zachtkens wuivend blies zij droomen in onze onbedorven
+kinderziel.
+
+"Heeft het leven dan zulke diepe sporen in mijn hart gegrift, dat de
+zaligheid der tranen voor eeuwig voor mij verloren ging?"
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+JONGENSJAREN.
+
+
+Toen Tolstoi's jongensjaren begonnen, kwam voor de oudere broers
+Nikolaas en Sergius de tijd van ernstige studie. In het jaar 1830
+verhuisde de familie Tolstoi daarom naar Moskou, waar ze gingen wonen
+in het huis van Schtscherbatscheff. Dit huis bestaat nog en bevindt
+zich tegenover de kerk die den naam draagt Smoljenskaja Bozja Matjer,
+in een z.g. hof.
+
+De winters van 1836 en '37 brachten zij hier door, en ook den zomer
+na den dood van hun' vader.
+
+In dien zomer van 1837 ging Tolstoi's vader eens voor zaken naar
+Toela. Op weg naar zijn' vriend Tjemjeschoff werd hij plotseling
+door eene duizeling bevangen, wankelde en viel, door eene beroerte
+getroffen, dood neer.
+
+Anderen beweren, omdat er geld ontbrak, en ook papieren die nog
+in Moskou op een geheimzinnige wijze door eene vrouw terug werden
+gebracht, dat hij door een' bediende zou zijn vergiftigd.
+
+Zijn lijk werd van Toela naar Jasnaja Paljana gebracht. De begrafenis
+werd bijgewoond door zijne zuster Alexandra Ilinitschna en zijn'
+oudsten zoon Nikolaas.
+
+Het is de dood van zijn' vader die wel den diepsten indruk heeft
+nagelaten in Tolstoi's kinderherinneringen. Voor het eerst, zegt hij,
+ontwaakte in hem de godsdienstige vrees voor het vraagstuk van leven
+en dood. Doordat zijn vader niet in huis was gestorven, duurde het
+lang eer het tot hem doordrong, en als hij op straat soms bekenden
+zag, dan dacht hij, ja, hij wist het bijna zeker, dat hij zijn vader
+daar ook bij zou ontmoeten. En dit gevoel van hoop en niet gelooven
+in den dood verzachtte zijne smart.
+
+Na den dood van het hoofd der familie bleven de Tolstoi's dien zomer
+in Moskou. Dat was de eerste en misschien ook wel de laatste maal,
+dat Leo Tolstoi een' zomer in de stad doorbracht. Een sterken indruk
+behield hij van de uitstapjes die er gemaakt werden in wagens bespannen
+met vier paarden, niet naast maar voor elkaar, van de mooie omstreken
+van Koeznjetzoff en Neskoetschni, en van de afschuwelijke lucht der
+fabrieken rondom Moskou, die in dien tijd de omgeving bedierf.
+
+
+
+"Grootmoeder was door den dood van haar zoon als gebroken. Altijd
+weende zij en 's avonds liet zij dikwijls de deur van de naaste
+kamer open en beweerde, dat haar zoon daar was en dat zij met hem
+sprak. Soms vroeg zij angstig aan haar dochter: 'Is het waar dat hij
+dood is?'--Na negen maanden stierf zij van verdriet."
+
+De dood van zijne grootmoeder voerde Tolstoi's gedachten, hoewel
+hij het zich toen niet bewust was, weer naar het vraagstuk van leven
+en dood.
+
+Zijne grootmoeder heeft lang moeten lijden. Tegen het eind van
+haar ziekte kreeg zij waterzucht. Nog kan Tolstoi zich den schrik
+herinneren, toen hij bij haar gebracht werd om afscheid te nemen en
+zij, geheel in 't wit, op haar bed liggende, zich met moeite naar
+haar kleinzoons toekeerde en hun, bijna onbeweeglijk, haar witte hand
+toestak, een hand dik opgeloopen als een kussen.
+
+Maar zooals het altijd bij kinderen gaat, werden de schrik en angst
+voor den dood al spoedig verdrongen door kinderlijke spelen en
+onbezorgde vroolijkheid.
+
+Eens op een feestdag kwam, als gewoonlijk, Wladimir Miljoetin,
+een jongen van hun leeftijd, bij hen. Deze Wladimir is dezelfde,
+die hun later, toen ze op het gymnasium gingen, het ongewone nieuws
+verkondigde, dat er geen God bestond. 't Was nog vóor het middageten
+en het ging in de kinderkamer vroolijk, ja zelfs wild en ruw toe;
+dat wil zeggen Sergius, Dmitri en Leo maakten zoo'n leven; Nikolaas
+en Miljoetin, die al verstandiger waren, deden niet mee. De pret
+bestond hierin, dat zij papier verbrandden in de schalen van een
+servies, die achter een kamerschut stonden. Waarom dat zoo prettig
+was, is moeilijk te begrijpen, maar dat ze het buitengewoon plezierig
+vonden is zeker. "Plotseling," zoo vertelt Tolstoi, "weerklinken te
+midden van deze vroolijkheid, vlugge schreden en de jonge, blonde,
+energieke, gespierde, kleine gouverneur St. Thomas (in _Jongensjaren_
+beschreven als St. Jérôme) treedt bleek, met trillende lippen, binnen,
+en zonder acht te geven op onze bezigheid, zonder ons te beknorren,
+zegt hij 'Votre grand' mère est morte.'
+
+"Ik herinner mij," gaat Tolstoi voort, "dat wij nieuwe zwarte
+jasjes kregen met wit tres gegarneerd. Vreeselijk om te zien waren
+de doodgravers die om ons huis drentelden, het brengen van de kist
+met glazen deksel, en grootmoeder, zooals zij, hoog op de tafel, in
+de kist lag, met strak gelaat, scherpen neus, witte muts, een witten
+doek om den hals. Treurig om te zien waren de tranen van de tantes en
+Paschenka, maar toch verheugden wij ons over onze nieuwe jasjes met
+tres en de medelijdende zorg, waarmee men ons omringde. Ik herinner
+mij niet, waarom men ons naar de bijgebouwen bracht gedurende de
+begrafenis, maar wèl, hoe prettig ik het vond, naar de gesprekken van
+een paar onbekende babbelaarsters te luisteren. 'Arme, arme weezen,
+nauwelijks is hun vader gestorven en nu ook nog de grootmoeder!'"
+
+De Fransche gouverneur, zoo juist genoemd, liet bij Tolstoi eene
+herinnering achter van goed en kwaad dooreen gemengd.
+
+"Ik weet niet meer waarvoor," vertelt Tolstoi, "maar zonder dat
+ik het verdiend had, sloot St. Thomas mij eens op en dreigde mij
+met de roe. Ik kreeg een razend gevoel van wrok en woede, en kwam
+in opstand, niet alleen tegen hem, maar vooral ook tegen de macht,
+die men tegen mij kon aanwenden. Misschien is deze gebeurtenis wel de
+oorzaak geweest van dien afkeer, dien ik mijn heele leven heb gehad
+van iedere machtsuitoefening."
+
+Desniettemin wijdde St. Thomas al zijn aandacht aan de bijzondere
+begaafdheid van zijn kleinen kweekeling. Hij zag waarschijnlijk iets
+bijzonders in hem, want eens over Leo Tolstoi sprekende, zei hij:
+"Ce petit a une tête, c'est un petit prodige."
+
+Tengevolge van de wanorde in zaken moesten, na den dood der
+grootmoeder, de uitgaven der familie verminderd worden. Daarom trok
+een gedeelte van hen, nl. de jongsten, Dmitri, Leo en Maria, met hunne
+tante Tatjana weer naar buiten. De onderwijzers wisselden elkaar af. Nu
+eens Duitsche gouverneurs, dan weer Russische seminaristen. Gravin
+Alexandra Ilinitschna werd tot voogdes over de kinderen benoemd.
+
+Van deze merkwaardige persoonlijkheid vertelt Tolstoi het volgende.
+
+"Mijne tante Alexandra Ilinitschna trouwde heel jong te St. Petersburg
+met den rijken, uit de Oostzee-provincie stammenden graaf Osten-Sacken.
+
+"Het scheen eene schitterende partij, maar het huwelijk liep treurig
+af voor mijne tante, hoewel misschien de gevolgen van deze verbintenis
+een zegen waren voor haar volgend leven.
+
+"Tante Aline, zooals zij door de familie genoemd werd, moet er,
+volgens een portret dat gemaakt is toen zij 16 jaar was, heel
+aantrekkelijk hebben uitgezien, met de groote duivenoogen in haar
+zacht, blank gelaat.
+
+"Kort na het huwelijk vertrok graaf Osten-Sacken met zijne jonge
+vrouw naar zijn landgoed in de Oostzee-provinciën. Daar openbaarden
+zich meer en meer de verschijnselen eener zielsziekte, die zich in den
+beginne uitte in eene ongemotiveerde jaloezie. In het eerste jaar van
+haar huwelijk, toen zij reeds zwanger was, nam die ziekte zoo toe, dat
+er oogenblikken van volslagen krankzinnigheid kwamen. Hij verbeeldde
+zich dan, dat hij omringd was door vijanden die hem zijne vrouw wilden
+ontnemen, en dat vluchten het eenige redmiddel voor hem was.
+
+"Eens op een zomermorgen stond hij op, wekte zijne vrouw, en zeide
+haar zich klaar te maken voor de vlucht. Hij zou bevel geven in te
+spannen om dadelijk weg te rijden. Inderdaad liet hij het rijtuig
+voorkomen, zette zijne vrouw er in en gaf order zoo veel mogelijk
+spoed te maken. Onderweg nam hij twee pistolen uit een kistje, gaf
+er een aan mijne tante en zei haar dat, zoo hun vlucht bekend werd,
+hunne vijanden hen zouden achtervolgen. Dat zou hun ondergang zijn,
+en er bleef dan niets anders over dan elkaar dood te schieten. Tante,
+doodelijk verschrikt, nam het pistool en trachtte haren man tot andere
+gedachten te brengen, maar hij luisterde niet eens, keek voortdurend
+achterom, of de vervolgers kwamen, en dreef den koetsier tot steeds
+grooter spoed aan. Tot hun ongeluk vertoonde zich op een' zijweg van
+het dorp, die uitkwam op den grooten weg, een rijtuig. Hij riep uit
+dat alles verloren was, gebood haar zich dood te schieten en vuurde
+zelf ook op haar. Het schot trof haar in de borst. Hij moet toen zeker
+begrepen hebben wat hij had gedaan, en het rijtuig dat hem verschrikt
+had zal een anderen kant uit zijn gereden. Hoe het ook zij, hij liet
+stil houden, droeg mijne gewonde tante bloedend uit het rijtuig, legde
+haar op den weg en joeg verder. Tot haar geluk kwamen er spoedig
+eenige boeren voorbij, die haar opnamen en naar den geestelijke
+droegen. Deze verbond haar zoo goed mogelijk en liet een' dokter
+halen. De wond bevond zich aan de rechterzijde van de borst (tante
+heeft mij het litteeken eens laten zien), en was niet gevaarlijk.
+
+"Toen zij herstellende was, nog steeds zwanger, kwam haar man, en
+nadat hij den geestelijke de geschiedenis verteld had, hoe ongelukkig
+zij gewond was, vroeg hij haar te mogen zien.
+
+"Dat wederzien werd vreeselijk. Listig als alle krankzinnigen,
+deed hij alsof hij berouw had, en nadat hij vrij lang bij haar had
+gezeten en over allerlei onderwerpen had gesproken, maakte hij van
+een oogenblik dat zij alleen werden gelaten gebruik om zijn voornemen
+uit te voeren. Alsof hij bezorgd was voor hare gezondheid, vroeg hij
+of zij haar tong eens wilde uitsteken. Toen zij het deed, greep hij
+er naar met de eene hand, met de andere nam hij een scheermes, dat
+hij had meegenomen, en wilde haar de tong afsnijden. Zij verweerde
+zich wanhopig, wist zich los te rukken, schreeuwde om hulp, menschen
+kwamen aangeloopen, grepen hem en voerden hem weg.
+
+"Van dien tijd af was hij volslagen krankzinnig; hij moest van zijne
+vrouw worden verwijderd en naar een gesticht gebracht.
+
+"Kort na deze gebeurtenissen keerde mijn tante naar haar ouderlijk
+huis in Petersburg terug. Daar beviel zij van een dood kindje. Uit
+angst voor de gevolgen verzweeg men het haar en gaf haar het kind van
+de vrouw van hun kok, dat op dien zelfden dag geboren was. Dat meisje
+was Paschenka, die later bij ons woonde en al een groot meisje was
+toen zij in mijn' gedachtenkring trad. Ik weet niet wanneer men het
+haar vertelde, maar toen ik haar leerde kennen, wist zij al dat zij
+geen dochter van mijne tante was. Tante Alexandra bleef eerst bij hare
+ouders, kwam toen bij ons, werd na den dood van vader onze voogdes
+en stierf toen ik twaalf jaar was in het klooster Optinaja Poestienja.
+
+"Mijne tante was eene oprecht godsdienstige vrouw. Het liefst hield
+zij zich bezig met het lezen van heiligenlevens, of sprak zij met
+pelgrims, joerodiewi's, monniken en nonnen. Sommigen van deze lieden
+woonden altijd in ons huis, de anderen kwamen ons slechts nu en
+dan bezoeken. Maria Gherasimowna, die in haar jeugd, vermomd als
+joerodiewi, had rondgetrokken, de peet van mijne zuster Maria, was
+een dergenen die altijd bij ons woonden. Zij werd peettante van mijne
+zuster, omdat mijn moeder, die na haar vier jongens graag eene dochter
+wilde hebben, het haar beloofd had, indien het haar gelukte van God een
+meisje af te smeeken. De dochter kwam, zij werd peet en woonde daarna
+gedeeltelijk in het vrouwenklooster te Toela, gedeeltelijk bij ons.
+
+"Tante Alexandra was niet slechts godsdienstig voor het oog der
+wereld, hield niet slechts de vastendagen of trachtte in aanraking
+te komen met heilige menschen, zooals met den grijsaard Leonid in
+Optinaja Poestienja, maar zij leidde ook een oprecht christelijk
+leven. Zichzelf ontzegde zij alle weelde, geen' dienst vorderde zij,
+maar anderen diende zij zooveel het in haar vermogen stond. Geld had
+zij nooit omdat zij alles wat zij bezat weggaf.
+
+
+
+"De kamenier Gascha, die na den dood van mijne grootmoeder bij tante
+Alexandra kwam, vertelde mij, dat tante, als zij 's morgens naar de
+vroegmis ging, op de teenen langs haar heen sloop, om haar niet te
+wekken, en al die bezigheden zelf verrichtte, die gewoonlijk eene
+kamenier doet.
+
+"Wat kleeding en voeding betreft was zij nog eenvoudiger dan men
+zich kan voorstellen. Hoe onaangenaam het mij ook is, moet ik toch
+vertellen dat ik mij herinner, dat tante Alexandra steeds een zure
+lucht bij zich had, waarschijnlijk een gevolg van de onreinheid harer
+kleeding. En dat was nu die sierlijke, poëtische Aline, met haar
+mooie duivenoogen, die Fransche verzen las en overschreef, op de harp
+speelde en zeer in trek was op de voornaamste bals! Ik herinner mij,
+dat zij altijd even vriendelijk was, zoowel met de voornaamste heeren
+en dames als met monniken, pelgrims en nonnen. Haar zwager Joeschkoff
+plaagde haar altijd, en zond eens uit Kazan aan haar adres eene groote
+kist. In die kist bevond zich weer eene kist, en daarin weer een derde,
+en zoo ging het voort, totdat er een klein doosje overbleef, waarin,
+gepakt in watten, een kleine porseleinen monnik lag.
+
+"Ik herinner mij nog hoe hartelijk vader lachte toen hij haar het
+poppetje bracht, en het vriendelijk goedige lachje op haar stralend
+tevreden gezicht. Haar godsdienst verhief haar geest zoo boven al het
+bestaande, dat zij zich nooit boos maakte of treurig werd; immers,
+de wereldsche zaken hadden voor haar niet het gewicht dat anderen
+er aan hechten. Toen zij onze voogdes werd, zorgde zij voor ons,
+maar niet met hart en ziel. Alles moest achterstaan bij den dienst
+van den Heer, zooals zij dien dienst begreep." [28]
+
+
+
+Zooals boven gezegd is, woonden de jongste kinderen, Dmitri, Leo en
+Maria, met hunne tante Tatjana op het land, terwijl de twee oudsten,
+Nikolaas en Sergius, met hunne voogdes Alexandra Ilinitschna, te Moskou
+waren gebleven. De geheele familie vereenigde zich in den zomer te
+Jasnaja Paljana. Zoo vergingen de jaren 1838 en 1839 en naderde 1840,
+het jaar van den hongersnood. De oogst was zóó slecht, dat de Tolstoi's
+brood moesten koopen voor hunne boeren-lijfeigenen. De gelden daarvoor
+werden verkregen door den verkoop van het landgoed Njeroetsch, dat
+zij door erfenis hadden verkregen.
+
+Het rantsoen voor de paarden moest worden verminderd en haver kregen
+zij in 't geheel niet meer. Tolstoi herinnert zich nog, dat zij,
+kinderen, het zoo jammer vonden voor hun lieve paardjes. Zij gingen
+daarom stil naar het land waar de haver stond en, geheel onbewust van
+het kwaad dat zij deden, rukten zij die uit den grond, namen handen
+vol mee naar huis en voerden er hunne paarden mee.
+
+In den herfst van 't jaar '40 trok de geheele familie naar Moskou,
+waar zij ook den winter van '40/41 doorbrachten; maar 's zomers
+begaven zij zich weer naar Jasnaja Paljana.
+
+In den herfst van dat jaar overleed hunne voogdes, gravin
+A. I. Osten-Sacken. Alexandra Ilinitschna stierf in het klooster
+Optinaja Poestienja. In den tijd dat zij daar was waren de kinderen
+met Tatjana Jergolskaja te Jasnaja Paljana. Toen het bericht kwam,
+dat tante Alexandra was overleden, reisde Tatjana er dadelijk heen. Den
+tijd, die nu kwam, zouden de kinderen niet licht vergeten. Zij bleven
+achter met hun' onderwijzer, Feodor Iwanowitsch, de oude Maria,
+die eene halve Joerodiewi was, en een aardigen zwarten hond, waarmee
+zij altijd speelden. Zoo werd er eens een hooge troon gemaakt en de
+hond er opgezet, die er echter telkens afsprong. Midden in 't spel
+begon hij op eens te huilen en kroop onder een' stoel. Het bleek,
+dat hij een' poot had gebroken. Hunne vertwijfeling was groot en zij
+begonnen allen jammerlijk te weenen. Deze indruk smolt naderhand te
+samen met de herinnering aan het eentonige lezen der psalmen door Maria
+Gherasimowna en het doodsbericht van hunne tante Alexandra Ilinitschna.
+
+Pelageja Ilinitschna, getrouwd met den landeigenaar W. J. Joeschkoff,
+reisde dadelijk na den dood van hare zuster naar de kinderen op
+Jasnaja Paljana. De oudste broer, die toen juist één jaar student was,
+ontving haar met de woorden: "Ne nous abandonnez pas, chère tante,
+il ne nous reste que vous au monde." Tante, tot tranen geroerd,
+besloot zich op te offeren. Wat zij onder dat woord verstond is niet
+heel duidelijk, maar zeker is het, dat zij dadelijk weer naar Kazan
+terugging, eenige schuiten bestelde en daar alles op laadde wat zij
+maar van Jasnaja Paljana weg kon sleepen. Zelfs de bedienden nam
+ze mee: den meubelmaker, schoenmaker, slotenmaker, kok, behanger,
+enz. Bovendien kregen de jonge Tolstoi's ieder een' lijfeigene,
+ongeveer van hun eigen leeftijd, voor hun specialen dienst.
+
+Wanjoescha, een van deze bedienden, volgde Tolstoi later naar den
+Kaukasus en leeft nu nog stil bij zijne dochter te Toela.
+
+Leo Tolstoi was ongeveer twaalf jaar toen het bovenstaande
+voorviel. Het was een leventje op zich zelf. Alles en allen werden
+in den herfst op groote wagens gepakt en verhuisden van Toela naar
+Kazan. Onderweg werd nu en dan op een weide of in een bosch halt
+gemaakt. Dan werden er bessen geplukt, men ging wandelen en baden.
+
+Het scheiden van tante Tatjana viel heel zwaar. Deze tante leefde
+niet op den besten voet met tante Pelageja, en wel omdat de man van
+deze laatste in zijne jeugd verliefd was geweest op Tatjana, haar
+ten huwelijk had gevraagd en was afgewezen. Tante Palageja kon het
+haar nog steeds niet vergeven, dat zij eens de liefde van Joeschkoff
+had bezeten. Voor 't oog der wereld echter was de verstandhouding
+allerliefst.
+
+Van Wladimir Joeschkoff zegt men te Kazan, dat hij een ontwikkelde,
+verstandige man was, altijd vroolijk, goedhartig en steeds geneigd
+tot plagen en schertsen, eene eigenschap die hem tot zijn' dood
+toe bijbleef.
+
+Pelageja stond ook bekend als eene goede, maar niet al te verstandige
+vrouw. Zij was zeer godsdienstig en ging na den dood van haar' man naar
+het klooster Optinaja Poestienja. Daarna woonde zij eenigen tijd in
+het vrouwen-klooster te Toela, kwam vervolgens naar Jasnaja Paljana,
+waar zij ziek werd en stierf.
+
+In den loop van haar lang leven volgde zij streng de voorschriften
+van de kerk der rechtgeloovigen. Op haar 80ste jaar evenwel, bij
+'t naderen van den dood, werd zij bang en wilde niets hooren van het
+ontvangen der Heilige Sacramenten en werd boos op iedereen die er op
+aandrong, daar zij niet aan den dood herinnerd wilde worden.
+
+De Amerikaansche schrijver E. Schyler, die Rusland bereisd
+heeft, bezocht Leo Tolstoi in het jaar 1868 en vertelt in zijne
+gedenkschriften het volgende van zijne kennismaking met de familie
+Joeschkoff.
+
+Schyler maakte kennis met Joeschkoff te Kazan. "Ik werd
+ontvangen," vertelt hij, "in een mooi huis en gaf mijn kaartje
+en een' aanbevelingsbrief aan een' bediende, die zich ermee
+verwijderde. Terwijl ik wachtte zag ik, dat de nog ongeopende brief
+op een' stoel werd gelegd. Eindelijk kwam de generaal binnen, een
+reeds oude, maar nog flinke man met een goed, sympathiek gelaat. Hij
+noodigde mij uit te gaan zitten, deed hetzelfde en zei na een paar
+onverschillige woorden:
+
+"Ik veronderstel, dat gij mij een' brief hebt meegebracht van mijn'
+neef Leo? Waar is die?"
+
+"Ik denk dat gij er op zit." Hij stond op, vond den brief en reikte
+hem mij over met de woorden:
+
+"Wees zoo goed hem mij voor te lezen; ik ben volslagen blind."
+
+"Het was een moeilijk geval, want de brief behelsde veel goeds
+van mij; maar ik kon er niets aan doen en sloeg toch nog een heel
+eindje over. Het spijt mij altijd nog dat ik den ouden heer dien
+brief terug heb gegeven. Ik had hem in mijn zak moeten steken om
+hem als een aandenken te bewaren. In eene andere kamer stonden twee
+piano's. Op een vraag van mij antwoordde de generaal, dat hij vroeger
+een groot liefhebber van muziek was geweest. Al zijne kinderen had
+hij muziek laten leeren, maar nu hij oud en blind was geworden gingen
+zij den geheelen winter naar Petersburg en lieten hem alleen. Ik
+overreedde hem mij iets van Mozart en Beethoven uit het hoofd voor
+te spelen. Daarop gingen wij naar den tuin en in die twee uren, die
+ik bij hem doorbracht, vertelde hij mij veel interessante dingen,
+maar dat, wat ik wilde weten, vertelde hij mij niet."
+
+Op Jasnaja Paljana maakte Schyler ook nog kennis met Pelageja
+Joeschkoff. Van haar vertelt hij:
+
+"Nadat ik Tolstoi 's avonds mijne ontmoeting met Joeschkoff had
+verteld, werd ik den nacht daarop om 4 uur wakker door het geluid
+van voetstappen in de gang. Mijne deur ging open, en in de meening
+dat er iets gebeurd was en de knecht mij kwam wekken, riep ik:
+'Wat is er?' De deur ging weer dicht en ik hoorde een stem in het
+Fransch zeggen: 'Ah, un homme dans mon lit'. Nogmaals ging de deur
+open en een heer met eene kaars in de hand verscheen en vroeg:
+'Sergius, ben jij het?'--'Neen,' antwoordde ik, ik ben een gast
+hier in huis.' Hij lachte, verontschuldigde zich en ging weg. Ik
+had een heel scherp gehoor en zoo hoorde ik hen overleggen, dat
+iemand niet in de logeerkamer, maar op den divan zou gaan slapen,
+zoolang de familie nog boven was. Ik begreep dadelijk, hoe de vork
+in den steel zat. Ik was uitgenoodigd ongeveer een week te blijven
+logeeren tot aan de terugkomst van mevrouw Joeschkoff, de tante van
+den graaf, en bewoonde nu hare kamer. Zij was vroeger dan het plan
+was en onaangemeld teruggekomen en had eene vriendin meegenomen. Daar
+de deuren in een Russisch huis bijna nooit 's nachts gesloten zijn,
+waren zij binnengekomen zonder te kunnen vermoeden, dat ze een ander
+zouden wakker maken.
+
+"Van Iwan, die mij 's morgens thee kwam brengen, hoorde ik, dat ik
+goed had geraden. Ik pakte daarom dadelijk mijn zaken bij elkaar om
+dienzelfden dag nog te kunnen vertrekken. Toen ik tegen elf uur beneden
+kwam voor de morgenkoffie, vond ik in het salon mevrouw Joeschkoff
+geheel alleen, zoodat ik mij zelf moest voorstellen. Waarschijnlijk
+had men haar de nachtelijke geschiedenis al opgehelderd, want zij zei
+lachend: 'Dus u bent in 't voorjaar in Kazan geweest en u hebt mijn
+man gezien, die u verteld heeft dat hij geheel blind is. Ik verzeker
+u evenwel dat daar geen woord van waar is. Hij ziet even goed als u
+en ik. Dat is een van zijn gewoonten om zich interessant te maken.'
+
+"Ik antwoordde, dat hij volgens mijn meening wel degelijk blind was,
+maar kon haar niet overtuigen. Graaf Tolstoi vertelde mij, dat zij
+gescheiden van haar man leefde en, hoewel ze hem in geen twee jaar had
+gezien, toch in eene vriendschappelijke verhouding tot hem stond" [29].
+
+
+
+Tolstoi heeft in eenige zijner werken, die, volgens onze meening,
+een autobiographisch karakter dragen, den gang van zijne ontwikkeling
+als knaap beschreven.
+
+Eene eigenschap, die veel bij kinderen voorkomt, en blijkbaar bij
+Leo Tolstoi zeer sterk was ontwikkeld, was zijne met eigenliefde
+verbondene schuchterheid.
+
+De menschen scheiden dikwijls deze twee eigenschappen van elkaar,
+prijzen de eene, laken de andere, en daarbij vormen zij toch samen de
+twee zijden van één medaille. Zij zijn even onafscheidelijk als oorzaak
+en gevolg. Iemand is schuchter omdat hij eigenliefde bezit, en de
+schuchterheid op haar beurt versterkt deze weer. Zulke gevoelens komen
+meestal in den beginne voort uit weinig beteekenende oorzaken, b.v. uit
+het besef dat ons voorkomen niet zeer aantrekkelijk is. Tolstoi zegt
+hierover, zichzelf beschrijvende onder den naam van Nikoljenka:
+
+"Ik had een vreemd begrip van mooi, ik vond zelfs Karel Iwanowitsch
+een van de mooiste mannen van de wereld, maar dat verhinderde niet,
+dat ik heel goed wist, dat ik zélf leelijk was. Iedere aanmerking op
+mijn uiterlijk kwetste mij daarom ook.
+
+"Dikwijls had ik oogenblikken van vertwijfeling; ik verbeeldde mij,
+dat er geen geluk bestaanbaar was voor iemand met zoo'n breeden neus,
+zulke dikke lippen en zulke kleine grijze oogen als ik. Alles wat ik
+bezat en alles wat ooit het mijne zou worden had ik willen geven om
+mooi te zijn." [30]
+
+Zoodra de mensch den blik slaat op zich zelf, ontwaken in hem
+tegenstrijdige gevoelens. Is hij verstandig en zedelijk ontwikkeld,
+dan moet hij zijne tekortkomingen voelen en hieruit weer ontstaat de
+drang naar zelfvolmaking zoowel in- als uitwendig.
+
+Dezen strijd nu van het kind, den knaap en den jongeling heeft Tolstoi
+ons geschilderd in de persoon van Nikoljenka Istjeneff, waarmee hij
+ons tevens een blik laat slaan in zijn diep, rijk gevoelsleven.
+
+In een gesprek met een' vriend vertelt Tolstoi dat hij, van knaap
+jongeling geworden, geheel onder den invloed stond van zijn' broer
+Sergius, dien hij verafgoodde en in alles trachtte na te volgen. In het
+einde van zijn jongelingsjaren was het Nikolaas die grooten invloed op
+hem uitoefende, en van wien hij wel is waar niet zoo hartstochtelijk,
+maar beter hield.
+
+De liefde die Tolstoi zijn' broeder Sergius toedroeg, heeft tot
+materiaal gediend voor de in _Kinderjaren_ voorkomende beschrijving van
+een dergelijke verhouding tusschen Nikolenka Istjeneff en Sergius Iwin.
+
+Hier volgt hetgeen hij ons met zulke heldere kleuren schildert.
+
+"Hij trok mij onwederstaanbaar aan. Er was een tijd dat ik geen andere
+wenschen had, dan hem te zien, en zag ik hem dan was ik gelukkig. Als
+ik hem in een paar dagen niet ontmoette werd ik onrustig en treurig. Al
+mijn droomen gingen uit naar hem. Wanneer ik ging slapen, dan hoopte ik
+van hem te droomen, en ontwaakte ik, dan stond zijn beeld mij dadelijk
+weer voor oogen, en zelfs dit beeld liefkoosde ik in gedachten en
+aanbad het als een hooger wezen.
+
+"Over deze groote liefde sprak ik met niemand, daarvoor was zij mij
+te heilig.
+
+"Misschien verveelde het hem, altijd mijn onrustige oogen op zich
+gericht te zien; wellicht ook voelde hij eenvoudig geen sympathie
+voor mij, maar het is zeker dat hij veel liever met Walodja sprak
+en speelde, dan met mij. Hoe het ook zij, ik was tevreden, verlangde
+niets meer, vroeg niets meer en was ten allen tijde bereid mij voor
+hem op te offeren." [31]
+
+"Onder den familienaam Iwin beschreef ik de zoontjes van graaf
+Poeschkin, van welke juist dezer dagen Alexander is gestorven. Hij
+was het, van wien ik in mijne jeugd zoo heel veel heb gehouden. Ons
+geliefkoosd spel was: soldaatje spelen." [32]
+
+De overgang van kind tot knaap schildert Tolstoi ons op de volgende
+wijze: "Is het u wel eens gebeurd, lezer, dat gij op een zeker tijdstip
+van uw leven plotseling een geheel anderen blik op de dingen kreegt,
+alsof alles wat gij tot nu toe gezien hadt, zich aan u vertoonde van
+eene u geheel onbekende zijde? Iets dergelijks heb ik ondervonden
+gedurende mijne eerste reis. Van dien tijd af reken ik ook, dat mijn
+jongensjaren zijn begonnen.
+
+"Voor het eerst van mijn leven kwam de gedachte bij mij op, dat wij
+(d.w.z. onze familie) niet alleen op de wereld waren, dat er nog
+andere belangen bestonden dan de onze en dat er menschen leefden,
+die niet alleen niets met ons gemeen, maar die zelfs geen besef van
+ons bestaan hadden.
+
+"Natuurlijk heb ik dat alles vroeger ook geweten maar anders, onbewust,
+ik voelde het niet." [33]
+
+Vroeg reeds openbaarden zich bij den knaap de filosofische gedachten,
+den weg voorbereidende waarlangs dat groote verstand zich zou
+ontwikkelen.
+
+"Men zal het nauwelijks gelooven," zegt Tolstoi, onder den naam
+Nikoljenka, "welke mijne geliefkoosde overpeinzingen waren toen ik een
+jongen was, zoo weinig waren zij in overeenstemming met mijn leeftijd
+en omstandigheden. Volgens mijne meening echter is juist dit groote
+verschil tusschen de omstandigheden van den mensch en den gang zijner
+gedachten het grootste bewijs van de juistheid dezer laatste.
+
+"...Het geluk, zoo dacht ik eens, hangt niet af van de uiterlijke
+omstandigheden maar van de wijze waarop wij het beschouwen. Een mensch,
+die gewend is aan ongeluk, kan niet ongelukkig zijn, en om mij zelf
+van deze waarheid te overtuigen, dwong ik mij, ondanks de heftige pijn,
+eene zware dictionnaire vijf minuten in de uitgestrekte hand te houden
+of sloeg ik mij met een touw op den blooten rug tot de tranen mij in
+de oogen sprongen.
+
+"Een andermaal bedacht ik plotseling dat de dood mij ieder oogenblik
+kon overvallen. Ik begreep niet, dat alle menschen dat niet eerder
+hadden ingezien, en nog op andere wijze gelukkig trachtten te worden,
+dan door van het oogenblik te genieten. Onder den invloed van die
+gedachte verwaarloosde ik mijne lessen en deed een paar dagen niets
+anders dan op mijn bed liggend eenige romans lezen en honingkoekjes
+eten, die ik voor mijn laatste geld gekocht had.
+
+"Eens teekende ik met krijt verschillende figuren op het
+bord. Plotseling trof mij de gedachte: 'Waarom doet de symmetrie
+ons oog zoo aangenaam aan? Wat is eigenlijk symmetrie?' en ik
+antwoordde mijzelf: 'dat is iets dat ons is aangeboren'. 'Waarop is
+zij gegrond? Is alles in de wereld symmetrisch?' 'Integendeed: dit
+is het leven,' en ik teekende op het bord een groot ovaal figuur. 'Na
+dit leven gaat de ziel de eeuwigheid in; hier is de eeuwigheid,' en ik
+trok eene lijn van het ovale figuur af tot aan het uiterste eind van
+het bord. Waarom kan ik nu aan den anderen kant ook niet zoo'n lijn
+trekken en hoe is een eeuwigheid bestaanbaar die zich maar naar één
+kant uitstrekt? Wij hebben ongetwijfeld reeds bestaan vóór dit leven,
+al hebben wij ook de herinnering daaraan verloren."
+
+"Geen van deze filosofische gedachten," vervolgt Tolstoi, "heeft mij
+zoo meegesleept als het scepticisme, dat mij gedurende eenigen tijd
+in een toestand heeft gebracht, grenzende aan krankzinnigheid. Ik
+verbeeldde mij, dat er behalve ik zelf, niemand en niets op de wereld
+bestond, dat voorwerpen geen voorwerpen maar denkbeeldige dingen waren,
+die ik slechts zag als ik mijn opmerkzaamheid er op richtte, maar die
+weer verdwenen, zoodra er ik niet meer aan dacht. In één woord, ik
+deelde de overtuiging van Schelling, dat het niet de voorwerpen zijn
+die bestaan, maar onze betrekking tot hen. Er waren oogenblikken dat
+ik, half krankzinnig onder den invloed dier gedachten, mij plotseling
+omkeerde, in de hoop eene woestijn, het 'néant', te zien dàar waar
+ik zelf niet was." [34]
+
+Het boek _Jongensjaren_ eindigt met de beschrijving van de vriendschap
+tusschen Nikoljenka en Njechloedoff [35] en toont ons het ideaal,
+dat Tolstoi zijn geheele leven voor oogen heeft gehad en dat hem bij
+zal blijven tot aan het einde zijner dagen.
+
+"Het spreekt van zelf, dat ik onder Njechloedoffs invloed ook
+zijne principes was toegedaan, die hierin bestonden dat hij de deugd
+verafgoodde en overtuigd was, dat het de bestemming van den mensch is,
+steeds meer en meer naar het volmaakte te streven. Het leek ons zoo
+gemakkelijk het geheele menschdom te verbeteren en allen te bevrijden
+van ongeluk en ellende; zoo eenvoudig ons zélf te verbeteren, deugdzaam
+te worden en gelukkig te zijn." [36]
+
+Het is zeker, dat deze neiging tot abstracte dingen, deze
+teruggetrokkenheid en schuchterheid, dit streven naar het ideale,
+eigenschappen, die den knaap reeds kenmerkten, den grondslag legden
+voor de vorming van de harmonische gedachten van den grootschen
+kunstenaar, die de kiem daarvan reeds bij zich droeg in het tijdperk
+van zijn jongensjaren.
+
+
+
+Leo Tolstoi werd opgevoed in een patriachaal-aristokratischen, op zijne
+wijze godsdienstigen, kring. Zijne gevoelige kinderziel nam altijd
+op wat hem het mooiste scheen en hij was oprecht godsdienstig. [37]
+Maar deze gewoonte-godsdienst vervloog bij de eerste kennismaking
+met het geloof der rede.
+
+In zijn werk _Biecht_ vertelt Tolstoi het volgende van zijne
+godsdienstige opvoeding, toen hij nog een jongen was.
+
+"Ik werd gedoopt en opgevoed in de leer der rechtgeloovigen, maar
+toen ik achttien jaar was en mijn tweede studiejaar inging, geloofde
+ik reeds niets meer van hetgeen men mij geleerd had.
+
+"Afgaande op mijne herinneringen heb ik eigenlijk nooit ernstig
+geloofd; ik had slechts vertrouwen in hetgeen de grooteren mij
+predikten, maar zelfs dat vertrouwen stond niet vast. Ik herinner mij
+nog--ik was toen elf jaar--dat op een Zondag Walodjenka M. bij ons kwam
+en ons als laatste nieuws een ontdekking, gedaan op het gymnasium,
+openbaarde, n.l. dat er geen God bestond en dat alles wat men ons
+daaromtrent leeraarde verzinsel was. Dit gebeurde in 1838.
+
+"Ik weet nog, dat het nieuws mijn oudere broers sterk interesseerde,
+dat zij mij ook aan de beraadslagingen lieten deelnemen en dat wij de
+conclusie trokken, dat het zeer opmerkelijk en zeer aannemelijk was."
+
+Wij weten, dat deze rationalistische overwegingen de kern van zijn
+geloof niet raakten. Dit bleek bestand te zijn tegen de ruwste
+levensstormen en wees hem ten slotte den weg naar de waarheid.
+
+Het is voor ons niet onbelangrijk eens na te gaan welke schrijvers,
+volgens Tolstoi's eigen opgave, invloed op hem hebben uitgeoefend in
+zijne jeugd, d.w.z. ongeveer tot zijn 14de jaar. Hier volgt de lijst:
+
+
+Namen der werken: Graad van invloed:
+
+De geschiedenis van Jozef uit den Bijbel. Buitengewoon groot.
+De verhalen van de Duizend-en-één nacht.
+ (De veertig roovers en Prins Kameralzaman). Groot
+De zwarte kip van Pogorjelski. Zeer groot
+Russische verhalen:
+ Dobrinja Ninititsch--Ilija Moeromjetz--
+ Aljescha Ispowitsch. Buitengewoon groot
+Volkssprookjes. Buitengewoon groot
+Het gedicht van Poeschkin: Napoleon. Groot.
+
+
+Nu zullen wij eenige voorvallen aanhalen uit Tolstoi's jongensjaren,
+zooals wij die gehoord hebben van hem zelf en van zijne familie. Ook
+bezitten wij gegevens uit andere bronnen, die wij aan kritiek
+onderworpen en gebruikt hebben voorzoover wij ze geloofwaardig
+bevonden. Het is echter onmogelijk, deze verhalen in chronologische
+volgorde te plaatsen.
+
+"Ik herinner mij," vertelde Tolstoi, "dat wij, toen vader nog leefde,
+in 't begin van ons verblijf te Moskou, een paar prachtige vurige
+paarden hadden.
+
+"Mitka Kopiloff was onze koetsier en tevens vaders rijknecht. Hij
+was een flink ruiter en jager, een uitstekend koetsier en bovenal een
+onschatbare voorrijder, want bij onze vurige paarden was een jongen
+niet vertrouwd en een oude voorrijder staat niet mooi. Mitka nu bezat
+alle eigenschappen die een voorrijder moet hebben en die men zelden
+vereenigd ziet. Hij was licht gebouwd, niet te groot en behendig.
+
+"Eens had vader bevel gegeven de phaëton in te spannen. De
+deuren van de poort gingen open en de paarden sprongen wild naar
+buiten. Wij hoorden iemand roepen: 'de paarden van den graaf gaan op
+hol!' Paschenka viel flauw en tante liep vlug naar grootmoeder om haar
+gerust te stellen. Het bleek dat vader nog niet was ingestapt en Mitka,
+die de paarden weer meester was geworden, keerde naar den stal terug.
+
+"Toen wij onze uitgaven moesten verminderen moest Mitka worden
+weggedaan. Verschillende rijke kooplieden hadden hem, mooi als hij
+er uitzag in zijn zijden buis en fluweelen koetsiersjas, graag voor
+een groot loon willen hebben.
+
+"Nu trof het echter dat Mitka's broer onder dienst moest en zijn oude
+vader hem noodig had voor het werk op het land van zijn' heer. Hij ging
+naar huis en na verloop van een paar maanden veranderde die kleine,
+fatterige Mitka in een grauwen boer, die zaaide en ploegde op het
+land van zijn' heer en over 't algemeen het zware boerenleven leidde.
+
+"En deze omkeer geschiedde zonder morren, in het bewustzijn dat het
+zoo moest zijn en niet anders."
+
+Voorvallen als deze bevorderden nog de liefde en achting, die Tolstoi
+van zijn jeugd af aan het volk heeft toegedragen.
+
+
+
+De volgende gebeurtenissen hebben, volgens Tolstoi's eigen woorden,
+de zaden van ontevredenheid en twijfel in zijne ziel gestrooid,
+vooral van twijfel aan de oprechtheid der menschen, der "grooteren",
+die hij vroeger onvoorwaardelijk geloofde.
+
+De kinderen Tolstoi waren, als verre bloedverwanten, gevraagd bij
+den kerstboom van de familie Pipoff. Zij hadden toen hun vader
+en grootmoeder reeds verloren en leefden onder de hoede van hunne
+tante in betrekkelijk armoedige omstandigheden, zoodat zij weinig
+aantrekkelijks voor de buitenwereld hadden.
+
+Hunne nichtjes, de kinderen van vorst Gortschakoff, den toenmaligen
+minister van oorlog, waren ook uitgenoodigd, en de Tolstoi's moesten
+met bitterheid het onderscheid opmerken, dat er gemaakt werd tusschen
+hen en de meer welkome gasten. Zij werden afgescheept met goedkoope
+prullen, terwijl de andere kinderen het mooiste en kostbaarste
+speelgoed ontvingen.
+
+Het tweede voorval speelde ook in Moskou, op eene wandeling met
+hun Duitschen gouverneur. Bij de kinderen (Leo was ongeveer 10 jaar)
+bevond zich het dochtertje van de Fransche gouvernante van hun' buurman
+Isljeneff. Het was een mooi, aantrekkelijk meisje. Zoo wandelende op
+de Bolschaja Bronnaja, kwamen zij voorbij een poortje van een' tuin
+die bij het huis Paljak hoorde. De poort was niet gesloten en half
+angstig gingen zij er in, zelf niet wetend hoe het af zou loopen,
+maar de tuin leek hun zoo buitengewoon mooi. Er was een vijver met
+roeibootjes, vlaggen, bloemen, bruggetjes, kleine paadjes, prieeltjes,
+enz. Zij liepen als in een' toovertuin.
+
+Eindelijk kwamen ze een' heer tegen, die zeide dat hij de eigenaar
+was en Attascheff heette. Hij begroette hen vriendelijk en noodigde
+hen uit hunne wandeling voort te zetten, liet hen roeien en was in
+één woord zoo voorkomend, dat zij begonnen te gelooven, zeer welkome
+gasten te zijn. Daarom besloten de kinderen een paar dagen later er
+eens weer heen te gaan.
+
+Toen zij aan het poortje kwamen hield een oude man hen tegen en vroeg
+wat zij wilden. Zij noemden hun naam en lieten zich bij den eigenaar
+aanmelden. Joezjenka was nu niet bij hen. De man kwam terug met de
+boodschap, dat de tuin particulier eigendom was en niet toegankelijk
+voor het publiek. Zij gingen treurig weg en in hun jonge zieltjes rees
+de vraag, waarom toch het mooie gezichtje van hun vriendinnetje zoo'n
+grooten invloed kon hebben op hunne verhouding tot hunne medemenschen.
+
+Nu volgen eenige schetsjes, die de eigenaardigheid, of liever, de
+excentriciteit van Tolstoi's karakter als jongen, in 't licht stellen.
+
+"Wij zaten eens aan tafel," vertelde mij Tolstoi's zuster. "'t
+Was nog in Moskou, bij 't leven van grootmoeder, die zeer streng
+was op de etiquette. Allen moesten wij in de kamer zijn voordat zij
+verscheen. Wij waren er dan ook allemaal, behalve Leo, die maar niet
+kwam. Grootmoeder bemerkte het en vroeg den gouverneur St. Thomas,
+of hij ook wist waar Leo was. Deze antwoordde dat hij zeker bij het
+toiletmaken op zijne kamer was opgehouden, maar ieder oogenblik
+moest komen. Grootmoeder was gerustgesteld, maar onder 't eten
+kwam de djadka [38] binnen en fluisterde St. Thomas iets in. Deze
+verbleekte, stond op en verliet de kamer. Dat was zoo'n ongewone
+inbreuk op onze strenge etiquette, dat wij allen begrepen dat er een
+ongeluk moest zijn gebeurd, en daar Leo maar steeds niet verscheen,
+moest hij er in zijn betrokken. Angstig zaten wij te wachten en
+kregen spoedig de volgende verklaring: Leo--wij wisten niet waarom
+(zooals hij nu zegt, alleen maar om iets bijzonders te doen, om
+gewichtig te schijnen)--had zich voorgenomen om uit het raam van de
+tweede verdieping te springen, en opdat niemand hem daarin zou kunnen
+verhinderen, was hij opzettelijk alleen in de kamer achtergebleven,
+toen de anderen aan tafel gingen. Hij klom in het open venster van de
+bovenverdieping en sprong in den hof. Toen Leo naar beneden stortte,
+stonden de kok en de keukenmeid juist voor het raam en begrepen
+eerst niet wat er gebeurde; zij stuurden den huisknecht om eens te
+gaan zien, en deze, buiten gekomen, zag Leo bewusteloos op den grond
+liggen. Gelukkig had hij niets gebroken en alles liep af met een lichte
+hersenschudding. De bewusteloosheid ging over in een diepen slaap,
+die zestien uren aanhield en waaruit hij geheel gezond ontwaakte. Gij
+kunt u onze schrik en ontsteltenis voorstellen bij deze onbezonnen
+daad van den kleinen zonderling.
+
+"Eens haalde hij het in zijn hoofd zijn wenkbrauwen af te scheren,
+waardoor hij zijn gezicht, dat toch al ver van mooi was, nog veel
+leelijker maakte en waarvan hij naderhand heel veel verdriet heeft
+gehad."
+
+"Een andermaal," vertelt Maria Nikolajewna, "zaten we in een troika
+en reden van Pirochoff naar Jasnaja. Er werd even halt gemaakt. Leo
+stapte uit en ging te voet verder. Toen wij verder zouden rijden was
+Leo nergens te vinden. De koetsier zag in de verte zijn gestalte,
+die zich meer en meer verwijderde. Wij reden verder, in de meening dat
+hij in zou stappen als wij hem hadden ingehaald. Maar zoo gebeurde het
+niet. Bij 't naderen van de troika verhaastte hij zijne schreden, en
+toen deze hem op zij was zette hij het op een loopen en wilde blijkbaar
+niet instappen. De troika reed heel vlug en hij liep ongeveer drie
+wersten zoo hard als hij kon mee, totdat hij ten slotte geen kracht
+meer had en het opgaf. Nat van zweet, geheel buiten adem, nam men
+hem in de troika op, waar hij doodelijk vermoeid neerviel."
+
+Tolstoi's echtgenoote, gravin Sophie Andrejewna, heeft dikwijls
+gebeurtenissen uit het leven van haar echtgenoot, die zij van hem
+zelf of van zijne familie hoorde, opgeschreven en verzameld. Hoewel
+tot onzen spijt deze arbeid niet is voleindigd, heeft hij voor ons
+toch groote waarde. Met haar welwillende toestemming laten wij hier
+eenige uittreksels volgen.
+
+"Afgaande op de verhalen van eene bejaarde tante en van mijn'
+grootvader Iljeneff, die zeer bevriend was met den vader van mijn
+man, was de kleine Leo een vreemd, zonderling kind. Hij kon b.v. de
+zaal binnen komen en de aanwezigen begroeten met een achterwaartsche
+buiging, met zijn hoofd achterover, terwijl zijn voeten over den
+grond knarsten.
+
+"Op de vraag of hij goed geleerd had, kreeg ik zoowel van hem als
+van anderen steeds ten antwoord: 'neen'."
+
+Tolstoi's zwager S. A. Bjers vertelt in zijne herinneringen het
+volgende:
+
+"Volgens tante Pelageja kon men hem, toen hij nog een kind was, gerust
+een' bengel noemen; als jongen was hij zeer eigenaardig en haalde de
+vreemdste dingen uit, maar was daarbij vroolijk en opgewekt en had
+een hart van goud.
+
+"Mijne tante, die nu overleden is, vertelde mij dat hij, in
+_Kinderjaren_ zijne eerste liefde beschrijvende, heeft verzwegen,
+dat hij eens het voorwerp van die liefde uit jalouzie van het balkon
+heeft gestooten. De bewuste was mijne moeder, die toen negen jaar
+oud was en, dank zij de buiteling, een langen tijd gebrekkig moest
+loopen. Hij had het gedaan omdat zij niet met hem, maar met een ander
+sprak. Later zeide zij dikwijls lachend: 'Je hebt mij zeker van het
+balkon gestooten om met mijne dochter te kunnen trouwen.'
+
+"Zelf vertelde Tolstoi eens in zijn' familiekring en in mijne
+tegenwoordigheid, dat hij, toen hij een jaar of zeven was, vurig
+wenschte te kunnen vliegen. Hij verbeeldde zich, dat hij het best
+zou kunnen door op zijn hurken te gaan zitten en dan met beide armen
+zijne knieën te omvatten. Hoe stijver hij vasthield, des te hooger
+zou hij kunnen vliegen."
+
+Verschillende autobiografische vertellingen kunnen wij vinden in
+reeds vroeger verschenen boeken. Eenige zeer karakteristieke laten
+we hier volgen.
+
+In de vertelling _Het oude Paard_ verhaalt hij, dat hij en zijne drie
+broers verlof hadden gekregen om te gaan rijden. Men gaf hun daarvoor
+het oude paard Woronok. Nadat de oudere broers er eerst van genoten
+en het arme dier voldoende geplaagd hadden, kreeg hij het.
+
+"Toen het mijn beurt was," vertelde Tolstoi, "wilde ik mijn broers
+eens toonen, hoe goed ik wel kon rijden. Ik spoorde het paard aan,
+maar hoe ik mij ook inspande, het wou niet vooruit, en keerde naar den
+stal terug. Ik werd boos, sloeg het dier met mijne zweep en schopte
+het met mijne voeten in de zijden. Ik deed mijn best om het juist
+daar te raken, waar ik wist dat het het meest pijn deed. Mijn zweep
+brak ik er bij, toen sloeg ik met den knop. Woronok echter verwikte
+niet en wilde niet verder. Toen keerde ik terug en vroeg mijn' djadka
+een nieuwe sterke zweep. Maar deze zeide:
+
+"'Heer, gij hebt genoeg gereden, stijg nu af. Waarom het paard langer
+te kwellen?'
+
+"Beleedigd antwoordde ik:
+
+"'Ik heb nog in 't geheel niet gereden. Geef mij een nieuwe zweep,
+dan zult ge zien, hoe ik zal galoppeeren.'
+
+"Toen schudde hij zijn hoofd en zei:
+
+"'Ach, heer, medelijden kent gij niet. Waarom wilt gij het paard tot
+spoed aanzetten? Men heeft het gekweld, het kan geen adem meer halen,
+het is oud, zoo oud als Pimjen Timofjeïtsch. [39] Als gij op dien
+gingt zitten en hem met de zweep zoudt aansporen, zoudt gij dan geen
+medelijden hebben?'
+
+"Ik stelde mij den ouden Pimjen voor en gehoorzaamde den djadka. Ik
+steeg af en toen ik zag, hoe het arme paard hijgde en met zijn half
+uitgevallen staart heen en weer sloeg, begreep ik hoe slecht het er
+aan toe was. Ik kreeg zoo'n medelijden met Woronok, dat ik een kus
+op zijn bezweeten nek drukte en hem vergiffenis vroeg, omdat ik hem
+zoo had geslagen."
+
+In _Hoe ik leerde paardrijden_ vertelt Tolstoi, dat hij eens met zijn
+broers naar de manege ging om het te leeren. De eerste piqueur, die
+zich verbaasde over zijne kleine gestalte, maar zijne vastberadenheid
+zag, wilde hem zelf helpen, "Men bracht een klein bruin paardje voor
+met korten staart. Het heette Tscherwentschik. De piqueur zei lachend:
+'Nu kavalier, stijg maar op.' Ik verheugde mij en werd bang, doch deed
+mijn best om dit niet te laten merken. Ik trachtte den stijgbeugel
+te pakken, maar kon het niet, want ik was te klein. Toen nam hij
+mij op, zette mij op het paard en zei: 'gij zijt niet zwaar, heer,
+niet meer dan een paar pond.' Hij hield mij vast, maar daar ik zag
+dat mijn broers los reden, wilde ik het niet meer hebben. 'Zijt ge
+dan niet bang?' vroeg hij. Ik was het wel, maar zei: 'neen.'
+
+"Ik was vooral zoo bang omdat Tscherwontschik maar steeds zijne
+ooren heen en weer bewoog; ik dacht toen, dat hij boos op mij was. De
+piqueur liet mij los met de woorden: 'Nu, pas maar op dat gij er niet
+af valt.' In het begin ging het stapvoets, en hield ik mij recht op,
+maar het zadel begon zoo glad te worden en ik werd bang dat ik zou
+vallen. De piqueur vroeg: 'zit ge reeds vast?'--'Ja,' zei ik.--'Nu,
+dan in draf,' en hij klapte met de tong. Tscherwontschik ging in een
+drafje over; ik begon op en neer te wippen, maar hield mij goed en
+trachtte niet op zij te vallen. De piqueur prees mij: 'ei, zie dien
+ruiter eens aan, goed zoo!' en ik was overgelukkig.
+
+"Op dat moment kwam een vriend van den piqueur en knoopte een gesprek
+met hem aan, waardoor hij niet meer op mij lette. Plotseling voelde
+ik, dat ik begon te glijden, ik wilde weer recht gaan zitten maar
+kon niet. Ik wilde den piqueur roepen maar bedacht, dat het niet
+goed zou staan. Ik keek naar hem om en wilde hem toch maar vragen
+mij te helpen, maar hij lette niet op mij, hoewel hij riep: 'flink,
+flink, kavalier!' Ik hing reeds geheel op één zij en werd bang, maar
+schreeuwen wilde ik niet om de schande. Mijn paardje wierp mij nog
+ééns omhoog, toen verloor ik mijn evenwicht en viel op den grond.
+
+"Tscherwontschik bleef staan. De piqueur draaide zich juist om, zag
+mij niet meer op het paard en zei: 'daar hebben we het al, mijn ruiter
+is gevallen.' Toen ik hem antwoordde, dat ik mij niet bezeerd had,
+zeide hij lachend: 'een kinderlichaam geeft mee!' en ik, ik had wel
+willen schreien, maar ik vroeg of hij mij weer op het paard wilde
+zetten, en ik viel er niet meer af."
+
+
+
+En zoo werd het kind een knaap; nadenkend, schuchter, vatbaar
+voor indrukken, zijn jonge hartje vol aanhankelijke liefde en toch
+inwendig eenzaam, gescheiden van de zijnen door de hooge vlucht zijner
+gedachten, die geen weerklank vonden in den kring die hem omringde.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+JONGELINGSJAREN.
+
+
+Vijf jaren woonde de familie Tolstoi te Kazan. Iederen zomer trokken
+zij, vergezeld van Pelageja Ilinitschna, naar Jasnaja Paljana, om
+iederen herfst weer naar Kazan terug te keeren.
+
+Tolstoi bracht de grootste helft van zijne jongelingsjaren door bij
+de familie Joeschkoff.
+
+Zijne oudere broers kwamen in 1841 te Kazan. De oudste, Nikolaas, ging
+over van de Moskousche naar de Kazansche universiteit, volgde daar
+den tweeden cursus van de tweede afdeeling der filosofische faculteit
+en besloot zijne academische loopbaan in 1884. De beide andere broers
+volgden den cursus van wat men tegenwoordig de mathematische faculteit
+noemt. Deze kwamen aan in 1843 en eindigden hunne studie in 1847.
+
+Leo Tolstoi koos de Oostersche talen, in de meening dat hij later
+in de diplomatie zou gaan. De voorbereiding voor deze studie duurde
+van 1842-'44 en was niet gemakkelijk, daar voor het toelatingsexamen
+reeds de Arabische en Turksch-Tartaarsche talen werden geëischt,
+die in dien tijd aan het eerste gymnasium werden onderwezen.
+
+Deze moeilijkheden werden door Tolstoi glansrijk overwonnen.
+
+In het archief te Kazan worden alle stukken, die betrekking hebben
+op Tolstoi's komst, verblijf en vertrek aan en van de universiteit,
+bewaard.
+
+Deze documenten komen voor in _Graaf L. N. Tolstoi en zijn studietijd_
+van N. P. Zagoskin. Een van de belangrijkste is een verzoekschrift,
+door Tolstoi zelf geschreven, waarin hij toelating vraagt tot de
+universiteit. Als gevolg daarvan mocht hij het toelatingsexamen doen,
+dat niet gunstig voor hem afliep, zooals blijkt uit het onderstaand
+getuigschrift, dat hij na afloop ontving:
+
+
+ Godsdienst 4
+ Algemeene en Russische
+ geschiedenis 1 ("Hier wist ik niets van") [40].
+ Statistiek en
+ Aardrijkskunde 1 ("Nog minder. Ik herinner mij nog,
+ dat mij iets gevraagd werd van
+ Frankrijk. De voorzitter, Poeschkin,
+ die veel bij ons aan huis kwam,
+ wilde mij blijkbaar helpen: 'Nu,
+ zeg eens, welke zeesteden heeft
+ Frankrijk?' Ik kon er niet één
+ noemen" [41]).
+ Meetkunde 4
+ Russische spraakkunst 4
+ Logica 4
+ Latijnsche taal 2
+ Fransche taal 5
+ Duitsche taal 5
+ Arabisch 5
+ Turksch-Tartaarsch 5
+ Engelsche taal 4
+
+
+In zake de opname als student, vinden wij, dat graaf Leo Tolstoi
+is geëxamineerd voor de afdeeling Oostersche talen, maar niet is
+toegelaten. Aan dit document was toegevoegd: "Papieren teruggeven".
+
+Dit gebeurde in het voorjaar van 1844. Tolstoi nam zich voor in
+den herfst een herexamen aan te vragen in de vakken die onvoldoende
+waren gebleken.
+
+Zoo richtte hij dan in 't begin van Augustus het volgende
+verzoekschrift aan den rector der universiteit:
+
+
+ Aan Zijne Excellentie den Heer Rector van de Keizerlijke
+ Universiteit te Kazan, benoemd professor, werkelijke stadsraad
+ Nikolaas Iwanowitsch Lobatschewski van Leo Nikolajewitsch
+ graaf Tolstoi.
+
+ _Verzoekschrift._
+
+ In de maand Mei van dit jaar onderwierp ik mij, met nog andere
+ leerlingen van het eerste en tweede gymnasium, aan het examen
+ voor toelating tot de Universiteit te Kazan in de afdeeling
+ Arabisch-Turksche spraakleer.
+
+ Daar het bij dit onderzoek bleek, dat mijne kennis van de
+ geschiedenis en statistiek niet voldoende was, zoo vraag ik
+ Uwe Excellentie eerbiedig heden opnieuw te worden toegelaten
+ tot het examen in die vakken. Hierbij heb ik de eer de
+ volgende stukken te voegen: 1e Geboorteakte, gegeven door
+ het Consistorium te Toela; 2e Copieën van bevestiging van de
+ adellijke afgevaardigden-vergadering, 3 Augustus 1844. Hetwelk
+ onderteekent de bovengenoemde
+
+ Graaf Leo N. Tolstoi.
+
+
+In margine, onder dagteekening van 4 Augustus 1844: Toegelaten tot
+het aanvullingsexamen. De rector Lobatschewski.
+
+
+
+Hoe en wanneer Tolstoi examen deed is niet bekend, maar het is
+zeker dat het ditmaal beter ging, want wij lezen aan den voet van
+het verzoekschrift:
+
+Tolstoi toelaten tot de universiteit, als student voor eigen kosten,
+in de afdeeling Arabisch-Turksche spraakleer.
+
+Zoo kwam Leo Tolstoi dus aan de universiteit. Zijn vrijen tijd bracht
+hij door ten huize van zijne tante Joeschkoff en in den kring van
+hare bekenden. Welken invloed deze omgeving op hem had zullen we
+nader aantoonen.
+
+In Zagoskins werk _Leo Tolstoi en zijn studietijd_ wordt gezegd,
+dat de kring waarin Tolstoi verkeerde eene verderfelijke was, die hem
+ongetwijfeld instinctief moest afstooten. Eene opmerking van Tolstoi
+zelf, bij de lezing van dit handschrift, leert ons het tegendeel:
+
+"Ik voelde in 't geheel geen afkeer," zegt hij, "en hield veel van
+het vroolijke Kazan, waar toen een uitgelezen kring bijeen was." [42]
+
+Verder drukt Zagoski nog zijne bewondering uit, dat Tolstoi de kracht
+bezat weerstand te bieden aan deze verleidingen. Hierbij merkt hij
+het volgende op:
+
+"Integendeel, ik ben heel blij dat ik het begin mijner jongelingsjaren
+heb doorgebracht in een kring, waar ik jong kon zijn met de jeugdigen,
+mij niet bekommerende om de groote levensvragen, genietende van mijn
+niets-doend, weelderig maar niet slecht bestaan." [43]
+
+Zagoskin geeft deze beschrijving van het eerste studiejaar:
+
+"De winter van het jaar 1844-'45, toen Tolstoi in zijne kwaliteit van
+'jongmensch' zijne intrede in de wereld deed, kenmerkte zich door een
+opgewekt gezelschapsleven. Bals, zoowel bij den gouverneur en bij de
+eersten der stad, als in het Rodionowskische vrouwen-instituut (die
+met groote liefde door E. D. Zagoskin werden voorbereid), dansavondjes,
+maskerades in de adellijke club, tooneeluitvoeringen, levende beelden,
+concerten enz., eindeloos in aantal, wisselden elkaar af. Als zoon
+van goede familie, een' titel voerend, met uitstekende plaatselijke
+connecties, kleinzoon van den gewezen gouverneur en een eventueel
+echtgenoot in de naaste toekomst, was Leo Tolstoi overal een zeer
+gewenschte gast."
+
+Ouden van dagen kunnen zich zijner nog herinneren op alle bals,
+op alle avondjes, bij ieder vroolijk gezelschap, overal dansend,
+maar geen dames-dienaar zooals velen van de hem omringende
+studenten-aristokratie. Altijd kon men bij hem nog eene zekere
+schuchterheid en stijfheid van manieren waarnemen. Hij dwong zich
+klaarblijkelijk tot de rol, die hij nu eenmaal moest spelen, en waartoe
+de omstandigheden van zijn leven te Kazan hem nolens-volens brachten.
+
+Natuurlijk had dat vele uitgaan een zeer slechten invloed op zijne
+studie, zooals blijkt uit een aan Zagoskin ontleend getuigschrift
+van zijn eerste halfjaarlijksch examen, waar hij niet doorkwam:
+
+
+ Vorderingen. Vlijt.
+ Bijbelsche historie 3 2
+ Algemeene literatuurgeschiedenis Niet verschenen.
+ Arabische taal 2 2
+ Fransche taal 5 3
+
+
+Dit niet-slagen bracht geen verandering in Tolstoi's vroolijk
+leventje. Hij nam deel aan de feesten die in de vastendagen werden
+gegeven, en met zijn' broeder Sergius aan twee liefhebberij-comedies
+voor een liefdadig doel.
+
+Het resultaat van dat alles was, dat Tolstoi niet slaagde voor zijn
+overgangs-examen, en nog een jaar aan denzelfden cursus zou moeten
+deelnemen. Over dit toch niet ongelukkige examen spreekt Tolstoi op
+de volgende wijze:
+
+"Het eerste jaar werd ik afgewezen voor de bevordering naar het
+tweede jaar door den professor in de Russische geschiedenis Iwanoff,
+die onaangenaamheden met mijne familie had gehad, hoewel ik niet één
+college had gemist en de Russische geschiedenis kende; bovendien
+kreeg ik 1 voor het Duitsch, hoewel ik meer van die taal wist dan
+een van de studenten van onzen cursus." [44]
+
+Tolstoi wilde evenwel niet twee jaar denzelfden cursus volgen en
+diende een verzoekschrift in om in de rechten over te mogen gaan,
+hetgeen hem werd toegestaan.
+
+Het winterseizoen van 1845 begon weer met de tweedaagsche feesten ter
+eere van het verblijf van hertog Maximiliaan Leichtenberg te Kazan,
+wien een schitterende ontvangst werd bereid.
+
+"Ondanks dit vele uitgaan," vertelt Tolstoi, "begon ik mij ernstig
+op de studie toe te leggen en dat verschafte mij waarlijk reeds
+eenig genoegen. Behalve voor rechtsencyclopaedie en het strafrecht
+(ik volgde met zeer veel belangstelling een college van den Duitschen
+professor Vogel over de doodstraf), interesseerde ik mij zeer voor
+het burgerlijk recht. Ook trok een arbeid, dien professor Meer mij
+had opgedragen, n.l.: het vergelijken van Montesquieu's _Esprit des
+lois_ met de _Instructies voor een nieuwen code_, van Catharina,
+mij bijzonder aan" [45].
+
+In Mei 1846 slaagde Tolstoi bij het overgangs-examen. Hij kreeg een
+5 voor logica en psychologie; drie 4-en voor rechtsencyclopaedie,
+voor het Romeinsche recht en voor het Latijn; vier 3-en voor algemeene
+en Russische geschiedenis, theorie der spraakkunst en Duitsche taal
+en drie 5-en voor gedrag. 't Gemiddelde cijfer bedroeg 3, en Tolstoi
+ging dus over van den eersten naar den tweeden cursus.
+
+In dat jaar gebeurde het, dat Tolstoi straf kreeg en in den carcer
+werd gezet. Deze episode wordt door zijn' vriend Nazarjeff beschreven,
+hoewel niet geheel naar waarheid. De gesprekken evenwel zijn geheel
+juist weergegeven. Wij zullen de aanteekeningen gebruiken, die Tolstoi
+daarbij heeft gemaakt, waardoor natuurlijk alles in het ware licht
+komt te staan.
+
+Leo Tolstoi werd met een vriend opgesloten, niet in het auditorium,
+zooals Nazarjeff schrijft, maar werkelijk in den carcer met getraliede
+ramen. Hij had een' kandelaar en kaarsen in zijne laarzen verborgen
+en zij brachten er één of twee aardige dagen door.
+
+Wat betreft den koetsier, het paard, den knecht enz., dat is alles
+in de verbeelding van Nazarjeff ontstaan. Het gesprek evenwel, door
+hem beschreven, is geheel waar. Wij laten het hier volgen.
+
+"Ik herinner me," zoo begint Nazarjeff, "dat ik _Demon_ van Lermontoff
+las. Tolstoi zag een geschiedenisboek van Karamzin naast mij liggen
+en begon naar aanleiding daarvan op de geschiedenis af te geven als
+het vervelendste en minst nuttige vak dat er bestond.
+
+"'Historie,' zei hij, en zijne woorden kwamen kort en scherp over zijne
+lippen, 'historie is niet anders dan eene verzameling van sprookjes,
+waar cijfers en eigennamen kunstig zijn doorheen gewerkt. De dood
+van Igor, de slang die Oleg heeft gebeten, wat zijn het anders dan
+sprookjes? En voor wie is het noodig te weten dat het tweede huwelijk
+van Johan op 21 Augustus 1562 werd voltrokken, en het vierde, met
+Anna Alexejewna, in 1517. Van mij echter wordt verlangd dat ik die
+dingen weet, en blijf ik in gebreke dan krijg ik een 1. En hoe wordt
+de historie geschreven! Alles wordt in een bepaalden vorm gegoten,
+door den historicus uitgedacht. De "verschrikkelijke" Tsaar, waarover
+professor Iwanoff juist college houdt, wordt na 1560 plotseling van
+een deugdzamen, wijzen man, een ontoerekenbare, woedende tyran. Hoe
+en waarom, daar moet men niet naar vragen....' Op deze wijze liet
+mijn vriend zich uit. Het was mij of ik een stortbad had gekregen,
+te meer daar geschiedenis mijn liefste vak is. Daarna gaf Tolstoi
+zijne meening over de universiteit en de academische studie te
+kennen. 'Tempel der wijsheid!' klonk het telkens smalend van zijne
+lippen, en daarbij beschreef hij onze professoren op zulk eene wijze,
+dat ik, hoeveel moeite ik ook deed om mij in te houden, het uit
+moest schateren van het lachen. 'Wij verwachten,' vervolgde Tolstoi,
+'dezen tempel als nuttige, bruikbare menschen te zullen verlaten. En
+wat nemen wij mee van de universiteit? Denk daar eens over na en
+antwoord me dan oprecht. Wat nemen we mee, als we ieder onzen eigen
+weg gaan en naar ons dorp terugkeeren? Waarvoor kunnen wij gebruikt
+worden en wie heeft eenig nut van ons?'
+
+"Onder zulke gesprekken verliep de nacht. Tegen het aanbreken van den
+morgen ging de deur open en verscheen de bewaarder, die ons verklaarde,
+dat wij vrij waren en naar huis konden gaan.
+
+"Tolstoi drukte zijne muts diep in de oogen, wikkelde zich in zijn
+studentenjas, knikte bij wijze van groet even met zijn hoofd, schimpte
+nog eens op den tempel en verdween, vergezeld door zijn' bediende en
+den bewaarder. Ik haastte mij ook naar buiten, waar ik nu, zonder mijn'
+celgenoot, met volle teugen de frissche morgenlucht inademde.
+
+"Mijn hoofd was vol gedachten, die voor mij nog geheel onbegrijpelijk
+waren, en vol van twijfelingen die ik nooit gevoeld had, maar die
+bij mij waren opgewekt door mijn' vriend uit de gevangenis."
+
+De drie broers Tolstoi, die tot nu toe bij hunne tante Pelageja hadden
+gewoond, gingen in 1847 verhuizen, en betrokken kamers in eene woning
+die tegenwoordig voor armenhuis dienst doet. Zij hadden vijf kamers
+op de bovenste verdieping.
+
+In Januari 1847 nam Tolstoi nog eens deel aan het halfjaarlijksch
+examen, maar trok zich voor een gedeelte terug. Blijkbaar beschouwde
+hij het als eene onnoodige formaliteit en liep hij reeds met het plan
+rond om de universiteit te verlaten. Spoedig na de Paaschvacantie
+zond hij met dat doel een verzoekschrift in, dat wij in zijn geheel
+van Zagoskin hebben overgenomen en hier laten volgen.
+
+
+ Aan Zijne Excellentie den Heer Rector van de Keizerlijke Kazansche
+ Universiteit, den werkelijken stadsraad Iwan Michaïlowitsch
+ Simonoff.
+
+ Van den voor eigen rekening levenden student van den 2den cursus
+ der rechtsgeleerde faculteit, graaf Leo Nikolajewitsch Tolstoi.
+
+
+ _Verzoekschrift._
+
+
+ Wegens geschokte gezondheid en huiselijke omstandigheden niet
+ langer wenschende den cursus aan de universiteit bij te wonen,
+ verzoek ik Uwe Excellentie eerbiedig mij af te schrijven als
+ student en mij mijne papieren mede te doen toekomen. Hetwelk
+ onderteekent de bovengenoemde
+
+
+ 12 April 1847. Graaf Leo Tolstoi.
+
+
+
+Ingevolge dit verzoekschrift gaf het bestuur het antwoord: "Tolstoi
+ontslaan van de universiteit en hem een getuigschrift uitreiken."
+
+In het archief van de universiteit bevindt zich nog een duplicaat van
+dit getuigschrift, dat voor ons van eenig belang is om de eigenaardige
+wijze waarop datgene wat men niet wilde zeggen is omschreven. Hier
+volgt de inhoud.
+
+"Brenger dezes, graaf Leo Nikolajewitsch, zoon van Tolstoi, na het
+eerste elementaire onderricht genoten en na het geheele gymnasium
+afgeloopen te hebben, werd ingeschreven als student aan de Universiteit
+te Kazan voor den cursus van de Arabisch-Turksche talen. Welke
+vorderingen hij gemaakt heeft is niet bekend, daar hij niet verscheen
+op de jaarlijksche examens, reden waarom hij denzelfden cursus nog een
+jaar moest volgen. Met toestemming van het college ging hij over naar
+de juridische faculteit, waar hij groote vorderingen maakte: logica en
+psychologie--zeer goed;--rechtsencyclopaedie, de geschiedenis van het
+Romeinsche recht en Latijn--goed; algemeene en Russische geschiedenis,
+theorie der spraakkunst en Duitsch--voldoende; hij ging over naar den
+tweeden cursus, doch de vorderingen kunnen niet geconstateerd worden,
+daar de examens nog niet zijn afgenomen. Het gedrag van Tolstoi was
+gedurende zijn verblijf aan de universiteit uitstekend. Ingevolge
+zijn verzoekschrift is hem om gezondheidsredenen verlof gegeven de
+akademie te verlaten; reden waarom de bovengenoemde graaf Tolstoi,
+zijne studie niet hebbende voleindigd, geen gebruik mag maken van
+de rechten van een werkelijken student; volgens artikel 590 van het
+Wetboek zal dit getuigschrift bij aanvaarding van een burgerlijk ambt
+de vergelijking moeten doorstaan met de papieren van personen die
+middelbaar onderwijs genoten hebben, en kan hij in aanmerking komen
+voor civiel-ambtenaar 2e klasse. Dit getuigschrift, voorzien van de
+vereischte handteekeningen en stempel der Kazansche Universiteit,
+gegeven aan graaf Leo Tolstoi.
+
+"Gedaan op allerhoogst bevel. Op ongezegeld papier."
+
+
+
+"Tolstoi," zoo vertelt Zagoskin, "haastte zich uit Kazan weg te komen
+en wachtte niet eens het examen van zijne broers Sergius en Dmitri
+af. Hij reisde over Moskou naar Jasnaja Paljana. Den dag van zijn
+vertrek verzamelde een kleine kring studenten zich ten huize van
+de Tolstoi's. Een van dezen, die tot nu toe nog te Kazan woonde,
+vertelde mij dat zij zijn afscheid feestelijk vierden en hem een
+eindweegs vergezelden, n.l. tot over het riviertje Kazanka, waar zij
+hem den laatsten groet brachten."
+
+Tolstoi liet aan de Kazansche universiteit nog een klein spoor
+na. Vorst Dmitri Dm. Obolenski deelde mij onlangs mede, dat op de
+bank waar Tolstoi gewoonlijk zat, de naam "graaf L. N. Tolstoi"
+gevonden was, die er waarschijnlijk door hem zelf met een mesje of
+met den nagel was ingekrast.
+
+De Duitscher R. Löwenfeld, die eene biographie van Tolstoi heeft
+geschreven, vroeg hem eens, toen hij op Jasnaja Paljana vertoefde,
+hoe het mogelijk was, dat hij, bij zijn grooten dorst naar wetenschap,
+toch de universiteit had verlaten.
+
+"Juist in mijn' dorst naar wetenschap ligt waarschijnlijk de oorzaak,"
+antwoordde Tolstoi. "Wat de professoren ons leeraarden boezemde
+mij weinig belang in. In den aanvang studeerde ik in de Oostersche
+talen, maar maakte weinig vorderingen. Ik studeerde ijverig en las
+een oneindig aantal boeken, maar alle in één richting. Wanneer een
+vraagstuk mij belang inboezemt, dan bekijk ik het niet van links of van
+rechts, maar van alle kanten en tracht het geheel te overzien, om er
+een klaar begrip van te krijgen. Zoo was ik ook reeds te Kazan." [46]
+
+"Er bestonden twee redenen waarom ik de universiteit verliet: Ten
+eerste dat mijn broers hadden afgestudeerd en weggingen, en ten tweede,
+hoe vreemd het ook moge klinken, mijne studie over de _Instructies_
+en _l' Esprit des Lois_, die mij een nieuw veld voor zelfstandigen
+gedachtenarbeid opende en waarbij de universiteit met hare vele
+eischen mij hinderde." [47]
+
+
+
+De herinneringen van Tolstoi aan zijn' broeder Dmitri zijn verbonden
+met eenige belangrijke bijzonderheden van het leven te Kazan.
+
+"Mitjenka (Dmitri) is een jaar ouder dan ik. Hij heeft groote, strenge,
+zwarte oogen. Als knaap kan ik hem mij bijna niet herinneren. Ik weet
+slechts uit de verhalen, dat hij als jongen heel grillig was. Men
+vertelde mij b.v. dat hij boos werd als de njanja naar hem keek en
+ook begon te schreeuwen als zij hem niet aanzag. Mijne moeder had er
+veel verdriet van. Wij stonden het dichtst bij elkaar in leeftijd en
+ik speelde veel met hem, maar toch hield ik meer van Sergius en van
+Nikolaas. Wij gingen goed met elkaar om, en ik kan mij niet herinneren,
+dat wij met elkaar vochten. Het zal wel eens zijn voorgekomen, maar
+werd dan spoedig weer vergeten. Ik hield van hem met eene eenvoudige,
+gelijkmatige, natuurlijke liefde, die om haar eenvoud geen indruk
+heeft nagelaten. Ik geloof, of liever, ik ben er van overtuigd, want
+ik heb het in mijne jeugd zelf ondervonden, dat de liefde tot de
+menschen een natuurlijke toestand van de ziel is, of meer nog eene
+natuurlijke betrekking tot alle menschen, en waar dit zoo is daar
+bemerkt men haar niet.
+
+"De herinnering blijft behouden wanneer men niet van iemand houdt of
+als men iemand vreest. Zoo was ik bang voor bedelaars, bang voor een
+zekeren Wolkonski, die mij altijd kneep; ik geloof niet dat er nog
+andere menschen waren, voor wie ik vrees koesterde. Ook blijft de
+herinnering als men zeer veel van iemand houdt, zooals ik b.v. hield
+van Tatjana Alexandrjewna, van mijne broers Sergius en Nikolaas, van
+een zekeren Wassiliï, van de njanja Isajewna en van Paschenka. Van
+Mitjenka's eerste jeugd herinner ik mij alleen maar dat hij vroolijk
+was. Eerst in Kazan, waar wij heen gingen toen hij 13 jaar oud was,
+begon ik zijne eigenaardigheden op te merken. Ik herinner mij, dat hij,
+toen wij nog in Moskou waren, niet zoo gauw verliefd was als Sergius
+en ik; hij hield niet van dansen, ook niet van militair vertoon (waar
+ik later nog van zal spreken) en leerde goed en vlijtig. Ik weet nog,
+dat onze leeraar, de student Palonski, eens van ons drieën zeide:
+'Sergius wil en kan, Dmitri wil maar kan niet (dat was niet waar), en
+Leo wil niet en kan niet.' Ik geloof dat dit laatste geheel waar was.
+
+"Ik had steeds Sergius als voorbeeld genomen en begon reeds mijne
+reinheid te verliezen (dat zal ik ook later vertellen). Met mijn
+uiterlijk hield ik mij reeds lang bezig en ik deed mijn best er geheel
+_comme il faut_ uit te zien.
+
+"Mitjenka was heel anders; ik geloof dat hij niet een van die
+gebreken had, die jongens op dien leeftijd eigen zijn. Hij was
+ernstig, oplettend, rein, vlug besloten en wat hij deed, dat deed
+hij met hart en ziel, maar hij was driftig. Toen het eens gebeurde
+dat hij dat kettinkje inslikte, maakte hij zich, voor zoover ik het
+mij herinneren kan, niet ongerust, terwijl ik nu nog weet hoe angstig
+ik was, toen ik een pit van eene Fransche pruim had doorgeslikt, die
+mijne tante mij had gegeven, en met hoeveel gewicht ik haar dat ongeluk
+ging vertellen. Ik herinner mij nog, dat wij eens als kleine jongens
+aan het sleeën waren op een afgelegen steilen heuvel (en wat was het
+vroolijk!), toen iemand in plaats van den grooten weg te volgen, met
+zijne troika [48] den berg opreed. Sergius en een boerenjongen, die
+juist aan 't glijden waren, konden het sleetje niet meer tegenhouden
+en geraakten onder de paarden. De kinderen kregen geen letsel en de
+troika reed verder. Wij hadden het er druk over, hoe Sergius onder
+het bijdehandsche paard was door gekropen en hoe het andere schrikte,
+maar Mitjenka (hij was toen negen jaar) ging naar het rijtuig en
+schold den voerman uit. Ik herinner mij, dat ik hem bewonderde,
+maar dat de woorden die hij zei mij niet zeer bevielen, n.l. dat
+het niet veroorloofd was daar te rijden, dat het geen rijweg was en
+dat de koetsier verdiende daarvoor in den stal te worden geworpen,
+hetgeen met andere woorden wil zeggen: te worden afgeranseld.
+
+"In Kazan, zooals reeds gezegd is, kwamen zijne bijzondere
+eigenschappen meer aan het licht. Hij leerde altijd even goed, maakte
+heel gemakkelijk gedichten en heel goede vertalingen van de werken
+van Schiller, hoewel hij er niet veel aan deed. Hij dacht steeds bij
+zijn werk, en was altijd rustig en ernstig. Eén maal herinner ik mij
+echter dat hij de dolste dingen uithaalde; de meisjes vonden het
+prachtig en ik werd jaloersch en dacht: 'dat komt zeker omdat hij
+anders altijd zoo ernstig is,' en ik nam mij voor ook zoo te worden.
+
+"Het was een domme inval geweest van tante Pelageja, toen zij ons
+ieder een' bediende van onzen eigen leeftijd gaf, Mitjenka kreeg
+Wanjoescha (hij leeft nog), dien hij dikwijls slecht behandelde; ik
+geloof zelfs dat hij hem wel eens sloeg. Ik zeg 'ik geloof,' omdat
+ik het niet zeker weet, maar wèl herinner ik mij nog zijn berouw en
+zijn nederig smeeken om vergiffenis.
+
+"Zoo werd Dmitri ongemerkt grooter, bemoeide zich weinig met de
+menschen, en met uitzondering van zijne driftbuien was hij steeds
+rustig en ernstig en keek met denkende, strenge, groote, zwarte oogen
+de wereld in. Hij was lang, tamelijk mager, niet heel sterk, had
+lange armen en een gebogen rug. Hij was een jaar jonger dan Sergius,
+studeerde echter tegelijk met hem op en had als vak de meetkunde
+gekozen omdat zijn oudere broeder dat ook had gedaan. Hoe hij er
+zoo jong toe kwam weet ik niet, maar reeds in 't begin van zijn'
+studententijd werd en leefde hij zeer godsdienstig. Dit leven bracht
+hem natuurlijk met de kerk in aanraking en, ernstig als hij was,
+volgde hij in alles hare voorschriften. Op vastendagen at hij geen
+vleeschspijzen, woonde alle diensten bij en stelde zich zelf steeds
+de hoogste eischen.
+
+"Mitjenka bezat ook dien mooien karaktertrek, dien ik bij mijne moeder
+vermoedde, bij mijn broer Nikolaas had opgemerkt en dien ik zelf
+volkomen miste, n.l. die groote onverschilligheid voor het oordeel
+der menschen. Nu zelfs kan ik mij nog niet vrij maken van de gedachte,
+wat de menschen wel van mij zullen zeggen. Mitjenka kende dat gevoel
+niet. Ik zag op zijn gelaat nooit dat half teruggegehouden lachje,
+dat onwillekeurig verschijnt wanneer de menschen ons prijzen. Ik zie
+hem nog steeds met zijne ernstige, rustige, treurige, soms booze,
+groote, amandelvormige, zwarte oogen. Eerst in Kazan begonnen wij
+hem eenige aandacht te schenken, en wel omdat juist in dien tijd,
+toen Sergius en ik zooveel waarde aan ons uiterlijk en aan het begrip
+van _comme il faut_ hechtten, hij er altijd even slordig uitzag,
+waarover wij hem dikwijls onderhielden. Hij kon niet dansen en wilde
+het ook niet leeren. Als student kwam hij niet in gezelschappen,
+droeg altijd zijn studentenjas met een smal dasje, en van zijne jeugd
+af had hij het dwaze aanwensel steeds met zijn hals te draaien alsof
+hij te nauwe dassen droeg.
+
+"Op godsdienstig gebied begonnen zijne eigenaardigheden daarmee, dat
+hij voor het heilige avondmaal niet naar de moderne universiteitskerk
+ging, maar naar de kazemat-kerk. Wij woonden tegenover het
+tuchthuis. Daar was een zeer strenge en godsdienstige priester aan
+verbonden, die in den tijd der vasten alle evangelies voorlas alsof men
+die nog nooit had gehoord, zoodat de diensten natuurlijk ontzettend
+lang duurden. Mitjenka hield het uit en maakte kennis met dezen
+pope. De kerk in het tuchthuis was zóó ingericht dat de gevangenen
+achter een glaswand stonden, waarin deuren waren aangebracht. Eens
+wilde een van de gevangenen den kerkdienaar eene kaars of geld voor
+eene kaars geven. Niemand van de in de kerk aanwezigen wilde zich
+met deze boodschap belasten, maar Mitjenka met zijn ernstig gezicht
+nam het op zich. Het bleek naderhand, dat dit verboden was en men
+onderhield hem er over, maar hij vond het goed en deed het bij
+voorkomende gelegenheden weer. Wij, hoofdzakelijk Sergius, hadden
+aristokratische kennissen, Mitjenka daarentegen koos uit allen den
+beklagenswaardigen armen student Poloebojarinoff, dien een vriend
+van ons Poloebjezabjedoff ('half zonder middageten') noemde. Wij
+domme jongens vonden dat heel grappig en lachten Mitjenka uit. Deze
+Poloebojarinoff was zijn eenige vriend en met hem werkte hij voor het
+examen. Wij woonden toen op den hoek van het plein Arskoje, in het
+huis van Kisiljeff, op de bovenste verdieping. Vóór had Mitjenka zijne
+kamer, daarachter Sergius en ik. Wij beiden hielden er van onze kamer
+mooi te maken en wij kregen daarvoor allerlei kleinigheden. Mitjenka
+hield er niet van en vroeg van de voorwerpen uit ons ouderlijk huis
+alleen maar de mineralen. Hij verdeelde ze in groepen, schreef er de
+namen bij en bewaarde ze in eene doos met glazen deksel.
+
+"Onze vrienden, die zagen dat wij, broers, en ook onze tante met eene
+zekere minachting op Mitjenka en zijne eenvoudige neigingen neerzagen,
+namen dat natuurlijk van ons over. Een van hen, de ingenieur Es.,
+zag eens, door Mitjenka's kamer gaande om bij ons te komen, diens
+mineralen en vroeg hem iets; Mitjenka gaf nauwelijks antwoord. Es.,
+een onsympathiek, aanstellerig jongmensch, schoof en schudde de
+doos, waarop Mitjenka hem verzocht dat te laten. Hij liet het niet,
+bespotte hem en lachte hem uit, en noemde hem, waarom weet ik niet,
+Noach. Mitjenka werd driftig en sloeg hem met zijne groote hand in
+'t gezicht. Es. liep naar onze kamer, achtervolgd door Mitjenka, die,
+toen wij hem buitensloten, woedend dreigde Es. te zullen afranselen,
+als hij de deur uitkwam. Ik weet niet hoe het zou zijn afgeloopen
+als wij hem niet, op zijn verzoek, heimelijk, half kruipend over den
+stoffigen zolder, hadden laten ontsnappen.
+
+"Zoo was Mitjenka als hij driftig was, maar als men hem niet plaagde
+was hij geheel anders.
+
+"Onze familie had om de eene of andere reden een meisje aangenomen. Zij
+was een vreemd, beklagenswaardig schepsel en heette Ljoebow
+Serghejewna. Zij was eene onwettige dochter van Protasoff. Hoe zij bij
+ons kwam weet ik niet. Ik hoorde dat het uit medelijden was en dat men
+haar zelfs aan Feodor Iwanowitsch had willen uithuwelijken, maar daar
+is niets van gekomen. Zij moet steeds bij ons gewoond hebben, doch daar
+weet ik niets meer van, wèl dat tante Pelageja haar mee nam naar Kazan,
+waar ik haar leerde kennen. Het was een ongelukkig meisje. Zij had
+haar eigen kamer, waar zij ook werd bediend. Toen ik haar voor 't eerst
+zag, was zij niet slechts beklagenswaardig maar afkeerwekkend. Ik weet
+niet welke ziekte zij had, maar haar gezicht was altijd opgezet, als
+door bijen gestoken; de oogen keken uit een paar dikke, gladde kussens
+zonder wenkbrauwen; geel, opgezet en glimmend waren ook wangen, neus,
+lippen en mond. Zij sprak moeielijk, waarschijnlijk omdat haar mond
+inwendig ook was opgezwollen. In den zomer zaten er altijd vliegen op
+haar gezicht, hetgeen zij niet scheen te voelen; vreeselijk om aan te
+zien! Haar haar was zwart, maar zoo dun, dat het haren schedel niet
+bedekte. Joeschkoff, de man van mijne tante, die niet altijd even
+kiesch was, kon zijn' afschuw voor haar niet verbergen. Altijd had
+zij eene benauwde lucht bij zich, die ook op haar kamer hing, waar
+nooit een raam openstond. En deze Ljoebow Serghejewna koos Mitjenka
+zich tot vriendin. Hij ging naar haar toe, sprak met haar, luisterde
+naar haar, wandelde met haar en las haar voor, en wij, stompzinnig als
+wij waren, lachten om die vriendschap. Mitjenka echter stond zóó hoog,
+bekommerde zich zóó weinig om het oordeel der menschen, dat het hem
+niet eens de moeite waard was om met een enkel woord uit te leggen,
+dat hij het deed omdat hij het goed vond. Hij dééd het eenvoudig,
+en niet voor een paar dagen, bij wijze van gril, maar al den tijd
+dien wij in Kazan doorbrachten.
+
+"Hoe duidelijk is het mij thans, dat de dood Mitjenka niet kon
+vernietigen, dat hij reeds was voor ik hem leerde kennen, vroeger
+dan hij werd geboren, en dat hij voortleeft na zijn' dood."
+
+
+
+Voor zoover het ons mogelijk is, zullen wij nu een' blik slaan op het
+innerlijk leven van Tolstoi, zooals hij was in zijne jongelingsjaren.
+
+Het kritieke punt in het leven van den man zijn zijne jongelingsjaren,
+het tijdperk waarin van alle kanten de onbekende hartstochten hem
+bestormen. Reeds voor den alledaagschen mensch is dit de tijd van
+heftig voelen, van het zoeken naar idealen, de periode van droomen
+en verwachtingen, van wenschen die nooit vervuld zullen worden. Dus
+kunnen wij ons voorstellen hoe zwaar de inwendige strijd moest zijn
+voor een' man als Tolstoi, met zijn zoo voor alle indrukken vatbare
+natuur. Hoe hoog die geest, gedragen door zijne fantasieën, zich
+kon verheffen boven deze aarde, maar ook hoe diep zij zinken kon,
+omlaag getrokken door zijne dierlijke instincten.
+
+Eene beschrijving van dezen inwendigen strijd geeft Tolstoi ons in
+zijne werken _Biecht_ en _Jongelingsjaren_.
+
+De gedachten, in het eerste werk uitgesproken door Nikoljenka
+Irtjenjeff, hebben zonder twijfel auto-biografische waarde. In
+_Jongelingsjaren_ zijn deze uitingen min of meer geïdealiseerd. Eenige
+van de belangrijkste ideeën laten wij hier volgen.
+
+"Ik zeide reeds, dat mijne vriendschap voor Dmitri mij een nieuwen blik
+op het leven gaf en mij leerde dat de taak der menschen hierin moet
+bestaan: steeds te streven naar het goede, naar het volmaakte. Eene
+taak die ons niet moeielijk en zeer goed uitvoerbaar scheen.
+
+"Er kwam een tijd, waarin die gedachten zóó heftig op mij instormden,
+dat ik plotseling begreep hoe lang ik reeds tevergeefs had geleefd. Van
+dat oogenblik af aan nam ik mij heilig voor die goede voornemens
+nooit meer te laten varen. Dat was, reken ik, het begin van mijn'
+jongelingstijd.
+
+"Ik was toen ongeveer zestien jaar. Nog steeds moest ik les nemen en
+gedwongen, tegen mijn' zin, werd ik klaar gemaakt voor de universiteit.
+
+"In dezen tijd van mijn leven namen mijne droomen de volgende vier
+gestalten aan: ten eerste, de liefde tot 'haar', de vrouw mijner
+fantasieën, van wie ik droomde en die ik ieder oogenblik verwachtte
+te zullen ontmoeten.
+
+"Ten tweede, de liefde tot de liefde. Ik wenschte dat iedereen mij
+kende, dat allen mij liefhadden, dat ik slechts mijn naam behoefde te
+noemen, opdat iedereen zou zijn getroffen, en dat allen mij omringden
+en mij ergens dankbaar voor waren.
+
+"Ten derde, de hoop op een groot, eervol geluk; en dat gevoel was
+zóó heftig, dat het bijna tot waanzin overging.
+
+"Ten vierde, en dat was wel de sterkste aandoening, de groote afkeer
+van mijzelf en diep berouw, maar een berouw dat zich paarde aan
+de hoop op geluk en mij niet droevig stemde. Ik genoot zelfs van
+den terugblik en trachtte hetgeen achter mij lag nog slechter te
+zien dan het geweest was. Hoe donkerder toch de herinnering aan het
+verleden, des te reiner en lichter deed zich het heden voor, in des
+te schitterender kleuren bloeide de toekomst voor mij op. Die stem
+van het berouw en die hartstochtelijke wensch naar volmaking waren
+de overheerschende gevoelens in dat tijdperk mijner ontwikkeling en
+deden mij mij zelf, de menschen en Gods aarde in een geheel nieuw
+licht aanschouwen. Gezegende, vertroostende stem, die zooveel malen in
+dien bangen, treurigen tijd, toen mijne ziel werd overwonnen door 's
+levens leugen en ontucht, zich plotseling moedig keerde tegen iedere
+onwaarheid, waarschuwend tegen het verleden, wijzend op het lichte
+heden, mij belovend het schoone, het geluk in de toekomst! Gezegende,
+vertroostende stem, kan het zijn dat gij ooit zult verstommen?"
+
+Wij weten, dat die stem, gelukkig voor hem en gelukkig voor ons, nog
+nooit heeft gezwegen; nog steeds roept zij ook ons naar het oneindig,
+lichtend ideaal.
+
+Deze fantasieën wijzen ons op dat idealistisch naturalisme, dat den
+grondslag vormt van het grootste gedeelte zijner werken.
+
+"Hooger en hooger, lichter en lichter stond de maan aan den hemel,
+glanzend glinsterde de vijver, helderder en helderder werd het,
+zwarter en zwarter de schaduw, waziger en waziger de lucht. Luisterende
+en starende voelde ik, dat 'zij', met hare blanke armen en vurige
+omhelzingen, nog zoo ver bleef, nog zoo ver van 't geluk, en mijn
+liefde tot haar nog zoo ver van de gelukzaligheid; en hoe langer ik
+staarde naar de klimmende, glanzende maan, des te hooger en hooger,
+reiner en reiner, dichter en dichter bij Hem, bij de bron van alle
+schoonheid en geluk, scheen mij de ware schoonheid, en de tranen
+van onbewust verlangen en tevens van blijde ontroering welden op in
+mijne oogen.
+
+"En ik was geheel alleen, en het scheen dat de geheimzinnig
+grootsche natuur de maan geheel in zich opnam, die, ergens hoog
+aan den bleek-blauwen hemel staande, met haar licht het gansche
+heelal overstroomde; en mij, nietigen worm, reeds bezoedeld door de
+kleinste en laagste menschelijke hartstochten, maar doordrongen van
+de onmetelijke kracht der liefde,--mij kwam het voor, alsof ik één
+werd met de maan en het licht in de natuur."
+
+Het is niet onbelangrijk voor ons, de namen te zien der schrijvers,
+die invloed hebben uitgeoefend op Leo Tolstoi in zijne jongelingsjaren:
+
+
+Namen der werken: Graad van invloed:
+
+_Het Evangelie van Mattheüs, _De Bergrede Buitengewoon groot.
+Sterne, _Sentimental Journey_ Zeer groot.
+Rousseau, _Confessions_, _Emile_ Buitengewoon groot.
+Rousseau, _La nouvelle Héloïse_ Zeer groot.
+Poeschkin, _Jewgheniï_, _Anjekin_ Zeer groot.
+Schiller, _Die Räuber_ Zeer groot.
+Gogol, _Schinel_, _Iw. Iw._ en _Iw. Nik._ Groot.
+Gogol, _Njewski Prospekt_, _Wi_, _Doode Zielen_ Zeer groot.
+Toerghenjeff, _Aanteekeningen van een Jager_ Zeer groot.
+Droezjinin, _Paulina Saks_ Zeer groot.
+Grigorowitsch, _Anton Gorjemika_ Zeer groot.
+Dickens, _David Copperfield_ Buitengewoon groot.
+Ljermontoff, _Helden van onzen tijd_, _Taman_ Zeer groot.
+Prescott, _History of the conquest of Mexico_ Groot.
+
+
+Naast de werken van deze schrijvers oefenden Tolstoi's
+levensomstandigheden een grooten invloed op hem uit en wel voornamelijk
+het begrip van _comme il faut_.
+
+In zijn _Jongelingsjaren_ wijdt hij daaraan een geheel hoofdstuk. Wij
+laten het voornaamste volgen.
+
+"Ik voel mij verplicht," zegt Tolstoi, "een geheel hoofdstuk te wijden
+aan dit meest leugenachtige en schadelijke van alle begrippen, mij
+bijgebracht door opvoeding en omgeving.
+
+"In den tijd, waarvan ik schrijf, verdeelde ik de menschen bij voorkeur
+in lieden, die ik _comme il faut_ of niet _comme il faut_ noemde. Deze
+tweede soort onderscheidde ik nog eens in menschen _comme il faut_
+op hunne wijze en in plebs. De lieden _comme il faut_ achtte ik en
+keurde ik waardig om mee om te gaan; de tweede soort haatte ik, maar
+ik deed alsof ik op hen neerzag; de derde soort bestond niet voor mij,
+die verachtte ik volkomen. Iemand, dien ik _comme il faut_ noemde,
+moest in de eerste plaats het Fransch volkomen machtig zijn en met
+zuiver accent spreken. Eene slechte uitspraak wekte dadelijk een
+gevoel van tegenzin in mij op. 'Waarom wilt ge spreken zooals wij,
+als ge het toch niet kunt?' dacht ik dan, inwendig spottend.
+
+"Een tweede voorwaarde om _comme il faut_ te zijn waren lange, goed
+verzorgde, schoone nagels; de derde, goed te kunnen buigen, dansen
+en converseeren, en de vierde, dat was de gewichtigste, het ten toon
+spreiden van eene groote onverschilligheid voor alle dingen en eene
+voortdurende betuiging van geringschattende verveling.
+
+"'t Is vreeselijk wanneer ik bedenk, hoeveel kostbaren tijd ik op
+zestienjarigen leeftijd, moeite doende om mij die eigenschappen te
+verwerven, verbeuzelde.
+
+"Maar niet die gouden tijd, dien ik verloor om geheel te kunnen voldoen
+aan de eischen, die het _comme il faut_ mij stelde en waardoor ik
+geen tijd meer overhield voor ernstige studie, ook niet de minachting
+waarmee ik neerzag op negen tienden der menschen, evenmin mijne
+blindheid voor het schoone dat buiten den kring van het _comme il faut_
+stond, dat alles was nog niet het ergste kwaad, waartoe deze opvatting
+mij bracht. Veel erger was het, dat ik mij verbeeldde, dat _comme
+il faut_ eene positie aanduidde in de maatschappij; dat een mensch
+_comme il faut_ zich geen moeite behoefde te geven om ambtenaar,
+wagenmaker, soldaat of geleerde te worden, dat hij, zoo hij aan
+dien eisch kon voldoen, volkomen aan zijne bestemming beantwoordde,
+ja zelfs ver boven het grootste gedeelte van het menschdom stond.
+
+"Op een zekeren tijd van ons leven, na 't begaan van menige
+onbezonnenheid, komt toch bijna voor ieder mensch het oogenblik
+dat hij zich gedrongen voelt zich te wijden aan een' werkkring in de
+maatschappij, maar bij den man _comme il faut_ ziet men dat zelden. Ik
+ken en kende heel veel reeds bejaarde, trotsche, zelfbewuste menschen,
+die op de vraag (gesteld dat ons die in de wereld hiernamaals gedaan
+werd): 'wat zijt gij? en wat deedt gij?', niet anders zouden kunnen
+antwoorden dan: 'Je fus un homme très comme il faut.'
+
+"Dat lot wachtte ook mij." [49]
+
+Zooals reeds gezegd is in het gesprek met den Duitscher Löwenfeld,
+boezemde de akademische studie Tolstoi heel weinig belang in, maar
+voelde hij den lust in zich opkomen tot zelfstandigen arbeid, hiertoe
+opgewekt door de vergelijking van de beide werken: _l'Esprit des Lois_
+van Montesquieu en de _Instructies_ van Catharina.
+
+Tolstoi's dagboek, dateerende uit dien tijd, staat vol aanteekeningen
+en opmerkingen over dien arbeid en daarnaast schreef hij een zee
+van gedachten neer, alsof zijn verstand tot nu toe had geslapen en,
+plotseling wakker geworden, zich met alles ging bezighouden.
+
+In Maart van het jaar 1847 lag Tolstoi wegens de een of andere ziekte
+in de kliniek te Kazan. Zijne gedwongen ledigheid en afzondering
+brachten hem tot nadenken en hij stelde zich de vraag, wat de
+eigenlijke beteekenis was van het verstand. Onze kring maakt slechts
+een deel uit van de wereld. Het verstand moet zich dus toetsen aan
+de _geheele_ wereld, moet de algemeene wetten erkennen en dan kan
+het onafhankelijk worden van dat onderdeel, van dien kring.
+
+Deze opmerking bewijst ons, dat de 18-jarige jonge man reeds de kiem
+bij zich droeg van het latere anarchisme.
+
+Toen Tolstoi in zich dien drang naar wetenschap bemerkte, legde hij
+zich, angstig dat hij zich in de theorie zou verliezen, dadelijk de
+vraag voor, hoe hij de theorie in dienst kon stellen van de praktijk,
+doch was zich tevens bewust dat hij in hoofdzaak moest trachten zich
+zelf in overeenstemming te brengen met het zedelijk ideaal.
+
+Zoo schrijft hij o.a. in Maart 1847 in zijn dagboek: "Ik ben veel
+veranderd, maar heb dien graad van volmaking nog niet bereikt, dien
+ik hoop te verkrijgen. Ik vervul niet wat ik mij heb voorgeschreven
+en wat ik ten uitvoer breng, dat doe ik niet goed; ik span mij niet
+genoeg in. Daarom schrijf ik mij nu eenige levensregels voor, die mij,
+zoo ik ze ga naleven, heel veel kunnen helpen.
+
+
+
+ I. Voleindig wat gij begint, hoeveel moeite het u ook kost.
+ II. Wat gij doet, doe dat goed.
+ III. Zoo gij iets hebt vergeten, haal het dan niet uit de boeken,
+ maar tracht het zelf uit te vinden.
+ IV. Laat uw verstand steeds werkzaam zijn zoo veel het kan.
+ V. Lees en denk steeds hardop.
+ VI. Durf den menschen, zoo zij u hinderen, te zeggen dat zij
+ u hinderen; geef eerst een' wenk, en zoo zij het niet begrijpen,
+ verontschuldig u dan, maar zeg het."
+
+
+
+Door de bestudeering der werken van Montesquieu en Catharina kwam
+hij tot de gevolgtrekking, dat in het laatste twee hoofdideeën op den
+voorgrond treden, d.w.z. de revolutionaire ideeën van het toenmalige
+Europa en het despotisme en de eerzucht van haar zelf; de laatste
+treedt het meest naar voren. De republikeinsche ideeën heeft zij
+ontleend aan Montesquieu. Resumeerende kwam hij tot het resultaat, dat
+de _Instructies_ Catharina meer roem dan Rusland nut hebben gebracht.
+
+Nadat hij besloten had de universiteit te verlaten en op het land te
+gaan leven, deed hij zich zelf de belofte zich verder te bekwamen
+in de Engelsche en Latijnsche taal en in het Romeinsche recht,
+waarschijnlijk voelende dat hij het daarin nog niet ver had gebracht.
+
+Hoe meer de tijd van zijn vertrek naderde, des te meer breidden
+zijn plannen en fantasieën zich uit en zoo schreef hij ten slotte 17
+April 1847 in zijn dagboek: "Er moet eene verandering in mijn leven
+komen, maar dat moet niet eene uitwendige maar eene inwendige, eene
+zielsverandering zijn", en verder:
+
+"Het geheele leven is een bewust streven naar eene algeheele
+ontwikkeling van het bestaande.
+
+"Het doel van mijn tweejarig dorpsleven is: 1. de studie van de
+rechtswetenschappen voor zoover noodig, voor het eindexamen van
+de universiteit; 2. de studie van de praktische en gedeeltelijk
+van de theoretische geneeskunde; 3. de studie der talen: Fransch,
+Russisch, Engelsch, Italiaansch, Duitsch en Latijn; 4. de studie der
+landhuishoudkunde, zoowel praktisch als theoretisch; 5. de studie
+der geschiedenis, aardrijkskunde en statistiek; 6. de studie der
+mathesis voor zoover die op het gymnasium verlangd wordt; 7. het
+schrijven van eene dissertatie; 8. trachten naar den hoogsten graad
+van volmaking in muziek en schilderkunst; 9. levensregels schrijven;
+10. het verkrijgen van eenige bedrevenheid in de natuurwetenschappen;
+11. geschriften samenstellen betreffende alles wat ik zal leeren."
+
+De twee jaren, die Tolstoi dus in zijn dorpje doorbracht, waren gevuld
+met het najagen dezer idealen en een voortdurenden strijd met zich
+zelf om de volmaking te bereiken.
+
+Met eene onnavolgbare oprechtheid wijst hij zich zelf op iedere
+afwijking van deze levensregels, op iederen terugval, en van voren af
+aan begint dan weer de strijd. De verhouding tot de vrouw verontrustte
+hem toen reeds en hij geeft zich zelf den volgenden raad:
+
+"Beschouw de aanwezigheid der vrouw in de samenleving als een
+noodzakelijk kwaad en vermijd haar zoo mogelijk.
+
+"Immers, hoe komen wij aan den wellust, de weekelijkheid,
+de lichtzinnigheid en die vele andere gebreken, zoo niet door
+haar. Aan wie de schuld dat wij de aangeboren neigingen verliezen,
+zooals onze vastberadenheid, onze kracht, onze bedachtzaamheid, onze
+waarheidsliefde en andere deugden, zoo niet aan haar. De vrouw is
+gevoeliger voor indrukken dan de man en daarom was zij in de tijden
+toen de deugd nog bestond beter dan wij, maar nu, in onze verdorven
+eeuw, is zij slechter."
+
+Ook hier zien wij in beginsel zijne latere begrippen.
+
+In dezen tijd deed Tolstoi de eerste schrede op 't gebied der
+filosofie, beginnende met een kommentaar te geven bij het _Discours_
+van Rousseau.
+
+Verder bestaat nog van hem _Het doel der Filosofie_, geschreven in
+1846-47, dus toen hij 18 jaar was.
+
+Deze filosofie zegt het volgende:
+
+"De mensch streeft, dus de mensch is werkzaam. Waarheen voert
+deze arbeid en hoe maken wij hem zelfstandig? Dit is het doel der
+filosofie in hare ware beteekenis, dus met andere woorden: filosofie
+is levenskunst".
+
+Behalve deze bestaan er nog losse gedachten als: _Bespiegelingen
+over het leven hiernamaals_; _Definitie van tijd, ruimte en getal_;
+_Methodes_; _Indeeling der filosofie_, enz.
+
+De volgende gebeurtenis, verteld door Gravin Tolstoi, heeft ook
+betrekking op dezen tijd.
+
+"In zijn' studententijd stelde Tolstoi zich eens de vraag: 'Wat is
+eigenlijk symmetrie?' en schreef daarover een filosofisch artikel. Dit
+lag toevallig op een stoel in zijne kamer toen een zekere Schoewaloff,
+een vriend der beide broers Tolstoi, met wijnflesschen in zijn zakken
+binnenkwam, om die gezamenlijk te ledigen. Toevallig zag hij het
+opstel en las het door. Het interesseerde hem en hij vroeg Tolstoi,
+waaruit hij het had overgeschreven. Schuchter antwoordde deze, dat
+het zijn eigen werk was. Schoewaloff begon te lachen en zeide dat het
+niet waar was en niet waar kon zijn. Het ging veel te diep en was te
+veel doordacht voor iemand van zijn' leeftijd. Hij ging weg zonder
+te willen gelooven dat Tolstoi de schrijver was."
+
+Ook dit kleine voorval wijst ons op Tolstoi's buitengewone
+ontwikkeling, die hem ver boven zijn' kring verhief.
+
+_Biecht_ van Tolstoi leert ons hoe hij dacht over geloof en godsdienst.
+
+"Ik herinner mij," zegt hij, "dat, toen bij mijn ouderen broer Dmitri
+plotseling de behoefte aan een godsdienstig leven ontwaakte en hij
+geregeld naar de kerk ging, de vasten hield, en een rein zedelijk leven
+ging leiden, zelfs de volwassenen hem daarom uitlachten, hem plaagden
+en hem Noach noemden. Ik weet nog dat Moesin Poeschkin, de toenmalige
+rector der universiteit, ons op een dansavondje verzocht en Dmitri,
+die bedankt had, lachend toevoegde dat David wel gedanst had voor de
+arke des verbonds. Ik begreep die scherts en maakte de gevolgtrekking,
+dat het noodig was zijn cathechismus te leeren, eveneens naar de kerk
+te gaan, maar tevens dat men die zaken niet al te ernstig behoefde
+op te nemen. Ik was nog heel jong toen ik Voltaire reeds las, en ik
+herinner mij nog dat diens bijtende spot mij niet alleen niet hinderde
+maar mij zelfs vermaakte.
+
+"Mijn afval van het geloof ging op dezelfde wijze in zijn werk
+als dat gebeurde, en ook thans nog gebeurt, bij alle menschen van
+onze ontwikkeling. Het gaat, dunkt mij, in de meeste gevallen zoo:
+de menschen leven, zooals allen leven, naar een vast grondbeginsel,
+dat niets gemeen heeft met hetgeen het geloof ons leert, maar zich
+in de meeste gevallen daar juist tegenover stelt. Deze leer van het
+geloof grijpt niet in in ons leven; in onze betrekkingen met andere
+menschen komt het niet voor dat wij met haar in botsing komen en wat
+ons eigen leven aangaat, behoeven we in 't geheel geen rekening met
+haar te houden. De geloofsleer slaat op iets, daar ergens ver van het
+werkelijke leven en los daarvan. Komen wij met haar in aanraking dan
+is dat oppervlakkig en beroert het niet ons innerlijk leven.
+
+"Men kon vroeger, evenmin als nu, uit het doen en laten der menschen
+opmaken of zij geloovig zijn of niet. Zoo er onderscheid bestaat
+tusschen hen die beweren rechtgeloovig te zijn en degenen, die dit
+ontkennen, dan pleit dat nog niet ten gunste van de eersten.
+
+"Want zoowel nu als vroeger ontmoet men onder degenen die zoo openlijk
+verklaren dat zij rechtgeloovig zijn, zeer vele stompzinnige, harde,
+met zich zelf ingenomen menschen, terwijl men verstand, eerlijkheid,
+goedhartigheid, waarheidsliefde en zedelijkheid grootendeels bij hen
+vindt, die zich zelf ongeloovigen noemen.
+
+"Op school wordt de cathechismus onderwezen en stuurt men de
+leerlingen naar de kerk; van den ambtenaar verlangt men een bewijs
+dat hij gecommuniceerd heeft. De mensch echter uit onzen kring, die
+niet meer studeert en niet in keizerlijken dienst is, kan thans, en
+vroeger was dit nog sterker, tien jaren en nog langer leven zonder
+dat hij er zich rekenschap van geeft dat hij in eene Christelijke
+maatschappij verkeert, en toch noemt hij zich een belijder van de
+Christelijke leer der rechtgeloovigen.
+
+"Het geloof, gegrond op uiterlijkheden en slechts op gezag door ons
+aangenomen, verdwijnt onder den invloed van de wetenschap en van het
+leven, die zich er tegenover stellen, en het gebeurt dat de mensch
+zich verbeeldt nog zeer geloovig te zijn, terwijl in hem geen spoor van
+dat geloof meer is achtergebleven, dat hem in zijn jeugd werd geleerd.
+
+"De godsdienst, mij in mijn jeugd onderwezen, verdween bij mij op
+dezelfde wijze als bij anderen, alleen met dit onderscheid dat ik
+reeds op mijn 15de jaar begon filosofische werken te lezen, zoodat
+mijn afval van het geloof reeds heel vroeg en bewust geschiedde. Op
+mijn 16de jaar ging ik uit eigen beweging niet meer naar de kerk,
+bad ik niet meer en hield ik mij niet aan de vasten.
+
+"Ik geloofde niet hetgeen men mij in mijn jeugd geleerd had, maar
+ik geloofde wel ergens in; waarin echter, dat had ik niet kunnen
+zeggen. Ik geloofde in God of liever ik verloochende Hem niet, maar
+welken God, dat had ik ook niet kunnen zeggen. Den Christus en zijne
+leer verloochende ik evenmin, maar waarin die leer bestond had ik
+ook niet kunnen verklaren.
+
+"Nu, dien tijd in mijn geheugen terugroepende, zie ik klaar, dat
+mijn geloof die kracht was die, behalve mijne dierlijke instincten,
+mijn leven heeft bestuurd.
+
+"Mijn eenig, mijn oprecht geloof in dien tijd was mijn vertrouwen
+in de volmaking. Maar waarin die bestond en welk doel zij had,
+ook dat had ik niet kunnen zeggen. Ik trachtte een vasten wil te
+verkrijgen, ik schreef mij levensregels voor, die ik wilde volgen;
+ook lichamelijk deed ik mijn best mij te volmaken door allerlei
+gymnastische oefeningen, en ik legde mij ontberingen op om te leeren
+dulden en lijden.
+
+"Dat alles noemde ik volmaking. Bovenaan stond natuurlijk de zedelijke
+volmaking, die weldra in eene algeheele overging. Ik wilde beter
+zijn, niet alleen voor mij zelf en voor God, maar ook voor 't oog der
+menschen. En al heel spoedig ging dit streven over in den wensch om
+sterker, krachtiger te zijn dan anderen, d.w.z. beroemder, machtiger,
+rijker."
+
+Dan volgt Tolstoi's diep berouw, dat ons al zijne zonden aantoont,
+maar ons tevens wijst op de verdorvenheid in eigen ziel, die misschien
+niet zoo'n groote afmeting aannam, maar die ook niet zoo oprecht
+werd beleden.
+
+"Eens zal ik de treffende en leerzame geschiedenis van de tien jaren
+van mijn jongelingschap vertellen. Ik denk dat velen, velen hetzelfde
+hebben ondervonden.
+
+"Met hart en ziel wenschte ik goed te zijn; maar ik was jong,
+hartstochtelijk, en ik stond alleen, geheel alleen, toen ik het
+goede zocht.
+
+"Telkens als ik trachtte te spreken over mijn' zielewensch om moreel
+goed te zijn, ontmoette ik spot en verachting, maar nauwlijks gaf ik
+mij over aan lage hartstochten, of men prees mij en dreef mij verder
+in die richting.
+
+"Eerzucht, machtsbegeerte, baatzucht, wellust, trots, toorn en
+wraakzucht, alles werd geprezen.
+
+"Toen ik mij overgaf aan die hartstochten, voelde ik, dat ik werd
+als de volwassenen, dat men over mij tevreden was. Mijne goede tante,
+het reinste wezen dat er bestond, met wie ik toen samenwoonde, zeide
+dikwijls tegen mij, dat zij niets liever zou wenschen, dan dat ik
+eene liaison aanknoopte met eene getrouwde vrouw, 'want,' zeide zij,
+'rien ne forme un jeune homme comme une liaison avec une femme comme
+il faut'. Zij wenschte mij nog meer toe, n.l. dat ik adjudant zou
+worden en dan liefst van den Keizer; verder dat ik een rijke vrouw zou
+trouwen en, als gevolg van dat huwelijk, zooveel mogelijk lijfeigenen
+zou houden.
+
+"Ik kan niet zonder schrik, afschuw en hartzeer aan die jaren
+terugdenken. Ik doodde menschen in den oorlog, ik duelleerde om
+te dooden, ik verspeelde veel geld, ik verbruikte hetgeen de boeren
+zwoegend voortbrachten, terwijl ik hen zwaar liet straffen; ik bedroog
+en gaf mij over aan ontucht, leugen, diefstal, echtbreuk van allerlei
+aard, dronkenschap, gewelddadigheid, moord... er was geen ondeugd,
+waaraan ik mij niet overgaf, en daarvoor prees men mij en noemde mij,
+zooals men nu ook nog zou doen, een betrekkelijk zedelijk mensch.
+
+"Zoo leefde ik tien jaren." [50]
+
+In 't begin van die stormachtige tienjarige periode woonde Tolstoi
+op het land.
+
+Hij trachtte in die jaren eene nieuwe richting in te slaan in de
+landhuishoudkunde, en dat wel in hoofdzaak, door de verhouding tot
+de lijfeigenen beter te regelen en hun lot te verlichten. Deze proef
+mislukte totaal, hetgeen wij vinden beschreven in zijn werk _Één morgen
+landheer_, dat een sterk autobiografisch karakter draagt. Wij laten
+daaruit een' brief volgen van vorst Njechljoedoff aan zijne tante:
+
+
+"Lieve Tante!
+
+"Ik heb een besluit genomen, dat over heel mijn verder leven zal
+beslissen. Ik heb de universiteit verlaten om mij aan het landleven
+te gaan wijden, daar ik voel daarvoor te zijn geboren. In 's hemels
+naam, lieve tante, lach mij niet uit! Gij zult zeggen, dat ik nog
+zoo jong ben, en misschien hebt gij gelijk en ben ik nog een knaap,
+hetgeen evenwel niet verhindert, dat ik den drang in mij voel goed
+te willen doen en van het goede te houden. Zooals ik u reeds schreef
+vond ik alles in de grootste wanorde. Bij de regeling der zaken
+kwam ik tot de ontdekking, dat het grootste kwaad schuilt in den
+beklagenswaardigen, armzaligen toestand, waarin de boeren verkeeren,
+een toestand die slechts met de grootste moeite en het grootste
+geduld is te verbeteren. Zoo gij maar eens twee van mijne boeren
+kondt zien en het leven dat zij met hunne familie leiden, dan zou
+dat u een betere verklaring van mijn voornemen geven, dan alles wat
+ik u kan vertellen. Is het niet mijn dure en heilige plicht zóó voor
+deze zevenhonderd menschen te zorgen, dat ik mij eens voor God zal
+kunnen verantwoorden? Is het geen schande hen over te laten aan de
+willekeur van den ruwen starost [51] en zijne handlangers?
+
+"Waarom zou ik in eene andere sfeer de gelegenheid zoeken nuttig te
+zijn en goed te doen, terwijl een edele, hooge plicht mij roept? Ik
+ben mij bewust een goede landheer te kunnen worden, daar men, om dat
+te zijn, zooals ik dat opvat, geen candidaatsdiploma of ambt noodig
+heeft dat gij zoo wenschelijk voor mij vindt. Lieve tante, maak voor
+mij geen eerzuchtige plannen, berust bij de gedachte, dat ik mijn
+eigen, maar een goeden weg volg, die mij, dat voel ik, naar het geluk
+zal voeren. Ik heb veel nagedacht over mijne toekomstige plichten,
+mij zelf levensregels voorgeschreven en, zoo God mij leven en kracht
+schenkt, dan zal ik mijne voornemens ten uitvoer brengen." [52]
+
+
+Al heeft Tolstoi in werkelijkheid dezen brief niet geschreven, dan
+zijn het toch dergelijke gedachten, die zijne jonge ziel bestormden
+en richting gaven aan zijn leven.
+
+Zooals wij weten, leden zijne plannen schipbreuk. En dat kon niet
+anders. Zijne oprechtheid kon het niet dulden, dat hij daar stond
+als de weldoener van zijne lijfeigenen, d.w.z. van deze tot aan
+het uiterste verwaarloosde lieden. Deze tegenstelling kon hij niet
+verdragen, en een hard en streng mensch worden (zooals zijne tante hem
+in den brief, waarmee zij hem antwoordde, ried) was hem ook onmogelijk,
+zoodat hij de eerste gelegenheid de beste aangreep om verandering in
+zijn leven te brengen.
+
+Tolstoi bracht den zomer door op Jasnaja Paljana. In den herfst
+ging hij naar Petersburg en deed daar in 't begin van 't jaar 1848
+zijn candidaats-examen. "In '48," zoo vertelt hij in een opstel
+over opvoeding, "deed ik candidaats-examen aan de akademie te
+St.-Petersburg. Ik wist niets in den letterlijken zin van 't woord en
+was eerst eenige weken van te voren met de voorbereiding begonnen. Ik
+sliep 's nachts niet en werd candidaat in het crimineel en burgerlijk
+recht, na eene voorbereiding van hoogstens een paar weken." [53]
+
+Löwenfeld laat Tolstoi het volgende van deze gebeurtenis vertellen:
+
+"Ik vond het heel prettig op het land met tante Tatjana. maar een
+onbestemde dorst naar wetenschap maakte zich weer van mij meester. Het
+was in 1848; ik was nog in 't geheel niet besloten wat ik zou doen. In
+St.-Petersburg stonden twee wegen voor mij open, n.l. bij 't leger gaan
+en den Hongaarschen veldtocht mee maken, of mijne studiën voltooien
+om naderhand ambtenaar te worden. De drang naar wetenschap was
+echter sterker dan mijne eerzucht en zoo nam ik de studie dan weer
+op. Ik deed zelfs twee examens, in de rechten, maar toen vervlogen
+al mijne voornemens weer. De lente kwam, en met haar de lokstem van
+het landleven, die mij naar ons landgoed terugriep." [54]
+
+Tolstoi's leven te St.-Petersburg kunnen wij het best beoordeelen uit
+de brieven aan zijn' broer Sergius, waarvan wij hier de belangrijkste
+laten volgen.
+
+13 Februari 1848 schreef hij:
+
+"Ik schrijf je dezen brief uit St. Petersburg, waar ik van plan ben
+eeuwig te blijven. Ik ben voornemens hier mijn examen te doen en dan
+ambtenaar te worden; als ik niet slaag (en alles kan gebeuren), dan zal
+ik eene lagere betrekking aannemen. Ik ken heel veel ambtenaren tweede
+klasse, die niet slechter zijn dan gij, die tot de eerste behoort. Het
+leven te St.-Petersburg heeft een grooten en goeden invloed op mij;
+ik raak hier gewend aan den arbeid en zonder dat ik het zelf heb
+gewild, is mijne dagverdeeling veranderd. Men kan hier niet niets doen,
+iedereen heeft zijne bezigheden. Allen werken, men vindt hier niemand
+die een leven van ledigheid leidt, en alleen kunt ge dat ook niet.
+
+"Ik weet wel, dat je het toch niet gelooft, dat ik veranderd ben, en
+dat je zegt: 'dat is nu al wel de twintigste maal, dat jij van plan
+verandert, van jou komt nooit wat terecht, jij bent een praatjesmaker';
+maar neen, ik ben nu heel anders veranderd dan vroeger. Toen zei ik:
+'kom, laat ik eens veranderen'. Maar nu zie ik, dat ik veranderd ben
+en ik zeg: 'ik _ben_ veranderd'.
+
+"'t Voornaamste is, dat ik nu ten volle overtuigd ben, dat theorie
+en filosofie niets zijn voor het leven; men moet positief leven,
+d.w.z. een praktisch mensch zijn. Het is eene groote stap, en eene
+verandering zooals er bij mij nog niet heeft plaats gegrepen.
+
+"Wanneer men jong is en wil leven, dan is St.-Petersburg de eenige
+plaats. Hoeveel richtingen kan men niet uit, en iedereen kan hier
+bevredigd worden; alles kan zich hier ontwikkelen en gemakkelijk,
+zonder eenige moeite. Wat het leven aangaat, dat is voor een ongetrouwd
+man niet duur; zelfs goedkooper dan in Moskou, behalve de woning. Groet
+al de onzen van mij en zeg hun, dat ik misschien, misschien ook niet,
+van den zomer bij hen kom; ik ben van plan dan vrij te nemen en de
+omstreken van Petersburg eens te gaan bekijken, en ook Helsingfors
+en Reval.
+
+"Schrijf mij toch eens, in 's hemelsnaam; ik zou graag willen weten,
+hoe gij en de anderen dit nieuws opnemen, en vraag hun mij ook eens
+te schrijven. Ik durf het zelf niet te doen, omdat ik zoo lang niets
+van mij heb laten hooren en ik nu vrees, dat ze boos op mij zijn. Ik
+voel me vooral bezwaard tegenover tante Tatjana; vraag haar voor mij
+om vergiffenis."
+
+Maar och, deze heilige voornemens zouden niet verwezenlijkt worden. Het
+moet Tolstoi vreemd hebben aangedaan neer te schrijven dat zijn
+broeder hem een praatjesmaker noemde, hetgeen hij bovendien zelf moest
+toegeven, zooals blijkt uit den brief van 1 Mei 1848 aan zijn' broeder:
+
+"Sergius, het is mij alsof ik je hoor zeggen, dat ik een praatjesmaker
+ben, en dan spreek je de waarheid. Ziehier wat ik tot stand heb
+gebracht. Ik reisde zonder eenige aanleiding naar Petersburg
+en deed daar niets anders dan leven, geld uitgeven en schulden
+maken. Dom! Onbeschrijflijk dom! Je kunt niet begrijpen hoe het mij
+kwelt. Vooral de _schulden_, die ik moet betalen en _liefst zoo spoedig
+mogelijk_, want doe ik het niet, dan verlies ik met het geld ook nog
+mijne goede reputatie. Tegen den eersten betaaldag heb ik 3500 roebel
+noodig: 1200 voor den voogdijraad, 1600 om mijne schulden te betalen
+en 700 voor levensonderhoud. Ik vrees, dat gij ach en wee zult roepen,
+maar wat moet ik doen? Iedereen kan een domheid begaan. Nu moet ik
+voor mijne vrijheid en mijne filosofie boeten. Wees barmhartig en
+help mij uit mijne valsche en ellendige positie; ik zit zonder een
+kopjéke en vol schulden.
+
+"Je weet waarschijnlijk, dat ons heele leger op marsch gaat en dat
+een gedeelte (twee corpsen) al over de grenzen is, men zegt reeds
+_in_ Weenen.
+
+"Eerst wilde ik mijn examen doen; ik heb er reeds twee afgelegd;
+maar nu ben ik van plan veranderd en ik zal als Junker [55] dienst
+nemen bij de garde-cavallerie. Het valt mij moeilijk je dit alles te
+schrijven, omdat ik weet, dat je van mij houdt en mijne domheid en
+mijne onstandvastigheid je verdriet doen. Onder 't schrijven van dezen
+brief stond ik eenige malen op en werd rood van schaamte. Jij zult het
+zelfde doen onder 't lezen, maar wat is er aan te doen! Het gebeurde
+kan men niet ongedaan maken en de toekomst zal van mij afhangen. God
+geve dat ik nog eens een ordentelijk mensch zal worden; ik zal er
+mijn best voor doen; het meest verwacht ik van den dienst, hij zal
+me aan een praktisch leven gewennen en ik moet, of ik wil of niet,
+dienen tot ik officier ben. Als het geluk wil dat het garde-regiment
+mee optrekt, dan kan de bevordering sneller gaan, en behoeft het
+geen twee jaren te duren. Het vertrek zal dan zijn einde Mei. Op
+'t oogenblik kan ik niets doen, ten eerste omdat ik geen geld heb,
+dat ik op 't oogenblik best kan gebruiken (zelfs veel), en ten tweede
+ontbreken mij eenige papieren, die te Jasnaja zijn; geef even order,
+ze mij te sturen en liefst zoo spoedig mogelijk. Wees niet boos op
+mij, bid ik je,--ik voel zelf maar al te goed, hoe weinig ik waard
+ben,--en doe zoo spoedig mogelijk wat ik je gevraagd heb.
+
+"Vaarwel. Laat tante dezen brief niet lezen, ik wil haar geen
+verdriet doen."
+
+Ook deze plannen werden spoedig weer opgegeven. In een van de volgende
+brieven aan zijn' broer schrijft Tolstoi:
+
+"In mijn laatsten brief schreef ik je veel domheden, waarvan wel
+de voornaamste is, dat ik van plan was dienst te nemen bij het
+garde-regiment. Ik heb dat plan laten varen, behalve voor het geval
+ik niet voor mijn examen mocht slagen, of de oorlog ernstig wordt."
+
+Waarschijnlijk vond hij den oorlog niet ernstig genoeg, want onder
+dienst ging hij niet.
+
+Met het voorjaar keerde hij weer naar Jasnaja Paljana terug, vergezeld
+van een zekeren Rudolf, een aan den drank verslaafden, talentvollen
+Duitschen musicus, met wien hij bij zijn vrienden Pjerfiljeff kennis
+had gemaakt. Hartstochtelijk wierp hij zich nu op de muziek.
+
+Tot aan zijn vertrek naar den Kaukasus in 1851 verdeelde Tolstoi zijn
+tijd tusschen Moskou en Jasnaja Paljana.
+
+Dit is het tijdperk van ascetisme, gevolgd door eene avontuurlijke
+periode van jacht, spel en uitgaan.
+
+In deze drie jaren heeft hij alles doorgemaakt wat een krachtige,
+begaafde, hartstochtelijke jonge man doorleven kan.
+
+Tolstoi hield in deze jaren zijn dagboek niet bij. Hij had er geen
+tijd voor. In de laatste helft van 1850 komt hij weer tot inkeer,
+en vol berouw en zelfverwijt neemt hij zich voor zijne herinneringen
+neer te schrijven van deze drie doelloos doorgebrachte jaren van zijn
+leven. Daar hij den lust in zich voelde opkomen om een geregeld leven
+te gaan leiden, schreef hij zichzelf eene dagverdeeling voor: zijn
+landgoed besturen, baden, dagboek, muziek, eten, uitrusten, lezen,
+baden, landgoed besturen.
+
+Het spreekt van zelf dat deze regels ook weer niet werden nageleefd
+en uit zijn dagboek blijkt, dat hij niet over zich zelf tevreden was.
+
+Deze strijd om zich zelf te overwinnen duurde maanden lang;
+herhaaldelijk maakten de booze hartstochten zich weder meester van hem.
+
+Zooals de verdrinkende naar een' stroohalm grijpt, zoo zocht hij
+steun bij verschillende gevoelens, die hem van den ondergang konden
+redden. Daar is b.v. zijne eigenliefde. "De menschen, die volgens
+mijne meening moreel lager staan dan ik, doen slechte dingen nog
+beter dan ik," schreef hij eens in zijn dagboek. Hierdoor begonnen
+die slechte dingen hem tegen te staan en hij deed ze niet meer.
+
+Ook het rustige landleven hielp hem dikwijls zijne hartstochten
+te overwinnen.
+
+'t Is opmerkelijk, dat de edele trekken van Tolstoi's karakter zelfs
+uitkwamen bij zulke lage dingen als b.v. het kaartspel. Dit was
+waarschijnlijk één van zijn heftigste hartstochten, doch hij hield
+zich stipt aan den regel: "alleen met rijke menschen te spelen",
+opdat het verlies den speler geene materieele schade zou doen lijden.
+
+
+
+Tolstoi verloor dikwijls de heerschappij over zich zelf, wat hem tot
+vertwijfeling bracht, maar telkens vatte hij weer moed en zoo lezen
+wij in zijn dagboek:
+
+"Ik leef, misschien met eene kleine uitzondering, geheel als het
+vee. Bijna al mijn bezigheden heb ik laten varen en mijn geestelijk
+peil daalt."
+
+Hij heeft er zelfs over gedacht, omdat hij in geldverlegenheid zat,
+zich met eene handelsonderneming, n.l. met een poststation te Toela,
+in te laten. Tot zijn geluk is er niets van gekomen, hetgeen hem
+veel onaangenaams heeft bespaard, wat onvermijdelijk zou geweest
+zijn bij zijne ongeschiktheid voor die bezigheid. Eens schreef hij,
+onder den indruk van zijn mislukt leven, in zijn dagboek:
+
+"De oorzaken van mijne mislukking zijn: 1 besluiteloosheid,
+d.w.z. gebrek aan energie, 2 zelfbedrog, 3 overijling, 4 valsche
+schaamte, 5 slechte neigingen, 6 verwardheid, 7 zucht tot navolging,
+8 onstandvastigheid, 9 onnadenkendheid."
+
+
+
+Den winter van '50/51 bracht Tolstoi grootendeels te Moskou door, van
+waar hij zijne tante Tatjana dikwijls schreef over de bijzonderheden
+van zijn leven, de inrichting van zijne kamer, in één woord, over de
+uiterlijkheden van zijn bestaan.
+
+"Mijne woning bestaat uit vier kamers: eene eetkamer, waar reeds een
+piano staat die ik heb gehuurd; een salon, gemeubileerd met een paar
+divans, notenhouten tafel en stoelen, met rood laken bekleed, en verder
+vier groote spiegels; een werkkamer, waar mijn schrijfbureau staat,
+een divan (die mij de dagen in 't geheugen roept, toen wij over dit
+meubelstuk disputeerden); eene slaapkamer, groot genoeg om tevens
+voor kleedkamer te dienen, en dan nog een kleine anti-chambre.
+
+"Ik dineer thuis met 'kool en brij,' [56] waarmee ik uitstekend
+tevreden ben. Wanneer ik nu nog onze confituren en naliwka [57] had,
+dan zou ik mij kunnen verbeelden thuis te zijn.
+
+"Ik heb eene slede gekocht voor 40 roebel, een zoogenaamden konschewni,
+die op 't oogenblik zeer en vogue is; Sergius zal wel weten wat het
+is. Met het tuig, dat ik ook gekocht heb, ziet alles er zeer elegant
+uit." [58]
+
+Uit den volgenden brief blijkt, dat zijne tante zeer bezorgd is
+over zijne vrienden en tracht hem van slecht gezelschap verwijderd
+te houden.
+
+"Waarom zijt ge toch zoo bevooroordeeld tegenover Isljenjeff? Is
+het om mij tegen hem in te nemen? Dat is overbodig, want hij is niet
+in Moskou.
+
+"Al het slechte, dat gij van het spel zegt, is volkomen waar. Ik
+denk er dikwijls aan en ik geloof dat ik het zal nalaten. Ik zeg
+'ik geloof,' maar hoop spoedig zeker te kunnen zeggen dat ik het niet
+meer doe.
+
+"Uw oordeel over de samenleving is zeer juist, evenals alles wat gij
+in uwe brieven zegt; primo, omdat gij schrijft als Mme de Sévigné,
+secundo, omdat ik, zooals altijd, niet kan disputeeren. Gij zegt ook
+veel goeds van mij. Ik ben overtuigd, dat die loftuitingen evenveel
+goed als kwaad doen. Goed, omdat ik mijn best zal doen die goede
+hoedanigheden te behouden, die gij in mij prijst, en kwaad omdat
+het mijne eigenliefde bevordert. Ik ben echter zeker, dat uw lof mij
+slechts beter zal maken--natuurlijk voor zoover ik hem verdien--omdat
+hij in de pen wordt gegeven door eene oprechte vriendschap. Gedurende
+mijn verblijf in Moskou meen ik dien reeds te hebben verdiend; ik
+ben over mijzelf tevreden."
+
+Tolstoi keerde terug naar Jasnaja Paljana, om daarna in 1851 weer naar
+Moskou te reizen. In zijn dagboek schrijft hij, dat het doel van die
+reis drieledig was: het spel, een huwelijk en een sollicitatie naar
+eene betrekking. Alles mislukte. Hij speelde niet, omdat hij er een'
+tegenzin in kreeg. Van het huwelijk kwam niets, omdat de drie factoren,
+die hij daarvoor noodig achtte, liefde, praktisch overleg of toeval,
+ontbraken. De betrekking kreeg hij niet omdat hij niet in 't bezit
+was van eenige noodige papieren.
+
+Tijdens dit oponthoud in Moskou schreef hij zijne tante den volgenden
+brief:
+
+"De auteur van een boek, dat ik onlangs las, beweert daarin,
+dat de nadering van de lente van invloed is op het moreel der
+menschen. Tegelijk met de natuur is het ons of wij opnieuw geboren
+worden. Men betreurt het verleden, den slecht gebruikten tijd,
+men heeft berouw over zijne zwakheid en de toekomst doemt helder
+op. Men wordt beter, moreel beter. Wat mij betreft is dat volkomen
+waar. Sedert ik een onafhankelijk bestaan begon te leiden, vond de
+lente mij altijd in de beste conditie. Zoo bleef ik dan langer of
+korter tijd; dan kwam de winter, die altijd een steen des aanstoots
+voor mij is geweest. Wanneer ik de verschillende winters herdenk,
+dan is de laatste zeker wel de aangenaamste en de verstandigste, dien
+ik beleefd heb. Ik heb me geamuseerd, kwam in gezelschap, heb aardige
+herinneringen behouden en met dat al mijne financiën niet in wanorde,
+weliswaar ook niet in orde gebracht."
+
+De volgende brief, naar aanleiding van de terugkomst van zijn' broer
+Nikolaas uit den Kaukasus, luidt:
+
+"De aankomst van Nikolaas was eene aangename verrassing voor mij,
+omdat ik reeds bijna de hoop had opgegeven hem nog bij mij te zien. Ik
+was zoo blij hem te zien, dat ik mijne plichten, of liever gezegd,
+mijne gewoonten er bijna om had verwaarloosd.
+
+"Nu ben ik weer alleen, en alleen in den waren zin van 't woord; ik ga
+nergens heen en ontvang niemand. Ik maak plannen voor de lente en den
+zomer; keurt gij ze goed? Einde Mei kom ik naar Jasnaja, blijf daar
+een maand of wat, zal mijn best doen Nikolaas daar zoo lang mogelijk
+vast te houden, en dan eene reis met hem maken door den Kaukasus." [59]
+
+
+
+Plotseling, te midden van zijne stormachtige wereldsche
+genietingen, als spel, wellust, enz., kwam het tijdperk van boete
+en godsdienstzin. IJverig vervulde hij zijne kerkelijke plichten,
+hield de vasten en maakte zelfs preeken, die natuurlijk ongelezen
+bleven. In dezen tijd begon de kunstenaar-auteur zich te openbaren.
+
+Reeds in 1850 dacht hij er over een werk over zijn "vie de Bohême"
+te schrijven. Eene andere gedachte was bij hem wakker geroepen door
+het lezen van Sterne's _Sentimental Journey_, n.l. iets dergelijks
+te schrijven.
+
+Eens zat hij voor het venster en keek naar alles wat op straat voorbij
+ging: "daar loopt een wachter, wat zou hij voor iemand zijn, en wat
+voor een leven zou hij leiden? Daar gaat een wagen, wie zou er in
+zitten, waar zou hij heenrijden, waar denkt hij aan? Wie zouden er
+in dat huis wonen en hoe zou hun innerlijk leven zijn?...
+
+"Wat zou het interessant zijn, dit alles neer te schrijven en welk
+een belangwekkend boek zou het niet worden!"
+
+Tolstoi's plotselinge afreis naar den Kaukasus maakte wederom een einde
+aan deze aan afwisseling rijke, gevaarlijke periode van zijn leven.
+
+
+
+
+
+
+DERDE DEEL.
+
+KRIJGSDIENST.
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+KAUKASUS.
+
+
+Tolstoi's mislukte pogingen op landhuishoudkundig gebied, de
+onmogelijkheid om in de gewenschte verhouding tot zijne lijfeigenen te
+komen, zijn hartstochtelijk, gevaarlijk, in alle opzichten verwilderd
+leven, brachten hem eindelijk tot het besef, dat het zoo niet blijven
+kon. Zijn leven was zóó verward, hij zelf was zóó gezonken, dat
+hij alles wel aan wilde grijpen om het te veranderen. Zijn zwager,
+toen nog de verloofde van zijne zuster, moest vóór zijn huwelijk nog
+eenige zaken in Siberië regelen. Hij had afscheid genomen en was reeds
+onderweg, toen plotseling Tolstoi bij hem in den reiswagen sprong,
+en wij gelooven dat het alleen aan de omstandigheid dat hij muts en
+pels vergeten had te danken is, dat hij niet met zijn' zwager meeging.
+
+Eindelijk gebeurde er iets, dat hem in de gelegenheid stelde een ander
+leven te beginnen. Zijn oudste broer Nikolaas, die als officier in
+'t leger diende, was met verlof uit den Kaukasus overgekomen. Tolstoi
+nam het besluit, en volvoerde dat ook, om met hem terug te keeren.
+
+Den 20en April 1851 vertrokken zij van Jasjana Paljana naar Moskou,
+waar zij eenige weken vertoefden, en vanwaar hij den volgenden brief
+schreef:
+
+
+
+"Ik heb op de promenade van Sakolnik gewandeld, maar het was zulk
+een afschuwelijk weer, dat ik tot mijne spijt niet ééne dame uit
+onzen kring heb gezien. Gij beweert altijd, dat ik iemand ben die van
+proefnemingen houdt. Nu, ik heb me onder 't plebs begeven, waar de
+Zigeuners hunne tenten opslaan. Gij kunt u levendig voorstellen welk
+een' strijd ik daar moest strijden, maar ik ben overwinnaar gebleven,
+d.w.z. ik heb de vroolijke afstammelingen van de doorluchtige Pharao's
+niets dan mijn' zegen achtergelaten. Nikolaas vindt, dat ik een zeer
+aangename reisgenoot ben; alleen ergert hij zich dat ik, zooals hij
+zich uitdrukt, twaalf maal per dag mijn linnen verwissel. Ik vind
+hem ook aangenaam op reis, alleen niet zindelijk genoeg. Ik weet niet
+wie van ons beiden gelijk heeft." [60]
+
+Van Moskou gingen zij naar Kazan, waar zij Joeschkoff, den man van
+hunne tante Pelageja, en ook nog eene vriendin van deze laatste, de
+origineele, verstandige Zagoskina, de directrice van het Kazansche
+vrouwen-instituut, opzochten.
+
+Bij deze Zagoskina kwamen zeer veel jongelui _comme il faut_
+aan huis, o.a. de procureur Ogolin, met wien Tolstoi eene bijna
+vriendschappelijke betrekking aanknoopte. Samen gingen zij Joeschkoff
+op zijn landgoed een bezoek brengen, waarbij zich het volgende
+vermakelijke incident voordeed:
+
+"Gij kunt u nauwelijks," zoo vertelt Tolstoi, "de verbazing voorstellen
+van mijn' oom, toen hij Ogolin, den altijd keurigen, correcten,
+in uniform met kruis en lint gekleeden Ogolin onder de volgende
+omstandigheden bij zich zag. Wij waren voorgereden, en terwijl
+de knecht ons aandiende stelde ik Ogolin voor eens te probeeren,
+wie het vlugst in een der tegenover het huis staande berkeboomen kon
+klimmen. Het duurde lang voordat mijn oom, die daar juist op aan kwam,
+van zijne verbazing was bekomen."
+
+Volgens Tolstoi's eigen woorden was in dien tijd zijn oordeel over
+menschen en dingen nog zeer oppervlakkig en lichtzinnig, hetgeen zijn
+broer Nikolaas hem zoo nu en dan liet voelen. Zoo kwamen zij eens op
+eene wandeling een rijtuig tegen waarin een heer zat, die met zijne
+beide ongehandschoende handen op zijn stok leunde.
+
+"Wat een poen," zei Tolstoi.
+
+"Waarom?" vroeg Nikolaas.
+
+"Hij heeft niet eens handschoenen aan!"
+
+"En denk je dat hij daarom een poen is?", antwoordde
+Nikolaas met zijn fijn, nauwelijks zichtbaar glimlachje.
+
+Nikolaas dacht en handelde geheel anders dan andere menschen, en deed
+eenvoudig wat hij goed oordeelde. Zoo kwam hij op het denkbeeld niet de
+gewone reisroute te volgen, maar te paard tot Saratoff te gaan, vandaar
+per schuit langs de Wolga naar Astrakan, en dan met de postkoets naar
+de plaats hunner bestemming. Zoo geschiedde het. In Saratoff namen
+zij eene schuit, laadden daar den reiswagen op, en met behulp van een'
+loods en twee roeiers zakten zij, soms zeilende, soms drijvende, dan
+weer roeiende, den stroom af. Na eene reis van een paar weken bereikten
+zij Astrakan, vanwaar Tolstoi zijne tante den volgenden brief stuurde:
+
+"Wij zijn nu in Astrakan en hebben nog wel een 400 K.M. voor
+den boeg. In Kazan heb ik het zoo prettig mogelijk gehad. Tot aan
+Saratoff was de reis onaangenaam, maar als vergoeding kregen wij het
+poëtische boottochtje tot Astrakan, bekoorlijk door de afwisseling en
+de eigenaardige manier van reizen. Gisteren heb ik Maria een langen
+brief over mijn verblijf te Kazan geschreven. Om niet in herhalingen
+te vervallen, vertel ik er u niets van. Tot nu toe bevalt de reis
+me heel goed. Ik heb veel in mijn hoofd om over na te denken en de
+afwisseling op zich zelf is mij reeds aangenaam. In Moskou heb ik me
+geabonneerd, zoodat ik overvloed van lectuur heb. Ik lees veel, zelfs
+in den reiswagen. Verder draagt het gezelschap van Nikolaas, zooals
+ge wel kunt denken, veel tot mijn genoegen bij. Met mijne gedachten
+ben ik steeds bij u allen, en soms maak ik me er een verwijt van, het
+leven, dat uwe liefde mij zoo aangenaam maakte, te hebben verlaten;
+gelukkig is het maar tijdelijk en het weerzien zal des te prettiger
+zijn. Zoo ik meer tijd had gehad zou ik Sergius ook hebben geschreven;
+daar wacht ik nu liever mee, tot ik ter plaatse en meer op mijn gemak
+ben. Groet hem van mij en zeg hem, dat het mij zeer spijt dat er in
+den laatsten tijd eene verkoeling tusschen ons is ontstaan, waarvan
+alleen ik de schuld draag." [61]
+
+
+
+Om den lezer een duidelijk begrip te geven van Tolstoi's leven in,
+en van zijne vertellingen over den Kaukasus, laten wij hier met een
+paar woorden volgen, wat onder den Kaukasus moet worden verstaan.
+
+Het Russische rijk had zich inwendig versterkt, om in staat te zijn
+de Tartaarsche bevolking te beoorlogen. De Russen begonnen met de
+Tartaren naar het Zuid-Oosten terug te dringen en stootten, na het
+Kazansche en Astrakansche rijk te hebben overwonnen, op de wilde
+bergbewoners van het noordelijke deel van den Kaukasus. In het begin
+der 19de eeuw werd ter hunner bestrijding op den linkeroever van de
+Tjerek en op den rechter van de Koeban eene geheele linie kozakken
+gestationeerd. Het meer zuidelijk gelegen Groezintische rijk, dat tot
+nu toe onafhankelijk was geweest, onder een eigen vorst, Gherakli II,
+werd door de Russen overwonnen. Om politieke redenen was het gewenscht
+de bergbewoners, zich ophoudende tusschen Groezië en Rusland, aan
+het Russisch gezag te onderwerpen, waardoor een strijd ontbrandde,
+die meer dan 50 jaren duurde. De Russen, gelegerd op de oevers van
+de Tjerek en de Koeban, schoven langzaam op naar de bergen, maar
+grootendeels beperkte de strijd zich tot plotselinge overrompelingen
+van de woonplaatsen der bergbewoners. Het vee werd meegenomen, de
+weiden vertrapt, zooveel mogelijk gevangenen werden gemaakt en dan
+trokken de Russen weer terug naar hun stanitza [62]. De bergbewoners
+van hun' kant lieten zich ook niet onbetuigd: zij vervolgden den
+vijand en brachten hem groote verliezen toe. Zij verborgen zich achter
+wallen, in bosschen en spelonken van 't gebergte, kwamen dan op het
+onverwachtst te voorschijn en drongen zelfs door in de stanitza, waar
+zij een groote slachting aanrichtten en veel gevangenen maakten,
+mannen zoowel als vrouwen. Er kwamen oogenblikken dat de strijd
+verflauwde, om daarna echter weer des te verwoeder los te breken onder
+den invloed van eenige fanatieke leiders, die de bergbewoners, onder
+voorwendsel dat zij een heiligen strijd tegen ongeloovigen streden,
+steeds opnieuw tot den oorlog aanvuurden. De allergrootste verliezen
+werden den Russen toegebracht door de Tschetschenskische bevolking,
+die zich ophield in de boschrijke vlakten gelegen aan de zijrivieren
+van de Tjerek en in de woeste bergen van Itschkerië.
+
+De aanvallen van den kant der Russen waren heftiger of zwakker,
+naarmate hunne aanvoerders meer of minder krachtige persoonlijkheden
+waren.
+
+In 1856 namen de zaken een anderen keer, door het optreden van den
+stadhouder van den Kaukasus, vorst Barjatjinski, die zeer veel invloed
+had op Keizer Alexander II. Hij verzamelde een leger van 200.000 man
+(meer dan daar ooit te zamen was geweest) en liet een groot gedeelte
+er van optrekken tegen Tschetschna, Itschkerië en Daghestan, streken
+die in handen waren van den bekenden Schamil. Deze Schamil, die door
+de bergbewoners om zijn moed, geestkracht en vastberadenheid als een
+god werd aangebeden, moest het onderspit delven voor de voor niets
+terugwijkende overmacht van het Russische leger onder Jewdokimoff. In
+het jaar 1857 viel Schamils residentie, en in 1859 moest hij zelf
+zich met zijne nieuwe vesting Daghestanskaja aan vorst Barjatjinski
+overgeven.
+
+
+
+In 1850 werd bovengenoemde vorst opperbevelhebber van den linkervleugel
+van het Kaukasische leger.
+
+De aankomst van Leo Tolstoi in den Kaukasus, viel voor in dezen tijd
+en daarop hebben ook de verhalen _De Overrompeling_, _De Kozakken_
+en andere betrekking.
+
+De beide broers reisden van Astrakan in eene postkoets over Kizljar
+naar Starogladowskaja, de plaats hunner bestemming, waar Tolstoi,
+die als particulier persoon in den Kaukasus aankwam, bij zijn'
+broeder ging inwonen.
+
+De eerste indruk, dien hij van den Kaukasus kreeg, was niet
+schitterend. Spoedig na aankomst schreef hij zijne tante:
+
+"Einde Mei ben ik hier in het kamp aangekomen. Ik heb nu van nabij het
+leven gezien dat Nikolaas leidt en kennis gemaakt met de officieren van
+zijn' kring. Dat leven trekt mij niet erg aan, evenmin als het land,
+dat ik me heel mooi had voorgesteld en het absoluut niet is. Daar
+de stanitza op een laag terrein ligt, hebben we in 't geheel geen
+uitzicht; het logies is slecht en ontbloot van alle comfort.
+
+"Wat de officieren betreft, die zijn, zooals ge u kunt voorstellen,
+menschen zonder opvoeding maar dapper, en zij houden over 't algemeen
+heel veel van Nikolaas.
+
+"Alexejeff, zijn chef, is een klein, rossig, goedig mannetje met
+snor en bakkebaarden en een doordringende stem; hij herinnert even
+aan A. S. Wolkoff, maar is niet zoo'n huichelaar. De jonge officier
+W.... is een kind, maar een goed kind, die aan Petroescha doet
+denken. Dan Bjelkowski, een oude kapitein der Kozakken uit den Oeral,
+een eenvoudige man, maar een dapper en braaf soldaat. Ik wil u wel
+eerlijk bekennen, dat er in 't begin heel veel was in dit gezelschap
+dat mij niet aangenaam aandeed; nu ben ik er echter aan gewend,
+maar ik zal toch nooit intiem met die heeren worden.
+
+"Ik heb het middel gevonden--daarvoor behoef ik slechts Nikolaas'
+voorbeeld te volgen--om noch te veel op een afstand, noch te familiaar
+met hen om te gaan." [63]
+
+In Starogladowskaja bleef Tolstoi niet lang, daar hij zijn' broer
+vergezelde, die ter dekking van de gewonden naar Stari-Joert werd
+gezonden, waar juist een warm-waterbron was ontdekt. Volgens Tolstoi's
+verhalen is Stari-Joert een bijzonder mooi gelegen plaatsje, met
+ongeveer 1500 inwoners. Even hooger bevindt zich de staalbron, die,
+naar men gelooft, nog meer geneeskracht heeft dan de Pjatigorkische
+bronnen. De temperatuur van het water is zóó hoog, dat, toen de hond
+van Nikolaas Tolstoi er eens in viel, hij zulke hevige brandwonden
+kreeg dat hij er aan stierf.
+
+De bron verdeelt zich in eene menigte kleine beekjes, zóó ondiep
+dat men ze gemakkelijk kan afdammen. De inwoners gebruiken ze als
+drijfkracht voor hunne molens.
+
+De volgende brief, door Tolstoi aan zijne tante geschreven, zal ons
+daar meer van vertellen.
+
+"Nikolaas moest een week na aankomst weer verder, en ik ben met hem
+meegegaan. We zijn nu sedert drie weken hier, en wonen in eene tent,
+wat mij, daar het weer heel mooi is en ik reeds begin te gewennen, heel
+goed bevalt. Men heeft hier prachtige vergezichten van de bron uit.
+
+"'t Is een enorme, steenachtige berg; sommige rotsen liggen, een
+soort van grot vormend, los op elkaar, andere weer blijven op groote
+hoogte hangen. Zij zijn los gescheurd door den stroom warm water,
+die steeds met veel geraas neerstort. Een witte damp, die uit het
+warme water opstijgt, omringt voortdurend het hoogere gedeelte van den
+berg. Het water is zoo warm dat een ei in drie minuten gekookt is. Een
+schilderachtig effect maken drie eigenaardig geconstrueerde molens die,
+in 't midden van het ravijn, in den hoofdstroom staan. De vrouwen van
+de Tartaren loopen den geheelen dag af en aan om daar hunne kleeren
+te wasschen. Verbeeld u, zij wasschen met hunne voeten. Het lijkt
+precies een groote mierenhoop. De vrouwen zijn over 't algemeen
+mooi en goed gebouwd; hare Oostersche kleeding is armoedig maar
+sierlijk. De schilderachtige groepjes van deze vrouwen, gevoegd bij
+de wilde schoonheid van de natuur, levert werkelijk een prachtigen
+aanblik op. Soms zit ik uren het landschap te bewonderen. Boven op
+den berg is het uitzicht nog mooier en weer geheel anders, maar--ik
+vrees dat ik u met mijne beschrijvingen ga vervelen.
+
+"Ik vind het heel aangenaam dat ik bij de bronnen ben en profiteer er
+van, neem staalbaden en heb nu geen pijn meer in mijne voeten. Steeds
+had ik last van rheumatiek en ik geloof dat ik met ons watertochtje nog
+meer kou heb gevat. Zelden heb ik me zoo goed gevoeld als tegenwoordig
+en ondanks de groote hitte neem ik veel beweging.
+
+"Er zijn hier veel officieren, van 't zelfde soort als die ik u
+vroeger heb beschreven. Ik ken ze allen en sta op den zelfden voet
+met hen als met de anderen." [64]
+
+
+
+Van uit Stari-Joert nam Tolstoi als vrijwilliger deel aan de
+strooptochten die tegen de bergbewoners werden ondernomen. Deze tijd
+schonk hem oogenblikken van poëtische verrukking; daarvan lezen wij
+in zijn dagboek:
+
+
+
+Stari-Joert, 11 Juni 1851.
+
+"Gisteren nacht heb ik geen oog dicht gedaan. Nadat ik mijn dagboek had
+bijgewerkt, deed ik mijn gebed. Het is mij niet mogelijk het zalige
+gevoel te beschrijven dat mij daarbij doortrilde. Ik begon met het
+Onze Vader en de andere gebeden, die ik gewoonlijk zeg, doch bleef
+daarna nog lang in gepeins verzonken. Indien men het gebed als een
+verzoek of eene dankzegging beschouwt, dan bad ik niet. Ik verlangde
+iets onzegbaar hoogs en verhevens, maar uiten kon ik het niet, hoewel
+het mij zelf heel duidelijk was wat ik wenschte; ik wilde gelijk
+worden aan een bovenaardsch wezen en smeekte God mij mijne zonden
+te vergeven; neen, dat vroeg ik niet, want ik voelde dat, waar mij
+deze zalige oogenblikken geschonken werden, mijne zonden reeds waren
+vergeven. Ik bad en tevens voelde ik dat ik niet behoefde te bidden,
+dat ik er niet toe in staat was en dat ik het niet kon. Ik dankte
+God, maar zwijgend, niet met woorden. Mijn ziel was één gebed, één
+dankzegging. Het gevoel van angst was geheel verdwenen. Geen Geloof,
+geen Hoop, geen Liefde maakte zich los van dit alles overheerschende
+gevoel. Stil,--dit was het gevoel, dat mij gisterenavond beheerschte:
+het was de liefde tot God, de liefde die alles wat goed is in zich
+heeft, die alles wat slecht is van zich verwijdert. Hoe vreeselijk was
+het mij te blikken naar die lage, slechte zijde van het leven, en hoe
+onbegrijpelijk dat ik mij ooit door haar liet meesleepen! Hoe innig
+bad ik God, mij in zijne hoede te nemen. Ik voelde mij los worden van
+de aarde, ik was ... maar neen, het aardsche, het lage herkreeg reeds
+weer zijn macht over mij, en nauwelijks was er een uur verloopen of,
+bijna zoo duidelijk alsof ik haar hoorde, lokte de stem van het lage,
+de stem van de ijdelheid mij; ik wist waar die stem vandaan kwam,
+ik wist dat zij mijne zaligheid zou verwoesten, dat ik zou strijden,
+maar dat zij zou overwinnen. Ik sliep in en droomde van macht en van
+vrouwen; maar ik had geen schuld, ik kon niet anders.
+
+"De eeuwige zaligheid is hier op aarde niet te bereiken. Wij moeten
+lijden. Waarom? Ik weet het niet. En hoe durf ik zelfs zeggen:
+ik weet het niet. Hoe waagde ik het te denken dat ik de wegen
+der Voorzienigheid zou kunnen doorgronden. Zij is de bron van het
+verstand, en het verstand wil haar begrijpen.... Het verstand verdwaalt
+langs de afgronden van deze wijsheid en het gevoel vreest haar te
+beleedigen. Ik dank God voor dat oogenblik van zaligheid, waarin
+hij mij mijne grootheid en mijne kleinheid liet aanschouwen. Ik wil
+bidden maar ik kan niet. Ik wil begrijpen maar ik kan het niet. Heer,
+in Uwe handen beveel ik mijne ziel!
+
+"Waarom heb ik dit alles neergeschreven?
+
+"Hoe laag bij den grond, hoe zinneloos heb ik mijne gedachten
+uitgedrukt, en zij waren toch zoo hoog!"
+
+Deze vlagen van religieuse verrukking veranderden dikwijls in angst
+en apathie. Den 2den Juni, nog steeds in Stari-Joert, schreef hij in
+zijn dagboek:
+
+"Nu denk ik, wanneer ik mij al die droevige oogenblikken uit mijn leven
+te binnen breng, die mij als lood terneer drukken ... maar neen, er is
+reeds te weinig vreugde in het leven, veel te gemakkelijk te bereiken
+stelt de mensch zich het geluk voor, veel te vaak--en waarom?--slaat
+ons het noodlot, weerklinkt smartelijk in ons de gevoeligste snaar,
+dan dat wij het leven nog lief konden hebben; en daarbij, er ligt iets
+zoets, iets verhevens in de onverschilligheid tegenover het leven,
+en ik geniet van die gevoelens. Hoe sterk voel ik mij tegenover de
+vaste overtuiging, dat ons niets meer wacht dan de dood; en dadelijk
+daarna herinner ik mij met blijdschap, dat mijn paard mij wacht, dat
+ik naar Tscherkesk zal rijden, de vrouwen zal naloopen, en het maakt
+me wanhopig, dat de eene punt van mijn snor hooger reikt dan de andere,
+en twee volle uren sta ik voor den spiegel om dit te veranderen."
+
+
+
+Tolstoi veranderde verschillende malen van verblijfplaats, omdat
+zijn broer Nikolaas, wiens standplaats eigenlijk Starogladowskaja
+was, dikwijls naar Stari-Joert werd gezonden en hij hem dan steeds
+vergezelde.
+
+Door het feit, dat de schilderachtige beschrijvingen in Tolstoi's
+eerste werken alle op Stari-Joert betrekking hebben, heeft dit
+plaatsje eene historische vermaardheid verkregen. De prachtige natuur
+van het noordelijk gedeelte van den Kaukasus, de bergen, de Tjerek,
+de onverschrokkenheid van de Kozakken, hunne primitieve leefwijze,
+alles werkte mee om zijn genie, steeds strijdende voor het ideaal der
+waarheid, den weg te wijzen. In zijn werk _De Kozakken_ beschrijft
+Tolstoi den overweldigenden indruk, dien de grootsche natuur op
+hem maakte.
+
+"Het was een klare, heldere morgen. Plotseling zag Oljenin, zooals
+hij eerst meende op nauwelijks twintig schreden afstand, de omtrekken
+van iets overweldigend groots, smetteloos wit, zich vaag, in grillige
+lijnen afteekenend tegen den ver verwijderden hemel. Maar toen hij
+begreep dat er een groote afstand was tusschen hem en de bergen en
+hij doordrongen werd van hun onuitsprekelijke schoonheid, toen was
+het hem alsof hij droomde. Hij stond op om geheel wakker te worden,
+en zie--de bergen bleven.
+
+"'Wat, wat is dat?' vroeg hij zijn' begeleider.
+
+"'Natuurlijk bergen,' antwoordde de drijver.
+
+"'Ik heb er ook reeds lang naar gekeken,' zei Wanjoescha. 'Wat zijn
+ze mooi! Thuis zouden zij het niet kunnen gelooven.'
+
+"Steeds verder en verder scheen de bergketen, waarvan de toppen door
+de morgenzon zacht rose werden getint, bij de snelle nadering van de
+troika terug te wijken. Eerst was het bewondering, toen verrukking
+die Oljenin aangreep op het gezicht van deze sneeuwbergen. En turende
+naar de blanke toppen der bergen, oprijzende uit de steppen, begon
+hij te begrijpen, werd hij geheel doordrongen van hunne grootsche
+schoonheid. En alles wat hij zag op den weg en alles wat hij dacht
+zag hij in het licht van die verheven bergen. Zij verdreven alles uit
+zijne herinnering, zijne dwalingen, zijne droomen, zijne schande en
+zijn berouw, alles was als weggevaagd. 'Heden begint gij te leven,'
+fluisterde eene geheimzinnige stem. En de weg en de kronkelende
+Tjerek en het kamp en het volk, alles kreeg een ander aanzien. Naar
+den hemel ziende zag hij de bergen. Hij keek naar zich zelf, hij
+keek naar Wanjoescha en dacht aan de bergen. Twee Kozakken op vlugge
+paardjes reden over den weg, maar de bergen.... Een lichte damp steeg
+op naar den hemel, de zon kwam op en begroette de bloemen langs den
+oever van de Tjerek, maar de bergen.... Uit het kamp kwam eene vrouw,
+zij was jong en schoon, maar de bergen.... De Abreken zwierven door
+de steppen, maar hij vreesde hen niet: hij was jong, hij was moedig,
+goed gewapend en hij droomde van de bergen."
+
+
+
+In Augustus vinden wij Tolstoi weder in Starogladowskaja.
+
+Door de lezing van het boek _De Kozakken_, dat een sterk
+autobiografisch karakter draagt, kunnen wij ons een juist denkbeeld
+vormen van de wijze waarop Tolstoi zijn tijd in de stanitza
+doorbracht. Zijne verhouding tot de Kozakken, zijne bewondering voor de
+grootsche natuur, de jacht en zijn zielestrijd, die hem nooit verliet,
+dat alles vinden wij in dit werk beschreven.
+
+Een klein fragment laten wij hier volgen.
+
+Oljenin, zittende in het groene bosch, komt op de volgende gedachte:
+
+"Waarom ben ik nu gelukkig en waarvoor heb ik vroeger geleefd? Wat
+eischte ik veel voor mij zelf en wat heb ik gewonnen? Niets dan zorg,
+niets dan verdriet. En zie, ik heb niets noodig om gelukkig te zijn.
+
+"Plotseling was het alsof er een nieuw licht voor hem opging. Het
+geluk, peinsde hij verder, bestaat klaarblijkelijk daarin, om voor
+anderen te leven. In iederen mensch bestaat de drang naar geluk,
+dat is een natuurlijke wensch. Wanneer hij het op eene egoïstische
+wijze gaat zoeken, d.w.z. wanneer hij voor zichzelf rijkdom,
+macht of liefde vraagt, dan zal het gebeuren, dat zijne wenschen
+onbevredigd blijven, want dat zijn geen natuurlijke maar onwettige
+begeerten en het verlangen naar zulk een geluk heeft geen recht van
+bestaan. Welke wenschen kunnen verwezenlijkt worden? Welke? De liefde
+en de zelfopoffering.
+
+"Deze, naar hij meende, nieuwe ontdekking maakte hem zoo gelukkig,
+dat hij plotseling opsprong en rondziende dacht: Voor wien kan ik mij
+opofferen, wien kan ik goed doen, wien liefhebben? Ik heb immers niets
+noodig voor mij zelf; waarom dus niet voor anderen te leven?" [65]
+
+
+
+De stem der liefde vond toen reeds weerklank in de ziel van den
+jongeling, die nog nauwelijks zijne intrede in de wereld had
+gedaan. Maar ook de uiterlijke omstandigheden kregen macht over
+dezen jongen, krachtigen man en sleepten hem mee op de wegen waar
+het dierlijk instinct ons voert.
+
+Het spreekt van zelf, dat het leven in de stanitza niet voorbij
+ging zonder dat Tolstoi, jong en hartstochtelijk als hij was, een'
+roman beleefde. Hij vatte eene groote liefde op voor eene jonge
+Kozatschka. [66] De geschiedenis van deze liefde is in het werk _De
+Kozakken_ beschreven, maar nog duidelijker beeld kunnen wij er ons van
+vormen uit een' brief, dien hij aan een' vriend in Moskou schreef. In
+dezen brief zien wij Tolstoi's groote liefde voor de natuur, zijn'
+wensch om zich met haar te vereenzelvigen, en zijn verdriet als hij tot
+de erkenning komt, dat het niet mogelijk is; dat zijne ontwikkeling
+het verhindert; dat hij zich reeds zoover van haar heeft verwijderd,
+dat zich een afgrond heeft gevormd, die nooit meer is te dempen.
+
+"O, hoe beklaag ik je! Je hebt geen begrip van zulk een geluk en
+wat het leven is! Eerst moet je het leeren kennen in zijne volle
+schoonheid. Eerst moest je zien wat ik dagelijks voor mij zie:
+de eeuwige, ongerepte sneeuwbergen en de vrouw in haar verheven
+schoonheid,--zoo schoon als de eerste vrouw in 't Paradijs moet zijn
+geweest,--en dán zal het je duidelijk worden wie van ons te gronde
+zal gaan, wie in de waarheid en wie in den leugen leeft, jij of ik! O,
+hoe beklaag ik je in je waan!
+
+"Als ik mij zelf terug denk, in plaats van met mijn huisje, mijn
+bosch en mijne liefde, in de salons gevuld met vrouwen met opgemaakte
+valsche haren, onnatuurlijke spraak, slechte en misvormde gestalten,
+leege salonpraatjes die moeten doorgaan voor een gesprek, dan walg ik
+van dat alles. Wanneer ik mij die onbeteekenende gezichten voorstel,
+die rijke jonge meisjes, rondloopende alsof zij zeggen willen: 'kom
+maar bij me, al ben ik ook rijk, gij kunt me krijgen', het hier
+hangen en daar leunen, die onbeschaamde koppelarij, die eeuwige
+babbelpraatjes, die gekunsteldheid, de etiquette die voorschrijft
+wien men een hand moet geven, voor wien men moet buigen, met wien
+men een gesprek moet aanknoopen, en ten slotte die allesbeheerschende
+verveling, die overgaat van geslacht op geslacht, en dat alles in de
+overtuiging dat dát noodzakelijk is!
+
+"Begrijp en geloof. Begrijp wat waarheid en schoonheid is, dan zal
+alles wat gij voor geluk houdt, alles wat gij wenscht, voor mij,
+zoowel als voor u, vervliegen als kaf voor den wind. Het geluk is:
+leven met de natuur, haar zien, haar voelen. 'Hij zal nog eens eene
+Kozatschka huwen, en geheel voor de maatschappij verloren gaan,'
+hoor ik de menschen reeds medelijdend zeggen.
+
+"En ik, ik heb maar één wensch, geheel te gronde te gaan, zooals gij
+dat begrijpt, en eene eenvoudige Kozatschka te huwen, maar ik heb er
+geen moed toe, want het geluk zou te groot zijn.
+
+"Drie maanden zijn verloopen sedert ik voor het eerst Mariana zag. Nog
+kleefden mij alle vooroordeelen aan, die ik had meegebracht uit den
+kring dien ik juist had verlaten. Nooit had ik kunnen denken, dat
+ik voor deze vrouw liefde zou gevoelen! Ik bewonderde haar zooals
+ik de natuur, de bergen bewonderde, en ik kon niet anders, want haar
+schoonheid is aan hen gelijk.
+
+"Later, toen het mij duidelijk werd dat ik haar schoonheid niet
+meer kon ontberen, vroeg ik mij af of ik haar lief had, maar ik
+antwoordde ontkennend. Wat ik voelde kwam niet voort uit verveling,
+noch uit den wensch om te trouwen; het was geen platonische en geen
+zinnelijke liefde.
+
+"Ik moest haar zien, haar hooren, haar in mijne nabijheid weten;
+ik was niet wat men gelukkig noemt, maar ik was rustig.
+
+"Na een' avond, dien ik in haar gezelschap had doorgebracht, nadat
+ik hare aanraking gevoeld had, begreep ik dat tusschen mij en die
+vrouw een band werd geweven, waartegen niet viel te strijden.
+
+"Toch heb ik mij verzet. Ik hield mij voor: kunt ge dan eene vrouw
+liefhebben, die nooit uw innerlijk leven zal kunnen begrijpen; kunt
+ge haar dan liefhebben, alleen om haar schoonheid, eenvoudig als een
+vrouwelijk beeld? Maar ik hield reeds van haar, hoewel ik het mij
+zelf niet wilde bekennen.
+
+"Na dat feestje, waarop ik voor 't eerst met haar sprak, kwam er
+eene verandering in onze verhouding. Vroeger beschouwde ik haar
+als een vreemd, verheven voortbrengsel der natuur; nu werd zij een
+mensch voor mij. Ik begon haar gezelschap te zoeken, sprak met haar,
+bezocht haar vader soms op het werk en bracht geheele avonden in
+haren familiekring door.
+
+"En toen ik haar nader trad, bleef zij toch voor mij even rein,
+gesloten en verheven. Zij antwoordde mij steeds even rustig, uit de
+hoogte en kalm. Soms was zij vriendelijk, maar meestal drukte iedere
+blik, iedere beweging onverschilligheid uit, doch niet minachtend,
+altijd betooverend. Met een geveinsd lachje, maar met een inwendig
+hartstochtelijk verlangen, sprak ik met haar over onverschillige
+dingen en trachtte haar iederen dag nader te komen. Zij merkte dat ik
+huichelde, maar zag mij steeds eenvoudig en recht in de oogen. Ik kon
+het niet langer verdragen. Liegen wilde ik niet voor haar, ik wilde
+alles uitspreken wat ik voelde. Wij waren in den tuin. Ik was zeer
+opgewonden en verklaarde haar mijne liefde, met woorden waarvoor ik
+mij nu nog schaam, want zij stond zooveel hooger dan deze woorden,
+waarmee ik haar mijne liefde te kennen gaf. Toen zweeg ik, maar van
+dien dag af werd mijne positie onverdraaglijk.
+
+"Ik wilde mij niet voor haar vernederen en op den zelfden voet als
+vroeger met haar omgaan, en ik voelde dat ik niet in staat was gewoon
+met haar te zijn. Wanhopig vroeg ik mij af wat ik doen moest.
+
+"In mijne droomen zag ik haar als mijne geliefde, als mijne vrouw,
+en beide gedachten stootte ik vol afschuw van mij. De gedachte haar
+als eene deern te beschouwen was verschrikkelijk, stond gelijk met
+een moord, en haar tot eene barinja [67] te maken nog erger.
+
+"Als ik een Kozak kon worden als Loekaschka, paarden stelen, tschichir
+[68] drinken, lustig zingen, menschen dooden en 's nachts dronken door
+het venster in haar kamer klimmen, zonder te bedenken wie ik ben en wat
+ik wil--dan konden wij elkaar begrijpen en dan kon ik gelukkig zijn!"
+
+Maar als Loekaschka worden kon hij niet en dus was dat geluk niet
+voor hem weggelegd.
+
+In September schreef hij zijne tante een' brief, waaruit reeds
+duidelijk de toekomstige schrijver te herkennen is.
+
+Hier treft ons vooral de doordachte wijze waarop hij zich weet uit te
+drukken. Waarschijnlijk bestormden hem toen reeds tal van gedachten
+en deed hij zorgvuldig eene keuze voordat hij ze aan het papier
+toevertrouwde. Op de volgende wijze drukt hij zijne gevoelens uit:
+
+"Gij hebt mij verschillende malen verteld, dat gij uwe brieven nooit
+in klad schrijft. Ik heb uw voorbeeld gevolgd, maar ben er niet wel
+bij gevaren, want dikwijls overkomt het mij, dat ik bij overlezing
+alles weer verscheur. Dat gebeurt niet uit valsche schaamte, want
+eene spelfout, een klad of een verdraaide zin hinderen mij niet,
+maar omdat ik het nog niet zoo ver heb gebracht, mijne pen en mijne
+gedachten de juiste richting te geven. [69]
+
+"Juist heb ik een' brief verscheurd, omdat ik veel dingen gezegd had,
+die ik had willen zwijgen, en omgekeerd. Gij denkt misschien dat ik
+me nu anders toon dan ik ben en zult zeggen, dat dit niet goed is
+tegenover menschen waarvan wij houden en die wederkeerig veel om ons
+geven. Ik moet dat toestemmen, maar stem gij dan ook toe, dat wij wel
+alles aan een' persoon die ons onverschillig is, vertellen, maar dat
+wij voor iemand, waar we veel van houden, vaak sommige dingen zouden
+willen verzwijgen."
+
+
+
+In 't bewustzijn van zijne jonge kracht ontwaakte in hem de drang om
+die te gebruiken, zoodat hij besloot in gezelschap van zijn' vriend
+Jepischka (in _De Kozakken_ beschreven onder den naam Jeroschka)
+eene reis te gaan maken. Die reis nu leverde zeer veel gevaren op,
+omdat zij ieder oogenblik de kans liepen door de wilde bergbewoners
+te worden overvallen.
+
+Goed en wel weer teruggekomen ontmoette hij een familielid, een
+zekeren Ilija Tolstoi, die hem vroeg hem te vergezellen. Door dezen
+Ilija Tolstoi werd hij voorgesteld aan den opperbevelhebber, vorst
+Barjatjinski, met wien hij eenigszins op vertrouwelijken voet kwam en
+die hem zijne goedkeuring te kennen gaf over de ferme, flinke wijze
+waarop hij aan de gevechten deel nam. Tevens gaf hij hem den raad
+een verzoekschrift in te dienen om in het leger te worden opgenomen,
+daar hij nog steeds als volontair dienst deed.
+
+De vleiende woorden van den vorst en het aandringen zijner familie
+deden Tolstoi besluiten dien raad op te volgen.
+
+De maanden Augustus en September bracht hij door in
+Starogladowskaja. In September ging hij met zijn' broer Nikolaas naar
+Tiflis. Deze vertrok echter na korten tijd, maar Tolstoi bleef er om
+zijn examen te doen en daarna in dienst te treden. Uit Tiflis schreef
+hij zijne tante:
+
+"Wij zijn inderdaad den 25en vertrokken en na eene reis van zeven
+dagen, gedeeltelijk vervelend, omdat er op de wisselstations steeds
+gebrek aan paarden was, gedeeltelijk aangenaam door de schoonheid
+van het landschap, kwamen wij den 1en van deze maand op de plaats
+onzer bestemming.
+
+"Tiflis is een zeer beschaafde stad, die haar best doet P.... na
+te apen en daar vrij goed in slaagt. Men vindt er een uitgelezen,
+tamelijk uitgebreiden gezelschapskring, een Russisch tooneelgezelschap
+en eene Italiaansche opera, waarvan ik zooveel profiteer als mijne
+armzalige middelen mij toelaten. Ik heb mijn' intrek genomen in het
+Duitsche kwartier; het is wel is waar eene voorstad, maar heeft voor
+mij een dubbel voordeel. Ten eerste is het er mooi; rondom zijn tuinen
+en wijnaanplantingen, zoodat men zich kan verbeelden buiten te zijn
+('t is nog heerlijk weer; tot nu toe hebben we nog geen sneeuw of ijs
+gezien). Ten tweede betaal ik voor twee vrij zindelijke kamers vijf
+roebel per maand, terwijl ik voor eene dergelijke woning in de stad
+minstens veertig zou moeten geven; bovendien kan ik me gratis in het
+Duitsch spreken oefenen. Verder heb ik mijne boeken, mijne bezigheden
+en nog vrijen tijd, daar niemand mij komt storen, zoodat ik mij,
+alles bij elkaar genomen, niet verveel. Gij herinnert u nog wel,
+lieve tante, dat gij mij eens den raad hebt gegeven romans te gaan
+schrijven. Nu, ik heb dien opgevolgd en ben nu met een literairen
+arbeid begonnen. Ik weet niet of mijn werk ooit het licht zal zien,
+maar het houdt mij in ieder geval aangenaam bezig." [70]
+
+Belangwekkend in dezen brief is, dat wij eruit zien hoe eenvoudig zich
+dat groote, zich nog onbewuste talent ontwikkelde. In dezen tijd werd
+Tolstoi ziek. Het duurde eenige maanden voordat hij geheel hersteld
+was. Die gedwongen rust gebruikte hij voor het schrijven van zijn
+eerste werk en om zijne aanstelling in het leger te verkrijgen, hetgeen
+veel bezwaren opleverde, daar zijne papieren niet geheel in orde waren.
+
+De volgende brief, geschreven 23 December 1851, aan zijn' broer
+Sergius, geeft ons nog eenige bijzonderheden uit Tolstoi's leven te
+Tiflis en in de stanitza.
+
+"Juist vandaag kreeg ik eindelijk de lang gewenschte aanstelling. Ik
+kom bij de 4de batterij te staan en zal het genoegen hebben front
+te mogen maken en met mijne oogen de voorbij rijdende officieren en
+generaals te volgen. Ja, zelfs vandaag, toen ik ging wandelen in mijn
+pelsjas en met mijn slappen hoed op (voor dien hoed heb ik hier nog
+al 10 roebel betaald), wilde ik, zonder aan de deftigheid van dit
+kleedingstuk te denken, gewend als ik reeds was om me spoedig in
+de grijze schinel te zien, mijn slappen hoed afrukken en op straat
+gooien. Als mijne wenschen in vervulling gaan, dan reis ik reeds
+den eersten dag van mijn in-dienst-treding naar Starogladowskaja,
+en ga dan dadelijk op marsch. Ik kleed me dan in een schaapspels,
+en zal met hart en ziel en met behulp van de kanonnen meewerken aan
+de uitroeiing van die roofzuchtige, lastige Aziatische bevolking.
+
+"Uit dit schrijven zie je dat ik op 't oogenblik in Tiflis ben. Ik
+kwam hier 9 November aan, zoodat ik nog een enkelen keer met de
+honden die ik in Starogladowskaja heb gekocht op jacht kon gaan. Het
+jagen hier, d.w.z. in de stanitza, is heerlijk. Weiden, moerassen,
+waar eene menigte grijze hazen zitten, en eilanden, niet met bosschen,
+maar met een soort riet beplant, waar zich veel vossen ophouden. Negen
+malen ben ik met mijne twee honden, waarvan de eene goed, de andere
+slecht is, op jacht geweest, op 15 werst afstand van de stanitza, en
+legde twee vossen en zestig hazen neer. Zoodra ik weer daarginds ben,
+ga ik eens op geiten jagen.
+
+"Ik heb ook eenige malen aan eene jacht met de buks op wilde zwijnen
+en herten deelgenomen, maar heb niets onder schot gekregen. Deze wijze
+van jagen is op zich zelf wel aardig, maar voor dengene die gewend is
+met honden te jagen is het niets. 't Gaat er juist mee als met iemand
+die altijd Turksche tabak rookt; die houdt niet meer van Schoekoff,
+hoewel het altijd nog de vraag is, welke de beste is.
+
+"Ik ken je zwak, n.l. dat je graag wilt weten hoe het hier is,
+wie mijn kennissen zijn en hoe ik met hen sta. 't Is overigens
+iets, dat mij hier heel weinig bezig houdt, maar ik zal je zooveel
+mogelijk tevreden stellen. Er zijn hier niet veel officieren; bij
+gevolg ken ik ze allen, hoewel zeer oppervlakkig. Ik sta met allen
+op een' goeden voet, een gevolg van de wodka, wijn en zakoeska [71],
+die Nikolaas en ik altijd voor de bezoekers gereed houden. Aan deze
+zelfde omstandigheid dankte ik ook mijne opname onder de officieren in
+Stari-Joert. Hoewel er heel geschikte lui onder de officieren zijn,
+wil ik, daar ik buitendien belangrijke bezigheden heb, niet intiem
+met hen worden. De onderbevelhebber Alexejeff, de commandant van de
+batterij waarbij ik sta, is een goed, maar ijdel mensch. Laatst had
+ik hem noodig, en ik moet bekennen, dat ik toen op die eigenschap
+gespekuleerd heb en hem een beetje honing om den mond heb gesmeerd. Ik
+deed het echter ongaarne, dat verzeker ik je. Wanneer ge met ijdele
+menschen omgaat, dan wordt ge het zelf ook.
+
+"Hier in Tiflis heb ik drie kennissen; meer tot nu toe nog niet, ten
+eerste omdat ik het niet wensch en ten tweede omdat de gelegenheid
+tot verdere kennismaking zich niet heeft voorgedaan. De eerste
+is Bagration, een Petersburger, de tweede vorst Barjatjinski,
+onder wiens commando ik de strooptochten heb meegemaakt. Ik heb
+daarna met Ilija Tolstoi, dien ik hier ook ontmoette, een' dag bij
+hem doorgebracht. Van deze vriendschap beleef ik niet veel plezier,
+want je zult wel begrijpen, in welk eene verhouding een Junker tot een
+generaal kan staan. De derde is een gedegradeerde apothekersbediende,
+een vermakelijk type. Ik veronderstel dat vorst Barjatjinski nooit had
+gedacht op één lijn met een hulp-apotheker te worden geplaatst en dat
+is hier toch het geval. Nikolaas is hier zeer gezien, zoowel bij zijne
+meerderen als bij zijne officieren-collega's; iedereen heeft achting
+voor hem en houdt van hem, en daarbij geniet hij de reputatie van
+een dapper officier te zijn. Ik houd meer van hem dan van mij zelf,
+ben gelukkig in zijne nabijheid en verveel mij zonder hem.
+
+"Als je wilt pronken met berichten uit den Kaukasus, dan kun je
+vertellen, dat Chadzji-Moerat, de eerste persoon na Schamil, zich
+aan de Russen heeft overgegeven. Hij was de dapperste van allen, maar
+heeft nu eene laagheid begaan. Verder kun je nog met trots vertellen,
+dat vandaag de bekende, dappere, verstandige generaal Sljeppoff is
+gestorven; of hij er verdriet van heeft, dat zou ik je niet kunnen
+zeggen."
+
+Den 6en Januari schreef Tolstoi, steeds nog uit Tiflis, zijne tante
+een' brief, waaruit de groote aanhankelijkheid en liefde sprak die
+hij haar toedroeg.
+
+"Uw' brief van den 24en November heb ik zoo juist ontvangen en als
+naar gewoonte zal ik dien per omgaande beantwoorden. De vorige maal
+vertelde ik u, dat uwe woorden mij hadden doen weenen en ik schreef
+die zwakheid aan mijne ziekte toe. Ik vergiste mij. Al uwe brieven
+hebben sedert eenigen tijd diezelfde uitwerking op mij. Gij weet
+het wel, mijne tranen zaten altijd hoog. Eerst schaamde ik mij voor
+deze zwakheid, maar de tranen die ik stort, denkend aan u en aan uwe
+liefde voor ons, laat ik vloeien zonder de minste valsche schaamte. Uw
+brief is zoo vol droevige gedachten, dat hij mij ook treurig heeft
+gestemd. Gij hebt mij steeds goeden raad gegeven, waarnaar ik helaas
+maar zelden heb geluisterd. Ik zou mijn heele leven willen handelen
+volgens uwe aanwijzingen. Mag ik u nu den indruk, dien uw brief op
+mij gemaakt heeft, en de gedachten, die tijdens de lezing bij mij
+oprezen, mededeelen?
+
+"Vergeef mij, ter wille van de groote liefde die ik u toedraag, indien
+ik te openhartig met u spreek. Gij zegt, dat het nu uwe beurt is ons
+te verlaten, om weder vereenigd te worden met hen, die gij zoo zeer
+hebt liefgehad. Gij zegt, dat uw leven zoo troosteloos eenzaam is,
+dat gij God hebt gesmeekt er een einde aan te maken. Vergeef mij,
+lieve tante, maar ik geloof dat gij met zoo te spreken God en ook hen,
+die u zoo hartelijk liefhebben, beleedigt. Gij vraagt God om den dood,
+dus om het grootste ongeluk dat mij kan treffen. Dit zijn geen ijdele
+klanken, maar God is mijn getuige, dat de dood van u of van Nikolaas,
+de beide wezens die ik meer liefheb dan mij zelf, voor mij de grootste
+ramp zou zijn, die mij kon overkomen. Wat zou mij overblijven, zoo
+God uw' wensch vervulde! Voor wie zou ik trachten mij te verbeteren,
+mij goede eigenschappen te verwerven en mijn best doen eene goede
+reputatie te verkrijgen? Wanneer ik plannen maak voor mijn toekomstig
+geluk, dan doe ik dat steeds met de gedachte, dat gij daarvan ook zult
+genieten. Wanneer ik eene goede daad verricht, dan ben ik tevreden
+over mij zelf, omdat ik weet, dat gij over mij tevreden zoudt zijn, en
+handel ik niet goed, dan is mijn grootste vrees u verdriet te doen. Uwe
+liefde is alles voor mij en gij vraagt God ons te willen scheiden! Ik
+kan het gevoel niet beschrijven dat ik u toedraag, geen woorden kunnen
+het uitdrukken; ik vrees dat gij zult denken dat ik overdrijf, en
+toch ween ik heete tranen terwijl ik u dit schrijf. De gedachte aan
+die vreeselijke scheiding heeft mij geleerd welk eene vriendin ik in
+u bezit en hoeveel ik van u houd. Maar ik ben immers niet de eenige
+die u zoo genegen is, en gij, gij vraagt God te mogen sterven! Gij
+zegt dat gij zoo eenzaam zijt door onze scheiding! Maar als gij in
+mijne liefde gelooft, zal dat een tegenwicht zijn voor uw verdriet.
+
+"Wat mij betreft, ik zal nooit eenzaam zijn, zoolang ik mij bewust
+ben van uwe warme genegenheid voor mij.
+
+"Terwijl ik deze woorden schrijf weet ik dat het geen goede
+gewaarwording is, die ze mij in de pen geeft: ik gevoel mij gestreeld
+door uw verdriet." [72]
+
+
+
+In denzelfden brief vertelt Tolstoi nog eene belangrijke gebeurtenis,
+belangwekkend ook uit een psychologisch oogpunt.
+
+"Vandaag is mij iets gebeurd, dat mij in God zou doen gelooven,
+zoo ik niet reeds sedert geruimen tijd een vast geloof bezat.
+
+"Van den zomer, in Stari-Joert, deden de officieren niet anders dan
+spelen en dan nog tamelijk grof. In het kamp is men gedwongen elkaar
+dikwijls te ontmoeten en heel vaak ben ik bij het spel tegenwoordig
+geweest. Ondanks hun aandringen ben ik een maand lang standvastig
+gebleven, maar eens, bij wijze van grap, heb ik eene kleinigheid
+gewaagd. Ik verloor, zette opnieuw in, en verloor opnieuw; het geluk
+was tegen mij. De hartstocht voor het spel leefde weer bij mij op en
+in twee dagen verloor ik niet alleen al mijn geld, maar ook dat van
+Nikolaas (hij gaf mij ongeveer 250 roebel); bovendien nog 500 roebel,
+waarvoor ik een' wissel geteekend heb die in Januari betaald moet
+worden. Ik moet u nog vertellen dat dicht bij ons kamp een huisje
+staat, dat bewoond wordt door Tschetschenzen. Een van hen, Sado,
+kwam in het kamp en nam deel aan 't spel, maar daar hij schrijven
+noch rekenen kon--reden waarom ik nooit met Sado wilde spelen--waren
+er schurken die hem bedrogen. Ik heb hem aangeraden zich daar niet
+meer aan bloot te stellen, terwijl ik hem aanbood per procuratie
+voor hem eene kans te wagen. Hij was me heel dankbaar en heeft mij
+eene beurs gegeven; daar bij zijn' stam de gewoonte bestaat elkaar
+wederzijds iets te schenken, heb ik hem voor 8 roebel een prul van
+een geweer gekocht. Nu moet gij nog weten dat om 'koenjak', dat wil
+zeggen vrienden, te worden men elkaar niet alleen geschenken moet geven
+maar ook het middagmaal bij elkaar moet gebruiken. Daarna wordt men,
+volgens een oud gebruik van dat volk (dat bijna geheel is verdwenen),
+vrienden op leven en dood, hetgeen wil zeggen, dat als ik hem vraag
+om zijn vrouw, zijn geld, zijn wapens of het kostbaarste wat hij op
+de wereld bezit, hij mij dat moet afstaan, terwijl ik hem natuurlijk
+evenmin iets mag weigeren. Sado heeft mij gevraagd eens bij hem te
+willen komen en ik ben er heen gegaan. Na mij op hunne wijze onthaald
+te hebben, stelde hij mij voor, het mooiste uit te zoeken wat hij
+in zijn huis had: zijne wapens, zijn paard ... in één woord wat ik
+verlangde. Ik wilde het minst kostbare nemen en koos een paardentoom
+met zilveren beslag, maar hij zeide dat ik hem beleedigde en drong
+mij een sabel op, die minstens 100 roebel waard is.
+
+"Zijn vader is een rijk man, maar heeft zijn geld begraven en geeft
+geen cent aan zijn' zoon, die daarom, als hij geld wil hebben, van
+den vijand een paard of eene koe gaat stelen. Hij zet soms twintig
+maal zijn leven op het spel om iets te stelen, dat nog geen tien
+roebel waard is. Hij steelt niet uit hebzucht maar om den naam. De
+grootste dief is bij hen zeer in aanzien, en ontvangt den eerenaam
+'malodjetz.' [73] Soms is Sado in 't bezit van 1000 roebel, dan weer
+heeft hij geen cent. Eens gaf ik hem, na hem bezocht te hebben, het
+zilveren horloge van Nikolaas, en nu zijn we de grootste vrienden van
+de wereld. Meermalen heeft hij mij zijne toewijding getoond, door
+zich voor mij aan verschillende gevaren bloot te stellen, hetgeen
+voor hem echter niet veel te beteekenen heeft, daar hij eraan gewend
+is en het als een genoegen beschouwt.
+
+"Toen ik uit Stari-Joert vertrokken was, kwam hij iederen dag bij
+Nikolaas, zeggende niet te weten wat hij zonder mij moest beginnen,
+daar hij zich doodelijk verveelde. Ik had Nikolaas geschreven, dat
+mijn paard ziek was geworden, en hem tevens gevraagd in Stari-Joert
+een ander voor mij te koopen. Sado kwam het te weten en wist niet
+beter te doen dan dadelijk naar mij toe te komen om mij zijn paard
+te brengen, dat ik tegen wil en dank moest aannemen.
+
+"Na de domheid, die ik in Stari-Joert beging, heb ik geen kaart meer
+aangeraakt en hing ik voortdurend den zedemeester uit tegenover Sado,
+die ook een hartstochtelijk speler is, en hoewel hij er niets van kent,
+steeds geluk heeft. Gisteren avond heb ik mij met mijne geldelijke
+omstandigheden en mijne schulden bezig gehouden. Ik dacht er over na,
+hoe ik het aan moest leggen ze te betalen, en kwam tot het besluit
+dat, zoo ik niet te veel geld uitgeef, al mijne schulden mij niet
+in verlegenheid zullen brengen en langzamerhand, in twee of drie
+jaar, kunnen worden afgedaan; maar de som, die ik deze maand moet
+betalen, bracht mij tot wanhoop. Het was me onmogelijk te betalen
+en zij veroorzaakte mij meer zorgen dan vroeger de vierduizend, die
+ik Ogoreff schuldig was. Toen ik mijn avondgebed deed smeekte ik God
+dringend mij uit deze netelige positie te redden. 'Hoe zal ik die zaak
+tot een goed eind brengen?' dacht ik bij 't naar bed gaan. 'Er kan
+niets gebeuren dat mij in staat stelt die schuld af te doen.' Ik stelde
+mij reeds alle onaangenaamheden voor, die ik zou moeten verduren: dat
+men den wissel zou presenteeren, dat men mij van regeeringswege ter
+verantwoording zou roepen, waarom ik niet betaalde enz. enz. 'Heer,
+help mij,' bad ik, en sliep in.
+
+"Den volgenden morgen kreeg ik een' brief van Nikolaas (de uwe was
+er bij ingesloten) waarin hij mij schreef:
+
+"'Zoo juist is Sado bij mij geweest. Hij heeft de wissels die jij hebt
+onderteekend terug gewonnen en bracht ze mij. Hij was zoo overgelukkig
+en vroeg zóó dikwijls: 'wat denk je, zal je broeder blij zijn?' dat
+ik hem daarom lief heb gekregen. Die jonge man heeft een oprechte
+genegenheid voor je opgevat!'
+
+"Is het geen wonder dat mijn gebed reeds den volgenden morgen verhoord
+werd; d.w.z., is er iets dat meer verwondering kan baren dan Gods
+goedheid tegenover een wezen dat het zoo weinig verdient als ik? En is
+het geen sprekend bewijs voor Sado's hartelijke toegenegenheid? Hij
+weet dat ik een' broer heb die heel veel van paarden houdt; toen
+ik hem beloofde, hem mee naar Rusland te nemen, zei hij, dat hij
+het beste paard zou stelen dat er in de bergen te vinden was om het
+Sergius mee te brengen, al moest het hem honderdmaal het leven kosten.
+
+"Wilt gij zoo goed zijn, als het niet te duur is, in Toela een'
+revolver en eene muziekdoos te laten koopen en mij die te zenden?
+
+"Dat zijn dingen, die Sado heel veel genoegen zullen verschaffen." [74]
+
+Het bovenstaande is belangrijk voor ons, omdat het ons in de
+gelegenheid stelt Tolstoi's geestelijke ontwikkeling op den voet
+te volgen, van zijn naief vertrouwen op een' God, die zich met zijn
+kaartspel, met zijn dagelijksche bezigheden bemoeit, tot aan zijne
+tegenwoordige, geheel vrije opvatting van het geloof.
+
+Eindelijk keerde Tolstoi, na zijne dienstzaken te hebben geregeld,
+naar Starogladowskaja terug. Onderweg schreef hij van uit de stanitza
+Mozdok een langen brief aan zijne tante, als altijd vol betuigingen
+van zijne groote liefde voor haar en tevens met droomen en plannen
+voor toekomstig, eenvoudig huiselijk geluk.
+
+"Ik zal trachten u de gedachten mede te deelen die bij mij opkwamen,
+want zij betreffen ook u. Ik ben inwendig veel veranderd; dat
+gebeurde mij reeds dikwijls, en zal, naar ik vermoed, wel het lot
+van iedereen zijn. Hoe langer men leeft des te meer verandert men;
+gij die ondervinding hebt opgedaan, kunt mij zeggen of dit waar
+is. Ik denk dat onze gebreken en onze deugden--de grondslag van ons
+karakter--steeds gelijk blijven, maar onze blik op het leven en het
+geluk verandert met de jaren. Een jaar geleden zocht ik het geluk
+in vermaak, in beweging; tegenwoordig integendeel komt de moreele,
+zoowel als de physieke, rust mij het meest gewenscht voor. Maar die
+rust stel ik mij voor zonder verveling, gevuld met de stille genoegens
+van liefde en vriendschap; dat schijnt mij het toppunt van geluk. Men
+geniet echter eerst van deze rust nadat men zich vermoeid heeft,
+en van de liefde als men haar heeft moeten ontberen. Sedert eenigen
+tijd ben ik van beide beroofd en daarom verlang ik er zoo naar. Ik
+moet ze nog langer ontberen; voor hoe lang, dat weet God! Ik zou niet
+kunnen zeggen waarom, maar ik weet dat het moet. De godsdienst en
+de ondervinding, die ik in mijn leven (hoe kort ook) heb opgedaan,
+hebben mij geleerd dat het leven eene beproeving is. Voor mij is het
+meer: het is bovendien de boetedoening voor mijne tekortkomingen.
+
+"Ik geloof, dat het schijnbaar zoo lichtvaardig opgekomen denkbeeld
+om naar den Kaukasus te gaan, mij door God is ingegeven. Het is Gods
+hand die mij leidt, waarvoor ik oneindig dankbaar ben. Ik voel, dat ik
+hier beter ben geworden (wat niet veel wil zeggen, want ik ben heel
+slecht geweest), en ik ben er vast van overtuigd dat alles wat mij
+kan overkomen slechts tot mijn bestwil zal zijn, omdat God het zoo
+heeft beschikt. Hoewel het misschien eene vermetele gedachte is, ben
+ik er toch stellig van overtuigd. Daarom draag ik de vermoeienissen
+en de physieke ontberingen waarvan ik spreek (het zijn eigenlijk
+geen physieke ontberingen; een jonge gezonde man van 23 jaren kent
+die niet) zonder ze te voelen, eerder met een soort genot, denkende
+aan het geluk, dat mij wacht.
+
+"Dat geluk stel ik mij op de volgende wijze voor.
+
+"Ik bevind mij na een onbepaald aantal jaren--ik ben dan niet jong
+meer, maar ook nog niet oud--te Jasnaja Paljana. Mijne zaken zijn in
+orde, ik heb geen zorgen en behoef mij niet te kwellen. Gij woont ook
+te Jasnaja Paljana. Gij zijt een beetje ouder geworden, maar ziet er
+nog goed uit en gevoelt u ook wel. Wij leiden een leven zooals vroeger,
+ik werk 's morgens, en den geheelen dag zijn wij bij elkaar. Dan gaan
+wij dineeren. 's Avonds lees ik u iets voor, dat u niet verveelt; dan
+praten we, ik vertel u van mijn leven in den Kaukasus, gij spreekt van
+uwe herinneringen, van mijn' vader en mijne moeder; gij doet mij de
+'griezelige verhalen' waarnaar wij vroeger met verschrikte oogen en
+open monden luisterden. Wij herdenken de personen, die ons dierbaar
+waren en die niet meer zijn; gij weent, mijne tranen vermengen zich
+met de uwe, maar bitter zijn zij niet. Wij spreken over de broers, die
+ons nu en dan komen bezoeken, en over onze lieve Maria, die met hare
+kinderen ieder jaar eenige maanden op Jasnaja, dat haar zoo dierbaar
+is, komt doorbrengen. Wij zullen geen kennissen hebben en niemand
+zal ons met beuzelpraat vervelen. Het is een schoone droom, maar
+het is nog niet eens alles wat ik waag te droomen. Ik ben getrouwd,
+ik heb eene zachte, goede, liefderijke vrouw; haar liefde voor u
+is even groot als de mijne. Wij hebben kinderen die u grootmoeder
+noemen. Gij bewoont boven in het groote huis grootmoeders vroegere
+kamers. Het huis is nog juist zoo als in den tijd van papa, en wij
+zullen hetzelfde leven leiden; alleen de rollen zijn verwisseld. Gij
+krijgt de rol van grootmoeder, maar gij vervult haar nog beter;
+ik die van papa, hoewel ik vrees haar nooit waardig te zullen zijn;
+mijne vrouw die van mama, de kinderen de onze. Maria krijgt de rol
+van de twee tantes, behalve de rampen die haar troffen, en zelfs
+Gascha speelt voor Praskowija Ilinischna.--Maar er ontbreekt ons
+één persoon, die de rol op zich kan nemen die gij vroeger in onze
+familie gespeeld hebt; nooit zullen we iemand vinden zóó goed, zóó
+beminnelijk als gij. Gij hebt geen opvolgster. Dan zullen er nog nieuwe
+acteurs van tijd tot tijd ten tooneele verschijnen: de drie broers,
+vooral Nikolaas, een oude vrijer, kaalhoofdig, niet meer in dienst,
+en altijd even goed en edel. Ik stel mij voor hoe hij zal zijn als
+hij oud is, hoe hij de kinderen sprookjes zal vertellen, hoe zij op
+zijne knieën zullen klimmen, hoe hij met hen zal spelen, hoe mijne
+vrouw haar best zal doen om zijn lievelingsgerecht klaar te maken, hoe
+wij herinneringen zullen ophalen aan lang vervlogen dagen, hoe gij op
+uwe gewone plaats zult zitten en met genoegen naar ons zult luisteren;
+hoe gij ons, dan reeds op leeftijd, met onze kindernamen--Ljewotschka,
+Nikoljenka--zult aanspreken, en hoe gij ons zult berispen, mij omdat
+ik met mijne vingers eet en hem omdat zijne handen niet schoon zijn.
+
+"Wanneer ik keizer van Rusland was, of als men mij Peru zou willen
+schenken, in één woord indien er eene toovergodin kwam, die mij
+toestond een' wensch te doen, dan zou ik niets anders vragen, dan dezen
+droom werkelijkheid te laten worden. Ik weet het wel dat gij er niet
+van houdt den tijd vooruit te loopen, maar wat steekt er voor kwaad
+in? En het schenkt mij zoo'n groot genoegen. Ik vrees dat ik egoïstisch
+ben geweest en uw deel van 't geluk te klein heb gemaakt. Ook dat de
+smart zoo diepe sporen in uw hart heeft achtergelaten, dat gij niet
+meer ten volle van de toekomst kunt genieten.
+
+"Zeg, lieve tante, zoudt gij niet gelukkig zijn? Het kan alles
+nog eens werkelijkheid worden en de hoop is zoo zoet. Mijne tranen
+beginnen weer te vloeien. Waarom toch is dit steeds zoo als ik aan
+u denk? Het zijn tranen van geluk die in mijn oogen dringen omdat
+ik u mag liefhebben. Al trof het grootste ongeluk mij ook, volkomen
+ongelukkig zou ik niet zijn, zoolang gij nog in leven zijt. Herinnert
+gij u het afscheid nog bij de kleine kapel van Uwerskaja, toen wij
+naar Kazan verhuisden? Toen, als door een ingeving, op het laatste
+oogenblik, begreep ik wat gij voor ons geweest waart, en hoewel ik
+nog een kind was, hebben mijne tranen en een paar gestamelde woorden
+u kenbaar gemaakt wat er in mij omging. Ik heb steeds van u gehouden,
+maar het gevoel dat mij bij de kleine kapel doordrong en mij ook nu
+beheerscht is geheel iets anders, het is sterker en hooger.
+
+"Nu moet ik u iets bekennen waarvoor ik mij diep schaam, maar ik moet
+het u vertellen om mijn geweten te ontlasten. Vroeger, bij 't lezen
+van uwe brieven, dacht ik dat gij overdreeft in uwe uitingen van
+genegenheid voor mij, maar nu, terwijl ik ze herlees, begrijp ik uwe
+onbegrensde liefde en uwe verheven ziel. Ik ben er van overtuigd dat
+iedereen behalve gij, die de laatste twee brieven zou lezen, ook mij
+van overdrijving zou beschuldigen. Van u vrees ik dat oordeel niet; gij
+kent mij te goed en weet dat mijne gevoeligheid misschien mijn eenige
+goede hoedanigheid is. Aan haar dank ik de schoonste oogenblikken van
+mijn leven. Maar in ieder geval is dit de laatste brief, waarin ik
+mij veroorloof mij zoo overdreven uit te drukken,--overdreven voor
+onverschilligen, maar niet voor u.
+
+"Sedert mijne reis en mijn verblijf in Tiflis is er geene verandering
+in mijne leefwijze gekomen. Ik tracht zoo weinig mogelijk kennissen
+te krijgen en word niet intiem met degenen die ik heb. Men heeft zich
+reeds aan mijne manieren gewend; niemand maakt het mij meer lastig
+en ik ben zeker dat men mij een' zonderling en een' trotschaard noemt.
+
+"Het is echter geen trots, het is geheel van zelf gekomen. Door mijne
+opvoeding, mijn voelen en denken verschil ik zooveel van de anderen,
+dat ik onmogelijk met genoegen in hun gezelschap kan zijn. Nikolaas
+verstaat de kunst, ondanks het groote onderscheid dat er tusschen hem
+en die heeren bestaat, zich met hen te amuseeren en zich bovendien nog
+bemind te maken. Het is waar dat mijne wijze van leven niet geschikt is
+om plezier te maken, maar daar denk ik ook sinds lang niet meer aan. Ik
+begin nu smaak te krijgen in het lezen van geschiedkundige werken;
+dit was steeds een punt van verschil tusschen u en mij, maar nu ben ik
+het geheel met u eens. Mijn letterkundige arbeid gaat ook een gangetje,
+maar voorloopig denk ik er nog niet aan iets te laten drukken.
+
+"Ik heb een geschrift, dat ik lang geleden ben begonnen, reeds
+driemaal omgewerkt en ik zal het, om het naar mijn' zin te krijgen,
+nog eens voor de vierde maal veranderen.
+
+"Misschien gaat het er mee als met het werk van Penelope; daarom zal
+ik er echter geen' tegenzin in krijgen: ik schrijf voor mijn nut en
+genoegen en niet uit eerzucht. Hoewel ik er dus ver van af ben mij
+te amuseeren, verveel ik mij ook niet. Ten eerste heb ik bezigheid,
+maar bovendien smaak ik een genot, veel beter en verhevener dan het
+gezelschapsleven mij ooit had kunnen schenken: ik leef in vrede met
+mijn geweten, ik begin mij zelf te kennen en goede en edele gevoelens
+ontwaken in mij.
+
+"Er was een tijd dat ik trotsch was op mijn verstand, mijne positie
+in de wereld en mijn' naam, maar tegenwoordig weet en voel ik, dat,
+zoo er iets goeds in mij is en zoo er iets bestaat waarvoor ik de
+Voorzienigheid dankbaar moet zijn, het hierin bestaat, dat Zij mij een
+goed hart heeft geschonken en mij gevoelig maakte voor de liefde. Aan
+haar alleen dank ik de heerlijkste oogenblikken van mijn leven,
+die ik hier dikwijls geniet, ondanks alle afwezigheid van vermaak en
+gezelschap. Ik ben niet slechts tevreden, ik ben dikwijls gelukkig."
+
+
+
+Na in Februari te hebben deelgenomen aan een' veldtocht, waarbij hij in
+rang werd verhoogd, keerde Tolstoi in Maart weer naar Starogladowskaja
+terug.
+
+In dezen tijd kwam hij tot het besef dat er drie hartstochten waren
+die zich steeds tusschen hem en de verwezenlijking van zijn ideaal
+plaatsten: het spel, de wellust en de eerzucht waren zijne grootste
+vijanden. In zijn dagboek schreef hij:
+
+
+
+ 1. "De hartstocht voor het spel is een baatzuchtige hartstocht, die
+ langzaam tot een gewoonte aangroeit. Hiertegen kan men strijden.
+ 2. "De wellust is eene physieke, eene lichamelijke behoefte, die
+ door de verbeelding wordt opgezweept en sterker wordt wanneer men
+ haar wil beheerschen. Het is zeer moeilijk hem te bestrijden. Het
+ beste middel is arbeid en inspanning.
+ 3. "De eerzucht is een hartstocht, die minder schadelijk is voor
+ een ander dan voor ons zelf."
+
+
+
+Verder lezen wij de volgende bespiegeling:
+
+"Sedert eenigen tijd kwelt mij het berouw over het verloren gaan van de
+beste jaren van mijn leven. En van dat oogenblik af aan heb ik gevoeld,
+iets goeds tot stand te kunnen brengen. Het zou belangwekkend zijn,
+de geschiedenis van mijne moreele ontwikkeling neer te schrijven,
+maar niet alleen ontbreken mij daarvoor de woorden, zelfs mijne
+gedachten reiken niet zoo ver.
+
+"De grootsche gedachte kent geen perken, maar voor iederen schrijver
+komt een grens, die hij niet kan overschrijden. Er is iets in mij, dat
+mij zegt, dat ik voor iets anders ben geboren dan de groote menigte."
+
+Deze woorden zijn de eerste vage aanwijzingen dat Tolstoi zich van zijn
+kunnen bewust werd. Ik moet hier opmerken dat zij zijn neergeschreven
+vóór de voltooiing van zijn _Kinderjaren_, dus voordat hij wist dat
+zijn werk zoo goed geslaagd was. In dien tijd openbaarde zich in hem
+de geheimzinnige kracht, die hem verhief tot een der verheven dragers
+van het zedelijke ideaal der menschheid.
+
+In Mei kreeg hij verlof en reisde hij naar de bronnen van Pjatigorsk
+om genezing te zoeken voor de rheumatiek die hem voortdurend
+plaagde. Vandaar schreef hij een' brief aan zijne tante, waarin hij
+zijn innigste zieleleven bloot legde en waaruit ons tevens blijkt,
+dat hij onophoudelijk werkte aan zijne innerlijke volmaking.
+
+In een' brief aan zijn broer Sergius geeft hij eene karakteristieke
+schets van het leven te Pjatigorsk.
+
+"Wat zal ik je van mijn leven vertellen? Ik heb reeds drie brieven
+geschreven en in iederen brief hetzelfde. Ik zou je wel graag
+mijn innerlijk leven beschrijven maar dat is even moeilijk als een
+vreemdeling aan het verstand te brengen hoe Toela er uitziet, iets
+dat wij helaas maar al te goed weten. Pjatigorsk heeft iets van Toela,
+maar is toch weer anders, het is in den Kaukasus. Het familieleven en
+de publieke plaatsen spelen hier de hoofdrol. De conversatie bestaat
+hier uit de zoogenaamde landeigenaren (een naam die men hier allen
+nieuwelingen geeft), die met verachting op de beschaving der anderen
+neerzien, en uit de heeren officieren, die het uitgaan hier als de
+hoogste zaligheid beschouwen. Een van hen, hij staat bij onze batterij,
+kwam mij laatst bezoeken. Je hadt zijne verrukking en opgewondenheid
+eens moeten zien, toen wij naar de stad reden. Van te voren had hij al
+veel verteld van 't genot dat ons te wachten stond: het flaneeren over
+den boulevard waar een muziekkorps speelde, en dan het gaan naar den
+confiseur, waar iedereen kwam en waar men verbazend gemakkelijk kennis
+aanknoopte, zelfs met families. Schouwburg, gezellige samenkomsten,
+ieder jaar trouwpartijen, duels... in één woord op en top 't Parijsche
+leven. Nauwelijks waren we dan ook aangekomen of mijn officier ging,
+gekleed in nauwsluitenden pantalon, met épauletten op zijn schouders
+en rinkelende sporen aan zijn laarzen, onder de tonen der muziek
+wandelen op den boulevard. Vervolgens ging het naar den confiseur,
+den schouwburg enz. Maar voor zoover mij bekend is, bestond na eene
+geheele maand zijn kring van kennissen niet uit huwbare dochters van
+rijke landeigenaren of uit talrijke familie's, die hare deuren voor
+hem openzetten, maar werd hij slechts in één huis ontvangen, en dan
+nog in een huis waar twee families in één kamer wonen en waar thee
+met klontjes wordt gedronken. Bovendien gaf deze officier in één maand
+twintig roebel uit voor port en bonbons en kocht hij zich een bronzen
+spiegel voor tafelversiering. Nu loopt hij in eene oude overjas,
+zonder épauletten, drinkt staalwater zooveel hij maar kan, alsof hij
+werkelijk de kuur meemaakt, en verwondert zich dat hij, hoewel hij
+toch iederen dag ging wandelen op den boulevard, den confiseur bezocht
+en geen geld spaarde voor rijtuigen, handschoenen, enz., maar niet in
+kennis is gekomen met de pic-nics en bals arrangeerende aristokratie.
+
+"Bijna alle officieren die hier heen komen ondergaan hetzelfde lot;
+zij doen alsof zij waarlijk voor de bronnen hier zijn, loopen moeilijk,
+dragen verbanden, drinken veel en vertellen wonderlijke geschiedenissen
+van de Tscherkessen. Teruggekeerd in het regiment zullen ze vertellen,
+dat zij in de beste gezelschappen toegang hadden, en ieder seizoen
+komen de menschen van alle kanten om zich hier te vermaken."
+
+Zooals blijkt uit een' brief aan zijne tante schreef Tolstoi
+zijne vertelling _Kinderjaren_ gedeeltelijk te Pjatigorsk. Zijn
+gemoedstoestand bleef steeds dezelfde en altijd nog had hij een zwaren
+strijd met zich zelf te voeren.
+
+Den 29en Juni schreef hij in zijn dagboek de volgende gedachten
+neer die ons eene wereldbeschouwing doen kennen, waarmede zijne
+tegenwoordige ideeën nog geheel overeenstemmen.
+
+"De stem van het geweten is onze beste en vertrouwbaarste gids, maar
+hoe kunnen wij haar van de andere stemmen onderscheiden? De stem der
+eerzucht laat zich even luid hooren.
+
+"De mensch, die slechts zijn eigen geluk zoekt, is slecht; degene die
+zich richt naar de meening van anderen is zwak; hij die het geluk
+van anderen beoogt is deugdzaam; maar die zijn geluk zoekt in God
+is groot."
+
+Ook deze gedachte vinden wij terug in al zijne werken van den
+lateren tijd:
+
+"Hoog staat de gerechtigheid, waarnaar iedereen moet streven; hooger
+het streven naar de volmaking, al het lagere is zonde."
+
+Tolstoi beëindigde den 2en Juni zijn werk _Kinderjaren_ en zond het
+aan den _Sawremjennik_. [75] Hij schreef onder de initialen L. N. T. en
+de redactie wist langen tijd niet wie zich daarachter verschool.
+
+In Pjatigorsk was Tolstoi eenigen tijd te zamen met zijne zuster Maria,
+die ook genezing voor hare rheumatiek kwam zoeken. Volgens haar deed
+hij in die dagen veel aan spiritisme en den tafeldans, soms zelfs op
+den boulevard, waarheen hij dan een tafeltje uit een café liet brengen.
+
+Tolstoi vertrok den 5en Augustus uit Pjatigorsk en keerde naar de
+stanitza terug.
+
+Onderweg schreef hij die belangwekkende gedachte neer die nu nog den
+grondslag van zijne wereldbeschouwing vormt:
+
+"De toekomst houdt ons meer bezig dan de werkelijkheid. Deze neiging
+is goed wanneer wij aan ons leven hiernamaals denken. Wijsheid is
+het in het heden te leven en zijn' plicht te doen."
+
+Den 7en Augustus, terug in Starogladowskaja, schreef hij, meegesleept
+door het patriarchale, eenvoudige leven der Kozakken, dat hem lief
+en tot eene gewoonte was geworden, in zijn dagboek:
+
+"De eenvoud is de deugd, die ik mij wensch eigen te maken boven
+alle andere."
+
+Eindelijk, den 28en Augustus, kwam het lang verwachte antwoord van
+de redactie van den _Sawremjennik_.
+
+"Met dezen brief was ik kinderlijk blij," schreef Tolstoi in zijn
+dagboek.
+
+Hier volgt de inhoud van Njekrasoffs schrijven:
+
+
+
+"Geachte Heer!
+
+"Ik heb uw handschrift _Kinderjaren_ ontvangen. Het is zóó belangrijk
+dat ik het zal laten drukken. Daar ik niet weet, hoe het vervolg zal
+zijn, kan ik nog niet beslist mijne meening zeggen, maar ik geloof,
+dat de schrijver talent heeft. In ieder geval verleenen de eenvoud
+en het natuurlijke der schildering aan het boek eene waarde, die men
+het niet kan ontnemen.
+
+"Als in het tweede gedeelte (hetgeen zich wel laat aanzien) een
+weinig meer leven en beweging komt, dan belooft het een goede roman
+te worden. Ik verzoek u mij het vervolg te zenden. Uw roman zoowel
+als uw talent interesseeren mij. Nog zou ik u den raad willen geven
+niet onder initialen te schrijven, maar het werk onder uw' eigen naam
+te laten verschijnen, ten minste zoo gij niet een toevallige gast in
+de literatuur zijt. Ik verwacht hierop antwoord.
+
+"Aanvaard de betuiging van mijne oprechte hoogachting.
+
+
+"N. Njekrasoff."
+
+
+
+
+
+Op dezen brief volgde een tweede, d.d. 5 September 1852.
+
+
+
+"Geachte Heer!
+
+
+"Ik schreef u reeds over uw boek, maar nu reken ik het mijn plicht
+er nog eens op terug te komen. Ik liet het plaatsen in No. IX van
+den _Sawremjennik_ en bij oplettende lezing van de drukproef bevond
+ik dat het veel beter was dan ik aanvankelijk bij de lezing van het
+handschrift had gedacht. Ik kan nu beslist zeggen, dat de schrijver
+talent heeft. De zekerheid daarvan is, geloof ik, voor u, als
+beginneling, op 't oogenblik van het grootste gewicht. Hedenavond
+verschijnt uw werk te Petersburg; ik zal u een nommer van den
+_Sawremjennik_ sturen, maar waarschijnlijk eerst over een week of
+drie. Wij hebben er iets, heel weinig, uit laten vervallen en niets
+bijgevoegd. Spoedig zal ik u nader berichten, maar vandaag heb ik
+geen tijd. In afwachting van uw antwoord verzoek ik u, indien gij
+het vervolg gereed hebt, het mij te zenden.
+
+
+"N. Njekrasoff.
+
+
+"Hoewel ik den naam van den auteur vermoed, vraag ik u dringend mij
+dien te willen noemen. Volgens voorschrift van de censuur moet ik
+dien weten."
+
+Dezen brief kritiseert Tolstoi op de volgende wijze in zijn dagboek:
+
+"3 September. Ik ontving een brief van Njekrasoff. Lof--maar geen
+geld."
+
+Geld nu had hij dringend noodig en hij had verwacht het voor zijn
+eerste werk te krijgen. Waarschijnlijk correspondeerde hij er met
+Njekrasoff over, want hij kreeg een derden brief van den volgenden
+inhoud:
+
+
+
+"St.-P. 30 Oct. 1852.
+
+
+"Geachte Heer!
+
+
+"Ik moet u om verontschuldiging vragen, dat ik u zoolang op antwoord
+heb laten wachten, maar ik heb het zeer druk. Om de volgende reden heb
+ik in mijn vorig schrijven over het honorarium gezwegen: het is bij
+de voornaamste uitgevers gebruik de eerste proeve van een jong talent
+niet te honoreeren, daar het tijdschrift hem de gelegenheid geeft het
+publiek met zijn werk te laten kennismaken. Daaraan hebben allen, die
+hun eersten literairen arbeid in den _Sawremjennik_ geplaatst zagen,
+zich moeten onderwerpen, b.v. Gontscharoff, Droezjinin, Awdjejew, en
+anderen. Panajeff en ik hebben ons in onzen tijd daar ook in moeten
+schikken. Voor het vervolg bied ik u eene betaling aan, zoo hoog als
+slechts de beste van onze bellettristen (en dan nog zeer weinige)
+genieten, d.w.z. vijftig roebel voor iedere gedrukte bladzijde.
+
+"Ik heb met schrijven gewacht, omdat ik niet alleen op mijn eigen
+indruk wilde afgaan, maar eerst het oordeel van 't publiek wilde
+vernemen; dit nu luidt zoo gunstig mogelijk en het verheugt mij zeer
+dat ik mij niet vergist heb; gaarne dus doe ik u bovengenoemd voorstel.
+
+"Laat mij dus daarop uw antwoord weten; in ieder geval zullen wij
+het er wel over eens worden. Daar uw werk succes heeft gehad, zal
+het ons zeer aangenaam zijn zoo spoedig mogelijk weer iets van uwe
+hand te plaatsen. Wees zoo goed te zenden wat gij klaar hebt. Ik had
+u het 9de nummer van den _Sawremjennik_ willen sturen, maar het was
+helaas uitverkocht; zoo gij het wenscht kan ik u een exemplaar van
+den misdruk sturen.
+
+"Nogmaals verzoek ik u dringend een roman of eene vertelling te
+sturen. In afwachting van uw antwoord verblijf ik
+
+
+"Uw Dw. Dr., N. Njekrasoff.
+
+
+
+
+"P.S. Wij zijn verplicht den naam te kennen van den schrijver, wiens
+werken wij drukken; wil ons dien dus even melden. Desverlangd zal
+niemand behalve de redactie hem weten."
+
+
+
+
+
+Op zijne gewone bescheiden wijze brengt Tolstoi zijne tante Tatjana
+op de hoogte van bovenvermelde gebeurtenissen.
+
+"Van de baden teruggekeerd heb ik, dank zij de manoeuvres, eene vrij
+vervelende maand doorgebracht. Marcheeren en schieten met kanonnen is
+niet zeer aangenaam, vooral omdat het mijne leefwijze geheel in de war
+bracht. Gelukkig heeft het niet lang geduurd en gaat alles weer zijn
+gewonen gang; ik jaag dus, schrijf, lees, en praat met Nikolaas. De
+jacht met het geweer begint nu meer in mijn' smaak te vallen, en daar
+ik vrij goed schiet, besteed ik er iederen dag eenige uren aan. In
+Rusland kan men zich geen denkbeeld maken van 't vele en goede wild,
+dat men hier vindt. Op 100 pas afstand ziet men soms faisanten en
+in den tijd van een half uurtje schiet ik er wel eens drie. Behalve
+het genoegen dat het mij verschaft is de beweging ook heel goed voor
+mijne gezondheid, die ondanks de bronnen te wenschen overlaat. Ik ben
+niet bepaald ziek, maar heb heel veel last van kou vatten. Nu is het
+keelpijn, dan weer tandpijn die eeuwig aanhoudt, of rheumatiek, in één
+woord, twee dagen van de week moet ik zeker mijn kamer houden. Nu moet
+gij niet denken, dat ik iets voor u verberg; mijn gestel is, zooals
+het altijd geweest is, sterk maar gevoelig. Het volgende jaar denk
+ik weer naar de baden te trekken. Al ben ik niet geheel genezen, goed
+heeft het mij toch gedaan. Alle onaangenaams heeft toch ook zijn goede
+zijde. Wanneer ik ongesteld ben, dan werk ik des te geregelder aan een
+nieuwen roman, waarmee ik reeds ben begonnen. De eerste, dien ik naar
+Petersburg heb gestuurd, is onder den naam _Kinderjaren_ opgenomen
+in het Septembernummer van den _Sawremjennik_ (1852). Ik heb het
+onderteekend met de letters A. N. T. en niemand behalve Nikolaas weet
+wie de schrijver is. En ik zou ook niet willen dat men het wist." [76]
+
+Tolstoi's zuster, Maria Nikolajewna, vertelde mij van den indruk dien
+zijn werk op de familie en kennissen heeft gemaakt. De familie woonde
+op een landgoed dicht bij het buiten van Toerghenjeff, die dikwijls
+bij hen kwam. Eens bracht hij het bewuste nommer van den _Sawremjennik_
+mee, sprak vol lof over het werk en den onbekenden schrijver en begon
+het voor te lezen. Vol verbazing luisterde Maria Nikolajewna naar het
+verhaal van de gebeurtenissen, die in haar eigen familie hadden plaats
+gegrepen. Zij kon maar niet begrijpen wie de intieme bijzonderheden
+uit hun leven zoo nauwkeurig kon weten. Het kwam geen seconde bij
+haar op, dat hun Ljewotschka (Leo) de schrijver kon zijn; wel had zij
+eenig vermoeden op Nikolaas, die in zijne jeugd een weinig aanleg voor
+literairen arbeid had vertoond en een uitstekend sprookjesverteller
+was. Klaarblijkelijk had tante Tatjana het haar toevertrouwde geheim
+goed weten te bewaren en werd het eerst door Tolstoi zelf na zijne
+terugkomst uit den Kaukasus geopenbaard.
+
+Te oordeelen naar den brief van Njekrasoff, was het verschijnen
+van Tolstoi's eerste pennevrucht eene gebeurtenis in de Russische
+letterkundige wereld.
+
+Golowatschewa Panajewa beschrijft in hare _Herinneringen_ den indruk,
+dien het boek op het publiek en op de toenmalige schrijvers maakte.
+
+"Het publiek was eenstemmig in zijn lof voor den nieuwen auteur en
+interesseerde zich er sterk voor, wie het toch wel zou zijn. In den
+letterkundigen kring betoonde men zich onverschillig, behalve Panajeff,
+die zóó in verrukking kwam over _Kinderjaren_, dat hij een' van zijne
+vrienden er iederen avond een paar bladzijden uit voorlas. Toerghenjeff
+plaagde hem daarmee en beweerde, dat de kennissen Panajeff op het
+Prospekt uit den weg gingen, uit angst dat hij hun daar zelfs eene
+voordracht zou houden uit het nieuwe boek, dat hij van buiten had
+geleerd."
+
+Het duurde eenigen tijd voordat de kritiek zich met Tolstoi ging
+bemoeien.
+
+Eerst in 1854, toen zijn tweede werk: _Jongensjaren_ verscheen,
+gaf Zjeljinski in de _Atjetschestwjennija Zapiski_ eene nauwkeurige
+beoordeeling van de beide werken.
+
+Hier volgt het korte maar waardeerende artikel:
+
+"_Kinderjaren_, als eene aaneenschakeling van vrije dichterlijke
+voorstellingen, gaf den schrijver gelegenheid het heele landleven
+van zijn dichterlijk standpunt te beschouwen.
+
+"Hij koos uit dat leven alles wat indruk maakt op de kinderlijke
+verbeeldingskracht en op het kinderlijke verstand. Het talent nu
+van den schrijver is zóó groot, dat hij dit leven weet te schilderen
+zooals een knaap het ziet. Alles wat hem omringt, d.w.z. voor zoover
+het indruk maakt op een kind, komt in het boek voor, en daardoor
+staan alle hoofdstukken op zichzelf, verbonden door één draad die
+door 't geheele werk loopt, n.l. door de wereldbeschouwing van den
+knaap. Het groote talent van den schrijver blijkt ook nog uit het
+volgende. Het moet zeer moeilijk zijn om, schrijvende onder den invloed
+van kinderlijke indrukken, ook aan de niet kinderlijke gedachte een
+plaatsje in te ruimen, en dat is den auteur zoo volkomen gelukt, dat
+men na lezing van het boek alle personen voor zich ziet: den vader,
+de moeder, de njanja, den gouverneur, in één woord de geheele familie,
+en dan nog in het meest poëtische licht."
+
+Naarmate de kring der lezers van den _Sawremjennik_ grooter werd,
+groeide ook de belangstelling die het publiek den talentvollen,
+nog steeds onbekenden auteur betoonde. Dostajewski b.v. bevond zich
+in Siberië, toen de nommers, waarin Tolstoi's vertellingen waren
+opgenomen, hem bereikten. Zij maakten zulk een diepen indruk op hem,
+dat hij een' zijner kennissen verzocht, hem toch vooral den naam te
+schrijven van dien geheimzinnigen L. N. T.
+
+Maar die geheimzinnige L. N. T. wenschte zich nog niet bekend te
+maken en stond als iemand die er niets mee te maken had tegenover
+zijn succes.
+
+Zelfs tegen zijn' broer Nikolaas en een' vriend heeft Tolstoi langen
+tijd gezwegen.
+
+"Mijn broer Leo," zoo schrijft gravin Sophie Tolstoi in hare
+aanteekeningen, "vertelde mij eens dat hij in den Kaukasus een nummer
+van de _Atjetschestwjennija Zapiski_ ontving, waarin den onbekenden
+auteur van _Kinderjaren_ groote lof werd toegezwaaid. 'Ik lag,'
+vertelde hij, 'op de houten bank in mijne hut; Nikolaas en Ogolin
+waren bij mij toen het blad kwam. Ik begon te lezen en werd bijna
+dronken van vreugde, terwijl de tranen van verrukking mij in de oogen
+kwamen, en dacht: "niemand, zelfs niet zij die daar bij mij zijn,
+weet dat ik het ben die zoo wordt geprezen."'"
+
+In October van dat zelfde jaar, hij bevond zich toen te
+Starogladowskaja, rijpte bij Tolstoi het plan een nieuwen roman,
+_De Russische Landeigenaar_, te gaan schrijven, waarvan de inhoud
+ongeveer op het volgende neer zou komen. De held van het verhaal
+zoekt eerst de verwezenlijking van zijn ideaal in het leven op het
+land. Als hij het daar niet vindt, zoekt hij het in het familieleven,
+om dan plotseling tot de overtuiging te komen, dat men, om gelukkig
+te zijn, steeds het geluk van anderen voor oogen moet hebben. Deze
+roman heeft helaas nooit het licht gezien, maar de gedachte vinden
+wij in veel van zijne latere werken terug.
+
+Tolstoi was, ondanks zijne aanzienlijke geboorte, niet gelukkig in
+zijn militaire loopbaan. Hij begon naar het einde te verlangen en
+wachtte slechts op zijne bevordering tot officier om zijn ontslag te
+nemen. Die bevordering kwam maar niet. Toen hij in dienst ging had
+hij gehoopt in anderhalf jaar officier te kunnen zijn, en daar kreeg
+hij in October, na bijna een jaar gediend te hebben, een schrijven
+waarin hem werd meegedeeld, dat hij om officier te worden nog drie
+jaren zou moeten wachten. De oorzaak, dat hij niet bevorderd werd,
+lag hierin, dat zijne papieren niet in orde waren.
+
+In de aanteekeningen van gravin Tolstoi vinden we daaromtrent het
+volgende vermeld.
+
+"De bevordering van Leo Tolstoi tot officier en zijn geheele
+diensttijd kenmerkten zich door groote moeilijkheden en ging met
+vele teleurstellingen gepaard. Vóór zijn vertrek naar den Kaukasus
+woonde hij met zijne tante Tatjana op Jasnaja Paljana. Hij was heel
+veel samen met zijn' broer Sergius, die zich in dien tijd sterk
+aangetrokken voelde tot de Zigeuners, hun leven en hun' zang. Zij
+kwamen zelfs naar Jasnaja Paljana, zongen hunne liederen en benevelden
+het verstand der beide broeders. Toen Leo Tolstoi inzag, dat hij onder
+dezen invloed de domste dingen zou gaan doen, nam hij, zonder iemand
+te raadplegen en zonder zich om de noodige papieren te bekommeren,
+plotseling het besluit naar den Kaukasus te gaan."
+
+Deze zorgeloosheid, of liever de minachting die hij had voor alles wat
+papieren heette, heeft hem heel wat onaangename oogenblikken bezorgd.
+
+Steeds wachtende op zijne bevordering schreef hij ten slotte een'
+brief aan zijne tante Pelageja, die met de hulp van een hooggeplaatst
+ambtenaar zijne benoeming bewerkstelligde.
+
+Den 24en December van het zelfde jaar voltooide Tolstoi zijne
+vertelling _De Overrompeling_, die hij weer naar den _Sawremjennik_
+stuurde.
+
+In het jaar 1853 nam de batterij waarbij Tolstoi was ingedeeld deel
+aan den veldtocht tegen Schamil. Bovendien kwam hij den 18en Februari
+van dat zelfde jaar nog in het vuur, waarbij hij aan een groot gevaar
+ontsnapte. Bij het richten van een kanon ontplofte eene vijandelijke
+granaat in zijne onmiddellijke nabijheid, vernielde het affuit,
+maar liet Tolstoi gelukkig geheel ongedeerd.
+
+Den eersten April keerde hij met zijn regiment weer naar
+Starogladowskaja terug.
+
+Reeds bij zijne eerste schrede op het gebied der literaire werkzaamheid
+kwam Tolstoi in botsing met den halsstarrig standhoudenden, niet te
+verwrikken hinderpaal, die nu reeds twee eeuwen de vrije ontwikkeling
+van de Russische gedachte en van de Russische kunst tegenhoudt,
+met de zich zoo noemende censuur.
+
+In een' brief aan zijn' broer Sergius schrijft hij hierover:
+
+"Ik heb haast, neem het dus niet kwalijk zoo de brief kort en verward
+wordt. _Kinderjaren_ is geheel bedorven en _De Overrompeling_ is ook
+mishandeld door de censuur. Al hetgeen er goed in was is geschrapt
+of verminkt.
+
+"Ik heb mijn ontslag ingediend en hoop na eenigen tijd, d.w.z. na
+ongeveer anderhalve maand, als een vrij man naar Pjatigorsk en vandaar
+naar Rusland te reizen."
+
+Dit ontslag nemen ging echter niet zoo gemakkelijk. In hetzelfde
+jaar 1853 was Tolstoi nog eens aan een groot gevaar blootgesteld en
+ontsnapte hij zelfs ternauwernood aan de gevangenschap.
+
+Paltoratzki vertelt van die gebeurtenissen:
+
+"Den 13en Juni 1853 bracht ik een convooi naar Groznaja. Wij waren
+reeds eenigen tijd op weg, toen ik plotseling op eene hoogte een' troep
+van ongeveer vijfentwintig vijandelijke Tschetschentzen ontdekte, die
+als een wervelwind van een heuvel naar beneden renden. Ik haastte mij
+naar het hoofd van de kolonne, een salvo van vijandelijke geweerschoten
+liet zich reeds hooren en ook mijne manschappen hadden reeds den
+vinger aan den trekker.
+
+"'Halt, schiet niet, de onzen zijn er bij!' riep ik plotseling uit al
+mijn kracht, en gelukkig kon ik het vuren nog voorkomen. Nauwelijks
+had ik den tijd gehad een gedeelte van den troep bevel te geven
+er in stormpas op in te gaan, toen ik de Tschetschentzen reeds
+weer in de steppen zag verdwijnen, waarop wij hun een paar schoten
+nazonden. Op dat oogenblik kwam baron Rozen, wit als een doode, in
+razende vaart op ons toe rijden, direct gevolgd door een paard zonder
+berijder. Aan het zadel zagen we dat het een' artillerie-officier
+toebehoorde. Even daarna verscheen van achter de struiken langs
+den weg Schtscherbatschjeff, de eigenaar van het paard. Hij was een
+bijzonder knappe, sterke jonge man, die eerst sedert een paar maanden
+de krijgsschool had verlaten. Langzaam maar met vaste schreden kwam
+hij naar ons toe, rechtop, zonder geluid te geven, zoodat wij eerst
+geen vermoeden hadden hoe zwaar gewond de arme jongen was. Het bloed
+stroomde letterlijk uit zijne wonden.
+
+"Bij de kolonne bevond zich geen dokter, zoodat de barbiers voorloopig
+hulp moesten verleenen en een van hen legde handig en vlug het
+eerste verband. Onderwijl had baron Rozen zich een weinig hersteld
+en vertelde, dat hij met nog vier anderen vooruit was gereden. Toen
+zij werden overvallen waren graaf Tolstoi, Paul Paltoratzki (een neef
+van den schrijver) en de tartaar Sado doorgerend, waarschijnlijk in
+de hoop Groznaja te bereiken, terwijl hij en Schtscherbatschjeff hun
+paarden hadden gewend en spoorslags waren teruggereden.
+
+"'Uwe Hoogheid,' onderbrak hier een soldaat, die boven op een hooiwagen
+lag, het verhaal, 'daarginder op den weg ligt nog iemand en ik geloof
+dat hij zich beweegt.'
+
+"'Voorwaarts, looppas!' beval ik, en zelf stormde ik reeds weg. Op
+vijftig schreden afstand lag een dood paard en daaronder mijn neef
+Paul. Vreeselijk kermend smeekte hij wanhopig hem van het doode dier te
+bevrijden. Ik sprong van het paard, wierp een' Kozak de teugels toe,
+en met bovenmenschelijke kracht trok ik met één greep het doode dier
+op zij en bevrijdde den armen lijder, die daar vreeselijk verminkt
+neerlag.
+
+"Zijne wonden waren hem met een' sabel toegebracht. Hij had drie
+sneden over zijn hoofd, zijn schouder was geheel gekerfd en vaneen
+gereten. Ik liet de geheele kolonne aanrukken, begon zelf reeds het
+eerste verband te leggen en gaf bevel eene draagbaar gereed te maken.
+
+"Dit alles had zich in een paar minuten afgespeeld en wij
+hadden nauwelijks den tijd gehad onze gewonden te verbinden,
+toen ook reeds een kleine afdeeling kavallerie uit Groznaja, kwam
+aanrennen. De opperbevelhebber, in de meening dat de troep in de
+beste orde opmarcheerde en dat de Tschetschentzen zich reeds hadden
+teruggetrokken, vond het niet noodig hen te vervolgen en zond de
+naderende kolonne slechts een paar ruiters te gemoet. Met vereende
+krachten werd eene draagbaar gemaakt, met soldatenjassen bedekt, de
+gewonden werden zoo voorzichtig mogelijk erop gelegd en verder ging het
+weer naar Groznaja, dat wij reeds tot op korten afstand waren genaderd.
+
+"De ruiters brachten de goede tijding mee dat graaf Tolstoi en de
+Tartaar Sado aan de vervolging waren ontkomen en ongedeerd de vesting
+hadden bereikt.
+
+"Het vijftal, dat ter nauwernood aan den dood was ontsnapt, wilde vóór
+de kolonne te Groznaja zijn en was daarom vooruitgereden, iets dat,
+ondanks streng verbod, in den Kaukasus maar al te dikwijls voorkwam.
+
+"Onze vijf jongelui nu besloten, toen zij een honderd schreden
+vooruit waren, zich, met het oog op de veiligheid, in twee groepen
+te verdeden. Graaf Tolstoi en Sado zouden bovenlangs gaan, de drie
+anderen den lagen weg houden.
+
+"Nauwelijks boven gekomen zagen zij plotseling uit een bosch de
+Tschetschentzen recht op zich aanstormen. Tolstoi schreeuwde zijne
+kameraden nog toe, dat de vijand er aankwam, en daar zij zelfs geen
+tijd meer hadden terug te keeren, vlogen zij zoo snel hun paarden
+loopen wilden den weg op naar de vesting. De anderen, die beneden
+waren gebleven, geloofden het eerst niet en verloren daardoor eenige
+kostbare minuten. Toen de Tschetschentzen (waarvan er zich zeven
+hadden afgescheiden om Tolstoi en Sado te vervolgen) verschenen, wierp
+baron Rozen snel als de gedachte zijn paard om en stormde terug naar
+de kolonne, die hij ook ongedeerd bereikte. Schtscherbatscheff rende
+hem achterna, maar zijn paard was niet zoo vlug, de vijand haalde hem
+in, verwondde hem en sloeg hem van het paard, maar toch gelukte het
+hem nog te voet de kolonne te bereiken. Het slechtst van allen was
+Paul er aan toe. Hij wilde instinctief vooruit naar Groznaja, maar
+bedacht zich dat zijn jong paard hem er niet zou brengen. Hij keerde
+dus terug, stootte op den vijand en trachtte nog (hij verloor geheel
+zijne zelfbeheersching, zooals hij zelf bekende) zich met getrokken
+sabel een weg te banen, dwars door den vijand heen. Maar een van de
+bergbewoners, een uitstekend schutter, liet hem tot op eenige passen
+naderen, en mikte toen op zijn paard, dat dadelijk dood neerviel en
+boven op zijn berijder kwam te liggen. De Tschetschentz trok Paul
+de sabel met zilveren gevest uit de hand en wilde hem ook de scheede
+afrukken toen hij moest vluchten voor de nadering der troepen, maar
+niet voordat hij Paul een' sabelhouw had gegeven. Dit voorbeeld volgden
+nog zes anderen, en zoo vonden wij hem, bloedend uit zeven wonden,
+onder het doode paard."
+
+In de _Herinneringen_ van S. A. Bjers lezen wij van deze gebeurtenis
+het volgende:
+
+"De goedgezinde Tschetschentz Sado en Tolstoi waren groote
+vrienden. Sado had een jong paard gekocht, dat hij, na het eenigen
+tijd te hebben bereden, Tolstoi eens liet probeeren, terwijl hij zelf
+diens telganger, die niet zoo goed kon galoppeeren, besteeg. Dit was
+juist gebeurd toen de Tschetschentzen hen overvielen. Tolstoi, die de
+kans had op het vlugge paard te ontsnappen, liet zijn vriend niet in
+den steek. Sado ging, als alle bergbewoners, nooit uit zonder buks,
+maar die was nu helaas niet geladen. Toch richtte hij haar op de
+vervolgers, in de hoop hun vrees aan te jagen. Dezen, van hun' kant,
+schoten ook niet omdat zij hen levend gevangen wilden nemen, om zich
+op Sado, een' afvallige, te kunnen wreken. Deze omstandigheid redde
+hun het leven. In de nabijheid van Groznaja kreeg een schildwacht
+hen in 't oog, en op diens alarm kwam er hulp opdagen, waardoor de
+vijand gedwongen werd de vervolging te staken."
+
+Deze gebeurtenis heeft de stof geleverd voor Tolstoi's vertelling
+_De Kaukasische Gevangene_.
+
+Ondanks het woeste krijgsmansleven en het feit dat er nog oogenblikken
+kwamen waarin Tolstoi zich geheel aan genot en spel overgaf, ging
+zijne geestesontwikkeling met reuzenschreden vooruit.
+
+Korten tijd na de bovenbeschreven episode schreef hij de volgende
+gedachten neer:
+
+
+
+"Wees oprecht, zelfs al moet gij scherp zijn, maar vrees niet
+kinderlijk openhartig waar dit niet vereischt wordt."
+
+"Onthoud u van wijn en vrouwen."
+
+"Het genot duurt zoo kort--het berouw zoo lang."
+
+"Doe het werk dat gij verricht nooit ten halve. Tracht u bij iedere
+sterke aandoening te beheerschen en zoo gij u iets hebt voorgenomen,
+breng het ten uitvoer, zelfs als het niet goed is."
+
+
+
+Tolstoi reisde in Juni van 't jaar '53 weer naar Pjatigorsk, bleef daar
+tot October en kwam weer in Starogladowskaja terug. Klaarblijkelijk
+begon de dienst hem danig te vervelen en ongeduldig verlangde hij naar
+eene verandering in zijn leven. Onder den indruk daarvan schreef hij
+uit Pjatigorsk aan zijn' broer:
+
+"Ik heb je, geloof ik, reeds geschreven dat ik mijn ontslag heb
+aangevraagd. Of ik het krijg en wanneer, vooral met het oog op den
+oorlog met Turkije, mag de hemel weten. Ik maak er mij erg ongerust
+over, want ik vrees--in den dienst is alles mogelijk--dat ik weer
+naar Starogladowskaja zal moeten gaan, en ik had mij reeds geheel
+aan de gedachte gewend, spoedig naar ons dorp terug te keeren."
+
+Dezelfde stemming spreekt uit een' brief geschreven te Starogladowskaja
+in December 1853:
+
+"Ik bid je, maak zoo spoedig mogelijk werk van mijne papieren. 't Is
+noodzakelijk. God alleen weet wanneer ik terug zal keeren! 't Is nu
+bijna een jaar dat ik niets liever zou wenschen dan de sabel in de
+scheede te steken, maar ik kan het niet. Nu ik evenwel toch gedwongen
+ben aan den oorlog deel te nemen, wil ik nog liever naar Turkije gaan
+dan hier blijven, hetgeen ik dan ook vorst Sergius Dmitrijewitsch
+gevraagd heb. Hij heeft het zijn' broeder reeds geschreven, maar of
+er iets van komt weet hij niet.
+
+"In ieder geval hoop ik, dat er tegen Nieuwjaar verandering in
+mijn leven zal komen, want ik moet bekennen dat het mij ontzettend
+begint te vervelen. Domme officieren, domme gesprekken en anders
+niets. Als ik nog maar één mensch had met wien ik vertrouwelijk kon
+spreken. Toerghenjeff had gelijk toen hij beweerde, dat het niet goed
+is eenzaam te zijn; men voelt dat men achteruit gaat.
+
+"Hoewel Nikolaas, de hemel mag weten waarom, de goede honden heeft
+meegenomen (Jepischka en ik schelden hem er in gedachten dikwijls
+om uit) ga ik iederen dag, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat,
+met een' anderen hond op de jacht. En dat is mijn eenige genoegen,
+of liever, geen genoegen maar een verdoovingsmiddel. Je draaft heen
+en weer, je krijgt honger, je wordt moe en de dag is voorbij. Als er
+gelegenheid toe is, of als gij zelf naar Moskou gaat, koop mij dan
+_David Copperfield_ van Dickens in het Engelsch en stuur het mij met
+mijn Engelsch woordenboek dat in mijn boekenkast staat."
+
+In dezen tijd schreef Tolstoi _Jongensjaren_, dat hij ook weer naar
+den _Sawremjennik_ stuurde, maar met een ontevreden gevoel van te
+haastig te hebben gewerkt. Ook hield hij zich onledig met het lezen
+van eene biografie van Schiller.
+
+Teruggekeerd van een kort reisje naar Chasaf-Joert schreef hij in
+zijn dagboek:
+
+"Alle gebeden die ik vroeger tot God richtte heb ik vervangen door het
+eene 'Onze Vader.' Alles wat ik Hem wil vragen wordt het waardigst
+uitgedrukt door de woorden: 'Heer, Uw wil geschiede, zooals in den
+hemel alzoo ook op aarde.'"
+
+In de aanteekeningen van gravin Tolstoi vonden we nog eene gebeurtenis
+uit zijn leven in den Kaukasus beschreven, n.l. hoe het kwam dat het
+kruis van St. George hem ontging.
+
+"Tolstoi was, zooals de lezer weet, reeds eenige malen in 't gevecht
+geweest en hij hoopte vurig nog eens het kruis van St. George te
+ontvangen. Zijn commandant was zeer met hem ingenomen; er bestond dus
+wel kans dat die droom verwezenlijkt zou worden. Nadat er eens weer
+een gevecht had plaats gevonden, werden er eenige kruisen gestuurd,
+die den volgenden dag zouden worden uitgereikt. Nu gebeurde het dat
+Tolstoi den avond van te voren dienst moest doen op het eiland waar
+de kanonnen stonden. Ongelukkig voor hem liet hij zich tot een partij
+schaak overhalen, en zooals hij zich door alles liet meesleepen ging
+het ook nu: hij bleef tot midden in den nacht bij het spel en ging
+niet op wacht. De dienstdoende officier, die hem niet op zijn post
+vond, onderhield hem streng over zijn verzuim en stuurde hem in arrest.
+
+"Den volgenden dag werden, terwijl de muziek speelde, de kruisen
+uitgereikt. Tolstoi wist, dat hij er ook een zou hebben gekregen,
+en daar zat hij nu in arrest en kwam bijna tot vertwijfeling."
+
+Nog eenmaal heeft hij eene kans gehad het kruis te verkrijgen, doch
+dit liep, hoewel meer eervol, ook op niets uit.
+
+De overste Alexejeff wendde zich even vóor de uitreiking der kruisen
+met de volgende woorden tot Tolstoi: "Gij weet, dat het kruis van
+St. George voornamelijk aan oude soldaten wordt uitgereikt, die dan
+tevens recht krijgen op een levenslang pensioen, dat evenveel bedraagt
+als hun salaris. Ook wordt het kruis uitgereikt aan jonge mannen,
+die door hun chefs geprotegeerd worden. Hoe meer dit laatste geval
+zich voordoet, des te meer wordt het onthouden aan oude soldaten,
+die het verdienden te ontvangen. Zoo gij het verlangt, zal ik u het
+kruis geven, maar zoo gij er afstand van doet, dan is hier een oude,
+waardige soldaat, die het verdiend heeft en voor wien het tevens een
+middel van bestaan is." Natuurlijk wenschte Tolstoi, hoewel hij er
+zeer naar verlangd had, het kruis nu niet meer te ontvangen, en eene
+andere gelegenheid om het te verdienen deed zich niet meer voor.
+
+Nu laten wij nog eenige bladzijden uit de _Herinneringen_ van den
+officier Janzjoel volgen, die in 1871 in Starogladowskaja gedetacheerd
+was, waar hij nog versche sporen vond van Tolstoi's verblijf aldaar.
+
+"In 1871 werd ik als officier naar Starogladowskaja gezonden en kwam
+bij dezelfde batterij te staan, waar ook graaf Leo Tolstoi gediend
+had. In de twee jaren, die ik daar gewoond heb, had ik de gelegenheid
+het plaatsje goed te leeren kennen, de typische vriendelijke huisjes,
+de moedige Kozakken, het kommandantshuis met de hooge, oude populieren,
+alles door Tolstoi beschreven in zijne vertelling _De Kozakken_. In
+mijn' tijd was de herinnering aan Leo Nikolajewitsch, zooals hij
+daar genoemd werd, nog levendig gebleven. Men wees mij o.a. de nu
+oude Mariana, de heldin van zijn verhaal, en eenige oude Kozakken,
+die Tolstoi persoonlijk gekend hadden en met wie hij dikwijls op de
+faisanten- en wilde-zwijnenjacht was geweest. Een van deze jagers
+ging in 1880 te paard naar Jasnaja Paljana, om hem nog eens weer te
+zien. Ook trof ik er nog een zekeren kapitein Troloff (sinds dien
+overleden) die Tolstoi heel goed gekend had en zich nog de boeiende
+wijze van vertellen herinnerde, waarmee hij iedereen meesleepte."
+
+Janzjoel geeft ook nog eene karakteristieke beschrijving van Tolstoi's
+bataillons-commandant. Nikita Petrowitsch Alexejeff, de batterij
+commandant van graaf Leo Tolstoi, werd om zijne goedhartigheid door
+iedereen geacht en bemind. Hij bezat maar één oor (het andere had een
+paard hem afgebeten), had aan de universiteit gestudeerd en was zeer
+godsdienstig, zoodat hij uren lang geknield in de kerk kon liggen
+met zijn hoofd ter aarde gebogen.
+
+Hij kon het nooit rustig aanzien dat de officieren wodka dronken
+en vooral niet als het jongelui waren. Volgens de gebruiken van den
+goeden ouden tijd aten zij iederen dag bij hun' commandant aan tafel
+en dan deed Leo Tolstoi dikwijls, echt kwajongensachtig, alsof hij
+wodka dronk. Nikita Petrowitsch raadde hem dan telkens ernstig aan
+dat wodka drinken te laten en liever, zooals hij, bonbons te eten.
+
+De beschrijving van Tolstoi's leven in den Kaukasus zou niet volledig
+zijn, wanneer wij nog niet even herinnerden aan twee goede kameraden
+van hem, de honden Boelka en Milton, die hij beschreven heeft in
+_Boekjes om te lezen_, een verhaal dat ieder Russisch schoolkind kent.
+
+
+
+Eindelijk, na lang wachten, kreeg Tolstoi zijne aanstelling tot
+officier. Den 18en Januari 1854 deed hij het officiersexamen, hetgeen
+in die dagen maar bloot een vorm was, en maakte hij zich voor zijn
+vertrek gereed.
+
+Reeds den 19en Januari bereikte hij de Russische grens en kwam, na een
+reis van ongeveer twee weken, te Jasnaja Paljana aan. Onderweg werd
+hij door een heftigen sneeuwstorm overvallen, die hem waarschijnlijk
+tot stof heeft gediend voor een zijner vertellingen.
+
+Den korten tijd dien hij in Rusland bleef bracht hij door bij zijne
+broers, zijne tante en zijn' vriend Pjerfiljeff.
+
+Zijne overplaatsing in het leger dat naar den Donau werd gezonden
+wachtte hem reeds; spoedig moest hij dus weer vertrekken en zoo vinden
+wij hem den 14 Maart 1854 te Boecharest.
+
+Als gepast slot van dit hoofdstuk laten wij nog Tolstoi's tegenwoordige
+meening volgen over zijn leven in den Kaukasus. Met groot genoegen
+denkt hij steeds aan dien tijd terug en noemt dien, ondanks de
+vele afdwalingen van zijn toen nog vaag gevoeld ideaal, een der
+beste tijdperken van zijn leven. Zijn latere diensttijd heeft hem,
+naar hij meent, vooral wat zijne letterkundige werkzaamheid betreft,
+naar omlaag getrokken.
+
+Eerst nadat hij in zijn dorp was teruggekeerd en toen hij al zijne
+krachten inspande om verbetering te brengen in het onderwijs aan
+het dorpskind, kon zijn geest zich weer verheffen en voelde hij zich
+als herboren.
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+DE DONAU EN SEWASTOPOL.
+
+
+Voordat ik met het verhaal van dit tijdvak begin, acht ik het noodig
+eenige woorden over den loop der politieke gebeurtenissen te zeggen,
+in verband waarmede ook de veranderingen in het leven van Leo Tolstoi
+plaats vonden.
+
+De laatste jaren Van Keizer Nikolaas' regeering zijn gekomen. De
+machtsinspanning heeft haar hoogsten trap bereikt, en de druk van
+het volk en de hoogere klassen der maatschappij heeft reeds een
+krachtig protest tegen een en ander verwekt. Zooals altijd, stort de
+overheid, die instinctmatig het haar dreigende gevaar gevoelt, zich
+in buitenlandsche avonturen, terwijl zij de opgehoopte volkskracht
+ontlaadt in de bloedige slachting van eene gehoorzame kudde soldaten,
+wier eenige opvoeding hierin bestaat, dat zij de steun van het gezag
+kunnen en willen zijn in de moeilijke uren van zijn misdadig leven. Ook
+het volk en de hoogere klassen storten zich in zulke slachtingen,
+evenals een mensch die verdriet heeft in elken walgelijken roes
+stilling zoekt voor zijne kwelling.
+
+Zoo verklaart dan Rusland, door de tyrannie van Nikolaas I ondermijnd
+en zedelijk bedorven, op 4 November 1853 Turkije den oorlog. Den
+eersten tijd zijn de Russische troepen voorspoedig; zij overschrijden
+de Turksche grenzen, bezetten Moldavië, en de Zwarte-Zee-vloot,
+onder bevel van den vermaarden Nachimoff, vernietigt de Turksche
+scheepsmacht bij Sinope.
+
+Dan mengen de Europeesche machten--Engeland en Frankrijk--zich in dien
+krijg, waarmede tegelijk de bekende Krim-oorlog een' aanvang neemt,
+die met de heldhaftige verdediging van Sewastopol, zonder voorbeeld
+in de geschiedenis, besloten wordt. En zooals steeds in dergelijke
+gevallen, houdt het gemoedsleven in de harten der betere menschen,
+zoowel bij het volk als bij de hoogere standen, gelijken tred met de
+luidruchtige openbaringen van het leven daarbuiten; openbaart zich
+in het vormen van nieuwe idealen, en uit zich onvermijdelijk--zij
+het ook zwak--in liberale maatschappijke hervormingen. Die beide
+verschijnselen: de ontlading der volkskracht in heldendaden, en het
+zich verheffen van den volksgeest in de onthulling van nieuwe idealen,
+hebben ook op Tolstoi's letterkundigen arbeid uit dien tijd hun'
+stempel gedrukt.
+
+En daar deze twee belangwekkende verschijnselen onmiddellijk met
+elkander in tweestrijd kwamen, nam die arbeid den vorm aan eener
+hooge tragische poëzie, waardoor zijne Sewastopol'sche verhalen
+zich kenmerken.
+
+Toen Tolstoi, naar wij boven hebben meegedeeld, zijne bloedverwanten
+bezocht had, ging hij het eerst naar het Donau-leger.
+
+Na aankomst te Boecharest schreef hij zijne tante Tatjana een'
+brief in den vorm van een dagboek, in drie gedeelten, met eene korte
+beschrijving der reis en den eersten indruk bij de aankomst.
+
+13 Maart. "Van Koersk heb ik bijna 2000 wersten afgelegd in plaats
+van 1000, zooals ik dacht, en ben over Poltawa, Balta, Kischineff,
+en niet over Kieff gegaan, hetgeen een omweg zou geweest zijn. Tot
+aan het gouvernement Cherson had ik eene uitmuntende slede; maar
+daar was ik genoodzaakt haar achter te laten, en 1000 werst in een'
+wagen af te leggen, langs een afschuwelijken weg tot aan de grens en
+van de grens tot Boecharest. Die weg is onmogelijk te beschrijven; men
+moet er van genoten hebben, om te begrijpen hoe pleizierig het is 1000
+werst af te leggen in een wagen, kleiner en slechter dan die, waarin
+men bij ons den mest vervoert. Ik verstond geen woord Moldavisch,
+vond niemand die Russisch verstond, en betaalde daarenboven voor
+acht paarden in plaats van voor twee. Ofschoon mijne reis slechts 9
+dagen geduurd heeft, heb ik meer dan 200 roebels uitgegeven, en ben
+ik bijna ziek van vermoeienis aangekomen."
+
+17 Maart. "Vorst Gortschakoff was niet hier. Gisteren kwam hij en ben
+ik bij hem geweest. Hij heeft mij beter ontvangen dan ik dacht--alsof
+ik een bloedverwant was. Hij heeft mij omhelsd, mij uitgenoodigd om
+dagelijks bij hem te komen eten, en wil mij bij zich houden; maar
+dit is nog niet uitgemaakt.
+
+"Vergeef mij, beste tante, dat ik u zoo weinig schrijf; ik ben
+nog niet geheel op mijn verhaal. De groote en fraaie stad, al die
+voorstellingen, de Italiaansche opera, de Fransche schouwburg, de
+twee jonge Gortschakoff's, die zeer flinke jongelieden zijn,--dat
+alles maakt, dat ik geen twee uren thuis ben gebleven en niet aan
+mijne bezigheden gedacht heb."
+
+22 Maart. "Gisteren heb ik gehoord, dat ik niet bij den vorst blijf,
+maar naar Oltenitza ga, om mij bij mijne batterij te voegen."
+
+
+
+Eenigen tijd later schreef hij opnieuw, in eene andere stemming:
+
+"Terwijl men denkt, dat ik aan alle gevaren van den oorlog blootgesteld
+ben, heb ik nog geen Turksch kruit geroken, en zit ik rustig te
+Boecharest, doe wandelingen, maak muziek en eet porties ijs. Werkelijk
+ben ik al dien tijd te Boecharest gebleven (behalve twee weken, die
+ik te Oltenitza heb doorgebracht, waar ik bij eene batterij geplaatst
+was, en één week, die ik aan strooptochten door Moldavië, Walachije
+en Bessarabië besteed heb, op last van generaal Sersjpoetowski, aan
+wien ik tegenwoordig voor speciale diensten ben toegevoegd), en om
+u de gulle waarheid te zeggen, staat deze eenigszins losse, geheel
+werkelooze en zeer kostbare leefwijze mij bijster tegen. Eerst was
+het de dienst, die mij hier terughield; maar nu ben ik er bijna drie
+weken geweest ten gevolge van eene koorts, die ik op reis heb opgedaan,
+doch waarvan ik, Gode zij dank, voor het oogenblik voldoende hersteld
+ben om binnen 2 of 3 dagen naar mijn' generaal te gaan, die in het
+kamp bij Silistria is. Van mijn' generaal gesproken: deze ziet er uit
+als een zeer dapper man, en schijnt, hoewel wij elkander zeer weinig
+kennen, mij wel genegen te zijn. Ook is het aangenaam, dat zijn staf
+meerendeels uit zeer gedistingeerde jongelieden bestaat. De twee zoons
+van prins Sergius, die ik hier ontmoet heb, zijn flinke jongens; vooral
+de jongste, die, al heeft hij het kruit niet uitgevonden, een zeer edel
+karakter en een uitmuntend hart bezit. Ik mag hem zeer graag lijden."
+
+
+
+Vervolgens citeeren wij een' brief, die, ofschoon uit Sewastopol
+geschreven, betrekking heeft op de gebeurtenissen aan den Donau. Zooals
+de lezer zien zal, is deze brief door Tolstoi eerst aan zijne tante
+Tatjana gericht, en dan aan zijn' broeder Nikolaas. Naar onze meening
+moest deze brief eene bladzijde vormen in de geschiedenis van Rusland.
+
+"Ik zal u dan over het verledene spreken, over mijne herinneringen
+uit Silistria. Ik heb er zooveel belangwekkende, dichterlijke en
+treffende dingen gezien, dat de tijd, dien ik er heb doorgebracht,
+nooit uit mijn geheugen zal gaan. Ons kamp was aan gene zijde van
+den Donau, namelijk aan den rechter oever opgeslagen, op een zeer
+hoog terrein te midden van prachtige tuinen, toebehoorende aan
+Moestafa Pasha, den gouverneur van Silistria. Het uitzicht van die
+plek was niet alleen prachtig, maar voor ons allen van het hoogste
+gewicht. Zonder te spreken van den Donau, zijne eilanden en oevers,
+die gedeeltelijk door ons, gedeeltelijk door de Turken bezet waren,
+zag men de stad, de vesting en de kleine forten van Silistria als een
+schilderij voor zich liggen. Men hoorde het kanon- en geweervuur, dat
+dag noch nacht ophield; en met een' verrekijker kon men de Turksche
+soldaten onderscheiden. Ofschoon het een zonderling genoegen is
+menschen elkander te zien dooden, begaf ik mij toch elken ochtend
+en avond naar mijn post en bleef daar uren kijken. En ik was niet
+de eenige die dat deed. Het schouwspel was werkelijk mooi, vooral
+des nachts. Gedurende den nacht gingen mijne soldaten gewoonlijk
+aan de loopgraven werken, en wierpen de Turken zich op hen, om dit
+te beletten. Dan moest men dat geweervuur eens zien en hooren! Den
+eersten nacht, dien ik in het kamp doorbracht, heeft dat vreeselijke
+rumoer mij wakker gemaakt en verschrikt; ik meende dat men ten aanval
+ging, en zette mijn paard in vollen galop; maar zij, die reeds eenigen
+tijd in het kamp hadden vertoefd, zeiden mij, dat ik mij kalm moest
+houden: dat dit kanon- en geweervuur een gewoon verschijnsel was,
+hetwelk men schertsenderwijze 'Allah' noemde. Toen ging ik weer
+liggen; maar wijl ik toch niet kon slapen, vermaakte ik mij door,
+met een horloge in de hand, de kanonschoten te tellen, die ik hoorde;
+en zoo heb ik er 110 in den tijd van eene minuut geteld. Toch zag dit
+alles er van nabij niet zoo schrikwekkend uit, als het wel lijkt. Des
+nachts, wanneer men toch niets ziet, was het eenvoudig de quaestie
+wie het meeste kruit zou verspillen; en met die duizenden kanonnen
+doodde men hoogstens een dertigtal manschappen aan weerszijden.
+
+"Gij zult mij wel toestaan, beste tante, dat ik in dezen brief
+het woord richt tot Nikolaas; want nu ik eenmaal begonnen ben met
+bijzonderheden uit den oorlog te vertellen, wenschte ik wel voort te
+gaan en aan een' man te schrijven, die mij begrijpt en u opheldering
+kan geven over hetgeen u onduidelijk toeschijnt.
+
+"Dat was dus een gewoon dagelijksch schouwspel voor ons, en waarin ook
+ik mijn deel had, als men mij niet met orders naar de loopgraven zond;
+maar wij hadden ook buitengewone tooneelen, zooals bijv. den avond vóór
+de bestorming, toen men onder een der vijandelijke bastions eene mijn
+met 240 poed kruit heeft laten springen. [77] Op den morgen van dien
+dag was de vorst met zijn geheele staf (daar de generaal, bij wien
+ik was, er ook toe behoort, ben ik er óók geweest) in de loopgraven
+geweest, om de noodige schikkingen te treffen voor de bestorming van
+den volgenden dag. Het plan der bestorming (dat te uitvoerig is om het
+u hier te vertellen) was zóó goed gemaakt, alles was zóó wel voorzien,
+dat niemand aan den uitslag twijfelde. Wat dit betreft, moet ik u nog
+zeggen, dat ik bewondering voor den vorst begon te gevoelen. Trouwens,
+men moet eens onder officieren en soldaten over hem hooren spreken;
+niet alleen heb ik nooit kwaad van hem hooren zeggen, maar in 't
+algemeen aanbidt men hem. Dien morgen heb ik hem voor het eerst in
+'t vuur gezien.
+
+"Men moet hem zien, die ietwat belachelijke figuur, met zijn hooge
+gestalte, de handen op den rug, de pet naar achteren, een' bril
+op den neus en met een toon van spreken als van een kalkoenschen
+haan! Het is hem aan te zien, dat de algemeene loop van zaken hem
+zoozeer bezig houdt, dat kogels en bommen voor hem niet meer bestaan;
+hij stelt zich zoo gewoon aan het gevaar bloot, dat men zou zeggen
+dat hij er geen begrip van heeft, en dat men onwillekeurig meer voor
+hem bevreesd is, dan voor zichzelf. En hoe helder en juist geeft hij
+daarbij zijne bevelen, terwijl hij altijd minzaam is tegen elk! Hij
+is een groot man, dat wil zeggen een bekwaam en eerlijk man, zooals
+ik dit woord opvat: een man, die zijn geheele leven aan den dienst
+van zijn land heeft gewijd--niet uit eerzucht, maar uit plicht!
+
+"Ik zal u een staaltje van hem vertellen, hetwelk verband houdt met de
+geschiedenis der bestorming, die ik zoo even begon te vertellen. Op
+den namiddag van denzelfden dag heeft men de mijn doen springen en
+hebben bijna 600 stukken geschut het fort beschoten, dat men wilde
+nemen. Den ganschen nacht is dit bombardement voortgezet; het was een
+dier vuurgevechten, een dier emotiën welke men nimmer vergeet. Des
+avonds is de vorst opnieuw in de loopgraven gekomen, en heeft zich
+hier te midden van het kanongebulder te slapen gelegd, om zelf de
+bestorming te leiden, welke dien nacht te 3 uren zou beginnen. Wij
+waren er allen; en zooals steeds aan den vooravond van een' slag,
+nam elk den schijn aan alsof hij aan den volgenden dag als aan een
+gewonen dacht. Toch ben ik er in den grond van mijn hart zeker van,
+dat allen bij de gedachte aan de bestorming eene zekere beklemming
+voelden, en niet eene lichte, maar eene hevige.
+
+"Zooals je weet, Nikolaas, is de tijd die aan een gevecht voorafgaat
+de meest onaangename; hij is de eenige waarin men tijd heeft om vrees
+te koesteren; en vrees is een der onaangenaamste gewaarwordingen. Tegen
+den morgen nam de vrees af, hoe meer het oogenblik naderde; en toen wij
+allen tegen 3 uren op het afsteken van den bundel vuurpijlen wachtten,
+dat het sein tot den aanval zou wezen, was ik zóó wel gestemd, alsof
+men mij was komen zeggen, dat de bestorming niet zou plaats hebben,
+wat mij zeer gespeten zou hebben.... En zie: juist een uur vóór het
+oogenblik der bestorming komt een adjudant van den maarschalk met
+bevel het beleg van Silistria op te breken!
+
+"Zonder vrees van mij te bedriegen, durf ik zeggen, dat deze
+tijding door allen--soldaten, officieren en generaals--als eene
+ware Jobstijding werd ontvangen: te meer, omdat men van spionnen
+uit Silistria, die ons dikwijls in handen vielen en met wie ik
+zelf menigmaal gelegenheid had te spreken, gehoord had, dat na de
+verovering van dit fort (waaraan niemand twijfelde), Silistria het
+geen 2 of 3 dagen meer zou kunnen houden. Maar zoo er iemand door
+deze tijding getroffen moest worden, dan was het zeker de vorst,
+die gedurende den geheelen veldtocht alles ten beste beschikt had,
+en nu te midden van den strijd den maarschalk zag komen om de zaken
+te bederven, en tegenbevel ontving op het oogenblik dat hij eene
+bestorming zou beginnen, die hij als de eenige kans beschouwde om
+onze tegenspoeden goed te maken. Toch heeft de vorst, zoo vatbaar
+voor indrukken, geen oogenblik van slechte luim gehad; integendeel,
+hij was verheugd de slachting te kunnen vermijden, waarvan hij alle
+verantwoordelijkheid moest dragen; en zoolang de terugtocht duurde,
+dien hij zelf geleid heeft, wijl hij met den laatsten soldaat over
+de rivier wilde trekken, en die in opmerkelijke orde en juistheid
+volbracht werd,--is hij opgeruimder geweest dan ooit te voren. Tot
+die goede luim droeg niet weinig bij de uittocht van bijna 9000
+Bulgaarsche gezinnen, die wij medenamen, gedachtig aan de wreedheid
+der Turken, waaraan ik, trots mijne ongeloovigheid op dit punt, wel
+genoodzaakt werd te gaan gelooven. Zoodra wij de verschillende door
+ons bezette Bulgaarsche dorpen verlaten hadden, kwamen de Turken er
+terug en joegen allen die zij er vonden over de kling, behalve de
+vrouwen die nog jong genoeg waren om voor een' harem te dienen. Zoo
+was o.a. een dorp, waarheen ik mij uit het kamp begeven had om melk
+en vruchten te halen, op deze wijze uitgemoord.
+
+"Niet zoodra had de vorst den Bulgaren doen weten, dat allen die
+het wilden met het leger over den Donau konden trekken en Russische
+onderdanen worden, of het geheele land kwam in opschudding, en allen
+togen met vrouwen, kinderen, paarden en vee naar de brug. Daar het
+echter onmogelijk was om allen mee te nemen, was de vorst genoodzaakt
+de laatst aangekomenen af te wijzen. En men had eens moeten zien,
+hoezeer hem dit hinderde! Hij ontving alle deputatiën, welke deze arme
+lieden hem zonden, sprak met ieder, trachtte hun het onmogelijke van
+de zaak onder het oog te brengen, en stelde hun voor om zonder wagens
+en zonder vee den overtocht te doen. Zelfs nam hij op zich om voor
+hun onderhoud te zorgen totdat zij in Rusland waren gekomen, betaalde
+uit eigen middelen particuliere vaartuigen om hen te vervoeren--in
+één woord: hij deed al zijn best om de menschen goed te doen.
+
+"Ja, beste tante, ik wenschte wel dat uwe profetie bewaarheid
+werd. Waar ik het meest naar streef is, adjudant te worden van een man
+als hij, dien ik in den grond van mijn hart liefheb en acht. Vaarwel,
+beste en goede tante, ik kus u de hand." [78]
+
+
+
+Te midden van die hevige en nieuwe gemoedsbewegingen, liet Tolstoi ook
+zijn voortdurenden arbeid--den innerlijken arbeid aan zichzelf--niet
+rusten. Die arbeid weerspiegelt zich in de gedenkschriften uit zijn
+dagboek.
+
+7 Juli. "Bescheidenheid bezit ik niet! Ziedaar mijn groot gebrek. Wat
+ben ik eigenlijk? Een van de vier zoons van een gepensionneerd
+luitenant-kolonel, die, op 7-jarigen leeftijd ouderloos geworden,
+onder voogdijschap van vrouwen en vreemden kwam; die geen wereldsche
+en geen wetenschappelijke opleiding ontving, en ten speelbal van
+zijne 17 jaren de wereld inging. Iemand zonder groot fortuin, zonder
+eenige maatschappelijke positie en, voornamelijk, zonder beginselen;
+die al zijne zaken in de war stuurde en de beste jaren zijns levens
+doelloos en zonder genot doorbracht; iemand, ten slotte, die zich naar
+den Kaukasus verbande, om zijne schulden en vooral zijne gewoonten te
+ontloopen; doch na twist te hebben gezocht om zekere betrekkingen,
+die tusschen zijn vader en den legercommandant bestaan hadden, op
+26-jarigen leeftijd vandaar als vaandrig naar het Donau-leger ging,
+met bijna geen andere middelen dan zijn salaris, daar hij het geld,
+dat hij bezat, voor het betalen van achterstallige schulden moest
+besteden. Iemand zonder protectie, zonder wereldkennis, zonder kennis
+van den dienst, zonder practischen aanleg--maar met eene kolossale
+eigenliefde! Ja, zoo is mijn maatschappelijke toestand! Laat ons nu
+eens zien, hoe mijn persoon is.
+
+"Ik ben leelijk, onhandig, onzindelijk, en zonder maatschappelijke
+vormen. Ik ben prikkelbaar, lastig voor anderen, onbescheiden,
+onverdraagzaam en schuchter als een kind. Bijna ben ik een droomer. Wat
+ik weet, heb ik slordig geleerd, op eigen houtje, in mijn vrijen
+tijd, zonder verband, zonder zin en dan nog zoo weinig! Ik ben niet
+ingetogen, besluiteloos, onbestendig, dom, ijdel en opvliegend, evenals
+alle karakterlooze lieden. Ook heb ik geen moed, leid geen ordelijk
+leven en ben zóó traag, dat nietsdoen eene bijna onoverwinnelijke
+gewoonte voor mij geworden is.
+
+"Ik heb verstand; maar nog nooit is mijn verstand grondig in iets
+beproefd geworden. Praktisch verstand en verstand van wereldsche
+dingen of van zaken heb ik niet.
+
+"Ik ben oprecht, dat wil zeggen: ik bemin het goede en heb mij die
+zucht tot eene gewoonte gemaakt. En wijk ik daar somtijds van af,
+dan ben ik ontevreden over mijzelf en keer er met blijdschap toe
+terug. Maar er is iets, waarvan ik meer houd dan het goede--namelijk
+de roem. Ik ben zoo eerzuchtig en aan dien hartstocht is zoo weinig
+voldaan, dat ik dikwijls vrees in staat te zullen zijn om tusschen
+eerzucht en deugd de eerste te kiezen, indien ik eens voor die keus
+gesteld werd.
+
+"Ja, ik ben niet bescheiden; vandaar dat ik trotsch op mijzelf,
+maar schuchter en verlegen in de wereld ben."
+
+
+
+Soms werd hij door een dichterlijken geest bezield en schetste dan
+tafereeltjes, waarin ware kunst schuilt.
+
+Wegens dienstzaken toefde hij eens in een klein Roemeensch stadje,
+waar hij op een avond in eene wonderlijke gemoedsstemming kwam,
+die zich in dezen vorm uitte:
+
+"Na het middagmaal ging ik op de ellebogen over het balkon leunen,
+en keek met welgevallen naar mijne lantaarn die zoo kranig onder den
+boom brandde. Vandaag waren er eenige donderwolken komen opzetten,
+die zich boven de aarde ontlast hadden, terwijl één groote wolk het
+geheele zuiderdeel des hemels bleef bedekken. Wat was het toen frisch
+en aangenaam in de lucht! Het aardige dochtertje van mijn' hospes lag
+ook, evenals ik, op de ellebogen in het venster. Op straat ging een
+draaiorgel voorbij; en toen nu de tonen van de lustige, ouderwetsche
+wals zich meer en meer verwijderden en eindelijk wegstierven,
+zuchtte het meisje uit het diepst van haar hart, richtte zich op en
+verliet ijlings het venster. Het was mij zoo droef en toch zoo wel
+te moede, dat ik onwillekeurig glimlachte: en nog lang keek ik naar
+mijne lantaarn, waarvan het licht soms wegschool achter de takken,
+die de wind bewoog, keek naar den boom, de schutting, den hemel--en
+dit alles was mij nog liever dan eerst."
+
+
+
+De vruchtelooze Donau-campagne, de terugtocht van het leger, het
+vervelende stafleven--dit alles bevredigde Tolstoi niet; hij zocht
+meer spannenden arbeid, sterkere emotiën, en vroeg om overplaatsing
+naar het Krimleger.
+
+Den 20en Juli, na den terugtocht van Silistria, vertrok hij naar de
+Krim. Zijn weg liep over de steden Tekoetschi, Berlad, Jassy, Cherson,
+Odessa, Sewastopol, waar hij den 7den November 1854 aankwam. Onderweg
+werd hij ziek en kwam hij in het hospitaal, hetgeen zulk eene lange
+reis verklaarbaar maakt.
+
+Bij aankomst te Sewastopol werd hij ingedeeld bij de 3de lichte
+batterij der 14de brigade artillerie.
+
+Hier ontving hij zulk eene menigte nieuwe indrukken, dat hij er niet
+zoo spoedig in thuis kon raken; en twee weken later, op 20 November,
+schreef hij eindelijk aan zijn' broeder Sergius:
+
+
+
+"Beste broeder Sergius!
+
+"God weet hoe schuldig ik jegens u allen ben sedert het oogenblik van
+mijn vertrek; en hoe dit gekomen is, weet ik zelf niet; deels door
+het onbestendige leven, mijne vervelende positie, de inkwartiering;
+deels door den oorlog of andere belemmerende oorzaken, enz. enz. Maar
+de voornaamste reden is het leven met zijne verstrooiingen en rijkdom
+van indrukken. Ik heb dit jaar zooveel nieuwe dingen geleerd, zooveel
+nieuwe ervaringen en zielsindrukken opgedaan, dat ik waarlijk niet
+weet wat het eerst te zullen beschrijven; ook zou ik het niet kunnen
+zooals ik wel wilde. Aan tante schreef ik over Silistria, maar jou
+en Nikolaas zal ik zoo niet schrijven. Wèl wenschte ik u de dingen
+zóó te vertellen, dat gij mij begreept, gelijk ik wil. Silistria
+heeft nu afgedaan, en Sewastopol komt aan de beurt. Ik denk dat gij
+dit wel met dezelfde angstige spanning zult lezen, als ik zelf het
+vier dagen geleden heb doorleefd. Hoe zal ik je alles vertellen,
+wat ik daar zag, waar ik geweest ben, wat ik deed, wat de Fransche
+en Engelsche gewonden en gevangenen zeggen, wat deze menschen geleden
+hebben, en welke helden onze vijanden zijn! Ik zal dit alles later in
+Jasnaja of in Pirogoff vertellen; en veel zult ge door de pers van mij
+te weten komen. Op welke manier, dat zal ik later zeggen; nu zal ik
+alleen een begrip geven van den stand van onze zaken te Sewastopol. De
+stad is aan één zijde belegerd, nl. aan de zuidzijde, waar wij geen
+versterkingen hadden toen de vijand haar naderde. Thans hebben wij
+aan dien kant 500 kanonnen van groot kaliber en eenige reeksen aarden
+versterkingen, die beslist onneembaar zijn. Ik heb eene week lang
+in de vesting doorgebracht en in dien doolhof van batterijen als in
+een bosch rondgezworven. De vijand is op één plek in drie weken tijds
+160 meter genaderd, en komt niet verder; bij de minste voorwaartsche
+beweging wordt hij met eene hagelbui van granaten begroet.
+
+"De geest onzer troepen gaat alle beschrijving te boven. In de dagen
+van het oude Griekenland was er zulk een heldenmoed niet. Toen
+Korniloff voorbij de troepen reed, zeide hij niet: 'Houdt jelui
+goed, jongens!', maar: 'Jongens, weet jelui te sterven, als het
+moet?'--En donderend klonk het antwoord: 'Wij zullen sterven,
+Excellentie! Hoera!'--En dit was geen effectbejag, want op ieders
+gelaat was te zien, dat het geen scherts maar ernst was, en reeds
+hebben 22,000 man hunne belofte vervuld!
+
+"Een gewonde soldaat, die bijna stervende was, vertelde mij met
+tranen in de oogen, dat zij den 24en Nov. eene Fransche batterij
+genomen hadden, maar dat men hun geen versterking had gezonden.--Eene
+compagnie zeesoldaten sloeg bijna aan 't muiten, omdat men hen bij
+eene batterij wilde aflossen, waar zij 30 dagen onder den bommenregen
+hadden gestaan. De soldaten rukten de lonten uit de bommen. Vrouwen
+droegen water naar de bastions. Reeds tellen wij vele dooden en
+gewonden. Priesters loopen met het kruis op de bastions, en zeggen
+te midden van het vuur gebeden op. Bij één brigade, de 24ste, waren
+160 gewonden die het front niet wilden verlaten.
+
+"Wonderlijke tijd! Overigens hebben wij het thans, na den 24en,
+wat rustiger gekregen, en is het heerlijk in Sewastopol geworden. De
+vijand vuurt bijna niet, en allen zijn overtuigd dat hij de stad niet
+zal nemen. Werkelijk is dit onmogelijk. Omtrent 's vijands plannen
+bestaan hier drie meeningen: òf hij zal eene bestorming doen; òf hij
+zal ons bij verrassing trachten te nemen; òf hij zal zich versterken
+en overwinteren. Het eerste is minder, maar het tweede het meest
+waarschijnlijk. Ik heb geen enkele maal het geluk gehad in gevecht
+te komen; maar ik dank God, dat ik deze mannen gezien heb en dezen
+schoonen tijd medeleef.
+
+"Het bombardement van den 5en dezer zal het schitterendste en
+beroemdste feit zijn, niet alleen in de Russische, maar ook in de
+wereldgeschiedenis. Meer dan 1500 kanonnen hebben twee dagen lang de
+stad beschoten, zonder een enkele van onze 200 batterijen tot zwijgen
+te brengen, laat staan de vesting tot overgave te dwingen. Zoo men
+al in Rusland, naar het mij voorkomt, ongunstig over deze campagne
+denkt, de nakomelingschap zal haar boven alle andere stellen. Vergeet
+niet, dat wij bij gelijke, ja zelfs bij mindere krachten, alleen met
+ouderwetsche wapenen en met de slechtste troepen uit het Russische
+leger (zooals het 6de corps) strijden tegen een talrijken vijand,
+die eene vloot met 3000 vuurmonden bezit, die uitstekend gewapend is
+met karabijnen en zijne beste troepen in het vuur heeft. Nu spreek
+ik nog niet eens van het betere gehalte zijner generaals.
+
+"Alleen _ons_ leger kan onder zulke omstandigheden pal staan
+en overwinnen; want dàt wij overwinnen zullen, daar ben ik van
+overtuigd. Men moet die Fransche en Engelsche gevangenen eens zien:
+allen jonge mannen, en physiek zoowel als moreel kloek en dapper. De
+Kozakken zeggen zelfs, dat het jammer is er op in te hakken. Daar
+moet men onze helden eens naast zien staan, vooral zoo'n kleinen,
+smerigen, gerimpelden!
+
+"Nu zal ik gaan vertellen op welke wijze je van mij in de pers van
+de heldendaden dier _smerige, gerimpelde_ helden lezen zult. Onder
+het personeel onzer artillerie dat, zooals ik je, geloof ik,
+geschreven heb, uit zeer flinke en knappe lieden bestaat, is het
+denkbeeld ontstaan om een tijdschrift over den oorlog uit te geven,
+met het doel den goeden geest onder de troepen te bewaren: en wel
+een goedkoop (3 roebel) en populair blad, opdat de soldaten het
+lezen kunnen. Wij hebben een plan voor dit blad opgesteld en het den
+vorst aangeboden. Deze was met het denkbeeld zeer ingenomen, en heeft
+het plan met een proefnummer, dat wij tegelijk hadden saamgesteld,
+aan het besluit des Keizers onderworpen. De kosten van uitgaaf
+zullen Stolipin en ik voorschieten. Ik ben tot redacteur gekozen,
+tegelijk met zekeren heer Konstantinoff, die den _Kaukasus_ heeft
+uitgegeven en op dit punt een man van ondervinding is. In het blad
+zullen beschrijvingen van veldslagen worden opgenomen, maar geen
+droge en leugenachtige, zooals in andere bladen. Daden van moed,
+levensbeschrijvingen en necrologieën van kloeke mannen, vooral van
+minderen, krijgsverhalen, soldaten-liederen, populaire bijdragen over
+ingenieurs- en artilleriewetenschap, enz. De zaak staat mij zeer aan:
+ten eerste houd ik van zulke bezigheid, en ten tweede hoop ik, dat
+het blad nut zal stichten en niet geheel verwerpelijk zal zijn.
+
+"Dit alles is nog maar onderstelling, zoolang wij het antwoord van den
+Keizer niet weten; maar ik vrees er voor, dat wil ik bekennen. In
+het proefnummer, dat naar Petersburg is gezonden, zijn wij zoo
+onvoorzichtig geweest twee artikels te plaatsen--een van mij en het
+tweede van Rostoftseff--die niet geheel _orthodox_ zijn. Voor deze
+zaak heb ik 1500 roebel noodig, die ik Walerian verzocht heb mij toe te
+zenden. Nu ik er jou iets van verklapt heb, kan je het hem overbrengen.
+
+"Ik ben, Goddank, gezond, en heb een vroolijk, aangenaam leven, sedert
+ik over de grenzen ben getrokken. In 't algemeen laat mijn verblijf
+bij het leger zich in twee perioden verdeelen: eene vervelende vóór
+de grens (want ik was toen ziek, arm en alleen), en eene aangename
+binnen de grens, want nu ben ik gezond, heb goede vrienden, maar ben
+nog arm, wijl het geld hier wegvliegt.
+
+"Ik zal tante niet schrijven, doch wil eens beproeven of zij mij
+er toe aanspoort. Wat mij ongerust maakt, is dat ik vier jaar lang
+zonder vrouwelijk gezelschap leef; zoodoende kan ik geheel verharden
+en ongeschikt worden voor het familieleven, dat mij zoo dierbaar is.
+
+"Vaarwel! God weet, wanneer wij elkander weerzien; tenzij dat jij
+en Nikolaas er aan denken mochten eens een verren jachttocht te
+ondernemen, en van uit Tamboff een uitstapje naar het hoofdkwartier
+te doen."
+
+
+
+Ik heb dezen merkwaardigen brief in zijn geheel geciteerd. Er blijkt
+uit, hoe jong van hart Tolstoi destijds was, hoe vatbaar om zich te
+laten meesleepen, en hoe dit laatste hem voor een deel belette eene
+duidelijke voorstelling te krijgen van al wat om hem heen gebeurde. Des
+te sterker, daarentegen, kwamen op dien achtergrond de flikkeringen
+uit van een klaar bewustzijn en eene profetische bezieling.
+
+Blijkbaar was Tolstoi's gemoed, ondanks de sterke indrukken van buiten,
+niet geheel daarvan vervuld. In de eenzaamheid, bij het schrijven van
+zijn dagboek, mogelijk achter de blindeering van het 4de bataillon,
+bleef hij dezelfde naar idealen zoekende en strevende mensch, die
+hij altijd geweest is en nòg is.
+
+Zijne gemoedsstemming in die dagen uitte zich in dezen dichterlijken
+vorm:
+
+
+
+ "Wanneer zal ik toch eindelijk niet langer
+ Mijn leven zonder doel en hartstocht slijten:
+ Eene diepe wonde in 't harte gevoelen,
+ En het middel niet kennen om haar te genezen?
+ Wie sloeg deze wonde? God slechts weet het!
+ Maar van mijne geboorte pijnigt mij
+ Een bitter besef van mijne nietigheid,
+ Een kwellend verdriet en twijfel."
+
+
+
+Den 23sten November vertrok hij naar Simferopol.
+
+Op 6 Januari 1855 schreef hij zijne tante Tatjana een geruststellenden
+Franschen brief:
+
+"Ik heb aan de twee bloedige veldslagen, die in de Krim hebben plaats
+gehad, geen deel genomen, maar ben terstond na dien van den 24sten
+in Sewastopol gekomen en daar eene maand gebleven. Om den winter,
+die vooral nu buitengewoon streng is, wordt in het open veld niet
+meer gevochten; maar het beleg duurt voort. Hoe de afloop van
+dezen veldtocht zal zijn weet God alleen: maar in elk geval moet
+de Krim-campagne op de eene of andere wijze binnen 3 of 4 maanden
+eindigen. Doch helaas, het einde van de Krim-campagne beteekent niet
+het einde van den oorlog, die integendeel nog zeer lang zal duren.
+
+"Naar ik meen, heb ik in mijne brieven aan Sergius en Walerian
+gesproken over eene bezigheid, waarop ik het oog had en die mij
+zeer toelachte. Nu de zaak beslist is, kan ik het zeggen. Ik was
+voornemens een militair tijdschrift op te richten. Dit plan, waaraan
+ik met medewerking van vele uitstekende mannen gewerkt heb, werd
+door den vorst goedgekeurd en aan Zijne Majesteit ter beoordeeling
+gezonden. Maar wijl men in ons land tegen alles intrigeert, zijn er
+lieden geweest die de concurrentie van dit blad duchtten; misschien
+ook dat het plan niet met de inzichten der regeering strookte--om
+kort te gaan: de Keizer heeft geweigerd.
+
+"Ik beken u: deze nederlaag heeft mij oneindig veel verdriet gedaan en
+mijne plannen zeer veranderd. Indien God wil dat de Krim-campagne goed
+afloopt, en als ik geen plaatsing krijg die mij voldoet; als Rusland
+daarenboven niet langer in oorlog is, zal ik het leger verlaten om
+naar de militaire academie in Petersburg te gaan. Ik heb dit besluit
+om deze redenen genomen:
+
+
+
+"1º. Omdat ik de letterkunde niet zou willen laten varen, waarmee ik
+mij in dit kampleven onmogelijk kan bezighouden.
+
+"2º. Omdat ik, naar het schijnt, eerzuchtig begin te worden, namelijk
+in dien zin, dat ik goed zou willen doen; maar daarvoor moet men meer
+dan tweede luitenant zijn.
+
+"3º. Om u allen en al mijne vrienden weer te zien. Nikolaas schrijft
+mij, dat Toerghenjeff met Maria heeft kennis gemaakt; dat verheugt
+mij. Indien gij hem eens thuis ziet, zeg hem dan, dat, ofschoon ik hem
+slechts bij geschrifte ken, ik hem tal van dingen te vertellen heb."
+
+
+
+De onmiddellijk daarop volgende periode van zijn leven schetst Tolstoi
+zeer mooi in een' brief aan zijn' broeder, geschreven in Mei 1855,
+waarin hij een chronologisch overzicht geeft van de feiten uit zijn
+krijgsmansleven gedurende den winter van 1854 op 1855.
+
+"Ofschoon je stellig van de onzen gehoord zult hebben, waar ik geweest
+ben en wat ik gedaan heb, zal ik je mijne avonturen van Kischineff af
+op nieuw vertellen, te meer, omdat het misschien interessant voor je
+zal zijn, _hoe_ ik ze vertel; en daar mijn lot altijd op de eene of
+andere wijze verandert, zul je dus vernemen, aan welke wisselingen ik
+heb blootgestaan. Van Kischineff uit solliciteerde ik op 1 November
+naar de Krim, deels om den oorlog te zien, deels om mij aan den staf
+van Serzjpoetowski te onttrekken, die mij niet aanstond, maar het
+meest uit vaderlandsliefde, die--ik beken het--destijds sterk in mij
+gloeide. Ik solliciteerde niet naar eene bepaalde plaats, doch liet
+het aan de superieuren over om mijn lot te bepalen.
+
+"In de Krim werd ik geplaatst bij eene batterij in Sewastopol, waar ik
+eene maand zeer aangenaam heb doorgebracht in een club van eenvoudige,
+goede kameraden, die zich in den oorlog en in het gevaar bijzonder
+onderscheidden. In December zond men onze batterij naar Simferopol,
+waar ik 1 1/2 maand in het geriefelijke huis van een' landeigenaar
+woonde, met jonge dames danste en piano speelde, en met een gezelschap
+ambtenaren wilde geiten jaagde op den Tschatir-Dagh.
+
+"In Januari was er opnieuw verwisseling van officieren en werd ik
+overgeplaatst bij eene batterij, welke op 10 werst van Sewastopol
+aan den Belbek geposteerd was. Daar heb ik kennis gemaakt met de
+ellendigste club officieren van de batterij; de commandant was
+een goed, maar onbeschaafd man, en de barakken waren koud en zonder
+gerief. Geen enkel boek, geen enkel mensch met wien ik praten kon. Hier
+ontving ik de 1500 roebel voor het dagblad, dat reeds geweigerd was,
+doch verloor 2500 roebel met spelen en bewees daarmee aan de geheele
+wereld, dat ik nog steeds een onbeduidende kwajongen was; want al kon
+het bovenstaande als verzachtende omstandigheden gelden, zoo was het
+toch schandelijk.
+
+"In Maart werd het warmer en kwam Brenewski, een aangenaam en
+voortreffelijk mensch, bij de batterij; ik begon meer op mijn
+verhaal te komen, toen onze batterij op 1 April, te midden van
+het bombardement, naar Sewastopol vertrok, waar ik geheel op dreef
+kwam. Het is waar, dat ik hier in ernstig gevaar verkeerde--want om
+de 4 dagen had ik achtmaal wachtdienst bij de batterij van het 4de
+bastion--maar het was hier tot 15 Mei prachtig lenteweder. Overvloed
+van menschen en indrukken, alle gemakken des levens en een gezellig
+clubje kameraden _comme il faut_--dat alles was oorzaak, dat die
+anderhalve maand een mijner aangenaamste herinneringen zal blijven.
+
+"Den 15den Mei viel het Gortschakoff of den commandant der artillerie
+in, mij met de vorming en het commando over eene berg-compagnie aan
+den Belbek te belasten, welke op 20 werst van Sewastopol gelegen
+is. Tot nu toe ben ik in vele opzichten daarover zeer tevreden
+geweest. Ziehier de algemeene beschrijving; in een volgenden brief
+zal ik meer bijzonderheden over het tegenwoordige schrijven."
+
+
+
+Wij kunnen aan deze korte beschrijving toevoegen, dat de schertsende
+toon van den brief niet in overeenstemming is met de ideeën en
+gevoelens, welke Tolstoi destijds vervulden.
+
+In zijn dagboek, dato 5 Maart 1855, staat de volgende profetie over
+zichzelf geschreven:
+
+"Een gesprek over de Godheid en het geloof heeft mij op een
+groot, machtig denkbeeld gebracht, en ik voel mij in staat aan de
+verwezenlijking daarvan mijn leven te wijden. Dit denkbeeld is de
+grondlegging van een nieuwen godsdienst, in overeenstemming met de
+ontwikkeling van het menschdom: den godsdienst van Christus, maar
+gezuiverd van dogma en mysticisme: een praktischen godsdienst, die geen
+gelukzaligheid belooft in de toekomst, maar gelukzaligheid geeft op
+aarde. Ik zie wel in, dat dit denkbeeld alleen ten uitvoer kan worden
+gebracht door geslachten, die bewust aan dit doel arbeiden. Het eene
+geslacht zal het aan het volgende vermaken, en den een of anderen tijd
+zal fantasie of gezond verstand het ten uitvoer brengen. _Bewust_
+handelen in samenwerking met lieden van godsdienst--ziedaar de
+grondslag van de gedachte, die mij, hoop ik, zal blijven medesleepen."
+
+
+
+Het is wel duidelijk, dat een man, die 50 jaar geleden deze regelen
+neerschreef en sedert met zulk eene kracht en volharding den grond
+is blijven leggen om dit denkbeeld te verwezenlijken,--dat zulk een
+man niet bij de artillerie thuis behoort.
+
+Hij had daarvan een vaag besef, en in zijne gedenkschriften duikt
+van tijd tot tijd het bewustzijn op, dat hij niet geschapen is voor
+de militaire loopbaan, maar voor de letterkunde.
+
+Hij heeft dan ook al dien tijd zijn letterkundigen arbeid niet
+laten varen.
+
+Reeds op weg van Roemenië naar Sewastopol voltooide hij: _Het
+houthakken_. Later, in Sewastopol, begon hij aan _Jongelingsjaren_
+en schreef hij de _Verhalen van Sewastopol_.
+
+Van 11 tot 14 April was hij op het 4de bastion. Het besef van gevaar
+voerde zijne ziel omhoog, en hij wendde zich tot God met dit gebed:
+"God, ik dank U voor Uwe voortdurende bescherming. Hoe juist leidt Gij
+mij naar het goede. En welk een nietig schepsel zou ik zijn, indien
+Gij mij verliet. Verlaat mij niet, o God; geef mij Uw' zegen op mijn'
+weg, en bevredig mijne nietige wenschen niet, opdat ik bereike het
+eeuwige en grootsche, onbekende, maar mij toch bewuste levensdoel."
+
+Den 4den Augustus 1855 nam Tolstoi, schoon indirect, deel aan den
+slag bij de Tschernaja. Hij haastte zich zijne bloedverwanten gerust
+te stellen, en in een' brief aan zijn' broeder van 7 Augustus 1855
+schreef hij, onder andere:
+
+"Ik schrijf je eenige regels, om je omtrent mij gerust te stellen
+naar aanleiding van den slag van den 4den, waarin ik ongedeerd ben
+gebleven; ik heb trouwens niets gedaan, omdat mijn berggeschut niet
+behoefde te vuren."
+
+Zooals blijkt uit eene briefwisseling tusschen Tolstoi en Njekrassoff
+volgde de graaf tegelijk den loop der Russische letterkunde, en
+steunde hij ijverig de redactie van den _Sawremjennik_, waarvoor
+hij te Sewastopol een clubje medewerkers had gevonden. Hij schrijft
+Njekrassoff het volgende:
+
+
+"Waarde heer Nikolaas Alexejewitsch!
+
+"Gij zult mijne belofte voor een stuk: _Sewastopol in December_
+en een artikel van Stolipin wel reeds ontvangen hebben. Hier zijn
+zij. Ondanks de overhaaste, slordige spelling van dit manuscript, moet
+gij uw best doen het te corrigeeren, zal het zonder doorhalingen van
+de censuur, welke de schrijver met alle macht heeft pogen te vermijden,
+gedrukt worden. Gij zult het wel met mij eens zijn, hoop ik, dat zulke
+verhandelingen over krijgszaken in ons land, helaas, maar zelden of
+nooit gedrukt worden. Misschien wordt met denzelfden koerier eene
+bijdrage van Sacken verzonden, waarvan ik niets zeg, en die gij,
+hoop ik, ook zult drukken. De verbeteringen in Stolipin's artikel
+zijn door Chroeljeff met zwarten inkt en met de linkerhand gedaan,
+omdat zijne rechter gewond is. Stolipin verzoekt die in noten onder
+of naast den tekst te plaatsen. Wees zoo goed om zoowel mijn als
+Stolipin's artikel, indien het kan, in de Juni-aflevering te zetten.
+
+"Nu hebben wij ons allen aaneengesloten, en begint de letterkundige
+vereeniging van het mislukte tijdschrift zich te organiseeren. Zooals
+ik u schreef, zult gij maandelijks 2, 3 of 4 bijdragen van actueelen
+inhoud over den oorlog van mij ontvangen. De twee beste medewerkers,
+Bakoenin en Rostoftseff, zijn nog niet met hunne opstellen gereed.
+
+"Wees zoo goed mij te antwoorden en in 't algemeen uwe brieven mee
+te geven aan dezen koerier, adjudant van Gortschakoff, of aan de
+volgenden, die voortdurend tusschen u en hier heen en weer rennen."
+
+Den 15en Juni ontving hij te Bachtschisarai een' brief van Panajeff en
+de aflevering van den _Sawremjennik_, waarin het verhaal _Sewastopol
+in December_ gedrukt stond. Uit den brief vernam hij, dat Keizer
+Alexander II zijn verhaal gelezen had.
+
+Blijkbaar had dit verhaal grooten indruk op den Keizer gemaakt,
+daar hij last gaf het in 't Fransch te vertalen. In Juni voltooide
+Tolstoi _Het houthakken_, dat hij naar den _Sawremjennik_ stuurde,
+en in Juli een nieuw verhaal, _Sewastopol in Mei_, dat eveneens naar
+de redactie werd gezonden.
+
+Met dit verhaal had het volgende plaats, zooals Panajeff in zijn'
+brief aan Tolstoi dezen mededeelt.
+
+"In mijn' brief aan u, welke u door tusschenkomst van Stolipin gewerd,
+schreef ik u, dat uwe bijdrage met onbeteekenende veranderingen door
+de Censuur was doorgelaten, en verzocht ik u mij niet kwalijk te
+nemen, dat aan het slot eenige woorden moesten worden toegevoegd,
+ter verzachting van de uitdrukking.... Het opstel _Een nacht in
+Sewastopol_ [79] was reeds in 3000 exemplaren geheel gedrukt, toen de
+Censuur het eensklaps van de drukkerij opvroeg en de uitgaaf van het
+nummer tegenhield. Dientengevolge verscheen de Augustus-aflevering
+in Petersburg eerst op 16 Augustus. Tijdens mijne afwezigheid uit
+Petersburg (ik was voor eenige dagen op reis naar Moskou) bood zij
+het toen ter lezing aan den president van het censuur-comité, den u
+uit Kazan bekenden Poeschkin. Indien gij Poeschkin kent, kunt gij u
+gedeeltelijk voorstellen, wat toen volgde. Hij werd woedend, viel de
+Censuur aan en toen mij, dat ik zulke opstellen aan de Censuur aanbood,
+en maakte het eigenhandig over. Inmiddels keerde ik naar Petersburg
+terug, zag die verandering en schrok. Ik had de verhandeling in 't
+geheel niet willen drukken, maar Poeschkin legde mij de zaak uit,
+zeggende dat ik _verplicht_ was haar te drukken zooals zij was
+overgemaakt. Er was niets aan te doen, en uwe verminkte bijdrage
+verschijnt nu in de September-aflevering, doch zonder de letters
+L. N. T., die ik er later niet meer onder zag. Toch was het opstel
+zóó goed, dat ik het, zelfs na de totale omwerking door de Censuur,
+aan Miljoekoff, Krasnokoetski en anderen ter lezing heb gegeven. Het
+bevalt iedereen, en Miljoekoff schreef mij, dat het jammer zou zijn
+indien ik den lezers dit opstel onthield en het (zelfs in dezen vorm)
+niet liet drukken.
+
+"Wijt het in elk geval niet aan mij, dat uwe verhandeling in dezen
+vorm gedrukt is. Ik werd genoodzaakt het te doen. Indien God wil
+dat wij elkander eens ontmoeten (wat ik zeer wensch), zal ik u deze
+geschiedenis nader verklaren. Nu slechts een paar woorden over
+den indruk, dien uw verhaal _(Een nacht in Sewastopol)_ in zijn
+oorspronkelijken vorm op ons te weeg brengt, en in 't algemeen op
+ieder, dien ik het voorlees.... Van censuur is hier geen sprake.
+
+"Ieder vindt dit verhaal krachtiger dan het eerste, zoowel in toon
+en diepte van onderzoek der gemoedsbewegingen en aandoeningen bij
+menschen, die steeds den dood voor oogen hebben,--als in de juistheid,
+waarmee de typen van officieren zijn weergegeven, hun omgang met de
+aristokraten en hunne verhouding onderling; in één woord: alles is
+voortreffelijk en meesterlijk geschetst. Maar het geheel is zóózeer
+met bitterheid vervuld, alles is zóó scherp en giftig, wreed en
+troosteloos, dat de indruk op heden, nu de plaats der handeling
+van het verhaal bijna een heiligdom is, pijnlijk is voor menschen,
+die er ver van af zijn; het verhaal zou zelfs een zeer onaangenamen
+indruk kunnen maken.
+
+"_Het houthakken_, met een opdracht aan Toerghenjeff, verschijnt
+ook in September. Tusschen twee haakjes: Toerghenjeff verzoekt mij
+dringend u zeer voor de herinnering aan en de attentie jegens hem te
+bedanken.... Ook in dit verhaal, dat drie censuren ondergaan heeft:
+1º. in den Kaukasus (censor de staatssecretaris Boetkoff), 2º. de
+militaire (generaal-majoor Stephen), en 3º. onze burgerlijke (mijne
+censuur en die van Poeschkin)--zijn helaas de typen van officieren
+en meer andere dingen geschrapt."
+
+In September schreef Njekrassoff aan Tolstoi:
+
+
+
+"St.-Petersburg.
+
+
+"Waarde heer Tolstoi!
+
+
+"Half Augustus kwam ik te Petersburg, onder voor den _Sawremjennik_
+zeer ongunstige omstandigheden. De ergerlijke wijze, waarop uwe
+bijdrage verminkt is geworden, [80] heeft mijn bloed in opstand
+gebracht. Tot heden kan ik er niet zonder ergernis en woede aan
+denken. Toch is uw werk niet geheel verloren, en zal het steeds
+getuigen van eene kracht, die hare vatbaarheid voor zulke diepe en
+nuchtere waarheid heeft behouden, onder omstandigheden waarin menigeen
+haar zou verliezen. Ik zal niet zeggen hoe hoog ik deze verhandeling
+stel, en wat de algemeene richting is van uw talent, maar alleen
+waarin dit nieuw en krachtig is. En juist dit is het, wat de Russische
+samenleving tegenwoordig behoeft: waarheid, de waarheid, waarvan sedert
+Gogol's dood zoo weinig in de Russische literatuur is overgebleven.
+
+"Deze waarheid in den vorm, waarin gij haar in onze letterkunde
+inleidt, is bij ons iets geheel nieuws. Ik ken tegenwoordig geen
+auteur, die zooveel liefde en warme sympathie afdwingt als degeen aan
+wien ik schrijf. Alleen vrees ik, dat de tijd en de afschuwelijke
+werkelijkheid, de doove en stomme omgeving met u hetzelfde zullen
+doen, als met de meesten onzer: dat zij uwe energie zullen dooden,
+die geen schrijver kan missen, althans geen schrijver zooals Rusland
+thans behoeft.
+
+"Gij zijt jong; er zullen eenige veranderingen komen, die--willen
+wij hopen--goed zullen eindigen; en mogelijk ligt eene schitterende
+loopbaan vóór u. Uw begin is van dien aard, dat gij de voorzichtigste
+lieden noopt zich in hunne verwachtingen zeer ver te laten meesleepen.
+
+"Doch ik dwaal van het doel van mijn schrijven af. Ik zal u niet
+troosten met de verzekering, dat velen ook de gedrukte fragmenten
+uwer verhandeling uitstekend vinden; voor lieden, die haar in den
+tegenwoordigen vorm kennen, is zij niet meer dan eene verzameling
+woorden zonder zin en innerlijke beteekenis. Maar, er is niets aan
+te doen. Ik zeg alleen, dat het opstel niet gedrukt zou zijn, indien
+dit niet noodzakelijk was geweest. Uw naam staat er echter niet onder.
+
+"_Het houthakken_ liep vlot van stapel, ofschoon ook hieruit eenige
+kostbare regels zijn weggevallen. Mijne meening over dit onderwerp is
+deze: wat vorm betreft, doet het denken aan Toerghenjeff, doch daarmee
+houdt ook de vergelijking op; al het overige behoort u, en zou door
+niemand geschreven kunnen zijn, behalve door u. In deze schets staan
+eene menigte wonderlijk juiste opmerkingen, en het geheel is nieuw,
+interessant en waar. Versmaad dergelijke schetsen niet; van den
+soldaat heeft onze literatuur tot heden niet anders dan platheden
+gezegd. Ge zijt eerst aan het begin, en onverschillig in welken vorm
+gij datgene bekend maakt, wat ge van dit onderwerp weet,--alles zal
+ten hoogste interessant en nuttig zijn.
+
+"Panajeff heeft mij uw' brief ter hand gesteld, waarin gij ons de
+spoedige toezending van _Jongelingsjaren_ belooft. Wees zoo goed het
+te zenden. Afgescheiden van het tijdschrift, stel ik persoonlijk
+belang in de voortzetting van uw' eersten arbeid. Wij zullen
+voor _Jongelingsjaren_ eene plaats reserveeren in de 10de of 11de
+aflevering, naar gelang van den tijd dat het ontvangen wordt.
+
+"Het geld zal u dezer dagen gezonden worden. Des winters woon ik te
+Petersburg, en het zal mij aangenaam zijn, zoo u mij bij gelegenheid
+eenige regelen wilt schrijven.
+
+"Ontvang de verzekering van mijne oprechte hoogachting.
+
+
+"N. Njekrassoff."
+
+
+
+Zooals van zelf spreekt, bracht Tolstoi zijn' tijd niet in hoofdzaak
+met letterkundige bezigheden door. Hij leidde het gewone leven van
+een' officier en was, volgens getuigenis zijner tijdgenooten en
+wapenbroeders, een goed kameraad.
+
+In de gedenkschriften van Nazarjeff komt een verhaal voor van een
+van Tolstoi's vroegere makkers, die met zichtbaar welgevallen aan
+hem en aan den tijd terugdenkt, dien zij bij dezelfde batterij
+hadden doorgebracht. Hij had zich zelfs in een der helden uit de
+Sewastopol'sche verhalen herkend.
+
+"Zoo bezielde Tolstoi," verhaalt de grijsaard met een vergenoegden
+glimlach, "in de moeilijke tijden van het krijgsmansleven allen en
+ieder door zijne vertellingen en in haast saamgestelde verzen. Hij was
+in den vollen zin des woords de ziel der batterij. Zoolang Tolstoi bij
+ons was, vloog de tijd voorbij en was er geen einde aan de algemeene
+vroolijkheid; doch nauwelijks was de graaf weg en naar Simferopol
+gegaan, of allen lieten het hoofd hangen. Zoo verliepen er een dag of
+twee, drie.... Eindelijk kwam hij terug.... precies als de verloren
+zoon: droefgeestig, vermagerd, misnoegd op zichzelf.... Hij nam mij
+terzijde, en begon kort daarna te biechten. Alles vertelde hij:
+zijn dolle uitgaan, zijn spelen, waar hij zijne dagen en nachten
+had doorgebracht, en--men zal het nauwelijks gelooven--daarbij had
+hij berouw en pijnigde hij zich als een werkelijk zondaar. Het was
+zelfs treurig hem aan te zien--zoo gebroken was hij. Was hij dezelfde
+man van vroeger? In één woord: het was zonderling en voor mij totaal
+onbegrijpelijk. Aan den anderen kant was hij een zeldzaam kameraad, een
+zeer oprechte ziel; en het zou mij onmogelijk zijn hem te vergeten."
+
+Tolstoi's gedrag als een dapper officier, en zijne relatiën met
+de hoogere kringen hadden hem eene voorspoedige militaire loopbaan
+kunnen verzekeren. Daartoe werkte ook mede het in druk verschijnen van
+zijne _Sewastopol'sche schetsen_, welke de aandacht trokken van Keizer
+Nikolaas en Keizerin Alexandra Fedorowna. Men zegt, dat laatstgenoemde
+schreide, toen zij het eerste verhaal las. Maar diezelfde letterkundige
+gave heeft ook dien voorspoed belemmerd; want de _Sewastopol'sche
+liederen_ waren een hinderpaal voor eene schitterende carrière.
+
+Een dergenen, die aan de samenstelling van deze liederen hadden
+deelgenomen, deelt, als persoonlijke getuige, het volgende mede.
+
+Gedurende den Krim-oorlog vereenigden zich dikwijls, ja bijna alle
+avonden, de leden van den staf der artillerie en eenige andere
+officieren bij het hoofd van dien staf, Krizjanowski.
+
+Gewoonlijk ging luitenant-kolonel Baljoezek voor de piano zitten;
+de andere stonden er in een kring omheen, en men improviseerde
+liederen. Elk droeg zijn woord en gedachte bij; ook graaf Tolstoi,
+maar niet altijd. Daarom kan gezegd worden, dat deze improvisatiën
+een algemeen karakter droegen, hetwelk de stemming der militaire
+clubs weergaf.
+
+Als men aan de omstandigheden denkt, waaronder deze liedjes gemaakt
+werden: al die verschrikkingen van den dood, het kermen der gewonden,
+die stroomen bloed, de branden en moorden, waarvan de dampkring te
+Sewastopol als bezwangerd was--dan moet men zich over die geestkracht
+verwonderen, welke ruimte liet voor gemoedelijke grappen over
+supérieuren, onder het voortdurende gevaar van dood of verwonding!
+
+Intusschen verwierf Tolstoi in den kring der Petersburger
+letterkundigen meer en meer bekendheid. Een' zijner scherpste critici,
+Toerghenjeff, had hij overwonnen. De lezers zullen zich uit een
+vorig hoofdstuk mevrouw Golowatschewa Panajewa herinneren, en hoe
+Toerghenjeff Panajeff om zijne geestdrift wat voor den gek hield.
+
+In het jaar 1854 schrijft hij o.a. uit Spasskoje aan E. Ja. Kolbasin,
+een der medewerkers van den _Sawremjennik_:
+
+"Zeer verheugd ben ik over het succes van _Jongensjaren_. God geve,
+dat Tolstoi in leven blijve, want, naar ik hoop, zal hij ons allen
+nog verbazen; hij is een genie van den eersten rang. Ik heb hier
+met zijne zuster kennis gemaakt, eene zeer lieve, sympathieke vrouw,
+die ook met een' graaf Tolstoi gehuwd is." [81]
+
+Reeds bij het verschijnen der Sewastopol'sche verhalen geraakte
+Toerghenjeff in verrukking, en in een' brief aan Panajeff uit hij
+die op de volgende wijze:
+
+"Tolstoi's bijdrage over Sewastopol is een wonder! Bij het lezen er
+van werd ik tot schreiens toe bewogen, en riep ik: hoera! Ik ben zeer
+geneigd hem mijn nieuw verhaal op te dragen. De aankondiging over den
+_Sawremjennik_ heb ik in de _Moskousche Courant_ gelezen. De hemel
+geve, dat gij uwe beloften kunt houden, namelijk, dat de bijdragen
+worden toegelaten, dat Tolstoi niet gedood worde, enz. Dit zal voor u
+eene heele steun zijn. Tolstoi's opstellen hebben hier een algemeenen
+bijval verworven....
+
+"Spasskoje, 10 Juni 1855."
+
+In 't algemeen stond Tolstoi reeds na het verschijnen der
+Sewastopol'sche verhalen op de hoogte der schrijvers van den eersten
+rang. Eene belangwekkende uitspraak van Pissemski over deze verhalen
+wordt door A. F. Koni in de levensbeschrijving van I. F. Gorboenoff
+aangehaald:
+
+"Omstreeks dien tijd," zegt hij "sprak Pissemski, die toen dat
+belangrijke werk _Duizend zielen_ had geschreven, met Gorboenoff
+over _een in zijn opkomst zijnden grooten Russischen schrijver_,
+naar aanleiding der _Sewastopol'-sche verhalen_, waarvan hij juist
+eenige fragmenten had hooren voordragen. _Dit officiertje zal ons
+allen verdringen, zooals men eene pen wegwerpt...._"
+
+Na de overgave van Sewastopol werd Tolstoi als koerier naar Petersburg
+gezonden.
+
+Vóór zijn vertrek uit Sewastopol moest Tolstoi zijne literaire
+krachten wijden aan de samenstelling van een rapport over den laatsten
+veldslag. In zijne bijdrage _Eenige woorden naar aanleiding van Oorlog
+en Vrede_, maakte de schrijver van dit rapport aldus melding:
+
+"Na het verlies van Sewastopol zond de artillerie-commandant
+Krizjanowski mij de rapporten der artillerie-officieren van alle
+bastions, en verzocht mij uit al die meer dan 20 rapporten, er
+één samen te stellen. Het spijt mij, dat ik die rapporten niet
+overgeschreven heb. Zij waren het beste voorbeeld van die naïeve,
+onvermijdelijke krijgsleugens, waaruit zulke beschrijvingen worden
+saamgesteld. Ik veronderstel, dat vele mijner kameraden, die toen
+deze rapporten hebben opgemaakt, bij het lezen van deze regelen zullen
+lachen bij de herinnering, dat zij op last van superieuren over dingen
+schreven, welke zij niet weten konden."
+
+Zoolang Tolstoi in krijgsdienst was, leidde zijn liefde voor de
+rechtvaardigheid menigmaal tot botsingen met zijne superieuren en
+wapenbroeders.
+
+Volgens de toenmalige gewoonte mochten de sectie-commandanten,
+en daaronder ook de batterij-commandant, bij het ontvangen van de
+rijksgelden voor het onderhoud der batterij al wat zij bespaarden voor
+zich behouden. Dit vormde voor de meeste commandanten vrij aardige
+inkomsten, maar leidde natuurlijk tot vele misbruiken.
+
+Als Tolstoi bij het opmaken der rekeningen een overschot in geld
+ontdekte, boekte hij dit op de ontvangst, d.w.z. hij weigerde
+het. Natuurlijk wekte deze handelwijze het misnoegen der andere
+commandanten. Generaal Krizjanowski liet hem roepen en gaf hem daarover
+eene berisping.
+
+Dit laatste bericht ons N. A. Kriloff, die in 1856 bij de batterij
+was overgeplaatst, welke Tolstoi kort te voren verlaten had, in zijn
+_Gedenkschriften:_
+
+"Bij de brigade had hij de herinnering achtergelaten van een goed
+ruiter, een opgeruimd man en van een athleet. Zoo ging hij b.v. op den
+grond liggen, liet een' man van ruim 80 kilo op zijn handen staan,
+strekte deze uit, en hief den man omhoog. Op den stok was niemand
+tegen hem opgewassen. Ook heeft hij vele anecdoten achtergelaten, die
+hij meesterlijk vertelde.... Men heeft den graaf er van beschuldigd,
+dat hij den officieren voorpredikte om, als een officierspaard niet
+had opgegeten wat er volgens de lijst voor uitgetrokken was, zelfs
+dan de overgeschoten fourage-gelden weer in de kas te storten."
+
+In Petersburg wachtte Tolstoi een geheel ander leven, waaraan hij
+zich dan ook met al de jeugdige veerkracht die hem eigen was, wijdde.
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+ST.-PETERSBURG.
+
+
+Als koerier naar Petersburg gezonden, werd Tolstoi bij eene
+veldbatterij geplaatst, onder bevel van generaal Konstantinoff,
+en keerde niet weer naar het leger terug.
+
+Bij zijne aankomst te Petersburg op 21 November 1855 bezocht hij
+onmiddellijk den letterkundigen kring van den _Sawremjennik_ en werd
+hier met open armen ontvangen.
+
+Tolstoi doet ons een verhaal van dien tijd in zijne _Biecht_ dat
+aldus luidt:
+
+"Destijds begon ik te schrijven uit ijdelheid, eigenbelang en
+trots. In mijne geschriften deed ik hetzelfde, als in het leven. Om
+naam en geld te krijgen, ter wille waarvan ik schreef, moest ik het
+goede bemantelen en het kwade bekend maken; en dat hèb ik gedaan. Hoe
+dikwijls heb ik op listige wijze, in den vorm van onverschilligheid
+en zelfs van lichte spotzucht, in mijne geschriften die neigingen
+tot het goede verborgen, welke den zin mijns levens vormden. En dit
+heb ik bereikt: men heeft mij geprezen.
+
+"Op den leeftijd van 27 jaren kwam ik, na afloop van den oorlog,
+te Petersburg met schrijvers tezamen. Men ontving mij als een der
+hunnen en vleide mij."
+
+Natuurlijk werd Tolstoi, 20 jaren na het schrijven van deze regelen,
+door andere gevoelens bestormd; maar de kiemen van het scepticisme,
+van dit wreede, onmeedoogende zelfonderzoek hebben zich reeds _toen_
+geopenbaard en zijne collega's verbaasd.
+
+De _Sawremjennik_ was een tijdschrift, opgericht door A. N. Poeschkin
+en Pletnjeff. Het eerste nummer er van verscheen in 1836; na
+Poeschkin's dood zette Pletnjeff, van 1838 tot 1846, de uitgaaf
+voort; maar hierna zweeg het blad geheel. In 1847 werd het recht
+van uitgaaf verkregen door I. I. Panajeff en N. A. Njekrassoff, die,
+in vereeniging met den bekenden criticus Belinski, weldra de beste
+litteraire krachten tot medewerking aan het blad wisten te bewegen;
+en tot het jaar 1866, toen het op last der autoriteiten geschorst
+werd, is het blad het vooruitstrevende hoofdorgaan geweest op het
+gebied van fraaie letteren en kritiek.
+
+Bij Tolstoi's komst te Petersburg bestond de meer intieme kring
+van den _Sawremjennik_ uit letterkundigen, die in de twee in dit
+werk voorkomende groepen worden voorgesteld, te weten: Panajeff,
+Njekrassoff, Toerghenjeff, Tolstoi, Droezjinin, Ostrowski,
+Gontscharoff, Grigorowitsch en Sollogoeb. Van hen die niet in deze
+groepen figureeren, kunnen genoemd worden: W. P. Botkin, Fet en
+anderen.
+
+De hoofdmedewerkers van den _Sawremjennik_ waren, wat de deelneming
+aan het tijdschrift en de verdeeling van het honorarium betrof, door
+zekere _artél_-verplichtingen [82] gebonden. Dikwijls bezwaarden
+die verplichtingen de deelnemers en waren dan oorzaak van allerlei
+onaangename conflicten in den letterkundigen kring. Uitgevers en
+redacteuren van andere tijdschriften vroegen vermaarde schrijvers
+om letterkundige bijdragen, waardoor de administratie van den
+_Sawremjennik_ zich gekrenkt voelde, en wederkeerig. De Duitsche
+schrijver Löwenfeld deelt van een dezer conflicten het volgende mede:
+
+"Tusschen Toerghenjeff en Katkoff was een twist ontstaan, waarin
+ook Tolstoi gemengd werd--zij het dan voor een deel door eigen
+schuld. Toerghenjeff was eerst de vlijtige medewerker van Katkoff
+geweest, en voor laatstgenoemde was het natuurlijk onaangenaam zulk
+een uitstekenden schrijver te verliezen. Hij droeg zijn broeder op de
+beide jonge auteurs dagelijks te bezoeken, en hun om bijdragen voor
+zijn tijdschrift te vragen. Toerghenjeff, die eindelooze aanvragen
+moede, beloofde op zekeren dag iets voor Katkoff te zullen meegeven,
+doch kon deze belofte niet nakomen. Katkoff ontstak in hevige woede
+en begon Toerghenjeff openlijk te beleedigen, zich beklagende, dat
+Toerghenjeff eenmaal beloofd had aan zijn blad te zullen medewerken,
+en bijgevolg niet het recht had om zijne pennevruchten uitsluitend
+aan den _Sawremjennik_ te geven. Aan den anderen kant had hij, als
+lid van de artél _Sawremjennik_, niet het recht te beloven, dat hij
+voor Katkoff's tijdschrift zou werken. Zijn zachte, toegevende aard
+had hem ditmaal een slechten dienst bewezen.
+
+"Tolstoi nam het voor zijn' vriend op. Hij schreef Katkoff een langen
+brief om Toerghenjeff te rechtvaardigen.--'De zachtmoedigheid van
+Toerghenjeff, zijne minzaamheid,' schreef Tolstoi, 'hadden hem
+bewogen aan twee kanten beloften te doen.' Hij verzocht Katkoff
+dezen verweerbrief openbaar te maken. Katkoff stemde toe, maar onder
+voorwaarde dat ook zijn antwoord zou worden gepubliceerd, en zond
+Tolstoi het ontwerp van zijn' brief. De inhoud van dit antwoord was
+echter van dien aard, dat Tolstoi er de voorkeur aan gaf zich aan de
+inmenging te onttrekken." [83]
+
+De artél van den _Sawremjennik_ hield niet lang stand en ging in eene
+gewone tijdschrift-organisatie over.
+
+Tolstoi heeft Belinski niet bij den _Sawremjennik_ ontmoet. Naar men
+weet, was Belinski in 1848 gestorven, na zich voor de instandhouding
+van het tijdschrift veel moeite te hebben gegeven. Zijn enthousiasme
+had dit stervende blad met nieuw leven bezield en het bestaan er van
+voor langen tijd verzekerd. Op Tolstoi is echter een rechtstreeksche
+invloed van Belinski niet merkbaar geweest.
+
+Eenerzijds lag de oorzaak hierin, dat zij menschen waren van
+verschillende tijdperken. Belinski was in den waren zin des woords
+een man uit den tijd van '40; en Tolstoi, die eerst in de jaren
+na '50 de letterkundige loopbaan betrad, vond slechts volgers van
+Belinski, die de aantrekkingskracht van hun' voorganger misten. Aan
+den anderen kant was de sfeer, waarin Tolstoi was groot gebracht, niet
+gunstig voor zijne aanraking met de letterkundige _onadellijken_,
+gelijk zij zich zelven noemden. Hij hield zich bij den kring van
+personen die hem meer in opvoeding nabij kwamen, en zelfs onder
+dezen was hij altijd afgescheiden, onafhankelijk,--iemand die wel
+de meeste tegenstanders influënceerde, doch weinig vatbaar was voor
+invloed van buiten. Men kan ook eene veel diepere, eene principiëele
+oorzaak aanwijzen. Ofschoon zich in de jaren na '50 bij Tolstoi nog
+geen bepaalde wereldbeschouwing gevormd had, heeft de richting van
+den _Sawremjennik_ hem toch nooit aangetrokken. Eindelijk hebben,
+volgens Tolstoi's eigen bekentenis, genieën op het gebied der fraaie
+letteren altijd meer invloed op zijn letterkundigen arbeid gehad,
+dan genieën op het gebied der journalistiek.
+
+Op wijsgeerig gebied ondervond hij in zijne jeugd den meesten invloed
+van de zijde van Rousseau.
+
+In een gesprek over de Fransche literatuur met den Parijschen
+hoogleeraar Boyer, die hem in de lente van het jaar 1901 een bezoek
+bracht, drukte Tolstoi zich over zijne beide leermeesters, Rousseau
+en Stendhal, uit als volgt:
+
+"Tegenover Rousseau is men onbillijk geweest; de grootheid van
+zijne idee is niet erkend, en op alle mogelijke wijzen heeft men
+hem belasterd. Ik heb den geheelen Rousseau gelezen: alle 20 deelen,
+waaronder het _Woordenboek der Muziek_. Hij heeft mij in verrukking
+gebracht--meer nog, ik heb hem vergood. Toen ik 15 jaar oud was, droeg
+ik in stede van een kruis op de borst, een medaillon om den hals met
+zijn portret. Vele bladzijden uit zijne werken staan zóó diep in mijne
+ziel gegrift, dat het mij toeschijnt of ik ze zelf geschreven heb.
+
+"Wat Stendhal betreft," ging Tolstoi voort, "van hem zal ik alleen
+spreken, als van den schrijver van _La Chartreuse de Parme_ en
+_Rouge et Noir_. Dit zijn twee groote, onnavolgbare voortbrengselen
+der fraaie letteren. Aan Stendhal ben ik meer verschuldigd, dan aan
+iemand anders. Hij heeft mij den oorlog leeren begrijpen. Lees eens in
+_La Chartreuse de Parme_ het verhaal van den slag bij Waterloo! Wie
+heeft, vóór hem, den oorlog zóó beschreven: namelijk zoo, als hij in
+werkelijkheid is? Denk aan Fabricius, die over het slagveld rijdt, en
+er _niets_ van begrijpt! Later heeft mijn broeder, die vóór mij in den
+Kaukasus gediend heeft, mij de juistheid van Stendhal's beschrijvingen
+bevestigd. Hij hield veel van den oorlog, maar behoorde niet tot hen,
+die gelooven aan de brug van Arcola. 'Dit alles is fraaiigheid,'
+zeide hij mij, 'maar in den oorlog bestaat geen fraaiigheid'. Spoedig
+daarna viel het mij in de Krim gemakkelijk dit alles met eigen oogen
+te zien. Doch ik herhaal u: al wat ik van den oorlog weet, heb ik te
+voren reeds van Stendhal geleerd." [84]
+
+Laat ons nog de titels van de letterkundige producten noemen, welke
+in de reeds gedeeltelijk door ons opgenomen lijst voorkomen en op
+het nu omschreven tijdvak betrekking hebben.
+
+In het tijdvak van zijn 20ste tot zijn 25ste levensjaar hebben de
+volgende geschriften den grootsten invloed op Tolstoi gehad:
+
+
+ Titels der geschriften. Graad van invloed.
+
+ Goethe, _Hermann und Dorothea_ Zeer groot.
+ V. Hugo, _Notre-Dame de Paris_ Zeer groot.
+ Tjoetscheff, _Gedichten_ Groot.
+ Koltzoff, _Gedichten_ Groot.
+ Fet, _Gedichten_ Groot.
+ Plato (Vertaling van Cousin). _Phaedo_ en
+ _Symposion_ Zeer groot.
+ _De Odyssea_ en _de Ilias_, in 't Russisch
+ gelezen Zeer groot.
+
+
+Hierdoor krijgen wij een min of meer volledig beeld van Tolstoi's
+letterkundige opvoeding.
+
+In den kring der Petersburgsche letterkundigen bracht Tolstoi zijne
+krachtige, aesthetische, aantrekkelijke natuur en zijn onbuigzaam,
+vaak twistziek karakter mede, en verwekte een' storm in dat kalme,
+bezadigde gezelschap.
+
+Ziehier hoe Fet in zijne _Herinneringen_ Tolstoi's verschijnen in
+Petersburg vertelt:
+
+"Toerghenjefif stond zeer vroeg op en dronk (op zijn Petersburgsch)
+zeer vroeg thee. In den korten tijd dat ik in de hoofdstad was, kwam
+ik dagelijks tegen 10 uren bij hem, om in onzen vrijen tijd wat te
+praten. Toen Zachar, Toerghenjeff's huisknecht, den tweeden dag de
+deur der voorkamer voor mij opende, zag ik in een' hoek eene korte
+sabel met het Sint-Anna-lint.
+
+"'Wat is dat voor eene sabel?' vroeg ik, tegelijk naar de deur van
+het salon gaande.
+
+"'Wees zoo goed en kom hierheen,' fluisterde Zachar, terwijl hij
+links naar de gang wees. 'Die korte sabel is van graaf Tolstoi, die
+heden nacht in het salon is blijven slapen. Iwan Serghejewitsch zit
+op het oogenblik in zijn kabinet thee te drinken.'
+
+"In het uur dat ik bij Toerghenjeff doorbracht, spraken wij
+fluisterend, uit vrees den graaf wakker te maken, die achter de
+deur sliep.
+
+"'Dat gaat maar steeds zoo door,' zeide Toerghenjeff glimlachend. 'Van
+zijne batterij uit Sewastopol teruggekeerd, is hij bij mij afgestapt
+en geheel uit den band gesprongen. Drinkgelagen, uitgaan, den geheelen
+nacht kaarten, en dan tot twee uur des namiddags slapen. Eerst trachtte
+ik hem daarvan terug te houden, maar nu heb ik het opgegeven.'
+
+"Gedurende dit bezoek maakte ik ook met Tolstoi kennis, maar deze
+kennismaking was geheel vormelijk, daar ik tot dien tijd nog geen
+enkelen regel van hem gelezen en zelfs zijn' naam als letterkundige
+nooit gehoord had, ofschoon Toerghenjeff over zijne verhalen uit
+_Kinderjaren_ gesproken had. Maar van het eerste oogenblik af bespeurde
+ik bij den jongen Tolstoi een onwillekeurig verzet tegen al wat op het
+gebied der meeningen algemeen gebruikelijk is. In dien korten tijd zag
+ik hem slechts een enkelen avond bij Njekrassoff, in onzen kring van
+celibataire letterkundigen, en was ik hier getuige van een voorval,
+waarbij Toerghenjeff, kokend en buiten adem door zijn dispuut, over
+de schijnbaar ingetogen, maar des te bijtender uitdrukkingen van
+Tolstoi haast wanhopig werd.
+
+"'Ik kan niet erkennen,' zeide Tolstoi, 'dat ge overtuigd zijt van
+hetgeen ge daar zegt. Als ik met een dolk of sabel aan de deur ga
+staan en zeg: "Zoolang ik leef, komt hier niemand binnen!", dan is
+dat mijne overtuiging. Maar gij tracht het wezen uwer ideeën tegenover
+elkaar te verbergen, en noemt dat "overtuiging".'
+
+"'Waarom komt ge dan bij ons?' sprak Toerghenjeff, ademloos en met
+eene stem, die in een fijnen, valschen diskant overging (bij heftige
+twisten was dit steeds het geval). 'Hier is uw vaandel niet. Ga naar
+prinses B-i-b-i.'
+
+"'Waarom mij hier te vragen, waar ik heen zal gaan! Ook de onnutte
+gesprekken over mijn komen hier en daar zullen niet in overtuiging
+veranderen!'
+
+"Nu ik deze geenszins op zichzelf staande botsing tusschen Tolstoi en
+Toerghenjeff, waarvan ik destijds getuige was, in herinnering breng,
+kan ik niet nalaten te zeggen, dat, ofschoon ik begreep dat er hier
+van politieke overtuiging sprake was, deze quaestie mij zoo weinig
+interesseerde, dat ik niet trachtte dieper in den aard er van door
+te dringen. Ik ga verder. Op gezag van allen, die ik in onzen kring
+gehoord heb, vermoed ik dat Tolstoi gelijk had, en dat, indien personen
+die zich door de tegenwoordige orde van zaken bezwaard gevoelen,
+genoodzaakt werden hun ideaal uit te spreken, zij in de grootste
+verlegenheid zouden verkeeren hoe hunne wenschen te formuleeren.
+
+"Wie onzer kende destijds niet dien vroolijken metgezel, dien makker
+in allerlei guitenstreken en meester in het vertellen van grappige
+anecdoten: Dmitri Wasiljewitsch Grigorowitsch, zoo geroemd om zijne
+verhalen en romans? Ziehier wat onder anderen deze Grigorowitsch
+mij gezegd heeft van de botsing tusschen Tolstoi en Toerghenjeff,
+ten huize van Njekrassoff.
+
+"'Waarde vriend', sprak hij, stikkend en met tranen in de oogen
+van het lachen, terwijl hij over mijn schouder keek, 'gij kunt
+u niet voorstellen, welke scènes hier al geweest zijn. Ach, mijn
+hemel! Toerghenjeff krijscht, knijpt met de hand zijn keel toe en
+fluistert met de oogen eener stervende gazelle: "Ik kan niet meer! Ik
+heb bronchitis!" Vervolgens gaat hij met reusachtige stappen de drie
+kamers op en neer loopen--"Bronchitis!" bromt Tolstoi onmiddellijk
+daarop "bronchitis is eene denkbeeldige ziekte. Bronchitis stamt
+af van brons, en brons is een metaal!"--Natuurlijk verkeert de
+gastheer Njekrassoff in angst: hij vreest zoowel Toerghenjeff als
+Tolstoi te moeten missen, in wien hij een kapitalen steun voor den
+_Sawremjennik_ heeft ontdekt. Hij moet laveeren. Wij zijn allen in
+opgewonden stemming en weten niet wat te zeggen. Tolstoi ligt met een
+opgezet gelaat op een marokijnlederen sofa in de middelste kamer,
+terwijl Toerghenjefif, met de panden van zijn korte jas op zijde
+geslagen en de handen in de zakken, voortdurend de drie kamers op
+en neer loopt. Om onheilen te voorkomen, ga ik naar de sofa en zeg:
+"Beste vriend Tolstoi, wind u niet op! Ge weet niet hoezeer hij u
+waardeert en hoe hij u lijden mag!"'
+
+"'Ik kan niet dulden,' zegt Tolstoi met trillende neusvleugels, 'dat
+hij mij ergert! Zie eens, hoe hij daar opzettelijk voor mij heen en
+weer loopt en met zijne democratische heupen draait.'" [85]
+
+
+
+De zoo even genoemde Grigorowitsch verhaalt in zijne _Letterkundige
+Herinneringen_ van eene dergelijke episode uit den tijd van Tolstoi's
+eerste kennismaking met de Petersburgsche letterkundigen.
+
+"Bij mijn' terugkeer uit Marjinski, te Petersburg ontmoette ik graaf
+Leo Tolstoi; mijne kennismaking met hem was echter reeds te Moskou
+bij de Soeschkoff's begonnen, toen hij de militaire tenue droeg. Hij
+woonde te Petersburg in de Officiers-straat, op de onderste étage van
+een niet groot huis, juist tegenover de kamer van den letterkundige
+M. L. Michaïloff. Hij scheen dezen niet te kennen.
+
+"Van den eersten dag af had Petersburg niet alleen niets aantrekkelijks
+voor hem, maar het geheele leven aldaar werkte merkbaar ontstemmend
+op hem.
+
+"Toen ik op den dag van mijn bezoek van hem vernam, dat hij dien middag
+bij de redactie van den _Sawremjennik_ te eten was gevraagd, en dat hij
+daar niemand van nabij kende, niettegenstaande hij reeds bijdragen aan
+het blad geleverd had, besloot ik met hem mee te gaan. Onderweg achtte
+ik het noodig hem te waarschuwen, dat hij daar enkele quaestiën niet
+moest aanroeren en zich vooral onthouden van aanvallen op George Sand,
+van wie hij (Tolstoi) zeer afkeerig was, terwijl destijds vele leden
+der redactie integendeel met haar dweepten. Het middagmaal verliep in
+goede orde; Tolstoi was tamelijk stil, doch op het eind hield hij zich
+niet in. Toen hij een nieuwen roman van George Sand hoorde prijzen,
+verklaarde hij beslist haar te haten, er bijvoegende dat de heldinnen
+harer romans, zoo die in werkelijkheid bestonden, op den schandwagen
+gebonden, en te pronk door de straten van Petersburg geleid moesten
+worden. Reeds in die dagen vormde zich bij hem die eigenaardige meening
+omtrent de de vrouwen en de vrouwen-quaestie, welke zich later op
+zoo klare wijze in den roman _Anna Karjenina_ heeft uitgesproken.
+
+"De scène bij de redactie heeft mogelijk zijne verbittering opgewekt
+tegen al wat Petersburgsch was,--maar nog het meest zijne zucht tot
+tegenspraak. Welke meening de persoon, tot wien hij sprak, ook uitte,
+en hoe gezagvoller die persoon hem toescheen, des te heftiger prikkelde
+hem dit om het tegenovergestelde te zeggen en over woorden te gaan
+strijden. Zag men hoe hij luisterde, hoe doordringend hij den ander
+uit de grijze, diep verborgen oogen aankeek, en hoe spottend zich
+zijne lippen krulden, dan had men kunnen denken dat hij reeds vooraf,
+zoo niet een rechtstreeksch antwoord, dan toch eene meening overdacht,
+die door hare onverwachtheid moest overbluffen, en dadelijk uit het
+veld slaan.
+
+"Zoo kwam Tolstoi mij in zijne jongelingsjaren voor. In disputen ging
+hij soms tot uitersten over. Eens bevond ik mij in eene aangrenzende
+kamer, toen er tusschen hem en Toerghenjeff een twist ontstond. Daar ik
+hoorde schreeuwen, ging ik naar de twistenden toe. Toerghenjeff stapte
+van den eenen hoek naar den anderen, en vertoonde alle teekenen van de
+hevigste opwinding; hij maakte van de open deur gebruik en verdween
+onmiddellijk. Tolstoi lag op de sofa; maar ook zijne opwinding was
+zoo groot, dat het niet weinig moeite kostte hem te kalmeeren en
+naar huis te brengen. Het onderwerp van den twist is mij tot heden
+onbekend gebleven." [86]
+
+Tolstoi's geest van tegenspraak blijkt nog uit het volgende voorval,
+dat in de herinneringen van G. P. Danilewski verhaald wordt.
+
+"Ik heb met Tolstoi kennis gemaakt tegen het jaar 1860, in het
+gezin van een bekenden beeldhouwer. De schrijver der Sewastopol'sche
+verhalen was toen juist in Petersburg gekomen, en was een jong, flink
+gebouwd artillerie-officier. Zijn zeer gelijkend portret uit dien
+tijd komt voor in de bekende photographische groep van Lewitski,
+waar hij tegelijk met Toerghenjeff, Gontscharoff, Grigorowitsch,
+Ostrowski en Droezjinin wordt voorgesteld. Naar ik mij herinner,
+kwam graaf Tolstoi toen juist het salon der gastvrouw binnen op het
+oogenblik, dat een nieuw werk van Herzen [87] werd voorgelezen. Hij
+ging stil achter den stoel van den lezer staan, wachtte tot deze
+geëindigd had, en viel toen eerst zacht en ingetogen, maar vervolgens
+zoo heftig en driest over Herzen uit, en over de algemeene geestdrift
+die zijne werken destijds verwekten, sprak met zulk eene oprechtheid
+en betoogkracht, dat ik in het vervolg geen werk van Herzen in dit
+gezin meer heb aangetroffen." [88]
+
+Wij weten, dat Tolstoi in lateren tijd omtrent Herzen van meening
+veranderd is, en zullen te gelegener tijd daarvan spreken.
+
+E. Garschin verhaalt in zijne _Herinneringen aan Toerghenjeff_
+de volgende belangwekkende meening van dezen auteur over Tolstoi,
+die ons reeds vroegtijdig het element van oneenigheid doet zien,
+dat hunne verstandhouding bijna tot een noodlottig einde voerde.
+
+"Bij Tolstoi," verhaalde Toerghenjeff, "openbaarde zich al vroeg de
+trek, die later ten grondslag lag aan zijne geheele vrij duistere
+levensbeschouwing, welke in de eerste plaats hemzelven heeft
+gekweld. Hij geloofde nooit aan de oprechtheid der menschen. Elke
+gemoedsbeweging scheen hem valsch, en hij had de gewoonte iemand met
+zijne doordringenden blik als 't ware te doorboren, wanneer het hem
+toescheen dat die persoon huichelde of onoprecht was. Toerghenjeff
+zeide mij, dat hij nooit in zijn leven iets pijnlijkers gevoeld had
+dan dien uitvorschenden blik, die, gevoegd bij twee of drie woorden
+die een giftige opmerking inhielden, wel geschikt was om ieder mensch
+met geringe zelfbeheersching tot razernij te brengen. Als voorwerp
+van zijne onderzoekingen koos graaf Tolstoi onder anderen (en bijna
+uitsluitend) zijn' vriend Toerghenjeff. De bekende zelfbeheersching
+van dezen schrijver en zijne gelijkmoedigheid in dat levenstijdperk,
+toen zijn letterkundige arbeid op schitterende wijze ontbloeide,
+schonken Tolstoi geen rust; en het scheen wel of deze zich ten doel
+stelde den kalmen, goedhartigen man, die met overtuiging zijn werk
+ten uitvoer bracht, buiten zichzelven te brengen van drift. Maar
+tevens was het ongelukkig, dat Tolstoi dit volstrekt niet geloofde,
+en dat in zijn oog menschen die wij als goed beschouwen, het goede
+huichelen of die eigenschap voorwenden: dat zij overtuiging veinzen
+in het belang van quaestiën, waarin zij betrokken zijn.
+
+"Toerghenjeff begreep duidelijk op welk standpunt Tolstoi zich
+tegenover hem plaatste, doch wilde zijn karakter tot elken prijs
+handhaven en zijne zelfbeheersching bewaren. Hij begon Tolstoi te
+ontwijken, vertrok opzettelijk naar Moskou en vervolgens naar zijn
+buitenverblijf; maar Tolstoi volgde hem op den voet, _evenals eene
+verliefde vrouw_, gelijk Toerghenjeff zich uitdrukte, toen hij deze
+geheele geschiedenis verhaalde." [89]
+
+Uit al deze aanwijzingen over de wederzijdsche verhouding der
+twee schrijvers kunnen wij zien, dat eene werkelijke geestelijke
+verwantschap tusschen hen onmogelijk was. Maar de vloed van den
+bevrijdingsstroom voerde beiden in dezelfde richting, en volgens hun
+werk beschouwden zij zich als kameraden. Daarenboven werden zij door de
+omstandigheid dat zij tot de hoogere, gepriviligeerde klasse behoorden,
+door hunne opvoeding en het overwicht hunner talenten te midden van
+hun' schrijverskring onwillekeurig en voor den uiterlijken vorm tot
+elkander gebracht. Maar, zooals de lezers uit het volgende verhaal
+zullen zien, niet zoodra poogden zij deze kameraadschappelijke grens
+te overschrijden, of er ontstond eene botsing, die hunne carrière
+somtijds in gevaar bracht. De waarheid eischt hier te vermelden, dat
+zij tegen elkander en tegenover derden rond voor hunne uiteenloopende
+karakters uitkwamen en--wat nog loffelijker is--dat zij zich veel
+zedelijk geweld aandeden om, zij het geen vriendschappelijke, dan
+toch goede betrekkingen te onderhouden, die op wederzijdsche achting
+berustten. En in dit opzicht kunnen zij een leerzaam voorbeeld geven
+aan latere geslachten.
+
+Ziehier nog een verhaal van Golowatschewa Panajewa, die getuige was
+van de eerste kennismaking van Toerghenjeff met Tolstoi, welk verhaal
+de zooeven uitgesproken meening bevestigt:
+
+"Ik moet eenige schreden in mijn verhaal teruggaan en spreken over
+graaf Tolstoi's verschijning in den kring van den _Sawremjennik_. Hij
+was toen nog officier en de eenige medewerker van genoemd blad,
+die de uniform droeg. Zijn letterkundig talent was zoozeer aan
+'t licht gekomen, dat alle corypheeën der letterkunde hem als hun
+gelijke moesten erkennen. De graaf behoorde overigens niet tot de
+beschroomde lieden, maar was zich de macht van zijn talent bewust, en
+gedroeg zich dus, gelijk mij toen bleek, zelfs met zekere vrijmoedige
+ongedwongenheid.
+
+"Wanneer de letterkundigen bij ons vergaderd waren, mengde ik mij
+nooit in hunne gesprekken, maar luisterde zwijgend toe en sloeg
+allen gade. Vooral interesseerde het mij Toerghenjeff en Tolstoi te
+volgen, als dezen elkander ontmoetten, disputeerden of wederzijdsche
+opmerkingen maakten, daar beide mannen zeer schrander en gevat waren.
+
+"Tolstoi's meening over Toerghenjeff heb ik nooit gehoord, en in 't
+algemeen sprak hij over geen enkelen letterkundige zijne meening uit,
+vooral niet wanneer ik er bij was. Daarentegen had Toerghenjeff er
+behoefte aan over elk zijne opmerkingen te zeggen.
+
+"Niet zoodra had Toerghenjeff met Tolstoi kennis gemaakt, of hij
+zeide van hem:
+
+"'Geen enkel woord, geen enkele beweging is natuurlijk bij hem. Hij
+poseert zich altijd voor ons; en ik kan maar niet verklaren, hoe
+een schrander man, als hij, zoo dom trotsch kan zijn op een mager
+graafschap.'
+
+"'Ik heb dit bij Tolstoi niet opgemerkt,' zeide Panajeff.
+
+"'Nu, dan merk je niet veel op,' antwoordde Toerghenjeff,
+
+"Eenigen tijd later vond Toerghenjeff dat Tolstoi zich eenigszins op
+zijn Don Juan'schap liet voorstaan. Tolstoi had namelijk op zekeren dag
+eenige interessante voorvallen uit zijn krijgsmansleven verhaald. Toen
+Toerghenjeff die gehoord had, zeide hij:
+
+"'Al kookt men een Russischen officier drie dagen in de wasch, toch
+kookt men er den jonkers-overmoed niet uit, en met welk vernis van
+beschaving zulk personage ook gepolitoerd wordt, toch schemert zijne
+brutaliteit er doorheen.'
+
+"En Toerghenjeff begon elken volzin van Tolstoi, den toon zijner
+stem, de uitdrukking van zijn gezicht te critiseeren, en eindigde
+met de woorden:
+
+"'Geloof mij, dit alles is brutaliteit, en spruit slechts voort uit
+den wensch om eene onderscheiding te krijgen.'
+
+"'Wil ik je eens wat zeggen, Toerghenjeff,' merkte Panajeff op. 'Indien
+ik je niet zoo goed kende, zou ik bij het hooren van al je uitvallen
+over Tolstoi denken, dat je hem benijdt.'
+
+"'Waarom zou ik hem kunnen benijden? Zeg eens, waarom?' riep
+Toerghenjeff uit.
+
+"'Inderdaad, eigenlijk om niets, want jouw talent evenaart het
+zijne... maar toch kan men denken...'
+
+"Toerghenjeff begon te lachen en sprak met zeker medelijden in
+zijn stem:
+
+"'Panajeff, je bent een goed opmerker bij het kaartspel, doch ik
+raad je geen opmerkingen te willen maken over dingen, die buiten dat
+gebied staan.'
+
+"Panajeff voelde zich gekrenkt.
+
+"'Ik heb je die opmerking gemaakt in je eigen belang,' zeide hij en
+ging heen.
+
+"Toerghenjeff's opgewondenheid duurde voort, en wrevelig zeide hij:
+
+"'Alleen in het brein van iemand als Panajeff kan het ongerijmde
+denkbeeld opkomen, dat ik Tolstoi kan benijden. Misschien om zijn
+graafschap?'
+
+"Al dien tijd had Njekrassoff weinig gezegd, omdat eene keelziekte
+hem geheel terneer drukte. Alleen merkte hij tegen Toerghenjeff op:
+
+"'Denk eens goed na over hetgeen je Panajeff hebt believen te
+zeggen. Eigenlijk zou men jou van zulk eene ongerijmdheid kunnen
+beschuldigen.'" [90]
+
+Als eerlijk, waarheidlievend man, heeft Toerghenjeff zijn' eerbied
+voor Tolstoi's talent meermalen in 't openbaar betuigd, en in een
+gesprek met een Franschen uitgever bezigde hij zelfs de uitdrukking
+van Johannes den Dooper, die tot Christus zeide: "Ik ben niet waardig
+Uwe schoenriemen te binden." Niettemin is hunne verhouding nooit
+hartelijk of intiem geweest.
+
+Alleen toen hij, op zijn sterfbed liggend, [91] in zijn laatsten
+brief graaf Tolstoi met aandoening en warmte verzocht om tot den
+letterkundigen arbeid terug te keeren, gaf hij hem een naam, die nog
+geen enkel Russisch schrijver hem had toegevoegd: den naam van _een
+groot Russisch schrijver_. En die beroemde naam zal voortleven tot
+in het verre nageslacht!
+
+Om den lezer een denkbeeld te geven van de verstandhouding, die
+tusschen Tolstoi en Toerghenjeff in de eerste dagen hunner kennismaking
+bestaan heeft, zullen wij in ons verhaal wat vooruit moeten loopen en
+enkele brieven citeeren, welke Toerghenjeff in dat jaar aan Tolstoi
+geschreven heeft.
+
+
+
+"Aan N. L. Tolstoi. Parijs, 16 November 1856.
+
+
+"Amice Tolstoi!
+
+
+"Uw brief van 15 October heeft eene geheele maand noodig gehad om
+mij te bereiken, want ik ontving hem eerst gisteren. Ik heb goed
+nagedacht over hetgeen gij mij hebt geschreven--en het komt mij voor,
+dat ge ongelijk hadt. Ik kan namelijk niet geheel oprecht tegen u zijn,
+omdat ik niet geheel vrijmoedig kan wezen. Naar ik geloof, hebben wij
+onbeholpen en te onpas kennis gemaakt, en als wij elkander weerzien,
+zal de zaak veel lichter en vlotter gaan.... Ik gevoel, dat ik u als
+mensch mag lijden (als schrijver, daarover spreek ik niet); maar veel
+heeft mij in u teleurgesteld, en ten slotte vind ik het beter mij wat
+van u te verwijderen. Bij onze samenkomst zullen wij weer trachten
+hand aan hand te gaan: misschien lukt het beter; hoe vreemd het ook
+moge klinken, op een' afstand verlangt mijn hart naar u, als naar
+een' broeder, en voel ik zelfs genegenheid voor u. In één woord:
+ik mag u lijden, dat staat vast; misschien zal hieruit mettertijd
+nog alle goeds voortkomen.
+
+"Ik heb van uwe ziekte gehoord, en dit heeft mij bedroefd; nu moest gij
+alle herinneringen daaraan uit uw hoofd zetten. Gij zijt zwaarmoedig
+en denkt aan tering; maar geloof mij, die hebt ge niet.
+
+"Het spijt mij zeer van uwe zuster. Wie zou gezond moeten zijn, als
+zij het niet is? Daarmee wil ik zeggen dat, indien iemand verdient
+gezond te wezen, het uwe zuster is; en in stede daarvan, staat zij
+zooveel pijnen uit. Het zou gelukkig zijn, indien de kuur te Moskou
+haar hielp! Waarom schrijft ge uw' broeder niet om thuis te komen? Wat
+heeft hij er aan om in den Kaukasus te zitten? Wil hij soms een groot
+krijgsman worden? Mijn oom berichtte mij, dat gij reeds allen naar
+Moskou waart gegaan; en daarom stuur ik ook dezen brief naar Moskou,
+aan het adres van Botkin....
+
+"De Fransche oppervlakkigheid staat mij al evenzeer tegen als u; en
+nooit is Parijs mij zoo prozaïsch voorgekomen. Ik heb het op andere
+tijden gezien, en durf zeggen dat het mij toen beter beviel. Wat
+mij hier houdt, is eene oude, onverbreekbare band met eene Fransche
+familie, en mijn dochtertje waaraan ik zeer gehecht ben; zij is een
+lief en schrander meisje. Ware dit niet het geval, dan zou ik reeds
+lang naar Njekrassoff in Rome gegaan zijn. Ik heb twee brieven van
+hem uit Rome ontvangen. Hij verveelt zich daar eenigszins, en dat is
+begrijpelijk. In Rome is alles grootsch, maar het omringt hem slechts:
+hij leeft er niet in, en zich lang te vergenoegen met de enkele
+oogenblikken van begrijpen en bewonderen is onmogelijk. Overigens
+gevoelt hij er meer verlichting dan te Petersburg, en zijne gezondheid
+is beterende. Fet is daar op het oogenblik bij hem; hij heeft
+eenige gracieuze verzen geschreven en uitvoerige reisherinneringen,
+waarin veel kinderlijks, maar ook veel verstandige en degelijke taal
+staat. En welk eene treffend naïeve oprechtheid in het schetsen van
+zijne indrukken! Hij is, zooals ge hem terecht noemt, een best mensch!
+
+"Ge hebt het eerste deel van _Jongelingsjaren_ voltooid. Mooi
+zoo! Hoe jammer, dat ik het niet hooren kan. Zoo ge niet van den
+rechten weg afdwaalt (en ik geloof, dat er geen reden bestaat om dit
+te onderstellen) zult ge het zeer ver brengen. Ik wensch u gezondheid,
+energie--en vrijheid, vrijheid van geest.
+
+"Wat mijn' _Faust_ betreft, ik denk niet dat die u zeer bevallen
+zal. Mijn werk kon u bevallen--en mogelijk heeft het eenigen invloed
+op u gehad--slechts zoolang tot gij zelfstandig waart geworden. Nu
+zult ge er niets uit leeren, alleen verschil in manieren, en gebreken
+en verzuimen zien. Aan u de taak om den mensch, zijn hart, en de
+werkelijk groote schrijvers te leeren kennen. Ik ben een schrijver
+van den overgangstijd, en deug slechts voor menschen die zich in een
+overgangs-toestand bevinden. Nu, vaarwel en houd je goed! Schrijf
+mij eens. Mijn adres is tegenwoordig Rue de Rivoli no. 206.
+
+"Ik dank uwe zuster voor de paar toegevoegde woorden. Groet haar en
+haar echtgenoot. Dank Warenka, dat zij mij niet vergeet.
+
+"Gaarne zou ik u iets van de auteurs hier vertellen, maar dan op een
+anderen keer. Ik druk u stevig de hand.
+
+"Ik zal dezen brief niet frankeeren, doe gij ook zoo." [92]
+
+
+
+
+Den 8sten December 1856 schreef hij aan Tolstoi:
+
+
+
+
+"Waarde Tolstoi!
+
+
+"Gisterenavond voerde mijn goede genius mij langs het postkantoor, en
+kwam het in 't voorbijgaan bij mij op te vragen, of er soms een brief
+_poste restante_ voor mij was,--ofschoon, volgens mijne berekening, al
+mijne vrienden reeds lang mijn adres te Parijs moeten kennen. Zoo vond
+ik uw' brief, waarin ge mij over mijn' _Faust_ spreekt. Ge zult licht
+begrijpen, hoe aangenaam het mij was dit te lezen. Uwe sympathie heeft
+mij oprecht en innig verheugd. Maar bovendien lag er in uw brief iets
+zachts en openhartigs, een zweem van vriendschappelijke kalmte. Nu is
+het mijn plicht u de hand te reiken over den afgrond heen, die sedert
+lang tot eene nauw merkbare kloof is geworden; doch daar zelfs dát
+woord te veel zegt moeten wij er maar niet meer over spreken.
+
+"Ik vrees u over eene omstandigheid te spreken, die terloops door u
+is aangeroerd. Zulke delicate zaken kunnen door woorden verwelken,
+zoolang zij niet rijp zijn; maar zijn zij rijp, dan laten zij zich
+niet met een' hamer verbrijzelen. God geve, dat alles gelukkig en
+naar behooren geschikt wordt; het kan u dan dat vaste geestelijke
+arbeidsveld verschaffen, waaraan ge behoefte hadt toen ik u leerde
+kennen. Ik zie nu, dat gij het zeer met Droezjinin eens zijt, en
+onder zijn' invloed staat. Dat is goed; maar zorg dan, dat ge niet te
+veel van hem aanneemt. Toen ik op uwen leeftijd was, hadden alleen
+enthousiaste naturen invloed op mij; doch gij zijt een ander mensch
+dan ik, en mogelijk is er nu een andere tijd aangebroken.
+
+"Met ongeduld verbeid ik de toezending van de _Leesbibliotheek_,
+en ik wil gaarne de verhandeling van Belinski lezen, hoewel zij mij
+vermoedelijk weinig genot zal verschaffen. Dat de _Sawremjennik_ in
+slechte handen is, valt niet te betwijfelen. In den beginne schreef
+Panajeff mij meermalen, verzekerde mij dat hij niet 'lichtvaardig'
+zou handelen, en onderstreepte zelfs dit woord; maar nu is hij stil
+geworden en zwijgt als een kind dat voor de tafel zit en zijn broekje
+heeft bevuild. Ik heb Njekrassoff te Rome uitvoerig over alles
+geschreven en het kan zeer wel gebeuren dat dit hem noopt vroeger
+terug te keeren dan hij vermoed had. Schrijf mij eens, in welk nommer
+van den _Sawremjennik_ uw verhaal _Jongelingsjaren_ voorkomt, en meld
+mij bij gelegenheid uw definitieven indruk betreffende _King Lear_,
+dat gij waarschijnlijk gelezen zult hebben, al was het maar ter wille
+van Droezjinin." [93]
+
+
+
+Wij hebben geen zekere aanwijzingen, welke meening Tolstoi had over
+Droezjinin's vertaling van _King Lear_, maar in een' brief, dien wij
+hieronder citeeren, van Botkin aan Droezjinin, kan men zien, dat de
+vertaling Tolstoi beviel:
+
+"Welk succes uw _Koning Lear_ ook moge hebben," schrijft Botkin,
+"voor mij is de vertaling ongetwijfeld geslaagd. Maar hoezeer is
+mijne blijdschap toegenomen, nu deze innerlijke overtuiging door
+de werkelijkheid bevestigd wordt. Denk aan Tolstoi's bekenden
+afkeer van Shakespeare, waartegen Toerghenjeff zoo te velde is
+getrokken! Wel moet ik eerlijk erkennen, overtuigd te zijn geweest,
+dat die antipathie bij de eerste de beste gelegenheid zou verdwijnen;
+maar het doet mij genoegen, dat uwe uitstekende vertaling zelf die
+gelegenheid verschaft."
+
+Het komt ons intusschen voor, dat Botkin's blijdschap te overijld was,
+daar Tolstoi nog lang zijn' afkeer van Shakespeare behouden heeft. Maar
+over dit feit zullen wij in een der volgende hoofdstukken spreken.
+
+In December schreef Toerghenjeff uit Parijs aan Droezjinin onder
+andere:
+
+"Men zegt, dat gij en Tolstoi zeer harmoniëert, en dat hij zeer
+vriendelijk en openhartig is geworden. Als die jonge wijn eens uitgist,
+zal er een vocht uit ontstaan, den goden waardig. Hoe staat het toch
+met zijn _Jongelingsjaren_, dat u ter beoordeeling is gezonden?" [94]
+
+Het handschrift was werkelijk aan Droezjinin gezonden. Hij las het
+geheel door en antwoordde met den volgenden interessanten brief:
+
+"Over _Jongelingsjaren_ dient men een twintigtal bladzijden te
+schrijven. Ik heb het met ergernis, met uitroepen en verwenschingen
+gelezen--niet wegens de letterkundige waarde er van, maar om het
+handschrift. Die vermenging van twee handen, eene bekende en eene
+onbekende, leidden mijne aandacht af en beletten de geregelde
+lectuur. Het was of twee stemmen in mijn oor schreeuwden en mij
+opzettelijk afleidden, waardoor, naar ik weet, de indruk niet geheel
+tot zijn recht kwam. Toch zal ik u zoo goed mogelijk mijn oordeel
+zeggen. Uwe taak is ontzettend geweest, en ge hebt die zeer goed
+volbracht. Niet een van de hedendaagsche schrijvers had dat bruisende
+en onzinnige tijdperk der jeugd zoo breed kunnen opvatten en schetsen,
+als gij. Aan ontwikkelde personen verschaft _Jongelingsjaren_ een groot
+genot; en zoo iemand u zegt, dat dit werk slechter is dan _Kinderjaren_
+en _Jongensjaren_, kunt ge hem in 't gezicht spuwen. Er ligt een schat
+van poëzie in uw werk; al de eerste hoofdstukken zijn voortreffelijk;
+alleen is de inleiding droog, tot aan de beschrijving van de lente
+en het wegnemen van de ramen. Verder zijn uitstekend: de aankomst
+buiten, voorafgegaan door de beschrijving der familie Nechljoedoff,
+de verklaring van den vader vóór het sluiten van het huwelijk, en
+de hoofdstukken: _Nieuwe Kameraden_ en _Ik ben gezakt_. Uit vele
+bladzijden komt de poëzie van het oude Moskou u tegemoet, waarop nog
+door niemand behoorlijk acht is geslagen. De koetsier van baron Z. is
+bewonderenswaardig (ik spreek altijd van het standpunt van lieden,
+die het onderwerp begrijpen). Eenige hoofdstukken zijn droog en
+lang, bij voorbeeld alle onderhandelingen met Dmitri Nechljoedoff,
+de beschrijving van zijne verhouding tot Warenka, en dat waarin over
+het begrip huiselijkheid gesproken wordt. Ook is te lang het feestje
+bij Jar en het voorafgaande bezoek van den graaf met Iljenka. De
+rekrutentijd van Semjonoff is niet geschikt voor de censuur.
+
+"Voor de bespiegelende gedeelten behoeft gij niet bang te zijn:
+zij zijn alle verstandig en origineel. Gij bezit neiging tot eene
+buitengewone fijnheid van onderzoek, die tot een groot gebrek kan
+aangroeien. Soms drijft uwe zucht naar onderzoek tot het bezigen van
+uitdrukkingen of vergelijkingen, die in het dagelijksch leven vreemd
+en onverstaanbaar klinken. Die neiging moet gij bedwingen, doch haar
+om niets ter wereld geheel verstikken. Al uw werk in dit genre moet
+boven uwe analyse staan. Elk uwer gebreken heeft zijn deel van kracht
+en schoonheid; bijna elke uwer aantrekkelijke eigenschappen sluit de
+kiemen van gebreken in zich.
+
+"Geheel hetzelfde kan men van uw' stijl zeggen. Gij zijt zeer
+ongeletterd; nu eens is uwe ongeschooldheid die van een nieuwen leider
+en van een forschen dichter, die de taal steeds naar zijne versmaat
+omwerkt, dan weer die van een' officier, die ergens achter eene
+blindeering aan een' makker schrijft. Met zekerheid kan men zeggen,
+dat alle bladzijden die gij met liefde geschreven hebt, uitstekend
+zijn; maar nauwelijks koelt ge af, of uw stijl wordt verward, en
+helsche zinswendingen komen te voorschijn. Daarom ware het noodig,
+dat stukken die zonder vuur geschreven zijn, werden nagezien en
+verbeterd. Hier en daar heb ik getracht ze te verbeteren of wilde ze
+eenvoudig schrappen, maar dit werk kunt en moet gij zelf doen. De
+hoofdzaak is echter, dat ge lange zinnen vermijdt. Splits ze in
+tweeën en in drieën, en wees niet zuinig met de punten.... Handel
+met zinsdeelen zonder plichtplegingen, en schrap de woorden _dat,
+die_ en _dit_ bij tientallen. Stuit ge op moeielijkheden, neem dan
+den zin en stel u voor, dat ge dien in vloeiende conversatie-taal
+aan iemand wilt vertellen.
+
+"Het is tijd om te eindigen; en toch zou ik u nog zeer veel moeten
+zeggen. Aan een groot aantal onontwikkelde lezers zal _Jongelingsjaren_
+veel minder bevallen dan _Kinderjaren_ en _Jongensjaren_. Voor deze
+beide geschriften pleiten hun geringe omvang en eenige episoden in den
+trant van het verhaal _Karl Iwanowitsch_. De oppervlakkigste mensch
+bewaart nog eenige herinneringen uit zijne kinderjaren, en verheugt
+zich als men hem de poëzie er van verklaart; maar de periode der jeugd
+(die woelige, onzinnige jongelingstijd, zoo rijk aan teleurstellingen
+en vernederingen, die gij ons onthult) verbergt zich gewoonlijk in
+de ziel, verduistert en wordt vergeten.
+
+"Uw werk kan door een zeer langen arbeid, met twee of drie
+onderhoudende episoden, enz. voor een groot aantal lezers begrijpelijk
+worden gemaakt; maar bijna niemand is in staat het volkomen naar den
+smaak van het groote publiek te maken.
+
+"Opzet en wezen zullen uw werk _Jongelingsjaren_ tot een gastronomisch
+brokje maken alleen voor zulke personen, die denken en gevoel hebben
+voor poëzie.
+
+"Meld mij of ik het manuscript aan u moet zenden of aan Panajeff ter
+hand stellen. Gij hebt er geen grooten stap mee gedaan in de eene of
+andere richting, maar getoond wat er in u zit en wat er nog van u te
+verwachten is."
+
+
+
+Reeds het feit, dat Droezjinin zóó aan Tolstoi kon schrijven, bewijst
+dat er werkelijk intieme betrekkingen tusschen hen bestaan hebben,
+en dat Droezjinin grooten invloed op Tolstoi heeft gehad.
+
+Tolstoi's verblijf te Petersburg van November tot Mei werd, wegens
+familie-omstandigheden, door eene kortstondige reis naar Orel
+afgebroken.
+
+Den 2den Februari kreeg hij bericht, dat zijn broeder Dmitri was
+overleden. Deze persoon wordt door Tolstoi duidelijk omschreven in
+zijne herinneringen, die door ons in het hoofdstuk _Jongelingsjaren_
+zijn medegedeeld. Hier halen wij slechts het tweede gedeelte dezer
+herinneringen aan, welke betrekking hebben op zijn volgend leven,
+zijne ziekte en dood.
+
+"Toen wij tot eene deeling kwamen, gaf men mij, volgens gebruik,
+het landgoed Jasnaja Paljana, waarop wij woonden. Sergius kreeg
+Pirogoff, omdat hij een liefhebber van paarden was en Pirogoff eene
+stoeterij bezat; hij had dit ook gewenscht. Dmitri en Nikolaas gaf
+men de twee overige bezittingen: laatstgenoemden Nikolskoje, den
+eersten het landgoed Schtscherbatschefka, in Koersk gelegen en ons
+door Perowska vermaakt.
+
+"Ik bezit thans een memorandum van Dmitri, waaruit blijkt hoe
+hij over de lijfeigenschap dacht. Het begrip, dat zoo iets niet
+geoorloofd was en men hen moest vrijlaten, bestond, bij ons omstreeks
+'40 in het geheel niet. Het bezit van lijfeigenen door erfenis was
+eene onvermijdelijke conditie, en al wat men doen kon om de slechte
+gevolgen er van te voorkomen was, dat men niet alleen zorgde voor den
+stoffelijken, maar ook voor den zedelijken toestand der boeren. En
+in dien zin was ook het memorandum van Dmitri zeer ernstig, naïef en
+oprecht geschreven.
+
+"Nog geen twintig jaren oud (na afloop van zijn studie) nam hij,
+in de meening dat dit zoo behoorde, de verplichting op zich om het
+zedelijke leven van honderden boerengezinnen te leiden; en dit deed
+hij door bedreiging met en de werkelijke toepassing van straffen,
+omdat dit bij Gogol, in een brief aan een grondbezitter, geschreven
+stond. Naar ik mij herinner, had Dmitri deze brieven gelezen, doordien
+een gevangenis-priester hem er op gewezen had. Zoo begon mijn broeder
+dan zijne plichten als grondbezitter te vervullen; doch behalve die
+van den landeigenaar tegenover zijne lijfeigenen, bestond in die dagen
+nog een andere plicht, waarvan de niet-nakoming ondenkbaar scheen:
+dat was de krijgs- of civiele staatsdienst.
+
+"Toen Dmitri zijne studie geëindigd had, besloot hij in civielen dienst
+te gaan. Om nu te weten, welken dienst hij zou kiezen, kocht hij een
+adresboek, keek alle takken van den civielen dienst na, kwam tot de
+slotsom dat de rechtspleging van het meeste gewicht was--en koos de
+laatste. Hij vertrok naar Petersburg en ging bij den staats-secretaris
+der 2de Afdeeling op audiëntie.
+
+"Ik stel mij de verbazing van Tanjejeff voor, toen hij onder de
+sollicitanten verschijnen zag een langen, eenigszins gebochelden
+en slordig gekleeden man (Dmitri kleedde zich altijd zoo, om zijne
+figuur te verbergen), met rustige, heldere oogen, die, op zijne vraag
+wat hij wilde, ten antwoord gaf, dat hij een Russisch edelman was,
+die de studie achter den rug had, en, het vaderland nuttig willende
+zijn, de wetgeving tot zijn arbeidsveld gekozen had.
+
+"'Uw naam?'
+
+"'Graaf Tolstoi.'
+
+"'Heeft u nooit gediend?'
+
+"'Ik heb pas mijne studie achter den rug, en wensch alleen nuttig
+te zijn.'
+
+"'Welke betrekking wil u hebben?'
+
+"'Dat is mij onverschillig, mits het er eene is waar ik nuttig
+kan zijn.'
+
+"Zijn ernst en oprechtheid troffen Tanjejeff zoozeer, dat hij Dmitri
+naar de 2de Afdeeling bracht en ter beschikking van den ambtenaar
+stelde.
+
+"Mogelijk heeft de verhouding der ambtenaren tot hem, en vooral hunne
+wijze van werken Dmitri niet aangestaan; zooveel is zeker: hij is
+niet in de 2de Afdeeling gebleven. Te Petersburg had mijn broeder
+geen enkelen bekende, behalve den rechtsgeleerde D. A. Obolenski, die
+gedurende ons verblijf te Kazan daar advocaat was. Dezen Obolenski
+ging Dmitri op zijne buitenplaats bezoeken. De rechtsgeleerde heeft
+mij dat half lachend verhaald.
+
+"Obolenski was een man met aristocratische manieren, voorkomend doch
+eerzuchtig. Hij vertelde mij, dat op zekeren dag, toen hij gasten had
+(waarschijnlijk uit den hoogen kring waarin Obolenski zich steeds
+bewoog), Dmitri met eene muts op en een Nankin'schen paletot aan door
+den tuin naar hem toe kwam. 'Eerst kende ik hem niet; maar toen ik wist
+wie hij was, poogde ik hem op zijn gemak te zetten, stelde hem aan de
+gasten voor en verzocht hem zijn jas uit te trekken. Het bleek echter,
+dat hij geen andere jas daaronder droeg. Dat vond hij overbodig. Hij
+ging zitten en wendde zich, zonder zich aan de tegenwoordigheid der
+gasten te storen, tot Obolenski met dezelfde vraag, als tot Tanjejeff:
+"Waar kan ik het best dienen, om nuttig te zijn?"'
+
+"Obolenski, met zijne eigen inzichten van den dienst, die voor
+hem slechts het middel was om zijne eerzucht te bevredigen, had
+waarschijnlijk nooit zulk eene vraag te beantwoorden gehad. Doch met
+den hem eigen tact, gevoegd bij eene oprechte goedhartigheid, noemde
+hij verschillende postjes op en bood zijne diensten aan. Blijkbaar
+is Dmitri noch over Obolenski, noch over Tanjejeff voldaan geweest;
+althans hij verliet Petersburg, zonder hier gediend te hebben. Hij
+keerde naar zijn landgoed terug, schijnt in Soedzj een adellijk ambt
+aanvaard, en zich met oeconomische, vooral boeren-aangelegenheden te
+hebben beziggehouden.
+
+"Nadat mijn broeder en ik de universiteit verlaten hadden, heb ik hem
+uit 't oog verloren. Maar ik weet, dat hij hetzelfde strenge, ingetogen
+leven geleid heeft tot zijn 26ste jaar: niet hield van rooken, van
+wijn en vooral niet van vrouwen, hetgeen in die dagen eene groote
+zeldzaamheid was. Ook weet ik, dat hij samenkomsten had met monnikken
+en pelgrims, en veel omgang hield met een zeer origineelen man, die
+bij mijn' voogd Woijekoff woonde en wiens afkomst niemand kende. Men
+noemde hem 'Vader Lukas.' Hij liep in een korten priesterrok, was zeer
+mismaakt (klein van gestalte, scheef en monsterachtig leelijk), maar
+zeer zindelijk en buitengewoon sterk. Als hij iemand de hand drukte,
+was het of hij die met eene nijptang greep; en altijd sprak hij op
+een gewichtigen en raadselachtigen toon. Hij woonde bij de molen
+van Woijekoff, waar hij een huisje gebouwd en een bijzonder fraaien
+bloemtuin aangelegd had. Met dezen Vader Lukas ging mijn broeder
+om. Naar ik gehoord heb, had hij nog kennis aan een grijsaard van
+den zeer ouden stempel: een spaarzamen grondbezitter en een buurman
+van Samoiloff.
+
+"Ik geloof, dat ik reeds in den Kaukasus was, toen er in Dmitri een
+buitengewone omkeer plaats had. Plotseling begon hij te drinken,
+te rooken, geld te verspillen en de vrouwen na te loopen. Hoe
+dat zoo gebeurd is, weet ik niet, want destijds heb ik hem niet
+gezien. Alleen weet ik, dat zijn verleider was een naar het uiterlijk
+zeer aantrekkelijk, maar zedelijk diep gezonken man, de jongste zoon
+van Isljeneff. Over hem zal ik later schrijven, zoo ik gelegenheid
+heb. Ook onder deze omstandigheden was mijn broeder dezelfde
+ernstige, godsdienstige man, die hij in alles geweest is. Maria,
+de geprostitueerde vrouw, die hij het eerst leerde kennen, kocht
+hij vrij en nam haar bij zich in huis. Overigens heeft dit leven
+echter niet lang geduurd. Ik geloof, dat niet zoozeer het slechte,
+ongezonde bestaan, dat hij eenige maanden lang te Moskou gevoerd
+heeft, als wel de innerlijke strijd, de verwijten van zijn geweten
+dit krachtige organisme zoo spoedig hebben verwoest.
+
+"Hij kreeg de tering, ging naar buiten, liet zich in verschillende
+steden behandelen, en kwam ziek te liggen in Orel, waar ik hem
+het laatst gezien heb, na het beleg van Sewastopol. Zijn aanblik
+was vreeselijk: de reusachtige handen waren krampachtig om de
+beide ellebogen geslagen, het aangezicht was geheel verteerd;
+alleen de oogen waren nog even schoon en ernstig, maar blikten nu
+uitvorschend. Hij hoestte en spuwde zonder ophouden, en wilde niet
+sterven--wilde niet gelooven, dat hij zou sterven. De pokdalige,
+door hem losgekochte Maria stond met een doek om het hoofd bij hem en
+paste hem op. Op zijn verlangen werd er een wonderdoend heiligenbeeld
+bij hem gebracht. Ik herinner mij de uitdrukking van zijn gelaat,
+toen hij tot dit beeld bad.
+
+"In dien tijd was mijn gedrag afschuwelijk, monsterachtig. Uit
+Petersburg, waar ik een wereldsch leven leidde, ijdel en roemzuchtig,
+kwam ik bij mijn zieken broeder in Orel. Ik had medelijden met hem,
+maar niet diep. In Orel maakte ik rechtsomkeert, ging heen... en
+eenige dagen later stierf hij.
+
+"Inderdaad schandelijk! Wat ik bij zijn' dood het meest betreurd heb,
+was, dat deze mij verhinderde de tooneeluitvoeringen aan het Hof
+bij te wonen, die toen georganiseerd werden en waar ik bij genoodigd
+was...." [95]
+
+
+
+Den eersten Maart werd de vrede gesloten, en deze gebeurtenis maakte
+het voor Tolstoi gemakkelijker om verlof te krijgen.
+
+Van zijne letterkundige geschriften voltooide hij dien winter _De
+Sneeuwstorm_, _De twee Huzaren_, _Eene ontmoeting in het Detachement_
+en _Een morgen van een' landheer_. Tolstoi moest zijne werken over
+drie tijdschriften verdeelen; zoo zijn de eerste twee verhalen nog
+in den _Sawremjennik_ gedrukt, het derde in _De Leesbibliotheek_,
+en het vierde in de _Nationale Gedenkschriften_.
+
+In dien tijd schreef Tolstoi onder andere aan zijne tante Tatjana:
+
+"Ik heb mijn verhaal _De twee Huzaren_ voltooid, maar ben nog niet
+aan een nieuw begonnen. Nu Toerghenjeff vertrokken is, gevoel ik dat
+ik hem zeer mocht lijden, niettegenstaande dat wij altijd aan het
+twisten waren. Zoodoende verveel ik mij verschrikkelijk...."
+
+Uit dezen brief blijkt, dat Tolstoi's gezindheid jegens Toerghenjeff
+aan gestadige veranderingen onderhevig was.
+
+Het Petersburgsche leven schijnt Tolstoi niet voldaan te
+hebben. Spoedig na zijne aankomst begon hij stappen te doen voor zijn
+ontslag uit den dienst en aanstalten te maken tot eene buitenlandsche
+reis.
+
+In een' brief aan zijn' broeder Sergius van 25 Maart 1856 schrijft hij,
+onder andere:
+
+"Ik ga voor 8 maanden het land uit; als men mij ontslag geeft,
+ga ik heen. Ik heb er Nikolaas over geschreven en hem verzocht
+om mee te gaan. Indien wij met ons drieën konden gaan, zou dat
+uitstekend wezen. Als elk 1000 roeb. meeneemt, zouden wij een mooi
+reisje kunnen doen.--Schrijf mij eens, hoe is je mijn _Sneeuwstorm_
+bevallen? In allen ernst, ik ben er niet over tevreden. Nu zou
+ik nog wel meer willen schrijven, maar stellig nooit meer in dit
+verwenschte Petersburg. Hetzij men mij al dan niet verlof geeft om
+naar het buitenland te gaan, heb ik toch plan om in April ontslag te
+vragen en buiten te gaan wonen."
+
+Den 12den Mei, toen hij zich nog te Petersburg bevond, schreef hij
+in zijn dagboek:
+
+"Een krachtig middel om tot het ware geluk te geraken in 't leven,
+bestaat hierin, dat men, gelijk eene spin, naar alle kanten een net
+om zich heen spant,--doch een net van liefde, waarin men vasthoudt
+allen, die er in geraken: èn ouderen van dagen èn jongeren, èn vriend
+èn vijand."
+
+Wij hebben reden te gelooven, dat de omstandigheden bij den
+_Sawremjennik_, zoo op stoffelijk als letterkundig gebied, de
+hoofdmedewerkers van het tijdschrift weinig hebben bevredigd. De
+oorzaak daarvan moet voornamelijk worden gezocht in het individueele
+verschil van overtuiging, inzichten, gewoonten en opvoeding, die
+steeds belemmerend zijn voor eene algemeene zaak, door intelligente
+personen op touw gezet. In elken intellectueelen kring ontstaat zeer
+spoedig eene verdeeling in groepen; die verhouding, eerst geduld,
+verandert weldra in onverschilligheid; daarna ontstaat mededinging,
+die ten slotte overslaat tot openbare vijandschap. Zoo ging het ook
+met den _Sawremjennik_.
+
+Reeds in het jaar 1856 rees bij enkele medewerkers het denkbeeld
+van eene scheiding en het oprichten van een nieuw tijdschrift. Dit
+blijkt uit een brief van Droezjinin aan Tolstoi, waarin hij onder
+andere schrijft:
+
+"Gretig maak ik van deze toenemende energie gebruik en haast mij
+u over eene zaak te spreken, waarover wij het bij onze laatste
+samenkomst gehad hebben en die op het oogenblik vele onzer collega's
+te Petersburg bezighoudt. De behoefte aan een zuiver letterkundig
+tijdschrift met kritiek, dat aan alle polemiek en schandalen van
+den tegenwoordigen tijd krachtig het hoofd biedt, wordt in sterke
+mate gevoeld. Reeds hebben Gontscharoff, Jermin, Annenkoff, Maikoff,
+Michailoff, Awdjejeff en vele anderen dit denkbeeld met grooten bijval
+begroet. Indien gij, Ostrowski, Toerghenjeff en mogelijk ook onze
+beschroomde Grigorowitsch (ofschoon deze ook wel gemist kan worden)
+zich bij deze club aansluiten, kan met zekerheid gezegd worden, dat het
+heele gebied der fraaie letteren eindelijk in één tijdschrift vereenigd
+is. Van welken aard dit orgaan zal zijn: een nieuw tijdschrift of eene
+leesbibliotheek, die door het genootschap in pacht zal worden genomen,
+verzoek ik u eens te overwegen en dan uw voorstel mee te deelen. Hier
+is de meerderheid geneigd tot eene pacht, en de uitgever bereid tot
+een matigen prijs. Van mijn' kant spreek ik vóór noch tegen deze zaak,
+maar stel mij geheel ten dienste van een zuiver letterkundig blad,
+op welke grondslagen het ook mocht worden opgericht.
+
+"Voor het geleerde of wetenschappelijke gedeelte kunnen als ijverige
+medewerkers of eenvoudig als leden genoemd worden de professoren:
+Gorloff, Oestrjaloff, Blagoweschtschenski, Berezin, Zernin en
+de tegenwoordige medewerkers (ik noem slechts de begaafdsten):
+Lawroff, Lchowski, Kenjewitsch, Wodowozoff en Doemnin. Toerghenjeff
+zal, ofschoon men als medewerker niet vast op hem rekenen kan, een
+voortreffelijk man zijn om zijn' ijver, zijne veelzijdige kennis en in
+'t algemeen om zijne plaats in de letterkunde. Doch voor 't oogenblik
+geen bijzonderheden; de hoofdzaak is, dat er algemeene instemming
+zij en de fundamenteele punten worden vastgesteld.
+
+"Naar de belangstelling te oordeelen, die gij voor elke zaak aan den
+dag legt, reken ik er op van u te vernemen, hoe gij over dit plan
+denkt. Onder andere, doe ik u het volgende verzoek: daar ik toch
+bij mijne tegenwoordige bezigheden blijf, en de oprichting van een
+nieuw tijdschrift nog lang kan duren, vraag ik u inmiddels verlof
+om u onder het getal medewerkers van _De Leesbibliotheek_ te mogen
+opnemen. Beschik niet over uwe bijdragen, zonder dat gij tegen den
+herfst er ook eene voor mij hebt overgelaten--naar uwe eigen keuze
+en op de voorwaarden die gij goedvindt. Ik zal er u echter niet om
+lastig vallen, daar ik weet dat gij, ook zonder mijn verzoek, alles
+voor mij doen zult wat van uw' wil afhankelijk is.
+
+"Schrijf mij eenige woorden over al deze dingen en in 't algemeen over
+uw tegenwoordig leven, uwe plannen en over de gezondheid van Maria
+Nikolajewna, aan wie gij mijne beleefde en hartelijke groete moet
+overbrengen. Meld mij ook uw adres. Over het nieuwe tijdschrift moeten
+wij noodzakelijk correspondeeren; anders vrees ik dat de krachten,
+waarvan wij nu juist voor een nieuwe uitgaaf genoeg hebben, opnieuw
+versnipperd zullen worden. Het is onverschillig op welken grondslag
+de onderneming wordt ontworpen, zoo wij er maar allen in betrokken
+zijn. Tracht dus, nu gij Toerghenjeff dezen zomer dikwijls zien zult,
+invloed op hem te krijgen en dezen vriendelijken, maar wankelmoedigen
+man voor dit algemeene doel te winnen. Te oordeelen naar al wat hij
+mij honderdmaal gezegd heeft, moet de gedachte aan zulk een blad
+hem wel eens bezighouden; maar op zijne woorden valt zoo weinig
+staat te maken! Laat hij eens bedenken, tot welk ellendig peil onze
+tijdschriften door versnippering van krachten gedaald zijn; alleen
+de _Russische Bode_ heeft zich goed gehouden, maar hij viel bij de
+afscheiding van het _Athenaeum_, dat op zijne beurt verflauwd is.
+
+"Over Petersburg valt niets te zeggen."
+
+
+
+Den 17den Mei vertrok Tolstoi naar Moskou.
+
+Op 26 Mei bracht hij een dag door in het gezin van Dr. Behrs,
+die gehuwd was met mej. Isljenewa, eene vriendin uit Tolstoi's
+kinderjaren, en toen een landgoed te Pokrowski niet ver van Moskou
+bewoonde. In Tolstoi's dagboek staat deze korte frase over dit bezoek:
+"De kinderen wachtten ons op; welke lieve, vroolijke meisjes!"--Een
+van deze meisjes werd zes jaren later zijne vrouw.
+
+Daarna vervolgde hij zijne reis en kwam den 28sten Mei in Jasnaja
+Paljana.
+
+Den volgenden dag schreef hij zijn' broeder Sergius een' brief,
+waarin hij, onder andere, het volgende zegt:
+
+"In Moskou heb ik 10 dagen bijzonder aangenaam doorgebracht zonder
+champagne of zigeuners, maar eenigszins verliefd--waarover ik je
+later zal schrijven."
+
+Na zijne aankomst in Jasnaja bracht hij bezoeken bij zijne zuster
+Maria Nikolajewna, Toerghenjeff en anderen.
+
+In de twee volgende brieven aan zijn' broeder bespeuren wij, dat
+Tolstoi op het einde van den zomer door een ernstige ziekte werd
+aangetast. In het begin van September 1856 schrijft hij:
+
+"Eerst heden, Maandagavond te 9 uren, kan ik je een goed antwoord
+geven. Mijn toestand was gaandeweg verergerd; twee doctoren zijn er
+bij geweest, men heeft nog veertig bloedzuigers gezet; daarop ben
+ik dadelijk in slaap gevallen, en toen ik ontwaakte gevoelde ik mij
+veel beter. Eerder dan over een dag of vijf, zes, zal ik echter niet
+kunnen reizen. Tot weerziens dus. Meld mij s.v.p. wanneer je gaat,
+en of er groote verzuimen in je huishoudelijk bestuur aanwezig
+zijn. Verlaat de plaats niet voordat ik er ben. Morgen zal ik je
+misschien de honden sturen."
+
+
+
+In een' brief van 15 September meldt hij:
+
+
+
+"Beste broeder Sergius!
+
+
+"Mijne gezondheid is nog niet verbeterd. Ziek ben ik niet, er is
+ook geen ontsteking, maar ik heb een drukkend gevoel op de borst,
+steken in de zijde, en tegen den avond heb ik pijn. Misschien zal
+het langzamerhand van zelf verdwijnen: toch zal ik niet spoedig naar
+Koersk gaan. Zoo het over een week of twee niet beter is, zal ik er in
+'t geheel niet heen gaan, maar in Moskou komen."
+
+Spoedig keerde hij weer naar Petersburg terug, en schreef vandaar op
+10 November 1856:
+
+"Neem mij niet kwalijk, beste broeder Sergius, dat ik zoo weinig
+schrijf Ik heb geen tijd gehad. Sedert mijn vertrek heb ik niets dan
+tegenspoed ondervonden, en hier heb ik niemand dien ik mag lijden. Men
+zegt, dat ik in de _Nationale Gedenkschriften_ om mijne verhalen over
+den oorlog ben doorgehaald. Ik heb dat nog niet gelezen, maar--en
+dit is hoofdzaak--Konstantinoff heeft mij dadelijk na mijne aankomst
+verteld, dat grootvorst Michaël, toen hij vernam dat ik een gedicht zou
+maken, er zeer over ontstemd was dat ik pogingen deed om de soldaten te
+onderrichten. Dat is afschuwelijk! Ik heb den commandant van den staf
+de zaak uitgelegd. Het is nog maar een geluk, dat mijne gezondheid goed
+is, en dat Schipoelinski gezegd heeft, dat mijne borst beterende is."
+
+Op 26 November 1856 verliet Tolstoi den krijgsdienst. Het is hier de
+plaats om eene goede daad te vermelden, die hij op het einde van zijn'
+diensttijd verricht heeft.
+
+De staf-commandant Korenitzki, onder wien Tolstoi gediend had, had na
+afloop van den oorlog voor een krijgsraad behooren terecht te staan,
+maar dank zij den invloed en de bemoeiingen van graaf Tolstoi bleef
+hij daarvan verschoond.
+
+Van het oogenblik dat Tolstoi den dienst vaarwel zegt, breekt een
+nieuw levenstijdperk voor hem aan: het letterkundig-maatschappelijke,
+waarbij het streven naar persoonlijk geluk zich baan breekt.
+
+Ondanks de scherpe beoordeelingen en de miskenning van den kant
+der autoriteiten, was Tolstoi toch een gewenschte gast en een
+voortreffelijk lid van het letterkundig gezelschap, den _Sawremjennik_.
+
+Deze omgeving was echter op verre na niet geschikt om Tolstoi te
+bevredigen. En dat kon ook niet anders. Men moet de herinneringen
+der letterkundigen van dien tijd lezen, bijv. Herzen, Panajeff,
+Fet en anderen van de meest verschillende richtingen, om tot zeer
+treurige gevolgtrekkingen te komen wat de zedelijke zwakheid dezer
+lieden betreft, die zich inbeeldden leiders van het menschdom
+te zijn. Denk aan de maaltijden van Njekrassoff, de drinkgelagen
+van Herzen, Ketscher en Ogarjeff, den verfijnden smaak van een'
+Toerghenjeff! Al die vriendschappelijke samenkomsten waren toen
+ondenkbaar zonder champagne, hartstocht, kaartspel en dergelijke. En
+ergerlijk waren de luiheid en de nietswaardige belangen dezer lieden,
+die al het kwade dier slemppartijen niet zagen, vermengd als zij
+waren met het prediken over volksliefde en allerlei denkbeelden van
+vooruitgang. Te midden van deze onbeschaamdheid, die mogelijk in een
+anderen vorm nog tot heden voortbestaat, heeft nog slechts één enkele
+overtuigende en geeselende stem geklonken van een' man, wiens ziel
+dit zelfbedrog niet dulden kon. Dat was de stem van Leo Tolstoi!
+
+In zijn werk _Biecht_ hangt hij een levendig tafereel op van de zeden
+der letterkundige wereld in dien tijd, dat is omstreeks het jaar
+'60. Ziehier zijne woorden:
+
+"Ik heb nog geen overzicht gegeven van de wijze, waarop ik de
+levensbeschouwingen der personen met wie ik tezamen kwam tot de mijne
+maakte, en hoe zij al mijne vroegere pogingen om beter te worden geheel
+deden mislukken. Deze beschouwingen vormden den theoretischen grondslag
+voor het zedenbederf van mijn leven, waardoor dit verontschuldigd werd.
+
+"De levensbeschouwingen van die personen--mijne collega's
+letterkundigen--bestonden hierin, dat het leven zich in 't algemeen
+ontwikkelt, dat wij, de mannen der gedachte, het hoofdaandeel in
+die ontwikkeling hebben, en dat onder die mannen der gedachte wij,
+bellettristen en dichters, den meesten invloed hebben. Onze roeping is:
+de menschen te onderrichten. Maar om de vraag te vermijden: 'wat weet
+men en wie moet men onderrichten?', werd in die theorie verklaard,
+dat zulke kennis ook niet noodzakelijk is, en dat bellettristen en
+dichters _onbewust_ onderrichten. Ik ging door voor een uitstekend
+bellettrist en dichter, en daarom was het zeer natuurlijk, dat ik
+die theorie tot de mijne maakte. Ik, een bellettrist en dichter,
+schreef en onderrichtte--ik wist zelf niet wat. Men gaf er mij geld
+voor, ik had uitstekende spijzen, eene positie, vrouwen, gezelschap;
+ik had naam. Bijgevolg moest hetgeen ik onderwees wel zeer goed zijn.
+
+"Dat geloof in de beteekenis der poëzie en in de ontwikkeling van het
+leven was een werkelijk geloof; en ik was een der priesters er van. Het
+bewustzijn priester te zijn was zeer aangenaam en voordeelig. En vrij
+lang heb ik in dat geloof geleefd, zonder aan de waarheid er van te
+twijfelen. Maar in het tweede, en vooral in het derde jaar van dit
+leven begon ik aan de onfeilbaarheid van dat geloof te twijfelen,
+en ging ik het onderzoeken. De eerste aanleiding tot twijfel was,
+dat ik begon op te merken, dat de priesters het niet allen samen eens
+waren. Enkelen zeiden: '_wij_ zijn de beste en nuttigste leermeesters;
+_wij_ leeren wat noodig is, en wat anderen leeren is onjuist.'--Anderen
+zeiden: 'neen, _wij_ zijn de ware, en gij onderwijst niet juist.'--En
+zij disputeerden, twistten, scholden, bedrogen elkander, en misdroegen
+zich.
+
+"Daarenboven waren er velen onder ons, die er zich niet om bekommerden
+wie gelijk of wie ongelijk had, en eenvoudig door middel van onzen
+arbeid hun baatzuchtig doel bereikten. Dat alles bewoog mij aan de
+waarheid van ons geloof te gaan twijfelen.
+
+"Meer nog: toen ik eenmaal aan de waarheid van het geloof eens
+schrijvers twijfelde, begon ik eens de priesters van dat geloof
+met meer aandacht gade te slaan, en overtuigde mij toen, dat bijna
+allen--de schrijvers--onzedelijke lieden waren, voor het meerendeel
+slecht en met een nietswaardig karakter. Dat zij veel lager stonden
+dan de personen, die ik in mijn vroeger ongeregeld krijgsmansleven
+had ontmoet, maar dat zij zelfvertrouwen hadden en evenzoo over
+zich zelven tevreden waren, als volslagen heilige personen of als
+zoodanigen, die niet weten wat heiligheid is. Die lieden walgden mij,
+en ik begreep dat dit geloof bedrog was.
+
+"Maar zonderling is het dat, ofschoon ik dit leugenachtige geloof
+spoedig begreep en er mij aan onttrok, ik mij niet onttrok aan
+de positie, die mij door deze lieden gegeven was: de positie van
+bellettrist, van dichter en leeraar. Op naïeve wijze verbeeldde
+ik mij, als dichter en bellettrist iedereen te kunnen onderwijzen,
+ofschoon ik zelf niet wist wie ik onderwees. En zoo heb ik gehandeld.
+
+"Uit den omgang met die personen ontwikkelde zich bij mij eene nieuwe
+ondeugd,--een trots, die overging in de ziekelijke, krankzinnige
+overtuiging dat ik geroepen was te onderwijzen, zonder te weten
+wat." [96]
+
+
+
+Niettemin werd Tolstoi, door zijn verkeer in den kring dier personen,
+van hunne belangen doordrongen en is hij een der werkzaamste deelnemers
+geweest aan hunne kameraadschappelijke ondernemingen. Zoo is een
+der belangrijkste letterkundige instellingen: _Het Genootschap tot
+ondersteuning van Letterkundigen en Geleerden_, het zoogenaamde _Fonds
+voor Letterkundigen_, veel aan hem verplicht geweest. Gewoonlijk
+wordt Droezjinin als de stichter van dit fonds beschouwd, maar in
+het dagboek van Tolstoi vinden wij de volgende aanteekening:
+
+
+"3 Januari 1857.
+
+"Ik heb bij Droezjinin het ontwerp van het fonds opgesteld."
+
+
+Tolstoi kan dus met het volste recht tot de stichters van dit fonds
+gerekend worden.
+
+Ongeveer in dezen tijd moet Tolstoi op meer grondige wijze hebben
+kennis gemaakt met de geschriften van Poeschkin, die hem zeer
+aantrokken.
+
+Uit zijne verhalen blijkt, dat hij Poeschkin, na diens gedicht _De
+Zigeuners_ in de Fransche vertaling van Mérimée gelezen te hebben,
+hoog waardeerde. Het lezen van dit gedicht, door den vertaler in
+proza weergegeven, openbaarde Tolstoi al de kracht van Poeschkin's
+dichterlijk talent.
+
+In zijn dagboek van 4 Januari 1857 vinden wij de volgende aanteekening:
+
+"Ik heb bij Botkin gedineerd, in gezelschap van Panajeff, die mij
+Poeschkin heeft voorgelezen. Daarop begaf ik mij naar Botkin's kamer,
+schreef een brief aan Toerghenjeff, ging op de sofa zitten en begon
+luid te weenen; het waren tranen zonder reden ... dichtertranen,
+die mij zalig stemden. Al dien tijd voelde ik mij bepaald gelukkig,
+en was ik in een' roes van 'snellen zedelijken vooruitgang'."
+
+Die "snelle zedelijke vooruitgang" was oorzaak, dat Tolstoi zich niet
+lang met dit gezelschap en dezen werkkring kon tevreden stellen;
+en gretig zocht hij naar een middel om er uit te geraken. En
+daar een bewegelijke geest ook in zijne uiterlijke handelingen
+steeds onrust laat blijken, zoo legde ook Tolstoi eene rustelooze
+werkzaamheid aan den dag, eene energie, waarvan een der uitingen
+was zijne buitenlandsche reis, die blijkbaar zonder bepaald doel is
+ondernomen. Ziehier wat hij daarvan in zijne _Biecht_ zegt, met de
+hem eigen oprechtheid zichzelf en zijne omgeving beoordeelende:
+
+"Zoo heb ik nog zes jaren, tot aan mijn huwelijk, aan dit onverstandige
+leven besteed. In dien tijd ging ik buitenslands. Het leven in Europa
+en mijne nadere kennismaking met vermaarde en geleerde Europeesche
+personen versterkten mij meer en meer in het geloof van volmaking in
+'t algemeen, waarin ik leefde, omdat ik ook bij hen datzelfde geloof
+vond. Dit geloof nam bij mij den gewonen vorm aan, dien het bij de
+meeste beschaafde lieden van mijn' tijd bezit, en werd door het woord
+_vooruitgang_ uitgedrukt. Het kwam mij toen voor, dat er in dat woord
+eene zekere beteekenis lag. Ik begreep toen nog niet dat ik, gekweld,
+als ieder levend wezen, door de vraag: 'hoe leef ik het best?',
+en daarop antwoordende: 'leef overeenkomstig den vooruitgang',
+een antwoord gaf volkomen gelijk aan dat van iemand, die in eene
+boot gezeten, ten spel aan wind en golven, op de eenige vraag die
+hij zich stellen kan: 'waar moet ik heenvaren?', eenvoudig zegt:
+'ik zal wel ergens belanden.'"
+
+
+
+Niet voordat deze buitenlandsche reis achter den rug was, zou Tolstoi
+de schatting betalen voor zijn zoeken naar persoonlijk huiselijk geluk.
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+ROMAN.
+
+
+In dit hoofdstuk zullen wij een van de gewichtigste perioden uit
+Tolstoi's leven behandelen, n.l. de geschiedenis van zijne eerste
+ernstige trouwplannen, die, hoewel zij niet tot een huwelijk leidden,
+toch een' grooten invloed hebben uitgeoefend op zijn volgend leven.
+
+In den loop van deze gebeurtenissen traden eenige van Tolstoi's
+karaktertrekken sterk op den voorgrond: zijne hartstochtelijke,
+gevoelige natuur, de groote kracht van zijn verstand, die zijne
+hartstochten weet te beteugelen, en dan zijne oprechte, hoogstaande
+geest, die zich uit, zoowel in het najagen zijner hooge idealen als
+in het gewone dagelijksche leven.
+
+Reeds eenige malen had Tolstoi gemeend eene vrouw lief te hebben, maar
+na korten tijd bleek het steeds de ware liefde niet te zijn; zelfs de
+oprechte genegenheid, die hij in zijne jeugd Sonitschka Kaloschinaja
+had toegedragen, kon op dien naam geen aanspraak maken. De tweede was
+eene studentenliefde, die echter hoofdzakelijk in zijne verbeelding
+bestond. De Kozatschka in de stanitza was daarop, zooals wij weten,
+het voorwerp zijner vereering. Toen weer maakte eene dame uit de
+groote wereld zijne bewondering gaande, hoewel het voor haar zelf
+waarschijnlijk een geheim is gebleven; Tolstoi toch was in zulke
+aangelegenheden altijd zeer schuchter.
+
+Wij herinneren ons, dat Tolstoi zich in een' brief aan zijn' broer,
+geschreven in Sewastopol, beklaagde zoo weinig met dames in aanraking
+te komen, waardoor hij vreesde zijn' zin voor het familieleven voorgoed
+te verliezen.
+
+Nadat hij uit den oorlog was terug gekeerd, begon hij ernstig aan
+trouwen te denken. Tijdens zijn oponthoud in Moskou werd zijne aandacht
+getrokken door mejuffrouw Valérie, de dochter van een' naburigen
+landeigenaar, een lief meisje, en--het begin van den roman liet niet
+lang op zich wachten. Zooals reeds boven is gezegd, is het niet tot
+een huwelijk gekomen, maar toch is de verhouding van dien aard geweest,
+dat familie en kennissen hen reeds als een verloofd paar beschouwden.
+
+De correspondentie, die tusschen de beide jonge menschen gevoerd is,
+kan niet openbaar worden gemaakt en hier wordt dus slechts een kort
+overzicht van den inhoud hunner brieven gegeven.
+
+Den eersten brief schreef Tolstoi naar Moskou, waar de heldin zijner
+droomen logeerde bij hare tante, die een zeer mondain leven leidde. De
+familie bestond verder nog uit hare drie nichtjes en eene Fransche
+gezelschapsdame, Mlle Vorgani. Gewoonlijk woonden zij 's zomers op
+haar landgoed Soedakoff in de nabijheid van Jasnaja Paljana, maar
+dit jaar waren zij reeds in Augustus naar Moskou vertrokken om de
+kroning van Alexander II bij te wonen, die 26 Augustus 1856 plaats had.
+
+De jonge dame amuseerde zich uitstekend bij de kroningsfeesten
+en uitte haar verrukking in een' opgewonden brief, dien zij aan
+Tolstoi's tante schreef. De inhoud van dezen brief deed bij Tolstoi
+den eersten twijfel ontwaken aan de bestendigheid van hun toekomstig
+geluk. Daar hij werkelijk eene ernstige genegenheid voor het meisje
+had opgevat en haar reeds als zijne aanstaande vrouw beschouwde,
+was het hem een behoefte haar in te wijden in de hooge idealen,
+waarvan hij steeds droomde.
+
+Hierop volgde de voor hem grievende teleurstelling dat hij op dit
+punt niet door haar begrepen werd en zelfs stootte op een groote
+lichtzinnigheid tegenover de meest ernstige levensvragen. Tolstoi
+gaf echter den moed niet op, en, rekenende op haar jeugd en hare
+voor indrukken vatbare natuur, deed hij zijn uiterste best om haar
+een anderen blik zoowel op het tegenwoordige als op het toekomstige
+leven te geven. Al zijne brieven ademden dan ook eene groote zorg
+voor haar zieleleven en waren gevuld met raadgevingen op allerlei
+gebied. Soms sloeg hij, teleurgesteld door haar niet begrijpen,
+een bitteren, sarcastischen toon aan, dan weer sprak hij zorgzaam,
+zooals een vader spreekt tot zijn kind. Als antwoord op het opgewonden
+schrijven over de kroningsfeesten schreef hij haar een brief, waarin
+hij al zijne verachting neerlegde voor hare, volgens zijne begrippen,
+laag staande amusementen. Hij lachte schamper om haar genoegens,
+haar bals, haar cavaliers, en eindigde met een opgeschroefden zin,
+alsof hij haar vrienden wilde nadoen. Het antwoord op dezen brief liet
+lang op zich wachten. Tolstoi werd onrustig, hij schreef weer, maar
+nu op een anderen toon, vroeg om vergiffenis en werd weer in genade
+aangenomen. Na de feesten keerde de familie naar Soedakoff terug en
+de verhouding tusschen de jongelui werd hoe langer hoe inniger.
+
+Al heel spoedig echter kwam er weer verandering in den toestand. Of
+hij reeds voelde dat zijne liefde voor haar niet groot genoeg was of
+dat het zijne sceptische neigingen waren die weer den twijfel bij hem
+wakker riepen, zeker is het dat hij, zich en haar voor de gevolgen
+eener ondoordachte handeling willende behoeden, het besluit nam hunne
+liefde op de proef te stellen. Hij vertrok daarom voor onbepaalden
+tijd naar St.-Petersburg en schreef zijne aanstaande bruid een' brief,
+waaruit bleek, dat bij hem van hartstochtelijk verliefd zijn geen
+sprake was. De brief was vol diepgaande gedachten over de beteekenis
+van de genegenheid tusschen man en vrouw, den ernst van hun voornemen
+en de noodzakelijkheid van deze proefneming.
+
+Natuurlijk viel dit in 't geheel niet in den smaak van het jonge
+meisje, maar zij onderwierp zich aan het besluit en de briefwisseling
+werd voortgezet.
+
+Toen Tolstoi een korten tijd in St.-Petersburg was, vertelde iemand,
+wiens waarheidsliefde hij niet in twijfel kon trekken, hem, dat zijne
+uitverkorene zich niet alleen door een' muziekonderwijzer het hof had
+laten maken, maar dat zij diens liefde zelfs had beantwoord. Dat was
+gebeurd tijdens die ongelukkige feesten. Blijkbaar had zij nu een eind
+gemaakt aan de verhouding, maar het feit alleen dat zij zoo lichtzinnig
+kon handelen, was een zware slag voor Tolstoi. Onder den indruk
+hiervan schreef hij haar een brief vol bittere verwijten, dien hij
+echter niet wegstuurde, maar haar wilde laten lezen, zoodra zij weer
+bij elkaar zouden zijn. Het blijkt echter dat Tolstoi nog meer feiten
+gewaar werd betreffende hare verhouding tot den muziekonderwijzer,
+die hem dwongen haar daarover te schrijven. Het stond nu reeds bij
+hem vast, dat hij alle banden met haar wilde verbreken, maar om dit
+minder smartelijk te doen zijn wilde hij het aan den tijd overlaten.
+
+Een dag echter nadat hij den brief verzonden had, berouwde het hem
+reeds weer, en dadelijk daarop schreef hij een anderen, op een meer
+verzoenenden toon. Hierop kwam geen antwoord, en waarschijnlijk
+denkende: "geen tijding, goede tijding" ging hij maar met schrijven
+voort. Evenals vroeger behelsden deze brieven weer meer goede
+raadgevingen aan eene leerlinge dan woorden van liefde voor eene
+aanstaande bruid. Hij schreef over hunne mogelijke toekomstige
+verbintenis, over hun leven, hunne bezigheden, hunne omgeving, hun
+kennissenkring en dagverdeeling en met ieder woord trachtte hij hare
+belangstelling op te wekken voor de ernstige zijde van het leven.
+
+Er kwam geen antwoord op dezen brief, en langen tijd liet zij niet van
+zich hooren. Plotseling echter kwamen er eenige brieven na elkaar en
+werd de band tusschen hen beiden weer nauwer aangehaald. Hij bracht
+haar op de hoogte van zijne litteraire plannen, beschreef haar zijn
+leven te St.-Petersburg en ontvouwde haar wederom zijne hooge idealen
+ten opzichte van het familieleven.
+
+Doch ook deze opflikkering van hunne liefde doofde weer spoedig uit. In
+de volgende brieven begon reeds weer de twijfel te spreken en zij
+kregen, ondanks de vriendelijke woorden, iets zeer gedwongens. Het
+spreekt van zelf dat het meisje dit al spoedig moest voelen, en
+onwillekeurig begon hare genegenheid voor hem ook te verminderen,
+zoodat een gevoel van vriendschap de liefde begon te vervangen.
+
+In December reisde Tolstoi naar Moskou en van daar schreef hij zijn
+tante een' brief, waarin hij haar om raad vroeg in deze moeilijke
+kwestie.
+
+"Gij hebt mij over V. geschreven op den toon waarop gij altijd
+over haar spreekt en ik zal u antwoorden zooals ik het ook altijd
+doe. Nauwelijks eene week, nadat ik haar voor 't eerst gezien had,
+meende ik verliefd op haar te zijn, iets dat heel gemakkelijk gaat
+bij mijne groote verbeeldingskracht. Ik zou het heel aangenaam vinden
+nu ook nog te kunnen zeggen dat ik haar liefheb, maar sedert ik weer
+aan 't werk ben gegaan, weet ik heel zeker, dat het niet zoo is. Het
+eenige wat ik voor haar voel is dankbaarheid voor de liefde die zij
+mij toedraagt, en van alle meisjes, die ik ooit gekend heb, zou zij,
+geloof ik, nog de beste vrouw voor mij zijn. Nu zou ik graag van u
+willen hooren of ik mij daarin vergis of niet. Ik wend mij met die
+vraag tot u, omdat gij ons beiden kent en omdat gij veel van mij houdt,
+en menschen die veel van ons houden vergissen zich niet. 't Is waar,
+ik heb mij tijdens onze scheiding niet goed op de proef gesteld. Sedert
+ik ben weggegaan ben ik bijna niet met dames in aanraking geweest,
+heb ik meer een eenzaam dan een gezellig leven geleid, en desondanks
+kwamen er toch oogenblikken, dat ik berouw had, mij ook maar eenigszins
+met haar te hebben verbonden. Toch, wanneer ik er vast van overtuigd
+was, dat zij een standvastig karakter had en mij altijd zou blijven
+liefhebben, niet zooals nu, maar meer dan iemand anders, dan zou ik
+er geen oogenblik aan denken niet met haar te trouwen. Ik ben er van
+overtuigd dat mijne liefde dan ook grooter zou worden en ik haar tot
+eene goede vrouw zou kunnen vormen."
+
+In dezen tijd ging de bewuste jonge dame naar Petersburg om er het
+winterseizoen mee te maken, hetgeen reeds lang een hartewensch van
+haar was geweest. Tolstoi schreef haar geregeld, maar de toon der
+brieven werd reeds weer koeler en koeler.
+
+Die afgemeten toon in de brieven ontging haar natuurlijk niet. Zij
+antwoordde hem met zachte verwijten en lieve woordjes, die een tijdlang
+hunne uitwerking op hem niet misten. Maar over het begrip van liefde,
+dat hij wederzijdsche opvoeding noemde, konden zij het toch niet eens
+worden. De briefwisseling verflauwde. Hunne verhouding veranderde
+langzamerhand, zij wisselden nog een enkelen brief, maar het eind van
+alles was, dat zij hem verbood haar langer te schrijven. Hij echter
+stoorde zich niet aan dit verbod en schreef haar een roerenden brief,
+waarin hij haar, zonder zich zelf te vernederen, om vergeving vroeg
+voor het verdriet dat hij haar had aangedaan. Tevens deelde hij haar
+mee dat hij naar 't buitenland ging en gaf haar zijn adres in Parijs,
+met het verzoek om de correspondentie niet geheel af te breken.
+
+Een paar dagen vóór zijn vertrek schreef Tolstoi uit Moskou aan zijne
+tante Tatjana:
+
+
+
+"Lieve Tante!
+
+"Ik heb mijn' pas ontvangen en blijf nu in Moskou om eenige dagen
+bij Maria door te brengen. Daarna wilde ik naar Jasnaja Paljana gaan
+om mijne zaken te regelen en afscheid van u te nemen, maar ik ben,
+vooral op aanraden van Maria, van plan veranderd. Ik denk hier nu
+eenige weken te blijven om dan over Warschau regelrecht naar Parijs
+te gaan. Gij begrijpt wel, lieve tante, waarom ik nu liever niet naar
+Jasnaja, of beter gezegd, niet naar Soedakoff wil gaan. Ik heb mij
+tegenover V. niet goed gedragen, maar zoo ik haar nu weer trachtte
+te ontmoeten zou ik nog slechter doen. Zij is mij, zooals ik u reeds
+eens heb geschreven, vrijwel onverschillig en ik wil ons beiden niet
+bedriegen, hetgeen misschien zou gebeuren indien ik haar weer zou zien.
+
+"Gij zult u nog wel herinneren, lieve tante, hoe gij mij hebt
+uitgelachen toen ik u vertelde, dat ik naar St.-Petersburg ging om
+mij zelf op de proef te stellen; toch dank ik het daaraan alleen dat
+ik ons beiden niet ongelukkig heb gemaakt. Geloof toch niet, dat ik
+uit onstandvastigheid of uit ontrouw heb gehandeld; er was in die
+twee maanden niemand die ik liever had dan haar. Het is mij eenvoudig
+duidelijk geworden, dat ik mij vergist heb, dat ik nooit ware liefde
+voor haar gevoeld heb en ook nooit voor haar zal voelen. Het eenige
+wat mij spijt is, dat ik haar niet goed behandeld heb en dat ik
+geen afscheid van u kan nemen. In Juli denk ik in Rusland terug te
+komen. Wanneer gij er op gesteld zijt, kom ik toch nog naar Jasnaja
+Paljana om u vaarwel te zeggen. In Moskou verwacht ik hierop uw
+antwoord." [97]
+
+Tolstoi ging werkelijk op reis en ontving in Parijs een schrijven
+van zijn vroegere verloofde. Hij schreef haar ook nog een laatsten
+vriendschappelijken brief, waarin hij van hunne liefde sprak als eene
+vergissing, die nu achter hen lag. Hij dankte haar nogmaals voor hare
+vriendschap en wenschte haar verder alle mogelijke geluk.
+
+Tante Tatjana was niet tevreden met den afloop van dezen roman. Zij
+wenschte reeds lang haar' neef getrouwd te zien en hoopte voor hem
+op een gelukkig huiselijk leven onder hare beschermende vleugels. Zij
+verweet hem zijne onstandvastigheid en zeide zelfs dat hij zich niet
+fair tegenover het jonge meisje gedragen had, met haar zoo lang iets
+voor te spiegelen, dat nooit verwezenlijkt zou worden.
+
+Daarop antwoordde Tolstoi:
+
+
+
+"Lieve Tante!
+
+"Ik zie uit uwen brief, dat wij elkaar niet goed begrijpen. Hoewel
+ik toegeef, dat mijne inconsequentie niet goed was en dat de zaak een
+anderen loop had kunnen nemen, geloof ik toch als fatsoenlijk man te
+hebben gehandeld. Ik heb voortdurend gezegd, dat het gevoel dat ik
+haar toedroeg geen liefde was en dat ik mij zelf op de proef wilde
+stellen. De uitslag heeft bewezen, dat ik mij vergist had en ik heb
+het V. zoo ernstig mogelijk geschreven. Onze verhouding is bovendien
+zoo rein geweest, dat de herinnering, zoo zij mocht gaan trouwen, haar
+nooit pijnlijk kan zijn. Ik heb haar daarom ook geschreven, dat ik
+graag zou willen, dat wij in correspondentie bleven. Ik zie niet in,
+waarom een jonge man niet in eene vriendschappelijke verhouding tot
+een jong meisje kan staan, zonder juist verliefd op haar te worden
+en met haar te trouwen. Vriendschap en belangstelling zal ik steeds
+voor haar blijven voelen.
+
+"Mlle Vorgani, die mij zoo'n bespottelijken brief heeft geschreven,
+zou beter doen zoo zij zich eens wilde herinneren hoe zij zich
+ten opzichte van V. en mij heeft gedragen. Toen ik mijn best deed
+haar zoo min mogelijk te bezoeken, drong zij er steeds op aan dat
+ik meer zou komen, en deed wat zij kon om ons nader tot elkaar te
+brengen. Ik begrijp, dat het haar spijt, dat iets hetgeen zij zoo
+zeer gewenscht had mislukt is, maar dat is nog geen reden om een jong
+mensch die zijn best heeft gedaan zoo goed mogelijk te handelen, die
+zich opofferingen getroost heeft uit angst een ander in het ongeluk
+te storten, te schrijven dat hij een ploert is en te zorgen, dat de
+geheele wereld hetzelfde gaat gelooven. Ik weet zeker dat heel Toela
+ervan overtuigd is, dat ik het grootste monster ben dat er bestaat."
+
+Eenigen tijd daarna hoorde Tolstoi van zijne tante, dat de zuster van
+zijne vroegere aanstaande spoedig in het huwelijk zou treden. Naar
+aanleiding daarvan schreef hij:
+
+"Wat Valérie betreft, ik heb nooit ware liefde voor haar gevoeld,
+maar ik heb mij laten meesleepen door een onwaardig genot, dat ik nog
+nooit ondervonden had, nl. liefde in te boezemen. Mijne verwijdering
+van haar heeft mij doen begrijpen, dat ik geen verlangen had haar weer
+te zien en nog minder om met haar te trouwen. Ik schrikte als ik aan
+de plichten dacht, die ik tegenover haar te vervullen had zonder haar
+lief te hebben, en daarom ben ik nog eerder weggegaan dan ik gedacht
+had. Ik heb verkeerd gehandeld, ik heb God om vergeving gevraagd,
+en doe dat ook allen die ik verdriet heb gedaan; maar niemand en
+niets kan mij bewegen nog eens weer van voren af aan te beginnen.
+
+"Olga wensch ik heel veel geluk in haar huwelijk, maar ik verzeker u,
+lieve tante, dat niets mij zooveel genoegen zou doen als het bericht
+van Valérie's huwelijk met een' man dien zij liefheeft en die haar
+waardig is. Want, hoewel ik geen spoor van liefde voor haar voel,
+vind ik haar toch een aardige, respectabele jonge dame."
+
+
+
+En zoo eindigde dus deze korte roman. Tolstoi heeft de episode uit zijn
+leven weergegeven in zijn' roman _Familiegeluk_. Vergelijkenderwijze
+kunnen we zeggen, dat hetgeen in het werkelijke leven had kunnen
+gebeuren, in dat boek tot werkelijkheid is geworden. De doorleefde
+roman was het begin, of beter gezegd, de proloog van de geschrevene,
+die door Tolstoi's rijke fantasie tot een kunstwerk is geworden.
+
+
+
+Toen het gebouw zijner schoone toekomstdroomen ineen was gestort,
+wijdde Tolstoi zich met verdubbelden ijver aan zijne letterkundige
+en maatschappelijke werkzaamheden.
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+EERSTE BUITENLANDSCHE REIS. HET LEVEN TE MOSKOU. BERENJACHT.
+
+
+Den 29sten Januari uit Moskou vertrokken, ging Tolstoi per
+postdiligence naar Warschau, en van Warschau per spoor naar Parijs,
+waar hij 21 Februari (nieuwe stijl) aankwam.
+
+Hier werd hij opgewacht door Toerghenjeff, die 23 Januari reeds aan
+Droezjinin geschreven had:
+
+"Tolstoi schrijft mij, dat hij aanstalten maakt om hierheen te
+komen, en in de lente van hier naar Italië te gaan; zeg hem, dat hij
+zich haaste, indien hij mij treffen wil. Overigens zal ik hem zelf
+schrijven. Uit zijne brieven zie ik, dat er zeer heilzame veranderingen
+in hem hebben plaatsgegrepen, en ik verheug mij daarover 'evenals
+eene oude kindermeid.' Ik heb zijn verhaal _Een Morgen van een'
+Landheer_ gelezen, dat mij om zijne oprechtheid en bijna volkomen
+vrije beschouwingswijze uitstekend bevallen is. Ik zeg 'bijna',
+omdat in den vorm waarin hij zich de vraag gesteld heeft (wellicht
+zonder dat hij het zelf weet), nog eenig vooroordeel opgesloten
+ligt. De voornaamste indruk van dit verhaal (ik spreek niet van den
+indruk dien het als letterkundig product maakt) bestaat hierin dat,
+zoolang de lijfeigenschap bestaan zal, er geen mogelijkheid is op
+wederzijdsche toenadering en verstandhouding, ook al was men op de
+onbaatzuchtigste en eerlijkste manier daartoe bereid. En deze indruk
+is goed en juist. Maar behalve dezen krijgt men nog een tweeden,
+zijdelingschen indruk, namelijk dat het beschaven van den boer,
+het verbeteren van zijn bestaan in 't algemeen tot niets leidt. En
+deze indruk is onaangenaam. Het meesterschap over de taal in deze
+vertelling is echter bijzonder groot." [98]
+
+
+
+Kort na zijne ontmoeting met Tolstoi, schrijft Toerghenjeff aan
+Polonski:
+
+"Tolstoi is hier. Er heeft eene verandering ten goede en van zeer
+groote beteekenis met hem plaats gevonden. Deze man zal het ver
+brengen en een diep spoor nalaten."
+
+In een brief aan Kalbasin, gedateerd Parijs 8 Maart, zegt Toerghenjeff:
+
+"Ik zie Tolstoi hier dikwijls, en ontving van Njekrassoff dezer dagen
+een brief uit Rome.
+
+"Met Tolstoi zal ik toch op den duur niet samen kunnen gaan; onze
+opvattingen loopen te zeer uiteen."1
+
+Ziehier eene uitspraak van Tolstoi uit denzelfden tijd over
+Toerghenjeff en diens vriendin, Madame Viardot, welke uitspraak door
+Botkin in een' brief van 8 Maart 1857 aan Droezjinin vermeld wordt:
+
+... Tolstoi schrijft over zijn bezoek aan hem het volgende:
+
+"Beiden dwalen, om zoo te zeggen, in het duister rond, zijn verdrietig,
+beklagen zich over het leven, voeren niets uit, en schijnen elk
+voor zich onder den last hunner wederzijdsche verhouding gebukt te
+gaan. Toerghenjeff schrijft dat Njekrassoff plotseling aanstalten
+heeft gemaakt om op nieuw naar Rome te gaan. De brief van Tolstoi
+beslaat in 't geheel slechts ééne bladzijde, maar is vol moed en
+opgewektheid. Duitschland heeft hem zeer veel belang ingeboezemd,
+en later wil hij het meer van nabij leeren kennen. Over eene maand
+gaat hij naar Rome." [99]
+
+Uit deze geheele correspondentie blijkt, dat de verhouding tusschen
+Tolstoi en Toerghenjeff altijd van onzekeren aard is geweest; ondanks
+alle pogingen, zijn zij nooit intiem met elkander kunnen worden.
+
+In de maand Maart deden Tolstoi en Toerghenjeff een uitstapje naar
+Dijon, waar zij eenige dagen doorbrachten. In dien tijd schreef
+Tolstoi zijn verhaal over den muzikus Albert. Daarna keerden beiden
+naar Parijs terug, waar Tolstoi, gelijk hij in zijn _Biecht_ verhaalt,
+eene doodstraf zag voltrekken, hetgeen een onuitwischbaren indruk
+op hem maakte. In zijn dagboek beschrijft hij dien indruk in korte
+trekken aldus:
+
+6 Februari 1857. "Ik stond te 7 uren in den morgen op en ging naar
+eene executie kijken. Een dikke, blanke, gezonde hals en borst,
+een mond die het Evangelie kuste--en toen de dood. Hoe onzinnig! De
+indruk was diep. Ik ben geen politikus. Moraal en kunst. Ik weet,
+ik heb lief en ik kan.... De guillotine heeft mij langen tijd uit
+den slaap gehouden en tot nadenken gebracht."
+
+Ziehier wat hij daarover in _Biecht_ schrijft:
+
+"Gedurende mijn verblijf te Parijs heeft het zien van de doodstraf
+mij de onstandvastigheid van mijn bijgeloof aan den _Vooruitgang_
+geopenbaard. Toen ik het hoofd van den romp zag scheiden en in een
+kist hoorde ploffen, begreep ik--niet met het verstand, doch met
+mijn geheele wezen--dat geen enkele gezonde, beredeneerde theorie van
+werkelijken _vooruitgang_ zulk eene handeling kon rechtvaardigen. Ook
+al hadden alle menschen ter wereld, van de schepping af tot heden,
+volgens welke theorie dan ook gevonden, dat zoo iets noodig was, weet
+ik toch dat het _niet_ noodig, dat het slecht is, en dat mijn hart,
+juister dan de menschen en juister dan de _vooruitgang_, oordeelt
+dat het dwaling is."
+
+De reis naar Rome stelde Tolstoi tot den herfst uit; maar in de lente
+ging hij uit Parijs rechtstreeks naar Genève, vanwaar hij zijne tante
+onder anderen schrijft:
+
+"Ik heb anderhalve maand te Parijs doorgebracht, en wel zoo aangenaam,
+dat ik dagelijks tot mij zelven gezegd heb goed gedaan te hebben
+door in den vreemde te gaan. In gezelschappen en in de letterkundige
+wereld ben ik weinig geweest; ook cafés en publieke bals heb ik niet
+dikwijls bezocht; maar desondanks heb ik hier zooveel nieuwe en voor
+mij interessante dingen leeren kennen, dat ik elken dag bij het naar
+bed gaan tot mij zelven zei: hoe jammer dat de dag zoo schielijk
+voorbijgaat; ik heb zelfs geen tijd gehad tot werken, zooals ik van
+plan was.
+
+"De arme Toerghenjeff is physiek zeer ziek, en zedelijk nog meer. Zijne
+ongelukkige _liaison_ met Madame Viardot en hare dochter houdt hem
+terug in een klimaat dat schadelijk voor hem is. Het is treurig om
+aan te zien. Ik had nooit gedacht dat hij zóó kon liefhebben."
+
+Uit Génève deed Tolstoi een uitstapje naar Piémont, in gezelschap
+van Botkin en Droezjinin, die er ook gekomen waren, en bleef toen
+eenigen tijd aan het meer van Genève, te Clarens, vanwaar hij zijne
+tante een opgeruimden brief schreef:
+
+
+
+"Clarens, 18 Mei 1857.
+
+
+"Ik heb uw' brief ontvangen, beste tante, die mij, zooals u uit
+mijn laatsten brief gebleken zal zijn, in de omstreken van Genève
+bereikt heeft--in hetzelfde dorp Clarens, waar de Julie van Rousseau
+gewoond heeft.... Ik zal niet trachten u de schoonheid van dit land
+te schilderen, vooral nu alles in blad en bloem staat; alleen wil ik
+u zeggen, dat het letterlijk onmogelijk is om van dit meer en deze
+oevers te scheiden, en dat ik het grootste deel van mijn' tijd met
+zien en bewonderen doorbreng, hetzij ik wandel of eenvoudig voor het
+venster van mijne kamer zit. Voortdurend wensch ik mij geluk, dat ik
+op het denkbeeld kwam Parijs te verlaten en hier de lente te gaan
+doorbrengen, hoewel ik daardoor van uw' kant het verwijt verdiend
+heb onstandvastig te zijn. Waarlijk, ik ben gelukkig en begin de
+voordeelen te gevoelen van met een helm te zijn geboren.
+
+"Er is hier een charmant gezelschap Russen, waartoe de Poeschtschin's,
+de Karamzin's en de Meschtscherski's behooren, die mij allen (de hemel
+weet waarom!) mogen lijden. Ik gevoel dit; in de maand die ik hier heb
+doorgebracht bevalt het mij zoo goed en heb ik het zoo naar mijn zin,
+dat ik met leedwezen aan mijn vertrek denk." [100]
+
+
+
+Behalve deze vrienden woonde toen in den omtrek van Genève, aan den
+oever van het meer, in het plaatsje Beaucage eene vriendin van Tolstoi,
+met name Alexandra Andrejewna Tolstoi, hofdame bij de grootvorstin
+Maria Nikolajewna, die daar een zoon van graaf Stroganoff ter wereld
+had gebracht. Het bezoeken van deze dames verschafte Tolstoi zeer
+veel genoegen.
+
+Nadat hij omstreeks twee maanden in Clarens had doorgebracht,
+besloot hij zijne reis te voet voort te zetten. Hij had daar met eene
+Russische familie kennis gemaakt, waartoe een jongen van omtrent 10
+jaar, Sascha, behoorde, dien hij uitnoodigde om mee het gebergte in
+te gaan. Aanvankelijk was hun doel om over den Col de Jaman Freiburg
+te bereiken; maar toen zij dezen pas waren overgetrokken, veranderden
+zij van besluit en sloegen den weg naar Chateau d'Oex in, vanwaar
+zij per post-diligence naar Thun reden.
+
+In de onuitgegeven manuscripten van Tolstoi zijn reis-aanteekeningen
+van dezen tocht bewaard gebleven. Daaraan ontleenen wij eenige
+beschrijvingen van Zwitsersche natuurtafereelen.
+
+Eerst voer Tolstoi per stoomboot van Clarens naar Montreux.
+
+
+
+"15/27 Mei 1857.
+
+"Het weder was helder. Het hemelsblauwe Meer van Genève, met zijne
+witte en zwarte stippen van zeilen en booten, lag daar blinkend aan
+drie zijden voor ons. Rondom Genève en ver weg over het blauwe meer
+hing eene trillende, donkere, warme lucht; op den tegenoverliggenden
+oever verhieven zich de steile bergen van Savoye met hunne witte
+huisjes aan den voet, en eene gespleten rots, die de gedaante had
+eener reusachtige witte vrouw in een oud gewaad. Links, juist boven
+eene reeks van aangrenzende geel-roode wijngaarden, zag men, in een
+donkergroen bosch van oofttuinen, Montreux met zijne bevallige kerk,
+die aan de zachte glooiing van den berg hing. Aan den oever lag
+Ville Neuve met zijn krans van huizen, die helder in de middagzon
+blonken, de geheimzinnige kloof Salais, met de op elkander gestapelde
+bergen; het witte, ongastvrije Chillon, vlak boven het water, en het
+veelbezongen eilandje, dat droomerig maar toch schilderachtig tegenover
+Ville Neuve verrijst. Het meer rimpelde, de zon straalde recht boven
+zijne hemelsblauwe oppervlakte, en de over het meer verspreide zeilen
+lagen roerloos stil.
+
+"Verwonderlijk! Ik had twee maanden in Clarens doorgebracht, maar
+telkens als ik des morgens, of in 't bijzonder bij het vallen van
+den avond, na het eten, de blinden van het venster opende, waarover
+reeds eene schaduw gleed, en mijn' blik liet glijden over het meer
+met de blauwe bergen in 't verschiet, die er zich in spiegelden, dan
+verblindde mij die schoonheid en was ik plotseling onder den indruk
+harer verbijsterende macht. Eensklaps ontwaakte dan in mij eene zucht
+naar liefde, ja, ik gevoelde liefde voor mij zelven, betreurde het
+verleden, hoopte op de toekomst en begroette het leven met vreugde,
+wenschte lang, zeer lang te leven, en beschouwde het denkbeeld van
+den dood als eene kinderachtige, dichterlijke vrees. Somtijds, als
+ik, alleen in het belommerde tuintje gezeten, onafgebroken naar die
+oevers en dat meer staarde, gevoelde ik zelfs een zekeren physieken
+indruk, alsof die machtige schoonheid door het oog zich in mijne
+ziel uitstortte."
+
+
+
+Het volgende verplaatst ons in de bergen:
+
+
+
+"...Boven ons zongen woudvogels, die zich niet boven het meer,
+de dennenbosschen en de bewoonde streken laten hooren. Onze tocht
+was zoo verrukkelijk, dat het ons speet slechts kort te kunnen
+toeven. Plotseling woei ons een ongewoon heerlijke, een echte lentegeur
+tegemoet. Sascha snelde het bosch in en plukte kersebloemens af,
+doch deze gaven bijna geen geur. Aan weerszijden zag men groene
+boomen en struiken zonder bloemen. De zachte, welriekende geur werd
+al sterker en sterker. Nadat wij een honderd schreden geloopen hadden,
+opende zich het struikgewas aan de rechterhand en vertoonde zich eene
+uitgestrekte, glooiende, lichtgroene vlakte, met eenige hier en daar
+verspreide huisjes, voor onze oogen.
+
+"Sascha snelde het veld in, plukte met beide handen witte narcissen
+en bracht mij een kolossalen ruiker, die een onverdragelijken
+geur verspreidde. Maar dit was den knaap nog niet genoeg: met de
+vernielzucht, kinderen eigen, draafde hij nogmaals het veld in, en
+trok een aantal prachtige, jonge zonnebloemen af, die bijzonder naar
+zijn' zin waren...."
+
+In Les Avants bleven zij overnachten. Na de bestijging van een' berg,
+schrijft Tolstoi de volgende gedachten neer:
+
+
+
+"16/28 Mei 1857.
+
+
+"Terecht had men mij gezegd dat, hoe hooger men komt in 't gebergte,
+hoe gemakkelijker het loopen wordt. Wij hadden reeds een uur geloopen
+en voelden geen van tweeën het gewicht onzer rug-zakken, zelfs geen
+vermoeienis. Ofschoon wij nog geen zon zagen, wierp zij toch hare
+stralen rakelings over eenige rotsen en pijnboomen aan den horizon,
+op de hoogten tegenover ons. Omlaag hoorde men het doffe bruisen
+der bergstroomen; rondom ons vloeide slechts wat sneeuwwater, en
+bij eene kromming van den weg zagen wij op nieuw het meer met Valès
+op ontzettende diepte voor ons liggen. Aan den voet der Savooische
+bergen was het water geheel blauw, evenals het meer, maar donkerder;
+doch verder op, waar het door de zon beschenen werd, had het een
+volmaakt lichtroode tint. De besneeuwde bergen werden talrijker;
+zij schenen hooger en meer afwisselend in vorm. De zeilen en booten
+lieten zich als nauw merkbare stippen op het meer zien. Het was mooi,
+zelfs verrassend mooi, maar niet wat ik natuurschoon noem.
+
+"....Ik houd niet van die zoogenaamde grootsche en merkwaardige
+gezichten, die voor mij iets kouds hebben. Wat ik liefheb is de
+natuur als zij mij aan alle kanten omgeeft en zich daarna ontrolt
+in een eindeloos verschiet. Ik heb haar lief als mij aan alle zijden
+eene warme lucht omringt, en die lucht al golvend zich uitstrekt in de
+onbegrensde verte; als dezelfde sappige grashalmen, die ik druk wanneer
+ik er op zit, de onafzienbare weiden met een kleed van groen bedekken;
+als dezelfde bladeren, die, door den wind bewogen, hunne schaduw over
+mijn aangezicht laten glijden, den donkergroenen omtrek van een ver
+afzijnd woud verraden; als dezelfde lucht, die mij doet ademen, het
+donkerblauwe gewelf van den oneindigen hemel vormt; als ik niet de
+eenige ben die jubelt en zich verblijdt in de natuur; als duizenden
+insecten rondom mij gonzen en zwermen, het vee in troepjes dartelt,
+en overal in 't rond de vogels zingen....
+
+"Hier stond ik voor eene naakte, koude, ledige, grauwe vlakte, met
+geen ander tooisel dan de krippen zoom van het verschiet. Maar dit
+alles lag zoo ver, dat ik het ware natuurgenot niet smaakte, dat ik
+mij geen deel gevoelde van dit gansche grenzenlooze en overschoone
+tafereel. Ik behoorde niet tot dat verschiet...."
+
+
+
+Zijne reis voortzettende, kwam Tolstoi in Lucern, vanwaar hij zijne
+tante het volgende schrijft:
+
+
+
+"Lucern, 6 Juli 1857.
+
+"Ik meen u geschreven te hebben, beste tante, dat ik uit Clarens
+vertrokken ben met het doel om eene vrij groote reis te ondernemen
+door het noorden van Zwitserland, langs den Rijn, en verder door
+Holland naar Engeland. Van daar denk ik op nieuw naar Frankrijk en
+Parijs te gaan, om dan in de maand Augustus eenigen tijd in Rome
+en Napels door te brengen. Indien ik tegen zeereizen bestand ben,
+hetgeen blijken zal wanneer ik van den Haag naar Londen ga, denk ik
+over de Middellandsche Zee, Konstantinopel, de Zwarte Zee en Odessa
+terug te keeren. Maar dit zijn slechts plannen, die ik wegens mijne
+wispelturigheid, welke u mij terecht verwijt, beste tante, misschien
+niet zal verwezenlijken. Ik ben te Lucern aangekomen. Dit is eene
+stad in het noorden van Zwitserland, niet ver van den Rijn; ik heb
+mijne reis wat vertraagd, om eenige dagen in dit bekoorlijke stadje
+door te brengen. Ik ben weer geheel alleen, en wil u wel bekennen,
+dat de eenzaamheid mij zeer dikwijls bezwaart; want bij de kennissen,
+die men in hôtels en onder weg in den trein maakt, moet men zijne
+toevlucht niet gaan zoeken. Deze afzondering heeft echter ook de
+goede zijde, dat zij mij tot den arbeid drijft. Ik werk een weinig,
+maar het gaat slecht, zooals des zomers meest het geval is..." [101]
+
+
+
+Gedurende Tolstoi's verblijf te Lucern viel er iets voor, dat door
+hem in de _Gedenkschriften van prins Nechljoedoff_ verteld wordt. Dit
+verhaal staat met het jaartal '57 gemerkt, en moet dus op deze reis
+betrekking hebben.
+
+In deze episode wisselt, naar men weet, de schoone beschrijving
+der Zwitsersche natuur af met eene uiting van misnoegen over het
+bederven van de natuur-harmonie ten believe van rijke toeristen,
+meerendeels Engelschen.
+
+De tegenstelling tusschen de doodsche _convenance_ aan de table d'hôte
+en de wilde, maar boeiende, levendige schoonheid van het meer treft
+den schrijver. En dit gevoel wordt sterker, als hij een' straatzanger
+hoort, die zijn lied met de gitaar begeleidt. Dit lied trok als met
+een' tooverslag mijne geheele aandacht, en stemde mijne ziel in een'
+toon van onuitsprekelijke harmonie.
+
+Alle verwarde, onwillekeurige indrukken des levens kregen plotseling
+voor mij beteekenis en bekoring. In mijn gemoed ontlook als 't ware
+eene frissche, welriekende bloem, en de mij tot op dit oogenblik
+neerdrukkende vermoeienis, verstrooidheid en onverschilligheid werden
+als weggevaagd en maakten plaats voor een' drang naar liefde, voor eene
+hoopvolle stemming en voor eene niet te verklaren levensvreugde. En het
+was mij of eene innerlijke stem mij zeide: "Wat kan men nog wenschen,
+wat nog verlangen? Hier is zij, de schoonheid, de poëzie, die u aan
+alle kanten omringt. Dat wij haar inademen met ruime, volle teugen,
+haar genieten met al onze krachten! Wat behoeven wij nog meer? Al
+die zaligheid is ons!..."
+
+
+
+En andermaal omfloersen de doodsche, vormelijke Engelschen die
+wondervolle bloem der poëzie met een zwarten sluier....
+
+De zanger had zijn lied geëindigd, nam zijn hoed in de hand en hield
+dien voor de vensters van het rijke hôtel, waarvan het balkon met
+een drom van elegant gekleede toehoorders gevuld was. Doch niemand
+gaf hem iets....
+
+Door de steenen gevoelloosheid van deze lieden getroffen, snelt Tolstoi
+naar den muzikant en noodigt hem uit in het hôtel eene flesch wijn
+te komen drinken. Zijne tartende houding gaf aanstoot, maar dat wil
+hij juist; hij wil de zelfgenoegzaamheid der rijken kwetsen, wil zijn
+misnoegen over hunne gevoelloosheid laten blijken. Men liet het voorval
+bijna onopgemerkt voorbijgaan, maar in den schrijver blijft een gevoel
+van bitterheid over het onrecht dier menschen en hunne onvatbaarheid
+om het hoogere geluk te begrijpen, even eenvoudig als menschelijk,
+en het harmonisch verband daarvan met de natuur. In die stemming
+spreekt hij de toeschouwers met de volgende overredende woorden toe:
+
+"Gij, kinderen van een vrij, humaan volk, gij Christenen--gij
+_menschen_! waarom hebt gij het weldadige genot, dat u een ongelukkig
+smeekend man verschafte, met koelheid en spot beantwoord? Maar
+neen... in uw vaderland zijn toevluchtshuizen voor armen. Er moesten
+ook geen armen zijn, er moest geen gevoel van medelijden zijn,
+waarop de armoede steunt! Doch deze man heeft zich moeite gegeven
+om u genoegen te doen, heeft u gebeden hem iets van uw' overvloed
+te geven voor zijn werk, waarvan gij genoten hebt. En van uwe
+hooge praalvertrekken zaagt gij hem aan met een kouden glimlach,
+als ware hij een curiositeit; en onder u honderden gelukkigen en
+rijken was niet één persoon te vinden, die hem iets toewierp voor
+zijne moeite! Beschaamd is hij toen heengegaan, gevolgd door de domme
+menigte, die niet _u_ maar _hem_ uitjouwde, omdat _gij_ hardvochtig,
+koud en gewetenloos zijt. Men heeft _hem_ gehoond, omdat _gij_ hem
+het genot hebt ontstolen, dat hij u verschafte!
+
+"_Den 7den_ Juli 1857 zong te Lucern voor het hôtel Schweizerhof,
+waarin de rijkste lieden logeeren, een reizend liedjeszanger een
+half uur lang liederen, en speelde daarbij op de gitaar. Omtrent
+tweehonderd personen hoorden hem aan. De zanger smeekte allen tot
+driemaal toe hem iets te geven. Maar geen van deze lieden gaf hem
+iets en velen lachten hem uit.
+
+"Dit is geen verzinsel, doch een beslist feit, dat elk die wil bij de
+tegenwoordige gasten van het _Schweizerhof_ kan onderzoeken, terwijl
+men uit de dagbladen kan te weten komen wie de vreemdelingen waren,
+die er den 7den Juli logeerden.
+
+"Ziedaar eene gebeurtenis, welke de geschiedschrijvers van onzen tijd
+met vlammende, onuitwischbare letteren moesten opteekenen!"
+
+
+
+En aan zijne borst ontsnapt een kreet van verbazing over het
+onbegrijpelijke in dien heelen chaotischen samenhang van feiten,
+voortvloeiende uit de menschelijke verhoudingen met hunne oppervlakkige
+gevoelens, gesteld tegenover de machtige natuur met hare harmonische
+grootheid. In pathetischen, dichterlijken vorm drukt de schrijver
+zijne gemoedsstemming uit en eindigt het verhaal aldus:
+
+"Een ongelukkig, deerniswaardig schepsel is de mensch met zijne
+behoefte aan nauwkeurige definities, en dobberend op die steeds
+bewogen, grenzenlooze zee van goed en kwaad, van feiten, beschouwingen
+en tegenstrijdigheden. Sinds eeuwen kwellen en spannen de menschen
+zich in, om het goede aan den eenen, het kwade aan den anderen
+kant te schuiven. Eeuwen zullen voorbijgaan, doch waar en wat het
+onpartijdige verstand ook legge in de weegschaal van het goede en
+kwade, de balans zal niet doorslaan en aan elken kant evenveel goed
+als kwaad bevatten. Dat de mensch toch eens leere niet zoo spoedig en
+beslist te oordeelen en te denken; mocht hij eens leeren geen antwoord
+te geven op vragen, welke hem alleen gegeven zijn om altijd vragen te
+blijven! Begreep hij maar, dat elke gedachte tegelijk valsch en juist
+is. Valsch is zij om hare eenzijdigheid en doordien de mensch in de
+onmogelijkheid is om de geheele waarheid te begrijpen; en juist, omdat
+elke gedachte uiting geeft aan ééne zijde van het menschelijk streven.
+
+"Dien steeds bewogen, grenzenloozen, eeuwig wisselenden chaos van
+goed en kwaad heeft de mensch in afdeelingen gesplitst; hij heeft
+denkbeeldige lijnen over die zee getrokken en wacht of ook de zee
+zich zal verdeelen. Alsof er van een ander standpunt, op een ander
+vlak, geen millioenen andere verdeelingen te maken zijn! 't Is waar:
+het zijn de eeuwen welke die nieuwe verdeelingen maken; maar ook de
+eeuwen zijn bij millioenen voorbij gegaan, en andere zullen volgen!
+
+"Beschaving is iets goeds, barbaarschheid iets kwaads; vrijheid
+iets goeds, slavernij iets kwaads. Zulke denkbeeldige kennis
+dooft in de menschelijke natuur hare instinctmatige, heiligste en
+allereerste behoefte aan het goede. Wie zal mij zeggen wat vrijheid
+of dwingelandij, wat beschaving of barbaarschheid is? Waar zijn de
+grenzen van het een en van het ander? In wiens ziel is een maatstaf
+voor goed en kwaad, nauwkeurig genoeg voor het meten van samengestelde,
+ontastbare feiten? Wiens verstand is groot genoeg om alle feiten uit
+het verleden te begrijpen en te wegen? Waarom zie ik van het eene
+meer dan van het ander, indien het standpunt, waarop ik sta, niet de
+oorzaak is? En wie is in staat, zij het slechts voor een oogenblik,
+zijn' geest zóó geheel van 't leven los te maken, dat hij onafhankelijk
+op dat leven neerziet....?
+
+"Wij hebben één, slechts één onfeilbaren gids en leidsman, een Geest,
+alomtegenwoordig, Die ons allen tezamen en elk in 't bijzonder
+doordringt, Die in ieder een streven wekt om te doen wat noodig
+is! Dezelfde Geest, Die een' boom doet groeien in de zon, eene
+bloem zaden doet geven in den herfst, noopt ons menschen nader tot
+elkaar te komen, zonder dat wij er van bewust zijn. En die eenige
+onfeilbare Heilige Geest spreekt luider dan onze woelige kreten van
+ontwikkeling en beschaving! Wie is meer _mensch_ of meer _barbaar_:
+de _lord_, die bij het zien van de versleten kleeren van den zanger
+verontwaardigd van zijne tafel wegloopt, den arme voor zijne moeite
+niet het millioenste deel van zijn vermogen geeft, en dan, verzadigd,
+in een licht, geriefelijk vertrek kalm gaat zitten nadenken over de
+gebeurtenissen in China, waarbij hij de aldaar gepleegde moorden
+rechtvaardig vindt? Of de _nederige zanger_, die, op gevaar van
+gevangenisstraf, met een franc op zak, twintig jaar lang en zonder
+iemand te schaden over bergen en door dalen trekt, de menschen
+met zijn gezang en snarenspel opvroolijkend.... en thans, gehoond,
+bespot, ja bijna weggejaagd, vermoeid, beschaamd en hongerig, zich
+mogelijk ergens op een hoop vuil stroo te slapen heeft gelegd....? Neen
+(zeide ik onwillekeurig tot mijzelf), men heeft ongelijk dien zanger
+te beklagen en de welvaart van den lord te benijden. Wie zal het
+innerlijke geluk durven schatten, dat in de ziel van elk dezer menschen
+verborgen ligt? De zanger zit misschien nu ergens op een bemodderde
+stoep, aanschouwt den hemel met zijn blinkend maan- en sterrenlicht,
+en zingt blijmoedig in den stillen, geurenden nacht: in _zijne_ ziel
+is geen verwijt, geen boosheid of berouw! Maar wie zal weten wat nu
+omgaat in de ziel van al die rijken achter gindsche hooge muren? Wie
+zal weten, of die allen even zoete, zorgelooze levensvreugde en
+vrede met de wereld hebben, als er huist in 't hart van dien armen,
+nederigen, gehoonden zanger....?
+
+"O, hoe oneindig groot is de goedheid en wijsheid van Hem,
+Die al die tegenstrijdigheden in 't aanschijn riep en liet
+voortbestaan! Tegenstrijdigheden? Zoo komen zij ons, nietigen wormen,
+voor, die driest en misdadig in Zijne wetten en besluiten pogen door
+te dringen. Vol liefde ziet Hij van Zijne stralende, onbereikbare
+hoogten op ons neder en verbergt Zich in de eindelooze harmonie,
+waarin wij met al onze tegenstrijdigheden ons rusteloos bewegen. In
+uwen trots, o sterveling, denkt gij u aan de algemeene wetten te
+onttrekken! Neen,... ook gij, met uw nietswaardigen, laffen onwil tegen
+de armen--ook gij hebt aan den harmonischen eisch van het eeuwige en
+oneindige beantwoord...."
+
+
+
+Van Lucern vervolgde Tolstoi zijne reis, eerst langs den Rijn naar
+Schaffhausen, Baden en Stuttgart, en vervolgens naar Berlijn.
+
+Den 8sten Augustus was hij reeds in Stettin, en van daar kwam hij
+per stoomschip op 30 Juli/11 Augustus te St.-Petersburg.
+
+In Petersburg vertoefde hij eene week, bezocht het gezelschap van
+den _Sawremjennik_, vertoefde bij Njekrassoff en las dezen onder
+andere zijn verhaal _Lucern_ voor, dat in de September-aflevering,
+jaargang 1857, van den _Sawremjennik_ gedrukt werd. Den 6den Augustus
+vertrok hij naar Moskou en daarna reisde hij bijna zonder ophouden
+door naar Toela.
+
+Na zijne aankomst in Jasnaja Paljana verdiepte hij zich weer geheel
+in het beheer zijner goederen.
+
+In zijn dagboek uit dien tijd vinden wij, onder andere, de volgende
+aanteekeningen:
+
+"Ziehier hoe ik mijne werkzaamheden heb ingedeeld: de hoofdzaak is
+letterkundige arbeid, dan familieplichten, vervolgens het bestuur
+mijner goederen, dat ik echter zooveel mogelijk in handen van
+den starosta moet laten; ik wil het werk verlichten, het landgoed
+verbeteren, de uitgaven tot 2000 roebel bezuinigen, en de rest voor
+de boeren gebruiken. Mijn groot struikelblok is de ijdelheid van het
+liberalisme. En zoo leef ik,--doe dagelijks eene goede daad--en dat
+is genoeg!"
+
+
+
+Korten tijd later schreef hij:
+
+"Zelfverloochening bestaat niet hierin, dat men zich onthoudt wat men
+begeert, maar dat men ijvert, zijn verstand en zijn vernuft gebruikt
+om zich zelf te geven."
+
+De maand Augustus wijdde hij aan lectuur; hij las twee merkwaardige
+boeken: _De Ilias_ en _Het Nieuwe Testament_. Beide maakten een diepen
+indruk op hem:
+
+"Ik heb de verrukkelijke _Ilias_ tot het einde toe gelezen...",
+zoo drukte hij zich uit; en de schoonheid dezer twee boeken doet hem
+bejammeren, dat er tusschen beide geen verband is.
+
+"Hoe kon Homerus niet weten, dat het goede zetelt in de liefde,"
+roept hij uit, terwijl hij in gedachten beide boeken vergelijkt. "Er
+is geen betere uitlegging dan de Openbaring."
+
+
+
+Half October verhuisden Tolstoi, zijn oudste broeder Nikolaas en
+zijne zuster Maria naar Moskou. Uit zijn dagboek zien wij, dat hij
+daar reeds den 17den October was. Den 22sten vertrok hij voor eenige
+dagen naar Petersburg.
+
+Tolstoi's verhaal _Lucern_ (uit de _Gedenkschriften van
+prins Nechljoedoff_), dat, zooals wij boven zeiden, in de
+September-aflevering van den _Sawremjennik_ opgenomen is, werd door
+de kritiek niet begrepen en bleef bijna onopgemerkt.
+
+Het zwijgen der kritici levert een rechtstreeksch en klaar bewijs
+van hunne eenzijdigheid, bekrompenheid en kortzichtigheid. Volgens
+eene opmerking van Zelinski, die een' bundel kritische verhandelingen
+over Tolstoi heeft uitgegeven, vond hij, ondanks alle moeite, in de
+periode 1857-1861 geen afzonderlijke kritische verhandelingen of
+recensiën over Tolstoi's geschriften, niettegenstaande in de jaren
+vóór en in dit tijdperk werken als: _Jongelingsjaren_, _Lucern_,
+_Albert_, _De drie Dooden_, _Familiegeluk_ in druk verschenen.
+
+Deze onverschilligheid der kritici was Tolstoi niet ontgaan; en na
+zijne reis naar Petersburg, in October 1857, schreef hij in zijn
+dagboek:
+
+"Petersburg heeft mij eerst gekrenkt en daarna gerechtvaardigd. Mijne
+reputatie was gevallen of bijna dood, en innerlijk heeft mij dit zeer
+bedroefd; maar nu ben ik gerust en weet ik, dat ik iets te zeggen
+heb en het vermogen bezit om met kracht te spreken. Zeg voortaan maar
+wat gij wilt, publiek! Ik zal toch volgens mijn geweten werken, alle
+krachten inspannen, en dan.... dan mogen zij op het altaar spuwen!"
+
+
+
+Op 30 October keerde Tolstoi naar Moskou terug. Gedurende zijn verblijf
+daar bezocht hij dikwijls Fet, die in zijne _Herinneringen_ daarvan
+het volgende verhaalt.
+
+"Op zekeren avond, onder de thee, kwam Tolstoi onverwacht bij
+ons en deelde mede, dat zijne familie, namelijk hij, zijn oudste
+broeder Nikolaas en zijne zuster, gravin Maria Nikolajewna,
+tezamen gemeubileerde kamers gehuurd hadden bij Warghin in de
+Pjatnitzkaja-straat. Weldra kwamen wij met elkander in kennis.
+
+"Ik herinner mij niet, onder welke omstandigheden de gebroeders
+Tolstoi, Leo en Nikolaas, met S. S. Gromeka hebben kennis gemaakt;
+waarschijnlijk is het bij ons in huis gebeurd. Zeer spoedig waren
+alle drie met elkander op goeden voet, daar zij hartstochtelijke
+jagers bleken te zijn." [102]
+
+
+
+Tolstoi's leven te Moskou heeft zich in die jaren (omstreeks '50)
+door niets bijzonders gekenmerkt. Zijne physieke natuur was toen in
+hare volle kracht en activiteit, en drong hem tot gymnastische spelen
+en wereldsche genoegens.
+
+Fet verhaalt dat er nu en dan 's avonds duetten bij hem werden
+georganiseerd, waarbij gravin Maria Tolstoi, eene pianiste en
+liefhebster van muziek, tegenwoordig was--somtijds vergezeld door
+hare twee broeders Leo en Nikolaas, of alleen door Nikolaas, die dan
+de afwezigheid van onzen schrijver verontschuldigde met te zeggen:
+
+"Leo is weer met rok en witte das naar een bal gegaan."
+
+In het volgende uittreksel uit de _Herinneringen_ van Fet wordt van
+eene dergelijke tijdpasseering gewag gemaakt:
+
+"I. P. Borisoff, een niet alledaagsch man, die Tolstoi reeds in den
+Kaukasus gezien had, kwam reeds bij de eerste ontmoeting met hem, te
+mijnen huize, onder den onwederstaanbaren invloed van zijn genie. Maar
+in die dagen viel Tolstoi's pronkzucht sterk in het oog, en toen nu
+Borisoff hem op zekeren dag in een nieuwe pelsjas met kraag van grijs
+berenbont, met glimmenden hoed, die op één oor stond en waaronder de
+blonde krullende haren golfden, en met een model-rotting in de hand
+uit wandelen zag gaan, maakte hij een versje op hem:
+
+
+ "Hij leunt op zijn stokje,
+ En pronkt met zijn glimmenden hoed."
+
+
+"Destijds waren onder de aristocratische jeugd gymnastische
+oefeningen in de mode, waaronder vooral het springen over een houten
+paard. Gebeurde het dat men Tolstoi te twee ure in den namiddag wilde
+spreken, dan was men genoodzaakt naar den tuin der gymnastiekschool
+op de Balschaja Dmitroffska te gaan. Daar zag men hem, in tricot
+gekleed, met opgewektheid alle krachten inspannen om over het
+paard te springen, zonder den lederen, met haar opgevulden kegel
+aan te raken, die op den rug was geplaatst. Het verwondert ons niet
+dat de bewegelijke, energieke natuur van den 29-jarigen schrijver
+zulke inspannende oefeningen noodig had; maar vrij zonderling was het
+bejaarde mannen met kale hoofden en dikke buiken met de jongelieden te
+zien meedoen. Een jonge, doch gehuwde man, die in een rose tricot-pak
+zijn beurt afwachtte, kwam bij elken aanloop met de borst tegen het
+kruis van het paard terecht, en ging dan bedaard ter zijde, om voor
+den volgenden plaats te maken." [103]
+
+In het begin van Januari 1858 kwam gravin Alexandra Andrejewna Tolstoi,
+eene vriendin uit Tolstoi's jeugd, Moskou bezoeken. Tolstoi bracht
+haar met den Nikolajeff-spoorweg naar Klin en reisde van hier naar
+prinses Wolkonskaja, van wie wij reeds in het hoofdstuk over Tolstoi's
+voorouders van moederszijde melding hebben gemaakt. Deze prinses was
+eene nicht van Tolstoi's moeder, had uit plichtsgevoel bij haar op
+Jasnaja Paljana gewoond, en kon onzen schrijver veel belangrijks over
+zijn vader en moeder vertellen.
+
+Tolstoi heeft de aangenaamste herinneringen aan dit bezoek bewaard,
+en in den tijd dien hij bij haar doorbracht zijn verhaal _De drie
+Dooden_ geschreven.
+
+Blijkbaar begon het denkbeeld van den dood hem ernstig te verontrusten,
+en gelijk steeds het geval was, lag de mogelijke oplossing van dit
+nieuwe probleem voor hem in de harmonie van het verstand met de
+natuur. Deze zienswijze afvallen beteekende onuitsprekelijk lijden;
+haar volgen, daarentegen, altijddurend heil, waarmede ook de angel
+des doods zou verdwijnen.
+
+In Februari keerde hij naar Jasnaja Paljana terug. Daarop ging
+hij opnieuw naar Moskou en vandaar in Maart voor twee weken naar
+Petersburg. In April was hij in Jasnaja terug, waar hij den geheelen
+zomer doorbracht. In deze periode besteedde Tolstoi ook veel tijd aan
+muziek, en richtte hij zelfs, met medewerking van Botkin, Perfiljeff,
+Mortje en anderen in Moskou, een muziekgezelschap op. Mevrouw
+Kirjejeffskaja stelde haar salon beschikbaar voor de concerten. Uit
+dit gezelschap heeft zich het Moskousche Conservatorium gevormd. In
+ditzelfde jaar kwam onze schrijver te Moskou in nauwe aanraking met
+het gezin van den reeds bejaarden S. T. Aksakoff.
+
+De lente oefende op Tolstoi eene prikkelende werking uit. Deze
+opwelling van energie wordt door hem in een' brief aan zijne tante,
+gravin A. A. Tolstoi, in dat jaar 1858 geschreven, goed weergegeven:
+
+
+
+"Grootmoedertje! [104] Lente...
+
+"Heerlijk is het leven hier op aarde voor goede menschen; zelfs voor
+iemand als ik is het hier goed te zijn. In de natuur, in de lucht,
+in alles ligt hoop, toekomst, eene verrukkelijke, bekoorlijke
+toekomst.... Soms dwaalt men, als men denkt dat alleen de natuur
+eene gelukkige herleving wacht; die vreugde wacht ook ons. In zulk
+een toestand ben ik thans, en met de mij eigene zelfzucht haast ik
+mij u over dingen te schrijven, die alleen voor mij van belang zijn.
+
+"De invloed der lente op mij is van dien aard, dat ik in mijne
+overmaat van illusiën mij soms verbeeld eene plant te zijn, die, nu
+met andere ontloken, bestemd is om rustig en tevreden op de wereld
+te blijven groeien. Onder deze indrukken en in dit jaargetijde heeft
+eene verandering, eene loutering, eene omkeering in mij plaats,
+zooals iemand die deze gewaarwording niet heeft ondervonden, zich
+niet kan voorstellen. De oude mensch is verdwenen. Alle wereldsche
+verlangens, alle traagheid, alle zelfzucht, alle ondeugden, alle
+onzinnige, onklare begrippen, alle medelijden, ja zelfs het berouw,
+zijn verdwenen, en hebben plaats gemaakt voor eene ongewone bloem,
+die hare bladeren ontplooit en tegelijk met de lente groeit...."
+
+
+
+Het slot van dezen langen, interessanten brief, dien wij hier
+gedeeltelijk aanhalen, luidt:
+
+"Vaarwel, beste tante, wees niet boos op mij om de dwaasheden die
+ik u geschreven heb, en antwoord mij met een verstandig woordje,
+dat gekruid is met goedheid, met Christelijke goedheid. Ik had er u
+al lang opmerkzaam op willen maken, dat het voor u gemakkelijker is
+in het Fransch te schrijven, terwijl ik de gedachten eener vrouw in
+het Fransch beter begrijp." [105]
+
+In de lente van dat zelfde jaar kwamen Fet en zijne vrouw, op hunne
+doorreis van Moskou naar hun landgoed, Tolstoi in Jasnaja Paljana
+bezoeken.
+
+In zijne _Herinneringen_ geeft Fet een verhaal van dit bezoek,
+en schetst tegelijkertijd op interessante wijze Tolstoi's tante en
+opvoedster, Tatjana Alexandrowna Jergalskaja.
+
+"Nadat wij eene warme en ruime matten kibitka hadden gekocht, waarvoor
+een paar flinke postpaarden werden gespannen, gingen wij met een
+kamermeisje (waaraan Tolstoi den verdichten naam Maria gegeven heeft)
+[106] naar Mtzensk. Van een' spoorweg was destijds nog geen sprake,
+maar van de langs den weg geplaatste telegraafpalen zei het volk,
+dat men daarover een draad zou spannen en er den wil uit Petersburg
+langs zou zenden.
+
+"Voor dien tijd waren wij al zóó eigen met graaf Tolstoi geworden,
+dat ik het als een groot verzuim zou hebben beschouwd niet een dagje
+bij hem op Jasnaja Paljana te gaan uitrusten. Daar werden mijne
+vrouw en ik voorgesteld aan eene charmante oude dame, Tolstoi's tante
+Tatjana Alexandrowna Jergalskaja, die ons met die goede, ouderwetsche
+vriendelijkheid ontving, welke het verblijf in een vreemd huis zoo
+aangenaam en aantrekkelijk maakt. Tatjana Alexandrowna verdiepte zich
+niet in herinneringen aan lang vervlogen tijden, maar leefde geheel
+met hare tegenwoordige omgeving mee.
+
+"Zij vertelde dat eenige dagen te voren Sergius Tolstoi uit Pirogoff
+bij hen geweest was, dat Nikolaas nog altijd met 'Marietje' in Moskou
+vertoefde, maar dat Leo's vriend D... er onlangs geweest was, en
+over de zenuwziekte van zijne vrouw geklaagd had.... In moeilijke
+quaestiën wendde tante zich altijd tot haar neef Leo, en legde zij
+zich ten slotte bij zijne meening neder. Op zekeren herfstdag reden
+beiden eens naar Toela, toen tante, die aandachtig uit het raampje
+van het rijtuig had gekeken, plotseling de vraag deed:
+
+"'_Mon cher Léon_, zeg mij eens, hoe schrijft men brieven met de
+telegraaf?'
+
+"'Toen heb ik,' verhaalde Tolstoi, 'mijne tante zoo eenvoudig mogelijk
+de werking van een telegraaftoestel uitgelegd,' na afloop waarvan
+zij had uitgeroepen: '_Oui, oui, je comprends, mon cher_.'
+
+"Ruim een half uur had tante hare oogen langs den draad laten dwalen,
+toen zij eindelijk verwonderd zeide:
+
+"'_Mon cher Léon_, hoe zit dat nu? Een half uur lang heb ik geen
+enkelen brief langs de telegraaf zien vliegen.'
+
+"'Somtijds,' zoo verhaalde Tolstoi ons, 'zit ik hier met tante eene
+maand lang, zonder bloedverwanten of kennissen te zien, totdat zij
+opeens, bij het opscheppen van de soep bij voorbeeld, met een opgewekt
+gezicht uitroept:
+
+"'_Mais savez-vous, mon cher Léon, on dit...._'"
+
+
+
+Wij zullen hier het tweede gedeelte van Tolstoi's herinneringen
+aanhalen, welke op die merkwaardige vrouw, Tatjana Alexandrowna, die
+zulk een grooten invloed op onzen schrijver heeft gehad, betrekking
+hebben.
+
+"Als ik aan de herfst- en lange winteravonden denk, gevoel ik dat
+die avonden vol zoete herinneringen voor mij zijn gebleven. Aan die
+avonden ben ik mijne beste gedachten, mijne beste gemoedsbewegingen
+verschuldigd. In een leuningstoel gezeten las ik, dacht, luisterde
+soms naar de gesprekken mijner tante met Natalie Petrowna of met het
+altijd goede en vriendelijke kamermeisje Loenetschka, wisselde eenige
+woorden met haar, en ging dan weer zitten lezen en denken. Die trouwe
+leuningstoel staat nu nog bij mij, maar is niet meer dezelfde; ook
+de sofa is veranderd waarop de goede oude Natalie Petrowna sliep,
+die bij mijne tante inwoonde, niet voor hulp, maar omdat zij geen
+onderkomen had. Tusschen de vensters, onder den spiegel stond de
+schrijftafel mijner tante, met potjes en schaaltjes die gevuld waren
+met zoetigheden, als honigkoeken en dadels, waarop zij mij van tijd
+tot tijd trakteerde. Bij het venster stonden twee leuningstoelen,
+en rechts van de deur een geborduurde ruststoel, waarop zij gaarne
+had dat ik des avonds ging zitten.
+
+"De groote bekoring van dit leven school in de afwezigheid van alle
+stoffelijke zorg, in de goede, duurzame verstandhouding tusschen alle
+personen van het gezin, welke door niets werd gestoord, en in het
+kalme, onbewuste voorbijgaan van den tijd. Toen had ik kunnen zeggen:
+'Wer darauf sitzt, der ist glücklich, und der glückliche bin ich.'
+
+"En werkelijk, ik was naar waarheid gelukkig als ik in dien stoel
+zat. Na een slecht leven in Toela, met kaartspel, zigeuners, jagen,
+dwaze pronkzucht en dergelijke, keerde ik huiswaarts en ging naar
+mijne tante. Volgens oud gebruik kusten wij elkaar de hand--ik hare
+fraaie, welgevormde, zij mijne onbehouwen, grove hand--en heetten
+elkander (ook weer volgens oud gebruik) in 't Fransch welkom. Daarna
+schertste ik eenige oogenblikken met Natalie Petrowna, en ging in den
+gemakkelijken stoel zitten. Mijne tante wist alles wat ik gedaan had,
+had er verdriet van, doch met de haar eigen minzaamheid en liefde
+verweet zij het mij nooit.
+
+"Ik ging op mijn stoel zitten lezen, denken, en luisterde naar hare
+gesprekken met Natalie Petrowna. Nu eens herdachten zij den ouden
+tijd of speelden een partijtje _patience_, dan weer wezen zij elkaar
+op voorteekenen of schertsten over het een en ander, en dan lachten
+de beide oudjes (vooral tante) met een grappig, kinderlijk lachje,
+dat ik dadelijk onder het lezen hoorde. Ik begon te vertellen dat de
+vrouw van een mijner kennissen haren man ontrouw was geworden, en zeide
+dat die man blij moest zijn van haar verlost te wezen. Daarop trok
+tante, die juist met Natalie er over sprak, dat een dief aan de kaars
+'gasten' beteekende, plotseling de wenkbrauwen samen en zeide, dat
+hare overtuiging steeds geweest was, dat de man zoo iets niet mag laten
+blijken, daar hij dan zijne vrouw geheel in het ongeluk stort. Hierna
+vertelde zij mij een treurig geval onder het dienstpersoneel, dat
+Loenetschka haar had meegedeeld. Na afloop daarvan las zij een'
+brief voor van mijne zuster Maria, die zij evenveel, zoo niet meer,
+liefhad als mij en sprak over het leed dat haar man, een eigen neef
+van tante, Maria had aangedaan: welk feit zij niet veroordeelde of
+gispte, doch betreurde. Eindelijk ging ik weer lezen, terwijl tante,
+in herinneringen verdiept, hare snuisterijen doorsnuffelde.
+
+"Hare voornaamste eigenschap, die onwillekeurig op mij is overgegaan,
+was hare verwonderlijke, algemeene goedheid jegens allen zonder
+onderscheid. Trots alle moeite kan ik mij uit mijn geheele leven geen
+geval herinneren, dat zij boos werd, een hard woord zeide of iemand
+veroordeelde, hekelde of berispte. Zij sprak goed over mijne andere
+tante, die haar bitter gegriefd had door ons van haar weg te nemen,
+en veroordeelde ook den man mijner zuster niet, die zich zeer slecht
+tegen Maria had gedragen. Zij was grootgebracht in het begrip dat er
+heeren en dienaren zijn, maar gebruikte hare heerschappij alleen om
+de menschen te dienen. Nooit heeft zij mij rechtstreeks mijn slecht
+leven verweten, ofschoon zij er verdriet van heeft gehad. Mijn broeder
+Sergius, dien zij ook hartelijk liefhad, heeft zij er evenmin een
+verwijt van gemaakt dat hij omgang hield met een Zigeunermeisje. De
+eenige zweem van boosheid op hem was, dat zij, als Sergius er in lang
+niet geweest was, zeide: 'Waar blijft onze Sergius toch?' terwijl
+zij hem anders meer vriendelijk 'Serjoscha' noemde. Nooit leerde
+zij met woorden hoe men leven moest, en zij hield ook niet van
+zedepreeken. Haar geheele zedelijke arbeid was de verbetering van
+haar eigen innerlijk; het uiterlijke gaf slechts daden te zien, of
+liever--want daden waren er niet--een geheel leven van rustige kalmte,
+zachtmoedigheid en stille, onopgemerkte liefde voor anderen.
+
+"Innerlijk verrichtte zij een werk van liefde, en daarom was zij steeds
+rustig en kalm. Deze beide eigenschappen van liefde en bedaardheid
+werkten onmerkbaar aanstekelijk op anderen, en gaven aan den omgang
+met haar eene eigenaardige bekoring.
+
+"De omstandigheid dat ik geen enkel geval ken, waarin zij iemand
+beleedigd heeft, is oorzaak dat ik ook niemand ken, die haar niet
+mocht lijden. Nooit sprak zij over zich zelve, nooit over godsdienst:
+hoe men gelooven moest, wat haar eigen geloof was en hoe zij bad. Zij
+geloofde in waarheid aan alles, maar verwierp alléén het dogma der
+eeuwige kwellingen, 'want,' zeide zij: '_Dieu, qui est la bonté-même,
+ne peut pas vouloir nos souffrances_."
+
+"Behalve bij Te Deum's en zielmissen heb ik nooit gezien hoe zij
+bad. Alleen kon ik uit de ongewone minzaamheid, waarmee zij mij
+somtijds toesprak, als ik haar 's avonds laat nog iets moest zeggen,
+nadat ik reeds goeden nacht gewenscht had, opmaken, dat ik de goede
+ziel bij het bidden gestoord had.
+
+"'Kom binnen, kom binnen,' placht zij dan te zeggen. 'Juist heb ik
+tegen Natalie Pretowna gezegd, dat Nikolaas nog wel bij ons zou komen.'
+
+"Dikwijls noemde tante mij bij mijn' vadersnaam en dat deed mij
+aangenaam aan, wijl het bewees dat de voorstelling, die zij zich van
+mijn' vader en mij gemaakt had, één was wat hare liefde voor beiden
+betrof. Op dit late uur was tante reeds in nachtoilet. Zij had een
+doek om hare schouders geslagen en hare kleine voetjes staken in
+pantoffels. In een dergelijk négligé vertoonde zich ook Natalie
+Petrowna.
+
+"'Ga zitten, ga zitten,' zei tante dan, als zij zag dat ik nog
+geen lust had te gaan slapen, of dat de eenzaamheid mij drukte. De
+herinnering aan die ongedwongen, late avondbezoeken is mij nog
+steeds lief.
+
+"Dan gebeurde het, dat Natalie Petrowna of ik iets grappigs zeiden,
+zoodat tante begon te lachen, waarmede Natalie Petrowna dadelijk
+instemde. En de beide oudjes lachten nog lang, soms zonder dat
+zij wisten waarom. Zij lachten als kinderen, omdat zij iedereen
+liefhadden en het hun goed was. Het was niet slechts die goedhartige
+liefde jegens mij, die mij verblijdde, maar ook die sfeer van liefde
+jegens allen, voor de aanwezigen en de afwezigen, voor de levenden
+en de afgestorvenen, en zelfs voor de dieren.
+
+"Komt de tijd dat ik een overzicht van mijn leven moet geven, dan
+zal ik meer van haar vertellen. Nu zal ik alleen van de stemming
+onder het volk--de boeren van Jasnaja Paljana--jegens haar spreken,
+die zich bij gelegenheid van hare begrafenis uitte. Toen wij tante
+door het dorp droegen, was er geen enkele van de 60 boerenwoningen,
+waar de bewoners niet naar buiten kwamen met het verzoek den stoet een
+oogenblik stil te doen staan en om de gebeden voor de afgestorvenen
+voor haar te bidden.--'Zij was eene brave barina [107], die niemand
+kwaad gedaan heeft,' zeiden allen. En daarom had men haar hartelijk
+lief. Lao Tsz' heeft gezegd, dat de waarde der dingen ligt in hetgeen
+zij _niet_ bezitten. Dit was ook op haar leven van toepassing, waarvan
+de waarde voornamelijk bestond in de afwezigheid van al wat slecht
+is. Inderdaad, in het leven van tante Tatjana Alexandrowna lag niets
+slechts. Dit laat zich zoo gemakkelijk zeggen, maar zoo moeielijk
+verwezenlijken! Ik heb ook maar één mensch gekend die zóó was!
+
+"Kalm is zij gestorven. Allengs sluimerde zij in en stierf, volgens
+haar wensch, niet in de kamer waar zij gehuisd had, om daar geen
+treurige herinneringen voor ons achter te laten.
+
+"Zij is heengegaan, bijna zonder iemand herkend te hebben. Mij heeft
+zij tot op het laatste oogenblik gekend, met een lachje op de lippen,
+dat haar gelaat deed stralen. Soms bewoog zij de lippen en poogde
+den naam Nikolaas uit te spreken, mij kort voor haar dood geheel
+vereenzelvigende met hem dien zij haar leven lang had liefgehad.
+
+"En die goede vrouw heb ik nog dat kleine genoegen geweigerd,
+dat haar de dadels en de chocolade verschaften, welke zij vroeg,
+minder voor zich zelve, dan om mij te trakteeren; ook heb ik haar
+de gelegenheid ontnomen nog wat geld te geven aan elk, die er haar
+om vroeg. Ik kan daar niet aan denken zonder een kwellend verwijt
+van mijn geweten. Lieve, beste tante, vergeef mij! Hadde ik in
+mijne jeugd maar het goede gekend, en op mijn ouden dag het goede
+kunnen doen,--ik bedoel niet het goede, dat ik mij in mijne jeugd
+heb onthouden, maar het goede dat ik anderen onthield,--dan had ik
+hun die reeds ten grave zijn gedaald het kwade niet gedaan!" [108]
+
+
+
+Ofschoon Tolstoi den zomer van het jaar 1858 niet geheel te Jasnaja
+Paljana doorbracht, maar voor eene poos naar Moskou ging, stelde hij
+meer en meer belang in het leven der boeren en deed hij pogingen om
+hun nader te komen.
+
+Fet haalt in zijne _Herinneringen_ een verhaal aan van Leo's broeder,
+dat op dien tijd betrekking heeft en met den fijnen humor, Nikolaas
+eigen, geschreven is.
+
+"Toen wij naar Leo Tolstoi vroegen, vertelde de graaf met zichtbaar
+welgevallen het volgende van zijn geliefden broeder:
+
+"'Leo,' zoo sprak hij, 'tracht zich met ijver aan de landelijke
+leefwijze en bezigheden te gewennen, waarmee hij, evenals wij allen,
+tot heden maar oppervlakkig bekend was. Ik weet echter niet, wat er
+van die pogingen terecht moet komen. Leo wil alles tegelijk doen,
+zonder iets van zijn ander werk te laten varen, zelfs de gymnastiek
+niet. Voor het venster van zijne studeerkamer heeft hij een rekstok
+laten maken. Natuurlijk heeft hij gelijk, dat hij zich losmaakt van
+de vooroordeelen, waartegen hij zoo te velde trekt. De gymnastiek
+zit zijn werkzaamheden niet in den weg, maar de dorpsschout ziet de
+zaak toch eenigszins anders in.--"Men komt," zegt hij, "bij den barin
+om een order te vernemen, maar de barin heeft zijn eene knie om den
+rekstok geslagen, hangt, in een rood buis, met het hoofd omlaag en
+zwaait heen en weer; zijne haren hangen neder en zwieren mee, zijn
+gezicht is bloedrood. Ik geef het iemand te doen om onder die kunsten
+orders van hem aan te hooren, en hem in 't gezicht te zien!"'
+
+"Leo heeft er schik in, als hij ziet hoe de arbeider Joefan met
+buitenwaarts gebogen armen aan het ploegen is. Joefan is voor hem
+het type van een krachtigen boerenarbeider, in den geest van Mikoela
+Seljaninowitsch. Dan slaat hij zelf de handen aan den ploeg, buigt
+de armen ook buitenwaarts en doet Joefan na." [109]
+
+
+
+Nadat Tolstoi zich in den zomer met zijn landgoed had bezig gehouden,
+zien wij dat hij zich ook met maatschappelijke zaken inliet.
+
+Tegen den herfst van het jaar 1858 had in Toela eene bijeenkomst plaats
+van den adel uit het geheele gouvernement, met het doel afgevaardigden
+te kiezen in het Comité van het Gouvernement Toela tot verbetering van
+het bestaan der boeren. Op deze vergadering deden 105 edelen, op grond
+van het verkiezingsreglement voor den adel, hetwelk hun toestaat hunne
+meening over de plaatselijke nooden en behoeften van hun gouvernement
+voor te dragen, den Maarschalk van Toela het volgende voorstel, ten
+einde het aan het oordeel van het Gouvernements-Comité te onderwerpen:
+
+"Zoowel ter verbetering van het bestaan der boeren, als tot waarborg
+van den eigendom der grondbezitters en tot zekerheid van beide
+partijen, achten wij, ondergeteekenden, het noodig den boeren niet
+anders de vrijheid te geven, dan onder toewijzing van eene zekere
+hoeveelheid land in erfelijk bezit. Voorts, dat de grondbezitters voor
+het door hen afgestane land volledige en eerlijke schadeloosstelling
+in geld ontvangen, volgens nader te bepalen financiëelen maatstaf,
+die geenerlei gedwongen betrekkingen tusschen de boeren en de
+grondbezitters na zich sleept,--welke betrekkingen de adel noodig acht
+af te breken." (Volgen de handteekeningen der 105 Toela'sche edelen,
+waaronder ook voorkomt die van graaf Leo Tolstoi, grondbezitter in
+het district Krapifka.) [110]
+
+
+
+In December 1858 had Tolstoi op jacht een avontuur, dat hem bijna
+het leven gekost had. Ziehier wat Fet daarvan verhaalt. [111]
+
+"Gromeka schreef den 15den December 1858:
+
+"'Overeenkomstig uw verzoek, haast ik mij u mee te deelen, waarde
+Afanasius Afanasijewitsch, dat ik dezer dagen, van omstreeks 18 tot
+20 dezer, op de berenjacht ga. Zeg aan Tolstoi, dat ik eene berin
+met twee éénjarige jongen heb gekocht en of, zoo hij lust heeft aan
+onze jacht deel te nemen, hij zoo goed wil zijn, tegen 18 of 19 dezer
+rechtstreeks bij mij in Wolotschok te komen. Hij behoeft volstrekt
+geen plichtplegingen te maken; ik zal hem met open armen ontvangen,
+en er zal eene kamer voor hem in orde worden gebracht. Indien hij
+niet komt, verzoek ik u mij tegen dien tijd bericht te willen zenden.
+
+"'Ik vermoed dat de jacht den 19den zal plaats hebben. Het zal dan
+het best en zelfs noodig zijn den 18den hier te wezen.
+
+"'Wil Tolstoi de jacht tot den 21sten uitstellen, meld mij dit dan;
+maar langer kunnen wij niet wachten.'"
+
+
+
+Om aan deze woorden nog meer kracht bij te zetten, kwam de bekende
+berendrijver Ostaschkoff Tolstoi bezoeken. Zijne verschijning onder
+de jagers kan het best vergeleken worden bij het dompelen van een
+gloeiend ijzer in water. Allen werden opgewonden en luidruchtig. Daar
+elken jager op de berenjacht de raad gegeven was twee geweren mee te
+nemen, had Tolstoi mij mijn Duitsch tweeloops-geweer gevraagd, dat
+voor hagel bestemd was. Op den afgesproken dag begaven onze jagers
+(Leo zelf, benevens zijn broeder Nikolaas) zich naar het station van
+den Nikolajeff-spoorweg. Ter wille van de nauwkeurigheid zal ik hier
+woordelijk weergeven wat ik van Tolstoi zelf, en van de vrienden die
+hem op de jacht vergezelden, vernomen heb.
+
+"Toen de jagers, elk met twee geladen geweren gewapend, langs de open
+woudvlakte geposteerd waren, die door holle wegen als een schaakbord
+in vakken verdeeld was, werd hun de raad gegeven, de hooge sneeuw,
+die hen omringde, in een wijden kring vast te stampen, om zoodoende
+de meest mogelijke vrijheid van beweging te verkrijgen. Maar Leo,
+die bijna tot zijn middel in de sneeuw stond, achtte dien maatregel
+overbodig, omdat het doel toch was den beer te schieten en niet met
+hem te worstelen. Met dit oogmerk bepaalde de graaf zich er toe zijn
+geladen geweer tegen den stam van een boom te zetten, om, zoodra hij
+hieruit twee schoten gelost zou hebben, het weg te werpen en dan mijn
+Duitsch tweeloops te grijpen.
+
+"De reusachtige, door Ostaschkoff uit haar hol opgejaagde berin liet
+niet lang op zich wachten, en draafde, langs een der holle wegen die
+de woudvlakte kruisten, naar de ruimte waar de jagers stonden. Het
+toeval wilde dat deze holle weg uitkwam op dien, welke het dichtst
+gelegen was rechts van de plek waar Tolstoi op post stond, zoodat
+de graaf de nadering der berin niet kon opmerken. Mogelijk had het
+dier den jager, op wien het toesnelde, al vooraf geroken, althans het
+stormde eensklaps uit den tegenover liggenden hollen weg, verscheen
+onverwacht op de vlakte, op zeer korten afstand van Tolstoi, en draafde
+regelrecht op hem aan. Kalm legde de graaf aan, trok af, doch raakte
+het dier waarschijnlijk niet, want nog vóór de rook was weggetrokken,
+zag hij eene reusachtige, donkere massa voor zich, waarop hij bijna
+_à bout portant_ losbrandde. De kogel vloog het dier in den bek en
+bleef tusschen de tanden steken.
+
+"Doordien de graaf verzuimd had de omringende sneeuw vast te treden,
+kon hij zich niet zijwaarts wenden en evenmin mijn geweer grijpen,
+daar hij plotseling een hevigen stoot tegen de borst kreeg, die hem
+ruggelings in de mulle sneeuw deed tuimelen. In volle vaart stormde
+de berin over hem heen. 'Nu ben ik verloren,' dacht de graaf. 'Ik
+heb misgeschoten en kan niet voor de derde maal vuur geven.' Maar op
+hetzelfde oogenblik zag hij eene donkere massa boven zijn hoofd. Het
+was de berin, die na haren sprong onmiddellijk rechtsomkeert had
+gemaakt, en den schedel van den jager, dien zij door een stoot omver
+had geworpen, trachtte stuk te bijten. Daar Tolstoi weerloos op zijn
+rug in de diepe sneeuw lag, kon hij slechts passieven weerstand
+bieden. Het eenige wat hij dan ook deed, was het hoofd zoo diep
+mogelijk tusschen de schouders te trekken en zijne harige muts voor den
+muil van het dier te houden. Dank zij deze instinktmatige handeling,
+beet het dier tweemaal mis en gaf hem slechts een geduchten knauw,
+doordien het met de boventanden zijne wang onder het linkeroog
+openscheurde, en met de ondertanden de geheele linkerhelft van de
+schedelhuid aftrok.
+
+"Op dit hachelijke oogenblik snelde Ostaschkoff, die met eene korte
+ijzeren staaf in de hand voortdurend in de nabijheid was gebleven, met
+opgeheven armen en onder het gewone geroep van: 'Scheer je weg! Scheer
+je weg!' op de berin toe. Nauwelijks had het dier dien uitroep gehoord,
+of het pakte in allerijl zijne biezen, om, zooals men denken kan,
+den volgenden dag toch gegrepen en afgemaakt te worden.
+
+"Toen men Tolstoi op de been geholpen en zijn half ontveld en hevig
+bloedend gezicht behoorlijk verbonden had, waren zijne eerste woorden:
+'Wat zal Fet daar wel van zeggen!'
+
+"Ook nu nog ben ik trotsch op deze woorden." [112]
+
+
+
+Toen Tolstoi van dit ongeval eenigszins hersteld was, haastte hij
+zich zijne tante het voorgevallene mee te deelen.
+
+"In de eerste plaats groet ik u hartelijk; ten tweede haast ik mij u
+zelf van mijn ongeval in kennis te stellen, uit vrees dat u het anders
+met de noodige bijvoegingen uit den mond van anderen zult hooren.
+
+"Nikolaas en ik zijn op de berenjacht geweest. Den 20sten heb ik een'
+beer gedood; den 22sten zijn wij nogmaals op weg gegaan en is mij een'
+buitengewoon ongeval overkomen. Onverwacht wierp eene berin zich op
+mij; op zes pas afstands brandde ik mijn geweer los, doch ik miste bij
+het eerste schot. Bij het tweede trof ik haar doodelijk in den muil;
+niettemin sprong het dier op mij toe, gaf mij een' stoot, zoodat ik
+neertuimelde, en, terwijl de anderen toesnelden, beet het mij tweemaal:
+eens op het voorhoofd, de tweede maal onder het oog. Gelukkig heeft dit
+alles slechts 10 of 15 seconden geduurd. De berin ging op de vlucht,
+en ik werd op de been geholpen, met eene kleine wond, die mij niet
+mismaakt en zelfs geen pijn veroorzaakt. Noch het schedelbeen, noch
+het oog zijn beschadigd, zoodat ik er met een klein litteeken op het
+voorhoofd ben afgekomen. Ik ben op het oogenblik te Moskou en voel
+mij volmaakt gezond. Ik schrijf u de zuivere waarheid, zonder iets
+te verbergen, opdat u zich niet ongerust zult maken. Nu is alles
+voorbij en rest mij nog God te danken, die mij op zoo buitengewone
+wijze gered heeft." [113]
+
+
+
+Dit avontuur diende Tolstoi als thema voor zijn verhaal: _Een jacht
+die nog erger is dan gevangenschap_, dat in de _Leesboekjes_ werd
+opgenomen. In dit verhaal staan tal van merkwaardige bijzonderheden,
+die door Fet zijn weggelaten; maar wijl het in dien vorm zeer moeielijk
+is het zakelijke gedeelte der vertelling te onderscheiden van wat
+er door de fantasie is bijgevoegd, hebben wij aan de _Herinneringen_
+van Tolstoi's vriend en aan zijn eigen brief aan tante Tatjana, die
+meer aan ons doel beantwoordden, de voorkeur gegeven boven het door
+hem geschreven verhaal.
+
+De eerste maanden van het jaar 1859 bracht Tolstoi in Moskou door; maar
+in April ging hij naar Petersburg, waar hij tien dagen in gezelschap
+van zijne vriendin A. A. Tolstaja doorbracht. Van deze reis zijn hem
+de aangenaamste herinneringen bijgebleven.
+
+Op het einde van April ging hij weer naar Jasnaja Paljana, waar hij
+den geheelen zomer bleef.
+
+Gedurende dien zomer bezocht Tolstoi Toerghenjeff op zijne villa
+Spasskoje.
+
+Hoewel beide mannen elkander steeds met wederzijdsche achting
+behandelden, was de verhouding toch nog steeds koel.
+
+Niettemin had dit bezoek een gunstig en aangenaam verloop. Op 9
+October van hetzelfde jaar liet Toerghenjeff in een brief aan Fet
+zich aldus uit:
+
+"Onze dames zenden u hare beste groeten. Van Tolstoi heb ik een
+aangenaam bezoek gehad, en vriendschappelijk zijn wij gescheiden. Mij
+dunkt dat er tusschen ons geen misverstand kan bestaan, daar wij
+elkander duidelijk begrijpen en inzien, dat een intiem samengaan voor
+ons onmogelijk is. Wij zijn van te verschillende klei gemaakt."
+
+
+
+In Augustus reisde Tolstoi andermaal naar Moskou, waar hij den herfst
+doorbracht.
+
+Het jaar 1860 ging hij in onrustige stemming tegemoet.
+
+Het beheer van het goed, de druk van het eenzelvige leven, allerlei
+twijfel en pessimistische gevoelens bestormden zijn gemoed.
+
+Niettemin vond hij in den winter van 1859 op 1860 uitspanning en
+opbeuring in zijne scholen. In _Biecht_ schrijft hij over dien tijd
+het volgende.
+
+"Na mijn' terugkeer uit het buitenland vestigde ik mij op het land en
+kwam op het denkbeeld mij met de boerenscholen bezig te houden. Deze
+taak was bijzonder naar mijn' zin, wijl er niet dat leugenachtige
+in lag opgesloten, dat mij duidelijk was geworden en reeds bij
+het letterkundig onderwijs mijne aandacht had getrokken. Ook hier
+werkte ik in naam van den _vooruitgang_, maar nam tegenover dezen
+reeds het standpunt van den kritikus in. Ik zeide tot mijzelf, dat de
+_vooruitgang_ in enkele gevallen verkeerde resultaten had opgeleverd,
+en dat men zich eigenlijk tot de allereenvoudigste lieden, tot de
+boerenkinderen moet wenden en het geheel aan hunne vrije keus overlaten
+den weg van vooruitgang te kiezen, dien zij wenschen. In werkelijkheid
+draaide ik steeds om dezelfde onoplosbare quaestie heen, hierin
+bestaande, dat ik niet wist wat ik onderwees. In de hoogere sferen
+van letterkundigen arbeid had ik begrepen, dat men niet onderwijzen
+kan, zoo men niet weet wat men onderwijst, omdat ik gezien had, dat
+allen verschillend onderwijzen en bij hunne onderlinge twisten hunne
+onwetendheid voor zich zelven verbergen. Hier, in het geval van de
+boerenkinderen, dacht ik dat deze moeilijkheid te vermijden zou zijn,
+door aan de kinderen over te laten te leeren wat zij wilden. Nu vind
+ik het komisch, als ik er aan denk welke kunstgrepen ik gebruikt heb
+om mijn wensch--het onderwijzen--te vervullen, ofschoon ik in den
+grond van mijn hart overtuigd was, dat ik niet kon onderwijzen wat
+noodig was, daar ik niet wist wat ik daaronder moest verstaan."
+
+
+
+Dit bestendige gevoel van ontevredenheid over zich zelf, dit zoeken
+naar de reden van het bestaan, was steeds de werkende kracht, welke
+hem onweerstaanbaar voortdreef op den weg van zedelijken vooruitgang.
+
+
+
+In Februari 1859 werd Tolstoi gekozen als lid van het _Moskousche
+Genootschap van Vrienden der Russische Letterkunde_.
+
+Den 4den Februari 1859 had, onder praesidium van A. S. Chomjakoff,
+eene vergadering van dit genootschap plaats, waarop van de nieuw
+gekozen leden ook graaf Tolstoi tegenwoordig was, die, volgens
+de gebruiken van dit Genootschap, eene intreêrede hield, waarin
+hij, zooals in het protocol van het Genootschap gezegd wordt, "de
+quaestie besprak van de voorkeur van het bellettristisch element in
+de letterkunde boven al hare andere richtingen." Tot ons leedwezen
+hebben wij deze redevoering niet onder de oogen kunnen krijgen. In
+de verslagen van het genootschap luidt het, dat aanvankelijk besloten
+was deze redevoering in de werken van het genootschap af te drukken;
+doch later besloot men, aangezien de uitgaaf van deze werken niet
+plaats vond, de redevoering aan den schrijver terug te zenden, bij
+wien zij vermoedelijk onder oude papieren verloren is geraakt.
+
+Wij kunnen ons eenige voorstelling van die redevoering maken, zoo
+wij de loffelijke toespraak lezen, waarmede A. S. Chomjakoff haar
+beantwoordde en die wij hier in haar geheel laten volgen.
+
+"Het _Moskousche Genootschap van Vrienden der Russische Letterkunde_,
+dat u, Graaf Leo Tolstoi, onder het getal zijner werkzame leden
+heeft opgenomen, heet u met blijdschap welkom als medewerker op
+het gebied der zuivere bellettrie. Deze zuiver litteraire richting
+verdedigt gij in uwe redevoering, en stelt haar hoog boven alle
+andere tijdelijke en toevallige richtingen van letterkundigen
+arbeid. Zonderling zou het zijn, indien het Genootschap daarin
+niet met u sympathiseerde. Veroorloof mij, intusschen, te zeggen,
+dat de billijkheid der meening, welke door u met zooveel talent is
+uitgesproken, geenszins de rechten van het tijdelijke en toevallige
+op het gebied der taal te niet doet. Datgene wat altijd schoon
+en onveranderlijk is, als de grondwetten der ziel zelve, neemt,
+en moet ongetwijfeld innemen, de eerste plaats in de gedachten, de
+drijfveeren en dus ook in het gesproken woord der menschen. Dit en
+alléén dit wordt van geslacht op geslacht, van het eene volk op het
+andere overgedragen, als een kostbaar erfdeel dat steeds vermeerdert
+en nooit in vergetelheid geraakt.
+
+"Maar aan den anderen kant bestaat er, zooals ik reeds de eer
+had te zeggen, in de natuur van den mensch, zoowel als in die
+der maatschappij, eene duurzame behoefte aan overtuiging. De
+geschiedenis wijst op tal van belangrijke momenten, waarin die
+overtuiging bijzondere, onomstootelijke rechten verkrijgt en
+niet meerdere juistheid en scherpte in de maatschappelijke taal
+doordringt. Het toevallige en het tijdelijke in den historischen
+gang van het volksleven krijgt de beteekenis van het algemeene,
+het universeel menschelijke, omdat alle geslachten, alle volken de
+ziekelijke verzuchtingen en bekentenissen van een of ander geslacht
+of volk kunnen begrijpen en dat ook werkelijk doen. De rechten der
+bellettrie, die dienares van eeuwige schoonheid, vernietigen niet de
+rechten der overtuigende of bewijsvoerende letterkunde, welke steeds de
+maatschappelijke onvolmaaktheid vergezelt en soms heilzaam blijkt voor
+de maatschappelijke wonden. In de onverstoorde waarheid en harmonie
+der ziel ligt een oneindige schoonheid; maar ook in de boete, in het
+berouw, dat de waarheid hooghoudt en den mensch of de maatschappij
+naar zedelijke volmaaktheid drijft, ligt ware, verhevene schoonheid.
+
+"Sta mij toe hier bij te voegen, dat ik de meening van den, naar het
+mij voorkomt, eenzijdigen Duitschen aestheticus niet kan deelen. Wel
+is de kunst, de bellettrie, geheel vrij en vindt zij rechtvaardiging
+en doel in zich zelve, maar de vrijheid der kunst, als abstract
+begrip, staat in geenerlei betrekking tot het innerlijke leven van den
+kunstenaar. De kunstenaar is geen theorie, geen gebied van gedachten en
+gedachtenarbeid: hij is een mensch, steeds een mensch van zijn tijd,
+gewoonlijk de beste vertegenwoordiger er van, die hem met zijn' geest
+en met zijne rijpe of ontluikende neigingen doordringt. Wegens zijne
+ontvankelijkheid voor indrukken, zonder welke hij geen kunstenaar zou
+kunnen zijn, neemt hij--meer dan andere menschen--alle ziekelijke en
+ook blijmoedige aandoeningen der maatschappij waarin hij geboren is,
+in zich op. Doordien hij zich steeds aan het ware en schoone wijdt,
+weerspiegelt hij onwillekeurig door een woord, door den zin eener
+gedachte of voorstelling het actueele in zijn mengsel van waarheid,
+die eene reine ziel verblijdt, en van leugen, die de harmonische rust
+der ziel verstoort.
+
+"Zoo vloeien de twee gebieden, de twee afdeelingen der letterkunde,
+waarvan wij spraken, ineen; zoo wordt een schrijver, een dienaar van
+de zuivere kunst, somtijds bewijsvoerder, zonder dat hij het zelf weet,
+zonder zijn eigen wil en soms ook tegen zijn' wil. Ik neem de vrijheid
+u zelf, graaf Tolstoi, als voorbeeld te nemen. Gij volgt getrouw
+en standvastig een bewusten en bepaalden weg; maar zijt gij wel zoo
+geheel vreemd aan die richting, welke met den naam van overtuigende
+of bewijsvoerende letterkunde bestempeld wordt? Hebt gij niet eens
+in uw leven in het beeld van een teringachtigen boer, die te midden
+van een aantal kameraden, blijkbaar onverschillig voor zijn lijden,
+op zijne kachel sterft, de eene of andere maatschappelijke ziekte,
+de eene of andere ondeugd aangewezen? Hebt gij, bij het beschrijven
+van dien dood, geen leed gehad over die harde gevoelloosheid van
+goede, maar niet ontwaakte menschenzielen?... Ja--ook gij waart
+en zult onwillekeurig zijn: bewijsvoerder, beschuldiger! Ga met
+God op den wonderschoonen weg voort, dien gij u hebt gekozen. Ga
+voort met hetzelfde gunstige gevolg, waarmee ge tot heden bekroond
+zijt geworden,--of met nog glansrijker, want uwe gave is niet van
+voorbijgaanden aard, en niet spoedig uitgeput. Maar geloof vrij, dat
+in de letterkunde het eeuwige en artistieke steeds het tijdelijke en
+vergankelijke in zich opneemt, het vervormt en veredelt, en dat alle
+verschillende loten der menschelijke taal zonder ophouden samengroeien
+tot een enkel harmonisch geheel."
+
+
+
+Chomjakoff's voorspelling werd verwezenlijkt. Zonder nog te spreken van
+de beschuldigende elementen in alle geschriften der eerste periode,
+kwam Tolstoi 20 jaren later met zijne _Biecht_ en daarna met de
+aanwijzing van het kwade der tegenwoordige maatschappij voor den
+dag. En aan deze taak heeft hij zijne machtige kunstenaarsgaven gewijd.
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+TOLSTOI'S TWEEDE BUITENLANDSCHE REIS.
+
+
+In Februari van het jaar 1860 wendde Fet zich schriftelijk tot
+Tolstoi om hem raad te vragen in zake den aankoop van een stuk grond
+en om inlichtingen den landbouw betreffende. Tolstoi antwoordde
+hem uitvoerig, juichte zijn plan zeer toe, beloofde hem te zullen
+helpen en wees hem verschillende stukken grond aan. In dezen voor
+ons onbelangrijken zakenbrief, maakt hij tevens eenige opmerkingen
+over een paar werken van Toerghenjeff en Ostrowski.
+
+"Ik heb _Aan den Vooravond_ gelezen. Ziehier mijn oordeel. Verhalen
+schrijven is over 't algemeen nutteloos, maar vooral als het geschiedt
+door menschen, die pessimistisch zijn en niet goed weten wat zij
+in 't leven willen. Overigens is _Aan den Vooravond_ veel beter
+dan _Het adellijk Nest_. In het eerste zijn de met den geest van
+tegenspraak bezielde personen, de vader, de kunstenaar, uitstekend
+geteekend. De overige personen zijn geen typen, zelfs hun denken en
+hunne omstandigheden zijn niet typisch, hoogstens dood-alledaagsch. Dat
+is overigens altijd eene fout van Toerghenjeff. Het meisje is van 't
+begin af aan slecht geteekend: 'Ach, hoe bemin ik je.... Zij had lange
+wimpers....' Het heeft mij altijd verwonderd, dat Toerghenjeff met
+zijn groot verstand en dichterlijk gevoel zich niet van banaliteiten,
+die er soms zelfs zijn bijgesleept, kan onthouden. Het meest treft
+men die banaliteit aan bij zijne oppositie-menschen; hierin herinnert
+hij aan Gogol. Hij neemt geen aandeel in het lot van deze lieden,
+maar teekent hen als misgeboorten, waarvoor hij geen medelijden voelt
+en die hij bovendien nog beschimpt. Dat is te veel in tegenspraak met
+den toon en de gedachten, die Toerghenjeff overigens kenmerken. Dat
+was goed bij de ouderwetsche litteratuur en bij Gogol, waar ik nog
+bij moet voegen dat, indien men zijne onbeduidende personen niet kan
+beklagen, men hen moet uitschelden om een onzinnige reden, b.v. omdat
+het vandaag niet warm is, of uitlachen omdat zij buikpijn hebben;
+maar niet zooals de zwaarmoedige Toerghenjeff het doet. Men mag in
+'t algemeen niet zulke verhalen schrijven, zelfs niet als men zeker
+is van succes.
+
+"_Onweder_ van Ostrowski is volgens mijne meening een treurig werk,
+maar zal succes hebben. Ostrowski noch Toerghenjeff hebben schuld
+aan hun succes, maar de tijd waarin zij leven. Er zal nu geen mensch
+meer opstaan die in dat opzicht Boelgarin zal evenaren, maar daarom
+zal niemand de liefhebbers van het antieke, waartoe ook ik behoor,
+verhinderen om met ernst gedichten en verhalen te lezen en ze ernstig
+te bespreken. Toch hebben wij tegenwoordig iets anders noodig. Ons
+behoeft men niet meer te onderwijzen maar wij moeten Marfoetka en
+Taraska [114], iets, al is het maar weinig, meedeelen van hetgeen
+wij weten. En nu, leef wel!"
+
+Leo Tolstoi heeft inderdaad beslist, dat de mensch, die gezegend is
+met verstand en zich verrijkt heeft met wetenschap, in de eerste plaats
+verplicht is diegenen ervan te doen genieten, die dat ontberen. Daarom
+ook wijdt hij zijne vrije uren aan de volksschool.
+
+Op die wijze verliep de winter van 1859-'60. Ook las Tolstoi veel
+ernstige boeken, die hem op de volgende gedachten brachten.
+
+7 Februari. "Ik las over de degeneratie van het menschelijk verstand
+en van den hoogsten graad zijner ontwikkeling. Geheel machinaal gingen
+mijne gedachten naar het gebed.--Bidden.--Tot wien? Wat is het voor
+een God, dien men zich zoo duidelijk kan voorstellen, dat men hem
+kan vragen zich met ons in verbinding te stellen. Als ik mij God zoo
+voorstel, dan verliest Hij voor mij al het verhevene.
+
+"De God, dien men iets kan vragen, dien men kan dienen, is eene
+uiting van zwakheid van het verstand. Daarom is Hij God omdat ik mij
+Zijn wezen niet kan voorstellen. Neen, Hij is geen wezen; Hij is wet
+en kracht.
+
+"Moge deze bladzijde een monument blijven voor mijn vertrouwen in de
+kracht van 't verstand."
+
+Vervolgens las hij: _Vertellingen_ van Auerbach, _Reineke Fuchs_
+van Goethe. Ongeveer in dien tijd schreef hij:
+
+"Het is een vreemde godsdienst, die godsdienst van mij en van
+onzen tijd, het is de godsdienst van den vooruitgang. Men heeft
+eens den mensch gezegd, dat vooruitgang goed is. Zij is slechts eene
+afwezigheid van geloof, gepaard aan den drang naar een bewust werken,
+dat minder zwaar wordt door het geloof. De mensch heeft een drijfkracht
+noodig. Zoo is het."
+
+Deze gedachte kwam, zooals wij later zullen zien, tot hare volle
+ontwikkeling in zijne paedagogische werken en ook in de zelfontleding
+van zijn _Biecht_.
+
+De vrienden volgden met belangstelling Tolstoi's litteraire loopbaan
+en hadden een vriendelijke toegevendheid voor zijne "dwaasheden en
+zonderlingheden", zooals zij het noemden, terwijl zij grootendeels
+zijne diepgaande, innige gedachten niet begrepen.
+
+Zoo schreef o.a. Botkin 6 Maart 1860 aan Fet:
+
+"Uit een' brief van Toerghenjeff zag ik met genoegen, dat Tolstoi zich
+weer met zijn' roman uit den Kaukasus bezig houdt. Hoeveel dwaasheden
+hij ook doet, ik zal toch steeds zeggen, dat hij iemand is met groot
+talent, en iedere dwaasheid van hem heeft voor mij meer waarde,
+dan de verstandigste daden van vele anderen."
+
+In een' brief van Toerghenjeff aan Fet lezen wij:
+
+"En Leo Tolstoi gaat voort met zijne eigenaardigheden; dat is hem
+zeker aangeboren. Wanneer zal hij eens ophouden in de lucht te zweven
+en vasten bodem onder zijne voeten voelen."
+
+In den winter van 1860 bracht het echtpaar Fet een bezoek op Jasnaja
+Paljana, dat zij moesten passeeren als zij van hun landgoed naar de
+stad gingen.
+
+Van dit bezoek geeft Fet ons de volgende korte aanteekening:
+
+"Natuurlijk ontzegden wij ons het genoegen niet een paar dagen op
+Jasnaja te blijven, waar wij tot onze groote vreugde ook Nikolaas
+Tolstoi, een' hoogst sympathieken, verstandigen man, aantroffen. Wat
+hebben wij niet een plannen gesmeed in die paar dagen, dat ik met
+hem samen was! Niemand van ons dacht er aan, dat geen van die plannen
+verwezenlijkt zou kunnen worden."
+
+Verder vertelt Fet van een bezoek, dat Nikolaas hem bracht:
+
+"In 't begin van Mei kwam Nikolaas Tolstoi ons eens opzoeken. Zijne
+zuster had hem aangeraden met de broers in 't buitenland genezing
+te gaan zoeken voor zijn hardnekkigen hoest. Hij zelf nam niet de
+minste notitie van zijne zwakke gezondheid, maar zijne magerheid,
+zijne bleeke gelaatskleur en vooral de driftbuien, teringlijders
+zoo eigen, wezen, ondanks zijne opgeruimdheid en zijn prettigen,
+vroolijken lach, op de aanwezigheid van die ziekte. Ik weet nog hoe
+boos hij zijne hand terug trok, toen de koetsier die wilde grijpen
+om haar te kussen. Den man zelf deed hij geen verwijten, maar toen
+wij naar de paarden gingen kijken, zeide hij tegen Borisoff en mij:
+'Hoe komt die ezel er bij mij plotseling de hand te willen kussen;
+dat is nog nooit gebeurd.'"
+
+Wij achten het niet overbodig, hier de karakterschets te laten volgen,
+die Fet van dezen broeder heeft gegeven.
+
+"Graaf Nikolaas Tolstoi kwam bijna iederen avond bij ons en bracht dan
+eene prettige gezelligheid mee, die zich niet met een paar woorden
+laat beschrijven. Hij droeg toen nog altijd zijn uniform. Men
+behoefde zijne magere handen, zijne groote verstandige oogen en
+zijne ingevallen wangen maar aan te zien om te weten, dat deze goede,
+geestige man eens het slachtoffer zou worden van de onverbiddelijke
+tering. Het is jammer, dat deze buitengewone persoonlijkheid, die door
+al zijne kennissen werd verafgood, in den Kaukasus de in het leger zeer
+verspreide gewoonte had aangenomen van veel te drinken. Men zegt het
+althans, maar ik, die in den korten tijd dat ik hem kende, dikwijls
+met hem op jacht ging, waar hij natuurlijk veel meer gelegenheid had
+tot drinken dan op een familieavondje, kan verklaren nooit een spoor
+van dronkenschap bij hem te hebben waargenomen.
+
+"Hij zat altijd in een' leuningstoel, dien wij bij de tafel hadden
+geschoven, en dronk een paar kopjes thee met een weinig cognac. Men
+moest hem, bescheiden als hij was, meestal aan het praten brengen,
+maar was hij eenmaal begonnen, dan bracht hij in het gesprek al dien
+fijnen humor, waarover hij zoo rijkelijk kon beschikken. Hij hield
+heel veel van zijn jongsten broer Leo, maar kon toch niet nalaten
+diens aristokratische manieren te bespotten. Schijn kon hij steeds van
+waarheid onderscheiden en met dezelfde ironie ontleedde hij de hoogste
+zoowel als de laagste Kaukasische kringen. Ook oompje Jepischka,
+de bekende jager en oud-geloovige (in _de Kozakken_ voorkomende
+onder den naam van Jeroschka), werd door hem gezien en begrepen,
+zooals alleen een kunstenaar dat kan."
+
+Nikolaas Nikolajewitsch schreef weinig. _Herinneringen van een Jager_
+is het eenige verhaal dat tot ons is gekomen. Het werd indertijd
+opgenomen in den _Sawremjennik_.
+
+Garschin geeft in zijne _Herinneringen aan Toerghenjeff_ diens meening
+over Nikolaas Tolstoi:
+
+"De lijdzaamheid, die Leo Tolstoi in theorie ontwikkelde, vinden wij
+geheel terug in het wezen van zijn' broer Nikolaas.
+
+"Zijne woning was zoo bescheiden mogelijk, bijna een hutje, ergens
+in een afgelegen wijk van Moskou, en alles wat hij bezat deelde hij
+met de armen. Hij was een bijzonder aardig prater en verteller, maar
+schrijven was hem eene bijna physieke onmogelijkheid. Het opstellen van
+een' brief kostte hem evenveel moeite als den eenvoudigsten werkman,
+wiens ruwe, verwerkte vingers de pen niet kunnen vasthouden."
+
+Tot groote, maar korte vreugde van al zijne vrienden besloot Nikolaas
+Tolstoi eindelijk naar het buitenland te gaan.
+
+Toerghenjeff, die bijzonder veel van hem hield en die zich zeer
+ongerust maakte over zijne gezondheid, schreef naar aanleiding daarvan
+uit Soden aan Fet:
+
+"Hetgeen gij mij van Nikolaas' gezondheid schreeft, heeft mij zeer
+getroffen. Kan het waar zijn dat die brave, lieve man zou moeten
+sterven. Waarom heeft hij niet eerder zijne traagheid overwonnen om
+in 't buitenland genezing te zoeken? Hij ging toch ook wel naar den
+Kaukasus in een reiswagen en de duivel mag weten in welke voertuigen
+nog meer. Kwam hij maar naar Soden! Hier ontmoet ge bij iederen stap
+borstlijders. Ik spreek met u op een afstand van duizenden wersten,
+alsof mijne woorden zouden kunnen helpen.... Als Nikolaas nog niet
+vertrokken is, dan zal hij het nooit doen... En zoo slaat ons allen
+het noodlot."
+
+In het postscriptum schrijft hij nog eens:
+
+"Zoo Nikolaas nog niet vertrokken is, pak hem dan in zijn kraag en
+sleep hem over de grenzen. De lucht is hier zoo zacht als gij het in
+Rusland nergens vindt."
+
+Tolstoi maakte zich natuurlijk ook zeer ongerust over de ziekte
+van zijn' broer. De volgende brief aan Fet, in dien tijd geschreven,
+spreekt van die bezorgdheid en ook vinden wij daar eenige raadgevingen
+op landhuishoudkundig gebied:
+
+"...Wanneer ik geheel geloof had kunnen schenken aan uw' brief zou ik
+er niet trotsch op geweest zijn, maar had hij mij verdriet gedaan. Gij
+zijt een schrijver en blijft een schrijver. Gave God, dat wij allen
+konden schrijven zooals gij! Maar dat gij een stuk grond wilt koopen
+en daar wilt gaan werken als een mier, dat is eene prachtige gedachte,
+die gij ook ten uitvoer moet brengen en dan beter dan ik. Gij moet
+het doen omdat gij een goed mensch zijt, met een helderen blik op
+het leven. Overigens ben ik op het oogenblik niet de persoon om u op
+een' meesterachtigen toon mijne goedkeuring te schenken. Ik leef in
+tweestrijd met mijzelf. Mijne werkzaamheden op mijn landgoed drukken
+mij en ik ben niet met hart en ziel bij het 'Joefanstwo.' [115] Verder
+nemen huiselijke zorgen, de ziekte van Nikolaas, van wien ik sedert
+hij in het buitenland vertoeft niets gehoord heb, en het vertrek van
+mijne zuster mij geheel in beslag. Mijn ongetrouwd leven, het gemis van
+eene vrouw en de vrees dat het te laat is om dat te herstellen hinderen
+mij ook. Het gaat tegenwoordig in 't algemeen niet goed naar mijn zin.
+
+"Daar mijne zuster hulp noodig heeft en ook omdat ik naar
+Nikolaas verlang zal ik morgen werk maken van een' buitenlandschen
+pas. Misschien reis ik met haar mee. Ik doe het zeker als ik geene of
+slechte berichten van hem krijg. Wat zou ik je nog graag eens willen
+zien vóor ik vertrek! Ik had je nog zooveel te vragen en te vertellen,
+maar--dat is nu niet mogelijk. Wanneer deze brief vroeg genoeg aankomt
+zult gij er uit zien dat wij Donderdag, uiterlijk Vrijdag op reis
+gaan. En nu over uwe plannen. De prijs, dien men u genoemd heeft, is
+niet te hoog en als de plaats u aanstaat, dan moest gij den grond maar
+koopen. Maar waarom zoo veel? Ik weet uit eigen ondervinding dat, zoo
+gij er voordeel van wilt trekken, gij niet meer dan 60 desjatin moet
+hebben, d.w.z. vier stukken land ieder van 10 à 15 desjatin. [116]
+Sla dezen raad niet in den wind. Het zijn geen losse praatjes, waar
+ik mee aankom, ik heb zelf leergeld betaald. Wie het u anders gaat
+vertellen, die liegt of hij weet het niet. Ook nu reeds zult gij al
+uwe krachten moeten inspannen, maar uwe moeite zal beloond worden. Het
+is de aangenaamste bezigheid die er bestaat, d.w.z. wanneer het land
+niet te groot is, want in dat geval moet gij werken als een postpaard
+en bereikt niets. Ik heb geen woorden genoeg om mijne spijt uit te
+drukken, dat ik niet eerder heb geschreven. Gij waart dan zeker nog
+bij ons gekomen. En nu vaarwel! Doe mijne hartelijk groeten aan Maria
+Petrowna en aan Borisoff."
+
+
+
+De litteraire werkkracht van Tolstoi, en ook van Fet, begon in dezen
+tijd te verslappen. Tolstoi gaf zich over aan innerlijke beschouwingen
+en er ontstond een stilstand in zijn werk. Maar nu schreef Droezjinin
+elk der beide vrienden een' overtuigenden brief om den lust tot
+schrijven weer bij hen op te wekken. Belangrijk vooral is die aan
+Tolstoi:
+
+"Ik haast mij u te antwoorden op uw schrijven en ook, zooals gij
+waarschijnlijk wel zult raden, op hetgeen gij mij meedeelt over
+uwen litterairen arbeid. Bij iederen schrijver komen oogenblikken
+van twijfel en ontevredenheid, maar hoe sterk, hoe gewettigd die
+ook mogen zijn, niemand nog heeft daarom het schrijven voor goed
+opgegeven. Bij alles wat gij doet, het zij goed of kwaad, hebt gij
+steeds eene groote vasthoudendheid getoond; daarom moet gij meer dan
+iemand anders nadenken voordat gij het werk neerlegt.
+
+"Bedenk toch, na poëzie en na hersenarbeid is alle andere bezigheid
+niets. _Qui a bu veut boire._ U op dertigjarigen leeftijd van uwen
+litterairen arbeid terug te willen trekken staat gelijk met het
+verlies van de helft der belangstelling die gij voor 't leven gevoelt.
+
+"Maar--dat is nog niet alles. Op ons allen rust de verantwoordelijkheid
+voor goede litteratuur te zorgen, iets waaraan het Russische
+publiek zoo zeer behoefte heeft. De Engelschman en de Amerikaan
+kunnen terecht lachen omdat in Rusland eene vertelling van honderd
+bladzijden (waarmee een landeigenaar, met een goed van 2000 zielen,
+zich maanden heeft bezig gehouden), door het publiek verslonden wordt
+en een' geheelen dag het onderwerp van gesprek vormt. Wat men in het
+buitenland dilettantisme noemt, wordt bij ons reeds als iets bijzonders
+beschouwd. Bij ons is het zoo. Eene vertelling wordt gelezen om zich er
+mee te amuseeren. Deze laagste soort van kunstuiting kan twee bronnen
+hebben: òf zij is geschreven door iemand die ons niets te vertellen
+heeft, òf zij is de stem van den eenigen vooruitstrevenden man in
+het Tsarenrijk. Wij b.v. kennen de zwakke zijde van Toerghenjeff,
+maar met dat al ligt er nog eene zee tusschen zijne niets beduidende
+vertellingen en de beste romans van Eugénie Toer met haar half
+talent. Het Russische publiek, dat zich door een eigenaardig gevoel
+laat leiden, kiest zich vier of vijf schrijvers als leidslieden en
+wenscht verder niets te weten. Gij zijt door uw talent, door uwe
+schitterende geestesgaven en door een' samenloop van omstandigheden
+een gunsteling van het publiek geworden. U aan den arbeid onttrekken
+moogt gij dus niet; integendeel, gij moet werken met al de kracht die
+in u is. En nu is er nog iets: gij zijt lid van den zooveel mogelijk
+eerlijken, invloedrijken, onafhankelijken kring, die reeds sedert
+tien jaren (ondanks de fouten die misschien haar leden aankleven)
+het vaandel hoog houdt van liberalisme en vooruitgang, en onder den
+druk der vervolging den smaad draagt, zonder ooit eene laagheid te
+hebben begaan. De kring is, ondanks de geringe tegemoetkoming, de
+weinige beschaving van het publiek en het neerzien op de litteratuur in
+'t algemeen, een moreele kracht geworden. 't Is waar, hij heeft ook
+middelmatige, onbeduidende leden, maar in verbinding met de anderen
+presteeren die toch ook iets en zijn zij niet geheel nutteloos. In
+dien kring nu zijt gij, hoewel gij nog slechts kort lid zijt, één
+dergenen die zich eene stem hebben verworven, hetgeen b.v. Ostrowski
+met zijn groot talent, en die moreel even hoog staat als gij, niet is
+gelukt. Eene verklaring hiervoor te zoeken zou ons te ver voeren en ook
+niets aan de zaak afdoen. Indien gij u nu uit dien kring terugtrekt,
+een leven van nietsdoen gaat lijden, dan zult gij u ten eerste vervelen
+en ten tweede geene rol meer spelen op het wereldtooneel.
+
+"En nu breek ik af omdat mijn papier vol is. Wanneer mijne gedachte
+tot u spreekt, dan zult gij haar zelf uitwerken en ontwikkelen."
+
+Tot Fet wendde hij zich met denzelfden vriendelijken raad.
+
+
+
+"Waarde en hooggeachte Afanasie Afanasjewitsch!
+
+"Uwe mededeeling dat gij niets meer schrijven wilt of laten drukken
+beantwoord ik op dezelfde wijze als ik het Tolstoi gedaan heb. Indien
+gij niets goeds te schrijven hebt, blijf dan bij uw voornemen, doch
+zoo gij den drang tot schrijven voelt, zal een ander u daartoe niet
+behoeven aan te zetten.
+
+"Het is niet mogelijk, al heeft men duizend eeden gezworen, goede
+gedichten of goede boeken voor zich te houden, en daarom moest gij het
+ook maar niet probeeren. De beide laatste jaren was het u en Tolstoi
+onmogelijk iets te scheppen, en gij hebt beiden goed gedaan een' tijd
+lang te rusten. Zoodra echter uw geest zal ontwaken, zult gij, zoowel
+als Tolstoi, u weer willen uiten. Doe daarom geen gelofte, vooral
+niet omdat niemand er u naar vraagt. Het eenige, dat ik niet goed vind
+in uw besluit, is dat gij en Tolstoi, zoo ik mij niet vergis, u boos
+hebt gemaakt, hetzij op het publiek hetzij op de litteratuur. Wanneer
+iedere schrijver beleedigd zou zijn door eene zekere koelheid of door
+een schimpartikel, dan zou niemand meer schrijven behalve misschien
+Toerghenjeff, die nu eenmaal de kunst verstaat een allemansvriend te
+zijn. Wanneer men in de letterkundige wereld met slijk gooit, dan
+is dat volgens mijne meening ongeveer hetzelfde, als dat het paard
+dat gij berijdt iets onbehoorlijks doet, terwijl uw hoofd vervuld is
+van poëtische gedachten. Hier kan ik nog bijvoegen, dat men mij heeft
+uitgescholden zooveel als ik maar kon verlangen, en het heeft mij nog
+niet eens mijn' eetlust bedorven. Integendeel, ik vond het een groot
+genoegen mij schrap te zetten, en ik zal natuurlijk steeds doorgaan met
+schrijven, totdat ik gezegd heb wat ik vind dat gezegd moet worden."
+
+Met zijne veronderstelling, dat het stilzwijgen der beide vrienden aan
+een zekere koelheid van het publiek moest worden toegeschreven, heeft
+Droezjinin zich echter vergist. Al heeft die koelheid misschien ook
+bestaan, de reden van hunne werkeloosheid lag toch ergens anders. Het
+was, dat beiden voelden dat er geen geestelijke band bestond tusschen
+den schrijver en de lezers. De schrijvers wisten niet wat zij moesten
+schrijven en het publiek, vertegenwoordigd in de persoon van den
+kritikus, niet wat het van hen kon verwachten.
+
+Deze rusttijd hield aan, totdat eene plotselinge gebeurtenis een
+heftigen indruk maakte op hun gevoel of hun verstand en hen weer aan
+den arbeid riep.
+
+Keeren wij nu tot de ziekte van Nikolaas Tolstoi terug. Op weg naar
+het buitenland schreef deze uit St.-Petersburg aan zijn' vriend Fet:
+
+
+
+"Lieve vrienden Afanasie Afanasjewitsch en Iwan Petrowitsch!
+
+"Ik kom mijne belofte nog vlugger na dan was afgesproken. Ik
+wilde u uit het buitenland schrijven en nu doe ik het reeds uit
+St.-Petersburg. Wij vertrekken morgen, d.w.z. Zaterdag. Ik heb dokter
+Z.... geconsulteerd. Hij is een Petersburger en geen Berlijner,
+zooals ik uit den brief van Toerghenjeff had opgemaakt. Hij stuurde
+mij naar de badplaats waar Toerghenjeff zich tegenwoordig ook bevindt,
+nl. Soden. Mijn volgend adres is Frankfurt am Main."
+
+Fet ontving den tweeden brief uit Soden.
+
+"Ik heb niet eerst op antwoord gewacht, maar wil u even melden, dat
+ik goed en wel in Soden ben aangekomen. Men heeft echter bij mijne
+aankomst geen kanonschoten gelost. Wij troffen hier Toerghenjeff,
+die leeft en gezond is, zelfs zóó gezond, dat hij zelf verklaart
+'geheel gezond' te zijn. Hij vond hier eene Duitsche jonge dame, die
+hij het hof maakt. Wij (dit is voor Iwan Petrowitsch bestemd) hadden
+ons voorgenomen te gaan schaken, maar tot nu toe is er nog niets van
+gekomen. Hij denkt aan zijne Duitsche en ik aan mijn herstel. Want
+nu ik dezen herfst opoffer, wil ik den volgenden kranig voor den dag
+komen. Soden is een heerlijk plekje. Ik ben hier nog niet eens eene
+week en voel mij reeds veel beter. Wij, Sergius en ik, bewonen drie
+kamers voor twintig gulden in de week; table d'hôte à één gulden,
+wijn is verboden. Een eenvoudig plaatsje dus, zooals ge ziet,
+maar mij bevalt het heel goed. Voor mijn venster staat een heel
+gewone boom, maar in de takken zit iederen avond een vogeltje te
+zingen. Dat herinnert mij aan het huisje in Nowosjelka. Doe mijne
+groeten aan Maria Petrowna; houdt u goed, lieve vrienden, en schrijft
+mij dikwijls. Ik denk lang in Soden te blijven, minstens een week
+of zes. Op weg hierheen heb ik niet geschreven omdat ik den geheelen
+dag ziek was. Nogmaals vaarwel!"
+
+Leo Tolstoi schreef reeds 28 Juni 1860 uit Moskou aan Fet, dat
+hij had besloten zijne zuster naar het buitenland te begeleiden,
+en vroeg hem in verband met deze reis eenige huishoudelijke zaken
+(naar de paarden zien, enz.) voor hem te willen regelen.
+
+Den 3den Juni vertrok hij met zijne zuster Maria Nikolajewna en hare
+kinderen per stoomboot uit Petersburg naar Stettin en vervolgens
+naar Berlijn.
+
+De ziekte van zijn' broer was niet bepaald de aanleiding voor Tolstoi's
+reis, maar heeft die slechts verhaast. Reeds lang was hij van plan
+zich in Europa op de hoogte te gaan stellen van hetgeen men daar voor
+de volksopvoeding deed.
+
+"Nadat ik mij een jaar met de scholen had bezig gehouden," zegt
+Tolstoi in zijne _Biecht_, "vertrok ik voor de tweede maal naar het
+buitenland, om te leeren hoe ik het aan moest leggen anderen iets te
+leeren, terwijl ik zelf niets wist."
+
+Of zijn arbeid vruchten zou dragen, kon hij eerst na twintig jaren
+beoordeelen, maar op het oogenblik wierp hij zich met hart en ziel
+op de studie.
+
+De ziekte en naderhand de dood van zijn' broer brachten geene
+verandering in zijne plannen, maar deelden zijne reis in twee
+helften. Wij zullen trachten een geregeld overzicht te geven van
+zijne werkzaamheden. [117]
+
+Tolstoi kwam dus met zijne zuster in Berlijn, waar hij eenige dagen
+bleef, terwijl zij doorging naar Soden.
+
+Hier bezocht hij de universiteit, waar hij eenige college's over
+geschiedenis, natuurkunde en physiologie bijwoonde en een' avondcursus
+volgde in een "Handwerkerverein." De populaire voordracht, gehouden
+door een' beroemden professor, interesseerde hem in hooge mate en
+vooral de daarmede verbonden debatten wekten zijne belangstelling
+op. Deze wijze van volksopvoeding was voor Tolstoi iets geheel
+nieuws. Hij was zeer verbaasd over de vlugheid en vrijheid van
+gedachtenwisseling tusschen een van de voornaamste vertegenwoordigers
+der wetenschap en het volk.
+
+Sedert dien tijd zijn er reeds meer dan veertig jaren verloopen, en
+nog steeds greep Rusland dit eenvoudige middel om het volk op te voeden
+niet aan. Nog steeds maakt de geestelijke zoowel als de staatscensuur
+de toepassing van deze eenvoudige wijze van volksopvoeding onmogelijk.
+
+Ten slotte bezocht Tolstoi nog de gevangenis in de wijk Moabit,
+waar juist een nieuw strafsysteem, de eenzame opsluiting, was
+ingevoerd. Deze wijze van straffen maakte natuurlijk geen' gunstigen
+indruk op Tolstoi.
+
+Den 14den April vertrok hij uit Berlijn, bleef één dag in Leipzig,
+waar hij een school bezocht, om vervolgens door de Sachsische Schweiz,
+die hij bijzonder mooi vond, naar Dresden te reizen. Hier maakte hij
+kennis met Auerbach, den schrijver van vele bekende volksverhalen.
+
+De Amerikaansche schrijver Schyler vertelt in zijne _Herinneringen
+aan Graaf L. N. Tolstoi_ het volgende van deze ontmoeting.
+
+"Ik herinner mij dat ik, Tolstoi eens met het in orde brengen van
+zijne bibliotheek helpende, opmerkte dat de volledige verzameling
+der werken van Auerbach eene eerste plaats op eene eerste plank had
+gekregen. Tolstoi gaf mij de twee deelen van _Ein neues Leben_, om
+ze, als ik naar bed ging, eens door te lezen. 'Aan dezen schrijver,'
+voegde hij erbij, 'heb ik het te danken, dat ik scholen voor mijne
+boeren heb opgericht en dat mijne belangstelling is opgewekt voor
+hunne ontwikkeling. Toen ik voor de tweede maal in Europa kwam en
+Auerbach een bezoek bracht kenden wij elkaar nog niet. "Ik ben Eugen
+Baumann," (de held uit een zijner verhalen) zeide ik en haastte mij,
+toen ik zag dat hij min of meer verlegen werd, er bij te voegen:
+"niet van naam maar in karakter." Daarop vertelde ik hem wie ik was,
+dat zijne werken mij tot nadenken hadden gebracht, en welk een goeden
+invloed zij op mij hadden uitgeoefend.
+
+"Het toeval," zoo vertelt Schyler verder, "voerde mij het volgend jaar
+naar Berlijn, waar ik in het gastvrije huis van den Amerikaanschen
+gezant Bancroft het genoegen had Auerbach te ontmoeten. Eens kwam
+het gesprek op Rusland en daardoor ook op Tolstoi, en herinnerde ik
+hem aan dat voorval.
+
+"'Ja,' zeide hij, 'ik weet nog heel goed hoe ik schrok, toen die
+vreemd uitziende heer mij zeide, dat hij Eugen Baumann was. Ik was
+n.l. bang dat hij mij van laster kwam beschuldigen.'"
+
+De Saksische scholen konden Tolstoi niet bevredigen. Den 19den Juli
+vertrok hij naar Kissingen, zoodat hij langzamerhand ook dichter bij
+zijn broer kwam. Onderweg las hij veel, o.a. ook over de geschiedenis
+der paedagogie.
+
+Den 5den Augustus 1860 schreef Tolstoi uit Kissingen aan zijne tante:
+
+
+
+"Ik heb u zoolang niet geschreven, lieve tante, omdat ik u niet alleen
+tijding van mijzelf wilde doen toekomen, maar ook van al de onzen. Ik
+wacht nu echter al tien dagen tevergeefs op bericht van hen. Maria
+en ik zijn in den besten welstand te Berlijn aangekomen en maar één
+dag zeeziek geweest.
+
+"In Berlijn ben ik met Maria en Warenka naar den bekenden dokter Traube
+geweest. Hij vond Maria volmaakt gezond en stuurde haar alleen voor
+haar' arm naar Soden. Warenka moet de zeebaden gebruiken, maar hart
+en longen zijn niet aangedaan. Voor mij oordeelt hij Kissingen het
+geschiktst. In Berlijn kreeg ik eene vreeselijke kiespijn, zoodat
+Maria eerst vier dagen later naar Soden vertrok. Wij ontvingen een'
+brief van de broers, waarin Nikolaas schreef dat het _schijnt_ dat zijn
+verblijf in Soden hem goed doet. Dát is alles wat ik van hem weet. In
+Berlijn heb ik tien aangename en nuttige dagen doorgebracht, maar de
+tandpijn heeft mij er vier bedorven. Voorzoover ik het beoordeelen kan
+na een verblijf van negen dagen, schijnt Kissingen goed te zijn voor
+mijne migraine. Ik heb hier Auerbach met zijne vreemde oogen ontmoet,
+wat ik heel prettig vond, en ook zijne vrouw met haar krijschende
+stem, hetgeen mij minder verheugde. Mijn adres is: Kissingen
+(Bavière). Ik hoop dat gij mij spoedig zult antwoorden. Vaarwel, ik
+kus uw handje. Zeg s.v.p. aan den opzichter, dat hij goed voor alles
+moet zorgen en schrijf mij eens over 't werk, den oogst, de paarden,
+en of er zieken zijn. Laat de onderwijzer mij op de hoogte houden van
+de schoolzaken, hoeveel kinderen er komen en of ze goed leeren. Ik
+kom ongetwijfeld tegen den herfst terug en ben van plan mij nog meer
+dan vroeger met het onderwijs bezig te houden. De goede reputatie
+van de school mag dus, nu ik er niet bij ben, niet verloren gaan,
+en er moeten zooveel mogelijk leerlingen worden aangenomen."
+
+Ook in Kissingen las Tolstoi zeer veel: op natuurkundig gebied Bacon,
+op godsdienstig Luther, terwijl Riehl's werken hem tot gids strekten
+bij de studie der staatswetenschap. Waarschijnlijk heeft hij zich ook
+met Herzen bezig gehouden, want in zijn dagboek vinden wij de in dien
+tijd neergeschreven aanteekening:
+
+"Herzen: geen helder verstand, eene ziekelijke eigenliefde, maar
+zijne goedheid, breede opvatting en elegante stijl zijn Russisch."
+
+In Kissingen maakte Tolstoi kennis met den Duitschen socioloog
+Jul. Fröbel, den schrijver van _Theorie der Politiek_, en met diens
+oom, den paedagoog Fröbel, den stichter van de kindertuinen.
+
+Fröbel was vol bewondering voor Tolstoi's scherpen blik en opvattingen,
+die geheel nieuw voor hem waren en volkomen in tegenspraak met zijn
+systeem.
+
+"Ruslands vooruitgang is slechts mogelijk," verklaarde Tolstoi,
+"wanneer de volksontwikkeling daarvan den grondslag vormt. Die
+volksontwikkeling heeft bij ons meer kans van slagen dan bij u in
+Duitschland, omdat het Russische volk nog geheel onbedorven is,
+terwijl men het Duitsche volk kan vergelijken met een' knaap, die
+eenige jaren eene verkeerde opvoeding heeft ontvangen."
+
+De volksontwikkeling moet volgens Tolstoi's meening niet verplicht
+zijn. Zal zij vruchten dragen, dan moet de drang naar weten zich zelf
+openbaren, zooals b.v. de honger zich zelf openbaart.
+
+Het grondbezit der boeren was een onderwerp dat hem ook zeer veel
+belang inboezemde; in hunne onderlinge samenwerking (het artèl) zag hij
+het beeld van den toekomststaat. Fröbel kon dikwijls een glimlach niet
+weerhouden als Tolstoi zijne meening uitte over het Duitsche volk. Dat
+hij b.v. in niet één boerenwoning de mooie _Dorpsvertellingen_ van
+Auerbach, noch de werken van Hebel had gevonden, bracht hem buiten
+zichzelf van verbazing. "Bij ons," zeide hij dan, "zouden de boeren
+tot tranen geroerd worden door zulke boeken."
+
+De indrukken, ontvangen door den omgang met Auerbach en Fröbel,
+versterkten hem nog in zijn voornemen om de plannen, die hem
+voor den geest zweefden, ten uitvoer te brengen. Fröbel vestigde
+Tolstoi's aandacht op de werken van Riehl, wiens denkbeelden zeer
+veel met de zijne overeenstemden; ijverig wijdde hij zich daarop aan
+de bestudeering van Riehl's _Natuurlijke Historie van het Volk_,
+als zijnde de grondslag van de Duitsche sociale politiek. Ook de
+geschriften van den paedagoog Fröbel werkte hij grondig door. Tijdens
+zijn verblijf in Kissingen maakte Tolstoi, daartoe aangelokt door de
+schoone natuur en de vele geschiedkundige herinneringen, verschillende
+grootere of kleinere uitstapjes in den omtrek. Hij ging naar den Harz,
+vertoefde eenige dagen in Thüringen, en van uit Eisenach bracht hij
+een bezoek aan den Wartburg.
+
+Tolstoi voelde zeer veel belangstelling voor Luther, den grooten
+Duitschen hervormer, die, brekende met de traditie, zijn zwaren
+strijd op den Wartburg heeft gestreden. Hij bezocht de kamer waar
+Luther gewoond heeft, en waar, voor het eerst, de woorden uit den
+Bijbel in de Duitsche taal werden neergeschreven.
+
+"Luther is groot," schreef Tolstoi na dat bezoek in zijn dagboek.
+
+
+
+Nikolaas Nikolajewitsch Tolstoi bevond zich, zooals wij weten, nog
+steeds in Soden. Den 19den Juli schreef hij aan zijn' vriend Fet:
+
+"Ik had u reeds eerder willen schrijven, lieve vriend, maar ik
+wilde u bericht zenden van de geheele Tolstoi-kolonie, hetgeen
+om de volgende reden echter niet kan geschieden: mijne zuster is
+met de kinderen naar Soden gekomen, waar zij een poosje voor hunne
+gezondheid blijven, maar oompje Leo zit in Kissingen, dat hier een
+uur of vijf vandaan ligt, en komt maar niet hierheen, zoodat ik hem
+nog niet heb gezien. Ik heb Sergius, die op zijne terugreis naar
+Rusland Kissingen heeft aangedaan, uw' brief meegegeven. Hij zal
+wel spoedig bij u zijn en u alle bijzonderheden vertellen. Vergeef
+het mij, beste Afanasie Afanasjewitsch, dat ik uw' brief aan mijn'
+broer heb gelezen. Er stond veel waars in, maar alleen daar waar
+gij in 't algemeen spreekt. Hetgeen gij van u zelf zegt is niet
+waar. Men kan zich zelf en zijn' kring niet beoordeelen, en daarbij
+ontbreekt het u aan praktijk. Verdiep u minder in theorieën, word
+practisch en dan ben ik overtuigd dat uwe laksheid zal verdwijnen
+en gij nog eens een werk zult schrijven, dat Toerghenjeff en ik
+en nog een paar anderen met genoegen zullen lezen. En de rest van
+'t menschdom draait gij den rug toe. Weet gij waarom ik zooveel
+van u houd, Afanasie Afanasjewitsch? Omdat gij zoo oprecht zijt en
+nooit holle frasen gebruikt, zooals b.v. onze dierbare en hooggeachte
+vriend Toerghenjeff. Toch is het mij heel eenzaam geworden sedert hij
+niet meer hier is, afgezien nog van het feit, dat de schaakclub is
+ontbonden. Zelfs mijn eetlust wordt minder sedert ik zijne gezonde,
+gezette gestalte niet meer tegenover mij zie en ik niet meer verplicht
+ben hem telkens het vleesch bij de worteltjes of de worteltjes bij het
+vleesch aan te reiken. Wij hebben het dikwijls over u gehad, vooral
+den laatsten tijd: 'Nu maakt Fet zich gereed om op reis te gaan,
+nu komt Fet,' enz. enz.... Toerghenjeff heeft zich een zwarten hond
+gekocht, een halfbloed panter. Ik drink geen bronwater meer en heb
+mij voorgenomen veel uitstapjes te maken. Mijn hoofdkwartier echter
+blijft Soden en het adres onveranderd."
+
+Van Nikolaas Tolstoi bleef ons zoo weinig litteraire arbeid, dat
+wij hier de enkele brieven laten volgen, die hij wisselde met zijne
+familie en met Dmitri Alexejewitsch Djakoff. Hoewel zij niet zeer
+belangrijk zijn, geven zij ons toch een' indruk van zijn vriendelijk,
+goedhartig karakter.
+
+Uit Soden schreef hij de familie Djakoff twee brieven.
+
+"Hebt ge mijn' brief uit St.-Petersburg ontvangen, beste vriend? Zoo
+ja, dan moet gij u schamen, dat gij er nog niet op hebt geantwoord. Ik
+hoop dat al de uwen gezond zijn, en schrijf mij nu in 's hemelsnaam
+of Darja Alexandrowna [118] ook naar het buitenland gaat. Waarheen
+en wanneer zij ook gaat, als ik het maar weet, dan reis ik haar
+dadelijk tegemoet. Bronwater drink ik niet meer, ik houd nu alleen
+maar rust. Mijne zuster is ook hier en denkt een week of vier te
+blijven. Mijn adres is: Soden, près de Francfort sur le Main, maison
+'Landlust'.
+
+"Met mijne gezondheid gaat het vooruit, hoewel ik nog niet geheel
+beter ben; waarschijnlijk kunnen wij hetzelfde van uw landgoed
+zeggen. Schrijf mij nu eens heel spoedig hoe het gaat, welke plannen
+gij hebt, enz. enz.... Leo is in Kissingen, Sergius is bij mij in
+Soden geweest, maar heeft al zijn geld verspeeld en is reeds weer
+naar Rusland terug. Waarschijnlijk is hij nu bij u.
+
+"Geheel de uwe, Graaf N. Tolstoi."
+
+
+
+"19 Juli. (Nieuwe stijl.)
+
+
+"Ik weet niet, Darja Alexandrowna, hoe ik u zal danken voor uw
+schrijven; gij hebt uwen buurman dus nog niet vergeten. Hoe gaat het
+met uwe gezondheid en hoe maakt Maschi het? Ik hoop dat wij elkaar van
+'t jaar nog zullen zien, en ik denk daaraan met groot genoegen. Gij
+hebt slechts te schrijven wanneer gij naar het buitenland gaat,
+waar gij u bevindt, en ik zal er zijn. Mijne zuster is ook in Soden
+en draagt mij op u te groeten. Wij schelden den geheelen dag op het
+weer--zomer is het hier niet geweest. Er is veel koude, regen en wind,
+en dat niet alleen in Soden maar in heel Europa. Laat u dat echter
+niet afschrikken. Kom maar en breng mooi weer mee.
+
+"Met de meeste hoogachting verblijf ik
+
+
+"Uw u toegenegen Graaf N. Tolstoi."
+
+
+
+
+En aan zijn' vriend:
+
+"Ik vrees, mijn beste Dmitri, dat deze brief u niet zal bereiken; zoo
+gij hem wel ontvangt, meld mij dan per omgaande, waar gij heen gaat
+en vooral, waar gij den herfst zult doorbrengen. Mijn adres blijft
+nog steeds Soden, omdat ik zelf niet weet waar ik heen zal gaan. De
+doktoren hebben mij druiven en een zacht klimaat voorgeschreven,
+twee dingen die dit jaar in Europa niet te vinden zijn. Mijne zuster
+laat u groeten.
+
+"Geheel de uwe N. Tolstoi."
+
+
+
+Nikolaas Tolstoi had eenige aangename weken met zijne zuster en hare
+kinderen in Soden doorgebracht, maar zijne gezondheid liet nog veel
+te wenschen over. De doktoren rieden hem eenstemmig een verblijf in
+Italië aan.
+
+Sergius Tolstoi was den 6den Augustus weer naar Rusland
+teruggekeerd. Natuurlijk maakte hij van de gelegenheid gebruik zijn'
+broer Leo in Kissingen op te zoeken, om hem tevens op de hoogte te
+brengen van den slechten staat der gezondheid van hun' broeder. Drie
+dagen later, juist op den dag dat Sergius weer vertrok, kwam Nikolaas
+zelf naar Kissingen. Gravin Tolstoi met de kinderen waren nog in
+Soden gebleven, waar Nikolaas zich spoedig weer bij hen voegde.
+
+Leo Tolstoi ging nog voor eenigen tijd naar den Harz, waar hij van
+de heerlijke natuur genoot en ook veel tijd aan lezen besteedde.
+
+Eindelijk, 26 Augustus, kwam hij in Soden, waar alles reeds voor
+de afreis gereed was, en den 29sten Augustus gingen de beide broers
+naar Frankfort.
+
+Waarschijnlijk had Tolstoi's sterke individualiteit haar stempel
+gedrukt op zijne geheele persoonlijkheid. In Dresden immers maakte hij
+Auerbach aan 't schrikken, en in Frankfort gebeurde iets dergelijks.
+
+Gravin Tolstoi vertelt ons daarvan:
+
+"Wij waren in Frankfort en Prins Alexander van Hessen met zijne gemalin
+brachten mij een bezoek. Plotseling ging de deur open en Leo, in een
+allervreemdst kostuum, dat herinnerde aan een' Spaanschen roover op
+een plaatje, verscheen op den drempel. Ik was stom van verbazing. Hij
+was blijkbaar niet zeer ingenomen met mijne gasten, want hij verdween
+zoo spoedig mogelijk.
+
+"'Qui est donc se singulier personnage?' vroegen mijne gasten.
+
+"'Mais c'est Léon Tolstoy.'
+
+"'Ah, mon Dieu, pourquoi ne l'avez-vous pas nommé. Après avoir lu
+ses admirables écrits, nous mourrions d'envie de le voir.'"
+
+Op advies van den dokter vertrok de geheele familie Tolstoi naar
+Hyères, een plaatsje aan de Middellandsche Zee.
+
+Nikolaas vond hier helaas ook geen baat en heeft er maar heel kort
+mogen wonen.
+
+Een paar dagen na hunne aankomst schreef Tolstoi een' brief aan zijne
+tante Tatjana, waaruit blijkt dat zij nog niet alle hoop op herstel
+hadden opgegeven:
+
+"De gezondheid van Nikolaas blijft nog steeds dezelfde, maar nu wij
+hier zijn hopen wij op beterschap, omdat zijne levenswijze in Soden,
+de reis en het gure weer hem meer kwaad dan goed hebben gedaan. De
+drie dagen die wij hier zijn hebben wij prachtig weer gehad, en men
+zegt dat het hier altijd zoo is. Maria heeft kennis gemaakt met eene
+prinses Galizina, die hier al negen jaren woont. Toen zij hier kwam
+was zij er veel slechter aan toe dan Nikolaas, en nu is zij eene
+volkomen gezonde, sterke vrouw." [119]
+
+Met de gezondheid van Nikolaas ging het echter meer en meer
+achteruit. Hij schreef eenige dagen vóor zijn' dood nog een' brief
+naar Parijs, aan zijn' vriend Djakoff, waarin hij zelf de opmerking
+maakt, dat zijne krachten hem verlaten. Ook was het reeds merkbaar
+dat zijne hand hare vastheid had verloren.
+
+"Ik schrijf je een paar woorden om je te laten weten waar ik ben. Mijne
+zuster en ik zullen den winter in Hyères blijven. Mijn en ook Leo's
+adres is: Mme Sénéquier, Rue du Midi. Naar Parijs gaan kan ik helaas
+niet meer. De reis is mij te vermoeiend, ik ben heel zwak. Schrijf mij,
+zoodra gij zijt aangekomen en dezen brief hebt gelezen, waar gij zijt,
+wat gij doet, enz. Nu het niet mogelijk is elkaar te zien moeten wij
+elkaar maar schrijven.
+
+"Geheel de uwe N. Tolstoi."
+
+
+
+Nikolaas Tolstoi stierf den 20 September 1860.
+
+Leo Tolstoi deelde zijne tante Tatjana in de volgende bewoordingen
+het sterfgeval mede.
+
+"Waarde Tante!
+
+"De zwarte rand om mijn brief zal u reeds alles gezegd
+hebben. Vanmorgen om negen uur is gebeurd hetgeen ik nu reeds twee
+weken ieder oogenblik verwachtte. Gisteren was het voor de eerste
+maal dat ik hem met het aankleeden mocht helpen. Vanmorgen voor 't
+eerst werd hij bepaald bedlegerig en vroeg om een' verpleger. Zijn
+bewustzijn heeft hij niet verloren. Een kwartier vóor zijn dood dronk
+hij nog een glas melk en zeide, dat hij zich beter gevoelde. Gisteren
+maakte hij nog grappen en toonde hij nog belangstelling voor mijne
+opvoedingsplannen. Zeer kort voor zijn' dood fluisterde hij eenige
+malen: 'mijn God, mijn God.' Ik geloof, dat hij zich zijn' toestand
+wel bewust was, maar hij wilde ons en zich zelf misleiden. Maria,
+die een paar wersten hier vandaan woont, was eenige uren van te voren
+weggegaan. Zij had het einde niet zoo spoedig verwacht. Ik heb hem
+juist de oogen toegedrukt. Spoedig zal ik bij u zijn en u alles
+vertellen... Vorstin Galizina heeft zich belast met de zorg voor
+de begrafenis, die hier zal plaats hebben. Vaarwel, lieve tante,
+troosten kan ik u niet. 't Is Gods wil! Ik schrijf Sergius nu niet;
+hij is waarschijnlijk op de jacht en gij alleen weet waar hij zich
+bevindt. Wees dus zoo goed het hem mede te deelen of hem dezen brief
+te sturen."
+
+Den dag na de begrafenis schreef hij zijn' broeder Sergius:
+
+"Je hebt zeker het bericht van Nikolaas' dood ontvangen. Het spijt
+mij voor je dat je niet hier waart. Hoe zwaar de slag ook is, het
+doet mij toch goed dat het in mijne tegenwoordigheid gebeurd is,
+en dat het sterfgeval mij heeft getroffen zooals het mij treffen
+moest. Niet zooals met Dmitri, wiens doodsbericht mij bereikte toen
+ik in 't geheel niet om hem dacht. Het waren onze jeugdherinneringen
+zoowel als onze bloedverwantschap die ons verbonden. Nu hebben wij een
+vriend verloren, dien wij meer liefhadden en achtten dan iemand op de
+wereld. Het is mij eene vreeselijke gedachte, dat ik de laatste tijden
+het egoïstische verlangen had: hoe eerder het afloopt hoe beter. Om
+mij maar geen last te veroorzaken, deed hij, ijverig en sterk van
+karakter als hij was, nog alles zelf. Den dag vóor zijn dood kleedde
+en wiesch hij zich nog zonder hulp, en toen ik 's morgens bij hem kwam
+zat hij reeds geheel gekleed in een' leuningstoel. Eerst negen uren
+vóor zijn' dood kon hij niet meer tegen de ziekte strijden, en vroeg
+hij mij hem bij het uitkleeden te helpen. Vroeger had ik mijne hulp
+niet aangeboden, omdat hij er niet van hield geholpen te worden. Nu
+voegde hij zich. Den geheelen dag was hij zacht gestemd, klaagde niet
+en prees iedereen. Tot mij zeide hij: 'dank je, mijn vriend.' Jij
+kunt begrijpen wat dat woord mij zegt. Ik vertelde hem, dat ik hem 's
+morgens had hooren hoesten, maar dat ik niet naar hem toe was gegaan,
+om hem niet te hinderen. 'Integendeel, het zou mij getroost hebben.'
+
+"Wat heeft hij geleden; maar geuit heeft hij het voor het eerst een
+paar dagen vóor zijn' dood. 'Vreeselijk, die slapelooze nachten! Tegen
+den morgen stik ik bijna van het hoesten. En zoo nog eenige nachten
+te moeten lijden!' Nooit heeft hij gezegd dat hij den dood voelde
+naderen; hij heeft het echter slechts niet uitgesproken. Op zijn'
+sterfdag bestelde hij nog een' nieuwen chambercloak, maar toen ik
+hem vertelde dat, indien hij niet beter was, Maria en ik niet naar
+Zwitserland zouden gaan, antwoordde hij: 'denk je dan werkelijk dat
+ik beter wordt?' De toon waarop dit gezegd werd, deed mij begrijpen,
+dat hij zijn' toestand begreep, maar het voor ons niet wilde weten. 's
+Morgens wist ik wat ons wachtte, en ik bleef steeds bij hem. Hij
+stierf, ten minste schijnbaar, heel kalm. De ademhaling werd langzamer
+en langzamer en hield eindelijk geheel op. Den volgenden morgen ben ik
+nog eens naar hem toe gegaan. Ik was bang dat hij veranderd zou zijn
+en er nog vreeselijker zou uitzien dan tijdens zijne ziekte. Je kunt
+je echter niet voorstellen hoe mooi hij daar lag, met die blijmoedige,
+vredige uitdrukking op zijn gelaat.
+
+"Gisteren is hij hier begraven. Ik heb er eerst over gedacht
+hem te vervoeren en jou te telegrafeeren, maar ben toen van plan
+veranderd. Het geeft niet, de wonden nog verder open te rijten. Het
+spijt mij dat de doodstijding je midden in je jachtvermaak heeft
+bereikt. Het bericht kon je bij al die afleiding onmogelijk zoo
+treffen als ons. En toch is het zoo goed voor een mensch! Ik ondervind
+nu de waarheid van hetgeen men mij eens gezegd heeft, n.l. dat men
+zelf den dood gemakkelijker onder de oogen ziet, indien men iemand
+heeft verloren die zooveel voor ons is geweest als hij voor ons
+was. Jouw brief kwam juist toen de mis voor hem werd opgedragen. Nu
+kan je nooit meer met hem op jacht gaan! Een paar dagen vóor zijn'
+dood bespraken wij nog zijne aanteekeningen over de jacht en las hij
+ze mij voor. Hij sprak ook veel over jou en zeide dat God jou alles
+geschonken had, wat een mensch gelukkig kan maken, maar dat je zelf
+je leven bederft. Dadelijk, den tweeden dag, heb ik een afgietsel van
+zijn gelaat en een portret van hem laten maken. Het portret is niet
+goed gelukt, maar het masker geeft zijne edele trekken geheel weer."
+
+De dood van zijn broer Nikolaas maakte een' diepen indruk op Tolstoi,
+deed hem een tijdlang alle belangstelling in het leven verliezen en
+bracht zijn geloof in het goede aan het wankelen.
+
+In zijn dagboek vinden wij de volgende aanteekeningen:
+
+"13 October 1860. 't Is nu bijna een maand geleden dat Nikolaas is
+gestorven en sedert dien tijd heb ik alle belangstelling in het
+leven verloren. Weer een vraag: Waarom? Ook ik sta mogelijk niet
+meer ver van den weg daarheen! Waarheen? Nergens heen. Ik tracht te
+schrijven; ik wil er mijzelf toe dwingen, maar het gaat niet, omdat
+ik het werk niet die waarde kan toekennen, die men het moet toekennen
+om er kracht en geduld voor te hebben. Tijdens de begrafenis kwam
+de gedachte bij mij op een materialistisch evangelie te schrijven:
+het leven van Christus--den materialist."
+
+Nadat de eerste, heftigste smart eenigszins bedaard was, schreef
+Tolstoi aan zijn' vriend Fet:
+
+"Ik veronderstel dat ge reeds weet wat hier gebeurd is. Den 20sten
+September stierf Nikolaas letterlijk in mijne armen. Niets in mijn
+leven heeft zoo'n sterken indruk op mij gemaakt. Het is waar dat
+hij altijd zeide, dat er niets erger is dan de dood. En wat doet het
+goed te denken dat de dood toch het eind is van alles en dat er niets
+erger is dan het leven. Waarom zou men zich nog moeite geven als er
+voor iemand als Nikolaas Nikolajewitsch Tolstoi niets overblijft? Hij
+heeft nooit gezegd dat hij de nadering van den dood voelde, maar ik
+weet dat hij den afstand kende, die hem er van scheidde.
+
+"Eenige oogenblikken vóordat hij stierf schrikte hij plotseling uit
+eene sluimering wakker en fluisterde ontzet: 'Maar wat is het dan
+toch?' Toen zag hij den dood, den overgang in het niet. En als hij
+niets kon vinden, waaraan zal ik mij dan vastgrijpen, wat zal ik dan
+vinden? Nog minder. En ik, noch iemand anders, zal zooals hij tot
+aan het laatste oogenblik met den dood strijden. Tot aan de laatste
+minuut deed hij alles zelf, trachtte zich bezig te houden, schreef,
+vroeg mij naar mijn werk en gaf mij raad.
+
+"Maar hij deed dat alles, geloof ik, niet uit een innerlijken aandrang,
+maar uit principe. Hij bleef zich zelf tot aan het einde. Den avond
+van te voren ging hij naar zijne slaapkamer en viel daar, door
+zwakte overmand, bij 't open raam op zijn bed neer. Toen ik bij hem
+kwam zeide hij met tranen in de oogen, dat hij daar zoo heerlijk een
+uurtje had gelegen. 'Uit stof zijt gij geboren en tot stof zult gij
+wederkeeren.' Eén vage hoop rest ons nog, dat wij daar in de natuur,
+waarvan wij een deel zullen uitmaken, iets zullen vinden.
+
+"Allen die zijne laatste minuten bijwoonden zeiden: 'hoe heerlijk,
+rustig en zacht is hij ingeslapen.' Maar ik weet hoe vreeselijk
+hij heeft geleden, want niets van hetgeen er in hem omging ontging
+aan mijn' blik. Duizendmaal heb ik tegen mij zelf gezegd: laat de
+dooden de dooden begraven, maar men moet toch altijd zijne krachten
+gebruiken. Men kan een' stem niet zeggen: val omhoog, terwijl alles
+hem omlaag trekt, niet lachen om een scherts die geen scherts is,
+niet eten wanneer men geen honger heeft. Waarom zou men zich inspannen,
+daar morgen de doodstrijd kan beginnen, de dood met zijn afschuwelijke
+leugen en zelfbedrog ons kan verrassen en wij kunnen overgaan in
+het niet?!
+
+"Een misplaatste grap! 'Wees nuttig, wees deugdzaam, wees gelukkig
+in het leven,' zeggen de menschen tegen elkaar; 'gij en het geluk
+en de deugd en het nuttig zijn, alles bestaat in de waarheid.' En de
+waarheid, die ik in de dertig jaren die ik leefde heb leeren kennen,
+is, dat onze toestand ontzettend is.
+
+"'Neem het leven zooals het is, gij brengt u zelf in dezen toestand.'
+
+"Wel zeker, ik neem het leven zooals het is!
+
+"Nauwelijks heeft de mensch den hoogsten trap van zijne ontwikkeling
+bereikt of hij ziet duidelijk dat alles ijdel, dat alles bedrog
+is, en dat de waarheid, die hij toch boven alles lief had, iets
+vreeselijks is. Als gij die waarheid recht in 't gezicht ziet, dan
+zult gij ook opschrikken en als mijn broeder zeggen: 'Maar wat is
+het dan toch?' Het spreekt van zelf dat, zoolang wij nog den wensch
+koesteren de waarheid te leeren kennen en de waarheid te spreken,
+wij ons daartoe zullen inspannen. Dat is alles wat mij nog overbleef
+van mijne zedelijke wereld; verder gaan mijne wenschen niet. Daarnaar
+alleen wil ik streven, maar niet in den vorm van uwe kunst. De kunst
+is leugen en ik houd zelfs niet van een schoonen leugen.
+
+"Dezen winter blijf ik hier; men moet toch ergens zijn. Schrijf mij
+eens spoedig. Ik houd evenveel van je als mijn broer, die tot aan
+zijne laatste oogenblikken aan je heeft gedacht, van je hield.
+
+"L. Tolstoi."
+
+
+
+De indruk, dien de dood der duizenden, die hij onder de muren van
+Sewastopol had zien vallen, op Tolstoi had gemaakt, was niet zoo
+groot als die van dit ééne sterfgeval, den dood van zijn liefsten
+broeder. Toen zag hij met een physiek, nu met zijn geestesoog. Hij
+zag--en stond ontzet. Oprecht als hij was, trachtte hij zich zijne
+onmacht tegenover de macht van den dood niet te ontveinzen. En deze
+oprechtheid redde hem. Van dat oogenblik af, kan men zeggen, verliet de
+gedachte aan den dood hem niet meer en in den zielestrijd, die daarmee
+onvoorwaardelijk gepaard gaat, bleef hij overwinnaar. Na verloop van
+eenige maanden schreef hij naar aanleiding van een nieuw sterfgeval:
+
+"Na een smartelijk lijden stierf een jongen van dertien jaren aan de
+tering. Waarom? Het geloof aan de vergelding is de eenige oplossing van
+die vraag. Als zij niet bestaat, dan is er ook geene ongerechtigheid,
+wordt de gerechtigheid geheel overbodig en is de behoefte daaraan
+bijgeloof.
+
+"De gerechtigheid is eene levensvoorwaarde tusschen de menschen
+onderling, die zij ook zoeken in hunne betrekking tot de wereld. Zonder
+het leven hiernamaals is zij geheel ondenkbaar. Gelijkvormigheid
+is de eenige onveranderlijke natuurwet, zullen de natuurkundigen
+zeggen. In verschillende uitingen van den menschelijken geest, in de
+liefde, in de poëzie, in de schoonste openbaringen vinden wij haar
+niet. Dat alles heeft bestaan en is gestorven, dikwijls zonder dat
+het te voorschijn trad. De natuur schrijdt haar doel ver voorbij,
+door het menschdom de behoefte aan liefde en poëzie te schenken,
+als haar eenige wet gelijkvormigheid is."
+
+Na verloop van zeven-en-twintig jaren schreef hij het boek _Over
+het leven_, dat eindigt met de woorden: "Het leven van den mensch is
+een streven naar de gelukzaligheid; waarnaar hij streefde, dat werd
+hem gegeven; evenmin als de gelukzaligheid den mensch tot onheil kan
+strekken, evenmin kan het leven het einde zijn."
+
+
+
+Sergius Plaksin geeft ons nog eenige bijzonderheden van Tolstoi's leven
+te Hyères, in den familiekring van zijne zuster. Plaksin zelf was in
+dien tijd nog een kleine jongen, die met zijne moeder in hetzelfde
+pension woonde als de familie Tolstoi.
+
+"Tijdens zijn verblijf te Hyères bracht Tolstoi dikwijls geheele dagen
+bij zijne zuster door. Zelf onvermoeid in het wandelen, leerde hij het
+ons. Altijd vond hij nieuwe plekjes en nieuwe wandelingen. Nu eens
+gingen wij de zoutmijnen bekijken op het schiereiland Porquerolles,
+dan beklommen wij den berg, waar eene kapel voor de Heilige Maagd
+was opgericht, of we bezochten eene ruïne, om de eene of andere reden
+'Trou des Fées' genaamd.
+
+"Onderweg vertelde Tolstoi ons allerlei sprookjes: van het gouden
+paard, of van den reuzenboom, in wiens takken gezeten men alle steden
+en zeeën van de geheele wereld kan zien. Hij wist dat ik geen sterke
+borst had en droeg mij daarom dikwijls heele einden op zijn' schouder.
+
+"Na het middageten vertelde Tolstoi onzen goedhartigen huisheer en zijn
+gezin de alleronmogelijkste dingen van Rusland, zoodat zij niet wisten
+wat zij er van moesten gelooven, totdat mijne moeder of gravin Tolstoi
+erbij kwam, die hun dan uitlegde wat waarheid en wat fantasie was.
+
+"Dadelijk na het diner kwamen wij bij elkaar, om op het terras naar het
+weer te gaan kijken of in de groote zaal te gaan spelen. Op de tonen
+van slechte pianomuziek voerden wij dan een ballet of eene opera uit,
+zonder medelijden te hebben met onze toeschouwers: onze moeders, Leo
+Tolstoi en mijne gouvernante Liza. Ballet en dans werden afgewisseld
+door gymnastische oefeningen, waarin Tolstoi, die er altijd sterk op
+aandrong de spieren te oefenen, ons voorging. Hij strekte zich dan
+in zijne volle lengte op den grond uit, beval ons hetzelfde te doen,
+en dan moesten wij ons oprichten zonder onze armen te gebruiken. Ook
+hing hij tusschen de deurposten wel eens ringen voor ons op, waaraan
+hij dan tot onze groote vreugde zelf ook werkte.
+
+"Het gebeurde wel eens dat wij zooveel leven maakten, dat de moeders
+Tolstoi vroegen ons wat rustiger bezig te houden. Wij moesten dan om
+de tafel gaan zitten, met pen en inkt voor ons.
+
+"'Luister nu goed,' zeide Tolstoi, 'ik zal jelui les geven.'
+
+"'Waarin?' vroeg Liza, het toenmalige voorwerp mijner liefde.
+
+"Tolstoi vervolgde zonder zijn nichtje een antwoord waardig te keuren:
+
+"'Schrijf nu.'
+
+"'Maar oompje, wat moeten wij schrijven?' hield Liza aan.
+
+"'Luister dan, ik zal je een onderwerp opgeven.'
+
+"'Wat opgeven?' kon Liza niet nalaten te zeggen.
+
+"'Een onderwerp,' vervolgde Tolstoi gewichtig. 'Schrijf nu: "Waardoor
+onderscheidt Rusland zich van andere landen?"'
+
+"'Begin nu, maar pas op, niet naschrijven hoor!'
+
+"En wij begonnen.
+
+"De regels die Kolja schreef liepen alle, hoe schuin hij zijn hoofd
+ook hield en hoe diep hij ook zuchtte, kris en kras over 't papier. Een
+transparent gebruiken mochten wij niet, dat was maar verwennen, zeide
+Tolstoi. Terwijl wij dus onze gedachten aan het papier toevertrouwden
+en de beide moeders een of anderen nieuwen roman lazen, liep Tolstoi
+met groote schreden de kamer op en neer, totdat eindelijk de nerveuse
+gravin uitriep:
+
+"'Wat heb je toch, Leo? Je loopt als een ijsbeer heen en weer. Ga
+toch zitten.'
+
+"Na verloop van een half uur ongeveer waren onze opstellen klaar, en
+Tolstoi nam eerst het mijne, maar de regels waren in elkaar geloopen
+en daarom gaf hij het mij terug en moest ik het zelf voorlezen. En ik
+begon met luider stemme te vertellen, dat Rusland zich daardoor van
+andere landen onderscheidde, dat men in de vastendagen pannekoeken at,
+uitstapjes naar de bergen maakte en op Paschen eieren kleurde.
+
+"'Kranig,' zeide Tolstoi, die nu het handschrift van Kolja nam,
+waarin Rusland zich door sneeuw,--en dat van Liza, waarin het zich
+door de troika van de overige gedeelten der wereld onderscheidde. Wara,
+de oudste van ons, had de uitvoerigste beschrijving gegeven.
+
+"'s Avonds leerde Tolstoi ons teekenen, waarvoor hij de ingrediënten
+uit Marseille, waar hij dikwijls heenging, meenam.
+
+"Geheele dagen bracht hij met ons door; hij speelde met ons,
+onderwees ons, en als er soms verschil was ontstaan trad hij als
+scheidsrechter op."
+
+Nu laten wij nog de korte beschrijving, ons verstrekt door gravin
+Tolstoi, volgen van eene soirée, waar Tolstoi ook tegenwoordig was.
+
+"Na den dood van Nikolaas woonden wij te Hyères. Leo had toen al naam
+gemaakt en de Russische kring gaf zich veel moeite om met hem in kennis
+te komen. Eens waren wij gevraagd bij vorstin Doedoekowa-Korsakowa,
+waar een voornaam gezelschap bijeen was. De clou van den avond zou
+de aanwezigheid van Tolstoi zijn, maar hij liet, helaas, heel lang
+op zich wachten. De gasten begonnen reeds te wanhopen en de gastvrouw
+beklaagde zich al in stilte over hare soirée manquée, toen eindelijk
+nog graaf Tolstoi werd aangediend. Alles leefde op, maar hoe groot
+was aller verbazing, toen hij binnen kwam, gekleed in een gewoon
+wandelcostuum en op klompen.
+
+"Hij was juist van eene lange wandeling teruggekeerd, niet naar huis
+gegaan, en begon dadelijk een levendig betoog te houden over het
+voordeel van klompen boven laarzen, terwijl hij iedereen aanried zijn
+voorbeeld te volgen.
+
+"Men vergaf hem in dien tijd ook reeds alles en het werd nog een heel
+gezellige avond. Tolstoi was zeer opgewekt; er werd gezongen en op
+algemeen verlangen nam hij de begeleiding op zich."
+
+
+
+Tot begin December bleef hij in Hyères, reisde toen over Marseille
+naar Genève, waar hij zijne zuster met de kinderen achterliet om zelf
+eene reis door Italië te gaan maken. Achtereenvolgens bezocht hij Pisa,
+Livorno, Florence, Rome en Napels.
+
+Gedurende zijne buitenlandsche reis vertoefde Tolstoi eenige malen
+te Marseille, welke groote handelsstad hem blijkbaar sterk aantrok
+en interesseerde.
+
+In een van zijne opstellen over paedagogie geeft hij de volgende
+beschrijving van zijn verblijf te Marseille.
+
+"Het vorige jaar bevond ik mij te Marseille, waar ik alle inrichtingen
+van onderwijs voor de arbeidende klasse bezocht. De zucht tot leeren
+bij de bevolking is zoo groot, dat bijna alle kinderen drie, vier,
+vijf en zes jaar naar school gaan. Het leerplan bevat de volgende
+vakken: bijbelsche en algemeene geschiedenis, het van buiten leeren van
+den cathechismus, de vier hoofdbewerkingen der rekenkunde, Fransche
+orthographie en boekhouden; waarom dit laatste op het programma stond
+heb ik nooit begrepen en heeft ook geen der leeraren mij kunnen
+uitleggen. Het eenige dat ik wel begreep, nadat ik de boeken der
+leerlingen, die den cursus hadden afgeloopen, had gezien, is, dat zij
+nog geen drie regels van de rekenkunde kenden, dat zij machinaal wat
+met getallen leerden werken en op dezelfde wijze 'tenue des livres'
+hadden geleerd. Het is onnoodig te zeggen dat boekhouden, zooals het
+in Duitschland en Engeland wordt onderwezen, alleen reeds vier uren
+voor de verklaring vereischt voor een' leerling die de vier regelen
+der rekenkunde machtig is.
+
+"Niet één der kinderen, die deze scholen bezochten, kon zelfstandig
+eene som oplossen, d.w.z. de eenvoudigste optelling of aftrekking
+maken. Wat zij echter uit het hoofd hadden kunnen leeren, deden zij
+vlug en goed.
+
+"Op eene vraag uit de Fransche geschiedenis, die zij juist van buiten
+hadden geleerd, wisten zij goed te antwoorden; maar toen ik hun iets
+vroeg waarop zij zich niet hadden voorbereid, kreeg ik ten antwoord
+dat Hendrik IV door Julius Caesar was vermoord."
+
+"... In Marseille bezocht ik ook nog eene gewone en eene kloosterschool
+voor volwassenen. Die scholen werden door een duizend leerlingen
+bezocht (twee honderd mannen), terwijl de stad 250,000 inwoners
+telt. Het onderricht werd hier op dezelfde wijze gegeven: mechanisch
+lezen, waarvoor reeds een jaar of langer gebruikt werd, boekhouden
+zonder kennis der rekenkunde, geloofsleer enz.
+
+"Daarna bezocht ik eene bewaarschool, waar kinderen van vier jaren
+als soldaatjes marcheerden, op commando in de handjes klapten en
+met bevende stemmetjes hymnen zongen ter eere van God en van hunne
+weldoeners.
+
+"Resumeerende kwam ik tot de conclusie, dat het onderwijs in Marseille
+bijzonder slecht is. Wanneer er eens een wonder kon gebeuren en men
+de menschen kon gade slaan in die inrichtingen voor onderwijs, zonder
+hen op straat, op hun werk, in de café's of in hun huizen te zien,
+dan zou ons oordeel zijn, dat het volk onwetend, ruw, huichelachtig en
+vol vooroordeelen is, kortom, een volk bijna zonder beschaving. Geeft
+men zich echter de moeite om zich met de menschen in verbinding
+te stellen en met hen te praten, dan komt men tot de overtuiging,
+dat het Fransche volk bijna is zooals het meent te zijn; vlug van
+begrip, verstandig, vrijgevig, nadenkend en werkelijk beschaafd. Let
+eens op een' dertigjarigen werkman uit eene stad. Hij schrijft een
+brief zonder de fouten welke hij er op school in maakt, soms zelfs
+heelemaal goed. Hij is op de hoogte van de politiek en bijgevolg
+ook van aardrijkskunde en de nieuwste geschiedenis; hij weet iets
+van litteratuur en heeft eenig begrip van natuurkunde. Heel dikwijls
+kan hij een weinig teekenen, en van wiskunde weet hij zooveel als hij
+voor zijn beroep noodig heeft. Hoe nu heeft hij dit alles verkregen?
+
+"Het antwoord op die vraag vond ik vanzelf, toen ik na mijn
+schoolbezoek eens op straat in de café's, de café-chantants, de
+museums, de werkplaatsen, bij de havens en in de boekwinkels begon
+rond te zien. Dezelfde jongen, die mij had verteld dat Hendrik IV
+door Julius Caesar vermoord was, kende heel goed de geschiedenis van
+_De drie Musketiers_ en van _De Graaf de Monte-Christo_. In Marseille
+vond ik acht-en-twintig goedkoope geïllustreerde tijdschriften van 5
+à 10 centimes. Onder eene bevolking van 250,000 inwoners waren 30,000
+exemplaren verspreid. Wanneer wij dus aannemen, dat tien menschen één
+nommer lezen of hooren voorlezen, dan worden zij nog door iedereen
+gelezen. Dan hebben wij nog de museums, de publieke bibliotheken, de
+schouwburgen, de café's, twee groote café-chantants, waar iedereen
+tegen betaling van 50 centimes toegang heeft, en die dagelijks
+gemiddeld door 25,000 menschen bezocht worden, om nog niet eens van de
+kleine inrichtingen te spreken. In al die café's worden tooneelstukken
+opgevoerd, verzen gedeclameerd enz. enz. Ruw berekend ontvangt een
+vijfde gedeelte van de bevolking dagelijks dus onderwijs op de wijze
+zooals de Grieken en de Romeinen het in hunne amphiteaters ontvingen.
+
+"Of die opvoeding goed of slecht is, dat is eene andere vraag. Wij
+zien echter dat de onbewuste opvoeding sterker is dan de gedwongene,
+die geheel door haar verdrongen en op den achtergrond geschoven wordt.
+
+"Het eenige wat den leerlingen bijbleef van hun vijf- of zesjarig
+onderricht bestond hierin, dat zij in staat waren eenige letters
+naast elkaar te zetten en er woorden van te vormen."
+
+
+
+In Januari van 't jaar 1861 bevond Tolstoi zich weer te Parijs,
+waar hij als naar gewoonte het leven op straat met groote aandacht
+gadesloeg.
+
+"Toen ik in Parijs was," zeide Tolstoi eens tegen Schyler, "zat
+ik soms heele dagen boven op de omnibussen, mij vermakende met de
+beschouwing van het publiek, en ik kan u de verzekering geven, dat
+ik bijna in iedere persoon een type van Paul de Kock herkende."
+
+Dat de werken van dien auteur onzedelijk zouden zijn heeft Tolstoi
+steeds tegengesproken.
+
+"Van de geheele Fransche litteratuur stel ik de boeken van Alexandre
+Dumas en Paul de Kock het hoogste," vervolgde Tolstoi zijn gesprek
+met Schyler, en op diens verwonderden blik sprak hij verder:
+
+"Neen, kom mij niet met dien onzin aan, dat Paul de Kock onzedelijk
+is. Naar Engelsche begrippen is hij misschien een weinig 'leste et
+Gaulois', zooals de Franschen het uitdrukken, maar onzedelijk is
+hij niet. Wat hij ook zegt, en al veroorlooft hij zich hier en daar
+eene gewaagde scherts, zijne richting blijft volkomen zedelijk. Hij
+is de Fransche Dickens. Zijne personen zijn naar het leven geteekend
+en geheel afgewerkt.
+
+"En wat Dumas betreft, ieder romanschrijver moest hem van buiten
+kennen. Ik lees en herlees zijne werken. De intrige is altijd mooi,
+maar hoofdzakelijk legt hij er zich op toe om een goed verband en
+eene goede oplossing te verkrijgen."
+
+Te Parijs kwam Tolstoi in aanraking met Toerghenjeff, waardoor eene
+eenigszins nauwere betrekking tusschen die beide schrijvers ontstond.
+
+Vandaar reisde hij naar Londen, waar hij bijna iederen dag met Herzen
+samen kwam. Hij behandelde met hem vele gewichtige vragen van den
+dag, maar van deze gesprekken kunnen wij helaas niets weergeven,
+daar noch Herzen, noch Tolstoi er aanteekeningen van hebben gemaakt.
+
+In de _Herinneringen van Toetschkowaja Ogarjewaja_ vinden wij nog
+een paar woorden, die betrekking hebben op deze samenkomsten.
+
+"Tolstoi, de schrijver van _Kinder-, Jongens-_ en _Jongelingsjaren_,
+boeken die eene groote beroering te weeg brachten in de lezende wereld,
+bracht dikwijls een bezoek bij Herzen. Deze was daar zeer mee ingenomen
+en bewonderde vooral de vrijheid, waarmede hij zijne diepste, innigste
+gevoelens neerschreef en ook mondeling uitte. Wat zijne filosofie
+betreft, die vond Herzen dikwijls zwak, onduidelijk en nietsbewijzend."
+
+Eene dochter van Herzen, die echter slechts eene vage voorstelling
+van deze samenkomsten heeft, verschafte ons nog de volgende kleine
+aanteekening.
+
+"Als klein meisje las en bewonderde ik de werken van Tolstoi. Eens
+van vader hoorende, dat deze schrijver ons een bezoek zou brengen,
+vroeg ik vergunning daarbij tegenwoordig te zijn. Om niet opgemerkt te
+worden ging ik op het vastgestelde uur in mijns vaders studeerkamer,
+in het uiterste hoekje zitten, en spoedig daarop werd Tolstoi
+aangediend. Met kloppend hart zat ik te wachten, maar hoe groot was
+mijne teleurstelling toen daar een naar de laatste Engelsche mode
+gekleede heer binnenkwam, die dadelijk met mijn' vader een levendig
+gesprek begon over de laatste hanengevechten en bokspartijen die hij
+in Londen had bijgewoond. In dit eenige onderhoud dat ik bijwoonde
+gelukte het mij niet ééne enkele diepe gedachte op te vangen."
+
+Men kan echter gerust aannemen, dat de gesprekken van deze twee
+groote Russische schrijvers zich niet bepaalden tot een praatje over
+sport. Bij het afscheid gaf Herzen zijn' vriend eene introductie mee
+voor Proudhon.
+
+In Engeland, evenals elders, bezocht Tolstoi verschillende scholen. Ook
+luisterde hij in het parlement naar eene rede van Palmerston, die
+ruim drie uren duurde.
+
+In Londen ontving Tolstoi het bericht, dat hij tot vrede- en
+scheidsrechter was benoemd, en den 19en Februari 1861, den dag
+van de opheffing der lijfeigenschap, besloot Tolstoi naar Rusland
+terug te keeren. Hij reisde over Brussel, waar hij Proudhon een
+bezoek bracht. Deze energieke, uit het volk geboren, zelfstandige
+denker maakte een' diepen indruk op Tolstoi. Waarschijnlijk
+is deze kennismaking ook van invloed geweest op zijne veranderde
+wereldbeschouwing. Eens met mij over Proudhon sprekende, zeide Tolstoi:
+hij schijnt mij een energieke man, en heeft, zooals men dat noemt,
+"le courage de son opinion."
+
+Proudhon's bekend aphorisme: "la propriété c'est le vol" zou als
+epigram boven de meeste van Tolstoi's economische werken geplaatst
+kunnen worden.
+
+In Brussel bracht Tolstoi ook nog een bezoek aan den ouden, grijzen
+Poolschen historicus Lelewel, die daar in groote armoede leefde. Hier
+ook schreef hij het begin der vertelling _Polipoeschka_.
+
+Eindelijk, den 13en April, vertrok Tolstoi uit Brussel om over Berlijn
+naar zijn vaderland terug te reizen.
+
+De eerste stad die hij in Duitschland aandeed was Weimar, waar hij
+de gast was van den Russischen gezant, die hem in kennis bracht met
+den hofmaarschalk, welke, op zijne beurt, hem voorstelde aan den
+Groothertog Karel Alexander.
+
+Door bemiddeling van den gezant kreeg Tolstoi verlof het huis van
+Goethe, dat in dien tijd nog niet voor 't publiek geopend was,
+te bezichtigen. Veel meer belangstelling toonde hij echter voor de
+Fröbel-scholen en -tuinen, die toenmaals onder directie stonden van
+Mina Schelhorn, eene persoonlijke leerlinge van Fröbel. Met groote
+bereidwilligheid vertelde zij den vriendelijken Russischen graaf alles
+wat hij van haren werkkring en hare kinderen wenschte te vernemen.
+
+Onlangs schreef Dr. von Bode in het paedagogisch tijdschrift _Der
+Säemann_ een belangrijk artikel, getiteld _Tolstoi te Weimar_, waarin
+hij o.a. het gesprek weergeeft, gevoerd tusschen den nu reeds overleden
+Julius Schlentzer en Tolstoi, bij diens bezoek aan Schlentzer's school.
+
+"Het was de Vrijdag na Paschen. Ik wilde juist in de 2de klasse met
+de les beginnen, toen de deur openging, en een seminarist met eene
+hoofdbuiging meldde: 'Hier is iemand die u wenscht te spreken.'
+
+"Hij had een' heer bij zich, die zich niet voorstelde en die ik voor
+een' Duitscher hield, omdat hij even zuiver Duitsch sprak als wij.
+
+"'Welke les gaat gij geven?' vroeg hij.
+
+"'Eerst geschiedenis en dan Duitsch,' antwoordde ik.
+
+"'Heel goed; ik heb reeds verschillende scholen in Zuid-Duitschland,
+Frankrijk en Engeland bezocht, en wilde nu gaarne met de Noord-Duitsche
+kennis maken. Hoeveel klassen heeft uwe school?'
+
+"'Zeven; dit is de tweede. Ik ken echter mijne leerlingen nog niet,
+omdat ik pas met hen ben begonnen en kan dus waarschijnlijk uwe
+nieuwsgierigheid niet bevredigen.'
+
+"'Dat is mij precies gelijk. Hoofdzaak voor mij zijn het leerplan en
+de methode. Vertel mij, als gij wilt, eens volgens welke methode gij
+geschiedenis onderwijst.'
+
+"'Ik heb zelf een plan ontworpen.' Toen ik dat nu den vreemden leeraar
+in de geschiedenis, waarvoor ik hem hield, ging verklaren, nam deze
+een notitieboekje uit zijn' zak, waarin hij ijverig aanteekeningen
+maakte. Plotseling zeide hij:
+
+"'Het komt mij voor dat in dit zoo goed doordachte plan de
+vaderlandsche geschiedenis ontbreekt.'
+
+"'Neen, die is niet vergeten, maar daarmee beginnen wij pas in de
+volgende klasse.'
+
+"Het werd tijd voor de les, en ik begon te vertellen van de
+verschillende trappen van beschaving. De vreemdeling ging stil door met
+het maken van zijne aanteekeningen, en vroeg toen de les geëindigd was:
+'Wat nu?'
+
+"'Duitsch. Ik wilde, eerlijk gesproken, de kinderen laten lezen, maar
+als gij iets anders liever hebt, dan zal ik het gaarne veranderen.'
+
+"'Dat zou mij zeer aangenaam zijn. Weet gij, ik heb er veel
+over nagedacht hoe men de vrije gedachte van de kinderen kan
+ontwikkelen.' (In het Duitsch zeide hij letterlijk: de gedachte
+'flüssig machen,' eene uitdrukking die ik nooit zal vergeten.) Ik
+deed mijn best om aan zijn' wensch te voldoen.
+
+"Ik noemde een onderwerp, en daarover moesten de kinderen een opstel
+maken. De vreemdeling stelde hier veel belang in, liep tusschen
+de banken door, nam beurtelings de schriften van de kinderen en
+las wat zij hadden neergeschreven. Ik bleef op mijne plaats, om de
+leerlingen niet af te leiden. Toen de opstellen bijna klaar waren,
+vroeg mijn gast:
+
+"'Mag ik nu het werk meenemen? Ik stel er heel veel belang in.'
+
+"Dat is toch al te erg, dacht ik, maar antwoordde beleefd, dat
+het onmogelijk ging, daar de kinderen hunne schriften zelf moesten
+bekostigen; dat de Weimarsche bevolking arm was en de ouders boos
+zouden worden, zoo men hen verplichtte nieuwe te koopen.
+
+"'Dat is te verhelpen,' zeide hij, en ging weg.
+
+"Ik wist niet hoe ik het had, en stuurde een kind naar mijn' vriend,
+den directeur van het seminarium, met de boodschap dat hij eens moest
+komen, omdat er bij ons iets heel ongewoons voorviel. Mijn vriend kwam.
+
+"'Nu heb je mij een koopje bezorgd,' zeide ik, 'mij zoo'n zonderling
+te sturen, die de schriften der kinderen mee wil nemen.'
+
+"'Ik heb niemand gestuurd,' antwoordde hij.
+
+"'Maar gij zijt toch de directeur van het seminarium, en een
+seminarist heeft hem immers gebracht.' Toen herinnerde hij zich,
+dat er in zijne afwezigheid een hooggeplaatst ambtenaar bij zijne
+vrouw was geweest, die haar verzocht had er zorg voor te dragen dat
+men den hem vergezellenden heer alle door hem gewenschte inlichtingen
+zou verschaffen.
+
+"Terwijl wij zoo het geval bespraken, keerde de vreemdeling terug met
+zijn' arm vol schriften, die hij in den eersten den besten winkel had
+gekocht. Daar de beide heeren gelijktijdig bij mij waren, moest ik
+hen wel aan elkaar voorstellen, en wisselden zij dus de gebruikelijke
+plichtplegingen.
+
+"'Monhaupt, directeur van het gymnasium.'
+
+"'Graaf Tolstoi uit Rusland.'
+
+"Hij was dus een graaf en geen leeraar! en een Rus. En hij sprak
+Duitsch als een geboren Duitscher.
+
+"De kinderen kregen bevel hunne opstellen over te schrijven in
+de schriften, welke graaf Tolstoi had meegebracht. Hij verzamelde
+ze zorgvuldig, rolde ze op en gaf ze aan een' bediende, die bij de
+deur op hem wachtte. Van mij ging hij met den directeur naar Trebst,
+een leeraar aan de Hoogere Burger-School, dien hij vroeger eens in
+Rusland had leeren kennen."
+
+Dr. von Bode eindigt zijn artikel met de volgende woorden, gewijd
+aan den ouden onderwijzer:
+
+"Nu moet ik nog een paar woorden zeggen van den ouden Schlentzer. Hij
+stierf in 1905 op bijna 93-jarigen leeftijd. Voor mij was hij een
+zeer merkwaardig mensch, omdat hij de twee mannen gekend heeft aan
+wier boeken ik het beste deel van hetgeen ik weet heb ontleend. Hij
+heeft Goethe en Tolstoi gekend. Eens heeft Schlentzer met Goethe
+gesproken. Hij was in 1828 gymnasiast te Weimar en woonde met een'
+schoolkameraad bij Eckermann, op een paar schreden afstand van het
+huis van Goethe. De beide jongens zagen hem dikwijls voor het raam
+zitten, en daar zij hem zoo graag eens van dichtbij wilden zien en
+met hem wilden praten, vroegen zij Eckermann of die hun daartoe niet
+eens in de gelegenheid kon stellen.
+
+"En zoo gebeurde het, dat Eckermann hen op een' zomermorgen door
+een poortje Goethe's tuin binnen liet gaan, waar de dichter liep
+te wandelen. Toen hij de gymnasiasten zag, ging hij naar hen toe,
+vroeg wie zij waren, wat zij wilden worden, en gaf hun den raad flink
+te studeeren.
+
+"Er was niets merkwaardigs in dit gesprek, maar Schlentzer, dien toch
+in zijn leven, als onderwijzer en als mensch, veel eer te beurt viel,
+verzekerde mij dat niets hem zooveel genoegen had gedaan als dat
+korte gesprek met zijn' beroemden tijdgenoot."
+
+Van Weimar ging Tolstoi naar Gotha, waar hij de groote
+Fröbelkindertuinen bezocht en kennis maakte met de eerste
+paedagogen. In Jena kwam hij in aanraking met den jongen mathemathicus
+Keller, dien hij overreedde mee naar Rusland te gaan, om hem bij de
+uitvoering zijner opvoedingsplannen te helpen. Tolstoi hield zich ook
+nog eenige dagen te Dresden op, waar hij Auerbach weer ontmoette. In
+zijn dagboek vinden wij de volgende korte aanteekening:
+
+"21 April, Dresden. Auerbach is een prachtmensch. _Ein Licht, nur
+eingefangen._ Zijne vertellingen zijn _Over den eersten indruk der
+Natuur, Versöhnung, Abend_ e.a. Over het Christendom schrijft hij
+als over de hoogste uiting van den menschelijken geest. Hij zegt
+uitstekend verzen. Muziek vindt hij _ein pflichtloser Genuss_,
+dat volgens zijne meening tot zedenbederf leidt. Eene vertelling:
+_Schätzkästlein_. Hij is 49 jaren, oprecht, jong van hart en geloovig;
+twijfel kent hij niet."
+
+Uit Dresden schrijft Tolstoi zijne tante Tatjana:
+
+"Ik ben goed in orde en brand van verlangen naar Rusland terug te
+keeren. Nu ik echter eenmaal in Europa ben en niet weet wanneer ik er
+weer zal komen, wil ik, dat zult gij wel begrijpen, zooveel mogelijk
+nut van mijne reis trekken. Nu, op dat punt kan ik tevreden zijn. Ik
+neem zoo'n groote hoeveelheid indrukken en kennis mee, dat het een'
+heelen tijd zal duren, voor ik alles in mijn hoofd geregeld heb. Ik
+denk tot den 21sten in Dresden te blijven en reken er vast op met
+Paschen in Jasnaja Paljana te zijn. Als de scheepvaart den 25sten
+nog niet geopend is, ga ik over Warschau naar Petersburg, waar ik
+moet zijn om vergunning te krijgen voor eene krant, die ik op mijn
+school te Jasnaja wil redigeeren. Ik breng een jongen Duitscher mee;
+hij is leeraar aan de universiteit, beschaafd en ontwikkeld, maar
+nog zeer jong en onervaren." [120]
+
+Den 22sten April bevond Tolstoi zich te Berlijn, waar hij ook kennis
+maakte met den zoon van den beroemden paedagoog Diesterweg, directeur
+van het seminarium. Hij had zich voorgesteld een verlicht mensch te
+zien, zonder vooroordeelen, die zich in zijn' veeljarige loopbaan
+een zelfstandig oordeel had gevormd, en hij vond (dit zijn zijne
+eigen woorden) een kouden, harteloozen pedant, die meende volgens
+vastgestelde regels kinderzielen te kunnen vormen.
+
+De vraag of er verschil bestaat tusschen de begrippen: opvoeding,
+beschaving en onderricht, was voornamelijk het onderwerp van hun
+gesprek.
+
+"Diesterweg lachte spottend wanneer iemand beweerde, dat er inderdaad
+verschil bestond; volgens zijne begrippen waren deze drie één. En
+ondertusschen spraken wij èn over opvoeding, èn over beschaving,
+èn over onderwijs, en wij begrepen elkaar heel goed."
+
+Later zullen wij zien, dat niet alleen deze paedagoog, maar de geheele
+methode, die hij in West-Europa had zien toepassen, Tolstoi niet kon
+bevredigen. Dat hij in zijne scholen proeven nam met het door hem
+in Frankrijk, Engeland en Duitschland verzameld materiaal geschiedde
+alleen met het doel om eene zelfstandige methode te verkrijgen.
+
+Na eene afwezigheid van negen maanden, kwam Tolstoi eindelijk den
+23sten April 1861 in Rusland terug.
+
+Het is wel te begrijpen, dat de zware Duitsche wetenschap Tolstoi
+niet kon bevredigen, hetgeen hem evenwel niet had weerhouden zich
+er met zijn bekend enthousiasme op te werpen, alles bestudeerende,
+in de praktijk zoowel als in de theorie.
+
+Het resultaat van die studie was, dat Tolstoi, de toewijding en den
+ernst van den onderwijzer waardeerende, de methode afkeurde.
+
+Het kwaad (dat volgens zijne meening de geheele Europeesche wetenschap
+aankleeft) school zijns inziens hoofdzakelijk in het volgende: "Het
+hoofddoel van de vertegenwoordigers der wetenschap is het streven
+naar eene goede positie, waaraan veel vrije tijd verbonden is,
+om dien dan in het beste geval in dienst te stellen van het volk,
+dat echter in dien zelfden tijd reeds zooveel heeft moeten lijden,
+dat eene toenadering van weerskanten onmogelijk is geworden. En het
+volk, gegriefd, stil lijdend, trekt zich terug van zijne helpers, die
+het niet begrijpen, het onwetend beleedigen en hoogstens lapmiddelen
+hebben voor zijne physieke en moreele wonden."
+
+In hoeverre Tolstoi der paedagogie eene andere richting heeft gegeven,
+zullen wij in een later hoofdstuk behandelen.
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+TOLSTOI EN TOERGHENJEFF.--VREDERECHTER.
+
+
+Zooals reeds in het vorige hoofdstuk is gezegd, reisde Tolstoi van
+Berlijn naar St.-Petersburg. Begin Mei vertrok hij naar Moskou en
+spoedig daarna kwam hij terug in Jasnaja Paljana.
+
+Rusland vierde feest bij den aanvang van het nieuwe tijdperk, de
+afschaffing van de lijfeigenschap.
+
+Alles wat het bezat aan intellectueele en vooruitstrevende personen
+nam deel aan de ingrijpende gebeurtenissen, en een van de eersten
+was natuurlijk Leo Tolstoi.
+
+Door het werkzaam aandeel, dat hij nam in alle takken van het
+maatschappelijk leven, werd zijn bestaan zoo veelzijdig, dat wij
+gedwongen zijn de door ons aangenomen chronologische volgorde te
+verlaten en over te gaan tot een overzicht van zijne werkzaamheden,
+die, hoe verschillend ook van aard, in zekeren zin toch steeds voeling
+hielden met zijn particulier en familieleven.
+
+Zijne bezigheden in de maatschappij, waarop wij later zullen
+terugkomen, waren tweeërlei: de administratieve werkkring van scheids-
+en vrederechter en zijne bemoeiingen met de volksschool, benevens
+het schrijven zijner paedagogische opstellen.
+
+Voor wij tot de behandeling van bovengenoemde werkzaamheden overgaan,
+moeten wij ons nog eenige oogenblikken met den particulier Tolstoi
+bezighouden.
+
+Tolstoi had zich voorgenomen op de terugreis zijne beide buren Fet
+en Toerghenjeff op te zoeken. Naar aanleiding daarvan ontspon zich
+de volgende correspondentie tusschen de beide laatsten:
+
+
+
+"Fetti carissime!
+
+
+"Hierbij ingesloten zend ik u een briefje van Tolstoi, dien ik juist
+heb geschreven, dat hij beslist in 't begin van de volgende week
+moet komen. Gezamenlijk doen wij dan een' inval in uw Stjepanowska,
+nu de nachtegalen nog zingen en de lente lacht met haren liefsten
+glimlach. Ik hoop dat hij mijne roepstem zal volgen en spoedig hier
+zal zijn. In ieder geval kunt gij mij in 't eind van de volgende week
+verwachten. Houd u verder goed, wind u niet op, denk aan de woorden
+van Goethe: 'Ohne Hast, ohne Rast', en werp onderwijl nog eens een'
+enkelen blik naar uwe verlaten muze."
+
+
+
+Ingesloten was het volgende briefje van Tolstoi:
+
+
+
+"Lieve vriend Afanasie Afanasjewitsch!
+
+"In gedachten omhels ik u hartelijk voor uwen brief, voor uwe
+vriendschap, en daarvoor dat gij 'Fet' zijt. Toerghenjeff te ontmoeten
+vind ik aangenaam, maar u weer te zien verheugt mij tienmaal meer. Hoe
+lang is 't niet geleden dat wij elkaar gesproken hebben, en wat is
+er in dien tijd al niet gebeurd! Het doet mij toch zoo veel genoegen,
+dat gij u aan 't landleven hebt gewijd, en ik ben er trotsch op, dat
+ik daar ook een weinig toe heb meegewerkt. Maar ben ik eigenlijk de
+persoon om u raad te geven? Een vriend is goed, maar hij kan sterven,
+weggaan; men kan hem uit het oog verliezen. De natuur echter, waarmee
+wij ons voor immer hebben verbonden, hetzij dan door eene koopacte,
+of wel door geboorte en erfenis, is beter. Zij is koud, ongevoelig,
+veeleischend, maar daarbij blijft zij ons trouw tot aan den dood,
+en als wij sterven gaan wij in haar over. Ik daarentegen heb mij van
+haar afgekeerd, mij wachten andere bezigheden; maar indien ik niet
+wist dat zij om mij heen is, dat ik mij maar behoef om te wenden om
+haar te grijpen, dan zou mijn leven treurig zijn. God schenke u zijn'
+zegen, opdat gij vreugde moogt beleven van uw Stjepanowka! Dat gij
+schrijft en zult schrijven, daaraan twijfel ik niet. Ik druk uwe
+vrouw de hand; zeg haar dat zij mij niet moet vergeten. Het zou al
+heel ongelukkig moeten loopen, zoo ik dezen zomer niet bij u kwam;
+wanneer echter, dat weet ik niet."
+
+"Ondanks de vriendelijke belofte," schrijft Fet, "was de verschijning
+van een rijtuig, dat vlug nader kwam en weldra voor het huis
+stilhield, eene groote verrassing voor ons en met vreugde begroetten
+wij Toerghenjeff en Tolstoi. Het is niet te verwonderen dat de aanblik
+van het landgoed, armoedig als het er toen nog uitzag, Toerghenjeff
+de woorden ontlokte: 'Wij keken en keken en konden uw huis maar
+niet ontdekken. Eindelijk zagen wij een' vetten pannekoek om een'
+wijsvinger, en ziedaar Stjepanowska!'
+
+"Terwijl de gasten uitrustten en de gastvrouw de twee uren, die haar
+nog restten vóór het middagmaal, gebruikte om alles een feestelijk
+aanzien te geven, onderhielden wij ons zóó levendig als dat slechts
+mogelijk is tusschen menschen, die nog niet levensmoe zijn...."
+
+Een betreurenswaardig feit maakte aan dit samenzijn een ontijdig einde;
+er brak n.l. een twist uit tusschen Toerghenjeff en Tolstoi. Deze
+gebeurtenis is tamelijk juist door Fet in zijne _Herinneringen_
+weergegeven; wij laten de beschrijving hier volgen, aangevuld en zoo
+noodig verbeterd, met gebruikmaking van ander vertrouwbaar materiaal.
+
+"'s-Morgens, op onzen gewonen tijd," zoo vertelt Fet, "d.w.z. om acht
+uur, kwamen onze gasten in de eetkamer, waar mijne vrouw, gezeten aan
+'t eene eind van de tafel, achter den samowar, en ik aan 't andere,
+hen reeds opwachtten. Toerghenjeff zat rechts, Tolstoi links van mijne
+vrouw, die, wetende, dat haar rechterbuurman groote waarde hechtte
+aan de opvoeding zijner dochter, dezen vroeg of hij met de nieuwe
+Engelsche gouvernante tevreden was. Hij putte zich uit in lofredenen
+en vertelde o.a., dat zij met echt Engelsche nauwgezetheid hem eene
+som gelds had gevraagd, die zijne dochter uitsluitend moest aanwenden
+voor liefdadige doeleinden.
+
+"'En nu," vervolgde Toerghenjeff, "verlangt de gouvernante dat mijne
+dochter de oude kleedingstukken van arme menschen eigenhandig verstelt
+en zelf aan de eigenaars terug brengt.'
+
+"'En vindt gij dat goed?' vroeg Tolstoi.
+
+"'Zeker, dat leert haar weldadig zijn en brengt haar in aanraking
+met de behoeftigen.'
+
+"'En ik vind, dat een jong, mooi-aangekleed meisje, dat daar met een
+vuil, slecht-riekend kleedingstuk op haar schoot zit, comedie speelt.'
+
+"'Ik verzoek u, dat niet te herhalen,' stoof Toerghenjeff op, trillend
+van woede.
+
+"'Waarom zou ik mijne meening niet zeggen?' antwoordde Tolstoi.
+
+"'Gij wilt dus zeggen, dat ik mijne dochter eene slechte opvoeding
+geef?'
+
+"Tolstoi antwoordde hierop, dat hij eenvoudig uitte wat hij dacht en
+geen persoonlijkheden bedoelde."
+
+Voordat Fet den tijd had tusschen beiden te komen, zeide Toerghenjeff,
+wit van drift: "En als je dat wilt zeggen, dan zal ik je een slag
+in je gezicht geven." Bij die woorden vloog hij met de handen aan
+zijn hoofd de kamer uit. Een oogenblik daarna keerde hij terug, en,
+zich tot mevrouw Fet wendende, zeide hij: "Vergeef mij om Gods wil
+mijn onbehoorlijk gedrag, waarvan ik diep berouw heb." Daarop verliet
+hij de kamer weer.
+
+Kort daarna vertrokken de gasten.
+
+Tolstoi schreef van het station Nowosjelok een' brief aan Toerghenjeff
+die een eisch tot genoegdoening behelsde; daarop reisde hij verder
+naar Bogoeslaff, een station dat halfweg het landgoed van Fet en
+Nikolski, eene bezitting van de Tolstoi's, ligt. Vandaar liet hij
+pistolen halen, en daar er nog geen antwoord op zijn schrijven
+was gekomen stuurde hij Toerghenjeff een' tweeden brief die eene
+formeele uitdaging bevatte. Tevens gaf hij den wensch te kennen, niet
+te duelleeren zooals schrijvers dat gewoonlijk doen, d.w.z. dat twee
+schrijvers een' derden en ook pistolen meenemen, en dat alles eindigt
+met champagne, maar dat hij een ernstig duel verlangde. Daarom verzocht
+hij Toerghenjeff gewapend in het bosch van Bogoeslaff te komen.
+
+Tolstoi ging niet slapen, maar bleef den geheelen nacht
+wachten. Eindelijk kwam er antwoord op den eersten brief. Toerghenjeff
+schreef:
+
+
+
+"Geachte Heer Leo Nikolajewitsch!
+
+"In antwoord op uwen brief kan ik slechts herhalen, wat ik mij reeds
+bij Fet verplicht achtte te zeggen. Meegesleept door een onwillekeurig
+vijandig gevoel ('t is hier niet de plaats dit nader te omschrijven),
+beleedigde ik u zonder eenige aanleiding uwerzijds, en vroeg u daarna
+om verschooning. Hetgeen vanmorgen gebeurd is toont duidelijk aan,
+dat iedere toenadering tusschen twee zulke tegenstrijdige naturen als
+de onze tot niets kan lijden. Ik doe des te liever de schuld af, die ik
+mij tegenover u bewust ben, omdat deze brief waarschijnlijk het laatste
+levensteeken zal zijn, dat tusschen ons gewisseld wordt. Van ganscher
+harte hoop ik dat dit schrijven u moge bevredigen, en ik verklaar u van
+te voren mijne instemming met het gebruik dat gij er van wilt maken.
+
+"Met de meeste hoogachting heb ik, geachte heer, de eer te zijn
+
+
+"27 Mei 1861, Spasskoje.
+
+"Uw dw. dn.
+Iwan Toerghenjeff."
+
+
+
+Hierbij was het volgend bijschrift:
+
+"10 1/2 uur 's-nachts.
+
+"Iwan Petrowitsch brengt mij daar juist mijn' brief terug die, door de
+domheid van mijn' bediende, te Nowosjelok in plaats van te Bogoeslaff
+is bezorgd. Wil deze nalatigheid verontschuldigen. Ik hoop dat nu
+mijn bode u nog te Bogoeslaff zal treffen."
+
+Waarschijnlijk dienzelfden dag nog schreef Tolstoi aan Fet:
+
+"Ik kon mij niet weerhouden den brief van den heer Toerghenjeff (een
+antwoord op mijn' brief) te lezen. Ik wensch u in uwe verhouding tot
+dien heer het allerbeste, maar ik veracht hem en heb hem dat ook
+geschreven; daarmee is alles tusschen ons uit, behalve natuurlijk
+indien hij genoegdoening vordert. Hoewel ik uiterlijk kalm was stormde
+het in mij en verlangde ik eene betere verontschuldiging van dien heer,
+hetgeen ik hem in mijn' brief van Nowosjelok heb geschreven. Hier
+is zijn antwoord, waarmee ik genoegen neem, hetgeen ik hem ook te
+kennen heb gegeven, onder bijvoeging, dat de reden waarom ik zijne
+verontschuldiging aanneem niet ligt in onze tegenstrijdige naturen,
+maar in eene oorzaak die hij zelf begrijpen kan. Bovendien zond ik
+tengevolge van het oponthoud een tweeden scherpen brief, waarin ik hem
+uitdaagde, maar waarop ik geen antwoord ontving. Indien het nog komt,
+zal ik den brief ongeopend terugzenden. En dit is nu het einde van
+deze treurige geschiedenis, waaraan gij, zoo zij over uwen drempel
+mocht gaan, het bovenstaande moet toevoegen.
+
+"L. Tolstoi."
+
+Op de uitdaging antwoordde Toerghenjeff het volgende:
+
+"Uw bediende zegt, dat hij op antwoord moet wachten, maar ik
+zou niet weten wat ik aan mijn eerste schrijven nog zou kunnen
+toevoegen. Misschien dit, dat ik u het volste recht toeken mij uit
+te dagen. Gij hebt er de voorkeur aan gegeven mijne uitgesproken
+en herhaalde verontschuldigingen aan te nemen. Gij hebt het zoo
+gewild. Ik geef u de oprechte verzekering, dat ik mij gaarne aan uw
+schot zou hebben blootgesteld, om daardoor mijne inderdaad zinnelooze
+woorden uit te wisschen. Hetgeen ik tegen u gezegd heb wijkt zoo af
+van mijne gewone wijze van doen, dat ik het slechts kan toeschrijven
+aan een gevoel van verbittering, dat ontstaan is door onze geheel
+tegenstrijdige inzichten. Dit is geene verontschuldiging; ik wil mij
+niet rechtvaardigen; het is slechts eene verklaring. En daarom moeten
+onze wegen zich scheiden. Dergelijke gebeurtenissen laten zich niet
+uitwisschen, maar ik acht het mijn plicht, nogmaals te herhalen, dat
+gij in deze zaak gelijk en ik schuld heb. Ik voeg hier nog bij dat
+in dit geval het zwaartepunt niet ligt in den moed dien ik u al of
+niet wil toonen, maar in de bekentenis dat gij zoowel het recht hebt
+mij uit te dagen (natuurlijk in den aangenomen vorm, met secondanten)
+als om mij te vergeven. Gij hebt gekozen wat gij goed vondt, en mij
+past het mij naar uw besluit te voegen.
+
+"Wederom verzoek ik u de betuiging mijner oprechte hoogachting te
+aanvaarden.
+
+"Iw. Toerghenjeff."
+
+
+
+Waarschijnlijk stelde Fet pogingen in het werk, zijne beide vrienden
+te verzoenen, want in zijne _Herinneringen_ schrijft hij:
+
+"Tolstoi zond mij het volgende briefje:
+
+"'Toerghenjeff...., hetgeen ik u verzoek hem even nauwkeurig over te
+brengen als gij mij zijne welwillende meening mededeeldet, hoewel ik
+u uitdrukkelijk verzocht had niet meer over hem te spreken.
+
+"'Graaf L. Tolstoi.'
+
+
+
+"'Ik verzoek u mij niet meer te schrijven, daar ik uwe zoomin als
+zijne brieven zal openen.'"
+
+
+
+"Ik behoef wel niet te zeggen," vervolgt Fet, "dat ik mijn uiterste
+best deed om deze kwestie, die helaas in mijn huis begonnen was,
+tot een goed einde te brengen.
+
+"Ik herinner mij nog in welk een onbeschrijflijk ironische woede
+Nikolaas Nikolajewitsch Toerghenjeff geraakte, toen hij van 't geval
+hoorde. 'Welk eene dwaasheid,' riep hij uit, 'te verlangen, dat
+iedereen zal denken zooals wij zelf! Maar zijt gij eenmaal begonnen,
+zet dan de zaak ook door tot aan het einde, met het pistool in de
+hand.' Zoo sprak hij tot mij; wat hij tegen Iwan Toerghenjeff heeft
+gezegd, is mij niet bekend.
+
+"Het slot van de zaak was, dat het tot een formeele breuk kwam
+tusschen Tolstoi en mij, en tot op dit oogenblik weet ik nog niet,
+of onze verhouding weer vriendschappelijk is geworden."
+
+"Eenigen tijd later," vertelt gravin Tolstoi, "gebeurde het, dat
+Tolstoi in eene van die verheven gemoedsstemmingen geraakte, die men
+nu en dan bij hem kon waarnemen. Hij was dan verdraagzaam, liefdevol
+en vervuld van de begeerte om naar het goede en het allerhoogste te
+streven. Als hij in dien toestand verkeerde, kon hij het niet verdragen
+een' vijand te hebben. En daarom zond hij den 25sten September aan
+Toerghenjeff een' brief, waarin hij zijne spijt uitdrukte dat hunne
+verhouding vijandig was. Hij schreef:
+
+"'Zoo ik u beleedigd heb, vergeef het mij dan, het is mij eene oneindig
+treurige gedachte te weten dat ik een vijand heb.'"
+
+Dit schrijven werd naar den boekhandel van Dawidoff gestuurd, waarmee
+Toerghenjeff in relatie stond. Om de eene of andere reden werd de brief
+niet dadelijk doorgestuurd en nu gebeurde het, dat juist in dien tijd
+Toerghenjeff een onaangenaam gerucht ter oore kwam, waarvan hij Fet
+in den volgenden brief mededeeling deed.
+
+
+"Parijs, 8 November.
+
+"....En nu nog een woord over die ongelukkige historie met Tolstoi. Ik
+reisde over Petersburg en hoorde van 'vertrouwbare personen' (o,
+die vertrouwbare personen!) dat eene copie van mijn laatsten brief
+(waarin hij mij zijne verachting te kennen geeft) in Moskou door
+hem zelf zou zijn verspreid. Het maakte mij razend, en ik heb hem
+eene uitdaging gezonden om, zoodra ik weer in Rusland zal zijn,
+met hem te duelleeren. Tolstoi antwoordde dat het verspreiden van
+dien brief een praatje is en voegde er bij dat, hoewel ik hem had
+beleedigd, hij mij om verontschuldiging verzocht, en dat hij van het
+duel afzag. Natuurlijk moet ik er nu ook genoegen mee nemen, maar nu
+vraag ik u hem te willen mededeelen (hij schreef mij immers vroeger dat
+hij ieder bericht van mij aan hem als eene beleediging zou opnemen),
+dat ik zelf afstand doe van het recht om met hem te duelleeren, en
+dat ik hoop dat deze gebeurtenis nu voor goed begraven is. Zijn' brief
+met verontschuldigingen heb ik vernietigd en den anderen, dien hij mij
+door Dawidoff had gestuurd, heb ik niet ontvangen. En daarmee basta."
+
+In Tolstoi's dagboek vinden wij over deze zaak:
+
+"October. Gisteren ontving ik een' brief van Toerghenjeff, waarin
+hij mij beschuldigt hem voor een' lafaard te hebben uitgemaakt en
+copieën van zijne brieven te hebben verspreid. Ik heb hem geschreven
+dat dit praatjes zijn en zond hem bovendien den volgenden brief:
+'Gij hebt mijn optreden eerloos genoemd; vroeger hebt gij mij in
+het gezicht willen slaan, en ik erken dat ik schuld heb, vraag u om
+verschooning en wensch niet meer te duelleeren.'"
+
+Gravin Tolstoi schrijft in hare aanteekeningen, dat deze brief werd
+geschreven met de gedachte, dat zoo Toerghenjeff zich niet persoonlijk
+kon wreken, en toch tegenover het publiek in zijne eer hersteld moest
+worden, hij dezen brief kon gebruiken. Tolstoi stond boven dergelijke
+zaken, en het oordeel der menschen verachtte hij. Toerghenjeff toonde
+zich nu klein, en antwoordde dat hij zich voldaan achtte.
+
+Den 7den Januari schreef Toerghenjeff nogmaals aan Fet:
+
+"....En nu ter zake. Hebt gij Tolstoi gezien? Eerst heden ontving ik
+den brief, dien gij mij in September door bemiddeling van Dawidoff
+stuurdet. (Wat zijn die Russische zakenmenschen accuraat!) Hierin
+schrijft hij dat hij mij heeft willen beleedigen en biedt hij mij
+zijne verontschuldiging aan. En in dien zelfden tijd stuurde ik hem,
+opgewonden door 't gepraat van anderen, eene uitdaging voor een duel.
+
+"Uit een en ander maak ik de gevolgtrekking dat onze gesternten zich
+in tegengestelde richtingen bewegen, en daarom is het beter, zooals
+hij zelf ook inziet, eene ontmoeting te vermijden. Maar gij kunt hem
+schrijven, of zeggen, dat ik hem, wanneer wij ver van elkaar zijn,
+acht en liefheb, en met belangstelling zijne loopbaan volg, maar dat
+dit alles verandert zoodra wij bij elkaar zijn. Wat kan men daaraan
+doen! Wij moeten maar denken dat wij ieder op een verschillende
+planeet of in eene andere eeuw leven."
+
+Waarschijnlijk heeft Fet er met Tolstoi over gesproken en daardoor
+opnieuw diens misnoegen opgewekt, hetgeen hij aan Toerghenjeff heeft
+geschreven, waarop deze den volgenden brief zond.
+
+
+
+"Januari 1862.
+
+"Waarde Afanasie Afanasjewitsch!
+
+"Allereerst vraag ik u excuus voor al de onaangenaamheden, die mijn
+brief u bezorgd heeft. Mijne eenige verontschuldiging is, dat ik
+niet had voorzien dat Tolstoi de zaak zoo op zou nemen, maar dat
+ik integendeel had gedacht haar tot een goed einde te brengen. Het
+schijnt echter beter het geval geheel te laten rusten. Nogmaals,
+vergeef mij wat ik onwillekeurig misdeed."
+
+En hiermede eindigen wij de beschrijving van deze ongelukkige
+gebeurtenis, die plotseling eene scheiding veroorzaakte tusschen twee
+groote mannen, doch waaruit misschien later eene zuiverder verhouding
+zou ontstaan.
+
+Wij kunnen hier nog bij voegen dat de wijze, waarop Garschin dezen
+twist in het Januari-nummer van den Historischen Bode beschreven heeft,
+niet juist is. Waarschijnlijk heeft hij niet uit zuivere bronnen geput.
+
+
+
+In de jaren 1861 en '62 bekleedde Tolstoi het ambt van vrede- en
+scheidsrechter in een deel van het district Krapiwenski.
+
+De roep, die van hem uitging, dat hij zijne boeren niet uitzoog
+en uitmergelde, was bijna een hinderpaal geworden voor zijne
+bevestiging in bovengenoemd ambt. Hierover ontspon zich eene uitvoerige
+correspondentie, waarvan wij slechts de belangrijkste stukken laten
+volgen.
+
+De gouvernements-adelmaarschalk beklaagde zich o.a. bij den minister
+van binnenlandsche zaken over den gouverneur van Toela, die Tolstoi tot
+vrede- en scheidsrechter had benoemd. Hij wees er op, dat de geringe
+overeenstemming tusschen Tolstoi en den overigen adel van Toela,
+in zake landhuishoudkunde, aanleiding kon geven tot ongewenschte
+botsingen tusschen de leden van het lichaam waar Tolstoi nu deel van
+uitmaakte. Daarbij zou de benoeming zijn geschied met verwaarloozing
+van eenige daaraan verbonden formaliteiten.
+
+De minister antwoordde daarop, dat de zaak waarschijnlijk op een
+misverstand berustte en onderzocht zou worden.
+
+Op eene aan hem gerichte vraag antwoordde luitenant-generaal Daragan,
+de gouverneur van Toela, in een confidentiëel schrijven, o.a. het
+volgende:
+
+"Ik ken graaf Tolstoi persoonlijk als een beschaafd, ontwikkeld mensch,
+die zeer veel voor de bewuste zaak voelt. Daarbij hebben verschillende
+landeigenaren uit dit district mij hun' wensch te kennen gegeven,
+graaf Tolstoi als scheidsrechter benoemd te zien, zoodat er voor
+mij geen reden bestaat hem door een ander, mij onbekend, persoon te
+vervangen. Ook heeft de voorganger van Uwe Excellentie, onder vele
+andere invloedrijke personen, mijne aandacht op hem gevestigd."
+
+Zoo bleef Tolstoi dus in zijn ambt gehandhaafd en uit de stukken,
+die ons zijn geworden, blijkt, dat hij met al de kracht die in hem
+was trachtte het volk te vrijwaren voor de groote willekeur der
+landeigenaren en politie-ambtenaren, zoodat de vrees van den adel
+voor zijne benoeming niet ongegrond bleek te zijn.
+
+Wij zullen hier eenige voorbeelden van zijne werkzaamheid laten volgen.
+
+Eene landeigenares, eene zekere Artjoechowa, beklaagde zich dat een
+gewezen stalknecht van haar was weggegaan, omdat hij volgens zijne
+verklaring "een volkomen vrij man" was.
+
+Tolstoi antwoordde hierop:
+
+"Mark kan volgens mijne uitspraak met zijne vrouw gaan waarheen hij
+wil. Beleefd verzoek ik u nog het volgende: hem schadevergoeding te
+geven voor de diensten, die gij gedurende drie maanden wederrechtelijk
+van hem genoten hebt, alsook voor de slagen zijne vrouw toegebracht,
+hetgeen nog meer tegen de wet is. Indien gij geen genoegen neemt met
+mijn besluit, dan hebt gij het recht in beroep te gaan bij het vrede-
+en bij het gouvernements-gerecht. Ik zal in deze zaak geen verdere
+verklaringen meer geven.
+
+"Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn
+
+"Uw onderdanige dienaar Graaf L. Tolstoi."
+
+De eischeres teekende protest aan en de overige leden van het
+vredegerecht, die tegenstanders van Tolstoi waren, stelden hem, zooals
+in vele andere gevallen, in het ongelijk. Daarop ging de zaak naar
+de tweede instantie, die zich nu--en dit geschiedde meermalen--met
+Tolstoi's uitspraak vereenigde.
+
+Zoo werd Mark dus vrij verklaard en zijne vrouw kreeg eene
+schadeloosstelling voor de haar toegebrachte slagen.
+
+
+
+Zijne volgende uitspraak gold een' strijd over het afgrazen van
+eene weide.
+
+Eenige boeren, die bij een' landeigenaar aan 't ploegen waren, hadden
+in het schaftuur hunne paarden op diens weide laten grazen. Hij ging
+zich daarover bij Tolstoi beklagen. Deze ried hem aan de boeren niet
+te vervolgen, waarschijnlijk in de hoop dat eene betere verhouding
+tusschen dien landeigenaar en de boeren daarvan het gevolg zou
+zijn. De aanklager wilde hier niets van hooren, maar eischte eene
+schadevergoeding van tachtig roebel.
+
+De wijze waarop Tolstoi deze zaak behandelde bevredigde den
+landeigenaar niet, en hij beklaagde zich bij het gerecht.
+
+"...Graaf Tolstoi," schreef hij, "verscheen met drie boeren,
+die als deskundigen moesten optreden, in de bewuste weide. De
+boeren gaven als hun oordeel te kennen, dat er drie desjatin waren
+afgeweid, vertegenwoordigende eene waarde van dertig roebel. Graaf
+Tolstoi was het met deze uitspraak niet eens en schatte de schade
+op vijftien roebel. De deskundigen spraken den graaf niet tegen,
+en zoo werden de boeren dus tot eene schadeloosstelling van vijftien
+roebel veroordeeld."
+
+De landeigenaar, die deze uitspraak niet in overeenstemming met de
+wet vond, voegde hier nog aan toe:
+
+"Ik ben overtuigd dat het vredegerecht, steeds geneigd het lot van
+de boeren te verbeteren, niet zal dulden dat deze verbeteringen
+zullen geschieden langs den weg, door den vrederechter graaf Tolstoi
+aangewezen."
+
+Derhalve ter verantwoording geroepen, antwoordde Tolstoi, dat hij op
+grond van artikel 29, 31 en 32 van de wet tot regeling van de zaken
+der boeren, het niet noodig oordeelde eenige opheldering te geven. De
+zaak ging verder naar het gouvernements-gerecht en werd teruggezonden
+zonder eenige schriftelijke verklaring, met de kantteekening "accoord",
+zoodat de beslissing wederom ten gunste van Tolstoi uitviel.
+
+Het volgende voorval toont, hoe weinig eerzuchtig Tolstoi in zijne
+betrekking was. Steeds streefde hij er naar zoo rechtvaardig mogelijk
+te handelen, en mocht hij zich al eens vergissen, dan erkende hij
+dit volmondig.
+
+Een grondeigenares had zich beklaagd dat Tolstoi aan een van hare
+knechts wederrechtelijk een' pas had uitgereikt. Toen bij het onderzoek
+bleek dat hare aanklacht gegrond was, erkende hij eene fout te hebben
+begaan en bood aan haar schadevergoeding te geven.
+
+Hoewel Tolstoi altijd opkwam voor hunne rechten had hij dikwijls zeer
+veel last met de boeren, die, na de opheffing van de lijfeigenschap,
+hardnekkig hunne vroegere voorrechten trachtten te behouden.
+
+Tusschen den landeigenaar Osipowitsch en zijne gewezen lijfeigenen
+was het volgende geschil ontstaan. Een gedeelte van het dorp was door
+brand vernield en nu wilde de landheer den boeren niet toestaan hunne
+hutten weer op dezelfde plaats op te bouwen; bovendien onthield hij
+hun het noodige materiaal en den vereischten vrijen tijd.
+
+Tolstoi vond eenerzijds de eischen der boeren wettig, maar aan
+den anderen kant zag hij dat de omstandigheden van den kleinen
+grondeigenaar zóó waren, dat hij er onmogelijk aan kon voldoen. Hij
+wendde zich nu tot den adel met een verzoek om hulp voor den
+collega-landheer, wiens zaken zoo achteruit waren gegaan, of voor
+diens boeren. Maar zijn verzoek werd afgewezen en men begon de boeren
+te dwingen de eischen van den landheer in te willigen.
+
+De zaak werd van de eene instantie naar de andere verwezen en kwam
+maar niet tot een eind. Tolstoi zag in, dat het niet gunstig voor de
+boeren zou afloopen, en teekende daarom nogmaals protest aan. Maar
+dit bracht geen verandering in de behandeling der zaak, en toen hij
+begreep dat door de leden van het gerecht met opzet een verkeerde
+weg werd ingeslagen en dat hij niet krachtig genoeg was dit tegen
+te gaan, verliet hij bij wijze van protest de vergadering, zonder
+de behandelde stukken te onderteekenen. Wegens deze handelwijze werd
+eene aanklacht ingediend bij het gouvernementsgerecht, waarop echter
+geen acht werd geslagen.
+
+Over 't algemeen trachtten de landeigenaren hun' boeren zoo weinig
+mogelijk grond te geven en hen met de slechtste stukken af te
+schepen. Wanneer Tolstoi een dergelijk streven opmerkte, kwam hij
+tusschen beiden en zorgde dat er verandering in kwam.
+
+Het spreekt van zelf dat de sympathie, die Tolstoi den boeren toedroeg,
+den landeigenaren een doorn in het oog was. Zij beschuldigden hem
+dat hij tweedracht zaaide; dat hij de patriarchale verhouding,
+die er steeds tusschen den landheer en de boeren had bestaan,
+verstoorde, waardoor de boeren tot onwettige handelingen kwamen;
+zij beklaagden zich dat zelfs de leden van het boeren-bestuur, om
+Tolstoi te gerieven, hunne plichten verzaakten, zoodat er anarchie
+in het dorp heerschte en onregelmatigheden, als diefstal, willekeur
+en verregaande onafhankelijkheid, welig tierden.
+
+Hoe beter de verhouding met de boeren werd, des te onaangenamer werd
+die met den adel en de overige landeigenaren, zoodat Tolstoi's positie
+steeds moeilijker en ten slotte onhoudbaar werd. In Juni 1861 schreef
+hij in zijn dagboek:
+
+"Mijn ambt van vrederechter heeft mij weinig materiaal geleverd, mij
+in onmin gebracht met alle landeigenaren en mijne gezondheid verwoest."
+
+Nog eenige maanden bleef Tolstoi op zijn post, maar in Februari 1862
+besloot hij zijn ontslag te nemen.
+
+De aanvraag hiertoe omkleedde hij met alle redenen die hem tot deze
+daad noopten, wijzende op de systematische tegenwerking die hij
+steeds had ondervonden, en zelfs revisie vragende van enkele tegen
+zijn advies in genomen besluiten. Tevens verzocht hij verlof zijn
+ambt voorloopig aan den oudsten kandidaat te mogen overdragen.
+
+Een' tijd lang bleef Tolstoi nog in functie, maar den 30sten April
+droeg hij, wegens zijne geschokte gezondheid, zijn ambt tijdelijk aan
+een' ander over. Eindelijk, 26 Mei, kwam bericht bij den gouverneur van
+Toela, dat het verzoek werd ingewilligd en hij om gezondheidsredenen
+was ontslagen.
+
+De volgende schets, ontleend aan Löwenfeld, toont ons duidelijk hoe
+onrechtvaardig Tolstoi werd beschuldigd de boeren te bevoordeelen
+ten koste van de landeigenaren.
+
+"Een jonge Duitscher, in betrekking bij een' landeigenaar in Toela,
+moest voor zaken van zijn' patroon Tolstoi op Jasnaja Paljana
+bezoeken. Er was een verschil gerezen over een stuk grond tusschen
+den landheer en zijne boeren, en in zijne kwaliteit van scheidsrechter
+moest Tolstoi uitspraak doen in deze zaak.
+
+"Om een oordeel te kunnen vellen moest hij den grond zelf in
+oogenschouw nemen, en daarom begaf hij zich, vergezeld van een'
+twaalfjarigen boerenjongen, dien hij zijn kleinen landmeter noemde,
+naar de aangeduide plaats. Hier ontving hij de boerendeputatie,
+bestaande uit drie personen, die hunne belangen kwamen bepleiten.
+
+"'Nu kinderen, wat wenscht ge?' vroeg graaf Tolstoi. De afgevaardigden
+legden hem uit, dat zij een ander stuk grond wenschten te ontvangen
+dan hun was toegewezen.
+
+"'Het spijt mij zeer, dat ik uw verzoek niet kan inwilligen,' zeide
+graaf Tolstoi, 'want als ik het toestond dan zou ik uwen landheer
+zeer benadeelen,' en daarop begon hij hun de redenen zijner weigering
+duidelijk uiteen te zetten.
+
+"'Och, doe maar iets voor ons,' vroegen de boeren.
+
+"'Neen, ik kan niets voor u doen,' herhaalde graaf Tolstoi.
+
+"Alsof zij niets gehoord hadden, herhaalden de boeren, die met
+eerbiedig gebogen hoofd voor hem stonden: 'och, doe iets voor ons,
+vadertje, doe iets voor ons.'
+
+"'Wanneer gij wilt, vadertje,' begon opnieuw de woordvoerder,
+'dan kunt gij wel iets voor ons doen,' en de overige leden van de
+deputatie knikten bij wijze van instemming met hun hoofd.
+
+"Graaf Tolstoi bekruiste zich en zeide: 'Bij Gods rechtvaardigheid
+zweer ik u, dat ik u niet kan helpen.' En toen de boeren maar
+door zeurden: 'Och vadertje, doe iets voor ons, doe iets voor ons,
+vadertje', wendde hij zich driftig tot den jongen Duitscher, die
+ook aanwezig was en zeide: 'Misschien kon Amfion nog vlugger bergen
+en bosschen verzetten dan wij dezen boeren iets aan het verstand
+kunnen brengen.'
+
+"Bij de voortzetting van het gesprek, dat nog wel een uur duurde,
+verloor graaf Tolstoi geen oogenblik zijn geduld en bleef hij steeds
+welwillend. De halsstarrigheid van de boeren ontlokte hem niet één
+ruw woord."
+
+
+
+Vorst Dmitri Dmitrijewitsch Obolenski vertelt ons nog eene herinnering
+van een feestdiner, waarbij Tolstoi zijn buurman was.
+
+"Bij gelegenheid van eene verkiezing werd den leden van het
+scheidsgerecht een feestdiner aangeboden.
+
+"Dat diner zal ik niet licht vergeten. Na afloop bleven eenige
+landeigenaren, waaronder natuurlijk ook ik, nog een oogenblikje
+napraten. Toevallig kwam ik naast Tolstoi te zitten, met wien ik
+toen al heel goed bekend was. Er werden eenige toasten uitgebracht;
+de eerste, die met groot enthousiasme werd ontvangen, gold den 'Tsaar,
+den Bevrijder'.
+
+"'Ik drink dien toast met zeer veel genoegen,' zeide Tolstoi, 'want
+alleen aan hem hebben wij de emancipatie te danken...'
+
+"In het jaar van de afschaffing der lijfeigenschap (vervolgt Obolenski)
+stichtte Leo Tolstoi eenige scholen in Jasnaja Paljana, waarvoor ik mij
+zeer interesseerde. Ik bezocht hem dikwijls en in den herfst gingen
+wij veel samen jagen. Wie zou nu in den vluggen jager, voor wien
+geen sloot te breed was, met wien ik dagen achtereen op jacht ging,
+den diepzinnigen filosoof herkennen! Aangenamer gezelschap kan men
+zich moeielijk denken. Een goed vrederechter vind ik hem echter niet,
+daarvoor was hij veel te verstrooid. Als den dag van gisteren herinner
+ik mij nog het eerste protocol dat hij indiende. Het onderschrift
+luidde letterlijk:
+
+"'Dit protocol zal op verzoek van een' zekeren die-en-die, niet
+kunnende schrijven, door een' zekeren stalknecht zoo-en-zoo worden
+onderteekend.' Alle namen waren vergeten. Zooals graaf Tolstoi het
+gedicteerd had, had de knecht het opgeschreven zonder één naam in
+te vullen, en zoo werd het, zonder te zijn doorgelezen, door Tolstoi
+onderteekend en doorgezonden naar het gouvernements-gerecht.
+
+"Ik hoorde deze geschiedenis van mijn' oom, die als lid van
+bovengenoemd lichaam het protocol had ontvangen."
+
+Tolstoi onderscheidde zich niet door kanselarijarbeid, maar hij
+was, wat zijn hart en verstand betreft, uitstekend berekend voor
+het ambt van scheidsrechter, en als zoodanig heeft hij ook goede
+herinneringen achtergelaten. In zijne paedagogische loopbaan, waarop
+wij in het volgende hoofdstuk zullen terugkomen, was hij, ondanks
+eenige tegenspoeden, zeer gelukkig.
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+TOLSTOI'S PAEDAGOGISCHE WERKZAAMHEDEN.--DE OPRICHTING VAN
+SCHOLEN.--THEORIEËN.
+
+
+Reeds eenige malen had Tolstoi zich met paedagogischen arbeid bezig
+gehouden. In het jaar 1849, teruggekeerd uit St.-Petersburg, stichtte
+hij eene volkschool te Jasnaja Paljana en voerde eenige verbeteringen
+in, in de hoop daardoor het volk nader te komen. Wij weten dat deze
+eerste proefneming met eene mislukking eindigde. Bij zijn vertrek
+naar den Kaukasus werd de school natuurlijk gesloten, doch zij werd
+weer geopend na zijn eerste buitenlandsche reis.
+
+Tolstoi was zich zijn gebrek aan theoretische kennis volkomen bewust,
+en haastte zich dit tekort aan te vullen op de door ons in het vorige
+hoofdstuk beschreven wijze. Na zijn' terugkeer uit het buitenland
+voelde hij zich krachtig genoeg om eene nieuwe proef te wagen. Wederom
+ging hij zich wijden aan het volksonderwijs en bracht dat tot eene
+nog ongekende hoogte.
+
+In een van zijne artikelen over paedagogie heeft hij over zijne
+proefnemingen en voorbereidingen in zake schoolarbeid het volgende
+gezegd.
+
+"Toen ik, nu ongeveer vijftien jaar geleden, zonder eenige
+voorbereiding, zoo min practisch als theoretisch, alleen bezield met
+den innigen wensch een goed onderwijzer in mijne school te zijn,
+mij voor het eerst ging wijden aan het volksonderwijs, stootte
+ik dadelijk op de twee vragen: 'wat moet ik onderwijzen?' en 'hoe
+moet ik onderwijzen?' De meeningen van de verschillende personen
+die belang stellen in volksontwikkeling, loopen hierover, thans
+zoowel als vroeger, zeer uiteen. Sommigen antwoorden op de vraag
+'wat moet ik onderwijzen?' dat, behalve het lezen en schrijven, de
+natuurwetenschappen voor eerstbeginnenden zeer nuttig zijn; anderen
+weer oordeelen deze geheel overbodig, ja zelfs schadelijk. De een geeft
+de voorkeur aan aardrijkskunde en geschiedenis, de ander ontkent de
+noodzakelijkheid daarvan, een derde pleit voor de oude Slavische taal,
+spraakkunst en godsdienstonderwijs, en nummer vier acht ook dit niet
+goed, maar is voor algemeene ontwikkeling.
+
+"Over de vraag: 'hoe moet ik onderwijzen?' liepen vroeger, en loopen
+ook nu nog, de meeningen nog meer uiteen, en de verschillende wijzen
+waarop schrijven, lezen en rekenen worden onderwezen zijn ook nu,
+evenals vroeger, in tegenspraak met elkaar.
+
+"Toen ik in de Russische litteratuur geen bevredigend antwoord op
+deze vragen vond, wendde ik mij tot de Europeesche. Ik las alles wat
+er over paedagogie geschreven was, richtte mij tot de beroemdste
+vertegenwoordigers van deze wetenschap in Europa en vond niet
+alleen geen antwoord op mijne vraag, maar kwam tot de overtuiging,
+dat in de paedagogie als wetenschap eene dergelijke vraag niet eens
+bestond; dat iedere paedagoog, voorstander van eene zekere school,
+onvoorwaardelijk geloofde in de juistheid van zijne methode. Kritiek
+daarop uit te oefenen zou een nuttelooze arbeid zijn geweest. En
+daarbij, waarschijnlijk omdat ik mij aan de opvoeding van 't volk ging
+wijden zonder eenige voorbereidende studie, zonder er in de verste
+verte begrip van te hebben hoe ik moest onderwijzen, maar zelf in de
+dompige dorpsschool begon te schoolmeesteren, vestigde zich bij mij de
+overtuiging dat er een kriterium moest zijn volgens hetwelk de vraag
+kon worden opgelost: 'hoe en wat moet men onderwijzen: het psalmboek
+van buiten leeren of de grondbeginselen der natuurkunde? Het alfabet
+onderwijzen volgens de Duitsche- of volgens de oud-Slavische methode?'
+
+"Ik werd bij de oplossing van deze vraag geholpen door een weinig
+paedagogisch talent en doordat de zaak mij zoo zeer ter harte
+ging. Toen ik in onmiddellijke aanraking kwam met de veertig kleine
+boertjes, die mijn school bezochten (ik noem hen kleine boeren
+omdat zij alle karaktertrekken, zooals vlug begrip, praktischen zin,
+vroolijkheid, eenvoud en afwezigheid van alle valschheid aan den dag
+legden, die den Russischen boer eigen zijn), en zag hoe ontvankelijk
+zij waren voor de wetenschappen die zij noodig hadden, begreep ik
+tevens dat de oude kerkelijke methode van onderwijzen een verouderd
+standpunt was, dat niet meer voor hen deugde. Ik beproefde het op eene
+andere manier, en daar ik afkeerig ben van allen dwang, zette ik nooit
+door zoodra ik bemerkte dat de leerstof niet goed werd verwerkt. Deze
+proefnemingen bewezen mij, en ook den onderwijzers die volgens mijne
+vrije methode op de andere scholen te Jasnaja Paljana les gaven,
+dat bijna alles wat men in de paedagogische wereld over schoolzaken
+schrijft, geheel in strijd is met de werkelijkheid; dat er onder
+de aangenomen leervakken veel is, b.v. natuurkundige wetenschappen,
+aanschouwelijk onderwijs en andere, dat den leerlingen afkeer en spot
+inboezemt en dat zij niet kunnen verwerken. Toen begonnen wij naar
+leerstof te zoeken die gemakkelijk door de kinderen werd begrepen,
+en zoo vormde ik dus mijne eigene methode, die echter nog op één lijn
+stond met alle andere, terwijl de vraag waarom zij beter was ook nog
+onopgelost bleef.
+
+"....In dien tijd werden mijne paedagogische geschriften nog met
+de grootste onverschilligheid ontvangen. Men viel hier en daar
+over eene kleinigheid, maar voor het vraagstuk zelf interesseerde
+men zich blijkbaar niet. Ik was toen nog jong en die koelheid deed
+mij veel verdriet. Ik begreep niet dat ik met mijne vraag 'hoe en
+wat moeten wij onderwijzen?' gelijk was aan den man, die in eene
+vergadering van Turksche pasha's, beraadslagende over het vraagstuk:
+'hoe kunnen wij de meeste belasting innen?' ten antwoord gaf: 'mijne
+heeren, om te weten van wien en hoeveel belasting gij kunt eischen,
+moet gij eerst eene oplossing vinden voor de vraag: "waarop berust
+het recht, dat wij belasting eischen?"'
+
+"Waarschijnlijk hebben de pasha's met een minachtend voorbijgaan van
+deze ongepaste vraag hunne beraadslagingen voortgezet." [121]
+
+Uit Tolstoi's brieven hebben wij gezien, hoe hij ook gedurende zijn
+verblijf in het buitenland vervuld was van zijne scholen.
+
+Met groote regelmatigheid wijdde Tolstoi zich, na zijne terugkomst in
+het voorjaar van 1861, aan de taak, die hij zich zelf had opgelegd,
+en in 1862 kon hij met tevredenheid constateeren, dat er op eene
+bevolking van 10,000 zielen, behalve de kerkelijke, reeds 14 nieuwe
+scholen verrezen waren. Ook in de omliggende districten nam het aantal
+scholen snel toe.
+
+...."De betaling voor deze scholen geschiedde eenvoudig volgens
+eene mondelinge afspraak met de ouders of met het bestuur van de
+boerenvereeniging. Iedereen zal moeten toestemmen, dat een dergelijke
+betrekking wel de meest gewenschte kan zijn die er tusschen onderwijzer
+eenerzijds en ouders of boeren anderzijds kan bestaan."
+
+In een van Tolstoi's paedagogische artikelen geeft hij eene zeer
+uitvoerige beschrijving van de oprichting zijner scholen.
+
+"De school wordt gehouden in een steenen huis van twee verdiepingen. Er
+zijn twee schoolvertrekken, eene werkkamer en twee kamers voor de
+onderwijzers. Boven de stoep hangt onder een afdakje eene bel, en in
+de gang bevinden zich gymnastiek-toestellen. In de gang, die men het,
+even als de trappen, steeds kan aanzien dat zij veel beloopen wordt,
+hangt ook eene werklijst. Om acht uur stuurt de onderwijzer een'
+jongen, die gewoonlijk bij hem overnacht, naar beneden om te luiden.
+
+"In het dorp is men reeds lang wakker, en een half uur nadat de bel
+weerklonken heeft doemen uit nevel en mist kleine figuurtjes op,
+die gezamenlijk, in clubjes van twee of drie, maar ook alleen, zich
+schoolwaarts spoeden. De leerlingen hebben sedert lang niet meer de
+behoefte om steeds als een kudde te zamen te loopen. Ook is het niet
+meer noodig hen op te wachten en hun toe te roepen: 'kom kinderen, _na_
+school'! Zij weten reeds dat men zegt _naar_ school; zij weten reeds
+veel meer en, vreemd, als gevolg daarvan schuwen zij de eenzaamheid
+niet meer.
+
+"Niet slechts in zijne handen draagt de knaap niets mee, ook zijn
+hoofd is niet bezwaard. Het is voor hem geen verplichting, de lessen
+die hij gisteren gehad heeft, vandaag van buiten te kennen. Hij heeft
+geen angst voor de les die hem wacht. Hij komt, zoo als hij is, met
+zijn ontvankelijk gemoed, overtuigd dat het heden even prettig in
+school zal zijn als gisteren. Hij denkt niet aan zijne klasse voordat
+de school begonnen is. Nooit wordt het den kinderen verweten, zoo
+zij verzuimen, en als gevolg daarvan mist er nooit iemand, behalve
+misschien de grootste jongens, die in den drukken tijd vader moeten
+helpen, maar die ook dan nog dikwijls, hijgend van vermoeidheid,
+naar school komen. Is de onderwijzer nog niet aanwezig, dan wachten
+zij op de stoep, spelen of maken een glijbaantje. Als het te koud is
+gaan zij naar binnen en lezen of praten wat totdat de les begint. De
+jongens en de meisjes bemoeien zich niet met elkaar, en zoo het al
+geschiedt, dan nooit met één afzonderlijk.
+
+"'Hei meiskes, waarom maken jelui geen glijbaantje?' 'Zie eens hoe
+bevroren de meisjes er uitzien,' of 'meisjes, durf jelui met je allen
+mij alleen wel aan?' Slecht één tienjarig meisje, met een bijzonder
+helder verstand, wordt door de jongens hunne opmerkzaamheid waardig
+gekeurd. Met deze ééne gaan zij om als met een' jongen, alleen
+misschien een weinig beleefder en ingetogener."
+
+In 1862 richtte Tolstoi het tijdschrift _Jasnaja Paljana_ op, waarin
+verschillende opstellen voorkwamen over de theorieën, die op zijne
+eigenaardige scholen in praktijk werden gebracht.
+
+Wij zullen trachten een beknopt overzicht te geven van deze theorieën,
+door Tolstoi in de vier volgende rubrieken ingedeeld:
+
+1. Over de volksbeschaving. 2. Over de methodes om lezen en schrijven
+te leeren. 3. Opvoeding en beschaving. 4. Verdere ontwikkeling der
+beschaving.
+
+"De volksbeschaving," zoo begint Tolstoi één van zijne eerste
+artikelen, "was en is voor mij altijd een onbegrijpelijk iets
+geweest. Het volk wil leeren en ieder afzonderlijk streeft onbewust
+naar ontwikkeling. De meer ontwikkelde klasse, de hoogere standen,
+evenals de regeering, streven er naar den minder bedeelden hunne kennis
+mede te deelen. Beide partijen zouden door die overeenstemming gebaat
+moeten zijn, maar het tegendeel is waar. Het volk verzet zich met
+alle kracht tegen de hulp, die de regeering en de hoogere standen,
+de vertegenwoordigers dus der meer ontwikkelde klasse, hun bieden,
+zoodat de inspanning der laatsten vruchteloos is.
+
+"Een van de redenen van dezen afkeer ligt in de wet op het lager
+onderwijs, dat in Europa grootendeels verplicht is geworden, d.w.z. dat
+men het volk dwingt lezen en schrijven te leeren, eene wet die men
+helaas bij ons in Rusland ook tracht in te voeren.
+
+"Waar dwang wordt uitgeoefend ontwikkelt zich ook verzet.
+
+"Waarom bestaat er bij het volk verzet, terwijl het om beschaving
+vraagt, zelf zich tracht te ontwikkelen en de opvoeding voor heilzaam
+houdt?
+
+"Men moet zich bij eene dergelijke botsing afvragen: 'wat is meer
+gewettigd, verzet of medewerking?'
+
+"De oplossing van dit vraagstuk is altijd ten gunste van den dwang
+uitgevallen, maar om te dwingen moet men toch goede gronden kunnen
+aanvoeren. En waar zijn die?" Hierop geeft Tolstoi het volgende
+antwoord:
+
+"Die gronden kunnen gevonden worden in: religie, filosofie, ervaring
+en historie," hetgeen hij op de volgende wijze toelicht:
+
+"In den tegenwoordigen tijd, nu de _godsdienst_ slechts zoo'n gering
+deel uitmaakt van onze beschaving, kan hij voor het jonge geslacht
+niet als dwangmiddel worden gebruikt.
+
+"_Filosofische_ argumenten kunnen ook niet als zoodanig worden
+aangemerkt. Alle filosofen, van Plato tot Kant, richten hun streven op
+één punt: de school te bevrijden van haar hinderlijken, historischen
+teugel, en in plaats daarvan datgene te vinden wat de mensch noodig
+heeft. De meer of minder goede resultaten van dit streven vormen
+den grondslag van hunne leer. Luther bracht den mensch er toe de
+Heilige Schrift in hare oorspronkelijke gedaante, zonder commentaar,
+te lezen. Bacon raadt aan, de natuur in de natuur te bestudeeren en de
+wijsheid niet uit de boeken van Aristoteles te halen. Rousseau wil het
+leven, zooals hij het begrijpt, door het leven leeren kennen en niet
+afgaan op verouderde proefnemingen. Iedere schrede die de filosofie
+voorwaarts doet, heeft ten doel op paedagogisch gebied de school te
+bevrijden van die theorieën over het onderwijs, die men vroeger voor
+de jeugd in toepassing bracht, en de aandacht op datgene te vestigen
+wat het opkomende geslacht noodig heeft.
+
+"Deze algemeene, doch zich zelf tegensprekende gedachte loopt door
+de geheele filosofie; algemeen, omdat allen meer vrijheid voor de
+school verlangen; zich zelf tegensprekend, omdat ieder paedagoog
+de wet stelt die op zijne eigen theorie is gegrond, en daarmee een
+hinderpaal is voor de vrijheid.
+
+"De _ervaring_ op opvoedkundig gebied kan ons nog minder doen gelooven
+in de noodzakelijkheid van den paedagogischen dwang. Behalve dat het
+op zich zelf eene jammerlijke proefneming is, dat de school het kind
+verwart, zijne geestesgaven verminkt, het in den besten tijd zijner
+ontwikkeling aan zijn' familiekring ontrukt, het zijn levenslust
+ontneemt en het maakt tot een gekweld, verschrompeld wezen, met eene
+uitdrukking van vermoeidheid, angst en verveling, werktuigelijk
+vreemde woorden uit een hem vreemde taal nazeggende,--behalve dat
+alles verkrijgt men geen resultaat, omdat het gebrek aan vrijheid
+elke mogelijkheid aan een' goeden uitslag te niet moet doen.
+
+"De school moest het middel zijn voor de ontwikkeling en tevens
+de toetssteen voor het jonge geslacht om steeds beteren uitslag te
+verkrijgen. Slechts dan, als proefneming den grondslag der school
+vormt, als deze beschouwd wordt als een paedagogisch laboratorium,
+slechts in dat geval blijft de school niet ten achter bij den
+algemeenen vooruitgang en dan kan alleen die proefneming een hechten
+grondslag leggen voor wetenschappelijke ontwikkeling.
+
+"De _historische_ gronden zijn niet minder wankel. De vooruitgang in
+het leven, de techniek, de wetenschap gaan vlugger dan de vooruitgang
+op school; deze blijft dus meer en meer terug en wordt daarom slechter
+en slechter."
+
+Op de bewering, dat de scholen goed zijn omdat zij bestaan en
+altijd bestaan hebben, antwoordde Tolstoi met de beschrijving
+zijner persoonlijke ervaring, opgedaan in Marseille, Parijs en
+andere West-Europeesche steden, die hem de overtuiging schonk,
+dat het grootste deel der volksontwikkeling niet in de scholen wordt
+verkregen maar in het leven, dat de kennis op straat, in vergaderingen,
+tentoonstellingen en uit de boeken opgedaan de schoolgeleerdheid
+verre te boven gaat.
+
+Ten slotte wendt Tolstoi zich met de volgende opmerking speciaal tot
+de Russische paedagogen. "Aangenomen, dat de Duitsche school, ondanks
+de fouten die haar aankleven, als historische proefneming is aan te
+bevelen, welke reden hebben wij, Russen, dan nog om eene volksschool
+te verdedigen, die wij niet hebben. Op welken historischen grond
+kunnen wij verdedigen dat onze scholen op dezelfde leest geschoeid
+moeten zijn als de West-Europeesche?
+
+"Wat moeten wij, Russen, in de naaste toekomst doen? Zullen wij
+overeenkomen als grondslag de meening der Fransche, Engelsche,
+Duitsche of Noord-Amerikaansche paedagogen over te nemen? Of zullen
+wij ons verdiepen in filosofie en psychologie om uit te vinden wat
+noodig is voor de ontwikkeling van den menschelijken geest en voor
+het opkomende geslacht, om dit naar ons begrip tot goede menschen te
+vormen? Of wel, moeten wij van de historische ondervinding gebruik
+maken, niet in den zin van het navolgen der oude gebruiken, maar zooals
+de geschiedenis van het menschelijk lijden ons dat geleerd heeft, en
+moeten wij eerlijk en oprecht erkennen, dat wij niet weten en niet
+kunnen weten wat de toekomstige geslachten noodig hebben, maar dat
+wij verplicht zijn deze behoeften te leeren kennen? Wij moeten niet
+het onontwikkelde volk verwijten, dat het onze ontwikkeling niet aan
+wil nemen, maar ons gebrek aan kennis en onzen trots, dat wij het
+naar ons beeld willen vervormen.
+
+"Laten wij toch het verzet van het volk tegen onze ontwikkeling niet
+beschouwen als een der paedagogie vijandig element, maar integendeel
+als eene uiting van goeden wil, die onzen arbeid moet leiden. Erkennen
+wij ten slotte die wet, die zoo duidelijk spreekt uit de historie
+der paedagogie en der ontwikkeling, dat, opdat de onderwijzer wete
+wat goed en wat slecht is, de leerling de volle vrijheid moet hebben
+zijne ontevredenheid te uiten, of minstens zich af te kunnen wenden
+van de ontwikkeling, die hem instinctief niet bevredigt; erkennen
+wij dat het kriterium enkel en alleen is--de vrijheid."
+
+Het slot van dit artikel luidt:
+
+"Wij weten dat slechts enkelen zich door onze bewijzen zullen
+laten overtuigen. Wij weten dat onze overtuiging hierop berust,
+dat de eenige methode voor beschaving in proefnemingen bestaat,
+dat het eenige kriterium de vrijheid is. Voor den een is deze
+bewering doodalledaagsch, voor den ander eene onduidelijke, abstracte
+redeneering, voor een' derde eene fantasie en eene onmogelijkheid. Wij
+zouden ons niet veroorloofd hebben de rust der paedagogen-theoretici
+te verstoren, en eene overtuiging te uiten die in tegenspraak is met
+de geheele wereld, indien wij ons wilden bepalen tot de uitgave dezer
+artikelen. Wij gevoelen echter dat wij in staat zijn om schrede voor
+schrede en feit voor feit de uitvoerbaarheid en de wettigheid van
+onze stoute overtuigingen te bewijzen, en aan dat doel alleen wijden
+wij het tijdschrift _Jasnaja Paljana_."
+
+In het eerste nummer van dit orgaan richt Tolstoi zich op de volgende
+wijze tot het publiek:
+
+
+
+"Aan het publiek.
+
+"Bij de betreding van dit voor mij nieuwe gebied word ik angstig
+voor mij zelf, zoowel als voor de denkbeelden aan welker voltooiing
+ik jarenlang gewerkt heb en die ik voor juist houd. Ik ben reeds van
+te voren overtuigd dat vele van deze denkbeelden later zullen blijken
+dwalingen te zijn. Hoeveel moeite ik mij ook gaf, het onderwerp in zijn
+geheel te bestudeeren, zoo beschouwde ik het toch onwillekeurig van één
+zijde. Ik hoop dat mijne ideeën tegenspraak zullen uitlokken. Alle
+meeningen geef ik met genoegen eene plaats in mijn blad. Één
+ding slechts zou ik vreezen, n.l. dat het meeningsverschil ons
+verbitterde en de beschouwingen over het ons zoo dierbare onderwerp,
+de volksbeschaving, in spot, personenstrijd of journalistieke polemiek
+zouden kunnen ontaarden. Ik zeg niet dat spot en persoonlijkheden
+mij niet kunnen deren, dat ik meen daar boven te staan. Integendeel,
+ik erken dat ik bevreesd ben voor mij zelf, zoowel als voor de zaak;
+ik vrees dat ik mij dan ook zou laten meesleepen door persoonlijke
+polemiek, in plaats van mij rustig en onvermoeid aan mijn werk
+te wijden.
+
+"En daarom verzoek ik al mijne toekomstige tegenstanders, hunne meening
+op eene zoodanige wijze te uiten, dat ik eene verklaring kan geven en
+mijne bewijzen kan overleggen wanneer het meeningsverschil voortkomt
+uit een misverstand, en mijne instemming kan betuigen dáár waar mij
+bewezen wordt dat mijn inzicht niet juist is.
+
+"Graaf L. Tolstoi."
+
+
+
+In ieder nummer van het tijdschrift _Jasnaja Paljana_ werden opgenomen:
+een of twee opstellen over de theorie der paedagogie; een overzicht
+van de werkzaamheden der scholen, die onder Tolstoi's leiding
+stonden; bibliografie; eene beschrijving van de schoolbibliotheek,
+en--eene berekening van de uitgaven. Het bijblad bevatte grootendeels
+bellettristische lectuur. De spreuk: "Glaubst zu schieben und wirst
+geschoben," stond als motto aan het hoofd van het blad.
+
+Het tijdschrift is eene bibliografische zeldzaamheid geworden. Behalve
+Tolstoi's hoofdartikelen (opgenomen in deel IV van zijne verzamelde
+werken), bevatte het blad verschillende losse op- en aanmerkingen,
+beschrijvingen enz., die zeer belangrijk zijn voor den onderwijzer,
+voor den theoretikus zoowel als voor den praktikus.
+
+In een opstel over de methode om lezen en schrijven te leeren, zet
+hij als zijne meening voorop, dat het lezen en schrijven niet de
+eerste trap der beschaving is maar slechts een der hulpmiddelen. En
+iets dat niet de eerste plaats inneemt is ook niet de hoofdzaak.
+
+"Wanneer wij den eersten trap der beschaving willen vinden, waarom
+zoeken wij dien dan in het lezen en schrijven en waarom niet
+veel dieper? Waarom stil blijven staan bij één van de talrijke
+hulpbronnen dezer beschaving en daarin de alfa en de omega zien,
+terwijl het slechts een toevallig, weinig beteekenend middel is om
+haar te verkrijgen?
+
+"Het begrip 'beschaving' valt niet samen met het begrip 'lezen en
+schrijven'.
+
+"Wij zien menschen die zeer goed op de hoogte zijn van de hoofdzaken
+der astronomie en wat daarop betrekking heeft, terwijl zij niet kunnen
+lezen of schrijven. Men ziet eenvoudig door het leven gevormde lieden
+bekwaam voor hun vak, met groote kennis en degelijk oordeel, die niet
+kunnen lezen en schrijven, en daarentegen personen die dit wel kunnen
+en ten gevolge hiervan geen nieuwe kundigheden hebben verworven."
+
+Om te bewijzen dat de kennis van lezen en schrijven niet behoort tot
+de dagelijksche behoeften van het volk, verwijst Tolstoi ons naar den
+historischen gang van de ontwikkeling der inrichtingen van onderwijs.
+
+"Eerst ontstonden niet de lagere, maar de hoogere scholen: eerst de
+kloosterscholen, toen de middelbare, daarna de volksscholen. Het lezen
+en schrijven is de laagste trap van ontwikkeling in deze georganiseerde
+hiërarchie van de opleiding, of de eerste trap als men begint bij
+het einde. En daarom beantwoordt de laagste school slechts aan de
+eischen die de hoogste aangeeft. Er is echter nog een ander standpunt
+van waaruit gezien de volkschool eene zelfstandige inrichting is, niet
+verplicht de gebreken der hoogere scholen te dragen, een onafhankelijk
+doel hebbende, een doel genaamd: 'de volksbeschaving.'
+
+"De school voor lezen en schrijven is voor het volk als een werkplaats
+en voldoet aan zijn begrensde behoeften; daarom is lezen en schrijven
+voor dat volk een zeker soort van handwerk of kunst."
+
+Nadat Tolstoi ons de beteekenis van het lezen en schrijven, en de
+plaats die het in het volksleven inneemt, heeft aangewezen, gaat
+hij over tot de beschouwing van de verschillende methodes van dit
+onderwijs.
+
+De deugden en de gebreken van verschillende andere methodes
+ontledende, alleen even stilstaande bij de pedante Duitsche
+Lautier-Anschauungs-Unterrichtsmethode, komt Tolstoi tot het besluit,
+dat alle methodes goed en slecht zijn; dat de kunstvaardigheid en het
+talent van den onderwijzer den grondslag vormen van iedere methode,
+en ten slotte wendt hij zich met de volgende raadgevingen tot den
+onderwijzer:
+
+"Iedere onderwijzer in het lezen en schrijven moet één methode,
+die voor het volk begrijpelijk is, goed kennen en daarmee proeven
+nemen; hij moet verschillende methodes kennen, en die beschouwen als
+hulpmiddel; het niet begrijpen van den leerling moet hij niet aan
+dezen wijten, maar aan een gebrek in de methode, en hij moet dan
+trachten eene andere manier van onderwijzen uit te vinden. Iedere
+onderwijzer moet weten, dat iedere gekozen methode slechts eene
+trede is, die men moet gebruiken om hooger te komen; moet weten,
+dat, zoo hij dit verzuimt, een ander het doen zal; hij moet weten,
+dat het geven van onderwijs eene kunst is die steeds hooger opgevoerd
+kan worden en waarvan het einde en de volmaking niet zijn te bereiken."
+
+Nog vollediger en duidelijker ontwikkelde Tolstoi zijne denkbeelden
+over paedagogie in zijn geschrift: _Opvoeding en Beschaving_.
+
+In de eerste plaats constateert hij het feit, dat deze twee begrippen
+door het grootste deel der Russische en Europeesche paedagogen niet
+van elkaar worden onderscheiden. Daarop tracht hij het verschil
+aan te toonen en laat eene definitie volgen van de drie volgende
+hoofdbegrippen: beschaving, opvoeding en onderricht.
+
+"_Beschaving_ in den ruimen zin van 't woord is, volgens onze
+overtuiging, eene samenvoeging van de invloeden die den mensch
+ontwikkelen, hem eene ruimere wereldbeschouwing geven en hem nieuwe
+kennis schenken. De kinderspelen, het verdriet, de ouderlijke
+bestraffingen, boeken, het leeren (gedwongen of vrij), de kunst,
+de wetenschap, het leven, alles geeft beschaving.
+
+"_Opvoeding_ is de inwerking van den eenen mensch op den anderen, met
+het doel hem de algemeen aangenomen zeden en gebruiken te doen kennen.
+
+"_Onderricht_ is eene overgave van kennis van den eenen mensch aan den
+anderen (men kan onderwijs geven in het schaakspel, in geschiedenis,
+in het laarzenmaken). Het leeren is eene schaduw van het onderricht,
+is de inwerking van den eenen mensch op den anderen, met het doel
+den leerling zekere physieke gewoonten te doen aannemen: het leeren
+zingen, timmeren, dansen, roeien en uit het hoofd iets opzeggen. Het
+onderricht en het leeren zijn middelen om te beschaven, zoo zij vrij
+zijn, en middelen om op te voeden, zoo het leeren gedwongen en het
+onderricht exclusief is, d.w.z. als de opvoeder slechts die vakken
+onderwijst, die hij noodig acht.
+
+"Opvoeding is gedwongen, beschaving is vrij. En van waar komt het
+recht tot dien dwang?
+
+"Dwang bij de opvoeding kan niet bestaan. Ik erken dien niet en hij
+wordt, werd en zal niet erkend worden door het geheele jonge geslacht,
+dat steeds en overal zich tegen gedwongen opvoeding zal verzetten."
+
+Welke zijn de oorzaken van dezen dwang, dien het menschdom niet wil
+erkennen? Op deze vraag geeft Tolstoi het volgende antwoord:
+
+"Daar reeds sedert eeuwen abnormale verschijnselen, als dwang in
+de opvoeding en de beschaving, bestaan, moeten de oorzaken in de
+menschelijke natuur zijn vastgeworteld. Ik zie die oorzaken: 1. in
+het familieleven, 2. in de religie, 3. in den staat, 4. in de hoogere
+standen en bij ons in Rusland in de bekrompenheid van onze ambtenaren
+en onzen adel."
+
+Zonder den drie eersten oorzaken recht van bestaan toe te kennen, zegt
+Tolstoi, dat hij ze toch begrijpen kan. "Het is moeielijk de ouders
+te verhinderen, dat zij trachten hunne kinderen op te voeden zooals
+zij zelf zijn opgevoed; het is moeielijk voor den geloovigen mensch
+zijn streven niet daarop te richten, dat het kind in datzelfde geloof
+opgroeit, en ten slotte is het moeielijk van de regeering te verlangen
+dat zij niet zou zorgen voor de vorming van de noodige ambtenaren."
+
+Maar welk recht heeft de bevoorrechte liberale klasse het volk, dat
+haar vreemd is, op te voeden volgens eigen model? Dat kan slechts
+verklaard worden door het bestaan van een grof-egoïstisch misverstand.
+
+Waardoor ontstaat dit misverstand?
+
+"Ik denk," zegt Tolstoi, "doordat wij de stem niet hooren die ons
+roept, en wij hooren die niet omdat zij niet spreekt uit boeken, noch
+van den katheder. Het is de machtige stem van het volk, waarnaar wij
+moeten luisteren."
+
+En dan treedt hij in beschouwingen over het uitgangspunt van dezen
+opvoedingsdwang, d.w.z. van de inrichtingen voor onderwijs, van de
+hoogste tot de laagste, en hij vindt bij haar geen troost voor de
+toekomst. Onze universiteiten onderwerpt hij aan eene bijzondere
+kritiek.
+
+Hoewel Tolstoi den beschavenden invloed van de universiteit niet
+geheel versmaadt, zegt hij toch:
+
+"Ik erken het recht van eene universiteit, als deze beantwoordt
+aan haar naam en aan haar grondbeginsel, n.l. lieden tot elkaar te
+brengen om elkaar wederzijds te beschaven. Zulke universiteiten,
+die wij officiëel niet kennen, bestaan en ontstaan in verschillende
+hoekjes van Rusland: in de universiteiten zelf, in de kringen der
+studenten. Hier komen menschen bij elkaar, men leest, spreekt met
+elkaar, en ten slotte regelt men de samenkomsten en de onderwerpen
+van gesprek. Dat is de ware universiteit. Onze hoogescholen zijn,
+ondanks den ijdelen klank harer liberale inrichting, instellingen
+die zich nergens door onderscheiden van de inrichtingen van onderwijs
+voor vrouwen en van de cadettenscholen.
+
+"Behalve alle afwezigheid van vrijheid en zelfstandigheid is hare
+grootste fout dat zij buiten het leven staan.
+
+"Zie, hoe de zoon van den landman leert landman, de zoon van
+den kerkdienaar, kerkdienaar, de zoon van den herder, herder te
+worden. Reeds van zijne jeugd af aan stelt hij zich op het juiste
+standpunt tegenover de menschen, de natuur en het leven. Reeds in
+zijne jeugd leert hij werkende, leert hij aldus te zorgen voor de
+materiëele zijde van het leven, d.w.z. zich zijn dagelijksch brood,
+kleeding en huisvesting te verschaffen.
+
+"Zie nu naar den student, ontrukt aan zijne familie, heengeworpen
+in eene vreemde stad, waar van alle kanten de verleiding lokt,
+zonder middel van bestaan (want hetgeen hij van zijne ouders
+krijgt reikt slechts voor het allernoodigste en wordt nog voor zijn
+genoegen uitgegeven), in een' vriendenkring, die hem versterkt in
+zijne fouten, zonder leiding, zonder doel, ontrukt aan het oude
+leven en niet geschikt voor het nieuwe; ziedaar, op eene kleine
+uitzondering na, de omstandigheden van den student. Zij worden
+onvermijdelijk òf ambtenaren, alleen ten gerieve van de regeering, òf
+ambtenaar-professoren, ambtenaar-letterkundigen, alleen ten gerieve van
+de hoogere standen; òf menschen zonder levensdoel, ontrukt aan hunne
+vroegere omgeving, met eene bedorven jeugd, geen plaats vindende in
+het leven, de zoogenaamde jongelui met eene akademische opleiding,
+de meer ontwikkelden, doch met een anderen naam, de opgewonden,
+ziekelijke liberalen.
+
+"De universiteit is de voornaamste van onze opvoedingsinrichtingen. Zij
+meent de grootste rechten te hebben in zake opvoeding, en de
+verkregen resultaten leveren ons het bewijs van de onwettigheid en het
+onbestaanbare van haar opvoedingssysteem. Slechts van het gezichtspunt
+der hoogere standen kan men genoegen nemen met de vruchten die zij
+oplevert. De universiteit vormt geen lieden die noodig zijn voor het
+geheele menschdom, doch alleen personen die onontbeerlijk zijn voor
+de bedorven hoogere kringen der maatschappij."
+
+Tolstoi heeft op deze radikale stellingen eenige tegenspraak verwacht
+van menschen die het nieuwe schuwen, en sluit daarom zijn artikel
+met het volgende antwoord:
+
+"Maar wat moeten wij doen? Moeten wij dan werkelijk geene lagere
+scholen, geen gymnasium, geen colleges over het Romeinsche recht
+hebben? 'Wat moet er dan van het menschdom worden?' hoor ik vragen;
+'dat alles zal er dus niet zijn, indien de leerling het zelf niet
+verlangt en gij zult hen niet tot goede menschen kunnen vormen. Maar
+kinderen, weten toch niet altijd, wat zij noodig hebben; kinderen
+vergissen zich enz.' Ik laat mij niet in met een dergelijken strijd;
+die zou ons leiden tot de vraag: staat in dezen de menschelijke
+natuur boven het menschelijk oordeel? Dat weet ik niet en op dat
+standpunt plaats ik mij niet. Ik beweer slechts, dat, als wij
+inderdaad kunnen weten wat wij moeten onderwijzen, niemand mij kan
+verhinderen onzen Russischen kinderen de Fransche taal te leeren,
+de middeleeuwsche genealogie en zelfs de kunst om te stelen. En ik
+zal dit alles bewijzen, precies zooals gij het hebt bewezen. 'Dus
+moet er geen gymnasium en geen Latijnsche taal zijn? Wat moeten wij
+dan wel doen?' hoor ik weder.
+
+"Maak u niet bezorgd. Latijn en rhetorica zullen blijven, nog
+honderden van jaren, en zij zullen er zijn slechts daarom, omdat
+het geneesmiddel gekocht is en men het moet innemen, zooals een
+zieke zegt. Over nauwelijks honderd jaren zal mijne gedachte, die
+ik misschien onklaar en onduidelijk weergeef, algemeen eigendom zijn
+geworden. Na nauwelijks honderd jaren zullen zij zijn verdwenen, al
+deze inrichtingen: de lagere scholen, de gymnasia en de universiteiten,
+en zullen er vrije instellingen verrijzen, gegrond op de vrijheid
+van het leerende geslacht."
+
+
+
+Natuurlijk werden deze vermetele gedachten niet aangenomen door de
+paedagogen, die omstreeks 1860 de opvoeders waren van de hoogere,
+zoowel als van de lagere standen. De beleedigde wetenschap heeft deze
+denkbeelden zelfs geen tegenspraak waardig gekeurd. In de _Verzamelde
+Kritieken over Tolstoi_ van Zelinski, die met zorg zijn samengesteld,
+vinden wij slechts twee ernstige opstellen gewijd aan het tijdschrift
+_Jasnaja Paljana_ en aan Tolstoi's school. Deze kritieken werden
+in 1862 opgenomen in den _Sawremjennik_. Op een van deze kritieken,
+geschreven door Markoff, heeft Tolstoi in zijn blad geantwoord onder
+het opschrift: "Vooruitgang en verdere ontwikkeling der beschaving."
+
+Markoff zegt o.a. in zijne kritiek, dat een paedagogische dwang
+gerechtvaardigd is, dat hij dus de vrije ontwikkeling een recht van
+bestaan toekent en dat hij de tegenwoordige systemen van opvoeding
+bevredigend acht. De praktijk in de scholen te Jasnaja Paljana, welke
+door den schrijver ten zeerste worden bewonderd, is volgens zijne
+meening in tegenspraak met de theorieën van hunnen stichter en leider.
+
+Tolstoi herhaalt in zijn antwoord aan Markoff wat hij reeds vroeger
+heeft gezegd en komt tot de gevolgtrekking, dat zij in hoofdzaak
+daarom niet overeenstemmen, omdat Markoff aan den vooruitgang gelooft
+en hij niet.
+
+Zijn ongeloof aan den vooruitgang verklaart Tolstoi op de volgende
+wijze:
+
+"Door de geheele menschheid (zegt een historikus die aan vooruitgaan
+gelooft) gaat sedert onheugelijke tijden een proces van vooruitgang,
+en hij voert als bewijsgrond hiervoor aan: Engeland in 1685 vergeleken
+bij het Engeland van den tegenwoordigen tijd. Doch, zelfs indien men
+kan bewijzen dat de gesteldheid van Rusland, Frankrijk en Italië in
+den tegenwoordigen tijd gunstiger is dan die van het vroegere Rome,
+Griekenland en Karthago, dan verbaast mij toch steeds de volgende
+onbegrijpelijke omstandigheid. Men neemt een wet aan voor de geheele
+menschheid, terwijl men slechts eene vergelijking maakt tusschen kleine
+onderdeelen. Men zegt: 'vooruitgang is eene algemeene wet voor de
+geheele menschheid', maar slaat daarbij geen acht op Azië, Amerika,
+Afrika, en Australië, op millioenen menschen. Wij bemerken de wet
+van vooruitgang in het hertogdom Hohenzollern-Sigmaringen, met eene
+bevolking van 2000 zielen; wij weten dat China met zijn 200 millioen
+inwoners onze geheele theorie van den vooruitgang verwerpt, en toch
+twijfelen wij er geen oogenblik aan, dat de vooruitgang eene algemeene
+wet is voor de menschheid; dat wij, die daaraan gelooven, gelijk,
+en zij die het ontkennen, ongelijk hebben, en wij gaan met geweren en
+kanonnen naar de Chineezen om hun het begrip van den vooruitgang te
+brengen. Het gezonde verstand zegt mij, dat, zoo het grootste gedeelte
+van het menschdom, het zoogenaamde Oosten, de wet van den vooruitgang
+niet erkent, maar haar integendeel verwerpt, die wet niet bestaat
+voor de geheele menschheid, maar dat er slechts een geloof in den
+vooruitgang bestaat bij een zeker gedeelte der menschen. Ik, evenals
+alle menschen, die vrij zijn van het bijgeloof in den vooruitgang,
+zie slechts dat het menschdom bestaat en dat de herinneringen aan
+het verleden evenveel worden vergroot, als zij verloren zijn gegaan,
+dat het werk van vorige geslachten dikwijls den grondslag vormt
+van nieuwen arbeid maar ook dikwijls een hinderpaal daarvoor is,
+dat de welstand der menschen hier in een enkel opzicht grooter,
+daar in een ander opzicht kleiner wordt. Hoe gaarne ik het ook zou
+wenschen, ik kan geen wet vinden voor het menschdom in het algemeen
+en ik ben van oordeel, dat men de geschiedenis even gemakkelijk aan
+het begrip van den voor- als van den achteruitgang kan onderwerpen,
+of aan iedere andere historische fantasie. Ik ga verder. Ik zie de
+noodzakelijkheid niet in, afgezien van de onuitvoerbaarheid van het
+plan, algemeene wetten in de geschiedenis te gaan zoeken. De algemeene,
+eeuwige wet is neergeschreven in de ziel van iederen mensch. De wet
+van den vooruitgang of der volmaking is ook neergelegd in de ziel van
+den mensch, en slechts als gevolg van eene begripsverwarring zoekt men
+haar in de geschiedenis. Wanneer die wet individueel gedacht wordt,
+wordt zij vruchtdragend; in de geschiedenis overgebracht wordt zij
+een leeg begrip, een ijdele klank, leidende tot abstracte redeneering,
+ieder fatalisme rechtvaardigend.
+
+"De vooruitgang van de menschheid in 't algemeen is een niet bewezen
+en niet bestaand feit voor alle Oostersche volken; daarom is de
+bewering dat de vooruitgang eene wet is voor de geheele menschheid
+even ongegrond, als de verzekering dat alle menschen blond zijn,
+behalve degenen die donker zijn." [122]
+
+De theorieën, neergeschreven in dit hoofdstuk, zijn ontleend aan een
+uitvoerig opstel over dit onderwerp, dat wij niet in zijn geheel hebben
+aangehaald, omdat het ons hier te ver zou voeren. Vóor wij echter van
+dit onderwerp afstappen, laten wij nog een uittreksel volgen van een
+artikel, getiteld: _Ontwerp voor een algemeen plan tot stichting van
+volksscholen_, waarin Tolstoi eene geestige kritiek levert op een in
+1862 van regeeringswege uitgekomen reglement op schoolzaken.
+
+Deze kritische beschouwing kan men samenvatten in de volgende
+uitspraken.
+
+"In de grondgedachte van het reglement ligt het Amerikaansche
+systeem, het volk te verplichten schoolbelasting te betalen, terwijl
+de regeering de zorg voor de instandhouding der school op zich
+neemt. Dezelfde regeling evenwel kan goed zijn in eene demokratische
+republiek en slecht in een despotisch bestuurd keizerrijk, waar de wet,
+die 'den wil van het volk' uitdrukt, veranderd is in eene uitoefening
+van ruwen dwang.
+
+"De onuitvoerbaarheid van dit reglement ligt hierin, dat de ontwerpers
+bij eene volkomen afwezigheid van kennis van het Russische volksleven,
+het plan niet in overeenstemming hebben gebracht met de behoeften
+van het volk.
+
+"De reglementeering van de volksontwikkeling, neergelegd in deze
+verordening, is eene rem voor de reeds bestaande, zich uitbreidende
+vrijheid der volksontwikkeling."
+
+
+
+Aan het slot van dit vluchtig overzicht van Tolstoi's paedagogische
+theorieën geven wij als onze meening, die lijnrecht staat tegenover
+Markoff's uitspraak, dat de praktijk in de scholen te Jasnaja Paljana
+niet in tegenspraak is met deze theorieën, maar zich integendeel
+onmiddellijk daarbij aansluit.
+
+De beschrijving, die Tolstoi geeft van zijne scholen te Jasnaja
+Paljana, laten wij hier als auto-biografisch materiaal volgen.
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE PRAKTIJK IN DE SCHOLEN TE JASNAJA PALJANA.
+
+
+In zijne paedagogische opstellen schildert Leo Tolstoi ons eenige
+tafereeltjes uit het schoolleven, waaraan hij zich zoo met hart en ziel
+heeft gewijd, niet als een pedante schoolmeester, die onderwerping
+verlangt, maar als een groot kind, zich geheel gevende, meevoelende
+met zijne schoolkameraden, die hij tevens laat deelen in zijne rijke
+geestesgaven.
+
+Wanneer wij de volgende kleine schetsjes te zamen voegen dan verrijst
+de reusachtige, geniale figuur van dezen paedagoog in al zijne
+grootheid voor ons geestesoog.
+
+
+
+I. Avondwandeling.
+
+
+Het is niet koud--een winteravond zonder maanlicht; de hemel is bedekt
+met grauwe wolken. Bij het kruis blijven wij staan; de oudste jongens,
+die reeds drie jaren op school gaan, blijven bij mij en vragen of ik
+hen nog een eindweegs wil vergezellen. De jongeren zijn begonnen met
+een nieuwen onderwijzer, en staan met mij nog niet op dien voet van
+vertrouwen als de ouderen.
+
+"Nu, laten wij dan naar het Zakaz gaan," (een boschje dat een
+200 schreden van de laatste huizen verwijderd ligt) opperde een
+van hen. Het sterkst van allen drong Fedjka er op aan. Hij is
+een jongen van een jaar of tien, met eene zachte, ontvankelijke,
+poëtische natuur. Ik geloof dat het aanwezig zijn van gevaar een van
+de hoofdvoorwaarden voor zijn genoegen was. Hij wist dat er in het
+boschje wolven waren en daarom wilde hij er heen. De andere jongens
+ondersteunden zijn verzoek, en met ons vieren gingen wij naar het
+bosch. Een van hen, ik zal hem Sjomka noemen, een physiek zoowel als
+moreel gezonde jongen van twaalf jaar, liep zingend en jodelend voor
+ons uit.
+
+Naast mij liep Pronka,--de zoon van arme ouders,--een bescheiden,
+bijzonder verstandige, ziekelijke jongen, ziekelijk waarschijnlijk
+door gebrek aan voedsel. Fedjka liep tusschen mij en Sjomka en
+sprak voortdurend. Met eene weeke stem vertelde hij, dat hij hier
+'s zomers de paarden liet grazen, zeide dat er niets angstigs was en
+vroeg daarbij: "en als er eens een komt?" onvoorwaardelijk verlangende
+dat ik hierop iets zou antwoorden.
+
+Wij gingen niet midden door het bosch--dat zou te gevaarlijk
+zijn geweest--maar ook aan den zoom werd het reeds donker. De
+weg was bijna niet meer te onderscheiden, de lichten van het dorp
+verdwenen. Sjomka bleef luisterend staan. "Zeg, jongens, wat is
+dat?" zeide hij plotseling. Wij zwegen, maar hoorden niets. Toch kwam
+de angst even boven: "maar wat zouden wij doen als hij er eens uitkwam
+... op ons aanvloog?" vroeg Fedjka. Wij spraken over de roovers in den
+Kaukasus. Zij herinnerden zich nog de Kaukasische geschiedenissen, die
+ik hun lang geleden eens verhaald had, en ik begon weer te vertellen
+van de Abreks, van de Kozakken en van Chadzji-Moerad. Met groote passen
+liep Sjomka voor ons uit, zijn stevige rug steeds in gelijkmatige
+schommeling. Pronka trachtte ook naast mij te komen, maar Fedjka
+stootte hem op zij, en Pronka die, waarschijnlijk door zijne armoede,
+iedereen gehoorzaamde, kwam slechts bij de spannendste passages naar
+voren, hoewel hij dan tot aan zijne knieën door de sneeuw moest waden.
+
+Iedereen, die de boerenkinderen maar een weinig kent, zal hebben
+opgemerkt dat zij niet aan liefkozingen gewend zijn en ze ook niet
+dulden, geen zacht woord, geen kus, geen streelende aanraking van
+de hand, niets. Daarom was ik ook heel verbaasd toen Fedjka bij het
+angstigste gedeelte in het verhaal plotseling eerst mijn' arm streelde
+en daarop met zijn volle hand twee van mijne vingers omklemde, die
+hij niet weer losliet. Als ik maar even zweeg, drong hij mij verder
+te vertellen, en dat op zoo'n smeekenden, bewogen toon, dat men hem
+zijn verzoek niet kon weigeren. "Zeg, loop mij niet voor de voeten,"
+zeide hij plotseling boos tegen Pronka, die voor ons uit liep. Hij
+was geheel in vervoering, hij vond het griezelig heerlijk, hield
+mijne hand vast, en niemand moest het wagen zijn genot te verstoren.
+
+"Nu, en toen, en toen? O, wat is dat mooi!"
+
+Wij waren langs het bosch geloopen en kwamen nu aan het andere gedeelte
+van het dorp. "Laten wij nog een eindje wandelen," vroegen alle drie,
+toen wij de lichten van het dorp zagen,--"nog een eindje." Wij liepen
+verder over den mullen, slechten rijweg, waar onze voeten soms diep
+in wegzonken. Eene wazige duisternis omringde ons, de wereld als
+het ware voor ons afsluitend. De wolken hingen laag, alsof men ze
+op ons neerwierp; eindeloos ver deinde de witte schemer, waaruit wij
+alleen opdoemden, onze voeten knarsend over de sneeuw. De wind deed
+de toppen der kale boomen zwiepen, maar wij werden beschut door het
+boschje. Ik eindigde mijn verhaal op het punt, waar de ingesloten Abrek
+een lied aanheft en zich in zijn dolk werpt. Allen zwegen. "Waarom
+begon hij te zingen, toen hij was ingesloten?" vroeg Sjomka. "Dat
+heeft men je toch reeds gezegd; hij wilde sterven!", antwoordde
+Fedjka verontwaardigd. "Ik denk, dat hij een gebed zong," beweerde
+Pronka. De anderen stemden hiermee in. Wij bleven aan het uiterste
+einde van het dorp, bij de heg achter de schuren staan. Sjomka nam
+een rijs van den grond en sloeg er mee tegen den bevroren stam van
+eene linde. Ritselend viel de rijp van de takken; dat was het eenige
+geluid dat zich liet hooren.
+
+"Leo Nikolajewitsch," vroeg Fedjka, (ik dacht, dat hij weer iets van
+een verhaal zou vragen) "waarom leert men zingen? Ik heb er dikwijls
+over nagedacht, werkelijk, waarom zingt men?"....
+
+....Het geeft mij eene vreemde aandoening, alles te herhalen wat wij
+toen besproken hebben, maar het komt mij voor dat al onze gesprekken
+nuttig waren en liepen over plastische en moreele schoonheid.
+
+
+Den schrijver van deze biographie viel onlangs een zeldzaam geluk te
+beurt. Evenals Fedjka, die Tolstoi's hand vasthield en in verrukking
+kwam, wandelde ook ik verschillende malen met hem door dat zelfde
+boschje. Luisterende naar zijne verhalen kreeg ik een gevoel, dat ik
+niet beter kan weergeven dan met Fedjka's woorden:
+
+"Nu, en toen, en toen? O, wat is dat mooi!"
+
+
+
+II. De Opstellenles.
+
+
+Den vorigen winter las ik eens in het spreekwoordenboek van Snegireff
+en ik nam het mee naar school. Wij zouden dat uur de Russische taal
+behandelen.
+
+"Nu jongens, schrijf eens iets over een spreekwoord," zei ik.
+
+De beste leerlingen, Fedjka, Sjomka en een paar anderen, spitsten
+hunne ooren.
+
+"Wat voor een spreekwoord, wat zegt gij toch?" klonk de weervraag.
+
+Ik opende het boek: "Met den lepel voedt gij hem en met den steel
+steekt gij hem de oogen uit."
+
+"Zóó stel ik het mij voor," zeide ik: "een boer heeft een armen stakker
+in huis genomen, daarna krijgt hij berouw van zijne goedheid en komt
+dus in de omstandigheid waarvan het spreekwoord zegt: 'eerst voedt gij
+hem met den lepel en dan steekt gij hem met den steel de oogen uit.'"
+
+"Wat kan men daarvan schrijven?" zei Fedjka, en de anderen luisterden
+opmerkzaam; maar plotseling haalden zij hunne schouders op, en
+overtuigd dat het werk hunne krachten te boven ging, hervatten zij
+hunne vroegere bezigheden.
+
+"Schrijf zelf eens wat," zei een van hen tegen mij.
+
+Daar waren allen het mee eens; ik nam pen en papier en begon te
+schrijven.
+
+"Nu," zei ik, "wie het 't beste kan, jelui of ik!"
+
+Ik begon de vertelling te schrijven, die in het 4de nummer van de
+_Jasnaja Paljana_ is opgenomen.
+
+Iedere onbevooroordeelde lezer, die gevoel heeft voor kunst en voor
+het volksleven, zal de eerste, door mij geschreven bladzijde, onwaar
+en gekunsteld als zij is, van de volgende, die door de leerlingen
+werden opgesteld, kunnen onderscheiden als een vlieg in de melk.
+
+Fedjka keek telkens op van zijn schrift, en toen hij mijn' blik
+ontmoette, gaf hij mij een knipoogje en zeide met een lachje: "Schrijf
+nu, schrijf nu, of ik zal je!" Men kon zien dat het hem interesseerde
+hoe groote menschen schreven. Nadat hij zijn schrijfwerk vlugger en
+slechter dan gewoonlijk had afgemaakt, klom hij op de leuning van mijn'
+stoel en begon over mijn' schouder kijkend te lezen. De anderen kwamen
+nu ook bij ons staan, en ik begon hun voor te lezen wat ik geschreven
+had. Het viel niet in hun' smaak; niemand prees mij. Ik schaamde mij
+een weinig en om mijne gekwetste schrijvers-eigenliefde te bevredigen
+begon ik hun te vertellen, hoe het vervolg zou zijn. Ik liet mij geheel
+door mijn verhaal meesleepen, begon hier en daar te verbeteren, en
+de kinderen hielpen mij daarbij. De een zei: "die grijsaard moet een
+toovenaar worden." "Neen," zei een ander, "geen toovenaar; een gewoon
+soldaat." "Neen, laat het liever een dief zijn!" "Neen, dat zou niet
+bij het spreekwoord passen," en zoo spraken zij allen door elkaar.
+
+De kinderen betoonden eenstemmig de grootste belangstelling. Het
+was voor hen iets geheel nieuws, het bijwonen van het ontstaan
+eener vertelling en daar deel aan te nemen. Zij gingen er in op en
+lieten zich er geheel door meesleepen. Hun oordeel was grootendeels
+gelijkluidend en juist, zoowel wat betreft den geheelen opzet van het
+verhaal als de onderdeelen en de karakteristiek der personen. Bijna
+allen namen deel aan het schrijven, maar het meest traden Sjomka
+en Fedjka op den voorgrond. De vastberaden Sjomka, met zijn gevoel
+voor juiste schildering, en Fedjka, met zijne waarlijk poëtische
+voorstellingen, die elkaar snel en onophoudelijk opvolgden.
+
+Hunne opmerkingen waren zoo weinig toevallig, in zoo hooge mate
+doordacht en overwogen, dat ik hun meer dan eens gelijk moest geven
+als wij het niet eens waren geweest. Bij mij stond het vast dat het
+verhaal zóó moest worden, dat het eenvoudig eene juiste verklaring
+voor het spreekwoord gaf; de kinderen daarentegen verlangden slechts
+ware voorstellingen.
+
+Ik wilde b.v. dat de boer, nadat hij den grijsaard in huis had genomen,
+zelf berouw zou krijgen over zijn goedheid,--zij vonden dat onmogelijk
+en schiepen eene booze boerin. Ik zei: "de boer heeft eerst medelijden
+met den ouden man en dàn met zijn brood." Fedjka antwoordde, dat zoo
+iets ongerijmd zou zijn, en zeide: "de boer wilde van 't begin af
+aan niet naar de oude boerin luisteren en later ook niet toegeven."
+
+"Wat denkt gij dat het voor een soort van man is?" vroeg ik.
+
+"Hij is net oom Timofeï," zeide Fedjka met een lachje, "ook zoo'n
+kort baardje, hij gaat naar de kerk en houdt bijen."
+
+"Hij is goedig maar driftig," zei ik.
+
+"Ja," zeide Fedjka; "die zou de boerin zeker niet hebben gehoorzaamd."
+
+Van het oogenblik af aan, dat men den ouden man in de hut had gedragen,
+begon een levendige arbeid. Nu ondervonden de kinderen blijkbaar
+voor het eerst het blijde gevoel van met het woord hunne gedachten
+zuiver weer te kunnen geven. Vooral bij Sjomka was dit duidelijk
+merkbaar. Onophoudelijk maakte hij de meest juiste opmerkingen. Het
+eenige wat men er tegen kon hebben was, dat zij slechts het oogenblik
+schetsten, zonder verband te houden met het verhaal. Ik had geen tijd
+om alles zoo gauw op te schrijven en verzocht hun even te wachten en
+goed te onthouden wat zij gezegd hadden. Het scheen of Sjomka alles wat
+hij beschreef voor oogen zag: de stijve bevroren laarzen, de modder
+die er afsijpelde toen zij begonnen te ontdooien, en hoe zij bros
+werden als beschuiten toen de boerin ze op de kachel zette. Fedjka
+daarentegen zag slechts de onderdeelen, die hetzelfde gevoel in hem
+wakker riepen als dat de personen hem inboezemden. Hij zag de sneeuw
+tusschen de lompen van den grijsaard, begreep het gevoel van medelijden
+waarmee de boer zei: "mijn God, wat ziet hij er uit!" Fedjka stelde
+zelf de personen uit de vertelling voor: hoe de boer sprak, met zijne
+armen gestikuleerde en met zijn hoofd schudde. Hij zag de halfvergane
+jas en het gescheurde hemd, waar het magere lichaam, vochtig van
+de sneeuw, doorheen schemerde. Hij fantaseerde eene boerin, die,
+op bevel van haren man, den grijsaard brommig de laarzen uittrok,
+en hij hoorde diens klagende zucht toen hij murmelde: "zachtjes,
+zachtjes, moedertje, mijne voeten zijn vol wonden."
+
+Sjomka had hoofdzakelijk objectieve beelden noodig: de schoenen,
+den grijsaard, de boerin, bijna zonder onderling verband. Bij Fedjka
+waren het gevoelens van medelijden, waarvan hij zelf geheel was
+doordrongen. Hij liep de geschiedenis vooruit en sprak er van, hoe men
+den grijsaard zou voeden, hoe hij 's nachts zou neervallen, hoe men
+naderhand in het veld den jongens lezen en schrijven zou leeren, zoodat
+ik hem moest vragen zich niet zoo te haasten en goed te onthouden wat
+hij gezegd had. De tranen drongen hem bijna in de oogen, onrustig kneep
+hij zijne magere, bruine handen samen. Hij werd boos op mij en stootte
+onophoudelijk uit: "staat het er, staat het er?" Despotisch toornig
+gedroeg hij zich tegenover de anderen; hij wilde spreken, hij alleen,
+en niet spreken zooals men praat, maar zooals men schrijft, d.w.z. met
+het woord zuiver zijne gevoelens weergeven. Hij duldde zelfs niet,
+dat ik eene verandering in zijne woordschikking maakte. Als hij zei:
+"in mijne beenen zijn wonden," dan mocht men niet zeggen: "er zijn
+wonden in mijne beenen." Zijne ziel was op dat oogenblik week en
+verteederd door een gevoel van liefde. Hij zag met een kunstenaarsoog,
+en stootte alles van zich dat niet beantwoordde aan het begrip van
+eeuwige schoonheid en harmonie. Zoodra dan ook Sjomka een onjuist
+beeld gebruikte, niet in overeenstemming met het overige, werd Fedjka
+boos en zei: "Och jij, wil jij ook meepraten!"
+
+Nauwelijks had ik iets gekunstelds, iets onwaars bij het verhaal
+willen voegen of hij zeide driftig dat het niet noodig was. Ik stelde
+voor het uiterlijk van den boer te beschrijven, en dat vond hij goed;
+maar op mijn' voorslag om er ook in te zetten, wat de boer zou doen als
+de vrouw naar haren peet liep, vormde zich bij hem de tegengedachte:
+"als dat eens bij den overleden Sawoska gebeurd was, die had haar wel
+bij de haren getrokken!" En dat zei hij zóó ernstig, zóó meewarig,
+dat de kinderen in lachen uitbarstten.
+
+Het hoofdvereischte voor alle kunst, het gevoel voor verhouding,
+was sterk bij Fedjka ontwikkeld. Al het overbodige dat de jongens in
+het midden brachten, hinderde hem.
+
+Hij trad zóó despotisch op en leidde zóó heerschzuchtig de wording
+van het verhaal, dat het de anderen verveelde, die daarom spoedig naar
+huis gingen; alleen Sjomka, hoewel hij anders werkte, gaf geen kamp.
+
+Wij schreven van zeven tot elf. Zij voelden geen koude of vermoeienis
+en werden nog boos op mij toen ik ophield. Toen begonnen zij zelf te
+schrijven, maar dat gaven zij spoedig op; het ging niet. Plotseling
+vroeg Fedjka mij hoe ik heette. Wij begonnen te lachen omdat hij dat
+niet wist.
+
+"Ik weet wel," zeide hij, "hoe gij heet, maar hoe is uw familienaam? Er
+wonen hier Fokanitscheffs, Zjabreffs en Jermilins." Ik zeide het
+hem. "En zullen wij het laten drukken?" vroeg hij. "Ja." "Dan moet
+er op staan: door Makaroff, Morozoff en Tolstoi."
+
+Fedjka bleef lang zeer opgewonden en kon dien nacht den slaap niet
+vatten. Ook ik was den geheelen avond zeer bewogen en lang behield
+ik een gevoel van vreugde, van angst en bijna van berouw. Ik voelde
+dat op dezen dag zich voor hem eene nieuwe wereld had geopend, eene
+wereld van vreugde en van lijden,--de wereld der kunst. Het scheen
+mij toe, dat ik iets gezien had dat niemand het recht heeft te zien,
+het ontluiken van de geheimzinnige bloem der poëzie. Het was mij blij
+en angstig te moede, evenals den schatgraver, die het wonderbloempje
+wilde vinden; blij, omdat ik plotseling, geheel onverwacht, datgene
+gevonden had, waarnaar ik twee jaren ijverig had gezocht,--de kunst om
+te onderwijzen, de gedachten uit te drukken; angstig, omdat die kunst
+nieuwe behoeften, eene geheele wereld van verlangens zou opwekken,
+die, zooals ik toen meende, niet in overeenstemming waren met den
+kring waarin mijne leerlingen leefden.
+
+....Ik eindigde de les omdat ik zeer bewogen was.
+
+"Wat scheelt u, waarom zijt gij zoo bleek, gij zijt toch niet ziek?",
+vroeg mijn kameraad mij. Ik heb inderdaad slechts twee- of driemaal
+in mijn leven zoo'n heftige aandoening gevoeld als op dien avond, en
+lang heb ik er mij geen rekenschap van kunnen geven wat ik eigenlijk
+voelde. Ik had eene vage gewaarwording, dat ik misdadig een blik had
+geworpen op een geheimzinnigen arbeid, die verborgen moest blijven
+voor het sterflijk oog. Het was mij, alsof ik bederf gezaaid had in
+de pas ontwaakte ziel van dien boerenjongen.
+
+....Vaag voelde ik berouw als over heiligschennis, en daarbij was het
+mij zoo wel te moede, zoo blij, zooals het den mensch moet zijn die
+iets aanschouwt dat nog geen sterfelijk wezen vóór hem heeft gezien.
+
+
+
+III. De eerste Geschiedenisles.
+
+
+Ik was van plan in de eerste les uit te leggen, waardoor Rusland
+zich van de andere landen onderscheidt, waaraan het grenst, en hoe
+het geregeerd wordt. Ik wilde vertellen wie op het oogenblik regeerde
+en wanneer de Tsaar den troon had bestegen.
+
+De onderwijzer. "Waar wonen wij, in welk land?"
+
+Een leerling. "In Jasnaja Paljana."
+
+Een andere leerling. "Op het veld."
+
+De onderwijzer. "Ja, maar in welk land liggen Jasnaja Paljana en het
+gouvernement Toela?"
+
+Een leerling. "Het gouvernement Toela ligt zeventien wersten van ons
+vandaan en daar ligt het gouvernement."
+
+De onderwijzer. "Neen, dat is de hoofdstad van het gouvernement,
+maar het gouvernement is iets anders. Nu, in welk land?"
+
+Een leerling (die vroeger iets van aardrijkskunde gehoord heeft). "De
+aarde is rond als een bal."
+
+Door middel van te vragen in welk land een hun bekende Duitscher
+vroeger leefde, en waar zij zouden belanden indien zij maar steeds
+in dezelfde richting reden, kwamen de leerlingen op het antwoord,
+dat zij in Rusland woonden. Sommigen antwoordden eenstemmig, toen ik
+vroeg waar zij zouden belanden indien zij in ééne richting doorreisden:
+"men komt nergens." Anderen zeiden: "aan het einde der wereld."
+
+De onderwijzer (een antwoord van een' leerling herhalende): "Gij zegt,
+dat ge in een ander land komt. Waar eindigt Rusland en waar begint
+dat andere land?"
+
+Een leerling. "Daar waar de Duitschers beginnen."
+
+De onderwijzer. "Maar, als gij in Toela Gustaf Iwanowitsch of Karl
+Fedorowitsch tegenkomt, zult gij zeggen dat daar de Duitschers
+beginnen. Is het daar dus een ander land?"
+
+Een leerling. "Neen, waar het vol Duitschers is."
+
+De onderwijzer. "Neen, ook in Rusland zijn plaatsen waar het vol
+Duitschers is, waar b.v. Iwan Fomitsch vandaan komt, en dat land heet
+ook Rusland. Waarom is dat zoo?"
+
+Zwijgen.
+
+De onderwijzer. "Omdat zij met de Russen onder één wet leven."
+
+Een leerling. "Hoe één wet? De Duitschers gaan niet naar onze kerk
+en eten vleesch in de vasten."
+
+De onderwijzer. "Neen, niet die wet, maar zij dienen denzelfden Tsaar?"
+
+Een leerling (de scepticus Sjomka). "Vreemd!... Waarom hebben zij
+eene andere wet en dienen onzen Tsaar?"
+
+De onderwijzer gevoelt de noodzakelijkheid te verklaren wat eene wet
+is en vraagt: "Wat beteekent gehoorzamen aan de wet, en staan onder
+één wet?"
+
+Eene leerlinge. "De wet erkennen beteekent trouwen."
+
+De leerlingen kijken den onderwijzer vragend aan: "Is dat zoo?"
+
+De onderwijzer begint uit te leggen, dat de wet zegt dat men, als
+men steelt of moordt, in de gevangenis komt en gestraft wordt.
+
+De scepticus Sjomka vraagt: "En is die wet niet bij de Duitschers?"
+
+De onderwijzer. "De wet beteekent ook nog dat wij adellijken, boeren,
+kooplieden, geestelijken hebben." (Het woord "geestelijken" wekt even
+iets van niet-begrijpen.)
+
+De scepticus Sjomka: "En dat heeft men daar niet?"
+
+De onderwijzer. "In veel landen is het wel, in andere weer niet. Wij
+hebben een' Russischen Tsaar en in de Duitsche landen is een Duitsche
+Tsaar."
+
+Dit antwoord bevredigt alle scholieren, zelfs den scepticus Sjomka.
+
+De onderwijzer, die het noodig oordeelt de kinderen de
+verschillende standen te verklaren, vraagt welke standen zij
+kennen. De leerlingen beginnen op te noemen: "de adel, de boeren,
+de popen, de soldaten"--"En?" vraagt de onderwijzer.--"De knechts,
+de samowarmakers."
+
+De onderwijzer vraagt welk verschil er tusschen hen bestaat.
+
+Een leerling. "De boeren oogsten, de knechts dienen de heeren,
+de soldaten dienen, de kooplieden handelen, de samowarmakers maken
+samowars, de popen dragen de mis op, de adel doet niets."
+
+In die volgorde en met die zwarigheden zochten wij naar verklaringen
+van de begrippen: stand, grenzen, enz.
+
+De les duurt twee uren. De onderwijzer gelooft, dat de kinderen veel
+zullen onthouden van hetgeen zij gehoord hebben, en op dezelfde wijze
+geeft hij de volgende les. Maar later komt hij tot de overtuiging,
+dat de methode niet goed en alles wat hij deed onzinnig was.
+
+
+
+IV. De tweede Geschiedenisles.
+
+
+De herinnering aan deze les is ons het geheele leven bijgebleven. Wij
+hadden de kinderen reeds lang beloofd, dat ik van het einde, en
+de andere onderwijzer van het begin der geschiedenis zou vertellen
+en zoo zouden wij bij elkaar komen. Ik kwam in de klasse waar les
+werd gegeven in de Russische geschiedenis. Er werd verteld van
+Swatosloff. 't Verveelde hen! Op de hoogste bank zaten, als naar
+gewoonte, drie boerinnetjes met hare hoofddoeken om. Eén was in
+slaap gevallen. Mischka stootte mij aan en zei: "kijk eens naar onze
+koekoeken, ééntje is in slaap gevallen." En zij geleken inderdaad op
+koekoeken. "Vertel ons liever van het einde," zeide een van de jongens,
+en allen stonden op.
+
+Ik ging zitten en begon te vertellen. Zooals altijd, was er even een
+gestommel en geschuifel van voeten. Een ging er op, een ander onder
+eene tafel zitten. Een derde klom op eene bank, numero vier kroop
+er onder, en de overigen leunden en hingen op elkaars knieën en
+schouders. 't Werd stil, en ik begon te vertellen van Alexander I,
+van de Fransche revolutie, van de overwinningen van Napoleon, van
+zijne heerschappij en van den oorlog, die met den vrede van Tilsit
+eindigde. Zoodra het verhaal Rusland betrof toonden de kinderen van
+alle kanten levendige belangstelling.
+
+"Wat, wil hij ons ook overheerschen?" "Wees maar niet bang, Alexander
+zal hem wel leeren," zeide een van allen, die iets van Alexander
+gehoord had. Ik moest hen echter teleur stellen, zoover kwamen wij
+nog niet. Zij waren zeer beleedigd dat men de zuster van den Tsaar
+met Napoleon had willen laten trouwen, en dat Alexander met hem,
+als met een' gelijke, op een vlot had staan praten. "Wacht maar,"
+zei Fedjka met eene dreigende stem. "Nu, nu, vertel verder, vertel
+verder!" Dat Alexander niet toegaf en Napoleon den oorlog verklaarde
+was allen naar den zin. Toen Napoleon met zijn leger, bestaande uit
+twaalf verschillende nationaliteiten, Duitschland en Polen in beweging
+bracht, heerschte er een ademloos zwijgen.
+
+Mijn vriend, de Duitscher, bevond zich in het vertrek. "Gij, gij
+trekt ook op ons aan," zeide Fedjka (de beste verteller).
+
+"Wees toch stil!" riepen de anderen.
+
+De kinderen vonden het terugtrekken van de troepen zóó vreeselijk,
+dat zij van alle kanten om opheldering vroegen, en Koetoezoff en
+Barclay beschimpten. "Min van Koetoezoff!" "Wacht maar," zeide een
+ander. "Waarom heeft hij zich overgegeven?" vroeg een derde.
+
+Toen wij aan den slag bij Borodino kwamen, en ik ten slotte vertelde,
+dat wij het toch niet gewonnen hadden, kreeg ik medelijden met de
+kinderen. Het was alsof ik hun een zwaren slag toebracht.
+
+"En al hebben wij het dan niet gewonnen, zij toch ook niet."
+
+Toen Napoleon Moskou binnentrok, waar alles voor hem boog en hij
+de sleutels kreeg, werd het rumoerig door hunne betuigingen van
+afkeer. De brand van Moskou droeg natuurlijk hunne goedkeuring weg,
+en ten slotte de vreugde toen de Franschen terug moesten trekken!
+
+"Zoodra Napoleon Moskou verliet, viel Koetoezoff op hem aan en sloeg
+er op in." "Hakte er op in," verbeterde Fedjka, die met eene kleur
+van opwinding tegenover mij zat, en krampachtig (dat was zoo zijne
+gewoonte) aan zijne vuile vingers trok. Nauwelijks had hij dat woord
+gezegd, of een "ach" van verrukking klonk van alle kanten door het
+vertrek. Een van de kleintjes riep: "Zoo is het beter, dat zijn andere
+sleutels," enz. enz.
+
+Ik vertelde verder hoe wij de Franschen verdreven hebben. Het speet
+hun te hooren, dat er iemand, wien het zijn ontslag heeft gekost,
+te laat aan de Beresina was gekomen. Fedjka riep zelfs uit: "ik zou
+hem hebben dood geschoten; waarom kwam hij te laat?"
+
+Met de bevroren Franschen kregen de kinderen medelijden. Toen wij de
+grens overschreden, en de Duitschers, die vroeger tegen ons waren,
+zich aan onze zijde schaarden, dacht een van de jongens op eens aan den
+Duitscher, die zich in 't vertrek bevond. "Zoo zijt gij! Eerst trekt
+gij tegen ons op, en als gij geen kracht meer hebt, dan zijt gij vóór
+ons!" en plotseling stonden allen op en jouwden den Duitscher uit,
+zoodat men het buiten kon hooren.
+
+Nadat zij weer rustig waren geworden ging ik verder. Ik vertelde dat
+wij Napoleon tot Parijs achtervolgden, den waren koning op den troon
+hielpen, feestvierden en drinkgelagen aanrichtten, maar de herinnering
+aan den Krimoorlog bedierf alles.
+
+"Wacht maar," zeide Fedjka, en dreigde met zijn vuist; "laat ik maar
+eens groot zijn; ik zal ze!" "Als wij de redoute van Schewardinski
+en den heuvel van Malakoff eens onder handen kregen, wij zouden ze
+wel terugnemen."
+
+Het was reeds laat toen ik eindigde. Gewoonlijk sliepen de kinderen
+om dien tijd. Nu sliep niemand. Zelfs de koekoeken hadden de oogen
+wijd open. Tot mijne groote verbazing kroop, toen ik opstond, Taraska
+onder mijn stoel vandaan en keek mij levendig en ernstig aan.
+
+"Hoe kom jij hier?"
+
+"Hij zat er al van 't begin af aan."
+
+Men behoefde hem niet te vragen of hij het verhaal begrepen had,
+men behoefde hem slechts aan te zien.
+
+"Ik zal het thuis vertellen."--"Ik ook."--"Ik ook."
+
+"Wat ga je vertellen?" vroeg ik.
+
+"Ik?"--hij dacht een oogenblik na,--"alles zal ik vertellen."
+
+"Komt er nog meer?"
+
+"Neen", en allen stormden de trappen af. De een beloofde de Franschen
+wel te zullen krijgen; een ander schimpte op de Duitschers, of
+herhaalde dat Koetoezoff _er op in hakte_.
+
+"Sie haben ganz Russisch erzählt," zeide de Duitscher, die door de
+kinderen was uitgejouwd, tegen mij. "Gij moest eens hooren, hoe men
+die geschiedenis bij ons vertelt. Sie haben nichts gesagt von den
+Deutschen Freiheitskämpfen."
+
+Ik was het geheel met hem eens, dat mijn verhaaal geen geschiedenis
+was, maar een sprookje, dat het patriottisch gevoel opwekte.
+
+En dat was dus onderricht in de geschiedenis; en deze proef was nog
+meer mislukt dan de eerste. [123]
+
+
+
+Voor de volledigheid van het paedagogisch overzicht zullen wij hier
+Tolstoi's meening over muziekonderricht laten volgen.
+
+"Uit de weinige proefnemingen, die ik op het gebied der muziek heb
+genomen, heb ik onderstaande gevolgtrekkingen gemaakt.
+
+"1. dat de methode om noten met cijfers te schrijven de gemakkelijkste
+methode is.
+
+"2. dat het leeren van maat, afgescheiden van de noten, de
+gemakkelijkste methode is.
+
+"3. opdat de muziek een spoor zal nalaten, en gaarne zal worden
+aangenomen, is het noodzakelijk van het begin af aan kunst te leeren
+en niet het kunnen zingen en spelen. Men kan jonge dames de oefeningen
+van Burgmüller laten spelen, maar volkskinderen leeren liever niet
+dan mechanisch.
+
+"4. dat niets zoo slecht is bij het onderricht in muziek, als het
+uitvoeren van koren op examens en in kerken.
+
+"5. Het doel van het muziek-onderricht aan het volk moet slechts
+bestaan in het geven van een algemeen begrip van de kennis der muziek,
+maar niet in het aanleeren van den niet juisten smaak, die in ons
+ontwikkeld is."
+
+Het teekenen nam op de scholen te Jasnaja Paljana ook eene groote
+plaats in, maar daar Tolstoi zelf hiervan niet genoeg op de hoogte was,
+liet hij het aan zijn' collega over.
+
+De drukke werkzaamheden, verbonden met het ambt van vrederechter,
+en ook zijne bemoeiingen met de scholen, hadden Tolstoi's gezondheid
+zeer geschokt, en daar hij voor tering vreesde, besloot hij eene
+koemieskuur [124] te gaan doen.
+
+Hij nam zijn' bediende Alexeï en twee van zijne leerlingen mee,
+en ging half Mei op reis naar Samara.
+
+Uit Moskou schreef hij aan zijne tante Tatjana, dat zij allen goed
+gezond waren en gaf haar eenige aanwijzingen en opdrachten voor
+de school.
+
+De reizigers namen den trein tot Twer en gingen toen over op eene
+stoomboot om de Wolga af te zakken tot aan Samara. Waarschijnlijk
+kwam Tolstoi op de boot ook in die blijde stemming, waardoor iedere
+reiziger wordt aangegrepen, die de Wolga bevaart. De breede rivier in
+haren voorjaarstooi, het gelijkmatig ruischen van de stoomboot door
+het water, de heerlijke lentenacht, de sterrenhemel weerspiegelend
+in den stroom en de lichten langs de oevers en op de booten treffen
+ons diep, terwijl de bonte schaar van arbeiders, pelgrims, Tartaren,
+monniken en andere passagiers, ondanks het verschil in type, stand,
+nationaliteit en geloof, aan het geheel een typisch groot-Russischen
+stempel geeft.
+
+Misschien zijn het de historische herinneringen, verbonden aan de Wolga
+en de daarlangs liggende plaatsen, die ons in die onbeschrijfelijke
+blijde stemming brengen, welke zoo vele gedachten en fantasieën
+doet ontwaken.
+
+Waarschijnlijk voelde ook Tolstoi deze gewaarwording, want den 20sten
+Mei schreef hij in zijn dagboek:
+
+"Op de stoomboot. Het is mij of ik opnieuw geboren ben, tot nieuw
+leven en tot nieuwe kennis. De gedachte aan de ongerijmdheid van den
+vooruitgang vervolgt mij. Met wijzen en dommen, met jongen en ouden
+spreek ik over niets anders."
+
+Op weg naar Samara hield Tolstoi zich eenigen tijd op te Kazan,
+waar hij o.a. Wladimir Iwanowitsch Joeschkoff opzocht.
+
+Uit Samara schreef hij aan zijne tante:
+
+"Vandaag vertrek ik uit Samara naar Karalik, dat 130 wersten verder
+ligt. Mijn adres te Samara is: 'Joeri Feodorowitsch Samarin, te
+overhandigen aan L. N. Tolstoi.' Ik heb eene heerlijke reis gehad
+en de plaats bevalt mij uitstekend. Met mijne gezondheid gaat het
+beter, d.w.z. ik hoest minder. Alexeï en de kinderen maken het goed,
+hetgeen gij hun' ouders kunt mededeelen. Schrijf mij toch eens iets
+van Sergius of laat hij het zelf doen. Groet al mijn lieve kameraden
+van mij, en zeg hun, dat zij mij eens moeten berichten, wat zij zoo
+al doen. Wladimir Iwan Joeschkoff is nog een kraan van een man. Als
+ik ter plaatse ben zal ik u uitvoeriger schrijven. Ik kus u de hand."
+
+Den 28 Juni 1862 schreef hij:
+
+"Nu ben ik reeds eene geheele maand zonder eenig bericht van u en
+van huis. Wees zoo goed mij toch eens van alles te schrijven, van
+de familie, van de studenten enz. Alexeï en ik gaan goed vooruit,
+vooral hij, maar wij hoesten een weinig, ook vooral hij. Wij wonen
+in eene kibitka; [125] het weer is heel mooi. Ik vond hier een'
+vriend, Stolipin, hij is ataman in Oeralsk. Ik ben er heen gereisd
+en nam vandaar een' schrijver mee terug, maar ik dikteer en schrijf
+weinig. Mijne luiheid wijkt langzamerhand voor de koemies. Over een
+paar weken denk ik van hier te vertrekken, en den 20sten Juli weer
+thuis te zijn. Dat ik in dit verlaten nest geen brieven van huis krijg
+en dat mijn tijdschrift is blijven liggen, hindert mij zeer. Ik kus u
+de hand. Wees zoo goed mij alles te schrijven van Sergius, Maschinka
+en van de studenten, die ik laat groeten."
+
+En nu viel er, juist in den tijd dat Tolstoi van huis was, in
+de scholen te Jasnaja Paljana iets voor, dat niemand had kunnen
+verwachten.
+
+Het is zeer wel te begrijpen dat de machtige prediking, met het woord
+zoowel als met de daad, de aandacht van de overheid moest trekken,
+en dat men de _Jasnaja Paljana_ ging beschouwen als eene bron van
+misdadige propaganda. En het kwam zoover, dat in den zomer van 1862
+de gendarmes plotseling eene huiszoeking instelden.
+
+Eene beschrijving hiervan vinden wij in de _Gedenkschriften_ van
+Eug. Markoff.
+
+"Wij kunnen," zegt Markoff, "die karakteristieke gebeurtenis,
+die slechts weinigen bekend is, maar die de aanleiding was dat
+Tolstoi zijne paedagogische werkzaamheden tijdelijk opgaf, niet met
+stilzwijgen voorbijgaan. Het spreekt van zelf dat Tolstoi, die in
+zijne kwaliteit van vrederechter steeds voor de boeren ijverde, de
+groote landeigenaren zeer tegen zich in 't harnas had gejaagd. Hij
+ontving dreigbrieven van allerlei aard, men wilde met hem duelleeren,
+hem afranselen, en maakte ten slotte het gerecht op hem opmerkzaam.
+
+"Toevallig verschenen in denzelfden tijd, toen de _Jasnaja Paljana_
+uitkwam, te St.-Petersburg geheimzinnige proclamaties van de
+republikeinsche partij, en de politie begon ijverig te zoeken naar de
+plaats waar zij gedrukt werden. Iemand van de plaatselijke overheid
+uit Tolstoi's buurt, die hem vijandig gezind was, kwam op den snuggeren
+inval, dat die geheimzinnige geschriften nergens anders vandaan kwamen,
+dan uit dezelfde drukkerij waar het tijdschrift _Jasnaja Paljana_
+gedrukt werd; niet in eene stad, zooals alle eerlijke menschen het
+doen, maar in een dorp. En daarbij vergaten zij op te merken, dat op
+het blad met groote letters te lezen stond, dat het niet in het dorp
+maar op een van de eerste drukkerijen te Moskou, bij M. M. Katkoff,
+werd gedrukt.
+
+"Toch veroorzaakte deze aanklacht een geduchten storm.
+
+"In Tolstoi's afwezigheid werd het landgoed bestuurd door zijne reeds
+bejaarde tante, bijgestaan door zijne zuster Maria, die er met hare
+kinderen gelogeerd was.
+
+"Mijn vriend Auerbach en ik brachten dien zomer op mijn landgoed door,
+dat op vijf wersten afstand van Jasnaja Paljana ligt. Eens op een'
+morgen kwam er plotseling heel vroeg een ruiter, die ons verzocht,
+voor gewichtige zaken zoo spoedig mogelijk naar Jasnaja te willen
+komen. Wij lieten oogenblikkelijk inspannen en joegen er heen. Daar
+aangekomen zagen wij eene formeele overrompeling. Postkoetsen met
+bellen, tweespannen uit den omtrek, overheidspersonen en bovendien
+nog gendarmes.
+
+"De chef der gendarmes, als hoofd van deze gewichtige expeditie, had
+tot groote ontsteltenis van de menschen uit het dorp, met veel leven en
+vertoon, een' inval gedaan in Tolstoi's vredige woning. Ternauwernood
+wilde men ons naar binnen laten gaan. De dames waren bijna buiten
+zich zelven van schrik. Overal waren posten uitgezet, alles was
+ondersteboven gekeerd, latafels, kasten, commodes, kisten en koffers
+door elkaar geworpen. In de stallen werden de vloeren opgebroken. Met
+een net zocht men in de vijvers van het park naar de misdadige
+drukpers, terwijl men natuurlijk niets anders dan een onschuldig
+vischje ving.
+
+"Het spreekt van zelf dat men de ongelukkige scholen het allereerst
+had doorzocht en er alles door elkaar had geworpen. Toen daar
+niets werd gevonden, trok de geheele levenmakende bruiloftsstoet met
+klingelende klokjes naar de andere zeventien scholen van het distrikt,
+waar alles eveneens ondersteboven werd gekeerd; boeken en schriften
+werden meegenomen, de onderwijzers en bewoners gearresteerd. Het
+is licht te begrijpen dat zich in de dompige hoofden der boeren de
+onzinnigste voorstellingen vormden."
+
+Obolenski vertelt van deze gebeurtenis nog eenige belangrijke
+bijzonderheden. "De scholen te Jasnaja Paljana gingen prachtig,
+maar daar het onderwijs door studenten werd gegeven, werden zij door
+de overheid niet welwillend gadegeslagen, en nam men aan, dat er te
+Jasnaja Paljana politieke ongerechtigheden gebeurden. Er verscheen
+zelfs een politie-officier, die natuurlijk niets vond, omdat er niets
+was. Slechts in één van de kamers van het huis, die tot school was
+ingericht, ontdekte zijn scherpziend oog een fotografietoestel. In 1862
+was dit nog een zeldzaam iets, vooral in de provincie en de dorpen.
+
+"'Wat is dat?' vroeg de officier gestreng. 'Van wien wordt hier
+eene opname gemaakt?' De studenten waren natuurlijk zeer ontevreden
+over dit ongewenschte bezoek en een spotvogel antwoordde vlug: 'Van
+Herzen, naar de natuur.' 'Wat, Herzen?' vroeg de officier ... maar
+het algemeen gelach bewees hem, dat hij voor den mal werd gehouden,
+en op zijne lippen bijtend ging hij heen."
+
+In zijne _Herinneringen aan Gravin A. A. Tolstoi_ vertelt Z. Jakoenin
+nog het volgende:
+
+"....Toen Tolstoi deze beleedigende gebeurtenissen had vernomen, zeide
+hij: 'Ik zeg voortdurend tegen mij zelf: gelukkig dat ik niet thuis
+was, want als ik geweest was zooals ik nu ben, dan had ik stellig
+een moord begaan.'
+
+"Die heftige woorden, die Tolstoi 42 jaren geleden uitte, zijn zeer
+verklaarbaar, als men zich slechts even eene voorstelling maakt van
+alle beleedigingen, die zijne naaste familie, zijne tante en zijne
+zuster werden aangedaan. Men kan het zelf beoordeelen, wanneer men
+weet dat een van de gendarmes Tolstoi's zuster geen verlof wilde
+geven om van de studeerkamer naar de ontvangkamer te gaan, voordat
+hij in hare aanwezigheid en in het bijzijn van de andere gendarmes
+alle intieme brieven had voorgelezen, van welke wij reeds melding
+hebben gemaakt, benevens Tolstoi's dagboek en alles wat hij sedert
+zijn zestiende jaar had bewaard....
+
+"De heer van Jasnaja Paljana wilde de hem aangedane beleediging,
+waartoe hij nooit aanleiding had gegeven en die hem bovendien
+gedwongen had zijne kuur te onderbreken, niet zonder protest voorbij
+laten gaan. Hij wendde zich, dadelijk nadat hij het bericht van de
+plundering had ontvangen, tot de nu overleden gravin A. A. Tolstoi,
+met het verzoek het gebeurde aan personen mede te willen deelen, die
+invloed hadden, hem goed kenden en op wier verdediging hij rekenen
+kon. Tolstoi verlangde niet, dat degenen die hem zoo zwaar beleedigd
+hadden, gestraft zouden worden, maar hij vroeg slechts herstel van
+zijn goeden naam tegenover de boeren uit den omtrek, en een' waarborg
+dat eene herhaling van deze gebeurtenis niet meer zou kunnen voorkomen.
+
+"'Deze zaak laten rusten _kan_ en wil ik niet,' schreef Tolstoi. 'Mijn
+werkkring, die mij geluk en rust gaf, is verwoest. Tante is door den
+schrik zoo ziek geworden, dat zij het waarschijnlijk niet te boven
+zal komen. De boeren beschouwen mij niet meer als een eerlijk mensch
+(zooals ik toch in den loop der jaren verdiend heb genoemd te worden),
+maar als een' misdadiger, een' brandstichter of een valschen munter,
+die het slechts aan zijne slimheid te danken heeft dat hij nog vrij
+rondloopt....'
+
+"'Nu broeder, jij bent er ingevlogen.... Jij moet nog met praatjes van
+eerlijkheid en gerechtigheid aankomen; bijna draag je zelf ketenen.'
+
+"En de landeigenaren! Die juichen van verrukking. Wees zoo goed, als
+gij met Perowski, Alex. Tolstoi, of met wien gij wilt, gesproken hebt,
+mij zoo spoedig mogelijk te laten weten, wat ik moet schrijven en
+hoe ik den Tsaar een' brief kan doen toekomen. Een andere weg staat
+niet voor mij open. Openlijk als de beleediging was, moet ook de
+genoegdoening zijn (de zaak op eene andere wijze in 't reine te brengen
+is niet mogelijk), of ik ga naar het buitenland, waar ik ernstig over
+denk. Naar Herzen ga ik niet. Herzen is Herzen en ik ben Tolstoi. Ik
+wil het niet in 't geheim doen, maar openlijk verklaren dat ik mijn
+landgoed verkoop om Rusland te verlaten, waar wij het eene oogenblik
+niet weten wat ons het anderen zal overkomen."
+
+Aan het slot van dezen langen brief schrijft Tolstoi nog, dat de chef
+der gendarmes met eene voortzetting van het onderzoek gedreigd had,
+totdat men gevonden zou hebben wat verborgen was. Tolstoi voegt
+hieraan toe: "Ik heb pistolen in mijne kamer en wacht af hoe dit
+alles zal eindigen...."
+
+Ik herinner mij, dat Tolstoi mij vertelde, hoe zeer deze inmenging
+van de politie in zijne zaken hem had beleedigd, te meer omdat het
+in zijne afwezigheid geschied was. Hij besloot daarom zijn beklag in
+te dienen, en bij de aankomst van Keizer Alexander II in Moskou was
+Tolstoi in de gelegenheid den Tsaar persoonlijk een smeekschrift aan
+te bieden, een verzoek inhoudende om in zijne eer te worden hersteld.
+
+De Tsaar nam het verzoekschrift aan en zond een' adjudant naar Tolstoi
+om hem eene verontschuldiging voor het gebeurde aan te bieden.
+
+De overheidspersonen echter waren nog niet gerust gesteld en zoo
+ontspon zich in den herfst van hetzelfde jaar eene eigenaardige
+correspondentie tusschen den minister van binnenlandsche zaken en den
+minster van volksontwikkeling over het tijdschrift _Jasnaja Paljana_.
+
+De aanhalingen die wij hier laten volgen zijn ontleend aan de
+_Herinneringen_ van Oesoff.
+
+De minister van binnenlandsche zaken schreef den 3en October 1862
+aan den minister van volkontwikkeling:
+
+"De aandachtige lezing van het tijdschrift _Jasnaja Paljana_,
+uitgegeven door graaf L. N. Tolstoi, gaf mij de overtuiging, dat dit
+tijdschrift eene geheel nieuwe methode van onderwijs predikt voor de
+volksscholen, en ideeën verkondigt, die zich door hunne richting als
+schadelijk doen kennen. Zonder in nadere bijzonderheden te treden
+of u dergelijke uitdrukkingen of artikelen aan te wijzen (hetgeen
+evenwel geen moeielijkheid zou opleveren), oordeel ik het noodig Uwe
+Excellentie opmerkzaam te maken op de algemeene richting en geest
+van dit blad, die de grondslagen van geloof en moraliteit trachten
+te ondermijnen.
+
+"De uitgave van bovengenoemd blad, wanneer het in deze richting blijft
+voortgaan, moet volgens mijne meening des te meer als schadelijk worden
+aangemerkt, omdat de uitgever, die een bijzonder groot litterair
+talent heeft, niet verdacht kan worden van slechte bedoelingen of
+van gewetenloosheid. Het kwaad schuilt hier in de onwaarheid en
+de excentriciteit van zijne overtuiging, die in zulk een schoonen
+vorm gegoten wordt, dat jonge, onervaren paedagogen zich er heel
+gemakkelijk door zullen laten meesleepen, terwijl bovendien de zaak
+der volksontwikkeling in eene verkeerde richting wordt gedreven. Ik
+heb daarom de eer Uwe Excellentie te verzoeken de opmerkzaamheid van
+den censor op dit tijdschrift te willen vestigen."
+
+Nadat de minister van volksontwikkeling deze missive had ontvangen,
+gaf hij bevel alle reeds verschenen nummers van de _Jasnaja Paljana_
+aan een ernstig onderzoek te onderwerpen. Daarna schreef hij den
+minister van binnenlandsche zaken, dat hij in de richting van het
+bewuste tijdschrift niets gevaarlijks had kunnen ontdekken; dat het
+echter uitspraken op opvoedkundig gebied bevatte, die aan de kritiek
+van bevoegde paedagogen moesten worden onderworpen, maar in geen
+geval aan het verbod van den censor.
+
+"In 't algemeen," schreef de minister verder, "moet ik zeggen, dat de
+werkzaamheden van graaf Tolstoi op paedagogisch gebied volle achting
+verdienen, en het ministerie van volksontwikkeling verplicht is hem
+te helpen en te ondersteunen, hoewel het niet overeenstemt met al
+zijne denkbeelden, waarvan trouwens graaf Tolstoi waarschijnlijk bij
+eene veelzijdige beschouwing ook zelf terug zal komen."
+
+Maar het liberale ministerie van volksontwikkeling heeft zich
+vergist.--Tolstoi heeft zijne denkbeelden niet opgegeven, hoewel
+aanvallen als de boven beschrevene de verdere ontwikkeling van de
+scholen te Jasnaja Paljana zeer hebben belemmerd.
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+HUWELIJK. TOLSTOI'S WERKEN IN DEZEN TIJD.
+
+
+Ondanks het zichtbare succes kon de uitslag zijner werkzaamheden op
+paedagogisch gebied Tolstoi niet bevredigen. Ondanks de grootschheid
+van het zoo kunstig opgetrokken gebouw was hij niet zeker van
+de hechtheid der fundamenten. Integendeel, hij wist dat zij niet
+vertrouwbaar of in 't geheel niet aanwezig waren, en zijn steeds
+analyseerend verstand liet hem niet toe zich daarbij neer te leggen.
+
+De beschrijving van die ontevredenheid met zich zelf, voorkomende in
+zijne _Biecht_, heeft betrekking op dit tijdperk van zijn leven.
+
+"...Het scheen mij toe, dat ik dat alles in het buitenland geleerd had,
+en gewapend met al die wijsheid keerde ik in het jaar van de opheffing
+der lijfeigenschap naar Rusland terug. Ik aanvaardde het ambt van
+vrederechter en begon tevens te onderwijzen: het onontwikkelde volk in
+de scholen, het beschaafde publiek door middel van mijn tijdschrift,
+dat ik toen ging uitgeven.
+
+"Alles scheen goed te gaan, maar ik voelde dat ik niet geheel
+geestelijk gezond was en dat het zoo niet lang zou kunnen duren. Ik
+zou misschien reeds toen tot die wanhoop zijn vervallen, die mij
+vijftien jaren later aangreep, indien er nog niet ééne zijde van 't
+leven was geweest, die ik nog niet kende en die mij redding beloofde:
+dat was het familieleven.
+
+"Gedurende een jaar sprak ik recht en hield ik mij bezig met de scholen
+en de journalistiek. Spoedig echter overwerkte ik mij. Zoo zwaar werd
+mij de strijd als vrederechter, zoo vaag scheen mij mijne werkzaamheid
+in de scholen, zoo heftig werd mijn afkeer van de journalistiek,
+waar ik steeds naar uitvluchten moest zoeken, omdat ik wenschte te
+onderwijzen en tegelijk te verbergen dat ik niet wist wàt,--zóó
+ondragelijk werd mij dat alles, dat ik ziek werd, meer zielsziek
+dan lichamelijk. Toen maakte ik mij van alles los en vertrok naar de
+steppen, naar de Baschkirs, om reine lucht in te ademen, koemies te
+drinken en te leven op dezelfde wijze als de dieren.
+
+"Na mijn' terugkeer trad ik in het huwelijk."
+
+De volgende gebeurtenis had ook in dit tijdperk van Tolstoi's leven
+plaats.
+
+In 't begin van 1862 verloor Tolstoi, die zich nog dikwijls door den
+hartstocht voor het spel liet meesleepen, bij het biljarten duizend
+roebel aan den bekenden publicist Katkoff, den uitgever van een te
+Moskou verschijnend blad.
+
+Niet in staat zijne schuld af te doen, gaf hij zijne vertelling _De
+Kozakken_ in betaling.
+
+Het nog niet geheel voltooide verhaal zag in Januari 1863 het licht;
+tengevolge van ermee verbonden onaangename herinneringen heeft Tolstoi
+het nooit afgemaakt.
+
+Toerghenjeff gaf Fet eene beschrijving van de gebeurtenis in de
+volgende bewoordingen:
+
+"Tolstoi heeft aan Botkin geschreven, dat hij in Moskou veel geld
+verspeelde en duizend roebel van Katkoff leende, waarvoor hij zijn'
+roman uit den Kaukasus in betaling gaf. God geve dat hij, al is het dan
+ook langs dien weg, tot zijne eigenlijke bezigheden terugkeert. Zijne
+vertellingen _Kinder-, Jongens- en Jongelingsjaren_ zijn in 't Engelsch
+vertaald en vallen, naar ik hoor, zeer in den smaak. Ik heb een'
+kennis van mij gevraagd een artikel daarover in de _Revue des deux
+Mondes_ te plaatsen."
+
+Tolstoi was in die dagen veel aan huis bij dokter Bers, in wiens
+familie hij binnen korten tijd zou worden opgenomen.
+
+"Wij waren nog heel jonge meisjes," vertelde gravin Tolstoi aan
+Löwenfeld, "toen Tolstoi reeds bij ons aan huis kwam. Hij was
+reeds een bekend schrijver en leidde in Moskou een vroolijk, lustig
+leventje. Eens kwam hij opgewekt bij ons en vertelde verheugd, dat
+hij juist zijn verhaal _De Kozakken_ voor duizend roebel aan Katkoff
+had verkocht. Wij vonden het een' lagen prijs. Toen bekende hij ons,
+dat hij tot den verkoop gedwongen was. Den vorigen avond had hij met
+biljarten juist die som verspeeld, en het was eene eerezaak die schuld
+dadelijk te vereffenen. Die mededeeling ontroerde ons meisjes zóó,
+dat wij in tranen uitbarstten. Tolstoi had zich voorgenomen een vervolg
+op _De Kozakken_ te schrijven, maar daar is nooit iets van gekomen."
+
+In dien zelfden tijd kwamen Tolstoi en Fet, tusschen wie door den
+twist met Toerghenjeff eene verwijdering was ontstaan, elkaar ook
+weer nader. Over die toenadering schrijft Fet:
+
+"Hoewel mijn geheugen anders zoo nauwkeurig alle gewichtige
+gebeurtenissen uit mijn leven, ja zelfs een enkel woord, bewaart,
+kan ik mij toch de omstandigheden die er toe hebben bijgedragen om
+mijne vriendschappelijke verhouding met Tolstoi weer te herstellen,
+niet te binnen brengen, hetgeen voor mij het bewijs is dat zijne
+boosheid het best vergeleken kan worden met hagel in Juni, die van
+zelf smelt. Ik veronderstel echter dat de zaak niet zonder hulp van
+Borisoff in 't reine is gekomen.
+
+"Hoe het ook zij, Tolstoi verscheen weer binnen onzen gezichtskring,
+en met de hem eigen geestdrift begon hij mij te vertellen van zijne
+bezoeken bij dokter Bers en diens familie.
+
+"Bij mijn bezoek aan de familie Bers, waar Tolstoi mij volgens zijne
+belofte geïntroduceerd had, maakte ik kennis met een beminnelijken,
+aristokratischen, hoffelijken ouden heer, en eene mooie, statige
+brunette, zijne vrouw, die blijkbaar het hoofd in huis was. Van eene
+beschrijving van de drie aantrekkelijke mooie meisjes, waarvan de
+jongste een schoone altstem bezat, zal ik mij onthouden. Alle drie
+bezaten, ondanks de nauwlettende zorg der moeder en hare onmiskenbare
+bescheidenheid, dat zekere iets dat de Franschen 'du chien' noemen."
+
+In een aan ons gericht particulier schrijven van Tolstoi's
+schoonzuster lezen wij over zijne verhouding tot de familie Bers en
+den geleidelijken overgang tot zijn huwelijk:
+
+"Tolstoi's betrekking tot onze familie dateert reeds van
+vroeger. Grootvader Isljeneff en de vader van Leo Tolstoi waren buren
+en vrienden. De families kwamen veel bij elkaar, en mijne moeder en
+Tolstoi noemden elkaar, toen zij nog kinderen waren, jij en jou. Toen
+Tolstoi zijn ontslag uit den dienst had genomen, kwam hij dikwijls
+bij ons. Mijne moeder, destijds reeds getrouwd, was eene vriendin van
+Maria Nikolajewna, Tolstoi's zuster, en bij deze Maria Nikolajewna
+ontmoette ik, toen nog een kind, hem heel dikwijls. Hij speelde
+allerlei spelletjes met zijne nichtjes en mij. Ik was toen tien jaar
+en kan er mij niet veel meer van herinneren. In het jaar van zijn
+huwelijk was hij van eene buitenlandsche reis teruggekeerd. Hij was
+gedurende eenige jaren niet bij ons geweest en zag bij zijn eerste
+bezoek, op ons buiten Pakrowskoje (in de nabijheid van Moskou),
+mijne twee oudere zusters als volwassen jonge dames terug. Uit het
+buitenland had Tolstoi een' leeraar, een zekeren Keller, meegenomen en
+in Moskou engageerde hij nog andere onderwijzers voor zijne scholen,
+waaraan hij zich met hart en ziel wijdde. Wij maakten dikwijls groote
+wandelingen met hem. Hij leefde geheel met ons mee en onze verhouding
+werd zeer intiem.
+
+"In Augustus vertrokken mijne moeder, mijne twee zusters en ik
+voor twee weken naar het landgoed van mijn' grootvader, dat in het
+gouvernement Toela ligt. Tolstoi reisde met ons mee. Wij passeerden
+Jasnaja Paljana, waar hij met zijne tante Tatjana, zijn' broer
+Sergius en zijne zuster Maria Nikolajewna woonde. Bij die gelegenheid
+bracht mijne moeder daar een bezoek. Den volgenden dag werd er een
+pic-nic gehouden met de families Auerbach en Markoff, in het boschje
+Zasjek. Men was daar bezig een' hooiberg te maken, waar wij bovenop
+klommen. Tolstoi volgde ons ook naar het landgoed van mijn' grootvader,
+en daar kwam het aan de ombertafel tot eene verklaring, op dezelfde
+wijze als dat in Anna Karjenina wordt beschreven, n.l. door middel van
+de beginletters van de woorden. In September keerden wij naar Moskou
+terug, waarheen Tolstoi ons volgde, en den 17den September verscheen
+in Moskou de aankondiging van hun huwelijk. Gedurende zijn geheele
+verblijf te Moskou was hij opgewekt, vroolijk en tintelend van geest.
+
+"Hij bracht ons muziek mee, wij studeerden Cherubini en anderen, hij
+accompagneerde mij iederen dag, noemde mij Mme Viardot en verzocht
+mij steeds voor hem te zingen."
+
+Nu laten wij 't verhaal van deze gebeurtenissen volgen, zooals gravin
+Tolstoi het aan Löwenfeld vertelde, hier en daar verbeterd en aangevuld
+met kleine opmerkingen, die wij van haar zelf mochten vernemen.
+
+"De graaf was in dien tijd een geregelde gast in ons huis. Wij dachten
+dat hij zich sterk interesseerde voor mijne oudste zuster, mijn vader
+vooral, tot aan het oogenblik dat hij om mijne hand kwam vragen. Dat
+gebeurde in 1862. In Augustus gingen wij over Jasnaja voor eenige
+weken naar onzen grootvader. Moeder wilde de zuster van den graaf een
+bezoek brengen, en daarom bleven wij, mijne moeder, wij, drie zusters,
+en mijn jongste broer, eenige dagen te Jasnaja Paljana logeeren. Het
+wekte niemands verwondering, dat de graaf bijzonder vriendelijk voor
+ons was; wij kenden elkaar immers, zooals ik u reeds vroeger verteld
+heb, al heel lang en hij stond altijd op een zeer vriendschappelijken
+voet met ons. Het landgoed van mijn' grootvader, of juister gezegd,
+van mijne grootmoeder (want zijn eigen vermogen heeft hij verspeeld)
+lag op 50 wersten afstand van Jasnaja Paljana. Eenige dagen na onze
+aankomst verscheen ook Leo Tolstoi, en in 't kort gezegd, daar werd
+eene dergelijke scène afgespeeld, als in Anna Karjenina is beschreven,
+n.l. waar Lewin eene liefdesverklaring met de beginletters van de
+woorden op eene tafel schrijft en Kitty hem dadelijk begrijpt. En
+sedert dien tijd," vervolgde gravin Tolstoi met een lachje, waaruit
+bleek, dat zij zich deze gebeurtenis met genoegen herinnerde, "sedert
+dien tijd heb ik nooit begrepen, hoe ik toen toch de beteekenis van
+die letters heb geraden. Het moet wel waar zijn, dat gelijkgestemde
+zielen klinken in denzelfden toon, evenals gelijkgestemde snaren."
+
+De zinnen, gewisseld tusschen Leo Tolstoi en Sophia Andrejewna,
+luidden:
+
+"I. u. f. h. e. m. t. o. v. m. e. u. z. L. H. g. e. T. h. o.
+
+"In uwe familie heerscht een misverstand ten opzichte van mij en uwe
+zuster Lisa. Helder gij en Tanischka het op."
+
+Sophia Andrejewna verstond dien zin en gaf een teeken van begrijpen.
+
+Toen schreef hij nog eens:
+
+"U. j. e. u. r. o. g. h. m. h. a. t. d. a. m. o. e. d. v. m. g. g.
+b. i.
+
+"Uwe jeugd en uw recht op geluk herinneren mij heden al te duidelijk
+aan mijn' ouderdom en dat voor mij geen geluk bestaanbaar is."
+
+Meer woorden werden er tusschen hen niet gewisseld, maar het was
+voldoende, zij begrepen elkaar.
+
+De familie Bers was dus weer naar haar buitengoed teruggekeerd, en
+Tolstoi was hen gevolgd. Hij woonde in Moskou, zij op hun buiten, waar
+zij reeds twintig jaren lang iederen zomer gingen doorbrengen. Tolstoi
+was er nu een dagelijksche gast; allen waren er van overtuigd, dat
+hij wenschte binnen korten tijd met de oudste dochter te trouwen, en
+daar gaf hij den 17den September Sophia Andrejewna op haren verjaardag
+een' brief, waarin hij haar ten huwelijk vroeg. Natuurlijk ontmoette
+hij bij haar slechts blijde instemming, maar de oude vader was er
+niet mee ingenomen. Hij wilde niet breken met de traditie, en de
+jongste dochter vóor de oudste laten gaan. Eerst weigerde hij zijne
+toestemming, maar ten slotte moest hij zwichten voor de standvastigheid
+van zijne dochter zoowel als van Tolstoi. In Tolstoi's dagboek vinden
+wij de volgende aanteekeningen over die gebeurtenissen.
+
+Den 2 Augustus schreef hij, na een bezoek te hebben gebracht bij de
+familie Bers:
+
+"Ik vrees voor mij zelf. Als dit ook eens weer het verlangen naar
+liefde is en niet de ware liefde! Ik tracht alleen op de zwakke zijde
+van haar karakter te letten en toch heb ik haar lief."
+
+In dienzelfden tijd besefte hij ten volle hoe eenzaam hij in 't
+leven stond.
+
+"Ik voelde mij geheel gezond toen ik opstond, mijn hoofd was bijzonder
+helder, het schrijven ging goed, maar de inhoud was arm. Daarna
+bekroop mij zoo'n weemoedige stemming, als ik in lang niet gevoeld
+had. Ik heb geen vrienden, niemand. Ik ben geheel alleen. Ik had
+vrienden toen ik den Mammon diende, niemand nu ik de waarheid dien."
+
+Daarna schreef hij:
+
+"Ik ging te voet naar Pakrowskoje, naar de familie Bers. Rustig,
+aangenaam. Sonja gaf mij eene vertelling te lezen. Welk eene
+energie van waarheid en van eenvoud. Haar peinigt de onzekerheid. Ik
+las alles zonder hevige gemoedsaandoeningen, zonder teekenen van
+afgunst of ijverzucht. Het bijzonder onaantrekkelijke uiterlijk en
+het onbestendige oordeel waren goed geteekend. Ik werd rustig; dat
+alles heeft op mij geen betrekking."
+
+De vertelling is helaas niet tot ons gekomen, maar door de schrijfster
+zelve vernietigd.
+
+Den 28sten Augustus, toen hij dus 34 jaar werd, voelde Tolstoi,
+zooals uit zijne aanteekeningen blijkt, weer twijfel, zelfverwijt en
+strijd. Hij schreef:
+
+"In de gewone treurige stemming stond ik op. Heerlijke rust-brengende
+nacht. Jij met je leelijk gezicht, denk niet aan trouwen. Gij zijt
+voor iets anders bestemd, al wildet gij er veel voor geven indien
+dat niet zoo ware."
+
+Maar de drang naar huiselijk geluk werd bij hem steeds sterker,
+en zijn verlangen naar liefde ging ten slotte over in eene ware
+hartstochtelijke liefde, die geen hinderpalen kende. En ondanks dien
+grooten hartstocht toonde Tolstoi ook hier weer zijne eerlijkheid en
+liefde voor de waarheid. Nadat hij reeds het jawoord had ontvangen,
+gaf hij zijne bruid zijn dagboek, waarin hij zijn leven bloot legt en
+waarin geheel naar waarheid al de misstappen, in zijne jeugd begaan,
+zijn vallen en zijn zielestrijd, zijn beschreven.
+
+Het lezen van het dagboek was een zware slag voor het jonge meisje,
+dat in haren held het ideaal van deugd had gezien. Haar lijden was
+groot en haar strijd zóó zwaar, dat er oogenblikken van twijfel kwamen
+en zij er toe overhelde om alle banden met hem te verbreken. Maar
+de liefde overwon den twijfel, en toen zij in lange, slapelooze
+nachten haar lijden had uitgeweend, gaf zij hem het boek terug, met
+een' blik waaruit hare vergiffenis en hare sterke, reeds gestaalde
+liefde spraken.
+
+Het huwelijk werd den 13den September voltrokken, eene week dus na de
+officiëele aankondiging van hunne verloving. De huwelijksplechtigheid
+had plaats in het Kremlin, in de hofkerk. Daarna vertrokken zij per
+rijtuig naar Jasnaja Paljana, waar zij door hun' broeder Sergius en
+tante Tatjana werden opgewacht.
+
+De broer van gravin Tolstoi, S. A. Bers, geeft de volgende
+karakterschets van zijne zuster:
+
+"Mijn overleden vader was tegen alle inrichtingen van onderwijs
+voor vrouwen; daarom ontving Tolstoi's vrouw hare opvoeding thuis,
+maar zij deed toch een examen en verwierf een diploma, dat haar het
+recht gaf tot het geven van huisonderwijs. Als jong meisje hield zij
+haar dagboek bij, trachtte verhalen te schrijven en vertoonde eenigen
+aanleg voor schilderen."
+
+Tolstoi schreef korten tijd na zijn huwelijk aan Fet:
+
+"Fetoeschka, oompje, lieve vriend Afanasie Afanasjewitsch!
+
+"Ik ben twee weken getrouwd en zoo gelukkig; ik ben een ander, een
+geheel nieuw mensch. Wanneer zal ik je zien? Bedenk, dat ik je zeer,
+zeer waardeer, en tusschen ons is zooveel onvergetelijks, Nikoljenka
+en nog zooveel meer. Kom eens hier heen om kennis met mij te maken. Ik
+kus Maria Petrowna de hand. Vaarwel, lieve vriend, in gedachten omhels
+ik je hartelijk."
+
+Na zijn huwelijk ging Tolstoi's leven in geheel nieuwe onbekende banen,
+die hem redding beloofden, zooals hij in zijne _Biecht_ zegt. Wij
+zullen zien in hoeverre Tolstoi's verwachtingen zijn bewaarheid. De
+zucht tot analyseeren verliet hem ook nu, in deze veilige haven, niet
+en verwoestte ook deze illusie. Maar zijn verheven _verstand_ verhief
+hem tot de hoogste hoogten. Wij hopen, voor zoover het mogelijk is,
+een' blik te slaan op dat geheimzinnig proces van zijn zieleleven,
+om daarvan in een volgend deel eene beschrijving te geven.
+
+In dit tijdperk van zijn leven schreef Tolstoi, behalve de reeds
+genoemde, nog de volgende werken:
+
+_De Sneeuwstorm, Aanteekeningen van een' Marqueur, Twee huzaren,
+Polikoeschka_ en _Familiegeluk_.
+
+In _De Sneeuwstorm_ geeft hij eene beschrijving van een
+winterlandschap. Bij de lezing ziet men niet slechts den sneeuwstorm,
+den onder de sneeuw bedolven weg, den verdwaalden vrachtrijder met
+zijne troika, maar men hoort zelfs ieder geluid en men voelt langzaam
+het leven in zich verstijven.
+
+In de _Aanteekeningen van een' Marqueur_ schildert Tolstoi ons hoe
+eene reine, teere ziel ten onder gaat te midden van het zedenbederf
+eener groote stad.
+
+In _De twee Huzaren_ worden twee geslachten tegenover elkaar gesteld;
+het oude, vol levenslust, te veel misschien zich overgevend aan genot,
+maar een geslacht uit één stuk, oprecht en daarom vol levenskracht en
+harmonie; en daarnaast het jonge geslacht, gedemoraliseerd in zijne
+ingetogenheid, berekening en huichelarij. De natuurlijke harmonie is
+verbroken, maar de bewuste harmonie nog niet gevonden, en in de ziel,
+bedorven door de zonde, weerklinkt een vreemde dissonant.
+
+_Familiegeluk_ is een kalm, gracieus verhaal van liefde, eene
+weerspiegeling van den door den schrijver beleefden roman.
+
+_Polikoeschka_ is eene tragedie uit de lijfeigenschap. In deze
+vertelling leeren wij het zieleleven kennen van een' boer, die onder
+een grof omhulsel het meest teere karakter verbergt, dat echter te niet
+gaat bij de aanraking van het ontaarde, leugenachtige "barstwo." [126]
+
+De kritiek van die jaren bemoeide zich heel weinig met deze
+merkwaardige werken. De kritici zochten een algemeenen vorm,
+passende in hun milieu, en waren niet toegankelijk voor de hoog
+moreele schoonheid, die uit iedere bladzijde van deze werken sprak.
+
+Het zwijgen der kritici bracht één hunner er toe een artikel te
+schrijven met het opschrift: _Graaf Leo Tolstoi en zijne werken;
+eene verschijning in de hedendaagsche litteratuur, over 't hoofd
+gezien door onze kritici._
+
+Wij achten het hier de plaats niet, om ons te verdiepen in eene
+kritiek over genoemde werken, die wij slechts hebben aangehaald als
+overtuigende bewijzen van de onvermoeide werkkracht en het scheppende
+talent van Leo Tolstoi.
+
+
+
+
+BESLUIT.
+
+
+In deze vluchtige beschrijving is het halve leven van Leo Tolstoi
+aan uw oog voorbijgetrokken.
+
+Opdat eene onbekwame hand de origineele gedachten en getuigenissen
+niet zou verminken, hebben wij getracht, overal waar het slechts
+mogelijk was, het woord te geven aan Tolstoi, aan zijne bloedverwanten,
+vrienden en bekenden, terwijl wij ons bepaald hebben tot de taak die
+interessante beelden aan te wijzen.
+
+Ondanks het onafgewerkte materiaal gelooven wij toch dat de lezer zich
+een duidelijk beeld kan vormen van Leo Tolstoi's karakter gedurende
+deze helft van zijn leven. Ten slotte wenschen wij nog de aandacht te
+vestigen op eenige van zijne in het oog loopende karaktertrekken, die,
+naar onze meening, de aanleiding waren voor zijne verdere ontwikkeling.
+
+Wij noemen in de eerste plaats de ongewone hartstochtelijkheid,
+waarmee Tolstoi zich wijdde aan iedere zaak die zijne opmerkzaamheid
+trok. Wat het ook was, jacht, kaartspel, muziek, lektuur, paedagogie
+of landhuishoudkunde, hij drong geheel door in het wezen der dingen,
+en de indrukken die zij in zijne kunstenaarsziel achterlieten verwerkte
+hij en legde hij neer in zijne boeiende geschriften, die als 't ware
+gedrenkt zijn met moreele en philosophische gedachten.
+
+Met denzelfden hartstocht wijdde hij zich aan het zoeken naar waarheid,
+het doel van 't menschelijk leven, en met dezelfde kracht van zijn
+genie verwerkte hij ook die denkbeelden en schonk daarna der wereld
+het verkregen resultaat, gegoten in een schoonen vorm.
+
+Een bijzondere trek van zijn karakter is de liefde tot oprechtheid,
+die hem vaak in moeielijkheden heeft gebracht, maar die hem ten slotte
+leidde tot dien God van waarheid, Dien hij steeds diende, hoewel
+hij soms, onbewust voor zich zelf, Zijn beeld verduisterde onder den
+invloed van zijne wisselende gemoedsstemmingen en levensomstandigheden.
+
+En dan treft ons nog een andere kenmerkende karaktertrek: de liefde
+voor het goede, de voortdurende drang tot volmaking, met het doel het
+goede te verbreiden, zijn ijver om ook anderen het goede te leeren
+en hun de schoonheid ervan aan te toonen.
+
+Die drie karaktertrekken, gevoegd bij zijne aangeboren talenten,
+geven ons eene afdoende verklaring voor den door Tolstoi verkregen
+wereldinvloed.
+
+Wanneer wij een' blik slaan op de eerste helft van Tolstoi's leven, dan
+bemerken wij nóg eene sterk sprekende eigenschap, n.l. de voortdurende
+ontevredenheid met zich zelf, zijn' litterairen arbeid en zijne
+overige werkzaamheden. Die ontevredenheid werd nog aangewakkerd
+door eene voortdurende zelfontleding, die steeds zijne schoonste
+illusies verwoestte, en niet voortsproot uit een ziekelijk verdriet
+zonder reden, maar waaraan diepe, reëele oorzaken ten grondslag
+lagen. Ondanks Tolstoi's groote gaven en bijzonder ontwikkelden geest
+gelukte het hem niet een vasten grondslag, eene synthese, te vinden
+voor al de ideeën, die hem bestormden. Dikwijls kwam hij de oplossing
+van de groote vraag zeer nabij, zonder haar echter te kunnen grijpen,
+hetgeen hem dan telkens ontzettend deed lijden.
+
+Die twijfel, dat vruchteloos zoeken naar eene (zooals de mathematikus
+zegt) absoluut afdoende oplossing, geeft ons de verklaring van alle
+tegenstrijdigheden in zijn oordeel en zijne zelfbeoordeeling.
+
+In het volgende deel hopen wij eene beschrijving te geven van de
+gebeurtenissen, die hem naar dat tijdperk van zijn leven voerden,
+waarin de dorst naar waarheid en de wanhoop haar niet te kunnen vinden
+het toppunt hadden bereikt; gebeurtenissen, die hem onvermijdelijk
+moesten brengen tot de eenig-mogelijke oplossing, tot het eenige
+richtsnoer in 't leven en bij zijn' arbeid, tot: _de religie_.
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Opdracht
+ Inleiding
+ Inleiding van Leo Tolstoi bij zijne herinneringen
+ I. De Voorouders van Leo Tolstoi van vaderszijde
+ II. Voorouders van Leo Tolstoi van moederszijde
+ III. De Ouders van Leo Tolstoi
+ IV. Kinderjaren
+ V. Jongensjaren
+ VI. Jongelingsjaren
+ VII. Kaukasus
+VIII. De Donau en Sewastopol
+ IX. St.-Petersburg
+ X. Roman
+ XI. Eerste buitenlandsche reis. Het leven te Moskou. Berenjacht
+ XII. Tolstoi's Tweede buitenlandsche reis
+XIII. Tolstoi en Toerghenjeff. Vrederechter
+ XIV. Tolstoi's paedagogische werkzaamheden. De oprichting van
+ scholen. Theorieën
+ XV. De praktijk in de scholen te Jasnaja Paljana
+ XVI. Huwelijk. Tolstoi's werken in dezen tijd
+ Besluit
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] De schrijver geeft hier een lijst zijner bronnen, die echter
+niet is opgenomen, daar wat als zoodanig genoemd wordt toch voor
+Nederlandsche lezers onbereikbaar is.
+
+[2] Zie aanhangsel aan 't einde der inleiding.
+
+[3] Oorspronkelijk staat hier de in 't Hollandsch slechts door
+omschrijving te vertalen uitdrukking: tschjorno = zwarte, dus
+niet-gezuiverde, in 't klad neergeworpen arbeid.
+
+[4] Uit de mij verschafte ongecorrigeerde aanteekeningen van Tolstoi.
+
+[5] Wanneer ik gebruik maak van de woorden van Tolstoi uit zijne
+mij verstrekte "herinneringen", dan zal dat door aanhalingsteekens
+worden aangegeven.
+
+[6] Volgens familiegegevens stamt het geslacht Tolstoi af van
+een Duitscher Dick (in 't Russisch = Tolstoi). Hoewel dit niet
+in overeenstemming is met de stamboeken, is het zeer wel mogelijk
+dat deze twee variaties toch één bron hebben. Het kan zijn dat het
+geslacht Andrei Charjitonowitsch nog de Duitsche taal gebruikte,
+dat het den achternaam Dick kreeg, en dezen naam eenvoudig in 't
+Russisch vertaalde.
+
+P. B.
+
+[7] Toegevoegd door Tolstoi bij de nalezing van 't handschrift.
+
+[8] Deze Gascha stierf eenige jaren geleden op het landgoed van
+Tolstoi, waar zij nog langen tijd rustig gewoond heeft.
+
+P. B.
+
+[9] Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.
+
+[10] Uit de mij verstrekte ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo
+Tolstoi.
+
+[11] Dikke gelei, die men in stukken gesneden voordient.
+
+[12] Een soort kaas, die niet gesneden maar gesmeerd wordt.
+
+[13] Ingelascht door Tolstoi bij lezing van mijn handschrift.
+
+[14] Dat Tolstoi's herinneringen door den schrijver ongecorrigeerd en
+vooral ongeordend in 't licht zijn gegeven (zie de Inleiding) zal de
+lezer al heel spoedig bemerken. Wij hebben 't onzen plicht geacht,
+zij het ook aarzelend, het oorspronkelijke zoo nauwkeurig mogelijk
+te volgen, zoowel wat stijl als volgorde betreft.
+
+[15] Deze brief is in 't handschrift in het Fransch aangehaald.
+
+[16] Een lange wagen met de zitplaatsen in de lengte.
+
+[17] Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Tolstoi.
+
+[18] Een pleegkind (zie volgend hoofdstuk).
+
+[19] Uit Tolstoi's ongecorrigeerde aanteekeningen.
+
+[20] Een onnoozele.
+
+[21] Uit de verzamelde werken van Tolstoi.
+
+[22] De tijd van Kerstmis tot aan Drie-Koningen.
+
+[23] Prikaztschik kan verschillende beteekenissen hebben, maar wijst
+altijd op eene betrekking in den handel. Het handschrift geeft geen
+verdere aanwijzing.
+
+[24] Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.
+
+[25] Moerawjeï = mier.
+
+[26] Uit de ongeconigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.
+
+[27] Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.
+
+[28] Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van L. Tolstoi.
+
+[29] Eug. Schyler. _Herinneringen aan Tolstoi_.
+
+[30] Uit de volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.
+
+[31] Uit de volledige verzameling der werken van Tolstoi.
+
+[32] Ingevoegd door Tolstoi bij lezing van het handschrift.
+
+[33] Volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.
+
+[34] Uit de volledige verzameling van de werken van L. Tolstoi.
+
+[35] Het materiaal hiervoor verschafte mij de vriendschap met Djakoff
+in mijn eerste studiejaar. Noot van L. Tolstoi.
+
+[36] Volledige werken van L. Tolstoi.
+
+[37] Toelichtingen hieromtrent vindt men in zijn werk _Kinderjaren_.
+
+[38] Een oppasser voor kinderen.
+
+[39] Een 90-jarige grijsaard, die op het goed woonde.
+
+[40] Noot van L. Tolstoi. Ingelascht bij de lezing van dit handschrift.
+
+[41] Idem.
+
+[42]
+
+[43] Noot van Tolstoi, ingelascht bij de lezing van dit handschrift.
+
+[44] Uit de volledige verzameling van de werken van Tolstoi, dl. IV.
+
+[45] Ingelascht door Tolstoi bij lezing van het handschrift.
+
+[46] R. Löwenfeld, Gesprache mit und über Tolstoi.
+
+[47] Ingelascht door Tolstoi bij lezing van het handschrift.
+
+[48] Een driespan.
+
+[49] Volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. I.
+
+[50] _Biecht_ (door Biroekoff fragmentarisch overgenomen).
+
+[51] De machtigste in het dorp.
+
+[52] Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. II.
+
+[53] Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. IV.
+
+[54] R. Löwenfeld, Gesprache mit und über Tolstoi.
+
+[55] Ongeveer cadet.
+
+[56] Woorden uit het Russische soldatenliedje: "Kool en brij is
+ons voedsel."
+
+[57] Eene soort limonade.
+
+[58] In het handschrift is deze brief in 't Fransch aangehaald.
+
+[59] In het handschrift in 't Fransch.
+
+[60] In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.
+
+[61] In 't handschrift wordt deze brief in 't Fransch aangehaald.
+
+[62] Kamp.
+
+[63] Deze brief is in 't handschrift in 't Fransch aangehaald.
+
+[64] In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.
+
+[65] Uit de volledige verzameling der werken van L. Tolstoi, Dl. II.
+
+[66] Kozakken-meisje.
+
+[67] De vrouw van een barin = heer.
+
+[68] Jonge wijn.
+
+[69] In het handschrift is deze brief in 't Fransch aangehaald.
+
+[70] In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.
+
+[71] Eene lichte spijs, die altijd na gebruik van drank wordt gegeten.
+
+[72] In het handschrift in het Fransch aangehaald.
+
+[73] Iemand die alles durft en alles kan.
+
+[74] In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.
+
+[75] Het tijdschrift _De Tijdgenoot_.
+
+[76] In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.
+
+[77] Een poed is 16 kilo, 379 gram.
+
+[78] Al deze brieven zijn in het handschrift in het Fransch aangehaald.
+
+[79] Zoo heette toen het verhaal _Sewastopol in Mei_.
+
+[80] Blijkbaar is hier sprake van Tolstoi's verhaal _Sewastopol in
+Mei 1855_.
+
+[81] Eerste bundel geschriften van J. S. Toerghenjeff.
+
+[82] Eene _Artél_ is een genootschap van soldaten, arbeiders,
+handwerkslieden, enz., die eene gemeenschappelijke tafel, dikwijls
+ook eene gemeenschappelijke kas hebben, en meestal samenwonen. In de
+groote steden bestaan artélen met gecompliceerde organisaties, groote
+kapitalen en vèrstrekkende macht, waarbij het genootschap solidair borg
+blijft en waakt voor de belangen van elk zijner leden. Zoo bijv. de
+beurs-artélen te Petersburg en Moskou, die de geheele koopmanschap
+met hoogere en lagere beambten omvatten.
+
+[83] R. Löwenfeld, _Graaf L. N. Tolstoi._
+
+[84] Paul Boyer, _Le Temps_, 28 Aug. 1901.
+
+[85] A. Fet. _Mijne herinneringen_, Deel 1, Bladz. 105.
+
+[86] De volledige werken van D. W. Grigorowitsch, Deel XII.
+
+[87] Alexander Iwanowitsch Herzen (1812-1870) was de natuurlijke
+zoon van een rijken edelman Jakofleff en ontleende zijn' naam aan
+_Herzens-kind_. Zijne moeder was eene Duitsche: Luise Haag.
+
+[88] G. P. Danilewski, _Reis naar Jasnaja Paljana_, in de
+Geschiedkundige Mededeelingen van Maart 1886.
+
+[89] E. Garschin. _Herinneringen aan I. S. Toerghenjeff_, in de
+Geschiedkundige Mededeelingen, November 1883.
+
+[90] _Herinneringen_ van A. Golowatschewa Panajewa.
+
+[91] Toerghenjeff stierf in 1883.
+
+[92] Eerste verzameling brieven van Toerghenjeff, Bladz. 27.
+
+[93] Eerste verzameling brieven van I. S. Toerghenjeff, Blz. 33.
+
+[94] Eerste verzameling brieven van Toerghenjeff, Blz. 32.
+
+[95] Uit de gedenkschriften van Tolstoi.
+
+[96] _Biecht_.
+
+[97] In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.
+
+[98] Eerste verzameling brieven van I. S. Toerghenjeff.
+
+[99] Uit de Papieren van Droezjinin. Petersburg, 1884.
+
+[100] De eerste van deze twee brieven aan zijne tante was geheel,
+de tweede gedeeltelijk in het Fransch geschreven.
+
+[101] Deze brief was in 't Fransch geschreven.
+
+[102] A. Fet. _Mijne Herinneringen_ 1848-1889.
+
+[103] A. Fet, _Mijne Herinneringen_ 1848-1889.
+
+[104] Tolstoi noemde zijne tante, de onlangs overleden gravin
+A. A. Tolstaja, schertsenderwijze "Grootmoedertje".
+
+[105] Iw. Zacharjin (Jakoenin). Herinneringen aan gravin
+A. A. Tolstoi. _Europeesche Bode_, Jan. 1904.
+
+[106] Zie zijn _Familiegeluk_.
+
+[107] Barina is de vrouwelijke vorm van barin = heer.
+
+[108] Uit de gedenkschriften van Tolstoi.
+
+[109] A. Fet, _Mijne Herinneringen_, Blz. 237.
+
+[110] _Sawremjennik_ 1858, Deel 72, Bladz. 300.
+
+[111] In Fet's _Herinneringen_ is dit avontuur abusievelijk opgegeven
+als in Januari 1858 te hebben plaats gehad.
+
+[112] A. Fet, _Mijne Herinneringen_.
+
+[113] in het handschrift in het Fransch.
+
+[114] Het volk.
+
+[115] Joefan was een bijzonder flinke knecht, en daarnaar noemde
+Tolstoi den zwaren grondarbeid: "Joefanstwo".
+
+[116] 1 desjatin = 4800 M2.
+
+[117] De interessante bijzonderheden van deze reis ontleenen wij
+aan R. Löwenfeld: _Graaf L. N. Tolstoi, zijn leven en zijn werken_,
+en brachten zoo noodig eenige verbeteringen aan met gebruikmaking
+van brieven, door Tolstoi aan zijne bloedverwanten geschreven.
+
+[118] De vrouw van Djakoff.
+
+[119] In het handschrift is deze brief in het Fransch aangehaald.
+
+[120] In het handschrift in het Fransch aangehaald.
+
+[121] L. N. Tolstoi, _Volksontwikkeling_.
+
+[122] L. Tolstoi. _Verzamelde werken_, deel IV.
+
+[123] Deze aanhalingen zijn genomen uit L. Tolstoi's _Verzamelde
+Werken_, deel IV.
+
+[124] Koemies is een drank, die bereid wordt uit de melk van een zeker
+soort paarden, en in Rusland heilzaam wordt geacht voor borstlijders.
+
+[125] Een Russische wagen; in Bokhara ook: eene tent.
+
+[126] Barstwo--overheersching van den barin (heer).
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Tolstoi's leven, by Pavel Ivanovich Biroekoff
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TOLSTOI'S LEVEN ***
+
+***** This file should be named 20128-8.txt or 20128-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/0/1/2/20128/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.