diff options
Diffstat (limited to '19161-8.txt')
| -rw-r--r-- | 19161-8.txt | 23577 |
1 files changed, 23577 insertions, 0 deletions
diff --git a/19161-8.txt b/19161-8.txt new file mode 100644 index 0000000..f6af3c1 --- /dev/null +++ b/19161-8.txt @@ -0,0 +1,23577 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Roos van Dekama, by J. van Lennep + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Roos van Dekama + +Author: J. van Lennep + +Release Date: September 2, 2006 [EBook #19161] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROOS VAN DEKAMA *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + + + + De Roos van Dekama + + Door + + Mr. J. Van Lennep. + + + + Leiden.--A.W. Sijthoff. + + + + + + + + +DE ROOS VAN DEKAMA. + + +Het was in den zomer van 18--, dat twee studenten aan de Leidsche +Hoogeschool, beiden aan den Uitgever dezes bekend als jongelieden +van een uitmuntende inborst en voortreffelijken aanleg, gezamenlijk +hun voornemen bewerkstelligden, om de onderscheidene gewesten van +Noord-Nederland door een onderzoek uit eigen oogen van nabij te leeren +kennen. Beiden waren van gevoelen, dat, al biedt ons vaderland den +oppervlakkigen reiziger, die slechts verpoozing en verstrooiing zoekt, +noch schitterende natuurtooneelen, noch uitgezochte vermaken aan, +gelijk in andere landen en hoofdsteden te vinden zijn, het desniettemin +voor de zoodanigen, die eenmaal geroepen kunnen worden om aan dat +vaderland van dienst te zijn, belangrijk is, ja zelfs hun eenigermate +als plicht kan worden toegerekend, er de onderscheidene deelen van +te leeren kennen, alvorens zij een Engelschen wedloop gaan aangapen, +eenige goudstukken aan de farotafels der Duitsche badplaatsen wagen, +of een sigaar op de bouwvallen van het _coliseum_ rooken:--ja zij +vermeenden dat het hun in rijper leeftijd meer nut zoude doen, +wanneer zij waar het paste, blijken konden geven, niet onbekend +te zijn met de zeden en gewoonten hunner landgenooten; en met den +inwendigen toestand onzer gewesten en steden, ten opzichte der bronnen +hunner welvaart of der oorzaken van hun verval,--dan wanneer zij nog +zoo mooi konden meepraten over de opvoering der _Juive_ te Parijs, +of klagen over het hedendaagsche onderscheid der vroeger zoo gulle +Zwitsersche herbergiers, of de Engelsche dames beschrijven, die met +taffen parasols de Vesuvius beklimmen, of zelfs een steentje uit den +zak halen, uit Pompeji medegebracht. + +Zij bezochten op hun voetreis (want wie alles goed wil zien, +dient zich van een paar waterdichte en gemakkelijke schoenen te +voorzien, en zich niet dan uit nood van rijtuigen of trekschuiten +te bedienen) ook dat gewest, hetwelk, sedert oude tijden en door +alle overheerschingen heen, den naam van Friesland bewaard, en +nog het langst zijn oorspronkelijkheid en zelfstandigheid (om het +nieuwerwetsche woord _eigendommelijkheid_ niet te bezigen) behouden +heeft; ofschoon ook aldaar een nauwere betrekking met andere gewesten +en landstreken haar invloed meer en meer begint te doen gevoelen, +en de zoogenaamde beschaving er een vroeger ongekende zucht tot +navolging heeft ontwikkeld: zoodat men reeds Friesche boerenmeisjes +ziet, die wijde mouwen dragen, en Friesche burgervrouwtjes, die +(wellicht helaas! ten gevolge van verminderde welvaart) den gouden +diadeem voor een nieuwmodisch mutsje verwisselen. + +Terwijl de een van onze beide wandelaars, wien wij bij zijn voornaam +Gerrit zullen aanduiden, en die een ontluikend staathuishoudkundige +was, zich verdiepte in het onderzoek naar de oorzaken, welke die +vermindering van nationaliteit teweegbrachten, wendde Willem, zijn +makker, die meer bijzonder werk maakte van geschied- en oudheidkundige +nasporingen, alle moeite aan, om de overblijfselen der vroegere zeden +en gebruiken, voor zooverre die nog bestonden, te leeren kennen: +en evenals onze oude kennis Robinson van onder de overblijfselen van +der Kannibalen feestmaal de sprankjes vuur zocht op te rakelen, die +nog onder de asch mochten smeulen, zoo speurde hij de schemeringen +der verouderde gewoonten en overleveringen na, en verheugde zich, +zoo vaak het hem gelukken mocht, die op te delven van onder den hoop +nieuwigheden, daarover heen gestoven. + +Zoo was hij recht in zijn schik geweest, toen hij op een der dorpen +een echt Friesche begrafenis in volle tenue naar het kerkhof had +zien kuieren. En toen hij, in de herberg gekomen, vernam, dat +het harde, in lange sneden gedeelde krentenbrood herkomstig was +van de overblijfselen des gehouden lijkmaals, en naar oud gebruik +aan de betrekkingen des overledenen was rondgezonden, at hij er, +uit louteren eerbied voor de _antiquiteit_, drie groote sneden van: +terwijl Gerrit, die (hoewel slechts uit honger) niet achterbleef in +het orberen van zijn aandeel, met den waard over den prijs der granen +sprak.--Zoo juichte Willem, toen hij den rijken schat van kunstig +gesnedene beeldjes en versierselen bezag, welke de oude banken der +kanunniken in de fraaie hoofdkerk te Bolsward opleveren, en schold op +de Redactiën onzer penningmagazijnen, die ons nagedrukte afbeeldsels +van uitheemsche merkwaardigheden verschaffen, en die geen teekenaar +afzenden om al het bijzondere, daar en elders op eigen bodem, af te +schetsen, en ter kennisse van onze landgenooten te brengen: ja, toen +Gerrit, met hem op straat komende, zijne bevreemding te kennen gaf, +dat men in het bestraten te Bolsward nog meer achterlijk was dan te +Amsterdam, en er niet eens de verontschuldiging bij kon brengen, +dat de gaspijpen de straat bederven, was onze oudheidkenner nog +bezig met tegen de kerkvoogden te brommen, dat die sommige zitbankjes +hadden laten dichtspijkeren, en daardoor ettelijke beeldjes aan het +oog onttrokken, en tegen de vijfennegentigers, die al de wapenen +uit de zerken gehakt, en alle tronies van neus beroofd hadden. En, +omgekeerd, deelde hij niet in de ergernis van Gerrit, over het afnemen +der buitengronden en den slechten toestand van sommige dijken; want +het was juist ebbe en zijn geheele ziel was opgelost in verrukking, +toen hij door de beschouwing der droge wadden en der kleur van het +zeewater boven de banken, zich een duidelijk begrip van de voormalige +gedaante der zeekust vormen kon. + +Eens, op zekeren avond, nadat zij zich verlustigd hadden met een +wandeling over de bekoorlijke heuvelen van het Gaasterland, kwamen zij +aan zekere herberg, nabij een binnenwater gelegen, waar zij den nacht +hoopten door te brengen. Zij troffen noch den kastelein aan, noch de +_kasteleinske_, die beiden naar eene naburige kermis getrokken waren, +en de dienstmaagd durfde het niet op zich te nemen, hun een bijzondere +kamer aan te wijzen, gelijk zij verzocht hadden, ten einde aldaar het +gedurende den dag opgeteekende in orde te kunnen brengen. Zij zouden +zich intusschen spoedig met het denkbeeld getroost hebben, dat zij +aan den publieken haard wellicht het een of ander opmerkenswaardigs +vernemen zouden, ware niet Gerrit door een aanval van kiespijn geplaagd +geweest, waardoor hij zich weinig opgewekt gevoelde tot de genoegens +van een gezellig onderhoud. + +Zij maakten echter van den nood een deugd, en traden het hun +aangewezen benedenvertrek binnen, waar zij een viertal personen gezeten +vonden, die zich, voor zooveel de avondschemering toeliet zulks te +onderscheiden, met den geur van de Friesche baai en van het bittere +vocht in stille bedaardheid verlustigden. Nadat de gewone groete +en het hartelijke _vaar jou wel_? over en weder gewisseld waren, +haalde Gerrit zijn zakdoek uit en plaatste zich aan een tafel, in de +houding van iemand, die met kiespijn gekweld is: namelijk hij zette +een droevig gezicht, legde den elleboog op de tafel, den doek in de +linkerhand en de linkerwang op den doek, sloeg de beenen over elkander, +en bleef met de rechtervingers krampachtig op de tafel trommelen. + +"Komaan!" zeide Willem: "stop een pijp; dat zal u goeddoen: +ik zal intusschen een flesch wijn laten aanrukken, en dan zult +gij uw kwalen wel vergeten. Is dat niet een tarief van wijnen, +daarginds?--Voorwaar! zij schijnen hier wel voorzien te zijn! beter +dan men in een landherberg verwachten zoude! Videamus!" + +Dit zeggende trad hij naar een groot blad toe, hetwelk in een houten +lijst gevat voor den schoorsteen hing, en hetgeen hij voor een +wijnkaart had aangezien. Hij bemerkte echter bij 't naderen dat hij +zich vergist had; het opschrift, daarboven geplaatst, luidde als volgt: + + + TARIEF DER GALAMADAMMEN. + + +"_Gala-Madammen_!" riep hij, zich verbaasd omdraaiende: "eilieve +Gerrit! Het schijnt, dat er een bijzonder Tarief is voor de dames +die hier vertering maken. Maar waar is nu het Tarief voor de +_Gala-Heeren_?" + +"Kom! gij zijt een ezelskop!" zeide Gerrit, zonder zich te +verwaardigen, slechts even zijn houding te veranderen! "Het is het +tarief der _Galamadammen_, dat zijn: de _Dammen_ van _Galama_." + +"Hm! zoo!" hernam Willem: "men mag niet eens meer een onnoozele +woordspeling maken. Denkt uwe hoogverlichte wijsheid, dat ik dit niet +zonder uwe opheldering vatte? Denkje dat ik niet zoo goed en beter +dan gij weet, dat zich in deze omstreken de Galamaas ophielden, van +den driesten strooper af, die Graaf Floris den Vetten een steek gaf, +tot den wakkeren Vetkooper Ige toe?" + +"De jongste broeder van Ige was de stamvader van mijn grootmoeder," +zeide met een piepend stemmetje een der aan de tafel gezetene personen. + +"In waarheid!" riep Willem, zich verheugd naar den spreker wendende, +een klein, schraal, ineengedrongen mannetje, met een half boersch, +half steedsch voorkomen: "heb ik waarlijk de eer, mij met een +afstammeling der Galamaas in gezelschap te bevinden?--Dan moet er +dadelijk licht komen, opdat ik u beschouwen moge, en wijn, opdat ik +uw gezondheid drinke." + +"Ja maar! 't Is alleen van moederszijde," zeide de Fries. "Mijn naam +is Dirk Broddelsma." + +"Om 't even! Het echte _frije_ Friesche bloed stroomt u toch nog in de +aderen, en gij zult dienvolgens al zoomin tegen een glas wijn hebben +als uw voorouders:--schoon die meer bier dronken." + +Licht en wijn werden hierop binnengebracht: en Willem, de glazen +gevuld hebbende, stelde de gezondheid van den Heer Broddelsma in, +die door al de aanwezigen gedronken werd. Alleen Gerrit, die reeds met +verdriet voorzag, dat de gulhartigheid van Willem tot een drinkpartij +aanleiding zoude kunnen geven, welke hun beiden op hun nachtrust en op +een goede som gelds daarenboven zou komen te staan, vergenoegde zich, +zijn glas even aan de lippen te brengen en het daarna weder voor zich +te plaatsen. + +"Hoe is het?" vroeg Willem: "drinkje niet? dan geloof ik waarlijk +dat het slecht met u gesteld is." + +"Ik heb mondpijn," zeide Gerrit, "en geloof dat alle verhitting +schadelijk voor mij is." + +"Er is hier een uitmuntende _quack_ [1] in de buurt," zeide een +der aanwezigen: "die een kwade kies zal trekken, trots den besten +tandmeester." + +"Het is geen kies die het doet," zeide Gerrit; "het is eerder +scheurbuik: mijn tandvleesch is gezwollen." + +Triboulet, de hofnar van François I, merkte eenmaal op, dat er +geen beroep was, hetwelk zoo algemeen werd uitgeoefend als dat van +geneesheer; de waarheid van deze bewering werd ook nu bevestigd: +want elk der aanwezigen gaf dadelijk een geneesmiddel aan de hand: +de een prees lepelblad aan: de ander sprak van mastik en wierook: +een derde schreef zwavel en magnesia voor: een vierde beweerde, dat +een pruim van echte baai alle pijn dadelijk zoude stillen; de meid +uit de herberg daarentegen hield vol, dat het beste middel in het +water over de deur groeide. + +"Laat maar wat _harntje_ rijs plukken," zeide zij: "dat is, afgekookt, +de beste mondspoeling tegen alle scheurbuik." + +"_Probatum est_!" riep Willem: "dat is de _herba brittannica_, waar +Plinius reeds van spreekt en waaraan hij diezelfde pijnstillende +krachten toeschrijft." + +"Ik 'loof ook, dat ik die 'evonden heb in het oude _receptenboek_, +dat ik thuis heb," zeide de afstammeling der Galamaas. + +"Een oud receptenboek?" herhaalde Willem, den spreker met een +nieuwsgierigen blik aanziende. + +"Ja toch! daar is onze familie raar aan 'ekomen:--door dien zelfden +Ige Galama, waar jou van sprak." + +Aandachtig schoof Willem zijn stoel bij, en Gerrit zelf, het hoofd +oplichtende, keek den verteller met belangstelling aan. + +"Jou moet dan weten," verhaalde de Heer Broddelsma, "dat er op een +dorp hier kort bi, dat Hemelum heet, een klooster bestond, waarbinnen +een sterke plaats was, de _Spiker_ genaamd. Nu had de Abt van dat +klooster, die Agge geheeten was en een groot Schieringer.... want +jou moet weten, dat er twee partieën in Friesland waren, die...." + +"Nu ja!" viel Willem in, "_haec lippis et tonsoribus nota_, 't geen +zooveel zeggen wil als: vertel maar verder." + +"Nu! de Abt lag overhoop met Ige Galama en zijn broers (waarvan de +jongste, Douwe, mijn stamvader was), over eenige pondematen lands, +daar ze allebei recht op vermeenden te hebben: en het liep zoover, +dat de Abt hen in den ban deed: dat was nu zoo de manier in die tiden." + +"'t Mocht wat!" zeide Willem: "de manier was toen, er om te vechten, +totdat een van beiden alles inhad." + +"Jawel juust! dat zal jou hooren: Ige en zijn broers lachten wat om +dien ban; en met behulp van Juw Jongema, die een wakkere Vetkooper was, +en van eenige Hollanders, belegerden zij het klooster en namen den +_Spiker_ in. Zij haalden er alles uut wat zij vonden: en Ige behield +een grooten buut voor zich; maar mijn stamvader Douwe, die een man +van studie was, nam er de perkamenten en papieren uut, waaronder er +waren, die, zooals men zeide, herkomstig waren uut Sint-Odulf, dat een +klooster was nabi Staveren, maar dat nu onder de zee bedolven ligt." + +"En bestaan die papieren nog?" vroeg Willem, verheugd opspringende. + +"Ze zijn zoo langzamerhand verbruukt," zeide de Heer Broddelsma, +zijn pijp omdraaiende: "alleen het receptenboek, dat hebben we nog +bewaard, want dat komt nog eens te pas als men veel kinderen heeft +en de _quack_ is niet bi huus." + +"Verbruukt!" herhaalde Willem: "verbruukt! + + + Quis talia fando + Temperet a lachrymis? + + +'t geen zooveel zeggen wil als: kan men dat receptenboek ook eens te +zien krijgen?" + +"O ja, waarom niet?" antwoordde de gulhartige Fries: "mijn State is +hier kort bi, en zoo jou morgen een pijp bi mi wilt komen rooken en +een kommeke koffie gebruken, zal ik jou met vermaak dat stukske wizen." + +Willem haastte zich deze aanbieding met dankbaarheid aan te +nemen, zonder acht te geven op de wenken van zijn vriend, die van +oordeel was, dat hun dat receptenboek een dag nutteloos zoude doen +verliezen. Desniettegenstaande liet zich Gerrit, toen op den volgenden +morgen zijn mondpijn grootendeels geweken was, zonder dat hij een der +hem aangeprezene middelen had aangewend, overhalen om zijn reisgenoot +te vergezellen; echter aan zich houdende om, zoodra hij zich verveelde, +te mogen aftrekken en een der andere gasten van den vorigen avond te +gaan opzoeken, zijnde een schoolmeester, in wiens heiligdom hij hoopte +met den staat van het lager onderwijs daar te lande bekend te worden. + +Weldra bereikten zij Broddelsma-state, bestaande uit een nette woning +met de daaraan gebouwde ruime voorraadschuur en beestenstal, staande +op een werf, met enkele dwergachtige pereboomen beplant en door een +sloot omgeven. Daar de in Friesland gewone waarschuwing: _wacht u voor +den hond_! ook hier voor het hek te lezen stond, traden onze beide +vrienden ook niet eerder de brug over, die de werf van den landweg +scheidde, dan voordat hun geroep eerst een grooten dog en eenige +keffertjes, vervolgens een drietal kinderen, daarna een knecht en +eindelijk een paar knappe boerendeernen had doen te voorschijn komen, +die allen (uitgenomen de blaffende honden) op een afstand bleven staan +kijken; totdat ten laatste de eigenaar zelf voor den dag trad en hen +wellekom heette. In zijne woning getreden vonden zij de koffiekan, +den roompot en de witte klontjes reeds op tafel staan en, nadat men +een pijp gestopt en aangestoken had, werd het receptenboek voor den +dag gehaald uit een glazen kast, waar het tusschen eenige gouden +en zilveren zweepen, hoofdstellen, schenkkannen en andere prijzen, +op harddraverijen behaald, lag te rusten. + +Met bevende handen en het gemoed van eerbied doordrongen, sloeg Willem +den juchtlederen band open. Het was een handschrift op perkament, +tot opschrift voerende: + + + THESAURUS SANITATIS + in usum + Venerandi Monasterii sub patronatu Sancti Odolfi, + collectus ab + Occone Varnesensi, + in eodem monasterio medic. chir. et obstetr. artem excercente. + + +"Ik denk niet dat de laatstgenoemde kunst den Heer Occo van Warns in +een klooster van veel nut zal geweest zijn," merkte Gerrit aan. + +"Zeg dat niet," zeide Willem: "daar moest gezorgd worden, dat de vrome +vaders niet uitstierven; maar bovendien en zonder gekscheren, vermits +te dier tijd de kunsten en wetenschappen hier alleen in de kloosters +beoefend werden, was het niet meer dan natuurlijk dat elke soort van +beroep en kostwinning een vertegenwoordiger moest hebben in gestichten +van dien aard, waarheen ieder zich wendde, die eenige hulp, in welk +vak of van welken aard ook, voor zich of voor de zijnen van doen had." + +Dit zeggende, bladerde hij het handschrift door, hetwelk in de oude +Friesche landtaal met een nette hand geschreven was, en een lijst +van recepten bevatte tegen alle soorten van kwalen. Sommige der +opgegevene geneesmiddelen waren niet onderscheiden van die, welke +ook thans nog in zwang zijn: andere waren van een soort, die sedert +in onbruik geraakt is en vereischten een onbepaald geloof aan die +wonderbare sympathetische krachten, vroeger toegeschreven aan enkele +voortbrengselen uit het plantenrijk en aan de meeste gesteenten en +metalen. De juiste ouderdom van het werk viel moeilijk te bepalen, daar +het van geen jaartal voorzien was;--maar uit ettelijke kantteekeningen, +van een andere, min keurige hand ter neder gesteld en onderschreven: +Volcardus Abbas, kon men besluiten dat het werk althans ouder zijn +moest dan de eerste helft der Veertiende Eeuw, vermits de Abt Volkert, +gelijk ieder weet, in 1340 nog leefde. + +"'t Is jammer, dat uw broeder de dokter hier niet is," zeide Gerrit +tot zijn vriend: "die had daar meer aan dan wij." + +"Wel ja!" zeide Willem; "even alsof onze tegenwoordige geneesheeren +iets anders dan een blik van verachting zouden schenken aan een +werk, waarin de amethysten als een voorbehoedmiddel tegen alle +vergiften en de karbonkels als een waarborg tegen verraad worden +voorgeschreven.--Maar eilieve! zie eens: hier eindigt het receptenboek +en er volgt nog wat anders, dat wellicht merkwaardiger is: hoor eens," +vervolgde hij, overluid lezende: + +"_Hic incipit narratio victoriae memorabilis quam de Hollandis +reportaverunt Frisii, nec non aliorum, sempiterna quae memoria digna +sunt, negotiorum_." + +En terstond verder lezende, ontdekte hij, dat het vervolg een Latijnsch +verhaal bevatte van den slag, bij Sint Odulfs klooster in den jare +1345 gestreden, maar doorvlochten met zoodanige omstandigheden, +bijzondere personen en gebeurtenissen betreffende, als welke onze +kroniekschrijvers onbekend zijn gebleven, althans niet door hen +vermeld worden. + +Deze ontdekking scheen onzen jeugdigen oudheidminnaar belangrijk +genoeg toe, om wereldkundig gemaakt te worden: en hij wist, ofschoon +met moeite, door zijn welbespraaktheid het zooverre te brengen, dat +de Heer Broddelsma hem het Handschrift ter leen afstond; want van +een verkoop wilde de goede man niets hooren. Bijzondere huiselijke +omstandigheden, voor den lezer van geen belang, beletteden echter +den jongeling aan zijn plan tot uitgave van het stuk eenig gevolg te +geven; maar hij zond het receptenboek aan een geneeskundig tijdschrift, +waarin het, zoo wij hopen, eerlang, met ophelderende aanteekeningen +verrijkt, aan de aandacht van het publiek zal worden aangeboden: +en den schrijver van dit voorbericht werd verzocht de uitgave der +kroniek op zich te nemen. Deze had echter niet zoodra de handen +aan 't werk geslagen en tot toelichting van het verhaal de noodige +overleveringen, geschiedenissen en localiteiten geraadpleegd, of +hij begon te vreezen, dat, bij de uitgave, het werk zelf in de massa +der noten en ophelderingen zou verstikt worden, iets, dat thans wat +algemeen in zwang is geraakt, maar hetgeen hem altijd denken deed aan +die stukjes chocolade of suikergoed onzer hedendaagsche banketbakkers, +zoodanig met gesatineerde papiertjes, deviezen, verguldsel en prentwerk +omtogen, dat niet alleen de prijs van het geheel aanmerkelijk verhoogd, +maar ook het hoofdingrediënt tot een accessorium wordt. Hij besloot +uit dien hoofde de bijzonderheden, in het verhaal vermeld, met die, +welke hij door eigen onderzoek en nasporing had leeren kennen, tot een +geheel te verzamelen en in den vorm eener doorloopende geschiedenis, +te boek te stellen:--in hoeverre hij, door dezen arbeid, geslaagd zij +aan zijn lezers eenige oogenblikken aangenaam, en (zoo hij hoopt) +ook nuttig te laten doorbrengen, zal de toekomst leeren. Wie op de +fantastische schildering van _exceptioneele_ personen belust is, zooals +de hedendaagsche literatuur onzer naburen die meestal aanbiedt, zal +zich bedrogen vinden: hij zal hier slechts menschen aantreffen, zooals +zij nog heden ten dage zijn, met hun goede en slechte hoedanigheden, +met hun driften en hartstochten,--maar gewijzigd naar de denkbeelden, +zeden en gebruiken van den tijd. Maar hij zal, na het ten einde brengen +dezer bladeren, de waarheid daarin bevestigd vinden der stelling, dat, +zoo niet al het goede op deze wereld zijn loon noch het kwade zijn +straf ontmoet, diegene ten minste, die zich laat overmeesteren door +eenigen hartstocht, al ware die zelfs uit zijn oorsprong te billijken, +altijd zal achterstaan bij hem, die, uit welk beginsel dan ook, de +omstandigheden niet vooruitloopt, zijn gemoedskalmte bewaart, en, +gelijk de schrijver zich uitdrukt, aan wien wij ons motto ontleenen: + + + Wacht en stille sitt. + + + + + + +EERSTE HOOFDSTUK. + + + daer 't Sticht ter merreckt quam + De Goier, Aemstelaer, de Veene- en Waterlander. + Zy staplen vrucht en vee en zuivel op elckander. + Gevogelte, en gewas, en wat de nooddruft eischt, + Ter liefde van 't gewin, daer 't al om draeft, + en reist, + En vlet, en vaert, en woelt: terwijl de burgeryen + Van d' eene aen d'andere weeck, bij deze merckt gedyen, + En kelder en schappra, met opgepropten schoot, + Bezorgen als de mier haer hol, voor hongersnoot. + + Vondel. Inwyding van 't Stadhuis. + + +Onder die steden, welke vanouds aan de grafelijke kroon van Holland +gelijk zoovele edelgesteenten flonkerden, en wier macht en rijkdom tot +een hechten steun verstrekten aan des Landheers gezag, was Haarlem, +gelijk genoeg bekend is, een der voornaamste. Haar ouderdom verloor +zich in den nacht der tijden: 't zij, dat men haar, met Boxhorn, voor +de vroegere verblijfplaats der Herulen houde en den naam Haarlem, +als een verbastering van _Herulen-heim_ aanmerke: 't zij, dat men +dien, met Langendijk, van den Noorman Hariald afleide: 't zij, dat +men met de oude landskronieken veronderstelle, dat zekere Koning +of Vorst, Lem genaamd, aan de door hem gestichte stad de benaming +van _Heer Lems_ stad, naderhand Haarlem, hebbe achtergelaten, of +met een lateren taalkenner eenvoudig aanneme, dat het woord _harel_ +dezelfde beteekenis hebbe als _hard_, en door _harelheim_ een harde +grond te verstaan zij:--genoeg is het, dat juist de onzekerheid van +dien naamsoorsprong de aloudheid der plaats zelve aanduidt. + +Aan den oever eener rivier gebouwd, waarvan zij zich als van twee armen +bedienen kon, om, aan de eene zijde, het Haarlemmermeer en de daarom +gelegen landen, aan de andere, het IJ, en door het IJ, de Zuiderzee +te bereiken, had zij van deze gunstige ligging reeds vroeg partij +getrokken, om een handel te drijven, die, schoon zich zelden verder +uitstrekkende dan de gewesten, welke om die binnenzeeën gelegen waren, +haar niettemin gelegenheid gaf, om de voortbrengselen van hare door +geheel Europa beroemde lakenweverijen te slijten en daardoor aan hare +ingezetenen welvaart en aanzien te verschaffen: terwijl zij in hare +bierbrouwerijen, die de bewoners der omliggende landstreken met den +toenmaals zoo algemeenen drank voorzagen, een niet min voordeeligen tak +van bestaan gevonden had, vooral, sedert door een grafelijk besluit +het verkoopen van vreemd bier binnen Holland verboden en aan Haarlem +alzoo een soort van alleenhandel in het graafschap vergund was. + +De bekoorlijke omtrek, die zich niet alleen door een in Holland zoo +zeldzame heuvelachtigheid onderscheidde, maar ook aan den adel de +heerlijkste gelegenheid aanbood om in een klein bestek de rijkste +genoegens van jacht en visscherij te smaken, had in de nabijheid der +stad een immer toenemend aantal van aanzienlijke sloten en jachthuizen +doen verrijzen, wier adellijke bewoners in een schier ongestoorde +eensgezindheid met de poorters levende, het hunne toebrachten om +den bloei der stad te bevorderen. En, opdat geen roem aan Haarlem +ontbreken zou, de Graven zelven kwamen meermalen zijn vest bezoeken, +waar zij alsdan door hun prachtige hofhouding, door hun milddadigheid, +door het vieren van ridderlijke feesten, welvaart en genoegen onder de +ingezetenen verspreidden. Het was vooral aan twee der Graven, die den +naam van Willem droegen, dat de Sparenstad groote verplichting had. De +eerste van die twee, Koning Willem, was binnen haar wal geboren, en +beschonk zijn moederstad met ruime voorrechten, terwijl de andere, +Willem van Henegouwen, schoon een uitlander, die stad boven andere +tot zijn verblijfplaats koos, en aan haar vooral den naam van den +Goede verdiende. + +Het was onder de regeering des zoons van dezen Vorst, dat de voorvallen +plaats vonden, in deze bladeren vervat, en waarvan de bijzonderheden +aan de vergetelheid zijn ontrukt geworden op de wijze, aan den lezer +medegedeeld. + +Het was in het voorjaar 1345, dat een talrijk aantal van naburen +en vreemdelingen naar Haarlem was toegestroomd, ter bijwoning +van een plechtig feest, hetwelk binnen zijn muren door Graaf +Willem den Vierden stond gegeven te worden. Deze Vorst, sedert +kort teruggekeerd van een buitenlandschen tocht, waarop hij niet +alleen het Heilige Land bezocht, maar zich ook met roem beladen had, +door op zijn heenreize de Mooren in Spanje, en bij zijn terugreize +de ongeloovige Lithauwers op de Pruisische grenzen te bestrijden, +had zijn behoudene wederkomst bij zijn onderzaten, op het voetspoor +zijns doorluchtigen vaders, met luisterrijke spelen willen vieren, +waarop, als naar gewoonte, niet slechts de adel zijner graafschappen, +maar ook die des Duitschen rijks bij rondgaande brieven en openlijke +bekendmaking was genoodigd. Een aanzienlijk getal dier Edelen +had aan deze oproeping voldaan, met dezelfde graagte, waarmede +zich thans nieuwsgierigen en lediggangers naar deze of gene stad +begeven, waar het een of ander eeuw- of jubelfeest gevierd wordt: +ja zelfs zoude ik durven verzekeren, dat de prikkel, die den adel +van vroegere tijden naar hunne feestvermaken dreef, nog meerdere +kracht bezat. Eensdeels toch was deze soort van spelen de eenige, in +dien tijd bekend of in aanzien, terwijl tegenwoordig ieder inwoner +eener groote stad dagelijks uitspanningen genoeg kan vinden, en de +eeuwfeesten zoo menigvuldig voorkomen, dat zij al het verrassende +der nieuwheid missen: anderdeels bepaalden zich bij die feesten van +vroegere dagen de genoodigden niet altijd bij de rol van stilzittende +aanschouwers, maar namen er meermalen een bedrijvige op zich, en keken +althans nimmer met een onverschillig oog toe: daar het zelden miste, +of er was onder hen, die zich door dapperheid of behendigheid bij +die feesten onderscheidden, deze of gene, die met hen vermaagschapt +was en wiens bijzondere feiten zij tot eer van hun gansch geslacht +konden rekenen en derhalve met innige belangstelling gadesloegen. + +Er was dan ook geen kasteel noch adellijke huizinge in den omtrek +van Haarlem, die niet te dezer gelegenheid aan ettelijke adellijke +gastvrienden tot een tijdelijk verblijf verstrekte, geëvenredigd naar +ruimte of geschiktheid. Niet slechts schreef de toen in Europa nog +algemeen heerschende gastvrijheid het herbergen van vreemdelingen +den slotvoogden voor als een plicht, waaraan zij zich niet mochten +en ook niet wilden onttrekken; maar ook waren de Hollandsche Edelen, +door hun talrijke en hooge betrekkingen met vreemde huizen, aan +onderscheidene der Brabantsche, Vlaamsche, Geldersche, Henegouwsche +of Hoogduitsche bezoekers door de banden van maag- of vriendschap +verknocht, en vergolden zij hun door een ruim onthaal de vroegere, +door deze bewezene, diensten. + +Ook de poorters van Haarlem en de vrije opgezetenen der omliggende +dorpen waren niet achterlijk om het voorbeeld der Edelen te volgen, en +geen hunner was er, die niet naarmate hem zulks zijn vermogen toeliet, +een of meer vrienden van buiten af gehuisvest had, bij wie het feest +niet minder belangstelling wekte dan bij den adel; dewijl er toch, +behalve de tornooi- en ridderspelen, waaraan de laatste alleen deelnam, +onderscheidene, zoogenaamde _mysteriën_ en volksvermakelijkheden zouden +plaats hebben, waarin de goede burgerij de hoofdrol speelde. In onze +hedendaagsche eeuw van beschaafdheid en verlichting zou een gelegenheid +als deze met gretigheid door de ingezetenen worden te baat genomen, om +voordeel te doen met de verlegenheid der vreemdelingen, die huisvesting +behoefden: en men zou zich den omslag, voor hun verblijf veroorzaakt, +volgaarne getroosten uit aanmerking der hooge huren, die men voor het +afstaan zelfs van de kleinste zoldertjes, in logeerkamers herschapen, +hun zou afpersen;--doch in die dagen scheen men de waarde van het +geld nog niet genoeg op prijs te stellen: en menig burger stond zijn +woonvertrekken niet alleen, maar zelfs zijn schuren, bergplaatsen en +fabriekzalen, ten behoeve der aangekomene gasten af. + +Maar het was niet alleen door wereldlijken, dat de plicht der +gastvrijheid werd uitgeoefend. De kloosters, die zoo binnen als +buiten de stad waren gelegen, en waarvan ik misschien in de eerste +plaats had behooren te spreken, stonden insgelijks voor den bezoeker +open; doch hun aantal was te dier tijd in Haarlem nog zeer beperkt: +en andere redenen, die later haar plaats in ons verhaal zullen vinden, +waren oorzaak, dat zij slechts aan een klein getal der zich aanmeldende +vreemdelingen huisvesting konden verschaffen. + +Ook de zoodanigen, die zich noch in een geestelijk, noch in een +wereldlijk gesticht van een verblijf hadden kunnen voorzien, hadden +de noodige voorzorgen genomen, ten einde geen nuttelooze reis te +doen: en overal rondom de stad, waar de gelegenheid zich aanbood, +hunne tenten nedergeslagen, of brachten, na den geheelen dag in +vroolijkheid op de been te zijn geweest, den nacht door in de wagens, +karren of vaartuigen, waarmede zij gekomen waren. + +Het was in 't bijzonder het Sparen en zijn oevers, die bedekt waren +met een aantal vreemdelingen, die, evenals zoovele zwermen land- +en watervogels, aldaar de vleugels, voor zoolang het feest duurde, +hadden gestreken. De rivier, die thans Haarlem in twee deelen scheidt, +vormde te dier tijd zijn zuidelijke grens, daar het gedeelte der stad, +aan den kant van Amsterdam gelegen, toen nog niet was gebouwd. Aan +dien zuidelijken oever vertoonde zich, op het tijdstip, waar wij +van gewagen, een wijduitgestrekte rij van tenten, verschillende in +kleur en vorm en omtrek, die den schijn zou hebben aangeboden van een +vliegend leger, dat Haarlem was overvallen, zoo niet de bonte kleeding +der talrijke wandelaars, die voor de tenten heen en weer drongen, +en niets krijgshaftigs hadden, de stoet van vrouwen en kinderen, +die er overal tusschen krioelden, het blijde gezang en gejuich en +gedans der menigte, het omzwerven van minnezangers en poetsenmakers, +kwakzalvers en goochelaars, in één woord, de vroolijke drukte, die er +heerschte, een sprekend bewijs had opgeleverd, dat "de vernielende +krijgsgod" niets met dat legertje te maken had. Van afstand tot +afstand vertoonde zich een paviljoen, grooter in omvang en rijker +in versierselen dan de overige, ja soms een houten loods, van waar +de groene krans, boven den ingang opgehangen, den voorbijgangers +aankondigde, dat daarbinnen versch bier, blanke melk, zoete meede, +ja zelfs, voor de meest bevoorrechten, echte klareyt, zedewaarswijn +en malvezij te vinden waren. + +De rivier zelve leverde, gelijk ik met een woord heb aangemerkt, geen +minder verscheiden tooneel op. Behalve de menigvuldige schuiten en +schepen, die tot huisvesting der eigenaars verstrekten, en aan touwen +of kettingen vastlagen, zag men tallooze vaartuigen de rivier opvaren +en afzakken, beladen met al, wat men kon veronderstellen, dat de stad +gedurende het verblijf der vreemdelingen zou noodig hebben. Groote +platgeboomde aken brachten ossen en varkens uit Waterland, of +vette schapen uit Gooiland, of hooi en gras uit Kennemerland aan: +in kleinere schuitjes zag men de met koper beslagene vaten blinken, +waarin de room of melk werd toegevoerd: hier zag men een schuitje, +dat met warmoes van over het meer aankwam, tegen een Enkhuizer +jol stuiten, die pekvaten voerde om tot de vreugdevuren te dienen: +of een armen palingvisscher schier overzeild door een Noorsche kof +met mastboomhout geladen: wat verder scholden de schippers van een +Rijnsche aak, die wijn aan boord had, en een boterhaalder uit Delftland +elkander de huid vol en betwistten zich een ligplaats zonder elkander +te verstaan, zoowel woordelijk als overdrachtelijk gesproken. In +één woord, aan de gansche zuidzijde der stad had een onophoudelijk +gegons plaats, dat zich reeds op een geruimen afstand hooren liet, +en dat de stedelingen stellig zou belet hebben, een oogenblik rust +te genieten, indien zij niet zelven op dien tijd alle gedachten aan +rust en stilte uit hun geest hadden verbannen. + +Een gelijke, ofschoon kleinere verzameling van tenten was aan de +westzijde der stad nedergeslagen op de opene plaatsen, welke haar +afscheidden van het bosch, of, om den stijl des tijds te gebruiken, +van _den Houte_, dat toen niet minder dan tegenwoordig den roem +waardig was, welken het door geheel Holland verkregen had, wegens +de fraaiheid van zijn wandeldreven en zijn statig geboomte, terwijl +het bovendien het voorrecht bezat van niet, gelijk heden ten dage, +een afgesloten hertenkamp te bezitten, maar een werkelijke wildbaan te +zijn, waar deze dieren frank en vrij in 't rond liepen, totdat het den +Grave behaagde er een jachtpartij op te houden, of aan zijn Edelen +de vrijheid te geven er een te schieten. Eens in het jaar echter, +en wel op den derden Maandag in Augustus, was het aan de poorters van +Haarlem vergund, zoowel op deze herten, als op al het wild, dat zich +in de grafelijke domeinen bevond, onverhinderd jacht te maken, onder +gehoudenheid echter van zich tot deze jacht van geen ander geweer dan +van stokken en steenen te bedienen, en onder streng verbod honden +met zich te nemen: bepalingen, die natuurlijk de jachtpartij voor +het wild minder gevaarlijk maakten: dan stroomde Haarlems bevolking +de poorten uit, en bracht den dag door met het najagen der vlugge +reebokken, die, voor dergelijke vervolgers weinig bevreesd, slechts +zorg droegen zich buiten het bereik der toegeworpen keien te houden, +en het overigens beneden zich achtten, zich om een ijdel geraas van +hun gewone weiplaats te verwijderen. Dan wreekten de teleurgestelde +Haarlemmers zich over het mislukken hunner pogingen op de konijnen, +wier zandpaleizen zij opdolven, om de bewoners in zegepraal des avonds +te huis te brengen, en met gestoofde peren op te smullen.--De Graven, +die deze jachtpartijen toelieten, zijn lang in 't stof vergaan: +geene herten loopen meer vrij in Haarlems omtrek rond, en geene +jacht zonder akte van den Opperjagermeester is meer veroorloofd, +maar nog altijd verlaten de Haarlemmers op den derden Maandag in +Augustus hun bezigheden, en stroomen zij de poorten uit: niet meer +om een jachtpartij te houden, maar om aan de Amsterdamsche vaart +een onschuldig kopje thee te drinken, om in tentschuitjes naar de +Brouwerskolk te varen, om den Blinkert op en af te loopen, om aan de +Dreef in den Hout lamme, kreupele of blinde paarden te zien koopen, om +eindelijk, 't geen wel de voornaamste reden is, te gaan waar iedereen +gaat en menschen te zien. De uitspanning is zonder doel geworden, +het vermaak is denkbeeldig; en echter zou er een wonderwerk noodig +zijn om een gebruik te doen vervallen, hetwelk het verloop der tijden +en de rampen der omwentelingen heeft doorgestaan. Zoo waar is het, +dat geen gezag, geen voorschrift, geene wet, zulk een vermogen heeft, +als de heiligheid eener overlevering, die van geslachte tot geslachte +bewaard wordt. + +De lezer zal mij goedgunstiglijk een uitweiding vergeven, die zich +hier als van zelve aanbood, en het mij ten beste houden, zoo ik, +om eens adem te halen, het begin van mijn verhaal tot het volgende +hoofdstuk uitstelle. + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + + + Terwijl ik wandel, door nieuwsgierigheit gedreven, + Zie ik van verre in 't dorp twee goochelaars verheven + Op hunne ladders staan, die, rustende aan den muur, + Het volk vermaaken by 't gezwets met kuur op kuur. + De kinkel grijnst en houdt zijn oor en mondt wijt open. + Hy schatert, juicht en zwelt, terwijl zy windt verkoopen. + De tandelooze bes, die lang aan 't flerezijn + Nog onlangs lag te bedde en kromp van smart en pijn, + Vergeet haar leet. Dit spel kan haaren geest bekooren, + Zy grinnikt in haar vuist en meesmuilt onder 't hooren. + Zoo werken ijdle klap en potsen in 't gemeen + Veel meer op 't hart van 't volk, dan welgezoute reên + En stichtendt onderhoudt. + + Rotgans. De Boerekermis. + + +Het was in den voormiddag van een der dagen, die den aanvang der +plechtige feesten voorafgingen, dat een hoopje burgers en boeren +zich op een plein naast den Hout, ongeveer te dier plaatse gelegen, +waar thans het Hazepatersveld gevonden wordt, verzameld had om +een stellage, van waar een kwakzalver of goochelaar (want beide +deze verhevene hoedanigheden waren in zijn persoon vereenigd) hun +belangstelling wekte door het ten toon stellen zijner zonderlinge +apotheek, of hun verwondering ten top voerde door zijn onbegrijpelijke +kunstverrichtingen en behendige streken. Het uiterlijke van dit +doorluchtig personage was aan de rol, die hij bekleedde, volkomen +geëvenredigd. Zijn hoofd was met een zwarten doek omwonden, die onder +de kin was vastgestrikt en bovendien met een kroon van verguld papier +versierd. Zijn, insgelijks zwarte tabbaard van saai, met getande roode +zoomen en wijde mouwen, welke hem bij zijn kunstgrepen te stade kwamen, +was met goudpapieren sterren bezaaid en reikte tot aan de voeten, +terwijl zij, van voren open zijnde, het roode onderkleed liet zien, +dat om de middel gesloten was door een breeden gordel, waarop de +dierenriem was afgebeeld. Om de borst prijkte een vierdubbele, zoo +'t heette, vergulde keten, waaraan een peervormig gesteente hing, +hetwelk waarschijnlijk tot een talisman moest dienen. Van de eene +zijner dorre, dunne handen naar de andere vloog gestadig de ivoren +tooverstaf heen en weder, welk onmisbaar werktuig ongeveer een elleboog +lang, en aan het uiteinde met een gouden handje voorzien was. + +Het gelaat van dezen goochelaar, of, zooals men toen zeide, _kokeler_, +was, evenals zijn geheele persoon, lang en schraal: langs de verbrande +wangen hingen pekzwarte haren, die veel op paardemanen geleken, tot op +de schouderen af: een enkele vlok vertoonde zich op het bruingerooste +voorhoofd, en reikte, in de gedaante van een omgekeerden kegel, tot +aan den langen neus, wiens kromte een brug scheen, waarover men den +stekeligen baard bereikte, die, even zwart en lang als het hoofdhaar, +tot op den gordel nederdaalde. De oogen van dit geheimzinnig personage +schenen in zich zelven gekeerd en nimmer te kunnen worden afgetrokken +door hetgeen hem omringde, 't geen hem het voorrecht verschafte, +dat men, bij het staren op zijn kunstverrichtingen, omtrent den weg, +dien zijn blikken namen, altijd misleid en door zijn toeren des te +eerder verrast was. + +Naast den kokeler stond een kast, of soort van vliegende apotheek, +in dien opzichte van onze hedendaagsche medicijnkasten verschillende, +dat zij, behalve een aanzienlijke hoeveelheid fleschjes, potjes en +poeders, ook een menigte voorwerpen bevatte, wier nut en strekking zich +bij de beschouwing geenszins raden lieten, maar de verklaring van den +verkooper noodig hadden. Voor hem was een tafeltje geplaatst, waarop +al hetgeen te dier tijd het vereischte eener goocheltasch uitmaakte, +ten toon was gesteld. + +Deze merkwaardige duivelskunstenaar, gelijk hem de boeren noemden, +bewaarde gewoonlijk een volstrekt stilzwijgen, 't zij dat hij de +Hollandsche, of, als men toen zeide, de Duitsche taal niet genoegzaam +machtig was om zich te doen verstaan, 't zij dat hij vreesde zijner +achtbaarheid te kort te zullen doen, indien hij zich vernederde om +tot gewone menschen het woord te voeren. Hij liet deze taak over aan +zijn metgezel of hansworst, die aan zijn radde tong evenveel beweging, +als zijn meester rust aan de zijne gaf. + +Deze ambtgenoot of medehelper van den kokeler was, gelijk al de +narren vanouds, in een veelkleurig gewaad uitgedost, prijkende hij +met een half rood, half geel buis en met groene hozen: een houten +sabel of brits, die door zijn lederen gordel gestoken was, duidde +zijn hoedanigheid aan, zoowel als de bellen, die aan zijn zotskap +en gewaad klingelden. Een roode, naar boven gekrulde neus, die een +niet geringe verknochtheid aan het druivennat kenteekende, levendige +grijze oogen en een dubbele rij hagelwitte tanden, gaven aan zijn +gelaat een vroolijke en onbezorgde uitdrukking, die niet weinig werd +verhoogd door de wijnmoer en het meel, waarmede het voorhoofd en de +wangen bestreken waren. Op zijn schouder zat een aap, verscheidene der +omstanders ergerende door zijn kleeding, die uit een pelgrimsmantel +en hoed met schelpen bestond. + +De taak van dezen _alwillens dwaas_, of nar, was, gelijk men +lichtelijk begrijpt, om de toekijkers oplettend te maken op de +wonderen, die zijn meester òf reeds gewrocht had, òf ten gerieve der +vrome burgerij van Haarlem en der geëerde inwoners van het graafschap +nog wel zou willen daarstellen: op de merkwaardige genezingen, door +den grooten man uitgewerkt of nog uit te werken, en op ongehoorde en +schier ongelooflijke kunstverrichtingen, die hij met een alles te boven +gaande gemakkelijkheid uitvoerde. Nu eens breidde hij al de verdiensten +des kwakzalvers uit in een lang en bloemrijk verhaal, hetwelk hij met +vaardigheid doch tevens met gepasten nadruk, waar die behoorde, in vrij +verstaanbaar Hollandsch, ofschoon met een eenigszins hoogen tongval, +opsneed; dan weer zette hij nog meer kracht en levendigheid aan zijn +voorstelling bij door het aanwenden van een plotselinge toespraak, tot +dezen of genen der omstanders meer onmiddellijk gericht en daardoor +een sterkere, dikwijls onwederstaanbare uitwerking hebbende. Een +staaltje zijner welsprekendheid zal hier niet ongepast schijnen, +te meer daar het aanleiding geven zal om met sommige personen onzer +geschiedenis als van zelf in kennis te geraken. + +"Ja! vrome burgers en landlieden!" zeide hij: "hoe zal ik u opsommen +en verhalen al de groote en ongelooflijke kuren, die mijn meester +Barbanera of 'met den zwarten baard,' bijgenaamd _l'Incomparabile_, 't +welk in 't Italiaansch zooveel wil beduiden als 'de onvergelijkelijke,' +al heeft teweeggebracht door zijne kunst. Een wijs man zoude daarmede +zeven jaren kunnen zoek brengen: hoe zoudt gij dan van eenen armen +nar als mij vergen, dat hij het in een uurtje vertelde. En wat +behoef ik u ook veel te vertellen? Is het u niet genoeg, den man +slechts aan te zien, om van zijn kunde en bedrevenheid overtuigd te +wezen? Maar wat denkt gij, dat gij in hem ziet? Een man van vijftig, +zestig jaren? ganschelijk niet. Tweehonderd en tien jaren is hij oud: +en zoo hij nog zoo fiksch en wakker daar voor u staat, en zoo zijn haar +nog niet grijs is, het is alleen door het vermogen van zijn kunst. Acht +gij misschien dat ik u knapuiltjes vertel, burgers en landlieden? koopt +het _elixir longae vitae_ en de kraaienmergzalf, en gij zult er u +zelf bij uw eigen ondervinding van kunnen overtuigen." (Hier haalde +de kwakzalver een fleschje en een potje uit zijn voorraad voor den +dag, en toonde die met uitgestrekte armen aan de schare.) "Gij! vrome +_pater_!" vervolgde de zot, zich tot een Karmelieter monnik wendende, +die hem van midden uit den volkshoop met een verachtelijken blik +aanstaarde, "gij hebt het nog niet verder kunnen brengen dan het ambt +van spijsverzorger in uw konvent waar te nemen: koop het _elixir_, +dat het leven rekt, en gij zult alle uwe oudere broeders overleven +en eenmaal tot Proost, tot Abt, ja tot Bisschop verkozen worden: ja +zelfs zoude een Kardinaalshoed niet kwalijk passen op uw eerwaardig +aangezicht. De heilige Aartsbisschop van Kantelbergh zou zooverre niet +gekomen zijn zonder 't _secours_ van dat middel, maar ware een arme +Benediktijner gestorven,--koop het _elixir_, eerwaarde _pater_! en +gij zult oud genoeg worden, om al de schatten dezer aarde tot u te +zien toestroomen." + +"Wij hebben gelofte van armoede gedaan," zeide de pater: "en begeeren +de schatten niet, die uwe duivelskunstenarijen verschaffen." + +"Zeg wat gij wilt, vrome man!" hernam de hansworst: "maar gij zult +aan deze goede burgers en landlui niet doen gelooven, dat gij niet +liever als een rijke Bisschop uw vazallen, dan als een arme monnik +het gevogelte zoudt plukken voor 's Graven tafel." + +Hier ontstond een algemeen gelach ten koste van den pater; want het was +bekend, dat, in tijden van groote drukten, maaltijden en feesten zooals +die, welke thans te Haarlem plaats vonden, het plukken van gevogelte +evenals het bereiden van sauzen en specerijen voor 's Graven tafel aan +de kloosters werd opgedragen, die zich dan die taak ter wille van den +Landheer en voor een klein drinkgeld moesten getroosten. De monnik +voelde den steek en verwijderde zich ook terstond, na een toornigen +blik op den gek te hebben geslagen, wien hij in zijn hart beloofde +deze beschimping betaald te zullen zetten. + +"En gij, jonge deerne!" vervolgde de nar, die, zonder zich het gram +gelaat des paters aan te trekken, zijn toespraak nu tot een aardig +meisje wendde, dat onder de menigte stond, "en gij! wilt gij uwe +glimmende zwarte haren behouden? koop de zalf van meester Barbanera, +en uw vrijer zal u nooit een grijs haartje verwijten. Maar gij +vreest misschien, dat de kleur van uw lieve koontjes met de jaren +zal verbleeken en dat uw witte tandjes, die zoo aardig en net als +een parelsnoer blinken, wanneer gij lacht evenals nu, eenmaal zoo +hot en haar zullen staan als de steenen van het kerkhof der Joden op +Bakenes? Neem de _reliquie_, die mijn meester u toereikt, en die, +om uw hals gehangen, u zoo jong en frisch zal doen blijven als gij +tegenwoordig zijt. Vrees niets, dat zakje bevat een gedeelte van de +asch der heilige _Juventa_, die op last van den Sultan van Egypte +werd verbrand, voor honderd zeven jaren, en waarvan mijn meester een +potje vol gegaard heeft, waarvan dit het overschot is; want gij moet +weten, dat, al is mijn meester in het vermaarde Keizerrijk van Sina +geboren, boven op een porseleinen toren, die tienmalen zoo hoog is als +honderd Domtorens van Utrecht op elkaar gezet, hij echter een goed +christenmensch is, en omgang heeft gehad met alle vrome kluizenaars +in Syrië, Arabië, Indië, Ethiopië en Moorenland.--Kom hier, mijn +brave jager! indien uw pijl wel eens mist; ik doe u het onfeilbaar +middel aan de hand om alle wild te raken. Deze kleine fiool bevat twee +droppelen van het bloed des Heiligen Huybrechts; zoo gij er onder het +zeggen van twee _aves_ en drie _paters_ de punt van een nieuwen pijl +indoopt, zal u geen haas of reebok meer kunnen ontgaan." + +"Ik geloof, dat een goed oog en een vaste hand meer zullen afdoen dan +al uw snuisterijen," zeide de boschwachter, hem op vrij schamperen +toon in de rede vallende: "niettemin, zoo gij mij de proef eens wilt +laten nemen van dat fleschje, ik heb hier juist een nieuwen pijl: en +er vliegen kraaien genoeg door den Hout, om de kracht van uw middel in +'t werk te stellen." + +De hansworst stond een oogenblik beteuterd van den onvoorzienen +voorslag: doch hij herstelde zich terstond. + +"De proef nemen! de proef nemen, met een zoo heilige _reliquie_! Weet +gij wel dat dit zooveel als een spotternij met het heilige zou +wezen? Neem het fleschje of neem het niet, tot uw dienst; maar weet, +dat het u voor 't oogenblik toch niet zou baten: het kan alleen +dienen voor dezulken, die absolutie hebben bekomen: en wanneer ik de +karbonkels aanzie, die uw neus omringen, dan houde ik mij overtuigd, +dat er menige pekelzonde bij u huist, waar uw biechtvader nog niets +van vernomen heeft, en dat uw arme vrouw ondervinding genoeg heeft, +dat gij goed weet te raken." + +De omstanders keken lachende den jager aan; te meer daar de nar +juist geraden had, en de boschwachter niet slechts bekend stond +als een liefhebber van den drank, maar ook zijn vrouw meermalen in +dronkenschap mishandelde.--Hij vergenoegde zich echter zijn kodde op +een dreigende wijze te schudden en den potsenmaker grimmig aan te zien: +toen de kokeler, waarschijnlijk om de toeschouwers den tijd niet te +laten van over het gebeurde na te denken, opeens als in verrukking +oprees, twee vergulde balletjes voor zich op de tafel nederwierp, +en die terstond met twee tinnen bekers overdekte. + +"Let op nu, burgers en boeren! let op!" riep de hansworst met +luider stemme, zoodra hij de beweging van zijn meester gewaarwerd: +"nu eerst zult gij de kunst _del maestro incomparabile_ in haar vollen +luister mogen bewonderen. Ja, niet voor niets is hij aan het hof van +Egypte geweest, en heeft hij jarenlang bij den Keizer van Ethiopië +gewoond, en al de geheimen der tooverkunst aan de magi van die landen +afgezien. Let op nu! burgers en boeren! wat er gebeuren zal." + +Een ieder stond met open mond en gespannen aandacht den toovenaar +aan te staren, die de ballen beurtelings van onder de bekers +deed verdwijnen, en weer te voorschijn komen, en ettelijke andere +kunstverrichtingen deed, welke bij ons verlicht hedendaagsch publiek +slechts een medelijdend schouderophalen zouden verwekken, doch in +die eeuw met verbazing en opgetogenheid werden aanschouwd. + +"Maar! wat u nog vreemder zal voorkomen dan al hetgeen gij tot nu +toe gezien hebt," hernam de hansworst, na een korte pauze, "is de +heerschappij die mijn meester ook over de wildste en ongezeglijkste +dieren uitoefent, en het vernuft, dat hij in de redelooze schepselen +weet te ontwikkelen. Gij ziet den aap, die op mijn schouder zit, +burgers en boeren? welaan! dit dier was woest en ongetemd toen het nog +in de bosschen van Indië rondsprong. Eenige weinige lessen van mijn +meester hebben hem niet alleen een trap van behendigheid en kunde doen +bereiken, welke men zelden bij gewone menschen aantreft, maar hem ook +in staat gesteld, verborgene zaken uit te vorschen, ja het toekomende +te voorspellen. Cezar! groet de eerbiedwaardige vergadering." + +De aap sprong van zijn schouder, nam den hoed af en boog zich +deemoedig. + +"Ga nu aan die waardige lieden vragen, of zij u een kleinigheid willen +schenken om met mij op hunne gezondheid te drinken." + +Cezar liet zich langs een touw van de stelling afglijden en hield +den omstanders zijn hoed voor. + +"Een aalmoes voor den armen pelgrim!" riep de hansworst, naarmate +Cezar rondging om giften in te zamelen: "hij komt van verre en heeft +het noodig: maar pas op, Cezar! en ontvang geen andere munt dan die +van het land." + +"Ga voorbij, onguur beest!" bromde de boschwachter, toen de aap hem +den hoed toestak: "indien uw meester zulk een toovenaar is als hij +beweert, kan hij zich geld genoeg verschaffen, en behoeft hij het +ons niet uit den zak te kloppen." + +De aap liet driemalen de reeds ontvangen specie in den hoed rammelen, +en toen, ziende dat de jager aan zijn verzoek geen gehoor gaf, +grijnsde hij hem op een kwaadaardige wijze aan, en vervoegde zich +bij meer milddadige toeschouwers. + +Zijn inzameling gedaan hebbende, keerde hij bij zijn oppasser terug, +en na eenige sprongen en kunsten verricht te hebben, beantwoordde hij +door middel van den hansworst, die hem tot tolk verstrekte, eenige +door de omstanders voorgestelde vragen op dezelfde wijze en met niet +minder behendigheid, dan de wijd vermaarde en waarschijnlijk van hem +afgestamde aap van meester Pieter, wiens bekwaamheid door Cervantes +vereeuwigd is. + +Ondertusschen had de beroemde meester Barbanera het niet beneden +zijn waardigheid geacht, de ontvangene schatting der nieuwsgierigen +na te tellen en te onderzoeken. Bij het verrichten dezer bezigheid +had weldra zijn scherpziend oog een koperen geldstuk ontdekt, dat van +vreemden oorsprong was, althans niet gangbaar op de plaats, waar zij +zich thans bevonden. Hij nam het tusschen duim en voorsten vinger, +bezag het een wijl met dezelfde aandacht, waarmede een oudheidkenner +een zeldzamen penning zoude beschouwen, en reikte het vervolgens +onder een veelbeteekenend hoofdschudden aan zijn medehelper over. + +"Gij hebt niet opgepast, meester Cezar!" zeide de hansworst tegen +den aap, hem het geldstuk met een bestraffenden blik voorhoudende: +"ik had u immers gelast geen andere dan inlandsche munt op te halen, +en gij brengt mij een stuk, dat alleen bij heidenen en Turken gangbaar +is. Spoedig! breng het terug en verzoek om een ander." + +Cezar nam met een deemoedige houding het geldstuk aan, sprong weder +naar beneden en ging den volkshoop, die nieuwsgierig het einde van +dit tusschenspel stond af te wachten, met bedaardheid rond, ieder +der omstanders en dan zijn meester beurtelings aanziende, totdat hij +eindelijk, hetzij uit eigen beweging, hetzij op een geheim teeken +van den hansworst, stand hield bij een kloek gebouwden kerel, wien +hij het muntstuk voorhield. + +"Ei lieve, goede vriend!" zeide de hansworst: "gij ziet, mijn Cezar +laat zich niet verschalken. Wees zoo goed, neem uw valsche munt terug, +en geef hem een beter stuk geld voor zijn moeite." + +De gezel, tot wien hij deze toespraak richtte, was een stevig jonkman +van zes voet hoog, grof gespierd en zwaar van leden; doch wiens heldere +blauwe oogen goedhartige welwillendheid teekenden. Zijn kleeding, in +vele opzichten verschillend van de Hollandsche volksdracht, duidde een +vreemdeling aan. Hij droeg een bruinen rok, van voren open, met een +bonten rand voorzien, en gesloten door middel van een zwart lederen +gordel, met zilver versierd. Op zijn zilverblonde haren prijkte een +bonten muts of pet met vooruitstekende klep en zilveren kwastjes, +terwijl een scherp mes met een zilveren heft in zijn gordel blonk, +en hem onderscheidde van de overige omstanders, die van stalen of +ijzeren wapenen voorzien waren. Aan zijn arm haakte of hing een +klein bevallig meisje, wier hoofdhaar geheel verborgen was onder +een bontgeruiten doek, wiens tippen zich om hals en kin vereenigden +als de sluier eener Tartaarsche vrouw. Haar gewaad was van een zware +wollen stoffage, geel van kleur met blauwe strepen, en om het midden +door een zilveren gordel vastgehecht. Een soort van borstkuras +van hetzelfde metaal, op de schouders met haakjes gesloten en in +'t midden voorzien met een versiersel in den vorm van een omgekeerd +schoteltje, gaf aan haren opschik een nog vreemder aanzien. Reeds +lang had zij menigen verwonderden blik tot zich getrokken, en door +haar zonderlingen tooi den spotlust opgewekt der omstanders, die, +gelijk onze natie van oudsher doet en wel altijd doen zal, zich niet +konden begrijpen hoe iemand anders kon gekleed gaan, dan op de gewone +en bij ons aangenomen wijze. Reeds had men haar verscheidene schimp- +en spotwoorden toegevoegd, en haar onder andere boertende gevraagd, +of zij niet bijgeval eene weggeloopen non was, dat men haar hoofdhaar +niet bespeurde, en onder welken ridder zij als wapenknecht diende, +dat zij zoo geharnast verscheen: van al hetwelk zij noch haar geleider +gelukkig niet veel verstaan hadden. + +Evenmin had deze laatste, zoo 't scheen, het gebarenspel van den +aap, noch de toespraak van diens meester recht begrepen: althans +hij draaide het hem gegeven muntstuk herhaalde keeren tusschen de +vingers en zag, met eenige verlegenheid, nu eens den hansworst, dan +weder zijn gezellin, dan de omstanders aan, welke laatsten eindelijk +in een schaterend gelach uitberstten, hetgeen zijn verlegenheid +nog vergrootte. Het jonge meisje begreep eerder dan hij de oorzaak +van deze algemeene vroolijkheid, en, zich op de teenen verheffende, +fluisterde zij hem eenige woorden in, waarvan ook de naastbijstaanden +niets verstonden, vermits zij in een vreemde taal gesproken werden. De +jongeling scheen echter over de gegeven opheldering weinig tevreden, +althans hij schudde het hoofd, mompelde eenige onverstaanbare woorden, +haalde een handvol van dezelfde koperen stukken uit zijn tasch, +en, die op de breede linkerhand uitspreidende, scheen hij met den +rechterwijsvinger aan te duiden, dat zij alle van gelijk gehalte waren +en dat hij dus aan het verzoek van den kunstenaar niet kon voldoen. + +"Kom goede vriend!" zeide de veldwachter, zich met een hoonenden +lach bij hem vervoegende: "geef den baviaan zijn zin en schenk hem +een stuk van achten: dan zal hij wel tevreden zijn." + +"'t Zijn al goede muntspeciën in Friesland," antwoordde de andere, +met een sterken Frieschen tongval sprekende. + +"Ja maar, wij zijn hier in Holland," hernam de jager: "en wij kunnen +uwe Friesche stukken niet gebruiken: berg ze maar gerust weg, zoowel +als uw Friesch mes, eer de dienaars u bij de kladden krijgen als +valschen munter en als breker van 's Graven vrede." + +"Valsche munt!" riep de Fries verbolgen uit: "een valschaard die +'t zeit." + +"Ho! ho!" zeide de jager, spottende: "bak maar spoedig zoete broodjes; +gij zijt hier niet in uw _frije Friesland_, waar men ongestraft op +de Hollanders scheldt. Berg dat mes, of er zullen goede stukken van +achten uit uw zak moeten komen." + +"'t Is zeker," zeide een klein, in 't zwart gekleed mannetje, 't welk +zich den schijn van deftigheid wilde geven en evenals een ekster naar +hen toe kwam trippelen, "'t is zeker, dat volgens het Privilege van +Koning Willem niemand binnen den banne van Haarlem een mes mag dragen +op een boete van tien pond, waarvan de helft aan den...." + +"Zoudt ge mij mijn mes willen ontnemen?" riep de Fries, het heft met +kracht omvattende. + +"Rebellie tegen art. 15 van het Privilege," kraaide het kleine +mannetje, tevens met een ontsteld gelaat achteruitwippende: "al wie +het mes trekt binnen de stad Haarlem ofte derzelver...." + +"Ik weet van geen Privilege," riep de Fries, zijn mes half +uittrekkende: "hier is mijn Privilege." + +"In den stok met hem!--Te water met den muiter!--Dienaars hier!--'s +Graven vrede!" riepen terstond een verwarde menigte stemmen, waaronder +die van het zwarte ventje zich onderscheiden liet:--en de zooeven +nog rustige en vroolijke kring leverde een tooneel op van onrust en +verwarring. De kinderen klommen verschrikt op de stellage en in de +boomen of hielden zich aan de moeders vast: de vrouwen drongen zich +beangst tegen haar mans, broeders of vrijers aan of poogden zich +te verwijderen: de mans hielden zich deels bevreesd op een afstand; +deels hieven zij hun stokken of vuisten op om den Fries te lijf te +gaan en hem zijn mes te ontweldigen. + +Dit was echter geen gemakkelijk werk. Bij de eerste bedreiging had +de jongeling zich schrap gesteld, zijn mes met de rechterhand op de +hoogte van het aangezicht brengende ten einde allen aanval af te wenden +en met de linkerhand het meisje van zich afwerende, dat hem wilde +tegenhouden. Niemand der omstanders durfde hem van voren braveeren; +doch sommigen poogden hem van achteren te bespringen en zijn arm te +grijpen. Zoodra hij dit bespeurde, draaide hij zich om. Sneller dan +de gedachte beschreef zijn arm een halven cirkel en gleed zijn mes in +'t voorbijgaan langs de aangezichten en kleederen zijner bespringers, +onderweg eenige aan dezen toebehoorende lappen vleesch en laken en +een gedeelte des hoeds van het kleine mannetje medenemende. Door deze +beweging vond zich de Fries teffens met den rug tegen het theater des +kokelers geplaatst, zoodat hij althans naar zijn en elks meening van +achteren gedekt stond; doch hij was daardoor ook afgescheiden van zijn +gezellin, die in de algemeene verwarring van hem verwijderd werd, zich +nu, weerloos klagende, in een bedrukten toestand tusschen vreemdelingen +bevond en vergeefs onder angstig gekerm om haren vriend Feiko riep. + +Maar Feiko was niet in staat haar te hulp te komen, daar hij genoeg +te doen had om zich tegen de volksmassa te beschermen, die hem nu +op alle wijze bestoken kwam. Geen van hen dorst hem echter van nabij +aanvallen, toen op eens de koddebeier, die de eerste aanleiding tot +den twist gegeven had, door de omstanders, die hij rechts en links van +zich afstootte, heen drong en zich vlak tegenover den Fries plaatste. + +"Hoe!" riep hij, "schaamt gij u niet? honderd tegen eenen en gij +zijt den vreemden gauwdief nog niet meester? heeft geen van die lamme +poorters een hart in 't lijf? wacht! ik zal hem alleen wel krijgen." + +Onder het uiten dezer woorden had hij zijn kodde opgeheven met oogmerk +om den Fries een geweldigen slag op het hoofd toe te brengen; doch +Feiko voorkwam het dreigend gevaar door snel het rechterbeen op +te lichten en den jager een trap voor de borst te geven, die hem +sprakeloos tegen den grond wierp. + +Dan op hetzelfde oogenblik kregen de aanvallers een bondgenoot, dien +zij verre waren van te verwachten. De aap namelijk was bij het ontstaan +van den twist weder op het theater gevlucht en van daar beschouwde +hij op zijn gemak het gevecht. Toen nu de Fries bij de stellage was +komen staan, naderde hem het boosaardige dier, en zoodra Feiko zich na +den gegeven trap in postuur stelde, rukte de aap hem vlug de muts van +'t hoofd en bracht die grinnekende aan zijn meester. + +Feiko, niet wetende wie dien onverhoedschen aanval op zijn hoofddeksel +deed, keerde zich onthutst om, ten einde zich daartegen te verdedigen; +en deze wending was hem noodlottig: tien der naastbijstaanden +maakten van dit oogenblik gebruik: hij werd aangegrepen, en eer hij +weerstand kon bieden, lag hij met de helft der aanvallers op den +grond te worstelen. Het was echter niet dan met moeite dat men hem +meester werd, het mes ontweldigde en met een eind touw, hetwelk aan +de bagage des kwakzalvers ontnomen werd, vastknevelde. + +"Mijn hemel! Feiko!" riep het arme meisje, dat nu weder door den +volkshoop naar voren gedrongen was, "waar brengt men u? Ik wil met +u gaan! wat zullen de Olderman en de Jonker wel zeggen als zij het +hooren." + +"Sytsken! loop naar den Olderman" brulde Feiko: "en zeg hem, hoe die +honden met een vrijen Fries handelen." + +"Wees zoo dwaas niet, zoet zusje!" zeide de koddebeier, die intusschen +weer op de been geraakt was, terwijl hij Sytsken bij den arm nam: +"laat uw lompen vrijer gerust aan zijn lot: de Schout zal wel weten +wat met hem te doen: kom, geef mij een arm: ik zal u brengen waar +gij wezen wilt." + +"Blijf van mij af, schurk!" riep de verschrikte Sytsken, vruchteloos +pogende zich van de omarming des jagers los te maken: "ik wil niet +met u gaan: ik haat u: gij zijt de oorzaak van alles." + +"Laat het meiske gaan, vriend Walger!" zeide het zwarte mannetje: +"gij hebt geen recht op haar, en volgens art. 17 van het Privilege +van Koning Willem is alle maagdenroof strafbaar met....." + +"Moei u met uwe zaken, meester Claes Gerritsz," duwde hem Walger toe: +"ik ben geen poorter van Haarlem en hoest wat in uwe Privileges. Ik ben +'s Graven koddebeier en zal dit zoete kind brengen waar het wezen wil, +zonder iets meer dan een kusje voor mijn loon te vragen." + +En hij wilde zich reeds te voren van dat loon verzekeren, toen Sytsken +zich op eens uit zijn armen losrukte en met een kreet van blijdschap +naar een jongeling toesnelde, die op eenigen afstand door eene der +lanen kwam aangewandeld. + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + + + Wat dorperheid is dit, onedele gemeente? + + Vondel. Palamedes. + + +"O Jonker Seerp!" riep Sytsken: "spreek een woord voor den armen Feiko, +wien men naar de boeien wil brengen." + +De nieuwaangekomene, tot wien zij sprak, was een jonkman van +ruim dertig jaren, lang en mager, doch gespierd en forsch. Zijn +gelaatstrekken, ofschoon regelmatig, waren te sterk geteekend +om innemend te heeten, en de opslag zijner oogen gaf hoogheid en +eigendunk te kennen. Zijn kleeding was uitheemsch, evenals die van +Feiko; doch van kostbaarder stof. Een geelzijden doek, met zilveren +ruiten en franje van dezelfde stoffage, was om zijn hoofd gewonden +en hing aan de linkerzijde in breede plooien af, het haar geheel +verbergende, hetwelk naar een gewoonte, welke den Frieschen adel +van elken anderen onderscheidde, hoog boven de ooren kaalgeschoren +was. De zijden bovenrok was geel, met vergulde randen voorzien en +met vergulde haakjes gesloten. Een prachtige ponjaard stak in den +sierlijken gordel, en een krom gebogen oostersch zwaard, welk wapen +den drager voor een man van aanzien kennen deed, hing daarvan af. De +gevesten der wapenen zoowel als de versierselen des gordels waren mede +zwaar verguld. Een driedubbele gouden keten prijkte om den hals; doch +was ten deele door den lichtgroenen overrok verborgen. Enge hozen van +groen laken bedekten het been, terwijl de voeten in puntige schoenen +staken, rijkelijk met gouden sterren bezaaid. + +"Wie vermeet zich zulke buitensporigheden?" vroeg hij op zijn beurt, +na de klacht van Sytsken te hebben vernomen, terwijl zijn valkenoog +langs den volkshoop rondwaarde. + +Een enkele blik was hem genoeg om te ontdekken wat er gaande +was. Zonder zich te bedenken, doch ook zonder zijn tred te verhaasten, +stapte hij naar de geleiders van Feiko toe, die alle moeite deden om +den knaap met zich te sleuren: en zonder een woord te spreken sneed +hij met zijn dolk de touwen los, waarmede de gevangene gebonden was +en rukte hem uit de macht der knevelaars. + +"Nieuwe rebellie!" riep meester Claes Gerritsz: "hei ho! wakkere +poorters! laat den gevangene niet ontsnappen." + +"Gij zult mij toch niet willen houden," riep Feiko, die niets in de +wereld boven een Frieschen edelman stelde, "tegen den wil van Jonker +Seerp Van Adeelen?" + +"Stil Feiko!" zeide deze: "vertel mij wat de reden van dit rumoer is." + +"Wat mocht hij vertellen," riep Claes Gerritsz: "een vreemdeling +mag niet tegen een burger gehoord worden, volgens artikel II van +het Pr...." + +"Antwoord wanneer men u vragen zal, Haarlemmer mug!" duwde hem Seerp +Van Adeelen met bitsheid toe: "of," vervolgde hij, hem met een donkeren +blik aanziende: "kunt gij mij zeggen, wie hier de stoutheid heeft +gehad een dienaar van den Olderman te knevelen?" + +Claes Gerritsz trad bedremmeld terug, toen hij den norschen oogopslag +des Frieschen edelmans ontmoette: maar de boschwachter Walger, die +door zijn beroep meer gewoon was, met edellieden evenals met kameraden +om te gaan, nam het woord op: + +"Deze snaak veroorzaakte hier opschudding: en daar het ongeoorloofd +is, messen te dragen, althans te trekken, binnen het rechtsgebied +van Haarlem, zoo brachten wij hem naar den Schout: en wij zouden u +raden, Jonker! u hier niet tegen te verzetten, of het kon ook met u +slecht afloopen." + +"Wij zullen zien," zeide Adeelen: "wie zich vermeten zal de handen aan +hem te slaan nu hij onder mijn bescherming is. Ik ben afgevaardigde +van Friesland en heb met uwe zotte bepalingen en Privileges niets +van nooden. Volg mij, Feiko." + +Dit gezegd hebbende, wendde hij zich om en wandelde met bedaarde +schreden heen, met Feiko en Sytsken achter hem. Zoolang de menigte +nog door de verbazing van het oogenblik, de krachtige taal en het +forsch gelaat des edelmans in bedwang was gehouden, was zij stil en +besluiteloos gebleven, en geen arm was tegen Feiko opgeheven geweest; +maar evenals kleine keffers, die beangst wegdruipen wanneer een moedige +dog hen aanziet, maar hem nablaffen, zoodra hij zich verwijdert, zoo +hief het gepeupel een verward en woest getier aan, zoodra men de zoo +gevreesde Friezen niet meer in 't aangezicht zag. Dan het bleef niet +bij de vloeken en verwenschingen, die men hen nazond: ras werden deze +opgevolgd door een hagelbui van modder, steenen, kluiten, boomtakken, + + + en alles wat men reedst kon vinden by der hant, + + +om met vader Vondel te spreken. Adeelen bleef gedurende eenigen tijd +zijn weg voortzetten als trok hij zich die beleedigingen niet aan; +maar toen een potscherf hem tegen het hoofd aangonsde en in de plooien +zijner muts bleef hangen, kon hij zijn woede niet langer bedwingen; +zijn lemmer vloog de scheede uit: als een gewonde tijger keerde +hij zich om, sprong op de menigte toe en deed haar in verwarring +terugstuiven. Juist op het oogenblik waren eenige dienaars van den +Schout, met staven gewapend, op het gerucht komen toeschieten, die, +ziende wat er gaande was, 's Graven vrede uitriepen en de vechters +poogden vaneen te scheiden. Doch hier was geen denken meer aan: reeds +had het zwaard van Adeelen bloed doen vloeien; en het volk, op dat +gezicht verbitterd, had de vrees voor de wraakzucht doen zwijgen: +van alle zijden drong men aan op den edelman en op Feiko, die aan +Walger zijn kodde had ontrukt en wakker in het rond sloeg:--en beiden +waren misschien de slachtoffers van dezen ongelijken strijd geweest, +zoo de aankomst van eenige nieuwe personages daaraan geen spoedig +einde gemaakt had. + +De nieuwaangekomenen waren twee edellieden uit het gevolg van Graaf +Willem, met name Reinout en Deodaat van Verona, die met eenige dienaars +en stalknechts uit Haarlem kwamen aangereden, alwaar zij een boodschap +voor hun Heer hadden volbracht. De plek waar het gevecht voorviel, +lag niet volkomen in hun weg; doch zij hadden aan den ingang van den +Hout de troostelooze Sytsken ontmoet, die van verre was blijven staan, +toen Adeelen en Feiko den strijd begonnen waren, en nu, hun gevaar +bespeurende, op het hoefgetrappel was toegesneld, ten einde de hulp +der ruiters in te roepen. Beide de edellieden waren jong en minnaars +van het avontuurlijke: zij toefden dus niet om aan het verzoek van +het bevallige meisje een gunstig oor te verleenen, en togen in vollen +ren naar de kampplaats. Hier kwamen zij juist intijds. Adeelen was +door middel van een haak omvergerukt, en een uit het volk stond +reeds gereed om hem met zijn eigen dolk te doorboren, toen Deodaat, +het gevaar ziende, waarin de Fries verkeerde, zoo heftig tegen den +poorter aanreed, dat deze achterovertuimelde, terwijl Reinout, zijn +paard midden tusschen het volk drijvende, in de stijgbeugels oprees +en met kracht uitriep: "pais en vree, gespuis van den Satan! niemand +verroere zich, of het zal hier zwaardslagen regenen zoo dicht als +hagel! Wat doet gij hier, schelm van een boschwachter?" vervolgde hij, +zich tot Walger keerende: "zoo de Graaf verneemt dat gij, in plaats +van op boomschenders en stroopers te passen, u hier in twisten steekt +tusschen poorters en vreemdelingen, zal het er slecht met u uitzien." + +"'t Is die schoelje, die oorzaak van alles is," bromde Walger, op +Feiko wijzende. + +"Is het de wil van den Graaf," vroeg Adeelen, die opgestaan was +en hijgende op zijn zwaard stond te leunen, "dat men Frieslands +afgevaardigden en hunnen dienaars smaadheden aandoe?" + +"Wanneer Frieslands afgevaardigden rebellie plegen," balkte Claes +Gerritsz, "dient art. 16 van het Privil...." + +"'t Is geen schrale marktschrijver die het in allen gevalle ten +uitvoer moet leggen," zeide Reinout, den voorvechter der Privileges +in de rede vallende. + +"Neen heer Ridder!" riep de Onderschout, die, met een gelaat zoo rood +als een kalkoensche haan, zweetende en blazende kwam aangeloopen: +"maar wanneer mijne dienaars 's Graven vrede opleggen, behoort die te +worden in acht genomen: en het is mijn plicht hier alle twistzoekers +in bewaring te nemen." + +"Neem dan den aap van den kokeler in bewaring," zeide Feiko, "want +die is de oorzaak van al de opschudding." + +"Geloof hem niet," riep de hansworst, die gedurende het vechten niet +van zijn stellage geweken was: "hij is een valsche munter en draagt +de tasch vol ongangbaar koper." + +"'t Is goede Ezekermunt," zeide Feiko, zijn geld toonende, "die elke +schipper mij zal inwisselen." + +"Al genoeg!" riep de Onderschout, aan wien Claes Gerritsz een +waarachtig verhaal van het voorgevallene had pogen te geven: "de +beide Friezen moeten naar de gijzeling, tenware zij borg stellen van +op den eerstkomenden rechtsdag te zullen verschijnen." + +"Ik lach met uw rechtsdag en rechtsgebied," zeide Adeelen: "mijn +persoon is heilig en onschendbaar: en wat dezen knaap betreft, alle +beleediging hem aangedaan, beschouw ik als tegen mij gericht." + +De twee Ridders hadden zich inmiddels te zamen beraden. + +"Heer Onderschout!" zeide eindelijk Deodaat, den ambtenaar ter zijde +trekkende, "ik mag u in dezen niets voorschrijven: maar een goeden raad +wil ik u geven: bezin eer gij begint. Gij weet welk belang er de Graaf +in stelt, de gemoederen in Friesland te winnen. Eene onvoorzichtigheid +zoude aanleiding tot nieuwe onlusten en oorlogen kunnen geven." + +"Met dat al...." hernam de Onderschout. + +"En u de ongenade des Graven op den hals halen," vervolgde Deodaat, +gevoelende dat deze beweeggrond nog krachtiger zoude werken dan +de vorige. + +"Dat alles is waar," hervatte de Onderschout: "maar daar is bloed +van onze poorters gestort: daar is schipper Harmen Harmsz., die +zijn neus kwijt is, en de bakker aan de Nieuwsteeg, die een houw in +'t been heeft, en anderen meer, die builen en blutsen hebben. Moet +onze burgerij zich door vreemdelingen straffeloos laten mishandelen?" + +"Schaam u, heer Onderschout!" zeide Deodaat: "zij waren honderd +tegen één!" + +"Kort en goed," viel Reinout in: "gij zult uw gijzeling gerust kunnen +gesloten houden; want ik joeg u liever allen in 't Sparen, eer ik +het minste leed aan deze wakkere kerels gebeuren zag." + +"Welaan," zeide de Onderschout, de schouders ophalende: "indien deze +edelman en zijn dienaar zich verbinden willen, 's Graven vrede met +de burgerij van Haarlem te houden en den meester te betalen, die de +gewonden zal helpen, dan zullen wij de zaak niet verder drijven." + +"Wat meester!" bulkte de hansworst er tusschen in: "komt bij meester +Barbanera, die zal u van alle ondergane kwetsuren genezen, binnen +den tijd van drie dagen: neemt den echten Sineeschen balsem, die alle +wonden heelt: voor den prijs van drie groot hebt gij een potje." + +"Het is veeleer dat gespuis," zeide Adeelen, "hetwelk zich verbinden +moest, geen hoon meer aan te doen aan Frieslands afgevaardigden of +hun dienaars; doch wie zoude zich hunne beloften bekreunen? Ik zal +hier geen twist beginnen, tenzij mijn eer gekrenkt worde: en wat uw +gewonden betreft, laten zij zich doen genezen."--Onder het uitspreken +dezer woorden nam hij een handvol geld uit de tasch en wierp het den +Onderschout voor de voeten. + +"Wat u betreft," vervolgde hij, zich tot de Ridders wendende, "grooten +dank voor uw tijdige hulp, zonder welke Seerp Van Adeelen Friesland +nooit had kunnen teruggezien. Zijt echter zoo goed uw Graaf te zeggen, +dat hij zijn onderzaten in toom houde; want een tweede beleediging +zoude op een wijze gewroken worden, die hem rouwen mocht." + +"Ik ben niet gewoon dergelijke boodschappen aan uwen en mijnen Heer +over te brengen," antwoordde Deodaat eenigszins geraakt. + +"Onze Heer weet beleedigingen te voorkomen," voegde Reinout er bij: +"doch hij weet die ook te wreken, op wie dan ook." + +"Onze Heer!" mompelde Adeelen met bitterheid: "ellendig +dienstvolk!"--en zonder verdere groete verwijderde hij zich met Feiko +en Sytsken. + +"Die onbeschaamde!" riep Reinout uit: "een woord meer en mijn degen +had hem geleerd de lompe tong te snoeren." + +"Indien een ezel tegen u balkt, zult gij hem dan het hoofd +afslaan?" vroeg Deodaat: "een verachtelijk zwijgen is al wat die +ongelikte beren waardig zijn.--Dan wij hebben hier tijds genoeg +doorgebracht! Voortgereden! anders komen wij te laat voor het maal." + +De beide Ridders deden hunne rossen de sporen voelen en waren spoedig +met hun gevolg door een stofwolk aan elks oog onttogen. + +"'t Is de goede tijd niet meer," zeide Claes Gerritsz, het hoofd +schuddende: "het schijnt wel, dat de ingezetenen niets meer hebben +in te brengen." + +"'t Is zeker wat erg," merkte Walger aan, terwijl hij met een frissche +teug uit het lederen fleschje, dat aan zijn bandelier hing, zijne +door het gevecht verloren krachten poogde te herstellen, "'t is zeker +erg dat twee Friezen hier onze landslui komen doodslaan en door twee +Italianen aan de straf onttrokken worden. Blieft gij ook gediend?" + +"Is 't een wonder," zeide de Marktschrijver, na gebruik gemaakt te +hebben van Walgers aanbod, "dat men aan vreemdelingen de voorkeur +geeft? Dat zoude onder Koning Willem niet gebeurd zijn, die ons het +Privilege gaf, noch onder zijn Zoon Floris, wiens ziel bij God is: +maar dat waren ook echte Hollanders: en onze tegenwoordige Graaf is +zelf een vreemdeling." + +"Stil!" zeide de Onderschout: "het past niet zulke dingen aan te +merken in 't bijzijn van 's Graven ambtenaar." + +"Ik zeg niets kwaads," hernam Claes Gerritsz: "de Graaf is een wijs +en dapper man, maar dat hij dien sleep van bloedzuigers uit vreemde +landen heeft met zich gebracht, dat moge hij voor God verantwoorden." + +Het wijze mannetje voegde hier nog veel bij, doch wij zullen hem +voor het tegenwoordige aan zijn aanmerkingen laten, en trachten onze +ruiters in te halen, die nog altijd in vollen draf op weg zijn naar +'s Graven jachtslot, de Vogelesang genaamd, een groot uur gaans ten +Zuiden van Haarlem gelegen. Waarschijnlijk zullen sommigen onzer lezers +nog meer dan Claes Gerritsz verwonderd zijn geweest, twee Italianen te +Haarlem en in het gevolg van den Hollandschen Graaf aan te treffen, +en deswege eenige opheldering verlangen, welke wij ook gaarne te +dezer plaatse geven, daar wij niet tot diegenen behooren, welke, +in verhalen van een aard als dit, den lezer gedurende het gansche +werk in een pijnlijke onzekerheid laten, ook omtrent die punten, +welker verstand noodzakelijk is om den draad van het geheel niet ieder +oogenblik te verliezen, en die alle opheldering, ook de meest noodige, +tot de laatste bladzijde verschuiven. + +Aan hen, die de geschiedenis des Vaderlands beoefend hebben, zal het +gewis niet onbekend wezen, dat Jan van Beaumont, 's Graven oom en een +der volmaakste Ridders van zijn tijd, door godsdienstijver gedreven, +in den jare 1331 een veldtocht tegen de Saracenen in Spanje deed, +alwaar hem vele Hollandsche en Henegouwsche Ridders gevolgd waren. De +roem van dapperheid en beleid, welke hem vooruit was gegaan, had ook +bij edellieden van vreemde landen den lust opgewekt om zich onder zulk +een waardig krijgshoofd in de wapenkunst bekwaam te maken, en lauweren +te verwerven, of wel om een reeds verkregen roem te handhaven. Onder +deze laatsten onderscheidde zich een edelman uit Opper-Italië, Carlo +della Scala geheeten. Twee knapen, der kindsheid nauw ontwassen, waren +met hem gekomen, en onder de namen van Rinaldo (of Reinout) en Deodaat +van Verona aan Beaumont voorgesteld geworden. Hoe jong nog, reeds vroeg +gaven zij blijken van dapperheid, en verworven zich de vriendschap van +den Henegouwer. In een der aan de Saracenen geleverde gevechten bekwam +Carlo della Scala een doodelijke wonde. Zijn einde voelende naderen, +riep hij Beaumont en de beide jongelingen aan het ziekbed, waarop +hij lag uitgestrekt, en deelde hun de volgende omstandigheden mede. + +Te Verona uit een der aanzienlijkste geslachten geboren, had Carlo +della Scala zijn jongelingsjaren door al die genoegens en voorrechten +zien opgeluisterd, welke rijkdom en aanzien kunnen verschaffen. Een +enkele zaak ontbrak aan zijn geluk, of liever belette hem, een waar +geluk te smaken; het was het bezit eener gade, zijner waardig. Vurig +beminde hij de schoone Bianca di Salerno; doch hopeloos was zijn +liefde: daar niet slechts de vader der Veroneesche schoone zijn +aanzoeken had afgeslagen; maar ook zij zelve hem menigmalen betuigd +had, dat hij zich met haar vriendschap en achting tevreden moest +stellen, daar zij hem nimmer wedermin kon schenken. Troosteloos over +haar herhaalde weigering, verliet hij zijn vaderstad om in den krijg +zijn liefde te vergeten. Toen hij na drie jaren terugkwam, vond hij +den staat van zaken veranderd. Bianca was door den dwang haars vaders +de echtgenoote van Carlo's bloedverwant, Francesco della Scala, en +die Francesco de dwingeland zijner geboortestad geworden. Onwillig, +om de snoode inzichten en bedoelingen van dezen booswicht door zijn +tegenwoordigheid te schragen, of zich in diens paleis te vertoonen, +en aldaar het voorwerp zijner liefde onder de heerschappij eens +anderen terug te vinden, verkocht Carlo zijn bezittingen in Verona +en zette zich in Pisa neder. Slechts weinige maanden had hij in zijn +nieuwe woonplaats doorgebracht, toen hem op een morgen twee kinderen +van ongeveer twee jaren gebracht werden, welke de hovenier aan den +ingang van den hof in een korfje had vinden liggen. Een brief werd +bij hen gevonden, waarbij Carlo gebeden werd, in naam van de Moeder +Gods en van alle Heiligen, het hem toevertrouwde kind, dat uit Verona +en van adellijken huize was, tot zich te nemen, en als het zijne op +te brengen. + +Het is niet te verwonderen, dat Carlo vreemd opzag, vooreerst om het +zonderlinge geschenk, ten tweede omdat er in den brief slechts van +één kind melding gemaakt werd, terwijl hij er twee uit het korfje +zag kruipen, die bitter schreiden en om hun moeder riepen. Ook kon +hij niet begrijpen, aan wien hij een zoo vreemde gift, of wel een +zoo groot bewijs van vertrouwen verschuldigd was. Dit merkte hij op, +dat de knaapjes waarschijnlijk geen broeders waren: want het eene +was blond als een zoon van het Noorden, en het andere had de donkere +kleur der Italianen. + +Zijn medelijden met de onschuldige, hulpbehoevende wezens en de +gedachte, dat wellicht de ouders dier kinderen als slachtoffers +der dwingelandij van Francesco gevallen waren en hunne kinderen +daaraan hadden wenschen te onttrekken, zegevierden eindelijk over +alle bedenkingen: hij besloot aan het in hem gestelde vertrouwen te +beantwoorden en de beide knaapjes als de zijne op te voeden. Zij +toonden zich de zorg aan hen besteed niet onwaardig. Carlo della +Scala hechtte zich gedurig meer aan zijn voedsterlingen, en nam hen, +zooras zij in staat waren een zwaard te voeren, als schildknapen met +zich naar Spanje, gelijk wij hierboven verhaald hebben. + +De edele man overleed na het afleggen dezer verklaring, zijn paarden, +krijgstuig en al hetgeen hij verder aan goud en kostbaarheden had +met zich gevoerd, aan zijn pleegkinderen nalatende, die zich nu +aan Beaumont hechtten, en hem na het einde van den veldtocht naar +Henegouwen volgden. Sedert deelden zij in al de krijgsbedrijven, +door hem of door zijn neef Grave Willem verricht, volgden dezen +laatste op zijn reis naar Palestina, en streden in Pruisen aan zijne +zijde. Het was daar, dat Willem, reeds lang door de verdiensten der +beide jongelingen getroffen, hen op het slagveld tot Ridders sloeg, +ondanks het morrend misnoegen van sommige edellieden, die met leede +oogen zagen, dat twee gelukzoekers, die geen bewijs van adeldom, +zelfs niet van een vrije geboorte konden aantoonen, een voorrecht +genoten, alleen voor den adel weggelegd, en in vele opzichten aan +afstammelingen der oude Duitsche geslachten werden voorgetrokken. + +Al wie echter billijk dacht, moest de gunst rechtvaardigen, door den +Graaf aan de beide jongelingen bewezen. Men zag den mangel aan een +erkende afkomst over het hoofd, wanneer men de stoute feiten, door +hen bedreven, en de krijgskundige bekwaamheden, die zij bezaten, +in aanmerking nam. Bovendien had elk van beiden zijn bijzondere +bekwaamheden, waardoor hij zich onderscheiding verwierf, en ontzag +of vriendschap inboezemde. Beiden waren schoon en welgemaakt, +uitmuntende in alle soorten van spelen en lichaamsoefeningen, en +bij het schoone geslacht, dat den palm meestal rechtvaardiglijk +uitreikt, welgezien. Rinaldo, of Reinout, gelijk men hem in Holland +noemde, had een wel niet rijzige, maar toch in allen deele fraai +gevormde gestalte. Ravenzwart haar krulde hem met bevalligheid om de +slapen: zijn gelaatstrekken waren fijn en regelmatig, en, schoon van +nature bleek en door de zuiderzon en de vermoeienissen des oorlogs +met een gele tint overdekt, hoogst bevallig en innemend. Geest en +scherpzinnigheid straalden uit zijn gitzwarte oogen, wier levendigheid +waarde gaf aan alles wat hij zeide. Wat zijn zielshoedanigheden +betrof, hij was onverschrokken, ondernemend en vroolijk van aard; maar +tevens wispelturig, oploopend en heerschzuchtig. Aan degenen, die hem +onbescheidene vragen of aanmerkingen betreffende zijn geboorte deden, +had hij zulks meer dan eens en wel zoo gevoelig doen bekoopen, dat +aan anderen de lust vergaan was, hem daarover te onderhouden. Ofschoon +hij de min goede zijde van zijn inborst slechts zelden vertoonde, en +wanneer het pas gaf met het vernis der hoffelijkheid wist te bedekken, +was hij over 't algemeen meer ontzien en gevreesd, dan bemind. + +Anders was het gelegen met Deodaat, wiens goedhartigheid en welwillende +aard door ieder erkend werden, en hem de genegenheid van het gansche +hof verworven hadden. Wel was hij niet van fierheid ontbloot; doch +die hooghartigheid zelve weerhield hem van zich zulke zinspelingen +op zijn afkomst aan te trekken, waarop Reinout vlam zoude gevat +hebben. Hij begreep te recht, dat driftige woorden en een uitgetogen +zwaard wel ontzag konden baren, doch niet genoegzaam waren om een +adellijke geboorte te bewijzen, en vermeed derhalve zorgvuldig alle +gesprekken, welke tot dusdanige twisten aanleiding geven mochten. Werd +de onbescheidenheid echter te grof, dan wist hij die te straffen, +zoowel als zijn vriend; maar slechts zelden bevond hij zich in de +noodzakelijkheid om tot zoodanige uitersten te komen, daar de meesten +hem genegen waren en schroomden, een algemeen beminden Ridder en wel +'s Graven lieveling te beleedigen. + +Gewoonlijk opgeruimd en kalm, werden zijn ronde en frissche +gelaatstrekken slechts zelden aangedaan door kommer of verdriet. Er +waren korte stonden van zwaarmoedigheid, waarin een pijnlijke +gedachte aan den geheimzinnigen sluier, die zijn geboorte overdekte, +soms toevallig bij hem opgewekt, zijn heldere blauwe oogen met een +nevel van droefgeestigheid overdekte, die echter werd opgehelderd, +wanneer hij nadacht, dat hij zich in een schooneren maatschappelijken +toestand bevond dan hij immer had kunnen hopen of verwachten, en dat +hij dien aan zich zelven te danken had. + +Gelijk in jaren en omstandigheden en noodlot, wapenbroeders sedert +hun prilste jeugd, en op al hun tochten nimmer vaneengescheiden, +waren Reinout en Deodaat door de nauwste vriendschapsbanden aan +elkander verbonden, ja was het vaak of ééne ziel hun beider lichamen +bewoonde. Nooit had de een ééne gedachte voor den ander verborgen +gehouden: geen wensch werd door den eenen gekoesterd, geen plan +gevormd, waarvan de ander geen kennis droeg, en waren zij eenige +dagen vaneengescheiden, dan scheen het elk hunner toe of hij een +zijner zintuigen miste. Men moet hier echter geenszins uit opmaken, +dat er altijd een volkomen overeenstemming tusschen hun neigingen en +begeerten heerschen bleef: integendeel liepen die somtijds uiteen, +en gaven aanleiding tot geschillen, waarbij echter de bedenkingen +en tegenwerpingen, welke over en weder gemaakt werden, veel hadden +van die, welke iemand zich zelven doet, wanneer hij een besluit moet +nemen en het voor en tegen in zijn geest overweegt. + +Gelijk wij gezegd hebben, de beide Ridders hadden op een snellen draf +den weg naar de Vogelesang genomen; weldra bevonden zij zich op een +hoek, waar de weg zich in tweeën verdeelde, nabij de plaats, waar, +veertig jaren vroeger, de Vlamingen door Witte van Haemstede aan +'t hoofd der Haarlemmer poorters verdreven waren geweest. + +Het was nu ongeveer één uur na den middag en de zon was brandend +heet. "Wij komen nog tijdig genoeg," zeide Deodaat; "zouden wij niet +wat zachter rijden?" + +"'t Is mij wel," antwoordde Reinout, en zijn paard doende stappen, +liet hij de teugels varen en kruiste de armen voor de borst. + +"Waaraan denkt gij, dat gij zoo stipt voor u kijkt als een slang +op een vogeltje?" vroeg Deodaat in 't Italiaansch, welke taal zij +gewoonlijk te zamen spraken, wanneer zij zich alleen bevonden, of +ook wanneer zij door hun knechten verzeld waren, en door dezen niet +verlangden verstaan te worden. + +"Ik denk aan dien verwaanden Fries," antwoordde Reinout: "het spijt mij +slechts, dat ik hem mijn handschoen niet in 't gezicht heb gesmeten." + +"Waant gij, dat ik er minder trek toe gevoelde dan gij? Maar wij +mochten de belangen van onzen Graaf, die noodzakelijk gevaar loopen +bij de minste beleediging, welke dien Friezen wordt aangedaan, niet +in de waagschaal stellen." + +"Alles zeer waar: en ik ben niet geneigd tweespalt te verwekken +tusschen den Graaf en zijn gehoorzame Friesche onderzaten; maar ik +denk de beleefdheid zoover niet uit te strekken om mij straffeloos +onbeleefdheden te laten zeggen: en om des lieven vredes wille hoop ik, +dat ik vooreerst geen van hen ontmoeten zal." + +"Wat mij betreft," hernam Deodaat: "ik help het u wenschen. Mits het +buiten ons toedoen geschiede, zoude een kleine oorlog met Friesland +mij niet mishagen, al ware het slechts om het land eens te zien. Ik +ben nooit aan gene zijde van de Zuiderzee geweest." + +"Een fijn vermaak! Wij zouden er veel aan hebben om ons met die lompe +boeren te meten, bij wie geen eer noch profijt te halen is. Ik trok +even gaarne nogmaals tegen de Lithauwer heidenen te velde." + +"Stel Friesland zoo laag niet: er is buit genoeg te halen. Stavoren +moet oudtijds een vrij rijkere stad dan Dordrecht of Haarlem zijn +geweest." + +"Geweest is leelijk," merkte Reinout lachende aan. + +"En er is oude adel in Friesland, dapper genoeg om den overwinnaar +eer aan te doen." + +"Ik twijfel er niet aan: die Friezen brengen immers hun stamregisters +tot aan Alexander den Grooten." + +"En bovendien de schoonste meisjes, welke op de aarde te vinden zijn," +vervolgde Deodaat. + +"Zoo hoor ik;--doch al die logge, roodwangige, blauwoogige Noordsche +vrouwen doen mij om water-en-melk en zoete koek denken, twee zaken, +waar ik een onoverwinnelijken afkeer van heb." + +"Met uw verlof! die kleine deerne, welke ons hulp kwam vragen, deed +op mij een geheel andere uitwerking." + +"Inderdaad, zij was niet onaardig.... Zoude zij ook tot het gevolg der +afgevaardigden behooren? Zij zijn drie in getale, hoor ik: een zekere +Heer van Aylva [2], die, zoo men zegt, een stedelijk ambt bekleedt +in de stad Leeuwarden.... een fraaie zaak voor een edelman!--dan, +die snoever, welken wij uit de handen van 't gepeupel verlost hebben, +en de Abt van Sint-Odulf. Wie van drieën zoude het recht van patronaat +over dit meisje uitoefenen?" + +"Ik denk geen van drieën, en zou eer gelooven, dat die kloeke gast, +die haar in 't heengaan onder den arm nam, haar onder zijn bijzondere +bescherming heeft. Vraag het intusschen eens aan Seerp Van Adeelen, en +gij zult zien welk antwoord hij u geven zal, indien hij zich slechts +niet te verre boven u verheven acht om u te antwoorden; want hij +beschouwt zich, geloof ik, van hooger adel dan onzen Graaf. Hij waant, +naar ik hoor, uit dezen of genen ouden Frieschen Koning gesproten +te zijn, wiens naam buiten Flie en Lauwers even onverstaanbaar als +onbekend is." + +"Een fraai edelman, die met dorpers en boeren gaat bakkeleien!--doch +van adel gesproken, de pelgrim, die zich belast had met te Verona +onderzoek te doen naar onze geboorte, blijft lang uit." + +"Wat mij betreft," zeide Deodaat, "ik wensch van harte dat hij nimmer +terugkome." + +"Hoe kunt gij zoo onverschillig zijn omtrent een punt, dat ons zoo +na aan 't hart moest liggen." + +"Onverschillig!--Gij weet het, Reinout! dat zulks bij mij het +geval niet is. Neen! ik zou onze Lieve Vrouwe met vurigheid danken, +indien ik ten gevolge onzer nasporingen het geluk mocht bereiken +van een liefhebbenden vader of een teedere moeder terug te vinden; +maar gij weet het, ik blijf altijd schrikken tegen het denkbeeld, +dat de ontdekking onzer afkomst misschien verwijdering tusschen ons +zou kunnen baren. Denk eens na, Reinout! indien het eens uitkwame, +dat een van ons de afstammeling van een aanzienlijk geslacht en de +ander de zoon van een boerenkinkel ware; zou dan adellijke Ridder +zich de vriendschap van zijn wapenbroeder niet schamen?--Zou deze zich +even vertrouwelijk en vrij jegens zijn meer verheven vriend gedragen +kunnen?--Zou er geen jaloezie in zijn hart ontstaan, wanneer hij zijn +voormaligen wapenbroeder door elk geëerd en gevleid, en zich zelf +versmaad en veracht zag?--Neen, duizendmaal liever blijf ik in mijn +onwetendheid, dan dat ik het gevaar loope van een vriend te missen." + +"Gij hebt gelijk, duizendmaal gelijk," zeide Reinout, "ofschoon +ik niet geloof, dat iets ooit in staat zou wezen onze vriendschap +te doen verflauwen;--maar met dat al: ik moet uit dien pijnlijken +staat van onzekerheid, die mij ondraaglijk is, verlost worden, wat +het ook koste. Wat mijn ouders betreft, die verlang ik niet terug +te vinden: daar zij onnatuurlijk genoeg waren, mij te verstooten, +hebben zij alle aanspraak op mijn liefde verbeurd; maar ik wil weten +wat ik ben: ik wil niet langer blootstaan aan de aanmerkingen dier +trotsche hovelingen: zoo ik, gelijk mijn hart het mij voorspelt, +uit een aanzienlijk huis geboren ben, dan wil ik hun toonen dat ik +met hen op ééne lijn kan staan." + +"En zoo niet?" vroeg Deodaat. + +"Zoo niet?--Welnu, dan verlaat ik dit hof en ga elders fortuin +zoeken;.... doch het is onmogelijk!--Ware intusschen die pelgrim maar +terug! Ik had hem de boodschap niet moeten opdragen, en hem althans +dien brief niet moeten vertrouwen, die bijna het eenige bewijsstuk +is onzer geboorte. Hij had een fielten-gezicht en heeft ons zeker +misleid." + +"Waarom altijd de menschen gewantrouwd? Laat ons eens +narekenen. Wanneer is hij van hier vertrokken?" + +"In October of daaromtrent." + +"De wegen zijn vrij. Hij kon in December te Verona wezen." + +"Indien hij niet eerst naar Rome en Loretto gegaan is, gelijk ik +vermoede." + +"Dan kan hij moeilijk voor Maart in de hofplaats van Can Francesco [3] +zijn aangekomen; en daar hij lang heeft kunnen rondzoeken, is er +niets vreemds aan, dat wij nog geen tijding ontvangen hebben.--Zijn +wij zelven, toen wij met den Graaf te Venetië waren, niet naar Verona +gereisd, om op te sporen welke kennissen Carlo della Scala daar +had gehad, die in staat waren hem een geschenk van twee kinderen te +doen? en is onze tocht niet vruchteloos afgeloopen?" + +"Een fraaie tocht voorwaar! Twee dagen zijn wij er stil geweest, en +toen moesten wij weer vertrekken, omdat de Graaf zijn vertrek naar +Cyprus niet uit kon stellen." + +"Wij zouden langer tijd gehad hebben," zeide Deodaat, "indien gij +niet ontijdig twist gezocht hadt met een wapensmid, omdat hij ons +voor studenten van Padua aanzag: waarlijk! een fraaie reden." + +"Hoe dit zij, wij hadden den tijd niet om behoorlijke navorschingen +te doen;--en wij moesten ons schuil houden voor Can Francesco, die +ons als verspieders wilde doen vatten;--maar mij dunkt, dat, wanneer +de pelgrim overal rondbazuint, dat de knapen, die bij Carlo della +Scala zijn opgebracht, zich thans in hoog aanzien aan het hof des +Graven van Holland bevinden, er zich wel iemand zal opdoen, die zich +hunner aantrekt." + +Deodaat haalde de schouders op en zweeg: en daar zij zich op dat +oogenblik in 't gezicht van 's Graven jachtslot bevonden, liep hier +hun onderhoud ten einde. + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + + + Neen neen, Achilles' ziel kan zulk een hoon niet lijden + En trachten naar geen wraak. + + Huydecoper. Achilles. + + +Nadat Seerp Van Adeelen, van Feiko en Sytsken vergezeld, het tooneel +des gevechts verlaten had, trad hij eerst met een bedaarden en +langzamen, vervolgens, zoodra hij uit ieders gezicht geweken was, +met een meer snellen en verhaasten stap, de lanen en kronkelpaden +van het bosch door, totdat hij buiten den Hout gekomen was en op een +weide kwam, welke hij dwars overstak en recht op een gebouw afging, +hetwelk zich aan de overzijde aan zijn gezicht voordeed, en waar +hij door een zijdeurtje, dat door middel eener plank met het weiland +gemeenschap had, werd binnengelaten. + +Het huis, waarin hij ontvangen werd, beval zich meer door zijn +uitgestrektheid en ligging aan, dan wel door eenige fraaiheid van +bouworde of sieraden. De voorkant, op den grooten landweg uitziende, +van breede steenen te zamen gesteld en onregelmatig opgetrokken, +droeg duidelijke blijken van trapsgewijze vergrooting: 't geen vooral +daaruit te zien was, dat de poort of hoofdingang, die van zwaar ijzer +was saamgesteld en met ettelijke gewelfde bogen omgeven, zich niet +meer, gelijk te voren, in het juiste midden, maar op een derde van den +voorgevel bevond. Deze geheele zijde was zonder eenig raam of uitzicht, +behalve alleen een vierkant gat naast de poort, hetwelk echter met een +verroest traliewerk voorzien was. Boven de deur ontdekte men een nis, +welke vroeger met het beeld eens heiligen geprijkt scheen te hebben, +en naast de deur was een zitbank tegen den muur gemetseld, bestemd +om den vermoeiden voorbijganger, of hem, die aan de poort vertoefde, +de gelegenheid te verschaffen om een oogenblik uit te rusten. Aan den +linkervleugel van het gebouw paalde een vrij hooge muur, dicht met +klimop bewassen, die zich, langs den heirweg, tot op eenige roeden +afstand verlengde, en vervolgens, een hoek makende, zich weder aan +den achtergevel aansloot en een hof omvatte, gelijk te zien was aan +ettelijke hoog opgegroeide vruchtboomen, wier takken, met welig groen +en schitterende bloesems voorzien, over den muur afhingen. Aan den +kant van het weiland, was de eerste verdieping mede geheel blind, +doch de tweede met een aantal kleine venstertjes voorzien, die door +deels verroest, deels half vergaan traliewerk gesloten waren. Een +zwaarmoedig, hier en daar ingevallen dak van blauwe, grootendeels +afgewaaide of gebroken tegels, bedekte het gebouw. Slechts hij, die +het op eenigen afstand van over de weide beschouwde, zag een hooger +gewelf, in den smaak eener kerk opgetrokken, uit het midden oprijzen. + +Dit gebouw, of liever deze gebouwen hadden, gelijk men bij de meest +oppervlakkige beschouwing bespeuren kon, in vroeger tijd tot een +klooster gediend. Het waren de Sint-Jans heeren, die alhier hunne +woning of Commanderij gehad hadden, doch in 1312 waren overgeplaatst +naar een nieuw gebouw binnen de stad Haarlem, hetwelk rijkelijk door +Graaf Willem den Goeden begiftigd werd en talrijke voorrechten van +hem ontving, waarvan geen der minste was, dat aan den Commandeur der +orde de bediening van Ontvanger der Graaflijkheid was opgedragen. Ter +vergoeding hiervan moest ook de Commanderij altijd voor den Graaf en +zijn hofgezin openstaan, en verstrekte hem bij zijne komst in Haarlem +ter gewone huisvesting. Het voormalige klooster aan het einde van den +Hout had, sedert de Sint-Jans heeren hunne nieuwe woning betrokken, +ledig gestaan, en men was reeds dikwijls van meening geweest, het voor +afbraak te verkoopen, welk voornemen echter door ontstane hindernissen +geen voortgang had gehad. Toen zich nu, bij gelegenheid van het feest +te Haarlem, talrijke scharen van vreemdelingen derwaarts begaven, +en er, gelijk wij boven gezien hebben, geene genoegzame huisvesting +voor allen was, hadden de Sint-Jans heeren begrepen, ook van dit +gebouw partij te kunnen trekken. Zij durfden dit echter niet doen +zonder voorkennis van hun hoogen beschermheer; maar deze, toen hem +dat verzoek werd voorgedragen, nam terstond het besluit om dit gebouw +ter bereiking van zijn eigen oogmerken te doen strekken. + +Hij was namelijk omtrent dezen tijd niet weinig bezorgd over den +staat der gemoederen in Friesland. Dit gewest, hoewel het vaak voor de +wapenen der Hollandsche Graven had moeten zwichten, was nooit geheel +ten onder gebracht, en haastte zich steeds elke gelegenheid te baat te +nemen, om ook het geringe juk, hetwelk op zijn schouders gelegd werd, +weder af te schudden. Niettegenstaande het innerlijk verdeeld was +door de in de geschiedenis zoo befaamde partijen van Schieringers en +Vetkoopers, op wier bloedige twisten wij in den loop van ons verhaal +soms terug zullen moeten komen, niettegenstaande zoowel de Graven +van Holland en Gelderland, als de Bisschop van Utrecht vaak van die +verdeeldheid zochten partij te trekken, om hunne wapenen op Frieschen +bodem te brengen, was de zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid +den Friezen zoodanig ingeschapen, dat zij, bij den geringsten aanval +van buiten, hun onderlinge veeten aan een zijde stelden en zich ter +afwering des vijands vereenigden. + +Met dat al hadden het landschap Westergoo, althans een gedeelte +daarvan, en de stad Stavoren, afgemat door langdurige vijandelijkheden, +zich aan graaf Willem den Goeden onderworpen, gelijk uit een +verdragbrief van 4 Juli 1320 kan blijken; behalve uit nog een stuk +van denzelfden tijd, mogelijk een aanhangsel tot dat verdrag, waarin +bepaald wordt, op wat wijze de Graven van Holland zich hadden te +gedragen, wanneer zij in Friesland kwamen, om aldaar terechtzittingen +te houden. Uit dit geschrift blijkt echter dat de onderwerping der +Friezen niet onbepaald was, dat zij den Graaf niet anders erkenden dan +als een Rechter of Stadhouder van 's Rijks wege aangesteld, en dat zij +alleen den Keizer als hun Opperheer beschouwden: welke afhankelijkheid +van den Keizer echter bleek, niet anders dan een voorwendsel te zijn, +gelijk aan een schild, waarachter zij schuilden, zoo dikwijls hun +onafhankelijkheid door 's Keizers leenmannen bedreigd werd. + +De schijnbare onderwerping was dan ook verre van duurzaam te zijn: het +gezag der ambtenaren, in Friesland van 's Graven wege aangesteld, werd +weldra miskend, en zij zelven beleedigd, ja mishandeld: de wijsheid der +Friesche regenten, die al het nadeel van een oorlog met hun machtigen +nabuur inzagen, had echter een volslagen opstand weten te voorkomen, +en den toorn des Graven verzoend; en het was nu een geruimen tijd in +Friesland rustig geweest, toen, kort na Willem de Vierdes terugkomst +uit Duitschland, een nieuw oproer te Stavoren uitberstte. Het was +ter voorkoming eener wraakneming over het gebeurde, dat de Friezen +op een te dien einde gehouden Landdag besloten, een gezantschap naar +den Graaf te zenden, ten einde de zaak in der minne te schikken, +en het bestuur in Friesland op een meer geregelden en vasten voet te +brengen, zonder inkorting echter der voorrechten en vrijheden, waarop +de Friezen zoo trotsch waren, en welke zij beweerden, van Karel den +Grooten te hebben ontvangen. De Graaf, die er veel belang in stelde, +om de Friesche aangelegenheden op een vreedzame wijze bij te leggen, +begreep, zoodra hij van de voorgenomene bezending kennis bekwam, +de afgevaardigden met de meest mogelijke voorkomendheid te moeten +behandelen en alle pogingen in 't werk te stellen, om hen tot het +behartigen zijner belangen over te halen. Hij had hen daarom doen +uitnoodigen, zich te Haarlem te vervoegen, ten einde aldaar met +hem te overleggen, wat er ten nutte van hun gewest te doen stond, +en hij vleide zich niet weinig, dat de eer, welke hij voornemens +was hun op de te houdene feesten te bewijzen, hun oogen verblinden, +en hen tot rekkelijkheid en toegevendheid aansporen zou. Ten einde +hen niet vruchteloos naar een herberg te laten zoeken, had hij last +gegeven, dat men een geschikt gebouw op zou sporen, om hen gedurende +hun verblijf te huisvesten: en zoodra hij het verzoek der Sint Jans +heeren vernam, zijn oog doen vallen op het ongebruikte klooster in den +Hout. De Ridders merkten den wensch huns beschermers als een bevel +aan, en voldeden des te bereidwilliger daaraan, vermits de Graaf op +zich nam, het gebouw in staat te stellen gasten te ontvangen en het +met de noodige meubelen deed voorzien. + +Het was in een lange zaal van dat voormalige klooster, welke vroeger +tot refter of eetvertrek der geestelijke Ridders had gestrekt, en +van waar men het uitzicht had op den binnenhof en boomgaard, dat +drie personen, die allen den middelbaren leeftijd voorbij waren, aan +een ronde tafel of schijf, gelijk men ze in dien tijd noemde, waren +neergezeten. Het gewaad van twee hunner kondigde den geestelijken +stand aan, waartoe zij behoorden; echter bestond het bij den eenen +voor dit oogenblik alleen uit een wit linnen kleed; vermits de Abt +(want de persoon dien wij bedoelen bezat geen mindere waardigheid), +uithoofde der heete luchtsgesteldheid, zich van alle oppergewaden +ontdaan had. Alleen de rozenroode halsband, aan wiens einde een gewerkt +gouden kruis afhing, gaf zijn rang eenigszins te kennen. Wat zijn +persoon betrof, die was geenszins van statelijkheid ontbloot, ofschoon +zijn zwaarlijvigheid hem, wanneer hij, zooals nu, niet in pleeggewaad +was, wel een eenigszins plomp voorkomen gaf. Zijn gelaatstrekken +waren regelmatig, en de vorm van voorhoofd, neus en kin, zoude tot +model voor een Griekschen beeldhouwer hebben kunnen verstrekken, zoo +zijn hangende wangen en vette hals, beide kenmerken eener bloeiende +gezondheid, waaraan de kloosterregels geen nadeel schenen te doen, en +zijn groote blauwe oogen, die alle uitdrukking misten, de waardigheid +zijns gelaats niet verminderd hadden. Een krans van grijsachtige +haren omringde zijn kruin, en de kin was glad geschoren. + +Zijn buurman aan tafel, wiens kleeding, schoon in vorm vrij gelijk aan +die van Seerp Van Adeelen, hoogst eenvoudig was, had geen uitwendigen +tooi noodig, om zich als een edelman te doen kennen. Niettegenstaande +de diepe vorens, welke lange en moeizame tochten, maar, meer nog, +droeve en hartverscheurende bekommernissen, op zijn gelaat en +voorkomen geprent hadden, en het droefgeestige floers, dat zijn oogen +benevelde, was echter zulk een majesteit, met zachte welwillendheid +getemperd, over al zijn wezenstrekken verspreid, en blonk een zoo +ongemeene uitdrukking van scherpzinnigheid op zijn gelaat, dat +niemand hem beschouwen kon, zonder met belangstelling en eerbied +te worden ingenomen. Al zijn wendingen en manieren waren edel en +welgepast: zijn taal was altijd kiesch, ofschoon gepaard met die vrije +rondborstigheid, welke bij de meesten zijner landgenooten in boersche +plompheid ontaardde: en schoon hij den Frieschen tongval bezigde, kon +men aan zijn wijze van zich uit te drukken al ras gewaarworden, dat +hij ook andere landen bezocht had, en in hun talen geen vreemdeling +was. Zijn buitengewone bekwaamheden hadden hem dan ook sinds lang +de achting en het vertrouwen zijner landgenooten doen verwerven; +want niet slechts was de Heer van Aylva (dus was zijn naam) geroepen +geweest, om de waardigheid van _Olderman_ of eersten ambtenaar in de +stad Leeuwarden te bekleeden; maar ook was hij tot lid benoemd van +de zending, welke nu Frieslands belangen bij den Graaf kwam behartigen. + +De derde persoon was aan het lager einde der tafel geplaatst, niet, +gelijk de beide vorigen, in een gemakkelijken leunstoel, maar op +een nederig houten schabelletje, en droeg eenvoudig het gewaad der +Benedictijners. Zijn magere, door onthouding en studie vervallen en +verbleekte gelaatstrekken, duidden schranderheid van geest en vastheid +van karakter aan, en zijn daden hadden deze uiterlijke kenteekenen +nooit gelogenstraft. Schoon geene waardigheid in de Sint-Odulfsche +_hiërarchie_ bekleedende, oefende hij over zijn broeders dat gezag +uit, hetwelk de min verhevene zielen onmisbaar onderwerpt aan den +invloed van de zoodanigen, die met rijkere vermogens van verstand +en geest door het Opperwezen begiftigd zijn:--en geen besluit werd +ooit genomen, geene benoeming gedaan, geen brief van eenig aanbelang +geschreven, waar broeder Syard niet over geraadpleegd werd. Daar hij +zich echter nooit op zijn meerdere bekwaamheid liet voorstaan, en +noch eer- noch heerschzucht, maar slechts dienstvaardigheid en ijver +voor het belang der orde zijn daden bestuurden, was hij de afgunst en +jaloezie zijner broederen ontgaan. De nederige wijze, waarop hij in +zijn raadgevingen en hulpbetoon altijd zich zelven op den achtergrond +plaatste, en het genomen besluit niet als uit zijn brein gesproten, +maar als een gevolg van het algemeene gevoelen der vergadering deed +voorkomen, had hem niet slechts de toegenegenheid der broederen, +maar ook de gunst van den Abt gewonnen. Deze, vol vertrouwen in zijn +eigene kunde en bekwaamheden, en overtuigd, dat een Abt van Sint-Odulf +onfeilbaar moest zijn, wist zich zelven altijd op te dringen, dat er +nooit een ander besluit werd aangenomen, dan hetgeen hij aan de hand +gedaan had, en dat Syard altijd juist den raad gaf, welken hij zelf +voornemens was aan te bevelen. Het gevolg hiervan was, dat hij zijn +eigen oordeel hoe langer hoe hooger schatte, terwijl hij gewoon was +van den monnik te zeggen: "broeder Syard is een vroom en getrouw man, +die mijn bedoelingen en inzichten volkomen weet te vatten. Zoo hij wat +meer overwicht bij de broeders bezat, zou hij niet ongeschikt zijn, +om den ouden broeder Prior te vervangen." + +Het was dan ook geenszins uit gebrek aan zelfvertrouwen, of uit een +gevoel van behoefte aan de raadgevingen van broeder Syard, dat de +Abt hem met zich genomen had op zijn reis naar Holland: een andere +oorzaak had hiertoe aanleiding verschaft. + +Reeds sedert een geruimen tijd waren in Friesland de twee partijen +ontstaan, van welke ik hierboven heb gewag gemaakt, en welke zich +omtrent het jaar 1280, nadat zij lang zonder bepaalde leuzen gewoed +hadden, door onderscheidene teekenen, levenswijs, en de benamingen van +Schieringer en Vetkooper, van elkander onderscheidden. De Vetkoopers +waren, gelijk later de Kabeljauwschen in Holland, de voorstanders +der zich langzamerhand ontwikkelende nijverheid, en hun leus werd +voornamelijk door de ingezetenen der steden, en door de nieuw opgekomen +geslachten gevolgd; terwijl de partij der Schieringers uit den hoogen +adel en de aanhangers van het oude bestond. + +Dan, het waren niet slechts de edelen en steden, die deel namen +in dezen noodlottigen burgertwist: ook de kloosters, die in groot +aantal in Friesland bestonden, mengden zich daarin en ontzagen zich +niet, somtijds de partij, welke zij aankleefden, gewapenderhand te +staven. Zoo bestond er onder anderen een geweldige veete tusschen +het klooster van Lidlum en dat van Bloemkamp, welke beide in rijkdom +en aanzien wedijverden, en waarvan het eerste de Vetkoopers, het +laatste de Schieringers aanhing. Seerp Van Adeelen, wiens goederen +aan de abdij van Bloemkamp paalden, had dit gesticht zijn bijstand +toegezegd, en Lidlum werd met een vernielingsoorlog bedreigd, toen de +Abt van Sint-Odulf aan de twistende partijen zijn bemiddeling in de +gerezene geschillen door het orgaan van broeder Syard liet aanbieden, +aan welken laatste het werkelijk gelukte, door zijn krachtige vertoogen +en de herhaalde gesprekken, welke hij met de beide kloostervoogden +en met Adeelen hield, de verzoening tusschen hen te bewerken. De +monnik had zich bij die gelegenheid het vertrouwen des onrustigen +jongelings verworven, en toen kort daarna deze laatste met den Heer +van Aylva en den Abt van Sint-Odulf naar Holland werd afgevaardigd, +en deze zijn voornemen te kennen gaf om een der broeders met zich te +nemen, om als klerk bij het gezantschap te dienen, was het niet vreemd +dat Adeelen hem verzocht zijn keuze te dien einde op broeder Syard +te vestigen, hetgeen de Abt gereedelijk toestemde, daarbij tevens +aanmerkende, dat broeder Syard wel geen man van hooge vlucht was, +maar doorgaans zijne bedoelingen goed begreep en zeer bruikbaar was +tot allen zoodanigen arbeid, die ijver en nauwgezetheid vereischte. + +Indien er eenig onderhoud tusschen de drie personen, wier aanduiding +wij thans gegeven hebben, had plaats gehad, het was, naar het scheen, +sedert een geruimen tijd afgebroken. Op het gelaat van den Edelman +zoowel als op dat van den Abt was ontevredenheid en bezorgdheid te +lezen, uit een gelijke oorzaak gesproten, maar naar het karakter der +beide personen verschillend gewijzigd. Het was duidelijk te zien, +dat de Heer van Aylva ongerust was over het uitblijven van Seerp, +wiens aard hij kende: en de blik, welken hij nu eens naar de deur, +en dan weder op den monnik wierp, gaf te kennen, dat hij gaarne +gezien zoude hebben, dat deze hun wegblijvenden ambtgenoot eens zou +gaan opzoeken. Doch de vrees, dat Adeelen een dusdanige bezorgdheid +wellicht ten kwade zou duiden, en opvatten alsof men hem voor een kind +aanzag, dat niet op zijn tijd te huis komt, weerhield hem om woorden +aan zijn gedachten te geven. Wat den Abt betrof, diens oogen vestigden +zich ook menigmalen op de deur, doch meer nog op het tinnen bord, +dat voor hem geplaatst was: want het was noen, en de gewone tijd om +het middagmaal te gebruiken reeds aangebroken: men wachtte slechts op +Adeelen, en de Abt, die in zijn convent niet gewoon was naar iemand +te wachten, vond zich hooglijk geraakt en ontevreden, dat er nog met +het maal geen aanvang kon gemaakt worden. Maar ook hij weerhield zich +lang eer hij zijn gedachten uitte, het onvoegzame beseffende, dat hij, +een geestelijke, de eerste zijn zou om te klagen over een vertraging, +welke zijn wereldlijke ambtgenoot alsnog met gelatenheid verduurde. + +Eindelijk werd de beproeving te sterk voor het geduld des vromen mans: +"ik weet niet," zeide hij, "of de regelmatigheid, aan welke ik in +mijn klooster gewend ben, mij heden in de war brengt; maar mij dunkt, +onze vriend had reeds te huis moeten zijn. Hij wilde slechts even +een wandeling doen door den Hout, om zijn eetlust wat op te wakkeren, +die echter geene buitengewone vermoeienissen noodig heeft om goed te +zijn: en ziedaar! het is reeds anderhalf uur geleden, dat hij uit is +en uitblijft. Het is hem zeker ontschoten, dat de spijze niet deugt, +wanneer zij te koud of te gaar is." + +"Wij zouden iemand kunnen uitzenden om hem aan de klok te herinneren," +zeide Aylva: "ik heb Feiko hedenmorgen verlof gegeven, om naar +Haarlem te gaan: wellicht heeft hij onzen ambtgenoot ontmoet!"--en +een zilveren fluitje, dat om zijn hals hing, aan den mond zettende, +blies hij een paar schelle noten. + +Een dienaar verscheen. + +"Waarom komt Feiko niet, wanneer ik fluit?" vroeg Aylva met eenige +ontevredenheid. + +"Feiko is hedenmorgen met Sytsken uitgegaan," was het antwoord: +"en geen van beiden is nog terug." + +"'t Is vreemd!" hernam de Olderman: "Feiko is anders niet gewoon, +misbruik te maken van mijn goedheid." + +"En is Seerp Van Adeelen ook nog niet terug?" vroeg de Abt haastig: +"'t schijnt dat wij vandaag niet zullen eten." + +"Het zou zeker onaangenaam zijn te moeten wachten tot de Jonker van +zijn wandeling ware teruggekeerd, maar erger nog ware het, indien +wij ons zonder hem naar den Graaf moesten begeven." + +"Erger!" herhaalde de Abt: "ik zie niet, mijn waarde Heer! met welken +grond gij dit erger kunt noemen. Het ware gewis te wenschen, indien +die woeste knaap, die nimmer gelijk gij of ik in de gelegenheid is +geweest met Vorsten en Heeren om te gaan, stil te huis kon gelaten +worden en zich nooit behoefde te vertoonen aan dit hof, waar zijn +plompheid en woelzucht ons van gedurige schaamte zal doen blozen, +zoo zij ons niet in ongeval brengt." + +Vermoeid van dezen langen volzin te hebben uitgesproken, schonk zich de +Abt een vollen beker in uit de kan met Rijnwijn, die voor hem stond: +en dien aan den mond brengende, lichtte hij hem er niet af dan nadat +hij den ganschen inhoud in zijn maag had overgegoten. + +"'t Ware toch misschien voorzichtigst," zeide Aylva, "een paar dienaars +uit te zenden, om onzen ambtsbroeder op te sporen: hij kan verdwaald +zijn: misschien is hem een ongeluk overkomen." + +"Dienaars uitzenden!" zeide de Abt met een angstig wezen; "wij hebben +waarlijk niet te veel knapen in huis: en zoo er hier eens van die +rauwe kermisgasten aankwamen om ons arme vreemdelingen te overvallen, +waren wij van alle hulp ontbloot." + +Vader Syard rees van zijn zitplaats op. + +"'t Is waar," zeide hij, "dat indien de edele Seerp Van Adeelen in +twist geraakt is, het misschien gewaagd zou zijn, dienaars uit te +sturen, wier kleedij hen zou doen herkennen en in 't zelfde leed +brengen, zonder dat zij van eenig nut zouden kunnen zijn. Ik bied +mij aan, hem te gaan opzoeken. Mijn gewaad zal mij althans overal +ter bescherming zijn." + +"_Optime! carissime frater_," zeide de Abt: "gij begrijpt mij volkomen: +ziedaar juist wat ik u vragen wilde. Tracht eenig naricht in te +winnen en breng het verloren schaap, _ovem deperditam_, weder in de +kooi terug. Zeker heeft hij hier of daar weder twist gezocht, gelijk +hij zoo dikwijls doet, en waar de monniken van Lidlum van weten te +getuigen. Seerp Van Adeelen is ongemakkelijk als hij begint, en hadt +gij, broeder Syard, met hem indertijd niet gesproken, gelijk of ik +zelf het gedaan had, de zaken waren zoo gemakkelijk niet afgeloopen +voor onzen Lidlumschen broeder." + +Nauwelijks had de Abt gedaan met spreken, of de man, die het onderwerp +van het gesprek had uitgemaakt, trad met drift de kamer in, smeet +de deur achter zich toe en wierp zich zonder een woord te spreken in +een armstoel. + +"Goede hemel! wat is er gebeurd?" vroeg de Abt, vervaard over zijn +uitzicht: "waar hebt gij gezeten? en hoe komt gij aan die geweldige +kleur? Gij zult een _calmans_ moeten nemen, waartoe ik kan aanbevelen +een gelijkelijk mengsel van salpeter, kreeftsoogen en zout, een +middel, waarbij broeder Bonifaas, die wat schrikachtig is, zich bij +het laatste oproer zeer wel bevonden heeft." + +Adeelen zweeg; doch toonde door het inzwelgen van een teug wijns, dat +hij vooralsnog van het aangeprezen recept geen gebruik dacht te maken. + +"In waarheid," vervolgde de Abt, "zoo ik mij niet bedrieg, uw kleederen +zijn bebloed en gescheurd, als waart gij met de Vetkoopers aan den +gang geweest." + +"Het verheugt mij u te zien," zeide Aylva, zijnen ambtgenoot de hand +reikende: "ik hoop slechts niet, dat gij u in ongelegenheid hebt +bevonden:--hoewel ik vrees dat dit het geval is geweest." + +"Nu geen woord," riep Adeelen met drift: "aan tafel!--daarna zal +ik u alles verhalen:--'t is niet, dat de zaak zelve van belang zij, +doch men kan er ten minste uit opmaken, hoe men hier over ons denkt." + +"Ja gewis! aan tafel!" zeide de Abt: "gij zijt lang genoeg uitgebleven +om uw honger te scherpen: en den onzen ook, dat beloof ik u." + +Zoodra dit verlangen geüit was, verliet de dienaar, die nog altijd +binnengebleven was, het vertrek en keerde spoedig met zijn makkers +terug, die het middagmaal aanbrachten. + +"Mij dunkt, gij zijt er ook niet zonder kleerscheuren afgekomen," +zeide Aylva met een ontevreden blik tegen Feiko, die zich mede onder +de dienaars bevond. + +"Ik verzeker UEd.," zeide Feiko, "dat zonder Jonker Seerp uw trouwe +Feiko hier geen schotel zoude binnenbrengen." + +"Ik ben hem dank verschuldigd," zeide Aylva: "doch hiervan straks +nader:--wij moeten het geduld van onzen waardigen Vader Abt niet +langer op de proef stellen." + +Het middagmaal werd nu opgedragen, waaraan de monnik en de dienaars, +naar het toenmalig gebruik, mede deelnamen, ofschoon aan een +bijzondere, langwerpige tafel, terwijl de Afgevaardigden aan de schijf +bleven zitten. Een ledige stoel, die zich nog aan deze laatste bevond, +werd op last van Aylva weggenomen. + +"Hoe!" vroeg Adeelen, zoodra hij dit opmerkte: "krijg ik hedenmiddag +mijn gewone buur niet aan tafel?" + +"Madzy heeft verkozen, dezen middag haar kamer te houden," antwoordde +Aylva: "zij klaagt over hoofdpijn." + +"Ik hoop, dat die spoedig zal geweken zijn," zeide de Abt: "maar zou +haar in allen gevalle raden eenige druppels vitriool te gebruiken, +opgelost in dun bier, welk middel ik last zal geven dat men voor +haar bereide." + +"Is 't mogelijk dat zij ongesteld is?" zeide Adeelen: "na al de bekers, +die ik gisteren op haar gezondheid geledigd heb." + +"Ik geloof zelfs dat gij er te veel geledigd hebt," zeide Aylva, +"en dat dit juist de oorzaak is van haar wegblijven. Wie het hart +van een vrouw wil winnen," voegde hij er halfluid bij, "moet beginnen +met zich zelven te betoomen: en dat deedt gij gisteren niet." + +"Hoe!" riep Adeelen: "is het nufje verstoord, omdat ik haar een +onnoozelen kus heb willen geven naar Friesche wijs, toen de _Siward_ +werd opgeroepen." + +"Er werd geen _Siward_ opgeroepen," zeide de Abt: "ik was het, die +Broeder Syard riep en dit hebt gij verkeerd verstaan." + +Ter verklaring van dit gezegde moet ik den lezer het oude gebruik +op de Friesche maaltijden herinneren om een opziener, _Siward_ +(waarschijnlijk hetzelfde als het Engelsche _Stewart_) te verkiezen, +die zorg moest dragen dat er geene ongeregeldheden geschiedden. Telken +reize als de naam _Siward_ gedurende den maaltijd werd opgeroepen, +stond het den gasten vrij de naast hen gezeten vrouwen of meisjes +te kussen: en Adeelen had den vorigen dag, naar het schijnt, van dit +voorrecht, hoewel te onpas, gebruik willen maken. + +"Al had ik u verkeerd verstaan," zeide Adeelen: "dat was geene zaak +om daarover alarm te maken, althans daar wij allen meer of min door +den wijn verhit waren." + +"Veroorloof mij, u te doen opmerken," zeide de Abt, "dat noch de +edele Olderman, noch ik, noch Broeder Syard eenigszins de grenzen +eener betamelijke welvoeglijkheid zijn te buiten gegaan." + +"Broeder Syard!" hernam Adeelen, den monnik van ter zijde aanziende: +"ik geloof het waarachtig wel!--de vrome man drinkt nooit iets +als water." + +"Broeder Syard handelt wijselijk en wel," zeide de Abt: "waren +alle monniken hem gelijk, mijn vrome broeder de Abt van Lidlum ware +niet vermoord geworden door zijn eigen monniken, omdat hij hun het +wijndrinken beletten wilde." + +"Voorwaar!" zeide Adeelen, luidkeels lachende: "met uw vriendelijk +verlof, dat was ook een gestrengheid, welke niet veel beter verdiende, +en welke gij, Heer Abt, wel nooit in 't werk zult stellen." + +"Een weinig wijns is nuttig," zeide de Abt: "want wat zegt de apostel: +_modico vino utere_, en ik heb altijd vrede en eensgezindheid onder +de kudde van Sint-Odulf weten te bewaren, door den wijn niet geheel +te verbieden, doch de onthouding daarvan aan te bevelen: en broeder +Syard, die door zijn voorbeeld de matigheid aanprijst, vervult volkomen +mijne bedoelingen." + +"Mij dunkt, edele Seerp," zeide Aylva, na een ruim stilzwijgen, +gedurende hetwelk de Abt zich van het langdurig verwijl, en Adeelen +van het hem wedervaren ongeval op de voor hen staande spijzen krachtig +hadden gewroken, "mij dunkt, hetgeen gij reeds gebruiktet, moet u +de verloren krachten eenigszins terug hebben gegeven en u in staat +gesteld, onze nieuwsgierigheid te voldoen, door ons een verslag te +schenken van uw wedervaren." + +De dienaars rezen op en vertrokken, en vader Syard maakte zich uit +bescheidenheid gereed om hun voorbeeld te volgen, toen Adeelen hem +verzocht weder te gaan zitten, daar men zijne hulp als klerk van het +gezantschap waarschijnlijk behoeven zoude. + +Adeelen deed vervolgens zijn verhaal, hetgeen door de aanwezigen +met aandacht en belangstelling werd aangehoord. Zoolang het +duurde scheen de Abt eenigszins onzeker of hij het gedrag, door +den verhaler gehouden, al of niet moest goedkeuren; want ondanks +zijn zelfvertrouwen, wanneer hij eenmaal een besluit genomen of een +oordeel geveld had, had de goede Abt een bepaalden leiddraad noodig +aleer hij zooverre kwam: hij zag dan ook beurtelings den Olderman +en vader Syard steelswijze aan: het onverwrikbare gelaat van den +monnik gaf hem geene hulp; doch toen op het voorhoofd van Aylva zich +eenige rimpels vertoonden, welke ontevredenheid schenen aan te duiden, +trok ook de Abt de wenkbrauwen samen en loosde, toen Adeelen zweeg, +een diepen zucht. Er was een oogenblik stilte. + +"Ik moet erkennen," zeide eindelijk Aylva, "dat ik aan u verplichting +heb voor de edelmoedige wijze, waarop gij mijn dienaar zijt +bijgesprongen. Gij hebt u als een waren Fries betoond, zoo niet als +iemand, die met een gewichtige zending is belast. Wel is waar, gij +hebt een weinig onvoorzichtig gehandeld, door u tegen de overmacht, +en, wat meer zegt, tegen de overheid te verzetten, maar wie zou een +zoodanige onvoorzichtigheid niet gaarne verschoonen? Bedaardheid en +kalm overleg van jeugdig bloed te wachten, ware even ongerijmd als +dat men den zoeten smaak van den room in een hoorn vol hoppebier +wilde zoeken. Ik ben ook jong geweest en zou waarschijnlijk niet +anders hebben gehandeld dan gij.... alleen spijt het mij, dat gij +die Ridders, die u ontzet hebben, niet op ons maal genoodigd hebt." + +"Dat zij in Friesland komen!" riep Adeelen uit, met kracht zijn +drinkhoorn opvattende: "komen zij als vrienden, Adeelastins [4] +staat voor hen open: komen zij als vijanden, ik zal hun den trots, +die hen bezielt, verleeren." + +"Hoe!" zeide Aylva, hem met verbaasdheid aanziende: "de dienst, dien +zij u bewezen, schijnt weinig dankbaarheid bij u te hebben verwekt." + +"Ik haat hen dubbel!" zeide Adeelen, "om dien dienst zelven. Wat +kon mij erger overkomen, bij de eeuwige veete, die ik tegen alle +Hollanders voede, dan weldaden van hen te genieten?" + +"Indien u dusdanige gevoelens bezielen," zeide Aylva, op een scherpen +toon, die hem anders niet eigen was, "dan verwondert het mij, dat +gij een zending op u hebt genomen, die geheel van een vredelievenden +aard is: althans zoo beschouw ik die en ook, geloof ik, de eerwaarde +Vader Volkert." + +"Voorzeker," zeide de Abt: "onze zending is geheel vredelievend!" + +"Het betaamt mij niet, uwe bedoelingen te beoordeelen," zeide Adeelen: +"wat mij betreft, ik weet wat mijn lastgevers van mij verwachten;--maar +hoe dit ook zij, ik vertrouw, gij zult nimmer van mij vergen, dat +ik het ontzag, aan Afgevaardigden verschuldigd, in mijn persoon zal +laten hoonen: en dat een ernstig vertoog, door ons drieën bij den +Graaf ingeleverd, mij recht zal verschaffen van de schelmen, die mij +zoo onbeschaamd hebben aangerand." + +"'t Is zeker," merkte vader Volkert aan, "dat onze waardigheid +dergelijke onbetamelijkheid niet dulden kan; maar onze zending is +vredelievend, gelijk ik gezegd heb: en daar blijf ik bij." + +"Zoudt gij dan begeeren," vroeg Aylva, zich met eenige bevreemding +tot Adeelen wendende, "dat de Graaf om uwentwille die dorpers liet +opknoopen? Ware een dergelijke wraak een Edelman als gij zijt niet +onwaardig?" + +"Gij hebt gelijk," antwoordde Adeelen: "en ik verlang ook geenszins, +dat er om mij te gelieven eenig boer of burger tot spijs der raven +verstrekke;--doch het zijn voornamelijk de poorters van Haarlem, +die mij beleedigd hebben; en hun stad moet voor hen instaan. Laat +een bezending uit de Overheden mij om verschooning komen vragen, +en ik zal de zaak als afgedaan beschouwen; doch ontvang ik geen +genoegdoening, zoo verklaar ik onze zending afgeloopen, en vertrek +morgen weer naar Friesland." + +Niettegenstaande zijn ontevredenheid over den dwazen eisch van Adeelen, +kon Aylva den glimlach niet terughouden, welken diens buitensporige +taal hem afperste: zijn gelaat nam echter spoedig weder een ernstiger +plooi: maar gevoelende, dat hij, door Adeelen tegen te spreken, +slechts olie in het vuur zoude gieten, hernam hij op een minzamen toon: + +"Ik dacht, gij hadt ons verhaald, dat de zaak door tusschenkomst van +'s Graven edellieden was bijgelegd en dat gij over en weder vrede +beloofd hadt." + +"Ik weet wat ik beloofd heb," zeide Adeelen met trotschheid, "en +zal het ook nakomen; maar ik heb niet beloofd, geene genoegdoening +te zullen eischen. Gij hebt mij, hoop ik, verstaan, mijne Heeren! en +gij ook, Vader Syard! ik zal u verzoeken, een vertoog in den zin als +ik het bedoel op het papier te stellen." + +Dit zeggende, keek hij den monnik aan, die hem van zijn kant insgelijks +aanstaarde met een strakken blik, die zoowel bevreemding als ongenoegen +teekende. + +"Hebt gij mij niet begrepen?" hernam Adeelen, bij wien die wijze van +aanzien eenigen wrevel verwekte. + +"Ik wacht," antwoordde de monnik, "dat de eerwaarde vader Abt en de +Olderman mij mede hun wil doen verstaan." + +"Recht zoo!" zeide vader Volkert: "ziedaar juist wat ik wilde gaan +zeggen. Seerp Van Adeelen is niet alléén afgevaardigd, en mij dunkt +dat wij, in een zaak van dat gewicht, niet naar zijne pijpen behoeven +te dansen, om mij van een wereldsche uitdrukking te bedienen. Wat +dunkt er den waardigen Olderman van?" + +"Ik heb er niets bij te voegen," zeide Aylva, "dan alleen dit, dat, +zoo Seerp Van Adeelen zich beleedigd acht, niets hem belet, zich bij +den Graaf te beklagen, mits hij dit in zijn eigen naam en niet als +Afgevaardigde van Friesland doe." + +"En het is op deze wijze," riep Adeelen uit, terwijl hij de +van gramschap vonkelende oogen van den eenen op den anderen liet +rondgaan, "dat gij de eer van onzen landaard ophoudt? een landsman, +een mede-afgevaardigde laat gij straffeloos hoonen en weigert gij +uwe medehulp, wanneer hij vergoeding eischt. Vervloekt zij de dag, +toen mijn landsluiden hunne keus op mij lieten vallen! vervloekt het +uur, dat ik mij die liet welgevallen! vervloekt de heele zending, +waarvan ik mij nooit iets dan rouw voorspeld heb." + +"Bedaar Adeelen!" zeide de Olderman, "en bedenk u tweemalen, eer gij +om een bijzondere zaak die van Friesland in de weegschaal stelt. Noch +de hoon u aangedaan, noch uwe jonge jaren, zouden u tot verschooning +kunnen strekken, indien gij in dit geval meer gehoor gaaft aan uw +drift dan aan het belang uwer landslieden." + +"Mijn jonge jaren!" herhaalde Adeelen: "zoo spreekt men altijd!--Men +is altijd te jong of te oud. Ik heb toch de drie kruisen achter den +rug en ben toch geen kind meer, al hebt gijlieden wat langer in de +wereld rondgetuimeld. En gij moest niet vergeten, dat de stem mijner +landgenooten mij gelijke rechten heeft toegekend als aan u: en dat, +wanneer ik spreek, ik het in hunnen naam doe." + +"En gelooft gij dan," zeide Aylva, terwijl zijn oogen getuigden van de +edele verontwaardiging, die hem bezielde: "gelooft gij, dat ik minder +dan gij ons Vaderland en onze eer bemin? Neen, indien ik de dwaasheden +wensch te voorkomen, waartoe een kwalijk begrepen eerzucht u aanspoort, +het is omdat ik sidder voor de gevolgen, welke zij voor Friesland +kunnen teweegbrengen. Ik weet, dat gij er u niet over bekommert, of uw +beklag een vredebreuk doet ontstaan: dat gij zelfs niets wenschelijker +zoudt achten dan een oorlog tegen den Graaf; doch ik weet tevens, +dat het ons niet geoorloofd is, om ter voldoening aan bijzondere +wenschen en inzichten de fakkel der verwoesting in ons vaderland te +brengen en alle onze landgenooten in een wis verderf te storten." + +"Gij verkiest dus des Graven boeien, welke hij niet eens meer de +moeite neemt van te vergulden, boven de vrijheid?" zeide Adeelen. + +Aylva haalde zuchtend de schouders op: "ik zie, waarde Seerp!" zeide +hij: "dat uw ontmoeting van heden u van alle kalmte en bedaardheid +heeft ontbloot: en die zijn echter noodig wanneer men een zoo gewichtig +onderwerp bepraat:--wij zullen dus hier liever afbreken. Ik ga mij +kleeden, ten einde vaardig te zijn om aan des Graven noodiging te +voldoen. Vaarwel!" + +Met deze woorden rees de Olderman op en begaf zich uit de kamer: +een voorbeeld, dat terstond door den Abt gevolgd werd, die weinig +lust gevoelde om den woordenstrijd met zijn halsstarrigen ambtgenoot +te vervolgen. Adeelen bleef dus alleen met vader Syard. + +Deze stond bedaard, met de armen kruiselings over elkander geslagen, +den onstuimigen jongeling aan te zien, die, in zijn leunstoel +neergezonken, met de beenen uitgestrekt en de vuisten krampachtig +gesloten, scheen te zullen stikken van woede. Eindelijk sprong Adeelen +met woestheid op, ging vlak voor den monnik staan en zag hem met +fonkelende oogen aan. + +"Ik achtte u een echten Fries, monnik!" zeide hij. + +"Ik heb niets gedaan, voor zooverre ik weet," zeide vader Syard, +"waarmede ik dezen naam zou verbeurd hebben." + +"Gij," vervolgde Adeelen, "gij, die mij aanspoordet vrede te maken met +den Abt van Lidlum, ten einde de Hollander geen gebruik zou maken van +onze verdeeldheden! gij, die mij den raad geeft, mij met de Vetkoopers +te verzoenen en de wapens niet te gebruiken dan tegen onzen algemeenen +vijand, gij weigert een vertoog voor mij op te stellen, hetwelk niet +nalaten kon een gewenschten oorlog teweeg te brengen." + +"Gelooft gij dan," zeide de monnik, "dat uwe mede-afgevaardigden +dat vertoog zouden hebben willen goedkeuren? Zoo gij waant op +een dergelijke wijze het doel te bereiken, waar gij naar streeft, +bedriegt gij u zelven. Of waant gij in staat te zijn, alleen met uwe +bloedvrienden en volgeren, de Hollandsche macht te weerstaan?" + +"Gansch Westergoo zal de wapens opvatten, zoodra ik het zwaard +ontbloot!" + +"Dat valt nog te betwijfelen," hernam vader Syard: "doch zeker is het, +dat noch de Camminga's, noch de Martena's, noch de Beyma's, noch een +der vrienden van Aylva de hand zullen verleggen, wanneer zij vernemen, +dat het niet de zaak van Friesland, maar den bijzonderen wrok van Seerp +Van Adeelen geldt. En wat zal dan het gevolg van uwe oploopendheid +wezen? Niets anders, dan dat Graaf Willem u in ketens slaat, uwe +goederen verbeurd verklaart, en gelijk Koning Rehabeam weleer, in stede +van touwen, schorpioenen gebruikt om er Friesland mede te geeselen." + +"Wij zullen ons in dat geval reeds van nu af aan het juk moeten +gewennen; want èn uw nietige Abt, èn de gedienstige Olderman zijn even +geneigd, blindelings al de vorderingen des dwingelands toe te staan, +mits zij slechts den lieven vrede behouden." + +"Er zal onmisbaar oorlog komen," zeide de monnik: "doch gij zijt +de man niet, die hem verwekken moet. De vreedzame Aylva zelf zal +zich eenmaal genoodzaakt zien, zijne landgenooten ten strijde op te +roepen. Wees tot zoolang bedaard: een te onberaden driftbetoon van uwe +zijde kan alles bederven. Beloof mij, om, eer drie dagen verloopen +zijn, niet daaraan toe te geven: alsdan zal ik u mijne inzichten en +verwachtingen mededeelen." + +"De inzichten en verwachtingen van vader Syard!" zeide Adeelen, +terwijl hij den monnik met een spottenden glimlach van 't hoofd tot +de voeten bekeek. + +"Een kleine worm doorknaagt soms een paal, dien een groote stier +vergeefs poogt omver te stooten, en de verachte monnik zal wellicht +verrichten, wat Seerp Van Adeelen en geheel zijn luisterrijk gezin +nimmer kunnen volvoeren. Doch ga en kleed u: men moet geene Graven +van Holland laten wachten." + +Dit gezegd hebbende, keerde hij zich om en verliet het vertrek. De +Edelman oogde hem een poos vol verbazing na, en begaf zich vervolgens +naar zijn kamer, gedurig nadenkende over de vreemde uitdrukking, +die de monnik gebezigd had, en over den onverklaarbaren invloed, +welken deze over hem uitoefende. + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + + + De schoon-geveêrde Paauw aanhoorde met begeeren + Het Nachtegaelken in de wilgen quinkeleeren, + En werd byna verlieft op 't lieffelyck gezanck + En 't goddelyck musyck, dat uyt de tacken klanck. + + Vondel. Warande der dieren. + + +Ruim een half uur nadat het in het vorige Hoofdstuk vermelde onderhoud +was afgeloopen, wekte een herhaald geklop aan de poort de aandacht van +Feiko, die zich toevallig op het binnenplein bevond. Hij ging terstond +opendoen en herkende de beide Ridders, die hem des morgens uit den +nood hadden geholpen:--"Zijt welkom!" riep hij met een verheugde +stem. "Ik had niet durven hopen u zoo spoedig terug te zien." + +"Bevinden uw meesters zich nog te huis?" vroeg Deodaat, zonder af +te stijgen: "ga hun zeggen, dat wij hier zijn om hen naar 's Graven +jachthuis te geleiden." + +"Ik ga terstond de boodschap doen: hunne Edellieden zullen in +een ommezien gereed zijn. Hier, Sikko! Hidde! luiaards! waar zijt +gij? Brengt de paarden van die beide Edellieden op stal. Gaat binnen, +mijne Heeren! gaat binnen!" + +"Wij kunnen evenzoo goed in den boomgaard wachten," zeide Deodaat, +terwijl hij de teugels van zijn ros eenen dienaar in handen gaf; en, +den arm van zijn vriend nemende, wandelde hij den hof in. + +"Ziedaar ons den geheelen dag in touw, ten gerieve van dat Friesche +gespuis," zeide Reinout op gemelijken toon: "de Graaf had de uitvoering +van dezen lastpost ook wel aan anderen kunnen opdragen." + +"Het is niemands schuld dan de uwe," zeide Deodaat: "wat behoefdet +gij onze ontmoeting van hedenmorgen op het jachtslot te verhalen? De +Graaf heeft ons gezonden, omdat hij begreep, dat wij, wegens den +bewezen dienst, den Friezen de meest welkome geleiders zouden wezen." + +"Vlei u daarmede!--Gij zult zien hoe vriendelijk die Adeelen ons zal +aanzien.... ik zou voorwaar lust hebben hem een poets te spelen: ik +geloof dat ik den kokeler, dien de Gravin voor hedenavond ontboden +heeft, eenige grooten in de hand stop om hem te betrekken." + +"Denk, hoe de Graaf dat op zou nemen; doch van dien kokeler gesproken, +ik ben verlangend te weten of hij behendiger zal wezen dan Paolo. Heugt +het u, hoe die ons, toen wij kinderen waren, met zijn kunsten wist +te vermaken?" + +"Wij waren toen kinderen, en met weinig tevreden:--ik hield niet van +dien Paolo: hij sloeg mij altijd." + +"Ja, omdat gij hem altijd tot overlast waart;--maar of onze heeren +nog niet gereed zijn!" + +"Indien zij niet spoedig komen, rijd ik weer heen," zeide Reinout. + +"Dwaas!" zeide Deodaat: "zij wisten immers niet, dat wij komen +zouden, en 't verwondert mij niet, dat zij lang werk hebben, althans +Adeelen, wiens gescheurde hozen waarschijnlijk naar den snijder +zijn. Intusschen verlang ik naar hun komst; want deze moesbedden zijn +spoedig rondgewandeld en uw gezelschap is alles behalve opbeurend, +in de aangename stemming, waarin gij u bevindt." + +"Stil!" zeide Reinout, hem haastig in den arm grijpende: "luister!" + +"Ik hoor niets," zeide Deodaat. + +"Spreek zacht. Was het geen citer, die daar gestemd werd?" + +"Een citer? Zou het lieve meisje van hedenmorgen ons een serenade +geven, ten einde ons het wachten wat te verzoeten?" + +"Bij onze lieve Vrouwe! men herhaalt het geluid! Dezen hoek om! hier +komt het vandaan." + +Deodaat volgde zijn vriend, en, de kerk omloopende, welke midden +tusschen de andere gebouwen in den boomgaard vooruitsprong, +bevonden zich de beide Ridders voor een klein afzonderlijk huisje, +dat met slechts één, vrij hoog geplaatst raam voorzien was, uit welk +raam de tonen herklonken, die hun ooren hadden getroffen. Aandachtig +luisterden zij; maar hun verwondering klom hooger, toen zij bespeurden, +dat die accoorden slechts het voorspel waren van een lied, hetwelk nu +door een zuivere, smaakvolle stem werd aangeheven. De woorden waren +Friesch en ongeveer van de navolgende beteekenis: + + + Zegt mij, vriendinnen! + Gij die het weet, + Baart ons het minnen + Blijdschap of leed? + Is liefde aan ons leven + Tot vreugde gegeven, + Of stort ze ons in zorgen en pijnlijk verdriet?-- + --Ik weet het niet. + + 'k Hoor alle dagen, + Vroolijk van zin, + Liesken gewagen + Van 't heil der min; + "Zij voert ons tot zegen + Langs bloemrijke wegen. + 't Is hemelsche vreugd, die haar goedheid ons biedt." + --Ik weet het niet. + + Foelkjen daartegen + Klaagt zonder end: + "Ik heb dien zegen + Nimmer gekend. + Nooit vond ik die bloemen, + Waar minnaars van roemen. + Ach! dorheid en dorens is al wat men ziet."-- + --Ik weet het niet. + + Wat Liesken zeide + Had mij verheugd; + Maar Foelkjen schreide: + Weg was mijn vreugd. + Wat moet ik beginnen? + Hoe zullen mijn zinnen + Den twijfel ontgaan, dien heur rede mij liet?-- + --Ik weet het niet. + + 'k Wil niet verhelen, + Of, naar ik gis, + Beî mijn gespelen + Hebben het mis. + Genoegen en smarte + Schenkt liefde aan het harte; + Maar wat weegt nu zwaarder, de vreugde of 't verdriet?-- + --Ik weet het niet. + + +Het gezang had reeds een geruimen tijd aangehouden, toen nog +de beide vrienden in aandachtige stilte onbeweeglijk stonden te +luisteren. Intusschen hadden de betooverende tonen, welke zij gehoord +hadden, op beider ziel een verschillenden indruk gemaakt. Het kalm +gemoed van Deodaat gevoelde zich in die weldadige stemming gebracht, +welke goede muziek altijd teweegbrengt op zielen als de zijne. Hij +was met zich zelven en met de wereld tevreden: en hij verlangde, +ja, de zangster te leeren kennen, welke zoo bevallig, zoo zuiver had +gezongen; doch hij vergat geenszins dat hij in den boomgaard stond van +een voormalig klooster, naast een bed, waarop aardbeziën groeiden. De +bruisende ziel van Reinout daarentegen, aan wien die hemelsche zang +de melodieën van zijn bekoorlijk vaderland herinnerd had, gevoelde +zich in een andere wereld overgeplaatst; hij verbeeldde zich weder +aan den oever van de Etsch of Anio de zuivere accoorden te hooren, +door de welluidende orgelkelen der Italiaansche schoonen met zulk +een onwederstaanbaar vermogen voortgebracht:--een brandend, weelderig +verlangen bedwelmde zijn zinnen: en hij zou op dat oogenblik de wereld +gegeven hebben om die hemelsche zangen, welke hem te meer bekoorden +naarmate hij de woorden minder verstond, nogmaals te hooren, en de +zangeres, die zijn gloeiende verbeelding met al de bekoorlijkheden +van jeugd en schoonheid versierde, aan zijn kloppend hart te drukken +of stervend van genot aan haar voeten neder te zinken. + +"Waarlijk"--zeide eindelijk Deodaat: "het wachten zou mij nooit +vervelen, indien ik altijd op een dergelijke muziek werd onthaald, doch +hoe is het met u? droomt gij? of heeft dat lied u in slaap gemaakt? Gij +zijt beter kenner dan ik; maar mij is het zeer goed bevallen!" + +"Zeer goed!" herhaalde Reinout opstuivende: "en gij durft zeggen: +zeer goed!" + +"In waarheid," hernam Deodaat: "voor zooverre mij scheen, was de +stem volkomen zuiver en ontbrak het der zangster niet aan gevoel; +misschien zult gij zeggen, dat zij nog eenige leiding behoeft, om....." + +"Zeer zuiver!.... geen gebrek aan gevoel!.... Deodaat! gij zijt +de armzaligste, smakelooste aller menschen. Zijt gij een zoon van +Italië? Ik heb er dikwijls aan getwijfeld; doch nu ben ik zeker +van het tegendeel. Kunt gij zoo flauw, zoo afgepast spreken van +de goddelijkste accoorden, die ooit menschenooren troffen. Die +zangster was geen schepsel van klei en water: het was een engel, +een heilige!--Santa Maria!--Zeer zuiver!.... veel gevoel!" + +"Nu, wind u zelf maar zoo niet op: ik zal alles gaaf toestemmen, +ofschoon het mij spijten zou, indien die lieve stem aan eenig ander +dan een menschelijk wezen toebehoorde; want ik zou gaarne kennis maken +met de zangster: en met engelen of heiligen ware ik misschien minder +op mijn gemak;--doch hoe komt zulk een virtuose in 't gezelschap dier +plompe Friezen?--de nachtegaal bij de kikkers?" + +"Spreek mij niet van die Friezen.--Hoe kunt gij mijn zoete droomen +door het noemen van zulke onbehaaglijke voorwerpen zoo wreedaardig +verstoren?" + +"Om u des te beter het dwaze uwer opgetogenheid te doen gevoelen. Wie +weet, die zangster is wellicht eene dier logge, rondwangige, +flauwoogige, plompe Friesche deernen, waar gij hedenmorgen niets van +wildet hooren." + +"Zoo gij een ander waart dan Deodaat," zeide Reinout, half boos en +half lachende, "zou ik u uitdagen tot een gevecht op leven en dood, +dat gij zoo kwalijk spreekt van iemand, die ik van heden af voor +mijne jonkvrouw verkies." + +"Des te beter," zeide Deodaat: "want wij zouden ook geen tijd voor +een kamp hebben, vermits de Friezen hun middagslaapje schijnen gedaan +te hebben; althans daar komt er een naar ons toe. In waarheid! die +schijnt iets menschelijks te bezitten! Ik geloof waarachtig, dat hij +een beschaafd voorkomen heeft." + +Hij bedroog zich niet; want het was de Heer van Aylva, die, in een +donkerkleurig gewaad uitgedost, dat de waardigheid zijner houding +nog beter deed uitkomen, naar hen toetrad. + +"Het doet mij leed, edele Ridders!" zeide hij: "dat de onwetendheid, +waarin wij verkeerden, dat ons verblijf door u met een bezoek zou +vereerd worden, oorzaak is geweest dat gij u eenigen tijd zult +verveeld hebben." + +"O! wat dat betreft," zeide Deodaat haastig: "wij hebben ons geen +oogenblik verveeld:--gij bezit hier voortreffelijke middelen tot +tijdkorting."--Hier trapte hem Reinout op den voet om hem te doen +zwijgen. + +"Ik heb," vervolgde Aylva, "den dienst vernomen, welken gij aan mijn +reisgenoot en aan een mijner dienaars bewezen hebt: en ik bid u, +de betuiging mijner oprechte dankbaarheid aan te nemen. 't Is door +dergelijke hulpbetooningen, dat de wederzijdsche vriendschap tusschen +Hollanders en Friezen meer en meer zal bevestigd worden, en dat onze +taak, welke daarheen leiden moet, aangenaam en gemakkelijk worden zal." + +De twee jongelingen zagen elkander aan, als verwonderd over zooveel +minzaamheid en beschaafdheid bij een Fries. + +"Maar ik mag u niet langer ophouden," zeide Aylva: "zijt zoo goed +mij naar het binnenplein te volgen, waar mijn mede-afgevaardigden u +reeds verwachten." + +De Ridders volgden op deze uitnoodiging den Olderman, doch niet +zonder meermalen om te zien naar het raam, waaruit het lied zich +had doen hooren; evenals scholieren, die een poppenkast niet dan +schoorvoetende verlaten, wanneer het uur van schooltijd slaat. + +Vergeefs! niets deed zich aldaar bespeuren en zij moesten voor het +oogenblik de hoop opgeven, om van haar, wier gezang hen verrukt had, +ook het gelaat te leeren kennen. + +Op het binnenplein vonden zij den Abt van Sint-Odulf, in een half +geestelijk, half wereldsch gewaad, en niet, zooals de kerkvoogden +in andere landen, op een muilezel, maar op een zwaar, wel doorvoed +Friesch paard gezeten, terwijl Adeelen een prachtigen witten hengst +van reusachtige gestalte onder zich deed huppelen, en een zestal +dienaars, mede te paard, hem omringden. Adeelen en de beide Ridders +groetten elkaar met die gedwongene beleefdheid, welke doorgaans +plaats vindt tusschen den verplichte en den verplichter, wanneer zij +elkander niet lijden mogen. De Abt was daarentegen recht uitbundig +in zijn welkomstgroet: en zich in zegepraal de handen wrijvende, +reed hij Aylva, die inmiddels op een klein bruin blesje gestegen +was, op zijde: "ik had het wel gedacht," fluisterde hij hem in: +"broeder Syard heeft den wenk begrepen, dien ik hem bij het verlaten +der eetzaal gegeven heb: hij is gebleven en heeft Seerp Van Adeelen +tot betere gedachten gestemd." + +"Mij dunkt," zeide Aylva, lachend om zich heen ziende, tegen Adeelen: +"dat wij dien sleep van dienaars wel te huis kunnen laten. De weg van +hier tot aan de Vogelesang zal, hoop ik, wel veilig zijn: en al ware +hij het niet, onder uwe bescherming en die van deze waardige Ridders +geloof ik niet, dat wij twee oude lieden iets te vreezen hebben." + +Adeelen was op het punt, hem te antwoorden, dat hij voor zich meer +reden tot argwaan dan tot geruststelling zag in het gezelschap van +'s Graven dienaars; hij bedwong zich echter en antwoordde op een +koelen toon: + +"'t Is zooals het u goeddunkt:--ook dient er wel iemand hier te +blijven om te waken voor hetgene wij te huis laten." + +"Gij ziet," fluisterde Deodaat Reinout in, "met welk een zorg zij +hun _harem_ wenschen te bewaren." + +Reinout antwoordde niets; doch, zich op de lippen bijtende, zag hij +Adeelen met een verstoorden blik aan. + +De dienaars nu, op een viertal na, weggezonden hebbende, begaf de +geheele stoet zich op weg. + +"Is het ons veroorloofd," zeide Aylva, onder het voortrijden, "de namen +te vragen der edele Ridders, aan wie wij heden dubbel verplicht zijn?" + +"Het smart mij," antwoordde Deodaat, "dat het vermelden daarvan u +weinig bevredigen zal, daar onze namen u waarschijnlijk onbekend in de +ooren zullen klinken. Mijn vriend heet Reinout, ik Deodaat van Verona." + +"Verona!" herhaalde Aylva, verbleekende en Deodaat met ingespannen +verwachting aanstarende: "Zijt gij van Verona geboortig?" + +"Wij zijn te Bononië opgevoed bij den edelen Carlo della Scala," +viel Reinout haastig in, een hem altijd onaangenaam onderzoek naar +zijn geboorte willende vermijden. + +Aylva zweeg, en een sombere droefgeestigheid verspreidde zich over +zijn wezen. Hij scheen echter nog een vraag te willen doen; maar +Adeelen was hem vooruit. + +"Alzoo zijt gij geen Hollanders," zeide hij, met een opgeruimden blik. + +"Wij hebben die eer evenmin als gij," antwoordde Reinout op een +scherpen toon. + +"Des te beter," hervatte Adeelen, zonder de bedoeling des Ridders te +bemerken: "dan behoef ik met u niet te veinzen; want ik kom er rond +voor uit: ik haat alle Hollanders, en het kost mij moeite, hun eenige +vriendschap te bewijzen." + +"Met uw verlof," zeide Deodaat: "wij hebben in dit land gastvrijheid +genoten en mogen in onze tegenwoordigheid geene beschimpingen jegens +zijn bewoners dulden." + +"Verschoon mijn vriend," zeide de Abt, haastig tusschen beiden +rijdende, ten einde een twist te voorkomen: "hij heeft de ongelukkige +gewoonte der Friezen nog niet kunnen afleeren, van overluid te zeggen +wat hij denkt." + +"Ik hoop, Heer Abt!" merkte Reinout aan, die met deze vergoelijking +weinig tevreden was, en als 't ware verlangde om aan alle woorden der +Friezen een hatelijke uitlegging te geven, "ik hoop, dat gij van ons +het tegendeel niet gelooft." + +"_Sono due pazzi_ [5]," fluisterde Deodaat hem in 't oor; echter zoo +zoetjes niet of Aylva had het gehoord. + +"_E possibile_," zeide deze: "_ma hanno tutti due il cor ben posto_ +[6]." + +"Is uwe Edelheid in ons land geweest?" riep Deodaat, verwonderd van +zijn landtaal zoo onverwachts en zoo zuiver te hooren spreken. + +"Ik heb er een jaar doorgebracht," antwoordde Aylva, "het gelukkigste +en tevens het rampzaligste mijns levens:--dan, vergeef mij, het +voegt mij op mijnen leeftijd niet, in de tegenwoordigheid van hen, +die opgeruimd en jong zijn, aan treurige herinneringen plaats te +geven. Zoo gij wat gelieft aan te rijden, ben ik daartoe bereid. Het +zoude weinig beleefd zijn, te laat op het lustslot te komen." + +Dit voorstel vond algemeene goedkeuring, en men nam nu een vluggen +draf aan. "Reinout!" zeide Deodaat in 't voortrennen tot zijn vriend: +"ik wed al wat gij wilt, dat uw schoone zangeres ook in Italië is +geweest. Wil ik het hem zoo aanstonds eens vragen?" + +"Geen woord van haar tegen die Friezen," zeide Reinout: "zoo gij mij +eenigszins vermaak wilt doen. Ik zal u wel eens nader zeggen waarom." + +Welhaast bevonden zich nu de ruiters in de breede laan, welke recht op +'s Graven jachtslot aanliep. Tot nog toe was het uitzicht meestentijds +beperkt geweest door golvende duintjes, deels met eiken kreupelhout +beplant, waarvan de dorre takken nog hier en daar voorzien waren met +de verschrompelde en saamgetrokken bladeren van een vorig seizoen, +deels met berken, wier jeugdig lentegroen het oog verheugde,--deels +met enkele popelstruiken, wier aankomend blad in eeuwige onrust op +den wind fladderde,--deels alleen overdekt met krakend mos en geurige +duinviooltjes: doch overal aan den benedenkant begroeid met welriekend +pijpkruid, met donkere netelstruiken en andere ontelbare gewassen, +wier verscheidenheid vooral in het eerste lenteseizoen de omstreken +van Haarlem in den dos der vreugde kleedt.--Maar nu werd dat uitzicht +ruimer: tusschen de kleine dwergeiken door, welke aan weerszijden in +de laan stonden, blikte men over een min of meer afhellende vlakte, +met een frisch glanzend grastapijt overdekt, op hetwelk duizenden +voorjaarsbloemen hare lachende kleuren ten toon spreidden. Op de +helft der laan was een plankenbrug, gelegd over een smalle vaart of +wetering, die van nabij Haarlem af tot aan Noordwijk liep, en van +welke, ofschoon meest verzand, nog de sporen te vinden zijn op de +plaats, die wij beschrijven. Deze vaart werd niet verre van daar gevoed +door een smalle beek, welke het overtollige duinwater aanvoerde, en, +alvorens zij zich ontlastte, om een gedeelte der vlakte heenkronkelde +en er een soort van afgezonderd vak van maakte, dat nimmer door eenig +vee betreden werd, maar tot een lustperk diende, waar de Graaf zich, +benevens zijn hofgezin, met onderscheidene spelen en oefeningen ging +vermaken, en 't welk daarom 's _Gravenmade_ [7] heette, welke naam +tot heden nog aan die plek gebleven is. + +Ten noorden en ten zuiden paalde deze vlakte aan onafzienbare weiden, +waarop vette runderen graasden, of waar men jeugdige veulens in zag +dartelen; en ten westen aan een heuvelachtigen grond, met schapen +bedekt en door kleine partijen kreupelhout omgeven, terwijl de blanke +toppen der zeeduinen zich daarachter verhieven en den gezichteinder +sloten. Maar, recht voor zich uit, zagen de ruiters het jachthuis, +omringd met eeuwenheugende eiken en beuken, waarvan de eerste door +hun talrijkheid, door den rijkdom en de menigte hunner takken en +twijgen, bijna even weinig doortocht aan de zonnestralen vergunden, +als de breede en dichtgebladerde kruinen der laatstgemelde. Geen oord +ter wereld levert in den voorjaarstijd zulk een verscheidenheid en +menigte op van lieflijk zingende vogels als Holland, en in Holland +is er geene streek, waar zij zich in zulk een aantal ophouden als +aan den duinkant: en welke plek ook op aarde schooner en rijker aan +prachtige of lieflijke tooneelen wezen moge, geen bestaat er, waar +de natuur zich zoo bestendig levendig voordoet. Het was dan ook geen +wonder, dat Floris de Vijfde, toen hij het bevalligst en best gelegen +hoekje gronds, dat in zijn gebied te vinden ware, had uitgezocht om +er een jachtverblijf neer te zetten, geen meer geschikten naam voor +het nieuwgebouwde lusthuis wist uit te denken, dan dien, welken het +bestendig gezang der vogelen, die den omtrek vervroolijkten, hem als +van zelf aan de hand moest doen. + +Het jachthuis zelf was eenvoudig en slechts van hout getimmerd, doch +bevatte ruimte genoeg om desnoods een tijdelijke huisvesting aan +den Graaf en aan zijn meest verheven gasten te verschaffen, terwijl +eenige kleinere gebouwen, welke dieper in 't bosch en minder in 't +gezicht gelegen waren, de jagers van minderen rang konden bergen, +en tot stalling dienden voor paarden en honden. Geene gracht noch +muur verdedigde het hoofdgebouw, 't welk dan ook niets aanbood, +dat een vijand in de verzoeking had kunnen brengen om er een aanval +op te beproeven, daar het, als van den weg af gelegen, geen punt +opleverde, dat de moeite waardig was om versterkt te worden, en +bovendien geen anderen buit verschaffen kon dan de weinige meubelen, +waarmede het voorzien was. Op de gewelfde poort prijkte nog altijd +de oude liebaard van Holland: welken de Graven uit het Henegouwsche +huis, zoowel uit hoogachting voor de nagedachtenis des stichters, +als uit inschikkelijkheid voor de dankbare gevoelens, die de naburige +landbewoners jegens hunnen weldoener Floris bleven koesteren, waren +blijven eerbiedigen; maar ook hunne leeuwen vertoonden zich op de +banier, die, als bewijs van 's Graven aanwezigheid, uit een der +kruisramen stak, hoedanige er drie in den voorgevel waren, om wier +bogen kunstig gesnedene bloemfestoenen praalden, en boven welke drie +hertenkoppen de bestemming van het gebouw aankondigden. Vier kleine +torentjes, den vorm hebbende van peperbossen, staken boven het dak uit, +hetwelk eenvoudig met riet gedekt was. + +Het was echter niet binnen dit gebouw dat zich de nieuw aankomenden +begaven. Links daarvan, op een vrij uitgestrekt plein, hetwelk met +fraaie ijpeboomen omgeven en door een gevlochten heining tegen alle +inbreuk beveiligd was, oefenden zich eenige wapenknechten, althans dit +geleken zij van verre te zijn, in het schieten met den kruisboog. Een +verlengde maaltijd had hen naar het scheen in eene vroolijke stemming +gebracht, en men kon reeds op zekeren afstand hun uitbundig gelach +en juichen vernemen. In weerwil van het spel, dat hen bezig hield, +hadden zij de aankomende ruiters van verre bespeurd, en een hunner +had uit al zijn macht het perk verlaten, om hen in 't gemoet te +loopen. Hij naderde Deodaat, wisselde zachtjes een paar woorden met +hem, en keerde vervolgens naar zijn makkers terug. + +"Deze knaap verzocht mij," zeide Deodaat, zich tot de Friezen wendende, +"u uit te noodigen om hier af te stijgen, en u bij het gezelschap te +voegen, dat ginds met den boog bezig is; gij kunt u aldaar vermaken, +totdat de Graaf van zijn middagslaap ontwaakt en de Gravin van haar +rit terug is." + +Tegen dit verzoek was niets in te brengen. De paarden werden aan +de dienaars overgelaten, die hen naar de stallingen brachten, en de +afgestegen ruiters wandelden naar de boogschutters, die, zonder hun +spel voor een oogenblik te staken, zich vergenoegden met den Friezen +een nieuwsgierigen blik toe te werpen, en, voor zooverre zij in de +nabijheid stonden, hen met een korten, doch wellevenden groet te +verwelkomen. Dit onthaal, hoewel zonder plichtpleging, was politiek +en door den Graaf voorgeschreven. Men wilde bij de afgevaardigden +de overtuiging doen ontstaan, dat zij, als goede vrienden en +bekenden, zonder complimenten ontvangen werden, en behandelde hen als +zoodanig. Een enkele der aanwezigen, die het ambt van ceremoniemeester +scheen waar te nemen, kwam uit den drom te voorschijn, en sprak de +afgevaardigden aan: "het heeft den Graaf zeer leed gedaan," zeide +hij, "u hedenmiddag niet ter maaltijd te kunnen hebben; maar het +is hier buiten slecht ingericht tot het geven van gastmalen:--in +'t laatst der week hopen wij er hier echter een te geven, waartoe +de voorbereidselen gemaakt worden.--Ik zie, geloof ik, hier den +edelen Aylva," (eene buiging) "den waardigen Abt van Sint-Odulf," +(eene buiging) "den doorluchten afstammeling van Frieslands koningen," +(eene buiging). "Zoo gij, mijne Heeren! u, zoolang de Graaf niet hier +is, met ons gezelschap wilt vergenoegen, en een glas echten gekruiden +wijn met ons drinken, zal het ons tot eer strekken. Wij ontvangen u +gul en vrij:--morgen is het de dag der plichtplegingen." + +Hij, die deze woorden sprak, was een man van middelbare gestalte, en +naar het scheen tusschen de dertig en veertig jaren oud: zijn houding +was edel en vrij: zijn toon was kortaf, als van iemand die gewoon is +in 't veld bevelen te geven: zijn tongval eenigszins uitheemsch. Zijn +gelaat, door de zon geroost, kondigde iemand aan, die nimmer tochten +of vermoeienissen geschroomd had, en zijn sprekende oogen een fiere +hooghartigheid. Wat zijn kleeding betreft, die was hoogst eenvoudig +en bestond, evenals die van de meeste aanwezigen, uit een groen buis +met mouwen, dat op de dijen afhing, om het midden gesloten en met +bonte randen voorzien was: een kleine kalot, van rood of geel laken, +met een klep van achteren, en van boven met een topje voorzien, +waarvan zij den naam van _toppermuts_ had, bedekte het hoofd tot +over de ooren: een vest en hozen van dezelfde kleur en stoffage, +benevens zwarte tootschoenen, maakten de verdere dracht uit der +aanwezige boogschutters. + +"Wij zijn gevoelig aan de beleefdheid, welke men ons bewijst," zeide +Aylva tegen den edelman, die het woord gevoerd had: "een rond en gul +onthaal is ons het aangenaamst: en het zou ons spijten, indien iemand +om onzentwil plichtplegingen maakte." + +"Bij Sint-Nicolaas!" zeide Adeelen halfluid tegen den Abt: "men had +ons toch een betere plaats kunnen geven dan onder stalknechten en +jagers, zooals dit volkje schijnt." + +"Wat dat betreft," zeide lachende de edelman, die deze aanmerking +gehoord had, "stel u gerust daaromtrent. Gij ziet hier al wat onze +adel luisterrijks bezit: die nu den boog spant is de Heer van Ligny: +naast hem, de Heeren van Walcourt en Antogne: Henegouwen bezit geen +kloeker ridders dan deze drie Baanrotsen: die jongeling met zijn +blonden kroeskop is de Heer van Brederode, en die met hem spreken +zijn twee gebroeders uit den huize Teylingen; die met het deftige +uitzicht is een Haemstede:--allen zijn aan het voormalige stamhuis +vermaagschapt, en getrouwe dienaars van het tegenwoordige." + +"En gij zelf," zeide Adeelen, terwijl de vreemdeling voortging met +de namen der aanwezigen op te noemen: "mag men naar uw naam vragen?" + +"Ik ben Heer van Treslong in 't Henegouwsche," antwoordde de Ridder, +terwijl een vluchtig rood zijn wangen bedekte; "maar komt, mijne +Heeren! hoe is het? zult gij niet met ons een kans wagen?--Het +smart mij, dat ik op het oogenblik buiten de gelegenheid ben om den +waardigen Abt een gezelschap overeenkomstig zijn stand te bezorgen; +maar al de geestelijke Heeren zijn met de Gravin uit rijden." + +"Bekommer u deswege niet," zeide de Abt: "ik zie gaarne een goed +schot." + +"Hij zou desnoods nog een boog hanteeren," zeide Adeelen: "ik verzeker +u, Heer van Treslong, naardien dat uw naam is, dat onze Friesche +monniken de strijdkolf en den boog meer in de hand hebben dan het +getijboek en dat, bijaldien ik geen goed kuras gedragen had, mij een +Lidlummer monnik voor mijn tijd naar de eeuwigheid gezonden had." + +"Inderdaad!" zeide Treslong: "en heeft die twist gevolgen gehad?" + +"Eenige bebloede koppen.--Wij hebben vrede gemaakt en den zoen met een +deftigen maaltijd gevierd, waar wij alle veete hebben af gedronken." + +"Van drinken gesproken.--Ik zou bijna vergeten u het welkom te +brengen.--Herman! hier! vul ons een verschen nap." + +De schenker, tot wien dit bevel gericht was, had bij zich op een houten +stelling een fiksch vaatje staan met net geschuurde zilveren randen +en een kraan van 't zelfde metaal. Drinkschalen van onderscheiden +vorm en soort waren daarnevens: en die gevuld hebbende, bood hij ze +Treslong en den Friezen aan. + +"Ziethier den echten drank van 't land," zeide Treslong, "waarvoor +ik hypocras en malvezij laat staan, mits hij slechts naar den eisch +bereid worde. Gelooft mij, mijne Heeren! deze is volgens het echte +recept: zuivere Lotterwijn, gelijk onze neef.... ik meen gelijk de +Graaf.... de Hertog van Gelder, wil ik zeggen, dien niet drinkt." + +Hier zweeg hij, eenigszins verward, terwijl Aylva hem opmerkzaam +aanzag. + +"Ik heb nooit beter drank geproefd," zeide de Abt, de drinkschaal +met welgevallen ledigende. + +"'t Smaakt wel!" zeide Adeelen: "doch ik voor mij zou een teug +_swietendrank_ blijven verkiezen." + +De omstanders, voor zooverre zij dit hoorden, zagen Adeelen met +verbaasdheid aan, niet wetende wat hij door _swietendrank_ bedoelde: +maar de Abt redde hen uit de onzekerheid, door de mededeeling, +dat het een Friesche drank was, uit gedroogde rozijnen getrokken; +op het vernemen waarvan de meeste edellieden de schouders ophaalden +en Adeelen medelijdend aanzagen. + +Treslong en de beide Friesche edelen namen nu mede deel aan het spel: +Aylva gaf weldra blijk, dat hij de oefeningen zijner jeugd onderhouden, +althans niet verleerd had, daar hij de schijf nooit miste. Tot zijn +bevreemding zag hij, dat de meesten der aanwezigen vrij slecht schoten +en nooit het middelpunt zoo nabij kwamen als de Heer van Treslong. + +"Waarachtig!" fluisterde hem Adeelen in: "zoo dat volk niet beter +weet te mikken, zal er nooit eer in steken om met hen slaags te raken." + +Meer en meer begonnen de gemoederen door drank en spel verhit te +worden, toen er een twijfelachtig schot plaats vond, waardoor de goede +harmonie, die tot nog toe geheerscht had, gevaar liep van verbroken te +worden. Adeelen had namelijk de schijf herhaalde reizen in de middelste +kringen geraakt en dacht reeds zeker van den prijs te zijn, toen de +Heer van Treslong zoo juist aanlegde, dat hij zijn pijl volkomen in +het middelpunt dreef. Straks ontstond er een uitbundig gejuich, en de +Heer van Spangen, die den inzet bewaarde, was reeds gereed dien aan +den winnaar ter hand te stellen, toen Adeelen tusschenbeide trad, +en beweerde dat het schot niet gelden mocht, aangezien Treslong, +toen hij afschoot, niet op den behoorlijken afstand was blijven +staan, maar een stap voorwaarts gedaan had. Uit éénen mond spraken +de aanwezige edelen den Fries tegen, die, verontwaardigd dat men, +zoo hij 't noemde, de waarheid zoo onbeschaamd dorst loochenen, zijn +handschoen uittrok en dien op het zand wierp, tevens zwerende, zijn +gezegde te zullen goedmaken tegen al, wie een kamp met hem dorst wagen. + +Vlugger dan een patrijshond, die op het gevelde wild aanschiet, was +Reinout, die met Deodaat en eenige Ridders van minderen rang op een +afstand was blijven staan, dadelijk naar het ridderpand toegesprongen +en reeds strekte hij de hand uit om het op te vatten, toen Treslong +met een donderende stem uitriep: "terug!"--Terstond trad de jongeling +verlegen achteruit en er ontstond een algemeene stilte. + +"De Friesche edelman heeft gelijk," zeide Treslong: "ik ben +onwillekeurig een stap vooruitgegaan: ik zou echter de verschooning +kunnen bijbrengen, dat hij zijn aanmerking had behooren te doen vóór, +of op het oogenblik dat ik mijn pijl afschoot; maar daarvan wil ik +geen gebruik maken. Ik sta hem den prijs af." + +"Gij zijt bij God de eenige ronde kerel, dien ik hier ontmoet heb," +zeide Adeelen, naar hem toegaande en hem de hand toestekende, +die Treslong al lachende schudde; de overige edellieden, over de +uitdrukking van den Fries gebelgd, zagen bleek of rood van gramschap +en meer dan een sloeg de hand aan zijn dolk. + +"Met uw verlof," zeide de Heer van Brederode tegen Treslong, "is het +uwe bedoeling, dat wij ons hier straffeloos door dien vreemdeling +laten beleedigen?" + +"Ik ken hier geen vreemdeling, mijn Heer!" zeide Treslong; "ik houde +al de aanwezigen voor getrouwe vazallen van Graaf Willem, en het is +mijn ernstig verzoek, dat de zaak hierbij blijve en dat alle ongenoegen +met den beker worde afgewisseld." + +Aylva zag nogmaals den Heer van Treslong zijdelings aan; maar zijn +verwondering over den hoogen toon, welken deze voerde, was geweken. Hij +trad een weinig terug, en Adeelen ter zijde trekkende, fluisterde +hij hem ongemerkt in 't oor: "bedwing u zooveel mogelijk: ieder is +hier niet wat hij verbeeldt te zijn, of ik bedrieg mij grootelijks." + +Nauwelijks was de eensgezindheid, ten minste schijnbaar, teruggekeerd, +of een daverend hoefgetrappel liet zich aan den boschkant hooren +en een schitterende stoet van edele Heeren en Vrouwen kwam een der +zijlanen uitgereden. Nabij het perk stapten zij af, om zich bij het +gezelschap te vervoegen, dat aldaar vereenigd was. Een schoone vrouw, +in sierlijk rijgewaad gekleed, en welke men, zoo aan haar uiterlijke, +als aan de eer, welke men haar bewees, voor de Gravin van Holland +herkende, trad vooruit, aan de hand van een edelman van ruim vijftig +jaren, wiens deftig mannelijk voorkomen wel geschikt was om ontzag +en eerbied in te boezemen. + +Treslong ging hen te gemoet en wisselde eenige woorden met hen, +welke door de Gravin met koele deftigheid en door haar geleider met +een bedenkelijk hoofdschudden werden aangehoord. + +Aylva had insgelijks een schrede vooruit gedaan, toen hij in den nieuw +aangekomen edelman den Heer van Beaumont herkende, met welken hij voor +vijf en twintig jaren meer dan één wapentocht gedaan had. Hij bleef +echter staan, in afwachting of deze hem insgelijks herkennen zoude. + +"Gelijk ik u gezegd heb, Mevrouw!" zeide Treslong overluid tot de +Gravin: "het is nog onzeker of de Graaf heden wel verschijnen zal, +nu hij zoo met die verwenschte schele hoofdpijn geplaagd is. Mag +ik intusschen aan u, gelijk aan den Heer van Beaumont, de edele +Afgevaardigden van Friesland voorstellen?" + +De Gravin beantwoordde met eene koude beleefdheid den groet der +Friezen, en had zelfs moeite om eene kleine opwelling van wrevel en +ongeduld te bedwingen, toen haar de goede Abt welwillend aanraadde +zijn middel van vitriool en dun bier tegen 's Graven hoofdpijn te +beproeven;--maar Beaumont, die Aylva terstond herkende, trad naar +hem toe en drukte hem hartelijk de hand. + +"'t Is lang geleden, dat wij elkander laatst ontmoet hebben," zeide +hij, "en het verheugt mij hartelijk iemand te vinden, met wien ik +nog over den ouden tijd kan praten. Ware ik niet, ten einde mijn +reputatie als galant Ridder op te houden, verplicht geweest de dames +op haar rijtochtje te vergezellen, ik zoude wel hier gebleven zijn +om u vroeger te ontvangen. Ik zie met vreugde, dat gij onze oude +krijgstochten nog niet vergeten zijt. Althans de keten, die u mijn +broeder vereerde, en waarvan hij mij goedwillig een gelijke aanbood, +hangt nog ter herinnering aan uw hals.--Mij dunkt," vervolgde hij, +met een ontevreden blik omziende, en Aylva ter zijde trekkende: +"die ontvangst is niet geweest gelijk ze behoorde." + +"Het onthaal was gul en vroolijk," antwoordde Aylva: "en men moet der +jeugd zoowat toegeven;--doch wanneer men denkt een ouden gediende, +als ik ben, beet te hebben, bedriegt men zich." + +"De grap was niet oorspronkelijk tegen u gericht," zeide Beaumont:--"en +ik kan u betuigen, dat er geen opzet tot beleedigen bestaat." + +Intusschen hadden de Gravin en hare Edelvrouwen meerendeels op +aangebrachte vouwstoelen, schabellen of tuinbanken plaats genomen, +en zich met de Edellieden aan onderscheidene in zwang zijnde spelen +gezet. Adeelen, die weinig van die spelen verstond, vergenoegde zich +met den in zijn oog zoo vreemden en zonderlingen tooi der jonkvrouwen +aan te gapen, nu en dan, zonder te wachten tot men hem bediende, zijn +beker aan het wijnvaatje te vullen, (een ongemanierdheid, waarover +ieder groote oogen opzette, en welke aan verscheidene dames deed +vragen, wie toch die kaalgeschoren wildeman ware), en somtijds hard +te geeuwen, waaraan niemand zich ergerde. Wat den goeden Abt betrof, +hij was wel aan de Aartsbisschoppen van Keulen en van Trier en aan +andere hooge prelaten voorgesteld; doch deze machtige rijksvorsten +achtten het te veel beneden zich, met den kerkvoogd van Sint-Odulf in +gesprek te treden; die zich dan ook genoodzaakt zag, zijne toevlucht +te nemen tot het spelen van de rol van opmerker en tot het heerlijke +vocht, dat hem echter spaarzamer werd toebedeeld dan hij wel verlangde. + +Nadat men eenigen tijd op deze wijze had doorgebracht en zich +ondertusschen met kruidkoeken en andere lichte spijzen had verkwikt, +wezen plotseling verscheidene vingers onder een vroolijk gelach naar +de oprijlaan, waarheen zich dadelijk aller oogen wendden. Niemand was +er bijna, die zijn vroolijkheid bedwingen kon bij het zien der twee +zonderlinge personen, die van verre kwamen opdagen. De een was niemand +anders dan de beroemde meester Barbanera, op een paard gezeten, zoo +mager als hij zelf, hetwelk moeite genoeg had om door het zand voort +te komen op drie pooten, welke den schijn hadden of zij elk van een +afzonderlijk paard genomen waren, zoo weinig evenredigheid hadden +zij onderling: terwijl een vierde poot in trage luiheid achteraan +sleepte. De andere persoon was de hansworst, die een grauwen ezel +bereed, welke, behalve met hem, nog belast was met een houten kast, +waarboven Cezar in alle baviaansche deftigheid te pronk zat. + +Nauwelijks had de Gravin hen opgemerkt, of de koele onverschilligheid, +waarmede zij tot nog toe in spel en onderhoud gedeeld had, maakte +plaats voor een schier kinderachtige blijdschap: en terstond gelastte +zij, dat men die beide kwanten, tot wier ontbieding zij zelve last +had gegeven, in hare tegenwoordigheid zou geleiden. + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + + + Tot u koom ick om hulp, vermits u swarte flessen + Gaen dieper in gespoock als alle toveressen. + Wat ick u bidden magh, laat my door uwe gunst + Eens sien, tot myn gerief, de krachten van de kunst. + + Cats. Spoock-liefde. + + +Het was in den tijd, waarin onze geschiedenis voorviel, ja nog +wel later, geene ongewone zaak, dat reizende zangers, vinders, +meistreels of potsenmakers ter verkorting der middaguren bij groote +Heeren werden ontboden: en noch _l'Incomparabile_ noch zijn hansworst, +noch zijn aap, betoonden dus eenige verlegenheid, toen zij zich door +een daartoe afgezonden page voor het edel gezelschap op het grasperk +gevoerd zagen. De kist, door de kunstenaars medegebracht, werd nu +ontpakt: al de aanwezigen plaatsten zich op last der Gravin in een +wijden kring en ontvingen stipt bevel, de te verrichten toeren niet +te storen, noch den kokeler te nauw op de vingers te kijken en hem +zijn geheimen af te neuzen, want de Gravin behoorde tot die lieden, +welke, niet vlug zijnde om het fijne van een kunstgreep te vatten, +daarom juist niet gaarne zien, dat anderen die beter begrijpen dan zij. + +Zoodra de toestel in behoorlijke orde gebracht was, begon de hansworst, +na een diepe buiging, een treflijke redevoering, waarin hij de +schoone Gravin en haren doorluchtigen Echtgenoot boven alle andere +vorsten van Europa verhief, en er breed van opgaf, dat de beroemde +Barbanera zich alleen de verre reize naar Holland getroost had, om +in de tegenwoordigheid van den Graaf aller Graven en den Veldheer +aller soldaten gebracht te worden. + +"Een fraaie aanspraak!" zeide de Aartsbisschop van Trier tegen de +Gravin, toen de nar algemeen werd toegejuicht: "jammer maar, dat ik +die op mijn doorreize woordelijk door den spreker heb hooren opsnijden +aan het Hof van Gelder, alleen met verandering van namen en titels." + +"Onze waarde neef van Gelder zal zich toch niet beroemen dat hij nu +reeds de Hertog aller Hertogen is, tenzij hij het sedert een paar +dagen geworden zij," antwoordde de Gravin, doelende op de Hertogelijke +kroon, welke den Graaf van Gelder geschonken was, en die zij wist, +dat door haren gemaal geweigerd zou worden. + +Onderscheidene toeren, door de drie kunstenaars met een gelukkig gevolg +ten uitvoer gebracht, droegen, meer nog dan de aanspraak, de algemeene +goedkeuring weg, welke echter, om een echt grammaticale spreekwijze te +bezigen, aan den kwakzalver in den stelligen, aan den alwillensdwaas +in den vergelijkenden, en aan den aap in den overtreffenden trap +geschonken werd. Alleen het gelaat der Gravin had zijn koele stemming +hernomen, welke zelfs, toen de kunstverrichtingen eenigen tijd +geduurd hadden, door kennelijke teekenen van weerzin en ongeduld +werden vervangen. Om deze verandering in hare gemoedsgesteldheid, +welke door een al te haastigen lezer wellicht aan een vrouwelijke gril +zoude kunnen worden toegeschreven, te verklaren, dient men te weten, +dat de Gravin naar de kunstenaars niet zoozeer verlangd had, om hunne +behendigheid in gewone goochelaars-kunsten te bewonderen (ofschoon +deze de voorgewende reden ware): als wel omdat zij vernomen had, dat +meester Barbanera het in de verborgene wetenschappen tot een hoogte +gebracht had, welke de zoodanigen, die er getuigen van geweest waren, +met verbazing vervuld had, en dat zij in 't geheim vurig verlangde, +eenige bewijzen zijner bekwaamheid in die vakken te vernemen. De gewone +kunsten, hoe vernuftig ook gedacht en hoe behendig ook uitgevoerd, +verwekten bij haar dus niets dan verveling, evenals dikwijls een wel +uitgevoerd treurspel geen aandacht waardig is bij dezulken, die alleen +om het ballet gekomen zijn: zij haakte naar het oogenblik, dat al die +bekers en balletjes en kastjes verdwijnen zouden om voor de in haar oog +meer belangrijke kunsten plaats te maken; maar, gelijk het doorgaans +gaat, zij was beschroomd om daartoe stelligen last te geven, ja zelfs +om hare geheime begeerte aan iemand mede te deelen. Eindelijk echter +werd zij uit dien staat van ongeduld verlost, door een vraag, welke +Treslong aan den hansworst deed, wat of er namelijk in den zak school, +dien hij bij zijn komst zoo zorgvuldig onder de tafel geplaatst had. + +"Daar in dien zak," was het antwoord, "zit het wonderbare glas, +waarin mijn meester de toekomst leest." + +"Ei! de toekomst!--en kunt gij die ook reeds verklaren, vriendje?" + +"Bij Sint-Julfus," zeide de nar: "ik heb dagwerk om den menschen de +dwaasheden te verwijten, die zij gedaan hebben, zonder dat ik er die +behoef bij te voegen, welke zij zullen doen." + +"Een goed antwoord," zeide Treslong; "maar zoo het Mevrouw behaagt, +zouden wij de geheimen van dat tooverglas ook wel eens willen kennen." + +"Mijn vermaarde meester," zeide de hansworst, "zou het uit eigen +beweging niet gewaagd hebben, de kennis, welke hem zijn verborgen +wetenschap van de bovenzinnelijke en bovennatuurlijke dingen verschaft +heeft, op zulk een verheven gezelschap toe te passen: en hij zal +daartoe niet overgaan dan op drie voorwaarden, waar de billijkheid +aan een iegelijk van zal blijken." + +"Men moet ze echter eerst hooren om ze te kunnen beoordeelen," zeide +de Heer van Teylingen: "welke zijn uw voorwaarden?" + +"De eerste is, dat het de uitdrukkelijke begeerte van Mevrouw de +Gravin is, dat mijn meester zijn verborgene kennis ten toon spreide." + +"Mevrouw de Gravin hoort wat die nar verlangt," zeide Treslong +lachende: "zal zij zoo goed zijn, een bevel dienovereenkomstig +te geven?" + +"Het zij zoo!" zeide de Gravin, half tevreden en half wrevelig: +tevreden, omdat aan haar wensch voldaan werd; wrevelig, omdat zij +zulks bekennen moest. + +"Het tweede verzoek mijns meesters is, dat niemand het hem wijte, +noch hem op de eene of andere wijze mishandele of benadeele, zoo +altemet deze of gene zijner woorden iets bevatten mocht, dat min +aangenaam in de ooren klonk." + +Het voorhoofd van den Heer van Treslong fronselde zich en hij zag de +Gravin vragende aan. + +"Deze bede is hoogst billijk," zeide de Gravin: "en ik verwacht, +dat niemand der aanwezigen zich tegen hare vervulling verzetten zal." + +"Wat de derde betreft," vervolgde de dwaas, een koddige buiging +makende, "zij bestaat alleen daarin, dat het aanzienlijk gezelschap +indachtig zij, hoe wetenschap boven vlugheid verheven is en dus op +eene hoogere belooning aanspraak mag maken." + +De Gravin knikte goedkeurend met het hoofd en wachtte nu, evenals elk +ander, met ingespannen nieuwsgierigheid wat er volgen zou. Met behulp +van zijn makker ruimde Barbanera alles wat hem hinderen kon van de +tafel, plaatste er vervolgens een glas op van buitengewone grootte, +vulde het tot op de helft met een doorschijnend vocht, hetwelk hij +uit een lederen flesch schonk, en wierp er onderscheidene poeders in, +waarna hij den bokaal weder toedekte. Straks werd men een zonderlinge +werking in het glas gewaar: de daarin geworpen stoffen losten zich +op en vormden onderscheidene gedaanten, naar ertsen en plantsoorten, +ja zelfs naar dieren en menschen zweemende, verschillende van kleur +en grootte. Nadat men gedurende eenige oogenblikken dit schouwspel +had aangestaard, kondigde de hansworst aan, dat al wie zulks verkoos +eenige vragen aan zijn meester kon doen. + +Geen mensch deed zich op; want, behalve dat niemand bij zulke +gelegenheden gaarne het voorbeeld geeft, dorst men niet beginnen zonder +de toestemming der Gravin, op welke alle blikken gevestigd waren. + +"Mevrouw!" riep eindelijk Treslong: "indien uwe Genade het voorbeeld +niet geeft, zal niemand onzer de vermetelheid hebben het orakel +te raadplegen." + +"Wat zou ons lot ons kunnen schelen," zeide de Aartsbisschop +van Keulen, "indien wij niet omtrent dat onzer edele gastvrouw +gerustgesteld waren." + +"Hoe, Hoogwaardigste!" zeide zij glimlachende, "gij, die een Prelaat +zijt, gij spoort ons aan, een duivelskunstenaar te raadplegen?" + +"'t Zijn allemaal fratsen en narrepoetserijen," hervatte de Dignitaris: +"ik heb dat al meer gezien; maar het loopt op dwaasheid uit." + +"Welaan dan," zeide zij: "hoewel het ons weinig betaamt, zullen wij +ons niet aan het algemeene verlangen onttrekken: doch wij begeeren, +dat niemand ons volge, uitgenomen Yolente van Dampmartin en Ottilia +van Naaldwijk: wij vrouwen," vervolgde zij met een vroolijken +lach, "vertrouwen ongaarne onze geheimen aan de ooren van zooveel +bijstanders." + +Men trad eerbiedig op zekeren afstand terug: de Gravin, door de +twee jonkvrouwen vergezeld, begaf zich naar den kokeler, wien zij +de vraag voorstelde, of zij nog lang met haren echtgenoot gelukkig +zoude wezen. Barbanera boog zich eerbiedig, lichtte het deksel van +het glas, stak er het eene einde van zijn tooverstaf in, en gaf haar +het andere in de hand, terwijl hij zelf met een zilveren pijpje in +het vocht blies. + +Terwijl zij des meesters voorschrift opvolgde, gaf, ondanks haar +voorgewende bedaardheid, het trillen van het glas haar heimelijken +angst te kennen: de waarzegger zag haar beurtelings scherp in de oogen +en dan weder in het glas. Op eens trok hij de wenkbrauwen saâm; de +Gravin ontstelde en zag in het glas: het vocht was op eenmaal zwart +geworden, en de zich daarin bewegende gedaanten zwommen als paarlen +of tranen heen en weder. Het gelaat der schoone vrouw werd bleek als +een doek. + +De omstanders, die de vraag niet gehoord, doch wel de kleurverandering +der Gravin bespeurd hadden, stonden verbaasd en verstomd. Treslong +deed een stap voorwaarts: maar trad weder terug, toen hij bemerkte, +dat de zwarte tint na eenige oogenblikken weder verdwenen was en +alles zich in het glas voordeed als te voren. + +Nu stak Barbanera het hoofd naar de Gravin: en de tooverroede +terugnemende, fluisterde hij haar de navolgende voorspelling in 't oor: + + + "Sombres jours bientôt viendront: + Haults Seigneurs trépasseront; + Paix et lesse jâ suivront: + Lis et roses fleuriront." [8] + + +Teffens wees hij op het glas, waar de Gravin, òf werkelijk, òf door een +spel van hare verbeelding, een bloemkransje op den bodem zag liggen. + +"Het slot vergoedt het begin," zeide zij zuchtend: "ik verlang verder +niets te weten. Mejuffers!" vervolgde zij tot de haar omringende dames, +zoodra zij naar hare plaats gekeerd was:--"ik raad geene van u allen +aan, den meester te gaan raadplegen. Het is een te gevaarlijk spel +voor vrouwen." + +"Het zal derhalve onze beurt worden," zeide 's Graven vertrouweling, +de Heer van Naaldwijk: "wat mij betreft, ik geef er niet om of iemand +de vraag en het antwoord hoore. Heksenmeester!" vervolgde hij, "een +stuk geld op de tafel werpende: zeg mij slechts of mij een lang leven +is toegedacht?" + +De waarzegger stelde hem het stokje ter hand: maar nauwelijks stak de +Ridder het in 't water of hij zag de kleur daarvan in die van bloed +veranderen, terwijl hem Barbanera toeriep: + + + "Arc est tendu et flêche preste, + Qui bientot férira ta teste." [9] + + +"Het zij zoo!" hernam Naaldwijk, nadat hem Deodaat, op zijn verzoek, +de beteekenis dier woorden had doen kennen: "ik zal dan voor 't minst +een krijgsmansdood sterven." + +"Zal mijn lot even voorspoedig wezen?" vroeg de Heer van Spangen, +terwijl hij den wichelaar zijn gift aanbood. + +Ook hij zag dezelfde bloedkleur.--"Hou thans uw Fransch maar voor u," +zeide hij: "ik heb aan dat teeken genoeg." + +"Wanneer ik sterven zal, is mij vrij onverschillig," zeide Walcourt: +"zeg mij, zoo gij kunt, wie mij dooden zal," en, den staf met een +vaste hand aangrijpende, stak hij dien in 't vocht. + +Meester Barbanera beschouwde een wijl de zich daarin voordoende +gedaanten, en op eene er van wijzende, die naar een dorschvlegel +zweemde, zeide hij: + + + "De vilain ignoble fléau + Vous occira sur le préau." [10] + + +Andere Ridders en Edellieden volgden: en bijna ieder ontving een +onheilspellend antwoord. Het was niet onbelangrijk op te merken, +hoe elk hunner zich in deze omstandigheid gedroeg. Sommigen lachten +overluid: doch hun gedwongen houding toonde genoeg aan, hoe weinig zij +innig tot vroolijkheid gestemd waren: anderen zagen den toovenaar met +een gramstorigen blik aan: enkelen bleven, in diep gepeins verzonken, +zijn voorspelling overdenken. + +"En gij, mijn Heer van Beaumont!" riep Naaldwijk dezen Edelman toe, +die met Aylva stond te praten: "zijt gij niet nieuwsgierig om uw lot +te vernemen?" + +"Ik zie niet," antwoordde Beaumont, "dat de wetenschap, die gij allen +hebt opgedaan, u veel profijt heeft bezorgd." + +"Komaan! Komaan! laat u overhalen!" klonken verscheidene stemmen: +"het is immers slechts een spel." + +"Indien het u aangenaam kan zijn, welaan dan," zeide Beaumont: +"zeg mij, waarzegger! of ik in het lot van al die brave Heeren +deelen zal; want mij dunkt, dat er een groote slachting onder hen +zal plaats hebben." + + + "En tout temps te gardera Dieu + D'eau, de fer, de bois et de feu." [11] + + +was het antwoord des waarzeggers. + +"Waarlijk! gij meent het wel met mij," zeide Beaumont lachende, "en +hebt op eene dubbele belooning recht. Komaan, mijn Heer van Aylva, +het is uwe beurt." + +"Kunt gij raden wat ik u vragen wilde?" zeide deze tot den profeet. + +Nauwelijks had meester Barbanera hem in de oogen gezien of hij wenkte +de omstanders terug te treden. + +"Hoe nu!" zeide Aylva, verbaasd het stokje in de hand nemende, +"mag niemand het antwoord hooren?" + +"_Ricordatevi_ di Bianca di Salerno," [12] fluisterde hem de waarzegger +in 't oor. + +"_Madre di Dio_!" riep Aylva sidderend uit. + +Op het hooren van dezen kreet kwamen de omstanders weder naar voren; +waarop de kokeler terstond overluid deze regels volgen liet: + + + "Il cane la brebis mangea, + Mais l'agnel tôt reviendra." [13] + + +"Mensch!" zeide Aylva: "van wien hebt gij deze dingen?" + +Doch Adeelen was hem reeds voorgetreden. "Elk zijn beurt, vriend +Aylva!" zeide hij: "kom, meld mij eens, kokeler! of Friesland nog +lang vrede zal hebben. Maar spreek mij geene vreemde talen, die ik +toch niet versta." + +Barbanera bedacht zich een oogenblik, en terwijl het water weder de +bloedkleur aannam, zong hij het referein van een Platduitsch liedje: + + + "Waert up de fruntering! + De Viant ist da." [14] + + +"Men moest een ezel zijn, om dit niet te begrijpen," zeide Adeelen, +terwijl hij vergenoegd aftrok. + +"Zal ik goede tijding uit Verona hebben?" vroeg Deodaat, aan wien +Reinout deze vraag had geopperd.--Het antwoord was: + + + "Nouvelles qui vous parviendront, + Joies et douleurs vous causeront." [15] + + +"Men behoeft geen toovenaar te zijn om zulk een antwoord te geven," +zeide Reinout, en zijns makkers plaats innemende, vroeg hij, of hij de +schoone zangster zou leeren kennen, wier maatgeluid hem verrukt had, +en bekwam het navolgend orakel: + + + "De Sirènes le chant plaira; + Mais male mort s'en suivera." [16] + + +"En gij, eerwaardige Abt!" vroeg Treslong aan vader Volkert: "wilt +gij ook de wijsheid des kunstenaars niet beproeven?" + +"Ofschoon ik zijne waarzeggingen voor dwaze en onbeduidende praktijken +houde," antwoordde de Abt, "wil ik echter, uit achting voor het +aanzienlijk gezelschap, hem eene vraag voorstellen. Ik begeer +geenszins het toekomende uit te vorschen, daar zulks in iemand van +mijn karakter hoogst ongepast ware; doch zal hem alleen naar het +tegenwoordige vragen. Zeg mij nu, toovenaar! dragen al de Monniken +van Sint-Odulf hunnen Abt in hun gemoed de achting toe, die zij hem +verschuldigd zijn?" + +Een algemeen gelach ontstond toen de waarzegger antwoordde: + + + "Souvent qui porte mître + d'Abbé n'a que le titre." [17] + + +"Lacht zooveel gij wilt, mijne Heeren!" zeide vader Volkert: "zooals +zij dan wezen moge, ruil ik mijne waardigheid tegen geene andere: +want in Sint-Odulf heerscht rust en vrede, 't geen men niet van alle +conventen zeggen kan: en ik ben meer heer in mijn klooster dan Jan +van Arkel in zijn Bisdom, waar hij van verdriet is uitgeloopen." + +"Kent gij den Bisschop van Utrecht?" vroeg Beaumont. + +"Hij is kort na zijn verheffing onze kloosters komen bezoeken.... een +schoon jongeling was hij, en wien de mijter wèl stond, dat mag gezegd +worden:--hij kwam eerst te Sint-Odulf: en toen gaf ik hem op zijn reis +naar de andere kloosters onzen broeder Syard mede, die hem overal heeft +rondgeleid en alles verklaard, of ik het gedaan had.... maar nu, gij, +mijnheer van Treslong, die mij aangespoord hebt om den kokeler te gaan +raadplegen, gij lacht mij uit en zijt zelf nog niet bij hem geweest." + +De Ridder zag hem glimlachende aan, en naar Barbanera gaande, nam +hij den tooverstaf uit diens handen. Maar nauwelijks had hij dien +in het vocht gestoken, en de vraag gedaan of hij slagen zou in de +onderneming, welke hij in den zin had, of de waarzegger zag hem met +smeekende oogen aan, wrong de handen en viel op de knieën neder. + +"Hoe nu, schurk! wat heeft dat te beduiden?" vroeg Treslong. + +"_Perdonatemi, illustrissimo Signor conte!_" riep Barbanera als in +doodsangst uit: "_ma non posso dir_ [18]...." + +"Gij kent mij!" zeide de Graaf; want het was Willem IV zelf, die +gewoon was zijn rang af te leggen wanneer hij met zijn hovelingen +aan 't spelen was, en zulks dezen avond langer dan gewoonlijk had +volgehouden, eerst om zich met de Friezen te vermaken en vervolgens +om den toovenaar te misleiden:--"Welnu! wat zegt uw orakel?" + +Barbanera liet het hoofd op de borst vallen, sloeg de oogen neder, +kruiste zijn armen en mompelde toen: + +_"Non vié altro oracolo che quello del conte di Gelria_ [19]." + +"Ellendige!" riep de Graaf vertoornd uit en wierp den tooverstaf +met geweld van zich af. Ten einde de uitwerking van des waarzeggers +woorden te verstaan, dienen mijn lezers zich te herinneren, dat +de oude Graaf Reinout van Gelder, toen hij Willem IV als kind ten +doop hield, de voorspelling gedaan had, dat zijn petekind eenmaal +door het zwaard der Friezen zou omkomen. Hoewel niemand en vooral de +Graaf zelf ooit veel gewicht had gehecht aan de taal des ouden mans, +dien men als half zinneloos beschouwde, liet de aanhaling daarvan, +op zulk een oogenblik en bij een zoo zonderlinge gelegenheid, niet na, +een diepen indruk op het gemoed der aanwezigen te maken. + +Aylva was de eerste, die de stilte brak, welke dit voorval had doen +ontstaan. Eerbiedig naderde hij Willem en, zich ontdekkende: "Heer +Graaf!" zeide hij: "vergeef het mij, die u vroeger reeds herkend had, +zoo ik u niet eer de hulde heb bewezen, die u toekomt; maar ik had +uw verlangen, van onbekend te blijven, geraden en geëerbiedigd. Het +voegde mij niet, ongeroepen het woord tot u te voeren; maar de taal, +door gindschen bedrieger gesproken, maakt het mij tot een plicht, u +te verzekeren, dat, zoolang de Friezen in u een goeden en gunstigen +beschermer vinden, gij van Friesche zwaarden niets zult te vreezen +hebben." + +"En ik waarborg u," voegde Beaumont er bij, "dat uwe Genade geen +waardiger en getrouwer vriend kunt hebben dan den Heer van Aylva, +althans zoo hij nog dezelfde is, die hij voor vijf en twintig jaren +was." + +"Wij danken u, waardige Aylva," zeide de Graaf, hem bewogen de hand +toereikende: "wees verzekerd, dat ons het welzijn van een gewest, +waarin wij zulke getrouwe vrienden bezitten, op 't naaste aan 't +harte ligt. Vergeef ons, zoo wij ons niet dadelijk aan u bekend hebben +gemaakt; maar wij moesten den dag van morgen aan onze waardigheid geven +en daarom wilden wij dien van heden buiten den band der plichtplegingen +doorbrengen." + +"De Heer van Aylva had er wel bij mogen voegen, dat hij thans uit +zijn eigen naam sprak en niet als afgevaardigde van Friesland," +zeide Adeelen halfluid tegen den Abt. + +"Stil! stil!" voegde hem deze zachtjes toe: "onze vriend is een +wijs man; maar hij vergeet somtijds dat hij mede-afgevaardigden +heeft. Intusschen voegt het ons, insgelijks den Graaf te gaan +begroeten." + +"Ik zal wachten, dat hij zelf mij aanspreekt," hernam Adeelen: +"o! dat ik hem eerder gekend hadde, ik had liever deze hand afgekapt +dan dat ik ze hem had toegestoken." + +"Gij zijt toch niet verstoord op ons, mijne goede Heeren!" zeide de +Graaf, op datzelfde oogenblik minzaam tot hen tredende. "Wij hebben +gehoord, dat er hedenmorgen een uwer in den Hout onaangenaamheden +heeft gehad. Deze zaak zal onderzocht worden. Reeds hebben wij een +der aanstokers van dat geschil, een boschwachter, die in onzen eigen +dienst was, zijn afscheid doen geven." + +De Abt boog zich met eerbied. Adeelen maakte een stijve buiging en +bleef toen strak voor zich kijken. + +"Gij hebt zoo straks uwe hand aan den Heer van Treslong gegeven," +vervolgde Willem: "zult gij die aan den Graaf weigeren?" + +Adeelen stond nog roerloos. Beaumont, die een uitbersting vreesde, +trad haastig tusschen beiden. + +"Het is niet aan den afgevaardigde van Friesland," zeide hij, "het is +aan Jonker Seerp Van Adeelen, dat Willem van Henegouwen de hand biedt." + +"Seerp Van Adeelen heeft vrijwillig de hand aan den heer van Treslong +gegeven," zeide de weerbarstige Fries: "den Grave komt òf de hulde +òf den handschoen van Frieslands afgevaardigde toe." + +"'t Is genoeg," zeide Willem, die zich, zonder naar deze taal te +luisteren, reeds had omgewend: _"on ne scauroit faire boire un asne +s'il n'a soif [20]."_ "Mevrouw de Gravin! zou het uwe goedkeuring +wegdragen, indien we de paarden lieten opzadelen?" + +De Gravin boog zich toestemmend: en het gezelschap, dezen wenk +verstaande, maakte de noodige toebereidselen om te vertrekken. + +"Wat belieft uwe genade, dat met deze kokelers gedaan worde?" vroeg +Reinout aan den Graaf, terwijl hij op Barbanera wees, die, met behulp +van zijn makker, den toestel bereids weer had ingepakt. + +"Mij dunkt, zij zouden een groot versiersel zijn voor den kastanjeboom +op het achterplein," zeide Naaldwijk. + +"Dat men hen met zweepslagen den Vogelesang afdrijve," zeide Willem +op een gestrengen toon. + +"Mijn edele Heer!" riep de Gravin, hem bij de hand nemende: "zij hebben +mijn woord in uw bijzijn ontvangen, dat men hun geen leed zou doen." + +De Graaf bedacht zich eenige oogenblikken. "Welaan!" zeide hij +vervolgens: "breng hun een paar gulden: en daarbij onzen stelligen +wil, dat zij na vier en twintig uren zich niet weder in onze Staten +vertoonen, op straffe van aan den Rechter te worden overgeleverd, +als schuldig aan duivelskunstenarijen. Gij hebt ons verstaan, +Reinout! zorg dat zij het wel begrijpen:--en deel onzen last aan den +Schout van Haarlem mede, dat hij voor de uitvoering zorge.--En nu, +mijne Heeren! is het tijd van gaan. Wie ons liefheeft, volge ons." + +In weinige oogenblikken was de gansche stoet te paard gezeten en naar +Haarlem in aantocht. Alleen Reinout en Deodaat bleven een poos achter, +om den kokeler 's Graven besluit mede te deelen, en volgden toen, +ofschoon op eenigen afstand, den trein. + +Het was eerst nabij het oude Johanniter-klooster, dat zij dien weder in +'t oog kregen en zagen, dat de Friezen, waarschijnlijk om den Graaf +eer aan te doen, niet afstapten, maar mede naar Haarlem reden. "Hou +even op," zeide Reinout: "ik krijg daar een inval." + +"Deze of gene zottigheid?" zeide Deodaat. + +"Neen, in ernst!--Wij hebben den avond vrij: laat ons dien besteden +om achter het geheim te geraken, dat mij zoo na aan 't harte ligt." + +"Wat zijn uwe voornemens?" + +"Volg mij, en gij zult die vernemen," antwoordde Reinout, terwijl +hij rechtsaf een weg insloeg. + +"Gaat gij verre?" vroeg Deodaat: "ik ben vermoeid en verlang hartelijk +naar mijn bed." + +"Niet verder dan de hut van Walger den boschwachter, waar wij onze +paarden zullen laten," antwoordde Reinout. + +"En dan?" + +"En dan!--maar gij bezit niet de minste verbeeldingskracht! Dan sluipen +wij naar het klooster, trachten onze schoone zangster te ontdekken...." + +"Beklauteren de muren, rooven haar weg, slaan alles dood, en voeren +onzen buit naar ons paleis te Verona:--is dat uwe bedoeling niet?" + +"Niet volkomen!" antwoordde Reinout, lachende in weerwil van zich +zelven: "indien wij haar slechts kunnen zien en hooren, dan ben +ik voldaan." + +"Ik beken u van harte, dat ik al zoo lief op mijn bed lag en van daar +die hemelsche tonen hoorde:--zoo wij eens betrapt worden, terwijl +wij rondom dat klooster dwalen, zal onze ontdekkingsreis stofs genoeg +opleveren tot een maand bespotting." + +"Welnu! laat mij dan alleen gaan," zeide Reinout, wrevelig: "ik geloof +inderdaad, dat men alleen beter tot zulk een tocht geschikt is." + +"Reinout!" zeide Deodaat, het hoofd langzaam schuddende: "dat heb +ik niet aan u verdiend!--Gelooft gij, dat ik u verlaten zou, hoe zot +het avontuur dat gij voorhadt ook wezen mocht?" + +"Vergeef mij," zeide Reinout: "heb slechts de goedheid mij niet weer +te kwellen; gij weet, wanneer ik verliefd ben, versta ik geen boert." + +Gedurende deze woordenwisseling waren zij de woning des boschwachters +genaderd: deze was tegen een klein duintje gelegen, en van den +zijweg, waarop de vrienden zich bevonden, afgescheiden door een +scherm elzenhakhout en door twee zware wilde kastanjeboomen, die +thans in vollen bloei stonden, en tusschen welke het pad lag, dat +dwars door het hakhout naar den ingang der woning geleidde. De Ridders +stegen af, en terwijl Reinout de paarden aan den boomstam bond, begaf +zich Deodaat naar de hut, om den boschwachter of iemand der zijnen +te roepen, ten einde bij de paarden te blijven en die te bewaken, +zoolang zij op hunne ontdekkingsreis uit waren. + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + + + O hemel! ja! dus was haar spraak, haar tred, haar wezen: + Zij is het. + + Alzire. + + +Daar de deur half aanstond, behoefde Deodaat zijn komst door geen +geklop aan te kondigen, maar trad onverhinderd binnen. Het verblijf +van Walger bestond uit een vrij ruim vertrek, waarvan een derde was +ingenomen of overdekt door den wijd vooruitstekenden schoorsteenmantel, +binnen welks omvang een paar zijden spek, eenige gevilde en ruige +konijnen en een menigte netten en vischwant hingen te drogen. Een +tafel van ruw hout, die nabij het venster stond, een paar zitbankjes +en jachtgereedschappen van allerlei vorm en gebruik, maakten de eenige +meubelen uit, waarmede overigens dit verblijf was voorzien. + +De zon was sedert een geruimen tijd ondergegaan, en de schaduw, welke +de breede kruinen der beide kastanjeboomen om zich neerwierpen, had +over al de voorwerpen, die zich in de stulp bevonden, een duisternis +verspreid, waaraan de oogen van hen die zich binnen bevonden, reeds +gewend waren, maar welke Deodaat, die van buiten kwam, belette, den +vorm of de kleur van eenig ding duidelijk te onderscheiden. Alleen +de smeulende gloed van een paar kluiten afgestoken derrie, die op den +haard lagen, wierp een flauwen schemerschijn om zich heen, en deed al +de voorwerpen op eene nog ongewisser en fantastischer wijze uitkomen. + +Het eerste, wat onze Ridder bij het inkomen bespeurde, was eene aan de +tafel zittende gedaante, welke hij voor de vrouw des boschwachters +hield, en die een pak, dat naar een kind geleek, op den schoot +had. Zonder verder rond te zien naderde hij dit vrouwelijk wezen: + +"Vrouwtje!" zeide hij: "kunt gij of uw man even buiten komen om onze +paarden vast te houden?" + +De gedaante hief het hoofd op met een half versmoorden kreet van schrik +(want zij had de komst van Deodaat niet opgemerkt); doch antwoordde, +zich terstond herstellende: "ik ben de vrouw van den boschwachter niet; +maar 't zal nu moeilijk schikken u te helpen." + +De stem was zoo zoet en welluidend, en deed zich in zulk een zachten +tongval hooren, dat Deodaat een oogenblik verlegen en opgetogen van +verwondering bleef staan: "Vergeef mij," zeide hij vervolgens: "ik +heb, geloof ik, een dommen streek begaan; maar de duisternis belet mij +te zien tot wie ik spreek, en welk een titel ik moet geven aan haar, +die mij de eer aandoet van mij te antwoorden." + +"Aha! zijt gij het?" vroeg een ander lief stemmetje, 't welk aan een +jong meisje toebehoorde, dat van achter de schouwe uit een donkeren +hoek kwam opdagen. + +"Mijn mooi Friezinnetje van hedenmorgen!" riep Deodaat vroolijk uit, +die Sytsken herkende aan haar uitspraak zoowel als aan haar kleine +gestalte en vluggen lichaamszwaai. + +"Wacht!" hernam Sytsken: "ik zal licht opsteken; want de kat alleen +kan in deze duisternis zien. Vrouw! waar bewaart gij de lamp?" + +"Achter, op den schoorsteenrand," antwoordde, uit de in den donkeren +hoek aanwezige bedstede, een flauwe stem, welke Deodaat voor die van +des boschwachters huisvrouw herkende. + +Het kleine Friezinnetje klom op een bank en kreeg niet zonder moeite +de lamp van hare plaats, waarna zij gehurkt bij het vuur ging zitten om +licht te verschaffen; maar vruchteloos bracht zij het eene aangestokene +strootje voor en het andere na bij de pit: het vlammetje was uit eer +de olie vuur vatte. + +"Ik zal zien of ik u helpen kan," zeide Deodaat, toen het meisje +over haar mislukte pogingen onverduldig werd: "de tocht door dien +schoorsteen blaast de vlam uit:" en zich op de eene knie naast haar +nederlatende, dekte hij het aangestoken vlammetje met zijn toppermuts +tegen de lucht, die van boven kwam, waardoor een herhaalde poging +gelukkiger slaagde. + +Het licht werd nu op de tafel geplaatst; maar, was de verbazing van +Deodaat groot geweest, toen hij de liefelijke stem der onbekende +gehoord had, hij stond nu als opgetogen, toen hij haar, die zoo +bevallig gesproken had, mocht aanschouwen. + +Voor zooveel men, nu zij gezeten was, haar gestalte kon beoordeelen, +was zij rijzig van postuur; doch haar fijne leest was gewikkeld in +een zwarten zijden mantel, die niets liet bespeuren dan de bevallige +ronding van een leliewitten arm, die, tegen de toen algemeen +heerschende mode, tot boven den elleboog bloot, en om het lijf van +een ziekelijk kind, dat op haar schoot zat, geslagen was. De kap van +den mantel bedekte het hoofd, en was onder de kin vastgestrikt, doch +liet echter vrijheid om de edelste en tevens innemendste wezenstrekken +te beschouwen, welke immer in het hart eens jongelings liefde verwekt +hebben. De strenge regelmaat des beloops van neus en voorhoofd, welke +aan het profil der Grieksche Juno herinnerden, was getemperd door +den zachten, minzamen opslag van twee groote, helder hemelsblauwe +oogen, overwelfd door gitzwarte wenkbrauwen, zoo zuiver van omtrek, +als waren zij door een penseel gevormd, en door de kuiltjes, welke in +de van gezondheid schitterende wangen en in de ronde kin als tot een +schuilplaats voor de bevalligheden gevormd waren. Een klein vlekje ter +zijde der bovenlip, in stede van het gelaat te ontsieren, stak geestig +af tegen de blanke tinten van het fijne, met blauwe adertjes gemarmerde +vel, en verhoogde de levendigheid van uitdrukking der wezenstrekken, +vooral wanneer zij zich tot een lachje saamtrokken, en de half geopende +rozemond de dubbele rij der hagelwitte tandjes ontdekken liet. + +"Bij mijn ziel!" dacht Deodaat: "Reinout heeft een heerlijken +inval gehad: en ik gun hem zijne zangeres, zoo ik dezen lieven +engel op mijn gemak mag blijven beschouwen.--Waarlijk, bevallige +Jonkvrouw!" vervolgde hij, overluid: "ik dacht weinig, dat de +nederige stulp van Walger met zulke bezoeken vereerd werd. Zij +strekte menigmalen tot een verzamelplaats voor de jagers; maar zij +zou nimmer ledig zijn, indien men altijd zeker ware, er zulke gasten +aan te treffen." + +Nauwelijks had hij dezen volzin geëindigd, of hij werd knorrig op zich +zelf en vond de geüite plichtpleging laf, ontijdig en ongepast. Het +antwoord der schoone versterkte hem in deze opvatting. + +"Ik geloof niet," zeide zij, op een vriendelijken, maar gevoelvollen +toon, "dat de jagers, waar gij van spreekt, veel genoegen zouden +vinden in een zoo droevig schouwspel als hetgeen deze plaats thans +verschaft," en zij wees den Ridder naar de bedstede, waar hij nu +eindelijk een geestelijke ontdekte, oogenschijnlijk gereed de plichten +van zijn heilig ambt waar te nemen bij een vrouw, welke op het leger +lag uitgestrekt. + +"Is de vrouw van Walger ziek?" vroeg Deodaat. + +"Er is een ongeval gebeurd," antwoordde de onbekende: "zij heeft een +wond aan het hoofd bekomen." + +"Ja freule!" voegde Sytsken er bij: "zoo gij dat een ongeval +noemt.... alsof het niet de schuld van dien boozen boschwachter ware: +dat het een rechte smijtersbaas is, heb ik van morgen al opgemerkt." + +"Ik heb al meer bespeurd," zeide Deodaat, het hoofd schuddende, +"dat Walger de beste man niet was. Wel Elske!" vervolgde hij, naar +de bedstede gaande: "hoe staat het er mede?" + +"Ik hoop dat het schikken zal, Ridder!" antwoordde Elske, moeite +doende om met het hoofd te knikken: "hadden deze brave menschen mij +niet geholpen, ik ware er om koud geweest." + +"Stil!" zeide de geestelijke, die onbeweeglijk naast de bedstede +zittende, haar polsslag gadesloeg: "gij moet zoo min mogelijk spreken." + +"_Corpo di Bacco_!" klonk op eens de stem van Reinout, die met vrij +wat gedruis binnentrad: "moet ik tot morgen bij de paarden blijven?" + +"Bedaar wat," zeide Deodaat: "hier is een zieke." + +"En gezonden ook, naar ik merk," hernam zijn vriend, rondziende: "'t +verwondert mij niet, dat gij mij in zulk gezelschap vergeet. Zult gij +mij het genoegen doen, mij aan deze jonkvrouwen voor te stellen? want +zeker hebt gij reeds kennis gemaakt.--_Madre di Dio_! deze hier heb +ik meer gezien." Dit zeggende pakte hij Sytsken bij den arm, die zich +haastig losrukte. + +"Jongeling!" zeide vader Syard, (want deze was de monnik, die naast net +ziekbed zat) oprijzende, en met een streng gelaat naar hem toetredende: +"bewaar uw loszinnigheid voor het hof van Graaf Willem: daar mag zij +misschien behagen! hier is zij ongepast." + +"Vergeef mij, Pater!" zeide Reinout, zonder zijn spotachtigen toon te +laten varen: "ik had u niet gezien: en ik wist niet, dat deze schoonen +zoo gelukkig waren u tot haar beschermheer te hebben;.... maar zoo +ik mij wel bezin," voegde hij er bij, op eens van toon veranderende: +"draagt gij niet het ordekleed van Sint-Benedictus?" + +De monnik knikte toestemmend. + +"En dit meisje was het, dat hedenmorgen onze hulp voor Seerp Van +Adeelen inriep?" + +"Dat was ik," zeide Sytsken: "en nogmaals dank voor uw bijstand." + +"En deze daar," vervolgde Reinout, met klimmende belangstelling, +terwijl hij de onbekende met opgetogen verbazing beschouwde: "behoort +ze ook bij u?" + +"Wij zijn de Jonkvrouw hier gevolgd," antwoordde vader Syard. + +"Ik ben een zot, een ezel!" riep Reinout, zich voor het hoofd slaande, +"vergeef mij, schoone Freule, zoo ik eene, eene enkele uitdrukking +gebezigd heb, die uw toorn verwekken kon." + +"Er was geen opzet tot beleediging," zeide de onbekende op een +vriendelijken toon: "hoe zou ik dan toornig zijn." + +"'t Is hare stem, bij alle Heiligen!" zeide Reinout: "en gij liet +mij buiten staan, Deodaat!" + +"Ik zou u juist zijn gaan roepen," zeide Deodaat. + +"Maar, wat zegt gij toch?" zeide de Jonkvrouw, die niets van den +uitroep van Reinout begreep, terwijl zij eerst dezen, en vervolgens +de overigen verlegen aanzag. + +"Waarlijk ja," zeide Deodaat halfluid tegen zijn vriend: "nu meen ik +ook de stem te herkennen." + +"Meenen!--Zoo gij het minste gevoel in uw ziel bezat, zoudt gij er +zeker van zijn zoowel als ik," hernam Reinout opgetogen. + +"Ik geloof, dat die Heeren gek zijn," zeide de onbekende tegen Sytsken, +terwijl zij opstond en haar het kind overhandigde: "zij hebben mij +nooit hooren spreken." + +"Neen, maar wel zingen," zeide Reinout: "en de ooren, die eens de +melodie uwer stem dronken, zullen haar nimmer meer met een andere +verwarren." + +"Hoe!" zeide de Jonkvrouw, sterk blozende: "gij hebt...." + +"Vergeef ons, edele Freule!" zeide Deodaat: "wij zijn onbescheiden +geweest. Dezen achternoen bevonden wij ons toevallig in den hof van +het oude Sint-Jans-klooster.... en het was vergeeflijk, dat wij niet +vertrokken, voordat de hemelsche muziek geëindigd was, die ons daar +mocht boeien." + +"Ik dacht niet dat iemand mij hoorde buiten Sytsken," hernam de +onbekende: "had ik geweten, dat zulke kenners, die beter zang gewend +zijn, naar mij luisterden, ik had wel gezwegen: doch kom! ik verpraat +mijn tijd.... en die arme vrouw ligt ondertusschen te steunen. Hoe +gaat het nu, vrouwtje?" + +Dit zeggende, plaatste zij zich naast het bed. + +"En dat meisje, dat niet terugkomt," zeide Sytsken: "en de Olderman en +Seerp Van Adeelen, die misschien al ongerust zijn over uw uitblijven. + +"Dat zal zich wel schikken," hernam de Jonkvrouw: "lang mij even dat +kommetje aan: ik moet het linnen nog eens betten." + +Sytsken leide het kind op het bed, en hield een kommetje met azijn en +water voor hare schoone meesteres, terwijl deze met den linkerarm het +hoofd der lijderes ondersteunde en met de rechterhand het verband +der wond bevochtigde. Deodaat nam dadelijk deze gelegenheid waar +om nuttig te zijn: en de lamp van de tafel nemende, hield hij het +licht bij. In dien tusschentijd verzocht Reinout den monnik, hem +te willen verhalen, wat er voorgevallen was, en bood zijn hulp aan, +voor zooverre hij van eenigen dienst kon wezen. + +"Het is ongeveer twee uren geleden," zeide vader Syard, "dat een +klein meisje, naar ik meen het dochtertje van deze vrouw, aan ons +verblijf kwam aankloppen en schreiende aan den dienaar, die haar +inliet, verhaalde, dat haar vader hare moeder doodgeslagen had." + +"Dat is niets nieuws," merkte Reinout aan: "dat doet Walger alle +maanden eens; maar ga voort, Pater." + +"De twist scheen daaruit ontstaan te zijn, dat er in de afwezigheid +des mans iemand vanwege den Graaf is gekomen met de boodschap, dat +men zijne diensten als boschwachter niet meer noodig had, uithoofde +hij zich hedenmorgen in den twist met Seerp Van Adeelen gemengd had." + +"Inderdaad, nu herinner ik mij, iets van zulk een bevel gehoord +te hebben." + +"De man, die wel beschonken te huis kwam, geraakte op het hooren dezer +tijding en van de verwijtingen zijner vrouw bij die gelegenheid zoo +in toorn, dat hij haar met het hoofd tegen de steenen smeet:--wanende +dat zij dood was, nam hij de vlucht." + +"Laat hij wegblijven: een schurk minder in de buurt." + +"Men kwam mij dit alles boodschappen, terwijl de afgevaardigden, als +u bewust is, afwezig waren. Ik bevond mij juist bij de Jonkvrouw, +die terstond begeerde het meisje te zien. Na het ongeval uit haar +mond vernomen te hebben, besloten wij het kind te volgen, in de hoop, +dat zoowel geneeskundige als geestelijke hulp nog tijdig genoeg mocht +komen. Wij vonden de vrouw nog altijd bezwijmd, en een kleiner kind +kermende op het bed. Met Gods hulp brachten wij haar weder tot haar +zelve en de Jonkvrouw verbond de kwetsuur, welke ik mij vlei, dat +weldra genezen zal, zoo er geene koorts of ontsteking bij komt." + +"Men beweert," zeide Deodaat, die mede aandachtig had toegeluisterd, +"dat hoofdwonden in dit land nogal niet gevaarlijk zijn." + +"Dit schijnt de ondervinding te bevestigen," zeide de monnik. + +"Er zijn wonden, die even snel geslagen worden en wier genezing +onmogelijk is," zeide Reinout, de Friesche Jonkvrouw met een +smachtenden blik aanziende. Zij sloeg echter geen acht op zijn +ontijdige liefdesverklaring, daar zij bezig was, het verband, dat +losgeraakt was, weer vast te hechten. + +"Kunt gij ook iets nader bijlichten?" zeide zij: "het springt gedurig +los.... 't gaat alweer niet," hervatte zij, een weinig ongeduldig. + +"Met uw verlof," zeide Deodaat; "zoo ik even helpen mag--ik geloof +dat ik zie waar het aan hapert." + +"Gij!" zeide de Jonkvrouw, hem eenigszins verwonderd aanziende: +"welnu!" vervolgde zij glimlachende: "wijs mij eens te recht." + +"Zie," zeide Deodaat, de lamp aan Reinout ter hand stellende, die +bij zich zelven vloekte: "indien gij het linnen hier dubbel vouwt +en er dit end doorhaalt, en voorts kruiselings over het hoofd slaat, +kan het verband onmogelijk losgaan." + +Terwijl hij aldus sprak, voegde hij de aanwijzing bij het voorschrift +en geleidde de blanke en poezele handjes der schoone over het hoofd +van des boschwachters vrouw, niet zonder een zoete en zalige trilling +te gevoelen, welke die aanraking in geheel zijn wezen teweegbracht. + +"Gij hebt gelijk," zeide de Friezin, toen zij naar eisch geslaagd was: +"en ik dank u voor de hulp." + +"Wie had het ooit gedacht?" voegde Sytsken er bij: "dat een Jonker +beter een verband zou leggen dan Freule Madzy, die ik niet dacht dat +haars gelijke had." + +"De oorlog maakt ons deze kennis vaak noodzakelijk," zeide Deodaat: +"maar nooit heb ik haar met zooveel genoegen in het werk gesteld +als nu." + +Op ditzelfde oogenblik ging de stulpdeur open, en Marretje, des +boschwachters dochter, die, nadat haar moeder weer was bijgekomen, +door deze was uitgezonden om een buurvrouw te halen, ten einde bij de +zieke te waken, kwam springende en in de handen klappende terug, de +oude boerin bij de hand geleidende, welke de taak van oppasster zoude +waarnemen.--"Goed nieuws!" zeide zij: "ik breng een meester mede, +die moeder wel terstond genezen zal."--Hier zweeg zij plotseling, +onthutst op het zien der beide Ridders. + +"En wie is de kunstenaar, die dat wonder doen zal?" vroeg Reinout, +zich omkeerende: "ei zoo! is het die schurk?" + +Het was inderdaad meester Barbanera, die de hut binnentrad, en een +diepe buiging voor het aanwezig gezelschap maakte. + +"Zijt gij het, ongeluksvogel?" vroeg Deodaat: "gelooft gij, dat een +der onderzaten van Graaf Willem nog met uwe hulp gediend zal wezen +na al de ellenden, die gij hem en zijn huis voorspeld hebt? Verbeeld +u, _Pater_!" vervolgde hij tot den monnik: "dat deze kwakzalver de +stoutheid heeft gehad, hedenavond, ter belooning der gunst, waarmede +hij op den Vogelesang ontvangen was, niets dan rampen aan onzen Vorst +en het daar tegenwoordig gezelschap te voorspellen." + +Meester Barbanera haalde de schouders op en hief de oogen opwaarts, +als wilde hij te kennen geven, dat men alleen het gestarnte en niet +hem beschuldigen moest. Vervolgens begaf hij zich naar de bedstede en +wilde de hand der lijderes nemen om haar pols te voelen, toen Reinout +hem bij den kraag vatte en terugtrok. + +"Waag het niet haar aan te raken," zeide hij op een gramstorigen toon, +"zoo gij niet begeert dat wij terstond den eersten last des Graven +ten uitvoer brengen en u tot een aas der kraaien maken." + +"Gij zoudt kwalijk doen," fluisterde de kwakzalver hem in 't +Italiaansch toe: "gij zoudt daardoor den eenigen man wegruimen, +die het geheim uwer geboorte kent." + +"Gij!" herhaalde Reinout, in dezelfde taal, terwijl hij de armen +vallen liet. "Welnu," vervolgde hij, hem in een hoek van het vertrek +voerende, "morgen te acht uren wacht ik u hier weder. Den brenger +van echte tijdingen zal ik rijkelijk beloonen; maar den bedrieger +ernstig straffen: wees daarvan zeker." + +"Ik zal komen," zeide de kwakzalver; "doch onder één beding; gij zegt +niets van dit aan uw makker: en gij komt alleen." + +De monnik en Deodaat, bezig met de zieke zijnde, hadden niets van +dat gesprek vernomen: "Mij dunkt," zeide de eerstgemelde, "dat het +alleen aan de lijderes staat om te beslissen, of zij van de hulp des +vreemdelings al of niet gebruik wil maken." + +"Ik gevoel mij beter," zeide Elske: "en ik hoop dat het zonder +medicijnen wel zal schikken; als buurvrouw Machteld bij mij blijft +van nacht; want ik ben doodsbang alleen." + +"In dat geval kunnen wij terugkeeren," zeide vader Syard tegen zijn +twee gezellinnen; "het voegt ons niet, de Heeren aan 't klooster +langer in ongerustheid te laten." + +"Gij zult ons vergunnen u veilig naar huis te geleiden," zeide Reinout: +"het is avond en in de duisternis zoudt gij kunnen verdwalen." + +De monnik nam dit aanbod met een stijve hoofdbuiging aan: Madzy hoorde +het niet, of deed althans of zij het niet hoorde en nam afscheid van de +gewonde, haar belovende, den volgenden dag naar haar te komen zien: +de kwakzalver werd op een zachte wijze de deur uitgeschoven en het +gezelschap verliet de hut, Elske aan de zorg van buurvrouw Machteld +overlatende. + +Het was nu volkomen nacht geworden, en daar de maan nog niet was +opgekomen, donker genoeg: zoodat er reeds eenige behoedzaamheid +noodig was om den rijweg te bereiken langs het smalle paadje door het +kreupelhout, waarop Reinout de anderen voorging, die hem één voor één +volgden. Op den rijweg gekomen, begon men min of meer de vormen der +dingen te kunnen onderscheiden en Reinout, den kastanjeboom naderende, +greep naar den toom van hetgeen hij voor zijn paard hield. + +"Dat is mijn paard niet," zeide hij: "is het uw vos, Deodaat?" + +Dit zeggende liet hij den toom in de hand zijns vriends glijden +en sloeg zijn arm om den nek van een ander viervoetig dier; dan op +hetzelfde oogenblik gaven beiden een kreet van verbazing. + +"Wilt gij mij dit paard uit de openbaring voor mijn vos +verkoopen?" vroeg Deodaat, de hand strijkende over de uitstekende +bouten en knoken van het dier, dat hij vasthield. + +"Hier heeft tooverij plaats, bij alle duivels!" vloekte Reinout, +die, in de plaats van het spiegelgladde vel van zijn zwarten hengst, +de stekelharige vacht van een ezel voelde. + +"Wat is u toch overkomen?" vroegen vader Syard en de beide meisjes, +als uit eenen mond. + +"Hier priester! eene bezwering!--het is de booze zelf, die mij in +'t aangezicht vaart," brulde Reinout, wien een zwart dier, dat zich +van des ezels rug scheen los te maken, in 't aangezicht was gevlogen. + +"Cezar! hier!" riep plotseling de stem van den hansworst, die naast de +beide dieren, welke hij bewaken moest, zat te dutten, en nu eensklaps +opsprong. + +"'t Zijn de beesten van den kwakzalver, die wij voor de onzen +aanzagen," zeide Deodaat, in gelach uitberstende. + +"Schurk!" riep Reinout, den hansworst in den hals knijpende, "wat belet +mij u op de plaats te doorsteken?" en meteen hief hij zijn dolk op. + +"Foei Reinout, schaam u!" zeide Deodaat, hem terughoudende: "een aap +en een nar, zijn dat gepaste kampvechters voor u?" + +"Gij hebt fraai spreken," hernam Reinout, zijn dolk weder opstekende, +"uw gezicht is niet gelijk het mijne, open gekrabd door dat satansche +beest." + +Meester Barbanera, die tot nog toe vol angst in het pad teruggeweken +was, kwam bij dit gezegde voor den dag met een zalfpot, dien hij +Reinout aanbood, en welken deze terstond over den kastanjeboom heen +deed vliegen, zeggende: + +"Loop naar den duivel met uw gesnor.--Waar zijn onze paarden?" + +"Dat is waar ook," zeide Deodaat: "met al die gekheid zijn onze +paarden nog zoek." + +"Ik heb hier bij onze komst niets gezien dat naar een paard geleek," +zeide de nar. + +"Gij hebt ze gestolen, ellendeling!" zeide Reinout: "beken waar zij +gebleven zijn, of dit oogenblik is het laatste uws levens." + +"Bij Sint-Momus!" zeide de hansworst, terwijl hij trillende van angst +op de knieën viel: "ik zweer u, mijne goede Heeren, dat zoo hier +paarden gestaan hebben, de kaboutermannetjes ze hebben weggehaald, +of dat zij op de lucht van meester Cezar gevlucht zijn; want ik heb +ze niet gezien en de kokeler kan getuigen...." + +"Een fraaie getuige!" zeide Reinout, den armen Barbanera aanziende, +die trillende en met gevouwen handen tegen den boom stond geleund: +"gehangen zult gij worden, paardendieven!" + +"Mij dunkt," zeide Deodaat tegen den kokeler: "gij, die een waarzegger +zijt, moest ons kunnen vertellen waar zich onze rossen bevinden!" + +"'t Is wel een oogenblik van gekscheren," bromde Reinout: "zij mogen +zweren wat zij willen, ik zweer hun dat zij er niet heelhuids afkomen, +zoo zij de waarheid langer durven verzwijgen." + +Hier deed de zachte stem van Madzy zich hooren: "Mijne goede +Heeren!" zeide zij: "deze lieden zijn mogelijk onschuldig. Indien zij +uwe paarden gestolen hadden, zouden zij er dan niet mede weggevlucht +zijn?" + +De juistheid dezer aanmerking en meer nog de uitwerking van Madzy's +bevallig stemgeluid deed de gramschap van Reinout bedaren, die +eenigszms verlegen terugtrad. "De Jonkvrouw heeft gelijk," zeide +Deodaat: "en wij moesten ons schamen, haar te laten wachten tot wij +onze beesten terughebben. Veroorloof mij, Freule! u den weg te wijzen." + +"Gij zijt te goed!" antwoordde Madzy: "zoek eerst de verlorene schapen +weer op: wij zullen den weg wel vinden.... maar wacht eens!" hier +wendde zij zich tot de buurvrouw, die met Elskes dochtertje op het +gerucht was komen aanloopen: "zijn deze vrouwen en dit meisje niet +met den meester gekomen." + +"Zeer juist!" merkte de monnik aan: "vrouwtje!" vervolgde hij tot +Machteld: "waar hebt gij dien wonderdokter en zijn maat ontmoet?" + +"Zij zijn ons op den grooten weg achterop gekomen," was het antwoord. + +"Net zoo," zeide de nar: "wij kwamen van den Vogelesang." + +"Zwijg!" zeide vader Syard: "het wordt u niet gevraagd," en, zijn +onderzoek voortzettende: "zijt gij met hen tot hier gekomen?" + +"Dat bennen wij." + +"Waren er twee paarden aan dezen boom gebonden?" + +"Ik heb geen biest gezien? jij al, Marretje?" + +"Niets dat naar een paard leek," zeide deze. + +"Dan moeten zij vroeger gestolen zijn," zeide Reinout: "want ik had +ze aan denzelfden boom gebonden, waar nu deze ongelukken van beesten +aan zijn vastgemaakt." + +"Gij kunt er nog de hoeven van bespeuren," zeide Deodaat, +"niettegenstaande de duisternis: kom! dat zijn twee zorgen minder +op stal. Het spijt mij;.... maar men moet zich de wereldsche zaken +kunnen getroosten." + +"Ik heb een erger verlies ondergaan, sedert ik u gezien heb," zeide +Reinout, zich bij Madzy voegende. + +"Waarlijk?" zeide deze:--"gij moet wel achteloos zijn, om zoo alles +te verliezen." + +"Kom! genoeg gedraald," zeide Deodaat: "trek in vrede af, meester +Barbanera! maar wacht u, hier langer in de buurt te vertoeven.--En +wij, gaan wij: de Heer van Aylva zal ongerust zijn: en wie zou het +niet wezen, wanneer hij bij zijne tehuiskomst zulk een beminnelijke +dochter mist." + +"Ik ben de dochter van den Heer van Aylva niet," zeide Madzy, terwijl +allen zich op weg begaven: "hij is mijn voogd." + +De zoo natuurlijke bescheidenheid, welke ieder jongeling vervult +in de tegenwoordigheid van een meisje, dat bij hem een ontkiemend +gevoel van liefde verwekt, belette Deodaat verder te vragen. Ook +Reinout gevoelde een verlegenheid, welke hij nimmer bespeurd had: het +eenvoudig onschuldige van Madzy boezemde hem een eerbied in, welke +geen vrouw ter wereld ooit bij hem had doen ontstaan. Men wandelde +dus een poos in stilte voorwaarts, zonder dat er een woord gewisseld +werd. Eindelijk brak vader Syard het zwijgen, ten einde de Ridders over +de voorzeggingen van meester Barbanera te ondervragen. Zij voldeden +aan zijne nieuwsgierigheid: Madzy mengde zich weldra in het onderhoud, +en men begon over en weder van vervulde en nog te vervullene profetieën +te gewagen. + +"Men heeft bij u te lande ook nogal vrij wat op met waarzeggingen," +zeide Reinout tegen Madzy: "ten minste, dit is mij wel verhaald." + +"Dat geloof ik!" zeide Madzy, "er wordt bij ons geene stins gebouwd, +geen dam gelegd, geen kind geboren, of er is de een of andere monnik, +die er het toekomstige lot van voorspelt." + +"Ik herinner mij," zeide Deodaat peinzende, "dat ik eens bij toeval +zulk een Friesche voorspelling gehoord heb. Ik ben die meerendeels +vergeten: een paar regels zijn mij lang bijgebleven: laat zien," +vervolgde hij, zich het hoofd krabbende, "of ik mij die nog kan +herinneren: + + + As Dekama sine rose forliest, + In dy for Frieslän dat seawetter kiest.... + + +verder weet ik er niet van." + +"Voorzichtig wat!" zeide Madzy, glimlachende: "het is goed, dat gij +het niet verder kent: ik ben een Dekama." + +"Gij zult dan misschien het einde van het rijmpje wel weten," +zeide Deodaat. + +"Ik had liever gehad, dat gij mij dat rijmpje niet herinnerd hadt," +zeide Madzy, op eenmaal ernstig wordende: "het is misschien dwaas +van mij, maar het doet altijd pijnlijke gedachten bij mij ontstaan...." + +"O vergeef mij, Freule!" zeide Deodaat, "maar ik betuig u, het was +geheel zonder opzet, dat ik het aanhaalde:--uw naam was mij onbekend; +en ik stierf liever dan dat ik u het minste leed veroorzaakte." + +Hier zweeg hij en liet Reinout spreken, die, naijverig op zijn vriend, +tusschen beiden trad en het gesprek bracht op het gezang, dat Madzy +hun dien achternamiddag had doen hooren. Zij antwoordde zedig en +bescheiden: het onderhoud hield aan en werd nu zelfs vroolijk en +levendig, zoodat de wandelaars, reeds voordat zij het bemerkt hadden, +aan de poort van het voormalige klooster stonden. Hier hadden zij +nauwelijks aangeklopt, of de deur werd opengeslagen en zij zagen Aylva, +Adeelen en een aantal dienaars met flambouwen, gereed om uit te gaan +ten einde de afwezigen te zoeken. + +"Daar zijn zij!" riep Aylva verheugd uit: "Madzy! Madzy! is het wèl +van u, uwe vrienden zoo in ongerustheid te laten?" + +"Ik neem de schuld geheel op mij," zeide vader Syard: "maar ik kon +aan de Jonkvrouw niet weigeren haar een plicht van liefdadigheid te +helpen verrichten. Er is hier kortbij een vrouw gekwetst en...." + +"Ik hoop dat gij de kruik met olie van Sint-Janskruid [21] hebt +medegenomen, welke op mijne kamer staat," zeide de Abt, die op het +gerucht was komen aanschommelen en van wonden hoorde spreken. + +"En gij ook weer hier, mijne Heeren!" zeide Aylva, eenigszins +verwonderd, de beide Ridders te herkennen: "welk een gelukkig toeval +verschaft ons opnieuw de eer van uw bezoek?" + +"Deze Heeren zijn zoo goed geweest ons den weg te wijzen," antwoordde +vader Syard voor hen,--"maar zij hebben er ongelukkiglijk hun paarden +bij ingeschoten." + +"Inderdaad!" zeide Aylva, deze mededeeling slechts half begrijpende: +"maar gij zult ons dat beter binnenshuis verhalen. Wat u betreft, +mijn kind!" vervolgde hij, Madzy op het voorhoofd kussende: "ik +ben recht verheugd u weer te zien:--gij keert nu naar uwe kamer, +nietwaar? en dan, vaarwel tot morgen." + +"God zegene u, mijn waarde voogd!" zeide Madzy: "en u, mijne +vaders!--mijne Heeren! ik wensch u wel thuis, en grooten dank voor +uw geleide--Seerp Van Adeelen! slaap wel: het spijt mij, dat ik u de +moeite gegeven heb, nog zoo laat u te wapenen." + +Zij glimlachte bij het uitspreken dezer laatste woorden en wierp een +spotachtigen blik op Adeelen, die in 't borstkuras en met uitgetogen +zwaard voor haar stond. + +"Indien ik geweten had," zeide hij, een trotschen blik op de beide +Ridders werpende, "dat gij zulke geleiders tot uw dienst hadt, zou +ik mij die moeite voorzeker gespaard hebben." + +"Nu, word niet boos, Seerp!" hernam zij: "ik ben de eenige niet, +die vandaag later, dan wel behoorde, te huis gekomen ben." + +"Zij heeft gelijk, Adeelen!" zeide Aylva, "en gij hadt er erger kunnen +afkomen dan zij.--En gij, edele Ridders! aan wie wij een dubbele +verplichting hebben, zult gij ons het genoegen niet doen van bij ons +uit te rusten?" + +"Wij danken u," antwoordde Deodaat, na Reinout zijdelings te hebben +aangezien: "het is reeds laat en wij moeten naar huis wandelen." + +"Is het anders niet," hernam Avlva, "wij hebben hier paarden genoeg +om u te brengen waar gij zijn wilt." + +"Wij zijn u ten hoogste verplicht," zeide Reinout, wien het gezelschap +der Friezen niets aanlokkelijks bood, nu Madzy zich verwijderd had: +"maar ons bijzijn hier ware wellicht ieder niet even aangenaam: (hier +gaf hij Adeelen zijn trotschen blik terug) en wij willen u den avond +voor het plechtig gehoor niet hinderlijk wezen. Ontvangt onzen groet." + +Bij het uitspreken dezer woorden boog hij zich, en ging met Deodaat +de poort uit. + +Stilzwijgend en peinzend wandelden de beide jongelingen den heirweg +langs naar Haarlem, en voor de eerste maal was het, dat zij elkanderen +de geheime gedachten, die hen vervulden, schroomden mede te deelen. Wat +Reinout betrof, hij was jaloersch op zijn vriend. Hij meende bespeurd +te hebben, dat Madzy dezen meer gunst en vertrouwen betoond had dan +aan hem: hij betichtte zelfs Deodaat zich op een listige wijze bij +haar ingedrongen en hem de mogelijkheid ontnomen te hebben van zich +nuttig en aangenaam te maken. "Waarom," dacht hij, "moest ik zoolang +buiten staan zonder geroepen te worden? Ik had wel tot morgen kunnen +wachten, indien ik niet van zelf gekomen ware. Maar mijnheer begreep +de kans schooner te hebben in mijne afwezigheid:--en wat behoefde +hij de lamp te houden en de wond te verbinden en zich gedienstig te +toonen, anders dan om mij een vlieg af te vangen? Vervloekt zij het +zotte denkbeeld, dat ik had, van hem mede te nemen." + +"Reinout had liever alleen moeten gaan," dacht daarentegen Deodaat: +"want zoo hij werkelijk op die Friezin verliefd is, vrees ik dat +het mij te veel moeite zal kosten, hem in zijn liefde te helpen. Ik +gevoel, dat zij een indruk op mij gemaakt heeft, die nooit bij mij +door eene vrouw werd verwekt: en zoo ik haar vaak moest zien, zou ik +tot de droeve noodzakelijkheid komen van tusschen haar en mijn vriend +te moeten kiezen." + +Eindelijk echter kon zijn edelmoedige ziel het denkbeeld niet langer +verduren van eenige achterhoudendheid jegens zijn wapenbroeder te +voeden: "Reinout!" zeide hij: "denkt gij morgen weer naar de hut van +Walger te gaan?" + +Deze vraag, hoe eenvoudig ook, was zoozeer in overeenstemming met de +gedachten, welke Reinout op die oogenblikken bezig hielden, dat zij +hem een trilling door het geheele lichaam verwekte. + +"Ik weet het niet," antwoordde hij, zoo koel als hem mogelijk was: +"maar ja," hernam hij, zich bezinnende: "ik moet er heen: ik moet dien +Barbanera spreken, die, zoo hij zegt, van het geheim onzer geboorte +onderricht is, en dien ik daar heb bescheiden." + +"En gij zeidet mij niets daarvan," hernam Deodaat: "was dat broederlijk +gehandeld?" + +"Gij waart zoo bezig in de hut met uw Friesche schoone, dat ik het +te onbescheiden achtte, u te storen:--bovendien moogt gij mijne +mededeeling wel op prijs stellen, want Barbanera had mij verzocht, +er u niet over te spreken." + +"Waarlijk!--nu dan wil ik ook liever van de geheele zaak niets +weten:--òf die kokeler is een bedrieger, wiens eenig doel is, u geld +uit de tasch te kloppen:--òf hij staat met den booze in verbond en +dan begeer ik met hem in geene betrekking te komen." + +"Zooals gij wilt:--hij heeft bovendien verlangd, dat ik alleen kwame." + +"Inderdaad," zeide Deodaat, glimlachende: "ik geloof dat gij bij +al de bezoeken, die gij voornemens zijt aan dien kant af te leggen, +liever van mijn gezelschap ontslagen zijt." + +"Wat meent gij daarmede?" vroeg Reinout met hevigheid. + +"Hoor Reinout!" vervolgde Deodaat, terwijl zijn gelaat een ernstiger +plooi nam: "gij kunt niet ontkennen, dat de schoone Madzy uw hart +heeft getroffen en dat de jaloezie u wantrouwig maakt jegens uw +besten vriend." + +"Uw eigen gevoel zal u zeggen of ik daartoe reden heb of niet," +zeide Reinout. + +"Ik loochen geenszins dat zij eenigen indruk op mij heeft gemaakt; +maar al beminde ik haar met de vurigste liefde, welke ooit een +jongeling bezielde, ik zou kracht genoeg bezitten om mijn hartstocht te +verwinnen, eer die de minste storing in onze vriendschap teweegbracht." + +"Deodaat!" zeide Reinout, hem getroffen de hand reikende: "gij zijt +veel beter dan ik; maar waarom zoudt gij uw liefde tegengaan?--Ik +begeer dit offer niet: bemint gij Madzy zooals ik, laat ons dan +beiden trachten haar hart te winnen, en elkaar plechtig beloven, +dat het geluk van dengene, die slagen mag, geen nijd in het gemoed +des anderen verwekken zal." + +"Gij vergt het onmogelijke," zeide Deodaat: "weet gij dan niet uit alle +verhalen der vinders en meistreels, dat de liefde een eeuwigdurende +twistappel wordt tusschen de beste vrienden? Ik althans gevoel, dat +het mij gemakkelijker zal vallen, thans de schoone Madzy te vergeten, +dan zulks wezen zou indien ik haar meer dagelijks zag. Ik wil u in 't +vervolg geen oogenblik meer achterdocht verwekken en zal niet meer bij +de Friezen gaan. Schoone meisjes zal ik nog genoeg in Holland vinden, +maar wie zou mij een broeder als Reinout teruggeven?" + +"Goede Deodaat!" zeide zijn vriend: "uwe grootmoedigheid beschaamt +mij; doch ik gevoel dat gij gelijk hebt: ja, ik beken het, reeds het +loutere denkbeeld schokt mij, dat gij de genegenheid van Madzy zoudt +mogen verwerven, en ik u zou kunnen haten!--neen dat nimmer!" + +Eenige oogenblikken stilte volgden op dit gezegde, en weldra bevonden +zij zich aan de poort van Haarlem. Eer zij echter zich naar hun +nachtverblijf begaven, gingen zij den Schout verwittigen van den +diefstal aan hunne paarden gepleegd en met hem de beste middelen +beramen om den dader op te sporen. Tevens maakten zij hem ook bekend +met het bevel des Graven ten opzichte van Barbanera: eene mededeeling, +waartoe Reinout, die den kokeler nog wel eenige dagen in de nabuurschap +wilde houden, ten einde achter het verlangde geheim te komen, niet +dan schoorvoetende en op aanmaning van Deodaat kon geraken. + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + + + PHOCAS. + + Tombai-je dans l'erreur, ou si j'en vai sortir? + Si ce billet est vrai, le reste est vraisemblable. + + EXUPERE. + + Mais qui sait si ce reste est faux ou véritable? + + Corneille. Héraclius. + + +Den volgenden morgen was Reinout reeds vroegtijdig, doch thans alleen, +op weg naar de woning van Walger. Ongeneigd een bekende te ontmoeten, +was hij langs een achterweg den Hout doorgegaan;--dan toen hij zich in +de nabijheid van het oude klooster bevond, kon hij de bij een minnaar +zoo natuurlijke verzoeking niet weerstaan om het aangebeden voorwerp, +al ware het slechts een oogenblik, ongemerkt te aanschouwen. Hij begaf +zich derhalve langs een zijpad, dat door het kreupelhout slingerde, +naar den achtermuur van het gebouw; weldra echter zag hij, dat er +weinig hoop voor hem bestond, om het gewenschte doel te bereiken: +want het vertrek, door Madzy betrokken, had geen uitzicht dan op den +boomgaard en was zelfs niet zichtbaar voor al wie buiten stond. Hij +bleef desniettemin een wijl, den rug tegen een boomstam geleund en +de armen over de borst geslagen, in zoete mijmering verzonken, half +gelukkig door de gedachte dat zij, die hij beminde, waarschijnlijk +alleen door den steilen muur, welken hij voor zich had, van hem +gescheiden was. Uit deze liefelijke droomen werd hij gestoord door +het geluid van een openspringend slot: en spoedig daarop zag hij +een achterdeurtje in den tuinmuur opengaan. Als een dief, die vreest +betrapt te worden, school hij onmiddellijk weg achter het geboomte; +doch bleef tusschen het loof gluren om te ontdekken wie het wezen kon, +die langs dezen ongebruikelijken weg den boomgaard verliet. Alras +herkende hij vader Syard, die, na de deur met behoedzaamheid weer +achter zich te hebben gesloten, zijn kap over het hoofd sloeg en het +bosch intrad. Zonder te weten met wat oogmerk, volgde hij dadelijk +de stappen van den monnik, maar op een afstand, ver genoeg om hem, +zoo hij zich omkeerde, geen stof tot achterdocht te geven. Vader +Syard ging langzaam, doch met vasten tred vooruit, zonder den blik +rechts of links te wenden, en sloeg weldra een gul voetpad in, +dat tusschen welige berken en dennen liep en naar de gissing van +Reinout, op den zijweg, niet verre van de woning des boschwachters, +uit moest komen. De monnik scheen echter reeds vroeger de plaats zijner +bestemming te hebben bereikt. Links van het pad bleef hij staan bij +een klein vervallen schuurtje, dat tegen de helling van een met dennen +en mos begroeiden heuvel gebouwd was. Het dak van dit getimmerte (zoo +eenige ruw aaneengehechte planken dien naam verdienden) was reeds ten +halve weggerot of ingestort, en de houten wanden dreigden eerlang het +voorbeeld van het dak te zullen volgen; geen blijk was er aanwezig +dat dit verblijf ook zelfs den armoedigsten daglooner tot woning +verstrekte of verstrekken kon: en het was dus niet zonder bevreemding, +dat Reinout den monnik zag stilstaan en aan het deurtje kloppen, dat, +even vervallen als de rest, slechts aan één hengsel meer vasthing. + +Onze Ridder had zich intusschen in het kreupelhout verborgen, ten +einde te zien wat gebeuren zoude. Verre was hij van te denken, dat +het getimmerte eenig menschelijk wezen bevatten zou, en het was voor +hem een nieuwe stof tot verbazing, toen hij de deur niet zonder moeite +over den zandgrond zag openschuiven en een hoofd zich aan den ingang +vertoonen. Maar, wat Reinout het meest van alles verwonderde, was, aan +den vooruitspringenden neus en de zwarte haren, in den tijdelijken +bewoner van het schuurtje den persoon van meester Barbanera te +herkennen. Vader Syard trad nu binnen en de deur werd wederom gesloten. + +"Hoe komen die twee aan malkander? en wat kunnen zij te zamen te +verhandelen hebben?" waren twee vragen, welke zich zeer natuurlijk aan +den geest van Reinout voordeden. Het vermoeden, dat een ontmoeting +tusschen een Frieschen monnik en een duivelskunstenaar zeker niets +goeds kon beteekenen, gevoegd bij een nieuwsgierigheid, welke èn +de betrekking des paters tot Madzy èn de geheimzinnige taal van +Barbanera eenigszins verschoonlijk maakten, deed hem een besluit +vormen, 't welk hij zich te voren of in andere omstandigheden zou +geschaamd hebben, en 't geen hem zelfs op dit oogenblik een blos op +het aangezicht jaagde:--dat namelijk, van het onderhoud dier beide +personen te gaan beluisteren. Met langzame schreden sloop en kroop +hij achter struiken en struweelen om, zooveel mogelijk vermijdende, +den voet op het krakende mos te zetten, dat zijn tegenwoordigheid zou +kunnen verraden, en nu en dan op handen en voeten voortschuivende, +totdat hij zich achter het schuurtje bevond. Hier legde hij zich +plat op den grond neder, en het hoofd op de hand leunende, keek hij +op zijn gemak door eene der menigvuldige spleten naar binnen. + +Wederom tot zijn bevreemding zag hij binnen die vier enge wanden +een schouwspel, dat hem een oogenblik deed wanen dat zijn eigene +oogen hem bedrogen. Barbanera, de kokeler, was zeer op zijn gemak +(zooveel namelijk de gelegenheid eenig gemak aanbood) op een houten +blok gezeten, het eenig meubel, dat zich in dit berooid verblijf +bevond. Een dichte mantel overdekte al zijn ledematen, uitgenomen het +rechterbeen, 't geen beter gemaakt en vaardiger scheen dan Reinout +verwachtte, en waarmede hij nu en dan op en neder wipte, of met de +punt van den voet in het zand figuren teekende. En voor hem stond de +monnik, in dezelfde nederige en deemoedige houding, waarmede hij zijn +Abt zou genaderd zijn. Geen van beiden sprak; maar het was duidelijk +te zien, dat de geestelijke wachtte, dat het den kokeler behagen zou +zijne rede tot hem te richten. + +"Welnu!" zeide deze eindelijk, en dat wel in zeer zuiver Nederduitsch: +"het is dan heden, dat de Afgevaardigden hun opwachting bij hun +wettigen Heer gaan maken?" + +Vader Syard boog toestemmend het hoofd. + +"En wat zullen zij den doorluchtigen Graaf van Holland en Henegouwen +verhalen?--Want ik veronderstel dat het uwe pen is, welke het formulier +heeft opgesteld, waarin hun hulde zal vervat zijn." + +"Ik vermeen," antwoordde de monnik op een eerbiedigen toon, "dat zij +zich op dit gehoor zullen bepalen bij het aanhooren van de voorslagen, +welke hun vanwege den Graaf zullen gedaan worden. Het belang der +Friezen is tijd te winnen en des Graven toorn niet gaande te maken, +noch zijn geheele legermacht tegen zich in te halen, eer zij tot +bekwamen wederstand vaardig zijn. Maar hoe het ook loope, liever +zullen zij een doodelijken oorlog verkiezen dan den Graaf als hun +Heer erkennen." + +"Inderdaad!" riep Barbanera: "de personen, die de bezending uitmaken, +deden mij vreezen, dat men tot een nederige onderwerping besloten +had. Ik meende dat Aylva een Vetkooper ware en tot Holland geneigd." + +"Aylva is een echte Fries," zeide de monnik: "een man, die zijn land +oprecht bemint en geene der beide partijen, welke Friesland beroeren, +is toegedaan. Ik beken, hij erkent den Keizer als zijn Heer, en zou +daarom niet ongeneigd zijn, den Graaf als beschermer van Friesland aan +te nemen, doch zonder hem eenig ander gezag dan dat van bemiddelaar +toe te willen kennen. Geloof mij! hij zal het zwaard trekken en de +scheede wegwerpen, zoodra de onafhankelijkheid zijner landgenooten +bedreigd wordt." + +"En hoe denkt uw vrome Abt er over?" vroeg de kokeler. + +"De geestelijkheid is wellicht nog sterker dan de adel tegen alle +vreemde heerschappij," zeide de monnik. + +"Toch niet tegen allen invloed van buiten?" hernam de kokeler: +"anders zoudt gij mij met een ijdele hoop gestreeld hebben." + +"Ik vlei mij," zeide vader Syard, "dat na al de twisten en +verdeeldheden, welke onze kloosters geschandvlekt hebben, na het +volslagen gebrek aan orde en tucht, dat de monniken kenmerkt, zij het +belang zullen gevoeld hebben van een gestreng _patronaat_, hetwelk hen +binnen de palen van regelmaat en betamelijkheid wist te houden;--doch +dat _patronaat_ zal zich moeten bepalen tot kerkelijke zaken: en ook +de Bisschop van Utrecht zou niets dan tegenkanting vinden, bij de +minste poging om zijn gezag verder te doen strekken." + +"Ik twijfel, of men de monniken door een bloot geestelijk wanen in +toom zal houden," zeide Barbanera: "indien men een hervorming in de +kloosters wil te werk stellen, zal er meer noodig zijn dan ijdele +bedreigingen met kerkban en afzetting, waar zij mede lachen. Denk eens +ernstig over onze bedoelingen na, broeder! en zoo gij mij van dienst +kunt zijn, ik zal mij niet ondankbaar toonen. Het is niet onder die +ruwe Friezen, dat een man van oordeel en kennis, als gij, zijn leven +verslijten moet. De Proost van Sint-Salvator te Utrecht wordt oud en +ik geloof dat zijn vierkante muts u niet kwalijk zou passen." + +"Gij miskent _mijne_ bedoelingen," zeide de monnik, "zoo gij waant dat +ik de _uwe_ in dien opzichte zoude willen bevorderlijk zijn. Ik ben, +ja, een geestelijke en wensch den echten vromen zin onzer instelling +weder in de kloosters te zien herleven; maar ik ben een Fries boven +al en zou mede niet schromen het zwaard te ontblooten, zoodra de +vrijheid van mijn land werd bedreigd." + +"Waarlijk!--.... nu, wij zullen hierover nader spreken;--maar zeg +mij eens, broeder! hoe is men er toe gekomen, zulk een wildeman als +Seerp Van Adeelen aan de bezending toe te voegen?" + +"Wat zal men zeggen?" antwoordde vader Syard, de schouders ophalende: +"Adeelen is rijk en machtig: hij stamt, althans dit beweert men, +van Koning Adegild af: zijn invloed is groot en zal nog aanwassen, +indien hij, gelijk eerlang te verwachten is, zich met de erfgename +der Dekama's in den echt verbindt." + +Hier trilde Reinout en maakte een beweging; Barbanera wendde het +hoofd om. + +"'t Is niets," vervolgde hij, "er liep zeker een rat langs het +dak;--maar zeg mij.... hebt gij iets van den indruk vernomen, dien +Barbanera's voorspellingen gisteren op het gemoed der Hollandsche +edelen hebben teweeggebracht?" + +"Ik hoor, dat de dappere Graaf sidderde en bleek werd als een riet." + +"En, bij Sint-Maarten! wel mocht hij sidderen! Ha! ik herinner mij +hoe dikwijls mijn edele vader mij die profetie van den ouden Graaf +van Gelder verhaald heeft. Hij was er bij tegenwoordig, toen deze +Willem van Avesnes in de Domkerk met het heilige doopwater besprenkeld +werd. De Graaf van Gelder was lang te voren aangezocht geworden om +als gevader over het kind te staan: maar sedert een geruimen tijd +was de grijsaard tot een staat van kindschheid vervallen: zoodat +niemand dacht, dat hij de plechtigheid zou kunnen bijwonen, en elk +een vertegenwoordiger in zijne plaats verwachtte. Hij kwam echter, +de oude Reinout, verstramd en verbleekt, half gedragen in de armen +zijner dienaars en met verwilderde oogen, wier ongestadige blik bij +elk der aanwezigen den angst deed ontstaan, dat hij de plechtigheid +ontijdig zou storen. Hij bleef echter bedaard en stil nederzitten, +zoolang de gebeden en het gezang duurden; maar toen het oogenblik +daar was, dat het kind ten doop geheven moest worden, was het, alsof +zijn vorige jeugd op eenmaal terugkeerde. Zonder hulp van iemand +rees hij van zijn zetel, trad met een vasten stap naar de doopvont +en nam net kind uit de armen der ontstelde moeder. Met angst bleven +alle oogen op hem gevestigd; want een oogenblik van verzwakking had +de hoop van Holland en Henegouwen op het harde vloersteen of in de +doopvont doen rollen, tot eeuwige droefheid van dat beminnelijke +huis van Avesnes. Alles liep echter buiten, ja boven verwachting +gelukkig af. Maar toen het kind gedoopt was en de Bisschop daarover +den zegen had uitgesproken, was het of een heilig vuur, een inblazing +van boven, op eens den grijsaard bezielde. Hij hief het kind omhoog, +kuste het, en sprak toen met luider stem deze merkwaardige woorden uit: +"Gelukkig zult gij wezen, mijn zoon! voorspoedig in krijg en vrede, +tot u de kodde der Friezen het leven beneemt." + +"En is het deze zelfde voorspelling, welke hem gisteravond in 't +geheugen geroepen werd?" vroeg de monnik. + +"Aan hem, en aan al die ellendige landverraders, die niettegenstaande +hun Hollandsch, ja Grafelijk bloed in de aderen vloeit, de knieën +voor den vreemdeling buigen, en aan al die Vlamingen en Henegouwers, +die hier onzen ouden adel verdringen.--Alleen Beaumont is er wel +afgekomen:--hij is de eenige, wien ik zijn af komst uit Avesnes +vergeven kan: hij was de vriend en wapenbroeder mijns vaders." + +"Ik geloof intusschen niet," zeide vader Syard, "dat òf de voorspelling +van Gelder, òf die van Barbanera den Graaf zouden afschrikken, indien +hij het besluit vormde een tocht naar Friesland te wagen." + +"Ik ben van uw gevoelen;--doch ik heb niettemin mijn doel bereikt: ik +heb schrik en ontsteltenis onder zijn edelen verspreid: en al achten +zij nu die orakels minder zwaar, deze zullen hun in de ooren suizen, +wanneer de ure komt des gevaars en dan hun moed wellicht geheel ter +neder slaan:--en daarentegen, ik heb de stoutheid aangewakkerd in +de harten der Friezen, die op de gesprokene taal moesten juichen, +en in hun hart den Graaf verachten, die in hunne tegenwoordigheid om +de woorden eens kokelers verbleekte." + +"Erg genoeg!" zeide vader Syard: "Adeelen heeft geen aansporing noodig +om een dol stuk te begaan:--en zoo er oorlog komt, moet de aanleiding +daarvan niet van zijne zijde komen, maar geheel Friesland opstaan +als een enkel man." + +"Die tijd zal komen," zeide Barbanera; "maar nu tot onze zaak:--ik +heb de berichten, welke gij mij omtrent den staat uwer kloosters +geeft, wel ontvangen; maar ik wenschte u nog wel over sommige punten +te onderhouden, waartoe ons nu de tijd ontbreken zal. Is er geene +mogelijkheid om...." + +Hier veranderde zijne stem in een zacht gefluister, zoodat Reinout, +hoe scherp hij ook toeluisterde, niet meer dan enkele afgebrokene +woorden kon te verstaan krijgen; maar hij had reeds genoeg vernomen: +en altijd voor ontdekking vreezende, stond hij op, gleed zachtjes +den heuvel af en trad weer door het kreupelbosch heen naar het pad, +dat naar den binnenweg voerde. + +Nog had hij geen besluit genomen, hoe hij handelen zoude ten opzichte +van hetgeen hij vernomen had, toen hij zich reeds ten einde van het +pad bevond en van verre het rieten dak van Walgers woning boven het +elzenhout zag uitsteken. Een groep kinderen, waaronder hij Marretje +herkende, zat onder de kastanjeboomen met een mengeling van bewondering +en vrees te kijken naar de kunsten, welke de hansworst van Barbanera, +op het gras gezeten, aan meester Cezar verrichten liet. Kort bij hen +liepen het paard en het grauwtje in goede eendracht naast elkaar en +scheerden het jeugdige gras, dat langs den weg groeide. + +Het gezicht van des bedriegers handlanger deed de gramschap van Reinout +des te feller gloeien. Met fonkelende oogen en verhaasten stap trad +hij op hem toe en brak den loop zijner potsen af met de barsche vraag: +"Wacht gij hier op uw verdoemden meester, schurk?" + +"Ja Heer!" antwoordde de nar, hem met groote oogen aanziende: +"en mijn meester wacht binnen op uwe Edelheid." + +"Zoek mij geen logens op de mouw te spelden, ellendeling!" zeide +Reinout: "ik behoor niet tot hen, die zich door u laten misleiden. Ik +weet zeer wel, dat de waardige Barbanera zich thans niet binnen die +hut bevindt." + +"Jawel heerschap!" zeide Marretje, hem toeknikkende: "de meester is +al een half uur bij moeder." + +"En gij ook, klein nest! zoekt gij al zoo vroeg te bedriegen? Waar +is dan die meester Barbanera?" + +Dit zeggende liep hij in drift den elzenscherm door en de hut in; +het eerste voorwerp, dat hij aanschouwde, was Barbanera, aan de +tafel zittende. + +Een soort van duizeling overviel Reinout op het onverwachte schouwspel: +hij bleef aan de deur staan alsof hij door den bliksem getroffen was: +de verontwaardiging en toorn, welke zijn ziel vervulden, hadden plaats +gemaakt voor een verbazing, welke hem het vermogen tot spreken, ja +tot denken benam. Hoe was die Barbanera, dien hij slechts weinige +oogenblikken geleden binnen de schuur in 't duin gezien had, door +tooverkracht op eens in de woning van Walger overgeplaatst? Ziedaar, +wat hij niet beseffen, niet oplossen kon. Zijn verwilderde oogen +dwaalden van den duivelskunstenaar naar moeder Elske, die met omwonden +hoofd en nog bleek gelaat bij het vuur aan 't spinnewiel zat, en van +deze weder naar den kokeler, zonder dat hij het onverklaarbare van +hetgeen hij gezien had en nu zag anders verklaren kon, dan door het +aan betoovering of zinsbedrog toe te schrijven. + +"Gij ziet, Signor Rinaldo!" zeide Barbanera, in 't Italiaansch, +"dat ik aan onze afspraak getrouw ben." + +Deze weinige woorden verbraken de bezwering en gaven den Ridder al +zijn veerkracht terug. Hij wierp de deur achter zich dicht en trad met +forschen stap naar de tafel: "bedrieger!" riep hij, "gij zijt het dan, +die het verderf van den doorluchtigen Graaf beoogt?" + +"Ik versta u niet," zeide Barbanera, altijd in 't Italiaansch, en +blijkbaar onthutst door de forsche taal van Reinout: "indien uwe +Edelheid geliefde Italiaansch te spreken." + +"Veins slechts, mij niet te verstaan!--Heb ik u niet zooeven met dien +monnik zuiver Nederduitsch hooren spreken?" + +De kokeler haalde zuchtend de schouders op, en Reinout herhaalde zijn +gezegde met dubbele kracht in 't Italiaansch. + +"Ik zweer u," zeide Barbanera: "ik heb geen monnik gezien of gesproken; +en wanneer zou dat geschied zijn?" + +"Zoo op 't oogenblik, gelijk gij zoo goed weet als ik: ik kom nu van +de schuur in 't duin; maar hoe gij zoo spoedig hier zijt overgewaaid, +verklaar ik niet te beseffen." + +De kokeler peinsde een oogenblik en keerde zich vervolgens naar Elske: + +"Vrouke!" zeide hij in gebroken Nederduitsch: "hoe lang ik hier wezen?" + +"Ongeveer een goed half uur," zeide Elske, zonder zich te bedenken. + +De kokeler zag den Ridder aan met een zegevierenden blik. + +"Vrouw!" riep Reinout: "bezwaar uwe ziel met geen logen. Hoe lang is +die schelm hier geweest?" + +"Zoowaar ik de eeuwige zaligheid hoop, een goed half uur," herhaalde +zij. + +"Dan moet de Booze uw oogen of de mijne verblind hebben!" zeide +Reinout: "want er zijn geen tien minuten verloopen, sedert ik hem in +het schuurtje in 't duin met den monnik Syard in gesprek heb gezien." + +"Heilige God! is het mogelijk?" zeide Elske: "en de man is niet van +dien stoel geweest. De Friesche juffer zou het hebben kunnen getuigen, +die is zooeven hier vandaan gegaan." + +"Welk een kwelgeest schept behagen om mijn brein in de war te +brengen?" riep Reinout, die deze woorden op Madzy toepaste, hoewel het +slechts Sytsken geweest was, die naar den welstand der zieke was komen +vernemen: "Hoe!" vervolgde hij, terwijl hij met groote stappen het +vertrek op en neder ging: "zij was hier: ik had haar kunnen spreken, +en ik heb mij laten ophouden door de guichelstreken van een bedrieger, +die zijne ziel aan Satan verkocht heeft om vrome lieden te verstrikken; +maar ik zal hem zijne schelmsche ontwerpen uit de keel halen; en zoo +hij mij langer zoekt te blinddoeken zal zijn helsche list hem niet +tegen de scherpte van mijn dolk beveiligen." + +Meester Barbanera had, gedurende deze alleenspraak van Reinout, de +tegenwoordigheid van geest, die hem bij den eersten schrik verlaten +had, teruggeroepen: en, zoo hem een heimelijke bezorgdheid bijbleef +omtrent den uitslag van des Ridders overdenkingen, geen trek daarvan +vertoonde zich op zijn onbeweegbaar en strak gelaat. Hij legde zelfs +geene verlegenheid aan den dag, toen Reinout, zijn besluit genomen +hebbende, op eens met een ontblooten dolk naar hem toe kwam en hem +bij den kraag vatte. + +"Waarom zoudt gij een oud man willen dooden?" vroeg hij, altijd in +'t Italiaansch, den jongeling met zijn knippende, gluipende oogen +beschouwende. + +"Beken mij zonder omwegen," zeide Reinout in dezelfde taal, op een +straffen toon: "op welke wijze gij mijn oogen hebt misleid: door welke +zwarte praktijken gij u tevens hier en bij den monnik in het schuurtje +hebt bevonden: beken mij de lagen, welke gij den edelen Graaf legt, +of het gaat er door, zoo waar ik leef." + +"Gij zoudt den moed niet hebben van den man te dooden, die zorg droeg +voor uw kindsche jaren," zeide Barbanera. + +"Hoe!" riep Reinout, verbaasd zijn dolk latende zakken. + +"Gij kunt den dag niet vergeten zijn, toen gij in den vijver gevallen +waart en de getrouwe Paolo u met eigen levensgevaar daaruit haalde." + +Reinout sidderde en zag den kokeler sprakeloos aan. + +"Deze lange haren en baard hebben mijn gelaat veel veranderd; +dan ik dacht niet geheel onkenbaar te wezen voor de oogen mijns +voedsterlings." Dit zeggende nam hij zijn hoofddeksel af en streek +zich de haren van 't voorhoofd. + +"Paolo!" riep de jongeling uit: "zijt gij het waarlijk?" + +"Wacht!" vervolgde de kwakzalver, zich zoodanig om wendende dat +Elske zijn beweging niet zien kon, en meteen den valschen neus, +die hem vermomde, even africhtende: "herkent gij mij nu?" + +"Ik herken u," zeide Reinout: "maar nog begrijp ik niet...." + +"En gij wildet mij dooden? mij, met wien het geheim uwer geboorte +ten grave zou dalen?" + +"Maar, waarom hebt gij u niet terstond bij mij aangemeld?" + +"Wist ik, of gij den ouden Paolo zoudt willen herkennen? Weet gij, +of ik onderricht ware, dat gij u hier bevondt? Zijt gij overtuigd, +dat de berichten, die ik breng, u aangenaam zullen wezen?" + +Reinout zweeg een oogenblik en zag eenigszins onthutst voor zich +neder. "Paolo!" zeide hij eindelijk: "geloof dat elk bericht, +van welken aard het ook zij, mij welkom wezen zal, mits het mij +slechts uit mijn ondraaglijke onzekerheid redde. Spreek dan, en +wees overtuigd, dat, wat gij mij ook melden moogt, gij u aanspraak +op mijne dankerkentenis verwerven zult."--Dit gezegd hebbende nam +hij tegenover Barbanera plaats, in de houding van iemand, die een +belangrijke mededeeling en een lang verhaal verwacht; namelijk, hij +stak de beenen voor zich uit, liet een arm naast zich neerhangen, +leide een elleboog op tafel en zijn kin op de opene hand en zag Paolo +strak in 't gelaat. + +"Gij weet," zeide deze: "dat het huis van Salerno sedert de +onheuglijkste tijden tot de aanzienlijkste van Verona behoord +heeft. Van mijn jeugd af was ik een kliënt van dat huis, en diende, +gelijk mijn vader vóór mij deed, den edelen Graaf Luigi, het hoofd +van dat geslacht. Hij was een edel Heer, Signor, die zich veel roem +had verworven in krijg en onderhandelingen: en gij zult wel op deze +of gene wijze van zijne daden gehoord hebben." + +"Ga voort! en verleng uw verhaal niet door onnoodige uitweidingen," +zeide Reinout. + +"Nu, deze Graaf Luigi was dikwijls neerslachtig, dat hij geen zoon had, +op wien hij zijn naam en bezittingen kon doen overgaan. Vruchteloos +had hij kerken begiftigd en aalmoezen uitgereikt. Het huis van Salerno +was bestemd in hem te eindigen. Weinige vaders hadden echter zoovele +redenen tot troost; want zijn dochter Bianca was van hare kindsheid +af beschouwd als het pronkjuweel van Verona. Het was dan ook geen +wonder, dat de aanzienlijkste Edelen van Verona om strijd naar hare +hand kwamen dingen. Onder deze was er geen, die door den Graaf Luigi +met meer onderscheiding behandeld werd dan Francesco della Scala, +die zich door zijn geboorte, macht en rijkdommen als het hoofd der +vermogendste partij in Verona had doen erkennen. Zijn uiterlijk +voorkomen was echter weinig geschikt om liefde in te boezemen, +en stak bitter af bij dat van zijnen bloedverwant Carlo, die een +volkomen Ridder was én evenzeer zijn best deed om de hand der schoone +Bianca te verwerven.--Maar uwe Edelheid weet, dat het hart van een +jong meisje een vreemd en onverklaarbaar voorwerp is. Noch de gunst +der fortuin, welke Francesco, noch de gaven der jeugd, welke Carlo +della Scala versierden, waren in staat haar hart voor een van beiden +te winnen. Zij was naar Milaan bij een naastbestaande den zomer gaan +doorbrengen, om althans voor eenigen tijd de vervolgingen van Francesco +en de vermaningen haars vaders te ontgaan:--daar had zij een Duitschen +avonturier leeren kennen en dezen hare liefde geschonken. Graaf Luigi, +hiervan onbewust, en zijn dochter weer bij zich willende hebben, +om haar door sterkere dwangredenen tot het huwelijk met Francesco +over te halen, zond haar bevel tot een onverwijlde terugkomst. Dit +maakte haar en haar minnaar wanhopend.--Zij zwoer hem, nooit een +anderen dan hem te willen huwen:--hij maakte van een oogenblik van +zwakheid gebruik.... in 't kort, zij verliet Milaan niet eerder dan +nadat zij met hem in een geheimen echt was verbonden." + +"En volgde haar die geheime echtgenoot naar Verona?" vroeg Reinout. + +"Hij kon zich aldaar niet vertoonen," zeide Paolo: "want hij had op +een steekspel in Duitschland twist gehad met Francesco della Scala, en +deze had hem den dood gezworen. Bovendien had hij een gelofte gedaan +en moest met andere Duitsche Heeren naar het Heilige Land. Hij had +echter aan Bianca beloofd, haar bij zijn terugkomst te zullen opzoeken +en haar alsdan door list of geweld als zijn gade met zich te voeren. + +"Graaf Luigi liet nu niet na, zijn dochter tot een echtverbintenis +aan te sporen met Francesco della Scala, die intusschen de +opperheerschappij van Verona verkregen had en wiens verlangen niemand +meer dorst wederstreven. Gij kunt beseffen, in welken angst zich +de arme Bianca bevond, te meer toen zij gevoelde, dat een pand van +des Duitschers liefde haar onder het hart leefde. In deze nijpende +verlegenheid moest zij voor alles een poging doen om tijd te winnen +en wendde bij haren vader voor, een gelofte te hebben gedaan om eene +bedevaart naar O. L. Vrouwe van Loretto te zullen doen, alvorens zich +in 't huwelijk te begeven. Hoe ongaarne ook, gaf Graaf Luigi eindelijk +zijne toestemming tot die reis. Zij deed die in 't gezelschap van +mijne vrouw, die haar vertrouwde dienstmaagd was en zich mede zwanger +bevond, en van mij. Op den tocht werden beiden voorspoedig, elk van +een zoon, verlost: de kraamvrouwen keerden hersteld terug en mijn +vrouw ging met de jonggeborenen op het land wonen, waar beiden voor +mijn kinderen doorgingen." + +"Madre di Dio!" riep Reinout, wien het klamme zweet uitbrak: "ik weet +al genoeg. Zeg mij nu slechts, wie van ons beiden is Bianca's zoon?" + +"Niet zoo haastig, Signore! ziedaar juist wat uitgemaakt moet +worden.--De schoone Bianca kwam terug, gelijk ik u zeide: er was +nu geen middel voor haar overig om het huwelijk met Francesco te +ontwijken:--of zij had haar geheimen echt moeten bekennen:--dan, +zij ontving door een vertrouwden vriend de tijding dat haar gemaal +gesneuveld was, en toen, hoezeer onder tranen en rouwklachten, gaf +zij hare hand aan den dwingeland. + +"Zij was ongeveer een jaar met hem gehuwd, toen zijn argwaan werd +opgewekt door de bezoeken, welke zij, zoo dikwijls zij daartoe +gelegenheid vond, bij mijn vrouw afleidde om haar zoon te zien en te +omhelzen. Hij liet haar bespieden: zijn argwaan groeide tot volkomen +wantrouwen, en er had een vreeselijk tooneel tusschen hen plaats, +waarin hij een verklaring eischte dier bezoeken, welke zij volstandig +weigerde hem te geven. Vreezende, dat de ijverzuchtige dwingeland op +haar onnoozel kind zoude woeden, achtte zij het van belang, het aan +zijn dolk te onttrekken. Zij vormde daartoe een stout, maar welberekend +ontwerp: zij kende den edelen aard van Carlo della Scala, die, om +den schijn niet te hebben van met zijnen snooden neef te heulen, in +Pisa was gaan wonen. Zij schreef aan dezen, en belastte mij, haar zoon +tot hem te brengen. Intusschen was mijn vrouw evenzeer bekommerd over +haar kind; want, zeide zij, indien dan Francesco moordenaars zendt om +het kind der Gravin te dooden, zal men het onze niet sparen:--kortom, +gij weet, wat sedert Adams tijd af, een vrouwetong vermag:--ik bracht +de beide knaapjes naar Pisa en leide ze in Carlo's hof te vondeling." + +"_Santa Madre_!.... maar Carlo vermoedde niet, wie den brief geschreven +had: althans op zijn sterfbed gaf hij ons dien, maar meldde ons den +naam der schrijfster niet." + +"Hij moet dien vermoed hebben; maar waarschijnlijk heeft hij de +rampen der ongelukkige Bianca niet willen verzwaren door een geval +ruchtbaar te maken, dat Francesco's wraakzucht zoude vermeerderd +hebben: of mogelijk wilde hij haar geheim eerbiedigen!--Hoe 't zij, +de dwingeland was woedend, toen de kinderen aan zijn macht ontsnapt +waren:--hij mishandelde de ongelukkige Bianca, die nu, daar haar +vader overleden was, geen steun of hulp meer had, en hield haar in +een bangen kerker gevangen." + +"En leeft zij nog?" riep Reinout: "leeft mijne moeder.... leeft Bianca +di Salerno nog?" + +"Ziedaar wat mij op het oogenblik onbewust is.--Om tot mijn verhaal +terug te keeren:--nieuwsgierig om het lot mijns zoons te vernemen, +reisde ik na verloop van een paar jaren naar Pisa en wist daar in +dienst van Carlo della Scala te komen. Welke zorg ik, zoolang ik bij +hem bleef, voor u beiden gedragen heb, is u bekend." + +"En voor het goed van Carlo mede," zeide Reinout: "want zoo ik mij +niet bedrieg, joeg hij u weg omdat hij u van diefstal verdacht hield." + +"Ik werd onschuldig aangeklaagd en ongehoord weggezonden," zeide Paolo, +de schouders ophalende: "mijn vrouw was dood: ik had niemand meer, +die zich mijner aantrok: ik bracht sinds mijn leven zwervend door; +mij nu met dezen, dan met genen verbindende om de oogen en het brein +van het domme, en ook van het meer verlichte gedeelte des menschdoms +te verblinden, gelijk u gisteravond gebleken is, toen ik u herkende +en mijn toespraak op die herkenning grondde." + +"Maar nu!" zeide Reinout: "verlos mij van mijn onzekerheid:--wie onzer +is de zoon van Bianca?.... Of neen!--antwoord mij nog niet!--Ook +Deodaat moet van dit alles onderricht zijn! ..... kon ik zoolang +mijn edelen vriend vergeten!--In zijn bijzijn alleen moet gij ons +het geheele geheim onzer geboorte ontvouwen .... kom! volg mij +naar Haarlem.--Ik zal den Graaf smeeken, dat hij zijn besluit weer +intrekke." + +Maar het scheen dat Paolo er zijne rekening niet bij vond om ook +aan Deodaat mede te deelen, hetgeen hij aan Reinout had verhaald, +en weinig genegenheid had, den Ridder naar Haarlem te volgen. Hij +zag hem gedurende eenige oogenblikken zijdelings aan, als wilde hij +op zijn gelaat lezen in hoeverre hij vatbaar was om tot het doel, dat +hij beoogde, te willen medewerken. "Jongeling!" zeide hij eindelijk: +"gij hadt mij beloofd niets van ons voorgenomen onderhoud aan uw +vriend te openbaren." + +"Ik heb geene geheimen voor Deodaat," zeide Reinout, haastig. + +"Des te erger!--want om gulweg te spreken, ik heb gegronde redenen om +te verlangen, dat hij van alles onbewust blijve. Een uwer is de zoon +van Bianca, en ik wil mij niet aan den toorn des anderen blootstellen." + +"Paolo! moet ik den zin uwer woorden gunstig opnemen?" riep Reinout +vol blijdschap uit, daar hij in de taal des kokelers eene schijnbare +bevestiging zijner innige hoop meende te ontdekken. + +"Zooals gij wilt: doch hoe dit ook zij:--wat zoudt gij den armen Paolo +geven, indien hij u de stukken in handen stelde, welke gij noodig +hebt om u voor den zoon eens aanzienlijken edelmans te doen herkennen?" + +"Gij kent mijn vader!" riep Reinout: "en zijn naam is...." + +"Inderdaad! ik ken hem;--maar zijn naam moet tot nog toe een geheim +blijven; het is goud waardig." + +"Geloof, Paolo! dat mijn dankbaarheid....." + +"Dankbaarheid is een woord: ik ben te oud geworden om in uwe handen +niet meer te worden dan de citroen, welken men wegwerpt na er het +sap van uitgedrukt te hebben. Ik eisch stellige bewijzen, geen ijdele +beloften." + +"Gij zijt een ellendig wezen, Paolo!" zeide Reinout, hem met een +verachtelijken blik aanziende. + +"'t Is mogelijk," zeide Paolo: "maar toch een wezen, dat u liefheeft +en er u blijken van geeft door u alleen deelgenoot mijns geheims +te maken." + +"Welaan!--noem uw eisch: en ik zal zien wat ik doen kan." + +"Zoudt gij niet denken, dat driehonderd gulden terstond, en een goede +schriftelijke belofte van het dubbele dier som, zoodra ik u in de +armen van een rijken, vermogenden vader gevoerd heb, een billijke +belooning ware voor hetgeen ik ten uwen gevalle verricht?" + +"Ik zal er over denken," zeide Reinout, wien deze eisch, welke in de +tegenwoordige dagen onaanzienlijk zal voorkomen, in een tijd toen +het geld nog schaarsch was buitengemeen hoog toescheen: "wie weet +bovendien, of uw gansch verhaal geen verdichtsel is, uitgedacht om +mij geld uit de tasch te halen. Eerst uwe bewijzen of ik beloof u +geen penning." + +Op dit oogenblik ontstond er een verward gedruis van stemmen en +voetstappen buiten de hut, en de hansworst kwam met een angstig +geschreeuw binnenstuiven. + +"Meester Barbanera! meester Barbanera!" riep hij: "daar zijn menschen, +die u zoeken." + +"'t Is mij om 't even!" zeide Reinout: "maar ik laat u niet los, +oude! gij zult met mij naar Haarlem." En, de daad bij de woorden +voegende, vatte hij den kokeler bij zijn kleed. + +"Ja, pak hem maar frisch bij den kraag, heer Ridder! en zorg dat hij +niet ontsnappe," kraaide met een schorre stem een klein mannetje, in +'t welk Reinout den marktschrijver Claes Gerritsz herkende, die met +eenige Grafelijke Ambtsdienaars binnentrad: "Houd hem vast: hij wilde +zich wegmaken zonder de marktgelden te voldoen en zonder zijn gelag +te betalen, 't geen eene blijkbare overtreding is van het Privilege +van Graaf Willem zaliger gedachtenisse, artikel...." + +"Dat u de duivel hale met uwe Privileges, vervloekte muggen!" riep +Reinout, den kokeler loslatende: "ik heb wat met dezen man te +verhandelen." + +"Indien uwe Edelheid borg voor hem wil stellen," zeide Claes Gerritsz, +"zullen wij dien gaarne aannemen, volgens art. 27 van het Privilege; +maar het zal dan noodzakelijk zijn, dat UEd. ons naar Haarlem +vergezelt, ten einde aldaar ten overstaan van Schepenen...." + +"Welk een gereutel over eenige voddige grooten, die u de man misschien +schuldig is," zeide Reinout: "kunnen wij hier de zaak niet tot +effenheid brengen?" + +"Veroorloof mij, u te zeggen, Heer Ridder!" zeide de marktschrijver, +"dat dit klaarblijkelijk zou aandruisen tegen alle gebruiken en +usantie in zoodanig geval; daar de schuld nog moet vereffend worden +ten genoegen van beide partijen, en deze man ons derhalve volgen moet +naar Haarlem, waar bovendien nog andere zaken tot zijn last zijn, +als: dat hij een geneesmiddel verkocht heeft aan Geurt Kneliszen, +waar al zijn koeien van gestorven zijn, en een ander aan de vrouw van +den rooden slachter, waardoor haar oog gezwollen is als een pad, al +'t welk strafbaar is met gevangenis, ingevolge art...." + +"Dat u de heete koorts blakere, eeuwige babbelaar!" riep Reinout: +"zorg slechts dat hem geen leed geschiede, of ik rijg u als een +leeuwerik aan mijn speer." + +Intusschen hadden zich een paar dienaars meester gemaakt van Barbanera, +die door zijn getrouwen hansworst van de toedracht der zaak was +onderricht, en, als ware hij over den uitslag der zaak niet bekommerd, +zich dadelijk had bereid verklaard mede te trekken en aan te hooren, +wat men tegen hem had in te brengen. Ook Reinout begon nu te beseffen, +dat hij zich ten onrechte driftig had gemaakt, en dat zijn belang +vorderde, dat Paolo, of Barbanera, door wettelijke middelen gedwongen +werd naar Haarlem te gaan en aldaar eenigen tijd te vertoeven, waardoor +hij, Reinout, in de gelegenheid zou zijn hem nader te spreken, en het +zoo verlangde geheim af te persen. Hij verklaarde daarom ook aan de +Ambtslieden, dat hij hen zoude vergezellen. + +"Wij zullen verheugd zijn, de eer van uw gezelschap te genieten," +zeide de marktschrijver: "en gij, goede vrouw!" vervolgde hij tegen +Elske, die gedurende het gansche gesprek van Reinout en Paolo, waar +zij geen woord van verstaan had, bedaard was blijven doorspinnen, +"hoe gaat het al? Ik heb daar zooeven gehoord, dat uw man u half dood +geslagen heeft en van zijn bediening is ontzet." + +"Ach!" zeide Elske: "ik ben een bedurven mensch, en hoe ik het zal +redden met mijn twee bloeien van kinderen, weet onze lieve Vrouwe! en +mijn man moet zeker denken dat hij mij dood geslagen heeft; want hij +is nog niet terug gekomen." + +"Ik denk toch wel dat gij hem het heilig kruis zult hebben nageslagen," +zeide de marktschrijver: "nu vaarwel!--een spoedige genezing." + +Met dit afscheid vertrokken al de aanwezigen, Elske in tranen +achterlatende, waaraan wellicht de ongerustheid over het wegblijven +van haren man, wien zij nog liefhad in weerwil zijner boosheid, +evenveel deel had als het besef van haar hulpeloozen toestand. + +Reinout volgde op eenigen afstand den stoet, die meester Barbanera en +zijn hansworst naar Haarlem geleidde, daar hij weinig trek gevoelde de +eer van zijn gezelschap aan den marktschrijver te schenken. Het was +langs den gewonen heirweg, dat men huiswaarts ging, en reeds was men +de stad genaderd, toen Reinout uit een dikke stofwolk een aanzienlijk +gezelschap te paard zag te voorschijn komen, in hetwelk hij weldra +den Heer van Aylva en Madzy herkende, die met eenig gevolg van een +morgenrit huiswaarts keerden. Verheugd naderde hij, in de hoop van ten +minste een blik van zijn geliefde te erlangen; maar wie schildert de +verontwaardiging, welke hem beving, toen hij aan de slinkerhand van +Madzy en in een druk gesprek met haar gewikkeld, iemand gewaarwerd, +wien hij verre was van aldaar te verwachten, te weten zijn wapenbroeder +Deodaat. Hij bleef staan, sloeg stilzwijgend de armen over elkander +en zag met een somber oog de vroolijke ruiters voorbij draven. Geen +der Friezen scheen hem op te merken, maar Deodaat had zijn vriend +herkend en een vluchtig rood bedekte zijn gelaat. Reinout oogde hem +na: hij zag hem de hand van Madzy aanraken als om haar aandacht op +den armen voetganger te vestigen. En inderdaad, zij wendde het hoofd +om, zag Reinout aan met een spotachtigen blik, keerde zich vervolgens +lachende weder naar Deodaat, en verdween met hem achter de stofwolk, +die hen omhulde. + +"En ziedaar dan den vriend, die om mijnentwille van de schoone +Madzy wilde afzien," zeide de verbolgen Reinout tot zich zelven: "den +vriend, die mijner liefde geene hindernis wilde aanbrengen! hoe listig +wist hij mij te verwijderen om de gelegenheid voor zich zelven te +behouden;--want ik twijfel er niet aan, die ontmoeting is gisteravond +reeds voorbereid geweest! Deodaat! Deodaat! is het mogelijk, dat een +paar schoone oogen u een vriendschap van zoovele jaren verraden doet!" + +Vervuld van deze sombere gedachten kwam hij binnen de stad aan, en +begaf zich naar de gijzeling, waar men Barbanera gevoerd had. Hier +verzocht men hem echter tegen den middag terug te komen, daar het +verhoor niet voor dien tijd zoude kunnen plaats hebben, uithoofde +van de hooge plechtigheid, waarbij de Schepenen moesten tegenwoordig +zijn. Dit antwoord herinnerde Reinout aan zijn eigene verplichting +om aanwezig te zijn bij het gehoor, dat de Graaf stond te geven; +en daar de tijd reeds naderde, haastte hij zich naar de cel, welke +hij in het Sint-Jans-klooster te Haarlem betrokken had. + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + + + Ziet toe, gy terght een volck, in veenen en in moeren, + Als vorschen, tot den hals gedoken en gewoon, + Te huppelen op 't lant en over groene zoôn. + Dit gaat dan onder, en dan boven water heenen; + De grooten worden oock gebeten van de kleenen. + + Vondel. Batavische Gebroeders. + + +Wellicht zullen reeds velen mijner lezers, evenals Reinout, Deodaat van +trouweloosheid jegens zijn vriend en van dubbelzinnigheid beschuldigd +hebben. Het is onze plicht, als die van een waarheidlievenden +schrijver, hem zoo spoedig mogelijk van dezen onverdienden blaam +te zuiveren. + +Eenigen tijd nadat Reinout dien morgen tot zijn voorgenomene wandeling +vertrokken was, liet Deodaat een paard zadelen, met oogmerk om een +morgenrit te doen. Om bij zijn vriend geen schijn van vermoeden te +wekken, alsof hij het gezelschap der Friezen zocht, reed hij met opzet +den weg naar Velzen, dus in een geheel tegenovergestelde richting uit, +en keerde langs den duinkant terug door die liefelijke streek, welke +sedert door Hertog Aelbrecht tot lustverblijf gekozen en misschien naar +hem Aelbrechtsberg genoemd, in 't vervolg het lievelingsoord werd van +zoovelen, die de muffe stad voor de vroolijke buitenlucht wenschten +te verwisselen. De weg, welken Deodaat volgde, bracht hem toevallig +op een dier bevallige plekjes, welke nog heden met onverflauwde +belangstelling door den minnaar eener stille, eenvoudig schoone +natuur bezocht worden, maar in de oogen van Deodaat had het landschap, +dat zich hier aan hem voordeed, een meer bijzondere waarde; want, al +ware de nevelachtige lucht van Holland niet bij het donkerblauwe of +gloeiende zwerk van Italië te vergelijken, en al mochten de zandduinen, +die hij voor zich had, niet meer dan molshoopen zijn in vergelijking +der Apenijnen, er was toch veel in het tafereel, dat hij beschouwde, +hetwelk hem herinnerde aan het land van zijne geboorte. Hetgeen +hij zag was slechts eene duinvallei, maar eene vroolijk lachende +vallei, versierd met al den tooi, welken de aard van den grond en der +luchtsgesteldheid in staat waren op te leveren. Aan de westzijde was +zij door de hier in evenredigheid hooge en steile duinen als door een +muur van zand besloten; maar tegen dien muur van zand staken de berken +met hunne rozenkleurige stammen en frisch gebladerte en de groene +struiken en struweelen, die de hoogten tot op de helft bemantelden, +des te bevalliger af. Een bosch, rijk in alle soorten van geboomte, +wier voorjaarsdos al de onderscheidene tinten van groen, van de blonde +kleur der wilgen af tot aan de bruine verf der sparren vertoonde, +stuitte aan weerszijden tegen den duinkant en vereenigde zich daar +tegenover, de daar tusschen gelegen vlakte alzoo in de gedaante eener +halve maan omsluitende. En dan, als had de natuur, in een blijde luim +dat vroolijke tafereel willen verdubbelen, die golvende heuvelen en +dat lachend geboomte en de zonnige lucht daarboven werden teruggekaatst +in een tweetal heldere meertjes, wier boorden als met een bruidskrans +van schitterende veld- en waterbloemen omzoomd waren. + +Een nieuwerwetsche bezoeker had zich bij het aanschouwen van dit +tooneel wellicht in een onderzoek verdiept, of die meertjes werkelijk, +zooals sommigen beweren, de overblijfselen zijn van een voormaligen arm +des Rijns, die hier vroeger een uitweg zoude hebben gehad, later door +het duinzand overdolven: Deodaat, die zich nooit, gelijk te denken is, +aan de natuurlijke geschiedenis van Holland had laten gelegen liggen, +vergenoegde zich met de oogen in 't rond te laten weiden, en met te +luisteren naar den zang der nachtegalen, die in de toppen der linden +orgelden; en met den verkwikkende geur in te ademen, welke uit meidoorn +en seringen opsteeg.--Men was in die eeuw nog verre van toe te geven +aan den invloed van het gevoel: en men wist zelfs bij name niet van +sentimenteelheid of romantisme; maar toch waren in dit oogenblik de +zinnen van Deodaat zoo liefelijk aangedaan, toch ontwaarde hij een +stemming, zoo zacht en weldadig, dat hij, zonder zich rekenschap te +kunnen geven van de reden waarom, van zijn paard steeg, en, het aan +een boom vastbindende, zich op de groene zoden nederzette. Een zoete +mijmerij beving hem: vreemde droombeelden en fantasieën verdrongen +zich voor zijn geest, en midden daar tusschen zweefde het aanvallige +beeld der bekoorlijke Friezin. Somtijds echter kwam er een denkbeeld +bij hem op van verwondering over de vreemde gemoedsgesteldheid, +waarin hij zich bevond, en vroeg hij zich af, hoe hij er toch op +eens toe kwam, om op deze wijze de dolende Ridders na te volgen, +van wier liefdegepeinzen in de schaduw van 't geboomte hij meer dan +eens de meistreels had hooren zingen; en niettegenstaande hij dan een +oogenblik over zijne dwaasheid lachte, was hij toch niet in staat, +zich aan de zoete begoocheling, die hem bevangen had, te onttrekken, +en Italiaan genoeg om een wellustig genot in dat _dolce far niente_ +[22] te scheppen. En wat was ook natuurlijker?--hij beminde, zonder +het nog zelf te weten: en wie, die eenmaal bemind heeft, weet niet hoe +zoet, hoe bedwelmend dat eenzaam mijmeren is, als men, alleen met de +schoone natuur, de gansche wereld vergeet: als een onbestemd verlangen +het hart doet zwoegen, als een te voren ongekende wellust elken vezel +ontspant en met verkwikkende warmte door alle poriën dringt: en de +ziel, met zich zelve en met de schepping in vrede, zich in droomen +en gedachten verliest, welke geene dorre wezenlijkheid in staat is +terug te geven. + +Zoodanig was ook de gesteldheid van Deodaat, toen hij, toevallig den +blik opwaarts slaande, iets boven den hoogsten top van het voor hem +liggend duin zag bewegen, dat zijn aandacht tot zich trok. Hij kon +niet terstond beseffen, wat het zijn mocht, maar weldra bespeurde hij +dat het een vrouwelijke gedaante was, welke aan de tegenovergestelde +zijde het duin beklom; want hij zag eerst een hoofd en vervolgens de +overige ledematen zich, evenals de goden op het Romeinsche valgordijn +afgebeeld, boven het duin verheffen: tot eindelijk het jonge meisje +(want die fijne leest kon slechts aan een jong meisje behooren) +geheel op de kruin te voorschijn kwam en daar, met al de levendigheid +der jeugd, driewerf opsprong, in de handen klapte, naar alle kanten +rondzag als om het omgelegen landschap te beschouwen en toen met +eenige drift iemand wenkte, die met een minderen spoed over den rug +der hoogte naar haar toekwam. + +Onze Ridder bleef eenige oogenblikken onbeweeglijk zitten, in die +stomme verbazing, welke de plotselinge verschijning van een onverwacht +voorwerp veroorzaakte; want hij had in die beide duinbeklimmers de +schoone Madzy en haar voogd herkend. Zij van haren kant scheen hem +niet te bespeuren; althans zij toonde wel den Olderman, toen deze +aan hare zijde gekomen was, de omliggende landgezichten aan, welke +blijkbaar geheel nieuw en verrassend voor haar waren; maar haar oog +rustte niet eenmaal op de plaats, waar Deodaat zich bevond. Deze bleef +nog eenigen tijd stilzitten; hij voelde wel, dat zijn hart onrustig +klopte en dat een sterke stem in zijn binnenste hem aanspoorde, +de schoone Jonkvrouw tegemoet te gaan: maar de gedachte aan zijn +vriend, aan Reinout, weerhield hem. "Arme Reinout!" dacht hij: +"het gaat met u als met den man, van wien Jasper De Vinder sprak, +die de fortuin overal ging opzoeken: terwijl zijn buurman stil op +zijn bed bleef liggen en haar ongeroepen bij hem zag binnenkomen. Gij +loopt naar het Sint-Jans-klooster, en vindt niemand, terwijl ik, hier +stilzittende, uwe schoone zie genaken:--maar ik zal, om uwentwil, +van deze ontmoeting geen gebruik maken." + +De goede Deodaat dacht weinig, dat hij op hetzelfde oogenblik, waarin +hij dit manmoedig besluit gevormd had, er weder stond af te wijken: +maar een onvoorziene omstandigheid noodzaakte hem daartoe, en op eens +met een schreeuw opspringende, liep hij gezwind als een hert tusschen +de meertjes door naar den duinkant toe. Hij had namelijk gezien, +dat Madzy, zonder twijfel bezield met die kinderlijke vroolijkheid, +welke het genot der vrije natuur in een onschuldig hart doet ontstaan, +na zich genoeg vergast te hebben aan het aanschouwen der omliggende +streken, op eenmaal, als om haar voogd te plagen, gelijk haar gebaren +en hoorbaar gelach aantoonden, trek had gevoeld om van het duin +naar beneden te loopen: iets dat misschien op geene andere plaats, +dan alleen op die, welke zij daartoe had uitgekozen, gevaarlijk zijn +kon. Het duin toch, dat eerst golvend en glooiend afliep, was ongeveer +tien voet boven den grond afgezand geworden en vormde aldaar een +steilte, welke van iemand, die boven stond, niet gezien kon worden: +maar welke Deodaat van zijne plaats duidelijk bemerkte:--en niet ten +onrechte had hem de vrees bevangen, dat Madzy, wanneer zij van de +hoogte kwam aangeloopen, de snelheid van haar vaart niet zou kunnen +bedwingen en van de steilte nedervallen:--en het was om haar tegen dit +gevaar te waarschuwen of zoo mogelijk haar in den val te weerhouden, +dat hij eerst dien schreeuw gaf, die, door de vallei weergalmende, +een koppel wilde eenden van uit het riet opvliegen en den wildzang +zwijgen deed; en dat hij vervolgens de onvoorzichtige maagd te gemoet +ijlde. Madzy had dien kreet van waarschuwing gehoord, juist toen zij +die steilte op een korten afstand genaderd was: door een onwillekeurige +beweging van schrik poogde zij haar vaart te stuiten; maar de beweging +zelve deed haar wankelen, en op dat oogenblik Deodaat gewaarwordende, +en waarschijnlijk niet voor zijn oog willende vallen, vervolgde zij +haar loop; maar nu door de wending, welke zij gemaakt had, in een meer +zijdelingsche richting, en kwam hierdoor wel aan den rand der steilte, +maar op een plaats, waar die ongelijk minder hoog was, zoodat zij, +daar zijnde, zonder zich te bedenken naar beneden sprong en ongedeerd +naast den toegesnelden Ridder op het zand stond. + +"Gij hebt mij voor u doen beven, Freule!" zeide Deodaat, half buiten +adem en bleek als een doek. + +"Ik beken u, ik heb ook een oogenblik van schrik gehad," zeide Madzy: +"maar het is voorbij. 't Is goed dat gij geschreeuwd hebt," voegde +zij er met een betooverenden glimlach bij: "ik had vast een kluchtige +figuur gemaakt, wanneer ik van dien steilen kant was komen rollen; +maar ik ben toch maar blijde dat ik op vasten grond sta! Kom maar hier, +mijn Heer van Aylva! ik ben al beneden! maar neem niet denzelfden weg." + +"Voorwaar! indien mijn beenen twintig jaren jonger waren geweest, +zouden zij u niet vooruit hebben laten gaan," zeide Aylva, die nu +langs een meer gemakkelijk pad uit een boschje te voorschijn kwam: +"maar wat zie ik?--Hebt gij hier op eens gezelschap gevonden?" + +Hier bemerkten Deodaat en Madzy eerst, dat zij elkander bij de hand +hielden: hij had haar de zijne, op het oogenblik dat zij afgesprongen +was, toegereikt: zij had die onwillekeurig aangenomen: en geen van +beiden had nog gedacht om de zijne terug te trekken. De vraag van +Aylva joeg hun een gloeienden blos op de kaken: zij lieten elkander +los en zagen beiden als overtuigde schuldigen onbeweeglijk en zwijgend +voor zich. + +"Van waar komt gij dus op eens uit de lucht vallen?" vroeg Aylva +eenigszins verwonderd aan den jongeling. + +"Wel, mijn waarde voogd," antwoordde Madzy, hare vroolijkheid bij het +hooren dezer vraag op eens terugkrijgende: "ik was het, die bijkans +uit de lucht was komen vallen en de Ridder kwam mij helpen." + +"Zoo!" zeide Aylva, lachende: "het was dus naar den Ridder, dat gij +met zooveel drift toesneldet?" + +Een gloeiend inkarnaat verfde opnieuw het gelaat der jonge +schoone. Deodaat, haar verlegenheid bespeurende, haastte zich voor haar +te antwoorden: "Ik zou zeer gelukkig zijn, indien ik de verwaandheid +mocht hebben zulks te gelooven; maar ik twijfel er hard aan of +de Jonkvrouw iets van mij bespeurd heeft voor wij naast elkander +stonden."--Hierna vervolgende, helderde hij met korte woorden de +aanleiding hunner ontmoeting op. + +"Zoo!" zeide Aylva: "dan heb ik mijn pupil alleen over hare wildheid +te beknorren!--Denk eens, wat zou Seerp Van Adeelen wel gezegd hebben, +indien ik u met een gebroken arm had te huis gebracht?" + +Deze aanmerking van den Olderman deed bij Deodaat een gevoel van +wrevel ontstaan, hetgeen hij zich nauwelijks wist te verklaren: +doch dat geheel week bij het antwoord van Madzy: + +"Wat zal ik u zeggen, mijn waarde voogd!--Indien Seerp Van Adeelen +zooveel belang in mij stelt, moest hij medegaan om op mij te passen." + +"Gij weet, lieve Madzy!" zeide Aylva, "dat hij hedenmorgen bij den +helmslager zijn moest, ten einde te zorgen, dat zijn wapenrusting voor +het steekspel in gereedheid zij:--gij zoudt toch niet begeeren, dat +hij daar niet verscheen als iemand, die Friesland eer moet aandoen." + +Madzy antwoordde niets, maar den arm des Oldermans nemende, begon zij +rondom zich heen te zien en drukte haar bewondering over het schoone +landschap uit. Dit gaf aanleiding tot een onderhoudend gesprek, +aan het einde waarvan Aylva aan Deodaat verhaalde, dat zij met hun +gevolg te paard den omtrek hadden rondgereden, en dat die wilde meid, +de duinen ziende, hem overgehaald had even af te stappen om te zien of +zij de Noordzee ook van de toppen der hoogten bespeuren konden. "Ik ben +gek genoeg geweest, aan haar verzoek te voldoen," zeide de Olderman: +"en ik verzeker u, dat mijn beenen het voelen. Ik ben niet gewend +door dat gulle zand te kruien en verlang hartelijk weer in den zadel +te zitten. Mij dunkt, onze paarden moesten hier reeds zijn!" + +"Daar komen zij al," zeide Madzy, de dienaars ontdekkende, die beneden +langs gestapt waren en nu uit het bosch te voorschijn kwamen. + +"Kom! het is tijd van gaan," zeide Aylva: "wij moeten naar huis, anders +kom ik te laat om mij te kleeden voor het gehoor. Verzelt gij ons, heer +Ridder? ik vermoed dat het uw paard is dat aan gindschen boom staat." + +"Gij zijt toch recht achteloos omtrent uwe paarden," zeide Madzy met +een spottenden glimlach tegen Deodaat. "Als men u dit nu ook ontstolen +had, terwijl gij naar mij toe kwaamt!" + +"Ik geloof waarlijk," zeide Deodaat, op denzelfden toon, "dat gij +meent dat dit land vol dieven is." + +"Inderdaad," hernam zij: "Seerp Van Adeelen zoude u wel haast +antwoorden, dat hij er niet aan twijfelt, en dat uw Graaf de grootste +dief van allen is, daar hij ons onze onafhankelijkheid ontstelen wil." + +"Madzy! Madzy!" zeide Aylva, den vinger dreigend opheffend: "gij +spreekt weder over zaken, waar een meisje niet over spreken moest." + +De bevallige jonkvrouw zag haar voogd met een blik van verwondering +aan; want, nooit buiten haar geboorteland geweest zijnde, waar men +algemeen gewoon was vrij en onbewimpeld te spreken, had zij zich nog +geen denkbeeld gevormd van de noodzakelijkheid om, onder vreemden, de +woorden, die men wil spreken, te voren op de weegschaal te leggen. Een +ingeschapen gevoel van betamelijkheid en een juist oordeel zouden +Madzy wel overal hebben blijven geleiden en haar verhinderen van +iets onvoegzaams te zeggen; maar de ongewoonte om onder vreemden te +zijn had haar nog onbewust gelaten, dat men niet alle onderwerpen +even vrij met iedereen kan behandelen: bovendien gevoelde zij zich +zoo op haar gemak met Deodaat, dat zij hem, ondanks den korten tijd, +die er sedert hunne kennismaking verloopen was, reeds beschouwde als +iemand voor wien zij zich niet behoefde te weerhouden om vertrouwelijk +en ronduit te spreken. De bestraffing van Aylva, ofschoon op een +vriendelijken en lachenden toon uitgedrukt, hinderde haar dan ook, en +misschien wel des te meer, omdat die in tegenwoordigheid van Deodaat +plaats vond.--"Kom!" zeide zij eindelijk, terwijl zij te paard steeg: +"ik zie dat ik een dwaasheid gezegd heb; en ik had waarlijk vergeten, +dat de Ridder in 's Graven dienst is en dat men hier niet anders +als goed van hem spreken mag. Gij neemt het mij toch niet kwalijk, +Ridder! maar ik spreek nog zoo wat op zijn Friesch, slecht en recht." + +"In allen gevalle," zeide Deodaat, met verrukking het lieve meisje +beschouwende, "deedt gij niets dan de woorden van een ander herhalen, +zonder dat gij voor zijne gevoelens behoeft in te staan:--en Graaf +Willem heeft immers gisteravond de hand van Seerp Van Adeelen geschud?" + +De stoet intusschen geheel te paard gestegen zijnde, keerde men langs +den kortsten weg terug onder een vroolijk gesprek tusschen Madzy en +de beide edellieden. De goedhartigheid van Deodaat, die uit al zijn +gezegden doorblonk, het gezond verstand, dat hij betoonde, en de +aard zijner scherts, die altijd onschuldig en vroolijk bleef, wonnen +het hart van den Olderman, die bovendien, wanneer hij den jongeling +aansprak, zich tot hem getrokken gevoelde door een onverklaarbaar +gevoel, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven. Het was hem, +of hij hem reeds vroeger aanschouwd had en wel in beter en gelukkiger +dagen; doch waar, dit zocht hij zich vruchteloos te herinneren. Ook +Deodaat, hoezeer hij moeite had om zijn oogen van Madzy af te +wenden, kon niet nalaten behagen te scheppen in het onderhoud van den +edelen Fries, die hem een gevoel van eerbied en achting inboezemde, +gelijk hij nooit te voren jegens iemand had ondervonden. En wat Madzy +betrof, weggesleept door den innemenden toon van Deodaat en door het +belangrijke van zijn opmerkingen en verhalen, gaf zij zich onmerkbaar +over aan het betooverend genoegen, hetwelk iemand, die een natuurlijken +aanleg bezit tot alles wat edel en goed en schoon is, onmisbaar smaken +moet, wanneer hij zich in een leerrijk en onderhoudend gezelschap +bevindt: vooral indien de onderwerpen van het gesprek aan den eenen +kant nieuw en verrassend, en aan den anderen kant niet te hoog voor +zijne bevatting zijn. En hoeveel te sterker moest de indruk zijn, +dien de gezegden van Deodaat op het eenvoudige meisje teweegbrachten, +nu de beschaafde vormen en het innemend uiterlijke van den spreker +ook aan min belangrijke zaken waarde zouden hebben bijgezet. + +Het was dan ook schier onmerkbaar, dat zij zich weder aan den heirweg +tusschen Haarlem en Leiden bevonden, op welken zij door een achterweg +gekomen waren: en alwaar zij, gelijk wij reeds verhaald hebben, +Reinout ontmoetten. Deodaat zag zijn vriend het eerst: hij deed hem aan +Madzy opmerken: en zoo deze bij die gelegenheid lachte, het was niet, +gelijk Reinout zulks vermoedde, om eenig gezegde van Deodaat dat op +hem betrekking had, maar om de zonderlinge uitdrukking, welke zich +in het voorbijgaan op het gelaat van den ontevredenen voetganger +vertoonde. Deodaat, die intusschen bij het herkennen van Reinout +zich hun gesprek van den vorigen avond herinnerde, begon eenige +opwelling van berouw te gevoelen en zich te verwijten, dat hij niet +aan zijn belofte getrouw was gebleven. Willende herstellen hetgeen hij +bedorven had, nam hij uit de gedane ontmoeting terstond aanleiding +om zijn vriend hemelhoog te prijzen en diens goede hoedanigheden in +het schoonste daglicht voor te stellen;--maar deze handelwijze, in +stede van zijn wapenbroeder, gelijk hij dacht, eenigen dienst te doen, +strekte nergens anders toe, dan om het gevoelige hart van Madzy des +te meer in te nemen voor hem, die zich zulk een getrouw en waardig +vriend betoonde. + +Aan de poort van het Sint-Jans-klooster namen zij afscheid: en Deodaat, +bemerkende dat het reeds laat was geworden, haastte zich, in vollen +ren naar Haarlem te keeren, waar hij zich in aller ijl kleedde en +zich vervolgens naar de Sint-Jans-straat begaf. + +Het was in de kerk van het aldaar gelegen klooster, dat de plechtigheid +van het gehoor zou plaats vinden; en een aanzienlijke menigte herauten, +ordebroeders, edelen en dienaars waren reeds bezig, om onder opzicht +van den ouden Wapenkoning van Holland de noodige aanstalten en +toebereidselen te maken en de zitplaatsen der te verwachten gasten +naar hun rang en stand te regelen. Deodaat, die benoemd was om te +dien einde mede te werken, moest bij zijn aankomst eene vrij lange +en taaie bestraffing van den Wapenkoning ondergaan, dat hij eenige +minuten te laat was gekomen; naar welke hij echter weinig luisterde, +daar zijn oogen de kerk ronddwaalden om zijn vriend Reinout te zoeken, +dien hij eindelijk van verre gewaarwerd, het toezicht houdende over het +ophangen der wapenbondels en andere versierselen, welke den Gravezetel +omgeven moesten. Hij begreep, dat het nu niet het oogenblik was om +hem opheldering te geven omtrent zijn gedrag en vergenoegde zich +dus hem van verre toe te knikken, hetgeen Reinout òf niet bespeurde, +òf niet wilde opmerken:--en daar aan Deodaat vervolgens een andere +bezigheid aan den ingang der kerk werd opgedragen, moest hij voor 't +oogenblik alle gelegenheid tot een verklaring uit zijn hoofd stellen. + +Het uur van één, dat tot het gehoor was uitgekozen, had eindelijk +geslagen, en het gebouw, nu geheel ingericht tot de plechtigheid, +leverde reeds een prachtig schouwspel op. Een groot denkbeeld van zijn +macht aan de vreemde bezoekers en vooral aan de Friesche afgevaardigden +willende inboezemen, had de Graaf bevolen, dat er geene kosten gespaard +zouden worden om een praal ten toon te spreiden, geschikt om alle +oogen te verblinden. Prachtige tapijten, van afstand tot afstand door +wapenbondels of schilden afgezet, bedekten de wanden of hingen van de +kerkbogen af. Welriekende wateren of reukwerk uit het Oosten wasemden +uit sierlijk gebeitelde of kunstig gesnedene vaten op, en vervulden +het ruime gebouw met balsemende geuren. De vloer was niet bestrooid +met stroo, gelijk zulks de toenmalige gewoonte was; maar al de tuinen +rondom Haarlem hadden hun bloemenschat opgeleverd, en men liep als +over een rijkgekleurd tapijt van rozen, jasmijnen, gouden regen, +gebloemte en gebladerte. Vlak voor het koor was de zetel des Graven +opgericht: rozeroode gordijnen, op een sierlijke wijze geplooid en +door gouden snoeren opgebonden, hingen van den troonhemel af, wiens +bovenrand prijkte met de wapenborden der verschillende Graafschappen +en Heerlijkheden, waarover Willem van Henegouwen zijn staf zwaaide, +en daarboven hing de Gravenkroon in flonkerenden luister. + +Reeds was de kerk gevuld met het aanzienlijk getal genoodigden, toen +de klank van trompetten en klaroenen de komst des Graven verkondigde, +die kort daarop uit eene der zijdeuren, welke gemeenschap had met +het klooster, te voorschijn kwam, voorafgegaan en vergezeld van +zijn doorluchtig geslacht en van zijn gewoon gevolg, allen op 't +schitterendst uitgedost. Willem zelf, op wiens fraaie golvende haren de +Gravenkroon prijkte, was gekleed met een tot op de voeten hangenden +tabberd van scharlaken kleur, met gouden boordsels omzet, waarop +kostbare gesteenten blonken, en droeg daarboven een hemelsblauwen +mantel met open mouwen, gevoerd en geboord met bont, en geborduurd +met de wapens van Holland en van Henegouwen: terwijl een halskraag van +hermelijn zijn kleedij voltooide. De edelen, die hem omringden, waren, +over het geheel, niet minder prachtig gekleed dan hij: de hoofden van +adellijke huizen, en die, aan welke uithoofde hunner jaren de vroolijke +dracht der jeugd niet meer voegde, hadden insgelijks lange tabberds +aan, onderscheiden van kleur en versierselen, doch alle blinkende van +goud en bont en gesteenten. De jonge Ridders en Edelen daarentegen +droegen korte, overal geslotene buisjes, om het middel met een gouden +koord omgord, en met mouwen, die, naar den toen heerschenden smaak, +omtrent een halven voet langer waren dan de arm: voorts gouden ketens +om den hals, tootschoenen met punten van een bespottelijke lengte, +en fluweelen hoeden, die op den top van het hoofd zaten, en langs +wier hoogen en kegelvormigen bol een enkele witte veder opliep. + +Zoodra de Graaf gezeten was, namen ook de aanwezigen, immers voor +zooverre de zitbanken toereikend waren, hunne plaatsen in: acht +pages en een aantal Herauten bekleedden de trappen van den troon: +aan weerszijden waren de bloedverwanten des Graven, de Hollandsche +en Henegouwsche Baanderheeren en de gemijterde Geestelijken gezeten: +terwijl verder de kerk vervuld was met een uitgelezen schaar van +Vorsten en Heeren, uit alle beschaafde landen hier samengekomen, +waarachter een vierdubbele rij van Ridders, Edellieden en Vroede +mannen, wier getal dat van duizend overtrof, tegen de wanden stond +geschaard. Alleen in het midden was de doortocht vrij en een voegzame +ruimte voor den zetel opengelaten. + +Nadat de Herauten stilte hadden bevolen, gingen vier hunner naar den +hoofdingang om aldaar de Aartsbisschoppen van Keulen en van Trier, +die, in plechtgewaad en van een luisterrijken stoet vergezeld, +de kerk binnentraden, af te halen en voor den Grafelijken zetel te +geleiden. Toen rees de Graaf op, uit eerbied voor zijn Leenheer, wien +deze Dignitarissen vertegenwoordigden: en nu gaf hem de eerstgemelde +Rijksvorst in een lange en sierlijke aanspraak te kennen, dat de +Keizer, getroffen door zijn schitterende verdiensten, en hem een +blijk zijner hooge achting willende geven, hem de Hertogelijke kroon +had toegedacht, welk gunstbewijs hij zich vleide, dat door den Graaf +met dankbaarheid en welwillendheid zou worden aanvaard. + +"Hoogwaardigste!" antwoordde Willem, "wij bidden u, na uw terugkeer +in Duitschland, de uitdrukking onzer erkentenis voor den Keizerlijken +troon te willen brengen. Het blijk der gunst van onzen genadigen +Leenheer zal ten allen tijde ons hart voor hem van liefde en +getrouwheid vervuld doen zijn. Maar laat de Keizer het echter zijnen +dienaar niet wijten, noch het aan eenige minachting zijner genade +toeschrijven, indien wij zijn gunstbewijs niet aannemen. Ieder op +deze aarde heeft zijne bepaalde eerzucht: de onze was altijd, de +eerste Graaf des Duitschen rijks genoemd te worden.--Deze wensch is +vervuld geworden; maar hooger stijgt hij niet: en, om onbewimpeld +te spreken, wij willen liever, zoo in den slag als op de feesten, +alle Graven voorgaan, dan dat wij alle Hertogen zouden volgen moeten." + +Deze woorden uitgesproken hebbende, zag Willem om zich heen, en verhief +zich zijn hart met niet weinig hoogmoed, toen hij dien luisterrijken +stoet van Ridders en Baronnen overzag, die hem ten oorlog volgen +moest, en gelijk geen ander Graaf, ja gelijk geen Rijksvorst in staat +was onder zijn banier te scharen. Helaas! wat is de heerlijkheid des +menschen? Weinig dacht hij toen, de machtige Graaf, dat binnen weinige +maanden hij zelf en die gansche adel, waarmede hij zulke roemvolle +overwinningen behaald had, van het aardsche tooneel door de meest +verachte handen zouden worden weggemaaid. + +Een algemeene toejuiching had het antwoord van den Graaf gevolgd: en de +Aartsbisschoppen (die echter te voren onderricht waren, welk bescheid +zij bekomen zouden) werden naar het voor hen bestemde gestoelte geleid, +terwijl alsnu de Friesche afgevaardigden, die ter zijde gezeten waren, +voor den zetel werden geroepen. Zij traden met deftigheid naar voren, +en hielden op een kleinen afstand van den zetel stil. Daar gekomen, +deed de Abt, die Aylva rechts en Adeelen links van zich had, nog een +stap voorwaarts, en richtte het woord tot den Graaf. Zijn aanspraak, +aan welker samenstelling vader Syard ongetwijfeld deel had gehad, was +een meesterstuk van diplomatieken stijl, en zoude ook in onze dagen een +gezant, die gekomen was om _niets_ te zeggen, eer hebben aangedaan. Zij +behelsde een menigte zwierige en vleiende betuigingen van eerbied en +hoogachting voor den Graaf, met menige Latijnsche spreuk doorzult, +gaf hartelijk leedwezen te kennen over het gebeurde te Stavoren, en +eindigde met een ontboezeming der hoop, door de Friezen gekoesterd, +dat de eensgezindheid tusschen den Graaf en hen steeds duurzamer +zoude blijven stand houden. Maar ook het scherpzinnigste vernuft zou +uit dien ganschen vloed van woorden niet één blijk van onderdanigheid +getrokken hebben, noch een enkel bewijs, dat de Friezen den Graaf als +hunnen Heer, nauwelijks dat zij hem als hunnen beschermer aannamen +of erkenden. Willem had dit ook weldra bemerkt; en meer dan eens +hadden zijn gefronst voorhoofd, en een zijdelingsche blik, op Beaumont +geslagen, zijn innerlijke ontevredenheid te kennen gegeven. Hij liet +echter den gezant uitspreken, altijd nog hopende, dat een betuiging +van hulde en getrouwheid zijn rede zoude besluiten; doch toen hiervan +niets kwam, en de Abt, na zijn aanspraak te hebben uitgebracht, weder +tusschen zijn beide landgenooten terugtrad, kon hij zijn ongenoegen +niet langer bedwingen. De woorden, waarin zijn antwoord vervat werd, +waren echter gematigder, dan de toon waarop hij dat antwoord uitsprak: +en alleen aan de trilling zijner lippen en aan de heeschheid zijner +stem was zijn innerlijke gemoedsaandoening te bespeuren. + +"Wij danken onze Friesche _onderzaten_," zeide hij, op dit laatste +woord drukkende, "voor de betooning hunner verknochtheid; wij hadden +echter iets meer durven hopen dan loutere betuigingen, en billijk +verwacht, dat er van hunnen kant ook daden zouden hebben gesproken. Gij +kunt niet onwetend zijn, edele Heeren! dat onze Ambtenaren te Stavoren +mishandeld zijn geworden. Is de orde aldaar reeds hersteld? en welke +straf hebben de schuldigen ondergaan?" + +"Men is bezig een gerechtelijk onderzoek naar het voorgevallene te +doen," antwoordde Aylva, "en wij twijfelen niet, of de schuldigen +zullen naar de wetten geoordeeld worden." + +"Men heeft te lang gewacht," zeide de Graaf: "op heeter daad had men +de misdadigen moeten vatten en vonnissen." + +"Het ware intusschen te wenschen," vervolgde de Olderman, als +had hij 's Graven aanmerking niet gehoord, "dat uwe Genade het +gebeurde geliefde te vergeten en den moedwil van een onberaden hoop +vergeven. De Fries, aan zijn vrijheden verknocht, is nog ongewoon aan +het eerbiedigen van vreemde instellingen, en een te groote gestrengheid +bij zijn eerste vergrijp zou wellicht nadeeligen invloed kunnen hebben +en een scheuring verwekken, die in het belang uwer Genade en in dat +van Friesland moet worden voorkomen." + +"Inderdaad!" hernam Willem: "waarom geeft gij ons niet liever den +raad, onze ambtenaren uit Friesland terug te trekken, opdat gij +ulieden geheel naar uw eigen goeddunken zoudt kunnen regeeren." + +"Dit ware zekerlijk het verkieslijkste, om alle botsing te +vermijden." zeide Adeelen: "en wellicht," voegde hij er met fierheid +bij: "ware het beter dat zulks thans geschiede, nu het als een gunst +ontvangen kan worden, dan later, wanneer de drang der omstandigheden +het tot een noodzakelijkheid zal maken." + +Een algemeen gemor deed zich hooren bij het vernemen dezer hooghartige +taal. Zelfs de Abt van Sint-Odulf, die zich in deze schitterende +vergadering slecht op zijn gemak voelde, en de beradene Aylva, die +zoo gaarne een vredebreuk wilde vermijden, zagen hun ambtgenoot met +een blik van ontevredenheid aan. De Graaf echter, die reeds daags +te voren de onbuigzaamheid van Adeelen had leeren kennen, nam zijn +woorden thans minder euvel op dan men verwachtte: "Wij danken u, +Heer van Adeelen!" zeide hij, "dat gij zoo onbewimpeld spreekt; +want uit uwe redenen kunnen wij opmaken, hoe weinig zich de Friezen +in het algemeen aan hunnen Heer laten gelegen liggen. Alleen moeten +wij u doen opmerken, dat zulk een taal weinig strookt met het doel, +dat wij aan uwe zending toeschreven, en weinig die onderwerping ademt, +welke wij recht hadden van u te verwachten." + +"Vraag visschen aan het geboomte en bloemen aan de zee," riep Adeelen +uit: "maar vraag nimmer onderwerping aan een vrijen Fries." + +"Hoe nu!" hernam de Graaf: "zijn dit de woorden uwer lastgevers? En +stemmen de Eerwaardige Abt en de Heer van Aylva mede in die onbezonnen +taal?" + +De Abt, die reeds een poos met angstige verlegenheid zijn oogen van den +Graaf op Adeelen, en van dezen op Aylva had doen dwalen, antwoordde +niets, maar veegde zich de zweetdroppelen van 't gelaat. Aylva nam +het woord op. + +"Edele Graaf!" zeide hij: "het is nooit de wensch noch de bedoeling +onzer lastgevers geweest, uwe Genade in hare rechten en waardigheid +te verkorten. Wat onze ambtgenoot heeft gezegd, moge hij zelf +verantwoorden: onze taak was alleen, uwer Genade de betuiging van +Frieslands verknochtheid over te brengen en uw verlangen aan te +hooren. Verder strekt zich onze lastbrief niet uit." + +"Gij hebt dan geene machtiging," vroeg Willem met eenige verbazing, +"om ons, uit naam van hen die u zonden, openlijke hulde als Heer van +Friesland te doen?" + +"Ik herhaal het," antwoordde Aylva: "hetgeen uwe Genade ons zal +gelieven te bevelen, zal getrouwelijk door ons aan onze lastgevers +worden overgebracht." + +--"_Vive Dieu_!" riep de Graaf, zich met een bitteren lach tot +de naastbij gezetenen wendende: "Gij hoort het, mijne Heeren! men +verzoekt onze bevelen te vernemen, ten einde die door onze getrouwe +Friesche onderzaten in overweging worden genomen en beoordeeld of +zij wel in overeenstemming zijn met de oude vrijheden des lands. Bij +Sint-Japik!" vervolgde hij tot de Friezen, "zoo wij alleen gehoor gaven +aan hetgeen onze waardigheid als Graaf van ons vordert, zouden wij +u dadelijk onzen wil te kennen geven en voor de uitvoering zorgen, +zonder ons te bekreunen, in hoeverre ons verlangen met de inzichten +onzer overzeesche onderzaten strookt: doch wij willen in dezen +slechts aan onze liefde voor verdoolde kinderen gehoor geven en de +zaak in rijpe overweging nemen, ten einde men niet van ons zegge, +dat wij overijld besluiten en handelen. Intusschen raden wij u, onze +getrouwen! uwe landgenooten te doen aanmanen, dat zij niet door nieuwe +ergerlijke tooneelen onze zachtmoedigheid tergen. Mijne Heeren! de +zitting is opgeheven!" + +Met deze woorden rees hij van zijn zetel en verliet het gebouw +op dezelfde wijze als hij gekomen was, terwijl weldra de gansche +vergadering zijn voorbeeld volgde en uiteenging. + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + + + Deux coqs vivaient en paix: une poule survint, + Et voilà la guerre allumée. + + De la Fontaine. + + +Deodaat had aan den ingang vertoefd, tot de geheele stoet was +vertrokken, en was nu, met oogmerk om Reinout op te zoeken, de kerk +weder ingetreden. Hij vond echter zijn vriend niet, die door een andere +deur, naar 't scheen, was uitgegaan, toen een page van den Graaf hem op +zijde kwam en hem de tijding bracht, dat deze hem verlangde te spreken. + +Zwijgend volgde de jongeling het knaapje, dat hem binnen de +muren des kloosters voorging en naar het slaapvertrek des +Graven geleidde. Deodaat, aangediend zijnde, werd terstond +binnengelaten. Willem lag half op een rustbank uitgestrekt en in +gesprek met zijn oom van Beaumont en de Heeren van Naaldwijk en van +Teylingen: twee edelknapen waren bezig zijn plechtgewaad te bergen +in een grooten, met koper beslagen kotter, die nevens hem stond: +en een derde stond voor hem met een zilveren schenkblad, waarop een +beker gekruide wijn. + +"Bij Sint-Japik!" zeide de Graaf: "vriend Deodaat! gij kunt ons een +grooten dienst bewijzen." + +"Uw Genade kan aan mijn goeden wil niet twijfelen," zeide Deodaat. + +"Welnu!--Gij zijt reeds bij die Friezen geweest;--gij schijnt zelfs +een nauwe kennis met hen gemaakt te hebben: althans men heeft u dezen +morgen met hen zien rijden." + +"Ik ben zeer verplicht aan hen, die belang genoeg in mij toonen om +mijn gangen na te gaan," zeide Deodaat. + +"_Vive Dieu_! wat vat de Italiaan spoedig vuur. Nu! het ware geen +wonder, al vond men het eenigszins vreemd, dat gij zulke beste maats +zijt met lieden van zulk oproerig slag. Intusschen, wij weten in wien +wij ons vertrouwen stellen en wij vreezen niet dat Deodaat van Verona +om een paar schoone oogen zijn Heer zal afvallen. Is het niet zoo?" + +"Ik vat niet, hoe...." + +"O! wij weten zeer wel wat wij zeggen. Die afgezanten hebben, zoo +wij vernemen, een zeer bevallig behoedmiddel tegen de verveling van +de reis medegenomen. Is het niet zoo?" + +De jongeling glimlachte en boog. + +"Welnu! wij hebben er niets tegen, dat gij uw hof maakt aan die schoone +Friezin. Integendeel zal het ons des te aangenamer zijn, hoe meer +gij u bij de Friezen weet in te dringen, mits gij slechts de belangen +van uw Heer daarbij niet uit het oog verliest: gij verstaat ons?" + +"Ik vrees uw Genade geheel niet te verstaan," antwoordde Deodaat, +wiens voorhoofd van verontwaardiging gloeide: "uw Genade zal toch +niet van mij vergen, de rol van verspieder te spelen?" + +"Welnu, mijne Heeren!" zeide Willem, zich lachende tot de omstanders +keerende: "hebben wij het niet voorspeld? Zietdaar al zwarigheden." + +"Deodaat is een braaf Ridder," zeide Beaumont, zijn kweekeling op +den schouder kloppende: "hij heeft de lessen niet vergeten, die ik +getracht heb, hem in te prenten." + +"Hij had toch moeten begrijpen," zeide Teylingen, "dat de Graaf niets +onbillijks kan vergen, veelmin iets dat met den Ridderplicht strijdt." + +"Hoor, Deodaat!" hernam Willem: "wij zullen u in korte woorden zeggen, +wat het geval is:--dan kunt gij naderhand vrij handelen gelijk gij +verkiest. Gij hebt de onbehouwen taal dier afgevaardigden gehoord, +en gij zult met ons van oordeel zijn, dat het wel overeenkomstig +onze waardigheid ware, indien wij hen eens op hun grondgebied de wet +gingen stellen...." + +"En den oorlogskreet: Holland! aanhieven," zeide Deodaat: "bij +Sint-Jakob! dat ware hemelsche muziek!" + +"In onze ooren voorzeker," vervolgde de Graaf, lachende: "maar deze +Heeren verstaan het anders:--zij zijn van meening, dat men zich +tweemalen moet bedenken, aleer men geld en manschappen verspilt, om +in Friesland oorlog te gaan voeren. Daarom willen zij beproeven, wat +er nog door zachtere middelen te verkrijgen is. Wil beseffen, dat men +nooit aan dien buffelachtigen Adeelen reden zal doen verstaan; maar met +de beide anderen is wellicht nog wat aan te vangen: en wij vertrouwen +niets onredelijks van u te vorderen, daartoe de hand te leenen." + +"Waarlijk," zeide Deodaat, glimlachende: "uw Genade heeft te hoogen +dunk van mijn bekwaamheid. Ben ik in staat, een eerwaardigen man +als den Abt en een schranderen Edelman als den Heer van Aylva om te +praten? Zou niet, indien ik zoo vrijpostig mag zijn mijn gevoelen te +zeggen, de Heer van Beaumont meer invloed op zijn ouden krijgsmakker +bezitten?" + +"Ik kan Aylva ten beste raden, zoo dikwijls ik hem bij toeval ontmoet," +zeide Beaumont: "maar gij gevoelt, dat het, in den tegenwoordigen stand +der zaken, loutere zwakheid verraden zoude, indien 's Graven oom om +zijn goede gezindheid ging bedelen. Gij daarentegen kunt gevoeglijk +als uit u zelven spreken." + +"En," zeide Willem, "zoo gij geen invloed bij de oude Heeren hebt, +kunt gij dien wellicht op de Jonkvrouw verkrijgen. Wat ons betreft, +wij zullen met genoegen zien, dat gij haar tracht te behagen: een +echtverbintenis tusschen onze getrouwe wapenbroeders en de Friesche +erfdochters zou den band tusschen de beide gewesten versterken." + +"Indien dit het oogmerk is van uw Genade," zeide Deodaat, beurtelings +rood en bleek wordende, "zoo ken ik iemand, wien deze last beter +zoude voegen dan mij." + +"Waarlijk! uw vriend Reinout misschien?" + +"Ik geloof inderdaad, dat hij smoorlijk op de schoone Madzy verliefd +is." + +"Bij Sint-Japik! het is mij onverschillig, of het Peter of Paulus +zij, die met de bruid gaat strijken. Ga dan uw Reinout halen en +met hem de Friezen noodigen om ons feest van hedenavond bij te +wonen. Maar zij moeten hunne schoone medebrengen:--en doe onze +uitnoodiging voorkomen als een bewijs onzer gunstige gezindheid, +van ons verlangen om eendracht en vriendschap te bewaren, verstaat +gij?--Bij Sint-Japik! het denkbeeld vermaakt mij reeds, die Friesche +prinses in vollen tooi te zien!--Ga nu en overleg uw zaken goed." + +"Rechtuit gezegd, mijne Heeren!" vervolgde de Graaf, toen Deodaat +vertrokken was: "ik geloof, dat gij gelijk hebt en dat wij een tocht +naar Friesland voor 't oogenblik uit het hoofd moeten stellen. Ik +ontvang zooeven tijdingen uit Utrecht. Het schijnt dat het Kapittel +in zijn wijsheid begrijpt, mij de verantwoording te weigeren, +welke het mij schuldig is als Momboir van het Sticht:--maar bij +Sint-Japik! ik zal aan die geschoren kruinen met het zwaard in de hand +die verantwoording komen vragen, indien zij nog eenen dag aarzelen." + +"Ware het niet verkieslijker," vroeg Beaumont, "nog bevorens een bode +naar Grenoble te zenden, en den Bisschop te verzoeken, terug te keeren +en zijn gezag te gebruiken om uw Genade recht te doen wedervaren?" + +"Een bode naar Grenoble--den Bisschop terugroepen!--neen, waarde +Oom! daarmede ware de boel nog erger verknold. Ik heb wel een verkeerde +ingeving gehad, toen ik dien Jan van Arkel, omdat hij een Hollandsen +edelman was, tot Bisschop liet verkiezen. Ik had gehoopt, hem als een +kind te zullen regeeren, en bij den Hemel! zoodra hij den mijter op +het hoofd had, is hij Stichtenaar in zijn hart geworden en heeft mij +in alles tegengewerkt.--Maar daar moet een einde aan komen:--Utrecht +moet bukken!--en daarna Friesland.--Ik zoek mij nu nog te bedwingen: +maar ik hoop aan dien trotschen Adeelen zijn beleediging met renten te +doen betalen!--Laat hij zich intusschen in toom houden; want ik zoude +mij met moeite blijven bedwingen zooals ik tot nog toe gedaan heb." + +Het vervolg van het onderhoud tusschen den Graaf en zijne vertrouwden +als min belangrijk voor den lezer beschouwende, zullen wij ons weder +tot onzen vriend Deodaat begeven, die, na Reinout vruchteloos gezocht +te hebben, om hem 's Graven verlangen mede te deelen, niet langer +durvende verwijlen met het ontvangen bevel uit te voeren, zich op +weg naar het verblijf der Friezen begaf. Nauwelijks was hij de poort +uitgekomen, toen hij den kokeler Barbanera met zijn hansworst voor +zich uit zag rijden, door eenige gewapende dienaars omgeven. Dadelijk +na het gehoor was de Schout toevallig in de gijzeling gekomen en had, +niettegenstaande de voorstellen van meester Claes Gerritsz en anderen, +last gegeven dat men 's Graven bevel zou ten uitvoer brengen, en den +kwakzalver met zijn maat over de grenzen voeren: een last, waaraan +alsnu voldaan werd. + +Nauwelijks had Barbanera den Ridder bespeurd, of hij wenkte dezen, +dat hij hem iets te zeggen had. Deodaat reed hem op zijde: en de +kokeler, zich weder van de Italiaansche taal bedienende, fluisterde +hem de volgende woorden in: + +"Wat zoudt gij mij geven, indien ik u als den wettigen zoon eens +machtigen Edelmans erkennen deed?" + +"En Reinout?" vroeg Deodaat, wiens eerste gedachte voor zijn vriend +was. + +Barbanera haalde de schouders op: "Of er wat voor hem te doen ware," +zeide hij, "durf ik niet beslissen. Doch zoo gij ons vergezellen wilt, +zal ik u aan de eerste rustplaats bescheid geven." + +"Ik begeer niets verder te weten," zeide Deodaat, hem met verachting +aanziende: "ik hecht vooreerst weinig geloof aan 't geen gij mij +verhalen kunt: en ten tweede begeer ik geen rang, die niet door Reinout +gedeeld wordt. Zoo gij mijn vader kent, zoek hem dan op, en ik zal +afwachten of hij zijn zoon wil erkennen; maar ik wil mij niet opdringen +aan hem, die mij in mijn jeugd aan vreemde handen overgaf. Gij verstaat +mij! verlaat dit land, ik raad het u; want de pogingen, die gij hier +doet om de lieden te verschalken, zouden u duur te staan komen." + +Dit gezegd hebbende, gaf hij zijn ros de sporen, en bevond zich weldra +aan de poort van het voormalige klooster. 's Graven naam, in welken hij +zich liet aanmelden, verschafte hem niet alleen een spoedigen toegang, +maar hij werd door de Friezen, althans door Aylva en den Abt, als +een oude kennis ontvangen: en Madzy, die zich bij haar voogd bevond, +verliet het vertrek niet bij zijn komst. + +Echter fronste zich het voorhoofd der afgevaardigden, toen zij de +boodschap hoorden, welke Deodaat hun overbracht. Aylva en Adeelen zagen +zwijgend voor zich uit: Madzy wendde zich om en ging aan het venster +staan: en Deodaat, die te veel gevoel van betamelijkheid had om niet te +beseffen, dat de beide edellieden elkander iets te zeggen hadden, begaf +zich naar de jonge maagd en begon met haar een onverschillig gesprek. + +"Ridder!" zeide Aylva, na een poos zachtjes met Adeelen te hebben +geraadpleegd: "mijn ambtgenoot Adeelen en ik zullen volgaarne van 's +Graven beleefdheid gebruik maken;--doch wat onze jonkvrouw betreft, +wij mogen die voor haar niet aannemen. Onze Friesche bloemen zouden +aan het hof des Graven van Holland misplaatst zijn." + +"Een zoo schoone bloem," zeide Deodaat, "zoude elken hof versieren; +doch waarlijk, zulk een antwoord mag ik niet terugbrengen." + +"En echter zal men zich daarmede moeten vergenoegen," zeide Adeelen +op een norschen toon: "het is niet om het gegons van Hollandsche +hofhommels te hooren, dat de Roos van Dekama hier gekomen is." + +"Ik zou u kunnen antwoorden," zeide Deodaat, geraakt, "dat het hof van +Holland geen hommels, maar bijen bevat, die met een angel gewapend zijn +en de vreemde wespen niet vreezen;--maar ik wil nu alleen opmerken, +dat ik niet besef, hoe het al of niet ten hove komen der Roos van +Dekama van de goed- of afkeuring des Heeren Van Adeelen af kan hangen." + +"Zij is mijn verloofde," zeide Seerp: "en deze betrekking geeft mij +eenige aanspraak op hare onderwerping.... op hare inschikkelijkheid." + +"Nog ben ik uwe echtgenoot niet, Seerp!" zeide Madzy, terwijl een hoog +rood aan hare schoonheid nieuwen luister bijzette, en hare oogen van de +edelste fierheid schitterden: "wacht tot dien tijd om gehoorzaamheid +van mij te vorderen. Zoolang Madzy Dekama nog den naam haars vaders +draagt, zal zij hare waarde weten te bewaren en aan niemand eenig +gezag toekennen, dan aan den voogd, die haar gegeven is. De edele +Aylva acht het beter, dat ik te huis blijve. Om zijnentwil zal ik +niet te feest gaan. Gij verstaat mij, Seerp! om zijnentwil." + +"Is er niets aan dat besluit te veranderen, Heer Olderman?" vroeg +Deodaat, hem met een smeekend oog aanziende. + +"Gij hebt gehoord, mijn jonge vriend!" zeide Aylva, "hoe men zich +heeft uitgelaten. Ik voor mij geloof, dat het wijzer is, bij het eens +opgevatte voornemen te blijven volharden." + +"Maar in waarheid!" hernam Deodaat, "waarom moet haar een genoegen +ontzegd worden, waartoe haar jeugd, haar kunne, haar bevalligheid, +haar meer dan iemand bestemmen? Indien zij de Friesche moerassen +verlaten heeft om u herwaarts te volgen, zulks was toch niet om in dit +naargeestig verblijf te zitten suffen. Gij kunt immers niet begeeren, +dat mij een weigerend antwoord 's Graven ongenade op den hals hale." + +"Zoo ik Friesland verliet," zeide Madzy, "was het om aan den wensch van +Seerp Van Adeelen te voldoen, die vreesde dat Madzy Dekama hem in zijn +afwezigheid ontvrijd zou worden. Maar verspil uw kostbaren tijd niet, +edele Ridder! door een nutteloozen drang: mijn besluit is genomen, +ik ga niet: en ten einde een onderhoud niet langer te rekken, dat +wellicht onaangenaam worden kon, vraag ik verlof, mij te verwijderen." + +En zonder dat verlof af te wachten, verliet zij het vertrek. + +Deodaat was op het punt, aan Adeelen op een scherpe wijze zijn +hardnekkigheid te verwijten, waaraan hij ook Aylva's weigering +toeschreef; maar zich het verlangen des Graven, om vrede met de +Friezen te bewaren, herinnerende, oordeelde hij, om zijns meesters +wille, een zachter toon te moeten aannemen. + +"In waarheid!" zeide hij: "Edele Heeren! ik begrijp uw oogmerken +niet. Gij komt hier toch, zoo ik wel rade, met een vredelievende +zending: de Graaf is welgezind ten opzichte van u en van uwe +landgenooten: en niettemin ziet men heden tot tweewerf toe den Heer +van Adeelen de gunst des Graven met ondank beloonen. Waarlijk, mijne +Heeren! als onpartijdig vriend moet ik u raden, liever alles aan +te wenden om den onaangenamen indruk weg te nemen, dien de woorden, +welke in drift gesproken zijn, ten hove hebben gemaakt. Wat wint gij +er mede, zoo gij den Graaf tot toorn verwekt en wellicht (want daartoe +zou het kunnen komen) zijn heirlegers in Friesland roept. Een weinig +toegeeflijkheid van uwe zijde, en de goede verstandhouding is meer +dan ooit hersteld." + +"Toegeeflijkheid!" riep Adeelen: "voor wat? voor zijn vermeend recht +op Friesland? Laat uw Graaf eerst al zijn ambtenaren tot den laatsten +toe van over de zee terugroepen, en dan zullen wij niet weigeren als +goede buren en trouwe bondgenooten met hem te leven;--maar zoolang +hij bij ons den meester wil spelen, zoolang zal hij in Seerp Van +Adeelen een vijand vinden:--en zoo ik heden op het feest verschijn, +'t is slechts om te toonen, dat ik mij nergens schroom te vertoonen +en aan zijn slaafsche hoftrawanten het schouwspel van een vrijen +Fries wel gunnen wil." + +"Een schoone heldhaftigheid voorwaar!" zeide Deodaat bitter: "om op +een gastvrij feest te verschijnen, waar gij niets te vreezen hebt, ten +einde aldaar de beleefdheid des gastheers met norsche onwellevendheid +te beantwoorden. Pas op, Jonker Seerp! met zulk een gedrag zult gij +weinig eer behalen. + +"Ik verlang geen vermaningen van een Italiaanschen gelukzoeker," +zeide Adeelen: "geef ze aan uw Hollandsche vrienden, die laf genoeg +zijn, er naar te luisteren." + +Nauwelijks waren deze woorden gesproken, of Deodaat had zijn +handschoen uit den boezem te voorschijn gehaald en er Adeelen mede in +'t aangezicht geslagen. Een uitdaging zou deze daad zijn gevolgd; maar +met een levendigheid, welke bewees dat het vuur der jeugd bij Aylva +nog niet was uitgedoofd, rees deze uit zijn stoel, greep Adeelen, +die zijn dolk reeds had ontbloot, in de borst en drukte hem vrij +onzacht tegen den muur: terwijl de Abt zich met angstvalligen blik +voor Deodaat kwam stellen. + +"Foei! schaam u, Adeelen!" riep de Olderman op forschen toon: "is +het betamelijk, een man, wien gij dank verschuldigd zijt, een edelen +Ridder, in uw eigene woning te beleedigen? Niets kan een zoodanige +handelwijze verschoonen." + +"Bedaar! in 's Hemels naam, bedaar! mijn goede Ridder!" zeide de Abt +van Sint-Odulf: "_eheu_! Jonker Seerp is wat driftig en ruw in zijn +uitdrukkingen: dat weet mijn broeder van Lidlum ook: stoor u niet +aan zijn woorden: en denk met Salomo, dat wie eenen dwaas antwoordt, +dwazer is dan hij zelf. Wij hebben in Friesland ook onze dwazen." + +"Wij hebben ze hier ook in overvloed," zeide Deodaat, "doch wij +zenden ze niet als afgevaardigden uit:--en zoo hem nog een grein +gezond verstand overblijft, zal hij mij om verschooning bidden voor +de uitdrukking, door hem gebezigd." + +"Om verschooning bidden," brulde Adeelen, wien zijn ouder ambtgenoot +nog altijd tegen den wand hield gedrongen: "Laat de handen van mij af, +Aylva!--want ik wil dien hofknaap van zijn overmoed genezen." + +"Een andere reis, maar niet hier," zeide Aylva: "uw leven behoort niet +aan u, maar aan uw landgenooten, die u gezonden hebben: en gave de +hemel, dat zij zich tweemalen bedacht hadden, aleer zij hun belangen +aan zulk een dolleman hadden toevertrouwd." + +Terwijl de beide jongelingen elkander met fonkelende oogen bleven +aanzien, evenals twee wakkere doggen, die door hun meesters worden +teruggehouden, ging de deur open, en verscheidene dienaars, op het +gerucht toegeschoten, stormden de kamer in. Achter hen vertoonde zich +Reinout, het oog in vlam en het gelaat gloeiende van toorn. Deze had, +na het Grafelijk gehoor, eenigen tijd bij zijn wapensmid doorgebracht +en was vervolgens naar de gijzeling gegaan. Hoorende, dat Barbanera +reeds vertrokken was, was hij te paard gestegen om hem na te rijden, +toen hij, den Heer van Naaldwijk toevallig ontmoetende, van dezen +vernam, dat Deodaat bij de Friesche afgevaardigden namens den Graaf +een boodschap was gaan verrichten. Brandende van ijverzucht, was hij +terstond derwaarts gereden en nu juist op den twist afgekomen. Het +schouwspel, dat zich aan hem vertoonde, beving hem met verbazing: +en onbewust van de oorzaak, bleef hij midden in 't vertrek staan. + +"Gij komt juist van pas, Ridder!" riep hem Aylva toe: "kom +Adeelen! wees niet zoo dwaas meer: voor zoovele getuigen zoude uw +toorn belachelijk worden." + +"Wij zullen elkander op geschikter tijd en plaats terugvinden," +zeide Deodaat: en na een koele buiging maakte hij zich gereed om het +vertrek te verlaten, toen Madzy, verbleekt en sidderend, weder voor +zijne oogen verscheen. + +"Goede God! wat is hier geschied?" vroeg zij, eerst Deodaat en +vervolgens al de overigen met een blik van angstige deelneming +aanziende: "ik hoop niet, dat hier om mijnentwil een twist is +uitgebroken." + +"Het lot van dien Italiaan schijnt u zeer ter harte te gaan, +Madzy!" zeide op een bitteren toon Adeelen, wien Aylva had losgelaten +en die nu met donkere blikken tegen den wand stond geleund. + +Tranen van spijt zwollen in de oogen der maagd: en zonder een woord +te spreken viel zij in een armstoel. Er was een oogenblik van stilte. + +"Deodaat! volgt ge mij?" riep op eens Reinout met een donderende stem. + +"Ik kom!" antwoordde Deodaat. + +"Neen!" zeide Aylva, hem tegenhoudende: "zoo moet gij ons niet +verlaten. De eerwaarde Abt en ik zijn u voor uw vertrek nog de +betuiging schuldig van ons innig leedwezen over de behandeling, +hier door u geleden. Wij achten Adeelen hoog en huldigen zijn +edele vrijmoedige inborst; maar wij blozen over de uitdrukkingen, +waartoe zijn toorn hem verleiden kon. Hij zelf, hij zal er eenmaal +over blozen." + +Dit zeggende, stak hij Deodaat zijn hand toe, welke deze met +hartelijkheid drukte. + +De beide Ridders verwijderden zich nu en beklommen stilzwijgend hunne +rossen: maar nauwelijks waren zij buiten het gezicht van het gebouw +gereden, toen Reinout, die zich tot nog toe geweld had aangedaan, +op eenmaal stilhield en het paard van Deodaat bij de teugels greep. + +"Geen stap verder!" zeide hij: "'t is thans met mij dat gij zult te +doen hebben." + +"Hoe nu!" zeide Deodaat: "Ik versta u niet." + +"Deodaat van Verona! gij zijt een ellendeling! verstaat gij mij thans?" + +"Reinout! ik zou liever mijn zwaard willen opeten dan het tegen +u gebruiken. Welke onzalige geest drijft u aan? Waarin heb ik u +beleedigd?" + +"Ik raad u, dit nog te vragen:--wie had u de belofte afgevergd, die +gij gisteravond deedt? Vrijwillig, om mij lichtgeloovige te misleiden, +hebt gij die afgelegd: en hoe hebt gij die gehouden? Mij hebt gij in +slaap gewiegd: van 't spoor gebracht, en intusschen uwe schoone Friezin +den tijd weten te korten. O! 't was aandoenlijk om te zien, hoe gij +beiden mij hedenmorgen bespottedet en hoe teeder zij u thans aanzag. Of +was die twist met Seerp Van Adeelen ook niet om harentwil gerezen?" + +"Ik zal mij in dit oogenblik niet verlagen mijn gedrag te +rechtvaardigen bij iemand, die door blinde drift bestuurd +wordt. Morgen, als u de slaap betere gedachten zal hebben ingeboezemd +en gij redelijker spreken wilt, zal ik u de noodige opheldering geven." + +"Gij verzaakt uw afkomst niet," zeide Reinout op een verachtelijken +toon: "en Barbanera's verhaal...." + +"Mistrouw dien bedrieger!" zeide Deodaat: "ik heb hem ook gesproken +en hem verzocht hier nimmer terug te keeren." + +Dit zeggende gaf hij zijn paard de sporen en verliet hem, die +gisteren nog zijn boezemvriend was, ter prooi aan den minnenijd, +die zijn gemoed doorknaagde. + +Maar bij dien minnenijd voegde zich bij Reinout een diepe +verontwaardiging, door de laatste woorden van Deodaat teweeggebracht: +"de onbeschaamde!" dacht hij: "hij heeft van Barbanera vernomen, +wie van ons de echte zoon van Bianca di Salerno is: en ten einde mij +het bewijs mijner geboorte te onthouden, bewerkt hij het vertrek van +Barbanera en durft mij zulks verhalen! Deodaat! Deodaat! had ik dit +immer van u kunnen gelooven!" + +Ten hove gekomen, haastte zich Deodaat het antwoord der Friezen aan +den Graaf over te brengen: hij verzweeg echter zijn twist met Adeelen, +om redenen, die in 't vervolg nader zullen blijken. + +"Hoe! zij willen hunne schoone reisgenoot voor hen zelven +bewaren!" riep de Graaf, die, wanneer hij iets in den zin had, er +niet gemakkelijk van was af te brengen. + +"Bij Sint-Japik! dat zal niet gebeuren. Ik heb besloten, dat zij op +het feest zal komen; en bij de zaligheid mijns vaders, zij zal er +verschijnen, al moest ik haar zelf gaan halen." + +"Uw Genade zal mij verschoonen, zoo ik mijn gevoelen durf uiten," +zeide Deodaat: "maar zal een daad van geweld niet de gemoederen der +Friezen verbitteren in stede van hen te winnen? Die Jonkvrouw is de +pupil van den eenen en de verloofde des anderen." + +"Ook is het geen daad van geweld, die wij beoogen," hernam Willem: +"'t is door list, dat wij onze begeerte verkrijgen zullen: en gij zult +zien, Deodaat! of ik niet een even goed toovenaar zal wezen als die +meester Barbanera, wien Satan weghale. Gelegenheid tot toorn zal ik +dien Friezen niet geven, maar het hangt van hen zelven af, zich met +spot te overladen. Welnu, waarom schudt gij het hoofd?" + +"Omdat ik vrees," zeide Deodaat, "dat spot hen nog erger zal +verbitteren dan de grootste beleediging." + +"Wat dit alles betreft," zeide Willem: "laat zulks gerust aan ons +over. Wij hadden eerst het oog op u geslagen om ons plan te volvoeren: +doch gij schijnt er huiverig voor te zijn, en het is ons belang dat +gij een witten voet bij den heer van Aylva behoudt. Uw vriend Reinout +is ook beter tot zulk een onderneming geschikt. Tot straks!" + +Deodaat vertrok, ten einde zich tot het feest gereed te maken. In zijn +slaapvertrek gekomen, was het zijn eerste daad, zich op een rustbank +neer te werpen, en het door hem gehouden gedrag te overpeinzen. + +"Heb ik waarlijk de vriendschap verraden?" vroeg hij zich zelven af: +"of is de beschuldiging van Reinout geheel valsch en onverdiend? Ik kan +ten allen tijde jegens hem mijn handelingen rechtvaardigen; maar kan +ik zulks in mijn eigene oogen doen? 't Is waar, ik ben hedenmorgen een +geheel anderen weg uitgereden, om Reinout niet te storen: doch had ik +Madzy wel moeten vergezellen?--Het ware een onhebbelijkheid geweest, +eenen Fries waardig, indien ik haar niet had te huis gebracht:--ik +heb den lof van Reinout aan Madzy voorgezongen tot op het oogenblik +dat wij hem tegenkwamen, en toen.... 't is waar, toen lachte zij en +ik moest onwillekeurig met haar lachen om de zonderlinge uitdrukking +van Reinouts gelaat;--doch waarlijk, wie dit alles mij tot schuld +aanrekende, ware toch een al te strenge beoordeelaar. + +"Had ik den last mijns meesters moeten weigeren en niet naar +die huizinge terugkeeren? den last mijns meesters!--kon ik dien +weigeren? heb ik dien niet aan Reinout willen overdragen? hem +gezocht?--Ik kon immers niet meer doen?--En met dat al, ik ben +ontevreden met mij zelven en ik gevoel dat er iets, ik weet niet wat, +in mijne handelwijze is, hetwelk niet goed, niet recht, niet ridderlijk +is. Misschien, indien ik van avond niet op het feest kwame, zou zulks +Reinout doen zien, dat ik een opheldering ontwijken wilde.--Ik mag van +den dans niet terugblijven, om mijn eer niet. Hoe vreemd! Ik ben mij +geene schuld bewust, en echter huiver ik op de gedachte van Reinout +te ontmoeten." + +De arme jongeling! hij zocht waar het hem schortte en hij zag nog +niet hoe al zijne redeneeringen slechts daartoe strekten, dat hij +zich nog wilde ontveinzen hoe hartstochtelijk hij zelf de schoone +Madzy beminde. Wel is waar, de spijt, die zijn boezem ontvonkte, toen +hij vernam dat zij Adeelens verloofde was, de geheime verlegenheid, +welke hem zelfs weerhouden had een woord van dien twist in 's Graven +bijzijn te reppen, hadden hem de oogen moeten openen; en toch, hij +had wellicht hem tot een kamp op dood en leven uitgedaagd, die hem +had durven verwijten, dat hij Reinouts medeminnaar ware. + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + + + Nu gaet verheugt ten rei en danst, + Ghy die het hoofd met mirten kranst. + + Vondel, Salomon. + + +Een schitterende rij van edellieden en jonkvrouwen begon zich reeds +te vergaderen in de hofzaal op de markt [23], waar het dansfeest, +dat in 't klooster minder voegde, stond gehouden te worden. Het oog +kon zich niet genoeg verzadigen aan het beschouwen van de pracht, +aldaar ten toon gespreid. Rijke _dressoiren_ of buffetten, overdekt +met kostbare lakens en tapijten, waren beladen met spijzen en dranken, +in blinkende schotels en vazen van zilver en goud, waarop het licht +flikkerde der toortsen en zoogenaamde danskaarsen, die schier ontelbaar +aan den muur brandden, in koperdraad gevat of op koperen armblakers +staande. Talrijke dienaars gingen rond met ververschingen, met taarten +en pastijen, met galantijn en kruidkoeken, en wijn van allerlei soort: +schitterend was de kleeding der dansgenooten van beide kunne; maar +vooral en liefst vestigde zich het oog op de bevallige schoonen, +welker uiterlijken tooi men weldra vergat om die begaafdheden te +bewonderen, waarmede haar de natuur zoo mild bedeeld had. + +Nog was de dans niet aangevangen; maar in verschillende groepen, +hier en daar verspreid, onderhield men zich over de onderwerpen, +die aan de orde waren: de gehouden en nog te houden feesten. De +woorden waren verschillend: maar de grondtoon der gesprekken was +bijna overal dezelfde als die van latere en hedendaagsche partijen: +de vermaken van den dag, de kleeding der dames, de ophanden zijnde +huwelijken en tegenwoordige vrijages, een weinig kwaadsprekendheid en +veel beuzeltaal. In een der hoeken van de zaal was men van 't eene +onderwerp op 't andere aan de Friesche Jonkvrouw geraakt, welke men +wist dat met de afgevaardigden was medegekomen. + +"Men zegt, dat zij zeer bevallig is," zeide de jeugdige Ottilia van +Naaldwijk, tot den heer van Walcourt, die zich nevens haar bevond. + +"Onmogelijk! schoon kan zij wezen; doch zeker recht en stijf als een +boonstaak, en zonder gevoel noch leven." + +"Neen in waarheid," viel Oda van Wassenaar er tusschen in; "zij moet +bekoorlijk zijn: en men beweert, dat zij beter te paard zit dan een +Rijnsburger non." + +"Oda! Oda!" zeide Ottilia, haar met den vinger dreigende, "gij zijt +wederom boosaardig!" + +"Wat steekt daar voor boosaardigs in? Laat de Heer van Walcourt zelf +beslissen, of hij ergens, ik zeg niet in zijn Henegouwen, maar in +geheel Frankrijk, geestelijke zusters heeft gezien, die zoo vast in +den zadel waren?" + +"En waarom," zeide Walcourt, zonder dadelijk te antwoorden, "zoudt +gij haar dat onschuldig vermaak misgunnen?" + +"Misgunnen! Ik zal er mij wel voor wachten; want dan had ik nooit +gedaan. Het smart mij genoeg, dat mijne zuster het Rijnsburger pak +heeft aangetrokken en ik niet." + +"Dan ware immers de geheele adellijke jeugd wanhopend geweest," +zeide Walcourt. + +"Geene vleierij! daar heb ik bijna evenveel afkeer van als van de +nieuwe hoeden, welke de Gravin wil invoeren. Zeg mij liever, om weer op +ons gesprek te komen, zal dat Friesche wonder hedenavond verschijnen?" + +"Men zegt het," antwoordde Walcourt. + +"Dan mogen wij onze sluiers wel laten halen en onze gezichten bedekken: +anders verbleeken wij nog als sterren voor de zon." + +"Indien haar schoonheid slechts niet bedorven wordt door die gekke +kapsels die zij dragen," zeide Ottilia: "maar wij zullen, geloof ik, +niet veel gevaar loopen: ik heb zooeven van mijn vader vernomen, +dat zij niet komen wil." + +"Niet komen wil!" hernam Walcourt: "een Jonkvrouw, die een uitnoodiging +weigert tot een danspartij. Inderdaad! dan is zij wel een uitzondering, +en verlang ik dubbel haar te leeren kennen." + +"Wacht!" zeide Oda: "daar is onze Italiaan; die is bij haar geweest, +hij zal ons best bericht kunnen geven. Ridder Deodaat! een woord, +zoo 't u gelieft." + +Deodaat trad nader: "kan ik," zeide hij: "de schoone Oda van eenigen +dienst zijn?" + +"Wij wilden van u vernemen, of dat Friesche mirakel ook ten hove komt," +zeide Oda. + +"En of zij waarlijk zoo schoon is, als men zegt," voegde Ottilia +er bij. + +"En zoo voortreffelijk te paard zit." + +"En zulk een gek kapsel heeft." + +"Schoone dames!" zeide Deodaat: "vergunt mij een oogenblik adem te +halen:--wat de schoonheid der Friesche Jonkvrouw betreft, geloof ik +dat haar niemand die zal betwisten, te meer, daar zij er geenszins +hoovaardig op is." + +"Ik geloof," zeide Oda: "dat in die woorden iets ligt besloten, +dat een zijdelingschen zet moet beteekenen." + +"Vooral niet.--Over haar kleeding zou ik liever het oordeel van +bevoegde rechters zooals gij vernemen; want ik durf mij niet vermeten +tusschen klapmutsen en _hénins_ en oordekkers [24] te beslissen: +dit alleen durf ik te zeggen, dat haar gelaat onder alle hulsels +bevallen zou." + +"Waarlijk Ridder!" zeide Ottilia: "ik geloof dat gij verliefd zijt op +die overzeesche tooveres: nu kleur maar niet: er steekt geen kwaad in." + +"Ik, lieve Jonkvrouw!" antwoordde Deodaat: "een Ridder zonder land +en goed, en wien men gisteren nog een deugdzaam paard ontstal, heeft +het recht niet om te verlieven;--anders had ik niet zoolang daarmede +gewacht," voegde hij er met een beleefde buiging bij. + +"Nu verder," zeide Walcourt: "haar rijkunst....?" + +"Is voortreffelijk; doch ik moet er bijvoegen, dat die Friezen +uitmuntende paarden op stal hebben." + +"De slotsom van dit alles is dus," hervatte Oda, "dat dit meisje +een juweel is van het zuiverste water, en dat, als zij verschijnt, +wij andere Jonkvrouwen geen Ridder meer aan onze zijde zullen vinden, +en onze toevlucht tot een karoledans [25] zullen moeten nemen;--maar +dat is nu de groote vraag: komt zij?--Of neemt zij alleen den wierook +van hare Friesche aanbidders aan?" + +"Ziedaar een vraag, waarop ik het antwoord zal moeten schuldig +blijven," zeide Deodaat: "de tijd zal het moeten leeren." + +"Maar in 's Hemels naam," hernam de levendige Oda: "zeg mij toch! wie +is die kaalgeschoren liefhebber daar? Hemel! nu zag ik nooit iemand, +die meer op een aangekleeden zeehond geleek dan hij." + +"Zoo gij," antwoordde Ottilia, "gisteren met ons op den Vogelesang +geweest waart, hadt gij den held leeren kennen. Hij is een der +Friesche afgevaardigden: en ginds is de andere in gesprek met den +Heer van Beaumont." + +"Nu! die heeft ten minste het uitzicht van een gewoon mensch," zeide +Oda: "maar deze kermisbeer! wat kijkt hij ons vervaarlijk aan." + +Hij, die het voorwerp was van deze liefderijke aanmerkingen, wandelde +met langzame, zware stappen de zaal op en neder, ter prooie aan +al de onaangename gewaarwordingen van iemand, die zich misplaatst +en daardoor kwalijk op zijn gemak gevoelt in het gezelschap, waar +zijn ongelukkig gesternte hem gevoerd heeft. Zonder verlegenheid, +zonder blozen, had Adeelen zich dien namiddag voor den zetel des +Graven bevonden en er zijn trotsche taal gevoerd; maar hier ontzonk +hem de moed bij de schalksche en spotachtige blikken der jeugdige +schoonen. Hij rekende zich eindelijk gelukkig, een paar Geldersche en +Overijselsche edelen te vinden, met welke hij vroeger kennis gemaakt +had en die zich thans zijn gezelschap niet schaamden. Te meer was +hem zulks welkom, omdat hij, voornemens zijnde op het steekspel te +verschijnen, deswege eenige inlichtingen wenschte te verkrijgen. + +Weldra kondigde een luidruchtige muziek de komst aan van het Grafelijk +paar. Willem had een vroolijk en zelfs eenigszins spotachtig voorkomen; +hij wendde zich meer dan eens naar den kant waar zich Aylva of Adeelen +bevond en wreef zich de handen met innerlijke tevredenheid, welke +aan Deodaat niet ontging, die den uitslag van des Graven voornemen +met onrust en nieuwsgierigheid afwachtte. + +Dadelijk na de verschijning van het doorluchtige paar was de dans +begonnen, en vroolijk zwierde de luchtige jeugd de zaal op en neder. + +"Hoe komt het toch," vroeg Oda in eene der tusschenpoozen aan Deodaat, +"dat men uw vriend Reinout nergens verneemt? gij waart anders altijd +onafscheidbaar." + +"Daaraan dacht ik juist," antwoordde Deodaat op een bezorgden toon: +"ik veronderstel, dat hij bezig is een bevel des Graven ten uitvoer +te leggen." + +"Wie weet," zeide de Jonkvrouw: "hij is misschien uw bekoorlijke +Friezin gaan troosten; want het schijnt toch stellig zeker dat zij niet +komt:--dan hoor: de muziek begint opnieuw.... die vioolspeelster krast +ook als een schorre katuil!.... is het alweer dansenstijd?.... neen, +dat is geene danswijs: het is een aankondiging van nieuwe gasten. Wie +kan men thans nog wachten?.... Welnu, waarom kleurt gij weer +zoo?.... Sinte-Clara! wie is die Oostersche Prinses?.... Ridder +Deodaat!.... maar waar is hij?.... Aha! nu begrijp ik!...." + +Deodaat had naar de deur gezien, en ofschoon eenigszins voorbereid, +hij stond toch van verbazing getroffen, toen hij, aan de hand van +Reinout, de Roos van Dekama zag binnentreden, in den rijksten dos +gehuld, en bloeiender dan immer. De Graaf, die haar blijkbaar had +verwacht, trad terstond naar haar toe, nam haar eerbiedig bij de hand, +welke Reinout losliet, en geleidde haar onder een heusche betuiging +van welkom bij de Gravin. + +Dit alles had zoo spoedig en zoo achtereenvolgens plaats gehad, +dat niemand tijd had gevonden, van de eerste verwondering over die +onverwachte verschijning terug te komen. Aylva, in onderhoud gewikkeld +zijnde, had Madzy niet eerder herkend, dan toen zij reeds bij de Gravin +stond, en hoewel hoogst verbaasd en gebelgd over dit zonderling geval, +had hij begrepen een geschikter oogenblik te moeten afwachten om zijn +ontevredenheid te kennen te geven. Adeelen was, gelijk men denken +kan, op het zien van Madzy in felle gramschap ontstoken, en had +zich terstond begeven naar de zijde, waar deze zich bevond; doch, +daar gekomen, was reeds de toevloed der nieuwsgierigen zoo groot, +dat hij er niet doorheen kon breken zonder geweld te gebruiken. Hij +wilde echter een poging doen en schoof reeds een paar jonge knapen, +die hem in den weg waren, vrij onzacht ter zijde om door te dringen, +toen Oda van Wassenaar, die door het gevolg van deze beweging mede +een duw kreeg, hem van 't hoofd tot de voeten aanzag, terwijl zij op +een scherpen en luiden toon zeide: "wie is die lompe dorper, die zich +hier een weg maakt alsof hij aan 't biezen snijden ware?" + +"Schaam u! terug!" riepen als uit éénen mond de omstanders; terwijl +zij Adeelen wederom achteruithaalden. De Fries trad gedwongen terug +en ontmoette Reinout. + +"Door welke helsche kunstgrepen," zeide hij, "hebt gij Madzy van huis +weten te lokken?" + +Reinout antwoordde alleen door een schaterend gelach; maar op het +zien van Deodaat, die bij de aankomst van Madzy teruggeweken was en +zich nu toevallig in zijn nabijheid bevond, betrok zijn gelaat. + +"Een kunstgreep, Ridder Reinout! Eilieve! verhaal ons toch...." riepen +Ottilia en Oda en nog eenige Jonkvrouwen, van alle zijden toeschietende +en als uit éénen mond: "is zij niet vrijwillig gekomen?" + +"Zij had geweigerd," antwoordde Reinout, een zegepralenden blik op +Adeelen slaande: "of liever, men had voor haar geweigerd." + +"Welnu! en verder?" + +"De Heer van Beaumont en haar voogd dragen gelijke halsketens, +hun beiden ter gelegenheid van ik weet niet welken veldtocht door +den vorigen Graaf vereerd. Dit wist de Graaf: hij liet onder zeker +voorwendsel aan zijn oom zijn halsketen afvragen: en, zoodra de +gasten hier waren, zond hij mij naar de schoone Friezin om haar uit +naam van haren voogd te gaan afhalen. Zij wilde eerst mijn boodschap +niet gelooven; maar toen ik haar den talisman vertoonde en haar zeide, +hoe Seerp Van Adeelen er sterk op stond, dat zij komen zoude...." + +"Een gevloekte leugen!" viel Adeelen met heftigheid in. + +"O! dat hebt gij niet gezegd, Ridder Reinout!" zeide Oda: "welke +Jonkvrouw zou komen op het verlangen van iemand, die dames uit den +weg zet, of het vouwstoelen waren." + +"Indien men," zeide Adeelen, "hier ten hove slechts genoodigd is om +tot een doelwit van bespotting te strekken...." + +"Dan is het zeker beter, hoe eer hoe beter weder te vertrekken," +zeide Oda, den zin besluitende. + +"Ja! ik zal van hier gaan," zeide Adeelen: "doch niet zonder Madzy." + +"'t Is de vraag, of de Graaf van 't zelfde gevoelen zijn zal," merkte +Reinout aan. + +"Zie," zeide Oda, "de kring opent zich. De Graaf treedt met haar +vooruit. Inderdaad! zij is allerliefst: en welke rijke kleeding! 't +Is wat vreemd! maar 't staat toch niet kwaad. Wat is dat voor een net, +dat zij op den rug draagt? o! 't zijn hare haren." + +Er was eenige boosaardigheid in deze laatste aanmerking, ofschoon de +vergelijking niet onjuist was. De raafzwarte haarlokken van Madzy, van +boven bedekt door een klein mutsje of kapje, dat van edelgesteenten +fonkelde, waren naar achteren gebracht in twee vlechten, die, langs +den rug afdalende, onder den vergulden gordel doorliepen en zich daar +verdeelden, elk in een tiental tressen met gouden lussen omwonden en +in kwastjes uitloopende. + +"Die gouden oorijzers staan goed," zeide Ottilia: "maar ik vind het +mutsje verschrikkelijk plat." + +"Dat mutsje beteekent," zeide Oda: "zooveel als een stroobosje aan +een paard." + +"En hoe dat?" vroeg Ottilia, eenigszins verwonderd. + +"Wel," hernam Oda: "dat zij nog te koop, of, met andere woorden, +nog vrijster is: de getrouwde vrouwen alleen mogen in Friesland een +hoofdwrong dragen .... maar wie heeft ooit gehoord dat men met een +voorschoot op een feest kwam?" + +"Dat zal bij 't kostuum hooren," zeide de goedhartige Ottilia: +"bovendien, ik vind, dat het gewerkte boezeltje zeer aardig afsteekt +op dat breed geplooide kleed: ik zou benieuwd zijn te weten, hoe men +die gouden roosjes op de roode strepen en randen zet." + +"Zij gaat zeker op het steekspel een lans breken," vervolgde de +bijtende Oda: "zij is immers reeds half geharnast." + +"Geharnast of niet: ik heb nooit zulk een pracht van gespen en ketenen +en armbanden gezien...." + +"Zonder eens te spreken van dat sauskommetje met edelgesteenten dat zij +op de borst draagt .... ik vind maar die bloote armen wat onhebbelijk." + +Hier verliet Reinout de dames, hoogst gebelgd over hare +opmerkingen. Ook zij traden ter zijde, daar de Graaf haar +voorbijging. Alleen Adeelen was blijven staan, misschien om, zooals +Oda beweerde, Holland voor Friesland te doen wijken. Intusschen waren +van de tegenovergestelde zijde Beaumont en Aylva toegetreden, zoodat +de beide partijen elkander onderling midden in de zaal ontmoetten. + +"Edele Aylva!" zeide de Graaf beleefdelijk: "wij stellen uwe pupil +weder in uwe handen en bidden u om verschooning, dat wij list gebezigd +hebben om haar herwaarts te krijgen; doch waarlijk, deze prijs was +meer waardig dan de onnoozele schaapsvacht, welke, zooals Jasper De +Vinder verhaalde, door den dapperen Ridder Jason aan de Turken bij de +Zwarte Zee werd ontroofd: en wij konden niet gedoogen, dat zulk een +juweel binnen onze staten zoude aanwezig zijn en niet te voorschijn +gebracht worden." + +"Hoe!" zeide Madzy verbaasd: "is het niet met de goedkeuring van mijn +voogd, dat ik hier kom, en is deze keten...." + +"Graaf!" zeide Beaumont, die nu eerst inzag, hoe het geval zich had +toegedragen: "had ik geweten dat mijn halsband had moeten dienen om +hier bedrog te plegen, ik had dien liever in 't Sparen geworpen dan +hem u te leenen." + +"Nu Oom!" zeide de Graaf: "zult gij u over een onschuldige kortswijl +vertoornen? Zie slechts, de edele Aylva is niet langer verstoord." + +"Ik geloof niet," zeide Aylva, bedaard, "dat hier eenig oogmerk +bestond om ons te beleedigen; en waarom zoude ik dan verstoord +blijven? doch...." hier schudde hij bedenkelijk het hoofd: + +"Welnu!" vroeg Willem: "wat schuilt er nog?" + +"Men mompelt," fluisterde de Olderman den Graaf in 't oor, "dat Floris +de Vierde vermoord werd om een even onschuldige boert met de Gravin +van Clermont." + +"Wat meent gij?" riep de Graaf verrast en verstoord. + +"God geve dat de toepassing geene plaats vinde," zeide Aylva. + +"Amen!" hernam de Graaf, en zich terstond met een lachende tronie +omwendende: "welnu jonker Seerp!" zeide hij: "hoe staat gij daar zoo +in u zelven gekeerd? Wij brengen u uwe verloofde terug: het was immers +niet betamelijk, dat gij zonder haar ons feest bezocht." + +"Ik zal de verplichting, die ik u schuldig ben, nimmer vergeten, Heer +Graaf!" zeide Adeelen: "en hoop u eenmaal mijn erkentenis te bewijzen." + +"Gij kunt dit terstond doen," zeide Willem: "door aan de schoone +Jonkvrouw de gelegenheid te verschaffen, hare danskunst te doen +bewonderen. Komt! muziek daarboven! een nieuwe dans aangevangen!" Dit +gezegd hebbende, wendde hij zich af. + +"Wil hij mij laten dansen?" vroeg Adeelen: "bij Sint-Nicolaas! dat +zal niet gebeuren! Ik hoop dien vermetelen Graaf eerlang een dans +te laten doen, die hem minder smaken zal. En gij mijn schoone! zoek +u vrij een dansgezel uit. Seerp Van Adeelen verkiest niet langer de +speelpop van dit gezelschap te zijn." + +Met deze woorden verliet hij de zaal, waar niemand hem miste noch +betreurde. Reinout was nu terstond bij de hand om zijne plaats in +te nemen en Madzy verschooning te verzoeken voor het deel, dat hij +in 's Graven list had gehad. Hoewel nog ontevreden, zag zij zich +wel genoodzaakt, hem vergiffenis te schenken, en als een bewijs +daarvan de hand te aanvaarden, welke hij haar aanbood om haar ten +dans te geleiden, en de zoetigheden aan te hooren, waarmede hij haar +overlaadde. Gelukkig belette haar de muziek weldra die te verstaan, +en toen zij eenmaal gelijk een vlugge luchtgeest langs de blijde rijen +zweefde, vergat zij (en welk meisje doet het niet?) den toorn van +haren verloofde, ja de geheele wereld, in de tuimelingen van den dans. + +Terwijl zij in eene der tusschenpoozen stilstond in de rij, en +Reinout haar verlaten had om eenige ververschingen voor haar te halen, +naderde haar Deodaat, die haar zijn genoegen over hare komst betuigde. + +"Ik had u al gezocht, Ridder!"--zeide zij met een gulle +vriendelijkheid, welke hem verrukte: "het spijt mij, dat gij heden +ongelegenheid hebt gehad om mijnentwil. Het berouwt mij waarlijk, +in Holland te zijn gekomen." + +"Waarom zou het u berouwen? Ik zie niet, wat u beletten kan, hier een +ongestoord genoegen te smaken: de aanleidende oorzaak van den twist +is in vrijwillige ballingschap gegaan." + +"Voorzichtig! gij spreekt van Seerp Van Adeelen en ik mag geen kwaad +van hem hooren." + +"Moet hij dan stellig uw echtgenoot worden? Gij zijt tot nog toe een +roos zonder doornen." + +"De toekomst is in Gods hand," zeide Madzy, met een zucht: "doch +waarlijk, Ridder! gij doet Adeelen onrecht: hij heeft zich aan u +alleen van een ongunstige zijde voorgedaan; maar zijn hart is goed, +zijn moed onloochenbaar, zijn aard opgeruimd en gedienstig, wanneer +er zich geen volksgeest in 't spel mengt:--en altijd heb ik hem als +mijn broeder geacht. Hij bemint mij oprechtelijk, met warme liefde: +hij zou voor mij in een vuur vliegen: en zoo hij heden onbillijk +streng jegens mij was, dit spruit alleen uit de gewoonte, welke hij, +zooveel ouder zijnde, van kindsbeen af gehad heeft, om mij als zijn +vrouwtje te beschouwen. Dit doet hem somtijds een meesterachtigen +toon aannemen, die, ik gevoel het, aan vreemdelingen belachelijk of +aanstootelijk moet voorkomen." + +Hier zweeg Madzy op eens, blozende, dat zij zoo vertrouwelijk met +iemand gesproken had, wien zij eerst zoo kort had leeren kennen. + +"Gij bemint hem dan wel," zeide Deodaat. + +"Ik bemin hem als mijn broeder, gelijk ik u gezegd heb," zeide Madzy, +eenigszins verlegen de oogen neerslaande. + +"Gij zoudt den man dan wel haten," vervolgde Deodaat, "die een geleden +beleediging op uw aanstaanden echtgenoot zocht te wreken." + +"Ridder!" zeide Madzy, hem met een vervaarden blik aanziende: +"Om Gods wil! wat beteekent deze vraag?" + +"Gij weet, edele Jonkvrouw! welken hoon ik van uw verloofde heb moeten +ondervinden. Kan een dergelijke terging, in 't bijzijn van getuigen +ondergaan, anders dan met bloed worden uitgewischt?" + +Madzy zweeg een wijl en zag toen Deodaat vreesachtig aan: "Ik +heb wel eens gehoord," zeide zij, "dat gij Italianen wraakzuchtig +zijt;.... maar neen: gij hebt toch niet het uitzicht van iemand, +die zich van een moorddolk bedienen zoude." + +"Ik ben Ridder, Freule! en alleen op een Ridderlijke wijze kan ik +mijn geschonden eer terugbekomen." + +"Ik heb van uw Ridderwetten gehoord," hernam Madzy, voor zich ziende: +"en Adeelen zelf zou niet begeeren, dat ik u afhield van te handelen +gelijk die wetten voorschrijven;.... maar o God! is dit een vraag om +aan een meisje voor te stellen? en in een oogenblik als dit?" + +"Ik gevoel, dat het onderwerp van mijn gesprek ongepast is: doch in +ernst, het is niet ontijdig.--God weet, of het mij immer weer vergund +wordt met u een woord te wisselen. Een enkel woord van uwen mond, +en die Adeelen zal niets van mij te vreezen hebben?" + +"Eén woord! en welk moet dit zijn?" vroeg Madzy, bevende. + +"Dat gij hem lief hebt, dat gij hem als uw minnaar, als uw gade +bemint." + +Madzy werd doodsbleek: "en gij zoudt uwen hoon verkroppen, wanneer ik +die betuiging deed?" vroeg zij, overmand door honderd tegenstrijdige +gewaarwordingen. + +"Neen," hernam Deodaat: "maar ik zou uwe liefde en de mijne tevens in +'t oog houden: alles kan ik doen, behalve uw geluk verstoren." + +Op dit oogenblik kwam Reinout terug en wierp een woedenden blik op +Deodaat, zoodra hij hem in de nabijheid van Madzy en te gelijk de +bleekheid van deze bespeurde. "Vergeef mij," zeide hij: "zoo ik een +aangenaam onderhoud kom storen; maar de dans vangt weder aan: en ik +kom de mij toegezegde hand terugeischen." + +Madzy, verward en ongerust, was blijde over dit voorwendsel, om +een gesprek af te breken, waaruit zij zich niet wist te redden, en, +de hand van Reinout nemende, volgde zij hem met een stillen zucht, +die aan geen van beiden ontsnapte. + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + + + Doe op en vrees niet: 'k ben uw vrient. + 't Is avont, en een tijt, dat ons geen vrientschap dient. + + Vondel. Gijsbrecht van Aemstel. + + +Seerp Van Adeelen had, gelijk wij gezien hebben, het feest in drift +verlaten. Daar zijn dienaars en die van Aylva met de paarden waren +teruggereden, met last om hen weder tegen den afloop der partij +te komen afhalen, zag hij zich genoodzaakt te voet huiswaarts te +keeren. Hij legde echter den weg naar het oude klooster af met al +dien spoed, welken gewekte drift kan veroorzaken, en, onder het +overpeinzen van al de middelen, welke wraakzucht hem aan de hand kon +doen, bevond hij zich, eer hij er om dacht, bij het weiland, van waar +hij de sombere daken van zijn tijdelijk verblijf boven het geboomte +zag oprijzen. Tot zijn bevreemding zag hij door de kleine zijpoort, +die met de weide gemeenschap had, eenig licht schemeren. Wanneer +men gramstorig is, verschaft zelfs de geringste omstandigheid nieuwe +redenen tot ongenoegen. "Die vlegels!" dacht hij: "daar hebben zij +weer de zijdeur opengelaten. Zeker zitten zij in kroegen en kitten +te zuipen en laten het huis ter prooi aan elken voorbijganger!" + +Hij nam, ten einde zich van de waarheid zijner vermoedens beter +te overtuigen, den weg langs het ons bekende pad over de weide, +trad onverhinderd in huis, en stapte, eer iemand hem had opgemerkt, +de bakkerij [26] binnen, waar Feiko, Sytsken en ettelijke dienaars +bij de bierkannen vergaderd zaten en aandachtig luisterden naar de +oude legende betreffende den draak van 't Roode Klif te Stavoren, +welke hun een leekbroeder van Sint-Odulf verhaalde. + +"Wat is dit, schobbejakken?" zeide hij: "dat gij op dit uur met opene +deuren zit?" + +De dienaars, wanende dat de vurige draak, waar zij van hoorden, op +eens in hun midden verscheen, sprongen verschrikt op, en de verteller +sloeg een kruis. Toen Adeelen intusschen zijn vraag herhaald had, +en men hem herkende, betuigde Feiko niet te weten, waarvan de Jonker +sprak, daar hij zelf al de grendels had dichtgeschoven. + +"Ik ben dus, volgens u, door het sleutelgat gekropen?" vroeg Adeelen: +"en om uwe nalatigheid te bewimpelen, wilt gij mij aan het bezit mijner +vijf zinnen doen twijfelen? sluit terstond de zijdeur dicht. En zeg +mij, waar is de Abt?" + +"Zijn Eerwaarde is sedert een uur ter ruste gegaan," antwoordde +de kloosterling. + +"En vader Syard?" + +"In zijn cel." + +"Ga! wek hem en zeg, dat ik hem wensch te spreken; of neen, ik zal +zelf gaan." En, een licht van de tafel nemende, begaf hij zich uit +het vertrek. + +De kamer, welke door vader Syard bewoond werd, was de laatste van een +menigte cellen, alle op een lange smalle gang uitkomende, en volkomen +gelijk in grootte en vorm, hebbende te voren gestrekt tot verblijf +der Sint-Jans-Heeren en thans tot tijdelijke huisvesting der dienaars +van het gezantschap. Elke cel was gesloten met een deur van dikke +greenhouten planken, over wier ruwheid nimmer een schaaf scheen te +hebben gegaan, en veel minder eenige verf: midden in die deuren was +ter hoogte van het oog een kleine vierkante opening, van buiten met +een schuif voorzien, door welke indertijd de pater Guardiaan zich +'s avonds bij het doen zijner ronde kon verzekeren dat de bewoner +der cel aanwezig was. Bij zijn nadering zag Adeelen door die opening +een lichtstraal schijnen, welke aan de overzijde tegen den witten +wand van het portaal werd teruggekaatst. Deze omstandigheid deed hem +het besluit opmaken, dat de monnik nog wakker was: daar hij in een +tegenovergesteld geval het licht wel zou hebben uitgedaan, alvorens hij +zich ter ruste begaf. Dan, toen hij een paar stappen verder gedaan had, +was het licht eensklaps verdwenen. Eenigszins verwonderd trad hij toe +en, voor de deur der cel blijvende staan, riep hij met een halfluide +stem door de opening: "slaapt gij reeds, vader Syard?" Hij ontving +echter geen antwoord, maar hoorde nu dat de vrome monnik bezig was +om in diepe duisternis zijn avondgebeden op te zeggen. + +"Vader Syard!" herhaalde hij luider: "kunt gij uw litanieën niet +nog wat uitstellen? Ik wensch u te spreken: kent gij mij niet? Ik +ben Seerp Van Adeelen! Nog eens, stel dat gebabbel uit: ik moet u +noodzakelijk spreken." + +Ziende, dat er geen middel was om zich van het bezoek te ontslaan, +stond de monnik op van de plaats, waar hij lag neergeknield, en +ontsloot de deur. Adeelen trad binnen: de vreemde handelwijze van den +pater had eenig vermoeden bij hem doen ontstaan. Hij lichtte zijn +lamp omhoog en zag de cel rond: een werk dat spoedig verricht was, +daar het lokaal niet veel breeder was dan de deur, waardoor men er +binnenkwam, aan de eene zijde alleen een gekalkten wand vertoonde met +menie geverfd, daar tegenover een slaapstede in den muur, met twee +deuren gesloten, en over den ingang een raam, waaronder de tafel stond, +die, benevens een koperen kruisbeeldje, een waterkruik en een houten +zitbankje, het geheele huisraad der kamer uitmaakte. + +"Gij zijt hier voorwaar niet prachtig gehuisvest," zeide Adeelen, +terwijl hij de lamp op de tafel en zijn persoon op de bank nederzette. + +"Ik heb meer dan het benoodigde," zeide de monnik, die met gekruiste +armen voor hem stond: "mag ik weten wat u zoo onverwacht hier doet +komen? Het feest kan toch nog niet afgeloopen zijn." + +"De duivel hale het feest en allen die er op zijn." + +"Gij sluit, hoop ik, den edelen Aylva uit en Madzy Dekama, die gelijk +ik verneem, mede naar die samenkomst van dwazen is vertrokken. Het +heeft mij verwonderd, dat een wijs man als haar voogd...." + +"Een schandelijk bedrog is jegens ons gepleegd: de oude gek is laf +genoeg, het te verschoonen: Seerp Van Adeelen zal het nimmer vergeven." + +"Bedaar!" zeide de monnik: "het is een wijs voorschrift, dat men +zijn gramschap moet uitslapen. Ga naar bed, Adeelen! morgen zal ik +met aandacht luisteren naar 't geen gij mij te melden hebt." + +"Morgen!--morgen ontbreken ons wellicht tijd en gelegenheid: ik zal +geene rust kunnen smaken voor ik lucht heb gegeven aan mijn verkropten +spijt. Maar ik ben dorstig, en ik haat te spreken zonder de lippen +te bevochtigen. Hebt gij hier niets te drinken?" + +"Geen anderen drank," zeide vader Syard, de waterkruik toonende, +"dan dien welke de duinwellen opleveren." + +"Zoek wel," zeide Adeelen: "ik houde mij overtuigd, dat de cel van +een Sint-Odulfschen kloosterbroeder iets meer bevat. Bij mijn laatste +bezoek heb ik althans gemerkt, dat uw oude pater Agge een lieven +voorraad echten Niersteiner onder zijn bedstede bewaarde." + +"Ik onderzoek niet wat anderen doen," hernam de monnik op een +gestrengen toon: "mits ik zelf de voorschriften mijner orde nakome." + +"Zeer billijk. Maar misschien is het beter, dat ik voor deze reis +uwen regel volge, en mij met water vergenoege. Mijn bloed behoeft +niet meer verhit te worden." + +"Inderdaad!" riep vader Syard, verbaasd over deze woorden, de wijste, +welke hij Adeelen ooit had hooren uitspreken, en nog meer over de +gretigheid, waarmede hij hem de kruik aan den mond zag zetten. + +"En nu tot de zaak!" zeide Adeelen: "luister! en oordeel, welke wraak +Adeelen nemen moet van hen, die hem zoo schendig durven beleedigen;" en +hij gaf den monnik een volledig verslag van hetgeen er was voorgevallen +op het feest en van de list, waarvan men zich bediend had om Madzy +derwaarts te lokken. + +"En op welke wijze denkt gij dezen hoon te wreken?" vroeg vader Syard +na eenige oogenblikken zwijgens. + +"Nog ben ik daarvan niet bewust; maar dit weet ik, dat ik niet tevreden +wezen zal, voor ik dien hoogmoedigen Graaf zal geleerd hebben, wat +het zegt, een Frieschen edelman te hoonen." + +"Gij ontzegt hem dan?" vroeg de monnik. + +"Ik heb hem niets te ontzeggen; want ik heb hem nooit als mijnen Heer +erkend; maar ik verklaar hem oorlog: oorlog, eeuwigen oorlog aan den +Graaf van Holland." + +"Amen!" zeide een doffe stem, welke uit den grond scheen te komen. + +"Wie sprak hier?" riep Adeelen uit, zich snel omwendende. + +"Wie weet het?" antwoordde de monnik, eenigszins onthutst: "wellicht +een dienaar, die zijn avondgebed besluit in eene der naaste cellen. Er +is slechts een planken beschot tusschen de bedsteden. Het is hier +gehoorig; daarom wilde ik liever ons onderhoud tot morgen hebben +uitgesteld." + +"Gij bedriegt u. Al de dienaars zitten in de bakkerij: de naaste cellen +zijn ledig; maar de uwe besluit misschien meer toehoorders dan u." Dit +zeggende stond hij op, zag vader Syard aan met een argwanenden blik en +wendde vervolgens het oog naar de bedstede. "Die deuren," vervolgde +hij, "zijn dicht genoeg om een verspieder te verbergen." En meteen +leide hij de hand op den wervel. + +"Laat af!" riep de monnik, hem weerhoudende: "het is nog de tijd niet." + +"Ik wil zien wat hier schuilt," zeide Adeelen, hem terugstootende: +"aha! wat hebben wij daar?" + +De dubbele deur der slaapplaats was opengevlogen, en had aan +Adeelen een man vertoond, die half gezeten was en half nederlag +op een peluw. In de eerste verbazing had Adeelen zijn dolk gevat; +maar, de bedaarde en rustige houding des onbekenden bemerkende, het +moordtuig weder in de scheede gestoken, en zich vergenoegd met een +straffen blik te vestigen op hem, die zich verstout had, het gesprek +te beluisteren. Die beschouwing viel niet geheel ten nadeele des +vreemdelings uit. Deze scheen een jongeling van omstreeks dertig jaren: +zijn kleedij kon moeilijk doen raden tot welken stand hij behoorde, +maar vormde veeleer een mengelmoes, dat alle standen aanduiden +kon. Over de groene kiel eens boogschutters was een monnikskleed +als een omslagdoek heen geslingerd: aan de voeten pronkten laarzen, +wier gouden sporen bij het lamplicht schitterden: de hozen waren +rood evenals het ondervest; sierlijke blonde haarlokken krulden +om het hooge voorhoofd, dat met een gemeene boerenmuts bedekt was: +de regelmatige gelaatstrekken, de arendsneus en dunne lippen gaven +moed en onversaagdheid te kennen; doch de hazelbruine, levendige +oogen schenen tevens vernuft en loszinnigheid van karakter aan +te duiden. De mond was tot een glimlach vertrokken, en de geheele +houding des onbekenden, zooals hij daar uitgestrekt was, het hoofd half +leunende in de linkerhand, terwijl de rechter, aan wier voorste vinger +een schitterende ring prijkte, de kin omvatte, het eene been op het +bed uitgestoken en het andere daarvan afhangende, teekende volkomen +zelfvertrouwen en onverschilligheid omtrent de wijze, waarop Adeelen +deze ontmoeting zoude opnemen. Nadat beiden elkander een geruimen +tijd hadden aangestaard, brak Adeelen eindelijk het stilzwijgen met +de natuurlijke vraag: "wie zijt gij? en wat doet gij hier? + +"Gij ziet het," was het even natuurlijk antwoord: "ik lig te bed." + +Hoe Adeelen tot toorn gestemd ware, kon hij zich niet onthouden van +te glimlachen over dit onverwacht antwoord; doch weldra verkreeg de +wrevel weder de overhand bij hem: "antwoord met meer bescheidenheid," +zeide hij: "of ik zou u berouw kunnen doen gevoelen over uw +onbeschaamdheid. Ik heb hier volks genoeg om u geducht te doen af +kloppen, en te leeren spreken als het noodig is." + +"In waarheid!" hernam de vreemdeling, altijd op denzelfden kalmen toon: +"doch ik heb hier een vriend bij mij, die hun wellicht den lust tot +dergelijke onhoffelijkheden zou doen vergaan." Dit zeggende toonde hij +aan Adeelen een strijdbijl, wier gewicht en zwaarte geene vriendelijke +groete voorspelde aan dengene, wien zij toegedacht was. + +"Wij zullen zien," riep Adeelen, toornig naar de deur gaande. + +"Om Gods wil! Jonker Seerp! bega hier geene onvoorzichtigheid," +zeide de monnik, hem terughoudende; "men heeft er reeds te vele +begaan,"--voegde hij er bij, een ontevreden blik op den onbekende +slaande. + +"Dat ziet op mij," zeide deze, schaterende van lachen: "Kom Seerp +Van Adeelen! volg den goeden raad des paters, ga bedaard weer zitten: +en laat ons vrienden zijn." En op de bank wijzende, ging hij volkomen +overeind zitten in de bedstede en liet de beide beenen afhangen. + +"De stoutheid van dien kerel verbaast mij," zeide Adeelen, onzeker +wat te doen: "nog eens, wie zijt gij, die tot Seerp Van Adeelen als +tot uw gelijke spreken durft?" + +"Ik spreek tot hem als tot mijn mindere," antwoordde de vreemdeling, +op een vroolijken toon, die als in weerspraak was met zijn woorden. + +"Tot uwen mindere!" herhaalde Adeelen, stom van verbazing en +verontwaardiging. "En in aller Heiligen naam! wie zijt gij dan?" + +"Wie ik ben! mij dunkt," vervolgde de onbekende, den monnik aanziende +met een vragenden blik: "dat de tijd nog niet gekomen is, om zulks +te vertellen." + +"Neen! bij den hemel!" riep de monnik: "gij moet nu niet zeggen, +wie gij zijt: ik smeek u daarom! gij zult de waardigheid, die gij +bekleedt, niet tot een voorwerp van spot doen strekken, noch de eene +onvoorzichtigheid op de andere stapelen. Seerp Van Adeelen! ik bezweer +u! verlaat deze cel en vergeet wie en wat gij gezien hebt." + +"Wat ik gezien heb? twee verraders, die ik terstond zal doen straffen, +zoo mijn woord hier eenig gewicht heeft." + +"Dat zult gij niet, dolzinnige!" hernam vader Syard, "de naam dezes +mans moet u nog een raadsel blijven; doch dit verklaar ik u Willem +de Vierde heeft geen grooter vijand dan hem." + +"Gij haat Willem den vierden," riep Adeelen, haastig tot den onbekende +toetredende: "doch wie waarborgt mij de waarheid van hetgeen die +monnik verzekert?" + +"Hoor!" zeide de onbekende: "ik mag u, daar de eerwaardige pater het +zoo dringend verbiedt, mijn naam niet doen hooren; dit zij u genoeg, +dat ik een edelman ben, zoowel als gij, ja van nog beroemder afkomst, +al stamt gij van een Frieschen koning af.... doch hierover willen wij +niet twisten. De Graaf is uw vijand: hij is ook de mijne. Zoo ik hier +verschijn, het was om pater Syard te vinden en met hem de middelen +te beramen om den trots des dwingelands te fnuiken. Dezen morgen +sprak ik hem niet verre van hier; maar ik heb reden om te vermoeden +dat ons gesprek beluisterd is geworden. In de hoop, dat wij hier meer +ongestoord zouden spreken, had mij de eerwaarde monnik voorgesteld ons +onderhoud in deze afgelegene cel te hervatten. Wij werden gestoord +door uwe komst en onwillig, mij aan iemands oogen bloot te stellen, +verschool ik mij in deze bedstede, waar ik bijna gestikt ware. Toen +ik u zoo luidkeels wraak over den Graaf hoorde roepen, kon ik mij niet +weerhouden, een hartelijk amen uit te spreken, en daardoor vrijwillig +mijn aanwezigheid te verraden. Had ik mij niet evengoed kunnen +stilhouden, en is hij een verspieder, die zich zelven dus aanmeldt?" + +"Er is veel waars in 't geen gij zegt," merkte Adeelen aan: "doch...." + +"Doch mijn mond is schor van het praten: en zoo gij u met water +vergenoegt, ik zou wel een meer opwekkenden drank verlangen. Broeder +Syard! wees zoo goed en haal een kan wijn boven. Die brave Jonker zal +mij wel gezelschap houden en een beker ledigen op de onafhankelijkheid +van Friesland." + +Vader Syard schudde het hoofd en zag Adeelen met een blik aan, +welke den tegenzin, dien hij gevoelde, om het onderhoud te rekken, +blijkbaar aankondigde. + +"Ga!" zeide Adeelen, wiens drift nu geheel bedaard was en voor +nieuwsgierigheid had plaats gemaakt: "ga! en zeg dat ik wijn verlang." + +De monnik haalde de schouders op en vertrok. "Voorwaar!" zeide de +vreemdeling toen: "ik had hem wel mogen gelasten een paar goede stoelen +mede te brengen; want de zitplaatsen zijn schaarsch en ongemakkelijk: +en, wanneer men praat en drinkt, is een leunstoel met open armen en +gevulde kussens voor de tafel geschoven, gansch geen verwerpelijk +ding." + +"Zoo gij liever in mijn vertrek wilt komen," zeide Adeelen: "het +huisraad is er zeker beter in orde en...." + +"En ik zal er blootstaan aan de nieuwsgierigheid uwer dienaars? Ik +dank u." + +"Gij zult er niemand zien, zoo gij zulks niet verlangt: en ik zou den +strot afsnijden aan dengene, die zoo stout ware eenige vraag omtrent +u te doen." + +"Nu! zoo gij mij daarvan verzekert," hernam de vreemdeling, opstaande +en zijn beenen schuddende, die verdoofd waren door den gedwongen +toestand, waarin zij verkeerd hadden: "dan is het mij wel." + +"Voortreffelijk. Laat den monnik u den weg naar mijn kamer wijzen: +ik zal voorgaan om te zorgen dat ons niemand store." + +Dit zeggende, nam hij eene der lampen op, stak de andere aan, ten +einde zijn nieuwen kennis niet in 't duister te laten, en wilde zich +verwijderen, toen de vreemdeling hem bij den arm terughield. + +"Een oogenblik!" zeide deze: "wie waarborgt mij, dat gij mij niet +bedriegt en uw dienaars niet gaat roepen om mij te vangen?" + +"Zoo het woord van een vrijen Fries niet bij u geldt," zeide Adeelen, +"is het nutteloos, tijd te verspillen met een verder onderhoud. Dan +kunt gij u onverlet verwijderen." + +"Ga dan!" hernam de onbekende: "ik vertrouw mij op u." + +Adeelen vertrok, en den monnik op de trap ontmoet hebbende, deelde +hij hem het opgevatte voornemen mede, 't geen bij vader Syard nieuwe +stof tot ongenoegen scheen te verwekken. Echter, na een oogenblik +te hebben nagedacht: "uw vertrek," zeide hij, "is, zoo ik mij niet +bedrieg, juist onder het mijne." + +"Dat zal wel zoo zijn:--doch waarom die vraag?" + +"Des te beter:--gij zult er de reden wel nader van bespeuren." + +Zij verlieten elkander; en na eenige minuten waren Adeelen en zijn +beide gasten op hun gemak in zijne kamer gezeten om eene tafel, +waar een welgevulde wijnkan met drie bekers op tafel stond te prijken. + +Terwijl Adeelen en de vreemdeling zich met eenige goede teugen +verfrischten ('t geen de monnik volstandig afsloeg) bleven zij +elkander schier zonder spreken nieuwsgierig aanzien, als onzeker wie +de eerste zijn zou om het onderhoud, dat zoo belangrijk wezen moest, te +beginnen. Eindelijk kon Adeelen zijn ongeduld niet langer bedwingen: de +beide ellebogen op de tafel leggende en zijn kin op de saamgevlochten +vingers der beide handen doende rusten, ving hij aldus aan: + +"Welnu! ik zal den sleutel verkrijgen van hetgeen mij tot nog toe +onbekend is? Op welke wijze zal mij uwe hulp te stade komen, om +Friesland van 's Graven heerschzucht ontslagen en mijn eer gewroken +te zien?" + +"Behaagt het u," vroeg de monnik aan den onbekende, "dat ik den Jonker +mededeele wat hem noodig is te vernemen?" + +Een toestemmenden knik ontvangen hebbende, ging vader Syard aldus +voort: + +"Gij moet dan weten, Seerp Van Adeelen! dat Friesland niet het +eenige gewest is, hetwelk reden heeft om zich over de verkorting van +lang genoten vrijheden te beklagen. Ook in het Bisdom van Utrecht +heeft de heerschzucht des Graven hem vijanden berokkend, die, zijn +onverdraaglijk juk moede, alles in de waagschaal willen stellen, om +zich daarvan te bevrijden. De keuze van den voormaligen Bisschop, +Jan Van Diest, ten gerieve van Grave Willem den Derden gedaan, +had bijna geheel het Sticht onder de heerschappij der Hollanders +gebracht. Na hem had, gelijk u bekend is, de tegenwoordige Graaf, +begeerig, zijn eens verkregen gezag te handhaven, opnieuw een leenman +van Holland, een afstammeling uit het beroemde huis van Arkel, op +den Bisschoppelijken zetel weten te plaatsen." + +"Dat alles heb ik meer gehoord," zeide Adeelen; "die Bisschop is +immers in Friesland geweest om de kloosters te bezoeken?--Ik heb hem +niet gezien: men zeide, dat hij nog geen baard aan de kin had." + +"Met of zonder baard," vervolgde de monnik, "hij toonde met de daad, +dat hij de belangen zijns Bisdoms behartigen wilde en dat hij niet, +gelijk zijn voorganger, een tamme sperwer was, gereed om van 's +meesters hand te vliegen en voor dezen het wildbraad op te vangen: +maar een grootmoedige adelaar, vaardig om weerstand te bieden aan al +wie hem zocht te fnuiken. Bijna al de bezittingen van het Bisdom waren +wegens schulden aan den Graaf verpand: om die schulden af te lossen, +en daardoor het Sticht aan den invloed van Holland te onttrekken, +verliet Arkel de mijterstad en ging hij stil en afgezonderd in +Frankrijk leven. Intusschen liet hij te Utrecht zijn broeder Robbert +achter en, met hem, mannen, wier hart van ijver blaakt om het Bisdom +tegen alle aanmatiging van buiten te verweren en tot zijn alouden +luister te verheffen. Hiertoe willen zij in de eerste plaats den +Grave, die zich het momboirschap van het Sticht heeft toegerekend, +alle inzien van stukken, benevens de hun gevraagde rekening en +verantwoording weigeren." + +"Ik zie, waar dat heen moet," viel Adeelen in: "de rekening wordt +geweigerd: en de Graaf rukt het Sticht in met zijn heir." + +"Indien hij niet wordt voorgekomen," zeide de vreemdeling, +glimlachende. + +"Welnu!" hernam de monnik: "het oogenblik, dat het Sticht als één +man tegen Holland opstaat, zij ook dat van Frieslands bevrijding." + +"Ik versta u," zeide Adeelen: "de wapenkreet, die in Utrecht wordt +aangeheven, moet door de Collumsche en Amelandsche duinen worden +teruggekaatst. Welaan! aan mij zal het niet ontbreken." + +"Hebt gij invloed genoeg in Friesland," vroeg de Stichtenaar, +wiens gelaat op eens een meer ernstige plooi aannam, "om dit te +bewerkstelligen?" + +"Ik sta in voor geheel Westergoo, dat mij gezonden heeft," antwoordde +Adeelen: "en, zoo mijn echt intijds voltrekken wordt, zal ik een +aanhang kunnen vormen, sterk genoeg om den geheelen adel van Friesland +mijne banier te doen volgen." + +"'t Is wel! doch uw mede-afgevaardigde, de zendeling van Oostergoo? Hij +schijnt meer ten vrede geneigd." + +"Hij moge alleen gaan pruilen op zijn stins," hernam Adeelen: +"Friesland heeft moedige zonen genoeg en zal hem niet missen. Wat de +geestelijke huizen betreft...." + +"Daarvoor sta ik in," zeide vader Syard. "Hun afhangelingen zullen +niet achterblijven op den dag des gevaars." + +"En dan," vervolgde Adeelen, wiens oogen meer en meer van geestdrift +begonnen te fonkelen: "dan hebt gij, behalve de volgers van Edelen en +Papen, die onbuigzame inwoners onzer steden, wier voorhoofd gloeit, +wanneer zij een Hollander hooren noemen, en die nering en bedrijf +verlaten zullen en met het zwaard opkomen, zoodra de kans hun schoon +staat om een Hollander af te kloppen." + +"Voortreffelijk!" riep de vreemdeling uit: "en wanneer dan alles wat in +Twente, in Salland en in Drente onderhoorig is aan het Bisdom, wanneer +de moedige Stellingwervers en de Groningers, en die Westfriezen, +die nog de dagen van Koning Willem niet vergeten zijn, zich allen +vereenigen, dan zal de Meester van alle soldaten en Regent van alle +vorsten, zooals de Graaf zich door zijn vleiers noemen laat, werks +genoeg hebben om zijn hoofd voor de uitbarsting van het onweer te +beveiligen. Hier!" vervolgde hij, een vollen beker omhoogheffende: +"drinken wij op het welslagen van ons heilig verbond!" + +"Op het wèlslagen," zeide Adeelen: "maar," vervolgde hij, van toon +veranderende, "mag ik nu eindelijk weten, met wien ik het verbond +aanga?" + +De vreemdeling wilde antwoorden; maar vader Syard kwam hem voor: +"deze edelman," zeide hij, "brengt ons de wenschen en verlangens +over van de Utrechtsche Kapittels. Thans mogen wij u niets meer +zeggen. Laat ons liever eens nadenken over hetgeen ons nu te doen +staat. Is het uw voornemen niet" (zich tot den Stichtenaar wendende) +"morgen naar Utrecht te vertrekken, ten einde aldaar uwe maatregelen +te beramen en ten uitvoer te brengen?" + +"Morgen!--Neen!--ik moet nog een paar dagen hier blijven: er zijn nog +onder die groote heeren, die hier te feest komen, enkelen aan wie ik +een woord in 't vertrouwen heb te zeggen:--doch ik zal schrijven. Die +Barbanera, of hoe hij heeten mag, kan een brief medenemen." + +"Hij is, zoo ik vernomen heb, in de hut des boschwachters opgelicht +en te Haarlem gevangengezet," zeide vader Syard. + +"Ja!--maar gelukkig weder ontslagen en naar Hillegom gebracht, van +waar hij of zijn makker terug zou keeren om mijn bevelen aan de +vervallen loods in 't duintje af te wachten. Wees nu slechts zoo +goed mij eenig schrijfgereedschap te verschaffen; want ik vrees, +dat de kamer van dezen Jonker daarvan slecht voorzien zal wezen." + +"Gij kunt schrijven!" zeide Adeelen verbaasd, nadat de monnik +vertrokken was. + +"Is dat wonder voor een afgevaardigde der Kapittels? maar ik kan +meer dan dat, gelijk gij zien zult, indien gij u overmorgen op 't +steekspel bevindt." + +"Voorzeker hoop ik daar te komen," zeide Adeelen. + +"Welnu! zoo gij op een Ridder let, in een blanke wapenrusting, met een +rooden arend op den helmkam, zult gij ten minste iemand zien, die niet +zonder eer het strijdperk verlaten zal.... maar stil! onze waardige +pater komt terug: en die behoeft van dit alles niets te weten!" + +De monnik trad binnen en plaatste het schrijfgereedschap op tafel. De +Stichtenaar greep hasstig naar een blad perkament en deed zijn +ganzeveder vaardig daarover gaan. + +"Maar zoo uw brief onderschept wordt en de Italiaan ons +verraadt? _Verba volant, scripta manent_, [27] zegt de spreuk." + +"Al wordt de kokeler gepakt en doorsnuffeld, zullen zij mijn brief +voor niets anders aanzien dan voor tooverspreuken en bezweringen. Ik +versta mij ook een weinig op het cijferschrift." + +Dit gezegd hebbende, zette hij met zulk een vlugheid zijn arbeid voort, +dat Adeelen, die vaak de moeite had gezien, waarmede de goede Abt van +Sint-Odulf eenige letters formeerde, er over verbaasd stond. Toen +het echter een poos geduurd had en de tweede brief begonnen was, +namen verveling en vervolgens een onbedwingbare vaak de plaats der +verbazing in en welhaast verkondigde een luid gesnork aan de beide +saamverbondenen, dat hun bondgenoot in slaap was gevallen. + +"En nu, daar onze vriend ons niet hooren kan," zeide de Stichtenaar, +zijn brieven dichtvouwende: "zeg mij, waarde broeder, waarom gij er zoo +tegen waart, dat ik mijn waardigheid aan dien edelman bekend maakte?" + +"St! Stil!" zeide de monnik, den vinger op den mond leggende. + +"Hij kan ons niet meer hooren," zeide de vreemdeling. + +"_Fortasse oculis tantum dormit_," hernam de monnik:--"_Sed quominus +hunc juvenem vestrae dignitatis certiorem faciamus, vetat et ipsius +imprudentia, vetat et securitas vestra, quae maxime periclitaretur, +si repertum esset, tam insolenti habitu absconsam esse ecclesiae spem +deliciasque nostrae_." [28] + +"_Et libera nos a malo, amen_!" zeide Adeelen, die, door het +gesprek weder wakker wordende, zich verbeeldde dat de monnik een +Vader Ons opzeide: "wat prevelt gij toch?" vervolgde hij, zich de +oogen wrijvende. + +"Kom! al genoeg geredeneerd," zeide de vreemdeling, opstaande: "kunt +gij mij nu ongemerkt hier uitlaten? dan ga ik mijn verblijfplaats +opzoeken." + +"Ik heb zelf last gegeven de achter- en zijpoort te sluiten," zeide +Adeelen: "doch de groote poort staat nog open. En dan, al zag men u, +wie zou vrijpostig genoeg zijn om mij te vragen, welk laat bezoek ik +gehad heb?" + +"Ik bid u," zeide vader Syard, "bedenk dat alle onvoorzichtigheid +schadelijk wezen kan. Al de dienaars zijn nog wakende, om op den Heer +van Aylva te wachten, en gij zoudt onmisbaar gezien worden:--vernam +de Olderman of de eerwaarde Abt iets van ons gesprek, het kon voor +ons allen gevaarlijk zijn." + +"Zoo ik den tuinmuur overklom...." zeide de Stichtenaar. + +"Indien ik mijn gevoelen uiten mag," vervolgde de monnik, zonder dit +laatste voorstel in aanmerking te nemen, "zou ik van oordeel wezen, +dat gij hier dezen nacht bleeft vertoeven, daar het mij morgen veel +lichter zal vallen om u, als iedereen vermoeid van de nachtwaak in +diepe rust ligt, van hier te doen ontsnappen." + +"Ja! maar de brieven," zeide de vreemdeling: "hunne bezorging eischt +spoed." + +"Ik geloof waarlijk, dat er al verspieders in aantocht zijn," zeide +Adeelen, die intusschen door het raam had gezien: "ik heb daar een +gedaante door het bosch zien sluipen." + +"Wij zijn onvoorzichtig geweest," zeide de monnik, zich voor het +hoofd slaande: "wij zitten hier met licht: en iemand, die de moeite +neemt om een der boomen, welke buiten staan, te beklimmen, kan ons +alle drie herkennen.... doch! bij alle heiligen! wat is dat?" + +De verbazing des monniks was niet ongegrond: er werd van buiten tegen +het raam getikt. + +"Wie is daar?" riep Adeelen, met drift het venster opendoende. "Het is +de Booze!" zeide hij, toen op hetzelfde oogenblik een zwarte gedaante +naar binnen sprong en, zich op de tafel neerzettende, de aanwezigen +tegengrinnikte. + +"Aha! zijt gij het, meester Cezar!" zeide de vreemdeling: "dan zal +uw meester waarschijnlijk niet verre af zijn. Hij zal ongerust over +mijn uitblijven zijn geworden, en mij dezen boodschapper hebben +toegezonden. Mij dunkt, ik zie hem reeds beneden aan den muur +staan. Zijt gij het, Daamke?" + +"Tot uwen dienst," klonk zachtjes het antwoord van den nar. + +"Voortreffelijk! hier zijn twee brieven ter bezorging; wil ik ze +u toewerpen?" + +"Voorzichtig!" zeide de monnik, hem terughoudende, "er groeien zoovele +en zoo dichte struiken om de muren, dat de kerel er vruchteloos naar +zoude zoeken." + +"Nog beter!" hernam de Stichtenaar: "wij hebben immers den bode bij +ons. Hier, meester Cezar! neem deze brieven en breng ze behendig aan +den baas: Daamke! roep uw aap!" + +Daamke floot slechts even, en gezwind sprong Cezar met de brieven +het raam uit en op den schouder zijns meesters, die zich terstond +verwijderde. De drie bondgenooten oogden hem zoo lang na als de +duisternis het veroorloofde en sloten vervolgens weer het raam. + +"En nu!" zeide Adeelen, wien intusschen een nieuw denkbeeld was voor +den geest gekomen: "uwe zaken zijn afgehandeld, heer vreemdeling, +wie gij zijn moogt! nu moet ik ook eens aan de mijne denken. Ik had +eerst den monnik willen vragen, mij behulpzaam te zijn, maar dewijl +ik in u iemand vinde, die zoowel met de ridderlijke gebruiken als +met het hanteeren der pen bekend is, wend ik mij nog liever tot u." + +"Laat hooren," zeide de vreemdeling: "en zoo mijne zwakke talenten +u van dienst kunnen zijn, ziet gij mij daartoe bereidvaardig." + +De Friesche edelman stelde hem hierop zijn verlangen voor. Daar de +uitslag van hun verder onderhoud in het vervolg dezer geschiedenis +blijken zal, is het ons onnoodig voorgekomen, de verschillende +tegenwerpingen en bedenkingen, door den onbekende en door vader +Syard gemaakt, en het ten laatste gevormd besluit hier ter plaatse te +vermelden. Wij zullen ons derhalve vergenoegen met te zeggen, dat de +Stichtenaar, na den afloop van het gesprek, in een der armstoelen +een zachte rust vond, waaruit hij vroeg in den morgen door den +monnik gewekt en daarna ongemerkt buiten de muren van het gebouw +gebracht werd. + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + + + Wat baten me uwe orakelblaên? + Hoe ik mijn zinnen ook moog slijpen, + Ik kan de woorden niet verstaan + En evenmin den zin begrepen. + + Hoffham. + + +De twee dagen, verloopen sedert het tijdpunt, van waar ons verhaal +is uitgegaan, waren vervuld geweest met voorvallen en avonturen van +onderscheidenen aard, die, zoo al niet voor onze lezers, dan althans +voor de helden onzer geschiedenis belangrijk mogen genoemd worden; +maar evenals een reiziger niet altijd op weg verrast wordt door +natuurtooneelen, rijk in verscheidenheid en afwisseling, maar zich +somtijds moet getroosten een eenzame heide, een dorre zandwoestijn of +een moerassige landstreek door te trekken; zoo komen er, ook zelfs in +het woeligste tijdperk des levens, dagen voor, wier onbeduidende loop +door geene enkele opmerkingswaardige omstandigheid wordt afgewisseld: +zoodanig een dag was die, welke op het dansfeest volgde en het +steekspel voorafging; een dag als alle soortgelijken, waarop men +uitrust van de vermoeienissen des vorigen avonds en zich voorbereidt +op die van den volgenden morgen. Maar met dat al, en schoon er weinig +voorviel, dat hier verdient opgeteekend te worden, was het een dag +van woeling en drukte en gerucht: geene straat was er in Haarlem, waar +niet de moker van den wapensmid weergalmde, waar men geen snijder op +zijn tafel zag, bezig met wapenrokken te bewerken of te herstellen, +waar geen helmslager nieuwe nagels in de stormhoeden dreef, waar geen +bontwerker bezig was met pluimen van allen vorm en kleur te vereenigen, +waar eindelijk geen talrijke drom van Ridders en schildknapen heen en +weder liep om zich aan te schaffen wat nog ontbrak, ten einde in vollen +luister op het Tornooi-veld te kunnen verschijnen. Hier en daar zag men +groote hoopen van toekijkers, waar een goudsmid bezig was zijne kunstig +gedrevene sieraden aan het gevest van een zwaard of aan de oppervlakte +van een maliënkolder vast te hechten: of waar een vernuftige schilder +het blazoen of de leenspreuk eens Ridders op het breede schild of op +het spiegel gladde borstkuras in frissche verven afmaalde, of waar +een borduurder de laatste hand zette aan een banier, schitterende van +goud- en zilverdraad, of de geestigste kleuren op sluiers en sjerpen +wist te mengelen. Wat verder zag men meisjes bezig met het vlechten +van bloemkransen en festoenen, bestemd om de straten te versieren, +en van die groote kronen, welke, midden in de hoofdstraat opgehangen, +bij het doortrekken des Graven worden neergelaten, ten einde hem te +vangen en den losprijs van eenige kleine muntspeciën voor de jeugdige +vervaardigsters te verwerven. Karren met hout voor stellages en +borstweringen, of met groene sparretakken en ander loof beladen, +reden gedurig heen en weder naar de groote markt, of het _Zand_, +gelijk het toen genoemd werd, dat tot het steekspel bestemd was en +waar onze vriend Claes Gerritsz zwoegende en zweetende tusschen een +vijftigtal werklieden op en neder liep, om te zorgen dat alles ter +bestemder plaatse wierd gezet en beschikt: ofschoon zijn aanwijzingen +meermalen werden veranderd en zijn bevelen in den wind geslagen, +zoo dikwerf die in strijd waren met den last der Herauten, die, als +bekend met al hetgeen bij zulke plechtigheden noodig en behoorlijk was, +zich weinig aan zijn beklag of aanmerkingen deswege stoorden. + +"Het is toch een ergerlijke zaak," bromde hij dan, "en die tegen +alle Privileges aandruist, dat zich bij een feest, dat binnen +Haarlem gegeven wordt, vreemdelingen zooveel aanmatigen, en wijzer +willen zijn dan poorters, die schot en lot betalen! Ben ik dan geen +marktschrijver? en is mij door het bestuur de taak niet opgedragen +om alles naar eisch te schikken en te regelen? En ken ik het Zand +niet beter dan die roodrokken, die van tornooien van Keulen en +Bamberg spreken, alsof de gelegenheid overal eveneens ware?--Ja, bij +Sint-Gangolf! men ziet wel dat wij een vreemden vorst hebben, en dat +het bestuur van Haarlem slechts uit oogendienaars is samengesteld, +om zulke zaken te dulden." + +Men kan begrijpen, dat op dezen dag de drie minnaars van Madzy ook, +evenals meer andere Ridders, bijna geen oogenblik tijd hadden om +zich buiten Haarlem te begeven, zoo bezig waren zij met het in orde +brengen hunner toerusting voor den volgenden dag. Reinout was Deodaat +bestendig ontweken, wanneer zij elkaar bij toeval op straat of in een +werkplaats ontmoetten: en Adeelen, die nu een bepaald voornemen in +'t hoofd had, zag hen, zoo dikwijls hij hen tegenkwam, met een koele +bedaardheid aan, als wilde zijn rustige blik hun te kennen geven: "wij +zullen heden maar geen twist zoeken: dat zal zich morgen wel vinden: +borgen is geen kwijtschelden."--Maar wat het meest opmerking verdiende, +was, dat de Fries, niettegenstaande de hooge vooringenomenheid met +alles, wat in zijn vaderland vervaardigd en bereid was, zich te +dezer gelegenheid zoozeer verloochende, dat hij zich een volkomen +wapenrusting in Haarlem aanschafte en onder zijne oogen in orde liet +brengen; want hij was toch met al zijne hoofdigheid verstandig genoeg, +om te erkennen, dat het lichte kuras, hetwelk hij uit Friesland had +medegebracht, niet proefhoudend zou wezen tegen de stevige lansen, +die hij overal zag ronddragen, en dat zijn kromgebogen zwaard wel +geschikt was om, gelijk twee dagen te voren, schrik aan te jagen onder +een ongewapenden hoop, maar hem van geen nut zoude wezen indien hij +daarmede op een maliënkolder in moest houwen, of een der reusachtige +kampdegens afkeeren, welke de Ridders van dien tijd op zijde droegen. + +Terwijl hij zich met deze toebereidselen onledig hield, was de schoone +Madzy, vergezeld van den Heer van Aylva, den Kloostervoogd, vader +Syard en eenig gevolg, een morgenbezoek bij de arme Elske gaan doen, +en hadden zij vervolgens hun wandeling door de omliggende bosschages +voortgezet. Het onderhoud was onmerkbaar afgeloopen, daar ieder zijn +bijzondere redenen tot ernst en nadenken had. Madzy was, gelijk meer +jonge maagden, in wier boezem een ontkiemende liefde woont, weemoedig +en stil: zij poogde, maar vruchteloos, de gedachte aan den edelen +Deodaat, aan zijn vroolijk en aangenaam onderhoud van den vorigen +morgen, aan zijn ontmoeting met Adeelen en aan zijn geheimzinnige +woorden op het feest, uit haar geest te verbannen: somtijds wenschte +zij, dat zij Friesland nooit verlaten en hem daardoor niet ontmoet had; +dan huiverde zij tegen het denkbeeld, dat zij slechts korte dagen in +Holland verblijven zoude, en dan waarschijnlijk den jongeling nimmer +terugzien, in wien zij zulk een hoog belang stelde. Maar ook den +volgenden dag zag zij met schrik te gemoet: men had haar wel gezegd +dat het steekspel, gelijk het woord zulks medebracht, alleen een +spel zoude zijn, waarop geen andere dan geknotte wapenen gebezigd +werden; maar zij wist tevens, dat somtijds ongelukkige toevallen, +somtijds bijzondere haat en wrok, oorzaak waren, dat dergelijke +feesten een treurigen in stede van een vroolijken afloop hadden: en +zij herinnerde zich het voorbeeld van den ongelukkigen Floris, door +haar voogd den avond te voren aangehaald, toen het blijde tornooispel +in een bloedbad verkeerde. Zij kende den wrok, door Adeelen tegen +den Graaf en ook tegen Deodaat gekoesterd: zij besefte de redenen, +welke deze laatste had om zich over de hem aangedane beleediging te +wreken: zij wist niet, tot welke uitersten de spijt hem drijven kon: +en zij sidderde voor beiden: voor beiden, zeggen wij, want, ofschoon +haar hart voor Deodaat sprak, een lange en oude verknochtheid en +zusterlijke vriendschap hechtte haar aan den edelen Fries. + +Aylva was insgelijks niet zonder ongerustheid: niet zoozeer over den +uitslag van Adeelens wrok voor zooveel dezen persoonlijk aanging (want +de gedurige oneenigheden en vechtpartijen, welke in Friesland tusschen +de Schieringers en Vetkoopers plaats vonden, hadden hem reeds zekere +mate van onverschilligheid omtrent dergelijke twisten gegeven)--als wel +over het dreigend onweer, dat zijn vaderland boven het hoofd hing. Hij +had genoeg gezien, om te begrijpen, dat, zoo al de Friezen halsstarrig +bleven weigeren zich aan Graaf te onderwerpen, deze, even hardnekkig +als zij, op die onderwerping zou blijven staan, en dat derhalve vroeg +of laat een oorlog hiervan het gevolg zou zijn: en wanneer hij dan de +ontzettende macht, die de Graaf te velde kon brengen, met de geringe +verdedigingsmiddelen, welke Friesland daartegenover kon stellen, +de geoefendheid en krijgstucht van Willems legerschaar met den +ongeordenden staat des Frieschen volks, de éénheid, die den aanval +zou besturen, met de verdeeldheid, die bij de verdedigers heerschte, +vergeleek, dan achtte hij, dat een wonderwerk alleen Friesland voor +een wissen val behoeden kon. + +Vader Syard had, gelijk de lezer, die zijn bedoelingen reeds beter kent +dan er de Olderman en de Abt van bewust waren, licht zal beseffen, +mede overvloedige stof tot gepeinzen; maar dewijl het zijne gewoonte +niet was, het gesprek te beginnen in gezelschap zijner meerderen, +kon zijne stilzwijgendheid niemands aandacht treffen. + +Wat eindelijk den Kloostervoogd betrof, de gedachten van den goeden +man waren op dat oogenblik minder met het lot van Friesland of van +Seerp Van Adeelen bezig, dan met den gullen zandweg, die hem, als het +wandelen weinig gewoon, bij uitstek lastig viel en hem, hijgende en +zweetende, gestadig deed rondzien naar een geschikte plaats om even +uit te rusten. + +Weldra bood zich hiertoe de gelegenheid aan: het gezelschap was langs +een smal voetpad, dat door dichte struiken en struweelen naar boven +slingerde, op een bewassen heuvel gekomen, van waar een zoo verrassend +als bevallig uitzicht den wandelaar als van zelf tot een oogenblik +verpoozing uitnoodigde. Van de plek, waar men zich onder het lommer +van eenige esschen, lijsterbeziën en meidoorns bevond, zag men voor +zich op een tamelijk uitgestrekt weiland neder, van onregelmatigen +vorm en aan twee zijden afgesloten door een kleinen duinrand, +welig begroeid met berken en dwergeiken, waarvan de wortels door het +witte zand van de gebrokkelde helling heenstaken. Vlak tegenover den +aanschouwer liep de grond glooiend naar beneden en ontdekte men over +doornenhagen, welke de weide aan die zijde bepaalden, eenig bouwland, +waarvan de eentonigheid werd afgewisseld door onderscheiden groepen +van hoogopgaande boomen, in wier breede takken talrijke kraaien +nestelden. Daartusschen zag men hier en daar bevallige boerenwoningen +verspreid, elk met haar tuin en boomgaard achter zich, alle de welvaart +der streek getuigende en vaneengescheiden door welige landerijen, +waarin bontkleurige runderen graasden, een paar bleekerijen, op wier +groene velden eenige jonge deernen bezig waren het hagelwit linnen, +dat schitterend in de zon lag uitgespreid, met water uit de daaraan +grenzende sloot te besproeien. En over dat alles heen deed zich het +Haarlemmermeer op, nu klaar en effen gelijk een heldere spiegel, +en de zeilen terugkaatsende van tallooze vaartuigen van allen vorm +en grootte, die den plas in alle richtingen doorkruisten. + +"Voorwaar!" zeide de Abt, nadat Madzy zoowel als de Olderman dit +schouwspel een poos in stille bewondering hadden aangestaard: "mij +dunkt dat wij dit alles evengoed, ja beter op ons gemak zouden kunnen +bekijken, indien wij er bij gingen zitten." + +Er was niets tegen dit voorstel in te brengen; en de vier hoofdpersonen +van het gezelschap namen plaats op den heuvel, terwijl het gevolg +zich een weinig verder tegen de helling van het duin nedervlijde. + +"Zijt gij aan uw bruidskrans bezig?" vroeg vader Volkert na +eenige oogenblikken stilte aan Madzy, die zich onledig hield met de +madeliefjes, die aan hare voeten groeiden, op eene, aan mijn lezeressen +gewis niet onbekende wijze aan elkaar te hechten. + +"Dat heeft nog zulk een haast niet," antwoordde zij blozende. + +"Nu, misschien wel," zeide de Abt: "althans ware ik Seerp Van Adeelen, +ik zou niet langer meer willen wachten: vooral sedert de hofvlinders +rondom u zijn komen vliegen.... Ja! die veroorzaken hem, geloof ik, +onrust en kwelling genoeg! maar dat had hij kunnen verwachten, toen +gij met hem van wal zijt gestoken." + +"Wat meent gij, Eerwaarde?" vroeg Madzy, hem eenigszins verwonderd +aanziende. + +"Wel!" zeide de Abt, "ik behoef u toch het oude orakel niet te +herinneren, dat bij de stichting van Dekamastins door den Abt van +Bloemkamp is uitgesproken. Laat zien, hoe luidt het ook?...." + +"O! bedoelt gij dat?" hernam Madzy: "haal dat maar niet op," voegde zij +er haastig bij, als wilde zij een onaangename herinnering ontwijken. + +Maar vader Volkert liet zich niet van zijn tekst brengen. Het is +algemeen opgemerkt, dat zelfs de meest wispelturige menschen nimmer +zoo vasthoudend zijn, dan wanneer zij zich iets weder zoeken te binnen +te brengen, dat ten deele aan 't geheugen ontsnapt is: hoeveel te meer +iemand als onze Abt, wiens gedachten zelden aan vele afwijkingen voet +gaven. Zonder op het smeekend gelaat van Madzy te letten, bleef hij +zoolang de voorspelling betreffende den huize Dekama (waarvan wij in +ons zevende hoofdstuk de twee eerste regels hebben aangehaald) nakauwen +en in zich zelven opzeggen, tot hij zich die eindelijk geheel herinnerd +had en op een zegepralenden toon zonder haperen kon opsnijden: + + + "As Dekama sine Rose forliest, + In dy for Frieslän dat seawetter kiest, + Den schille, om har to ploaitsen, komme + Fuwgelt fen alle wioecken in plommen; + Den schille jæ wijllje in declinearje, + In 't hædken hingje litte droaf; + Mar wer bloeie in prosperearje, + As de Foarstene plun wirdt Frieslans roaf." [29] + + +"Ik zie niet," zeide Madzy, hare onrust door een half schertsenden toon +zoekende te bewimpelen, "wat ik met die voorspelling te maken heb." + +"Niet!" herhaalde de Abt verbaasd, "spreekt dat orakel niet van de +Roos van Dekama? En hebben de minnezangers u niet uit éénen mond met +dien naam bestempeld? En zijt gij niet over zee gekomen? En zwierven +er niet vogels van alle veeren om u heen? En hing uw hoofdje, toen +gij daareven uw kransje zat te vlechten, niet zoo droef op zijde als +een geknakt bloempje?" + +"De eerwaarde Vader heeft geen ongelijk, Madzy!" zeide Aylva, +die tot nu toe vermeden had zich in het gesprek te mengen, als had +hij de wending, die het nam, willen afwachten: "ik mag het u niet +verzwijgen, hoe noode ik er van spreek;--want het is een harde zaak, +aan een jong en vroolijk meisje terughouding en behoedzaamheid te +willen voorschrijven en haar af te houden van hetgeen, waarin zij +niets ziet dan een onschuldig vermaak;--maar gij zult u in acht moeten +nemen aan dit weelderige hof." + +"Is mijn waarde voogd over mij ontevreden?" vroeg Madzy, terwijl een +traantje in hare oogen blonk en zij zachtjes haar hoofd tegen zijn +schouder drukte, gelijk een kind dat om vergeving vraagt. + +"Neen mijn kind! ik ben ontevreden op Adeelen en op mij zelven; +want wij hadden moeten voorzien wat gebeuren zoude. Wij hadden u in +Friesland moeten laten en u niet in de gelegenheid stellen van aan +een hof te verschijnen, waar een oogenblik genoegen wellicht voor de +rust van uw volgend leven kan gekocht worden." + +"Versta ik u wel?" vroeg Madzy, wier hart op dit oogenblik de +beteekenis van Aylva's woorden reeds vooruit liep. "Waar zijt gij +bevreesd voor?" + +En met een heimelijk beven wachtte zij het antwoord af. + +"De Graaf," zeide de Olderman, nadat hij haar een wijl met +vriendelijken ernst had aangestaard, "heeft gisteravond nog veel +met mij over u gesproken:--hij heeft zich eindelijk vrij duidelijk +uitgelaten, dat het hem niet ongevallig zou wezen, indien er +huwelijksverbintenissen plaats grepen tusschen zijne volgers en de +Friesche erfdochters." + +"Denkt de Graaf," vroeg de Abt, "dat het in Friesland aan mans +ontbreekt?" + +"Het is genoeg bekend," vervolgde Aylva, "hoe Willem van Henegouwen, +wanneer hij eens een denkbeeld heeft opgevat, daarvan door geene +redenen is af te brengen en integendeel in alle voorkomende zwarigheden +slechts een nieuwen spoorslag ziet om naar zijn doel, door welk +middel ook, te streven. Ik schrijf dan ook daaraan de pogingen toe, +door hem aangewend om u op het feest te doen verschijnen." + +"Ik zal mij op geen zijner feesten meer vertoonen," zeide Madzy. + +"Het ware, zooals nu de zaken staan, een onvoorzichtigheid," +zeide Aylva, "u opnieuw aan zijn uitnoodigingen te onttrekken. Wij +moeten vóór alles mijden, hem noodelooze redenen tot misnoegen te +geven. Adeelen zou wellicht mijn woorden aan dwaze vreesachtigheid +toeschrijven: hij zoude overtuigd zijn, zoo hij mij beter kende, dat ik +in groote zaken geen haarbreed van mijn stelsel wijken zal; maar des +te eerder acht ik het plichtmatig, mij door geen noodelooze of zelfs +verkeerde tegenstreving en halsstarrigheid te onderscheiden. Neen! door +niet op de volgende feesten te verschijnen, nu gij, hoezeer dan ook +door misleiding, op het eerste gekomen zijt, zoudt gij den schijn +aannemen, alsof gij den Graaf wildet tarten, en dit is iets, hetwelk +gij, in zijn gebied, niet zoudt kunnen volhouden. Vergezel ons op +die feesten, Madzy! doch om Gods wil, wees omzichtig. Denk steeds, +dat gij een dochter van Friesland zijt, en beschouw in elken schoonen +Ridder, die u aanspreekt, hoe zoet zijn taal ook klinke, niet anders +dan een roover, door den Graaf uitgezonden om op vijandelijke kust +te stroopen." + +"Ik beloof u," zeide Madzy, "ik zal op mijn hoede wezen. Ik heb +misschien reeds te veel met dien.... met die twee Italiaansche +Ridders gesproken;--maar onze toevallige ontmoeting aan de hut des +boschwachters is daarvan de schuld;.... en dan, gij zelf, gij waart +ook buitengewoon minzaam tegen dien eenen.... Deodaat, geloof ik, +is zijn naam."--Hier zweeg zij, terwijl een gloeiend rood door hare +wangen stroomde. + +"Gij hebt gelijk," zeide Aylva: "ik beken, dat hij mij een genegenheid +heeft weten in te boezemen, waar ik de oorzaak niet van doorgronden +kan:--en echter, juist om zijn goede hoedanigheden raad ik u, dat +gij u bovenal jegens hem in acht neemt. Geen laffe hofjonker, geen +slechthoofd ware voor mijn Madzy gevaarlijk; tegen de zoodanigen zou +ik haar niet waarschuwen. De sperwer, die den leeuwerik vervolgt, +is minder te vreezen dan de groene baan, waar het zachte fluitje +vrede roept." + +"Zou die Deodaat waarlijk den listigen vogelaar gelijk zijn?" vroeg +Madzy, eenigszins verwonderd. + +"Dat geloof ik niet," antwoordde de Olderman: "ik acht hem eerlijk en +goed; maar het kan zijn, en 't ware in hem hoogst verschoonlijk, dat +hij, de oogmerken zijns meesters kennende, zijn best wilde doen om in +de gunst der schoone Madzy te dringen, en op zulk een wijze zijn eigen +neiging en tevens de bedoelingen des Graven opvolgde. Daarom, wees met +hem op uw hoede! Helaas! ik weet het bij treurige ondervinding, er is +niets gevaarlijkers, dan wanneer men zich buiten zijn gewonen kring +en dagelijksche bezigheden bevindt, en enkel het hart en de zinnen +werkzaam zijn. De verbeelding en het gevoel, wier stem slechts weinig +gehoord wordt in de beslommeringen van een geregeld en arbeidzaam +leven, wreken zich dan en spelen den meester: de hartstochten sleepen +ons mede, en een leven van berouw en smart vervangt de overijling +van een oogenblik." + +"Gij hebt dit ook ondervonden?" vroeg Madzy. + +"Ik zelf! en de geschiedenis van mijn lijden kan misschien dienstig +zijn om u tot een nutte leering te strekken. Hoor mij aan: ook +gij, heer Abt! en gij, vader Syard! en oordeelt dan of er reden +tot verwondering is, wanneer men somtijds bemerkt dat ik treurig en +afgetrokken ben.--Gij weet, dat ik in mijn jeugd, door een vergeeflijke +roemzucht geprikkeld, mijn vaderland verliet en Keizer Hendrik, +evenals andere Friesche edelen, op zijn reis naar Milaan vergezelde, +waar hem de ijzeren kroon moest worden opgezet. In die stad werd mij +huisvesting aangeboden door een Italiaansch edelman, dien ik vroeger +in Duitschland had leeren kennen. Dankbaar herinner ik mij steeds het +gul en gastvrij onthaal, dat ik in zijn paleis genoot: de uren, door +mij aldaar gesleten, waren de gelukkigste mijns levens. Waarom moesten +zij door jaren van rouw en hartverscheurend verdriet worden opgevolgd? + +"Daar, bij den edelen Cesara, leerde ik een jonge maagd uit Verona +kennen, die ter bijwoning der feesten, welke bij gelegenheid van 's +Keizers kroning gegeven werden, eenigen tijd met Cesara's echtgenoote, +hare bloedverwante, was komen doorbrengen. Schoon was zij, gelijk +de schilders ons de moeder Gods afbeelden, en beminnelijk gelijk de +Engelen. Wij waren beiden nog in dien gelukkigen leeftijd, waarin +men het tegenwoordige geniet, zonder over de toekomst na te denken: +wij zagen elkander op ieder uur van den dag: ik had haar lief, van het +eerste oogenblik af dat ik haar zag, en ik had het geluk, of liever +het ongeluk, haar niet te mishagen:--geene week was er verloopen of +ik had haar mijne min verklaard en was van hare wederliefde verzekerd." + +"Het vrijen gaat daar spoedig in zijn werk," zeide de Abt: "bij ons +is men daar zoo vlug niet mede. Mijn vader heeft mij meer dan eens +verhaald dat hij mijn moeder wel zeven jaren had opgepast, gelijk +Jakob Rachel deed, eer zij er toe besluiten kon, hare toestemming +tot een huwelijk te geven." + +"Ik had verkeerd gedaan," vervolgde Aylva: "ik had een neiging moeten +smoren, die in mijn geval dwaas en misdadig was; want een plechtige +gelofte verbond mij tot een tocht naar het Heilige Land. Maar ach! de +jeugd is onbezonnen en het noodlottige woord was er uit eer ik het zelf +wist. Wij leefden nu gelukkig en zalig, onbezorgd voor de toekomst, +en ik stond gereed een reis naar Verona te doen, ten einde de hand +mijner Bianca (zoo heette zij) aan haar vader af te vragen, toen een +brief van dezen alle hoop ter neer sloeg. Hij vermaande zijn dochter +terug te keeren ten einde een ander te huwen." + +"En voldeed zij aan de begeerte haars vaders?" + +"Nimmer zal ik het oogenblik vergeten, toen zij mij na de ontvangst +dier onwelkome tijding in den hof van Cesara's paleis voor oogen trad: +niet als een zwakke, beduchte en schuchtere dochter, welke de macht +eens hoofdigen vaders vreest; maar met het hoofd fier omhoog geheven, +met wangen, van verontwaardiging gloeiende, met een borst, zwoegende +van gramschap. De gebiedende, dreigende toon van haars vaders brief had +haar niet ter neder geslagen, maar veeleer haar besluit versterkt; zij +was minder vervaard door de bedreigingen, daarin vervat, dan geraakt +door de wijze, waarop hij haar dwingen wilde: 'ik wil en begeer geen +anderen gemaal dan u,' sprak zij tot mij: 'en zoo mijn vader gelooft, +dat hij mij verkoopen kan gelijk men een vorstin doet, zal ik hem +doen zien, dat hij zich bedriegt. Intusschen ik ken hem:--zoo ik +niet terstond naar Verona keer, zal hij binnen weinige dagen hier +zijn:--voor dien tijd moet gij mijn echtgenoot zijn.'" + +"Hoe!" riep Madzy, in wier ooren een zoodanige taal vreemd klonk, +en strijdig met alle denkbeelden van maagdelijke ingetogenheid: +"zij wilde u tot een huwelijk met haar bewegen! en buiten haars +vaders toestemming!" + +"O! Veroordeel naar niet," zeide Aylva: "zij handelde onder den +invloed der hartstochten, op een oogenblik, dat zij om den vaderlijken +dwang te ontwijken en een gehate verbintenis onmogelijk te maken, +het eenige middel aangreep, dat zich aan haar verhitte verbeelding +voordeed. Maar veroordeel mij, die, kalmer van zinnen, niet overijld +had mogen handelen en haar de noodlottige gevolgen moeten doen inzien +van een onberaden stap. Dan helaas! ik beminde haar met al den gloed +eener eerste, laat ik zeggen, eener eeuwige liefde: die liefde deed +mij de oogen voor de toekomst sluiten en geen andere vrees duchten, +dan die van haar te verliezen. Ik stemde in haar voorslag:--en dezelfde +dag zag ons vereenigd." + +"En.... meldde zij dit voorval aan haar vader?" + +"Ik weet het niet: dit slechts vermoed ik, dat hij van onze +verstandhouding kennis droeg; want weinige dagen na onze verbintenis +werd ik op een avond in eene der duistere straten van Milaan door +drie moordenaars overvallen; een hunner herkende ik: het was zekere +Paolo, een dienaar van Graaf Luigi, van Bianca's vader, dezelfde, die +den brief gebracht had. Zwaar gewond bleef ik liggen: ik werd door +eenige barmhartige voorbijgangers naar het naastbijgelegen klooster +gebracht en lag daar verscheidene dagen met den dood te kampen. Toen +ik, eindelijk hersteld, mijn verzorgingsplaats verliet en naar het +paleis van Cesara terugkeerde, vernam ik, dat Graaf Luigi daar reeds +was geweest en mijn Bianca had weggevoerd." + +"En volgdet gij haar niet?" + +"Zij had mij door de gade van Cesara doen smeeken, zulks niet te +doen. Francesco della Scala, de gevreesde minnaar, die naar haar hand +stond, was op dien tijd meester van Verona, en ware ik daar ontdekt +geworden, mijn dood ware zeker geweest. Zij verzocht mij daarom, +mijn gelofte te vervullen en alles van den tijd af te wachten: +terwijl zij mij een eeuwige getrouwheid beloofde. Ik gehoorzaamde +aan haar verlangen:--minder uit vrees voor mij zelven, dan wel om +haar niet aan de wraak van den Veroneeschen dwingeland bloot te +stellen. Ik reisde naar Palestina: drie jaren bleef ik daar, die mij +zoovele eeuwen schenen: toen ik, na afloop van dien tijd, onbekend en +vermomd in Verona kwam, en naar Bianca di Salerno vroeg, hoorde ik, +dat zij met den dwingeland gehuwd en sedert gestorven was." + +"Zij was u dan ontrouw geworden!" vroeg Madzy verbaasd, "ondanks haar +plechtige belofte?" + +"Wat haar aangespoord heeft om den mij gezworen eed te breken, is mij +onbewust.--Zij was niet meer; wat kon een ijdele navraag baten? Ik +bleef, na het ontvangen dier vreeselijke tijding, geen uur langer in +Verona.--Sedert heb ik de liefde gemijd." + +"Ach!" zeide Madzy: "indien de liefde zulke rampen baart, is zij +waarlijk wel te duchten!....maar ik geloof toch, dat dergelijke +gebeurtenissen zeldzaam zijn." + +"Minder zeldzaam dan gij denkt, Freule!" zeide de Abt, zich de +kin strijkende: "gij denkt, dat wij geestelijken niets van zulke +geschiedenissen afweten: maar ik verzeker u, onze kloosters worden +voor een derde met mislukte vrijers gevuld. Daar is broeder Sicco, die +heeft juist zulk een voorval gehad: hij was een fiksche boerenknaap +en vrijde naar de dochter van den rijken Juwe Donia:--maar toen de +zaak zoogoed als klaar was, liet zij hem zitten en nam Agge Hettinga, +die toch lang zulk een schoone kerel niet was. Toen ik dat hoorde, +dacht ik terstond: Sicco Sybes zou een goede aanwinst zijn voor het +klooster; want gij moet weten, zijn boerenwoning grenst juist aan +onze landerijen in Hemelumer Oldephaart, en toen sprak ik er over +met broeder Syard, die...." + +"Met verlof van uw Eerwaarde," viel de monnik in, die ongaarne den +schijn wilde hebben, als had hij Sicco bepraat om den geestelijken +stand te omhelzen: "de knaap is uit zich zelven bij uw Eerwaarde +gekomen." + +"Juist, broeder Syard, juist!--dat is wat ik zeggen ging, toen gij +mij in de rede vielt; ik heb toen ook slechts een paar woorden met +hem gesproken, omdat ik begreep, dat het niet zou passen, indien men +zeide dat ik hem ingepalmd had; daarom, gelijk u heugen zal, heb ik +u verzocht, hem ondershands eens te polsen en over te halen om het +kleed der orde aan te trekken." + +Broeder Syard beet zich op de lippen, en zoomin de Olderman als +Madzy waren in staat den glimlach te onderdrukken, dien het verhaal +van den Abt bij hen verwekte. Eveneens echter als een beek, die +half verborgen voortsijpelt onder de schaduw der donkere struiken, +welke haar overwelven, wel voor een oogenblik een vroolijk aanschijn +erlangt, wanneer de zonnestralen door de dikke takken heendringen +en hare oppervlakte beschijnen, maar weldra, als de hemelbol weder +achter wolken wegschuilt, hare vorige somberheid terugkrijgt, zoo +hernam ook het gelaat der schoone Friezin spoedig de ernstige plooi, +welke de geschiedenis van Aylva's rampzalige liefde daarop had doen +ontstaan, en een diepe zucht verried de onrust, welke de toepassing +van dat verhaal op hare eigene gewaarwordingen had teweeggebracht. + +Welke intusschen de slotsom was, waartoe die innerlijke overpeinzingen +haar brachten, en of ook bij haar de schier algemeen geldende regel +bevestigd werd, dat men zich in liefdeszaken zelden aan het voorbeeld +van anderen spiegelt, zal uit het vervolg dezer geschiedenis blijken. + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + + + Trompetten en schalmeien + Doorklonken hof en wal: + De Ridders vloeiden samen + Op 't daav'rend Feestgeschal. + + Van 't overwelfde venster + Van Klermonts opperzaal, + Zag Blanka, de overschoone, + Den rijken wapenpraal. + + Bilderdijk. + + +Reeds voor het aanbreken van den volgenden dag waren niet slechts al de +stoepen en ramen, maar ook al de daken en luifels der huizen rondom de +groote markt of het _Zand_ te Haarlem bedekt met een tallooze menigte +van toeschouwers, van overal te zamen gevloeid om het tornooispel +te aanschouwen. De groote kerk, welke thans de bewonderende aandacht +trekt van al wie Haarlem bezoekt, bestond nog niet, zoodat de opene +vlakte, tusschen de gebouwen besloten, genoegzame ruimte verschafte +tot het houden van ridderlijke spelen. Het eenige hinderlijke, dat de +gelegenheid opleverde, was een beek, welke toen ter tijd nog de markt +over haar geheele lengte in twee schier gelijke deelen doorsneed, +om zich wat verder, waar nu de kraan is, in het Sparen te ontlasten; +maar men had de zwarigheid, hieruit ontstaan, niet alleen uit den +weg geruimd, door van afstand tot afstand breede bruggen te slaan van +planken, met zand en zoden overdekt, welke de gelegenheid gaven om het +veld in alle richtingen te doorkruisen, maar ook van de beek zelve +partij getrokken, door er gedurig water uit te hozen, ten einde den +gullen grond van de kampplaats te bevochtigen. Een hooge stellage, rijk +met gebloemte versierd en met vaandels en bloemen prijkende, besloeg +de geheele zuidzijde van het plein en was in gaanderijen afgedeeld, +waarvan de middelste of kleinste voor het Grafelijk gezin en de beide +overigen voor de aanzienlijke genoodigden waren bestemd. Vandaar af +liep een lage omheining naar weerskanten in den vorm van een eirond +af, om zich aan de overzijde weder te vereenigen: deze afsluiting, +strekkende om de toekijkers te verhinderen, binnen het krijt te komen, +had slechts twee uitgangen, een aan elk der beide uiteinden, welke +met banderollen versierd en door gewapenden bewaakt werden: terwijl +de Herauten en hun dienaars het plein gestadig op en neder liepen om +de goede orde te handhaven, en te zorgen dat niemand eenige hoogere +plaats innam dan waarop zijn rang en geboorte hem recht gaven. + +"Bij onzen heiligen Patroon!" zeide meester Claas Gerritsz., die +zich ingevolge zijn betrekking van marktschrijver recht tegenover +den zetel der Gravin een aardig afgesloten hokje had laten timmeren: +"ik geloof dat de Graaf tevreden zal wezen over de wijze, waarop wij +alles geschikt hebben." + +Degene, tot wien hij dezen uitroep richtte, was een man van +athlethische gestalte, wien men, aan zijn naakte, forsch gespierde +armen en aan de zwarte kleur, welke zich met het vel vereenigd had, +voor een wapensmid herkende. De marktschrijver reikte nauwlijks tot +aan zijn elleboog, ofschoon hij op de toonen ging staan zoo dikwerf +hij hem aansprak. De groote lichtblauwe oogen van den Haarlemschen +Vulkaan wendden zich gedurig langzaam heen en weder, nu eens naar de +kampplaats, dan weder achterwaarts over de volksmenigte heen naar +de smederij, op welker dorpel twee wakkere knechts een wenk van +hem stonden af te wachten, om zich overal heen te begeven, waar de +omstandigheden hunne hulp mochten vereischen. + +"Daar hapert niets aan," antwoordde hij op des Marktschrijvers +toespraak, zonder echter den blik op hem te doen afdalen, "en Jan +Paypaert verstaat zijn werk;--nu, 't ware ook schande indien hij het +niet kende; hij heeft het lang genoeg uitgeoefend." + +Meester Claes Gerritsz beet zich op de lippen, weinig over deze +bevestiging zijner woorden tevreden, daar volgens haar de eer, welke +hij zich aanmatigde, niet hem, maar den Wapenkoning gegeven werd. + +"'t Is waar," hernam hij, "de oude man heeft zich veel moeite gegeven; +maar hij krijgt toch ook zijn jaren, en zoo hij minder vlug wordt, +hij wordt er des te koppiger om. Hij heeft volstrekt niet naar mijn +raad willen luisteren, toen ik hem voorstelde, de gaanderijen liever +aan deze zijde te bouwen, zoodat de troon vlak voor de Sint-Jansstraat +kwam; dan had het Grafelijk gezin immers niet de halve stad behoeven +om te rijden ten einde zijn plaats te bereiken." + +"Ja," zeide de wapensmid, met een spottenden lach, "en zij waren +allen geroosterd als bokking van de blakende zon, gelijk wij zoo +meteen zijn zullen." + +"Ei! ei! een smid moet niet bang zijn voor wat hette," +zeide de marktschrijver, een weinig beteuterd over deze juiste +aanmerking:--"maar inderdaad, het ware immers veel schooner gezicht +geweest, indien de stralen der lieve zon al die mooie meisjes en +vrouwtjes beschenen, en zich in hare schitterende juweelen en sieradiën +gespiegeld hadden, dan dat ze, gelijk nu, in de schaduw zitten." + +"Inderdaad, dat had zeer fraai gestaan!--en menig Ridder zou door +dien glans zoo verblind zijn geweest, dat hij zijn speer wel een +voet bezijden zijn tegenpartij zou gestoken hebben. Neen! neen! de +Herauten weten beter hoe het hoort." + +"De Herauten!--lieve knapen!--hebben zij zoo meteen den doortocht +niet geweigerd aan onze Vroedschappen, 't geen geheel strijdig is +met het Privilege van Koning Willem, artikel...." + +"Wat Privilege!--alle Privileges houden op voor de poort van een +kampwerf. Wat hebben zij er met hun rokken van Amsterdamsch zwart ook +te doen? Laten zij voor de ramen van hun raadhuis blijven kijken, +en zich de handen wrijven over al het vreemde geld, dat hier in de +stad komt." + +"Foei buurman! Is dat als een echte poorter gesproken? Wij werden ras +genoeg door onze adellijke naburen opgevreten, indien wij niet, waar +'t behoort, onze Privileges deden gelden." + +"Gekheid! Is er ook wat mede te verdienen met een half dozijn +stormhoeden, die ik in 't jaar aan de stad lever? De tuigage van +één Jonkerspaard doet mij meer verdienen dan al de poorters van +Haarlem.... maar ik hoor daar trompetgeschal.--De Kamprechters +komen.--Mutsen af buren! en een hoezee voor den Heer van Beaumont!" + +Het was inderdaad deze Edelman, die op het steekspel den Graaf +vertegenwoordigen moest en nu aan 't hoofd van eenige Ridders +de kampplaats opreed, verwelkomd door herhaalde en daverende +toejuichingen, welke niet slechts zijn prachtig gewaad en sierlijken +trein, maar ook zijn erkende verdiensten en beminnelijken aard moesten +gelden. Voor hem uit reed de Wapenkoning van Holland, Jan Paypaert, +die, schoon een grijsaard van over de tachtig jaren, het ambt, dat +hij reeds onder Floris V bekleed had, nog altijd vereerde door den +zwier en de vastheid, waarmede hij zijn ros bestuurde:--achter hem +reden twee Herauten, benevens Gerard van Florevy, die 's Graven banier +droeg. Simon van Teylingen en Gwij van de Merwede, van top tot teen +gewapend, volgden als Kamprechters, door een stoet van schildknapen +en trompetters vergezeld. + +De trein reed het krijt rond, waarna Beaumont met twee bijzitters +den voor hem bestemden zetel beklom, de Wapenkoning zich aan den +westelijken ingang plaatste, en de Kamprechters aan de beide zijden +van de Grafelijke loge onbeweeglijk post vatteden. + +Spoedig werd deze eerste stoet door een tweeden van een geheel anderen +aard vervangen, namelijk door de geestelijken, die met kruis en banier +rondgingen, ten einde de kampwerf in te wijden, en aan de tooverijen of +bezweringen, welke men zou willen gebruiken, alle kracht te ontnemen. + +Na deze plechtigheid werd het geduld der toeschouwers weder een +geruimen tijd op de proef gesteld; maar de hooggespannen verwachting +werd ruim voldaan, toen een schel klaroengeschal, afgewisseld door +een vroolijke muziek, de nadering van den hofstoet aankondigde en men +weldra door de hoofdstraat de Gravin zag aankomen, op 't prachtigst +uitgedost en omringd van een luisterrijke schaar van Ridders en +Jonkvrouwen, op trappelende rossen en witte hakeneien gezeten en +schitterende van goud en edelgesteenten. Na onder een oorverdoovend +gejuich der menigte de kampplaats tweemalen te hebben rondgereden, +steeg de hofstoet af en nam de bestemde plaatsen in, terwijl de +Gravin zich in hare loge plaatste, vlak achter den zetel des Heeren +van Beaumont. + +En nu duurde het niet lang, of een gerucht, niet ongelijk aan dat +van een geweldigen waterval, dien men al gedurig dichter bij zich +hoort, deed zich uit de Zijlstraat vernemen en alle oogen derwaarts +heenzien. Weldra vertoonde zich een gemengel van golvende pluimen, +rijk geborduurde sjerpen en banieren: het waren de kampvechters, die +zich buiten de stad vergaderd hadden en thans gezamenlijk, van hun +schildknapen en wapenknechten vergezeld, aan den ingang ter westzijde +stilhielden. De Wapenkoning zond hierop een zijner Herauten af naar +Beaumont, om den vrijen intocht te verzoeken voor de Edele Ridders, +die hun werd toegestaan: ten gevolge waarvan zij binnenreden, en zich +terstond oost- en westwaarts in twee partijen verdeelden. De eene, +die grootendeels uit Hollandsche, Henegouwsche en Stichtsche edelen +bestond, had tot aanvoerder geen minder persoon dan Graaf Willem +zelven, die door zijn manhafte houding en de bekwame wijze, waarop hij +zijn klepper bestuurde, aller oogen tot zich trok: de andere partij, +hoofdzakelijk samengesteld uit de bloem der Duitsche Ridderschap, +welke de zucht om roem en eer te behalen had herwaarts gelokt, +was geschaard onder Hendrik Dusmer van Aertsbergen, een edelman +uit Pommeren, en Grootmeester der Duitsche orde, die zich door zijn +zegepralen op de Lithauwsche heidenen en Russen, door geheel Europa +met roem had bekend gemaakt. + +Na de gebruikelijke plechtigheden, welke een steekspel voorafgingen +en wier vermelding hier te wijdloopig zoude worden, reden de beide +partijen opnieuw eenige keeren het krijt rond, ten einde hun kloekheid +in 't besturen hunner paarden te toonen en hun prachtige wapenrusting +te doen bewonderen; waarna zij hun plaats hernamen. + +"Waar of onze vriend Adeelen schuilt?" vroeg de Abt van Sint-Odulf +aan zijn mede-afgevaardigde, die met hem en de schoone Madzy in +eene der gaanderijen gezeten was, naar welke menig oog zich in 't +voorbijgaan richtte. + +"Ik heb hem nog niet herkend," zeide Aylva: "hij heeft mij een geheim +gemaakt van zijn wapenrusting, die hij hedenmorgen te Haarlem is gaan +halen: en wat de paarden betreft, die zijn onkenbaar onder die vracht +van netwerk en dekken, waarmede zij opgeschikt zijn.--Wat dunkt u er +van, Madzy! kunt gij een dier Ridders herkennen?" + +Madzy zweeg, en kleurde tot over de ooren; want zij had in eenen +Ridder van 's Graven gevolg, die in 't voorbijgaan opzag, Deodaat +van Verona herkend. + +"Luister!" zeide de Abt: "wat gaat die klerk daar voorlezen?" + +"Het zijn de wetten van het steekspel," antwoordde Aylva: "zoowel die, +welke algemeen geldende zijn, gelijk het verbod van betooverde wapenen +te gebruiken of van het paard zijner wederpartij te wonden, als die, +welke meer bijzonder op dit gevecht toepasselijk zijn." + +"Zoo! en hoe zal het hier in zijn werk gaan? Zullen die beide troepen +maar in 't wild op elkander rijden? Sint-Odulf! dat zal een verwarring +geven." + +"Men zal heden naar een nieuwe kampwijze strijden, welke in Vlaanderen +en Henegouwen meer bekend is dan hier, en: _la defence du fis d'or_ +genoemd wordt: 't welk zooveel wil zeggen als: de verwering van +den gouden draad. Zie slechts: daar komen de knapen aan, om hem +te spannen." + +Het was zooals Aylva zeide: dwars over het kampperk werd een koord, +met gouddraad omwoeld, van een paal voor den zetel van Beaumont af, +tot aan het hokje des marktschrijvers vastgemaakt;--en nu ontstond er +een gespannen verwachting bij de toeschouwers, die, schoon zij onder +de lezing der kamp wetten over 't geheel een eerbiedig stilzwijgen +hadden bewaard, echter door hun her- en derwaarts rollende oogen +duidelijk deden bespeuren, dat zij zeer naar den afloop verlangden, +en naar het oogenblik dat het tornooispel een aanvang zoude nemen; +dan hun hoop werd nog niet vervuld, en een zonderling, hoewel niet +geheel ongewoon voorval noodzaakte hen, hun geduld nog eenigen tijd +te oefenen, of liever, gaf een andere wending aan hun nieuwsgierigheid. + +Dadelijk nadat het koord gespannen was, verliet een Ridder in een +blauwe rusting met zilveren lieren bezaaid, het gelid, en reed met +een vluggen draf tot voor den zetel van Beaumont, alwaar hij zijn +ros op eens onbeweeglijk deed stilstaan, als in afwachting dat hem +verlof gegund werd om te spreken. + +"Wat begeert gij?" vroeg Beaumont, verwonderd, "en waarom verlaat +gij tegen alle orde de u aangewezene plaats?" + +De Ridder haalde een perkament voor den dag, dat in de plooien van +zijn sluier verborgen was en reikte het eerbiediglijk met de punt +zijner lans over aan 's Graven vertegenwoordiger. + +"Als vrijgeboren man en Ridder," zeide hij, "verzoek ik, Deodaat +van Verona, dat deze uitdagingsbrief ten aanhoore van een iegelijk +worde gelezen." + +Beaumont overhandigde den brief aan den klerk, die hem met luider +stemme voorlas. + +"Ik, Deodaat van Verona, Ridder, verklaar bij dezen, onbetamelijk en +onridderlijk beleedigd te zijn door Seerp, Heer van Adeelen, Friesch +edelman, en hem te houden voor mijnen doodvijand, hem uitdagende tot +een kamp op leven en dood, met zulke wapenen als hij zal verkiezen, +alles onder verlof en toestemming van onzen Heere den Grave van +Holland en Henegouwen." + +"Wij kunnen thans geene bijzondere twisten aanhooren," zeide Beaumont, +zijn kweekeling aanziende met een blik, waarin ontevredenheid met +vriendschap vermengd was: "na den afloop van het steekspel zal u +gelegenheid gegeven worden uwe belangen in te brengen." + +Nauwelijks had hij deze afwijzende beschikking gegeven, of een tweede +Ridder in schier gelijken dos kwam insgelijks uit des Graven stoet +aangereden, en overhandigde op gelijke wijze een tweede perkament aan +Beaumont. De algemeene nieuwsgierigheid groeide nu te sterker aan, en +te meer, hoe verder men van het midden verwijderd en daardoor minder in +de gelegenheid was, te vernemen wat er eigenlijk gaande was. Ook Graaf +Willem, die zich op een te grooten afstand bevond om iets te verstaan, +kwam met een paar zijner vertrouwelingen aangereden, tijdig genoeg +om den tweeden brief te hooren lezen, die van den volgenden inhoud was: + +"Ik, Rinaldo van Verona, Ridder, verklaar bij dezen, dat ik +onridderlijk behandeld en grovelijk beleedigd ben door Deodaat, mede +zich noemende van Verona; dat ik hem voor mijnen vijand houde en hem +uitdage om op dood en leven tegen mij te kampen, met welke wapenen +hij verkiezen zal, alles met verlof enz." + +"Zijn zij dol geworden?" riep de Graaf: "twee vrienden van kindsbeen +af! twee broeders!--Wij zullen na den kamp hierover nader spreken." + +Op datzelfde oogenblik kwam een derde Ridder, doch nu uit den trein +van Dusmer, met een perkament in de hand aanrijden. + +"Wat dien betreft, dien ken ik," zeide de smid tegen zijn kleinen +buurman: "dien heb ik zijn rusting geleverd. Het is een Friesch +edelman, en mild heeft hij mij betaald:--'t speet mij maar, dat +zulk een deugdzame kolder om het lijf van een stuggen Schieringer +sluiten moest." + +"Is het die ongeluksvogel?" zeide Claes Gerritsz, "die ons voor drie +dagen zooveel spels gemaakt heeft! Ware ik gij geweest, ik had al +de spijkers in het harnas gelaten, zoodat hij er ingezeten had als +Velzen in zijn vat. En wat heeft deze nu weer te vertellen?" + +"Heeft de duivel hen bezeten?" riep graaf Willem: "Dat is nu al de +derde! als het zoo voortgaat, zullen wij de geknotte lansen tegen +scherpgepunte speren moeten inruilen." + +Maar zijn verbazing vermeerderde, toen hij de derde uitdaging hoorde, +welke in dezer voege luidde: + +"Ik, Seerp Van Adeelen, vrije en edele inboorling van Friesland, +verklaar mij bij dezen grovelijk beleedigd en gehoond door Willem, +Grave van Holland en Henegouwen, zich valschelijk noemende Heere +van Friesland, ontzeg hem alle hulde of manschap, welke hij van mij +mocht beweren te kunnen vorderen, en bied aan om mijn goed recht in +besloten kamp vol te houden, tegen hem of tegen al, wie hij in zijne +plaatse zenden wil." + +Indien de vorige uitdagingen met verwondering, doch tevens met +belangstelling waren aangehoord geweest, die van den Fries verwekte een +rumoer en een verontwaardiging, welke zich als een loopend vuur over +de gansche markt verspreidden, naarmate de woorden, waarin die vervat +waren, van mond tot mond herhaald werden. "De kerel is gek!" riep men +van alle kanten: "wie heeft ooit gehoord, dat iemand zijn leenheer ten +kamp uitdaagt?--Werpt hem het krijt uit! In het Sparen met den Fries!" + +"Stilte! mijn Heeren! stilte!" riep Graaf Willem, met een stem, +die boven de andere heenklonk. "Wij zullen onze eer zelf handhaven, +zonder daartoe uwe hulp in te roepen. Seerp Van Adeelen! wij nemen +uwe uitdaging aan." + +"Graaf!" riep Beaumont: "dat moet niet zijn! Ik bekleed hier thans +uwe plaats en moet zulk een dwazen strijd verbieden. Gij moogt uw +edel lijf niet wagen tegen den eersten dollen knaap den besten, +die begrijpt u ongestraft te mogen hoonen." + +"Laat ons hiermede betijen, genadige Oom!" zeide de Graaf, met +bedaardheid: "zoo wij wel verstaan hebben, is deze Seerp Van Adeelen +mede uitgedaagd door Deodaat van Verona, en deze wederkeerig door +Reinout." + +"Zoo is het," antwoordde Beaumont. + +"Welnu! ten einde nuttelooze bloedstortingen te voorkomen, zoo +dragen wij de handhaving van ons goed recht over aan Deodaat, en +gelasten Reinout, zijn veete over te doen aan Seerp Van Adeelen: +en dat deze strijd tusschen Deodaat en Seerp Van Adeelen uitgemaakt +worde op morgen te dezer plaatse, zullende wij dien met ons gansche +hof komen bijwonen." + +Een blos van vreugde en verrukking bedekte het gelaat van +Deodaat, op het vernemen dezer schikking, welke hem niet alleen +het verdriet bespaarde van tegen zijn vriend te strijden, maar hem +ook de onderscheidende gunst verschafte, van de eer zijns Graven te +wreken. Adeelen en Reinout daarentegen toonden een ontevredenen blik: +de laatste, omdat hem de kampstrijd ontzegd was; de eerste, omdat hij +zich niet tegen den Graaf zelven meten mocht. Beiden echter begrepen +van den nood een deugd te moeten maken en in de uitspraak te berusten. + +"Dit punt alzoo geschikt hebbende," zeide de Graaf, "blijft ons niets +over dan om naar onze plaatsen terug te keeren: vooraf echter moet +ik u herinneren dat wij heden slechts een spiegelgevecht hebben en +dat alle veete tot den volgenden dag moet blijven rusten." + +"Daarvoor zal gezorgd worden," zeide de Grootmeester der Duitsche +orde, die insgelijks genaderd was: "bij Sint-Veit! de eerste van mijne +partij, die de bepalingen van een vriendschappelijken kamp overtrad, +zou ik met eigen hand den kop kunnen inslaan." + +Na deze betuiging van Dusmer reden beide partijen naar hunne +standplaatsen terug en niet lang daarna gaven de trompetten het +gewenschte teeken tot den aanvang van het tornooi. + +Het doel van het kampgevecht, dat nu plaats zoude vinden, was om het +koord, dat het krijt in twee deelen afsneed, over te springen en een +der houten moorenkoppen, welke aan weerszijden hier en daar op groote +staken gesteld waren, af te halen en als zegeteeken met zich heen te +voeren; terwijl zoowel het overspringen van het koord als het weghalen +der koppen door de tegenpartij belet moest worden. + +Nu klonk het tweede trompetgeschal, en onder het geroep der Herauten, +het gewuif van hoeden en mutsen en zakdoeken, en het handgeklap +der menigte, kwam er van beide zijden een twintigtal met gevelde +lansen aangesneld. Met het gedruis van een springvloed, die tegen een +sluis aanbruist, bonsden zij tegen elkander aan: en, zoodanig was de +riddergeest, die allen bezielde, dat elk op zijne weerpartij aanreed, +en er niet een aan dacht om van de overgelatene openingen gebruik te +maken en zonder eene lans te breken het gespannen koord te bereiken. + +Geheel het plein daverde van den schok: en toen de stofwolk, die eerst +den strijdenden hoop aan aller oogen onttrokken had, was omhooggerezen, +zag men welk een geheel ander schouwspel de uitslag der ontmoeting +had opgeleverd. Aan weerszijden van het koord lag een aantal Ridders +en paarden van beide partijen in het zand, en, om hen, brokken +en splinters van lansen, geknakte schilden en pluimen. Sommigen, +wier lansen gebroken waren, keerden terug om er versche te halen; +anderen daarentegen waren, na hunne tegenpartij uit den zadel gelicht +te hebben, over het koord gesprongen, waar zij nu op de bewakers der +moorenkoppen aanrenden, en op hunne beurt eene nederlaag ondervonden, +welke zij aan anderen hadden toegebracht. Slechts weinigen gelukte +het een dubbele overwinning te behalen en met het zegeteeken op de +punt hunner lans het eind der baan te bereiken. + +De krijgsmuziek, welke zich gedurende dezen strijd had doen hooren, +zweeg nu op eens en werd door een kort geschal der klaroenen vervangen, +hetwelk den afloop der eerste ontmoeting aankondigde. De verwonnenen +begaven zich beschaamd en haastig buiten het krijt: de zoodanigen onder +de kampers, als hun loop roemrijk ten einde gebracht hadden, keerden +in triomf terug en voegden zich weder bij hunne partij, na vooraf +hun zegeteekenen aan de Kamprechters vertoond te hebben. Een korte +rust werd nu aan beide partijen gegund, zoo om eenige verversching +in de aan beide uiteinden geplaatste tenten te gebruiken, als om de +noodige herstellingen aan de wapenrustingen te doen plaats hebben, +waartoe onze smid dadelijk met zijne hulp gereed was. Spoedig echter +riep de trompet hen weder tot aanval en verdediging op: en hetzelfde +schouwspel vertoonde zich eenige reizen achter elkander. + +"Het is gelukkig voor Seerp Van Adeelen," zeide de Olderman tegen +den Abt, "dat de Graaf zijne uitdaging niet voor zich zelven heeft +aangenomen; want de naam van den besten Ridder van Duitschen lande +is hem niet tevergeefs gegeven.--Hebt gij er wel op gelet, hoe hij +driemalen gereden heeft en driemalen zijn weerpartijder uit den zadel +heeft doen buitelen?" + +"Adeelen gedraagt zich ook wakker genoeg," zeide de Abt: "zaagt gij +niet, hoe hij dien dikken Stichtenaar met den blauwen vederbos in +het zand wierp?" + +"Nu, wij zullen er spoedig over kunnen oordeelen, wie de beste kamper +is," zeide Aylva: "want het aantal is gedund en er zullen weldra niet +meer dan een zestal paren overschieten." + +Het was gelijk de Olderman zeide. De meeste Ridders hadden, +òf uithoofde hunner nederlaag het perk verlaten, òf zich wegens +vermoeidheid en, als meenende genoeg voor hun eer gedaan te hebben, +onder de toeschouwers begeven. Dan, het verminderd getal van +kampers maakte den strijd des te belangrijker, daar het er nu niet +meer op aankwam om slechts op elkander aan te rijden, maar om door +allerlei gezwinde wendingen en bedrieglijke aanvallen, van de eene +zijde pogingen te doen, om den gouden draad te overschrijden en van +de andere zijde, om door behendige tegenbewegingen zulks te keer te +gaan. Van de zijde des Graven hielden buiten hem niemand het veld meer +dan de Baanrots van Ligny, Gwy van Asperen, Floris van Montfoort en de +beide Italianen; terwijl aan de andere zijde de Grootmeester Dusmer, +Adeelen en een andere Ridder gereed stonden den kamp te hervatten. + +"De kans staat ongelijk, vrienden!" zeide de Graaf, op het oogenblik +dat zij zich tot de laatste ontmoeting zouden bereiden, welke men +begreep, dat beslissend zijn zoude. "Ligny en Asperen zullen met mij +den gouden draad verweren: en gij Reinout en Deodaat, blijft achter om +te zorgen dat men onze laatste moorenkoppen niet roove: met Montfoort +bij u, om te verhoeden dat gij elkander niet doodslaat.--Houdt +u goed! en zorgt vooral dien Ridder, met den rooden arend op den +helmkam, wel te raken: hij heeft reeds menigen der onzen in het zand +doen bijten." + +Terwijl hij zich aldus uitte, was aan den overkant de Ridder, +van wien hij sprak, Adeelen op zijde gekomen: "Welnu!" zeide hij; +"heb ik mijn woord gestand gedaan, dat ik u eergisteravond gaf, +van mij behoorlijk op het steekspel te zullen gedragen." + +"En ik vertrouw, dat ik mij van mijnen kant niet slecht gekweten heb," +zeide Adeelen: "mocht ik slechts zoo gelukkig zijn, dien trotschen +Graaf eens tot mijn tegenstander te krijgen; doch hij ontwijkt mij." + +"Ja, gelijk de kat de muis. Hij heeft intusschen geen slechten kampioen +gekozen: die Deodaat van Verona heeft zich wakker gedragen:--wij +zullen zien hoe hij zich voor 't laatst zal houden." + +Slechts een oogenblik duurde het, of de klaroen werd opnieuw gestoken +en van beide zijden reden de drietallen op elkander aan, met zulk een +gelijke vlugheid, dat zij ter zelfder tijd aan het koord kwamen. Dusmer +weerstond des Graven schok, en beider lansen vlogen als rietstokjes +tot spaanders: Ligny, die tegen Adeelen aankwam, verloor de teugels, +en werd dus als overwonnen beschouwd, terwijl Gwy van Asperen door den +Ridder van den Rooden Arend met kracht uit den zadel werd geworpen. De +beide winnaars waren echter in hun doel om het koord over te springen +verhinderd en moesten hunne paarden omwenden, ten einde een nieuwen +loop te nemen. + +"Voorwaar!" zeide de Graaf tot Dusmer, terwijl beiden hunne paarden +oprichtten, die tegen het koord waren neergestort: "ik geloof at wij +ons overwonnen moeten beschouwen." + +"Uwe Genade heeft nog hulptroepen bij de hand," zeide Dusmer, "en is +mij in getal vooruit." + +"Wij zullen dan nog een rit wagen," zeide Willem, de oogen naar zijn +achtergeblevene strijdgenooten wendende: "maar wat zie ik? is de +twist weder aan den gang!" + +Dit zeggende reed hij vliegens terug, en vond Reinout en Deodaat +in heftige gemoedsbeweging, en Montfoort, die hen vergeefs zocht +te stillen. + +"Hoe is het, kinderen!" zeide hij: "kunt gij na zoovele jaren van +vriendschap, elkander geen oogenblik rustig verdragen?" + +"Dat is het niet, heer Graaf!" zeide Reinout: "die Ridder van den +Rooden Arend, die Gwy van Asperen zoo onzacht heeft neergesmeten en +daarginds van zijn schildknaap een versche lans ontvangt, berijdt het +paard, dat mij ontstolen is. Ik had het in de _mêlée_ niet bespeurd; +doch nu maakt Deodaat mij opmerkzaam......" + +"En zoo ik mij niet bedrieg," zeide Deodaat, "dan heb ik zooeven zijn +schildknaap met mijnen vos rond zien stappen." + +"Wij kunnen toch niet denken," zeide Willem, "dat een Ridder, die zich +zoo wakker gedraagt, een paardendief zoude zijn; maar stel u over hem, +Reinout! en zie, dat gij uw beest terugwint. En gij, Deodaat! bestrijd +den Fries, dan kunt gij een voorproefje hebben van uw strijd van +morgen. Wat mij betreft, ik heb aan de eer van den dag genoeg." + +Het bleef op deze wijze het lot van Montfoort om met den Duitscher +te kampen, en voorspoedig kweet hij zich van de hem toevertrouwde +taak. De beide lansen gleden over de kurassen heen, terwijl de beide +Ridders, elk van zijnen kant, het gouden koord overvlogen en met een +zegeteeken aan de lanspunt terugkeerden. + +Een geheel anderen uitslag had de ontmoeting van Adeelen met Deodaat +gevolgd. Zij braken hun lansen met gelijke kracht: doch niet met +hetzelfde geluk; want het paard van den Fries, door den schok +verschrikt, deed een zijdesprong, struikelde en stortte met zijn +ruiter in de beek, onder het luid hoezee der toeschouwers. + +Wat Reinout betrof, in stede van zijn weerpartij den overtocht van +het _fis d'or_ te beletten, had hij met opzet de vaart van zijn +paard vertraagd, en reed nu, de lans in de hoogte houdende, den +Ridder van den Rooden Arend te gemoet, zoodra deze het koord was +overgesprongen. De onbekende, dit bespeurende, hield zijn ros staande. + +"Met uw verlof, Heer Ridder!" zeide Reinout: "ik kan niet kampen +tegen iemand, die op mijn eigen paard zit, zonder eerst te weten hoe +hij er aankomt. + +"Gelooft gij, dat ik het gestolen heb?" antwoordde de andere: +"ik heb het gisteren op de markt te Leiden gekocht." + +"Bij alle heiligen!" riep Reinout, zich op eens bezinnende; "ik ken +die stem! waart gij het niet, dien ik eergisteren in het gewaad van +Barbanera met dien Frieschen monnik zag praten?" + +"Gij zijt een luistervink!" zeide de onbekende. + +"En gij een verrader!" riep de Italiaan. "Hier! hulp mijne Heeren! deze +schelm brouwt aanslagen tegen den Graaf." + +Onder het uiten dezer woorden greep hij den vreemden Ridder met de +linkerhand in de borst; maar deze, zijne lans wegwerpende, bukte +zich, vatte Reinout met beide handen bij 't been en slingerde +het zoo behendig over den zadel, dat de jongeling aan de andere +zijde op het veld viel, waarop de vreemdeling terstond den teugel +wendde, en, eer de Kamprechters, die op dit vreemde gezicht van twee +worstelende ruiters aan kwamen draven, het verhinderen konden, dwars +de kampplaats overreed, zijn paard over de omheining deed springen, +door de verschrikte menigte heendrong en, zonder dat iemand zich tegen +hem verzette, zich door een zijstraat aan aller oogen onttrok. Zijn +schildknaap, die de beweging zijns meesters gezien had, haastte +zich insgelijks te verdwijnen, 't geen hem te gemakkelijker viel, +daar hij zich aan den ingang van het perk bevond, alwaar niemand de +oorzaak van zijn vertrek bevroeden kon, noch eenige reden zag om zijn +aftocht te belemmeren. + +Intusschen was Reinout weder opgestegen en met drift naar Beaumont +toegereden: "die schelm, die daar heenvlucht, is een dief en een +verrader!" riep hij: "laat hem najagen! hij moet beroofd worden van +de wapenrusting, die hij onwaardig is te dragen." + +"Gij hadt u vóór het steekspel deswege moeten beklagen," zeide +Beaumont: "ieder kamper, die eenmaal door de Herauten is toegelaten, +heeft vrijgeleide en moet onverhinderd kunnen aftrekken." + +Graaf Willem en Dusmer waren ondertusschen naar de plaats gereden, +waar Adeelen overwonnen was en waar Deodaat en Montfoort, na het +volbrengen van hun rit, waren teruggekeerd. De Fries had, na zijn +nederlaag, het veld in haast verlaten. + +"Wat zegt gij, edele Dusmer?" vroeg de Graaf: "zullen wij nog eene +lans breken?" + +"Ik ben alleen," antwoordde de Grootmeester: "en ik geloof mijn eer +genoeg te hebben gehandhaafd, om te mogen erkennen, dat de overwinning, +hoe goed ook betwist, aan uwe zijde is verbleven." + +"Uw beste kamper heeft u verlaten," zeide Willem, "anders stond uw kans +nog zoo kwaad niet. Hoe het zij, laten de Kamprechters uitspraak doen." + +De uitspraak deed zich niet lang wachten: Beaumont, na de Kamprechters +te hebben gehoord, rees op, en verklaarde, dat de partij, welke door +Graaf Willem was aangevoerd geweest, de zege had behaald; doch dat aan +den Graaf, aan Hendrik Dusmer, aan Deodaat van Verona en aan Floris +van Montfoort gelijke prijzen, wegens de door hen betoonde dapperheid, +behoorden te worden toegekend. + +"Wat den Ridder van den Rooden Adelaar en Reinout van Verona betreft, +zij zouden op gelijke belooning aanspraak kunnen maken; maar de +eerste heeft zich vrijwillig verwijderd: en wat den anderen betreft, +hij heeft zijne aanspraak verloren, doordien hij, bij den laatsten +rit, in stede van op zijn weerpartijder aan te rijden, hem op een +onridderlijke wijze in de borst heeft gevat en een steekspel in een +vuistgevecht heeft veranderd." + +"Kon ik een deugniet, die mijn paard stal, ridderlijk +behandelen?" bromde Reinout tusschen zijn tanden. + +"Met uw verlof, genadige Oom!" zeide Willem: "wij zullen uwe uitspraak +in zooverre wijzigen, dat wij de verschooning aannemen, door onzen +trouwen Reinout bijgebracht en hem een gelijken prijs toekennen +als door ons werd behaald. Ook zijn er nog aan weerszijden menige +Ridders, die, na zich wakker gekweten te hebben, niet uit vrees, +maar uit beleefdheid zich aan een verderen kamp onttrokken hebben: +ook die moeten niet vergeten worden. Wij zullen u verzoeken, genadige +Oom! dat ook hunne namen door den Heraut worden opgelezen, ten einde +zij het loon hunner dapperheid ontvangen." + +Aan den wensch des Graven werd voldaan, en na een kort beraad tusschen +de Kamprechters, werd hunne uitspraak overluid aangekondigd door de +Herauten, en door een uitbundig feestgejuich der menigte ontvangen. + +Hierna volgde de bekroning der overwinnaars, welke op de gebruikelijke +en elders meer beschrevene wijze plaats vond, en de uitreiking +der geschenken, uit fraaie paarden, gouden en zilveren ketenen of +sierlijk bewerkte wapenen bestaande; waarna de Wapenkoning het feest +voor afgeloopen verklaarde: terwijl de Hofmaarschalk, op last der +Gravin, al de aanwezige Edelen tot den maaltijd noodigde, die op +'s Graven lustslot zou gegeven worden. + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + + + Alexis heeft zijn zusje lief, + Zoolang ze in vrede leven. + + Van Alphen. Kindergedichtjes. + + +Adeelen was, niettegenstaande zijn nederlaag, de stad stappende +uitgereden, niet willende dat iemand zijn vertrek aan schaamte +over zijn val zou toeschrijven, en begrijpende, dat hij zich +dapper genoeg gekweten had, om het hoongelach niet te verdienen der +volksmenigte, welke, zoowel wegens den oploop in den Hout als wegens +zijn vermetele uitdaging, maar meer nog om zijn landaard, tegen hem +was ingenomen. De gedachten van spijt en wraak en minnenijd, welke +zijn ziel vervulden, deden hem echter thans de beleedigingen, hem van +alle zijden nagezonden, ternauwernood opmerken en zijn weg vervolgen +zonder acht daarop te slaan. Buiten de poort gekomen, gaf hij zijn +ros de sporen en stond in weinige oogenblikken voor het klooster. + +"Waar is vader Syard?" was wederom zijn eerste vraag onder het +afstijgen. + +"De pater is zooeven naar zijn cel vertrokken," antwoordde Sytsken, +die op het binnenplein stond: "een schoone Ridder, die spoorslags +van Haarlem was komen rijden, heeft naar hem gevraagd en een paar +woorden met hem gewisseld zonder af te stijgen, waarna hij weder +is voortgereden." + +"Droeg die Ridder niet een rooden arend op den helm?" vroeg Adeelen +haastig: "en bereed hij niet een zwarten hengst?" + +"Of 't een arend of een valk was, dat wil ik niet zeker zeggen: +maar zooverre een arme deerne als ik over een paard kan oordeelen, +was het net zoo een stel als daar een dier Ridders op reed, die u uit +de handen van de Haarlemmers verloste.... maar goede hemel! Jonker +Seerp! wat ziet gij er uit. Hebt gij in de stadsgracht gelegen of +hebben zij u bespoten?--Het water druipt u van den wapenrok af." + +"Genoeg gesnapt," zeide Adeelen.--"Laat iemand den pater verzoeken +in mijn slaapzaal te komen. Ik zal mij gaan ontwapenen." + +Na een half uur waren beiden ter bestemde plaatse bijeen. + +"Welnu," vroeg de monnik: "heeft uw uitdaging een goed gevolg +gehad? Mij dunkt gij zijt spoedig terug," vervolgde hij, ziende dat +Adeelen, zonder hem te antwoorden, het vertrek met groote stappen op +en neder wandelde; "en gij schijnt slechts matig tevreden over den +uitslag van het kampgevecht." + +"Dat mij de donder sla!" riep Adeelen, "zoo ik morgen het slijk, dat +mijne wapenen bezoedeld heeft, niet afwassche met het bloed van mijn +wederpartij; maar zeg mij, Pater! wat is u die Ridder van den Rooden +Arend komen verhalen? Bij Sint-Nikolaas! hij heeft zich geweerd als +de vogel dien hij voert, en wij hebben in hem een wakkeren bondgenoot." + +"Hij is mij komen zeggen," zeide vader Syard, "dat hij naar het Sticht +ging, en dat men weldra van hem hooren zoude. Tevens heeft hij mij +geraden te vluchten, daar ik eerstdaags zou gevat worden. Er schijnt +iets van onze bijeenkomsten te zijn uitgelekt." + +"En zult gij zijn raad volgen?" + +"Dat men mij vange, ik vrees niets:--elke beleediging, die hier +eenen Fries wordt aangedaan, zal slechts strekken om den haat onzer +landgenooten te feller te doen ontbranden;--maar dat daargelaten:--gij +hebt mij nog den uitslag van het steekspel niet doen weten." + +"En ziet gij dien dan niet, bij alle duivels!" riep Adeelen, op +zijn vochtigen wapenrok wijzende: "zesmalen heb ik mijn wederpartij +overwonnen;--de laatste reis wierp mijn paard mij in de beek;--doch +genoeg daarvan:--wij zullen zorgen, morgen gelukkiger te zijn." + +Dit zeggende, nam hij een vollen beker, om op den goeden uitslag van +zijn kamp te drinken, en deelde vervolgens aan den monnik mede hoe het +met zijn uitdaging was afgeloopen. Weldra kwamen nu de Heer van Aylva +en de Abt met Madzy van het feest terug, en haastten zich hun vriend +op zijn kamer te gaan bezoeken, ten einde hem woorden van troost en +opbeuring toe te spreken. Zij vonden hem wrevelig en vermoeid in een +armstoel liggende. + +"Ik beklaag u van harte," zeide Aylva: "gij hadt u te dapper +geweerd om door een zoo noodlottig toeval uw aanspraak op den +prijs te verbeuren;--maar ik zou in uw nederlaag nog grooter deel +nemen, indien ik die niet aanmerkte als een straf des hemels voor +uw laatdunkendheid. Welke booze geest kon u de dwaasheid ingeven, +den Graaf te gaan uitdagen op zijn eigen grondgebied?" + +"_Humiles levat, superbos deprimit Deus_," zeide de Abt, "'t geen +zeggen wil, dat de nederigen verhoogd en de trotschen vernederd +worden. Ja! broeder Syard weet hoe dikwijls ik mijn best gedaan heb +om hoogmoed en eigenwaan bij onze broeders uit te roeien." + +"Zoo de hoofsche taal van den Graaf u verlokt heeft," zeide Adeelen: +"zoo gij, mijne Heeren! al de beleedigingen, die ons hier worden +aangedaan, als zoete koek gelieft op te eten, het is mij wel. Ik ben +ongelukkigerwijze van een min gemakkelijken aard en zal niet rusten +voordat ik den hoon gewroken heb, den Frieschen naam en mijn Madzy +aangedaan." + +"Wat mij betreft," zeide Madzy: "ik heb mij niet beleedigd gevoeld." + +"Dat geloof ik wel," zeide Adeelen: "gij zijt vriendelijk onthaald, +gevleid, gestreeld: en wellicht zoude het u nog bovendien aangenaam +zijn, dat die Italiaansche windbuil morgen de zege behaalde, al ware +de overwonnene een Fries en uw verloofde." + +Madzy werd bleek: doch zich straks herstellende, zeide zij met vuur: +"ik beken dat ik niet zou juichen, indien op morgen uw lans het +bloed deed stroomen van een schuldelooze, van iemand, die u het leven +gered heeft." + +"Ga voort!" zeide Adeelen: "voeg er nog bij, van iemand, die uw hart +gestolen heeft. Is het niet zoo? Maar weet, schoone Jonkvrouw! dat +ik morgen, zoo ik den knaap overleve, verwinnaar of verwonnene, +niet zal gedoogen, dat gij een dag langer deze verpeste lucht inademt." + +"Seerp Van Adeelen!" zeide Madzy met waardigheid: "onze ouders hebben +ons als kinderen aan elkander verloofd: ik heb u altijd de liefde eener +zuster en de toegeeflijkheid, die eene vrijster aan haar verloofde +schuldig is, betoond. Maar dit verklaar ik u plechtig, dat niets ter +aarde mij dwingen zal u te huwen, zoolang gij den dwazen weg blijft +houden, dien gij sedert eenigen tijd zijt gevolgd. Boogt gij op den +naam van vrij, ik stel daar geen minderen prijs op: en nimmer zal ik +de gade worden van iemand, die mij reeds vóór het huwelijk als zijn +slavin behandelt.'" + +"En wie der hofvlinders," vroeg Adeelen, "welke om u heen gefladderd +hebben, heeft u dat schoon besluit doen vormen?" + +"Madzy heeft volkomen recht," zeide Aylva: "en zoo iemand hier haar +gehoond heeft, zijt gij het, door uw onbetamelijk uitvaren. Dan het is +tijd, dat wij ons voor het feest bereiden. Zult gij ons vergezellen, +Adeelen?" + +"Om weer tot een voorwerp van spot te verstrekken? Ga, zoo gij +verkiest, en zeg dien trotschen Graaf, dat ik zijn uitnoodiging +verafschuw, en dat het tusschen hem en mij een zaak van dood en leven +is. En wat u betreft, Madzy! ga en lach en scherts met uwe nieuwe +vrienden! schimp met hen op den armen Adeelen, op uw verloofde, die +morgen misschien om uwentwille en om den wille van het land zijner +vaderen zijn leven laten zal. Voorwaar! de maagden van Friesland +zullen u eerekransen vlechten bij uwe terugkomst en uwen lof bezingen, +omdat gij zoo schoon de eer der uwen hebt opgehouden." + +"Gij zijt onbillijk, Adeelen!" zeide Madzy, terwijl de tranen in +haar lieve oogen blonken: "denkt gij, dat ik het gevaar, 't welk +den vriend mijner kindsheid, mijn speelmakker, mijn broeder boven +het hoofd hangt, met een onverschillig oog aanzie?--Gelooft gij, +dat ik zelve gestemd ben, dat gehate feest bij te wonen!--O neen, +mijn voogd! laat mij blijven, en dit gebouw niet eer verlaten, dan +om naar Friesland te keeren." + +"Ik weet," zeide Adeelen, bewogen, "dat uw hart goed is, en dat +gij ook om het onheil eens onbekenden zoudt treuren: maar bij den +hemel! ik werd liever door u bespot en uitgelachen, dan dat gij mij +alleen die tranen schonkt, welke men voor een speelmakker, voor een +broeder vergiet. Het is als uw bruidegom, als uw minnaar, dat ik uwe +tranen verg, en God weet, of zij niet sterker nog vloeien zullen, +indien mijn arm morgen in den kampstrijd dien Italiaan neerslaat, +die u van liefde heeft durven spreken." + +Madzy berstte in tranen uit: zij wilde zich verdedigen, maar zij kon +geen geluid uitbrengen; want haar hart was vol: het had de juistheid +van Adeelens uitdrukking gevoeld. De ruwe Fries was zelf ontzet over +de uitwerking zijner woorden: hij bleef staan, kruiste de armen over +de borst, en Madzy met sombere oogen aanziende: "is het waarlijk +zoover gekomen?" riep hij uit: "heeft Madzy Dekama, de edele dochter +van Frieslands braafsten held, de bruid van Seerp Van Adeelen, zich +door de zoete woorden laten bepraten van een onbekenden gelukzoeker, +die naam noch afkomst bewijzen kan, wien een onzalige wind naar deze +kust gevoerd heeft om zich ten koste der ingezetenen te verrijken? En +moet de ronde, vrije Fries achterstaan, omdat zijne taal oprecht en +ongeveinsd is, omdat hij nooit de schoone woorden en de vleitaal der +hovelingen heeft leeren spreken? Gij antwoordt mij niet: gij zwijgt, +Madzy! gij slaat uwe oogen neder! o! ik bezweer u, spreek slechts +één woord: zeg mij, dat gij nog dezelfde zijt: zeg, dat het enkel een +tijdelijke bedwelming, een vrouwelijke behaagzucht is geweest, welke +u het oor aan zijne taal heeft doen leenen. Zeg mij dit, Madzy! stel +mijn hart gerust, en gij zult mij voortaan ook veranderd vinden. Ik zal +niet meer als meester tot u spreken: ik zal uwe wenschen gehoorzamen: +ik zal u naar de oogen zien: uwe begeerten raden en voorkomen. O! tot +dit oogenblik toe had ik nooit geweten, hoe heftig ik u beminde; +maar de vrees om u te verliezen heeft mij de oogen doen opengaan: +ik gevoel nu de kracht mijner liefde: waarlijk! ik zal geen geluk +meer hebben, zoolang ik niet van de uwe verzekerd ben." + +Madzy gevoelde zich sterk aangedaan. Nooit had zij Adeelen zoo warm, +zoo waardig, met zooveel gevoel hooren spreken. "Ja, ik wil uw vriendin +zijn, Adeelen! gelijk voorheen," zeide zij, hem hare hand toereikende: +"doch op ééne voorwaarde. Ik wil even oprecht zijn als gij met mij +geweest zijt: ja, uw gedrag heeft mij verontwaardigd. Gij hebt in +mijne tegenwoordigheid dien Italiaanschen Ridder beleedigd.... neen, +antwoord niet; hij moge dan zijn wie hij mag: die afkomst doet hier +niets ter zake;--gij hebt hem gehoond, en mij ter zelfder tijd. Gij +hebt mij in zijne oogen en in die van anderen voorgesteld, als ware +ik een losse, minzieke deerne, gereed mij te vergooien aan al wie mij +een zoet woordje toesprak. Hoor wat ik eisch en tot welken prijs gij +mijne achting kunt herwinnen. Gij zult dien vreemdeling, dien Deodaat +van Verona, bestrijden;--maar eerst zult gij hem verklaren, dat de +woorden, u in drift ontvallen, u leed doen: dat gij overtuigd zijt, +dat nooit tusschen hem en mij eenige gesprekken zijn voorgevallen, +die ik niet hooren mocht: en dat gij ook den hoon vergeten wilt, +u door hem ter wedervergelding aangedaan." + +"Gij vraagt veel, Madzy!" zeide Adeelen: "meer dan met ridderplicht +kan strooken. Zal ik iemand om vergeving bidden, wiens vuistslag nog +op mijn aangezicht gloeit?" + +"Gij zijt een Fries," zeide Madzy: "en draagt roem op uw +rondborstigheid. Zoudt gij die alleen aanwenden om te beleedigen en +niet om te durven erkennen, dat gij ongelijk hadt?" + +"Welaan!" zeide Adeelen: "ik zal doen wat gij begeert: ik zal heden +nog, in uwe tegenwoordigheid, den Italiaan de vergoeding doen, die +gij verlangt; doch ik heb ook mijne voorwaarde, en de edele Aylva zal +oordeelen, of zij billijk is: zij is deze, dat gij na uwe terugkomst +in Friesland u met mij in den echt verbindt, en dat ik u heden nog +aan het hofgezin als mijne bruid en toekomstige gade moge voorstellen." + +"Mij dunkt," zeide Aylva: "dat deze voorslag niet onredelijk is: +zoo kwam er een einde aan alle moeilijkheid." + +Madzy verbleekte: zij was op dit onverwachte voorstel niet verdacht, en +een samenloop der meest verschillende en tegenstrijdige gewaarwordingen +doorstroomde haar hoofd. Maar evenals een akker, hoe meer hij omgewoeld +is, des te spoediger vruchten voortbrengt, zoo is ook het menschelijk +hart te gereeder een grootsch besluit te nemen, naarmate het feller +door driften geschokt is. Zij vermande zich, wischte den opgewelden +traan uit het oog en stak haar hand opnieuw aan Adeelen toe. + +"Ik geloof inderdaad," zeide zij met een vaste stem, "dat gij gelijk +hebt. Ja! ik zal de uwe zijn en heden moge dit op het feest ruchtbaar +worden,--maar.... vergenoeg u dan met hetgeen gij tot nu toe verricht +hebt: wees bedaard en terg den Graaf niet meer.--Ja, kan het zijn, +dat die onzalige kampstrijd op morgen geene plaats had.... doch ik +gevoel dat dit onmogelijk is. + +"Gij zegt wel, Madzy," zeide Aylva: "had Adeelen mij geraadpleegd, +ik zoude getracht hebben, hem die dwaze uitdaging uit het hoofd te +praten; maar nu die eens geschied is, kan hij niet teruggaan zonder +zijn eer te krenken." + +"En nu!" zeide Adeelen, wien het zoet vooruitzicht, waarmede hij zich +streelen mocht, bijna op eens in een galanten ridder herschapen had, +"laat vrij in 't perk komen wie wil: door Madzy's liefde gesterkt, +ben ik onverwinnelijk." + +"God zegene u, mijne kinderen!" zeide de Olderman, beiden aan zijn +hart drukkende: "maar laat ons thans den tijd niet verzuimen en ons +gereedmaken voor het feest." + +Elk verliet hierop het vertrek, den Frieschen Edelman hooggestemd +door vreugde en verwachting achterlatende. Madzy daarentegen gevoelde +eene andere gewaarwording, sinds zij zelve haar lot bepaald had; zij +was beklemd en neergedrukt: en nauwelijks was zij in haar vertrek +gekomen, of zij zonk in een armstoel neder, en de macht, waarmede +zij hare hartstochten beteugeld had, maakte plaats voor een diepe +neerslachtigheid. + +"Wat heb ik gedaan?" vroeg zij zich zelve af: "mijn hand toegezegd +aan een man, voor wien ik geene liefde gevoel, wiens onhandelbare +aard mij ongelukkig maken zal?--En toch! ik heb wèl gedaan. Zóó +alleen kan en zal ik die dwaze grillen vergeten, welke dit noodlottig +verblijf in Holland mij in 't hoofd gebracht heeft. Te voren kon ik +mij zonder ontroering het denkbeeld voorstellen van Adeelens vrouw te +worden;--en waarom thans niet? Heb ik nog niet een oogenblik geleden +nieuwe bewijzen gezien van den invloed, dien ik op hem bezit? en zal +het mij niet mogelijk wezen, met de hulp des Hemels, de inborst mijns +gemaals te verzachten? Zijn hart is goed en oprecht: en onder de ruwe +schors zit een edele ziel verborgen. Zoo ik van hem verkrijgen kan +dat hij zijne ontembare driften beteugele, zal ik met hem gelukkig +kunnen zijn.... gelukkig! Ja, moet men dit niet altijd zijn, wanneer +men zijn plicht doet!" + +Hier werd zij uit haar mijmering gewekt door de stem van Sytsken, +die al een poos naast haar gestaan had en haar vroeg, wanneer het +haar behagen zou, zich aan te kleeden. + +Ik geloof, dat het hier de plaats is om onze lezers, en vooral +onze lezeressen, die wellicht de schoone Madzy van ongestadigheid +of besluiteloosheid verdacht houden, kennis te doen dragen van de +drijfveeren, welke haar hadden aangespoord om zoo en niet anders te +handelen, en om haar karakter tegen alle beschuldigingen van dien aard +te verdedigen. Het zal hiertoe noodig zijn, eenige omstandigheden +op te halen uit haar vroeger leven, welker vermelding wij met opzet +hebben verschoven. + +Onder de Friesche geslachten, die steeds met den meesten ijver de +voorrechten en vrijheden van hun volk verdedigd hadden, was dat +der Dekama's een der aanzienlijkste. Bezitters van uitgestrekte +landgoederen en aan het hoofd eener talrijke schaar van aanhangers, +hadden zij in de raadsvergaderingen, waar de belangen des lands +verhandeld werden, zoo niet een overwegenden, dan toch steeds een +gewichtigen invloed gehad. Aan het hoofd van dit adellijk geslacht +bevond zich in het begin der veertiende eeuw de wakkere Sjoerd Dekama, +wiens bezittingen een groot deel uitmaakten van die landerijen, +welke zich, langs Frieslands Noordelijke kust, van Harlingen tot +Dokkum uitstrekken. Toen bijna het gansche gewest zich voor den +overwinnenden invloed van Willem den Derden nederboog, was Sjoerd +Dekama schier de eenige, die de heerschappij des machtigen Graven +van zijn hooge stins in Baarderadeel was blijven trotseeren. Gaarne +had hij meer gedaan en zijne landgenooten in 't veld aangevoerd, om +het juk der slavernij, hoe zacht het ook ware, van hun schouderen te +werpen; maar de binnenlandsche verdeeldheden, welke gedurende zijn +leven Friesland teisterden, beletteden hen, zich genoegzaam aaneen +te sluiten, om aan zijn verlangen te voldoen. + +Vurig had Dekama gewenscht een stamhouder achter te laten, op +wien zijn bezittingen en tevens zijn haat tegen alle vreemde +overheersching zouden overgaan. Reeds lange jaren was hij gehuwd +geweest met een dochter uit het geslacht der Hattinga's; maar +zijn echt was steeds onvruchtbaar gebleven. Bedevaarten naar Onze +Lieve Vrouwe van Kevelaar en van Scherpenheuvel, ruime giften aan +kloosters en kapellen, alles was beproefd geweest, om den zegen des +hemels op dezen echt te verkrijgen; doch alles scheen vruchteloos: +en reeds wanhoopten de beide ouders, toen eindelijk, na tien jaren +huwelijks, de zwangerschap zijner echtgenoote aan Sjoerd Dekama het +vooruitzicht opende om zijn hoop verwezenlijkt te zien. Men schreef +deze gunstige wending daaraan toe, dat de edele Vrouw gedurende jaar +en dag het water der heilfontein te Dokkum gedronken had. Volgens +de overlevering was deze fontein (welke nog ten tijde van Winsemius +gezien werd) haar oorsprong aan een wonderwerk verschuldigd. Toen +men, in de negende eeuw, het klooster met de kerk op een hooge werf +of terp zoude bouwen, wist men geen raad om de kloosterlingen aan +zoet water te helpen. De landvoogd Abbo, die Friesland uit naam van +Pepijn den Korten bestuurde, was er bij en wist al zoo weinig als +de ingezetenen eenigen goeden raad te verschaffen. Het paard van een +zijner Jonkers (dat waarschijnlijk van den vermaarden Pegasus afstamde) +nam de zwarigheid weg; want het stampte slechts met de voeten op de +aarde en fluks kwam er klaar bronwater opborrelen.--Wat er van deze +vertelling zij, welke lang als ontwijfelbaar is beschouwd door de +minnaars van het wonderbaarlijke, zeker is het, dat de Friezen over +'t algemeen heilzame krachten aan de fontein toeschreven, en vooral +een vruchtbaarmakend vermogen, waarvan Foelke Dekama alsnu, gelijk men +meende, de uitwerking had ondervonden. De vreugde was nu op Dekamastins +ten top en de schoonste toekomst lachte den Burchtheer tegen, toen +de geboorte van het zoolang verwachte kind alle vooruitzichten in +rook deed verdwijnen. De Burchtvrouw bracht een meisje ter wereld en +stierf in het kraambed. + +Een wanhopige droefheid vervulde de ziel des vaders, die zich zoo +opeens in al zijn verwachtingen zag teleurgesteld. Ter neder gedrukt +door den slag, die hem getroffen had, bekommerde hij zich weinig over +het onnoozele kind, dat hem niet slechts, als een levend aandenken, +den droevigen dood zijner beminde gade bestendig herinnerde, maar +ook door de kunne van het wicht de vergoeding niet aanbood, welke +alleen in staat ware geweest hem bij haar gemis eenigen troost te +verschaffen. Ja, de kindsheid der arme Madzy ware beroofd geweest +van de noodige zorgen, had niet een bloedverwante van hare moeder, +die bij de bevalling was tegenwoordig geweest en de Vrouwe van Dekama +in haar uiterste had bijgestaan, zich het hulpelooze schepseltje +aangetrokken. Deze liefdadige vrouw was Sybe Hattinga, de gade van +Juwe Van Adeelen. Medelijden opvattende met den deerniswaardigen +toestand van het verschoven weesje, verzocht zij als een gunst van +Dekama om zijn dochtertje met zich naar Adeelastins te mogen nemen, +onder belofte van voor haar eerste opvoeding te zullen zorg dragen: en +Dekama, aan wien het gezicht van het kind meer en meer onverdraaglijk +was geworden, stond dit verzoek volvaardig toe. + +Sybe Van Adeelen betoonde zich het haar geschonken vertrouwen volkomen +waardig, door de teedere zorgen, welke zij aan het aanvallige wicht +besteedde, waarvoor zij al spoedig een moederliefde opvatte en +betoonde, schier gelijk aan die, welke zij toedroeg aan haar eenigen +zoon Seerp, een knaap, ongeveer tien jaren ouder dan Madzy. Recht +in zijn schik, dat moeder hem een zusje had medegebracht, hechtte +hij zich terstond aan het kleine meisje, droeg voor haar meermalen +waakzame zorg wanneer zijn moeder afwezig was, achtte zich gelukkig, +wanneer hij de eerste schreden van het lieve kind besturen mocht, +en verliet niet zelden zijne spelen om bij het wiegje te zitten +en aan zusje Madzy de zoetste woordjes, die hem in den zin kwamen, +te laten nastamelen. + +Ook Juwe Van Adeelen had zijn aangenomen dochtertje lief; misschien +even zooveel als zijn vrouw, en iets minder dan zijn zoon, met wien +hij het meest ophad, en wel om de eenvoudige reden, dat deze de +eenigste was van de drie, die hem op zijn jacht- en vischpartijen kon +verzellen. Buiten deze genoegens en die van de daarmede in verband +staande drinkmalen, was de goede man toch onvatbaar voor eenige +genieting; en de oogenblikken, welke hij rustig en in den huiselijken +kring op zijn stins doorbracht, waren zoo zeldzaam, en hij bevond zich +bij die gelegenheden zoo misplaatst, dat men hem daar minder als den +Heer des huizes dan wel als een gastvriend beschouwde. Hij liet dan +ook zijn echtgenoote volkomen vrij, zoowel in de besturing van haar +huiselijke zaken als in haar beschikkingen omtrent Madzy:--en zeker +had hij zijn vertrouwen nimmer beter kunnen plaatsen. + +Onder de waakzame oogen der edele Vrouw bracht de telg van Dekama +de dagen harer kindsheid allergelukkigst door, teeder gehecht aan +haar pleegmoeder, en ook aan haar grooten broeder Seerp, gelijk zij +hem noemde: hoewel zij met dezen laatsten, naarmate zij in jaren +klommen, somtijds onaangename tooneelen had, door zijn hoofdigen en +eigenzinnigen aard veroorzaakt; want, zoolang hij met haar gesold +had als met een klein kind, dat hem nimmer tegensprak, had zij nooit +iets van hem te lijden gehad; maar naderhand ging het tusschen hen +als met Alexis en zijn zusje, volgens het bevallige gedichtje, dat +wij tot motto van dit hoofdstuk hebben gebezigd. Daar echter Madzy +zachtzinnig en inschikkelijk van aard was, en bij alle oneenigheid +dadelijk toegaf, was de vrede doorgaans spoedig hersteld en de smart +ras vergeten:--en welke zijn de onaangenaamheden, welke de kindsheid +niet spoedig voorbijziet? + +Het duurde ongeveer tien jaren, eer Dekama, die intusschen, als +der wereld en hare vreugde afgestorven, zijn treurige dagen op zijn +erfgoed had doorgebracht, zich herinnerde, dat hij nog een dochter +op Adeelastins in leven had: en verveling of nieuwsgierigheid, meer +dan ouderliefde, dreven hem derwaarts. Doch helaas! het onvoorbereide +meisje rukte zich los uit de armen van den somberen, zwarten edelman, +die haar omhelzen wilde, en zocht haar toevlucht aan den hals van +haar pleegmoeder. + +Deze ontmoeting was weinig geschikt om aan Dekama meerdere teederheid +voor zijn dochter in te boezemen. Hij verkropte echter zijn spijt, +uit aanmerking der erkentenis, welke hij aan Sybe verschuldigd was; +maar hij eischte zijn kind niet terug, tot groot genoegen der edele +Vrouw, die het ongaarne gemist zou hebben op een tijd, dat het in staat +begon te worden de haar bewezene diensten te beloonen. Daarentegen +schepte hij, gedurende het kort verblijf, dat hij op Adeelastins +maakte, genoegen in den omgang met den jeugdigen Seerp, die nu de +jaren bereikt had, waarop hij de wereld in kon treden, en wiens +hooghartig karakter veel overeenkomst met het zijne had. Dekama +bemerkte weldra, dat de opvoeding van den jongeling in vele opzichten +verwaarloosd was, daar deze op de stins en onder de leiding zijns +vaders weinig gelegenheid had gehad om zich in het meer edele gedeelte +der ridderlijke oefeningen bekwaam te maken. Hij stelde daarom aan den +ouden Adeelen voor, dat Seerp hem naar Dekamastins zoude vergezellen +om hem tot schildknaap te verstrekken en onder zijn opzicht aan te +leeren wat hem nog ontbreken mocht;--door welken dienst hij, gelijk +hij zich uitdrukte, de handelwijze der Adeelens jegens zijne dochter +hoopte te vergelden. Deze voorslag klonk in den beginne vrij onwelkom +in de ooren van Juwe, die niet gaarne een zoo wakkeren jachtgezel als +zijn zoon wilde missen; doch op aandrang, zoowel van den knaap zelven, +die, volgens den aard der jeugd, naar verandering haakte en wien het +in de ziel griefde, dat ieder zijner tijdgenooten hem in bekwaamheid +vooruit was, als van de verstandige moeder, die het voorbeeld van haar +echtgenoot hoogst gevaarlijk achtte voor den jongeling, gaf de oude +man toe, en Seerp volgde Dekama op de stins van dezen, waar hij zich +al spoedig in alle ridderlijke oefeningen zoodanig volmaakte, dat hij +in staat was, om, gelijk wij gezien hebben, met eer op een steekspel +te verschijnen. Maar behalve de uiterlijke bekwaamheden, welke hij van +Dekama overnam, zoog hij ook van dezen, gelijk wel te verwachten was, +al de vrijheidsademende denkbeelden en al den nationalen trots in, +welke den ouden Edelman kenmerkten en, als het meestentijds gaat, +door zijn kweekeling nog overdreven werden. + +Dit duurde zoo tot den dood van den ouden Juwe Van Adeelen, die na +verloop van een drietal jaren op een jachtpartij overleed aan de +gevolgen van een twist, uit een beuzelachtige omstandigheid ontstaan: +namelijk over het aanleggen van het vuur. Eenigen der Edelen, die de +Schieringer-partij waren toegedaan, hadden namelijk het vuur boven de +brandstoffen gelegd, iets hetgeen de Vetkoopers, die gewoon waren, +zich te onderscheiden door de turven boven het vuur te leggen, niet +wilden gedoogen. De kortelings nog vroolijke jachtgezellen, door den +drank verhit, trokken hun dolken en zwaarden; Juwe, ofschoon van een +vreedzamen aard, zag zich genoodzaakt partij te kiezen en ontving in +het gevecht een doodelijke wonde. Seerp keerde op het bericht van dit +voorval naar zijn stins, om van zijns vaders erfgoed bezit te nemen en +zijn dood te wreken. Weldra toonde hij, dat de leden van zijn geslacht +aan hem geen zoo gemakkelijk stamhoofd, noch de eigengeërfden uit +den omtrek een zoo toegevenden buurman hebben zouden als zijn vader +geweest was. Zijn eerste daad was, zijn krijgsknechten uit te rusten, +de moordenaars zijns vaders op hunne stinsen te overvallen en hen van +'t leven te berooven. Deze doodslag werd wel gezoend; maar niet zonder +dat een aanzienlijk gedeelte der landgoederen van Adeelens vijanden +in zijn bezit verbleven: terwijl zijn stoute daad hem een grooten +naam gaf bij zijn partij en hem trotscher en hooghartiger maakte +dan ooit. De zachte vermaningen zijner moeder en de zusterlijke +raadgevingen van Madzy hielden hem echter eenigszins in toom, en +beletteden althans voor eenigen tijd, dat Adeelen zich in nieuwe +twisten stak. Intusschen zag de edele Vrouw de toekomst donker in, en +voedde niet ten onrechte de vrees, dat wanneer zij eens haar echtgenoot +in het graf zoude gevolgd zijn, haar zoon, bij gemis van goeden raad +en leiding, zich geheel aan de inspraak van zijn heerschzuchtigen +aard zou overgeven. Haar vurigst verlangen, hetwelk zij meer dan +eens bedektelijk uitte, was daarom, dat Madzy, wier juist oordeel, +uitmuntend verstand en zachte inborst haar tot zulk een taak volkomen +in staat stelden, Seerp eenmaal, wanneer zijn moeder kwam te vallen, +tot leidsvrouw en gezellin op 's levens pad verstrekken mocht. Madzy, +die nooit eenig jongeling dan Seerp had leeren kennen, en hem een +zusterlijke genegenheid toedroeg, leende geen afkeerig oor aan de +wenschen, door haar weldoenster gekoesterd, en gewende zich als van +zelve aan het denkbeeld van op Adeelastins haar dagen aan de zijde des +Burchtheers te blijven doorbrengen. Wat dezen betrof, hij beschouwde +haar nog te veel als een kind, dan dat hij er om gedacht zoude hebben, +haar in goeden ernst zijn hof te maken: hij behandelde haar, gelijk +hij altijd gewoon was geweest, zeer uit de hoogte; maar hij deelde +niettemin in den wensch zijner moeder; want hij voorzag, dat Madzy +een aardig lief vrouwtje zoude worden, en de gedachte streelde hem, +dat de bezittingen van de rijke erfgename der Dekama's hem eenmaal +tot den vermogendsten der Friesche Edelen zouden maken en hem in staat +stellen, een overwegenden invloed op zijn landgenooten uit te oefenen, +en hen tot afschudding van het Hollandsche juk te nopen. + +De stille leefwijze, welke Madzy sinds haar eerste kindsheid op +Adeelastins geleid had, moest eindelijk ophouden. De Vrouwe van +Adeelen, die sedert eenige jaren de beginselen eener teringziekte had +onder de leden gedragen, voelde haar einde naderen. Op haar sterfbed +gaf zij nog voor 't laatst haar innig verlangen te kennen, dat Madzy +eenmaal haar zoon zoude huwen: en toen het diep ontroerde meisje +door aandoening werd belet haar te antwoorden, legde zij de handen +der twee wezens, welke zij boven alles bemind had, in elkander, +en ontsliep zonder smarten, de zalige gedachte met zich nemende, +dat zij een brave gade voor haar zoon had opgekweekt. + +Toen Sjoerd Dekama kennis van het sterfgeval bekwam, zag hij wel in, +dat hij niets anders doen kon, dan de zoolang door hem verwaarloosde +dochter bij zich in te nemen. Hij zond zijn ouden slotvoogd om haar +af te halen; en zij kwam tot hem, een vreemdeling in het huis haars +vaders. Wel was deze innerlijk trotsch op zijn dochter, toen hij zag, +hoe schoon en beminnelijk zij was geworden; maar sedert zoolang was +zijn stins door geen vrouwenvoet betreden geweest, dat hij moeite +had, haar die gemakken te verschaffen, welke haar kunne en staat +vereischten: zoodat zij een weinig genoeglijk leven sleet, alleen +in het gezelschap van iemand, die den omgang met vrouwen geheel was +afgewend. In den beginne kwam, wel is waar, Seerp haar nu en dan +bezoeken en eenige verscheidenheid in haar eentonig leven brengen; +doch daar deze eerlang met de monniken van Lidlum in een heftigen +twist geraakte, die hem zijn huwelijksvoornemens voor een wijl deed +uit het oog verliezen, werden die bezoeken weldra meer schaarsch en +hielden eindelijk geheel op. + +Dan, ook de tegenwoordige toestand van Madzy moest van korten duur +zijn. Dekama stierf, eer nog het jaar ten einde was, aan een aanval +van beroerte, welke men toeschreef aan de woede, waarin hij geraakt +was, bij het vernemen, dat Stavoren en nog twee Friesche steden de +laagheid hadden gehad, den Graaf van Holland als Heer te huldigen. Bij +zijn uitersten wil droeg hij de voogdij over zijne dochter op aan den +Heer van Aylva, zijn krijgsmakker en wapenbroeder in vroegere jaren, +en den eenigen man bijna, wiens gezelschap hij nog in de dagen zijner +afzondering had willen dulden. + +Aylva kwam naar Dekamastins, zoodra hij het verlangen van zijn +overledenen vriend had vernomen. Madzy kende den Olderman niet +persoonlijk; maar zij had hem meermalen door haar vader hooren +prijzen, die hem een volkomen Ridder noemde, welke slechts +één gebrek had, namelijk dat hij niet genoeg Fries was, 't geen +Dekama aan de veelvuldige reizen en lange uitlandigheid van Aylva +toeschreef. Weldra, bij de kennismaking met haar voogd, die haar nu +meermalen ter regeling en besturing van haar erfgoed bezoeken kwam, +leerde zij zijn beminnelijk en edel karakter ook bij ondervinding +kennen en waardeeren, en met een soort van verwondering ontdekte zij, +dat er nog een ander slag van menschen bestond, dan haar vader of de +Adeelens. Zij hoorde nu niet meer op allen vreemden landaard schelden, +noch uitsluitend datgene prijzen, wat louter Friesch was: zij hoorde +van gewoonten en gebruiken spreken, waarvan zij nooit gedroomd had: +en een beschaafden, wellevenden toon voeren, welke noch op het sombere +huis van Dekama noch op Adeelastins ooit gekend was. Het was dan ook +zonder tegenzin, dat zij het aanbod aannam, haar door Aylva gedaan, +om eenigen tijd op zijne stins te komen doorbrengen en aldaar zijne +zusters gezelschap te houden, terwijl het huis haars vaders eenige +herstelling en vertimmering onderging, die door langdurig verzuim +hoogst noodig waren geworden. + +Het was daar, in haar nieuw verblijf, dat zich de uitmuntende +begaafdheden, welke zij van de natuur ontvangen had, geheel +ontwikkelden. De twee zusters van Aylva, jonger dan hij, doch oud +genoeg om Madzy door haar voorbeeld op te leiden, verschaften haar +een even genoeglijk als leerrijk gezelschap. Beiden waren niet +slechts in alle vrouwelijke handwerken, maar ook, hetgeen te dier +tijd zeldzamer was, in zang en snarenspel bedreven; en Madzy maakte +van haar onderricht zulk een nuttig gebruik, dat zij weldra haar +meesteressen voorbijstreefde. Bovendien werd de stins van Aylva niet +zelden bezocht door welkome gasten, die zoowel door den gullen en +aangenamen omgang des Oldermans als door de schoonheid en begaafdheden +van het beminnelijke drietal werden derwaarts gelokt, en de Roos van +Dekama (want deze naam, haar door een reizenden minnezanger gegeven, +was haar sedert bijgebleven) bracht, in die gestadige afwisseling +van vroolijke en belangrijke gezelschappen, de schoone dagen harer +jeugd op de aangenaamste wijze door. + +Ondertusschen had Seerp Van Adeelen met de monniken van Lidlum +vrede gesloten, waartoe hem, gelijk wij vroeger gezien hebben, +de welsprekendheid van vader Syard genoopt had; de verstandige +kloosterling had hem van zijn zwakke zijde aangetast, door hem te +verhalen, hoezeer de Hollanders juichten over de inwendige tweespalt, +die Friesland verdeelde. Adeelen begon nu weder aan Madzy te denken en +zich te verwijten, dat hij haar eenigen tijd verwaarloosd had. Daar hij +echter zijn huwelijk met haar als een vastgestelde zaak beschouwde, +aan wier voltrekking geen twijfel wezen kon, deed hij, bij zijn +eerste bezoek op de stins van Aylva, geene de minste moeite om zijn +achteloos gedrag te vergoelijken, of verschooning aan Madzy, die +hij nog altijd als een kind aanzag, af te smeeken. Wat haar betrof, +zij had, wij moeten het gulweg bekennen, in den laatsten tijd weinig +aan hem, ofschoon dagelijks aan zijn goede moeder, gedacht: zij zag +hem niet terug met dat oog van eerbied en vrees, waarmede zij vroeger +gewoon was geweest hem te aanschouwen. Hij was voor haar niet langer de +Burchtheer van Adeelastins, zooveel ouder dan zij; maar eenvoudig een +onhoffelijke, ruwe landedelman, die nog veel te leeren had, eer hij +geschikt ware om haar hart te winnen. Zij behandelde hem echter, uit +oude betrekking, met minzame vertrouwelijkheid; maar als Adeelen over +hun aanstaand huwelijk sprak, kwam zij altijd met de verontschuldiging +voor den dag, dat zij nog veel te jong was om daaraan te denken. + +Hij kon zich echter over dit antwoord niet beklagen; want hij zag, dat +het geene loutere uitvlucht was: daar zij verscheidene andere edele +Friezen, die de rijke erfdochter der edele Dekama's ten huwelijk +waren komen vragen, ronduit had afgeslagen, en hem herhaaldelijk +verzekerde dat zij bereid was, de hoop eenmaal te verwezenlijken, +door zijn moeder gevoed. + +Aldus stonden de zaken, toen de gebeurtenissen te Stavoren plaats +vonden, welke aanleiding gaven, dat in den _weerstal_ of de +landsvergadering der Friezen tot het zenden van afgevaardigden +besloten werd, waarbij men zich op de drie personen bepaalde, +in deze geschiedenis genoemd. De keus der geestelijke Heeren viel +natuurlijk op den Abt van Sint-Odulf, daar deze als een nabuur der +inwoners van Stavoren het meest bij de zaak belang had, en het best in +staat was het gebeurde te beoordeelen. Oostergoo benoemde Aylva, die, +wegens zijn aanzienlijke bezittingen en als Olderman van Leeuwarden, +in dat gewest een uitgebreiden invloed had. Westergoo koos Adeelen, +zoowel om zijn koninklijke afkomst, welke hem zelfs onder de vrije +Friezen een aanzien gaf, dat hij anders niet zoude hebben gehad, +als om het ontzag, dat men voor zijn macht en wakkere daden gevoelde. + +Adeelen, bezorgd dat Madzy in de afwezigheid van Aylva zonder +bescherming zoude achterblijven, en wellicht ook de hinderlagen +duchtende, welke, 't zij door dezen of genen minnaar, 't zij door een +geheimen vijand zouden gelegd kunnen worden, drong bij Aylva aan, +dat hij haar met zich op de reis naar Holland zoude nemen: tevens +echter zijn verlangen te kennen gevende, dat zij zich aldaar zoo min +mogelijk vertoonen zoude. Aylva had er niets tegen om aan het eerste +gedeelte van dit verzoek te voldoen, hoezeer het hem leed deed dat zijn +zusters, die in den tusschentijd gehuwd waren, haar niet zouden kunnen +vergezellen;--maar hij bekende, de reden niet in te zien, waarom hij +aan Madzy die vermaken zoude ontzeggen, welke een tijdelijk verblijf in +Holland haar kon opleveren, en waarop iemand van haar kunne en leeftijd +billijk mocht aanspraak maken. Madzy echter nam alle zwarigheid weg, +door te verklaren, dat, zoo zij medeging, zulks alleen zoude wezen, +om haar voogd op reis de noodige oppassing en dienst te bewijzen, +waaraan hij gewoon was, en dat zij niet verlangde zich in 't openbaar +te vertoonen om aan de Hollandsche Jonkvrouwen tot een voorwerp van +spotternij te verstrekken:--en het was onder deze voorteekenen dat +de reis werd ondernomen. + +Dan, de goede Madzy had niet nagedacht, dat deze reis zou dienen om +haar voorwerpen te leeren kennen, en zaken uit een oogpunt te doen +zien, van welke zelfs de gesprekken met haren voogd haar nog geen +denkbeeld hadden kunnen geven. Zij vond zich, zonder zelve te weten +hoe, op eenmaal als een twistappel aan het hof des Graven geworpen, +gevleid, bewonderd en benijd. Zij had de zoete taal gehoord van +Ridders, bij wie Adeelen evenmin te vergelijken was als de ruwe +goedendag des huismans bij den sierlijken pronkdegen met Damasceensch +lemmer des Edelmans, en hoe nederig ook en ingetogen, zij was eene +vrouw, en had niet zonder eenig behagen haar lof in hoofsche taal +hooren uitspreken door den mond eens Graven van Holland en zijner +Edelen, en haar hart sloeg harder, wanneer zij zich den wakkeren +Deodaat voorstelde, met zijn helderen, vriendelijken oogopslag, +met zijn zachtaardig voorkomen, dat zoo vreemd afstak tegen zijn +onweerstaanbaren moed, met zijn innemende stem, bevallige manieren +en heusche handelwijze ten haren opzichte. + +"Maar wat baat dit alles?" dacht zij, terwijl Sytsken haar hoofdtooi +in orde bracht: "het zoude in dien Deodaat, die wellicht niets anders +dan een ten hove gewone beleefdheid jegens mij in acht genomen heeft, +een dwaasheid zijn, mij te beminnen: en in mij een nog veel grooter +dwaasheid, zijn liefde aan te hooren. Geen uitlander als hij zou in +Friesland als de echtgenoot van Madzy Dekama geduld worden; en mijn +goede naam ware voor eeuwig verloren, indien ik mijn land verzaakte +om een vreemdeling zonder fortuin of afkomst te volgen. Neen, zoo ik +immer rust en geluk wil smaken, het is voor mij slechts in het land +mijner vaderen te vinden: en gelijk de zwaluw slechts nestelt aan +het dak waar zij uitgebroeid is, en niet met den vink naar vreemde +luchtstreken reist, zoo mag ook de Friezin alleen in Friesland haar +gade vinden." + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + + + Adusta is alleen de bron van al uw tranen: + Hy zette, razende van minnenijd en smart, + Om 't missen van zijn prooi, zijn' vriend een dolk op 't hart. + + Van Merken. Louize d'Arlac. + + +Het maal, dat op 's Graven jachtverblijf was aangericht, beloofde al +de feesten, welke tot dien tijd in Holland gegeven waren, in pracht en +rijkdom te overtreffen. Daar het weder, hoe ongestadig anders hier te +lande, sedert een geruimen tijd zoo aanhoudend gunstig was, alsof het +voor de feestvieringen ware uitgekozen geweest, had men zonder eenige +moeite de toebereidselen op den Vogelesang kunnen maken. Vermits het +jachthuis te klein was om de genoodigden te bevatten, waren er ter +zijde van het gebouw verscheiden tafels aangericht van een aanzienlijke +lengte, omringd van banken, die wel uit ruw hout samengesteld, maar +met sierlijke kussens overdekt waren. Op en om die tafels waren al de +fraaiigheden ten toon gesteld, welke de kunst in die eeuw bekwaam was +op te leveren. Zoo prijkten hier, instede der _plateaux_ van lateren +tijd, twee gansche kasteelen op tafel, met hun schansen en torens, +van welke de banieren des Graven waaiden en waar binnen zich een deel +hoornblazers bevonden, die gedurende den maaltijd het gezelschap op +hun muziek moesten onthalen. Zoo stonden er onder de hooge linden +rijke _dressoiren_ of aanrechttafels, waarop blinkende vazen en +kannen en koelvaten van allerlei vorm en metaal pronkten, en welke, +vreemd genoeg, door tamme beren werden bewaakt, die geleerd hadden, +bij de aankomst der gasten, de spietsen, waarmede zij gewapend waren, +ter aarde te buigen. Maar, wat de meeste bewondering verwekken moest, +waren drie nagemaakte olifanten, zoo groot als in 't leven, maar welke +de dorpsschilder, die waarschijnlijk nooit deze dieren gezien had, +ter eere van 's Graven blazoen, met roode, gele en zwarte strepen had +beschilderd. Uit den snuit des eenen vloot Rijnwijn; de tweede gaf +Franschen witten wijn, en de middelste hypocras. Nog merkwaardiger, +wat de kunst betrof, doch minder belangrijk in de oogen der gasten, +was een boom, die midden op de tafel stond en alle mogelijke vruchten +droeg, deels natuurlijk, deels nagebootst, en in wiens gouden bladeren +kunstig gemaakte vogeltjes, door verborgen werktuigen bestuurd, +met de vlerken klapperden en allerlei deuntjes floten. + +Het was ongeveer zes uren na den middag, de tijd, waarop men gewoon +was den tweeden maaltijd te nemen: de meeste gasten waren reeds +verzameld en wandelden de bekoorlijke dreven op en neder, ofschoon +zij die beweging niet behoefden om hun honger te scherpen. Zij hadden +door het tornooispel van dien morgen verzuimd hun middagmaal te nemen, +of te _rampeneeren_, gelijk men het noemde, en benijdden de paarden, +die in haastig opgeslagen noodstallen zich reeds vergasten mochten aan +het versche gras, waar de ruiven mede gevuld waren, toen de Graaf met +zijn hofstoet van Haarlem kwam aangereden. Zijn voorhoofd was somber, +en hoewel hij zijn best deed om zich te bedwingen en zijn gasten met +gulheid en wellevendheid te verwelkomen, ontging het echter niemand, +dat hij zich in een onaangename luim bevond. + +De oorzaak hiervan lag in de tijdingen, welke hij dien dag uit het +Sticht bekomen had. Ieder, die met de geschiedenis van ons land +bekend is, weet, hoezeer de Graven van Holland er altijd en met +reden op gesteld waren geweest, een Hollander, of althans een hunner +bloedverwanten of leenmannen, op den Bisschoppelijken zetel te zien, +ten einde hun invloed op het Sticht te behouden en de anders zoo +gestadige twisten tusschen Holland en Utrecht te voorkomen. Dit was ook +het doel van Willem IV geweest en hij was daarin in zooverre geslaagd, +dat hij Jan van Arkel, den zoon van een zijner machtigste vazallen, +den mijter had doen bekomen. Wij hebben reeds vroeger opgemerkt, +hoe de nieuwe Bisschop weinig aan het oogmerk zijns beschermers had +beantwoord. In den bloei der jaren, tegen zijn zin in den geestelijken +stand getreden, bovendien uit een hooggevoelend en trotsch geslacht +gesproten, dat slechts noode iemand boven zich gesteld zag, had de +fiere jongeling weinig lust gevoeld, aan den leiband des Graven een +berooiden boel te beheeren en alleen in naam Bisschop te zijn, zonder +het vermogen te bezitten om zijn waardigheid op te houden of zijn +gezag te doen gelden. Het gevolg hiervan, de reis des Bisschops naar +Grenoble, het lossen der aan Graaf Willem verpande sloten en al hetgeen +verder gedaan was om diens invloed te verminderen, hebben wij reeds +verhaald. Om dezen invloed te herwinnen had de Graaf onderscheidene +middelen in het werk gesteld, en, nu kort te voren, inzage der +rekeningen van het Bisdom verlangd: maar het was juist na den afloop +van het steekspel, dat een renbode hem een brief gebracht had van de +Kapittels van Utrecht, waarbij hem die inzage gladaf geweigerd werd. In +de eerste opwelling van gramschap over dezen grievenden hoon had hij, +zonder iemand te raadplegen, en alleen zijn drift gehoor gevende, +terstond een ontzeggingsbrief aan de stad Utrecht terug doen zenden: +en het was de wrevel over dit voorval ontstaan, welke thans nog op +zijn gelaat te lezen was. + +Terwijl hij zich in deze gemoedsgesteldheid bevond en bestreden +werd door de heftige gewaarwordingen, welke slechts een nieuwe +gelegenheid wachtende waren om uit te barsten, evenals het kruit +slechts een vonk noodig heeft om te ontbranden, naderde hem Adeelen, +Madzy aan de hand geleidende en door zijn beide medeafgevaardigden +gevolgd. Een beter hoveling dan Adeelen zou de gefronste wenkbrauw +des Graven hebben opgemerkt, die zich nog sterker samentrok toen +hij den Fries in 't oog kreeg; hij zou gevreesd hebben, den grammen +leeuw te tergen, en een meer geschikte gelegenheid afgewacht hebben +om tot den Vorst te spreken, maar Adeelen was er de man niet naar, om +zich door een donker gezicht te laten afschrikken. Stoutweg deed hij +een stap naar den Graaf, en hem Madzy voorstellende: "Heer Graaf," +zeide hij: "gisteren had Madzy Dekama nog een vijftigtal vrijers, +die het slechts voor de leus waren: heden heeft zij een bruidegom; +maar die meent het goed. Ik zou u gisteren ons huwelijk reeds hebben +aangekondigd," vervolgde hij, de stem verheffende, ten einde door +Deodaat, die niet verre van daar stond, gehoord te worden, "maar toen +was ik nog niet zeker van mijn zaak; en het doet mij leed, dat ik, door +een valschen waan misleid, de bedoelingen van dien Ridder daar" (op +Deodaat wijzende) "heb miskend. Ik herstel hem in zijn eer, en beken, +dat ik verkeerd deed, hem te hoonen: meer kan ik niet zeggen: heden +heeft zij mij de toedracht der zaken opgehelderd en het is tusschen +ons beiden beklonken. Zoodra wij in Friesland teruggekeerd zullen zijn, +'t geen God geve dat spoedig plaats hebbe, gaat het huwelijk door." + +Deze aanspraak was, ja, door Graaf Willem ten einde toe aangehoord, +maar niet zonder herhaalde teekenen van wrevel, toorn en ongeduld, +welke Adeelen niet had opgemerkt. Toen deze echter had uitgesproken, +kon de Graaf zich niet langer bedwingen. Het voorgenomen huwelijk van +Madzy wierp weder een der door hem gevormde plannen in duigen, dat +namelijk, van een verbintenis tusschen haar en een zijner vertrouwde +hovelingen: en de vrijmoedige taal van den Fries, welke hij tot +nu toe uit staatkunde en ridderlijke toegevendheid geduld had, +was hem eindelijk ondraaglijk geworden. Hij stampte driftig met den +wandelstaf, dien hij in de hand had, op den grond, en toen den Fries +met woedende oogen aanziende: "Bij Sint-Japik!" riep hij uit: "en +zijt gij zoo zeker, lompe Fries! dat gij den dag van morgen beleven +zult, om nu reeds een trouwdag te bepalen. Bij alle Heiligen, die +Jonkvrouw is ouderloos en als zoodanig zijn wij als landsheer haar +rechte en natuurlijke voogd: en niemand zal haar trouwen, die niet +onze toestemming verzocht en verkregen heeft." + +Al de omstanders waren verbaasd en ontzet over dezen heftigen uitval: +en Adeelen zelf, hoe weinig door woorden af te schrikken, was zoo uit +het veld geslagen door de onverwachte wijze, waarop de Graaf zijn +toespraak had opgenomen, dat hij eenige oogenblikken stom bleef, +en zonder te weten wat hij deed, met de linkerhand zijn sabelknop +omvatte, als vreesde hij een dadelijken aanval. + +Beaumont, die als des Graven goeden engel altijd aan zijn zijde stond, +haastte zich, hem zachtjes in 't oor te fluisteren: + +"Bedenk wat gij doet: wees bedaard, en herinner u, dat wij ons geene +nieuwe vijanden op den hals behoeven te halen." + +Deze welmeenende raad diende slechts om olie in het vuur te gieten: "De +duivel hale alle bedaardheid!" riep de Graaf: "wat ben ik? wettig Heer +van deze landen? of een speelbal in de handen mijner onderzaten? Wij +hebben ons genoeg verlaagd: lang genoeg de plompe onbeschaamdheid van +een vazal verdragen, die het er op toelegt, ons in 't aangezicht te +beleedigen. Bij Sint-Japik! hadden wij ons ridderwoord niet gegeven, +van het tweegevecht van morgen niet te zullen beletten, deze Seerp +Van Adeelen ware reeds lang in den kelder van ons huis in 's-Hage +geworpen." + +Adeelen, die zijn vrijmoedigheid inmiddels teruggekregen had, was +op het punt van den Graaf een haastig antwoord toe te duwen, toen +Aylva met een bedaarden doch vasten stap voor hem trad, en hem met +de linkerhand afweerde. + +"Graaf!" zeide hij: "zoo Seerp Van Adeelen u hedenmorgen beleedigd +heeft, ik ben er verre af, partij voor hem te kiezen en hem te +verschoonen. Maar wij konden billijk verwachten, dat wij aan het +hof des zoons van Willem den Goeden, des meesters der Koningen, +des volmaaksten Ridders van Europa, die gastvrijheid zouden zien +betrachten, waarop wij als genoodigden en als de waardigheid van +afgevaardigden bekleedende, welke bij alle beschaafde natiën in +achting is, aanspraak vermeenden te kunnen maken. Daar dit echter het +geval niet is, zoo zullen wij uwe Genade van een gezelschap ontslaan, +dat hinderlijk schijnt geworden te zijn." + +De Graaf hoorde deze toespraak aan, zonder den Fries in de rede te +vallen en zonder eenig blijk van ongeduld te geven, dan dat hij op den +knop van zijn wandelstok beet, een bezigheid, waarmede hij voortging +toen Aylva gesproken had, zonder dezen eenig antwoord op zijn rede +te geven. Aylva was dan ook gereed met een buiging verlof te nemen, +toen Beaumont tusschen beiden trad en hem weerhield. + +"Blijf, edele Aylva!" zeide hij: "blijf, waardige Abt! u kunnen de +woorden des Graven niet gegolden hebben. O mijn edele Neef! deze +edellieden, deze vrome Abt zijn uwe gasten. Laat hen niet vertrekken +met een slechte herinnering aan uwe vorstelijke gastvrijheid." + +"Wij hebben hen niet gehinderd daarvan gebruik te maken," zeide Willem, +op een hoogen toon: "doch het was tijd, dat zij een les ontvingen, +hoe zich in onze tegenwoordigheid te gedragen. Onze Herauten hadden +hen beter behooren te onderrichten." + +Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich met een haastigen tred en +ging naar de Gravin, die zich, op een geruimen afstand vandaar, in 't +midden van een stoet van hooge genoodigden en adellijke Jonkvrouwen +bevond. De meeste omstanders volgden den Graaf; maar zijn laatste +woorden waren niet verloren gegaan, en de oude Wapenkoning, die ze +gehoord en als een zijdelingsch verwijt had opgenomen, trad naar +Adeelen toe en begon hem, op een half beleefden, half bestraffenden +toon, de les te lezen over zijn gedrag, terwijl Beaumont en Teylingen +den Abt en den Olderman poogden over te halen, het feest niet te +verlaten om een woord, dat den Graaf in drift ontvallen was. + +"Gij moet weten," zeide de oude Paypaert tot Adeelen, "dat het hoogst +onbetamelijk en met alle gebruiken strijdig is, het woord tegen den +Graaf te voeren, zonder daartoe alvorens verlof te hebben doen vragen +door een Heraut, of, zoo er geen aanwezig is, door een van 's Graven +schildknapen, of eindelijk, bij mangel van dien, door een dienstdoenden +page. Geloof mij, Jonker! dat ik, die mijn waardigheid reeds bekleed +heb onder Graaf Floris, die de minzaamste aller vorsten was, ja zelfs +zoodanig, dat hij het slachtoffer zijner te groote goedheid werd, als +iedereen weet: onder Graaf Jan den Eersten, die de zachtheid zelve +was: onder Graaf Jan den Tweeden, die alles deed wat in hem was, om +de welwillendheid zijner onderzaten te winnen: onder Graaf Willem den +Goeden, wiens naam alleen genoeg zegt om aan te duiden wat hij was: +dat ik, zeg ik, nooit heb ondervonden, dat een van die edele Graven, +wier zielen God genadig zij, ooit geduld heeft, dat een onderzaat, +al ware hij een Baanderheer, onaangediend en ongevraagd het woord tot +hem voerde, tenzij over tafel of aan 't spel, uitgezonderd alleen +de magen van het Grafelijk Huis, als de Heeren van Brederode, van +Voorne, van...." + +"Dat is alles schoon en goed," zeide Adeelen, wien deze predikatie +reeds sedert lang verveelde, maar die geen kans zag om er aan te +ontkomen, zonder tegen den ouden man, die hem bij de mouw hield, +geweld te gebruiken:--te meer daar hij ingesloten was tusschen een drom +Herauten, pages en hofbeambten, die zich vermaakten met zijn ongeduld +en met den gewichtigen toon, waarop Paypaert de regels der hofetiquette +voordroeg:--"maar wij Friezen volgen liefst onzen eigenen weg en zeggen +gaarne wat wij meenen en waar het ons best gelegen komt. Hoe dit zij, +de Graaf zal over mijne _woorden_ niet meer te klagen hebben." + +"Ja, waren het slechts uwe woorden," hervatte de onverbiddelijke +Wapenkoning: "maar gij hebt ook een zeer verkeerde daad gedaan, door +uw bruid zelve aan den Grave voor te stellen. Zulks had behooren te +geschieden door den voogd der Jonkvrouw, die haar alsdan had moeten +toevertrouwen aan een Edelvrouw der Gravin, door welke zij vervolgens +aan den Grave op eene door zijne Genade nader te bepalen wijze zoude +zijn voorgesteld, waarop gezegde Jonkvrouw uwe bruid...." + +"Mijn bruid!" riep Adeelen eensklaps uit: "ja! waar is zij?--gij +spreekt van toevertrouwen.... maar ik vertrouw haar hier aan niemand +toe."--En degenen die naast hem stonden ter zijde schuivende, trad +hij met drift buiten den kring en zag naar Madzy uit. + +Deze was, bij de eerste uitbersting van 's Graven woede, een weinig +teruggeweken, en vervolgens, toen Willem zich verwijderd had, en +haar vrienden huns ondanks (gelijk wij gezien hebben) in diep gesprek +gewikkeld werden, op een kleinen afstand blijven staan, zonder op dat +oogenblik iemands aandacht tot zich te trekken. Terwijl zij zich dus +alleen en in dien onaangenamen toestand bevond, waarin men verkeert, +wanneer men zich van de zijnen afgescheiden en onder vreemden bevindt, +zag zij op eens het hinderlijke van dien toestand nog vergroot door +de onverwachte nadering van den bruinen beer, die deftig tusschen +de Herauten en haar in kwam aangetreden. Dit ongure dier had zich +waarschijnlijk op zijn post aan het _dressoir_ verveeld en verkozen +een wandeling op zijn eigen houtje te doen. Niet wel op haar gemak +bij dit vreemd verschijnsel, week zij terug in een slingerpad, dat +zich juist achter haar bevond:--een paar bedienden, die den beer +waren achtervolgd, dreven hem met stokslagen weder naar zijn plaats: +en toen zij het pad weder uit wilde komen, ontmoette haar aan den +ingang Deodaat. + +"Een enkel woord!" zeide deze: "een enkel woord, edele Freule! Ik +gevoel, dat plaats noch gelegenheid geschikt zijn; maar nood breekt +wet, en het is de laatste reize, dat ik u met mijne toespraak lastig +wezen zal." + +"Ridder!" zeide Madzy: "ik ben de bruid van Seerp Van Adeelen, en ik +mag uwe taal niet aanhooren. Veroorloof mij, naar mijn voogd terug +te keeren." + +"Een enkel oogenblik slechts," hernam Deodaat op een smeekenden +toon: "het is, of de hemel zelf mij deze gelegenheid toeschikt en +mij voorschrijft, die niet ongebruikt te laten ontglippen. Bedenk, +dat ik morgenochtend met uw bruidegom, den Fries, op dood en leven +moet kampen." + +"Helaas!" zeide Madzy met een bevende stem: "ik weet het te wel! en +kan niets dien strijd voorkomen?" + +"Ziedaar, wat ik mij genoodzaakt vond, u te zeggen. De ziel +van uwen.... van Adeelen, is te trotsch om te buigen, dit is mij +bekend. Van zijne zijde is dus geen terugstap te verwachten. Wat mij +betreft, gewillig gave ik mijn leven, eer ik de lans velde tegen +iemand, wien ik heden eerst bemerk dat u dierbaar is; doch het is +niet voor mijne wraak alleen dat ik strijden moet: het is de zaak +mijns meesters, die aan mijn arm, aan mijn eer is toevertrouwd; en +ik ware in de oogen der geheele Ridderschap onteerd, indien ik mij +niet in den kamp gedroeg gelijk het eenen braven Ridder betaamt. Wij +moeten dus kampen; daar is geene mogelijkheid om zulks te voorkomen." + +Madzy zweeg en sloeg de oogen neder. Haar hart bloedde; maar zij +gevoelde, dat Deodaat gelijk had. + +"Welnu!" vervolgde deze: "hiervan is het alleen dat ik u wilde +overtuigen, opdat gij, zoo ik in 't strijdperk treed, het mij niet +wijt, zoo ik mijn plicht als Ridder volbreng: en zoo het noodlot wil, +dat Adeelen door mij valt, haat mij dan, Jonkvrouw! maar laat voor +'t minst uw hart mij rechtvaardigen, en zeg dat ik niet anders kon +handelen." + +"Zoo deze verzekering iets tot uw geluk kan toedoen...." zeide Madzy +zuchtende. + +"Het geluk en ik," zeide Deodaat, "hebben afscheid genomen, sedert +Adeelen u aan den Graaf heeft voorgesteld;--want waarom zou ik het +u niet bekennen, Freule! ik bemin u! en is de zekerheid, dat ik, +verwinnaar of verwonnene, geene hoop op uw bezit mag voeden, niet +genoegzaam om mij voor mijn leven ellendig te maken? Wee mij! dat ik +nog moet trachten een vijand te vellen, door wiens handen ik liever +om uwentwil zou vallen." + +Al sprekende waren zij het zijlaantje langzaam op en neder geloopen +en bevonden zich door het kreupelhout aan de oogen der omstanders +onttrokken. Deodaat had in de drift van zijn hartstocht de hand van +Madzy gevat en zij had die niet teruggetrokken; want het bloed vloeide +haar naar het hart terug en zij was buiten de mogelijkheid om eenige +beweging te maken. Dat oogenblik van bedwelming duurde slechts kort. + +"Om Gods wil, Ridder!" zeide zij: "laat mij gaan; het voegt mij niet, +langer naar u te hooren: men heeft ons misschien zien gaan: men zal +ons bespieden.... men heeft ons reeds bespied." + +En dit zeggende, gaf zij een angstigen, half gesmoorden kreet. Naast +hen stond Reinout, doodsbleek, met gekruiste armen en het oog +vonkelende van toorn. + +Deze had, sedert hij zich van Deodaats ontrouw te hemwaart overtuigd +hield, in dien staat van hevige gemoedsaandoening verkeerd, waarin +het verhitte bloed beide verstand en hart bedwelmt en den mensch +zoowel onbekwaam maakt wel te gevoelen als wel te onderscheiden. Zijn +wrok tegen zijn wapenbroeder was niet verminderd door de dubbele eer, +welke dezen boven hem op het tornooispel was te beurt gevallen:--eene +week vroeger zoude hij die hebben toegejuicht: thans was hem die een +nieuwe spoorslag tot ijverzucht en wraak; want karakters als die +van Reinout kennen geen middelweg tusschen liefde en haat: en zoo +vurig hij te voren zijn vriend bemind had, zoo hevig was hij thans +op hem verbolgen. Iets later op dat feest gekomen, had hij niets van +de woordenwisseling tusschen den Graaf en Seerp Van Adeelen vernomen: +maar hij had uit eenige losse uitdrukkingen der feestgenooten verstaan, +dat de schoone Friezin de bruid was, zonder recht begrepen te hebben +met wien: en toen hij het vorstelijke paar genaderd was, had hij deze +woorden aan 's Graven mond hooren ontvallen: + +"Dat meisje zal niet met dien lompen Fries huwen: zoo Deodaat morgen +de overwinning behaalt, zal zij het loon zijner dapperheid wezen, +of in een klooster gaan." + +Dit gezegde was voor Reinout genoeg geweest. Woedend van minnenijd +was hij Deodaat gaan opzoeken, om hem zijn vermeende ontrouw te +verwijten, en hij had ter bekorting het laantje genomen, waarin zich +zijn medeminnaar bevond. Zoodra deze hem gewaar werd, liet hij de +hand van Madzy los en wilde spreken; maar Reinout schonk hem daartoe +den tijd niet. + +"Gij zult mij niet meer met schoonschijnende woorden bedriegen, +listige verrader!" riep hij; "wat ik gezien heb is mij genoeg: maar +hier is uw straf." Eer nog deze woorden geheel waren uitgesproken, +had hij zijn dolk getrokken en stootte dien Deodaat in den boezem. + +De jongeling wankelde en viel. Met een ontzettenden gil schoot +Madzy toe, en ontving hem in haar uitgebreide armen, waarna zij, +eene knie ter aarde buigende, op de andere het hoofd des gewonden +ondersteunde. Reinout had zijn dolk laten vallen en stond onbeweeglijk. + +"Gij hebt welgedaan, broeder!" zeide Deodaat, op wiens gelaat zich de +doodskleur reeds had verspreid:--"ofschoon het niet uwe hand had moeten +zijn, die.... vlucht Rinaldino--vlucht!.... het is mij zoet, zoo te +sterven," en zijn brekend oog rustte op Madzy met innige liefde. Weldra +echter sloot het zich en zijn hoofd viel neder als dat eens dooden. + +Reinout bedekte zich het gelaat met de beide handen: en toen, een +vervaarlijken sprong nemende, verdween hij in het kreupelhout. Bijna +in hetzelfde oogenblik kwam Adeelen te voorschijn, van eenige Edelen +gevolgd. + +"Voor den duivel!" zeide hij: "wat heeft dat te beteekenen? Een +vreemdeling in de armen van Madzy!" + +"Hulp! in 's Hemels naam!" riep deze: "hulp! hij sterft! zoo gij +vrome lieden zijt, helpt! en houdt den moordenaar vast! hij is door +het gindsche kreupelhout gevlucht."--En bij het uiten dezer woorden +wees zij in het boschje naar de zijde, welke Reinout was ingegaan. + +"Wie, wie is de moordenaar?" vroegen terstond onderscheidene stemmen. + +"Wie? wie?--Zijn vriend, zijn wapenbroeder, die zwarte Italiaan!" + +"Reinout!" riepen allen in verbazing uit; en verscheidenen snelden +het boschje uit om hem na te jagen. + +"Ik ben hem wellicht dank verschuldigd," zeide Adeelen, somber en +bedaard, terwijl hij beurtelings de gelaatstrekken van Deodaat en +die van Madzy, waarop een bijna gelijke bleekheid was verspreid, +bleef beschouwen. + +"Hij is nu dood," zeide Madzy, halfluid, op een toon van innige +droefheid, die niet zonder bitterheid was: "hij zal u geen minnenijd +meer baren." + +"Madzy! mijn kind!" riep Aylva, die inmiddels met verscheidene gasten +genaderd was: "bedenk waar gij zijt en wat gij doet;" en hij nam haar +bij den arm om haar van dit treurtooneel te verwijderen. + +Maar in dit oogenblik sloeg hij zelf een oog op de bevallige, doch +thans wezenlooze gelaatstrekken des jongelings, en een koude rilling, +waarvan hij de oorzaak niet kon nagaan, doorliep zijn aderen. Schoon +teergevoelig van aard, had hij den dood te dikwijls onder alle +gedaanten voor oogen gehad, dan dat het gezicht van een lijk bij hem +iets meer dan een gevoel van medelijden zoude hebben opgewekt;--doch +hier bezielde hem een ongekende gewaarwording; het was, of de dolk +van Reinout hem mede in 't hart getroffen had. + +"Is er geene hoop meer?" vroeg hij, angstig op het lichaam starende. + +"Zou hij nog te redden zijn?" zeide Madzy, de gelegenheid haastig +aangrijpende, welke haar nog een oogenblik toevens vergunde. Zij +legde de hand op zijn hart en na eenige oogenblikken van gespannen +verwachting riep zij uit: "God lof! het slaat nog: een arts! een arts!" + +"Wat heeft er plaats gehad?" vroeg de Graaf, driftig het moordtooneel +naderende: "is het die ellendige Fries, wiens dolk een mijner +edellieden heeft durven zoeken?" En zijn vorschend oog ondervroeg +beurtelings Beaumont en Adeelen. + +Weemoedig schudde de eerste het hoofd: "niet deze," zeide hij, op +Adeelen wijzende: "de moordenaar is gevlucht. Maar het wordt tijd, +dat lichaam naar een meer geschikte plaats te vervoeren." + +Men voldeed aan dit voorstel: twee edellieden beurden den zieltogenden +Deodaat van den grond op, en droegen hem naar het jachthuis, terwijl +Beaumont het hoofd ondersteunde, en Aylva, door eene onwederstaanbare +aandrift gedwongen, naast het lichaam bleef gaan, zonder de oogen +van het doodsbleek gelaat te kunnen afwenden. Al de overigen volgden +of omringden hen met zichtbare blijken van deelneming. Adeelen +alleen bleef terug met Madzy, die, toen het lichaam was opgenomen, +het besef van haar toestand had terugbekomen, en snikkende was ter +zijde getreden. + +"Wel hoe!" zeide Seerp, zich voor haar plaatsende en haar met een +hoonenden grimlach aanziende: "volgt gij het lijk van uw minnaar niet?" + +"Seerp! gij zijt wreed!" was alles, wat haar tranen aan Madzy toelieten +te zeggen. + +"Minder dan gij," zeide Adeelen, "die op den dag zelven, dat gij mij +trouw belooft, met een jongen lichtmis door het bosch gaat zwerven +en mij door uw ontrouw het hart doorboort en erger wonden slaat +dan uw boel ontvangen heeft. Ha! dubbelen dank ben ik dien Reinout +verschuldigd, die mij zoowel van pas gewroken heeft." + +"Gij behandelt mij onwaardiglijk," zeide Madzy: "gij miskent mij en +den edelen jongeling, die...." + +"Bloos niet, maar ga voort!--Welnu! die edele jongeling?...." herhaalde +Adeelen, op een bitsen toon, ziende dat de aandoening Madzy belette +voort te gaan. + +"Nu, ja dan," zeide Madzy, haar vrouwelijke waardigheid geheel +hernemende: "waarom gebloosd? Hij voelde voor mij een hopelooze liefde +en kwam mij het laatst vaarwel zeggen. Ziedaar zijn eenige misdaad, zoo +het al een misdaad was: de mijne was, hem aangehoord te hebben; doch +kon ik minder doen voor iemand, die wellicht morgen sterven zoude." + +"Voortreffelijk!" hernam Adeelen: "verdedig hem nog.--Wat mij betreft, +ik weet genoeg: herneem de trouw, die gij mij geschonken hebt, en uw +ring daarbij: ik begeer hem niet meer." + +Dit zeggende, trok hij den ring, dien hij van Madzy ontvangen had, van +zijn vinger, verbrak dien tusschen de tanden en wierp de stukken voor +de voeten der ongelukkige maagd, waarna hij haar snel den rug toekeerde +en zich verwijderde, haar alleen latende in een gemoedsgesteldheid, +die zich beter laat gevoelen dan beschrijven. + +Deze daad van Adeelen, of liever de beweging, waarmede hij die +volbracht had, was niet zonder getuigen gebleven. De Gravin, +verscheidene van hare aanzienlijke gasten en de stoet van edelvrouwen +en juffers, die haar vergezelde, waren juist langs dezen weg komen +aanwandelen om iets naders omtrent de ware toedracht der zaak te +vernemen, en hadden aan Adeelens gramstorige bewegingen en aan Madzy's +bedrukte houding reeds half geraden wat er gaande was. + +"Het schijnt ons toe," zeide de Gravin, "dat die bruigom zijn bruid +niet zeer tevreden verlaat." + +"Mij dunkt," zeide Oda van Wassenaar fluisterende tegen hare +vriendinnen, "dat hij niet kwalijk tevreden zijn moet, nu men hem +met éénen slag van een medevrijer en van een doodvijand ontslaat." + +"Foei Oda! kunt gij nog spotten met den dood van dien goeden Deodaat," +zeide Ottilia, met tranen in de oogen. + +"Ik beklaag den armen Ridder van ganscher harte," hernam Oda: "doch +mijns bedunkens is die Friesche Roos nog meer te beklagen, die, op +éénen dag, haar éénen minnaar vermoorden ziet, door haar bruidegom +verlaten wordt en misschien haar derden vrijer ziet onthoofden." + +"Zou het dan wezenlijk Reinout zijn," vroeg Ottilia, "die zulk een +laagheid begaan heeft?" + +"Noem het geen laagheid," viel Oda in: "waarlijk, ik zou iemand wel +liefhebben die mij genoeg beminde om zijn oudsten en trouwsten vriend +aan zijn liefde op te offeren. Daar zou geen van onze Hollandsche +edelen, die karnemelk voor bloed in de aderen hebben, ooit toe komen." + +"Goddank neen!" zeide Ottilia: "gij zijt afschuwelijk, Oda! en ik +spreek u heden geen woord meer toe." + +"Gij hebt gelijk," zeide Oda: "ga liever die Friesche nuf opbeuren, +die eergisteravond zooveel spels maakte en nu te kijken staat als +een boerenmeid, die haar eieren over den weg heeft laten vallen." + +Ottilia volgde dezen raad, of liever, de inspraak van haar medelijdend +hart. De Gravin was Madzy voorbijgetreden, zonder schijnbaar eenige +acht op haar te slaan; want de omstandigheden der verwonding niet +volkomen wetende, en vermeenende, dat Madzy wel schuldig zijn kon, +wilde zij hare waardigheid niet te kort doen door zich met haar in te +laten. Ottilia daarentegen, altijd genegen het beste van iemand te +denken, bleef achter, trad naar de arme verlatene toe, nam haar bij +de hand en deed haar de weinig romaneske, doch in deze omstandigheden +zeer natuurlijke vraag, of zij niet doodelijk ontsteld was en of zij +reeds iets gedronken had. + +"Ik ben vermoeid," zeide Madzy, die haar knieën onder haar voelde +knikken: "ik wilde, zoo mogelijk, wel een oogenblik nederzitten." + +"Neem mijn arm," zeide Ottilia: "en leun op mij: wij zullen ons ginds +op dat bankje nederzetten, en Zweder zal u wat te drinken brengen, +niet waar Zweder?" + +Zweder was een neefje van Ottilia en diende als page bij de +Gravin. Zoodra hij het verzoek zijner tante vernomen had, snelde hij +als een pijl uit den boog vooruit om eenige verversching te halen, +terwijl de beide Jonkvrouwen langzaam naar het bankje traden. + +Met die hoffelijke bescheidenheid, welke het kenmerk is van een goed +hart en een goede opvoeding, weerhield Ottilia zich, in spijt harer +nieuwsgierigheid, de bedrukte Madzy door eenige vraag te kwetsen, +nam zwijgend met haar op de tuinbank plaats en drong haar iets te +gebruiken van het water, dat Zweder had aangebracht en waarin de knaap, +die door zijn post gewend was vrouwen te bedienen, eenige droppelen +van een meer geestrijk vocht gemengd had. + +Na haar dank op hartelijke wijze te hebben geuit, gaf Madzy haar +verlangen te kennen om huiswaarts te keeren, en vroeg of er niet iemand +aan den Heer van Aylva kon gezonden worden om hem te verzoeken haar +derwaarts te geleiden. + +"Ik zal mij gaarne met deze boodschap belasten," zeide Zweder: +"ofschoon het mij altijd aangenamer ware de tijding van uwe komst dan +van uw vertrek te brengen."--Onder het doen dezer hoffelijke betuiging, +welke hij met al den zwier eens volslagen hovelings uitbracht, deed +hij op een bevallige wijze zijn toppermuts een halven cirkel in de +lucht beschrijven en verwijderde zich. Dan, nauwelijks ter halverwege +gekomen, ontmoette hij de Gravin, die met haar gevolg van haar +ontdekkingsreize terugkwam, in druk gesprek met Beaumont. Hij bleef +dus staan en wachtte eerbiedig af dat de stoet voorbij was getrokken. + +"Hebt gij een boodschap, knaap?" vroeg de Gravin, zijn houding +opmerkende. + +"Ik ging den Heer van Aylva het verlangen der Jonkvrouw van Dekama +overbrengen: zij wenscht te vertrekken." + +"Ik wil het gaarne gelooven," zeide Beaumont, de schouders ophalende; +"maar dat zal nu niet gaan, vrees ik." + +"Jonkvrouw!" vroeg intusschen Ottilia aan Madzy: "wilt gij niet op +een meer afgelegene plaats gaan zitten? Ik zie den hofstoet aankomen." + +"O ja!" antwoordde Madzy, opstaande en haastig haar arm nemende: +"laten wij ons verwijderen." + +Maar reeds had zich een der edelknapen van den stoet afgescheiden en +de wijkende jonkvrouwen ingehaald. + +"De Heer van Beaumont verlangt u te spreken, Freule!" zeide hij +tot Madzy. + +Deze gevoelde op die taal een trilling, welke haar geheele gestel +in beweging bracht, en werktuiglijk volgde zij, aan den arm harer +geleidster, den bode van Beaumont. + +De Gravin, nu beter onderricht en, hoewel nog niet zeker van +Madzy's onschuld, echter iets, dat naar medelijden zweemde, met +haar gevoelende, begreep het nu veilig te kunnen wagen om haar toe +te spreken: en na eenige weinige onbeduidende vragen, waarop Madzy +nauwelijks in staat was antwoord te geven, zeide zij: + +"De Heer van Beaumont heeft iets met u te verhandelen, weshalve wij +u zullen verlaten. Jonkvrouw van Naaldwijk! wij hebben u gemist. Uwe +plaats is bij ons, zoo wij ons niet bedriegen." + +Ottilia kleurde en zuchtte, en met moeite een traan verbergende, +die haar bij dat openbaar verwijt in de oogen schoot, wilde zij zich +weder bij den hofstoet voegen; doch Madzy hield haar hand tusschen +de hare vast. + +"Ik dank u," zeide zij: "gij voor 't minst weet medelijdend te +zijn. Madzy Dekama zal u nooit vergeten. O! bloos niet en laat het u +niet smarten, vriendelijk jegens mij te zijn geweest. Een enkele traan, +om mijnentwille gestort, zal u in uw ouderdom zoeter herinneringen +geven dan al de hofgunst u bieden kan." + +Hier liet zij de hand van Ottilia varen: en geroerd en verlegen trad +de Jonkvrouw van Naaldwijk tusschen hare gezellinnen terug. + +"Welnu," voegde haar Oda toe: "hebt gij u de fraaie predikatie wel in +'t hoofd geprent, die ons dat Friezinnetje in 't bijzijn der Gravin +heeft opgedischt?" + +Beaumont had intusschen Madzy met de hem zoo eigene minzaamheid bij +de hand genomen: en zoodra de hofstoet zich verwijderd had, vroeg hij +haar op een vriendelijken toon, hoe zij het had. Madzy dankte hem +voor zijn deelneming en gaf op hare beurt haar verlangen te kennen +om zoo spoedig mogelijk met haar voogd te vertrekken. + +Beaumont hield zich, of hij haar niet begreep, en van onderwerp +veranderende, verhaalde hij haar, dat de wond van Deodaat onderzocht +was, en dat men, in afwachting van den wondheeler, om wien men gezonden +had, er een doek met olie van hertshoorn op had gelegd, welk middel +door den eerwaarden Abt van Sint-Odulf als hoogst weldoende was +aangeprezen. "De wond," voegde hij er bij, "is diep; maar men vleit +zich nog, dat er geene edele deelen geraakt zijn." + +Madzy gevoelde zich opgebeurd door deze tijding. Zij had naar den +toestand des gewonden niet durven vernemen en de mededeeling van +Beaumont was haar daarom dubbel welkom. "Wij hebben ons veel te +verwijten," vervolgde deze, "dat wij u zoolang aan u zelve hebben +overgelaten; doch wij meenden allen, dat uw bruidegom zich bij +u bevond." + +"Ik heb geen bruidegom meer," zeide Madzy met een ontstelde stem. + +"Is het dan waar?" vroeg Beaumont; "inderdaad, Mevrouw de Gravin heeft +mij iets verhaald van een onderhoud, dat tusschen u plaats schijnt +te hebben gehad.... doch, vergeef mij, ik raak een onderwerp aan, +dat mij niet betreft en voorzeker pijnlijk is voor u. Ook wordt +het tijd, dat ik mijne boodschap doe. Uw waardige voogd wilde u +gaan opzoeken;--maar hij was zelf zoo ontsteld over die noodlottige +gebeurtenis, dat hij ternauwernood gaan kon. Hij heeft zich dit geval +zoo sterk aangetrokken, als ik zelf kon doen, ik, die nog een oude +betrekking heb tot den goeden Deodaat. Daar ik den last des Graven +ongaarne door een hofbediende had laten volbrengen, heb ik zelf de +vervulling daarvan op mij genomen, en kom u thans vragen, of gij +krachts genoeg zoudt gevoelen om den moordenaar te zien?--vergeef +mij," vervolgde hij, den plotselingen schrik ontwarende, waarmede +Madzy bevangen werd: "het zal wellicht heden nog niet noodig zijn; +doch gij alleen zijt bij het misdrijf tegenwoordig geweest, en uwe +getuigenis is onmisbaar tot zijn overtuiging." + +"Heden of morgen," antwoordde Madzy, "het zal er toch toe moeten +komen, en waarom dan maar niet terstond? Mijn ziel is nu toch zoozeer +geschokt, dat een pijnlijke gewaarwording te meer schier geen invloed +meer op mij hebben zal." + +"Ik geloof, dat gij recht hebt," zeide Beaumont, "maar in dat geval, +wees zoo goed, en leun op mijn arm. Het doet mij leed dat mijn genadige +Nicht u de hulp van haar Jonkvrouwen niet gelaten heeft.... maar ik +zal zorgen, dat gij na afloop van het verhoor eenige juffers tot uw +dienst hebt." + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + + + Kom ridderlijke man, door waan ten top gedreven, + Ik eysch u voor de kling, te paarde of wel te voet. + + Luyken. Duitsche Lier. + + +Toen Madzy meer dood dan levend door den Heer van Beaumont in de +groote hal van het jachthuis werd ingeleid, gaf deze een vertooning +welke schilderachtige groepen zou hebben opgeleverd, aan al, wie +haar met een onverschillig oog ware binnengetreden. Graaf Willem, +wiens ontevredenheid en wrevel, door het wonden van een zijner +gunstelingen en de verwarring hierdoor in zijn feest gebracht, niet +waren verminderd, liep met een donkeren blik en de handen op den rug de +gaanderij op en neder, gelijk een leeuw in zijn kooi. Zijn edellieden +en dienaars stonden hier en daar verspreid, slechts fluisterend met +elkander sprekende. In een dier groepen stond de Wapenkoning, op den +hem eigen gewichtigen toon, doch niet luider dan juist noodig was om +door zijn toehoorders verstaan te worden, zich te beklagen over de +moeite, welke het geven zoude, indien Deodaat kwam te overlijden, +om diens begrafenis op een behoorlijke wijze in te richten, dewijl +de adel des jongen Italiaans een hoogst onzekere zaak was, en er bij +velen nog twijfel bestond, of Graaf Willem wel recht had gehad Reinout +en hem tot Ridders te slaan, zonder verlof van den Keizer. Over hem +ontdekte men den Heer van Aylva, die gedwongen was geweest, de sponde +des gekwetsten te verlaten, bij wien zich thans niemand bevond dan des +Graven biechtvader, gereed om hem de diensten van zijn heilig ambt aan +te bieden, zoodra hij tot zijn kennis kwam. De waardige Olderman stond +in diep gepeins verzonken en als verplet van droefheid. Wat verder +zag men eenige Stichtsche edelen in een wel stil, doch driftig gesprek +gewikkeld, terwijl hunne teekenen en gebaren, en de ongewisse, ja soms +verontruste blikken, die zij op den Graaf wierpen, te kennen gaven, +dat het onderwerp van hun gesprek belangrijk was. En geen wonder! zij +hadden zooeven uit het Sticht de tijding bekomen, dat men aldaar te +wapen vloog en zich tot weerstand bereidde, bijaldien de Graaf zijn +voogdijschap over 't Bisdom met geweld wilde doen gelden. Kort bij +hen stond Adeelen alleen, tegen den muur geleund, den arm over een +hertekop geslagen, die den wand versierde, in diep gepeins verzonken +en zijn oogen nu eens naar de zijgang slaande, welke naar het vertrek +des gewonden leidde, dan weder op den Graaf, en dan weder naar den +moordenaar. Deze stond ongeboeid doch wapenloos aan het einde der zaal, +omringd van eenige edelen en wapenknechten. Men had hem gegrepen, +op het oogenblik, dat hij reeds te paard gestegen was en zich tot +de vlucht gereedmaakte. Een akelige bleekheid bedekte zijn gelaat; +maar zijn gitzwarte oogen doorliepen de zaal en vestigden zich op de +aanwezigen met een uitdrukking van hoogheid, gelijk aan die, waarmede +de schilders den gevallen Aartsengel afmalen. Hij sloeg ze echter +een oogenblik neder en een vluchtig rood kleurde zijn wangen toen +hij Madzy gewaarwerd: doch hij herkreeg spoedig zijn vrijmoedigheid +en bleef een zegepralenden blik op het meisje gevestigd houden. + +Wat haar betreft, zij had hem, die zich in den meest verwijderden +hoek der zaal bevond, niet dadelijk opgemerkt: en haar aandacht was +terstond op haar voogd gevallen, die met een treurigen blik haar te +gemoet kwam. "Madzy! Madzy!" zeide hij zachtjes, terwijl hij weemoedig +het hoofd schudde: "Ik had de Roos van Dekama niet over zee moeten +medevoeren!" En terstond daarop den geschokten toestand van Madzy +bespeurende, verweet hij zich de uitdrukking, die hij gebezigd had +en hielp hij Beaumont om haar te ondersteunen. + +"Meisje!" zeide Graaf Willem, toen hij haar gewaarwerd: "wij hebben +u hier ontboden om den moordenaar van Deodaat te herkennen. Is het +de man die daar staat, die de wond heeft toegebracht?" + +Madzy hief de oogen op, maar bedekte die terstond met beide handen, +toen zij den Italiaan gewaarwerd. "O! uit deernis, spaar mij!" riep +zij met een angstvolle stem. + +"En welke noodzakelijkheid bestond er," vroeg nu Reinout op een +trotschen toon, "om haar hier te doen verschijnen? Heb ik mijn +euveldaad niet beleden? Ja! deze hand was het, die het verraderlijk +hart doorboord heeft, en zoo zij den dolk des sluipmoordenaars gebezigd +heeft, men bedenke, dat het haar niet vergund werd de ridderlijke +lans te gebruiken." + +"Het is genoeg!" zeide Willem: "en wij behoeven de Jonkvrouw niet +verder te ondervragen. Haar schrik op zijn gezicht en zijne volmondige +bekentenis laten geen twijfel omtrent de misdaad over. Hij is echter +Ridder en kan, als zoodanig, adellijke rechters, vragen." + +"Met verlof van uwe Genade!" zeide Paypaert, "ik moet eerbiedig +aanmerken, dat geene bescheiden betreffende de geboorte van dezen +jongeling tot nog toe hebben bewezen, dat hem de voorrechten, aan +den adel verknocht, kunnen vergund worden." + +Willem antwoordde niets; maar sloeg op den grijsaard een dier blikken, +welke zooveel willen zeggen als: "waar bemoeit gij u mede?"--Vervolgens +gaf hij last, dat men den gevangene in den toren zoude sluiten en +verwijderde zich, gevolgd door de genoodigden. + +Wat Madzy betreft, zoodra de hofstoet zich verwijderd had, wierp zij +zich weemoedig om den hals van haar voogd en smeekte hem, met haar een +feest te verlaten, dat zoo treurig begonnen was. Aylva drukte haar +aan zijn hart: en zonder een woord te spreken, begaven zich beiden +naar de stallingen, van waar zij zich weldra huiswaarts spoedden. + +Intusschen zouden de wapenknechten Reinout voeren naar den toren boven +het jachthuis, die hem tot tijdelijke gevangenis was aangewezen. Hij +liep in hun midden, meer met den zegepralenden blik eens overwinnaars, +dan met den wankelenden tred eens gevangenen. Toen zij de zijdeur +intraden, welke de donkere trap opende, die naar boven leidde, +bemerkte Reinout, dat iemand hem vrij onzacht tegen het lijf aan liep, +en te gelijk voelde hij dat hem een dolk werd toegestoken, dien hij +schielijk in zijn kleed, verborg. Een haastige wending met het hoofd +deed hem Seerp Van Adeelen herkennen, die zich van hem verwijderde. + +Dit dienstbetoon volbracht hebbende, begaf zich de Fries naar de +plaats, waar het gastmaal gehouden werd. Maar reeds was iedereen +gezeten en niemand scheen geneigd, plaats te maken voor den wreveligen +Adeelen, die, volgens de uitdrukking van Oda, de tafel rondliep +gelijk een hengelaar, die langs den waterkant gaat en plaats zoekt +om zijn aas uit te werpen, maar overal door hooge biezen verhinderd +wordt. Eindelijk wist Adeelen zich naast zijn ambtgenoot van Sint-Odulf +te vervoegen, die reeds de vreemde voorvallen van den dag scheen +vergeten te hebben, en met een graagte, welke het vertragen van den +maaltijd nog gescherpt had, bezig was een geduchte bres te maken in +een pauwepastei. Daar de Graaf in zich zelf gekeerd en ontevreden was, +en de houding van de aanwezigen, bovendien door het gebeurde weinig +gestemd tot vroolijkheid, zich naar die des gastheers schikte, liep +het feest vrij stil en droomerig af, en men scheidde vroeger dan men +had voorgenomen, zonder dat eenig noemenswaardige gebeurtenis dien +dag verder plaats greep. + +Nauwelijks was de volgende morgen aangebroken, of een talrijke menigte +was weder op het _Zand_ te Haarlem samengestroomd in afwachting van het +tweegevecht, dat hun den vorigen dag, als een onverwacht schouwspel, en +om zoo te spreken op den koop toe, was toegezegd geweest. Wel liep er +hier en daar een dof gerucht, dat de kamp vechter des Graven gekwetst, +of volgens sommigen, gedood was geworden; doch daar niemand iets zekers +van de zaak wist en de bezetting van de kampplaats op den bestemden +tijd was verschenen, hechtte men weinig aan deze tijding. Intusschen +dient de lezer te weten, dat de Graaf zoowel als Beaumont, bij de +drukte, welke de staatsaangelegenheden zoowel als het gebeurde op den +Vogelesang veroorzaakten, vergeten hadden de bezetting te doen afzeggen +of een anderen kampvechter in de plaats van Deodaat te benoemen; +terwijl Paypaert (wiens geheele verbeelding werktuiglijk was en zich +ten deze alleen bepaalde tot de zorg, dat alles, voor zooverre hem +betrof, tot de krijtwerf gereed ware, zonder zich zooverre uit te +strekken om na te denken, of er wel een kampvechter komen zoude) +daarentegen zijne bevelen in dien zin gegeven had, alsof er geen +twijfel aan den voortgang van het gevecht bestaan kon. Hij vertoonde +zich dan ook binnen het krijt, aan het hoofd zijner Herauten en +trompetters, recht bezig om alles naar behooren te schikken: echter +kon hij niet nalaten van tijd tot tijd het hoofd te wenden naar de +zitplaatsen van den adel, welke grootendeels ledig bleven en slechts +bezet werden door enkele edellieden van den omtrek, die nog onbewust +waren van de gebeurtenis, waardoor het kampgevecht onmogelijk gemaakt +was. "Die eeuwige treuzelaars!" mompelde de grijsaard bij zich zelven, +met een ontevreden hoofdschudden: "in mijne jeugd zoude men den tijd +niet zoo onnut hebben laten voorbijloopen, wanneer er een kampgevecht +te zien ware. Is het dan voor het vermaak van het gepeupel, dat men +heden vechten zal? En is een strijd op leven en dood tusschen twee +Ridders niet meer dan een hanengevecht?" + +Het volk begon insgelijks te morren. "Zou er waarlijk niets van +komen, buurman?" vroeg de wapensmid aan onzen vriend Claes Gerritsz: +"en zou ik voor niemental mijn blaasbalg laten roeren?" + +"Bij Sint-Gangolf!" antwoordde de marktschrijver: "ik wist wel +dat mijne berichten goed waren: die lompe Fries heeft gisteren den +Italiaan, met wien hij vechten moest, op het feest overhoop gestoten +en is dadelijk tusschen vier muren geplakt. Het zijn gelukkig twee +bloedzuigers van vreemdelingen minder." + +"Ja maar," hernam de zwaardslager, "het verwondert mij dan dat al de +Herauten aanwezig zijn." + +"Daar verstaat gij niets van," zeide Claes Gerritsz: "tijd en plaats +zijn bepaald, en al komt er geen mensch bidden, de priester moet +daarom toch in de kerk zijn. + +"Het bevreemdt mij met dat al," zeide de smid, "dat onze Graaf een +vreemdeling als dien Deodaat tot zijn kampvechter verkozen heeft, +alsof er geene Hollandsche edelen genoeg waren, om dien Fries de les +te lezen." + +"En is de Graaf niet zelf een vreemdeling?" vroeg Claes Gerritsz: +"en kan men wel iets anders verwachten van al wat van gene zijde der +wateren komt: Fries, Italiaan of Henegouwer, 't is al een pot nat." + +"Gij moet toch erkennen," hernam de smid, "dat de vorige Graaf veel +voor ons gedaan heeft en den naam van den Goeden ruim verdiend heeft." + +"Nu! dan verkerft zijn zoon het dubbel," zeide de schrijver: "heeft +hij ons niet bij zijn huwelijk over de veertig pond afgetroggeld, +terwijl wij volgens het Privilege van Koning Willem slechts twintig +pond schuldig waren te betalen, evenals bij de blijde inkomste. Maar de +Magistraat is een hoop stoflikkers, en er moesten heel andere menschen +aan het roer zitten," voegde hij er bij, den neus optrekkende en de +borst hoog zettende. + +"Ik zie de onbillijkheid nog niet in, daar gij van spreekt," zeide +zijn buurman: "betaalt gij meer, gij geniet ook meer: en Haarlem is +sedert dien tijd ook wel eens zoo groot geworden." + +"En eens zoo arm, moogt gij er wel bijvoegen. Sedert Amsterdam met +Holland vereenigd is, vaart er bijna geen schip meer uit Haarlem naar +de Oostzee." + +"Gij zijt een ondankbare klager, buurman! En brengen al die feesten +ons geen rijkdom aan?" + +"Rijkdom?--Ja, aan de kroeghouders, die drank tappen en den accijns +smokkelen, en aan de wapensmids, die een dubbel getal knechts in +'t werk stellen, en die ook wel een tiendubbel aandeel in de blijde +inkomsten mochten betalen: althans zoo er een oorlog met Utrecht op +handen is, gelijk ik zooeven vernomen heb." + +"Een oorlog met Utrecht!" herhaalde de verheugde smid, zich de handen +wrijvende: "eilieve, buurman! verhaal mij dat eens." + +Maar het was den marktschrijver niet mogelijk zulks op een verstaanbare +wijze te doen. Een luid geschal en volksgejoel kondigde eindelijk de +aankomst van een der kampvechters aan. + +"Daar is hij! daar is hij!" riep de smid, den Stichtschen oorlog +schier vergetende. + +"Wie is daar?" vroeg de marktschrijver, ontevreden. + +"De Friesche Ridder," antwoordde de smid: "dien gij achter de +tralies geplakt hebt. Mij dunkt, uwe tijdingen zijn niet van de +allerjuiste. Wie weet of die Ridder Deodaat, dien gij doodmaakt, +ook niet nog verschijnt." + +"Maar is het waarlijk de Fries?" vroeg Claes Gerritsz, nog steeds +ongeloovig. + +"Ken ik dan de wapenrusting met de zilveren sterren niet, die ik zelf +geleverd heb? En heb ik dien strijdbijl, die aan den zadelknop hangt, +niet nog gisteravond gescherpt en aan zijn dienaar overhandigd?" + +Het was inderdaad Seerp Van Adeelen, die geharnast het krijt was +binnengereden en nu onbeweeglijk aan den ingang post vatte. + +"Ziedaar een ongehoorde zaak!" bromde Paypaert: "een der kampioenen +is er, en er is nog geen Kamprechter: en de Graaf, die beloofd had, +te komen! Het gaat mijn begrip te boven." + +"Maar, Heer Wapenkoning!" zeide een der Herauten: "mag ik vragen, +of er ook een misverstand plaats heeft? De andere kampioen is immers +gisteren gekwetst en misschien al dood?" + +"Even alsof de Graaf niet voor een anderen zoude gezorgd hebben. Breek +mijn hoofd niet met zulken zotteklap en ga naar stijl en gebruik aan +gindschen Ridder vragen, wat hij hier verrichten komt." + +De Heraut zweeg, reed naar Adeelen en volbracht zijn boodschap. + +"Ik ben Seerp Van Adeelen," was het antwoord, dat vader Syard had +opgesteld en waaraan Seerp een halven nacht besteed had om het zich in +'t hoofd te prenten: "en ik kom gewapend en te paard, als eenen edelman +betaamt, om een rechten kamp te wagen en mijn uitdaging gestand te doen +tegen Willem, Grave van Henegouwen en Holland; en ik neem tot getuigen +van mijn goed recht aan, Onzen Heere, Onze Lieve Vrouwe en mijn Heere +Sint-Nikolaas. Ik verlang, dat gij mij mijn gedeelte van het veld, +van den wind, van de zon en van alles, wat oorbaar en noodzakelijk +is, toestaat. En dat gedaan zijnde, zal ik mijn plicht doen, met +de hulpe Godes, Onzer Lieve Vrouwe en van mijn Heere Sint-Nikolaas, +te voet of te paard, met al zulke wapenen als door de Kamprechters +zal goedgevonden worden." + +Zoodra deze litanie aan den Wapenkoning was overgebracht, gaf deze +last, dat de trompetters zouden blazen en dat de verweerder zoude +uitgeroepen worden om namens den Grave van Holland en Henegouwen +tegen Seerp Van Adeelen op te komen. Maar vruchteloos klaterde het +luide geschal door de lucht. Niemand beantwoordde de indaging. + +"Men moet wachten," zeide Paypaert: "de verweerder moet den +behoorlijken tijd van drie uren hebben: en is hij dan niet verschenen, +dan kan de indager geacht worden aan zijne verplichting voldaan te +hebben." Maar het eerste uur verstreek en het tweede ging mede voorbij, +en niemand was nog aan den ingang van het krijt verschenen. + +Het volk morde en mompelde luidkeels en woelde onvergenoegd over +het plein dooreen. Nu eens ging er een gedeelte verveeld en knorrig +van het plein af, maar keerde, even spoedig als het vertrokken was, +uit nieuwsgierigheid weer terug: en schier elk bevond zich in dien +toestand, waarvan meer dan een onzer lezers wellicht meermalen +de onaangenaamheid zal ondervonden hebben; dien toestand, waarin +men verkeert, wanneer men, 't zij het begin van een lang beloofd +vuurwerk, 't zij de ontknooping van een langdradig tooneelstuk, +'t zij het toegezegd bezoek van een ouden vriend, die wegblijft, +'t zij de aankomst eener _diligence_, die een ongeluk gehad heeft, +wachtende, even onwillig is, langer te verbeiden, als te vertrekken. + +De jonge edellieden, die langs de zitplaatsen heen en weder liepen, +waren, niet minder dan de oude Wapenkoning, verontwaardigd over de +schande, welke de Graaf zoude te lijden hebben, indien er zich geen +kampvechter opdeed om zijn goed recht te verdedigen, en onderhielden +zich reeds met warmte, en overluid, over de noodzakelijkheid, +dat, zoo niemand in het krijt verscheen, een hunner de plaats des +uitblijvenden vervulde. + +"Bij den baard van Sint-Bavo!" riep de wapensmid, onverduldig: +"zal die satansche Fries onzen Graaf en ons hier ongestraft blijven +uittarten? Ha! zoo de oude Paypaert de kampwerf niet ontzeide aan al +wie geen adellijk bloed in de aderen heeft, ik zou met genoegen eens +binnenstappen, en dien hoovaardigen ruiter voor de eer van Holland +durven staan, zonder ander wapen dan mijn moker: en ik zou wel willen +zien, of hij mij met zijn degen of heirbijl aan 't lijf zou komen, +en of ik hem niet zoo plat zou beuken als een haardplaat." + +"Des te eerder," zeide Claes Gerritsz, "dewijl gij het harnas zelf +vervaardigd hebt, en dus best in staat zijt, de plaatsen te kennen, +waar de minst deugdzame spijkers zitten." + +"Oho," zeide de smid: "zoo Melis Courtz uit den Anegang den kolder +gemaakt had, nam ik aan er schub voor schub uit te slaan;--maar ik +zet het den besten, eenige fout in een harnas te vinden, dat uit +mijne smidse komt." + +"Hei ho! meester helmslager!" riepen op dit oogenblik de stemmen van +ettelijke edellieden, die zich tusschen den volkshoop heen naar hem +toe drongen: "hebt gij geen kuras voor ons gereed?" + +"Ik zou u het beste, dat ooit uit mijne werkplaats te voorschijn kwam, +voor niet leveren," antwoordde de vaderlandlievende smid, "indien +hij, die het aantrok, dien snoever met voordeel bestreed;--maar +bij alle duivels! de schelm zelf heeft den laatsten kolder, dien +ik vervaardigd heb, aan zijn bast, en een deugdzaam harnas ook, +dat beloof ik u. Ik wilde, dat mijn arm melaatsen ware geworden, +toen ik er de nagels insloeg." + +"Dat u de nikker hale!" riepen de edellieden uit: "ongelukskind! waar +zal men wapenen vinden? Hoor hem eens balken, den onbeschaamden +Fries!"--want Adeelen, zoowel om de gemeente te tergen als uit +verveling, liet niet af, de kampplaats op en neder te rijden, al +roepende: "Welnu! dappere Hollanders! Laat gij u door een Fries uit +het veld slaan? en is er niemand, die moeds genoeg heeft, de eer van +uw Graaf op te houden?" + +"Bij mijn ziel! ik bedenk daar iets!" riep een der jonge edellieden +uit: "laat ons naar de Sint-Jans-Heeren gaan; daar zijn zeker +wapenen te vinden."--En allen, zich verwonderende dien inval ook +niet te hebben gehad, volgden hun metgezel naar het klooster in de +Jansstraat. Maar toen zij daar gekomen waren, vonden zij hun bedoeling +reeds voorgekomen. Op het kloosterplein zat de eerwaardige Kommandeur, +Heer Hugo van Koukerk, reeds in volle wapenrusting te paard, omringd +van zijn ridders. Hij had de Gravin, die reeds vroeg in den morgen +naar 's-Hage vertrokken was, uitgeleide gedaan (de Graaf zelf was op +den Vogelesang blijven slapen) en had bij zijn terugkomst vernomen, +wat er op het Zand te doen was. Terstond was zijn besluit genomen +geweest: hij had zich laten wapenen en was nu vaardig om de eer des +Graven in den kamp te gaan handhaven. + +Maar toen hij, aan het hoofd zijner Ridders en omringd door de +verheugde edellieden, de groote Markt opreed, ontdekte hij aan +het uitbundig gejuich der menigte, en aan het plotseling steken der +trompetten, dat hij reeds in zijn oogmerk was voorgekomen, en dat een +onbekende Ridder, in een eenvoudige wapenrusting zonder blazoen of +leuze het krijt was binnengereden. De Heraut, die door Paypaert was +afgezonden om naar den naam en de reden zijner komst te vernemen, +kwam bij den Wapenkoning terug, met het bericht, dat de kampioen, +die voor den Grave optrad, hem ten opzichte van zijne bevoegdheid +om gewapend te verschijnen, volkomen voldaan had, doch om gewichtige +redenen verlangde onbekend te blijven. + +"Dit is alles nu schoon en goed," zeide de Wapenkoning: "doch wie +zal het ambt van rechter vervullen?" + +"Die zwarigheid is licht uit den weg te nemen," zeide een der Herauten: +"indien de Kommandeur, die ginds komt aangereden, die taak wil op +zich nemen." + +De voorslag, door de beide kampioenen mede goedgekeurd zijnde, werd +aan Heer Hugo gedaan, die hem met bereidwilligheid aanvaardde en zich +hierop, met twee zijner Ridders als bijstanders, binnen het perk begaf. + +Nadat Adeelen en de onbekende Ridder zich elk aan eene zijde van het +krijt begeven hadden, steeg eerstgemelde af, lichtte zijn vizier +op, en trad, van twee Herauten vergezeld, naar een klein altaar, +dat men voor den ledigen zetel des Graven had nedergesteld en +waarboven een geordende geestelijke een kruisbeeld hield. Hij legde +hier den gebruikelijken eed af, en keerde vervolgens terug:--waarna +de verweerder hetzelfde deed, met dit onderscheid alleen, dat hij +zijn aangezicht niet ontblootte. De priester vertrok hierop met zijn +altaar en, nadat de Kamprechter een wenk aan Paypaert gegeven had, +deed deze den gewonen uitroep: "doet uw plicht!" + +Terstond sprongen beide kampioenen te paard en namen hun lansen uit +de handen hunner schildknapen aan. + +"_Laissez aller_!" riep nu de Kamprechter, zijn handschoen in het +strijdperk werpende. "_Laissez aller! laissez aller_!"--De trompetters +bliezen; en de beide Ridders reden op elkaar aan. + +De schok der strijders was geweldig en scheen met een gelijk voordeel +aan beide zijden gepaard te gaan. De lans van Adeelen was met zooveel +kracht aangekomen, dat zij in splinters stoof, en dat het paard +des onbekenden Ridders stortte; maar de Fries was niet gelukkiger +geweest en geheel en al door zijn weerpartij uit den zadel gelicht, +ja een eind weegs geworpen, terwijl zijn ros het veld overholde. + +De vreemde Ridder, zich niet zonder moeite van onder zijn klepper +hebbende opgewerkt, rukte de strijdbijl los, die aan den zadelknop +hing, en kwam te voet op zijn tegenstrever aan, die insgelijks was +opgestaan. Doch ziende, dat Adeelen geen ander wapen had ter zijner +verdediging dan het brok zijner lans, bleef hij staan. + +"Ga uw strijdbijl halen," zeide hij: "onze wapenen zijn niet gelijk." + +Adeelen boog het hoofd en wachtte zijn schildknaap af, die, na het +voortvluchtige paard te hebben opgevangen, het wapentuig had losgemaakt +en het nu aan zijn Heer kwam terugbrengen. + +Luid waren de toejuichingen, welke de vergadering den verweerder +toezwaaide wegens zijn edelmoedige handelwijze; ofschoon velen het +eenigszins gewaagd van hem oordeelden, dat hij zich niet bediend had +van het voordeel, bij het eerste treffen voor hem ontstaan; want nu +de beide Ridders te voet waren, en op elkander toetraden, was het +duidelijk te bespeuren, dat de Fries vrij wat grooter en kloeker was +dan zijn bestrijder, aan wiens langzamen en eenigszins moeilijken gang +men buitendien zien kon, dat hij de eerste jeugd reeds voorbij was. + +Echter aan de behendige wijze, waarop hij de eerste slagen, welke +Adeelen hem met zijn heirbijl zocht toe te brengen, wist af te +weren, ontwaarde men, dat hij door bedrevenheid vergoedde, wat hem +wellicht aan kracht ontbrak, en men begon den strijd als meer gelijk +te beschouwen. Met onverflauwde vaart en snelheid deed Adeelen zijn +heirbijl zonder tusschenpoozen rondzwieren: en de minst geweldige van +zijne slagen ware genoegzaam geweest om zijn tegenstander te vellen, +indien deze niet de grootste voorzichtigheid in het werk gesteld +en zich alleen bij de verdediging bepaald had. De vreemde Ridder +bleef staan gelijk een rots, _mediis tranquillus in undis_, terwijl +Adeelen om hem heen draaide even als een belegeraar, die een vesting, +nu van deze, dan van gene zijde zoekt te verrassen. Nadat echter dit +gevecht een geruime poos geduurd had, begon de onbekende te bespeuren, +dat de aanval zijns weerpartijders niet meer zoo heftig was als in 't +begin, en dat zijn slagen ongewisser en minder geweldig nedervielen: +ook het volk merkte dit op; en de angstvolle stilte, waarmede men tot +nu toe den bangen strijd had gadegeslagen, maakte op eenmaal plaats +voor luide kreten van aanmoediging, tot den verweerder gericht. + +"Beuk er nu op!" riep de wapensmid, wiens stentorstem boven alles +heen weergalmde: "de Fries verflauwt! Neem het oogenblik waar, eer +hij zijn krachten terugkrijgt. Val aan! val aan!" + +Doch hij, aan wien die raad gegeven werd, scheen er voor alsnog geen +ooren naar te hebben, 't zij dat hij zijn vijand sparen, 't zij dat +hij zijn goede kans niet in de waagschaal wilde stellen; of wel, +omdat hij zijn bedrevenheid in het hanteeren der wapenen door een +beslissend feit wilde toonen. Hij werd geen aanvaller; maar bleef het +er op toeleggen, om door zijn onverzettelijke bedaardheid den fellen +Fries af te matten en van zijn stuk te brengen. Eindelijk, ziende +dat Adeelen, hijgende en vermoeid, slechts in den blinde begon toe +te slaan, nam hij het geschiktste oogenblik waar, onderschepte zijns +vijands bijl met de zijne, zoodat de beide moordtuigen aan elkander +haakten: en met snelheid zijn linkerhand naar het midden van den steel +brengende, terwijl de rechter den greep neerwaarts drukte, deed hij +het wapen van Adeelen uit diens handen en over het slagveld vliegen: +een daad van behendigheid, welke een algemeen en uitbundig hoezee +[30] deed ontstaan. + +Razend van spijt, dat hij zich zoo onvoorziens ontwapend zag, +trok Adeelen zijn dolk, en wilde op zijn tegenpartij toespringen; +maar de bijstanders des Kamprechters reden dadelijk tusschen beiden +en de Kommandeur verklaarde, dat de Fries zijn neerlaag behoorde te +erkennen, daar het slechts van zijn weerpartij had afgehangen, hem, +toen hij ontwapend was, ter aarde te vellen. + +Dan op datzelfde oogenblik werd de aandacht der menigte opnieuw +gewekt door de komst van een aantal ruiters, aan wier hoofd zich de +Graaf zelf bevond, die hun schuimbekkende en hijgende rossen het +strijdperk binnendreven. Ten einde de oorzaak hunner verschijning +op dit oogenblik op te helderen, zal het noodig zijn, dat wij eenige +stappen in ons verhaal terugtreden. + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + + + LODEWIJK. Maar wy moeten van den waard, + Daar wy logeeren, nu vertrekken naar een ander. + + JAN. Dan is het noodig dat ik ook mijn kleed + verander. + + Langendijk. Het wederzijds huwlijksbedrog. + + +Na den afloop van het feest op den Vogelesang was de Gravin met het +grootste gedeelte van den hofstoet naar Haarlem gekeerd, ten einde +van daar met het aanbreken van den volgenden dag naar 's-Hage op te +breken. De Graaf, het noodzakelijk oordeelende, zijn vazallen bijeen +te roepen en de goede gezindheid der steden te polsen betreffende een +oorlog met het Sticht, had bepaald, dat het gansche hof zich weder naar +de hofplaats begeven zou. Hij zelf was echter met Beaumont, Naaldwijk, +Teylingen en Walcourt op het jachthuis gebleven en had er den avond +in gewichtige beraadslagingen doorgebracht, het oogmerk hebbende, om +den dag daar aan, na alles verricht te hebben, wat nog te doen stond, +zich naar 's-Hage te begeven. + +Hiertoe behoorde in de eerste plaats het antwoord, dat hij nog aan +de Friesche afgevaardigden schuldig was. Hij was moede van de rol, +die hij ten hunnen opzichte gespeeld, en van de verkeerde uitwerking, +die zijn stelsel van welwillendheid had teweeggebracht: hij achtte +zijn waardigheid gekrenkt en had daarom den raad zijner gunstelingen +in den wind geslagen, die hem vergeefs voorstelden, dat het, nu men +een oorlog met Utrecht in den zin had, van dubbel belang was geworden +de Friezen te winnen en zich geen twee vijanden voor eenen op den hals +te halen. Deze raadgeving deed bij Willem een juist tegenovergestelde +uitwerking dan men bedoelde; want hij behoorde tot die menschen, +die somtijds uit vrijen wil, maar nooit door dwang of uit nood +inschikkelijk zijn: en het was ten gevolge van zijn in dezen genomen +besluit, dat hij 's morgens bij zijn ontwaken dadelijk last gaf, +de Friesche Heeren te ontbieden. + +Nauwelijks was de dienaar, aan wien hij dit bevel gegeven had, +vertrokken, toen de Heer van Teylingen met een vervaard gelaat +kwam binnengetreden en hem meldde, dat Reinout ontsnapt was uit de +gevangenis, waar men hem in gezet had. + +"Onmogelijk!" riep de Graaf uit: "of hebben die ezels de grendels +niet gesloten?" + +"Ik zelf heb het ook onmogelijk genoemd," zeide Teylingen: "want de +deur van het kamertje was zoowel voorzien, dat zij niet kon geopend +worden zonder de wachters te wekken: ook is daaraan niet geraakt;--en +uit het venster heeft hij niet kunnen wegkomen, tenzij hij vleugels +had als een vogel." + +"Hij kan zich aan een touw of saamgeknoopte lappen hebben laten +afglijden." + +"Men zou dan dat touw hebben gevonden; maar het meeste wat men ontdekt +heeft is een scherpe gleuf, die van het venster af tot op den grond +toe doorloopt, even of zij met de punt van een mes of dolk in den +muur ware gesneden. Hulp van buiten heeft hij niet gehad, want men +ziet geen andere voetstappen in het zand dan de zijne, die wat verder +op het gras weer verloren raken." + +"Zonderling!--maar dewijl hij toch gevlucht is, mag ik lijden, dat +men hem niet terugvange; want hij heeft mij altijd trouw gediend en +het zou mij spijten, indien hij om een driftig oogenblik zijn leven +verbeuren moest.--Verzoek den Heer van Beaumont bij mij te komen." + +Dit laatste bevel was gericht tot een page, die in het voorvertrek +wachtte en die eenige oogenblikken daarna terugkeerde met de boodschap +dat de Heer van Beaumont niet te vinden was. + +"Hoe!" zeide Willem, met bevreemding: "is hij reeds zoo vroeg +uitgegaan? Hij weet, dat wij hem spreken moeten." + +"Ik meen te weten," zeide de page, "dat hij hedenmorgen den gewonden +Ridder vroegtijdig bezocht heeft en kort daarna een renbode van Haarlem +gesproken, waarna hij terstond vertrokken is. Zelfs zijn schildknapen +zijn niet meer te vinden." + +"Onbegrijpelijk! of is hij misschien den voortvluchtige +achterna?--Maar, zeg, hoe is het met den gekwetste?" + +"De arts is zooeven bij hem geweest en geeft hoop." + +"Misschien kent Deodaat de reden van dat overhaast vertrek. Wij willen +hem in persoon bezoeken en naar zijn toestand vernemen." + +Met deze woorden rees de Graaf op en begaf zich met Teylingen naar +den gewonde, wien hij volkomen bij zijn kennis vond en verkwikt door +eenige uren sluimering. Na een kort onderhoud over zijn toestand vroeg +hem Graaf Willem, of hij ook de oorzaak kon gissen, waarom Beaumont +zoo overhaast vertrokken was. + +Deodaat ontzette op deze vraag. "Goede Hemel!" zeide hij: "ik herinner +mij over den kamp te hebben gesproken, dien ik heden tegen den Fries +had moeten voeren: en te hebben gevraagd, wie in mijne plaats gekozen +was om Adeelen te bevechten." + +"Die onbeschaamde Fries zal toch niet in het krijt zijn gekomen," +zeide de Graaf: "wetende dat zijn weerpartij buiten staat was daar +te verschijnen." + +"Licht mogelijk," merkte Teylingen aan: "en wanneer ik alles wel +overdenk, herinner ik mij, dat Paypaert gisteravond aan zijn Herauten +bevel heeft gegeven, met zonsopgang te Haarlem te zijn." + +"Bij Sint-Japik!" riep de Graaf, opspringende: "en waarom heeft +niemand ons daarvan verwittigd? Zou waarlijk onze oom de dwaasheid +hebben gehad van naar Haarlem te gaan, om zijn post als Kamprechter +waar te nemen bij een gevecht, dat geen plaats kan hebben." + +"Dit ware minder erg," zeide Teylingen, "dan dat die trotsche Fries +zonder tegenpartij in het krijt verscheen." + +"Gij hebt gelijk, Teylingen! Spoedig, spoedig van hier. Dit moet +nader onderzocht worden." + +Doch hij was nauwelijks in de groote hal gekomen, toen hij den dienaar +ontmoette, die de afgevaardigden was gaan ontbieden. Deze bevestigde +'s Graven vermoeden door hem te berichten, dat een der knapen van den +Heer van Aylva hem had verhaald, hoe Seerp van Adeelen 's morgens in +volle wapenrusting naar Haarlem was gereden. + +"Adeelen te Haarlem!" riep de Graaf, terwijl hij bij al de Heiligen +uit den almanak vloekte: "onze eer is verspeeld indien wij zijne +uitdaging onbeantwoord laten.--Een paard! wapens! en laten de +schildknapen opzitten." + +"Uwe Genade!" riepen Naaldwijk en Teylingen als uit één mond: "laat mij +den Fries bevechten.--Ik ben Maarschalk van Holland:" riep de eerste: +"het komt mij toe, die eer te genieten."--"Ik ben een verwant van +het Hollandsche Huis," zeide de tweede.--Ik ben een Henegouwer," +zeide Walcourt, mede toesnellende. De Graaf ging voort met zich te +wapenen, zonder eenig antwoord te geven. + +"Het betaamt ons," zeide hij eindelijk, toen hij gereed en te paard +gestegen was: "het betaamt ons zelven, de beleedigingen te wreken, +die ons worden aangedaan. Voort! voort naar Haarlem! Ieder oogenblik +is kostbaar." + +En vliegend reed hij voort, op een afstand door zijn Edelen +gevolgd. Onderweg kwam hij Aylva en den Abt tegen, die naar den +Vogelesang trokken. Zonder op te houden, schreeuwde hij hun toe: + +"Gij waant ons ongestraft te kunnen tergen; maar wij zullen 't +u verleeren." + +Aylva hield zijn paard op, bevreemd over dezen uitroep, welke hem +door Naaldwijk, die kort daarop volgde, verklaard werd. + +"Helaas!" zeide de Olderman: "het is wel tegen onzen zin en buiten onze +voorkennis, dat Adeelen hedenmorgen naar Haarlem is vertrokken. Hadden +wij kunnen veronderstellen, dat hij die dwaasheid zoude hebben begaan, +wij hadden gepoogd hem daaraf te brengen. Intusschen, hoe kan de Graaf +den Abt en mij zulks ten kwade duiden, daar wij terstond iemand naar +den Vogelesang gezonden hebben, om den Grave bericht te geven van +het voorgevallene." + +"Wij hebben niemand gezien," zeide Teylingen. + +"Deze knaap heeft mij echter gezegd," zeide Aylva, op Feiko wijzende, +die hem volgde, "dat hij den Heer van Beaumont had gesproken." + +"Zoo is 't," zeide Feiko, "en die Heer heeft mij twee groot gegeven, +met last, om terstond terug te keeren en met niemand meer te spreken." + +"Dat zal het zijn," hervatte Teylingen: "nu is de zaak duidelijk: +spoedig voort! misschien is de edele Graaf reeds het slachtoffer van +zijn ijver." + +En hunne rossen des te vuriger aansporende, reden zij voort, door +Aylva vergezeld. De Abt oordeelde het wel voorzichtiger, om, wat +hem betrof, huiswaarts te keeren en zich niet bij dien wilden hoop +te wagen; maar zijn merrie scheen niet van dat gevoelen en voerde +hem zijns ondanks mede. Te Haarlem eerst haalden zij den Graaf in, +die zich in de buitenstallen van een versch paard had voorzien om +niet met een vermoeid ros in het strijdperk te verschijnen: en zoo +kwamen zij gezamenlijk op het _Zand_. + +"Oom! Oom! was dat wel van u gehandeld?" zeide Graaf Willem, van +'t paard springende en den overwinnaar omhelzende. + +"Stil! Stil!" zeide Beaumont: "wat ik deed heb ik voor de eer van +ons huis gedaan; maar niemand behoeft immers te weten, dat ik als +een jonge spring-in-'t-veld mijn grijzen kop tegen het haar- en +hersenlooze hoofd van dien Fries gewaagd heb!" + +En met deze woorden steeg hij te paard, met oogmerk om zich aan de +oogen der menigte te onttrekken. Maar zijn naam, die eerst zachtjes +van mond tot mond was overgebracht, werd nu overluid met blij gejuich +door het volk herhaald. + +"Hoezee voor Beaumont!" riepen allen: "Beaumont! Beaumont!" + +"Oom!" zeide de Graaf, "zoo komt gij er niet af. Geheel Holland +mag en moet weten, wat wij aan u verschuldigd zijn. Vergun ons, +uw schildknaap te wezen." + +Met deze woorden gespte hij den helm des ouden krijgsmans los: en +toen de toeschouwers het achtbaar gelaat zagen, waar aan de hitte +van het gevecht de kleur der jeugd hergeven had, en die lokken, in +'t veld vergrijsd, steeg de jubeltoon al hooger en hooger. + +"Komaan, dewijl het eenmaal zoo zijn moet," zeide Beaumont, het +krijt aan 's Graven zijde rondrijdende en overal met minzaamheid +groetende: "de beer moet wel rondgeleid worden, nu hij zijn kunsten +vertoond heeft. Alles wel beschouwd, zal het uwe schuld zijn, waarde +Neef! indien ik heden kou vat." + +"Dat zal in der eeuwigheid niet gebeuren," zeide Willem, met zijn +mantel de kruin des grijzen helds bedekkende: "maar beken, Oom! dat, +zoo gij als goede bloedverwant gehandeld hebt, gij u tevens als +een oproerig onderdaan hebt gedragen, door een kamp te wagen zonder +onze toestemming." + +"De tijd veroorloofde mij niet, die te vragen," antwoordde Beaumont: +"en al had ik tijd gehad, ik had nog gezwegen, uit vrees, dat u +zelven de lust mocht bekropen hebben, een lans te breken. Daarom heb +ik ook Aylva's dienaar, die mij de tijding brengen kwam, terstond +weer weggezonden, en in 't voorbijgaan een wapenrusting bij den +Jonker van Teylinger-Bosch [31] geleend, die, ofschoon hij ze zelf +niet meer gebruiken kan, altijd een kabinetje van wapenen uit al de +werelddeelen bewaart." + +"Daar alles nu in zooverre voorspoedig afgeloopen is," zeide Graaf +Willem, "gelooven wij best te doen met hoe eer hoe beter naar 's-Hage +te vertrekken; maar eerst moet ik nog dien Friezen hun afscheid geven +en het hun doen heugen, dat zij mij beleedigd hebben." + +Na dienaangaande zijne bevelen te hebben gegeven, reed Graaf Willem met +de zijnen onder de herhaalde kreten des volks het perk uit en begaf +zich naar het Sint-Jans-klooster, terwijl een zijner dienaren aan +Aylva en den Abt den last overbracht, hem aldaar te volgen en zich +daarna met dezelfde boodschap vervoegde bij Adeelen, die zich nog +altijd op de plaats bevond, waar hij door Beaumont was overwonnen +geweest. Somber in zich zelf teruggetrokken stond hij daar, de +armen over elkander geslagen en met een gelaat, waarop spijt over +zijn nederlaag, en tevens een hooghartige trots te lezen waren, +niet ongelijk aan dien, welken een scholier, die zich reeds man +gevoelt, aan den dag legt, wanneer hij door zijn meester getuchtigd +werd. Hij verwaardigde 's Graven bode met geen antwoord; maar, zijn +schildknaap roepende, ontdeed hij zich van zijn helm: en de muts, +waarmede hij dien verwisselde, diep in de oogen drukkende, ging hij +met zijn medeafgevaardigden naar het klooster. + +Zij vonden er den Graaf in een klein spreekvertrek, slechts van weinige +getrouwen omgeven. Toen zij binnen waren getreden, wierp Willem hun +een norschen blik toe en sloeg terstond de oogen weder op den grond, +haastig sprekende en strak voor zich ziende, evenals iemand, die, +eens een besluit genomen hebbende, niets wil zien noch hooren, dat +hem in het uiten daarvan zoude kunnen verhinderen. + +"Mijne Heeren van Friesland!" zeide hij, "de zaken van dit Graafschap +vereischen ons vertrek naar 's-Hage. Vooraf echter achten wij het +betamelijk, u ons laatste besluit mede te deelen. Wij kunnen in geen +voorwaarden of schikkingen komen met ongehoorzame onderdanen. Indien +gij ons terstond uit naam der Edelen en Steden van Friesland hulde +wilt doen als uwen wettigen Heer, zal het gebeurde vergeten en vergeven +zijn:--zoo niet, dan is uwe verdere tegenwoordigheid hier onnoodig, en +zult gij u niet later dan op den dag van morgen naar huis begeven en +uwen lastgevers bericht brengen, dat zij eerlang onze nadere bevelen +ontvangen zullen." + +Dit gezegd hebbende, vestte hij op Aylva een doordringenden blik, om +de uitwerking zijner woorden te zien. Zonder van zijn stuk gebracht +te zijn, antwoordde de Olderman met waardigheid: + +"Graaf! het vrije volk van Friesland zou uwe Genade met welgevallen +tot zijn beschermheer en bondgenoot aannemen: maar het ontvangt van +niemand bevelen dan van den Keizer, zijn wettigen Heer. Wij willen +uwe wenschen niettemin aan onze lastgevers overbrengen." + +"Wat de erfdochter van Dekama betreft," vervolgde de Graaf, alsof +hij op de woorden van Aylva geen acht had geslagen, "wij zullen haar +in het Rijnsburger klooster een veilige verblijfplaats verschaffen, +tot wij een echtgenoot, harer waardig, gevonden hebben. Onze bevelen +zijn daaromtrent gegeven. Gij kunt zonder haar vertrekken." + +"Graaf!" riep Aylva verontwaardigd uit: "gij zoudt....." + +"Laat hem," zeide Adeelen, hem in de rede vallende: "zij is niet +beter waardig dan een pluimstrijkster des dwingelands te huwen." + +"Wat u betreft, Seerp Van Adeelen!" zeide Willem: "wij hebben u +reeds meer vergund dan met onze waardigheid strookt: wij hebben +uwe onbeschaamde taal herhaalde reizen met geduld aangehoord en uwe +uitdaging aangenomen; maar na de gunst moet ook het recht zijn beurt +hebben. Wij hadden u als overwonnene buiten het krijt kunnen laten +werpen, uwe wapenen doen aan stukken slaan en u vervallen van uw adel +verklaren; maar wij vergenoegen ons, met uw sloten, landgoederen en +bezittingen verbeurd te verklaren, en u voor eeuwig uit onze Staten +te bannen. Dank het vrijgeleide, dat de wetten van het tornooispel u +schenken, zoo wij uwe oproerige handelingen niet met den dood straffen, +dien zij verdienden. + +"Ik zal afwachten," zeide Adeelen, met meer bezadigdheid dan hem +gewoonlijk eigen was, en op een toon, die naar spotternij zweemde, +"wanneer uwe zendelingen van mijn erfgoed bezit komen nemen, ten +einde hen naar behooren te ontvangen." + +Maar de Graaf had deze schampere taal niet meer gehoord: zich +zonder verdere groete omwendende, had hij met de zijnen het vertrek +verlaten. In 't heengaan echter kon Beaumont niet nalaten, de hand van +Aylva te drukken: "helaas!" fluisterde hij hem in: "wat ik gevreesd +heb is bewaarheid geworden: de breuk is onherstelbaar: en zoo wij +elkaar terugzien, zal het niet dan op het slagveld zijn." + +"Hij dwingt ons daartoe," zeide Aylva: "welnu! het zal zijn, zooals +het den Hemel behaagt." + +Zoodra de Graaf met de zijnen het klooster verlaten had, namen ook +de drie afgevaardigden de terugreize aan. De Abt toch was nog buiten +adem van zijn gedwongen rit naar Haarlem en niet in staat geweest +een woord uit te brengen: Adeelen was te zeer vervuld met denkbeelden +van spijt en wraak, om acht te geven op zijn ros en liet de teugels +achteloos hangen: Aylva huiverde op de gedachte eener ontmoeting +met Madzy en zat op middelen te peinzen om haar aan 's Graven dwang +te onttrekken. Intusschen had hij, indachtig aan Willems gezegde, +dat er de noodige bevelen waren gegeven om Madzy den terugtocht naar +Friesland te beletten, den getrouwen Feiko vooruitgezonden, met last +om alles tot een spoedig vertrek in gereedheid te brengen. + +Men vond dan ook bij de aankomst alles in rep en roer. Adeelen, +verklarende, dat hij zich met het besluit ten opzichte van Madzy niet +verkoos te bemoeien, en dat het hem volkomen onverschillig was, of zij +naar Rijnsburg dan naar Friesland trok, begaf zich terstond naar zijn +vertrek: de Abt viel van vermoeidheid in den eersten stoel den besten +neder en vond zich onbekwaam en buiten staat om eenig advies te geven; +zoodat Aylva begreep vader Syard te laten roepen, ten einde met hem +over de zaak te raadplegen. Wat Madzy betrof, hij wilde haar niet +noodeloos verontrusten, alvorens men een stellig besluit genomen had. + +Nadat de monnik de zwarigheid vernomen had, bleef hij een wijl in +ernstig gepeins staan en gaf toen te kennen, dat hij wel een middel +zoude kunnen voorstellen, waardoor Madzy op een vrij zekere wijze aan +des Graven gezag ontrukt werd; doch dat hij beducht was, dat Madzy +er niet in zoude toestemmen. + +"Laat hooren!" zeide Aylva: "al ware uw middel onuitvoerbaar, het +kon ons misschien op den weg brengen om iets beters uit te denken." + +"Welnu!" zeide de monnik: "volgens mijn voornemen zouden wij allen +ons dezen avond aan boord begeven en morgen met het aanbreken van den +dag het Sparen uitzeilen. De Jonkvrouw zou inmiddels, slechts door +eenen dienaar vergezeld, en beiden in een geschikte vermomming, om +geen argwaan te verwekken, zich van hier over Utrecht naar Harderwijk +begeven, alwaar wij haar met het vaartuig zouden wachten." + +"Ziedaar juist wat ik ook zou aangeraden hebben," zeide de Abt, +al hijgende en blazende, "indien mij de vermoeidheid niet had belet +te spreken." + +De Olderman overdacht een wijl het voorstel: "het middel is gewaagd," +zeide hij eindelijk: "maar ik geloof, dat het slagen kan. Intusschen +moeten wij de gedachte der Jonkvrouw er over vernemen." + +"En wel terstond," hernam vader Syard: "want zoo het aangenomen wordt, +dient het dadelijk ten uitvoer te worden gebracht." + +Beiden begaven zich hierop bij Madzy, welke zij in dien droevigen +staat van neerslachtigheid vonden, waarin men volkomen bereid is, +zich als een kind te laten leiden en elken raad te volgen, niet omdat +hij ons verstandig toeschijnt, maar omdat ons alles even onverschillig +is. "Zoo mijn waarde voogd begrijpt," zeide zij, "dat ik op deze wijze +reizen moet, heeft hij slechts te bevelen:--alleen moet ik weten, +aan wiens geleide ik zal worden toevertrouwd." + +"Ziedaar juist de grootste zwarigheid," zeide Aylva: "de goede Feiko +is trouw en wakker genoeg; maar hij is nooit buiten Friesland geweest: +hij is den weg en de zeden des lands niet kundig, en zijn tongval +zou hem spoedig verraden. Een leidsman uit den omtrek kunnen wij +niet vertrouwen." + +"Indien de jonkvrouw zich aan mijne zwakke bescherming durft +toevertrouwen," zeide vader Syard, "zal het mij wellicht gelukken, +haar, met behulp onzer Lieve Vrouwe en van Sint-Odulf, mijn patroon, +in veiligheid te geleiden waar zij wezen moet." + +Dit aanbod werd dankbaar aangenomen: en zooras de Abt aan vader Syard +het gevraagde verlof verleend had tot de reize, en de vereischte +_dispensatie_, om het geestelijk kleed voor een korten tijd af te +leggen, ontvouwde de monnik zijn plan nader aan Aylya, en, het noodige +geld van den Olderman ontvangen hebbende, verliet hij het klooster. + +Hij kwam echter weldra terug, doch schier onkenbaar voor zijn beste +kennissen. Een buis of jak, van een stoffage, welke men te dier tijd +met den naam van _grauwen ezel_ bestempelde, hing hem om 't lijf: zijn +beenen staken in twee zware modderlaarzen met omgeslagen randen. Een +blauwe kaper, die vastzat aan een soort van pelgrimskraag, welke hem +tot even over de schouderen viel, bedekte zijn hoofd, en een groote, +breedgerande hoed hing hem op den rug. Onder den arm droeg hij een +pakje, waarin zich een boerinnengewaad bevond, dat voor Madzy bestemd +was. Hij had zich deze beide vermommingen in de hut des boschwachters +aangeschaft. Elske, die nu de hoop had opgegeven van haar man terug +te zien, had aan den monnik, op zijn verzoek, de daagsche kleeren +van Walger en haar zondagspak voor een ruime belooning afgestaan en +zich tevens verbonden, dezen verkoop, althans een paar dagen, geheim +te houden. + +Zonder een woord te spreken, had Madzy zich van hare versierselen +ontdaan en de nederige kleedij aangetrokken, welke voor haar bestemd +was: en het was eerst toen zij afscheid van haar voogd nam, dat zij +haar somber stilzwijgen afbrak met de nauwelijks hoorbare vraag: +"Weet gij iets van den armen gewonde?" + +"Hij leeft!" antwoordde Aylva: "en God geve hem een spoedig +herstel. Maar, mijn lieve!" vervolgde hij, toen hij haar de blauwe +oogen erkentelijk ten hemel zag opslaan: "gij moet hem vergeten; want +hij leeft niet voor u. Het is slechts aan een Fries, dat de dochter +van Sjoerd Dekama hare hand moet wegschenken: en zoo Adeelen een zoo +onwaardeerbaren schat verstoot, er zullen er anderen gevonden worden, +die hem meer op prijs weten te stellen.--Ga nu, mijn engel! en mogen +u alle Heiligen geleiden." + +Madzy omhelsde hem met vervoering, doch zweeg: haar gemoed was vol; +maar zij kon noch spreken, noch schreien: zij sloeg haar mantel op, +haalde haar kap over 't gelaat, en, den arm des monniks nemende, +ging zij met hem het achterpoortje uit, naar de plaats, waar Feiko +hen met de paarden verwachtte. Spoedig kwam de trouwe dienaar terug +met de tijding, dat beiden zich verwijderd hadden. + +Het bleek weldra, hoe noodzakelijk de gemaakte spoed was geweest; +want nauwelijks waren er eenige minuten verloopen, toen het huis +door een aanzienlijke ruiterbende omsingeld werd en de aanvoerder +zich aanmeldde met de tijding, dat hij uit 's Graven naam Jonkvrouw +Madzy Dekama kwam afhalen. + +"Het doet mij leed, dat ik u haar niet kan afstaan," zeide Aylva, +on een koelen toon: "maar zij was gisteravond zoo ontsteld en ziek +van het voorgevallene, dat zij terstond met een Harlinger vaartuig +naar Friesland is teruggekeerd." + +"Ziedaar iets, waarvan wij ons zullen moeten verzekeren," zeide +de hopman, en gaf hierop aan zijn wapenknechten last, het gebouw +te doorzoeken. Toen echter alle nasporingen vruchteloos bleken te +zijn, zond hij zijn volk in onderscheidene richtingen uit en stuurde +zelfs een boodschap naar den mond van 't Snaren, om te vernemen, +welke schepen er vertrokken waren; doch al zijn handelingen strekten +slechts, om hem te doen zien, dat zijn moeite vergeefsch en dat de +vogel alreeds gevlogen was. + +Intusschen hadden de beide vluchtelingen de aanzienlijke bleekerijen, +welke toen reeds aan de omstreken van Haarlem een alom erkende +vermaardheid gaven, rechts laten liggen en een achterweg ingeslagen, +welke, over het grondgebied van den Heer van Heemstede, door een +bevallige landstreek heenkronkelde. Aan hun linkerzijde vertoonde +zich weldra het achtbaar slot met zijn breede grachten en talrijke +torentransen, in 't midden van uitgestrekte weiden gelegen, terwijl aan +de andere zijde schilderachtige heuvels oprezen, wier helling rijkelijk +met struikgewassen begroeid was, waarboven de sombere eiken hun nog +dorre takken naar boven staken. Nette en wel geschilderde woningen +getuigden alom van de welvaart en rust, welke de landstreek genoot; +en de kunstelooze, vroolijke liederen der landbewoners, die van hun +werk terugkwamen om het middagmaal te gebruiken, gaven te kennen, +dat zij met hun lot tevreden waren. Over Bennebroek, dat zich uit de +overblijfsels van een vervallen nonnenklooster tot een vroolijk dorpje +vervormd had, kwamen de reizigers in de zandige Hillegommer duinen +en bereikten langs dien weg de groote heirbaan weder van Haarlem naar +Leiden. Vader Syard had besloten over laatstgemelde stad naar Utrecht +te reizen, en had hiermede een dubbel oogmerk. Vooreerst begreep hij, +dat, zoo Madzy vervolgd werd, men haar eerder op den weg naar Amsterdam +of in Kennemerland zoeken zoude, dan aan de zuidzijde; en dat zij +beiden op den grooten landweg, die met reizigers bedekt was, minder +in 't oog zouden loop en, dan op achterwegen. Ten tweede vreesde hij +te verdwalen, zoo hij binnenwegen nam, en wilde geen geleider nemen, +ja zelfs zoo min mogelijk geluid geven, ten einde de Friesche tongval +hem niet verraden mocht. + +Het was vrij vol op den weg: doch daar de meeste reizigers van +het feest terugkwamen en dus denzelfden kant uitgingen als onze +vluchtelingen, zoo hadden zij weinig aanstoot te lijden en gingen +vrij onopgemerkt verder. Wel wendde nu en dan een kloeke landbewoner, +die op zijn vluggen draver, met ledige manden beladen, van de stad +keerde, waar hij vruchten was gaan verkoopen, een rijke Leidenaar, +wiens stevige merrie een deel snuisterijen droeg, te Haarlem gekocht +en tot geschenken voor zijn huisgezin bestemd, of zelfs een jonge +Edelman, die zijn trotschen klepper liet op en neder huppelen, in 't +voorbijgaan een oog naar de bevallige rijdster; maar geen van allen +giste, dat het fijne neusje, 't welk alleen uit den dicht over de oogen +getrokken kaper te voorschijn kwam, aan de Roos van Dekama behoorde; +en het strak en ontzag inboezemend gelaat van haar metgezel was wel +geschikt om een ieder af te schrikken, die zijn nieuwsgierigheid +verder had willen uitstrekken. + +De beide reizigers reden op een gelijken, doch niet snellen draf voort, +uit vrees van iemand uit 's Graven gevolg, dat slechts kort voor hen +naar 's-Hage vertrokken was, achterop te rijden, en zonder een woord te +wisselen. De monnik zweeg, als wij gemeld hebben, uit voorzichtigheid: +en Madzy had genoeg aan de droevige gedachten, die zich van haar ziel +hadden meestergemaakt. Pijnigend waren de verwijten, die zij zich +zelve onder 't voortrijden deed. Zij beschouwde zich als de oorzaak +van al de onheilen, die in de laatste dagen waren voorgevallen. Zij +beschuldigde zich, Adeelen te hebben misleid, aanleiding te hebben +gegeven tot de verwonding van Deodaat, ja tot des Graven toorn, +die weldra, vreesde zij, op een geduchte wijze haar vaderland zou +treffen. En echter, wanneer zij het gedrag overdacht, door haar in de +laatste dagen gehouden, dan kon zij, bij het gemoedelijkste onderzoek +van hare handelingen, niet zien, waarin zij dan eigenlijk gedwaald +had, en vond zij niet, dat zij ergens verkeerd in gehandeld had, +dan alleen, door Deodaat toe te laten, haar aan te spreken. Maar dit +was zoo onverwacht geschied en in zulk een oogenblik van verwarring, +dat zij niet inzag, hoe zij dat onderhoud op een geschikte wijze +zoude hebben kunnen vermijden. Intusschen kon zij midden in haar +druk niet nalaten, een soort van verlichting te gevoelen, dat zij +van het aan Adeelen gegeven woord ontslagen was. Zij bespeurde nu, +dat zij hem nimmer had kunnen gelukkig maken, maar dat zij stellig +met iemand van zijn onhandelbaren aard hoogst rampzalig zou geworden +zijn. Die gedachte, dat zij weder vrij was, streelde haar, ja, doch +tevens dacht zij met schrik aan den blaam, dien Adeelen, bij zijn +terugkomst in Friesland, op haar werpen zoude, en aan de verachting +van haar landgenooten, waaraan hij haar onverdiend prijs zou geven: +en dan wenschte zij soms haars ondanks, dat een stille wijkplaats +haar mocht geschonken worden, niet in het adellijke Rijnsburger +klooster, waar weelderige loszinnigheid en dartele uitspanningen den +boventoon hielden, maar in een stil en vreedzaam gesticht, waar zij +haar tijd in kalme rust zou verdeelen tusschen het betrachten van +godsdienstplichten en van liefdewerken.--Dan ach! zij zorgde, dat zij +ook daar den jongeling niet uit haar geest zou kunnen bannen, wiens +bleeke en doodsche trekken haar nog onophoudelijk voor oogen zweefden. + +Op deze wijze zetteden zij hun weg voort, zonder zich langer op te +houden dan noodig was, om aan hunne paarden eenige verversching toe +te dienen, trokken Leiden onverhinderd door en reden den oever van den +Rijn langs tot aan Bodegrave. Hier vernamen zij, dat de weg hooger op +reeds vernield was op last van de stad Utrecht en dat de doortocht +aan sommige Hollanders reeds geweigerd was. Dit deed vader Syard +besluiten, een poging te doen, Utrecht langs een omweg te bereiken: +en links den eersten zijweg inslaande, was hij tegen het vallen van +den avond met zijn reisgenoote zonder hindernissen op het Stichtsche +grondgebied aangekomen, waar zij zich tegen alle vervolging beveiligd +mochten achten. + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + + + WAARD. Mijnheer! 'k bedien de lui + voor een civielen prijs. + LODEWIJK. Ik weet wel, hospes, dat is te Utrecht + zoo de wijs. + + Langendijk. Het wederzijds huwelijksbedrog. + + +De herberg van het dorpje, waar onze reizigers stilhielden, +maakte een niet onaanzienlijke vertooning, in vergelijking met de +overige woningen, die in een halven cirkel verspreid lagen rondom +een groot grasperk, met eenige ijpeboomen beplant, onder wier +gebladerte ettelijke biggen en schapen hun voedsel zochten, of +zich in gezelschap van eenige kwakende eenden laafden in een plas +of waterkom, midden in het perk aanwezig, en aan welken sommige +oudheidkenners van vroegere dagen beweren dat het dorp zelf zijn +naam verschuldigd was. Anderen echter leidden dien naamsoorsprong +af van de veenen, die in den omtrek gevonden worden; want Plaswijk, +hetwelk men thans vergeefs op eenige kaart zou zoeken, daar het in de +Hoeksche en Kabeljauwsche twisten grootendeels in assche gelegd en +sedert met de naburige gemeenten ineengesmolten is, lag juist op de +grensscheiding tusschen de lagere veen- en weilanden van Amstelland +en den hoogeren Stichtschen grond. Het leverde hierdoor ook van beide +kanten een geheel verschillend uitzicht op; want achter de huizen zag +men kampen met haver en wintergerst beteeld, en door kleine hagen of +dijkjes vaneengescheiden, langs welke tallooze musschen en vinken op +en neder vlogen: terwijl aan de overzijde onafzienbare landerijen zich +uitstrekten, met poelen en slooten doorsneden, en rijk in prachtig +rundvee. Alleen aan de oostzijde werd het uitzicht belemmerd door +een boschje, waarboven het slot Nyenstein, hetwelk den Bisschop van +Utrecht toebehoorde, zijn ronden toren slechts even ophief. + +"Kunnen wij hier vernachten, moeder?" vroeg de monnik aan de dikke, +gezonde kasteleines, die met een vroolijken glimlach op den mond en +de handen in de zijden, de deur uit kwam scharrelen, zoodra zij de +beide reizigers voor haar woning had zien stilhouden. + +De waardin antwoordde niet op deze vraag. Waarschijnlijk was zij in +een tweestrijd met zich zelve, als willende zij, aan den eenen kant, +haar nieuwe kalanten niet afschrikken, indien zij bekende dat zij +geene plaats meer had, en aan den anderen, haar ziel met geen logen +bezwaren. Zij hield zich dus, of zij de vraag niet gehoord, of niet +verstaan had, en zich dadelijk half omkeerende, riep zij naar binnen: +"Peer! Kees! hei daar! komt hier en helpt me dien huisman ereis! waar +zijn de luiaards! hier Trui! kom ereis uit en hou de paarden van de +lui vast, dat ze af kunnen stijgen." + +En Trui, een frissche boerenmeid, kwam de herberg uitdraven en nam +met haar purperkleurige handen de teugels der beide rossen, terwijl +haar meesteres er Madzy afhielp, eer deze nog wist of zij blijven +zou dan verder gaan. + +"Ik vroeg u, moeder!" zeide vader Syard droogjes, en nog altijd in +den zadel blijvende, "of wij hier vernachten kunnen." + +"Komt binnen maar, menschen," zeide de kasteleines, Madzy met een +beschermenden lach op den schouder kloppende: "Kees zal wel zorg +dragen voor die knollen." + +En inderdaad, Kees, een half blinde, half lamme boerenknecht, kwam +strumpelende voor den dag uit een schuurtje, dat aan de herberg paalde, +en vatte post naast zijn medehelpster Trui. + +De monnik, ziende dat Madzy zich reeds genoodzaakt zag tegen wil +en dank de waardin te volgen, steeg nu ook af: en terwijl de beide +dienaars de rossen als in zegepraal naar de stalling voerden, trad +hij naar de meesteres en vatte haar bij den arm, juist zooals zij +zich gereedmaakte, met Madzy binnen te treden. + +"Een oogenblik, vrouw!" zeide hij, haar met een strakken blik +aanziende: "voor wij binnengaan, wenschten wij te weten, of er al of +niet kans voor ons is hier hedennacht te vertoeven, althans of gij +mijner nicht een slaapstede kunt bezorgen." + +"Dat zal de vraag zijn," zeide de waardin: "doch komaan! het oude +spreekwoord zegt: er kunnen vele makke schapen in een hok; maar gaat +toch binnen, goede lien, wij zullen er in 't voorhuis over praten." + +"Neen, met uw verlof!" zeide de monnik, die door de opene deur +verscheidene lieden in het voorhuis bijeen zag en zich niet onnoodig +aan het gezicht wenschte bloot te stellen, "dat niet: hier geeft gij +mij antwoord of wij rijden terstond verder." + +"Wel, dat zou toch wat erg zijn," hernam de vrouw, al grinnekende en +zich de handen wrijvende: "den _Roerdomp_ voorbij te rijden zonder +eens binnen te zijn geweest! neen huisman! dat gaat niet. Het huis +is wel mooi vol; doch met overleg komt men wijd; en wij zullen het +wel zoo schikken, dat gij tevreden zijt." + +"Mijn nicht is wat vermoeid," zeide de monnik, "en wenschte wel, +terstond haar kamer te betrekken, en daar wat te gebruiken." + +"Zoo!" zeide de kasteleines, de onderlip vooruitstekende, en Madzy met +een verwonderd gelaat aanziende: "is die deerne te grootsch om aan den +gemeenen haard te zitten, waar ik de knapste vrouwlui uit den omtrek, +ja zelfs deftige poortersvrouwen uit Utrecht en Grouda heb ontvangen: +en waar nooit anders dan bescheiden volk wordt toegelaten; en denkt +gij dat de herberg van Maaike Jaspersz een klooster of een bijenkorf +is, waar ieder zijn eigen celletje heeft?" + +"Ik voel mij wat ongesteld," zeide Madzy op een smeekenden toon. + +De zachte en innemende stem der Friezin scheen eenigen indruk op het +hart der waardin te maken: althans zij bracht haar gelaat weder in een +vriendelijke plooi, en Madzy op den schouder kloppende: "wij zullen +zien," zeide zij: "maar waarlijk; ik moet eens bedenken!--Truitje! is +het achterkamertje al besproken?" + +"Daar ligt de Leidsche koopman in lakens al sedert een half uur te +ronken," zeide de dienstmaagd, die zich weer bij hen gevoegd had: +"de man wenschte morgen met den dag weer op reis te gaan." + +"Ja! morgen! als zij hem morgen maar laten doorreizen," mompelde de +waardin: "doch dat is hetzelfde: er zal geen kans zijn den man meer uit +zijn bed te krijgen:--en is er nog een plaats in de groote kamer open?" + +"Dat 'loof ik niet," antwoordde Truitje: "laat zien: daar is de +Ydeljaander met zijn kameraad in één bed, en die gast van straks in +het andere, met dien kerel, die zulk een zwarten mantel om heeft, +en oogen nog zwarter dan zijn mantel." + +"Dat is tot daar aan toe," viel haar Maaike Jaspersz in de rede: +"een meid uit een ordentelijke herberg behoeft de jonge knapen niet +in de oogen te kijken.... laat zien:--de bedsteden zijn bezet; maar +er zal nog wel een ledig hoekje zijn om een stroozak te leggen." + +"Wat beduidt al dat gehaspel?" vroeg vader Syard vertoornd: "gij wilt +mijn nicht toch niet in uw groote kamer plaatsen? Ik heb voor haar +een kamer alleen verzocht." + +"Recht zoo, huisman!" hernam de waardin: "maar gij zult zelf ook wel +een plaatsje willen hebben?" + +"Ik ben met een weinig stroo in de schuur tevreden," zeide de monnik: +"mits mijn nicht slechts wel bezorgd zij." + +"Ja! ik zal haar mijn eigen bed dienen te geven:--maar een goed akkoord +bederft geen crediet: en mij dunkt, dat een kleine schadeloosstelling +boven den gewonen prijs...." + +"Zoo het slechts daaraan hapert," hernam de monnik, haar een paar +stukken van achten in de hand stoppende: "hier is al wat voor de +moeite, die wij u veroorzaken: maar haast u! en laat ons het verblijf +zien, dat gij aan mijn nicht wilt geven." + +"Komaan, kind!" zeide de waardin, terwijl zij met de eene hand het +geld opstak en met de andere Madzy voortstuwde: "zien zullen wij: +en het zou mij verwonderen, indien gij niet tevreden waart." + +Madzy trok haar mantel nog dichter over haar gelaat en vergezelde +nu met vader Syard haar geleidster naar binnen. Met een haastigen +stap traden zij het voorhuis door, waar eenige menschen rondom het +vuur bijeen zaten, gingen een paar smalle zijtrapjes op en bevonden +zich weldra in een klein vertrekje onder het dak, hetgeen zich, +wat de zindelijkheid betrof, vrij wel voordeed; maar dit was de +eenigste verdienste. Behalve dat het er geweldig heet was, waren +er geene andere meubelen te vinden dan een koffer ter berging van +het linnengoed der waardin, en een stoel, waarop haar nachtgewaad +lag. Vader Syard, vreezende dat Madzy dit verblijf vrij ongeschikt +zoude voorkomen, wilde bedenkingen opperen; maar Madzy verklaarde, +dat zij er volkomen genoegen mede nam. + +"Wel dat geloof ik," zeide vrouw Jaspersz, terwijl zij haar boeltje +bijeenpakte, en met een bezemstok de dekens instopte: "er hebben hier +wel knapper lui in geslapen: zooals laatst de eigen zuster van Barta +Bartels, die vrouw is van den Overman van het Weversgilde te Leiden: en +nooit heeft iemand ergens over geklaagd:--als over de muggen misschien: +maar die ontzien rijk noch arm: en als men den geheelen dag gereisd +heeft, zooals gijlieden, naar ik aan uw paarden zien kan, dan slaapt +men wel in, eer men de steken voelt. Maar wat zult ge nu gebruiken?" + +Madzy antwoordde, dat zij zich maar dadelijk ter rust wenschte te +begeven, en verzocht de waardin haar eenig vleesch en brood te brengen, +dat zij op haar bed zou nuttigen. + +"Dat zei je geworden," zeide de waardin: "ik heb een kostelijke zijde +spek hiernevens hangen: en daar zal ik je een snede van brengen, +beter dan je ooit gegeten hebt." + +"Waarlijk," zeide de monnik, zoodra de waardin vertrokken was, "indien +ik geweten had, dat hier zoo weinig gelegenheid ware, om behoorlijke +huisvesting te erlangen, ik had u nimmer laten binnenkomen. Dat is +voorwaar geen verblijf voor de erfdochter der Dekama's!" + +"Men moet zich op reis behelpen," zeide Madzy, met een vriendelijken +lach: "en schoon deze peul vrij hard schijne en het hier onverdraaglijk +warm zij, heeft alles echter een zindelijk voorkomen. Wat dunkt u? zou +ik het venster durven openlaten? De nachten zijn niet koud en ik zal +in mijn kleederen te bed gaan." + +Vader Syard zette het raampje open, en zag naar buiten. "Gij zijt, +geloof ik," zeide hij, "hier tegen allen onverhoedschen overval +beveiligd." + +"Inderdaad, ik zit hier hoog en droog en zal niet licht een bezoek +ontvangen, of het moest dat van een verdwaalde kat zijn!.... maar +zeg mij, Vader! wien zou het slot toebehooren, dat ik ginds boven +het geboomte zie?" + +"Dat slot," antwoordde de monnik, "wordt thans bewoond door iemand, +die ons van dienst kan wezen en een veilig geleide naar de plaats +onzer bestemming bezorgen. Het is mijn voornemen, hem nog hedenavond +te bezoeken; althans indien het u geene ongerustheid veroorzaakt, +zoo ik mij gedurende een halfuur van dit huis verwijder." + +"Wat zou ik vreezen?" zeide Madzy: "en wie zou mij hier zoeken?--doch +gij spreekt raadsels, goede Vader! wie kan die slotvoogd wezen, +wiens bescherming ons van zoo grooten dienst zal zijn?" + +"Ik heb u niet gezegd, dat het de slotvoogd ware, mijn dochter! de man, +dien ik zoek, is thans slechts een tijdelijke bewoner van Nyenstein: +wie hij is zal zich eenmaal, wellicht spoedig, ophelderen: tot nog +verbiedt mij een heilige plicht zijn naam te noemen;.... ook hoor ik +onze waardin reeds terugkomen: en ik acht mijne tegenwoordigheid hier +verder onnut. Hebt gij nog eenige bevelen voor mij? anders beveel ik +u der bescherming onzer Lieve Vrouwe aan, en wensch u wel te rusten." + +"Rust wel, eerwaarde vader!" zeide Madzy: "en ontvang mijn hartelijken +dank voor uw trouwe zorgen." + +De monnik vertrok en liet de Jonkvrouw alleen met de waardin, welke +haar het avondeten bracht. Madzy gevoelde wel eenigen trek om haar te +vragen, wie de geheimzinnige bewoner ware van dat slot, daar zij met +den monnik over gesproken had; maar het gevoel van bescheidenheid, +haar ingeschapen, weerhield die vraag op hare lippen. Zij begreep, +dat de monnik goede redenen moest hebben, waarom hij haar het geheim +niet mededeelde en achtte het daarom ongepast, een anderen weg in +te slaan om daarachter te geraken. Ook zou zij weinig tijds gehad +hebben om een vraag te doen, daar de waardin, wier nieuwsgierigheid +was opgewekt geworden door het gunstig uiterlijke van Madzy, die haar +mantel had afgedaan, en door de fijnheid van het linnen, dat onder +hare boerinnenkleeding zichtbaar was, haar overlaadde met een vloed +van vragen, waarop de Jonkvrouw slechts half verdacht was en die zij, +het veinzen ongewoon, met moeite wist te beantwoorden. Wel had zij +reeds gezegd (gelijk zij dit met den monnik had afgesproken), dat +zij uit Alkmaar was en met haar oom naar Utrecht reisde om aldaar +een bloedverwant te gaan bezoeken; maar toen de waardin haar over +eenige nadere bijzonderheden begon te ondervragen, geraakte zij al +meer en meer in de war en wist zich eindelijk niet meer te redden dan +door grooten vaak en vermoeidheid voor te wenden. Echter zou haar de +belangstellende nieuwsgierigheid van vrouw Jaspersz nog geene rust +hebben gelaten, zoo niet een rumoer, in het benedenhuis ontstaan, +de aandacht van deze getrokken had. + +"Ik moet eens zien wat daar gebeurt," zeide zij; "ik geloof waarlijk +dat zij weer aan 't bekkesnijden zijn. Maar ik zal hun doen zien, wie +of baas in mijn huis is, zij of ik. Gij neemt het mij niet kwalijk, +hoop ik, dat ik u alleen laat. Wij waren zoo recht genoeglijk aan +'t keuvelen; maar de zaken gaan voor alles, en ik ben maar een arme +weeuw alleen en moet nacht en dag in de weer zijn om te zorgen dat +mij de kaas niet van 't brood gehaald worde. Tot wederziens dan. Goede +nachtrust!" + +En met deze woorden kloste zij de trap af en vond werkelijk bij het +komen in het voorhuis, dat haar tegenwoordigheid aldaar noodzakelijk +vereischt werd. De aanleiding van den ontstanen twist was de volgende: + +De monnik had, toen hij de trap afdaalde met het oogmerk van zich +naar het kasteel te begeven, het belang gevoeld om zich, voor hij +het huis verliet, te vergewissen, welk slag van lieden hij in de +herberg achterliet en of zijn reisgenoote ook iets van hen te vreezen +had. Bovendien, schoon het vasten gewoon, had de voor hem ongewone +beweging zijn eetlust aangewakkerd en verlangde hij naar eenige +verversching. Hij verzocht dus bij zijn intrede in het voorhuis aan +de dienstmaagd, hem een snede brood met een teug water te halen. + +"Water!" klonk een stem van den haard: "laat dat aan de kikkers, +huisman. Eilieve! kom mede in 't gelag en wij zullen u van onzen +drank schenken." + +De monnik wendde bij deze uitnoodiging het oog naar het aldaar +vergaderd gezelschap. Onder een schouwe van uitgebreiden omvang, +hoedanige er wellicht niet meer, dan in sommige afgelegen Geldersche +of Overijselsche dorpen te vinden zijn, en waarin ettelijke stukken +vleesch te rooken hingen boven het altijd brandend turvenvuur, +zaten eenige lieden op lage houten bankjes in een halven kring om een +tafeltje. Dicht aan den wand bevond zich de man, die tegen den monnik +gesproken had, en wiens kleeding een wapenknecht aanduidde, terwijl +zijn roode neus en de kan, welke hij op de eene knie vasthield, +hem als een vlijtigen aanbidder van den wijngod deden kennen. Wat +de uitdrukking van zijn gelaat betrof, zij was die van iemand, +die steeds genegen schijnt, ieders woorden kwalijk op te nemen: en +schoon zijn voorstel aan vader Syard op zich zelf verplichtend was, +de norsche en onaangename toon, waarop het gedaan werd, nam er alle +verdiensten van weg, en gaf zooveel te kennen, als dat de man, tot +wien het gericht was, er zich ten hoogste mede vereerd moest achten +en dat een weigering kwalijk zou worden opgenomen. + +Naast dezen persoon waren twee lieden gezeten, kermisgasten van beroep, +althans voor zooverre men dit kon afleiden uit hun vreemde spraak +en kleedij, uit hun verbrand gelaat en uit de kast, welke nevens hen +stond, en waarop een dier lag te slapen, welks soort de schaduw, welke +de tafel daarover wierp, belette te onderscheiden. Drie dorpelingen, +vaste klanten van de herberg, maakten met de bovengenoemden het +gezelschap uit; want men kon bezwaarlijk een zevende mederekenen, +die, afgezonderd van de overigen, op een bank tegen den muur lag en +geheel bedolven scheen onder een grooten zwarten mantel. + +"Ik dank u, goede vriend!" zeide de monnik tot den wapenknecht: +"uw voorstel is hupsch; maar ik mag het niet aannemen." + +"Hoe nu!" zeide de man met het zwaard op een hoogen toon: "zijt gij +een kerel? gij komt nog wel op een goed paard aanrijden, en zoudt +vrekkig genoeg zijn om een dronk te weigeren?--Ik zou bijna denken, +dat gij al uw munt te Haarlem verslempt, en geen onnoozel kopstuk +meer overgehouden hebt, om eens met eerlijke lui te klinken." + +"Ieder weet best wat vertering hem lijkt," zeide de monnik: "mits +slechts de waardin niet klage over kwalijke betaling; bovendien, +goede vriend, kan ik om een andere reden uw voorslag niet aannemen; +ik heb nog een boodschap in het dorp te verrichten, en moet haast +maken." Dit gezegd hebbende, zette hij zich op eenigen afstand aan +een klein tafeltje. + +"Bij mijn zolen!" zeide een der dorpelingen: "gij zult niemand in +'t dorp meer op vinden dan ons drieën: het is al bijkans halfacht, +en ieder gaat hier met de kippen op stok, uitgenomen wij, die hier +alle avonden klokke zeven uren post vatten, om een Christenplicht +te verrichten." + +"Een Christenplicht!" herhaalde de wapenknecht: "ik ben waarlijk +benieuwd te weten, hoe gij dat uitlegt?" + +"Wel!" hernam de vorige spreker: "is vrouw Jaspersz niet een +weduwvrouw, en zeit de pastoor ons niet alle Zondagen, dat wij de +weduwen en weezen hebben voor te staan? Mij dunkt, ik kan niet vromer +handelen, dan dat ik een goede vertering bij haar maak." + +"Dat gij hier vertering maakt is zeker, Melisbuur!" zeide een der +andere dorpelingen: maar of vrouw Jaspersz er veel zijde bij spint, +daaraan zoude ik haast twijfelen:--hoe dikwijls in 't jaar hoort zij +de klank van je geld?" + +"Eilieve! wij zullen elkaar wel eenmaal met gesloten beurzen betalen," +zeide Melis, lachende, "want ik denk haar met Kerstmis te trouwen +en dat zal de rekening effen maken:--maar dat tot daar aan toe: die +nieuwe gast moet er zoo niet afkomen:--zeg eens paai! wien duivel +zoekt gij zoo laat op het dorp?" + +"Ik zoek iemand, die mij met geen nuttelooze vragen zal lastig vallen," +antwoordde de monnik, droogweg. + +"Dien kunt gij in uw tasch steken, Melisbuur!" zeide een der andere +landlieden, lachende, + +"Ik geloof, dat de vlegel lust heeft, met mij aan 't snijen te komen," +zeide Melis, de hand aan het heft van zijn zakmes slaande. + +"Foei Melis! een oud man!" hernam degene, die zooeven gesproken had, +terwijl hij hem tegenhield. + +"Indien hij oud is," zeide Melis, "moest hij op zijn woorden hebben +leeren passen en geen onbeschofte taal voeren, wanneer men hem in +'t ordentelijke een vraag doet." + +"Had hij maar school gegaan bij mijn aap," merkte een der kermisgasten +aan, in wien mijn lezers aan dit gezegde den hansworst van Barbanera +zullen herkend hebben: "meester Cezar, dat vrome beest, geeft nooit +andere dan bescheidene antwoorden." + +Deze geestige zet werd door al de aanwezigen met een luid gelach +ontvangen. Vader Syard, zijn eenvoudig maal uit de handen der +dienstmaagd aannemende, vergenoegde zich met te zeggen: + +"Indien gij, mijn zoon! in de plaats van met ongure dieren, met vrome +lieden verkeerd hadt, zoudt ge althans de lessen der beleefdheid +jegens vreemdelingen beter hebben leeren in acht nemen." + +"Hij spreekt bylo of hij een pater ware," zeide Daamke, wiens +vroolijkheid verdubbelde. Barbanera, die naast hem zat, zag op dit +oogenblik den monnik in 't gezicht, die hem echter niet herkende, +daar zij elkander slechts eenmaal aan het ziekbed van Elske gezien +hadden, en de kwakzalver thans den wassen neus niet ophad, die hem +anders vermomde. + +"Een pater!" herhaalde de wapenknecht met een schuinschen blik op +den monnik: "hij is dan waarschijnlijk uit het Karthuizer convent te +Arnhem, waar de monniken, zooals men weet, nooit uitgaan dan met een +mooi Mariëndaalsch zusje." + +"Of het een mooi zusje was, is nog de vraag," zeide de hansworst: "want +zij was zoo dichtgestopt als een metworst, toen zij ons voorbijstoof. + +"Niet zoo ingestopt," zeide de wapenknecht, "of ik heb een voetje +gezien, dat ik in mijn vuist had kunnen sluiten, en een blank malsch +handje, dat de kruik vasthield. Zeg eens, huisman! is 't je dochter, +of je vrouw! want ik wil je wel van je reisgenoot ontslaan, zoo je +haar voor een slok verkoopen wilt." + +"Dat ware met recht kat in den zak koopen," zeide Daamke. + +"Nu, wij konden haar wel eens bekijken gaan," hernam de wapenknecht, +opstaande: "zij zit zeker bij moeder Treuzel in de keuken." + +"Ja! laat zien of wij haar kennen," zeide Melis, zijn voorbeeld +volgende. + +"Een oogenblik, goede vrienden!" zeide vader Syard, zich voor de deur +stellende, met zulk een vastberadene houding, dat de beide gasten +een poos besluiteloos stonden: "ik ben een man van jaren en ongewoon +om met rauwe gasten als gij zijt te vechten; maar ik zou nog kracht +genoeg hervinden om den eersten, die zich verstoutte aan den wervel +van deze deur te raken, zijn vermetelheid duur betaald te zetten." + +Onder het uiten dezer woorden sloeg hij de dorre hand aan den degen, +die aan zijn zijde hing. + +Melis trad een stap terug: schoon eenigszins door den drank verhit, +was hij niet beschonken genoeg of hij besefte, dat een aanval op +den vreemdeling in dit geval meer dan een gewoon messengevecht zoude +wezen en hem strafbaar maken voor het gerecht. De wapenknecht echter, +meer oploopend en stout, trok zijn zijdgeweer half uit en wilde op +den monnik aandringen, toen het gewaad van dezen zijne opmerkzaamheid +wekte: "wat duivel!" riep hij, plotseling stilstaande: "hoe komt gij +aan dat pak?--Dat zijn mijne kleeren.... mijne laarzen.... mijn tasch!" + +Deze opmerking, in stede van den monnik van zijn stuk te brengen, +gaf aan het schrander oordeel van vader Syard integendeel een wapen +in de hand, waarvan hij zich met wakkerheid bediende.--"Uw naam is +Walger!" zeide hij. + +Inderdaad, het was Walger, die, na zijn vrouw, gelijk wij vroeger +verhaalden, te hebben mishandeld, zijn hut had verlaten in den waan dat +zij dood was. Den avond van dien dag teruggekomen zijnde, om zich van +de gegrondheid zijner vrees te verzekeren, had hij door het venster +naar binnen gezien, en Madzy, den monnik en de beide Italiaansche +Ridders bemerkt bij de legerstede, waarop zijn vrouw, dood zoo hij +meende, lag uitgestrekt. Vervuld van schrik had hij geene uitkomst +geweten als in de vlucht, en ten einde spoediger weg te komen, had +hij de paarden der Ridders losgemaakt, en een daarvan bestijgende, +was hij met de twee naar Leiden gedraafd, waar hij ze een paar dagen +later aan den Ridder van den Rooden Arend verkocht had, die, van +hem vernemende dat hij dienst zocht bij de Stichtschen, hem met een +aanbeveling aan Jonker Robbert van Arkel naar Utrecht had gezonden, +waar hij aangenomen en met een wederkeerige boodschap naar Plaswijk +was gestuurd. + +"Moordenaar!" vervolgde de monnik, op een bestraffenden, doordringenden +toon: "wat hebt gij met uwe vrouw gedaan? weet gij niet dat zoowel +de wet des Heeren als die der menschen het doodslaan verbiedt? En in +plaats dat gij in zak en asch uw misdaad beschreien, en door berouw en +boete de genade Gods afbidden zoudt, vind ik u hier dartelend en wijn +drinkende, als de menschen in de dagen Noachs deden, voor de zondvloed +kwam en ze allen van de aarde wegnam.--Beef! want het bloed zal bloed +eischen en de wraak zal u vervolgen, waar gij ook schuilen moogt." + +Walger trad onthutst en bedremmeld terug: en terwijl de overigen, die +weinig of niets van des monniks toespraak begrepen hadden, hen beiden +met bevreemding aanzagen, kwam de waardin juist op het gerucht af. + +"Wat beduidt dit, vrienden?" zeide zij: "mijn herberg is een +ordentelijk huis en ik wil hier geen rumoer hebben. Een eerlijke +bekkesnijderij op Zon- en Feestdagen of met kermis, in goede eendracht, +dat gaat er nog mede door; maar in de week en dat nog wel 's avonds, +verkies ik geen ruzie in huis." + +"Er is geen ruzie ter wereld, moeder Jaspersz!" zeide een der boeren: +"daar is Melisbuur, die u ongetrouw wordt en eens effentjes een +vriendelijk bezoek wil gaan afleggen bij de deerne, die hier t' +avond gekomen is." + +"En denkt gij, leelijke slungel," vroeg de waardin, met de handen in +de zijden naar Melis toestappende, "dat ik dat van u velen zou? Ga +zitten man!" vervolgde zij, terwijl zij hem bij de schouders nam en +op zijn bank neerkwakte: "en drink je zoopje; maar wee je gebeente, +zoo je verder dan het voorhuis je pooten durft zetten. + +"De droes!" zeide de hansworst: "vriend Melis! zoo gij u ooit bekeeren +wilt, doe dan als je daar eerst zeidet: neem moeder Jaspersz tot +vrouw en zij zal u spoedig zoo tam maken als een lammetje." + +"Hij mij tot zijn vrouw nemen!" riep de waardin: "Maaike Jaspersz laat +zich niet zoo nemen: ik wou nog liever, dan dat ik zoo'n apenbakkes +in mijn slaapkamer zag en mijn zuur verdiend penningske door zijn +keelgat wandelen. Hij moest maar liever eens denken, hoe hij bij +mij in 't krijt staat, en wachten tot hij mij betalen kan, eer hij +zooveel praats had. Maar ik zeg alsnog: die buiten het voorhuis komt, +neem ik bij de lurven en gooi hem de deur uit." + +Hoewel de wakkerheid der waardin en het gezag, dat zij over haar gasten +scheen uit te oefenen, vader Syard eenigszins geruststelden, begreep +deze echter niet heen te moeten gaan zonder alvorens nog eenig gewicht +aan haar vermaning bij te zetten: "luistert vrienden!" zeide hij: +"ik ga naar het slot, en zoo iemand in mijne afwezigheid zich verstout +mijn nicht te beleedigen, beloof ik hem morgen een plaats in de kelders +van het kasteel."--Dit gezegd hebbende, begaf hij zich het huis uit. + +"Ik lach wat met zijn dreigen," zeide Walger, zijn onbeschaamdheid +terugvindende, zoodra hij den scherpen blik des monniks niet meer te +vreezen had: "de slotvoogd zal zich wel wachten mij een vinger aan te +raken. Ik heb op het kasteel althans zooveel invloed als die oude gek." + +"Vertrouw daar niet te veel op, vriendje," zeide de hansworst: +"het zou mij niet verwonderen, indien die grijskop langer dan gij, +kennis had met dengene, die op dat slot huisvest." + +"En wie huisvest er dan op?" vroeg Melis: "behalve de oude Peter en +een aantal uilen en kraaien!" + +"Zeg daar maar niets van," zeide een der andere boeren: "ik heb er +niet later dan gisteravond een Ridder zien binnenrijden in volle +wapenrusting met een helm op 't hoofd en op een fraaien zwarten +hengst gezeten." + +Hier lichtte de reiziger die op de bank lag, en die zich het vorige +tooneel volstrekt niet had aangetrokken, even het hoofd op; doch +hernam terstond weer zijn onverschillige houding. + +"Wie weet dat beter dan ik," zeide Walger, "die hem het paard verkocht +heb waar hij op zat? een echten kastiliaan, dat beloof ik u." + +"Is het sedert niet lang, dat gij paardenkooper geworden zijt?" vroeg +Daamke: "voor weinige dagen stondt gij nog in den Hout naar onze +kunstverrichtingen te kijken, met het wapen van Holland op uw +jachthuis." + +"Heugt u dat!" zeide Walger: "welnu, wat steekt daarin? ik heb een +ander beroep bij de hand genomen." + +"Gij neemt andere dingen ook," zeide de hansworst: "want gij hebt +bij uw vertrek twee paarden meegepakt." + +"Wie durft dat zeggen," riep Walger, met drift opstaande en de hand +aan het geweer slaande. + +"Dat durf ik zeggen," hernam Daamke: "ik, die er bijna klappen om +gehad heb." + +"Goede hemel!" riep de waardin uit, terwijl zij haar handen naar +boven hief: "een paardendief in mijn huis." + +"Zottin, geen dief!" zeide Walger, terwijl hij wrevelig weder plaats +nam: "maar, dewijl het toch morgen, naar men zegt, oorlog wordt +tusschen Holland en het Sticht, moest al wat onder het Bisdom behoort +mij danken, zoo ik twee paarden op de Hollanders heb prijsgemaakt +en aan den Bisschop de aanwinst bezorgde van een knappen kerel als +ik ben." + +"'t Is dan zeker ook om afbreuk te doen aan de Hollanders," vervolgde +Daamke, "dat gij uw Hollandsche vrouw half doodgeslagen hebt?" + +"Lieve Maagd!" herhaalde de waardin: "een dief en een +wijvesmijter! kameraad! je zoekt maar een andere herberg op, dan +de mijne." + +"Hoe nu!" zeide Walger, "heeft de oude Peter mij niet zelf hier +gebracht en u gezegd dat ik een Bisschoppelijke wapenknecht was en +dat gij mij zoudt herbergen?" + +"Dat is waar," antwoordde de waardin: "maar...." + +"En zoudt gij denken," vervolgde Walger, met meer en meer drift, +"dat de slotvoogd of zelfs de Bisschop mij zoude vragen wat ik in +Holland verricht had en mij niet gaarne absolutie geven voor het kwaad, +dat ik er mocht hebben uitgevoerd? Komaan! tap nog een kan ouden wijn +en laat er niet meer over gesproken worden." + +"'t Is wel!" zeide de waardin: "maar daar gij morgen wel eens in +'t hoofd zoudt kunnen krijgen om weer naar de Hollanders over te +loopen, zal ik zorgen, dat ik bij uw vertrek de paarden tel, die op +stal staan." + +"En wat u betreft," vervolgde Walger, zich tot den hansworst wendende, +zonder acht te geven op het gezegde der waardin, "zoo er nog een woord +over het voorgevallene bij Haarlem uwe lippen ontrolt, zweer ik u, +dat ik u kennis met mijn zwaard zal doen maken, en uw veelvervig pak +van den kraag af tot de hoos toe de kleur van uw bloed doen aannemen." + +"Kom! kom!" zeide Daamke: "heb maar zooveel praats niet: die lange +Fries van den Heer van Aylva mocht eens terugkomen en u afranselen +zooals hij in den Haarlemmerhout deed." + +"Schurk!" riep Walger: "wat let mij of...." + +"Welnu," zeide de waardin, met een nieuwe kan terugkomende: "begint +gijlieden weer? komt! drinkt als vroolijke gezellen met elkaar en +laat dat eeuwige gekijf varen. 't Is of gij heden allen van den Booze +bezeten zijt: er is hier geen wijs mensch dan ik en die goede man, +die op de bank ligt te slapen." + +"Slapen!" zeide Walger: "ja, zoo gij 't maar gelooven wilt. Wij +hadden hem ook wel eens kunnen aanstooten, om te zien of hij ons +beter bescheid zou doen, dan de paai die zoo even heenging. Wie +weet, misschien is hij wel een spion van den Graaf, gezonden om ons +te verderven." + +"Licht mogelijk," zeide Melis: "mij dunkt, hij deed beter van naar +zijn nest te gaan, zoo hij niet met ons wil aanzitten." + +"Wij kosten hem wel eens even wakker schudden," zeide Walger. + +"Gij zult den man stil laten liggen," zeide de waardin: "hij heeft +zijn avondeten genomen en zonder afdingen betaald: en ik zie niet, +waarom hij niet evenveel recht zou hebben om rustig te slapen, als +gij om rustig te drinken." + +"Nu! maar eventjes," hernam Walger: "ik zal den man geen kwaad +doen. Ik wil hem voor de grap slechts eens laten ruiken, of hij ook +trek krijgt om mede te doen." En zijn kroes volschenkende, zwaaide +hij naar den reiziger toe, en hield dezen het vocht onder den neus; +maar de vreemdeling, plotseling opstaande, en den mantel afwerpende, +die hem bedekte, vertoonde hem de welbekende gelaatstrekken van +Reinout van Verona. + +"Onbeschaamde dief!" zeide hij: "kunt gij dan niemand met rust laten." + +De eerste indruk, welken deze verschijning op Walger deed, was, dat +hij zwichtte voor het zedelijk overwicht, hetwelk iemand van hoogeren +rang doorgaans op zijn minderen uitoefent. Hij herstelde zich echter +weldra, vooral toen hij bemerkte, dat Reinout geene andere wapenen +droeg dan een dolk. + +"Ter hulp, Vazallen van het Bisdom!" riep hij: "ziet daar, zooals ik +zeide, een zendeling van den Hollander, een flikflooier van Graaf +Willem, wiens vangst meer genoegen aan de Kapittel zal doen dan de +inneming van een kasteel." + +"Indien het zoo is," zeide Melis, met de andere boeren toetredende, +"dan ware het zeker wel de moeite waardig?...." + +"Lompe kinkels!" zeide Reinout, de armen kruisende en in een +onbeweeglijke houding blijvende staan: "is dan de oorlog reeds +verklaard, dat gij zoo bulkt? Vermoeit u niet onnoodig; want mijn +weg leidt naar Utrecht en ik zal hem vinden zonder uw geleide. Wat +u betreft, schurk!" (zich tot Walger wendende) "gij bezorgt mij het +paard terug, dat gij mij volgens uwe eigene bekentenis ontstolen hebt." + +Walger stond eenigszins versuft, te meer, daar hij aan de weifelende +houding der boeren besmeurde, dat er weinig staat was te maken op hun +bijstand, en dat zij nog nuchter genoeg waren om te begrijpen, dat +een beleediging, eenen gunsteling des Graven, eenen Edelman aangedaan, +in allen gevalle hachelijke gevolgen voor hen zou kunnen hebben. + +"Welnu!" herhaalde Reinout, met een donderende stem: "mijn paard! hebt +gij mij niet verstaan?" + +"Bij Sint-Maarten!" zeide eindelijk Walger, op den koppigen toon +van iemand, die zijn besluit genomen heeft en op al de kansen is +voorbereid, "indien gij uw paard wilt hebben, zoek het dan, waar het +te vinden is." + +"Ik geloof," zeide Daamke, die dit gansche tooneel met een vroolijk +meesmuilen had aangezien, "dat hij uw paard en dat van uw vriend in +den buidel draagt, die aan zijn gordel vast is:--althans voor zooverre +de lieve beestjes zijn keelgat niet reeds zijn doorgereden." + +"Beken!" zeide Reinout: "aan wien hebt gij mijn paarden verkocht?" + +"Dat laat zich raden," zeide de nar: "aan dien Ridder met den rooden +arend, die gisteren op het slot gekomen is." + +"Welnu! volg mij dan naar het slot," zeide Reinout met drift tegen +Walger. + +"_Perdonatemi_!" zeide Barbanera, opstaande en hem terughoudende: +"zoudt gij den morgen niet afwachten?" voegde hij er bij in de +Italiaansche taal: "ik stel mij borg, dat de Ridder op het slot u de +paarden zal teruggeven, en dat wel zonder zwarigheid te maken;--maar, +zoo gij mij gelooft, zullen wij hem in zijn rust niet storen." + +"Het is wel, Paolo," zeide Reinout: "maar intusschen hebben wij +elkander nog veel te zeggen, en deze kerel moet ons niet ontsnappen." + +"Wilt gij mij gevangenhouden?" vroeg Walger, die, hoewel het gezegde +des Ridders, dat in 't Italiaansch gehouden was, niet verstaande, +genoeg aan zijn gebaren begreep wat hij zeggen wilde, en meteen haalde +hij zijn zwaard half uit. + +"Hoe nu! weer vechten?" riep de waardin: "wij zullen vechterijen genoeg +hebben als de oorlog uitberst. Hou uw gemak, of ik zet u de deur uit, +zoowaar ik Maaike Jaspersz heet." + +"Hij zou niets liever verlangen," zeide Daamke, lachende, "hij +heeft evenveel trek om te blijven als een verzadigde muis, die in de +val zit." + +"Welnu! waarom gaat hij dan niet?" vroeg de waardin: "ik heb al +last genoeg van dien oproermaker en zal blij zijn zoo ik van hem +ontslagen raak." + +"Ik zal gaan of ik zal blijven, juist zooals 't mij goeddunkt," +zeide Walger, zijn beker ledigende en met een koppige houding weer +plaats nemende: "wat het paard van dien Ridder betreft, ik heb +het niet gestolen, maar in 't bosch opgevangen: en daar het op den +stal van 't kasteel staat, kan hij het ieder oogenblik van den dag +terugvinden. Zoo ik reden had van uit Holland te vluchten, hij zal +ze ook wel gehad hebben en misschien erger dan ik." + +Reinout zweeg en sidderde: de woorden van Walger hadden een dieper +uitwerking gedaan dan deze zelf vermoeden kon. + +"Komt!" zeide een der boeren: "laat ons een einde aan al dat gehaspel +maken. Het wordt laat: nog één kroes en daarmede afgedaan." + +"Wel gezegd," zeide Daamke: "het is altijd betamelijk ter ruste te +gaan, wanneer de kan ledig is." + +Allen dronken hierop, behalve Reinout, die met groote stappen het +vertrek op en neder wandelde. Zoodra de drank op was, trokken de +dorpelingen af en begaven zich de gasten naar hun slaapverblijf, +Walger wierp zich zonder een woord te spreken op zijn legerstede, +alwaar weldra een zwaar gesnork aanduidde dat hij in diepe rust was: +de hansworst volgde zijn voorbeeld en Barbanera maakte zich gereed +hetzelfde te doen, toen Reinout hem weerhield. + +"Gij zijt mij nog het einde van uw verhaal schuldig," zeide hij in +'t Italiaansch. + +"Wat zal ik u zeggen?" zeide de kwakzalver, de schouders ophalende +en Reinout met een blik aanziende, die zooveel zeide als: "gij +zult thans minder dan ooit in staat zijn, mijn ontdekkingen goed te +beloonen,"--"ik heb u niet veel meer te verhalen; want het zal hoe +langer hoe meer onzeker zijn, of gij, dan wel uw vriend Deodaat de +echte zoon van Bianca is." + +"Mijn vriend Deodaat slaapt om niet weer op te staan," antwoordde +Reinout met een somberen blik: "welke rechten hij moge gehad hebben, +zij zijn in de mijne versmolten. Er is geen keuze meer tusschen hem +en mij." + +"Met dat al:" zeide de kokeler.... + +"Hier Paolo!" zeide Reinout, hem naar zich toe trekkende: "ik vermaan +u, niet langer met mij te spotten. Bij God! ik heb gedaan wat ik +onmogelijk had gedacht: ik heb mijn besten vriend, mijn wapenbroeder +een dolk door het hart gejaagd. Gelooft gij dat ik, na zulk een daad, +voor den moord van een ellendeling als gij nog zou terugdeinzen? Neen, +bij de Almacht! Gij zult mij alles mededeelen wat gij weet: en wel +terstond. Rijkdom en eer, de helft van mijn vermogen wachten u zoo +gij spreekt;--uw dood is zeker, zoo gij langer aarzelt!" + +Paolo bedacht zich een oogenblik. Eindelijk, ziende dat het Reinout +ernst was, en indachtig, dat zijn plannen, om zich te verrijken, toch +zonder eenige vrucht zouden blijven indien hij niet sprak, gaf hij hem +te kennen, dat hij alles verhalen zou wat hij wist. Voor wij echter +aan onze lezers den uitslag van hun onderhoud mededeelen, voegt het ons +te zien wat vader Syard wedervoer bij zijn avondbezoek op het kasteel. + + + + + +TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Wie op beloften steunt of die van waarde schat, + Bedriegt zich zelf en maakt dat andren hem beschimpen: + Indien men laken koopt, het krimpt gemeenlijk wat; + Maar 't geen ons wordt beloofd zal doorgaans alles + krimpen. + + De Regt. + + +Het was niet zonder meermalen het gelaat naar de herberg om te wenden, +dat de monnik het plein was overgestoken en zijn weg voortzette, +verdeeld tusschen de ongerustheid, welke de onbeschaamde ruwheid der +gasten bij hem achterliet, en de bekommering, waarin hem de onzekerheid +bracht over den uitslag van zijn voorgenomen bezoek. Toen hij echter +een hoek was omgeslagen en de herberg uit het gezicht verloren had, +verhaastte hij zijn tred en verbande, zooveel in zijn vermogen was, +alle andere gedachten, om slechts aan het toekomstig lot van zijn +dierbaar vaderland te denken. + +De laan, welke hij nu volgde en die recht op den ingang van het slot +aanliep, was aan de eene zijde beplant met een rij schrale berken, +wier witte bladeren door den westenwind aangeraakt, in gestadige, +ritselende beweging waren. Aan de andere zijde was een sloot, wier +groene zoom met heestergewassen begroeid was, en over wier effen water +talrijke zwaluwen heen en weder vlogen. Aan het einde van deze lange +en eentonige laan gekomen, vond zich de wandelaar aangenaam verrast, +daar hij eensklaps een ruime vlakte ontdekte, die een uitgestrekt en +in vele opzichten schilderachtig uitzicht opleverde. Tusschen rijke +graanvelden en groene weilanden kronkelde eene kleine rivier. Haar +oever was hier en daar door bevallige bosschages bezet, wier welig +groen de laatste stralen der ondergaande zon met liefelijke tinten +kleurden. In 't verschiet zag men de torens van een paar rijke en +welvarende dorpen, en verder nog, over de vlakte, den halfvolbouwden +kegel van de Utrechtsche Domkerk, die, sedert voltooid, na zoovele +eeuwen, als tot een baak en wegwijzer aan de omliggende landstreken +verstrekt. De rivier, waarvan wij gesproken hebben, besproeide in +eene van hare veelvuldige bochten een onbebouwd, eenigszins rijzend +stuk gronds, hetwelk, door een breede, rijkelijk met kroos bedekte +gracht omgeven, met de laan, waaruit de monnik kwam, gemeenschap +had door middel van een brug, uit losse planken samengesteld, die +bij het minste gevaar voor overval konden worden weggenomen. De +brug overgaande, kwam men langs een pad, met keisteenen bevloerd, +tot den ringmuur van het slot, waarom een tweede gracht gegraven +was, wel niet diep, doch ondoorwaadbaar door den modder, waarmede +zij gevuld was, en aan de binnenzijde nog bovendien verdedigd door +een dubbel rasterwerk, hetgeen wel gedeeltelijk verrot of vervallen, +maar echter voor spoedige herstelling vatbaar was. Een klein poortje, +slechts even breed en hoog genoeg om een ruiter te paard door te laten, +leidde tot de ophaalbrug, over die gracht geworpen, en was evenals +de brug gedekt door twee torentjes, op den buitenmuur geplaatst. Een +smalle ronde gang aan 't eind der brug bracht in het slot zelf, +'t geen slechts uit een grooten vierkanten toren bestond, van zwaren +steen gebouwd, maar zonder eenige sieraden dan den mantel van klimop, +waarmede de natuur hem aan de eene zijde wel had willen voorzien; +en zonder andere versterkingen, dan de zoodanige, welke de dikte der +muren en de gelegenheid der plaats opleverden. De gedaante van dit +oud en ruw gedenkstuk van vroegere eeuwen stak zelfs in dien tijd, +toen dergelijke gebouwen nog meer algemeen waren, somber en treurig af +tegen het vroolijke landschap, daaromheen gelegen, en de grijsgrauwe +trans deed, vooral aan de zijde, waar het klimop niet gegroeid was, +dezelfde uitwerking als een koude sneeuwhoop in het vroege voorjaar +op een bloembed doet. + +De oude kroniekschrijver, aan wien ons verhaal ontleend is, vermeldt +niet of vader Syard zich met dusdanige vergelijkingen bezig hield, +toen hij een langen blik op den ouden toren vestigde. Hoe 't zij, hij +trad de eerste brug over en, aan het kleine poortje voor de ophaalbrug +gekomen, tilde hij den zwaren hoorn op, die met een ijzeren ketting +aan den muur gehecht was, en blies een paar schelle noten. Hij moest +echter dit sein tweemalen herhalen eer hij gehoor kreeg: althans eer +een mager gelaat, dat zich aan de overzijde achter een kijkgat in +den toren vertoonde, hem bewees, dat zijn verzoek om binnengelaten +te worden verstaan was. + +Waarschijnlijk was de wachter, die den vermomden monnik gadesloeg, +over zijn onderzoek voldaan: althans hij klom af, en de binnendeur +van den toren ontsluitende, bleef hij aan den overkant achter de +ophaalbrug staan. + +"Wien zoekt gij? en wat wilt gij zoo laat?" riep hij, zijn hoofd +achter om de klep van de brug stekende, den monnik toe. + +"Goede vriend!" zeide deze: "laat uw brug neer, ik moet uw Heer +spreken en heb geen tijd te verliezen." + +"Gij zijt oud genoeg," zeide de wachter, "om te weten, dat ik geen Heer +heb dan onzen Bisschop, en dat die in 't Zuiden van Frankrijk woont." + +"Om 't even, dan moet ik den Ridder spreken, die hier huist." + +"Die is weer vertrokken," riep de portier, zijn hoofd terugtrekkende: +"en zoo, God zegene u." + +"Hij had mij toch gezegd," zeide de monnik, met drift, "dat hij mij +nooit gehoor zou weigeren, indien ik het vroeg in Sint-Maartens naam." + +De portier gaf geen antwoord; maar een geraas van sleutels en ketens +liet zich hooren: en weldra ging de valbrug naar beneden. + +"Daar hadt gij immers wel mede kunnen beginnen," zeide de portier, +"zonder mij op te houden met al uw onnoozel gereutel, dat niets +ter zake doet. Ga binnen en wacht mij. Zoodra ik de brug weder heb +opgehaald, zal ik mijn Heer gaan waarschuwen." + +Vader Syard liep een kromme gang ten einde en vertoefde een wijl +op een klein binnenpleintje, terwijl de man, die hem ingelaten had, +na alles weer behoorlijk gesloten te hebben, een smal wenteltrapje +opklom, dat naar de bovenvertrekken geleidde. Spoedig kwam hij terug +en verzocht den monnik met hem te gaan. Deze volgde zijn geleider, +die hem een paar verdiepingen hooger bracht, tot zij aan een zware +eikenhouten deur kwamen, waar zij aanklopten. Een stem van binnen gaf +verlof om in te komen: de portier ontsloot de deur en ging vervolgens +dadelijk weer naar beneden. + +Vader Syard trad het vertrek in, hetwelk achtkantig en vrij ruim +was, naardien het een gansche verdieping des torens uitmaakte, en +dus den geheelen omvang bevatte, welken de binnenmuren overlieten, +uitgenomen vier hoeken, waarvan er drie tot kabinetjes dienden en het +vierde de trap verborg. Uit de nauwe venstergaten had men een ruim +uitzicht op den omtrek; doch de opening liet bijna geen licht meer in, +dan noodzakelijk bleek te zijn. De wanden waren naakt en met spinrag +bedekt: ruwe figuren, met krijt en houtskool op den muur geteekend, +en waarmede men, zoo het scheen, de gedaanten van krijgsknechten had +zoeken na te bootsen, duidden aan, dat hier meermalen gewapenden hun +nachtwaken met dergelijke uitspanningen hadden vervroolijkt. Meubelen +waren volstrekt nergens te zien: en een open koffer, met onderscheidene +voorwerpen gevuld, kondigde alleen de nabijheid aan van menschen. Vader +Syard wendde dan ook terstond het oog naar de eenige plaats, welke +bewoond scheen, gelijk de lichtstraal aanduidde, welke uit de +halfgeopende deur van een der kabinetjes op den vloer scheen. Hij +trad derwaarts en zag nu in dezen afgezonderden hoek een tafel met +papieren, waaraan de man zat, in wien hij terstond dengene herkende, +wien hij zoeken kwam. + +Deze droeg echter thans noch het gewaad van Barbanera, gelijk in +het schuurtje bij den Hout, noch de wapenrusting eens ridders, als +op het Zand te Haarlem, noch de kleeding zonder naam, als in de cel +des monniks, maar een ruimen en gemakkelijken tabberd, die hem los om +'t lijf hing, en hier en daar geopend, het eenvoudig huisgewaad eens +edelmans vertoonde. Voor hem stond een beker met zuiver water, en een +stuk brood met sterkers, waarmede hij zijn avondmaaltijd scheen te +zullen doen. Hij sloeg een onverschillig oog op den monnik, toen deze +voor den ingang van het kabinetje stand hield: en wendde terstond, +zonder hem te herkennen, zijn blikken weer op het blad, dat voor hem +lag, om den begonnen volzin te eindigen. Hierop vroeg hij, zonder op +te zien: + +"Van wien komt gij, huisman?" + +"Ik kom uit mijn eigen naam," antwoordde de monnik. + +"Bij Sint-Maarten!" zeide de andere: "ik ken die stem: maar wat +duivel! ik ken dat gelaat ook. Welke vreemde gebeurtenis voert u hier, +Vader! en hult den vromen monnik in het gewaad van een boschwachter?" + +"Ik heb vreemder vermommingen gezien dan deze," zeide vader Syard, +op een stekeligen toon: "en had niet verwacht, dat gij mij het vreemde +van mijn gewaad zoudt verwijten." + +"Ga zitten, Vader!" zeide de Stichtenaar, hem een zetel aanwijzende: +"en zeg mij eens, hoe en waarom gij u hier bevindt." + +"De oogenblikken zijn te kostbaar en mijn tijd is te beperkt om +dien met beuzelen door te brengen," zeide vader Syard: "ik breng u +gewichtig nieuws." + +"Dat de Graaf naar 's-Hage is en heden of morgen de stad Utrecht +ontzegt. Ik wist dit reeds.--Of is er meer?" + +"En dat de Friesche gezanten heden verlof gekregen hebben met slecht +bescheid." + +"Waarlijk! ziedaar inderdaad een nieuws, dat goud waardig is. En wat +zal men in Friesland doen?" + +"Waarschijnlijk zich wapenen en gereed zijn, als de Graaf ons aanvalt." + +"Ik had mij gevleid, dat zij van hunnen kant den aanval zouden beginnen +en onze Stichtenaren met de wapenen ondersteunen. Die Jonker van +Adeelen scheen daartoe niet ongenegen." + +"Naar ik de Friezen ken, zullen zij zich ongaarne mengen in een twist, +die hun niet aangaat; doch met onbezweken moed den vreemden krijgsman +van hun erf afweren." + +"Het ware toch hun belang, zich met Utrecht te vereenigen, eer de +Hollanders ons een voor een en alzoo met beter kans beoorlogen;--of +moeten wij doen als de kat, en de kastanjes voor u uit het vuur halen?" + +"Wij zullen, volgens onze overeenkomst, vaardig zijn om onzen grond +te verdedigen; maar ik twijfel of gij éénen Fries zult vinden, die +geneigd is voor eene hem vreemde zaak te strijden: en dit was ook +onze bedoeling niet." + +"En waarom niet? Ik ken den invloed, welken uw Abten in Friesland +bezitten, en ik ken evenzeer den invloed, dien broeder Syard op de +Abten heeft. Onze afspraak was immers, dat gij hen zoudt overreden, +zich voortaan geheel en uitsluitend aan den Utrechtschen stoel te +onderwerpen: welk beter bewijs van die onderwerping kunnen zij geven, +dan door een kruisvaart tegen de Hollanders te prediken, nu het Bisdom +bedreigd wordt." + +"Versta mij wel," zeide de monnik: "ik heb, ja, beloofd alles in +'t werk te stellen om de kloosters in Friesland meer af hankelijk +dan tot nu van den Bisschop te maken; maar ik had daarmede alleen in +'t oog de geestelijke zaken, de tucht en de orde in het kerkbestuur, +welke te niet gaan, zoo geene vaste hand onze monniken in toom houdt: +nooit is het bij mij opgekomen eenen Fries te willen dwingen om voor +een vreemde zaak de wapens op te vatten. In het gesprek met Adeelen +gevoerd, hebben wij een bondgenootschap bedoeld, een gelijktijdige +oorlogsverklaring, waarbij het Bisdom ons zoude stijven; maar nooit +was het onze meening, hulpbenden herwaarts te zenden. Herinner u +onze afspraak: het oogenblik, dat het Sticht tegen Holland opstijgt, +zal ook Friesland de wapenen aangrijpen om zijn erfgoed te verdedigen." + +"Met uw verlof," hernam de Stichtenaar: "zeg niet dat gij op den avond, +dat wij met Adeelen spraken, niet onderricht waart van de voornemens +der Kapittels: gij wist dat er een uitbersting volgen moest: gij waart +toen geneigd, mij van dienst te zijn: Adeelen was dit even zoo: ik +zie niet, in welken opzichte de staat van zaken tusschen ons beiden +veranderd is?" + +"Wij hebben elkander verkeerd begrepen," zeide de monnik, de schouders +ophalende: "Adeelen haat den Graaf zooveel als gij dit kunt doen; +maar hij zal het evenzeer als ik ongepast oordeelen, dat een Fries +zich in deze omstandigheden buiten zijn land begeeft, om de Hollanders +te bestrijden, en dat nog wel onder een vreemden aanvoerder." + +"Ik weet nog niet, aan wien Utrecht het beleid van den oorlog zal +toevertrouwen," zeide de Stichtenaar: "maar ik vlei mij, dat de +veldheer, dien zij bekomen zullen, niet aarzelen zal, om aan de +Friesche hulpbenden te vergunnen, onder hun eigen banier te strijden." + +"Hoe!" riep de monnik uit, met een verwondering, welke hij niet +verbergen kon: "zult gij zelf dan niet het opperbestuur van den +strijd aanvaarden?" + +"Gij vergeet," zeide de Stichtenaar, met een spotachtigen glimlach, +"dat de Bisschop te Grenoble is, en dat alleen hij tot het opperbestuur +gemachtigd is." + +"Is het dan tijd tot boerten?" riep de monnik op een bitteren en +verwijtenden toon: "hoe! als Jan van Arkel, door het lossen der +verpande sloten, door het afbetalen der schulden van het Bisdom, +door het aanwerven van krijgsbenden, den toorn des Graven tegen het +Sticht ontstoken heeft, zal hij dan achterblijven en zich schuilhouden +in de ure des gevaars?" + +"Broeder!" zeide de Stichtenaar, op wiens gelaat de taal des monniks +een meer ernstige tint had teruggebracht: "de tijden zijn voorbij, toen +een Bisschop van Utrecht, zonder andere wapenen dan een misboek en een +kruis, en zonder ander gevolg dan eenige geestelijken in plechtgewaad, +een zegevierenden Graaf op de bres kon staande houden, en hem en +zijn geheele leger doen sidderen voor den vloek des banbliksems. Het +zijn de ridderdegen en de veldheersstaf, die hij thans moet zwaaien, +wil hij zijn gezag niet miskend en bespot zien." + +"Welnu! laat hij die dan zwaaien. Is dit niet juist wat ik bedoelde?" + +"Hoe nu!" zeide de Stichtenaar met een fijnen glimlach, terwijl hij +een zegepralenden blik op den monnik sloeg: "is het een geestelijke, +die mij dezen raad geeft? _Ecclesia abhorret a sanguine_." + +Vader Syard zag den spreker eenige oogenblikken met verbaasdheid aan, +terwijl hij in diens beweegbare trekken zocht uit te vorschen, welke de +geheime bedoeling zijner woorden kon zijn. Het kwam hem onbegrijpelijk +voor, waarom de Bisschop, die door zijne daden, hoe verschoonbaar, ja +hoe prijselijk in sommige opzichten, toch aanleiding tot den oorlog +gegeven had, en die de noodzakelijkheid erkende van het zwaard aan +te gorden, weigerachtig zou kunnen blijven om zich aan het hoofd der +zijnen te plaatsen. Hij maakte eindelijk een aanmerking in 't wilde, +evenals iemand die, in de duisternis rondtastende, de hand uitstrekt +zonder te weten wat hij vatten zal. + +"Mag ik vragen," zeide hij, "of het slechts een proef is, waarop gij +mij zetten wilt? of sluiten uw woorden een wezenlijke tegenstrijdigheid +in?" + +"Noch het eene noch het andere, goede Broeder! en ik zal geen mijner +woorden terugnemen. Ik begrijp echter uwe verwondering: en ik geloof +dat de groote hoop, die de innige drijfveeren onzer daden niet kent, +als gij zoude oordeelen. Gij denkt, dat wraak alleen, of zucht naar +meerder gezag in het hart van Jan Van Arkel woont;--beiden bestaan bij +hem;--wie zou het ontkennen?--maar slechts in een ondergeschikten zin." + +"Ik zie niet," zeide de monnik, "welke andere redenen er kunnen +aanwezig zijn....." + +"Arme man! gij zelf, welk doel beoogt gij met uwe geheime +woelingen? waarom hebt gij zelf zoo vurig verlangd naar een oorlog +tusschen Friesland en den Graaf?" + +"Omdat ik mijn vaderland liefheb:--omdat alleen die oorlog in staat +is, de binnenlandsche beroeringen aldaar te doen ophouden, en ons +van het juk van Holland te ontslaan." + +"Recht zoo! er kunnen dus edele drijfveeren bij iemand bestaan, al +beoordeelt hem de menigte slechts naar den schijn.--Welaan!--Het ware +reeds op zich zelf een grootsch denkbeeld, het Sticht onafhankelijk +te maken van allen vreemden invloed; maar er ware nog meer te doen +dan dit!--Er was een tijd, monnik! althans onze jaarboeken verhalen +het, dat bisschop Adelbold zijn heerschappij over al de omliggende +landstreken voerde, dat Hertogen en Graven zich het een eere rekenden, +dienstbare betrekkingen aan zijn hof te vervullen; die tijd moet en kan +terugkomen:--maar zoo het Sticht zijn aloud overwicht herwint, het moet +zulks niet te danken hebben aan de loutere eerzucht zijns Bisschops, +om na den dood van dezen weer tot een staat van onderdanigheid te +geraken, om als een luchtverheveling slechts voor een korten stond +aan den gezichteinder der eeuwen te schitteren. Neen Broeder! dat +overwicht moet duurzaam blijven;--maar daarom moet het ook een +onmisbaar gevolg zijn van den loop der omstandigheden, en ontspruiten +uit de noodzakelijkheid, die machtige heerscheres der wereld.--Ik +weet het, indien ik mij thans aan het hoofd der mijnen stelde, en +hen ten strijde riep, dat mijn naam in de eerste oogenblikken van +opgewondenheid als een talisman zou werken; maar wanneer dat eerste +vuur van geestdrift had uitgebrand, wat zou dan het gevolg wezen? Bij +den minsten tegenspoed, door onze wapenen ondervonden, zoudt gij den +jaloerschen naijver der Kapittels en de bet-weterij van Vroedschappen +en Overlieden de schuld daarvan op mij zien werpen: men zou tegen den +Hollandschen Bisschop het wantrouwen, ja den haat der gemeente weten +op te wekken: of zoo men al aan de oprechtheid van mijnen haat tegen +het huis van Avennes geloof sloeg, het zou slechts zijn om mij te +beschuldigen, dat ik het geluk van het Bisdom aan eigen heerschzucht +had opgeofferd:--verdeeldheid zou weldra in onze vergadering en in ons +leger heerschen, en Graaf Willem zou zonder moeite zegevieren over een +gewest, door tweedracht verzwakt.--Neen! zoo ik het masker afwerp en +mij aan de oogen mijner onderzaten vertoon, het zal slechts dan zijn, +wanneer de oorlog een bepaalden, stelligen uitslag doet voorzien; +wanneer de Stichtenaars de noodzakelijkheid zullen gevoelen van een +opperhoofd: wanneer zij luidkeels om hun Bisschop roepen: dan zal ik +onder hen verschijnen als de gezant uit den hoogen, die hen onder de +banier van orde en wettigheid komt scharen: dan zal ik meester zijn, +mijne voorwaarden voor te schrijven aan hen en aan die Kapittels en +regenten, die de beste bedoelingen eens Bisschops verlammen zouden; +en--gelijk ik hoop--tevens aan al wie hunne onafhankelijkheid belaagt." + +De monnik, nog weinig overtuigd, schudde het hoofd, en wierp een +twijfelachtigen blik op den Bisschop, (want het wordt eindelijk tijd +aan den tot nog toe onbekenden jongeling, den titel te geven, die +hem toekomt): "gij vergeet," zeide hij: "dat de Graaf het wakkerste +krijgshoofd is van zijn tijd, en dat, zoo zijn wapenen Utrecht +bemachtigen, uw ontwerp in duigen ligt." + +"Ook die kans is door mij voorzien; en het hangt slechts van den +uitslag des oorlogs af, of ik als legerhoofd dan wel als middelaar +zal optreden. In beide gevallen zal mijn komst gezegend worden, en +het is slechts door aan mijn Stichtenaren te toonen, hoezeer ik hun +onmisbaar ben, dat ik de ontwerpen, door mij gevormd, zal kunnen ten +uitvoer leggen." + +"Het vertrouwen der Stichtenaren zal slechts een armhartige pleister +op de wond zijn," zeide vader Syard, "ingeval Graaf Willem overwint, +en u erger voorwaarden oplegt dan die, waarop hij u tot Bisschop +deed aanstellen." + +"Graaf Willem is thans machtig," hernam de Bisschop: "maar geloof +mij, zijn gezag heeft den hoogsten top bereikt en kan met anders dan +dalen. Hij heeft geen zoon:--komt hij te sterven, dan vervalt Holland +aan den eersten, die moed en beleid genoeg heeft, het te winnen. Het +Huis van Henegouwen zal met Willem den Vierden ophouden;--maar de +Bisschop van Utrecht is onsterfelijk." + +Vader Syard bleef een wijl in diep nadenken verzonken: hij was nog +weinig gerust omtrent den uitslag van des Bisschops vooruitzichten; +want hij beschouwde die als onzekere luchtkasteelen, door het jeugdig +en opgewonden brein des jongelings ontworpen, en hij kon geene hooge +staatkunde toeschrijven aan iemand, die, ja, in vele opzichten blijken +van volharding had gegeven, maar zich evenzeer gekenmerkt had door +daden, welke in 's monniks oogen een buitensporige loszinnigheid +ademden. Bovendien was de monnik geheel uit het veld geslagen door de +tijding, dat de Bisschop zich niet bekend wilde maken:--daarmede ging +al zijn hoop te leur om de Friesche geestelijkheid eenparig te doen +handelen, hetwelk hij had gedacht te kunnen bewerkstelligen, wanneer +hij in naam en op het gezag des kerkvoogds, des erkenden vijands van +Willem den Vierden, tot haar sprak. Hij besloot dus nog eene poging +te doen, om hem tot een openlijke handelwijze over te halen. + +"Ik ben bezorgd," zeide hij, "dat gij de kans om zulke schoone plannen +ten uitvoer te brengen, reeds verspeeld hebt, en weldra gedwongen +zijn zult het masker af te lichten." + +"En hoe dat?" vroeg de Bisschop met eenige bevreemding. + +"Uw komst alhier zal niet langer een geheim meer zijn. Die Barbanera +en zijn hansworst boezemen mij weinig vertrouwen in, en zullen spoedig, +wat zij weten, voor een weinig gouds aan den Henegouwer verklappen." + +"De laatste weet niets: en wat den kokeler betreft, hij was een +noodzakelijk werktuig; maar het heeft uitgediend en zal verbroken +worden, eer het mij schaden kan." + +"Die Walger, dien ik in de herberg van 't dorp heb gezien, weet ook +meer dan noodig is....." + +"Hij kent slechts den Ridder van den Rooden Adelaar, meer niets." + +"De bedienden van het slot en de dorpelingen, die u hier zagen +komen....." + +"Er is hier geen vaste bediende, dan de oude Peter, die u inliet:--en +van dien heb ik geen verraad te vreezen. De dorpelingen weten niets +meer dan mijn eigene knapen, die mij voor een vazal van 't Bisdom +aanzien. Zoo ik aan mijn broeder Robbert, die in mijn afwezendheid mijn +zaakgelastigde was, niet had moeten schrijven, en door hem den gang +der zaken besturen, en zoo een gelukkig toeval mij niet te Haarlem +in broeder Syard mijn ouden leidsman door de Friesche kloosters had +doen ontmoeten, zou mijn geheim slechts bij twee lieden berusten." + +"Maar zoo de Hollanders dit grensslot bestormen en u vangen?" + +"Ook denk ik hier niet te blijven. Ik ga naar Utrecht en zal daar +onbekend den loop der zaken afwachten." + +"Of wellicht," zeide de monnik, de wenkbrauwen samentrekkende, +"zal de Ridder van den Rooden Arend voor den Bisschop van Utrecht +zijn leven wagen." + +De Bisschop glimlachte; en zonder deze aanmerking te beantwoorden, +schoof hij zijn stoel naderbij:--"En nu, Pater!" zeide hij, "nu heb +ik u al mijn vertrouwen geschonken. Gij kent mijn inzichten, wilt +gij die bevorderlijk zijn? Wilt gij medewerken aan het groote doel, +om al de landen, welke om de Zuiderzee liggen, aan het gezag des +Bisdoms te onderwerpen?" + +"Nog eens," antwoordde de monnik, "aan het kerkelijk gezag +ja;--geenszins aan het wereldlijk beheer." + +"Gij wilt dan zelfs mijn bondgenoot niet blijven?--Bedenk, dat ik u +wederkeerig mijne hulp heb toegezegd, indien de Graaf u aanvalt." + +"Onze wenschen en gebeden zullen voor u zijn," zeide de monnik: +"verder vrees ik, dat gij weinig in Friesland verkrijgen zult, +althans zooals gij bedoelt." + +"Denk nog dezen nacht over mijn voorstel na. Wellicht zijt gij morgen +vroeg tot andere gedachten gekomen." + +"Morgen met den dag moet ik weder vertrekken," zeide de monnik: +"een der oogmerken mijner komst was vrijgeleide door het Sticht +te verzoeken voor mij en voor een reisgenoot, aan mijn opzicht +toevertrouwd; doch daar gij niet bekend wilt zijn...." + +"Ik zie u morgen weer," zeide de Bisschop, op een koelen toont: +en meteen van zijn zetel oprijzende, blies hij op een zilveren +fluitje, dat hem om den hals hing, waarop weldra de oude Peter, +dezelfde man, die den monnik had bovengebracht, zich aan den ingang +der zaal vertoonde. + +"Geleid dien man weer buiten," zeide de Bisschop: "en laat alles +verder wel gesloten blijven." + +Dit bevel geuit hebbende, groette hij den monnik met een minzame +beweging der hand, en ging wederom zitten, terwijl vader Syard, na +een stijve buiging, het vertrek verliet, en zijn geleider volgde, +die hem buiten het kasteel voerde. + +Het was in een weinig tevreden stemming, dat de monnik de terugreis +deed. Het gesprek met den Bisschop had hem geene dier uitkomsten +opgeleverd, waarmede hij zich gevleid had: in plaats van stellige hulp +en bondgenootschap, had hij zelfs geene onvoorwaardelijke beloften +ontvangen: en verre van den Bisschop naar zijne hand te doen loopen, +had hij moeten ondervinden, dat Jan van Arkel zich sterk of wijs genoeg +waande om zijn eigen weg te gaan zonder zich veel om de Friezen te +bekreunen, welke hij zelf tot afval genoopt had. De monnik zag nu +duidelijk in, dat de Bisschop, hoe loszinnig en wispelturig ook, +hem nog te fijn was geweest: en hij gevoelde denzelfden wrevel, +welke een bekwamen en oplettenden schaakspeler zou bevangen, die zich +overwonnen zag door een weerpartij, welke slechts ternauwernood een +oog op het spel geworpen en achteloos daarheen gespeeld had. Wij +moeten intusschen aan vader Syard het recht doen wedervaren, dat, +hoewel gekwetste eigenliefde het hare toebracht om hem in een kwade +luim te brengen, zijn ontevredenheid echter nog een andere, meer edele +oorzaak had. Hij had namelijk, steunende op des Bisschops vroegere +toezegging, een verbond tusschen het Sticht en Friesland als een +zekere zaak beschouwd, en daarom ook geoordeeld dat het oogenblik +voor de Friezen gekomen was om het Grafelijke juk af te schudden: +en hij zag met schrik de gevolgen in van een vredebreuk met Holland, +indien de Bisschop niet verkoos gezamenlijk met hen en openlijk te +handelen. Hij doorzag spoedig, dat, zoo de Graaf zijn wapenen eerst +tegen het Sticht wendde, hem daarna het ten onder brengen van het +door binnenlandsche partijen verdeelde Friesland te gemakkelijker +vallen zou. Alleen troostte hem nog de hoop, dat de Bisschop, eerlang +door de omstandigheden gedrongen het masker af te lichten, hem die +volmacht zou schenken, welke hij noodig oordeelde om met gepaste klem +in Friesland te kunnen spreken en aldaar dien invloed uit te oefenen, +welken hij, tot herstel des vredes van binnen en tot afwering des +vijands van buiten, begreep te moeten aanwenden. + +Onder deze gepeinzen trad hij de herberg binnen. Het was reeds +volkomen duister geworden: het voorhuis was ledig en verlaten, +'t geen hem te meer genoegen deed, dewijl hij daaruit opmaakte, +dat zich de luidruchtige gasten ter ruste hadden begeven. Bovendien +ontving hij van de dienstmaagd de geruststellende verzekering, dat +Madzy boven in diepe sluimering lag, waarop hij zich zonder verdere +woordenwisseling naar den stal begaf. Na zich verzekerd te hebben, +dat de beide paarden goed verzorgd waren, strekte hij zich ter ruste +neder op het stroo, dat hem in een hoek van den stal bereid was: maar +de bekommernissen, welke zijn gemoed vervulden, lieten hem niet toe, +vroeger dan tegen het aanbreken van den dag het oog te luiken. + + + + + +EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Soete meysken, dat verslagen + Dus beroyt loopt en ontkleet, + Ick moet v hier eenmael vragen, + Wat is de oorsaeck van v leet? + Meysken segt my toch de reden, + Wie ghy syt en hoe ghy heet. + + D. Pietersz. Pers. + + +De vermoeienissen van den vorigen dag hadden vader Syard, toen deze +eindelijk ingesluimerd was, in zulk een vasten slaap gestort, dat +hij niet, gelijk hij gehoopt had, met het aanbreken van den dag, +maar zelfs later dan gewoonlijk ontwaakte, en bij zijn komst buiten +de deur met schrik ontwaarde, dat de zon hooger dan naar gewoonte +aan den hemel stond, en dat hij het uur reeds had laten voorbijgaan, +waarop hij zijn vertrek met Madzy bepaald had. Hij haastte zich dus +naar het voorhuis, alwaar hij de waardin opzocht en haar verzocht, +de jonge deerne, die met hem gekomen was, te laten roepen. + +"Denkt gij ons weer te verlaten, huisman?" vroeg de waardin, zonder +zich nog gereed te maken aan zijn verzoek te voldoen. + +"Wij moeten vertrekken," antwoordde hij, "en wij zouden reeds een +paar uren onderweg zijn geweest, indien de stalknechts mij tijdig +hadden gewekt, gelijk ik uitdrukkelijk verzocht had!" + +"Ja! wat zal ik u zeggen, huisman!" zeide de waardin: "'t zijn luie +vlegels, en zij zijn vroegtijdig naar het land geweest om de paarden +op te halen; want God weet het, als de oorlog begint, zooals men +vreest, dan zal er binnen weinige dagen geen ezelsvolen meer op het +veld zijn, of het is goede prijs. Ik ben ondertusschen maar blij dat +die paardendief van gisteravond voor dag en voor dauw weer vertrokken +is: hij zag mij er net naar uit om haantje de voorste te spelen, als +'t op plunderen zou aankomen." + +"Dat kan wel zijn, moeder!" zeide de monnik; "maar wees nu zoo goed, +en ga mijn nicht waarschuwen, dat zij zich gereedmake." + +"Ik ga al," zeide de waardin: "zij zal nog wel in een zoete rust +liggen; want de jongelieden zijn doorgaans lui en lekker: hei! ho! toen +ik op haar jaren was, hield ik er ook van, mij in de veeren nog eens +om te draaien, maar als men eens een arme weeuw is en de zorg heeft +voor een herberg, waar dag en nacht volk aankomt, dan verleert men +het lange slapen wel." + +Dit zeggende trok zij naar boven; maar zij was ternauwernood +vertrokken, of vader Syard hoorde een angstig gegil en zag haar +terstond daarna terugkomen, het gelaat geheel verward en verwilderd. + +"Goede hemel! wat is er gebeurd?" vroeg de bezorgde monnik: "is u +eenig leed overkomen?" + +"Een priester! een priester!" schreeuwde de beangste vrouw: "de Booze +zelf ligt in eigen persoon in 't bed van uw nicht." + +"Vrouw!" riep de monnik, haar met geweld bij den arm grijpende: +"wat durft gij zeggen? Wat beduidt dit?" + +"Ik zeg u, dat de Booze haar den hals heeft omgedraaid en in hare +plaats in bed is gaan liggen." + +"Vrouw!" herhaalde de monnik, met een wilden blik: en hij zelf holde +de trap op, die naar het kamertje geleidde. + +Aan de deur gekomen van het slaapvertrek hield hij echter een oogenblik +stand. Een gemoedsbezwaar overviel hem. Ofschoon meer verlicht en +minder bijgeloovig dan de groote menigte, betwijfelde de monnik +zoomin als iemand uit die eeuw het bestaan van booze geesten en van +de macht, die zij over de menschen uitoefenden; integendeel was dit +een geloofsartikel, hetwelk hij niet slechts zelf moest aannemen, +maar ook aan anderen onderwijzen en inprenten. Hij was tevens wel +gerust, dat de duivel niet machtig was te kampen tegen al, wie hem +met geestelijke wapenen bestreed; maar de gedachte kwam pijlsnel +bij hem op, dat hij, door zich in een wereldlijk gewaad te steken, +als het ware afstand gedaan had van die overmacht, welke zijn stand +hem op al de geesten der onderwereld geschonken had. Hij werd echter +opgebeurd door de troostende bemoediging des Apostels: "weerstaat +den duivel, en hij zal van u vlieden:" en onder het uiten van een +"_Domine! libera nos_!" trad hij het slaapkamertje binnen en stapte +met mannenmoed naar de bedstede toe. + +Bij den eersten aanblik echter, dien hij daarop geworpen had, rilde hem +een kille huivering door de leden; want hij zag tot zijn ontzetting, +dat werkelijk de plaats, waar Madzy gelegen had, was ingenomen door een +ander wezen, waarvan alleen de wanstaltige ruige kop uit de dekens te +voorschijn kwam. Was dit nu de Booze?--Zulks was hem nog niet terstond +duidelijk; maar hij achtte het betamelijk zich daarvan te verzekeren: +hij vermande zich, en toen hij, genaderd zijnde, het dek opsloeg, +sprong het wangedrocht als uit den slaap op en vertoonde hem den +duivel, zoo het al een duivel was, in de gedaante van meester Cezar, +den aap van Barbanera. Vol gramschap greep hij het verschrikte dier +in den nek en kwam er de kamer weer mede uit. + +Aan de benedentrap ontmoette hij de kasteleines, haar dienstmaagd, +de beide inmiddels van 't werk gekeerde stalknechts en den hansworst, +allen geknield en ijverig bezig hun _pater nosters_ te zeggen en +kruisen te slaan. "Hier is uw duivel!" riep de monnik: "maar waar is +nu de Jonkvrouw gebleven?" + +"Cezar!" riep de hansworst, opspringende: "wel mannetje! waar heb +je gezeten?" + +De aap, zijn meester ziende, ontwrong zich aan den monnik en sprong +vroolijk in de armen, welke zich openden tot zijn ontvangst. + +"Vrouw!" vervolgde de monnik, terwijl hij met vlammende oogen naar +de waardin toetrad: "waar is de jonkvrouw gebleven, die ik aan uwe +bescherming heb toevertrouwd?" + +"Wat Jonkvrouw!" zeide de waardin, opstaande, en nog altijd onthutst en +verschrikt: "meent gij de deerne, die met u kwam! Mijn lieve God! wie +weet het?" + +"O! ik ben een ellendeling, een ongelukkige," riep vader Syard, zich +voor het hoofd slaande, "ik ben den slechten herder, den huurling +gelijk, die zijn schapen verlaat; de wolf is gekomen en heeft het +lam medegenomen." + +"Nu!" zeide de kasteleines: "indien het lammetje weg is, is zij met +haar eigen wil vertrokken. Wie weet of zij niet op het pad is achter +den Jonkman, die zoo straks van hier gegaan is met den ouden kokeler?" + +"Die zijn naar het slot gegaan," zeide Daamke: "en zullen straks +keeren." + +"Ei kom!" zeide de dienstmaagd: "het lieve schaap zal een +morgenwandeling doen en wel zoo aanstonds weer hier zijn." + +"Heeft zij haar goed bovengelaten?" vroeg de kasteleines. + +Allen snelden de trappen op; maar bij onderzoek bleek het, dat Madzy +in haar onderkleederen moest vertrokken zijn, want haar kap, haar +schoenen en haar mantel lagen nog ter plaatse, waar zij die bij het +te bed gaan had neergelegd. + +"'t Is onbegrijpelijk," zeide de monnik: "en echter! maar al te +waar;--doch ik ga niet van hier voor zij teruggevonden is." + +"Zie dien ouden uil eens," zeide de nar, "die zich verbeeldt, dat +een jonge knappe meid geen beteren reisgenoot krijgen kan dan hem: +en voorwaar zij is vrijwillig opgedrost, want, ik heb den man met den +zwarten mantel, die gisteravond op de bank lag te ronken, straks aan +meester Barbanera hooren zeggen, dat hem, juist toen hij zich te bed +wilde begeven, een wit spook was voorbijgesneld, dat hij echter niet +goed onderkennen kon, omdat hij de lamp in handen had." + +"Schurk!" zeide de monnik: "de Jonkvrouw is geene nachtwandelaarster." + +"Of de dame, die gij met u hadt, eene Jonkvrouw was, weet ik niet," +hernam Daamke, "maar dat zij in den nacht wandelt, is zeker: +want Ridder Reinout, of hoe hij heeten mag, heeft duidelijk een +vrouwspersoon de kamer zien overloopen, en toen hij haar volgde, +is zij als een gejaagde kat de deur uitgeloopen en heeft die achter +zich dichtgeslagen." + +"Ridder Reinout!--Ha! nu ontwikkelt zich het geval!" riep de monnik: +"was die vreemdeling Ridder Reinout van Verona?.... Zoekt overal, +vrienden! er is goud te verdienen voor hem, die haar weervindt!" + +"Bij mijn zolen," zeide Daamke, hem naoogende: "de rook verraadt het +vuur; het balken den ezel, de kuch den grijskop;--maar een mooie meid, +die zich schuil wil houden, wordt zoo gemakkelijk niet teruggevonden." + +Niettegenstaande deze weinig hoopgevende spreuk van den hansworst +stonden de beide boerenknechts, verlokt door het uitzicht op gewin, +gereed om de voortvluchtige te gaan opzoeken en beraadslaagden reeds +onderling, welken weg zij in zouden slaan, toen zich van de zijde +van Utrecht een verward gedruisch liet hooren en men weldra een +talrijke bende, uit ruiters en voetknechten samengesteld, het dorp +zag intrekken. + +"Daar is het lieve leven al gaande," riep de kasteleines: "de +Stichtsche benden komen dorp en slot bezetten, en wij zullen den +oorlog uit de eerste hand hebben." + +Zij bedroog zich niet: althans wat de eerste helft van haar verzekering +betrof: spoedig stonden de gewapenden op het plein geschaard; een +aantal hoplieden trok in de herberg; en bij de onvermijdelijke drukte +en bediening, welke deze nieuwe gasten veroorzaakten, waren vader +Syard en zijne nasporingen spoedig vergeten. + +Wij zullen intusschen onzen waarden lezer, die waarschijnlijk omtrent +het lot van het lieve meisje eenigszins bekommerd wezen zal, de +opheldering geven van haar plotsling verdwijnen. + +Madzy had zich, gelijk wij gezien hebben, dadelijk na het vertrek +der waardin ter ruste begeven en was, niettegenstaande het rumoer in +het onderhuis, spoedig ingesluimerd. Haar slaap was echter geenszins +van dien verkwikkenden aard, waarop haar jeugd, haar gezond gestel +en de vermoeienissen van den dag haar aanspraak gaven. 't Zij, +dat die vermoeienissen te groot waren geweest, 't zij, dat de +gebeurtenissen der verloopen week, en vooral het schriktooneel van +den vorigen dag haar te sterk voor den geest zweefden, 't zij, dat +een ongesteldheid haar overvallen had, 't zij dat al deze oorzaken +gezamenlijk op haar werkten, haar slaap was onrustig en afgebroken: +droomen en nachtgezichten vervulden haar verbeelding en deden haar +gedurig met schrik en siddering ontwaken. + +Eindelijk droomde zij, dat zij zich op de Zuiderzee bevond, in een +klein vaartuig, hetwelk alle moeite deed om de kust van Friesland, +welke zij voor zich zag, te bereiken, maar gedurig door de golven weer +terug werd geslagen. De manschap van dat scheepje bestond alleen uit +edele Ridders, in vollen wapendos, maar hun harnassen waren verroest, +hun pluimen hingen verflenst van den helmkam af en hun wapenrokken +waren gescheurd en druipende van het zeewater, dat gestadig over het +dek sloeg:--en wat het ijselijkste was, achter elk helmvizier grijnsde +haar een vervaarlijk doodshoofd tegen, en onder de harnassen hoorde +men het gerammel van dorre beenderen. De Graaf van Holland alleen +was onder die menigte kenbaar: blootshoofds stond hij aan het roer; +maar zijn gelaat was nog afschuwelijker om te aanschouwen dan het +ontvleesde geraamte der overige schepelingen. Geene kleur, geene +beweging bezielde meer het aangezicht, de haren waren aan het hoofd +ontvallen en ontelbare merkteekens van nog versche wonden doorkruisten +het in alle richtingen; maar het oog bleef, starend en als verglaasd, +onafgebroken op de kust gevestigd. En daar, aan die kust, liet zich een +niet minder akelig tooneel aanschouwen. Een lange sleep van monniken, +aangevoerd door vader Syard, geleidde, onder het zingen der psalmen +voor de afgestorvenen, een doodbaar naar het klooster van Sint-Odulf en +in die doodbaar, (dit gevoelde Madzy door die innerlijke bewustheid, +welke ons in droomen eigen is, en ons als door ingeving datgene +weten doet, hetwelk voor het vleeschelijke oog onzichtbaar is,) +was het lijk van Deodaat vervat. De abt sloot den trein, en toen de +deuren van het kerkgewelf achter hem waren toegeslagen, kwam de oude +man alleen naar het strand en, staande op het Roode Klif, herhaalde +hij op een sleependen toon de voorspelling betreffende de Roos van +Dekama. Onder het opzeggen dier rijmen begonnen zijn gelaatstrekken +te veranderen: de blozende wangen vielen in: het blanke vel des paters +werd bruin en vaal van kleur: de ronde buik kromp in: en in de plaats +van den gezonden vader Volkert zag Madzy een afschuwelijke gedaante, +gelijk aan die, onder welke men den boozen geest afschildert, welke +haar tandenknersende van den rand der vensterbank begluurde. + +Zij wreef zich de oogen uit: het was geen droom: die gedaante zat daar, +deed een sprong, en was naast haar bedstede. + +Met een gesmoorden gil vloog zij haar legerstede uit, haar kamer en de +trap af: zij opende een deur: eene nieuwe stof tot ontsteltenis: daar +stond de moordenaar van Deodaat, of zijn schim, midden in het vertrek. + +Het arme meisje sprong terug, naar beneden: dan, o God! die zoo +gevreesde Reinout volgde haar: zij stoof de huisdeur uit, ijlde zonder +te weten waarom of waarheen, de eerste laan de beste in: hare knieën +ontgaven haar: haar krachten waren bezweken: een dikke sluier viel +voor haar oogen: het bewustzijn ontweek haar: en zij zeeg bezwijmd +op het vochtige gras neder. + +Wij moeten haar voor een korte poos onzes ondanks in dien bedroefden +toestand laten, om ons naar den Bisschop van Utrecht te begeven. + +Deze was spoedig na het gesprek met den monnik zijn slaapstede +gaan opzoeken, mede slecht tevreden over den uitslag van het +onderhoud. Zijn doel toch was, gelijk ons gebleken is, niet slechts om +het Bisschoppelijk gezag in Utrecht onafhankelijk te maken van allen +vreemden invloed, maar ook om dat gezag over de naburige gewesten +uit te breiden: hij had zich gevleid, in vader Syard een bekwamen +en behulpzamen handlanger te zullen vinden; maar 't bleek hem thans +genoeg, hoe weinig deze genegen was, de Friezen aan te sporen, om het +eene juk met het andere te verwisselen: ja, hij zag in, hoe weinig hem +het bondgenootschap met Friesland zou baten zelfs in het bestrijden +van den Graaf. De teerling was echter geworpen, en Arkel behoefde +geen groot waarzegger te zijn, om niet te voorzien, dat de Graaf +weldra in het Sticht zoude vallen met een legermacht, welke zoowel +de krijgsroem van Willem IV als de ingeschapen naijver der Hollanders +tegen de Stichtenaars talrijk en ontzaglijk zou maken. "Mits slechts de +adel zich goed houde," zeide Arkel bij zich zelven: "de burgerij van +Utrecht zal zich wakker genoeg betoonen: en een stad als deze is niet +in een paar dagen te overrompelen. Zij slechts de overwinning betwist, +ziedaar al wat ik verlang! Maar Friesland moet een wending geven aan +de wapenen der Hollanders.--Mocht ik slechts dien Adeelen nog eenmaal +spreken: hij is eerzuchtig en heeft invloed bij de Friezen:--hij +zou mij meer dienst doen dan die monnik, wien ik ter kwader ure mijn +vertrouwen heb geschonken en die het nu wellicht zijn plicht acht, +zijn landgenooten tegen mijne bedoelingen te waarschuwen. Hij zal +niet naar Friesland keeren, zoo ik het verhoeden kan:--hij is te +gevaarlijk:--ook die Barbanera!--ik vrees, dat hij reeds geklapt +heeft. Welnu, ik moet mij van hem ontslaan." + +Met dit besluit begaf hij zich ter ruste; en daar hij tot die +gelukkige menschen behoorde, die alle wereldsche zorgen uit het +hoofd kunnen zetten, zoodra zij de veeren ruiken, was hij dadelijk +ingeslapen. Hij had echter gelast dat men hem met den dag zou wekken; +want hij vermoedde, dat er volk uit Utrecht komen zou, en hij wilde +op hunne komst zijn voorbereid. Hij was dan ook reeds, zoodra de +zonnestralen de daken van het slot vergulden, in de cel, waar hem +vader Syard gevonden had, teruggekeerd. + +Hij opende het raam: de frissche morgenlucht verkwikte hem: er was +een weinig regen gevallen, en van grasplanten en struiken steeg een +balsemende geur naar boven: vroolijk zongen de vogels hun morgenlied +en loeide het vee in de weide. Hij sloeg thans echter minder acht op +het bevallige schouwspel der ontwakende natuur; want zijn gedachten +waren geheel verdiept in de berekening der versterking, waarvoor +het slot vatbaar was, en van den tijd, welken de vijand zou moeten +besteden om het te bemachtigen. + +"De boel is in een verwaarloosden toestand," dacht hij, "maar de +grachten zijn breed en diep: en de wallen stevig genoeg om den stormram +te tarten. Met vijftig man, wèl voorzien van wapenen en eetwaren, kan +men het drie weken uithouden tegen vijf duizend:--en zoowel langs den +heirweg als langs de rivier allen toevoer beletten. Het buitenpoortje +zal nog wat versterkt, en die boompjes aan de overzijde moeten gekapt +worden; daar achter kan zich een gansche bende verbergen en veilig de +wallen beschieten.... maar ik geloof dat er reeds een vijand achter +loert.... is dat niet een menschelijke gedaante, die daar in het +gras ligt?--Deze of gene arme landlooper zonder huisvesting, of een +dronkaard, die de kroeg wat spade verlaten heeft;--maar neen!" riep +hij uit, bij nadere beschouwing een klein voetje bemerkende, dat +over het pad lag, en een lange haarvlecht, die donker afstak tegen +de witte kleeding: "dat alles behoort aan een vrouw, misschien wel +aan een jonge en schoone vrouw? Hoe komt die hier blootgesteld aan +nachtlucht en regen?" + +Zijn nieuwsgierigheid was opgewekt, en, voegen wij er dit tot zijne +eer bij, ook zijn medelijden:--hij riep zijn getrouwen Peter, en ging +met dezen buiten het slot. + +Weldra was hij ter plaatse gekomen, waar hij het voorwerp van zijn +aandacht had bespeurd: en hij ontdekte terstond, dat hij welgedaan had +met zich zonder verwijl derwaarts te begeven; want een jong meisje, +schoon als de dag, maar nauwelijks gedekt en bleek als een doode, +lag daar uitgestrekt in het vochtige gras: en ofschoon het flauw en +pijnlijk zwoegen van haar boezem aanduidde dat zij nog leefde, een +langer verblijf op die koude en vochtige plaats had haar doodelijk +kunnen zijn. + +Bij den eersten opslag meende Arkel, dat hem die trekken bekend +voorkwamen; maar daar hij Madzy slechts eenmaal, op het steekspel, en +wel in haar schitterenden dos gezien had, herkende hij haar niet, ja +was hij er verre af van te vermoeden, dat het bleeke boerinnetje, wier +hoofd thans op zijn knie leunde, de Roos van Dekama kon zijn. Hij tilde +haar behoedzaam van den grond, droeg zijn lieven last binnen het slot +en legde dien, bij gebrek van andere gelegenheid, op zijn legerstede, +nadat de oude Peter, door hem vooruitgezonden, die met versch linnen +had voorzien. Het was eerst daar, dat Madzy, die tot dien tijd buiten +kennis gebleven was en slechts eenige flauwe en onverstaanbare klanken +had geuit, het eerste teeken van bewustheid gaf, na eenige teugen +te hebben genomen uit een beker met wijn en water, welken Arkel haar +met de trouwhartigheid eener oude baker had aan den mond gebracht. + +"Waar ben ik?" zeide zij, de blauwe oogen opslaande en vervaard om +zich heen ziende. + +"Vrees niets, lieve kleine!" zeide Arkel: "maar drink liever nog eens: +gij hebt het koud gekregen daar in 't natte gras: dek u maar goed +toe en het zal wel beter worden." + +"Neen, neen," zeide Madzy, den arm des jongelings afwerende, en +pogende op te staan: "hier blijf ik niet?--Waar ben ik toch?--Wie +heeft mij hier gebracht?--Waar is vader Syard?" + +"Vader Syard!" herhaalde de Bisschop: "ja waarlijk! dat meisje +spreekt den Frieschen tongval!--Aha!" dacht hij bij zich zelven: +"voert de vrome pater zulk gezelschap tot zijn opbeuring mede?--Lief +meisje!" vervolgde hij overluid: "gij behoeft ons niet te vreezen: +wij hebben het beter met u voor dan vader Syard, of wie het ook zij; +want zonder ons zoudt gij nog in het vochtige gras liggen, waar wij +u gevonden hebben." + +"Het is dan waar," zeide zij, met wilde blikken in het rond ziende: +"ik heb het dan niet gedroomd?--O wat heb ik arm meisje gedaan?--het +was ijselijk!--de booze zelf!.... en Reinout!.... maar breng mij +toch terug bij.... om Gods wil! zend naar de herberg.... daar is mijn +oom.... hij zal ongerust over mij wezen.... zend naar hem.... ik zal +u wel beloonen." + +"Uw oom!" herhaalde Arkel: "zooeven noemdet gij vader Syard: is die +uw oom?" + +"Noemde ik....? ach God! ik weet niet wien ik noemde.... ik ben +ongelukkig;--maar zend naar de herberg.... de waardin weet het.... Waar +ben ik toch? O wee!" + +"Ik zal aan uw verzoek voldoen," zeide de Bisschop, haar met +een vriendelijken blik aanschouwende: "ik zal uw oom gerust doen +stellen:--intusschen, dek u warm toe en drink nog eens;--want waarlijk, +het is om de koorts te krijgen, zoo een geheelen nacht daar buiten +te liggen." + +"Ach! ik moet u zeer schuldig en dwaas voorkomen.--Maar God weet het, +toen ik den moordenaar zag, was het mij of ik.... o God!" + +Hier verborg zij snikkend haar hoofd in 't kussen en begon over al +haar leden te beven. + +"Ik zal uw boodschap laten doen," zeide Arkel: "stel u gerust, maar +wees van uw kant een weinig vertrouwelijk. Zeg mij, wie zijt gij?" + +"Mijn oom zal u alles zeggen," hernam de ongelukkige Madzy. "O! laat +hem toch weten...." + +Hier belette haar een nieuwe aanval van beving voort te gaan en Arkel, +zelf met haar verlegen, verwijderde zich met den ouden slotbewaarder +uit het vertrek. In de groote bovenzaal gekomen, ging hij aan het raam +staan en begon, de armen over elkaar geslagen en het hoofd hangende, +te overpeinzen wat er te doen stond, en hoe hij best zou handelen. Dit +stond echter bij hem vast, dat hij vooreerst niet voldoen zou aan +het verlangen van de schoone onbekende, en noch haar oom, noch de +kasteleines uit den _Roerdomp_ zou laten halen; want de bekoorlijkheden +zijner gevangene hadden te veel indruk op hem gemaakt, dan dat hij er +aan kon denken, haar weer uit zijn macht te laten gaan; even zoomin +als de vos om het konijn te laten ontsnappen, dat in het hol van +Reynaert een schuilplaats gezocht zou hebben. Het zal bij onze lezers +wellicht verwondering baren, dat Jan van Arkel, op een oogenblik, +waarin hij hoofd en handen vol had met de hooge staatsaangelegenheden, +waarin hij gewikkeld was, en nu hij door gevaren van allerlei aard +bedreigd werd, zich nieuwe zorgen op den hals verkoos te laden, door +een minnenhandel, welke zijn toestand nog neteliger maken moest;--ja +sommigen zullen wellicht denken, dat hij los genoeg was om zijn hooge +ontwerpen aan een paar schoone oogen op te offeren; maar hier was de +Bisschop de man niet naar; en voor hem was een liefdesavontuur als dit +niet meer dan een verpoozing, dienstig om er voor eenige oogenblikken +van zwaardere werkzaamheden bij uit te rusten: en de moeilijkheden +daaraan verbonden, lichte bezwaren, welker wegruiming hij slechts +als een spel beschouwde. Bovendien bestond er nooit iemand, minder +zwaartillend dan hij: en bij het bejagen zijner inzichten steunde hij +altijd op het medewerken der omstandigheden, welke hij, alsnog in de +jaren der hoop zijnde, zich niet slechts gunstig afschilderde, maar +ook doorgaans met een behendigheid, den grootsten staatkundige waardig, +te zijnen voordeele wist aan te grijpen. Zoo plaatste hij nu voor een +wijl al zijn staatzuchtige plannen op den achtergrond, om alleen te +denken over de wijze, waarop hij het lieve meisje, dat hem door de +goede fortuin in handen gespeeld was, in zijn macht behouden zou. Dat +hij een geestelijke en wel een kerkvoogd was, wien het betaamde, +zijn kudde met een goed voorbeeld voor te gaan, en dat een betrekking +tusschen hem en een jonge deerne even onwettig als onbetamelijk was, +dit waren bedenkingen, welke in het minste niet bij hem opkwamen: de +gelofte van kuischheid was een dier verbintenissen, wier overtreding +bij den toenmaligen zedelijken toestand der geestelijkheid het +minste geteld, en, voegen wij er bij, wier overtreding het minst +berispt werd; ja het was geen ongewone zaak, prelaten te zien, die +erkende minnaressen en erkende basterds hadden en toch daarom niets +minder geacht en gezien werden. Daarbij dient in aanmerking te worden +genomen, dat Jan van Arkel nog jong en in de kracht van zijn leven +was: dat hij, schoon tot den geestelijken stand opgeleid, echter +altijd smaak had blijven voeden voor ridderavonturen: en eindelijk, +dat hij een groot gedeelte van zijn leven reizende en buiten alle +betrekking had doorgebracht: en het zal niemand verwonderen, dat de +mijter en kromstaf zich niet als terugschrikkende teekens tusschen +hem en de beeltenis der schoone Friezin kwamen plaatsen. + +"Peter!" zeide hij eindelijk tegen zijn getrouwen dienstman: "gij +hebt gehoord wat die deerne gevraagd heeft?" + +De oude man vergenoegde zich met een stijven hoofdknik. + +"Ik ben overtuigd, Peter! dat dit maar ijdele praatjes zijn, om ons +om den tuin te leiden. Gij hebt ook wel opgemerkt, dat zij stamelde, +en zich meer dan eens versprak?" + +Peter bevestigde deze aanmerking op dezelfde wijze. + +"Welnu! gij weet ook, van welk belang het is, dat niemand ons hier zie, +dan die hier noodig heeft: en zoo wij aan de herberg de komst van dat +meisje ruchtbaar maakten, hadden wij hier weldra het bezoek van al +de oude wijven en leegloopers uit het dorp te wachten: en wij zouden +ons niet slechts aan ontdekking, maar ook aan bespotting blootstellen." + +Het droog gelaat des slotbewaarders nam de scheeve uitdrukking aan +van iemand, die door zijn betrekking gedwongen is hetgeen men hem +opdringt voor goede munt aan te nemen; doch die wel wil te kennen +geven, dat hij zich niet om den tuin laat leiden. Arkel hield zich, +of hij dit niet bemerkte en ging op denzelfden koelen toon voort: + +"Het zou echter strijdig met alle menschelijkheid zijn, dat arme +meisje, 't welk hard ziek schijnt en misschien wel in de hersenen +gekrenkt is, de deur uit te zetten; en het zal daarom nuttig zijn, +het oogenblik af te wachten, dat zij wat kalmer en bedaarder is, om +haar te ondervragen, en zoodoende achter de waarheid te komen; ten +einde te ontdekken, hoe wij met haar handelen moeten."--Hier zweeg +hij; Peter zag hem met een open mond aan; alsof hij zeggen wilde: +"is dit alles wat gij mij hebt te zeggen?"--Maar de Bisschop had +zijn welsprekendheid alleen gelucht om hem van de wijs te helpen en +te paaien met een schijnbare reden, waarom hij niet aan het verzoek +van Madzy voldeed. + +"Ga eens zien!" zeide Arkel na eenige oogenblikken zwijgens, "of de +oude draagstoel nog bruikbaar is: het kan zijn dat wij dien noodig +hebben." + +Peter ging na een nieuwe hoofdbuiging de kamer uit: en Arkel, op +deze wijze een lastigen getuige verwijderd hebbende, begaf zich +weder naar het slaapvertrek. Zijn logeergast echter niet door een +onverhoedsche verschijning willende verschrikken, tikte hij zachtjes +aan de deur. Geen antwoord ontvangende, herhaalde hij het geklop +eenigszins harder; maar wederom zonder vrucht. + +"Ik ben wel dwaas," zeide hij bij zich zelven, "zoovele plichtplegingen +te maken jegens een boerinnetje, dat mij wellicht niet eens dank zal +wijten voor mijn bescheidenheid." + +Met deze gedachten opende hij de deur en wendde het oog naar het +bed: dit was ledig, en Arkel stond niet weinig verwonderd, toen hij +Madzy in een hoek zag zitten, bleek als een doek, en gewikkeld in +de beddelakens. + +"Nader mij niet," zeide zij, bevende en klappertandende: "ik ken u +niet: ik weet niet of uw bedoelingen eerlijk zijn." + +"Stel u gerust, lief kind!" zeide Arkel: "het zou schandelijk +zijn, indien ik misbruik maakte van uw ziekelijken en hulpeloozen +toestand. Ik heb naar het dorp gezonden, gelijk gij mij verzocht +hadt, en ik ben bereid u alle diensten te bewijzen, die gij noodig +mocht hebben: maar nogmaals, veroorloof mij, uw vertrouwen af te +vergen. Gij schijnt geene landloopster te zijn; en echter heb ik u, +slechts halfgekleed, en stijf van koude, op den weg vinden liggen, +als iemand die geen nachtverblijf had." + +Madzy begon op deze vraag nog harder te beven; maar na een teug water +genomen te hebben uit een nevens haar staanden beker, herstelde zij +zich een weinig en antwoordde: + +"Ik mag mij aan niemand vertrouwen, tenzij ik wete aan wien. Kwel mij +niet met vragen, bid ik u. Ik geloof dat uw bedoelingen goed zijn, +doch ik mag waarlijk niets zeggen, zoolang mijn oom niet hier is." + +"Is vader Syard uw oom? Gij hebt hem straks genoemd." + +"Heb ik hem waarlijk genoemd?--Ach! ik heb de koorts: ik weet niet +wat ik gezegd heb." + +"Gij hebt hem genoemd," hernam Arkel, terwijl hij, de overmacht +gevoelende, welke hem deze woorden gaven, aan Madzy ontsnapt, en den +invloed niet willende verliezen, door deze omstandigheid verkregen, +een doordringenden blik op haar vestigde; "en verschoon mij, dit +doet mij aan uw oprechtheid twijfelen, vader Syard is mijn vriend: +ik heb hem in de verleden week te Haarlem en gisteravond nog hier ter +plaatse gesproken:--hij heeft mij niet verhaald, dat hij een nicht +bij zich had." + +Madzy zweeg en zag sidderend voor zich. + +"Wel is waar," vervolgde de onbarmhartige Bisschop: "er waren te +Haarlem twee meisjes in zijn gezelschap;--maar de eene was een +adellijke Friezin, en de andere haar kamerjuffer.... Zoudt gij eene +van beiden zijn?" + +In den waan, dat de jongeling, die voor haar stond, wellicht een +Stichtsch edelman, en haar van dienst kon zijn, begon Madzy over te +hellen, om hem eenig vertrouwen te schenken; "ik weet," zeide zij, "dat +vader Syard gisteravond ergens een bezoek wilde gaan afleggen;--waart +gij de persoon, tot wien hij zich gewend had?" + +"Wel waarschijnlijk," antwoordde Arkel. + +"Welnu! nog eene vraag! gij hebt hem gesproken, zegt gij. Hoe was +zijn gewaad?" + +"Ik moet zeggen," zeide Arkel, die al meer en meer begon te bespeuren, +dat hij geene gewone boerin voor zich had: "dat zijne vermomming hem +meer veranderde dan de uwe, hoe vreemd die ook zij, u veranderen kan +in de oogen van al, wie u eenmaal aanschouwd heeft." + +"Welnu!" hernam Madzy: "indien gij hem zoowel kent, dan zal hij u +ook wel mededeelen wie ik ben." + +"Bij Sint-Maarten," zeide Arkel lachende, ofschoon half knorrig, +dat de schoone hem met al haar onschuld nog te slim was: "men +zegt wel met grond, dat hij, die een vrouw wil vangen, vroeg moet +opstaan. Ik ben met den dag uit het bed geweest: en nog zijt gij +mij te gauw. Welaan! ik zal dan eerbiedig wachten, dat het uur van +vertrouwen geslagen zij. Ondertusschen, geloof mij, blijf niet in +dien hoek zitten beven. Ga gerust in bed en tracht u te verwarmen: het +doet mij in de ziel leed, dat hier geene vrouw is om u te verzorgen; +maar daaraan is voor 't oogenblik niets te doen. Ik beloof u plechtig, +dat niemand deze kamer zal binnentreden buiten uw verlof." + +Met deze woorden maakte hij een koele buiging en wilde vertrekken; +maar de zachte stem van Madzy deed hem aan de deur vertoeven. + +"Ik geloof," zeide zij: "dat gij mij van ondankbaarheid +beschuldigt. Misschien, ja waarschijnlijk, hebt gij mij het leven +gered. Wanneer eens dat uur van vertrouwen, waar gij van spreekt, +zal geslagen zijn, dan hoop ik u mijn erkentenis te betuigen op een +wijze, uwer en mijner waardig." + +Arkel verstond deze woorden slechts half; want hij stond opgetogen in +verrukking over den engelachtigen glimlach, die er mede gepaard ging, +over de bevallige uitdrukking van Madzy's gelaat, over de hemelschoone +oogen, waaraan de koorts een buitengewone levendigheid bijzette, en +welke zij, bespeurende met welk een vurigen blik hij naar aanstaarde, +zedig neersloeg: en hij had wellicht het gesprek verder voortgezet, +had niet het geluid van den hoorn aan de buitenpoort zijn opmerking +getrokken. Hij stamelde eenige beloften van verontschuldiging, zeide +dat wellicht haar oom daar zijn zoude, en vertrok, de deur weder +zorgvuldig achter zich sluitende. Een oogenblik daarna kwam de oude +Peter hem berichten, dat er een vreemdeling met een zwarten mantel +voor de poort was, die hem verlangde te spreken. + +"Ik wacht niemand meer.--Wie kan hij zijn? Wist hij het woord? zoo +ja, laat hem dan bij mij;--maar wacht nog een oogenblik:--ik moet op +allen overval verdacht zijn." + +Dit zeggende haalde hij uit een koffer een mantel, een wassen neus en +valschen baard, een samaar, in 't kort een geheel gewaad voor den dag, +gelijk aan dat, hetwelk Barbanera droeg, wanneer hij zijn kunsten +vertoonde en waarvan deze een dubbel stel had. Na deze plunje te +hebben aangeschoten, gaf hij aan Peter vrijheid den vreemdeling binnen +te laten, en plaatste hij zich aan zijn tafeltje in dier voege, dat +hij geheel in de schaduw van het raamkozijn zat. Eenige oogenblikken +daarna liet Peter Reinout de kamer in en vertrok weder. De Italiaan +bleef eenigszins verrast aan de deur staan toen hij de gedaante zag +van Barbanera, wien hij zooeven buiten het slot verlaten had. Zijn +vermoedens, zoo hij er nog eenige had, waren geheel opgelost. + + + + + +TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Het is een krijghmans beê: gy mooght die niet + ontzeggen. + + Vondel. Gijsbrecht van Aemstel. + + +"Deze vermomming zal u weinig baten, Heer Ridder! of wie gij wezen +moogt," zeide Reinout op een schamperen toon: "het gewaad van den +kokeler belet mij niet, mijn bestrijder op het steekspel te herkennen." + +"Bij mijn zaligheid!" riep Arkel lachende, terwijl hij neus en baard +afwierp: "gij zijt, geloof ik, de brave Ridder, die mij als een dief +wilde laten vatten. Welaan! voor u althans zou ik mij schamen een +vermomming aan te houden.--Misschien komt gij mij rekenschap vragen +van mijn gedrag: en ik beken, dat ik u wat onbeleefd van 't paard +gesmeten heb; maar, wat zal ik zeggen? gij drongt mij zoo nauw op +'t lijf: en ik had gewichtige redenen om onbekend te blijven." + +"De reden van mijn bezoek is tweevoudig," zeide Reinout "in de eerste +plaats kom ik mijn paard terugeischen." + +"Uw paard," zeide Arkel, eenigszins donker kijkende: "bij +Sint-Maarten! ik heb het hoogst noodig: en ik heb het eerlijk aan +den man betaald:--maar verder! wat begeert gij nog?" + +"Omstandigheden, wier verhaal hier te lang zoude ophouden, hebben mij +genoodzaakt, den dienst des Graven te verlaten. Ik wil mij onder de +banieren der Stichtschen scharen.--Men heeft mij gezegd, dat gij mij +daarin zoudt kunnen van dienst zijn." + +"Ik! wie is de ekster, die dat geklapt heeft?" vroeg Arkel, met +eenige drift. + +"Iemand, die uw vertrouwen schijnt te bezitten, de kokeler Barbanera." + +"Ziedaar een waardigen vertrouweling, dien gij mij toekent," zeide +de Bisschop met bitterheid. + +"Mij dunkt, het is zoo vreemd niet, daar gij beiden ééne kleerkas +hebt," hernam Reinout meesmuilende. + +"Wij zullen zien.--Heeft Barbanera u ook geleerd, op welke wijze men +toegang bekomt tot dit slot?" + +"Zoo is 't!--maar wees daarom niet ontevreden op een getrouwen dienaar: +hij wist dat ik u spreken wilde: en hij gaf mij daarom de middelen +aan de hand om u in stilte te spreken en een opschudding te vermijden, +welke u onaangenaam ware geweest." + +"En," vroeg de Bisschop, haastig: "heeft die getrouwe dienaar u nog +meer verhaald?" + +"Veel, wat mij zelven betreft: niets wat u aangaat." + +"Zoo!--en uw naam....?" + +"Was tot nog toe Rinaldo van Verona: welhaast hoop ik er een anderen +te voeren." + +"Inderdaad!--en gij wilt dienst nemen bij de Stichtschen?" + +"Misschien!--dat zal van de voorwaarden afhangen." + +"Gij verlaat den dienst van Graaf Willem, den meester aller soldaten," +zeide Arkel, op een toon, die niet vrij was van spotternij: "om uw +arm te leenen aan een hoop luie monniken en dikgebuikte schepenen?" + +"Den Bisschop wil ik behulpzaam zijn." + +"En weet gij, of de Bisschop, die in verre landen is, den gang der +zaken goedkeurt?" + +"Ik weet het," antwoordde Reinout, "zoo goed als iemand het weten kan, +die het uit zijn eigen mond vernomen heeft." + +Dit beweren kwam Arkel een weinig gewaagd voor; want hij herinnerde +zich niet, ooit ergens dan op het steekspel van Reinout te hebben +gezien of gehoord. Hij vergenoegde zich dus met op een koelen toon +te zeggen: "gij kunt des Bisschops meening niet kennen: want ik heb +goede redenen te gelooven, dat gij zijn persoon niet kent." + +"Ik ken ten minste," zeide Reinout, hem scherp aanziende: "het hooge +voorhoofd en den valkenblik der Arkels, 't zij een monnikskap, een +ridderhelm of eene kwakzalversmuts die bedekke." + +"Ongelukkige!" riep Arkel uit, de hand aan zijn dolk slaande: "gij +kent den leeuw en gij durft u wagen in zijn hol?" + +"En waarom niet, indien ik mij evenals hij voor de jagers verbergen +moet?--maar steek vrij uw dolk op:--van mij hebt gij geen verraad te +vreezen. Ik heb uw geheim bewaard, toen ik uw gesprek met den monnik +van Sint-Odulf beluisterd had, ofschoon ik toen nog aan den Graaf +getrouw was: en ik zal het thans niet verklappen, nu ik zijn dienst +heb afgezworen." + +"En wie waarborgt mij," vroeg Arkel, "dat gij niet morgen mijne zijde +zult verlaten?" + +"De Graaf begeert mijn hoofd. Waant gij, dat ik geneigd ben, hem dat +te brengen?" + +"Die lust moet dan spoedig bij hem zijn opgekomen; of gij hebt +het erg verbruid; want eergisteren nog waart gij zijn getrouwe +medekamper:.... maar zacht! waart gij het niet, die een anderen Ridder, +uw boezemvriend, gelijk ik vernam, tot een strijd uitdaagde op leven +en dood?" + +Reinout verbleekte en beet op de lippen. "Hij was mijn boezemvriend," +zeide hij met een weifelende stem: "maar het heeft zoo moeten zijn. Zie +deze vlekken," vervolgde hij, zijn mouw toonende: "het is het bloed +van Deodaat, mijn wapenbroeder." + +"Ik hoop dat het in open kamp was," zeide Arkel: "intusschen, ik +beklaag u beiden; zulk een overwinning moet even zwaar vallen als +de nederlaag." + +Op dit oogenblik trad, zeer gelukkig voor Reinout, de oude Peter +binnen en meldde zachtjes den kokeler bij zijn meester aan. + +"Ik zal bij hem komen," hernam de Bisschop: "welaan!" vervolgde hij +tot Reinout: "uw mannelijke uitdaging heeft mij getoond, dat gij een +rechtschapen Ridder zijt, en als zoodanig mijn vertrouwen waardig. De +tijd spoedt voort: en ik heb nog veel te verrichten. Gij vergezelt mij +nog heden naar Utrecht. Wij zullen onderweg ons gesprek vervolgen. Wees +zoo goed, mij zoolang in de zaal te wachten." + +Met het uiten dezer woorden vertrok hij, de deur zorgvuldig achter +zich sluitende. "Ofschoon ik," zeide hij bij zich zelven, "veel +vertrouwen stel in 's Ridders eerlijkheid, hecht ik nog grootere +zekerheid aan een goeden sleutel.--Aha! meester Barbanera, loopt gij +op deze wijze met mijn geheimen te koop? Bij Sint-Maarten! wij zullen +zorgen, dat uw geklap niemand meer hindere." + +Beneden aan de trap gekomen, vond hij Barbanera en wenkte dezen, +hem in een zijvertrek te volgen. + +"Hebt gij tijdingen?" vroeg hij hem, in zuiver Italiaansch: "dat gij +ons zoo vroeg reeds de eer van uw bezoek verschaft?" + +"Ik kwam de bevelen van uwe Hoogwaardigheid vernemen," zeide de +kwakzalver: "en daar de Stichtsche benden hier weldra zijn zullen, +achtte ik het plicht, dat intijds te doen." + +"En was het ook plicht," vroeg Arkel, op een strengen toon: "onze +geheimen toe te vertrouwen aan dien windbuil, die mij zooeven is +komen opzoeken?" + +"Ik heb hem niets toevertrouwd," zeide Barbanera: "hij wist reeds +alles: en daar ik vreesde, dat hij babbelen mocht, achtte ik het +voorzichtiger hem in uwe handen te leveren." + +"Gij hadt mij ten minste kunnen waarschuwen," zeide Arkel: "maar hoe +kent gij den knaap?" + +"Ik ken hem beter, dan hij althans gisteren zich zelven nog kende: en +dit is zeker, dat hij u van dienst kan zijn. Wat zoudt gij wel geven, +Hoogwaardigste! om in Friesland een vermogenden vriend te bezitten, +op wiens erkentenis gij zoudt kunnen staat maken?" + +"Dit ware een goede aanwinst," zeide Arkel, "maar wat heeft dit met +dien Reinout te maken? In welk verband...." + +"Welnu!--Zoo die Reinout eens de zoon ware van den Heer van Aylva?" + +"Welke zotte vertelsels zijn dat?--Die Ridder is een Italiaan, +zooals gij....." + +"Juist! van moederszijde; maar ik kan hem de bewijzen in handen +leveren, dat hij de zoon des Frieschen Oldermans is:--wat dunkt u +dat dit geheim waardig is?" + +"Dat geheim is goud waardig," zeide de Bisschop: "hebt gij het hem +reeds medegedeeld?" + +"Zooveel als noodig was, ja;--maar u wil ik de bewijzen ter hand +stellen, opdat gij er de vruchten van inoogst." + +"Zeer onbaatzuchtig voorwaar!" zeide Arkel: "maar vermoedelijk wilt +gij mij het geheim verkoopen, omdat Reinout de middelen niet bezit +om het u te betalen?" + +"Het ware zeker onbillijk," zeide Barbanera, "dat ik de tafel voor uwe +Hoogwaardigheid bereidde, en geen kruimpje voor mij zelven overhield." + +"Recht zoo, voortreffelijke Barbanera! dan, ik heb nog een dienst +van u te vergen. Hierboven ligt een jong meisje, dat wellicht de hulp +van een geneesheer noodig heeft." + +"Is het garnizoen versterkt?" vroeg de kokeler, meesmuilende. + +"Zwijg, en ga bij haar. Onderzoek eenvoudig, of zij ziek is, ja dan +neen:--geene van uw kwakzalverskunsten. Zie slechts, of zij in staat +is, de reis naar Utrecht te ondernemen." + +Barbanera zweeg en volgde zijn meester tot voor het vertrek van +Madzy. Deze, zich vleiende, vader Syard te zullen zien, haastte zich, +den kokeler, toen deze aanklopte, te verzoeken van binnen te komen, +maar zij zag verbaasd op, bij het beschouwen van een onbekend gelaat; +want, gelijk men zich herinneren zal, zij had Barbanera nooit gezien +dan aan Elskens ziekbed, waar hij zijn wassen neus voorhad. + +"Lieve kind!" zeide de kokeler: "_il signor castellano_ ebbe mij tot +u gezonde. Hij is over _la vostra sanitá_ bekommerd, en eef mij, _il +suo medico_, verzocht u al die hulp toe te breng, welke _la mia arte_ +verschaffen kan _a voi_." + +Zonder erg te denken, stak Madzy den geneesheer haar blanke hand +toe en vroeg hem, wie de edele Burchtvoogd was, onder wiens dak zij +zich bevond. + +"_Non lo sapete_?" vroeg Barbanera: "_bene_! hij zal wil ebbe self _il +piacere_ van u bekend te maak met _il suo nome.... ma per Dio_!" riep +hij uit, terwijl hij haar meer aandachtig beschouwde: "ikke u ook eb +kezien, _un' altra volta_: ikke fraak moet: _il signor castellano_, +wete hij, wie isse gij?" + +"Wat meent gij?" vroeg Madzy, eenigszins onthutst: "ik versta u +slechts half." + +"Gij hebt _la febbre_, de koortse," zeide Barbanera, opstaande, en +Madzy's hand latende varen: "maar _vien dall' agitazione, dal freddo: +niet is pericolòsa 'il viaggio non può farvi male_." + +Met deze geruststellende uitspraak rees hij op, en Madzy in onzekerheid +latende, keerde hij bij zijn meester. + +"Welnu?" vroeg deze: "is zij in staat een reis te doen?" + +"Ja; maar zij heeft geen kleeren genoeg. Wil ik om de hare zenden?" + +"Zoo dit ongemerkt geschieden kan, ware het niet kwaad; want ik vrees +dat hier gebrek aan plunje is." + +"Maar," hernam de kokeler: "kent uw Hoogwaardigste het meisje, dat +daar in de kamer ligt?" + +"Zoo ik mij niet bedrieg, is zij een Friezin, een nicht van pater +Syard, of zoo iets." + +"Alles behalve: het is een Friesche Jonkvrouw van adellijken huize, +de bruid van Seerp Van Adeelen, Madzy Dekama." + +"Gij raaskalt. Hoe zou een Friesche Jonkvrouw van adellijken huize +hier in 't gras komen te liggen?" + +"Ik weet het niet. Zooveel is zeker, dat ik haar terstond herkend heb, +en dat...." + +Hier werd zijn rede gestoord door een herhaald hoorngeschal aan +de buitenpoort. + +"Daar schijnt haast bij te wezen," zeide Arkel, zich voor een kijkgat +plaatsende, vanwaar men op den buitenmuur en op de laan zag: "bij alle +duivels! daar is uw trouwe Hans, zoo rood als een kalkoensche haan, +die ons zeker de komst der Stichtsche benden komt melden.... en ginds +zie ik een paar wapenknechten de laan afkomen, zeker om bezit van +het kasteel te nemen:.... en wat verder komt vader Syard in eigen +persoon.... juist op gelijke afstanden, als de drie boden in de +schilderij van den vromen Job. Ik had heden ten minste zes hoofden +noodig;--maar alles met overleg! en wij zullen, den eenen voor, +den anderen na, wel helpen. Ho! Peter! laat slechts één persoon te +gelijk in!" + +Peter, die aan de overzijde der valbrug stond, gehoorzaamde aan den +gegeven last, en het poortje voor den hansworst openende, sloeg hij +het weer dicht voor den neus der Stichtsche wapenknechten. + +"Heer Ridder!" riep Daamke, zoodra hij Arkel zag (wiens waren naam +hij niet kende): "daar zijn de Stichtenaars en komen het kasteel +bezetten. Hun bevelhebber is, naar ik hoor, Wouter van IJselstein." + +"Onbekend, Goddank!" zeide Arkel: "welk een slag van een man is hij?" + +"Een jonge, ruwe gast, naar mij toeschijnt," antwoordde Daamke. + +"Voortreffelijk! dan is er geen kwaad bij. Ga spoedig, +met Barbanera, mijn twee dienaars roepen, en laten zij zich +wapenen. Hei! Peter! ontsluit de poort voor de hoplui;--maar laat al +wie verder komt tot nader order wachten." + +De poort ging weder open, en Wouter van IJselstein trad met een ander +hopman binnen. Peter geleidde hen met alle deftigheid naar het zij +vertrekje, waar Arkel gezeten was. + +"Zijt gij de slotbewaarder?--of welke betrekking vervult gij +hier?" vroeg IJselstein op een hoogen toon aan den Bisschop. + +"Met uw verlof", zeide Arkel, terwijl hij zonder op te staan, den +vrager van 't hoofd tot de voeten beschouwde: "wie zijt gij zelf, +die mij hier vragen komt doen?" + +De bevelhebber scheen eenigszins verrast door deze fiere toespraak; +gelijk het meer gebeurt aan lieden, die een hoogen toon voeren, +wanneer zij iemand vinden, die hen staan durft. Hij geraakte verlegen, +en zag zijn makker zijlings aan. + +"Welnu!" vervolgde Arkel, die zich als een kind vermaakte met de +bedremmelde houding des hopmans: "ben ik u geen antwoord waardig? komt +gij hier alleen binnenstuiven om weer terug te keeren als een +schaatsenrijder, die de baan ten einde gereden is?" + +"Wij komen hier," antwoordde IJselstein, die zijn stoutmoedigheid +had teruggevonden, "om het slot te bezetten in naam van het Bisdom +van Utrecht." + +"Ik ken hier niemand dat recht toe," antwoordde Arkel, "dan den +Bisschop, mijnen Heer en den uwen. Hebt gij een lastbrief, door +hem geteekend?" + +"Vriend!" zeide IJselstein: "zoo gij een dienaar des Bisschops zijt, +zult gij weten, dat hij bij zijn vertrek zijn gezag aan de Kapittels +heeft overgedragen, uit welker naam ik spreek." + +"De Kapittels mogen vrij over kerkelijke aangelegenheden beschikken," +hernam Arkel, die er genoegen in vond, den hopman in de war te +brengen, en tevens naricht zocht te bekomen omtrent sommige punten, +waarin hij belang stelde: "maar zij hebben niets met des Bisschops +bijzondere eigendommen te schaffen. Hier ben ik meester, tot zoolang +zijn Hoogwaardigste terugkeert." + +"Dit slot is gebouwd tot dekking der grenzen," zeide IJselstein: +"en daar men eerstdaags oorlog met Holland verwacht, zoo heeft men +begrepen, hier inlegering te zenden. Gaan de Kapittels hunne macht +te buiten, zij mogen zulks aan den Bisschop verantwoorden: ik volg +mijn last, en zal dit slot bezetten met mijn volk, zonder uw verlof +te vragen." + +"Vergeet niet," zeide Arkel, met een verachtelijken glimlach: "dat +uw volk hier nog niet ingetrokken is. Voor 't oogenblik ben ik nog +niet in uwe macht: gij zijt in de mijne." + +IJselstein zag beurtelings den Bisschop en zijn makker aan. Men had +hem binnen Utrecht verzekerd, dat er zich niemand op het slot bevond +dan een oude dienaar: en hij stond verbaasd, een man te vinden, +die als meester sprak. + +"Hoe nu!" vervolgde Arkel, "zijt gij de brave borst, die dit kasteel +tegen de Hollanders verdedigen moet? en de bloote stem van een +wapenloozen man doet u beteuterd staan, ofschoon gij met u beiden, +en in 't harnas zijt?" + +"Mijn Heer! wie gij ook wezen moogt," zeide IJselstein, met fierheid: +"weet, dat ik voor geen vijand sidder: en dat, zoo uwe woorden een +beleediging insluiten, ik gereed ben, mij met u in besloten kamp te +meten, waar gij goedvindt, alles ingevalle gij uit adellijk bloed +gesproten zijt. Maar ik beken, ik sta versteld, hier iemand aan te +treffen, die uit de hoogte tot ons spreken durft, en de macht der +Kapittels in twijfel trekken." + +"Zoo! nu spreekt gij als 't betaamt," zeide Arkel: "hoor! ik laat mij +wel vinden. Dezen namiddag kunt gij met uw volk hier binnentrekken, +want ik ben verantwoord, zoodra gij met overmacht aankomt; maar het +moet mij vergund wezen, voor dien tijd mijn zaken behoorlijk in orde +te brengen." + +"Ik heb bevel," zeide IJselstein, "geen oogenblik te vertoeven met +het bezetten van het kasteel." + +"Zeer wel," hernam Arkel: "maar het schikt mij nu niet, het u +terstond te leveren; gij kunt uw volk gaan halen; maar dan breek ik +de bruggen af en gij komt er toch niet spoediger binnen. Stem dus +liever goedschiks in mijn voorslag." + +"Wie zijt gij toch?" vroeg IJselstein, hem met verbazing aanstarende. + +"Wie ik ben doet niets ter zake. Neemt gij mijn voorslag aan, ja +of neen?" + +De beide hoplieden zagen elkander een poos besluiteloos aan, maar +gaven eindelijk hun toestemming. + +"'t Is wel, mijn makkers! Na den middag kunt gij hier vrij den meester +komen spelen. Vaart nu wel.--Peter! leid die hoplieden uit en laat +den huisman binnen, die aan de poort staat." + +"Victorie!" riep hij Barbanera toe, die hem na het vertrek der +hoplieden naderde: "had ik een greintje beleefdheid gehad, die +gansche bende ware reeds op ons dak;--maar ik heb hem de tanden laten +zien, en de wolf zal niet in de kooi komen, voor de schapen er uit +zijn. Hoor eens, Barbanera! die vrome monnik daar komt zijn Friesche +Jonkvrouw zoeken; maar ik heb andere voornemens met haar; ik zal hem +met een kluitje in 't riet zenden: wacht gij hem af, wanneer hij +zich verwijdert: beloof hem zijn Friezin terug en sluit hem onder +'t een of ander voorwendsel in de kelders van het slot." + +"Hoogwaardigste!" zeidede kokeler, verbaasd. + +"Welnu! hebt gij mij niet verstaan? Vader Syard verraadt mij: en ik +moet hem eenigen tijd afgezonderd houden;.... maar," voegde hij er +bij, als bedacht hij zich: "waar zijn uw bewijzen, dat die Reinout +de zoon is van den Heer van Aylva." + +"Dat geheim is goud waard," zeide Barbanera: "en ik ben de eenige, +die er van bewust is...." + +"Welnu!" zeide Arkel, een goudbeurs uithalende: "haast u: er is +weinig tijds over, en zoo ik thans het geheim niet weet, zal het mij +niet baten." + +"Ziehier," zeide de kokeler, de beurs aannemende, "den brief, waarmede +Bianca di Salerno haar zoon aan Carlo della Scala vertrouwde:--en +hier den ring, dien Aylva aan zijn echtgenoote schonk.--Het overige +is Reinout bekend." + +"'t Is wel," zeide Arkel, den ring en het geschrift bij zich stekende: +"zeg nu aan Peter, dat hij den monnik binnenlaat." + +Barbanera vertrok. "_Sic vos non vobis_!" dacht hij bij zich zelven: +"de Bisschop zocht mij te verschalken en zelf den prijs voor het geheim +in te oogsten; ik dorst hem de bewijsstukken niet weigeren:--hij had +mij vermoord;--gelukkig heeft hij het beste stuk niet, morgen trek ik +naar Den Haag, verhaal aan Graaf Willem, wat de vrome Jan van Arkel +brouwt, ontvang een goede belooning, en zorg dat de Olderman daarna +alleen door mij onderricht worde, wie zijn ware zoon is." + +Met deze gedachten zette hij zich onder aan de trap, zich verheugende +over de toekomstige belooningen, die hij verwachtte. De ongelukkige +dacht weinig, dat zelfs het goud, zooeven ontvangen, hem van geen +dienst meer zijn zoude. + +"Welnu! mijn waarde Pater!" zeide Arkel, zoodra vader Syard in zijn +tegenwoordigheid stond: "hebt gij al eens over mijn voorstellen +nagedacht? Hoe nu! geen antwoord! wat is er gebeurd? Uw oogen staan +zoo verwilderd: uw gelaat is bleek als dat van een doode." + +"Hoogwaardigste!" zeide de monnik: "ik bevind mij in de uiterste +verlegenheid. Ik had mij belast, om Jonkvrouw Madzy Dekama, welke +de Graaf van Holland in het klooster te Rijnsburg wilde plaatsen, +door het Sticht heen, naar Harderwijk te brengen, waar de Heer van +Aylva haar wacht,.... en zij is dezen nacht uit de herberg verdwenen." + +"Gij verwondert mij," zeide Arkel: "het was ook geene taak, passende +aan een man van uwen stand en jaren, een jong meisje tot leidsman te +strekken.--Maar wat kan ik daaraan doen?--ik ben geen omroeper." + +"O, wees edelmoedig, Heer Bisschop! ik ben een ijdele dwaas geweest. Ik +heb gesteund op eigen krachten en ben beschaamd gemaakt. Maar wees +grootmoedig! Gelast dat men haar zoeke. Zij moet hier ergens schuilen." + +"Mijn waarde Pater!" zeide Arkel op een deelnemenden toon: "ik +ben hier geen meester. Wend u tot Wouter van IJselstein, die de +Stichtsche benden aanvoert; klaag uw nood aan den Baljuw; dan hebt +gij de burgerlijke en de gewapende macht op uwe hand." + +"En gij, zijt gij niet de Heer, het hoofd van beiden?" zeide de +monnik met waardigheid. "Eén woord van uw mond en ik kan vrucht van +mijn nasporingen verwachten. Weigert gij mijn verzoek, dan stoot ik +overal het hoofd." + +"Gij zoudt dus verlangen, dat ik, om een weggeloopen deerne, mijn +voornemen verzaakte en de vermomming afleidde, die ik zoo moeizaam +bewaard heb?" + +"Gij zult die toch niet lang meer kunnen bewaren; men is op het dorp +reeds nieuwsgierig. Men wil weten, wie de vreemde Ridder is, die het +slot betrokken heeft. Men voedt argwaan.... en al had men dien niet, +uw eer, uw plicht gebieden...." + +"Monnik!" zeide Arkel op een strengen toon: "wilt gij mij mijn +plicht leeren?" + +"Ja! dat moet ik, wanneer gij dien vergeet. Een kerk, als die van +Utrecht, een welvarend land als het Sticht, moeten niet opgeofferd +worden aan de dwaze grillen van ijdele staatzucht. Ik terg mogelijk uw +gramschap; maar uw hart is te groot, te edel, om langer de rol vol te +houden, die gij ter kwader ure gekozen hebt, die de omstandigheden voor +een poos konden wettigen, maar die thans onbetamelijk, ja onstaatkundig +wordt. Wees u zelf weer. Treed als een waardig kerkvoogd voor den +dag en handel, gelijk het belang van de kerk en van den grond, dien +gij beschermen moet, u gebieden." + +"Wij spraken over het schoone Friezinnetje, dat gij met u voerdet," +zeide Arkel op een ijskouden toon. + +Vader Syard zag den Bisschop met zooveel ernst in de oogen dat deze, +hoe hij ook altijd meester over zich zelven bleef, niet nalaten kon, +die innige gewaarwording van onrust te gevoelen, welke den schuldige +treft, wanneer hij den blik van een eerlijk man ontmoet. Hij begreep +dus, het onderhoud te moeten afbreken, en zich in zijn zetel werpende: +"Pater!" zeide hij: "ga uwe litaniën elders zingen: mijn tijd is te +kostbaar om die aan te hooren." + +"Gij hebt gelijk," zeide de monnik: "en elk oogenblik dat ik hier +langer blijf is voor mij verloren. Heer Bisschop! vaarwel! ik +ben slechts een arme monnik; maar God weet het, ik wilde niet met +u ruilen." + +Met deze woorden verliet hij het vertrek. Aan de benedentrap gekomen, +hoorde hij zich op eens bij zijn naam noemen: hij wendde het gelaat +om en zag onder een donker afschutsel iemand staan, die hem wenkte +te naderen. + +"Wat wilt gij? wie zijt gij?" sprak de monnik: "mijn oogenblikken +zijn kostbaar." + +"_Piano_! stille!" zeide Barbanera: "gij zoeke la _Signora_ Dekama, +isse so niete?" + +"Hebt gij eenig naricht van haar?" vroeg de monnik, haastig naar +hem toetredende. + +"Zij isse hiere, _nella potestà del signore Vescovo_," hernam de +Italiaan: "hij eeft aar doen wegpak." + +"Die onverlaat! ik moet naar hem toe!" + +"_Piano_ dan! _Silenzio_! kom iere: ikke sal u brenk pij aar. _Datemi +la mano_: is ier donkere." + +Dit zeggende, trok hij den monnik met zich mede in den kelder, aan +wiens ingang hij zich bevond. + +"Blijf mij ier wakte," zeide hij: "ik zal kaan haal _la Signora_." + +"Blijft er beiden wachten, tot het jongste bazuingeschal er u +uitroept," zeide Arkel, die den monnik beneden gevolgd was: en hij +sloeg de kerkerdeur met geweld dicht: "Ziezoo!" zeide hij: "daar zijn +er ten minste twee, die mij vooreerst niet zullen hinderen." + +Vervuld van deze geruststellende gedachte, stapte hij de donkere +gang weder uit, en zag den hansworst, die onder de hand eens naar +het dorp geweest was, met een pak onder den arm en meester Cezar op +den schouder, over de brug aankomen. + +"Nog een bondgenoot," dacht Arkel, "die uit den weg geruimd moet +worden:--intusschen wil ik mij niet te ras van alle nutte werktuigen +berooven. Die knaap weet niet wie ik ben; althans zoo Barbanera het +hem niet verteld heeft.--In allen gevalle kan hij mij nog van dienst +zijn. Ik geloof niet, dat hij verstand genoeg heeft om mij kwaad te +doen.--Hola ho! meester Hans! wat brengt gij voor goeds?" + +"Zoo ik niets goeds breng, breng ik althans goed," zeide Daamke: +"meester Barbanera heeft mij ingefluisterd, dat ik ongemerkt de kleeren +van die weggeloopen deerne moest buitmaken en hier brengen. Ik heb +van de drukte, die er aan den _Roerdomp_ is, gebruik gemaakt, en hier +is de buidel." + +"Voortreffelijk;--maar wat is dat juweel, hetwelk uw broeder in de +hand houdt?"--Dit zeggende wees hij op een schitterend kleinood, +daar Cezar mede speelde. + +"Bij mijn zolen!" zeide de hansworst: "dat schijnt wat fraais. Hier +Cezar! voor den dag er mede." + +Maar de aap scheen niet genegen, zijn buit aan zijn meester af +te staan. Hij schudde den kop, zag Arkel en Daamke beurtelings +grijnzende aan, klemde het kleinood tegen de borst en poogde te +ontsnappen. Eindelijk werden zijn beide tegenpartijders het pronkstuk +meester, en nu zag Arkel duidelijk, dat het een gouden haarnaald was +van een kunstig maaksel, waaraan een kostbare parel hing. + +"Hoe komt het juweel in de handen van dat dier?" vroeg Arkel met +bevreemding. + +"Vermoedelijk heeft hij het buitgemaakt in het vertrek, waar de +Jonkvrouw geslapen heeft, die hedenmorgen verdwenen is." + +Een snel denkbeeld, hetwelk hij terstond met welgevallen aangreep, +kwam den Bisschop als een lichtstraal voor den geest. "Dit juweel," +zeide hij, "kan mij van dienst zijn! Hier meester Daamke! neem +het terug, bestijg uw ezel, rijd naar Harderwijk:--daar zult gij +de Friesche afgevaardigden vinden, wachtende op de Jonkvrouw en op +vader Syard. Verhaal hun, dat beiden in handen van den Graaf zijn +gevallen, dat gij dit gezien hebt, dat zij met u gesproken heeft, +u verzocht heeft, dit aan haar naastbestaanden te melden, en u dit +juweel ter belooning geschonken heeft: zeg hun, dat zij hen smeekt, +haar hoon te wreken. Ga! een treffelijk loon wacht u, indien gij mijn +bevel met beleid en spoed ten uitvoer brengt." + +"Maar," zeide de hansworst, hem met wijdopgespalkte oogen aanziende: +"'t is met dat al immers niet waar?" + +"Om 't even," antwoordde de Bisschop: "wat gaat u dat aan? Is uw +geheele leven niet een logen? Liegt gij niet op alle markten en +kermissen, dat de steenen er van zweeten?" + +"Nu ja," zeide Daamke: "dat brengt mijn beroep mede en ieder gelooft +er het zijne van; maar of nu dat Friesche volkje zich door een praatje +om den tuin zal laten leiden, dat is nog de vraag: en die Seerp Van +Adeelen draagt een broodmes op zijde, waar ik ongaarne kennis mee +zou maken." + +"Zot! zij zullen uw verhaal evengoed slikken als de zoete koek, +die zij bij de kaas gebruiken. Het staat aan u, uw verhaal met zulke +versieringen te omkleeden, dat zij u wel zullen moeten gelooven. Ik +heb u immers meer gehoord en weet, hoe geestig gij een vertelling +weet op te smukken." + +Niemand is er op aarde, hetzij dan vorst of hansworst, of hij is +gevoelig voor vleierij: en Daamkes eigenliefde vond zich dan ook door +Arkels laatste woorden zoodanig gestreeld, dat hij de hem opgedragen +boodschap aannam en zich verwijderde. + +De Bisschop, na alvorens eenige woorden met den getrouwen Peter te +hebben gewisseld, betreffende de wijze, waarop deze de gevangenen +moest behandelen, begaf zich naar het vertrek van Madzy, die zich +opnieuw in haar verwachting teleurgesteld vond, toen zij, in stede +van den monnik, haar gastheer terugzag, wiens koel en ernstig wezen +weinig goeds beloofde. + +"Meisje!" zeide hij, op een langzamen, indrukwekkenden toon: "ik heb +naar de herberg gezonden: maar men weet daar evenmin als hier, waar +de man gebleven is, dien gij zegt, dat u vergezelde. De kasteleines +kan niets tot uw voor- of nadeel getuigen: zij beklaagt zich alleen, +dat gij bij nacht en ontijde haar huis verlaten hebt. Hier zijn uw +kleederen, welke zij u terugzendt." + +Met deze woorden overhandigde hij haar het pakje, dat Daamke had +medegebracht. + +"Helaas!" zuchtte Madzy, met angstig handenwringen: "moet ik dan zoo +miskend worden? o! ik smeek u, edele Heer! laat mij van hier gaan. Mijn +paard staat aan de herberg: ik zal een wegwijzer nemen--maar ik moet +weg:--mijn maagschap zal ongerust over mij wezen." + +"Gij zult gaan waarheen gij wilt," zeide Arkel op een onverschilligen +toon: "doch alleen laat ik u niet vertrekken. Het dorp is bezet en +de weg vol krijgsvolk: een reis door het Sticht zou, voor een meisje +alleen, gevaarlijk zijn. Gij zijt bovendien ongesteld en de arts +verbiedt alle zware beweging. Maar ik heb u een anderen voorslag te +doen. Het is mijn voornemen van hier te gaan; en zoo onze wegen niet te +ver uit elkaar loopen, wil ik u gaarne naar het doel uwer reis voeren: +een gemakkelijke draagstoel is tot uw dienst: en zoo gij niet gezien +wilt wezen, zal u ook daartoe de gelegenheid verschaft worden." + +Madzy zag Arkel aan, terwijl hij sprak, als wilde zij in het binnenste +zijner ziel lezen. Zijn woorden schenen verstandig: zijn aanbod was, +in de omstandigheden, waarin zij verkeerde, hoogst aannemelijk: +zij had des te minder aanleiding hem te mistrouwen, wegens de koele +beleefdheid waarmede hij haar behandelde: en toch lag er in zijn toon +en houding iets opgesloten, dat haar, zij wist zelve niet waarom, +onwillekeurig huiveren deed. Zoo zeker is het, dat het bedrog, +hoe listig het ook achter het masker der waarheid schuilen moge, +altijd een kleur behouden blijft, welke heenschijnt door het vernis, +waarmede het omtogen is, moeilijk te verbergen is voor het oog der +rechtschapenheid, en evenmin kan weggenomen worden als de lucht der +verdorven spijs, hoe ook met specerijen vermengd. + +Arkel bemerkte den twijfel, welke Madzy omtrent de oprechtheid +zijner bedoelingen scheen te koesteren. "Misschien," zeide hij, +"vreest gij u aan het geleide toe te vertrouwen van iemand, die u nog +onbekend is. Gij zijt meesteres van te handelen zooals gij begeert. De +hemel beware mij, uw vrijheid in 't minst te belemmeren. Zoo gij het +verlangt, zal een mijner dienaars u naar het dorp terugvoeren: maar +ik herhaal u, gij zult het vol krijgslieden vinden. Wat meer zegt, +eer een paar uur verloopen zijn, zal ook dit kasteel bezet worden. Zoo +gij daarentegen in mijnen voorslag stemt, zult gij de bescherming +genieten van den Ridder met den Rooden Adelaar, wiens wapenfeiten op +het steekspel te Haarlem u misschien ter oore zijn gekomen." + +"Hoe!" zeide Madzy, verrast: "zijt gij die Ridder, door wien Reinout +van Verona van 't paard geworpen werd en die...." + +Hier zweeg zij eensklaps; want zij voelde dat zij zich versproken +had, en, zich de beschuldiging van paardendieverij herinnerende, +vreesde zij te veel gezegd te hebben. + +"Die ben ik," zeide Arkel: "en gij, zijt gij niet de edele Jonkvrouwe +van Dekama, wier weergade niet gevonden werd onder al de schoonen, +die op het feest aanwezig waren?" + +Madzy verbleekte. "Ridder!" zeide zij: "gij hebt mij herkend; o! bij +al wat heilig is, maak geen misbruik van hetgeen u een toeval heeft +doen weten." + +"Kon men u miskennen, na u eenmaal gezien te hebben?" zeide Arkel, +den hoffelijken toon hernemende: "wel is waar; ik wilde in den aanvang +mijn oogen niet gelooven; want ik kon niet beseffen, hoe de schoone +erfdochter van Dekama in boerengewaad op den gemeenen weg zou liggen." + +"Ik reken," zeide Madzy, "dat ik het aan mijn eer verplicht ben, +u de omstandigheden te verhalen, welke aanleiding gegeven hebben tot +mijn komst in dit kasteel." + +Hierop gaf zij hem een beknopt verslag van de redenen, die haar genoopt +hadden in vermomming het Sticht te doorreizen, en van hetgeen haar in +'t holle van den nacht de herberg had doen ontvluchten. Arkel wist de +verschijning van den boozen geest, dien zij waande gezien te hebben, +niet anders dan aan een spel van haar verbeelding toe te schrijven; +maar des te beter kon hij haar ontmoeting met Reinout oplossen. Hij +verzweeg haar echter de aan wezigheid van dezen laatste op het slot, +maar wist door een paar vragen behendig uit te vorschen, om welke +redenen die Ridder des Graven dienst verlaten had. + +"Het komt mij vreemd voor," zeide hij eindelijk, "dat uw geleider +zoo spoedig verdwenen is. Het zou mij, uit de gansche toedracht der +zaken, niet bevreemden, indien hij voornemens was geweest, u aan +uwe vijanden over te leveren. Intusschen was het misschien uw geluk, +dat u hier gevoerd heeft: onder mijn geleide zult gij veilig kunnen +reizen en welhaast in de armen uwer vrienden de ongemakken der reis +vergeten.--Voor 't oogenblik zal ik u verlaten en u gelegenheid geven +u te kleeden: zoo gij inmiddels iets noodig hebt, gelief slechts op +den vloer te stampen en men zal zich gereedmaken om aan uw wenschen +te voldoen."--Met deze woorden nam hij zijn afscheid. + +"Ik heb haar!" zeide Arkel verheugd, tot zich zelven, zoodra hij de +kamer verlaten had. "Het vinkje heeft lang om de baan heen en weer +gefladderd; maar het is eindelijk onder het net gekomen en ik heb +slechts toe te halen. Bij mijn zaligheid! Ik heb vandaag heet werk +gehad! In twee uren tijds en zonder helpers den hoofdman eener bende +verschalkt: Syard en Barbanera hunne geheimen onttroggeld en die twee +listige en gevaarlijke vertrouwelingen opgesloten: een hansworst van +de hand gezonden om Friesland in rep en roer te brengen: een adellijke +Jonkvrouw geknipt--en een Ridder bovendien:--bij Sint-Maarten! dien +had ik bijna vergeten! het wordt tijd, dat ik hem uit zijn gevangenis +verlosse! hij zal zeker reeds toornig wezen over mijn verwijl." + + + + + +DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + LODEWIJK. Gy zult Baron zijn, Jan! + + Langendijk. Het wederzijds huwlijksbedrog. + + +Het was gelijk Arkel gedacht had. Reinout, onverduldig geworden van +niemand te zien komen, en wanende dat men hem gevangen wilde houden, +was juist bezig, met zijn dolk de kracht van het deurslot te beproeven, +toen hij zijn gastheer hoorde aankomen en dezen terstond daarna over +zich zag staan. + +"Ik heb u wat laten wachten," zei de Arkel, op dien hoffelijken +maar koelen toon, waartegen alle toorn af komt stuiten, evenals een +afgeschoten pijl over de oppervlakte van het ijs heenglijdt: "vergeef +mij: ik heb veel en zwaar werk bij de hand gehad. Op den weg zal ik +u alles verhalen. Indien ik tot op dit oogenblik misschien wat te +erg den meester jegens u gespeeld heb, zoo staat het aan u thans de +rollen te veranderen. Van stonden aan zult gij Heer, en ik slechts +uw schildknaap zijn. Gij zult uw paard terugbekomen: en daarbij, +indien gij ze uwer niet onwaardig acht, de wapenrusting van den Ridder +van den Adelaar. Deze vermomming kan u van dienst zijn; want ook in +'t Sticht zoudt gij lieden kunnen vinden, die den moord van Deodaat +zouden wenschen te wreken." + +Reinout stond verzet: "den moord!" herhaalde hij: "wie heeft u sedert +ons gesprek met de omstandigheden...." + +"Om 't even," zeide de Bisschop; "dat alles zal zich wel +ophelderen. Onderweg ben ik tot uw dienst om den tijd met mededeelingen +over en weder te korten: voor 't oogenblik zullen wij den innerlijken +mensch gedenken; want na al wat ik verricht heb, roept mijn maag mij +toe, dat het tijd is te rampeneeren. Hei ho! Peter!" + +Peter kwam binnen met de dienaars van Arkel, die, na een tafel uit het +celletje in de zaal te hebben geschoven, eenige spijzen opdischten, +waaruit een verkwikkende geur opsteeg, welke de zinnen des Bisschops +liefelijk scheen aan te doen. + +"Kom!" zeide hij: "neem plaats, Heer Ridder! en zet alle grillen uit +uw hoofd. Peter! is de draagstoel gereed?" + +"Ik heb het paard van de deerne uit de herberg laten komen en er +voorgespannen," zeide de trouwe dienaar. + +"Voortreffelijk!--komaan, wakkere Ridder! laat het hoofd niet hangen; +maar proef liever eens van dezen wijn: het is geen _lacryma Christi_, +gelijk men in uw vaderland drinkt, noch Sint-Jans-wijn, gelijk men +op de feesten te Haarlem dronk, noch van het roode druivensap, dat te +Avignon op de tafel des Heiligen Vaders prijkt; maar eenvoudig Bleeker +van de vruchtbare velden, die door vader Rijn besproeid worden. Hij is +er echter niet te minder om, nu hij eenige jaren in de kelders van dit +oude kraaiennest gelegen heeft; en wanneer gij in Utrecht zijn zult, +hoop ik u beter te onthalen: ik heb er nog Kamerijks bier liggen: +en dat, weet gij, is het puik van alle bieren. _Wees heil_! heer +Ridder! dit gaat u voor! op onze goede reis, en den gelukkigen uitslag +onzer wenschen." + +Reinout beantwoordde den hem toegebrachten dronk; maar de sombere +gedachten, welke zijn ziel vervulden, hadden hem in een stille +afgetrokkenheid doen vervallen. Het was hem onmogelijk te deelen in de +vroolijke luim des Bisschops, die, met een levendige gemakkelijkheid, +welke Reinout in andere oogenblikken met bewondering zou hebben +beschouwd, zijn post van gastheer vervulde, uit elke spijs of +drank, die hun voorgediend werd, gepaste stof ontleende tot een +geestig betoog, waarin hij zijn fijne proef als lekkerbek en zijn +begaafdheden als man van de wereld ten toon spreidde. Wie hem gezien +had, zooals hij op de netste en volmaakste wijze een duif opsneed en +toebereidde, en wie hem tevens had hooren redeneeren over ringduiven +en pauwstaartjes, gekapte nonnen en brievendragers en allerlei andere +soorten van duiven, en over de wijze van die te stoven met eieren +en citroen, of op te vullen met zoete melk, zes dooren van eieren +en sjalotten en pieterselie _quantum sufficit_, of over de wijze, +waarop het half doorgespouwd beestje, dat hij in de hand hield, +op de reis bewaard was gebleven, in een oud charter, met boter wel +gesmeerd, door middel eener voorafgemaakte omwenteling in fijngehakte +ajuin, peper en zout, en het daarna braden van alles te zamen op een +rooster, zou weinig gedacht hebben, dat diezelfde man, die geheel +was overgegeven aan het genot van een goed gebraad, en zijn buik +tot zijn afgod verkoren scheen te hebben, een oogenblik te voren +in een maalstroom was rondgesleept van hooge staatkundige plannen +en inzichten en van kleine en verwarde verwikkelingen van allerlei +aard. 't Is omdat Arkel een van die gelukkige (?) _egoïsten_ was, wier +hart altijd in rust blijft, hoe werkzaam ook hun brein moge wezen: +die alleen voor zich zelven levende, hun gevoel verhard hebben tegen +alle indrukselen van buiten, en zich van lieverlede de kunst hebben +eigen gemaakt om alle onaangename denkbeelden en lastige zorgen te +verbannen, van elke omstandigheid des levens slechts die zijde aan +te grijpen, welke hun het aangenaamste toeschijnt, en daardoor nimmer +dulden, dat het genot van het oogenblik vergald worde door pijnlijke +herinnering aan het verledene of zorg voor de toekomst. + +Welke voorstelling men zich wijders, uit het vroeger verhaalde, van +het karakter des Bisschops moge vormen, dit is zeker, dat de tijd, +waarin hij leefde, en de omstandigheden, waarin hij zich geplaatst +vond, veel toebrachten om hem daden te doen bedrijven, welke, ja, +terecht als misdadig beschouwd, maar, naar den zedelijken maatstaf van +zijne eeuw beoordeeld, meer verschoonbaar kunnen gerekend worden. Jan +van Arkel was een dier menschen, die zich op de wereld als bij wijze +van uitzondering vertoonen, met alle begaafdheden toegerust, maar met +een hart vol onverzadelijke en nimmer rustende begeerten: een dier +gevaarlijke wezens, die door een eeuwige behoefte aan werkzame beweging +worden verslonden: die op de gewone stervelingen met een glimlach +van verachting nederzien en niet tevreden zijn met een dagelijksche +bestemming: een dier genieën, die door de nakomelingschap somtijds +vervloekt, maar door den dichter en den wijsgeer beschouwd worden met +diezelfde bewondering, waarmede zij een onrustbarend gesternte aan +de bogen des hemels gadeslaan. Reeds in zijn eerste jeugd bezat hij +de stoutmoedige onbeschroomdheid van een meer gevorderden leeftijd: +zijn moed was even onbetwijfelbaar als zijn eerzucht onbepaald, zijn +brein even vernuftig en vruchtbaar in uitkomsten als zijn manieren +hoffelijk en bevallig waren. Hij verstond evenzeer de kunst om zich +door een aangenamen omgang bemind te maken bij hen die hij noodig +had, als om zijn vijanden onder de geweldige wapenen der bespotting +te verpletteren. Hij was vasthoudend in al wat hij ondernam, en +nimmer af te brengen van een eenmaal gevormd besluit; maar daar +die vaste wil, om zijn zin te doen, zich dikwijls ook in kleine en +onbelangrijke voorwerpen vertoonde, nam die, door een zonderlinge +tegenstrijdigheid, niet zelden den schijn van loszinnigheid aan en +bracht hem in ongelegenheden, waaronder een ander bezweken en de +fabel van het algemeen zou geworden zijn; maar waarin hij slechts +een gelegenheid meer vond, om zijn onuitputtelijk vernuft, en zijn +behendigheid in het partij trekken van elke omstandigheid, te doen +schitteren. Zoo hij echter dat vernuft hoofdzakelijk tot duistere +kuiperijen en staatslisten aanwendde, en zoo zijn hart, dat van +nature open en edel was, zich reeds spoedig met een driedubbele +ijskorst omschorste, dit moet, gelijk wij reeds hebben aangemerkt, +hoofdzakelijk aan de omstandigheden worden toegeschreven. In een +anderen tijd geboren, had hij, naar zijn keuze, òf in de rij der +beroemdste helden òf aan de zijde der volkomenste staatslieden een +eervolle plaats kunnen bekleeden; maar in zijn eeuw mocht het hem +niet vergund zijn, openlijk naar den oorlogsroem te dingen; en was +de staatkunde nog niet, als later, eene eerverschaffende wetenschap. + +Hij was tot den geestelijken stand gedrongen geweest, terwijl +zijn neigingen als kind reeds naar den wapenhandel helden; zijn +onrustige geest had hem in het stille klooster niet toegelaten zich +te vergenoegen met het betrachten der eentonige en weinig beduidende +werkzaamheden aan zijn betrekking verbonden: eenmaal zich in den stand +geplaatst ziende, waartoe vaderlijke dwang hem verwezen had, nam hij +voor, zich daarin een naam te maken:--niet zoozeer nog uit eerzucht, +als wel om zich te ontslaan van hetgeen hem het onverdraaglijkste van +alles was, de afhankelijkheid van anderen. Hij had daarom ook zijn +ledige uren nuttig besteed: en het was aan iemand als hij, die met +een gelukkig geheugen, een scherpzinnig oordeel en een vasten wil +begaafd was, niet ongemakkelijk gevallen, om het spoedig door ijver +en studie zooverre te brengen, dat zijn tijdgenooten hem als een +wonder beschouwden, en de ergernis over 't hoofd zagen, veeltijds +door hem gegeven, wanneer hij, als zich daartoe de gelegenheid +aanbood, of gedurende de dagen dat hij zijn ouders bezocht, in +de ridderspelen zijner broeders en van andere jeugdige edellieden +deelde:--uitspanningen, welke hij verschoonde, door aan te voeren, +dat zij voor zijn gezondheid, die van 't letterblokken kwijnde, +noodzakelijk waren. Naarmate hij echter in jaren vorderde, werden +dergelijke oefeningen, welke men in den beginne door de vingeren +gezien had, gestrenger berispt en hem eindelijk door den Prior van zijn +klooster volstrekt verboden. De jongeling kon geen dwang verdragen, en +meer dan eens ontstond bij hem de lust om den monnikskap weg te smijten +en alleen met lans en zwaard de wereld in te gaan. Hij was echter nu +eenmaal aan het gemakkelijke kloosterleven gewend, en wanneer hij de +voordeelen, aan den geestelijken stand verknocht, overwoog, maakte hij +de slotsom op, dat hij te veel zou opofferen om dien te verlaten en +als dolend Ridder honger te lijden. Het viel hem echter zwaar om aan +zijn geliefkoosde uitspanningen vaarwel te zeggen;--en nu vormde hij +het besluit om zich oogenschijnlijk naar den wil zijns kloostervoogds +te schikken, maar in 't geheim te doen wat hij verkoos: in 't kort, +hij veinsde, alle wereldsche gedachten te laten varen en zette zich +met meer ijver dan ooit aan zijn studiën; maar dikwijls, terwijl een +ieder hem in zijn cel waande, verdiept in afgetrokken bespiegelingen, +of ter bedevaart naar deze of gene heilige stad, was hij, vermomd of +onder een valschen naam, bij jachten of ridderspelen tegenwoordig en +deelde in een vermaak, dat hem te meer smaakte omdat het verboden was. + +Eindelijk bereikte hij het doel van zijn verlangen, en de invloed +van Graaf Willem bracht hem op den Bisschoppelijken zetel; maar hoe +groot was zijn teleurstelling, toen hij ontdekte, dat hij bestemd +werd, om ook daar niet zijn eigen meester, maar de speelpop eens +anderen te worden. Dit verdroot hem: en hij besloot zich ook van deze +afhankelijkheid te ontslaan. Zijn handelingen als Bisschop, vroeger +door ons verhaald, getuigden, hoezeer hem dit voornemen ernst was en +met welk een vastberadenheid hij dit wist door te zetten. Het Sticht +bewonderde een kerkvoogd, die, reeds op zulk een jeugdigen leeftijd, +met zulk een ijver de belangen van het Bisdom wist te behartigen, +en aller harten waren met smart vervuld, toen hij zijn grootsch opzet +bekroonde door zijn vrijwillige ballingschap naar Frankrijk. Wat hem +betrof, hij had een driedubbel oogmerk bereikt; hij had de harten +der zijnen gewonnen: hij had het Sticht onafhankelijk gemaakt van +vreemden invloed: en hij vond zich in een vreemd gewest, vrij en +onbelemmerd als de vogel in de lucht, op een plaats, waar niemand +zijn gangen bespiedde en waar hij zich dus kon overgeven aan al +de genoegens, waarvoor zijn boezem blaakte. Maar, te midden dier +vermakelijkheden, ontving hij van zijn broeder en vertrouweling de +tijding, dat Graaf Willem zijn verloren invloed in het Sticht op alle +wijzen zocht te herwinnen. Het was toen dat de wijdluchtige plannen, +welke wij hem hoofdzakelijk aan vader Syard hebben hooren mededeelen, +in zijn brein tot rijpheid kwamen. Het begon hem nu ook te vervelen, +op steekspelen lauweren in te oogsten, welke hem geene eer aanbrachten, +vermits zijn naam onbekend bleef: en de stem der staatzucht verdrong +eindelijk alle andere neigingen uit zijn borst. Ten einde den staat +van zaken beter te leeren kennen, vertrok hij in stilte uit Grenoble +en maakte, gelijk wij gezien hebben, zijn aankomst in Holland slechts +aan weinigen bekend. Het steekspel te Haarlem was voor hem nog een +beproeving, aan welke hij geen weerstand kon bieden en die bijna zijn +geheele plan van onbekend te blijven had in duigen geworpen. Echter +was het hem in zooverre voordeelig geweest, doordien het hem in +kennis gebracht had met Reinout, van welken hij zich nu hoopte +te zullen bedienen als van een nuttig werktuig, dat hij naar zijn +verkiezing kon gebruiken of vernielen:--vernielen, ja; want gelijk +wij uit zijn handelwijze met vader Syard en Barbanera gezien hebben, +aarzelde hij niet, tot bereiking van zijn doel, die middelen aan te +wenden, welke de zedekunde verwierp, maar die gepredikt worden door +de noodzakelijkheid, welke hij, met vele staatslieden ook van latere +dagen, als de bestierder onzer daden eerbiedigde. + +Men vergeve ons deze uitweiding, die zeker lang genoeg is om +onzen dischgenooten de gelegenheid te hebben gegeven hun maal te +eindigen; na welks afloop Arkel eensklaps een verhandeling over +de onderscheidene kersensoorten afbrak met aan de dienaars last te +geven om de wapenrustingen te halen. Men gehoorzaamde: en nu gespte +de Bisschop zelf Reinout het harnas aan, en zette hem den helm op +'t hoofd met den rooden Arend, welken hij zelf op het steekspel +gedragen had: terwijl hij zich vergenoegde met de nederige rusting +van een eenvoudigen schildknaap. + +Nauwelijks waren zij ten volle gewapend, toen zich trompetgeschal liet +hooren, en Peter het bericht kwam brengen, dat Wouter van IJselstein +met zijn bende voor de poort stond. + +"Dat is een vierde uurs vroeger dan de afspraak was," zeide Arkel: +"zij zullen niet binnenkomen voor het oogenblik, dat ik bepaald heb." + +Dit zeggende ging hij de zaal uit en begaf zich naar het verblijf +van Madzy, die, nu geheel gekleed, hem zat te wachten. + +"Ik hoop, dat het u aan niets ontbroken heeft," zeide hij, de oogen +slaande op een schotel, welken de voor alles zorgende Peter haar +gebracht had, en die nog onaangeroerd was. + +Madzy verzekerde hem, dat men haar met alle mogelijke voorkomendheid +bediend had, doch dat zij niet in staat was geweest, iets te nuttigen. + +"Gij hebt kunnen hooren," hernam Arkel, "dat de Stichtsche bende voor +de poort staat. Een draagstoel is gereed voor u en gij kunt voor ieder +onbekend blijven.... indien gij namelijk het besluit genomen hebt, +van met ons te vertrekken." + +Dit zeggende, bood hij haar de hand aan om haar de deur uit te brengen. + +"Ridder!" zeide zij, terwijl hare oogen een zoo edele uitdrukking +aannamen, dat de hardvochtige Arkel een onrustige beweging in de +borst gevoelde: "ik vertrouw mij aan uwe rechtschapenheid. Het zou +schandelijk van u zijn, indien gij mij misleidet." + +Na het uiten dezer woorden, welke de Bisschop slechts met een +hoofdbuiging beantwoordde, legde zij hare hand in de zijne en, zich +het gelaat met haar kaper bedekkende, vergezelde zij haar geleider. + +Intusschen waren Wouter van IJselstein en de zijnen ongeduldig +geworden: en de eerstgemelde, wanende dat men hem misleid had, +begon met zijn strijdbijl op de buitenpoort te rammelen, toen Arkel, +die Madzy in haar draagstoel gebracht had, zich aan de binnendeur +vertoonde. + +"Met uw verlof, vrome Heeren!" riep hij hun toe: "breekt gij nu reeds +de poorten af, om aan de Hollanders, wanneer zij komen zullen, een +vrijen en onbelemmerden intocht te verschaffen?" + +"Wij hadden verwacht die open te vinden," zeide Wouter brommende: +"en het was onze afspraak...." + +"Dat gij na éénen zoudt binnengelaten worden," zeide Arkel: +"en indien gij uwe oogen gelieft te slaan op den zonnewijzer, die +daarginds tegen den toren gespijkerd is, zult gij zien, dat ik mijn +belofte nakom. Wees zoo goed en schaar uw volk op het buitenwerk, +dan zal ik u intusschen kennis doen maken met het slot." + +IJselstein voldeed aan het verlangen des Bisschops, waarna deze hem en +zijne hoplieden de wallen rondleidde, hem de zwakke en sterke punten +aanwees, hem de verbeteringen opgaf, welke hier en daar nog te maken +waren, en verscheidene middelen aan de hand deed om partij te trekken +van de gelegenheid van den grond: bij zijn inlichtingen een zoodanige +kennis van zaken ten toon spreidende en zoovele blijken van een juist +oordeel gevende, dat allen hem verbaasd aanstaarden, en elkander +vroegen, wie toch de man ware, die er meer van af wist dan een van hen. + +Na deze wandeling bracht Arkel hen in de zaal, waar hij hun Reinout +voorstelde als een Duitsch Ridder, die van het steekspel te Haarlem +gekomen was, en thans naar Utrecht reisde om het Sticht in gevalle +van oorlog te dienen tegen den Graaf van Holland. Met een beker wijns +werd het onderhoud besloten, en eenige oogenblikken later zaten Arkel +en Reinout te paard en reden zij de slotbrug over, gevolgd door de +twee dienaars van eerstgenoemde, mede te paard, en de draagstoel, +waarin Madzy zich bevond, en welke door een boerenknaap gemend +werd. IJselstein en de getrouwe Peter deden hun uitgeleide tot over de +brug. Gereed om den tocht aan te vangen, scheen Arkel zich nog iets +te herinneren: hij wendde zijn paard om, en, Peter op zijde komende, +fluisterde hij hem zachtjes in 't oor: + +"Wat de twee gevangenen in den kelder van het slot betreft, gij +zorgt, dat zij onder geen voorwendsel hoegenaamd iemand te zien of +te spreken krijgen." + +"Ware het dan niet beter," zeide Peter, "dat men hen liet +uithongeren? Het zijn twee onnutte monden meer op het slot." + +"Wacht er u wel voor: hun bloed zou van u teruggeëischt worden. Niet +dan in de hoogste noodzakelijkheid moeten zij opgeofferd worden." + +En zonder in verdere opheldering te treden, haastte hij zich weder +naar zijn gezelschap. + +"Ziedaar een juweel van een dienaar," zeide hij, terwijl zij +nu gezamenlijk den weg op naar Utrecht reden, tegen Reinout: "of +liever een persoonsverbeelding der dienstbaarheid. Er is geen hond, +hoe getrouw ook, die zoo volkomen en zonder aarzelen de bevelen zijns +meesters volbrengen zal. Zoo ik hem gelastte, onzen Heiligen Vader van +zijn zetel te gaan halen en mij dien, aan handen en voeten gebonden, +hier te brengen, hij zou het doen ook." + +"Is het verknochtheid aan uw huis, of aan uw persoon, welke hem aldus +doet handelen?" vroeg Reinout. + +"Het is mij onbewust. Vraag aan het hondje, dat in huis geboren is, +waarom het één der huisgenooten bij voorkeur op zijn wandelingen +vergezelt, het dier zal er u evenveel reden van geven als mijn oude +Peter. De man was een dienaar mijns vaders; maar van mijn geboorte af +was hij bij mij. Mijn vader had hem gezegd: 'gij Peter! zult Jonker +Jan bedienen,' en hij heeft den hem opgedragen last volbracht. Toen +ik naar Frankrijk vertrok, zeide ik tot hem: 'Peter! gij zult het +slot Nyenstein gaan bewonen en er niemand op laten, en zorgen dat ik +het bij mijn terugkomst vinde zooals ik het gelaten heb:'--en Peter +vertrok naar het slot, en toen ik voor een paar dagen terugkwam, +vond ik op de trap een handschoen, dien ik er, bij mijn vertrek, +vier jaren geleden, had laten vallen." + +Reinout glimlachte even over dit voorbeeld van nauwkeurigheid: +maar weldra hernam zijn gelaat een ernstige plooi en reed hij weder +zwijgend en treurig voor zich heen. + +"Ik had verwacht," zeide de Bisschop, "dat gij uw zwarten hengst met +meer genoegen zoudt hebben teruggevonden na een scheiding van zes +dagen; maar waarlijk, gij slaat niet meer acht op hem, als ware hij +de ezel van Barbanera's hansworst." + +Reinout zuchtte diep; want inderdaad, zijn hart werd door de +pijnlijkste aandoeningen gefolterd. Hij had gedurig de beeltenis +voor zich van zijn wapenbroeder, van den vriend zijner jeugd, van +dien Deodaat, met wien hij altijd zoo innig verknocht was geweest +en wiens moordenaar hij geworden was. Hij herdacht die gelukkige en +kommerlooze dagen, toen zij, eens van zin en ziel, geene gedachten +voor elkander verborgen, leed en lief te zamen deelden en altijd +gereed waren elke opoffering voor elkander te doen: toen zij, in spijt +hunner twijfelachtige geboorte, aan 's Graven hof geëerd en gezien +waren, de fortuin hun toelachte en de roem hun laurieren bood;--en +thans! welk een onderscheid!--als een moordenaar zwierf hij rond, +half overgeleverd aan de genade van een onbekende, wiens inzichten hij +niet doorgrondde, vervallen uit den eerestaat, waarin hij geplaatst +was en beladen met den vloek van velen. En met dit al, zoo hevig is +de macht van een dwazen hartstocht, hij zou zelfs nu nog zijn liefde +niet hebben willen opofferen om zijn vriend in 't leven terug te +roepen:--hij zou zijn tegenwoordig ongeluk niet tegen zijn vroeger +geluk hebben willen ruilen: en hetgeen hem meest folterde was niet +zoozeer berouw over zijn euveldaad, als spijt over het nuttelooze van +zijn feit: het was woede over de kloof, die hij zelf tusschen Madzy en +hem gedolven had: het was bruisend verlangen om haar terug te zien: +het was heete liefdekoorts, zonder tusschenpoozen, zonder nadenken, +zonder hoop. O! had hij geweten, dat het voorwerp dier brandende +drift slechts weinige schreden achter hem, en éénen weg met hem +uitreed; niets in de wereld had hem teruggehouden om haar uit haar +draagstoel te lichten en haar met zich te voeren in spijt van alle +hinderpalen:--en zij, de arme duif, had zij slechts kunnen vermoeden, +dat de Ridder, wiens gedaante zij nu en dan door de reten der lederen +gordijnen onderscheidde, de gehate Reinout ware, zij had zich liever +in den Vechtstroom geworpen, dan een stap verder te gaan. + +"Ik beken," zeide eindelijk Reinout tot zijn reisgezel, "dat +mijn omstandigheden niet van een vroolijken aard zijn; en dat de +onzekerheid, waarin ik nopens de toekomst verkeer, niet wel in staat +is mij op te beuren.... dan, gij hadt mij beloofd, mij opheldering +te geven omtrent uw gedrag jegens mij." + +"En belofte maakt schuld, nietwaar?--Welnu! ik beken u openhartig, +dezen morgen mistrouwde ik u en daarom hield ik u in bewaring: maar +een onderhoud met Barbanera loste mijn zwarigheden op. Ik schroom +niet, u mijn vertrouwen te schenken. Gij kent mij reeds als den man, +aan wiens zaak gij uw arm en uw ervarenis kwaamt aanbieden; maar, +wat u misschien vreemd zal voorkomen, in plaats van u mijn bescherming +te schenken, moet ik om de uwe vragen." + +"De mijne!" herhaalde Reinout verbaasd: "welke bescherming kunt gij +van een ongelukkigen zwerver verwachten?" + +"Ik zal u zulks verklaren. Staatkundige redenen, wier gewicht u later +blijken zal, verbieden mij, vooralsnog mijn rang en naam openbaar +te maken. Ik reken op uwe stilzwijgendheid, en zoo ik u geen eeden +afverg, is het, omdat ik u tot geen verraad in staat acht. Indien +ik mij alleen in Utrecht vertoonde, zou ik vermoedens wekken en het +zou mij spoedig onmogelijk vallen zoo onbekend te blijven als ik +verlang. Daarom wil ik er slechts als uw schildknaap verschijnen, +in wien niemand den kerkvoogd vermoeden zal. Mijn broeder Robbert +heeft een woning besteld voor den Ridder van den Rooden Adelaar: +die zult gij betrekken: gij zult er meester in zijn; ik zal onder +uwe vleugelen schuilen." + +"En onder wiens vleugelen," vroeg Reinout, "zal onze reisgenoot +schuilen, die zich in gindschen draagstoel bevindt?" + +"Wat die betreft, zij (want het is eene zij) zal een paar vertrekken +in onze woning bekomen, waar ik begeer, dat niemand, wie hij zijn +moge, haar kome storen. Wat meer is, ik verlang, dat niemand pogingen +aanwende om haar te zien, veelmin met haar te spreken." + +"Ik versta u: en ik weet, dat het niet geoorloofd is, aan geestelijk +eigendom te raken." + +"De Graaf van Holland is minder nauwgezet," zeide Arkel: "hij zou den +geheelen Dom in zijn tasch steken zonder er een oogenblik berouw over +te gevoelen;--maar, nu ik u mijn voornemen heb medegedeeld, verwacht +ik wederkeerig uw vertrouwen. Ik weet, dat Barbanera u niet slechts +mijn geheimen heeft medegedeeld; hij heeft u ook openbaringen omtrent +u zelven gedaan." + +"Gij weet ook dit!...." + +"Ik weet, dat gij, nog liever dan mij te vergezellen, naar Friesland +zoudt reizen, indien gij aldaar met zekerheid aan den Heer van Aylva +bewijzen kondet, dat gij zijn zoon zijt." + +"Inderdaad!" zeide Reinout: "doch hij heeft mij een nader bewijs +beloofd, zoodra...." + +"Zoodra gij in staat zoudt wezen, dit met goud te betalen, daarvoor +ken ik hem genoeg. Ik weet, dat onze kwakzalver zijn waren zoomin +als zijn valsche geheimen anders dan tegen klinkende munt verkoopt." + +"Ik heb," liet Reinout zich ontvallen, "hem bewogen, met mij naar +Friesland te gaan, zoodra...." + +"Zoodra gij mij goedschiks kunt verlaten, nietwaar?.... Zoo! ja! dus +is uw reis naar Utrecht slechts een voorwendsel om verder te komen: +en zal ik mij eerstdaags een schildknaap zonder meester bevinden?--Het +zij zoo! Alleen zult gij nog eenige dagen op uw vriend den kokeler +moeten wachten; want ik heb hem tot een geheime zending uitgezonden." + +Reinout zweeg en beet op de lippen, terwijl Arkel achter zijn +helmvizier lachte. Wellicht zal men zich verwonderen, dat de Bisschop, +die zooveel belang stelde op het bondgenootschap der Friezen, +niet dadelijk aan Reinout de bewijsstukken, welke hij bij zich had, +terhandstelde en hem naar Friesland afvaardigde; maar, behalve dat +hij den Ridder noodig had om zijn komst te Utrecht bedekt te houden, +was hij nog niet overtuigd, of deze zijner wel indachtig zijn zoude, +wanneer hij in Friesland kwam, en wilde hij den Italiaan wat nader +doorgronden, eer hij hem een zoo belangrijke zending opdroeg.--Met +deze bedoeling ging hij aldus voort: + +"Er is, geloof ik, nog een andere reden, waarom een reis naar Friesland +u hoogst aangenaam zijn zou. Men verhaalt, dat, zoo Deodaat viel door +den dolk van zijn boezemvriend, zulks alleen geschiedde, omdat hij +wat dieper in de gunst van zekere Madzy Dekama gedrongen was dan den +anderen aangenaam was." + +"Dewijl gij alles weet," zeide Reinout, "waartoe dan deze nuttelooze +vragen? Ja! ik heb mijn vriend gestraft, omdat hij mij trouweloos +behandeld, ja, laaghartig verraden had." + +"De wijze, waarop gij u gewroken hebt," zeide de Bisschop, "getuigt, +dat het bloed uwer Italiaansche moeder feller door uw aderen stroomt, +dan dat van uw Frieschen vader; maar gij hebt het dom aangelegd: ik +begrijp, dat men iemand uit den weg ruimt, die ons hinderlijk is; +maar dat men zulks uit loutere wraakzucht doet en zonder er eenig +nut uit te trekken, dat kan ik .... gij zult mijn vrijpostigheid +verschoonen .... niet anders dan aan een aanval van zinneloosheid +toeschrijven.--Wat hebt gij met dien moord gewonnen? Aylva zelf zal +er u om haten." + +Reinout zweeg en zag zuchtend voor zich neder; hij gevoelde de +juistheid van Arkels gezegde: ofschoon zijn hart gruwde van een +stelsel, waarbij een moord in koelen bloede meer verschoonbaar gerekend +werd dan een moord in drift gepleegd. + +"Maar één ding moet gij mij nog verhalen," zeide Arkel: "hoe zijt +gij toch uwe gevangenis ontkomen?" + +"Seerp Van Adeelen, wien ik als mijn medeminnaar haatte, toonde zich +mijn vriend. Hij verschafte mij een dolk. Toen ik nu in den toren van +het jachthuis zat opgesloten, viel mij een middel ter ontkoming in, +waar ik vroeger weleens van had hooren gewagen; doch hetgeen ik altijd +als onmogelijk beschouwde. Het bestaat hierin: men houdt het gevest +van den dolk met beide handen stijf vast, plaatst de punt tegen den +buitenmuur en zet zich op het lemmer te paard: dan daalt men af: de +scherpe punt glijdt den muur langs naar beneden: terwijl de kracht, +waarmede men den dolk tegen de steenen aandrukt en de zwaarte van het +lichaam zelf beletten dat hij uitschiet.--Het raam was onvoorzien: +ik beproefde het: en het gelukte mij boven verwachting." + +"Ziedaar een kunstgreep, behendiger dan die van meester Barbanera." + +"Van hem gesproken, hoe komt die gelukzoeker aan uwe kennis en aan +uw vertrouwen?" + +"Oho!" zeide Arkel: "mijn nieuwe meester begint zijn gezag al uit te +oefenen; maar ik zie geene redenen om niet aan uwe nieuwsgierigheid +te voldoen. De oude gauwdief is te Grenoble, waar hij baardscheerder +was, in mijn dienst getreden. Ik gaf hem, ruim vier maanden geleden, +zijn afscheid, omdat ik bemerkte, dat hij mijn belangen minder +goed behartigde dan de zijne. Toen ik een paar maanden later, +begreep, dat mijne tegenwoordigheid alhier noodzakelijk was, +verliet ik Grenoble onder voorwendsel eener reis naar Italië en +nam mijn weg over Zwitserland en Duitschland. Te Keulen gekomen, +hoorde ik van een steekspel spreken, dat te Haarlem gehouden stond +te worden. Terstond was mijn besluit genomen: dit, dacht mij, was een +heerlijke gelegenheid om onbekend in deze gewesten te verschijnen. Ik +schafte mij de wapenrusting aan, die gij thans draagt, dankte mijn +dienaars af, nam in mijnen dienst de beide knapen, die ons vergezellen +en mij niet kennen, en trok door. Te Nijmegen gekomen, vond ik de +stad opgepropt met reizigers: ik moest mijn intrek in een slechte +herberg nemen: daar vond ik Barbanera, die mij terstond herkende. Ik +begreep zijn stilzwijgen te moeten koopen, en tevens oordeelde ik, +dat hij, wiens schranderheid ik kende, mij van dienst zoude kunnen +zijn. Den hansworst had hij in Duitschland opgedaan: van dezen was +geen ontdekking te vreezen, maar ik vond in hem een geschikten en +ijverigen bode. Te Leiden werd mijn paard ziek: ik liet het daar met +mijn wapenen en dienaars, en hield mij bij Haarlem verborgen: den +dag voor het steekspel kocht ik de paarden, die wij thans berijden, +van iemand, die zich voor een paardenkooper uit Asperen uitgaf...." + +"Van een onbeschaamden dief," zeide Reinout: "die meer van uwe +zaken schijnt te weten, dan wel dienstig is. Althans hij verhaalde +gisteravond, dat gij hem voor den dienst des Bisschops geworven hadt." + +"Gekheid! hij weet niets!--Ik had spoedig in den neus, dat hij met zijn +persoon machtig verlegen was: ik zond hem daarom naar mijn broeder +met een brief in cijferschrift, waarin ik meldde: dat ik te Plaswijk +antwoord wachtte. Dit bracht mij de knaap gistermiddag. Ondertusschen +had hij bij de Stichtschen dienst genomen." + +"En .... die draagbaar," zeide Reinout: "heeft die u op uwe reizen +bestendig gevolgd?" + +"Neen!" antwoordde Arkel droogjes weg; "die is mij somtijds +voorgegaan;--maar ik had verzocht, dat daarover niet gesproken zou +worden. Gij weet nu al wat gij verlangt te weten. Wij zouden onzen +tred wat kunnen verhaasten." + +Onder het uiten dezer woorden, gaf hij zijn paard de sporen: en de +trein reed op een vluggen draf naar Utrecht voort. + + + + + +VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + O simpele vogels! de listige knippen + Bedriegen u schendig door 't veinzende voer. + 't Zoet fluitje speelt vrede: 't loos net dekt den vloer + Der weiden, waarop gy uw welstand laat glippen. + + Poot. + + +Wij moeten bij den aanvang van dit Hoofdstuk ons bedienen van een +voorrecht, hetwelk aan samenstellers of uitgevers van dergelijke +verhalen als het onze nooit is betwist geworden, en onze geschiedenis, +die tot nu toe den tragen slakkengang is gegaan, een tijdperk van +zes weken vooruit laten springen. Uit de nieuwe tooneelen, welke +onzen lezers zullen worden voorgesteld, zal hun genoegzaam blijken, +wat er in den tusschentijd is voorgevallen met die personages, waarin +zij belang stellen. + +Wij verplaatsen hen dan met ons in een kleine, maar naar den aard +des tijds met smaak behangen en gemeubileerde kamer, in een huis te +Utrecht, het uitzicht hebbende over een onbezocht en somber kerkhof, +en tegen de hooge wallen van het daaraan grenzend klooster. In +dit vertrek was Madzy Dekama aan een welgewreven eikenhouten tafel +gezeten, en hield zich met eenig vrouwelijk handwerk bezig. Zij droeg +thans noch de Friesche kleeding, welke haar vroeger zoo wel stond, +noch het boerinnenpak, waarin zij van Haarlem gevlucht was; maar een +eenvoudig morgengewaad, dat het midden hield tusschen de dracht des +adels en die van de gegoede burgerklasse. Treurige denkbeelden waren +op haar voorhoofd te lezen en in haar nedergeslagen oogen, wier glans +door ziels- en lichaamssmarten eenigszins verdoofd schenen: meer dan +eens bleef hare hand werkeloos op het borduurraam rusten, ontviel de +naald aan haar blanke en vermagerde vingeren en zakte haar hoofd als in +somber gepeins op den boezem neder. Op eenigen afstand van haar was een +burgervrouw van middelbare jaren aan 't spinnewiel gezeten. Zij scheen +minder stof tot gewichtige overdenkingen te hebben, althans haar tong +klapte onophoudelijk voort en hield gelijken gang met de snorrende +draden, die zich door hare handen bewogen. Wat het uiterlijke der +vrouw betrof, welke aan Madzy tot gezelschap en oppassing gegeven was, +zoo was haar gestalte verre beneden de middelmatige; maar dit gebrek +in hoogte werd vergoed door den omvang der ledematen, vooral van het +hoofd, dat evengoed op de schouders van een Goliath had kunnen prijken, +te meer, dewijl het met alleszins ruwe mannelijke trekken voorzien was, +onregelmatig en grimmig van uitdrukking, en de kin en bovenlip zelfs +met talrijke geelgrijze haren versierd waren. Het was niet zonder +moeite, dat het den opmerkzamen beschouwer gelukte, in dat groote +hoofd de oogen te vinden, welke schier geheel verborgen waren tusschen +de zwaar vooruitstekende wenkbrauwen en het gerimpelde perkament, +dat zij voor wangen liet doorgaan. Een nieuwsgierig onderzoeker +had echter, schoon niet dan bij zeer hellen dag, de kleur van het +rechteroog kunnen bepalen, zijnde vaalgrijs, en de uitdrukking, zijnde +nagenoeg die eener loerende kat;--want wat het linkeroog betrof, dit +was sedert jaren gesloten en kon dus al de nasporingen tarten. Van +onder den ingedrongen neus en de dikke loodkleurige bovenlip, staken +twee monsterachtige tanden haar ongelijkvormige punten tusschen de +dikke lippen uit: in één woord, er ontbrak slechts een snuit, en het +geheele hoofd had zeer goed voor den kop eens olifants kunnen doorgaan. + +Alleen het aanhoudend gezelschap van dit vrouwelijk wanschepsel +ware reeds genoegzaam geweest om bij Madzy, ook indien zij voor +'t overige geene redenen tot droefgeestigheid had gehad, onlust en +droefgeestigheid te verwekken, te meer, daar de onderwerpen van haar +gesprek zelden van de uitgezochtste waren, en haar luim doorgaans +alles behalve aangenaam was; intusschen moeten wij dit zeggen tot eer +van Juffer Mechtelt (zooals zij zich noemen liet), dat zij, ook dan +wanneer zij het meest ontevreden en tot brommen en knorren geneigd +was, nimmer anders dan de zoetste en vriendelijkste woorden bezigde, +welke vaak door hun liefelijkheid in een omgekeerde reden stonden +tot den inhoud van haar gezegde. Tot een staaltje van haar onderhoud +diene het navolgende gesprek, dat zij met Madzy bezig was te voeren. + +"Lief kind!" zeide zij: "hoe gaat het al? hoe ziet ge zoo treurig? vlot +het werk niet, of hebt ge muizenissen in 't hoofd?" + +"Mij dunkt," zeide Madzy, "ik heb weinig reden tot +opbeuring. Verwijderd van de mijnen, opgesloten in een vreemd huis, +waar ik met niemand een woord kan wisselen over hetgeen mij naast aan +'t harte ligt...." + +"Met niemand? En wie ben ik dan, hartje? Is Juffer Mechtelt geen vrouw +van genoegzame ondervinding om vertrouwen te ontvangen en raad te +geven? Ho! ho! schatje! ik heb zoo menige jongedochter met mijn beetje +ervaring bijgestaan: en zij hebben zich er altijd wel bij bevonden, dat +hebben zij. Daar was Betje van de Molenwerf, een onnoozel mulderskind, +dat een paar bruine kijkers in het hoofd had en verder geen rijkdom; +maar het schaap liet zich leiden en was zoo handelbaar als een stuk +was, dat was zij. En is zij door mijn toedoen niet de vrouw geworden +van den dikken Bartel Bartelsz, den overman van het slachtersgild? en +wandelt zij niet op elken feestdag zoo dapper met een gelemmerd kleed +en een huif van Amsterdamsch zwart als de dochter van een banjer +heer?--En daar is Emmeke, de dochter van Teunis met de Kodde, die +haar ouders allebei dood waren, dat waren ze; en heb ik haar niet in +kennis gebracht met de rijksten van Utrecht? en windt ze nu niet den +ouden Proost van Sint-Salvator om haar duim als een kluw garen? en +drinkt ze niet uit een zilveren kroes, wat ze lust? dat doet ze. En +wie anders als ik is oorzaak dat Adriaan van Montfoort zoo verslingerd +werd op het blonde Femmeke, schoon het maar een arm schepseltje was, +dat met radijs en biet op de markt zat, dat hij al zijn geld en goed +aan haar verdaan heeft, en zijn vader hem heeft moeten opsluiten, +dat heeft hij, wilde hij hem niet kaal geplukt zien als een vink?" + +Het scheen, dat de bewijzen, waarmede Mechtelt aan onze heldin zulk +een hooge gedachte van haar bekwaamheid als raadgeefster meende in te +boezemen, op deze laatste geenszins de gehoopte uitwerking maakten; +althans de _Jonkvrouw_ zag haar met een blik van verontwaardiging +aan en loosde vervolgens een diepen zucht. + +"Waarlijk poesje!" vervolgde Mechtelt: "gij bezondigt u, met zoo te +kijken als een kip op een streep, dat doet gij. Zijt gij niet door +onzen waardigen meester van den dood gered? En heeft hij u niet, +toen gij hier aankwaamt met de koorts op 't lijf, doen genezen en +verzorgen of ge zijn lijfelijke en vleeschelijke zuster waart? en +mij tot uwe oppassing laten komen, wetende, dat niemand beter dan +ik de kunst versta, met zieke meisjes om te gaan? Laat hij het u +wel aan iets ontbreken? En is hij niet bereid, u al te geven wat +gij verlangt? beproef het eens: vraag hem wat gij wilt, en gij zult +zien dat het u geworden zal, dat zal het! En dat hij zoo mild is +als de Graaf van Gelder, die, om zijn duifje genoegen te geven, +toen zij om een nieuwen kaper vroeg, heel naar Compiegne zond, +omdat daar de beste kappen gemaakt worden. En hebt ge geen lakens +van Bourgondisch linnen? En eet ge niet alle dagen goed rundvleesch +en volop wittebrood? ofschoon er velen hier in de stad zijn, die zich +alleen met groentestelen en erwteschillen moeten tevreden houden, dat +moeten zij! en blij zouden wezen, indien zij een stuk hondevleesch +vonden, nu alles zoo peperduur is met dat satansche beleg, dat men +een goudstuk voor een gestopten beuling geeft, dat doet men!" + +"Dat moet niet zijn," zeide Madzy, bewogen door de schilderij, welke +Mechtelt van den toestand maakte, waarin de burgerij van Utrecht +verkeerde, en welke inderdaad niet vergroot was: "dat mag zoo niet +blijven. Ik wil geen overvloed, wanneer om ons heen ellende en honger +worden geleden. Mijn disch moet voortaan eenvoudig en zelfs schraal +zijn. Ik zal hierover met onzen gastheer spreken." + +"Wat een dwaasheid, engeltje!" riep Mechtelt, vervaard en verontrust +door het gezegde van Madzy, en in haar verbeelding reeds al de +lekkernijen, welke zij met haar deelde, ziende verdwijnen en plaats +maken voor den soberen pot der arme burgerij: "ik hoop, dat gij wijzer +zult zijn: denk toch, dat gij pas ziek geweest zijt en gezond voedsel +noodig hebt, dat hebje! Pas begint er weer een blos op de koontjes +te komen en gij zoudt uw best doen om hun die aschmanskleur terug te +bezorgen, die zij hadden toen ik u 't eerst zag." + +"En gij zoudt verlangen," zeide Madzy, "dat die blos op mijn wangen +gekocht werd door de bleekheid op die van anderen? O God! ik zal +geen stuk meer kunnen eten, nu ik verneem, dat elk stuk van achten, +hetwelk voor mijne tafel wordt uitgegeven, het onderhoud van een +lijdend huisgezin had kunnen verzekeren." + +"Nu! ik mag het lijden," zeide Mechtelt: "maar gij krijgt het van +onzen Heer niet gedaan, boutje! hij is een mild en edel meester, +dat is hij! die niet wil, dat iemand in zijn huis gebrek lijde." + +"Hij is edelmoedig, al te edelmoedig zelfs," zeide Madzy; "maar ik +wil hem niet langer tot last verstrekken. Het is tijd, dat ik dit +huis verlate. Nog heden wil ik hem mijn besluit mededeelen." + +"Dit huis verlaten!" herhaalde Mechtelt, die bleek ware geworden +indien de grauwe tint van haar gelaat voor eenige verandering ware +vatbaar geweest: "heden mijn tijd, engeltje! hoe komt gij aan die dwaze +gedachte? En waar zou een schoon kind als gij tegenwoordig heen? Wij +zitten hier in Utrecht zoo nauw opgesloten als een pruimepit binnen +de vrucht, dat doen wij! en waarachtig! al de meisjes hier in de +stad zouden een waskaars aan de Heilige Maagd branden, indien zij +zoo gelukkig waren als gij, dat zouden zij! en zij zouden er duim +en vinger voor likken, om onder bescherming van een zoo mild Heer +te komen; en gij zoudt hem verlaten en u noodeloos blootstellen? hij +zou het nooit dulden." + +"Hoe!" zeide Madzy, verwonderd en verontrust: "Nooit dulden! wat meenen +deze woorden? Ik veronderstel toch, dat ik mijn eigene meesteresse +ben en hier niet langer zal behoeven te blijven dan mij goeddunkt." + +De lippen van Mechtelt vertrokken zich bij dit gezegde tot iets, +dat een glimlach beteekenen moest: "och mijn hartje!" zeide zij: +"gij kunt er niets van meenen. Daar was Klaartje van den Abeele: +die was door den Jonker van Gaesbeek van de Tielermarkt afgetroond, +en mede naar zijn slot gevoerd: die sprak al zoo bout als gij, +dat sprak zij; en wel mocht zij het doen; want zij had een aardig +penningske aan geld en een schoone erfenis van haar moei te wachten +en was bovendien van goeden huize, zijnde een nicht van den Heer van +Mynden, ofschoon een beetje van de linkerhand, dat 's waar;--maar +er was geen week verloopen, of zij schikte zich in haar toestand: en +vroolijk heeft zij met den Jonker huisgehouden, en hem zes kinderen +als wolken geschonken, dat heeft zij: en de oudste er van neemt nu +het huishouden waar van den Pastoor te Jutfaas, dien vromen man, +die haar met de pen opvoedt, dat doet hij." + +"Vrouw!" riep Madzy uit, terwijl zij met ontsteltenis oprees (want het +onvoorzichtig gesnap der vuige koppelaarster had bij haar vermoedens +gesterkt, welke, ja, nu en dan bij haar waren opgerezen, maar die haar +onschuldig en argeloos hart haar altijd verborgen had): "Vrouw! wat +bedoelt gij met dat alles? wat heeft men met mij voor? Ik blijf geen +dag langer in dit huis. Ziedaar!" vervolgde zij, een gouden doekspeld +op de tafel leggende; want zij vreesde zich te verontreinigen, indien +zij die Mechtelt in handen gaf: "neem dit tot belooning der diensten, +die gij mij in mijne ziekte bewezen hebt: ik ga het eerste klooster +het beste zoeken en mij onder de bescherming stellen der abdis.--Van +daar zal ik mijn dank aan uw meester doen toekomen." + +Onder het uiten dezer woorden had zij zich naar de deur begeven; maar +Mechtelt was, na haar met een verbaasd oog te hebben aangestaard en +de doekspeld op haar mouw te hebben gestoken, naar de deur gewipt, +waar zij Madzy met haar kromme dikke vingers bij de kleeren greep. + +"Zacht wat! zacht wat! lief engeltje!" riep zij: "men gaat hier zoo +niet uit zonder de toestemming des meesters. Ik ben bij u gekomen als +waakster: en ik zal u bewaken, lief dotje! dat zal ik.--En schreeuw +maar niet, hartje! het zou u toch niet helpen, och heden neen!" + +In dit oogenblik werd de deur eensklaps van buiten geopend en Arkel +trad binnen. Beide de vrouwen traden op zijn verschijning onthutst +terug: Mechtelt, omdat zij vreesde, dat hij haar handelwijze haar +kwalijk mocht afnemen, en dat zij niet gaarne een plaats verliezen +zoude, waar zij goed loon en goed eten kreeg:--en Madzy, omdat zij op +een oogenblik verrast werd, waarin het den schijn had, als ware zij +handgemeen met haar bewaakster, een bezigheid, weinig overeenkomstig +met haar stand en geboorte. + +"Hoe nu!" zeide Arkel, terwijl hij verbaasd staan bleef: "de wangen +van onze lieve zieke gloeien, alsof zij van nieuw af de koorts had +gekregen! En het oog van Juffer Mechtelt flikkert als een nachtlamp +die uitgaat! Heeft hier een twist plaats gehad? Ik wil niet hopen, +Freule, dat deze vrouw zich onbetamelijk tegen u gedragen heeft. Bij +Sint-Maarten! zij had minder gewaagd met de Domkerk in brand te steken, +dan met u de minste beleediging aan te doen." + +"Wie zou zulk een lief schepseltje beleedigen?" zeide Mechtelt: +"Lieve Maagd! ik dacht dat alles voor het beste ware, dat dacht +ik. Maar dat engeltje wilde zonder afscheid heen wandelen, dat wou ze: +en daar ik betaald worde om haar te bewaken, zoo dacht ik geen kwaad +te doen met haar te wederhouden, dat dacht ik." + +"Gij dacht als een oude zottin," zeide Arkel, haar verstoord aanziende: +"is het hier een gevangenis? en is de Jonkvrouw niet vrij te gaan +waar zij heen wil?--Alleen smart het mij," voegde hij er bij, terwijl +hij Madzy met een minzamen, eenigszins weemoedigen blik aanzag, +"dat gij zoudt hebben kunnen besluiten te vertrekken, zonder mij +vergund te hebben, afscheid van u te nemen." + +Madzy bloosde en zag voor zich; want, hoewel zij geen berouw gevoelde +over haar poging om het huis te verlaten, zoo zag zij zelve in, dat +deze handelwijs den schijn had van ondankbaarheid tegen haar gastheer: +en zij was vrouw genoeg om gegriefd te worden door het verwijt, dat +in zijne woorden lag opgesloten. Zij weigerde dan ook de hand niet, +haar aangeboden door Arkel, die, radende wat in haar ziel omging, zich +innerlijk gelukwenschte met eene omstandigheid, die haar eenigszins +jegens hem in 't ongelijk stelde: en zij liet zich zwijgend door hem +terugleiden naar de zitplaats, welke zij verlaten had. + +"Vertrek!" zeide Arkel tegen de oude vrouw: "en beef, indien ik ooit +weder bemerk dat gij uw plicht te buiten gaat, of de achting uit het +oog verliest, die gij aan deze Jonkvrouw verschuldigd zijt." + +Madzy zag verlegen op en was zelfs op het punt om de waakster terug +te roepen; want sedert haar komst te Utrecht had zij haar gastheer +nooit anders als in tegenwoordigheid van Mechtelt ontvangen: en hoe +verachtelijk dit schepsel ook ware, haar bijzijn gaf echter eenigen +meerderen schijn van welvoeglijkheid aan zijn bezoeken: maar de +afschuw, welke de taal, zooeven uit haar mond vernomen, in de reine +ziel der Jonkvrouw verwekt had, was oorzaak, dat deze haar voornemen +varen liet en zelfs zich verlicht voelde in haar afwezigheid. + +Arkel had intusschen een zetel genomen en zich over Madzy aan de tafel +gezet. Er verliepen eenige oogenblikken eer hij begon te spreken. Er +was een kommervolle gedachte op zijn gelaat te lezen: en zijn anders +zoo levendige oogen stonden strak op den grond gevestigd. Zijn somber +wezen en afgetrokken houding leverden een zonderlinge tegenstrijdigheid +op met zijn gewaad, hetwelk zwierig en smaakvol was, en wel geschikt, +om zijn natuurlijke begaafdheden te doen uitkomen. Sierlijk golfden +zijn lokken van onder uit de muts van Gentsen scharlaken, die +met bevallige plooien over de eene zijde afhing. Een overrok van +dezelfde rijke stoffage, met loshangende mouwen, en door een gordel +om 't lijf gesloten, liet een wit zijden buis zien, met zilverdraad +doorweven: terwijl de blanke hozen in roode laarsjes staken, wier +punt en opslagen met zilveren kwastjes waren voorzien. In 't kort, +hij geleek meer op een hoveling, die bij een schoone zijn hof komt +maken, dan op den geheimen inwoner eener belegerde stad. + +"Het is dan waar," zeide hij eindelijk met een diepen zucht, "gij +hadt het besluit gevormd, iemand, die u tot nog toe slechts blijken +van eerbied en welmeenendheid gegeven heeft, zonder afscheid, zonder +waarschuwing, te verlaten?" + +"Ridder!" zeide zij, hem met een vrijen, openen blik in 't aangezicht +ziende: "het wordt eindelijk tijd, ronduit te spreken. Ik ben +slechts een jong, onervaren meisje, door een droevigen samenloop +van omstandigheden onder vreemden gebracht: en ik ben niet in de +zeden, gewoonten en spreekwijzen van dit land bedreven: maar ik +spreek slecht en recht, gelijk het mijn landaard eigen is: ik zal +dan ook geen schoone woorden zoeken; maar mij uitdrukken zooals ik +het meen.--Wel dan:--ik heb in uwe woning gastvrijheid genoten, en ik +ben er u dankbaar voor. Maar ik ken u niet: ik weet niets van uw rang +en stand: ik weet niet, of gij gehuwd of ongehuwd zijt:--dit alleen +is zeker, dat het mij niet betaamt, langer onder uw dak te blijven: +en gij zelf zult beter gevoelen dan ik het voegzaam uit kan drukken, +dat ik, verwijderd van de mijnen, een andere bescherming behoef dan +die, welke gij mij verleenen kunt." + +"Ik heb vermeend," zeide Arkel, "de welvoeglijkheid in acht te nemen, +door u het gezelschap eener bejaarde vrouw te verschaffen. Het smart +mij, dat zij die taak onwaardig schijnt te zijn en dat ik mij in de +keuze bedrogen heb." + +"Hebt gij u waarlijk in de keuze bedrogen?" vroeg Madzy, hem scherp +aanziende: "dan zijt gij wel ongelukkig geweest; want uit den inhoud +van hare woorden, die ik mij schamen zou te herhalen, had ik bijna +opgemaakt, dat zij niet zonder oogmerk bij mij was geplaatst....; +maar wij zullen dat daarlaten. Toen gij mij voorsteldet uw slot onder +uw geleide te verlaten, deed ik zulks alleen, omdat ik op uw belofte +rekende van mij weer bij de mijnen te voeren. Dit heeft geene plaats +gehad. In hoeverre het niet nakomen van uw woord alleen belet zij +geworden door mijn ziekte en het daarop gevolgd beleg, zullen wij +liefst niet onderzoeken. Maar thans ben ik hersteld en ik verlang een +voegzamer verblijf. Reeds gedurende mijn ziekte heb ik meermalen den +wensch geuit, om naar een klooster vervoerd te worden:--het is mij +steeds geweigerd uithoofde van zwakte.... het zij zoo!--die reden +bestaat thans niet meer." + +"En de gedachte is niet eenmaal bij u opgerezen, dat gij, door dit huis +te verlaten, den ongelukkigen bewoner daarvan alles zoudt ontrooven, +wat hem het leven draaglijk maakt?" + +"Hoe!" riep Madzy uit, verschrikt van haar vrees zoo spoedig +verwezenlijkt te zien. + +"Ja, bekoorlijke Madzy!" zeide Arkel, zich voor haar nederwerpende: "ik +zeg niet te veel: met u verlies ik al mijn geluk op aarde. Hoe! heeft +al mijn zorg voor uw welzijn, al mijn streven om uw toestand te +veraangenamen, om uwe wenschen te bevredigen, hebben mijn zuchten, de +tranen, mij soms in uw bijzijn ontvallen, nog niet genoeg gesproken? en +moet mijn mond er nog de betuiging bijvoegen, dat ik u onuitsprekelijk +bemin? Zie dezen arm," vervolgde hij, zijn linkermouw opstroopende en +het verband toonende, dat om den arm geslagen was: "heden werd hij in +den strijd gekwetst: en ik zegende den pijl, die mij wondde: want mij +verheugde de gedachte: Madzy zal weten, dat ik haar vijanden bestreden +heb. Neen Madzy! neen, gij zult niet onbarmhartig en onverbiddelijk +wezen: gij zult mij niet verlaten, mij, die u zoo teeder liefheb, +om u te gaan blootstellen aan de onzekere kansen van een zwervend +leven. O! wend uw gelaat niet af! zie niet toornig! laat ik in uw +oogen een enkelen blik van deernis lezen voor zooveel liefde." + +Neen! het was geen blik van deernis; het was een blik van diepe +verontwaardiging, welken Madzy vestigde op den man, dien zij aan hare +voeten zag. + +"Gij hebt schandelijk en onridderlijk met mij gehandeld," zeide zij: +"gij hebt mij met valsche beloften misleid om mij in uwe macht te +houden: en ik ben dwaas genoeg geweest om geloof aan uwe betuigingen +te hechten. Laat mij van hier gaan: gij hebt geen recht om mij mijns +ondanks terug te houden." + +"En wat is dan mijn misdaad geweest?" vroeg Arkel: "is het mij te +wijten, zoo de omstandigheden hebben te zamen gewerkt om uw verblijf +in dit huis te verlengen? Ik beken, ja, dat ik dit gunstig toeval +gezegend heb, dat ik, toen elke blik, dien ik op u sloeg, elk woord, +dat ik uit uwen mond hoorde, mij eene nieuwe voortreffelijkheid +in u ontdekken deed, den hemel gesmeekt heb, om het tijdstip nog +verre te verlengen, waarin gij van scheiden zoudt gewagen, ja, zoo +'t zijn kon, het voor eeuwig te verschuiven.--Is dat een misdaad, u +te beminnen? ja! dan ben ik de grootste misdadiger onder den hemel; +want mijn liefde voor u is sterker, dan ik die uit kan drukken. En +waarom zoude u die liefde vertoornen? Ben ik dan zoo onwaardig, u te +verdienen? Gij zelve, gij hebt u kunnen overtuigen, dat ik als Ridder +de wapens weet te voeren: om u alleen heb ik gestreden tegen dien +trotschen Graaf, die u vervolgde! en zoovele wakkere oorlogslieden, +voor deze muren gevallen, kunnen tot getuige strekken of uwe zaak +mij ter harte is gegaan. Wat mijn adel betreft: er is geen huis, ook +dat des Graven niet, dat zich op een hoogere en schoonere afkomst +beroemen kan: o! versmaad mij niet: niemand is meer in staat dan +ik, u een gewenscht en heerlijk lot te doen verwerven. Wat kan u +dat Friesland, waaraan gij zoo gehecht schijnt, anders beloven, +dan treurige, eentonige dagen, in verveling doorgebracht op een +koude, vochtige stins, waar uw oog niets ontwaart dan een weide, +een korenveld en een meertje: waar gij geen ander gezelschap vindt, +dan boeren, wier taal geen schepsel kan verstaan, en edellieden, +nog lomper en onverdraaglijker dan uw boeren. Maar aan mijne zijde +zullen uwe dagen vroolijk en blijde daarheen vlieten: al de vermaken, +al de weelde, die de wereld ons aanbiedt, zullen u worden toegevoerd: +geen wensch zult gij kunnen vormen, die niet terstond zal verhoord +worden. De keur van de schatten, welke de aarde ons aanbiedt, al +de genoegens, welke het leven veraangenamen, al de pracht, welke +het maagdenhart kan streelen, zal ik aan uwe voeten brengen: niets +zal mij te kostbaar, te moeilijk vallen, om uw geluk te bevorderen: +en ik zal mij heilrijk noemen, indien nu en dan slechts een enkele +blik van tevredenheid mijne pogingen beloont." + +"Ridder!" zeide Madzy: "indien ik in vrijheid ware en in 't midden +van de mijnen, en gij kwaamt dan mijn hand en mijn liefde vragen, +dan zou ik u doen hooren, hoe ik over uwe voorstellen dacht. Thans +moet ik die alleen met stilzwijgen beantwoorden. De vogelaar kan +het onnoozele vinkje in 't kooitje sluiten of den kop inknijpen; +maar hij vergt niet van het arme dier, dat het vrijwillig in zijn +kerker blijve, of het rondfladderen aan de koord boven het genot van +Gods vrije lucht verkieze." + +"Moet ik," vroeg Arkel, "uit uwe woorden zelven, niet afleiden, dat +ik als de vogelaar moet handelen en u als het eigendom beschouwen, +dat mij een gelukkig toeval in handen heeft gespeeld?" + +"Neen!" zeide Madzy, ontsteld: "zoo laag zult gij niet handelen. Zoo +er nog een sprank van eer in uw boezem overblijft, laat mij dan van +hier vertrekken." + +"En waar zoudt gij heengaan? het leger des Graven sluit onze muren in: +vruchteloos deedt gij een poging om te ontkomen. Gij zoudt in zijn +handen vallen, en Rijnsburg zag u weldra binnen zijn muren." + +"Liever mijn leven in Rijnsburg, dan een dag langer in dit huis +gebleven;--maar uw zwarigheid wegens de macht des Graven is ijdel. Ik +zal hier in Utrecht nog wel een schuilplaats vinden." + +"Beproef het eens," zeide Arkel met een boozen glimlach, "bel slechts +aan de poort van het eerste klooster het beste. O! de geestelijke +zusters zullen u met opene armen ontvangen, wanneer zij vernemen, +dat gij zes weken hebt doorgebracht in de woning van een wakker jong +Ridder, zonder ander gezelschap dan de eerzame Mechtelt Dirksdochter." + +Al het bloed van het onschuldige meisje vloeide naar haar hart +terug op het hooren van deze taal; want zij voelde er al te wel de +juistheid, de vreeselijke waarheid van: het denkbeeld, dat haar goede +naam op een zoo schandelijke wijze was blootgesteld aan verdenking, ja +wellicht onherstelbaar verloren, was voor haar geschokt zenuwgestel te +schrikkelijk om verduurd te worden. Zij zonk in haar stoel, bedekte +zich het gelaat met beide handen en smolt in tranen weg. + +"Ween niet, beminde vrouw!" zeide Arkel, wiens hart niet boosaardig +genoeg was om haar diepe droefheid onbewogen aan te zien: "ween niet: +mijne liefde voor u zal alles vergoeden. Een woord uit uwen mond: en +geene kwellingen zullen u langer het leven vergallen; maar ziet dit +wel in: gij zelve zijt voortaan alleen meesteres van uw lot. Verlaat +deze woning, en gij zult door laster uw goeden naam zien bezwalken: +gij zult tot een voorwerp van spot en minachting verstrekken aan de +zoodanigen, die niet waardig zijn uwe schoenriemen los te binden;--doch +blijf bij mij, en macht en aanzien zullen uw deel zijn en gij zult +onder uw voeten vertreden al wie de stoutheid heeft om u slechts een +norsch gelaat te toonen." + +"Neen!" snikte Madzy: "zulk een afschuwelijke boosheid heeft nooit +bestaan. Verfoeilijk mensch!" vervolgde zij, hem met ijzing aanziende: +"wie zijt gij?" + +"Wie ik ben," antwoordde Arkel, "zal misschien de toekomst +ontsluieren. Wie ik ben, is nog een raadsel voor den blinden hoop; +maar dit kan ik u zeggen, dat het slechts van mij afhangt, met de +voornaamsten in 's Graven leger gelijk te staan, ja boven hen den +voorrang te bekleeden: dat één woord van mijnen mond het beleg kan +doen opbreken, den oorlog eindigen en aan deze stad de rust hergeven." + +"Elk uwer woorden," zeide Madzy, zich van hem afwendende, "maakt u +nog gruwzamer in mijne oogen. Eén woord van u kan den oorlog doen +eindigen!--en gij zwijgt? Bezigt gij uwe macht dan als Satan, alleen +om kwaad te doen?" + +"Neen meisje!" zeide de Bisschop: "in welk ongunstig daglicht gij mijne +handelingen ook verkiest te zien, mijn doel omtrent dit gewest was +edel en groot. Ik heb wellicht in de middelen gefaald; maar zoolang +mij dit niet gebleken is, moet ik op het ingeslagen spoor blijven +voortwandelen. Wat u betreft, tracht, ik smeek er u om, de kalmte te +hervinden en overweeg bedaard hetgeen ik u gezegd heb. Vrees niet, +dat ik mijn macht over u misbruiken zal. Ik zou mij schamen, van met +geweld te verkrijgen, hetgeen ik alleen aan de overtuiging en, kan +'t zijn, aan de liefde wil dank weten." + +"Geen nadenken, geene overweging," zeide Madzy, terwijl zij haar oogen +afdroogde en met waardigheid oprees, "zijn in staat, eenige verandering +in mijn besluit teweeg te brengen. Gij hebt mij nog sterker dan te +voren doen gevoelen, dat mijn verblijf alhier onbetamelijk is: en al +moest mijn vertrek mij aan schande blootstellen, het zal mij lichter +vallen, onverdiend de beschuldiging van anderen te dragen, dan die, +welke ik mij zelve doen zou door te blijven. Het bewustzijn van de +zuiverheid mijner bedoelingen zal mijn troost zijn, indien de laster +mij beticht; maar eeuwig naberouw ware mijn deel, zoo ik thans, nu ik +uwe bedoelingen verstaan heb, aan uwe hoop door mijne tegenwoordigheid +een zweem van grond gave. Bijaldien gij mij dus hier wilt houden, +zal de trotsche Ridder, die zoo prat is op zijn adel en zijn macht, +tegen het arme meisje, dat geene wapenen heeft dan hare onschuld en +hare tranen, geweld moeten gebruiken." + +"Dat zal onnoodig zijn," zeide Arkel, het onrustig gevoel, dat zich +van hem, in weerwil zijner hardvochtigheid, meester begon te maken, +achter een bitteren lach verbergende: "zoo uw meisjesarm sterk genoeg +is om door eiken deuren en ijzeren tralies heen te breken, is het +u vergund van hier te gaan. Tot dien tijd zult gij moeten leeren, +u aan uw kerker te gewennen." + +"Welaan!" zeide Madzy: "er blijft mij een middel over om mij aan uw +dwang te onttrekken: en gij zult het genoegen hebben nog een offer +te voegen bij al diegene, waarmede gij deze rampzalige stad hebt +opgevuld. Ik zal geen stuk brood meer eten:--dan voor 't minst zal +mij de dood van uw dwang bevrijden." + +"Madzy!" zeide Arkel, ontzet over de wending, welke het onderhoud +begon te nemen: "o! spreek zoo niet!.... zoo gij wist....; maar neen; +ik mag niet spreken." + +"Voleind," zeide zij: "onderdruk de eerste edelmoedige gedachte niet, +die in uwe ziel komt opgerezen." + +"Helaas!" hernam hij, "zoo gij wist, waartoe mij het lot veroordeelt, +gij zoudt deernis met mij gevoelen. Een stalen, een onverbiddelijke wet +verbiedt mij jegens u te handelen gelijk ik zoo gaarne wilde, verbiedt +mij voor het aangezicht der wereld te zeggen: ik bemin Madzy Dekama +en zoek haar tot gade. En nu dit hart mij mijns ondanks dwingt u te +beminnen, moogt gij slechts daarvan kennis dragen en moet ik hard tegen +u zijn, omdat het oogenblik, dat u aan mijne macht ontrooft, mij meteen +alle hoop voor de toekomst ontneemt. Mijn woorden schijnen u raadsels +toe;--welaan! ik zal duidelijker spreken,--Madzy Dekama! ik ben...." + +Hier deed zich op eens een stem hooren, welke op luiden toon om den +schildknaap Otto riep. Zoodra de Bisschop dit geluid vernam, zweeg hij +eensklaps, sloeg zich voor 't hoofd en snelde de deur uit, welke hij +echter niet vergat met voorzichtigheid weder achter zich te sluiten; +waarna hij zich naar den kant begaf, van waar het geroep gekomen was. + +Madzy bleef dus weder aan haar zelve overgelaten, en, gelijk men +denken kan, ter prooi aan de droevigste gepeinzen. O! hoe betreurde +zij opnieuw den dag, toen zij voor 't eerst het land van haar +geboorte verlaten had. Hoe suisde haar, gelijk een kwellende geest, +die voorspelling in de ooren, welke aan de Roos van Dekama zooveel +leeds toezeide, indien zij de zee overtrok. Twee gedeelten dier +voorspelling waren reeds uitgekomen: zij had vleiers en minnaars +gevonden: en zij was in een beangsten toestand gebracht. Zou het +derde deel ook eens uitkomen? Ach! vruchteloos scheen het haar toe, +zich met een ijdele hoop te vleien; want de terugkeer van haar +voorspoed was aan een voorwaarde verbonden, wier zin duister, wier +vervulling bijna onmogelijk scheen; want van welken vorst kon het +orakel spreken? en wiens buit kon in de tegenwoordige omstandigheden +de roof der Friezen worden? + +Zij zocht nu haar toevlucht bij Hem, buiten Wiens wil geen musch +ter aarde en geen haar van het hoofd valt, en smeekte Hem, ook haar, +in den pijnlijken toestand, waarin zij zich bevond, niet te willen +verlaten. Haar gebed was lang en innig; en meer dan eens werd het door +heete tranen afgebroken;--maar, toen zij weder oprees, gevoelde zij +zich gesterkt en opgebeurd, en met een kalm gelaat besloot zij naar +lot te verwachten. Het duurde niet lang of haar moed werd opnieuw op +de proef gesteld, want zij hoorde iemand, die met rassche schreden +haar vertrek genaken kwam. Een onwillekeurige trilling beving haar: +zij vermande zich echter en rees op. De deur ging open:--maar wie +schildert haar verbazing, haar opgetogenheid, toen zij, in de plaats +van haar gevreesden vervolger, Aylva's dienaar, den getrouwen Feiko +voor zich zag. + +Hoe deze in zulk een gepast oogenblik verscheen, zullen wij in het +volgende hoofdstuk ophelderen. + + + + + +VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Il faut suivre Cassandre ou choisir Antigone. + + Voltaire. Olympie. + + +Toen Arkel zich uit het vertrek van Madzy verwijderd had, was hij +naar den kant gegaan, waar het geroep vandaan was gekomen en waar hij +spoedig Reinout vond, die, altijd onder de aangenomene wapenrusting +van den Ridder des Rooden Adelaars, bezig was met hem overal te zoeken. + +"Gij hebt welgedaan van te komen, Otto!" zeide hij met een luide stem: +"ik zou u bijna reeds zijn gaan opzoeken in de verbodene vertrekken," +voegde hij er zachtjes bij. + +"Wat is er gebeurd?" vroeg Arkel, haastig met hem in een zijvertrek +gaande: "is de vijand in de stad?" + +"Neen!" zeide Reinout, wiens gelaat van angst en toorn scheen te +gloeien: "maar ik wilde u het vertrek doen verlaten, waar gij u in +bevondt, en waar ik niet binnen mocht komen, zonder mijn belofte +te schenden." + +"Wat is er dan zoo dringends?" vroeg de Bisschop, die reeds in een +kwade luim gebracht was door den slechten uitslag van zijn bezoek +bij Madzy, en bij wien deze woorden van Reinout weinig geschikt waren +een betere stemming te doen ontstaan. + +"Bisschop van Utrecht!" zeide Reinout, hem met fonkelende oogen +aanziende: "wie is het meisje, dat gij daar in de gindsche kamer +houdt opgesloten?" + +"Stil! stil toch!" zeide Arkel, zich verbijtende: "gij weet immers, +dat ik slechts uw schildknaap ben." + +"Geef antwoord!" hernam de woedende jongeling, "of ik ga uw naam +overluid op de markt schreeuwen." + +"Dat ware vrij ondankbaar van uwentwege," zeide Arkel: "maar herinner +u, dat gij mij uw woord gegeven hebt van geen onderzoek te doen naar +hetgeen gij thans begeert te weten." + +"Ik herinner mij niets van dien aard," zeide Reinout: "integendeel weet +ik zeer wel, dat ik u alleen beloofd heb, niet in de verboden kamer +te komen en dat gij verder geen eeden van mij gevergd hebt; ik zou +uwe geheimenis geëerbiedigd hebben, indien mij met een toeval zooeven +had doen ontdekken, hoe schandelijk ik door u beleedigd ben geworden." + +"Beleedigd! door mij!" herhaalde Arkel: "en wat hebt gij dan vernomen?" + +"Ik heb zooeven dat oude wijf ontmoet, hetwelk gij tot de oppassing, +zoo 't heet, der zieke deerne had aangenomen, ik hoorde haar mompelen: +zij vloekte op u; zij beklaagde zich dat gij haar had toegegrauwd, +en dat zij meer last had van eene zotte Friezin, dan van al de mooie +meisjes, die zij ooit onder haar bewaring had gehad:--ik weet niet, +welk vreeselijk vermoeden mij beving; maar ik ondervroeg haar: en de +overtuiging, die ik verkregen heb, is, dat die Friezin niemand anders +is dan de door mij altijd aangebeden Madzy Dekama." + +"Ik zal die vervloekte koppelaarster laten geeselen," zeide Arkel, +met de vuist op de tafel slaande. + +"Gij kendet mijne liefde voor dat meisje," vervolgde Reinout: +"en niettemin zocht gij haar aan uw schendigen lust op te offeren?" + +"Ho! dat gaat te ver!" zeide Arkel: "ik had, dunkt mij, evenveel +recht als gij, om haar mijn hof te maken." + +"Maar gij hebt vergeten," ging Reinout voort, "dat gij mij door die +handelingen hoondet: dat ik uw geheim in mijne macht heb: dat, eer +de avond daalt, gansch Utrecht en het geheele leger des Graven weten +kunnen, hetgeen gij zoo gaarne zoudt willen verbergen!" + +"Welaan!" zeide Arkel, met bitterheid: "het moge ontdekt worden: +ik heb mij over geen sluipmoord te schamen." + +"Neen!" hernam Reinout: "maar een geestelijke, die de wapens voert, +is door die daad zelve vervallen van zijn waardigheid." + +Arkel zweeg en ging met groote stappen het vertrek op en neder, +terwijl zijn hoofd vervuld was met onaangename gedachten. Wat +baatten hem nu al zijn fijn gesponnen listen? wat de vernuftige +wijze, waarop hij Madzy in zijn geweld had weten te houden en zich +van Reinout tot zijn belang bedienen? Hij werd (en voor 't eerst van +zijn leven) door een folterenden hartstocht gekweld, waar hij alleen +verstrooiing gezocht had: hij had met beschaamde kaken gestaan voor +het eenvoudige meisje, waarop hij zich gevleid had een gemakkelijke +zegepraal te zullen behalen: en hij zag zich in de macht van een man, +wien hij slechts als een werktuig zijner hooge plannen beschouwde. Het +was hem evenals degene, die een bergstroom over zijn landgoed heeft +afgeleid, met de hoop van de wateren tot voordeel van zijn plantsoen +en landerijen te zullen gebruiken, en die integendeel het nat boven +peil ziet wassen en alle moeite moet aanwenden om niet zijn oogst +onherstelbaar bedorven te zien. Maar zoodra Arkel eens zooverre +gekomen was, dat hij een recht begrip gekregen had van het netelige +en hachelijke zijns toestands, riep hij zijn vindingrijken geest te +hulp: en deze begaf hem ook nu niet: weldra was bij hem het besluit +vastgesteld om aan den storm, hoe geweldig die hem ook tegenwoei, +een mannelijken weerstand te bieden. Hij besefte intusschen, dat +hem zulks niet zoude kunnen gelukken, dan ten koste zijner meest +geliefkoosde uitzichten; maar gelijk de schipper, die een rijke lading +overboord werpt om zijn schip te behouden, zoo aarzelde hij niet, om +de streelende hoop op het bezit der schoone Friezin te laten varen, +zoo hij door die opoffering zijn eer en waardigheid voor schipbreuk +behouden kon. Eerst echter trachtte hij nog eene poging te doen. + +"Reinout!" zeide hij: "ik belach uw ijdel geklap. De laatste +uitval is voorspoedig geweest: Graaf Willem is gekwetst in zijn +tent teruggevoerd: de verslagenheid heerscht onder de Hollandsche +benden. Nooit kon ik gunstiger tijdstip vinden om mij aan mijn brave +Utrechtenaren bekend te maken: om, sterk door de algemeene stem, +die zich voor mij verklaren zoude, hem te doen zwijgen, die mij in +verdenking poogde te brengen." + +"Vlei u daar niet mede," zeide Reinout met bitterheid: "Willem moge +gekwetst zijn, maar het is slechts aan den voet; en zijn geest blijft +even helder als te voren: elke uitval kost opnieuw ons dapperen, +en zoo de verslagenheid ergens heerscht, het is in deze wallen, +waar gebrek en ziekte reeds woeden en geene hoop meer is dan op een +spoedige overgave." + +"Dwaze vrees! de stad kan het nog lang uithouden: en weldra snelt +Gelder met talrijke legerscharen aan tot ontzet." + +"Gelder!" herhaalde Reinout, met een hoonenden lach: "hij heeft zich +met Holland vereenigd: en gezamenlijk bedreigen zij deze wallen." + +"Hoe!" riep Arkel: "zou de leeuw een aandeel in den buit aan den +tijger afstaan? en van waar hebt gij op eens die schoone tijdingen?" + +"Van de raadzaal, waar de Kapittels en de vroedschap met benauwde +gezichten bijeenzitten:--men heeft een wapenstilstand van vier en +twintig uren gesloten: men vreest oproer onder 't volk, dat reeds +mompelt van overgaaf. Ha! wat een schoon gezicht zal het zijn, u naast +het paard des Graven te zien gebonden, wanneer hij in zegepraal door +de bres binnentrekt." + +"Dan bindt men u gewis aan den staart," zeide Arkel wrevelig.--"Maar +waartoe zal dit alles leiden? Gij waant mij vrees aan te jagen: +en intusschen zijt gij zelf de eenige, die hier te vrezen hebt." + +"Ik kan slechts het leven verliezen, dat sedert lang voor mij geene +waarde meer heeft: maar voor u is alles verloren." + +"Laat mij daarvoor zorgen," zeide Arkel met fierheid: "ondankbare! ik +had ook voor u gezorgd; maar gij zelf, gij schijnt er genoegen in +te scheppen, om alles omverre te stooten, wat ik voor uw heil had +bedacht." + +"Hoe!" zeide Reinout, hem verbaasd aanstarende: "wat beduidt deze +ontijdige scherts?" + +"Ik scherts niet:--ik had mij gevleid, om, wanneer eens de wapenen onze +rechtmatige zaak hadden doen zegevieren, en ik in staat zoude zijn, +mijn erkentenis en vriendschap te toonen aan hen, die mij blijken van +trouw gegeven hadden, om u dan, tot loon uwer dapperheid, de schoone +Madzy in den arm te voeren en u tevens als den wettigen zoon van den +Heer van Aylva te doen erkennen." + +"Welke nieuwe list bedenkt gij thans?" vroeg Reinout, meer en meer +verwonderd. + +"Een list? hoor toe, of ik listig met u handel. Madzy Dekama kwam +vermomd op mijn slot Nyenstein een schuilplaats zoeken. Zij was uit +de handen des Graven ontsnapt, die haar in 't klooster te Rijnsburg +wilde steken." + +"'t Kan wezen! verder!" + +"Uit deernis nam ik haar mede: zij had mij haar naam geopenbaard:--doch +onder voorwaarde van geheimhouding:--ik vond geene vrijheid, u dien +mede te deelen." + +"Zij gaf u haar naam te kennen!" + +"Laat ik vervolgen:--hier komende, bevond zij zich te ziek om verder te +reizen: ik liet haar genezen: intusschen bekende zij mij haar afschrik +voor u:--voor u, Reinout! die een onschuldigen medeminnaar in haar +bijzijn den doodsteek had gegeven.--Daarom verzweeg ik aan u beiden, +dat gij met elkander onder één dak woondet." + +"Gij deedt zeker wel," zeide Reinout, met bitterheid, "niets daarvan +te melden aan uw bijzit: men kan met zulke kostbare schatten niet te +geheim wezen." + +"Ridder!" zeide Arkel op een toon, welken Reinout niet miskennen kon, +"bij de eeuwige zaligheid, welke ik eenmaal hoop in te gaan! zooverre +is het er van af, dat Madzy Dekama mijne bijzit zoude zijn, dat ik u +plechtig kan betuigen, nooit een meer zuivere, meer engelreine ziel +te hebben leeren kennen." + +"Ik geloof u," zeide Reinout: "verder!" + +"Ik poogde echter, haar afkeer tegen u te overwinnen. Tot dusverre ben +ik slechts ten halve geslaagd.--Welaan!--na hetgene er tusschen ons is +voorgevallen, kan ik niet langer met u als met een vertrouwden vriend, +gelijk te voren, omgang hebben. Wij moeten scheiden.--Verlaat mij, +verlaat Utrecht!--voer Madzy met u!--tracht haar afkeer in liefde +te veranderen:--en voorts, neem dezen ring: Aylva zal hem erkennen: +het was zijn gift aan uwe moeder Bianca di Salerno: neem dezen brief, +dien zij aan Carlo della Scala schreef om...." + +"Mijn God! de brief, dien wij aan den Pelgrim medegaven! Hoe komt +gij aan deze stukken?" + +"Om 't even! gij weet dat Barbanera in mijnen dienst was:--wat hij u +voor goud wilde afstaan, geef ik u om niet:--en nu, verzuim geen tijd, +om de gunst des Oldermans te winnen. Madzy zal wellicht aan den zoon +van haar voogd de hand schenken, welke zij den onbekenden Italiaan +volstandig bleef weigeren." + +"Droom ik? of waak ik?" zeide Reinout, duizelend, met de bewijsstukken +in de hand, het vertrek op en neder gaande: "mensch!" riep hij op +eenmaal uit, terwijl hij Arkel aanstaarde: "misleidt gij mij niet? zeg +mij, herhaal mij, dat gij mij niet misleidt, en ik zal u aanbidden." + +"Dat behoeft niet," zeide Arkel, glimlachende: "bezorg mij slechts +een duizendtal wakkere Friezen en ik scheld u alle erkentenis kwijt." + +"Madzy zou de mijne zijn!" riep Reinout, uitgelaten van blijdschap. "Ik +heb u miskend, Heer Bisschop! maar waarom ook zoolang gezwegen?" + +"Stil!" zeide Arkel: "wees slechts kalm, en laten wij de middelen +beramen, welke tot het doel kunnen leiden, dat wij beoogen. Op welke +wijze komt gij met uwe schoone veiligst buiten Utrecht en door 's +Graven leger heen? dit vereischt een bedaard overleg." + +Maar tot bedaard overleg bestond thans geene mogelijkheid; want een +plotseling gedruis, dat zich aan de huisdeur hooren deed, belette hen +elkander te verstaan en noodzaakte hen te gaan zien, wat aanleiding +tot die opschudding gaf. + +Het schouwspel, dat zich aan hun oogen voordeed, ware in elk ander +oogenblik wel geschikt geweest om hunne lachspieren in beweging te +brengen. In het voorportaal stond de eerzame Mechtelt Dirksdochter +luid te schreeuwen en alle mogelijke moeite aan te wenden om zich te +verweren tegen den aanval van onzen welbekenden vriend, meester Cezar, +die op haar schouder had postgevat en bezig was met zijn voorpooten +haar kapsel op een deerlijke wijze te havenen. Aan de deur vertoonde +zich de wakkere hansworst, pogende binnen te dringen, in spijt van +Arkels dienaars, die hem met geweld tegenhielden: en achter hem, +op die stoep, bleef een kloekgebouwde knaap bedaard afwachten, wat +de uitslag der tweespalt zou zijn. + +Arkel en Reinout lachten echter niet: de laatste omdat zijn ziel +nog te veel vervuld was met het aangename vooruitzicht, 't welk zich +voor hem opende, dan dat hij op iets anders acht had kunnen geven: +de eerste, omdat de onverwachte verschijning van den hansworst hem +zeer in verlegenheid bracht; daar deze, door de vermelding van zijn +boodschap naar Harderwijk, hem bij Reinout tot een logenaar kon +maken. Hij stapte echter naar hem toe, en vroeg, wat er gaande was. + +Maar het was niet gemakkelijk, terstond een duidelijk antwoord op +deze vraag te bekomen. Wel traden de dienaars terug en poogde Daamke +zijn boodschap te verrichten; maar de luide kreten van Mechtelt, +die gestadig schreeuwde dat zij 't besterven zou, beletteden dat +men iets anders hooren kon: en het was noodig dat de hansworst haar +van het kwellende dier verloste ('t geen echter niet dan ten koste +van haar hoofdtooisel en van een goed deel der enkele grijze haren, +die zij nog overhad, kon volbracht worden) eer er eenige stilte kwam. + +"Kan mij nu iemand verhalen," vroeg Arkel, "wat aanleiding gegeven +heeft tot dit onhebbelijk rumoer?" + +"Deze knapen wilden mij niet binnenlaten," zeide de hansworst: +"ofschoon ik een boodschap voor uwe Edelheid heb." + +"Deze vent wilde binnendringen," riepen de dienaars, "ofschoon wij +last van u hadden, hem weg te jagen, wanneer hij zich weder vertoonde." + +"En ik, arme ziel! die met den twist niets te maken had," riep +Mechtelt, "en er een paar woordjes van vrede wou tusschen spreken, +ik zie mij aanvliegen door dat ongure beest! O wee! mijn arme kapsel!" + +"Nu! nu! bedaar, Mechteltje!" zeide Arkel: "het lieve diertje +heeft zeker gemeend, zijn moeder te omhelzen. Intusschen moet ik u +zeggen, dat ik uwe diensten niet langer hier in huis van doen heb; +ziehier een goudstuk, dat uwe moeite ruim beloonen zal; maar pak u +uit mijn gezicht. Gij," vervolgde hij tot Daamke: "volg mij in het +zij vertrek. Ridder!" (tegen Reinout) "gij zult mij wel voor eenige +oogenblikken willen verschoonen?" + +Reinout, voor wien dit voorval niets belangwekkends had, keerde naar +zijn vertrek terug: Daamke volgde den Bisschop: de dienaars gingen +lachende naar de keuken terug, en Mechtelt, zich dus verlaten ziende, +begon haar gemoed lucht te geven tegen den onbekende, die nog altijd +als een paal tegen de voordeur stond. + +"Is het geene schande," zeide zij, "zoo voor het oog van de menschen +een trouwe dienares weg te zenden, die bij Hertogen en Graven is +werkzaam geweest, en bij Kerkvoogden ook, dat ben ik. Daar was de +Graaf van Gelder, wiens ziel bij God is; die heeft mij een maand lang +op zijn huis te Rozendaal gehad bij zijn zoetelief: en gaf mij dubbel +loon toen ik vertrok en nog twee zilveren ringen tot een vereering, +dat gaf hij!--En daar was de Domproost Gwy, de oudoom van den Graaf +van Holland, de vroolijkste en vriendelijkste man, die ooit een +mis gelezen heeft, (onze L. V. zij met hem) die kwam ook dikwijls +zijn leed bij mij verzetten, dat kwam hij, en nooit lieb ik een +onvertogen woord van hem gehad: en des Graven vader zelf, die nu in +'t paradijs is, heeft hij ook niet meer dan eens met mij gesproken, +of ik zijn vleeschelijke zuster ware? en mij altijd de hand boven +'t hoofd gehouden, dat heeft hij." + +"Ik moet dan zeggen, dat des Graven vader een raren smaak heeft gehad," +zeide halfluid de onbekende, die aan zijn tongval een vreemdeling +scheen, en niet recht begreep, welke verplichtingen die heeren aan +Juffer Mechtelt konden gehad hebben. + +"Maar men kent den vogel aan zijn veeren," vervolgde het wijf, zonder +acht te slaan op zijn aanmerking: "dat waren edele, brave Heeren, +die wisten wat een mensch toekomt, dat dag en nacht voor het lieve +brood moet sloven, en altijd zorgen, ieder tevreden te stellen. Maar +deze spreeuw, die mij zoo onbeschaamd afjakkert, wat is hij anders +dan een kale, stomme nachtegaal, die nu eens voor schildknaap en dan +weer voor heer speelt, die opeens uit de lucht komt gevallen, zonder +dat iemand weet waar vandaan, met zijn kameraad van den rooden Arend, +en met zijn Friesch kwikstaartje, dat meer kuren heeft in haar pink +dan al de meezen van Utrecht in haar heele lijf, dat heeft zij." + +Deze laatste woorden schenen den vreemdeling uit zijn onverschilligheid +op te wekken: en zijn breede hand op den schouder van Mechtelt +leggende: "wat praat gij van Friesche kwikstaarten?" vroeg hij: +"houdt dat heer er Friesche kwikstaarten op na?" + +"Waarachtig!" zeide zij: "en ofschoon ik altijd dicht ben als een +pot, dat ben ik, (gelijk wel gebleken is, toen de Heer van Zuylen +van mij wilde te weten komen, waar zijn zoon alle avonden zat), +na zulk een behandeling als ik nu heb ondergaan, zal ik spreken zoo +luid als ik kan, dat zal ik! en vond ik een edelen Fries, die er wat +voor overhad om 't fijne van de mis te verstaan, ik zou hem wel in +'t oor fluisteren dat Madzy Dekama hier zit opgesloten." + +"Wat zegt gij, wijf!" riep de verbaasde Feiko (want de vreemdeling +was geen ander dan hij): "Freule Madzy opgesloten! en wie Satan durft +dat doen?" + +"De man die daar is binnengegaan," antwoordde Mechtelt met een +hoonenden lach: "Aha! Heer Otto! of hoe gij u ook mocht verkiezen +te noemen! Wij zullen zien, hoe u dit peertje smaken zal, dat zullen +wij: en gij zult uw onbeschoftheid tegen mij duur betalen! Te zeggen, +dat zulk een onguur dier mij voor zijn moeder aanzag!" + +Dit laatste gedeelte van haar redeneering was een alleenspraak; want +Feiko was reeds het vertrek binnengesneld, waar zij hem op gewezen +had. Daar had ondertusschen het navolgende onderhoud plaats gehad +tusschen den Bisschop en den hansworst. + +"Welnu!" was Arkels eerste vraag: "Wat brengt gij?" + +"Ik heb uw bevelen volbracht." + +"Waarlijk!" zeide Arkel, op een onverschilligen toon: "ik geloof dat +er ruim zes weken verloopen zijn, sedert ik u gezien heb; en ik weet +op zijn best meer, wat die bevelen waren." + +"Om aan die Friesche Heeren te Harderwijk te verhalen, dat Jonkvrouw +Madzy....-" + +"Ja! ik herinner mij.... Verder!" + +"Nu! zij keken mooi op hun neus, toen ik de tijding bracht;--maar +daar was een zekere Feiko bij.... ik heb den man eens leelijk slaag +zien krijgen, te Haarlem." + +"Ter zake!--al die uitweidingen verlang ik niet." + +"Nu! die Feiko wilde met alle geweld naar Rijnsburg om Jonkvrouw +Madzy te gaan opzoeken." + +"Ik wensch hem goede reis.--Wat wijders?" + +"En zoo keerde de man, die den weg niet kende, met mij terug; want ik +was ook juist van zins, meester Barbanera op te zoeken: en wij gingen +eerst naar Plaswijk, waar ik bleef: en Feiko trok naar Rijnsburg: hij +is een hupsche kerel, die Feiko: en ik had hem beloofd, te Plaswijk +op hem te zullen wachten...." + +"Maar wees dan toch wat kort! wat gaan mij al uw reizen aan?" + +"Joost haal mij! wij hebben van den een noch van den ander iets +vernomen. Te Rijnsburg wist men van geene Madzy Dekama, zooals ik +trouwens ook wel dacht: en te Plaswijk wist men evenmin waar meester +Barbanera was: ik heb alleen zijn kast gevonden en die meegenomen om +voor den man te bewaren.--En toen Feiko weer terugkwam te Plaswijk en +hoorde van de kasteleines, dat er een vermomde Jonkvrouw bij haar had +gehuisvest en dat zij 's nachts van daar geloopen was, en dat er den +volgenden dag een draagkoets den Ridder van den Arend naar Utrecht +gevolgd was, kreeg hij kwaad vermoeden, en zoo besloten wij samen u +te gaan opzoeken." + +"Gij zijt een ezel," zeide Arkel: "wat deedt gij hem te Plaswijk te +brengen? en kondet gij hem niet met een kluitje in 't riet sturen?" + +"Ja, wat zal ik zeggen? ik was zelfs nieuwsgierig om te weten waar +meester Barbanera gebleven was:--en zoo trokken wij samen naar +Utrecht, zonder zelf te weten hoe wij er zouden binnenkomen; maar +gelukkig is er heden een wapenstilstand gesloten: en zoo werden wij +doorgelaten voor een paar goede woorden, die mijn reismakker aan een +kleinen springer van een schildknaap gaf en voor een paar kunsten, +die meester Cezar deed." + +"Freule Madzy! freule Madzy! waar is freule Madzy?" riep Feiko, +die op dit oogenblik de kamer binnenstoof. + +"Wat is er van uw dienst?" vroeg Arkel: "en wat beduidt deze woeste +manier van binnen te stuiven?" + +"Ik zoek Jonkvrouw Madzy Dekama, die gij opgesloten houdt," riep de +eerlijke Feiko: "ik moet mijn brave Jonkvrouw terughebben." + +"Nu! nu!" zeide Arkel, met bedaardheid: "maak slechts zulk een +geweld niet. Niemand denkt er aan, om uw Jonkvrouw tegen haar zin +hier te houden." + +"Hoe!" zeide Feiko, verbaasd blijvende staan, en zich omtrent in den +toestand bevindende van iemand, die een stok heeft opgenomen om een +hond te verjagen, door wien hij denkt te zullen worden aangevallen, +en die integendeel het beest kwispelstaartend naar zich toe ziet komen, +om hem de handen te likken. + +"Welnu!" vervolgde Arkel, tegen Daamke: "ik bedank u voor uw tijding; +maar uw diensten heb ik niet langer noodig. Uw meester Barbanera heb +ik niet in mijn zak;--ik meen gehoord te hebben, dat de Graaf hem +heeft doen opknoopen." + +"Laat u dat niet ontmoedigen," zeide Feiko, terwijl hij den bedrukten +hansworst op den schouder klopte: "gij zult met mij naar Friesland +terugkeeren: en men zal er geene huisvesting noch een stuk brood +weigeren aan den man, die mij geholpen heeft, om mijn Jonkvrouw terug +te vinden." + +"Waarom niet?" zeide Arkel, wien het op eens voor den geest kwam, +dat hij zich van deze gelegenheid bedienen kon: "gij zegt, gij zijt +onverhinderd door het vijandelijke leger gegaan?" + +"Zooals ik u verhaalde," antwoordde Daamke: "Uwe Edelheid weet, dat +potsenmakers overal tolvrij zijn, mits de aap een paar kunsten doe." + +"En wat mij betreft," zeide Feiko, "ik heb een aardigen kleinen duivel +van een schildknaap ontmoet, die mij te voren meer gezien had," zeide +hij: "en toen ik hem verhaalde, dat ik Freule Madzy ging zoeken, +liet hij mij terstond door; en hij had zelfs de vriendelijkheid van +mij te zeggen, dat als ik terugkwam, ik slechts naar Jonker Zweder +van Naaldwijk moest vragen en hem melden of ik geslaagd ware." + +"Uitmuntend!" zeide Arkel, "welnu! heden nog zult gij vertrekken. Wij +zullen dadelijk de middelen beramen om uw terugreis te +verzekeren. Wacht mij slechts een oogenblik hier." + +Dit gezegd hebbende, haastte hij zich naar Reinout, aan wien hij +het gebeurde mededeelde: zoodra zij het te zamen eens waren geworden +over de beste wijze, waarop de reis zou kunnen plaats hebben, ging +de Italiaan zijne toebereidselen maken, en keerde Arkel naar de beide +nieuwaangekomenen, aan wie hij zijn ontwerp voor zooverre hun aanging +mededeelde en het noodige onderricht gaf. + +"Maar kan ik nu mijn Jonkvrouw niet zien?" vroeg Feiko, die van +ongeduld brandde. + +"Jawel!--en zoo gij wilt, kunt gij haar tevens verzoeken, zich +reisvaardig te maken. Ziehier den sleutel van haar vertrek. Gij gaat +de trap op, de lange gang die voor u is ten end, en opent de laatste +deur aan uw linkerhand." + +Recht in zijn schik nam Feiko den sleutel in de hand en ijlde +naar Madzy's verblijf. Onbeschrijflijk was de vreugde van den +getrouwen dienaar, en niet minder hare blijde verwondering, bij hun +ontmoeting. Hij huppelde naar haar toe, kuste haar de handen, wreef +zich een traan uit de oogen, sprong in de rondte en deed ongeveer +al de bewegingen, welke een trouwe huishond in 't werk stelt bij het +wederzien zijns lang afwezigen meesters. + +"Feiko!" riep zij: "mijn trouwe Feiko! gij hier? o! dan ben ik niet +geheel van den Hemel verlaten." + +"Verlaten!" herhaalde hij: "'t mocht wat, Freule! heden nog gaan wij +op reis: de edele Heer van dit huis heeft mij zelf gezegd, het hing +alleen van u af te vertrekken, wanneer gij wildet. Hoezee! wij zeggen +vaarwel aan Utrecht en zien ons vrije Friesland weer, waar men geen +zes weken heeft rond te loopen, eer men zijn kennissen terugvindt." + +"Hoe!" zeide Madzy, die een zoo spoedigen omkeer in haar lot niet +had kunnen verwachten en nauwelijks wist of zij waakte of droomde: +"en wie heeft gezegd dat ik vertrekken kan wanneer ik wil?" + +"Dat heb ik gezegd," zeide Arkel, die ongemerkt Feiko gevolgd was en +nu de kamer binnentrad. "Ga nu, mijn goede Feiko! en maak dat alles +vaardig zij, gelijk onze afspraak was." + +"Blijf Feiko!" riep Madzy, beangstigd; maar de trouwe dienaar was +reeds vol ijver naar beneden gesneld. + +"Vrees niet langer, een oogenblik met mij alleen te zijn," zeide Arkel, +terwijl hij in een deemoedige houding voor Madzy bleef staan: "het +is de laatste reize. Gij zijt getuige van mijn dwaasheid geweest: +wees het ook van mijn naberouw. Ja, ik heb onwaardiglijk met u +gehandeld; maar ik wil herstellen, wat ik misdaan heb. Deze brave +dienstknecht, wien de hemel zelf ons schijnt toe te zenden, en twee +getrouwe gidsen zullen u naar Friesland teruggeleiden:--Ik gevoel, +dat ik geene vergiffenis verdiend heb voor mijn vergrijp jegens u; +maar uwe ziel is te rein, te edel, om wrok te voeden wegens een +misdaad, alleen door uwe bekoorlijkheden voortgebracht." + +Hier viel hij op ééne knie voor haar neder en boog het hoofd in diepen +ootmoed. Madzy zag hem aan en zij had den moed niet, haar rechtmatige +gramschap jegens haren verdrukker te blijven behouden. En welke vrouw, +tenware zij haar kunne had afgezworen, zou wrok hebben kunnen voeden +jegens den schoonen jongeling, wiens gelaat zoo innemend, zoo bevallig +was, op wiens voorhoofd de naam van _edelman_ in zulke sierlijke +trekken geschreven stond, in wiens oogen een traan van boete fonkelde +en die geknield aan haar voeten lag.--Bewogen reikte zij hem de hand +toe: "sta op Ridder!" zeide zij: "en moge God u vergeven, gelijk ik +het doe. Zoo wij scheiden, zal het in vriendschap zijn." + +"Uw goedheid boezemt mij stoutmoedigheid in," hernam Arkel, oprijzende: +"niet om mijnentwil, maar om hooge, gewichtige redenen, welke gij +eenmaal misschien doorgronden zult, smeek ik u, laat hetgeen tusschen +ons is voorgevallen voor elk een geheim blijven." + +"Ik beloof het u," zeide Madzy: "maar het smart mij van u, Ridder, +dat gij u tot daden liet vervoeren, waarvan gij geheimhouding verzoeken +moet. Neem den raad van een eenvoudig meisje aan, en handel nimmermeer +in 't verborgen anders dan gij in 't openbaar zoudt handelen." + +De fijne, de listige Arkel, de man, die zijn medemenschen slechts +als poppen beschouwde, bestemd om door hem met onzichtbare draden +bewogen te worden, was getroffen, geschokt door de eenvoudige, +reine taal der waarheid, ontvloeid aan de lippen van een onschuldig +meisje, dat hij kort te voren nog als een lichte prooi beschouwd had: +"Engel!" zeide hij, in vervoering hare hand kussende: "ach! spreek +niet één woord meer; want gij zoudt mij het scheiden al te smartelijk +maken. O! waarom verbiedt mij die gevloekte gelofte u te beminnen, +gelijk gij verdient bemind te worden." + +"Een gelofte!" herhaalde Madzy verbaasd: "een gelofte! Wat zijt gij +dan? Een Ridder van Sint-Jan?" + +"Meer dan dat," antwoordde hij met een gesmoorde stem: "ik ben +een priester, Madzy! ik ben" (hier fluisterde hij) "de Bisschop +van Utrecht." + +"Heilige God!" riep zij met verbazing uit: "gij?" + +"Nu geen woord meer;--gij weet mijn geheim!--het zal u heilig +blijven.--Voort! voort! aan de deur wachten uw geleiders." + +En met deze woorden voerde hij de ontstelde maagd, aan wie alles wat +zij zag en hoorde een droom scheen, haar vertrek uit naar beneden. + +"En nu, vaarwel aan alle liefdedroomen!" zeide de Bisschop, toen hij +zich 's avonds alleen bevond en zich vermoeid in zijn zetel wierp: +"Ellendige wezens, die wij menschen zijn! Ik, die niets op de wereld +meer bejaagde dan mijn onafhankelijkheid, ik was op het punt de slaaf +te worden van een paar schoone oogen! Maar, God lof! ik heb als een +andere Simson de banden dier tweede Delila verbroken.... en ik zal +hem niet in zijn dwaasheid volgen, om zich mede onder de puinhoopen +te begraven, welke hij op 't hoofd zijner vijanden storten deed.--God +zegene u, schoone Madzy, en geve u een voorspoedige reis! Zoo die reis +mij slechts een paar duizend wakkere Friezen bezorgen kon, dan ware +er wellicht nog kans het beleg te rekken.--In een tegenovergesteld +geval!--welnu, ook dan is mijn besluit genomen!" + + + + + +ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Zoo vlught de nachtegael het vogelvangers garen, + En valt in 's arends klaauw. + + Vondel. Maria Stuart. + + +Ofschoon Madzy's verlangen om Utrecht zoo spoedig mogelijk te verlaten, +en de noodzakelijkheid om van den gesloten wapenstilstand gebruik +te maken, de toebereidselen tot het vertrek hadden verhaast, was het +echter reeds laat in den namiddag, toen onze heldin met haar gezelschap +de Witte poort uittrok, voorafgegaan door Arkel zelf, die in zijn +dos van schildknaap des Ridders van den Rooden Arend, welke bij het +krijgsvolk welbekend was, hun een onverhinderden aftocht verschafte, +en uitgeleide deed tot aan de overzijde der stadsgracht. Hier hield +hij een oogenblik stil, en, Madzy naderende, boog hij met eerbied +zijn gehelmd hoofd over de hand, welke zij hem ter afscheid toestak, +waarna hij, zonder een enkel woord te spreken, de teugels wendde +en langzaam weder naar binnen reed, terwijl de Jonkvrouw met haar +geleide haar weg vervolgde. Madzy bereed het paard, waarop Arkel bij +zijn vertrek van Nyenstein gezeten was geweest: en weinig dacht zij, +dat de vos, die een zoo zachte en gelijke beweging had, eens het +eigendom geweest was van dien ongelukkigen Deodaat, wiens beeld al +de vreemde voorvallen, die zij ondergaan had, nog geenszins uit haar +geest hadden geweerd. Naast haar reed Feiko, wiens oplettend oog al +de bewegingen van het paard zijner wedergevonden meesteres gadesloeg, +ten einde in staat te zijn, zoo er iets gebeurde, dadelijk met zijn +hulp bij de hand te kunnen zijn. In de achterhoede kwam onze goede +hansworst op zijn ezel, met den aap op den schouder en de tooverkast +van meester Barbanera op den rug, en beweerde al lachende, dat zijn +vracht zwaarder was dan die van grauwtje, en dat hij nabij de eerste +rustplaats beproeven zou, de kast op den ezel te zetten en zelf +op de kast te gaan zitten. Nevens hem reed een Cistenser monnik, +welken laatsten Arkel, zoo 't heette, uit overmaat van voorzorg, hun +tot gids en gezelschap had medegegeven. Hoewel beiden elkander veel +te vragen hadden, zetteden echter Madzy en Feiko hun weg in stilte +voort, liever verkiezende, hun onderhoud uit te stellen tot zij in 't +open veld en veilig waren; want niettegenstaande den wapenstilstand, +en de gerustheid, welke het gezelschap eens potsenmakers inboezemen +moest, bleef het een gewaagd stuk, aldus door een legerplaats heen +te trekken, waar men veel kans had kwalijk behandeld te worden, +en Madzy bovendien gevaar liep van herkenning, welke haar opzet ten +eenenmale zoude verijdelen. Zij reed dan langzaam en met omsluierd +gelaat, zonder op te zien, vooruit; maar Feiko daarentegen liet +gestadig, zoowel uit bezorgdheid voor haar als uit nieuwsgierigheid, +den blik nu her- dan derwaarts weiden, om te onderzoeken of er ook +eenig gevaar ophanden ware, en om te beschouwen wat bezienswaardig +scheen. Reeds hadden onze reizigers rechts en links van zich een +paar dier hooge stormtuigen laten liggen, waarvan er dertien om +de benarde stad waren opgericht, en waaruit, onder de bedekking +van de talrijke boogschutters, die zich op de bovenste verdieping +bevonden, steenen kogels van een ontzettende zwaarte in de stad werden +geschoten. Thans echter waren die gevaarten verlaten en alleen door +een kleine wacht bewaakt. Zij bevonden zich nu aan den ingang der +belegeringswerken, achter welke men tallooze horden, karren met aarde, +en andere voorwerpen onderscheidde, tot demping der gracht bestemd; +maar de belegeraars, afgetobd na de vermoeienissen der vorige dagen, +lagen meest allen in diepen slaap uitgestrekt en genoten die rust, +welke de wapenstilstand hun toeliet gedurende vier en twintig uren +ongestoord te smaken. Met dat al geraakten de vluchtelingen niet binnen +het rasterwerk, waarmede deze legerschans omsloten was, zonder door +de schildwachten te zijn aangehouden; maar dezen, zoodra zij Feiko +en Daamke voor dezelfde personen herkenden, welke dien morgen door +Jonker Zweder van Naaldwijk tot aan de poort waren geleid, lieten hen +onverhinderd doortrekken, 't zij uit eerbied voor den hun gegeven last, +'t zij uit aanmerking van den wapenstilstand, 't zij eindelijk omdat +zij te lui en te vermoeid waren om nadere bevelen te gaan vragen. + +Onze reizigers waren alzoo de werken doorgekomen, welke de stad als met +een ring omsloten, en bevonden zich op een ruimen grond, waar zij het +vooruitzicht hadden, vooreerst niet te zullen worden aangehouden;--want +de tenten lagen, uithoofde van plaatselijke omstandigheden, niet langs +den weg, dien zij volgden, maar aan weerszijden, meer landwaarts in; +terwijl schier elk krijgshoofd of Baanderheer zijn eigen kamp had, +zoodat men niet slechts ééne legerplaats zag, maar ongeveer evenveel +legerplaatsen als er bevelhebbers waren, naar de gelegenheid van +den grond hier en daar over de vlakte verspreid. Niet zonder moeite +echter vervolgde de kleine stoet zijn weg langs de groote heirbaan op +Amersfoort, die zelfs in gewone tijden niet gemakkelijk te berijden +was; maar thans, zoo door veelvuldige regens als door den gestadigen +overtocht van voet- en paardenvolk, legerwagens, karren met steenen, +mondbehoeften, en andere benoodigdheden voor de belegeraars, bijna +onbruikbaar was geworden. De zon, welke sedert een paar weken achter +donkere wolken was verscholen geweest, had echter onze reizigers, +even nadat zij Utrecht verlaten hadden, met haar welkome stralen komen +verkwikken, als wilde zij haar verschijning tot een goed voorteeken +voor den aangevangen tocht doen verstrekken, en bij onze lieve +zwerfster de hoop doen herleven, dat na de bange onspoedsdagen, welke +zij had doorgestaan, het geluk opnieuw voor haar zou dagen. Een los +zuidenwindje verdreef de dunne en waterlooze wolken, welke nog in het +luchtruim zweefden, en dartelde in het loof der hooge eikeboomen, welke +van verre zichtbaar waren, en wier breede kruinen op een schitterende +wijze door het zonnelicht bestraald werden. Vroolijk staken de witte +legertenten, die zich van afstand tot afstand vertoonden, tegen het +donkere groen af der omliggende bosschages. Nu en dan schitterde hier +en daar onder het somber geboomte de glans van een lanspunt of van +een helm, die een straal der zon terugkaatste en als een weerlicht +in de donderwolk flikkerde. Daar, om die legerplaatsen, heerschten +levendigheid en woeling, en boden zich tooneelen aan, nu eens bevallig +en schilderachtig, dan weder treurig en hartverscheurend, meestal beide +tevens. Men zag vlugge ruiterbenden, door blinkende Ridders aangevoerd, +wier veelkleurige banderollen sierlijk boven hun hoofd golfden, heen +en weder draven, over de koren- en boekweitvelden, waarvan, helaas! de +halmen, voor nog de aren hun wasdom bereikt hadden, waren afgemaaid om +tot voeder voor de paarden te dienen: men zag talrijke wagens, beladen +met het puin der afgebroken of afgebrande erven en met de takken en +tronken van neergehouwen boomen, ter demping der grachten aangevoerd +en misschien geleid door de ongelukkige bewoners en eigenaars zelven, +door den onbarmhartigen soldaat tot dien arbeid geprest. Men zag +krijgslieden zich vermaken met een kegelspel, met den wedloop, met +het schieten met den boog;--en daarlangs, hunne in den krijg gekwetste +makkers met karren vol vervoeren. Hier en ginds lagen er nog, die bij +den laatsten uitval het leven hadden ingeschoten, en wier lichamen, +in slooten en greppels, of achter struiken nederliggende, nog door +hun krijgsmakkers niet ontdekt waren. Het gevoelige hart van Madzy +was door dergelijke schouwtooneelen diep geroerd: en menigwerf wendde +zij de oogen van de haar omringende landstreek af, om die naar den +blauwen hemel te wenden: "ja!" dacht zij dan bij zich zelve: "hier +op aarde is alles woeling en onrust! Daarboven alleen woont vrede." + +Terwijl Madzy aldus peinsde, en Feiko, hoe ook brandende van +nieuwsgierigheid om eens haar wedervaren recht te verstaan, niet +dan met moeite de vragen bedwong, welke op zijn lippen zweefden, +en welke de eerbied voor haar neerslachtigheid alleen wederhield, +kwam Daamke, wien het gezelschap van den monnik begon te vervelen, +hun op zijde. "Nu!" riep hij: "bij Sint-Julfus: zoo die Cistenser +broeder al de deugden, die hij betrachten moet, zoogoed waarneemt als +die der stilzwijgendheid, is er in het Paradijs geen stoel te goed +voor hem; want de vent spreekt evenmin of hij doof en stom ware en +laat zoo weinig van zijn bakkes zien als een beurzensnijder, die met +een diefleider hetzelfde veer moet oversteken." + +"Hij zit met dat al goed in den zadel," zeide Feiko, even omziende: "en +ik zou mij bedriegen, indien hij niet meer in zijn leven gedaan had, +dan vigiliën te zingen en missen te lezen:--in waarheid!" herhaalde +hij, nogmaals omziende: "hij rijdt puik! puik! de Heer van Aylva zit +niet beter te paard." + +En door die warme belangstelling gedreven, die elken liefhebber +van paarden, hoeveel te meer een Frieschen liefhebber, bezielt, kon +onze goede Feiko niet nalaten, in spijt van zijn bezorgdheid voor de +Jonkvrouw, telken reize het hoofd te wenden om de rijkunst van den +vromen pater te bewonderen, die, zonder te bemerken dat men acht op +hem sloeg, tusschen de ooren van zijn paard voor zich neder keek en +voor niemand eenige gedachten scheen te hebben dan voor het moedige +ros, dat hij bereed. + +"Voorwaar!" riep onze vroolijke hansworst, terwijl hij de blikken in +'t rond sloeg en zijn tong in vrijheid vierde: "ziedaar een schoon +schouwspel! bij Sint-Julfus! mijn waarde Cezar, mochten wij eens +samen over die velden trekken als de strijd volstreden is en het +slagveld verlaten! Wat een vette buit ware daar voor u en mij ten +beste.--Voorwaar! ik heb vrij wat legers gezien; maar men zoude +er moeilijk een aantreffen, zoo rijk en prachtig als dat van den +Graaf! Wat dunkt u, vriend Feiko! zou de tiendepart van dat troepje +niet genoegzaam wezen om uw landje in te pakken?" + +"Laten zij in tiendubbelen getale komen," antwoordde Feiko: "dan waren +wij pas gelijk; want als zij komen, staat geheel Friesland als één +man op; en zij zullen nog een harden dobbel hebben, dat beloof ik u." + +Op dit oogenblik gaf Madzy een gil en haar paard deed een +zijsprong. Het dier was geschrikt voor een lijk, dat dwars over den +weg lag uitgestrekt. Feiko, die juist dat oogenblik omkeek naar +den monnik, ware te laat gekomen om Madzy te helpen, indien haar +paard gestort ware; maar de pater, hoeveel hij oogenschijnlijk zich +alleen met zijn eigen ros bezig hield, toonde zich op dit oogenblik +meer bij de hand dan de trouwe dienaar zelf, en was dadelijk aan de +zijde der Jonkvrouw. Hij kortte de teugels, zoodra hij bespeurde, +dat zij, zonder iemands hulp, haar vos weder in bedwang had, en bleef +in de achterhoede. + +"Wees voorzichtig, Jonkvrouw!" riep Feiko verschrikt:--"wat duivel, +Pater! gij hebt uw oogen overal en zoudt er vlugger bij zijn dan ik." + +Een half gesmoord gemompel, dat men niet duidelijk kon onderscheiden +of het een gebed dan een vloek ware, was het eenige antwoord, dat de +monnik gaf. + +Madzy had intusschen haar paard bij het lijk doen stilhouden. + +"In Gods naam!" zeide zij: "vrienden! ziet toch eens; misschien leeft +hij nog." + +"'t Is een Bisschoppelijke ruiter," zeide Daamke, het lijk met zijn +zotskolf aanstootende: "zie eens! hij is reeds stijf." + +"Dat gezicht heb ik meer gezien," zeide Feiko, de wezenstrekken des +gesneuvelden aandachtig beschouwende. + +"Dat geloof ik wel," zeide Daamke, lachende: "heugt u den +Haarlemmerhout niet meer, en den koddebeier, met wien gij zoo dapper +aan 't bakkeleien zijt geweest?" + +"Bij mijn zaligheid!" zeide Feiko: "het is dezelfde man; maar hoe +duivel komt hij hier in het pak van een Bisschoppelijken ruiter?" + +"Zeker is hij bij een uitval gebleven," zeide de potsenmaker: "wie +had kunnen denken, toen wij, zes weken geleden, te Plaswijk bij den +kroes zaten, dat ik u hier zoo ongelukkig zoude vinden rotten? Daar +hebt gij nu wat aan gehad, om uw wijf te slaan en met eens andermans +paarden door te gaan. Ik geloof wel, Jonkvrouw! dat uw vos voor hem +schrikte. Zij zijn oude kennissen." + +"Hoe!" zeide Madzy: "was die ongelukkige de man...." + +"De man van Elske, met uw verlof," zeide Daamke: "en de dief van +het paard, dat gij berijdt. Maar kom!" vervolgde hij, de bleekheid +bespeurende, welke deze herinneringen over Madzy's gelaat hadden +verspreid: "het wordt tijd om verder te gaan, indien wij nog heden +te Amersfoort willen zijn." + +Bedrukt en sidderend begaf Madzy zich weder op weg. "Gij waart dan +te Plaswijk," voer zij voort: "en dat dier, was het met u?" + +"Bij mijn zotskolf! Jonkvrouw!" zeide Daamke: "nu ik mij wel bezin, +moet gij geen goed oog op mijn Cezar hebben; want, alles wel beschouwd, +begin ik te begrijpen, dat hij u uit uw slaapplaats verdreven heeft." + +Madzy bloosde; want zij zag nu in, hoe ongegrond haar schrik in dien +nacht geweest was, en hoevele onaangenaamheden zij zich had kunnen +besparen, indien zij geen gehoor had gegeven aan de eerste opwelling +van den angst, maar bedaard onderzocht, of de verschijning, welke haar +verraste, natuurlijk ware of niet. "Cezar! Cezar!" zeide zij, het beest +met den vinger dreigende: "gij hebt mij vrij wat onheils berokkend." + +"Kom!" zeide de hansworst: "gij moet het hem vergeven, Jonkvrouw! om +der goede diensten wille, welke hij u bewees, door dat zaterdagsche +wijf, dat u zoo gebruid heeft, een frisschen knauw te geven." + +"Stil!" zeide Madzy: "over haar verlang ik niets meer te hooren, +noch ten goede, noch ten kwade.... maar zeg mij, ziet gij ginds geen +stormhoeden blinken achter de heggen?" + +"Juist! wij komen hier aan den buitensten cirkel van de legerplaats: +en daar is geen bidden voor; wij moeten er door. Zij houden scherpe +wacht hier, dat beloof ik u: en ware het niet door dien Jonker van +Naaldwijk geweest, wien God loone en spoedig zijn riddersporen met eere +doe verwerven, wij hadden er wel eeuwig kunnen staan blauwbekken. Ik +hoop intusschen, dat wij hem weer ontmoeten; maar 't zij hoe 't zij, +Jonkvrouw! er moet een vroolijk gelaat getoond worden en een liedje +gezongen: hoe luidruchtiger wij zijn, hoe minder kwaad vermoeden wij +zullen wekken." + +En aanstonds ving hij aan met een heldere stem een liedje te zingen, +waar de inhoud ongeveer van was als hier volgt: + + + DE VEERMAN AAN DE LEK. + + Jan Carels zit aan het Lekkerveer + En vaart met zijn pontje al heen en weer: + En wie aan Jan Carels geen tol betaalt, + Hij wordt met zijn pontje niet overgehaald. + + Daar roept hem een monnik, een man van verstand: + "Ei spoedig! gij veerman! naar d' overkant!" + "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast: + "Maar heb je nu al in de beurs getast?"-- + "De monniken dragen geen beurs op zij." + "Dan spreek je mij straks van mijn zonden vrij. + De pater zijn tol met een aflaat betaalt, + Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!"-- + + Daar roept hem een kook'ler, een geestige kwant: + "Ei, spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"-- + "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast: + "Maar heb je nu al in de beurs getast?"-- + "Mijn aapje is kaal en zijn baas is als hij!" + "Welaan dan: zoo doe hij drie sprongen voor mij; + De kook'ler zijn tol met een kunstje betaalt, + Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!"-- + + Daar roept hem een meistreel, de veêl in de hand: + "Ei spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"-- + "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast: + "Maar heb je nu al in de beurs getast?"-- + "De meistreel is arm, geloof mij vrij." + "Welaan dan: zoo zingt gij een deuntje voor mij. + De meistreel zijn tol met een liedje betaalt, + Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald."-- + + Daar roept hem een meisje, een bloem in de hand: + "Ei spoedig: gij veerman! naar d' overkant!"-- + "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast: + "Maar heb je nu al in de beurs getast?"-- + "Och, veerman, zoo waar, 'k heb geen penning bij mij."-- + "Zoo schenk mij uw bloem en een kusje daarbij." + Het meisje haar tol met een kusje betaalt, + Of zij wordt door Jan Carels niet overgehaald."-- + + Daar roept hem een Heer, rijk in goed en in land: + "Ei spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"-- + "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast: + "Maar heb je nu al in de beurs getast?"-- + "Neen lomperd, van veergeld is de adeldom vrij."-- + "Dan blijf je maar, vriendje, aan de overzij; + Want wie aan Jan Carels geen tol betaalt, + Die wordt met zijn pontje niet overgehaald." + + +Hij had zijn lied geëindigd, toen zich reeds eenige wapenknechten, +die hier aan de voorposten stonden, en deels op hun strijdkolven, +zeisen of bogen leunende, deels langs den weg nederzittende, zijn +gezang beluisterden, met een vroolijk gelach, hetwelk aan Madzy tot +een goed voorteeken verstrekte, onze reizigers kwamen omringen. + +"Welzoo, meester hansworst! alweer terug?" riep een der soldaten hem +toe: "en nogal wel met uw aap?--Begon het u in Utrecht al te vervelen?" + +"Men heeft er een al te schralen pot," antwoordde Daamke, "voor lieden, +die houden van volop te schransen, gelijk meester Cezar en ik." + +"Ik geloof het wel," hernam de krijgsman: "en wat mij het meest +verwondert, is dat men er u beiden niet aan 't spit gestoken heeft, +en uw ezel er bij. Maar, bij mijn zolen! uw gezelschap is verdubbeld +sedert hedenmorgen." + +"Bij Sint-Julfus!" zeide Daamke: "dat is buit, dien ik gemaakt +heb: gevangenen van mijn zotskolf, die ik uit de mijterstad +medebreng. Plaats! plaats! ruimbaan voor Daamke den alwillensdwaas +en zijn gevangenen." En hij deed deze woorden vergezeld gaan door +eens dapper met zijn zotskolf in de rondte te zwaaien. + +"Hou! hou! dat gaat zoo gauw niet," zeide de krijgsknecht: "wij moeten +eerst uw gevangenen eens bekijken: of denkt gij, dat wij die jonge +meid, die daar met u trekt, op een paard, dat een Ridder zou passen, +tolvrij zullen laten doorgaan? en dien monnik, zonder dat hij een +veer zou laten?--Neen man! gij hebt het zelf gezongen; een kusje van +de deerne; en de pater zal ons _absolutie_ geven voor al de zonden, +die wij bedreven hebben of nog voornemens zijn te bedrijven." + +Madzy ontstelde eenigszins op het hooren van deze redenen; vooral +toen zij de onbeschaamde blikken bespeurde, welke sommigen uit de +bende op haar wierpen, en de grove uitdrukkingen hoorde, waarvan zich +deze en gene onder hen bediende. + +"Waar is uw aanvoerder?" vroeg Feiko, vooruitrijdende: "Jonker Zweder +heeft ons hedenmorgen uit diens naam veroorloofd ongehinderd te gaan +en terug te keeren." + +"Tut! tut!" zeide een van de bende: "hij zou wel dwaas zijn, die +hem roepen ging. Elk zijn beurt, vriendje! De kans is nu voor ons, +en niet één zal er door zonder tol te betalen." + +"Ik heb er niets tegen om u een klein rantsoen te betalen," zeide +Madzy: "noem uw eisch; maar bedenk, dat wij arme reizigers zijn." + +"Arm of niet," zeide de soldaat, Madzy naderende, en de beweging +makende, alsof hij haar van het paard wilde helpen: "een mooi meisje, +dat haar rantsoen met kusjes betalen kan, is altijd rijk genoeg." + +Madzy gaf een flauwen kreet van angst; maar Feiko, in gramschap +ontstoken over de onbeschaamdheid des lansknechts, dreef zijn paard +met zulk een geweld tegen dezen aan, dat hij achterover tuimelde. Op +hetzelfde oogenblik waren twintig strijdbijlen en kolven opgeheven +en bedreigden den getrouwen Fries, die, zich evenmin door het aantal +latende afschrikken, als hij zulks te Haarlem gedaan had, zijn knuppel +met beide handen rondzwaaide en op de hoofden der aanvallers deed +nederkomen. + +"Wij zijn op de flesch!" riep de hansworst, wiens dapperheid, gelijk +ons vroeger gebleken is, niet van de schitterendste was: en meteen +vierde hij de teugels van zijn ezel. Het dier holde met een snelheid +voort, alsof het in Navarre, dat vaderland der beste grauwtjes, geboren +ware geweest. Wel zonden hem de boogschutters eenige pijlen achterna; +maar de tooverkast, die den nar op den rug danste, verstrekte hem +tot een schild: en in weinige oogenblikken was hij uit het gezicht. + +Wat Madzy betrof, op hetzelfde tijdstip, waarin de kloeke daad van +Feiko de aandacht der bende op hem had gevestigd, was de cistenser +monnik haar op zijde gekomen. + +"Vlucht!" zeide hij: en meteen den teugel van haar paard grijpende, +zette hij het zijne in galop; maar, om de pijlen te vermijden, volgde +hij niet de groote heirbaan zelve, doch stuurde de beide rossen een +zijlaan in, die evenwijdig met den landweg liep, van welken zij door +een rij berkeboomen was afgescheiden. + +Madzy, onmachtig de snelle vaart te bedwingen, welke de monnik aan +haar paard gegeven had, reed een wijl hijgende en schier sprakeloos +naast hem: nauwelijks waren zij echter een honderd roeden verder, +of zij greep den monnik angstig bij den arm: "Om Gods wil!" riep zij: +"laten wij niet verder gaan! Zij zullen den armen Feiko vermoorden!" + +Maar de monnik scheen òf weinig over het lot van den dienaar bekommerd +te zijn, mits het hem slechts gelukte, de meesteres in veiligheid te +brengen, òf te beseffen, dat zij, door terug te keeren, slechts zich +zelven in gevaar zouden brengen, zonder Feiko van eenigen dienst +te kunnen wezen: terwijl juist diens achterblijven een afleiding +ten hunnen voordeele verwekte. Hij gaf dan ook geen antwoord; maar +moedigde, met het korte zweepje, dat hij in de hand had, het paard +van Madzy aan om met des te meer snelheid voort te rennen. + +Het gevaar was echter slechts tijdelijk voorbij; want zij waren nog +maar een voorpost doorgekomen en mochten dus met recht weldra een +nieuw oponthoud verwachten. Dit deed zich zelfs spoediger op dan zij +dachten. Eenige roeden verder maakte de weg een bocht, en bevonden zij +zich eensklaps op een open pleintje, waar zij een schouwspel zagen, +wel geschikt om hun bezorgdheid gaande te maken. + +De plaats, waar zij gekomen waren, was omtrent cirkelvormig en met +een dubbele rij stevige rasters omringd, welker punten naar hen waren +toegekeerd. De ingang was nauw en werd 's nachts door een valboom +gesloten, welke nu echter was opgehaald. Links stonden eenige tenten, +onderscheiden in vorm en grootte: op sommige prijkten banderollen, +welke den rang en adeldom der bewoners aankondigden. Tegenover de +tenten zag men karren en ander voer- en oorlogstuig. Krijgsknechten +van onderscheiden wapen wandelden heen en weer of waren bezig met het +polijsten en opscherpen hunner bijlen en seizen: enkelen ook met het +spel: timmerlieden waren werkzaam aan het vervaardigen of bruikbaar +maken van allerlei storm werktuigen:--in 't kort, het was een tooneel +vol gewoel;--maar op het oogenblik, dat Madzy en haar reisgenoot +aan den ingang kwamen, scheen de aandacht van al de aanwezigen op +eenmaal te worden afgetrokken door zeker voorwerp, dat zich midden op +den weg bevond, en waar omheen zich allen ras verzamelden. Wat het +echter ware, kon noch de Jonkvrouw, noch de monnik ontdekken, daar +de toevloed der omstanders gedurig aangroeide en zulks verhinderde. + +De monnik had voor den ingang de beide paarden doen halthouden en van +onder zijn kap eenige donkere blikken om zich heen geslagen, ten einde +te ontdekken, of er geen mogelijkheid ware, zijn weg te vervolgen, +zonder de gevreesde omheining binnen te rijden; maar hij zag spoedig, +dat hiertoe geene mogelijkheid bestond: en terwijl hij dus besluiteloos +rondzag, reed Madzy, die inmiddels haar tegenwoordigheid van geest +herkregen had, onvervaard het poortje binnen. + +"Verzoek uw hopman hier te komen," zeide zij, zich met waardigheid +tot een ouden krijgsknecht wendende, die met een speer op den schouder +kwam zien, wat dit bezoek te beduiden had. + +"Wat duivel! komt gij uit de lucht vallen?" vroeg de speerman, +over deze toespraak en nog meer over hun onverwachte verschijning +verwonderd: "slapen zij op de voorposten? Ziedaar een dronken +hansworst, een monnik en een jonge deerne, die zij doorlaten en ons +zonder geleide op ons dak sturen, alsof het kamp een kroeg ware, +waar elke leeglooper onverhinderd insnijdt." + +Madzy achtte het onnoodig den nieuwsgierigen krijgsman te antwoorden, +dat men aan de voorposten waakzaam genoeg was. "Ga!" zeide zij: +"en haast u, bevel aan de voorposten te zenden, om den man, met wien +zij bezig zijn, geen leed te doen, maar onverhinderd hier te brengen." + +"Wat hamer!" zeide lachende een uit den hoop (want inmiddels waren +ettelijke krijgslieden naar dit nieuwe voorwerp hunner nieuwsgierigheid +komen aan wandelen): "zijn wij onder 't spinrokken vervallen, dat +wij bevelen ontvangen van een jonge meid?" + +"Gij kunt vrij lachen," zeide de speerman, die het eerst gesproken +had, en wien een grijze baard en een verbrand, met een paar breede +litteekens versierd gelaat als een ouden gediende leerde kennen: +"er moet iets aan de voorposten gebeurd zijn: en ik geloof, dat ik +wel zal doen, te handelen juist zooals die deerne het mij verzocht." + +"Zie dien ouden snoeshaan," hernam de andere soldaat: "altijd +hoffelijk, als ware hij een Ridder, die zijn meisje dient." + +"Eene zeer juiste aanmerking," zeide de veteraan: "waarvoor gij, +Gilles Adriaansz! het voorrecht zult hebben met uw vijf man naar +den voorpost te gaan en te zien of alles rustig is.--Zoo er lieden +aangehouden zijn, breng ze hier. Ik zal zelf naar den hopman gaan." + +Dit gezegd hebbende, richtte hij zijn schreden naar eene der tenten, +terwijl Gilles Adriaansz, weinig tevreden met den hem opgedragen +last, waartegen hij zich echter niet dorst te verzetten, de vijf +man, welke onder zijn bevel stonden, bijeenriep en met hen naar den +voorpost wandelde. + +"Wat wilt gij?" vroeg de monnik met een fluisterende stem aan Madzy. + +"Mijn oogmerk is, bij den hopman op een vrijgeleide aan te dringen: +zoo hij mij weigert, welaan! dan zal ik mij bekend maken en den +uitslag afwachten. Hetzij dan een klooster in 's Hemels naam." + +De monnik scheen te willen antwoorden: maar hij weerhield zich: en een +doffe zucht was het eenige blijk van verwondering of ontevredenheid +dat hem ontsnapte. + +In dit oogenblik werd Madzy's aandacht door een ander schouwspel +gewekt. De hoop, die het midden van het plein vervulde, was gedund +en gedeeltelijk uiteengegaan, en liet haar den armen hansworst zien, +die, van zijn ezel gevallen zijnde, met zijn kast, waarin eenige +pijlen staken, op den rug, niet kwalijk op een stekelvarken geleek, +en langs den grond kroop, onder het aanheffen van droevige weeklachten. + +De goede Madzy, wanende dat de arme Daamke een wond had bekomen, +stuurde haar ros naar hem toe en vroeg hem met deelneming of hij +gekwetst ware. + +"Gave de goede God," zeide de hansworst, "dat de pijl mij getroffen +had, en niet mijn trouwen vriend en makker." + +"Hoe!" vroeg Madzy: "wie dan? wie is gewond?" + +"Zijn broertje is gewond," riepen verscheidenen onder de omstanders +lachende uit. + +Nu eerst zag Madzy, dat het voorwerp van Daamke's bittere smart geen +minder persoon was, dan de behendige meester Cezar, die, terwijl de +hansworst voor de op hem afgeschoten pijlen vluchtte, het gewaagd had, +eens over de kast heen te kijken en in dat noodlottig oogenblik een +pijl door den kop gekregen had. Het arme dier lag levenloos in den +arm zijns meesters, die het met de teekenen der diepste droefheid +aan zijn hart drukte en met heete tranen bevochtigde. + +"Lacht vrij, steenen harten!" kreet hij: "lacht vrij: er zullen nimmer +zoovelen om zijn dood lachen, als hij bij zijn leven lachen deed; +maar uw arme meester zal niet meer lachen, nu gij hem ontnomen zijt, +mijn lief en aardig snaakje! Ach! hoe netjes kon hij op 't commando een +buiging maken voor 't gezelschap, en doodliggen, net zooals nu!--maar +nu zal hij niet weer opstaan, en het is over met al zijn grapjes, +over voor altijd! Och! wat hebben wij al samen doorgebracht! en +lief en leed, zoet en zuur altijd gedeeld! en dat ik u nu zoo moet +verliezen! och! och! ik ben alles kwijt:--mijn meester; die zelfs de +beste kokelers van Gaskonje in bekwaamheid overtrof! en mijn Cezar, die +hooger sprong dan een springer van Poitou! Och! ik heb alles verloren!" + +Ofschoon Madzy juist niet veel verplichting aan den overledene gehad +had, gevoelde zij zich niettemin geroerd door den toon van innigen +rouw, waarmede de hansworst zijn verlies betreurde. Het was duidelijk +te zien, dat zijn smart bij den dood van zijn ruigen metgezel niet +daaruit ontsproot, dat hij met hem de bron van zijn winsten en +bestaan verloor, en dat hij hem ook niet beklaagde, gelijk een kind +zijn vogel of een oude huishoudster haar mopshond betreurt, uit eenig +kinderachtig zwak voor het beest; maar dat zijn gevoel sproot uit een +oprechte, teedere verknochtheid, die het gevolg van een langdurigen, +schier broederlijken omgang was, en van alle denkbeelden van baatzucht +afgescheiden. + +Onze heldin had echter niet lang tijd om haar meewarigheid te toonen; +de oude speerman keerde terug met een jeugdigen schildknaap, die +haar de boodschap bracht, dat zijn meester haar wachtende was, en +haar tegelijk de hand bood om haar van 't paard te helpen. Terwijl +zij, afstijgende, den knaap bedankte, zag zij hem in 't gezicht, en +het kwam haar voor, als had zij hem voordezen nog eens ontmoet. De +spotachtige glimlach, die op zijn lippen zweefde, scheen deze meening +te bevestigen. + +De monnik steeg insgelijks af, als met het oogmerk om zijne reisgenoote +te vergezellen; maar de veteraan verhinderde dit: "de Ridder heeft +nog onlangs gebiecht," zeide hij: "hij heeft nu alleen van de deerne +gesproken:--misschien," voegde hij er bij, lachende om zijn eigene +geestigheid, "zal hij een priester noodig hebben als het meisje van +hem af is." + +De monnik trilde van toorn; maar hij hield zich in; en tegen zijn paard +leunende, bleef hij staan, als in diep gepeins verzonken, terwijl +de naastbijstaande knechten meenden hem in zich zelven te hooren +mompelen: "ja! 't is misschien beter, dat zij alleen gaat.... wie +zou haar kunnen weerstaan?" Sommigen echter merkten op, dat hij +gedurende Madzy's afwezigheid blijken gaf van innerlijke onrust en +dat hij meer dan eens met de hand krampachtige bewegingen maakte en +onder zijn kleed voelde, alsof hij een wapen zocht om zich tegen een +onverwachten aanval te verdedigen. + +Ondertusschen was Madzy haar jeugdigen leidsman gevolgd, die haar, +tusschen twee rijen tenten door, geleidde naar die des bevelhebbers. + +"Onze goede Heer van Beaumont is thans niet in het kamp," zeide de +schildknaap, haar op een prachtig paviljoen wijzende, dat gesloten en +waar de banier van afgenomen was: "hij is den Graaf gaan bezoeken, +die een wond aan den voet bekomen heeft. Daarom breng ik u bij mijn +meester, die in zijn afwezigheid over dezen post bevel voert." + +"En wie is uw meester, goede schildknaap?" vroeg Madzy. + +"Ho! Jonkvrouw!.... dat zult gij ras bespeuren.... iemand, wien de +schoone Madzy niet vergeefs om een gunst zal vragen, dat beloof ik u." + +"Gij kent mij?" zeide zij verbaasd:.... "maar nu ik mij wel herinner, +ik heb u ook gezien, in een anderen dos!--zijt gij niet de neef van +die vriendelijke Jonkvrouw van Naaldwijk, welke mij op den Vogelesang +met zooveel hartelijkheid behandelde?" + +"Juist geraden, schoone Jonkvrouw! Ik ben Zweder van Naaldwijk, en +heb de muts van den page voor den stormhoed verwisseld, om de edele +wapenkunst te leeren bij den braven Ridder, voor wiens tent wij ons +thans bevinden." + +Dit zeggende hield hij stil voor een paviljoen, dat wel niet zwierig +of prachtig, maar toch ruimer scheen dan de overige. Een schildknaap, +ouder dan Zweder, stond voor den ingang bezig met een klein hamertje +de bulten en blutsen uit zijns meesters harnas te kloppen. + +Na aangediend te zijn, trad Madzy de tent binnen. Het eerste +voorwerp, waar haar oog op viel, was een sluier, met zilveren lieren +geborduurd en afhangende over een wapenrusting, die midden in de tent +prijkte. Haar tweede blik viel op den bewoner der tent: en zij had +moeite om zich staande te houden, toen zij in dezen de onvergeetbare +trekken bespeurde van hem, wiens beeltenis haar zoo vaak voor oogen +zweefde, van Deodaat van Verona. + +De verrassing van den Ridder was groot: echter minder dan de hare; +want Zweder had hem reeds gemeld, dat hij Feiko verlof gegeven had +om binnen Utrecht te gaan; maar weinig had hij durven hopen, dat die +trouwe dienaar zoo voorspoedig in zijn onderneming geslaagd zou zijn, +om denzelfden dag nog, en wel met Madzy terug te keeren. + +Een vroolijke glimlach helderde het gelaat des Ridders op: hij gaf +Zweder een wenk om zich te verwijderen en, de eenige zitbank opnemende, +welke zich in de tent bevond, zette hij die voor Madzy neder, terwijl +hij intusschen geene andere woorden vinden kon om zijn blijdschap +te schetsen, dan: "is het mogelijk? welk een gezegend toeval vergunt +mij dit genoegen? 't Is meer dan ik had kunnen hopen of verwachten!" + +"God zij geprezen! gij leeft dan nog," was alles wat Madzy uit kon +brengen: haar gemoed was zoo vol, de verrassing zoo volkomen, en haar +blijdschap zoo groot, dat zij zich op het punt gevoelde van in flauwte +te vallen. Terwijl zij wankelende een steun zocht, onderving haar de +arm van Deodaat. Zij zonk met het hoofd tegen zijn schouder en weende. + +O! welk een vloed van zoete, van hemelsche aandoeningen doorstroomde +het gemoed des jongelings. Zij, welke hij zoo onuitsprekelijk teeder +beminde, zij, welke hij gevreesd had nimmer terug te zullen zien, zij +lag vertrouwelijk in zijn arm: haar adem beroerde zijn wang en hare +tranen getuigden, dat het weerzien haar niet onverschillig was. Met +welk een onstuimige vreugde sloeg hem het harte, toen hij het hare +daartegen voelde kloppen! Maar wat wagen wij, het gevoel te malen, +dat zijne ziel vervulde? Al wie, gelijk hij, eenmaal het geluk heeft +gesmaakt, van het geliefde voorwerp na een scheiding, die men eeuwig +dacht, terug te zien, zal die gewaarwordingen gevoelen; voor anderen +zouden wij die vruchteloos beschrijven. + +Weldra echter vervloog als een zalige droom de zoete vreugde, +welke ook Madzy in deze omarming smaakte, en vertoonde zich het +wezenlijke van haar toestand voor haar oogen. Zij schaamde zich, +aan hare zwakheid te hebben toegegeven. Zachtjes maakte zij zich +uit de armen van Deodaat los, eer deze nog de stoutheid had durven +gebruiken, om het gunstige oogenblik waar te nemen en op den mond, +wiens adem hij voelde, een vurigen kus te drukken: zij zette zich op +de zitbank neer en zag bedeesd voor zich. + +"Madzy! aangebeden Jonkvrouw!" stamelde Deodaat, terwijl hij voor +haar nederknielde, en hare handen met eerbiedige liefde aan hart en +lippen drukte. + +"Ridder! dit moet zoo niet zijn," zeide Madzy: "ons laatste onderhoud +heeft al reeds genoeg gekost: ik verheug mij hartelijk, u weder +hersteld te zien." + +"De wond is spoedig geheeld geweest," zeide Deodaat: "en zou ik die +niet zegenen, nu zij mij het genoegen verschaft van een woord van +belangstelling uit uwen mond te vernemen!" + +"Ridder!" zeide Madzy, weemoedig het hoofd schuddende: "waartoe dient +het, een ongelukkig meisje, dat al genoeg geleden heeft, met ijdele +plichtplegingen te overladen! De oogenblikken zijn te kostbaar en +het zal toch de laatste reis zijn, dat wij elkander zien." + +"IJdele plichtplegingen!" riep Deodaat: "ach! kunt gij dit ernstig +zeggen?--maar gij hebt gelijk:--ik herinner mij ter goeder ure, +dat gij de verloofde bruid van Seerp Van Adeelen zijt." + +"Seerp Van Adeelen zal nimmer mijn echtgenoot worden; hij zelf, +hij heeft mijn hand afgeslagen." + +"Mijn God!" riep Deodaat: "waar kan de man bestaan, die zulk een +prijs weigert?" + +"Veroordeel hem niet," zeide Madzy, blozende en verward: "hij moest +denken dat ons gesprek op den Vogelesang een.... het gevolg van een +afspraak was.... en dat ik u.... dat mijn hart.... in 't kort, hij +beschouwde mijn gehouden gedrag uit een ongunstig oogpunt.... en +misschien had hij niet geheel ongelijk.... ik had u nooit moeten +aanhooren." + +"Gij zijt wederom vrij!" riep Deodaat, wiens oogen van vreugde +fonkelden: "en waarom zou dan mij de hoop worden afgesneden?" + +"Helaas!" zeide Madzy, terwijl haar blauwe oogen, door tranen bewolkt, +hem aanzagen met een onbeschrijfelijke uitdrukking van teederheid en +weemoed: "waarom schept gij er behagen in, mij en u zelven te kwellen, +door een vooruitzicht te willen voeden, dat nimmer kan verwezenlijkt +worden?" + +"En waarom, vraag ik op mijne beurt," zeide de Ridder, "waarom zoudt +gij, uit wier lieve oogen slechts zachtheid en welwillendheid spreken, +zoo wreed zijn, om mij de laatste troosteres des menschdoms, de hoop, +te ontzeggen? Zal een teedere, belangelooze liefde niet in staat +zijn uw hart voor mijn smeekingen gevoelig te maken? O! verschuif +het tijdstip zooverre gij wilt; maar ontzeg mij het uitzicht niet, +van u eenmaal de mijne te mogen noemen." + +"Ridder!" hernam Madzy, op een minzamen, doch vasten toon: "ik wil +u oprecht antwoorden. Indien ik in deze streken geboren ware, of +gij een Fries waart, zou mij misschien het aanbod uwer liefde niet +onverschillig zijn. Ik heb achting voor u,.... en mijn hart had u +wellicht boven anderen verkozen.... neen!--spaar uwe betuigingen en +antwoord mij nog niet: ik heb niet uitgesproken.--Gij zijt geen Fries, +Ridder! en mijn landaard, altijd afkeerig van vreemden, zou thans meer +dan ooit de dochter van Friesland verachten, die hare bezittingen in +de handen van uitlanders deed overgaan. Haat en vervolging zouden mijn +loon zijn, indien ik tot zulk een stap besloot: en daarin zoudt gij +deelen:--wij zouden het land mijner vaderen moeten verlaten:.... ook +dat, zult gij zeggen, ware slechts een geringe opoffering voor +al, wie zulks met het beminde voorwerp doet; en het kan zijn, dat +geene bezittingen opwegen tegen armoede met den lieveling van ons +hart;--maar!--ik zou een grooter schat verliezen en dien wil ik niet +opofferen:--mijn goede naam ware onherstelbaar verloren." + +"Uw goede naam!" herhaalde Deodaat, verbaasd, ja eenigszins gevoelig: +"'t is waar, mijn geboorte is nog duister; maar mijn eer is onbevlekt." + +"Gij misduidt mijne woorden. Oordeel zelf: Adeelen verdenkt mij: +door u te huwen, zou ik zijn vermoedens niet alleen bevestigen, +maar geheel Friesland zou in den waan geraken, dat ik mijn bruidegom +verraden had om eenen anderen mijn min te schenken." + +"Adeelen verdenkt u!" herhaalde Deodaat, zich voor 't hoofd slaande: +"ik dwaas! en ik ben de oorzaak van uw verdriet. Helaas! ik gevoel +het: gij behoordet mij te haten; maar ik zweer het u, zoodra mijn +plicht het gedoogt, zal ik den trotschen stijfkop in Friesland komen +opzoeken: en wee hem! zoo hij zich een woord durft laten ontvallen, +dat beleedigend voor uwe eer mocht zijn." + +"Een dergelijke onvoorzichtigheid zou slechts verkeerde uitwerkselen +hebben," zeide Madzy: "mijn land is niet als Frankrijk, waar de eer +van een vrouw aan de punt van 't zwaard hangt." + +"Gij hebt misschien gelijk," zeide Deodaat: "en toch behoort er iets +gedaan te worden. Madzy! op mijn woord, op welken hoogen prijs ik uw +bezit zoude stellen, toch zag ik u nog liever de gade eens anderen, +dan dat de minste vlek op uw naam kleefde, die ik er af kon wasschen." + +"Wel!" hernam de Jonkvrouw: "laat ons dan beginnen met voor het +tegenwoordige te zorgen. Een langer onderhoud met u zou juist +geschikt zijn, om stof te geven aan de opspraak, die gij voorkomen +wilt. God weet het: het is mij lief, u wèl gezien te hebben; maar +had ik geweten, dat men mij tot u voerde, ik had mij wel gewacht dit +onderhoud te vragen." + +"Hoe!" zeide de Ridder: "gij wist niet.... en wien zoekt gij dan?" + +Madzy was juist begonnen hem een kort verslag te geven van haar oogmerk +om naar Friesland te trekken, toen de gedachte, dat Feiko misschien het +offer van zijn trouw geweest was, haar op eens als een dolksteek door +'t hart kwam, en zij zich zelve bitter verweet, om hare dwaze liefde, +dien braven dienaar een oogenblik te hebben vergeten. + +"Om Gods wil, Ridder!" zeide zij, "mijn trouwe Feiko!.... hij is aan +de voorposten slaags geweest met uw volk! ik ben doodelijk bekommerd +over hem." + +"Wij zullen naar hem laten vernemen," zeide Deodaat: "Zweder!" + +De jonge schildknaap trad binnen. + +"Ga eens vernemen wat er van den man geworden is, die aan de voorposten +gevochten heeft." + +"Ik ben zooeven naar het wagenplein geweest," zeide de knaap: "de +man is er afgekomen met eenige builen: zij hebben hem wel gebonden +en wachten op uw bevel omtrent hem." + +"God zij geloofd!" zeide Madzy: "waarlijk, de goede Feiko was misschien +wat haastig; maar hij wilde mij verdedigen tegen...." + +"Hoe!" riep Deodaat! "men heeft u aan de voorposten durven beleedigen?" + +"Ik bid u," antwoordde Madzy, reeds vreezende te veel gezegd te hebben: +"laat dit geval niet nader onderzocht worden. Ik wil niet, dat er om +mijnentwil iemand leed geschiede." + +"Zooals gij verkiest is het wel! Zweder! ga, en zeg dat men den man +ontboeie.--En nu, Jonkvrouw! verschoon mij, gij waart op het punt +van mij te gaan verhalen...." + +Madzy voldeed aan zijn verzoek en deelde hem mede, hoe zij van Utrecht +naar de zeekust reizen wilde, om aldaar een gelegenheid te zoeken, +ten einde naar Friesland over te steken, en vrijgeleide voor haar en de +haren verzocht. Zij verzweeg al wat tot hare gevangenschap betrekking +had, ten einde de gelofte van geheimhouding niet te breken, die zij den +Bisschop gedaan had. Zij besloot, met aan Deodaat te verklaren, dat, +indien hij door zijn plicht gehouden was haar aan den Graaf over te +leveren, zij zich te dien opzichte aan zijn bescheidenheid overliet, +en niet begeerde, dat hij om harentwil zijn krijgsmanstrouw te kort +zou doen. + +"Ik heb betreffende u geene bevelen van mijn Graaf ontvangen," +zeide Deodaat: "ook geloof ik, dat het bevel om u in een klooster te +plaatsen slechts het gevolg eener overijlde drift was, en hem sedert +lang ontgaan is. Maar al had hij mij een zoodanigen last gegeven, +dan nog zou mijn ridderplicht, die mij heiliger is dan mijn plicht +als 's Graven dienaar, mij hebben voorgeschreven, dien ronduit af +te slaan. En hij zelf zou mij in een bedaard oogenblik hebben dank +geweten, dat ik hem een dwaze daad bespaard had." + +"Ridder!" zeide Madzy, hem haar hand toereikende: "gij zijt een edel +mensch! en waar ik mij ook moge bevinden, ik zal u mijn leven lang +met een dankbaar hart gedenken.--Maar nu.... o! bedenk wat ik zeide: +wij moeten scheiden." + +"Ach," riep Deodaat: "hoe kunt gij tevens zoo goed en zoo wreed +zijn? Gij zijt als de Engelen, die (gelijk mij wel verhaald is) aan +den Heiligen Mozes het beloofde land toonden, maar hem niet toelieten, +daar binnen te gaan. En toch, zoo zoet zijn mij uwe woorden, dat ik +de ellende, waarin een hulpelooze liefde mij stoot, tegen geen geluk +ter wereld zou willen verruilen.--Dan genoeg!--Hier scheiden wij!--Ik +durf mij zelfs het genoegen met vergunnen, u tot buiten de deur te +geleiden: een uwer dienaars mocht mij herkennen: en ons onderhoud, +hoe kort het ook geweest zij, zou argwaan kunnen wekken indien ik u +vergezelde.--Zweder! Zit terstond op en neem zes ruiters met u!--geleid +deze.... dit meisje met al wie tot haar gezelschap behooren tot aan de +poorten van Amersfoort. Noch aan haar, noch aan iemand der haren mag +het minste leed gedaan worden, of ik zal het gestreng straffen. En +laat Boudewijn intusschen het paard van de.... van dit meisje hier +brengen. Gij hebt mij verstaan." + +"Volkomen, Heer Ridder! ik zal voor de Jonkvrouw zorgen als ware zij +mijn liefste," zeide Zweder, met een kluchtige deftigheid. + +"Hoe nu, knaap! weet gij....?" + +"Uwe Edelheid weet zoowel als ik," antwoordde Zweder, "dat men +Jonkvrouw Madzy Dekama niet miskennen zal, wanneer men haar eens +gezien heeft. Maar Uwe Edelheid kan op mij staat maken. Ik kan hooren, +zien en zwijgen;--daarvoor ben ik page geweest." + +Met deze woorden verwijderde de schalk zich uit de oogen zijns +meesters, wiens voorhoofd zich reeds begon te fronselen. Want als men +verliefd, en hopeloos verliefd is, is men weinig geneigd om jokkernij +te verdragen. + +Slechts enkele woorden wisselden de beide gelieven na het vertrek +van Zweder. Echte liefde en weemoed zijn niet spraakzaam: en wat +zouden zij elkander meer gezegd hebben, dat zij niet reeds wisten +of gevoelden? Ja zelfs schenen beiden, als het ware, verlichting te +ontvangen, toen het hoefgetrappel en het gebriesch der paarden het +uur van scheiden aankondigde. + +Deodaat deed een schrede voorwaarts, en de hand van Madzy vattende, +drukte hij die met drift aan zijn mond en stamelde een gesmoord +vaarwel. Zij beantwoordde zijn handdruk, zag hem met een blik vol +teederheid aan, en haalde toen haar kaper over 't gezicht. Zij traden +de tent uit en zagen Zweder met zijn ruiters in den zadel gezeten, +en Boudewijn, des Ridders anderen schildknaap, die het paard van +Madzy gereed hield. Stilzwijgende besteeg zij het moedige dier. + +"Een wakker beestje!" zeide Boudewijn: "maar wat hamer, heer +Ridder! het gelijkt, als 't eene ei op 't andere, naar den vos, +die u ontstolen is." + +"Inderdaad!" zeide Deodaat, verwonderd van zijn paard te herkennen: +"maar des te beter!" + +Madzy, die het gesprek slechts half gehoord had, wenkte Deodaat +vriendelijk met de hand toe en vertrok, door de knapen vergezeld. Op +het plein teruggekomen, vond zij er den monnik nog in dezelfde +houding bij zijn paard staan, den hansworst nog altijd treurende over +den dood van zijn aap, en haar getrouwen Feiko, die er niet weinig +gezwollen en verhit uitzag, en vrij kwalijk ging, 't geen hem niet +belette Madzy met de luidruchtigste blijdschap te gemoet te komen, +en te betuigen, dat hij er gaarne eens zoo slecht ware afgekomen, +nu alles zoo gelukkig was afgeloopen. + +Onze vier reizigers gingen nu weder onverhinderd op weg, onder geleide +van Zweder, die hen ingevolge het bevel zijns meesters tot Amersfoort +vergezelde, van waar zij de Eem afzakten en een visscherspink afhuurden +ten einde hen naar Friesland over te voeren. Wij zullen hen intusschen +vooruitreizen, en daar dit Hoofdstuk reeds lang genoeg is geweest, +in een volgend onderzoeken hoedanig de staat in Friesland gesteld was. + + + + + +ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + ....Die zich inbeeldt, door het bukken, + Te vinden 't einde van den nood, + Is van gesond verstand ontbloot. + 't Moet er heel door, of wel aan stukken. + + Anon, bij Scheltema. Mengelw. II, 11, 129. + + +Wij verzoeken alsnu aan onze bescheidene lezers zich met ons in +Friesland te willen verplaatsen, en wel op den vroegen morgen van den +dag, volgende op dien, waarop de in ons vorige Hoofdstuk vermelde +voorvallen hadden plaats gehad. Langs al de wegen, welke naar een +geestelijk gesticht, een adellijke state of een stad geleidden, zag +men lieden aankomen, onderscheiden in rang, gewaad en uitrusting, +doch die allen, door den ernst, die op hun gelaat te lezen was, door +den aard der gesprekken, met welke zij zich onderweg bezighielden, +en door den spoed, waarmede zij hun weg vervolgden, zonder zich langer +aan de herbergen op te houden, dan noodig was om zonder af te stijgen +zich zelven en hunne paarden te verfrisschen, die allen, zeggen +wij, te kennen gaven, dat hun doel gewichtig en zij van het belang +daarvan doordrongen waren. Onder deze reizigers waren de Stamhoofden +licht te onderscheiden aan de vurige rossen, die zij bereden, aan +de Oostersche pracht hunner kleederen en aan den stoet van volgers, +die hun vergezelde: 't zij uit loutere staatsie, 't zij uit voorzorg +tegen aanranding en hinderlagen, welke, bij de menigvuldige veeten +en geschillen tusschen de onderscheidene geslachten, geene ongewone +verschijnselen waren. De geestelijke heeren waren reeds van verre +kenbaar aan het lang en effenkleurig gewaad hunner orde, aan den +telgang der rijpaarden, en aan den sleep der monniken en conversen, +dien zij met zich voerden. De afgevaardigden uit de steden, meestal +deftige burgers met welgeronde buiken, waren in vergelijking van de +overige leden der samenkomst slechts gering in aantal; want slechts +enkele steden hadden als zoodanig stem in de landsvergaderingen, +en de meeste stonden nog onder het tijdelijk of erfelijk bestuur +van dezen of genen veelvermogenden Edelman, die er zijn state had, +en die aan de burgers zijn bescherming verleende. + +Al deze verschillende reizigers richtten hun weg naar het boschachtig +oord aan de zuiderkust van Friesland gelegen, dat de plaats bevatte, +welke ditmaal tot het houden van een algemeenen landdag, werf of +weerstal bestemd was. Men had met opzet deze plaats verkozen boven +den Upstalboom nabij Aurich, waar anders de groote landsvergaderingen +gehouden werden, eensdeels omdat men zich aan de overzijde van de +Lauwers minder over de voornemens van den Hollandschen Graaf bekreunde: +anderdeels, omdat de Friezen der beide Gouwen en van de Sevenwolden +zich op een tijdstip, dat men een landing der Hollanders vreesde, +niet van de westelijke grenzen wilden verwijderen. + +Naarmate zij het bestemmingsoord genaakten, lieten de meesten hun +paarden, welke tot nog toe over de harde kleiwegen met vlugheid +hadden doorgedraafd, een meer bedaarden tred aannemen, zoowel om +niet al te verhit aan te komen, als omdat de aard van den grond niet +toeliet, met reeds vermoeide rossen spoedig te vorderen. Immers, het +Gaasterland, hetwelk zij nu bereikt hadden, is in zooverre van het +overige Friesland onderscheiden, dat het uit een zandigen heidegrond +bestaat, volkomen gelijk aan dien van het Gooiland en Muiderberg, +waarmede het waarschijnlijk in vroeger tijden, evenals met Urk, +vereenigd was, eer nog de aandrang des waters den dam, door de natuur +om het Zuidermeer gevormd, verbroken en dien plas met de Noordzee +vereenigd had. Slechts op enkele plaatsen, voornamelijk langs de kust +zelve, was die grond bebouwd geworden; maar voor 't overige leverde +hij weinig anders op, dan ruige, steenachtige heiden, hier en daar met +bosschen en struiken begroeid, en doorsneden met hobbelige en schier +ongebaande wegen, waar men dikwijls gevaar liep geen uittocht aan te +treffen en altijd te kampen had met de oneffenheid van den grond, de +over het pad kruipende doornestruiken en heesters en overal verspreide +keisteenen, zoodat men aanhoudende oplettendheid en overleg noodig +had om niet van het goede spoor te geraken. Ofschoon vermoeiend, +had echter dit gedeelte der reis zijn bekoorlijke zijde. Op een +schilderachtige wijze verlichtte de morgenzon de bruine dennestammen +of kleurde zij het versche Augustusloof der eikestruiken met vuurroode +glansen, welke heerlijk afstaken tegen het donkere groen daarachter, +het purper der tallooze heidebloemen of het bontkleurig gebloemte +der kamperfoelie, welke zich in onbeperkte weelderigheid om alle +struiken heenslingerde en de lucht met liefelijke geuren vervulde. Nu +eens werd de weg door hoog geboomte overschaduwd, en reed men onder +een gewelf van takken en gebladerte, waar schier geen lichtstraal +door kon breken: dan weder ontmoette men een herberg of hoeve, met +haar akker, tuin of boomgaard, aangenaam gelegen in den hoek, door +twee kruiswegen gevormd, en voor wier deurpost de huisgenooten het +ochtendmaal gebruikten, en een tafereel opleverden, het penseel des +schilders waardig: wat verder zag men op een groene terp een oude +stins, wier grijsachtige muren, door de zon beschenen, schitterend +uitblonken tegen de boomen daaromheen geplant: dan weder werd het oog +op het onverwachtst verrast door een ruim en prachtig uitzicht, waar +de heuvel zeewaarts nederglooide, en de afdalende zijweg zich als in +de golven scheen te verliezen, terwijl het landschap een bekoorlijk +tooneel opleverde van golvende graanvelden, hier en daar afgewisseld +door welig hakhout, heldere meertjes en bloeiende heidevelden, met +de zee in 't verschiet, en daarover de West-Friesche kust, welke den +gezichteinder sloot. Het romantische van dit oord maakte echter weinig +indruk op de meerderheid der bezoekers, en zoo het schouwspel der +hen omringende natuur al eenig gevoel in hun boezem deed ontstaan, +het was dat van medelijden met een landstreek, welke, zoo 't hun +voorkwam, stiefmoederlijk bedeeld was, als zijnde geheel onbruikbaar +voor goede weiden en slechts gedeeltelijk geschikt voor den graanbouw, +die nog daar te boven niet dan schrale oogsten scheen op te leveren. + +Het was, gelijk reeds gezegd is, in 't midden van dit oord, dat zich de +plaats bevond, tot den weerstal bestemd. En inderdaad, moeilijk had men +een betere gelegenheid tot een zoodanig oogmerk kunnen aantreffen. Het +was een onbebouwd stuk gronds van ongeveer honderd vijftig schreden +lang en nagenoeg even breed, waarop twee hoofdwegen uitliepen, en dat +bijna aan alle zijden door geboomte was ingesloten. Het gewone gebruik, +dat van dit kamp gemaakt werd, was om er de rechtsdagen te houden van +Westergoo, tot welk gewest het Gaasterland alstoen nog behoorde: later +werd het een marktplaats, waar, bij sommige feestelijke gelegenheden, +de reizende kooplieden uit de omliggende gewesten hun waren kwamen +uitventen: welke laatste bestemming het nog ten huidigen dage onder +den naam van de _wilde merkt_ behouden heeft. + +Over dit geheele veld henen waren van afstand tot afstand kleine +aarden wallen in den vorm van zitbanken verspreid, die aan de +oppervlakte van den grond de gedaante gaven van een roskam, en +waarvan nog enkele in wezen zijn, schoon meerendeels in een vervallen +staat. Deze zitplaatsen waren reeds vroeg in den morgen bezet +geweest door een talrijken drom verkoopers van drank en eetwaren, +welke zich derwaarts hadden begeven in de blijde verwachting, dat +zij een goede winst zouden doen door aan de hongerige magen der +aankomenden de gelegenheid te verschaffen, zich, na de moeite der +reis, met eenige ververschingen te laven. Slechts korten tijd echter +werd hun het bezit van den grond vergund en weldra werden zij van de +door hen ingenomene plaatsen afgedreven door de conversen van het +Sint-Odulfs-klooster, aan welke de goede orde was opgedragen. De +alzoo verjaagde en verstooten kooplieden vonden geen ander middel +om hun voordeel te betrachten, dan dat van zich aan de uitgangen der +landwegen te plaatsen, en aldaar de aankomst der afgevaardigden af te +wachten: en het duurde ook niet lang of dezen vertoonden zich, zooals +het gemeenlijk gaat, eerst bij tusschenpoozen en in geringen getale, +en vervolgens in groote menigte te gelijk: terwijl eindelijk sommigen, +die van verre plaatsen aankwamen of tegenspoed op reis gehad hadden, +geheel alleen verschenen. Zij betraden echter den weerstal niet dan te +voet, hebbende zij hun paarden met hun gevolg aan de naastbijgelegene +herbergen achtergelaten of derwaarts teruggezonden. + +Het was geen onbelangrijk schouwspel, de leden der vergadering gade +te slaan, zooals zij voor den aanvang der beraadslagingen over het +veld verspreid waren, onder het gebruiken der ververschingen, hun door +de kramers verschaft. Hier zag men de geestelijke heeren in gesprek, +hun onderlinge ijverzucht onder den uiterlijken vorm van beleefdheid +verbergende: wat verder een paar oude wapenbroeders, die elkander +in langen tijd niet ontmoet hadden, elkander met een blijden groet +de hand drukken: ginds wandelden eenige rijke Vetkoopers te zamen, +en onderhielden zich over nieuwe plannen tot het verbeteren van +gronden, het droogmaken van plassen of het oprichten van fabrieken, +om, kon het zijn, den Groningers de loef af te steken; terwijl zij +met een schamperen blik van verachting werden aangezien door dezen +of genen Schieringer Edelman, die van geene takken van welvaart +hooren wilde dan van jacht en vischvangst vooreerst, en daarna een +weinig vetweiderij. Eindelijk kon men nog, aan de donkere blikken +en norsche antwoorden van anderen, de verwijderingen opmerken, door +meer bijzondere veeten verwekt: welke, voor 't oogenblik en om de +heiligheid der plaatse gesmoord, slechts op een gelegenheid wachtten +om weder uit te barsten. + +Het was eerst op den middag, en toen men begreep, dat de aanwezigen +genoeg uitgerust waren en de ontbrekende leden niet komen zouden, +dat men een aanvang maakte met de beraadslaging. De driftige Adeelen, +die van de eersten verschenen was, was ook de eerste die het sein +daartoe gaf, door met zijn staf eenige helderklinkende slagen te geven +op een zwaar schild, dat midden op het plein boven de zitplaats des +voorzitters aan een ouden dwergachtigen eikeboom was opgehangen en +waarop het wapen van Friesland was afgebeeld, zijnde een man, die in +volle wapenrusting onder een boom stond, in de eene hand een lans en in +de andere een ontbloot, naar den schouder gekeerd zwaard vasthoudende. + +Nu begaven zich langzamerhand de aanwezigen naar de hun wachtende +zitplaatsen. De vaste rangschikking, welke in andere landen op +dergelijke bijeenkomsten de orde van zitting bepaalde, werd hier niet, +of althans niet rechtens in acht genomen, dan alleen voor zooverre +de kloostervoogden betrof, aan wie op de landdagen altijd de eerste +plaats werd toegekend: terwijl de wereldlijken zonder onderscheid van +rang of geboorte door elkander zaten. Wel duldde men oogluikend, dat de +machtigste en voornaamste Edelen, of de Grietluiden, de beste plaatsen +innamen (zijnde die welke zich dichtst aan den zetel des voorzitters +bevonden); maar menig afgevaardigde uit de steden zette zich zonder +plichtplegingen onder hen, en de algemeene regel scheen te zijn, de +eereplaatsen aan de oudsten en achtbaarsten in te ruimen. Ik bedrieg +mij: er was nog eene rangschikking; maar van een geheel anderen aard, +en deze bestond daarin, dat, evenals in de wetgevende lichamen van +latere dagen, ieder zich voegde bij de partij waartoe hij behoorde, +waarvan het gevolg was, dat aan de eene zijde enkel Schieringers, en +aan de andere Vetkoopers gezeten waren; evenals twee legers, welke met +moeite door de overmacht in bedwang gehouden en belet werden elkander +aan te vallen en de vergadering in een krijgsveld te veranderen. + +Eindelijk hadden allen plaats genomen; in rijen achter elkander; maar +zoodanig, dat ieder het gelaat naar het midden gekeerd had, waar de +Heer van Aylva, aan wien het beleid van de vergadering was opgedragen, +aan den voet des eikebooms gezeten was, hebbende nevens zich een +monnik van Sint-Odulf en een van Luidinga-kerke, om aanteekening te +houden van het getal der aanwezigen en van het besluit der vergadering. + +Zooras de wakers zich verzekerd hadden, dat geene onbescheidene +nieuwsgierigen zich in den omtrek van het plein bevonden, en dat +al de daar tegenwoordige personen werkelijk stemgerechtigden waren, +en toen de woeling, die een oogenblik te voren geheerscht had, voor +een diepe stilte had plaatsgemaakt, nam Aylva het woord en bepaalde +de vergadering bij het oogmerk der bijeenkomst: zijnde namelijk om een +besluit te nemen, hoedanig men handelen zoude, ten einde vriendschap en +vrede met Holland te bewaren, zonder de onafhankelijkheid van Friesland +in de waagschaal te stellen. Hij deed daarbij nogmaals verslag van het +wedervaren der afgevaardigden te Haarlem: hij verhaalde, hoe zij eerst +met groote onderscheiding behandeld, maar later op een beleedigende +wijze waren weggezonden; hoe een vrijgeborene Friesche Jonkvrouw +door dwang in 's Graven macht was gehouden, en hoe diezelfde Graaf +een onderwerping geëischt had, welke zij, zoo aan iemand, dan alleen +aan den Keizer verschuldigd waren. Hij ontveinsde niet, dat er van +de zijde van Friesland aanleiding was gegeven tot de handelwijze des +Graven; en dat men dezen door eenige rekkelijkheid te betoonen en +door een tijdige toenadering, te vriend had kunnen houden; maar hij +voegde er bij, dat het thans de tijd niet meer was, om het gebeurde +angstig te onderzoeken, en dat de blik alleen naar de toekomst diende +gewend te worden. Hij besloot zijn rede met het verzoek, dat al wie +iets ten nutte van het algemeen mocht weten zijn gevoelen rond en +onbewimpeld verklaren zoude. + +De rede van Aylva werd door eenige oogenblikken stilte opgevolgd. Hoe +vreemd het na al het vroeger verhandelde ook klinke, de gemoederen +in Friesland waren in 't algemeen tot den vrede geneigd. Na lange en +noodlottige oorlogen, welke veel manschappen en schats gekost hadden, +na gedurige stroop- en plundertochten van West-Friezen en Nooren +ondergaan te hebben, had men gedurende eenige jaren een vrede mogen +smaken, die niet verstoord werd dan door de binnenlandsche twisten, +welke echter toen nog de trap van woede niet bereikt hadden, waartoe +zij later geraakten. Vooral de Vetkoopers, die, het meest gegoed +zijnde, ook het meeste te verliezen hadden, waren, en niet zonder +grond, beducht voor dien machtigen Graaf, die honderd krijgslieden +stellen kon tegen éénen Fries. Men wenschte, ja, de onafhankelijkheid +des lands te bewaren, maar men schroomde, die van 't zwaard te doen +afhangen: en de meerderheid was dus, als Aylva, niet ongeneigd den +Graaf een schaduw van heerschappij toe te kennen, mits hij slechts +de daad zelve niet uitoefende. Een toestemmend hoofdgeknik en een +streelend gemurmel was derhalve de uitwerking, welke de toespraak des +Oldermans bij de meerderheid teweegbracht: en men zag elkander met +goedkeurende oogen aan, als wilde men te kennen geven, dat een ieder +zich gerustelijk bij het gehoorde kon voegen en dat men slechts te +overleggen had, op welke wijze het voorgestelde doel best bereikt kon +worden. Maar er was ook in de vergadering een machtige partij, wier +hart naar het strijden haakte, wier afkeer tegen Holland onoverwinbaar +was, en die geen vrede of verzoening met den Graaf, tot welken prijs +ook, begeerde: en deze partij bestond niet slechts uit afgevaardigden +van Oostergoo, die veelal door hunne belangen aan Holland vijandig +waren; maar zelfs menig inwoner van Westergoo (dat anders, door zijn +betrekkingen met de overzijde, voor Hollandschgezind gehouden werd) +had zich aan haar aangesloten, vooral sedert de onbuigzame Seerp +Van Adeelen hun het voorbeeld had gegeven, die, zich daardoor ook in +Oostergoo wel gezien makende, van lieverlede als de ziel en het hoofd +der oorlogzuchtige partij werd aangemerkt. Hij had dan ook Aylva's +taal onverduldig aangehoord: en zoo hij eenige oogenblikken aarzelde +het woord op te vatten, het was omdat hij hoopte, dat iemand van meer +leeftijd en gewicht zou opstaan en den indruk wegnemen van hetgeen de +Olderman had gezegd. Maar toen zijn fonkelende oogen zich vruchteloos +nu her- dan derwaarts hadden gewend, en hij nergens iemand ontdekte, +vaardig om het woord te nemen, rees hij op en drukte zijn meening in +de navolgende bewoordingen uit: + +"Friezen! ik doe, met u, hulde aan de voortreffelijke wijze, waarop +de edele Aylva den toestand van ons vaderland heeft geschilderd: +hij heeft ons onthaal bij dien trotschen Graaf en de beleedigingen, +daar ondervonden, en het leed, dat ons nog te wachten staat, in +heldere trekken afgemaald;--maar indien ik, indien gij geroepen zijt, +om hier alleen te beslissen, hoe men 's Graven vriendschap en den +vrede zal kunnen bewaren, en te gelijk onze onafhankelijkheid, dat +kostbaar erfdeel onzer vaderen,--dan verklaar ik ronduit, dat men +ons evengoed had kunnen verzamelen om de vraag op te lossen, hoe wij +zonder dijk of dam den springvloed zouden kunnen beteugelen. Zijne +vriendschap! de vriendschap van een Graaf van Holland! van hem, +welken en geboorte en stand en geneigdheid van de wieg af tot onzen +doodvijand, en kan 't zijn, tot onzen dwingeland maken! van hem, die +ons volk als een hoop dorpers beschouwt, onwaardig om het stof af +te likken, dat aan de schoenen zijner laagste dienaars kleeft! van +hem, die niet aflaat, wanneer hij kan, te gewagen, hoezeer hij ons +veracht en versmaadt!--Vrede met Holland! met Holland, dat sinds +eeuwen her onzen handel met nijdige oogen aanziet, dat Oost- en +Noordzee met zijn schepen bedekt en ons den toegang weigert, dat op +ons vlamt om onze akkers te verwoesten, onze weiden te blakeren, onze +landen braak te leggen, den rooden haan in onze huizen te steken en +onze landgenooten in slavernij te brengen!--En denkt gij, dat het +met een schaduw van onderwerping zal tevreden zijn? Zal de wolf, +die de schaapskooi beloert, zich vergenoegen met den plas ledig te +drinken, waarin zich de kudde spiegelt, en den schijn voor het wezen +nemen?--Neen! zoo hij er kans toe ziet, hij zal de kooi bespringen, +en, al is zijn honger geboet, hij zal uitmoorden, zoolang hem de +tanden niet verstompt zijn.--Gelooft mij: elke poging, aangewend +om onze natuurlijke vijanden te winnen en voor ons in te nemen, zal +slechts strekken om hen nog roofzuchtiger, nog opgeblazener te maken, +om hunne vorderingen te vermeerderen en het juk, dat ons drukt, te +verzwaren. Ik stem voor alles; maar niet voor het bevestigen onzer +eigene schande. Neen! laten wij allen tot den laatsten toe in een +eerlijken krijg vallen door het zwaard onzer vijanden; maar niet +zelven den strop om de halzen slaan en het einde daarvan nederig +aanbieden aan wie ons wurgen wil. Het is niet door onderwerping, +dat wij de trotsche ziel van Willem zullen buigen. Voorkomen wij hem: +dan eerst zal hij aarzelen, en zich tweemalen bedenken, eer hij ons +aanvalt. De bulhond vervolgt den vluchtenden lafaard, doch deinst +terug voor hem die standhoudt en hem onder de oogen durft zien. Lang +genoeg hebben wij lafhartig geduld, dat Hollandsche huurbenden op onzen +bodem rondwaarden; dat Hollandsche ambtslieden het recht spraken in +onze steden: dat het wapen eens vreemden Graafs aan onze raadhuizen +werd aangeslagen. Hij beschouwt ons als zijne lijfeigenen: en dit, +Friezen! dit voegt het ons te toonen dat wij niet zijn. Hij beproeve +het, en ondervinde hij, die zich in ijdelen waan, laatdunkend, den +Heer aller Koningen en den meester aller soldaten noemt, dat hier een +vrij en onafhankelijk volk woont, hetwelk zijne bedreigingen weet te +verachten, zijn geweld te trotseeren, en wellicht zijn overmoed te +fnuiken.--Ik heb uitgesproken." + +Een stille en effen rivier, welke kalm tusschen gelijke boorden vloeit, +brengt overal rust en vrede aan de landstreek, die zij besproeit; maar +een zware en hollende sneeuwval, die onweerstaanbaar van de bergen +nederschiet, laat achter zich niets dan onrust en verwarring. Zoo +ontstond ook bij de vergadering, die na de taal van Aylva bedaard +gebleven was, een driftig en ongedurig gewoel en gemompel, toen Adeelen +zijne rede geëindigd had. Verschillend echter waren die bewegingen, +naarmate de meeningen en bedoelingen verschillend waren; maar zij +waren daarom niet minder bij allen te bespeuren. Diegenen, welke het +met Adeelen hielden, poogden door luidruchtige toejuichingen klem +aan zijn woorden te geven: de vredelievenden daarentegen, die zijn +taal als dwaas en onvoorzichtig beschouwden, konden hun wrevel niet +bedwingen, en sommigen zelfs riepen, dat men hem het zwijgen behoorde +op te leggen als zijnde hij verder gegaan, dan het doel medebracht, +waartoe de landdag beschreven was. Niet dan met veel moeite gelukte het +aan Aylva, de vergadering te bewegen om tot rust te keeren en aan te +hooren wat ook andere sprekers mochten in 't midden brengen. Er trad +er dan ook meer dan een op, zoo om de macht des Graven op te vijzelen +en de ijdelheid van allen wederstand te betoogen, als om de woorden +van Adeelen te ondersteunen; langzamerhand begonnen de uitdrukkingen +minder bezadigd te worden; partijzucht mengde zich in de adviezen: +men verweet elkander bijoogmerken: de gramschap begon in menig oog te +fonkelen, en menige blik van uitdaging werd geslagen op hem door wien +men zich beleedigd achtte. Dan toen Worp Ropta van Metslavier zwoer, +dat hij nimmer het lemmer zou ontblooten in een zaak, welke door +een Helbada werd voorgestaan, en deze laatste, over zulk een hoon +vergramd, de hand aan 't zwaard sloeg, en de gemoederen zoo verhit +waren, dat men het doel der samenkomst geheel uit het oog begon te +verliezen, om alleen aan onderlinge veeten te denken; terwijl Aylva +vruchteloos het zwijgen poogde op te leggen, was het Adeelen, die de +beide partijen tot stilte wist te brengen. Met vastberadenheid sprong +hij van zijn zitplaats op, en tusschen beiden: + +"Zwijgt! zwijgt allen!" riep hij met een donderende stem: "wordt +het hier een kinderspel?--Wat zijt gij, gij allen, tot wie ik +spreek?--Vetkoopers en Schieringers?--IJdele dwaasheid! ziet +op het schild.--Wat staat daarop afgebeeld?--Is het het merk der +Vetkoopers?--Is het een vette koe?--Past maar op! de Hollanders zullen +haar melken.--Is het een schieraal, de leus der Schieringers?--Draagt +zorg, dat de Hollanders uwe meren niet leegvisschen.--Neen Friezen! het +is het wapen van Friesland: een gewapend man!--Wapent u dan!--Zorgt, +dat niemand in staat zij uwe onafhankelijkheid te belagen:--en +dan, twist met elkaar als gij het niet laten kunt!--ik heb ook +getwist,--met onzen braven abt van Lidlum, die daar zit;--maar +wij hebben vriendschap gemaakt:--want de Hollanders lachten in hun +vuist.--Spreekt bedaard!--want bij den hemel! den eersten, die zijnen +landgenoot weer een verwijt durft doen, smijt ik de vergadering uit!" + +Deze toespraak, met horten en stooten, doch met klem en in een gepast +oogenblik voortgebracht, maakte meer indruk op de aanwezigen dan de +meest welsprekende en sierlijke taal had kunnen teweegbrengen. De +opgewondene afgevaardigden kwamen tot rust; maar niet tot eenig +besluit: en het scheen onzeker hoe lang de beraadslagingen nog hadden +kunnen duren, toen een onverwacht rumoer op den landweg gehoord werd +en een nieuwe wending aan heur loop kwam geven. De Abt van Sint-Odulf, +die juist aan 't woord en bezig was der vergadering te verhalen dat +broeder Syard, die nu God wist waar was, hem wel verteld had, hoe +de wolven in Brabant, bij winterweer, zelfs de herders aanvielen, +en dat Adeelen, die misschien nooit een wolf gezien had, over die +beesten maar liever niet had moeten spreken; de Abt, zeggen wij, zich +onverhoeds in zijn rede gestoord ziende, zweeg bot-stil en zag met +een open mond naar de plaats, waar het gerucht vandaan kwam. Aylva +wilde iemand derwaarts zenden, om te onderzoeken wat het ware, toen +men de wachters terug zag treden met een besluitelooze houding, als +wisten zij niet, of zij volgens hun plicht aan den nieuwaangekomene +den toegang moesten vrijlaten of ontzeggen:--en nu vertoonde zich, +zweetende en blazende, met de hem eigene verwaandheid en zelfvoldoening +op het vuurrood gelaat, aan de verwonderde oogen der aanschouwere, +het klein en onbeduidend figuurtje van meester Claes Gerritsz, den +voormaligen Marktschrijver van Haarlem. + +Maar hij bekleedde nu een andere waardigheid. Zijn bedilzucht en +neuswijsheid hadden hem ondraaglijk gemaakt aan zijn stadgenooten, +maar vooral aan het bestuur. Om zich van hem te ontslaan, had men +geen beter middel weten te vinden, dan om hem bij den Graaf aan te +bevelen, toen deze naar een geschikten persoon omzag ten einde hem te +vertegenwoordigen op de rechtsdagen in Westergoo, en tevens eenige +kleine eigendommen des Graven te bestieren, in dat gewest gelegen: +welke betrekking tot dien tijd aan een Fries vertrouwd was geweest, +maar welke de Graaf nu in zijn ontevredenheid aan een Hollander +wilde opdragen. De eigenliefde van den Marktschrijver was te groot +om hem zulk een post te doen afslaan, met welk gevaar die ook scheen +verzeld, en hij had zich dan ook voorgesteld, zich bij de Friezen +eens recht te doen gelden en hun te leeren, welk ontzag zij den +Grave schuldig waren. Ofschoon hij met vrij wat gemompel en stugheid +ontvangen was geworden, had hij zich daaraan weinig gestoord; maar was +onverschrokken den hem eigen toon blijven voeren: en daar hij buiten +dat geene ware redenen tot klachten gegeven had, en zijn mederechters, +vooral die van Stavoren, Hollandschgezind waren, had hij tot nog toe +geene dadelijke weerstreving aan zijn bevelen gevonden. Maar nu was +hem op eens in de ooren gewaaid, dat er in Gaasterland een landdag zou +gehouden worden: hij wist, dat zulke vergaderingen meermalen hadden +plaats gehad en door de Graven oogluikend geduld waren geworden; +maar hij was tevens van meening, dat men niet mocht verzuimen, des +Graven ambtenaar daarop te noodigen: en toen die noodiging, welke +hij zoolang vruchteloos gewacht had, niet tot hem kwam, begreep hij +ook ongenoodigd derwaarts te moeten gaan, ten einde te zorgen, dat +'s Graven persoon aldaar behoorlijk werd vertegenwoordigd en er niets +plaats vond, strijdig met de hem verschuldigde eer. Met dit moedig +voornemen had hij Stavoren, zijn woonplaats, verlaten, en was te voet, +daar alle paarden en vervoermiddelen genomen waren, naar den weerstal +gekuierd, waar hij nu, ofschoon wat laat, kwam opdagen. + +Zijn onverwachte verschijning maakte op de aanwezige menigte +nagenoeg een gelijken indruk als die, welke in onze tijden zoude +veroorzaakt worden door de komst van een deurwaarder of gerechtsbode +op een beurs, in een academiezaal, in een leesgezelschap of in elke +dergelijke vergadering, welke men gewoon is als een vrijplaats aan +te merken. Ieder zag den ongeroepen gast met verbazing, sommigen met +toorn, anderen met verachting, velen met een bedenkelijk hoofdschudden +aan; doch niemand week van zijn plaats en elk wachtte af, wat de +uitslag van dit tooneel zou zijn. Zonder van zijn stuk te geraken, +stapte de wakkere ambtenaar voort, groette hier en ginds een bekende +met een beschermenden hoofdknik, zette de borst hoog op en keek, toen +hij zich eindelijk midden in den kring bevond, rechts en links aan +de zijden des voorzitters naar een plaats uit, hoedanig hij begreep +dat met zijne waardigheid zou overeenkomen. Maar alles was bezet +en niemand scheen genegen hem tot zijn buurman te dulden, veelmin +voor hem plaats te maken. Integendeel gaven de norsche en dreigende +blikken, welke hij van alle zijden ontmoette, hem genoegzaam te +kennen, dat het dwaasheid zou wezen, hier zijn vermeend recht te doen +gelden. Weinig gesticht over dat onthaal en bemerkende dat zijn persoon +hier omtrent denzelfden indruk maakte als een bunsingstaart zou doen +in een duivenhok, bleef hij eenige oogenblikken staan: en men kon aan +den scheeven trek van zijn gelaat bespeuren, dat de vrijmoedigheid, +welke hem bij zijn opkomen bezield had, langzamerhand begon plaats +te maken voor verlegenheid, en dat hij den stillen wensch voedde, +liever die fraaie reis niet te hebben ondernomen. Eenig half gesmoord +gelach en een suizend gemompel begonnen zich reeds aan alle kanten +te doen hooren, toen Aylva, wenschende een uitbarsting te voorkomen, +den nieuwaangekomene toesprak: + +"Wie zijt gij? En wat komt gij hier zoeken?" + +"Verheugd, u te zien, mijn waarde Heer van Aylva!" zeide Claes +Gerritsz, de hand aan den voorzitter toestekende, welke zich echter +hield als bemerkte hij zulks niet: "ik dacht weinig, toen wij malkaar +laatst binnen Haarlem zagen, u zoo spoedig weer en dat wel hier te +zullen ontmoeten. Maar, als het spreekwoord zegt: bergen ontmoeten +zich niet, maar...." + +"Maar kort en goed," viel Aylva in: "wat is het doel uwer komst?" + +"Lieve Hemel! Is het hier geen landdag?--Ik kom een weinig laat, +'t is waar: maar daar was geen ezelspoot in Stavoren te krijgen...." + +"En daarom zijt gij maar op de uwe gekomen," riep Adeelen, lachende. + +"Maar, gij hebt geene noodiging ontvangen," hernam Aylva. + +"Zeker een verzuim; want moest ik, als gemachtigde, en ik durf zeggen +als vertegenwoordiger van den Graaf, zoo op den rechtsdag van Oostergoo +als opzichtens Kempenesse, Aldenum en Hofland, niet zitting op uwe +landdagen hebben, ten einde mijne stem te kunnen uitbrengen in het +belang der Heerlijkheid?" + +"Ziedaar wat iedereen u niet even gaaf zal toestemmen," zeide Aylva: +"hadt gij mij vroeger deswege geraadpleegd, ik zou u een dergelijken +stap hebben afgeraden: en," vervolgde hij halfluid, "ik rade u thans +nog in goeden ernst: maak u uit de voeten; want ik zie hier menig +gelaat, dat u weinig goeds belooft." + +"Hoe!" zeide de Ambtman, onthutst om zich heen ziende: "ik wil niet +hopen, dat men mij mijn recht van zitting zou betwisten. Bij het +Privilege, in 1299 door Graaf Jan I geschonken aan...." + +"Wat wil hij?--wat vraagt hij? weg met den onbeschaamde!" riepen nu +verscheidene stemmen, terwijl de woorden van den Ambtman, die de +naastbijzittenden alleen vernamen, als een loopend vuurtje bij de +vergadering rondgingen. + +"Welnu!" riep Adeelen: "Friezen! zou een uwer nog aarzelen? gij +ziet het!--op onze landdagen zelve durft die onbeschaamde Graaf zijn +verspieders zenden." + +"Men moet den zot aan den paal hangen en het alarm op zijn buik +trommelen!" riep Helbada. + +"Zijt bedaard, vrienden!"--riep Aylva: "laat mij hem +ondervragen. Vriend!--Ik vraag u nogmaals, volhardt gij bij uw opzet +om hier zitting te nemen?" + +"Volgens art. VII van het Privilege van Graaf Floris V," hernam Claes +Gerritsz, die nu te verre gegaan was om terug te keeren, "zullen ter +plaatse, waar de Graaf zich niet in persoon bevindt, alle Schouten, +Schepenen, of in zijnen naam aangestelde personen...." + +Hier werd hij in de onmogelijkheid gebracht om zijn rede te vervolgen +door de geweldige kreten, die van alle zijden omgingen. + +"Hij verlangt zitting onder ons," riep Aylva met luider stemme: +"Hij vordert die als vertegenwoordiger des Graven." + +"Aan den paal moge hij hem vertegenwoordigen!" schreeuwde Helbada. + +"Wij willen geen verspieder van Graaf Willem!" riepen anderen: "wij +zijn vrije Friezen en dulden geen vreemdeling op onzen weerstal.--Is er +geen water in de buurt?--Het ware niet kwaad hem een dooping te geven!" + +En reeds drong menigeen op den Ambtman aan, om door daden klem aan +zijn woorden te geven. + +"Ik stel u verantwoordelijk voor de gevolgen," kraaide Claes Gerritsz +zijn schrille stem tot den hoogsten toon verheffende welken zij +bereiken kon; "denkt om het artikel: al zoo wie een Schout, Schepen +ofte anderen 's Graven Ambtman, door woorden, bedreigingen ofte daden +zal beleedigd hebben...." + +"Toon ons uw lastbrief om hier te verschijnen, of verwijder u," +zeide Aylva, op een gestrengen toon: "de gemoederen zijn verhit: +en ik sta niet in voor hetgeen u kan overkomen." + +"Hier is de opene brief," zeide Claes Gerritsz, een perkament voor +den dag halende, "waarmede mij onze doorluchtige Graaf en Heer heeft +aangesteld tot...." + +"Wij zullen u het lezen besparen," zeide Adeelen, die, inmiddels +genaderd zijnde, het perkament hem uit de handen rukte en over de +hoofden heen in het bosch smeet, waar het bij het zegel aan een +boomtak hangen bleef. + +"Ben ik hier in een vergadering van oproermakers?" vroeg de Ambtman, +zich met drift tot Aylva wendende, die, onbeweeglijk op zijn +zitplaats blijvende, beurtelings hem en Adeelen met een afkeurenden +blik beschouwde. + +"Gij ziet uw kaarteblad hangen," vervolgde Adeelen: "welnu! zoo gij +geen lust hebt, om daarnevens te waaien, pak u dan van hier; want, +bij het zwaard van mijn stamvader, Koning Adegild, ik geef u ter +prooi aan de roofvogels, zoo gij een oogenblik langer vertoeft." + +"Geene onberadenheid, Seerp Van Adeelen!" riep Aylva, op een strengen +toon: "dat een ieder zijn plaats herneme; en gij, Hollander! wie gij +wezen moogt, zie uw aanstelling te krijgen en verwijder u. Zoolang +Friesland bestaat, hebben zijn zonen nimmer een vreemdeling op hunne +landdagen gedoogd." + +Adeelen begaf zich naar zijn zitplaats terug: en ofschoon hij in zijn +hart den vreemdeling een goede waterdooping beloofde bij de eerste +gelegenheid de beste, oordeelde hij echter, dat hij hem voor dezen +dag met rust kon laten, en verheugde zich innerlijk over een voorval, +dat hem aanleiding geven kon tot nieuwe en krachtige vertoogen ter +aanprijzing van den krijg met Holland. De vergadering volgde zijn +voorbeeld en schikte zich weder tot orde: en de Ambtman, het perkament, +dat een der wapenknechten hem half verscheurd had toegebracht, weder +toevouwende, maakte zich gereed om te vertrekken, toen er een nieuw +gedruis op den landweg ontstond; maar ditmaal van de zijde van de +Lemmer: hoefgetrappel deed zich hooren: een viertal personen steeg aan +den ingang af, en de wakkere Feiko kwam juichende het plein oploopen. + +"Daar is zij! daar is freule Madzy weer," riep hij, springende, +en zijn muts in de hoogte werpende. + +En inderdaad, men zag Madzy optreden, door den monnik en den +alwillensdwaas gevolgd. Den avond te voren aan de Lemmer geland, +hadden zij aldaar vernacht, en vernemende, dat zij Aylva op den +weerstal zouden vinden, waren zij 's morgens derwaarts gereden. + +"Mijn dochter!" riep Aylva, haar te gemoet komende en haar met +teederheid omarmende: "zijt gij het waarlijk?" + +"Hoezee voor Madzy Dekama!" riepen Helbada en Worp Ropta, deze reis +eenstemmig: "Hoezee voor de Roos van Dekama!" riepen Schieringers +en Vetkoopers: "Hoezee!" riep de gansche vergadering. Adeelen alleen +bleef zwijgend en koel dit tooneel beschouwen. + +"Verschoont mij, edele Friezen!" zeide Aylva, "zoo ik een oogenblik +aan mijn gevoel toegeve:--ik zie, met vreugd, dat gij allen in de +blijdschap dezer heuglijke ontmoeting deelt.--Maar zeg mij, mijn +kind! hoe zijt gij uit de handen der Hollanders ontkomen?" + +"Aan God alleen komt de dank toe voor mijn redding," antwoordde zij, +hem de hand kussende; "maar ik weet, gij handelt hier over 's lands +belangen: veroorloof mij voort te reizen: mijne tegenwoordigheid is +hier onvoegzaam.--Waar zal ik u afwachten?" + +"Ga in vrede, mijn dochter! Wacht mij aan mijn huizinge te Awert: +daar zal ik u komen afhalen. Zorg ook, dat uwe reisgenooten aan niets +gebrek hebben. Ik zal straks na den afloop der vergadering bij u zijn." + +Madzy wendde zich om, en, de vergadering met heuschheid groetende, +maakte zij zich gereed te vertrekken. + +"Men zal zorg voor u dragen, goede vader!" zeide Aylva, ziende dat +de monnik, die Madzy verzelde, onbeweeglijk staan bleef. + +"Ik heb mijn last nog maar gedeeltelijk volbracht," zeide deze, +"'t is niet slechts om de Jonkvrouw te geleiden, dat men mij uitzond: +ik heb ook aan deze vergadering een mededeeling te doen, welke geen +uitstel lijden mag." + +Bij deze woorden, welke Madzy's geleider op een krachtigen, +doordringenden toon uitsprak, vestigden alle oogen zich op hem. Aylva +zag eenigszins verwonderd op: hij scheen zich te willen herinneren, +waar en wanneer hij die stem vernomen had. Adeelen deed verbaasd +een stap voorwaarts en vestigde een blik vol verwachting op den +onbekende. Madzy bleef plotselings staan als van den bliksem getroffen; +haar gelaat werd met een doodskleur overtogen en teekende de angstigste +verwachting. Claes Gerritsz, om wien niemand zich meer bekommerde, +keerde insgelijks snel terug en trachtte den monnik in 't gelaat +te zien. + +"Wij laten niemand op onze landdagen toe dan een Fries," zeide Aylva: +"of dezulken, die mededeelingen hebben te doen, de belangen van +Friesland betreffende." + +"In die beide hoedanigheden vraag ik gehoor," zeide de onbekende, +"de zoon van Sjoerd Aylva heeft aanspraak op de eer van een Fries +genoemd te worden. Mijn vader! schenk mij uw zegen." + +Onder het uiten dezer woorden liet hij zich voor Aylva op de eene +knie neervallen, te gelijk den kap omslaande, die zijn gelaat tot nog +toe bedekt had. Adeelen stond verstomd. Madzy gaf een angstigen gil: +en Aylva kon het gevoel van ontzetting niet bedwingen, dat hem door de +leden waarde, toen hij in den jongeling, die hem den vadernaam schonk, +Reinout van Verona herkende. + +"Wat wil dit?" zeide hij: "is dit een scherts, dan is zij +afschuwelijk!" + +"Geene scherts!" zeide Reinout, zonder van houding te veranderen: +"of heeft de zoon van Bianca di Salerno geen recht, een zegen af te +smeeken, die hem te lang onthouden werd?" + +"Gij!" riep Aylva in hevige ontroering: "gij de zoon van Bianca +di Salerno?" + +"Geloof mijn woorden niet: geloof dezen ring: dit perkament: mijn +opvoeding aan het huis van Carlo della Scala: en de omstandigheden, +welke uw huwelijk vergezeld hebben, en waarvan ik u een getrouw +naricht geven kan." + +Aylva nam met een bevende hand den ring aan; maar nauwelijks had hij +er de oogen op geslagen, of de aandoeningen, welke dat gezicht bij +hem verwekte, overstelpten hem. Het was op zich zelf reeds ontroerend +genoeg eensklaps een zoon terug te vinden, wiens bestaan zelfs hem +onbekend was; maar dien zoon te herkennen in den moordenaar eens +jongelings, die zijn achting en genegenheid gewonnen had, dit was te +sterk voor zijn gevoel: en bedwelmd, zich het gelaat met de handen +bedekkende, viel hij op zijn zetel neer. + +"God! wat heb ik gedaan?" riep Reinout, opspringende: "de ontroering, +de vreugd zullen hem dooden. Wee mij! dat ik zoo onvoorzichtig was. Kom +tot u zelf, mijn vader! het is uw zoon, die daarom smeekt." + +De hardvochtige Friezen waren bewogen. Sommigen traden toe om hulp te +verschaffen aan den Olderman: Madzy bleef gelijk het beeld der wanhoop +als op haar plaats genageld staan. Zij sidderde wanneer zij aan de +toekomst dacht, en zag in 't vooruitzicht Reinout, nu gerugsteund +door zijn betrekking met Aylva, haar weder met zijn hatelijke liefde +vervolgen. + +Maar een nieuw voorval kwam den zonderlingen toestand, waarin zich +de aanwezigen bevonden, nog verwikkelen. Claes Gerritsz, die gelijk +een aal tusschen de om Aylva verzamelde Friezen was doorgekropen, +lei onverhoeds de hand op Reinouts schouder: "ik neem u gevangen," +zeide hij, "als moordenaar van Ridder Deodaat, en als voortvluchtig +uit 's Graven gevangenis." + +"Hoe! wat? wat zal dat?"--riepen verscheidene stemmen. + +"Biedt mij de hand, trouwe onderzaten van Graaf Willem!" vervolgde de +Ambtman, die in zijn blinden ijver vergat dat hij een naam aanriep, +die hier weinig gezag had: "Reinout van Verona, dien gij hier ziet, +ligt onder den ban des Graven:--ik eisch dat hij in mijne handen +worde overgeleverd." + +Reinout keerde zich met een half verwonderden, half toornigen blik +naar den spreker: "Er is geen Reinout van Verona meer," zeide hij: +"dus is de ban uws Graven nietig:--en wat Deodaat betreft, die is zoo +levend als ik:--gisteren althans genoot hij nog een goede gezondheid." + +"En al ware die lage vrouwenverleider door uw toedoen naar de hel +verhuisd," zeide Adeelen: "welk kwaad had daarin gestoken? En wat maakt +u zoo stout," vervolgde hij tot Claes Gerritsz, "om niettegenstaande +onze waarschuwing, u hier te vertoonen? Pak u van hier, of ik sla u +'t hoofd van den romp." + +"Neen!" zeide Reinout, partij trekkende van deze omstandigheid en den +bevenden Haarlemmer bij den arm grijpende: "Laat hij nog een oogenblik +blijven. Friezen! kan ik u beteren waarborg van mijne gezindheid geven, +dan de beschuldiging, die dit nietig wezen tegen mij inbrengt? Graaf +Willem heeft mij gehoond en mijn diensten met ondank beloond. Gij hoort +het! ik ben onder een armhartig voorwendsel, om een verwonding bij +een onzaligen twist, door hem veroordeeld en vogelvrij verklaard. Ik +ben hem niets meer schuldig. Mijn arm en mijn hart behooren voortaan +Friesland alleen." + +"Wèl gesproken!" zeide Adeelen: "en wie anders denken moge, Seerp +Van Adeelen houdt u voor een echten Fries." + +Dit zeggende schudde hij de hand van Reinout en velen der aanwezigen +volgden zijn voorbeeld. + +"Goddank!" zeide Madzy, die intusschen naar haar voogd was toegetreden +en zich uitsluitend met dezen had bezig gehouden: "hij opent de +oogen weder." + +"Wat is hier gebeurd?" vroeg Aylva, langzaam tot zich zelven keerende: +"was daar niet iemand, die zich den zoon van Aylva noemde?--Maar neen, +de zoon van Aylva kan geen sluipmoordenaar zijn. Ha! Madzy! mijn kind, +gij daar?--Gij zijt toch altijd mijn dochter!"-- + +"O! laten wij van hier gaan, mijn vader!" zeide zij: "laten wij naar +een plaats gaan, waar gij rust kunt nemen," herhaalde zij, ziende +dat Aylva weder ineenzakte. + +Aylva gaf geen antwoord: maar de beweging zijner handen en van zijn +hoofd gaf te kennen, dat hij stemde in haar voorstel. Door Madzy, den +trouwen Feiko en eenige vrienden geleid, verwijderde hij zich. Reinout, +dit gewaarwordende, trad toe om ook zijnen bijstand aan te bieden. + +"Wat wilt gij?" vroeg Madzy, hem met een blik van verontwaardiging +aanziende: "verlangt gij hem te vermoorden?" + +"Moet niet de zoon zijn vader bijstaan?" zeide Reinout met een smeekend +oog: "wie heeft meer recht dan ik, hem te vergezellen." + +"Terug!" zeide Madzy met fierheid: "verdien eerst den naam van zijn +zoon te dragen, en waag het vroeger niet, hem onder de oogen te komen." + +Reinout beet zich op de lippen; maar hij gehoorzaamde, gevoelende +dat alle aandrang in zulk een oogenblik slechts zou dienen, om haar +nog feller tegen hem in te nemen. Zij verwijderde zich dan zonder +verder oponthoud, met Aylva en Feiko, terwijl meester Claes Gerritsz +dit oogenblik insgelijks waarnam om zich uit de voeten te maken. Wat +Daamke betrof, hij keerde naar zijn ezel: want hij had op eens het +voornemen opgevat Reinout zijn dienst aan te bieden. + +Na het vertrek van Aylva bleef de vergadering gedurende eenige +oogenblikken in een staat van verwarring en besluiteloosheid, daar +men het oneens was, of men de beraadslagingen zou voortzetten, dan wel +of die behoorden geschorst te worden. Eindelijk echter drong Adeelen, +gerugsteund door de aanzienlijksten der vergadering, het besluit door, +om te hooren, wat Reinout had mede te deelen. Tevens bewerkte hij, +dat voorloopig aan den Abt van Lidlum, zijn voormaligen vijand, het +voorzitters-gestoelte aangeboden werd, en verwierf zich door dezen +voorslag de toegenegenheid eener aanzienlijke partij. Iedereen keerde +tot zijn plaats terug, en aan Reinout werd het woord verleend. + +"Friezen!" zeide hij: "ik heb slechts één woord te zeggen; maar ik +weet dat, nu de nood mij dringt, het uit te spreken, het weerklank in +uw aller harten vinden zal. _Te wapen_!--Het is de vraag niet meer, of +gij den Graaf met vleiende woorden paaien, of gij zijn toorn verzoenen +kunt. Zijn besluit is vast bepaald. Eer dit seizoen ten einde is, +ziet gij zijn vloot aan uw kusten landen. Ik kom van Utrecht: het kan +geen maand meer weerstand bieden, tenzij het ontzet worde. Zwicht het, +dan trekt het zegevierend heir naar dit gewest. Voorkomt dezen slag +door een manmoedig besluit. Zendt een heir naar het Sticht en valt den +Graaf in zijne legerplaats aan. Laten uwe schepen de Hollandsche havens +benauwen en langs de kusten stroopen. Zoodoende zult gij den moed der +belegerden aanwakkeren en verwarring en schrik onder de benden des +Graven brengen. Hij zal genoodzaakt zijn, zijn macht te verdeelen: +zijn bondgenooten zullen hem afvallen, en de erfgrond uwer vaderen +zal door geen vreemden voet bezoedeld worden." + +Men beseft licht, hoe welkom de redenen van Reinout waren in de +ooren van Adeelen en diens oorlogzuchtige vrienden. Maar ook zij, +die in den beginne niet van krijg hadden willen hooren, zagen zich, +nadat Reinout, op hun verzoek, hun de gronden van zijn raad nader had +toegelicht, gedwongen te erkennen, dat er geen andere uitweg ware, +dan krijg te voeren; en dat het in dat geval beter ware, den vijand aan +te tasten, nu hij nog in strijd gewikkeld was, dan te wachten, dat hij +het Sticht ten ondergebracht had. De partij der heethoofden dreef dus +boven, gelijk zulks schier bij alle staatsberoeringen het geval is, +en na eenige woordenwisseling werd er zonder merkbare tegenkanting +besloten, een leger naar Utrecht te zenden. + + + + + +ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Gy zijt mijn Kodoman, en Cyrus' nazaat waard. + + Bilderdijk. Darius aan Alexander. + + +De maar, dat men niet slechts het Hollandsche juk afschudden, maar +zelfs den oorlog op vreemden bodem zou gaan voeren, was spoedig +Friesland rondgegaan; maar minder spoedig ging het verzamelen +van een leger, om die onderneming te volvoeren. Het lichten van +krijgsvolk in de steden was te dier tijd in alle landen een zaak, +aan groote moeilijkheden onderhevig; maar in Friesland bleek zulks +in dit geval eene onmogelijkheid te wezen: de poorters verklaarden +ronduit, dat men hen steeds bereid zou vinden om de grenzen van hun +land te verdedigen; maar dat zij nimmer daarbuiten zouden gaan oorlog +voeren. De kloostervoogden waren evenmin geneigd, hun conversen uit +te zenden: en ten platten lande begrepen de boeren dat het geene zaak +was, tegen den oogsttijd van huis te gaan. Wat de Edelen betrof: +leenplicht was in Friesland onbekend; en het viel hun moeilijk, +aan hun onderhoorigen de noodzakelijkheid te beduiden, van zich op +vreemden bodem te gaan wagen ten gevalle van een kerkvoogd, die hun +onbekend en ten eenenmale onverschillig was. De heilige drift, die het +besluit van den landdag had ingegeven, was merkelijk bekoeld: en nu +men het in 't werk zou stellen, zag men er eerst het onuitvoerbare +van in. Het vuur der tweedracht begon ook spoedig weer te blaken: +en onderlinge vijandschappen deden de landsaangelegenheden vergeten, +terwijl bijna geen edelman zijn stins durfde verlaten, uit vrees van +in zijn afwezigheid door den vijand te worden aangevallen: evenals +in de fabel van den arend en de zeug, die beide te huis blijvende, +elk bezorgd dat de andere zijnen jongen leed zoude doen, van honger +omkwamen, en aan hun gemeenen vijand, de kat, ten prooi vielen. + +Nog eene omstandigheid werkte mede om de vorming van een leger +te belemmeren: deze was gebrek aan eenheid in het uitvoerend +bewind. Voorheen had men in netelige omstandigheden een Potestaat +verkoren, die, met een macht bekleed, niet ongelijk aan die eens +Dictators te Rome, het hoofdbeleid der verrichtingen op zich nam; thans +echter geschiedde dit niet: eensdeels, omdat men huiverig was geworden, +het gezag aan een enkele toe te vertrouwen: anderdeels omdat de eene +partij ongenegen was, toe te stemmen in de keuze van een Potestaat +uit de andere. Het opperbewind was daarom toevertrouwd geworden aan +een raad van velen, 't geen zeker niet tot bespoediging der zaken +strekte. Wel deed Adeelen zich in dien raad krachtig gelden; maar hij +leerde nu ook bij ondervinding, dat voortvarendheid in 't besluiten, +en spoed in het uitvoeren, twee geheel afgescheidene dingen zijn. + +Ook van de strooptochten, waartoe men had verklaard, te zullen +overgaan, was niets gekomen. De poorters van Stavoren, althans de +vermogenden onder hen, waren over 't algemeen Hollandschgezind: +en velen dreven handel met het graafschap: maar zelfs die, welke op +de Oostzee voeren, en uithoofde van hun belang moesten verlangen, +dat de handel van Holland gefnuikt werd, waren in dit tijdsgewricht +bezorgd, daden van aanranding te bedrijven of goed te keuren, welke +maatregelen van weerwraak konden tengevolge hebben: want zij wisten, +dat een Hollandsen smaldeel voor het Vlie kruiste, en velen hunner +wachtten rijkbevrachte schepen te huis, welke zij niet gaarne door +Hollandsche kapers zouden zien prijsgemaakt. Zoomin uit deze als +uit eenige andere haven van Westergoo zeilden dus roofschepen naar +Holland uit: en men bepaalde zich ook daar, en wel nog slechts flauw, +alleen tot verdedigingsmiddelen. + +Na in deze weinige woorden den toestand, waarin zich Friesland bevond, +te hebben afgebeeld, zullen wij terugkeeren tot de schoone Madzy en +haar voogd, den Heer van Aylva. + +Deze had zich, na het verlaten van den landdag, naar een kleine stins +begeven, op een paar uren afstands van het Gaasterland nabij het dorp +Caudum gelegen, en Awert-state genaamd. Op dit gebouw, hetwelk sedert +lang in het bezit van zijn geslacht was, was door hem een pachter +geplaatst, onder voorbehoud echter van een paar vertrekken voor zich +en de zijnen. Zijn voornemen was niet geweest aldaar te vertoeven; +doch zich den volgenden dag naar zijn gewoon verblijf bij Scadaert +in Wonseradeel te begeven; dan, een geweldige aanval van koorts, die +hem dadelijk na zijn aankomst overviel, noodzaakte hem van dit plan +af te zien. Madzy bleef, gelijk men gissen kan, bij hem; en daar de +eene zuster van Aylva ondertusschen overleden, en de andere met een +edelman in Groningen gehuwd was, kwam de gansche zorg op haar alleen +neder; en zij vervulde jegens haar voogd op de teederste wijze al de +plichten eener liefhebbende dochter, terwijl Sytsken (die op de maar +der terugkomst van haar meesteres dadelijk naar Awert-state gereisd +was) haar in deze taak op de dienstvaardigste wijze ondersteunde. De +toestand van den zieke werd weldra van een bedenkelijken aard, en +de arts, zijnde een convers uit het naburige Sint-Odulfsklooster, +gebood, dat men alles zorgvuldig zou vermijden, wat strekken kon om +het geschokt gemoed van den kranke door nieuwe aandoeningen te kwetsen. + +Eens, op een schoonen avond, had Madzy het vertrek des Oldermans +verlaten, met oogmerk, om voor eenige oogenblikken versche lucht te +scheppen: een genot, waarvan zij nu een geruimen tijd was verstoken +geweest. De toestand van den zieke had sedert een paar dagen eenig +uitzicht op beterschap doen geboren worden: hij lag in een zachte +sluimering: en Sytsken, in zijn vertrek gezeten, had aan Madzy +beloofd, haar te zullen roepen zoodra hij ontwaakte. Zij was dus, +te dezen opzichte gerust, de deur uitgetreden en verkwikte zich met +de liefelijke buitenlucht, welke haar tegenwoei. Zich niet verre van +huis willende verwijderen, wandelde zij een geruimen tijd op en neder +voor de stins, welk gebouw uit een verzameling van onderscheidene +woningen bestond, waarvan de voornaamste, die zich aan de westzijde +bevond en tot verblijf voor den Heer strekte, van steen opgetrokken, +twee verdiepingen hoog en met een gekartelden toren voorzien was, +waarboven thans de banier van Aylva woei, zijnde een lazuur veld +met een ster en een halve maan van goud. Aan dien toren grensde een +half houten, half steenen huis, hetwelk door den pachter en zijn +huisgezin betrokken werd en waaraan eenige lagere gebouwen, als de +schuur, de stal, de bakkerij en dergelijken paalden. Hier en daar zag +men nog sporen van versterking, door den bouwmeester aangebracht; +maar deze waren bij vervolg van tijd tot andere gebruiken besteed: +en het eenige verdedigingsmiddel, dat nu nog overig bleef, was in de +dikte der muren van het hoofdgebouw gelegen, en in de breede gracht +of sloot, die het erf van den landweg scheidde. Een ophaalbrug en +daarnaast een plank of vonder voor de voetgangers waren de eenige +middelen, langs welke toegang naar de stins verleend werd, terwijl +een groote bulhond, die gedurig langs den rand van het water heen en +weder liep, den al te vrijpostigen voorbijganger door zijn norsch +aanzien en onophoudelijk geblaf beduidde, hoe gevaarlijk het zoude +zijn, tegen den wil des bewoners dien toegang te willen gebruiken. Ja +zelfs, toen Madzy zich op de werf vertoonde, bleef het dier haar, +schoon zij van binnen kwam, eenigszins schuins aanstaren, stond stil +en begon te knorren, terwijl het zijn gewone wandeling niet hernam, +dan toen de pachtersvrouw, die in haar zomerhuisje zat, hem van verre +toegeschreeuwd had, dat hij zich bedaard had te houden. + +Niet lang echter had Madzy in eenzaamheid de werf en den hof op en +neder geloopen, toen zij in haar mijmering gestoord werd door een +kletterend hoefgetrappel op den landweg, en weldra eenige ruiters +zag aankomen, die voor de brug stilhielden. Twee hunner stegen af: +en nu herkende zij in dezen, niet zonder siddering, Seerp Van Adeelen +en Reinout, die, na hun paarden aan de zorg hunner dienaars te hebben +toevertrouwd, aan gene zijde des vonders bleven staan. + +"Roep uw hond terug, vrouw!" schreeuwde Adeelen: "wij komen den Heer +van Aylva bezoeken." + +De pachtersvrouw gehoorzaamde en de beide edellieden traden de werf op. + +De eerste gedachte van Madzy was, binnen te gaan en zich te onttrekken +aan een gezelschap, dat zoo onwelkom was. Zij begreep echter spoedig, +dat dit weinig zoude baten en dat de ruiters waren gekomen, òf om den +Heer van Aylva te spreken, 't geen zij moest zoeken te beletten, òf +om een onderhoud met haar zelve te hebben;--en dan was zij nog minder +voor hen beiden vervaard, dan zij voor een hunner afzonderlijk zoude +geweest zijn. + +"Madzy Dekama!" zeide Adeelen, toen hij haar genaderd was: "wij +wenschen den Olderman te spreken." + +"Dat mag niet geschieden," zeide zij: "de arts heeft het stellig +verboden." + +"Zijn wij van dat verbod niet uitgesloten? het kan een ouden getrouwen +vriend immers niet betreffen?" + +"Het betreft iedereen, wie hij ook wezen moge. De zieke is nog zwak +en moet alle aandoeningen mijden." + +"Gij zult toch," zeide nu Reinout, "den zoon niet blijven weigeren, +de sponde zijns vaders te naderen." + +"Meer dan iemand," antwoordde Madzy, zonder hem te durven aanzien: +"was het niet het onverwacht hervinden van dien zoon, dat hem in die +krankheid stortte? Zoo gij den man niet dooden wilt, vertoon u dan +niet aan hem, voor hij u ontbieden laat." + +De beide jongelingen zagen elkander eenige oogenblikken besluiteloos +aan. + +"Gelooft mij," vervolgde Madzy: "dringt heden niet aan op een +onderhoud, dat geene andere dan schadelijke gevolgen kan met zich +sleepen. Zoodra mijn waarde voogd zijn krachten heeft terugbekomen, +twijfel ik niet, of hij zelf zal het onderhoud verlangen, dat hij nu +niet in staat is te verduren." + +"Welnu!" zeide Adeelen: "indien gij den ouden Heer achter de traliën +wilt houden, dienen wij ons te onderwerpen. Dan, mijn boodschap is nog +niet geëindigd:--gij hadt mij vroeger rechten op uw hand geschonken: +ik kom u die teruggeven." + +"Ik dacht dat gij dit reeds gedaan hadt, Seerp Van Adeelen!" zeide +Madzy, op een fieren toon: "althans, na het gedrag, door u te Haarlem +gehouden, beschouwde ik mij niet langer aan u verbonden." + +"Des te beter! Ik herhaal het slecnts, opdat gij weten zoudt, dat gij, +zonder vrees van mij te verstooten (een vrees, die juist nooit zeer +zwaar bij u gewogen heeft) de ooren kunt leenen aan den zoeten praat +van dezen Ridder." + +"Adeelen!" riep zij verontwaardigd uit: "ik ben geen koopwaar, welke +men van de eene in de andere hand kan doen overgaan." + +"Ziedaar een punt, waaromtrent uw laatste reisavonturen nog eenigen +twijfel zouden kunnen doen ontstaan. Een juffer, die nu met dezen, +dan met genen Ridder over 's Heeren wegen reist, die weken lang bij +een Edelman huisvest, welke Edelman noch haar man, noch haar broeder, +noch haar voogd is, die bij schoone Ridders in hun eigen tent bezoeken +gaat afleggen, moest, dunkt mij, liever over zulke glibberige punten +heenstappen." + +De oogen van Madzy flonkerden van verontwaardiging, terwijl zij +beurtelings van Adeelen naar Reinout dwaalden.--"Neen!" borst zij +eindelijk uit: "zulk een afschuwelijk samenweefsel van laster +werd nooit gesponnen! Ridder Reinout! zijt gij de verspreider +dier geruchten? zoo is uwe ziel nog zwarter, dan ik mij die had +voorgesteld.--Maar neen! zoo boosaardig kunt gij niet zijn. U is +het bewust, u kan het althans bewust zijn, dat, zoo de schijn mij al +beschuldigt, mijn eer zonder vlek of smet is gebleven. Zeg dien man, +die mij beleedigen durft, dat hij zich bedriegt, en dat ik tegen mijn +wil in Utrecht ben opgehouden en dat ik u niet kende, toen gij mij +als reisgenoot vergezeldet." + +"Kan ik krachtiger bewijs geven, hoe hoog ik u in eere houde," zeide +Reinout, "dan de verklaring zelve, dat ik het mij tot het hoogste geluk +zoude rekenen, indien gij mij tot uw Ridder wildet verkiezen? Geef mij +slechts eenen lichtstraal van hoop, en mijn zwaard zal elken boezem +bedreigen, waarin een gedachte, uwer onwaardig, mocht opstijgen." + +"Ik weet het," zeide Madzy, met een afkeerige beweging, "uw zwaard is +ras geneigd, de scheede te verlaten. Maar uw voorwaardelijk aanbod is +onvoldoende. Wie heeft aan Adeelen die valsche berichten medegedeeld, +zoo gij het niet geweest zijt?" + +"Ik heb hem niets dan de waarheid gemeld," zeide Reinout: "de +tevolgtrekkingen en de wijze van voordracht zijn van hem. Maar +dit verklaar ik u, Seerp Van Adeelen! dat, schoon gij mij met +Ridder-handslag tot wapenbroeder verkoren hebt, schoon ik u +dank en trouw verschuldigd ben, dat ik u, als elk anderen, den +Ridder-handschoen zal toewerpen, zoo gij u een woord laat ontvallen, +beleedigend voor de eer dezer Jonkvrouw." + +"Zooals gij wilt," zeide Adeelen, wrevelig; "ik ben met u gegaan om +u een dienst te bewijzen, niet om twist te zoeken. Er heerscht reeds +tweedracht genoeg in Friesland." + +"Hoe!" zeide Madzy: "is nog de haat der partijen niet uitgedoofd, +bij de gevaren die ons bedreigen?" + +"Trekt gij u nog de zaken van Friesland aan?" zeide Adeelen, met een +spottenden lach. + +"Gij behandelt mij onwaardiglijk, Seerp!" zeide Madzy: "misschien moest +ik zwijgen en uwe woorden alleen met verachting beantwoorden! maar ik +kan niet vergeten, dat uw ouders mijne weldoeners, dat gij de vriend +mijner jeugd waart. Bij de schim uwer zalige moeder, Adeelen! ik ben +onschuldig, en de Zuiderzee zal een droge heide worden, eer ik ophoude, +een echte dochter van Friesland te zijn." + +"'t Is mogelijk!" zeide Adeelen, de schouders ophalende: "welnu! ik +wil u dan wel melden, dat de Graaf, zoo ik hoor, den tocht naar +Friesland uit het hoofd heeft gezet en bij Dordrecht een vloot laat +bouwen om Eduard van Engeland tegen Frankrijk te ondersteunen: dat +er nimmer schooner gelegenheid ware, een pleiziertocht in Holland te +doen, zoo niet iedereen gek was geworden: dat wijders de Vetkoopers +en Schieringers vuilaardiger zijn dan ooit; dat de monniken van +Bloemkamp met den Proost van Pingjum zijn slaags geweest: dat Lidlum +en Luidingakerke overhoop liggen: dat Wybe Reynalda en Seppe Ribalda +elkaar hebben bevochten en beiden gesneuveld zijn: dat Helbada's +zoon, Douwe, door Worp Ropta in een hinderlaag gelokt en vermoord +is; dat er geene stins in Oostergoo is, waar geen boom op staat [32] +en dat Utrecht zich liever vandaag dan morgen moet overgeven, indien +het zijn redding van ons verwachten moet." + +"O mijn ongelukkig vaderland!" zuchtte Madzy: "wat moet er van +u worden?" + +"Dat weet ik niet," zeide Adeelen: "ik kan niet alles alleen af. Aylva +ligt ziek: vader Syard, die zooveel praats had, is verdwenen:--denkt +slechts om zich zelf:--maar zooals het nu is zal het niet blijven, +of ik werp mijn zwaard in 't meer en word een monnik.--En nu vaarwel!" + +Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich, sprong op zijn paard en +was spoedig buiten het gezicht. Madzy wilde zich nu terstond naar +huis begeven; maar Reinout hield haar staande. + +"Uw hart is nog tegen mij ingenomen," zeide hij, op een smeekenden +toon: "maar kunt gij op mij eeuwig vertoornd blijven, wegens een +opwelling van gramschap, welke haar oorzaak en tevens haar verschooning +in mijn blakende liefde vond?" + +"God beware mij, Ridder!" zeide Madzy: "dat ik u gestreng zou +veroordeelen. Hij zelf heeft u een eeuwig naberouw gespaard, door +niet toe te laten dat uw moorddadig opzet den dood van uw evenmensch +ten gevolge had:--wat zeg ik? den dood van uw boezemvriend, van hem, +die u sedert uwe geboorte als een broeder bemind had.... en die, +ik betuig het u, u geene oorzaak tot zulk een handelwijze gegeven had?" + +"En toont dit juist niet de kracht mijner liefde voor u," vroeg +Reinout, "dat ik hem, die mij zoo dierbaar was, eraan opofferde? + +"Dit toont alleen, dat gij een hartstochtelijk mensch zijt," zeide +Madzy: "een liefde, die tot misdaad vervoert, is geenszins de ware +liefde, zooals ik mij die heb voorgesteld." + +"Welnu dan!" zeide Reinout: "zij maakt voor 't minst die misdaad +verschoonlijk.--Maar ik wil het u niet verbloemen: ja! ik heb +afschuwelijk gehandeld! Ik wil gelooven, dat Deodaat niet zoo +schuldig was, als ik dacht: ik heb, meer dan eens, in eenzaamheid, +mijn halsvriend betreurd:--maar nu, nu leeft hij weder, en het is +niet langer de hand eens moordenaars, die Reinout van Aylva u aan +durft bieden." + +"Ridder!" hernam Madzy: "ik mag u niet vleien met een ijdele +hoop. Tracht mijn achting, tracht de uwe te herwinnen, en dan zal +Madzy Dekama u eeren als den zoon van iemand, wien zij boven elk +ander vereert." + +"Wel, in naam van dien braven man bid ik, trek uw onbarmhartige +uitspraak in. Ach! Ik vermoed het: mijn vader zelf is tegen mij +ingenomen wegens mijn wandaad. Wees gij de engel, de middelaarster, +die ons weer te zamen brengt en hem met mij verzoent. Hij ziet, hij +hoort slechts door uwe oogen: zoo uw bijstand mij faalt, hoe zal ik +genade bij hem verwerven? Maar een woord van u, en hij schenkt mij +vergeving en liefde: en dan, bedenk het zelve: gij hebt gehoord in +welk licht Adeelen uw gedrag heeft durven plaatsen? Is er een beter +middel om zijnen, om ieders mond te doen zwijgen, dan om uw hand te +schenken aan hem, die ze niet zou afbidden indien hij niet van uw +deugd overtuigd ware." + +"Ik weet een beter middel," zeide Madzy: "het is van uw liefde af te +slaan, en daardoor te toonen, dat ik den laster niet vreeze.--Wat +voorts uw verzoening met uw vader betreft, wees gerust, dat Madzy +Dekama blozen zou, haar invloed op hem te misbruiken, door zijn hart +van u te verwijderen." + +"Ik vertrouw dit," zeide Reinout: "oordeel zelve, welke waarde ik +aan die betuiging hecht, daar ik mij door u een recht laat ontnemen, +dat ik bij elk ander zoude doen gelden, dat namelijk, van mijn vader +in zijn krankheid te verzorgen." + +Hier werd hun gesprek gestoord door Sytsken, die, de deur uitkomende, +zich tot Reinout wendde en hem te kennen gaf, dat de Olderman verlangde +hem te spreken. + +"Is het mogelijk!" riep Reinout uit, terwijl een glans van vergenoegen +zich over zijn gelaat verspreidde: "ik zie met blijdschap, dat de +toestand mijns vaders niet zoo erg is, als mij die werd afgeschilderd." + +"God geve," zeide Madzy: "dat deze ontmoeting zoo gezegend voor u +afloope, als ik dit van harte wenschte. Maar zeg mij, Sytsken! heeft +de Olderman uit zich zelven naar den Ridder gevraagd?--Wist hij, +dat die zich hier bevond?" + +"Wat zal ik zeggen?" zeide Sytsken: "zooeven werd hier vrij heftig +gesproken: onze goede Heer ontwaakte ervan. Hij gelastte mij te +vernemen, wat er gaande was: en daar ik hoorde, dat het gerucht hier +vandaan kwam, ging ik even met den neus aan 't venster en zag Seerp Van +Adeelen, die als een pauw heenstapte, en den Ridder, die met u sprak, +en toen zei ik het den Olderman en vroeg of ik de Jonkvrouw roepen +zou, gelijk gij mij bevolen hadt te doen, als hij wakker werd. De +oude Heer ging recht overeind in 't bed zitten, zoo fiks gelijk hij +nog niet gedaan heeft: 'Sytsken!' zeide hij: 'ga den Ridder verzoeken +hier te komen.'--'Maar,' zei ik, 'uw Edelheid weet, wat de arts heeft +gezegd.'--'Ik weet het,' zeide de oude Heer; 'maar ik begeer hem te +spreken en 't zal mij geen nadeel doen.'--En zoo volgde ik zijn last." + +"O! voldoe dan terstond aan zijn verlangen, Ridder!" zeide Madzy: +"en moge de uitslag van uw onderhoud zijn als gij dien wenscht." + +Een dankbare blik was het antwoord van Reinout, en hij volgde +zijn geleidster met een blijmoedigheid, die niet vrij was van +ontroering. Weldra bevond hij zich in het vertrek, waar Aylva op het +ziekbed lag uitgestrekt. + +De Olderman richtte zich op toen zij binnentraden: hij zag zwijgend +Reinout aan, die zich naast zijn sponde op de knie liet neervallen en +de vermagerde hand van Aylva kuste. Deze trok haar zachtjes, zonder +ruwheid, terug, verzocht Sytsken een waterkruik naast het hoofden +einde te plaatsen en vervolgens het vertrek te ruimen. Zoodra hij +met Reinout alleen was, wenkte hij hem, een stoel te nemen en zich te +zetten. De jongeling gehoorzaamde zwijgend, in pijnlijke verwachting +van hetgeen er volgen zoude. + +"Ik heb verlangd, mij met u te onderhouden," zeide Aylva; "onze laatste +ontmoeting heeft mij geschokt, ik wil dat niet ontveinzen: met dit +al hebt gij recht om gehoord te worden. Wees zoo goed en verhaal mij +thans eens omstandig de gebeurtenissen, waarop gij uw recht grondt, +van mij vader te noemen." + +Reinout gehoorzaamde. Hij vermeldde de wijze, waarop hij bij Carlo +della Scala gekomen was, herhaalde hetgeen Barbanera hem betreffende +Bianca had gezegd, en door ons in het achtste Hoofdstuk geboekt is, +en gaf vervolgens verslag hoe hij bij dit zonderling toeval, in dezen +zijn ouden bekende Paolo ontmoet had, aan wien hij de ontdekking der +waarheid verschuldigd was. + +"Ik herinner mij dien Paolo," zeide Aylva, nadat Reinout zijn verhaal +geëindigd had: "hij leide het te Milaan op mijn leven toe, en schoon +hij het vertrouwen van mijn Bianca schijnt genoten te hebben, +blijkt het mij thans, dat hij haar zoowel als den dwingeland van +Verona gelijktijdig gediend en gelijktijdig bedrogen heeft. Wellicht +is hij het geweest, die aan Bianca de valsche tijding van mijn dood +deed weten: en ook hieruit kan ik mij de reden verklaren, waarom hij +geschroomd heeft, mij te Haarlem te komen opzoeken en mij daar reeds +het geheim uwer geboorte mede te deelen. Ach! dat hij het gedaan +hadde! Ik had hem een bedrog, dat zoovele jaren geleden plaats had, +gaarne vergeven: en wellicht had dan de euveldaad geene plaats gehad, +die sedert uw naam bezoedeld heeft." + +Reinout zuchtte: "Wijt die euveldaad" zeide hij, "aan gekrenkte +spijt wegens slecht beloond vertrouwen, aan een opwelling van +onbedachten toorn: aan het Italiaansche bloed, dat mij door de aderen +vloeit.... misschien ook aan het Friesche... want naar ik bemerk, men +ziet er hier te lande ook niet veel kwaad in, elkander het staal in +'t hart te jagen:--in allen gevalle, Deodaat leeft nog: en gewis, zijn +hart heeft mij vergeven. Zou mijn vader gestrenger over mij oordeelen?" + +"Leeft hij nog?" vroeg Aylva, verheugd: "God zij geprezen! hij was +een edel jongeling! en wel waardig," vervolgde hij met een zucht, "van +uit ridderbloed gesproten te zijn.--Hij was met u opgevoed, nietwaar?" + +Reinout wendde zich spoedig om, zoodat hij met den rug naar het +licht kwam te zitten; want hij voelde, dat hij op deze onverwachte +vraag bloedrood werd. Hij had met opzet de omstandigheid, dat Deodaat +met hem te gelijk aan Carlo della Scala was toevertrouwd geworden, +aan Aylva verzwegen: niet zoozeer omdat bij hem zelven nog eenige +twijfel omtrent de echtheid zijner geboorte uit Bianca bestond, als +uit vrees, dat de Olderman nog tusschen hem en Deodaat zou twijfelen, +daar toch de bepaling, wie van beiden Bianca's zoon ware, alleen van +de verklaring van Barbanera-Paolo afhing, die niet tegenwoordig was, en +aan wien Aylva bovendien wellicht weinig geloof zou slaan.--Intusschen +was hij dubbel tevreden, van deze omstandigheid geene melding gemaakt +te hebben, nu hij uit Aylva's woorden kon afleiden, dat Deodaat hem +als zoon meer welkom zou geweest zijn dan hij. Hij zweeg dan eenige +oogenblikken, en antwoordde toen: "Hij was een braaf en beminnelijk +mensch: de speelmakker mijner jeugd.... evenals ik door den edelen +Carlo als zoon aangenomen: wij hebben samen veel lief en leed +doorgestaan:--hadden wij niet beiden ons oog op Madzy laten vallen, +wij waren eeuwig vrienden gebleven." + +"Nu spreekt gij, zooals ik het gaarne heb," zeide Aylva: "en ik ontwaar +met vreugde, dat gij hem recht doet, en dat uw misdaad alleen een +gevolg van gramschap was en niet uit een boos gemoed ontsproot. Neen: +ik mag niet langer twijfelen. Deze brief is van Bianca's hand! De +edele Carlo heeft die zeker herkend--en gezwegen, om haar rampspoedig +lot niet te verzwaren!--Deze ring--ik gaf hem aan Bianca bij ons +huwelijk. Barbanera heeft dien, zegt gij, van haar ontvangen?" + +"Hij heeft haar gezien, voor hij zich naar dit land op reis begaf +en hem toen van haar ontvangen om tot bewijs mijner geboorte te +strekken." (Dit had Barbanera aan Reinout in de herberg te Plaswijk +verhaald.) + +"Zij zou dan nog leven!" riep Aylva in vervoering uit: "leven... maar +in de slavernij van dien afschuwelijken dwingeland!--O God! zoo ik +naar mijn herstelling zou wenschen, het ware om haar uit hare boei +te verlossen!--Kom!" zeide hij, na eenige oogenblikken zwijgens; +"ik ben vermoeid; maar wat geschieden moet, dient niet langer te +worden uitgesteld. Roep Feiko binnen." + +De dienaar verscheen, en ontving last, om Madzy, den pachter, en +Aylva's huiskapelaan te ontbieden. Zoodra deze binnen waren, gaf hij +laatstgemelden bevel, een verklaring op te maken, waarbij hij, Sjoerd +van Aylva, Reinout als zijn wettigen zoon en erfgenaam erkende. Dit +stuk, opgesteld zijnde, werd door aller onderteekening, voor zooverre +zij schrijven konden, en door de overigen met hun kenmerk bekrachtigd. + +"En nu, mijn zoon!" zeide Aylva: "kniel neder en ontvang den +vaderlijken zegen." + +Reinout viel op beide knieën voor het bed; maar een kille huivering +rolde hem door de leden, toen Aylva hem de handen op het hoofd +leide en den vaderlijken zegen over hem uitsprak. Hij wist niet, +waaraan hij het gevoel moest toeschrijven, dat hem drukte; maar de +aandoening, welke hem overstelpte, was gelijk aan die, welke volgens +zijne gedachten, Jakob moet gekweld hebben toen hij den zegen aan zijn +broeder ontstal. Hij rees op en omhelsde Aylva: maar hij bleef koel bij +die omhelzing: hij droeg den Olderman eerbied toe; maar hij ondervond +die warme kinderlijke liefde niet, welke hij zich verbeeldde dat in +het hart eens zoons jegens zijn vader wonen moest. Hij trad een stap +achterwaarts en toen de huispriester hem met deftigheid, Feiko met +belangstelling, de pachter met onderdanigheid en Madzy op een recht +welmeenenden toon gelukwenschten, gevoelde hij zich bijna ongelukkig. + +"En nu, mijn zoon!" zeide Aylva, "nu heb ik rust noodig. Neem den Heer +kapelaan en deze verklaring mede, reis mijn goederen rond en bezoek +mijn gezin. Het is voegzaam en nuttig, dat gij een en ander leert +kennen. Uw bekwaamheid en kennis in krijgszaken is mij bekend. Gij +zijt nu een Fries, en het betaamt u het vaderland te dienen. Gij kunt +in de tegenwoordige omstandigheden van nut wezen. Beschik over al +het mijne naar uw goeddunken, voor zooveel gij oordeelt, dat zulks +voor Friesland heilzaam kan zijn." + +"Ik hoop, mij uw vertrouwen niet onwaardig te maken," was alles, +wat Reinout kon uitbrengen: en, een kort afscheid nemende, verliet +hij de ziekekamer en weldra de stins, vergezeld van den huispriester. + +"Welnu, Ridder!" vroeg hem aan den ingang Daamke, die na den landdag in +zijn dienst getreden was en zijn ezel tegen een paard, zijn zotskolf +tegen een zwaard en zijn narrenpak tegen het gewaad eens speermans +verruild had: "hoe is uw wedervaren geweest?" + +"Ik ben voorgoed erkend als erfzoon van Aylva," antwoordde Reinout, +terwijl hij met een bedrukt gelaat te paard steeg. + +"Als erfzoon van Aylva," dacht Daamke: "en hij kijkt zoo sip als +een hoen, dat op 't sterven ligt! Men zou waarlijk zeggen, dat het +hem leed deed.--Bij Sint Julfus! Indien mij zulk een geluk overkwam, +ik zou waarlijk in staat zijn van blijdschap den dood van mijn goeden +vriend Cezar te vergeten." + + + + + +NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Que diable allait-il faire dans cette galère? + + Molière. Les fourberies de Scapin. + + +Eenige dagen waren er verloopen sedert het tooneel, dat wij in +ons vorige Hoofdstuk vermeld hebben, toen in den vroegen morgen +een vaartuig, dat het wapen van Amsterdam aan den mast voerde +en oogenschijnlijk een lading bier in had, zich in 't gezicht der +Zuiderhaven van Stavoren vertoonde. De nacht was koel geweest: maar nu +was de lucht spakerig en als met een gaas bedekt: terwijl de zon, die +rood als bloed door dien nevel scheen, een heeten dag voorspelde. De +wind, welke gedurende den nacht frisch uit het zuidwesten gewaaid +had, was met den dag uitgeschoten en belette het vaartuig zijn +weg te vervolgen met dien spoed, welke de omstandigheden schenen +te vorderen. De schipper stond zelf aan het roer; en zijn oog, dat +onafgebroken op de lucht gevestigd was, scheen met verlangen uit te +zien naar de geringste verandering in de streek, die de wind hield, +om daarvan terstond een voordeelig gebruik te maken; terwijl de vijf +matrozen, die de manschap uitmaakten, aan den voorsteven bijeenzaten +in een wel ledige houding maar die slechts één woord verwachtte +om in een werkzame te veranderen. Naast den schipper zat iemand, +in den bloei zijner jaren, op een blauwen mantel neder, met witte +lieren bezaaid. Zijn gewaad was echter dat van een koopman; zijn oog +gaf onrust en ongeduld te kennen en scheen bestendig den schipper te +ondervragen, die echter te voorzichtig was om dien zwijgenden blik +te willen begrijpen. Eindelijk kon de jongeling zich niet langer +bedwingen, en, het hoofd oprichtende, dat tot nog toe op de vlakke +hand geleund had, ving hij met de volgende woorden het onderhoud aan: + +"Hoe jammer, dat de wind niet uit denzelfden hoek is blijven waaien: +wij waren anders met het aanbreken van den dag al binnen de haven +geweest." + +"Gij hebt gelijk," zeide de schipper; "maar tegen de elementen valt +niets te doen." + +"Intusschen," zeide de koopman; "zoo wij niet gisteravond, door wiens +schuld weet ik niet, op die zandbank waren vastgeraakt, hetgeen ons +zeker drie uren heeft opgehouden, zouden wij reeds lang binnen zijn." + +"Door wiens schuld?--Door de schuld van die hagelsche Friezen! van die +ongelukskinderen, die de bakens verzet hebben om ons een schipbreuk +te bezorgen: gij kunt overtuigd zijn, dat zij al sinds lang voor een +overval vreezen, en er op uit zijn geweest om den overtocht moeilijk +te maken." + +"Ik geloof met u," zeide de koopman, "dat zij op hun hoede zijn, en +daarom had ik gistermorgen reeds willen gaan om bij nacht in Stavoren +te kunnen komen en het slot te bemannen, eer iemand de lucht van ons +voornemen kreeg. Maar dat satansche volk kwam zoo laat aan:--Houdt +u toch stil daar beneden," zeide hij, opstaande en op den bodem +stampende: "en schept moed! wij zullen wel in de haven zijn binnen +een half...." (hier zag hij den schipper aan, die het hoofd schudde:) +"binnen een uur...." (de schipper trok het gezicht tot een scheeven +lach en wendde het hoofd om.) "Boudewijn! houd toch stilte! wat ik +u bidden mag." + +"Wij zijn zoo stil als wij kunnen, Heer Ridder!" riep een stem van +beneden; "maar die arme kerels zijn ziek als honden en het vaartuig +stoot als een kreupele hit." + +"Geen nood," zeide de schipper: "dat zal niet lang duren: wij komen +zoo in slecht water: en dan krijgen wij een oppertje." + +"Ja! mij dunkt, wij moeten er haast zijn," zeide de koopman, of liever +de Ridder: "ik begin de huizen al te onderscheiden." + +Maar dit vooruitzicht was ijdel; want na weinige oogenblikken liet +de schipper het vaartuig wenden en de wal verwijderde zich weer. + +"Eilieve!" zeide de Ridder: "waar gaan wij nu weer heen?" + +"Thans zal het gelukken," zeide de schipper: "wij zijn boven den +wind en krijgen zoo dadelijk hoog water. Met een paar gangetjes zijn +wij er!" + +De Ridder nam geduld, en de armen over de borst kruisende, sloeg hij +een aandachtig oog op de Friesche kust. Recht voor hem uit verhief zich +de hooge heuvel uit zee, die nog heden, ofschoon door het golfgeweld +dagelijks afnemende, zijn naam van het Roode Klif bewaard heeft. Tegen +de helling en aan den voet dier hoogte graasde een talrijke kudde +schapen, die al meer en meer naar de kruin terugweek, naarmate de +vloed kwam opzetten. Ten noorden van het Klif en aan het einde van +een zomerkade, bestemd om de invretende zeegolven te keeren, strekte +zich een groene smalle landstrook uit, aan wier uiterste einde zich +het klooster van Sint-Odulf met zijn hoogen toren en vergulden koepel +in al zijn luister verhief: en eindelijk, nog meer noordwaarts en aan +den hoek van Friesland, deed zich het trotsche Stavoren op met zijn +schitterende daken en ruime kerkgebouwen, met zijn dubbele haven, +en zijn ver vooruitstekende kaaien, waarmede het de zee te omarmen +scheen. Het gelaat des jongelings werd somberder nog dan het geweest +was, en een vloed van gewaarwordingen overstelpte hem. + +"Daar is die kust dan," dacht hij: "die kust, welke ik zoo gaarne +als vriend betreden had! Daar leeft, voor wie ik met wellust al +mijn bloed zoude offeren, en wier landgenooten ik thans bestrijden +ga!--Zal ik haar nog zien?--Ach! zoo zij te Haarlem en te Utrecht +mijn hand versmaadde, hoeveel te meer zal zij dit hier doen, nu ik +als vijand kom!" + +Terwijl Deodaat, wien mijn lezers aan deze uitboezeming herkend +zullen hebben, aldus stond te peinzen, kwam de jongste der matrozen, +een nauw volwassen knaap, hem op zijde. + +"Onze onderneming begint onder slechte voorteekens, Heer Ridder!" zeide +deze. + +"Dat doet zij, Zweder! maar een goed krijgsman mag nimmer den moed +opgeven!" + +"Ook geef ik den moed niet op, Heer Ridder! en heb voor mij +zelven geene zorg. Zoo gij sneuvelt in dezen tocht, 't geen God +verhoede! dan sneuvel ik met u, en dan is Zweder van Naaldwijk toch +met eere gevallen. Maar ik ben bezorgd voor de vloot van den Graaf, +die zeker reeds moet uitgezeild zijn. De matrozen zeggen, dat er weer +storm zal komen; waar zij het aan zien, weet ik niet; maar zij dienen +er verstand van te hebben." + +"Wij willen hopen, dat des Graven stuurlieden het ook zullen zien, +en de vloot niet noodeloos aan gevaar blootstellen. Met dat al, +er schijnt een vloek op deze onderneming te liggen." + +"Ja! ja," zeide Zweder: "die voorspelling van Graaf Reinout en van den +kokeler is menigeen voor den geest gekomen in deze laatste dagen! en, +zoo ik hoor, heeft de Heer van Beaumont den Graaf nog gebeden den tocht +niet aan te vangen, zonder tevens eenige benden te land te zenden." + +"Welnu! dat zal immers geschieden," zeide Deodaat. "De Bisschop heeft +bevel gezonden aan zijn vazallen in Drenthe en in het Oversticht om +gewapenderhand in Friesland te vallen." + +"De Bisschop is een looze vos," hernam Zweder, met een glimlach: +"hij wil ook zijn aandeel in den buit niet missen;--maar ik ben +overtuigd, dat zoo de vloot eens niet landde ('t geen God verhoede!) de +heldendaden van 's Bisschops leger zich zouden bepalen tot het plukken +van heidebloempjes op de vlakten van Drente om er kransjes van te +vlechten;--maar zie eens, Heer Ridder! Daar naderen wij den wal +weer. Is dat nu Stavoren?--Eilieve!--mij dunkt, daar staan menschen +op de kaai." + +"Dat doen er net," zeide de schipper: "en dat voorspelt ons weinig +goeds. Al die vrome lui staan daar ook niet bloot om naar den wind uit +te zien. Ik zou zeer bedrogen zijn, indien die Workummer visscher, +die ons gisteren, toen wij op de bank zaten, kwam vragen of hij het +anker op mocht zoeken, dat wij gekapt hadden; indien die Workummerman, +zeg ik, ons niet vooruit ware.--Ja bij mijn ziel! daar ligt zijn +schuit al in de haven!--De kans is verkeken, Ridder!--en wij zullen +wel doen den steven te wenden." + +"Dat niet," zeide Deodaat: "althans niet, voordat mij de onmogelijkheid +blijkt, van mijn last te volbrengen. Maak slechts haast, want elk +oogenblik vermeerdert de noodzakelijkheid om spoedig aan wal te zijn." + +"Ook goed!" zeide de schipper: "nog een paar gangetjes en wij zijn er." + +In weerwil van de haast, die hij predikte, was Deodaat niet ontevreden, +dat het vaartuig nog die twee gangetjes te doen had, vermits hem zulks +den tijd gaf, om nogmaals bedaard na te denken, welke handelwijze hij +volgen moest. Des Graven last was geweest, dat hij binnen Stavoren, +alwaar vele burgers nog Hollandschgezind waren, op een bedekte wijze +eenig volk ontschepen zoude, het kasteel bemannen en de stad in +bedwang houden, ten einde alzoo de Graaf dadelijk bij zijn landing +een vast punt zou hebben, van waar hij zijn krijgsbewegingen kon +besturen. Deze taak van Deodaat was hachelijk en de uitslag onzeker, +daar men in Holland niet juist met den stand der zaken bekend was, en +niet wist of men op de goede gezindheid der burgerij van Stavoren kon +blijven vertrouwen, welke daarenboven door de overmacht der overige +Friezen of door een oploop van het gepeupel kon machteloos gemaakt +worden. Deodaat had daarom de noodzakelijkheid ingezien, bij verrassing +te handelen en zijn krijgsknechten onder den valschen bodem verborgen +van een schip, dat van boven met biervaten geladen was. Zijn plan +was, dit volk bij nacht te ontschepen en daarmede naar het kasteel te +trekken; hetwelk (althans zoo luidden de laatste berichten, door Claes +Gerritsz gezonden) geene Friesche bezetting had; maar door twee of drie +lieden bewaakt werd, op wier trouw aan den Graaf men kon afgaan. Door +vertraging bij inscheping en door tegenspoed op reis was er nu een +dag verloren gegaan en was het noodzakelijk geworden, de onderneming +tot den volgenden nacht te verschuiven. Intusschen gaf de groote +menigte menschen, op de kaai verzameld, geene geringe bezorgdheid aan +Deodaat, of niet zijn plan verraden en reeds te Stavoren bekend ware: +en hij oordeelde het raadzaam, zich hiervan te verzekeren ten einde +de zijnen niet nutteloos ter slachtbank te brengen. Het besluit, +dat hij ten gevolge dier overdenkingen nam, was dan ook datgene, +hetwelk hem de menschelijkheid en de voorzichtigheid voorschreven, +hoewel het voor hem zelven het meeste gevaar inhad. + +"Boudewijn!" riep hij: "kom boven, maar leg eerst uw harnas af! En +gij Zweder! hoor mij." + +Beide schildknapen waren spoedig bij hem. + +"Mijn voornemen," zeide hij, "is alleen en onverwijld de stad in te +gaan, om kondschap te nemen hoe de zaken staan: het schip op stroom +latende liggen. Binnen drie uren kom ik weder bij u; immers zoo ik +alles bevind, gelijk wij wenschen. Kom ik niet terug, dan is het een +teeken, dat mijn leven of mijn vrijheid bedreigd wordt: gij wendt in +dat geval den steven en boodschapt den Graaf mijn wedervaren." + +De twee schildknapen zagen elkaar met onrustige blikken aan. + +"Welnu!" zeide Deodaat: "hoe kijkt gij zoo zwart? Wat hapert er aan?" + +"Ridder!" zeide Boudewijn: "bij God, ik laat u niet alleen gaan:--gij +zoudt omkomen in dat vervloekte nest! Laat ons liever, of al te zamen +terugkeeren, of terstond met het volk aan wal springen en naar het +kasteel trekken, eer die Friesche lomperds den tijd hebben om te +bespeuren wat wij in ons schild voeren." + +"Zie eens!" zeide Deodaat, naar de stad wijzende: "ziet gij daar +eenig blijk van een vriendelijk onthaal?" + +De afstand, waarop zij zich nu bevonden, liet hun toe, dadelijk te +bespeuren, dat niet slechts de volksmenigte op de kaai en de hoofden +was aangegroeid, maar ook zag men, achter de aldaar verzamelden, +ruiters heen en weer draven en hier en daar een helm en een speer in +'t zonlicht flikkeren. + +"Mij dunkt, gij weet reeds genoeg," zeide de schipper tot Deodaat: +"en behoeft niet aan wal te gaan om verzekerd te zijn, dat men u daar +een slechte welkomst voorbereidt. Gij zijt een wakker Ridder en ik maar +een slechte pekbroek; maar neem den raad aan van een oud man en keer, +zonder van boord te gaan, met ons terug. Ik ken die Friezen vanouds: +zij zijn niet mak als zij beginnen, en hoe best ik altijd met hen +overweg gekend heb, ik viel ongaarne in hunne handen." + +"Uw raad is welgemeend, schipper!" zeide Deodaat: "maar het komt hier +op plichtsvervulling aan en geen denkbeeld van gevaar kan mij daarvan +afschrikken. Door nu terug te keeren, zouden wij de Friezen, zoo zij +kwaad vermoeden hebben, daarin versterken en des te meer op hun hoede +doen wezen. Indien wij daarentegen nu stil op stroom blijven liggen, +is wellicht tegen den avond die volkshoop uit elkaar en heeft niemand +erg in ons. Daarom ook wil ik aan wal gaan; dan zal de achterdocht +van zelf wijken." + +"Neem mij dan in Gods naam mede, Heer Ridder!" merkte Boudewijn aan: +"gij zoudt in ongelegenheid kunnen komen, en...." + +"Neen vriend!" zeide Deodaat: "gij keert weer naar beneden. In u zou +elk den krijgsman ontdekken. Ook is uw post bij 't volk, dat gij aan +moet voeren." + +"Maar ik mag toch meegaan!" riep Zweder, hem met gevouwen handen +naderende: "ik zie er immers volkomen als een scheepsjongen uit; +in mij zal niemand erg hebben: en ik zal ongemerkt wellicht nog meer +kunnen vernemen dan uw Edelheid." + +"Knaap!" zeide Deodaat getroffen: "ik mag het voor uw ouders niet +verantwoorden." + +"Gij hebt aan mijn ouders beloofd, mij tot een braaf Ridder te +maken zooals gij," zeide Zweder: "en dus, het eenigste dat gij niet +verantwoorden kunt, is mij te beletten, in de gevaren te deelen, +waarin de Ridderplicht u noodzaakt u te begeven." + +"Zal ik het anker laten vallen, Ridder?" vroeg de schipper: "wij +hebben hier een goede ligplaats." + +"Doe het," zeide Deodaat, terwijl hij Zweder, die hem biddende +en smeekende bij het kleed hield, van zich afweerde: "en sein om +een boot." + +Een en ander geschiedde: en terstond zag men een groote beweging +aan wal: in weinige oogenblikken waren niet ééne, maar een twintigtal +booten bemand, die met alle haast en als om strijd naar het Hollandsche +vaartuig toe roeiden; terwijl al de schepen en schuiten in de haven +zich met toeschouwers vervulden, waarvan sommigen tot in de toppen +der masten klommen om te ontdekken of zij ook iets in het scheepshol +van den bierhaalder konden ontdekken. + +"Zie eens! hoe beleefd zijn de Friezen geworden!" zeide Deodaat: +"wij vragen slechts één boot, en er komen er wel twintig. Past maar +op, mijn maats! dat er geen ongenoodigde gast aan boord kome." + +"Wij zullen den eersten, die het waagt, met den tandenstoker op zijn +kop komen, dat hij het klimmen verleere," zeide de schipper. + +"Alles wel! alles wel!" klonk het weldra van alle kanten van het schip, +dat nu van bootjes omringd was. + +"Waarom komt gij niet aan 't hoofd liggen met uw tjalk?" riepen +ettelijke stemmen. + +"Ik moet met de eb naar Makkum," riep de schipper. + +"Dat kunt gij wel uit uw hoofd zetten," riep men van beneden: "wij +krijgen zwaar weer binnen 't uur en dan zult gij blij zijn hier in +de haven te liggen." + +Intusschen deden verscheidene bootslieden moeite om het vaartuig +te beklimmen. + +"Handen af!" riep de schipper, een eind hout opheffende: "handen +af! wat beduidt dit? Die koopman kan toch niet met u allen te gelijk +meegaan. Bij Sinter-Klaas! die een hand aan 't schip slaat sla ik de +hersens tot gruis. Gij allen kent Krijn Jansz, en gij weet dat hij +woord houdt." + +"Deze is er het eerst geweest," zeide Deodaat, op een boot wijzende, +die aan stuurboord lag: "wij zullen de keus op haar bepalen." + +Maar op hetzelfde oogenblik werd hij met geweld bij den arm gevat en +naar bakboordszij getrokken door een Fries, die, terwijl de schipper en +zijn maats het schip aan weerszijden tegen alle aanranding beschermden, +tegen de roerpen was aan boord geklommen. + +Deodaat sloeg de hand aan zijn dolk en wendde zich om, met oogmerk +om deze onheusche handelwijze te keer te gaan; maar hij liet af en +beschouwde aandachtig het gelaat van den Fries, dat hem niet onbekend +voorkwam. + +"Indien gij wijs wilt zijn, blijf dan aan boord en wend dadelijk den +steven," fluisterde hem de Fries met drift in het oor. + +"Ik moet aan wal zijn," zeide Deodaat: "maar wie zijt gij, die mij +zoo ongevraagd raad komt geven?" + +"Kent gij Feiko niet meer?" hernam de Fries: "gij hebt mij eens het +leven gered en ik wil het u op mijn beurt doen." + +"Welnu!" zeide Deodaat: "ik dank u! en ik zal met uwe boot aan +wal gaan." + +"In Gods naam dan!" zeide Feiko: "maar laat niet blijken, dat gij +mij kent. Hei, ho! Rienk Westra! waar is de boot? De koopman gaat +met ons mee." + +De boot van Rienk Westra was spoedig naast het vaartuig, tot groote +spijt van al de overige varensgasten. + +"Vaarwel schipper!" zeide Deodaat: "gij onthoudt onze +afspraak. Kom! wij moeten voort." + +"God zegene u!" zeide Krijn Jansz, hem de hand drukkende: "en brenge +u behouden in de haven uwer hoop." + +Deodaat steeg af: maar nauwelijks was hij in de boot, of hij ontdekte +tot zijn leedwezen, dat Zweder, die zich aan een touw had laten +afglijden, er reeds zat, met een riem in de eene en een aarden pot +in de andere hand. + +"Gaat gij toch mede?" vroeg hij, zijn ongenoegen onder deze +onverschillige vraag verbergende. + +"De schipper heeft melk noodig," zeide Zweder: "en ik ga die te +Stavoren halen." + +De boot verwijderde zich met snelheid, gevolgd door de andere +varensgasten, die haar ettelijke vloeken nazonden. + +"Wat vertoont men heden te Stavoren?" vroeg Deodaat, als begreep hij +de reden van dien volksoploop niet: "is er een mysteriespel of een +processie te wachten, dat alle man dus op de been is?" + +"'t Is marktdag," antwoordde Rienk Westra. + +"En komt men hier meer gewapend te markt?" vervolgde Deodaat, op +eenige krijgslieden wijzende, die hij in 't verschiet zag. + +"Somtijds!" hernam de Fries met een hoonenden lach: "wanneer men +menschenkoppen te koop vent." + +"Zoo! nu begrijp ik u," zeide Deodaat: "er wordt dan heden recht +gedaan." + +De bootsman zag hem met een schamperen blik aan, en met verdubbelde +kracht voortroeiende, neuriede hij het volgende referein van een oud +Friesch deuntje: + + + "Onedelen en dorpers hangt men op. + Maar de edelen vreezen den strop, + Zij varen liefst zonder kop + Ter helle! ter helle! ter helle!" + + +Een onwillekeurige huivering voer door de aderen van Deodaat, en Zweder +werd bleek. Gaarne had deze laatste, die bijna overtuigd was dat zij +den dood tegengingen, den Ridder willen betuigen, nog terug te keeren; +maar deze, begrijpende dat alle poging daartoe vruchteloos zijn zoude, +vermits zij van barken waren ingesloten, wenkte hem te zwijgen. "Er +zijn ook gewapende lieden aan wal," dacht hij; "en bijgevolg menschen, +die eergevoel in 't lijf hebben. Zoo wij alleen met een blind gepeupel +te doen hadden, ware ik niet gegaan: maar al wie een degen draagt +zal mij niet laten vermoorden." + +Zij waren nu aan het hoofd gekomen, waar de verzamelde menigte +hen wachtte. Waar Deodaat het oog wendde, op elk gelaat las hij +onbeschaamde nieuwsgierigheid en kwalijk verborgen haat; maar bij +de menigte heerschte die doodelijke stilte, welke niet zelden bij +volksopschuddingen, gelijk in de natuur, de voorbode is van den +geweldigsten storm. In een oogenblik was Feiko tegen de dwarshouten +opgeklommen en bood hij de hand aan Deodaat om hem te volgen. Het +was echter geene gemakkelijke zaak daar boven te komen; want de +toevloeiende volkshoop drong zich onder een dof gemurmel van: "daar +is hij!" zoo sterk om Feiko heen, dat deze nauwelijks gelegenheid had, +den voet aan wal te blijven houden. + +"Plaats wat! plaats wat! leegloopers!" riep hij, bij zijn best, de +omstanders rechts en links achteruitstootende: "zoo gij ons bekijken +wilt, geeft ons dan ten minste de gelegenheid van voet aan wal te +zetten: denkt gij, dat men hier komt om uwe leelijke bakkessen te +zien?--met u hebben wij niets te maken!" + +"Misschien wij met u lieden," bromde een uit den hoop tusschen +de tanden. + +"Kunt gij mij den weg wijzen naar meester Claes Gerritsz, den +Ambtman?" vroeg Deodaat aan Feiko, toen hij eindelijk met Zweder +boven op het hoofd gekomen was, waar zij nauwelijks genoeg ruimte +vonden om op de beenen te staan. + +"Hoort! hij wil naar den Ambtman!--hij mag hem gezelschap houden!--daar +zal hij net op zijn plaats wezen!" mompelde het volk, terwijl het +hoonende blikken op den Ridder wierp. + +Deodaat zweeg en vergenoegde zich kalm om zich heen te zien, terwijl +hij Feiko volgde, die hem niet zonder moeite en kracht van ellebogen +een weg baande door den volkshoop, die zich slechts opende om zich +weer dadelijk achter hen te sluiten. Wat Zweder betrof, deze liep +achter zijn meester, in de meest achtelooze houding mogelijk, slechts +nu en dan vloekende tegen de omstanders, die hem tegen 't lijf drongen. + +"Voorzichtig wat, lomperds!" zeide hij: "gij zult mijn pot breken." + +"Als men u den hals maar niet breekt, mijn boutje!" snauwde een +afzichtelijk vrouwmensch hem toe (want het betere deel van het +menschelijk geslacht had mede niet weinig vertegenwoordigsters onder +de menigte): "hoor mij dien kwaden guit eens aan." + +"'t Zou toch jammer wezen, Makke!" zeide een andere vrouw: "'t is +een aardig borstje en het ware zonde, dat hij aan een staak hing." + +Onze Ridder was nu de hoofdstraat ingetreden van die toenmaals zoo +welvarende en thans zoo geheel vervallen stad. Wel had het tijdperk van +haar hoogsten bloei opgehouden te bestaan, en begon haar handel door +de mededinging der Hollandsche steden eenigszins te verminderen; maar +nog was haar later verzande haven in goeden staat en druk bezocht:--en +de inwoners genoten juist dat tijdperk van welvaart, zoo doodelijk +voor een volk of stad, waarin men op vroegere winsten teert, en aan +weelde gewoon, de noodige inspanning laat varen om te zorgen, dat de +vroegere bloei door geene latere armoede vervangen worde. Sierlijke +huizen vertoonden zich aan weerszijden: de stoepen waren wel niet met +goud beslagen, gelijk een kroniekschrijver verhaalt, die waarschijnlijk +verkeerdelijk _stoepen_ voor _stoopen_ (of drinkkannen) las, maar alles +ademde toch die weelde, pracht en overdaad, welke aan de inwoners den +naam van: _de verwende kinderen van Stavoren_ had doen geven. Wat +echter thans aan de stad een minder vroolijk aanzien gaf, was, dat +in de huizen der aanzienlijkste meest Hollandschgezinde bewoners, de +blinden gesloten waren: alleen zag men zich hier en daar een angstig +gelaat vertoonen, dat om een deurpost of over een luik heenkeek en, +na een blik van medelijden op Deodaat geslagen te hebben, terstond +weder verdween. + +De gemeente begon onder 't voortgaan luidruchtiger te worden. Hier en +daar werden vervloekingen gehoord tegen de Hollanders en tegen den +Graaf: Rienk Westra, de varensgast, begon zijn deuntje weder aan te +heffen, en het referein werd door honderden herhaald. Dit lied werd +door een ander gevolgd, waarvan het slot was, dat de vogel in de knip +zat: en voorts door meer, alle weinig geschikt om de gerustheid van +Deodaat te vergrooten. + +"Een _wapeldjepinga_!" riepen nu sommigen uit den hoop: +"Eilieve! koopman, laat ons eens hooren welk een landsman gij zijt: +zeg mij eens na: _raed hird reekt rierrene lyre_; zonder haperen, +hoort gij." [33] + +Het bloed des Ridders kookte hem in de aderen, en hij had er veel voor +gegeven om op zijn ros te zitten en dat gepeupel voor zich heen te +doen wegstuiven. Hij besefte echter, dat zijn lot, en misschien ook +dat van de manschappen, die hij aan boord had gelaten, er van afhing, +dat hij koelbloedig bleef, en hij wist zich ook bedaard te houden, +tot zoolang de Workummer visscher, die zijn komst, naar hij vermoedde, +verklikt had, hem op zijde kwam. + +"Ja hij is het wel," zeide hij, na hem met een zwenk te hebben +gadegeslagen: "het is de man, die ons verrassen wou; maar hij is +zelf verrast. Maatje! maatje! gij zit in de knip: en het is jammer +voor u, dat gij die koopmanspij hebt aangeschoten; want hadt gij een +ridderharnas aangehad, gij hadt nog met eer kunnen onthoofd worden; +maar nu is het hangen, vriendje!" + +"Ga uw weg, vriend!" zeide Deodaat, "ik versta u niet." + +"Zie mij dat wittebroodskindje eens aan!" hernam de visscher: "hij +zou mij niet verstaan!" + +"'t Staat u zeker schoon," zeide Deodaat, hem met een toornigen blik +aanziende, "dus op een wapenloozen man te vloeken, die hier voor +zaken komt." + +"Een wapen kon men u wel verschaffen," zeide de visscher, en haalde +tevens een breed mes uit, hetwelk hij den Ridder voor den neus hield. + +"Pas op," zeide Deodaat: "gij zoudt u kunnen bezeeren. Ga uw roes +uitslapen en laat mij met vrede." + +"Mijn roes! Donderskind! denkt gij dat ik bezopen ben?" duwde hem +de schipper toe: en zijn arm verhief zich opnieuw in een dreigende +houding, toen Zweder, zijn meester in gevaar achtende, zijn melkpot +aan stukken sloeg op het hoofd van den Workummer, die bedwelmd ter +aarde stortte. + +Deodaat keek eenigszins wrevelig om en zag Zweder met een ontevreden +en droefgeestigen blik aan. Maar de val van den schipper was het +teeken der uitbarsting van de volkswoede. Honderd messen waren in +een oogwenk uit de scheede en evenveel dreigende handen verhieven zich. + +"Zoo zij mijn leven begeeren, zullen zij het echter niet goedkoop +hebben," zeide Deodaat en trok zijn dolk. + +"Laat af," zeide Feiko, hem weerhoudende: "wat zoudt gij tegen +zoovelen?--Zijt gij dwaas, makkers!" vervolgde hij met luider stemme: +"wilt gij u van het genoegen berooven om dezen liefhebber aan een +pereboom te zien hangen?" + +Deze toespraak werd met een luid gelach door de naastbijstaanden +opgenomen; maar die verder af waren en Feiko's woorden niet verstaan +hadden, begonnen met steenen te werpen. Op dit oogenblik kwam een +monnik, die het gewaad van Sint-Odulf droeg, door een zijstraat +aan. Nooit was er iets magerder gezien dan die vrome man, die volkomen +een wandelend geraamte scheen; alleen in zijn oogen blonk nog het +levendige vuur van betere dagen. Zoodra Feiko dezen zag, snelde hij +naar hem toe: + +"Help toch, vrome Heer!" beet hij hem zachtjes in 't oor: "men wil +Ridder Deodaat vermoorden, aan wien wij zoovele verplichtingen hebben." + +De monnik naderde terstond, met verbaasdheid en belangstelling op het +gelaat: "wat doet gij, mannenbroeders!" riep hij: "schaamt gij u niet, +allen gezamenlijk eenen weerlooze op 't lijf te vallen?" + +"Te water met hem! Hij is een Hollander! wat let ons die verbraste +monnik?" riepen verscheidene stemmen.--"Neen! neen!" schreeuwden +anderen,--"het is vader Syard!--welkom weer te Stavoren, vader +Syard!--vader Syard heeft het verraad aan de Grietlui ontdekt! Zij +hebben u slecht te eten gegeven, Vader!--Hoezee! Leve vader Syard!" + +Er ontstond een weifeling onder de menigte. Rienk Westra trad toe: + +"Indien gij het verraad ontdekt hebt," zeide hij tot den monnik, +die werkelijk niemand anders dan onze vermiste kloosterling was, +"zoo zult gij dezen man niet gespaard willen hebben: hij komt uit +het schip: hij is de hoofdaanlegger, de bevelhebber der bende." + +"Gij bedriegt u," zeide de monnik: "deze is niet de man waar gij hem +voor houdt. Hij is een Fries en zal hier niet komen om zijn land ten +val te brengen." + +"Een Fries!" riep Westra, verbaasd terugtredende: "hij!" + +"Monnik!" zeide Deodaat zachtjes: "bezwaar u met geen logen om +mijnentwil. Ik ben...." + +"Zwijg!" zeide vader Syard: "Ik ken u beter dan gij u zelven kent: +of," vervolgde hij, den Ridder scherp aanziende: "weet gij, wie uw +vader was?" + +Deodaat zweeg en zag den monnik in stomme verbazing aan; want hij +begreep niet, welk belang die man in hem konde stellen, daar hij hem +nooit dan eens in de hut bij Elske ontmoet had. + +"In waarheid!" zeide Feiko, die nu ook Deodaat meer aandachtig +beschouwde, en begreep, nadere klem te moeten bijzetten aan hetgeen de +monnik gezegd had; hoewel hij zelf niet wist of het waarheid ware dan +wel een vrome leugen: "ziet hij er niet van top tot teen uit als een +Fries. Kijkt hem maar eens recht aan: bij mijn zolen!--'t is volkomen +de neus, .... de oogen, .... de mond van.... Ja waarachtig:--hij lijkt +immers sprekend op mijn Heer van Aylva, en dien moet ik toch kennen, +daar ik zijn dienaar ben. Een Fries is hij, dat zweer ik u, mannen!" + +Op dit oogenblik rukte er een bende gewapend volk op, uit dezelfde +straat, waaruit de monnik zoo juist van pas gekomen was. Ondanks den +benarden toestand, waarin hij zich bevond, kon Deodaat niet nalaten +te glimlachen, toen hij dien troep in oogenschouw nam, zoo om haar +vreemde marschorde als om de zonderlinge wijze, waarop zij gewapend +was, elk naar zijne verkiezing, deze met een bijl, die met een spade, +een derde met een houweel; kortom, er schenen er geen twee te zijn, +die dezelfde wapenen droegen. + +"Hopman!" zeide vader Syard, zoodra hij den aanvoerder der bende +in 't oog kreeg: "gij neemt dezen koopman onder uwe bescherming, +eer hij door het volk mishandeld worde. Gij kent mij, en gij weet, +dat ik niet alzoo zou spreken, indien ik geen gewichtigen grond voor +mijn zeggen had." + +"Met uw verlof," zeide de Hopman: "ik moet naar de haven, om dat +vaartuig te beknippen, hetwelk zoo vriendelijk is geweest, ons te +komen bezoeken met meer waar aan boord dan noodig was." + +"Dat heeft den tijd," zeide de monnik: "volg nu slechts mijn last: +of 't zou u kunnen rouwen. Gij weet, wie den aanslag ontdekt heeft." + +De Hopman haalde de schouders op; maar gehoorzaamde: en Deodaat met +den monnik en Feiko tusschen zijn gewapenden innemende, liet hij +deze laatsten rechtsomkeert maken. Zweder, op wien niemand in de +verwarring van het oogenblik acht had geslagen, mengde zich onder +het volk, en volgde de bende, zijn Heer zo min mogelijk uit het oog +verliezende. Weldra hield de Hopman voor een aanzienlijk gebouw stil, +hetwelk het raadhuis bleek te zijn. + +"Hopman," zeide nu de monnik, op dien toon van gezag, welken hij, +waar het pas gaf, zoo meesterlijk wist te gebruiken: "gij vertoeft +hier met uw bende, tot gij nadere bevelen ontvangt, en gij zorgt, +dat niemand in het raadhuis kome, die er niet van doen heeft:--en +nu! laat ons spoedig binnengaan." + +"Ik behoef mijn plicht van geen paap te leeren," bromde de Hopman, +terwijl Deodaat met vader Syard binnentrad: "en met dat al, ik zal +maar doen wat hij zegt; want die geestelijke heeren zijn altijd in +staat ons een kool te stoven." + +"Is de Ambtman Claes Gerritsz hier?" vroeg Deodaat aan den stadsbode, +die zich in 't portaal bevond. + +"Er is hier geen Ambtman meer," antwoordde de bediende op een norschen +toon: "wilt gij de Grietlui spreken, die zitten binnen. Ga maar, +zij wachten u al." + + + + + +DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Kom, beul en doet v werck, kom laet de deugh-niet knielen + En wilt hem door het sweert van stonden aen vernielen. + Siet, daer ist al geseyt. Men doet het recht te kort, + Indien men niet terstont het schendigh bloet en stort. + + Cats. Trou-ringh. + + +Deodaat trad met vader Syard de zaal binnen, welke hem geopend werd, +en haastte zich een nieuwsgierig oog in 't rond te slaan op de aldaar +aanwezige personen. Hij herkende terstond Seerp Van Adeelen, die, +met het ongeduld op 't gelaat en de handen op den rug, heen en weer +wandelde achter een tafel, aan welke eenige wereldlijke en geestelijke +personen gezeten waren. De Abt van Sint-Odulf was onder deze laatsten, +en men kon aan 's mans gelaat, vooral aan den doffen blik, dien hij +voor zich uitwierp, ras bespeuren, dat hij niet op zijn gemak was. Wat +verder stonden, in de sponning van een groot kruisraam, een drietal +gewapende edellieden in een druk gesprek bijeen. Deodaat meende te +hooren, dat een hunner bij zijn binnenkomst een uitroep van verbazing +deed en zich toen terstond weder omwendde, zijn mantel om zich heen +trekkende, als wilde hij niet herkend wezen. + +"Aha! daar is onze vrome broeder Syard weer," riep de Abt van +Sint-Odulf uit, terwijl zijn strak gelaat op eenmaal opklaarde: +"ja! mijn waarde Broeder van Lidlum," vervolgde hij, zich tot den +geestelijke wendende, die naast hem gezeten was: "het is broeder Syard, +die ons tegen dat Satansche plan van den Graaf is komen waarschuwen: +hij is door een bestiering Gods in de handen der Amalekiten moeten +vallen om het te ontdekken. Wij achtten hem reeds dood, en ik had +al gelast, dat men zielmissen voor hem zoude lezen; maar nu kunnen +wij het Halleluja zingen om zijn weerkomst; hoewel gij ziet, dat de +man een schrale keuken heeft gehad bij de Hollanders: ja hij ziet er +waarlijk uit, of hij al dien tijd alleen op _hiera picra_ geteerd had; +en dat is niet het middel om vet te worden." + +"Thans moeten wij alleen om de _hiera gladii_ [34] denken," zeide +de kloostervoogd van Lidlum, die een reusachtig man was, aan wiens +forsche ledematen het harnas beter zou gepast hebben dan de monnikspij: +en meteen stak hij zijn breede hand over tafel toe aan vader Syard, +dien hij kende en hoogachtte, en heette hem van harte welkom. Hetzelfde +deden ook de overige aldaar gezeten lieden. + +"Wien brengt gij ons daar mede, monnik?" vroeg Adeelen, op een +haastigen toon: "de duivel hale mij!" riep hij eensklaps uit, na +Deodaat aandachtig beschouwd te hebben, "indien het die vervloekte +Italiaan niet is!" + +"Ik ben het zelf, Seerp Van Adeelen!" zeide Deodaat: "en ik dank het +den eerwaardigen vader, dat gij mij herkennen kunt. Hij heeft mij uit +de handen van het grauw verlost, dat mij te lijf wilde.--Men bereidt +hier een slecht onthaal aan hen, die uwe stad bezoeken komen." + +"Wanneer zij vermomd en met slechte inzichten komen, bereidt men hun +het onthaal, aan verraders bestemd," zeide Adeelen, op een strengen +toon. "Wat komt gij hier zoeken?" + +"Mag ik weten, of ik hier voor een rechtbank sta?" vroeg Deodaat: +"welke vergadering vermeet zich hier, mij te verhooren?" + +"Aha! gij wilt weten, met wie gij te doen hebt?--Welnu! ik zal niet +minder beleefd zijn, dan uw Graaf op den Vogelesang was.--Den Abt van +Sint-Odulf kent gij: deze is zijn ambtgenoot van Lidlum: en hier zit +de kloostervoogd van Bloemkamp of Oldeklooster." + +Deodaat zag verbaasd op. De kloostervoogd van Bloemkamp was een +breedgeschouderd ventje, barsch van uitzicht en van top tot teen +geharnast. + +"Hier ziet gij de Edelen Eelco Galama en Sytse Martena, en aan deze +zijde Tiete Cammingha en Jouke Helbada;--gezamenlijk met mij het +tegenwoordige bestuur van Friesland uitmakende. Moet ik die ginds aan +'t raam staan ook noemen:--het zijn Epe Fadinga en...." + +"Al genoeg," zeide Deodaat; "alleen begrijp ik niet, wat gij van een +bestuur van Friesland praat, hetwelk alleen bij Graaf Willem berust, +als Heer van dit gewest." + +"Noch rechtens, noch in de daad heeft Willem hier iets in te +brengen," zeide Adeelen: "maar ik verlang in geene woordenwisseling +te treden. Wat begeert gij?" + +"Mijn eerste boodschap was aan zekeren Ambtman des Graven, Claes +Gerritsz genaamd," zeide Deodaat. + +"Begeert gij dien te zien?" + +Deodaat knikte toestemmend. + +"Zie uit dat kruisraam en gij zult hem ontdekken," zeide Adeelen, +met een woesten glimlach. + +Deodaat, zonder de meening dezer woorden te beseffen, begaf zich naar +het aangeduide raam, waarvan de drie Edelen, die er voor stonden, +dadelijk bij zijne nadering terugweken, als om hem een vrijen doortocht +te laten. Van het venster had men het uitzicht over een gedeelte van +den stadswal: en Deodaat trad met ijzing terug, toen hij van verre +het lijk van onzen armen Haarlemmer aan een pereboom zag hangen. Vol +verontwaardiging begaf hij zich weder naar de tafel. + +"Wie is de bedrijver van een zoo schendig stuk?" vroeg hij met +fonkelende oogen: "zijn hier de wetten omgekeerd, dat men 's Graven +dienaren ophangt?" + +"Het doet u zeker leed," zeide Adeelen, met bitterheid, "dat gij nu met +hem de middelen niet kunt beramen om ons in slavernij te brengen. Uw +plan is ontdekt, hoe listig het ook overlegd ware. De muis zal in de +val blijven, zelfs zonder het spek geproefd te hebben." + +"Kom! kom!" zeide de Abt van Bloemkamp, met zijn gewapende vingers op +de tafel trommelende: "straks waart gij zoo voortvarend, Adeelen! en +nu houdt gij ons met allerlei snorrepijpen op. Wat bruit ons die +Hollander? Laat hij bij zijn makker hangen.--En hoe is het? 't Is of +ik Eise Makkinga nog buiten hoor met zijn krijgsvolk. Is dat schip +nog niet in brand gestoken?" + +Adeelen vloog naar het raam, dat op de straat uitzag: "bij +alle duivels!" riep hij: "gij hebt gelijk. Wat sammelt gij, +Eise?" schreeuwde hij, het venster openende: "en waarom gaat gij uw +last niet ten uitvoer brengen?" + +"Vader Syard heeft mij gelast, hier post te houden," antwoordde de +Hopman van beneden. + +"Vader Syard is een ezel, en ik gelast u te handelen als +afgesproken is, en niet weer te komen voordat het schip tot pulver is +verbrand. Scheer u weg!--Ik wilde wel eens weten, Pater!" zeide hij, +terugkomende: "waar gij u mede bemoeit?--Ware het niet om den dienst, +dien gij ons heden bewezen hebt, ik liet u opknoopen." + +"Dat is te zeggen," zeide de Abt van Sint-Odulf, "gij zoudt u, +geloof ik, tweemaal bedenken, eer gij een broeder van mijn klooster +dorst aanranden." + +"Met dat al, 't is toch vreemd," zeide die van Lidlum, "dat een wijs +man, als broeder Syard, bevelen geeft, strijdig met die van de Abten en +de Grietlui. Wij moeten hooren, welke redenen hij daartoe heeft gehad." + +"Ik heb," zeide vader Syard, die dit luidruchtig gesprek staande +en zwijgend had aangehoord, "ik heb den Hopman verzocht, voor +de veiligheid van dezen Ridder te zorgen, daar ik overtuigd was, +dat mijn vader Abt het hoogst euvel zou opnemen, indien men iemand +onverhoeds veroordeelde in een stad, welke onder de bescherming van +onzen Heiligen Patroon staat." + +"Gij hebt volkomen wel gehandeld, Broeder!" zeide de Abt van +Sint-Odulf: "en ik zou in uwe plaats niet anders gedaan hebben. Wij +mogen niemand onverhoord ter dood brengen, veelmin toelaten, dat +zulks door dat domme gepeupel worde gedaan." + +"Recht zoo!" zeide een der Edelen: "verhoort dan dezen man ook; +maar maakt het spoedig." + +"Eer gij hiermede aanvangt," zeide Deodaat, die de noodzakelijkheid +gevoelde, onbeschroomdheid tegen geweld over te stellen: "zoo wil ik +vragen, of gij opgehouden hebt, het gezag van Graaf Willem, uwen Heer, +te erkennen?" + +"Moet men het u tienmaal zeggen?" grauwde hem Adeelen toe: "wij +erkennen geen gezag ter wereld. Wij zijn vrij en willen vrij blijven." + +"Welnu! het is dan als afgevaardigde van den Graaf, dat ik tot u +spreek. Hier is mijn geloofsbrief!" en meteen haalde hij een perkament +uit den boezem, waarmede hem de Graaf voorzien had, ten einde hij +zich daarvan in een oogenblik van nood zou kunnen bedienen. + +"Hij wil in alles het voorbeeld van den Haarlemmer volgen," zeide +Adeelen: "die kwam ons ook met schrifturen aan boord. Ziedaar het werk, +dat wij van dergelijke prullen maken!" En, het perkament verscheurende, +wierp hij Deodaat de stukken in 't gezicht. + +"Gij zijt een lafaard," riep de Ridder, "maar ik zal mij bedwingen, +omdat mijn last niet aan u gericht is. Eerwaarde Vaderen! Dappere +Edellieden! ik spreek tot u in naam des Graven, wiens weldaden +met ondank geloond, wiens goedheid getergd is! Staat af van uw +roekeloos bestaan!--Stoot u zelf en uw landgenooten niet in een +onherstelbaar verderf, door u te verzetten tegen hem, wiens macht +u allen kan verpletteren. Bedenkt, dat Utrecht, het geheele Sticht, +door zijn wapenen overweldigd zijn. Het ware noodeloos het u langer +te ontveinzen; eer twee dagen om zijn, zal dit land met Hollandsche +wapenknechten overdekt wezen, tenzij gij u onderwerpt. Staat af van uw +rasch besluit!--Legt de wapens af en zendt woorden van onderwerping +en vrede. Zoo alleen kunt gij den storm afweren, die anders geweldig +op uwe kusten woeden zal." + +En als wilde de natuur zijn overdrachtelijke spreekwijze metterdaad +bevestigen, een donderslag deed zich in de verte hooren. + +"De storm!" zeide Adeelen:--"daar komt hij al; maar wij hebben dien +niet te vreezen.--Friezen! gij hebt hem gehoord: welk lot hebben +wij bepaald dat hem beschoren zoude wezen, die van Graaf Willem tot +ons kwam?" + +"De dood!" riepen schier al de leden der vergadering als uit éénen +mond. + +"Gij hoort het!" zeide Adeelen: "uw dood is bepaald!--Hier +knapen! knevelt hem, en hangt hem naast meester Claes Gerritsz." + +Deze woorden verwekten geene geringe opschudding in de zaal. Deodaat, +besloten hebbende zijn leven duur te verkoopen, had reeds zijn dolk +getrokken, toen hij onverhoeds van achteren werd aangegrepen door +eenige staffieren, die achter een gordijn verborgen hadden gestaan en +hem knevelden eer hij zich kon verweren. Vader Syard vouwde de handen +met ontzetting in elkander en scheen te peinzen op een middel om den +gevangene te redden: een der aan het raam staande Edelen mompelde +een verwensching en deed een paar schreden voorwaarts; de Abt van +Bloemkamp wenkte met de hand, dat men voort zou maken: die van Lidlum +ledigde in eene teug eene geweldige bierkan, die voor hem stond: +vader Volkert keek eenigszins bedrukt: de Grietlieden fluisterden +halfluid met elkaar: en Adeelen bleef rustig, op zijn sabel leunende, +het tooneel aanschouwen. + +De Abt van Sint-Odulf scheen de eenige man van gewicht te zijn, +die medelijden met den gevangene gevoelde: "Is er gezorgd voor +een biechtvader?" zeide hij: "nu onze waarde broeder Syard uit de +handen der Philistijnen verlost is, zou hij waarschijnlijk gaarne de +gelegenheid aangrijpen zijn heilige bediening weder eens te vervullen." + +"Eerwaarde Vader!" zeide de monnik: "er is nog een heiliger plicht, die +op mij rust en waaraan ik gehoor moet geven. Heeft deze vreemdeling +iets gedaan dat des doods waardig is? Heeft hij niet integendeel +aanspraak op de dankbaarheid van Friesland, daar hij het was, die +Seerp Van Adeelen uit de klauwen van het Haarlemsen gepeupel redde, +en die Madzy Dekama veilig door de legerplaats van Willem liet brengen +en haar vergunde tot ons te keeren?" + +"Ziedaar juist wat ik nog dacht aan te merken," zeide de Abt van +Sint-Odulf: "ik verheug mij dubbel in uwe terugkomst, Broeder!--Niemand +wist in uwe afwezigheid mijne meening te vatten. Inderdaad, Seerp +Van Adeelen was den vreemdeling een beter dank verschuldigd dan een +streng touw." + +"Bovendien," vervolgde de monnik: "deze Ridder komt als afgevaardigde, +en het recht aller beschaafde natiën eerbiedigt de personen van +gezanten en herauten." + +"Dat is volkomen waar," zeide de Abt: "en ik wilde wel weten, met welk +recht Seerp Van Adeelen een stuk verscheurd heeft, dat niet aan hem, +maar aan ons allen gericht was?" + +"Met welk recht?" herhaalde Adeelen op een schamperen toon: +"ben ik hedenmorgen niet door de aanwezigen, ook door u, vader +Volkert! verzocht geworden het hoofdbestier te nemen van den +verdedigingsoorlog, dien wij voeren zullen? Heb ik geene machtiging van +u ontvangen om te doen, wat ik oorbaar en nuttig voor 's lands welzijn +zou achten? Ik had hem op eigener gezag kunnen doen ter dood brengen; +maar ik heb uw aller oordeel gevraagd: en heeft zich wel ééne stem te +zijnen voordeele doen hooren, toen ik voorstelde, dat hij als verrader +den dood zou ondergaan? Zouden wij van ons besluit terugkeeren om het +gereutel van een monnik, die zijne zinnen in een Hollandschen kerker +verloren heeft en hier ongeroepen in de vergadering verschijnt?" + +"Ik kwam hedenmorgen ook ongeroepen tot u, Seerp Van Adeelen!" zeide +vader Syard:--"en zoo ik niet gekomen was, ware de stad met dezen +nacht in handen der Hollanders." + +"'t Is waar," zeide Adeelen: "gij bracht zelf den os ter slachtbank +en nu de slachter zijn bijl opheft, wilt gij het beest sparen." + +De Abt van Lidlum, die ondertusschen met zijn buren gefluisterd had, +vatte nu het woord. + +"Wij meenen," zeide hij, "dat men dezen vreemdeling in aanmerking +der door hem bewezene diensten het leven zou kunnen schenken, indien +hij ons de noodige kondschap wilde geven omtrent de voornemens van +zijnen meester." + +Deodaat had sedert den onverhoedschen aanval, op hem gedaan, een +somber stilzwijgen bewaard, als gevoelde hij, dat welsprekendheid +even nutteloos zou zijn als wederstand. Maar bij de woorden van +den Lidlummer voelde hij al zijn geestkracht herleven. "Spaart u +de moeite," riep hij uit, terwijl zijn oog met verachting op den +forschgebouwden kloostervoogd rustte, "mij een zoo onteerenden +voorslag te doen. Ik ben in uwe macht en het staat aan u, mij te +dooden; maar weet vooraf, dat ik u allen, Edelen, Prelaten en Burgers, +wat gij zijn moogt, in naam van mijnen en uwen Heer, den Grave van +Holland en Henegouwen, uitmake voor rebellen en muiters, en tegen +u inroep al de straffen, die uw opstand verdient.--En u bovendien, +Seerp Van Adeelen! verklaar ik een onwaardige bloodaard te zijn, +die van de overmacht gebruik zoekt te maken, om een bijzonderen wrok +tegen mij te koelen." + +Aller oogen wendden zich bij dezen laatsten uitval op Adeelen: +de goedhartige Abt van Sint-Odulf knikte Deodaat goedkeurend toe; +zijn ambtgenoot van Lidlum, die, gelijk men zich herinneren zal, een +oude veete tegen Adeelen had, wreef zich vergenoegd de breede handen: +terwijl de Edelen nieuwsgierig schenen, te vernemen op welke wijze +Adeelen zich van deze betichting zoude zuiveren. + +Wat dezen betrof, hoe geraakt hij zich ook gevoelde, de hoogmoed +zegevierde bij hem over den toorn: "Ware ik bloot een krijgsman," +zeide hij, "ik zou met vreugde de uitdaging beantwoorden, mij eens +door u gedaan;--als veldheer kan ik thans het welzijn des vaderlands +aan geene bijzondere twisten opofferen." + +"Het is wel gezegd!" zeide de Abt van Bloemkamp, terwijl hij met +de in ijzer gehulde vuist krachtig op de tafel sloeg: "niemand zal +hier te lande in Seerp Van Adeelen een bloodaard zien, omdat hij +de zotte gewoonten van vreemde landen niet opvolgt en zijn leven +waagt, nu Friesland zijn arm en zijn hoofd behoeft. Al genoeg +geredekaveld! Waarom brengt men den verrader niet ter dood!" + +"Sleurt hem van hier!" zeide Adeelen. + +De wachters maakten zich gereed, dit bevel te volvoeren: Deodaat zag +reeds geene andere uitkomst dan den dood: hij wierp een scherpen blik +op Adeelen, over wiens gelaat een glans van zegepraal verspreid was, +en dwong hem, de oogen neder te slaan. Vader Syard scheen zich gereed +te maken om nog eene poging te doen en iets mede te deelen, hetwelk hij +niet dan op het uiterste had willen ontvouwen, toen de geheimzinnige +persoon, die, aan het raam staande, tot dien tijd het geheele tooneel +met een afgewend gelaat en zonder zich te verroeren had bijgewoond, +eensklaps toesnelde. "Dat zal in eeuwigheid niet gebeuren," riep hij; +en, te gelijk tusschen de wachters inspringende, ontrukte hij Deodaat +aan hunne handen. Deze wendde zich om, en men oordeele over zijne +verbazing, toen hij in zijn beschermer zijn voormaligen wapenbroeder +herkende, die hem in de armen drukte. + +"Reinout!" riep hij: "gij zijt mijn vriend nog! O! dan is al het +verledene vergeten." + +"Wat beduidt deze nieuwe dwaasheid?" vroeg Adeelen. + +"Neen!" riep Reinout, wiens onstuimige ziel gedurende het verhoor een +bangen kamp gestreden had, en die, eerst beschaamd op het onverwacht +herzien van den man, dien hij beleedigd had, bij diens gevaar al zijn +vorige vriendschap had voelen herleven: neen! ik verzet mij tegen +zulk een schanddaad!--Ik zal nimmer gedoogen, dat een edel Ridder, +dat de vriend mijner jeugd, aan een verfoeilijke wraakzucht worde +opgeofferd. Al stond geheel Friesland op om hem aan te vallen, ik zal +hem blijven beschermen, zoolang er een droppel bloeds in mijn aderen +vliet. O mijn Deodaat! mijn eenige, mijn oprechte vriend! kunt gij het +mij vergeven?--Ja--ik geloof nu aan uwe onschuld; want Madzy heeft mij +daarvan verzekerd:--en uw eerlijk oog kan niet liegen.--Deodaat! zoo +gij sterven moet, sterf ik met u, en wij zullen ten minste als +vrienden vergaan." + +"Reinout!" riep Deodaat, hem met vervoering de hand drukkende: "Ik +hervind den vriend, dien ik verloren waande! nu kan ik gerust sterven." + +"En met welk recht," vroeg Adeelen: "durft gij, die u sedert een +blauwmaandag onzen landgenoot noemt, u tegen mijn wil en dien van +Frieslands overheden verzetten?" + +"Bloos, bloos Adeelen!" riep Reinout: "ziet gij hem aan en schaamt +gij u niet? Lag zonder hem uw lijk niet te rotten op het Haarlemmer +kerkhof?--Heeft Madzy Dekama hem haar ontkoming uit het Sticht niet +te danken?--uw wil!--ja, het is altijd uw wil geweest, hem leed +te doen?--Wat praat gij van uwen wil? moeten wij, die ons van de +oppermacht eens Graven ontslaan, van uwe luimen afhangen! Waag het, +hem een haar te deren, en al wat in Friesland met Aylva of Dekama +vermaagschapt is valt u af." + +"Luistert toch niet naar dien dwaas," zeide Adeelen: "heden verdedigt +hij een man, wien hij drie maanden geleden naar de hel wilde sturen." + +"De vreemdeling heeft den dood verdiend," zeide de voortvarende Abt van +Bloemkamp: "en wij hebben allen daarin medegestemd. Zal dat gehaspel +nooit eindigen?" + +"Herroept dat schandelijk vonnis," zeide Reinout: "gij kunt er geen +gezonde redenen voor inbrengen!" + +"En die bende krijgsvolk, in zijn schip verborgen?" vroeg Adeelen, +met bitsheid. + +"Waar zijn zij? Wie heeft die gezien?--uitgestrooide praatjes, om +'t slechte volk op te ruien.--Hij zegt, hij komt als afgezant, en gij +verscheurt zijn geloofsbrief:--en gij veroordeelt hem onverhoord.--Moet +dan de Friesche naam een schandnaam worden?" + +De taal van Reinout scheen eenigen indruk op de aanwezigen te maken: de +Abten van Lidlum en Sint-Odulf althans gaven blijken van goedkeuring; +terwijl Cammingha en Martena een blik van ontevredenheid op Adeelen +sloegen. + +"Beschermt den weerlooze," vervolgde Reinout, "gij allen, die vrienden +zijt van ons huis. Ik smeek u daarom, in naam mijns vaders, in naam +van den edelen Aylva." + +"In naam van Aylva!" herhaalde vader Syard, en zag Reinout aan +met een blik van verwondering en twijfel: "maar ja," vervolgde hij: +"ook ik smeek u in dien zelfden naam en in dien der rechtvaardigheid: +geeft aan geene onbesuisde drift gehoor. Deze Ridder hier (op Deodaat +wijzende) zou een twistappel tusschen u worden en Friesland heeft niets +meer van doen, dan eensgezindheid onder zijn zonen. Schort zijn vonnis +op tot na de beslissing van het lot, dat ons vaderland wacht: en dan, +spant de vierschaar over hem. Dat hij intusschen op zijn ridderwoord +gevangen blijve, en zij hem een eerlijke kerker aangewezen." + +"Ziedaar juist, wat ik wilde voorstellen," zeide vader Volkert: +"laten wij hem in Sint-Odulf bewaren: indien gij hem dan later van +kant wilt maken, is het altoos nog tijd." + +Op dit oogenblik keerde de Hopman Eise Makkinga terug met de tijding +dat het Hollandsche vaartuig, reeds voordat hij aan de haven kwam, +het anker gelicht had en afgezeild was. + +"Goddank!" dacht Deodaat: "mijn brave spitsbroeders zijn gered!" + +"Die tijding neemt mijn laatste bezwaren weg," zeide Cammingha, +oprijzende: "en ik zie nu geene redenen meer, om bij ons overhaast +besluit te blijven. Er is thans geen bewijs, dat deze vreemdeling +een aanslag in den zin had, en ik acht, dat wij zonder gevaar het +onderzoek tot een meer geschikte gelegenheid kunnen uitstellen." + +"Voorzeker!" zeide Martena: "en ik zou bovendien niemand willen deren, +in wien het huis van Aylva belang stelt." + +De Abten, zelfs die van Bloemkamp, die slechts naar een afdoening +van zaken verlangden, en de overige Edelen voegden zich bij het advies. + +"Geef uw toestemming, Adeelen!" fluisterde Cammingha hem in 't oor, +"zoo gij niet begeert, dat wij uw handelwijze aan een min zuivere +reden dan aan vaderlandsliefde toeschrijven." + +"Gij zijt allen een hoop dwaze kinderen," zeide Adeelen, "en gij weet +zelf niet wat gij wilt. Ik heb voor den dood van dien man gestemd, +omdat ik dien noodig oordeelde voor het algemeene welzijn:--en +niet omdat ik hem haat, ofschoon ik geenszins schrome ook dit te +bekennen. Ja! nog liever dan hem naar de gevangenis te sturen, +gaf ik hem geheel vrij, in de hoop van hem in 't veld te kunnen +bestrijden.--Maar dit alles doet er niets toe:--gij verlangt het +allen:--en ik moet toegeven. Hij geve dan zijn woord en ga naar den +duivel.... of naar Sint-Odulf." + +Na deze fraaie uitboezeming, welke Adeelen geheel kenschetste, wierp +hij zich in een armstoel, den rug naar de vergadering gekeerd. + +Deodaat ziende dat hem niets anders overbleef, aarzelde niet om +zijn woord te verpanden van gevangen te blijven: en na een korte +woordenwisseling werd er algemeen goedgevonden, het voorstel van den +Abt van Sint-Odulf aan te nemen. Men besloot echter, den avond af te +wachten om hem derwaarts te vervoeren, ten einde hem niet opnieuw aan +de woede van het verhitte grauw bloot te stellen, en hem zoolang in +het raadhuis te bewaren. Dit alzoo bepaald zijnde, ontboeide men hem +en bracht hem in een zijvertrekje, waar men hem alleen liet. + +Een geruimen tijd had hij daar gezeten, eer hem de lust bekroop +eens aan 't venster te gaan zien, dat openstond; want de Friezen +waren zelven zoo gewoon, aan hun gegeven woord getrouw te blijven, +dat zij ook tegen den gevangene geen argwaan voedden en dus alle +voorzorg overtollig rekenden. Men had van uit dit raam het gezicht op +een boomgaard, waarin enkele pereboomen groeiden, zijnde schier het +eenige houtgewas, dat men, op dezen schralen en aan gedurige zeewinden +blootgestelden hoek, in 't leven kon houden: over den lagen aarden +wal, welke daaromheen gelegd was, en tusschen eenige huizen door, +op den stadswal gebouwd, onderscheidde men een klein meertje, dat +(sedert uitgemalen) ten zuidoosten van Stavoren lag: en daarover +den heuvel, waarop het bevallige Coudum gelegen is. Weinig dacht +Deodaat, dat een der beide torens, die hij in de verte zag oprijzen, +het aangebeden voorwerp zijner eerste en eenige liefde bevatte. + +Nauwelijks had hij over dit schouwspel dien onbestemden en dwalenden +blik doen weiden, welke op de voorwerpen rust zonder die te zien en +te kennen geeft, dat de gedachten verre van daar zijn, toen hij zich +door een zachte, gesmoorde stem hoorde toeroepen. Hij zag in den tuin +beneden; daar was niemand; maar nogmaals deed zich het flauwe geroep +hooren; en nu ontdekte hij tusschen de bladeren van een zwaar beladen +pereboom het gelaat van zijn schildknaap. + +"Zweder!" zeide hij: "welk een onvoorzichtigheid.--Indien iemand +u zag...." + +"Stil!" zeide de schildknaap: "tracht het venster uit te klimmen. Gij +kunt u over de heining redden." + +"Ik mag niet: ik ben op mijn woord gevangen," zeide Deodaat. + +"Des te erger.--Ik ben, toen ik u niet meer helpen kon, naar boord +gezwommen en heb hun geraden zich te verwijderen." + +Deodaat knikte goedkeurend. + +"Zij komen echter hedenavond terug en zullen ten noorden der stad +ankeren. Waar voert men u heen?" + +"Naar Sint-Odulf." + +"Dan weet ik genoeg," zeide Zweder, en zich uit den boom latende +vallen, klauterde hij als een kat den aarden wal over en was terstond +uit het gezicht. Hij had geen gelukkiger oogenblik kunnen uitkiezen; +want bijna op hetzelfde oogenblik ging de deur van Deodaats tijdelijke +gevangenis open en Reinout vloog in zijn armen. + +"Hoe moet ik het toch verklaren," zeide Deodaat, nadat de eerste +uitboezemingen over waren, "dat gij u hier in Friesland bevindt en +u den zoon van Aylva noemt?" + +"Gij hebt mij niet willen gelooven," zeide Reinout, "maar ik had +toch geen onrecht mij met dien meester Barbanera te onderhouden. Hij +heeft mij de bewijzen mijner geboorte bezorgd en mij gemaakt wie ik +ben."--En hij deelde hem mede hetgeen onzen lezer reeds bekend is. + +"En ik? wie ben ik dan?" kon Deodaat niet nalaten uit te roepen, +nadat hij zijn vriend geluk had gewenscht. + +"Gij!" zeide Reinout, blozende, en hem niet willende bedroeven, door +hem te melden dat, zoo een hunner de zoon van Aylva was, de andere +noodwendig die van Barbanera zijn moest; "gij zijt.... ik weet het +niet:... zeker een basterd van Carlo della Scala;.... maar dat zal +ook wel eens aan 't licht komen." + +"Ik vrees er voor," zeide Deodaat, het hoofd schuddende: "maar, +ik handel dwaas met mij daarover te bekommeren.--Gij waart dan, zoo +ik u wel begrepen heb, bij het leger van Utrecht!--En gij kondet uwe +oude wapenbroeders bevechten!" + +"Helaas!" zeide Reinout: "het lot heeft het zoo gewild: ik zal het +immers wellicht spoedig nogmaals moeten doen!--Maar thans is het +mijn plicht; ofschoon ik u zweer, dat het mij tegen de borst stuit, +met deze ongelikte beren ééne lijn te trekken; en dat ik dikwijls +het hof van Graaf Willem terug zou wenschen, ware het niet om...." + +"Welnu! voleindig!" zeide Deodaat. + +"Ik durf niet:--ik zou van iemand moeten spreken, wier naam gij ook +niet zonder blozen zoudt hooren:--en van die moet tusschen ons de rede +nimmer meer zijn; want bij alle heiligen! Deodaat! ik zou u andermaal +kunnen haten, indien ik u weer in haar gezelschap zag.--Spreken wij +liever van onverschillige zaken: van Utrecht, bij voorbeeld.--O! toen +ik daar tegen de uwen streed, wist ik niet wat ik deed; ik was als +iemand, die van den duivel bezeten is.--Maar verhaal mij toch eens, +hoe is de stad overgegaan? En op welke voorwaarden?" + +"Na den afloop van den wapenstilstand," zeide Deodaat, "heeft +Utrecht het nog eenigen tijd gehouden; maar men kon toch zien dat +de verdediging meer slap in haar werk ging, en dat de belegerden +weldra tot het uiterste zouden gebracht worden. De Graaf, geheel +van zijn wond hersteld, had dan ook het bevel gegeven, dat men den +laatsten storm zou wagen, die ongetwijfeld beslissend ware geweest, +toen zich eensklaps als een loopend vuurtje de tijding in het leger +verspreidde, dat de Bisschop uit Frankrijk terug was gekomen en zich +in de tent des Graven bevond." + +"Inderdaad!" zeide Reinout, glimlachende: "hij kwam wel juist van pas!" + +"Wat er tusschen hen beiden is verhandeld, heb ik niet recht te +weten kunnen komen; maar het schijnt, dat Jan van Arkel 's Graven +vertrouwen heeft weten te herwinnen en genade voor zijn oproerige +stad te verkrijgen. De Bisschop is vervolgens naar Utrecht vertrokken, +alwaar hij als in triomf is binnengehaald en men hem den verlosser der +stad genoemd heeft. Door zijne bemiddeling is vervolgens het verdrag +der overgave tot stand gebracht, waarin voor Utrecht meer onteerende +dan wel nadeelige voorwaarden vervat waren." + +"En gewis, de vrome Bisschop heeft zich zelf bij die gelegenheid niet +vergeten," zeide Reinout. + +"Hij heeft althans tengevolge van dit alles meer gezag in de stad weten +te bekomen dan een zijner voorzaten ooit gehad heeft. De Kapittels +hebben niets meer te zeggen: de regenten der stad zijn door nieuwe +vervangen: en de Bisschop regeert naar zijn welgevallen, daar Willem +een onbepaald vertrouwen in hem stelt...." + +"Ik wil het gaarne gelooven," zeide Reinout, zonder na te denken; +"niemand verstaat beter dan Arkel de kunst om iedereen te winnen...." + +"Hoe!" zeide Deodaat verwonderd: "van waar kent gij hem?" + +"Ik?" herhaalde Reinout, verrast: "dat is te zeggen.... ik heb het +gehoord." + +"Neen, maar," hernam zijn vriend: "het ware mogelijk, dat gij hem +gezien hadt; want er zijn lieden, die beweren dat hij zich sedert +een geruimen tijd, eerst nabij Haarlem, en later in het Sticht heeft +opgehouden. En hieruit nemen sommigen aanleiding om hem te wantrouwen." + +"'t Ware zeker mogelijk," zeide Reinout: "dat terwijl uw Graaf met +zijn vloot herwaarts komt, Arkel de gelegenheid waarname om hem den +oorlog te verklaren." + +"Dat ware niet mogelijk," zeide Deodaat: "want Arkel zelf zal den +Graaf op den tocht vergezellen. Een der punten van het verdrag was, +dat hij hem met hulptroepen zoude bijstaan in zijn onderneming tegen +Friesland." + +"Die verrader!" riep Reinout: "op het oogenblik, dat wij hier volk +verzamelen om tot ontzet zijner stad aan te rukken!--'t Is waar! 't +heeft hem niet veel gebaat, en hij heeft weinig reden om zich over +onze voortvarendheid te verheugen.--En dus is des Graven vloot in +vollen aantocht naar deze kust?" + +"Ziedaar," antwoordde Deodaat, met een glimlach, "hetgeen ik mijn +Frieschen vriend niet mag verhalen." + +"'t Is waar ook," hernam Reinout lachende: "welnu! ik zal openhartiger +zijn met u:--en ik zal u verklaren dat ik het weet--en wel door +denzelfden vader Syard, aan wien gij uw gevangenneming en tevens uw +leven te danken hebt." + +"Maar, hoe wist hij?...." + +"Luister!--de man heeft, ik weet niet hoe en waarom, in een kerker +ergens in het Sticht gezeten. Daaruit verlost zijnde, is hem door +iemand, dien hij ons niet genoemd heeft, geraden, zich zoo spoedig +mogelijk herwaarts te begeven en hier de tijding te brengen dat +de vloot, welke te Dordrecht werd uitgerust, niet, zooals men +algemeen dacht, naar de Fransche kusten bestemd was, maar tot +overweldiging van Friesland dienen moest: dat zij reeds langs de +binnenwateren kwam aanzeilen; terwijl één vaartuig zou vooruitgaan +om Stavoren te bedwingen. De monnik kwam met een Workummer visscher +herwaarts. Onderweg stevenden zij een vaartuig voorbij, dat aan den +grond zat en met bier beladen was: zij kregen vermoeden, dat dit het +bewuste schip zoude wezen." + +"Inderdaad!" zeide Deodaat: "hij heeft wèl geraden." + +"Welnu! de monnik kwam hier en vond er Adeelen, Cammingha, mij, en +een paar andere Edelen, die juist gekomen waren om de middelen van +tegenweer te onderzoeken, die de stad kon aanbieden. Hij deelde ons +den aanslag mede. Terstond werden er boden uitgezonden naar alle +kanten. De Abten van Lidlum en Bloemkamp, die hun monniken meer +met den wapenhandel dan met gebeden kwellen, en verscheidene Edelen +kwamen terstond hier. Ik moet ter eere van Adeelen zeggen, dat zijn +beschikkingen verstandig waren. Hij gelastte, dat men het Amsterdammer +vaartuig zou laten binnenkomen en voorts prijsmaken; dit laatste ware +ook gebeurd, indien men terstond gewapend volk genoeg gehad had en +indien het gemeen, dat door den Workummer intusschen onderricht was +van de toedracht der zaak, niet naar de haven was geloopen, waardoor +uwe manschap het gevaar, dat zij liep, heeft kunnen bemerken, en zich +daaraan onttrekken." + +Hier kwam een bode binnen en berichtte aan Reinout, dat Adeelen +hem wachtte. + +"Welaan!" zeide deze: "ik moet u verlaten. Wie had ooit gedacht," +vervolgde hij met een zucht, nadat de bode vertrokken was, "toen +wij dien Fries uit de handen van de Haarlemmers verlosten, en ik zoo +vertoornd op hem was, dat ik eenmaal, in de plaats van Graaf Willems +bevelen, de zijne zou volgen?" + +"Ik geloof," zeide Deodaat, "dat hij meer moeite zal hebben om zich +door zijn volgelingen te doen gehoorzamen dan onze Graaf." + +"Ik moet mijn oordeel opschorten," zeide Reinout, de schouders +ophalende: "alles gaat hier zoo zonderling en vreemd in 't werk:--dit +is zeker, dat Adeelen hier te Stavoren als meester heerscht. Het +gemeen, dat alles behalve Hollandschgezind is, heeft zijn komst +dadelijk gevierd met de plundering van een paar rijke kooplieden, +wier getrouwheid aan vermoedens onderhevig was, met het afzetten van +de vroedschap, en het ophangen van onzen armen Claes Gerritsz:--de man +is zich zelf gelijk gebleven, tot zoolang hij begon te merken, dat +zijn leven er mede gemoeid was: toen heeft hij van zijn Privileges, +waar hij te voren den mond van vol had, op eens gezwegen, en is +bitter begonnen te kermen en het uur te vervloeken, dat hij zijn +marktschrijverschap te Haarlem vaarwelgezegd had.--Maar het wordt +mijn tijd!--Vaarwel!--Ik moet van hier." + +Hier drukten de beide vrienden elkander nogmaals de hand en Reinout +verliet het vertrek, Deodaat ter prooi latende aan duizend gissingen +naar den verrader, die zoo getrouwelijk al de geheimen van den aanslag +des Graven aan den monnik van Sint-Odulf had medegedeeld. + + + + + +EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Daar is de vader zelf, zoo bleek en afgevast. + + Vondel. Gijsbrecht van Aemstel. + + +Aylva, nu buiten gevaar, schoon zich nog altijd zwak gevoelende, +zat op den avond, die de gebeurtenissen volgde, in de beide vorige +Hoofdstukken vermeld, in zijn slaapvertrek op Awertstate, en luisterde +naar een oude kroniek, welke Madzy bezig was hem voor te lezen. Reeds +dikwijls had het geratel der donderslagen, die men bij tusschenpoozen +van den zeekant hoorde, haar belet, met hare taak voort te gaan, +toen het geblaf van den hofhond, hetwelk spoedig in een vroolijk +gejank veranderde, haar aanleiding gaf, de lezing geheel te staken. + +"Daar zal onze goede Feiko zijn!" zeide Madzy, haar boek nederleggende: +"die ons tijding komt geven, hoe het binnen de stad gesteld is." + +"Hij mag voorwaar wel iets belangrijks medebrengen," zeide Aylva, +"om zijn lang uitblijven te vergoeden." + +"Ach!" hernam Madzy, met een zucht: "in de tegenwoordige dagen is +een belangrijke zelden een welkome tijding." + +"Ik ben overtuigd," zeide Sytsken, die in een hoek van het vertrek +zat te spinnen, "dat hij weer bij Auke Wybinga heeft gezeten en daar +zijn tijd verpraat." + +Auke Wybinga was een schipper van Stavoren, die twee mooie dochters +bezat, welke aan Sytsken niet weinig jaloezie inboezemden, daar zij +vreesde dat de bezoeken, die Feiko nu en dan aldaar aflegde, grooten +hinder mochten aanbrengen aan den aanval, dien zij voorlang op het +hart van den jongeling gemaakt had. + +"Wel Feiko! welke kruiden brengt gij uit het veld?" vroeg Madzy, +toen de dienaar het vertrek binnentrad. + +"Weinig goeds," antwoordde deze: "de Hollandsche vloot is in aantocht +en misschien voor morgen op de kust." + +"De Hollandsche vloot!" herhaalde Aylva: "Feiko, zegt gij +waarheid?--Breng mijn wapens!--Ik heb reeds lang genoeg als een +nutteloos meubel in dit slaapvertrek gesuft." + +"Om 's Hemels naam! mijn goede voogd!" zeide Madzy: "denk om uw +zwakheid, om uw ongesteldheid." + +"Als Friesland in nood is, denkt gij dan dat een zwakheid mij tot +verschooning kan strekken? Ik zal, hoop ik, nog in staat zijn een pijl +af te schieten, en een lans te voeren. Hoe is de wind?--Hedennacht, +zegt gij?" + +"Laten wij ten minste eerst vernemen," zeide Madzy, "wat Feiko te +verhalen heeft en of zijn bericht op goede gronden steunt." + +"Gij hebt gelijk:--welnu Feiko! verhaal ons al wat gij gezien en +gehoord hebt.... alles; daarmede versta ik het noodige, zonder +uitweidingen of herhalingen." + +"Zooals UEd. het beveelt. UEd. moet dan weten, dat ik met het krieken +van den dag naar Stavoren was getrokken, om een pond of wat honig te +halen voor den ouden schimmel, die bitter verkouden is, en hoe langer +hoe meer hoest, sedert hij die pillen inneemt, die Daamke hem gegeven +heeft uit de oude lapzalverkast van zijn meester.... hij deed beter, +sedert hij nu toch ook een speerman is, van dat ambacht te laten +varen, en ik vrees dat hij het nog eens te kwaad zal krijgen met den +Abt van Sint-Odulf, die ook een handje heeft van recepten te geven; +maar hij wil nog maar net doen als zijn oude baas, en menschen genezen, +ofschoon hij niet eens een paard kan oplappen: zoodat ik hem dikwijls +zeg: Daamke! zeg ik...." + +"Wat bruien ons Daamke en zijn pillen," zeide de Olderman, ongeduldig +wordende; "ik heb u gelast, geen uitweidingen te maken. Gij waart +dan te Stavoren." + +"Nog niet, Heer Olderman!" hernam Feiko met veel koelbloedigheid: +"ik was nog maar op weg, en ik had een goed wollen buis aangetrokken, +omdat de ochtenden al mooi koud beginnen te worden, al is het overdag +heet: ja, het heeft gistermorgen gevroren, dat het torenplat wit was +als mijn hemd.... Zoodat ik maar zeggen wil," vervolgde hij, ziende +dat Aylva van drift begon te stampvoeten, "dat ik er uitzag als een +Urker varensgast." + +"Is dat om aan Tjetske Wybinga te behagen, dat gij u als een schipper +kleedt?" vroeg Sytsken, spijtig. + +"Maar Feiko!" zeide Madzy, op een zachten toon van verwijt: "wat +kan het den Olderman schelen, hoe gij er uitzaagt en wat gij aan +'t lijf hadt?" + +"Meer dan gij denken zoudt misschien," antwoordde Feiko: "ik kwam dan +te Stavoren en er was reeds meer volk op de markt bijeen dan ik wel +gedacht zou hebben: en zij stonden allen op een hoop bij elkaar om +een Workummer visscher: en die Workummer visscher verhaalde al heel +wonderlijke dingen." + +"Nu vraag ik toch eens," zeide Sytsken: "wat Feiko altijd met die +varenslui te maken heeft? Is dat een gezelschap voor den dienaar van +een edelman?" + +"Gelooft gij, dat wij oudewijvenklap van schippers en voerlui willen +aanhooren?" vroeg Aylva: "kom tot de zaak: wij hebben met uw gedraai +niet noodig." + +"Wij komen er al," zeide Feiko, Aylva en Sytsken beurtelings aanziende: +"maar als men mij ieder oogenblik in de rede valt, zie ik geen kans +om alles te vertellen zonder iets te vergeten." + +"Kom, ga voort, mijn goede Feiko!" zeide Madzy, verontrust door den +staat van zenuwachtige prikkelbaarheid, waarin zij bespeurde dat zich +Aylva bevond: "verhaal ons alles; maar zoo kort mogelijk." + +"Welnu!" vervolgde Feiko: "de Workummer verhaalde dan, dat hij met +vader Syard uit de Eem was gekomen en dat...." + +"Is vader Syard terug?--Is het mogelijk!" riepen Aylva en Madzy +verheugd uit. + +"En dat men in Holland mompelde, dat er overal volk naar de haven +was getrokken om de vloot te bemannen. Dat zij wat in den zin hadden +is zeker; want sedert drie dagen was er geen schuit of schip van de +overzij aangekomen, ofschoon de wind voordeelig was: en er hebben ook +twee gewapende koggen op den Workummer jacht gemaakt; maar oomkool +was hun te vlug." + +"Welnu! is dit alles?" + +"Verre van dien. Tegen den avond was het windje aangewakkerd en +hoopte onze maat nog voor den nacht Stavoren te bereiken, toen hij +een grooten Amsterdammer bierhaalder zag, die op het Enkhuizer zand +was vastgeraakt, 't geen nu dagelijks gebeurt, want de bakens zijn +overal verzet of...." + +"Wij weten het:--ga voort." + +"Nu ging onze maat er op los; want hij had achterdocht op dat +vaartuig:--ofschoon het er net uitzag als een gewone bierhaalder;--maar +wat hem toch bevreemdde, was dat er een man onder de manschap was, +die een mantel omhad als de Ridders dragen, met witte lieren bezaaid." + +"Een mantel met lieren...." riep Madzy; terwijl een hoogrood hare +wangen bedekte. + +"Een mantel met lieren!" herhaalde Aylva: "was niet ridder Deodaat +op het steekspel juist zoo gekleed?--Het is het wapen van de Scalieri!" + +"Dat dacht ik ook zoo bij mij zelf, toen de Workummer dat verhaalde," +zeide Feiko: "maar ik hield mijn mond.--En toen kwam er een ander, +en vertelde dat vader Syard aan Seerp Van Adeelen gezegd had, dat +de Hollandsche vloot dezen morgen af zou varen--en dat er gewapend +volk in dien bierhaalder school:--en toen werd het volk zoo giftig, +dat het aan 't plunderen en aan 't hangen ging." + +"Hangen! wie hing men?" + +"Dat zwarte gekje van een Haarlemmer;--maar daar bemoeide ik mij +niet mee:--ik dacht zoo bij mij zelf: het zou toch jammer zijn, dat +Ridder Deodaat, die er ons voor Utrecht zoo trouw heeft doorgeholpen, +dat die nu van een slechte reis kwam." + +"Dat was wel van u gedacht," zeide Aylva.--Madzy sprak geen woord; +maar de uitdrukking van hare schoone oogen gaf genoeg te kennen, +hoezeer zij met dat oordeel van haar voogd instemde en welk belang +het verhaal van Feiko bij haar begon te verwekken. + +"Nu begon ik op een middel te denken, om den goeden Ridder te +verwittigen, dat hij maar beter zou doen, om den steven te wenden: +en zoo peinzende, ga ik bij Auke Wybinga een slokje drinken." + +"Dacht ik het niet?" zeide Sytsken: "en wist gij nergens beter raad +te krijgen, dan bij die nuffen?" + +"Zwijg Sytsken!" zeide Aylva: "en laat Feiko zijn rede +voleindigen. Welnu--gij waart dan bij Wybinga." + +"Zooals ik zeide; en met komt daar Rienk Westra aangeloopen, die bij +zich zelven vloekte, dat zijn maat ziek was en dat hij alleen niet +tegen de anderen varen kon;--want zij liepen nu allen naar de kaai, +omdat men het vaartuig al in 't gezicht kreeg:--en ieder wou de eerste +zijn om er aan boord te komen; nu, de schipper had het in den neus; +want hij was op stroom gaan liggen." + +"En toen?" + +"Toen bood ik aan, Rienk te helpen. Iedereen die mij niet kende +hield mij voor een varensgast; 'k was ook de eerste aan boord; maar +jawel! wat ik ook zei, de Ridder wou aan wal met alle geweld." + +"Goede God!" riep Madzy: "en hebben zij hem vermoord?" vroeg zij met +een nauwelijks hoorbare stem. + +"Neen!--maar 't heeft weinig gescheeld:--Ridder Reinout heeft het +zooverre gekregen, dat hij op zijn woord te Sint-Odulf gevangen +zal blijven." + +"Reinout!" riep Madzy: "God loone hem!" + +"Hij is mijner waardig," zeide Aylva, verheugd:--"maar nu de tijding +der vloot, is zij echt?" + +"Er werden overal manschappen op de been gebracht en boden +heengestuurd:--mij heeft uw zoon gelast u te zeggen, dat gij hem +heden niet zien zoudt:--zij hebben het ook druk genoeg." + +"En ik zou hier stilzitten. Feiko! haal terstond mijn wapens en zadel +mijn paard." + +"Met uw verlof," zeide Feiko: "Ridder Reinout heeft mij ook nog gelast, +u te verzoeken om hier te vertoeven, tot hij een nadere boodschap zond, +hoe de zaken staan. Hij is bang, dat de nachtlucht u hinderlijk zou +wezen: en dan, het begint er mooi stormachtig uit te zien ook." + +"Zal ik van hem mijn plicht leeren?" vroeg Aylva, vertoornd. "Doe +als ik u zeg; en gij, mijn dochter! maak u gereed elk oogenblik deze +stins te verlaten, die u wellicht binnen korten tijd geene veilige +wijkplaats meer verstrekken zal." + +"Ach! sta mij toe, hier te blijven," zeide Madzy: "hier kan ik u, +hier kan ik Friesland van dienst zijn. Zoo mijn hand te zwak is om een +boog te spannen, zij kan ten minste een gekwetste verbinden. Zend al +wie hulp behoeft slechts herwaarts en aan goede verpleging zal het +niemand ontbreken." + +"Dat weet ik," zeide Aylva: "niemand dan ik, kan beter getuigenis +geven, hoe voortreffelijk een ziekenoppasster gij zijt. Nu! ik begeer +dan ook niet, dat gij u terstond van hier begeeft. Ik beloof u, ik +zal u gekwetsten zenden, indien zij er zijn; maar naar ik onze Friezen +ken, zult gij weinig te doen hebben, en liever zullen zij zich laten +doodslaan dan het veld te verlaten, zoolang zij nog tanden in den +mond hebben om hun vijand te bijten.--Wees nu zoo goed en help mij, +mij van dit nachtgewaad te ontdoen:--waar blijft Feiko toch?--Het is +waarlijk, of de menschen van dag tot dag luier worden." + +"Waarlijk, mijn waarde voogd," zeide Madzy: "gij overhaast u te +zeer. Al ware de Hollandsche vloot in het gezicht, gij zoudt nog +altijd tijdig genoeg komen. Bedenk toch, dat zoo gij u thans reeds +zonder noodzakelijkheid vermoeit, gij uw krachten verloren zult hebben, +wanneer u die het meest te stade zult komen." + +"Gij hebt gelijk, mijn kind! zooals altijd;--maar zie, gij beseft +dat niet, wat het voor een ouden krijgsman zegt, als hem de kreet: te +wapen! in de ooren klinkt. Dan gevoelt men zich op eens weer verjongd +en versterkt; dan zijn ziekte en zwakheid vergeten en de kracht der +ziel schenkt ons, wat die van het lichaam ons weigeren mocht.--Maar +laat ik eens aan 't raam gaan, en naar den wind zien." + +"De wind is om, dunkt mij," zeide Madzy. + +"Ha! welk een heerlijk gezicht," zeide de Olderman, het venster +openslaande en de lucht beschouwende: "wat zeide hij, de Hollandsche +vloot was nog niet in 't gezicht?--Indien zij hedenmorgen is afgezeild, +moet zij met den nacht aan onze kusten wezen; want de wind is naar +'t zuidwesten gedraaid en zij heeft dien vlak voor 't lapje! + +"Met den nacht reeds!" zeide Madzy, verbleekende. + +"Gewis;--maar niet in den staat, waarin zij de reede verliet. Geloof +mij, daar zal menige mast en menige kiel ontredderd raken, en menig +vaartuig aan den grond komen, eer zij de kust in 't oog; krijgen. Er +is zwaar weer op zee:--zwaarder dan gij hier zelfs vermoeden kunt: +merkt gij die donderbui op, die daar vlak tegen den wind intrekt. Zoo +gij over den heuvel heen kondet kijken, gij zoudt de zee zien schuimen +als een ziedende pot.--Aha! eindelijk is Feiko klaar." + +"Waarlijk, Heer Olderman," zeide Feiko, die met de wapenrusting aan +kwam dragen: "ik had niet gedacht, dat UEd. er zoo spoedig weer gebruik +van zoudt maken; en er waren een paar spijkertjes aan de beenstukken +noodig, die...." + +"Wat beenstukken!--Geef mij slechts mijn borstharnas en mijn helm: +de beenen zullen wij maar ongedekt laten:--indien wij vechten, zullen +wij toch van achter de aarden wallen strijden: en dan wordt alle +onnutte wapenrusting maar tot overlast.--Voorwaar!" vervolgde hij, +toen Feiko hem het borstkuras had aangegespt: "ik kan toch merken +dat ik mager geworden ben. Ik zou de freule er desnoods bij in bergen." + +"Hoe dunner hoe beter," zeide Feiko lachende: "des te meer plaats is +er naast u voor de pijlen." + +"Goed gezegd, Feiko! maar waar had ik mijn hoofd? Wie zal nu mijn +bloedvrienden te wapen roepen? Zeg aan den pachter...." + +"O! wat dat betreft," zeide Feiko: "daar heeft Jonker Reinout al voor +gezorgd. Die van Wonseradeel zijn reeds bij hem en hij heeft boden +naar uw stinsen in Ferwerderadeel en Westdongeradeel gezonden." + +"Hij is een brave borst, dat moet ik hem nageven," zeide Aylva met +een zucht, die een zonderling contrast met zijn gezegde opleverde. + +"Maar hoor!--daar is weer iemand: de hond blaft...." + +"Ik herken die stem!" zeide Madzy: "ja waarlijk, het is vader Syard, +die binnengelaten wil worden." + +"Wat jaagt hem hier?" zeide Aylva: "Feiko! gij zult mij mijn helm +achternadragen.--Madzy heeft gelijk: ik moet mij niet vermoeien +voor den tijd.--Hoor hoe het onweer buldert!--Ha! daar is de vrome +man zelf. Wel, Vader! het verheugt mij u weer te zien: waarlijk, +wij hadden ons niet met dat geluk mogen vleien." + +"De Heer heeft mij verlost," zeide de monnik, "gelijk Hij Daniël uit +den leeuwenkuil verloste." + +"Wij zijn er beiden heel wat op vermagerd," zeide de +Olderman:--daarover wel eens nader. Gij komt zeker onze Madzy eens +gezelschap houden en daar doet gij wel aan. Gij zult elkander veel +te vertellen hebben. Mij zult gij niet kwalijk nemen, dat ik ga, waar +het vaderland mij roept. Waar zijn de Hoofden?--waar is mijn zoon?" + +"Het is dan waar!--Hebt gij werkelijk een zoon teruggevonden? Is die +Ridder Reinout...." + +"Dat zal Madzy u alles wel vertellen:--ik moet voort: zeg mij slechts, +waar ik hem vinden zal." + +"Op dit oogenblik nog te Stavoren; maar...." + +"Welnu! dan ga ik derwaarts. Is alles gereed, Feiko?" + +Op dit oogenblik begon de storm met dubbel geweld op te zetten, +zware hagelsteenen kletterden tegen de daken: het geheele zwerk was +door bliksemvuur verlicht en de donder ratelde zonder ophouden. + +"Om 's Hemels wil, mijn goede voogd!" zeide Madzy: "zult gij u waarlijk +aan zulk een weer blootstellen? Bedenk toch, dat gij nog niet geheel +hersteld zijt." + +"Een heerlijk weer," zeide Aylva: "zie, de Hemel strijdt met ons. In +een halfuur ben ik immers te Stavoren. Ik zal mijn mantel dubbel +omslaan: en dan lach ik met een bui." + +"Nog een woord, eer gij vertrekt," zeide de monnik: "God weet, +of wij elkander levend terugzien. Hebt gij overtuigende bewijzen, +dat Ridder Reinout uw zoon is?" + +"Vanwaar die vraag?--En op dit oogenblik?" zeide Aylva:--ja, ik heb +die: en, wanneer gij wilt, zal ik u die toonen. Thans is het tijd, +ten strijde te gaan." + +"Gij hebt gelijk," zeide de monnik, wiens anders zoo vaste ziel +overmand scheen door een ontroering, die hem niet eigen was. "Maar dan +heb ik nog eene bede. Ridder Deodaat van Verona is naar Sint-Odulf +overgebracht. Wordt het klooster aangevallen, zoo smeek ik u, +draag zorg, dat hem vriend noch vijand dere: ik bezweer u zulks, +bij uw zaligheid!" + +"Ik zal mijn best doen," zeide Avlva: "ik zelf heb dubbele redenen +om voor zijn leven te waken: ik ben hem vergoeding verschuldigd voor +het ongelijk, hem door Reinout aangedaan en voor zijn hulp aan Madzy +betoond." + +Na deze woorden te hebben geuit, omhelsde hij de lieve maagd: haar +gedachten hadden door de rede van den monnik een andere wending +genomen; thans echter, nu zij haar pleegvader gereed zag, een in zijn +toestand bedenkelijken, ja hoogst gevaarlijken tocht te ondernemen, +vergat zij alles, ook zelfs den teedergeliefde, om hem, aan wien zij +zooveel verschuldigd was. Niet zonder moeite, en op Madzy en Feiko +leunende, daalde Aylva de trap af; zoodra hij zich echter buiten en +in den zadel bevond, scheen net, of zijn zwakheid geheel verdwenen +was; en zijn ros de sporen gevende, reed hij, van Feiko vergezeld, +in vollen draf den weg op naar Stavoren. + +Zoodra hij vertrokken was, gelastte Madzy den ouden pachter eenig +brandhout op den haard te werpen: en weldra zat de monnik, die op zijn +wandeling doornat geworden was, zich bij een vroolijk vuur te drogen, +terwijl Madzy een verwarmenden drank naast hem plaatste. Een geruimen +tijd bewaarden zij het stilzwijgen: men kon zien, dat beiden elkander +veel te vertellen hadden en als 't ware verlegen waren hoe te beginnen. + +Eindelijk vatte de monnik het woord op: "Wij hebben wel reden om +God te danken, Freule! Hij heeft ons uit groote gevaren gered: en +ik had na onze zonderlinge scheiding, mij niet gevleid u ooit te +zullen wederzien." + +"God heeft mij gesterkt," zeide Madzy: "maar ik heb veel geleden." + +"Er zijn zonderlinge geruchten van u in omloop," zeide de monnik: +"men heeft mij verhaald, dat gij te Utrecht bij een Ridder waart +gevangengehouden.--Mag ik vragen, was deze ook dezelfde als de +burchtvoogd van het slot Nyenstein nabij Plaswijk?" + +"Ik zag hem het eerst op het slot," zeide Madzy: "wie hij was heb ik +gezworen te verzwijgen." + +"Zooveel ik dan kan opmaken uit het onzamenhangend verhaal van uw +lotgevallen, dat hier rondloopt, zijn wij beiden de slachtoffers +geweest van denzelfden listigen bedrieger: en ik heb bijna reden om +te gelooven, dat die zoogenaamde zoon van den Heer van Aylva mede de +hand in 't spel heeft gehad." + +"Die zoogenaamde zoon?--gij hebt reden om te gelooven, dat....?" + +"Dat hier een samenweefsel van list en bedrog plaats heeft;--maar om +des te zekerder te werk te gaan: verhaal mij, bid ik u, uwe lotgevallen +sedert ik u verliet." + +Madzy voldeed aan zijn verzoek: zij begon met in korte woorden de +aanleiding tot haar opneming in 't slot Nyenstein te vermelden. De +monnik zuchtte diep, toen hij ontwaarde, welke listen Jan Van Arkel +in 't werk gesteld had, om zich van zijn prooi te verzekeren: zijn +verontwaardiging steeg ten top, toen zij van haar verblijf te Utrecht +gewaagde, en maakte plaats voor een aandachtig nadenken, toen hij het +verslag van haar reis en van het gebeurde in 't Gaasterbosch vernam. + +"Hoogst zonderling!" zeide hij, toen zij haar verhaal geëindigd had: +"die Reinout heeft zich dus voor den zoon van den Olderman doen +erkennen?--En die hansworst zegt gij, is nog in Friesland?" + +Madzy antwoordde toestemmend op beide vragen en meldde hem, dat Daamke +in Reinouts dienst was. + +"Dan kan het mogelijk zijn, dat die nar iets weet en dat Reinout +zijn stilzwijgendheid koopt!--Dat alles moet zich eenmaal oplossen +of.... misschien.... weet gij ook, of hij de medicijnkist zijns +meesters Barbanera heeft met zich gebracht?" + +"Voorzeker," zeide Madzy, glimlachende om deze zonderlinge vraag: +"maar ik bid u, welk belang stelt gij daarin? Gij hebt toch geen lust, +zijne pillen en tincturen te gebruiken." + +"Misschien!" zeide de monnik op een ernstigen toon: "ik geloof dat gij +met mij van hetzelfde gevoelen zult zijn, wanneer ik u mijn wedervaren +verhaal.... het onweer is nog niet verminderd: en zij zullen mij nog +niet missen te Sint-Odulf.--Zoo gij dus geen vaak hebt, luister." + +Nadat Madzy verklaard had, hoogst verlangend te zijn, hem te hooren, +deelde de monnik haar mede wat er geschied was sedert den morgen dat +hij haar in de herberg vermist had, en hoe hij vervolgens zich met +meester Barbanera in het slot van Nyenstein had zien opsluiten. + +"Mijn eerste gevoel," vervolgde hij, "was, gelijk gij denken kunt, +een gevoel van spijt en toorn tegen hem, die mij zoo listig van +mijn vrijheid beroofd had. Wat den kokeler betrof, deze bleef nog +lang in den waan dat hij alleen voor de leus was opgesloten. Toen +hij echter het tegendeel begon te bemerken, verviel hij tot een +staat van woede en wanhoop, die aan vertwijfeling grensde, en liet +geen uur voorbijgaan, zonder de vreeselijkste verwenschingen uit +te braken tegen den bewerker van zijn ongeluk, terwijl hij allen +troost versmaadde, dien ik hem aanbood, en mij vervloekte, zoowel +als den grijsaard, die ons dagelijks door een valluik ons voedsel +toediende. Mijn toestand was hoogst onaangenaam: van het daglicht +verstoken, in een nauwen kelder en gedwongen, het gezelschap te +dulden eens gevloekten godslasteraars;--maar ik offerde mijn lijden +den Heere op en Hij verleende mij sterkte. Hij deed meer; Hij maakte +mij tot het werktuig in Zijne hand om een gevallen ziel te behouden, +en deed mijn lijden strekken tot de ontdekking van een geheim, dat +anders wellicht verborgen ware gebleven. + +"Een dag (nimmer zal ik dien vergeten) kwam onze oude stokwaarder niet +opdagen. Het vasten gewoon, verduurde ik de ontbering van voedsel met +gelatenheid; maar de deelgenoot mijns kerkers kon minder weerstand +aan zijn nooddruft bieden. De volgende dag verliep:--weder geen +voedsel:--gelukkig was onze waterkruik, die eenmaal 's weeks gevuld +werd, nog halfvol;--maar het gemis aan spijs verzwakte Barbanera: +en nu eerst werd hij vatbaar voor de woorden van vermaning en +boete, die ik tot hem sprak. Hij vroeg mij om vergiffenis voor zijn +handelwijze te mijwaart, hij biechte mij zijn zonden en toonde een +hartgrondig berouw. Den derden dag voelde hij zijn einde naderen: +en toen smeekte hij mij, om, zoo ik tegen alle verwachting het leven +behield en de vrijheid terugkreeg, te herstellen wat hij verdorven +had. Ik spande mijn uiterste krachten in om het verhaal te verstaan, +dat hij mij half in 't Italiaansch, half in krom Latijn, half in +gebroken Hollandsch deed: het kwam hierop neer, dat hij zich in +'t verloopen jaar, te Grenoble in Frankrijk, in dienst van den +Bisschop van Utrecht bevond, toen daar een pelgrim uit Holland +aankwam, die naar Italië trok en in 't voorbijgaan den Prelaat +bezoeken kwam. Deze pelgrim verhaalde aan Barbanera, eens dat zij +samen spijsden, door twee Ridders uit Holland, Reinout en Deodaat +van Verona, belast te zijn met het opsporen hunner familie en toonde +hem een brief, die daartoe strekken moest. Niemand was beter dan +Barbanera in staat aan den pelgrim eenig bericht dienaangaande te +doen toekomen; want hij was vroeger in dienst geweest van Bianca di +Salerno wier geheime verbintenis met den Olderman u bekend is. Hij +besloot, zelf de belooning te verdienen, op de ontdekking gesteld: +dat viel hem te gemakkelijker, doordien de pelgrim kort daarna ziek +werd en stierf. Barbanera maakte zich van den brief meester, verliet +den Bisschop en reisde naar Verona. Daar wist hij vermomd tot in het +klooster te dringen, waar de dwingeland Francesco zijn gemalin sedert +jaren gevangen houdt: hij deelde haar mede, dat haar zoon nog leefde, +en verkreeg van hare hand den ring, haar door uw voogd geschonken, +en meteen een brief, waarin zij het merk aanduidde, waaraan die +zoon te herkennen ware. Van Verona reisde hij naar Holland en vond +toevallig èn uw pleegvader èn de beide jongelingen te Haarlem. Gij +weet, welke kunsten hij op den Vogelesang in 't werk stelde om hun +nieuwsgierigheid op te wekken. Had hij toen het geheim geopenbaard, +hij had zich een jammerlijken dood en veel wroeging bespaard; maar +de duivel der geldzucht verleidde hem: hij wilde zijn geheim aan den +meestbiedende der twee Ridders verkoopen, en naar gelang daarvan den +brief van Bianca geven of terughouden. Tot Aylva dorst hij zich nog +niet wenden: eensdeels omdat hij vroeger op zijn leven had toegelegd +en bovendien vreesde dat Aylva te weten zou gekomen zijn, hoe hij +Bianca door een valsch gerucht van haars minnaars dood misleid had; +anderdeels, omdat hij hem niet wilde naderen, voor hij hem een zoon kon +bieden, die zijn voorspraak wezen mocht. Toen hij later te Plaswijk +Reinout vond, en beiden in den waan verkeerden, dat Deodaat dood of +stervende ware, maakte hij hem diets, dat hij de wettige zoon van +Aylva was, ofschoon hij zich intusschen van het tegendeel overtuigde." + +"Goede God!" riep Madzy: "en van waar bekwam hij die overtuiging?" + +"Op een zeer eenvoudige wijze. Toen Reinout zich 's nachts ontkleedde, +zag Barbanera, dat hij het teeken miste, hetwelk Bianca, ter voorkoming +van verwarring, haren zoon op de borst gegrift had." + +"En zou Deodaat dat teeken....?" + +"Ziedaar wat mij nog onbekend is; maar mij zoowel als Feiko trof +hedenmorgen, toen ik hem onder het gepeupel zoo onvoorziens in +'t oog kreeg, zijn gelijkenis op den Olderman. Dezelfde houding, +dezelfde wending, dezelfde stem, alleen door den uitheemschen tongval +eenigszins gewijzigd.--Maar hoor verder:--Barbanera verhaalde mij, +dat hij met opzet Bianca's brief, waarin deze omstandigheid vermeld +was, had achtergehouden en in zijn medicijnkist onder een dubbelen +bodem verborgen. Dit bleef Reinout onbewust." + +"Hemel! indien er slechts mogelijkheid is, die kist te bekomen!" + +"De Italiaan overleefde zijn bekentenis niet lang. Hij is getroost in +mijn arm ontslapen, mij smeekende, zoo ik in Friesland terugkwam, +den Heer van Aylva deze tijding te melden. Alleen het belang +mijns vaderlands kon mij doen vertragen om zijn uitersten wil te +voldoen;--maar iemand moest deelgenoot wezen mijns geheims:--en in +niemand kan ik meer vertrouwen stellen dan in u." + +"Ik dank u, goede Pater!--En hoe werdt gij verlost?" + +"Op denzelfden dag toen Barbanera stierf. Niet twijfelende, of ik zou +spoedig deelen in zijn lot, had ik mij reeds ter dood bereid; toen op +eenmaal mijn kerkerdeur werd opengeslagen. Een bende Hollanders had +Nyenstein overrompeld: bij het doorzoeken van het slot had men ook de +deur des kelders opengebroken en men bracht mij schier levenloos naar +buiten. Ik vernam sedert, dat de oude dienaar des Bisschops door een +beroerte uit het leven was weggerukt, zonder den tijd gehad te hebben, +het geheim onzer gevangenis te openbaren. Mij schonk men de vrijheid, +daar niemand reden had mij te houden. Ik hoorde, dat Deodaat van zijn +wond hersteld, en in 't leger was: ik ging derwaarts, en kwam juist te +Utrecht om den zegepralenden intocht des Graven bij te wonen. Deodaat +echter vond ik niet: hij was naar de Gravin gezonden om haar den +roem der Hollandsche wapenen te verkondigen. Intusschen begrijpende, +dat de Graaf niet werkeloos zou blijven, hield ik mij nog een wijl +in Utrecht op, om te ontdekken, wat hij in zijn schild voerde. De +Bisschop had nu, zoo 't scheen, zijn geheel vertrouwen gewonnen. Ik +begaf mij naar den listigen kerkvoogd." + +"Hoe! gij dorst u opnieuw in zijn tegenwoordigheid wagen?" + +"Ik wist, dat hij mij niet zou hebben durven beleedigen; want hij moest +de ontdekkingen vreezen, die ik in staat was te doen. Hij ontving mij +echter met nog meer vrijmoedige kalmte dan ik mogelijk achtte: ja hij +was zoo gemeenzaam, als ware er niets tusschen ons voorgevallen. Mijn +gevangenis schreef hij aan een misverstand toe: hij betuigde mij, +niet geweten te hebben, dat ik mij met Barbanera in den kelder +bevond, wien hij er alleen in dacht op te sluiten:--en inderdaad, +ik kon hem het tegendeel niet bewijzen. Verder toonde hij zich zeer +vertrouwelijk jegens mij, en verzocht mij terug te komen. Iets later +deelde hij mij de geheime ontwerpen des Graven mede, zelfs het plan +ter verrassing van Stavoren, welks mislukking, gelijk ook het verdere, +u Feiko ongetwijfeld zal gemeld hebben." + +"En.... waant gij, dat Reinout ter goeder trouw handelt....?" + +"Zijn gedrag van heden doet mij zulks vermoeden. Hij redde het leven +van Deodaat." + +"En hij zelf, wie is hij dan....?" + +"De zoon van Bianca's dienstjuffer. De listige Barbanera, beducht +voor het ongenoegen van diegene der beide jongelingen, welken hij +niet als den zoon van uw voogd zoude aanwijzen, had aan Reinout +wijsgemaakt, dat hij zelf, hij Barbanera, de vader was van een +hunner.--En thans!" vervolgde de monnik, opstaande, "moet ik naar +Sint-Odulf keeren, en het overige van den nacht aan Friesland +wijden.--Ha! Indien die looze Bisschop mij niet bedrogen had,--het +ware nooit zooverre gekomen: en de arme, verachte vader Syard, had +in naam van het geestelijk gezag het geheele volk op de been kunnen +brengen eer Willem nog een leger bijeen had." + +Op dit oogenblik kwam Sytsken de kamer binnengeloopen, met den angst op +'t gelaat geschilderd. + +"Heilige maagd!" riep zij: "daar is de bliksem zeker in den toren +van Stavoren geslagen en de gansche stad staat in brand." + +"De gansche stad? van eenen bliksemstraal, die op den toren +neerkomt?" zeide de monnik: "dat zou mij vreemd voorkomen." + +"Ik verzeker u," hernam Sytsken, "dat het geheele zwerk rood is van +de vlam die opstijgt." + +"Willen wij niet eens op het plat gaan en zien wat er te doen +is?" stelde Madzy voor. + +"Het zwerk rood van vuur!" herhaalde vader Syard: "dan zeker moet +er iets buitengewoons hebben plaats gehad. Nu ja! ik ben bereid u +te volgen." + +De twee meisjes hadden reeds een paar mantels omgeslagen om zich tegen +den regen te beschutten: en alle drie begaven zich op het plat van +den toren, van waar men bij dag de stad Stavoren, en ook de zee kon +onderscheiden. Een oogopslag was genoeg om den monnik te overtuigen, +dat de schrik van Sytsken niet zonder grond was geweest. Het was nu +geheel nacht; en de duisternis verhoogde den rooden gloed der vlam, +die ten noordwesten opsteeg als achter een gordijn van regen, hetwelk +aan het vuur een des te fantastischer aanzicht gaf. De monnik ontdekte +echter spoedig, dat de brand zeer vermoedelijk een andere oorzaak had, +dan die, welke er door Sytsken aan gegeven was. + +"Het is niet Stavoren dat in brand staat," zeide hij: "Stavoren +ligt meer westelijk: en mij dunkt, ik zie den kerktoren, die den +gloed terugkaatst. Het is Norwert, waar men den rooden haan heeft +uitgestoken." + +"Ik hoor het alarmgeklep!" zeide Madzy: "de vijand moet geland zijn." + +"Hij is geland!" riep de monnik: "ik moet geen tijd verliezen, de ure +des gevaars kan voor ons klooster komen:--en dan mag niemand zeggen +dat broeder Syard afwezig was." + +Dit gezegd hebbende nam hij zijn afscheid en haastte zich naar +Sint-Odulf over een voetpad, hetwelk langs het meer heen van den +landweg af derwaarts geleidde. + + + + + +TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Sy quamen 's morgens met getaelen + Van schepen, klein en groot; + Maar toen de nacht begon te daelen + Riep elck: waer is de vloot? + + + Geusen-liedtjen op de Armada. + + +Het was op den morgen van dien dag, dat de koggen, bestemd het +Grafelijke leger naar de Friesche kust over te brengen, en welke met +den meesten spoed den IJsel, de Vecht en het IJ waren komen afzakken, +zich in de kom van de Zuiderzee vereenigd hadden en aldaar een machtige +vloot gevormd van over de tweehonderd vaartuigen, die nu gezamenlijk +naar de Friesche kust den steven wendden. Nooit voorheen was een +heerlijker schouwspel in die wateren te zien geweest: nooit was er een +tocht op de Zuiderzee beproefd geworden, ontzaglijker door het aantal, +uitnemender door den rang, belangrijker door de vermaardheid van hen, +die daaraan deelnamen. Geheel de adel van Holland, van Henegouwen en +van het Sticht was op de vloot vertegenwoordigd: en menig heer- en +ridderlijk Huis had er al zijn leden gezonden. Met een oogverblindenden +luister schitterde de morgenzon op de nieuwgeverfde en geëmailleerde +blazoenen en wapenborden, welke aan mast en spiegel praalden, op de +vergulde helmen en op het blinkend staal van schilden en rondassen: +dartel speelde de wind in de ontelbare wimpels en banderollen, of +deed hij de blanke pluimen en geborduurde mantels golven op zijn +adem: en die van verre dat heerlijk schouwspel had kunnen genieten, +zou gewaand hebben, dat hij een vereeniging dier zeebewoners zag, van +welke de Arabische schrijvers in hun vindingrijke verhalen spreken, +die met goud en koralen en edelgesteenten en kostbare zeegewassen +beladen, zich boven de oppervlakte der wateren vertoonen. Aan boord +heerschte overal onbedwongen vroolijkheid: dartele scherts en blij +gezang verwisselden elkaar en aller harten waren tot blijmoedigheid en +hooge verwachting gestemd: de bezorgdheid, welke, gelijk wij verhaald +hebben, bij sommigen, over deze onderneming was gevoed geweest, zoolang +zij niet werkelijk was aangevangen, was verdwenen, zoodra men zich aan +boord bevond: zij had voor een kommerlooze gerustheid plaats gemaakt; +want hoe kon men anders, wanneer men het oog in 't ronde sloeg, en die +landingstroepen zag, wier aantal omtrent gelijkstond met de gansche +bevolking van Wester- en Oostergoo te zamen, en geheel uit welgeoefende +strijders bestond, hoe kon men anders dan zich een gemakkelijke zege +toeschrijven? Nadat Utrecht, het rijke en machtige Utrecht gezwicht +was, was het toch niet te denken, dat de onderling verdeelde Friezen +eenigen noemenswaarden wederstand zouden beproeven. Vroolijk schuimde +de beker dan ook rond en wenschte men elkaar geluk met de bijna +zekere overwinning. Ach! weinig dachten zij, die moedige Ridders en +Baanrotsen, dat de blijde disch, waarom zij zich onder luide gezangen +en schaterende toejuichingen verzamelden, hun doodmaal droeg! + +Er was echter onder al die hooggestemde tochtgenooten een enkele, +die niet in de algemeene blijmoedigheid deelde, ofschoon zijn gelaat +die trachtte voor te wenden: het was het hoofd der onderneming zelf, +Graaf Willem, die anders, meer dan een ander, reden moest gehad hebben +om op zijn gelukster, die hem nooit verlaten had, een blind vertrouwen +te stellen, indien dit al niet bij hem opgewekt werd door de gunstige +voorteekenen, waaronder de tocht was aangevangen. De oorzaak zijner +geheime zorg was bovendien van een zoo beuzelachtigen aard, dat hij er +zelf schaamte over had; maar het innerlijk gevoel, dat hem ontrustte, +was hem te sterk, dan dat hij het door redeneering of verstrooiing kon +te boven komen. Op het vaartuig dat zijn vlag droeg was een prachtig +paviljoen opgericht, van welks top de driedubbele Gravenkroon sierlijk +schitterde tusschen een bundel van kunstig gewerkte banieren: van +welks troonhemel het fluweel in purperen plooien, met gouden franje +geboord, rondom afhing, terwijl rozeroode gordijnen van zijde de +stralen van het zonnelicht keerden. Daarbinnen liepen banken rond, met +spierwit doek overtogen en bedekt met donzige kussens van karmozijn, +waar 's Graven naamcijfer of wapen in gouden letteren op prijkte: +terwijl een dressoir, over den ingang geplaatst, beladen was met al +de geriefelijkheden, die den smaak konden streelen, en van goud en +zilver fonkelde. Dit fraai geheel was een geschenk van den Bisschop +van Utrecht en de vrucht van het nacht en dag doorwerken der meest +bekwame kunstenaars uit al de omliggende steden. Kort na het afzeilen +was de Graaf het paviljoen binnengetreden om er al den rijkdom van te +bewonderen; maar niet weinig was hij verwonderd geweest, van op het +dressoir, in den voor hem bestemden drinkhoorn een briefje te vinden, +waarop deze woorden te lezen waren: "denk aan de voorspelling van +Reinout van Gelder."--Dadelijk na de lezing verborg hij die ontijdige +waarschuwing: en, het paviljoen uittredende, vroeg hij aan den +deurwachter, op een toon, dien hij zoo kalm mogelijk deed schijnen, +wie er vóór hem binnen geweest ware. + +De deurwachter betuigde op zijne eer, dat niemand zich verstout +had binnen te treden, sedert het paviljoen gezet was, dan alleen de +behangers en een paar lijfbedienden des Bisschops, ten einde zich te +verzekeren dat alles in behoorlijke orde ware. + +De Graaf sloeg de oogen om zich heen en ontdekte kort bij hem het +vaartuig, waarin Jan van Arkel zich bevond, in zijn priesterlijk +gewaad, half zittende en half liggende tusschen een hoop welgevulde +kussens, op het dek gespreid. De oogen des Kerkvoogds hadden op +dit oogenblik een boosaardig spottende uitdrukking; maar zoodra de +Graaf hem aansprak, nam het gelaat terstond weder de effen plooi aan, +die het gewoonlijk kenmerkte. + +"Wij hebben nooit iets prachtigers gezien dan uw geschenk, Heer +Neef!" riep hem Willem toe, terwijl de stuurlieden de schepen +eenigszins nader bij elkander brachten, om het gesprek tusschen de +twee aanzienlijke passagiers gemakkelijker te maken. + +"Uwe Genade heeft te veel goedheid," zeide de Bisschop, zich half +opheffende met de achtelooze loomheid eener half slapende kokette: +"ik had wel gewenscht uwe Genade meer naar verdienste te kunnen +behandelen." + +"Men vindt er bewonderenswaardige dingen in," vervolgde Willem, hem +veelbeduidend aanziende; "dingen, die men er niet zou verwachten. Die +drinkhoorn vooral, die voor ons bestemd is, is allervreemdst en de +inhoud heeft ons verrast." + +'t Zij dat de Bisschop aan het geval volkomen onschuldig, 't zij +dat hij op alles gewapend ware, de effen kalmte van zijn trekken +onderging geene de minste verandering, en hij sloeg de oogen niet +neder voor den scherpen blik des Graven: "ik had gelast," antwoordde +hij, op een flauwen toon, "dat men hem met Spaanschen wijn zou vullen, +die, gelijk mij verzekerd werd, met tweebak genuttigd, een uitmuntend +voorbehoedmiddel is tegen zeeziekte. Ik had er ook wel van mogen nemen; +want, niettegenstaande het slechte water voel ik mij geheel niet op +mijn gemak, en het is niet de geringste opoffering, welke ik aan uwe +Genade doe, dat ik mij op zee begeef, waar ik een tegenzin in heb." + +Dit gezegd hebbende, voegde hij de daad bij de woorden, en zich +omwendende, zakte hij in zijn kussens neer. + +"Nu ben ik even wijs," dacht Willem, terwijl hij ontevreden terugging +en het dek op en neer wandelde. "Maar kom! die grillen uit het hoofd +gezet. Waar is de kaart van Friesland?--Mijne Heeren! wij zullen ons +plan van landing nog eens nazien." + +Binnen weinige oogenblikken was hij met Walcourt, Teylingen en eenige +andere vertrouwelingen, die op zijn vaartuig voeren, in het paviljoen +gezeten en zocht hij, door het belangrijke onderwerp van hun gesprek, +de heimelijke zorg die hem kwelde te verzetten:--ieder oogenblik +liet hij aan den schipper vragen, hoe laat men aan wal zou wezen: +waarop dan altijd het antwoord was, dat zulks aan God alleen bekend +was; maar dat, zoo de wind niet voordeeliger werd, men genoodzaakt +zou zijn, dien nacht een ankerplaats te zoeken: daar men sedert de +twee laatste gangen meer achter- dan vooruitgegaan was. + +"Ik heb het al gevreesd,"--zeide de Graaf, wrevelig met de vuist op +tafel slaande, toen hem dit antwoord voor de vijfde maal gebracht +werd:--"wanneer zal men eens vaartuigen uitvinden, die niet van den +wind afhangen?" + +Walcourt wilde juist antwoorden, dat dit wel een onmogelijkheid zijn +zou; maar een plotselinge ongesteldheid, die hem overkwam, noodzaakte +hem naar buiten te gaan: en weldra zagen Teylingen en Naaldwijk zich +gedwongen, zijn voorbeeld te volgen. + +"Bij Sint-Japik!" zeide de Graaf: "daar zijn er al drie, die wegloopen +zonder verlof te vragen: het schijnt, dat aan boord de Graaf en zijn +leenmannen gelijk zijn:--en men moet bekennen, dat wij mooi scheef +gaan en aardig stooten.--Waar duivel is die Spaansche wijn, waar de +Bisschop van sprak?" + +Met deze woorden trad hij naar het dressoir toe; maar op het oogenblik +dat hij de hand naar een drinkkan uitstrekte, kreeg het schip een +golf in den boeg, die het fraaie kunststuk, het onderst boven sloeg. + +"Daar ligt de gansche Bisschoppelijke weelde," zeide Willem, het oog +slaande op den gevallen toestel, en op den wijn, die door elkander +vloeide, "en wij zouden waarachtig gevaar kunnen loopen, aan boord +te verzuipen, zoo niet in zeewater, dan in druivennat:--dat ware een +andere dood, dan dien mij de zwarte Reinout voorspelde!.... nogal dat +noodlottige orakel:--zal ik het dan niet uit mijn geest kunnen bannen?" + +Hij plaatste zich nu bij het roer en zag rond; het was nog altijd een +belangrijk en fraai schouwspel, die geheele vloot met den tegenwind +te zien worstelen; maar de schepen leverden niet meer de schitterende +vertooning op van des morgens. In het laatste uur waren meest alle +banieren en wimpels binnengehaald, en men zag geene blinkende harnassen +noch golvende pluimen meer. De gewapenden streden meest allen met dien +onweerstaanbaren vijand, de zeeziekte, en lagen op het dek uitgestrekt. + +Langzamerhand echter begon de wind te minderen: en tegen den namiddag +werd het stil, zoodat men alle zeilen bij moest zetten om slechts een +flauw zuchtje, dat nu uit het noordwesten woei, te kunnen opvangen +en alzoo met halfwind voort te komen. Nu keerden de moed en de +eetlust bij velen, en de Graaf had juist last gegeven, dat men de +omgestorte kannen weder vullen zoude, toen men in 't verschiet een +schip ontwaarde, dat op de vloot aanhield en weldra bijdraaide. Het +was de bierhaalder, waarmede Deodaat naar Stavoren was gezeild, en +die nu van den mislukten tocht terugkwam. Krijn Jansz vervoegde zich +terstond aan boord van des Graven schip. + +"Welnu!" zeide deze, zoodra de schipper voor hem in het paviljoen +stond: "wat hebt gij ons te melden? Is het kasteel van Stavoren al +onder het bedwang van onzen vriend Deodaat?" + +Krijn Jansz haalde de schouders op en verhaalde hetgeen den lezer +bekend is nopens den ongelukkigen uitslag zijner onderneming. + +"Bij Sint-Japik!" zeide de Graaf, hem halverwege in de rede vallende: +"dat is fout!--Intusschen, die Friezen beloven ons een genoegen, waar +wij ons niet mede hadden durven vleien, en wij zullen althans eenige +eer behalen; want er zal weerstand zijn. Maar het volk dat met u was, +zit dat nog onder uwe vaten?" + +"Ziedaar, wat ik uwe Genade wilde verhalen," zeide Krijn Jansz. "Die +twee schildknapen van den Ridder waren maar gansch niet in hun +schik, dat zij hem dus in de macht der Friezen zouden laten, zonder +weerwraak te nemen. Een van hen, de kleinste, is aan wal gebleven, +om te zien waar men zijn meester heenvoerde, en hem, zoo mogelijk, +te verlossen. Wat den anderen betreft, dien heb ik, nadat wij Stavoren +verlieten, met zijn volk in een Makkummer schuit overgezet, die wij in +zee overrompeld hebben. Zij zouden zich vandaag op de hoogte van het +dorpje Norwert, benoorden Stavoren, ophouden, met den nacht landen, en +het dorpje in brand steken: dan kon uwe Genade op het licht aanzeilen." + +"En dat zullen wij doen ook!--Dit verandert ons plan eenigszins, mijne +Heeren! maar dat is om 't even. Men boodschappe deze tijding terstond +aan den Heer van Beaumont. Hij houde met zijne vaartuigen op de Lemmer +aan en rukke vandaar landwaarts in, terwijl wij benoorden Stavoren +landen: dan vereenigen wij ons in het hart van Friesland. Ha! daar +zal evenwel een kamp plaats hebben!" + +"Met het verlof van uwe Genade," zeide Krijn Jansz, die op dit +oogenblik buiten de tent keek: "ik vrees, dat de kamp met den storm +wel de ergste wezen zal, dien gij heden zult strijden. Ik zal zien +uw boodschap te doen, maar ik moet naar mijn schip keeren. Wel over!" + +En zonder eenigen verderen last af te wachten, ijlde hij het paviljoen +uit en sprong in zijn vaartuig over. + +"Storm?" herhaalde de Graaf, verwonderd op het dek tredende. "Is de +kerel dol? Het is het heerlijkste weer, dat men uitdenken kan." + +"Naar binnen, Graaf!" riep de schipper, die aan 't roer stond, hem toe: +"alle man op het dek! Bergt de zeilen!" + +"Mij dunkt," zeide Willem, de vermaning des schippers volgende, +"dat ons gezag nu geheel naar de maan is. Straks praatte ik nog van +gelijkheid; maar nu zie ik wel, dat de Keizer zelf geen baas zou zijn, +als hij zich aan boord bevond." + +Niet lang echter kon hij zijn nieuwsgierigheid en ongeduld +bedwingen. Hij trad weder naar den ingang van het paviljoen; +maar hij bemerkte reeds dadelijk, dat de schipper de waarheid had +gesproken. De gansche toestand der vloot was veranderd. Nergens was +een zeil meer te aanschouwen: de zee had op eenmaal die gele, vale +kleur aangenomen, die een geweldige, inwendige beroering verkondigt, +en stak, sterk door de zon verlicht zijnde, krachtig af tegen de +donkere en loodkleurige wolken, die, als een tooverslag opgewekt, +uit het Oosten kwamen opdagen. Nog was het water stil om hen heen; +maar het duurde geen twintig tellens, of de windvlaag, welke men van +verre over de oppervlakte der zee zag aankomen, was nabij hen, en +had het paviljoen omgeworpen, waarvan de rijke hangtapijten, nu als +rag gescheurd, maar weerhouden door de sterke koorden, waaraan zij +vast waren gemaakt, over het dek in de hoogte fladderden. Terstond +snelden een paar matrozen toe en sneden die koorden los, zoodat nu +dat geheele meesterstuk van kunst overboord vloog. + +"Daar gaat onze heerlijkheid naar de visschen," zeide de Graaf, met +een gedwongen lach; maar eene kille huivering overviel hem, toen hij +de kronen, waarmede het paviljoen versierd was geweest, ter prooi +der golven zag. Hij had echter schier geen tijd tot denken; want +op hetzelfde oogenblik ontlastten zich de wolken in zulke hagel- en +regenbuien, dat het dek een stortvloed geleek, en de gansche krijgsdos +der edelen en gewapenden in een oogenblik onkenbaar was. Geen pluim +was er meer, die niet gescheurd en druipend neerhing: geen wapenrok +of mantel, waarin de hagelsteenen geen gaten hadden geslagen. + +"Voor den duivel!" zeide Walcourt: "de Friezen zullen ons voor een +koppel wilde eenden aanzien, als wij ons zoo aan hen vertoonen." + +"De Graaf had ook wel naar beneden kunnen gaan," bromde Teylingen: +"zoo hij er vermaak in schept, doornat te worden, ik zie volstrekt +niet, waarom wij onze plunje moeten laten bederven." + +"Durft gij het hem niet voorstellen?" vroeg een ander edelman. + +"Ik heb het reeds gedaan; maar hij vroeg mij, of wij van zout +waren. Zie eens! mijn overrok is aan flarden gehageld; en mijn helm +zal meer roestvlakken bekomen, dan of hij tien jaren in den dauw +gelegen had." + +Terwijl zij zich dus beklaagden, stond de Graaf onbeweeglijk tegen +den mast geleund. Deze schonk hem een gedeeltelijke beschutting +tegen het onweder; echter had hij niet zoozeer daarom deze plaats +uitgekozen: zijn oog bleef met een angstig ongeduld gevestigd op +de overige schepen; en pijnlijk was de indruk, door die beschouwing +teweeggebracht. De schoone orde, waarmede de vloot nog zoo kort geleden +zeilde, was verbroken: het geweld van den wind, die ieder oogenblik +veranderde, had de vaartuigen in een oogenblik over de oppervlakte der +zee verstrooid: sommige schepen waren op zandgronden vastgeraakt, en +hun half omgeslagen kielen leverden een onheilspellend schouwspel op: +andere, wier manschap niet tijdig genoeg klaar geweest was, hadden den +mast moeten kappen en met zeil en want overboord werpen: enkele, wier +schippers stoutmoediger waren, of die door den breeden bouw minder +gevaar hadden van om te slaan, hadden het fokkezeil bijgehouden, +lensden op Gods genade voort, en waren spoedig uit het gezicht: +de meeste echter werden nu her- dan derwaarts heengeslingerd. + +De avond begon intusschen te vallen en het werd den Graaf hoe langer +hoe moeilijker te onderscheiden, hoevele schepen hij nog bij zich +had. Op eens kreeg hij van verre een licht in 't oog. + +"Wat kan dat zijn?" vroeg hij aan een bootsgezel, die nevens hem stond. + +"Dat is Stavoren, uwe Genade," was het antwoord: "en zoo de wind +nog blijft aanzuidelijken, zitten wij binnen een paar uren op de +Friesche kust." + +De Graaf ontving deze tijding zonder schrik; maar ook zonder +genoegen. Zijn last was, dit had hij wel bespeurd, niet aan Beaumont +kunnen gebracht worden: zijn schoone vloot was verstrooid, en hij wist +niet, hoe lange tijd er verloopen zou, eer men de schepen weder bij +elkander zou kunnen brengen en de orde van de landing herkrijgen. Hij +pleegde nu raad met den schipper, die het meest raadzaam oordeelde, +een poging te doen om voor Enkhuizen te ankeren en daar den dag af +te wachten. Dit gelukte na eenigen tijd: de lantaren werd aan den +mast geheschen, en werkelijk zag men dit sein door sommige vaartuigen +herhalen, die hetzelfde voorbeeld gevolgd hadden. Dan niet lang hadden +zij zich op die reede bevonden, toen de schepelingen een hevige vlam +ten noorden van Stavoren zagen opstijgen. + +"Ha!" riep Willem, die op dit gezicht al zijn moed herleven voelde: +"zij houden woord, mijn trouwe Zeeuwen! Hoe is de wind, schipper?" + +"Nu sedert eenigen tijd stik zuidwest," was het antwoord. + +"Dan het anker gelicht en op die vuurbaak afgezeild! Sint-Niklaas is +met ons!"' + +"Ik vrees er voor," zeide de bezorgde schipper: "het is hier zulk +een vervloekt vaarwater, dat wij, bij nacht varende, machtig veel +kans hebben om aan den grond te geraken." + +"Om 't even! daar moet een poging worden aangewend. Ik kan mijn dappere +strijdmakkers, dien kleinen hoop daar aan wal, niet hulpeloos laten. En +dan? herschept dat vuur den nacht niet in een dag? daarop aangehouden, +zeg ik: de gevolgen zijn voor mijne rekening." + +De schipper haalde de schouders op en gehoorzaamde; zijn voorbeeld +werd door de nabij hen liggende schepen gevolgd en weldra stevende +alles naar Norwert toe: maar ofschoon sommige vaartuigen den tocht +voorspoedig volbrachten, bleek het echter, dat de angst des schippers +niet voorbarig was geweest; want de grootste helft van het smaldeel +raakte ieder oogenblik vast en kwam dus, òf niet, òf te laat, ter +bestemmingsplaatse aan. + +Het vaartuig, waarop de Bisschop zich bevond, had langen tijd omtrent +gelijken koers met dat des Graven gehouden. Hoewel door gestadige +zeeziekte gekweld, had Arkel echter niet zonder een geheim genoegen +den bedroefden toestand der vloot waargenomen. Toen het duister begon +te worden liet hij den schipper bij zich komen. + +"Gij behoeft u zoo niet te haasten," zeide hij: "ik ga slechts als +toeschouwer mede: en als het donker is, kan ik toch niets zien." + +"Hoogwaardigste!" zeide de schipper: "ik vrees, dat, indien ik niet +zooveel mogelijk koers op het noorden houde, wij te ver van het +Grafelijk schip zullen afdwalen: want de wind zou ons oostwaarts +drijven." + +"Zeer wel!" hernam de Bisschop; "maar ik heb geen trek om op het +Enkhuizer Zand vast te raken. Doe mij het vermaak en poog zoo lang +als gij kunt in 't goede vaarwater te blijven." + +"Hoogwaardigste!" zeide de schipper verbaasd: "dan raken wij hoe langer +hoe verder van de vloot en drijven misschien tot aan de Kuinder af." + +"Licht mogelijk:--en indien het niet anders kan," zeide Arkel, die +deze gevolgtrekking des schippers wel verwacht en daarop zijn gansche +redeneering gegrond had, "dan zie ik er geen kwaad in, naar de Kuinder +te trekken. Daar zijn wij op onzijdigen grond en toch aan de grenzen +van Friesland.--Ja! steven gerust naar de Kuinder: als net dag is, +kunnen wij altijd zien wat wij doen zullen." + +De schipper gehoorzaamde: en de gewapenden van 's Bisschops gevolg, +die het onderhoud niet vernomen hadden, waren niet weinig verwonderd, +toen zij zich 's morgens bij hun ontwaken in de haven van de Kuinder +zagen. De Bisschop ging dadelijk met zijn geestelijken en verder gevolg +aan land en trok naar het nabij de stad gelegene nonnenklooster van +Sinte-Martha, waar hij besloten had van de reis uit te rusten en op +nadere tijding uit Friesland te wachten, ten einde naar bevind van +zaken te kunnen handelen. + +Hij vond bij zijn aankomst een groote beweging in het gesticht. Er +was den avond te voren een vreemde dame aldaar aangekomen, die naar +Friesland toog, maar door het slechte weer verhinderd was geworden +hare reis te vervolgen. Zij scheen een vrouw van aanzien te zijn; +althans voor zooverre men zulks moest opmaken uit hetgeen de gids, +die haar vergezelde, van haar dienaars en juffers vernomen had. + +Men kan licht beseffen, welke verlegenheid en verwarring het onverwacht +bezoek van den Bisschop bij de vrouw Abdis en haar vrome gezellinnen +teweegbracht. In het afgelegen en weinig bezochte klooster van de +Kuinder waren vreemdelingen een buitengewoon, een welkom verschijnsel, +hetwelk voor een geheel jaar stof tot gesprekken gaf;--maar nu +twee hooge personages te gelijk! een uitheemsche Vorstin!--want +dit voor 't minst moest de onbekende zijn: en het geestelijk hoofd +van het Sticht.--Dat was te veel genoegen op eenmaal en bracht al +de nonnenhoofdjes op hol. Waar zou men die beide bezoekers en hun +gevolg plaatsen? Of de vreemde dame haar reis dien dag vervolgen +zoude, was nog onzeker, want er waren reeds geruchten in omloop, +dat men in Friesland met strijden bezig was:--haar weg te zenden, +ware onchristelijk geweest:--en den Bisschop kon men nog veel minder +terugwijzen. + +Arkel kon niet nalaten, hartelijk te lachen, toen hij de verlegenheid +der Abdis vernam: en zich terstond bij haar begevende, nam hij alle +zwarigheid weg, door te melden, dat hij zich met elk vertrek, hoe +klein ook, behelpen zou, en zijn stoet, op eenen lijfbediende na, +naar de Kuinder terugzenden. Op deze wijze was alles spoedig geschikt: +en niet lang daarna was de Abdis, recht opgeruimd en wel te moede, +bij naar beide voorname gasten aan een goeden disch gezeten. + + + + + +DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Hoe dat een krijgsheir aan quam rukken + En onze grenzen vast bestreed, + Veel min ontzachlijk door getalen + Van benden, dan door zegepralen: + Fluks riep men: wapen! + + Dullaert. + + +Niet verre van Stavoren, doch meer noordwaarts op, stond in den tijd, +waarvan wij gewagen, een zeker dorpje, Norwert geheeten, hetwelk men +thans vruchteloos op eenige kaart zou zoeken, vermits de plaats zelve, +waar het zien bevond, sedert lang een prooi der invretende golven +geworden is. Het was op een geringen afstand van de zee gelegen, +tegen wier geweld het benevens eenig daarbij behoorend land, door +een wierdijk beschut werd. Ten oosten paalde het aan een moerassigen +veengrond, die zich langs het meer van Stavoren uitstrekte; ten +noorden aan eenig kreupelhout, waarvan de schrale groei en de kale +takken, aan dewelke niet meer dan eenige verdorde en verschrompelde +bladeren hingen, getuigden, hoezeer het van den zeewind te lijden +had. Op den dijk, en kort bij dit geboomte, hetwelk men voor een +overblijfsel hield van het eenmaal zoo vermaarde Kreiler bosch, +zat een jonge zeemansgast sedert een paar uren in de zee te kijken, +die reeds al het buiten het wierdijkje gelegen land overstroomd had: +en hoewel het een orkaan woei, hoewel zijn tengere ledematen doornat +waren, en hem de regen in 't gezicht speelde en meermalen het zien +belette, was hij nog niet van zijn plaats gerezen om een schuilplaats +op te zoeken; want een krachtig denkbeeld had zich van hem meester +gemaakt en deed hem het woeden der elementen vergeten. Zoolang het nog +helder dag was geweest, had geen blijk van ongeduld zich op zijn gelaat +vertoond, maar het werd reeds avond en nog kon hij geen vaartuig op die +oppervlakte der wateren bespeuren, dan een ellendige visschersschuit, +die door den storm naar de kust gedreven werd; maar deze was het niet, +welke de knaap verwachtte. + +"Zij zullen niet komen!" zeide hij eindelijk bij zich zelven, terwijl +hij oprees en het water uit zijn muts wrong: "de Graaf zal hen bij +zich gehouden hebben:--was het nu niet beter, dat ik naar Sint-Odulf +trok en daar de vloot afwachtte?" + +Terwijl hij dit voornemen overpeinsde, zag hij, zooveel de duisternis +hem zulks toeliet, dat het visschersvaartuig begon te naderen en +weldra niet ver van den dijk een ankertje uitwierp. "Voorwaar," +dacht hij: "die visscher kiest ook een vreemde ankerplaats uit. 't +Is waarschijnlijk een vreemdeling: anders zou hij zijn schuit wel +vastleggen aan de palen, die ik ginds op de hoogte van het dorp gezien +heb.--Kom! wij zullen nog een vijfhonderd tellens wachten en dan in +Sint-Japiks naam hier vandaan:--mits ik slechts het houten pad door het +moeras niet misloop in de duisternis; anders loop ik stellig gevaar, +te smoren voor ik twintig schreden gedaan heb." + +Hij begon hierop de aangename bezigheid van te tellen, welke hij ten +einde bracht met de vaste overtuiging, dat hij nu gerust kon gaan; +want het was omtrent stikdonker geworden. Dan, juist op het oogenblik, +dat hij van den dijk wilde afspringen, hoorde hij een flauw gedruisch +en gespat in het water, hetwelk zijn aandacht boeide. + +"Bij Sint-Japik!" dacht hij: "ik geloof waarachtig, dat die +visschers zich in dat fraaie weer met zwemmen vermaken. Nu! elk zijn +liefhebberij." + +Zijn nieuwsgierigheid was echter opgewekt: hij liep den dijk langs, +naar de plaats, waar het geluid vandaan kwam, en hoorde weldra +duidelijker nog, dat verscheidene menschenstemmen, hoezeer met zoo +weinig geruchts mogelijk, door het water liepen. Dan weldra werd zijn +vermoeden volkomen bevestigd; want een bliksemstraal, die opeens den +ganschen zeekant verlichtte, deed hem een twintigtal gewapenden zien, +die van het vaartuig naar den dijk waadden. + +"Wie duivel zijn dat?" vroeg hij zich zelven af: "zeker geen vrienden +van Friesland, die op zulk een ongewone wijze aanlanden.--Zouden zij +het zijn? o! nog een bliksemstraaltje om hen eens recht te kunnen +opnemen!" + +Met dezen wensch was hij al dichterbij gewandeld, achter den dijk +blijvende, om door de aankomenden niet gezien te worden: en nu hoorde +hij opeens iemand in het water, die met een zachte stem aldus tot +een ander sprak: + +"Wij hadden wel een paar haken van boord mogen medenemen, Gillis! die +vervloekte wal is zoo steil en zoo hard, dat ik waarlijk niet weet, +hoe ik er tegen op zal klauteren." + +"Kom maar hier: ik zal u wel een handje helpen," riep de knaap, +die de stem herkende, hem van boven toe. + +"Alle duivels! daar is volk aan gene zijde van den dijk!" zeide de +aanvoerder der bende, terugdeinzende. + +"Hoe nu!" hernam de knaap: "kent de wakkere Boudewijn de stem van +zijn makker Zweder niet meer?" + +"De Satan mocht u of uwe stem herkennen," zeide Boudewijn, terwijl hij +de hand aangreep, die Zweder hem toestak, en tegen den dijk opklom. Dat +vervloekte zeewater spat een mensch om de ooren, dat hij niet hooren +of zien kan." + +"Ik had den moed al opgegeven," zeide Zweder: "en was verre van u in +die visschersschuit te verwachten." + +"Ja man!" zeide Boudewijn: "dat was een denkbeeld van mij:--toen +wij hedenmorgen Stavoren verlaten hadden, kreeg ik die schuit in +'t gezicht. Wacht! zeide ik tot Krijn Jansz:--nu weet ik een beste +gelegenheid om aan wal te komen, zonder dat een enkele Fries er +gedachte op heeft." + +"Ik vat al: gij bemachtigdet de schuit." + +"Was dat niet wel verzonnen?--nu heeft de Graaf (bijaldien hij niet al +tot een aas der zeehonden verstrekt, met dien hagelschen storm) tijding +van ons:--en wij zullen hem die nog nader geven, dat beloof ik u." + +De manschappen waren nu allen aan wal gekomen, en verzamelden zich +aan de binnenzijde des dijks om Boudewijn en zijn makker, die hun +mededeelde, wat hem omtrent Ridder Deodaat bekend was. + +Spoedig werd nu het besluit opgemaakt. Men nam voor, Norwert in +brand te steken, hetgeen het dubbel voordeel zou verschaffen, tot een +baak voor des Graven vloot te verstrekken en de aandacht der Friezen +derwaarts te bepalen: en vervolgens weder zee te kiezen. + +"Dat is nu alles mooi en wel!" zeide Zweder: "en ofschoon het mij +eenigszins tegen de borst stuit, dat mijn eerste krijgsonderneming een +brandstichting wezen zal, zie ik, dat het noodzakelijk is:--maar, het +is niet genoeg een besluit te nemen, waar vinden wij de brandstoffen?" + +"Zotskap!" zeide Boude wijn: "alsof ik geen vuursteen bij mij +had:--laat dat aan mij over, en gij zult een Sint-Maartensvuurtje zien, +waarbij gij uw natte kleeren in een amerijtje zult kunnen drogen. Zeg +mij maar liever, of gij zeker weet, dat het dorp onbezet is?" + +"Niet slechts onbezet, maar verlaten:--de mans zijn, God weet waarheen, +de vrouwen en kinderen naar Stavoren gevlucht." + +"'t Is mij onbegrijpelijk!" zeide Boudewijn, na eenige oogenblikken +nagedacht te hebben: "hoe kan men zich zulk eene achteloosheid +verklaren van lieden, die een aanval wachtende zijn? Ik had reeds +gevreesd, hier den dijk vol krijgsvolk te vinden en ik zie zelfs den +staart van een dog niet." + +"Hoe jammer!" zeide Zweder: "dat de Graaf hier niet tijdig genoeg +wezen kan; hij ook zou zonder slag of stoot kunnen binnentrekken." + +"Ja ventje! dat is waar; maar die groote nalatigheid baart mij +achterdocht. Ik zorg, of zij ook slechts schijnbaar is en de vijand +altemet in hinderlagen schuilt." + +"Licht mogelijk," hernam Zweder: "maar dat moet ons niet beletten, +spoed te maken met de uitvoering van ons plan." + +Aldus sprekende, waren zij langzamerhand verder getrokken en het dorp +meer genaderd. Het was en bleef stikdonker en geen geluid deed zich +hooren. Weldra bevonden zij zich midden in Norwert, zonder kind of +kraai te hebben bespeurd. Dadelijk gaf Boudewijn bevel, dat men de +deuren van eenige woningen open zou loopen, om te ontdekken of er nog +iemand schuilde; maar men vond niemand. In een paar huizen smeulde +er nog vuur aan den haard. + +"Goed zoo!" zeide Boudewijn: "steekt licht aan! legt dat vuur maar +in de bedstede en smijt er al het droge stroo op, dat gij vinden +kunt: en laat ons ondertusschen de spijskast ook eens onderzoeken: +'t ware jammer, zoo er iets verloren ging." + +Allen gehoorzaamden volijverig aan deze bevelen: en spoedig was +de geringe voorraad van spijs en drank, welken de bewoners hadden +achtergelaten, door de vermoeide krijgslieden verslonden, terwijl zij +hun doornatte kleedingstukken uitwierpen en verwisselden tegen die, +welke zij in de huizen vonden. Al wat nu maar brandbaar was werd op de +vuren gesmeten, en in weinige oogenblikken sloeg de vlam menig dak uit. + +"En nu weer naar boord," riep Boudewijn: "eer de vlam ons zelven den +terugtocht afsnijde." + +De bende nam den terugtocht weder aan, die nu door de vlam verlicht +werd, welke het dorp weldra geheel omgeven had. Op den dijk gekomen, +wendde Zweder nogmaals de oogen om, ten einde het tooneel van ellende, +dat zij hadden aangericht, te aanschouwen. Het was een vreeselijk +gezicht, die strijd der elementen onderling. Nu eens was het, of de +zware regenvlagen de opstijgende vlam geheel zouden uitdoven;--dan +weder zegevierde het geweld van het vuur en golfde het in rooden +gloed langs de daken. Nu en dan stortte er een krakend gebouw in en +versmoorde voor een oogenblik den gloed, die het verteerd had; maar +die weldra des te feller van alle zijden onder het puin te voorschijn +kwam: de zeewind gierde door de opengeborsten luiken en vensters en +dreef brandende stroohalmen en half verteerde lappen zeildoek en +netten landwaarts in, waar zij weldra in het moeras neervielen of +door den regen werden uitgebluscht. + +"Kom!" zeide Boudewijn, zijn makker bij den arm trekkende, "maak +voort: men zal misschien spoedig genoeg bij de hand wezen om ons na +te zitten." + +"Bij Sint-Japik! men is reeds bij de hand," riep Zweder verbaasd uit, +en zijn uitgestrekte hand wees naar het moeras, dat door den brand +in al zijn uitgestrektheid verlicht was. + +Boudewijn wierp insgelijks den blik derwaarts en hij verbleekte, +toen hij ontdekte, dat, waar men het oog wendde, de geheele vlakte +met gewapenden vervuld was, wier aanwezigheid, hoe onbeweeglijk zij +zich ook hielden, verraden werd door het licht der vlam, dat op het +ijzer der wapenen terugkaatste. + +"Ik had het wel vermoed," zeide hij met een zucht. + +"Zij zitten daar als kikkers, in hun moerassen of achter hun +zomerdijkjes verborgen, waar geen duivel hen uit zal drijven. Zij +weten, dat de gansche vloot niet ontscheept is: en zij wachten ons +daar.--Maar wij zullen hun een aangename nachtrust wenschen en ons +stilletjes weer naar boord begeven. Ik verwonder mij toch, dat zij, +hoewel de afstand wat verre is, ons niet een pijltje toezenden." + +Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken, of een pijl kwam sissende +aangevlogen en trof hem vlak in 't voorhoofd. + +"Vlucht, Zweder! vlucht allen!" riep hij onder 't nederstorten. "Het +is met mij gedaan. Vlucht! en laat mij hier aan mijn lot." + +Al de wapenknechten waren terstond in zee gesprongen. Zweder alleen +was nog bij zijn vriend gebleven, toen hem een tweede pijl de muts van +'t hoofd dreef. + +"Het is uit dat vervloekte boschje!" riep hij: "wie had het +gedacht? zij hebben ons willen omsingelen:--hoe gaat het, +Boudewijn?"--Geen antwoord.--"Arme hals! hij is wel dood.--Dan is +het zaak, dat ik voor mij zelf zorge."--Met deze woorden liet hij +zich mede van den dijk afzakken en zwom naar de schuit. Op hetzelfde +oogenblik kwamen de Friezen het bosch uit en zonden den vluchtelingen +hun pijlen na, die echter geene of althans weinige schade deden. Meest +al de tochtgenooten bereikten gelukkig het vaartuig: het anker werd +gekapt, en daar het nu wederom ebbe was, dreef men spoedig ver genoeg +van wal om buiten bereik te zijn. Zweder, op wien door den dood van +Boudewijn het bevel was overgegaan, gaf nu last, dat men zooveel +doenlijk zuidwaarts zou stevenen en een poging doen om zich met de +vloot te vereenigen.--Wij zullen hem met zijn makkers goede reis +wenschen en inmiddels eens gaan zien, hoe de Heer van Aylva bij zijn +komst te Stavoren de zaken gevonden had. + +Nauwelijks was hij de poort van Stavoren binnengereden, of hij +ontmoette den Abt van Sint-Odulf, en vernam van dezen, dat de +voornaamste maatregelen ter verdediging reeds genomen waren. Het was in +den Raad, na lange wederspraak, aan Reinout gelukt, den Friezen te doen +beseffen, dat het hun onmogelijk zou vallen, aan de Hollandsche vloot +het ontschepen hunner talrijke en welgeoefende benden te beletten: +daar deze, zooras het op een bestormen en bemachtigen der zeekust +aan zoude komen, door hun meerdere voortreffelijkheden in rusting +en wapenhandel een te groot voordeel op de Friezen zouden hebben, +die slecht gedekt en bijna van geene weerbare wapens voorzien waren; +waarbij kwam, dat een nederlaag, aldaar geleden, terstond verwarring en +schrik onder de saamgeraapte benden brengen, en aan den vijand den weg +naar 't hart van Friesland zoude banen. Hij had dus den raad gegeven, +dat men de landing niet belemmeren zou, maar de Hollanders buiten de +mogelijkheid stellen daarvan partij te trekken, door zelven zooveel +doenlijk een gepast gebruik te maken van de gelegenheid, die de grond +van Stavoren hun aanbood om een verdedigingsoorlog met voordeel te +voeren. Men dient te weten, dat de landstreek om de stad heen, behalve +uit eenig laag en moerassig weiland, dat langs het meer gelegen was, +voornamelijk uit een heuvelachtigen heigrond bestond, over 't geheel +welbebouwd, en aan onderscheidene eigenaars toebehoorende. Nu was elke +bijzondere akker, met het land, dat er bij behoorde, door een aarden +wal of zomerkade omringd, ter afkeering: van het zeewater, dat niet +zelden bij springvloed een gedeelte van den bodem overstroomde. Deze +kampen leverden dus als het ware zoovele verschansingen op, waarachter +zich de gewapenden in hinderlagen konden verbergen en tusschen welke +men des Graven heirmacht lokken wilde, als in een doolhof zonder +uittocht, waar het van alle zijden door vijanden omringd, geene +gelegenheid zou hebben, zich van zijn ruiterij te bedienen of zich +in slagorde te vormen, maar overal voor een onverhoedschen aanval +blootstaan. Dit stelsel van verdediging werd goedgekeurd, en men nam +terstond alle maatregelen om er uitvoering aan te geven. Aan volk +ontbrak het niet; want geen Fries bleef achter in de ure des gevaars: +niet enkel uit loutere vaderlandsliefde; maar omdat de immer woedende +onderlinge veeten hem van zijn jeugd af het hanteeren der wapenen tot +een noodzakelijkheid en het vechten tot een gewoonte gemaakt hadden: +ja wat meer is, tot zijn gewenscht en eenig tijdverdrijf. Alle dorpen +waren dus terstond verlaten geworden, en van Hindeloopen af tot aan +Gaasterland toe was de geheele landstreek met weerbare manschappen +bezet: terwijl de nog gedurig opkomende benden zich aan een der +beide vleugels moesten aansluiten. De rechtervleugel, zoo men overal +verspreide krijgsbenden aldus noemen kan, werd door Adeelen aangevoerd: +Cammingha bestierde de verdediging van Coudum af tot aan Warns: en +de linkervleugel was aan Martena toevertrouwd. De Abten van Lidlum +en Bloemkamp vormden met hun talrijke en welgeoefende conversen twee +hulpbenden, gereed om zich overal te begeven, waar de strijd het +heetste was. Reinout was bij Adeelen. Helbada en Fadinga kruisten +Gaasterland door, ingevalle zich de vijand daar mocht vertoonen. In +Stavoren oefende Galama het opperbewind, terwijl al de in de haven +aanwezige schepen en schuiten onder zijn opzicht bemand werden, +om zoo mogelijk de vaartuigen der Grafelijke vloot aan te randen en +afbreuk te doen. + +"En gij, Eerwaardigste!" vroeg Aylva aan den Abt, toen deze hem al +die omstandigheden verhaald had. "Welken post zult gij waarnemen?" + +"Wat mij betreft, ik ben een vreedzaam man," antwoordde vader Volkert, +"en heb nooit tegen iemand het staal ontbloot, waar ik O. L. Vrouwe +en Sint-Odulf voor dank. Ik keer naar mijn klooster en zal daar voor +den goeden uitslag bidden. Dat is alles wat ik doen kan." + +"God verhoore uw gebeden, Vader!" zeide Aylva: "wat mij betreft: +ik zal hier blijven: Madzy heeft gelijk: ik moet mij niet zonder +noodzakelijkheid vermoeien: maar waar ik van dienst kan zijn, daar zal +men mij niet lang behoeven te wachten.--Ik ga nu eens naar de haven, +ten einde Galama te helpen in zijn maatregelen van verdediging.--Zoo +er iets te Sint-Odulf gebeuren mocht, laat het mij dan weten." + +Met deze woorden scheidden zij, en de Olderman begaf zich naar de +haven. Hier deed zich een dof gemompel hooren: verscheidene menschen +liepen met drift heen en weer, en Feiko, naar de aanleiding van het +rumoer gevraagd hebbende, kwam aan Aylva melden, hoe Norwert in brand +stond, en hoe het gerucht reeds door de stad liep, dat de gansche +vloot aldaar geland was. + +"Dan gaan wij derwaarts heen, goede Feiko! Mijn zoon bevindt zich +aldaar met onze wakkere volgelingen, en men zal niet zeggen, dat ik +hen, wanneer het er op aankomt, in den steek laat zitten." + +Nauwelijks waren zij de poort uitgereden of zij ontdekten reeds +de vlam; maar zij hoorden geen krijgsgerucht, hetgeen Aylva aan +het geweld van den storm toeschreef; zij vervolgden echter hun weg; +maar spoedig vernamen zij hoefgetrappel voor zich uit, en zagen twee +ruiters op hen afkomen. + +"Sta!" riep Aylva, die in de duisternis niet wist of hij vriend of +vijand ontmoette: "wie zijt gij?" + +"Gij hier, mijn Vader!" zeide de Ridder, zijn paard intoomende. Het +was Reinout, van Daamke gevolgd. + +"Waarheen? En hoe staat het te Norwert?" waren Aylva's vragen. + +"Norwert bestaat niet meer; maar de brandstichters zijn reeds weer +gevlucht. Adeelen is van oordeel, en ik met hem, dat deze schijnbare +aanval slechts een krijgslist is, om onze aandacht af te trekken, +terwijl men ons van de andere zijden aanvalt. Hij zond mij naar +Martena en Helbada om hen tot dubbele waakzaamheid aan te sporen en +te beletten, dat zij niet, door den brand verlokt, hun benden van de +plaats doen gaan." + +"Voortreffelijk, mijn knaap! Toon u heden een wakkere zoon van +Friesland! Ik blijf in de stad! Wellicht kan ik hier van nut zijn." + +Met deze woorden verlieten zij elkander. Aylva begaf zich weder naar +de haven en Reinout reed, de stad door, naar Martena. + +Ondertusschen was vader Volkert in zijn klooster teruggekeerd. Dit +was, gelijk wij reeds hebben aangemerkt, niet verre van de stad, +doch meer zeewaarts in gelegen, aan het uiterste einde eener landtong, +welke sedert door de golven is weggeslagen; wordende echter de plaats, +waar het gebouw stond, nog heden door de zeelieden de kerk genaamd. Het +bestond uit een hoofd- en andere kleine gebouwen, door een muur van +duifsteen en een smalle gracht of sloot omringd. Het hoofdgebouw was +vierkant, en bevatte vooreerst de kerk, die, van duifsteen en naar den +Saksischen bouwtrant gesticht, ten westen met een vrij hoogen toren +voorzien was, boven welke zich een peervormige koepel verhief, met +groen koper beslagen, en volkomen gelijk aan die, welke de moskeeën +der Mahomedanen versieren. Nog kan men in Friesland, op sommige +plaatsen, dergelijke koepels zien, wier bouworde waarschijnlijk ten +tijde der kruistochten aan de Oosterlingen is ontleend geworden. De +kerkramen zagen aan de eene zijde op de zee uit, en aan de andere +op een groote binnenplaats, besloten tusschen het klooster zelf, +dat twee verdiepingen hoog en met talrijke kamers en cellen voorzien +was. Wat de buitengebouwen betrof, deze dienden tot bakkerij, tot +brouwerij en tot voorraadschuur.--Intusschen dwingt de plicht van een +waarheidlievend geschiedschrijver ons, te melden, dat, op sommige +tijden van het jaar, en ook thans, dit laatste gebouw ontoereikend +was om den oogst te bevatten, en deze dienvolgens voor het grootste +gedeelte in de kerk geborgen werd. + +Zoodra de Abt binnen de muren van het gesticht gekomen was, begaf +hij zich naar den refter, waar de broeders gewoonlijk op dat uur +bijeenkwamen; maar zijn verwondering en ongenoegen waren groot, toen +hij bespeurde, dat slechts een klein aantal monniken, en dat nog wel +alleen de ouden en ziekelijken, zich aldaar bevonden. + +"_Salvete_!" zeide hij, bij het binnenkomen: "maar hoe nu? waar zijn +al de jongere broeders en de conversen?" + +De oude pater Prior haalde zuchtende de schouders op: "er was niets +aan te doen, Eerwaardigste!" zeide hij, zij zijn allen uitgeloopen +om zich bij het leger te voegen." + +"Is het waar? En tegen mijn stellige bevelen?--Het klooster te +verlaten, nu zij er het meest noodig zijn?--En om wat? Om zich te +laten doodslaan? Want er is niet één van hen, die de wapens voeren kan; +daar heb ik voor gezorgd." + +"Och!" zeide de Prior: "dat jonge volk is altijd klaar, als het op +vechten en smijten aankomt. Ik heb hen nog zoeken terug te houden; +maar het is ijdel preken tegen wie niet luisteren wil." + +"Lang mij een teug bier, broeder Keldermeester!" zeide de Abt: +"ik heb grooten dorst, en mijn tong kleeft aan 't verhemelte van al +hetgeen ik vandaag heb moeten praten.--Waar is de gevangen Ridder?" + +"Broeder Syard heeft, toen hij hier met hem aankwam, verzocht, dat +men hem in zijne cel zoude herbergen en toedienen wat hij verlangde." + +"Dat is nu alles goed en wel en juist gelijk ik het ook zou hebben +voorgeschreven; maar met dat al hoop ik, dat men de cel goed gesloten +heeft, en de deuren van de gang ook; want wat zouden wij, oude lieden +doen, indien de Ridder eens uit wilde breken?" + +"Men zal er voor zorgen," zeide de vader Guardiaan, opstaande en met +een bos sleutels naar boven gaande. + +"Hoe!--heeft men er nog niet voor gezorgd?--Dat kan ik van broeder +Syard niet begrijpen. Men ontbiede hem eens: hij is zeker met +godvruchtige overdenkingen bezig." + +"Broeder Syard heeft ons insgelijks verlaten, een paar uur geleden." + +"Verlaten!" herhaalde de abt, die voor het eerst begon te vinden, +dat broeder Syard niet overeenkomstig zijn verlangen had gehandeld: +"nu! dan verwondert het mij niet, dat de jongere broeders ongehoorzaam +zijn, wanneer de oudere het voorbeeld geven.--Het is tegenwoordig +een zondige wereld.--Ik had gehoopt, Broeders! dat ik heden een +loflied met u zou kunnen aanheffen, ter eere van onzen broeder Syard, +die uit de kaken des doods verlost is geworden; _e faucibus mortis_, +zooals de Schrift zegt; maar de nood van het land eischt een anderen +toon: en wij zullen het _libera nos_. aanheffen.--Men geve mij mijn +koorgewaden en men steke het licht in de kerk op; met de noodige +zorg van niet te dicht bij hooi of stroo te komen; want een vonkje +kan ons ongelukkig maken." + +De bevelen des kloostervoogds werden ten uitvoer gebracht: en +korten tijd daarna liet de godvruchtige schaar, onder het kerkgewelf +vereenigd, het heilige koorgezang aan. + +Nog was het gezang niet geëindigd, toen men vader Syard op eens +zag binnentreden. Maar in stede van zijn gewone zitplaats onder zijn +broeders te nemen, bleef hij midden in het kerkgebouw en vlak tegenover +den Abt staan, wien hij met een blik van ongeduld aanstaarde. Wel +wenkte hem vader Volkert, zich naar zijn plaats te begeven; maar hij +bleef, zonder zich aan deze vermaning te storen, onbeweeglijk stand +houden. De Abt, verwonderd en toornig, deed het gezang ophouden. + +"Zijt gij dronken, Broeder?" zeide hij: "_num dulci vino plenus_? of +heeft uw gevangenschap u van uwe zinnen beroofd, dat gij u in een +zoodanige houding vertoont en onze plechtigheden stoort? Ga naar uw +cel en zeg de zeven boetpsalmen op, ten einde...." + +"Later!" zeide vader Syard, hem in de rede vallende: "nu is dit +onmogelijk:--binnen weinige oogenblikken is de vijand hier." + +"De vijand, zegt gij?" herhaalde de Abt, sidderende. + +"Het is zooals ik u zeg. Hij landt aan de Zuidvenne. Ik bevond mij +nog op het pad langs het meer, toen ik over de hoogte heen de masten +zijner schepen gewaarwerd: binnen een halfuur kunnen zij hier zijn." + +Een schrikbarende stilte volgde op deze mededeeling des monniks: de +verschrikte grijsaards zagen hun Abt aan, om van dezen te vernemen, +wat er te doen viel; maar het anders zoo fleurig gelaat van vader +Volkert was thans door de bleekheid van den angst overtogen. + +"Broeders!" zeide de Abt, met een bevende stem: "wie kan er raad +schaffen?" + +"Ware het niet best, naar Stavoren te trekken?" vroeg de pater Prior, +"daar zijn wij veilig voor 't oogenblik." + +"En ons klooster aan den vijand laten?" zeide vader Syard: "wij zijn +geestelijken, Vader! maar wij zijn Friezen: zouden wij het voorbeeld +geven van te vluchten?" + +"Maar wat wilt gij dan," hernam de Prior: "dat wij ons verdedigen, +dat wij vechten? wij, zwakke en afgeleefde lieden?" + +"Neen!--maar ik begeer, dat gij niet den schrik binnen Stavoren +verspreiden gaat.--Onze eerwaardige Abt was heden in den Raad aanwezig: +hij weet, dat de mogelijkheid van een aanval op Sint-Odulf voorzien +is, hoe belangrijk men dit punt beschouwde, en wat er besloten werd." + +"Gij hebt gelijk, dat gij mij daaraan herinnert, Broeder!" zeide +de Abt, oprijzende; want het gevoel van zijn waardigheid en plicht +begon bij hem de overhand te krijgen boven de vrees: "er is besloten, +dat wij een noodsein zouden geven en den vijand zoolang ophouden, +tot er hulp kwame. Gij hebt gelijk, broeder Syard: wij mogen ons +heilig gesticht en de graven onzer broeders niet verlaten.--Maar, +Broeder! ik weet niet, of u bewust is, dat onze weerbare mannen, +tegen mijn wil, naar het leger zijn." + +"Zij zijn _niet_ in het leger," zeide de monnik. "Ik heb hen ontmoet, +toen zij er naar toe wilden trekken; en hun beduid terug te keeren: +zij zijn bezig, de voorpoort te voorzien." + +"Wij danken u, Broeder!--Men geve dan het sein:--twee lantarens aan +den kerktoren." + +"Zij zijn reeds opgeheschen. Indien _ik_ mij nu mag vermeten eenigen +raad te geven, zoo is het deze: dat niemand werkeloos blijve. Het +ware een dwaasheid, pogingen aan te wenden, om den lagen muur, +die ons erf of onze buitengebouwen omringt, te willen verweren: wij +zouden onze verdedigers noodeloos aan een zekeren dood blootstellen +en hun getal zonder vrucht verminderen. Alleen tot de verwering van +het hoofdgebouw moeten onze krachten besteed worden: en daartoe kan +ieder, hoe oud en stram ook, van nut zijn." + +"Zouden wij niet een poging doen, hen buiten den wal te houden?" vroeg +broeder Agge, zijn met ijzer beslagen knods in de rondte zwaaiende. + +Broeder Agge was een stevige vierkante monnik, in de kracht zijns +levens, en die liever sterkte zocht in de wijnkan dan in het gebed. + +"Neen Broeder!" zeide de abt: "broeder Syard heeft gelijk. Onze +conversen zouden daar, waar het op een geregelde verdediging aan +zou komen, niet bestand zijn tegen de geoefende krijgsknechten des +vijands. Zij zijn niet tot kampen opgebracht, gelijk de conversen +van Oldeklooster of Lidlum, en ik dank er God voor. Maar achter deze +muren zullen zij, hoop ik, hun plicht weten te betrachten." + +"Dat zullen zij!" zeide vader Syard:--"verspreidt u nu allen, en zoekt +alles bijeen wat dienstig zijn kan om de voorpoort te beschutten. En +gij, Broeder Rienk! die jong en vlug zijt, klim eens even in den +toren en breng ons bericht terug, wat de vijand in zijn schild voert." + +De jonge monnik snelde de drie ladders op, die hem in den toren +brachten. De lucht was opgehelderd en de wind begon te verflauwen: +weldra ontdekte hij een drom gewapenden, waarvan een gedeelte stand +hield op den kruisweg, waar het pad naar Sint-Odulf met den landweg +naar Stavoren ineenliep: een ander gedeelte kwam de landtong langs en +recht op het klooster af. Zoodra vader Syard deze tijding ontvangen +had, gaf hij last, de onderste der drie trapladders, die naar den +toren leidden, weg te breken, ten einde te verhinderen, dat de vijand, +zoo hij de kerk bemachtigde, in het klooster drong, dat met den toren +gemeenschap had, terwijl hij tevens beval, de kerkdeur, die op een +gaanderij in het klooster zelf opende, met versperringen te voorzien. + +Het voorportaal des kloosters leverde ondertusschen een schouwspel +op, dat in andere omstandigheden kluchtig had geschenen. Al wat +draag- of tilbaar was, hadden de monniken hier bijeengesleept, als +moest er een verkooping van huisraad gehouden worden. Daar kwamen, +zwoegende en zweetende, de Prior en een ander stokoude grijsaard met +de planken van de etenstafel aanslepen: hier zag men er, die geheele +deuren, kisten en koffers droegen: sommigen zelfs hadden de steen +en uit den vloer en de houten beschotten der kamers uitgebroken: +de vader Keldermeester hield, ofschoon met menige verzuchting, het +opzicht over het ophijschen der wijnvaten, die vervolgens naar voren +werden gerold: en met al deze materialen werd een bolwerk achter +de voorpoort opgeworpen, bestemd om den vijand, zoo niet geheel te +stuiten, althans zoolang op te houden, tot er hulp kwame. + +"Dat is wel goed, mannen," zeide vader Syard: "maar alles met beleid: +beter wat minder spoed en dat de verschansing des te steviger zij. Waar +is nu de vader Keukenmeester?" + +De monnik, naar wien hij zocht, kwam juist met een zwaren ketel +aansjouwen. + +"Neen Broeder!" zeide vader Syard, "breng dien ketel maar weer +weg: wij kunnen dien beter gebruiken. Leg maar een goed vuur op de +binnenplaats aan en laat al de olie koken, die in 't huis te vinden +zij. Onze jongere broeders zullen zich daarmede op de tinnen begeven +en de ouderen zullen de vaten en ketels aandragen." + +Terstond haastte men zich, dit bevel ten uitvoer te brengen; maar +nauwelijks was men daarmede bezig, toen men trompetgeschal van +buiten vernam. De afstand zoowel als de dikte der muren belette, +dat men de aankondiging hoorde, door den Heraut gedaan, dat Jan, +Heer van Beaumont, Schoonhoven en Gouda, vrijen intocht eischte. + +Het was inderdaad Beaumont, die, met eenige schepen, reeds in +het begin van den storm de vloot vooruit was geraakt en met het +vallen van den nacht voor Stavoren was gekomen, van meening om naar +Norwert te stevenen, hetwelk hij in de verte branden zag. De schuit, +welke Zweder bevoer, was hem hier ontmoet: en terstond had hij het +besluit genomen, aan de andere zijde bij Stavoren te landen, teneinde +hierdoor den vijand in verwarring te brengen. Hij ontscheepte dan +werkelijk zijn volk aan de Zuidvenne; dus noemde men een stuk gronds +van eenige uitgestrektheid, landwaarts en ten zuiden van de landtong +van Sint-Odulf gelegen. De bende, die hij bij zich had, was echter +geen duizend man sterk: en de onmogelijkheid inziende om daarmede +in het binnenland te trekken, waar hij niet wist, welk onthaal hem +te wachten stond, besloot hij, op Sint-Odulf aan te rukken, het te +bemachtigen en daar de komst der overige schepen te verbeiden. Den +dijk langs getrokken zijnde, ging hij aan het hoofd van vierhonderd +man op het klooster af, het overige gedeelte zijner benden, gelijk +wij reeds gezegd hebben, aan den driesprong latende, waar zich de +weg naar Stavoren en naar het klooster vereenigde, om te voorkomen, +dat de vijand hem in den rug aanviel. + +"Er komt nog geen antwoord, mijn Heer!" zeide de Heraut, nadat hij +tweemalen vruchteloos geblazen had: "het schijnt, dat de broeders +het klooster verlaten hebben." + +"Misschien wel liggen zij bezopen in hun cellen," zeide de Heer +van Spangen: "bij Sint-Japik! ik wou, dat zij antwoordden; want wij +hebben op dat hagelsche schip te lang koude geleden, om hier nog te +staan blauwbekken." + +"Wij zullen," zeide Beaumont, "die opeisching aan de poort van het +klooster zelf dienen te doen: het schijnt, dat wij hier te ver zijn +om gehoord te worden." + +Terstond werden er op zijn bevel planken over de sloot geslagen: +een paar krijgsknechten hakten het buitenpoortje open; terwijl een +ander gedeelte over den muur klom: welhaast stond de geheele macht +van Beaumont op het beslotene erf, waar nu de opeisching herhaald en +evenzeer door een diepe stilte gevolgd werd. + +Terstond liet Beaumont eenige krijgsknechten aantreden en gaf hun +last zich met geweld een ingang te banen. Spoedig werden er eenige +bijlen geheven; maar de planken der eikehouten deur waren zoo dik en +zoo dicht met nagels en spijkers beslagen, dat de slagen, welke er +op gegeven werden, haar minder nadeel deden, dan aan de werktuigen, +tot hare verbrijzeling gebezigd. + +"Laat de deur opengeramd worden!" zeide Beaumont: "op deze wijze +houdt zij ons te lang op." + +Twee masten, welke men van boord had medegenomen, werden hierop in +den grond gestoken, zoo, dat de toppen elkander kruisten: en aan +dat in der haast opgeslagen werktuig, werd een derde mast in een +horizontale richting gehangen om tot stormram te dienen. Maar hoe +men ook bonsde en rammeide, de deur week niet van haar plaats; want +de massa, die er achter tegen aangebracht was, deed alle pogingen om +haar te verwrikken te loor gaan. + +Intusschen was Zweder met eenige krijgsknechten, op last van +Beaumont, het klooster rondgegaan om te ontdekken, of er ook een +andere gelegenheid was om binnen te komen. Weldra waren zij aan de +kerk gekomen, waarvan zij de ramen beklommen en openbraken en alzoo +weldra binnen waren; maar spoedig zagen zij in, dat zij hierdoor nog +slechts weinig gevorderd waren; want ook de deur, welke de kerk van +het klooster scheidde, bood weerstand aan hunne slagen. + +"Mij dunkt," zeide Spangen tegen Beaumont, nadat zij eenigen tijd +vruchteloos op de uitwerking van zijn stormram gewacht hadden,--"zoo +deze deur proef houdt tegen ijzer en hout, moesten wij zien, of zij +ook tegen het vuur bestand is." + +Dit voorstel was uitmuntend; maar de uitvoering bleek aan groote +zwarigheden onderhevig te zijn: want al het hout of andere +brandstoffen, die men er tegen aan stapelde, waren zoo vochtig, +dat men de hoop moest opgeven, die aan brand te krijgen. + +Niettegenstaande het mislukken van zoovele pogingen gaven de aanvallers +den moed niet op: Beaumont sloeg zelf de hand aan het werk, en een +ijzeren koevoet tusschen de deur en het metselwerk daaromheen hebbende +weten in te werken, liet hij niet af, voordat hij eenige steenen uit de +muur gebroken had; maar nauwelijks hadden de werklieden hem vervangen +om van deze breuk gebruik te maken en de opening te vergrooten, +of het grootste gedeelte stoof schreeuwend terug. Vader Syard, die, +plat in de goot liggende, al de bewegingen der belegeraars gadesloeg, +had het gezette sein gegeven, en eenige ketels kokende olie werden +door de monniken, die nevens hem op den buik lagen, op de hoofden +der werklieden uitgestort. + +"Ha!" zeide Beaumont: "men begint zich daarboven te bewegen.--Staakt +dit spel!" riep hij, opwaarts ziende: "en geeft u over. Alle weerstand +ware ijdel. Ontsluit de poorten, of wij zullen u uitbranden als men +een wespennest doet." + +Een tegelsteen, die op zijn voorhoofd gemikt was, maar gelukkig +slechts op zijn helmvizier aan stukken sprong, was het eenige antwoord, +dat hij bekwam. + +"Welnu!" zeide hij: "zoo het niet anders wil, is het tevergeefs met +u geredeneerd;--doet uw plicht arbeiders! en mijn Heer van Spangen, +wees zoo goed aan de boogschutters last te geven, dat zij die daken +schoonhouden." + +De arbeiders naderden opnieuw de poort; maar deze reis hadden zij +de voorzorg gebruikt van een nat zeil over hun hoofden te spannen, +zoodat hun de olie geen hinder kon doen. Vader Syard, die overal het +oog op had, bespeurde weldra, dat het niet lang duren zoude, of zij +hadden zich van den ingang meestergemaakt. Intusschen snorden hem de +pijlen om de ooren; maar, dewijl de monniken meestal plat neerlagen +en door de vooruitspringende lijst van het gebouw gedekt waren, +konden die hun weinig of geen hinder aanbrengen. + +"Wij kunnen hier geen goed meer doen," zeide hij: "alle man naar +beneden en de poort verdedigd!" + +Op dit oogenblik kwam een monnik vervaard over den zolder aangeloopen: +"de kerk staat in brand!" riep hij: "en de Hollanders zijn bezig het +dak te beklimmen." + +Beide was waar! Zweder, ziende dat de kerkdeur hun weerstand bood, +had den, aan de eene zijde der kerk verzamelden, voorraad stroo en +graangewas tegen de deur doen stapelen en dien hoop aangestoken, +zoodat eerst de deur en vervolgens de daarachter geplaatste meubelen +weldra in brand geraakten;--maar daarmede was de zwarigheid nog niet +overwonnen; want nu bevonden zich Zweder en zijn makkers voor een +muur van gloed, die eerst omvergehaald en opgeruimd moest worden, +alvorens men verder door kon dringen. Terwijl dit binnen het kerkgebouw +geschiedde, hadden eenige soldaten de masten, welke tot den stormram +gediend hadden, daarbuiten tegen den muur geplaatst. Tweee hunner +waren met touwladders daartegen opgeklommen en op deze wijze was er +spoedig eenig volk op de lijst van het kerkdak, toen de Abt zelf hen +daar met eenige zijner kloekste broeders te gemoet kwam, met houten +knodsen, sommigen met keukengereedschap gewapend. + +"Gij loopt verkeerd, vrienden!" zeide vader Volkert, terwijl hij +een der beklimmers een slag op de hersenen gaf, dat hij van het dak +rolde. "Terug! zeg ik! Hier, Broeders! werpt mij alle man van het +dak! Snijdt die touwladders los!--en gij, broeder Guardiaan! zeg, +dat men nog meer broeders zende om ons te helpen." + +"Al de anderen zijn beneden," antwoordde de monnik, "en helpen broeder +Syard de voorpoort beschutten." + +"Goed zoo!--zuivert mij het dak van ongedierte. Werpt hen naar beneden, +die spreeuwen, die hier ongevraagd komen nestelen. Houwt er op in, +Broeders! vreest niet voor het aantal. Een daar binnen in zoo goed +als tien daar buiten." + +Terwijl de Abt, wiens moed met het gevaar scheen te groeien, zich +aldus dapper weerde, was vader Syard met een aantal broeders naar +het voorportaal gesneld. De deur was eindelijk uit haar hengsels +gelicht, en de krijgsknechten van Beaumont waren nu bezig, de +daarachter geworpen verschansing weg te ruimen, eene bezigheid, +die wel langzaam in het werk ging, maar die Vader Syard wel inzag, +dat hun eindelijk gelukken zoude. Ton en waschvat, tafel en kuip, +werden stuk voor stuk omvergehaald: en daar begon reeds van boven +een opening te ontstaan, zoo groot, dat de monniken de hooge helmen +der belegeraars in 't gezicht kregen, toen men op eens de arbeiders +in hun werk verflauwen zag en er in de verte een gerucht ontstond, +dat, nu de hamerslagen zoo fel niet meer vielen, ook van binnen door +de kloosterlingen gehoord werd. + +"Houdt moed! Broeders!" riep vader Syard:--"er daagt redding op!--Onze +vrienden zijn aan den gang met de Hollanders!" + +Het was inderdaad zoo: het sein op den toren was zoowel te Stavoren +als in het Friesche leger bespeurd: verspieders, hier en daar achter de +heggen verspreid, hadden reeds de Friesche legerhoofden met de geringe +sterkte der Hollandsche landingstroepen bekend gemaakt: een aantal +boogschutters en slingeraars, voorzichtig achter de aarden wallen en +struiken voortkruipende, was de bij den kruisweg staande krijgsknechten +ongemerkt genaderd en begroette hen nu op eenmaal met een hagelbui +van pijlen en steenen. Te gelijk daagden de welgewapende Lidlummer +monniken en conversen op, met hun Abt aan 't hoofd, door Martena +afgezonden, die nu op de Hollanders aanvielen in hetzelfde oogenblik, +dat deze door de afgeschoten pijlen in verwarring waren gebracht. + +Beaumont had zoodra niet bespeurd, dat men aan den viersprong slaags +was, of hij snelde in persoon derwaarts, aan den Heer van Spangen de +zorg overlatende om het klooster te bedwingen. Zijn voornemen was, +om, indien hij den vijand niet terug kon dringen, zijn gansche +macht op de landtong samen te trekken, welke hij overtuigd was, +met goed gevolg te kunnen verdedigen tegen een veel grootere macht +dan de zijne: althans tot zoolang het overige gedeelte van het +leger geland ware. Maar nauwelijks was hij bij de vechtenden, of +hij bemerkte, dat het gevaar grooter was, dan hij dacht. Hij vond +zijn volgers in verwarring gestort door den onverwachten aanval, +en onzeker, hoe zich in slagorde te stellen, dewijl er van elken +kant vijanden aanrukten. Pijl noch slingertuig was den Hollander van +nut; want de vijand, door de duisternis begunstigd, was hem reeds op +het lijf gevallen eer hij zich daarvan bedienen kon: en de te paard +zittende Ridders en speermannen, tusschen het voetvolk ingedrongen, +waren ternauwernood in staat om zich te bewegen en van hun wapenen +een goed gebruik te maken: terwijl zij zelven, buiten de hoofden +uitstekende, tot een des te wisser merk strekten voor de Friesche +boogschutters. Wel waren eenige ruiters en voetknechten het land +opgerukt om deze laatsten uit hunne schuilhoeken te verdrijven; maar +de weekheid van den grond, welke langs het meer, gelijk wij zeiden, +moerassig was, de menigvuldige slooten en dijkjes, welke zij gedurig +ontmoetten, maakten hun weldra zoowel het voortgaan als den terugtocht +even moeilijk: en bleven zij op de landpaden, daar zagen zij zich +dadelijk van alle zijden bestookt door de vijanden, die òf hun te +gemoet kwamen, òf van achter hunne hinderlagen te voorschijn sprongen. + +De komst van Beaumont, die nu, onder het uitgalmen van zijn +oorlogsschreeuw, langs de zijnen heen en weder reed, deed voor een +oogenblik hun moed herleven. Voorziende, dat alles verloren zou zijn, +tenware men zich in geregelde slagorde vormde, liet hij het sein +der herzameling blazen, met het oogmerk om naar de landtong terug te +trekken. Men voldeed terstond aan het bevelteeken; maar nauwelijks +was een klein gedeelte van zijn volk de landtong opgerukt, of hij +zag zich den weg afsnijden door een nieuwe bende, die, door Aylva in +persoon aangevoerd, met een paar schuiten uit de haven van Stavoren +aangekomen, en halverwege de landtong geland was. Nu was het, gelijk +Vondel zich uitdrukt: + + + Nu was het, elck voor zich: een ieder bergh zijn leven. + + +Een algemeene schrik had de Hollanders bevangen, die, overal +niets dan vijanden ziende, zonder naar de bevelen van Beaumont, +die hen hereenigen wilde, te luisteren, op de vlucht togen en zich +naar den zeekant spoedden, ten einde hunne vaartuigen weder te +bereiken. Vruchteloos waren de bedreigingen en smeekingen van hun +legerhoofd, die in weerwil van zich zelven zich door den drang der +menigte genoodzaakt zag, van de landtong te wijken, en in de vlucht +werd medegesleept. Een groot deel der Friezen vervolgde de Hollanders, +een groote slachting onder hen aanrichtende: de Abt van Lidlum echter +voegde zich met eenigen der zijnen bij Aylva om met hem het klooster +te helpen herwinnen, waarvan zij vreesden dat zich de vijand reeds +meester had gemaakt. + +Wat Beaumont betrof, hij was met de zijnen de landingsplaats reeds +genaderd; maar wie schildert de verslagenheid, die zijne, nu radelooze, +volgers beving, toen de morgenschemering, die langzamerhand begon aan +te breken, hun deed zien, dat de schepen, waarin zij hunne eenige +toevlucht stelden, met de ebbe waren van wal gedreven en alle kans +om te ontkomen voorbij was. + + + + + +VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Le flux les apporta; le reflux les remporte. + + Corneille, le Cid. + + +Terwijl dit alles in den omtrek van Sint-Odulf plaats had, was Reinout, +gelijk wij hierboven vermeld hebben, aan Martena het bericht gaan +geven, waarmede Adeelen hem belast had, en van daar over Warns +naar Gaasterland gereden, om die zelfde tijding aan Helbada te +brengen. Terwijl hij heendraafde over den kronkelenden zandweg, +die van het genoemde dorpje naar Rys geleidt, was het hem meer dan +eens voorgekomen, alsof er, behalve Daamke, die achter hem reed, nog +iemand was, die hem volgde, die stilhield, wanneer hij stilhield, +en zich weder in beweging stelde, zoodra hij voortging. Hoe moedig +Reinout ook ware, zijn landaard, de eenzaamheid van den weg en de +onbekendheid met het land waren zoovele redenen, geschikt om hem +bijgeloovig en ongerust te maken. Hij kortte eindelijk den teugel, en, +zich tot Daamke wendende, die hetzelfde deed: "hoor Daamke!" zeide hij: +"er is iemand achter ons." + +"Achter ons!" riep de vreesachtige dienaar, die reeds weinig zin had +in deze nachtelijke onderneming: "en wie zou dat wezen?" + +"Ik weet het niet; maar het is juist, alsof ik behalve door u, +door nog een ruiter gevolgd worde, die een kreupel paard berijdt, +en desniettegenstaande altijd gelijken tred met ons houdt." + +"Een kreupel paard! o wee! dat is de Booze," dacht onze voormalige nar. + +"Weet gij wat Daamke!" vervolgde Reinout: "rijd gij eens vooruit: +dan zal ik volgen, en zoo de onbekende ons weer op de hielen durft +blijven, geest of man, ik zal hem den schedel splijten." + +"Ik vooruitrijden!" riep Daamke, wien het denkbeeld alleen over het +geheele lijf deed sidderen: "dat ware immers met alle betamelijkheid +strijdig." + +"Ik wil het zoo!" zeide Reinout, op een strengen toon: "en ik zweer u, +dat ik u den kop insla, zoo gij eenig blijk van lafhartigheid geeft." + +"In Gods naam dan!" zeide de ontstelde knaap: en de orde van den tocht +omkeerende, reed nu de dienaar voor den Heer; maar nauwelijks waren +zij weder een eind wegs gevorderd, of Reinout hoorde hetgeen hij +een kreupel paard achtte te zijn, niet meer achter, maar voor zich +uit. Een huivering overviel hem; maar hij vermande zich en besloot +wijselijk te onderzoeken wat het ware: hij gaf zijn ros de sporen; +en zoodra hij naast zijn dienaar kwam, klonk het vreemde geklots hem +dicht aan zijn oor. In hetzelfde oogenblik ontdekte hij, hoe dwaas en +buitensporig zijn bijgeloovige angst geweest was. Hetgeen hij voor een +hem vervolgenden ruiter hield, was de tooverkast van meester Barbanera, +welke op Daamkes rug hing, en onder 't rijden op en neder wippende, +juist het ongelijke geluid maakte, hetwelk hij voor het trappelen +der hoeven van een kreupel paard had gehouden. + +Zijn eerste beweging was een schaterend gelach; zijn tweede, een +beweging van ongenoegen en gramschap. + +"Wie heeft u, dubbele ezel," vroeg hij, "verlof gegeven, zulk +een kast op uw nek mede te nemen, wanneer gij de eer hebt, mij te +vergezellen? Wilt gij, dat men mij voor een kokeler aanzie?" + +"Laat uwe Edelheid niet toornig op mij zijn," antwoordde Daamke, +terwijl hij, voor slagen beducht, geheel achter het onderwerp van het +gesprek wegschool. "Er zijn zeer goede redenen, waarvoor ik die kast +medeneem: vooreerst heeft die mij eens het leven gered, toen wij door +de Hollandsche voorposten vloden, waar mijn arme Cesar bij omkwam, +het goede beest, zooals uwe Edelheid weet, dat...." + +"Ik weet alleen, dat gij een bloode schobberd zijt," zeide Reinout: +"en dat u die kast niet beveiligen zal tegen een goede dracht slagen, +welke ik u zal toetellen zoodra ik er den tijd toe vinde." + +"Dan wensch ik, dat uwe Edelheid nog lang de handen vol +moge hebben.--Ten tweede: er is immers een bevel bij het leger +uitgevaardigd, dat ieder strijder zich achter 't een of ander verbergen +moet, om niet gezien te worden, ten einde...." + +"En dat bevel wilt gij zoo nauwkeurig nakomen, dat gij in uw kast +zult kruipen, om er niet uit te komen, dan als de slag voorbij is, +nietwaar?" + +"Niet in de kast, maar daarachter, heer Ridder!--en dan bovendien, +ten derde, zullen er geen gewonden zijn? en bevat deze kast niet +de gansche nalatenschap van Barbanera? (God hebbe zijn ziel; want +het gerucht loopt, dat hij van honger is omgekomen;) namelijk: een +uitgelezen schat van poeders, pillen, zalven, tincturen, talismans en +wat dies meer zij, waar ik mijn medemensen mede van dienst kan zijn, +tegen een kleine belooning, als vanzelf spreekt." + +Reinout kon niet nalaten te lachen over de kluchtige verdediging van +zijn dienaar, en over de vrees, die, met speculatiezucht vereenigd, +hem de voorzorg had doen nemen van zich met een meubel te belasten, +dat aan anderen in gelijke omstandigheden tot hindernis zou gestrekt +hebben. Hij maakte dan ook geene verdere aanmerkingen: maar zijn +paard, dat hij gedurende het gesprek had laten stappen, wederom in +den draf zettende, kwam hij weldra aan den ingang van het bosch, waar +hij begreep de manschappen van Helbada te zullen vinden. Hier stond +hij stil en blies op den hoorn, die om zijn hals hing. Terstond zag +hij overal zwaarden en bijlen schitteren en van achter al de struiken +en struweelen kwamen menschengedaanten te voorschijn, welke echter, +zoodra hij zich bekend maakte, weder verdwenen. Een hunner intusschen +verzocht hij, hem naar Helbada te geleiden, dien hij te Rys vond, +bezig een zijner verspieders te ondervragen, die hem bericht bracht, +dat de Hollanders op de Zuidvenne bij Sint-Odulf geland waren. + +"Gij komt mij zeker uitnoodigen, om derwaarts te trekken, +Jonker!" zeide Helbada, zoodra hij Reinout zag. + +"Integendeel!" antwoordde deze: "Adeelen laat u smeeken, u niet van +uw post te verwijderen, eer de nood zulks eischt. Hij vreest een +landing aan de Lemmer of aan deze zijde der kust." + +"Moge de Hemel mij mijn vurigsten wensch ontzeggen en mij beletten +den moord mijns zoons op Worp Ropta te wreken, indien ik hier +als een onnut meubel blijf suffen, gelijk een verroest zwaard, +dat nergens toe deugt.--Neen! by alle duivels!" vervolgde Helbada, +op de tanden knarsende en op het gevest van zijn slagzwaard slaande; +"ik wil mij hier niet staan te verkniezen, en al de eer van den strijd +anderen gunnen. Hier! Else! Wopko! zeg terstond dat een ieder zich +vaardig make." + +Vruchteloos waren de pogingen, welke Reinout aanwendde, om den +stijfzinnigen, naar den strijd hakenden Fries van zijn voornemen te +doen afzien. Al wat hij verkrijgen kon was, dat Helbada den morgen, +die niet verre was, alsmede de nadere tijdingen, die hij uit de Lemmer +wachtte, zou verbeiden, en zich verzekeren, dat er aan die zijde geen +landing te vreezen ware, eer hij op Zuidvenne aantrok. + +Na een korte rust aan zijn paard gegund te hebben, keerde Reinout met +zijn dienaar terug, doch nu den kortsten weg naar Stavoren, langs +den zeekant nemende. Hij deed zulks, in de verwachting, te zullen +zien hoe de zaken bij Sint-Odulf stonden, en daarvan kondschap aan +Adeelen te kunnen geven. Misschien zullen sommigen onzer lezers zich +verwonderen, dat Reinout, wiens moed niet in twijfel kon getrokken +worden, het zich had laten welgevallen, de rol van boodschapper voor +lief te nemen. Maar de waarheid is, dat hij zelf daarom verzocht +had. Een inwendige tegenzin deed hem huiveren tegen het oogenblik, +waarop hij met zijn voormalige vrienden zou slaags raken, en dat +oogenblik wilde hij hoe langer hoe liever uitstellen. Bovendien was +zijn gansche ziel nog te zeer vervuld met het gebeurde van den dag, +dan dat hij het van zich zoude hebben kunnen verkrijgen, rustig en +bedaard achter een hegge of kade de komst des vijands te verwachten, +gelijk de andere Friezen deden, wier anders zoo onstuimige zielen door +de zekerheid der overwinning (die allen bezielde) in staat gesteld +waren met een ijskoude kalmte het uur van treffen af te wachten. Hij +haakte alleen naar verandering van plaats en van tooneel: en welkom +was hem dus elke gelegenheid, die zulks verschafte. + +De lucht was nu eenigszins helderder geworden; maar de weg, die hier +bovendien weinig bereden werd, was door de regenplassen van den vorigen +nacht schier onbruikbaar geworden, zoodat de Ridder, van de vermoeide +rossen niet te veel willende vergen, stappende voortging. Verre +vooruit, achter de torens van Stavoren, die er donker tegen uit kwamen, +verhieven zich nog nu en dan hooge vlammen en dikke rookkolommen uit +het brandende Norwert; maar een ander schouwspel, dat dichterbij +zich in de richting van Sint-Odulf vertoonde, boeide de aandacht +des ruiters nog sterker. Het scheen hem toe, alsof het klooster in +wolken smooks gehuld was, waaruit nu en dan vlammende vonken vlogen; +en hoe meer zij naderden, hoe meer zij de overtuiging verkregen, +dat zij een krijgsrumoer hoorden, hetwelk al gedurig dichterbij kwam. + +Het begon nu meer en meer te dagen: en Reinout zag met genoegen, +dat hij niet verre meer was van een heuvel, van wiens hoogte hij +zich een ruim uitzicht over het slagveld beloofde, toen Daamke hem +met een bevende stem opmerkzaam maakte op eenige menschengedaanten, +welke zich aan den voet dier hoogte schenen te bewegen. + +"Zouden wij niet terugkeeren, Ridder! en bij Helbada hulp vragen? Die +lieden daar hebben ongetwijfeld niets goeds in den zin." + +"Wij zullen ons eerst verzekeren, of het vrienden of vijanden zijn," +zeide Reinout, en zijn hoorn nemende, blies hij het herkenningsteeken, +hetwelk terstond vóór hem uit werd beantwoord.--"Het zijn +Friezen!" zeide hij: "er valt niets te duchten:" en vooruitrijdende +met zooveel spoed als de slechte weg toeliet, was hij in weinige +oogenblikken aan den voet des heuvels. + +"Hoe staan de zaken?" riep hij een zwaargewapenden krijgsman toe, +die op de helling der hoogte stond. + +"Aha! zoo! zijt gij het, Jonker van Aylva?" vroeg de man, tot wien +hij zijne toespraak richtte: "eilieve stijg eens af! ik zal u een +schouwspel laten zien, dat geschikt is, aller hart te verheugen." + +"Ik kom bij u," zeide Reinout, den Abt van Bloemkamp herkennende: "maar +ik kan niet lang blijven. Adeelen wacht mij terug."--Dit zeggende, +steeg hij en Daamke met hem van hunne paarden, welke laatstgenoemde +aan een paal bond, en beklommen zij den heuvel. Niet zonder bevreemding +bemerkte Reinout, dat de oppervlakte daarvan geheel overtogen was met +een grauwe korst, naar welker bestanddeelen hij vruchteloos giste; +maar zijn verwondering steeg ten top, toen hij zag dat die korst zich +bewoog als een reusachtige mierenhoop. + +"Wat gebeurt daar?" vroeg hij aan den Abt, naar boven wijzende. + +"Gij zult het wel zien," zeide deze: "maar één ding moet ik u zeggen: +gij kunt nu onmogelijk verder:--al het volk tusschen hier en Stavoren +is op de been: en gij zoudt al zoo goed kunnen ondernemen, de markt +te Bolswart op en neer te draven wanneer het kermis is, als u door +gindsche menigte een weg te banen. Volg mij maar: gij zult hier ook +gelegenheid vinden om een goede beweging te nemen!" + +Reinout volgde den krijgshaftigen kloostervoogd den heuvel op, en werd +nu onder het naderen gewaar, dat hetgeen hij voor een zwarte korst had +aangezien niets anders was dan een bende monniken in hun ordegewaad, +welke over de geheele hoogte verspreid lag. Op den top gekomen, stond +hij stil en zag met diepe belangstelling naar de zijde van Sint-Odulf, +waar de Abt hem heen wees. + +De plaats, waar zij stonden, welke Reinout zich nu herinnerde +nogmaals bezocht te hebben, was geene andere dan het in de Friesche +geschiedenissen zoo beroemde Roode Klif. De gestadig invretende +golf, die voornamelijk sedert het aanleggen van den zeedijk deze +natuurlijke zeewering met verdubbelde woede ondermijnt, heeft haar +tegenwoordig ten halve afgeslagen, zoodat zij zich thans voordoet als +een klein voorgebergte, steil aan den zeekant en aan de binnenzijde +meer glooiend afloopende. Maar in den tijd, waarin onze geschiedenis +voorviel, was nog het Roode Klif een heuvel, volkomen gelijk aan +die, welke zich in den omtrek bevinden, alleen met dit onderscheid, +dat hij boven al de overige uitstak en derhalve van zijn top een +prachtig panorama opleverde over de omliggende landstreek en de +wateren der Zuiderzee. Zijn zuidelijke helling, wier voet de golven +bespoelden, stak bijna even verre in zee uit als de landtong van +Sint-Odulf, die een halfuur gaans vandaar gelegen was. Tusschen deze +beide vooruitspringende punten en den zomerdijk, die beide aan de +landzijde vereenigde, lag het lage, onvruchtbare strand bloot, hier +en daar met helm en duinplanten begroeid, en slechts enkele terpjes +of verhevenheden bevattende, welke tot een schrale weide verstrekten +voor de kudden van diegenen uit den omtrek, die niet rijk genoeg +waren om zelf eenigen grond te bezitten en zich aldus vergenoegen +moesten, hun vee aldaar op het domein van 't algemeen te laten grazen: +een voorrecht, dat niet vrij van gevaren en tegenspoeden was: want +ofschoon het zeewater, wanneer het bij gewonen vloed den geheelen +zandigen oever bedekte, de genoemde terpjes doorgaans vrijliet, +gebeurde het niet zelden, wanneer de wind op de kust stond, dat ook +die verhevenheden overstroomd werden en het daarop weidende vee, +indien het niet tijdig landwaarts opgedreven was, door het geweld der +golven werd weggesleept. Thans echter had men, zoowel uit vrees voor +de vijanden als om den storm, de kudden binnengehaald: en, daar het +water was afgeloopen, vertoonde zich de gansche ruimte tusschen den +hierboven genoemden omtrek geheel droog, uitgezonderd eenige kuilen en +diepten, waar het zeenat altijd in staan bleef, en ettelijke plassen, +door den regen gevormd. Het was op den bovengenoemden zomerdijk, +die mede tot landweg langs de kust diende, dat zich ongeveer op een +kwartieruurs afstand een verwarde klomp menschen vertoonde, en zich +een krijgsgedruisch hooren liet, oorverdoovend als het golfgeklots +bij den storm. + +"Gij ziet het," zeide de Abt, zich de handen wrijvende: "zij zijn +ingesloten, en niets is in staat hen te redden. Hun schepen, die ginds +machteloos tegen de ebbe liggen te worstelen, kunnen hen niet opnemen: +willen zij naar de landtong keeren, daar wachten hen de Lidlummers: +pogen zij landwaarts in te dringen, het leger van Martena is opgerukt +en bezet al de passen: dalen zij af naar het strand, daar worden zij +door de overmacht verplet en tot den laatsten man toe afgemaakt, +als een troep reebokken, die in een wildbaan gejaagd zijn: en die +aan het staal ontkomen, verzuipen zoodra de vloed komt opzetten." + +Reinout sidderde; maar gaf geen antwoord: het begon nu helder dag +te worden, en hij zag duidelijk de Hollanders al vluchtende naderbij +komen, door hun grimmige vervolgers van alle zijden bestookt. Reeds +begon hij die banieren te onderscheiden, welke hij zoo vaak op +het pad der overwinning verzeld had, en het denkbeeld, dat die nu +moesten wijken voor een saamgeraapten, ongeordenden hoop monniken +en boeren, deed een kille huivering in zijn boezem ontstaan. Hij +begon ijverig na te denken over den toestand, waarin hij zich bevond: +gedwongen te strijden tegen hen, met wie hij voorheen zoo dikwijls de +lauweren des zegepraals had geplukt, of, wat nog erger was, een koel +aanschouwer te blijven van de slachting, onder hen aangericht. Het +is waar, ook voor Utrechts wallen had hij de Hollanders bevochten; +maar toen was zijn gemoed door zoovele hartstochten geslingerd en +in zulk een staat van spanning, dat hij, onbekwaam tot nadenken, +als in een gestadigen roes had geleefd. Thans echter was zijn +gemoedsgesteldheid veranderd: hij was tot zich zelven teruggekeerd; +hij had zijn vriend hervonden. Geen bloedschuld drukte hem langer: +en zoo streelend was hem het denkbeeld aan die verzoening, dat zelfs +de gedachte aan Madzy, aan het voorwerp der dolzinnige liefde, die +hem schuldig had gemaakt, daarbij op den achtergrond stond. Was het +wonder, dat onder zulke omstandigheden, hem de gedachte onduldbaar +toescheen, zich met die Friezen, waarvoor hij geene neiging gevoelde, +voor dat land, in hetwelk hij zich nog vreemdeling vond, het zwaard +te moeten ontblooten tegen zijn voormalige wapenbroeders, ja den +moord te aanschouwen van weerlooze vluchtelingen? o! hoe ongelukkig +gevoelde hij zich niet! Hoe gaarne had hij de partij, aan welke hij +thans verbonden was, willen verlaten en zich weder voegen bij hen, +met wie hij vroeger de gevaren des oorlogs had doorgestaan! Maar ook +deze, dit gevoelde hij, zouden den dubbelen overlooper met verachting +terugwijzen! En wat zou het hem baten, al ontvingen zij hem in hun +gelederen? Hij kon hen niet redden, en niets zou hem overschieten, +dan de treurige eer, van met hen te mogen sterven. + +"Hoe nu!" zeide de Bloemkamper, hem vrij onzacht op den schouder +kloppende: "hoe staat gij daar zooals een druiloor? Ginds komen zij +aan. Houd u nu als een kerel en toon, dat gij werkelijk een Aylva +zijt en het goed met Friesland meent, of, bij O. L. Vrouwe! ik sla +u den kop in." + +Deze zoogenaamde opwekkende toespraak was op haar zelve niet beleefd; +maar aan Reinout klonk zij dubbel onwelkom in de ooren: zij verschilde +zoo hemelsbreed van die hartelijke, echt ridderlijke aansporingen, +waarmede zijn leermeester in de krijgskunst, de edele Beaumont, gewoon +was, de jeugdige strijders aan te moedigen. Hij weerhield dan ook met +moeite de uitdrukking van gramschap, die gereed was hem te ontvallen, +ter beantwoording van het onbescheid des monniks; en de armen over +elkander slaande, bleef hij zwijgend staroogen op de aansnellende +krijgsdrommen. Opeens werd zijn gelaat bleek als een doek en hij gaf +een kreet van ontroering. + +"Mijn God!" riep hij, zich voor 't hoofd slaande: "het is de banier +van Beaumont!" + +"Beaumont!" herhaalde de Abt, met verrukking: "is dat niet 's Graven +oom, die Henegouwer, daar Adeelen tegen kampte? Hoe jammer, dat deze +niet hier is, om eens te zien, hoe wij hem wreken zullen." + +"Monnik!" zeide Reinout, zich niet langer kunnende bedwingen: "ik +zweer u, wee hem, die den grijzen Ridder een haar deert. Neem hem +gevangen: hij kan u een goeden losprijs betalen: en uw altaar zal +blinken van gouden en zilveren vaten. Hij kan ons niet ontkomen, +en zal zich wel moeten overgeven." + +"Neen!" zeide de Abt, met een boozen lach: "ontkomen kan hij +niet, zoomin als een der zijnen. Zij zullen allen vallen en +na hun dood op het strand blijven rotten, totdat de vloed hen +wegslaat of de vogels des hemels hen komen opvreten. Zie eens! daar +vergaderen zich de arenden reeds, om hun aandeel van den buit te +verkrijgen. Komt! Broeders! zij willen dezen weg uit; maar, bij mijn +Heiligen Patroon, wij zullen hun den doortocht sluiten. Op! elk en +een iegelijk!" en tevens sloeg hij met zijn strijdbijl op een schild, +dat naast hem lag. Dadelijk rezen al de monniken en conversen op, en +begaven zich naar het punt, waar de dijk of landweg over de helling +des heuvels heenliep. Hier hadden zij te voren een versperring gemaakt, +welke zij nu nog met een aantal zware keien, hoedanige te dier plaatse +in menigte te vinden waren, alsook met huisraad, dat door de vrouwen +der naburige woningen gewillig werd aangebracht, voorzagen. + +"Zoo vriend!" zeide de Abt tegen Daamke, die op zijn kast nabij de +paarden zat; "brengt gij ook wat mede om den weg te stoppen?" + +"Dat daar?" zeide Daamke: "neen! dat is een medicijnkist, om...." + +"Wij hebben nu geen medicijnen van doen," zeide de Abt: "en uw kast +kan ons best te pas komen: plak die maar mede tegen de borstwering +aan," en onder het uiten dezer woorden gaf hij met zijn bijl een zoo +geduchten slag op de kast, dat de verschrikte Daamke zich spoedde om +te voldoen aan een bevel, dat op een zoo nadrukkelijke wijze gegeven +werd. Hij bracht de kast bij de overige meubelen en plaatste die op +de hem voorgeschrevene wijze: terwijl hij echter zorgde, dat hij zich +niet meer verwijderde dan noodig was, en zijn schat voortdurend in +'t oog bleef houden. + +Slechts een vierde gedeelte van de zeshonderd man, die aan den +viersprong gestaan hadden, was nog overig, toen het met zijn +aanvoerder op een boogscheuts afstands van de versperring genaderd +was. Al de overigen waren òf bij den eersten aanval gesneuveld, +òf lagen zieltogende langs den weg. Wat de overgeblevenen betrof, +dezen waren meest Ridders, knapen of geharnaste speermannen, die +hun leven te danken hadden aan hun wapenrustingen, waarop de pijlen +afstuitten. Bijna allen hadden hun paarden verloren, en de meesten +waren met wonden en kneuzingen bedekt; maar sedert het dag was +geworden, hadden zij zich weder in staat gezien, zich in gelederen te +stellen en een dichtgesloten klomp te vormen, die niet gemakkelijk te +verbreken was. Hun vijanden bleven hen met verbittering najagen; doch +waren op dit oogenblik minder in staat hen te deren; want die Friezen, +die langs het strand en dus beneden hen gingen, werden zonder moeite +afgeweerd: die, welke hen volgden, konden door hun dichten drom niet +heen dringen: en die, welke aan de landzijde langs den dijk liepen, +werden in hun vervolging belemmerd door de talrijke slooten, heggen +en dijkjes, die hun in den weg stonden. + +Dan, de moed der Hollanders begon op nieuw te verflauwen, toen zij +voor zich uit de versperring gewaarwerden, en de talrijke bende van +den Abt van Bloemkamp ontdekten, die, met bogen en slingers gewapend, +het Roode Klif bezet hielden. + +"Voorwaarts, mijne kinderen!" riep Beaumont: "onze laatste toevlucht +ligt in de punt van 't staal. Bemachtigt die versperring! dan kunnen +wij die tot onze eigene bescherming aanwenden." + +De geestkracht, welke hem dit kloek besluit ingaf, deelde zich mede aan +zijn volgers. Zij sloten zich in nog dichter gelederen samen, en, allen +aanval, die van ter zijde kwam, afwerende, drongen zij moedig vooruit. + +"Hoe hebt gij voor die verachtelijke dorpers kunnen vluchten?" riep +Beaumont: "de overmacht kan ons immers niet deren, zoolang wij ons +hier op den hoogen landweg blijven houden, waar geen vijf man zich +naast elkander roeren kunnen: en wij overtreffen dat gespuis verre +in wapenen en beleid. Komt wakkere knapen! neemt die verschansing in: +dan zijn wij ook tegen de pijlen gedekt." + +Aldus sprekende was hij met de zijnen tot dicht bij de versperring +genaderd, niettegenstaande de hagelbui van steenen en pijlen, +welke de Bloemkampers van uit hun hooge stelling op hem afzonden, +toen opeens Reinout zich boven op de borstwering vertoonde, met een +bevende stem uitroepende: + +"Heer van Beaumont! geef u gevangen! gij kunt onmogelijk tegen de +overmacht kampen." + +"Is dat niet de stem van den verrader Reinout?" vroeg Beaumont, +overluid: "hij kent mij, hij weet dat ik mij niet overgeef, zoolang +er nog hoop op redding bestaat." + +"Zijt gij razend?" riep de Abt, Reinout terugtrekkende: "wij willen +geen gevangenen! Smijt hen dood, mannen! smijt hen dood!" + +En de Hollanders werden opnieuw begroet door de werpschichten +en steenen, die de monniken op hen wierpen, terwijl hun talrijke +vervolgers van het oogenblik, dat zij stand moesten houden, gebruik +maakten om van alle zijden op hen aan te dringen. Beaumont gelastte +hierop aan zijn achterhoede rechtsomkeert te maken, om de hen +vervolgende Friezen af te houden, terwijl hij zelf met de voorhoede +de versperring bestormde. Het gevecht hield nu met hevigheid aan, +en ofschoon nu en dan een der Hollanders viel, bleef Beaumont echter +zijn stelling inhouden niet alleen, maar wist weldra het krijgstooneel +op de versperring zelve over te brengen. Intusschen begon het water +te wassen, en het strand beneden te overstroomen, zoodat de Friezen, +die zich daar bevonden, zich haastten om het Roode Klif te bereiken +en zich bij de Bloemkampers te vervoegen. Dit ontging ook Beaumont +niet; hij wendde het oog naar de zee, en met verrukking zag hij de +afgedrevene vaartuigen, welke met den vloed weder kwamen opzetten. + +"Daar zijn de schepen, kinderen!" riep hij: "nog een halfuur +volgehouden! en wij zijn gered!" + +"Nog een halfuur!" brulde de Abt, die dezen uitroep hoorde, "hoort gij +dat, Broeders! wat staat gij daar en kijkt? Met steenen werpen is het +niet te doen! Gij moet voor den dag komen en hen verpletteren. En +dat volk van Martena, dat om hen heen staat, alsof het naar een +hanengevecht keek. Broeder Sicco! haast u! zie dat gij wat haken en +latten bijeenhaalt, om hen van den dijk af te halen of van bovenneer +te stooten. Loop gezwind! ik zal hen ondertusschen hier aan den +praat houden." + +De monnik snelde met eenige conversen naar de naaste woningen, van +waar zij weldra terugkeerden, met haken gewapend, waarmede zij nu +poogden de Hollanders in den gordel te vatten, of met touwen, welke +zij hun om 't lijf wierpen, om hen omver en naar zich toe te halen, +en als dit gelukt was, af te maken. Anderen droegen balken en palen, +waarmede zij als met stormrammen op de achterhoede van Beaumont +indrongen en de slagorde verbraken. Spoedig werd het gevecht nu +wederom, gelijk het in den vorigen nacht geweest was, algemeen en +man tegen man; en hoe dapper zij zich ook gedroegen, de volgers van +Beaumont waren niet langer bestand tegen de overmacht, die als een +waterstroom op hen aandrong, en hun geen handbreed ruimte overliet +om hun wapenen te zwaaien. Verscheidenen geraakten van den landweg +af, waar terstond vijftig handen gereed waren om hen te verpletteren; +anderen werden versmoord of ellendig vertrapt in het gedrang; de lijken +werden terstond uitgeschud; een taak welke hoofdzakelijk vervuld +werd door de vrouwen, die in grooten getale als zoovele furiën het +Friesche leger gevolgd waren, en wier afschuwelijke razernij zich +niet ontzag, op de naakte lichamen der gesneuvelden te woeden, en +die op de onmenschelijkste wijze te verminken. + +"Laten wij hun de rest geven," riep de Abt van Bloemkamp, op Beaumont +wijzende, wien het met een tiental dapperen gelukt was, een gedeelte +der versperring omverre te halen en zich daarbinnen als in eene kleine +schans te plaatsen, waaruit hij, met de zijnen rug aan rug staande, +de slagen der aanvallers afweerde: "komt Broeders! zij hebben onze +fraaie vesting half vernield: wij zullen hen helpen: en al wat er +nog overig is hun op het lijf smijten. Handen aan 't werk!" + +Een ieder zijner volgers maakte zich vaardig om aan het bevel te +gehoorzamen en de steenklompen of brokken huisraads op het rampzalig +overschot der Hollandsche dapperen te doen nederkomen. Er waren +slechts twee onder al de hier verzamelde lieden, die geen deel aan +den strijd namen: Reinout namelijk en zijn dienaar Daamke. De eerste +was, sedert Beaumont aan zijn verlangen geen gehoor had willen geven, +met het hoofd in de beide handen achter de versperring blijven zitten, +als hoorde of zag hij niets van al wat in zijn nabijheid plaats had; +want hij gevoelde noch de kracht om zich aan dit afschuwelijk tooneel +te onttrekken, noch die om daaraan eenig deel te nemen. Wat Daamke +betrof, deze was bezig, zijn medicijnkist van onder den ineengestorten +hoop voor den dag te halen en zag nu niet zonder innige droefheid den +deerlijken staat, waarin zich het voorwerp zijner nasporing bevond. Hij +werd in zijn onderzoek gestoord door een geweldigen oorveeg, hem door +de met ijzer bekleede hand des Bloemkampers toegediend. + +"Wat doet gij daar, luiwammes?" vroeg deze: "en waarom helpt gij niet +een handje? spoedig! Smijt mij die kast over de versperring heen op den +kop der Hollanders. Ziet gij niet, dat hunne sloepen reeds naderen?" + +"Bij Sint-Julfus!" antwoordde Daamke: "ik dien Ridder Reinout, en, +wanneer die niet vecht, zie ik niet waarom ik het doen zoude." + +"Gij zijt een schelm! en uw meester een verrader, wien ik zal doen +hangen. Handen af van die kast!" + +Daamke wilde zich zijn schat echter niet uit de handen laten rukken, +waarop de Abt, woedend geworden, zijn strijdbijl oplichtte om hem +een slag toe te brengen, die den armen hansworst wel voor altijd +zoude belet hebben, medicijnen te gebruiken of die aan andeten te +slijten; maar gelukkig sprong de knaap ter zijde en het neergevallen +moordtuig trof alleen het voorwerp van hun twist, waar het in vast +bleef zitten. De verschrikte Daamke vluchtte bij zijn meester, en de +Abt, na vol woede de kast in elkander getrapt te hebben om zijn bijl +los te krijgen, stoof over de borstwering heen en op de Hollanders af. + +"Wat is het?" vroeg Reinout, als uit een droom ontwakende en een +wilden blik op zijn dienaar werpende: "wat komt gij mij verhalen?" + +"Wel, ik zeg het u immers, Ridder!" zeide Daamke: "die vervloekte +monnik, die den duivel inheeft, heeft mij, uw trouwen knecht, den +kop in willen slaan en u wil hij doen hangen:--en mijn kist! mijn +arme kist! Zie eens! zij is geheel verbrijzeld."--En op handen +en voeten weder naar de kist toekruipende, vulde hij zijn tasch +en muts met al wat heel gebleven was. Op eens, terwijl hij met +deze verrichting bezig was, ontdekte hij iets, dat zijn droefheid +in vreugde deed overgaan: namelijk een wel voorziene lederen beurs, +wier aanzijn hem onbekend was, naardien zij achter een dubbelen bodem, +nu door den Abt opengetrapt, verborgen was geweest. Nabij die beurs, +en in die zelfde geheime plaats, lag een beschreven blad perkament, +hetwelk Daamke met evenveel verachting achter zich wegsmeet als hij +de beurs met welgevallen bij zich stak. + +Het blad viel juist op den schoot van Reinout, die het werktuiglijk +opnam en er het oog op sloeg: maar nauwelijks had hij de onderteekening +en een paar regels gelezen, of zijn geheele ziel scheen zich te +vereenzelvigen met het geschrift. Hij rees op: zijn lichaam trilde van +het hoofd tot de voeten: hij las verder en zijn gelaat kenschetste de +hevigste gemoedsbeweging. Op dit oogenblik sloeg hij den blik naar +het strand: de golven hadden het buitenveld bedekt: de Hollandsche +vaartuigen waren genaderd, en hun sloepen roeiden naar wal. + +"Daamke!" zeide hij met een vaste stem: "stijg te paard! neem dit +blad en breng het aan den Heer van Aylva. Vloek over u, indien gij +mijn laatsten wil niet voldoet." + +"Van harte gaarne," zeide Daamke, die niets liever wenschte, dan zich +van het krijgstooneel te verwijderen: en terstond zijn ros beklimmende, +reed hij landwaarts in, terwijl Reinout insgelijks in den zadel sprong. + +De medestrijders van Beaumont waren bezweken. Hij zelf, uit zijn +verschansing naar beneden gedrongen, stond aan den voet van het +Klif op het strand, tot de knieën in 't water, omringd van zijn +bespringers. Reeds scheen hij reddeloos verloren, toen op eens Reinout +te paard van het Klif kwam af hollen, de hem in den weg staande +monniken onderstboven rijdende, terwijl hij met een daverende stem +den oorlogskreet weergalmen deed van: "Holland! Holland! Beaumont _à +la rescousse_!" Zoo groot was de verbazing, dat een ieder opzag naar +den Ridder, wien men veronderstelde, dat door meer gevolgd werd. Snel +als het weerlicht was Reinout aan de zijde van Beaumont, en terwijl +hij met de eene hand den Abt van Bloemkamp, die juist zijn heirbijl +boven het hoofd des grijzen oorlogsmans had opgeheven, een vuistslag +gaf, die hem in het zilte nat voorover wierp, tilde hij met de andere +zijn waardigen leermeester op het paard en holde zeewaarts in. Er +was een oogenblik van verbazing: maar weldra, terwijl de monniken +hun doornatten Abt weder ophielpen, snelden eenige rappe gasten, +half wadende, half zwemmende, den vluchteling na. Deze was echter +door de manschap in de sloepen bespeurd geworden en met alle macht +roeide men naar hem toe. + +"Blaas den aftocht!" zeide Martena, die juist op het Klif aankwam: +"daar moet er ten minste één zijn, die in Holland vertelle, hoe de +Friezen hun bespringers ontvangen." + +Hetgeen aan het Roode Klif had plaats gehad, was slechts een toonbeeld +der verschillende ontmoetingen, welke den Hollanders bij hun landing +aan de Friesche kust ten deel viel, zoo ten noorden van Stavoren, +waar Adeelen hen opwachtte, als in Gaasterland, waar zij door de +benden van Helbada en Fadinga verslagen werden. In stede van, gelijk +het welberaamde plan met zich bracht, haar manschappen gelijktijdig +aan wal te zetten, had de vloot die niet dan bij gedeelten kunnen +ontschepen: zoodat die van het eene vaartuig reeds vernield was, eer +die van het volgende haar te hulp kon komen. Wat den Graaf betrof, +hij had, gelijk wij vroeger vermeld hebben, de reede van Enkhuizen +verlaten om op het brandende Norwert aan te zeilen, en hierdoor het +voordeel gemist om zich met Beaumont te kunnen vereenigen, gelijk +ontwijfelbaar geschied ware, indien hij op den zuidkant van Stavoren +had aangehouden. De ontscheping was niet dan uiterst langzaam geschied; +daar het in de eerste plaats duistere nacht was, en ten tweede het +aan wal brengen van de paarden, die in grooten getale op 's Graven +schip aanwezig waren, een lang oponthoud veroorzaakte. + +Het was ongeveer met den dag, dat de manschap van 's Graven vaartuig +en van eenige andere schepen, die hem het naast gevolgd waren, op de +zandplaat buiten den dijk stonden geschaard. Met een strakken, somberen +blik beschouwde Willem de verzamelde Ridders en wapenknechten: zij +waren nauwelijks zeshonderd in getal. Hij reed zwijgende de gelederen +door: en menig oorlogsman, die hem vroeger in het veld gevolgd, +en getuige geweest was van den opgeruimden blik, waarmede hij anders +gewoon was, zijn heirscharen te begroeten, van de opwekkende toespraken +en vroolijke gezegden, welke anders van zijn lippen vloeiden, en van +den moed, die alsdan elk bezielde, door het vertrouwen, hetwelk hij +aan de zijnen wist in te boezemen--voelde een angstige huivering door +zijn aderen varen, als hij het gedrag, thans door den Graaf gehouden, +bij zijn houding van vroegere dagen vergeleek. + +Gedurende eenige oogenblikken liet Willem zijn oogen in 't rond +weiden, ten einde zijn plan van aanval te maken. Hij sloeg nogmaals +den blik naar den kant van Sint-Odulf, dat nu in volle vlam stond. Dit +schouwspel, hetwelk hem onder het ontschepen reeds getroffen had, +deed voor een oogenblik zijn oogen weer flikkeren van het vuur der +hoop. Hij hief zich rechtop in den zadel, en naar het brandende +klooster wijzende, zeide hij tegen Teylingen: + +"Gij ziet het! daar zijn de onzen nog meester." + +"God geve!" antwoordde de bezorgde Edelman, "dat het de lijktoorts +onzer vrienden niet zij. Ook hier brandt nog een dorp," (en hij wees +op de smeulende puinhoopen van Norwert) "maar waar zijn de handen, +die het aangestoken hebben?" + +"Wellicht reeds in het binnenland," zeide Walcourt, "en bezig om +dien troep van dorpers voor zich uit te jagen. Waarom zou men zich +altijd het zwaarste voorstellen? Ziet gij hier ergens een vijand, +die ons het inrukken zou beletten?" + +"Gij zijt een vreemdeling," hernam Teylingen, "en kent den aard en +de strijdwijze van dit volk niet: eer gij er om denkt, zult gij hen +als vorschen voor uwen voet zien opspringen." + +"Het zij zoo," hernam de luchtige Henegouwer: "wij zullen hen dan +als vorschen vertrappen." + +Terwijl zij nog spraken, kwamen eenige knapen, die door den Graaf +over den dijk waren uitgezonden om den staat van het binnenland te +bespieden, in aller ijl terug met de schrikbarende tijding, dat het +geheele land met gewapend volk overdekt was, en dat een kleine bende +Hollanders in wanorde voor de overmacht des vijands terugtrok. + +Zonder een woord te spreken, reed Willem naar den dijk, en, +dien beklommen hebbende, zag hij uit zijn oogen het bedroevende +schouwspel. Het waren de Baanrotsen van Merwede en Antogne, die, +vroeger geland, door de gansche macht van Cammingha waren overvallen +en op de vlucht gedreven. + +"Ontplooit de banier!" riep de Graaf, zich omwendende: "en +voorwaarts! op die muiters aangerukt!" + +"Graaf! in den naam van alle Heiligen!" riep Teylingen, die na hem +op den dijk gestegen was: "wat wil uw Genade verrichten? Beschouw +ons klein getal en de overmacht der vijanden. Ik bezweer u, laat ons +wachten, tot de overige vaartuigen aankomen." + +"Zijt gij bevreesd, Teylingen?" vroeg Willem, terwijl hij te paard +steeg. "Ontvouwt de banier en rukt den dijk over!" + +"Graaf!" vervolgde Teylingen, zich voor Willem op de knieën werpende, +en zijn paard bij den teugel houdende: "o! ik bid u! veracht den +raad niet van een ouden, getrouwen dienaar uws huizes Wat kan het uw +eer verkleinen, een korte wijl te toeven? Waarom zoudt gij u zelven +en al de waardige Edelen, die met u zijn, aan een wissen ondergang +blootstellen?" + +"Laat af!" riep de Graaf, toornig: "wie bevreesd is, moge naar de +schepen keeren: wie ons liefheeft, volge ons!"--En, zijn paard de +sporen gevende, rende hij de opening door, welke men in den wierdijk +gehouwen had. + +"In Gods naam!" zeide Teylingen, met de woorden des Apostels: "laat +ons dan medegaan en met hem sterven." + +Met gevelde lans en ontrolde banieren reed nu de kleine, maar dappere +hoop het binnenland in en stuitte weldra op de vluchtelingen, aan de +slachting ontkomen, welke laatsten terstond gedwongen werden, met +hen voort te rukken. Weldra ontmoette men het Friesche leger, dat, +zonder orde of leiding, maar met een onwederstaanbare woede en dorst +naar slachting bezield, gedeeltelijk langs de wegen en voetpaden kwam +aansnellen, gedeeltelijk over slooten, heggen en dijken heen sprong +om de nieuwaangekomenen te vernielen. Zij waren echter niet in staat +den eersten aanval des Graven en zijner welgeoefende wapenbroeders +te wederstaan: en de kans van den oorlog scheen zich voor een +oogenblik te herstellen ten voordeele van Willem; maar, ofschoon +het dezen al een wijl gelukken mocht, den weg schoon te houden, +hij was daarom niet ontslagen van zijn vijanden, die uit de akkers +en perken lands hun pijlen op de Hollanders afschoten en gedurig +in nieuwe zwermen voor den dag sprongen, nu van ter zijde, dan van +achteren, de zwaargewapende volgers des Graven bestokende. Het was een +vreeselijk schouwspel, die schier ongekleede Friezen, met hun bloote +hoofden en ruige blonde lokken, met de oogen fonkelende van razernij, +soms zonder ander wapen dan de naakte forsch gespierde armen, tegen de +paarden te zien opspringen, zich aan de ruiters vastklemmende zonder de +wonden te tellen, die zij bekwamen, en zich met hun vijanden latende +voortsleepen: of, wanneer zij eindelijk onder de paarden geraakten, +met hun tanden den armen dieren de pezen van den voet afbijtende. Want +het was meest op de strijdrossen, dat men het geladen had: en het +leed ook niet lang, of het grootste gedeelte der ruiterij, de Graaf +zelf niet uitgezonderd, zag zich genoodzaakt te voet te vechten. + +Onverschrokken echter bleven Willems wakkere Edellieden stand houden en +den roem handhaven van hun gevreesde namen. Maar helaas! terwijl zij +gedurig verliezen ondergingen, vermeerderde het getal der aanvallers +met ieder oogen blik; want Adeelen, die tot nog toe geen deel aan eenig +gevecht genomen had, was op het bekomen der tijding, dat de Graaf zelf +geland was, met den rechtervleugel komen toeschieten, niet begeerende, +dat Cammingha alleen de eer der overwinning zou genieten. Nu baatte +geene dapperheid noch krijgskunde der Hollanders meer: geen orde werd +langer in acht genomen: en elk was genoodzaakt voor zijn eigen leven +te vechten, de een vroeger, de ander later vielen onder de bijl- +en knotsslagen der Friezen, die met de felheid, hun landaard eigen, +den zoo gehaten vijand rust noch duur lieten. Zeven Baanrotsen, +allen hoofden der edelste huizen in Willems Graafschappen, twintig +Ridders, allen vermaard door hun heldenfeiten, werden door de handen +van verachte dorpers verslagen. Vreeselijk vooral woedde de vuist van +Adeelen en zesmalen ontwrong hij een versch wapentuig aan de handen +der verslagenen, omdat hij het zijne op des vijands lijf verbrijzeld +of in de diepe wonden had laten steken. Maar noch het aantal der +dapperen, die hij ter nedergeveld had, noch hun beroemde naam was hem +genoeg. Hij zocht den Graaf van Holland: dien had hij tot zijn offer +uitverkoren: op hem wilde hij de beleedigingen wreken, te Haarlem +ondervonden. Terwijl hij, overal, brullende als een woudstier, naar +hem zocht, ontmoette hij Walcourt, die, onthelmd en zonder schild, +zich met het zwaard in de vuist een doortocht baande. + +"Waar is uw meester, gevloekte Henegouwer?" riep hij, hem herkennende. + +Het eenige antwoord van den Ridder was een geweldige sabelslag; +maar Adeelen, dien afwerende, verbrijzelde hem met zijn strijdkolf +den rechterarm. + +"De linker blijft mij over!" riep Walcourt, zijn zwaard met de +andere hand vattende. Maar op hetzelfde oogenblik zag hij een woesten +boerenknaap op hem afkomen, met een dorschvlegel gewapend. Terstond +herinnerde hij zich de voorspelling van Barbanera [35], en het hoofd +bukkende, onderging hij zwijgend den genadeslag, die hem bij de +overige lijken voegde. + +"Is die gevloekte Graaf dan nergens te vinden?" brulde Adeelen, +terwijl hij rondliep als een leeuwin, die van haar jong beroofd is. + +"Waar zoude hij wezen?" zeide Cammingha, die hem tegenkwam: "zij zijn +allen dood op één na." + +"Leeft er nog één?" vroeg Adeelen, zich omwendende, met een +verschrikkelijken blik: "Waar is hij?" + +Cammingha wees hem op een terp, die niet verre vandaar gelegen, +vroeger gestrekt had tot inhuldiging van 's Graven vader als Heer van +Friesland. Weinig dacht toen Willem III, dat die zelfde plek eens +het moordtooneel zoude wezen, waar zijn dappere zoon met zoovelen +zijner helden den dood zoude ondergaan.--Adeelen snelde derwaarts +heen. Daar stond nog een enkele krijgsman tegen de helling der hoogte +zich alleen tegen een drom van aanvallers te verdedigen. Zijn om hem +gevallen wapenbroeders en de Friezen, die hij zelf had neergehouwen, +vormden een verschansing van lijken om hem, die niemand straffeloos +overschreden had. Zijn helm was afgeslagen, zijn schild gebroken en +zijn geheele lichaam zoodanig met bloed en slijk en stof bedekt, dat +men bijna niet zien kon of hij een harnas aanhad, al dan niet; maar +zijn beide handen zwaaiden nog met ontzettende kracht een tweesnijdend +zwaard, waarmede hij al wat hem omringde het naderen belette. + +"Hoe is het bloodaards!" riep Adeelen: "deinst gij? laat mij met hem +begaan: mij de eere, den laatsten man der bende te vellen." + +Met deze woorden drong hij door de schaar heen, en den vreemden +krijger onvoorziens naderende, bracht hij hem een geweldigen slag op +het hoofd toe. + +"Neem dat," zeide hij: "en ga in de hel vertellen dat Seerp van +Adeelen er u heenzond." + +"Hoezee! leve Seerp van Adeelen!" riep het volk, dat den Hollander +zag duizelen onder den slag. + +Maar deze, hoezeer bedwelmd, was niet gewond geweest; want de +strijdkolf was in de handen zijns bespringers gedraaid. "Zoo gij +Seerp van Adeelen zijt," zeide hij, zich herstellende, ofschoon met +een gesmoorde stem, "neem dan dit laatste aandenken mede van uw Heer +en Meester." + +Deze woorden waren nog niet uitgesproken, of Willem de Vierde had +zijn zwaard omhoog geheven: en met een slag, luider klinkende dan die, +welken de moker op het aanbeeld geeft, kwam het lemmer op het hoofd van +Adeelen neder, drong door de helmplaten heen en spleet den schedel in +tweeën. De onstuimige Fries viel zielloos neder: maar zijn overwinnaar +poogde vruchteloos het zwaard uit de wond terug te halen: en vijftig +knotsen, opgeheven door de Friezen, wie de dood huns aanvoerders nog +meer verbitterde, deden in een oogenblik den weerloozen Graaf den +stapel der dooden met zijn vorstelijk lijk vermeerderen. + +Maar het is tijd om, alles daarlatende wat eigenlijk meer tot het +gebied der geschiedenis behoort, tot den goeden Deodaat terug te +keeren, dien wij, sedert zijn overbrenging naar Sint-Odulf, wat te +lang uit het oog hebben verloren. + + + + + +VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + Dit, leider! was een nacht vol ramps, vol ongevals. + + Vondel. Gijsbrecht van Aemstel. + + +Het ware moeilijk, een juiste beschrijving te geven van de +gewaarwordingen, welke Deodaat bezielden gedurende de eerste uren, die +hij doorbracht in de eenzame cel, waarin men hem had opgesloten. Het +waren beurtelings, wrevel over het mislukken zijner onderneming, +hetwelk hij zich zelven toeschreef: blijdschap over zijn verzoening +met Reinout: ongerustheid over het lot der vloot, welke hij begreep +dat het met den storm, die den kerktoren schudden deed, erg genoeg +moest hebben: angstige zucht om te weten, of zijn eeuwig dierbare +Madzy en haar achtingswaardige voogd ook aan eenig gevaar zouden +blootgesteld zijn: dankbaarheid aan zijn Beschermheilige, die hem het +leven gered had: in één woord, een mengeling der meest tegenstrijdige +gevoelens. De storm echter, die nog zonder ophouden woedde, nam +eindelijk zijn aandacht geheel in: en vurig zoude hij gewenscht +hebben, het natuurtooneel te beschouwen, dat zich buiten liet zien; +maar deze wensch was ijdel; want de cel, waarin hij gezeten was, had +geen ander uitzicht dan op een nauwe binnenplaats, rondom door zulke +hooge muren omgeven, dat men niets van de lucht gewaar kon worden en +alleen het gekletter der buien hooren, die daar binnenvielen. + +Later, toen het weer eenigszins begon te bedaren, troffen de psalmen, +die in de kerk werden aangeheven, zijn oor; doch zoo nauw, dat hij +zich vruchteloos inspande om de wijs te vernemen: vermoeid en afgemat +strekte hij zich eindelijk uit op de houten legerstede, daar hij tot +nu toe op gezeten had, en poogde te slapen; maar nauwelijks was hij +even ingesluimerd, of een nieuw gedruisch wekte hem. Hij luisterde: +men liep de gangen en vertrekken van het klooster op en neder: onder, +boven hem, aan alle kanten dreunden de stappen der monniken door de +gewelven, met meer drift, dan men zulks van stille kloosterbroeders +zoude verwacht hebben. Dit deed hem met reden oordeelen, dat er iets +buitengewoons moest plaats hebben:--en weldra zag hij zijn vermoeden +bevestigd, toen hij trompetgeschal vernam, en kort daarna bespeurde, +dat men bezig was het klooster te beleggen. O! hoe onverduurbaar werd +toen de toestand van den wakkeren Ridder. Daar buiten, dit wist hij, +daar streden zijn wapenbroeders! En hij, hij moest werkeloos in zijn +cel blijven en mocht niet in hun gevaren deelen! Ja, zijn gegeven woord +verbood hem, de deur open te trappen en zich met de strijdende drommen +te vereenigen! Dit denkbeeld ontvlamde zijn spijt: en stampvoetende +liep hij als een zinnelooze het enge verblijf, dat hem besloot, +op en neder. + +Lang reeds had hij in een staat van opgewondenheid verkeerd, die +aan verbijstering grensde, toen hem opeens door het tralieraam een +brandlucht tegenwoei, die weldra gevolgd werd door geheele rookwolken, +die voorbij het venster opstegen. Nu ijsde hij: het klooster was +wellicht in brand gestoken!--En hij zoude het weerlooze slachtoffer +worden! Hij zou een dood zonder eer, zonder glorie sterven! Dit +denkbeeld was hem onverdraaglijk. De iederen sterveling ingeschapen +zucht tot zelfbehoud deed hem terstond besluiten zich uit dezen +toestand te verlossen, en zijn cel, het mocht kosten wat het wilde, +onmiddellijk te verlaten. Hij had wel zijn woord van eer gegeven +niet te zullen ontvluchten; maar hij had geenszins beloofd in de hem +aangewezen kamer te zullen blijven, vooral wanneer hij kans had daar +levend geroost te worden. Al zijn krachten dus inspannende, trapte +hij zoo lang op de deur, welke hem den uittocht belette, tot het +paneel aan stukken sprong en hij zich er door kon werken. Nu stond +hij in de gang, en ijlde naar de deur, die aan het einde geplaatst +was: helaas! deze was gesloten: en al de pogingen, die hij aanwendde, +toonden hem slechts zijn onmacht aan, om die te verwrikken. Hij keerde +terug om een anderen uittocht te vinden: links van hem was niets dan +een blinde muur; rechts cellen, gelijk die welke hij verlaten had, +waaruit de deuren waren weggenomen, en die in stede van ramen slechts +met hooge luchtgaten voorzien waren. Aan het andere einde van de +gang was, ja, een venster, maar met dikke bouten er voor, welke alle +denkbeeld van ontkoming wegnamen. Hij plaatste zich echter daarvoor, +ten einde te ontdekken, wat er gaande was en of er een wezenlijk gevaar +voor hem bestond;--want hoewel nog opgesloten, zijn ongerustheid was +eenigszins verminderd, sedert hij zich in een grootere ruimte bewegen +kon. Hij werkte zich dan met behulp der ijzeren bouten tegen het hooge +venster op, en poogde zoogoed hij kon naar buiten te zien; maar de +duisternis liet hem niets anders bespeuren, dan den kloostermuur aan +de overzijde der groote plaats, waarop het venster uitzag, en de lucht +daarboven. Het krijgsgedruisch vermeerderde intusschen: en weldra zag +hij een schouwspel, dat hem met ijzing vervulde. De muur tegenover hem +en het dak daarboven werden door een rooden, flikkerenden vuurgloed +verlicht: wolken rooks stegen dwarrelend van uit de binnenplaats naar +boven: en door dien rook henen bewogen zich in de dakgoten eenige +strijders, als zoovele fantastische schimmen. Het waren gedaanten van +monniken, waaronder hij nu en dan de welgevulde gestalte van vader +Volkert meende te herkennen: het waren krijgslieden in 't harnas en +met vlammen op het hoofd en in de hand (want de weerkaatsing van den +brand verwekte dit optisch bedrog), die als in de lucht handgemeen +waren: en die gedaanten streden en vluchtten voor elkander, en bewogen +zich heen en weder op de smalle kampplaats, waar voor en onder hen +de dood hen aangrijnsde; en Deodaat zou misschien gewaand hebben, +dat het slechts ijdele spoken en luchtbeelden waren, zoo niet het +daverend krijgsalarm en de brandlucht en het geluid van den smak, +die nu en dan zich hooren deed, wanneer deze of gene krijger van het +dak op de binnenplaats stortte, hem overtuigd hadden dat hij waakte +en dat hetgene hij voor oogen had schrikkelijke waarheid was. En +inderdaad: ondanks al de dapperheid, door de geestelijken betoond, +was het aan een gedeelte der krijgsknechten eindelijk gelukt, de kerk +te beklimmen, en zich van daar over verschillende daken te verspreiden, +waar zij nu de monniken en conversen bevochten. + +Zoo geheel was Deodaat door dit schouwspel geboeid, dat hij zijn +eigen toestand vergeten was, toen een gekraak onder zijn voeten +opeens een gedachte bij hem levendig deed worden, welke hem met ijzing +vervulde. Hij zag de vlam zelve niet; maar haar weerschijn tegen den +muur aan de overzijde;--de brand was dus aan zijnen kant:--was juist +onder hem: en het gekraak, dat hij hoorde, klonk in zijn ooren als een +voorspelling, dat weldra de geheele zoldering zou instorten. Rillende +liet hij zich weder van het venster afvallen; hij snelde terug naar 't +einde van de gang en matte zich nogmaals af in vruchtelooze pogingen +om de deur te openen: hij zocht een plank om die open te loopen:--al +wat tilbaar was had men uit de cellen genomen om de borstwering voor +de benedenpoort te maken. Hij keerde dan in zijn eigen verblijf: +nam de planken uit de bedstede en bezigde die om de deur te rammen; +maar zij werden in zijn handen tot spaanders gebroken en hij vorderde +niet. Dan op het oogenblik, dat hij den vloer onder zijn voeten reeds +heet voelde worden en de wanhoop hem een hulpgeschreeuw aanheffen deed, +hoorde hij voetstappen van buiten en te gelijk een welbekende stem, +die hem antwoord gaf. + +"Hier vrienden! hakt deze deur open! Hier is de Ridder, dien wij +zoeken!"--De deur vloog onder eenige bijlslagen open en Deodaat bevond +zich in de armen van zijn getrouwen Zweder van Naaldwijk. Deze had, +gelijk wij vroeger verhaald hebben, de deur van gemeenschap tusschen +de kerk en het klooster in brand gestoken en zich nu daarbinnen +een toegang verschaft, bijna op hetzelfde tijdperk, dat de Heer van +Spangen de voorpoort overweldigd had. + +"Ik wist het wel, Ridder!" zeide Zweder, "dat wij u eindelijk zouden +vinden: het klooster is ons! althans ik denk niet, dat die vrome paters +zich lang meer zullen verweren:--hier, geeft den Ridder een zwaard +... een bijl ... wat het eerste bij de hand is ... en nu haastig naar +beneden; eer de trap afbrandt:--ik heb u nog juist bijtijds gehoord." + +Neen! de goede schildknaap had zijn meester niet bijtijds gehoord; +dit werd hij te ras en op een schrikkelijke wijze gewaar. Hij was +bij het opklimmen de voorste geweest: en bij het terugkeeren bevond +hij zich dus met Deodaat achteraan: slechts deze omstandigheid redde +beider leven:--want nauwelijks bevonden de gewapenden zich op de +trap, of deze stortte in met een oorverdoovend gekraak, en de beide +aanvoerders stonden alleen op het portaal, voor een muur van vlammen +en van rook, die uit het puin naar boven sloeg. + +"Ik ellendeling! wat heb ik gedaan!" kreet Zweder, zich voor het +hoofd slaande: "ik, die u redden wilde, moet de oorzaak van uw verderf +zijn!--Uit zucht om de eerste binnen te wezen stak ik de kerkdeur in +brand, en nu heeft zich de vlam aan het gansche gebouw medegedeeld!" + +"Die ongelukkigen!" zeide Deodaat, terwijl hij een treurigen blik +wierp op de rampzalige wapenknechten, die gillende en kermende +beneden lagen;--"maar kom!" vervolgde hij: "wij moeten alle hoop op +lijfsbehoud niet opgeven. Hier is een trap, die naar boven leidt; +waarschijnlijk vinden wij een uitweg, die naar een ander gedeelte +van het gebouw voert." + +Zoo gezegd, zoo gedaan. Beiden snelden met spoed de trap op; want reeds +vervolgde hen de vlam. Zij kwamen nu op een korte, smalle en overwelfde +gang uit, zonder deur noch venster, maar met een vierkant gat aan het +einde, welk gat eenige voeten boven den vloer verheven en in de dikte +van den muur uitgehouwen, en waartegen een klein trapje geplaatst was. + +"Bij Sint-Japik!" zeide Zweder: "ik geloof, dat dit de weg naar den +toren is: zoo ik wel bereken, zijn wij hier boven de kerk." + +"Hoogstwaarschijnlijk!" zeide Deodaat: "maar om 't even! Wanneer +wij daar eens zijn, hebben wij vooreerst geen gevaar en kunnen nader +overleggen, hoe wij verder komen." + +De schildknaap had wel geraden; want zoodra hij de opening binnen- +en onder eenige dwarsbalken doorgekropen was (niet zonder zijn hoofd +eenige keeren geducht te stooten), bemerkte hij, dat hij zich in den +toren bevond. Het was echter meer door den tocht, die hem tegen woei, +dat hij zulks gewaarwerd, dan door de scherpte van zijn gezicht: +want het was hier bijster donker: en geen wonder, daar zij zich op +een middelzoldering bevonden, waar van geene zijde eenig licht kon +doordringen, dan alleen de flauwe terugkaatsing der vlam, die tegen +de wanden scheen van de gang, die zij uit waren gekomen. + +De toren, waarin zij zich nu op twee derden der hoogte bevonden, +was een oud en hoog gebouw, dat wellicht reeds gestaan had, vóór de +oprichting van het klooster, waarvan het nu den noordwestelijken hoek +uitmaakte, en het woonhuis met de kerk vereenigde. Het was achthoekig +van gedaante en van zwaren, grauwachtigen steen opgetrokken tot op +een hoogte van ongeveer negentig voet: de muren, dik genoeg om geen +schade van brand en bestorming te vreezen, waren slechts hier en +daar met een enkel kijkgat voorzien, en verder geheel ontbloot van +allen zweem van versiering; zoo men den koepel uitzondert, die later, +toen men de Oostersche bouworde in Friesland begon na te bootsen, op +den top was nedergezet, en waarboven een kruis prijkte, dat, evenals +de platen, welke den koepel dekten, van koper was. Deze koepel was, +gelijk wij vroeger gezegd hebben, peervormig; doch had, evenals de +toren zelf, acht zijden, van onderen met een breeden metalen band +omsloten en zich van daar tot op den torentrans uitspreidende, evenals +de voet van een ouderwetsch kelkje, of als de neergekrulde halve +schil van een chinaasappel. In dien omgeslagen benedenrand waren twee +vooruitspringende venstertjes, met luiken en een leien dakje voorzien: +het eene, waaruit de seinlantarens staken, naar den zeekant uitziende: +het andere, dat thans gesloten was, over het kloostergebouw heen, naar +de oost- of landzijde. Van binnen was de toren volkomen vierkant, +niet ruimer dan ongeveer tien voet in de doorsnede, en van onder +tot boven volkomen hol. Om den top te bereiken waren, op elke dertig +voet hoogte, houten zolderingen bijgebracht, van welke de niet overal +veilige planken op dwarsbalken rustten, en in wier midden een opening +gelaten was, welke men bereikte door middel van een trapladder, +die van onderen tegen den muur vaststond en van boven met een paar +ijzeren krammen voor het wiggelen bewaard werd. Er waren dus in +'t geheel drie van deze ladders; of liever: er behoorden er drie te +zijn; want de onderste was, gelijk wij hierboven verhaald hebben, +op last van vader Syard weggenomen. Verder had, als ons gebleken is, +de toren ook nog een zijdelingsche gemeenschap met het kloostergebouw: +en onze beide zwervers, die daarvan gebruik hadden gemaakt, bevonden +zich nu op twee derden der hoogte, boven de tweede, en aan den voet +van de hoogste ladder. + +"Ziezoo!" zeide Zweder: "hier zitten wij hoog en droog: wisten wij +nu slechts een middeltje te bedenken om hier vandaan te geraken." + +"Mij dunkt," zeide Deodaat, naar beneden ziende, waar hem de flauwe +schemering, die uit de kerk voortkwam, de ladder ontdekken deed: +"wij kunnen hier afdalen." + +"Om ons de hersens op de zerken tot gruis te slaan?" viel Zweder in: +"ik dank u, heer Ridder. De onderste trap is weggehaald. Die vervloekte +monniken wisten wel wat zij deden. Bovendien, de kerk zelve staat +in lichterlaaie." + +"Kunnen wij ons niet aan de klokketouwen aflaten?" + +"Die gebruiken zij niet. Zij luiden hier door middel van groote hamers, +die Belialskinderen!--en bovendien geloof ik niet dat er hier een +klok in den toren is:--die zwelgers hebben alleen een etensbel noodig: +en die hangt boven de bakkerij." + +"Welaan!" zeide Deodaat: "dan moeten wij nog hooger onze fortuin +beproeven, en zoeken of er ook een raam in den toren is, ten einde +eens uit te kijken, of wij hulp of verderf te wachten, hebben." + +Dit zeggende klom hij, van Zweder gevolgd, de hoogste ladder op, +die hen in den voet van den koepel bracht. Dadelijk staken beiden +het hoofd door het opene venster: en, ofschoon er zonder vleugels +aan geene ontkoming te denken viel, ondervonden echter zoowel Deodaat +als zijn schildknaap een gewaarwording van verkwikking en genoegen, +toen de frissche wind hun in 't gelaat woei en zij weder in Gods +vrije schepping mochten rondzien. Het onweer was bedaard: slechts +enkele dunne, waterlooze wolkjes dreven als sneeuwvlokken door het +blauwe zwerk. De oppervlakte der zee was stil geworden; maar het +dof gegons der wateren verkondigde nog, hoezeer zij door het geweld +van den storm was beroerd geweest. De natuur was kalm en liefelijk: +en had niet het oorverdoovend geweld van den strijd, die aan de +andere zijde woedde, alle gedachten aan rustige genieting verbannen, +Deodaat zou nog lang met wellust op den heerlijken sterrenhemel en +op die sombere zee daaronder zijn blijven staren. Maar zijn ziel was +te bezig met den kamp, die in het klooster gevoerd werd, dan dat hij +zich den tijd kon gunnen, langer naar deze zijde uit te kijken. + +"Spoedig, Zweder!" zeide hij, "laat ons zoeken, of er geen ander +venster is, waaruit wij iets van het gevecht kunnen bespeuren." + +"Een oogenblik!" zeide de knaap, terwijl hij de lantarens binnenhaalde: +"hier is iets, dat ons misschien zal kunnen dienen: men moet in onze +omstandigheden niets verzuimen."--Dit zeggende, maakte hij een eind +touw los, dat aan de lantarens vastzat, en door een katrol liep, +welke aan het einde van den uitgestoken staak hing, en bond het zich +om het lijf. + +"Ziezoo!" zeide hij, "nu hebben wij licht, en een touw; dat zijn +reeds twee zaken, welke, wanneer men hoog en in 't donker zit, van +dienst kunnen wezen. Laat ons nu dezen kant uitzien." + +Dit zeggende, opende hij het luik van het andere venster: en beiden +zagen uit.--Welk een geheel onderscheiden tooneel deed zich hier aan +hun oogen voor! Aan de andere zijde de aanblik der stille natuur: +aan deze, die van den oorlog in zijn schrikkelijkste gedaante. + +In de eerste oogenblikken was het echter voor Deodaat en Zweder, +die met uitgestrekte halzen buiten het raam lagen, moeilijk iets met +juistheid te onderscheiden. De kerk zoowel als de drie overige zijden +van het gebouw stonden in lichterlaaie: en de rook, die van alle kanten +in breede wolken opsteeg, bedekte al wat beneden was met een dikken +nevel. Het scheen beiden toe, als zagen zij in een ziedenden ketel, of +liever in den gapenden krater van een vlammenspuwenden berg. Maar toen +de wind, die van den zeekant woei, de rookwolken voor een oogenblik +van een scheidde en als uitgerolde wimpels over de landtong heen deed +zwaaien, ontdekten zij de kloosterlingen, die in een breeden kring op +het binnenplein bijeenverzameld stonden en zich met een hardnekkigen +moed verweerden tegen de krijgsknechten, die hen van alle zijden +bestookten. In het midden van de jongere broeders en conversen, +stonden de grijsaards en zwakken, met schorre kelen doch met een +prijzenswaardige gelatenheid den psalm zingende: _quare fremuerunt +gentes_; ofschoon de rook, die hun in de keel vloog, hen nu en dan +dwong, het lied te staken en met een benauwd gekuch te verwisselen. + +"Mij dunkt," zeide Deodaat, "die monniken vechten als leeuwen: gij hadt +gezegd, zij zouden zich niet lang meer verdedigen; maar, naar het mij +voorkomt, staat de kans vrij ongelijk en kunnen zij blijven vechten +tot de gansche boel ineenstort en vrienden en vijanden samen verplet." + +"Inderdaad," zeide Zweder, peinzende: "het getal onzer manschappen +komt mij voor, geringer te zijn, dan het behoorde te wezen. Ik zie +den Heer van Beaumont niet; noch ook den Heer van Spangen. Wij waren +straks ruim zoo talrijk. Zouden er zoo velen door de handen dier +papen zijn gevallen? Of is de rest vertrokken en heeft men gedacht, +dat er manschappen genoeg bleven om het klooster te winnen." + +"Het komt mij voor, als ware men buiten ook nog aan het strijden," +zeide Deodaat: "althans ik hoor een luidruchtig alarm aan de +landzijde. Indien slechts die satansche rook het uitzicht over de +landtong niet belette." + +Terwijl beiden, onbewust van de redenen, die Beaumont genoodzaakt +hadden het klooster te verlaten, zich in gissingen verdiepten, trad +de Heer van Spangen, door een der zijgangen, welke alsnog door het +vuur gespaard was gebleven, de binnenplaats op. + +"Geeft u over, vervloekte papen!" riep hij: "uw klooster staat in +brand en het is immers al gewonnen." + +"Neen! nog niet gewonnen!" klonk een stem, die het gansche gebouw +scheen te doen daveren: en van uit de deur van het voorportaal +vertoonde zich, tusschen een dicht ineengedrongen drom van strijdende +Hollanders en Friezen, de reusachtige gestalte van den Abt van Lidlum, +niet geharnast als zijn ambtgenoot van Oldeklooster; maar in de dracht +zijner orde, blootshoofds en met opgestroopte mouwen, een zware +strijdkolf omhoogheffende. "Houd u goed, vader Volkert!" riep hij: +"houd u goed. Daar zijn wij al, klaar om u te helpen. Ter helle met +de Hollanders! slaat dood! slaat dood!" + +"Bij Sint-Japik!" zeide Zweder: "de kans is verkeken: zooeven wezen +ons de steenen twee vijven aan: maar nu heeft de vijand twee zessen +geworpen." + +"En wij moeten hier als bloote toeschouwers zitten!" zuchtte Deodaat: +"o! waarom schenkt God mij de gunst niet, naast mijn dappere +spitsbroeders te strijden?" + +"Al wat wij doen kunnen, is hen aan te moedigen met +woorden," zeide Zweder; en terstond begon hij met luider +stemme te schreeuwen: "Holland! Holland! Beaumont _à la +rescousse_! Spangen! Ligny! Naaldwijk!" en alle andere namen, die +hem voor den geest kwamen, totdat een nieuwe rookkolom hem zoowel +het zien als het geluidgeven belette. + +De rol der Hollandsche benden was nu geheel omgekeerd: en van +aanvallers waren zij verweerders geworden. Van alle kanten rukten +versche benden van Friezen het plein op: en Deodaat herkende weldra +onder hen den Heer van Aylva, die zijn ziekte in de hitte van het +gevecht scheen vergeten te hebben, en aan wiens zijde de wakkere +Feiko streed, zijn meester nergens verlatende en elken slag, die op +dezen gemunt was, van zijn hoofd afkeerende. Vreeselijk woedde de +Abt van Lidlum, wiens strijdkolf de zwaarden aan spaanders sloeg +en de helmen verbrijzelde of zij van glas waren geweest. Maar ook +Spangen en de zijnen deden wonderen van dapperheid: en, daar de +ruimte van het binnenplein betrekkelijk klein was, deed zulks den +strijd minder ongelijk zijn, dan die buiten op het open veld was +geweest. Intusschen nam de brand al meer en meer de overhand, en kwam +de eene zolder voor, de andere na, met een oorverdoovend gekraak en +gedruisch naar beneden. Soms stortte er een lange balk, een gedeelte +van het dak, of een brok van den muur op de binnenplaats, die dan +Hollanders en Friezen met éénen slag verpletterde en de strijdenden +uit elkander deed stuiven, maar slechts om dadelijk het gevecht +met eene dubbele woede te hernieuwen. Het was een schouwspel zonder +wedergade, om van den toren af op die menschen neder te zien, die +zoo nietig en onbeduidend schenen, en die als helsche duivels door de +vlammen en den rook heenwaarden en zich onderling vermoordden bij het +schijnsel van den brand: het was een akelig geluid, dat noodgeschrei +der gekwetsten, dat triomfgebrul der overwinnaars, dat gehuil van +den wind, dat gerammel der wapenen en dat sissen en kraken van den +brand, dooreengemengeld te hooren!--Eindelijk dreef het geweld der +vlam nu den eenen, dan den anderen drom van het strijdperk af; en, +evenals ware de dood door het staal verkieslijker boven dien door +het vuur, drong men zich al vechtende weder naar de hoofdpoort, of +vlood als met onderling goedvinden derwaarts, om, buiten gekomen, +het gevecht te hervatten. Weldra zagen de jongelingen niets meer, +dan den zwarten rook, die alles gelijk als met een mantel omhulde; +en na weinige oogenblikken stortten de beide vleugels en eindelijk +ook de kerk in puin en asch naar beneden. + +De nacht was voorbij: en de zon begon zich alreeds aan den +gezichteinder te vertoonen, maar nog was de woede van den strijd niet +verminderd. Van het geheele gebouw, dat weinige uren te voren zoo +stevig daar neder stond, was bijna niets meer overig gebleven. Alleen +de toren stond nog in zijn geheel, die, zwart geblakerd van onder +en met zijn door de eerste zonnestralen vergulden koepel op een +Afrikaanschen reus geleek, wiens hoofd met een schitterenden +helm versierd ware. Ook de vier muren, die, met den toren mede, +den noordwestelijken hoek van het gebouw uitmaakten, waren nog +gedeeltelijk, hoewel zwaar beschadigd, blijven staan; maar al het +overige vertoonde een onkenbaren en verwarden klomp van steen en hout +en asch, waarbinnen de vlam smeulde en waaruit hier en daar dwalmende +rookwolken naar boven stegen. + +Het overschot der Hollandsche bende, die buiten het klooster voor +de overmacht had moeten zwichten, was wederom binnen den omtrek +van het ingestorte puin zijn toevlucht komen zoeken en bood daar +een hardnekkigen, maar, helaas! vruchteloozen wederstand. Vergeefs +had Aylva, wiens medelijdende ziel niet stemmen kon in den moord van +zoovele dapperen, alle pogingen in 't werk gesteld om hen te bewegen, +de wapens neder te leggen; zijn stem was niet vernomen geworden door +de Hollandsche krijgsknechten: en de Friezen luisterden niet naar +hem, wanneer hij hen wilde aanmanen, den overwonnenen lijfsgenade te +schenken; maar sloegen alles dood wat hun voorkwam. Geen deelgenoot +van die gruwelen willende zijn, en buiten staat die te beletten, was +de Olderman teruggetreden, met het voornemen om te gaan zien hoe het +met Beaumont en de zijnen afliep, toen hem vader Syard op zijde kwam, +met den angst op het gelaat geschilderd. + +"Om Gods wil!" zeide de monnik: "mijn Heer van Aylva! hebt gij Ridder +Deodaat ook ergens in 't gedrang opgemerkt?" + +"Deodaat!" herhaalde de Olderman, verbleekende: "neen! 't Is waar +ook! hij was hier in 't klooster!--Dat ik hem een oogenblik vergeten +kon!" + +"Hij zal toch, hoop ik, den brand bemerkt en zich naar beneden +begeven hebben." + +"Dat zou moeilijk geweest zijn," zeide de vader Guardiaan, die kort +daarbij met den Abt gezeten was op een brok steens, waar zij van hun +heldendaden uitbliezen: "ik beloof u, ik heb hem wel deftig achter +dubbele grendels gesloten: en, al is hij zijn kamerdeur uitgekomen, +de trapdeur heeft hij zonder hulp niet kunnen openbreken." + +"Hij zal.... wel.... daaronder liggen," merkte de Abt aan, terwijl +hij hijgende op den muur naast den toren wees. + +"Ongetwijfeld!" hervatte de andere monnik: "de brand is aan de kerkdeur +begonnen, die vlak bij de trap is, welke naar de cellen geleidt. Hij +zal dus geroost zijn als een braadspiering." + +"Maar welk overgroot belang.... hoe! wanneer zal ik mijn adem +terugkrijgen?.... welk belang stelt gij toch in dien Deodaat?" vroeg +de Abt, zijn onbeteekenende oogen wijd opspalkende en vader Syard +aanziende: "ehugh! ehugh!--die vervloekte rook!.... Er zijn er zoovelen +gevallen, die zoo goed, ja beter waren dan hij." + +"Ik had voor hem moeten zorgen," zeide de monnik, zonder op de vraag +van vader Volkert acht te slaan: "ik heb hem schandelijk vergeten +toen het tijd was. O! dat hij nog kon ontkomen zijn." + +"En al is hij den brand ontkomen," zeide Aylva, het hoofd schuddende: +"dan heeft hij zich zeker bij zijn wapenbroeders gevoegd en hij is met +hen omgekomen: want die vreeselijke jubelkreet achter ons verkondigt +mij dat de slachting volbracht is." + +"'t Is uit!" riep de Lidlummer, die zich op dat zelfde oogenblik op +een der puinhoopen vertoonde, waar hij met zijn met bloed en asch +besmeerde armen en half verzengd gewaad en aangezicht den genius +der vernieling had kunnen voorstellen: "'t Is uit! de laatste man is +gevallen. Hoezee voor Friesland!" + +"Hoezee!" riep al het volk. + +"Hoezee!" riep een ruiter, die in vollen ren kwam aansnellen. "Martena +en de Bloemkampers hebben de zege! Beaumont alleen is het ontkomen, +met behulp van den schelm, die zich Aylva's zoon noemde; maar die +een verrader was." + +"Met behulp van Reinout!" riep Aylva, de handen wringende. + +"Hij deed zich zelven recht," zeide vader Syard: "hij moest een +verrader worden." + +"Hoe!" vroeg de Olderman, verbaasd opziende: "en wat beweegt u, +zulks te vermoeden?" + +"Ik heb geen vermoedens meer," zeide de monnik; maar te gelijk wendde +hij zich af, bemerkende dat hij te veel ging zeggen; want nu het hem +bijna zeker toescheen, dat Deodaat was omgekomen, achtte hij het +noodeloos den Olderman het geheim van 's jongelings geboorte mede +te deelen, ten einde hem niet des te meer te bedroeven, indien hij +hoorde dat de vermiste zijn zoon ware. + +"Welke raadsels spreekt gij toch?" vervolgde Aylva; maar voor +de monnik kon antwoorden, deed een nieuw geroep van: "kijk die +twee! daarboven!" hen beiden het hoofd naar den toren wenden. + +"Wat duivel zijt gij, Hollanders of Friezen?" riep de Abt van Lidlum +aan de beide jongelingen toe: "antwoordt gij niet? nu dan behoeven +wij niet verder te vragen." + +"Maar hoe komen zij daar?" vroeg vader Volkert: "de toegang tot den +toren was immers afgebroken? En wie kunnen het zijn?" + +Niemand wist deze vraag te beantwoorden; want de afstand belette aan +een iegelijk, Deodaat te herkennen, van wien bovendien alleen het +bovenste gedeelte van het gelaat zichtbaar was. + +"Komt dan af, mannen!" riepen de Friezen beneden: "dan zullen wij u +vertellen, hoe het met uwe makkers gegaan is." + +"Wacht!" riep er een uit den hoop: "wij zullen hen wel doen schreeuwen, +indien zij niet spreken willen!" en te gelijk zijn boog spannende, +legde hij op het venster aan. + +"Jawel! zij zullen uwe pijlen afwachten," zeide de andere: "of zij +gek waren! Wat doken zij spoedig weer in den toren terug, toen zij +u naar een pijl zagen grijpen." + +"Wij zullen hen van daar moeten ontnestelen," hernam de eerste. + +"Ja! laat ons in den toren klimmen!" zeide de derde: "een ladder! een +ladder! en dan zullen wij hen dwingen, van boven neder te springen." + +En dadelijk snelden eenigen binnen de muren der afgebrande kerk, +ruimden zooveel zij konden de nog brandende binten en balken uit +den weg en kwamen eindelijk, niet zonder moeite, onder den toren, +terwijl anderen ladders haalden en die aaneenbonden. + +"Om Godswil!" zeide Aylva, wien opeens het denkbeeld voor den geest +was gekomen, of ook Deodaat wellicht een dier beide personen in den +toren wezen kon, en die hierop den woesten hoop gevolgd was: "wat +wilt gij doen, vrienden? haalt die lieden van boven; maar doet hun +geen leed. Gij hebt u als helden gedragen; gedraagt u als menschen +na de overwinning." + +Maar niemand sloeg acht op zijn smeekingen: integendeel waren er +sommigen, die hem vrij ruw bescheid gaven, en hem vroegen of hij +evengoed gezind was als zijn zoon, en de Hollanders verkoos te sparen: +ja, het liep zooverre, dat Feiko, die zijn meester niet verlaten had, +zich genoodzaakt zag hem bijna met geweld van daar te halen. + +De toestand van onze beide vrienden in den toren was intusschen alles +behalve vermakelijk. Zij hadden het gerucht beneden gehoord, en op +de tweede zoldering afgedaald zijnde, bespeurden zij al spoedig dat +men zich gereedmaakte, hen in hun hooge schuilplaats te komen bestoken. + +"Dat begint er slecht voor ons uit te zien," zeide Zweder, die nu en +dan met de noodige voorzorgen naar beneden keek. + +"Er blijft ons niets over dan om ons ter dood te bereiden," zeide +Deodaat: "en ons leven zoo duur te verkoopen als het ons eenigszins +mogelijk is. Wij kunnen althans uit onze hooge standplaats nog eenigen +tijd met voordeel het hoofd bieden." + +"Dat zal ons weinig baten," zeide Zweder: "want om hen te bevechten, +moeten wij ons vertoonen: en dan staan wij voor hun pijlen +bloot. Kom! het is gedaan. Wij overleven de grap niet: en ik zal ons +slot van Naaldwijk en mijn lieve moei Ottilia nimmer terugzien. Die +goede ziel! zij heeft mij voor mijn vertrek nog een geborduurden +hanger vereerd voor mijn dolk. Wat zal zij treuren, als zij hoort +dat haar neefje, dat haar altijd zoo plaagde, zoo jammerlijk aan zijn +eind is gekomen." + +"Arme jongen!" zuchtte Deodaat:--"maar helaas! gij zijt nog gelukkiger +dan ik:--want niemand--neen niemand zal mijnen dood beweenen.--Wat +zeg ik?--Reinout wellicht.... en misschien ook...." + +"Ja, welzeker zal zij u ook beweenen," zeide Zweder, de gedachte +van Deodaat aanvullende: "maar wat hamer! laten wij niet dwaas zijn +en als kinderen schreien, terwijl er misschien nog redding mogelijk +is. Zoolang er leven is, is er nog hoop. Gij noemdet uw vriend Reinout; +dat doet mij ergens aan denken. Is hij niet, althans volgens uwe +meening, op een dolk naar beneden gereden?" + +"Hoogstwaarschijnlijk! Maar dat kan ons hier niet baten; want dan +vallen wij des te eerder in de handen onzer bespringers." + +"Alles moet beproefd worden," zeide Zweder: en tevens zag hij de +opening uit, door welke zij in den toren gekomen waren. Het trapje, +de gang en al de zolders aan deze zijde waren ingestort; maar +de drie muren van den vleugel waren, gelijk hierboven gezegd is, +blijven staan, en verhinderden, dat iemand hen van beneden zien +kon. Zweder keek naar beneden; maar de oneffenheden van den muur +en de hier en daar vooruitspringende brokken van boog- en muurwerk, +die nog aan den toren vast waren blijven zitten, beletteden hier de +uitvoering van het ontkomingsmiddel, door Reinout gebezigd. Ook had +alleen Zweder een dolk, die door zijn vorm weinig geschikt was om +dat middel te beproeven. + +"Maar gij hebt een touw," zeide Deodaat.--"Er ware nog +mogelijkheid...." + +"Ik heb het," riep Zweder, verheugd: "ik heb het.... Wacht! Eerst +moeten wij zorg dragen, dat zij ons niet verrassen. Het wordt tijd; +want ik geloof waarlijk, dat zij al aan 't klimmen zijn." + +En onder het spreken dezer woorden keerde hij zich om en +zag in den toren naar beneden, waar de Friezen reeds een paar +aaneengebonden ladders tegen de eerste zoldering aangezet hadden, +en zich gereedmaakten, die te bestijgen. Haastig greep nu Zweder de +middelste trapladder bij de bovenste sport, rukte die met de kracht der +wanhoop uit de krammen, trok haar vervolgens met behulp van Deodaat +van haar steunpunt los, hield haar een oogenblik boven den openen +koker verheven en liet toen de handen los. Het lang en zwaar gevaarte +stortte naar beneden, verbrijzelde de ladders der Friezen, deed een +aantal van hen bloedende en vloekende op den vloer nedertuimelen en +sprong zelf tegen de zerken tot spaanders. + +"Ziezoo!" riep Zweder: "nu zullen zij ons vooreerst met vrede +laten. Wat ons betreft, wij moeten denzelfden weg uit, dien wij +gekomen zijn. Het smeult en rookt nog wel wat beneden; maar des te +beter; zooveel te minder zullen zij ons komen hinderen." + +En nu, met spoed het touw losgewonden hebbende, dat hem om het lijf +zat, sloeg hij het dubbel om een plank, die hij uit den vloer losbrak, +liet de beide einden de opening uithangen en plaatste de plank dwars +daarvoor: waarna hij zich naar buiten liet afglijden. Toen hij niet +lager kon, en bemerkte dat hij nog ruim twintig voet boven den grond of +liever boven het ingestorte puin was, slingerde hij zich op een tegen +den muur in een nis gemetseld voetstuk, en klemde zich aan de nog heete +krammen vast, welke gediend hadden om een standbeeld tegen te houden, +dat half verteerd beneden lag. Deodaat volgde zijn voorbeeld, liet zich +insgelijks aan het touw af glijden en stond weldra aan zijn zijde; +waarna zij dadelijk het touw naar zich toe trokken en het aan een +vooruitspringenden boog nevens hen vastmaakten. Zij daalden hierop +lager af, zich nu eens van Zweders strijdbijl, welke zij over de +steenbrokken vasthaakten, dan weder van den dolk, dien zij tusschen +de openingen staken, bedienende, om de reis naar beneden gemakkelijk +te maken. + +Zij stonden eindelijk boven het rookende puin en door het vierkant +der muren voor aller oog verborgen; maar het was er verre af, dat zij +zich nu buiten gevaar konden achten. Integendeel, zij hadden slechts +het eene met het andere verwisseld. Want vooreerst stond hun elk +oogenblik een bezoek der conversen te schromen, die wellicht spoedig +zouden komen om den brand te blusschen en te redden wat nog redbaar +was: en ten anderen verkondigde hun de onverdraaglijke hette van het +brok steens, waarop zij stonden, dat het vuur nog onder hun voeten +blaakte en dat zij kans liepen bij een nieuwe ineenstorting van het +puin in den gloed te vallen en jammerlijk om te komen. Al trippelende +en met verschroeide ledematen sprongen zij van den eenen hout- of +steenhoop op den anderen, nu eens op den rechtervoet staande, dan +weder, wanneer zij de pijn niet langer verduren konden op den linker +rustende: ja somtijds omvatteden zij een over de bouwvallen liggenden +en half verzengden balk met beide armen en lieten de beenen hangen, om +die een oogenblik rust te gunnen. Opeens deed Zweder een ontdekking, +welke hem met blijdschap vervulde. Hij zag namelijk onder zich een +donker gat, hetwelk hem toescheen, naar een gewelf te geleiden. + +"Daarheen!" fluisterde hij, den Ridder aanstootende: en, zich van +een omgestorte plank latende afglijden, waren beiden weldra, schoon +met deerlijk gebrande handen, nabij de opening. + +"Hier is de kelder van de vrome vaders," zeide Zweder: "of ik bedrieg +mij grootelijks. Laat ons den ingang onzichtbaar maken, dan houd ik +het er voor, dat wij vooreerst gered zijn." + +En, de handen aan 't werk slaande, stapelden zij, hoe pijnlijk hun +deze verrichting ook viel, met allen spoed een menigte brokken steens +en gezengde balken en planken tegen de opening, alleen zooveel ruimte +overlatende, dat zij er op handen en voeten konden binnenkruipen. Een +treurige gewaarwording overviel hen, toen zij, bij het opruimen van +het puin, op eenmaal twee verzengde lijken, waarschijnlijk van hun +makkers, ontdekten. + +"Die arme halzen!" zeide Zweder: "zij trokken nog kort geleden zoo +wakker met mij de kerkramen door.--Maar wacht! zij kunnen ons nog na +hun dood van dienst zijn!"--En meteen zich van zijn kuras ontdoende, +gespte hij het om een der lijken; terwijl Deodaat, zijn oogmerk +radende, zijn pij uittrok en daarmede het andere omhing, waarna zij +de twee lichamen aan den voet des torens sleurden en vervolgens in +hun schuilplaats kropen. + +"Ongelukkig," zeide Zweder, in de duisternis rondtastende, "dat al +de wijnvaten hier vandaan zijn gehaald. Mijn keel is even verschroeid +als mijn voetzolen en ik gaf het halve erfdeel mijns vaders voor een +frisschen dronk, al was het dan ook maar koud water." + +"Een krijgsman moet honger en dorst kunnen lijden, mijn goede +Zweder!" zeide Deodaat: "en bovendien moet gij u niet te zeer +beklagen, dat de wijnvaten weg zijn: wij hebben nu te minder kans, +door de dorstige monniken bezocht te worden." + +"Dat is waar!" zeide Zweder, terwijl hij zich op den vloer uitstrekte +en het heete gelaat tegen den vochtigen grond verkoelde: "want waar +iemand zijn schat heeft, daar is ook zijn hart." + + + + + +ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK. + + + En na veel droefheydt komt een heuchelyck verblyden + Door 't wercken van de tydt, die alles openbaerdt, + Waer door verburghen waerheyts lichte wordt verklaert. + + Rodenburg, Melibea. + + +Ruim tien dagen waren verloopen, sedert de merkwaardige geschiedenissen +hadden plaats gehad, in de vorige Hoofdstukken vermeld. De eerste +vervoering van uitbundige blijdschap, door de zegepraal der Friezen +verwekt, was voorbij en had plaats gemaakt voor een diepe en plechtige +kalmte, gelijk aan die, welke men in de natuur gewoonlijk ziet volgen +op het woeden van den storm. Ja het scheen, alsof het gewicht zelf +hunner overwinning, die meer volkomen en beslissend geweest was dan +de hoogst gespannen verwachting zich had durven beloven, de gemoederen +der Friezen vervaarde en ter nederdrukte. Bij verreweg de meesten had +het vuur des ijvers, dat na den afloop van den slag in aller oogen +fonkelde, en de glans van opgewonden vreugde, welke ieder gelaat deed +schitteren, plaats gemaakt voor nedergeslagen blikken, die als het +ware vreesden elkander te ontmoeten: en op veler wezenstrekken was +angstige bezorgdheid voor de toekomst te lezen. De onversaagde helden, +die zoo moedig hun onafhankelijkheid bevochten hadden, geleken thans op +vreesachtige schoolknapen, die, na in een opstand hun leermeesters en +opzieners verdreven, en zich in hun schoolgebouw achter versperringen +verschanst te hebben, van hun wilde verbijstering teruggekomen, met +schrik de gevolgen overdenken, waarop hun vermetelheid hun eenmaal +zal te staan komen, en gaarne de verkregene lauweren zouden willen +afstaan voor de zekerheid van weder in genade te worden aangenomen. + +Een schouwspel, hetwelk, op den elfden dag na de overwinning, aan +Friesland gegeven werd, bracht niet weinig bij, om de algemeene +somberheid te vermeerderen. Het was een dier stille en plechtige +najaarsochtenden, waarin de sterveling tot ernst gemaand wordt door +den aanblik der natuur, aan een grijsaard gelijk, die de dagen zijner +jonkheid schijnt te betreuren en zich in het lijkgewaad te hullen, +als om den naderenden doodsslaap te verbeiden. De zonnestralen +waren aan het gezicht onttrokken door een dichten neveldamp, die +als een sluiergaas over het groene veld lag heen gespreid. Treurig +en naakt, verhieven hier en ginds enkele slecht opgegroeide boomen +hun bladerlooze kruin: geen enkel zuchtje beroerde de oppervlakte der +binnenwateren, noch roerde de gerimpelde bladeren aan, die op enkele +plaatsen hof en weg als met een goudgelen mantel bedekten. Geen +vroolijk gevogelte trok in dit anders zoo levendige jaargetijde +door de lucht; alleen brak hier en ginds een raaf, op een staak of +boomtronk gezeten, de stilte af met zijn krassend geschreeuw. Een +talrijke optocht, voor den dageraad van uit de omstreken van Stavoren +vertrokken, en die meer uit beweegbare beelden dan uit levende +menschen scheen te bestaan, volgde met langzamen tred den landweg, +die langs het vischrijke meer van Parrega, van Workum naar Bolsward +geleidt. De visscher, die, in zijn boot staande, bezig was met het +ophalen zijner vangst, liet, als de trein voorbijging, zijn net weder +vallen, en afvragende, of het ook een legioen van booze geesten ware, +dat zoo twijfelachtig door den nevel voorttrok, ontdekte hij zich de +kruin en zeide een _pater_ op. De doggen, die voor stulp of hoeve +waakten, schenen hun anders zoo woeste geaardheid te verliezen en +kropen met ingetrokken staart en hangende ooren achter hun meester, +die, zelf op zijn erf nederknielende, de gebeden voor de afgestorvenen +opzeide en niet opstond, voordat de laatste man van dien talrijken +sleep voorbij was. Slechts enkelen wierpen op het treurige schouwspel +een blik van zegepraal en hoogmoed; maar weldra gleed een medelijden, +waarvan zij zich nauwelijks rekenschap wisten te geven, hun boezem +in, en keerden zij huiswaarts, nadenkende over het onbestendige en +wisselvallige der ondermaansche zaken. + +En wel was die optocht geschikt om de zielen tot nadenken te bewegen; +want hij was uitgetrokken om een lijkbaar naar de grafplaats +te brengen: en in die lijkbaar was het half vergaan en ellendig +overschot vervat van Willem, Grave van Henegouwen, van Holland +en Zeeland. Wat bleef er van hem, den bedwinger van Utrecht, die, +weinige dagen te voren, toen hij het glansrijkste leger ter wisse +zege meende te voeren, zich, met een in hem verschoonbaren hoogmoed, +den machtigsten aller Heeren, den meester aller soldaten, den evenman +der Koningen noemde? Helaas! niets dan een onkenbaar rif, waaraan +niet dan met moeite een graf verleend werd. En welke was de vrucht +geweest van zijn wakkere oorlogsfeiten, met wier roem hij de wereld +vervuld had?--Geen andere, dan dat hij een schatkist achterliet, +berooid en uitgeput door de ondernemingen, waartoe hem zijn staatzucht +vervoerd had, en een erfgoed, over welks bezit een twist stond uit +te barsten, die eeuwen lang na hem zou blijven woeden, en Holland +tot een eindelooze bron van bloed en tranen verstrekken moest. + +De trein, die het lijk vergezelde, was tot Workum toe voorafgegaan door +de geestelijken van Sint-Odulf, wier parochiaal toezicht aldaar een +einde nam. Daar ter plaatse waren zij in de achterhoede teruggevallen, +hun plaats overlatende aan de monniken van Bloemkamp of Oldeklooster, +die, door de banier- en kruisdragers voorafgegaan, en het hoofd +met hun kappen bedekt, langzaam vooruittraden. Een vreemdeling, die +hun deemoedige, eerbiedige houding en hun naar den grond geslagene +blikken aanschouwd had, zou zich niet hebben kunnen voorstellen, die +zelfde lieden te zien, welke kort te voren, met de wapens in de hand, +bij trompetgeschal ter slachting trokken en met onmenschelijke woede +hun weerloozan vijand ontzielden, ja nog na zijn dood mishandelden, +die zelfden, die wellicht eenen dag daarna opnieuw naar het moordtuig +zouden grijpen, om hun wapenbroeders van de vorige maand met een +binnenlandschen krijg te bezoeken. + +Na hen kwam, gevolgd van een deel zijner Ridders, de Commandeur der +Sint-Jans-Ridders te Haarlem, Heer Hugo van Koukerk. Hij was het, +die, zoodra de ontzettende maar der nederlaag Holland in rouw was +komen dompelen, zich naar Friesland begeven had, om voor de in den +strijd gevallene helden een eerlijke begrafenis te verzoeken. En, +wat vreemder scheen, hij was het, die aan de overwinnaars de eerste +tijding bracht, dat de Graaf zelf zich onder de gesneuvelden bevond; +want niemand had zich aldaar over den rang of de hoedanigheid der +omgebrachte vijanden bekommerd, die door het woedende gepeupel +eerst naakt waren uitgeschud en vervolgens op hoopen gestapeld, +om op het slagveld te blijven rotten:--een wreedaardig gebruik, +waarmede de Friezen, evenals vroeger de Germanen, zoozeer gehecht +aan lijkplechtigheden wanneer het hunne eigene dooden betrof, gewoon +waren hun verachting voor hun vijanden uit te drukken. + +Het was dan ook alleen het lijk des Graven, hetwelk de Friezen, op het +smeeken des Commandeurs en op de voorbede van een nog hoogeren persoon +(dien wij straks terug zullen vinden) besloten aan een gewijde aarde +te schenken: en nog zelfs te dezen opzichte kon de Haarlemmer zijn +wensch slechts ten deele bereiken: want men wilde hem niet toestaan, +het overschot zijns meesters met zich te voeren, en men bepaalde, +dat het als een blijvend pand en gedenkteeken der overwinning, in een +der Friesche kloosters, en wel in dat van Bloemkamp, zou begraven +worden. Lang duurde het, eer men het misvormde lijk van onder den +stapel der half bedorven lichamen had teruggevonden: en de oogen +der vriendschap konden hun tranen niet bedwingen, toen het Koukerk +eindelijk te beurt viel, zijn voormaligen meester aan de lange, +golvende haarvlechten, welke hem aan den bloedigen schedel kleefden, +te herkennen. + +Achter de lijkbaar, welke met een effen zwart kleed overdekt, en +zonder eenig praalteeken, op eenige overdwars geplaatste lansen rustte +en door een twaalftal knapen werd gedragen, volgden eenige lieden, +zoo te paard als te voet, allen bedekt met rouwkappen, welke hun +gelaat aan ieders oog onttrokken. De meesten van hen waren Friesche +Edelen, die of, gelijk Aylva, Martena en anderen, grootmoedig genoeg +waren om aan hun vijand de laatste eer te willen bewijzen, of die +door het bijwonen der lijkplechtigheid hun eigenliefde en hoogmoed +gestreeld vonden. Maar er bevonden zich ook enkele Hollanders bij, +die ter liefde van hun Graaf waren overgekomen en, na vrijgeleide +bekomen te hebben, door hun Friesche bekenden met de meest voorkomende +gastvrijheid waren ontvangen. Er was onder hen een grijsaard, gelijk +men aan gang en houding bespeuren kon, maar die nog meer door het +verdriet dan door het gewicht der jaren leed: de oude Paypaert, +de Wapenkoning van Holland. Het was niet slechts de dood zijns +meesters, welke hem zoozeer bedroefde; want hij had reeds te veel +Heeren naar hunne laatste stede begeleid, dan dat hem de dood van +dezen zoo diep zoude treffen, neen! zoo hij in sprakelooze wanhoop +voorttrad, het was omdat hij geheel vruchteloos was overgekomen, +omdat hij, aan wien bij de begrafenis van zoovele vorsten altijd het +opperbestier was opgedragen geweest, zijn aanspraak op dat recht door +de Friezen had zien tegenspreken of verachten, en gedwongen was een +lijdelijk aanschouwer te zijn van de in zijne oogen onbetamelijke, +ja schandelijke wijze, waarop men een Vorst als Graaf Willem naar het +graf voerde. Zoolang echter de plechtigheid duurde, gaven alleen zijn +somber gelaat en neergeslagene oogen het ongenoegen en de smart te +kennen, die hem vervulden; want het druischte natuurlijk tegen al zijn +beginselen aan, gedurende een lijkdienst te spreken; maar toen hij de +reize huiswaarts aannam, en zich niet langer behoefde te bedwingen, +liet hij niet af van zich bij zijn reisgenooten te beklagen: en toen +hij zelf kort daarna (waarschijnlijk aan de gevolgen van verkropte +gramschap) overleed, waren zijn laatste woorden, dat het land te +gronde ging, nu men had kunnen dulden, dat de laatste Vorst als een +gewone dorper was onder den grond gestopt. + +De monniken van Sint-Odulf sloten, gelijk wij reeds boven hebben +aangemerkt, den trein, die bovendien vergezeld werd door een bende +welgewapende ruiters, ten einde te verhoeden, dat niet het grauw in +blinde woede zijn wraak nog aan het overblijfsel des Graven koelde, +of op een andere wijze de plechtigheid stoorde. Deze voorzorg bleek +echter onnut te zijn; want alles liep rustig en betamelijk af. + +Het begon reeds avond te worden, toen de stoet den eindpaal van zijn +tocht bereikte, zijnde het Oldeklooster, dat, gelijk bekend is, in de +nabijheid van het oude dorp Hartwert, een uur gaans ten noordoosten +van Bolsward aan den oever der Middelzee gelegen was. Daar wachtte een +groote schaar van toeschouwers buiten het erf, en de Abt Meikulfus +met zijn geestelijken op den dorpel, het lijk des Graven af, dat +terstond binnen de kerk gedragen werd, alwaar de lijkmis gevierd +moest worden. Hij, die het bestier dezer plechtigheid zou voeren, +en in zijn plechtgewaad uitgedost achter het outer stond, was geen +minder persoon dan de Bisschop van Utrecht zelf. Sierlijk staken de +fraaie houding en edele gelaatstrekken des gemijterden jongelings af +tegen de grove gestalte en het plompe uitzicht van den Abt van Lidlum, +tegen de logge gedaante van Vader Volkert, tegen de onbeduidende, +boersche figuren der kloostervoogden van Luidinga-kerke, Mariëngaarde, +of andere gestichten, die hem omringden, en tegen het ineengedrongen, +onbeschofte voorkomen des Bloemkampers, die tegenover hem met het lijk +aankwam. Jan van Arkel had, een paar dagen na den slag bij Stavoren, +en zoodra hij vernam dat Friesland rustig was, van uit de Kuinder, +waar hij (gelijk wij hierboven vermeld hebben) zijn intrek genomen +had, eenige geestelijken aan de overwinnaars gezonden om hun zijn +gelukwenschingen over te brengen en tevens voor 's Graven lijk een +eerlijke rustplaats te verzoeken: terwijl hij zelf kort daarna in +Friesland verscheen, en aldaar de kloosters met menig voorrecht +begiftigde. Hoewel het bijna aan niemand onbekend was, dat hij den +Graaf op zijn tocht vergezeld en hem hulp toegezegd had, was er echter +niemand, die hem dienaangaande eenig verwijt dorst te doen; want +eensdeels had hij iets zoo gulhartigs en oprechts in zijn voorkomen, +dat men, hem hoorende spreken, zich tegen beter weten aan gedwongen +gevoelde, zijn betuigingen voor goede munt aan te nemen: en ten anderen +waren, zooals vroeger gezegd is, de Friezen over hun overwinning +versuft: de Stellingwervers en het Oversticht waren gewapend: en men +wilde Jan van Arkel liever tot vriend dan tot vijand hebben. + +Welke waren de gevoelens, die het hart des Bisschops vervulden, +toen hij het gewijde nat over de doodbaar en het graf zijns vijands +sproeide, of toen hij, nedergeknield, den plechtigen lijkdienst voor +de rust van Willems ziel bestuurde? Het is aan niemand gegeven, des +menschen boezem te peilen; maar zoo andere gemoedsbewegingen, dan die +met het heilige werk, dat hij verrichtte, overeenstemden, de ziel +van Arkel bewoonden, de kalme en in zich zelf gekeerde uitdrukking +van zijn gelaat verraadde die niet. Hij scheen tot het einde toe +doordrongen te blijven van het gewicht zijner bediening en van het +plechtige des oogenbliks. Niemand intusschen kon hem van huichelarij +betichten: want er vloeide geen valsche traan langs zijn wangen; en +toen hij na afloop van den dienst en aan het daarop volgend lijkmaal, +over den afgestorvene eenige woorden sprak, weidde hij niet over +'sGraven hoedanigheden uit; maar vergenoegde zich, op een ernstige +en gepaste wijze zijn toehoorders over het nietige van alle aardsche +grootheid te onderhouden. + +Terwijl dit binnen de muren van Oldeklooster voorviel, was het verdrag +van Utrecht verbroken, en liepen 's Bisschops dienstmannen Holland +af, zich weder van de veroverde plaatsen meester makende en het land +brandschattende. + + * * * * * + +Wij moeten ons thans verplaatsen in de groote stins van Aylva bij +Scadaert in Wonseradeel, waarheen zich Madzy kort na den slag bij +Stavoren begeven had, ten einde de besmetting te ontwijken, welke men +vreesde, dat de verpestende lucht der rottende lijken in den omtrek +van genoemde stad zou teweegbrengen. Van dit nieuwe verblijf der +Jonkvrouw waren wij voornemens een uitgebreide en ongetwijfeld hoogst +belangrijke beschrijving te geven, waartoe de bouwstoffen reeds gereed +lagen; maar de vrees, dat onze bescheidene lezer (bemerkende dat hem +slechts weinige bladzijden meer ter inzage overschieten, en zoo al +niet naar de ontknooping, dan althans naar het einde verlangende) +met die beschrijving een weinig vrijer zou kunnen omgaan, dan voor +onze eigenliefde streelend ware, namelijk: dat hij die geheel mocht +overslaan, heeft ons doen besluiten omtrent deze stins van Aylva niets +anders te zeggen, dan dat het een oud, ruim, hecht en weldoortimmerd +Huis was, met zijn torens, ophaalbrug en gracht, naar den Saksischen +trant gebouwd, en, de tijden in aanmerking genomen, van binnen met +smaak en pracht gemeubileerd. Voor 't overige was het, uithoofde +eener oude gehechtheid, Aylva's geliefkoosd verblijf, ofschoon deze +eigenlijk, gelijk wij hoogerop verhaald hebben, zijn meeste goederen +en betrekkingen in Oostergoo had, waar hij insgelijks een paar kleiner +stinsen bezat. + +Op den morgen dan na de hierboven beschrevene plechtigheid, was +Madzy met vader Syard in de gewone huiskamer van gemelde stins +gezeten. Zij scheen door eene diepe smart ter neergedrukt en slechts +onwillige ooren te leenen aan de woorden van vertroosting, welke +de monnik tot haar sprak. En waarlijk, haar droefheid was van dien +aard, dat alleen een sterk gestel haar in staat kon stellen die te +verduren zonder tot ijlhoofdigheid te vervallen; want de tijding, +welke die veroorzaakt had, zoowel als de omstandigheden, waarmede die +gepaard ging, waren treffend en hartverscheurend. Wij hebben vroeger +verhaald, hoe Daamke van Reinout last bekomen had, om het geschrift, +dat op een zoo zonderlinge wijze uit zijn tooverkast was te voorschijn +gekomen, aan Aylva te bezorgen. De moed van den goeden hansworst was +intusschen niet verheven genoeg, om hem aan te drijven den Olderman +te Stavoren of te Sint-Odulf te gaan opzoeken, en alzoo nieuwe +tooneelen van moord in den mond te loopen, waarvan Daamke uit zijn +aard afkeerig was. Hij koos dus liever een omweg, en alle aanraking +met krijgslieden vermijdende, reed hij bedaard heen naar Awert-State, +waar hij voornemens was Aylva af te wachten. Madzy, die aldaar reeds +bezig was met het verplegen van eenige derwaarts gebrachte gewonden, +had zoodra de komst van Reinouts dienaar niet vernomen, of zij liet +hem voor zich verschijnen, ten einde eenig bericht aangaande den slag +te ontvangen: en misschien ook wel, om hem te ondervragen betreffende +hetgeen haar door vader Syard was medegedeeld. Nauwelijks had Daamke +haar het verlangde verslag gedaan, en haar, onder vele betuigingen +van verbazing over Reinouts gedrag, hetwelk hij aan ijlhoofdigheid +toeschreef, bericht gegeven van zijn boodschap aan den Olderman, +of zij verlangde den brief te zien; en, hoewel den inhoud, die in +de Italiaansche taal geschreven was, niet verstaande, bemerkte zij +dadelijk aan de onderteekening, dat dit stuk hetzelfde moest zijn, +waarvan de monnik met haar gesproken had. Ontzet over het gevaar, +dat Deodaat boven het hoofd hing (want zij had van verre Sint-Odulf +zien branden) en het hart door het pijnlijkste voorgevoel beklemd, +gaf zij last aan Daamke, zich onmiddellijk naar Stavoren te begeven, +den Heer van Aylva op te zoeken en hem den brief ter hand te stellen; +maar op dit zelfde oogenblik kwam haar voogd terug, die, zooals wij +gezien hebben, zijns ondanks door Feiko was overgehaald Sint-Odulf +te verlaten, en haar, terwijl zij nog bij zich zelve overdacht hoe +zij het aan zou vangen om hem den brief mede te deelen, het treurige +bericht gaf, dat Deodaat naar alle waarschijnlijkheid in den brand +van Sint-Odulf was omgekomen. Hoe verplet over deze maar, welke al de +zoete uitzichten van geluk, die een oogenblik te voren haar voor den +geest gezweefd hadden, ter neder wierp, behield Madzy echter kracht +van ziel genoeg om te beseffen, dat in deze omstandigheden het reeds +zoozeer geschokt gestel van haar voogd voor nieuwe ijselijkheden +gespaard moest blijven: ja, dat het hem wellicht een instorting en +het leven kosten zoude, indien hij thans vernam, dat die Deodaat, +wiens dood hij betreurde, geen vreemdeling, maar zijn zoon was +geweest. Zij zweeg dan en legde aan Daamke (die buitendien niets +wist) het stilzwijgen op: zij bedwong, zooveel dit in haar vermogen +was, de aandoeningen harer ziel, terwijl de tranen die zij stortte, +door Aylva niet ten onrechte aan haar liefde voor den overledene +werden toegeschreven en met welwillendheid verschoond; hij toch +kon zich die te beter verklaren, daar hij zelf, zonder de reden +daarvan te beseffen, meer leed gevoelde over het lot van Deodaat, +dan over het gedrag van Reinout. Dit laatste werd, als te denken +valt, door de overige Friezen met den naam van afschuwelijk verraad +bestempeld; maar Aylva verschoonde het, uithoofde van 's jongelings +vroegere betrekking met Beaumont: ja zelfs beurde hem het denkbeeld +eenigszins op, dat de jongeling, wien hij zich nog niet had kunnen +gewennen als zoon lief te hebben, hem voor altijd verlaten had: en +Madzy's eenige troost in al haar lijden was de zekerheid, dat zij +de aanzoeken van dien minnaar niet meer te vreezen had: terwijl het +haar voorts eenigszins welkom was, dat de Olderman, ten gevolge der +landsaangelegenheden, meest van huis was, en zij in eenzaamheid aan +haar droefheid den vrijen loop kon laten. + +Vader Syard was de eenige, die van het vreeselijke geheim bewust +was en den toestand kende van Madzy's hart. Hij was op den avond +na de slachting te Sint-Odulf op Awert-State gekomen en had aldaar +Madzy's voornemen, om het geheim voor Aylva te verzwijgen, vernomen en +goedgekeurd. De aanleiding zijner tegenwoordige komst op Aylva-stins +was, om haar mede te deelen, dat het, na vele nasporingen, aan de +arbeiders eindelijk gelukt was, het lijk van Deodaat terug te vinden, +en dat wel aan den voet des torens, waaruit het hem, vader Syard, +thans vermoedelijk voorkwam, dat de jongeling zich had nedergestort: +dat men hem herkend had aan de koopmanspij, welke hij aanhad bij zijn +komst te Stavoren; doch dat het gelaat onkenbaar was geworden door +het vuur: dat wijders op het erf zelf van het klooster op last van +den Abt een diepe kuil gegraven was, waar al de binnen den grond van +Sint-Odulf gesneuvelden een rustplaats zouden hebben, en dus, hetgeen +Madzy zeker tot vertroosting zijn zou, in gewijden grond. De vrome man +beloofde daarenboven aan de bedroefde Jonkvrouw, dat hij, ingevolge +hare bede, zorg zoude dragen, dat er zielmissen voor den overledene +gelezen werden, ter vergelding waarvan zij hem een aanzienlijk +geschenk toezeide ter opbouw van het klooster. Tevens gaf hij haar +zijn verwondering te kennen, dat de Heer van Aylva, wien hij nu en +dan ontmoet had in de te Stavoren en elders gehouden bijeenkomsten, +zich niet meer over Deodaat had uitgelaten, dan eens, wanneer hij den +monnik had te kennen gegeven, dat, hoe bejammerenswaardig een dood de +jongeling gestorven ware, het lot van dezen toch niet verbeterd zoude +geweest zijn, al ware hij voor de vlammen gespaard gebleven; vermits +hij dan voorzeker een slachtoffer van de volkswoede geworden ware. + +Terwijl zij aldus te zamen den droevigen loop bejammerden, welken de +gebeurtenis genomen had, verkondigde het gerucht van paarden op de +slotbrug de terugkomst des Burchtheers van het lijkfeest; en weldra +trad deze binnen met den Abt van Sint-Odulf. + +"Gij wachttet den ouden Heer zoo spoedig niet te huis, mijn +kind!" zeide vader Volkert, naar Madzy toetredende en haar onder +de kin streelende: "wij hebben ook niet lang getafeld. Slechts even +twaalf uren: 't Is waarlijk de moeite niet waard, om er voor aan te +zitten:--nu, 't was ook slechts voor een Hollander; en dan met een +Bisschop tot voorzitter, die geen Fries is, en niet met de gebruiken +bekend. Hij weet zijn gasten niet aan den gang te houden. 't +Is anders een hupsche borst onze Hoogwaardigste.... Sint-Odulf +vergeve mij dat ik zoo van hem spreke; maar hij is vriendelijk en +innemend:--ofschoon ik hem net zooveel vertrouwen zoude als een +kat in een bontwerkerswinkel:--maar van een lijkmaal te bestieren, +daar heeft hij nog geen verstand van. Dan ging het anders, toen Seerp +Van Adeelen begraven werd: dat duurde drie dagen: en van de honderd +personen, die er onthaald werden, gingen er geen vijf op hun beenen +naar huis.--Zoo! en broeder Syard ook hier! 't Is of gij het geraden +hadt, Broeder! dat ik herwaarts komen zou." + +"Uw Eerwaarde had mij gelast, rond te reizen, ten einde giften in te +zamelen bij geloovigen, ter herbouwing van ons gesticht," zeide de +monnik: "en het is mij aangenaam u te kunnen mededeelen, dat ik hier, +wel niet buiten, maar toch boven verwachting geslaagd ben." + +"Zeer goed! daar twijfel ik niet aan," zeide vader Volkert, zich +nederzettende: "liefdadigheid is altijd een deugd van ons lief +Dekamaasch Roosje geweest. Maar komaan, mijn engeltje!" vervolgde +hij op een vroolijken toon (want de wijn van het lijkmaal, al had +dit te kort naar zijn zin geduurd, was echter goed genoeg geweest +om hem in een vroolijke luim te brengen): "gij moet u wat opbeuren; +indien gij zoo droevig kijkt, en uw wangen zoo bleek blijven zien, +zouden wij genoodzaakt zijn u in 't vervolg de Lelie van Dekama te +noemen: en dat ware jammer;.... hoewel misschien meer naar den aard; +want gij voert toch een lelie in uw wapen." + +"Bevindt gij u ongesteld?" vroeg Aylva, Madzy met deelneming naderende +en haar de hand drukkende. + +"Wel, zou dat wonder wezen?" zeide de Abt: "'t is ook wat erg, zoo +twee vrijers op éénen dag te verliezen. 't Is waar, uw zoon kan nog +terugkomen, ofschoon ik hem tegenwoordig niet raden zoude, zulks te +beproeven; want hij heeft het hier leelijk laten liggen (met verlof +gezegd, en zonder u te beleedigen); maar Seerp Van Adeelen is dood en +blijft dood. 't Is jammer, hij was in den grond een goede vent, en +een echte Fries, maar koppig als een stier; daar weten wij best van +te spreken, mijn vriend Aylva en ik: hij was lastig genoeg op reis; +maar dat alles daargelaten, kindlief, gij moet u wat opvroolijken, +zooals ik zeide: denk maar aan de oude profetie: het is immers alles +uitgekomen, en volgens de laatste woorden, moet het u nu weer goed +gaan; want de plunje des Graven is de roof der Friezen geworden." + +"Helaas!" zeide Madzy, terwijl zij het hoofd weemoedig schudde en haar +bleek gelaat treffend afstak bij de karmozijnkleur, die op de wangen +des kloostervoogds prijkte: "ik vrees, dat het laatste gedeelte der +voorspelling alleen onvervuld zal blijven." + +"Toch niet, mijn hartje! toch niet.--Maar van wat anders: gij moet +mij eenige windsels bezorgen en wat boter, eierdooren, nieuwe was en +saffraan, tot een zalf voor twee onzer monniken, die beneden zitten en +zich bijna niet kunnen verroeren van de blaren aan handen en voeten, +ten gevolge van den brand van Sint-Odulf." + +"Ik zal dadelijk aan uw verlangen voldoen," zeide Madzy, zich +gereedmakende om te vertrekken. + +"Een oogenblik, mijn kind!" zeide Aylva, haar terughoudende; "het is +onnoodig, dat gij u daarmede bezighoudt. Ik heb reeds aan Feiko en +aan Sytsken gelast, daarvoor te zorgen." + +"Hoe, mijn waarde voogd?" zeide Madzy, verbaasd stilstaande, want +het was de eerste reize, dat de Olderman haar beletten wilde, een +liefdewerk in persoon te verrichten. + +"Hoe!" herhaalde de Abt: "maar 't is waar ook, ik dacht er niet aan, +dat de twee gebrande broeders nog gezond van harte zijn, en dat, zoo +de Jonkvrouw zelve hen ging verbinden, de wondheelster wellicht nog +meer nadeel zoude doen dan de wond. _Ne nos inducas_.... 't Is waar +ook, maar één ding moet ik toch bij deze gelegenheid zeggen, Heer +Olderman! dat gij namelijk dien schurk van een lapzalver (Daamke, +geloof ik, is zijn naam) uit uw dienst moet jagen; of dat wij het +geestelijk zwaard tegen hem zullen uittrekken." + +"Tegen Daamke!" herhaalde Aylva: "en wat heeft die arme duivel +bedreven?" + +"Met recht noemt gij hem een duivel; althans hij is van degenen, die +den satan, den verleider, dienen en hulp van hem afbidden om kwalen en +ziekten te genezen, verwerpende de middelen, die van God gezegend zijn +en in ons klooster (of nu, och arm! buiten ons klooster) worden bereid +ten dienste van kranksn en gewonden. Heeft hij zich niet onderstaan, +de verworpene die hij is, twee van mijn conversen, waarvan de eene een +balk op zijn schouder gekregen en de andere zijn dij deerlijk gebrand +had, te herstellen met een Italiaansche tooverzalf, die zeker in de +apotheek van den kwaden vijand is klaar gemaakt?" + +"Ik heb het middel onderzocht," zeide broeder Syard: "het komt mij +voor, niets anders geweest te zijn, dan wat spek en laurierbladen." + +"Wie had u opgedragen, u met dat onderzoek te belasten?" vroeg de +Abt eenigszins ontevreden: "om 't even wat men u vertoond heeft: ik +zeg alsnog: er zijn duivelsche ingrediënten bij. Denken wij altijd: +_libera nos a diabolo_: verlos ons van den Booze.--Maar, om van dien +verwaten mensch af te stappen: gij zijt altijd netjes en keurig als een +serafijntje, Freule! maar heden toch zullen de beste pronksieraden uit +de kas dienen voor den dag te komen; want het is geen gewoon bezoek, +dat op Aylva-stins verwacht wordt." + +"Geen gewoon bezoek!" herhaalde Madzy: "en wie kan er dan komen voor +wien ik mij meer zou moeten opschikken, dan voor uw Eerwaardigheid?" + +"Het is zooals de vrome vader zegt," zeide Aylva: "de Bisschop van +Utrecht zal onze nederige woning met een bezoek vereeren, en wij +zullen dus eenige schotels meer aan den disch moeten hebben." + +"De Bisschop!" herhaalde Madzy, verbleekende: "de Bisschop van +Utrecht!" + +"Nu ja!" zeide de Abt: "gij behoeft daar niet zoo voor te schrikken: 't +is geen oude weerwolf, die u aan zal zien alsof hij u wilde verslinden; +maar een aardig, beleefd jonkman, die zijn woord wel weet te doen:--'t +zou mij niet verwonderen, zoo hij dames medebracht; want er is heden +een heel troepje vrouwlui te Bolsward aangekomen; en zoo ik hoor, +vroegen zij naar den Bisschop." + +"Hij zal zijn bijzitten toch niet hier brengen!" mompelde Aylva +binnensmonds:--"maar neen; dat kan niet zijn. Een Arkel heeft daartoe +te veel gevoel van betamelijkheid.--Nu Madzy!" vervolgde hij overluid: +"doe uw best, mijn kind! want ik verzeker u, de Bisschop is een +kenner aan tafel en weet over pastijen en taarten te redeneeren als +de beste kok." + +"Ik zal.... ik zal uwe bevelen volgen...." stamelde Madzy: "maar ik +vrees.... zoo slechts de tijd mij niet ontbreekt.... Heilige Maagd! wie +kon dat verwachten?" + +"Wat verwachten?" vroeg Aylva, verwonderd; maar dadelijk voegde hij er +met minzaamheid bij: "'t is of gij angst hebt voor de komst van iemand, +die u geheel onbekend is. De Bisschop weet, dat gij onvoorbereid zijt: +hij zal het eenvoudige voor lief nemen. Maar hoor! men blaast aan de +slotbrug: daar is hij zelf." + +"En een half dozijn vrouwspersonen met hem," zeide de Abt, uit het +venster ziende: "wat heb ik u gezegd?" + +"Waarlijk?" riep Aylva misnoegd uit: "dat had ik niet van hem +verwacht." + +"En dit is de man, die tucht in onze kloosters zou brengen," zuchtte +vader Syard. + +Eenige oogenblikken gingen voorbij, waarin elk der aanwezigen een diep +stilzwijgen bewaarde. Aylva stond midden in de zaal, in de houding van +iemand, die gasten ontvangen gaat, welke hem slechts half welkom zijn; +maar ten opzichte waarvan hij de vereischte beleefdheid dient in acht +te nemen: de Abt was bezig om zijn gewaad, hetwelk nog bestoven was +van de reis, met een schuiertje op te knappen. Madzy stond als aan +den grond genageld, onzeker of zij gaan of blijven zoude: en vader +Syard was in een donkeren hoek teruggetreden, nieuwsgierig om te zien, +welke houding Arkel zoude aannemen, maar toch gereed om, zoodra hij +zulks gevoeglijk doen kon, het vertrek te verlaten. + +Eindelijk gingen de dubbele zaaldeuren open en de Bisschop trad +binnen; maar zonder eenig gevolg. Hij groette Aylva met wellevendheid, +schudde den Abt op een gulle wijze de hand, en zich vervolgens tot +Madzy wendende, boog hij het hoofd, zonder dat een enkele trek op +zijn gelaat verried, dat hij haar vroeger gekend had. + +"Deze is ongetwijfeld de erfdochter van Dekama," zeide hij, met een +vriendelijken blik tot den Olderman: "voorwaar! wie haar aanziet, +kan gemakkelijk besluiten, dat zij niet langer onder uwe voogdij +zal behoeven te blijven, dan zij zelve verkiezen zal.--God zegene u, +mijn dochter!" + +Madzy boog zich, zonder nauwelijks het oog te durven opslaan: zij kon +bijna niet gelooven, dat de man, die voor haar stond, in geestelijk +gewaad gedost, en die op een zoo minzamen en bedaarden toon tot naar +sprak, dezelfde opbruisende jongeling ware, die te Utrecht aan haar +voeten had gelegen. Eindelijk waagde zij het, naar hem op te zien: +inderdaad, zij kon Arkel bijna niet herkennen, zoo geheel veranderde +hem zijn tegenwoordige kleeding, bestaande uit een reismantel en kap +van best Haarlemsch linnen, dat in breede, niet onbevallige plooien +om zijn welgevormde leden hing: en waaronder hij, in weerwil van de +verbodswetten en kerkelijke verordeningen, een zijden kleed droeg, +rijkelijk met bont geboord, en van voren met een juweelen gesp +gesloten. Een oogenblik nog twijfelde zij, of haar Stichtsche minnaar +zich wellicht een waardigheid had toegekend, welke hij niet bezat; +maar toen hij, om haar verlegenheid en op het zien van de gebaren van +vader Volkert (die, achter Aylva om, niet ophield van haar wenken +te geven, dat zij voor den Bisschop knielen en zijn zegen af moest +smeeken), den glimlach niet bedwingen kon, die op zijn lippen zweefde, +toen hield alle twijfel bij haar op. + +Eindelijk echter kreeg Arkel medelijden met het ontroerde meisje, en +zich tot den Abt wendende: "al die teekens zijn niet noodig," zeide +hij: "ik kom heden niet als Bisschop; maar als vriend.--Maar wie zien +wij daar? broeder Syard, zoo waar ik leve! Kom nader, Broeder! en +geef mij de hand.--Altijd zonder wrok, nietwaar? Verbeeldt u, mijne +Heeren! dat ik dezen goeden vader, zonder het te weten, zes weken +lang in een kelder op Nyenstein heb laten doorbrengen. Ik hoop, +ter vergoeding daarvan, hem eens, zoo mijn invloed iets vermag, in +de vetste Abdij van mijn Sticht te plaatsen;--maar ik zou bijkans +iets vergeten.--Ik kom niet alleen: er is een vreemde dame in mijn +gezelschap.... een vrouw van rang.... en zij is de eerste jeugd +ook al voorbij;" haastte hij zich er bij te voegen, toen hij een +spotachtigen trek op het gelaat van den Abt gewaarwerd: "gij weet, +broeder Volkert! hoe ik over de losbandigheid in uw kloosters denk, +(Sint-Odulf zonder ik uit)--en ik zal hier geen slecht voorbeeld +geven:--die dame is eenigszins ongesteld:--zoude ik de jonkvrouw mogen +verzoeken, haar een oogenblik gezelschap te houden?--Zij bevindt zich +in de benedenzaal." + +Verheugd, een zoo goede gelegenheid te kunnen aangrijpen van zich +uit het gezelschap te verwijderen, haastte zich Madzy, zonder +eenige verdere vragen te doen, het vertrek te verlaten, en aan des +Bisschops verzoek te voldoen. Zij begaf zich naar de benedenzaal, +waar zij werkelijk de persoon vond, waar Arkel van gesproken had, +zittende in een armstoel en omringd van haar vrouwen, die bezig +waren, met haar die zorgen te verleenen, welke haar toestand scheen +te vorderen. Bij den eersten oogopslag was Madzy getroffen door +het innemend gelaat, de fijne leest en het edele, ja vorstelijke, +dat over de onbekende verspreid was. Haar kleeding was eenvoudig en +hield als het ware het midden tusschen het wereldlijk en geestelijk +gewaad: en hoewel zij bovendien thans half nedergebogen was over de +armen van eene harer kamerjuffers, duidde echter het statige en tevens +bevallige, dat haar ook in die min gunstige houding bijbleef, genoeg +aan, dat zij van een edele geboorte was en eenmaal een hoogen rang +bekleed had. De tijd of het verdriet hadden haar gelaatstrekken doen +verkleuren en vermageren en het vuur der gitzwarte oogen getemperd; +maar noch het een noch het ander had eenig nadeel kunnen doen aan de +volkomen zuiverheid des beloops van voorhoofd, neus en kin: en niets +kon meer dan haar hoofd gelijken op een model der Grieksche Niobé, +in was gevormd; ofschoon geene kunst de zachtaardige, onderworpene +uitdrukking van hare oogen had kunnen nabootsen, welke teweegbracht, +dat men haar bij het eerste gezicht liefkreeg, alvorens men er om +dacht om haar als een schoon beeld te bewonderen. + +Het was dan ook met meer dan gewone welwillendheid, en tevens met +eerbied, dat Madzy haar de diensten aanbood, welke het in haar vermogen +was te bewijzen. De vreemde dame, aan wie de Friesche taal onbekend +scheen, en die dit aanbod meer uit den toon dan uit de beteekenis van +Madzy's woorden opmaakte, dankte haar met een minzame hoofdbuiging +en een glimlach, zoo betooverend, als Madzy er nooit een gezien had +(want zij zelve was niet gewoon, voor den spiegel te staan glimlachen) +en hoewel de beide dames elkanders taal niet verstonden, zoo ontsproot +er van het eerste oogenblik een overeenstemming tusschen beiden, welke +haar over en weder op haar gemak bracht. Deze spoedige kennismaking +moge onwaarschijnlijk voorkomen; maar, er zijn menschen, die als +het ware zusterlijke zielen bezitten, wier eerste ontmoeting altijd +aan een herinnering gelijk is, alsof zij elkander niet slechts een +toekomst aanbrachten, maar ook een verleden. + +De onbekende, die in den beginne als door een hevige aandoening +overstelpt scheen, bekwam langzamerhand van haar ontroering, +en terwijl zij nu Madzy met minzaamheid bij de hand had genomen, +en beiden zwijgend elkanders schoonheid bewonderden, trad Sytsken, +die door haar meesteres was uitgezonden om ververschingen te halen, +haastig weder binnen en fluisterde Madzy eenige woorden in 't oor, +welke deze nauwelijks verstaan had, of zij gaf een luiden kreet en +begon over al haar leden te beven. Het was nu de beurt der onbekende, +om tot hare hulp toe te snellen; maar terwijl zij, vergetende dat Madzy +haar niet verstaan kon, naar de oorzaak van haar ontsteltenis vernam, +stoof er iemand, in 't geestelijk gewaad gekleed, de kamer binnen; +doch bleef, bleek als een doek, aan de deur standhouden, als onzeker +of hij terugkeeren, dan voort durfde gaan.--Voor wij echter aan onze +lezers verhalen, wie deze nieuwaangekomene was, moeten wij tot den +Heer van Aylva en zijn gasten terugkeeren. + +"Gij ziet," zeide de Bisschop, zoodra Madzy vertrokken was, tot +den Olderman, "dat ik aan mijn belofte getrouw ben. Maar, mag ik u +thans vragen, of de beide jongelingen, welke ik op mij genomen heb, +als geestelijken vermomd, onder mijne bescherming buiten Friesland +te brengen, hier aanwezig zijn?" + +"Zij hebben ons herwaarts vergezeld," antwoordde Aylva: "niemand +behalve de Abt en ik, benevens een getrouwe dienaar, dragen kennis +van hun bestaan. Zij hebben nog last van de wonden, bij den brand +bekomen; doch ik vlei mij, dat zij desniettemin in staat zullen zijn, +heden met u af te reizen." + +"Ik weet niet," zeide Arkel, glimlachende: "maar ik geloof, dat ik +slechts een van beiden zal kunnen medevoeren." + +"Hoe!" zeide Aylva: ik had mij gevleid, dat uwe Hoogwaardigheid...." + +"_Homo proponit: sed Deus disponit_," zeide de Bisschop, de schouders +ophalende: "maar ik zal het u zelf laten beoordeelen, wanneer gij mijne +redenen gehoord zult hebben. Neen, blijf, broeder Syard!" vervolgde +hij, ziende dat de monnik zich uit bescheidenheid wilde verwijderen: +"de zaak zal toch niet lang meer geheim blijven. Vooraf moet ik den +Heer Olderman vragen, of hij niet nog betrekkingen in Italië heeft, +van welke hij gaarne bericht zoude ontvangen." + +"Bij alle Heiligen!" riep Aylva: "zou het mogelijk kunnen zijn dat...." + +"Dat ik er u tijding van gaf?--Zeer waarschijnlijk. Mij is in de +vorige week in de Kuinder iemand ontmoet, die een boodschap uit +Verona bracht." + +"Uit Verona! Leeft.... leeft Bianca di Salerno nog?" riep de Olderman, +in hevige gemoedsaandoening en de handen samenvouwende. + +"Francesco della Scala, de dwingeland van Verona, is niet meer," zeide +Arkel: "zijn dood heeft de vrijheid hergeven aan zijn echtgenoote, +die sedert jaren in een gedwongen eenzaamheid moest leven." + +"God zij geloofd en geprezen!" riep Aylva: "haar lijden heeft dan +een einde genomen." + +"Zij wilde wel weten," vervolgde de Bisschop, "of de Heer van Aylva, +wien zij vroeger schijnt gekend te hebben, nog harer gedenkt: +en tevens, of een zoon, dien zij in zijn kindsheid aan Carlo della +Scala had toevertrouwd, en die later, volgens het bericht van zekeren +Paolo, haar voormaligen dienaar, aan het hof van Graaf Willem (zaliger +gedachtenis) kwam, haar zou willen erkennen." + +"Of ik haar nog liefheb?" vroeg de anders zoo bedaarde Aylva, thans +geheel verwilderd: "o mijn God! ik heb nooit opgehouden haar te +beminnen!.... ik gevoel mij weder jong.... de dagen onzer jeugd, +de dagen onzer liefde zullen terugkeeren.... ik zal naar Verona +gaan.... ik zal haar den zoon teruggeven, dien zij zien wil.... ik +zal aan Beaumont schrijven. Reinout moet bij hem wezen!" + +"Reinout is haar zoon niet," zeide Arkel: "zoomin als de uwe." + +"Niet!" herhaalde Aylva: "en wie dan...." + +"Bij al wat heilig is!" riep vader Syard, zich voor den Bisschop +nederwerpende! "Hoogwaardigste! zoo u het vreeselijk geheim bewust is, +verscheur dan het hart eens vaders niet." + +"Verscheuren!" zeide de Bisschop: "is Deodaat dan geen Ridder, wien +elke vader trotsch zou wezen, zoon te noemen?" + +"Deodaat!" gilde Aylva, sprakeloos van vreugd en verbazing. + +"Ach!" zuchtte de monnik: "het is al te waar! Deodaat ligt onder het +puin van Sint-Odulf begraven." + +"Neen Broeder!" zeide de Abt, zich een traan uit het oog vegende: +"Deodaat en nog een knaap zijn op den avond na den brand, toen gij op +Awert-State waart, door Feiko halfdood in de kelders van het klooster +gevonden: de Heer van Aylva en ik werden er alleen van onderricht, +en wij besloten de beide jongelingen binnen Scharl verborgen te +houden, uit vrees, dat het volk hen zou ombrengen. Wij hebben er +met niemand over gesproken, ook met freule Madzy niet: want het was, +dacht de Olderman, beter, dat zij den knaap dood waande, dan dat zij +een hopelooze liefde voor hem bleef voeden:--en nu had de Bisschop +ons beloofd, dat hij hen beiden, als tot zijn gevolg behoorende, +zou met zich voeren;.... maar de Heer van Aylva is niet wel! hij +moest wat schrikpoeder nemen." + +"Almachtige! hoe wonderbaar zijn uwe wegen!" riep de monnik: +"ja waarlijk! mijn Heer van Aylva! Deodaat is uw zoon; hier is het +geschrift, dat het u bewijst, de brief zijner moeder: en zoo wij u +dien bedekt hielden, het was, omdat wij den jongeling als verloren +beschouwden." + +"Ik kan niets lezen," zeide Aylva, die, overstelpt van aandoeningen, +in een zetel was neergezonken en vruchteloos de letters poogde te +ontcijferen, die voor zijne van tranen glinsterende oogen schemerden: +"maar wat behoef ik ook iets te lezen? mijn hart had het mij immers +gezegd!" + +"En behalve de getuigenis van uw hart," hernam Arkel, "hebben wij +ook die van Reinout, die op zijn terugtocht met Beaumont de Kuinder +aandeed, en edelmoedig genoeg was, om te erkennen, dat hij alhier +in zijn dwaling een recht had uitgeoefend, dat aan zijn vriend +toekwam. Hij is echter getroost verder gereisd; want hij heeft aldaar +tevens de zekerheid bekomen, dat hij de wettige zoon was van Bianca's +vertrouwde kamenier, en niet van dien verdoemden kwakzalver Barbanera." + +"Barbanera heeft in zijn stervensuur berouw gehad," zeide vader Syard: +"het oordeel over hem komt Gode alleen toe." + +"Uwe bestraffing is billijk," zeide de Bisschop: "en ik verdien +haar. Maar mijn waarde Olderman! hoe zit gij toch die naamteekening +op den brief zoo te kussen. Zoudt gij niet liever uw Bianca zelve aan +'t hart drukken?--Ik verzeker u, zij is het nog wel waardig." + +"Bianca!" riep Aylva, opstaande en wankelende naar den Bisschop +toetredende: "nog wel waardig!.... gij hebt haar dan gezien?.... o +Hemel!.... die vreemde dame, die hier met u.... Hoogwaardigste! zijt +gij een engel of een mensch?" + +"Zij kon niet in Friesland komen," vervolgde Arkel, dat vraagpunt in +'t midden latende, "eer de rust hier was teruggekeerd en ik had op mij +genomen, haar tijding te zenden, zoodra gij gereed zoudt zijn, haar +te ontvangen, en u op de wederzijdsche ontmoeting voor te bereiden." + +Aylva hoorde niets meer; hij snelde de trappen af: en weinige +oogenblikken later lag hij in de armen van zijn gade en van hun zoon. + + * * * * * + +Lange jaren waren voorbijgeloopen en de hand des tijds had de +meesten van hen, die in onze geschiedenis een rol gespeeld hadden, +van het wereldtooneel afgevaagd, toen een vreemdeling, door een enkelen +dienaar gevolgd, op een fraaien zomerdag, langs den kronkelenden weg, +die van Harlingen naar Bolsward geleidt, kwam aangereden. Beiden +schenen reeds bejaarde lieden: maar de gelijkvormige bruinheid +van hun gelaatstrekken, welke ten gevolge van de uitwerking, door +lucht en zonnebrand daarop teweeggebracht, hard als perkament waren +geworden, zoowel als de breede en veelvuldige litteekens, welke wang +en voorhoofd versierden, toonden aan, dat niet alleen de tijd, maar +ook de wisselvalligheden van den krijg het hunne hadden bijgebracht, om +hun lokken en baard te doen vergrijzen. Het uiterlijke van den dienaar +had niets buitengemeens; maar dat des meesters was wel geschikt om de +opmerkzaamheid, en weldra den eerbied des voorbijgangers op te wekken: +en meer dan één landman of kloosterling, die hem op zijn weg ontmoette, +was, na den gewonen groet gewisseld te hebben, op het voetpad blijven +staan om den onbekenden grijsaard na te oogen: ja zelfs gebeurde +het nu en dan, dat deze of gene dorper, (die de weelde zoo verre +dreef van zijn blonde haren onder een hoed of muts te verbergen) +door een onwillekeurige beweging de hand aan zijn hoofddeksel sloeg +en zich de kruin ontblootte. Het was niet de uiterlijke tooi des +vreemdelings, welke dit ongewone eerbewijs teweegbracht; want zijn +kleeding bestond eenvoudig uit een effen bruin gewaad van sergie, +en daarbij behoorende kaper, welke waarschijnlijk lange dienstjaren +gezien hadden, daar men slechts op enkele plaatsen, welke de stof, +de regen en de bloedvlekken gespaard hadden, nog bemerken kon, dat de +kleur oorspronkelijk grijs was geweest. De indruk, welken de onbekende +teweegbracht, had haar oorzaak in de fierheid van zijn oogopslag, +in de vastheid, waarmede hij in den zadel zat, en in de behendigheid, +waarmede hij op zijn gevorderde jaren met zijn klepper wist om te gaan, +een fraai, bruin paard van Andalusisch ras, dat niet dan met ongeduld +den teugel scheen te velen, en welks bestiering, naar men zien kon, +een geoefende, fiksche hand vereischte; want meer dan eens, als zijn +meester even ophield en in gebroken Hollandsch naar den weg vroeg, +begon het met de voorbeenen op den harden kleigrond te krabben, en +de manen te schudden, als wilde het te kennen geven, dat het niets +liever verlangde, dan zijn weg in vollen ren te vervolgen. Zijn +berijder scheen echter ongenegen om aan dit verlangen toe te geven; +maar bleef bedaard doorstappen, nu en dan, links en rechts, uitziende, +of hij het goede spoor was ingeslagen, en somtijds, wanneer hij aan +een kruisweg of driesprong kwam, even stilhoudende, als iemand, die +zich een weg zoekt te herinneren, en een landstreek zoekt te herkennen, +welke hij in vele jaren niet bezocht heeft. Eindelijk, nadat hij weder +een dusdanig onderzoek had in 't werk gesteld, bleef hij zoolang in +diep gepeins voor zich uitzien, dat zijn dienaar begon te vreezen, +dat zij geheel verdwaald waren. + +"Ik heb het u wel gezegd, Heer Ridder," zeide hij met een ontevreden +hoofdschudden, en op dien toon van gemeenzaamheid, welken het deelen +van dezelfde krijgstochten en gevaren niet zelden tusschen Heer en +dienaar ontstaan doet: "wij hadden te Harlingen een wegwijzer moeten +nemen: nu zijn wij het spoor geheel bijster." + +"Dat zijn wij niet, Berthout!" antwoordde zijn meester, terwijl hij op +een breed en hooggebouwd slot wees, dat, recht voor hem, uit het groene +weiland oprees. "Dat is Aylva-state: en dat de Burchtheer te huis is, +bewijst de banier, welke gij op de torenspits ziet wapperen. Zoo ik +een oogenblik weifel, is het, omdat ik nog onzeker ben, welke van al +de wegen, die zich hier vereenigen, als de draden van een spinneweb +in het middelpunt, mij het spoedigste daar brengen zal." + +De dienaar scheen zich met dit antwoord te vergenoegen; maar indien +hij in de ziel zijns meesters had kunnen lezen, zou hij geweten +hebben, dat de opgegeven reden de eenige niet was, waarom de grijze +krijgsman stilhield; maar dat de herinneringen aan verloopen jaren, +de onzekerheid van het onthaal, dat hem verbeidde, en de vloed van +andere, zoowel aangename als pijnlijke gedachten, zich van zijn geest +hadden meester gemaakt en hem ongeveer in den toestand hadden gebracht +van iemand, die bij een morgensluimering, half wakende, nog door een +belangrijken droom wordt beziggehouden, en schoon hij de zonnestralen +reeds in zijn vertrek kan zien schijnen, nochtans onwillig is om de +banden des slaaps te verbreken. + +"UEd. kon den rechten weg misschien van dat volkje daar vernemen," +zeide de dienaar, op eenige kinderen wijzende, die zich op een +nabijgelegen kamp vermaakten: "ik zou het zelf wel doen, zoo ik +slechts de taal verstond; maar dat gesnater kan geen mensch ter +wereld begrijpen." + +De Ridder glimlachte; de goede dienaar, die eigenlijk een Henegouwer +van geboorte was, had zoolang met hem rondgezworven, dat hij zelf +eigenlijk geene taal, maar een mengelmoes van allerlei spraken en +tongvallen bezigde. Hij volgde echter den gegeven raad, en, de stem +verheffende, wekte hij opeens de aandacht van het vroolijke hoopje, +dat, in den ijver van het spel, hem niet eens bespeurd had. En, terwijl +de kleinsten onder de jongens, die bezig waren met den bal te werpen, +hun spel staakten en hem met open mond, en eenigszins vreesachtig +bleven aanstaren, en de meisjes, die een kransje van veldbloemen +vlochten, zich angstig tegen elkander drongen, waagden het vier of +vijf meer in jaren gevorderde knapen, hem te naderen, beurtelings +het oog op hem slaande en op den boog, dien zij in de hand hielden. + +"Wat is de kortste weg naar Aylva-state, mijn maats?" riep de +vreemdeling, zijn vraag herhalende. + +"De weg naar Aylva-state!" herhaalden al de knapen: "Wel, Aylva-state +ligt daarginder vlak voor u." + +"Gij moet recht voor u uitrijden," vervolgde een hunner in zijn +Frieschen tongval: "en dan over de hoeve van Jouke Wybes heen: en +dan links houden: en dan langs de schutting tot gij aan een ouden +boom komt, en dan rechtuit: en dan...." + +"Wel, dat is een mijl op zeven," viel hem een ander in de rede: "gij +moet linksaf naar de woning van Tiete Donia en daar uw paarden laten: +en het voetpad nemen, tot aan de schuur, en dan rechtsaf...." + +"Ei neen!" zeide een derde: "hij kan immers hier dadelijk afstappen en +'t land oversteken...." + +"Dan moet hij slootje springen," riep een vierde: "want de vonder +is weggehaald." + +Terwijl zij aldus hun vrij duidelijke aanwijzingen deden, waar onze +reiziger te minder van begreep, daar hij de taal, waarin die gegeven +werden, niet te best verstond, en hij zijn oogen beurtelings van den +eenen op den anderen spreker liet ronddwalen, al lachende om hun +gesnap, kwam een oude Fries, wien hij niet dadelijk bespeurd had, +omdat hij achter een terp had gestaan, naar hen toegetreden met +een witte schijf in de hand, die aan de jeugdige schutters tot een +doel gestrekt had. Het verlangen des vreemdelings vernomen hebbende, +wendde hij zich tot de kinderen: "mij dunkt," zeide hij, "'t is voor +vandaag lang genoeg: wij konden wel meteen naar huis gaan en dien +kameraden den weg wijzen." + +Op deze woorden verzamelde zich de gansche troep om den ouden man +heen; de een echter met meer spoed en bereidwilliger dan de andere; +en op menig gelaat was ongenoegen en teleurstelling te lezen. + +"Ik hoop niet," zeide de vreemdeling, met deelneming die lieve, +ronde gezichtjes, die er allen even gezond en bevallig uitzagen, +beschouwende, "dat die goede kinderen om mijnentwil hun spel zouden +moeten staken." + +"In 't geheel niet," antwoordde de Fries: "'t is toch hun tijd: komaan, +Madzy!" vervolgde hij tot een klein vierjarig meisje, schoon als de +dag, dat haar bloempjes bijeenpakte: "rep u wat, kind! Sytsken mocht +op u knorren." + +"Madzy!" herhaalde de reiziger, blijkbaar ontroerd: "is dat kind een +dochtertje van de Vrouwe van Aylva?" + +"Hei! ho!" antwoordde de Fries, meesmuilende: "de Vrouwe van Aylva +is nog kras en vlug; maar toch...." hier zag hij eerst de kinderen +en toen den vreemdeling aan, als wilde hij hem te kennen geven, dat +hij om hunnentwille het verdere zweeg:--"neen!" vervolgde hij, op den +grootsten der knapen wijzende: "deze hier, Juwe, is de jongste zoon +van onze waardige Vrouwe--al die anderen zijn haar kleinkinderen: ja: +'t is een heel zootje: en dan zijn er nog wel zes of zeven te huis." + +De reiziger scheen aangedaan; hij reikte eene hand toe aan den knaap, +dien de Fries hem had voorgesteld en beschouwde met aandacht zijn +fraaie regelmatige trekken en heldere blauwe oogen: "Ja! ik herken +u!" zeide hij eindelijk: "gij zijt het sprekend evenbeeld uwer moeder." + +"Dat is een heel geweer, dat gij daar aan uw zijde hebt," hernam de +knaap, op den langen zwaren kruisdegen des vreemdelings wijzende. + +"Wilt gij het eens bezien?" vroeg deze: en, toen hij de oogen van Juwe +zag fonkelen van blijdschap, gespte hij het lemmer los en stelde het +hem ter hand. "Ziezoo!" voegde hij er bij: "nu ben ik uw gevangene." + +"Ik wilde op dit paard zitten," zeide de kleine Madzy, op den klepper +des reizigers wijzende. + +"Zijt gij dwaas, Madzy?" vroeg de oude dienaar: "dat Daamke u nu en +dan op een ezel rondrijdt, laat ik toe: want die is vanouds gewend +met ezels om te gaan; maar zoo gij op dat beest ging zitten, kwam er +geen stuk van u terecht." + +"Geef het lieve kind maar hier!" riep de oude krijgsman: "ik zal er +zorg voor dragen of het mijn eigen was." + +"Ja! ja!" riepen sommigen onder de knapen, verheugd: "gij zult het +moeten aanzien, Feiko!" en meteen, het meisje opvattende, tilden zij +het hoog genoeg, dat de ruiter het aan kon nemen en voor zich op het +paard plaatsen. + +"Zijt gij waarlijk Feiko?" zeide de vreemdeling, terwijl hij meteen +een kus drukte op de blozende wangen van het kind: "nu, wees dan zonder +zorg; en wees verzekerd, dat ik zoo goed rijde als de Cistenser monnik, +die eens in uw gezelschap Utrecht verliet." + +"Wat duivel!" zeide Feiko, den ruiter stijf aanziende: "een +Cistenser monnik!.... ja waarlijk!.... zoo mijn oude oogen mij niet +bedriegen....?" + +"Neen, zij bedriegen u niet," antwoordde de reiziger: "zeg mij maar, +is alles wel op Aylva-state en zou men er mij willen ontvangen?" + +"U ontvangen!.... wel mijn goede tijd! onze Heer spreekt nog alle +dagen over u. Hij heeft dan ook in al te lange jaren geene tijding +van u gehad." + +"Dat is waar! maar ik heb ook heel wat rondgezworven," zeide Reinout, +wien onze lezers reeds zullen herkend hebben: "Ik begin thans echter +oud en stijf te worden, en naar rust te verlangen: en zoo er nog een +hoekje op Aylva-state open is, wilde ik daar mijn dagen wel eindigen." + +"Hoe!" zeide Juwe: "Is dit werkelijk Ridder Reinout, Feiko? daar +vader ons zoo dikwijls van verteld heeft?" + +De oude dienaar knikte met het hoofd: en Juwe, zonder een woord te +spreken, wierp den degen op den weg, sprong een dijkje en een paar +slooten over, en liep, zonder adem te halen, dwars over het land naar +Aylva-state heen, om de blijde tijding aldaar te brengen. Straks +was alles in de weer: en niet lang daarna traden Deodaat van Aylva +en zijn Madzy, thans wel geen jeugdig, maar toch nog een gezond en +stevig paar, met hun eigene en aangehuwde kinderen, de stins uit en hun +gastvriend te gemoet. Spoedig zagen zij hem verschijnen en dat wel in +een kluchtigen trein: want Reinout was, ten gevalle der kinderen, die +allen rijden wilden, van 't paard gestegen, waarop er nu een vijftal +zaten, terwijl hij zelf aan den kop voorging en de teugels hield, +daar Feiko er naast liep om alle ongelukken te voorkomen. Een ander +gedeelte van het troepje zat op het paard van Reinouts dienaar: en +zij, die geene plaats hadden kunnen krijgen op een der beide rossen, +reden op den langen degen des Ridders. + +"Wij brengen u een gevangene, grootvader!" riepen de kleinen, als +uit éénen mond. + +"En dien ik niet hoop te laten ontsnappen," zeide Deodaat, zijn ouden +vriend omhelzende. "Kom Madzy! kus onzen nieuwen huisgenoot welkom." + +"Dat zou hij voor dertig jaren niet gezegd hebben," beet Feiko al +lachende zijn vrouw in 't oor. + +"Stil!" duwde Sytsken haar man toe: "hoe kunt gij daarmede spotten? Ik +ben er geheel van aangedaan." + +Een uur later was het gansche huisgezin met den nieuwgekomen gast +aan den avonddisch gezeten, en gaf deze laatste een korte schets van +zijn avonturen. + +Na zijn plotseling vertrek uit Friesland, was hij, als voorheen, de +fortuin van Beaumont gevolgd, had eerst met dezen in Bretagne en, na +den dood van dien volmaakten Ridder, dien _parangon de la Chevalerie_, +gelijk hem de Fransche kroniekschrijvers noemen, met den vermaarden +Du Guesclin, in Spanje den oorlog bijgewoond: zonder dat hem echter +al zijn wakkere daden en getrouwe diensten, aan de Fransche kroon +bewezen, merkelijk verrijkt hadden. Eindelijk, zwervens moede, had +hij besloten het weinige, dat hem overgebleven was, bij zijn ouden +vriend te komen verteren. + +"Ik heb aan de Vrouwe van Aylva den groet over te brengen van een +oude kennis," zeide hij, na zijn verhaal geëindigd te hebben: "mij +eenige dagen geleden te Luik bevindende, had ik de eer ontvangen te +worden bij den Heer Bisschop, vroeger Bisschop van Utrecht." + +"Inderdaad!" zeide Madzy, glimlachende: "en hoe maakt het zijn +Hoogwaardigheid thans?" + +"Ja! wat zal ik u zeggen," antwoordde Reinout: "oud, jichtig en +stijf, wachtende en stille zittende, maar altijd nog klaar om van +elke omstandigheid tot zijn voordeel partij te trekken, en zijn eigen +ik meer dan ooit boven alles stellende. Hij gevoelt intusschen de +hand des tijds, gelijk wij allen, onze edele gastvrouw uitgezonderd, +die waarlijk zoo weinig veranderd is," (hier fluisterde hij Madzy in +de ooren) "dat ik bijna niet weet, of ik wel voorzichtig gedaan heb +om hier te komen. Men ziet meer, dat bij een ouden krijgsman zich +somtijds wonden openen, die hij lang geheeld waande." + +"O! dat is niets," antwoordde zij lachende; want de toon, waarop +Reinout sprak, was geruststellende genoeg om haar te doen bespeuren, +dat zijne woorden niets dan loutere plichtpleging waren: "wij hebben +hier nog een goeden geneesmeester voor alle wonden." + +"Hoe!" zeide Reinout: "leeft onze oude vader Volkert nog, en geeft +hij nog altijd geneesmiddelen?" + +"Neen," zeide de Heer van Aylva: "de vrome Abt en de waardige broeder +Syard zijn niet meer, maar daarachter u staat een oude kennis, die +u een voortreffelijk middel tegen alle kwalen komt toedienen." + +"Wel, mijn brave held, leeft gij nog?" zeide Reinout, zich omkeerende +en Daamke ziende, die hem, met vele buigingen en strijkages, een +zilveren beker op een schenkblad aanbood: "wel vriend! wij hebben +ons indertijd met een wat al te haastig afscheid verlaten. Het spijt +mij, ik kan u niet weer uw oude betrekking bij mij laten vervullen; +daar zou mijn goede Berthout wat tegen hebben; maar gij zoudt zelf, +denk ik, ook weinig lust hebben om, tegen de bediening van een armen +dolenden Ridder als ik ben, den post van schenker, dien ik zie dat +gij thans bekleedt, te verwisselen. Kom! geef hier uw beker, die +betere medicijn bevat dan de tooverkast van meester Barbanera." + +Dit zeggende aanvaardde hij den beker uit des dienaars handen. Het +was een sierlijk gewerkte kroes, rijkelijk met wingertranken en +gesneden bloemen versierd. Bijzonder trok de fraaiheid van het deksel +de opmerkzaamheid van Reinout, prijkende met het wapen van Aylva, +op een kunstige wijze gesneden, terwijl het oude rijmpje betreffende +de Roos van Dekama om den rand gegrift was. + +"Hebt gij uw wapen niet veranderd, Deodaat?" vroeg Reinout, na het +pronkstuk gedurende eenige oogenblikken aandachtig te hebben beschouwd. + +"Ja!" antwoordde deze: "ik heb, toen de dood mijns eerwaardigen en +onvergetelijken vaders mij tot het hoofd van mijn stamhuis maakte, ter +gedachtenisse aan onze zonderlinge avonturen, en van den gelukkigen +echt, die ze besloten heeft, mij die vrijheid veroorloofd, en de +gouden ster en halve maan op het lazuren veld vermeerderd met + + + DE ROOS VAN DEKAMA. + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Met dezen naam noemt men in Friesland de plattelands-heelmeesters, +zonder daaraan echter het denkbeeld van kwakzalverij te hechten. + +[2] Spreek uit: Alua. + +[3] Can (hond) Francesco della Scala was een dier machtige Hertogen +van Verona, wier schepter zich eens uitstrekte tot verre over de +grenspalen naar Brescia, Padua, Frioul en tot aan Triëst. Zijne +prachtige graftombe is nog in de kerk di S. Maria antica te Verona +aanwezig, met het navolgende grafschrift prijkende: + + + Si canis hic grandis ingentia facta peregit, + Marchia testis adest, quam saevo marte subegit. + + +[4] Stins, of steenen huis, was de benaming, welke in Friesland aan een +slot of sterkte gegeven werd: Adeelastins is dus: het slot van Adeelen. + +[5] Het zijn twee gekken. + +[6] 't Is mogelijk; maar beiden hebben zij het hart welgeplaatst. + +[7] _Made_ ('t Engelsche _meadow_) is een groen veld, hiervan _zich +vermeien_, _spelemeien_, voor: zich op 't veld vermaken. + +[8] + Droeve dagen zullen komen: + Groote heeren zullen sneven; + Vrede en vreugde zullen volgen: + Roos en lelie zullen bloeien. + + +[9] + De boog is gespannen, de pijl gereed, + Die ras uw hoofd zal treffen. + + +[10] + Eens dorpers onedele vlegel + Zal u op het veld doodslaan. + + +[11] + God zal u altijd bewaren + Voor water, staal, hout en vuur. + + +[12] Herinner u Bianca van Salerno. + +[13] + De hond heeft het schaap opgegeten; + Maar het lam zal weldra terugkomen. + + +[14] + Waakt op de grenzen! + De vijand is daar. + + +[15] + De tijdingen, die u zullen komen, + Zullen u vreugd en leed veroorzaken. + + +[16] + Der Sirenen lied zal behagen; + Maar droeve dood er op volgen. + + +[17] + Dikwijls heeft hij die een mijter draagt + Alleen den titel van Abt. + + +[18] Vergeef mij, doorluchte Heer Graaf; maar ik kan niet zeggen.... + +[19] Er is geen ander orakel dan dat des Graven van Gelder. + +[20] Men kan geen ezel doen drinken zoo hij geen dorst heeft. + +[21] Hypericum. + +[22] Het liefelijke niets doen. + +[23] Tegenwoordig het Stadhuis. + +[24] De klapmuts had den vorm van een dwars opgezetten bisschopsmijter +met de kleppen op zijde: de _hénin_ was een hooge hoed in den vorm +van een suikerbrood, van welks punt een sluier afhing: de oordekker +was een klein plat mutsje met twee dikke kussens, welke de ooren en de +slapen bedekten en met juweelen en goud bedekt waren.--Van deze drie +hoofdsieraden heeft het suikerbrood, schoon zeker het onbevalligste, +het langst, ja over de twee eeuwen stand gehouden. + +[25] Den _karoledans_ vind ik vermeld in den _Tournoi de Chauvenci_, +gegeven in 't laatst der XIIen eeuw, beschreven door Jacques Bretex, +in deze woorden: + + + Les dames main à main se tiennent + Et tous ainsi comme elles viennent + Se prend chascune à sa compaigne, + Ne-nus hors ne s'i acompaigne, + Ainsi s'en vont faisant le tor. + + +[26] Zoo noemde men voorheen de keuken. + +[27] Woorden vervliegen, het geschrevene blijft. + +[28] Misschien slaapt hij alleen met de oogen.--Maar wat betreft het +ontdekken van uwe waardigheid aan dezen jongeling, dit belet u zijne +onvoorzichtigheid zoowel als uwe veiligheid, welke groot gevaar zoude +loopen, indien het bekend werd, dat de hoop en de lust onzer Kerk +onder zulk een ongewoon gewaad bedekt waren. + +[29] + "Als Dekama zijne Roos verliest, + En deze voor Friesland het zeenat kiest, + Dan zullen, om haar te plukken, komen + Vogels van alle wieken en veeren; + Dan zal zij welken en verkwijnen, + En 't hoofdje droef laten hangen; + Maar weer bloeien en tieren, + Als des Vorsten buit Friesland ten deel valt." + + +[30] En geen _hoera_! zooals men tegenwoordig in alle liedjes en +nieuwsbladen leest, en zelfs door krijgslieden hoort uitgalmen, +als waren wij Kozakken geworden, en als had niemand het uitmuntend +puntdichtje gelezen van den voortreffelijken Staring, dien +kernachtigsten onzer hedendaagsche dichters. + +[31] _Teylinger-Bosch_, bij den Vogelesang, niet te verwarren met +_Teylingen_ bij Sassenheim. + +[32] Dit was het teeken, dat de eigenaar een aanval vreesde en waarmede +hij zijn vrienden waarschuwde tot ontzet aan te rukken. + +[33] De Friezen waren gewoon, aan die gevangenen, welke zij voor +vreemdelingen aanzagen, deze en soortgelijke spreekwijzen te doen +opzeggen. Die dit zonder haperen kon doen, werd voor inboorling +gehouden; maar de anderen zonder genade verdronken. Dit heette men +_wapeldjepinga_ (waterdooping). + +[34] _Hiera picra_ en _hiera gladii_ waren eene soort van artsenijen, +voorheen in zwang. Zie Petras Blesensis _Lib_. _in Job_. I, alsmede +het Receptenboek, in het voorbericht van dit werk aangehaald. + +[35] Zie bl. 65. + + + + + + +In DE VIJFTIG-CENTS-EDITIE ZIJN VERSCHENEN: + +No. + + + 1.--_Mr. J. Van Lennep,_ De Pleegzoon. + 2.--_Mr. J. Van Lennep,_ Ferdinand Huyck. + 3.--_Mr. J. Van Lennep,_ De Roos van Dekama. + 4.--_Mr. J. Van Lennep,_ Elizabeth Musch. + 5.--_Mr. J. Van Lennep,_ Novellen en Vertellingen. + 6-8.--_Mr. J. Van Lennep,_ Onze Voorouders. + 9-11.--_Mr. J. Van Lennep,_ De lotgevallen v. Klaasje + Zevenster. + 12.--_J. J. Cremer,_ Dokter Helmond en zijn Vrouw. + 13.--_J. J. Cremer,_ Daniël Sils. + 14.--_J. J. Cremer,_ Tooneelspelers. + 15.--_J. J. Cremer,_ Hanna de Freule. + 16-17.--_J. J. Cremer,_ Anna Rooze. + 18.--_J. J. Cremer,_ Overbetuwsche Novellen. + 19-20.--_J. J. Cremer,_ Novellen en Vertellingen. + 21.--_J. J. Cremer,_ Betuwsche Novellen en een Reisgezelschap. + 22.--_J. J. Cremer,_ De Lelie van 's-Gravenhage. + 23.--_J. J. Cremer,_ Emma Berthold.--Boer en Edelman. + 24.--_J. J. L. Ten Kate,_ Stichtelijk Huisboek. + 25*--_Mr. J. Van Lennep_ en _J. Ter Gouw,_ De Uithangteekens + in het algemeen. + 26*--_Mr. J. Van Lennep_ en _J. Ter Gouw,_ De Uithangteekens + in het bijzonder. + 27*--_Mr. J. Van Lennep_ en _J. Ter Gouw,_ De Uithangteekens + in verband met Geschiedenis en Volksleven. + 28*--_Mr. J. Van Lennep_ en _J. Ter Gouw,_ Het boek der + opschriften. + 29.--_R. Bennink Janssonius,_ Dichtwerken. + 42*--_J. Van den Vondel._ 1605-1616. Het Pascha.--Den Gulden + Winckel.--De Vaderen. + 43*--_J. Van den Vondel._ 1617. Vorstelycke Warande der dieren. + 44*--_J. Van den Vondel._ 1618-1620. Hierusalem verwoest.--De + Heerlyckheyd van Salomon.--Helden Godes. + 45*--_J. Van den Vondel._ 1621-1625. De Amsteldamsche + Hecuba.--Palamedes. + 46*--_J. Van den Vondel._ 1626-1629. Hippolytus. + 47*--_J. Van den Vondel._ 1630-1636. Sofompaneas. + 48*--_J. Van den Vondel._ 1637-1639. Gysbreght van + Aemstel--Elektra.--Maeghden. + 49*--_J. Van den Vondel._ 1639-1640. Gebroeders.--Joseph in + Dothan.--Joseph in Egypten. + 50*--_J. Van den Vondel._ 1641-1642. Peter en + Pauwels.--Heldinnebrieven. + 51*--_J. Van den Vondel._ 1642-1645. Brieven der Heilige + Maeghden.--Grotius Testament. + 52*--_J. Van den Vondel._ 1645. Altaergeheimenissen. + 53-54*--_J. Van den Vondel._ 1646. Publius Maroos Wercken. + 55*--_J. Van den Vondel._ 1646-1647. Maria Stuart.--De + Leeuwendalers. + 56*--_J. Van den Vondel._ 1648-1651. Salomon. + 57*--_J. Van den Vondel._ 1652-1653. Horatius Lierzangen. + 58*--_J. Van den Vondel._ 1654-1655. Lucifer.--Inwydinge van + 't Stadthuis t' Amsterdam. + 59*--_J. Van den Vondel._ 1656-1657. Salmoneus.--Koning + Davids Harpzangen. + 60*--_J. Van den Vondel._ 1657. Koning Davids Harpzangen. + 61-71*--_J. Van den Vondel,_ Dl. 15-30, ter Perse. + 72-75.--_Nicolaas Beets'_ Dichtwerken. + 76-77.--_Bernard Ter Haar,_ Dichtwerken. + 78.--_Mr. J. Van Lennep._ Vertellingen van vroeger en later + tijd. + 79.--_Mr. J. Van Lennep._ Het huis ter Leede.--Adegild.--Jacoba + en Bertha. + 80.--_Mr. J. Van Lennep._ De strijd met Vlaanderen.--Eduard + van Gelre. + 81.--_Mr. J. Van Lennep._ Marino Faliëro, Doge van + Venetië.--Fiësko, of de Samenzwering te Genua.--De Staatsman + bij toeval, enz. + 82.--_Mr. J. Van Lennep._ Een Amsterdamsche Winteravond + in 1632.--Haarlems Verlossing.--Saffo.--Harald de + Onversaagde.--Vondels droom, enz. + 83.--_Mr. J. Van Lennep._ Een droom van Californië.--De + betooverde viool en het Bloemenoproer.--Romeo en Julia, enz. + 84.--_Mr. J. Van Lennep._ Een Amsterdamsche Jongen of het + buskruit-verraad in 1622.--Lastige Lieden, enz. + 85.--_Mr. J. Van Lennep._ Academische + Idyllen.--Vuur*aanbidders, enz. + 86.--_Mr. J. Van Lennep._ Het recht van bruiloftsavondkout, + enz. + 87*--_Mr. J. Van Lennep._ Nederland vóór den Tachtigjarigen + oorlog. + 88*--_Mr. J. Van Lennep._ De Tachtigjarige oorlog. + 89*--_Mr. J. Van Lennep._ De Hoogmogende Republiek. + 90*--_Mr. J. Van Lennep._ Ondergang der Republiek.--Het + Koninkrijk der Nederlanden. + 91-93.--_A. Loosjes Pz.,_ Het leven van Maurits Lijnslager. + 94.--_J. J. L. Ten Kate,_ Verhalen en vertellingen. + 95.--_J. J. L. Ten Kate,_ Zangen des tijds. + 96.--_J. J. L. Ten Kate,_ Gewijde Poëzy. + 97.--_J. J. L. Ten Kate,_ Bijbel-Poëzy. + 98.--_J. J. L. Ten Kate,_ Dramatische Poëzy. + 99.--_J. J. L. Ten Kate,_ Voor Hart, Huis en Leven. + 100.--_J. J. L. Ten Kate,_ Mengel-Poëzy. + 101.--_J. J. L. Ten Kate,_ Uit den vreemde. Vertaalde Poëzy. + 102.--_J. J. L. Ten Kate,_ Faust.--Maria Stuart. + 103.--_J. J. L. Ten Kate,_ De Planeeten.--De Jobeïde. + 104.--_J. J. L. Ten Kate,_ Milton's Verloren Paradijs. Ter + Perse. + 105.--_J. J. L. Ten Kate,_ Dante's Hel. Ter Perse. + 106*--_Mr. J. Van Lennep,_ De vermakelijke Spraakkunst, + opgehelderd door een aantal Illustratiën van _Alfred Ronner_. + 107*--_Mr. J. Van Lennep,_ De vermakelijke Latijnsche + Spraakkunst, opgehelderd door een aantal Illustratiën van + _Alfred Ronner_. + + +De 50-Cents-Editie kost 75 Cents gebonden. + +Geïllustreerde boeken, met * geteekend, kosten 60 Cents ingenaaid +en 90 Cents gebonden. + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of De Roos van Dekama, by J. van Lennep + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROOS VAN DEKAMA *** + +***** This file should be named 19161-8.txt or 19161-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/9/1/6/19161/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
