summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/19161-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:55:05 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:55:05 -0700
commit8e5ba336a31ba19abdd75cb741db4253dd5e8d9b (patch)
tree0a41bd5b34ca29d90fe580fc7830f3a376c5cb7f /19161-8.txt
initial commit of ebook 19161HEADmain
Diffstat (limited to '19161-8.txt')
-rw-r--r--19161-8.txt23577
1 files changed, 23577 insertions, 0 deletions
diff --git a/19161-8.txt b/19161-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..f6af3c1
--- /dev/null
+++ b/19161-8.txt
@@ -0,0 +1,23577 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Roos van Dekama, by J. van Lennep
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Roos van Dekama
+
+Author: J. van Lennep
+
+Release Date: September 2, 2006 [EBook #19161]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROOS VAN DEKAMA ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ De Roos van Dekama
+
+ Door
+
+ Mr. J. Van Lennep.
+
+
+
+ Leiden.--A.W. Sijthoff.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE ROOS VAN DEKAMA.
+
+
+Het was in den zomer van 18--, dat twee studenten aan de Leidsche
+Hoogeschool, beiden aan den Uitgever dezes bekend als jongelieden
+van een uitmuntende inborst en voortreffelijken aanleg, gezamenlijk
+hun voornemen bewerkstelligden, om de onderscheidene gewesten van
+Noord-Nederland door een onderzoek uit eigen oogen van nabij te leeren
+kennen. Beiden waren van gevoelen, dat, al biedt ons vaderland den
+oppervlakkigen reiziger, die slechts verpoozing en verstrooiing zoekt,
+noch schitterende natuurtooneelen, noch uitgezochte vermaken aan,
+gelijk in andere landen en hoofdsteden te vinden zijn, het desniettemin
+voor de zoodanigen, die eenmaal geroepen kunnen worden om aan dat
+vaderland van dienst te zijn, belangrijk is, ja zelfs hun eenigermate
+als plicht kan worden toegerekend, er de onderscheidene deelen van
+te leeren kennen, alvorens zij een Engelschen wedloop gaan aangapen,
+eenige goudstukken aan de farotafels der Duitsche badplaatsen wagen,
+of een sigaar op de bouwvallen van het _coliseum_ rooken:--ja zij
+vermeenden dat het hun in rijper leeftijd meer nut zoude doen,
+wanneer zij waar het paste, blijken konden geven, niet onbekend
+te zijn met de zeden en gewoonten hunner landgenooten; en met den
+inwendigen toestand onzer gewesten en steden, ten opzichte der bronnen
+hunner welvaart of der oorzaken van hun verval,--dan wanneer zij nog
+zoo mooi konden meepraten over de opvoering der _Juive_ te Parijs,
+of klagen over het hedendaagsche onderscheid der vroeger zoo gulle
+Zwitsersche herbergiers, of de Engelsche dames beschrijven, die met
+taffen parasols de Vesuvius beklimmen, of zelfs een steentje uit den
+zak halen, uit Pompeji medegebracht.
+
+Zij bezochten op hun voetreis (want wie alles goed wil zien,
+dient zich van een paar waterdichte en gemakkelijke schoenen te
+voorzien, en zich niet dan uit nood van rijtuigen of trekschuiten
+te bedienen) ook dat gewest, hetwelk, sedert oude tijden en door
+alle overheerschingen heen, den naam van Friesland bewaard, en
+nog het langst zijn oorspronkelijkheid en zelfstandigheid (om het
+nieuwerwetsche woord _eigendommelijkheid_ niet te bezigen) behouden
+heeft; ofschoon ook aldaar een nauwere betrekking met andere gewesten
+en landstreken haar invloed meer en meer begint te doen gevoelen,
+en de zoogenaamde beschaving er een vroeger ongekende zucht tot
+navolging heeft ontwikkeld: zoodat men reeds Friesche boerenmeisjes
+ziet, die wijde mouwen dragen, en Friesche burgervrouwtjes, die
+(wellicht helaas! ten gevolge van verminderde welvaart) den gouden
+diadeem voor een nieuwmodisch mutsje verwisselen.
+
+Terwijl de een van onze beide wandelaars, wien wij bij zijn voornaam
+Gerrit zullen aanduiden, en die een ontluikend staathuishoudkundige
+was, zich verdiepte in het onderzoek naar de oorzaken, welke die
+vermindering van nationaliteit teweegbrachten, wendde Willem, zijn
+makker, die meer bijzonder werk maakte van geschied- en oudheidkundige
+nasporingen, alle moeite aan, om de overblijfselen der vroegere zeden
+en gebruiken, voor zooverre die nog bestonden, te leeren kennen:
+en evenals onze oude kennis Robinson van onder de overblijfselen van
+der Kannibalen feestmaal de sprankjes vuur zocht op te rakelen, die
+nog onder de asch mochten smeulen, zoo speurde hij de schemeringen
+der verouderde gewoonten en overleveringen na, en verheugde zich,
+zoo vaak het hem gelukken mocht, die op te delven van onder den hoop
+nieuwigheden, daarover heen gestoven.
+
+Zoo was hij recht in zijn schik geweest, toen hij op een der dorpen
+een echt Friesche begrafenis in volle tenue naar het kerkhof had
+zien kuieren. En toen hij, in de herberg gekomen, vernam, dat
+het harde, in lange sneden gedeelde krentenbrood herkomstig was
+van de overblijfselen des gehouden lijkmaals, en naar oud gebruik
+aan de betrekkingen des overledenen was rondgezonden, at hij er,
+uit louteren eerbied voor de _antiquiteit_, drie groote sneden van:
+terwijl Gerrit, die (hoewel slechts uit honger) niet achterbleef in
+het orberen van zijn aandeel, met den waard over den prijs der granen
+sprak.--Zoo juichte Willem, toen hij den rijken schat van kunstig
+gesnedene beeldjes en versierselen bezag, welke de oude banken der
+kanunniken in de fraaie hoofdkerk te Bolsward opleveren, en schold op
+de Redactiën onzer penningmagazijnen, die ons nagedrukte afbeeldsels
+van uitheemsche merkwaardigheden verschaffen, en die geen teekenaar
+afzenden om al het bijzondere, daar en elders op eigen bodem, af te
+schetsen, en ter kennisse van onze landgenooten te brengen: ja, toen
+Gerrit, met hem op straat komende, zijne bevreemding te kennen gaf,
+dat men in het bestraten te Bolsward nog meer achterlijk was dan te
+Amsterdam, en er niet eens de verontschuldiging bij kon brengen,
+dat de gaspijpen de straat bederven, was onze oudheidkenner nog
+bezig met tegen de kerkvoogden te brommen, dat die sommige zitbankjes
+hadden laten dichtspijkeren, en daardoor ettelijke beeldjes aan het
+oog onttrokken, en tegen de vijfennegentigers, die al de wapenen
+uit de zerken gehakt, en alle tronies van neus beroofd hadden. En,
+omgekeerd, deelde hij niet in de ergernis van Gerrit, over het afnemen
+der buitengronden en den slechten toestand van sommige dijken; want
+het was juist ebbe en zijn geheele ziel was opgelost in verrukking,
+toen hij door de beschouwing der droge wadden en der kleur van het
+zeewater boven de banken, zich een duidelijk begrip van de voormalige
+gedaante der zeekust vormen kon.
+
+Eens, op zekeren avond, nadat zij zich verlustigd hadden met een
+wandeling over de bekoorlijke heuvelen van het Gaasterland, kwamen zij
+aan zekere herberg, nabij een binnenwater gelegen, waar zij den nacht
+hoopten door te brengen. Zij troffen noch den kastelein aan, noch de
+_kasteleinske_, die beiden naar eene naburige kermis getrokken waren,
+en de dienstmaagd durfde het niet op zich te nemen, hun een bijzondere
+kamer aan te wijzen, gelijk zij verzocht hadden, ten einde aldaar het
+gedurende den dag opgeteekende in orde te kunnen brengen. Zij zouden
+zich intusschen spoedig met het denkbeeld getroost hebben, dat zij
+aan den publieken haard wellicht het een of ander opmerkenswaardigs
+vernemen zouden, ware niet Gerrit door een aanval van kiespijn geplaagd
+geweest, waardoor hij zich weinig opgewekt gevoelde tot de genoegens
+van een gezellig onderhoud.
+
+Zij maakten echter van den nood een deugd, en traden het hun
+aangewezen benedenvertrek binnen, waar zij een viertal personen gezeten
+vonden, die zich, voor zooveel de avondschemering toeliet zulks te
+onderscheiden, met den geur van de Friesche baai en van het bittere
+vocht in stille bedaardheid verlustigden. Nadat de gewone groete
+en het hartelijke _vaar jou wel_? over en weder gewisseld waren,
+haalde Gerrit zijn zakdoek uit en plaatste zich aan een tafel, in de
+houding van iemand, die met kiespijn gekweld is: namelijk hij zette
+een droevig gezicht, legde den elleboog op de tafel, den doek in de
+linkerhand en de linkerwang op den doek, sloeg de beenen over elkander,
+en bleef met de rechtervingers krampachtig op de tafel trommelen.
+
+"Komaan!" zeide Willem: "stop een pijp; dat zal u goeddoen:
+ik zal intusschen een flesch wijn laten aanrukken, en dan zult
+gij uw kwalen wel vergeten. Is dat niet een tarief van wijnen,
+daarginds?--Voorwaar! zij schijnen hier wel voorzien te zijn! beter
+dan men in een landherberg verwachten zoude! Videamus!"
+
+Dit zeggende trad hij naar een groot blad toe, hetwelk in een houten
+lijst gevat voor den schoorsteen hing, en hetgeen hij voor een
+wijnkaart had aangezien. Hij bemerkte echter bij 't naderen dat hij
+zich vergist had; het opschrift, daarboven geplaatst, luidde als volgt:
+
+
+ TARIEF DER GALAMADAMMEN.
+
+
+"_Gala-Madammen_!" riep hij, zich verbaasd omdraaiende: "eilieve
+Gerrit! Het schijnt, dat er een bijzonder Tarief is voor de dames
+die hier vertering maken. Maar waar is nu het Tarief voor de
+_Gala-Heeren_?"
+
+"Kom! gij zijt een ezelskop!" zeide Gerrit, zonder zich te
+verwaardigen, slechts even zijn houding te veranderen! "Het is het
+tarief der _Galamadammen_, dat zijn: de _Dammen_ van _Galama_."
+
+"Hm! zoo!" hernam Willem: "men mag niet eens meer een onnoozele
+woordspeling maken. Denkt uwe hoogverlichte wijsheid, dat ik dit niet
+zonder uwe opheldering vatte? Denkje dat ik niet zoo goed en beter
+dan gij weet, dat zich in deze omstreken de Galamaas ophielden, van
+den driesten strooper af, die Graaf Floris den Vetten een steek gaf,
+tot den wakkeren Vetkooper Ige toe?"
+
+"De jongste broeder van Ige was de stamvader van mijn grootmoeder,"
+zeide met een piepend stemmetje een der aan de tafel gezetene personen.
+
+"In waarheid!" riep Willem, zich verheugd naar den spreker wendende,
+een klein, schraal, ineengedrongen mannetje, met een half boersch,
+half steedsch voorkomen: "heb ik waarlijk de eer, mij met een
+afstammeling der Galamaas in gezelschap te bevinden?--Dan moet er
+dadelijk licht komen, opdat ik u beschouwen moge, en wijn, opdat ik
+uw gezondheid drinke."
+
+"Ja maar! 't Is alleen van moederszijde," zeide de Fries. "Mijn naam
+is Dirk Broddelsma."
+
+"Om 't even! Het echte _frije_ Friesche bloed stroomt u toch nog in de
+aderen, en gij zult dienvolgens al zoomin tegen een glas wijn hebben
+als uw voorouders:--schoon die meer bier dronken."
+
+Licht en wijn werden hierop binnengebracht: en Willem, de glazen
+gevuld hebbende, stelde de gezondheid van den Heer Broddelsma in,
+die door al de aanwezigen gedronken werd. Alleen Gerrit, die reeds met
+verdriet voorzag, dat de gulhartigheid van Willem tot een drinkpartij
+aanleiding zoude kunnen geven, welke hun beiden op hun nachtrust en op
+een goede som gelds daarenboven zou komen te staan, vergenoegde zich,
+zijn glas even aan de lippen te brengen en het daarna weder voor zich
+te plaatsen.
+
+"Hoe is het?" vroeg Willem: "drinkje niet? dan geloof ik waarlijk
+dat het slecht met u gesteld is."
+
+"Ik heb mondpijn," zeide Gerrit, "en geloof dat alle verhitting
+schadelijk voor mij is."
+
+"Er is hier een uitmuntende _quack_ [1] in de buurt," zeide een
+der aanwezigen: "die een kwade kies zal trekken, trots den besten
+tandmeester."
+
+"Het is geen kies die het doet," zeide Gerrit; "het is eerder
+scheurbuik: mijn tandvleesch is gezwollen."
+
+Triboulet, de hofnar van François I, merkte eenmaal op, dat er
+geen beroep was, hetwelk zoo algemeen werd uitgeoefend als dat van
+geneesheer; de waarheid van deze bewering werd ook nu bevestigd:
+want elk der aanwezigen gaf dadelijk een geneesmiddel aan de hand:
+de een prees lepelblad aan: de ander sprak van mastik en wierook:
+een derde schreef zwavel en magnesia voor: een vierde beweerde, dat
+een pruim van echte baai alle pijn dadelijk zoude stillen; de meid
+uit de herberg daarentegen hield vol, dat het beste middel in het
+water over de deur groeide.
+
+"Laat maar wat _harntje_ rijs plukken," zeide zij: "dat is, afgekookt,
+de beste mondspoeling tegen alle scheurbuik."
+
+"_Probatum est_!" riep Willem: "dat is de _herba brittannica_, waar
+Plinius reeds van spreekt en waaraan hij diezelfde pijnstillende
+krachten toeschrijft."
+
+"Ik 'loof ook, dat ik die 'evonden heb in het oude _receptenboek_,
+dat ik thuis heb," zeide de afstammeling der Galamaas.
+
+"Een oud receptenboek?" herhaalde Willem, den spreker met een
+nieuwsgierigen blik aanziende.
+
+"Ja toch! daar is onze familie raar aan 'ekomen:--door dien zelfden
+Ige Galama, waar jou van sprak."
+
+Aandachtig schoof Willem zijn stoel bij, en Gerrit zelf, het hoofd
+oplichtende, keek den verteller met belangstelling aan.
+
+"Jou moet dan weten," verhaalde de Heer Broddelsma, "dat er op een
+dorp hier kort bi, dat Hemelum heet, een klooster bestond, waarbinnen
+een sterke plaats was, de _Spiker_ genaamd. Nu had de Abt van dat
+klooster, die Agge geheeten was en een groot Schieringer.... want
+jou moet weten, dat er twee partieën in Friesland waren, die...."
+
+"Nu ja!" viel Willem in, "_haec lippis et tonsoribus nota_, 't geen
+zooveel zeggen wil als: vertel maar verder."
+
+"Nu! de Abt lag overhoop met Ige Galama en zijn broers (waarvan de
+jongste, Douwe, mijn stamvader was), over eenige pondematen lands,
+daar ze allebei recht op vermeenden te hebben: en het liep zoover,
+dat de Abt hen in den ban deed: dat was nu zoo de manier in die tiden."
+
+"'t Mocht wat!" zeide Willem: "de manier was toen, er om te vechten,
+totdat een van beiden alles inhad."
+
+"Jawel juust! dat zal jou hooren: Ige en zijn broers lachten wat om
+dien ban; en met behulp van Juw Jongema, die een wakkere Vetkooper was,
+en van eenige Hollanders, belegerden zij het klooster en namen den
+_Spiker_ in. Zij haalden er alles uut wat zij vonden: en Ige behield
+een grooten buut voor zich; maar mijn stamvader Douwe, die een man
+van studie was, nam er de perkamenten en papieren uut, waaronder er
+waren, die, zooals men zeide, herkomstig waren uut Sint-Odulf, dat een
+klooster was nabi Staveren, maar dat nu onder de zee bedolven ligt."
+
+"En bestaan die papieren nog?" vroeg Willem, verheugd opspringende.
+
+"Ze zijn zoo langzamerhand verbruukt," zeide de Heer Broddelsma,
+zijn pijp omdraaiende: "alleen het receptenboek, dat hebben we nog
+bewaard, want dat komt nog eens te pas als men veel kinderen heeft
+en de _quack_ is niet bi huus."
+
+"Verbruukt!" herhaalde Willem: "verbruukt!
+
+
+ Quis talia fando
+ Temperet a lachrymis?
+
+
+'t geen zooveel zeggen wil als: kan men dat receptenboek ook eens te
+zien krijgen?"
+
+"O ja, waarom niet?" antwoordde de gulhartige Fries: "mijn State is
+hier kort bi, en zoo jou morgen een pijp bi mi wilt komen rooken en
+een kommeke koffie gebruken, zal ik jou met vermaak dat stukske wizen."
+
+Willem haastte zich deze aanbieding met dankbaarheid aan te
+nemen, zonder acht te geven op de wenken van zijn vriend, die van
+oordeel was, dat hun dat receptenboek een dag nutteloos zoude doen
+verliezen. Desniettegenstaande liet zich Gerrit, toen op den volgenden
+morgen zijn mondpijn grootendeels geweken was, zonder dat hij een der
+hem aangeprezene middelen had aangewend, overhalen om zijn reisgenoot
+te vergezellen; echter aan zich houdende om, zoodra hij zich verveelde,
+te mogen aftrekken en een der andere gasten van den vorigen avond te
+gaan opzoeken, zijnde een schoolmeester, in wiens heiligdom hij hoopte
+met den staat van het lager onderwijs daar te lande bekend te worden.
+
+Weldra bereikten zij Broddelsma-state, bestaande uit een nette woning
+met de daaraan gebouwde ruime voorraadschuur en beestenstal, staande
+op een werf, met enkele dwergachtige pereboomen beplant en door een
+sloot omgeven. Daar de in Friesland gewone waarschuwing: _wacht u voor
+den hond_! ook hier voor het hek te lezen stond, traden onze beide
+vrienden ook niet eerder de brug over, die de werf van den landweg
+scheidde, dan voordat hun geroep eerst een grooten dog en eenige
+keffertjes, vervolgens een drietal kinderen, daarna een knecht en
+eindelijk een paar knappe boerendeernen had doen te voorschijn komen,
+die allen (uitgenomen de blaffende honden) op een afstand bleven staan
+kijken; totdat ten laatste de eigenaar zelf voor den dag trad en hen
+wellekom heette. In zijne woning getreden vonden zij de koffiekan,
+den roompot en de witte klontjes reeds op tafel staan en, nadat men
+een pijp gestopt en aangestoken had, werd het receptenboek voor den
+dag gehaald uit een glazen kast, waar het tusschen eenige gouden
+en zilveren zweepen, hoofdstellen, schenkkannen en andere prijzen,
+op harddraverijen behaald, lag te rusten.
+
+Met bevende handen en het gemoed van eerbied doordrongen, sloeg Willem
+den juchtlederen band open. Het was een handschrift op perkament,
+tot opschrift voerende:
+
+
+ THESAURUS SANITATIS
+ in usum
+ Venerandi Monasterii sub patronatu Sancti Odolfi,
+ collectus ab
+ Occone Varnesensi,
+ in eodem monasterio medic. chir. et obstetr. artem excercente.
+
+
+"Ik denk niet dat de laatstgenoemde kunst den Heer Occo van Warns in
+een klooster van veel nut zal geweest zijn," merkte Gerrit aan.
+
+"Zeg dat niet," zeide Willem: "daar moest gezorgd worden, dat de vrome
+vaders niet uitstierven; maar bovendien en zonder gekscheren, vermits
+te dier tijd de kunsten en wetenschappen hier alleen in de kloosters
+beoefend werden, was het niet meer dan natuurlijk dat elke soort van
+beroep en kostwinning een vertegenwoordiger moest hebben in gestichten
+van dien aard, waarheen ieder zich wendde, die eenige hulp, in welk
+vak of van welken aard ook, voor zich of voor de zijnen van doen had."
+
+Dit zeggende, bladerde hij het handschrift door, hetwelk in de oude
+Friesche landtaal met een nette hand geschreven was, en een lijst
+van recepten bevatte tegen alle soorten van kwalen. Sommige der
+opgegevene geneesmiddelen waren niet onderscheiden van die, welke
+ook thans nog in zwang zijn: andere waren van een soort, die sedert
+in onbruik geraakt is en vereischten een onbepaald geloof aan die
+wonderbare sympathetische krachten, vroeger toegeschreven aan enkele
+voortbrengselen uit het plantenrijk en aan de meeste gesteenten en
+metalen. De juiste ouderdom van het werk viel moeilijk te bepalen, daar
+het van geen jaartal voorzien was;--maar uit ettelijke kantteekeningen,
+van een andere, min keurige hand ter neder gesteld en onderschreven:
+Volcardus Abbas, kon men besluiten dat het werk althans ouder zijn
+moest dan de eerste helft der Veertiende Eeuw, vermits de Abt Volkert,
+gelijk ieder weet, in 1340 nog leefde.
+
+"'t Is jammer, dat uw broeder de dokter hier niet is," zeide Gerrit
+tot zijn vriend: "die had daar meer aan dan wij."
+
+"Wel ja!" zeide Willem; "even alsof onze tegenwoordige geneesheeren
+iets anders dan een blik van verachting zouden schenken aan een
+werk, waarin de amethysten als een voorbehoedmiddel tegen alle
+vergiften en de karbonkels als een waarborg tegen verraad worden
+voorgeschreven.--Maar eilieve! zie eens: hier eindigt het receptenboek
+en er volgt nog wat anders, dat wellicht merkwaardiger is: hoor eens,"
+vervolgde hij, overluid lezende:
+
+"_Hic incipit narratio victoriae memorabilis quam de Hollandis
+reportaverunt Frisii, nec non aliorum, sempiterna quae memoria digna
+sunt, negotiorum_."
+
+En terstond verder lezende, ontdekte hij, dat het vervolg een Latijnsch
+verhaal bevatte van den slag, bij Sint Odulfs klooster in den jare
+1345 gestreden, maar doorvlochten met zoodanige omstandigheden,
+bijzondere personen en gebeurtenissen betreffende, als welke onze
+kroniekschrijvers onbekend zijn gebleven, althans niet door hen
+vermeld worden.
+
+Deze ontdekking scheen onzen jeugdigen oudheidminnaar belangrijk
+genoeg toe, om wereldkundig gemaakt te worden: en hij wist, ofschoon
+met moeite, door zijn welbespraaktheid het zooverre te brengen, dat
+de Heer Broddelsma hem het Handschrift ter leen afstond; want van
+een verkoop wilde de goede man niets hooren. Bijzondere huiselijke
+omstandigheden, voor den lezer van geen belang, beletteden echter
+den jongeling aan zijn plan tot uitgave van het stuk eenig gevolg te
+geven; maar hij zond het receptenboek aan een geneeskundig tijdschrift,
+waarin het, zoo wij hopen, eerlang, met ophelderende aanteekeningen
+verrijkt, aan de aandacht van het publiek zal worden aangeboden:
+en den schrijver van dit voorbericht werd verzocht de uitgave der
+kroniek op zich te nemen. Deze had echter niet zoodra de handen
+aan 't werk geslagen en tot toelichting van het verhaal de noodige
+overleveringen, geschiedenissen en localiteiten geraadpleegd, of
+hij begon te vreezen, dat, bij de uitgave, het werk zelf in de massa
+der noten en ophelderingen zou verstikt worden, iets, dat thans wat
+algemeen in zwang is geraakt, maar hetgeen hem altijd denken deed aan
+die stukjes chocolade of suikergoed onzer hedendaagsche banketbakkers,
+zoodanig met gesatineerde papiertjes, deviezen, verguldsel en prentwerk
+omtogen, dat niet alleen de prijs van het geheel aanmerkelijk verhoogd,
+maar ook het hoofdingrediënt tot een accessorium wordt. Hij besloot
+uit dien hoofde de bijzonderheden, in het verhaal vermeld, met die,
+welke hij door eigen onderzoek en nasporing had leeren kennen, tot een
+geheel te verzamelen en in den vorm eener doorloopende geschiedenis,
+te boek te stellen:--in hoeverre hij, door dezen arbeid, geslaagd zij
+aan zijn lezers eenige oogenblikken aangenaam, en (zoo hij hoopt)
+ook nuttig te laten doorbrengen, zal de toekomst leeren. Wie op de
+fantastische schildering van _exceptioneele_ personen belust is, zooals
+de hedendaagsche literatuur onzer naburen die meestal aanbiedt, zal
+zich bedrogen vinden: hij zal hier slechts menschen aantreffen, zooals
+zij nog heden ten dage zijn, met hun goede en slechte hoedanigheden,
+met hun driften en hartstochten,--maar gewijzigd naar de denkbeelden,
+zeden en gebruiken van den tijd. Maar hij zal, na het ten einde brengen
+dezer bladeren, de waarheid daarin bevestigd vinden der stelling, dat,
+zoo niet al het goede op deze wereld zijn loon noch het kwade zijn
+straf ontmoet, diegene ten minste, die zich laat overmeesteren door
+eenigen hartstocht, al ware die zelfs uit zijn oorsprong te billijken,
+altijd zal achterstaan bij hem, die, uit welk beginsel dan ook, de
+omstandigheden niet vooruitloopt, zijn gemoedskalmte bewaart, en,
+gelijk de schrijver zich uitdrukt, aan wien wij ons motto ontleenen:
+
+
+ Wacht en stille sitt.
+
+
+
+
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ daer 't Sticht ter merreckt quam
+ De Goier, Aemstelaer, de Veene- en Waterlander.
+ Zy staplen vrucht en vee en zuivel op elckander.
+ Gevogelte, en gewas, en wat de nooddruft eischt,
+ Ter liefde van 't gewin, daer 't al om draeft,
+ en reist,
+ En vlet, en vaert, en woelt: terwijl de burgeryen
+ Van d' eene aen d'andere weeck, bij deze merckt gedyen,
+ En kelder en schappra, met opgepropten schoot,
+ Bezorgen als de mier haer hol, voor hongersnoot.
+
+ Vondel. Inwyding van 't Stadhuis.
+
+
+Onder die steden, welke vanouds aan de grafelijke kroon van Holland
+gelijk zoovele edelgesteenten flonkerden, en wier macht en rijkdom tot
+een hechten steun verstrekten aan des Landheers gezag, was Haarlem,
+gelijk genoeg bekend is, een der voornaamste. Haar ouderdom verloor
+zich in den nacht der tijden: 't zij, dat men haar, met Boxhorn, voor
+de vroegere verblijfplaats der Herulen houde en den naam Haarlem,
+als een verbastering van _Herulen-heim_ aanmerke: 't zij, dat men
+dien, met Langendijk, van den Noorman Hariald afleide: 't zij, dat
+men met de oude landskronieken veronderstelle, dat zekere Koning
+of Vorst, Lem genaamd, aan de door hem gestichte stad de benaming
+van _Heer Lems_ stad, naderhand Haarlem, hebbe achtergelaten, of
+met een lateren taalkenner eenvoudig aanneme, dat het woord _harel_
+dezelfde beteekenis hebbe als _hard_, en door _harelheim_ een harde
+grond te verstaan zij:--genoeg is het, dat juist de onzekerheid van
+dien naamsoorsprong de aloudheid der plaats zelve aanduidt.
+
+Aan den oever eener rivier gebouwd, waarvan zij zich als van twee armen
+bedienen kon, om, aan de eene zijde, het Haarlemmermeer en de daarom
+gelegen landen, aan de andere, het IJ, en door het IJ, de Zuiderzee
+te bereiken, had zij van deze gunstige ligging reeds vroeg partij
+getrokken, om een handel te drijven, die, schoon zich zelden verder
+uitstrekkende dan de gewesten, welke om die binnenzeeën gelegen waren,
+haar niettemin gelegenheid gaf, om de voortbrengselen van hare door
+geheel Europa beroemde lakenweverijen te slijten en daardoor aan hare
+ingezetenen welvaart en aanzien te verschaffen: terwijl zij in hare
+bierbrouwerijen, die de bewoners der omliggende landstreken met den
+toenmaals zoo algemeenen drank voorzagen, een niet min voordeeligen tak
+van bestaan gevonden had, vooral, sedert door een grafelijk besluit
+het verkoopen van vreemd bier binnen Holland verboden en aan Haarlem
+alzoo een soort van alleenhandel in het graafschap vergund was.
+
+De bekoorlijke omtrek, die zich niet alleen door een in Holland zoo
+zeldzame heuvelachtigheid onderscheidde, maar ook aan den adel de
+heerlijkste gelegenheid aanbood om in een klein bestek de rijkste
+genoegens van jacht en visscherij te smaken, had in de nabijheid der
+stad een immer toenemend aantal van aanzienlijke sloten en jachthuizen
+doen verrijzen, wier adellijke bewoners in een schier ongestoorde
+eensgezindheid met de poorters levende, het hunne toebrachten om
+den bloei der stad te bevorderen. En, opdat geen roem aan Haarlem
+ontbreken zou, de Graven zelven kwamen meermalen zijn vest bezoeken,
+waar zij alsdan door hun prachtige hofhouding, door hun milddadigheid,
+door het vieren van ridderlijke feesten, welvaart en genoegen onder de
+ingezetenen verspreidden. Het was vooral aan twee der Graven, die den
+naam van Willem droegen, dat de Sparenstad groote verplichting had. De
+eerste van die twee, Koning Willem, was binnen haar wal geboren, en
+beschonk zijn moederstad met ruime voorrechten, terwijl de andere,
+Willem van Henegouwen, schoon een uitlander, die stad boven andere
+tot zijn verblijfplaats koos, en aan haar vooral den naam van den
+Goede verdiende.
+
+Het was onder de regeering des zoons van dezen Vorst, dat de voorvallen
+plaats vonden, in deze bladeren vervat, en waarvan de bijzonderheden
+aan de vergetelheid zijn ontrukt geworden op de wijze, aan den lezer
+medegedeeld.
+
+Het was in het voorjaar 1345, dat een talrijk aantal van naburen
+en vreemdelingen naar Haarlem was toegestroomd, ter bijwoning
+van een plechtig feest, hetwelk binnen zijn muren door Graaf
+Willem den Vierden stond gegeven te worden. Deze Vorst, sedert
+kort teruggekeerd van een buitenlandschen tocht, waarop hij niet
+alleen het Heilige Land bezocht, maar zich ook met roem beladen had,
+door op zijn heenreize de Mooren in Spanje, en bij zijn terugreize
+de ongeloovige Lithauwers op de Pruisische grenzen te bestrijden,
+had zijn behoudene wederkomst bij zijn onderzaten, op het voetspoor
+zijns doorluchtigen vaders, met luisterrijke spelen willen vieren,
+waarop, als naar gewoonte, niet slechts de adel zijner graafschappen,
+maar ook die des Duitschen rijks bij rondgaande brieven en openlijke
+bekendmaking was genoodigd. Een aanzienlijk getal dier Edelen
+had aan deze oproeping voldaan, met dezelfde graagte, waarmede
+zich thans nieuwsgierigen en lediggangers naar deze of gene stad
+begeven, waar het een of ander eeuw- of jubelfeest gevierd wordt:
+ja zelfs zoude ik durven verzekeren, dat de prikkel, die den adel
+van vroegere tijden naar hunne feestvermaken dreef, nog meerdere
+kracht bezat. Eensdeels toch was deze soort van spelen de eenige, in
+dien tijd bekend of in aanzien, terwijl tegenwoordig ieder inwoner
+eener groote stad dagelijks uitspanningen genoeg kan vinden, en de
+eeuwfeesten zoo menigvuldig voorkomen, dat zij al het verrassende
+der nieuwheid missen: anderdeels bepaalden zich bij die feesten van
+vroegere dagen de genoodigden niet altijd bij de rol van stilzittende
+aanschouwers, maar namen er meermalen een bedrijvige op zich, en keken
+althans nimmer met een onverschillig oog toe: daar het zelden miste,
+of er was onder hen, die zich door dapperheid of behendigheid bij
+die feesten onderscheidden, deze of gene, die met hen vermaagschapt
+was en wiens bijzondere feiten zij tot eer van hun gansch geslacht
+konden rekenen en derhalve met innige belangstelling gadesloegen.
+
+Er was dan ook geen kasteel noch adellijke huizinge in den omtrek
+van Haarlem, die niet te dezer gelegenheid aan ettelijke adellijke
+gastvrienden tot een tijdelijk verblijf verstrekte, geëvenredigd naar
+ruimte of geschiktheid. Niet slechts schreef de toen in Europa nog
+algemeen heerschende gastvrijheid het herbergen van vreemdelingen
+den slotvoogden voor als een plicht, waaraan zij zich niet mochten
+en ook niet wilden onttrekken; maar ook waren de Hollandsche Edelen,
+door hun talrijke en hooge betrekkingen met vreemde huizen, aan
+onderscheidene der Brabantsche, Vlaamsche, Geldersche, Henegouwsche
+of Hoogduitsche bezoekers door de banden van maag- of vriendschap
+verknocht, en vergolden zij hun door een ruim onthaal de vroegere,
+door deze bewezene, diensten.
+
+Ook de poorters van Haarlem en de vrije opgezetenen der omliggende
+dorpen waren niet achterlijk om het voorbeeld der Edelen te volgen, en
+geen hunner was er, die niet naarmate hem zulks zijn vermogen toeliet,
+een of meer vrienden van buiten af gehuisvest had, bij wie het feest
+niet minder belangstelling wekte dan bij den adel; dewijl er toch,
+behalve de tornooi- en ridderspelen, waaraan de laatste alleen deelnam,
+onderscheidene, zoogenaamde _mysteriën_ en volksvermakelijkheden zouden
+plaats hebben, waarin de goede burgerij de hoofdrol speelde. In onze
+hedendaagsche eeuw van beschaafdheid en verlichting zou een gelegenheid
+als deze met gretigheid door de ingezetenen worden te baat genomen, om
+voordeel te doen met de verlegenheid der vreemdelingen, die huisvesting
+behoefden: en men zou zich den omslag, voor hun verblijf veroorzaakt,
+volgaarne getroosten uit aanmerking der hooge huren, die men voor het
+afstaan zelfs van de kleinste zoldertjes, in logeerkamers herschapen,
+hun zou afpersen;--doch in die dagen scheen men de waarde van het
+geld nog niet genoeg op prijs te stellen: en menig burger stond zijn
+woonvertrekken niet alleen, maar zelfs zijn schuren, bergplaatsen en
+fabriekzalen, ten behoeve der aangekomene gasten af.
+
+Maar het was niet alleen door wereldlijken, dat de plicht der
+gastvrijheid werd uitgeoefend. De kloosters, die zoo binnen als
+buiten de stad waren gelegen, en waarvan ik misschien in de eerste
+plaats had behooren te spreken, stonden insgelijks voor den bezoeker
+open; doch hun aantal was te dier tijd in Haarlem nog zeer beperkt:
+en andere redenen, die later haar plaats in ons verhaal zullen vinden,
+waren oorzaak, dat zij slechts aan een klein getal der zich aanmeldende
+vreemdelingen huisvesting konden verschaffen.
+
+Ook de zoodanigen, die zich noch in een geestelijk, noch in een
+wereldlijk gesticht van een verblijf hadden kunnen voorzien, hadden
+de noodige voorzorgen genomen, ten einde geen nuttelooze reis te
+doen: en overal rondom de stad, waar de gelegenheid zich aanbood,
+hunne tenten nedergeslagen, of brachten, na den geheelen dag in
+vroolijkheid op de been te zijn geweest, den nacht door in de wagens,
+karren of vaartuigen, waarmede zij gekomen waren.
+
+Het was in 't bijzonder het Sparen en zijn oevers, die bedekt waren
+met een aantal vreemdelingen, die, evenals zoovele zwermen land-
+en watervogels, aldaar de vleugels, voor zoolang het feest duurde,
+hadden gestreken. De rivier, die thans Haarlem in twee deelen scheidt,
+vormde te dier tijd zijn zuidelijke grens, daar het gedeelte der stad,
+aan den kant van Amsterdam gelegen, toen nog niet was gebouwd. Aan
+dien zuidelijken oever vertoonde zich, op het tijdstip, waar wij
+van gewagen, een wijduitgestrekte rij van tenten, verschillende in
+kleur en vorm en omtrek, die den schijn zou hebben aangeboden van een
+vliegend leger, dat Haarlem was overvallen, zoo niet de bonte kleeding
+der talrijke wandelaars, die voor de tenten heen en weer drongen,
+en niets krijgshaftigs hadden, de stoet van vrouwen en kinderen,
+die er overal tusschen krioelden, het blijde gezang en gejuich en
+gedans der menigte, het omzwerven van minnezangers en poetsenmakers,
+kwakzalvers en goochelaars, in één woord, de vroolijke drukte, die er
+heerschte, een sprekend bewijs had opgeleverd, dat "de vernielende
+krijgsgod" niets met dat legertje te maken had. Van afstand tot
+afstand vertoonde zich een paviljoen, grooter in omvang en rijker
+in versierselen dan de overige, ja soms een houten loods, van waar
+de groene krans, boven den ingang opgehangen, den voorbijgangers
+aankondigde, dat daarbinnen versch bier, blanke melk, zoete meede,
+ja zelfs, voor de meest bevoorrechten, echte klareyt, zedewaarswijn
+en malvezij te vinden waren.
+
+De rivier zelve leverde, gelijk ik met een woord heb aangemerkt, geen
+minder verscheiden tooneel op. Behalve de menigvuldige schuiten en
+schepen, die tot huisvesting der eigenaars verstrekten, en aan touwen
+of kettingen vastlagen, zag men tallooze vaartuigen de rivier opvaren
+en afzakken, beladen met al, wat men kon veronderstellen, dat de stad
+gedurende het verblijf der vreemdelingen zou noodig hebben. Groote
+platgeboomde aken brachten ossen en varkens uit Waterland, of
+vette schapen uit Gooiland, of hooi en gras uit Kennemerland aan:
+in kleinere schuitjes zag men de met koper beslagene vaten blinken,
+waarin de room of melk werd toegevoerd: hier zag men een schuitje,
+dat met warmoes van over het meer aankwam, tegen een Enkhuizer
+jol stuiten, die pekvaten voerde om tot de vreugdevuren te dienen:
+of een armen palingvisscher schier overzeild door een Noorsche kof
+met mastboomhout geladen: wat verder scholden de schippers van een
+Rijnsche aak, die wijn aan boord had, en een boterhaalder uit Delftland
+elkander de huid vol en betwistten zich een ligplaats zonder elkander
+te verstaan, zoowel woordelijk als overdrachtelijk gesproken. In
+één woord, aan de gansche zuidzijde der stad had een onophoudelijk
+gegons plaats, dat zich reeds op een geruimen afstand hooren liet,
+en dat de stedelingen stellig zou belet hebben, een oogenblik rust
+te genieten, indien zij niet zelven op dien tijd alle gedachten aan
+rust en stilte uit hun geest hadden verbannen.
+
+Een gelijke, ofschoon kleinere verzameling van tenten was aan de
+westzijde der stad nedergeslagen op de opene plaatsen, welke haar
+afscheidden van het bosch, of, om den stijl des tijds te gebruiken,
+van _den Houte_, dat toen niet minder dan tegenwoordig den roem
+waardig was, welken het door geheel Holland verkregen had, wegens
+de fraaiheid van zijn wandeldreven en zijn statig geboomte, terwijl
+het bovendien het voorrecht bezat van niet, gelijk heden ten dage,
+een afgesloten hertenkamp te bezitten, maar een werkelijke wildbaan te
+zijn, waar deze dieren frank en vrij in 't rond liepen, totdat het den
+Grave behaagde er een jachtpartij op te houden, of aan zijn Edelen
+de vrijheid te geven er een te schieten. Eens in het jaar echter,
+en wel op den derden Maandag in Augustus, was het aan de poorters van
+Haarlem vergund, zoowel op deze herten, als op al het wild, dat zich
+in de grafelijke domeinen bevond, onverhinderd jacht te maken, onder
+gehoudenheid echter van zich tot deze jacht van geen ander geweer dan
+van stokken en steenen te bedienen, en onder streng verbod honden
+met zich te nemen: bepalingen, die natuurlijk de jachtpartij voor
+het wild minder gevaarlijk maakten: dan stroomde Haarlems bevolking
+de poorten uit, en bracht den dag door met het najagen der vlugge
+reebokken, die, voor dergelijke vervolgers weinig bevreesd, slechts
+zorg droegen zich buiten het bereik der toegeworpen keien te houden,
+en het overigens beneden zich achtten, zich om een ijdel geraas van
+hun gewone weiplaats te verwijderen. Dan wreekten de teleurgestelde
+Haarlemmers zich over het mislukken hunner pogingen op de konijnen,
+wier zandpaleizen zij opdolven, om de bewoners in zegepraal des avonds
+te huis te brengen, en met gestoofde peren op te smullen.--De Graven,
+die deze jachtpartijen toelieten, zijn lang in 't stof vergaan:
+geene herten loopen meer vrij in Haarlems omtrek rond, en geene
+jacht zonder akte van den Opperjagermeester is meer veroorloofd,
+maar nog altijd verlaten de Haarlemmers op den derden Maandag in
+Augustus hun bezigheden, en stroomen zij de poorten uit: niet meer
+om een jachtpartij te houden, maar om aan de Amsterdamsche vaart
+een onschuldig kopje thee te drinken, om in tentschuitjes naar de
+Brouwerskolk te varen, om den Blinkert op en af te loopen, om aan de
+Dreef in den Hout lamme, kreupele of blinde paarden te zien koopen, om
+eindelijk, 't geen wel de voornaamste reden is, te gaan waar iedereen
+gaat en menschen te zien. De uitspanning is zonder doel geworden,
+het vermaak is denkbeeldig; en echter zou er een wonderwerk noodig
+zijn om een gebruik te doen vervallen, hetwelk het verloop der tijden
+en de rampen der omwentelingen heeft doorgestaan. Zoo waar is het,
+dat geen gezag, geen voorschrift, geene wet, zulk een vermogen heeft,
+als de heiligheid eener overlevering, die van geslachte tot geslachte
+bewaard wordt.
+
+De lezer zal mij goedgunstiglijk een uitweiding vergeven, die zich
+hier als van zelve aanbood, en het mij ten beste houden, zoo ik,
+om eens adem te halen, het begin van mijn verhaal tot het volgende
+hoofdstuk uitstelle.
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Terwijl ik wandel, door nieuwsgierigheit gedreven,
+ Zie ik van verre in 't dorp twee goochelaars verheven
+ Op hunne ladders staan, die, rustende aan den muur,
+ Het volk vermaaken by 't gezwets met kuur op kuur.
+ De kinkel grijnst en houdt zijn oor en mondt wijt open.
+ Hy schatert, juicht en zwelt, terwijl zy windt verkoopen.
+ De tandelooze bes, die lang aan 't flerezijn
+ Nog onlangs lag te bedde en kromp van smart en pijn,
+ Vergeet haar leet. Dit spel kan haaren geest bekooren,
+ Zy grinnikt in haar vuist en meesmuilt onder 't hooren.
+ Zoo werken ijdle klap en potsen in 't gemeen
+ Veel meer op 't hart van 't volk, dan welgezoute reên
+ En stichtendt onderhoudt.
+
+ Rotgans. De Boerekermis.
+
+
+Het was in den voormiddag van een der dagen, die den aanvang der
+plechtige feesten voorafgingen, dat een hoopje burgers en boeren
+zich op een plein naast den Hout, ongeveer te dier plaatse gelegen,
+waar thans het Hazepatersveld gevonden wordt, verzameld had om
+een stellage, van waar een kwakzalver of goochelaar (want beide
+deze verhevene hoedanigheden waren in zijn persoon vereenigd) hun
+belangstelling wekte door het ten toon stellen zijner zonderlinge
+apotheek, of hun verwondering ten top voerde door zijn onbegrijpelijke
+kunstverrichtingen en behendige streken. Het uiterlijke van dit
+doorluchtig personage was aan de rol, die hij bekleedde, volkomen
+geëvenredigd. Zijn hoofd was met een zwarten doek omwonden, die onder
+de kin was vastgestrikt en bovendien met een kroon van verguld papier
+versierd. Zijn, insgelijks zwarte tabbaard van saai, met getande roode
+zoomen en wijde mouwen, welke hem bij zijn kunstgrepen te stade kwamen,
+was met goudpapieren sterren bezaaid en reikte tot aan de voeten,
+terwijl zij, van voren open zijnde, het roode onderkleed liet zien,
+dat om de middel gesloten was door een breeden gordel, waarop de
+dierenriem was afgebeeld. Om de borst prijkte een vierdubbele, zoo
+'t heette, vergulde keten, waaraan een peervormig gesteente hing,
+hetwelk waarschijnlijk tot een talisman moest dienen. Van de eene
+zijner dorre, dunne handen naar de andere vloog gestadig de ivoren
+tooverstaf heen en weder, welk onmisbaar werktuig ongeveer een elleboog
+lang, en aan het uiteinde met een gouden handje voorzien was.
+
+Het gelaat van dezen goochelaar, of, zooals men toen zeide, _kokeler_,
+was, evenals zijn geheele persoon, lang en schraal: langs de verbrande
+wangen hingen pekzwarte haren, die veel op paardemanen geleken, tot op
+de schouderen af: een enkele vlok vertoonde zich op het bruingerooste
+voorhoofd, en reikte, in de gedaante van een omgekeerden kegel, tot
+aan den langen neus, wiens kromte een brug scheen, waarover men den
+stekeligen baard bereikte, die, even zwart en lang als het hoofdhaar,
+tot op den gordel nederdaalde. De oogen van dit geheimzinnig personage
+schenen in zich zelven gekeerd en nimmer te kunnen worden afgetrokken
+door hetgeen hem omringde, 't geen hem het voorrecht verschafte,
+dat men, bij het staren op zijn kunstverrichtingen, omtrent den weg,
+dien zijn blikken namen, altijd misleid en door zijn toeren des te
+eerder verrast was.
+
+Naast den kokeler stond een kast, of soort van vliegende apotheek,
+in dien opzichte van onze hedendaagsche medicijnkasten verschillende,
+dat zij, behalve een aanzienlijke hoeveelheid fleschjes, potjes en
+poeders, ook een menigte voorwerpen bevatte, wier nut en strekking zich
+bij de beschouwing geenszins raden lieten, maar de verklaring van den
+verkooper noodig hadden. Voor hem was een tafeltje geplaatst, waarop
+al hetgeen te dier tijd het vereischte eener goocheltasch uitmaakte,
+ten toon was gesteld.
+
+Deze merkwaardige duivelskunstenaar, gelijk hem de boeren noemden,
+bewaarde gewoonlijk een volstrekt stilzwijgen, 't zij dat hij de
+Hollandsche, of, als men toen zeide, de Duitsche taal niet genoegzaam
+machtig was om zich te doen verstaan, 't zij dat hij vreesde zijner
+achtbaarheid te kort te zullen doen, indien hij zich vernederde om
+tot gewone menschen het woord te voeren. Hij liet deze taak over aan
+zijn metgezel of hansworst, die aan zijn radde tong evenveel beweging,
+als zijn meester rust aan de zijne gaf.
+
+Deze ambtgenoot of medehelper van den kokeler was, gelijk al de
+narren vanouds, in een veelkleurig gewaad uitgedost, prijkende hij
+met een half rood, half geel buis en met groene hozen: een houten
+sabel of brits, die door zijn lederen gordel gestoken was, duidde
+zijn hoedanigheid aan, zoowel als de bellen, die aan zijn zotskap
+en gewaad klingelden. Een roode, naar boven gekrulde neus, die een
+niet geringe verknochtheid aan het druivennat kenteekende, levendige
+grijze oogen en een dubbele rij hagelwitte tanden, gaven aan zijn
+gelaat een vroolijke en onbezorgde uitdrukking, die niet weinig werd
+verhoogd door de wijnmoer en het meel, waarmede het voorhoofd en de
+wangen bestreken waren. Op zijn schouder zat een aap, verscheidene der
+omstanders ergerende door zijn kleeding, die uit een pelgrimsmantel
+en hoed met schelpen bestond.
+
+De taak van dezen _alwillens dwaas_, of nar, was, gelijk men
+lichtelijk begrijpt, om de toekijkers oplettend te maken op de
+wonderen, die zijn meester òf reeds gewrocht had, òf ten gerieve der
+vrome burgerij van Haarlem en der geëerde inwoners van het graafschap
+nog wel zou willen daarstellen: op de merkwaardige genezingen, door
+den grooten man uitgewerkt of nog uit te werken, en op ongehoorde en
+schier ongelooflijke kunstverrichtingen, die hij met een alles te boven
+gaande gemakkelijkheid uitvoerde. Nu eens breidde hij al de verdiensten
+des kwakzalvers uit in een lang en bloemrijk verhaal, hetwelk hij met
+vaardigheid doch tevens met gepasten nadruk, waar die behoorde, in vrij
+verstaanbaar Hollandsch, ofschoon met een eenigszins hoogen tongval,
+opsneed; dan weer zette hij nog meer kracht en levendigheid aan zijn
+voorstelling bij door het aanwenden van een plotselinge toespraak, tot
+dezen of genen der omstanders meer onmiddellijk gericht en daardoor
+een sterkere, dikwijls onwederstaanbare uitwerking hebbende. Een
+staaltje zijner welsprekendheid zal hier niet ongepast schijnen,
+te meer daar het aanleiding geven zal om met sommige personen onzer
+geschiedenis als van zelf in kennis te geraken.
+
+"Ja! vrome burgers en landlieden!" zeide hij: "hoe zal ik u opsommen
+en verhalen al de groote en ongelooflijke kuren, die mijn meester
+Barbanera of 'met den zwarten baard,' bijgenaamd _l'Incomparabile_, 't
+welk in 't Italiaansch zooveel wil beduiden als 'de onvergelijkelijke,'
+al heeft teweeggebracht door zijne kunst. Een wijs man zoude daarmede
+zeven jaren kunnen zoek brengen: hoe zoudt gij dan van eenen armen
+nar als mij vergen, dat hij het in een uurtje vertelde. En wat
+behoef ik u ook veel te vertellen? Is het u niet genoeg, den man
+slechts aan te zien, om van zijn kunde en bedrevenheid overtuigd te
+wezen? Maar wat denkt gij, dat gij in hem ziet? Een man van vijftig,
+zestig jaren? ganschelijk niet. Tweehonderd en tien jaren is hij oud:
+en zoo hij nog zoo fiksch en wakker daar voor u staat, en zoo zijn haar
+nog niet grijs is, het is alleen door het vermogen van zijn kunst. Acht
+gij misschien dat ik u knapuiltjes vertel, burgers en landlieden? koopt
+het _elixir longae vitae_ en de kraaienmergzalf, en gij zult er u
+zelf bij uw eigen ondervinding van kunnen overtuigen." (Hier haalde
+de kwakzalver een fleschje en een potje uit zijn voorraad voor den
+dag, en toonde die met uitgestrekte armen aan de schare.) "Gij! vrome
+_pater_!" vervolgde de zot, zich tot een Karmelieter monnik wendende,
+die hem van midden uit den volkshoop met een verachtelijken blik
+aanstaarde, "gij hebt het nog niet verder kunnen brengen dan het ambt
+van spijsverzorger in uw konvent waar te nemen: koop het _elixir_,
+dat het leven rekt, en gij zult alle uwe oudere broeders overleven
+en eenmaal tot Proost, tot Abt, ja tot Bisschop verkozen worden: ja
+zelfs zoude een Kardinaalshoed niet kwalijk passen op uw eerwaardig
+aangezicht. De heilige Aartsbisschop van Kantelbergh zou zooverre niet
+gekomen zijn zonder 't _secours_ van dat middel, maar ware een arme
+Benediktijner gestorven,--koop het _elixir_, eerwaarde _pater_! en
+gij zult oud genoeg worden, om al de schatten dezer aarde tot u te
+zien toestroomen."
+
+"Wij hebben gelofte van armoede gedaan," zeide de pater: "en begeeren
+de schatten niet, die uwe duivelskunstenarijen verschaffen."
+
+"Zeg wat gij wilt, vrome man!" hernam de hansworst: "maar gij zult
+aan deze goede burgers en landlui niet doen gelooven, dat gij niet
+liever als een rijke Bisschop uw vazallen, dan als een arme monnik
+het gevogelte zoudt plukken voor 's Graven tafel."
+
+Hier ontstond een algemeen gelach ten koste van den pater; want het was
+bekend, dat, in tijden van groote drukten, maaltijden en feesten zooals
+die, welke thans te Haarlem plaats vonden, het plukken van gevogelte
+evenals het bereiden van sauzen en specerijen voor 's Graven tafel aan
+de kloosters werd opgedragen, die zich dan die taak ter wille van den
+Landheer en voor een klein drinkgeld moesten getroosten. De monnik
+voelde den steek en verwijderde zich ook terstond, na een toornigen
+blik op den gek te hebben geslagen, wien hij in zijn hart beloofde
+deze beschimping betaald te zullen zetten.
+
+"En gij, jonge deerne!" vervolgde de nar, die, zonder zich het gram
+gelaat des paters aan te trekken, zijn toespraak nu tot een aardig
+meisje wendde, dat onder de menigte stond, "en gij! wilt gij uwe
+glimmende zwarte haren behouden? koop de zalf van meester Barbanera,
+en uw vrijer zal u nooit een grijs haartje verwijten. Maar gij
+vreest misschien, dat de kleur van uw lieve koontjes met de jaren
+zal verbleeken en dat uw witte tandjes, die zoo aardig en net als
+een parelsnoer blinken, wanneer gij lacht evenals nu, eenmaal zoo
+hot en haar zullen staan als de steenen van het kerkhof der Joden op
+Bakenes? Neem de _reliquie_, die mijn meester u toereikt, en die,
+om uw hals gehangen, u zoo jong en frisch zal doen blijven als gij
+tegenwoordig zijt. Vrees niets, dat zakje bevat een gedeelte van de
+asch der heilige _Juventa_, die op last van den Sultan van Egypte
+werd verbrand, voor honderd zeven jaren, en waarvan mijn meester een
+potje vol gegaard heeft, waarvan dit het overschot is; want gij moet
+weten, dat, al is mijn meester in het vermaarde Keizerrijk van Sina
+geboren, boven op een porseleinen toren, die tienmalen zoo hoog is als
+honderd Domtorens van Utrecht op elkaar gezet, hij echter een goed
+christenmensch is, en omgang heeft gehad met alle vrome kluizenaars
+in Syrië, Arabië, Indië, Ethiopië en Moorenland.--Kom hier, mijn
+brave jager! indien uw pijl wel eens mist; ik doe u het onfeilbaar
+middel aan de hand om alle wild te raken. Deze kleine fiool bevat twee
+droppelen van het bloed des Heiligen Huybrechts; zoo gij er onder het
+zeggen van twee _aves_ en drie _paters_ de punt van een nieuwen pijl
+indoopt, zal u geen haas of reebok meer kunnen ontgaan."
+
+"Ik geloof, dat een goed oog en een vaste hand meer zullen afdoen dan
+al uw snuisterijen," zeide de boschwachter, hem op vrij schamperen
+toon in de rede vallende: "niettemin, zoo gij mij de proef eens wilt
+laten nemen van dat fleschje, ik heb hier juist een nieuwen pijl: en
+er vliegen kraaien genoeg door den Hout, om de kracht van uw middel in
+'t werk te stellen."
+
+De hansworst stond een oogenblik beteuterd van den onvoorzienen
+voorslag: doch hij herstelde zich terstond.
+
+"De proef nemen! de proef nemen, met een zoo heilige _reliquie_! Weet
+gij wel dat dit zooveel als een spotternij met het heilige zou
+wezen? Neem het fleschje of neem het niet, tot uw dienst; maar weet,
+dat het u voor 't oogenblik toch niet zou baten: het kan alleen
+dienen voor dezulken, die absolutie hebben bekomen: en wanneer ik de
+karbonkels aanzie, die uw neus omringen, dan houde ik mij overtuigd,
+dat er menige pekelzonde bij u huist, waar uw biechtvader nog niets
+van vernomen heeft, en dat uw arme vrouw ondervinding genoeg heeft,
+dat gij goed weet te raken."
+
+De omstanders keken lachende den jager aan; te meer daar de nar
+juist geraden had, en de boschwachter niet slechts bekend stond
+als een liefhebber van den drank, maar ook zijn vrouw meermalen in
+dronkenschap mishandelde.--Hij vergenoegde zich echter zijn kodde op
+een dreigende wijze te schudden en den potsenmaker grimmig aan te zien:
+toen de kokeler, waarschijnlijk om de toeschouwers den tijd niet te
+laten van over het gebeurde na te denken, opeens als in verrukking
+oprees, twee vergulde balletjes voor zich op de tafel nederwierp,
+en die terstond met twee tinnen bekers overdekte.
+
+"Let op nu, burgers en boeren! let op!" riep de hansworst met
+luider stemme, zoodra hij de beweging van zijn meester gewaarwerd:
+"nu eerst zult gij de kunst _del maestro incomparabile_ in haar vollen
+luister mogen bewonderen. Ja, niet voor niets is hij aan het hof van
+Egypte geweest, en heeft hij jarenlang bij den Keizer van Ethiopië
+gewoond, en al de geheimen der tooverkunst aan de magi van die landen
+afgezien. Let op nu! burgers en boeren! wat er gebeuren zal."
+
+Een ieder stond met open mond en gespannen aandacht den toovenaar
+aan te staren, die de ballen beurtelings van onder de bekers
+deed verdwijnen, en weer te voorschijn komen, en ettelijke andere
+kunstverrichtingen deed, welke bij ons verlicht hedendaagsch publiek
+slechts een medelijdend schouderophalen zouden verwekken, doch in
+die eeuw met verbazing en opgetogenheid werden aanschouwd.
+
+"Maar! wat u nog vreemder zal voorkomen dan al hetgeen gij tot nu
+toe gezien hebt," hernam de hansworst, na een korte pauze, "is de
+heerschappij die mijn meester ook over de wildste en ongezeglijkste
+dieren uitoefent, en het vernuft, dat hij in de redelooze schepselen
+weet te ontwikkelen. Gij ziet den aap, die op mijn schouder zit,
+burgers en boeren? welaan! dit dier was woest en ongetemd toen het nog
+in de bosschen van Indië rondsprong. Eenige weinige lessen van mijn
+meester hebben hem niet alleen een trap van behendigheid en kunde doen
+bereiken, welke men zelden bij gewone menschen aantreft, maar hem ook
+in staat gesteld, verborgene zaken uit te vorschen, ja het toekomende
+te voorspellen. Cezar! groet de eerbiedwaardige vergadering."
+
+De aap sprong van zijn schouder, nam den hoed af en boog zich
+deemoedig.
+
+"Ga nu aan die waardige lieden vragen, of zij u een kleinigheid willen
+schenken om met mij op hunne gezondheid te drinken."
+
+Cezar liet zich langs een touw van de stelling afglijden en hield
+den omstanders zijn hoed voor.
+
+"Een aalmoes voor den armen pelgrim!" riep de hansworst, naarmate
+Cezar rondging om giften in te zamelen: "hij komt van verre en heeft
+het noodig: maar pas op, Cezar! en ontvang geen andere munt dan die
+van het land."
+
+"Ga voorbij, onguur beest!" bromde de boschwachter, toen de aap hem
+den hoed toestak: "indien uw meester zulk een toovenaar is als hij
+beweert, kan hij zich geld genoeg verschaffen, en behoeft hij het
+ons niet uit den zak te kloppen."
+
+De aap liet driemalen de reeds ontvangen specie in den hoed rammelen,
+en toen, ziende dat de jager aan zijn verzoek geen gehoor gaf,
+grijnsde hij hem op een kwaadaardige wijze aan, en vervoegde zich
+bij meer milddadige toeschouwers.
+
+Zijn inzameling gedaan hebbende, keerde hij bij zijn oppasser terug,
+en na eenige sprongen en kunsten verricht te hebben, beantwoordde hij
+door middel van den hansworst, die hem tot tolk verstrekte, eenige
+door de omstanders voorgestelde vragen op dezelfde wijze en met niet
+minder behendigheid, dan de wijd vermaarde en waarschijnlijk van hem
+afgestamde aap van meester Pieter, wiens bekwaamheid door Cervantes
+vereeuwigd is.
+
+Ondertusschen had de beroemde meester Barbanera het niet beneden
+zijn waardigheid geacht, de ontvangene schatting der nieuwsgierigen
+na te tellen en te onderzoeken. Bij het verrichten dezer bezigheid
+had weldra zijn scherpziend oog een koperen geldstuk ontdekt, dat van
+vreemden oorsprong was, althans niet gangbaar op de plaats, waar zij
+zich thans bevonden. Hij nam het tusschen duim en voorsten vinger,
+bezag het een wijl met dezelfde aandacht, waarmede een oudheidkenner
+een zeldzamen penning zoude beschouwen, en reikte het vervolgens
+onder een veelbeteekenend hoofdschudden aan zijn medehelper over.
+
+"Gij hebt niet opgepast, meester Cezar!" zeide de hansworst tegen
+den aap, hem het geldstuk met een bestraffenden blik voorhoudende:
+"ik had u immers gelast geen andere dan inlandsche munt op te halen,
+en gij brengt mij een stuk, dat alleen bij heidenen en Turken gangbaar
+is. Spoedig! breng het terug en verzoek om een ander."
+
+Cezar nam met een deemoedige houding het geldstuk aan, sprong weder
+naar beneden en ging den volkshoop, die nieuwsgierig het einde van
+dit tusschenspel stond af te wachten, met bedaardheid rond, ieder
+der omstanders en dan zijn meester beurtelings aanziende, totdat hij
+eindelijk, hetzij uit eigen beweging, hetzij op een geheim teeken
+van den hansworst, stand hield bij een kloek gebouwden kerel, wien
+hij het muntstuk voorhield.
+
+"Ei lieve, goede vriend!" zeide de hansworst: "gij ziet, mijn Cezar
+laat zich niet verschalken. Wees zoo goed, neem uw valsche munt terug,
+en geef hem een beter stuk geld voor zijn moeite."
+
+De gezel, tot wien hij deze toespraak richtte, was een stevig jonkman
+van zes voet hoog, grof gespierd en zwaar van leden; doch wiens heldere
+blauwe oogen goedhartige welwillendheid teekenden. Zijn kleeding, in
+vele opzichten verschillend van de Hollandsche volksdracht, duidde een
+vreemdeling aan. Hij droeg een bruinen rok, van voren open, met een
+bonten rand voorzien, en gesloten door middel van een zwart lederen
+gordel, met zilver versierd. Op zijn zilverblonde haren prijkte een
+bonten muts of pet met vooruitstekende klep en zilveren kwastjes,
+terwijl een scherp mes met een zilveren heft in zijn gordel blonk,
+en hem onderscheidde van de overige omstanders, die van stalen of
+ijzeren wapenen voorzien waren. Aan zijn arm haakte of hing een
+klein bevallig meisje, wier hoofdhaar geheel verborgen was onder
+een bontgeruiten doek, wiens tippen zich om hals en kin vereenigden
+als de sluier eener Tartaarsche vrouw. Haar gewaad was van een zware
+wollen stoffage, geel van kleur met blauwe strepen, en om het midden
+door een zilveren gordel vastgehecht. Een soort van borstkuras
+van hetzelfde metaal, op de schouders met haakjes gesloten en in
+'t midden voorzien met een versiersel in den vorm van een omgekeerd
+schoteltje, gaf aan haren opschik een nog vreemder aanzien. Reeds
+lang had zij menigen verwonderden blik tot zich getrokken, en door
+haar zonderlingen tooi den spotlust opgewekt der omstanders, die,
+gelijk onze natie van oudsher doet en wel altijd doen zal, zich niet
+konden begrijpen hoe iemand anders kon gekleed gaan, dan op de gewone
+en bij ons aangenomen wijze. Reeds had men haar verscheidene schimp-
+en spotwoorden toegevoegd, en haar onder andere boertende gevraagd,
+of zij niet bijgeval eene weggeloopen non was, dat men haar hoofdhaar
+niet bespeurde, en onder welken ridder zij als wapenknecht diende,
+dat zij zoo geharnast verscheen: van al hetwelk zij noch haar geleider
+gelukkig niet veel verstaan hadden.
+
+Evenmin had deze laatste, zoo 't scheen, het gebarenspel van den
+aap, noch de toespraak van diens meester recht begrepen: althans
+hij draaide het hem gegeven muntstuk herhaalde keeren tusschen de
+vingers en zag, met eenige verlegenheid, nu eens den hansworst, dan
+weder zijn gezellin, dan de omstanders aan, welke laatsten eindelijk
+in een schaterend gelach uitberstten, hetgeen zijn verlegenheid
+nog vergrootte. Het jonge meisje begreep eerder dan hij de oorzaak
+van deze algemeene vroolijkheid, en, zich op de teenen verheffende,
+fluisterde zij hem eenige woorden in, waarvan ook de naastbijstaanden
+niets verstonden, vermits zij in een vreemde taal gesproken werden. De
+jongeling scheen echter over de gegeven opheldering weinig tevreden,
+althans hij schudde het hoofd, mompelde eenige onverstaanbare woorden,
+haalde een handvol van dezelfde koperen stukken uit zijn tasch,
+en, die op de breede linkerhand uitspreidende, scheen hij met den
+rechterwijsvinger aan te duiden, dat zij alle van gelijk gehalte waren
+en dat hij dus aan het verzoek van den kunstenaar niet kon voldoen.
+
+"Kom goede vriend!" zeide de veldwachter, zich met een hoonenden
+lach bij hem vervoegende: "geef den baviaan zijn zin en schenk hem
+een stuk van achten: dan zal hij wel tevreden zijn."
+
+"'t Zijn al goede muntspeciën in Friesland," antwoordde de andere,
+met een sterken Frieschen tongval sprekende.
+
+"Ja maar, wij zijn hier in Holland," hernam de jager: "en wij kunnen
+uwe Friesche stukken niet gebruiken: berg ze maar gerust weg, zoowel
+als uw Friesch mes, eer de dienaars u bij de kladden krijgen als
+valschen munter en als breker van 's Graven vrede."
+
+"Valsche munt!" riep de Fries verbolgen uit: "een valschaard die
+'t zeit."
+
+"Ho! ho!" zeide de jager, spottende: "bak maar spoedig zoete broodjes;
+gij zijt hier niet in uw _frije Friesland_, waar men ongestraft op
+de Hollanders scheldt. Berg dat mes, of er zullen goede stukken van
+achten uit uw zak moeten komen."
+
+"'t Is zeker," zeide een klein, in 't zwart gekleed mannetje, 't welk
+zich den schijn van deftigheid wilde geven en evenals een ekster naar
+hen toe kwam trippelen, "'t is zeker, dat volgens het Privilege van
+Koning Willem niemand binnen den banne van Haarlem een mes mag dragen
+op een boete van tien pond, waarvan de helft aan den...."
+
+"Zoudt ge mij mijn mes willen ontnemen?" riep de Fries, het heft met
+kracht omvattende.
+
+"Rebellie tegen art. 15 van het Privilege," kraaide het kleine
+mannetje, tevens met een ontsteld gelaat achteruitwippende: "al wie
+het mes trekt binnen de stad Haarlem ofte derzelver...."
+
+"Ik weet van geen Privilege," riep de Fries, zijn mes half
+uittrekkende: "hier is mijn Privilege."
+
+"In den stok met hem!--Te water met den muiter!--Dienaars hier!--'s
+Graven vrede!" riepen terstond een verwarde menigte stemmen, waaronder
+die van het zwarte ventje zich onderscheiden liet:--en de zooeven
+nog rustige en vroolijke kring leverde een tooneel op van onrust en
+verwarring. De kinderen klommen verschrikt op de stellage en in de
+boomen of hielden zich aan de moeders vast: de vrouwen drongen zich
+beangst tegen haar mans, broeders of vrijers aan of poogden zich
+te verwijderen: de mans hielden zich deels bevreesd op een afstand;
+deels hieven zij hun stokken of vuisten op om den Fries te lijf te
+gaan en hem zijn mes te ontweldigen.
+
+Dit was echter geen gemakkelijk werk. Bij de eerste bedreiging had
+de jongeling zich schrap gesteld, zijn mes met de rechterhand op de
+hoogte van het aangezicht brengende ten einde allen aanval af te wenden
+en met de linkerhand het meisje van zich afwerende, dat hem wilde
+tegenhouden. Niemand der omstanders durfde hem van voren braveeren;
+doch sommigen poogden hem van achteren te bespringen en zijn arm te
+grijpen. Zoodra hij dit bespeurde, draaide hij zich om. Sneller dan
+de gedachte beschreef zijn arm een halven cirkel en gleed zijn mes in
+'t voorbijgaan langs de aangezichten en kleederen zijner bespringers,
+onderweg eenige aan dezen toebehoorende lappen vleesch en laken en
+een gedeelte des hoeds van het kleine mannetje medenemende. Door deze
+beweging vond zich de Fries teffens met den rug tegen het theater des
+kokelers geplaatst, zoodat hij althans naar zijn en elks meening van
+achteren gedekt stond; doch hij was daardoor ook afgescheiden van zijn
+gezellin, die in de algemeene verwarring van hem verwijderd werd, zich
+nu, weerloos klagende, in een bedrukten toestand tusschen vreemdelingen
+bevond en vergeefs onder angstig gekerm om haren vriend Feiko riep.
+
+Maar Feiko was niet in staat haar te hulp te komen, daar hij genoeg
+te doen had om zich tegen de volksmassa te beschermen, die hem nu
+op alle wijze bestoken kwam. Geen van hen dorst hem echter van nabij
+aanvallen, toen op eens de koddebeier, die de eerste aanleiding tot
+den twist gegeven had, door de omstanders, die hij rechts en links van
+zich afstootte, heen drong en zich vlak tegenover den Fries plaatste.
+
+"Hoe!" riep hij, "schaamt gij u niet? honderd tegen eenen en gij
+zijt den vreemden gauwdief nog niet meester? heeft geen van die lamme
+poorters een hart in 't lijf? wacht! ik zal hem alleen wel krijgen."
+
+Onder het uiten dezer woorden had hij zijn kodde opgeheven met oogmerk
+om den Fries een geweldigen slag op het hoofd toe te brengen; doch
+Feiko voorkwam het dreigend gevaar door snel het rechterbeen op
+te lichten en den jager een trap voor de borst te geven, die hem
+sprakeloos tegen den grond wierp.
+
+Dan op hetzelfde oogenblik kregen de aanvallers een bondgenoot, dien
+zij verre waren van te verwachten. De aap namelijk was bij het ontstaan
+van den twist weder op het theater gevlucht en van daar beschouwde
+hij op zijn gemak het gevecht. Toen nu de Fries bij de stellage was
+komen staan, naderde hem het boosaardige dier, en zoodra Feiko zich na
+den gegeven trap in postuur stelde, rukte de aap hem vlug de muts van
+'t hoofd en bracht die grinnekende aan zijn meester.
+
+Feiko, niet wetende wie dien onverhoedschen aanval op zijn hoofddeksel
+deed, keerde zich onthutst om, ten einde zich daartegen te verdedigen;
+en deze wending was hem noodlottig: tien der naastbijstaanden
+maakten van dit oogenblik gebruik: hij werd aangegrepen, en eer hij
+weerstand kon bieden, lag hij met de helft der aanvallers op den
+grond te worstelen. Het was echter niet dan met moeite dat men hem
+meester werd, het mes ontweldigde en met een eind touw, hetwelk aan
+de bagage des kwakzalvers ontnomen werd, vastknevelde.
+
+"Mijn hemel! Feiko!" riep het arme meisje, dat nu weder door den
+volkshoop naar voren gedrongen was, "waar brengt men u? Ik wil met
+u gaan! wat zullen de Olderman en de Jonker wel zeggen als zij het
+hooren."
+
+"Sytsken! loop naar den Olderman" brulde Feiko: "en zeg hem, hoe die
+honden met een vrijen Fries handelen."
+
+"Wees zoo dwaas niet, zoet zusje!" zeide de koddebeier, die intusschen
+weer op de been geraakt was, terwijl hij Sytsken bij den arm nam:
+"laat uw lompen vrijer gerust aan zijn lot: de Schout zal wel weten
+wat met hem te doen: kom, geef mij een arm: ik zal u brengen waar
+gij wezen wilt."
+
+"Blijf van mij af, schurk!" riep de verschrikte Sytsken, vruchteloos
+pogende zich van de omarming des jagers los te maken: "ik wil niet
+met u gaan: ik haat u: gij zijt de oorzaak van alles."
+
+"Laat het meiske gaan, vriend Walger!" zeide het zwarte mannetje:
+"gij hebt geen recht op haar, en volgens art. 17 van het Privilege
+van Koning Willem is alle maagdenroof strafbaar met....."
+
+"Moei u met uwe zaken, meester Claes Gerritsz," duwde hem Walger toe:
+"ik ben geen poorter van Haarlem en hoest wat in uwe Privileges. Ik ben
+'s Graven koddebeier en zal dit zoete kind brengen waar het wezen wil,
+zonder iets meer dan een kusje voor mijn loon te vragen."
+
+En hij wilde zich reeds te voren van dat loon verzekeren, toen Sytsken
+zich op eens uit zijn armen losrukte en met een kreet van blijdschap
+naar een jongeling toesnelde, die op eenigen afstand door eene der
+lanen kwam aangewandeld.
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Wat dorperheid is dit, onedele gemeente?
+
+ Vondel. Palamedes.
+
+
+"O Jonker Seerp!" riep Sytsken: "spreek een woord voor den armen Feiko,
+wien men naar de boeien wil brengen."
+
+De nieuwaangekomene, tot wien zij sprak, was een jonkman van
+ruim dertig jaren, lang en mager, doch gespierd en forsch. Zijn
+gelaatstrekken, ofschoon regelmatig, waren te sterk geteekend
+om innemend te heeten, en de opslag zijner oogen gaf hoogheid en
+eigendunk te kennen. Zijn kleeding was uitheemsch, evenals die van
+Feiko; doch van kostbaarder stof. Een geelzijden doek, met zilveren
+ruiten en franje van dezelfde stoffage, was om zijn hoofd gewonden
+en hing aan de linkerzijde in breede plooien af, het haar geheel
+verbergende, hetwelk naar een gewoonte, welke den Frieschen adel
+van elken anderen onderscheidde, hoog boven de ooren kaalgeschoren
+was. De zijden bovenrok was geel, met vergulde randen voorzien en
+met vergulde haakjes gesloten. Een prachtige ponjaard stak in den
+sierlijken gordel, en een krom gebogen oostersch zwaard, welk wapen
+den drager voor een man van aanzien kennen deed, hing daarvan af. De
+gevesten der wapenen zoowel als de versierselen des gordels waren mede
+zwaar verguld. Een driedubbele gouden keten prijkte om den hals; doch
+was ten deele door den lichtgroenen overrok verborgen. Enge hozen van
+groen laken bedekten het been, terwijl de voeten in puntige schoenen
+staken, rijkelijk met gouden sterren bezaaid.
+
+"Wie vermeet zich zulke buitensporigheden?" vroeg hij op zijn beurt,
+na de klacht van Sytsken te hebben vernomen, terwijl zijn valkenoog
+langs den volkshoop rondwaarde.
+
+Een enkele blik was hem genoeg om te ontdekken wat er gaande
+was. Zonder zich te bedenken, doch ook zonder zijn tred te verhaasten,
+stapte hij naar de geleiders van Feiko toe, die alle moeite deden om
+den knaap met zich te sleuren: en zonder een woord te spreken sneed
+hij met zijn dolk de touwen los, waarmede de gevangene gebonden was
+en rukte hem uit de macht der knevelaars.
+
+"Nieuwe rebellie!" riep meester Claes Gerritsz: "hei ho! wakkere
+poorters! laat den gevangene niet ontsnappen."
+
+"Gij zult mij toch niet willen houden," riep Feiko, die niets in de
+wereld boven een Frieschen edelman stelde, "tegen den wil van Jonker
+Seerp Van Adeelen?"
+
+"Stil Feiko!" zeide deze: "vertel mij wat de reden van dit rumoer is."
+
+"Wat mocht hij vertellen," riep Claes Gerritsz: "een vreemdeling
+mag niet tegen een burger gehoord worden, volgens artikel II van
+het Pr...."
+
+"Antwoord wanneer men u vragen zal, Haarlemmer mug!" duwde hem Seerp
+Van Adeelen met bitsheid toe: "of," vervolgde hij, hem met een donkeren
+blik aanziende: "kunt gij mij zeggen, wie hier de stoutheid heeft
+gehad een dienaar van den Olderman te knevelen?"
+
+Claes Gerritsz trad bedremmeld terug, toen hij den norschen oogopslag
+des Frieschen edelmans ontmoette: maar de boschwachter Walger, die
+door zijn beroep meer gewoon was, met edellieden evenals met kameraden
+om te gaan, nam het woord op:
+
+"Deze snaak veroorzaakte hier opschudding: en daar het ongeoorloofd
+is, messen te dragen, althans te trekken, binnen het rechtsgebied
+van Haarlem, zoo brachten wij hem naar den Schout: en wij zouden u
+raden, Jonker! u hier niet tegen te verzetten, of het kon ook met u
+slecht afloopen."
+
+"Wij zullen zien," zeide Adeelen: "wie zich vermeten zal de handen aan
+hem te slaan nu hij onder mijn bescherming is. Ik ben afgevaardigde
+van Friesland en heb met uwe zotte bepalingen en Privileges niets
+van nooden. Volg mij, Feiko."
+
+Dit gezegd hebbende, wendde hij zich om en wandelde met bedaarde
+schreden heen, met Feiko en Sytsken achter hem. Zoolang de menigte
+nog door de verbazing van het oogenblik, de krachtige taal en het
+forsch gelaat des edelmans in bedwang was gehouden, was zij stil en
+besluiteloos gebleven, en geen arm was tegen Feiko opgeheven geweest;
+maar evenals kleine keffers, die beangst wegdruipen wanneer een moedige
+dog hen aanziet, maar hem nablaffen, zoodra hij zich verwijdert, zoo
+hief het gepeupel een verward en woest getier aan, zoodra men de zoo
+gevreesde Friezen niet meer in 't aangezicht zag. Dan het bleef niet
+bij de vloeken en verwenschingen, die men hen nazond: ras werden deze
+opgevolgd door een hagelbui van modder, steenen, kluiten, boomtakken,
+
+
+ en alles wat men reedst kon vinden by der hant,
+
+
+om met vader Vondel te spreken. Adeelen bleef gedurende eenigen tijd
+zijn weg voortzetten als trok hij zich die beleedigingen niet aan;
+maar toen een potscherf hem tegen het hoofd aangonsde en in de plooien
+zijner muts bleef hangen, kon hij zijn woede niet langer bedwingen;
+zijn lemmer vloog de scheede uit: als een gewonde tijger keerde
+hij zich om, sprong op de menigte toe en deed haar in verwarring
+terugstuiven. Juist op het oogenblik waren eenige dienaars van den
+Schout, met staven gewapend, op het gerucht komen toeschieten, die,
+ziende wat er gaande was, 's Graven vrede uitriepen en de vechters
+poogden vaneen te scheiden. Doch hier was geen denken meer aan: reeds
+had het zwaard van Adeelen bloed doen vloeien; en het volk, op dat
+gezicht verbitterd, had de vrees voor de wraakzucht doen zwijgen:
+van alle zijden drong men aan op den edelman en op Feiko, die aan
+Walger zijn kodde had ontrukt en wakker in het rond sloeg:--en beiden
+waren misschien de slachtoffers van dezen ongelijken strijd geweest,
+zoo de aankomst van eenige nieuwe personages daaraan geen spoedig
+einde gemaakt had.
+
+De nieuwaangekomenen waren twee edellieden uit het gevolg van Graaf
+Willem, met name Reinout en Deodaat van Verona, die met eenige dienaars
+en stalknechts uit Haarlem kwamen aangereden, alwaar zij een boodschap
+voor hun Heer hadden volbracht. De plek waar het gevecht voorviel,
+lag niet volkomen in hun weg; doch zij hadden aan den ingang van den
+Hout de troostelooze Sytsken ontmoet, die van verre was blijven staan,
+toen Adeelen en Feiko den strijd begonnen waren, en nu, hun gevaar
+bespeurende, op het hoefgetrappel was toegesneld, ten einde de hulp
+der ruiters in te roepen. Beide de edellieden waren jong en minnaars
+van het avontuurlijke: zij toefden dus niet om aan het verzoek van
+het bevallige meisje een gunstig oor te verleenen, en togen in vollen
+ren naar de kampplaats. Hier kwamen zij juist intijds. Adeelen was
+door middel van een haak omvergerukt, en een uit het volk stond
+reeds gereed om hem met zijn eigen dolk te doorboren, toen Deodaat,
+het gevaar ziende, waarin de Fries verkeerde, zoo heftig tegen den
+poorter aanreed, dat deze achterovertuimelde, terwijl Reinout, zijn
+paard midden tusschen het volk drijvende, in de stijgbeugels oprees
+en met kracht uitriep: "pais en vree, gespuis van den Satan! niemand
+verroere zich, of het zal hier zwaardslagen regenen zoo dicht als
+hagel! Wat doet gij hier, schelm van een boschwachter?" vervolgde hij,
+zich tot Walger keerende: "zoo de Graaf verneemt dat gij, in plaats
+van op boomschenders en stroopers te passen, u hier in twisten steekt
+tusschen poorters en vreemdelingen, zal het er slecht met u uitzien."
+
+"'t Is die schoelje, die oorzaak van alles is," bromde Walger, op
+Feiko wijzende.
+
+"Is het de wil van den Graaf," vroeg Adeelen, die opgestaan was
+en hijgende op zijn zwaard stond te leunen, "dat men Frieslands
+afgevaardigden en hunnen dienaars smaadheden aandoe?"
+
+"Wanneer Frieslands afgevaardigden rebellie plegen," balkte Claes
+Gerritsz, "dient art. 16 van het Privil...."
+
+"'t Is geen schrale marktschrijver die het in allen gevalle ten
+uitvoer moet leggen," zeide Reinout, den voorvechter der Privileges
+in de rede vallende.
+
+"Neen heer Ridder!" riep de Onderschout, die, met een gelaat zoo rood
+als een kalkoensche haan, zweetende en blazende kwam aangeloopen:
+"maar wanneer mijne dienaars 's Graven vrede opleggen, behoort die te
+worden in acht genomen: en het is mijn plicht hier alle twistzoekers
+in bewaring te nemen."
+
+"Neem dan den aap van den kokeler in bewaring," zeide Feiko, "want
+die is de oorzaak van al de opschudding."
+
+"Geloof hem niet," riep de hansworst, die gedurende het vechten niet
+van zijn stellage geweken was: "hij is een valsche munter en draagt
+de tasch vol ongangbaar koper."
+
+"'t Is goede Ezekermunt," zeide Feiko, zijn geld toonende, "die elke
+schipper mij zal inwisselen."
+
+"Al genoeg!" riep de Onderschout, aan wien Claes Gerritsz een
+waarachtig verhaal van het voorgevallene had pogen te geven: "de
+beide Friezen moeten naar de gijzeling, tenware zij borg stellen van
+op den eerstkomenden rechtsdag te zullen verschijnen."
+
+"Ik lach met uw rechtsdag en rechtsgebied," zeide Adeelen: "mijn
+persoon is heilig en onschendbaar: en wat dezen knaap betreft, alle
+beleediging hem aangedaan, beschouw ik als tegen mij gericht."
+
+De twee Ridders hadden zich inmiddels te zamen beraden.
+
+"Heer Onderschout!" zeide eindelijk Deodaat, den ambtenaar ter zijde
+trekkende, "ik mag u in dezen niets voorschrijven: maar een goeden raad
+wil ik u geven: bezin eer gij begint. Gij weet welk belang er de Graaf
+in stelt, de gemoederen in Friesland te winnen. Eene onvoorzichtigheid
+zoude aanleiding tot nieuwe onlusten en oorlogen kunnen geven."
+
+"Met dat al...." hernam de Onderschout.
+
+"En u de ongenade des Graven op den hals halen," vervolgde Deodaat,
+gevoelende dat deze beweeggrond nog krachtiger zoude werken dan
+de vorige.
+
+"Dat alles is waar," hervatte de Onderschout: "maar daar is bloed
+van onze poorters gestort: daar is schipper Harmen Harmsz., die
+zijn neus kwijt is, en de bakker aan de Nieuwsteeg, die een houw in
+'t been heeft, en anderen meer, die builen en blutsen hebben. Moet
+onze burgerij zich door vreemdelingen straffeloos laten mishandelen?"
+
+"Schaam u, heer Onderschout!" zeide Deodaat: "zij waren honderd
+tegen één!"
+
+"Kort en goed," viel Reinout in: "gij zult uw gijzeling gerust kunnen
+gesloten houden; want ik joeg u liever allen in 't Sparen, eer ik
+het minste leed aan deze wakkere kerels gebeuren zag."
+
+"Welaan," zeide de Onderschout, de schouders ophalende: "indien deze
+edelman en zijn dienaar zich verbinden willen, 's Graven vrede met
+de burgerij van Haarlem te houden en den meester te betalen, die de
+gewonden zal helpen, dan zullen wij de zaak niet verder drijven."
+
+"Wat meester!" bulkte de hansworst er tusschen in: "komt bij meester
+Barbanera, die zal u van alle ondergane kwetsuren genezen, binnen
+den tijd van drie dagen: neemt den echten Sineeschen balsem, die alle
+wonden heelt: voor den prijs van drie groot hebt gij een potje."
+
+"Het is veeleer dat gespuis," zeide Adeelen, "hetwelk zich verbinden
+moest, geen hoon meer aan te doen aan Frieslands afgevaardigden of
+hun dienaars; doch wie zoude zich hunne beloften bekreunen? Ik zal
+hier geen twist beginnen, tenzij mijn eer gekrenkt worde: en wat uw
+gewonden betreft, laten zij zich doen genezen."--Onder het uitspreken
+dezer woorden nam hij een handvol geld uit de tasch en wierp het den
+Onderschout voor de voeten.
+
+"Wat u betreft," vervolgde hij, zich tot de Ridders wendende, "grooten
+dank voor uw tijdige hulp, zonder welke Seerp Van Adeelen Friesland
+nooit had kunnen teruggezien. Zijt echter zoo goed uw Graaf te zeggen,
+dat hij zijn onderzaten in toom houde; want een tweede beleediging
+zoude op een wijze gewroken worden, die hem rouwen mocht."
+
+"Ik ben niet gewoon dergelijke boodschappen aan uwen en mijnen Heer
+over te brengen," antwoordde Deodaat eenigszins geraakt.
+
+"Onze Heer weet beleedigingen te voorkomen," voegde Reinout er bij:
+"doch hij weet die ook te wreken, op wie dan ook."
+
+"Onze Heer!" mompelde Adeelen met bitterheid: "ellendig
+dienstvolk!"--en zonder verdere groete verwijderde hij zich met Feiko
+en Sytsken.
+
+"Die onbeschaamde!" riep Reinout uit: "een woord meer en mijn degen
+had hem geleerd de lompe tong te snoeren."
+
+"Indien een ezel tegen u balkt, zult gij hem dan het hoofd
+afslaan?" vroeg Deodaat: "een verachtelijk zwijgen is al wat die
+ongelikte beren waardig zijn.--Dan wij hebben hier tijds genoeg
+doorgebracht! Voortgereden! anders komen wij te laat voor het maal."
+
+De beide Ridders deden hunne rossen de sporen voelen en waren spoedig
+met hun gevolg door een stofwolk aan elks oog onttogen.
+
+"'t Is de goede tijd niet meer," zeide Claes Gerritsz, het hoofd
+schuddende: "het schijnt wel, dat de ingezetenen niets meer hebben
+in te brengen."
+
+"'t Is zeker wat erg," merkte Walger aan, terwijl hij met een frissche
+teug uit het lederen fleschje, dat aan zijn bandelier hing, zijne
+door het gevecht verloren krachten poogde te herstellen, "'t is zeker
+erg dat twee Friezen hier onze landslui komen doodslaan en door twee
+Italianen aan de straf onttrokken worden. Blieft gij ook gediend?"
+
+"Is 't een wonder," zeide de Marktschrijver, na gebruik gemaakt te
+hebben van Walgers aanbod, "dat men aan vreemdelingen de voorkeur
+geeft? Dat zoude onder Koning Willem niet gebeurd zijn, die ons het
+Privilege gaf, noch onder zijn Zoon Floris, wiens ziel bij God is:
+maar dat waren ook echte Hollanders: en onze tegenwoordige Graaf is
+zelf een vreemdeling."
+
+"Stil!" zeide de Onderschout: "het past niet zulke dingen aan te
+merken in 't bijzijn van 's Graven ambtenaar."
+
+"Ik zeg niets kwaads," hernam Claes Gerritsz: "de Graaf is een wijs
+en dapper man, maar dat hij dien sleep van bloedzuigers uit vreemde
+landen heeft met zich gebracht, dat moge hij voor God verantwoorden."
+
+Het wijze mannetje voegde hier nog veel bij, doch wij zullen hem
+voor het tegenwoordige aan zijn aanmerkingen laten, en trachten onze
+ruiters in te halen, die nog altijd in vollen draf op weg zijn naar
+'s Graven jachtslot, de Vogelesang genaamd, een groot uur gaans ten
+Zuiden van Haarlem gelegen. Waarschijnlijk zullen sommigen onzer lezers
+nog meer dan Claes Gerritsz verwonderd zijn geweest, twee Italianen te
+Haarlem en in het gevolg van den Hollandschen Graaf aan te treffen,
+en deswege eenige opheldering verlangen, welke wij ook gaarne te
+dezer plaatse geven, daar wij niet tot diegenen behooren, welke,
+in verhalen van een aard als dit, den lezer gedurende het gansche
+werk in een pijnlijke onzekerheid laten, ook omtrent die punten,
+welker verstand noodzakelijk is om den draad van het geheel niet ieder
+oogenblik te verliezen, en die alle opheldering, ook de meest noodige,
+tot de laatste bladzijde verschuiven.
+
+Aan hen, die de geschiedenis des Vaderlands beoefend hebben, zal het
+gewis niet onbekend wezen, dat Jan van Beaumont, 's Graven oom en een
+der volmaakste Ridders van zijn tijd, door godsdienstijver gedreven,
+in den jare 1331 een veldtocht tegen de Saracenen in Spanje deed,
+alwaar hem vele Hollandsche en Henegouwsche Ridders gevolgd waren. De
+roem van dapperheid en beleid, welke hem vooruit was gegaan, had ook
+bij edellieden van vreemde landen den lust opgewekt om zich onder zulk
+een waardig krijgshoofd in de wapenkunst bekwaam te maken, en lauweren
+te verwerven, of wel om een reeds verkregen roem te handhaven. Onder
+deze laatsten onderscheidde zich een edelman uit Opper-Italië, Carlo
+della Scala geheeten. Twee knapen, der kindsheid nauw ontwassen, waren
+met hem gekomen, en onder de namen van Rinaldo (of Reinout) en Deodaat
+van Verona aan Beaumont voorgesteld geworden. Hoe jong nog, reeds vroeg
+gaven zij blijken van dapperheid, en verworven zich de vriendschap van
+den Henegouwer. In een der aan de Saracenen geleverde gevechten bekwam
+Carlo della Scala een doodelijke wonde. Zijn einde voelende naderen,
+riep hij Beaumont en de beide jongelingen aan het ziekbed, waarop
+hij lag uitgestrekt, en deelde hun de volgende omstandigheden mede.
+
+Te Verona uit een der aanzienlijkste geslachten geboren, had Carlo
+della Scala zijn jongelingsjaren door al die genoegens en voorrechten
+zien opgeluisterd, welke rijkdom en aanzien kunnen verschaffen. Een
+enkele zaak ontbrak aan zijn geluk, of liever belette hem, een waar
+geluk te smaken; het was het bezit eener gade, zijner waardig. Vurig
+beminde hij de schoone Bianca di Salerno; doch hopeloos was zijn
+liefde: daar niet slechts de vader der Veroneesche schoone zijn
+aanzoeken had afgeslagen; maar ook zij zelve hem menigmalen betuigd
+had, dat hij zich met haar vriendschap en achting tevreden moest
+stellen, daar zij hem nimmer wedermin kon schenken. Troosteloos over
+haar herhaalde weigering, verliet hij zijn vaderstad om in den krijg
+zijn liefde te vergeten. Toen hij na drie jaren terugkwam, vond hij
+den staat van zaken veranderd. Bianca was door den dwang haars vaders
+de echtgenoote van Carlo's bloedverwant, Francesco della Scala, en
+die Francesco de dwingeland zijner geboortestad geworden. Onwillig,
+om de snoode inzichten en bedoelingen van dezen booswicht door zijn
+tegenwoordigheid te schragen, of zich in diens paleis te vertoonen,
+en aldaar het voorwerp zijner liefde onder de heerschappij eens
+anderen terug te vinden, verkocht Carlo zijn bezittingen in Verona
+en zette zich in Pisa neder. Slechts weinige maanden had hij in zijn
+nieuwe woonplaats doorgebracht, toen hem op een morgen twee kinderen
+van ongeveer twee jaren gebracht werden, welke de hovenier aan den
+ingang van den hof in een korfje had vinden liggen. Een brief werd
+bij hen gevonden, waarbij Carlo gebeden werd, in naam van de Moeder
+Gods en van alle Heiligen, het hem toevertrouwde kind, dat uit Verona
+en van adellijken huize was, tot zich te nemen, en als het zijne op
+te brengen.
+
+Het is niet te verwonderen, dat Carlo vreemd opzag, vooreerst om het
+zonderlinge geschenk, ten tweede omdat er in den brief slechts van
+één kind melding gemaakt werd, terwijl hij er twee uit het korfje
+zag kruipen, die bitter schreiden en om hun moeder riepen. Ook kon
+hij niet begrijpen, aan wien hij een zoo vreemde gift, of wel een
+zoo groot bewijs van vertrouwen verschuldigd was. Dit merkte hij op,
+dat de knaapjes waarschijnlijk geen broeders waren: want het eene
+was blond als een zoon van het Noorden, en het andere had de donkere
+kleur der Italianen.
+
+Zijn medelijden met de onschuldige, hulpbehoevende wezens en de
+gedachte, dat wellicht de ouders dier kinderen als slachtoffers
+der dwingelandij van Francesco gevallen waren en hunne kinderen
+daaraan hadden wenschen te onttrekken, zegevierden eindelijk over
+alle bedenkingen: hij besloot aan het in hem gestelde vertrouwen te
+beantwoorden en de beide knaapjes als de zijne op te voeden. Zij
+toonden zich de zorg aan hen besteed niet onwaardig. Carlo della
+Scala hechtte zich gedurig meer aan zijn voedsterlingen, en nam hen,
+zooras zij in staat waren een zwaard te voeren, als schildknapen met
+zich naar Spanje, gelijk wij hierboven verhaald hebben.
+
+De edele man overleed na het afleggen dezer verklaring, zijn paarden,
+krijgstuig en al hetgeen hij verder aan goud en kostbaarheden had
+met zich gevoerd, aan zijn pleegkinderen nalatende, die zich nu
+aan Beaumont hechtten, en hem na het einde van den veldtocht naar
+Henegouwen volgden. Sedert deelden zij in al de krijgsbedrijven,
+door hem of door zijn neef Grave Willem verricht, volgden dezen
+laatste op zijn reis naar Palestina, en streden in Pruisen aan zijne
+zijde. Het was daar, dat Willem, reeds lang door de verdiensten der
+beide jongelingen getroffen, hen op het slagveld tot Ridders sloeg,
+ondanks het morrend misnoegen van sommige edellieden, die met leede
+oogen zagen, dat twee gelukzoekers, die geen bewijs van adeldom,
+zelfs niet van een vrije geboorte konden aantoonen, een voorrecht
+genoten, alleen voor den adel weggelegd, en in vele opzichten aan
+afstammelingen der oude Duitsche geslachten werden voorgetrokken.
+
+Al wie echter billijk dacht, moest de gunst rechtvaardigen, door den
+Graaf aan de beide jongelingen bewezen. Men zag den mangel aan een
+erkende afkomst over het hoofd, wanneer men de stoute feiten, door
+hen bedreven, en de krijgskundige bekwaamheden, die zij bezaten,
+in aanmerking nam. Bovendien had elk van beiden zijn bijzondere
+bekwaamheden, waardoor hij zich onderscheiding verwierf, en ontzag
+of vriendschap inboezemde. Beiden waren schoon en welgemaakt,
+uitmuntende in alle soorten van spelen en lichaamsoefeningen, en
+bij het schoone geslacht, dat den palm meestal rechtvaardiglijk
+uitreikt, welgezien. Rinaldo, of Reinout, gelijk men hem in Holland
+noemde, had een wel niet rijzige, maar toch in allen deele fraai
+gevormde gestalte. Ravenzwart haar krulde hem met bevalligheid om de
+slapen: zijn gelaatstrekken waren fijn en regelmatig, en, schoon van
+nature bleek en door de zuiderzon en de vermoeienissen des oorlogs
+met een gele tint overdekt, hoogst bevallig en innemend. Geest en
+scherpzinnigheid straalden uit zijn gitzwarte oogen, wier levendigheid
+waarde gaf aan alles wat hij zeide. Wat zijn zielshoedanigheden
+betrof, hij was onverschrokken, ondernemend en vroolijk van aard; maar
+tevens wispelturig, oploopend en heerschzuchtig. Aan degenen, die hem
+onbescheidene vragen of aanmerkingen betreffende zijn geboorte deden,
+had hij zulks meer dan eens en wel zoo gevoelig doen bekoopen, dat
+aan anderen de lust vergaan was, hem daarover te onderhouden. Ofschoon
+hij de min goede zijde van zijn inborst slechts zelden vertoonde, en
+wanneer het pas gaf met het vernis der hoffelijkheid wist te bedekken,
+was hij over 't algemeen meer ontzien en gevreesd, dan bemind.
+
+Anders was het gelegen met Deodaat, wiens goedhartigheid en welwillende
+aard door ieder erkend werden, en hem de genegenheid van het gansche
+hof verworven hadden. Wel was hij niet van fierheid ontbloot; doch
+die hooghartigheid zelve weerhield hem van zich zulke zinspelingen
+op zijn afkomst aan te trekken, waarop Reinout vlam zoude gevat
+hebben. Hij begreep te recht, dat driftige woorden en een uitgetogen
+zwaard wel ontzag konden baren, doch niet genoegzaam waren om een
+adellijke geboorte te bewijzen, en vermeed derhalve zorgvuldig alle
+gesprekken, welke tot dusdanige twisten aanleiding geven mochten. Werd
+de onbescheidenheid echter te grof, dan wist hij die te straffen,
+zoowel als zijn vriend; maar slechts zelden bevond hij zich in de
+noodzakelijkheid om tot zoodanige uitersten te komen, daar de meesten
+hem genegen waren en schroomden, een algemeen beminden Ridder en wel
+'s Graven lieveling te beleedigen.
+
+Gewoonlijk opgeruimd en kalm, werden zijn ronde en frissche
+gelaatstrekken slechts zelden aangedaan door kommer of verdriet. Er
+waren korte stonden van zwaarmoedigheid, waarin een pijnlijke
+gedachte aan den geheimzinnigen sluier, die zijn geboorte overdekte,
+soms toevallig bij hem opgewekt, zijn heldere blauwe oogen met een
+nevel van droefgeestigheid overdekte, die echter werd opgehelderd,
+wanneer hij nadacht, dat hij zich in een schooneren maatschappelijken
+toestand bevond dan hij immer had kunnen hopen of verwachten, en dat
+hij dien aan zich zelven te danken had.
+
+Gelijk in jaren en omstandigheden en noodlot, wapenbroeders sedert
+hun prilste jeugd, en op al hun tochten nimmer vaneengescheiden,
+waren Reinout en Deodaat door de nauwste vriendschapsbanden aan
+elkander verbonden, ja was het vaak of ééne ziel hun beider lichamen
+bewoonde. Nooit had de een ééne gedachte voor den ander verborgen
+gehouden: geen wensch werd door den eenen gekoesterd, geen plan
+gevormd, waarvan de ander geen kennis droeg, en waren zij eenige
+dagen vaneengescheiden, dan scheen het elk hunner toe of hij een
+zijner zintuigen miste. Men moet hier echter geenszins uit opmaken,
+dat er altijd een volkomen overeenstemming tusschen hun neigingen en
+begeerten heerschen bleef: integendeel liepen die somtijds uiteen,
+en gaven aanleiding tot geschillen, waarbij echter de bedenkingen
+en tegenwerpingen, welke over en weder gemaakt werden, veel hadden
+van die, welke iemand zich zelven doet, wanneer hij een besluit moet
+nemen en het voor en tegen in zijn geest overweegt.
+
+Gelijk wij gezegd hebben, de beide Ridders hadden op een snellen draf
+den weg naar de Vogelesang genomen; weldra bevonden zij zich op een
+hoek, waar de weg zich in tweeën verdeelde, nabij de plaats, waar,
+veertig jaren vroeger, de Vlamingen door Witte van Haemstede aan
+'t hoofd der Haarlemmer poorters verdreven waren geweest.
+
+Het was nu ongeveer één uur na den middag en de zon was brandend
+heet. "Wij komen nog tijdig genoeg," zeide Deodaat; "zouden wij niet
+wat zachter rijden?"
+
+"'t Is mij wel," antwoordde Reinout, en zijn paard doende stappen,
+liet hij de teugels varen en kruiste de armen voor de borst.
+
+"Waaraan denkt gij, dat gij zoo stipt voor u kijkt als een slang
+op een vogeltje?" vroeg Deodaat in 't Italiaansch, welke taal zij
+gewoonlijk te zamen spraken, wanneer zij zich alleen bevonden, of
+ook wanneer zij door hun knechten verzeld waren, en door dezen niet
+verlangden verstaan te worden.
+
+"Ik denk aan dien verwaanden Fries," antwoordde Reinout: "het spijt mij
+slechts, dat ik hem mijn handschoen niet in 't gezicht heb gesmeten."
+
+"Waant gij, dat ik er minder trek toe gevoelde dan gij? Maar wij
+mochten de belangen van onzen Graaf, die noodzakelijk gevaar loopen
+bij de minste beleediging, welke dien Friezen wordt aangedaan, niet
+in de waagschaal stellen."
+
+"Alles zeer waar: en ik ben niet geneigd tweespalt te verwekken
+tusschen den Graaf en zijn gehoorzame Friesche onderzaten; maar ik
+denk de beleefdheid zoover niet uit te strekken om mij straffeloos
+onbeleefdheden te laten zeggen: en om des lieven vredes wille hoop ik,
+dat ik vooreerst geen van hen ontmoeten zal."
+
+"Wat mij betreft," hernam Deodaat: "ik help het u wenschen. Mits het
+buiten ons toedoen geschiede, zoude een kleine oorlog met Friesland
+mij niet mishagen, al ware het slechts om het land eens te zien. Ik
+ben nooit aan gene zijde van de Zuiderzee geweest."
+
+"Een fijn vermaak! Wij zouden er veel aan hebben om ons met die lompe
+boeren te meten, bij wie geen eer noch profijt te halen is. Ik trok
+even gaarne nogmaals tegen de Lithauwer heidenen te velde."
+
+"Stel Friesland zoo laag niet: er is buit genoeg te halen. Stavoren
+moet oudtijds een vrij rijkere stad dan Dordrecht of Haarlem zijn
+geweest."
+
+"Geweest is leelijk," merkte Reinout lachende aan.
+
+"En er is oude adel in Friesland, dapper genoeg om den overwinnaar
+eer aan te doen."
+
+"Ik twijfel er niet aan: die Friezen brengen immers hun stamregisters
+tot aan Alexander den Grooten."
+
+"En bovendien de schoonste meisjes, welke op de aarde te vinden zijn,"
+vervolgde Deodaat.
+
+"Zoo hoor ik;--doch al die logge, roodwangige, blauwoogige Noordsche
+vrouwen doen mij om water-en-melk en zoete koek denken, twee zaken,
+waar ik een onoverwinnelijken afkeer van heb."
+
+"Met uw verlof! die kleine deerne, welke ons hulp kwam vragen, deed
+op mij een geheel andere uitwerking."
+
+"Inderdaad, zij was niet onaardig.... Zoude zij ook tot het gevolg der
+afgevaardigden behooren? Zij zijn drie in getale, hoor ik: een zekere
+Heer van Aylva [2], die, zoo men zegt, een stedelijk ambt bekleedt
+in de stad Leeuwarden.... een fraaie zaak voor een edelman!--dan,
+die snoever, welken wij uit de handen van 't gepeupel verlost hebben,
+en de Abt van Sint-Odulf. Wie van drieën zoude het recht van patronaat
+over dit meisje uitoefenen?"
+
+"Ik denk geen van drieën, en zou eer gelooven, dat die kloeke gast,
+die haar in 't heengaan onder den arm nam, haar onder zijn bijzondere
+bescherming heeft. Vraag het intusschen eens aan Seerp Van Adeelen, en
+gij zult zien welk antwoord hij u geven zal, indien hij zich slechts
+niet te verre boven u verheven acht om u te antwoorden; want hij
+beschouwt zich, geloof ik, van hooger adel dan onzen Graaf. Hij waant,
+naar ik hoor, uit dezen of genen ouden Frieschen Koning gesproten
+te zijn, wiens naam buiten Flie en Lauwers even onverstaanbaar als
+onbekend is."
+
+"Een fraai edelman, die met dorpers en boeren gaat bakkeleien!--doch
+van adel gesproken, de pelgrim, die zich belast had met te Verona
+onderzoek te doen naar onze geboorte, blijft lang uit."
+
+"Wat mij betreft," zeide Deodaat, "ik wensch van harte dat hij nimmer
+terugkome."
+
+"Hoe kunt gij zoo onverschillig zijn omtrent een punt, dat ons zoo
+na aan 't hart moest liggen."
+
+"Onverschillig!--Gij weet het, Reinout! dat zulks bij mij het
+geval niet is. Neen! ik zou onze Lieve Vrouwe met vurigheid danken,
+indien ik ten gevolge onzer nasporingen het geluk mocht bereiken
+van een liefhebbenden vader of een teedere moeder terug te vinden;
+maar gij weet het, ik blijf altijd schrikken tegen het denkbeeld,
+dat de ontdekking onzer afkomst misschien verwijdering tusschen ons
+zou kunnen baren. Denk eens na, Reinout! indien het eens uitkwame,
+dat een van ons de afstammeling van een aanzienlijk geslacht en de
+ander de zoon van een boerenkinkel ware; zou dan adellijke Ridder
+zich de vriendschap van zijn wapenbroeder niet schamen?--Zou deze zich
+even vertrouwelijk en vrij jegens zijn meer verheven vriend gedragen
+kunnen?--Zou er geen jaloezie in zijn hart ontstaan, wanneer hij zijn
+voormaligen wapenbroeder door elk geëerd en gevleid, en zich zelf
+versmaad en veracht zag?--Neen, duizendmaal liever blijf ik in mijn
+onwetendheid, dan dat ik het gevaar loope van een vriend te missen."
+
+"Gij hebt gelijk, duizendmaal gelijk," zeide Reinout, "ofschoon
+ik niet geloof, dat iets ooit in staat zou wezen onze vriendschap
+te doen verflauwen;--maar met dat al: ik moet uit dien pijnlijken
+staat van onzekerheid, die mij ondraaglijk is, verlost worden, wat
+het ook koste. Wat mijn ouders betreft, die verlang ik niet terug
+te vinden: daar zij onnatuurlijk genoeg waren, mij te verstooten,
+hebben zij alle aanspraak op mijn liefde verbeurd; maar ik wil weten
+wat ik ben: ik wil niet langer blootstaan aan de aanmerkingen dier
+trotsche hovelingen: zoo ik, gelijk mijn hart het mij voorspelt,
+uit een aanzienlijk huis geboren ben, dan wil ik hun toonen dat ik
+met hen op ééne lijn kan staan."
+
+"En zoo niet?" vroeg Deodaat.
+
+"Zoo niet?--Welnu, dan verlaat ik dit hof en ga elders fortuin
+zoeken;.... doch het is onmogelijk!--Ware intusschen die pelgrim maar
+terug! Ik had hem de boodschap niet moeten opdragen, en hem althans
+dien brief niet moeten vertrouwen, die bijna het eenige bewijsstuk
+is onzer geboorte. Hij had een fielten-gezicht en heeft ons zeker
+misleid."
+
+"Waarom altijd de menschen gewantrouwd? Laat ons eens
+narekenen. Wanneer is hij van hier vertrokken?"
+
+"In October of daaromtrent."
+
+"De wegen zijn vrij. Hij kon in December te Verona wezen."
+
+"Indien hij niet eerst naar Rome en Loretto gegaan is, gelijk ik
+vermoede."
+
+"Dan kan hij moeilijk voor Maart in de hofplaats van Can Francesco [3]
+zijn aangekomen; en daar hij lang heeft kunnen rondzoeken, is er
+niets vreemds aan, dat wij nog geen tijding ontvangen hebben.--Zijn
+wij zelven, toen wij met den Graaf te Venetië waren, niet naar Verona
+gereisd, om op te sporen welke kennissen Carlo della Scala daar
+had gehad, die in staat waren hem een geschenk van twee kinderen te
+doen? en is onze tocht niet vruchteloos afgeloopen?"
+
+"Een fraaie tocht voorwaar! Twee dagen zijn wij er stil geweest, en
+toen moesten wij weer vertrekken, omdat de Graaf zijn vertrek naar
+Cyprus niet uit kon stellen."
+
+"Wij zouden langer tijd gehad hebben," zeide Deodaat, "indien gij
+niet ontijdig twist gezocht hadt met een wapensmid, omdat hij ons
+voor studenten van Padua aanzag: waarlijk! een fraaie reden."
+
+"Hoe dit zij, wij hadden den tijd niet om behoorlijke navorschingen
+te doen;--en wij moesten ons schuil houden voor Can Francesco, die
+ons als verspieders wilde doen vatten;--maar mij dunkt, dat, wanneer
+de pelgrim overal rondbazuint, dat de knapen, die bij Carlo della
+Scala zijn opgebracht, zich thans in hoog aanzien aan het hof des
+Graven van Holland bevinden, er zich wel iemand zal opdoen, die zich
+hunner aantrekt."
+
+Deodaat haalde de schouders op en zweeg: en daar zij zich op dat
+oogenblik in 't gezicht van 's Graven jachtslot bevonden, liep hier
+hun onderhoud ten einde.
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Neen neen, Achilles' ziel kan zulk een hoon niet lijden
+ En trachten naar geen wraak.
+
+ Huydecoper. Achilles.
+
+
+Nadat Seerp Van Adeelen, van Feiko en Sytsken vergezeld, het tooneel
+des gevechts verlaten had, trad hij eerst met een bedaarden en
+langzamen, vervolgens, zoodra hij uit ieders gezicht geweken was,
+met een meer snellen en verhaasten stap, de lanen en kronkelpaden
+van het bosch door, totdat hij buiten den Hout gekomen was en op een
+weide kwam, welke hij dwars overstak en recht op een gebouw afging,
+hetwelk zich aan de overzijde aan zijn gezicht voordeed, en waar
+hij door een zijdeurtje, dat door middel eener plank met het weiland
+gemeenschap had, werd binnengelaten.
+
+Het huis, waarin hij ontvangen werd, beval zich meer door zijn
+uitgestrektheid en ligging aan, dan wel door eenige fraaiheid van
+bouworde of sieraden. De voorkant, op den grooten landweg uitziende,
+van breede steenen te zamen gesteld en onregelmatig opgetrokken,
+droeg duidelijke blijken van trapsgewijze vergrooting: 't geen vooral
+daaruit te zien was, dat de poort of hoofdingang, die van zwaar ijzer
+was saamgesteld en met ettelijke gewelfde bogen omgeven, zich niet
+meer, gelijk te voren, in het juiste midden, maar op een derde van den
+voorgevel bevond. Deze geheele zijde was zonder eenig raam of uitzicht,
+behalve alleen een vierkant gat naast de poort, hetwelk echter met een
+verroest traliewerk voorzien was. Boven de deur ontdekte men een nis,
+welke vroeger met het beeld eens heiligen geprijkt scheen te hebben,
+en naast de deur was een zitbank tegen den muur gemetseld, bestemd
+om den vermoeiden voorbijganger, of hem, die aan de poort vertoefde,
+de gelegenheid te verschaffen om een oogenblik uit te rusten. Aan den
+linkervleugel van het gebouw paalde een vrij hooge muur, dicht met
+klimop bewassen, die zich, langs den heirweg, tot op eenige roeden
+afstand verlengde, en vervolgens, een hoek makende, zich weder aan
+den achtergevel aansloot en een hof omvatte, gelijk te zien was aan
+ettelijke hoog opgegroeide vruchtboomen, wier takken, met welig groen
+en schitterende bloesems voorzien, over den muur afhingen. Aan den
+kant van het weiland, was de eerste verdieping mede geheel blind,
+doch de tweede met een aantal kleine venstertjes voorzien, die door
+deels verroest, deels half vergaan traliewerk gesloten waren. Een
+zwaarmoedig, hier en daar ingevallen dak van blauwe, grootendeels
+afgewaaide of gebroken tegels, bedekte het gebouw. Slechts hij, die
+het op eenigen afstand van over de weide beschouwde, zag een hooger
+gewelf, in den smaak eener kerk opgetrokken, uit het midden oprijzen.
+
+Dit gebouw, of liever deze gebouwen hadden, gelijk men bij de meest
+oppervlakkige beschouwing bespeuren kon, in vroeger tijd tot een
+klooster gediend. Het waren de Sint-Jans heeren, die alhier hunne
+woning of Commanderij gehad hadden, doch in 1312 waren overgeplaatst
+naar een nieuw gebouw binnen de stad Haarlem, hetwelk rijkelijk door
+Graaf Willem den Goeden begiftigd werd en talrijke voorrechten van
+hem ontving, waarvan geen der minste was, dat aan den Commandeur der
+orde de bediening van Ontvanger der Graaflijkheid was opgedragen. Ter
+vergoeding hiervan moest ook de Commanderij altijd voor den Graaf en
+zijn hofgezin openstaan, en verstrekte hem bij zijne komst in Haarlem
+ter gewone huisvesting. Het voormalige klooster aan het einde van den
+Hout had, sedert de Sint-Jans heeren hunne nieuwe woning betrokken,
+ledig gestaan, en men was reeds dikwijls van meening geweest, het voor
+afbraak te verkoopen, welk voornemen echter door ontstane hindernissen
+geen voortgang had gehad. Toen zich nu, bij gelegenheid van het feest
+te Haarlem, talrijke scharen van vreemdelingen derwaarts begaven,
+en er, gelijk wij boven gezien hebben, geene genoegzame huisvesting
+voor allen was, hadden de Sint-Jans heeren begrepen, ook van dit
+gebouw partij te kunnen trekken. Zij durfden dit echter niet doen
+zonder voorkennis van hun hoogen beschermheer; maar deze, toen hem
+dat verzoek werd voorgedragen, nam terstond het besluit om dit gebouw
+ter bereiking van zijn eigen oogmerken te doen strekken.
+
+Hij was namelijk omtrent dezen tijd niet weinig bezorgd over den
+staat der gemoederen in Friesland. Dit gewest, hoewel het vaak voor de
+wapenen der Hollandsche Graven had moeten zwichten, was nooit geheel
+ten onder gebracht, en haastte zich steeds elke gelegenheid te baat te
+nemen, om ook het geringe juk, hetwelk op zijn schouders gelegd werd,
+weder af te schudden. Niettegenstaande het innerlijk verdeeld was
+door de in de geschiedenis zoo befaamde partijen van Schieringers en
+Vetkoopers, op wier bloedige twisten wij in den loop van ons verhaal
+soms terug zullen moeten komen, niettegenstaande zoowel de Graven
+van Holland en Gelderland, als de Bisschop van Utrecht vaak van die
+verdeeldheid zochten partij te trekken, om hunne wapenen op Frieschen
+bodem te brengen, was de zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid
+den Friezen zoodanig ingeschapen, dat zij, bij den geringsten aanval
+van buiten, hun onderlinge veeten aan een zijde stelden en zich ter
+afwering des vijands vereenigden.
+
+Met dat al hadden het landschap Westergoo, althans een gedeelte
+daarvan, en de stad Stavoren, afgemat door langdurige vijandelijkheden,
+zich aan graaf Willem den Goeden onderworpen, gelijk uit een
+verdragbrief van 4 Juli 1320 kan blijken; behalve uit nog een stuk
+van denzelfden tijd, mogelijk een aanhangsel tot dat verdrag, waarin
+bepaald wordt, op wat wijze de Graven van Holland zich hadden te
+gedragen, wanneer zij in Friesland kwamen, om aldaar terechtzittingen
+te houden. Uit dit geschrift blijkt echter dat de onderwerping der
+Friezen niet onbepaald was, dat zij den Graaf niet anders erkenden dan
+als een Rechter of Stadhouder van 's Rijks wege aangesteld, en dat zij
+alleen den Keizer als hun Opperheer beschouwden: welke afhankelijkheid
+van den Keizer echter bleek, niet anders dan een voorwendsel te zijn,
+gelijk aan een schild, waarachter zij schuilden, zoo dikwijls hun
+onafhankelijkheid door 's Keizers leenmannen bedreigd werd.
+
+De schijnbare onderwerping was dan ook verre van duurzaam te zijn: het
+gezag der ambtenaren, in Friesland van 's Graven wege aangesteld, werd
+weldra miskend, en zij zelven beleedigd, ja mishandeld: de wijsheid der
+Friesche regenten, die al het nadeel van een oorlog met hun machtigen
+nabuur inzagen, had echter een volslagen opstand weten te voorkomen,
+en den toorn des Graven verzoend; en het was nu een geruimen tijd in
+Friesland rustig geweest, toen, kort na Willem de Vierdes terugkomst
+uit Duitschland, een nieuw oproer te Stavoren uitberstte. Het was
+ter voorkoming eener wraakneming over het gebeurde, dat de Friezen
+op een te dien einde gehouden Landdag besloten, een gezantschap naar
+den Graaf te zenden, ten einde de zaak in der minne te schikken,
+en het bestuur in Friesland op een meer geregelden en vasten voet te
+brengen, zonder inkorting echter der voorrechten en vrijheden, waarop
+de Friezen zoo trotsch waren, en welke zij beweerden, van Karel den
+Grooten te hebben ontvangen. De Graaf, die er veel belang in stelde,
+om de Friesche aangelegenheden op een vreedzame wijze bij te leggen,
+begreep, zoodra hij van de voorgenomene bezending kennis bekwam,
+de afgevaardigden met de meest mogelijke voorkomendheid te moeten
+behandelen en alle pogingen in 't werk te stellen, om hen tot het
+behartigen zijner belangen over te halen. Hij had hen daarom doen
+uitnoodigen, zich te Haarlem te vervoegen, ten einde aldaar met
+hem te overleggen, wat er ten nutte van hun gewest te doen stond,
+en hij vleide zich niet weinig, dat de eer, welke hij voornemens
+was hun op de te houdene feesten te bewijzen, hun oogen verblinden,
+en hen tot rekkelijkheid en toegevendheid aansporen zou. Ten einde
+hen niet vruchteloos naar een herberg te laten zoeken, had hij last
+gegeven, dat men een geschikt gebouw op zou sporen, om hen gedurende
+hun verblijf te huisvesten: en zoodra hij het verzoek der Sint Jans
+heeren vernam, zijn oog doen vallen op het ongebruikte klooster in den
+Hout. De Ridders merkten den wensch huns beschermers als een bevel
+aan, en voldeden des te bereidwilliger daaraan, vermits de Graaf op
+zich nam, het gebouw in staat te stellen gasten te ontvangen en het
+met de noodige meubelen deed voorzien.
+
+Het was in een lange zaal van dat voormalige klooster, welke vroeger
+tot refter of eetvertrek der geestelijke Ridders had gestrekt, en
+van waar men het uitzicht had op den binnenhof en boomgaard, dat
+drie personen, die allen den middelbaren leeftijd voorbij waren, aan
+een ronde tafel of schijf, gelijk men ze in dien tijd noemde, waren
+neergezeten. Het gewaad van twee hunner kondigde den geestelijken
+stand aan, waartoe zij behoorden; echter bestond het bij den eenen
+voor dit oogenblik alleen uit een wit linnen kleed; vermits de Abt
+(want de persoon dien wij bedoelen bezat geen mindere waardigheid),
+uithoofde der heete luchtsgesteldheid, zich van alle oppergewaden
+ontdaan had. Alleen de rozenroode halsband, aan wiens einde een gewerkt
+gouden kruis afhing, gaf zijn rang eenigszins te kennen. Wat zijn
+persoon betrof, die was geenszins van statelijkheid ontbloot, ofschoon
+zijn zwaarlijvigheid hem, wanneer hij, zooals nu, niet in pleeggewaad
+was, wel een eenigszins plomp voorkomen gaf. Zijn gelaatstrekken
+waren regelmatig, en de vorm van voorhoofd, neus en kin, zoude tot
+model voor een Griekschen beeldhouwer hebben kunnen verstrekken, zoo
+zijn hangende wangen en vette hals, beide kenmerken eener bloeiende
+gezondheid, waaraan de kloosterregels geen nadeel schenen te doen, en
+zijn groote blauwe oogen, die alle uitdrukking misten, de waardigheid
+zijns gelaats niet verminderd hadden. Een krans van grijsachtige
+haren omringde zijn kruin, en de kin was glad geschoren.
+
+Zijn buurman aan tafel, wiens kleeding, schoon in vorm vrij gelijk aan
+die van Seerp Van Adeelen, hoogst eenvoudig was, had geen uitwendigen
+tooi noodig, om zich als een edelman te doen kennen. Niettegenstaande
+de diepe vorens, welke lange en moeizame tochten, maar, meer nog,
+droeve en hartverscheurende bekommernissen, op zijn gelaat en
+voorkomen geprent hadden, en het droefgeestige floers, dat zijn oogen
+benevelde, was echter zulk een majesteit, met zachte welwillendheid
+getemperd, over al zijn wezenstrekken verspreid, en blonk een zoo
+ongemeene uitdrukking van scherpzinnigheid op zijn gelaat, dat
+niemand hem beschouwen kon, zonder met belangstelling en eerbied
+te worden ingenomen. Al zijn wendingen en manieren waren edel en
+welgepast: zijn taal was altijd kiesch, ofschoon gepaard met die vrije
+rondborstigheid, welke bij de meesten zijner landgenooten in boersche
+plompheid ontaardde: en schoon hij den Frieschen tongval bezigde, kon
+men aan zijn wijze van zich uit te drukken al ras gewaarworden, dat
+hij ook andere landen bezocht had, en in hun talen geen vreemdeling
+was. Zijn buitengewone bekwaamheden hadden hem dan ook sinds lang
+de achting en het vertrouwen zijner landgenooten doen verwerven;
+want niet slechts was de Heer van Aylva (dus was zijn naam) geroepen
+geweest, om de waardigheid van _Olderman_ of eersten ambtenaar in de
+stad Leeuwarden te bekleeden; maar ook was hij tot lid benoemd van
+de zending, welke nu Frieslands belangen bij den Graaf kwam behartigen.
+
+De derde persoon was aan het lager einde der tafel geplaatst, niet,
+gelijk de beide vorigen, in een gemakkelijken leunstoel, maar op
+een nederig houten schabelletje, en droeg eenvoudig het gewaad der
+Benedictijners. Zijn magere, door onthouding en studie vervallen en
+verbleekte gelaatstrekken, duidden schranderheid van geest en vastheid
+van karakter aan, en zijn daden hadden deze uiterlijke kenteekenen
+nooit gelogenstraft. Schoon geene waardigheid in de Sint-Odulfsche
+_hiërarchie_ bekleedende, oefende hij over zijn broeders dat gezag
+uit, hetwelk de min verhevene zielen onmisbaar onderwerpt aan den
+invloed van de zoodanigen, die met rijkere vermogens van verstand
+en geest door het Opperwezen begiftigd zijn:--en geen besluit werd
+ooit genomen, geene benoeming gedaan, geen brief van eenig aanbelang
+geschreven, waar broeder Syard niet over geraadpleegd werd. Daar hij
+zich echter nooit op zijn meerdere bekwaamheid liet voorstaan, en
+noch eer- noch heerschzucht, maar slechts dienstvaardigheid en ijver
+voor het belang der orde zijn daden bestuurden, was hij de afgunst en
+jaloezie zijner broederen ontgaan. De nederige wijze, waarop hij in
+zijn raadgevingen en hulpbetoon altijd zich zelven op den achtergrond
+plaatste, en het genomen besluit niet als uit zijn brein gesproten,
+maar als een gevolg van het algemeene gevoelen der vergadering deed
+voorkomen, had hem niet slechts de toegenegenheid der broederen,
+maar ook de gunst van den Abt gewonnen. Deze, vol vertrouwen in zijn
+eigene kunde en bekwaamheden, en overtuigd, dat een Abt van Sint-Odulf
+onfeilbaar moest zijn, wist zich zelven altijd op te dringen, dat er
+nooit een ander besluit werd aangenomen, dan hetgeen hij aan de hand
+gedaan had, en dat Syard altijd juist den raad gaf, welken hij zelf
+voornemens was aan te bevelen. Het gevolg hiervan was, dat hij zijn
+eigen oordeel hoe langer hoe hooger schatte, terwijl hij gewoon was
+van den monnik te zeggen: "broeder Syard is een vroom en getrouw man,
+die mijn bedoelingen en inzichten volkomen weet te vatten. Zoo hij wat
+meer overwicht bij de broeders bezat, zou hij niet ongeschikt zijn,
+om den ouden broeder Prior te vervangen."
+
+Het was dan ook geenszins uit gebrek aan zelfvertrouwen, of uit een
+gevoel van behoefte aan de raadgevingen van broeder Syard, dat de
+Abt hem met zich genomen had op zijn reis naar Holland: een andere
+oorzaak had hiertoe aanleiding verschaft.
+
+Reeds sedert een geruimen tijd waren in Friesland de twee partijen
+ontstaan, van welke ik hierboven heb gewag gemaakt, en welke zich
+omtrent het jaar 1280, nadat zij lang zonder bepaalde leuzen gewoed
+hadden, door onderscheidene teekenen, levenswijs, en de benamingen van
+Schieringer en Vetkooper, van elkander onderscheidden. De Vetkoopers
+waren, gelijk later de Kabeljauwschen in Holland, de voorstanders
+der zich langzamerhand ontwikkelende nijverheid, en hun leus werd
+voornamelijk door de ingezetenen der steden, en door de nieuw opgekomen
+geslachten gevolgd; terwijl de partij der Schieringers uit den hoogen
+adel en de aanhangers van het oude bestond.
+
+Dan, het waren niet slechts de edelen en steden, die deel namen
+in dezen noodlottigen burgertwist: ook de kloosters, die in groot
+aantal in Friesland bestonden, mengden zich daarin en ontzagen zich
+niet, somtijds de partij, welke zij aankleefden, gewapenderhand te
+staven. Zoo bestond er onder anderen een geweldige veete tusschen
+het klooster van Lidlum en dat van Bloemkamp, welke beide in rijkdom
+en aanzien wedijverden, en waarvan het eerste de Vetkoopers, het
+laatste de Schieringers aanhing. Seerp Van Adeelen, wiens goederen
+aan de abdij van Bloemkamp paalden, had dit gesticht zijn bijstand
+toegezegd, en Lidlum werd met een vernielingsoorlog bedreigd, toen de
+Abt van Sint-Odulf aan de twistende partijen zijn bemiddeling in de
+gerezene geschillen door het orgaan van broeder Syard liet aanbieden,
+aan welken laatste het werkelijk gelukte, door zijn krachtige vertoogen
+en de herhaalde gesprekken, welke hij met de beide kloostervoogden
+en met Adeelen hield, de verzoening tusschen hen te bewerken. De
+monnik had zich bij die gelegenheid het vertrouwen des onrustigen
+jongelings verworven, en toen kort daarna deze laatste met den Heer
+van Aylva en den Abt van Sint-Odulf naar Holland werd afgevaardigd,
+en deze zijn voornemen te kennen gaf om een der broeders met zich te
+nemen, om als klerk bij het gezantschap te dienen, was het niet vreemd
+dat Adeelen hem verzocht zijn keuze te dien einde op broeder Syard
+te vestigen, hetgeen de Abt gereedelijk toestemde, daarbij tevens
+aanmerkende, dat broeder Syard wel geen man van hooge vlucht was,
+maar doorgaans zijne bedoelingen goed begreep en zeer bruikbaar was
+tot allen zoodanigen arbeid, die ijver en nauwgezetheid vereischte.
+
+Indien er eenig onderhoud tusschen de drie personen, wier aanduiding
+wij thans gegeven hebben, had plaats gehad, het was, naar het scheen,
+sedert een geruimen tijd afgebroken. Op het gelaat van den Edelman
+zoowel als op dat van den Abt was ontevredenheid en bezorgdheid te
+lezen, uit een gelijke oorzaak gesproten, maar naar het karakter der
+beide personen verschillend gewijzigd. Het was duidelijk te zien,
+dat de Heer van Aylva ongerust was over het uitblijven van Seerp,
+wiens aard hij kende: en de blik, welken hij nu eens naar de deur,
+en dan weder op den monnik wierp, gaf te kennen, dat hij gaarne
+gezien zoude hebben, dat deze hun wegblijvenden ambtgenoot eens zou
+gaan opzoeken. Doch de vrees, dat Adeelen een dusdanige bezorgdheid
+wellicht ten kwade zou duiden, en opvatten alsof men hem voor een kind
+aanzag, dat niet op zijn tijd te huis komt, weerhield hem om woorden
+aan zijn gedachten te geven. Wat den Abt betrof, diens oogen vestigden
+zich ook menigmalen op de deur, doch meer nog op het tinnen bord,
+dat voor hem geplaatst was: want het was noen, en de gewone tijd om
+het middagmaal te gebruiken reeds aangebroken: men wachtte slechts op
+Adeelen, en de Abt, die in zijn convent niet gewoon was naar iemand
+te wachten, vond zich hooglijk geraakt en ontevreden, dat er nog met
+het maal geen aanvang kon gemaakt worden. Maar ook hij weerhield zich
+lang eer hij zijn gedachten uitte, het onvoegzame beseffende, dat hij,
+een geestelijke, de eerste zijn zou om te klagen over een vertraging,
+welke zijn wereldlijke ambtgenoot alsnog met gelatenheid verduurde.
+
+Eindelijk werd de beproeving te sterk voor het geduld des vromen mans:
+"ik weet niet," zeide hij, "of de regelmatigheid, aan welke ik in
+mijn klooster gewend ben, mij heden in de war brengt; maar mij dunkt,
+onze vriend had reeds te huis moeten zijn. Hij wilde slechts even
+een wandeling doen door den Hout, om zijn eetlust wat op te wakkeren,
+die echter geene buitengewone vermoeienissen noodig heeft om goed te
+zijn: en ziedaar! het is reeds anderhalf uur geleden, dat hij uit is
+en uitblijft. Het is hem zeker ontschoten, dat de spijze niet deugt,
+wanneer zij te koud of te gaar is."
+
+"Wij zouden iemand kunnen uitzenden om hem aan de klok te herinneren,"
+zeide Aylva: "ik heb Feiko hedenmorgen verlof gegeven, om naar
+Haarlem te gaan: wellicht heeft hij onzen ambtgenoot ontmoet!"--en
+een zilveren fluitje, dat om zijn hals hing, aan den mond zettende,
+blies hij een paar schelle noten.
+
+Een dienaar verscheen.
+
+"Waarom komt Feiko niet, wanneer ik fluit?" vroeg Aylva met eenige
+ontevredenheid.
+
+"Feiko is hedenmorgen met Sytsken uitgegaan," was het antwoord:
+"en geen van beiden is nog terug."
+
+"'t Is vreemd!" hernam de Olderman: "Feiko is anders niet gewoon,
+misbruik te maken van mijn goedheid."
+
+"En is Seerp Van Adeelen ook nog niet terug?" vroeg de Abt haastig:
+"'t schijnt dat wij vandaag niet zullen eten."
+
+"Het zou zeker onaangenaam zijn te moeten wachten tot de Jonker van
+zijn wandeling ware teruggekeerd, maar erger nog ware het, indien
+wij ons zonder hem naar den Graaf moesten begeven."
+
+"Erger!" herhaalde de Abt: "ik zie niet, mijn waarde Heer! met welken
+grond gij dit erger kunt noemen. Het ware gewis te wenschen, indien
+die woeste knaap, die nimmer gelijk gij of ik in de gelegenheid is
+geweest met Vorsten en Heeren om te gaan, stil te huis kon gelaten
+worden en zich nooit behoefde te vertoonen aan dit hof, waar zijn
+plompheid en woelzucht ons van gedurige schaamte zal doen blozen,
+zoo zij ons niet in ongeval brengt."
+
+Vermoeid van dezen langen volzin te hebben uitgesproken, schonk zich de
+Abt een vollen beker in uit de kan met Rijnwijn, die voor hem stond:
+en dien aan den mond brengende, lichtte hij hem er niet af dan nadat
+hij den ganschen inhoud in zijn maag had overgegoten.
+
+"'t Ware toch misschien voorzichtigst," zeide Aylva, "een paar dienaars
+uit te zenden, om onzen ambtsbroeder op te sporen: hij kan verdwaald
+zijn: misschien is hem een ongeluk overkomen."
+
+"Dienaars uitzenden!" zeide de Abt met een angstig wezen; "wij hebben
+waarlijk niet te veel knapen in huis: en zoo er hier eens van die
+rauwe kermisgasten aankwamen om ons arme vreemdelingen te overvallen,
+waren wij van alle hulp ontbloot."
+
+Vader Syard rees van zijn zitplaats op.
+
+"'t Is waar," zeide hij, "dat indien de edele Seerp Van Adeelen in
+twist geraakt is, het misschien gewaagd zou zijn, dienaars uit te
+sturen, wier kleedij hen zou doen herkennen en in 't zelfde leed
+brengen, zonder dat zij van eenig nut zouden kunnen zijn. Ik bied
+mij aan, hem te gaan opzoeken. Mijn gewaad zal mij althans overal
+ter bescherming zijn."
+
+"_Optime! carissime frater_," zeide de Abt: "gij begrijpt mij volkomen:
+ziedaar juist wat ik u vragen wilde. Tracht eenig naricht in te
+winnen en breng het verloren schaap, _ovem deperditam_, weder in de
+kooi terug. Zeker heeft hij hier of daar weder twist gezocht, gelijk
+hij zoo dikwijls doet, en waar de monniken van Lidlum van weten te
+getuigen. Seerp Van Adeelen is ongemakkelijk als hij begint, en hadt
+gij, broeder Syard, met hem indertijd niet gesproken, gelijk of ik
+zelf het gedaan had, de zaken waren zoo gemakkelijk niet afgeloopen
+voor onzen Lidlumschen broeder."
+
+Nauwelijks had de Abt gedaan met spreken, of de man, die het onderwerp
+van het gesprek had uitgemaakt, trad met drift de kamer in, smeet
+de deur achter zich toe en wierp zich zonder een woord te spreken in
+een armstoel.
+
+"Goede hemel! wat is er gebeurd?" vroeg de Abt, vervaard over zijn
+uitzicht: "waar hebt gij gezeten? en hoe komt gij aan die geweldige
+kleur? Gij zult een _calmans_ moeten nemen, waartoe ik kan aanbevelen
+een gelijkelijk mengsel van salpeter, kreeftsoogen en zout, een
+middel, waarbij broeder Bonifaas, die wat schrikachtig is, zich bij
+het laatste oproer zeer wel bevonden heeft."
+
+Adeelen zweeg; doch toonde door het inzwelgen van een teug wijns, dat
+hij vooralsnog van het aangeprezen recept geen gebruik dacht te maken.
+
+"In waarheid," vervolgde de Abt, "zoo ik mij niet bedrieg, uw kleederen
+zijn bebloed en gescheurd, als waart gij met de Vetkoopers aan den
+gang geweest."
+
+"Het verheugt mij u te zien," zeide Aylva, zijnen ambtgenoot de hand
+reikende: "ik hoop slechts niet, dat gij u in ongelegenheid hebt
+bevonden:--hoewel ik vrees dat dit het geval is geweest."
+
+"Nu geen woord," riep Adeelen met drift: "aan tafel!--daarna zal
+ik u alles verhalen:--'t is niet, dat de zaak zelve van belang zij,
+doch men kan er ten minste uit opmaken, hoe men hier over ons denkt."
+
+"Ja gewis! aan tafel!" zeide de Abt: "gij zijt lang genoeg uitgebleven
+om uw honger te scherpen: en den onzen ook, dat beloof ik u."
+
+Zoodra dit verlangen geüit was, verliet de dienaar, die nog altijd
+binnengebleven was, het vertrek en keerde spoedig met zijn makkers
+terug, die het middagmaal aanbrachten.
+
+"Mij dunkt, gij zijt er ook niet zonder kleerscheuren afgekomen,"
+zeide Aylva met een ontevreden blik tegen Feiko, die zich mede onder
+de dienaars bevond.
+
+"Ik verzeker UEd.," zeide Feiko, "dat zonder Jonker Seerp uw trouwe
+Feiko hier geen schotel zoude binnenbrengen."
+
+"Ik ben hem dank verschuldigd," zeide Aylva: "doch hiervan straks
+nader:--wij moeten het geduld van onzen waardigen Vader Abt niet
+langer op de proef stellen."
+
+Het middagmaal werd nu opgedragen, waaraan de monnik en de dienaars,
+naar het toenmalig gebruik, mede deelnamen, ofschoon aan een
+bijzondere, langwerpige tafel, terwijl de Afgevaardigden aan de schijf
+bleven zitten. Een ledige stoel, die zich nog aan deze laatste bevond,
+werd op last van Aylva weggenomen.
+
+"Hoe!" vroeg Adeelen, zoodra hij dit opmerkte: "krijg ik hedenmiddag
+mijn gewone buur niet aan tafel?"
+
+"Madzy heeft verkozen, dezen middag haar kamer te houden," antwoordde
+Aylva: "zij klaagt over hoofdpijn."
+
+"Ik hoop, dat die spoedig zal geweken zijn," zeide de Abt: "maar zou
+haar in allen gevalle raden eenige druppels vitriool te gebruiken,
+opgelost in dun bier, welk middel ik last zal geven dat men voor
+haar bereide."
+
+"Is 't mogelijk dat zij ongesteld is?" zeide Adeelen: "na al de bekers,
+die ik gisteren op haar gezondheid geledigd heb."
+
+"Ik geloof zelfs dat gij er te veel geledigd hebt," zeide Aylva,
+"en dat dit juist de oorzaak is van haar wegblijven. Wie het hart
+van een vrouw wil winnen," voegde hij er halfluid bij, "moet beginnen
+met zich zelven te betoomen: en dat deedt gij gisteren niet."
+
+"Hoe!" riep Adeelen: "is het nufje verstoord, omdat ik haar een
+onnoozelen kus heb willen geven naar Friesche wijs, toen de _Siward_
+werd opgeroepen."
+
+"Er werd geen _Siward_ opgeroepen," zeide de Abt: "ik was het, die
+Broeder Syard riep en dit hebt gij verkeerd verstaan."
+
+Ter verklaring van dit gezegde moet ik den lezer het oude gebruik
+op de Friesche maaltijden herinneren om een opziener, _Siward_
+(waarschijnlijk hetzelfde als het Engelsche _Stewart_) te verkiezen,
+die zorg moest dragen dat er geene ongeregeldheden geschiedden. Telken
+reize als de naam _Siward_ gedurende den maaltijd werd opgeroepen,
+stond het den gasten vrij de naast hen gezeten vrouwen of meisjes
+te kussen: en Adeelen had den vorigen dag, naar het schijnt, van dit
+voorrecht, hoewel te onpas, gebruik willen maken.
+
+"Al had ik u verkeerd verstaan," zeide Adeelen: "dat was geene zaak
+om daarover alarm te maken, althans daar wij allen meer of min door
+den wijn verhit waren."
+
+"Veroorloof mij, u te doen opmerken," zeide de Abt, "dat noch de
+edele Olderman, noch ik, noch Broeder Syard eenigszins de grenzen
+eener betamelijke welvoeglijkheid zijn te buiten gegaan."
+
+"Broeder Syard!" hernam Adeelen, den monnik van ter zijde aanziende:
+"ik geloof het waarachtig wel!--de vrome man drinkt nooit iets
+als water."
+
+"Broeder Syard handelt wijselijk en wel," zeide de Abt: "waren
+alle monniken hem gelijk, mijn vrome broeder de Abt van Lidlum ware
+niet vermoord geworden door zijn eigen monniken, omdat hij hun het
+wijndrinken beletten wilde."
+
+"Voorwaar!" zeide Adeelen, luidkeels lachende: "met uw vriendelijk
+verlof, dat was ook een gestrengheid, welke niet veel beter verdiende,
+en welke gij, Heer Abt, wel nooit in 't werk zult stellen."
+
+"Een weinig wijns is nuttig," zeide de Abt: "want wat zegt de apostel:
+_modico vino utere_, en ik heb altijd vrede en eensgezindheid onder
+de kudde van Sint-Odulf weten te bewaren, door den wijn niet geheel
+te verbieden, doch de onthouding daarvan aan te bevelen: en broeder
+Syard, die door zijn voorbeeld de matigheid aanprijst, vervult volkomen
+mijne bedoelingen."
+
+"Mij dunkt, edele Seerp," zeide Aylva, na een ruim stilzwijgen,
+gedurende hetwelk de Abt zich van het langdurig verwijl, en Adeelen
+van het hem wedervaren ongeval op de voor hen staande spijzen krachtig
+hadden gewroken, "mij dunkt, hetgeen gij reeds gebruiktet, moet u
+de verloren krachten eenigszins terug hebben gegeven en u in staat
+gesteld, onze nieuwsgierigheid te voldoen, door ons een verslag te
+schenken van uw wedervaren."
+
+De dienaars rezen op en vertrokken, en vader Syard maakte zich uit
+bescheidenheid gereed om hun voorbeeld te volgen, toen Adeelen hem
+verzocht weder te gaan zitten, daar men zijne hulp als klerk van het
+gezantschap waarschijnlijk behoeven zoude.
+
+Adeelen deed vervolgens zijn verhaal, hetgeen door de aanwezigen
+met aandacht en belangstelling werd aangehoord. Zoolang het
+duurde scheen de Abt eenigszins onzeker of hij het gedrag, door
+den verhaler gehouden, al of niet moest goedkeuren; want ondanks
+zijn zelfvertrouwen, wanneer hij eenmaal een besluit genomen of een
+oordeel geveld had, had de goede Abt een bepaalden leiddraad noodig
+aleer hij zooverre kwam: hij zag dan ook beurtelings den Olderman
+en vader Syard steelswijze aan: het onverwrikbare gelaat van den
+monnik gaf hem geene hulp; doch toen op het voorhoofd van Aylva zich
+eenige rimpels vertoonden, welke ontevredenheid schenen aan te duiden,
+trok ook de Abt de wenkbrauwen samen en loosde, toen Adeelen zweeg,
+een diepen zucht. Er was een oogenblik stilte.
+
+"Ik moet erkennen," zeide eindelijk Aylva, "dat ik aan u verplichting
+heb voor de edelmoedige wijze, waarop gij mijn dienaar zijt
+bijgesprongen. Gij hebt u als een waren Fries betoond, zoo niet als
+iemand, die met een gewichtige zending is belast. Wel is waar, gij
+hebt een weinig onvoorzichtig gehandeld, door u tegen de overmacht,
+en, wat meer zegt, tegen de overheid te verzetten, maar wie zou een
+zoodanige onvoorzichtigheid niet gaarne verschoonen? Bedaardheid en
+kalm overleg van jeugdig bloed te wachten, ware even ongerijmd als
+dat men den zoeten smaak van den room in een hoorn vol hoppebier
+wilde zoeken. Ik ben ook jong geweest en zou waarschijnlijk niet
+anders hebben gehandeld dan gij.... alleen spijt het mij, dat gij
+die Ridders, die u ontzet hebben, niet op ons maal genoodigd hebt."
+
+"Dat zij in Friesland komen!" riep Adeelen uit, met kracht zijn
+drinkhoorn opvattende: "komen zij als vrienden, Adeelastins [4]
+staat voor hen open: komen zij als vijanden, ik zal hun den trots,
+die hen bezielt, verleeren."
+
+"Hoe!" zeide Aylva, hem met verbaasdheid aanziende: "de dienst, dien
+zij u bewezen, schijnt weinig dankbaarheid bij u te hebben verwekt."
+
+"Ik haat hen dubbel!" zeide Adeelen, "om dien dienst zelven. Wat
+kon mij erger overkomen, bij de eeuwige veete, die ik tegen alle
+Hollanders voede, dan weldaden van hen te genieten?"
+
+"Indien u dusdanige gevoelens bezielen," zeide Aylva, op een scherpen
+toon, die hem anders niet eigen was, "dan verwondert het mij, dat
+gij een zending op u hebt genomen, die geheel van een vredelievenden
+aard is: althans zoo beschouw ik die en ook, geloof ik, de eerwaarde
+Vader Volkert."
+
+"Voorzeker," zeide de Abt: "onze zending is geheel vredelievend!"
+
+"Het betaamt mij niet, uwe bedoelingen te beoordeelen," zeide Adeelen:
+"wat mij betreft, ik weet wat mijn lastgevers van mij verwachten;--maar
+hoe dit ook zij, ik vertrouw, gij zult nimmer van mij vergen, dat
+ik het ontzag, aan Afgevaardigden verschuldigd, in mijn persoon zal
+laten hoonen: en dat een ernstig vertoog, door ons drieën bij den
+Graaf ingeleverd, mij recht zal verschaffen van de schelmen, die mij
+zoo onbeschaamd hebben aangerand."
+
+"'t Is zeker," merkte vader Volkert aan, "dat onze waardigheid
+dergelijke onbetamelijkheid niet dulden kan; maar onze zending is
+vredelievend, gelijk ik gezegd heb: en daar blijf ik bij."
+
+"Zoudt gij dan begeeren," vroeg Aylva, zich met eenige bevreemding
+tot Adeelen wendende, "dat de Graaf om uwentwille die dorpers liet
+opknoopen? Ware een dergelijke wraak een Edelman als gij zijt niet
+onwaardig?"
+
+"Gij hebt gelijk," antwoordde Adeelen: "en ik verlang ook geenszins,
+dat er om mij te gelieven eenig boer of burger tot spijs der raven
+verstrekke;--doch het zijn voornamelijk de poorters van Haarlem,
+die mij beleedigd hebben; en hun stad moet voor hen instaan. Laat
+een bezending uit de Overheden mij om verschooning komen vragen,
+en ik zal de zaak als afgedaan beschouwen; doch ontvang ik geen
+genoegdoening, zoo verklaar ik onze zending afgeloopen, en vertrek
+morgen weer naar Friesland."
+
+Niettegenstaande zijn ontevredenheid over den dwazen eisch van Adeelen,
+kon Aylva den glimlach niet terughouden, welken diens buitensporige
+taal hem afperste: zijn gelaat nam echter spoedig weder een ernstiger
+plooi: maar gevoelende, dat hij, door Adeelen tegen te spreken,
+slechts olie in het vuur zoude gieten, hernam hij op een minzamen toon:
+
+"Ik dacht, gij hadt ons verhaald, dat de zaak door tusschenkomst van
+'s Graven edellieden was bijgelegd en dat gij over en weder vrede
+beloofd hadt."
+
+"Ik weet wat ik beloofd heb," zeide Adeelen met trotschheid, "en
+zal het ook nakomen; maar ik heb niet beloofd, geene genoegdoening
+te zullen eischen. Gij hebt mij, hoop ik, verstaan, mijne Heeren! en
+gij ook, Vader Syard! ik zal u verzoeken, een vertoog in den zin als
+ik het bedoel op het papier te stellen."
+
+Dit zeggende, keek hij den monnik aan, die hem van zijn kant insgelijks
+aanstaarde met een strakken blik, die zoowel bevreemding als ongenoegen
+teekende.
+
+"Hebt gij mij niet begrepen?" hernam Adeelen, bij wien die wijze van
+aanzien eenigen wrevel verwekte.
+
+"Ik wacht," antwoordde de monnik, "dat de eerwaarde vader Abt en de
+Olderman mij mede hun wil doen verstaan."
+
+"Recht zoo!" zeide vader Volkert: "ziedaar juist wat ik wilde gaan
+zeggen. Seerp Van Adeelen is niet alléén afgevaardigd, en mij dunkt
+dat wij, in een zaak van dat gewicht, niet naar zijne pijpen behoeven
+te dansen, om mij van een wereldsche uitdrukking te bedienen. Wat
+dunkt er den waardigen Olderman van?"
+
+"Ik heb er niets bij te voegen," zeide Aylva, "dan alleen dit, dat,
+zoo Seerp Van Adeelen zich beleedigd acht, niets hem belet, zich bij
+den Graaf te beklagen, mits hij dit in zijn eigen naam en niet als
+Afgevaardigde van Friesland doe."
+
+"En het is op deze wijze," riep Adeelen uit, terwijl hij de
+van gramschap vonkelende oogen van den eenen op den anderen liet
+rondgaan, "dat gij de eer van onzen landaard ophoudt? een landsman,
+een mede-afgevaardigde laat gij straffeloos hoonen en weigert gij
+uwe medehulp, wanneer hij vergoeding eischt. Vervloekt zij de dag,
+toen mijn landsluiden hunne keus op mij lieten vallen! vervloekt het
+uur, dat ik mij die liet welgevallen! vervloekt de heele zending,
+waarvan ik mij nooit iets dan rouw voorspeld heb."
+
+"Bedaar Adeelen!" zeide de Olderman, "en bedenk u tweemalen, eer gij
+om een bijzondere zaak die van Friesland in de weegschaal stelt. Noch
+de hoon u aangedaan, noch uwe jonge jaren, zouden u tot verschooning
+kunnen strekken, indien gij in dit geval meer gehoor gaaft aan uw
+drift dan aan het belang uwer landslieden."
+
+"Mijn jonge jaren!" herhaalde Adeelen: "zoo spreekt men altijd!--Men
+is altijd te jong of te oud. Ik heb toch de drie kruisen achter den
+rug en ben toch geen kind meer, al hebt gijlieden wat langer in de
+wereld rondgetuimeld. En gij moest niet vergeten, dat de stem mijner
+landgenooten mij gelijke rechten heeft toegekend als aan u: en dat,
+wanneer ik spreek, ik het in hunnen naam doe."
+
+"En gelooft gij dan," zeide Aylva, terwijl zijn oogen getuigden van de
+edele verontwaardiging, die hem bezielde: "gelooft gij, dat ik minder
+dan gij ons Vaderland en onze eer bemin? Neen, indien ik de dwaasheden
+wensch te voorkomen, waartoe een kwalijk begrepen eerzucht u aanspoort,
+het is omdat ik sidder voor de gevolgen, welke zij voor Friesland
+kunnen teweegbrengen. Ik weet, dat gij er u niet over bekommert, of uw
+beklag een vredebreuk doet ontstaan: dat gij zelfs niets wenschelijker
+zoudt achten dan een oorlog tegen den Graaf; doch ik weet tevens,
+dat het ons niet geoorloofd is, om ter voldoening aan bijzondere
+wenschen en inzichten de fakkel der verwoesting in ons vaderland te
+brengen en alle onze landgenooten in een wis verderf te storten."
+
+"Gij verkiest dus des Graven boeien, welke hij niet eens meer de
+moeite neemt van te vergulden, boven de vrijheid?" zeide Adeelen.
+
+Aylva haalde zuchtend de schouders op: "ik zie, waarde Seerp!" zeide
+hij: "dat uw ontmoeting van heden u van alle kalmte en bedaardheid
+heeft ontbloot: en die zijn echter noodig wanneer men een zoo gewichtig
+onderwerp bepraat:--wij zullen dus hier liever afbreken. Ik ga mij
+kleeden, ten einde vaardig te zijn om aan des Graven noodiging te
+voldoen. Vaarwel!"
+
+Met deze woorden rees de Olderman op en begaf zich uit de kamer:
+een voorbeeld, dat terstond door den Abt gevolgd werd, die weinig
+lust gevoelde om den woordenstrijd met zijn halsstarrigen ambtgenoot
+te vervolgen. Adeelen bleef dus alleen met vader Syard.
+
+Deze stond bedaard, met de armen kruiselings over elkander geslagen,
+den onstuimigen jongeling aan te zien, die, in zijn leunstoel
+neergezonken, met de beenen uitgestrekt en de vuisten krampachtig
+gesloten, scheen te zullen stikken van woede. Eindelijk sprong Adeelen
+met woestheid op, ging vlak voor den monnik staan en zag hem met
+fonkelende oogen aan.
+
+"Ik achtte u een echten Fries, monnik!" zeide hij.
+
+"Ik heb niets gedaan, voor zooverre ik weet," zeide vader Syard,
+"waarmede ik dezen naam zou verbeurd hebben."
+
+"Gij," vervolgde Adeelen, "gij, die mij aanspoordet vrede te maken met
+den Abt van Lidlum, ten einde de Hollander geen gebruik zou maken van
+onze verdeeldheden! gij, die mij den raad geeft, mij met de Vetkoopers
+te verzoenen en de wapens niet te gebruiken dan tegen onzen algemeenen
+vijand, gij weigert een vertoog voor mij op te stellen, hetwelk niet
+nalaten kon een gewenschten oorlog teweeg te brengen."
+
+"Gelooft gij dan," zeide de monnik, "dat uwe mede-afgevaardigden
+dat vertoog zouden hebben willen goedkeuren? Zoo gij waant op
+een dergelijke wijze het doel te bereiken, waar gij naar streeft,
+bedriegt gij u zelven. Of waant gij in staat te zijn, alleen met uwe
+bloedvrienden en volgeren, de Hollandsche macht te weerstaan?"
+
+"Gansch Westergoo zal de wapens opvatten, zoodra ik het zwaard
+ontbloot!"
+
+"Dat valt nog te betwijfelen," hernam vader Syard: "doch zeker is het,
+dat noch de Camminga's, noch de Martena's, noch de Beyma's, noch een
+der vrienden van Aylva de hand zullen verleggen, wanneer zij vernemen,
+dat het niet de zaak van Friesland, maar den bijzonderen wrok van Seerp
+Van Adeelen geldt. En wat zal dan het gevolg van uwe oploopendheid
+wezen? Niets anders, dan dat Graaf Willem u in ketens slaat, uwe
+goederen verbeurd verklaart, en gelijk Koning Rehabeam weleer, in stede
+van touwen, schorpioenen gebruikt om er Friesland mede te geeselen."
+
+"Wij zullen ons in dat geval reeds van nu af aan het juk moeten
+gewennen; want èn uw nietige Abt, èn de gedienstige Olderman zijn even
+geneigd, blindelings al de vorderingen des dwingelands toe te staan,
+mits zij slechts den lieven vrede behouden."
+
+"Er zal onmisbaar oorlog komen," zeide de monnik: "doch gij zijt
+de man niet, die hem verwekken moet. De vreedzame Aylva zelf zal
+zich eenmaal genoodzaakt zien, zijne landgenooten ten strijde op te
+roepen. Wees tot zoolang bedaard: een te onberaden driftbetoon van uwe
+zijde kan alles bederven. Beloof mij, om, eer drie dagen verloopen
+zijn, niet daaraan toe te geven: alsdan zal ik u mijne inzichten en
+verwachtingen mededeelen."
+
+"De inzichten en verwachtingen van vader Syard!" zeide Adeelen,
+terwijl hij den monnik met een spottenden glimlach van 't hoofd tot
+de voeten bekeek.
+
+"Een kleine worm doorknaagt soms een paal, dien een groote stier
+vergeefs poogt omver te stooten, en de verachte monnik zal wellicht
+verrichten, wat Seerp Van Adeelen en geheel zijn luisterrijk gezin
+nimmer kunnen volvoeren. Doch ga en kleed u: men moet geene Graven
+van Holland laten wachten."
+
+Dit gezegd hebbende, keerde hij zich om en verliet het vertrek. De
+Edelman oogde hem een poos vol verbazing na, en begaf zich vervolgens
+naar zijn kamer, gedurig nadenkende over de vreemde uitdrukking,
+die de monnik gebezigd had, en over den onverklaarbaren invloed,
+welken deze over hem uitoefende.
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+
+ De schoon-geveêrde Paauw aanhoorde met begeeren
+ Het Nachtegaelken in de wilgen quinkeleeren,
+ En werd byna verlieft op 't lieffelyck gezanck
+ En 't goddelyck musyck, dat uyt de tacken klanck.
+
+ Vondel. Warande der dieren.
+
+
+Ruim een half uur nadat het in het vorige Hoofdstuk vermelde onderhoud
+was afgeloopen, wekte een herhaald geklop aan de poort de aandacht van
+Feiko, die zich toevallig op het binnenplein bevond. Hij ging terstond
+opendoen en herkende de beide Ridders, die hem des morgens uit den
+nood hadden geholpen:--"Zijt welkom!" riep hij met een verheugde
+stem. "Ik had niet durven hopen u zoo spoedig terug te zien."
+
+"Bevinden uw meesters zich nog te huis?" vroeg Deodaat, zonder af
+te stijgen: "ga hun zeggen, dat wij hier zijn om hen naar 's Graven
+jachthuis te geleiden."
+
+"Ik ga terstond de boodschap doen: hunne Edellieden zullen in
+een ommezien gereed zijn. Hier, Sikko! Hidde! luiaards! waar zijt
+gij? Brengt de paarden van die beide Edellieden op stal. Gaat binnen,
+mijne Heeren! gaat binnen!"
+
+"Wij kunnen evenzoo goed in den boomgaard wachten," zeide Deodaat,
+terwijl hij de teugels van zijn ros eenen dienaar in handen gaf; en,
+den arm van zijn vriend nemende, wandelde hij den hof in.
+
+"Ziedaar ons den geheelen dag in touw, ten gerieve van dat Friesche
+gespuis," zeide Reinout op gemelijken toon: "de Graaf had de uitvoering
+van dezen lastpost ook wel aan anderen kunnen opdragen."
+
+"Het is niemands schuld dan de uwe," zeide Deodaat: "wat behoefdet
+gij onze ontmoeting van hedenmorgen op het jachtslot te verhalen? De
+Graaf heeft ons gezonden, omdat hij begreep, dat wij, wegens den
+bewezen dienst, den Friezen de meest welkome geleiders zouden wezen."
+
+"Vlei u daarmede!--Gij zult zien hoe vriendelijk die Adeelen ons zal
+aanzien.... ik zou voorwaar lust hebben hem een poets te spelen: ik
+geloof dat ik den kokeler, dien de Gravin voor hedenavond ontboden
+heeft, eenige grooten in de hand stop om hem te betrekken."
+
+"Denk, hoe de Graaf dat op zou nemen; doch van dien kokeler gesproken,
+ik ben verlangend te weten of hij behendiger zal wezen dan Paolo. Heugt
+het u, hoe die ons, toen wij kinderen waren, met zijn kunsten wist
+te vermaken?"
+
+"Wij waren toen kinderen, en met weinig tevreden:--ik hield niet van
+dien Paolo: hij sloeg mij altijd."
+
+"Ja, omdat gij hem altijd tot overlast waart;--maar of onze heeren
+nog niet gereed zijn!"
+
+"Indien zij niet spoedig komen, rijd ik weer heen," zeide Reinout.
+
+"Dwaas!" zeide Deodaat: "zij wisten immers niet, dat wij komen
+zouden, en 't verwondert mij niet, dat zij lang werk hebben, althans
+Adeelen, wiens gescheurde hozen waarschijnlijk naar den snijder
+zijn. Intusschen verlang ik naar hun komst; want deze moesbedden zijn
+spoedig rondgewandeld en uw gezelschap is alles behalve opbeurend,
+in de aangename stemming, waarin gij u bevindt."
+
+"Stil!" zeide Reinout, hem haastig in den arm grijpende: "luister!"
+
+"Ik hoor niets," zeide Deodaat.
+
+"Spreek zacht. Was het geen citer, die daar gestemd werd?"
+
+"Een citer? Zou het lieve meisje van hedenmorgen ons een serenade
+geven, ten einde ons het wachten wat te verzoeten?"
+
+"Bij onze lieve Vrouwe! men herhaalt het geluid! Dezen hoek om! hier
+komt het vandaan."
+
+Deodaat volgde zijn vriend, en, de kerk omloopende, welke midden
+tusschen de andere gebouwen in den boomgaard vooruitsprong,
+bevonden zich de beide Ridders voor een klein afzonderlijk huisje,
+dat met slechts één, vrij hoog geplaatst raam voorzien was, uit welk
+raam de tonen herklonken, die hun ooren hadden getroffen. Aandachtig
+luisterden zij; maar hun verwondering klom hooger, toen zij bespeurden,
+dat die accoorden slechts het voorspel waren van een lied, hetwelk nu
+door een zuivere, smaakvolle stem werd aangeheven. De woorden waren
+Friesch en ongeveer van de navolgende beteekenis:
+
+
+ Zegt mij, vriendinnen!
+ Gij die het weet,
+ Baart ons het minnen
+ Blijdschap of leed?
+ Is liefde aan ons leven
+ Tot vreugde gegeven,
+ Of stort ze ons in zorgen en pijnlijk verdriet?--
+ --Ik weet het niet.
+
+ 'k Hoor alle dagen,
+ Vroolijk van zin,
+ Liesken gewagen
+ Van 't heil der min;
+ "Zij voert ons tot zegen
+ Langs bloemrijke wegen.
+ 't Is hemelsche vreugd, die haar goedheid ons biedt."
+ --Ik weet het niet.
+
+ Foelkjen daartegen
+ Klaagt zonder end:
+ "Ik heb dien zegen
+ Nimmer gekend.
+ Nooit vond ik die bloemen,
+ Waar minnaars van roemen.
+ Ach! dorheid en dorens is al wat men ziet."--
+ --Ik weet het niet.
+
+ Wat Liesken zeide
+ Had mij verheugd;
+ Maar Foelkjen schreide:
+ Weg was mijn vreugd.
+ Wat moet ik beginnen?
+ Hoe zullen mijn zinnen
+ Den twijfel ontgaan, dien heur rede mij liet?--
+ --Ik weet het niet.
+
+ 'k Wil niet verhelen,
+ Of, naar ik gis,
+ Beî mijn gespelen
+ Hebben het mis.
+ Genoegen en smarte
+ Schenkt liefde aan het harte;
+ Maar wat weegt nu zwaarder, de vreugde of 't verdriet?--
+ --Ik weet het niet.
+
+
+Het gezang had reeds een geruimen tijd aangehouden, toen nog
+de beide vrienden in aandachtige stilte onbeweeglijk stonden te
+luisteren. Intusschen hadden de betooverende tonen, welke zij gehoord
+hadden, op beider ziel een verschillenden indruk gemaakt. Het kalm
+gemoed van Deodaat gevoelde zich in die weldadige stemming gebracht,
+welke goede muziek altijd teweegbrengt op zielen als de zijne. Hij
+was met zich zelven en met de wereld tevreden: en hij verlangde,
+ja, de zangster te leeren kennen, welke zoo bevallig, zoo zuiver had
+gezongen; doch hij vergat geenszins dat hij in den boomgaard stond van
+een voormalig klooster, naast een bed, waarop aardbeziën groeiden. De
+bruisende ziel van Reinout daarentegen, aan wien die hemelsche zang
+de melodieën van zijn bekoorlijk vaderland herinnerd had, gevoelde
+zich in een andere wereld overgeplaatst; hij verbeeldde zich weder
+aan den oever van de Etsch of Anio de zuivere accoorden te hooren,
+door de welluidende orgelkelen der Italiaansche schoonen met zulk
+een onwederstaanbaar vermogen voortgebracht:--een brandend, weelderig
+verlangen bedwelmde zijn zinnen: en hij zou op dat oogenblik de wereld
+gegeven hebben om die hemelsche zangen, welke hem te meer bekoorden
+naarmate hij de woorden minder verstond, nogmaals te hooren, en de
+zangeres, die zijn gloeiende verbeelding met al de bekoorlijkheden
+van jeugd en schoonheid versierde, aan zijn kloppend hart te drukken
+of stervend van genot aan haar voeten neder te zinken.
+
+"Waarlijk"--zeide eindelijk Deodaat: "het wachten zou mij nooit
+vervelen, indien ik altijd op een dergelijke muziek werd onthaald, doch
+hoe is het met u? droomt gij? of heeft dat lied u in slaap gemaakt? Gij
+zijt beter kenner dan ik; maar mij is het zeer goed bevallen!"
+
+"Zeer goed!" herhaalde Reinout opstuivende: "en gij durft zeggen:
+zeer goed!"
+
+"In waarheid," hernam Deodaat: "voor zooverre mij scheen, was de
+stem volkomen zuiver en ontbrak het der zangster niet aan gevoel;
+misschien zult gij zeggen, dat zij nog eenige leiding behoeft, om....."
+
+"Zeer zuiver!.... geen gebrek aan gevoel!.... Deodaat! gij zijt
+de armzaligste, smakelooste aller menschen. Zijt gij een zoon van
+Italië? Ik heb er dikwijls aan getwijfeld; doch nu ben ik zeker
+van het tegendeel. Kunt gij zoo flauw, zoo afgepast spreken van
+de goddelijkste accoorden, die ooit menschenooren troffen. Die
+zangster was geen schepsel van klei en water: het was een engel,
+een heilige!--Santa Maria!--Zeer zuiver!.... veel gevoel!"
+
+"Nu, wind u zelf maar zoo niet op: ik zal alles gaaf toestemmen,
+ofschoon het mij spijten zou, indien die lieve stem aan eenig ander
+dan een menschelijk wezen toebehoorde; want ik zou gaarne kennis maken
+met de zangster: en met engelen of heiligen ware ik misschien minder
+op mijn gemak;--doch hoe komt zulk een virtuose in 't gezelschap dier
+plompe Friezen?--de nachtegaal bij de kikkers?"
+
+"Spreek mij niet van die Friezen.--Hoe kunt gij mijn zoete droomen
+door het noemen van zulke onbehaaglijke voorwerpen zoo wreedaardig
+verstoren?"
+
+"Om u des te beter het dwaze uwer opgetogenheid te doen gevoelen. Wie
+weet, die zangster is wellicht eene dier logge, rondwangige,
+flauwoogige, plompe Friesche deernen, waar gij hedenmorgen niets van
+wildet hooren."
+
+"Zoo gij een ander waart dan Deodaat," zeide Reinout, half boos en
+half lachende, "zou ik u uitdagen tot een gevecht op leven en dood,
+dat gij zoo kwalijk spreekt van iemand, die ik van heden af voor
+mijne jonkvrouw verkies."
+
+"Des te beter," zeide Deodaat: "want wij zouden ook geen tijd voor
+een kamp hebben, vermits de Friezen hun middagslaapje schijnen gedaan
+te hebben; althans daar komt er een naar ons toe. In waarheid! die
+schijnt iets menschelijks te bezitten! Ik geloof waarachtig, dat hij
+een beschaafd voorkomen heeft."
+
+Hij bedroog zich niet; want het was de Heer van Aylva, die, in een
+donkerkleurig gewaad uitgedost, dat de waardigheid zijner houding
+nog beter deed uitkomen, naar hen toetrad.
+
+"Het doet mij leed, edele Ridders!" zeide hij: "dat de onwetendheid,
+waarin wij verkeerden, dat ons verblijf door u met een bezoek zou
+vereerd worden, oorzaak is geweest dat gij u eenigen tijd zult
+verveeld hebben."
+
+"O! wat dat betreft," zeide Deodaat haastig: "wij hebben ons geen
+oogenblik verveeld:--gij bezit hier voortreffelijke middelen tot
+tijdkorting."--Hier trapte hem Reinout op den voet om hem te doen
+zwijgen.
+
+"Ik heb," vervolgde Aylva, "den dienst vernomen, welken gij aan mijn
+reisgenoot en aan een mijner dienaars bewezen hebt: en ik bid u,
+de betuiging mijner oprechte dankbaarheid aan te nemen. 't Is door
+dergelijke hulpbetooningen, dat de wederzijdsche vriendschap tusschen
+Hollanders en Friezen meer en meer zal bevestigd worden, en dat onze
+taak, welke daarheen leiden moet, aangenaam en gemakkelijk worden zal."
+
+De twee jongelingen zagen elkander aan, als verwonderd over zooveel
+minzaamheid en beschaafdheid bij een Fries.
+
+"Maar ik mag u niet langer ophouden," zeide Aylva: "zijt zoo goed
+mij naar het binnenplein te volgen, waar mijn mede-afgevaardigden u
+reeds verwachten."
+
+De Ridders volgden op deze uitnoodiging den Olderman, doch niet
+zonder meermalen om te zien naar het raam, waaruit het lied zich
+had doen hooren; evenals scholieren, die een poppenkast niet dan
+schoorvoetende verlaten, wanneer het uur van schooltijd slaat.
+
+Vergeefs! niets deed zich aldaar bespeuren en zij moesten voor het
+oogenblik de hoop opgeven, om van haar, wier gezang hen verrukt had,
+ook het gelaat te leeren kennen.
+
+Op het binnenplein vonden zij den Abt van Sint-Odulf, in een half
+geestelijk, half wereldsch gewaad, en niet, zooals de kerkvoogden
+in andere landen, op een muilezel, maar op een zwaar, wel doorvoed
+Friesch paard gezeten, terwijl Adeelen een prachtigen witten hengst
+van reusachtige gestalte onder zich deed huppelen, en een zestal
+dienaars, mede te paard, hem omringden. Adeelen en de beide Ridders
+groetten elkaar met die gedwongene beleefdheid, welke doorgaans
+plaats vindt tusschen den verplichte en den verplichter, wanneer zij
+elkander niet lijden mogen. De Abt was daarentegen recht uitbundig
+in zijn welkomstgroet: en zich in zegepraal de handen wrijvende,
+reed hij Aylva, die inmiddels op een klein bruin blesje gestegen
+was, op zijde: "ik had het wel gedacht," fluisterde hij hem in:
+"broeder Syard heeft den wenk begrepen, dien ik hem bij het verlaten
+der eetzaal gegeven heb: hij is gebleven en heeft Seerp Van Adeelen
+tot betere gedachten gestemd."
+
+"Mij dunkt," zeide Aylva, lachend om zich heen ziende, tegen Adeelen:
+"dat wij dien sleep van dienaars wel te huis kunnen laten. De weg van
+hier tot aan de Vogelesang zal, hoop ik, wel veilig zijn: en al ware
+hij het niet, onder uwe bescherming en die van deze waardige Ridders
+geloof ik niet, dat wij twee oude lieden iets te vreezen hebben."
+
+Adeelen was op het punt, hem te antwoorden, dat hij voor zich meer
+reden tot argwaan dan tot geruststelling zag in het gezelschap van
+'s Graven dienaars; hij bedwong zich echter en antwoordde op een
+koelen toon:
+
+"'t Is zooals het u goeddunkt:--ook dient er wel iemand hier te
+blijven om te waken voor hetgene wij te huis laten."
+
+"Gij ziet," fluisterde Deodaat Reinout in, "met welk een zorg zij
+hun _harem_ wenschen te bewaren."
+
+Reinout antwoordde niets; doch, zich op de lippen bijtende, zag hij
+Adeelen met een verstoorden blik aan.
+
+De dienaars nu, op een viertal na, weggezonden hebbende, begaf de
+geheele stoet zich op weg.
+
+"Is het ons veroorloofd," zeide Aylva, onder het voortrijden, "de namen
+te vragen der edele Ridders, aan wie wij heden dubbel verplicht zijn?"
+
+"Het smart mij," antwoordde Deodaat, "dat het vermelden daarvan u
+weinig bevredigen zal, daar onze namen u waarschijnlijk onbekend in de
+ooren zullen klinken. Mijn vriend heet Reinout, ik Deodaat van Verona."
+
+"Verona!" herhaalde Aylva, verbleekende en Deodaat met ingespannen
+verwachting aanstarende: "Zijt gij van Verona geboortig?"
+
+"Wij zijn te Bononië opgevoed bij den edelen Carlo della Scala,"
+viel Reinout haastig in, een hem altijd onaangenaam onderzoek naar
+zijn geboorte willende vermijden.
+
+Aylva zweeg, en een sombere droefgeestigheid verspreidde zich over
+zijn wezen. Hij scheen echter nog een vraag te willen doen; maar
+Adeelen was hem vooruit.
+
+"Alzoo zijt gij geen Hollanders," zeide hij, met een opgeruimden blik.
+
+"Wij hebben die eer evenmin als gij," antwoordde Reinout op een
+scherpen toon.
+
+"Des te beter," hervatte Adeelen, zonder de bedoeling des Ridders te
+bemerken: "dan behoef ik met u niet te veinzen; want ik kom er rond
+voor uit: ik haat alle Hollanders, en het kost mij moeite, hun eenige
+vriendschap te bewijzen."
+
+"Met uw verlof," zeide Deodaat: "wij hebben in dit land gastvrijheid
+genoten en mogen in onze tegenwoordigheid geene beschimpingen jegens
+zijn bewoners dulden."
+
+"Verschoon mijn vriend," zeide de Abt, haastig tusschen beiden
+rijdende, ten einde een twist te voorkomen: "hij heeft de ongelukkige
+gewoonte der Friezen nog niet kunnen afleeren, van overluid te zeggen
+wat hij denkt."
+
+"Ik hoop, Heer Abt!" merkte Reinout aan, die met deze vergoelijking
+weinig tevreden was, en als 't ware verlangde om aan alle woorden der
+Friezen een hatelijke uitlegging te geven, "ik hoop, dat gij van ons
+het tegendeel niet gelooft."
+
+"_Sono due pazzi_ [5]," fluisterde Deodaat hem in 't oor; echter zoo
+zoetjes niet of Aylva had het gehoord.
+
+"_E possibile_," zeide deze: "_ma hanno tutti due il cor ben posto_
+[6]."
+
+"Is uwe Edelheid in ons land geweest?" riep Deodaat, verwonderd van
+zijn landtaal zoo onverwachts en zoo zuiver te hooren spreken.
+
+"Ik heb er een jaar doorgebracht," antwoordde Aylva, "het gelukkigste
+en tevens het rampzaligste mijns levens:--dan, vergeef mij, het
+voegt mij op mijnen leeftijd niet, in de tegenwoordigheid van hen,
+die opgeruimd en jong zijn, aan treurige herinneringen plaats te
+geven. Zoo gij wat gelieft aan te rijden, ben ik daartoe bereid. Het
+zoude weinig beleefd zijn, te laat op het lustslot te komen."
+
+Dit voorstel vond algemeene goedkeuring, en men nam nu een vluggen
+draf aan. "Reinout!" zeide Deodaat in 't voortrennen tot zijn vriend:
+"ik wed al wat gij wilt, dat uw schoone zangeres ook in Italië is
+geweest. Wil ik het hem zoo aanstonds eens vragen?"
+
+"Geen woord van haar tegen die Friezen," zeide Reinout: "zoo gij mij
+eenigszins vermaak wilt doen. Ik zal u wel eens nader zeggen waarom."
+
+Welhaast bevonden zich nu de ruiters in de breede laan, welke recht op
+'s Graven jachtslot aanliep. Tot nog toe was het uitzicht meestentijds
+beperkt geweest door golvende duintjes, deels met eiken kreupelhout
+beplant, waarvan de dorre takken nog hier en daar voorzien waren met
+de verschrompelde en saamgetrokken bladeren van een vorig seizoen,
+deels met berken, wier jeugdig lentegroen het oog verheugde,--deels
+met enkele popelstruiken, wier aankomend blad in eeuwige onrust op
+den wind fladderde,--deels alleen overdekt met krakend mos en geurige
+duinviooltjes: doch overal aan den benedenkant begroeid met welriekend
+pijpkruid, met donkere netelstruiken en andere ontelbare gewassen,
+wier verscheidenheid vooral in het eerste lenteseizoen de omstreken
+van Haarlem in den dos der vreugde kleedt.--Maar nu werd dat uitzicht
+ruimer: tusschen de kleine dwergeiken door, welke aan weerszijden in
+de laan stonden, blikte men over een min of meer afhellende vlakte,
+met een frisch glanzend grastapijt overdekt, op hetwelk duizenden
+voorjaarsbloemen hare lachende kleuren ten toon spreidden. Op de
+helft der laan was een plankenbrug, gelegd over een smalle vaart of
+wetering, die van nabij Haarlem af tot aan Noordwijk liep, en van
+welke, ofschoon meest verzand, nog de sporen te vinden zijn op de
+plaats, die wij beschrijven. Deze vaart werd niet verre van daar gevoed
+door een smalle beek, welke het overtollige duinwater aanvoerde, en,
+alvorens zij zich ontlastte, om een gedeelte der vlakte heenkronkelde
+en er een soort van afgezonderd vak van maakte, dat nimmer door eenig
+vee betreden werd, maar tot een lustperk diende, waar de Graaf zich,
+benevens zijn hofgezin, met onderscheidene spelen en oefeningen ging
+vermaken, en 't welk daarom 's _Gravenmade_ [7] heette, welke naam
+tot heden nog aan die plek gebleven is.
+
+Ten noorden en ten zuiden paalde deze vlakte aan onafzienbare weiden,
+waarop vette runderen graasden, of waar men jeugdige veulens in zag
+dartelen; en ten westen aan een heuvelachtigen grond, met schapen
+bedekt en door kleine partijen kreupelhout omgeven, terwijl de blanke
+toppen der zeeduinen zich daarachter verhieven en den gezichteinder
+sloten. Maar, recht voor zich uit, zagen de ruiters het jachthuis,
+omringd met eeuwenheugende eiken en beuken, waarvan de eerste door
+hun talrijkheid, door den rijkdom en de menigte hunner takken en
+twijgen, bijna even weinig doortocht aan de zonnestralen vergunden,
+als de breede en dichtgebladerde kruinen der laatstgemelde. Geen oord
+ter wereld levert in den voorjaarstijd zulk een verscheidenheid en
+menigte op van lieflijk zingende vogels als Holland, en in Holland
+is er geene streek, waar zij zich in zulk een aantal ophouden als
+aan den duinkant: en welke plek ook op aarde schooner en rijker aan
+prachtige of lieflijke tooneelen wezen moge, geen bestaat er, waar
+de natuur zich zoo bestendig levendig voordoet. Het was dan ook geen
+wonder, dat Floris de Vijfde, toen hij het bevalligst en best gelegen
+hoekje gronds, dat in zijn gebied te vinden ware, had uitgezocht om
+er een jachtverblijf neer te zetten, geen meer geschikten naam voor
+het nieuwgebouwde lusthuis wist uit te denken, dan dien, welken het
+bestendig gezang der vogelen, die den omtrek vervroolijkten, hem als
+van zelf aan de hand moest doen.
+
+Het jachthuis zelf was eenvoudig en slechts van hout getimmerd, doch
+bevatte ruimte genoeg om desnoods een tijdelijke huisvesting aan
+den Graaf en aan zijn meest verheven gasten te verschaffen, terwijl
+eenige kleinere gebouwen, welke dieper in 't bosch en minder in 't
+gezicht gelegen waren, de jagers van minderen rang konden bergen,
+en tot stalling dienden voor paarden en honden. Geene gracht noch
+muur verdedigde het hoofdgebouw, 't welk dan ook niets aanbood,
+dat een vijand in de verzoeking had kunnen brengen om er een aanval
+op te beproeven, daar het, als van den weg af gelegen, geen punt
+opleverde, dat de moeite waardig was om versterkt te worden, en
+bovendien geen anderen buit verschaffen kon dan de weinige meubelen,
+waarmede het voorzien was. Op de gewelfde poort prijkte nog altijd
+de oude liebaard van Holland: welken de Graven uit het Henegouwsche
+huis, zoowel uit hoogachting voor de nagedachtenis des stichters,
+als uit inschikkelijkheid voor de dankbare gevoelens, die de naburige
+landbewoners jegens hunnen weldoener Floris bleven koesteren, waren
+blijven eerbiedigen; maar ook hunne leeuwen vertoonden zich op de
+banier, die, als bewijs van 's Graven aanwezigheid, uit een der
+kruisramen stak, hoedanige er drie in den voorgevel waren, om wier
+bogen kunstig gesnedene bloemfestoenen praalden, en boven welke drie
+hertenkoppen de bestemming van het gebouw aankondigden. Vier kleine
+torentjes, den vorm hebbende van peperbossen, staken boven het dak uit,
+hetwelk eenvoudig met riet gedekt was.
+
+Het was echter niet binnen dit gebouw dat zich de nieuw aankomenden
+begaven. Links daarvan, op een vrij uitgestrekt plein, hetwelk met
+fraaie ijpeboomen omgeven en door een gevlochten heining tegen alle
+inbreuk beveiligd was, oefenden zich eenige wapenknechten, althans dit
+geleken zij van verre te zijn, in het schieten met den kruisboog. Een
+verlengde maaltijd had hen naar het scheen in eene vroolijke stemming
+gebracht, en men kon reeds op zekeren afstand hun uitbundig gelach
+en juichen vernemen. In weerwil van het spel, dat hen bezig hield,
+hadden zij de aankomende ruiters van verre bespeurd, en een hunner
+had uit al zijn macht het perk verlaten, om hen in 't gemoet te
+loopen. Hij naderde Deodaat, wisselde zachtjes een paar woorden met
+hem, en keerde vervolgens naar zijn makkers terug.
+
+"Deze knaap verzocht mij," zeide Deodaat, zich tot de Friezen wendende,
+"u uit te noodigen om hier af te stijgen, en u bij het gezelschap te
+voegen, dat ginds met den boog bezig is; gij kunt u aldaar vermaken,
+totdat de Graaf van zijn middagslaap ontwaakt en de Gravin van haar
+rit terug is."
+
+Tegen dit verzoek was niets in te brengen. De paarden werden aan
+de dienaars overgelaten, die hen naar de stallingen brachten, en de
+afgestegen ruiters wandelden naar de boogschutters, die, zonder hun
+spel voor een oogenblik te staken, zich vergenoegden met den Friezen
+een nieuwsgierigen blik toe te werpen, en, voor zooverre zij in de
+nabijheid stonden, hen met een korten, doch wellevenden groet te
+verwelkomen. Dit onthaal, hoewel zonder plichtpleging, was politiek
+en door den Graaf voorgeschreven. Men wilde bij de afgevaardigden
+de overtuiging doen ontstaan, dat zij, als goede vrienden en
+bekenden, zonder complimenten ontvangen werden, en behandelde hen als
+zoodanig. Een enkele der aanwezigen, die het ambt van ceremoniemeester
+scheen waar te nemen, kwam uit den drom te voorschijn, en sprak de
+afgevaardigden aan: "het heeft den Graaf zeer leed gedaan," zeide
+hij, "u hedenmiddag niet ter maaltijd te kunnen hebben; maar het
+is hier buiten slecht ingericht tot het geven van gastmalen:--in
+'t laatst der week hopen wij er hier echter een te geven, waartoe
+de voorbereidselen gemaakt worden.--Ik zie, geloof ik, hier den
+edelen Aylva," (eene buiging) "den waardigen Abt van Sint-Odulf,"
+(eene buiging) "den doorluchten afstammeling van Frieslands koningen,"
+(eene buiging). "Zoo gij, mijne Heeren! u, zoolang de Graaf niet hier
+is, met ons gezelschap wilt vergenoegen, en een glas echten gekruiden
+wijn met ons drinken, zal het ons tot eer strekken. Wij ontvangen u
+gul en vrij:--morgen is het de dag der plichtplegingen."
+
+Hij, die deze woorden sprak, was een man van middelbare gestalte, en
+naar het scheen tusschen de dertig en veertig jaren oud: zijn houding
+was edel en vrij: zijn toon was kortaf, als van iemand die gewoon is
+in 't veld bevelen te geven: zijn tongval eenigszins uitheemsch. Zijn
+gelaat, door de zon geroost, kondigde iemand aan, die nimmer tochten
+of vermoeienissen geschroomd had, en zijn sprekende oogen een fiere
+hooghartigheid. Wat zijn kleeding betreft, die was hoogst eenvoudig
+en bestond, evenals die van de meeste aanwezigen, uit een groen buis
+met mouwen, dat op de dijen afhing, om het midden gesloten en met
+bonte randen voorzien was: een kleine kalot, van rood of geel laken,
+met een klep van achteren, en van boven met een topje voorzien,
+waarvan zij den naam van _toppermuts_ had, bedekte het hoofd tot
+over de ooren: een vest en hozen van dezelfde kleur en stoffage,
+benevens zwarte tootschoenen, maakten de verdere dracht uit der
+aanwezige boogschutters.
+
+"Wij zijn gevoelig aan de beleefdheid, welke men ons bewijst," zeide
+Aylva tegen den edelman, die het woord gevoerd had: "een rond en gul
+onthaal is ons het aangenaamst: en het zou ons spijten, indien iemand
+om onzentwil plichtplegingen maakte."
+
+"Bij Sint-Nicolaas!" zeide Adeelen halfluid tegen den Abt: "men had
+ons toch een betere plaats kunnen geven dan onder stalknechten en
+jagers, zooals dit volkje schijnt."
+
+"Wat dat betreft," zeide lachende de edelman, die deze aanmerking
+gehoord had, "stel u gerust daaromtrent. Gij ziet hier al wat onze
+adel luisterrijks bezit: die nu den boog spant is de Heer van Ligny:
+naast hem, de Heeren van Walcourt en Antogne: Henegouwen bezit geen
+kloeker ridders dan deze drie Baanrotsen: die jongeling met zijn
+blonden kroeskop is de Heer van Brederode, en die met hem spreken
+zijn twee gebroeders uit den huize Teylingen; die met het deftige
+uitzicht is een Haemstede:--allen zijn aan het voormalige stamhuis
+vermaagschapt, en getrouwe dienaars van het tegenwoordige."
+
+"En gij zelf," zeide Adeelen, terwijl de vreemdeling voortging met
+de namen der aanwezigen op te noemen: "mag men naar uw naam vragen?"
+
+"Ik ben Heer van Treslong in 't Henegouwsche," antwoordde de Ridder,
+terwijl een vluchtig rood zijn wangen bedekte; "maar komt, mijne
+Heeren! hoe is het? zult gij niet met ons een kans wagen?--Het
+smart mij, dat ik op het oogenblik buiten de gelegenheid ben om den
+waardigen Abt een gezelschap overeenkomstig zijn stand te bezorgen;
+maar al de geestelijke Heeren zijn met de Gravin uit rijden."
+
+"Bekommer u deswege niet," zeide de Abt: "ik zie gaarne een goed
+schot."
+
+"Hij zou desnoods nog een boog hanteeren," zeide Adeelen: "ik verzeker
+u, Heer van Treslong, naardien dat uw naam is, dat onze Friesche
+monniken de strijdkolf en den boog meer in de hand hebben dan het
+getijboek en dat, bijaldien ik geen goed kuras gedragen had, mij een
+Lidlummer monnik voor mijn tijd naar de eeuwigheid gezonden had."
+
+"Inderdaad!" zeide Treslong: "en heeft die twist gevolgen gehad?"
+
+"Eenige bebloede koppen.--Wij hebben vrede gemaakt en den zoen met een
+deftigen maaltijd gevierd, waar wij alle veete hebben af gedronken."
+
+"Van drinken gesproken.--Ik zou bijna vergeten u het welkom te
+brengen.--Herman! hier! vul ons een verschen nap."
+
+De schenker, tot wien dit bevel gericht was, had bij zich op een houten
+stelling een fiksch vaatje staan met net geschuurde zilveren randen
+en een kraan van 't zelfde metaal. Drinkschalen van onderscheiden
+vorm en soort waren daarnevens: en die gevuld hebbende, bood hij ze
+Treslong en den Friezen aan.
+
+"Ziethier den echten drank van 't land," zeide Treslong, "waarvoor
+ik hypocras en malvezij laat staan, mits hij slechts naar den eisch
+bereid worde. Gelooft mij, mijne Heeren! deze is volgens het echte
+recept: zuivere Lotterwijn, gelijk onze neef.... ik meen gelijk de
+Graaf.... de Hertog van Gelder, wil ik zeggen, dien niet drinkt."
+
+Hier zweeg hij, eenigszins verward, terwijl Aylva hem opmerkzaam
+aanzag.
+
+"Ik heb nooit beter drank geproefd," zeide de Abt, de drinkschaal
+met welgevallen ledigende.
+
+"'t Smaakt wel!" zeide Adeelen: "doch ik voor mij zou een teug
+_swietendrank_ blijven verkiezen."
+
+De omstanders, voor zooverre zij dit hoorden, zagen Adeelen met
+verbaasdheid aan, niet wetende wat hij door _swietendrank_ bedoelde:
+maar de Abt redde hen uit de onzekerheid, door de mededeeling,
+dat het een Friesche drank was, uit gedroogde rozijnen getrokken;
+op het vernemen waarvan de meeste edellieden de schouders ophaalden
+en Adeelen medelijdend aanzagen.
+
+Treslong en de beide Friesche edelen namen nu mede deel aan het spel:
+Aylva gaf weldra blijk, dat hij de oefeningen zijner jeugd onderhouden,
+althans niet verleerd had, daar hij de schijf nooit miste. Tot zijn
+bevreemding zag hij, dat de meesten der aanwezigen vrij slecht schoten
+en nooit het middelpunt zoo nabij kwamen als de Heer van Treslong.
+
+"Waarachtig!" fluisterde hem Adeelen in: "zoo dat volk niet beter
+weet te mikken, zal er nooit eer in steken om met hen slaags te raken."
+
+Meer en meer begonnen de gemoederen door drank en spel verhit te
+worden, toen er een twijfelachtig schot plaats vond, waardoor de goede
+harmonie, die tot nog toe geheerscht had, gevaar liep van verbroken te
+worden. Adeelen had namelijk de schijf herhaalde reizen in de middelste
+kringen geraakt en dacht reeds zeker van den prijs te zijn, toen de
+Heer van Treslong zoo juist aanlegde, dat hij zijn pijl volkomen in
+het middelpunt dreef. Straks ontstond er een uitbundig gejuich, en de
+Heer van Spangen, die den inzet bewaarde, was reeds gereed dien aan
+den winnaar ter hand te stellen, toen Adeelen tusschenbeide trad,
+en beweerde dat het schot niet gelden mocht, aangezien Treslong,
+toen hij afschoot, niet op den behoorlijken afstand was blijven
+staan, maar een stap voorwaarts gedaan had. Uit éénen mond spraken
+de aanwezige edelen den Fries tegen, die, verontwaardigd dat men,
+zoo hij 't noemde, de waarheid zoo onbeschaamd dorst loochenen, zijn
+handschoen uittrok en dien op het zand wierp, tevens zwerende, zijn
+gezegde te zullen goedmaken tegen al, wie een kamp met hem dorst wagen.
+
+Vlugger dan een patrijshond, die op het gevelde wild aanschiet, was
+Reinout, die met Deodaat en eenige Ridders van minderen rang op een
+afstand was blijven staan, dadelijk naar het ridderpand toegesprongen
+en reeds strekte hij de hand uit om het op te vatten, toen Treslong
+met een donderende stem uitriep: "terug!"--Terstond trad de jongeling
+verlegen achteruit en er ontstond een algemeene stilte.
+
+"De Friesche edelman heeft gelijk," zeide Treslong: "ik ben
+onwillekeurig een stap vooruitgegaan: ik zou echter de verschooning
+kunnen bijbrengen, dat hij zijn aanmerking had behooren te doen vóór,
+of op het oogenblik dat ik mijn pijl afschoot; maar daarvan wil ik
+geen gebruik maken. Ik sta hem den prijs af."
+
+"Gij zijt bij God de eenige ronde kerel, dien ik hier ontmoet heb,"
+zeide Adeelen, naar hem toegaande en hem de hand toestekende,
+die Treslong al lachende schudde; de overige edellieden, over de
+uitdrukking van den Fries gebelgd, zagen bleek of rood van gramschap
+en meer dan een sloeg de hand aan zijn dolk.
+
+"Met uw verlof," zeide de Heer van Brederode tegen Treslong, "is het
+uwe bedoeling, dat wij ons hier straffeloos door dien vreemdeling
+laten beleedigen?"
+
+"Ik ken hier geen vreemdeling, mijn Heer!" zeide Treslong; "ik houde
+al de aanwezigen voor getrouwe vazallen van Graaf Willem, en het is
+mijn ernstig verzoek, dat de zaak hierbij blijve en dat alle ongenoegen
+met den beker worde afgewisseld."
+
+Aylva zag nogmaals den Heer van Treslong zijdelings aan; maar zijn
+verwondering over den hoogen toon, welken deze voerde, was geweken. Hij
+trad een weinig terug, en Adeelen ter zijde trekkende, fluisterde
+hij hem ongemerkt in 't oor: "bedwing u zooveel mogelijk: ieder is
+hier niet wat hij verbeeldt te zijn, of ik bedrieg mij grootelijks."
+
+Nauwelijks was de eensgezindheid, ten minste schijnbaar, teruggekeerd,
+of een daverend hoefgetrappel liet zich aan den boschkant hooren
+en een schitterende stoet van edele Heeren en Vrouwen kwam een der
+zijlanen uitgereden. Nabij het perk stapten zij af, om zich bij het
+gezelschap te vervoegen, dat aldaar vereenigd was. Een schoone vrouw,
+in sierlijk rijgewaad gekleed, en welke men, zoo aan haar uiterlijke,
+als aan de eer, welke men haar bewees, voor de Gravin van Holland
+herkende, trad vooruit, aan de hand van een edelman van ruim vijftig
+jaren, wiens deftig mannelijk voorkomen wel geschikt was om ontzag
+en eerbied in te boezemen.
+
+Treslong ging hen te gemoet en wisselde eenige woorden met hen,
+welke door de Gravin met koele deftigheid en door haar geleider met
+een bedenkelijk hoofdschudden werden aangehoord.
+
+Aylva had insgelijks een schrede vooruit gedaan, toen hij in den nieuw
+aangekomen edelman den Heer van Beaumont herkende, met welken hij voor
+vijf en twintig jaren meer dan één wapentocht gedaan had. Hij bleef
+echter staan, in afwachting of deze hem insgelijks herkennen zoude.
+
+"Gelijk ik u gezegd heb, Mevrouw!" zeide Treslong overluid tot de
+Gravin: "het is nog onzeker of de Graaf heden wel verschijnen zal,
+nu hij zoo met die verwenschte schele hoofdpijn geplaagd is. Mag
+ik intusschen aan u, gelijk aan den Heer van Beaumont, de edele
+Afgevaardigden van Friesland voorstellen?"
+
+De Gravin beantwoordde met eene koude beleefdheid den groet der
+Friezen, en had zelfs moeite om eene kleine opwelling van wrevel en
+ongeduld te bedwingen, toen haar de goede Abt welwillend aanraadde
+zijn middel van vitriool en dun bier tegen 's Graven hoofdpijn te
+beproeven;--maar Beaumont, die Aylva terstond herkende, trad naar
+hem toe en drukte hem hartelijk de hand.
+
+"'t Is lang geleden, dat wij elkander laatst ontmoet hebben," zeide
+hij, "en het verheugt mij hartelijk iemand te vinden, met wien ik
+nog over den ouden tijd kan praten. Ware ik niet, ten einde mijn
+reputatie als galant Ridder op te houden, verplicht geweest de dames
+op haar rijtochtje te vergezellen, ik zoude wel hier gebleven zijn
+om u vroeger te ontvangen. Ik zie met vreugde, dat gij onze oude
+krijgstochten nog niet vergeten zijt. Althans de keten, die u mijn
+broeder vereerde, en waarvan hij mij goedwillig een gelijke aanbood,
+hangt nog ter herinnering aan uw hals.--Mij dunkt," vervolgde hij,
+met een ontevreden blik omziende, en Aylva ter zijde trekkende:
+"die ontvangst is niet geweest gelijk ze behoorde."
+
+"Het onthaal was gul en vroolijk," antwoordde Aylva: "en men moet der
+jeugd zoowat toegeven;--doch wanneer men denkt een ouden gediende,
+als ik ben, beet te hebben, bedriegt men zich."
+
+"De grap was niet oorspronkelijk tegen u gericht," zeide Beaumont:--"en
+ik kan u betuigen, dat er geen opzet tot beleedigen bestaat."
+
+Intusschen hadden de Gravin en hare Edelvrouwen meerendeels op
+aangebrachte vouwstoelen, schabellen of tuinbanken plaats genomen,
+en zich met de Edellieden aan onderscheidene in zwang zijnde spelen
+gezet. Adeelen, die weinig van die spelen verstond, vergenoegde zich
+met den in zijn oog zoo vreemden en zonderlingen tooi der jonkvrouwen
+aan te gapen, nu en dan, zonder te wachten tot men hem bediende, zijn
+beker aan het wijnvaatje te vullen, (een ongemanierdheid, waarover
+ieder groote oogen opzette, en welke aan verscheidene dames deed
+vragen, wie toch die kaalgeschoren wildeman ware), en somtijds hard
+te geeuwen, waaraan niemand zich ergerde. Wat den goeden Abt betrof,
+hij was wel aan de Aartsbisschoppen van Keulen en van Trier en aan
+andere hooge prelaten voorgesteld; doch deze machtige rijksvorsten
+achtten het te veel beneden zich, met den kerkvoogd van Sint-Odulf in
+gesprek te treden; die zich dan ook genoodzaakt zag, zijne toevlucht
+te nemen tot het spelen van de rol van opmerker en tot het heerlijke
+vocht, dat hem echter spaarzamer werd toebedeeld dan hij wel verlangde.
+
+Nadat men eenigen tijd op deze wijze had doorgebracht en zich
+ondertusschen met kruidkoeken en andere lichte spijzen had verkwikt,
+wezen plotseling verscheidene vingers onder een vroolijk gelach naar
+de oprijlaan, waarheen zich dadelijk aller oogen wendden. Niemand was
+er bijna, die zijn vroolijkheid bedwingen kon bij het zien der twee
+zonderlinge personen, die van verre kwamen opdagen. De een was niemand
+anders dan de beroemde meester Barbanera, op een paard gezeten, zoo
+mager als hij zelf, hetwelk moeite genoeg had om door het zand voort
+te komen op drie pooten, welke den schijn hadden of zij elk van een
+afzonderlijk paard genomen waren, zoo weinig evenredigheid hadden
+zij onderling: terwijl een vierde poot in trage luiheid achteraan
+sleepte. De andere persoon was de hansworst, die een grauwen ezel
+bereed, welke, behalve met hem, nog belast was met een houten kast,
+waarboven Cezar in alle baviaansche deftigheid te pronk zat.
+
+Nauwelijks had de Gravin hen opgemerkt, of de koele onverschilligheid,
+waarmede zij tot nog toe in spel en onderhoud gedeeld had, maakte
+plaats voor een schier kinderachtige blijdschap: en terstond gelastte
+zij, dat men die beide kwanten, tot wier ontbieding zij zelve last
+had gegeven, in hare tegenwoordigheid zou geleiden.
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Tot u koom ick om hulp, vermits u swarte flessen
+ Gaen dieper in gespoock als alle toveressen.
+ Wat ick u bidden magh, laat my door uwe gunst
+ Eens sien, tot myn gerief, de krachten van de kunst.
+
+ Cats. Spoock-liefde.
+
+
+Het was in den tijd, waarin onze geschiedenis voorviel, ja nog
+wel later, geene ongewone zaak, dat reizende zangers, vinders,
+meistreels of potsenmakers ter verkorting der middaguren bij groote
+Heeren werden ontboden: en noch _l'Incomparabile_ noch zijn hansworst,
+noch zijn aap, betoonden dus eenige verlegenheid, toen zij zich door
+een daartoe afgezonden page voor het edel gezelschap op het grasperk
+gevoerd zagen. De kist, door de kunstenaars medegebracht, werd nu
+ontpakt: al de aanwezigen plaatsten zich op last der Gravin in een
+wijden kring en ontvingen stipt bevel, de te verrichten toeren niet
+te storen, noch den kokeler te nauw op de vingers te kijken en hem
+zijn geheimen af te neuzen, want de Gravin behoorde tot die lieden,
+welke, niet vlug zijnde om het fijne van een kunstgreep te vatten,
+daarom juist niet gaarne zien, dat anderen die beter begrijpen dan zij.
+
+Zoodra de toestel in behoorlijke orde gebracht was, begon de hansworst,
+na een diepe buiging, een treflijke redevoering, waarin hij de
+schoone Gravin en haren doorluchtigen Echtgenoot boven alle andere
+vorsten van Europa verhief, en er breed van opgaf, dat de beroemde
+Barbanera zich alleen de verre reize naar Holland getroost had, om
+in de tegenwoordigheid van den Graaf aller Graven en den Veldheer
+aller soldaten gebracht te worden.
+
+"Een fraaie aanspraak!" zeide de Aartsbisschop van Trier tegen de
+Gravin, toen de nar algemeen werd toegejuicht: "jammer maar, dat ik
+die op mijn doorreize woordelijk door den spreker heb hooren opsnijden
+aan het Hof van Gelder, alleen met verandering van namen en titels."
+
+"Onze waarde neef van Gelder zal zich toch niet beroemen dat hij nu
+reeds de Hertog aller Hertogen is, tenzij hij het sedert een paar
+dagen geworden zij," antwoordde de Gravin, doelende op de Hertogelijke
+kroon, welke den Graaf van Gelder geschonken was, en die zij wist,
+dat door haren gemaal geweigerd zou worden.
+
+Onderscheidene toeren, door de drie kunstenaars met een gelukkig gevolg
+ten uitvoer gebracht, droegen, meer nog dan de aanspraak, de algemeene
+goedkeuring weg, welke echter, om een echt grammaticale spreekwijze te
+bezigen, aan den kwakzalver in den stelligen, aan den alwillensdwaas
+in den vergelijkenden, en aan den aap in den overtreffenden trap
+geschonken werd. Alleen het gelaat der Gravin had zijn koele stemming
+hernomen, welke zelfs, toen de kunstverrichtingen eenigen tijd
+geduurd hadden, door kennelijke teekenen van weerzin en ongeduld
+werden vervangen. Om deze verandering in hare gemoedsgesteldheid,
+welke door een al te haastigen lezer wellicht aan een vrouwelijke gril
+zoude kunnen worden toegeschreven, te verklaren, dient men te weten,
+dat de Gravin naar de kunstenaars niet zoozeer verlangd had, om hunne
+behendigheid in gewone goochelaars-kunsten te bewonderen (ofschoon
+deze de voorgewende reden ware): als wel omdat zij vernomen had, dat
+meester Barbanera het in de verborgene wetenschappen tot een hoogte
+gebracht had, welke de zoodanigen, die er getuigen van geweest waren,
+met verbazing vervuld had, en dat zij in 't geheim vurig verlangde,
+eenige bewijzen zijner bekwaamheid in die vakken te vernemen. De gewone
+kunsten, hoe vernuftig ook gedacht en hoe behendig ook uitgevoerd,
+verwekten bij haar dus niets dan verveling, evenals dikwijls een wel
+uitgevoerd treurspel geen aandacht waardig is bij dezulken, die alleen
+om het ballet gekomen zijn: zij haakte naar het oogenblik, dat al die
+bekers en balletjes en kastjes verdwijnen zouden om voor de in haar oog
+meer belangrijke kunsten plaats te maken; maar, gelijk het doorgaans
+gaat, zij was beschroomd om daartoe stelligen last te geven, ja zelfs
+om hare geheime begeerte aan iemand mede te deelen. Eindelijk echter
+werd zij uit dien staat van ongeduld verlost, door een vraag, welke
+Treslong aan den hansworst deed, wat of er namelijk in den zak school,
+dien hij bij zijn komst zoo zorgvuldig onder de tafel geplaatst had.
+
+"Daar in dien zak," was het antwoord, "zit het wonderbare glas,
+waarin mijn meester de toekomst leest."
+
+"Ei! de toekomst!--en kunt gij die ook reeds verklaren, vriendje?"
+
+"Bij Sint-Julfus," zeide de nar: "ik heb dagwerk om den menschen de
+dwaasheden te verwijten, die zij gedaan hebben, zonder dat ik er die
+behoef bij te voegen, welke zij zullen doen."
+
+"Een goed antwoord," zeide Treslong; "maar zoo het Mevrouw behaagt,
+zouden wij de geheimen van dat tooverglas ook wel eens willen kennen."
+
+"Mijn vermaarde meester," zeide de hansworst, "zou het uit eigen
+beweging niet gewaagd hebben, de kennis, welke hem zijn verborgen
+wetenschap van de bovenzinnelijke en bovennatuurlijke dingen verschaft
+heeft, op zulk een verheven gezelschap toe te passen: en hij zal
+daartoe niet overgaan dan op drie voorwaarden, waar de billijkheid
+aan een iegelijk van zal blijken."
+
+"Men moet ze echter eerst hooren om ze te kunnen beoordeelen," zeide
+de Heer van Teylingen: "welke zijn uw voorwaarden?"
+
+"De eerste is, dat het de uitdrukkelijke begeerte van Mevrouw de
+Gravin is, dat mijn meester zijn verborgene kennis ten toon spreide."
+
+"Mevrouw de Gravin hoort wat die nar verlangt," zeide Treslong
+lachende: "zal zij zoo goed zijn, een bevel dienovereenkomstig
+te geven?"
+
+"Het zij zoo!" zeide de Gravin, half tevreden en half wrevelig:
+tevreden, omdat aan haar wensch voldaan werd; wrevelig, omdat zij
+zulks bekennen moest.
+
+"Het tweede verzoek mijns meesters is, dat niemand het hem wijte,
+noch hem op de eene of andere wijze mishandele of benadeele, zoo
+altemet deze of gene zijner woorden iets bevatten mocht, dat min
+aangenaam in de ooren klonk."
+
+Het voorhoofd van den Heer van Treslong fronselde zich en hij zag de
+Gravin vragende aan.
+
+"Deze bede is hoogst billijk," zeide de Gravin: "en ik verwacht,
+dat niemand der aanwezigen zich tegen hare vervulling verzetten zal."
+
+"Wat de derde betreft," vervolgde de dwaas, een koddige buiging
+makende, "zij bestaat alleen daarin, dat het aanzienlijk gezelschap
+indachtig zij, hoe wetenschap boven vlugheid verheven is en dus op
+eene hoogere belooning aanspraak mag maken."
+
+De Gravin knikte goedkeurend met het hoofd en wachtte nu, evenals elk
+ander, met ingespannen nieuwsgierigheid wat er volgen zou. Met behulp
+van zijn makker ruimde Barbanera alles wat hem hinderen kon van de
+tafel, plaatste er vervolgens een glas op van buitengewone grootte,
+vulde het tot op de helft met een doorschijnend vocht, hetwelk hij
+uit een lederen flesch schonk, en wierp er onderscheidene poeders in,
+waarna hij den bokaal weder toedekte. Straks werd men een zonderlinge
+werking in het glas gewaar: de daarin geworpen stoffen losten zich
+op en vormden onderscheidene gedaanten, naar ertsen en plantsoorten,
+ja zelfs naar dieren en menschen zweemende, verschillende van kleur
+en grootte. Nadat men gedurende eenige oogenblikken dit schouwspel
+had aangestaard, kondigde de hansworst aan, dat al wie zulks verkoos
+eenige vragen aan zijn meester kon doen.
+
+Geen mensch deed zich op; want, behalve dat niemand bij zulke
+gelegenheden gaarne het voorbeeld geeft, dorst men niet beginnen zonder
+de toestemming der Gravin, op welke alle blikken gevestigd waren.
+
+"Mevrouw!" riep eindelijk Treslong: "indien uwe Genade het voorbeeld
+niet geeft, zal niemand onzer de vermetelheid hebben het orakel
+te raadplegen."
+
+"Wat zou ons lot ons kunnen schelen," zeide de Aartsbisschop
+van Keulen, "indien wij niet omtrent dat onzer edele gastvrouw
+gerustgesteld waren."
+
+"Hoe, Hoogwaardigste!" zeide zij glimlachende, "gij, die een Prelaat
+zijt, gij spoort ons aan, een duivelskunstenaar te raadplegen?"
+
+"'t Zijn allemaal fratsen en narrepoetserijen," hervatte de Dignitaris:
+"ik heb dat al meer gezien; maar het loopt op dwaasheid uit."
+
+"Welaan dan," zeide zij: "hoewel het ons weinig betaamt, zullen wij
+ons niet aan het algemeene verlangen onttrekken: doch wij begeeren,
+dat niemand ons volge, uitgenomen Yolente van Dampmartin en Ottilia
+van Naaldwijk: wij vrouwen," vervolgde zij met een vroolijken
+lach, "vertrouwen ongaarne onze geheimen aan de ooren van zooveel
+bijstanders."
+
+Men trad eerbiedig op zekeren afstand terug: de Gravin, door de
+twee jonkvrouwen vergezeld, begaf zich naar den kokeler, wien zij
+de vraag voorstelde, of zij nog lang met haren echtgenoot gelukkig
+zoude wezen. Barbanera boog zich eerbiedig, lichtte het deksel van
+het glas, stak er het eene einde van zijn tooverstaf in, en gaf haar
+het andere in de hand, terwijl hij zelf met een zilveren pijpje in
+het vocht blies.
+
+Terwijl zij des meesters voorschrift opvolgde, gaf, ondanks haar
+voorgewende bedaardheid, het trillen van het glas haar heimelijken
+angst te kennen: de waarzegger zag haar beurtelings scherp in de oogen
+en dan weder in het glas. Op eens trok hij de wenkbrauwen saâm; de
+Gravin ontstelde en zag in het glas: het vocht was op eenmaal zwart
+geworden, en de zich daarin bewegende gedaanten zwommen als paarlen
+of tranen heen en weder. Het gelaat der schoone vrouw werd bleek als
+een doek.
+
+De omstanders, die de vraag niet gehoord, doch wel de kleurverandering
+der Gravin bespeurd hadden, stonden verbaasd en verstomd. Treslong
+deed een stap voorwaarts: maar trad weder terug, toen hij bemerkte,
+dat de zwarte tint na eenige oogenblikken weder verdwenen was en
+alles zich in het glas voordeed als te voren.
+
+Nu stak Barbanera het hoofd naar de Gravin: en de tooverroede
+terugnemende, fluisterde hij haar de navolgende voorspelling in 't oor:
+
+
+ "Sombres jours bientôt viendront:
+ Haults Seigneurs trépasseront;
+ Paix et lesse jâ suivront:
+ Lis et roses fleuriront." [8]
+
+
+Teffens wees hij op het glas, waar de Gravin, òf werkelijk, òf door een
+spel van hare verbeelding, een bloemkransje op den bodem zag liggen.
+
+"Het slot vergoedt het begin," zeide zij zuchtend: "ik verlang verder
+niets te weten. Mejuffers!" vervolgde zij tot de haar omringende dames,
+zoodra zij naar hare plaats gekeerd was:--"ik raad geene van u allen
+aan, den meester te gaan raadplegen. Het is een te gevaarlijk spel
+voor vrouwen."
+
+"Het zal derhalve onze beurt worden," zeide 's Graven vertrouweling,
+de Heer van Naaldwijk: "wat mij betreft, ik geef er niet om of iemand
+de vraag en het antwoord hoore. Heksenmeester!" vervolgde hij, "een
+stuk geld op de tafel werpende: zeg mij slechts of mij een lang leven
+is toegedacht?"
+
+De waarzegger stelde hem het stokje ter hand: maar nauwelijks stak de
+Ridder het in 't water of hij zag de kleur daarvan in die van bloed
+veranderen, terwijl hem Barbanera toeriep:
+
+
+ "Arc est tendu et flêche preste,
+ Qui bientot férira ta teste." [9]
+
+
+"Het zij zoo!" hernam Naaldwijk, nadat hem Deodaat, op zijn verzoek,
+de beteekenis dier woorden had doen kennen: "ik zal dan voor 't minst
+een krijgsmansdood sterven."
+
+"Zal mijn lot even voorspoedig wezen?" vroeg de Heer van Spangen,
+terwijl hij den wichelaar zijn gift aanbood.
+
+Ook hij zag dezelfde bloedkleur.--"Hou thans uw Fransch maar voor u,"
+zeide hij: "ik heb aan dat teeken genoeg."
+
+"Wanneer ik sterven zal, is mij vrij onverschillig," zeide Walcourt:
+"zeg mij, zoo gij kunt, wie mij dooden zal," en, den staf met een
+vaste hand aangrijpende, stak hij dien in 't vocht.
+
+Meester Barbanera beschouwde een wijl de zich daarin voordoende
+gedaanten, en op eene er van wijzende, die naar een dorschvlegel
+zweemde, zeide hij:
+
+
+ "De vilain ignoble fléau
+ Vous occira sur le préau." [10]
+
+
+Andere Ridders en Edellieden volgden: en bijna ieder ontving een
+onheilspellend antwoord. Het was niet onbelangrijk op te merken,
+hoe elk hunner zich in deze omstandigheid gedroeg. Sommigen lachten
+overluid: doch hun gedwongen houding toonde genoeg aan, hoe weinig zij
+innig tot vroolijkheid gestemd waren: anderen zagen den toovenaar met
+een gramstorigen blik aan: enkelen bleven, in diep gepeins verzonken,
+zijn voorspelling overdenken.
+
+"En gij, mijn Heer van Beaumont!" riep Naaldwijk dezen Edelman toe,
+die met Aylva stond te praten: "zijt gij niet nieuwsgierig om uw lot
+te vernemen?"
+
+"Ik zie niet," antwoordde Beaumont, "dat de wetenschap, die gij allen
+hebt opgedaan, u veel profijt heeft bezorgd."
+
+"Komaan! Komaan! laat u overhalen!" klonken verscheidene stemmen:
+"het is immers slechts een spel."
+
+"Indien het u aangenaam kan zijn, welaan dan," zeide Beaumont:
+"zeg mij, waarzegger! of ik in het lot van al die brave Heeren
+deelen zal; want mij dunkt, dat er een groote slachting onder hen
+zal plaats hebben."
+
+
+ "En tout temps te gardera Dieu
+ D'eau, de fer, de bois et de feu." [11]
+
+
+was het antwoord des waarzeggers.
+
+"Waarlijk! gij meent het wel met mij," zeide Beaumont lachende, "en
+hebt op eene dubbele belooning recht. Komaan, mijn Heer van Aylva,
+het is uwe beurt."
+
+"Kunt gij raden wat ik u vragen wilde?" zeide deze tot den profeet.
+
+Nauwelijks had meester Barbanera hem in de oogen gezien of hij wenkte
+de omstanders terug te treden.
+
+"Hoe nu!" zeide Aylva, verbaasd het stokje in de hand nemende,
+"mag niemand het antwoord hooren?"
+
+"_Ricordatevi_ di Bianca di Salerno," [12] fluisterde hem de waarzegger
+in 't oor.
+
+"_Madre di Dio_!" riep Aylva sidderend uit.
+
+Op het hooren van dezen kreet kwamen de omstanders weder naar voren;
+waarop de kokeler terstond overluid deze regels volgen liet:
+
+
+ "Il cane la brebis mangea,
+ Mais l'agnel tôt reviendra." [13]
+
+
+"Mensch!" zeide Aylva: "van wien hebt gij deze dingen?"
+
+Doch Adeelen was hem reeds voorgetreden. "Elk zijn beurt, vriend
+Aylva!" zeide hij: "kom, meld mij eens, kokeler! of Friesland nog
+lang vrede zal hebben. Maar spreek mij geene vreemde talen, die ik
+toch niet versta."
+
+Barbanera bedacht zich een oogenblik, en terwijl het water weder de
+bloedkleur aannam, zong hij het referein van een Platduitsch liedje:
+
+
+ "Waert up de fruntering!
+ De Viant ist da." [14]
+
+
+"Men moest een ezel zijn, om dit niet te begrijpen," zeide Adeelen,
+terwijl hij vergenoegd aftrok.
+
+"Zal ik goede tijding uit Verona hebben?" vroeg Deodaat, aan wien
+Reinout deze vraag had geopperd.--Het antwoord was:
+
+
+ "Nouvelles qui vous parviendront,
+ Joies et douleurs vous causeront." [15]
+
+
+"Men behoeft geen toovenaar te zijn om zulk een antwoord te geven,"
+zeide Reinout, en zijns makkers plaats innemende, vroeg hij, of hij de
+schoone zangster zou leeren kennen, wier maatgeluid hem verrukt had,
+en bekwam het navolgend orakel:
+
+
+ "De Sirènes le chant plaira;
+ Mais male mort s'en suivera." [16]
+
+
+"En gij, eerwaardige Abt!" vroeg Treslong aan vader Volkert: "wilt
+gij ook de wijsheid des kunstenaars niet beproeven?"
+
+"Ofschoon ik zijne waarzeggingen voor dwaze en onbeduidende praktijken
+houde," antwoordde de Abt, "wil ik echter, uit achting voor het
+aanzienlijk gezelschap, hem eene vraag voorstellen. Ik begeer
+geenszins het toekomende uit te vorschen, daar zulks in iemand van
+mijn karakter hoogst ongepast ware; doch zal hem alleen naar het
+tegenwoordige vragen. Zeg mij nu, toovenaar! dragen al de Monniken
+van Sint-Odulf hunnen Abt in hun gemoed de achting toe, die zij hem
+verschuldigd zijn?"
+
+Een algemeen gelach ontstond toen de waarzegger antwoordde:
+
+
+ "Souvent qui porte mître
+ d'Abbé n'a que le titre." [17]
+
+
+"Lacht zooveel gij wilt, mijne Heeren!" zeide vader Volkert: "zooals
+zij dan wezen moge, ruil ik mijne waardigheid tegen geene andere:
+want in Sint-Odulf heerscht rust en vrede, 't geen men niet van alle
+conventen zeggen kan: en ik ben meer heer in mijn klooster dan Jan
+van Arkel in zijn Bisdom, waar hij van verdriet is uitgeloopen."
+
+"Kent gij den Bisschop van Utrecht?" vroeg Beaumont.
+
+"Hij is kort na zijn verheffing onze kloosters komen bezoeken.... een
+schoon jongeling was hij, en wien de mijter wèl stond, dat mag gezegd
+worden:--hij kwam eerst te Sint-Odulf: en toen gaf ik hem op zijn reis
+naar de andere kloosters onzen broeder Syard mede, die hem overal heeft
+rondgeleid en alles verklaard, of ik het gedaan had.... maar nu, gij,
+mijnheer van Treslong, die mij aangespoord hebt om den kokeler te gaan
+raadplegen, gij lacht mij uit en zijt zelf nog niet bij hem geweest."
+
+De Ridder zag hem glimlachende aan, en naar Barbanera gaande, nam
+hij den tooverstaf uit diens handen. Maar nauwelijks had hij dien
+in het vocht gestoken, en de vraag gedaan of hij slagen zou in de
+onderneming, welke hij in den zin had, of de waarzegger zag hem met
+smeekende oogen aan, wrong de handen en viel op de knieën neder.
+
+"Hoe nu, schurk! wat heeft dat te beduiden?" vroeg Treslong.
+
+"_Perdonatemi, illustrissimo Signor conte!_" riep Barbanera als in
+doodsangst uit: "_ma non posso dir_ [18]...."
+
+"Gij kent mij!" zeide de Graaf; want het was Willem IV zelf, die
+gewoon was zijn rang af te leggen wanneer hij met zijn hovelingen
+aan 't spelen was, en zulks dezen avond langer dan gewoonlijk had
+volgehouden, eerst om zich met de Friezen te vermaken en vervolgens
+om den toovenaar te misleiden:--"Welnu! wat zegt uw orakel?"
+
+Barbanera liet het hoofd op de borst vallen, sloeg de oogen neder,
+kruiste zijn armen en mompelde toen:
+
+_"Non vié altro oracolo che quello del conte di Gelria_ [19]."
+
+"Ellendige!" riep de Graaf vertoornd uit en wierp den tooverstaf
+met geweld van zich af. Ten einde de uitwerking van des waarzeggers
+woorden te verstaan, dienen mijn lezers zich te herinneren, dat
+de oude Graaf Reinout van Gelder, toen hij Willem IV als kind ten
+doop hield, de voorspelling gedaan had, dat zijn petekind eenmaal
+door het zwaard der Friezen zou omkomen. Hoewel niemand en vooral de
+Graaf zelf ooit veel gewicht had gehecht aan de taal des ouden mans,
+dien men als half zinneloos beschouwde, liet de aanhaling daarvan,
+op zulk een oogenblik en bij een zoo zonderlinge gelegenheid, niet na,
+een diepen indruk op het gemoed der aanwezigen te maken.
+
+Aylva was de eerste, die de stilte brak, welke dit voorval had doen
+ontstaan. Eerbiedig naderde hij Willem en, zich ontdekkende: "Heer
+Graaf!" zeide hij: "vergeef het mij, die u vroeger reeds herkend had,
+zoo ik u niet eer de hulde heb bewezen, die u toekomt; maar ik had
+uw verlangen, van onbekend te blijven, geraden en geëerbiedigd. Het
+voegde mij niet, ongeroepen het woord tot u te voeren; maar de taal,
+door gindschen bedrieger gesproken, maakt het mij tot een plicht, u
+te verzekeren, dat, zoolang de Friezen in u een goeden en gunstigen
+beschermer vinden, gij van Friesche zwaarden niets zult te vreezen
+hebben."
+
+"En ik waarborg u," voegde Beaumont er bij, "dat uwe Genade geen
+waardiger en getrouwer vriend kunt hebben dan den Heer van Aylva,
+althans zoo hij nog dezelfde is, die hij voor vijf en twintig jaren
+was."
+
+"Wij danken u, waardige Aylva," zeide de Graaf, hem bewogen de hand
+toereikende: "wees verzekerd, dat ons het welzijn van een gewest,
+waarin wij zulke getrouwe vrienden bezitten, op 't naaste aan 't
+harte ligt. Vergeef ons, zoo wij ons niet dadelijk aan u bekend hebben
+gemaakt; maar wij moesten den dag van morgen aan onze waardigheid geven
+en daarom wilden wij dien van heden buiten den band der plichtplegingen
+doorbrengen."
+
+"De Heer van Aylva had er wel bij mogen voegen, dat hij thans uit
+zijn eigen naam sprak en niet als afgevaardigde van Friesland,"
+zeide Adeelen halfluid tegen den Abt.
+
+"Stil! stil!" voegde hem deze zachtjes toe: "onze vriend is een
+wijs man; maar hij vergeet somtijds dat hij mede-afgevaardigden
+heeft. Intusschen voegt het ons, insgelijks den Graaf te gaan
+begroeten."
+
+"Ik zal wachten, dat hij zelf mij aanspreekt," hernam Adeelen:
+"o! dat ik hem eerder gekend hadde, ik had liever deze hand afgekapt
+dan dat ik ze hem had toegestoken."
+
+"Gij zijt toch niet verstoord op ons, mijne goede Heeren!" zeide de
+Graaf, op datzelfde oogenblik minzaam tot hen tredende. "Wij hebben
+gehoord, dat er hedenmorgen een uwer in den Hout onaangenaamheden
+heeft gehad. Deze zaak zal onderzocht worden. Reeds hebben wij een
+der aanstokers van dat geschil, een boschwachter, die in onzen eigen
+dienst was, zijn afscheid doen geven."
+
+De Abt boog zich met eerbied. Adeelen maakte een stijve buiging en
+bleef toen strak voor zich kijken.
+
+"Gij hebt zoo straks uwe hand aan den Heer van Treslong gegeven,"
+vervolgde Willem: "zult gij die aan den Graaf weigeren?"
+
+Adeelen stond nog roerloos. Beaumont, die een uitbersting vreesde,
+trad haastig tusschen beiden.
+
+"Het is niet aan den afgevaardigde van Friesland," zeide hij, "het is
+aan Jonker Seerp Van Adeelen, dat Willem van Henegouwen de hand biedt."
+
+"Seerp Van Adeelen heeft vrijwillig de hand aan den heer van Treslong
+gegeven," zeide de weerbarstige Fries: "den Grave komt òf de hulde
+òf den handschoen van Frieslands afgevaardigde toe."
+
+"'t Is genoeg," zeide Willem, die zich, zonder naar deze taal te
+luisteren, reeds had omgewend: _"on ne scauroit faire boire un asne
+s'il n'a soif [20]."_ "Mevrouw de Gravin! zou het uwe goedkeuring
+wegdragen, indien we de paarden lieten opzadelen?"
+
+De Gravin boog zich toestemmend: en het gezelschap, dezen wenk
+verstaande, maakte de noodige toebereidselen om te vertrekken.
+
+"Wat belieft uwe genade, dat met deze kokelers gedaan worde?" vroeg
+Reinout aan den Graaf, terwijl hij op Barbanera wees, die, met behulp
+van zijn makker, den toestel bereids weer had ingepakt.
+
+"Mij dunkt, zij zouden een groot versiersel zijn voor den kastanjeboom
+op het achterplein," zeide Naaldwijk.
+
+"Dat men hen met zweepslagen den Vogelesang afdrijve," zeide Willem
+op een gestrengen toon.
+
+"Mijn edele Heer!" riep de Gravin, hem bij de hand nemende: "zij hebben
+mijn woord in uw bijzijn ontvangen, dat men hun geen leed zou doen."
+
+De Graaf bedacht zich eenige oogenblikken. "Welaan!" zeide hij
+vervolgens: "breng hun een paar gulden: en daarbij onzen stelligen
+wil, dat zij na vier en twintig uren zich niet weder in onze Staten
+vertoonen, op straffe van aan den Rechter te worden overgeleverd,
+als schuldig aan duivelskunstenarijen. Gij hebt ons verstaan,
+Reinout! zorg dat zij het wel begrijpen:--en deel onzen last aan den
+Schout van Haarlem mede, dat hij voor de uitvoering zorge.--En nu,
+mijne Heeren! is het tijd van gaan. Wie ons liefheeft, volge ons."
+
+In weinige oogenblikken was de gansche stoet te paard gezeten en naar
+Haarlem in aantocht. Alleen Reinout en Deodaat bleven een poos achter,
+om den kokeler 's Graven besluit mede te deelen, en volgden toen,
+ofschoon op eenigen afstand, den trein.
+
+Het was eerst nabij het oude Johanniter-klooster, dat zij dien weder in
+'t oog kregen en zagen, dat de Friezen, waarschijnlijk om den Graaf
+eer aan te doen, niet afstapten, maar mede naar Haarlem reden. "Hou
+even op," zeide Reinout: "ik krijg daar een inval."
+
+"Deze of gene zottigheid?" zeide Deodaat.
+
+"Neen, in ernst!--Wij hebben den avond vrij: laat ons dien besteden
+om achter het geheim te geraken, dat mij zoo na aan 't harte ligt."
+
+"Wat zijn uwe voornemens?"
+
+"Volg mij, en gij zult die vernemen," antwoordde Reinout, terwijl
+hij rechtsaf een weg insloeg.
+
+"Gaat gij verre?" vroeg Deodaat: "ik ben vermoeid en verlang hartelijk
+naar mijn bed."
+
+"Niet verder dan de hut van Walger den boschwachter, waar wij onze
+paarden zullen laten," antwoordde Reinout.
+
+"En dan?"
+
+"En dan!--maar gij bezit niet de minste verbeeldingskracht! Dan sluipen
+wij naar het klooster, trachten onze schoone zangster te ontdekken...."
+
+"Beklauteren de muren, rooven haar weg, slaan alles dood, en voeren
+onzen buit naar ons paleis te Verona:--is dat uwe bedoeling niet?"
+
+"Niet volkomen!" antwoordde Reinout, lachende in weerwil van zich
+zelven: "indien wij haar slechts kunnen zien en hooren, dan ben
+ik voldaan."
+
+"Ik beken u van harte, dat ik al zoo lief op mijn bed lag en van daar
+die hemelsche tonen hoorde:--zoo wij eens betrapt worden, terwijl
+wij rondom dat klooster dwalen, zal onze ontdekkingsreis stofs genoeg
+opleveren tot een maand bespotting."
+
+"Welnu! laat mij dan alleen gaan," zeide Reinout, wrevelig: "ik geloof
+inderdaad, dat men alleen beter tot zulk een tocht geschikt is."
+
+"Reinout!" zeide Deodaat, het hoofd langzaam schuddende: "dat heb
+ik niet aan u verdiend!--Gelooft gij, dat ik u verlaten zou, hoe zot
+het avontuur dat gij voorhadt ook wezen mocht?"
+
+"Vergeef mij," zeide Reinout: "heb slechts de goedheid mij niet weer
+te kwellen; gij weet, wanneer ik verliefd ben, versta ik geen boert."
+
+Gedurende deze woordenwisseling waren zij de woning des boschwachters
+genaderd: deze was tegen een klein duintje gelegen, en van den
+zijweg, waarop de vrienden zich bevonden, afgescheiden door een
+scherm elzenhakhout en door twee zware wilde kastanjeboomen, die
+thans in vollen bloei stonden, en tusschen welke het pad lag, dat
+dwars door het hakhout naar den ingang der woning geleidde. De Ridders
+stegen af, en terwijl Reinout de paarden aan den boomstam bond, begaf
+zich Deodaat naar de hut, om den boschwachter of iemand der zijnen
+te roepen, ten einde bij de paarden te blijven en die te bewaken,
+zoolang zij op hunne ontdekkingsreis uit waren.
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ O hemel! ja! dus was haar spraak, haar tred, haar wezen:
+ Zij is het.
+
+ Alzire.
+
+
+Daar de deur half aanstond, behoefde Deodaat zijn komst door geen
+geklop aan te kondigen, maar trad onverhinderd binnen. Het verblijf
+van Walger bestond uit een vrij ruim vertrek, waarvan een derde was
+ingenomen of overdekt door den wijd vooruitstekenden schoorsteenmantel,
+binnen welks omvang een paar zijden spek, eenige gevilde en ruige
+konijnen en een menigte netten en vischwant hingen te drogen. Een
+tafel van ruw hout, die nabij het venster stond, een paar zitbankjes
+en jachtgereedschappen van allerlei vorm en gebruik, maakten de eenige
+meubelen uit, waarmede overigens dit verblijf was voorzien.
+
+De zon was sedert een geruimen tijd ondergegaan, en de schaduw, welke
+de breede kruinen der beide kastanjeboomen om zich neerwierpen, had
+over al de voorwerpen, die zich in de stulp bevonden, een duisternis
+verspreid, waaraan de oogen van hen die zich binnen bevonden, reeds
+gewend waren, maar welke Deodaat, die van buiten kwam, belette, den
+vorm of de kleur van eenig ding duidelijk te onderscheiden. Alleen
+de smeulende gloed van een paar kluiten afgestoken derrie, die op den
+haard lagen, wierp een flauwen schemerschijn om zich heen, en deed al
+de voorwerpen op eene nog ongewisser en fantastischer wijze uitkomen.
+
+Het eerste, wat onze Ridder bij het inkomen bespeurde, was eene aan de
+tafel zittende gedaante, welke hij voor de vrouw des boschwachters
+hield, en die een pak, dat naar een kind geleek, op den schoot
+had. Zonder verder rond te zien naderde hij dit vrouwelijk wezen:
+
+"Vrouwtje!" zeide hij: "kunt gij of uw man even buiten komen om onze
+paarden vast te houden?"
+
+De gedaante hief het hoofd op met een half versmoorden kreet van schrik
+(want zij had de komst van Deodaat niet opgemerkt); doch antwoordde,
+zich terstond herstellende: "ik ben de vrouw van den boschwachter niet;
+maar 't zal nu moeilijk schikken u te helpen."
+
+De stem was zoo zoet en welluidend, en deed zich in zulk een zachten
+tongval hooren, dat Deodaat een oogenblik verlegen en opgetogen van
+verwondering bleef staan: "Vergeef mij," zeide hij vervolgens: "ik
+heb, geloof ik, een dommen streek begaan; maar de duisternis belet mij
+te zien tot wie ik spreek, en welk een titel ik moet geven aan haar,
+die mij de eer aandoet van mij te antwoorden."
+
+"Aha! zijt gij het?" vroeg een ander lief stemmetje, 't welk aan een
+jong meisje toebehoorde, dat van achter de schouwe uit een donkeren
+hoek kwam opdagen.
+
+"Mijn mooi Friezinnetje van hedenmorgen!" riep Deodaat vroolijk uit,
+die Sytsken herkende aan haar uitspraak zoowel als aan haar kleine
+gestalte en vluggen lichaamszwaai.
+
+"Wacht!" hernam Sytsken: "ik zal licht opsteken; want de kat alleen
+kan in deze duisternis zien. Vrouw! waar bewaart gij de lamp?"
+
+"Achter, op den schoorsteenrand," antwoordde, uit de in den donkeren
+hoek aanwezige bedstede, een flauwe stem, welke Deodaat voor die van
+des boschwachters huisvrouw herkende.
+
+Het kleine Friezinnetje klom op een bank en kreeg niet zonder moeite
+de lamp van hare plaats, waarna zij gehurkt bij het vuur ging zitten om
+licht te verschaffen; maar vruchteloos bracht zij het eene aangestokene
+strootje voor en het andere na bij de pit: het vlammetje was uit eer
+de olie vuur vatte.
+
+"Ik zal zien of ik u helpen kan," zeide Deodaat, toen het meisje
+over haar mislukte pogingen onverduldig werd: "de tocht door dien
+schoorsteen blaast de vlam uit:" en zich op de eene knie naast haar
+nederlatende, dekte hij het aangestoken vlammetje met zijn toppermuts
+tegen de lucht, die van boven kwam, waardoor een herhaalde poging
+gelukkiger slaagde.
+
+Het licht werd nu op de tafel geplaatst; maar, was de verbazing van
+Deodaat groot geweest, toen hij de liefelijke stem der onbekende
+gehoord had, hij stond nu als opgetogen, toen hij haar, die zoo
+bevallig gesproken had, mocht aanschouwen.
+
+Voor zooveel men, nu zij gezeten was, haar gestalte kon beoordeelen,
+was zij rijzig van postuur; doch haar fijne leest was gewikkeld in
+een zwarten zijden mantel, die niets liet bespeuren dan de bevallige
+ronding van een leliewitten arm, die, tegen de toen algemeen
+heerschende mode, tot boven den elleboog bloot, en om het lijf van
+een ziekelijk kind, dat op haar schoot zat, geslagen was. De kap van
+den mantel bedekte het hoofd, en was onder de kin vastgestrikt, doch
+liet echter vrijheid om de edelste en tevens innemendste wezenstrekken
+te beschouwen, welke immer in het hart eens jongelings liefde verwekt
+hebben. De strenge regelmaat des beloops van neus en voorhoofd, welke
+aan het profil der Grieksche Juno herinnerden, was getemperd door
+den zachten, minzamen opslag van twee groote, helder hemelsblauwe
+oogen, overwelfd door gitzwarte wenkbrauwen, zoo zuiver van omtrek,
+als waren zij door een penseel gevormd, en door de kuiltjes, welke in
+de van gezondheid schitterende wangen en in de ronde kin als tot een
+schuilplaats voor de bevalligheden gevormd waren. Een klein vlekje ter
+zijde der bovenlip, in stede van het gelaat te ontsieren, stak geestig
+af tegen de blanke tinten van het fijne, met blauwe adertjes gemarmerde
+vel, en verhoogde de levendigheid van uitdrukking der wezenstrekken,
+vooral wanneer zij zich tot een lachje saamtrokken, en de half geopende
+rozemond de dubbele rij der hagelwitte tandjes ontdekken liet.
+
+"Bij mijn ziel!" dacht Deodaat: "Reinout heeft een heerlijken
+inval gehad: en ik gun hem zijne zangeres, zoo ik dezen lieven
+engel op mijn gemak mag blijven beschouwen.--Waarlijk, bevallige
+Jonkvrouw!" vervolgde hij, overluid: "ik dacht weinig, dat de
+nederige stulp van Walger met zulke bezoeken vereerd werd. Zij
+strekte menigmalen tot een verzamelplaats voor de jagers; maar zij
+zou nimmer ledig zijn, indien men altijd zeker ware, er zulke gasten
+aan te treffen."
+
+Nauwelijks had hij dezen volzin geëindigd, of hij werd knorrig op zich
+zelf en vond de geüite plichtpleging laf, ontijdig en ongepast. Het
+antwoord der schoone versterkte hem in deze opvatting.
+
+"Ik geloof niet," zeide zij, op een vriendelijken, maar gevoelvollen
+toon, "dat de jagers, waar gij van spreekt, veel genoegen zouden
+vinden in een zoo droevig schouwspel als hetgeen deze plaats thans
+verschaft," en zij wees den Ridder naar de bedstede, waar hij nu
+eindelijk een geestelijke ontdekte, oogenschijnlijk gereed de plichten
+van zijn heilig ambt waar te nemen bij een vrouw, welke op het leger
+lag uitgestrekt.
+
+"Is de vrouw van Walger ziek?" vroeg Deodaat.
+
+"Er is een ongeval gebeurd," antwoordde de onbekende: "zij heeft een
+wond aan het hoofd bekomen."
+
+"Ja freule!" voegde Sytsken er bij: "zoo gij dat een ongeval
+noemt.... alsof het niet de schuld van dien boozen boschwachter ware:
+dat het een rechte smijtersbaas is, heb ik van morgen al opgemerkt."
+
+"Ik heb al meer bespeurd," zeide Deodaat, het hoofd schuddende,
+"dat Walger de beste man niet was. Wel Elske!" vervolgde hij, naar
+de bedstede gaande: "hoe staat het er mede?"
+
+"Ik hoop dat het schikken zal, Ridder!" antwoordde Elske, moeite
+doende om met het hoofd te knikken: "hadden deze brave menschen mij
+niet geholpen, ik ware er om koud geweest."
+
+"Stil!" zeide de geestelijke, die onbeweeglijk naast de bedstede
+zittende, haar polsslag gadesloeg: "gij moet zoo min mogelijk spreken."
+
+"_Corpo di Bacco_!" klonk op eens de stem van Reinout, die met vrij
+wat gedruis binnentrad: "moet ik tot morgen bij de paarden blijven?"
+
+"Bedaar wat," zeide Deodaat: "hier is een zieke."
+
+"En gezonden ook, naar ik merk," hernam zijn vriend, rondziende: "'t
+verwondert mij niet, dat gij mij in zulk gezelschap vergeet. Zult gij
+mij het genoegen doen, mij aan deze jonkvrouwen voor te stellen? want
+zeker hebt gij reeds kennis gemaakt.--_Madre di Dio_! deze hier heb
+ik meer gezien." Dit zeggende pakte hij Sytsken bij den arm, die zich
+haastig losrukte.
+
+"Jongeling!" zeide vader Syard, (want deze was de monnik, die naast net
+ziekbed zat) oprijzende, en met een streng gelaat naar hem toetredende:
+"bewaar uw loszinnigheid voor het hof van Graaf Willem: daar mag zij
+misschien behagen! hier is zij ongepast."
+
+"Vergeef mij, Pater!" zeide Reinout, zonder zijn spotachtigen toon te
+laten varen: "ik had u niet gezien: en ik wist niet, dat deze schoonen
+zoo gelukkig waren u tot haar beschermheer te hebben;.... maar zoo
+ik mij wel bezin," voegde hij er bij, op eens van toon veranderende:
+"draagt gij niet het ordekleed van Sint-Benedictus?"
+
+De monnik knikte toestemmend.
+
+"En dit meisje was het, dat hedenmorgen onze hulp voor Seerp Van
+Adeelen inriep?"
+
+"Dat was ik," zeide Sytsken: "en nogmaals dank voor uw bijstand."
+
+"En deze daar," vervolgde Reinout, met klimmende belangstelling,
+terwijl hij de onbekende met opgetogen verbazing beschouwde: "behoort
+ze ook bij u?"
+
+"Wij zijn de Jonkvrouw hier gevolgd," antwoordde vader Syard.
+
+"Ik ben een zot, een ezel!" riep Reinout, zich voor het hoofd slaande,
+"vergeef mij, schoone Freule, zoo ik eene, eene enkele uitdrukking
+gebezigd heb, die uw toorn verwekken kon."
+
+"Er was geen opzet tot beleediging," zeide de onbekende op een
+vriendelijken toon: "hoe zou ik dan toornig zijn."
+
+"'t Is hare stem, bij alle Heiligen!" zeide Reinout: "en gij liet
+mij buiten staan, Deodaat!"
+
+"Ik zou u juist zijn gaan roepen," zeide Deodaat.
+
+"Maar, wat zegt gij toch?" zeide de Jonkvrouw, die niets van den
+uitroep van Reinout begreep, terwijl zij eerst dezen, en vervolgens
+de overigen verlegen aanzag.
+
+"Waarlijk ja," zeide Deodaat halfluid tegen zijn vriend: "nu meen ik
+ook de stem te herkennen."
+
+"Meenen!--Zoo gij het minste gevoel in uw ziel bezat, zoudt gij er
+zeker van zijn zoowel als ik," hernam Reinout opgetogen.
+
+"Ik geloof, dat die Heeren gek zijn," zeide de onbekende tegen Sytsken,
+terwijl zij opstond en haar het kind overhandigde: "zij hebben mij
+nooit hooren spreken."
+
+"Neen, maar wel zingen," zeide Reinout: "en de ooren, die eens de
+melodie uwer stem dronken, zullen haar nimmer meer met een andere
+verwarren."
+
+"Hoe!" zeide de Jonkvrouw, sterk blozende: "gij hebt...."
+
+"Vergeef ons, edele Freule!" zeide Deodaat: "wij zijn onbescheiden
+geweest. Dezen achternoen bevonden wij ons toevallig in den hof van
+het oude Sint-Jans-klooster.... en het was vergeeflijk, dat wij niet
+vertrokken, voordat de hemelsche muziek geëindigd was, die ons daar
+mocht boeien."
+
+"Ik dacht niet dat iemand mij hoorde buiten Sytsken," hernam de
+onbekende: "had ik geweten, dat zulke kenners, die beter zang gewend
+zijn, naar mij luisterden, ik had wel gezwegen: doch kom! ik verpraat
+mijn tijd.... en die arme vrouw ligt ondertusschen te steunen. Hoe
+gaat het nu, vrouwtje?"
+
+Dit zeggende, plaatste zij zich naast het bed.
+
+"En dat meisje, dat niet terugkomt," zeide Sytsken: "en de Olderman en
+Seerp Van Adeelen, die misschien al ongerust zijn over uw uitblijven.
+
+"Dat zal zich wel schikken," hernam de Jonkvrouw: "lang mij even dat
+kommetje aan: ik moet het linnen nog eens betten."
+
+Sytsken leide het kind op het bed, en hield een kommetje met azijn en
+water voor hare schoone meesteres, terwijl deze met den linkerarm het
+hoofd der lijderes ondersteunde en met de rechterhand het verband
+der wond bevochtigde. Deodaat nam dadelijk deze gelegenheid waar
+om nuttig te zijn: en de lamp van de tafel nemende, hield hij het
+licht bij. In dien tusschentijd verzocht Reinout den monnik, hem
+te willen verhalen, wat er voorgevallen was, en bood zijn hulp aan,
+voor zooverre hij van eenigen dienst kon wezen.
+
+"Het is ongeveer twee uren geleden," zeide vader Syard, "dat een
+klein meisje, naar ik meen het dochtertje van deze vrouw, aan ons
+verblijf kwam aankloppen en schreiende aan den dienaar, die haar
+inliet, verhaalde, dat haar vader hare moeder doodgeslagen had."
+
+"Dat is niets nieuws," merkte Reinout aan: "dat doet Walger alle
+maanden eens; maar ga voort, Pater."
+
+"De twist scheen daaruit ontstaan te zijn, dat er in de afwezigheid
+des mans iemand vanwege den Graaf is gekomen met de boodschap, dat
+men zijne diensten als boschwachter niet meer noodig had, uithoofde
+hij zich hedenmorgen in den twist met Seerp Van Adeelen gemengd had."
+
+"Inderdaad, nu herinner ik mij, iets van zulk een bevel gehoord
+te hebben."
+
+"De man, die wel beschonken te huis kwam, geraakte op het hooren dezer
+tijding en van de verwijtingen zijner vrouw bij die gelegenheid zoo
+in toorn, dat hij haar met het hoofd tegen de steenen smeet:--wanende
+dat zij dood was, nam hij de vlucht."
+
+"Laat hij wegblijven: een schurk minder in de buurt."
+
+"Men kwam mij dit alles boodschappen, terwijl de afgevaardigden, als
+u bewust is, afwezig waren. Ik bevond mij juist bij de Jonkvrouw,
+die terstond begeerde het meisje te zien. Na het ongeval uit haar
+mond vernomen te hebben, besloten wij het kind te volgen, in de hoop,
+dat zoowel geneeskundige als geestelijke hulp nog tijdig genoeg mocht
+komen. Wij vonden de vrouw nog altijd bezwijmd, en een kleiner kind
+kermende op het bed. Met Gods hulp brachten wij haar weder tot haar
+zelve en de Jonkvrouw verbond de kwetsuur, welke ik mij vlei, dat
+weldra genezen zal, zoo er geene koorts of ontsteking bij komt."
+
+"Men beweert," zeide Deodaat, die mede aandachtig had toegeluisterd,
+"dat hoofdwonden in dit land nogal niet gevaarlijk zijn."
+
+"Dit schijnt de ondervinding te bevestigen," zeide de monnik.
+
+"Er zijn wonden, die even snel geslagen worden en wier genezing
+onmogelijk is," zeide Reinout, de Friesche Jonkvrouw met een
+smachtenden blik aanziende. Zij sloeg echter geen acht op zijn
+ontijdige liefdesverklaring, daar zij bezig was, het verband, dat
+losgeraakt was, weer vast te hechten.
+
+"Kunt gij ook iets nader bijlichten?" zeide zij: "het springt gedurig
+los.... 't gaat alweer niet," hervatte zij, een weinig ongeduldig.
+
+"Met uw verlof," zeide Deodaat; "zoo ik even helpen mag--ik geloof
+dat ik zie waar het aan hapert."
+
+"Gij!" zeide de Jonkvrouw, hem eenigszins verwonderd aanziende:
+"welnu!" vervolgde zij glimlachende: "wijs mij eens te recht."
+
+"Zie," zeide Deodaat, de lamp aan Reinout ter hand stellende, die
+bij zich zelven vloekte: "indien gij het linnen hier dubbel vouwt
+en er dit end doorhaalt, en voorts kruiselings over het hoofd slaat,
+kan het verband onmogelijk losgaan."
+
+Terwijl hij aldus sprak, voegde hij de aanwijzing bij het voorschrift
+en geleidde de blanke en poezele handjes der schoone over het hoofd
+van des boschwachters vrouw, niet zonder een zoete en zalige trilling
+te gevoelen, welke die aanraking in geheel zijn wezen teweegbracht.
+
+"Gij hebt gelijk," zeide de Friezin, toen zij naar eisch geslaagd was:
+"en ik dank u voor de hulp."
+
+"Wie had het ooit gedacht?" voegde Sytsken er bij: "dat een Jonker
+beter een verband zou leggen dan Freule Madzy, die ik niet dacht dat
+haars gelijke had."
+
+"De oorlog maakt ons deze kennis vaak noodzakelijk," zeide Deodaat:
+"maar nooit heb ik haar met zooveel genoegen in het werk gesteld
+als nu."
+
+Op ditzelfde oogenblik ging de stulpdeur open, en Marretje, des
+boschwachters dochter, die, nadat haar moeder weer was bijgekomen,
+door deze was uitgezonden om een buurvrouw te halen, ten einde bij de
+zieke te waken, kwam springende en in de handen klappende terug, de
+oude boerin bij de hand geleidende, welke de taak van oppasster zoude
+waarnemen.--"Goed nieuws!" zeide zij: "ik breng een meester mede,
+die moeder wel terstond genezen zal."--Hier zweeg zij plotseling,
+onthutst op het zien der beide Ridders.
+
+"En wie is de kunstenaar, die dat wonder doen zal?" vroeg Reinout,
+zich omkeerende: "ei zoo! is het die schurk?"
+
+Het was inderdaad meester Barbanera, die de hut binnentrad, en een
+diepe buiging voor het aanwezig gezelschap maakte.
+
+"Zijt gij het, ongeluksvogel?" vroeg Deodaat: "gelooft gij, dat een
+der onderzaten van Graaf Willem nog met uwe hulp gediend zal wezen
+na al de ellenden, die gij hem en zijn huis voorspeld hebt? Verbeeld
+u, _Pater_!" vervolgde hij tot den monnik: "dat deze kwakzalver de
+stoutheid heeft gehad, hedenavond, ter belooning der gunst, waarmede
+hij op den Vogelesang ontvangen was, niets dan rampen aan onzen Vorst
+en het daar tegenwoordig gezelschap te voorspellen."
+
+Meester Barbanera haalde de schouders op en hief de oogen opwaarts,
+als wilde hij te kennen geven, dat men alleen het gestarnte en niet
+hem beschuldigen moest. Vervolgens begaf hij zich naar de bedstede en
+wilde de hand der lijderes nemen om haar pols te voelen, toen Reinout
+hem bij den kraag vatte en terugtrok.
+
+"Waag het niet haar aan te raken," zeide hij op een gramstorigen toon,
+"zoo gij niet begeert dat wij terstond den eersten last des Graven
+ten uitvoer brengen en u tot een aas der kraaien maken."
+
+"Gij zoudt kwalijk doen," fluisterde de kwakzalver hem in 't
+Italiaansch toe: "gij zoudt daardoor den eenigen man wegruimen,
+die het geheim uwer geboorte kent."
+
+"Gij!" herhaalde Reinout, in dezelfde taal, terwijl hij de armen
+vallen liet. "Welnu," vervolgde hij, hem in een hoek van het vertrek
+voerende, "morgen te acht uren wacht ik u hier weder. Den brenger
+van echte tijdingen zal ik rijkelijk beloonen; maar den bedrieger
+ernstig straffen: wees daarvan zeker."
+
+"Ik zal komen," zeide de kwakzalver; "doch onder één beding; gij zegt
+niets van dit aan uw makker: en gij komt alleen."
+
+De monnik en Deodaat, bezig met de zieke zijnde, hadden niets van
+dat gesprek vernomen: "Mij dunkt," zeide de eerstgemelde, "dat het
+alleen aan de lijderes staat om te beslissen, of zij van de hulp des
+vreemdelings al of niet gebruik wil maken."
+
+"Ik gevoel mij beter," zeide Elske: "en ik hoop dat het zonder
+medicijnen wel zal schikken; als buurvrouw Machteld bij mij blijft
+van nacht; want ik ben doodsbang alleen."
+
+"In dat geval kunnen wij terugkeeren," zeide vader Syard tegen zijn
+twee gezellinnen; "het voegt ons niet, de Heeren aan 't klooster
+langer in ongerustheid te laten."
+
+"Gij zult ons vergunnen u veilig naar huis te geleiden," zeide Reinout:
+"het is avond en in de duisternis zoudt gij kunnen verdwalen."
+
+De monnik nam dit aanbod met een stijve hoofdbuiging aan: Madzy hoorde
+het niet, of deed althans of zij het niet hoorde en nam afscheid van de
+gewonde, haar belovende, den volgenden dag naar haar te komen zien:
+de kwakzalver werd op een zachte wijze de deur uitgeschoven en het
+gezelschap verliet de hut, Elske aan de zorg van buurvrouw Machteld
+overlatende.
+
+Het was nu volkomen nacht geworden, en daar de maan nog niet was
+opgekomen, donker genoeg: zoodat er reeds eenige behoedzaamheid
+noodig was om den rijweg te bereiken langs het smalle paadje door het
+kreupelhout, waarop Reinout de anderen voorging, die hem één voor één
+volgden. Op den rijweg gekomen, begon men min of meer de vormen der
+dingen te kunnen onderscheiden en Reinout, den kastanjeboom naderende,
+greep naar den toom van hetgeen hij voor zijn paard hield.
+
+"Dat is mijn paard niet," zeide hij: "is het uw vos, Deodaat?"
+
+Dit zeggende liet hij den toom in de hand zijns vriends glijden
+en sloeg zijn arm om den nek van een ander viervoetig dier; dan op
+hetzelfde oogenblik gaven beiden een kreet van verbazing.
+
+"Wilt gij mij dit paard uit de openbaring voor mijn vos
+verkoopen?" vroeg Deodaat, de hand strijkende over de uitstekende
+bouten en knoken van het dier, dat hij vasthield.
+
+"Hier heeft tooverij plaats, bij alle duivels!" vloekte Reinout,
+die, in de plaats van het spiegelgladde vel van zijn zwarten hengst,
+de stekelharige vacht van een ezel voelde.
+
+"Wat is u toch overkomen?" vroegen vader Syard en de beide meisjes,
+als uit eenen mond.
+
+"Hier priester! eene bezwering!--het is de booze zelf, die mij in
+'t aangezicht vaart," brulde Reinout, wien een zwart dier, dat zich
+van des ezels rug scheen los te maken, in 't aangezicht was gevlogen.
+
+"Cezar! hier!" riep plotseling de stem van den hansworst, die naast de
+beide dieren, welke hij bewaken moest, zat te dutten, en nu eensklaps
+opsprong.
+
+"'t Zijn de beesten van den kwakzalver, die wij voor de onzen
+aanzagen," zeide Deodaat, in gelach uitberstende.
+
+"Schurk!" riep Reinout, den hansworst in den hals knijpende, "wat belet
+mij u op de plaats te doorsteken?" en meteen hief hij zijn dolk op.
+
+"Foei Reinout, schaam u!" zeide Deodaat, hem terughoudende: "een aap
+en een nar, zijn dat gepaste kampvechters voor u?"
+
+"Gij hebt fraai spreken," hernam Reinout, zijn dolk weder opstekende,
+"uw gezicht is niet gelijk het mijne, open gekrabd door dat satansche
+beest."
+
+Meester Barbanera, die tot nog toe vol angst in het pad teruggeweken
+was, kwam bij dit gezegde voor den dag met een zalfpot, dien hij
+Reinout aanbood, en welken deze terstond over den kastanjeboom heen
+deed vliegen, zeggende:
+
+"Loop naar den duivel met uw gesnor.--Waar zijn onze paarden?"
+
+"Dat is waar ook," zeide Deodaat: "met al die gekheid zijn onze
+paarden nog zoek."
+
+"Ik heb hier bij onze komst niets gezien dat naar een paard geleek,"
+zeide de nar.
+
+"Gij hebt ze gestolen, ellendeling!" zeide Reinout: "beken waar zij
+gebleven zijn, of dit oogenblik is het laatste uws levens."
+
+"Bij Sint-Momus!" zeide de hansworst, terwijl hij trillende van angst
+op de knieën viel: "ik zweer u, mijne goede Heeren, dat zoo hier
+paarden gestaan hebben, de kaboutermannetjes ze hebben weggehaald,
+of dat zij op de lucht van meester Cezar gevlucht zijn; want ik heb
+ze niet gezien en de kokeler kan getuigen...."
+
+"Een fraaie getuige!" zeide Reinout, den armen Barbanera aanziende,
+die trillende en met gevouwen handen tegen den boom stond geleund:
+"gehangen zult gij worden, paardendieven!"
+
+"Mij dunkt," zeide Deodaat tegen den kokeler: "gij, die een waarzegger
+zijt, moest ons kunnen vertellen waar zich onze rossen bevinden!"
+
+"'t Is wel een oogenblik van gekscheren," bromde Reinout: "zij mogen
+zweren wat zij willen, ik zweer hun dat zij er niet heelhuids afkomen,
+zoo zij de waarheid langer durven verzwijgen."
+
+Hier deed de zachte stem van Madzy zich hooren: "Mijne goede
+Heeren!" zeide zij: "deze lieden zijn mogelijk onschuldig. Indien zij
+uwe paarden gestolen hadden, zouden zij er dan niet mede weggevlucht
+zijn?"
+
+De juistheid dezer aanmerking en meer nog de uitwerking van Madzy's
+bevallig stemgeluid deed de gramschap van Reinout bedaren, die
+eenigszms verlegen terugtrad. "De Jonkvrouw heeft gelijk," zeide
+Deodaat: "en wij moesten ons schamen, haar te laten wachten tot wij
+onze beesten terughebben. Veroorloof mij, Freule! u den weg te wijzen."
+
+"Gij zijt te goed!" antwoordde Madzy: "zoek eerst de verlorene schapen
+weer op: wij zullen den weg wel vinden.... maar wacht eens!" hier
+wendde zij zich tot de buurvrouw, die met Elskes dochtertje op het
+gerucht was komen aanloopen: "zijn deze vrouwen en dit meisje niet
+met den meester gekomen."
+
+"Zeer juist!" merkte de monnik aan: "vrouwtje!" vervolgde hij tot
+Machteld: "waar hebt gij dien wonderdokter en zijn maat ontmoet?"
+
+"Zij zijn ons op den grooten weg achterop gekomen," was het antwoord.
+
+"Net zoo," zeide de nar: "wij kwamen van den Vogelesang."
+
+"Zwijg!" zeide vader Syard: "het wordt u niet gevraagd," en, zijn
+onderzoek voortzettende: "zijt gij met hen tot hier gekomen?"
+
+"Dat bennen wij."
+
+"Waren er twee paarden aan dezen boom gebonden?"
+
+"Ik heb geen biest gezien? jij al, Marretje?"
+
+"Niets dat naar een paard leek," zeide deze.
+
+"Dan moeten zij vroeger gestolen zijn," zeide Reinout: "want ik had
+ze aan denzelfden boom gebonden, waar nu deze ongelukken van beesten
+aan zijn vastgemaakt."
+
+"Gij kunt er nog de hoeven van bespeuren," zeide Deodaat,
+"niettegenstaande de duisternis: kom! dat zijn twee zorgen minder
+op stal. Het spijt mij;.... maar men moet zich de wereldsche zaken
+kunnen getroosten."
+
+"Ik heb een erger verlies ondergaan, sedert ik u gezien heb," zeide
+Reinout, zich bij Madzy voegende.
+
+"Waarlijk?" zeide deze:--"gij moet wel achteloos zijn, om zoo alles
+te verliezen."
+
+"Kom! genoeg gedraald," zeide Deodaat: "trek in vrede af, meester
+Barbanera! maar wacht u, hier langer in de buurt te vertoeven.--En
+wij, gaan wij: de Heer van Aylva zal ongerust zijn: en wie zou het
+niet wezen, wanneer hij bij zijne tehuiskomst zulk een beminnelijke
+dochter mist."
+
+"Ik ben de dochter van den Heer van Aylva niet," zeide Madzy, terwijl
+allen zich op weg begaven: "hij is mijn voogd."
+
+De zoo natuurlijke bescheidenheid, welke ieder jongeling vervult
+in de tegenwoordigheid van een meisje, dat bij hem een ontkiemend
+gevoel van liefde verwekt, belette Deodaat verder te vragen. Ook
+Reinout gevoelde een verlegenheid, welke hij nimmer bespeurd had: het
+eenvoudig onschuldige van Madzy boezemde hem een eerbied in, welke
+geen vrouw ter wereld ooit bij hem had doen ontstaan. Men wandelde
+dus een poos in stilte voorwaarts, zonder dat er een woord gewisseld
+werd. Eindelijk brak vader Syard het zwijgen, ten einde de Ridders over
+de voorzeggingen van meester Barbanera te ondervragen. Zij voldeden
+aan zijne nieuwsgierigheid: Madzy mengde zich weldra in het onderhoud,
+en men begon over en weder van vervulde en nog te vervullene profetieën
+te gewagen.
+
+"Men heeft bij u te lande ook nogal vrij wat op met waarzeggingen,"
+zeide Reinout tegen Madzy: "ten minste, dit is mij wel verhaald."
+
+"Dat geloof ik!" zeide Madzy, "er wordt bij ons geene stins gebouwd,
+geen dam gelegd, geen kind geboren, of er is de een of andere monnik,
+die er het toekomstige lot van voorspelt."
+
+"Ik herinner mij," zeide Deodaat peinzende, "dat ik eens bij toeval
+zulk een Friesche voorspelling gehoord heb. Ik ben die meerendeels
+vergeten: een paar regels zijn mij lang bijgebleven: laat zien,"
+vervolgde hij, zich het hoofd krabbende, "of ik mij die nog kan
+herinneren:
+
+
+ As Dekama sine rose forliest,
+ In dy for Frieslän dat seawetter kiest....
+
+
+verder weet ik er niet van."
+
+"Voorzichtig wat!" zeide Madzy, glimlachende: "het is goed, dat gij
+het niet verder kent: ik ben een Dekama."
+
+"Gij zult dan misschien het einde van het rijmpje wel weten,"
+zeide Deodaat.
+
+"Ik had liever gehad, dat gij mij dat rijmpje niet herinnerd hadt,"
+zeide Madzy, op eenmaal ernstig wordende: "het is misschien dwaas
+van mij, maar het doet altijd pijnlijke gedachten bij mij ontstaan...."
+
+"O vergeef mij, Freule!" zeide Deodaat, "maar ik betuig u, het was
+geheel zonder opzet, dat ik het aanhaalde:--uw naam was mij onbekend;
+en ik stierf liever dan dat ik u het minste leed veroorzaakte."
+
+Hier zweeg hij en liet Reinout spreken, die, naijverig op zijn vriend,
+tusschen beiden trad en het gesprek bracht op het gezang, dat Madzy
+hun dien achternamiddag had doen hooren. Zij antwoordde zedig en
+bescheiden: het onderhoud hield aan en werd nu zelfs vroolijk en
+levendig, zoodat de wandelaars, reeds voordat zij het bemerkt hadden,
+aan de poort van het voormalige klooster stonden. Hier hadden zij
+nauwelijks aangeklopt, of de deur werd opengeslagen en zij zagen Aylva,
+Adeelen en een aantal dienaars met flambouwen, gereed om uit te gaan
+ten einde de afwezigen te zoeken.
+
+"Daar zijn zij!" riep Aylva verheugd uit: "Madzy! Madzy! is het wèl
+van u, uwe vrienden zoo in ongerustheid te laten?"
+
+"Ik neem de schuld geheel op mij," zeide vader Syard: "maar ik kon
+aan de Jonkvrouw niet weigeren haar een plicht van liefdadigheid te
+helpen verrichten. Er is hier kortbij een vrouw gekwetst en...."
+
+"Ik hoop dat gij de kruik met olie van Sint-Janskruid [21] hebt
+medegenomen, welke op mijne kamer staat," zeide de Abt, die op het
+gerucht was komen aanschommelen en van wonden hoorde spreken.
+
+"En gij ook weer hier, mijne Heeren!" zeide Aylva, eenigszins
+verwonderd, de beide Ridders te herkennen: "welk een gelukkig toeval
+verschaft ons opnieuw de eer van uw bezoek?"
+
+"Deze Heeren zijn zoo goed geweest ons den weg te wijzen," antwoordde
+vader Syard voor hen,--"maar zij hebben er ongelukkiglijk hun paarden
+bij ingeschoten."
+
+"Inderdaad!" zeide Aylva, deze mededeeling slechts half begrijpende:
+"maar gij zult ons dat beter binnenshuis verhalen. Wat u betreft,
+mijn kind!" vervolgde hij, Madzy op het voorhoofd kussende: "ik
+ben recht verheugd u weer te zien:--gij keert nu naar uwe kamer,
+nietwaar? en dan, vaarwel tot morgen."
+
+"God zegene u, mijn waarde voogd!" zeide Madzy: "en u, mijne
+vaders!--mijne Heeren! ik wensch u wel thuis, en grooten dank voor
+uw geleide--Seerp Van Adeelen! slaap wel: het spijt mij, dat ik u de
+moeite gegeven heb, nog zoo laat u te wapenen."
+
+Zij glimlachte bij het uitspreken dezer laatste woorden en wierp een
+spotachtigen blik op Adeelen, die in 't borstkuras en met uitgetogen
+zwaard voor haar stond.
+
+"Indien ik geweten had," zeide hij, een trotschen blik op de beide
+Ridders werpende, "dat gij zulke geleiders tot uw dienst hadt, zou
+ik mij die moeite voorzeker gespaard hebben."
+
+"Nu, word niet boos, Seerp!" hernam zij: "ik ben de eenige niet,
+die vandaag later, dan wel behoorde, te huis gekomen ben."
+
+"Zij heeft gelijk, Adeelen!" zeide Aylva, "en gij hadt er erger kunnen
+afkomen dan zij.--En gij, edele Ridders! aan wie wij een dubbele
+verplichting hebben, zult gij ons het genoegen niet doen van bij ons
+uit te rusten?"
+
+"Wij danken u," antwoordde Deodaat, na Reinout zijdelings te hebben
+aangezien: "het is reeds laat en wij moeten naar huis wandelen."
+
+"Is het anders niet," hernam Avlva, "wij hebben hier paarden genoeg
+om u te brengen waar gij zijn wilt."
+
+"Wij zijn u ten hoogste verplicht," zeide Reinout, wien het gezelschap
+der Friezen niets aanlokkelijks bood, nu Madzy zich verwijderd had:
+"maar ons bijzijn hier ware wellicht ieder niet even aangenaam: (hier
+gaf hij Adeelen zijn trotschen blik terug) en wij willen u den avond
+voor het plechtig gehoor niet hinderlijk wezen. Ontvangt onzen groet."
+
+Bij het uitspreken dezer woorden boog hij zich, en ging met Deodaat
+de poort uit.
+
+Stilzwijgend en peinzend wandelden de beide jongelingen den heirweg
+langs naar Haarlem, en voor de eerste maal was het, dat zij elkanderen
+de geheime gedachten, die hen vervulden, schroomden mede te deelen. Wat
+Reinout betrof, hij was jaloersch op zijn vriend. Hij meende bespeurd
+te hebben, dat Madzy dezen meer gunst en vertrouwen betoond had dan
+aan hem: hij betichtte zelfs Deodaat zich op een listige wijze bij
+haar ingedrongen en hem de mogelijkheid ontnomen te hebben van zich
+nuttig en aangenaam te maken. "Waarom," dacht hij, "moest ik zoolang
+buiten staan zonder geroepen te worden? Ik had wel tot morgen kunnen
+wachten, indien ik niet van zelf gekomen ware. Maar mijnheer begreep
+de kans schooner te hebben in mijne afwezigheid:--en wat behoefde
+hij de lamp te houden en de wond te verbinden en zich gedienstig te
+toonen, anders dan om mij een vlieg af te vangen? Vervloekt zij het
+zotte denkbeeld, dat ik had, van hem mede te nemen."
+
+"Reinout had liever alleen moeten gaan," dacht daarentegen Deodaat:
+"want zoo hij werkelijk op die Friezin verliefd is, vrees ik dat
+het mij te veel moeite zal kosten, hem in zijn liefde te helpen. Ik
+gevoel, dat zij een indruk op mij gemaakt heeft, die nooit bij mij
+door eene vrouw werd verwekt: en zoo ik haar vaak moest zien, zou ik
+tot de droeve noodzakelijkheid komen van tusschen haar en mijn vriend
+te moeten kiezen."
+
+Eindelijk echter kon zijn edelmoedige ziel het denkbeeld niet langer
+verduren van eenige achterhoudendheid jegens zijn wapenbroeder te
+voeden: "Reinout!" zeide hij: "denkt gij morgen weer naar de hut van
+Walger te gaan?"
+
+Deze vraag, hoe eenvoudig ook, was zoozeer in overeenstemming met de
+gedachten, welke Reinout op die oogenblikken bezig hielden, dat zij
+hem een trilling door het geheele lichaam verwekte.
+
+"Ik weet het niet," antwoordde hij, zoo koel als hem mogelijk was:
+"maar ja," hernam hij, zich bezinnende: "ik moet er heen: ik moet dien
+Barbanera spreken, die, zoo hij zegt, van het geheim onzer geboorte
+onderricht is, en dien ik daar heb bescheiden."
+
+"En gij zeidet mij niets daarvan," hernam Deodaat: "was dat broederlijk
+gehandeld?"
+
+"Gij waart zoo bezig in de hut met uw Friesche schoone, dat ik het
+te onbescheiden achtte, u te storen:--bovendien moogt gij mijne
+mededeeling wel op prijs stellen, want Barbanera had mij verzocht,
+er u niet over te spreken."
+
+"Waarlijk!--nu dan wil ik ook liever van de geheele zaak niets
+weten:--òf die kokeler is een bedrieger, wiens eenig doel is, u geld
+uit de tasch te kloppen:--òf hij staat met den booze in verbond en
+dan begeer ik met hem in geene betrekking te komen."
+
+"Zooals gij wilt:--hij heeft bovendien verlangd, dat ik alleen kwame."
+
+"Inderdaad," zeide Deodaat, glimlachende: "ik geloof dat gij bij
+al de bezoeken, die gij voornemens zijt aan dien kant af te leggen,
+liever van mijn gezelschap ontslagen zijt."
+
+"Wat meent gij daarmede?" vroeg Reinout met hevigheid.
+
+"Hoor Reinout!" vervolgde Deodaat, terwijl zijn gelaat een ernstiger
+plooi nam: "gij kunt niet ontkennen, dat de schoone Madzy uw hart
+heeft getroffen en dat de jaloezie u wantrouwig maakt jegens uw
+besten vriend."
+
+"Uw eigen gevoel zal u zeggen of ik daartoe reden heb of niet,"
+zeide Reinout.
+
+"Ik loochen geenszins dat zij eenigen indruk op mij heeft gemaakt;
+maar al beminde ik haar met de vurigste liefde, welke ooit een
+jongeling bezielde, ik zou kracht genoeg bezitten om mijn hartstocht te
+verwinnen, eer die de minste storing in onze vriendschap teweegbracht."
+
+"Deodaat!" zeide Reinout, hem getroffen de hand reikende: "gij zijt
+veel beter dan ik; maar waarom zoudt gij uw liefde tegengaan?--Ik
+begeer dit offer niet: bemint gij Madzy zooals ik, laat ons dan
+beiden trachten haar hart te winnen, en elkaar plechtig beloven,
+dat het geluk van dengene, die slagen mag, geen nijd in het gemoed
+des anderen verwekken zal."
+
+"Gij vergt het onmogelijke," zeide Deodaat: "weet gij dan niet uit alle
+verhalen der vinders en meistreels, dat de liefde een eeuwigdurende
+twistappel wordt tusschen de beste vrienden? Ik althans gevoel, dat
+het mij gemakkelijker zal vallen, thans de schoone Madzy te vergeten,
+dan zulks wezen zou indien ik haar meer dagelijks zag. Ik wil u in 't
+vervolg geen oogenblik meer achterdocht verwekken en zal niet meer bij
+de Friezen gaan. Schoone meisjes zal ik nog genoeg in Holland vinden,
+maar wie zou mij een broeder als Reinout teruggeven?"
+
+"Goede Deodaat!" zeide zijn vriend: "uwe grootmoedigheid beschaamt
+mij; doch ik gevoel dat gij gelijk hebt: ja, ik beken het, reeds het
+loutere denkbeeld schokt mij, dat gij de genegenheid van Madzy zoudt
+mogen verwerven, en ik u zou kunnen haten!--neen dat nimmer!"
+
+Eenige oogenblikken stilte volgden op dit gezegde, en weldra bevonden
+zij zich aan de poort van Haarlem. Eer zij echter zich naar hun
+nachtverblijf begaven, gingen zij den Schout verwittigen van den
+diefstal aan hunne paarden gepleegd en met hem de beste middelen
+beramen om den dader op te sporen. Tevens maakten zij hem ook bekend
+met het bevel des Graven ten opzichte van Barbanera: eene mededeeling,
+waartoe Reinout, die den kokeler nog wel eenige dagen in de nabuurschap
+wilde houden, ten einde achter het verlangde geheim te komen, niet
+dan schoorvoetende en op aanmaning van Deodaat kon geraken.
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ PHOCAS.
+
+ Tombai-je dans l'erreur, ou si j'en vai sortir?
+ Si ce billet est vrai, le reste est vraisemblable.
+
+ EXUPERE.
+
+ Mais qui sait si ce reste est faux ou véritable?
+
+ Corneille. Héraclius.
+
+
+Den volgenden morgen was Reinout reeds vroegtijdig, doch thans alleen,
+op weg naar de woning van Walger. Ongeneigd een bekende te ontmoeten,
+was hij langs een achterweg den Hout doorgegaan;--dan toen hij zich in
+de nabijheid van het oude klooster bevond, kon hij de bij een minnaar
+zoo natuurlijke verzoeking niet weerstaan om het aangebeden voorwerp,
+al ware het slechts een oogenblik, ongemerkt te aanschouwen. Hij begaf
+zich derhalve langs een zijpad, dat door het kreupelhout slingerde,
+naar den achtermuur van het gebouw; weldra echter zag hij, dat er
+weinig hoop voor hem bestond, om het gewenschte doel te bereiken:
+want het vertrek, door Madzy betrokken, had geen uitzicht dan op den
+boomgaard en was zelfs niet zichtbaar voor al wie buiten stond. Hij
+bleef desniettemin een wijl, den rug tegen een boomstam geleund en
+de armen over de borst geslagen, in zoete mijmering verzonken, half
+gelukkig door de gedachte dat zij, die hij beminde, waarschijnlijk
+alleen door den steilen muur, welken hij voor zich had, van hem
+gescheiden was. Uit deze liefelijke droomen werd hij gestoord door
+het geluid van een openspringend slot: en spoedig daarop zag hij
+een achterdeurtje in den tuinmuur opengaan. Als een dief, die vreest
+betrapt te worden, school hij onmiddellijk weg achter het geboomte;
+doch bleef tusschen het loof gluren om te ontdekken wie het wezen kon,
+die langs dezen ongebruikelijken weg den boomgaard verliet. Alras
+herkende hij vader Syard, die, na de deur met behoedzaamheid weer
+achter zich te hebben gesloten, zijn kap over het hoofd sloeg en het
+bosch intrad. Zonder te weten met wat oogmerk, volgde hij dadelijk
+de stappen van den monnik, maar op een afstand, ver genoeg om hem,
+zoo hij zich omkeerde, geen stof tot achterdocht te geven. Vader
+Syard ging langzaam, doch met vasten tred vooruit, zonder den blik
+rechts of links te wenden, en sloeg weldra een gul voetpad in,
+dat tusschen welige berken en dennen liep en naar de gissing van
+Reinout, op den zijweg, niet verre van de woning des boschwachters,
+uit moest komen. De monnik scheen echter reeds vroeger de plaats zijner
+bestemming te hebben bereikt. Links van het pad bleef hij staan bij
+een klein vervallen schuurtje, dat tegen de helling van een met dennen
+en mos begroeiden heuvel gebouwd was. Het dak van dit getimmerte (zoo
+eenige ruw aaneengehechte planken dien naam verdienden) was reeds ten
+halve weggerot of ingestort, en de houten wanden dreigden eerlang het
+voorbeeld van het dak te zullen volgen; geen blijk was er aanwezig
+dat dit verblijf ook zelfs den armoedigsten daglooner tot woning
+verstrekte of verstrekken kon: en het was dus niet zonder bevreemding,
+dat Reinout den monnik zag stilstaan en aan het deurtje kloppen, dat,
+even vervallen als de rest, slechts aan één hengsel meer vasthing.
+
+Onze Ridder had zich intusschen in het kreupelhout verborgen, ten
+einde te zien wat gebeuren zoude. Verre was hij van te denken, dat
+het getimmerte eenig menschelijk wezen bevatten zou, en het was voor
+hem een nieuwe stof tot verbazing, toen hij de deur niet zonder moeite
+over den zandgrond zag openschuiven en een hoofd zich aan den ingang
+vertoonen. Maar, wat Reinout het meest van alles verwonderde, was, aan
+den vooruitspringenden neus en de zwarte haren, in den tijdelijken
+bewoner van het schuurtje den persoon van meester Barbanera te
+herkennen. Vader Syard trad nu binnen en de deur werd wederom gesloten.
+
+"Hoe komen die twee aan malkander? en wat kunnen zij te zamen te
+verhandelen hebben?" waren twee vragen, welke zich zeer natuurlijk aan
+den geest van Reinout voordeden. Het vermoeden, dat een ontmoeting
+tusschen een Frieschen monnik en een duivelskunstenaar zeker niets
+goeds kon beteekenen, gevoegd bij een nieuwsgierigheid, welke èn
+de betrekking des paters tot Madzy èn de geheimzinnige taal van
+Barbanera eenigszins verschoonlijk maakten, deed hem een besluit
+vormen, 't welk hij zich te voren of in andere omstandigheden zou
+geschaamd hebben, en 't geen hem zelfs op dit oogenblik een blos op
+het aangezicht jaagde:--dat namelijk, van het onderhoud dier beide
+personen te gaan beluisteren. Met langzame schreden sloop en kroop
+hij achter struiken en struweelen om, zooveel mogelijk vermijdende,
+den voet op het krakende mos te zetten, dat zijn tegenwoordigheid zou
+kunnen verraden, en nu en dan op handen en voeten voortschuivende,
+totdat hij zich achter het schuurtje bevond. Hier legde hij zich
+plat op den grond neder, en het hoofd op de hand leunende, keek hij
+op zijn gemak door eene der menigvuldige spleten naar binnen.
+
+Wederom tot zijn bevreemding zag hij binnen die vier enge wanden
+een schouwspel, dat hem een oogenblik deed wanen dat zijn eigene
+oogen hem bedrogen. Barbanera, de kokeler, was zeer op zijn gemak
+(zooveel namelijk de gelegenheid eenig gemak aanbood) op een houten
+blok gezeten, het eenig meubel, dat zich in dit berooid verblijf
+bevond. Een dichte mantel overdekte al zijn ledematen, uitgenomen het
+rechterbeen, 't geen beter gemaakt en vaardiger scheen dan Reinout
+verwachtte, en waarmede hij nu en dan op en neder wipte, of met de
+punt van den voet in het zand figuren teekende. En voor hem stond de
+monnik, in dezelfde nederige en deemoedige houding, waarmede hij zijn
+Abt zou genaderd zijn. Geen van beiden sprak; maar het was duidelijk
+te zien, dat de geestelijke wachtte, dat het den kokeler behagen zou
+zijne rede tot hem te richten.
+
+"Welnu!" zeide deze eindelijk, en dat wel in zeer zuiver Nederduitsch:
+"het is dan heden, dat de Afgevaardigden hun opwachting bij hun
+wettigen Heer gaan maken?"
+
+Vader Syard boog toestemmend het hoofd.
+
+"En wat zullen zij den doorluchtigen Graaf van Holland en Henegouwen
+verhalen?--Want ik veronderstel dat het uwe pen is, welke het formulier
+heeft opgesteld, waarin hun hulde zal vervat zijn."
+
+"Ik vermeen," antwoordde de monnik op een eerbiedigen toon, "dat zij
+zich op dit gehoor zullen bepalen bij het aanhooren van de voorslagen,
+welke hun vanwege den Graaf zullen gedaan worden. Het belang der
+Friezen is tijd te winnen en des Graven toorn niet gaande te maken,
+noch zijn geheele legermacht tegen zich in te halen, eer zij tot
+bekwamen wederstand vaardig zijn. Maar hoe het ook loope, liever
+zullen zij een doodelijken oorlog verkiezen dan den Graaf als hun
+Heer erkennen."
+
+"Inderdaad!" riep Barbanera: "de personen, die de bezending uitmaken,
+deden mij vreezen, dat men tot een nederige onderwerping besloten
+had. Ik meende dat Aylva een Vetkooper ware en tot Holland geneigd."
+
+"Aylva is een echte Fries," zeide de monnik: "een man, die zijn land
+oprecht bemint en geene der beide partijen, welke Friesland beroeren,
+is toegedaan. Ik beken, hij erkent den Keizer als zijn Heer, en zou
+daarom niet ongeneigd zijn, den Graaf als beschermer van Friesland aan
+te nemen, doch zonder hem eenig ander gezag dan dat van bemiddelaar
+toe te willen kennen. Geloof mij! hij zal het zwaard trekken en de
+scheede wegwerpen, zoodra de onafhankelijkheid zijner landgenooten
+bedreigd wordt."
+
+"En hoe denkt uw vrome Abt er over?" vroeg de kokeler.
+
+"De geestelijkheid is wellicht nog sterker dan de adel tegen alle
+vreemde heerschappij," zeide de monnik.
+
+"Toch niet tegen allen invloed van buiten?" hernam de kokeler:
+"anders zoudt gij mij met een ijdele hoop gestreeld hebben."
+
+"Ik vlei mij," zeide vader Syard, "dat na al de twisten en
+verdeeldheden, welke onze kloosters geschandvlekt hebben, na het
+volslagen gebrek aan orde en tucht, dat de monniken kenmerkt, zij het
+belang zullen gevoeld hebben van een gestreng _patronaat_, hetwelk hen
+binnen de palen van regelmaat en betamelijkheid wist te houden;--doch
+dat _patronaat_ zal zich moeten bepalen tot kerkelijke zaken: en ook
+de Bisschop van Utrecht zou niets dan tegenkanting vinden, bij de
+minste poging om zijn gezag verder te doen strekken."
+
+"Ik twijfel, of men de monniken door een bloot geestelijk wanen in
+toom zal houden," zeide Barbanera: "indien men een hervorming in de
+kloosters wil te werk stellen, zal er meer noodig zijn dan ijdele
+bedreigingen met kerkban en afzetting, waar zij mede lachen. Denk eens
+ernstig over onze bedoelingen na, broeder! en zoo gij mij van dienst
+kunt zijn, ik zal mij niet ondankbaar toonen. Het is niet onder die
+ruwe Friezen, dat een man van oordeel en kennis, als gij, zijn leven
+verslijten moet. De Proost van Sint-Salvator te Utrecht wordt oud en
+ik geloof dat zijn vierkante muts u niet kwalijk zou passen."
+
+"Gij miskent _mijne_ bedoelingen," zeide de monnik, "zoo gij waant dat
+ik de _uwe_ in dien opzichte zoude willen bevorderlijk zijn. Ik ben,
+ja, een geestelijke en wensch den echten vromen zin onzer instelling
+weder in de kloosters te zien herleven; maar ik ben een Fries boven
+al en zou mede niet schromen het zwaard te ontblooten, zoodra de
+vrijheid van mijn land werd bedreigd."
+
+"Waarlijk!--.... nu, wij zullen hierover nader spreken;--maar zeg
+mij eens, broeder! hoe is men er toe gekomen, zulk een wildeman als
+Seerp Van Adeelen aan de bezending toe te voegen?"
+
+"Wat zal men zeggen?" antwoordde vader Syard, de schouders ophalende:
+"Adeelen is rijk en machtig: hij stamt, althans dit beweert men,
+van Koning Adegild af: zijn invloed is groot en zal nog aanwassen,
+indien hij, gelijk eerlang te verwachten is, zich met de erfgename
+der Dekama's in den echt verbindt."
+
+Hier trilde Reinout en maakte een beweging; Barbanera wendde het
+hoofd om.
+
+"'t Is niets," vervolgde hij, "er liep zeker een rat langs het
+dak;--maar zeg mij.... hebt gij iets van den indruk vernomen, dien
+Barbanera's voorspellingen gisteren op het gemoed der Hollandsche
+edelen hebben teweeggebracht?"
+
+"Ik hoor, dat de dappere Graaf sidderde en bleek werd als een riet."
+
+"En, bij Sint-Maarten! wel mocht hij sidderen! Ha! ik herinner mij
+hoe dikwijls mijn edele vader mij die profetie van den ouden Graaf
+van Gelder verhaald heeft. Hij was er bij tegenwoordig, toen deze
+Willem van Avesnes in de Domkerk met het heilige doopwater besprenkeld
+werd. De Graaf van Gelder was lang te voren aangezocht geworden om
+als gevader over het kind te staan: maar sedert een geruimen tijd
+was de grijsaard tot een staat van kindschheid vervallen: zoodat
+niemand dacht, dat hij de plechtigheid zou kunnen bijwonen, en elk
+een vertegenwoordiger in zijne plaats verwachtte. Hij kwam echter,
+de oude Reinout, verstramd en verbleekt, half gedragen in de armen
+zijner dienaars en met verwilderde oogen, wier ongestadige blik bij
+elk der aanwezigen den angst deed ontstaan, dat hij de plechtigheid
+ontijdig zou storen. Hij bleef echter bedaard en stil nederzitten,
+zoolang de gebeden en het gezang duurden; maar toen het oogenblik
+daar was, dat het kind ten doop geheven moest worden, was het, alsof
+zijn vorige jeugd op eenmaal terugkeerde. Zonder hulp van iemand
+rees hij van zijn zetel, trad met een vasten stap naar de doopvont
+en nam net kind uit de armen der ontstelde moeder. Met angst bleven
+alle oogen op hem gevestigd; want een oogenblik van verzwakking had
+de hoop van Holland en Henegouwen op het harde vloersteen of in de
+doopvont doen rollen, tot eeuwige droefheid van dat beminnelijke
+huis van Avesnes. Alles liep echter buiten, ja boven verwachting
+gelukkig af. Maar toen het kind gedoopt was en de Bisschop daarover
+den zegen had uitgesproken, was het of een heilig vuur, een inblazing
+van boven, op eens den grijsaard bezielde. Hij hief het kind omhoog,
+kuste het, en sprak toen met luider stem deze merkwaardige woorden uit:
+"Gelukkig zult gij wezen, mijn zoon! voorspoedig in krijg en vrede,
+tot u de kodde der Friezen het leven beneemt."
+
+"En is het deze zelfde voorspelling, welke hem gisteravond in 't
+geheugen geroepen werd?" vroeg de monnik.
+
+"Aan hem, en aan al die ellendige landverraders, die niettegenstaande
+hun Hollandsch, ja Grafelijk bloed in de aderen vloeit, de knieën
+voor den vreemdeling buigen, en aan al die Vlamingen en Henegouwers,
+die hier onzen ouden adel verdringen.--Alleen Beaumont is er wel
+afgekomen:--hij is de eenige, wien ik zijn af komst uit Avesnes
+vergeven kan: hij was de vriend en wapenbroeder mijns vaders."
+
+"Ik geloof intusschen niet," zeide vader Syard, "dat òf de voorspelling
+van Gelder, òf die van Barbanera den Graaf zouden afschrikken, indien
+hij het besluit vormde een tocht naar Friesland te wagen."
+
+"Ik ben van uw gevoelen;--doch ik heb niettemin mijn doel bereikt: ik
+heb schrik en ontsteltenis onder zijn edelen verspreid: en al achten
+zij nu die orakels minder zwaar, deze zullen hun in de ooren suizen,
+wanneer de ure komt des gevaars en dan hun moed wellicht geheel ter
+neder slaan:--en daarentegen, ik heb de stoutheid aangewakkerd in
+de harten der Friezen, die op de gesprokene taal moesten juichen,
+en in hun hart den Graaf verachten, die in hunne tegenwoordigheid om
+de woorden eens kokelers verbleekte."
+
+"Erg genoeg!" zeide vader Syard: "Adeelen heeft geen aansporing noodig
+om een dol stuk te begaan:--en zoo er oorlog komt, moet de aanleiding
+daarvan niet van zijne zijde komen, maar geheel Friesland opstaan
+als een enkel man."
+
+"Die tijd zal komen," zeide Barbanera; "maar nu tot onze zaak:--ik
+heb de berichten, welke gij mij omtrent den staat uwer kloosters
+geeft, wel ontvangen; maar ik wenschte u nog wel over sommige punten
+te onderhouden, waartoe ons nu de tijd ontbreken zal. Is er geene
+mogelijkheid om...."
+
+Hier veranderde zijne stem in een zacht gefluister, zoodat Reinout,
+hoe scherp hij ook toeluisterde, niet meer dan enkele afgebrokene
+woorden kon te verstaan krijgen; maar hij had reeds genoeg vernomen:
+en altijd voor ontdekking vreezende, stond hij op, gleed zachtjes
+den heuvel af en trad weer door het kreupelbosch heen naar het pad,
+dat naar den binnenweg voerde.
+
+Nog had hij geen besluit genomen, hoe hij handelen zoude ten opzichte
+van hetgeen hij vernomen had, toen hij zich reeds ten einde van het
+pad bevond en van verre het rieten dak van Walgers woning boven het
+elzenhout zag uitsteken. Een groep kinderen, waaronder hij Marretje
+herkende, zat onder de kastanjeboomen met een mengeling van bewondering
+en vrees te kijken naar de kunsten, welke de hansworst van Barbanera,
+op het gras gezeten, aan meester Cezar verrichten liet. Kort bij hen
+liepen het paard en het grauwtje in goede eendracht naast elkaar en
+scheerden het jeugdige gras, dat langs den weg groeide.
+
+Het gezicht van des bedriegers handlanger deed de gramschap van Reinout
+des te feller gloeien. Met fonkelende oogen en verhaasten stap trad
+hij op hem toe en brak den loop zijner potsen af met de barsche vraag:
+"Wacht gij hier op uw verdoemden meester, schurk?"
+
+"Ja Heer!" antwoordde de nar, hem met groote oogen aanziende:
+"en mijn meester wacht binnen op uwe Edelheid."
+
+"Zoek mij geen logens op de mouw te spelden, ellendeling!" zeide
+Reinout: "ik behoor niet tot hen, die zich door u laten misleiden. Ik
+weet zeer wel, dat de waardige Barbanera zich thans niet binnen die
+hut bevindt."
+
+"Jawel heerschap!" zeide Marretje, hem toeknikkende: "de meester is
+al een half uur bij moeder."
+
+"En gij ook, klein nest! zoekt gij al zoo vroeg te bedriegen? Waar
+is dan die meester Barbanera?"
+
+Dit zeggende liep hij in drift den elzenscherm door en de hut in;
+het eerste voorwerp, dat hij aanschouwde, was Barbanera, aan de
+tafel zittende.
+
+Een soort van duizeling overviel Reinout op het onverwachte schouwspel:
+hij bleef aan de deur staan alsof hij door den bliksem getroffen was:
+de verontwaardiging en toorn, welke zijn ziel vervulden, hadden plaats
+gemaakt voor een verbazing, welke hem het vermogen tot spreken, ja
+tot denken benam. Hoe was die Barbanera, dien hij slechts weinige
+oogenblikken geleden binnen de schuur in 't duin gezien had, door
+tooverkracht op eens in de woning van Walger overgeplaatst? Ziedaar,
+wat hij niet beseffen, niet oplossen kon. Zijn verwilderde oogen
+dwaalden van den duivelskunstenaar naar moeder Elske, die met omwonden
+hoofd en nog bleek gelaat bij het vuur aan 't spinnewiel zat, en van
+deze weder naar den kokeler, zonder dat hij het onverklaarbare van
+hetgeen hij gezien had en nu zag anders verklaren kon, dan door het
+aan betoovering of zinsbedrog toe te schrijven.
+
+"Gij ziet, Signor Rinaldo!" zeide Barbanera, in 't Italiaansch,
+"dat ik aan onze afspraak getrouw ben."
+
+Deze weinige woorden verbraken de bezwering en gaven den Ridder al
+zijn veerkracht terug. Hij wierp de deur achter zich dicht en trad met
+forschen stap naar de tafel: "bedrieger!" riep hij, "gij zijt het dan,
+die het verderf van den doorluchtigen Graaf beoogt?"
+
+"Ik versta u niet," zeide Barbanera, altijd in 't Italiaansch, en
+blijkbaar onthutst door de forsche taal van Reinout: "indien uwe
+Edelheid geliefde Italiaansch te spreken."
+
+"Veins slechts, mij niet te verstaan!--Heb ik u niet zooeven met dien
+monnik zuiver Nederduitsch hooren spreken?"
+
+De kokeler haalde zuchtend de schouders op, en Reinout herhaalde zijn
+gezegde met dubbele kracht in 't Italiaansch.
+
+"Ik zweer u," zeide Barbanera: "ik heb geen monnik gezien of gesproken;
+en wanneer zou dat geschied zijn?"
+
+"Zoo op 't oogenblik, gelijk gij zoo goed weet als ik: ik kom nu van
+de schuur in 't duin; maar hoe gij zoo spoedig hier zijt overgewaaid,
+verklaar ik niet te beseffen."
+
+De kokeler peinsde een oogenblik en keerde zich vervolgens naar Elske:
+
+"Vrouke!" zeide hij in gebroken Nederduitsch: "hoe lang ik hier wezen?"
+
+"Ongeveer een goed half uur," zeide Elske, zonder zich te bedenken.
+
+De kokeler zag den Ridder aan met een zegevierenden blik.
+
+"Vrouw!" riep Reinout: "bezwaar uwe ziel met geen logen. Hoe lang is
+die schelm hier geweest?"
+
+"Zoowaar ik de eeuwige zaligheid hoop, een goed half uur," herhaalde
+zij.
+
+"Dan moet de Booze uw oogen of de mijne verblind hebben!" zeide
+Reinout: "want er zijn geen tien minuten verloopen, sedert ik hem in
+het schuurtje in 't duin met den monnik Syard in gesprek heb gezien."
+
+"Heilige God! is het mogelijk?" zeide Elske: "en de man is niet van
+dien stoel geweest. De Friesche juffer zou het hebben kunnen getuigen,
+die is zooeven hier vandaan gegaan."
+
+"Welk een kwelgeest schept behagen om mijn brein in de war te
+brengen?" riep Reinout, die deze woorden op Madzy toepaste, hoewel het
+slechts Sytsken geweest was, die naar den welstand der zieke was komen
+vernemen: "Hoe!" vervolgde hij, terwijl hij met groote stappen het
+vertrek op en neder ging: "zij was hier: ik had haar kunnen spreken,
+en ik heb mij laten ophouden door de guichelstreken van een bedrieger,
+die zijne ziel aan Satan verkocht heeft om vrome lieden te verstrikken;
+maar ik zal hem zijne schelmsche ontwerpen uit de keel halen; en zoo
+hij mij langer zoekt te blinddoeken zal zijn helsche list hem niet
+tegen de scherpte van mijn dolk beveiligen."
+
+Meester Barbanera had, gedurende deze alleenspraak van Reinout, de
+tegenwoordigheid van geest, die hem bij den eersten schrik verlaten
+had, teruggeroepen: en, zoo hem een heimelijke bezorgdheid bijbleef
+omtrent den uitslag van des Ridders overdenkingen, geen trek daarvan
+vertoonde zich op zijn onbeweegbaar en strak gelaat. Hij legde zelfs
+geene verlegenheid aan den dag, toen Reinout, zijn besluit genomen
+hebbende, op eens met een ontblooten dolk naar hem toe kwam en hem
+bij den kraag vatte.
+
+"Waarom zoudt gij een oud man willen dooden?" vroeg hij, altijd in
+'t Italiaansch, den jongeling met zijn knippende, gluipende oogen
+beschouwende.
+
+"Beken mij zonder omwegen," zeide Reinout in dezelfde taal, op een
+straffen toon: "op welke wijze gij mijn oogen hebt misleid: door welke
+zwarte praktijken gij u tevens hier en bij den monnik in het schuurtje
+hebt bevonden: beken mij de lagen, welke gij den edelen Graaf legt,
+of het gaat er door, zoo waar ik leef."
+
+"Gij zoudt den moed niet hebben van den man te dooden, die zorg droeg
+voor uw kindsche jaren," zeide Barbanera.
+
+"Hoe!" riep Reinout, verbaasd zijn dolk latende zakken.
+
+"Gij kunt den dag niet vergeten zijn, toen gij in den vijver gevallen
+waart en de getrouwe Paolo u met eigen levensgevaar daaruit haalde."
+
+Reinout sidderde en zag den kokeler sprakeloos aan.
+
+"Deze lange haren en baard hebben mijn gelaat veel veranderd;
+dan ik dacht niet geheel onkenbaar te wezen voor de oogen mijns
+voedsterlings." Dit zeggende nam hij zijn hoofddeksel af en streek
+zich de haren van 't voorhoofd.
+
+"Paolo!" riep de jongeling uit: "zijt gij het waarlijk?"
+
+"Wacht!" vervolgde de kwakzalver, zich zoodanig om wendende dat
+Elske zijn beweging niet zien kon, en meteen den valschen neus,
+die hem vermomde, even africhtende: "herkent gij mij nu?"
+
+"Ik herken u," zeide Reinout: "maar nog begrijp ik niet...."
+
+"En gij wildet mij dooden? mij, met wien het geheim uwer geboorte
+ten grave zou dalen?"
+
+"Maar, waarom hebt gij u niet terstond bij mij aangemeld?"
+
+"Wist ik, of gij den ouden Paolo zoudt willen herkennen? Weet gij,
+of ik onderricht ware, dat gij u hier bevondt? Zijt gij overtuigd,
+dat de berichten, die ik breng, u aangenaam zullen wezen?"
+
+Reinout zweeg een oogenblik en zag eenigszins onthutst voor zich
+neder. "Paolo!" zeide hij eindelijk: "geloof dat elk bericht,
+van welken aard het ook zij, mij welkom wezen zal, mits het mij
+slechts uit mijn ondraaglijke onzekerheid redde. Spreek dan, en
+wees overtuigd, dat, wat gij mij ook melden moogt, gij u aanspraak
+op mijne dankerkentenis verwerven zult."--Dit gezegd hebbende nam
+hij tegenover Barbanera plaats, in de houding van iemand, die een
+belangrijke mededeeling en een lang verhaal verwacht; namelijk, hij
+stak de beenen voor zich uit, liet een arm naast zich neerhangen,
+leide een elleboog op tafel en zijn kin op de opene hand en zag Paolo
+strak in 't gelaat.
+
+"Gij weet," zeide deze: "dat het huis van Salerno sedert de
+onheuglijkste tijden tot de aanzienlijkste van Verona behoord
+heeft. Van mijn jeugd af was ik een kliënt van dat huis, en diende,
+gelijk mijn vader vóór mij deed, den edelen Graaf Luigi, het hoofd
+van dat geslacht. Hij was een edel Heer, Signor, die zich veel roem
+had verworven in krijg en onderhandelingen: en gij zult wel op deze
+of gene wijze van zijne daden gehoord hebben."
+
+"Ga voort! en verleng uw verhaal niet door onnoodige uitweidingen,"
+zeide Reinout.
+
+"Nu, deze Graaf Luigi was dikwijls neerslachtig, dat hij geen zoon had,
+op wien hij zijn naam en bezittingen kon doen overgaan. Vruchteloos
+had hij kerken begiftigd en aalmoezen uitgereikt. Het huis van Salerno
+was bestemd in hem te eindigen. Weinige vaders hadden echter zoovele
+redenen tot troost; want zijn dochter Bianca was van hare kindsheid
+af beschouwd als het pronkjuweel van Verona. Het was dan ook geen
+wonder, dat de aanzienlijkste Edelen van Verona om strijd naar hare
+hand kwamen dingen. Onder deze was er geen, die door den Graaf Luigi
+met meer onderscheiding behandeld werd dan Francesco della Scala,
+die zich door zijn geboorte, macht en rijkdommen als het hoofd der
+vermogendste partij in Verona had doen erkennen. Zijn uiterlijk
+voorkomen was echter weinig geschikt om liefde in te boezemen,
+en stak bitter af bij dat van zijnen bloedverwant Carlo, die een
+volkomen Ridder was én evenzeer zijn best deed om de hand der schoone
+Bianca te verwerven.--Maar uwe Edelheid weet, dat het hart van een
+jong meisje een vreemd en onverklaarbaar voorwerp is. Noch de gunst
+der fortuin, welke Francesco, noch de gaven der jeugd, welke Carlo
+della Scala versierden, waren in staat haar hart voor een van beiden
+te winnen. Zij was naar Milaan bij een naastbestaande den zomer gaan
+doorbrengen, om althans voor eenigen tijd de vervolgingen van Francesco
+en de vermaningen haars vaders te ontgaan:--daar had zij een Duitschen
+avonturier leeren kennen en dezen hare liefde geschonken. Graaf Luigi,
+hiervan onbewust, en zijn dochter weer bij zich willende hebben,
+om haar door sterkere dwangredenen tot het huwelijk met Francesco
+over te halen, zond haar bevel tot een onverwijlde terugkomst. Dit
+maakte haar en haar minnaar wanhopend.--Zij zwoer hem, nooit een
+anderen dan hem te willen huwen:--hij maakte van een oogenblik van
+zwakheid gebruik.... in 't kort, zij verliet Milaan niet eerder dan
+nadat zij met hem in een geheimen echt was verbonden."
+
+"En volgde haar die geheime echtgenoot naar Verona?" vroeg Reinout.
+
+"Hij kon zich aldaar niet vertoonen," zeide Paolo: "want hij had op
+een steekspel in Duitschland twist gehad met Francesco della Scala, en
+deze had hem den dood gezworen. Bovendien had hij een gelofte gedaan
+en moest met andere Duitsche Heeren naar het Heilige Land. Hij had
+echter aan Bianca beloofd, haar bij zijn terugkomst te zullen opzoeken
+en haar alsdan door list of geweld als zijn gade met zich te voeren.
+
+"Graaf Luigi liet nu niet na, zijn dochter tot een echtverbintenis
+aan te sporen met Francesco della Scala, die intusschen de
+opperheerschappij van Verona verkregen had en wiens verlangen niemand
+meer dorst wederstreven. Gij kunt beseffen, in welken angst zich
+de arme Bianca bevond, te meer toen zij gevoelde, dat een pand van
+des Duitschers liefde haar onder het hart leefde. In deze nijpende
+verlegenheid moest zij voor alles een poging doen om tijd te winnen
+en wendde bij haren vader voor, een gelofte te hebben gedaan om eene
+bedevaart naar O. L. Vrouwe van Loretto te zullen doen, alvorens zich
+in 't huwelijk te begeven. Hoe ongaarne ook, gaf Graaf Luigi eindelijk
+zijne toestemming tot die reis. Zij deed die in 't gezelschap van
+mijne vrouw, die haar vertrouwde dienstmaagd was en zich mede zwanger
+bevond, en van mij. Op den tocht werden beiden voorspoedig, elk van
+een zoon, verlost: de kraamvrouwen keerden hersteld terug en mijn
+vrouw ging met de jonggeborenen op het land wonen, waar beiden voor
+mijn kinderen doorgingen."
+
+"Madre di Dio!" riep Reinout, wien het klamme zweet uitbrak: "ik weet
+al genoeg. Zeg mij nu slechts, wie van ons beiden is Bianca's zoon?"
+
+"Niet zoo haastig, Signore! ziedaar juist wat uitgemaakt moet
+worden.--De schoone Bianca kwam terug, gelijk ik u zeide: er was
+nu geen middel voor haar overig om het huwelijk met Francesco te
+ontwijken:--of zij had haar geheimen echt moeten bekennen:--dan,
+zij ontving door een vertrouwden vriend de tijding dat haar gemaal
+gesneuveld was, en toen, hoezeer onder tranen en rouwklachten, gaf
+zij hare hand aan den dwingeland.
+
+"Zij was ongeveer een jaar met hem gehuwd, toen zijn argwaan werd
+opgewekt door de bezoeken, welke zij, zoo dikwijls zij daartoe
+gelegenheid vond, bij mijn vrouw afleidde om haar zoon te zien en te
+omhelzen. Hij liet haar bespieden: zijn argwaan groeide tot volkomen
+wantrouwen, en er had een vreeselijk tooneel tusschen hen plaats,
+waarin hij een verklaring eischte dier bezoeken, welke zij volstandig
+weigerde hem te geven. Vreezende, dat de ijverzuchtige dwingeland op
+haar onnoozel kind zoude woeden, achtte zij het van belang, het aan
+zijn dolk te onttrekken. Zij vormde daartoe een stout, maar welberekend
+ontwerp: zij kende den edelen aard van Carlo della Scala, die, om
+den schijn niet te hebben van met zijnen snooden neef te heulen, in
+Pisa was gaan wonen. Zij schreef aan dezen, en belastte mij, haar zoon
+tot hem te brengen. Intusschen was mijn vrouw evenzeer bekommerd over
+haar kind; want, zeide zij, indien dan Francesco moordenaars zendt om
+het kind der Gravin te dooden, zal men het onze niet sparen:--kortom,
+gij weet, wat sedert Adams tijd af, een vrouwetong vermag:--ik bracht
+de beide knaapjes naar Pisa en leide ze in Carlo's hof te vondeling."
+
+"_Santa Madre_!.... maar Carlo vermoedde niet, wie den brief geschreven
+had: althans op zijn sterfbed gaf hij ons dien, maar meldde ons den
+naam der schrijfster niet."
+
+"Hij moet dien vermoed hebben; maar waarschijnlijk heeft hij de
+rampen der ongelukkige Bianca niet willen verzwaren door een geval
+ruchtbaar te maken, dat Francesco's wraakzucht zoude vermeerderd
+hebben: of mogelijk wilde hij haar geheim eerbiedigen!--Hoe 't zij,
+de dwingeland was woedend, toen de kinderen aan zijn macht ontsnapt
+waren:--hij mishandelde de ongelukkige Bianca, die nu, daar haar
+vader overleden was, geen steun of hulp meer had, en hield haar in
+een bangen kerker gevangen."
+
+"En leeft zij nog?" riep Reinout: "leeft mijne moeder.... leeft Bianca
+di Salerno nog?"
+
+"Ziedaar wat mij op het oogenblik onbewust is.--Om tot mijn verhaal
+terug te keeren:--nieuwsgierig om het lot mijns zoons te vernemen,
+reisde ik na verloop van een paar jaren naar Pisa en wist daar in
+dienst van Carlo della Scala te komen. Welke zorg ik, zoolang ik bij
+hem bleef, voor u beiden gedragen heb, is u bekend."
+
+"En voor het goed van Carlo mede," zeide Reinout: "want zoo ik mij
+niet bedrieg, joeg hij u weg omdat hij u van diefstal verdacht hield."
+
+"Ik werd onschuldig aangeklaagd en ongehoord weggezonden," zeide Paolo,
+de schouders ophalende: "mijn vrouw was dood: ik had niemand meer,
+die zich mijner aantrok: ik bracht sinds mijn leven zwervend door;
+mij nu met dezen, dan met genen verbindende om de oogen en het brein
+van het domme, en ook van het meer verlichte gedeelte des menschdoms
+te verblinden, gelijk u gisteravond gebleken is, toen ik u herkende
+en mijn toespraak op die herkenning grondde."
+
+"Maar nu!" zeide Reinout: "verlos mij van mijn onzekerheid:--wie onzer
+is de zoon van Bianca?.... Of neen!--antwoord mij nog niet!--Ook
+Deodaat moet van dit alles onderricht zijn! ..... kon ik zoolang
+mijn edelen vriend vergeten!--In zijn bijzijn alleen moet gij ons
+het geheele geheim onzer geboorte ontvouwen .... kom! volg mij
+naar Haarlem.--Ik zal den Graaf smeeken, dat hij zijn besluit weer
+intrekke."
+
+Maar het scheen dat Paolo er zijne rekening niet bij vond om ook
+aan Deodaat mede te deelen, hetgeen hij aan Reinout had verhaald,
+en weinig genegenheid had, den Ridder naar Haarlem te volgen. Hij
+zag hem gedurende eenige oogenblikken zijdelings aan, als wilde hij
+op zijn gelaat lezen in hoeverre hij vatbaar was om tot het doel, dat
+hij beoogde, te willen medewerken. "Jongeling!" zeide hij eindelijk:
+"gij hadt mij beloofd niets van ons voorgenomen onderhoud aan uw
+vriend te openbaren."
+
+"Ik heb geene geheimen voor Deodaat," zeide Reinout, haastig.
+
+"Des te erger!--want om gulweg te spreken, ik heb gegronde redenen om
+te verlangen, dat hij van alles onbewust blijve. Een uwer is de zoon
+van Bianca, en ik wil mij niet aan den toorn des anderen blootstellen."
+
+"Paolo! moet ik den zin uwer woorden gunstig opnemen?" riep Reinout
+vol blijdschap uit, daar hij in de taal des kokelers eene schijnbare
+bevestiging zijner innige hoop meende te ontdekken.
+
+"Zooals gij wilt: doch hoe dit ook zij:--wat zoudt gij den armen Paolo
+geven, indien hij u de stukken in handen stelde, welke gij noodig
+hebt om u voor den zoon eens aanzienlijken edelmans te doen herkennen?"
+
+"Gij kent mijn vader!" riep Reinout: "en zijn naam is...."
+
+"Inderdaad! ik ken hem;--maar zijn naam moet tot nog toe een geheim
+blijven; het is goud waardig."
+
+"Geloof, Paolo! dat mijn dankbaarheid....."
+
+"Dankbaarheid is een woord: ik ben te oud geworden om in uwe handen
+niet meer te worden dan de citroen, welken men wegwerpt na er het
+sap van uitgedrukt te hebben. Ik eisch stellige bewijzen, geen ijdele
+beloften."
+
+"Gij zijt een ellendig wezen, Paolo!" zeide Reinout, hem met een
+verachtelijken blik aanziende.
+
+"'t Is mogelijk," zeide Paolo: "maar toch een wezen, dat u liefheeft
+en er u blijken van geeft door u alleen deelgenoot mijns geheims
+te maken."
+
+"Welaan!--noem uw eisch: en ik zal zien wat ik doen kan."
+
+"Zoudt gij niet denken, dat driehonderd gulden terstond, en een goede
+schriftelijke belofte van het dubbele dier som, zoodra ik u in de
+armen van een rijken, vermogenden vader gevoerd heb, een billijke
+belooning ware voor hetgeen ik ten uwen gevalle verricht?"
+
+"Ik zal er over denken," zeide Reinout, wien deze eisch, welke in de
+tegenwoordige dagen onaanzienlijk zal voorkomen, in een tijd toen
+het geld nog schaarsch was buitengemeen hoog toescheen: "wie weet
+bovendien, of uw gansch verhaal geen verdichtsel is, uitgedacht om
+mij geld uit de tasch te halen. Eerst uwe bewijzen of ik beloof u
+geen penning."
+
+Op dit oogenblik ontstond er een verward gedruis van stemmen en
+voetstappen buiten de hut, en de hansworst kwam met een angstig
+geschreeuw binnenstuiven.
+
+"Meester Barbanera! meester Barbanera!" riep hij: "daar zijn menschen,
+die u zoeken."
+
+"'t Is mij om 't even!" zeide Reinout: "maar ik laat u niet los,
+oude! gij zult met mij naar Haarlem." En, de daad bij de woorden
+voegende, vatte hij den kokeler bij zijn kleed.
+
+"Ja, pak hem maar frisch bij den kraag, heer Ridder! en zorg dat hij
+niet ontsnappe," kraaide met een schorre stem een klein mannetje, in
+'t welk Reinout den marktschrijver Claes Gerritsz herkende, die met
+eenige Grafelijke Ambtsdienaars binnentrad: "Houd hem vast: hij wilde
+zich wegmaken zonder de marktgelden te voldoen en zonder zijn gelag
+te betalen, 't geen eene blijkbare overtreding is van het Privilege
+van Graaf Willem zaliger gedachtenisse, artikel...."
+
+"Dat u de duivel hale met uwe Privileges, vervloekte muggen!" riep
+Reinout, den kokeler loslatende: "ik heb wat met dezen man te
+verhandelen."
+
+"Indien uwe Edelheid borg voor hem wil stellen," zeide Claes Gerritsz,
+"zullen wij dien gaarne aannemen, volgens art. 27 van het Privilege;
+maar het zal dan noodzakelijk zijn, dat UEd. ons naar Haarlem
+vergezelt, ten einde aldaar ten overstaan van Schepenen...."
+
+"Welk een gereutel over eenige voddige grooten, die u de man misschien
+schuldig is," zeide Reinout: "kunnen wij hier de zaak niet tot
+effenheid brengen?"
+
+"Veroorloof mij, u te zeggen, Heer Ridder!" zeide de marktschrijver,
+"dat dit klaarblijkelijk zou aandruisen tegen alle gebruiken en
+usantie in zoodanig geval; daar de schuld nog moet vereffend worden
+ten genoegen van beide partijen, en deze man ons derhalve volgen moet
+naar Haarlem, waar bovendien nog andere zaken tot zijn last zijn,
+als: dat hij een geneesmiddel verkocht heeft aan Geurt Kneliszen,
+waar al zijn koeien van gestorven zijn, en een ander aan de vrouw van
+den rooden slachter, waardoor haar oog gezwollen is als een pad, al
+'t welk strafbaar is met gevangenis, ingevolge art...."
+
+"Dat u de heete koorts blakere, eeuwige babbelaar!" riep Reinout:
+"zorg slechts dat hem geen leed geschiede, of ik rijg u als een
+leeuwerik aan mijn speer."
+
+Intusschen hadden zich een paar dienaars meester gemaakt van Barbanera,
+die door zijn getrouwen hansworst van de toedracht der zaak was
+onderricht, en, als ware hij over den uitslag der zaak niet bekommerd,
+zich dadelijk had bereid verklaard mede te trekken en aan te hooren,
+wat men tegen hem had in te brengen. Ook Reinout begon nu te beseffen,
+dat hij zich ten onrechte driftig had gemaakt, en dat zijn belang
+vorderde, dat Paolo, of Barbanera, door wettelijke middelen gedwongen
+werd naar Haarlem te gaan en aldaar eenigen tijd te vertoeven, waardoor
+hij, Reinout, in de gelegenheid zou zijn hem nader te spreken, en het
+zoo verlangde geheim af te persen. Hij verklaarde daarom ook aan de
+Ambtslieden, dat hij hen zoude vergezellen.
+
+"Wij zullen verheugd zijn, de eer van uw gezelschap te genieten,"
+zeide de marktschrijver: "en gij, goede vrouw!" vervolgde hij tegen
+Elske, die gedurende het gansche gesprek van Reinout en Paolo, waar
+zij geen woord van verstaan had, bedaard was blijven doorspinnen,
+"hoe gaat het al? Ik heb daar zooeven gehoord, dat uw man u half dood
+geslagen heeft en van zijn bediening is ontzet."
+
+"Ach!" zeide Elske: "ik ben een bedurven mensch, en hoe ik het zal
+redden met mijn twee bloeien van kinderen, weet onze lieve Vrouwe! en
+mijn man moet zeker denken dat hij mij dood geslagen heeft; want hij
+is nog niet terug gekomen."
+
+"Ik denk toch wel dat gij hem het heilig kruis zult hebben nageslagen,"
+zeide de marktschrijver: "nu vaarwel!--een spoedige genezing."
+
+Met dit afscheid vertrokken al de aanwezigen, Elske in tranen
+achterlatende, waaraan wellicht de ongerustheid over het wegblijven
+van haren man, wien zij nog liefhad in weerwil zijner boosheid,
+evenveel deel had als het besef van haar hulpeloozen toestand.
+
+Reinout volgde op eenigen afstand den stoet, die meester Barbanera en
+zijn hansworst naar Haarlem geleidde, daar hij weinig trek gevoelde de
+eer van zijn gezelschap aan den marktschrijver te schenken. Het was
+langs den gewonen heirweg, dat men huiswaarts ging, en reeds was men
+de stad genaderd, toen Reinout uit een dikke stofwolk een aanzienlijk
+gezelschap te paard zag te voorschijn komen, in hetwelk hij weldra
+den Heer van Aylva en Madzy herkende, die met eenig gevolg van een
+morgenrit huiswaarts keerden. Verheugd naderde hij, in de hoop van ten
+minste een blik van zijn geliefde te erlangen; maar wie schildert de
+verontwaardiging, welke hem beving, toen hij aan de slinkerhand van
+Madzy en in een druk gesprek met haar gewikkeld, iemand gewaarwerd,
+wien hij verre was van aldaar te verwachten, te weten zijn wapenbroeder
+Deodaat. Hij bleef staan, sloeg stilzwijgend de armen over elkander
+en zag met een somber oog de vroolijke ruiters voorbij draven. Geen
+der Friezen scheen hem op te merken, maar Deodaat had zijn vriend
+herkend en een vluchtig rood bedekte zijn gelaat. Reinout oogde hem
+na: hij zag hem de hand van Madzy aanraken als om haar aandacht op
+den armen voetganger te vestigen. En inderdaad, zij wendde het hoofd
+om, zag Reinout aan met een spotachtigen blik, keerde zich vervolgens
+lachende weder naar Deodaat, en verdween met hem achter de stofwolk,
+die hen omhulde.
+
+"En ziedaar dan den vriend, die om mijnentwille van de schoone
+Madzy wilde afzien," zeide de verbolgen Reinout tot zich zelven: "den
+vriend, die mijner liefde geene hindernis wilde aanbrengen! hoe listig
+wist hij mij te verwijderen om de gelegenheid voor zich zelven te
+behouden;--want ik twijfel er niet aan, die ontmoeting is gisteravond
+reeds voorbereid geweest! Deodaat! Deodaat! is het mogelijk, dat een
+paar schoone oogen u een vriendschap van zoovele jaren verraden doet!"
+
+Vervuld van deze sombere gedachten kwam hij binnen de stad aan, en
+begaf zich naar de gijzeling, waar men Barbanera gevoerd had. Hier
+verzocht men hem echter tegen den middag terug te komen, daar het
+verhoor niet voor dien tijd zoude kunnen plaats hebben, uithoofde
+van de hooge plechtigheid, waarbij de Schepenen moesten tegenwoordig
+zijn. Dit antwoord herinnerde Reinout aan zijn eigene verplichting
+om aanwezig te zijn bij het gehoor, dat de Graaf stond te geven;
+en daar de tijd reeds naderde, haastte hij zich naar de cel, welke
+hij in het Sint-Jans-klooster te Haarlem betrokken had.
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Ziet toe, gy terght een volck, in veenen en in moeren,
+ Als vorschen, tot den hals gedoken en gewoon,
+ Te huppelen op 't lant en over groene zoôn.
+ Dit gaat dan onder, en dan boven water heenen;
+ De grooten worden oock gebeten van de kleenen.
+
+ Vondel. Batavische Gebroeders.
+
+
+Wellicht zullen reeds velen mijner lezers, evenals Reinout, Deodaat van
+trouweloosheid jegens zijn vriend en van dubbelzinnigheid beschuldigd
+hebben. Het is onze plicht, als die van een waarheidlievenden
+schrijver, hem zoo spoedig mogelijk van dezen onverdienden blaam
+te zuiveren.
+
+Eenigen tijd nadat Reinout dien morgen tot zijn voorgenomene wandeling
+vertrokken was, liet Deodaat een paard zadelen, met oogmerk om een
+morgenrit te doen. Om bij zijn vriend geen schijn van vermoeden te
+wekken, alsof hij het gezelschap der Friezen zocht, reed hij met opzet
+den weg naar Velzen, dus in een geheel tegenovergestelde richting uit,
+en keerde langs den duinkant terug door die liefelijke streek, welke
+sedert door Hertog Aelbrecht tot lustverblijf gekozen en misschien naar
+hem Aelbrechtsberg genoemd, in 't vervolg het lievelingsoord werd van
+zoovelen, die de muffe stad voor de vroolijke buitenlucht wenschten
+te verwisselen. De weg, welken Deodaat volgde, bracht hem toevallig
+op een dier bevallige plekjes, welke nog heden met onverflauwde
+belangstelling door den minnaar eener stille, eenvoudig schoone
+natuur bezocht worden, maar in de oogen van Deodaat had het landschap,
+dat zich hier aan hem voordeed, een meer bijzondere waarde; want, al
+ware de nevelachtige lucht van Holland niet bij het donkerblauwe of
+gloeiende zwerk van Italië te vergelijken, en al mochten de zandduinen,
+die hij voor zich had, niet meer dan molshoopen zijn in vergelijking
+der Apenijnen, er was toch veel in het tafereel, dat hij beschouwde,
+hetwelk hem herinnerde aan het land van zijne geboorte. Hetgeen
+hij zag was slechts eene duinvallei, maar eene vroolijk lachende
+vallei, versierd met al den tooi, welken de aard van den grond en der
+luchtsgesteldheid in staat waren op te leveren. Aan de westzijde was
+zij door de hier in evenredigheid hooge en steile duinen als door een
+muur van zand besloten; maar tegen dien muur van zand staken de berken
+met hunne rozenkleurige stammen en frisch gebladerte en de groene
+struiken en struweelen, die de hoogten tot op de helft bemantelden,
+des te bevalliger af. Een bosch, rijk in alle soorten van geboomte,
+wier voorjaarsdos al de onderscheidene tinten van groen, van de blonde
+kleur der wilgen af tot aan de bruine verf der sparren vertoonde,
+stuitte aan weerszijden tegen den duinkant en vereenigde zich daar
+tegenover, de daar tusschen gelegen vlakte alzoo in de gedaante eener
+halve maan omsluitende. En dan, als had de natuur, in een blijde luim
+dat vroolijke tafereel willen verdubbelen, die golvende heuvelen en
+dat lachend geboomte en de zonnige lucht daarboven werden teruggekaatst
+in een tweetal heldere meertjes, wier boorden als met een bruidskrans
+van schitterende veld- en waterbloemen omzoomd waren.
+
+Een nieuwerwetsche bezoeker had zich bij het aanschouwen van dit
+tooneel wellicht in een onderzoek verdiept, of die meertjes werkelijk,
+zooals sommigen beweren, de overblijfselen zijn van een voormaligen arm
+des Rijns, die hier vroeger een uitweg zoude hebben gehad, later door
+het duinzand overdolven: Deodaat, die zich nooit, gelijk te denken is,
+aan de natuurlijke geschiedenis van Holland had laten gelegen liggen,
+vergenoegde zich met de oogen in 't rond te laten weiden, en met te
+luisteren naar den zang der nachtegalen, die in de toppen der linden
+orgelden; en met den verkwikkende geur in te ademen, welke uit meidoorn
+en seringen opsteeg.--Men was in die eeuw nog verre van toe te geven
+aan den invloed van het gevoel: en men wist zelfs bij name niet van
+sentimenteelheid of romantisme; maar toch waren in dit oogenblik de
+zinnen van Deodaat zoo liefelijk aangedaan, toch ontwaarde hij een
+stemming, zoo zacht en weldadig, dat hij, zonder zich rekenschap te
+kunnen geven van de reden waarom, van zijn paard steeg, en, het aan
+een boom vastbindende, zich op de groene zoden nederzette. Een zoete
+mijmerij beving hem: vreemde droombeelden en fantasieën verdrongen
+zich voor zijn geest, en midden daar tusschen zweefde het aanvallige
+beeld der bekoorlijke Friezin. Somtijds echter kwam er een denkbeeld
+bij hem op van verwondering over de vreemde gemoedsgesteldheid,
+waarin hij zich bevond, en vroeg hij zich af, hoe hij er toch op
+eens toe kwam, om op deze wijze de dolende Ridders na te volgen,
+van wier liefdegepeinzen in de schaduw van 't geboomte hij meer dan
+eens de meistreels had hooren zingen; en niettegenstaande hij dan een
+oogenblik over zijne dwaasheid lachte, was hij toch niet in staat,
+zich aan de zoete begoocheling, die hem bevangen had, te onttrekken,
+en Italiaan genoeg om een wellustig genot in dat _dolce far niente_
+[22] te scheppen. En wat was ook natuurlijker?--hij beminde, zonder
+het nog zelf te weten: en wie, die eenmaal bemind heeft, weet niet hoe
+zoet, hoe bedwelmend dat eenzaam mijmeren is, als men, alleen met de
+schoone natuur, de gansche wereld vergeet: als een onbestemd verlangen
+het hart doet zwoegen, als een te voren ongekende wellust elken vezel
+ontspant en met verkwikkende warmte door alle poriën dringt: en de
+ziel, met zich zelve en met de schepping in vrede, zich in droomen
+en gedachten verliest, welke geene dorre wezenlijkheid in staat is
+terug te geven.
+
+Zoodanig was ook de gesteldheid van Deodaat, toen hij, toevallig den
+blik opwaarts slaande, iets boven den hoogsten top van het voor hem
+liggend duin zag bewegen, dat zijn aandacht tot zich trok. Hij kon
+niet terstond beseffen, wat het zijn mocht, maar weldra bespeurde hij
+dat het een vrouwelijke gedaante was, welke aan de tegenovergestelde
+zijde het duin beklom; want hij zag eerst een hoofd en vervolgens de
+overige ledematen zich, evenals de goden op het Romeinsche valgordijn
+afgebeeld, boven het duin verheffen: tot eindelijk het jonge meisje
+(want die fijne leest kon slechts aan een jong meisje behooren)
+geheel op de kruin te voorschijn kwam en daar, met al de levendigheid
+der jeugd, driewerf opsprong, in de handen klapte, naar alle kanten
+rondzag als om het omgelegen landschap te beschouwen en toen met
+eenige drift iemand wenkte, die met een minderen spoed over den rug
+der hoogte naar haar toekwam.
+
+Onze Ridder bleef eenige oogenblikken onbeweeglijk zitten, in die
+stomme verbazing, welke de plotselinge verschijning van een onverwacht
+voorwerp veroorzaakte; want hij had in die beide duinbeklimmers de
+schoone Madzy en haar voogd herkend. Zij van haren kant scheen hem
+niet te bespeuren; althans zij toonde wel den Olderman, toen deze
+aan hare zijde gekomen was, de omliggende landgezichten aan, welke
+blijkbaar geheel nieuw en verrassend voor haar waren; maar haar oog
+rustte niet eenmaal op de plaats, waar Deodaat zich bevond. Deze bleef
+nog eenigen tijd stilzitten; hij voelde wel, dat zijn hart onrustig
+klopte en dat een sterke stem in zijn binnenste hem aanspoorde,
+de schoone Jonkvrouw tegemoet te gaan: maar de gedachte aan zijn
+vriend, aan Reinout, weerhield hem. "Arme Reinout!" dacht hij:
+"het gaat met u als met den man, van wien Jasper De Vinder sprak,
+die de fortuin overal ging opzoeken: terwijl zijn buurman stil op
+zijn bed bleef liggen en haar ongeroepen bij hem zag binnenkomen. Gij
+loopt naar het Sint-Jans-klooster, en vindt niemand, terwijl ik, hier
+stilzittende, uwe schoone zie genaken:--maar ik zal, om uwentwil,
+van deze ontmoeting geen gebruik maken."
+
+De goede Deodaat dacht weinig, dat hij op hetzelfde oogenblik, waarin
+hij dit manmoedig besluit gevormd had, er weder stond af te wijken:
+maar een onvoorziene omstandigheid noodzaakte hem daartoe, en op eens
+met een schreeuw opspringende, liep hij gezwind als een hert tusschen
+de meertjes door naar den duinkant toe. Hij had namelijk gezien,
+dat Madzy, zonder twijfel bezield met die kinderlijke vroolijkheid,
+welke het genot der vrije natuur in een onschuldig hart doet ontstaan,
+na zich genoeg vergast te hebben aan het aanschouwen der omliggende
+streken, op eenmaal, als om haar voogd te plagen, gelijk haar gebaren
+en hoorbaar gelach aantoonden, trek had gevoeld om van het duin
+naar beneden te loopen: iets dat misschien op geene andere plaats,
+dan alleen op die, welke zij daartoe had uitgekozen, gevaarlijk zijn
+kon. Het duin toch, dat eerst golvend en glooiend afliep, was ongeveer
+tien voet boven den grond afgezand geworden en vormde aldaar een
+steilte, welke van iemand, die boven stond, niet gezien kon worden:
+maar welke Deodaat van zijne plaats duidelijk bemerkte:--en niet ten
+onrechte had hem de vrees bevangen, dat Madzy, wanneer zij van de
+hoogte kwam aangeloopen, de snelheid van haar vaart niet zou kunnen
+bedwingen en van de steilte nedervallen:--en het was om haar tegen dit
+gevaar te waarschuwen of zoo mogelijk haar in den val te weerhouden,
+dat hij eerst dien schreeuw gaf, die, door de vallei weergalmende,
+een koppel wilde eenden van uit het riet opvliegen en den wildzang
+zwijgen deed; en dat hij vervolgens de onvoorzichtige maagd te gemoet
+ijlde. Madzy had dien kreet van waarschuwing gehoord, juist toen zij
+die steilte op een korten afstand genaderd was: door een onwillekeurige
+beweging van schrik poogde zij haar vaart te stuiten; maar de beweging
+zelve deed haar wankelen, en op dat oogenblik Deodaat gewaarwordende,
+en waarschijnlijk niet voor zijn oog willende vallen, vervolgde zij
+haar loop; maar nu door de wending, welke zij gemaakt had, in een meer
+zijdelingsche richting, en kwam hierdoor wel aan den rand der steilte,
+maar op een plaats, waar die ongelijk minder hoog was, zoodat zij,
+daar zijnde, zonder zich te bedenken naar beneden sprong en ongedeerd
+naast den toegesnelden Ridder op het zand stond.
+
+"Gij hebt mij voor u doen beven, Freule!" zeide Deodaat, half buiten
+adem en bleek als een doek.
+
+"Ik beken u, ik heb ook een oogenblik van schrik gehad," zeide Madzy:
+"maar het is voorbij. 't Is goed dat gij geschreeuwd hebt," voegde
+zij er met een betooverenden glimlach bij: "ik had vast een kluchtige
+figuur gemaakt, wanneer ik van dien steilen kant was komen rollen;
+maar ik ben toch maar blijde dat ik op vasten grond sta! Kom maar hier,
+mijn Heer van Aylva! ik ben al beneden! maar neem niet denzelfden weg."
+
+"Voorwaar! indien mijn beenen twintig jaren jonger waren geweest,
+zouden zij u niet vooruit hebben laten gaan," zeide Aylva, die nu
+langs een meer gemakkelijk pad uit een boschje te voorschijn kwam:
+"maar wat zie ik?--Hebt gij hier op eens gezelschap gevonden?"
+
+Hier bemerkten Deodaat en Madzy eerst, dat zij elkander bij de hand
+hielden: hij had haar de zijne, op het oogenblik dat zij afgesprongen
+was, toegereikt: zij had die onwillekeurig aangenomen: en geen van
+beiden had nog gedacht om de zijne terug te trekken. De vraag van
+Aylva joeg hun een gloeienden blos op de kaken: zij lieten elkander
+los en zagen beiden als overtuigde schuldigen onbeweeglijk en zwijgend
+voor zich.
+
+"Van waar komt gij dus op eens uit de lucht vallen?" vroeg Aylva
+eenigszins verwonderd aan den jongeling.
+
+"Wel, mijn waarde voogd," antwoordde Madzy, hare vroolijkheid bij het
+hooren dezer vraag op eens terugkrijgende: "ik was het, die bijkans
+uit de lucht was komen vallen en de Ridder kwam mij helpen."
+
+"Zoo!" zeide Aylva, lachende: "het was dus naar den Ridder, dat gij
+met zooveel drift toesneldet?"
+
+Een gloeiend inkarnaat verfde opnieuw het gelaat der jonge
+schoone. Deodaat, haar verlegenheid bespeurende, haastte zich voor haar
+te antwoorden: "Ik zou zeer gelukkig zijn, indien ik de verwaandheid
+mocht hebben zulks te gelooven; maar ik twijfel er hard aan of
+de Jonkvrouw iets van mij bespeurd heeft voor wij naast elkander
+stonden."--Hierna vervolgende, helderde hij met korte woorden de
+aanleiding hunner ontmoeting op.
+
+"Zoo!" zeide Aylva: "dan heb ik mijn pupil alleen over hare wildheid
+te beknorren!--Denk eens, wat zou Seerp Van Adeelen wel gezegd hebben,
+indien ik u met een gebroken arm had te huis gebracht?"
+
+Deze aanmerking van den Olderman deed bij Deodaat een gevoel van
+wrevel ontstaan, hetgeen hij zich nauwelijks wist te verklaren:
+doch dat geheel week bij het antwoord van Madzy:
+
+"Wat zal ik u zeggen, mijn waarde voogd!--Indien Seerp Van Adeelen
+zooveel belang in mij stelt, moest hij medegaan om op mij te passen."
+
+"Gij weet, lieve Madzy!" zeide Aylva, "dat hij hedenmorgen bij den
+helmslager zijn moest, ten einde te zorgen, dat zijn wapenrusting voor
+het steekspel in gereedheid zij:--gij zoudt toch niet begeeren, dat
+hij daar niet verscheen als iemand, die Friesland eer moet aandoen."
+
+Madzy antwoordde niets, maar den arm des Oldermans nemende, begon zij
+rondom zich heen te zien en drukte haar bewondering over het schoone
+landschap uit. Dit gaf aanleiding tot een onderhoudend gesprek,
+aan het einde waarvan Aylva aan Deodaat verhaalde, dat zij met hun
+gevolg te paard den omtrek hadden rondgereden, en dat die wilde meid,
+de duinen ziende, hem overgehaald had even af te stappen om te zien of
+zij de Noordzee ook van de toppen der hoogten bespeuren konden. "Ik ben
+gek genoeg geweest, aan haar verzoek te voldoen," zeide de Olderman:
+"en ik verzeker u, dat mijn beenen het voelen. Ik ben niet gewend
+door dat gulle zand te kruien en verlang hartelijk weer in den zadel
+te zitten. Mij dunkt, onze paarden moesten hier reeds zijn!"
+
+"Daar komen zij al," zeide Madzy, de dienaars ontdekkende, die beneden
+langs gestapt waren en nu uit het bosch te voorschijn kwamen.
+
+"Kom! het is tijd van gaan," zeide Aylva: "wij moeten naar huis, anders
+kom ik te laat om mij te kleeden voor het gehoor. Verzelt gij ons, heer
+Ridder? ik vermoed dat het uw paard is dat aan gindschen boom staat."
+
+"Gij zijt toch recht achteloos omtrent uwe paarden," zeide Madzy met
+een spottenden glimlach tegen Deodaat. "Als men u dit nu ook ontstolen
+had, terwijl gij naar mij toe kwaamt!"
+
+"Ik geloof waarlijk," zeide Deodaat, op denzelfden toon, "dat gij
+meent dat dit land vol dieven is."
+
+"Inderdaad," hernam zij: "Seerp Van Adeelen zoude u wel haast
+antwoorden, dat hij er niet aan twijfelt, en dat uw Graaf de grootste
+dief van allen is, daar hij ons onze onafhankelijkheid ontstelen wil."
+
+"Madzy! Madzy!" zeide Aylva, den vinger dreigend opheffend: "gij
+spreekt weder over zaken, waar een meisje niet over spreken moest."
+
+De bevallige jonkvrouw zag haar voogd met een blik van verwondering
+aan; want, nooit buiten haar geboorteland geweest zijnde, waar men
+algemeen gewoon was vrij en onbewimpeld te spreken, had zij zich nog
+geen denkbeeld gevormd van de noodzakelijkheid om, onder vreemden, de
+woorden, die men wil spreken, te voren op de weegschaal te leggen. Een
+ingeschapen gevoel van betamelijkheid en een juist oordeel zouden
+Madzy wel overal hebben blijven geleiden en haar verhinderen van
+iets onvoegzaams te zeggen; maar de ongewoonte om onder vreemden te
+zijn had haar nog onbewust gelaten, dat men niet alle onderwerpen
+even vrij met iedereen kan behandelen: bovendien gevoelde zij zich
+zoo op haar gemak met Deodaat, dat zij hem, ondanks den korten tijd,
+die er sedert hunne kennismaking verloopen was, reeds beschouwde als
+iemand voor wien zij zich niet behoefde te weerhouden om vertrouwelijk
+en ronduit te spreken. De bestraffing van Aylva, ofschoon op een
+vriendelijken en lachenden toon uitgedrukt, hinderde haar dan ook, en
+misschien wel des te meer, omdat die in tegenwoordigheid van Deodaat
+plaats vond.--"Kom!" zeide zij eindelijk, terwijl zij te paard steeg:
+"ik zie dat ik een dwaasheid gezegd heb; en ik had waarlijk vergeten,
+dat de Ridder in 's Graven dienst is en dat men hier niet anders
+als goed van hem spreken mag. Gij neemt het mij toch niet kwalijk,
+Ridder! maar ik spreek nog zoo wat op zijn Friesch, slecht en recht."
+
+"In allen gevalle," zeide Deodaat, met verrukking het lieve meisje
+beschouwende, "deedt gij niets dan de woorden van een ander herhalen,
+zonder dat gij voor zijne gevoelens behoeft in te staan:--en Graaf
+Willem heeft immers gisteravond de hand van Seerp Van Adeelen geschud?"
+
+De stoet intusschen geheel te paard gestegen zijnde, keerde men langs
+den kortsten weg terug onder een vroolijk gesprek tusschen Madzy en
+de beide edellieden. De goedhartigheid van Deodaat, die uit al zijn
+gezegden doorblonk, het gezond verstand, dat hij betoonde, en de
+aard zijner scherts, die altijd onschuldig en vroolijk bleef, wonnen
+het hart van den Olderman, die bovendien, wanneer hij den jongeling
+aansprak, zich tot hem getrokken gevoelde door een onverklaarbaar
+gevoel, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven. Het was hem,
+of hij hem reeds vroeger aanschouwd had en wel in beter en gelukkiger
+dagen; doch waar, dit zocht hij zich vruchteloos te herinneren. Ook
+Deodaat, hoezeer hij moeite had om zijn oogen van Madzy af te
+wenden, kon niet nalaten behagen te scheppen in het onderhoud van den
+edelen Fries, die hem een gevoel van eerbied en achting inboezemde,
+gelijk hij nooit te voren jegens iemand had ondervonden. En wat Madzy
+betrof, weggesleept door den innemenden toon van Deodaat en door het
+belangrijke van zijn opmerkingen en verhalen, gaf zij zich onmerkbaar
+over aan het betooverend genoegen, hetwelk iemand, die een natuurlijken
+aanleg bezit tot alles wat edel en goed en schoon is, onmisbaar smaken
+moet, wanneer hij zich in een leerrijk en onderhoudend gezelschap
+bevindt: vooral indien de onderwerpen van het gesprek aan den eenen
+kant nieuw en verrassend, en aan den anderen kant niet te hoog voor
+zijne bevatting zijn. En hoeveel te sterker moest de indruk zijn,
+dien de gezegden van Deodaat op het eenvoudige meisje teweegbrachten,
+nu de beschaafde vormen en het innemend uiterlijke van den spreker
+ook aan min belangrijke zaken waarde zouden hebben bijgezet.
+
+Het was dan ook schier onmerkbaar, dat zij zich weder aan den heirweg
+tusschen Haarlem en Leiden bevonden, op welken zij door een achterweg
+gekomen waren: en alwaar zij, gelijk wij reeds verhaald hebben,
+Reinout ontmoetten. Deodaat zag zijn vriend het eerst: hij deed hem aan
+Madzy opmerken: en zoo deze bij die gelegenheid lachte, het was niet,
+gelijk Reinout zulks vermoedde, om eenig gezegde van Deodaat dat op
+hem betrekking had, maar om de zonderlinge uitdrukking, welke zich
+in het voorbijgaan op het gelaat van den ontevredenen voetganger
+vertoonde. Deodaat, die intusschen bij het herkennen van Reinout
+zich hun gesprek van den vorigen avond herinnerde, begon eenige
+opwelling van berouw te gevoelen en zich te verwijten, dat hij niet
+aan zijn belofte getrouw was gebleven. Willende herstellen hetgeen hij
+bedorven had, nam hij uit de gedane ontmoeting terstond aanleiding
+om zijn vriend hemelhoog te prijzen en diens goede hoedanigheden in
+het schoonste daglicht voor te stellen;--maar deze handelwijze, in
+stede van zijn wapenbroeder, gelijk hij dacht, eenigen dienst te doen,
+strekte nergens anders toe, dan om het gevoelige hart van Madzy des
+te meer in te nemen voor hem, die zich zulk een getrouw en waardig
+vriend betoonde.
+
+Aan de poort van het Sint-Jans-klooster namen zij afscheid: en Deodaat,
+bemerkende dat het reeds laat was geworden, haastte zich, in vollen
+ren naar Haarlem te keeren, waar hij zich in aller ijl kleedde en
+zich vervolgens naar de Sint-Jans-straat begaf.
+
+Het was in de kerk van het aldaar gelegen klooster, dat de plechtigheid
+van het gehoor zou plaats vinden; en een aanzienlijke menigte herauten,
+ordebroeders, edelen en dienaars waren reeds bezig, om onder opzicht
+van den ouden Wapenkoning van Holland de noodige aanstalten en
+toebereidselen te maken en de zitplaatsen der te verwachten gasten
+naar hun rang en stand te regelen. Deodaat, die benoemd was om te
+dien einde mede te werken, moest bij zijn aankomst eene vrij lange
+en taaie bestraffing van den Wapenkoning ondergaan, dat hij eenige
+minuten te laat was gekomen; naar welke hij echter weinig luisterde,
+daar zijn oogen de kerk ronddwaalden om zijn vriend Reinout te zoeken,
+dien hij eindelijk van verre gewaarwerd, het toezicht houdende over het
+ophangen der wapenbondels en andere versierselen, welke den Gravezetel
+omgeven moesten. Hij begreep, dat het nu niet het oogenblik was om
+hem opheldering te geven omtrent zijn gedrag en vergenoegde zich
+dus hem van verre toe te knikken, hetgeen Reinout òf niet bespeurde,
+òf niet wilde opmerken:--en daar aan Deodaat vervolgens een andere
+bezigheid aan den ingang der kerk werd opgedragen, moest hij voor 't
+oogenblik alle gelegenheid tot een verklaring uit zijn hoofd stellen.
+
+Het uur van één, dat tot het gehoor was uitgekozen, had eindelijk
+geslagen, en het gebouw, nu geheel ingericht tot de plechtigheid,
+leverde reeds een prachtig schouwspel op. Een groot denkbeeld van zijn
+macht aan de vreemde bezoekers en vooral aan de Friesche afgevaardigden
+willende inboezemen, had de Graaf bevolen, dat er geene kosten gespaard
+zouden worden om een praal ten toon te spreiden, geschikt om alle
+oogen te verblinden. Prachtige tapijten, van afstand tot afstand door
+wapenbondels of schilden afgezet, bedekten de wanden of hingen van de
+kerkbogen af. Welriekende wateren of reukwerk uit het Oosten wasemden
+uit sierlijk gebeitelde of kunstig gesnedene vaten op, en vervulden
+het ruime gebouw met balsemende geuren. De vloer was niet bestrooid
+met stroo, gelijk zulks de toenmalige gewoonte was; maar al de tuinen
+rondom Haarlem hadden hun bloemenschat opgeleverd, en men liep als
+over een rijkgekleurd tapijt van rozen, jasmijnen, gouden regen,
+gebloemte en gebladerte. Vlak voor het koor was de zetel des Graven
+opgericht: rozeroode gordijnen, op een sierlijke wijze geplooid en
+door gouden snoeren opgebonden, hingen van den troonhemel af, wiens
+bovenrand prijkte met de wapenborden der verschillende Graafschappen
+en Heerlijkheden, waarover Willem van Henegouwen zijn staf zwaaide,
+en daarboven hing de Gravenkroon in flonkerenden luister.
+
+Reeds was de kerk gevuld met het aanzienlijk getal genoodigden, toen
+de klank van trompetten en klaroenen de komst des Graven verkondigde,
+die kort daarop uit eene der zijdeuren, welke gemeenschap had met
+het klooster, te voorschijn kwam, voorafgegaan en vergezeld van
+zijn doorluchtig geslacht en van zijn gewoon gevolg, allen op 't
+schitterendst uitgedost. Willem zelf, op wiens fraaie golvende haren de
+Gravenkroon prijkte, was gekleed met een tot op de voeten hangenden
+tabberd van scharlaken kleur, met gouden boordsels omzet, waarop
+kostbare gesteenten blonken, en droeg daarboven een hemelsblauwen
+mantel met open mouwen, gevoerd en geboord met bont, en geborduurd
+met de wapens van Holland en van Henegouwen: terwijl een halskraag van
+hermelijn zijn kleedij voltooide. De edelen, die hem omringden, waren,
+over het geheel, niet minder prachtig gekleed dan hij: de hoofden van
+adellijke huizen, en die, aan welke uithoofde hunner jaren de vroolijke
+dracht der jeugd niet meer voegde, hadden insgelijks lange tabberds
+aan, onderscheiden van kleur en versierselen, doch alle blinkende van
+goud en bont en gesteenten. De jonge Ridders en Edelen daarentegen
+droegen korte, overal geslotene buisjes, om het middel met een gouden
+koord omgord, en met mouwen, die, naar den toen heerschenden smaak,
+omtrent een halven voet langer waren dan de arm: voorts gouden ketens
+om den hals, tootschoenen met punten van een bespottelijke lengte,
+en fluweelen hoeden, die op den top van het hoofd zaten, en langs
+wier hoogen en kegelvormigen bol een enkele witte veder opliep.
+
+Zoodra de Graaf gezeten was, namen ook de aanwezigen, immers voor
+zooverre de zitbanken toereikend waren, hunne plaatsen in: acht
+pages en een aantal Herauten bekleedden de trappen van den troon:
+aan weerszijden waren de bloedverwanten des Graven, de Hollandsche
+en Henegouwsche Baanderheeren en de gemijterde Geestelijken gezeten:
+terwijl verder de kerk vervuld was met een uitgelezen schaar van
+Vorsten en Heeren, uit alle beschaafde landen hier samengekomen,
+waarachter een vierdubbele rij van Ridders, Edellieden en Vroede
+mannen, wier getal dat van duizend overtrof, tegen de wanden stond
+geschaard. Alleen in het midden was de doortocht vrij en een voegzame
+ruimte voor den zetel opengelaten.
+
+Nadat de Herauten stilte hadden bevolen, gingen vier hunner naar den
+hoofdingang om aldaar de Aartsbisschoppen van Keulen en van Trier,
+die, in plechtgewaad en van een luisterrijken stoet vergezeld,
+de kerk binnentraden, af te halen en voor den Grafelijken zetel te
+geleiden. Toen rees de Graaf op, uit eerbied voor zijn Leenheer, wien
+deze Dignitarissen vertegenwoordigden: en nu gaf hem de eerstgemelde
+Rijksvorst in een lange en sierlijke aanspraak te kennen, dat de
+Keizer, getroffen door zijn schitterende verdiensten, en hem een
+blijk zijner hooge achting willende geven, hem de Hertogelijke kroon
+had toegedacht, welk gunstbewijs hij zich vleide, dat door den Graaf
+met dankbaarheid en welwillendheid zou worden aanvaard.
+
+"Hoogwaardigste!" antwoordde Willem, "wij bidden u, na uw terugkeer
+in Duitschland, de uitdrukking onzer erkentenis voor den Keizerlijken
+troon te willen brengen. Het blijk der gunst van onzen genadigen
+Leenheer zal ten allen tijde ons hart voor hem van liefde en
+getrouwheid vervuld doen zijn. Maar laat de Keizer het echter zijnen
+dienaar niet wijten, noch het aan eenige minachting zijner genade
+toeschrijven, indien wij zijn gunstbewijs niet aannemen. Ieder op
+deze aarde heeft zijne bepaalde eerzucht: de onze was altijd, de
+eerste Graaf des Duitschen rijks genoemd te worden.--Deze wensch is
+vervuld geworden; maar hooger stijgt hij niet: en, om onbewimpeld
+te spreken, wij willen liever, zoo in den slag als op de feesten,
+alle Graven voorgaan, dan dat wij alle Hertogen zouden volgen moeten."
+
+Deze woorden uitgesproken hebbende, zag Willem om zich heen, en verhief
+zich zijn hart met niet weinig hoogmoed, toen hij dien luisterrijken
+stoet van Ridders en Baronnen overzag, die hem ten oorlog volgen
+moest, en gelijk geen ander Graaf, ja gelijk geen Rijksvorst in staat
+was onder zijn banier te scharen. Helaas! wat is de heerlijkheid des
+menschen? Weinig dacht hij toen, de machtige Graaf, dat binnen weinige
+maanden hij zelf en die gansche adel, waarmede hij zulke roemvolle
+overwinningen behaald had, van het aardsche tooneel door de meest
+verachte handen zouden worden weggemaaid.
+
+Een algemeene toejuiching had het antwoord van den Graaf gevolgd: en de
+Aartsbisschoppen (die echter te voren onderricht waren, welk bescheid
+zij bekomen zouden) werden naar het voor hen bestemde gestoelte geleid,
+terwijl alsnu de Friesche afgevaardigden, die ter zijde gezeten waren,
+voor den zetel werden geroepen. Zij traden met deftigheid naar voren,
+en hielden op een kleinen afstand van den zetel stil. Daar gekomen,
+deed de Abt, die Aylva rechts en Adeelen links van zich had, nog een
+stap voorwaarts, en richtte het woord tot den Graaf. Zijn aanspraak,
+aan welker samenstelling vader Syard ongetwijfeld deel had gehad, was
+een meesterstuk van diplomatieken stijl, en zoude ook in onze dagen een
+gezant, die gekomen was om _niets_ te zeggen, eer hebben aangedaan. Zij
+behelsde een menigte zwierige en vleiende betuigingen van eerbied en
+hoogachting voor den Graaf, met menige Latijnsche spreuk doorzult,
+gaf hartelijk leedwezen te kennen over het gebeurde te Stavoren, en
+eindigde met een ontboezeming der hoop, door de Friezen gekoesterd,
+dat de eensgezindheid tusschen den Graaf en hen steeds duurzamer
+zoude blijven stand houden. Maar ook het scherpzinnigste vernuft zou
+uit dien ganschen vloed van woorden niet één blijk van onderdanigheid
+getrokken hebben, noch een enkel bewijs, dat de Friezen den Graaf als
+hunnen Heer, nauwelijks dat zij hem als hunnen beschermer aannamen
+of erkenden. Willem had dit ook weldra bemerkt; en meer dan eens
+hadden zijn gefronst voorhoofd, en een zijdelingsche blik, op Beaumont
+geslagen, zijn innerlijke ontevredenheid te kennen gegeven. Hij liet
+echter den gezant uitspreken, altijd nog hopende, dat een betuiging
+van hulde en getrouwheid zijn rede zoude besluiten; doch toen hiervan
+niets kwam, en de Abt, na zijn aanspraak te hebben uitgebracht, weder
+tusschen zijn beide landgenooten terugtrad, kon hij zijn ongenoegen
+niet langer bedwingen. De woorden, waarin zijn antwoord vervat werd,
+waren echter gematigder, dan de toon waarop hij dat antwoord uitsprak:
+en alleen aan de trilling zijner lippen en aan de heeschheid zijner
+stem was zijn innerlijke gemoedsaandoening te bespeuren.
+
+"Wij danken onze Friesche _onderzaten_," zeide hij, op dit laatste
+woord drukkende, "voor de betooning hunner verknochtheid; wij hadden
+echter iets meer durven hopen dan loutere betuigingen, en billijk
+verwacht, dat er van hunnen kant ook daden zouden hebben gesproken. Gij
+kunt niet onwetend zijn, edele Heeren! dat onze Ambtenaren te Stavoren
+mishandeld zijn geworden. Is de orde aldaar reeds hersteld? en welke
+straf hebben de schuldigen ondergaan?"
+
+"Men is bezig een gerechtelijk onderzoek naar het voorgevallene te
+doen," antwoordde Aylva, "en wij twijfelen niet, of de schuldigen
+zullen naar de wetten geoordeeld worden."
+
+"Men heeft te lang gewacht," zeide de Graaf: "op heeter daad had men
+de misdadigen moeten vatten en vonnissen."
+
+"Het ware intusschen te wenschen," vervolgde de Olderman, als
+had hij 's Graven aanmerking niet gehoord, "dat uwe Genade het
+gebeurde geliefde te vergeten en den moedwil van een onberaden hoop
+vergeven. De Fries, aan zijn vrijheden verknocht, is nog ongewoon aan
+het eerbiedigen van vreemde instellingen, en een te groote gestrengheid
+bij zijn eerste vergrijp zou wellicht nadeeligen invloed kunnen hebben
+en een scheuring verwekken, die in het belang uwer Genade en in dat
+van Friesland moet worden voorkomen."
+
+"Inderdaad!" hernam Willem: "waarom geeft gij ons niet liever den
+raad, onze ambtenaren uit Friesland terug te trekken, opdat gij
+ulieden geheel naar uw eigen goeddunken zoudt kunnen regeeren."
+
+"Dit ware zekerlijk het verkieslijkste, om alle botsing te
+vermijden." zeide Adeelen: "en wellicht," voegde hij er met fierheid
+bij: "ware het beter dat zulks thans geschiede, nu het als een gunst
+ontvangen kan worden, dan later, wanneer de drang der omstandigheden
+het tot een noodzakelijkheid zal maken."
+
+Een algemeen gemor deed zich hooren bij het vernemen dezer hooghartige
+taal. Zelfs de Abt van Sint-Odulf, die zich in deze schitterende
+vergadering slecht op zijn gemak voelde, en de beradene Aylva, die
+zoo gaarne een vredebreuk wilde vermijden, zagen hun ambtgenoot met
+een blik van ontevredenheid aan. De Graaf echter, die reeds daags
+te voren de onbuigzaamheid van Adeelen had leeren kennen, nam zijn
+woorden thans minder euvel op dan men verwachtte: "Wij danken u,
+Heer van Adeelen!" zeide hij, "dat gij zoo onbewimpeld spreekt;
+want uit uwe redenen kunnen wij opmaken, hoe weinig zich de Friezen
+in het algemeen aan hunnen Heer laten gelegen liggen. Alleen moeten
+wij u doen opmerken, dat zulk een taal weinig strookt met het doel,
+dat wij aan uwe zending toeschreven, en weinig die onderwerping ademt,
+welke wij recht hadden van u te verwachten."
+
+"Vraag visschen aan het geboomte en bloemen aan de zee," riep Adeelen
+uit: "maar vraag nimmer onderwerping aan een vrijen Fries."
+
+"Hoe nu!" hernam de Graaf: "zijn dit de woorden uwer lastgevers? En
+stemmen de Eerwaardige Abt en de Heer van Aylva mede in die onbezonnen
+taal?"
+
+De Abt, die reeds een poos met angstige verlegenheid zijn oogen van den
+Graaf op Adeelen, en van dezen op Aylva had doen dwalen, antwoordde
+niets, maar veegde zich de zweetdroppelen van 't gelaat. Aylva nam
+het woord op.
+
+"Edele Graaf!" zeide hij: "het is nooit de wensch noch de bedoeling
+onzer lastgevers geweest, uwe Genade in hare rechten en waardigheid
+te verkorten. Wat onze ambtgenoot heeft gezegd, moge hij zelf
+verantwoorden: onze taak was alleen, uwer Genade de betuiging van
+Frieslands verknochtheid over te brengen en uw verlangen aan te
+hooren. Verder strekt zich onze lastbrief niet uit."
+
+"Gij hebt dan geene machtiging," vroeg Willem met eenige verbazing,
+"om ons, uit naam van hen die u zonden, openlijke hulde als Heer van
+Friesland te doen?"
+
+"Ik herhaal het," antwoordde Aylva: "hetgeen uwe Genade ons zal
+gelieven te bevelen, zal getrouwelijk door ons aan onze lastgevers
+worden overgebracht."
+
+--"_Vive Dieu_!" riep de Graaf, zich met een bitteren lach tot
+de naastbij gezetenen wendende: "Gij hoort het, mijne Heeren! men
+verzoekt onze bevelen te vernemen, ten einde die door onze getrouwe
+Friesche onderzaten in overweging worden genomen en beoordeeld of
+zij wel in overeenstemming zijn met de oude vrijheden des lands. Bij
+Sint-Japik!" vervolgde hij tot de Friezen, "zoo wij alleen gehoor gaven
+aan hetgeen onze waardigheid als Graaf van ons vordert, zouden wij
+u dadelijk onzen wil te kennen geven en voor de uitvoering zorgen,
+zonder ons te bekreunen, in hoeverre ons verlangen met de inzichten
+onzer overzeesche onderzaten strookt: doch wij willen in dezen
+slechts aan onze liefde voor verdoolde kinderen gehoor geven en de
+zaak in rijpe overweging nemen, ten einde men niet van ons zegge,
+dat wij overijld besluiten en handelen. Intusschen raden wij u, onze
+getrouwen! uwe landgenooten te doen aanmanen, dat zij niet door nieuwe
+ergerlijke tooneelen onze zachtmoedigheid tergen. Mijne Heeren! de
+zitting is opgeheven!"
+
+Met deze woorden rees hij van zijn zetel en verliet het gebouw
+op dezelfde wijze als hij gekomen was, terwijl weldra de gansche
+vergadering zijn voorbeeld volgde en uiteenging.
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Deux coqs vivaient en paix: une poule survint,
+ Et voilà la guerre allumée.
+
+ De la Fontaine.
+
+
+Deodaat had aan den ingang vertoefd, tot de geheele stoet was
+vertrokken, en was nu, met oogmerk om Reinout op te zoeken, de kerk
+weder ingetreden. Hij vond echter zijn vriend niet, die door een andere
+deur, naar 't scheen, was uitgegaan, toen een page van den Graaf hem op
+zijde kwam en hem de tijding bracht, dat deze hem verlangde te spreken.
+
+Zwijgend volgde de jongeling het knaapje, dat hem binnen de
+muren des kloosters voorging en naar het slaapvertrek des
+Graven geleidde. Deodaat, aangediend zijnde, werd terstond
+binnengelaten. Willem lag half op een rustbank uitgestrekt en in
+gesprek met zijn oom van Beaumont en de Heeren van Naaldwijk en van
+Teylingen: twee edelknapen waren bezig zijn plechtgewaad te bergen
+in een grooten, met koper beslagen kotter, die nevens hem stond:
+en een derde stond voor hem met een zilveren schenkblad, waarop een
+beker gekruide wijn.
+
+"Bij Sint-Japik!" zeide de Graaf: "vriend Deodaat! gij kunt ons een
+grooten dienst bewijzen."
+
+"Uw Genade kan aan mijn goeden wil niet twijfelen," zeide Deodaat.
+
+"Welnu!--Gij zijt reeds bij die Friezen geweest;--gij schijnt zelfs
+een nauwe kennis met hen gemaakt te hebben: althans men heeft u dezen
+morgen met hen zien rijden."
+
+"Ik ben zeer verplicht aan hen, die belang genoeg in mij toonen om
+mijn gangen na te gaan," zeide Deodaat.
+
+"_Vive Dieu_! wat vat de Italiaan spoedig vuur. Nu! het ware geen
+wonder, al vond men het eenigszins vreemd, dat gij zulke beste maats
+zijt met lieden van zulk oproerig slag. Intusschen, wij weten in wien
+wij ons vertrouwen stellen en wij vreezen niet dat Deodaat van Verona
+om een paar schoone oogen zijn Heer zal afvallen. Is het niet zoo?"
+
+"Ik vat niet, hoe...."
+
+"O! wij weten zeer wel wat wij zeggen. Die afgezanten hebben, zoo
+wij vernemen, een zeer bevallig behoedmiddel tegen de verveling van
+de reis medegenomen. Is het niet zoo?"
+
+De jongeling glimlachte en boog.
+
+"Welnu! wij hebben er niets tegen, dat gij uw hof maakt aan die schoone
+Friezin. Integendeel zal het ons des te aangenamer zijn, hoe meer
+gij u bij de Friezen weet in te dringen, mits gij slechts de belangen
+van uw Heer daarbij niet uit het oog verliest: gij verstaat ons?"
+
+"Ik vrees uw Genade geheel niet te verstaan," antwoordde Deodaat,
+wiens voorhoofd van verontwaardiging gloeide: "uw Genade zal toch
+niet van mij vergen, de rol van verspieder te spelen?"
+
+"Welnu, mijne Heeren!" zeide Willem, zich lachende tot de omstanders
+keerende: "hebben wij het niet voorspeld? Zietdaar al zwarigheden."
+
+"Deodaat is een braaf Ridder," zeide Beaumont, zijn kweekeling op
+den schouder kloppende: "hij heeft de lessen niet vergeten, die ik
+getracht heb, hem in te prenten."
+
+"Hij had toch moeten begrijpen," zeide Teylingen, "dat de Graaf niets
+onbillijks kan vergen, veelmin iets dat met den Ridderplicht strijdt."
+
+"Hoor, Deodaat!" hernam Willem: "wij zullen u in korte woorden zeggen,
+wat het geval is:--dan kunt gij naderhand vrij handelen gelijk gij
+verkiest. Gij hebt de onbehouwen taal dier afgevaardigden gehoord,
+en gij zult met ons van oordeel zijn, dat het wel overeenkomstig
+onze waardigheid ware, indien wij hen eens op hun grondgebied de wet
+gingen stellen...."
+
+"En den oorlogskreet: Holland! aanhieven," zeide Deodaat: "bij
+Sint-Jakob! dat ware hemelsche muziek!"
+
+"In onze ooren voorzeker," vervolgde de Graaf, lachende: "maar deze
+Heeren verstaan het anders:--zij zijn van meening, dat men zich
+tweemalen moet bedenken, aleer men geld en manschappen verspilt, om
+in Friesland oorlog te gaan voeren. Daarom willen zij beproeven, wat
+er nog door zachtere middelen te verkrijgen is. Wil beseffen, dat men
+nooit aan dien buffelachtigen Adeelen reden zal doen verstaan; maar met
+de beide anderen is wellicht nog wat aan te vangen: en wij vertrouwen
+niets onredelijks van u te vorderen, daartoe de hand te leenen."
+
+"Waarlijk," zeide Deodaat, glimlachende: "uw Genade heeft te hoogen
+dunk van mijn bekwaamheid. Ben ik in staat, een eerwaardigen man
+als den Abt en een schranderen Edelman als den Heer van Aylva om te
+praten? Zou niet, indien ik zoo vrijpostig mag zijn mijn gevoelen te
+zeggen, de Heer van Beaumont meer invloed op zijn ouden krijgsmakker
+bezitten?"
+
+"Ik kan Aylva ten beste raden, zoo dikwijls ik hem bij toeval ontmoet,"
+zeide Beaumont: "maar gij gevoelt, dat het, in den tegenwoordigen stand
+der zaken, loutere zwakheid verraden zoude, indien 's Graven oom om
+zijn goede gezindheid ging bedelen. Gij daarentegen kunt gevoeglijk
+als uit u zelven spreken."
+
+"En," zeide Willem, "zoo gij geen invloed bij de oude Heeren hebt,
+kunt gij dien wellicht op de Jonkvrouw verkrijgen. Wat ons betreft,
+wij zullen met genoegen zien, dat gij haar tracht te behagen: een
+echtverbintenis tusschen onze getrouwe wapenbroeders en de Friesche
+erfdochters zou den band tusschen de beide gewesten versterken."
+
+"Indien dit het oogmerk is van uw Genade," zeide Deodaat, beurtelings
+rood en bleek wordende, "zoo ken ik iemand, wien deze last beter
+zoude voegen dan mij."
+
+"Waarlijk! uw vriend Reinout misschien?"
+
+"Ik geloof inderdaad, dat hij smoorlijk op de schoone Madzy verliefd
+is."
+
+"Bij Sint-Japik! het is mij onverschillig, of het Peter of Paulus
+zij, die met de bruid gaat strijken. Ga dan uw Reinout halen en
+met hem de Friezen noodigen om ons feest van hedenavond bij te
+wonen. Maar zij moeten hunne schoone medebrengen:--en doe onze
+uitnoodiging voorkomen als een bewijs onzer gunstige gezindheid,
+van ons verlangen om eendracht en vriendschap te bewaren, verstaat
+gij?--Bij Sint-Japik! het denkbeeld vermaakt mij reeds, die Friesche
+prinses in vollen tooi te zien!--Ga nu en overleg uw zaken goed."
+
+"Rechtuit gezegd, mijne Heeren!" vervolgde de Graaf, toen Deodaat
+vertrokken was: "ik geloof, dat gij gelijk hebt en dat wij een tocht
+naar Friesland voor 't oogenblik uit het hoofd moeten stellen. Ik
+ontvang zooeven tijdingen uit Utrecht. Het schijnt dat het Kapittel
+in zijn wijsheid begrijpt, mij de verantwoording te weigeren,
+welke het mij schuldig is als Momboir van het Sticht:--maar bij
+Sint-Japik! ik zal aan die geschoren kruinen met het zwaard in de hand
+die verantwoording komen vragen, indien zij nog eenen dag aarzelen."
+
+"Ware het niet verkieslijker," vroeg Beaumont, "nog bevorens een bode
+naar Grenoble te zenden, en den Bisschop te verzoeken, terug te keeren
+en zijn gezag te gebruiken om uw Genade recht te doen wedervaren?"
+
+"Een bode naar Grenoble--den Bisschop terugroepen!--neen, waarde
+Oom! daarmede ware de boel nog erger verknold. Ik heb wel een verkeerde
+ingeving gehad, toen ik dien Jan van Arkel, omdat hij een Hollandsen
+edelman was, tot Bisschop liet verkiezen. Ik had gehoopt, hem als een
+kind te zullen regeeren, en bij den Hemel! zoodra hij den mijter op
+het hoofd had, is hij Stichtenaar in zijn hart geworden en heeft mij
+in alles tegengewerkt.--Maar daar moet een einde aan komen:--Utrecht
+moet bukken!--en daarna Friesland.--Ik zoek mij nu nog te bedwingen:
+maar ik hoop aan dien trotschen Adeelen zijn beleediging met renten te
+doen betalen!--Laat hij zich intusschen in toom houden; want ik zoude
+mij met moeite blijven bedwingen zooals ik tot nog toe gedaan heb."
+
+Het vervolg van het onderhoud tusschen den Graaf en zijne vertrouwden
+als min belangrijk voor den lezer beschouwende, zullen wij ons weder
+tot onzen vriend Deodaat begeven, die, na Reinout vruchteloos gezocht
+te hebben, om hem 's Graven verlangen mede te deelen, niet langer
+durvende verwijlen met het ontvangen bevel uit te voeren, zich op
+weg naar het verblijf der Friezen begaf. Nauwelijks was hij de poort
+uitgekomen, toen hij den kokeler Barbanera met zijn hansworst voor
+zich uit zag rijden, door eenige gewapende dienaars omgeven. Dadelijk
+na het gehoor was de Schout toevallig in de gijzeling gekomen en had,
+niettegenstaande de voorstellen van meester Claes Gerritsz en anderen,
+last gegeven dat men 's Graven bevel zou ten uitvoer brengen, en den
+kwakzalver met zijn maat over de grenzen voeren: een last, waaraan
+alsnu voldaan werd.
+
+Nauwelijks had Barbanera den Ridder bespeurd, of hij wenkte dezen,
+dat hij hem iets te zeggen had. Deodaat reed hem op zijde: en de
+kokeler, zich weder van de Italiaansche taal bedienende, fluisterde
+hem de volgende woorden in:
+
+"Wat zoudt gij mij geven, indien ik u als den wettigen zoon eens
+machtigen Edelmans erkennen deed?"
+
+"En Reinout?" vroeg Deodaat, wiens eerste gedachte voor zijn vriend
+was.
+
+Barbanera haalde de schouders op: "Of er wat voor hem te doen ware,"
+zeide hij, "durf ik niet beslissen. Doch zoo gij ons vergezellen wilt,
+zal ik u aan de eerste rustplaats bescheid geven."
+
+"Ik begeer niets verder te weten," zeide Deodaat, hem met verachting
+aanziende: "ik hecht vooreerst weinig geloof aan 't geen gij mij
+verhalen kunt: en ten tweede begeer ik geen rang, die niet door Reinout
+gedeeld wordt. Zoo gij mijn vader kent, zoek hem dan op, en ik zal
+afwachten of hij zijn zoon wil erkennen; maar ik wil mij niet opdringen
+aan hem, die mij in mijn jeugd aan vreemde handen overgaf. Gij verstaat
+mij! verlaat dit land, ik raad het u; want de pogingen, die gij hier
+doet om de lieden te verschalken, zouden u duur te staan komen."
+
+Dit gezegd hebbende, gaf hij zijn ros de sporen, en bevond zich weldra
+aan de poort van het voormalige klooster. 's Graven naam, in welken hij
+zich liet aanmelden, verschafte hem niet alleen een spoedigen toegang,
+maar hij werd door de Friezen, althans door Aylva en den Abt, als
+een oude kennis ontvangen: en Madzy, die zich bij haar voogd bevond,
+verliet het vertrek niet bij zijn komst.
+
+Echter fronste zich het voorhoofd der afgevaardigden, toen zij de
+boodschap hoorden, welke Deodaat hun overbracht. Aylva en Adeelen zagen
+zwijgend voor zich uit: Madzy wendde zich om en ging aan het venster
+staan: en Deodaat, die te veel gevoel van betamelijkheid had om niet te
+beseffen, dat de beide edellieden elkander iets te zeggen hadden, begaf
+zich naar de jonge maagd en begon met haar een onverschillig gesprek.
+
+"Ridder!" zeide Aylva, na een poos zachtjes met Adeelen te hebben
+geraadpleegd: "mijn ambtgenoot Adeelen en ik zullen volgaarne van 's
+Graven beleefdheid gebruik maken;--doch wat onze jonkvrouw betreft,
+wij mogen die voor haar niet aannemen. Onze Friesche bloemen zouden
+aan het hof des Graven van Holland misplaatst zijn."
+
+"Een zoo schoone bloem," zeide Deodaat, "zoude elken hof versieren;
+doch waarlijk, zulk een antwoord mag ik niet terugbrengen."
+
+"En echter zal men zich daarmede moeten vergenoegen," zeide Adeelen
+op een norschen toon: "het is niet om het gegons van Hollandsche
+hofhommels te hooren, dat de Roos van Dekama hier gekomen is."
+
+"Ik zou u kunnen antwoorden," zeide Deodaat, geraakt, "dat het hof van
+Holland geen hommels, maar bijen bevat, die met een angel gewapend zijn
+en de vreemde wespen niet vreezen;--maar ik wil nu alleen opmerken,
+dat ik niet besef, hoe het al of niet ten hove komen der Roos van
+Dekama van de goed- of afkeuring des Heeren Van Adeelen af kan hangen."
+
+"Zij is mijn verloofde," zeide Seerp: "en deze betrekking geeft mij
+eenige aanspraak op hare onderwerping.... op hare inschikkelijkheid."
+
+"Nog ben ik uwe echtgenoot niet, Seerp!" zeide Madzy, terwijl een hoog
+rood aan hare schoonheid nieuwen luister bijzette, en hare oogen van de
+edelste fierheid schitterden: "wacht tot dien tijd om gehoorzaamheid
+van mij te vorderen. Zoolang Madzy Dekama nog den naam haars vaders
+draagt, zal zij hare waarde weten te bewaren en aan niemand eenig
+gezag toekennen, dan aan den voogd, die haar gegeven is. De edele
+Aylva acht het beter, dat ik te huis blijve. Om zijnentwil zal ik
+niet te feest gaan. Gij verstaat mij, Seerp! om zijnentwil."
+
+"Is er niets aan dat besluit te veranderen, Heer Olderman?" vroeg
+Deodaat, hem met een smeekend oog aanziende.
+
+"Gij hebt gehoord, mijn jonge vriend!" zeide Aylva, "hoe men zich
+heeft uitgelaten. Ik voor mij geloof, dat het wijzer is, bij het eens
+opgevatte voornemen te blijven volharden."
+
+"Maar in waarheid!" hernam Deodaat, "waarom moet haar een genoegen
+ontzegd worden, waartoe haar jeugd, haar kunne, haar bevalligheid,
+haar meer dan iemand bestemmen? Indien zij de Friesche moerassen
+verlaten heeft om u herwaarts te volgen, zulks was toch niet om in dit
+naargeestig verblijf te zitten suffen. Gij kunt immers niet begeeren,
+dat mij een weigerend antwoord 's Graven ongenade op den hals hale."
+
+"Zoo ik Friesland verliet," zeide Madzy, "was het om aan den wensch van
+Seerp Van Adeelen te voldoen, die vreesde dat Madzy Dekama hem in zijn
+afwezigheid ontvrijd zou worden. Maar verspil uw kostbaren tijd niet,
+edele Ridder! door een nutteloozen drang: mijn besluit is genomen,
+ik ga niet: en ten einde een onderhoud niet langer te rekken, dat
+wellicht onaangenaam worden kon, vraag ik verlof, mij te verwijderen."
+
+En zonder dat verlof af te wachten, verliet zij het vertrek.
+
+Deodaat was op het punt, aan Adeelen op een scherpe wijze zijn
+hardnekkigheid te verwijten, waaraan hij ook Aylva's weigering
+toeschreef; maar zich het verlangen des Graven, om vrede met de
+Friezen te bewaren, herinnerende, oordeelde hij, om zijns meesters
+wille, een zachter toon te moeten aannemen.
+
+"In waarheid!" zeide hij: "Edele Heeren! ik begrijp uw oogmerken
+niet. Gij komt hier toch, zoo ik wel rade, met een vredelievende
+zending: de Graaf is welgezind ten opzichte van u en van uwe
+landgenooten: en niettemin ziet men heden tot tweewerf toe den Heer
+van Adeelen de gunst des Graven met ondank beloonen. Waarlijk, mijne
+Heeren! als onpartijdig vriend moet ik u raden, liever alles aan
+te wenden om den onaangenamen indruk weg te nemen, dien de woorden,
+welke in drift gesproken zijn, ten hove hebben gemaakt. Wat wint gij
+er mede, zoo gij den Graaf tot toorn verwekt en wellicht (want daartoe
+zou het kunnen komen) zijn heirlegers in Friesland roept. Een weinig
+toegeeflijkheid van uwe zijde, en de goede verstandhouding is meer
+dan ooit hersteld."
+
+"Toegeeflijkheid!" riep Adeelen: "voor wat? voor zijn vermeend recht
+op Friesland? Laat uw Graaf eerst al zijn ambtenaren tot den laatsten
+toe van over de zee terugroepen, en dan zullen wij niet weigeren als
+goede buren en trouwe bondgenooten met hem te leven;--maar zoolang
+hij bij ons den meester wil spelen, zoolang zal hij in Seerp Van
+Adeelen een vijand vinden:--en zoo ik heden op het feest verschijn,
+'t is slechts om te toonen, dat ik mij nergens schroom te vertoonen
+en aan zijn slaafsche hoftrawanten het schouwspel van een vrijen
+Fries wel gunnen wil."
+
+"Een schoone heldhaftigheid voorwaar!" zeide Deodaat bitter: "om op
+een gastvrij feest te verschijnen, waar gij niets te vreezen hebt, ten
+einde aldaar de beleefdheid des gastheers met norsche onwellevendheid
+te beantwoorden. Pas op, Jonker Seerp! met zulk een gedrag zult gij
+weinig eer behalen.
+
+"Ik verlang geen vermaningen van een Italiaanschen gelukzoeker,"
+zeide Adeelen: "geef ze aan uw Hollandsche vrienden, die laf genoeg
+zijn, er naar te luisteren."
+
+Nauwelijks waren deze woorden gesproken, of Deodaat had zijn
+handschoen uit den boezem te voorschijn gehaald en er Adeelen mede in
+'t aangezicht geslagen. Een uitdaging zou deze daad zijn gevolgd; maar
+met een levendigheid, welke bewees dat het vuur der jeugd bij Aylva
+nog niet was uitgedoofd, rees deze uit zijn stoel, greep Adeelen,
+die zijn dolk reeds had ontbloot, in de borst en drukte hem vrij
+onzacht tegen den muur: terwijl de Abt zich met angstvalligen blik
+voor Deodaat kwam stellen.
+
+"Foei! schaam u, Adeelen!" riep de Olderman op forschen toon: "is
+het betamelijk, een man, wien gij dank verschuldigd zijt, een edelen
+Ridder, in uw eigene woning te beleedigen? Niets kan een zoodanige
+handelwijze verschoonen."
+
+"Bedaar! in 's Hemels naam, bedaar! mijn goede Ridder!" zeide de Abt
+van Sint-Odulf: "_eheu_! Jonker Seerp is wat driftig en ruw in zijn
+uitdrukkingen: dat weet mijn broeder van Lidlum ook: stoor u niet
+aan zijn woorden: en denk met Salomo, dat wie eenen dwaas antwoordt,
+dwazer is dan hij zelf. Wij hebben in Friesland ook onze dwazen."
+
+"Wij hebben ze hier ook in overvloed," zeide Deodaat, "doch wij
+zenden ze niet als afgevaardigden uit:--en zoo hem nog een grein
+gezond verstand overblijft, zal hij mij om verschooning bidden voor
+de uitdrukking, door hem gebezigd."
+
+"Om verschooning bidden," brulde Adeelen, wien zijn ouder ambtgenoot
+nog altijd tegen den wand hield gedrongen: "Laat de handen van mij af,
+Aylva!--want ik wil dien hofknaap van zijn overmoed genezen."
+
+"Een andere reis, maar niet hier," zeide Aylva: "uw leven behoort niet
+aan u, maar aan uw landgenooten, die u gezonden hebben: en gave de
+hemel, dat zij zich tweemalen bedacht hadden, aleer zij hun belangen
+aan zulk een dolleman hadden toevertrouwd."
+
+Terwijl de beide jongelingen elkander met fonkelende oogen bleven
+aanzien, evenals twee wakkere doggen, die door hun meesters worden
+teruggehouden, ging de deur open, en verscheidene dienaars, op het
+gerucht toegeschoten, stormden de kamer in. Achter hen vertoonde zich
+Reinout, het oog in vlam en het gelaat gloeiende van toorn. Deze had,
+na het Grafelijk gehoor, eenigen tijd bij zijn wapensmid doorgebracht
+en was vervolgens naar de gijzeling gegaan. Hoorende, dat Barbanera
+reeds vertrokken was, was hij te paard gestegen om hem na te rijden,
+toen hij, den Heer van Naaldwijk toevallig ontmoetende, van dezen
+vernam, dat Deodaat bij de Friesche afgevaardigden namens den Graaf
+een boodschap was gaan verrichten. Brandende van ijverzucht, was hij
+terstond derwaarts gereden en nu juist op den twist afgekomen. Het
+schouwspel, dat zich aan hem vertoonde, beving hem met verbazing:
+en onbewust van de oorzaak, bleef hij midden in 't vertrek staan.
+
+"Gij komt juist van pas, Ridder!" riep hem Aylva toe: "kom
+Adeelen! wees niet zoo dwaas meer: voor zoovele getuigen zoude uw
+toorn belachelijk worden."
+
+"Wij zullen elkander op geschikter tijd en plaats terugvinden,"
+zeide Deodaat: en na een koele buiging maakte hij zich gereed om het
+vertrek te verlaten, toen Madzy, verbleekt en sidderend, weder voor
+zijne oogen verscheen.
+
+"Goede God! wat is hier geschied?" vroeg zij, eerst Deodaat en
+vervolgens al de overigen met een blik van angstige deelneming
+aanziende: "ik hoop niet, dat hier om mijnentwil een twist is
+uitgebroken."
+
+"Het lot van dien Italiaan schijnt u zeer ter harte te gaan,
+Madzy!" zeide op een bitteren toon Adeelen, wien Aylva had losgelaten
+en die nu met donkere blikken tegen den wand stond geleund.
+
+Tranen van spijt zwollen in de oogen der maagd: en zonder een woord
+te spreken viel zij in een armstoel. Er was een oogenblik van stilte.
+
+"Deodaat! volgt ge mij?" riep op eens Reinout met een donderende stem.
+
+"Ik kom!" antwoordde Deodaat.
+
+"Neen!" zeide Aylva, hem tegenhoudende: "zoo moet gij ons niet
+verlaten. De eerwaarde Abt en ik zijn u voor uw vertrek nog de
+betuiging schuldig van ons innig leedwezen over de behandeling,
+hier door u geleden. Wij achten Adeelen hoog en huldigen zijn
+edele vrijmoedige inborst; maar wij blozen over de uitdrukkingen,
+waartoe zijn toorn hem verleiden kon. Hij zelf, hij zal er eenmaal
+over blozen."
+
+Dit zeggende, stak hij Deodaat zijn hand toe, welke deze met
+hartelijkheid drukte.
+
+De beide Ridders verwijderden zich nu en beklommen stilzwijgend hunne
+rossen: maar nauwelijks waren zij buiten het gezicht van het gebouw
+gereden, toen Reinout, die zich tot nog toe geweld had aangedaan,
+op eenmaal stilhield en het paard van Deodaat bij de teugels greep.
+
+"Geen stap verder!" zeide hij: "'t is thans met mij dat gij zult te
+doen hebben."
+
+"Hoe nu!" zeide Deodaat: "Ik versta u niet."
+
+"Deodaat van Verona! gij zijt een ellendeling! verstaat gij mij thans?"
+
+"Reinout! ik zou liever mijn zwaard willen opeten dan het tegen
+u gebruiken. Welke onzalige geest drijft u aan? Waarin heb ik u
+beleedigd?"
+
+"Ik raad u, dit nog te vragen:--wie had u de belofte afgevergd, die
+gij gisteravond deedt? Vrijwillig, om mij lichtgeloovige te misleiden,
+hebt gij die afgelegd: en hoe hebt gij die gehouden? Mij hebt gij in
+slaap gewiegd: van 't spoor gebracht, en intusschen uwe schoone Friezin
+den tijd weten te korten. O! 't was aandoenlijk om te zien, hoe gij
+beiden mij hedenmorgen bespottedet en hoe teeder zij u thans aanzag. Of
+was die twist met Seerp Van Adeelen ook niet om harentwil gerezen?"
+
+"Ik zal mij in dit oogenblik niet verlagen mijn gedrag te
+rechtvaardigen bij iemand, die door blinde drift bestuurd
+wordt. Morgen, als u de slaap betere gedachten zal hebben ingeboezemd
+en gij redelijker spreken wilt, zal ik u de noodige opheldering geven."
+
+"Gij verzaakt uw afkomst niet," zeide Reinout op een verachtelijken
+toon: "en Barbanera's verhaal...."
+
+"Mistrouw dien bedrieger!" zeide Deodaat: "ik heb hem ook gesproken
+en hem verzocht hier nimmer terug te keeren."
+
+Dit zeggende gaf hij zijn paard de sporen en verliet hem, die
+gisteren nog zijn boezemvriend was, ter prooi aan den minnenijd,
+die zijn gemoed doorknaagde.
+
+Maar bij dien minnenijd voegde zich bij Reinout een diepe
+verontwaardiging, door de laatste woorden van Deodaat teweeggebracht:
+"de onbeschaamde!" dacht hij: "hij heeft van Barbanera vernomen,
+wie van ons de echte zoon van Bianca di Salerno is: en ten einde mij
+het bewijs mijner geboorte te onthouden, bewerkt hij het vertrek van
+Barbanera en durft mij zulks verhalen! Deodaat! Deodaat! had ik dit
+immer van u kunnen gelooven!"
+
+Ten hove gekomen, haastte zich Deodaat het antwoord der Friezen aan
+den Graaf over te brengen: hij verzweeg echter zijn twist met Adeelen,
+om redenen, die in 't vervolg nader zullen blijken.
+
+"Hoe! zij willen hunne schoone reisgenoot voor hen zelven
+bewaren!" riep de Graaf, die, wanneer hij iets in den zin had, er
+niet gemakkelijk van was af te brengen.
+
+"Bij Sint-Japik! dat zal niet gebeuren. Ik heb besloten, dat zij op
+het feest zal komen; en bij de zaligheid mijns vaders, zij zal er
+verschijnen, al moest ik haar zelf gaan halen."
+
+"Uw Genade zal mij verschoonen, zoo ik mijn gevoelen durf uiten,"
+zeide Deodaat: "maar zal een daad van geweld niet de gemoederen der
+Friezen verbitteren in stede van hen te winnen? Die Jonkvrouw is de
+pupil van den eenen en de verloofde des anderen."
+
+"Ook is het geen daad van geweld, die wij beoogen," hernam Willem:
+"'t is door list, dat wij onze begeerte verkrijgen zullen: en gij zult
+zien, Deodaat! of ik niet een even goed toovenaar zal wezen als die
+meester Barbanera, wien Satan weghale. Gelegenheid tot toorn zal ik
+dien Friezen niet geven, maar het hangt van hen zelven af, zich met
+spot te overladen. Welnu, waarom schudt gij het hoofd?"
+
+"Omdat ik vrees," zeide Deodaat, "dat spot hen nog erger zal
+verbitteren dan de grootste beleediging."
+
+"Wat dit alles betreft," zeide Willem: "laat zulks gerust aan ons
+over. Wij hadden eerst het oog op u geslagen om ons plan te volvoeren:
+doch gij schijnt er huiverig voor te zijn, en het is ons belang dat
+gij een witten voet bij den heer van Aylva behoudt. Uw vriend Reinout
+is ook beter tot zulk een onderneming geschikt. Tot straks!"
+
+Deodaat vertrok, ten einde zich tot het feest gereed te maken. In zijn
+slaapvertrek gekomen, was het zijn eerste daad, zich op een rustbank
+neer te werpen, en het door hem gehouden gedrag te overpeinzen.
+
+"Heb ik waarlijk de vriendschap verraden?" vroeg hij zich zelven af:
+"of is de beschuldiging van Reinout geheel valsch en onverdiend? Ik kan
+ten allen tijde jegens hem mijn handelingen rechtvaardigen; maar kan
+ik zulks in mijn eigene oogen doen? 't Is waar, ik ben hedenmorgen een
+geheel anderen weg uitgereden, om Reinout niet te storen: doch had ik
+Madzy wel moeten vergezellen?--Het ware een onhebbelijkheid geweest,
+eenen Fries waardig, indien ik haar niet had te huis gebracht:--ik
+heb den lof van Reinout aan Madzy voorgezongen tot op het oogenblik
+dat wij hem tegenkwamen, en toen.... 't is waar, toen lachte zij en
+ik moest onwillekeurig met haar lachen om de zonderlinge uitdrukking
+van Reinouts gelaat;--doch waarlijk, wie dit alles mij tot schuld
+aanrekende, ware toch een al te strenge beoordeelaar.
+
+"Had ik den last mijns meesters moeten weigeren en niet naar
+die huizinge terugkeeren? den last mijns meesters!--kon ik dien
+weigeren? heb ik dien niet aan Reinout willen overdragen? hem
+gezocht?--Ik kon immers niet meer doen?--En met dat al, ik ben
+ontevreden met mij zelven en ik gevoel dat er iets, ik weet niet wat,
+in mijne handelwijze is, hetwelk niet goed, niet recht, niet ridderlijk
+is. Misschien, indien ik van avond niet op het feest kwame, zou zulks
+Reinout doen zien, dat ik een opheldering ontwijken wilde.--Ik mag van
+den dans niet terugblijven, om mijn eer niet. Hoe vreemd! Ik ben mij
+geene schuld bewust, en echter huiver ik op de gedachte van Reinout
+te ontmoeten."
+
+De arme jongeling! hij zocht waar het hem schortte en hij zag nog
+niet hoe al zijne redeneeringen slechts daartoe strekten, dat hij
+zich nog wilde ontveinzen hoe hartstochtelijk hij zelf de schoone
+Madzy beminde. Wel is waar, de spijt, die zijn boezem ontvonkte, toen
+hij vernam dat zij Adeelens verloofde was, de geheime verlegenheid,
+welke hem zelfs weerhouden had een woord van dien twist in 's Graven
+bijzijn te reppen, hadden hem de oogen moeten openen; en toch, hij
+had wellicht hem tot een kamp op dood en leven uitgedaagd, die hem
+had durven verwijten, dat hij Reinouts medeminnaar ware.
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Nu gaet verheugt ten rei en danst,
+ Ghy die het hoofd met mirten kranst.
+
+ Vondel, Salomon.
+
+
+Een schitterende rij van edellieden en jonkvrouwen begon zich reeds
+te vergaderen in de hofzaal op de markt [23], waar het dansfeest,
+dat in 't klooster minder voegde, stond gehouden te worden. Het oog
+kon zich niet genoeg verzadigen aan het beschouwen van de pracht,
+aldaar ten toon gespreid. Rijke _dressoiren_ of buffetten, overdekt
+met kostbare lakens en tapijten, waren beladen met spijzen en dranken,
+in blinkende schotels en vazen van zilver en goud, waarop het licht
+flikkerde der toortsen en zoogenaamde danskaarsen, die schier ontelbaar
+aan den muur brandden, in koperdraad gevat of op koperen armblakers
+staande. Talrijke dienaars gingen rond met ververschingen, met taarten
+en pastijen, met galantijn en kruidkoeken, en wijn van allerlei soort:
+schitterend was de kleeding der dansgenooten van beide kunne; maar
+vooral en liefst vestigde zich het oog op de bevallige schoonen,
+welker uiterlijken tooi men weldra vergat om die begaafdheden te
+bewonderen, waarmede haar de natuur zoo mild bedeeld had.
+
+Nog was de dans niet aangevangen; maar in verschillende groepen,
+hier en daar verspreid, onderhield men zich over de onderwerpen,
+die aan de orde waren: de gehouden en nog te houden feesten. De
+woorden waren verschillend: maar de grondtoon der gesprekken was
+bijna overal dezelfde als die van latere en hedendaagsche partijen:
+de vermaken van den dag, de kleeding der dames, de ophanden zijnde
+huwelijken en tegenwoordige vrijages, een weinig kwaadsprekendheid en
+veel beuzeltaal. In een der hoeken van de zaal was men van 't eene
+onderwerp op 't andere aan de Friesche Jonkvrouw geraakt, welke men
+wist dat met de afgevaardigden was medegekomen.
+
+"Men zegt, dat zij zeer bevallig is," zeide de jeugdige Ottilia van
+Naaldwijk, tot den heer van Walcourt, die zich nevens haar bevond.
+
+"Onmogelijk! schoon kan zij wezen; doch zeker recht en stijf als een
+boonstaak, en zonder gevoel noch leven."
+
+"Neen in waarheid," viel Oda van Wassenaar er tusschen in; "zij moet
+bekoorlijk zijn: en men beweert, dat zij beter te paard zit dan een
+Rijnsburger non."
+
+"Oda! Oda!" zeide Ottilia, haar met den vinger dreigende, "gij zijt
+wederom boosaardig!"
+
+"Wat steekt daar voor boosaardigs in? Laat de Heer van Walcourt zelf
+beslissen, of hij ergens, ik zeg niet in zijn Henegouwen, maar in
+geheel Frankrijk, geestelijke zusters heeft gezien, die zoo vast in
+den zadel waren?"
+
+"En waarom," zeide Walcourt, zonder dadelijk te antwoorden, "zoudt
+gij haar dat onschuldig vermaak misgunnen?"
+
+"Misgunnen! Ik zal er mij wel voor wachten; want dan had ik nooit
+gedaan. Het smart mij genoeg, dat mijne zuster het Rijnsburger pak
+heeft aangetrokken en ik niet."
+
+"Dan ware immers de geheele adellijke jeugd wanhopend geweest,"
+zeide Walcourt.
+
+"Geene vleierij! daar heb ik bijna evenveel afkeer van als van de
+nieuwe hoeden, welke de Gravin wil invoeren. Zeg mij liever, om weer op
+ons gesprek te komen, zal dat Friesche wonder hedenavond verschijnen?"
+
+"Men zegt het," antwoordde Walcourt.
+
+"Dan mogen wij onze sluiers wel laten halen en onze gezichten bedekken:
+anders verbleeken wij nog als sterren voor de zon."
+
+"Indien haar schoonheid slechts niet bedorven wordt door die gekke
+kapsels die zij dragen," zeide Ottilia: "maar wij zullen, geloof ik,
+niet veel gevaar loopen: ik heb zooeven van mijn vader vernomen,
+dat zij niet komen wil."
+
+"Niet komen wil!" hernam Walcourt: "een Jonkvrouw, die een uitnoodiging
+weigert tot een danspartij. Inderdaad! dan is zij wel een uitzondering,
+en verlang ik dubbel haar te leeren kennen."
+
+"Wacht!" zeide Oda: "daar is onze Italiaan; die is bij haar geweest,
+hij zal ons best bericht kunnen geven. Ridder Deodaat! een woord,
+zoo 't u gelieft."
+
+Deodaat trad nader: "kan ik," zeide hij: "de schoone Oda van eenigen
+dienst zijn?"
+
+"Wij wilden van u vernemen, of dat Friesche mirakel ook ten hove komt,"
+zeide Oda.
+
+"En of zij waarlijk zoo schoon is, als men zegt," voegde Ottilia
+er bij.
+
+"En zoo voortreffelijk te paard zit."
+
+"En zulk een gek kapsel heeft."
+
+"Schoone dames!" zeide Deodaat: "vergunt mij een oogenblik adem te
+halen:--wat de schoonheid der Friesche Jonkvrouw betreft, geloof ik
+dat haar niemand die zal betwisten, te meer, daar zij er geenszins
+hoovaardig op is."
+
+"Ik geloof," zeide Oda: "dat in die woorden iets ligt besloten,
+dat een zijdelingschen zet moet beteekenen."
+
+"Vooral niet.--Over haar kleeding zou ik liever het oordeel van
+bevoegde rechters zooals gij vernemen; want ik durf mij niet vermeten
+tusschen klapmutsen en _hénins_ en oordekkers [24] te beslissen:
+dit alleen durf ik te zeggen, dat haar gelaat onder alle hulsels
+bevallen zou."
+
+"Waarlijk Ridder!" zeide Ottilia: "ik geloof dat gij verliefd zijt op
+die overzeesche tooveres: nu kleur maar niet: er steekt geen kwaad in."
+
+"Ik, lieve Jonkvrouw!" antwoordde Deodaat: "een Ridder zonder land
+en goed, en wien men gisteren nog een deugdzaam paard ontstal, heeft
+het recht niet om te verlieven;--anders had ik niet zoolang daarmede
+gewacht," voegde hij er met een beleefde buiging bij.
+
+"Nu verder," zeide Walcourt: "haar rijkunst....?"
+
+"Is voortreffelijk; doch ik moet er bijvoegen, dat die Friezen
+uitmuntende paarden op stal hebben."
+
+"De slotsom van dit alles is dus," hervatte Oda, "dat dit meisje
+een juweel is van het zuiverste water, en dat, als zij verschijnt,
+wij andere Jonkvrouwen geen Ridder meer aan onze zijde zullen vinden,
+en onze toevlucht tot een karoledans [25] zullen moeten nemen;--maar
+dat is nu de groote vraag: komt zij?--Of neemt zij alleen den wierook
+van hare Friesche aanbidders aan?"
+
+"Ziedaar een vraag, waarop ik het antwoord zal moeten schuldig
+blijven," zeide Deodaat: "de tijd zal het moeten leeren."
+
+"Maar in 's Hemels naam," hernam de levendige Oda: "zeg mij toch! wie
+is die kaalgeschoren liefhebber daar? Hemel! nu zag ik nooit iemand,
+die meer op een aangekleeden zeehond geleek dan hij."
+
+"Zoo gij," antwoordde Ottilia, "gisteren met ons op den Vogelesang
+geweest waart, hadt gij den held leeren kennen. Hij is een der
+Friesche afgevaardigden: en ginds is de andere in gesprek met den
+Heer van Beaumont."
+
+"Nu! die heeft ten minste het uitzicht van een gewoon mensch," zeide
+Oda: "maar deze kermisbeer! wat kijkt hij ons vervaarlijk aan."
+
+Hij, die het voorwerp was van deze liefderijke aanmerkingen, wandelde
+met langzame, zware stappen de zaal op en neder, ter prooie aan
+al de onaangename gewaarwordingen van iemand, die zich misplaatst
+en daardoor kwalijk op zijn gemak gevoelt in het gezelschap, waar
+zijn ongelukkig gesternte hem gevoerd heeft. Zonder verlegenheid,
+zonder blozen, had Adeelen zich dien namiddag voor den zetel des
+Graven bevonden en er zijn trotsche taal gevoerd; maar hier ontzonk
+hem de moed bij de schalksche en spotachtige blikken der jeugdige
+schoonen. Hij rekende zich eindelijk gelukkig, een paar Geldersche en
+Overijselsche edelen te vinden, met welke hij vroeger kennis gemaakt
+had en die zich thans zijn gezelschap niet schaamden. Te meer was
+hem zulks welkom, omdat hij, voornemens zijnde op het steekspel te
+verschijnen, deswege eenige inlichtingen wenschte te verkrijgen.
+
+Weldra kondigde een luidruchtige muziek de komst aan van het Grafelijk
+paar. Willem had een vroolijk en zelfs eenigszins spotachtig voorkomen;
+hij wendde zich meer dan eens naar den kant waar zich Aylva of Adeelen
+bevond en wreef zich de handen met innerlijke tevredenheid, welke
+aan Deodaat niet ontging, die den uitslag van des Graven voornemen
+met onrust en nieuwsgierigheid afwachtte.
+
+Dadelijk na de verschijning van het doorluchtige paar was de dans
+begonnen, en vroolijk zwierde de luchtige jeugd de zaal op en neder.
+
+"Hoe komt het toch," vroeg Oda in eene der tusschenpoozen aan Deodaat,
+"dat men uw vriend Reinout nergens verneemt? gij waart anders altijd
+onafscheidbaar."
+
+"Daaraan dacht ik juist," antwoordde Deodaat op een bezorgden toon:
+"ik veronderstel, dat hij bezig is een bevel des Graven ten uitvoer
+te leggen."
+
+"Wie weet," zeide de Jonkvrouw: "hij is misschien uw bekoorlijke
+Friezin gaan troosten; want het schijnt toch stellig zeker dat zij niet
+komt:--dan hoor: de muziek begint opnieuw.... die vioolspeelster krast
+ook als een schorre katuil!.... is het alweer dansenstijd?.... neen,
+dat is geene danswijs: het is een aankondiging van nieuwe gasten. Wie
+kan men thans nog wachten?.... Welnu, waarom kleurt gij weer
+zoo?.... Sinte-Clara! wie is die Oostersche Prinses?.... Ridder
+Deodaat!.... maar waar is hij?.... Aha! nu begrijp ik!...."
+
+Deodaat had naar de deur gezien, en ofschoon eenigszins voorbereid,
+hij stond toch van verbazing getroffen, toen hij, aan de hand van
+Reinout, de Roos van Dekama zag binnentreden, in den rijksten dos
+gehuld, en bloeiender dan immer. De Graaf, die haar blijkbaar had
+verwacht, trad terstond naar haar toe, nam haar eerbiedig bij de hand,
+welke Reinout losliet, en geleidde haar onder een heusche betuiging
+van welkom bij de Gravin.
+
+Dit alles had zoo spoedig en zoo achtereenvolgens plaats gehad,
+dat niemand tijd had gevonden, van de eerste verwondering over die
+onverwachte verschijning terug te komen. Aylva, in onderhoud gewikkeld
+zijnde, had Madzy niet eerder herkend, dan toen zij reeds bij de Gravin
+stond, en hoewel hoogst verbaasd en gebelgd over dit zonderling geval,
+had hij begrepen een geschikter oogenblik te moeten afwachten om zijn
+ontevredenheid te kennen te geven. Adeelen was, gelijk men denken
+kan, op het zien van Madzy in felle gramschap ontstoken, en had
+zich terstond begeven naar de zijde, waar deze zich bevond; doch,
+daar gekomen, was reeds de toevloed der nieuwsgierigen zoo groot,
+dat hij er niet doorheen kon breken zonder geweld te gebruiken. Hij
+wilde echter een poging doen en schoof reeds een paar jonge knapen,
+die hem in den weg waren, vrij onzacht ter zijde om door te dringen,
+toen Oda van Wassenaar, die door het gevolg van deze beweging mede
+een duw kreeg, hem van 't hoofd tot de voeten aanzag, terwijl zij op
+een scherpen en luiden toon zeide: "wie is die lompe dorper, die zich
+hier een weg maakt alsof hij aan 't biezen snijden ware?"
+
+"Schaam u! terug!" riepen als uit éénen mond de omstanders; terwijl
+zij Adeelen wederom achteruithaalden. De Fries trad gedwongen terug
+en ontmoette Reinout.
+
+"Door welke helsche kunstgrepen," zeide hij, "hebt gij Madzy van huis
+weten te lokken?"
+
+Reinout antwoordde alleen door een schaterend gelach; maar op het
+zien van Deodaat, die bij de aankomst van Madzy teruggeweken was en
+zich nu toevallig in zijn nabijheid bevond, betrok zijn gelaat.
+
+"Een kunstgreep, Ridder Reinout! Eilieve! verhaal ons toch...." riepen
+Ottilia en Oda en nog eenige Jonkvrouwen, van alle zijden toeschietende
+en als uit éénen mond: "is zij niet vrijwillig gekomen?"
+
+"Zij had geweigerd," antwoordde Reinout, een zegepralenden blik op
+Adeelen slaande: "of liever, men had voor haar geweigerd."
+
+"Welnu! en verder?"
+
+"De Heer van Beaumont en haar voogd dragen gelijke halsketens,
+hun beiden ter gelegenheid van ik weet niet welken veldtocht door
+den vorigen Graaf vereerd. Dit wist de Graaf: hij liet onder zeker
+voorwendsel aan zijn oom zijn halsketen afvragen: en, zoodra de
+gasten hier waren, zond hij mij naar de schoone Friezin om haar uit
+naam van haren voogd te gaan afhalen. Zij wilde eerst mijn boodschap
+niet gelooven; maar toen ik haar den talisman vertoonde en haar zeide,
+hoe Seerp Van Adeelen er sterk op stond, dat zij komen zoude...."
+
+"Een gevloekte leugen!" viel Adeelen met heftigheid in.
+
+"O! dat hebt gij niet gezegd, Ridder Reinout!" zeide Oda: "welke
+Jonkvrouw zou komen op het verlangen van iemand, die dames uit den
+weg zet, of het vouwstoelen waren."
+
+"Indien men," zeide Adeelen, "hier ten hove slechts genoodigd is om
+tot een doelwit van bespotting te strekken...."
+
+"Dan is het zeker beter, hoe eer hoe beter weder te vertrekken,"
+zeide Oda, den zin besluitende.
+
+"Ja! ik zal van hier gaan," zeide Adeelen: "doch niet zonder Madzy."
+
+"'t Is de vraag, of de Graaf van 't zelfde gevoelen zijn zal," merkte
+Reinout aan.
+
+"Zie," zeide Oda, "de kring opent zich. De Graaf treedt met haar
+vooruit. Inderdaad! zij is allerliefst: en welke rijke kleeding! 't
+Is wat vreemd! maar 't staat toch niet kwaad. Wat is dat voor een net,
+dat zij op den rug draagt? o! 't zijn hare haren."
+
+Er was eenige boosaardigheid in deze laatste aanmerking, ofschoon de
+vergelijking niet onjuist was. De raafzwarte haarlokken van Madzy, van
+boven bedekt door een klein mutsje of kapje, dat van edelgesteenten
+fonkelde, waren naar achteren gebracht in twee vlechten, die, langs
+den rug afdalende, onder den vergulden gordel doorliepen en zich daar
+verdeelden, elk in een tiental tressen met gouden lussen omwonden en
+in kwastjes uitloopende.
+
+"Die gouden oorijzers staan goed," zeide Ottilia: "maar ik vind het
+mutsje verschrikkelijk plat."
+
+"Dat mutsje beteekent," zeide Oda: "zooveel als een stroobosje aan
+een paard."
+
+"En hoe dat?" vroeg Ottilia, eenigszins verwonderd.
+
+"Wel," hernam Oda: "dat zij nog te koop, of, met andere woorden,
+nog vrijster is: de getrouwde vrouwen alleen mogen in Friesland een
+hoofdwrong dragen .... maar wie heeft ooit gehoord dat men met een
+voorschoot op een feest kwam?"
+
+"Dat zal bij 't kostuum hooren," zeide de goedhartige Ottilia:
+"bovendien, ik vind, dat het gewerkte boezeltje zeer aardig afsteekt
+op dat breed geplooide kleed: ik zou benieuwd zijn te weten, hoe men
+die gouden roosjes op de roode strepen en randen zet."
+
+"Zij gaat zeker op het steekspel een lans breken," vervolgde de
+bijtende Oda: "zij is immers reeds half geharnast."
+
+"Geharnast of niet: ik heb nooit zulk een pracht van gespen en ketenen
+en armbanden gezien...."
+
+"Zonder eens te spreken van dat sauskommetje met edelgesteenten dat zij
+op de borst draagt .... ik vind maar die bloote armen wat onhebbelijk."
+
+Hier verliet Reinout de dames, hoogst gebelgd over hare
+opmerkingen. Ook zij traden ter zijde, daar de Graaf haar
+voorbijging. Alleen Adeelen was blijven staan, misschien om, zooals
+Oda beweerde, Holland voor Friesland te doen wijken. Intusschen waren
+van de tegenovergestelde zijde Beaumont en Aylva toegetreden, zoodat
+de beide partijen elkander onderling midden in de zaal ontmoetten.
+
+"Edele Aylva!" zeide de Graaf beleefdelijk: "wij stellen uwe pupil
+weder in uwe handen en bidden u om verschooning, dat wij list gebezigd
+hebben om haar herwaarts te krijgen; doch waarlijk, deze prijs was
+meer waardig dan de onnoozele schaapsvacht, welke, zooals Jasper De
+Vinder verhaalde, door den dapperen Ridder Jason aan de Turken bij de
+Zwarte Zee werd ontroofd: en wij konden niet gedoogen, dat zulk een
+juweel binnen onze staten zoude aanwezig zijn en niet te voorschijn
+gebracht worden."
+
+"Hoe!" zeide Madzy verbaasd: "is het niet met de goedkeuring van mijn
+voogd, dat ik hier kom, en is deze keten...."
+
+"Graaf!" zeide Beaumont, die nu eerst inzag, hoe het geval zich had
+toegedragen: "had ik geweten dat mijn halsband had moeten dienen om
+hier bedrog te plegen, ik had dien liever in 't Sparen geworpen dan
+hem u te leenen."
+
+"Nu Oom!" zeide de Graaf: "zult gij u over een onschuldige kortswijl
+vertoornen? Zie slechts, de edele Aylva is niet langer verstoord."
+
+"Ik geloof niet," zeide Aylva, bedaard, "dat hier eenig oogmerk
+bestond om ons te beleedigen; en waarom zoude ik dan verstoord
+blijven? doch...." hier schudde hij bedenkelijk het hoofd:
+
+"Welnu!" vroeg Willem: "wat schuilt er nog?"
+
+"Men mompelt," fluisterde de Olderman den Graaf in 't oor, "dat Floris
+de Vierde vermoord werd om een even onschuldige boert met de Gravin
+van Clermont."
+
+"Wat meent gij?" riep de Graaf verrast en verstoord.
+
+"God geve dat de toepassing geene plaats vinde," zeide Aylva.
+
+"Amen!" hernam de Graaf, en zich terstond met een lachende tronie
+omwendende: "welnu jonker Seerp!" zeide hij: "hoe staat gij daar zoo
+in u zelven gekeerd? Wij brengen u uwe verloofde terug: het was immers
+niet betamelijk, dat gij zonder haar ons feest bezocht."
+
+"Ik zal de verplichting, die ik u schuldig ben, nimmer vergeten, Heer
+Graaf!" zeide Adeelen: "en hoop u eenmaal mijn erkentenis te bewijzen."
+
+"Gij kunt dit terstond doen," zeide Willem: "door aan de schoone
+Jonkvrouw de gelegenheid te verschaffen, hare danskunst te doen
+bewonderen. Komt! muziek daarboven! een nieuwe dans aangevangen!" Dit
+gezegd hebbende, wendde hij zich af.
+
+"Wil hij mij laten dansen?" vroeg Adeelen: "bij Sint-Nicolaas! dat
+zal niet gebeuren! Ik hoop dien vermetelen Graaf eerlang een dans
+te laten doen, die hem minder smaken zal. En gij mijn schoone! zoek
+u vrij een dansgezel uit. Seerp Van Adeelen verkiest niet langer de
+speelpop van dit gezelschap te zijn."
+
+Met deze woorden verliet hij de zaal, waar niemand hem miste noch
+betreurde. Reinout was nu terstond bij de hand om zijne plaats in
+te nemen en Madzy verschooning te verzoeken voor het deel, dat hij
+in 's Graven list had gehad. Hoewel nog ontevreden, zag zij zich
+wel genoodzaakt, hem vergiffenis te schenken, en als een bewijs
+daarvan de hand te aanvaarden, welke hij haar aanbood om haar ten
+dans te geleiden, en de zoetigheden aan te hooren, waarmede hij haar
+overlaadde. Gelukkig belette haar de muziek weldra die te verstaan,
+en toen zij eenmaal gelijk een vlugge luchtgeest langs de blijde rijen
+zweefde, vergat zij (en welk meisje doet het niet?) den toorn van
+haren verloofde, ja de geheele wereld, in de tuimelingen van den dans.
+
+Terwijl zij in eene der tusschenpoozen stilstond in de rij, en
+Reinout haar verlaten had om eenige ververschingen voor haar te halen,
+naderde haar Deodaat, die haar zijn genoegen over hare komst betuigde.
+
+"Ik had u al gezocht, Ridder!"--zeide zij met een gulle
+vriendelijkheid, welke hem verrukte: "het spijt mij, dat gij heden
+ongelegenheid hebt gehad om mijnentwil. Het berouwt mij waarlijk,
+in Holland te zijn gekomen."
+
+"Waarom zou het u berouwen? Ik zie niet, wat u beletten kan, hier een
+ongestoord genoegen te smaken: de aanleidende oorzaak van den twist
+is in vrijwillige ballingschap gegaan."
+
+"Voorzichtig! gij spreekt van Seerp Van Adeelen en ik mag geen kwaad
+van hem hooren."
+
+"Moet hij dan stellig uw echtgenoot worden? Gij zijt tot nog toe een
+roos zonder doornen."
+
+"De toekomst is in Gods hand," zeide Madzy, met een zucht: "doch
+waarlijk, Ridder! gij doet Adeelen onrecht: hij heeft zich aan u
+alleen van een ongunstige zijde voorgedaan; maar zijn hart is goed,
+zijn moed onloochenbaar, zijn aard opgeruimd en gedienstig, wanneer
+er zich geen volksgeest in 't spel mengt:--en altijd heb ik hem als
+mijn broeder geacht. Hij bemint mij oprechtelijk, met warme liefde:
+hij zou voor mij in een vuur vliegen: en zoo hij heden onbillijk
+streng jegens mij was, dit spruit alleen uit de gewoonte, welke hij,
+zooveel ouder zijnde, van kindsbeen af gehad heeft, om mij als zijn
+vrouwtje te beschouwen. Dit doet hem somtijds een meesterachtigen
+toon aannemen, die, ik gevoel het, aan vreemdelingen belachelijk of
+aanstootelijk moet voorkomen."
+
+Hier zweeg Madzy op eens, blozende, dat zij zoo vertrouwelijk met
+iemand gesproken had, wien zij eerst zoo kort had leeren kennen.
+
+"Gij bemint hem dan wel," zeide Deodaat.
+
+"Ik bemin hem als mijn broeder, gelijk ik u gezegd heb," zeide Madzy,
+eenigszins verlegen de oogen neerslaande.
+
+"Gij zoudt den man dan wel haten," vervolgde Deodaat, "die een geleden
+beleediging op uw aanstaanden echtgenoot zocht te wreken."
+
+"Ridder!" zeide Madzy, hem met een vervaarden blik aanziende:
+"Om Gods wil! wat beteekent deze vraag?"
+
+"Gij weet, edele Jonkvrouw! welken hoon ik van uw verloofde heb moeten
+ondervinden. Kan een dergelijke terging, in 't bijzijn van getuigen
+ondergaan, anders dan met bloed worden uitgewischt?"
+
+Madzy zweeg een wijl en zag toen Deodaat vreesachtig aan: "Ik
+heb wel eens gehoord," zeide zij, "dat gij Italianen wraakzuchtig
+zijt;.... maar neen: gij hebt toch niet het uitzicht van iemand,
+die zich van een moorddolk bedienen zoude."
+
+"Ik ben Ridder, Freule! en alleen op een Ridderlijke wijze kan ik
+mijn geschonden eer terugbekomen."
+
+"Ik heb van uw Ridderwetten gehoord," hernam Madzy, voor zich ziende:
+"en Adeelen zelf zou niet begeeren, dat ik u afhield van te handelen
+gelijk die wetten voorschrijven;.... maar o God! is dit een vraag om
+aan een meisje voor te stellen? en in een oogenblik als dit?"
+
+"Ik gevoel, dat het onderwerp van mijn gesprek ongepast is: doch in
+ernst, het is niet ontijdig.--God weet, of het mij immer weer vergund
+wordt met u een woord te wisselen. Een enkel woord van uwen mond,
+en die Adeelen zal niets van mij te vreezen hebben?"
+
+"Eén woord! en welk moet dit zijn?" vroeg Madzy, bevende.
+
+"Dat gij hem lief hebt, dat gij hem als uw minnaar, als uw gade
+bemint."
+
+Madzy werd doodsbleek: "en gij zoudt uwen hoon verkroppen, wanneer ik
+die betuiging deed?" vroeg zij, overmand door honderd tegenstrijdige
+gewaarwordingen.
+
+"Neen," hernam Deodaat: "maar ik zou uwe liefde en de mijne tevens in
+'t oog houden: alles kan ik doen, behalve uw geluk verstoren."
+
+Op dit oogenblik kwam Reinout terug en wierp een woedenden blik op
+Deodaat, zoodra hij hem in de nabijheid van Madzy en te gelijk de
+bleekheid van deze bespeurde. "Vergeef mij," zeide hij: "zoo ik een
+aangenaam onderhoud kom storen; maar de dans vangt weder aan: en ik
+kom de mij toegezegde hand terugeischen."
+
+Madzy, verward en ongerust, was blijde over dit voorwendsel, om
+een gesprek af te breken, waaruit zij zich niet wist te redden, en,
+de hand van Reinout nemende, volgde zij hem met een stillen zucht,
+die aan geen van beiden ontsnapte.
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Doe op en vrees niet: 'k ben uw vrient.
+ 't Is avont, en een tijt, dat ons geen vrientschap dient.
+
+ Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.
+
+
+Seerp Van Adeelen had, gelijk wij gezien hebben, het feest in drift
+verlaten. Daar zijn dienaars en die van Aylva met de paarden waren
+teruggereden, met last om hen weder tegen den afloop der partij
+te komen afhalen, zag hij zich genoodzaakt te voet huiswaarts te
+keeren. Hij legde echter den weg naar het oude klooster af met al
+dien spoed, welken gewekte drift kan veroorzaken, en, onder het
+overpeinzen van al de middelen, welke wraakzucht hem aan de hand kon
+doen, bevond hij zich, eer hij er om dacht, bij het weiland, van waar
+hij de sombere daken van zijn tijdelijk verblijf boven het geboomte
+zag oprijzen. Tot zijn bevreemding zag hij door de kleine zijpoort,
+die met de weide gemeenschap had, eenig licht schemeren. Wanneer
+men gramstorig is, verschaft zelfs de geringste omstandigheid nieuwe
+redenen tot ongenoegen. "Die vlegels!" dacht hij: "daar hebben zij
+weer de zijdeur opengelaten. Zeker zitten zij in kroegen en kitten
+te zuipen en laten het huis ter prooi aan elken voorbijganger!"
+
+Hij nam, ten einde zich van de waarheid zijner vermoedens beter
+te overtuigen, den weg langs het ons bekende pad over de weide,
+trad onverhinderd in huis, en stapte, eer iemand hem had opgemerkt,
+de bakkerij [26] binnen, waar Feiko, Sytsken en ettelijke dienaars
+bij de bierkannen vergaderd zaten en aandachtig luisterden naar de
+oude legende betreffende den draak van 't Roode Klif te Stavoren,
+welke hun een leekbroeder van Sint-Odulf verhaalde.
+
+"Wat is dit, schobbejakken?" zeide hij: "dat gij op dit uur met opene
+deuren zit?"
+
+De dienaars, wanende dat de vurige draak, waar zij van hoorden, op
+eens in hun midden verscheen, sprongen verschrikt op, en de verteller
+sloeg een kruis. Toen Adeelen intusschen zijn vraag herhaald had,
+en men hem herkende, betuigde Feiko niet te weten, waarvan de Jonker
+sprak, daar hij zelf al de grendels had dichtgeschoven.
+
+"Ik ben dus, volgens u, door het sleutelgat gekropen?" vroeg Adeelen:
+"en om uwe nalatigheid te bewimpelen, wilt gij mij aan het bezit mijner
+vijf zinnen doen twijfelen? sluit terstond de zijdeur dicht. En zeg
+mij, waar is de Abt?"
+
+"Zijn Eerwaarde is sedert een uur ter ruste gegaan," antwoordde
+de kloosterling.
+
+"En vader Syard?"
+
+"In zijn cel."
+
+"Ga! wek hem en zeg, dat ik hem wensch te spreken; of neen, ik zal
+zelf gaan." En, een licht van de tafel nemende, begaf hij zich uit
+het vertrek.
+
+De kamer, welke door vader Syard bewoond werd, was de laatste van een
+menigte cellen, alle op een lange smalle gang uitkomende, en volkomen
+gelijk in grootte en vorm, hebbende te voren gestrekt tot verblijf
+der Sint-Jans-Heeren en thans tot tijdelijke huisvesting der dienaars
+van het gezantschap. Elke cel was gesloten met een deur van dikke
+greenhouten planken, over wier ruwheid nimmer een schaaf scheen te
+hebben gegaan, en veel minder eenige verf: midden in die deuren was
+ter hoogte van het oog een kleine vierkante opening, van buiten met
+een schuif voorzien, door welke indertijd de pater Guardiaan zich
+'s avonds bij het doen zijner ronde kon verzekeren dat de bewoner
+der cel aanwezig was. Bij zijn nadering zag Adeelen door die opening
+een lichtstraal schijnen, welke aan de overzijde tegen den witten
+wand van het portaal werd teruggekaatst. Deze omstandigheid deed hem
+het besluit opmaken, dat de monnik nog wakker was: daar hij in een
+tegenovergesteld geval het licht wel zou hebben uitgedaan, alvorens hij
+zich ter ruste begaf. Dan, toen hij een paar stappen verder gedaan had,
+was het licht eensklaps verdwenen. Eenigszins verwonderd trad hij toe
+en, voor de deur der cel blijvende staan, riep hij met een halfluide
+stem door de opening: "slaapt gij reeds, vader Syard?" Hij ontving
+echter geen antwoord, maar hoorde nu dat de vrome monnik bezig was
+om in diepe duisternis zijn avondgebeden op te zeggen.
+
+"Vader Syard!" herhaalde hij luider: "kunt gij uw litanieën niet
+nog wat uitstellen? Ik wensch u te spreken: kent gij mij niet? Ik
+ben Seerp Van Adeelen! Nog eens, stel dat gebabbel uit: ik moet u
+noodzakelijk spreken."
+
+Ziende, dat er geen middel was om zich van het bezoek te ontslaan,
+stond de monnik op van de plaats, waar hij lag neergeknield, en
+ontsloot de deur. Adeelen trad binnen: de vreemde handelwijze van den
+pater had eenig vermoeden bij hem doen ontstaan. Hij lichtte zijn
+lamp omhoog en zag de cel rond: een werk dat spoedig verricht was,
+daar het lokaal niet veel breeder was dan de deur, waardoor men er
+binnenkwam, aan de eene zijde alleen een gekalkten wand vertoonde met
+menie geverfd, daar tegenover een slaapstede in den muur, met twee
+deuren gesloten, en over den ingang een raam, waaronder de tafel stond,
+die, benevens een koperen kruisbeeldje, een waterkruik en een houten
+zitbankje, het geheele huisraad der kamer uitmaakte.
+
+"Gij zijt hier voorwaar niet prachtig gehuisvest," zeide Adeelen,
+terwijl hij de lamp op de tafel en zijn persoon op de bank nederzette.
+
+"Ik heb meer dan het benoodigde," zeide de monnik, die met gekruiste
+armen voor hem stond: "mag ik weten wat u zoo onverwacht hier doet
+komen? Het feest kan toch nog niet afgeloopen zijn."
+
+"De duivel hale het feest en allen die er op zijn."
+
+"Gij sluit, hoop ik, den edelen Aylva uit en Madzy Dekama, die gelijk
+ik verneem, mede naar die samenkomst van dwazen is vertrokken. Het
+heeft mij verwonderd, dat een wijs man als haar voogd...."
+
+"Een schandelijk bedrog is jegens ons gepleegd: de oude gek is laf
+genoeg, het te verschoonen: Seerp Van Adeelen zal het nimmer vergeven."
+
+"Bedaar!" zeide de monnik: "het is een wijs voorschrift, dat men
+zijn gramschap moet uitslapen. Ga naar bed, Adeelen! morgen zal ik
+met aandacht luisteren naar 't geen gij mij te melden hebt."
+
+"Morgen!--morgen ontbreken ons wellicht tijd en gelegenheid: ik zal
+geene rust kunnen smaken voor ik lucht heb gegeven aan mijn verkropten
+spijt. Maar ik ben dorstig, en ik haat te spreken zonder de lippen
+te bevochtigen. Hebt gij hier niets te drinken?"
+
+"Geen anderen drank," zeide vader Syard, de waterkruik toonende,
+"dan dien welke de duinwellen opleveren."
+
+"Zoek wel," zeide Adeelen: "ik houde mij overtuigd, dat de cel van
+een Sint-Odulfschen kloosterbroeder iets meer bevat. Bij mijn laatste
+bezoek heb ik althans gemerkt, dat uw oude pater Agge een lieven
+voorraad echten Niersteiner onder zijn bedstede bewaarde."
+
+"Ik onderzoek niet wat anderen doen," hernam de monnik op een
+gestrengen toon: "mits ik zelf de voorschriften mijner orde nakome."
+
+"Zeer billijk. Maar misschien is het beter, dat ik voor deze reis
+uwen regel volge, en mij met water vergenoege. Mijn bloed behoeft
+niet meer verhit te worden."
+
+"Inderdaad!" riep vader Syard, verbaasd over deze woorden, de wijste,
+welke hij Adeelen ooit had hooren uitspreken, en nog meer over de
+gretigheid, waarmede hij hem de kruik aan den mond zag zetten.
+
+"En nu tot de zaak!" zeide Adeelen: "luister! en oordeel, welke wraak
+Adeelen nemen moet van hen, die hem zoo schendig durven beleedigen;" en
+hij gaf den monnik een volledig verslag van hetgeen er was voorgevallen
+op het feest en van de list, waarvan men zich bediend had om Madzy
+derwaarts te lokken.
+
+"En op welke wijze denkt gij dezen hoon te wreken?" vroeg vader Syard
+na eenige oogenblikken zwijgens.
+
+"Nog ben ik daarvan niet bewust; maar dit weet ik, dat ik niet tevreden
+wezen zal, voor ik dien hoogmoedigen Graaf zal geleerd hebben, wat
+het zegt, een Frieschen edelman te hoonen."
+
+"Gij ontzegt hem dan?" vroeg de monnik.
+
+"Ik heb hem niets te ontzeggen; want ik heb hem nooit als mijnen Heer
+erkend; maar ik verklaar hem oorlog: oorlog, eeuwigen oorlog aan den
+Graaf van Holland."
+
+"Amen!" zeide een doffe stem, welke uit den grond scheen te komen.
+
+"Wie sprak hier?" riep Adeelen uit, zich snel omwendende.
+
+"Wie weet het?" antwoordde de monnik, eenigszins onthutst: "wellicht
+een dienaar, die zijn avondgebed besluit in eene der naaste cellen. Er
+is slechts een planken beschot tusschen de bedsteden. Het is hier
+gehoorig; daarom wilde ik liever ons onderhoud tot morgen hebben
+uitgesteld."
+
+"Gij bedriegt u. Al de dienaars zitten in de bakkerij: de naaste cellen
+zijn ledig; maar de uwe besluit misschien meer toehoorders dan u." Dit
+zeggende stond hij op, zag vader Syard aan met een argwanenden blik en
+wendde vervolgens het oog naar de bedstede. "Die deuren," vervolgde
+hij, "zijn dicht genoeg om een verspieder te verbergen." En meteen
+leide hij de hand op den wervel.
+
+"Laat af!" riep de monnik, hem weerhoudende: "het is nog de tijd niet."
+
+"Ik wil zien wat hier schuilt," zeide Adeelen, hem terugstootende:
+"aha! wat hebben wij daar?"
+
+De dubbele deur der slaapplaats was opengevlogen, en had aan
+Adeelen een man vertoond, die half gezeten was en half nederlag
+op een peluw. In de eerste verbazing had Adeelen zijn dolk gevat;
+maar, de bedaarde en rustige houding des onbekenden bemerkende, het
+moordtuig weder in de scheede gestoken, en zich vergenoegd met een
+straffen blik te vestigen op hem, die zich verstout had, het gesprek
+te beluisteren. Die beschouwing viel niet geheel ten nadeele des
+vreemdelings uit. Deze scheen een jongeling van omstreeks dertig jaren:
+zijn kleedij kon moeilijk doen raden tot welken stand hij behoorde,
+maar vormde veeleer een mengelmoes, dat alle standen aanduiden
+kon. Over de groene kiel eens boogschutters was een monnikskleed
+als een omslagdoek heen geslingerd: aan de voeten pronkten laarzen,
+wier gouden sporen bij het lamplicht schitterden: de hozen waren
+rood evenals het ondervest; sierlijke blonde haarlokken krulden
+om het hooge voorhoofd, dat met een gemeene boerenmuts bedekt was:
+de regelmatige gelaatstrekken, de arendsneus en dunne lippen gaven
+moed en onversaagdheid te kennen; doch de hazelbruine, levendige
+oogen schenen tevens vernuft en loszinnigheid van karakter aan
+te duiden. De mond was tot een glimlach vertrokken, en de geheele
+houding des onbekenden, zooals hij daar uitgestrekt was, het hoofd half
+leunende in de linkerhand, terwijl de rechter, aan wier voorste vinger
+een schitterende ring prijkte, de kin omvatte, het eene been op het
+bed uitgestoken en het andere daarvan afhangende, teekende volkomen
+zelfvertrouwen en onverschilligheid omtrent de wijze, waarop Adeelen
+deze ontmoeting zoude opnemen. Nadat beiden elkander een geruimen
+tijd hadden aangestaard, brak Adeelen eindelijk het stilzwijgen met
+de natuurlijke vraag: "wie zijt gij? en wat doet gij hier?
+
+"Gij ziet het," was het even natuurlijk antwoord: "ik lig te bed."
+
+Hoe Adeelen tot toorn gestemd ware, kon hij zich niet onthouden van
+te glimlachen over dit onverwacht antwoord; doch weldra verkreeg de
+wrevel weder de overhand bij hem: "antwoord met meer bescheidenheid,"
+zeide hij: "of ik zou u berouw kunnen doen gevoelen over uw
+onbeschaamdheid. Ik heb hier volks genoeg om u geducht te doen af
+kloppen, en te leeren spreken als het noodig is."
+
+"In waarheid!" hernam de vreemdeling, altijd op denzelfden kalmen toon:
+"doch ik heb hier een vriend bij mij, die hun wellicht den lust tot
+dergelijke onhoffelijkheden zou doen vergaan." Dit zeggende toonde hij
+aan Adeelen een strijdbijl, wier gewicht en zwaarte geene vriendelijke
+groete voorspelde aan dengene, wien zij toegedacht was.
+
+"Wij zullen zien," riep Adeelen, toornig naar de deur gaande.
+
+"Om Gods wil! Jonker Seerp! bega hier geene onvoorzichtigheid,"
+zeide de monnik, hem terughoudende; "men heeft er reeds te vele
+begaan,"--voegde hij er bij, een ontevreden blik op den onbekende
+slaande.
+
+"Dat ziet op mij," zeide deze, schaterende van lachen: "Kom Seerp
+Van Adeelen! volg den goeden raad des paters, ga bedaard weer zitten:
+en laat ons vrienden zijn." En op de bank wijzende, ging hij volkomen
+overeind zitten in de bedstede en liet de beide beenen afhangen.
+
+"De stoutheid van dien kerel verbaast mij," zeide Adeelen, onzeker
+wat te doen: "nog eens, wie zijt gij, die tot Seerp Van Adeelen als
+tot uw gelijke spreken durft?"
+
+"Ik spreek tot hem als tot mijn mindere," antwoordde de vreemdeling,
+op een vroolijken toon, die als in weerspraak was met zijn woorden.
+
+"Tot uwen mindere!" herhaalde Adeelen, stom van verbazing en
+verontwaardiging. "En in aller Heiligen naam! wie zijt gij dan?"
+
+"Wie ik ben! mij dunkt," vervolgde de onbekende, den monnik aanziende
+met een vragenden blik: "dat de tijd nog niet gekomen is, om zulks
+te vertellen."
+
+"Neen! bij den hemel!" riep de monnik: "gij moet nu niet zeggen,
+wie gij zijt: ik smeek u daarom! gij zult de waardigheid, die gij
+bekleedt, niet tot een voorwerp van spot doen strekken, noch de eene
+onvoorzichtigheid op de andere stapelen. Seerp Van Adeelen! ik bezweer
+u! verlaat deze cel en vergeet wie en wat gij gezien hebt."
+
+"Wat ik gezien heb? twee verraders, die ik terstond zal doen straffen,
+zoo mijn woord hier eenig gewicht heeft."
+
+"Dat zult gij niet, dolzinnige!" hernam vader Syard, "de naam dezes
+mans moet u nog een raadsel blijven; doch dit verklaar ik u Willem
+de Vierde heeft geen grooter vijand dan hem."
+
+"Gij haat Willem den vierden," riep Adeelen, haastig tot den onbekende
+toetredende: "doch wie waarborgt mij de waarheid van hetgeen die
+monnik verzekert?"
+
+"Hoor!" zeide de onbekende: "ik mag u, daar de eerwaardige pater het
+zoo dringend verbiedt, mijn naam niet doen hooren; dit zij u genoeg,
+dat ik een edelman ben, zoowel als gij, ja van nog beroemder afkomst,
+al stamt gij van een Frieschen koning af.... doch hierover willen wij
+niet twisten. De Graaf is uw vijand: hij is ook de mijne. Zoo ik hier
+verschijn, het was om pater Syard te vinden en met hem de middelen
+te beramen om den trots des dwingelands te fnuiken. Dezen morgen
+sprak ik hem niet verre van hier; maar ik heb reden om te vermoeden
+dat ons gesprek beluisterd is geworden. In de hoop, dat wij hier meer
+ongestoord zouden spreken, had mij de eerwaarde monnik voorgesteld ons
+onderhoud in deze afgelegene cel te hervatten. Wij werden gestoord
+door uwe komst en onwillig, mij aan iemands oogen bloot te stellen,
+verschool ik mij in deze bedstede, waar ik bijna gestikt ware. Toen
+ik u zoo luidkeels wraak over den Graaf hoorde roepen, kon ik mij niet
+weerhouden, een hartelijk amen uit te spreken, en daardoor vrijwillig
+mijn aanwezigheid te verraden. Had ik mij niet evengoed kunnen
+stilhouden, en is hij een verspieder, die zich zelven dus aanmeldt?"
+
+"Er is veel waars in 't geen gij zegt," merkte Adeelen aan: "doch...."
+
+"Doch mijn mond is schor van het praten: en zoo gij u met water
+vergenoegt, ik zou wel een meer opwekkenden drank verlangen. Broeder
+Syard! wees zoo goed en haal een kan wijn boven. Die brave Jonker zal
+mij wel gezelschap houden en een beker ledigen op de onafhankelijkheid
+van Friesland."
+
+Vader Syard schudde het hoofd en zag Adeelen met een blik aan,
+welke den tegenzin, dien hij gevoelde, om het onderhoud te rekken,
+blijkbaar aankondigde.
+
+"Ga!" zeide Adeelen, wiens drift nu geheel bedaard was en voor
+nieuwsgierigheid had plaats gemaakt: "ga! en zeg dat ik wijn verlang."
+
+De monnik haalde de schouders op en vertrok. "Voorwaar!" zeide de
+vreemdeling toen: "ik had hem wel mogen gelasten een paar goede stoelen
+mede te brengen; want de zitplaatsen zijn schaarsch en ongemakkelijk:
+en, wanneer men praat en drinkt, is een leunstoel met open armen en
+gevulde kussens voor de tafel geschoven, gansch geen verwerpelijk
+ding."
+
+"Zoo gij liever in mijn vertrek wilt komen," zeide Adeelen: "het
+huisraad is er zeker beter in orde en...."
+
+"En ik zal er blootstaan aan de nieuwsgierigheid uwer dienaars? Ik
+dank u."
+
+"Gij zult er niemand zien, zoo gij zulks niet verlangt: en ik zou den
+strot afsnijden aan dengene, die zoo stout ware eenige vraag omtrent
+u te doen."
+
+"Nu! zoo gij mij daarvan verzekert," hernam de vreemdeling, opstaande
+en zijn beenen schuddende, die verdoofd waren door den gedwongen
+toestand, waarin zij verkeerd hadden: "dan is het mij wel."
+
+"Voortreffelijk. Laat den monnik u den weg naar mijn kamer wijzen:
+ik zal voorgaan om te zorgen dat ons niemand store."
+
+Dit zeggende, nam hij eene der lampen op, stak de andere aan, ten
+einde zijn nieuwen kennis niet in 't duister te laten, en wilde zich
+verwijderen, toen de vreemdeling hem bij den arm terughield.
+
+"Een oogenblik!" zeide deze: "wie waarborgt mij, dat gij mij niet
+bedriegt en uw dienaars niet gaat roepen om mij te vangen?"
+
+"Zoo het woord van een vrijen Fries niet bij u geldt," zeide Adeelen,
+"is het nutteloos, tijd te verspillen met een verder onderhoud. Dan
+kunt gij u onverlet verwijderen."
+
+"Ga dan!" hernam de onbekende: "ik vertrouw mij op u."
+
+Adeelen vertrok, en den monnik op de trap ontmoet hebbende, deelde
+hij hem het opgevatte voornemen mede, 't geen bij vader Syard nieuwe
+stof tot ongenoegen scheen te verwekken. Echter, na een oogenblik
+te hebben nagedacht: "uw vertrek," zeide hij, "is, zoo ik mij niet
+bedrieg, juist onder het mijne."
+
+"Dat zal wel zoo zijn:--doch waarom die vraag?"
+
+"Des te beter:--gij zult er de reden wel nader van bespeuren."
+
+Zij verlieten elkander; en na eenige minuten waren Adeelen en zijn
+beide gasten op hun gemak in zijne kamer gezeten om eene tafel,
+waar een welgevulde wijnkan met drie bekers op tafel stond te prijken.
+
+Terwijl Adeelen en de vreemdeling zich met eenige goede teugen
+verfrischten ('t geen de monnik volstandig afsloeg) bleven zij
+elkander schier zonder spreken nieuwsgierig aanzien, als onzeker wie
+de eerste zijn zou om het onderhoud, dat zoo belangrijk wezen moest, te
+beginnen. Eindelijk kon Adeelen zijn ongeduld niet langer bedwingen: de
+beide ellebogen op de tafel leggende en zijn kin op de saamgevlochten
+vingers der beide handen doende rusten, ving hij aldus aan:
+
+"Welnu! ik zal den sleutel verkrijgen van hetgeen mij tot nog toe
+onbekend is? Op welke wijze zal mij uwe hulp te stade komen, om
+Friesland van 's Graven heerschzucht ontslagen en mijn eer gewroken
+te zien?"
+
+"Behaagt het u," vroeg de monnik aan den onbekende, "dat ik den Jonker
+mededeele wat hem noodig is te vernemen?"
+
+Een toestemmenden knik ontvangen hebbende, ging vader Syard aldus
+voort:
+
+"Gij moet dan weten, Seerp Van Adeelen! dat Friesland niet het
+eenige gewest is, hetwelk reden heeft om zich over de verkorting van
+lang genoten vrijheden te beklagen. Ook in het Bisdom van Utrecht
+heeft de heerschzucht des Graven hem vijanden berokkend, die, zijn
+onverdraaglijk juk moede, alles in de waagschaal willen stellen, om
+zich daarvan te bevrijden. De keuze van den voormaligen Bisschop,
+Jan Van Diest, ten gerieve van Grave Willem den Derden gedaan,
+had bijna geheel het Sticht onder de heerschappij der Hollanders
+gebracht. Na hem had, gelijk u bekend is, de tegenwoordige Graaf,
+begeerig, zijn eens verkregen gezag te handhaven, opnieuw een leenman
+van Holland, een afstammeling uit het beroemde huis van Arkel, op
+den Bisschoppelijken zetel weten te plaatsen."
+
+"Dat alles heb ik meer gehoord," zeide Adeelen; "die Bisschop is
+immers in Friesland geweest om de kloosters te bezoeken?--Ik heb hem
+niet gezien: men zeide, dat hij nog geen baard aan de kin had."
+
+"Met of zonder baard," vervolgde de monnik, "hij toonde met de daad,
+dat hij de belangen zijns Bisdoms behartigen wilde en dat hij niet,
+gelijk zijn voorganger, een tamme sperwer was, gereed om van 's
+meesters hand te vliegen en voor dezen het wildbraad op te vangen:
+maar een grootmoedige adelaar, vaardig om weerstand te bieden aan al
+wie hem zocht te fnuiken. Bijna al de bezittingen van het Bisdom waren
+wegens schulden aan den Graaf verpand: om die schulden af te lossen,
+en daardoor het Sticht aan den invloed van Holland te onttrekken,
+verliet Arkel de mijterstad en ging hij stil en afgezonderd in
+Frankrijk leven. Intusschen liet hij te Utrecht zijn broeder Robbert
+achter en, met hem, mannen, wier hart van ijver blaakt om het Bisdom
+tegen alle aanmatiging van buiten te verweren en tot zijn alouden
+luister te verheffen. Hiertoe willen zij in de eerste plaats den
+Grave, die zich het momboirschap van het Sticht heeft toegerekend,
+alle inzien van stukken, benevens de hun gevraagde rekening en
+verantwoording weigeren."
+
+"Ik zie, waar dat heen moet," viel Adeelen in: "de rekening wordt
+geweigerd: en de Graaf rukt het Sticht in met zijn heir."
+
+"Indien hij niet wordt voorgekomen," zeide de vreemdeling,
+glimlachende.
+
+"Welnu!" hernam de monnik: "het oogenblik, dat het Sticht als één
+man tegen Holland opstaat, zij ook dat van Frieslands bevrijding."
+
+"Ik versta u," zeide Adeelen: "de wapenkreet, die in Utrecht wordt
+aangeheven, moet door de Collumsche en Amelandsche duinen worden
+teruggekaatst. Welaan! aan mij zal het niet ontbreken."
+
+"Hebt gij invloed genoeg in Friesland," vroeg de Stichtenaar,
+wiens gelaat op eens een meer ernstige plooi aannam, "om dit te
+bewerkstelligen?"
+
+"Ik sta in voor geheel Westergoo, dat mij gezonden heeft," antwoordde
+Adeelen: "en, zoo mijn echt intijds voltrekken wordt, zal ik een
+aanhang kunnen vormen, sterk genoeg om den geheelen adel van Friesland
+mijne banier te doen volgen."
+
+"'t Is wel! doch uw mede-afgevaardigde, de zendeling van Oostergoo? Hij
+schijnt meer ten vrede geneigd."
+
+"Hij moge alleen gaan pruilen op zijn stins," hernam Adeelen:
+"Friesland heeft moedige zonen genoeg en zal hem niet missen. Wat de
+geestelijke huizen betreft...."
+
+"Daarvoor sta ik in," zeide vader Syard. "Hun afhangelingen zullen
+niet achterblijven op den dag des gevaars."
+
+"En dan," vervolgde Adeelen, wiens oogen meer en meer van geestdrift
+begonnen te fonkelen: "dan hebt gij, behalve de volgers van Edelen en
+Papen, die onbuigzame inwoners onzer steden, wier voorhoofd gloeit,
+wanneer zij een Hollander hooren noemen, en die nering en bedrijf
+verlaten zullen en met het zwaard opkomen, zoodra de kans hun schoon
+staat om een Hollander af te kloppen."
+
+"Voortreffelijk!" riep de vreemdeling uit: "en wanneer dan alles wat in
+Twente, in Salland en in Drente onderhoorig is aan het Bisdom, wanneer
+de moedige Stellingwervers en de Groningers, en die Westfriezen,
+die nog de dagen van Koning Willem niet vergeten zijn, zich allen
+vereenigen, dan zal de Meester van alle soldaten en Regent van alle
+vorsten, zooals de Graaf zich door zijn vleiers noemen laat, werks
+genoeg hebben om zijn hoofd voor de uitbarsting van het onweer te
+beveiligen. Hier!" vervolgde hij, een vollen beker omhoogheffende:
+"drinken wij op het welslagen van ons heilig verbond!"
+
+"Op het wèlslagen," zeide Adeelen: "maar," vervolgde hij, van toon
+veranderende, "mag ik nu eindelijk weten, met wien ik het verbond
+aanga?"
+
+De vreemdeling wilde antwoorden; maar vader Syard kwam hem voor:
+"deze edelman," zeide hij, "brengt ons de wenschen en verlangens
+over van de Utrechtsche Kapittels. Thans mogen wij u niets meer
+zeggen. Laat ons liever eens nadenken over hetgeen ons nu te doen
+staat. Is het uw voornemen niet" (zich tot den Stichtenaar wendende)
+"morgen naar Utrecht te vertrekken, ten einde aldaar uwe maatregelen
+te beramen en ten uitvoer te brengen?"
+
+"Morgen!--Neen!--ik moet nog een paar dagen hier blijven: er zijn nog
+onder die groote heeren, die hier te feest komen, enkelen aan wie ik
+een woord in 't vertrouwen heb te zeggen:--doch ik zal schrijven. Die
+Barbanera, of hoe hij heeten mag, kan een brief medenemen."
+
+"Hij is, zoo ik vernomen heb, in de hut des boschwachters opgelicht
+en te Haarlem gevangengezet," zeide vader Syard.
+
+"Ja!--maar gelukkig weder ontslagen en naar Hillegom gebracht, van
+waar hij of zijn makker terug zou keeren om mijn bevelen aan de
+vervallen loods in 't duintje af te wachten. Wees nu slechts zoo
+goed mij eenig schrijfgereedschap te verschaffen; want ik vrees,
+dat de kamer van dezen Jonker daarvan slecht voorzien zal wezen."
+
+"Gij kunt schrijven!" zeide Adeelen verbaasd, nadat de monnik
+vertrokken was.
+
+"Is dat wonder voor een afgevaardigde der Kapittels? maar ik kan
+meer dan dat, gelijk gij zien zult, indien gij u overmorgen op 't
+steekspel bevindt."
+
+"Voorzeker hoop ik daar te komen," zeide Adeelen.
+
+"Welnu! zoo gij op een Ridder let, in een blanke wapenrusting, met een
+rooden arend op den helmkam, zult gij ten minste iemand zien, die niet
+zonder eer het strijdperk verlaten zal.... maar stil! onze waardige
+pater komt terug: en die behoeft van dit alles niets te weten!"
+
+De monnik trad binnen en plaatste het schrijfgereedschap op tafel. De
+Stichtenaar greep hasstig naar een blad perkament en deed zijn
+ganzeveder vaardig daarover gaan.
+
+"Maar zoo uw brief onderschept wordt en de Italiaan ons
+verraadt? _Verba volant, scripta manent_, [27] zegt de spreuk."
+
+"Al wordt de kokeler gepakt en doorsnuffeld, zullen zij mijn brief
+voor niets anders aanzien dan voor tooverspreuken en bezweringen. Ik
+versta mij ook een weinig op het cijferschrift."
+
+Dit gezegd hebbende, zette hij met zulk een vlugheid zijn arbeid voort,
+dat Adeelen, die vaak de moeite had gezien, waarmede de goede Abt van
+Sint-Odulf eenige letters formeerde, er over verbaasd stond. Toen
+het echter een poos geduurd had en de tweede brief begonnen was,
+namen verveling en vervolgens een onbedwingbare vaak de plaats der
+verbazing in en welhaast verkondigde een luid gesnork aan de beide
+saamverbondenen, dat hun bondgenoot in slaap was gevallen.
+
+"En nu, daar onze vriend ons niet hooren kan," zeide de Stichtenaar,
+zijn brieven dichtvouwende: "zeg mij, waarde broeder, waarom gij er zoo
+tegen waart, dat ik mijn waardigheid aan dien edelman bekend maakte?"
+
+"St! Stil!" zeide de monnik, den vinger op den mond leggende.
+
+"Hij kan ons niet meer hooren," zeide de vreemdeling.
+
+"_Fortasse oculis tantum dormit_," hernam de monnik:--"_Sed quominus
+hunc juvenem vestrae dignitatis certiorem faciamus, vetat et ipsius
+imprudentia, vetat et securitas vestra, quae maxime periclitaretur,
+si repertum esset, tam insolenti habitu absconsam esse ecclesiae spem
+deliciasque nostrae_." [28]
+
+"_Et libera nos a malo, amen_!" zeide Adeelen, die, door het
+gesprek weder wakker wordende, zich verbeeldde dat de monnik een
+Vader Ons opzeide: "wat prevelt gij toch?" vervolgde hij, zich de
+oogen wrijvende.
+
+"Kom! al genoeg geredeneerd," zeide de vreemdeling, opstaande: "kunt
+gij mij nu ongemerkt hier uitlaten? dan ga ik mijn verblijfplaats
+opzoeken."
+
+"Ik heb zelf last gegeven de achter- en zijpoort te sluiten," zeide
+Adeelen: "doch de groote poort staat nog open. En dan, al zag men u,
+wie zou vrijpostig genoeg zijn om mij te vragen, welk laat bezoek ik
+gehad heb?"
+
+"Ik bid u," zeide vader Syard, "bedenk dat alle onvoorzichtigheid
+schadelijk wezen kan. Al de dienaars zijn nog wakende, om op den Heer
+van Aylva te wachten, en gij zoudt onmisbaar gezien worden:--vernam
+de Olderman of de eerwaarde Abt iets van ons gesprek, het kon voor
+ons allen gevaarlijk zijn."
+
+"Zoo ik den tuinmuur overklom...." zeide de Stichtenaar.
+
+"Indien ik mijn gevoelen uiten mag," vervolgde de monnik, zonder dit
+laatste voorstel in aanmerking te nemen, "zou ik van oordeel wezen,
+dat gij hier dezen nacht bleeft vertoeven, daar het mij morgen veel
+lichter zal vallen om u, als iedereen vermoeid van de nachtwaak in
+diepe rust ligt, van hier te doen ontsnappen."
+
+"Ja! maar de brieven," zeide de vreemdeling: "hunne bezorging eischt
+spoed."
+
+"Ik geloof waarlijk, dat er al verspieders in aantocht zijn," zeide
+Adeelen, die intusschen door het raam had gezien: "ik heb daar een
+gedaante door het bosch zien sluipen."
+
+"Wij zijn onvoorzichtig geweest," zeide de monnik, zich voor het
+hoofd slaande: "wij zitten hier met licht: en iemand, die de moeite
+neemt om een der boomen, welke buiten staan, te beklimmen, kan ons
+alle drie herkennen.... doch! bij alle heiligen! wat is dat?"
+
+De verbazing des monniks was niet ongegrond: er werd van buiten tegen
+het raam getikt.
+
+"Wie is daar?" riep Adeelen, met drift het venster opendoende. "Het is
+de Booze!" zeide hij, toen op hetzelfde oogenblik een zwarte gedaante
+naar binnen sprong en, zich op de tafel neerzettende, de aanwezigen
+tegengrinnikte.
+
+"Aha! zijt gij het, meester Cezar!" zeide de vreemdeling: "dan zal
+uw meester waarschijnlijk niet verre af zijn. Hij zal ongerust over
+mijn uitblijven zijn geworden, en mij dezen boodschapper hebben
+toegezonden. Mij dunkt, ik zie hem reeds beneden aan den muur
+staan. Zijt gij het, Daamke?"
+
+"Tot uwen dienst," klonk zachtjes het antwoord van den nar.
+
+"Voortreffelijk! hier zijn twee brieven ter bezorging; wil ik ze
+u toewerpen?"
+
+"Voorzichtig!" zeide de monnik, hem terughoudende, "er groeien zoovele
+en zoo dichte struiken om de muren, dat de kerel er vruchteloos naar
+zoude zoeken."
+
+"Nog beter!" hernam de Stichtenaar: "wij hebben immers den bode bij
+ons. Hier, meester Cezar! neem deze brieven en breng ze behendig aan
+den baas: Daamke! roep uw aap!"
+
+Daamke floot slechts even, en gezwind sprong Cezar met de brieven
+het raam uit en op den schouder zijns meesters, die zich terstond
+verwijderde. De drie bondgenooten oogden hem zoo lang na als de
+duisternis het veroorloofde en sloten vervolgens weer het raam.
+
+"En nu!" zeide Adeelen, wien intusschen een nieuw denkbeeld was voor
+den geest gekomen: "uwe zaken zijn afgehandeld, heer vreemdeling,
+wie gij zijn moogt! nu moet ik ook eens aan de mijne denken. Ik had
+eerst den monnik willen vragen, mij behulpzaam te zijn, maar dewijl
+ik in u iemand vinde, die zoowel met de ridderlijke gebruiken als
+met het hanteeren der pen bekend is, wend ik mij nog liever tot u."
+
+"Laat hooren," zeide de vreemdeling: "en zoo mijne zwakke talenten
+u van dienst kunnen zijn, ziet gij mij daartoe bereidvaardig."
+
+De Friesche edelman stelde hem hierop zijn verlangen voor. Daar de
+uitslag van hun verder onderhoud in het vervolg dezer geschiedenis
+blijken zal, is het ons onnoodig voorgekomen, de verschillende
+tegenwerpingen en bedenkingen, door den onbekende en door vader
+Syard gemaakt, en het ten laatste gevormd besluit hier ter plaatse te
+vermelden. Wij zullen ons derhalve vergenoegen met te zeggen, dat de
+Stichtenaar, na den afloop van het gesprek, in een der armstoelen
+een zachte rust vond, waaruit hij vroeg in den morgen door den
+monnik gewekt en daarna ongemerkt buiten de muren van het gebouw
+gebracht werd.
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Wat baten me uwe orakelblaên?
+ Hoe ik mijn zinnen ook moog slijpen,
+ Ik kan de woorden niet verstaan
+ En evenmin den zin begrepen.
+
+ Hoffham.
+
+
+De twee dagen, verloopen sedert het tijdpunt, van waar ons verhaal
+is uitgegaan, waren vervuld geweest met voorvallen en avonturen van
+onderscheidenen aard, die, zoo al niet voor onze lezers, dan althans
+voor de helden onzer geschiedenis belangrijk mogen genoemd worden;
+maar evenals een reiziger niet altijd op weg verrast wordt door
+natuurtooneelen, rijk in verscheidenheid en afwisseling, maar zich
+somtijds moet getroosten een eenzame heide, een dorre zandwoestijn of
+een moerassige landstreek door te trekken; zoo komen er, ook zelfs in
+het woeligste tijdperk des levens, dagen voor, wier onbeduidende loop
+door geene enkele opmerkingswaardige omstandigheid wordt afgewisseld:
+zoodanig een dag was die, welke op het dansfeest volgde en het
+steekspel voorafging; een dag als alle soortgelijken, waarop men
+uitrust van de vermoeienissen des vorigen avonds en zich voorbereidt
+op die van den volgenden morgen. Maar met dat al, en schoon er weinig
+voorviel, dat hier verdient opgeteekend te worden, was het een dag
+van woeling en drukte en gerucht: geene straat was er in Haarlem, waar
+niet de moker van den wapensmid weergalmde, waar men geen snijder op
+zijn tafel zag, bezig met wapenrokken te bewerken of te herstellen,
+waar geen helmslager nieuwe nagels in de stormhoeden dreef, waar geen
+bontwerker bezig was met pluimen van allen vorm en kleur te vereenigen,
+waar eindelijk geen talrijke drom van Ridders en schildknapen heen en
+weder liep om zich aan te schaffen wat nog ontbrak, ten einde in vollen
+luister op het Tornooi-veld te kunnen verschijnen. Hier en daar zag men
+groote hoopen van toekijkers, waar een goudsmid bezig was zijne kunstig
+gedrevene sieraden aan het gevest van een zwaard of aan de oppervlakte
+van een maliënkolder vast te hechten: of waar een vernuftige schilder
+het blazoen of de leenspreuk eens Ridders op het breede schild of op
+het spiegel gladde borstkuras in frissche verven afmaalde, of waar
+een borduurder de laatste hand zette aan een banier, schitterende van
+goud- en zilverdraad, of de geestigste kleuren op sluiers en sjerpen
+wist te mengelen. Wat verder zag men meisjes bezig met het vlechten
+van bloemkransen en festoenen, bestemd om de straten te versieren,
+en van die groote kronen, welke, midden in de hoofdstraat opgehangen,
+bij het doortrekken des Graven worden neergelaten, ten einde hem te
+vangen en den losprijs van eenige kleine muntspeciën voor de jeugdige
+vervaardigsters te verwerven. Karren met hout voor stellages en
+borstweringen, of met groene sparretakken en ander loof beladen,
+reden gedurig heen en weder naar de groote markt, of het _Zand_,
+gelijk het toen genoemd werd, dat tot het steekspel bestemd was en
+waar onze vriend Claes Gerritsz zwoegende en zweetende tusschen een
+vijftigtal werklieden op en neder liep, om te zorgen dat alles ter
+bestemder plaatse wierd gezet en beschikt: ofschoon zijn aanwijzingen
+meermalen werden veranderd en zijn bevelen in den wind geslagen,
+zoo dikwerf die in strijd waren met den last der Herauten, die, als
+bekend met al hetgeen bij zulke plechtigheden noodig en behoorlijk was,
+zich weinig aan zijn beklag of aanmerkingen deswege stoorden.
+
+"Het is toch een ergerlijke zaak," bromde hij dan, "en die tegen
+alle Privileges aandruist, dat zich bij een feest, dat binnen
+Haarlem gegeven wordt, vreemdelingen zooveel aanmatigen, en wijzer
+willen zijn dan poorters, die schot en lot betalen! Ben ik dan geen
+marktschrijver? en is mij door het bestuur de taak niet opgedragen
+om alles naar eisch te schikken en te regelen? En ken ik het Zand
+niet beter dan die roodrokken, die van tornooien van Keulen en
+Bamberg spreken, alsof de gelegenheid overal eveneens ware?--Ja, bij
+Sint-Gangolf! men ziet wel dat wij een vreemden vorst hebben, en dat
+het bestuur van Haarlem slechts uit oogendienaars is samengesteld,
+om zulke zaken te dulden."
+
+Men kan begrijpen, dat op dezen dag de drie minnaars van Madzy ook,
+evenals meer andere Ridders, bijna geen oogenblik tijd hadden om
+zich buiten Haarlem te begeven, zoo bezig waren zij met het in orde
+brengen hunner toerusting voor den volgenden dag. Reinout was Deodaat
+bestendig ontweken, wanneer zij elkaar bij toeval op straat of in een
+werkplaats ontmoetten: en Adeelen, die nu een bepaald voornemen in
+'t hoofd had, zag hen, zoo dikwijls hij hen tegenkwam, met een koele
+bedaardheid aan, als wilde zijn rustige blik hun te kennen geven: "wij
+zullen heden maar geen twist zoeken: dat zal zich morgen wel vinden:
+borgen is geen kwijtschelden."--Maar wat het meest opmerking verdiende,
+was, dat de Fries, niettegenstaande de hooge vooringenomenheid met
+alles, wat in zijn vaderland vervaardigd en bereid was, zich te
+dezer gelegenheid zoozeer verloochende, dat hij zich een volkomen
+wapenrusting in Haarlem aanschafte en onder zijne oogen in orde liet
+brengen; want hij was toch met al zijne hoofdigheid verstandig genoeg,
+om te erkennen, dat het lichte kuras, hetwelk hij uit Friesland had
+medegebracht, niet proefhoudend zou wezen tegen de stevige lansen,
+die hij overal zag ronddragen, en dat zijn kromgebogen zwaard wel
+geschikt was om, gelijk twee dagen te voren, schrik aan te jagen onder
+een ongewapenden hoop, maar hem van geen nut zoude wezen indien hij
+daarmede op een maliënkolder in moest houwen, of een der reusachtige
+kampdegens afkeeren, welke de Ridders van dien tijd op zijde droegen.
+
+Terwijl hij zich met deze toebereidselen onledig hield, was de schoone
+Madzy, vergezeld van den Heer van Aylva, den Kloostervoogd, vader
+Syard en eenig gevolg, een morgenbezoek bij de arme Elske gaan doen,
+en hadden zij vervolgens hun wandeling door de omliggende bosschages
+voortgezet. Het onderhoud was onmerkbaar afgeloopen, daar ieder zijn
+bijzondere redenen tot ernst en nadenken had. Madzy was, gelijk meer
+jonge maagden, in wier boezem een ontkiemende liefde woont, weemoedig
+en stil: zij poogde, maar vruchteloos, de gedachte aan den edelen
+Deodaat, aan zijn vroolijk en aangenaam onderhoud van den vorigen
+morgen, aan zijn ontmoeting met Adeelen en aan zijn geheimzinnige
+woorden op het feest, uit haar geest te verbannen: somtijds wenschte
+zij, dat zij Friesland nooit verlaten en hem daardoor niet ontmoet had;
+dan huiverde zij tegen het denkbeeld, dat zij slechts korte dagen in
+Holland verblijven zoude, en dan waarschijnlijk den jongeling nimmer
+terugzien, in wien zij zulk een hoog belang stelde. Maar ook den
+volgenden dag zag zij met schrik te gemoet: men had haar wel gezegd
+dat het steekspel, gelijk het woord zulks medebracht, alleen een
+spel zoude zijn, waarop geen andere dan geknotte wapenen gebezigd
+werden; maar zij wist tevens, dat somtijds ongelukkige toevallen,
+somtijds bijzondere haat en wrok, oorzaak waren, dat dergelijke
+feesten een treurigen in stede van een vroolijken afloop hadden: en
+zij herinnerde zich het voorbeeld van den ongelukkigen Floris, door
+haar voogd den avond te voren aangehaald, toen het blijde tornooispel
+in een bloedbad verkeerde. Zij kende den wrok, door Adeelen tegen
+den Graaf en ook tegen Deodaat gekoesterd: zij besefte de redenen,
+welke deze laatste had om zich over de hem aangedane beleediging te
+wreken: zij wist niet, tot welke uitersten de spijt hem drijven kon:
+en zij sidderde voor beiden: voor beiden, zeggen wij, want, ofschoon
+haar hart voor Deodaat sprak, een lange en oude verknochtheid en
+zusterlijke vriendschap hechtte haar aan den edelen Fries.
+
+Aylva was insgelijks niet zonder ongerustheid: niet zoozeer over den
+uitslag van Adeelens wrok voor zooveel dezen persoonlijk aanging (want
+de gedurige oneenigheden en vechtpartijen, welke in Friesland tusschen
+de Schieringers en Vetkoopers plaats vonden, hadden hem reeds zekere
+mate van onverschilligheid omtrent dergelijke twisten gegeven)--als wel
+over het dreigend onweer, dat zijn vaderland boven het hoofd hing. Hij
+had genoeg gezien, om te begrijpen, dat, zoo al de Friezen halsstarrig
+bleven weigeren zich aan Graaf te onderwerpen, deze, even hardnekkig
+als zij, op die onderwerping zou blijven staan, en dat derhalve vroeg
+of laat een oorlog hiervan het gevolg zou zijn: en wanneer hij dan de
+ontzettende macht, die de Graaf te velde kon brengen, met de geringe
+verdedigingsmiddelen, welke Friesland daartegenover kon stellen,
+de geoefendheid en krijgstucht van Willems legerschaar met den
+ongeordenden staat des Frieschen volks, de éénheid, die den aanval
+zou besturen, met de verdeeldheid, die bij de verdedigers heerschte,
+vergeleek, dan achtte hij, dat een wonderwerk alleen Friesland voor
+een wissen val behoeden kon.
+
+Vader Syard had, gelijk de lezer, die zijn bedoelingen reeds beter kent
+dan er de Olderman en de Abt van bewust waren, licht zal beseffen,
+mede overvloedige stof tot gepeinzen; maar dewijl het zijne gewoonte
+niet was, het gesprek te beginnen in gezelschap zijner meerderen,
+kon zijne stilzwijgendheid niemands aandacht treffen.
+
+Wat eindelijk den Kloostervoogd betrof, de gedachten van den goeden
+man waren op dat oogenblik minder met het lot van Friesland of van
+Seerp Van Adeelen bezig, dan met den gullen zandweg, die hem, als het
+wandelen weinig gewoon, bij uitstek lastig viel en hem, hijgende en
+zweetende, gestadig deed rondzien naar een geschikte plaats om even
+uit te rusten.
+
+Weldra bood zich hiertoe de gelegenheid aan: het gezelschap was langs
+een smal voetpad, dat door dichte struiken en struweelen naar boven
+slingerde, op een bewassen heuvel gekomen, van waar een zoo verrassend
+als bevallig uitzicht den wandelaar als van zelf tot een oogenblik
+verpoozing uitnoodigde. Van de plek, waar men zich onder het lommer
+van eenige esschen, lijsterbeziën en meidoorns bevond, zag men voor
+zich op een tamelijk uitgestrekt weiland neder, van onregelmatigen
+vorm en aan twee zijden afgesloten door een kleinen duinrand,
+welig begroeid met berken en dwergeiken, waarvan de wortels door het
+witte zand van de gebrokkelde helling heenstaken. Vlak tegenover den
+aanschouwer liep de grond glooiend naar beneden en ontdekte men over
+doornenhagen, welke de weide aan die zijde bepaalden, eenig bouwland,
+waarvan de eentonigheid werd afgewisseld door onderscheiden groepen
+van hoogopgaande boomen, in wier breede takken talrijke kraaien
+nestelden. Daartusschen zag men hier en daar bevallige boerenwoningen
+verspreid, elk met haar tuin en boomgaard achter zich, alle de welvaart
+der streek getuigende en vaneengescheiden door welige landerijen,
+waarin bontkleurige runderen graasden, een paar bleekerijen, op wier
+groene velden eenige jonge deernen bezig waren het hagelwit linnen,
+dat schitterend in de zon lag uitgespreid, met water uit de daaraan
+grenzende sloot te besproeien. En over dat alles heen deed zich het
+Haarlemmermeer op, nu klaar en effen gelijk een heldere spiegel,
+en de zeilen terugkaatsende van tallooze vaartuigen van allen vorm
+en grootte, die den plas in alle richtingen doorkruisten.
+
+"Voorwaar!" zeide de Abt, nadat Madzy zoowel als de Olderman dit
+schouwspel een poos in stille bewondering hadden aangestaard: "mij
+dunkt dat wij dit alles evengoed, ja beter op ons gemak zouden kunnen
+bekijken, indien wij er bij gingen zitten."
+
+Er was niets tegen dit voorstel in te brengen; en de vier hoofdpersonen
+van het gezelschap namen plaats op den heuvel, terwijl het gevolg
+zich een weinig verder tegen de helling van het duin nedervlijde.
+
+"Zijt gij aan uw bruidskrans bezig?" vroeg vader Volkert na
+eenige oogenblikken stilte aan Madzy, die zich onledig hield met de
+madeliefjes, die aan hare voeten groeiden, op eene, aan mijn lezeressen
+gewis niet onbekende wijze aan elkaar te hechten.
+
+"Dat heeft nog zulk een haast niet," antwoordde zij blozende.
+
+"Nu, misschien wel," zeide de Abt: "althans ware ik Seerp Van Adeelen,
+ik zou niet langer meer willen wachten: vooral sedert de hofvlinders
+rondom u zijn komen vliegen.... Ja! die veroorzaken hem, geloof ik,
+onrust en kwelling genoeg! maar dat had hij kunnen verwachten, toen
+gij met hem van wal zijt gestoken."
+
+"Wat meent gij, Eerwaarde?" vroeg Madzy, hem eenigszins verwonderd
+aanziende.
+
+"Wel!" zeide de Abt, "ik behoef u toch het oude orakel niet te
+herinneren, dat bij de stichting van Dekamastins door den Abt van
+Bloemkamp is uitgesproken. Laat zien, hoe luidt het ook?...."
+
+"O! bedoelt gij dat?" hernam Madzy: "haal dat maar niet op," voegde zij
+er haastig bij, als wilde zij een onaangename herinnering ontwijken.
+
+Maar vader Volkert liet zich niet van zijn tekst brengen. Het is
+algemeen opgemerkt, dat zelfs de meest wispelturige menschen nimmer
+zoo vasthoudend zijn, dan wanneer zij zich iets weder zoeken te binnen
+te brengen, dat ten deele aan 't geheugen ontsnapt is: hoeveel te meer
+iemand als onze Abt, wiens gedachten zelden aan vele afwijkingen voet
+gaven. Zonder op het smeekend gelaat van Madzy te letten, bleef hij
+zoolang de voorspelling betreffende den huize Dekama (waarvan wij in
+ons zevende hoofdstuk de twee eerste regels hebben aangehaald) nakauwen
+en in zich zelven opzeggen, tot hij zich die eindelijk geheel herinnerd
+had en op een zegepralenden toon zonder haperen kon opsnijden:
+
+
+ "As Dekama sine Rose forliest,
+ In dy for Frieslän dat seawetter kiest,
+ Den schille, om har to ploaitsen, komme
+ Fuwgelt fen alle wioecken in plommen;
+ Den schille jæ wijllje in declinearje,
+ In 't hædken hingje litte droaf;
+ Mar wer bloeie in prosperearje,
+ As de Foarstene plun wirdt Frieslans roaf." [29]
+
+
+"Ik zie niet," zeide Madzy, hare onrust door een half schertsenden toon
+zoekende te bewimpelen, "wat ik met die voorspelling te maken heb."
+
+"Niet!" herhaalde de Abt verbaasd, "spreekt dat orakel niet van de
+Roos van Dekama? En hebben de minnezangers u niet uit éénen mond met
+dien naam bestempeld? En zijt gij niet over zee gekomen? En zwierven
+er niet vogels van alle veeren om u heen? En hing uw hoofdje, toen
+gij daareven uw kransje zat te vlechten, niet zoo droef op zijde als
+een geknakt bloempje?"
+
+"De eerwaarde Vader heeft geen ongelijk, Madzy!" zeide Aylva,
+die tot nu toe vermeden had zich in het gesprek te mengen, als had
+hij de wending, die het nam, willen afwachten: "ik mag het u niet
+verzwijgen, hoe noode ik er van spreek;--want het is een harde zaak,
+aan een jong en vroolijk meisje terughouding en behoedzaamheid te
+willen voorschrijven en haar af te houden van hetgeen, waarin zij
+niets ziet dan een onschuldig vermaak;--maar gij zult u in acht moeten
+nemen aan dit weelderige hof."
+
+"Is mijn waarde voogd over mij ontevreden?" vroeg Madzy, terwijl een
+traantje in hare oogen blonk en zij zachtjes haar hoofd tegen zijn
+schouder drukte, gelijk een kind dat om vergeving vraagt.
+
+"Neen mijn kind! ik ben ontevreden op Adeelen en op mij zelven;
+want wij hadden moeten voorzien wat gebeuren zoude. Wij hadden u in
+Friesland moeten laten en u niet in de gelegenheid stellen van aan
+een hof te verschijnen, waar een oogenblik genoegen wellicht voor de
+rust van uw volgend leven kan gekocht worden."
+
+"Versta ik u wel?" vroeg Madzy, wier hart op dit oogenblik de
+beteekenis van Aylva's woorden reeds vooruit liep. "Waar zijt gij
+bevreesd voor?"
+
+En met een heimelijk beven wachtte zij het antwoord af.
+
+"De Graaf," zeide de Olderman, nadat hij haar een wijl met
+vriendelijken ernst had aangestaard, "heeft gisteravond nog veel
+met mij over u gesproken:--hij heeft zich eindelijk vrij duidelijk
+uitgelaten, dat het hem niet ongevallig zou wezen, indien er
+huwelijksverbintenissen plaats grepen tusschen zijne volgers en de
+Friesche erfdochters."
+
+"Denkt de Graaf," vroeg de Abt, "dat het in Friesland aan mans
+ontbreekt?"
+
+"Het is genoeg bekend," vervolgde Aylva, "hoe Willem van Henegouwen,
+wanneer hij eens een denkbeeld heeft opgevat, daarvan door geene
+redenen is af te brengen en integendeel in alle voorkomende zwarigheden
+slechts een nieuwen spoorslag ziet om naar zijn doel, door welk
+middel ook, te streven. Ik schrijf dan ook daaraan de pogingen toe,
+door hem aangewend om u op het feest te doen verschijnen."
+
+"Ik zal mij op geen zijner feesten meer vertoonen," zeide Madzy.
+
+"Het ware, zooals nu de zaken staan, een onvoorzichtigheid,"
+zeide Aylva, "u opnieuw aan zijn uitnoodigingen te onttrekken. Wij
+moeten vóór alles mijden, hem noodelooze redenen tot misnoegen te
+geven. Adeelen zou wellicht mijn woorden aan dwaze vreesachtigheid
+toeschrijven: hij zoude overtuigd zijn, zoo hij mij beter kende, dat ik
+in groote zaken geen haarbreed van mijn stelsel wijken zal; maar des
+te eerder acht ik het plichtmatig, mij door geen noodelooze of zelfs
+verkeerde tegenstreving en halsstarrigheid te onderscheiden. Neen! door
+niet op de volgende feesten te verschijnen, nu gij, hoezeer dan ook
+door misleiding, op het eerste gekomen zijt, zoudt gij den schijn
+aannemen, alsof gij den Graaf wildet tarten, en dit is iets, hetwelk
+gij, in zijn gebied, niet zoudt kunnen volhouden. Vergezel ons op
+die feesten, Madzy! doch om Gods wil, wees omzichtig. Denk steeds,
+dat gij een dochter van Friesland zijt, en beschouw in elken schoonen
+Ridder, die u aanspreekt, hoe zoet zijn taal ook klinke, niet anders
+dan een roover, door den Graaf uitgezonden om op vijandelijke kust
+te stroopen."
+
+"Ik beloof u," zeide Madzy, "ik zal op mijn hoede wezen. Ik heb
+misschien reeds te veel met dien.... met die twee Italiaansche
+Ridders gesproken;--maar onze toevallige ontmoeting aan de hut des
+boschwachters is daarvan de schuld;.... en dan, gij zelf, gij waart
+ook buitengewoon minzaam tegen dien eenen.... Deodaat, geloof ik,
+is zijn naam."--Hier zweeg zij, terwijl een gloeiend rood door hare
+wangen stroomde.
+
+"Gij hebt gelijk," zeide Aylva: "ik beken, dat hij mij een genegenheid
+heeft weten in te boezemen, waar ik de oorzaak niet van doorgronden
+kan:--en echter, juist om zijn goede hoedanigheden raad ik u, dat
+gij u bovenal jegens hem in acht neemt. Geen laffe hofjonker, geen
+slechthoofd ware voor mijn Madzy gevaarlijk; tegen de zoodanigen zou
+ik haar niet waarschuwen. De sperwer, die den leeuwerik vervolgt,
+is minder te vreezen dan de groene baan, waar het zachte fluitje
+vrede roept."
+
+"Zou die Deodaat waarlijk den listigen vogelaar gelijk zijn?" vroeg
+Madzy, eenigszins verwonderd.
+
+"Dat geloof ik niet," antwoordde de Olderman: "ik acht hem eerlijk en
+goed; maar het kan zijn, en 't ware in hem hoogst verschoonlijk, dat
+hij, de oogmerken zijns meesters kennende, zijn best wilde doen om in
+de gunst der schoone Madzy te dringen, en op zulk een wijze zijn eigen
+neiging en tevens de bedoelingen des Graven opvolgde. Daarom, wees met
+hem op uw hoede! Helaas! ik weet het bij treurige ondervinding, er is
+niets gevaarlijkers, dan wanneer men zich buiten zijn gewonen kring
+en dagelijksche bezigheden bevindt, en enkel het hart en de zinnen
+werkzaam zijn. De verbeelding en het gevoel, wier stem slechts weinig
+gehoord wordt in de beslommeringen van een geregeld en arbeidzaam
+leven, wreken zich dan en spelen den meester: de hartstochten sleepen
+ons mede, en een leven van berouw en smart vervangt de overijling
+van een oogenblik."
+
+"Gij hebt dit ook ondervonden?" vroeg Madzy.
+
+"Ik zelf! en de geschiedenis van mijn lijden kan misschien dienstig
+zijn om u tot een nutte leering te strekken. Hoor mij aan: ook
+gij, heer Abt! en gij, vader Syard! en oordeelt dan of er reden
+tot verwondering is, wanneer men somtijds bemerkt dat ik treurig en
+afgetrokken ben.--Gij weet, dat ik in mijn jeugd, door een vergeeflijke
+roemzucht geprikkeld, mijn vaderland verliet en Keizer Hendrik,
+evenals andere Friesche edelen, op zijn reis naar Milaan vergezelde,
+waar hem de ijzeren kroon moest worden opgezet. In die stad werd mij
+huisvesting aangeboden door een Italiaansch edelman, dien ik vroeger
+in Duitschland had leeren kennen. Dankbaar herinner ik mij steeds het
+gul en gastvrij onthaal, dat ik in zijn paleis genoot: de uren, door
+mij aldaar gesleten, waren de gelukkigste mijns levens. Waarom moesten
+zij door jaren van rouw en hartverscheurend verdriet worden opgevolgd?
+
+"Daar, bij den edelen Cesara, leerde ik een jonge maagd uit Verona
+kennen, die ter bijwoning der feesten, welke bij gelegenheid van 's
+Keizers kroning gegeven werden, eenigen tijd met Cesara's echtgenoote,
+hare bloedverwante, was komen doorbrengen. Schoon was zij, gelijk
+de schilders ons de moeder Gods afbeelden, en beminnelijk gelijk de
+Engelen. Wij waren beiden nog in dien gelukkigen leeftijd, waarin
+men het tegenwoordige geniet, zonder over de toekomst na te denken:
+wij zagen elkander op ieder uur van den dag: ik had haar lief, van het
+eerste oogenblik af dat ik haar zag, en ik had het geluk, of liever
+het ongeluk, haar niet te mishagen:--geene week was er verloopen of
+ik had haar mijne min verklaard en was van hare wederliefde verzekerd."
+
+"Het vrijen gaat daar spoedig in zijn werk," zeide de Abt: "bij ons
+is men daar zoo vlug niet mede. Mijn vader heeft mij meer dan eens
+verhaald dat hij mijn moeder wel zeven jaren had opgepast, gelijk
+Jakob Rachel deed, eer zij er toe besluiten kon, hare toestemming
+tot een huwelijk te geven."
+
+"Ik had verkeerd gedaan," vervolgde Aylva: "ik had een neiging moeten
+smoren, die in mijn geval dwaas en misdadig was; want een plechtige
+gelofte verbond mij tot een tocht naar het Heilige Land. Maar ach! de
+jeugd is onbezonnen en het noodlottige woord was er uit eer ik het zelf
+wist. Wij leefden nu gelukkig en zalig, onbezorgd voor de toekomst,
+en ik stond gereed een reis naar Verona te doen, ten einde de hand
+mijner Bianca (zoo heette zij) aan haar vader af te vragen, toen een
+brief van dezen alle hoop ter neer sloeg. Hij vermaande zijn dochter
+terug te keeren ten einde een ander te huwen."
+
+"En voldeed zij aan de begeerte haars vaders?"
+
+"Nimmer zal ik het oogenblik vergeten, toen zij mij na de ontvangst
+dier onwelkome tijding in den hof van Cesara's paleis voor oogen trad:
+niet als een zwakke, beduchte en schuchtere dochter, welke de macht
+eens hoofdigen vaders vreest; maar met het hoofd fier omhoog geheven,
+met wangen, van verontwaardiging gloeiende, met een borst, zwoegende
+van gramschap. De gebiedende, dreigende toon van haars vaders brief had
+haar niet ter neder geslagen, maar veeleer haar besluit versterkt; zij
+was minder vervaard door de bedreigingen, daarin vervat, dan geraakt
+door de wijze, waarop hij haar dwingen wilde: 'ik wil en begeer geen
+anderen gemaal dan u,' sprak zij tot mij: 'en zoo mijn vader gelooft,
+dat hij mij verkoopen kan gelijk men een vorstin doet, zal ik hem
+doen zien, dat hij zich bedriegt. Intusschen ik ken hem:--zoo ik
+niet terstond naar Verona keer, zal hij binnen weinige dagen hier
+zijn:--voor dien tijd moet gij mijn echtgenoot zijn.'"
+
+"Hoe!" riep Madzy, in wier ooren een zoodanige taal vreemd klonk,
+en strijdig met alle denkbeelden van maagdelijke ingetogenheid:
+"zij wilde u tot een huwelijk met haar bewegen! en buiten haars
+vaders toestemming!"
+
+"O! Veroordeel naar niet," zeide Aylva: "zij handelde onder den
+invloed der hartstochten, op een oogenblik, dat zij om den vaderlijken
+dwang te ontwijken en een gehate verbintenis onmogelijk te maken,
+het eenige middel aangreep, dat zich aan haar verhitte verbeelding
+voordeed. Maar veroordeel mij, die, kalmer van zinnen, niet overijld
+had mogen handelen en haar de noodlottige gevolgen moeten doen inzien
+van een onberaden stap. Dan helaas! ik beminde haar met al den gloed
+eener eerste, laat ik zeggen, eener eeuwige liefde: die liefde deed
+mij de oogen voor de toekomst sluiten en geen andere vrees duchten,
+dan die van haar te verliezen. Ik stemde in haar voorslag:--en dezelfde
+dag zag ons vereenigd."
+
+"En.... meldde zij dit voorval aan haar vader?"
+
+"Ik weet het niet: dit slechts vermoed ik, dat hij van onze
+verstandhouding kennis droeg; want weinige dagen na onze verbintenis
+werd ik op een avond in eene der duistere straten van Milaan door
+drie moordenaars overvallen; een hunner herkende ik: het was zekere
+Paolo, een dienaar van Graaf Luigi, van Bianca's vader, dezelfde, die
+den brief gebracht had. Zwaar gewond bleef ik liggen: ik werd door
+eenige barmhartige voorbijgangers naar het naastbijgelegen klooster
+gebracht en lag daar verscheidene dagen met den dood te kampen. Toen
+ik, eindelijk hersteld, mijn verzorgingsplaats verliet en naar het
+paleis van Cesara terugkeerde, vernam ik, dat Graaf Luigi daar reeds
+was geweest en mijn Bianca had weggevoerd."
+
+"En volgdet gij haar niet?"
+
+"Zij had mij door de gade van Cesara doen smeeken, zulks niet te
+doen. Francesco della Scala, de gevreesde minnaar, die naar haar hand
+stond, was op dien tijd meester van Verona, en ware ik daar ontdekt
+geworden, mijn dood ware zeker geweest. Zij verzocht mij daarom,
+mijn gelofte te vervullen en alles van den tijd af te wachten:
+terwijl zij mij een eeuwige getrouwheid beloofde. Ik gehoorzaamde
+aan haar verlangen:--minder uit vrees voor mij zelven, dan wel om
+haar niet aan de wraak van den Veroneeschen dwingeland bloot te
+stellen. Ik reisde naar Palestina: drie jaren bleef ik daar, die mij
+zoovele eeuwen schenen: toen ik, na afloop van dien tijd, onbekend en
+vermomd in Verona kwam, en naar Bianca di Salerno vroeg, hoorde ik,
+dat zij met den dwingeland gehuwd en sedert gestorven was."
+
+"Zij was u dan ontrouw geworden!" vroeg Madzy verbaasd, "ondanks haar
+plechtige belofte?"
+
+"Wat haar aangespoord heeft om den mij gezworen eed te breken, is mij
+onbewust.--Zij was niet meer; wat kon een ijdele navraag baten? Ik
+bleef, na het ontvangen dier vreeselijke tijding, geen uur langer in
+Verona.--Sedert heb ik de liefde gemijd."
+
+"Ach!" zeide Madzy: "indien de liefde zulke rampen baart, is zij
+waarlijk wel te duchten!....maar ik geloof toch, dat dergelijke
+gebeurtenissen zeldzaam zijn."
+
+"Minder zeldzaam dan gij denkt, Freule!" zeide de Abt, zich de
+kin strijkende: "gij denkt, dat wij geestelijken niets van zulke
+geschiedenissen afweten: maar ik verzeker u, onze kloosters worden
+voor een derde met mislukte vrijers gevuld. Daar is broeder Sicco, die
+heeft juist zulk een voorval gehad: hij was een fiksche boerenknaap
+en vrijde naar de dochter van den rijken Juwe Donia:--maar toen de
+zaak zoogoed als klaar was, liet zij hem zitten en nam Agge Hettinga,
+die toch lang zulk een schoone kerel niet was. Toen ik dat hoorde,
+dacht ik terstond: Sicco Sybes zou een goede aanwinst zijn voor het
+klooster; want gij moet weten, zijn boerenwoning grenst juist aan
+onze landerijen in Hemelumer Oldephaart, en toen sprak ik er over
+met broeder Syard, die...."
+
+"Met verlof van uw Eerwaarde," viel de monnik in, die ongaarne den
+schijn wilde hebben, als had hij Sicco bepraat om den geestelijken
+stand te omhelzen: "de knaap is uit zich zelven bij uw Eerwaarde
+gekomen."
+
+"Juist, broeder Syard, juist!--dat is wat ik zeggen ging, toen gij
+mij in de rede vielt; ik heb toen ook slechts een paar woorden met
+hem gesproken, omdat ik begreep, dat het niet zou passen, indien men
+zeide dat ik hem ingepalmd had; daarom, gelijk u heugen zal, heb ik
+u verzocht, hem ondershands eens te polsen en over te halen om het
+kleed der orde aan te trekken."
+
+Broeder Syard beet zich op de lippen, en zoomin de Olderman als
+Madzy waren in staat den glimlach te onderdrukken, dien het verhaal
+van den Abt bij hen verwekte. Eveneens echter als een beek, die
+half verborgen voortsijpelt onder de schaduw der donkere struiken,
+welke haar overwelven, wel voor een oogenblik een vroolijk aanschijn
+erlangt, wanneer de zonnestralen door de dikke takken heendringen
+en hare oppervlakte beschijnen, maar weldra, als de hemelbol weder
+achter wolken wegschuilt, hare vorige somberheid terugkrijgt, zoo
+hernam ook het gelaat der schoone Friezin spoedig de ernstige plooi,
+welke de geschiedenis van Aylva's rampzalige liefde daarop had doen
+ontstaan, en een diepe zucht verried de onrust, welke de toepassing
+van dat verhaal op hare eigene gewaarwordingen had teweeggebracht.
+
+Welke intusschen de slotsom was, waartoe die innerlijke overpeinzingen
+haar brachten, en of ook bij haar de schier algemeen geldende regel
+bevestigd werd, dat men zich in liefdeszaken zelden aan het voorbeeld
+van anderen spiegelt, zal uit het vervolg dezer geschiedenis blijken.
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Trompetten en schalmeien
+ Doorklonken hof en wal:
+ De Ridders vloeiden samen
+ Op 't daav'rend Feestgeschal.
+
+ Van 't overwelfde venster
+ Van Klermonts opperzaal,
+ Zag Blanka, de overschoone,
+ Den rijken wapenpraal.
+
+ Bilderdijk.
+
+
+Reeds voor het aanbreken van den volgenden dag waren niet slechts al de
+stoepen en ramen, maar ook al de daken en luifels der huizen rondom de
+groote markt of het _Zand_ te Haarlem bedekt met een tallooze menigte
+van toeschouwers, van overal te zamen gevloeid om het tornooispel
+te aanschouwen. De groote kerk, welke thans de bewonderende aandacht
+trekt van al wie Haarlem bezoekt, bestond nog niet, zoodat de opene
+vlakte, tusschen de gebouwen besloten, genoegzame ruimte verschafte
+tot het houden van ridderlijke spelen. Het eenige hinderlijke, dat de
+gelegenheid opleverde, was een beek, welke toen ter tijd nog de markt
+over haar geheele lengte in twee schier gelijke deelen doorsneed,
+om zich wat verder, waar nu de kraan is, in het Sparen te ontlasten;
+maar men had de zwarigheid, hieruit ontstaan, niet alleen uit den
+weg geruimd, door van afstand tot afstand breede bruggen te slaan van
+planken, met zand en zoden overdekt, welke de gelegenheid gaven om het
+veld in alle richtingen te doorkruisen, maar ook van de beek zelve
+partij getrokken, door er gedurig water uit te hozen, ten einde den
+gullen grond van de kampplaats te bevochtigen. Een hooge stellage, rijk
+met gebloemte versierd en met vaandels en bloemen prijkende, besloeg
+de geheele zuidzijde van het plein en was in gaanderijen afgedeeld,
+waarvan de middelste of kleinste voor het Grafelijk gezin en de beide
+overigen voor de aanzienlijke genoodigden waren bestemd. Vandaar af
+liep een lage omheining naar weerskanten in den vorm van een eirond
+af, om zich aan de overzijde weder te vereenigen: deze afsluiting,
+strekkende om de toekijkers te verhinderen, binnen het krijt te komen,
+had slechts twee uitgangen, een aan elk der beide uiteinden, welke
+met banderollen versierd en door gewapenden bewaakt werden: terwijl
+de Herauten en hun dienaars het plein gestadig op en neder liepen om
+de goede orde te handhaven, en te zorgen dat niemand eenige hoogere
+plaats innam dan waarop zijn rang en geboorte hem recht gaven.
+
+"Bij onzen heiligen Patroon!" zeide meester Claas Gerritsz., die
+zich ingevolge zijn betrekking van marktschrijver recht tegenover
+den zetel der Gravin een aardig afgesloten hokje had laten timmeren:
+"ik geloof dat de Graaf tevreden zal wezen over de wijze, waarop wij
+alles geschikt hebben."
+
+Degene, tot wien hij dezen uitroep richtte, was een man van
+athlethische gestalte, wien men, aan zijn naakte, forsch gespierde
+armen en aan de zwarte kleur, welke zich met het vel vereenigd had,
+voor een wapensmid herkende. De marktschrijver reikte nauwlijks tot
+aan zijn elleboog, ofschoon hij op de toonen ging staan zoo dikwerf
+hij hem aansprak. De groote lichtblauwe oogen van den Haarlemschen
+Vulkaan wendden zich gedurig langzaam heen en weder, nu eens naar de
+kampplaats, dan weder achterwaarts over de volksmenigte heen naar
+de smederij, op welker dorpel twee wakkere knechts een wenk van
+hem stonden af te wachten, om zich overal heen te begeven, waar de
+omstandigheden hunne hulp mochten vereischen.
+
+"Daar hapert niets aan," antwoordde hij op des Marktschrijvers
+toespraak, zonder echter den blik op hem te doen afdalen, "en Jan
+Paypaert verstaat zijn werk;--nu, 't ware ook schande indien hij het
+niet kende; hij heeft het lang genoeg uitgeoefend."
+
+Meester Claes Gerritsz beet zich op de lippen, weinig over deze
+bevestiging zijner woorden tevreden, daar volgens haar de eer, welke
+hij zich aanmatigde, niet hem, maar den Wapenkoning gegeven werd.
+
+"'t Is waar," hernam hij, "de oude man heeft zich veel moeite gegeven;
+maar hij krijgt toch ook zijn jaren, en zoo hij minder vlug wordt,
+hij wordt er des te koppiger om. Hij heeft volstrekt niet naar mijn
+raad willen luisteren, toen ik hem voorstelde, de gaanderijen liever
+aan deze zijde te bouwen, zoodat de troon vlak voor de Sint-Jansstraat
+kwam; dan had het Grafelijk gezin immers niet de halve stad behoeven
+om te rijden ten einde zijn plaats te bereiken."
+
+"Ja," zeide de wapensmid, met een spottenden lach, "en zij waren
+allen geroosterd als bokking van de blakende zon, gelijk wij zoo
+meteen zijn zullen."
+
+"Ei! ei! een smid moet niet bang zijn voor wat hette,"
+zeide de marktschrijver, een weinig beteuterd over deze juiste
+aanmerking:--"maar inderdaad, het ware immers veel schooner gezicht
+geweest, indien de stralen der lieve zon al die mooie meisjes en
+vrouwtjes beschenen, en zich in hare schitterende juweelen en sieradiën
+gespiegeld hadden, dan dat ze, gelijk nu, in de schaduw zitten."
+
+"Inderdaad, dat had zeer fraai gestaan!--en menig Ridder zou door
+dien glans zoo verblind zijn geweest, dat hij zijn speer wel een
+voet bezijden zijn tegenpartij zou gestoken hebben. Neen! neen! de
+Herauten weten beter hoe het hoort."
+
+"De Herauten!--lieve knapen!--hebben zij zoo meteen den doortocht
+niet geweigerd aan onze Vroedschappen, 't geen geheel strijdig is
+met het Privilege van Koning Willem, artikel...."
+
+"Wat Privilege!--alle Privileges houden op voor de poort van een
+kampwerf. Wat hebben zij er met hun rokken van Amsterdamsch zwart ook
+te doen? Laten zij voor de ramen van hun raadhuis blijven kijken,
+en zich de handen wrijven over al het vreemde geld, dat hier in de
+stad komt."
+
+"Foei buurman! Is dat als een echte poorter gesproken? Wij werden ras
+genoeg door onze adellijke naburen opgevreten, indien wij niet, waar
+'t behoort, onze Privileges deden gelden."
+
+"Gekheid! Is er ook wat mede te verdienen met een half dozijn
+stormhoeden, die ik in 't jaar aan de stad lever? De tuigage van
+één Jonkerspaard doet mij meer verdienen dan al de poorters van
+Haarlem.... maar ik hoor daar trompetgeschal.--De Kamprechters
+komen.--Mutsen af buren! en een hoezee voor den Heer van Beaumont!"
+
+Het was inderdaad deze Edelman, die op het steekspel den Graaf
+vertegenwoordigen moest en nu aan 't hoofd van eenige Ridders
+de kampplaats opreed, verwelkomd door herhaalde en daverende
+toejuichingen, welke niet slechts zijn prachtig gewaad en sierlijken
+trein, maar ook zijn erkende verdiensten en beminnelijken aard moesten
+gelden. Voor hem uit reed de Wapenkoning van Holland, Jan Paypaert,
+die, schoon een grijsaard van over de tachtig jaren, het ambt, dat
+hij reeds onder Floris V bekleed had, nog altijd vereerde door den
+zwier en de vastheid, waarmede hij zijn ros bestuurde:--achter hem
+reden twee Herauten, benevens Gerard van Florevy, die 's Graven banier
+droeg. Simon van Teylingen en Gwij van de Merwede, van top tot teen
+gewapend, volgden als Kamprechters, door een stoet van schildknapen
+en trompetters vergezeld.
+
+De trein reed het krijt rond, waarna Beaumont met twee bijzitters
+den voor hem bestemden zetel beklom, de Wapenkoning zich aan den
+westelijken ingang plaatste, en de Kamprechters aan de beide zijden
+van de Grafelijke loge onbeweeglijk post vatteden.
+
+Spoedig werd deze eerste stoet door een tweeden van een geheel anderen
+aard vervangen, namelijk door de geestelijken, die met kruis en banier
+rondgingen, ten einde de kampwerf in te wijden, en aan de tooverijen of
+bezweringen, welke men zou willen gebruiken, alle kracht te ontnemen.
+
+Na deze plechtigheid werd het geduld der toeschouwers weder een
+geruimen tijd op de proef gesteld; maar de hooggespannen verwachting
+werd ruim voldaan, toen een schel klaroengeschal, afgewisseld door
+een vroolijke muziek, de nadering van den hofstoet aankondigde en men
+weldra door de hoofdstraat de Gravin zag aankomen, op 't prachtigst
+uitgedost en omringd van een luisterrijke schaar van Ridders en
+Jonkvrouwen, op trappelende rossen en witte hakeneien gezeten en
+schitterende van goud en edelgesteenten. Na onder een oorverdoovend
+gejuich der menigte de kampplaats tweemalen te hebben rondgereden,
+steeg de hofstoet af en nam de bestemde plaatsen in, terwijl de
+Gravin zich in hare loge plaatste, vlak achter den zetel des Heeren
+van Beaumont.
+
+En nu duurde het niet lang, of een gerucht, niet ongelijk aan dat
+van een geweldigen waterval, dien men al gedurig dichter bij zich
+hoort, deed zich uit de Zijlstraat vernemen en alle oogen derwaarts
+heenzien. Weldra vertoonde zich een gemengel van golvende pluimen,
+rijk geborduurde sjerpen en banieren: het waren de kampvechters, die
+zich buiten de stad vergaderd hadden en thans gezamenlijk, van hun
+schildknapen en wapenknechten vergezeld, aan den ingang ter westzijde
+stilhielden. De Wapenkoning zond hierop een zijner Herauten af naar
+Beaumont, om den vrijen intocht te verzoeken voor de Edele Ridders,
+die hun werd toegestaan: ten gevolge waarvan zij binnenreden, en zich
+terstond oost- en westwaarts in twee partijen verdeelden. De eene,
+die grootendeels uit Hollandsche, Henegouwsche en Stichtsche edelen
+bestond, had tot aanvoerder geen minder persoon dan Graaf Willem
+zelven, die door zijn manhafte houding en de bekwame wijze, waarop hij
+zijn klepper bestuurde, aller oogen tot zich trok: de andere partij,
+hoofdzakelijk samengesteld uit de bloem der Duitsche Ridderschap,
+welke de zucht om roem en eer te behalen had herwaarts gelokt,
+was geschaard onder Hendrik Dusmer van Aertsbergen, een edelman
+uit Pommeren, en Grootmeester der Duitsche orde, die zich door zijn
+zegepralen op de Lithauwsche heidenen en Russen, door geheel Europa
+met roem had bekend gemaakt.
+
+Na de gebruikelijke plechtigheden, welke een steekspel voorafgingen
+en wier vermelding hier te wijdloopig zoude worden, reden de beide
+partijen opnieuw eenige keeren het krijt rond, ten einde hun kloekheid
+in 't besturen hunner paarden te toonen en hun prachtige wapenrusting
+te doen bewonderen; waarna zij hun plaats hernamen.
+
+"Waar of onze vriend Adeelen schuilt?" vroeg de Abt van Sint-Odulf
+aan zijn mede-afgevaardigde, die met hem en de schoone Madzy in
+eene der gaanderijen gezeten was, naar welke menig oog zich in 't
+voorbijgaan richtte.
+
+"Ik heb hem nog niet herkend," zeide Aylva: "hij heeft mij een geheim
+gemaakt van zijn wapenrusting, die hij hedenmorgen te Haarlem is gaan
+halen: en wat de paarden betreft, die zijn onkenbaar onder die vracht
+van netwerk en dekken, waarmede zij opgeschikt zijn.--Wat dunkt u er
+van, Madzy! kunt gij een dier Ridders herkennen?"
+
+Madzy zweeg, en kleurde tot over de ooren; want zij had in eenen
+Ridder van 's Graven gevolg, die in 't voorbijgaan opzag, Deodaat
+van Verona herkend.
+
+"Luister!" zeide de Abt: "wat gaat die klerk daar voorlezen?"
+
+"Het zijn de wetten van het steekspel," antwoordde Aylva: "zoowel die,
+welke algemeen geldende zijn, gelijk het verbod van betooverde wapenen
+te gebruiken of van het paard zijner wederpartij te wonden, als die,
+welke meer bijzonder op dit gevecht toepasselijk zijn."
+
+"Zoo! en hoe zal het hier in zijn werk gaan? Zullen die beide troepen
+maar in 't wild op elkander rijden? Sint-Odulf! dat zal een verwarring
+geven."
+
+"Men zal heden naar een nieuwe kampwijze strijden, welke in Vlaanderen
+en Henegouwen meer bekend is dan hier, en: _la defence du fis d'or_
+genoemd wordt: 't welk zooveel wil zeggen als: de verwering van
+den gouden draad. Zie slechts: daar komen de knapen aan, om hem
+te spannen."
+
+Het was zooals Aylva zeide: dwars over het kampperk werd een koord,
+met gouddraad omwoeld, van een paal voor den zetel van Beaumont af,
+tot aan het hokje des marktschrijvers vastgemaakt;--en nu ontstond er
+een gespannen verwachting bij de toeschouwers, die, schoon zij onder
+de lezing der kamp wetten over 't geheel een eerbiedig stilzwijgen
+hadden bewaard, echter door hun her- en derwaarts rollende oogen
+duidelijk deden bespeuren, dat zij zeer naar den afloop verlangden,
+en naar het oogenblik dat het tornooispel een aanvang zoude nemen;
+dan hun hoop werd nog niet vervuld, en een zonderling, hoewel niet
+geheel ongewoon voorval noodzaakte hen, hun geduld nog eenigen tijd
+te oefenen, of liever, gaf een andere wending aan hun nieuwsgierigheid.
+
+Dadelijk nadat het koord gespannen was, verliet een Ridder in een
+blauwe rusting met zilveren lieren bezaaid, het gelid, en reed met
+een vluggen draf tot voor den zetel van Beaumont, alwaar hij zijn
+ros op eens onbeweeglijk deed stilstaan, als in afwachting dat hem
+verlof gegund werd om te spreken.
+
+"Wat begeert gij?" vroeg Beaumont, verwonderd, "en waarom verlaat
+gij tegen alle orde de u aangewezene plaats?"
+
+De Ridder haalde een perkament voor den dag, dat in de plooien van
+zijn sluier verborgen was en reikte het eerbiediglijk met de punt
+zijner lans over aan 's Graven vertegenwoordiger.
+
+"Als vrijgeboren man en Ridder," zeide hij, "verzoek ik, Deodaat
+van Verona, dat deze uitdagingsbrief ten aanhoore van een iegelijk
+worde gelezen."
+
+Beaumont overhandigde den brief aan den klerk, die hem met luider
+stemme voorlas.
+
+"Ik, Deodaat van Verona, Ridder, verklaar bij dezen, onbetamelijk en
+onridderlijk beleedigd te zijn door Seerp, Heer van Adeelen, Friesch
+edelman, en hem te houden voor mijnen doodvijand, hem uitdagende tot
+een kamp op leven en dood, met zulke wapenen als hij zal verkiezen,
+alles onder verlof en toestemming van onzen Heere den Grave van
+Holland en Henegouwen."
+
+"Wij kunnen thans geene bijzondere twisten aanhooren," zeide Beaumont,
+zijn kweekeling aanziende met een blik, waarin ontevredenheid met
+vriendschap vermengd was: "na den afloop van het steekspel zal u
+gelegenheid gegeven worden uwe belangen in te brengen."
+
+Nauwelijks had hij deze afwijzende beschikking gegeven, of een tweede
+Ridder in schier gelijken dos kwam insgelijks uit des Graven stoet
+aangereden, en overhandigde op gelijke wijze een tweede perkament aan
+Beaumont. De algemeene nieuwsgierigheid groeide nu te sterker aan, en
+te meer, hoe verder men van het midden verwijderd en daardoor minder in
+de gelegenheid was, te vernemen wat er eigenlijk gaande was. Ook Graaf
+Willem, die zich op een te grooten afstand bevond om iets te verstaan,
+kwam met een paar zijner vertrouwelingen aangereden, tijdig genoeg
+om den tweeden brief te hooren lezen, die van den volgenden inhoud was:
+
+"Ik, Rinaldo van Verona, Ridder, verklaar bij dezen, dat ik
+onridderlijk behandeld en grovelijk beleedigd ben door Deodaat, mede
+zich noemende van Verona; dat ik hem voor mijnen vijand houde en hem
+uitdage om op dood en leven tegen mij te kampen, met welke wapenen
+hij verkiezen zal, alles met verlof enz."
+
+"Zijn zij dol geworden?" riep de Graaf: "twee vrienden van kindsbeen
+af! twee broeders!--Wij zullen na den kamp hierover nader spreken."
+
+Op datzelfde oogenblik kwam een derde Ridder, doch nu uit den trein
+van Dusmer, met een perkament in de hand aanrijden.
+
+"Wat dien betreft, dien ken ik," zeide de smid tegen zijn kleinen
+buurman: "dien heb ik zijn rusting geleverd. Het is een Friesch
+edelman, en mild heeft hij mij betaald:--'t speet mij maar, dat
+zulk een deugdzame kolder om het lijf van een stuggen Schieringer
+sluiten moest."
+
+"Is het die ongeluksvogel?" zeide Claes Gerritsz, "die ons voor drie
+dagen zooveel spels gemaakt heeft! Ware ik gij geweest, ik had al
+de spijkers in het harnas gelaten, zoodat hij er ingezeten had als
+Velzen in zijn vat. En wat heeft deze nu weer te vertellen?"
+
+"Heeft de duivel hen bezeten?" riep graaf Willem: "Dat is nu al de
+derde! als het zoo voortgaat, zullen wij de geknotte lansen tegen
+scherpgepunte speren moeten inruilen."
+
+Maar zijn verbazing vermeerderde, toen hij de derde uitdaging hoorde,
+welke in dezer voege luidde:
+
+"Ik, Seerp Van Adeelen, vrije en edele inboorling van Friesland,
+verklaar mij bij dezen grovelijk beleedigd en gehoond door Willem,
+Grave van Holland en Henegouwen, zich valschelijk noemende Heere
+van Friesland, ontzeg hem alle hulde of manschap, welke hij van mij
+mocht beweren te kunnen vorderen, en bied aan om mijn goed recht in
+besloten kamp vol te houden, tegen hem of tegen al, wie hij in zijne
+plaatse zenden wil."
+
+Indien de vorige uitdagingen met verwondering, doch tevens met
+belangstelling waren aangehoord geweest, die van den Fries verwekte een
+rumoer en een verontwaardiging, welke zich als een loopend vuur over
+de gansche markt verspreidden, naarmate de woorden, waarin die vervat
+waren, van mond tot mond herhaald werden. "De kerel is gek!" riep men
+van alle kanten: "wie heeft ooit gehoord, dat iemand zijn leenheer ten
+kamp uitdaagt?--Werpt hem het krijt uit! In het Sparen met den Fries!"
+
+"Stilte! mijn Heeren! stilte!" riep Graaf Willem, met een stem,
+die boven de andere heenklonk. "Wij zullen onze eer zelf handhaven,
+zonder daartoe uwe hulp in te roepen. Seerp Van Adeelen! wij nemen
+uwe uitdaging aan."
+
+"Graaf!" riep Beaumont: "dat moet niet zijn! Ik bekleed hier thans
+uwe plaats en moet zulk een dwazen strijd verbieden. Gij moogt uw
+edel lijf niet wagen tegen den eersten dollen knaap den besten,
+die begrijpt u ongestraft te mogen hoonen."
+
+"Laat ons hiermede betijen, genadige Oom!" zeide de Graaf, met
+bedaardheid: "zoo wij wel verstaan hebben, is deze Seerp Van Adeelen
+mede uitgedaagd door Deodaat van Verona, en deze wederkeerig door
+Reinout."
+
+"Zoo is het," antwoordde Beaumont.
+
+"Welnu! ten einde nuttelooze bloedstortingen te voorkomen, zoo
+dragen wij de handhaving van ons goed recht over aan Deodaat, en
+gelasten Reinout, zijn veete over te doen aan Seerp Van Adeelen:
+en dat deze strijd tusschen Deodaat en Seerp Van Adeelen uitgemaakt
+worde op morgen te dezer plaatse, zullende wij dien met ons gansche
+hof komen bijwonen."
+
+Een blos van vreugde en verrukking bedekte het gelaat van
+Deodaat, op het vernemen dezer schikking, welke hem niet alleen
+het verdriet bespaarde van tegen zijn vriend te strijden, maar hem
+ook de onderscheidende gunst verschafte, van de eer zijns Graven te
+wreken. Adeelen en Reinout daarentegen toonden een ontevredenen blik:
+de laatste, omdat hem de kampstrijd ontzegd was; de eerste, omdat hij
+zich niet tegen den Graaf zelven meten mocht. Beiden echter begrepen
+van den nood een deugd te moeten maken en in de uitspraak te berusten.
+
+"Dit punt alzoo geschikt hebbende," zeide de Graaf, "blijft ons niets
+over dan om naar onze plaatsen terug te keeren: vooraf echter moet
+ik u herinneren dat wij heden slechts een spiegelgevecht hebben en
+dat alle veete tot den volgenden dag moet blijven rusten."
+
+"Daarvoor zal gezorgd worden," zeide de Grootmeester der Duitsche
+orde, die insgelijks genaderd was: "bij Sint-Veit! de eerste van mijne
+partij, die de bepalingen van een vriendschappelijken kamp overtrad,
+zou ik met eigen hand den kop kunnen inslaan."
+
+Na deze betuiging van Dusmer reden beide partijen naar hunne
+standplaatsen terug en niet lang daarna gaven de trompetten het
+gewenschte teeken tot den aanvang van het tornooi.
+
+Het doel van het kampgevecht, dat nu plaats zoude vinden, was om het
+koord, dat het krijt in twee deelen afsneed, over te springen en een
+der houten moorenkoppen, welke aan weerszijden hier en daar op groote
+staken gesteld waren, af te halen en als zegeteeken met zich heen te
+voeren; terwijl zoowel het overspringen van het koord als het weghalen
+der koppen door de tegenpartij belet moest worden.
+
+Nu klonk het tweede trompetgeschal, en onder het geroep der Herauten,
+het gewuif van hoeden en mutsen en zakdoeken, en het handgeklap
+der menigte, kwam er van beide zijden een twintigtal met gevelde
+lansen aangesneld. Met het gedruis van een springvloed, die tegen een
+sluis aanbruist, bonsden zij tegen elkander aan: en, zoodanig was de
+riddergeest, die allen bezielde, dat elk op zijne weerpartij aanreed,
+en er niet een aan dacht om van de overgelatene openingen gebruik te
+maken en zonder eene lans te breken het gespannen koord te bereiken.
+
+Geheel het plein daverde van den schok: en toen de stofwolk, die eerst
+den strijdenden hoop aan aller oogen onttrokken had, was omhooggerezen,
+zag men welk een geheel ander schouwspel de uitslag der ontmoeting
+had opgeleverd. Aan weerszijden van het koord lag een aantal Ridders
+en paarden van beide partijen in het zand, en, om hen, brokken
+en splinters van lansen, geknakte schilden en pluimen. Sommigen,
+wier lansen gebroken waren, keerden terug om er versche te halen;
+anderen daarentegen waren, na hunne tegenpartij uit den zadel gelicht
+te hebben, over het koord gesprongen, waar zij nu op de bewakers der
+moorenkoppen aanrenden, en op hunne beurt eene nederlaag ondervonden,
+welke zij aan anderen hadden toegebracht. Slechts weinigen gelukte
+het een dubbele overwinning te behalen en met het zegeteeken op de
+punt hunner lans het eind der baan te bereiken.
+
+De krijgsmuziek, welke zich gedurende dezen strijd had doen hooren,
+zweeg nu op eens en werd door een kort geschal der klaroenen vervangen,
+hetwelk den afloop der eerste ontmoeting aankondigde. De verwonnenen
+begaven zich beschaamd en haastig buiten het krijt: de zoodanigen onder
+de kampers, als hun loop roemrijk ten einde gebracht hadden, keerden
+in triomf terug en voegden zich weder bij hunne partij, na vooraf
+hun zegeteekenen aan de Kamprechters vertoond te hebben. Een korte
+rust werd nu aan beide partijen gegund, zoo om eenige verversching
+in de aan beide uiteinden geplaatste tenten te gebruiken, als om de
+noodige herstellingen aan de wapenrustingen te doen plaats hebben,
+waartoe onze smid dadelijk met zijne hulp gereed was. Spoedig echter
+riep de trompet hen weder tot aanval en verdediging op: en hetzelfde
+schouwspel vertoonde zich eenige reizen achter elkander.
+
+"Het is gelukkig voor Seerp Van Adeelen," zeide de Olderman tegen
+den Abt, "dat de Graaf zijne uitdaging niet voor zich zelven heeft
+aangenomen; want de naam van den besten Ridder van Duitschen lande
+is hem niet tevergeefs gegeven.--Hebt gij er wel op gelet, hoe hij
+driemalen gereden heeft en driemalen zijn weerpartijder uit den zadel
+heeft doen buitelen?"
+
+"Adeelen gedraagt zich ook wakker genoeg," zeide de Abt: "zaagt gij
+niet, hoe hij dien dikken Stichtenaar met den blauwen vederbos in
+het zand wierp?"
+
+"Nu, wij zullen er spoedig over kunnen oordeelen, wie de beste kamper
+is," zeide Aylva: "want het aantal is gedund en er zullen weldra niet
+meer dan een zestal paren overschieten."
+
+Het was gelijk de Olderman zeide. De meeste Ridders hadden,
+òf uithoofde hunner nederlaag het perk verlaten, òf zich wegens
+vermoeidheid en, als meenende genoeg voor hun eer gedaan te hebben,
+onder de toeschouwers begeven. Dan, het verminderd getal van
+kampers maakte den strijd des te belangrijker, daar het er nu niet
+meer op aankwam om slechts op elkander aan te rijden, maar om door
+allerlei gezwinde wendingen en bedrieglijke aanvallen, van de eene
+zijde pogingen te doen, om den gouden draad te overschrijden en van
+de andere zijde, om door behendige tegenbewegingen zulks te keer te
+gaan. Van de zijde des Graven hielden buiten hem niemand het veld meer
+dan de Baanrots van Ligny, Gwy van Asperen, Floris van Montfoort en de
+beide Italianen; terwijl aan de andere zijde de Grootmeester Dusmer,
+Adeelen en een andere Ridder gereed stonden den kamp te hervatten.
+
+"De kans staat ongelijk, vrienden!" zeide de Graaf, op het oogenblik
+dat zij zich tot de laatste ontmoeting zouden bereiden, welke men
+begreep, dat beslissend zijn zoude. "Ligny en Asperen zullen met mij
+den gouden draad verweren: en gij Reinout en Deodaat, blijft achter om
+te zorgen dat men onze laatste moorenkoppen niet roove: met Montfoort
+bij u, om te verhoeden dat gij elkander niet doodslaat.--Houdt
+u goed! en zorgt vooral dien Ridder, met den rooden arend op den
+helmkam, wel te raken: hij heeft reeds menigen der onzen in het zand
+doen bijten."
+
+Terwijl hij zich aldus uitte, was aan den overkant de Ridder,
+van wien hij sprak, Adeelen op zijde gekomen: "Welnu!" zeide hij;
+"heb ik mijn woord gestand gedaan, dat ik u eergisteravond gaf,
+van mij behoorlijk op het steekspel te zullen gedragen."
+
+"En ik vertrouw, dat ik mij van mijnen kant niet slecht gekweten heb,"
+zeide Adeelen: "mocht ik slechts zoo gelukkig zijn, dien trotschen
+Graaf eens tot mijn tegenstander te krijgen; doch hij ontwijkt mij."
+
+"Ja, gelijk de kat de muis. Hij heeft intusschen geen slechten kampioen
+gekozen: die Deodaat van Verona heeft zich wakker gedragen:--wij
+zullen zien hoe hij zich voor 't laatst zal houden."
+
+Slechts een oogenblik duurde het, of de klaroen werd opnieuw gestoken
+en van beide zijden reden de drietallen op elkander aan, met zulk een
+gelijke vlugheid, dat zij ter zelfder tijd aan het koord kwamen. Dusmer
+weerstond des Graven schok, en beider lansen vlogen als rietstokjes
+tot spaanders: Ligny, die tegen Adeelen aankwam, verloor de teugels,
+en werd dus als overwonnen beschouwd, terwijl Gwy van Asperen door den
+Ridder van den Rooden Arend met kracht uit den zadel werd geworpen. De
+beide winnaars waren echter in hun doel om het koord over te springen
+verhinderd en moesten hunne paarden omwenden, ten einde een nieuwen
+loop te nemen.
+
+"Voorwaar!" zeide de Graaf tot Dusmer, terwijl beiden hunne paarden
+oprichtten, die tegen het koord waren neergestort: "ik geloof at wij
+ons overwonnen moeten beschouwen."
+
+"Uwe Genade heeft nog hulptroepen bij de hand," zeide Dusmer, "en is
+mij in getal vooruit."
+
+"Wij zullen dan nog een rit wagen," zeide Willem, de oogen naar zijn
+achtergeblevene strijdgenooten wendende: "maar wat zie ik? is de
+twist weder aan den gang!"
+
+Dit zeggende reed hij vliegens terug, en vond Reinout en Deodaat
+in heftige gemoedsbeweging, en Montfoort, die hen vergeefs zocht
+te stillen.
+
+"Hoe is het, kinderen!" zeide hij: "kunt gij na zoovele jaren van
+vriendschap, elkander geen oogenblik rustig verdragen?"
+
+"Dat is het niet, heer Graaf!" zeide Reinout: "die Ridder van den
+Rooden Arend, die Gwy van Asperen zoo onzacht heeft neergesmeten en
+daarginds van zijn schildknaap een versche lans ontvangt, berijdt het
+paard, dat mij ontstolen is. Ik had het in de _mêlée_ niet bespeurd;
+doch nu maakt Deodaat mij opmerkzaam......"
+
+"En zoo ik mij niet bedrieg," zeide Deodaat, "dan heb ik zooeven zijn
+schildknaap met mijnen vos rond zien stappen."
+
+"Wij kunnen toch niet denken," zeide Willem, "dat een Ridder, die zich
+zoo wakker gedraagt, een paardendief zoude zijn; maar stel u over hem,
+Reinout! en zie, dat gij uw beest terugwint. En gij, Deodaat! bestrijd
+den Fries, dan kunt gij een voorproefje hebben van uw strijd van
+morgen. Wat mij betreft, ik heb aan de eer van den dag genoeg."
+
+Het bleef op deze wijze het lot van Montfoort om met den Duitscher
+te kampen, en voorspoedig kweet hij zich van de hem toevertrouwde
+taak. De beide lansen gleden over de kurassen heen, terwijl de beide
+Ridders, elk van zijnen kant, het gouden koord overvlogen en met een
+zegeteeken aan de lanspunt terugkeerden.
+
+Een geheel anderen uitslag had de ontmoeting van Adeelen met Deodaat
+gevolgd. Zij braken hun lansen met gelijke kracht: doch niet met
+hetzelfde geluk; want het paard van den Fries, door den schok
+verschrikt, deed een zijdesprong, struikelde en stortte met zijn
+ruiter in de beek, onder het luid hoezee der toeschouwers.
+
+Wat Reinout betrof, in stede van zijn weerpartij den overtocht van
+het _fis d'or_ te beletten, had hij met opzet de vaart van zijn
+paard vertraagd, en reed nu, de lans in de hoogte houdende, den
+Ridder van den Rooden Arend te gemoet, zoodra deze het koord was
+overgesprongen. De onbekende, dit bespeurende, hield zijn ros staande.
+
+"Met uw verlof, Heer Ridder!" zeide Reinout: "ik kan niet kampen
+tegen iemand, die op mijn eigen paard zit, zonder eerst te weten hoe
+hij er aankomt.
+
+"Gelooft gij, dat ik het gestolen heb?" antwoordde de andere:
+"ik heb het gisteren op de markt te Leiden gekocht."
+
+"Bij alle heiligen!" riep Reinout, zich op eens bezinnende; "ik ken
+die stem! waart gij het niet, dien ik eergisteren in het gewaad van
+Barbanera met dien Frieschen monnik zag praten?"
+
+"Gij zijt een luistervink!" zeide de onbekende.
+
+"En gij een verrader!" riep de Italiaan. "Hier! hulp mijne Heeren! deze
+schelm brouwt aanslagen tegen den Graaf."
+
+Onder het uiten dezer woorden greep hij den vreemden Ridder met de
+linkerhand in de borst; maar deze, zijne lans wegwerpende, bukte
+zich, vatte Reinout met beide handen bij 't been en slingerde
+het zoo behendig over den zadel, dat de jongeling aan de andere
+zijde op het veld viel, waarop de vreemdeling terstond den teugel
+wendde, en, eer de Kamprechters, die op dit vreemde gezicht van twee
+worstelende ruiters aan kwamen draven, het verhinderen konden, dwars
+de kampplaats overreed, zijn paard over de omheining deed springen,
+door de verschrikte menigte heendrong en, zonder dat iemand zich tegen
+hem verzette, zich door een zijstraat aan aller oogen onttrok. Zijn
+schildknaap, die de beweging zijns meesters gezien had, haastte
+zich insgelijks te verdwijnen, 't geen hem te gemakkelijker viel,
+daar hij zich aan den ingang van het perk bevond, alwaar niemand de
+oorzaak van zijn vertrek bevroeden kon, noch eenige reden zag om zijn
+aftocht te belemmeren.
+
+Intusschen was Reinout weder opgestegen en met drift naar Beaumont
+toegereden: "die schelm, die daar heenvlucht, is een dief en een
+verrader!" riep hij: "laat hem najagen! hij moet beroofd worden van
+de wapenrusting, die hij onwaardig is te dragen."
+
+"Gij hadt u vóór het steekspel deswege moeten beklagen," zeide
+Beaumont: "ieder kamper, die eenmaal door de Herauten is toegelaten,
+heeft vrijgeleide en moet onverhinderd kunnen aftrekken."
+
+Graaf Willem en Dusmer waren ondertusschen naar de plaats gereden,
+waar Adeelen overwonnen was en waar Deodaat en Montfoort, na het
+volbrengen van hun rit, waren teruggekeerd. De Fries had, na zijn
+nederlaag, het veld in haast verlaten.
+
+"Wat zegt gij, edele Dusmer?" vroeg de Graaf: "zullen wij nog eene
+lans breken?"
+
+"Ik ben alleen," antwoordde de Grootmeester: "en ik geloof mijn eer
+genoeg te hebben gehandhaafd, om te mogen erkennen, dat de overwinning,
+hoe goed ook betwist, aan uwe zijde is verbleven."
+
+"Uw beste kamper heeft u verlaten," zeide Willem, "anders stond uw kans
+nog zoo kwaad niet. Hoe het zij, laten de Kamprechters uitspraak doen."
+
+De uitspraak deed zich niet lang wachten: Beaumont, na de Kamprechters
+te hebben gehoord, rees op, en verklaarde, dat de partij, welke door
+Graaf Willem was aangevoerd geweest, de zege had behaald; doch dat aan
+den Graaf, aan Hendrik Dusmer, aan Deodaat van Verona en aan Floris
+van Montfoort gelijke prijzen, wegens de door hen betoonde dapperheid,
+behoorden te worden toegekend.
+
+"Wat den Ridder van den Rooden Adelaar en Reinout van Verona betreft,
+zij zouden op gelijke belooning aanspraak kunnen maken; maar de
+eerste heeft zich vrijwillig verwijderd: en wat den anderen betreft,
+hij heeft zijne aanspraak verloren, doordien hij, bij den laatsten
+rit, in stede van op zijn weerpartijder aan te rijden, hem op een
+onridderlijke wijze in de borst heeft gevat en een steekspel in een
+vuistgevecht heeft veranderd."
+
+"Kon ik een deugniet, die mijn paard stal, ridderlijk
+behandelen?" bromde Reinout tusschen zijn tanden.
+
+"Met uw verlof, genadige Oom!" zeide Willem: "wij zullen uwe uitspraak
+in zooverre wijzigen, dat wij de verschooning aannemen, door onzen
+trouwen Reinout bijgebracht en hem een gelijken prijs toekennen
+als door ons werd behaald. Ook zijn er nog aan weerszijden menige
+Ridders, die, na zich wakker gekweten te hebben, niet uit vrees,
+maar uit beleefdheid zich aan een verderen kamp onttrokken hebben:
+ook die moeten niet vergeten worden. Wij zullen u verzoeken, genadige
+Oom! dat ook hunne namen door den Heraut worden opgelezen, ten einde
+zij het loon hunner dapperheid ontvangen."
+
+Aan den wensch des Graven werd voldaan, en na een kort beraad tusschen
+de Kamprechters, werd hunne uitspraak overluid aangekondigd door de
+Herauten, en door een uitbundig feestgejuich der menigte ontvangen.
+
+Hierna volgde de bekroning der overwinnaars, welke op de gebruikelijke
+en elders meer beschrevene wijze plaats vond, en de uitreiking
+der geschenken, uit fraaie paarden, gouden en zilveren ketenen of
+sierlijk bewerkte wapenen bestaande; waarna de Wapenkoning het feest
+voor afgeloopen verklaarde: terwijl de Hofmaarschalk, op last der
+Gravin, al de aanwezige Edelen tot den maaltijd noodigde, die op
+'s Graven lustslot zou gegeven worden.
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Alexis heeft zijn zusje lief,
+ Zoolang ze in vrede leven.
+
+ Van Alphen. Kindergedichtjes.
+
+
+Adeelen was, niettegenstaande zijn nederlaag, de stad stappende
+uitgereden, niet willende dat iemand zijn vertrek aan schaamte
+over zijn val zou toeschrijven, en begrijpende, dat hij zich
+dapper genoeg gekweten had, om het hoongelach niet te verdienen der
+volksmenigte, welke, zoowel wegens den oploop in den Hout als wegens
+zijn vermetele uitdaging, maar meer nog om zijn landaard, tegen hem
+was ingenomen. De gedachten van spijt en wraak en minnenijd, welke
+zijn ziel vervulden, deden hem echter thans de beleedigingen, hem van
+alle zijden nagezonden, ternauwernood opmerken en zijn weg vervolgen
+zonder acht daarop te slaan. Buiten de poort gekomen, gaf hij zijn
+ros de sporen en stond in weinige oogenblikken voor het klooster.
+
+"Waar is vader Syard?" was wederom zijn eerste vraag onder het
+afstijgen.
+
+"De pater is zooeven naar zijn cel vertrokken," antwoordde Sytsken,
+die op het binnenplein stond: "een schoone Ridder, die spoorslags
+van Haarlem was komen rijden, heeft naar hem gevraagd en een paar
+woorden met hem gewisseld zonder af te stijgen, waarna hij weder
+is voortgereden."
+
+"Droeg die Ridder niet een rooden arend op den helm?" vroeg Adeelen
+haastig: "en bereed hij niet een zwarten hengst?"
+
+"Of 't een arend of een valk was, dat wil ik niet zeker zeggen:
+maar zooverre een arme deerne als ik over een paard kan oordeelen,
+was het net zoo een stel als daar een dier Ridders op reed, die u uit
+de handen van de Haarlemmers verloste.... maar goede hemel! Jonker
+Seerp! wat ziet gij er uit. Hebt gij in de stadsgracht gelegen of
+hebben zij u bespoten?--Het water druipt u van den wapenrok af."
+
+"Genoeg gesnapt," zeide Adeelen.--"Laat iemand den pater verzoeken
+in mijn slaapzaal te komen. Ik zal mij gaan ontwapenen."
+
+Na een half uur waren beiden ter bestemde plaatse bijeen.
+
+"Welnu," vroeg de monnik: "heeft uw uitdaging een goed gevolg
+gehad? Mij dunkt gij zijt spoedig terug," vervolgde hij, ziende dat
+Adeelen, zonder hem te antwoorden, het vertrek met groote stappen op
+en neder wandelde; "en gij schijnt slechts matig tevreden over den
+uitslag van het kampgevecht."
+
+"Dat mij de donder sla!" riep Adeelen, "zoo ik morgen het slijk, dat
+mijne wapenen bezoedeld heeft, niet afwassche met het bloed van mijn
+wederpartij; maar zeg mij, Pater! wat is u die Ridder van den Rooden
+Arend komen verhalen? Bij Sint-Nikolaas! hij heeft zich geweerd als
+de vogel dien hij voert, en wij hebben in hem een wakkeren bondgenoot."
+
+"Hij is mij komen zeggen," zeide vader Syard, "dat hij naar het Sticht
+ging, en dat men weldra van hem hooren zoude. Tevens heeft hij mij
+geraden te vluchten, daar ik eerstdaags zou gevat worden. Er schijnt
+iets van onze bijeenkomsten te zijn uitgelekt."
+
+"En zult gij zijn raad volgen?"
+
+"Dat men mij vange, ik vrees niets:--elke beleediging, die hier
+eenen Fries wordt aangedaan, zal slechts strekken om den haat onzer
+landgenooten te feller te doen ontbranden;--maar dat daargelaten:--gij
+hebt mij nog den uitslag van het steekspel niet doen weten."
+
+"En ziet gij dien dan niet, bij alle duivels!" riep Adeelen, op
+zijn vochtigen wapenrok wijzende: "zesmalen heb ik mijn wederpartij
+overwonnen;--de laatste reis wierp mijn paard mij in de beek;--doch
+genoeg daarvan:--wij zullen zorgen, morgen gelukkiger te zijn."
+
+Dit zeggende, nam hij een vollen beker, om op den goeden uitslag van
+zijn kamp te drinken, en deelde vervolgens aan den monnik mede hoe het
+met zijn uitdaging was afgeloopen. Weldra kwamen nu de Heer van Aylva
+en de Abt met Madzy van het feest terug, en haastten zich hun vriend
+op zijn kamer te gaan bezoeken, ten einde hem woorden van troost en
+opbeuring toe te spreken. Zij vonden hem wrevelig en vermoeid in een
+armstoel liggende.
+
+"Ik beklaag u van harte," zeide Aylva: "gij hadt u te dapper
+geweerd om door een zoo noodlottig toeval uw aanspraak op den
+prijs te verbeuren;--maar ik zou in uw nederlaag nog grooter deel
+nemen, indien ik die niet aanmerkte als een straf des hemels voor
+uw laatdunkendheid. Welke booze geest kon u de dwaasheid ingeven,
+den Graaf te gaan uitdagen op zijn eigen grondgebied?"
+
+"_Humiles levat, superbos deprimit Deus_," zeide de Abt, "'t geen
+zeggen wil, dat de nederigen verhoogd en de trotschen vernederd
+worden. Ja! broeder Syard weet hoe dikwijls ik mijn best gedaan heb
+om hoogmoed en eigenwaan bij onze broeders uit te roeien."
+
+"Zoo de hoofsche taal van den Graaf u verlokt heeft," zeide Adeelen:
+"zoo gij, mijne Heeren! al de beleedigingen, die ons hier worden
+aangedaan, als zoete koek gelieft op te eten, het is mij wel. Ik ben
+ongelukkigerwijze van een min gemakkelijken aard en zal niet rusten
+voordat ik den hoon gewroken heb, den Frieschen naam en mijn Madzy
+aangedaan."
+
+"Wat mij betreft," zeide Madzy: "ik heb mij niet beleedigd gevoeld."
+
+"Dat geloof ik wel," zeide Adeelen: "gij zijt vriendelijk onthaald,
+gevleid, gestreeld: en wellicht zoude het u nog bovendien aangenaam
+zijn, dat die Italiaansche windbuil morgen de zege behaalde, al ware
+de overwonnene een Fries en uw verloofde."
+
+Madzy werd bleek: doch zich straks herstellende, zeide zij met vuur:
+"ik beken dat ik niet zou juichen, indien op morgen uw lans het
+bloed deed stroomen van een schuldelooze, van iemand, die u het leven
+gered heeft."
+
+"Ga voort!" zeide Adeelen: "voeg er nog bij, van iemand, die uw hart
+gestolen heeft. Is het niet zoo? Maar weet, schoone Jonkvrouw! dat
+ik morgen, zoo ik den knaap overleve, verwinnaar of verwonnene,
+niet zal gedoogen, dat gij een dag langer deze verpeste lucht inademt."
+
+"Seerp Van Adeelen!" zeide Madzy met waardigheid: "onze ouders hebben
+ons als kinderen aan elkander verloofd: ik heb u altijd de liefde eener
+zuster en de toegeeflijkheid, die eene vrijster aan haar verloofde
+schuldig is, betoond. Maar dit verklaar ik u plechtig, dat niets ter
+aarde mij dwingen zal u te huwen, zoolang gij den dwazen weg blijft
+houden, dien gij sedert eenigen tijd zijt gevolgd. Boogt gij op den
+naam van vrij, ik stel daar geen minderen prijs op: en nimmer zal ik
+de gade worden van iemand, die mij reeds vóór het huwelijk als zijn
+slavin behandelt.'"
+
+"En wie der hofvlinders," vroeg Adeelen, "welke om u heen gefladderd
+hebben, heeft u dat schoon besluit doen vormen?"
+
+"Madzy heeft volkomen recht," zeide Aylva: "en zoo iemand hier haar
+gehoond heeft, zijt gij het, door uw onbetamelijk uitvaren. Dan het is
+tijd, dat wij ons voor het feest bereiden. Zult gij ons vergezellen,
+Adeelen?"
+
+"Om weer tot een voorwerp van spot te verstrekken? Ga, zoo gij
+verkiest, en zeg dien trotschen Graaf, dat ik zijn uitnoodiging
+verafschuw, en dat het tusschen hem en mij een zaak van dood en leven
+is. En wat u betreft, Madzy! ga en lach en scherts met uwe nieuwe
+vrienden! schimp met hen op den armen Adeelen, op uw verloofde, die
+morgen misschien om uwentwille en om den wille van het land zijner
+vaderen zijn leven laten zal. Voorwaar! de maagden van Friesland
+zullen u eerekransen vlechten bij uwe terugkomst en uwen lof bezingen,
+omdat gij zoo schoon de eer der uwen hebt opgehouden."
+
+"Gij zijt onbillijk, Adeelen!" zeide Madzy, terwijl de tranen in
+haar lieve oogen blonken: "denkt gij, dat ik het gevaar, 't welk
+den vriend mijner kindsheid, mijn speelmakker, mijn broeder boven
+het hoofd hangt, met een onverschillig oog aanzie?--Gelooft gij,
+dat ik zelve gestemd ben, dat gehate feest bij te wonen!--O neen,
+mijn voogd! laat mij blijven, en dit gebouw niet eer verlaten, dan
+om naar Friesland te keeren."
+
+"Ik weet," zeide Adeelen, bewogen, "dat uw hart goed is, en dat
+gij ook om het onheil eens onbekenden zoudt treuren: maar bij den
+hemel! ik werd liever door u bespot en uitgelachen, dan dat gij mij
+alleen die tranen schonkt, welke men voor een speelmakker, voor een
+broeder vergiet. Het is als uw bruidegom, als uw minnaar, dat ik uwe
+tranen verg, en God weet, of zij niet sterker nog vloeien zullen,
+indien mijn arm morgen in den kampstrijd dien Italiaan neerslaat,
+die u van liefde heeft durven spreken."
+
+Madzy berstte in tranen uit: zij wilde zich verdedigen, maar zij kon
+geen geluid uitbrengen; want haar hart was vol: het had de juistheid
+van Adeelens uitdrukking gevoeld. De ruwe Fries was zelf ontzet over
+de uitwerking zijner woorden: hij bleef staan, kruiste de armen over
+de borst, en Madzy met sombere oogen aanziende: "is het waarlijk
+zoover gekomen?" riep hij uit: "heeft Madzy Dekama, de edele dochter
+van Frieslands braafsten held, de bruid van Seerp Van Adeelen, zich
+door de zoete woorden laten bepraten van een onbekenden gelukzoeker,
+die naam noch afkomst bewijzen kan, wien een onzalige wind naar deze
+kust gevoerd heeft om zich ten koste der ingezetenen te verrijken? En
+moet de ronde, vrije Fries achterstaan, omdat zijne taal oprecht en
+ongeveinsd is, omdat hij nooit de schoone woorden en de vleitaal der
+hovelingen heeft leeren spreken? Gij antwoordt mij niet: gij zwijgt,
+Madzy! gij slaat uwe oogen neder! o! ik bezweer u, spreek slechts
+één woord: zeg mij, dat gij nog dezelfde zijt: zeg, dat het enkel een
+tijdelijke bedwelming, een vrouwelijke behaagzucht is geweest, welke
+u het oor aan zijne taal heeft doen leenen. Zeg mij dit, Madzy! stel
+mijn hart gerust, en gij zult mij voortaan ook veranderd vinden. Ik zal
+niet meer als meester tot u spreken: ik zal uwe wenschen gehoorzamen:
+ik zal u naar de oogen zien: uwe begeerten raden en voorkomen. O! tot
+dit oogenblik toe had ik nooit geweten, hoe heftig ik u beminde;
+maar de vrees om u te verliezen heeft mij de oogen doen opengaan:
+ik gevoel nu de kracht mijner liefde: waarlijk! ik zal geen geluk
+meer hebben, zoolang ik niet van de uwe verzekerd ben."
+
+Madzy gevoelde zich sterk aangedaan. Nooit had zij Adeelen zoo warm,
+zoo waardig, met zooveel gevoel hooren spreken. "Ja, ik wil uw vriendin
+zijn, Adeelen! gelijk voorheen," zeide zij, hem hare hand toereikende:
+"doch op ééne voorwaarde. Ik wil even oprecht zijn als gij met mij
+geweest zijt: ja, uw gedrag heeft mij verontwaardigd. Gij hebt in
+mijne tegenwoordigheid dien Italiaanschen Ridder beleedigd.... neen,
+antwoord niet; hij moge dan zijn wie hij mag: die afkomst doet hier
+niets ter zake;--gij hebt hem gehoond, en mij ter zelfder tijd. Gij
+hebt mij in zijne oogen en in die van anderen voorgesteld, als ware
+ik een losse, minzieke deerne, gereed mij te vergooien aan al wie mij
+een zoet woordje toesprak. Hoor wat ik eisch en tot welken prijs gij
+mijne achting kunt herwinnen. Gij zult dien vreemdeling, dien Deodaat
+van Verona, bestrijden;--maar eerst zult gij hem verklaren, dat de
+woorden, u in drift ontvallen, u leed doen: dat gij overtuigd zijt,
+dat nooit tusschen hem en mij eenige gesprekken zijn voorgevallen,
+die ik niet hooren mocht: en dat gij ook den hoon vergeten wilt,
+u door hem ter wedervergelding aangedaan."
+
+"Gij vraagt veel, Madzy!" zeide Adeelen: "meer dan met ridderplicht
+kan strooken. Zal ik iemand om vergeving bidden, wiens vuistslag nog
+op mijn aangezicht gloeit?"
+
+"Gij zijt een Fries," zeide Madzy: "en draagt roem op uw
+rondborstigheid. Zoudt gij die alleen aanwenden om te beleedigen en
+niet om te durven erkennen, dat gij ongelijk hadt?"
+
+"Welaan!" zeide Adeelen: "ik zal doen wat gij begeert: ik zal heden
+nog, in uwe tegenwoordigheid, den Italiaan de vergoeding doen, die
+gij verlangt; doch ik heb ook mijne voorwaarde, en de edele Aylva zal
+oordeelen, of zij billijk is: zij is deze, dat gij na uwe terugkomst
+in Friesland u met mij in den echt verbindt, en dat ik u heden nog
+aan het hofgezin als mijne bruid en toekomstige gade moge voorstellen."
+
+"Mij dunkt," zeide Aylva: "dat deze voorslag niet onredelijk is:
+zoo kwam er een einde aan alle moeilijkheid."
+
+Madzy verbleekte: zij was op dit onverwachte voorstel niet verdacht, en
+een samenloop der meest verschillende en tegenstrijdige gewaarwordingen
+doorstroomde haar hoofd. Maar evenals een akker, hoe meer hij omgewoeld
+is, des te spoediger vruchten voortbrengt, zoo is ook het menschelijk
+hart te gereeder een grootsch besluit te nemen, naarmate het feller
+door driften geschokt is. Zij vermande zich, wischte den opgewelden
+traan uit het oog en stak haar hand opnieuw aan Adeelen toe.
+
+"Ik geloof inderdaad," zeide zij met een vaste stem, "dat gij gelijk
+hebt. Ja! ik zal de uwe zijn en heden moge dit op het feest ruchtbaar
+worden,--maar.... vergenoeg u dan met hetgeen gij tot nu toe verricht
+hebt: wees bedaard en terg den Graaf niet meer.--Ja, kan het zijn,
+dat die onzalige kampstrijd op morgen geene plaats had.... doch ik
+gevoel dat dit onmogelijk is.
+
+"Gij zegt wel, Madzy," zeide Aylva: "had Adeelen mij geraadpleegd,
+ik zoude getracht hebben, hem die dwaze uitdaging uit het hoofd te
+praten; maar nu die eens geschied is, kan hij niet teruggaan zonder
+zijn eer te krenken."
+
+"En nu!" zeide Adeelen, wien het zoet vooruitzicht, waarmede hij zich
+streelen mocht, bijna op eens in een galanten ridder herschapen had,
+"laat vrij in 't perk komen wie wil: door Madzy's liefde gesterkt,
+ben ik onverwinnelijk."
+
+"God zegene u, mijne kinderen!" zeide de Olderman, beiden aan zijn
+hart drukkende: "maar laat ons thans den tijd niet verzuimen en ons
+gereedmaken voor het feest."
+
+Elk verliet hierop het vertrek, den Frieschen Edelman hooggestemd
+door vreugde en verwachting achterlatende. Madzy daarentegen gevoelde
+eene andere gewaarwording, sinds zij zelve haar lot bepaald had; zij
+was beklemd en neergedrukt: en nauwelijks was zij in haar vertrek
+gekomen, of zij zonk in een armstoel neder, en de macht, waarmede
+zij hare hartstochten beteugeld had, maakte plaats voor een diepe
+neerslachtigheid.
+
+"Wat heb ik gedaan?" vroeg zij zich zelve af: "mijn hand toegezegd
+aan een man, voor wien ik geene liefde gevoel, wiens onhandelbare
+aard mij ongelukkig maken zal?--En toch! ik heb wèl gedaan. Zóó
+alleen kan en zal ik die dwaze grillen vergeten, welke dit noodlottig
+verblijf in Holland mij in 't hoofd gebracht heeft. Te voren kon ik
+mij zonder ontroering het denkbeeld voorstellen van Adeelens vrouw te
+worden;--en waarom thans niet? Heb ik nog niet een oogenblik geleden
+nieuwe bewijzen gezien van den invloed, dien ik op hem bezit? en zal
+het mij niet mogelijk wezen, met de hulp des Hemels, de inborst mijns
+gemaals te verzachten? Zijn hart is goed en oprecht: en onder de ruwe
+schors zit een edele ziel verborgen. Zoo ik van hem verkrijgen kan
+dat hij zijne ontembare driften beteugele, zal ik met hem gelukkig
+kunnen zijn.... gelukkig! Ja, moet men dit niet altijd zijn, wanneer
+men zijn plicht doet!"
+
+Hier werd zij uit haar mijmering gewekt door de stem van Sytsken,
+die al een poos naast haar gestaan had en haar vroeg, wanneer het
+haar behagen zou, zich aan te kleeden.
+
+Ik geloof, dat het hier de plaats is om onze lezers, en vooral
+onze lezeressen, die wellicht de schoone Madzy van ongestadigheid
+of besluiteloosheid verdacht houden, kennis te doen dragen van de
+drijfveeren, welke haar hadden aangespoord om zoo en niet anders te
+handelen, en om haar karakter tegen alle beschuldigingen van dien aard
+te verdedigen. Het zal hiertoe noodig zijn, eenige omstandigheden
+op te halen uit haar vroeger leven, welker vermelding wij met opzet
+hebben verschoven.
+
+Onder de Friesche geslachten, die steeds met den meesten ijver de
+voorrechten en vrijheden van hun volk verdedigd hadden, was dat
+der Dekama's een der aanzienlijkste. Bezitters van uitgestrekte
+landgoederen en aan het hoofd eener talrijke schaar van aanhangers,
+hadden zij in de raadsvergaderingen, waar de belangen des lands
+verhandeld werden, zoo niet een overwegenden, dan toch steeds een
+gewichtigen invloed gehad. Aan het hoofd van dit adellijk geslacht
+bevond zich in het begin der veertiende eeuw de wakkere Sjoerd Dekama,
+wiens bezittingen een groot deel uitmaakten van die landerijen,
+welke zich, langs Frieslands Noordelijke kust, van Harlingen tot
+Dokkum uitstrekken. Toen bijna het gansche gewest zich voor den
+overwinnenden invloed van Willem den Derden nederboog, was Sjoerd
+Dekama schier de eenige, die de heerschappij des machtigen Graven
+van zijn hooge stins in Baarderadeel was blijven trotseeren. Gaarne
+had hij meer gedaan en zijne landgenooten in 't veld aangevoerd, om
+het juk der slavernij, hoe zacht het ook ware, van hun schouderen te
+werpen; maar de binnenlandsche verdeeldheden, welke gedurende zijn
+leven Friesland teisterden, beletteden hen, zich genoegzaam aaneen
+te sluiten, om aan zijn verlangen te voldoen.
+
+Vurig had Dekama gewenscht een stamhouder achter te laten, op
+wien zijn bezittingen en tevens zijn haat tegen alle vreemde
+overheersching zouden overgaan. Reeds lange jaren was hij gehuwd
+geweest met een dochter uit het geslacht der Hattinga's; maar
+zijn echt was steeds onvruchtbaar gebleven. Bedevaarten naar Onze
+Lieve Vrouwe van Kevelaar en van Scherpenheuvel, ruime giften aan
+kloosters en kapellen, alles was beproefd geweest, om den zegen des
+hemels op dezen echt te verkrijgen; doch alles scheen vruchteloos:
+en reeds wanhoopten de beide ouders, toen eindelijk, na tien jaren
+huwelijks, de zwangerschap zijner echtgenoote aan Sjoerd Dekama het
+vooruitzicht opende om zijn hoop verwezenlijkt te zien. Men schreef
+deze gunstige wending daaraan toe, dat de edele Vrouw gedurende jaar
+en dag het water der heilfontein te Dokkum gedronken had. Volgens
+de overlevering was deze fontein (welke nog ten tijde van Winsemius
+gezien werd) haar oorsprong aan een wonderwerk verschuldigd. Toen
+men, in de negende eeuw, het klooster met de kerk op een hooge werf
+of terp zoude bouwen, wist men geen raad om de kloosterlingen aan
+zoet water te helpen. De landvoogd Abbo, die Friesland uit naam van
+Pepijn den Korten bestuurde, was er bij en wist al zoo weinig als
+de ingezetenen eenigen goeden raad te verschaffen. Het paard van een
+zijner Jonkers (dat waarschijnlijk van den vermaarden Pegasus afstamde)
+nam de zwarigheid weg; want het stampte slechts met de voeten op de
+aarde en fluks kwam er klaar bronwater opborrelen.--Wat er van deze
+vertelling zij, welke lang als ontwijfelbaar is beschouwd door de
+minnaars van het wonderbaarlijke, zeker is het, dat de Friezen over
+'t algemeen heilzame krachten aan de fontein toeschreven, en vooral
+een vruchtbaarmakend vermogen, waarvan Foelke Dekama alsnu, gelijk men
+meende, de uitwerking had ondervonden. De vreugde was nu op Dekamastins
+ten top en de schoonste toekomst lachte den Burchtheer tegen, toen
+de geboorte van het zoolang verwachte kind alle vooruitzichten in
+rook deed verdwijnen. De Burchtvrouw bracht een meisje ter wereld en
+stierf in het kraambed.
+
+Een wanhopige droefheid vervulde de ziel des vaders, die zich zoo
+opeens in al zijn verwachtingen zag teleurgesteld. Ter neder gedrukt
+door den slag, die hem getroffen had, bekommerde hij zich weinig over
+het onnoozele kind, dat hem niet slechts, als een levend aandenken,
+den droevigen dood zijner beminde gade bestendig herinnerde, maar
+ook door de kunne van het wicht de vergoeding niet aanbood, welke
+alleen in staat ware geweest hem bij haar gemis eenigen troost te
+verschaffen. Ja, de kindsheid der arme Madzy ware beroofd geweest
+van de noodige zorgen, had niet een bloedverwante van hare moeder,
+die bij de bevalling was tegenwoordig geweest en de Vrouwe van Dekama
+in haar uiterste had bijgestaan, zich het hulpelooze schepseltje
+aangetrokken. Deze liefdadige vrouw was Sybe Hattinga, de gade van
+Juwe Van Adeelen. Medelijden opvattende met den deerniswaardigen
+toestand van het verschoven weesje, verzocht zij als een gunst van
+Dekama om zijn dochtertje met zich naar Adeelastins te mogen nemen,
+onder belofte van voor haar eerste opvoeding te zullen zorg dragen: en
+Dekama, aan wien het gezicht van het kind meer en meer onverdraaglijk
+was geworden, stond dit verzoek volvaardig toe.
+
+Sybe Van Adeelen betoonde zich het haar geschonken vertrouwen volkomen
+waardig, door de teedere zorgen, welke zij aan het aanvallige wicht
+besteedde, waarvoor zij al spoedig een moederliefde opvatte en
+betoonde, schier gelijk aan die, welke zij toedroeg aan haar eenigen
+zoon Seerp, een knaap, ongeveer tien jaren ouder dan Madzy. Recht
+in zijn schik, dat moeder hem een zusje had medegebracht, hechtte
+hij zich terstond aan het kleine meisje, droeg voor haar meermalen
+waakzame zorg wanneer zijn moeder afwezig was, achtte zich gelukkig,
+wanneer hij de eerste schreden van het lieve kind besturen mocht,
+en verliet niet zelden zijne spelen om bij het wiegje te zitten
+en aan zusje Madzy de zoetste woordjes, die hem in den zin kwamen,
+te laten nastamelen.
+
+Ook Juwe Van Adeelen had zijn aangenomen dochtertje lief; misschien
+even zooveel als zijn vrouw, en iets minder dan zijn zoon, met wien
+hij het meest ophad, en wel om de eenvoudige reden, dat deze de
+eenigste was van de drie, die hem op zijn jacht- en vischpartijen kon
+verzellen. Buiten deze genoegens en die van de daarmede in verband
+staande drinkmalen, was de goede man toch onvatbaar voor eenige
+genieting; en de oogenblikken, welke hij rustig en in den huiselijken
+kring op zijn stins doorbracht, waren zoo zeldzaam, en hij bevond zich
+bij die gelegenheden zoo misplaatst, dat men hem daar minder als den
+Heer des huizes dan wel als een gastvriend beschouwde. Hij liet dan
+ook zijn echtgenoote volkomen vrij, zoowel in de besturing van haar
+huiselijke zaken als in haar beschikkingen omtrent Madzy:--en zeker
+had hij zijn vertrouwen nimmer beter kunnen plaatsen.
+
+Onder de waakzame oogen der edele Vrouw bracht de telg van Dekama
+de dagen harer kindsheid allergelukkigst door, teeder gehecht aan
+haar pleegmoeder, en ook aan haar grooten broeder Seerp, gelijk zij
+hem noemde: hoewel zij met dezen laatsten, naarmate zij in jaren
+klommen, somtijds onaangename tooneelen had, door zijn hoofdigen en
+eigenzinnigen aard veroorzaakt; want, zoolang hij met haar gesold
+had als met een klein kind, dat hem nimmer tegensprak, had zij nooit
+iets van hem te lijden gehad; maar naderhand ging het tusschen hen
+als met Alexis en zijn zusje, volgens het bevallige gedichtje, dat
+wij tot motto van dit hoofdstuk hebben gebezigd. Daar echter Madzy
+zachtzinnig en inschikkelijk van aard was, en bij alle oneenigheid
+dadelijk toegaf, was de vrede doorgaans spoedig hersteld en de smart
+ras vergeten:--en welke zijn de onaangenaamheden, welke de kindsheid
+niet spoedig voorbijziet?
+
+Het duurde ongeveer tien jaren, eer Dekama, die intusschen, als
+der wereld en hare vreugde afgestorven, zijn treurige dagen op zijn
+erfgoed had doorgebracht, zich herinnerde, dat hij nog een dochter
+op Adeelastins in leven had: en verveling of nieuwsgierigheid, meer
+dan ouderliefde, dreven hem derwaarts. Doch helaas! het onvoorbereide
+meisje rukte zich los uit de armen van den somberen, zwarten edelman,
+die haar omhelzen wilde, en zocht haar toevlucht aan den hals van
+haar pleegmoeder.
+
+Deze ontmoeting was weinig geschikt om aan Dekama meerdere teederheid
+voor zijn dochter in te boezemen. Hij verkropte echter zijn spijt,
+uit aanmerking der erkentenis, welke hij aan Sybe verschuldigd was;
+maar hij eischte zijn kind niet terug, tot groot genoegen der edele
+Vrouw, die het ongaarne gemist zou hebben op een tijd, dat het in staat
+begon te worden de haar bewezene diensten te beloonen. Daarentegen
+schepte hij, gedurende het kort verblijf, dat hij op Adeelastins
+maakte, genoegen in den omgang met den jeugdigen Seerp, die nu de
+jaren bereikt had, waarop hij de wereld in kon treden, en wiens
+hooghartig karakter veel overeenkomst met het zijne had. Dekama
+bemerkte weldra, dat de opvoeding van den jongeling in vele opzichten
+verwaarloosd was, daar deze op de stins en onder de leiding zijns
+vaders weinig gelegenheid had gehad om zich in het meer edele gedeelte
+der ridderlijke oefeningen bekwaam te maken. Hij stelde daarom aan den
+ouden Adeelen voor, dat Seerp hem naar Dekamastins zoude vergezellen
+om hem tot schildknaap te verstrekken en onder zijn opzicht aan te
+leeren wat hem nog ontbreken mocht;--door welken dienst hij, gelijk
+hij zich uitdrukte, de handelwijze der Adeelens jegens zijne dochter
+hoopte te vergelden. Deze voorslag klonk in den beginne vrij onwelkom
+in de ooren van Juwe, die niet gaarne een zoo wakkeren jachtgezel als
+zijn zoon wilde missen; doch op aandrang, zoowel van den knaap zelven,
+die, volgens den aard der jeugd, naar verandering haakte en wien het
+in de ziel griefde, dat ieder zijner tijdgenooten hem in bekwaamheid
+vooruit was, als van de verstandige moeder, die het voorbeeld van haar
+echtgenoot hoogst gevaarlijk achtte voor den jongeling, gaf de oude
+man toe, en Seerp volgde Dekama op de stins van dezen, waar hij zich
+al spoedig in alle ridderlijke oefeningen zoodanig volmaakte, dat hij
+in staat was, om, gelijk wij gezien hebben, met eer op een steekspel
+te verschijnen. Maar behalve de uiterlijke bekwaamheden, welke hij van
+Dekama overnam, zoog hij ook van dezen, gelijk wel te verwachten was,
+al de vrijheidsademende denkbeelden en al den nationalen trots in,
+welke den ouden Edelman kenmerkten en, als het meestentijds gaat,
+door zijn kweekeling nog overdreven werden.
+
+Dit duurde zoo tot den dood van den ouden Juwe Van Adeelen, die na
+verloop van een drietal jaren op een jachtpartij overleed aan de
+gevolgen van een twist, uit een beuzelachtige omstandigheid ontstaan:
+namelijk over het aanleggen van het vuur. Eenigen der Edelen, die de
+Schieringer-partij waren toegedaan, hadden namelijk het vuur boven de
+brandstoffen gelegd, iets hetgeen de Vetkoopers, die gewoon waren,
+zich te onderscheiden door de turven boven het vuur te leggen, niet
+wilden gedoogen. De kortelings nog vroolijke jachtgezellen, door den
+drank verhit, trokken hun dolken en zwaarden; Juwe, ofschoon van een
+vreedzamen aard, zag zich genoodzaakt partij te kiezen en ontving in
+het gevecht een doodelijke wonde. Seerp keerde op het bericht van dit
+voorval naar zijn stins, om van zijns vaders erfgoed bezit te nemen en
+zijn dood te wreken. Weldra toonde hij, dat de leden van zijn geslacht
+aan hem geen zoo gemakkelijk stamhoofd, noch de eigengeërfden uit
+den omtrek een zoo toegevenden buurman hebben zouden als zijn vader
+geweest was. Zijn eerste daad was, zijn krijgsknechten uit te rusten,
+de moordenaars zijns vaders op hunne stinsen te overvallen en hen van
+'t leven te berooven. Deze doodslag werd wel gezoend; maar niet zonder
+dat een aanzienlijk gedeelte der landgoederen van Adeelens vijanden
+in zijn bezit verbleven: terwijl zijn stoute daad hem een grooten
+naam gaf bij zijn partij en hem trotscher en hooghartiger maakte
+dan ooit. De zachte vermaningen zijner moeder en de zusterlijke
+raadgevingen van Madzy hielden hem echter eenigszins in toom, en
+beletteden althans voor eenigen tijd, dat Adeelen zich in nieuwe
+twisten stak. Intusschen zag de edele Vrouw de toekomst donker in, en
+voedde niet ten onrechte de vrees, dat wanneer zij eens haar echtgenoot
+in het graf zoude gevolgd zijn, haar zoon, bij gemis van goeden raad
+en leiding, zich geheel aan de inspraak van zijn heerschzuchtigen
+aard zou overgeven. Haar vurigst verlangen, hetwelk zij meer dan
+eens bedektelijk uitte, was daarom, dat Madzy, wier juist oordeel,
+uitmuntend verstand en zachte inborst haar tot zulk een taak volkomen
+in staat stelden, Seerp eenmaal, wanneer zijn moeder kwam te vallen,
+tot leidsvrouw en gezellin op 's levens pad verstrekken mocht. Madzy,
+die nooit eenig jongeling dan Seerp had leeren kennen, en hem een
+zusterlijke genegenheid toedroeg, leende geen afkeerig oor aan de
+wenschen, door haar weldoenster gekoesterd, en gewende zich als van
+zelve aan het denkbeeld van op Adeelastins haar dagen aan de zijde des
+Burchtheers te blijven doorbrengen. Wat dezen betrof, hij beschouwde
+haar nog te veel als een kind, dan dat hij er om gedacht zoude hebben,
+haar in goeden ernst zijn hof te maken: hij behandelde haar, gelijk
+hij altijd gewoon was geweest, zeer uit de hoogte; maar hij deelde
+niettemin in den wensch zijner moeder; want hij voorzag, dat Madzy
+een aardig lief vrouwtje zoude worden, en de gedachte streelde hem,
+dat de bezittingen van de rijke erfgename der Dekama's hem eenmaal
+tot den vermogendsten der Friesche Edelen zouden maken en hem in staat
+stellen, een overwegenden invloed op zijn landgenooten uit te oefenen,
+en hen tot afschudding van het Hollandsche juk te nopen.
+
+De stille leefwijze, welke Madzy sinds haar eerste kindsheid op
+Adeelastins geleid had, moest eindelijk ophouden. De Vrouwe van
+Adeelen, die sedert eenige jaren de beginselen eener teringziekte had
+onder de leden gedragen, voelde haar einde naderen. Op haar sterfbed
+gaf zij nog voor 't laatst haar innig verlangen te kennen, dat Madzy
+eenmaal haar zoon zoude huwen: en toen het diep ontroerde meisje
+door aandoening werd belet haar te antwoorden, legde zij de handen
+der twee wezens, welke zij boven alles bemind had, in elkander,
+en ontsliep zonder smarten, de zalige gedachte met zich nemende,
+dat zij een brave gade voor haar zoon had opgekweekt.
+
+Toen Sjoerd Dekama kennis van het sterfgeval bekwam, zag hij wel in,
+dat hij niets anders doen kon, dan de zoolang door hem verwaarloosde
+dochter bij zich in te nemen. Hij zond zijn ouden slotvoogd om haar
+af te halen; en zij kwam tot hem, een vreemdeling in het huis haars
+vaders. Wel was deze innerlijk trotsch op zijn dochter, toen hij zag,
+hoe schoon en beminnelijk zij was geworden; maar sedert zoolang was
+zijn stins door geen vrouwenvoet betreden geweest, dat hij moeite
+had, haar die gemakken te verschaffen, welke haar kunne en staat
+vereischten: zoodat zij een weinig genoeglijk leven sleet, alleen
+in het gezelschap van iemand, die den omgang met vrouwen geheel was
+afgewend. In den beginne kwam, wel is waar, Seerp haar nu en dan
+bezoeken en eenige verscheidenheid in haar eentonig leven brengen;
+doch daar deze eerlang met de monniken van Lidlum in een heftigen
+twist geraakte, die hem zijn huwelijksvoornemens voor een wijl deed
+uit het oog verliezen, werden die bezoeken weldra meer schaarsch en
+hielden eindelijk geheel op.
+
+Dan, ook de tegenwoordige toestand van Madzy moest van korten duur
+zijn. Dekama stierf, eer nog het jaar ten einde was, aan een aanval
+van beroerte, welke men toeschreef aan de woede, waarin hij geraakt
+was, bij het vernemen, dat Stavoren en nog twee Friesche steden de
+laagheid hadden gehad, den Graaf van Holland als Heer te huldigen. Bij
+zijn uitersten wil droeg hij de voogdij over zijne dochter op aan den
+Heer van Aylva, zijn krijgsmakker en wapenbroeder in vroegere jaren,
+en den eenigen man bijna, wiens gezelschap hij nog in de dagen zijner
+afzondering had willen dulden.
+
+Aylva kwam naar Dekamastins, zoodra hij het verlangen van zijn
+overledenen vriend had vernomen. Madzy kende den Olderman niet
+persoonlijk; maar zij had hem meermalen door haar vader hooren
+prijzen, die hem een volkomen Ridder noemde, welke slechts
+één gebrek had, namelijk dat hij niet genoeg Fries was, 't geen
+Dekama aan de veelvuldige reizen en lange uitlandigheid van Aylva
+toeschreef. Weldra, bij de kennismaking met haar voogd, die haar nu
+meermalen ter regeling en besturing van haar erfgoed bezoeken kwam,
+leerde zij zijn beminnelijk en edel karakter ook bij ondervinding
+kennen en waardeeren, en met een soort van verwondering ontdekte zij,
+dat er nog een ander slag van menschen bestond, dan haar vader of de
+Adeelens. Zij hoorde nu niet meer op allen vreemden landaard schelden,
+noch uitsluitend datgene prijzen, wat louter Friesch was: zij hoorde
+van gewoonten en gebruiken spreken, waarvan zij nooit gedroomd had:
+en een beschaafden, wellevenden toon voeren, welke noch op het sombere
+huis van Dekama noch op Adeelastins ooit gekend was. Het was dan ook
+zonder tegenzin, dat zij het aanbod aannam, haar door Aylva gedaan,
+om eenigen tijd op zijne stins te komen doorbrengen en aldaar zijne
+zusters gezelschap te houden, terwijl het huis haars vaders eenige
+herstelling en vertimmering onderging, die door langdurig verzuim
+hoogst noodig waren geworden.
+
+Het was daar, in haar nieuw verblijf, dat zich de uitmuntende
+begaafdheden, welke zij van de natuur ontvangen had, geheel
+ontwikkelden. De twee zusters van Aylva, jonger dan hij, doch oud
+genoeg om Madzy door haar voorbeeld op te leiden, verschaften haar
+een even genoeglijk als leerrijk gezelschap. Beiden waren niet
+slechts in alle vrouwelijke handwerken, maar ook, hetgeen te dier
+tijd zeldzamer was, in zang en snarenspel bedreven; en Madzy maakte
+van haar onderricht zulk een nuttig gebruik, dat zij weldra haar
+meesteressen voorbijstreefde. Bovendien werd de stins van Aylva niet
+zelden bezocht door welkome gasten, die zoowel door den gullen en
+aangenamen omgang des Oldermans als door de schoonheid en begaafdheden
+van het beminnelijke drietal werden derwaarts gelokt, en de Roos van
+Dekama (want deze naam, haar door een reizenden minnezanger gegeven,
+was haar sedert bijgebleven) bracht, in die gestadige afwisseling
+van vroolijke en belangrijke gezelschappen, de schoone dagen harer
+jeugd op de aangenaamste wijze door.
+
+Ondertusschen had Seerp Van Adeelen met de monniken van Lidlum
+vrede gesloten, waartoe hem, gelijk wij vroeger gezien hebben,
+de welsprekendheid van vader Syard genoopt had; de verstandige
+kloosterling had hem van zijn zwakke zijde aangetast, door hem te
+verhalen, hoezeer de Hollanders juichten over de inwendige tweespalt,
+die Friesland verdeelde. Adeelen begon nu weder aan Madzy te denken en
+zich te verwijten, dat hij haar eenigen tijd verwaarloosd had. Daar hij
+echter zijn huwelijk met haar als een vastgestelde zaak beschouwde,
+aan wier voltrekking geen twijfel wezen kon, deed hij, bij zijn
+eerste bezoek op de stins van Aylva, geene de minste moeite om zijn
+achteloos gedrag te vergoelijken, of verschooning aan Madzy, die
+hij nog altijd als een kind aanzag, af te smeeken. Wat haar betrof,
+zij had, wij moeten het gulweg bekennen, in den laatsten tijd weinig
+aan hem, ofschoon dagelijks aan zijn goede moeder, gedacht: zij zag
+hem niet terug met dat oog van eerbied en vrees, waarmede zij vroeger
+gewoon was geweest hem te aanschouwen. Hij was voor haar niet langer de
+Burchtheer van Adeelastins, zooveel ouder dan zij; maar eenvoudig een
+onhoffelijke, ruwe landedelman, die nog veel te leeren had, eer hij
+geschikt ware om haar hart te winnen. Zij behandelde hem echter, uit
+oude betrekking, met minzame vertrouwelijkheid; maar als Adeelen over
+hun aanstaand huwelijk sprak, kwam zij altijd met de verontschuldiging
+voor den dag, dat zij nog veel te jong was om daaraan te denken.
+
+Hij kon zich echter over dit antwoord niet beklagen; want hij zag, dat
+het geene loutere uitvlucht was: daar zij verscheidene andere edele
+Friezen, die de rijke erfdochter der edele Dekama's ten huwelijk
+waren komen vragen, ronduit had afgeslagen, en hem herhaaldelijk
+verzekerde dat zij bereid was, de hoop eenmaal te verwezenlijken,
+door zijn moeder gevoed.
+
+Aldus stonden de zaken, toen de gebeurtenissen te Stavoren plaats
+vonden, welke aanleiding gaven, dat in den _weerstal_ of de
+landsvergadering der Friezen tot het zenden van afgevaardigden
+besloten werd, waarbij men zich op de drie personen bepaalde,
+in deze geschiedenis genoemd. De keus der geestelijke Heeren viel
+natuurlijk op den Abt van Sint-Odulf, daar deze als een nabuur der
+inwoners van Stavoren het meest bij de zaak belang had, en het best in
+staat was het gebeurde te beoordeelen. Oostergoo benoemde Aylva, die,
+wegens zijn aanzienlijke bezittingen en als Olderman van Leeuwarden,
+in dat gewest een uitgebreiden invloed had. Westergoo koos Adeelen,
+zoowel om zijn koninklijke afkomst, welke hem zelfs onder de vrije
+Friezen een aanzien gaf, dat hij anders niet zoude hebben gehad,
+als om het ontzag, dat men voor zijn macht en wakkere daden gevoelde.
+
+Adeelen, bezorgd dat Madzy in de afwezigheid van Aylva zonder
+bescherming zoude achterblijven, en wellicht ook de hinderlagen
+duchtende, welke, 't zij door dezen of genen minnaar, 't zij door een
+geheimen vijand zouden gelegd kunnen worden, drong bij Aylva aan,
+dat hij haar met zich op de reis naar Holland zoude nemen: tevens
+echter zijn verlangen te kennen gevende, dat zij zich aldaar zoo min
+mogelijk vertoonen zoude. Aylva had er niets tegen om aan het eerste
+gedeelte van dit verzoek te voldoen, hoezeer het hem leed deed dat zijn
+zusters, die in den tusschentijd gehuwd waren, haar niet zouden kunnen
+vergezellen;--maar hij bekende, de reden niet in te zien, waarom hij
+aan Madzy die vermaken zoude ontzeggen, welke een tijdelijk verblijf in
+Holland haar kon opleveren, en waarop iemand van haar kunne en leeftijd
+billijk mocht aanspraak maken. Madzy echter nam alle zwarigheid weg,
+door te verklaren, dat, zoo zij medeging, zulks alleen zoude wezen,
+om haar voogd op reis de noodige oppassing en dienst te bewijzen,
+waaraan hij gewoon was, en dat zij niet verlangde zich in 't openbaar
+te vertoonen om aan de Hollandsche Jonkvrouwen tot een voorwerp van
+spotternij te verstrekken:--en het was onder deze voorteekenen dat
+de reis werd ondernomen.
+
+Dan, de goede Madzy had niet nagedacht, dat deze reis zou dienen om
+haar voorwerpen te leeren kennen, en zaken uit een oogpunt te doen
+zien, van welke zelfs de gesprekken met haren voogd haar nog geen
+denkbeeld hadden kunnen geven. Zij vond zich, zonder zelve te weten
+hoe, op eenmaal als een twistappel aan het hof des Graven geworpen,
+gevleid, bewonderd en benijd. Zij had de zoete taal gehoord van
+Ridders, bij wie Adeelen evenmin te vergelijken was als de ruwe
+goedendag des huismans bij den sierlijken pronkdegen met Damasceensch
+lemmer des Edelmans, en hoe nederig ook en ingetogen, zij was eene
+vrouw, en had niet zonder eenig behagen haar lof in hoofsche taal
+hooren uitspreken door den mond eens Graven van Holland en zijner
+Edelen, en haar hart sloeg harder, wanneer zij zich den wakkeren
+Deodaat voorstelde, met zijn helderen, vriendelijken oogopslag,
+met zijn zachtaardig voorkomen, dat zoo vreemd afstak tegen zijn
+onweerstaanbaren moed, met zijn innemende stem, bevallige manieren
+en heusche handelwijze ten haren opzichte.
+
+"Maar wat baat dit alles?" dacht zij, terwijl Sytsken haar hoofdtooi
+in orde bracht: "het zoude in dien Deodaat, die wellicht niets anders
+dan een ten hove gewone beleefdheid jegens mij in acht genomen heeft,
+een dwaasheid zijn, mij te beminnen: en in mij een nog veel grooter
+dwaasheid, zijn liefde aan te hooren. Geen uitlander als hij zou in
+Friesland als de echtgenoot van Madzy Dekama geduld worden; en mijn
+goede naam ware voor eeuwig verloren, indien ik mijn land verzaakte
+om een vreemdeling zonder fortuin of afkomst te volgen. Neen, zoo ik
+immer rust en geluk wil smaken, het is voor mij slechts in het land
+mijner vaderen te vinden: en gelijk de zwaluw slechts nestelt aan
+het dak waar zij uitgebroeid is, en niet met den vink naar vreemde
+luchtstreken reist, zoo mag ook de Friezin alleen in Friesland haar
+gade vinden."
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Adusta is alleen de bron van al uw tranen:
+ Hy zette, razende van minnenijd en smart,
+ Om 't missen van zijn prooi, zijn' vriend een dolk op 't hart.
+
+ Van Merken. Louize d'Arlac.
+
+
+Het maal, dat op 's Graven jachtverblijf was aangericht, beloofde al
+de feesten, welke tot dien tijd in Holland gegeven waren, in pracht en
+rijkdom te overtreffen. Daar het weder, hoe ongestadig anders hier te
+lande, sedert een geruimen tijd zoo aanhoudend gunstig was, alsof het
+voor de feestvieringen ware uitgekozen geweest, had men zonder eenige
+moeite de toebereidselen op den Vogelesang kunnen maken. Vermits het
+jachthuis te klein was om de genoodigden te bevatten, waren er ter
+zijde van het gebouw verscheiden tafels aangericht van een aanzienlijke
+lengte, omringd van banken, die wel uit ruw hout samengesteld, maar
+met sierlijke kussens overdekt waren. Op en om die tafels waren al de
+fraaiigheden ten toon gesteld, welke de kunst in die eeuw bekwaam was
+op te leveren. Zoo prijkten hier, instede der _plateaux_ van lateren
+tijd, twee gansche kasteelen op tafel, met hun schansen en torens,
+van welke de banieren des Graven waaiden en waar binnen zich een deel
+hoornblazers bevonden, die gedurende den maaltijd het gezelschap op
+hun muziek moesten onthalen. Zoo stonden er onder de hooge linden
+rijke _dressoiren_ of aanrechttafels, waarop blinkende vazen en
+kannen en koelvaten van allerlei vorm en metaal pronkten, en welke,
+vreemd genoeg, door tamme beren werden bewaakt, die geleerd hadden,
+bij de aankomst der gasten, de spietsen, waarmede zij gewapend waren,
+ter aarde te buigen. Maar, wat de meeste bewondering verwekken moest,
+waren drie nagemaakte olifanten, zoo groot als in 't leven, maar welke
+de dorpsschilder, die waarschijnlijk nooit deze dieren gezien had,
+ter eere van 's Graven blazoen, met roode, gele en zwarte strepen had
+beschilderd. Uit den snuit des eenen vloot Rijnwijn; de tweede gaf
+Franschen witten wijn, en de middelste hypocras. Nog merkwaardiger,
+wat de kunst betrof, doch minder belangrijk in de oogen der gasten,
+was een boom, die midden op de tafel stond en alle mogelijke vruchten
+droeg, deels natuurlijk, deels nagebootst, en in wiens gouden bladeren
+kunstig gemaakte vogeltjes, door verborgen werktuigen bestuurd,
+met de vlerken klapperden en allerlei deuntjes floten.
+
+Het was ongeveer zes uren na den middag, de tijd, waarop men gewoon
+was den tweeden maaltijd te nemen: de meeste gasten waren reeds
+verzameld en wandelden de bekoorlijke dreven op en neder, ofschoon
+zij die beweging niet behoefden om hun honger te scherpen. Zij hadden
+door het tornooispel van dien morgen verzuimd hun middagmaal te nemen,
+of te _rampeneeren_, gelijk men het noemde, en benijdden de paarden,
+die in haastig opgeslagen noodstallen zich reeds vergasten mochten aan
+het versche gras, waar de ruiven mede gevuld waren, toen de Graaf met
+zijn hofstoet van Haarlem kwam aangereden. Zijn voorhoofd was somber,
+en hoewel hij zijn best deed om zich te bedwingen en zijn gasten met
+gulheid en wellevendheid te verwelkomen, ontging het echter niemand,
+dat hij zich in een onaangename luim bevond.
+
+De oorzaak hiervan lag in de tijdingen, welke hij dien dag uit het
+Sticht bekomen had. Ieder, die met de geschiedenis van ons land
+bekend is, weet, hoezeer de Graven van Holland er altijd en met
+reden op gesteld waren geweest, een Hollander, of althans een hunner
+bloedverwanten of leenmannen, op den Bisschoppelijken zetel te zien,
+ten einde hun invloed op het Sticht te behouden en de anders zoo
+gestadige twisten tusschen Holland en Utrecht te voorkomen. Dit was ook
+het doel van Willem IV geweest en hij was daarin in zooverre geslaagd,
+dat hij Jan van Arkel, den zoon van een zijner machtigste vazallen,
+den mijter had doen bekomen. Wij hebben reeds vroeger opgemerkt,
+hoe de nieuwe Bisschop weinig aan het oogmerk zijns beschermers had
+beantwoord. In den bloei der jaren, tegen zijn zin in den geestelijken
+stand getreden, bovendien uit een hooggevoelend en trotsch geslacht
+gesproten, dat slechts noode iemand boven zich gesteld zag, had de
+fiere jongeling weinig lust gevoeld, aan den leiband des Graven een
+berooiden boel te beheeren en alleen in naam Bisschop te zijn, zonder
+het vermogen te bezitten om zijn waardigheid op te houden of zijn
+gezag te doen gelden. Het gevolg hiervan, de reis des Bisschops naar
+Grenoble, het lossen der aan Graaf Willem verpande sloten en al hetgeen
+verder gedaan was om diens invloed te verminderen, hebben wij reeds
+verhaald. Om dezen invloed te herwinnen had de Graaf onderscheidene
+middelen in het werk gesteld, en, nu kort te voren, inzage der
+rekeningen van het Bisdom verlangd: maar het was juist na den afloop
+van het steekspel, dat een renbode hem een brief gebracht had van de
+Kapittels van Utrecht, waarbij hem die inzage gladaf geweigerd werd. In
+de eerste opwelling van gramschap over dezen grievenden hoon had hij,
+zonder iemand te raadplegen, en alleen zijn drift gehoor gevende,
+terstond een ontzeggingsbrief aan de stad Utrecht terug doen zenden:
+en het was de wrevel over dit voorval ontstaan, welke thans nog op
+zijn gelaat te lezen was.
+
+Terwijl hij zich in deze gemoedsgesteldheid bevond en bestreden
+werd door de heftige gewaarwordingen, welke slechts een nieuwe
+gelegenheid wachtende waren om uit te barsten, evenals het kruit
+slechts een vonk noodig heeft om te ontbranden, naderde hem Adeelen,
+Madzy aan de hand geleidende en door zijn beide medeafgevaardigden
+gevolgd. Een beter hoveling dan Adeelen zou de gefronste wenkbrauw
+des Graven hebben opgemerkt, die zich nog sterker samentrok toen
+hij den Fries in 't oog kreeg; hij zou gevreesd hebben, den grammen
+leeuw te tergen, en een meer geschikte gelegenheid afgewacht hebben
+om tot den Vorst te spreken, maar Adeelen was er de man niet naar, om
+zich door een donker gezicht te laten afschrikken. Stoutweg deed hij
+een stap naar den Graaf, en hem Madzy voorstellende: "Heer Graaf,"
+zeide hij: "gisteren had Madzy Dekama nog een vijftigtal vrijers,
+die het slechts voor de leus waren: heden heeft zij een bruidegom;
+maar die meent het goed. Ik zou u gisteren ons huwelijk reeds hebben
+aangekondigd," vervolgde hij, de stem verheffende, ten einde door
+Deodaat, die niet verre van daar stond, gehoord te worden, "maar toen
+was ik nog niet zeker van mijn zaak; en het doet mij leed, dat ik, door
+een valschen waan misleid, de bedoelingen van dien Ridder daar" (op
+Deodaat wijzende) "heb miskend. Ik herstel hem in zijn eer, en beken,
+dat ik verkeerd deed, hem te hoonen: meer kan ik niet zeggen: heden
+heeft zij mij de toedracht der zaken opgehelderd en het is tusschen
+ons beiden beklonken. Zoodra wij in Friesland teruggekeerd zullen zijn,
+'t geen God geve dat spoedig plaats hebbe, gaat het huwelijk door."
+
+Deze aanspraak was, ja, door Graaf Willem ten einde toe aangehoord,
+maar niet zonder herhaalde teekenen van wrevel, toorn en ongeduld,
+welke Adeelen niet had opgemerkt. Toen deze echter had uitgesproken,
+kon de Graaf zich niet langer bedwingen. Het voorgenomen huwelijk van
+Madzy wierp weder een der door hem gevormde plannen in duigen, dat
+namelijk, van een verbintenis tusschen haar en een zijner vertrouwde
+hovelingen: en de vrijmoedige taal van den Fries, welke hij tot
+nu toe uit staatkunde en ridderlijke toegevendheid geduld had,
+was hem eindelijk ondraaglijk geworden. Hij stampte driftig met den
+wandelstaf, dien hij in de hand had, op den grond, en toen den Fries
+met woedende oogen aanziende: "Bij Sint-Japik!" riep hij uit: "en
+zijt gij zoo zeker, lompe Fries! dat gij den dag van morgen beleven
+zult, om nu reeds een trouwdag te bepalen. Bij alle Heiligen, die
+Jonkvrouw is ouderloos en als zoodanig zijn wij als landsheer haar
+rechte en natuurlijke voogd: en niemand zal haar trouwen, die niet
+onze toestemming verzocht en verkregen heeft."
+
+Al de omstanders waren verbaasd en ontzet over dezen heftigen uitval:
+en Adeelen zelf, hoe weinig door woorden af te schrikken, was zoo uit
+het veld geslagen door de onverwachte wijze, waarop de Graaf zijn
+toespraak had opgenomen, dat hij eenige oogenblikken stom bleef,
+en zonder te weten wat hij deed, met de linkerhand zijn sabelknop
+omvatte, als vreesde hij een dadelijken aanval.
+
+Beaumont, die als des Graven goeden engel altijd aan zijn zijde stond,
+haastte zich, hem zachtjes in 't oor te fluisteren:
+
+"Bedenk wat gij doet: wees bedaard, en herinner u, dat wij ons geene
+nieuwe vijanden op den hals behoeven te halen."
+
+Deze welmeenende raad diende slechts om olie in het vuur te gieten: "De
+duivel hale alle bedaardheid!" riep de Graaf: "wat ben ik? wettig Heer
+van deze landen? of een speelbal in de handen mijner onderzaten? Wij
+hebben ons genoeg verlaagd: lang genoeg de plompe onbeschaamdheid van
+een vazal verdragen, die het er op toelegt, ons in 't aangezicht te
+beleedigen. Bij Sint-Japik! hadden wij ons ridderwoord niet gegeven,
+van het tweegevecht van morgen niet te zullen beletten, deze Seerp
+Van Adeelen ware reeds lang in den kelder van ons huis in 's-Hage
+geworpen."
+
+Adeelen, die zijn vrijmoedigheid inmiddels teruggekregen had, was
+op het punt van den Graaf een haastig antwoord toe te duwen, toen
+Aylva met een bedaarden doch vasten stap voor hem trad, en hem met
+de linkerhand afweerde.
+
+"Graaf!" zeide hij: "zoo Seerp Van Adeelen u hedenmorgen beleedigd
+heeft, ik ben er verre af, partij voor hem te kiezen en hem te
+verschoonen. Maar wij konden billijk verwachten, dat wij aan het
+hof des zoons van Willem den Goeden, des meesters der Koningen,
+des volmaaksten Ridders van Europa, die gastvrijheid zouden zien
+betrachten, waarop wij als genoodigden en als de waardigheid van
+afgevaardigden bekleedende, welke bij alle beschaafde natiën in
+achting is, aanspraak vermeenden te kunnen maken. Daar dit echter het
+geval niet is, zoo zullen wij uwe Genade van een gezelschap ontslaan,
+dat hinderlijk schijnt geworden te zijn."
+
+De Graaf hoorde deze toespraak aan, zonder den Fries in de rede te
+vallen en zonder eenig blijk van ongeduld te geven, dan dat hij op den
+knop van zijn wandelstok beet, een bezigheid, waarmede hij voortging
+toen Aylva gesproken had, zonder dezen eenig antwoord op zijn rede
+te geven. Aylva was dan ook gereed met een buiging verlof te nemen,
+toen Beaumont tusschen beiden trad en hem weerhield.
+
+"Blijf, edele Aylva!" zeide hij: "blijf, waardige Abt! u kunnen de
+woorden des Graven niet gegolden hebben. O mijn edele Neef! deze
+edellieden, deze vrome Abt zijn uwe gasten. Laat hen niet vertrekken
+met een slechte herinnering aan uwe vorstelijke gastvrijheid."
+
+"Wij hebben hen niet gehinderd daarvan gebruik te maken," zeide Willem,
+op een hoogen toon: "doch het was tijd, dat zij een les ontvingen,
+hoe zich in onze tegenwoordigheid te gedragen. Onze Herauten hadden
+hen beter behooren te onderrichten."
+
+Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich met een haastigen tred en
+ging naar de Gravin, die zich, op een geruimen afstand vandaar, in 't
+midden van een stoet van hooge genoodigden en adellijke Jonkvrouwen
+bevond. De meeste omstanders volgden den Graaf; maar zijn laatste
+woorden waren niet verloren gegaan, en de oude Wapenkoning, die ze
+gehoord en als een zijdelingsch verwijt had opgenomen, trad naar
+Adeelen toe en begon hem, op een half beleefden, half bestraffenden
+toon, de les te lezen over zijn gedrag, terwijl Beaumont en Teylingen
+den Abt en den Olderman poogden over te halen, het feest niet te
+verlaten om een woord, dat den Graaf in drift ontvallen was.
+
+"Gij moet weten," zeide de oude Paypaert tot Adeelen, "dat het hoogst
+onbetamelijk en met alle gebruiken strijdig is, het woord tegen den
+Graaf te voeren, zonder daartoe alvorens verlof te hebben doen vragen
+door een Heraut, of, zoo er geen aanwezig is, door een van 's Graven
+schildknapen, of eindelijk, bij mangel van dien, door een dienstdoenden
+page. Geloof mij, Jonker! dat ik, die mijn waardigheid reeds bekleed
+heb onder Graaf Floris, die de minzaamste aller vorsten was, ja zelfs
+zoodanig, dat hij het slachtoffer zijner te groote goedheid werd, als
+iedereen weet: onder Graaf Jan den Eersten, die de zachtheid zelve
+was: onder Graaf Jan den Tweeden, die alles deed wat in hem was, om
+de welwillendheid zijner onderzaten te winnen: onder Graaf Willem den
+Goeden, wiens naam alleen genoeg zegt om aan te duiden wat hij was:
+dat ik, zeg ik, nooit heb ondervonden, dat een van die edele Graven,
+wier zielen God genadig zij, ooit geduld heeft, dat een onderzaat,
+al ware hij een Baanderheer, onaangediend en ongevraagd het woord tot
+hem voerde, tenzij over tafel of aan 't spel, uitgezonderd alleen
+de magen van het Grafelijk Huis, als de Heeren van Brederode, van
+Voorne, van...."
+
+"Dat is alles schoon en goed," zeide Adeelen, wien deze predikatie
+reeds sedert lang verveelde, maar die geen kans zag om er aan te
+ontkomen, zonder tegen den ouden man, die hem bij de mouw hield,
+geweld te gebruiken:--te meer daar hij ingesloten was tusschen een drom
+Herauten, pages en hofbeambten, die zich vermaakten met zijn ongeduld
+en met den gewichtigen toon, waarop Paypaert de regels der hofetiquette
+voordroeg:--"maar wij Friezen volgen liefst onzen eigenen weg en zeggen
+gaarne wat wij meenen en waar het ons best gelegen komt. Hoe dit zij,
+de Graaf zal over mijne _woorden_ niet meer te klagen hebben."
+
+"Ja, waren het slechts uwe woorden," hervatte de onverbiddelijke
+Wapenkoning: "maar gij hebt ook een zeer verkeerde daad gedaan, door
+uw bruid zelve aan den Grave voor te stellen. Zulks had behooren te
+geschieden door den voogd der Jonkvrouw, die haar alsdan had moeten
+toevertrouwen aan een Edelvrouw der Gravin, door welke zij vervolgens
+aan den Grave op eene door zijne Genade nader te bepalen wijze zoude
+zijn voorgesteld, waarop gezegde Jonkvrouw uwe bruid...."
+
+"Mijn bruid!" riep Adeelen eensklaps uit: "ja! waar is zij?--gij
+spreekt van toevertrouwen.... maar ik vertrouw haar hier aan niemand
+toe."--En degenen die naast hem stonden ter zijde schuivende, trad
+hij met drift buiten den kring en zag naar Madzy uit.
+
+Deze was, bij de eerste uitbersting van 's Graven woede, een weinig
+teruggeweken, en vervolgens, toen Willem zich verwijderd had, en
+haar vrienden huns ondanks (gelijk wij gezien hebben) in diep gesprek
+gewikkeld werden, op een kleinen afstand blijven staan, zonder op dat
+oogenblik iemands aandacht tot zich te trekken. Terwijl zij zich dus
+alleen en in dien onaangenamen toestand bevond, waarin men verkeert,
+wanneer men zich van de zijnen afgescheiden en onder vreemden bevindt,
+zag zij op eens het hinderlijke van dien toestand nog vergroot door
+de onverwachte nadering van den bruinen beer, die deftig tusschen
+de Herauten en haar in kwam aangetreden. Dit ongure dier had zich
+waarschijnlijk op zijn post aan het _dressoir_ verveeld en verkozen
+een wandeling op zijn eigen houtje te doen. Niet wel op haar gemak
+bij dit vreemd verschijnsel, week zij terug in een slingerpad, dat
+zich juist achter haar bevond:--een paar bedienden, die den beer
+waren achtervolgd, dreven hem met stokslagen weder naar zijn plaats:
+en toen zij het pad weder uit wilde komen, ontmoette haar aan den
+ingang Deodaat.
+
+"Een enkel woord!" zeide deze: "een enkel woord, edele Freule! Ik
+gevoel, dat plaats noch gelegenheid geschikt zijn; maar nood breekt
+wet, en het is de laatste reize, dat ik u met mijne toespraak lastig
+wezen zal."
+
+"Ridder!" zeide Madzy: "ik ben de bruid van Seerp Van Adeelen, en ik
+mag uwe taal niet aanhooren. Veroorloof mij, naar mijn voogd terug
+te keeren."
+
+"Een enkel oogenblik slechts," hernam Deodaat op een smeekenden
+toon: "het is, of de hemel zelf mij deze gelegenheid toeschikt en
+mij voorschrijft, die niet ongebruikt te laten ontglippen. Bedenk,
+dat ik morgenochtend met uw bruidegom, den Fries, op dood en leven
+moet kampen."
+
+"Helaas!" zeide Madzy met een bevende stem: "ik weet het te wel! en
+kan niets dien strijd voorkomen?"
+
+"Ziedaar, wat ik mij genoodzaakt vond, u te zeggen. De ziel
+van uwen.... van Adeelen, is te trotsch om te buigen, dit is mij
+bekend. Van zijne zijde is dus geen terugstap te verwachten. Wat mij
+betreft, gewillig gave ik mijn leven, eer ik de lans velde tegen
+iemand, wien ik heden eerst bemerk dat u dierbaar is; doch het is
+niet voor mijne wraak alleen dat ik strijden moet: het is de zaak
+mijns meesters, die aan mijn arm, aan mijn eer is toevertrouwd; en
+ik ware in de oogen der geheele Ridderschap onteerd, indien ik mij
+niet in den kamp gedroeg gelijk het eenen braven Ridder betaamt. Wij
+moeten dus kampen; daar is geene mogelijkheid om zulks te voorkomen."
+
+Madzy zweeg en sloeg de oogen neder. Haar hart bloedde; maar zij
+gevoelde, dat Deodaat gelijk had.
+
+"Welnu!" vervolgde deze: "hiervan is het alleen dat ik u wilde
+overtuigen, opdat gij, zoo ik in 't strijdperk treed, het mij niet
+wijt, zoo ik mijn plicht als Ridder volbreng: en zoo het noodlot wil,
+dat Adeelen door mij valt, haat mij dan, Jonkvrouw! maar laat voor
+'t minst uw hart mij rechtvaardigen, en zeg dat ik niet anders kon
+handelen."
+
+"Zoo deze verzekering iets tot uw geluk kan toedoen...." zeide Madzy
+zuchtende.
+
+"Het geluk en ik," zeide Deodaat, "hebben afscheid genomen, sedert
+Adeelen u aan den Graaf heeft voorgesteld;--want waarom zou ik het
+u niet bekennen, Freule! ik bemin u! en is de zekerheid, dat ik,
+verwinnaar of verwonnene, geene hoop op uw bezit mag voeden, niet
+genoegzaam om mij voor mijn leven ellendig te maken? Wee mij! dat ik
+nog moet trachten een vijand te vellen, door wiens handen ik liever
+om uwentwil zou vallen."
+
+Al sprekende waren zij het zijlaantje langzaam op en neder geloopen
+en bevonden zich door het kreupelhout aan de oogen der omstanders
+onttrokken. Deodaat had in de drift van zijn hartstocht de hand van
+Madzy gevat en zij had die niet teruggetrokken; want het bloed vloeide
+haar naar het hart terug en zij was buiten de mogelijkheid om eenige
+beweging te maken. Dat oogenblik van bedwelming duurde slechts kort.
+
+"Om Gods wil, Ridder!" zeide zij: "laat mij gaan; het voegt mij niet,
+langer naar u te hooren: men heeft ons misschien zien gaan: men zal
+ons bespieden.... men heeft ons reeds bespied."
+
+En dit zeggende, gaf zij een angstigen, half gesmoorden kreet. Naast
+hen stond Reinout, doodsbleek, met gekruiste armen en het oog
+vonkelende van toorn.
+
+Deze had, sedert hij zich van Deodaats ontrouw te hemwaart overtuigd
+hield, in dien staat van hevige gemoedsaandoening verkeerd, waarin
+het verhitte bloed beide verstand en hart bedwelmt en den mensch
+zoowel onbekwaam maakt wel te gevoelen als wel te onderscheiden. Zijn
+wrok tegen zijn wapenbroeder was niet verminderd door de dubbele eer,
+welke dezen boven hem op het tornooispel was te beurt gevallen:--eene
+week vroeger zoude hij die hebben toegejuicht: thans was hem die een
+nieuwe spoorslag tot ijverzucht en wraak; want karakters als die
+van Reinout kennen geen middelweg tusschen liefde en haat: en zoo
+vurig hij te voren zijn vriend bemind had, zoo hevig was hij thans
+op hem verbolgen. Iets later op dat feest gekomen, had hij niets van
+de woordenwisseling tusschen den Graaf en Seerp Van Adeelen vernomen:
+maar hij had uit eenige losse uitdrukkingen der feestgenooten verstaan,
+dat de schoone Friezin de bruid was, zonder recht begrepen te hebben
+met wien: en toen hij het vorstelijke paar genaderd was, had hij deze
+woorden aan 's Graven mond hooren ontvallen:
+
+"Dat meisje zal niet met dien lompen Fries huwen: zoo Deodaat morgen
+de overwinning behaalt, zal zij het loon zijner dapperheid wezen,
+of in een klooster gaan."
+
+Dit gezegde was voor Reinout genoeg geweest. Woedend van minnenijd
+was hij Deodaat gaan opzoeken, om hem zijn vermeende ontrouw te
+verwijten, en hij had ter bekorting het laantje genomen, waarin zich
+zijn medeminnaar bevond. Zoodra deze hem gewaar werd, liet hij de
+hand van Madzy los en wilde spreken; maar Reinout schonk hem daartoe
+den tijd niet.
+
+"Gij zult mij niet meer met schoonschijnende woorden bedriegen,
+listige verrader!" riep hij; "wat ik gezien heb is mij genoeg: maar
+hier is uw straf." Eer nog deze woorden geheel waren uitgesproken,
+had hij zijn dolk getrokken en stootte dien Deodaat in den boezem.
+
+De jongeling wankelde en viel. Met een ontzettenden gil schoot
+Madzy toe, en ontving hem in haar uitgebreide armen, waarna zij,
+eene knie ter aarde buigende, op de andere het hoofd des gewonden
+ondersteunde. Reinout had zijn dolk laten vallen en stond onbeweeglijk.
+
+"Gij hebt welgedaan, broeder!" zeide Deodaat, op wiens gelaat zich de
+doodskleur reeds had verspreid:--"ofschoon het niet uwe hand had moeten
+zijn, die.... vlucht Rinaldino--vlucht!.... het is mij zoet, zoo te
+sterven," en zijn brekend oog rustte op Madzy met innige liefde. Weldra
+echter sloot het zich en zijn hoofd viel neder als dat eens dooden.
+
+Reinout bedekte zich het gelaat met de beide handen: en toen, een
+vervaarlijken sprong nemende, verdween hij in het kreupelhout. Bijna
+in hetzelfde oogenblik kwam Adeelen te voorschijn, van eenige Edelen
+gevolgd.
+
+"Voor den duivel!" zeide hij: "wat heeft dat te beteekenen? Een
+vreemdeling in de armen van Madzy!"
+
+"Hulp! in 's Hemels naam!" riep deze: "hulp! hij sterft! zoo gij
+vrome lieden zijt, helpt! en houdt den moordenaar vast! hij is door
+het gindsche kreupelhout gevlucht."--En bij het uiten dezer woorden
+wees zij in het boschje naar de zijde, welke Reinout was ingegaan.
+
+"Wie, wie is de moordenaar?" vroegen terstond onderscheidene stemmen.
+
+"Wie? wie?--Zijn vriend, zijn wapenbroeder, die zwarte Italiaan!"
+
+"Reinout!" riepen allen in verbazing uit; en verscheidenen snelden
+het boschje uit om hem na te jagen.
+
+"Ik ben hem wellicht dank verschuldigd," zeide Adeelen, somber en
+bedaard, terwijl hij beurtelings de gelaatstrekken van Deodaat en
+die van Madzy, waarop een bijna gelijke bleekheid was verspreid,
+bleef beschouwen.
+
+"Hij is nu dood," zeide Madzy, halfluid, op een toon van innige
+droefheid, die niet zonder bitterheid was: "hij zal u geen minnenijd
+meer baren."
+
+"Madzy! mijn kind!" riep Aylva, die inmiddels met verscheidene gasten
+genaderd was: "bedenk waar gij zijt en wat gij doet;" en hij nam haar
+bij den arm om haar van dit treurtooneel te verwijderen.
+
+Maar in dit oogenblik sloeg hij zelf een oog op de bevallige, doch
+thans wezenlooze gelaatstrekken des jongelings, en een koude rilling,
+waarvan hij de oorzaak niet kon nagaan, doorliep zijn aderen. Schoon
+teergevoelig van aard, had hij den dood te dikwijls onder alle
+gedaanten voor oogen gehad, dan dat het gezicht van een lijk bij hem
+iets meer dan een gevoel van medelijden zoude hebben opgewekt;--doch
+hier bezielde hem een ongekende gewaarwording; het was, of de dolk
+van Reinout hem mede in 't hart getroffen had.
+
+"Is er geene hoop meer?" vroeg hij, angstig op het lichaam starende.
+
+"Zou hij nog te redden zijn?" zeide Madzy, de gelegenheid haastig
+aangrijpende, welke haar nog een oogenblik toevens vergunde. Zij
+legde de hand op zijn hart en na eenige oogenblikken van gespannen
+verwachting riep zij uit: "God lof! het slaat nog: een arts! een arts!"
+
+"Wat heeft er plaats gehad?" vroeg de Graaf, driftig het moordtooneel
+naderende: "is het die ellendige Fries, wiens dolk een mijner
+edellieden heeft durven zoeken?" En zijn vorschend oog ondervroeg
+beurtelings Beaumont en Adeelen.
+
+Weemoedig schudde de eerste het hoofd: "niet deze," zeide hij, op
+Adeelen wijzende: "de moordenaar is gevlucht. Maar het wordt tijd,
+dat lichaam naar een meer geschikte plaats te vervoeren."
+
+Men voldeed aan dit voorstel: twee edellieden beurden den zieltogenden
+Deodaat van den grond op, en droegen hem naar het jachthuis, terwijl
+Beaumont het hoofd ondersteunde, en Aylva, door eene onwederstaanbare
+aandrift gedwongen, naast het lichaam bleef gaan, zonder de oogen
+van het doodsbleek gelaat te kunnen afwenden. Al de overigen volgden
+of omringden hen met zichtbare blijken van deelneming. Adeelen
+alleen bleef terug met Madzy, die, toen het lichaam was opgenomen,
+het besef van haar toestand had terugbekomen, en snikkende was ter
+zijde getreden.
+
+"Wel hoe!" zeide Seerp, zich voor haar plaatsende en haar met een
+hoonenden grimlach aanziende: "volgt gij het lijk van uw minnaar niet?"
+
+"Seerp! gij zijt wreed!" was alles, wat haar tranen aan Madzy toelieten
+te zeggen.
+
+"Minder dan gij," zeide Adeelen, "die op den dag zelven, dat gij mij
+trouw belooft, met een jongen lichtmis door het bosch gaat zwerven
+en mij door uw ontrouw het hart doorboort en erger wonden slaat
+dan uw boel ontvangen heeft. Ha! dubbelen dank ben ik dien Reinout
+verschuldigd, die mij zoowel van pas gewroken heeft."
+
+"Gij behandelt mij onwaardiglijk," zeide Madzy: "gij miskent mij en
+den edelen jongeling, die...."
+
+"Bloos niet, maar ga voort!--Welnu! die edele jongeling?...." herhaalde
+Adeelen, op een bitsen toon, ziende dat de aandoening Madzy belette
+voort te gaan.
+
+"Nu, ja dan," zeide Madzy, haar vrouwelijke waardigheid geheel
+hernemende: "waarom gebloosd? Hij voelde voor mij een hopelooze liefde
+en kwam mij het laatst vaarwel zeggen. Ziedaar zijn eenige misdaad, zoo
+het al een misdaad was: de mijne was, hem aangehoord te hebben; doch
+kon ik minder doen voor iemand, die wellicht morgen sterven zoude."
+
+"Voortreffelijk!" hernam Adeelen: "verdedig hem nog.--Wat mij betreft,
+ik weet genoeg: herneem de trouw, die gij mij geschonken hebt, en uw
+ring daarbij: ik begeer hem niet meer."
+
+Dit zeggende, trok hij den ring, dien hij van Madzy ontvangen had, van
+zijn vinger, verbrak dien tusschen de tanden en wierp de stukken voor
+de voeten der ongelukkige maagd, waarna hij haar snel den rug toekeerde
+en zich verwijderde, haar alleen latende in een gemoedsgesteldheid,
+die zich beter laat gevoelen dan beschrijven.
+
+Deze daad van Adeelen, of liever de beweging, waarmede hij die
+volbracht had, was niet zonder getuigen gebleven. De Gravin,
+verscheidene van hare aanzienlijke gasten en de stoet van edelvrouwen
+en juffers, die haar vergezelde, waren juist langs dezen weg komen
+aanwandelen om iets naders omtrent de ware toedracht der zaak te
+vernemen, en hadden aan Adeelens gramstorige bewegingen en aan Madzy's
+bedrukte houding reeds half geraden wat er gaande was.
+
+"Het schijnt ons toe," zeide de Gravin, "dat die bruigom zijn bruid
+niet zeer tevreden verlaat."
+
+"Mij dunkt," zeide Oda van Wassenaar fluisterende tegen hare
+vriendinnen, "dat hij niet kwalijk tevreden zijn moet, nu men hem
+met éénen slag van een medevrijer en van een doodvijand ontslaat."
+
+"Foei Oda! kunt gij nog spotten met den dood van dien goeden Deodaat,"
+zeide Ottilia, met tranen in de oogen.
+
+"Ik beklaag den armen Ridder van ganscher harte," hernam Oda: "doch
+mijns bedunkens is die Friesche Roos nog meer te beklagen, die, op
+éénen dag, haar éénen minnaar vermoorden ziet, door haar bruidegom
+verlaten wordt en misschien haar derden vrijer ziet onthoofden."
+
+"Zou het dan wezenlijk Reinout zijn," vroeg Ottilia, "die zulk een
+laagheid begaan heeft?"
+
+"Noem het geen laagheid," viel Oda in: "waarlijk, ik zou iemand wel
+liefhebben die mij genoeg beminde om zijn oudsten en trouwsten vriend
+aan zijn liefde op te offeren. Daar zou geen van onze Hollandsche
+edelen, die karnemelk voor bloed in de aderen hebben, ooit toe komen."
+
+"Goddank neen!" zeide Ottilia: "gij zijt afschuwelijk, Oda! en ik
+spreek u heden geen woord meer toe."
+
+"Gij hebt gelijk," zeide Oda: "ga liever die Friesche nuf opbeuren,
+die eergisteravond zooveel spels maakte en nu te kijken staat als
+een boerenmeid, die haar eieren over den weg heeft laten vallen."
+
+Ottilia volgde dezen raad, of liever, de inspraak van haar medelijdend
+hart. De Gravin was Madzy voorbijgetreden, zonder schijnbaar eenige
+acht op haar te slaan; want de omstandigheden der verwonding niet
+volkomen wetende, en vermeenende, dat Madzy wel schuldig zijn kon,
+wilde zij hare waardigheid niet te kort doen door zich met haar in te
+laten. Ottilia daarentegen, altijd genegen het beste van iemand te
+denken, bleef achter, trad naar de arme verlatene toe, nam haar bij
+de hand en deed haar de weinig romaneske, doch in deze omstandigheden
+zeer natuurlijke vraag, of zij niet doodelijk ontsteld was en of zij
+reeds iets gedronken had.
+
+"Ik ben vermoeid," zeide Madzy, die haar knieën onder haar voelde
+knikken: "ik wilde, zoo mogelijk, wel een oogenblik nederzitten."
+
+"Neem mijn arm," zeide Ottilia: "en leun op mij: wij zullen ons ginds
+op dat bankje nederzetten, en Zweder zal u wat te drinken brengen,
+niet waar Zweder?"
+
+Zweder was een neefje van Ottilia en diende als page bij de
+Gravin. Zoodra hij het verzoek zijner tante vernomen had, snelde hij
+als een pijl uit den boog vooruit om eenige verversching te halen,
+terwijl de beide Jonkvrouwen langzaam naar het bankje traden.
+
+Met die hoffelijke bescheidenheid, welke het kenmerk is van een goed
+hart en een goede opvoeding, weerhield Ottilia zich, in spijt harer
+nieuwsgierigheid, de bedrukte Madzy door eenige vraag te kwetsen,
+nam zwijgend met haar op de tuinbank plaats en drong haar iets te
+gebruiken van het water, dat Zweder had aangebracht en waarin de knaap,
+die door zijn post gewend was vrouwen te bedienen, eenige droppelen
+van een meer geestrijk vocht gemengd had.
+
+Na haar dank op hartelijke wijze te hebben geuit, gaf Madzy haar
+verlangen te kennen om huiswaarts te keeren, en vroeg of er niet iemand
+aan den Heer van Aylva kon gezonden worden om hem te verzoeken haar
+derwaarts te geleiden.
+
+"Ik zal mij gaarne met deze boodschap belasten," zeide Zweder:
+"ofschoon het mij altijd aangenamer ware de tijding van uwe komst dan
+van uw vertrek te brengen."--Onder het doen dezer hoffelijke betuiging,
+welke hij met al den zwier eens volslagen hovelings uitbracht, deed
+hij op een bevallige wijze zijn toppermuts een halven cirkel in de
+lucht beschrijven en verwijderde zich. Dan, nauwelijks ter halverwege
+gekomen, ontmoette hij de Gravin, die met haar gevolg van haar
+ontdekkingsreize terugkwam, in druk gesprek met Beaumont. Hij bleef
+dus staan en wachtte eerbiedig af dat de stoet voorbij was getrokken.
+
+"Hebt gij een boodschap, knaap?" vroeg de Gravin, zijn houding
+opmerkende.
+
+"Ik ging den Heer van Aylva het verlangen der Jonkvrouw van Dekama
+overbrengen: zij wenscht te vertrekken."
+
+"Ik wil het gaarne gelooven," zeide Beaumont, de schouders ophalende;
+"maar dat zal nu niet gaan, vrees ik."
+
+"Jonkvrouw!" vroeg intusschen Ottilia aan Madzy: "wilt gij niet op
+een meer afgelegene plaats gaan zitten? Ik zie den hofstoet aankomen."
+
+"O ja!" antwoordde Madzy, opstaande en haastig haar arm nemende:
+"laten wij ons verwijderen."
+
+Maar reeds had zich een der edelknapen van den stoet afgescheiden en
+de wijkende jonkvrouwen ingehaald.
+
+"De Heer van Beaumont verlangt u te spreken, Freule!" zeide hij
+tot Madzy.
+
+Deze gevoelde op die taal een trilling, welke haar geheele gestel
+in beweging bracht, en werktuiglijk volgde zij, aan den arm harer
+geleidster, den bode van Beaumont.
+
+De Gravin, nu beter onderricht en, hoewel nog niet zeker van
+Madzy's onschuld, echter iets, dat naar medelijden zweemde, met
+haar gevoelende, begreep het nu veilig te kunnen wagen om haar toe
+te spreken: en na eenige weinige onbeduidende vragen, waarop Madzy
+nauwelijks in staat was antwoord te geven, zeide zij:
+
+"De Heer van Beaumont heeft iets met u te verhandelen, weshalve wij
+u zullen verlaten. Jonkvrouw van Naaldwijk! wij hebben u gemist. Uwe
+plaats is bij ons, zoo wij ons niet bedriegen."
+
+Ottilia kleurde en zuchtte, en met moeite een traan verbergende,
+die haar bij dat openbaar verwijt in de oogen schoot, wilde zij zich
+weder bij den hofstoet voegen; doch Madzy hield haar hand tusschen
+de hare vast.
+
+"Ik dank u," zeide zij: "gij voor 't minst weet medelijdend te
+zijn. Madzy Dekama zal u nooit vergeten. O! bloos niet en laat het u
+niet smarten, vriendelijk jegens mij te zijn geweest. Een enkele traan,
+om mijnentwille gestort, zal u in uw ouderdom zoeter herinneringen
+geven dan al de hofgunst u bieden kan."
+
+Hier liet zij de hand van Ottilia varen: en geroerd en verlegen trad
+de Jonkvrouw van Naaldwijk tusschen hare gezellinnen terug.
+
+"Welnu," voegde haar Oda toe: "hebt gij u de fraaie predikatie wel in
+'t hoofd geprent, die ons dat Friezinnetje in 't bijzijn der Gravin
+heeft opgedischt?"
+
+Beaumont had intusschen Madzy met de hem zoo eigene minzaamheid bij
+de hand genomen: en zoodra de hofstoet zich verwijderd had, vroeg hij
+haar op een vriendelijken toon, hoe zij het had. Madzy dankte hem
+voor zijn deelneming en gaf op hare beurt haar verlangen te kennen
+om zoo spoedig mogelijk met haar voogd te vertrekken.
+
+Beaumont hield zich, of hij haar niet begreep, en van onderwerp
+veranderende, verhaalde hij haar, dat de wond van Deodaat onderzocht
+was, en dat men, in afwachting van den wondheeler, om wien men gezonden
+had, er een doek met olie van hertshoorn op had gelegd, welk middel
+door den eerwaarden Abt van Sint-Odulf als hoogst weldoende was
+aangeprezen. "De wond," voegde hij er bij, "is diep; maar men vleit
+zich nog, dat er geene edele deelen geraakt zijn."
+
+Madzy gevoelde zich opgebeurd door deze tijding. Zij had naar den
+toestand des gewonden niet durven vernemen en de mededeeling van
+Beaumont was haar daarom dubbel welkom. "Wij hebben ons veel te
+verwijten," vervolgde deze, "dat wij u zoolang aan u zelve hebben
+overgelaten; doch wij meenden allen, dat uw bruidegom zich bij
+u bevond."
+
+"Ik heb geen bruidegom meer," zeide Madzy met een ontstelde stem.
+
+"Is het dan waar?" vroeg Beaumont; "inderdaad, Mevrouw de Gravin heeft
+mij iets verhaald van een onderhoud, dat tusschen u plaats schijnt
+te hebben gehad.... doch, vergeef mij, ik raak een onderwerp aan,
+dat mij niet betreft en voorzeker pijnlijk is voor u. Ook wordt
+het tijd, dat ik mijne boodschap doe. Uw waardige voogd wilde u
+gaan opzoeken;--maar hij was zelf zoo ontsteld over die noodlottige
+gebeurtenis, dat hij ternauwernood gaan kon. Hij heeft zich dit geval
+zoo sterk aangetrokken, als ik zelf kon doen, ik, die nog een oude
+betrekking heb tot den goeden Deodaat. Daar ik den last des Graven
+ongaarne door een hofbediende had laten volbrengen, heb ik zelf de
+vervulling daarvan op mij genomen, en kom u thans vragen, of gij
+krachts genoeg zoudt gevoelen om den moordenaar te zien?--vergeef
+mij," vervolgde hij, den plotselingen schrik ontwarende, waarmede
+Madzy bevangen werd: "het zal wellicht heden nog niet noodig zijn;
+doch gij alleen zijt bij het misdrijf tegenwoordig geweest, en uwe
+getuigenis is onmisbaar tot zijn overtuiging."
+
+"Heden of morgen," antwoordde Madzy, "het zal er toch toe moeten
+komen, en waarom dan maar niet terstond? Mijn ziel is nu toch zoozeer
+geschokt, dat een pijnlijke gewaarwording te meer schier geen invloed
+meer op mij hebben zal."
+
+"Ik geloof, dat gij recht hebt," zeide Beaumont, "maar in dat geval,
+wees zoo goed, en leun op mijn arm. Het doet mij leed dat mijn genadige
+Nicht u de hulp van haar Jonkvrouwen niet gelaten heeft.... maar ik
+zal zorgen, dat gij na afloop van het verhoor eenige juffers tot uw
+dienst hebt."
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ Kom ridderlijke man, door waan ten top gedreven,
+ Ik eysch u voor de kling, te paarde of wel te voet.
+
+ Luyken. Duitsche Lier.
+
+
+Toen Madzy meer dood dan levend door den Heer van Beaumont in de
+groote hal van het jachthuis werd ingeleid, gaf deze een vertooning
+welke schilderachtige groepen zou hebben opgeleverd, aan al, wie
+haar met een onverschillig oog ware binnengetreden. Graaf Willem,
+wiens ontevredenheid en wrevel, door het wonden van een zijner
+gunstelingen en de verwarring hierdoor in zijn feest gebracht, niet
+waren verminderd, liep met een donkeren blik en de handen op den rug de
+gaanderij op en neder, gelijk een leeuw in zijn kooi. Zijn edellieden
+en dienaars stonden hier en daar verspreid, slechts fluisterend met
+elkander sprekende. In een dier groepen stond de Wapenkoning, op den
+hem eigen gewichtigen toon, doch niet luider dan juist noodig was om
+door zijn toehoorders verstaan te worden, zich te beklagen over de
+moeite, welke het geven zoude, indien Deodaat kwam te overlijden,
+om diens begrafenis op een behoorlijke wijze in te richten, dewijl
+de adel des jongen Italiaans een hoogst onzekere zaak was, en er bij
+velen nog twijfel bestond, of Graaf Willem wel recht had gehad Reinout
+en hem tot Ridders te slaan, zonder verlof van den Keizer. Over hem
+ontdekte men den Heer van Aylva, die gedwongen was geweest, de sponde
+des gekwetsten te verlaten, bij wien zich thans niemand bevond dan des
+Graven biechtvader, gereed om hem de diensten van zijn heilig ambt aan
+te bieden, zoodra hij tot zijn kennis kwam. De waardige Olderman stond
+in diep gepeins verzonken en als verplet van droefheid. Wat verder
+zag men eenige Stichtsche edelen in een wel stil, doch driftig gesprek
+gewikkeld, terwijl hunne teekenen en gebaren, en de ongewisse, ja soms
+verontruste blikken, die zij op den Graaf wierpen, te kennen gaven,
+dat het onderwerp van hun gesprek belangrijk was. En geen wonder! zij
+hadden zooeven uit het Sticht de tijding bekomen, dat men aldaar te
+wapen vloog en zich tot weerstand bereidde, bijaldien de Graaf zijn
+voogdijschap over 't Bisdom met geweld wilde doen gelden. Kort bij
+hen stond Adeelen alleen, tegen den muur geleund, den arm over een
+hertekop geslagen, die den wand versierde, in diep gepeins verzonken
+en zijn oogen nu eens naar de zijgang slaande, welke naar het vertrek
+des gewonden leidde, dan weder op den Graaf, en dan weder naar den
+moordenaar. Deze stond ongeboeid doch wapenloos aan het einde der zaal,
+omringd van eenige edelen en wapenknechten. Men had hem gegrepen,
+op het oogenblik, dat hij reeds te paard gestegen was en zich tot
+de vlucht gereedmaakte. Een akelige bleekheid bedekte zijn gelaat;
+maar zijn gitzwarte oogen doorliepen de zaal en vestigden zich op de
+aanwezigen met een uitdrukking van hoogheid, gelijk aan die, waarmede
+de schilders den gevallen Aartsengel afmalen. Hij sloeg ze echter
+een oogenblik neder en een vluchtig rood kleurde zijn wangen toen
+hij Madzy gewaarwerd: doch hij herkreeg spoedig zijn vrijmoedigheid
+en bleef een zegepralenden blik op het meisje gevestigd houden.
+
+Wat haar betreft, zij had hem, die zich in den meest verwijderden
+hoek der zaal bevond, niet dadelijk opgemerkt: en haar aandacht was
+terstond op haar voogd gevallen, die met een treurigen blik haar te
+gemoet kwam. "Madzy! Madzy!" zeide hij zachtjes, terwijl hij weemoedig
+het hoofd schudde: "Ik had de Roos van Dekama niet over zee moeten
+medevoeren!" En terstond daarop den geschokten toestand van Madzy
+bespeurende, verweet hij zich de uitdrukking, die hij gebezigd had
+en hielp hij Beaumont om haar te ondersteunen.
+
+"Meisje!" zeide Graaf Willem, toen hij haar gewaarwerd: "wij hebben
+u hier ontboden om den moordenaar van Deodaat te herkennen. Is het
+de man die daar staat, die de wond heeft toegebracht?"
+
+Madzy hief de oogen op, maar bedekte die terstond met beide handen,
+toen zij den Italiaan gewaarwerd. "O! uit deernis, spaar mij!" riep
+zij met een angstvolle stem.
+
+"En welke noodzakelijkheid bestond er," vroeg nu Reinout op een
+trotschen toon, "om haar hier te doen verschijnen? Heb ik mijn
+euveldaad niet beleden? Ja! deze hand was het, die het verraderlijk
+hart doorboord heeft, en zoo zij den dolk des sluipmoordenaars gebezigd
+heeft, men bedenke, dat het haar niet vergund werd de ridderlijke
+lans te gebruiken."
+
+"Het is genoeg!" zeide Willem: "en wij behoeven de Jonkvrouw niet
+verder te ondervragen. Haar schrik op zijn gezicht en zijne volmondige
+bekentenis laten geen twijfel omtrent de misdaad over. Hij is echter
+Ridder en kan, als zoodanig, adellijke rechters, vragen."
+
+"Met verlof van uwe Genade!" zeide Paypaert, "ik moet eerbiedig
+aanmerken, dat geene bescheiden betreffende de geboorte van dezen
+jongeling tot nog toe hebben bewezen, dat hem de voorrechten, aan
+den adel verknocht, kunnen vergund worden."
+
+Willem antwoordde niets; maar sloeg op den grijsaard een dier blikken,
+welke zooveel willen zeggen als: "waar bemoeit gij u mede?"--Vervolgens
+gaf hij last, dat men den gevangene in den toren zoude sluiten en
+verwijderde zich, gevolgd door de genoodigden.
+
+Wat Madzy betreft, zoodra de hofstoet zich verwijderd had, wierp zij
+zich weemoedig om den hals van haar voogd en smeekte hem, met haar een
+feest te verlaten, dat zoo treurig begonnen was. Aylva drukte haar
+aan zijn hart: en zonder een woord te spreken, begaven zich beiden
+naar de stallingen, van waar zij zich weldra huiswaarts spoedden.
+
+Intusschen zouden de wapenknechten Reinout voeren naar den toren boven
+het jachthuis, die hem tot tijdelijke gevangenis was aangewezen. Hij
+liep in hun midden, meer met den zegepralenden blik eens overwinnaars,
+dan met den wankelenden tred eens gevangenen. Toen zij de zijdeur
+intraden, welke de donkere trap opende, die naar boven leidde,
+bemerkte Reinout, dat iemand hem vrij onzacht tegen het lijf aan liep,
+en te gelijk voelde hij dat hem een dolk werd toegestoken, dien hij
+schielijk in zijn kleed, verborg. Een haastige wending met het hoofd
+deed hem Seerp Van Adeelen herkennen, die zich van hem verwijderde.
+
+Dit dienstbetoon volbracht hebbende, begaf zich de Fries naar de
+plaats, waar het gastmaal gehouden werd. Maar reeds was iedereen
+gezeten en niemand scheen geneigd, plaats te maken voor den wreveligen
+Adeelen, die, volgens de uitdrukking van Oda, de tafel rondliep
+gelijk een hengelaar, die langs den waterkant gaat en plaats zoekt
+om zijn aas uit te werpen, maar overal door hooge biezen verhinderd
+wordt. Eindelijk wist Adeelen zich naast zijn ambtgenoot van Sint-Odulf
+te vervoegen, die reeds de vreemde voorvallen van den dag scheen
+vergeten te hebben, en met een graagte, welke het vertragen van den
+maaltijd nog gescherpt had, bezig was een geduchte bres te maken in
+een pauwepastei. Daar de Graaf in zich zelf gekeerd en ontevreden was,
+en de houding van de aanwezigen, bovendien door het gebeurde weinig
+gestemd tot vroolijkheid, zich naar die des gastheers schikte, liep
+het feest vrij stil en droomerig af, en men scheidde vroeger dan men
+had voorgenomen, zonder dat eenig noemenswaardige gebeurtenis dien
+dag verder plaats greep.
+
+Nauwelijks was de volgende morgen aangebroken, of een talrijke menigte
+was weder op het _Zand_ te Haarlem samengestroomd in afwachting van het
+tweegevecht, dat hun den vorigen dag, als een onverwacht schouwspel, en
+om zoo te spreken op den koop toe, was toegezegd geweest. Wel liep er
+hier en daar een dof gerucht, dat de kamp vechter des Graven gekwetst,
+of volgens sommigen, gedood was geworden; doch daar niemand iets zekers
+van de zaak wist en de bezetting van de kampplaats op den bestemden
+tijd was verschenen, hechtte men weinig aan deze tijding. Intusschen
+dient de lezer te weten, dat de Graaf zoowel als Beaumont, bij de
+drukte, welke de staatsaangelegenheden zoowel als het gebeurde op den
+Vogelesang veroorzaakten, vergeten hadden de bezetting te doen afzeggen
+of een anderen kampvechter in de plaats van Deodaat te benoemen;
+terwijl Paypaert (wiens geheele verbeelding werktuiglijk was en zich
+ten deze alleen bepaalde tot de zorg, dat alles, voor zooverre hem
+betrof, tot de krijtwerf gereed ware, zonder zich zooverre uit te
+strekken om na te denken, of er wel een kampvechter komen zoude)
+daarentegen zijne bevelen in dien zin gegeven had, alsof er geen
+twijfel aan den voortgang van het gevecht bestaan kon. Hij vertoonde
+zich dan ook binnen het krijt, aan het hoofd zijner Herauten en
+trompetters, recht bezig om alles naar behooren te schikken: echter
+kon hij niet nalaten van tijd tot tijd het hoofd te wenden naar de
+zitplaatsen van den adel, welke grootendeels ledig bleven en slechts
+bezet werden door enkele edellieden van den omtrek, die nog onbewust
+waren van de gebeurtenis, waardoor het kampgevecht onmogelijk gemaakt
+was. "Die eeuwige treuzelaars!" mompelde de grijsaard bij zich zelven,
+met een ontevreden hoofdschudden: "in mijne jeugd zoude men den tijd
+niet zoo onnut hebben laten voorbijloopen, wanneer er een kampgevecht
+te zien ware. Is het dan voor het vermaak van het gepeupel, dat men
+heden vechten zal? En is een strijd op leven en dood tusschen twee
+Ridders niet meer dan een hanengevecht?"
+
+Het volk begon insgelijks te morren. "Zou er waarlijk niets van
+komen, buurman?" vroeg de wapensmid aan onzen vriend Claes Gerritsz:
+"en zou ik voor niemental mijn blaasbalg laten roeren?"
+
+"Bij Sint-Gangolf!" antwoordde de marktschrijver: "ik wist wel
+dat mijne berichten goed waren: die lompe Fries heeft gisteren den
+Italiaan, met wien hij vechten moest, op het feest overhoop gestoten
+en is dadelijk tusschen vier muren geplakt. Het zijn gelukkig twee
+bloedzuigers van vreemdelingen minder."
+
+"Ja maar," hernam de zwaardslager, "het verwondert mij dan dat al de
+Herauten aanwezig zijn."
+
+"Daar verstaat gij niets van," zeide Claes Gerritsz: "tijd en plaats
+zijn bepaald, en al komt er geen mensch bidden, de priester moet
+daarom toch in de kerk zijn.
+
+"Het bevreemdt mij met dat al," zeide de smid, "dat onze Graaf een
+vreemdeling als dien Deodaat tot zijn kampvechter verkozen heeft,
+alsof er geene Hollandsche edelen genoeg waren, om dien Fries de les
+te lezen."
+
+"En is de Graaf niet zelf een vreemdeling?" vroeg Claes Gerritsz:
+"en kan men wel iets anders verwachten van al wat van gene zijde der
+wateren komt: Fries, Italiaan of Henegouwer, 't is al een pot nat."
+
+"Gij moet toch erkennen," hernam de smid, "dat de vorige Graaf veel
+voor ons gedaan heeft en den naam van den Goeden ruim verdiend heeft."
+
+"Nu! dan verkerft zijn zoon het dubbel," zeide de schrijver: "heeft
+hij ons niet bij zijn huwelijk over de veertig pond afgetroggeld,
+terwijl wij volgens het Privilege van Koning Willem slechts twintig
+pond schuldig waren te betalen, evenals bij de blijde inkomste. Maar de
+Magistraat is een hoop stoflikkers, en er moesten heel andere menschen
+aan het roer zitten," voegde hij er bij, den neus optrekkende en de
+borst hoog zettende.
+
+"Ik zie de onbillijkheid nog niet in, daar gij van spreekt," zeide
+zijn buurman: "betaalt gij meer, gij geniet ook meer: en Haarlem is
+sedert dien tijd ook wel eens zoo groot geworden."
+
+"En eens zoo arm, moogt gij er wel bijvoegen. Sedert Amsterdam met
+Holland vereenigd is, vaart er bijna geen schip meer uit Haarlem naar
+de Oostzee."
+
+"Gij zijt een ondankbare klager, buurman! En brengen al die feesten
+ons geen rijkdom aan?"
+
+"Rijkdom?--Ja, aan de kroeghouders, die drank tappen en den accijns
+smokkelen, en aan de wapensmids, die een dubbel getal knechts in
+'t werk stellen, en die ook wel een tiendubbel aandeel in de blijde
+inkomsten mochten betalen: althans zoo er een oorlog met Utrecht op
+handen is, gelijk ik zooeven vernomen heb."
+
+"Een oorlog met Utrecht!" herhaalde de verheugde smid, zich de handen
+wrijvende: "eilieve, buurman! verhaal mij dat eens."
+
+Maar het was den marktschrijver niet mogelijk zulks op een verstaanbare
+wijze te doen. Een luid geschal en volksgejoel kondigde eindelijk de
+aankomst van een der kampvechters aan.
+
+"Daar is hij! daar is hij!" riep de smid, den Stichtschen oorlog
+schier vergetende.
+
+"Wie is daar?" vroeg de marktschrijver, ontevreden.
+
+"De Friesche Ridder," antwoordde de smid: "dien gij achter de
+tralies geplakt hebt. Mij dunkt, uwe tijdingen zijn niet van de
+allerjuiste. Wie weet of die Ridder Deodaat, dien gij doodmaakt,
+ook niet nog verschijnt."
+
+"Maar is het waarlijk de Fries?" vroeg Claes Gerritsz, nog steeds
+ongeloovig.
+
+"Ken ik dan de wapenrusting met de zilveren sterren niet, die ik zelf
+geleverd heb? En heb ik dien strijdbijl, die aan den zadelknop hangt,
+niet nog gisteravond gescherpt en aan zijn dienaar overhandigd?"
+
+Het was inderdaad Seerp Van Adeelen, die geharnast het krijt was
+binnengereden en nu onbeweeglijk aan den ingang post vatte.
+
+"Ziedaar een ongehoorde zaak!" bromde Paypaert: "een der kampioenen
+is er, en er is nog geen Kamprechter: en de Graaf, die beloofd had,
+te komen! Het gaat mijn begrip te boven."
+
+"Maar, Heer Wapenkoning!" zeide een der Herauten: "mag ik vragen,
+of er ook een misverstand plaats heeft? De andere kampioen is immers
+gisteren gekwetst en misschien al dood?"
+
+"Even alsof de Graaf niet voor een anderen zoude gezorgd hebben. Breek
+mijn hoofd niet met zulken zotteklap en ga naar stijl en gebruik aan
+gindschen Ridder vragen, wat hij hier verrichten komt."
+
+De Heraut zweeg, reed naar Adeelen en volbracht zijn boodschap.
+
+"Ik ben Seerp Van Adeelen," was het antwoord, dat vader Syard had
+opgesteld en waaraan Seerp een halven nacht besteed had om het zich in
+'t hoofd te prenten: "en ik kom gewapend en te paard, als eenen edelman
+betaamt, om een rechten kamp te wagen en mijn uitdaging gestand te doen
+tegen Willem, Grave van Henegouwen en Holland; en ik neem tot getuigen
+van mijn goed recht aan, Onzen Heere, Onze Lieve Vrouwe en mijn Heere
+Sint-Nikolaas. Ik verlang, dat gij mij mijn gedeelte van het veld,
+van den wind, van de zon en van alles, wat oorbaar en noodzakelijk
+is, toestaat. En dat gedaan zijnde, zal ik mijn plicht doen, met
+de hulpe Godes, Onzer Lieve Vrouwe en van mijn Heere Sint-Nikolaas,
+te voet of te paard, met al zulke wapenen als door de Kamprechters
+zal goedgevonden worden."
+
+Zoodra deze litanie aan den Wapenkoning was overgebracht, gaf deze
+last, dat de trompetters zouden blazen en dat de verweerder zoude
+uitgeroepen worden om namens den Grave van Holland en Henegouwen
+tegen Seerp Van Adeelen op te komen. Maar vruchteloos klaterde het
+luide geschal door de lucht. Niemand beantwoordde de indaging.
+
+"Men moet wachten," zeide Paypaert: "de verweerder moet den
+behoorlijken tijd van drie uren hebben: en is hij dan niet verschenen,
+dan kan de indager geacht worden aan zijne verplichting voldaan te
+hebben." Maar het eerste uur verstreek en het tweede ging mede voorbij,
+en niemand was nog aan den ingang van het krijt verschenen.
+
+Het volk morde en mompelde luidkeels en woelde onvergenoegd over
+het plein dooreen. Nu eens ging er een gedeelte verveeld en knorrig
+van het plein af, maar keerde, even spoedig als het vertrokken was,
+uit nieuwsgierigheid weer terug: en schier elk bevond zich in dien
+toestand, waarvan meer dan een onzer lezers wellicht meermalen
+de onaangenaamheid zal ondervonden hebben; dien toestand, waarin
+men verkeert, wanneer men, 't zij het begin van een lang beloofd
+vuurwerk, 't zij de ontknooping van een langdradig tooneelstuk,
+'t zij het toegezegd bezoek van een ouden vriend, die wegblijft,
+'t zij de aankomst eener _diligence_, die een ongeluk gehad heeft,
+wachtende, even onwillig is, langer te verbeiden, als te vertrekken.
+
+De jonge edellieden, die langs de zitplaatsen heen en weder liepen,
+waren, niet minder dan de oude Wapenkoning, verontwaardigd over de
+schande, welke de Graaf zoude te lijden hebben, indien er zich geen
+kampvechter opdeed om zijn goed recht te verdedigen, en onderhielden
+zich reeds met warmte, en overluid, over de noodzakelijkheid,
+dat, zoo niemand in het krijt verscheen, een hunner de plaats des
+uitblijvenden vervulde.
+
+"Bij den baard van Sint-Bavo!" riep de wapensmid, onverduldig:
+"zal die satansche Fries onzen Graaf en ons hier ongestraft blijven
+uittarten? Ha! zoo de oude Paypaert de kampwerf niet ontzeide aan al
+wie geen adellijk bloed in de aderen heeft, ik zou met genoegen eens
+binnenstappen, en dien hoovaardigen ruiter voor de eer van Holland
+durven staan, zonder ander wapen dan mijn moker: en ik zou wel willen
+zien, of hij mij met zijn degen of heirbijl aan 't lijf zou komen,
+en of ik hem niet zoo plat zou beuken als een haardplaat."
+
+"Des te eerder," zeide Claes Gerritsz, "dewijl gij het harnas zelf
+vervaardigd hebt, en dus best in staat zijt, de plaatsen te kennen,
+waar de minst deugdzame spijkers zitten."
+
+"Oho," zeide de smid: "zoo Melis Courtz uit den Anegang den kolder
+gemaakt had, nam ik aan er schub voor schub uit te slaan;--maar ik
+zet het den besten, eenige fout in een harnas te vinden, dat uit
+mijne smidse komt."
+
+"Hei ho! meester helmslager!" riepen op dit oogenblik de stemmen van
+ettelijke edellieden, die zich tusschen den volkshoop heen naar hem
+toe drongen: "hebt gij geen kuras voor ons gereed?"
+
+"Ik zou u het beste, dat ooit uit mijne werkplaats te voorschijn kwam,
+voor niet leveren," antwoordde de vaderlandlievende smid, "indien
+hij, die het aantrok, dien snoever met voordeel bestreed;--maar
+bij alle duivels! de schelm zelf heeft den laatsten kolder, dien
+ik vervaardigd heb, aan zijn bast, en een deugdzaam harnas ook,
+dat beloof ik u. Ik wilde, dat mijn arm melaatsen ware geworden,
+toen ik er de nagels insloeg."
+
+"Dat u de nikker hale!" riepen de edellieden uit: "ongelukskind! waar
+zal men wapenen vinden? Hoor hem eens balken, den onbeschaamden
+Fries!"--want Adeelen, zoowel om de gemeente te tergen als uit
+verveling, liet niet af, de kampplaats op en neder te rijden, al
+roepende: "Welnu! dappere Hollanders! Laat gij u door een Fries uit
+het veld slaan? en is er niemand, die moeds genoeg heeft, de eer van
+uw Graaf op te houden?"
+
+"Bij mijn ziel! ik bedenk daar iets!" riep een der jonge edellieden
+uit: "laat ons naar de Sint-Jans-Heeren gaan; daar zijn zeker
+wapenen te vinden."--En allen, zich verwonderende dien inval ook
+niet te hebben gehad, volgden hun metgezel naar het klooster in de
+Jansstraat. Maar toen zij daar gekomen waren, vonden zij hun bedoeling
+reeds voorgekomen. Op het kloosterplein zat de eerwaardige Kommandeur,
+Heer Hugo van Koukerk, reeds in volle wapenrusting te paard, omringd
+van zijn ridders. Hij had de Gravin, die reeds vroeg in den morgen
+naar 's-Hage vertrokken was, uitgeleide gedaan (de Graaf zelf was op
+den Vogelesang blijven slapen) en had bij zijn terugkomst vernomen,
+wat er op het Zand te doen was. Terstond was zijn besluit genomen
+geweest: hij had zich laten wapenen en was nu vaardig om de eer des
+Graven in den kamp te gaan handhaven.
+
+Maar toen hij, aan het hoofd zijner Ridders en omringd door de
+verheugde edellieden, de groote Markt opreed, ontdekte hij aan
+het uitbundig gejuich der menigte, en aan het plotseling steken der
+trompetten, dat hij reeds in zijn oogmerk was voorgekomen, en dat een
+onbekende Ridder, in een eenvoudige wapenrusting zonder blazoen of
+leuze het krijt was binnengereden. De Heraut, die door Paypaert was
+afgezonden om naar den naam en de reden zijner komst te vernemen,
+kwam bij den Wapenkoning terug, met het bericht, dat de kampioen,
+die voor den Grave optrad, hem ten opzichte van zijne bevoegdheid
+om gewapend te verschijnen, volkomen voldaan had, doch om gewichtige
+redenen verlangde onbekend te blijven.
+
+"Dit is alles nu schoon en goed," zeide de Wapenkoning: "doch wie
+zal het ambt van rechter vervullen?"
+
+"Die zwarigheid is licht uit den weg te nemen," zeide een der Herauten:
+"indien de Kommandeur, die ginds komt aangereden, die taak wil op
+zich nemen."
+
+De voorslag, door de beide kampioenen mede goedgekeurd zijnde, werd
+aan Heer Hugo gedaan, die hem met bereidwilligheid aanvaardde en zich
+hierop, met twee zijner Ridders als bijstanders, binnen het perk begaf.
+
+Nadat Adeelen en de onbekende Ridder zich elk aan eene zijde van het
+krijt begeven hadden, steeg eerstgemelde af, lichtte zijn vizier
+op, en trad, van twee Herauten vergezeld, naar een klein altaar,
+dat men voor den ledigen zetel des Graven had nedergesteld en
+waarboven een geordende geestelijke een kruisbeeld hield. Hij legde
+hier den gebruikelijken eed af, en keerde vervolgens terug:--waarna
+de verweerder hetzelfde deed, met dit onderscheid alleen, dat hij
+zijn aangezicht niet ontblootte. De priester vertrok hierop met zijn
+altaar en, nadat de Kamprechter een wenk aan Paypaert gegeven had,
+deed deze den gewonen uitroep: "doet uw plicht!"
+
+Terstond sprongen beide kampioenen te paard en namen hun lansen uit
+de handen hunner schildknapen aan.
+
+"_Laissez aller_!" riep nu de Kamprechter, zijn handschoen in het
+strijdperk werpende. "_Laissez aller! laissez aller_!"--De trompetters
+bliezen; en de beide Ridders reden op elkaar aan.
+
+De schok der strijders was geweldig en scheen met een gelijk voordeel
+aan beide zijden gepaard te gaan. De lans van Adeelen was met zooveel
+kracht aangekomen, dat zij in splinters stoof, en dat het paard
+des onbekenden Ridders stortte; maar de Fries was niet gelukkiger
+geweest en geheel en al door zijn weerpartij uit den zadel gelicht,
+ja een eind weegs geworpen, terwijl zijn ros het veld overholde.
+
+De vreemde Ridder, zich niet zonder moeite van onder zijn klepper
+hebbende opgewerkt, rukte de strijdbijl los, die aan den zadelknop
+hing, en kwam te voet op zijn tegenstrever aan, die insgelijks was
+opgestaan. Doch ziende, dat Adeelen geen ander wapen had ter zijner
+verdediging dan het brok zijner lans, bleef hij staan.
+
+"Ga uw strijdbijl halen," zeide hij: "onze wapenen zijn niet gelijk."
+
+Adeelen boog het hoofd en wachtte zijn schildknaap af, die, na het
+voortvluchtige paard te hebben opgevangen, het wapentuig had losgemaakt
+en het nu aan zijn Heer kwam terugbrengen.
+
+Luid waren de toejuichingen, welke de vergadering den verweerder
+toezwaaide wegens zijn edelmoedige handelwijze; ofschoon velen het
+eenigszins gewaagd van hem oordeelden, dat hij zich niet bediend had
+van het voordeel, bij het eerste treffen voor hem ontstaan; want nu
+de beide Ridders te voet waren, en op elkander toetraden, was het
+duidelijk te bespeuren, dat de Fries vrij wat grooter en kloeker was
+dan zijn bestrijder, aan wiens langzamen en eenigszins moeilijken gang
+men buitendien zien kon, dat hij de eerste jeugd reeds voorbij was.
+
+Echter aan de behendige wijze, waarop hij de eerste slagen, welke
+Adeelen hem met zijn heirbijl zocht toe te brengen, wist af te
+weren, ontwaarde men, dat hij door bedrevenheid vergoedde, wat hem
+wellicht aan kracht ontbrak, en men begon den strijd als meer gelijk
+te beschouwen. Met onverflauwde vaart en snelheid deed Adeelen zijn
+heirbijl zonder tusschenpoozen rondzwieren: en de minst geweldige van
+zijne slagen ware genoegzaam geweest om zijn tegenstander te vellen,
+indien deze niet de grootste voorzichtigheid in het werk gesteld
+en zich alleen bij de verdediging bepaald had. De vreemde Ridder
+bleef staan gelijk een rots, _mediis tranquillus in undis_, terwijl
+Adeelen om hem heen draaide even als een belegeraar, die een vesting,
+nu van deze, dan van gene zijde zoekt te verrassen. Nadat echter dit
+gevecht een geruime poos geduurd had, begon de onbekende te bespeuren,
+dat de aanval zijns weerpartijders niet meer zoo heftig was als in 't
+begin, en dat zijn slagen ongewisser en minder geweldig nedervielen:
+ook het volk merkte dit op; en de angstvolle stilte, waarmede men tot
+nu toe den bangen strijd had gadegeslagen, maakte op eenmaal plaats
+voor luide kreten van aanmoediging, tot den verweerder gericht.
+
+"Beuk er nu op!" riep de wapensmid, wiens stentorstem boven alles
+heen weergalmde: "de Fries verflauwt! Neem het oogenblik waar, eer
+hij zijn krachten terugkrijgt. Val aan! val aan!"
+
+Doch hij, aan wien die raad gegeven werd, scheen er voor alsnog geen
+ooren naar te hebben, 't zij dat hij zijn vijand sparen, 't zij dat
+hij zijn goede kans niet in de waagschaal wilde stellen; of wel,
+omdat hij zijn bedrevenheid in het hanteeren der wapenen door een
+beslissend feit wilde toonen. Hij werd geen aanvaller; maar bleef het
+er op toeleggen, om door zijn onverzettelijke bedaardheid den fellen
+Fries af te matten en van zijn stuk te brengen. Eindelijk, ziende
+dat Adeelen, hijgende en vermoeid, slechts in den blinde begon toe
+te slaan, nam hij het geschiktste oogenblik waar, onderschepte zijns
+vijands bijl met de zijne, zoodat de beide moordtuigen aan elkander
+haakten: en met snelheid zijn linkerhand naar het midden van den steel
+brengende, terwijl de rechter den greep neerwaarts drukte, deed hij
+het wapen van Adeelen uit diens handen en over het slagveld vliegen:
+een daad van behendigheid, welke een algemeen en uitbundig hoezee
+[30] deed ontstaan.
+
+Razend van spijt, dat hij zich zoo onvoorziens ontwapend zag,
+trok Adeelen zijn dolk, en wilde op zijn tegenpartij toespringen;
+maar de bijstanders des Kamprechters reden dadelijk tusschen beiden
+en de Kommandeur verklaarde, dat de Fries zijn neerlaag behoorde te
+erkennen, daar het slechts van zijn weerpartij had afgehangen, hem,
+toen hij ontwapend was, ter aarde te vellen.
+
+Dan op datzelfde oogenblik werd de aandacht der menigte opnieuw
+gewekt door de komst van een aantal ruiters, aan wier hoofd zich de
+Graaf zelf bevond, die hun schuimbekkende en hijgende rossen het
+strijdperk binnendreven. Ten einde de oorzaak hunner verschijning
+op dit oogenblik op te helderen, zal het noodig zijn, dat wij eenige
+stappen in ons verhaal terugtreden.
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ LODEWIJK. Maar wy moeten van den waard,
+ Daar wy logeeren, nu vertrekken naar een ander.
+
+ JAN. Dan is het noodig dat ik ook mijn kleed
+ verander.
+
+ Langendijk. Het wederzijds huwlijksbedrog.
+
+
+Na den afloop van het feest op den Vogelesang was de Gravin met het
+grootste gedeelte van den hofstoet naar Haarlem gekeerd, ten einde
+van daar met het aanbreken van den volgenden dag naar 's-Hage op te
+breken. De Graaf, het noodzakelijk oordeelende, zijn vazallen bijeen
+te roepen en de goede gezindheid der steden te polsen betreffende een
+oorlog met het Sticht, had bepaald, dat het gansche hof zich weder naar
+de hofplaats begeven zou. Hij zelf was echter met Beaumont, Naaldwijk,
+Teylingen en Walcourt op het jachthuis gebleven en had er den avond
+in gewichtige beraadslagingen doorgebracht, het oogmerk hebbende, om
+den dag daar aan, na alles verricht te hebben, wat nog te doen stond,
+zich naar 's-Hage te begeven.
+
+Hiertoe behoorde in de eerste plaats het antwoord, dat hij nog aan
+de Friesche afgevaardigden schuldig was. Hij was moede van de rol,
+die hij ten hunnen opzichte gespeeld, en van de verkeerde uitwerking,
+die zijn stelsel van welwillendheid had teweeggebracht: hij achtte
+zijn waardigheid gekrenkt en had daarom den raad zijner gunstelingen
+in den wind geslagen, die hem vergeefs voorstelden, dat het, nu men
+een oorlog met Utrecht in den zin had, van dubbel belang was geworden
+de Friezen te winnen en zich geen twee vijanden voor eenen op den hals
+te halen. Deze raadgeving deed bij Willem een juist tegenovergestelde
+uitwerking dan men bedoelde; want hij behoorde tot die menschen,
+die somtijds uit vrijen wil, maar nooit door dwang of uit nood
+inschikkelijk zijn: en het was ten gevolge van zijn in dezen genomen
+besluit, dat hij 's morgens bij zijn ontwaken dadelijk last gaf,
+de Friesche Heeren te ontbieden.
+
+Nauwelijks was de dienaar, aan wien hij dit bevel gegeven had,
+vertrokken, toen de Heer van Teylingen met een vervaard gelaat
+kwam binnengetreden en hem meldde, dat Reinout ontsnapt was uit de
+gevangenis, waar men hem in gezet had.
+
+"Onmogelijk!" riep de Graaf uit: "of hebben die ezels de grendels
+niet gesloten?"
+
+"Ik zelf heb het ook onmogelijk genoemd," zeide Teylingen: "want de
+deur van het kamertje was zoowel voorzien, dat zij niet kon geopend
+worden zonder de wachters te wekken: ook is daaraan niet geraakt;--en
+uit het venster heeft hij niet kunnen wegkomen, tenzij hij vleugels
+had als een vogel."
+
+"Hij kan zich aan een touw of saamgeknoopte lappen hebben laten
+afglijden."
+
+"Men zou dan dat touw hebben gevonden; maar het meeste wat men ontdekt
+heeft is een scherpe gleuf, die van het venster af tot op den grond
+toe doorloopt, even of zij met de punt van een mes of dolk in den
+muur ware gesneden. Hulp van buiten heeft hij niet gehad, want men
+ziet geen andere voetstappen in het zand dan de zijne, die wat verder
+op het gras weer verloren raken."
+
+"Zonderling!--maar dewijl hij toch gevlucht is, mag ik lijden, dat
+men hem niet terugvange; want hij heeft mij altijd trouw gediend en
+het zou mij spijten, indien hij om een driftig oogenblik zijn leven
+verbeuren moest.--Verzoek den Heer van Beaumont bij mij te komen."
+
+Dit laatste bevel was gericht tot een page, die in het voorvertrek
+wachtte en die eenige oogenblikken daarna terugkeerde met de boodschap
+dat de Heer van Beaumont niet te vinden was.
+
+"Hoe!" zeide Willem, met bevreemding: "is hij reeds zoo vroeg
+uitgegaan? Hij weet, dat wij hem spreken moeten."
+
+"Ik meen te weten," zeide de page, "dat hij hedenmorgen den gewonden
+Ridder vroegtijdig bezocht heeft en kort daarna een renbode van Haarlem
+gesproken, waarna hij terstond vertrokken is. Zelfs zijn schildknapen
+zijn niet meer te vinden."
+
+"Onbegrijpelijk! of is hij misschien den voortvluchtige
+achterna?--Maar, zeg, hoe is het met den gekwetste?"
+
+"De arts is zooeven bij hem geweest en geeft hoop."
+
+"Misschien kent Deodaat de reden van dat overhaast vertrek. Wij willen
+hem in persoon bezoeken en naar zijn toestand vernemen."
+
+Met deze woorden rees de Graaf op en begaf zich met Teylingen naar
+den gewonde, wien hij volkomen bij zijn kennis vond en verkwikt door
+eenige uren sluimering. Na een kort onderhoud over zijn toestand vroeg
+hem Graaf Willem, of hij ook de oorzaak kon gissen, waarom Beaumont
+zoo overhaast vertrokken was.
+
+Deodaat ontzette op deze vraag. "Goede Hemel!" zeide hij: "ik herinner
+mij over den kamp te hebben gesproken, dien ik heden tegen den Fries
+had moeten voeren: en te hebben gevraagd, wie in mijne plaats gekozen
+was om Adeelen te bevechten."
+
+"Die onbeschaamde Fries zal toch niet in het krijt zijn gekomen,"
+zeide de Graaf: "wetende dat zijn weerpartij buiten staat was daar
+te verschijnen."
+
+"Licht mogelijk," merkte Teylingen aan: "en wanneer ik alles wel
+overdenk, herinner ik mij, dat Paypaert gisteravond aan zijn Herauten
+bevel heeft gegeven, met zonsopgang te Haarlem te zijn."
+
+"Bij Sint-Japik!" riep de Graaf, opspringende: "en waarom heeft
+niemand ons daarvan verwittigd? Zou waarlijk onze oom de dwaasheid
+hebben gehad van naar Haarlem te gaan, om zijn post als Kamprechter
+waar te nemen bij een gevecht, dat geen plaats kan hebben."
+
+"Dit ware minder erg," zeide Teylingen, "dan dat die trotsche Fries
+zonder tegenpartij in het krijt verscheen."
+
+"Gij hebt gelijk, Teylingen! Spoedig, spoedig van hier. Dit moet
+nader onderzocht worden."
+
+Doch hij was nauwelijks in de groote hal gekomen, toen hij den dienaar
+ontmoette, die de afgevaardigden was gaan ontbieden. Deze bevestigde
+'s Graven vermoeden door hem te berichten, dat een der knapen van den
+Heer van Aylva hem had verhaald, hoe Seerp van Adeelen 's morgens in
+volle wapenrusting naar Haarlem was gereden.
+
+"Adeelen te Haarlem!" riep de Graaf, terwijl hij bij al de Heiligen
+uit den almanak vloekte: "onze eer is verspeeld indien wij zijne
+uitdaging onbeantwoord laten.--Een paard! wapens! en laten de
+schildknapen opzitten."
+
+"Uwe Genade!" riepen Naaldwijk en Teylingen als uit één mond: "laat mij
+den Fries bevechten.--Ik ben Maarschalk van Holland:" riep de eerste:
+"het komt mij toe, die eer te genieten."--"Ik ben een verwant van
+het Hollandsche Huis," zeide de tweede.--Ik ben een Henegouwer,"
+zeide Walcourt, mede toesnellende. De Graaf ging voort met zich te
+wapenen, zonder eenig antwoord te geven.
+
+"Het betaamt ons," zeide hij eindelijk, toen hij gereed en te paard
+gestegen was: "het betaamt ons zelven, de beleedigingen te wreken,
+die ons worden aangedaan. Voort! voort naar Haarlem! Ieder oogenblik
+is kostbaar."
+
+En vliegend reed hij voort, op een afstand door zijn Edelen
+gevolgd. Onderweg kwam hij Aylva en den Abt tegen, die naar den
+Vogelesang trokken. Zonder op te houden, schreeuwde hij hun toe:
+
+"Gij waant ons ongestraft te kunnen tergen; maar wij zullen 't
+u verleeren."
+
+Aylva hield zijn paard op, bevreemd over dezen uitroep, welke hem
+door Naaldwijk, die kort daarop volgde, verklaard werd.
+
+"Helaas!" zeide de Olderman: "het is wel tegen onzen zin en buiten onze
+voorkennis, dat Adeelen hedenmorgen naar Haarlem is vertrokken. Hadden
+wij kunnen veronderstellen, dat hij die dwaasheid zoude hebben begaan,
+wij hadden gepoogd hem daaraf te brengen. Intusschen, hoe kan de Graaf
+den Abt en mij zulks ten kwade duiden, daar wij terstond iemand naar
+den Vogelesang gezonden hebben, om den Grave bericht te geven van
+het voorgevallene."
+
+"Wij hebben niemand gezien," zeide Teylingen.
+
+"Deze knaap heeft mij echter gezegd," zeide Aylva, op Feiko wijzende,
+die hem volgde, "dat hij den Heer van Beaumont had gesproken."
+
+"Zoo is 't," zeide Feiko, "en die Heer heeft mij twee groot gegeven,
+met last, om terstond terug te keeren en met niemand meer te spreken."
+
+"Dat zal het zijn," hervatte Teylingen: "nu is de zaak duidelijk:
+spoedig voort! misschien is de edele Graaf reeds het slachtoffer van
+zijn ijver."
+
+En hunne rossen des te vuriger aansporende, reden zij voort, door
+Aylva vergezeld. De Abt oordeelde het wel voorzichtiger, om, wat
+hem betrof, huiswaarts te keeren en zich niet bij dien wilden hoop
+te wagen; maar zijn merrie scheen niet van dat gevoelen en voerde
+hem zijns ondanks mede. Te Haarlem eerst haalden zij den Graaf in,
+die zich in de buitenstallen van een versch paard had voorzien om
+niet met een vermoeid ros in het strijdperk te verschijnen: en zoo
+kwamen zij gezamenlijk op het _Zand_.
+
+"Oom! Oom! was dat wel van u gehandeld?" zeide Graaf Willem, van
+'t paard springende en den overwinnaar omhelzende.
+
+"Stil! Stil!" zeide Beaumont: "wat ik deed heb ik voor de eer van
+ons huis gedaan; maar niemand behoeft immers te weten, dat ik als
+een jonge spring-in-'t-veld mijn grijzen kop tegen het haar- en
+hersenlooze hoofd van dien Fries gewaagd heb!"
+
+En met deze woorden steeg hij te paard, met oogmerk om zich aan de
+oogen der menigte te onttrekken. Maar zijn naam, die eerst zachtjes
+van mond tot mond was overgebracht, werd nu overluid met blij gejuich
+door het volk herhaald.
+
+"Hoezee voor Beaumont!" riepen allen: "Beaumont! Beaumont!"
+
+"Oom!" zeide de Graaf, "zoo komt gij er niet af. Geheel Holland
+mag en moet weten, wat wij aan u verschuldigd zijn. Vergun ons,
+uw schildknaap te wezen."
+
+Met deze woorden gespte hij den helm des ouden krijgsmans los: en
+toen de toeschouwers het achtbaar gelaat zagen, waar aan de hitte
+van het gevecht de kleur der jeugd hergeven had, en die lokken, in
+'t veld vergrijsd, steeg de jubeltoon al hooger en hooger.
+
+"Komaan, dewijl het eenmaal zoo zijn moet," zeide Beaumont, het
+krijt aan 's Graven zijde rondrijdende en overal met minzaamheid
+groetende: "de beer moet wel rondgeleid worden, nu hij zijn kunsten
+vertoond heeft. Alles wel beschouwd, zal het uwe schuld zijn, waarde
+Neef! indien ik heden kou vat."
+
+"Dat zal in der eeuwigheid niet gebeuren," zeide Willem, met zijn
+mantel de kruin des grijzen helds bedekkende: "maar beken, Oom! dat,
+zoo gij als goede bloedverwant gehandeld hebt, gij u tevens als
+een oproerig onderdaan hebt gedragen, door een kamp te wagen zonder
+onze toestemming."
+
+"De tijd veroorloofde mij niet, die te vragen," antwoordde Beaumont:
+"en al had ik tijd gehad, ik had nog gezwegen, uit vrees, dat u
+zelven de lust mocht bekropen hebben, een lans te breken. Daarom heb
+ik ook Aylva's dienaar, die mij de tijding brengen kwam, terstond
+weer weggezonden, en in 't voorbijgaan een wapenrusting bij den
+Jonker van Teylinger-Bosch [31] geleend, die, ofschoon hij ze zelf
+niet meer gebruiken kan, altijd een kabinetje van wapenen uit al de
+werelddeelen bewaart."
+
+"Daar alles nu in zooverre voorspoedig afgeloopen is," zeide Graaf
+Willem, "gelooven wij best te doen met hoe eer hoe beter naar 's-Hage
+te vertrekken; maar eerst moet ik nog dien Friezen hun afscheid geven
+en het hun doen heugen, dat zij mij beleedigd hebben."
+
+Na dienaangaande zijne bevelen te hebben gegeven, reed Graaf Willem met
+de zijnen onder de herhaalde kreten des volks het perk uit en begaf
+zich naar het Sint-Jans-klooster, terwijl een zijner dienaren aan
+Aylva en den Abt den last overbracht, hem aldaar te volgen en zich
+daarna met dezelfde boodschap vervoegde bij Adeelen, die zich nog
+altijd op de plaats bevond, waar hij door Beaumont was overwonnen
+geweest. Somber in zich zelf teruggetrokken stond hij daar, de
+armen over elkander geslagen en met een gelaat, waarop spijt over
+zijn nederlaag, en tevens een hooghartige trots te lezen waren,
+niet ongelijk aan dien, welken een scholier, die zich reeds man
+gevoelt, aan den dag legt, wanneer hij door zijn meester getuchtigd
+werd. Hij verwaardigde 's Graven bode met geen antwoord; maar, zijn
+schildknaap roepende, ontdeed hij zich van zijn helm: en de muts,
+waarmede hij dien verwisselde, diep in de oogen drukkende, ging hij
+met zijn medeafgevaardigden naar het klooster.
+
+Zij vonden er den Graaf in een klein spreekvertrek, slechts van weinige
+getrouwen omgeven. Toen zij binnen waren getreden, wierp Willem hun
+een norschen blik toe en sloeg terstond de oogen weder op den grond,
+haastig sprekende en strak voor zich ziende, evenals iemand, die,
+eens een besluit genomen hebbende, niets wil zien noch hooren, dat
+hem in het uiten daarvan zoude kunnen verhinderen.
+
+"Mijne Heeren van Friesland!" zeide hij, "de zaken van dit Graafschap
+vereischen ons vertrek naar 's-Hage. Vooraf echter achten wij het
+betamelijk, u ons laatste besluit mede te deelen. Wij kunnen in geen
+voorwaarden of schikkingen komen met ongehoorzame onderdanen. Indien
+gij ons terstond uit naam der Edelen en Steden van Friesland hulde
+wilt doen als uwen wettigen Heer, zal het gebeurde vergeten en vergeven
+zijn:--zoo niet, dan is uwe verdere tegenwoordigheid hier onnoodig, en
+zult gij u niet later dan op den dag van morgen naar huis begeven en
+uwen lastgevers bericht brengen, dat zij eerlang onze nadere bevelen
+ontvangen zullen."
+
+Dit gezegd hebbende, vestte hij op Aylva een doordringenden blik, om
+de uitwerking zijner woorden te zien. Zonder van zijn stuk gebracht
+te zijn, antwoordde de Olderman met waardigheid:
+
+"Graaf! het vrije volk van Friesland zou uwe Genade met welgevallen
+tot zijn beschermheer en bondgenoot aannemen: maar het ontvangt van
+niemand bevelen dan van den Keizer, zijn wettigen Heer. Wij willen
+uwe wenschen niettemin aan onze lastgevers overbrengen."
+
+"Wat de erfdochter van Dekama betreft," vervolgde de Graaf, alsof
+hij op de woorden van Aylva geen acht had geslagen, "wij zullen haar
+in het Rijnsburger klooster een veilige verblijfplaats verschaffen,
+tot wij een echtgenoot, harer waardig, gevonden hebben. Onze bevelen
+zijn daaromtrent gegeven. Gij kunt zonder haar vertrekken."
+
+"Graaf!" riep Aylva verontwaardigd uit: "gij zoudt....."
+
+"Laat hem," zeide Adeelen, hem in de rede vallende: "zij is niet
+beter waardig dan een pluimstrijkster des dwingelands te huwen."
+
+"Wat u betreft, Seerp Van Adeelen!" zeide Willem: "wij hebben u
+reeds meer vergund dan met onze waardigheid strookt: wij hebben
+uwe onbeschaamde taal herhaalde reizen met geduld aangehoord en uwe
+uitdaging aangenomen; maar na de gunst moet ook het recht zijn beurt
+hebben. Wij hadden u als overwonnene buiten het krijt kunnen laten
+werpen, uwe wapenen doen aan stukken slaan en u vervallen van uw adel
+verklaren; maar wij vergenoegen ons, met uw sloten, landgoederen en
+bezittingen verbeurd te verklaren, en u voor eeuwig uit onze Staten
+te bannen. Dank het vrijgeleide, dat de wetten van het tornooispel u
+schenken, zoo wij uwe oproerige handelingen niet met den dood straffen,
+dien zij verdienden.
+
+"Ik zal afwachten," zeide Adeelen, met meer bezadigdheid dan hem
+gewoonlijk eigen was, en op een toon, die naar spotternij zweemde,
+"wanneer uwe zendelingen van mijn erfgoed bezit komen nemen, ten
+einde hen naar behooren te ontvangen."
+
+Maar de Graaf had deze schampere taal niet meer gehoord: zich
+zonder verdere groete omwendende, had hij met de zijnen het vertrek
+verlaten. In 't heengaan echter kon Beaumont niet nalaten, de hand van
+Aylva te drukken: "helaas!" fluisterde hij hem in: "wat ik gevreesd
+heb is bewaarheid geworden: de breuk is onherstelbaar: en zoo wij
+elkaar terugzien, zal het niet dan op het slagveld zijn."
+
+"Hij dwingt ons daartoe," zeide Aylva: "welnu! het zal zijn, zooals
+het den Hemel behaagt."
+
+Zoodra de Graaf met de zijnen het klooster verlaten had, namen ook
+de drie afgevaardigden de terugreize aan. De Abt toch was nog buiten
+adem van zijn gedwongen rit naar Haarlem en niet in staat geweest
+een woord uit te brengen: Adeelen was te zeer vervuld met denkbeelden
+van spijt en wraak, om acht te geven op zijn ros en liet de teugels
+achteloos hangen: Aylva huiverde op de gedachte eener ontmoeting
+met Madzy en zat op middelen te peinzen om haar aan 's Graven dwang
+te onttrekken. Intusschen had hij, indachtig aan Willems gezegde,
+dat er de noodige bevelen waren gegeven om Madzy den terugtocht naar
+Friesland te beletten, den getrouwen Feiko vooruitgezonden, met last
+om alles tot een spoedig vertrek in gereedheid te brengen.
+
+Men vond dan ook bij de aankomst alles in rep en roer. Adeelen,
+verklarende, dat hij zich met het besluit ten opzichte van Madzy niet
+verkoos te bemoeien, en dat het hem volkomen onverschillig was, of zij
+naar Rijnsburg dan naar Friesland trok, begaf zich terstond naar zijn
+vertrek: de Abt viel van vermoeidheid in den eersten stoel den besten
+neder en vond zich onbekwaam en buiten staat om eenig advies te geven;
+zoodat Aylva begreep vader Syard te laten roepen, ten einde met hem
+over de zaak te raadplegen. Wat Madzy betrof, hij wilde haar niet
+noodeloos verontrusten, alvorens men een stellig besluit genomen had.
+
+Nadat de monnik de zwarigheid vernomen had, bleef hij een wijl in
+ernstig gepeins staan en gaf toen te kennen, dat hij wel een middel
+zoude kunnen voorstellen, waardoor Madzy op een vrij zekere wijze aan
+des Graven gezag ontrukt werd; doch dat hij beducht was, dat Madzy
+er niet in zoude toestemmen.
+
+"Laat hooren!" zeide Aylva: "al ware uw middel onuitvoerbaar, het
+kon ons misschien op den weg brengen om iets beters uit te denken."
+
+"Welnu!" zeide de monnik: "volgens mijn voornemen zouden wij allen
+ons dezen avond aan boord begeven en morgen met het aanbreken van den
+dag het Sparen uitzeilen. De Jonkvrouw zou inmiddels, slechts door
+eenen dienaar vergezeld, en beiden in een geschikte vermomming, om
+geen argwaan te verwekken, zich van hier over Utrecht naar Harderwijk
+begeven, alwaar wij haar met het vaartuig zouden wachten."
+
+"Ziedaar juist wat ik ook zou aangeraden hebben," zeide de Abt,
+al hijgende en blazende, "indien mij de vermoeidheid niet had belet
+te spreken."
+
+De Olderman overdacht een wijl het voorstel: "het middel is gewaagd,"
+zeide hij eindelijk: "maar ik geloof, dat het slagen kan. Intusschen
+moeten wij de gedachte der Jonkvrouw er over vernemen."
+
+"En wel terstond," hernam vader Syard: "want zoo het aangenomen wordt,
+dient het dadelijk ten uitvoer te worden gebracht."
+
+Beiden begaven zich hierop bij Madzy, welke zij in dien droevigen
+staat van neerslachtigheid vonden, waarin men volkomen bereid is,
+zich als een kind te laten leiden en elken raad te volgen, niet omdat
+hij ons verstandig toeschijnt, maar omdat ons alles even onverschillig
+is. "Zoo mijn waarde voogd begrijpt," zeide zij, "dat ik op deze wijze
+reizen moet, heeft hij slechts te bevelen:--alleen moet ik weten,
+aan wiens geleide ik zal worden toevertrouwd."
+
+"Ziedaar juist de grootste zwarigheid," zeide Aylva: "de goede Feiko
+is trouw en wakker genoeg; maar hij is nooit buiten Friesland geweest:
+hij is den weg en de zeden des lands niet kundig, en zijn tongval
+zou hem spoedig verraden. Een leidsman uit den omtrek kunnen wij
+niet vertrouwen."
+
+"Indien de jonkvrouw zich aan mijne zwakke bescherming durft
+toevertrouwen," zeide vader Syard, "zal het mij wellicht gelukken,
+haar, met behulp onzer Lieve Vrouwe en van Sint-Odulf, mijn patroon,
+in veiligheid te geleiden waar zij wezen moet."
+
+Dit aanbod werd dankbaar aangenomen: en zooras de Abt aan vader Syard
+het gevraagde verlof verleend had tot de reize, en de vereischte
+_dispensatie_, om het geestelijk kleed voor een korten tijd af te
+leggen, ontvouwde de monnik zijn plan nader aan Aylya, en, het noodige
+geld van den Olderman ontvangen hebbende, verliet hij het klooster.
+
+Hij kwam echter weldra terug, doch schier onkenbaar voor zijn beste
+kennissen. Een buis of jak, van een stoffage, welke men te dier tijd
+met den naam van _grauwen ezel_ bestempelde, hing hem om 't lijf: zijn
+beenen staken in twee zware modderlaarzen met omgeslagen randen. Een
+blauwe kaper, die vastzat aan een soort van pelgrimskraag, welke hem
+tot even over de schouderen viel, bedekte zijn hoofd, en een groote,
+breedgerande hoed hing hem op den rug. Onder den arm droeg hij een
+pakje, waarin zich een boerinnengewaad bevond, dat voor Madzy bestemd
+was. Hij had zich deze beide vermommingen in de hut des boschwachters
+aangeschaft. Elske, die nu de hoop had opgegeven van haar man terug
+te zien, had aan den monnik, op zijn verzoek, de daagsche kleeren
+van Walger en haar zondagspak voor een ruime belooning afgestaan en
+zich tevens verbonden, dezen verkoop, althans een paar dagen, geheim
+te houden.
+
+Zonder een woord te spreken, had Madzy zich van hare versierselen
+ontdaan en de nederige kleedij aangetrokken, welke voor haar bestemd
+was: en het was eerst toen zij afscheid van haar voogd nam, dat zij
+haar somber stilzwijgen afbrak met de nauwelijks hoorbare vraag:
+"Weet gij iets van den armen gewonde?"
+
+"Hij leeft!" antwoordde Aylva: "en God geve hem een spoedig
+herstel. Maar, mijn lieve!" vervolgde hij, toen hij haar de blauwe
+oogen erkentelijk ten hemel zag opslaan: "gij moet hem vergeten; want
+hij leeft niet voor u. Het is slechts aan een Fries, dat de dochter
+van Sjoerd Dekama hare hand moet wegschenken: en zoo Adeelen een zoo
+onwaardeerbaren schat verstoot, er zullen er anderen gevonden worden,
+die hem meer op prijs weten te stellen.--Ga nu, mijn engel! en mogen
+u alle Heiligen geleiden."
+
+Madzy omhelsde hem met vervoering, doch zweeg: haar gemoed was vol;
+maar zij kon noch spreken, noch schreien: zij sloeg haar mantel op,
+haalde haar kap over 't gelaat, en, den arm des monniks nemende,
+ging zij met hem het achterpoortje uit, naar de plaats, waar Feiko
+hen met de paarden verwachtte. Spoedig kwam de trouwe dienaar terug
+met de tijding, dat beiden zich verwijderd hadden.
+
+Het bleek weldra, hoe noodzakelijk de gemaakte spoed was geweest;
+want nauwelijks waren er eenige minuten verloopen, toen het huis
+door een aanzienlijke ruiterbende omsingeld werd en de aanvoerder
+zich aanmeldde met de tijding, dat hij uit 's Graven naam Jonkvrouw
+Madzy Dekama kwam afhalen.
+
+"Het doet mij leed, dat ik u haar niet kan afstaan," zeide Aylva,
+on een koelen toon: "maar zij was gisteravond zoo ontsteld en ziek
+van het voorgevallene, dat zij terstond met een Harlinger vaartuig
+naar Friesland is teruggekeerd."
+
+"Ziedaar iets, waarvan wij ons zullen moeten verzekeren," zeide
+de hopman, en gaf hierop aan zijn wapenknechten last, het gebouw
+te doorzoeken. Toen echter alle nasporingen vruchteloos bleken te
+zijn, zond hij zijn volk in onderscheidene richtingen uit en stuurde
+zelfs een boodschap naar den mond van 't Snaren, om te vernemen,
+welke schepen er vertrokken waren; doch al zijn handelingen strekten
+slechts, om hem te doen zien, dat zijn moeite vergeefsch en dat de
+vogel alreeds gevlogen was.
+
+Intusschen hadden de beide vluchtelingen de aanzienlijke bleekerijen,
+welke toen reeds aan de omstreken van Haarlem een alom erkende
+vermaardheid gaven, rechts laten liggen en een achterweg ingeslagen,
+welke, over het grondgebied van den Heer van Heemstede, door een
+bevallige landstreek heenkronkelde. Aan hun linkerzijde vertoonde
+zich weldra het achtbaar slot met zijn breede grachten en talrijke
+torentransen, in 't midden van uitgestrekte weiden gelegen, terwijl aan
+de andere zijde schilderachtige heuvels oprezen, wier helling rijkelijk
+met struikgewassen begroeid was, waarboven de sombere eiken hun nog
+dorre takken naar boven staken. Nette en wel geschilderde woningen
+getuigden alom van de welvaart en rust, welke de landstreek genoot;
+en de kunstelooze, vroolijke liederen der landbewoners, die van hun
+werk terugkwamen om het middagmaal te gebruiken, gaven te kennen,
+dat zij met hun lot tevreden waren. Over Bennebroek, dat zich uit de
+overblijfsels van een vervallen nonnenklooster tot een vroolijk dorpje
+vervormd had, kwamen de reizigers in de zandige Hillegommer duinen
+en bereikten langs dien weg de groote heirbaan weder van Haarlem naar
+Leiden. Vader Syard had besloten over laatstgemelde stad naar Utrecht
+te reizen, en had hiermede een dubbel oogmerk. Vooreerst begreep hij,
+dat, zoo Madzy vervolgd werd, men haar eerder op den weg naar Amsterdam
+of in Kennemerland zoeken zoude, dan aan de zuidzijde; en dat zij
+beiden op den grooten landweg, die met reizigers bedekt was, minder
+in 't oog zouden loop en, dan op achterwegen. Ten tweede vreesde hij
+te verdwalen, zoo hij binnenwegen nam, en wilde geen geleider nemen,
+ja zelfs zoo min mogelijk geluid geven, ten einde de Friesche tongval
+hem niet verraden mocht.
+
+Het was vrij vol op den weg: doch daar de meeste reizigers van
+het feest terugkwamen en dus denzelfden kant uitgingen als onze
+vluchtelingen, zoo hadden zij weinig aanstoot te lijden en gingen
+vrij onopgemerkt verder. Wel wendde nu en dan een kloeke landbewoner,
+die op zijn vluggen draver, met ledige manden beladen, van de stad
+keerde, waar hij vruchten was gaan verkoopen, een rijke Leidenaar,
+wiens stevige merrie een deel snuisterijen droeg, te Haarlem gekocht
+en tot geschenken voor zijn huisgezin bestemd, of zelfs een jonge
+Edelman, die zijn trotschen klepper liet op en neder huppelen, in 't
+voorbijgaan een oog naar de bevallige rijdster; maar geen van allen
+giste, dat het fijne neusje, 't welk alleen uit den dicht over de oogen
+getrokken kaper te voorschijn kwam, aan de Roos van Dekama behoorde;
+en het strak en ontzag inboezemend gelaat van haar metgezel was wel
+geschikt om een ieder af te schrikken, die zijn nieuwsgierigheid
+verder had willen uitstrekken.
+
+De beide reizigers reden op een gelijken, doch niet snellen draf voort,
+uit vrees van iemand uit 's Graven gevolg, dat slechts kort voor hen
+naar 's-Hage vertrokken was, achterop te rijden, en zonder een woord te
+wisselen. De monnik zweeg, als wij gemeld hebben, uit voorzichtigheid:
+en Madzy had genoeg aan de droevige gedachten, die zich van haar ziel
+hadden meestergemaakt. Pijnigend waren de verwijten, die zij zich
+zelve onder 't voortrijden deed. Zij beschouwde zich als de oorzaak
+van al de onheilen, die in de laatste dagen waren voorgevallen. Zij
+beschuldigde zich, Adeelen te hebben misleid, aanleiding te hebben
+gegeven tot de verwonding van Deodaat, ja tot des Graven toorn,
+die weldra, vreesde zij, op een geduchte wijze haar vaderland zou
+treffen. En echter, wanneer zij het gedrag overdacht, door haar in de
+laatste dagen gehouden, dan kon zij, bij het gemoedelijkste onderzoek
+van hare handelingen, niet zien, waarin zij dan eigenlijk gedwaald
+had, en vond zij niet, dat zij ergens verkeerd in gehandeld had,
+dan alleen, door Deodaat toe te laten, haar aan te spreken. Maar dit
+was zoo onverwacht geschied en in zulk een oogenblik van verwarring,
+dat zij niet inzag, hoe zij dat onderhoud op een geschikte wijze
+zoude hebben kunnen vermijden. Intusschen kon zij midden in haar
+druk niet nalaten, een soort van verlichting te gevoelen, dat zij
+van het aan Adeelen gegeven woord ontslagen was. Zij bespeurde nu,
+dat zij hem nimmer had kunnen gelukkig maken, maar dat zij stellig
+met iemand van zijn onhandelbaren aard hoogst rampzalig zou geworden
+zijn. Die gedachte, dat zij weder vrij was, streelde haar, ja, doch
+tevens dacht zij met schrik aan den blaam, dien Adeelen, bij zijn
+terugkomst in Friesland, op haar werpen zoude, en aan de verachting
+van haar landgenooten, waaraan hij haar onverdiend prijs zou geven:
+en dan wenschte zij soms haars ondanks, dat een stille wijkplaats
+haar mocht geschonken worden, niet in het adellijke Rijnsburger
+klooster, waar weelderige loszinnigheid en dartele uitspanningen den
+boventoon hielden, maar in een stil en vreedzaam gesticht, waar zij
+haar tijd in kalme rust zou verdeelen tusschen het betrachten van
+godsdienstplichten en van liefdewerken.--Dan ach! zij zorgde, dat zij
+ook daar den jongeling niet uit haar geest zou kunnen bannen, wiens
+bleeke en doodsche trekken haar nog onophoudelijk voor oogen zweefden.
+
+Op deze wijze zetteden zij hun weg voort, zonder zich langer op te
+houden dan noodig was, om aan hunne paarden eenige verversching toe
+te dienen, trokken Leiden onverhinderd door en reden den oever van den
+Rijn langs tot aan Bodegrave. Hier vernamen zij, dat de weg hooger op
+reeds vernield was op last van de stad Utrecht en dat de doortocht
+aan sommige Hollanders reeds geweigerd was. Dit deed vader Syard
+besluiten, een poging te doen, Utrecht langs een omweg te bereiken:
+en links den eersten zijweg inslaande, was hij tegen het vallen van
+den avond met zijn reisgenoote zonder hindernissen op het Stichtsche
+grondgebied aangekomen, waar zij zich tegen alle vervolging beveiligd
+mochten achten.
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+
+ WAARD. Mijnheer! 'k bedien de lui
+ voor een civielen prijs.
+ LODEWIJK. Ik weet wel, hospes, dat is te Utrecht
+ zoo de wijs.
+
+ Langendijk. Het wederzijds huwelijksbedrog.
+
+
+De herberg van het dorpje, waar onze reizigers stilhielden,
+maakte een niet onaanzienlijke vertooning, in vergelijking met de
+overige woningen, die in een halven cirkel verspreid lagen rondom
+een groot grasperk, met eenige ijpeboomen beplant, onder wier
+gebladerte ettelijke biggen en schapen hun voedsel zochten, of
+zich in gezelschap van eenige kwakende eenden laafden in een plas
+of waterkom, midden in het perk aanwezig, en aan welken sommige
+oudheidkenners van vroegere dagen beweren dat het dorp zelf zijn
+naam verschuldigd was. Anderen echter leidden dien naamsoorsprong
+af van de veenen, die in den omtrek gevonden worden; want Plaswijk,
+hetwelk men thans vergeefs op eenige kaart zou zoeken, daar het in de
+Hoeksche en Kabeljauwsche twisten grootendeels in assche gelegd en
+sedert met de naburige gemeenten ineengesmolten is, lag juist op de
+grensscheiding tusschen de lagere veen- en weilanden van Amstelland
+en den hoogeren Stichtschen grond. Het leverde hierdoor ook van beide
+kanten een geheel verschillend uitzicht op; want achter de huizen zag
+men kampen met haver en wintergerst beteeld, en door kleine hagen of
+dijkjes vaneengescheiden, langs welke tallooze musschen en vinken op
+en neder vlogen: terwijl aan de overzijde onafzienbare landerijen zich
+uitstrekten, met poelen en slooten doorsneden, en rijk in prachtig
+rundvee. Alleen aan de oostzijde werd het uitzicht belemmerd door
+een boschje, waarboven het slot Nyenstein, hetwelk den Bisschop van
+Utrecht toebehoorde, zijn ronden toren slechts even ophief.
+
+"Kunnen wij hier vernachten, moeder?" vroeg de monnik aan de dikke,
+gezonde kasteleines, die met een vroolijken glimlach op den mond en
+de handen in de zijden, de deur uit kwam scharrelen, zoodra zij de
+beide reizigers voor haar woning had zien stilhouden.
+
+De waardin antwoordde niet op deze vraag. Waarschijnlijk was zij in
+een tweestrijd met zich zelve, als willende zij, aan den eenen kant,
+haar nieuwe kalanten niet afschrikken, indien zij bekende dat zij
+geene plaats meer had, en aan den anderen, haar ziel met geen logen
+bezwaren. Zij hield zich dus, of zij de vraag niet gehoord, of niet
+verstaan had, en zich dadelijk half omkeerende, riep zij naar binnen:
+"Peer! Kees! hei daar! komt hier en helpt me dien huisman ereis! waar
+zijn de luiaards! hier Trui! kom ereis uit en hou de paarden van de
+lui vast, dat ze af kunnen stijgen."
+
+En Trui, een frissche boerenmeid, kwam de herberg uitdraven en nam
+met haar purperkleurige handen de teugels der beide rossen, terwijl
+haar meesteres er Madzy afhielp, eer deze nog wist of zij blijven
+zou dan verder gaan.
+
+"Ik vroeg u, moeder!" zeide vader Syard droogjes, en nog altijd in
+den zadel blijvende, "of wij hier vernachten kunnen."
+
+"Komt binnen maar, menschen," zeide de kasteleines, Madzy met een
+beschermenden lach op den schouder kloppende: "Kees zal wel zorg
+dragen voor die knollen."
+
+En inderdaad, Kees, een half blinde, half lamme boerenknecht, kwam
+strumpelende voor den dag uit een schuurtje, dat aan de herberg paalde,
+en vatte post naast zijn medehelpster Trui.
+
+De monnik, ziende dat Madzy zich reeds genoodzaakt zag tegen wil
+en dank de waardin te volgen, steeg nu ook af: en terwijl de beide
+dienaars de rossen als in zegepraal naar de stalling voerden, trad
+hij naar de meesteres en vatte haar bij den arm, juist zooals zij
+zich gereedmaakte, met Madzy binnen te treden.
+
+"Een oogenblik, vrouw!" zeide hij, haar met een strakken blik
+aanziende: "voor wij binnengaan, wenschten wij te weten, of er al of
+niet kans voor ons is hier hedennacht te vertoeven, althans of gij
+mijner nicht een slaapstede kunt bezorgen."
+
+"Dat zal de vraag zijn," zeide de waardin: "doch komaan! het oude
+spreekwoord zegt: er kunnen vele makke schapen in een hok; maar gaat
+toch binnen, goede lien, wij zullen er in 't voorhuis over praten."
+
+"Neen, met uw verlof!" zeide de monnik, die door de opene deur
+verscheidene lieden in het voorhuis bijeen zag en zich niet onnoodig
+aan het gezicht wenschte bloot te stellen, "dat niet: hier geeft gij
+mij antwoord of wij rijden terstond verder."
+
+"Wel, dat zou toch wat erg zijn," hernam de vrouw, al grinnekende en
+zich de handen wrijvende: "den _Roerdomp_ voorbij te rijden zonder
+eens binnen te zijn geweest! neen huisman! dat gaat niet. Het huis
+is wel mooi vol; doch met overleg komt men wijd; en wij zullen het
+wel zoo schikken, dat gij tevreden zijt."
+
+"Mijn nicht is wat vermoeid," zeide de monnik, "en wenschte wel,
+terstond haar kamer te betrekken, en daar wat te gebruiken."
+
+"Zoo!" zeide de kasteleines, de onderlip vooruitstekende, en Madzy met
+een verwonderd gelaat aanziende: "is die deerne te grootsch om aan den
+gemeenen haard te zitten, waar ik de knapste vrouwlui uit den omtrek,
+ja zelfs deftige poortersvrouwen uit Utrecht en Grouda heb ontvangen:
+en waar nooit anders dan bescheiden volk wordt toegelaten; en denkt
+gij dat de herberg van Maaike Jaspersz een klooster of een bijenkorf
+is, waar ieder zijn eigen celletje heeft?"
+
+"Ik voel mij wat ongesteld," zeide Madzy op een smeekenden toon.
+
+De zachte en innemende stem der Friezin scheen eenigen indruk op het
+hart der waardin te maken: althans zij bracht haar gelaat weder in een
+vriendelijke plooi, en Madzy op den schouder kloppende: "wij zullen
+zien," zeide zij: "maar waarlijk; ik moet eens bedenken!--Truitje! is
+het achterkamertje al besproken?"
+
+"Daar ligt de Leidsche koopman in lakens al sedert een half uur te
+ronken," zeide de dienstmaagd, die zich weer bij hen gevoegd had:
+"de man wenschte morgen met den dag weer op reis te gaan."
+
+"Ja! morgen! als zij hem morgen maar laten doorreizen," mompelde de
+waardin: "doch dat is hetzelfde: er zal geen kans zijn den man meer uit
+zijn bed te krijgen:--en is er nog een plaats in de groote kamer open?"
+
+"Dat 'loof ik niet," antwoordde Truitje: "laat zien: daar is de
+Ydeljaander met zijn kameraad in één bed, en die gast van straks in
+het andere, met dien kerel, die zulk een zwarten mantel om heeft,
+en oogen nog zwarter dan zijn mantel."
+
+"Dat is tot daar aan toe," viel haar Maaike Jaspersz in de rede:
+"een meid uit een ordentelijke herberg behoeft de jonge knapen niet
+in de oogen te kijken.... laat zien:--de bedsteden zijn bezet; maar
+er zal nog wel een ledig hoekje zijn om een stroozak te leggen."
+
+"Wat beduidt al dat gehaspel?" vroeg vader Syard vertoornd: "gij wilt
+mijn nicht toch niet in uw groote kamer plaatsen? Ik heb voor haar
+een kamer alleen verzocht."
+
+"Recht zoo, huisman!" hernam de waardin: "maar gij zult zelf ook wel
+een plaatsje willen hebben?"
+
+"Ik ben met een weinig stroo in de schuur tevreden," zeide de monnik:
+"mits mijn nicht slechts wel bezorgd zij."
+
+"Ja! ik zal haar mijn eigen bed dienen te geven:--maar een goed akkoord
+bederft geen crediet: en mij dunkt, dat een kleine schadeloosstelling
+boven den gewonen prijs...."
+
+"Zoo het slechts daaraan hapert," hernam de monnik, haar een paar
+stukken van achten in de hand stoppende: "hier is al wat voor de
+moeite, die wij u veroorzaken: maar haast u! en laat ons het verblijf
+zien, dat gij aan mijn nicht wilt geven."
+
+"Komaan, kind!" zeide de waardin, terwijl zij met de eene hand het
+geld opstak en met de andere Madzy voortstuwde: "zien zullen wij:
+en het zou mij verwonderen, indien gij niet tevreden waart."
+
+Madzy trok haar mantel nog dichter over haar gelaat en vergezelde
+nu met vader Syard haar geleidster naar binnen. Met een haastigen
+stap traden zij het voorhuis door, waar eenige menschen rondom het
+vuur bijeen zaten, gingen een paar smalle zijtrapjes op en bevonden
+zich weldra in een klein vertrekje onder het dak, hetgeen zich,
+wat de zindelijkheid betrof, vrij wel voordeed; maar dit was de
+eenigste verdienste. Behalve dat het er geweldig heet was, waren
+er geene andere meubelen te vinden dan een koffer ter berging van
+het linnengoed der waardin, en een stoel, waarop haar nachtgewaad
+lag. Vader Syard, vreezende dat Madzy dit verblijf vrij ongeschikt
+zoude voorkomen, wilde bedenkingen opperen; maar Madzy verklaarde,
+dat zij er volkomen genoegen mede nam.
+
+"Wel dat geloof ik," zeide vrouw Jaspersz, terwijl zij haar boeltje
+bijeenpakte, en met een bezemstok de dekens instopte: "er hebben hier
+wel knapper lui in geslapen: zooals laatst de eigen zuster van Barta
+Bartels, die vrouw is van den Overman van het Weversgilde te Leiden: en
+nooit heeft iemand ergens over geklaagd:--als over de muggen misschien:
+maar die ontzien rijk noch arm: en als men den geheelen dag gereisd
+heeft, zooals gijlieden, naar ik aan uw paarden zien kan, dan slaapt
+men wel in, eer men de steken voelt. Maar wat zult ge nu gebruiken?"
+
+Madzy antwoordde, dat zij zich maar dadelijk ter rust wenschte te
+begeven, en verzocht de waardin haar eenig vleesch en brood te brengen,
+dat zij op haar bed zou nuttigen.
+
+"Dat zei je geworden," zeide de waardin: "ik heb een kostelijke zijde
+spek hiernevens hangen: en daar zal ik je een snede van brengen,
+beter dan je ooit gegeten hebt."
+
+"Waarlijk," zeide de monnik, zoodra de waardin vertrokken was, "indien
+ik geweten had, dat hier zoo weinig gelegenheid ware, om behoorlijke
+huisvesting te erlangen, ik had u nimmer laten binnenkomen. Dat is
+voorwaar geen verblijf voor de erfdochter der Dekama's!"
+
+"Men moet zich op reis behelpen," zeide Madzy, met een vriendelijken
+lach: "en schoon deze peul vrij hard schijne en het hier onverdraaglijk
+warm zij, heeft alles echter een zindelijk voorkomen. Wat dunkt u? zou
+ik het venster durven openlaten? De nachten zijn niet koud en ik zal
+in mijn kleederen te bed gaan."
+
+Vader Syard zette het raampje open, en zag naar buiten. "Gij zijt,
+geloof ik," zeide hij, "hier tegen allen onverhoedschen overval
+beveiligd."
+
+"Inderdaad, ik zit hier hoog en droog en zal niet licht een bezoek
+ontvangen, of het moest dat van een verdwaalde kat zijn!.... maar
+zeg mij, Vader! wien zou het slot toebehooren, dat ik ginds boven
+het geboomte zie?"
+
+"Dat slot," antwoordde de monnik, "wordt thans bewoond door iemand,
+die ons van dienst kan wezen en een veilig geleide naar de plaats
+onzer bestemming bezorgen. Het is mijn voornemen, hem nog hedenavond
+te bezoeken; althans indien het u geene ongerustheid veroorzaakt,
+zoo ik mij gedurende een halfuur van dit huis verwijder."
+
+"Wat zou ik vreezen?" zeide Madzy: "en wie zou mij hier zoeken?--doch
+gij spreekt raadsels, goede Vader! wie kan die slotvoogd wezen,
+wiens bescherming ons van zoo grooten dienst zal zijn?"
+
+"Ik heb u niet gezegd, dat het de slotvoogd ware, mijn dochter! de man,
+dien ik zoek, is thans slechts een tijdelijke bewoner van Nyenstein:
+wie hij is zal zich eenmaal, wellicht spoedig, ophelderen: tot nog
+verbiedt mij een heilige plicht zijn naam te noemen;.... ook hoor ik
+onze waardin reeds terugkomen: en ik acht mijne tegenwoordigheid hier
+verder onnut. Hebt gij nog eenige bevelen voor mij? anders beveel ik
+u der bescherming onzer Lieve Vrouwe aan, en wensch u wel te rusten."
+
+"Rust wel, eerwaarde vader!" zeide Madzy: "en ontvang mijn hartelijken
+dank voor uw trouwe zorgen."
+
+De monnik vertrok en liet de Jonkvrouw alleen met de waardin, welke
+haar het avondeten bracht. Madzy gevoelde wel eenigen trek om haar te
+vragen, wie de geheimzinnige bewoner ware van dat slot, daar zij met
+den monnik over gesproken had; maar het gevoel van bescheidenheid,
+haar ingeschapen, weerhield die vraag op hare lippen. Zij begreep,
+dat de monnik goede redenen moest hebben, waarom hij haar het geheim
+niet mededeelde en achtte het daarom ongepast, een anderen weg in
+te slaan om daarachter te geraken. Ook zou zij weinig tijds gehad
+hebben om een vraag te doen, daar de waardin, wier nieuwsgierigheid
+was opgewekt geworden door het gunstig uiterlijke van Madzy, die haar
+mantel had afgedaan, en door de fijnheid van het linnen, dat onder
+hare boerinnenkleeding zichtbaar was, haar overlaadde met een vloed
+van vragen, waarop de Jonkvrouw slechts half verdacht was en die zij,
+het veinzen ongewoon, met moeite wist te beantwoorden. Wel had zij
+reeds gezegd (gelijk zij dit met den monnik had afgesproken), dat
+zij uit Alkmaar was en met haar oom naar Utrecht reisde om aldaar
+een bloedverwant te gaan bezoeken; maar toen de waardin haar over
+eenige nadere bijzonderheden begon te ondervragen, geraakte zij al
+meer en meer in de war en wist zich eindelijk niet meer te redden dan
+door grooten vaak en vermoeidheid voor te wenden. Echter zou haar de
+belangstellende nieuwsgierigheid van vrouw Jaspersz nog geene rust
+hebben gelaten, zoo niet een rumoer, in het benedenhuis ontstaan,
+de aandacht van deze getrokken had.
+
+"Ik moet eens zien wat daar gebeurt," zeide zij; "ik geloof waarlijk
+dat zij weer aan 't bekkesnijden zijn. Maar ik zal hun doen zien, wie
+of baas in mijn huis is, zij of ik. Gij neemt het mij niet kwalijk,
+hoop ik, dat ik u alleen laat. Wij waren zoo recht genoeglijk aan
+'t keuvelen; maar de zaken gaan voor alles, en ik ben maar een arme
+weeuw alleen en moet nacht en dag in de weer zijn om te zorgen dat
+mij de kaas niet van 't brood gehaald worde. Tot wederziens dan. Goede
+nachtrust!"
+
+En met deze woorden kloste zij de trap af en vond werkelijk bij het
+komen in het voorhuis, dat haar tegenwoordigheid aldaar noodzakelijk
+vereischt werd. De aanleiding van den ontstanen twist was de volgende:
+
+De monnik had, toen hij de trap afdaalde met het oogmerk van zich
+naar het kasteel te begeven, het belang gevoeld om zich, voor hij
+het huis verliet, te vergewissen, welk slag van lieden hij in de
+herberg achterliet en of zijn reisgenoote ook iets van hen te vreezen
+had. Bovendien, schoon het vasten gewoon, had de voor hem ongewone
+beweging zijn eetlust aangewakkerd en verlangde hij naar eenige
+verversching. Hij verzocht dus bij zijn intrede in het voorhuis aan
+de dienstmaagd, hem een snede brood met een teug water te halen.
+
+"Water!" klonk een stem van den haard: "laat dat aan de kikkers,
+huisman. Eilieve! kom mede in 't gelag en wij zullen u van onzen
+drank schenken."
+
+De monnik wendde bij deze uitnoodiging het oog naar het aldaar
+vergaderd gezelschap. Onder een schouwe van uitgebreiden omvang,
+hoedanige er wellicht niet meer, dan in sommige afgelegen Geldersche
+of Overijselsche dorpen te vinden zijn, en waarin ettelijke stukken
+vleesch te rooken hingen boven het altijd brandend turvenvuur,
+zaten eenige lieden op lage houten bankjes in een halven kring om een
+tafeltje. Dicht aan den wand bevond zich de man, die tegen den monnik
+gesproken had, en wiens kleeding een wapenknecht aanduidde, terwijl
+zijn roode neus en de kan, welke hij op de eene knie vasthield,
+hem als een vlijtigen aanbidder van den wijngod deden kennen. Wat
+de uitdrukking van zijn gelaat betrof, zij was die van iemand,
+die steeds genegen schijnt, ieders woorden kwalijk op te nemen: en
+schoon zijn voorstel aan vader Syard op zich zelf verplichtend was,
+de norsche en onaangename toon, waarop het gedaan werd, nam er alle
+verdiensten van weg, en gaf zooveel te kennen, als dat de man, tot
+wien het gericht was, er zich ten hoogste mede vereerd moest achten
+en dat een weigering kwalijk zou worden opgenomen.
+
+Naast dezen persoon waren twee lieden gezeten, kermisgasten van beroep,
+althans voor zooverre men dit kon afleiden uit hun vreemde spraak
+en kleedij, uit hun verbrand gelaat en uit de kast, welke nevens hen
+stond, en waarop een dier lag te slapen, welks soort de schaduw, welke
+de tafel daarover wierp, belette te onderscheiden. Drie dorpelingen,
+vaste klanten van de herberg, maakten met de bovengenoemden het
+gezelschap uit; want men kon bezwaarlijk een zevende mederekenen,
+die, afgezonderd van de overigen, op een bank tegen den muur lag en
+geheel bedolven scheen onder een grooten zwarten mantel.
+
+"Ik dank u, goede vriend!" zeide de monnik tot den wapenknecht:
+"uw voorstel is hupsch; maar ik mag het niet aannemen."
+
+"Hoe nu!" zeide de man met het zwaard op een hoogen toon: "zijt gij
+een kerel? gij komt nog wel op een goed paard aanrijden, en zoudt
+vrekkig genoeg zijn om een dronk te weigeren?--Ik zou bijna denken,
+dat gij al uw munt te Haarlem verslempt, en geen onnoozel kopstuk
+meer overgehouden hebt, om eens met eerlijke lui te klinken."
+
+"Ieder weet best wat vertering hem lijkt," zeide de monnik: "mits
+slechts de waardin niet klage over kwalijke betaling; bovendien,
+goede vriend, kan ik om een andere reden uw voorslag niet aannemen;
+ik heb nog een boodschap in het dorp te verrichten, en moet haast
+maken." Dit gezegd hebbende, zette hij zich op eenigen afstand aan
+een klein tafeltje.
+
+"Bij mijn zolen!" zeide een der dorpelingen: "gij zult niemand in
+'t dorp meer op vinden dan ons drieën: het is al bijkans halfacht,
+en ieder gaat hier met de kippen op stok, uitgenomen wij, die hier
+alle avonden klokke zeven uren post vatten, om een Christenplicht
+te verrichten."
+
+"Een Christenplicht!" herhaalde de wapenknecht: "ik ben waarlijk
+benieuwd te weten, hoe gij dat uitlegt?"
+
+"Wel!" hernam de vorige spreker: "is vrouw Jaspersz niet een
+weduwvrouw, en zeit de pastoor ons niet alle Zondagen, dat wij de
+weduwen en weezen hebben voor te staan? Mij dunkt, ik kan niet vromer
+handelen, dan dat ik een goede vertering bij haar maak."
+
+"Dat gij hier vertering maakt is zeker, Melisbuur!" zeide een der
+andere dorpelingen: maar of vrouw Jaspersz er veel zijde bij spint,
+daaraan zoude ik haast twijfelen:--hoe dikwijls in 't jaar hoort zij
+de klank van je geld?"
+
+"Eilieve! wij zullen elkaar wel eenmaal met gesloten beurzen betalen,"
+zeide Melis, lachende, "want ik denk haar met Kerstmis te trouwen
+en dat zal de rekening effen maken:--maar dat tot daar aan toe: die
+nieuwe gast moet er zoo niet afkomen:--zeg eens paai! wien duivel
+zoekt gij zoo laat op het dorp?"
+
+"Ik zoek iemand, die mij met geen nuttelooze vragen zal lastig vallen,"
+antwoordde de monnik, droogweg.
+
+"Dien kunt gij in uw tasch steken, Melisbuur!" zeide een der andere
+landlieden, lachende,
+
+"Ik geloof, dat de vlegel lust heeft, met mij aan 't snijen te komen,"
+zeide Melis, de hand aan het heft van zijn zakmes slaande.
+
+"Foei Melis! een oud man!" hernam degene, die zooeven gesproken had,
+terwijl hij hem tegenhield.
+
+"Indien hij oud is," zeide Melis, "moest hij op zijn woorden hebben
+leeren passen en geen onbeschofte taal voeren, wanneer men hem in
+'t ordentelijke een vraag doet."
+
+"Had hij maar school gegaan bij mijn aap," merkte een der kermisgasten
+aan, in wien mijn lezers aan dit gezegde den hansworst van Barbanera
+zullen herkend hebben: "meester Cezar, dat vrome beest, geeft nooit
+andere dan bescheidene antwoorden."
+
+Deze geestige zet werd door al de aanwezigen met een luid gelach
+ontvangen. Vader Syard, zijn eenvoudig maal uit de handen der
+dienstmaagd aannemende, vergenoegde zich met te zeggen:
+
+"Indien gij, mijn zoon! in de plaats van met ongure dieren, met vrome
+lieden verkeerd hadt, zoudt ge althans de lessen der beleefdheid
+jegens vreemdelingen beter hebben leeren in acht nemen."
+
+"Hij spreekt bylo of hij een pater ware," zeide Daamke, wiens
+vroolijkheid verdubbelde. Barbanera, die naast hem zat, zag op dit
+oogenblik den monnik in 't gezicht, die hem echter niet herkende,
+daar zij elkander slechts eenmaal aan het ziekbed van Elske gezien
+hadden, en de kwakzalver thans den wassen neus niet ophad, die hem
+anders vermomde.
+
+"Een pater!" herhaalde de wapenknecht met een schuinschen blik op
+den monnik: "hij is dan waarschijnlijk uit het Karthuizer convent te
+Arnhem, waar de monniken, zooals men weet, nooit uitgaan dan met een
+mooi Mariëndaalsch zusje."
+
+"Of het een mooi zusje was, is nog de vraag," zeide de hansworst: "want
+zij was zoo dichtgestopt als een metworst, toen zij ons voorbijstoof.
+
+"Niet zoo ingestopt," zeide de wapenknecht, "of ik heb een voetje
+gezien, dat ik in mijn vuist had kunnen sluiten, en een blank malsch
+handje, dat de kruik vasthield. Zeg eens, huisman! is 't je dochter,
+of je vrouw! want ik wil je wel van je reisgenoot ontslaan, zoo je
+haar voor een slok verkoopen wilt."
+
+"Dat ware met recht kat in den zak koopen," zeide Daamke.
+
+"Nu, wij konden haar wel eens bekijken gaan," hernam de wapenknecht,
+opstaande: "zij zit zeker bij moeder Treuzel in de keuken."
+
+"Ja! laat zien of wij haar kennen," zeide Melis, zijn voorbeeld
+volgende.
+
+"Een oogenblik, goede vrienden!" zeide vader Syard, zich voor de deur
+stellende, met zulk een vastberadene houding, dat de beide gasten
+een poos besluiteloos stonden: "ik ben een man van jaren en ongewoon
+om met rauwe gasten als gij zijt te vechten; maar ik zou nog kracht
+genoeg hervinden om den eersten, die zich verstoutte aan den wervel
+van deze deur te raken, zijn vermetelheid duur betaald te zetten."
+
+Onder het uiten dezer woorden sloeg hij de dorre hand aan den degen,
+die aan zijn zijde hing.
+
+Melis trad een stap terug: schoon eenigszins door den drank verhit,
+was hij niet beschonken genoeg of hij besefte, dat een aanval op
+den vreemdeling in dit geval meer dan een gewoon messengevecht zoude
+wezen en hem strafbaar maken voor het gerecht. De wapenknecht echter,
+meer oploopend en stout, trok zijn zijdgeweer half uit en wilde op
+den monnik aandringen, toen het gewaad van dezen zijne opmerkzaamheid
+wekte: "wat duivel!" riep hij, plotseling stilstaande: "hoe komt gij
+aan dat pak?--Dat zijn mijne kleeren.... mijne laarzen.... mijn tasch!"
+
+Deze opmerking, in stede van den monnik van zijn stuk te brengen,
+gaf aan het schrander oordeel van vader Syard integendeel een wapen
+in de hand, waarvan hij zich met wakkerheid bediende.--"Uw naam is
+Walger!" zeide hij.
+
+Inderdaad, het was Walger, die, na zijn vrouw, gelijk wij vroeger
+verhaalden, te hebben mishandeld, zijn hut had verlaten in den waan dat
+zij dood was. Den avond van dien dag teruggekomen zijnde, om zich van
+de gegrondheid zijner vrees te verzekeren, had hij door het venster
+naar binnen gezien, en Madzy, den monnik en de beide Italiaansche
+Ridders bemerkt bij de legerstede, waarop zijn vrouw, dood zoo hij
+meende, lag uitgestrekt. Vervuld van schrik had hij geene uitkomst
+geweten als in de vlucht, en ten einde spoediger weg te komen, had
+hij de paarden der Ridders losgemaakt, en een daarvan bestijgende,
+was hij met de twee naar Leiden gedraafd, waar hij ze een paar dagen
+later aan den Ridder van den Rooden Arend verkocht had, die, van
+hem vernemende dat hij dienst zocht bij de Stichtschen, hem met een
+aanbeveling aan Jonker Robbert van Arkel naar Utrecht had gezonden,
+waar hij aangenomen en met een wederkeerige boodschap naar Plaswijk
+was gestuurd.
+
+"Moordenaar!" vervolgde de monnik, op een bestraffenden, doordringenden
+toon: "wat hebt gij met uwe vrouw gedaan? weet gij niet dat zoowel
+de wet des Heeren als die der menschen het doodslaan verbiedt? En in
+plaats dat gij in zak en asch uw misdaad beschreien, en door berouw en
+boete de genade Gods afbidden zoudt, vind ik u hier dartelend en wijn
+drinkende, als de menschen in de dagen Noachs deden, voor de zondvloed
+kwam en ze allen van de aarde wegnam.--Beef! want het bloed zal bloed
+eischen en de wraak zal u vervolgen, waar gij ook schuilen moogt."
+
+Walger trad onthutst en bedremmeld terug: en terwijl de overigen, die
+weinig of niets van des monniks toespraak begrepen hadden, hen beiden
+met bevreemding aanzagen, kwam de waardin juist op het gerucht af.
+
+"Wat beduidt dit, vrienden?" zeide zij: "mijn herberg is een
+ordentelijk huis en ik wil hier geen rumoer hebben. Een eerlijke
+bekkesnijderij op Zon- en Feestdagen of met kermis, in goede eendracht,
+dat gaat er nog mede door; maar in de week en dat nog wel 's avonds,
+verkies ik geen ruzie in huis."
+
+"Er is geen ruzie ter wereld, moeder Jaspersz!" zeide een der boeren:
+"daar is Melisbuur, die u ongetrouw wordt en eens effentjes een
+vriendelijk bezoek wil gaan afleggen bij de deerne, die hier t'
+avond gekomen is."
+
+"En denkt gij, leelijke slungel," vroeg de waardin, met de handen in
+de zijden naar Melis toestappende, "dat ik dat van u velen zou? Ga
+zitten man!" vervolgde zij, terwijl zij hem bij de schouders nam en
+op zijn bank neerkwakte: "en drink je zoopje; maar wee je gebeente,
+zoo je verder dan het voorhuis je pooten durft zetten.
+
+"De droes!" zeide de hansworst: "vriend Melis! zoo gij u ooit bekeeren
+wilt, doe dan als je daar eerst zeidet: neem moeder Jaspersz tot
+vrouw en zij zal u spoedig zoo tam maken als een lammetje."
+
+"Hij mij tot zijn vrouw nemen!" riep de waardin: "Maaike Jaspersz laat
+zich niet zoo nemen: ik wou nog liever, dan dat ik zoo'n apenbakkes
+in mijn slaapkamer zag en mijn zuur verdiend penningske door zijn
+keelgat wandelen. Hij moest maar liever eens denken, hoe hij bij
+mij in 't krijt staat, en wachten tot hij mij betalen kan, eer hij
+zooveel praats had. Maar ik zeg alsnog: die buiten het voorhuis komt,
+neem ik bij de lurven en gooi hem de deur uit."
+
+Hoewel de wakkerheid der waardin en het gezag, dat zij over haar gasten
+scheen uit te oefenen, vader Syard eenigszins geruststelden, begreep
+deze echter niet heen te moeten gaan zonder alvorens nog eenig gewicht
+aan haar vermaning bij te zetten: "luistert vrienden!" zeide hij:
+"ik ga naar het slot, en zoo iemand in mijne afwezigheid zich verstout
+mijn nicht te beleedigen, beloof ik hem morgen een plaats in de kelders
+van het kasteel."--Dit gezegd hebbende, begaf hij zich het huis uit.
+
+"Ik lach wat met zijn dreigen," zeide Walger, zijn onbeschaamdheid
+terugvindende, zoodra hij den scherpen blik des monniks niet meer te
+vreezen had: "de slotvoogd zal zich wel wachten mij een vinger aan te
+raken. Ik heb op het kasteel althans zooveel invloed als die oude gek."
+
+"Vertrouw daar niet te veel op, vriendje," zeide de hansworst:
+"het zou mij niet verwonderen, indien die grijskop langer dan gij,
+kennis had met dengene, die op dat slot huisvest."
+
+"En wie huisvest er dan op?" vroeg Melis: "behalve de oude Peter en
+een aantal uilen en kraaien!"
+
+"Zeg daar maar niets van," zeide een der andere boeren: "ik heb er
+niet later dan gisteravond een Ridder zien binnenrijden in volle
+wapenrusting met een helm op 't hoofd en op een fraaien zwarten
+hengst gezeten."
+
+Hier lichtte de reiziger die op de bank lag, en die zich het vorige
+tooneel volstrekt niet had aangetrokken, even het hoofd op; doch
+hernam terstond weer zijn onverschillige houding.
+
+"Wie weet dat beter dan ik," zeide Walger, "die hem het paard verkocht
+heb waar hij op zat? een echten kastiliaan, dat beloof ik u."
+
+"Is het sedert niet lang, dat gij paardenkooper geworden zijt?" vroeg
+Daamke: "voor weinige dagen stondt gij nog in den Hout naar onze
+kunstverrichtingen te kijken, met het wapen van Holland op uw
+jachthuis."
+
+"Heugt u dat!" zeide Walger: "welnu, wat steekt daarin? ik heb een
+ander beroep bij de hand genomen."
+
+"Gij neemt andere dingen ook," zeide de hansworst: "want gij hebt
+bij uw vertrek twee paarden meegepakt."
+
+"Wie durft dat zeggen," riep Walger, met drift opstaande en de hand
+aan het geweer slaande.
+
+"Dat durf ik zeggen," hernam Daamke: "ik, die er bijna klappen om
+gehad heb."
+
+"Goede hemel!" riep de waardin uit, terwijl zij haar handen naar
+boven hief: "een paardendief in mijn huis."
+
+"Zottin, geen dief!" zeide Walger, terwijl hij wrevelig weder plaats
+nam: "maar, dewijl het toch morgen, naar men zegt, oorlog wordt
+tusschen Holland en het Sticht, moest al wat onder het Bisdom behoort
+mij danken, zoo ik twee paarden op de Hollanders heb prijsgemaakt
+en aan den Bisschop de aanwinst bezorgde van een knappen kerel als
+ik ben."
+
+"'t Is dan zeker ook om afbreuk te doen aan de Hollanders," vervolgde
+Daamke, "dat gij uw Hollandsche vrouw half doodgeslagen hebt?"
+
+"Lieve Maagd!" herhaalde de waardin: "een dief en een
+wijvesmijter! kameraad! je zoekt maar een andere herberg op, dan
+de mijne."
+
+"Hoe nu!" zeide Walger, "heeft de oude Peter mij niet zelf hier
+gebracht en u gezegd dat ik een Bisschoppelijke wapenknecht was en
+dat gij mij zoudt herbergen?"
+
+"Dat is waar," antwoordde de waardin: "maar...."
+
+"En zoudt gij denken," vervolgde Walger, met meer en meer drift,
+"dat de slotvoogd of zelfs de Bisschop mij zoude vragen wat ik in
+Holland verricht had en mij niet gaarne absolutie geven voor het kwaad,
+dat ik er mocht hebben uitgevoerd? Komaan! tap nog een kan ouden wijn
+en laat er niet meer over gesproken worden."
+
+"'t Is wel!" zeide de waardin: "maar daar gij morgen wel eens in
+'t hoofd zoudt kunnen krijgen om weer naar de Hollanders over te
+loopen, zal ik zorgen, dat ik bij uw vertrek de paarden tel, die op
+stal staan."
+
+"En wat u betreft," vervolgde Walger, zich tot den hansworst wendende,
+zonder acht te geven op het gezegde der waardin, "zoo er nog een woord
+over het voorgevallene bij Haarlem uwe lippen ontrolt, zweer ik u,
+dat ik u kennis met mijn zwaard zal doen maken, en uw veelvervig pak
+van den kraag af tot de hoos toe de kleur van uw bloed doen aannemen."
+
+"Kom! kom!" zeide Daamke: "heb maar zooveel praats niet: die lange
+Fries van den Heer van Aylva mocht eens terugkomen en u afranselen
+zooals hij in den Haarlemmerhout deed."
+
+"Schurk!" riep Walger: "wat let mij of...."
+
+"Welnu," zeide de waardin, met een nieuwe kan terugkomende: "begint
+gijlieden weer? komt! drinkt als vroolijke gezellen met elkaar en
+laat dat eeuwige gekijf varen. 't Is of gij heden allen van den Booze
+bezeten zijt: er is hier geen wijs mensch dan ik en die goede man,
+die op de bank ligt te slapen."
+
+"Slapen!" zeide Walger: "ja, zoo gij 't maar gelooven wilt. Wij
+hadden hem ook wel eens kunnen aanstooten, om te zien of hij ons
+beter bescheid zou doen, dan de paai die zoo even heenging. Wie
+weet, misschien is hij wel een spion van den Graaf, gezonden om ons
+te verderven."
+
+"Licht mogelijk," zeide Melis: "mij dunkt, hij deed beter van naar
+zijn nest te gaan, zoo hij niet met ons wil aanzitten."
+
+"Wij kosten hem wel eens even wakker schudden," zeide Walger.
+
+"Gij zult den man stil laten liggen," zeide de waardin: "hij heeft
+zijn avondeten genomen en zonder afdingen betaald: en ik zie niet,
+waarom hij niet evenveel recht zou hebben om rustig te slapen, als
+gij om rustig te drinken."
+
+"Nu! maar eventjes," hernam Walger: "ik zal den man geen kwaad
+doen. Ik wil hem voor de grap slechts eens laten ruiken, of hij ook
+trek krijgt om mede te doen." En zijn kroes volschenkende, zwaaide
+hij naar den reiziger toe, en hield dezen het vocht onder den neus;
+maar de vreemdeling, plotseling opstaande, en den mantel afwerpende,
+die hem bedekte, vertoonde hem de welbekende gelaatstrekken van
+Reinout van Verona.
+
+"Onbeschaamde dief!" zeide hij: "kunt gij dan niemand met rust laten."
+
+De eerste indruk, welken deze verschijning op Walger deed, was, dat
+hij zwichtte voor het zedelijk overwicht, hetwelk iemand van hoogeren
+rang doorgaans op zijn minderen uitoefent. Hij herstelde zich echter
+weldra, vooral toen hij bemerkte, dat Reinout geene andere wapenen
+droeg dan een dolk.
+
+"Ter hulp, Vazallen van het Bisdom!" riep hij: "ziet daar, zooals ik
+zeide, een zendeling van den Hollander, een flikflooier van Graaf
+Willem, wiens vangst meer genoegen aan de Kapittel zal doen dan de
+inneming van een kasteel."
+
+"Indien het zoo is," zeide Melis, met de andere boeren toetredende,
+"dan ware het zeker wel de moeite waardig?...."
+
+"Lompe kinkels!" zeide Reinout, de armen kruisende en in een
+onbeweeglijke houding blijvende staan: "is dan de oorlog reeds
+verklaard, dat gij zoo bulkt? Vermoeit u niet onnoodig; want mijn
+weg leidt naar Utrecht en ik zal hem vinden zonder uw geleide. Wat
+u betreft, schurk!" (zich tot Walger wendende) "gij bezorgt mij het
+paard terug, dat gij mij volgens uwe eigene bekentenis ontstolen hebt."
+
+Walger stond eenigszins versuft, te meer, daar hij aan de weifelende
+houding der boeren besmeurde, dat er weinig staat was te maken op hun
+bijstand, en dat zij nog nuchter genoeg waren om te begrijpen, dat
+een beleediging, eenen gunsteling des Graven, eenen Edelman aangedaan,
+in allen gevalle hachelijke gevolgen voor hen zou kunnen hebben.
+
+"Welnu!" herhaalde Reinout, met een donderende stem: "mijn paard! hebt
+gij mij niet verstaan?"
+
+"Bij Sint-Maarten!" zeide eindelijk Walger, op den koppigen toon
+van iemand, die zijn besluit genomen heeft en op al de kansen is
+voorbereid, "indien gij uw paard wilt hebben, zoek het dan, waar het
+te vinden is."
+
+"Ik geloof," zeide Daamke, die dit gansche tooneel met een vroolijk
+meesmuilen had aangezien, "dat hij uw paard en dat van uw vriend in
+den buidel draagt, die aan zijn gordel vast is:--althans voor zooverre
+de lieve beestjes zijn keelgat niet reeds zijn doorgereden."
+
+"Beken!" zeide Reinout: "aan wien hebt gij mijn paarden verkocht?"
+
+"Dat laat zich raden," zeide de nar: "aan dien Ridder met den rooden
+arend, die gisteren op het slot gekomen is."
+
+"Welnu! volg mij dan naar het slot," zeide Reinout met drift tegen
+Walger.
+
+"_Perdonatemi_!" zeide Barbanera, opstaande en hem terughoudende:
+"zoudt gij den morgen niet afwachten?" voegde hij er bij in de
+Italiaansche taal: "ik stel mij borg, dat de Ridder op het slot u de
+paarden zal teruggeven, en dat wel zonder zwarigheid te maken;--maar,
+zoo gij mij gelooft, zullen wij hem in zijn rust niet storen."
+
+"Het is wel, Paolo," zeide Reinout: "maar intusschen hebben wij
+elkander nog veel te zeggen, en deze kerel moet ons niet ontsnappen."
+
+"Wilt gij mij gevangenhouden?" vroeg Walger, die, hoewel het gezegde
+des Ridders, dat in 't Italiaansch gehouden was, niet verstaande,
+genoeg aan zijn gebaren begreep wat hij zeggen wilde, en meteen haalde
+hij zijn zwaard half uit.
+
+"Hoe nu! weer vechten?" riep de waardin: "wij zullen vechterijen genoeg
+hebben als de oorlog uitberst. Hou uw gemak, of ik zet u de deur uit,
+zoowaar ik Maaike Jaspersz heet."
+
+"Hij zou niets liever verlangen," zeide Daamke, lachende, "hij
+heeft evenveel trek om te blijven als een verzadigde muis, die in de
+val zit."
+
+"Welnu! waarom gaat hij dan niet?" vroeg de waardin: "ik heb al
+last genoeg van dien oproermaker en zal blij zijn zoo ik van hem
+ontslagen raak."
+
+"Ik zal gaan of ik zal blijven, juist zooals 't mij goeddunkt,"
+zeide Walger, zijn beker ledigende en met een koppige houding weer
+plaats nemende: "wat het paard van dien Ridder betreft, ik heb
+het niet gestolen, maar in 't bosch opgevangen: en daar het op den
+stal van 't kasteel staat, kan hij het ieder oogenblik van den dag
+terugvinden. Zoo ik reden had van uit Holland te vluchten, hij zal
+ze ook wel gehad hebben en misschien erger dan ik."
+
+Reinout zweeg en sidderde: de woorden van Walger hadden een dieper
+uitwerking gedaan dan deze zelf vermoeden kon.
+
+"Komt!" zeide een der boeren: "laat ons een einde aan al dat gehaspel
+maken. Het wordt laat: nog één kroes en daarmede afgedaan."
+
+"Wel gezegd," zeide Daamke: "het is altijd betamelijk ter ruste te
+gaan, wanneer de kan ledig is."
+
+Allen dronken hierop, behalve Reinout, die met groote stappen het
+vertrek op en neder wandelde. Zoodra de drank op was, trokken de
+dorpelingen af en begaven zich de gasten naar hun slaapverblijf,
+Walger wierp zich zonder een woord te spreken op zijn legerstede,
+alwaar weldra een zwaar gesnork aanduidde dat hij in diepe rust was:
+de hansworst volgde zijn voorbeeld en Barbanera maakte zich gereed
+hetzelfde te doen, toen Reinout hem weerhield.
+
+"Gij zijt mij nog het einde van uw verhaal schuldig," zeide hij in
+'t Italiaansch.
+
+"Wat zal ik u zeggen?" zeide de kwakzalver, de schouders ophalende
+en Reinout met een blik aanziende, die zooveel zeide als: "gij
+zult thans minder dan ooit in staat zijn, mijn ontdekkingen goed te
+beloonen,"--"ik heb u niet veel meer te verhalen; want het zal hoe
+langer hoe meer onzeker zijn, of gij, dan wel uw vriend Deodaat de
+echte zoon van Bianca is."
+
+"Mijn vriend Deodaat slaapt om niet weer op te staan," antwoordde
+Reinout met een somberen blik: "welke rechten hij moge gehad hebben,
+zij zijn in de mijne versmolten. Er is geen keuze meer tusschen hem
+en mij."
+
+"Met dat al:" zeide de kokeler....
+
+"Hier Paolo!" zeide Reinout, hem naar zich toe trekkende: "ik vermaan
+u, niet langer met mij te spotten. Bij God! ik heb gedaan wat ik
+onmogelijk had gedacht: ik heb mijn besten vriend, mijn wapenbroeder
+een dolk door het hart gejaagd. Gelooft gij dat ik, na zulk een daad,
+voor den moord van een ellendeling als gij nog zou terugdeinzen? Neen,
+bij de Almacht! Gij zult mij alles mededeelen wat gij weet: en wel
+terstond. Rijkdom en eer, de helft van mijn vermogen wachten u zoo
+gij spreekt;--uw dood is zeker, zoo gij langer aarzelt!"
+
+Paolo bedacht zich een oogenblik. Eindelijk, ziende dat het Reinout
+ernst was, en indachtig, dat zijn plannen, om zich te verrijken, toch
+zonder eenige vrucht zouden blijven indien hij niet sprak, gaf hij hem
+te kennen, dat hij alles verhalen zou wat hij wist. Voor wij echter
+aan onze lezers den uitslag van hun onderhoud mededeelen, voegt het ons
+te zien wat vader Syard wedervoer bij zijn avondbezoek op het kasteel.
+
+
+
+
+
+TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Wie op beloften steunt of die van waarde schat,
+ Bedriegt zich zelf en maakt dat andren hem beschimpen:
+ Indien men laken koopt, het krimpt gemeenlijk wat;
+ Maar 't geen ons wordt beloofd zal doorgaans alles
+ krimpen.
+
+ De Regt.
+
+
+Het was niet zonder meermalen het gelaat naar de herberg om te wenden,
+dat de monnik het plein was overgestoken en zijn weg voortzette,
+verdeeld tusschen de ongerustheid, welke de onbeschaamde ruwheid der
+gasten bij hem achterliet, en de bekommering, waarin hem de onzekerheid
+bracht over den uitslag van zijn voorgenomen bezoek. Toen hij echter
+een hoek was omgeslagen en de herberg uit het gezicht verloren had,
+verhaastte hij zijn tred en verbande, zooveel in zijn vermogen was,
+alle andere gedachten, om slechts aan het toekomstig lot van zijn
+dierbaar vaderland te denken.
+
+De laan, welke hij nu volgde en die recht op den ingang van het slot
+aanliep, was aan de eene zijde beplant met een rij schrale berken,
+wier witte bladeren door den westenwind aangeraakt, in gestadige,
+ritselende beweging waren. Aan de andere zijde was een sloot, wier
+groene zoom met heestergewassen begroeid was, en over wier effen water
+talrijke zwaluwen heen en weder vlogen. Aan het einde van deze lange
+en eentonige laan gekomen, vond zich de wandelaar aangenaam verrast,
+daar hij eensklaps een ruime vlakte ontdekte, die een uitgestrekt en
+in vele opzichten schilderachtig uitzicht opleverde. Tusschen rijke
+graanvelden en groene weilanden kronkelde eene kleine rivier. Haar
+oever was hier en daar door bevallige bosschages bezet, wier welig
+groen de laatste stralen der ondergaande zon met liefelijke tinten
+kleurden. In 't verschiet zag men de torens van een paar rijke en
+welvarende dorpen, en verder nog, over de vlakte, den halfvolbouwden
+kegel van de Utrechtsche Domkerk, die, sedert voltooid, na zoovele
+eeuwen, als tot een baak en wegwijzer aan de omliggende landstreken
+verstrekt. De rivier, waarvan wij gesproken hebben, besproeide in
+eene van hare veelvuldige bochten een onbebouwd, eenigszins rijzend
+stuk gronds, hetwelk, door een breede, rijkelijk met kroos bedekte
+gracht omgeven, met de laan, waaruit de monnik kwam, gemeenschap
+had door middel van een brug, uit losse planken samengesteld, die
+bij het minste gevaar voor overval konden worden weggenomen. De
+brug overgaande, kwam men langs een pad, met keisteenen bevloerd,
+tot den ringmuur van het slot, waarom een tweede gracht gegraven
+was, wel niet diep, doch ondoorwaadbaar door den modder, waarmede
+zij gevuld was, en aan de binnenzijde nog bovendien verdedigd door
+een dubbel rasterwerk, hetgeen wel gedeeltelijk verrot of vervallen,
+maar echter voor spoedige herstelling vatbaar was. Een klein poortje,
+slechts even breed en hoog genoeg om een ruiter te paard door te laten,
+leidde tot de ophaalbrug, over die gracht geworpen, en was evenals
+de brug gedekt door twee torentjes, op den buitenmuur geplaatst. Een
+smalle ronde gang aan 't eind der brug bracht in het slot zelf,
+'t geen slechts uit een grooten vierkanten toren bestond, van zwaren
+steen gebouwd, maar zonder eenige sieraden dan den mantel van klimop,
+waarmede de natuur hem aan de eene zijde wel had willen voorzien;
+en zonder andere versterkingen, dan de zoodanige, welke de dikte der
+muren en de gelegenheid der plaats opleverden. De gedaante van dit
+oud en ruw gedenkstuk van vroegere eeuwen stak zelfs in dien tijd,
+toen dergelijke gebouwen nog meer algemeen waren, somber en treurig af
+tegen het vroolijke landschap, daaromheen gelegen, en de grijsgrauwe
+trans deed, vooral aan de zijde, waar het klimop niet gegroeid was,
+dezelfde uitwerking als een koude sneeuwhoop in het vroege voorjaar
+op een bloembed doet.
+
+De oude kroniekschrijver, aan wien ons verhaal ontleend is, vermeldt
+niet of vader Syard zich met dusdanige vergelijkingen bezig hield,
+toen hij een langen blik op den ouden toren vestigde. Hoe 't zij, hij
+trad de eerste brug over en, aan het kleine poortje voor de ophaalbrug
+gekomen, tilde hij den zwaren hoorn op, die met een ijzeren ketting
+aan den muur gehecht was, en blies een paar schelle noten. Hij moest
+echter dit sein tweemalen herhalen eer hij gehoor kreeg: althans eer
+een mager gelaat, dat zich aan de overzijde achter een kijkgat in
+den toren vertoonde, hem bewees, dat zijn verzoek om binnengelaten
+te worden verstaan was.
+
+Waarschijnlijk was de wachter, die den vermomden monnik gadesloeg,
+over zijn onderzoek voldaan: althans hij klom af, en de binnendeur
+van den toren ontsluitende, bleef hij aan den overkant achter de
+ophaalbrug staan.
+
+"Wien zoekt gij? en wat wilt gij zoo laat?" riep hij, zijn hoofd
+achter om de klep van de brug stekende, den monnik toe.
+
+"Goede vriend!" zeide deze: "laat uw brug neer, ik moet uw Heer
+spreken en heb geen tijd te verliezen."
+
+"Gij zijt oud genoeg," zeide de wachter, "om te weten, dat ik geen Heer
+heb dan onzen Bisschop, en dat die in 't Zuiden van Frankrijk woont."
+
+"Om 't even, dan moet ik den Ridder spreken, die hier huist."
+
+"Die is weer vertrokken," riep de portier, zijn hoofd terugtrekkende:
+"en zoo, God zegene u."
+
+"Hij had mij toch gezegd," zeide de monnik, met drift, "dat hij mij
+nooit gehoor zou weigeren, indien ik het vroeg in Sint-Maartens naam."
+
+De portier gaf geen antwoord; maar een geraas van sleutels en ketens
+liet zich hooren: en weldra ging de valbrug naar beneden.
+
+"Daar hadt gij immers wel mede kunnen beginnen," zeide de portier,
+"zonder mij op te houden met al uw onnoozel gereutel, dat niets
+ter zake doet. Ga binnen en wacht mij. Zoodra ik de brug weder heb
+opgehaald, zal ik mijn Heer gaan waarschuwen."
+
+Vader Syard liep een kromme gang ten einde en vertoefde een wijl
+op een klein binnenpleintje, terwijl de man, die hem ingelaten had,
+na alles weer behoorlijk gesloten te hebben, een smal wenteltrapje
+opklom, dat naar de bovenvertrekken geleidde. Spoedig kwam hij terug
+en verzocht den monnik met hem te gaan. Deze volgde zijn geleider,
+die hem een paar verdiepingen hooger bracht, tot zij aan een zware
+eikenhouten deur kwamen, waar zij aanklopten. Een stem van binnen gaf
+verlof om in te komen: de portier ontsloot de deur en ging vervolgens
+dadelijk weer naar beneden.
+
+Vader Syard trad het vertrek in, hetwelk achtkantig en vrij ruim
+was, naardien het een gansche verdieping des torens uitmaakte, en
+dus den geheelen omvang bevatte, welken de binnenmuren overlieten,
+uitgenomen vier hoeken, waarvan er drie tot kabinetjes dienden en het
+vierde de trap verborg. Uit de nauwe venstergaten had men een ruim
+uitzicht op den omtrek; doch de opening liet bijna geen licht meer in,
+dan noodzakelijk bleek te zijn. De wanden waren naakt en met spinrag
+bedekt: ruwe figuren, met krijt en houtskool op den muur geteekend,
+en waarmede men, zoo het scheen, de gedaanten van krijgsknechten had
+zoeken na te bootsen, duidden aan, dat hier meermalen gewapenden hun
+nachtwaken met dergelijke uitspanningen hadden vervroolijkt. Meubelen
+waren volstrekt nergens te zien: en een open koffer, met onderscheidene
+voorwerpen gevuld, kondigde alleen de nabijheid aan van menschen. Vader
+Syard wendde dan ook terstond het oog naar de eenige plaats, welke
+bewoond scheen, gelijk de lichtstraal aanduidde, welke uit de
+halfgeopende deur van een der kabinetjes op den vloer scheen. Hij
+trad derwaarts en zag nu in dezen afgezonderden hoek een tafel met
+papieren, waaraan de man zat, in wien hij terstond dengene herkende,
+wien hij zoeken kwam.
+
+Deze droeg echter thans noch het gewaad van Barbanera, gelijk in
+het schuurtje bij den Hout, noch de wapenrusting eens ridders, als
+op het Zand te Haarlem, noch de kleeding zonder naam, als in de cel
+des monniks, maar een ruimen en gemakkelijken tabberd, die hem los om
+'t lijf hing, en hier en daar geopend, het eenvoudig huisgewaad eens
+edelmans vertoonde. Voor hem stond een beker met zuiver water, en een
+stuk brood met sterkers, waarmede hij zijn avondmaaltijd scheen te
+zullen doen. Hij sloeg een onverschillig oog op den monnik, toen deze
+voor den ingang van het kabinetje stand hield: en wendde terstond,
+zonder hem te herkennen, zijn blikken weer op het blad, dat voor hem
+lag, om den begonnen volzin te eindigen. Hierop vroeg hij, zonder op
+te zien:
+
+"Van wien komt gij, huisman?"
+
+"Ik kom uit mijn eigen naam," antwoordde de monnik.
+
+"Bij Sint-Maarten!" zeide de andere: "ik ken die stem: maar wat
+duivel! ik ken dat gelaat ook. Welke vreemde gebeurtenis voert u hier,
+Vader! en hult den vromen monnik in het gewaad van een boschwachter?"
+
+"Ik heb vreemder vermommingen gezien dan deze," zeide vader Syard,
+op een stekeligen toon: "en had niet verwacht, dat gij mij het vreemde
+van mijn gewaad zoudt verwijten."
+
+"Ga zitten, Vader!" zeide de Stichtenaar, hem een zetel aanwijzende:
+"en zeg mij eens, hoe en waarom gij u hier bevindt."
+
+"De oogenblikken zijn te kostbaar en mijn tijd is te beperkt om
+dien met beuzelen door te brengen," zeide vader Syard: "ik breng u
+gewichtig nieuws."
+
+"Dat de Graaf naar 's-Hage is en heden of morgen de stad Utrecht
+ontzegt. Ik wist dit reeds.--Of is er meer?"
+
+"En dat de Friesche gezanten heden verlof gekregen hebben met slecht
+bescheid."
+
+"Waarlijk! ziedaar inderdaad een nieuws, dat goud waardig is. En wat
+zal men in Friesland doen?"
+
+"Waarschijnlijk zich wapenen en gereed zijn, als de Graaf ons aanvalt."
+
+"Ik had mij gevleid, dat zij van hunnen kant den aanval zouden beginnen
+en onze Stichtenaren met de wapenen ondersteunen. Die Jonker van
+Adeelen scheen daartoe niet ongenegen."
+
+"Naar ik de Friezen ken, zullen zij zich ongaarne mengen in een twist,
+die hun niet aangaat; doch met onbezweken moed den vreemden krijgsman
+van hun erf afweren."
+
+"Het ware toch hun belang, zich met Utrecht te vereenigen, eer de
+Hollanders ons een voor een en alzoo met beter kans beoorlogen;--of
+moeten wij doen als de kat, en de kastanjes voor u uit het vuur halen?"
+
+"Wij zullen, volgens onze overeenkomst, vaardig zijn om onzen grond
+te verdedigen; maar ik twijfel of gij éénen Fries zult vinden, die
+geneigd is voor eene hem vreemde zaak te strijden: en dit was ook
+onze bedoeling niet."
+
+"En waarom niet? Ik ken den invloed, welken uw Abten in Friesland
+bezitten, en ik ken evenzeer den invloed, dien broeder Syard op de
+Abten heeft. Onze afspraak was immers, dat gij hen zoudt overreden,
+zich voortaan geheel en uitsluitend aan den Utrechtschen stoel te
+onderwerpen: welk beter bewijs van die onderwerping kunnen zij geven,
+dan door een kruisvaart tegen de Hollanders te prediken, nu het Bisdom
+bedreigd wordt."
+
+"Versta mij wel," zeide de monnik: "ik heb, ja, beloofd alles in
+'t werk te stellen om de kloosters in Friesland meer af hankelijk
+dan tot nu van den Bisschop te maken; maar ik had daarmede alleen in
+'t oog de geestelijke zaken, de tucht en de orde in het kerkbestuur,
+welke te niet gaan, zoo geene vaste hand onze monniken in toom houdt:
+nooit is het bij mij opgekomen eenen Fries te willen dwingen om voor
+een vreemde zaak de wapens op te vatten. In het gesprek met Adeelen
+gevoerd, hebben wij een bondgenootschap bedoeld, een gelijktijdige
+oorlogsverklaring, waarbij het Bisdom ons zoude stijven; maar nooit
+was het onze meening, hulpbenden herwaarts te zenden. Herinner u
+onze afspraak: het oogenblik, dat het Sticht tegen Holland opstijgt,
+zal ook Friesland de wapenen aangrijpen om zijn erfgoed te verdedigen."
+
+"Met uw verlof," hernam de Stichtenaar: "zeg niet dat gij op den avond,
+dat wij met Adeelen spraken, niet onderricht waart van de voornemens
+der Kapittels: gij wist dat er een uitbersting volgen moest: gij waart
+toen geneigd, mij van dienst te zijn: Adeelen was dit even zoo: ik
+zie niet, in welken opzichte de staat van zaken tusschen ons beiden
+veranderd is?"
+
+"Wij hebben elkander verkeerd begrepen," zeide de monnik, de schouders
+ophalende: "Adeelen haat den Graaf zooveel als gij dit kunt doen;
+maar hij zal het evenzeer als ik ongepast oordeelen, dat een Fries
+zich in deze omstandigheden buiten zijn land begeeft, om de Hollanders
+te bestrijden, en dat nog wel onder een vreemden aanvoerder."
+
+"Ik weet nog niet, aan wien Utrecht het beleid van den oorlog zal
+toevertrouwen," zeide de Stichtenaar: "maar ik vlei mij, dat de
+veldheer, dien zij bekomen zullen, niet aarzelen zal, om aan de
+Friesche hulpbenden te vergunnen, onder hun eigen banier te strijden."
+
+"Hoe!" riep de monnik uit, met een verwondering, welke hij niet
+verbergen kon: "zult gij zelf dan niet het opperbestuur van den
+strijd aanvaarden?"
+
+"Gij vergeet," zeide de Stichtenaar, met een spotachtigen glimlach,
+"dat de Bisschop te Grenoble is, en dat alleen hij tot het opperbestuur
+gemachtigd is."
+
+"Is het dan tijd tot boerten?" riep de monnik op een bitteren en
+verwijtenden toon: "hoe! als Jan van Arkel, door het lossen der
+verpande sloten, door het afbetalen der schulden van het Bisdom,
+door het aanwerven van krijgsbenden, den toorn des Graven tegen het
+Sticht ontstoken heeft, zal hij dan achterblijven en zich schuilhouden
+in de ure des gevaars?"
+
+"Broeder!" zeide de Stichtenaar, op wiens gelaat de taal des monniks
+een meer ernstige tint had teruggebracht: "de tijden zijn voorbij, toen
+een Bisschop van Utrecht, zonder andere wapenen dan een misboek en een
+kruis, en zonder ander gevolg dan eenige geestelijken in plechtgewaad,
+een zegevierenden Graaf op de bres kon staande houden, en hem en
+zijn geheele leger doen sidderen voor den vloek des banbliksems. Het
+zijn de ridderdegen en de veldheersstaf, die hij thans moet zwaaien,
+wil hij zijn gezag niet miskend en bespot zien."
+
+"Welnu! laat hij die dan zwaaien. Is dit niet juist wat ik bedoelde?"
+
+"Hoe nu!" zeide de Stichtenaar met een fijnen glimlach, terwijl hij
+een zegepralenden blik op den monnik sloeg: "is het een geestelijke,
+die mij dezen raad geeft? _Ecclesia abhorret a sanguine_."
+
+Vader Syard zag den spreker eenige oogenblikken met verbaasdheid aan,
+terwijl hij in diens beweegbare trekken zocht uit te vorschen, welke de
+geheime bedoeling zijner woorden kon zijn. Het kwam hem onbegrijpelijk
+voor, waarom de Bisschop, die door zijne daden, hoe verschoonbaar, ja
+hoe prijselijk in sommige opzichten, toch aanleiding tot den oorlog
+gegeven had, en die de noodzakelijkheid erkende van het zwaard aan
+te gorden, weigerachtig zou kunnen blijven om zich aan het hoofd der
+zijnen te plaatsen. Hij maakte eindelijk een aanmerking in 't wilde,
+evenals iemand die, in de duisternis rondtastende, de hand uitstrekt
+zonder te weten wat hij vatten zal.
+
+"Mag ik vragen," zeide hij, "of het slechts een proef is, waarop gij
+mij zetten wilt? of sluiten uw woorden een wezenlijke tegenstrijdigheid
+in?"
+
+"Noch het eene noch het andere, goede Broeder! en ik zal geen mijner
+woorden terugnemen. Ik begrijp echter uwe verwondering: en ik geloof
+dat de groote hoop, die de innige drijfveeren onzer daden niet kent,
+als gij zoude oordeelen. Gij denkt, dat wraak alleen, of zucht naar
+meerder gezag in het hart van Jan Van Arkel woont;--beiden bestaan bij
+hem;--wie zou het ontkennen?--maar slechts in een ondergeschikten zin."
+
+"Ik zie niet," zeide de monnik, "welke andere redenen er kunnen
+aanwezig zijn....."
+
+"Arme man! gij zelf, welk doel beoogt gij met uwe geheime
+woelingen? waarom hebt gij zelf zoo vurig verlangd naar een oorlog
+tusschen Friesland en den Graaf?"
+
+"Omdat ik mijn vaderland liefheb:--omdat alleen die oorlog in staat
+is, de binnenlandsche beroeringen aldaar te doen ophouden, en ons
+van het juk van Holland te ontslaan."
+
+"Recht zoo! er kunnen dus edele drijfveeren bij iemand bestaan, al
+beoordeelt hem de menigte slechts naar den schijn.--Welaan!--Het ware
+reeds op zich zelf een grootsch denkbeeld, het Sticht onafhankelijk
+te maken van allen vreemden invloed; maar er ware nog meer te doen
+dan dit!--Er was een tijd, monnik! althans onze jaarboeken verhalen
+het, dat bisschop Adelbold zijn heerschappij over al de omliggende
+landstreken voerde, dat Hertogen en Graven zich het een eere rekenden,
+dienstbare betrekkingen aan zijn hof te vervullen; die tijd moet en kan
+terugkomen:--maar zoo het Sticht zijn aloud overwicht herwint, het moet
+zulks niet te danken hebben aan de loutere eerzucht zijns Bisschops,
+om na den dood van dezen weer tot een staat van onderdanigheid te
+geraken, om als een luchtverheveling slechts voor een korten stond
+aan den gezichteinder der eeuwen te schitteren. Neen Broeder! dat
+overwicht moet duurzaam blijven;--maar daarom moet het ook een
+onmisbaar gevolg zijn van den loop der omstandigheden, en ontspruiten
+uit de noodzakelijkheid, die machtige heerscheres der wereld.--Ik
+weet het, indien ik mij thans aan het hoofd der mijnen stelde, en
+hen ten strijde riep, dat mijn naam in de eerste oogenblikken van
+opgewondenheid als een talisman zou werken; maar wanneer dat eerste
+vuur van geestdrift had uitgebrand, wat zou dan het gevolg wezen? Bij
+den minsten tegenspoed, door onze wapenen ondervonden, zoudt gij den
+jaloerschen naijver der Kapittels en de bet-weterij van Vroedschappen
+en Overlieden de schuld daarvan op mij zien werpen: men zou tegen den
+Hollandschen Bisschop het wantrouwen, ja den haat der gemeente weten
+op te wekken: of zoo men al aan de oprechtheid van mijnen haat tegen
+het huis van Avennes geloof sloeg, het zou slechts zijn om mij te
+beschuldigen, dat ik het geluk van het Bisdom aan eigen heerschzucht
+had opgeofferd:--verdeeldheid zou weldra in onze vergadering en in ons
+leger heerschen, en Graaf Willem zou zonder moeite zegevieren over een
+gewest, door tweedracht verzwakt.--Neen! zoo ik het masker afwerp en
+mij aan de oogen mijner onderzaten vertoon, het zal slechts dan zijn,
+wanneer de oorlog een bepaalden, stelligen uitslag doet voorzien;
+wanneer de Stichtenaars de noodzakelijkheid zullen gevoelen van een
+opperhoofd: wanneer zij luidkeels om hun Bisschop roepen: dan zal ik
+onder hen verschijnen als de gezant uit den hoogen, die hen onder de
+banier van orde en wettigheid komt scharen: dan zal ik meester zijn,
+mijne voorwaarden voor te schrijven aan hen en aan die Kapittels en
+regenten, die de beste bedoelingen eens Bisschops verlammen zouden;
+en--gelijk ik hoop--tevens aan al wie hunne onafhankelijkheid belaagt."
+
+De monnik, nog weinig overtuigd, schudde het hoofd, en wierp een
+twijfelachtigen blik op den Bisschop, (want het wordt eindelijk tijd
+aan den tot nog toe onbekenden jongeling, den titel te geven, die
+hem toekomt): "gij vergeet," zeide hij: "dat de Graaf het wakkerste
+krijgshoofd is van zijn tijd, en dat, zoo zijn wapenen Utrecht
+bemachtigen, uw ontwerp in duigen ligt."
+
+"Ook die kans is door mij voorzien; en het hangt slechts van den
+uitslag des oorlogs af, of ik als legerhoofd dan wel als middelaar
+zal optreden. In beide gevallen zal mijn komst gezegend worden, en
+het is slechts door aan mijn Stichtenaren te toonen, hoezeer ik hun
+onmisbaar ben, dat ik de ontwerpen, door mij gevormd, zal kunnen ten
+uitvoer leggen."
+
+"Het vertrouwen der Stichtenaren zal slechts een armhartige pleister
+op de wond zijn," zeide vader Syard, "ingeval Graaf Willem overwint,
+en u erger voorwaarden oplegt dan die, waarop hij u tot Bisschop
+deed aanstellen."
+
+"Graaf Willem is thans machtig," hernam de Bisschop: "maar geloof
+mij, zijn gezag heeft den hoogsten top bereikt en kan met anders dan
+dalen. Hij heeft geen zoon:--komt hij te sterven, dan vervalt Holland
+aan den eersten, die moed en beleid genoeg heeft, het te winnen. Het
+Huis van Henegouwen zal met Willem den Vierden ophouden;--maar de
+Bisschop van Utrecht is onsterfelijk."
+
+Vader Syard bleef een wijl in diep nadenken verzonken: hij was nog
+weinig gerust omtrent den uitslag van des Bisschops vooruitzichten;
+want hij beschouwde die als onzekere luchtkasteelen, door het jeugdig
+en opgewonden brein des jongelings ontworpen, en hij kon geene hooge
+staatkunde toeschrijven aan iemand, die, ja, in vele opzichten blijken
+van volharding had gegeven, maar zich evenzeer gekenmerkt had door
+daden, welke in 's monniks oogen een buitensporige loszinnigheid
+ademden. Bovendien was de monnik geheel uit het veld geslagen door de
+tijding, dat de Bisschop zich niet bekend wilde maken:--daarmede ging
+al zijn hoop te leur om de Friesche geestelijkheid eenparig te doen
+handelen, hetwelk hij had gedacht te kunnen bewerkstelligen, wanneer
+hij in naam en op het gezag des kerkvoogds, des erkenden vijands van
+Willem den Vierden, tot haar sprak. Hij besloot dus nog eene poging
+te doen, om hem tot een openlijke handelwijze over te halen.
+
+"Ik ben bezorgd," zeide hij, "dat gij de kans om zulke schoone plannen
+ten uitvoer te brengen, reeds verspeeld hebt, en weldra gedwongen
+zijn zult het masker af te lichten."
+
+"En hoe dat?" vroeg de Bisschop met eenige bevreemding.
+
+"Uw komst alhier zal niet langer een geheim meer zijn. Die Barbanera
+en zijn hansworst boezemen mij weinig vertrouwen in, en zullen spoedig,
+wat zij weten, voor een weinig gouds aan den Henegouwer verklappen."
+
+"De laatste weet niets: en wat den kokeler betreft, hij was een
+noodzakelijk werktuig; maar het heeft uitgediend en zal verbroken
+worden, eer het mij schaden kan."
+
+"Die Walger, dien ik in de herberg van 't dorp heb gezien, weet ook
+meer dan noodig is....."
+
+"Hij kent slechts den Ridder van den Rooden Adelaar, meer niets."
+
+"De bedienden van het slot en de dorpelingen, die u hier zagen
+komen....."
+
+"Er is hier geen vaste bediende, dan de oude Peter, die u inliet:--en
+van dien heb ik geen verraad te vreezen. De dorpelingen weten niets
+meer dan mijn eigene knapen, die mij voor een vazal van 't Bisdom
+aanzien. Zoo ik aan mijn broeder Robbert, die in mijn afwezendheid mijn
+zaakgelastigde was, niet had moeten schrijven, en door hem den gang
+der zaken besturen, en zoo een gelukkig toeval mij niet te Haarlem
+in broeder Syard mijn ouden leidsman door de Friesche kloosters had
+doen ontmoeten, zou mijn geheim slechts bij twee lieden berusten."
+
+"Maar zoo de Hollanders dit grensslot bestormen en u vangen?"
+
+"Ook denk ik hier niet te blijven. Ik ga naar Utrecht en zal daar
+onbekend den loop der zaken afwachten."
+
+"Of wellicht," zeide de monnik, de wenkbrauwen samentrekkende,
+"zal de Ridder van den Rooden Arend voor den Bisschop van Utrecht
+zijn leven wagen."
+
+De Bisschop glimlachte; en zonder deze aanmerking te beantwoorden,
+schoof hij zijn stoel naderbij:--"En nu, Pater!" zeide hij, "nu heb
+ik u al mijn vertrouwen geschonken. Gij kent mijn inzichten, wilt
+gij die bevorderlijk zijn? Wilt gij medewerken aan het groote doel,
+om al de landen, welke om de Zuiderzee liggen, aan het gezag des
+Bisdoms te onderwerpen?"
+
+"Nog eens," antwoordde de monnik, "aan het kerkelijk gezag
+ja;--geenszins aan het wereldlijk beheer."
+
+"Gij wilt dan zelfs mijn bondgenoot niet blijven?--Bedenk, dat ik u
+wederkeerig mijne hulp heb toegezegd, indien de Graaf u aanvalt."
+
+"Onze wenschen en gebeden zullen voor u zijn," zeide de monnik:
+"verder vrees ik, dat gij weinig in Friesland verkrijgen zult,
+althans zooals gij bedoelt."
+
+"Denk nog dezen nacht over mijn voorstel na. Wellicht zijt gij morgen
+vroeg tot andere gedachten gekomen."
+
+"Morgen met den dag moet ik weder vertrekken," zeide de monnik:
+"een der oogmerken mijner komst was vrijgeleide door het Sticht
+te verzoeken voor mij en voor een reisgenoot, aan mijn opzicht
+toevertrouwd; doch daar gij niet bekend wilt zijn...."
+
+"Ik zie u morgen weer," zeide de Bisschop, op een koelen toont:
+en meteen van zijn zetel oprijzende, blies hij op een zilveren
+fluitje, dat hem om den hals hing, waarop weldra de oude Peter,
+dezelfde man, die den monnik had bovengebracht, zich aan den ingang
+der zaal vertoonde.
+
+"Geleid dien man weer buiten," zeide de Bisschop: "en laat alles
+verder wel gesloten blijven."
+
+Dit bevel geuit hebbende, groette hij den monnik met een minzame
+beweging der hand, en ging wederom zitten, terwijl vader Syard, na
+een stijve buiging, het vertrek verliet, en zijn geleider volgde,
+die hem buiten het kasteel voerde.
+
+Het was in een weinig tevreden stemming, dat de monnik de terugreis
+deed. Het gesprek met den Bisschop had hem geene dier uitkomsten
+opgeleverd, waarmede hij zich gevleid had: in plaats van stellige hulp
+en bondgenootschap, had hij zelfs geene onvoorwaardelijke beloften
+ontvangen: en verre van den Bisschop naar zijne hand te doen loopen,
+had hij moeten ondervinden, dat Jan van Arkel zich sterk of wijs genoeg
+waande om zijn eigen weg te gaan zonder zich veel om de Friezen te
+bekreunen, welke hij zelf tot afval genoopt had. De monnik zag nu
+duidelijk in, dat de Bisschop, hoe loszinnig en wispelturig ook,
+hem nog te fijn was geweest: en hij gevoelde denzelfden wrevel,
+welke een bekwamen en oplettenden schaakspeler zou bevangen, die zich
+overwonnen zag door een weerpartij, welke slechts ternauwernood een
+oog op het spel geworpen en achteloos daarheen gespeeld had. Wij
+moeten intusschen aan vader Syard het recht doen wedervaren, dat,
+hoewel gekwetste eigenliefde het hare toebracht om hem in een kwade
+luim te brengen, zijn ontevredenheid echter nog een andere, meer edele
+oorzaak had. Hij had namelijk, steunende op des Bisschops vroegere
+toezegging, een verbond tusschen het Sticht en Friesland als een
+zekere zaak beschouwd, en daarom ook geoordeeld dat het oogenblik
+voor de Friezen gekomen was om het Grafelijke juk af te schudden:
+en hij zag met schrik de gevolgen in van een vredebreuk met Holland,
+indien de Bisschop niet verkoos gezamenlijk met hen en openlijk te
+handelen. Hij doorzag spoedig, dat, zoo de Graaf zijn wapenen eerst
+tegen het Sticht wendde, hem daarna het ten onder brengen van het
+door binnenlandsche partijen verdeelde Friesland te gemakkelijker
+vallen zou. Alleen troostte hem nog de hoop, dat de Bisschop, eerlang
+door de omstandigheden gedrongen het masker af te lichten, hem die
+volmacht zou schenken, welke hij noodig oordeelde om met gepaste klem
+in Friesland te kunnen spreken en aldaar dien invloed uit te oefenen,
+welken hij, tot herstel des vredes van binnen en tot afwering des
+vijands van buiten, begreep te moeten aanwenden.
+
+Onder deze gepeinzen trad hij de herberg binnen. Het was reeds
+volkomen duister geworden: het voorhuis was ledig en verlaten,
+'t geen hem te meer genoegen deed, dewijl hij daaruit opmaakte,
+dat zich de luidruchtige gasten ter ruste hadden begeven. Bovendien
+ontving hij van de dienstmaagd de geruststellende verzekering, dat
+Madzy boven in diepe sluimering lag, waarop hij zich zonder verdere
+woordenwisseling naar den stal begaf. Na zich verzekerd te hebben,
+dat de beide paarden goed verzorgd waren, strekte hij zich ter ruste
+neder op het stroo, dat hem in een hoek van den stal bereid was: maar
+de bekommernissen, welke zijn gemoed vervulden, lieten hem niet toe,
+vroeger dan tegen het aanbreken van den dag het oog te luiken.
+
+
+
+
+
+EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Soete meysken, dat verslagen
+ Dus beroyt loopt en ontkleet,
+ Ick moet v hier eenmael vragen,
+ Wat is de oorsaeck van v leet?
+ Meysken segt my toch de reden,
+ Wie ghy syt en hoe ghy heet.
+
+ D. Pietersz. Pers.
+
+
+De vermoeienissen van den vorigen dag hadden vader Syard, toen deze
+eindelijk ingesluimerd was, in zulk een vasten slaap gestort, dat
+hij niet, gelijk hij gehoopt had, met het aanbreken van den dag,
+maar zelfs later dan gewoonlijk ontwaakte, en bij zijn komst buiten
+de deur met schrik ontwaarde, dat de zon hooger dan naar gewoonte
+aan den hemel stond, en dat hij het uur reeds had laten voorbijgaan,
+waarop hij zijn vertrek met Madzy bepaald had. Hij haastte zich dus
+naar het voorhuis, alwaar hij de waardin opzocht en haar verzocht,
+de jonge deerne, die met hem gekomen was, te laten roepen.
+
+"Denkt gij ons weer te verlaten, huisman?" vroeg de waardin, zonder
+zich nog gereed te maken aan zijn verzoek te voldoen.
+
+"Wij moeten vertrekken," antwoordde hij, "en wij zouden reeds een
+paar uren onderweg zijn geweest, indien de stalknechts mij tijdig
+hadden gewekt, gelijk ik uitdrukkelijk verzocht had!"
+
+"Ja! wat zal ik u zeggen, huisman!" zeide de waardin: "'t zijn luie
+vlegels, en zij zijn vroegtijdig naar het land geweest om de paarden
+op te halen; want God weet het, als de oorlog begint, zooals men
+vreest, dan zal er binnen weinige dagen geen ezelsvolen meer op het
+veld zijn, of het is goede prijs. Ik ben ondertusschen maar blij dat
+die paardendief van gisteravond voor dag en voor dauw weer vertrokken
+is: hij zag mij er net naar uit om haantje de voorste te spelen, als
+'t op plunderen zou aankomen."
+
+"Dat kan wel zijn, moeder!" zeide de monnik; "maar wees nu zoo goed,
+en ga mijn nicht waarschuwen, dat zij zich gereedmake."
+
+"Ik ga al," zeide de waardin: "zij zal nog wel in een zoete rust
+liggen; want de jongelieden zijn doorgaans lui en lekker: hei! ho! toen
+ik op haar jaren was, hield ik er ook van, mij in de veeren nog eens
+om te draaien, maar als men eens een arme weeuw is en de zorg heeft
+voor een herberg, waar dag en nacht volk aankomt, dan verleert men
+het lange slapen wel."
+
+Dit zeggende trok zij naar boven; maar zij was ternauwernood
+vertrokken, of vader Syard hoorde een angstig gegil en zag haar
+terstond daarna terugkomen, het gelaat geheel verward en verwilderd.
+
+"Goede hemel! wat is er gebeurd?" vroeg de bezorgde monnik: "is u
+eenig leed overkomen?"
+
+"Een priester! een priester!" schreeuwde de beangste vrouw: "de Booze
+zelf ligt in eigen persoon in 't bed van uw nicht."
+
+"Vrouw!" riep de monnik, haar met geweld bij den arm grijpende:
+"wat durft gij zeggen? Wat beduidt dit?"
+
+"Ik zeg u, dat de Booze haar den hals heeft omgedraaid en in hare
+plaats in bed is gaan liggen."
+
+"Vrouw!" herhaalde de monnik, met een wilden blik: en hij zelf holde
+de trap op, die naar het kamertje geleidde.
+
+Aan de deur gekomen van het slaapvertrek hield hij echter een oogenblik
+stand. Een gemoedsbezwaar overviel hem. Ofschoon meer verlicht en
+minder bijgeloovig dan de groote menigte, betwijfelde de monnik
+zoomin als iemand uit die eeuw het bestaan van booze geesten en van
+de macht, die zij over de menschen uitoefenden; integendeel was dit
+een geloofsartikel, hetwelk hij niet slechts zelf moest aannemen,
+maar ook aan anderen onderwijzen en inprenten. Hij was tevens wel
+gerust, dat de duivel niet machtig was te kampen tegen al, wie hem
+met geestelijke wapenen bestreed; maar de gedachte kwam pijlsnel
+bij hem op, dat hij, door zich in een wereldlijk gewaad te steken,
+als het ware afstand gedaan had van die overmacht, welke zijn stand
+hem op al de geesten der onderwereld geschonken had. Hij werd echter
+opgebeurd door de troostende bemoediging des Apostels: "weerstaat
+den duivel, en hij zal van u vlieden:" en onder het uiten van een
+"_Domine! libera nos_!" trad hij het slaapkamertje binnen en stapte
+met mannenmoed naar de bedstede toe.
+
+Bij den eersten aanblik echter, dien hij daarop geworpen had, rilde hem
+een kille huivering door de leden; want hij zag tot zijn ontzetting,
+dat werkelijk de plaats, waar Madzy gelegen had, was ingenomen door een
+ander wezen, waarvan alleen de wanstaltige ruige kop uit de dekens te
+voorschijn kwam. Was dit nu de Booze?--Zulks was hem nog niet terstond
+duidelijk; maar hij achtte het betamelijk zich daarvan te verzekeren:
+hij vermande zich, en toen hij, genaderd zijnde, het dek opsloeg,
+sprong het wangedrocht als uit den slaap op en vertoonde hem den
+duivel, zoo het al een duivel was, in de gedaante van meester Cezar,
+den aap van Barbanera. Vol gramschap greep hij het verschrikte dier
+in den nek en kwam er de kamer weer mede uit.
+
+Aan de benedentrap ontmoette hij de kasteleines, haar dienstmaagd,
+de beide inmiddels van 't werk gekeerde stalknechts en den hansworst,
+allen geknield en ijverig bezig hun _pater nosters_ te zeggen en
+kruisen te slaan. "Hier is uw duivel!" riep de monnik: "maar waar is
+nu de Jonkvrouw gebleven?"
+
+"Cezar!" riep de hansworst, opspringende: "wel mannetje! waar heb
+je gezeten?"
+
+De aap, zijn meester ziende, ontwrong zich aan den monnik en sprong
+vroolijk in de armen, welke zich openden tot zijn ontvangst.
+
+"Vrouw!" vervolgde de monnik, terwijl hij met vlammende oogen naar
+de waardin toetrad: "waar is de jonkvrouw gebleven, die ik aan uwe
+bescherming heb toevertrouwd?"
+
+"Wat Jonkvrouw!" zeide de waardin, opstaande, en nog altijd onthutst en
+verschrikt: "meent gij de deerne, die met u kwam! Mijn lieve God! wie
+weet het?"
+
+"O! ik ben een ellendeling, een ongelukkige," riep vader Syard, zich
+voor het hoofd slaande, "ik ben den slechten herder, den huurling
+gelijk, die zijn schapen verlaat; de wolf is gekomen en heeft het
+lam medegenomen."
+
+"Nu!" zeide de kasteleines: "indien het lammetje weg is, is zij met
+haar eigen wil vertrokken. Wie weet of zij niet op het pad is achter
+den Jonkman, die zoo straks van hier gegaan is met den ouden kokeler?"
+
+"Die zijn naar het slot gegaan," zeide Daamke: "en zullen straks
+keeren."
+
+"Ei kom!" zeide de dienstmaagd: "het lieve schaap zal een
+morgenwandeling doen en wel zoo aanstonds weer hier zijn."
+
+"Heeft zij haar goed bovengelaten?" vroeg de kasteleines.
+
+Allen snelden de trappen op; maar bij onderzoek bleek het, dat Madzy
+in haar onderkleederen moest vertrokken zijn, want haar kap, haar
+schoenen en haar mantel lagen nog ter plaatse, waar zij die bij het
+te bed gaan had neergelegd.
+
+"'t Is onbegrijpelijk," zeide de monnik: "en echter! maar al te
+waar;--doch ik ga niet van hier voor zij teruggevonden is."
+
+"Zie dien ouden uil eens," zeide de nar, "die zich verbeeldt, dat
+een jonge knappe meid geen beteren reisgenoot krijgen kan dan hem:
+en voorwaar zij is vrijwillig opgedrost, want, ik heb den man met den
+zwarten mantel, die gisteravond op de bank lag te ronken, straks aan
+meester Barbanera hooren zeggen, dat hem, juist toen hij zich te bed
+wilde begeven, een wit spook was voorbijgesneld, dat hij echter niet
+goed onderkennen kon, omdat hij de lamp in handen had."
+
+"Schurk!" zeide de monnik: "de Jonkvrouw is geene nachtwandelaarster."
+
+"Of de dame, die gij met u hadt, eene Jonkvrouw was, weet ik niet,"
+hernam Daamke, "maar dat zij in den nacht wandelt, is zeker:
+want Ridder Reinout, of hoe hij heeten mag, heeft duidelijk een
+vrouwspersoon de kamer zien overloopen, en toen hij haar volgde,
+is zij als een gejaagde kat de deur uitgeloopen en heeft die achter
+zich dichtgeslagen."
+
+"Ridder Reinout!--Ha! nu ontwikkelt zich het geval!" riep de monnik:
+"was die vreemdeling Ridder Reinout van Verona?.... Zoekt overal,
+vrienden! er is goud te verdienen voor hem, die haar weervindt!"
+
+"Bij mijn zolen," zeide Daamke, hem naoogende: "de rook verraadt het
+vuur; het balken den ezel, de kuch den grijskop;--maar een mooie meid,
+die zich schuil wil houden, wordt zoo gemakkelijk niet teruggevonden."
+
+Niettegenstaande deze weinig hoopgevende spreuk van den hansworst
+stonden de beide boerenknechts, verlokt door het uitzicht op gewin,
+gereed om de voortvluchtige te gaan opzoeken en beraadslaagden reeds
+onderling, welken weg zij in zouden slaan, toen zich van de zijde
+van Utrecht een verward gedruisch liet hooren en men weldra een
+talrijke bende, uit ruiters en voetknechten samengesteld, het dorp
+zag intrekken.
+
+"Daar is het lieve leven al gaande," riep de kasteleines: "de
+Stichtsche benden komen dorp en slot bezetten, en wij zullen den
+oorlog uit de eerste hand hebben."
+
+Zij bedroog zich niet: althans wat de eerste helft van haar verzekering
+betrof: spoedig stonden de gewapenden op het plein geschaard; een
+aantal hoplieden trok in de herberg; en bij de onvermijdelijke drukte
+en bediening, welke deze nieuwe gasten veroorzaakten, waren vader
+Syard en zijne nasporingen spoedig vergeten.
+
+Wij zullen intusschen onzen waarden lezer, die waarschijnlijk omtrent
+het lot van het lieve meisje eenigszins bekommerd wezen zal, de
+opheldering geven van haar plotsling verdwijnen.
+
+Madzy had zich, gelijk wij gezien hebben, dadelijk na het vertrek
+der waardin ter ruste begeven en was, niettegenstaande het rumoer in
+het onderhuis, spoedig ingesluimerd. Haar slaap was echter geenszins
+van dien verkwikkenden aard, waarop haar jeugd, haar gezond gestel
+en de vermoeienissen van den dag haar aanspraak gaven. 't Zij,
+dat die vermoeienissen te groot waren geweest, 't zij, dat de
+gebeurtenissen der verloopen week, en vooral het schriktooneel van
+den vorigen dag haar te sterk voor den geest zweefden, 't zij, dat
+een ongesteldheid haar overvallen had, 't zij dat al deze oorzaken
+gezamenlijk op haar werkten, haar slaap was onrustig en afgebroken:
+droomen en nachtgezichten vervulden haar verbeelding en deden haar
+gedurig met schrik en siddering ontwaken.
+
+Eindelijk droomde zij, dat zij zich op de Zuiderzee bevond, in een
+klein vaartuig, hetwelk alle moeite deed om de kust van Friesland,
+welke zij voor zich zag, te bereiken, maar gedurig door de golven weer
+terug werd geslagen. De manschap van dat scheepje bestond alleen uit
+edele Ridders, in vollen wapendos, maar hun harnassen waren verroest,
+hun pluimen hingen verflenst van den helmkam af en hun wapenrokken
+waren gescheurd en druipende van het zeewater, dat gestadig over het
+dek sloeg:--en wat het ijselijkste was, achter elk helmvizier grijnsde
+haar een vervaarlijk doodshoofd tegen, en onder de harnassen hoorde
+men het gerammel van dorre beenderen. De Graaf van Holland alleen
+was onder die menigte kenbaar: blootshoofds stond hij aan het roer;
+maar zijn gelaat was nog afschuwelijker om te aanschouwen dan het
+ontvleesde geraamte der overige schepelingen. Geene kleur, geene
+beweging bezielde meer het aangezicht, de haren waren aan het hoofd
+ontvallen en ontelbare merkteekens van nog versche wonden doorkruisten
+het in alle richtingen; maar het oog bleef, starend en als verglaasd,
+onafgebroken op de kust gevestigd. En daar, aan die kust, liet zich een
+niet minder akelig tooneel aanschouwen. Een lange sleep van monniken,
+aangevoerd door vader Syard, geleidde, onder het zingen der psalmen
+voor de afgestorvenen, een doodbaar naar het klooster van Sint-Odulf en
+in die doodbaar, (dit gevoelde Madzy door die innerlijke bewustheid,
+welke ons in droomen eigen is, en ons als door ingeving datgene
+weten doet, hetwelk voor het vleeschelijke oog onzichtbaar is,)
+was het lijk van Deodaat vervat. De abt sloot den trein, en toen de
+deuren van het kerkgewelf achter hem waren toegeslagen, kwam de oude
+man alleen naar het strand en, staande op het Roode Klif, herhaalde
+hij op een sleependen toon de voorspelling betreffende de Roos van
+Dekama. Onder het opzeggen dier rijmen begonnen zijn gelaatstrekken
+te veranderen: de blozende wangen vielen in: het blanke vel des paters
+werd bruin en vaal van kleur: de ronde buik kromp in: en in de plaats
+van den gezonden vader Volkert zag Madzy een afschuwelijke gedaante,
+gelijk aan die, onder welke men den boozen geest afschildert, welke
+haar tandenknersende van den rand der vensterbank begluurde.
+
+Zij wreef zich de oogen uit: het was geen droom: die gedaante zat daar,
+deed een sprong, en was naast haar bedstede.
+
+Met een gesmoorden gil vloog zij haar legerstede uit, haar kamer en de
+trap af: zij opende een deur: eene nieuwe stof tot ontsteltenis: daar
+stond de moordenaar van Deodaat, of zijn schim, midden in het vertrek.
+
+Het arme meisje sprong terug, naar beneden: dan, o God! die zoo
+gevreesde Reinout volgde haar: zij stoof de huisdeur uit, ijlde zonder
+te weten waarom of waarheen, de eerste laan de beste in: hare knieën
+ontgaven haar: haar krachten waren bezweken: een dikke sluier viel
+voor haar oogen: het bewustzijn ontweek haar: en zij zeeg bezwijmd
+op het vochtige gras neder.
+
+Wij moeten haar voor een korte poos onzes ondanks in dien bedroefden
+toestand laten, om ons naar den Bisschop van Utrecht te begeven.
+
+Deze was spoedig na het gesprek met den monnik zijn slaapstede
+gaan opzoeken, mede slecht tevreden over den uitslag van het
+onderhoud. Zijn doel toch was, gelijk ons gebleken is, niet slechts om
+het Bisschoppelijk gezag in Utrecht onafhankelijk te maken van allen
+vreemden invloed, maar ook om dat gezag over de naburige gewesten
+uit te breiden: hij had zich gevleid, in vader Syard een bekwamen
+en behulpzamen handlanger te zullen vinden; maar 't bleek hem thans
+genoeg, hoe weinig deze genegen was, de Friezen aan te sporen, om het
+eene juk met het andere te verwisselen: ja, hij zag in, hoe weinig hem
+het bondgenootschap met Friesland zou baten zelfs in het bestrijden
+van den Graaf. De teerling was echter geworpen, en Arkel behoefde
+geen groot waarzegger te zijn, om niet te voorzien, dat de Graaf
+weldra in het Sticht zoude vallen met een legermacht, welke zoowel
+de krijgsroem van Willem IV als de ingeschapen naijver der Hollanders
+tegen de Stichtenaars talrijk en ontzaglijk zou maken. "Mits slechts de
+adel zich goed houde," zeide Arkel bij zich zelven: "de burgerij van
+Utrecht zal zich wakker genoeg betoonen: en een stad als deze is niet
+in een paar dagen te overrompelen. Zij slechts de overwinning betwist,
+ziedaar al wat ik verlang! Maar Friesland moet een wending geven aan
+de wapenen der Hollanders.--Mocht ik slechts dien Adeelen nog eenmaal
+spreken: hij is eerzuchtig en heeft invloed bij de Friezen:--hij
+zou mij meer dienst doen dan die monnik, wien ik ter kwader ure mijn
+vertrouwen heb geschonken en die het nu wellicht zijn plicht acht,
+zijn landgenooten tegen mijne bedoelingen te waarschuwen. Hij zal
+niet naar Friesland keeren, zoo ik het verhoeden kan:--hij is te
+gevaarlijk:--ook die Barbanera!--ik vrees, dat hij reeds geklapt
+heeft. Welnu, ik moet mij van hem ontslaan."
+
+Met dit besluit begaf hij zich ter ruste; en daar hij tot die
+gelukkige menschen behoorde, die alle wereldsche zorgen uit het
+hoofd kunnen zetten, zoodra zij de veeren ruiken, was hij dadelijk
+ingeslapen. Hij had echter gelast dat men hem met den dag zou wekken;
+want hij vermoedde, dat er volk uit Utrecht komen zou, en hij wilde
+op hunne komst zijn voorbereid. Hij was dan ook reeds, zoodra de
+zonnestralen de daken van het slot vergulden, in de cel, waar hem
+vader Syard gevonden had, teruggekeerd.
+
+Hij opende het raam: de frissche morgenlucht verkwikte hem: er was
+een weinig regen gevallen, en van grasplanten en struiken steeg een
+balsemende geur naar boven: vroolijk zongen de vogels hun morgenlied
+en loeide het vee in de weide. Hij sloeg thans echter minder acht op
+het bevallige schouwspel der ontwakende natuur; want zijn gedachten
+waren geheel verdiept in de berekening der versterking, waarvoor
+het slot vatbaar was, en van den tijd, welken de vijand zou moeten
+besteden om het te bemachtigen.
+
+"De boel is in een verwaarloosden toestand," dacht hij, "maar de
+grachten zijn breed en diep: en de wallen stevig genoeg om den stormram
+te tarten. Met vijftig man, wèl voorzien van wapenen en eetwaren, kan
+men het drie weken uithouden tegen vijf duizend:--en zoowel langs den
+heirweg als langs de rivier allen toevoer beletten. Het buitenpoortje
+zal nog wat versterkt, en die boompjes aan de overzijde moeten gekapt
+worden; daar achter kan zich een gansche bende verbergen en veilig de
+wallen beschieten.... maar ik geloof dat er reeds een vijand achter
+loert.... is dat niet een menschelijke gedaante, die daar in het
+gras ligt?--Deze of gene arme landlooper zonder huisvesting, of een
+dronkaard, die de kroeg wat spade verlaten heeft;--maar neen!" riep
+hij uit, bij nadere beschouwing een klein voetje bemerkende, dat
+over het pad lag, en een lange haarvlecht, die donker afstak tegen
+de witte kleeding: "dat alles behoort aan een vrouw, misschien wel
+aan een jonge en schoone vrouw? Hoe komt die hier blootgesteld aan
+nachtlucht en regen?"
+
+Zijn nieuwsgierigheid was opgewekt, en, voegen wij er dit tot zijne
+eer bij, ook zijn medelijden:--hij riep zijn getrouwen Peter, en ging
+met dezen buiten het slot.
+
+Weldra was hij ter plaatse gekomen, waar hij het voorwerp van zijn
+aandacht had bespeurd: en hij ontdekte terstond, dat hij welgedaan had
+met zich zonder verwijl derwaarts te begeven; want een jong meisje,
+schoon als de dag, maar nauwelijks gedekt en bleek als een doode,
+lag daar uitgestrekt in het vochtige gras: en ofschoon het flauw en
+pijnlijk zwoegen van haar boezem aanduidde dat zij nog leefde, een
+langer verblijf op die koude en vochtige plaats had haar doodelijk
+kunnen zijn.
+
+Bij den eersten opslag meende Arkel, dat hem die trekken bekend
+voorkwamen; maar daar hij Madzy slechts eenmaal, op het steekspel, en
+wel in haar schitterenden dos gezien had, herkende hij haar niet, ja
+was hij er verre af van te vermoeden, dat het bleeke boerinnetje, wier
+hoofd thans op zijn knie leunde, de Roos van Dekama kon zijn. Hij tilde
+haar behoedzaam van den grond, droeg zijn lieven last binnen het slot
+en legde dien, bij gebrek van andere gelegenheid, op zijn legerstede,
+nadat de oude Peter, door hem vooruitgezonden, die met versch linnen
+had voorzien. Het was eerst daar, dat Madzy, die tot dien tijd buiten
+kennis gebleven was en slechts eenige flauwe en onverstaanbare klanken
+had geuit, het eerste teeken van bewustheid gaf, na eenige teugen
+te hebben genomen uit een beker met wijn en water, welken Arkel haar
+met de trouwhartigheid eener oude baker had aan den mond gebracht.
+
+"Waar ben ik?" zeide zij, de blauwe oogen opslaande en vervaard om
+zich heen ziende.
+
+"Vrees niets, lieve kleine!" zeide Arkel: "maar drink liever nog eens:
+gij hebt het koud gekregen daar in 't natte gras: dek u maar goed
+toe en het zal wel beter worden."
+
+"Neen, neen," zeide Madzy, den arm des jongelings afwerende, en
+pogende op te staan: "hier blijf ik niet?--Waar ben ik toch?--Wie
+heeft mij hier gebracht?--Waar is vader Syard?"
+
+"Vader Syard!" herhaalde de Bisschop: "ja waarlijk! dat meisje
+spreekt den Frieschen tongval!--Aha!" dacht hij bij zich zelven:
+"voert de vrome pater zulk gezelschap tot zijn opbeuring mede?--Lief
+meisje!" vervolgde hij overluid: "gij behoeft ons niet te vreezen:
+wij hebben het beter met u voor dan vader Syard, of wie het ook zij;
+want zonder ons zoudt gij nog in het vochtige gras liggen, waar wij
+u gevonden hebben."
+
+"Het is dan waar," zeide zij, met wilde blikken in het rond ziende:
+"ik heb het dan niet gedroomd?--O wat heb ik arm meisje gedaan?--het
+was ijselijk!--de booze zelf!.... en Reinout!.... maar breng mij
+toch terug bij.... om Gods wil! zend naar de herberg.... daar is mijn
+oom.... hij zal ongerust over mij wezen.... zend naar hem.... ik zal
+u wel beloonen."
+
+"Uw oom!" herhaalde Arkel: "zooeven noemdet gij vader Syard: is die
+uw oom?"
+
+"Noemde ik....? ach God! ik weet niet wien ik noemde.... ik ben
+ongelukkig;--maar zend naar de herberg.... de waardin weet het.... Waar
+ben ik toch? O wee!"
+
+"Ik zal aan uw verzoek voldoen," zeide de Bisschop, haar met
+een vriendelijken blik aanschouwende: "ik zal uw oom gerust doen
+stellen:--intusschen, dek u warm toe en drink nog eens;--want waarlijk,
+het is om de koorts te krijgen, zoo een geheelen nacht daar buiten
+te liggen."
+
+"Ach! ik moet u zeer schuldig en dwaas voorkomen.--Maar God weet het,
+toen ik den moordenaar zag, was het mij of ik.... o God!"
+
+Hier verborg zij snikkend haar hoofd in 't kussen en begon over al
+haar leden te beven.
+
+"Ik zal uw boodschap laten doen," zeide Arkel: "stel u gerust, maar
+wees van uw kant een weinig vertrouwelijk. Zeg mij, wie zijt gij?"
+
+"Mijn oom zal u alles zeggen," hernam de ongelukkige Madzy. "O! laat
+hem toch weten...."
+
+Hier belette haar een nieuwe aanval van beving voort te gaan en Arkel,
+zelf met haar verlegen, verwijderde zich met den ouden slotbewaarder
+uit het vertrek. In de groote bovenzaal gekomen, ging hij aan het raam
+staan en begon, de armen over elkaar geslagen en het hoofd hangende,
+te overpeinzen wat er te doen stond, en hoe hij best zou handelen. Dit
+stond echter bij hem vast, dat hij vooreerst niet voldoen zou aan
+het verlangen van de schoone onbekende, en noch haar oom, noch de
+kasteleines uit den _Roerdomp_ zou laten halen; want de bekoorlijkheden
+zijner gevangene hadden te veel indruk op hem gemaakt, dan dat hij er
+aan kon denken, haar weer uit zijn macht te laten gaan; even zoomin
+als de vos om het konijn te laten ontsnappen, dat in het hol van
+Reynaert een schuilplaats gezocht zou hebben. Het zal bij onze lezers
+wellicht verwondering baren, dat Jan van Arkel, op een oogenblik,
+waarin hij hoofd en handen vol had met de hooge staatsaangelegenheden,
+waarin hij gewikkeld was, en nu hij door gevaren van allerlei aard
+bedreigd werd, zich nieuwe zorgen op den hals verkoos te laden, door
+een minnenhandel, welke zijn toestand nog neteliger maken moest;--ja
+sommigen zullen wellicht denken, dat hij los genoeg was om zijn hooge
+ontwerpen aan een paar schoone oogen op te offeren; maar hier was de
+Bisschop de man niet naar; en voor hem was een liefdesavontuur als dit
+niet meer dan een verpoozing, dienstig om er voor eenige oogenblikken
+van zwaardere werkzaamheden bij uit te rusten: en de moeilijkheden
+daaraan verbonden, lichte bezwaren, welker wegruiming hij slechts
+als een spel beschouwde. Bovendien bestond er nooit iemand, minder
+zwaartillend dan hij: en bij het bejagen zijner inzichten steunde hij
+altijd op het medewerken der omstandigheden, welke hij, alsnog in de
+jaren der hoop zijnde, zich niet slechts gunstig afschilderde, maar
+ook doorgaans met een behendigheid, den grootsten staatkundige waardig,
+te zijnen voordeele wist aan te grijpen. Zoo plaatste hij nu voor een
+wijl al zijn staatzuchtige plannen op den achtergrond, om alleen te
+denken over de wijze, waarop hij het lieve meisje, dat hem door de
+goede fortuin in handen gespeeld was, in zijn macht behouden zou. Dat
+hij een geestelijke en wel een kerkvoogd was, wien het betaamde,
+zijn kudde met een goed voorbeeld voor te gaan, en dat een betrekking
+tusschen hem en een jonge deerne even onwettig als onbetamelijk was,
+dit waren bedenkingen, welke in het minste niet bij hem opkwamen: de
+gelofte van kuischheid was een dier verbintenissen, wier overtreding
+bij den toenmaligen zedelijken toestand der geestelijkheid het
+minste geteld, en, voegen wij er bij, wier overtreding het minst
+berispt werd; ja het was geen ongewone zaak, prelaten te zien, die
+erkende minnaressen en erkende basterds hadden en toch daarom niets
+minder geacht en gezien werden. Daarbij dient in aanmerking te worden
+genomen, dat Jan van Arkel nog jong en in de kracht van zijn leven
+was: dat hij, schoon tot den geestelijken stand opgeleid, echter
+altijd smaak had blijven voeden voor ridderavonturen: en eindelijk,
+dat hij een groot gedeelte van zijn leven reizende en buiten alle
+betrekking had doorgebracht: en het zal niemand verwonderen, dat de
+mijter en kromstaf zich niet als terugschrikkende teekens tusschen
+hem en de beeltenis der schoone Friezin kwamen plaatsen.
+
+"Peter!" zeide hij eindelijk tegen zijn getrouwen dienstman: "gij
+hebt gehoord wat die deerne gevraagd heeft?"
+
+De oude man vergenoegde zich met een stijven hoofdknik.
+
+"Ik ben overtuigd, Peter! dat dit maar ijdele praatjes zijn, om ons
+om den tuin te leiden. Gij hebt ook wel opgemerkt, dat zij stamelde,
+en zich meer dan eens versprak?"
+
+Peter bevestigde deze aanmerking op dezelfde wijze.
+
+"Welnu! gij weet ook, van welk belang het is, dat niemand ons hier zie,
+dan die hier noodig heeft: en zoo wij aan de herberg de komst van dat
+meisje ruchtbaar maakten, hadden wij hier weldra het bezoek van al
+de oude wijven en leegloopers uit het dorp te wachten: en wij zouden
+ons niet slechts aan ontdekking, maar ook aan bespotting blootstellen."
+
+Het droog gelaat des slotbewaarders nam de scheeve uitdrukking aan
+van iemand, die door zijn betrekking gedwongen is hetgeen men hem
+opdringt voor goede munt aan te nemen; doch die wel wil te kennen
+geven, dat hij zich niet om den tuin laat leiden. Arkel hield zich,
+of hij dit niet bemerkte en ging op denzelfden koelen toon voort:
+
+"Het zou echter strijdig met alle menschelijkheid zijn, dat arme
+meisje, 't welk hard ziek schijnt en misschien wel in de hersenen
+gekrenkt is, de deur uit te zetten; en het zal daarom nuttig zijn,
+het oogenblik af te wachten, dat zij wat kalmer en bedaarder is, om
+haar te ondervragen, en zoodoende achter de waarheid te komen; ten
+einde te ontdekken, hoe wij met haar handelen moeten."--Hier zweeg
+hij; Peter zag hem met een open mond aan; alsof hij zeggen wilde:
+"is dit alles wat gij mij hebt te zeggen?"--Maar de Bisschop had
+zijn welsprekendheid alleen gelucht om hem van de wijs te helpen en
+te paaien met een schijnbare reden, waarom hij niet aan het verzoek
+van Madzy voldeed.
+
+"Ga eens zien!" zeide Arkel na eenige oogenblikken zwijgens, "of de
+oude draagstoel nog bruikbaar is: het kan zijn dat wij dien noodig
+hebben."
+
+Peter ging na een nieuwe hoofdbuiging de kamer uit: en Arkel, op
+deze wijze een lastigen getuige verwijderd hebbende, begaf zich
+weder naar het slaapvertrek. Zijn logeergast echter niet door een
+onverhoedsche verschijning willende verschrikken, tikte hij zachtjes
+aan de deur. Geen antwoord ontvangende, herhaalde hij het geklop
+eenigszins harder; maar wederom zonder vrucht.
+
+"Ik ben wel dwaas," zeide hij bij zich zelven, "zoovele plichtplegingen
+te maken jegens een boerinnetje, dat mij wellicht niet eens dank zal
+wijten voor mijn bescheidenheid."
+
+Met deze gedachten opende hij de deur en wendde het oog naar het
+bed: dit was ledig, en Arkel stond niet weinig verwonderd, toen hij
+Madzy in een hoek zag zitten, bleek als een doek, en gewikkeld in
+de beddelakens.
+
+"Nader mij niet," zeide zij, bevende en klappertandende: "ik ken u
+niet: ik weet niet of uw bedoelingen eerlijk zijn."
+
+"Stel u gerust, lief kind!" zeide Arkel: "het zou schandelijk
+zijn, indien ik misbruik maakte van uw ziekelijken en hulpeloozen
+toestand. Ik heb naar het dorp gezonden, gelijk gij mij verzocht
+hadt, en ik ben bereid u alle diensten te bewijzen, die gij noodig
+mocht hebben: maar nogmaals, veroorloof mij, uw vertrouwen af te
+vergen. Gij schijnt geene landloopster te zijn; en echter heb ik u,
+slechts halfgekleed, en stijf van koude, op den weg vinden liggen,
+als iemand die geen nachtverblijf had."
+
+Madzy begon op deze vraag nog harder te beven; maar na een teug water
+genomen te hebben uit een nevens haar staanden beker, herstelde zij
+zich een weinig en antwoordde:
+
+"Ik mag mij aan niemand vertrouwen, tenzij ik wete aan wien. Kwel mij
+niet met vragen, bid ik u. Ik geloof dat uw bedoelingen goed zijn,
+doch ik mag waarlijk niets zeggen, zoolang mijn oom niet hier is."
+
+"Is vader Syard uw oom? Gij hebt hem straks genoemd."
+
+"Heb ik hem waarlijk genoemd?--Ach! ik heb de koorts: ik weet niet
+wat ik gezegd heb."
+
+"Gij hebt hem genoemd," hernam Arkel, terwijl hij, de overmacht
+gevoelende, welke hem deze woorden gaven, aan Madzy ontsnapt, en den
+invloed niet willende verliezen, door deze omstandigheid verkregen,
+een doordringenden blik op haar vestigde; "en verschoon mij, dit
+doet mij aan uw oprechtheid twijfelen, vader Syard is mijn vriend:
+ik heb hem in de verleden week te Haarlem en gisteravond nog hier ter
+plaatse gesproken:--hij heeft mij niet verhaald, dat hij een nicht
+bij zich had."
+
+Madzy zweeg en zag sidderend voor zich.
+
+"Wel is waar," vervolgde de onbarmhartige Bisschop: "er waren te
+Haarlem twee meisjes in zijn gezelschap;--maar de eene was een
+adellijke Friezin, en de andere haar kamerjuffer.... Zoudt gij eene
+van beiden zijn?"
+
+In den waan, dat de jongeling, die voor haar stond, wellicht een
+Stichtsch edelman, en haar van dienst kon zijn, begon Madzy over te
+hellen, om hem eenig vertrouwen te schenken; "ik weet," zeide zij, "dat
+vader Syard gisteravond ergens een bezoek wilde gaan afleggen;--waart
+gij de persoon, tot wien hij zich gewend had?"
+
+"Wel waarschijnlijk," antwoordde Arkel.
+
+"Welnu! nog eene vraag! gij hebt hem gesproken, zegt gij. Hoe was
+zijn gewaad?"
+
+"Ik moet zeggen," zeide Arkel, die al meer en meer begon te bespeuren,
+dat hij geene gewone boerin voor zich had: "dat zijne vermomming hem
+meer veranderde dan de uwe, hoe vreemd die ook zij, u veranderen kan
+in de oogen van al, wie u eenmaal aanschouwd heeft."
+
+"Welnu!" hernam Madzy: "indien gij hem zoowel kent, dan zal hij u
+ook wel mededeelen wie ik ben."
+
+"Bij Sint-Maarten," zeide Arkel lachende, ofschoon half knorrig,
+dat de schoone hem met al haar onschuld nog te slim was: "men
+zegt wel met grond, dat hij, die een vrouw wil vangen, vroeg moet
+opstaan. Ik ben met den dag uit het bed geweest: en nog zijt gij
+mij te gauw. Welaan! ik zal dan eerbiedig wachten, dat het uur van
+vertrouwen geslagen zij. Ondertusschen, geloof mij, blijf niet in
+dien hoek zitten beven. Ga gerust in bed en tracht u te verwarmen: het
+doet mij in de ziel leed, dat hier geene vrouw is om u te verzorgen;
+maar daaraan is voor 't oogenblik niets te doen. Ik beloof u plechtig,
+dat niemand deze kamer zal binnentreden buiten uw verlof."
+
+Met deze woorden maakte hij een koele buiging en wilde vertrekken;
+maar de zachte stem van Madzy deed hem aan de deur vertoeven.
+
+"Ik geloof," zeide zij: "dat gij mij van ondankbaarheid
+beschuldigt. Misschien, ja waarschijnlijk, hebt gij mij het leven
+gered. Wanneer eens dat uur van vertrouwen, waar gij van spreekt,
+zal geslagen zijn, dan hoop ik u mijn erkentenis te betuigen op een
+wijze, uwer en mijner waardig."
+
+Arkel verstond deze woorden slechts half; want hij stond opgetogen in
+verrukking over den engelachtigen glimlach, die er mede gepaard ging,
+over de bevallige uitdrukking van Madzy's gelaat, over de hemelschoone
+oogen, waaraan de koorts een buitengewone levendigheid bijzette, en
+welke zij, bespeurende met welk een vurigen blik hij naar aanstaarde,
+zedig neersloeg: en hij had wellicht het gesprek verder voortgezet,
+had niet het geluid van den hoorn aan de buitenpoort zijn opmerking
+getrokken. Hij stamelde eenige beloften van verontschuldiging, zeide
+dat wellicht haar oom daar zijn zoude, en vertrok, de deur weder
+zorgvuldig achter zich sluitende. Een oogenblik daarna kwam de oude
+Peter hem berichten, dat er een vreemdeling met een zwarten mantel
+voor de poort was, die hem verlangde te spreken.
+
+"Ik wacht niemand meer.--Wie kan hij zijn? Wist hij het woord? zoo
+ja, laat hem dan bij mij;--maar wacht nog een oogenblik:--ik moet op
+allen overval verdacht zijn."
+
+Dit zeggende haalde hij uit een koffer een mantel, een wassen neus en
+valschen baard, een samaar, in 't kort een geheel gewaad voor den dag,
+gelijk aan dat, hetwelk Barbanera droeg, wanneer hij zijn kunsten
+vertoonde en waarvan deze een dubbel stel had. Na deze plunje te
+hebben aangeschoten, gaf hij aan Peter vrijheid den vreemdeling binnen
+te laten, en plaatste hij zich aan zijn tafeltje in dier voege, dat
+hij geheel in de schaduw van het raamkozijn zat. Eenige oogenblikken
+daarna liet Peter Reinout de kamer in en vertrok weder. De Italiaan
+bleef eenigszins verrast aan de deur staan toen hij de gedaante zag
+van Barbanera, wien hij zooeven buiten het slot verlaten had. Zijn
+vermoedens, zoo hij er nog eenige had, waren geheel opgelost.
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Het is een krijghmans beê: gy mooght die niet
+ ontzeggen.
+
+ Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.
+
+
+"Deze vermomming zal u weinig baten, Heer Ridder! of wie gij wezen
+moogt," zeide Reinout op een schamperen toon: "het gewaad van den
+kokeler belet mij niet, mijn bestrijder op het steekspel te herkennen."
+
+"Bij mijn zaligheid!" riep Arkel lachende, terwijl hij neus en baard
+afwierp: "gij zijt, geloof ik, de brave Ridder, die mij als een dief
+wilde laten vatten. Welaan! voor u althans zou ik mij schamen een
+vermomming aan te houden.--Misschien komt gij mij rekenschap vragen
+van mijn gedrag: en ik beken, dat ik u wat onbeleefd van 't paard
+gesmeten heb; maar, wat zal ik zeggen? gij drongt mij zoo nauw op
+'t lijf: en ik had gewichtige redenen om onbekend te blijven."
+
+"De reden van mijn bezoek is tweevoudig," zeide Reinout "in de eerste
+plaats kom ik mijn paard terugeischen."
+
+"Uw paard," zeide Arkel, eenigszins donker kijkende: "bij
+Sint-Maarten! ik heb het hoogst noodig: en ik heb het eerlijk aan
+den man betaald:--maar verder! wat begeert gij nog?"
+
+"Omstandigheden, wier verhaal hier te lang zoude ophouden, hebben mij
+genoodzaakt, den dienst des Graven te verlaten. Ik wil mij onder de
+banieren der Stichtschen scharen.--Men heeft mij gezegd, dat gij mij
+daarin zoudt kunnen van dienst zijn."
+
+"Ik! wie is de ekster, die dat geklapt heeft?" vroeg Arkel, met
+eenige drift.
+
+"Iemand, die uw vertrouwen schijnt te bezitten, de kokeler Barbanera."
+
+"Ziedaar een waardigen vertrouweling, dien gij mij toekent," zeide
+de Bisschop met bitterheid.
+
+"Mij dunkt, het is zoo vreemd niet, daar gij beiden ééne kleerkas
+hebt," hernam Reinout meesmuilende.
+
+"Wij zullen zien.--Heeft Barbanera u ook geleerd, op welke wijze men
+toegang bekomt tot dit slot?"
+
+"Zoo is 't!--maar wees daarom niet ontevreden op een getrouwen dienaar:
+hij wist dat ik u spreken wilde: en hij gaf mij daarom de middelen
+aan de hand om u in stilte te spreken en een opschudding te vermijden,
+welke u onaangenaam ware geweest."
+
+"En," vroeg de Bisschop, haastig: "heeft die getrouwe dienaar u nog
+meer verhaald?"
+
+"Veel, wat mij zelven betreft: niets wat u aangaat."
+
+"Zoo!--en uw naam....?"
+
+"Was tot nog toe Rinaldo van Verona: welhaast hoop ik er een anderen
+te voeren."
+
+"Inderdaad!--en gij wilt dienst nemen bij de Stichtschen?"
+
+"Misschien!--dat zal van de voorwaarden afhangen."
+
+"Gij verlaat den dienst van Graaf Willem, den meester aller soldaten,"
+zeide Arkel, op een toon, die niet vrij was van spotternij: "om uw
+arm te leenen aan een hoop luie monniken en dikgebuikte schepenen?"
+
+"Den Bisschop wil ik behulpzaam zijn."
+
+"En weet gij, of de Bisschop, die in verre landen is, den gang der
+zaken goedkeurt?"
+
+"Ik weet het," antwoordde Reinout, "zoo goed als iemand het weten kan,
+die het uit zijn eigen mond vernomen heeft."
+
+Dit beweren kwam Arkel een weinig gewaagd voor; want hij herinnerde
+zich niet, ooit ergens dan op het steekspel van Reinout te hebben
+gezien of gehoord. Hij vergenoegde zich dus met op een koelen toon
+te zeggen: "gij kunt des Bisschops meening niet kennen: want ik heb
+goede redenen te gelooven, dat gij zijn persoon niet kent."
+
+"Ik ken ten minste," zeide Reinout, hem scherp aanziende: "het hooge
+voorhoofd en den valkenblik der Arkels, 't zij een monnikskap, een
+ridderhelm of eene kwakzalversmuts die bedekke."
+
+"Ongelukkige!" riep Arkel uit, de hand aan zijn dolk slaande: "gij
+kent den leeuw en gij durft u wagen in zijn hol?"
+
+"En waarom niet, indien ik mij evenals hij voor de jagers verbergen
+moet?--maar steek vrij uw dolk op:--van mij hebt gij geen verraad te
+vreezen. Ik heb uw geheim bewaard, toen ik uw gesprek met den monnik
+van Sint-Odulf beluisterd had, ofschoon ik toen nog aan den Graaf
+getrouw was: en ik zal het thans niet verklappen, nu ik zijn dienst
+heb afgezworen."
+
+"En wie waarborgt mij," vroeg Arkel, "dat gij niet morgen mijne zijde
+zult verlaten?"
+
+"De Graaf begeert mijn hoofd. Waant gij, dat ik geneigd ben, hem dat
+te brengen?"
+
+"Die lust moet dan spoedig bij hem zijn opgekomen; of gij hebt
+het erg verbruid; want eergisteren nog waart gij zijn getrouwe
+medekamper:.... maar zacht! waart gij het niet, die een anderen Ridder,
+uw boezemvriend, gelijk ik vernam, tot een strijd uitdaagde op leven
+en dood?"
+
+Reinout verbleekte en beet op de lippen. "Hij was mijn boezemvriend,"
+zeide hij met een weifelende stem: "maar het heeft zoo moeten zijn. Zie
+deze vlekken," vervolgde hij, zijn mouw toonende: "het is het bloed
+van Deodaat, mijn wapenbroeder."
+
+"Ik hoop dat het in open kamp was," zeide Arkel: "intusschen, ik
+beklaag u beiden; zulk een overwinning moet even zwaar vallen als
+de nederlaag."
+
+Op dit oogenblik trad, zeer gelukkig voor Reinout, de oude Peter
+binnen en meldde zachtjes den kokeler bij zijn meester aan.
+
+"Ik zal bij hem komen," hernam de Bisschop: "welaan!" vervolgde hij
+tot Reinout: "uw mannelijke uitdaging heeft mij getoond, dat gij een
+rechtschapen Ridder zijt, en als zoodanig mijn vertrouwen waardig. De
+tijd spoedt voort: en ik heb nog veel te verrichten. Gij vergezelt mij
+nog heden naar Utrecht. Wij zullen onderweg ons gesprek vervolgen. Wees
+zoo goed, mij zoolang in de zaal te wachten."
+
+Met het uiten dezer woorden vertrok hij, de deur zorgvuldig achter
+zich sluitende. "Ofschoon ik," zeide hij bij zich zelven, "veel
+vertrouwen stel in 's Ridders eerlijkheid, hecht ik nog grootere
+zekerheid aan een goeden sleutel.--Aha! meester Barbanera, loopt gij
+op deze wijze met mijn geheimen te koop? Bij Sint-Maarten! wij zullen
+zorgen, dat uw geklap niemand meer hindere."
+
+Beneden aan de trap gekomen, vond hij Barbanera en wenkte dezen,
+hem in een zijvertrek te volgen.
+
+"Hebt gij tijdingen?" vroeg hij hem, in zuiver Italiaansch: "dat gij
+ons zoo vroeg reeds de eer van uw bezoek verschaft?"
+
+"Ik kwam de bevelen van uwe Hoogwaardigheid vernemen," zeide de
+kwakzalver: "en daar de Stichtsche benden hier weldra zijn zullen,
+achtte ik het plicht, dat intijds te doen."
+
+"En was het ook plicht," vroeg Arkel, op een strengen toon: "onze
+geheimen toe te vertrouwen aan dien windbuil, die mij zooeven is
+komen opzoeken?"
+
+"Ik heb hem niets toevertrouwd," zeide Barbanera: "hij wist reeds
+alles: en daar ik vreesde, dat hij babbelen mocht, achtte ik het
+voorzichtiger hem in uwe handen te leveren."
+
+"Gij hadt mij ten minste kunnen waarschuwen," zeide Arkel: "maar hoe
+kent gij den knaap?"
+
+"Ik ken hem beter, dan hij althans gisteren zich zelven nog kende: en
+dit is zeker, dat hij u van dienst kan zijn. Wat zoudt gij wel geven,
+Hoogwaardigste! om in Friesland een vermogenden vriend te bezitten,
+op wiens erkentenis gij zoudt kunnen staat maken?"
+
+"Dit ware een goede aanwinst," zeide Arkel, "maar wat heeft dit met
+dien Reinout te maken? In welk verband...."
+
+"Welnu!--Zoo die Reinout eens de zoon ware van den Heer van Aylva?"
+
+"Welke zotte vertelsels zijn dat?--Die Ridder is een Italiaan,
+zooals gij....."
+
+"Juist! van moederszijde; maar ik kan hem de bewijzen in handen
+leveren, dat hij de zoon des Frieschen Oldermans is:--wat dunkt u
+dat dit geheim waardig is?"
+
+"Dat geheim is goud waardig," zeide de Bisschop: "hebt gij het hem
+reeds medegedeeld?"
+
+"Zooveel als noodig was, ja;--maar u wil ik de bewijzen ter hand
+stellen, opdat gij er de vruchten van inoogst."
+
+"Zeer onbaatzuchtig voorwaar!" zeide Arkel: "maar vermoedelijk wilt
+gij mij het geheim verkoopen, omdat Reinout de middelen niet bezit
+om het u te betalen?"
+
+"Het ware zeker onbillijk," zeide Barbanera, "dat ik de tafel voor uwe
+Hoogwaardigheid bereidde, en geen kruimpje voor mij zelven overhield."
+
+"Recht zoo, voortreffelijke Barbanera! dan, ik heb nog een dienst
+van u te vergen. Hierboven ligt een jong meisje, dat wellicht de hulp
+van een geneesheer noodig heeft."
+
+"Is het garnizoen versterkt?" vroeg de kokeler, meesmuilende.
+
+"Zwijg, en ga bij haar. Onderzoek eenvoudig, of zij ziek is, ja dan
+neen:--geene van uw kwakzalverskunsten. Zie slechts, of zij in staat
+is, de reis naar Utrecht te ondernemen."
+
+Barbanera zweeg en volgde zijn meester tot voor het vertrek van
+Madzy. Deze, zich vleiende, vader Syard te zullen zien, haastte zich,
+den kokeler, toen deze aanklopte, te verzoeken van binnen te komen,
+maar zij zag verbaasd op, bij het beschouwen van een onbekend gelaat;
+want, gelijk men zich herinneren zal, zij had Barbanera nooit gezien
+dan aan Elskens ziekbed, waar hij zijn wassen neus voorhad.
+
+"Lieve kind!" zeide de kokeler: "_il signor castellano_ ebbe mij tot
+u gezonde. Hij is over _la vostra sanitá_ bekommerd, en eef mij, _il
+suo medico_, verzocht u al die hulp toe te breng, welke _la mia arte_
+verschaffen kan _a voi_."
+
+Zonder erg te denken, stak Madzy den geneesheer haar blanke hand
+toe en vroeg hem, wie de edele Burchtvoogd was, onder wiens dak zij
+zich bevond.
+
+"_Non lo sapete_?" vroeg Barbanera: "_bene_! hij zal wil ebbe self _il
+piacere_ van u bekend te maak met _il suo nome.... ma per Dio_!" riep
+hij uit, terwijl hij haar meer aandachtig beschouwde: "ikke u ook eb
+kezien, _un' altra volta_: ikke fraak moet: _il signor castellano_,
+wete hij, wie isse gij?"
+
+"Wat meent gij?" vroeg Madzy, eenigszins onthutst: "ik versta u
+slechts half."
+
+"Gij hebt _la febbre_, de koortse," zeide Barbanera, opstaande, en
+Madzy's hand latende varen: "maar _vien dall' agitazione, dal freddo:
+niet is pericolòsa 'il viaggio non può farvi male_."
+
+Met deze geruststellende uitspraak rees hij op, en Madzy in onzekerheid
+latende, keerde hij bij zijn meester.
+
+"Welnu?" vroeg deze: "is zij in staat een reis te doen?"
+
+"Ja; maar zij heeft geen kleeren genoeg. Wil ik om de hare zenden?"
+
+"Zoo dit ongemerkt geschieden kan, ware het niet kwaad; want ik vrees
+dat hier gebrek aan plunje is."
+
+"Maar," hernam de kokeler: "kent uw Hoogwaardigste het meisje, dat
+daar in de kamer ligt?"
+
+"Zoo ik mij niet bedrieg, is zij een Friezin, een nicht van pater
+Syard, of zoo iets."
+
+"Alles behalve: het is een Friesche Jonkvrouw van adellijken huize,
+de bruid van Seerp Van Adeelen, Madzy Dekama."
+
+"Gij raaskalt. Hoe zou een Friesche Jonkvrouw van adellijken huize
+hier in 't gras komen te liggen?"
+
+"Ik weet het niet. Zooveel is zeker, dat ik haar terstond herkend heb,
+en dat...."
+
+Hier werd zijn rede gestoord door een herhaald hoorngeschal aan
+de buitenpoort.
+
+"Daar schijnt haast bij te wezen," zeide Arkel, zich voor een kijkgat
+plaatsende, vanwaar men op den buitenmuur en op de laan zag: "bij alle
+duivels! daar is uw trouwe Hans, zoo rood als een kalkoensche haan,
+die ons zeker de komst der Stichtsche benden komt melden.... en ginds
+zie ik een paar wapenknechten de laan afkomen, zeker om bezit van
+het kasteel te nemen:.... en wat verder komt vader Syard in eigen
+persoon.... juist op gelijke afstanden, als de drie boden in de
+schilderij van den vromen Job. Ik had heden ten minste zes hoofden
+noodig;--maar alles met overleg! en wij zullen, den eenen voor,
+den anderen na, wel helpen. Ho! Peter! laat slechts één persoon te
+gelijk in!"
+
+Peter, die aan de overzijde der valbrug stond, gehoorzaamde aan den
+gegeven last, en het poortje voor den hansworst openende, sloeg hij
+het weer dicht voor den neus der Stichtsche wapenknechten.
+
+"Heer Ridder!" riep Daamke, zoodra hij Arkel zag (wiens waren naam
+hij niet kende): "daar zijn de Stichtenaars en komen het kasteel
+bezetten. Hun bevelhebber is, naar ik hoor, Wouter van IJselstein."
+
+"Onbekend, Goddank!" zeide Arkel: "welk een slag van een man is hij?"
+
+"Een jonge, ruwe gast, naar mij toeschijnt," antwoordde Daamke.
+
+"Voortreffelijk! dan is er geen kwaad bij. Ga spoedig,
+met Barbanera, mijn twee dienaars roepen, en laten zij zich
+wapenen. Hei! Peter! ontsluit de poort voor de hoplui;--maar laat al
+wie verder komt tot nader order wachten."
+
+De poort ging weder open, en Wouter van IJselstein trad met een ander
+hopman binnen. Peter geleidde hen met alle deftigheid naar het zij
+vertrekje, waar Arkel gezeten was.
+
+"Zijt gij de slotbewaarder?--of welke betrekking vervult gij
+hier?" vroeg IJselstein op een hoogen toon aan den Bisschop.
+
+"Met uw verlof", zeide Arkel, terwijl hij zonder op te staan, den
+vrager van 't hoofd tot de voeten beschouwde: "wie zijt gij zelf,
+die mij hier vragen komt doen?"
+
+De bevelhebber scheen eenigszins verrast door deze fiere toespraak;
+gelijk het meer gebeurt aan lieden, die een hoogen toon voeren,
+wanneer zij iemand vinden, die hen staan durft. Hij geraakte verlegen,
+en zag zijn makker zijlings aan.
+
+"Welnu!" vervolgde Arkel, die zich als een kind vermaakte met de
+bedremmelde houding des hopmans: "ben ik u geen antwoord waardig? komt
+gij hier alleen binnenstuiven om weer terug te keeren als een
+schaatsenrijder, die de baan ten einde gereden is?"
+
+"Wij komen hier," antwoordde IJselstein, die zijn stoutmoedigheid
+had teruggevonden, "om het slot te bezetten in naam van het Bisdom
+van Utrecht."
+
+"Ik ken hier niemand dat recht toe," antwoordde Arkel, "dan den
+Bisschop, mijnen Heer en den uwen. Hebt gij een lastbrief, door
+hem geteekend?"
+
+"Vriend!" zeide IJselstein: "zoo gij een dienaar des Bisschops zijt,
+zult gij weten, dat hij bij zijn vertrek zijn gezag aan de Kapittels
+heeft overgedragen, uit welker naam ik spreek."
+
+"De Kapittels mogen vrij over kerkelijke aangelegenheden beschikken,"
+hernam Arkel, die er genoegen in vond, den hopman in de war te
+brengen, en tevens naricht zocht te bekomen omtrent sommige punten,
+waarin hij belang stelde: "maar zij hebben niets met des Bisschops
+bijzondere eigendommen te schaffen. Hier ben ik meester, tot zoolang
+zijn Hoogwaardigste terugkeert."
+
+"Dit slot is gebouwd tot dekking der grenzen," zeide IJselstein:
+"en daar men eerstdaags oorlog met Holland verwacht, zoo heeft men
+begrepen, hier inlegering te zenden. Gaan de Kapittels hunne macht
+te buiten, zij mogen zulks aan den Bisschop verantwoorden: ik volg
+mijn last, en zal dit slot bezetten met mijn volk, zonder uw verlof
+te vragen."
+
+"Vergeet niet," zeide Arkel, met een verachtelijken glimlach: "dat
+uw volk hier nog niet ingetrokken is. Voor 't oogenblik ben ik nog
+niet in uwe macht: gij zijt in de mijne."
+
+IJselstein zag beurtelings den Bisschop en zijn makker aan. Men had
+hem binnen Utrecht verzekerd, dat er zich niemand op het slot bevond
+dan een oude dienaar: en hij stond verbaasd, een man te vinden,
+die als meester sprak.
+
+"Hoe nu!" vervolgde Arkel, "zijt gij de brave borst, die dit kasteel
+tegen de Hollanders verdedigen moet? en de bloote stem van een
+wapenloozen man doet u beteuterd staan, ofschoon gij met u beiden,
+en in 't harnas zijt?"
+
+"Mijn Heer! wie gij ook wezen moogt," zeide IJselstein, met fierheid:
+"weet, dat ik voor geen vijand sidder: en dat, zoo uwe woorden een
+beleediging insluiten, ik gereed ben, mij met u in besloten kamp te
+meten, waar gij goedvindt, alles ingevalle gij uit adellijk bloed
+gesproten zijt. Maar ik beken, ik sta versteld, hier iemand aan te
+treffen, die uit de hoogte tot ons spreken durft, en de macht der
+Kapittels in twijfel trekken."
+
+"Zoo! nu spreekt gij als 't betaamt," zeide Arkel: "hoor! ik laat mij
+wel vinden. Dezen namiddag kunt gij met uw volk hier binnentrekken,
+want ik ben verantwoord, zoodra gij met overmacht aankomt; maar het
+moet mij vergund wezen, voor dien tijd mijn zaken behoorlijk in orde
+te brengen."
+
+"Ik heb bevel," zeide IJselstein, "geen oogenblik te vertoeven met
+het bezetten van het kasteel."
+
+"Zeer wel," hernam Arkel: "maar het schikt mij nu niet, het u
+terstond te leveren; gij kunt uw volk gaan halen; maar dan breek ik
+de bruggen af en gij komt er toch niet spoediger binnen. Stem dus
+liever goedschiks in mijn voorslag."
+
+"Wie zijt gij toch?" vroeg IJselstein, hem met verbazing aanstarende.
+
+"Wie ik ben doet niets ter zake. Neemt gij mijn voorslag aan, ja
+of neen?"
+
+De beide hoplieden zagen elkander een poos besluiteloos aan, maar
+gaven eindelijk hun toestemming.
+
+"'t Is wel, mijn makkers! Na den middag kunt gij hier vrij den meester
+komen spelen. Vaart nu wel.--Peter! leid die hoplieden uit en laat
+den huisman binnen, die aan de poort staat."
+
+"Victorie!" riep hij Barbanera toe, die hem na het vertrek der
+hoplieden naderde: "had ik een greintje beleefdheid gehad, die
+gansche bende ware reeds op ons dak;--maar ik heb hem de tanden laten
+zien, en de wolf zal niet in de kooi komen, voor de schapen er uit
+zijn. Hoor eens, Barbanera! die vrome monnik daar komt zijn Friesche
+Jonkvrouw zoeken; maar ik heb andere voornemens met haar; ik zal hem
+met een kluitje in 't riet zenden: wacht gij hem af, wanneer hij
+zich verwijdert: beloof hem zijn Friezin terug en sluit hem onder
+'t een of ander voorwendsel in de kelders van het slot."
+
+"Hoogwaardigste!" zeidede kokeler, verbaasd.
+
+"Welnu! hebt gij mij niet verstaan? Vader Syard verraadt mij: en ik
+moet hem eenigen tijd afgezonderd houden;.... maar," voegde hij er
+bij, als bedacht hij zich: "waar zijn uw bewijzen, dat die Reinout
+de zoon is van den Heer van Aylva."
+
+"Dat geheim is goud waard," zeide Barbanera: "en ik ben de eenige,
+die er van bewust is...."
+
+"Welnu!" zeide Arkel, een goudbeurs uithalende: "haast u: er is
+weinig tijds over, en zoo ik thans het geheim niet weet, zal het mij
+niet baten."
+
+"Ziehier," zeide de kokeler, de beurs aannemende, "den brief, waarmede
+Bianca di Salerno haar zoon aan Carlo della Scala vertrouwde:--en
+hier den ring, dien Aylva aan zijn echtgenoote schonk.--Het overige
+is Reinout bekend."
+
+"'t Is wel," zeide Arkel, den ring en het geschrift bij zich stekende:
+"zeg nu aan Peter, dat hij den monnik binnenlaat."
+
+Barbanera vertrok. "_Sic vos non vobis_!" dacht hij bij zich zelven:
+"de Bisschop zocht mij te verschalken en zelf den prijs voor het geheim
+in te oogsten; ik dorst hem de bewijsstukken niet weigeren:--hij had
+mij vermoord;--gelukkig heeft hij het beste stuk niet, morgen trek ik
+naar Den Haag, verhaal aan Graaf Willem, wat de vrome Jan van Arkel
+brouwt, ontvang een goede belooning, en zorg dat de Olderman daarna
+alleen door mij onderricht worde, wie zijn ware zoon is."
+
+Met deze gedachten zette hij zich onder aan de trap, zich verheugende
+over de toekomstige belooningen, die hij verwachtte. De ongelukkige
+dacht weinig, dat zelfs het goud, zooeven ontvangen, hem van geen
+dienst meer zijn zoude.
+
+"Welnu! mijn waarde Pater!" zeide Arkel, zoodra vader Syard in zijn
+tegenwoordigheid stond: "hebt gij al eens over mijn voorstellen
+nagedacht? Hoe nu! geen antwoord! wat is er gebeurd? Uw oogen staan
+zoo verwilderd: uw gelaat is bleek als dat van een doode."
+
+"Hoogwaardigste!" zeide de monnik: "ik bevind mij in de uiterste
+verlegenheid. Ik had mij belast, om Jonkvrouw Madzy Dekama, welke
+de Graaf van Holland in het klooster te Rijnsburg wilde plaatsen,
+door het Sticht heen, naar Harderwijk te brengen, waar de Heer van
+Aylva haar wacht,.... en zij is dezen nacht uit de herberg verdwenen."
+
+"Gij verwondert mij," zeide Arkel: "het was ook geene taak, passende
+aan een man van uwen stand en jaren, een jong meisje tot leidsman te
+strekken.--Maar wat kan ik daaraan doen?--ik ben geen omroeper."
+
+"O, wees edelmoedig, Heer Bisschop! ik ben een ijdele dwaas geweest. Ik
+heb gesteund op eigen krachten en ben beschaamd gemaakt. Maar wees
+grootmoedig! Gelast dat men haar zoeke. Zij moet hier ergens schuilen."
+
+"Mijn waarde Pater!" zeide Arkel op een deelnemenden toon: "ik
+ben hier geen meester. Wend u tot Wouter van IJselstein, die de
+Stichtsche benden aanvoert; klaag uw nood aan den Baljuw; dan hebt
+gij de burgerlijke en de gewapende macht op uwe hand."
+
+"En gij, zijt gij niet de Heer, het hoofd van beiden?" zeide de
+monnik met waardigheid. "Eén woord van uw mond en ik kan vrucht van
+mijn nasporingen verwachten. Weigert gij mijn verzoek, dan stoot ik
+overal het hoofd."
+
+"Gij zoudt dus verlangen, dat ik, om een weggeloopen deerne, mijn
+voornemen verzaakte en de vermomming afleidde, die ik zoo moeizaam
+bewaard heb?"
+
+"Gij zult die toch niet lang meer kunnen bewaren; men is op het dorp
+reeds nieuwsgierig. Men wil weten, wie de vreemde Ridder is, die het
+slot betrokken heeft. Men voedt argwaan.... en al had men dien niet,
+uw eer, uw plicht gebieden...."
+
+"Monnik!" zeide Arkel op een strengen toon: "wilt gij mij mijn
+plicht leeren?"
+
+"Ja! dat moet ik, wanneer gij dien vergeet. Een kerk, als die van
+Utrecht, een welvarend land als het Sticht, moeten niet opgeofferd
+worden aan de dwaze grillen van ijdele staatzucht. Ik terg mogelijk uw
+gramschap; maar uw hart is te groot, te edel, om langer de rol vol te
+houden, die gij ter kwader ure gekozen hebt, die de omstandigheden voor
+een poos konden wettigen, maar die thans onbetamelijk, ja onstaatkundig
+wordt. Wees u zelf weer. Treed als een waardig kerkvoogd voor den
+dag en handel, gelijk het belang van de kerk en van den grond, dien
+gij beschermen moet, u gebieden."
+
+"Wij spraken over het schoone Friezinnetje, dat gij met u voerdet,"
+zeide Arkel op een ijskouden toon.
+
+Vader Syard zag den Bisschop met zooveel ernst in de oogen dat deze,
+hoe hij ook altijd meester over zich zelven bleef, niet nalaten kon,
+die innige gewaarwording van onrust te gevoelen, welke den schuldige
+treft, wanneer hij den blik van een eerlijk man ontmoet. Hij begreep
+dus, het onderhoud te moeten afbreken, en zich in zijn zetel werpende:
+"Pater!" zeide hij: "ga uwe litaniën elders zingen: mijn tijd is te
+kostbaar om die aan te hooren."
+
+"Gij hebt gelijk," zeide de monnik: "en elk oogenblik dat ik hier
+langer blijf is voor mij verloren. Heer Bisschop! vaarwel! ik
+ben slechts een arme monnik; maar God weet het, ik wilde niet met
+u ruilen."
+
+Met deze woorden verliet hij het vertrek. Aan de benedentrap gekomen,
+hoorde hij zich op eens bij zijn naam noemen: hij wendde het gelaat
+om en zag onder een donker afschutsel iemand staan, die hem wenkte
+te naderen.
+
+"Wat wilt gij? wie zijt gij?" sprak de monnik: "mijn oogenblikken
+zijn kostbaar."
+
+"_Piano_! stille!" zeide Barbanera: "gij zoeke la _Signora_ Dekama,
+isse so niete?"
+
+"Hebt gij eenig naricht van haar?" vroeg de monnik, haastig naar
+hem toetredende.
+
+"Zij isse hiere, _nella potestà del signore Vescovo_," hernam de
+Italiaan: "hij eeft aar doen wegpak."
+
+"Die onverlaat! ik moet naar hem toe!"
+
+"_Piano_ dan! _Silenzio_! kom iere: ikke sal u brenk pij aar. _Datemi
+la mano_: is ier donkere."
+
+Dit zeggende, trok hij den monnik met zich mede in den kelder, aan
+wiens ingang hij zich bevond.
+
+"Blijf mij ier wakte," zeide hij: "ik zal kaan haal _la Signora_."
+
+"Blijft er beiden wachten, tot het jongste bazuingeschal er u
+uitroept," zeide Arkel, die den monnik beneden gevolgd was: en hij
+sloeg de kerkerdeur met geweld dicht: "Ziezoo!" zeide hij: "daar zijn
+er ten minste twee, die mij vooreerst niet zullen hinderen."
+
+Vervuld van deze geruststellende gedachte, stapte hij de donkere
+gang weder uit, en zag den hansworst, die onder de hand eens naar
+het dorp geweest was, met een pak onder den arm en meester Cezar op
+den schouder, over de brug aankomen.
+
+"Nog een bondgenoot," dacht Arkel, "die uit den weg geruimd moet
+worden:--intusschen wil ik mij niet te ras van alle nutte werktuigen
+berooven. Die knaap weet niet wie ik ben; althans zoo Barbanera het
+hem niet verteld heeft.--In allen gevalle kan hij mij nog van dienst
+zijn. Ik geloof niet, dat hij verstand genoeg heeft om mij kwaad te
+doen.--Hola ho! meester Hans! wat brengt gij voor goeds?"
+
+"Zoo ik niets goeds breng, breng ik althans goed," zeide Daamke:
+"meester Barbanera heeft mij ingefluisterd, dat ik ongemerkt de kleeren
+van die weggeloopen deerne moest buitmaken en hier brengen. Ik heb
+van de drukte, die er aan den _Roerdomp_ is, gebruik gemaakt, en hier
+is de buidel."
+
+"Voortreffelijk;--maar wat is dat juweel, hetwelk uw broeder in de
+hand houdt?"--Dit zeggende wees hij op een schitterend kleinood,
+daar Cezar mede speelde.
+
+"Bij mijn zolen!" zeide de hansworst: "dat schijnt wat fraais. Hier
+Cezar! voor den dag er mede."
+
+Maar de aap scheen niet genegen, zijn buit aan zijn meester af
+te staan. Hij schudde den kop, zag Arkel en Daamke beurtelings
+grijnzende aan, klemde het kleinood tegen de borst en poogde te
+ontsnappen. Eindelijk werden zijn beide tegenpartijders het pronkstuk
+meester, en nu zag Arkel duidelijk, dat het een gouden haarnaald was
+van een kunstig maaksel, waaraan een kostbare parel hing.
+
+"Hoe komt het juweel in de handen van dat dier?" vroeg Arkel met
+bevreemding.
+
+"Vermoedelijk heeft hij het buitgemaakt in het vertrek, waar de
+Jonkvrouw geslapen heeft, die hedenmorgen verdwenen is."
+
+Een snel denkbeeld, hetwelk hij terstond met welgevallen aangreep,
+kwam den Bisschop als een lichtstraal voor den geest. "Dit juweel,"
+zeide hij, "kan mij van dienst zijn! Hier meester Daamke! neem
+het terug, bestijg uw ezel, rijd naar Harderwijk:--daar zult gij
+de Friesche afgevaardigden vinden, wachtende op de Jonkvrouw en op
+vader Syard. Verhaal hun, dat beiden in handen van den Graaf zijn
+gevallen, dat gij dit gezien hebt, dat zij met u gesproken heeft,
+u verzocht heeft, dit aan haar naastbestaanden te melden, en u dit
+juweel ter belooning geschonken heeft: zeg hun, dat zij hen smeekt,
+haar hoon te wreken. Ga! een treffelijk loon wacht u, indien gij mijn
+bevel met beleid en spoed ten uitvoer brengt."
+
+"Maar," zeide de hansworst, hem met wijdopgespalkte oogen aanziende:
+"'t is met dat al immers niet waar?"
+
+"Om 't even," antwoordde de Bisschop: "wat gaat u dat aan? Is uw
+geheele leven niet een logen? Liegt gij niet op alle markten en
+kermissen, dat de steenen er van zweeten?"
+
+"Nu ja," zeide Daamke: "dat brengt mijn beroep mede en ieder gelooft
+er het zijne van; maar of nu dat Friesche volkje zich door een praatje
+om den tuin zal laten leiden, dat is nog de vraag: en die Seerp Van
+Adeelen draagt een broodmes op zijde, waar ik ongaarne kennis mee
+zou maken."
+
+"Zot! zij zullen uw verhaal evengoed slikken als de zoete koek,
+die zij bij de kaas gebruiken. Het staat aan u, uw verhaal met zulke
+versieringen te omkleeden, dat zij u wel zullen moeten gelooven. Ik
+heb u immers meer gehoord en weet, hoe geestig gij een vertelling
+weet op te smukken."
+
+Niemand is er op aarde, hetzij dan vorst of hansworst, of hij is
+gevoelig voor vleierij: en Daamkes eigenliefde vond zich dan ook door
+Arkels laatste woorden zoodanig gestreeld, dat hij de hem opgedragen
+boodschap aannam en zich verwijderde.
+
+De Bisschop, na alvorens eenige woorden met den getrouwen Peter te
+hebben gewisseld, betreffende de wijze, waarop deze de gevangenen
+moest behandelen, begaf zich naar het vertrek van Madzy, die zich
+opnieuw in haar verwachting teleurgesteld vond, toen zij, in stede
+van den monnik, haar gastheer terugzag, wiens koel en ernstig wezen
+weinig goeds beloofde.
+
+"Meisje!" zeide hij, op een langzamen, indrukwekkenden toon: "ik heb
+naar de herberg gezonden: maar men weet daar evenmin als hier, waar
+de man gebleven is, dien gij zegt, dat u vergezelde. De kasteleines
+kan niets tot uw voor- of nadeel getuigen: zij beklaagt zich alleen,
+dat gij bij nacht en ontijde haar huis verlaten hebt. Hier zijn uw
+kleederen, welke zij u terugzendt."
+
+Met deze woorden overhandigde hij haar het pakje, dat Daamke had
+medegebracht.
+
+"Helaas!" zuchtte Madzy, met angstig handenwringen: "moet ik dan zoo
+miskend worden? o! ik smeek u, edele Heer! laat mij van hier gaan. Mijn
+paard staat aan de herberg: ik zal een wegwijzer nemen--maar ik moet
+weg:--mijn maagschap zal ongerust over mij wezen."
+
+"Gij zult gaan waarheen gij wilt," zeide Arkel op een onverschilligen
+toon: "doch alleen laat ik u niet vertrekken. Het dorp is bezet en
+de weg vol krijgsvolk: een reis door het Sticht zou, voor een meisje
+alleen, gevaarlijk zijn. Gij zijt bovendien ongesteld en de arts
+verbiedt alle zware beweging. Maar ik heb u een anderen voorslag te
+doen. Het is mijn voornemen van hier te gaan; en zoo onze wegen niet te
+ver uit elkaar loopen, wil ik u gaarne naar het doel uwer reis voeren:
+een gemakkelijke draagstoel is tot uw dienst: en zoo gij niet gezien
+wilt wezen, zal u ook daartoe de gelegenheid verschaft worden."
+
+Madzy zag Arkel aan, terwijl hij sprak, als wilde zij in het binnenste
+zijner ziel lezen. Zijn woorden schenen verstandig: zijn aanbod was,
+in de omstandigheden, waarin zij verkeerde, hoogst aannemelijk:
+zij had des te minder aanleiding hem te mistrouwen, wegens de koele
+beleefdheid waarmede hij haar behandelde: en toch lag er in zijn toon
+en houding iets opgesloten, dat haar, zij wist zelve niet waarom,
+onwillekeurig huiveren deed. Zoo zeker is het, dat het bedrog,
+hoe listig het ook achter het masker der waarheid schuilen moge,
+altijd een kleur behouden blijft, welke heenschijnt door het vernis,
+waarmede het omtogen is, moeilijk te verbergen is voor het oog der
+rechtschapenheid, en evenmin kan weggenomen worden als de lucht der
+verdorven spijs, hoe ook met specerijen vermengd.
+
+Arkel bemerkte den twijfel, welke Madzy omtrent de oprechtheid
+zijner bedoelingen scheen te koesteren. "Misschien," zeide hij,
+"vreest gij u aan het geleide toe te vertrouwen van iemand, die u nog
+onbekend is. Gij zijt meesteres van te handelen zooals gij begeert. De
+hemel beware mij, uw vrijheid in 't minst te belemmeren. Zoo gij het
+verlangt, zal een mijner dienaars u naar het dorp terugvoeren: maar
+ik herhaal u, gij zult het vol krijgslieden vinden. Wat meer zegt,
+eer een paar uur verloopen zijn, zal ook dit kasteel bezet worden. Zoo
+gij daarentegen in mijnen voorslag stemt, zult gij de bescherming
+genieten van den Ridder met den Rooden Adelaar, wiens wapenfeiten op
+het steekspel te Haarlem u misschien ter oore zijn gekomen."
+
+"Hoe!" zeide Madzy, verrast: "zijt gij die Ridder, door wien Reinout
+van Verona van 't paard geworpen werd en die...."
+
+Hier zweeg zij eensklaps; want zij voelde dat zij zich versproken
+had, en, zich de beschuldiging van paardendieverij herinnerende,
+vreesde zij te veel gezegd te hebben.
+
+"Die ben ik," zeide Arkel: "en gij, zijt gij niet de edele Jonkvrouwe
+van Dekama, wier weergade niet gevonden werd onder al de schoonen,
+die op het feest aanwezig waren?"
+
+Madzy verbleekte. "Ridder!" zeide zij: "gij hebt mij herkend; o! bij
+al wat heilig is, maak geen misbruik van hetgeen u een toeval heeft
+doen weten."
+
+"Kon men u miskennen, na u eenmaal gezien te hebben?" zeide Arkel,
+den hoffelijken toon hernemende: "wel is waar; ik wilde in den aanvang
+mijn oogen niet gelooven; want ik kon niet beseffen, hoe de schoone
+erfdochter van Dekama in boerengewaad op den gemeenen weg zou liggen."
+
+"Ik reken," zeide Madzy, "dat ik het aan mijn eer verplicht ben,
+u de omstandigheden te verhalen, welke aanleiding gegeven hebben tot
+mijn komst in dit kasteel."
+
+Hierop gaf zij hem een beknopt verslag van de redenen, die haar genoopt
+hadden in vermomming het Sticht te doorreizen, en van hetgeen haar in
+'t holle van den nacht de herberg had doen ontvluchten. Arkel wist de
+verschijning van den boozen geest, dien zij waande gezien te hebben,
+niet anders dan aan een spel van haar verbeelding toe te schrijven;
+maar des te beter kon hij haar ontmoeting met Reinout oplossen. Hij
+verzweeg haar echter de aan wezigheid van dezen laatste op het slot,
+maar wist door een paar vragen behendig uit te vorschen, om welke
+redenen die Ridder des Graven dienst verlaten had.
+
+"Het komt mij vreemd voor," zeide hij eindelijk, "dat uw geleider
+zoo spoedig verdwenen is. Het zou mij, uit de gansche toedracht der
+zaken, niet bevreemden, indien hij voornemens was geweest, u aan
+uwe vijanden over te leveren. Intusschen was het misschien uw geluk,
+dat u hier gevoerd heeft: onder mijn geleide zult gij veilig kunnen
+reizen en welhaast in de armen uwer vrienden de ongemakken der reis
+vergeten.--Voor 't oogenblik zal ik u verlaten en u gelegenheid geven
+u te kleeden: zoo gij inmiddels iets noodig hebt, gelief slechts op
+den vloer te stampen en men zal zich gereedmaken om aan uw wenschen
+te voldoen."--Met deze woorden nam hij zijn afscheid.
+
+"Ik heb haar!" zeide Arkel verheugd, tot zich zelven, zoodra hij de
+kamer verlaten had. "Het vinkje heeft lang om de baan heen en weer
+gefladderd; maar het is eindelijk onder het net gekomen en ik heb
+slechts toe te halen. Bij mijn zaligheid! Ik heb vandaag heet werk
+gehad! In twee uren tijds en zonder helpers den hoofdman eener bende
+verschalkt: Syard en Barbanera hunne geheimen onttroggeld en die twee
+listige en gevaarlijke vertrouwelingen opgesloten: een hansworst van
+de hand gezonden om Friesland in rep en roer te brengen: een adellijke
+Jonkvrouw geknipt--en een Ridder bovendien:--bij Sint-Maarten! dien
+had ik bijna vergeten! het wordt tijd, dat ik hem uit zijn gevangenis
+verlosse! hij zal zeker reeds toornig wezen over mijn verwijl."
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ LODEWIJK. Gy zult Baron zijn, Jan!
+
+ Langendijk. Het wederzijds huwlijksbedrog.
+
+
+Het was gelijk Arkel gedacht had. Reinout, onverduldig geworden van
+niemand te zien komen, en wanende dat men hem gevangen wilde houden,
+was juist bezig, met zijn dolk de kracht van het deurslot te beproeven,
+toen hij zijn gastheer hoorde aankomen en dezen terstond daarna over
+zich zag staan.
+
+"Ik heb u wat laten wachten," zei de Arkel, op dien hoffelijken
+maar koelen toon, waartegen alle toorn af komt stuiten, evenals een
+afgeschoten pijl over de oppervlakte van het ijs heenglijdt: "vergeef
+mij: ik heb veel en zwaar werk bij de hand gehad. Op den weg zal ik
+u alles verhalen. Indien ik tot op dit oogenblik misschien wat te
+erg den meester jegens u gespeeld heb, zoo staat het aan u thans de
+rollen te veranderen. Van stonden aan zult gij Heer, en ik slechts
+uw schildknaap zijn. Gij zult uw paard terugbekomen: en daarbij,
+indien gij ze uwer niet onwaardig acht, de wapenrusting van den Ridder
+van den Adelaar. Deze vermomming kan u van dienst zijn; want ook in
+'t Sticht zoudt gij lieden kunnen vinden, die den moord van Deodaat
+zouden wenschen te wreken."
+
+Reinout stond verzet: "den moord!" herhaalde hij: "wie heeft u sedert
+ons gesprek met de omstandigheden...."
+
+"Om 't even," zeide de Bisschop; "dat alles zal zich wel
+ophelderen. Onderweg ben ik tot uw dienst om den tijd met mededeelingen
+over en weder te korten: voor 't oogenblik zullen wij den innerlijken
+mensch gedenken; want na al wat ik verricht heb, roept mijn maag mij
+toe, dat het tijd is te rampeneeren. Hei ho! Peter!"
+
+Peter kwam binnen met de dienaars van Arkel, die, na een tafel uit het
+celletje in de zaal te hebben geschoven, eenige spijzen opdischten,
+waaruit een verkwikkende geur opsteeg, welke de zinnen des Bisschops
+liefelijk scheen aan te doen.
+
+"Kom!" zeide hij: "neem plaats, Heer Ridder! en zet alle grillen uit
+uw hoofd. Peter! is de draagstoel gereed?"
+
+"Ik heb het paard van de deerne uit de herberg laten komen en er
+voorgespannen," zeide de trouwe dienaar.
+
+"Voortreffelijk!--komaan, wakkere Ridder! laat het hoofd niet hangen;
+maar proef liever eens van dezen wijn: het is geen _lacryma Christi_,
+gelijk men in uw vaderland drinkt, noch Sint-Jans-wijn, gelijk men
+op de feesten te Haarlem dronk, noch van het roode druivensap, dat te
+Avignon op de tafel des Heiligen Vaders prijkt; maar eenvoudig Bleeker
+van de vruchtbare velden, die door vader Rijn besproeid worden. Hij is
+er echter niet te minder om, nu hij eenige jaren in de kelders van dit
+oude kraaiennest gelegen heeft; en wanneer gij in Utrecht zijn zult,
+hoop ik u beter te onthalen: ik heb er nog Kamerijks bier liggen:
+en dat, weet gij, is het puik van alle bieren. _Wees heil_! heer
+Ridder! dit gaat u voor! op onze goede reis, en den gelukkigen uitslag
+onzer wenschen."
+
+Reinout beantwoordde den hem toegebrachten dronk; maar de sombere
+gedachten, welke zijn ziel vervulden, hadden hem in een stille
+afgetrokkenheid doen vervallen. Het was hem onmogelijk te deelen in de
+vroolijke luim des Bisschops, die, met een levendige gemakkelijkheid,
+welke Reinout in andere oogenblikken met bewondering zou hebben
+beschouwd, zijn post van gastheer vervulde, uit elke spijs of
+drank, die hun voorgediend werd, gepaste stof ontleende tot een
+geestig betoog, waarin hij zijn fijne proef als lekkerbek en zijn
+begaafdheden als man van de wereld ten toon spreidde. Wie hem gezien
+had, zooals hij op de netste en volmaakste wijze een duif opsneed en
+toebereidde, en wie hem tevens had hooren redeneeren over ringduiven
+en pauwstaartjes, gekapte nonnen en brievendragers en allerlei andere
+soorten van duiven, en over de wijze van die te stoven met eieren
+en citroen, of op te vullen met zoete melk, zes dooren van eieren
+en sjalotten en pieterselie _quantum sufficit_, of over de wijze,
+waarop het half doorgespouwd beestje, dat hij in de hand hield,
+op de reis bewaard was gebleven, in een oud charter, met boter wel
+gesmeerd, door middel eener voorafgemaakte omwenteling in fijngehakte
+ajuin, peper en zout, en het daarna braden van alles te zamen op een
+rooster, zou weinig gedacht hebben, dat diezelfde man, die geheel
+was overgegeven aan het genot van een goed gebraad, en zijn buik
+tot zijn afgod verkoren scheen te hebben, een oogenblik te voren
+in een maalstroom was rondgesleept van hooge staatkundige plannen
+en inzichten en van kleine en verwarde verwikkelingen van allerlei
+aard. 't Is omdat Arkel een van die gelukkige (?) _egoïsten_ was, wier
+hart altijd in rust blijft, hoe werkzaam ook hun brein moge wezen:
+die alleen voor zich zelven levende, hun gevoel verhard hebben tegen
+alle indrukselen van buiten, en zich van lieverlede de kunst hebben
+eigen gemaakt om alle onaangename denkbeelden en lastige zorgen te
+verbannen, van elke omstandigheid des levens slechts die zijde aan
+te grijpen, welke hun het aangenaamste toeschijnt, en daardoor nimmer
+dulden, dat het genot van het oogenblik vergald worde door pijnlijke
+herinnering aan het verledene of zorg voor de toekomst.
+
+Welke voorstelling men zich wijders, uit het vroeger verhaalde, van
+het karakter des Bisschops moge vormen, dit is zeker, dat de tijd,
+waarin hij leefde, en de omstandigheden, waarin hij zich geplaatst
+vond, veel toebrachten om hem daden te doen bedrijven, welke, ja,
+terecht als misdadig beschouwd, maar, naar den zedelijken maatstaf van
+zijne eeuw beoordeeld, meer verschoonbaar kunnen gerekend worden. Jan
+van Arkel was een dier menschen, die zich op de wereld als bij wijze
+van uitzondering vertoonen, met alle begaafdheden toegerust, maar met
+een hart vol onverzadelijke en nimmer rustende begeerten: een dier
+gevaarlijke wezens, die door een eeuwige behoefte aan werkzame beweging
+worden verslonden: die op de gewone stervelingen met een glimlach
+van verachting nederzien en niet tevreden zijn met een dagelijksche
+bestemming: een dier genieën, die door de nakomelingschap somtijds
+vervloekt, maar door den dichter en den wijsgeer beschouwd worden met
+diezelfde bewondering, waarmede zij een onrustbarend gesternte aan
+de bogen des hemels gadeslaan. Reeds in zijn eerste jeugd bezat hij
+de stoutmoedige onbeschroomdheid van een meer gevorderden leeftijd:
+zijn moed was even onbetwijfelbaar als zijn eerzucht onbepaald, zijn
+brein even vernuftig en vruchtbaar in uitkomsten als zijn manieren
+hoffelijk en bevallig waren. Hij verstond evenzeer de kunst om zich
+door een aangenamen omgang bemind te maken bij hen die hij noodig
+had, als om zijn vijanden onder de geweldige wapenen der bespotting
+te verpletteren. Hij was vasthoudend in al wat hij ondernam, en
+nimmer af te brengen van een eenmaal gevormd besluit; maar daar
+die vaste wil, om zijn zin te doen, zich dikwijls ook in kleine en
+onbelangrijke voorwerpen vertoonde, nam die, door een zonderlinge
+tegenstrijdigheid, niet zelden den schijn van loszinnigheid aan en
+bracht hem in ongelegenheden, waaronder een ander bezweken en de
+fabel van het algemeen zou geworden zijn; maar waarin hij slechts
+een gelegenheid meer vond, om zijn onuitputtelijk vernuft, en zijn
+behendigheid in het partij trekken van elke omstandigheid, te doen
+schitteren. Zoo hij echter dat vernuft hoofdzakelijk tot duistere
+kuiperijen en staatslisten aanwendde, en zoo zijn hart, dat van
+nature open en edel was, zich reeds spoedig met een driedubbele
+ijskorst omschorste, dit moet, gelijk wij reeds hebben aangemerkt,
+hoofdzakelijk aan de omstandigheden worden toegeschreven. In een
+anderen tijd geboren, had hij, naar zijn keuze, òf in de rij der
+beroemdste helden òf aan de zijde der volkomenste staatslieden een
+eervolle plaats kunnen bekleeden; maar in zijn eeuw mocht het hem
+niet vergund zijn, openlijk naar den oorlogsroem te dingen; en was
+de staatkunde nog niet, als later, eene eerverschaffende wetenschap.
+
+Hij was tot den geestelijken stand gedrongen geweest, terwijl
+zijn neigingen als kind reeds naar den wapenhandel helden; zijn
+onrustige geest had hem in het stille klooster niet toegelaten zich
+te vergenoegen met het betrachten der eentonige en weinig beduidende
+werkzaamheden aan zijn betrekking verbonden: eenmaal zich in den stand
+geplaatst ziende, waartoe vaderlijke dwang hem verwezen had, nam hij
+voor, zich daarin een naam te maken:--niet zoozeer nog uit eerzucht,
+als wel om zich te ontslaan van hetgeen hem het onverdraaglijkste van
+alles was, de afhankelijkheid van anderen. Hij had daarom ook zijn
+ledige uren nuttig besteed: en het was aan iemand als hij, die met
+een gelukkig geheugen, een scherpzinnig oordeel en een vasten wil
+begaafd was, niet ongemakkelijk gevallen, om het spoedig door ijver
+en studie zooverre te brengen, dat zijn tijdgenooten hem als een
+wonder beschouwden, en de ergernis over 't hoofd zagen, veeltijds
+door hem gegeven, wanneer hij, als zich daartoe de gelegenheid
+aanbood, of gedurende de dagen dat hij zijn ouders bezocht, in
+de ridderspelen zijner broeders en van andere jeugdige edellieden
+deelde:--uitspanningen, welke hij verschoonde, door aan te voeren,
+dat zij voor zijn gezondheid, die van 't letterblokken kwijnde,
+noodzakelijk waren. Naarmate hij echter in jaren vorderde, werden
+dergelijke oefeningen, welke men in den beginne door de vingeren
+gezien had, gestrenger berispt en hem eindelijk door den Prior van zijn
+klooster volstrekt verboden. De jongeling kon geen dwang verdragen, en
+meer dan eens ontstond bij hem de lust om den monnikskap weg te smijten
+en alleen met lans en zwaard de wereld in te gaan. Hij was echter nu
+eenmaal aan het gemakkelijke kloosterleven gewend, en wanneer hij de
+voordeelen, aan den geestelijken stand verknocht, overwoog, maakte hij
+de slotsom op, dat hij te veel zou opofferen om dien te verlaten en
+als dolend Ridder honger te lijden. Het viel hem echter zwaar om aan
+zijn geliefkoosde uitspanningen vaarwel te zeggen;--en nu vormde hij
+het besluit om zich oogenschijnlijk naar den wil zijns kloostervoogds
+te schikken, maar in 't geheim te doen wat hij verkoos: in 't kort,
+hij veinsde, alle wereldsche gedachten te laten varen en zette zich
+met meer ijver dan ooit aan zijn studiën; maar dikwijls, terwijl een
+ieder hem in zijn cel waande, verdiept in afgetrokken bespiegelingen,
+of ter bedevaart naar deze of gene heilige stad, was hij, vermomd of
+onder een valschen naam, bij jachten of ridderspelen tegenwoordig en
+deelde in een vermaak, dat hem te meer smaakte omdat het verboden was.
+
+Eindelijk bereikte hij het doel van zijn verlangen, en de invloed
+van Graaf Willem bracht hem op den Bisschoppelijken zetel; maar hoe
+groot was zijn teleurstelling, toen hij ontdekte, dat hij bestemd
+werd, om ook daar niet zijn eigen meester, maar de speelpop eens
+anderen te worden. Dit verdroot hem: en hij besloot zich ook van deze
+afhankelijkheid te ontslaan. Zijn handelingen als Bisschop, vroeger
+door ons verhaald, getuigden, hoezeer hem dit voornemen ernst was en
+met welk een vastberadenheid hij dit wist door te zetten. Het Sticht
+bewonderde een kerkvoogd, die, reeds op zulk een jeugdigen leeftijd,
+met zulk een ijver de belangen van het Bisdom wist te behartigen,
+en aller harten waren met smart vervuld, toen hij zijn grootsch opzet
+bekroonde door zijn vrijwillige ballingschap naar Frankrijk. Wat hem
+betrof, hij had een driedubbel oogmerk bereikt; hij had de harten
+der zijnen gewonnen: hij had het Sticht onafhankelijk gemaakt van
+vreemden invloed: en hij vond zich in een vreemd gewest, vrij en
+onbelemmerd als de vogel in de lucht, op een plaats, waar niemand
+zijn gangen bespiedde en waar hij zich dus kon overgeven aan al
+de genoegens, waarvoor zijn boezem blaakte. Maar, te midden dier
+vermakelijkheden, ontving hij van zijn broeder en vertrouweling de
+tijding, dat Graaf Willem zijn verloren invloed in het Sticht op alle
+wijzen zocht te herwinnen. Het was toen dat de wijdluchtige plannen,
+welke wij hem hoofdzakelijk aan vader Syard hebben hooren mededeelen,
+in zijn brein tot rijpheid kwamen. Het begon hem nu ook te vervelen,
+op steekspelen lauweren in te oogsten, welke hem geene eer aanbrachten,
+vermits zijn naam onbekend bleef: en de stem der staatzucht verdrong
+eindelijk alle andere neigingen uit zijn borst. Ten einde den staat
+van zaken beter te leeren kennen, vertrok hij in stilte uit Grenoble
+en maakte, gelijk wij gezien hebben, zijn aankomst in Holland slechts
+aan weinigen bekend. Het steekspel te Haarlem was voor hem nog een
+beproeving, aan welke hij geen weerstand kon bieden en die bijna zijn
+geheele plan van onbekend te blijven had in duigen geworpen. Echter
+was het hem in zooverre voordeelig geweest, doordien het hem in
+kennis gebracht had met Reinout, van welken hij zich nu hoopte
+te zullen bedienen als van een nuttig werktuig, dat hij naar zijn
+verkiezing kon gebruiken of vernielen:--vernielen, ja; want gelijk
+wij uit zijn handelwijze met vader Syard en Barbanera gezien hebben,
+aarzelde hij niet, tot bereiking van zijn doel, die middelen aan te
+wenden, welke de zedekunde verwierp, maar die gepredikt worden door
+de noodzakelijkheid, welke hij, met vele staatslieden ook van latere
+dagen, als de bestierder onzer daden eerbiedigde.
+
+Men vergeve ons deze uitweiding, die zeker lang genoeg is om
+onzen dischgenooten de gelegenheid te hebben gegeven hun maal te
+eindigen; na welks afloop Arkel eensklaps een verhandeling over
+de onderscheidene kersensoorten afbrak met aan de dienaars last te
+geven om de wapenrustingen te halen. Men gehoorzaamde: en nu gespte
+de Bisschop zelf Reinout het harnas aan, en zette hem den helm op
+'t hoofd met den rooden Arend, welken hij zelf op het steekspel
+gedragen had: terwijl hij zich vergenoegde met de nederige rusting
+van een eenvoudigen schildknaap.
+
+Nauwelijks waren zij ten volle gewapend, toen zich trompetgeschal liet
+hooren, en Peter het bericht kwam brengen, dat Wouter van IJselstein
+met zijn bende voor de poort stond.
+
+"Dat is een vierde uurs vroeger dan de afspraak was," zeide Arkel:
+"zij zullen niet binnenkomen voor het oogenblik, dat ik bepaald heb."
+
+Dit zeggende ging hij de zaal uit en begaf zich naar het verblijf
+van Madzy, die, nu geheel gekleed, hem zat te wachten.
+
+"Ik hoop, dat het u aan niets ontbroken heeft," zeide hij, de oogen
+slaande op een schotel, welken de voor alles zorgende Peter haar
+gebracht had, en die nog onaangeroerd was.
+
+Madzy verzekerde hem, dat men haar met alle mogelijke voorkomendheid
+bediend had, doch dat zij niet in staat was geweest, iets te nuttigen.
+
+"Gij hebt kunnen hooren," hernam Arkel, "dat de Stichtsche bende voor
+de poort staat. Een draagstoel is gereed voor u en gij kunt voor ieder
+onbekend blijven.... indien gij namelijk het besluit genomen hebt,
+van met ons te vertrekken."
+
+Dit zeggende, bood hij haar de hand aan om haar de deur uit te brengen.
+
+"Ridder!" zeide zij, terwijl hare oogen een zoo edele uitdrukking
+aannamen, dat de hardvochtige Arkel een onrustige beweging in de
+borst gevoelde: "ik vertrouw mij aan uwe rechtschapenheid. Het zou
+schandelijk van u zijn, indien gij mij misleidet."
+
+Na het uiten dezer woorden, welke de Bisschop slechts met een
+hoofdbuiging beantwoordde, legde zij hare hand in de zijne en, zich
+het gelaat met haar kaper bedekkende, vergezelde zij haar geleider.
+
+Intusschen waren Wouter van IJselstein en de zijnen ongeduldig
+geworden: en de eerstgemelde, wanende dat men hem misleid had,
+begon met zijn strijdbijl op de buitenpoort te rammelen, toen Arkel,
+die Madzy in haar draagstoel gebracht had, zich aan de binnendeur
+vertoonde.
+
+"Met uw verlof, vrome Heeren!" riep hij hun toe: "breekt gij nu reeds
+de poorten af, om aan de Hollanders, wanneer zij komen zullen, een
+vrijen en onbelemmerden intocht te verschaffen?"
+
+"Wij hadden verwacht die open te vinden," zeide Wouter brommende:
+"en het was onze afspraak...."
+
+"Dat gij na éénen zoudt binnengelaten worden," zeide Arkel:
+"en indien gij uwe oogen gelieft te slaan op den zonnewijzer, die
+daarginds tegen den toren gespijkerd is, zult gij zien, dat ik mijn
+belofte nakom. Wees zoo goed en schaar uw volk op het buitenwerk,
+dan zal ik u intusschen kennis doen maken met het slot."
+
+IJselstein voldeed aan het verlangen des Bisschops, waarna deze hem en
+zijne hoplieden de wallen rondleidde, hem de zwakke en sterke punten
+aanwees, hem de verbeteringen opgaf, welke hier en daar nog te maken
+waren, en verscheidene middelen aan de hand deed om partij te trekken
+van de gelegenheid van den grond: bij zijn inlichtingen een zoodanige
+kennis van zaken ten toon spreidende en zoovele blijken van een juist
+oordeel gevende, dat allen hem verbaasd aanstaarden, en elkander
+vroegen, wie toch de man ware, die er meer van af wist dan een van hen.
+
+Na deze wandeling bracht Arkel hen in de zaal, waar hij hun Reinout
+voorstelde als een Duitsch Ridder, die van het steekspel te Haarlem
+gekomen was, en thans naar Utrecht reisde om het Sticht in gevalle
+van oorlog te dienen tegen den Graaf van Holland. Met een beker wijns
+werd het onderhoud besloten, en eenige oogenblikken later zaten Arkel
+en Reinout te paard en reden zij de slotbrug over, gevolgd door de
+twee dienaars van eerstgenoemde, mede te paard, en de draagstoel,
+waarin Madzy zich bevond, en welke door een boerenknaap gemend
+werd. IJselstein en de getrouwe Peter deden hun uitgeleide tot over de
+brug. Gereed om den tocht aan te vangen, scheen Arkel zich nog iets
+te herinneren: hij wendde zijn paard om, en, Peter op zijde komende,
+fluisterde hij hem zachtjes in 't oor:
+
+"Wat de twee gevangenen in den kelder van het slot betreft, gij
+zorgt, dat zij onder geen voorwendsel hoegenaamd iemand te zien of
+te spreken krijgen."
+
+"Ware het dan niet beter," zeide Peter, "dat men hen liet
+uithongeren? Het zijn twee onnutte monden meer op het slot."
+
+"Wacht er u wel voor: hun bloed zou van u teruggeëischt worden. Niet
+dan in de hoogste noodzakelijkheid moeten zij opgeofferd worden."
+
+En zonder in verdere opheldering te treden, haastte hij zich weder
+naar zijn gezelschap.
+
+"Ziedaar een juweel van een dienaar," zeide hij, terwijl zij
+nu gezamenlijk den weg op naar Utrecht reden, tegen Reinout: "of
+liever een persoonsverbeelding der dienstbaarheid. Er is geen hond,
+hoe getrouw ook, die zoo volkomen en zonder aarzelen de bevelen zijns
+meesters volbrengen zal. Zoo ik hem gelastte, onzen Heiligen Vader van
+zijn zetel te gaan halen en mij dien, aan handen en voeten gebonden,
+hier te brengen, hij zou het doen ook."
+
+"Is het verknochtheid aan uw huis, of aan uw persoon, welke hem aldus
+doet handelen?" vroeg Reinout.
+
+"Het is mij onbewust. Vraag aan het hondje, dat in huis geboren is,
+waarom het één der huisgenooten bij voorkeur op zijn wandelingen
+vergezelt, het dier zal er u evenveel reden van geven als mijn oude
+Peter. De man was een dienaar mijns vaders; maar van mijn geboorte af
+was hij bij mij. Mijn vader had hem gezegd: 'gij Peter! zult Jonker
+Jan bedienen,' en hij heeft den hem opgedragen last volbracht. Toen
+ik naar Frankrijk vertrok, zeide ik tot hem: 'Peter! gij zult het
+slot Nyenstein gaan bewonen en er niemand op laten, en zorgen dat ik
+het bij mijn terugkomst vinde zooals ik het gelaten heb:'--en Peter
+vertrok naar het slot, en toen ik voor een paar dagen terugkwam,
+vond ik op de trap een handschoen, dien ik er, bij mijn vertrek,
+vier jaren geleden, had laten vallen."
+
+Reinout glimlachte even over dit voorbeeld van nauwkeurigheid:
+maar weldra hernam zijn gelaat een ernstige plooi en reed hij weder
+zwijgend en treurig voor zich heen.
+
+"Ik had verwacht," zeide de Bisschop, "dat gij uw zwarten hengst met
+meer genoegen zoudt hebben teruggevonden na een scheiding van zes
+dagen; maar waarlijk, gij slaat niet meer acht op hem, als ware hij
+de ezel van Barbanera's hansworst."
+
+Reinout zuchtte diep; want inderdaad, zijn hart werd door de
+pijnlijkste aandoeningen gefolterd. Hij had gedurig de beeltenis
+voor zich van zijn wapenbroeder, van den vriend zijner jeugd, van
+dien Deodaat, met wien hij altijd zoo innig verknocht was geweest
+en wiens moordenaar hij geworden was. Hij herdacht die gelukkige en
+kommerlooze dagen, toen zij, eens van zin en ziel, geene gedachten
+voor elkander verborgen, leed en lief te zamen deelden en altijd
+gereed waren elke opoffering voor elkander te doen: toen zij, in spijt
+hunner twijfelachtige geboorte, aan 's Graven hof geëerd en gezien
+waren, de fortuin hun toelachte en de roem hun laurieren bood;--en
+thans! welk een onderscheid!--als een moordenaar zwierf hij rond,
+half overgeleverd aan de genade van een onbekende, wiens inzichten hij
+niet doorgrondde, vervallen uit den eerestaat, waarin hij geplaatst
+was en beladen met den vloek van velen. En met dit al, zoo hevig is
+de macht van een dwazen hartstocht, hij zou zelfs nu nog zijn liefde
+niet hebben willen opofferen om zijn vriend in 't leven terug te
+roepen:--hij zou zijn tegenwoordig ongeluk niet tegen zijn vroeger
+geluk hebben willen ruilen: en hetgeen hem meest folterde was niet
+zoozeer berouw over zijn euveldaad, als spijt over het nuttelooze van
+zijn feit: het was woede over de kloof, die hij zelf tusschen Madzy en
+hem gedolven had: het was bruisend verlangen om haar terug te zien:
+het was heete liefdekoorts, zonder tusschenpoozen, zonder nadenken,
+zonder hoop. O! had hij geweten, dat het voorwerp dier brandende
+drift slechts weinige schreden achter hem, en éénen weg met hem
+uitreed; niets in de wereld had hem teruggehouden om haar uit haar
+draagstoel te lichten en haar met zich te voeren in spijt van alle
+hinderpalen:--en zij, de arme duif, had zij slechts kunnen vermoeden,
+dat de Ridder, wiens gedaante zij nu en dan door de reten der lederen
+gordijnen onderscheidde, de gehate Reinout ware, zij had zich liever
+in den Vechtstroom geworpen, dan een stap verder te gaan.
+
+"Ik beken," zeide eindelijk Reinout tot zijn reisgezel, "dat
+mijn omstandigheden niet van een vroolijken aard zijn; en dat de
+onzekerheid, waarin ik nopens de toekomst verkeer, niet wel in staat
+is mij op te beuren.... dan, gij hadt mij beloofd, mij opheldering
+te geven omtrent uw gedrag jegens mij."
+
+"En belofte maakt schuld, nietwaar?--Welnu! ik beken u openhartig,
+dezen morgen mistrouwde ik u en daarom hield ik u in bewaring: maar
+een onderhoud met Barbanera loste mijn zwarigheden op. Ik schroom
+niet, u mijn vertrouwen te schenken. Gij kent mij reeds als den man,
+aan wiens zaak gij uw arm en uw ervarenis kwaamt aanbieden; maar,
+wat u misschien vreemd zal voorkomen, in plaats van u mijn bescherming
+te schenken, moet ik om de uwe vragen."
+
+"De mijne!" herhaalde Reinout verbaasd: "welke bescherming kunt gij
+van een ongelukkigen zwerver verwachten?"
+
+"Ik zal u zulks verklaren. Staatkundige redenen, wier gewicht u later
+blijken zal, verbieden mij, vooralsnog mijn rang en naam openbaar
+te maken. Ik reken op uwe stilzwijgendheid, en zoo ik u geen eeden
+afverg, is het, omdat ik u tot geen verraad in staat acht. Indien
+ik mij alleen in Utrecht vertoonde, zou ik vermoedens wekken en het
+zou mij spoedig onmogelijk vallen zoo onbekend te blijven als ik
+verlang. Daarom wil ik er slechts als uw schildknaap verschijnen,
+in wien niemand den kerkvoogd vermoeden zal. Mijn broeder Robbert
+heeft een woning besteld voor den Ridder van den Rooden Adelaar:
+die zult gij betrekken: gij zult er meester in zijn; ik zal onder
+uwe vleugelen schuilen."
+
+"En onder wiens vleugelen," vroeg Reinout, "zal onze reisgenoot
+schuilen, die zich in gindschen draagstoel bevindt?"
+
+"Wat die betreft, zij (want het is eene zij) zal een paar vertrekken
+in onze woning bekomen, waar ik begeer, dat niemand, wie hij zijn
+moge, haar kome storen. Wat meer is, ik verlang, dat niemand pogingen
+aanwende om haar te zien, veelmin met haar te spreken."
+
+"Ik versta u: en ik weet, dat het niet geoorloofd is, aan geestelijk
+eigendom te raken."
+
+"De Graaf van Holland is minder nauwgezet," zeide Arkel: "hij zou den
+geheelen Dom in zijn tasch steken zonder er een oogenblik berouw over
+te gevoelen;--maar, nu ik u mijn voornemen heb medegedeeld, verwacht
+ik wederkeerig uw vertrouwen. Ik weet, dat Barbanera u niet slechts
+mijn geheimen heeft medegedeeld; hij heeft u ook openbaringen omtrent
+u zelven gedaan."
+
+"Gij weet ook dit!...."
+
+"Ik weet, dat gij, nog liever dan mij te vergezellen, naar Friesland
+zoudt reizen, indien gij aldaar met zekerheid aan den Heer van Aylva
+bewijzen kondet, dat gij zijn zoon zijt."
+
+"Inderdaad!" zeide Reinout: "doch hij heeft mij een nader bewijs
+beloofd, zoodra...."
+
+"Zoodra gij in staat zoudt wezen, dit met goud te betalen, daarvoor
+ken ik hem genoeg. Ik weet, dat onze kwakzalver zijn waren zoomin
+als zijn valsche geheimen anders dan tegen klinkende munt verkoopt."
+
+"Ik heb," liet Reinout zich ontvallen, "hem bewogen, met mij naar
+Friesland te gaan, zoodra...."
+
+"Zoodra gij mij goedschiks kunt verlaten, nietwaar?.... Zoo! ja! dus
+is uw reis naar Utrecht slechts een voorwendsel om verder te komen:
+en zal ik mij eerstdaags een schildknaap zonder meester bevinden?--Het
+zij zoo! Alleen zult gij nog eenige dagen op uw vriend den kokeler
+moeten wachten; want ik heb hem tot een geheime zending uitgezonden."
+
+Reinout zweeg en beet op de lippen, terwijl Arkel achter zijn
+helmvizier lachte. Wellicht zal men zich verwonderen, dat de Bisschop,
+die zooveel belang stelde op het bondgenootschap der Friezen,
+niet dadelijk aan Reinout de bewijsstukken, welke hij bij zich had,
+terhandstelde en hem naar Friesland afvaardigde; maar, behalve dat
+hij den Ridder noodig had om zijn komst te Utrecht bedekt te houden,
+was hij nog niet overtuigd, of deze zijner wel indachtig zijn zoude,
+wanneer hij in Friesland kwam, en wilde hij den Italiaan wat nader
+doorgronden, eer hij hem een zoo belangrijke zending opdroeg.--Met
+deze bedoeling ging hij aldus voort:
+
+"Er is, geloof ik, nog een andere reden, waarom een reis naar Friesland
+u hoogst aangenaam zijn zou. Men verhaalt, dat, zoo Deodaat viel door
+den dolk van zijn boezemvriend, zulks alleen geschiedde, omdat hij
+wat dieper in de gunst van zekere Madzy Dekama gedrongen was dan den
+anderen aangenaam was."
+
+"Dewijl gij alles weet," zeide Reinout, "waartoe dan deze nuttelooze
+vragen? Ja! ik heb mijn vriend gestraft, omdat hij mij trouweloos
+behandeld, ja, laaghartig verraden had."
+
+"De wijze, waarop gij u gewroken hebt," zeide de Bisschop, "getuigt,
+dat het bloed uwer Italiaansche moeder feller door uw aderen stroomt,
+dan dat van uw Frieschen vader; maar gij hebt het dom aangelegd: ik
+begrijp, dat men iemand uit den weg ruimt, die ons hinderlijk is;
+maar dat men zulks uit loutere wraakzucht doet en zonder er eenig
+nut uit te trekken, dat kan ik .... gij zult mijn vrijpostigheid
+verschoonen .... niet anders dan aan een aanval van zinneloosheid
+toeschrijven.--Wat hebt gij met dien moord gewonnen? Aylva zelf zal
+er u om haten."
+
+Reinout zweeg en zag zuchtend voor zich neder; hij gevoelde de
+juistheid van Arkels gezegde: ofschoon zijn hart gruwde van een
+stelsel, waarbij een moord in koelen bloede meer verschoonbaar gerekend
+werd dan een moord in drift gepleegd.
+
+"Maar één ding moet gij mij nog verhalen," zeide Arkel: "hoe zijt
+gij toch uwe gevangenis ontkomen?"
+
+"Seerp Van Adeelen, wien ik als mijn medeminnaar haatte, toonde zich
+mijn vriend. Hij verschafte mij een dolk. Toen ik nu in den toren van
+het jachthuis zat opgesloten, viel mij een middel ter ontkoming in,
+waar ik vroeger weleens van had hooren gewagen; doch hetgeen ik altijd
+als onmogelijk beschouwde. Het bestaat hierin: men houdt het gevest
+van den dolk met beide handen stijf vast, plaatst de punt tegen den
+buitenmuur en zet zich op het lemmer te paard: dan daalt men af: de
+scherpe punt glijdt den muur langs naar beneden: terwijl de kracht,
+waarmede men den dolk tegen de steenen aandrukt en de zwaarte van het
+lichaam zelf beletten dat hij uitschiet.--Het raam was onvoorzien:
+ik beproefde het: en het gelukte mij boven verwachting."
+
+"Ziedaar een kunstgreep, behendiger dan die van meester Barbanera."
+
+"Van hem gesproken, hoe komt die gelukzoeker aan uwe kennis en aan
+uw vertrouwen?"
+
+"Oho!" zeide Arkel: "mijn nieuwe meester begint zijn gezag al uit te
+oefenen; maar ik zie geene redenen om niet aan uwe nieuwsgierigheid
+te voldoen. De oude gauwdief is te Grenoble, waar hij baardscheerder
+was, in mijn dienst getreden. Ik gaf hem, ruim vier maanden geleden,
+zijn afscheid, omdat ik bemerkte, dat hij mijn belangen minder
+goed behartigde dan de zijne. Toen ik een paar maanden later,
+begreep, dat mijne tegenwoordigheid alhier noodzakelijk was,
+verliet ik Grenoble onder voorwendsel eener reis naar Italië en
+nam mijn weg over Zwitserland en Duitschland. Te Keulen gekomen,
+hoorde ik van een steekspel spreken, dat te Haarlem gehouden stond
+te worden. Terstond was mijn besluit genomen: dit, dacht mij, was een
+heerlijke gelegenheid om onbekend in deze gewesten te verschijnen. Ik
+schafte mij de wapenrusting aan, die gij thans draagt, dankte mijn
+dienaars af, nam in mijnen dienst de beide knapen, die ons vergezellen
+en mij niet kennen, en trok door. Te Nijmegen gekomen, vond ik de
+stad opgepropt met reizigers: ik moest mijn intrek in een slechte
+herberg nemen: daar vond ik Barbanera, die mij terstond herkende. Ik
+begreep zijn stilzwijgen te moeten koopen, en tevens oordeelde ik,
+dat hij, wiens schranderheid ik kende, mij van dienst zoude kunnen
+zijn. Den hansworst had hij in Duitschland opgedaan: van dezen was
+geen ontdekking te vreezen, maar ik vond in hem een geschikten en
+ijverigen bode. Te Leiden werd mijn paard ziek: ik liet het daar met
+mijn wapenen en dienaars, en hield mij bij Haarlem verborgen: den
+dag voor het steekspel kocht ik de paarden, die wij thans berijden,
+van iemand, die zich voor een paardenkooper uit Asperen uitgaf...."
+
+"Van een onbeschaamden dief," zeide Reinout: "die meer van uwe
+zaken schijnt te weten, dan wel dienstig is. Althans hij verhaalde
+gisteravond, dat gij hem voor den dienst des Bisschops geworven hadt."
+
+"Gekheid! hij weet niets!--Ik had spoedig in den neus, dat hij met zijn
+persoon machtig verlegen was: ik zond hem daarom naar mijn broeder
+met een brief in cijferschrift, waarin ik meldde: dat ik te Plaswijk
+antwoord wachtte. Dit bracht mij de knaap gistermiddag. Ondertusschen
+had hij bij de Stichtschen dienst genomen."
+
+"En .... die draagbaar," zeide Reinout: "heeft die u op uwe reizen
+bestendig gevolgd?"
+
+"Neen!" antwoordde Arkel droogjes weg; "die is mij somtijds
+voorgegaan;--maar ik had verzocht, dat daarover niet gesproken zou
+worden. Gij weet nu al wat gij verlangt te weten. Wij zouden onzen
+tred wat kunnen verhaasten."
+
+Onder het uiten dezer woorden, gaf hij zijn paard de sporen: en de
+trein reed op een vluggen draf naar Utrecht voort.
+
+
+
+
+
+VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ O simpele vogels! de listige knippen
+ Bedriegen u schendig door 't veinzende voer.
+ 't Zoet fluitje speelt vrede: 't loos net dekt den vloer
+ Der weiden, waarop gy uw welstand laat glippen.
+
+ Poot.
+
+
+Wij moeten bij den aanvang van dit Hoofdstuk ons bedienen van een
+voorrecht, hetwelk aan samenstellers of uitgevers van dergelijke
+verhalen als het onze nooit is betwist geworden, en onze geschiedenis,
+die tot nu toe den tragen slakkengang is gegaan, een tijdperk van
+zes weken vooruit laten springen. Uit de nieuwe tooneelen, welke
+onzen lezers zullen worden voorgesteld, zal hun genoegzaam blijken,
+wat er in den tusschentijd is voorgevallen met die personages, waarin
+zij belang stellen.
+
+Wij verplaatsen hen dan met ons in een kleine, maar naar den aard
+des tijds met smaak behangen en gemeubileerde kamer, in een huis te
+Utrecht, het uitzicht hebbende over een onbezocht en somber kerkhof,
+en tegen de hooge wallen van het daaraan grenzend klooster. In
+dit vertrek was Madzy Dekama aan een welgewreven eikenhouten tafel
+gezeten, en hield zich met eenig vrouwelijk handwerk bezig. Zij droeg
+thans noch de Friesche kleeding, welke haar vroeger zoo wel stond,
+noch het boerinnenpak, waarin zij van Haarlem gevlucht was; maar een
+eenvoudig morgengewaad, dat het midden hield tusschen de dracht des
+adels en die van de gegoede burgerklasse. Treurige denkbeelden waren
+op haar voorhoofd te lezen en in haar nedergeslagen oogen, wier glans
+door ziels- en lichaamssmarten eenigszins verdoofd schenen: meer dan
+eens bleef hare hand werkeloos op het borduurraam rusten, ontviel de
+naald aan haar blanke en vermagerde vingeren en zakte haar hoofd als in
+somber gepeins op den boezem neder. Op eenigen afstand van haar was een
+burgervrouw van middelbare jaren aan 't spinnewiel gezeten. Zij scheen
+minder stof tot gewichtige overdenkingen te hebben, althans haar tong
+klapte onophoudelijk voort en hield gelijken gang met de snorrende
+draden, die zich door hare handen bewogen. Wat het uiterlijke der
+vrouw betrof, welke aan Madzy tot gezelschap en oppassing gegeven was,
+zoo was haar gestalte verre beneden de middelmatige; maar dit gebrek
+in hoogte werd vergoed door den omvang der ledematen, vooral van het
+hoofd, dat evengoed op de schouders van een Goliath had kunnen prijken,
+te meer, dewijl het met alleszins ruwe mannelijke trekken voorzien was,
+onregelmatig en grimmig van uitdrukking, en de kin en bovenlip zelfs
+met talrijke geelgrijze haren versierd waren. Het was niet zonder
+moeite, dat het den opmerkzamen beschouwer gelukte, in dat groote
+hoofd de oogen te vinden, welke schier geheel verborgen waren tusschen
+de zwaar vooruitstekende wenkbrauwen en het gerimpelde perkament,
+dat zij voor wangen liet doorgaan. Een nieuwsgierig onderzoeker
+had echter, schoon niet dan bij zeer hellen dag, de kleur van het
+rechteroog kunnen bepalen, zijnde vaalgrijs, en de uitdrukking, zijnde
+nagenoeg die eener loerende kat;--want wat het linkeroog betrof, dit
+was sedert jaren gesloten en kon dus al de nasporingen tarten. Van
+onder den ingedrongen neus en de dikke loodkleurige bovenlip, staken
+twee monsterachtige tanden haar ongelijkvormige punten tusschen de
+dikke lippen uit: in één woord, er ontbrak slechts een snuit, en het
+geheele hoofd had zeer goed voor den kop eens olifants kunnen doorgaan.
+
+Alleen het aanhoudend gezelschap van dit vrouwelijk wanschepsel
+ware reeds genoegzaam geweest om bij Madzy, ook indien zij voor
+'t overige geene redenen tot droefgeestigheid had gehad, onlust en
+droefgeestigheid te verwekken, te meer, daar de onderwerpen van haar
+gesprek zelden van de uitgezochtste waren, en haar luim doorgaans
+alles behalve aangenaam was; intusschen moeten wij dit zeggen tot eer
+van Juffer Mechtelt (zooals zij zich noemen liet), dat zij, ook dan
+wanneer zij het meest ontevreden en tot brommen en knorren geneigd
+was, nimmer anders dan de zoetste en vriendelijkste woorden bezigde,
+welke vaak door hun liefelijkheid in een omgekeerde reden stonden
+tot den inhoud van haar gezegde. Tot een staaltje van haar onderhoud
+diene het navolgende gesprek, dat zij met Madzy bezig was te voeren.
+
+"Lief kind!" zeide zij: "hoe gaat het al? hoe ziet ge zoo treurig? vlot
+het werk niet, of hebt ge muizenissen in 't hoofd?"
+
+"Mij dunkt," zeide Madzy, "ik heb weinig reden tot
+opbeuring. Verwijderd van de mijnen, opgesloten in een vreemd huis,
+waar ik met niemand een woord kan wisselen over hetgeen mij naast aan
+'t harte ligt...."
+
+"Met niemand? En wie ben ik dan, hartje? Is Juffer Mechtelt geen vrouw
+van genoegzame ondervinding om vertrouwen te ontvangen en raad te
+geven? Ho! ho! schatje! ik heb zoo menige jongedochter met mijn beetje
+ervaring bijgestaan: en zij hebben zich er altijd wel bij bevonden, dat
+hebben zij. Daar was Betje van de Molenwerf, een onnoozel mulderskind,
+dat een paar bruine kijkers in het hoofd had en verder geen rijkdom;
+maar het schaap liet zich leiden en was zoo handelbaar als een stuk
+was, dat was zij. En is zij door mijn toedoen niet de vrouw geworden
+van den dikken Bartel Bartelsz, den overman van het slachtersgild? en
+wandelt zij niet op elken feestdag zoo dapper met een gelemmerd kleed
+en een huif van Amsterdamsch zwart als de dochter van een banjer
+heer?--En daar is Emmeke, de dochter van Teunis met de Kodde, die
+haar ouders allebei dood waren, dat waren ze; en heb ik haar niet in
+kennis gebracht met de rijksten van Utrecht? en windt ze nu niet den
+ouden Proost van Sint-Salvator om haar duim als een kluw garen? en
+drinkt ze niet uit een zilveren kroes, wat ze lust? dat doet ze. En
+wie anders als ik is oorzaak dat Adriaan van Montfoort zoo verslingerd
+werd op het blonde Femmeke, schoon het maar een arm schepseltje was,
+dat met radijs en biet op de markt zat, dat hij al zijn geld en goed
+aan haar verdaan heeft, en zijn vader hem heeft moeten opsluiten,
+dat heeft hij, wilde hij hem niet kaal geplukt zien als een vink?"
+
+Het scheen, dat de bewijzen, waarmede Mechtelt aan onze heldin zulk
+een hooge gedachte van haar bekwaamheid als raadgeefster meende in te
+boezemen, op deze laatste geenszins de gehoopte uitwerking maakten;
+althans de _Jonkvrouw_ zag haar met een blik van verontwaardiging
+aan en loosde vervolgens een diepen zucht.
+
+"Waarlijk poesje!" vervolgde Mechtelt: "gij bezondigt u, met zoo te
+kijken als een kip op een streep, dat doet gij. Zijt gij niet door
+onzen waardigen meester van den dood gered? En heeft hij u niet,
+toen gij hier aankwaamt met de koorts op 't lijf, doen genezen en
+verzorgen of ge zijn lijfelijke en vleeschelijke zuster waart? en
+mij tot uwe oppassing laten komen, wetende, dat niemand beter dan
+ik de kunst versta, met zieke meisjes om te gaan? Laat hij het u
+wel aan iets ontbreken? En is hij niet bereid, u al te geven wat
+gij verlangt? beproef het eens: vraag hem wat gij wilt, en gij zult
+zien dat het u geworden zal, dat zal het! En dat hij zoo mild is
+als de Graaf van Gelder, die, om zijn duifje genoegen te geven,
+toen zij om een nieuwen kaper vroeg, heel naar Compiegne zond,
+omdat daar de beste kappen gemaakt worden. En hebt ge geen lakens
+van Bourgondisch linnen? En eet ge niet alle dagen goed rundvleesch
+en volop wittebrood? ofschoon er velen hier in de stad zijn, die zich
+alleen met groentestelen en erwteschillen moeten tevreden houden, dat
+moeten zij! en blij zouden wezen, indien zij een stuk hondevleesch
+vonden, nu alles zoo peperduur is met dat satansche beleg, dat men
+een goudstuk voor een gestopten beuling geeft, dat doet men!"
+
+"Dat moet niet zijn," zeide Madzy, bewogen door de schilderij, welke
+Mechtelt van den toestand maakte, waarin de burgerij van Utrecht
+verkeerde, en welke inderdaad niet vergroot was: "dat mag zoo niet
+blijven. Ik wil geen overvloed, wanneer om ons heen ellende en honger
+worden geleden. Mijn disch moet voortaan eenvoudig en zelfs schraal
+zijn. Ik zal hierover met onzen gastheer spreken."
+
+"Wat een dwaasheid, engeltje!" riep Mechtelt, vervaard en verontrust
+door het gezegde van Madzy, en in haar verbeelding reeds al de
+lekkernijen, welke zij met haar deelde, ziende verdwijnen en plaats
+maken voor den soberen pot der arme burgerij: "ik hoop, dat gij wijzer
+zult zijn: denk toch, dat gij pas ziek geweest zijt en gezond voedsel
+noodig hebt, dat hebje! Pas begint er weer een blos op de koontjes
+te komen en gij zoudt uw best doen om hun die aschmanskleur terug te
+bezorgen, die zij hadden toen ik u 't eerst zag."
+
+"En gij zoudt verlangen," zeide Madzy, "dat die blos op mijn wangen
+gekocht werd door de bleekheid op die van anderen? O God! ik zal
+geen stuk meer kunnen eten, nu ik verneem, dat elk stuk van achten,
+hetwelk voor mijne tafel wordt uitgegeven, het onderhoud van een
+lijdend huisgezin had kunnen verzekeren."
+
+"Nu! ik mag het lijden," zeide Mechtelt: "maar gij krijgt het van
+onzen Heer niet gedaan, boutje! hij is een mild en edel meester,
+dat is hij! die niet wil, dat iemand in zijn huis gebrek lijde."
+
+"Hij is edelmoedig, al te edelmoedig zelfs," zeide Madzy; "maar ik
+wil hem niet langer tot last verstrekken. Het is tijd, dat ik dit
+huis verlate. Nog heden wil ik hem mijn besluit mededeelen."
+
+"Dit huis verlaten!" herhaalde Mechtelt, die bleek ware geworden
+indien de grauwe tint van haar gelaat voor eenige verandering ware
+vatbaar geweest: "heden mijn tijd, engeltje! hoe komt gij aan die dwaze
+gedachte? En waar zou een schoon kind als gij tegenwoordig heen? Wij
+zitten hier in Utrecht zoo nauw opgesloten als een pruimepit binnen
+de vrucht, dat doen wij! en waarachtig! al de meisjes hier in de
+stad zouden een waskaars aan de Heilige Maagd branden, indien zij
+zoo gelukkig waren als gij, dat zouden zij! en zij zouden er duim
+en vinger voor likken, om onder bescherming van een zoo mild Heer
+te komen; en gij zoudt hem verlaten en u noodeloos blootstellen? hij
+zou het nooit dulden."
+
+"Hoe!" zeide Madzy, verwonderd en verontrust: "Nooit dulden! wat meenen
+deze woorden? Ik veronderstel toch, dat ik mijn eigene meesteresse
+ben en hier niet langer zal behoeven te blijven dan mij goeddunkt."
+
+De lippen van Mechtelt vertrokken zich bij dit gezegde tot iets,
+dat een glimlach beteekenen moest: "och mijn hartje!" zeide zij:
+"gij kunt er niets van meenen. Daar was Klaartje van den Abeele:
+die was door den Jonker van Gaesbeek van de Tielermarkt afgetroond,
+en mede naar zijn slot gevoerd: die sprak al zoo bout als gij,
+dat sprak zij; en wel mocht zij het doen; want zij had een aardig
+penningske aan geld en een schoone erfenis van haar moei te wachten
+en was bovendien van goeden huize, zijnde een nicht van den Heer van
+Mynden, ofschoon een beetje van de linkerhand, dat 's waar;--maar
+er was geen week verloopen, of zij schikte zich in haar toestand: en
+vroolijk heeft zij met den Jonker huisgehouden, en hem zes kinderen
+als wolken geschonken, dat heeft zij: en de oudste er van neemt nu
+het huishouden waar van den Pastoor te Jutfaas, dien vromen man,
+die haar met de pen opvoedt, dat doet hij."
+
+"Vrouw!" riep Madzy uit, terwijl zij met ontsteltenis oprees (want het
+onvoorzichtig gesnap der vuige koppelaarster had bij haar vermoedens
+gesterkt, welke, ja, nu en dan bij haar waren opgerezen, maar die haar
+onschuldig en argeloos hart haar altijd verborgen had): "Vrouw! wat
+bedoelt gij met dat alles? wat heeft men met mij voor? Ik blijf geen
+dag langer in dit huis. Ziedaar!" vervolgde zij, een gouden doekspeld
+op de tafel leggende; want zij vreesde zich te verontreinigen, indien
+zij die Mechtelt in handen gaf: "neem dit tot belooning der diensten,
+die gij mij in mijne ziekte bewezen hebt: ik ga het eerste klooster
+het beste zoeken en mij onder de bescherming stellen der abdis.--Van
+daar zal ik mijn dank aan uw meester doen toekomen."
+
+Onder het uiten dezer woorden had zij zich naar de deur begeven; maar
+Mechtelt was, na haar met een verbaasd oog te hebben aangestaard en
+de doekspeld op haar mouw te hebben gestoken, naar de deur gewipt,
+waar zij Madzy met haar kromme dikke vingers bij de kleeren greep.
+
+"Zacht wat! zacht wat! lief engeltje!" riep zij: "men gaat hier zoo
+niet uit zonder de toestemming des meesters. Ik ben bij u gekomen als
+waakster: en ik zal u bewaken, lief dotje! dat zal ik.--En schreeuw
+maar niet, hartje! het zou u toch niet helpen, och heden neen!"
+
+In dit oogenblik werd de deur eensklaps van buiten geopend en Arkel
+trad binnen. Beide de vrouwen traden op zijn verschijning onthutst
+terug: Mechtelt, omdat zij vreesde, dat hij haar handelwijze haar
+kwalijk mocht afnemen, en dat zij niet gaarne een plaats verliezen
+zoude, waar zij goed loon en goed eten kreeg:--en Madzy, omdat zij op
+een oogenblik verrast werd, waarin het den schijn had, als ware zij
+handgemeen met haar bewaakster, een bezigheid, weinig overeenkomstig
+met haar stand en geboorte.
+
+"Hoe nu!" zeide Arkel, terwijl hij verbaasd staan bleef: "de wangen
+van onze lieve zieke gloeien, alsof zij van nieuw af de koorts had
+gekregen! En het oog van Juffer Mechtelt flikkert als een nachtlamp
+die uitgaat! Heeft hier een twist plaats gehad? Ik wil niet hopen,
+Freule, dat deze vrouw zich onbetamelijk tegen u gedragen heeft. Bij
+Sint-Maarten! zij had minder gewaagd met de Domkerk in brand te steken,
+dan met u de minste beleediging aan te doen."
+
+"Wie zou zulk een lief schepseltje beleedigen?" zeide Mechtelt:
+"Lieve Maagd! ik dacht dat alles voor het beste ware, dat dacht
+ik. Maar dat engeltje wilde zonder afscheid heen wandelen, dat wou ze:
+en daar ik betaald worde om haar te bewaken, zoo dacht ik geen kwaad
+te doen met haar te wederhouden, dat dacht ik."
+
+"Gij dacht als een oude zottin," zeide Arkel, haar verstoord aanziende:
+"is het hier een gevangenis? en is de Jonkvrouw niet vrij te gaan
+waar zij heen wil?--Alleen smart het mij," voegde hij er bij, terwijl
+hij Madzy met een minzamen, eenigszins weemoedigen blik aanzag,
+"dat gij zoudt hebben kunnen besluiten te vertrekken, zonder mij
+vergund te hebben, afscheid van u te nemen."
+
+Madzy bloosde en zag voor zich; want, hoewel zij geen berouw gevoelde
+over haar poging om het huis te verlaten, zoo zag zij zelve in, dat
+deze handelwijs den schijn had van ondankbaarheid tegen haar gastheer:
+en zij was vrouw genoeg om gegriefd te worden door het verwijt, dat
+in zijne woorden lag opgesloten. Zij weigerde dan ook de hand niet,
+haar aangeboden door Arkel, die, radende wat in haar ziel omging, zich
+innerlijk gelukwenschte met eene omstandigheid, die haar eenigszins
+jegens hem in 't ongelijk stelde: en zij liet zich zwijgend door hem
+terugleiden naar de zitplaats, welke zij verlaten had.
+
+"Vertrek!" zeide Arkel tegen de oude vrouw: "en beef, indien ik ooit
+weder bemerk dat gij uw plicht te buiten gaat, of de achting uit het
+oog verliest, die gij aan deze Jonkvrouw verschuldigd zijt."
+
+Madzy zag verlegen op en was zelfs op het punt om de waakster terug
+te roepen; want sedert haar komst te Utrecht had zij haar gastheer
+nooit anders als in tegenwoordigheid van Mechtelt ontvangen: en hoe
+verachtelijk dit schepsel ook ware, haar bijzijn gaf echter eenigen
+meerderen schijn van welvoeglijkheid aan zijn bezoeken: maar de
+afschuw, welke de taal, zooeven uit haar mond vernomen, in de reine
+ziel der Jonkvrouw verwekt had, was oorzaak, dat deze haar voornemen
+varen liet en zelfs zich verlicht voelde in haar afwezigheid.
+
+Arkel had intusschen een zetel genomen en zich over Madzy aan de tafel
+gezet. Er verliepen eenige oogenblikken eer hij begon te spreken. Er
+was een kommervolle gedachte op zijn gelaat te lezen: en zijn anders
+zoo levendige oogen stonden strak op den grond gevestigd. Zijn somber
+wezen en afgetrokken houding leverden een zonderlinge tegenstrijdigheid
+op met zijn gewaad, hetwelk zwierig en smaakvol was, en wel geschikt,
+om zijn natuurlijke begaafdheden te doen uitkomen. Sierlijk golfden
+zijn lokken van onder uit de muts van Gentsen scharlaken, die
+met bevallige plooien over de eene zijde afhing. Een overrok van
+dezelfde rijke stoffage, met loshangende mouwen, en door een gordel
+om 't lijf gesloten, liet een wit zijden buis zien, met zilverdraad
+doorweven: terwijl de blanke hozen in roode laarsjes staken, wier
+punt en opslagen met zilveren kwastjes waren voorzien. In 't kort,
+hij geleek meer op een hoveling, die bij een schoone zijn hof komt
+maken, dan op den geheimen inwoner eener belegerde stad.
+
+"Het is dan waar," zeide hij eindelijk met een diepen zucht, "gij
+hadt het besluit gevormd, iemand, die u tot nog toe slechts blijken
+van eerbied en welmeenendheid gegeven heeft, zonder afscheid, zonder
+waarschuwing, te verlaten?"
+
+"Ridder!" zeide zij, hem met een vrijen, openen blik in 't aangezicht
+ziende: "het wordt eindelijk tijd, ronduit te spreken. Ik ben
+slechts een jong, onervaren meisje, door een droevigen samenloop
+van omstandigheden onder vreemden gebracht: en ik ben niet in de
+zeden, gewoonten en spreekwijzen van dit land bedreven: maar ik
+spreek slecht en recht, gelijk het mijn landaard eigen is: ik zal
+dan ook geen schoone woorden zoeken; maar mij uitdrukken zooals ik
+het meen.--Wel dan:--ik heb in uwe woning gastvrijheid genoten, en ik
+ben er u dankbaar voor. Maar ik ken u niet: ik weet niets van uw rang
+en stand: ik weet niet, of gij gehuwd of ongehuwd zijt:--dit alleen
+is zeker, dat het mij niet betaamt, langer onder uw dak te blijven:
+en gij zelf zult beter gevoelen dan ik het voegzaam uit kan drukken,
+dat ik, verwijderd van de mijnen, een andere bescherming behoef dan
+die, welke gij mij verleenen kunt."
+
+"Ik heb vermeend," zeide Arkel, "de welvoeglijkheid in acht te nemen,
+door u het gezelschap eener bejaarde vrouw te verschaffen. Het smart
+mij, dat zij die taak onwaardig schijnt te zijn en dat ik mij in de
+keuze bedrogen heb."
+
+"Hebt gij u waarlijk in de keuze bedrogen?" vroeg Madzy, hem scherp
+aanziende: "dan zijt gij wel ongelukkig geweest; want uit den inhoud
+van hare woorden, die ik mij schamen zou te herhalen, had ik bijna
+opgemaakt, dat zij niet zonder oogmerk bij mij was geplaatst....;
+maar wij zullen dat daarlaten. Toen gij mij voorsteldet uw slot onder
+uw geleide te verlaten, deed ik zulks alleen, omdat ik op uw belofte
+rekende van mij weer bij de mijnen te voeren. Dit heeft geene plaats
+gehad. In hoeverre het niet nakomen van uw woord alleen belet zij
+geworden door mijn ziekte en het daarop gevolgd beleg, zullen wij
+liefst niet onderzoeken. Maar thans ben ik hersteld en ik verlang een
+voegzamer verblijf. Reeds gedurende mijn ziekte heb ik meermalen den
+wensch geuit, om naar een klooster vervoerd te worden:--het is mij
+steeds geweigerd uithoofde van zwakte.... het zij zoo!--die reden
+bestaat thans niet meer."
+
+"En de gedachte is niet eenmaal bij u opgerezen, dat gij, door dit huis
+te verlaten, den ongelukkigen bewoner daarvan alles zoudt ontrooven,
+wat hem het leven draaglijk maakt?"
+
+"Hoe!" riep Madzy uit, verschrikt van haar vrees zoo spoedig
+verwezenlijkt te zien.
+
+"Ja, bekoorlijke Madzy!" zeide Arkel, zich voor haar nederwerpende: "ik
+zeg niet te veel: met u verlies ik al mijn geluk op aarde. Hoe! heeft
+al mijn zorg voor uw welzijn, al mijn streven om uw toestand te
+veraangenamen, om uwe wenschen te bevredigen, hebben mijn zuchten, de
+tranen, mij soms in uw bijzijn ontvallen, nog niet genoeg gesproken? en
+moet mijn mond er nog de betuiging bijvoegen, dat ik u onuitsprekelijk
+bemin? Zie dezen arm," vervolgde hij, zijn linkermouw opstroopende en
+het verband toonende, dat om den arm geslagen was: "heden werd hij in
+den strijd gekwetst: en ik zegende den pijl, die mij wondde: want mij
+verheugde de gedachte: Madzy zal weten, dat ik haar vijanden bestreden
+heb. Neen Madzy! neen, gij zult niet onbarmhartig en onverbiddelijk
+wezen: gij zult mij niet verlaten, mij, die u zoo teeder liefheb,
+om u te gaan blootstellen aan de onzekere kansen van een zwervend
+leven. O! wend uw gelaat niet af! zie niet toornig! laat ik in uw
+oogen een enkelen blik van deernis lezen voor zooveel liefde."
+
+Neen! het was geen blik van deernis; het was een blik van diepe
+verontwaardiging, welken Madzy vestigde op den man, dien zij aan hare
+voeten zag.
+
+"Gij hebt schandelijk en onridderlijk met mij gehandeld," zeide zij:
+"gij hebt mij met valsche beloften misleid om mij in uwe macht te
+houden: en ik ben dwaas genoeg geweest om geloof aan uwe betuigingen
+te hechten. Laat mij van hier gaan: gij hebt geen recht om mij mijns
+ondanks terug te houden."
+
+"En wat is dan mijn misdaad geweest?" vroeg Arkel: "is het mij te
+wijten, zoo de omstandigheden hebben te zamen gewerkt om uw verblijf
+in dit huis te verlengen? Ik beken, ja, dat ik dit gunstig toeval
+gezegend heb, dat ik, toen elke blik, dien ik op u sloeg, elk woord,
+dat ik uit uwen mond hoorde, mij eene nieuwe voortreffelijkheid
+in u ontdekken deed, den hemel gesmeekt heb, om het tijdstip nog
+verre te verlengen, waarin gij van scheiden zoudt gewagen, ja, zoo
+'t zijn kon, het voor eeuwig te verschuiven.--Is dat een misdaad, u
+te beminnen? ja! dan ben ik de grootste misdadiger onder den hemel;
+want mijn liefde voor u is sterker, dan ik die uit kan drukken. En
+waarom zoude u die liefde vertoornen? Ben ik dan zoo onwaardig, u te
+verdienen? Gij zelve, gij hebt u kunnen overtuigen, dat ik als Ridder
+de wapens weet te voeren: om u alleen heb ik gestreden tegen dien
+trotschen Graaf, die u vervolgde! en zoovele wakkere oorlogslieden,
+voor deze muren gevallen, kunnen tot getuige strekken of uwe zaak
+mij ter harte is gegaan. Wat mijn adel betreft: er is geen huis, ook
+dat des Graven niet, dat zich op een hoogere en schoonere afkomst
+beroemen kan: o! versmaad mij niet: niemand is meer in staat dan
+ik, u een gewenscht en heerlijk lot te doen verwerven. Wat kan u
+dat Friesland, waaraan gij zoo gehecht schijnt, anders beloven,
+dan treurige, eentonige dagen, in verveling doorgebracht op een
+koude, vochtige stins, waar uw oog niets ontwaart dan een weide,
+een korenveld en een meertje: waar gij geen ander gezelschap vindt,
+dan boeren, wier taal geen schepsel kan verstaan, en edellieden,
+nog lomper en onverdraaglijker dan uw boeren. Maar aan mijne zijde
+zullen uwe dagen vroolijk en blijde daarheen vlieten: al de vermaken,
+al de weelde, die de wereld ons aanbiedt, zullen u worden toegevoerd:
+geen wensch zult gij kunnen vormen, die niet terstond zal verhoord
+worden. De keur van de schatten, welke de aarde ons aanbiedt, al
+de genoegens, welke het leven veraangenamen, al de pracht, welke
+het maagdenhart kan streelen, zal ik aan uwe voeten brengen: niets
+zal mij te kostbaar, te moeilijk vallen, om uw geluk te bevorderen:
+en ik zal mij heilrijk noemen, indien nu en dan slechts een enkele
+blik van tevredenheid mijne pogingen beloont."
+
+"Ridder!" zeide Madzy: "indien ik in vrijheid ware en in 't midden
+van de mijnen, en gij kwaamt dan mijn hand en mijn liefde vragen,
+dan zou ik u doen hooren, hoe ik over uwe voorstellen dacht. Thans
+moet ik die alleen met stilzwijgen beantwoorden. De vogelaar kan
+het onnoozele vinkje in 't kooitje sluiten of den kop inknijpen;
+maar hij vergt niet van het arme dier, dat het vrijwillig in zijn
+kerker blijve, of het rondfladderen aan de koord boven het genot van
+Gods vrije lucht verkieze."
+
+"Moet ik," vroeg Arkel, "uit uwe woorden zelven, niet afleiden, dat
+ik als de vogelaar moet handelen en u als het eigendom beschouwen,
+dat mij een gelukkig toeval in handen heeft gespeeld?"
+
+"Neen!" zeide Madzy, ontsteld: "zoo laag zult gij niet handelen. Zoo
+er nog een sprank van eer in uw boezem overblijft, laat mij dan van
+hier vertrekken."
+
+"En waar zoudt gij heengaan? het leger des Graven sluit onze muren in:
+vruchteloos deedt gij een poging om te ontkomen. Gij zoudt in zijn
+handen vallen, en Rijnsburg zag u weldra binnen zijn muren."
+
+"Liever mijn leven in Rijnsburg, dan een dag langer in dit huis
+gebleven;--maar uw zwarigheid wegens de macht des Graven is ijdel. Ik
+zal hier in Utrecht nog wel een schuilplaats vinden."
+
+"Beproef het eens," zeide Arkel met een boozen glimlach, "bel slechts
+aan de poort van het eerste klooster het beste. O! de geestelijke
+zusters zullen u met opene armen ontvangen, wanneer zij vernemen,
+dat gij zes weken hebt doorgebracht in de woning van een wakker jong
+Ridder, zonder ander gezelschap dan de eerzame Mechtelt Dirksdochter."
+
+Al het bloed van het onschuldige meisje vloeide naar haar hart
+terug op het hooren van deze taal; want zij voelde er al te wel de
+juistheid, de vreeselijke waarheid van: het denkbeeld, dat haar goede
+naam op een zoo schandelijke wijze was blootgesteld aan verdenking, ja
+wellicht onherstelbaar verloren, was voor haar geschokt zenuwgestel te
+schrikkelijk om verduurd te worden. Zij zonk in haar stoel, bedekte
+zich het gelaat met beide handen en smolt in tranen weg.
+
+"Ween niet, beminde vrouw!" zeide Arkel, wiens hart niet boosaardig
+genoeg was om haar diepe droefheid onbewogen aan te zien: "ween niet:
+mijne liefde voor u zal alles vergoeden. Een woord uit uwen mond: en
+geene kwellingen zullen u langer het leven vergallen; maar ziet dit
+wel in: gij zelve zijt voortaan alleen meesteres van uw lot. Verlaat
+deze woning, en gij zult door laster uw goeden naam zien bezwalken:
+gij zult tot een voorwerp van spot en minachting verstrekken aan de
+zoodanigen, die niet waardig zijn uwe schoenriemen los te binden;--doch
+blijf bij mij, en macht en aanzien zullen uw deel zijn en gij zult
+onder uw voeten vertreden al wie de stoutheid heeft om u slechts een
+norsch gelaat te toonen."
+
+"Neen!" snikte Madzy: "zulk een afschuwelijke boosheid heeft nooit
+bestaan. Verfoeilijk mensch!" vervolgde zij, hem met ijzing aanziende:
+"wie zijt gij?"
+
+"Wie ik ben," antwoordde Arkel, "zal misschien de toekomst
+ontsluieren. Wie ik ben, is nog een raadsel voor den blinden hoop;
+maar dit kan ik u zeggen, dat het slechts van mij afhangt, met de
+voornaamsten in 's Graven leger gelijk te staan, ja boven hen den
+voorrang te bekleeden: dat één woord van mijnen mond het beleg kan
+doen opbreken, den oorlog eindigen en aan deze stad de rust hergeven."
+
+"Elk uwer woorden," zeide Madzy, zich van hem afwendende, "maakt u
+nog gruwzamer in mijne oogen. Eén woord van u kan den oorlog doen
+eindigen!--en gij zwijgt? Bezigt gij uwe macht dan als Satan, alleen
+om kwaad te doen?"
+
+"Neen meisje!" zeide de Bisschop: "in welk ongunstig daglicht gij mijne
+handelingen ook verkiest te zien, mijn doel omtrent dit gewest was
+edel en groot. Ik heb wellicht in de middelen gefaald; maar zoolang
+mij dit niet gebleken is, moet ik op het ingeslagen spoor blijven
+voortwandelen. Wat u betreft, tracht, ik smeek er u om, de kalmte te
+hervinden en overweeg bedaard hetgeen ik u gezegd heb. Vrees niet,
+dat ik mijn macht over u misbruiken zal. Ik zou mij schamen, van met
+geweld te verkrijgen, hetgeen ik alleen aan de overtuiging en, kan
+'t zijn, aan de liefde wil dank weten."
+
+"Geen nadenken, geene overweging," zeide Madzy, terwijl zij haar oogen
+afdroogde en met waardigheid oprees, "zijn in staat, eenige verandering
+in mijn besluit teweeg te brengen. Gij hebt mij nog sterker dan te
+voren doen gevoelen, dat mijn verblijf alhier onbetamelijk is: en al
+moest mijn vertrek mij aan schande blootstellen, het zal mij lichter
+vallen, onverdiend de beschuldiging van anderen te dragen, dan die,
+welke ik mij zelve doen zou door te blijven. Het bewustzijn van de
+zuiverheid mijner bedoelingen zal mijn troost zijn, indien de laster
+mij beticht; maar eeuwig naberouw ware mijn deel, zoo ik thans, nu ik
+uwe bedoelingen verstaan heb, aan uwe hoop door mijne tegenwoordigheid
+een zweem van grond gave. Bijaldien gij mij dus hier wilt houden,
+zal de trotsche Ridder, die zoo prat is op zijn adel en zijn macht,
+tegen het arme meisje, dat geene wapenen heeft dan hare onschuld en
+hare tranen, geweld moeten gebruiken."
+
+"Dat zal onnoodig zijn," zeide Arkel, het onrustig gevoel, dat zich
+van hem, in weerwil zijner hardvochtigheid, meester begon te maken,
+achter een bitteren lach verbergende: "zoo uw meisjesarm sterk genoeg
+is om door eiken deuren en ijzeren tralies heen te breken, is het
+u vergund van hier te gaan. Tot dien tijd zult gij moeten leeren,
+u aan uw kerker te gewennen."
+
+"Welaan!" zeide Madzy: "er blijft mij een middel over om mij aan uw
+dwang te onttrekken: en gij zult het genoegen hebben nog een offer
+te voegen bij al diegene, waarmede gij deze rampzalige stad hebt
+opgevuld. Ik zal geen stuk brood meer eten:--dan voor 't minst zal
+mij de dood van uw dwang bevrijden."
+
+"Madzy!" zeide Arkel, ontzet over de wending, welke het onderhoud
+begon te nemen: "o! spreek zoo niet!.... zoo gij wist....; maar neen;
+ik mag niet spreken."
+
+"Voleind," zeide zij: "onderdruk de eerste edelmoedige gedachte niet,
+die in uwe ziel komt opgerezen."
+
+"Helaas!" hernam hij, "zoo gij wist, waartoe mij het lot veroordeelt,
+gij zoudt deernis met mij gevoelen. Een stalen, een onverbiddelijke wet
+verbiedt mij jegens u te handelen gelijk ik zoo gaarne wilde, verbiedt
+mij voor het aangezicht der wereld te zeggen: ik bemin Madzy Dekama
+en zoek haar tot gade. En nu dit hart mij mijns ondanks dwingt u te
+beminnen, moogt gij slechts daarvan kennis dragen en moet ik hard tegen
+u zijn, omdat het oogenblik, dat u aan mijne macht ontrooft, mij meteen
+alle hoop voor de toekomst ontneemt. Mijn woorden schijnen u raadsels
+toe;--welaan! ik zal duidelijker spreken,--Madzy Dekama! ik ben...."
+
+Hier deed zich op eens een stem hooren, welke op luiden toon om den
+schildknaap Otto riep. Zoodra de Bisschop dit geluid vernam, zweeg hij
+eensklaps, sloeg zich voor 't hoofd en snelde de deur uit, welke hij
+echter niet vergat met voorzichtigheid weder achter zich te sluiten;
+waarna hij zich naar den kant begaf, van waar het geroep gekomen was.
+
+Madzy bleef dus weder aan haar zelve overgelaten, en, gelijk men
+denken kan, ter prooi aan de droevigste gepeinzen. O! hoe betreurde
+zij opnieuw den dag, toen zij voor 't eerst het land van haar
+geboorte verlaten had. Hoe suisde haar, gelijk een kwellende geest,
+die voorspelling in de ooren, welke aan de Roos van Dekama zooveel
+leeds toezeide, indien zij de zee overtrok. Twee gedeelten dier
+voorspelling waren reeds uitgekomen: zij had vleiers en minnaars
+gevonden: en zij was in een beangsten toestand gebracht. Zou het
+derde deel ook eens uitkomen? Ach! vruchteloos scheen het haar toe,
+zich met een ijdele hoop te vleien; want de terugkeer van haar
+voorspoed was aan een voorwaarde verbonden, wier zin duister, wier
+vervulling bijna onmogelijk scheen; want van welken vorst kon het
+orakel spreken? en wiens buit kon in de tegenwoordige omstandigheden
+de roof der Friezen worden?
+
+Zij zocht nu haar toevlucht bij Hem, buiten Wiens wil geen musch
+ter aarde en geen haar van het hoofd valt, en smeekte Hem, ook haar,
+in den pijnlijken toestand, waarin zij zich bevond, niet te willen
+verlaten. Haar gebed was lang en innig; en meer dan eens werd het door
+heete tranen afgebroken;--maar, toen zij weder oprees, gevoelde zij
+zich gesterkt en opgebeurd, en met een kalm gelaat besloot zij naar
+lot te verwachten. Het duurde niet lang of haar moed werd opnieuw op
+de proef gesteld, want zij hoorde iemand, die met rassche schreden
+haar vertrek genaken kwam. Een onwillekeurige trilling beving haar:
+zij vermande zich echter en rees op. De deur ging open:--maar wie
+schildert haar verbazing, haar opgetogenheid, toen zij, in de plaats
+van haar gevreesden vervolger, Aylva's dienaar, den getrouwen Feiko
+voor zich zag.
+
+Hoe deze in zulk een gepast oogenblik verscheen, zullen wij in het
+volgende hoofdstuk ophelderen.
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Il faut suivre Cassandre ou choisir Antigone.
+
+ Voltaire. Olympie.
+
+
+Toen Arkel zich uit het vertrek van Madzy verwijderd had, was hij
+naar den kant gegaan, waar het geroep vandaan was gekomen en waar hij
+spoedig Reinout vond, die, altijd onder de aangenomene wapenrusting
+van den Ridder des Rooden Adelaars, bezig was met hem overal te zoeken.
+
+"Gij hebt welgedaan van te komen, Otto!" zeide hij met een luide stem:
+"ik zou u bijna reeds zijn gaan opzoeken in de verbodene vertrekken,"
+voegde hij er zachtjes bij.
+
+"Wat is er gebeurd?" vroeg Arkel, haastig met hem in een zijvertrek
+gaande: "is de vijand in de stad?"
+
+"Neen!" zeide Reinout, wiens gelaat van angst en toorn scheen te
+gloeien: "maar ik wilde u het vertrek doen verlaten, waar gij u in
+bevondt, en waar ik niet binnen mocht komen, zonder mijn belofte
+te schenden."
+
+"Wat is er dan zoo dringends?" vroeg de Bisschop, die reeds in een
+kwade luim gebracht was door den slechten uitslag van zijn bezoek
+bij Madzy, en bij wien deze woorden van Reinout weinig geschikt waren
+een betere stemming te doen ontstaan.
+
+"Bisschop van Utrecht!" zeide Reinout, hem met fonkelende oogen
+aanziende: "wie is het meisje, dat gij daar in de gindsche kamer
+houdt opgesloten?"
+
+"Stil! stil toch!" zeide Arkel, zich verbijtende: "gij weet immers,
+dat ik slechts uw schildknaap ben."
+
+"Geef antwoord!" hernam de woedende jongeling, "of ik ga uw naam
+overluid op de markt schreeuwen."
+
+"Dat ware vrij ondankbaar van uwentwege," zeide Arkel: "maar herinner
+u, dat gij mij uw woord gegeven hebt van geen onderzoek te doen naar
+hetgeen gij thans begeert te weten."
+
+"Ik herinner mij niets van dien aard," zeide Reinout: "integendeel weet
+ik zeer wel, dat ik u alleen beloofd heb, niet in de verboden kamer
+te komen en dat gij verder geen eeden van mij gevergd hebt; ik zou
+uwe geheimenis geëerbiedigd hebben, indien mij met een toeval zooeven
+had doen ontdekken, hoe schandelijk ik door u beleedigd ben geworden."
+
+"Beleedigd! door mij!" herhaalde Arkel: "en wat hebt gij dan vernomen?"
+
+"Ik heb zooeven dat oude wijf ontmoet, hetwelk gij tot de oppassing,
+zoo 't heet, der zieke deerne had aangenomen, ik hoorde haar mompelen:
+zij vloekte op u; zij beklaagde zich dat gij haar had toegegrauwd,
+en dat zij meer last had van eene zotte Friezin, dan van al de mooie
+meisjes, die zij ooit onder haar bewaring had gehad:--ik weet niet,
+welk vreeselijk vermoeden mij beving; maar ik ondervroeg haar: en de
+overtuiging, die ik verkregen heb, is, dat die Friezin niemand anders
+is dan de door mij altijd aangebeden Madzy Dekama."
+
+"Ik zal die vervloekte koppelaarster laten geeselen," zeide Arkel,
+met de vuist op de tafel slaande.
+
+"Gij kendet mijne liefde voor dat meisje," vervolgde Reinout:
+"en niettemin zocht gij haar aan uw schendigen lust op te offeren?"
+
+"Ho! dat gaat te ver!" zeide Arkel: "ik had, dunkt mij, evenveel
+recht als gij, om haar mijn hof te maken."
+
+"Maar gij hebt vergeten," ging Reinout voort, "dat gij mij door die
+handelingen hoondet: dat ik uw geheim in mijne macht heb: dat, eer
+de avond daalt, gansch Utrecht en het geheele leger des Graven weten
+kunnen, hetgeen gij zoo gaarne zoudt willen verbergen!"
+
+"Welaan!" zeide Arkel, met bitterheid: "het moge ontdekt worden:
+ik heb mij over geen sluipmoord te schamen."
+
+"Neen!" hernam Reinout: "maar een geestelijke, die de wapens voert,
+is door die daad zelve vervallen van zijn waardigheid."
+
+Arkel zweeg en ging met groote stappen het vertrek op en neder,
+terwijl zijn hoofd vervuld was met onaangename gedachten. Wat
+baatten hem nu al zijn fijn gesponnen listen? wat de vernuftige
+wijze, waarop hij Madzy in zijn geweld had weten te houden en zich
+van Reinout tot zijn belang bedienen? Hij werd (en voor 't eerst van
+zijn leven) door een folterenden hartstocht gekweld, waar hij alleen
+verstrooiing gezocht had: hij had met beschaamde kaken gestaan voor
+het eenvoudige meisje, waarop hij zich gevleid had een gemakkelijke
+zegepraal te zullen behalen: en hij zag zich in de macht van een man,
+wien hij slechts als een werktuig zijner hooge plannen beschouwde. Het
+was hem evenals degene, die een bergstroom over zijn landgoed heeft
+afgeleid, met de hoop van de wateren tot voordeel van zijn plantsoen
+en landerijen te zullen gebruiken, en die integendeel het nat boven
+peil ziet wassen en alle moeite moet aanwenden om niet zijn oogst
+onherstelbaar bedorven te zien. Maar zoodra Arkel eens zooverre
+gekomen was, dat hij een recht begrip gekregen had van het netelige
+en hachelijke zijns toestands, riep hij zijn vindingrijken geest te
+hulp: en deze begaf hem ook nu niet: weldra was bij hem het besluit
+vastgesteld om aan den storm, hoe geweldig die hem ook tegenwoei,
+een mannelijken weerstand te bieden. Hij besefte intusschen, dat
+hem zulks niet zoude kunnen gelukken, dan ten koste zijner meest
+geliefkoosde uitzichten; maar gelijk de schipper, die een rijke lading
+overboord werpt om zijn schip te behouden, zoo aarzelde hij niet, om
+de streelende hoop op het bezit der schoone Friezin te laten varen,
+zoo hij door die opoffering zijn eer en waardigheid voor schipbreuk
+behouden kon. Eerst echter trachtte hij nog eene poging te doen.
+
+"Reinout!" zeide hij: "ik belach uw ijdel geklap. De laatste
+uitval is voorspoedig geweest: Graaf Willem is gekwetst in zijn
+tent teruggevoerd: de verslagenheid heerscht onder de Hollandsche
+benden. Nooit kon ik gunstiger tijdstip vinden om mij aan mijn brave
+Utrechtenaren bekend te maken: om, sterk door de algemeene stem,
+die zich voor mij verklaren zoude, hem te doen zwijgen, die mij in
+verdenking poogde te brengen."
+
+"Vlei u daar niet mede," zeide Reinout met bitterheid: "Willem moge
+gekwetst zijn, maar het is slechts aan den voet; en zijn geest blijft
+even helder als te voren: elke uitval kost opnieuw ons dapperen,
+en zoo de verslagenheid ergens heerscht, het is in deze wallen,
+waar gebrek en ziekte reeds woeden en geene hoop meer is dan op een
+spoedige overgave."
+
+"Dwaze vrees! de stad kan het nog lang uithouden: en weldra snelt
+Gelder met talrijke legerscharen aan tot ontzet."
+
+"Gelder!" herhaalde Reinout, met een hoonenden lach: "hij heeft zich
+met Holland vereenigd: en gezamenlijk bedreigen zij deze wallen."
+
+"Hoe!" riep Arkel: "zou de leeuw een aandeel in den buit aan den
+tijger afstaan? en van waar hebt gij op eens die schoone tijdingen?"
+
+"Van de raadzaal, waar de Kapittels en de vroedschap met benauwde
+gezichten bijeenzitten:--men heeft een wapenstilstand van vier en
+twintig uren gesloten: men vreest oproer onder 't volk, dat reeds
+mompelt van overgaaf. Ha! wat een schoon gezicht zal het zijn, u naast
+het paard des Graven te zien gebonden, wanneer hij in zegepraal door
+de bres binnentrekt."
+
+"Dan bindt men u gewis aan den staart," zeide Arkel wrevelig.--"Maar
+waartoe zal dit alles leiden? Gij waant mij vrees aan te jagen:
+en intusschen zijt gij zelf de eenige, die hier te vrezen hebt."
+
+"Ik kan slechts het leven verliezen, dat sedert lang voor mij geene
+waarde meer heeft: maar voor u is alles verloren."
+
+"Laat mij daarvoor zorgen," zeide Arkel met fierheid: "ondankbare! ik
+had ook voor u gezorgd; maar gij zelf, gij schijnt er genoegen in
+te scheppen, om alles omverre te stooten, wat ik voor uw heil had
+bedacht."
+
+"Hoe!" zeide Reinout, hem verbaasd aanstarende: "wat beduidt deze
+ontijdige scherts?"
+
+"Ik scherts niet:--ik had mij gevleid, om, wanneer eens de wapenen onze
+rechtmatige zaak hadden doen zegevieren, en ik in staat zoude zijn,
+mijn erkentenis en vriendschap te toonen aan hen, die mij blijken van
+trouw gegeven hadden, om u dan, tot loon uwer dapperheid, de schoone
+Madzy in den arm te voeren en u tevens als den wettigen zoon van den
+Heer van Aylva te doen erkennen."
+
+"Welke nieuwe list bedenkt gij thans?" vroeg Reinout, meer en meer
+verwonderd.
+
+"Een list? hoor toe, of ik listig met u handel. Madzy Dekama kwam
+vermomd op mijn slot Nyenstein een schuilplaats zoeken. Zij was uit
+de handen des Graven ontsnapt, die haar in 't klooster te Rijnsburg
+wilde steken."
+
+"'t Kan wezen! verder!"
+
+"Uit deernis nam ik haar mede: zij had mij haar naam geopenbaard:--doch
+onder voorwaarde van geheimhouding:--ik vond geene vrijheid, u dien
+mede te deelen."
+
+"Zij gaf u haar naam te kennen!"
+
+"Laat ik vervolgen:--hier komende, bevond zij zich te ziek om verder te
+reizen: ik liet haar genezen: intusschen bekende zij mij haar afschrik
+voor u:--voor u, Reinout! die een onschuldigen medeminnaar in haar
+bijzijn den doodsteek had gegeven.--Daarom verzweeg ik aan u beiden,
+dat gij met elkander onder één dak woondet."
+
+"Gij deedt zeker wel," zeide Reinout, met bitterheid, "niets daarvan
+te melden aan uw bijzit: men kan met zulke kostbare schatten niet te
+geheim wezen."
+
+"Ridder!" zeide Arkel op een toon, welken Reinout niet miskennen kon,
+"bij de eeuwige zaligheid, welke ik eenmaal hoop in te gaan! zooverre
+is het er van af, dat Madzy Dekama mijne bijzit zoude zijn, dat ik u
+plechtig kan betuigen, nooit een meer zuivere, meer engelreine ziel
+te hebben leeren kennen."
+
+"Ik geloof u," zeide Reinout: "verder!"
+
+"Ik poogde echter, haar afkeer tegen u te overwinnen. Tot dusverre ben
+ik slechts ten halve geslaagd.--Welaan!--na hetgene er tusschen ons is
+voorgevallen, kan ik niet langer met u als met een vertrouwden vriend,
+gelijk te voren, omgang hebben. Wij moeten scheiden.--Verlaat mij,
+verlaat Utrecht!--voer Madzy met u!--tracht haar afkeer in liefde
+te veranderen:--en voorts, neem dezen ring: Aylva zal hem erkennen:
+het was zijn gift aan uwe moeder Bianca di Salerno: neem dezen brief,
+dien zij aan Carlo della Scala schreef om...."
+
+"Mijn God! de brief, dien wij aan den Pelgrim medegaven! Hoe komt
+gij aan deze stukken?"
+
+"Om 't even! gij weet dat Barbanera in mijnen dienst was:--wat hij u
+voor goud wilde afstaan, geef ik u om niet:--en nu, verzuim geen tijd,
+om de gunst des Oldermans te winnen. Madzy zal wellicht aan den zoon
+van haar voogd de hand schenken, welke zij den onbekenden Italiaan
+volstandig bleef weigeren."
+
+"Droom ik? of waak ik?" zeide Reinout, duizelend, met de bewijsstukken
+in de hand, het vertrek op en neder gaande: "mensch!" riep hij op
+eenmaal uit, terwijl hij Arkel aanstaarde: "misleidt gij mij niet? zeg
+mij, herhaal mij, dat gij mij niet misleidt, en ik zal u aanbidden."
+
+"Dat behoeft niet," zeide Arkel, glimlachende: "bezorg mij slechts
+een duizendtal wakkere Friezen en ik scheld u alle erkentenis kwijt."
+
+"Madzy zou de mijne zijn!" riep Reinout, uitgelaten van blijdschap. "Ik
+heb u miskend, Heer Bisschop! maar waarom ook zoolang gezwegen?"
+
+"Stil!" zeide Arkel: "wees slechts kalm, en laten wij de middelen
+beramen, welke tot het doel kunnen leiden, dat wij beoogen. Op welke
+wijze komt gij met uwe schoone veiligst buiten Utrecht en door 's
+Graven leger heen? dit vereischt een bedaard overleg."
+
+Maar tot bedaard overleg bestond thans geene mogelijkheid; want een
+plotseling gedruis, dat zich aan de huisdeur hooren deed, belette hen
+elkander te verstaan en noodzaakte hen te gaan zien, wat aanleiding
+tot die opschudding gaf.
+
+Het schouwspel, dat zich aan hun oogen voordeed, ware in elk ander
+oogenblik wel geschikt geweest om hunne lachspieren in beweging te
+brengen. In het voorportaal stond de eerzame Mechtelt Dirksdochter
+luid te schreeuwen en alle mogelijke moeite aan te wenden om zich te
+verweren tegen den aanval van onzen welbekenden vriend, meester Cezar,
+die op haar schouder had postgevat en bezig was met zijn voorpooten
+haar kapsel op een deerlijke wijze te havenen. Aan de deur vertoonde
+zich de wakkere hansworst, pogende binnen te dringen, in spijt van
+Arkels dienaars, die hem met geweld tegenhielden: en achter hem,
+op die stoep, bleef een kloekgebouwde knaap bedaard afwachten, wat
+de uitslag der tweespalt zou zijn.
+
+Arkel en Reinout lachten echter niet: de laatste omdat zijn ziel
+nog te veel vervuld was met het aangename vooruitzicht, 't welk zich
+voor hem opende, dan dat hij op iets anders acht had kunnen geven:
+de eerste, omdat de onverwachte verschijning van den hansworst hem
+zeer in verlegenheid bracht; daar deze, door de vermelding van zijn
+boodschap naar Harderwijk, hem bij Reinout tot een logenaar kon
+maken. Hij stapte echter naar hem toe, en vroeg, wat er gaande was.
+
+Maar het was niet gemakkelijk, terstond een duidelijk antwoord op
+deze vraag te bekomen. Wel traden de dienaars terug en poogde Daamke
+zijn boodschap te verrichten; maar de luide kreten van Mechtelt,
+die gestadig schreeuwde dat zij 't besterven zou, beletteden dat
+men iets anders hooren kon: en het was noodig dat de hansworst haar
+van het kwellende dier verloste ('t geen echter niet dan ten koste
+van haar hoofdtooisel en van een goed deel der enkele grijze haren,
+die zij nog overhad, kon volbracht worden) eer er eenige stilte kwam.
+
+"Kan mij nu iemand verhalen," vroeg Arkel, "wat aanleiding gegeven
+heeft tot dit onhebbelijk rumoer?"
+
+"Deze knapen wilden mij niet binnenlaten," zeide de hansworst:
+"ofschoon ik een boodschap voor uwe Edelheid heb."
+
+"Deze vent wilde binnendringen," riepen de dienaars, "ofschoon wij
+last van u hadden, hem weg te jagen, wanneer hij zich weder vertoonde."
+
+"En ik, arme ziel! die met den twist niets te maken had," riep
+Mechtelt, "en er een paar woordjes van vrede wou tusschen spreken,
+ik zie mij aanvliegen door dat ongure beest! O wee! mijn arme kapsel!"
+
+"Nu! nu! bedaar, Mechteltje!" zeide Arkel: "het lieve diertje
+heeft zeker gemeend, zijn moeder te omhelzen. Intusschen moet ik u
+zeggen, dat ik uwe diensten niet langer hier in huis van doen heb;
+ziehier een goudstuk, dat uwe moeite ruim beloonen zal; maar pak u
+uit mijn gezicht. Gij," vervolgde hij tot Daamke: "volg mij in het
+zij vertrek. Ridder!" (tegen Reinout) "gij zult mij wel voor eenige
+oogenblikken willen verschoonen?"
+
+Reinout, voor wien dit voorval niets belangwekkends had, keerde naar
+zijn vertrek terug: Daamke volgde den Bisschop: de dienaars gingen
+lachende naar de keuken terug, en Mechtelt, zich dus verlaten ziende,
+begon haar gemoed lucht te geven tegen den onbekende, die nog altijd
+als een paal tegen de voordeur stond.
+
+"Is het geene schande," zeide zij, "zoo voor het oog van de menschen
+een trouwe dienares weg te zenden, die bij Hertogen en Graven is
+werkzaam geweest, en bij Kerkvoogden ook, dat ben ik. Daar was de
+Graaf van Gelder, wiens ziel bij God is; die heeft mij een maand lang
+op zijn huis te Rozendaal gehad bij zijn zoetelief: en gaf mij dubbel
+loon toen ik vertrok en nog twee zilveren ringen tot een vereering,
+dat gaf hij!--En daar was de Domproost Gwy, de oudoom van den Graaf
+van Holland, de vroolijkste en vriendelijkste man, die ooit een
+mis gelezen heeft, (onze L. V. zij met hem) die kwam ook dikwijls
+zijn leed bij mij verzetten, dat kwam hij, en nooit lieb ik een
+onvertogen woord van hem gehad: en des Graven vader zelf, die nu in
+'t paradijs is, heeft hij ook niet meer dan eens met mij gesproken,
+of ik zijn vleeschelijke zuster ware? en mij altijd de hand boven
+'t hoofd gehouden, dat heeft hij."
+
+"Ik moet dan zeggen, dat des Graven vader een raren smaak heeft gehad,"
+zeide halfluid de onbekende, die aan zijn tongval een vreemdeling
+scheen, en niet recht begreep, welke verplichtingen die heeren aan
+Juffer Mechtelt konden gehad hebben.
+
+"Maar men kent den vogel aan zijn veeren," vervolgde het wijf, zonder
+acht te slaan op zijn aanmerking: "dat waren edele, brave Heeren,
+die wisten wat een mensch toekomt, dat dag en nacht voor het lieve
+brood moet sloven, en altijd zorgen, ieder tevreden te stellen. Maar
+deze spreeuw, die mij zoo onbeschaamd afjakkert, wat is hij anders
+dan een kale, stomme nachtegaal, die nu eens voor schildknaap en dan
+weer voor heer speelt, die opeens uit de lucht komt gevallen, zonder
+dat iemand weet waar vandaan, met zijn kameraad van den rooden Arend,
+en met zijn Friesch kwikstaartje, dat meer kuren heeft in haar pink
+dan al de meezen van Utrecht in haar heele lijf, dat heeft zij."
+
+Deze laatste woorden schenen den vreemdeling uit zijn onverschilligheid
+op te wekken: en zijn breede hand op den schouder van Mechtelt
+leggende: "wat praat gij van Friesche kwikstaarten?" vroeg hij:
+"houdt dat heer er Friesche kwikstaarten op na?"
+
+"Waarachtig!" zeide zij: "en ofschoon ik altijd dicht ben als een
+pot, dat ben ik, (gelijk wel gebleken is, toen de Heer van Zuylen
+van mij wilde te weten komen, waar zijn zoon alle avonden zat),
+na zulk een behandeling als ik nu heb ondergaan, zal ik spreken zoo
+luid als ik kan, dat zal ik! en vond ik een edelen Fries, die er wat
+voor overhad om 't fijne van de mis te verstaan, ik zou hem wel in
+'t oor fluisteren dat Madzy Dekama hier zit opgesloten."
+
+"Wat zegt gij, wijf!" riep de verbaasde Feiko (want de vreemdeling
+was geen ander dan hij): "Freule Madzy opgesloten! en wie Satan durft
+dat doen?"
+
+"De man die daar is binnengegaan," antwoordde Mechtelt met een
+hoonenden lach: "Aha! Heer Otto! of hoe gij u ook mocht verkiezen
+te noemen! Wij zullen zien, hoe u dit peertje smaken zal, dat zullen
+wij: en gij zult uw onbeschoftheid tegen mij duur betalen! Te zeggen,
+dat zulk een onguur dier mij voor zijn moeder aanzag!"
+
+Dit laatste gedeelte van haar redeneering was een alleenspraak; want
+Feiko was reeds het vertrek binnengesneld, waar zij hem op gewezen
+had. Daar had ondertusschen het navolgende onderhoud plaats gehad
+tusschen den Bisschop en den hansworst.
+
+"Welnu!" was Arkels eerste vraag: "Wat brengt gij?"
+
+"Ik heb uw bevelen volbracht."
+
+"Waarlijk!" zeide Arkel, op een onverschilligen toon: "ik geloof dat
+er ruim zes weken verloopen zijn, sedert ik u gezien heb; en ik weet
+op zijn best meer, wat die bevelen waren."
+
+"Om aan die Friesche Heeren te Harderwijk te verhalen, dat Jonkvrouw
+Madzy....-"
+
+"Ja! ik herinner mij.... Verder!"
+
+"Nu! zij keken mooi op hun neus, toen ik de tijding bracht;--maar
+daar was een zekere Feiko bij.... ik heb den man eens leelijk slaag
+zien krijgen, te Haarlem."
+
+"Ter zake!--al die uitweidingen verlang ik niet."
+
+"Nu! die Feiko wilde met alle geweld naar Rijnsburg om Jonkvrouw
+Madzy te gaan opzoeken."
+
+"Ik wensch hem goede reis.--Wat wijders?"
+
+"En zoo keerde de man, die den weg niet kende, met mij terug; want ik
+was ook juist van zins, meester Barbanera op te zoeken: en wij gingen
+eerst naar Plaswijk, waar ik bleef: en Feiko trok naar Rijnsburg: hij
+is een hupsche kerel, die Feiko: en ik had hem beloofd, te Plaswijk
+op hem te zullen wachten...."
+
+"Maar wees dan toch wat kort! wat gaan mij al uw reizen aan?"
+
+"Joost haal mij! wij hebben van den een noch van den ander iets
+vernomen. Te Rijnsburg wist men van geene Madzy Dekama, zooals ik
+trouwens ook wel dacht: en te Plaswijk wist men evenmin waar meester
+Barbanera was: ik heb alleen zijn kast gevonden en die meegenomen om
+voor den man te bewaren.--En toen Feiko weer terugkwam te Plaswijk en
+hoorde van de kasteleines, dat er een vermomde Jonkvrouw bij haar had
+gehuisvest en dat zij 's nachts van daar geloopen was, en dat er den
+volgenden dag een draagkoets den Ridder van den Arend naar Utrecht
+gevolgd was, kreeg hij kwaad vermoeden, en zoo besloten wij samen u
+te gaan opzoeken."
+
+"Gij zijt een ezel," zeide Arkel: "wat deedt gij hem te Plaswijk te
+brengen? en kondet gij hem niet met een kluitje in 't riet sturen?"
+
+"Ja, wat zal ik zeggen? ik was zelfs nieuwsgierig om te weten waar
+meester Barbanera gebleven was:--en zoo trokken wij samen naar
+Utrecht, zonder zelf te weten hoe wij er zouden binnenkomen; maar
+gelukkig is er heden een wapenstilstand gesloten: en zoo werden wij
+doorgelaten voor een paar goede woorden, die mijn reismakker aan een
+kleinen springer van een schildknaap gaf en voor een paar kunsten,
+die meester Cezar deed."
+
+"Freule Madzy! freule Madzy! waar is freule Madzy?" riep Feiko,
+die op dit oogenblik de kamer binnenstoof.
+
+"Wat is er van uw dienst?" vroeg Arkel: "en wat beduidt deze woeste
+manier van binnen te stuiven?"
+
+"Ik zoek Jonkvrouw Madzy Dekama, die gij opgesloten houdt," riep de
+eerlijke Feiko: "ik moet mijn brave Jonkvrouw terughebben."
+
+"Nu! nu!" zeide Arkel, met bedaardheid: "maak slechts zulk een
+geweld niet. Niemand denkt er aan, om uw Jonkvrouw tegen haar zin
+hier te houden."
+
+"Hoe!" zeide Feiko, verbaasd blijvende staan, en zich omtrent in den
+toestand bevindende van iemand, die een stok heeft opgenomen om een
+hond te verjagen, door wien hij denkt te zullen worden aangevallen,
+en die integendeel het beest kwispelstaartend naar zich toe ziet komen,
+om hem de handen te likken.
+
+"Welnu!" vervolgde Arkel, tegen Daamke: "ik bedank u voor uw tijding;
+maar uw diensten heb ik niet langer noodig. Uw meester Barbanera heb
+ik niet in mijn zak;--ik meen gehoord te hebben, dat de Graaf hem
+heeft doen opknoopen."
+
+"Laat u dat niet ontmoedigen," zeide Feiko, terwijl hij den bedrukten
+hansworst op den schouder klopte: "gij zult met mij naar Friesland
+terugkeeren: en men zal er geene huisvesting noch een stuk brood
+weigeren aan den man, die mij geholpen heeft, om mijn Jonkvrouw terug
+te vinden."
+
+"Waarom niet?" zeide Arkel, wien het op eens voor den geest kwam,
+dat hij zich van deze gelegenheid bedienen kon: "gij zegt, gij zijt
+onverhinderd door het vijandelijke leger gegaan?"
+
+"Zooals ik u verhaalde," antwoordde Daamke: "Uwe Edelheid weet, dat
+potsenmakers overal tolvrij zijn, mits de aap een paar kunsten doe."
+
+"En wat mij betreft," zeide Feiko, "ik heb een aardigen kleinen duivel
+van een schildknaap ontmoet, die mij te voren meer gezien had," zeide
+hij: "en toen ik hem verhaalde, dat ik Freule Madzy ging zoeken,
+liet hij mij terstond door; en hij had zelfs de vriendelijkheid van
+mij te zeggen, dat als ik terugkwam, ik slechts naar Jonker Zweder
+van Naaldwijk moest vragen en hem melden of ik geslaagd ware."
+
+"Uitmuntend!" zeide Arkel, "welnu! heden nog zult gij vertrekken. Wij
+zullen dadelijk de middelen beramen om uw terugreis te
+verzekeren. Wacht mij slechts een oogenblik hier."
+
+Dit gezegd hebbende, haastte hij zich naar Reinout, aan wien hij
+het gebeurde mededeelde: zoodra zij het te zamen eens waren geworden
+over de beste wijze, waarop de reis zou kunnen plaats hebben, ging
+de Italiaan zijne toebereidselen maken, en keerde Arkel naar de beide
+nieuwaangekomenen, aan wie hij zijn ontwerp voor zooverre hun aanging
+mededeelde en het noodige onderricht gaf.
+
+"Maar kan ik nu mijn Jonkvrouw niet zien?" vroeg Feiko, die van
+ongeduld brandde.
+
+"Jawel!--en zoo gij wilt, kunt gij haar tevens verzoeken, zich
+reisvaardig te maken. Ziehier den sleutel van haar vertrek. Gij gaat
+de trap op, de lange gang die voor u is ten end, en opent de laatste
+deur aan uw linkerhand."
+
+Recht in zijn schik nam Feiko den sleutel in de hand en ijlde
+naar Madzy's verblijf. Onbeschrijflijk was de vreugde van den
+getrouwen dienaar, en niet minder hare blijde verwondering, bij hun
+ontmoeting. Hij huppelde naar haar toe, kuste haar de handen, wreef
+zich een traan uit de oogen, sprong in de rondte en deed ongeveer
+al de bewegingen, welke een trouwe huishond in 't werk stelt bij het
+wederzien zijns lang afwezigen meesters.
+
+"Feiko!" riep zij: "mijn trouwe Feiko! gij hier? o! dan ben ik niet
+geheel van den Hemel verlaten."
+
+"Verlaten!" herhaalde hij: "'t mocht wat, Freule! heden nog gaan wij
+op reis: de edele Heer van dit huis heeft mij zelf gezegd, het hing
+alleen van u af te vertrekken, wanneer gij wildet. Hoezee! wij zeggen
+vaarwel aan Utrecht en zien ons vrije Friesland weer, waar men geen
+zes weken heeft rond te loopen, eer men zijn kennissen terugvindt."
+
+"Hoe!" zeide Madzy, die een zoo spoedigen omkeer in haar lot niet
+had kunnen verwachten en nauwelijks wist of zij waakte of droomde:
+"en wie heeft gezegd dat ik vertrekken kan wanneer ik wil?"
+
+"Dat heb ik gezegd," zeide Arkel, die ongemerkt Feiko gevolgd was en
+nu de kamer binnentrad. "Ga nu, mijn goede Feiko! en maak dat alles
+vaardig zij, gelijk onze afspraak was."
+
+"Blijf Feiko!" riep Madzy, beangstigd; maar de trouwe dienaar was
+reeds vol ijver naar beneden gesneld.
+
+"Vrees niet langer, een oogenblik met mij alleen te zijn," zeide Arkel,
+terwijl hij in een deemoedige houding voor Madzy bleef staan: "het
+is de laatste reize. Gij zijt getuige van mijn dwaasheid geweest:
+wees het ook van mijn naberouw. Ja, ik heb onwaardiglijk met u
+gehandeld; maar ik wil herstellen, wat ik misdaan heb. Deze brave
+dienstknecht, wien de hemel zelf ons schijnt toe te zenden, en twee
+getrouwe gidsen zullen u naar Friesland teruggeleiden:--Ik gevoel,
+dat ik geene vergiffenis verdiend heb voor mijn vergrijp jegens u;
+maar uwe ziel is te rein, te edel, om wrok te voeden wegens een
+misdaad, alleen door uwe bekoorlijkheden voortgebracht."
+
+Hier viel hij op ééne knie voor haar neder en boog het hoofd in diepen
+ootmoed. Madzy zag hem aan en zij had den moed niet, haar rechtmatige
+gramschap jegens haren verdrukker te blijven behouden. En welke vrouw,
+tenware zij haar kunne had afgezworen, zou wrok hebben kunnen voeden
+jegens den schoonen jongeling, wiens gelaat zoo innemend, zoo bevallig
+was, op wiens voorhoofd de naam van _edelman_ in zulke sierlijke
+trekken geschreven stond, in wiens oogen een traan van boete fonkelde
+en die geknield aan haar voeten lag.--Bewogen reikte zij hem de hand
+toe: "sta op Ridder!" zeide zij: "en moge God u vergeven, gelijk ik
+het doe. Zoo wij scheiden, zal het in vriendschap zijn."
+
+"Uw goedheid boezemt mij stoutmoedigheid in," hernam Arkel, oprijzende:
+"niet om mijnentwil, maar om hooge, gewichtige redenen, welke gij
+eenmaal misschien doorgronden zult, smeek ik u, laat hetgeen tusschen
+ons is voorgevallen voor elk een geheim blijven."
+
+"Ik beloof het u," zeide Madzy: "maar het smart mij van u, Ridder,
+dat gij u tot daden liet vervoeren, waarvan gij geheimhouding verzoeken
+moet. Neem den raad van een eenvoudig meisje aan, en handel nimmermeer
+in 't verborgen anders dan gij in 't openbaar zoudt handelen."
+
+De fijne, de listige Arkel, de man, die zijn medemenschen slechts
+als poppen beschouwde, bestemd om door hem met onzichtbare draden
+bewogen te worden, was getroffen, geschokt door de eenvoudige,
+reine taal der waarheid, ontvloeid aan de lippen van een onschuldig
+meisje, dat hij kort te voren nog als een lichte prooi beschouwd had:
+"Engel!" zeide hij, in vervoering hare hand kussende: "ach! spreek
+niet één woord meer; want gij zoudt mij het scheiden al te smartelijk
+maken. O! waarom verbiedt mij die gevloekte gelofte u te beminnen,
+gelijk gij verdient bemind te worden."
+
+"Een gelofte!" herhaalde Madzy verbaasd: "een gelofte! Wat zijt gij
+dan? Een Ridder van Sint-Jan?"
+
+"Meer dan dat," antwoordde hij met een gesmoorde stem: "ik ben
+een priester, Madzy! ik ben" (hier fluisterde hij) "de Bisschop
+van Utrecht."
+
+"Heilige God!" riep zij met verbazing uit: "gij?"
+
+"Nu geen woord meer;--gij weet mijn geheim!--het zal u heilig
+blijven.--Voort! voort! aan de deur wachten uw geleiders."
+
+En met deze woorden voerde hij de ontstelde maagd, aan wie alles wat
+zij zag en hoorde een droom scheen, haar vertrek uit naar beneden.
+
+"En nu, vaarwel aan alle liefdedroomen!" zeide de Bisschop, toen hij
+zich 's avonds alleen bevond en zich vermoeid in zijn zetel wierp:
+"Ellendige wezens, die wij menschen zijn! Ik, die niets op de wereld
+meer bejaagde dan mijn onafhankelijkheid, ik was op het punt de slaaf
+te worden van een paar schoone oogen! Maar, God lof! ik heb als een
+andere Simson de banden dier tweede Delila verbroken.... en ik zal
+hem niet in zijn dwaasheid volgen, om zich mede onder de puinhoopen
+te begraven, welke hij op 't hoofd zijner vijanden storten deed.--God
+zegene u, schoone Madzy, en geve u een voorspoedige reis! Zoo die reis
+mij slechts een paar duizend wakkere Friezen bezorgen kon, dan ware
+er wellicht nog kans het beleg te rekken.--In een tegenovergesteld
+geval!--welnu, ook dan is mijn besluit genomen!"
+
+
+
+
+
+ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Zoo vlught de nachtegael het vogelvangers garen,
+ En valt in 's arends klaauw.
+
+ Vondel. Maria Stuart.
+
+
+Ofschoon Madzy's verlangen om Utrecht zoo spoedig mogelijk te verlaten,
+en de noodzakelijkheid om van den gesloten wapenstilstand gebruik
+te maken, de toebereidselen tot het vertrek hadden verhaast, was het
+echter reeds laat in den namiddag, toen onze heldin met haar gezelschap
+de Witte poort uittrok, voorafgegaan door Arkel zelf, die in zijn
+dos van schildknaap des Ridders van den Rooden Arend, welke bij het
+krijgsvolk welbekend was, hun een onverhinderden aftocht verschafte,
+en uitgeleide deed tot aan de overzijde der stadsgracht. Hier hield
+hij een oogenblik stil, en, Madzy naderende, boog hij met eerbied
+zijn gehelmd hoofd over de hand, welke zij hem ter afscheid toestak,
+waarna hij, zonder een enkel woord te spreken, de teugels wendde
+en langzaam weder naar binnen reed, terwijl de Jonkvrouw met haar
+geleide haar weg vervolgde. Madzy bereed het paard, waarop Arkel bij
+zijn vertrek van Nyenstein gezeten was geweest: en weinig dacht zij,
+dat de vos, die een zoo zachte en gelijke beweging had, eens het
+eigendom geweest was van dien ongelukkigen Deodaat, wiens beeld al
+de vreemde voorvallen, die zij ondergaan had, nog geenszins uit haar
+geest hadden geweerd. Naast haar reed Feiko, wiens oplettend oog al
+de bewegingen van het paard zijner wedergevonden meesteres gadesloeg,
+ten einde in staat te zijn, zoo er iets gebeurde, dadelijk met zijn
+hulp bij de hand te kunnen zijn. In de achterhoede kwam onze goede
+hansworst op zijn ezel, met den aap op den schouder en de tooverkast
+van meester Barbanera op den rug, en beweerde al lachende, dat zijn
+vracht zwaarder was dan die van grauwtje, en dat hij nabij de eerste
+rustplaats beproeven zou, de kast op den ezel te zetten en zelf
+op de kast te gaan zitten. Nevens hem reed een Cistenser monnik,
+welken laatsten Arkel, zoo 't heette, uit overmaat van voorzorg, hun
+tot gids en gezelschap had medegegeven. Hoewel beiden elkander veel
+te vragen hadden, zetteden echter Madzy en Feiko hun weg in stilte
+voort, liever verkiezende, hun onderhoud uit te stellen tot zij in 't
+open veld en veilig waren; want niettegenstaande den wapenstilstand,
+en de gerustheid, welke het gezelschap eens potsenmakers inboezemen
+moest, bleef het een gewaagd stuk, aldus door een legerplaats heen
+te trekken, waar men veel kans had kwalijk behandeld te worden,
+en Madzy bovendien gevaar liep van herkenning, welke haar opzet ten
+eenenmale zoude verijdelen. Zij reed dan langzaam en met omsluierd
+gelaat, zonder op te zien, vooruit; maar Feiko daarentegen liet
+gestadig, zoowel uit bezorgdheid voor haar als uit nieuwsgierigheid,
+den blik nu her- dan derwaarts weiden, om te onderzoeken of er ook
+eenig gevaar ophanden ware, en om te beschouwen wat bezienswaardig
+scheen. Reeds hadden onze reizigers rechts en links van zich een
+paar dier hooge stormtuigen laten liggen, waarvan er dertien om
+de benarde stad waren opgericht, en waaruit, onder de bedekking
+van de talrijke boogschutters, die zich op de bovenste verdieping
+bevonden, steenen kogels van een ontzettende zwaarte in de stad werden
+geschoten. Thans echter waren die gevaarten verlaten en alleen door
+een kleine wacht bewaakt. Zij bevonden zich nu aan den ingang der
+belegeringswerken, achter welke men tallooze horden, karren met aarde,
+en andere voorwerpen onderscheidde, tot demping der gracht bestemd;
+maar de belegeraars, afgetobd na de vermoeienissen der vorige dagen,
+lagen meest allen in diepen slaap uitgestrekt en genoten die rust,
+welke de wapenstilstand hun toeliet gedurende vier en twintig uren
+ongestoord te smaken. Met dat al geraakten de vluchtelingen niet binnen
+het rasterwerk, waarmede deze legerschans omsloten was, zonder door
+de schildwachten te zijn aangehouden; maar dezen, zoodra zij Feiko
+en Daamke voor dezelfde personen herkenden, welke dien morgen door
+Jonker Zweder van Naaldwijk tot aan de poort waren geleid, lieten hen
+onverhinderd doortrekken, 't zij uit eerbied voor den hun gegeven last,
+'t zij uit aanmerking van den wapenstilstand, 't zij eindelijk omdat
+zij te lui en te vermoeid waren om nadere bevelen te gaan vragen.
+
+Onze reizigers waren alzoo de werken doorgekomen, welke de stad als met
+een ring omsloten, en bevonden zich op een ruimen grond, waar zij het
+vooruitzicht hadden, vooreerst niet te zullen worden aangehouden;--want
+de tenten lagen, uithoofde van plaatselijke omstandigheden, niet langs
+den weg, dien zij volgden, maar aan weerszijden, meer landwaarts in;
+terwijl schier elk krijgshoofd of Baanderheer zijn eigen kamp had,
+zoodat men niet slechts ééne legerplaats zag, maar ongeveer evenveel
+legerplaatsen als er bevelhebbers waren, naar de gelegenheid van
+den grond hier en daar over de vlakte verspreid. Niet zonder moeite
+echter vervolgde de kleine stoet zijn weg langs de groote heirbaan op
+Amersfoort, die zelfs in gewone tijden niet gemakkelijk te berijden
+was; maar thans, zoo door veelvuldige regens als door den gestadigen
+overtocht van voet- en paardenvolk, legerwagens, karren met steenen,
+mondbehoeften, en andere benoodigdheden voor de belegeraars, bijna
+onbruikbaar was geworden. De zon, welke sedert een paar weken achter
+donkere wolken was verscholen geweest, had echter onze reizigers,
+even nadat zij Utrecht verlaten hadden, met haar welkome stralen komen
+verkwikken, als wilde zij haar verschijning tot een goed voorteeken
+voor den aangevangen tocht doen verstrekken, en bij onze lieve
+zwerfster de hoop doen herleven, dat na de bange onspoedsdagen, welke
+zij had doorgestaan, het geluk opnieuw voor haar zou dagen. Een los
+zuidenwindje verdreef de dunne en waterlooze wolken, welke nog in het
+luchtruim zweefden, en dartelde in het loof der hooge eikeboomen, welke
+van verre zichtbaar waren, en wier breede kruinen op een schitterende
+wijze door het zonnelicht bestraald werden. Vroolijk staken de witte
+legertenten, die zich van afstand tot afstand vertoonden, tegen het
+donkere groen af der omliggende bosschages. Nu en dan schitterde hier
+en daar onder het somber geboomte de glans van een lanspunt of van
+een helm, die een straal der zon terugkaatste en als een weerlicht
+in de donderwolk flikkerde. Daar, om die legerplaatsen, heerschten
+levendigheid en woeling, en boden zich tooneelen aan, nu eens bevallig
+en schilderachtig, dan weder treurig en hartverscheurend, meestal beide
+tevens. Men zag vlugge ruiterbenden, door blinkende Ridders aangevoerd,
+wier veelkleurige banderollen sierlijk boven hun hoofd golfden, heen
+en weder draven, over de koren- en boekweitvelden, waarvan, helaas! de
+halmen, voor nog de aren hun wasdom bereikt hadden, waren afgemaaid om
+tot voeder voor de paarden te dienen: men zag talrijke wagens, beladen
+met het puin der afgebroken of afgebrande erven en met de takken en
+tronken van neergehouwen boomen, ter demping der grachten aangevoerd
+en misschien geleid door de ongelukkige bewoners en eigenaars zelven,
+door den onbarmhartigen soldaat tot dien arbeid geprest. Men zag
+krijgslieden zich vermaken met een kegelspel, met den wedloop, met
+het schieten met den boog;--en daarlangs, hunne in den krijg gekwetste
+makkers met karren vol vervoeren. Hier en ginds lagen er nog, die bij
+den laatsten uitval het leven hadden ingeschoten, en wier lichamen,
+in slooten en greppels, of achter struiken nederliggende, nog door
+hun krijgsmakkers niet ontdekt waren. Het gevoelige hart van Madzy
+was door dergelijke schouwtooneelen diep geroerd: en menigwerf wendde
+zij de oogen van de haar omringende landstreek af, om die naar den
+blauwen hemel te wenden: "ja!" dacht zij dan bij zich zelve: "hier
+op aarde is alles woeling en onrust! Daarboven alleen woont vrede."
+
+Terwijl Madzy aldus peinsde, en Feiko, hoe ook brandende van
+nieuwsgierigheid om eens haar wedervaren recht te verstaan, niet
+dan met moeite de vragen bedwong, welke op zijn lippen zweefden,
+en welke de eerbied voor haar neerslachtigheid alleen wederhield,
+kwam Daamke, wien het gezelschap van den monnik begon te vervelen,
+hun op zijde. "Nu!" riep hij: "bij Sint-Julfus: zoo die Cistenser
+broeder al de deugden, die hij betrachten moet, zoogoed waarneemt als
+die der stilzwijgendheid, is er in het Paradijs geen stoel te goed
+voor hem; want de vent spreekt evenmin of hij doof en stom ware en
+laat zoo weinig van zijn bakkes zien als een beurzensnijder, die met
+een diefleider hetzelfde veer moet oversteken."
+
+"Hij zit met dat al goed in den zadel," zeide Feiko, even omziende: "en
+ik zou mij bedriegen, indien hij niet meer in zijn leven gedaan had,
+dan vigiliën te zingen en missen te lezen:--in waarheid!" herhaalde
+hij, nogmaals omziende: "hij rijdt puik! puik! de Heer van Aylva zit
+niet beter te paard."
+
+En door die warme belangstelling gedreven, die elken liefhebber
+van paarden, hoeveel te meer een Frieschen liefhebber, bezielt, kon
+onze goede Feiko niet nalaten, in spijt van zijn bezorgdheid voor de
+Jonkvrouw, telken reize het hoofd te wenden om de rijkunst van den
+vromen pater te bewonderen, die, zonder te bemerken dat men acht op
+hem sloeg, tusschen de ooren van zijn paard voor zich neder keek en
+voor niemand eenige gedachten scheen te hebben dan voor het moedige
+ros, dat hij bereed.
+
+"Voorwaar!" riep onze vroolijke hansworst, terwijl hij de blikken in
+'t rond sloeg en zijn tong in vrijheid vierde: "ziedaar een schoon
+schouwspel! bij Sint-Julfus! mijn waarde Cezar, mochten wij eens
+samen over die velden trekken als de strijd volstreden is en het
+slagveld verlaten! Wat een vette buit ware daar voor u en mij ten
+beste.--Voorwaar! ik heb vrij wat legers gezien; maar men zoude
+er moeilijk een aantreffen, zoo rijk en prachtig als dat van den
+Graaf! Wat dunkt u, vriend Feiko! zou de tiendepart van dat troepje
+niet genoegzaam wezen om uw landje in te pakken?"
+
+"Laten zij in tiendubbelen getale komen," antwoordde Feiko: "dan waren
+wij pas gelijk; want als zij komen, staat geheel Friesland als één
+man op; en zij zullen nog een harden dobbel hebben, dat beloof ik u."
+
+Op dit oogenblik gaf Madzy een gil en haar paard deed een
+zijsprong. Het dier was geschrikt voor een lijk, dat dwars over den
+weg lag uitgestrekt. Feiko, die juist dat oogenblik omkeek naar
+den monnik, ware te laat gekomen om Madzy te helpen, indien haar
+paard gestort ware; maar de pater, hoeveel hij oogenschijnlijk zich
+alleen met zijn eigen ros bezig hield, toonde zich op dit oogenblik
+meer bij de hand dan de trouwe dienaar zelf, en was dadelijk aan de
+zijde der Jonkvrouw. Hij kortte de teugels, zoodra hij bespeurde,
+dat zij, zonder iemands hulp, haar vos weder in bedwang had, en bleef
+in de achterhoede.
+
+"Wees voorzichtig, Jonkvrouw!" riep Feiko verschrikt:--"wat duivel,
+Pater! gij hebt uw oogen overal en zoudt er vlugger bij zijn dan ik."
+
+Een half gesmoord gemompel, dat men niet duidelijk kon onderscheiden
+of het een gebed dan een vloek ware, was het eenige antwoord, dat de
+monnik gaf.
+
+Madzy had intusschen haar paard bij het lijk doen stilhouden.
+
+"In Gods naam!" zeide zij: "vrienden! ziet toch eens; misschien leeft
+hij nog."
+
+"'t Is een Bisschoppelijke ruiter," zeide Daamke, het lijk met zijn
+zotskolf aanstootende: "zie eens! hij is reeds stijf."
+
+"Dat gezicht heb ik meer gezien," zeide Feiko, de wezenstrekken des
+gesneuvelden aandachtig beschouwende.
+
+"Dat geloof ik wel," zeide Daamke, lachende: "heugt u den
+Haarlemmerhout niet meer, en den koddebeier, met wien gij zoo dapper
+aan 't bakkeleien zijt geweest?"
+
+"Bij mijn zaligheid!" zeide Feiko: "het is dezelfde man; maar hoe
+duivel komt hij hier in het pak van een Bisschoppelijken ruiter?"
+
+"Zeker is hij bij een uitval gebleven," zeide de potsenmaker: "wie
+had kunnen denken, toen wij, zes weken geleden, te Plaswijk bij den
+kroes zaten, dat ik u hier zoo ongelukkig zoude vinden rotten? Daar
+hebt gij nu wat aan gehad, om uw wijf te slaan en met eens andermans
+paarden door te gaan. Ik geloof wel, Jonkvrouw! dat uw vos voor hem
+schrikte. Zij zijn oude kennissen."
+
+"Hoe!" zeide Madzy: "was die ongelukkige de man...."
+
+"De man van Elske, met uw verlof," zeide Daamke: "en de dief van
+het paard, dat gij berijdt. Maar kom!" vervolgde hij, de bleekheid
+bespeurende, welke deze herinneringen over Madzy's gelaat hadden
+verspreid: "het wordt tijd om verder te gaan, indien wij nog heden
+te Amersfoort willen zijn."
+
+Bedrukt en sidderend begaf Madzy zich weder op weg. "Gij waart dan
+te Plaswijk," voer zij voort: "en dat dier, was het met u?"
+
+"Bij mijn zotskolf! Jonkvrouw!" zeide Daamke: "nu ik mij wel bezin,
+moet gij geen goed oog op mijn Cezar hebben; want, alles wel beschouwd,
+begin ik te begrijpen, dat hij u uit uw slaapplaats verdreven heeft."
+
+Madzy bloosde; want zij zag nu in, hoe ongegrond haar schrik in dien
+nacht geweest was, en hoevele onaangenaamheden zij zich had kunnen
+besparen, indien zij geen gehoor had gegeven aan de eerste opwelling
+van den angst, maar bedaard onderzocht, of de verschijning, welke haar
+verraste, natuurlijk ware of niet. "Cezar! Cezar!" zeide zij, het beest
+met den vinger dreigende: "gij hebt mij vrij wat onheils berokkend."
+
+"Kom!" zeide de hansworst: "gij moet het hem vergeven, Jonkvrouw! om
+der goede diensten wille, welke hij u bewees, door dat zaterdagsche
+wijf, dat u zoo gebruid heeft, een frisschen knauw te geven."
+
+"Stil!" zeide Madzy: "over haar verlang ik niets meer te hooren,
+noch ten goede, noch ten kwade.... maar zeg mij, ziet gij ginds geen
+stormhoeden blinken achter de heggen?"
+
+"Juist! wij komen hier aan den buitensten cirkel van de legerplaats:
+en daar is geen bidden voor; wij moeten er door. Zij houden scherpe
+wacht hier, dat beloof ik u: en ware het niet door dien Jonker van
+Naaldwijk geweest, wien God loone en spoedig zijn riddersporen met eere
+doe verwerven, wij hadden er wel eeuwig kunnen staan blauwbekken. Ik
+hoop intusschen, dat wij hem weer ontmoeten; maar 't zij hoe 't zij,
+Jonkvrouw! er moet een vroolijk gelaat getoond worden en een liedje
+gezongen: hoe luidruchtiger wij zijn, hoe minder kwaad vermoeden wij
+zullen wekken."
+
+En aanstonds ving hij aan met een heldere stem een liedje te zingen,
+waar de inhoud ongeveer van was als hier volgt:
+
+
+ DE VEERMAN AAN DE LEK.
+
+ Jan Carels zit aan het Lekkerveer
+ En vaart met zijn pontje al heen en weer:
+ En wie aan Jan Carels geen tol betaalt,
+ Hij wordt met zijn pontje niet overgehaald.
+
+ Daar roept hem een monnik, een man van verstand:
+ "Ei spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"
+ "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast:
+ "Maar heb je nu al in de beurs getast?"--
+ "De monniken dragen geen beurs op zij."
+ "Dan spreek je mij straks van mijn zonden vrij.
+ De pater zijn tol met een aflaat betaalt,
+ Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!"--
+
+ Daar roept hem een kook'ler, een geestige kwant:
+ "Ei, spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"--
+ "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast:
+ "Maar heb je nu al in de beurs getast?"--
+ "Mijn aapje is kaal en zijn baas is als hij!"
+ "Welaan dan: zoo doe hij drie sprongen voor mij;
+ De kook'ler zijn tol met een kunstje betaalt,
+ Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!"--
+
+ Daar roept hem een meistreel, de veêl in de hand:
+ "Ei spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"--
+ "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast:
+ "Maar heb je nu al in de beurs getast?"--
+ "De meistreel is arm, geloof mij vrij."
+ "Welaan dan: zoo zingt gij een deuntje voor mij.
+ De meistreel zijn tol met een liedje betaalt,
+ Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald."--
+
+ Daar roept hem een meisje, een bloem in de hand:
+ "Ei spoedig: gij veerman! naar d' overkant!"--
+ "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast:
+ "Maar heb je nu al in de beurs getast?"--
+ "Och, veerman, zoo waar, 'k heb geen penning bij mij."--
+ "Zoo schenk mij uw bloem en een kusje daarbij."
+ Het meisje haar tol met een kusje betaalt,
+ Of zij wordt door Jan Carels niet overgehaald."--
+
+ Daar roept hem een Heer, rijk in goed en in land:
+ "Ei spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"--
+ "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast:
+ "Maar heb je nu al in de beurs getast?"--
+ "Neen lomperd, van veergeld is de adeldom vrij."--
+ "Dan blijf je maar, vriendje, aan de overzij;
+ Want wie aan Jan Carels geen tol betaalt,
+ Die wordt met zijn pontje niet overgehaald."
+
+
+Hij had zijn lied geëindigd, toen zich reeds eenige wapenknechten,
+die hier aan de voorposten stonden, en deels op hun strijdkolven,
+zeisen of bogen leunende, deels langs den weg nederzittende, zijn
+gezang beluisterden, met een vroolijk gelach, hetwelk aan Madzy tot
+een goed voorteeken verstrekte, onze reizigers kwamen omringen.
+
+"Welzoo, meester hansworst! alweer terug?" riep een der soldaten hem
+toe: "en nogal wel met uw aap?--Begon het u in Utrecht al te vervelen?"
+
+"Men heeft er een al te schralen pot," antwoordde Daamke, "voor lieden,
+die houden van volop te schransen, gelijk meester Cezar en ik."
+
+"Ik geloof het wel," hernam de krijgsman: "en wat mij het meest
+verwondert, is dat men er u beiden niet aan 't spit gestoken heeft,
+en uw ezel er bij. Maar, bij mijn zolen! uw gezelschap is verdubbeld
+sedert hedenmorgen."
+
+"Bij Sint-Julfus!" zeide Daamke: "dat is buit, dien ik gemaakt
+heb: gevangenen van mijn zotskolf, die ik uit de mijterstad
+medebreng. Plaats! plaats! ruimbaan voor Daamke den alwillensdwaas
+en zijn gevangenen." En hij deed deze woorden vergezeld gaan door
+eens dapper met zijn zotskolf in de rondte te zwaaien.
+
+"Hou! hou! dat gaat zoo gauw niet," zeide de krijgsknecht: "wij moeten
+eerst uw gevangenen eens bekijken: of denkt gij, dat wij die jonge
+meid, die daar met u trekt, op een paard, dat een Ridder zou passen,
+tolvrij zullen laten doorgaan? en dien monnik, zonder dat hij een
+veer zou laten?--Neen man! gij hebt het zelf gezongen; een kusje van
+de deerne; en de pater zal ons _absolutie_ geven voor al de zonden,
+die wij bedreven hebben of nog voornemens zijn te bedrijven."
+
+Madzy ontstelde eenigszins op het hooren van deze redenen; vooral
+toen zij de onbeschaamde blikken bespeurde, welke sommigen uit de
+bende op haar wierpen, en de grove uitdrukkingen hoorde, waarvan zich
+deze en gene onder hen bediende.
+
+"Waar is uw aanvoerder?" vroeg Feiko, vooruitrijdende: "Jonker Zweder
+heeft ons hedenmorgen uit diens naam veroorloofd ongehinderd te gaan
+en terug te keeren."
+
+"Tut! tut!" zeide een van de bende: "hij zou wel dwaas zijn, die
+hem roepen ging. Elk zijn beurt, vriendje! De kans is nu voor ons,
+en niet één zal er door zonder tol te betalen."
+
+"Ik heb er niets tegen om u een klein rantsoen te betalen," zeide
+Madzy: "noem uw eisch; maar bedenk, dat wij arme reizigers zijn."
+
+"Arm of niet," zeide de soldaat, Madzy naderende, en de beweging
+makende, alsof hij haar van het paard wilde helpen: "een mooi meisje,
+dat haar rantsoen met kusjes betalen kan, is altijd rijk genoeg."
+
+Madzy gaf een flauwen kreet van angst; maar Feiko, in gramschap
+ontstoken over de onbeschaamdheid des lansknechts, dreef zijn paard
+met zulk een geweld tegen dezen aan, dat hij achterover tuimelde. Op
+hetzelfde oogenblik waren twintig strijdbijlen en kolven opgeheven
+en bedreigden den getrouwen Fries, die, zich evenmin door het aantal
+latende afschrikken, als hij zulks te Haarlem gedaan had, zijn knuppel
+met beide handen rondzwaaide en op de hoofden der aanvallers deed
+nederkomen.
+
+"Wij zijn op de flesch!" riep de hansworst, wiens dapperheid, gelijk
+ons vroeger gebleken is, niet van de schitterendste was: en meteen
+vierde hij de teugels van zijn ezel. Het dier holde met een snelheid
+voort, alsof het in Navarre, dat vaderland der beste grauwtjes, geboren
+ware geweest. Wel zonden hem de boogschutters eenige pijlen achterna;
+maar de tooverkast, die den nar op den rug danste, verstrekte hem
+tot een schild: en in weinige oogenblikken was hij uit het gezicht.
+
+Wat Madzy betrof, op hetzelfde tijdstip, waarin de kloeke daad van
+Feiko de aandacht der bende op hem had gevestigd, was de cistenser
+monnik haar op zijde gekomen.
+
+"Vlucht!" zeide hij: en meteen den teugel van haar paard grijpende,
+zette hij het zijne in galop; maar, om de pijlen te vermijden, volgde
+hij niet de groote heirbaan zelve, doch stuurde de beide rossen een
+zijlaan in, die evenwijdig met den landweg liep, van welken zij door
+een rij berkeboomen was afgescheiden.
+
+Madzy, onmachtig de snelle vaart te bedwingen, welke de monnik aan
+haar paard gegeven had, reed een wijl hijgende en schier sprakeloos
+naast hem: nauwelijks waren zij echter een honderd roeden verder,
+of zij greep den monnik angstig bij den arm: "Om Gods wil!" riep zij:
+"laten wij niet verder gaan! Zij zullen den armen Feiko vermoorden!"
+
+Maar de monnik scheen òf weinig over het lot van den dienaar bekommerd
+te zijn, mits het hem slechts gelukte, de meesteres in veiligheid te
+brengen, òf te beseffen, dat zij, door terug te keeren, slechts zich
+zelven in gevaar zouden brengen, zonder Feiko van eenigen dienst
+te kunnen wezen: terwijl juist diens achterblijven een afleiding
+ten hunnen voordeele verwekte. Hij gaf dan ook geen antwoord; maar
+moedigde, met het korte zweepje, dat hij in de hand had, het paard
+van Madzy aan om met des te meer snelheid voort te rennen.
+
+Het gevaar was echter slechts tijdelijk voorbij; want zij waren nog
+maar een voorpost doorgekomen en mochten dus met recht weldra een
+nieuw oponthoud verwachten. Dit deed zich zelfs spoediger op dan zij
+dachten. Eenige roeden verder maakte de weg een bocht, en bevonden zij
+zich eensklaps op een open pleintje, waar zij een schouwspel zagen,
+wel geschikt om hun bezorgdheid gaande te maken.
+
+De plaats, waar zij gekomen waren, was omtrent cirkelvormig en met
+een dubbele rij stevige rasters omringd, welker punten naar hen waren
+toegekeerd. De ingang was nauw en werd 's nachts door een valboom
+gesloten, welke nu echter was opgehaald. Links stonden eenige tenten,
+onderscheiden in vorm en grootte: op sommige prijkten banderollen,
+welke den rang en adeldom der bewoners aankondigden. Tegenover de
+tenten zag men karren en ander voer- en oorlogstuig. Krijgsknechten
+van onderscheiden wapen wandelden heen en weer of waren bezig met het
+polijsten en opscherpen hunner bijlen en seizen: enkelen ook met het
+spel: timmerlieden waren werkzaam aan het vervaardigen of bruikbaar
+maken van allerlei storm werktuigen:--in 't kort, het was een tooneel
+vol gewoel;--maar op het oogenblik, dat Madzy en haar reisgenoot
+aan den ingang kwamen, scheen de aandacht van al de aanwezigen op
+eenmaal te worden afgetrokken door zeker voorwerp, dat zich midden op
+den weg bevond, en waar omheen zich allen ras verzamelden. Wat het
+echter ware, kon noch de Jonkvrouw, noch de monnik ontdekken, daar
+de toevloed der omstanders gedurig aangroeide en zulks verhinderde.
+
+De monnik had voor den ingang de beide paarden doen halthouden en van
+onder zijn kap eenige donkere blikken om zich heen geslagen, ten einde
+te ontdekken, of er geen mogelijkheid ware, zijn weg te vervolgen,
+zonder de gevreesde omheining binnen te rijden; maar hij zag spoedig,
+dat hiertoe geene mogelijkheid bestond: en terwijl hij dus besluiteloos
+rondzag, reed Madzy, die inmiddels haar tegenwoordigheid van geest
+herkregen had, onvervaard het poortje binnen.
+
+"Verzoek uw hopman hier te komen," zeide zij, zich met waardigheid
+tot een ouden krijgsknecht wendende, die met een speer op den schouder
+kwam zien, wat dit bezoek te beduiden had.
+
+"Wat duivel! komt gij uit de lucht vallen?" vroeg de speerman,
+over deze toespraak en nog meer over hun onverwachte verschijning
+verwonderd: "slapen zij op de voorposten? Ziedaar een dronken
+hansworst, een monnik en een jonge deerne, die zij doorlaten en ons
+zonder geleide op ons dak sturen, alsof het kamp een kroeg ware,
+waar elke leeglooper onverhinderd insnijdt."
+
+Madzy achtte het onnoodig den nieuwsgierigen krijgsman te antwoorden,
+dat men aan de voorposten waakzaam genoeg was. "Ga!" zeide zij:
+"en haast u, bevel aan de voorposten te zenden, om den man, met wien
+zij bezig zijn, geen leed te doen, maar onverhinderd hier te brengen."
+
+"Wat hamer!" zeide lachende een uit den hoop (want inmiddels waren
+ettelijke krijgslieden naar dit nieuwe voorwerp hunner nieuwsgierigheid
+komen aan wandelen): "zijn wij onder 't spinrokken vervallen, dat
+wij bevelen ontvangen van een jonge meid?"
+
+"Gij kunt vrij lachen," zeide de speerman, die het eerst gesproken
+had, en wien een grijze baard en een verbrand, met een paar breede
+litteekens versierd gelaat als een ouden gediende leerde kennen:
+"er moet iets aan de voorposten gebeurd zijn: en ik geloof, dat ik
+wel zal doen, te handelen juist zooals die deerne het mij verzocht."
+
+"Zie dien ouden snoeshaan," hernam de andere soldaat: "altijd
+hoffelijk, als ware hij een Ridder, die zijn meisje dient."
+
+"Eene zeer juiste aanmerking," zeide de veteraan: "waarvoor gij,
+Gilles Adriaansz! het voorrecht zult hebben met uw vijf man naar
+den voorpost te gaan en te zien of alles rustig is.--Zoo er lieden
+aangehouden zijn, breng ze hier. Ik zal zelf naar den hopman gaan."
+
+Dit gezegd hebbende, richtte hij zijn schreden naar eene der tenten,
+terwijl Gilles Adriaansz, weinig tevreden met den hem opgedragen
+last, waartegen hij zich echter niet dorst te verzetten, de vijf
+man, welke onder zijn bevel stonden, bijeenriep en met hen naar den
+voorpost wandelde.
+
+"Wat wilt gij?" vroeg de monnik met een fluisterende stem aan Madzy.
+
+"Mijn oogmerk is, bij den hopman op een vrijgeleide aan te dringen:
+zoo hij mij weigert, welaan! dan zal ik mij bekend maken en den
+uitslag afwachten. Hetzij dan een klooster in 's Hemels naam."
+
+De monnik scheen te willen antwoorden: maar hij weerhield zich: en een
+doffe zucht was het eenige blijk van verwondering of ontevredenheid
+dat hem ontsnapte.
+
+In dit oogenblik werd Madzy's aandacht door een ander schouwspel
+gewekt. De hoop, die het midden van het plein vervulde, was gedund
+en gedeeltelijk uiteengegaan, en liet haar den armen hansworst zien,
+die, van zijn ezel gevallen zijnde, met zijn kast, waarin eenige
+pijlen staken, op den rug, niet kwalijk op een stekelvarken geleek,
+en langs den grond kroop, onder het aanheffen van droevige weeklachten.
+
+De goede Madzy, wanende dat de arme Daamke een wond had bekomen,
+stuurde haar ros naar hem toe en vroeg hem met deelneming of hij
+gekwetst ware.
+
+"Gave de goede God," zeide de hansworst, "dat de pijl mij getroffen
+had, en niet mijn trouwen vriend en makker."
+
+"Hoe!" vroeg Madzy: "wie dan? wie is gewond?"
+
+"Zijn broertje is gewond," riepen verscheidenen onder de omstanders
+lachende uit.
+
+Nu eerst zag Madzy, dat het voorwerp van Daamke's bittere smart geen
+minder persoon was, dan de behendige meester Cezar, die, terwijl de
+hansworst voor de op hem afgeschoten pijlen vluchtte, het gewaagd had,
+eens over de kast heen te kijken en in dat noodlottig oogenblik een
+pijl door den kop gekregen had. Het arme dier lag levenloos in den
+arm zijns meesters, die het met de teekenen der diepste droefheid
+aan zijn hart drukte en met heete tranen bevochtigde.
+
+"Lacht vrij, steenen harten!" kreet hij: "lacht vrij: er zullen nimmer
+zoovelen om zijn dood lachen, als hij bij zijn leven lachen deed;
+maar uw arme meester zal niet meer lachen, nu gij hem ontnomen zijt,
+mijn lief en aardig snaakje! Ach! hoe netjes kon hij op 't commando een
+buiging maken voor 't gezelschap, en doodliggen, net zooals nu!--maar
+nu zal hij niet weer opstaan, en het is over met al zijn grapjes,
+over voor altijd! Och! wat hebben wij al samen doorgebracht! en
+lief en leed, zoet en zuur altijd gedeeld! en dat ik u nu zoo moet
+verliezen! och! och! ik ben alles kwijt:--mijn meester; die zelfs de
+beste kokelers van Gaskonje in bekwaamheid overtrof! en mijn Cezar, die
+hooger sprong dan een springer van Poitou! Och! ik heb alles verloren!"
+
+Ofschoon Madzy juist niet veel verplichting aan den overledene gehad
+had, gevoelde zij zich niettemin geroerd door den toon van innigen
+rouw, waarmede de hansworst zijn verlies betreurde. Het was duidelijk
+te zien, dat zijn smart bij den dood van zijn ruigen metgezel niet
+daaruit ontsproot, dat hij met hem de bron van zijn winsten en
+bestaan verloor, en dat hij hem ook niet beklaagde, gelijk een kind
+zijn vogel of een oude huishoudster haar mopshond betreurt, uit eenig
+kinderachtig zwak voor het beest; maar dat zijn gevoel sproot uit een
+oprechte, teedere verknochtheid, die het gevolg van een langdurigen,
+schier broederlijken omgang was, en van alle denkbeelden van baatzucht
+afgescheiden.
+
+Onze heldin had echter niet lang tijd om haar meewarigheid te toonen;
+de oude speerman keerde terug met een jeugdigen schildknaap, die
+haar de boodschap bracht, dat zijn meester haar wachtende was, en
+haar tegelijk de hand bood om haar van 't paard te helpen. Terwijl
+zij, afstijgende, den knaap bedankte, zag zij hem in 't gezicht, en
+het kwam haar voor, als had zij hem voordezen nog eens ontmoet. De
+spotachtige glimlach, die op zijn lippen zweefde, scheen deze meening
+te bevestigen.
+
+De monnik steeg insgelijks af, als met het oogmerk om zijne reisgenoote
+te vergezellen; maar de veteraan verhinderde dit: "de Ridder heeft
+nog onlangs gebiecht," zeide hij: "hij heeft nu alleen van de deerne
+gesproken:--misschien," voegde hij er bij, lachende om zijn eigene
+geestigheid, "zal hij een priester noodig hebben als het meisje van
+hem af is."
+
+De monnik trilde van toorn; maar hij hield zich in; en tegen zijn paard
+leunende, bleef hij staan, als in diep gepeins verzonken, terwijl
+de naastbijstaande knechten meenden hem in zich zelven te hooren
+mompelen: "ja! 't is misschien beter, dat zij alleen gaat.... wie
+zou haar kunnen weerstaan?" Sommigen echter merkten op, dat hij
+gedurende Madzy's afwezigheid blijken gaf van innerlijke onrust en
+dat hij meer dan eens met de hand krampachtige bewegingen maakte en
+onder zijn kleed voelde, alsof hij een wapen zocht om zich tegen een
+onverwachten aanval te verdedigen.
+
+Ondertusschen was Madzy haar jeugdigen leidsman gevolgd, die haar,
+tusschen twee rijen tenten door, geleidde naar die des bevelhebbers.
+
+"Onze goede Heer van Beaumont is thans niet in het kamp," zeide de
+schildknaap, haar op een prachtig paviljoen wijzende, dat gesloten en
+waar de banier van afgenomen was: "hij is den Graaf gaan bezoeken,
+die een wond aan den voet bekomen heeft. Daarom breng ik u bij mijn
+meester, die in zijn afwezigheid over dezen post bevel voert."
+
+"En wie is uw meester, goede schildknaap?" vroeg Madzy.
+
+"Ho! Jonkvrouw!.... dat zult gij ras bespeuren.... iemand, wien de
+schoone Madzy niet vergeefs om een gunst zal vragen, dat beloof ik u."
+
+"Gij kent mij?" zeide zij verbaasd:.... "maar nu ik mij wel herinner,
+ik heb u ook gezien, in een anderen dos!--zijt gij niet de neef van
+die vriendelijke Jonkvrouw van Naaldwijk, welke mij op den Vogelesang
+met zooveel hartelijkheid behandelde?"
+
+"Juist geraden, schoone Jonkvrouw! Ik ben Zweder van Naaldwijk, en
+heb de muts van den page voor den stormhoed verwisseld, om de edele
+wapenkunst te leeren bij den braven Ridder, voor wiens tent wij ons
+thans bevinden."
+
+Dit zeggende hield hij stil voor een paviljoen, dat wel niet zwierig
+of prachtig, maar toch ruimer scheen dan de overige. Een schildknaap,
+ouder dan Zweder, stond voor den ingang bezig met een klein hamertje
+de bulten en blutsen uit zijns meesters harnas te kloppen.
+
+Na aangediend te zijn, trad Madzy de tent binnen. Het eerste
+voorwerp, waar haar oog op viel, was een sluier, met zilveren lieren
+geborduurd en afhangende over een wapenrusting, die midden in de tent
+prijkte. Haar tweede blik viel op den bewoner der tent: en zij had
+moeite om zich staande te houden, toen zij in dezen de onvergeetbare
+trekken bespeurde van hem, wiens beeltenis haar zoo vaak voor oogen
+zweefde, van Deodaat van Verona.
+
+De verrassing van den Ridder was groot: echter minder dan de hare;
+want Zweder had hem reeds gemeld, dat hij Feiko verlof gegeven had
+om binnen Utrecht te gaan; maar weinig had hij durven hopen, dat die
+trouwe dienaar zoo voorspoedig in zijn onderneming geslaagd zou zijn,
+om denzelfden dag nog, en wel met Madzy terug te keeren.
+
+Een vroolijke glimlach helderde het gelaat des Ridders op: hij gaf
+Zweder een wenk om zich te verwijderen en, de eenige zitbank opnemende,
+welke zich in de tent bevond, zette hij die voor Madzy neder, terwijl
+hij intusschen geene andere woorden vinden kon om zijn blijdschap
+te schetsen, dan: "is het mogelijk? welk een gezegend toeval vergunt
+mij dit genoegen? 't Is meer dan ik had kunnen hopen of verwachten!"
+
+"God zij geprezen! gij leeft dan nog," was alles wat Madzy uit kon
+brengen: haar gemoed was zoo vol, de verrassing zoo volkomen, en haar
+blijdschap zoo groot, dat zij zich op het punt gevoelde van in flauwte
+te vallen. Terwijl zij wankelende een steun zocht, onderving haar de
+arm van Deodaat. Zij zonk met het hoofd tegen zijn schouder en weende.
+
+O! welk een vloed van zoete, van hemelsche aandoeningen doorstroomde
+het gemoed des jongelings. Zij, welke hij zoo onuitsprekelijk teeder
+beminde, zij, welke hij gevreesd had nimmer terug te zullen zien, zij
+lag vertrouwelijk in zijn arm: haar adem beroerde zijn wang en hare
+tranen getuigden, dat het weerzien haar niet onverschillig was. Met
+welk een onstuimige vreugde sloeg hem het harte, toen hij het hare
+daartegen voelde kloppen! Maar wat wagen wij, het gevoel te malen,
+dat zijne ziel vervulde? Al wie, gelijk hij, eenmaal het geluk heeft
+gesmaakt, van het geliefde voorwerp na een scheiding, die men eeuwig
+dacht, terug te zien, zal die gewaarwordingen gevoelen; voor anderen
+zouden wij die vruchteloos beschrijven.
+
+Weldra echter vervloog als een zalige droom de zoete vreugde,
+welke ook Madzy in deze omarming smaakte, en vertoonde zich het
+wezenlijke van haar toestand voor haar oogen. Zij schaamde zich,
+aan hare zwakheid te hebben toegegeven. Zachtjes maakte zij zich
+uit de armen van Deodaat los, eer deze nog de stoutheid had durven
+gebruiken, om het gunstige oogenblik waar te nemen en op den mond,
+wiens adem hij voelde, een vurigen kus te drukken: zij zette zich op
+de zitbank neer en zag bedeesd voor zich.
+
+"Madzy! aangebeden Jonkvrouw!" stamelde Deodaat, terwijl hij voor
+haar nederknielde, en hare handen met eerbiedige liefde aan hart en
+lippen drukte.
+
+"Ridder! dit moet zoo niet zijn," zeide Madzy: "ons laatste onderhoud
+heeft al reeds genoeg gekost: ik verheug mij hartelijk, u weder
+hersteld te zien."
+
+"De wond is spoedig geheeld geweest," zeide Deodaat: "en zou ik die
+niet zegenen, nu zij mij het genoegen verschaft van een woord van
+belangstelling uit uwen mond te vernemen!"
+
+"Ridder!" zeide Madzy, weemoedig het hoofd schuddende: "waartoe dient
+het, een ongelukkig meisje, dat al genoeg geleden heeft, met ijdele
+plichtplegingen te overladen! De oogenblikken zijn te kostbaar en
+het zal toch de laatste reis zijn, dat wij elkander zien."
+
+"IJdele plichtplegingen!" riep Deodaat: "ach! kunt gij dit ernstig
+zeggen?--maar gij hebt gelijk:--ik herinner mij ter goeder ure,
+dat gij de verloofde bruid van Seerp Van Adeelen zijt."
+
+"Seerp Van Adeelen zal nimmer mijn echtgenoot worden; hij zelf,
+hij heeft mijn hand afgeslagen."
+
+"Mijn God!" riep Deodaat: "waar kan de man bestaan, die zulk een
+prijs weigert?"
+
+"Veroordeel hem niet," zeide Madzy, blozende en verward: "hij moest
+denken dat ons gesprek op den Vogelesang een.... het gevolg van een
+afspraak was.... en dat ik u.... dat mijn hart.... in 't kort, hij
+beschouwde mijn gehouden gedrag uit een ongunstig oogpunt.... en
+misschien had hij niet geheel ongelijk.... ik had u nooit moeten
+aanhooren."
+
+"Gij zijt wederom vrij!" riep Deodaat, wiens oogen van vreugde
+fonkelden: "en waarom zou dan mij de hoop worden afgesneden?"
+
+"Helaas!" zeide Madzy, terwijl haar blauwe oogen, door tranen bewolkt,
+hem aanzagen met een onbeschrijfelijke uitdrukking van teederheid en
+weemoed: "waarom schept gij er behagen in, mij en u zelven te kwellen,
+door een vooruitzicht te willen voeden, dat nimmer kan verwezenlijkt
+worden?"
+
+"En waarom, vraag ik op mijne beurt," zeide de Ridder, "waarom zoudt
+gij, uit wier lieve oogen slechts zachtheid en welwillendheid spreken,
+zoo wreed zijn, om mij de laatste troosteres des menschdoms, de hoop,
+te ontzeggen? Zal een teedere, belangelooze liefde niet in staat
+zijn uw hart voor mijn smeekingen gevoelig te maken? O! verschuif
+het tijdstip zooverre gij wilt; maar ontzeg mij het uitzicht niet,
+van u eenmaal de mijne te mogen noemen."
+
+"Ridder!" hernam Madzy, op een minzamen, doch vasten toon: "ik wil
+u oprecht antwoorden. Indien ik in deze streken geboren ware, of
+gij een Fries waart, zou mij misschien het aanbod uwer liefde niet
+onverschillig zijn. Ik heb achting voor u,.... en mijn hart had u
+wellicht boven anderen verkozen.... neen!--spaar uwe betuigingen en
+antwoord mij nog niet: ik heb niet uitgesproken.--Gij zijt geen Fries,
+Ridder! en mijn landaard, altijd afkeerig van vreemden, zou thans meer
+dan ooit de dochter van Friesland verachten, die hare bezittingen in
+de handen van uitlanders deed overgaan. Haat en vervolging zouden mijn
+loon zijn, indien ik tot zulk een stap besloot: en daarin zoudt gij
+deelen:--wij zouden het land mijner vaderen moeten verlaten:.... ook
+dat, zult gij zeggen, ware slechts een geringe opoffering voor
+al, wie zulks met het beminde voorwerp doet; en het kan zijn, dat
+geene bezittingen opwegen tegen armoede met den lieveling van ons
+hart;--maar!--ik zou een grooter schat verliezen en dien wil ik niet
+opofferen:--mijn goede naam ware onherstelbaar verloren."
+
+"Uw goede naam!" herhaalde Deodaat, verbaasd, ja eenigszins gevoelig:
+"'t is waar, mijn geboorte is nog duister; maar mijn eer is onbevlekt."
+
+"Gij misduidt mijne woorden. Oordeel zelf: Adeelen verdenkt mij:
+door u te huwen, zou ik zijn vermoedens niet alleen bevestigen,
+maar geheel Friesland zou in den waan geraken, dat ik mijn bruidegom
+verraden had om eenen anderen mijn min te schenken."
+
+"Adeelen verdenkt u!" herhaalde Deodaat, zich voor 't hoofd slaande:
+"ik dwaas! en ik ben de oorzaak van uw verdriet. Helaas! ik gevoel
+het: gij behoordet mij te haten; maar ik zweer het u, zoodra mijn
+plicht het gedoogt, zal ik den trotschen stijfkop in Friesland komen
+opzoeken: en wee hem! zoo hij zich een woord durft laten ontvallen,
+dat beleedigend voor uwe eer mocht zijn."
+
+"Een dergelijke onvoorzichtigheid zou slechts verkeerde uitwerkselen
+hebben," zeide Madzy: "mijn land is niet als Frankrijk, waar de eer
+van een vrouw aan de punt van 't zwaard hangt."
+
+"Gij hebt misschien gelijk," zeide Deodaat: "en toch behoort er iets
+gedaan te worden. Madzy! op mijn woord, op welken hoogen prijs ik uw
+bezit zoude stellen, toch zag ik u nog liever de gade eens anderen,
+dan dat de minste vlek op uw naam kleefde, die ik er af kon wasschen."
+
+"Wel!" hernam de Jonkvrouw: "laat ons dan beginnen met voor het
+tegenwoordige te zorgen. Een langer onderhoud met u zou juist
+geschikt zijn, om stof te geven aan de opspraak, die gij voorkomen
+wilt. God weet het: het is mij lief, u wèl gezien te hebben; maar
+had ik geweten, dat men mij tot u voerde, ik had mij wel gewacht dit
+onderhoud te vragen."
+
+"Hoe!" zeide de Ridder: "gij wist niet.... en wien zoekt gij dan?"
+
+Madzy was juist begonnen hem een kort verslag te geven van haar oogmerk
+om naar Friesland te trekken, toen de gedachte, dat Feiko misschien het
+offer van zijn trouw geweest was, haar op eens als een dolksteek door
+'t hart kwam, en zij zich zelve bitter verweet, om hare dwaze liefde,
+dien braven dienaar een oogenblik te hebben vergeten.
+
+"Om Gods wil, Ridder!" zeide zij, "mijn trouwe Feiko!.... hij is aan
+de voorposten slaags geweest met uw volk! ik ben doodelijk bekommerd
+over hem."
+
+"Wij zullen naar hem laten vernemen," zeide Deodaat: "Zweder!"
+
+De jonge schildknaap trad binnen.
+
+"Ga eens vernemen wat er van den man geworden is, die aan de voorposten
+gevochten heeft."
+
+"Ik ben zooeven naar het wagenplein geweest," zeide de knaap: "de
+man is er afgekomen met eenige builen: zij hebben hem wel gebonden
+en wachten op uw bevel omtrent hem."
+
+"God zij geloofd!" zeide Madzy: "waarlijk, de goede Feiko was misschien
+wat haastig; maar hij wilde mij verdedigen tegen...."
+
+"Hoe!" riep Deodaat! "men heeft u aan de voorposten durven beleedigen?"
+
+"Ik bid u," antwoordde Madzy, reeds vreezende te veel gezegd te hebben:
+"laat dit geval niet nader onderzocht worden. Ik wil niet, dat er om
+mijnentwil iemand leed geschiede."
+
+"Zooals gij verkiest is het wel! Zweder! ga, en zeg dat men den man
+ontboeie.--En nu, Jonkvrouw! verschoon mij, gij waart op het punt
+van mij te gaan verhalen...."
+
+Madzy voldeed aan zijn verzoek en deelde hem mede, hoe zij van Utrecht
+naar de zeekust reizen wilde, om aldaar een gelegenheid te zoeken,
+ten einde naar Friesland over te steken, en vrijgeleide voor haar en de
+haren verzocht. Zij verzweeg al wat tot hare gevangenschap betrekking
+had, ten einde de gelofte van geheimhouding niet te breken, die zij den
+Bisschop gedaan had. Zij besloot, met aan Deodaat te verklaren, dat,
+indien hij door zijn plicht gehouden was haar aan den Graaf over te
+leveren, zij zich te dien opzichte aan zijn bescheidenheid overliet,
+en niet begeerde, dat hij om harentwil zijn krijgsmanstrouw te kort
+zou doen.
+
+"Ik heb betreffende u geene bevelen van mijn Graaf ontvangen,"
+zeide Deodaat: "ook geloof ik, dat het bevel om u in een klooster te
+plaatsen slechts het gevolg eener overijlde drift was, en hem sedert
+lang ontgaan is. Maar al had hij mij een zoodanigen last gegeven,
+dan nog zou mijn ridderplicht, die mij heiliger is dan mijn plicht
+als 's Graven dienaar, mij hebben voorgeschreven, dien ronduit af
+te slaan. En hij zelf zou mij in een bedaard oogenblik hebben dank
+geweten, dat ik hem een dwaze daad bespaard had."
+
+"Ridder!" zeide Madzy, hem haar hand toereikende: "gij zijt een edel
+mensch! en waar ik mij ook moge bevinden, ik zal u mijn leven lang
+met een dankbaar hart gedenken.--Maar nu.... o! bedenk wat ik zeide:
+wij moeten scheiden."
+
+"Ach," riep Deodaat: "hoe kunt gij tevens zoo goed en zoo wreed
+zijn? Gij zijt als de Engelen, die (gelijk mij wel verhaald is) aan
+den Heiligen Mozes het beloofde land toonden, maar hem niet toelieten,
+daar binnen te gaan. En toch, zoo zoet zijn mij uwe woorden, dat ik
+de ellende, waarin een hulpelooze liefde mij stoot, tegen geen geluk
+ter wereld zou willen verruilen.--Dan genoeg!--Hier scheiden wij!--Ik
+durf mij zelfs het genoegen met vergunnen, u tot buiten de deur te
+geleiden: een uwer dienaars mocht mij herkennen: en ons onderhoud,
+hoe kort het ook geweest zij, zou argwaan kunnen wekken indien ik u
+vergezelde.--Zweder! Zit terstond op en neem zes ruiters met u!--geleid
+deze.... dit meisje met al wie tot haar gezelschap behooren tot aan de
+poorten van Amersfoort. Noch aan haar, noch aan iemand der haren mag
+het minste leed gedaan worden, of ik zal het gestreng straffen. En
+laat Boudewijn intusschen het paard van de.... van dit meisje hier
+brengen. Gij hebt mij verstaan."
+
+"Volkomen, Heer Ridder! ik zal voor de Jonkvrouw zorgen als ware zij
+mijn liefste," zeide Zweder, met een kluchtige deftigheid.
+
+"Hoe nu, knaap! weet gij....?"
+
+"Uwe Edelheid weet zoowel als ik," antwoordde Zweder, "dat men
+Jonkvrouw Madzy Dekama niet miskennen zal, wanneer men haar eens
+gezien heeft. Maar Uwe Edelheid kan op mij staat maken. Ik kan hooren,
+zien en zwijgen;--daarvoor ben ik page geweest."
+
+Met deze woorden verwijderde de schalk zich uit de oogen zijns
+meesters, wiens voorhoofd zich reeds begon te fronselen. Want als men
+verliefd, en hopeloos verliefd is, is men weinig geneigd om jokkernij
+te verdragen.
+
+Slechts enkele woorden wisselden de beide gelieven na het vertrek
+van Zweder. Echte liefde en weemoed zijn niet spraakzaam: en wat
+zouden zij elkander meer gezegd hebben, dat zij niet reeds wisten
+of gevoelden? Ja zelfs schenen beiden, als het ware, verlichting te
+ontvangen, toen het hoefgetrappel en het gebriesch der paarden het
+uur van scheiden aankondigde.
+
+Deodaat deed een schrede voorwaarts, en de hand van Madzy vattende,
+drukte hij die met drift aan zijn mond en stamelde een gesmoord
+vaarwel. Zij beantwoordde zijn handdruk, zag hem met een blik vol
+teederheid aan, en haalde toen haar kaper over 't gezicht. Zij traden
+de tent uit en zagen Zweder met zijn ruiters in den zadel gezeten,
+en Boudewijn, des Ridders anderen schildknaap, die het paard van
+Madzy gereed hield. Stilzwijgende besteeg zij het moedige dier.
+
+"Een wakker beestje!" zeide Boudewijn: "maar wat hamer, heer
+Ridder! het gelijkt, als 't eene ei op 't andere, naar den vos,
+die u ontstolen is."
+
+"Inderdaad!" zeide Deodaat, verwonderd van zijn paard te herkennen:
+"maar des te beter!"
+
+Madzy, die het gesprek slechts half gehoord had, wenkte Deodaat
+vriendelijk met de hand toe en vertrok, door de knapen vergezeld. Op
+het plein teruggekomen, vond zij er den monnik nog in dezelfde
+houding bij zijn paard staan, den hansworst nog altijd treurende over
+den dood van zijn aap, en haar getrouwen Feiko, die er niet weinig
+gezwollen en verhit uitzag, en vrij kwalijk ging, 't geen hem niet
+belette Madzy met de luidruchtigste blijdschap te gemoet te komen,
+en te betuigen, dat hij er gaarne eens zoo slecht ware afgekomen,
+nu alles zoo gelukkig was afgeloopen.
+
+Onze vier reizigers gingen nu weder onverhinderd op weg, onder geleide
+van Zweder, die hen ingevolge het bevel zijns meesters tot Amersfoort
+vergezelde, van waar zij de Eem afzakten en een visscherspink afhuurden
+ten einde hen naar Friesland over te voeren. Wij zullen hen intusschen
+vooruitreizen, en daar dit Hoofdstuk reeds lang genoeg is geweest,
+in een volgend onderzoeken hoedanig de staat in Friesland gesteld was.
+
+
+
+
+
+ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ ....Die zich inbeeldt, door het bukken,
+ Te vinden 't einde van den nood,
+ Is van gesond verstand ontbloot.
+ 't Moet er heel door, of wel aan stukken.
+
+ Anon, bij Scheltema. Mengelw. II, 11, 129.
+
+
+Wij verzoeken alsnu aan onze bescheidene lezers zich met ons in
+Friesland te willen verplaatsen, en wel op den vroegen morgen van den
+dag, volgende op dien, waarop de in ons vorige Hoofdstuk vermelde
+voorvallen hadden plaats gehad. Langs al de wegen, welke naar een
+geestelijk gesticht, een adellijke state of een stad geleidden, zag
+men lieden aankomen, onderscheiden in rang, gewaad en uitrusting,
+doch die allen, door den ernst, die op hun gelaat te lezen was, door
+den aard der gesprekken, met welke zij zich onderweg bezighielden,
+en door den spoed, waarmede zij hun weg vervolgden, zonder zich langer
+aan de herbergen op te houden, dan noodig was om zonder af te stijgen
+zich zelven en hunne paarden te verfrisschen, die allen, zeggen
+wij, te kennen gaven, dat hun doel gewichtig en zij van het belang
+daarvan doordrongen waren. Onder deze reizigers waren de Stamhoofden
+licht te onderscheiden aan de vurige rossen, die zij bereden, aan
+de Oostersche pracht hunner kleederen en aan den stoet van volgers,
+die hun vergezelde: 't zij uit loutere staatsie, 't zij uit voorzorg
+tegen aanranding en hinderlagen, welke, bij de menigvuldige veeten
+en geschillen tusschen de onderscheidene geslachten, geene ongewone
+verschijnselen waren. De geestelijke heeren waren reeds van verre
+kenbaar aan het lang en effenkleurig gewaad hunner orde, aan den
+telgang der rijpaarden, en aan den sleep der monniken en conversen,
+dien zij met zich voerden. De afgevaardigden uit de steden, meestal
+deftige burgers met welgeronde buiken, waren in vergelijking van de
+overige leden der samenkomst slechts gering in aantal; want slechts
+enkele steden hadden als zoodanig stem in de landsvergaderingen,
+en de meeste stonden nog onder het tijdelijk of erfelijk bestuur
+van dezen of genen veelvermogenden Edelman, die er zijn state had,
+en die aan de burgers zijn bescherming verleende.
+
+Al deze verschillende reizigers richtten hun weg naar het boschachtig
+oord aan de zuiderkust van Friesland gelegen, dat de plaats bevatte,
+welke ditmaal tot het houden van een algemeenen landdag, werf of
+weerstal bestemd was. Men had met opzet deze plaats verkozen boven
+den Upstalboom nabij Aurich, waar anders de groote landsvergaderingen
+gehouden werden, eensdeels omdat men zich aan de overzijde van de
+Lauwers minder over de voornemens van den Hollandschen Graaf bekreunde:
+anderdeels, omdat de Friezen der beide Gouwen en van de Sevenwolden
+zich op een tijdstip, dat men een landing der Hollanders vreesde,
+niet van de westelijke grenzen wilden verwijderen.
+
+Naarmate zij het bestemmingsoord genaakten, lieten de meesten hun
+paarden, welke tot nog toe over de harde kleiwegen met vlugheid
+hadden doorgedraafd, een meer bedaarden tred aannemen, zoowel om
+niet al te verhit aan te komen, als omdat de aard van den grond niet
+toeliet, met reeds vermoeide rossen spoedig te vorderen. Immers, het
+Gaasterland, hetwelk zij nu bereikt hadden, is in zooverre van het
+overige Friesland onderscheiden, dat het uit een zandigen heidegrond
+bestaat, volkomen gelijk aan dien van het Gooiland en Muiderberg,
+waarmede het waarschijnlijk in vroeger tijden, evenals met Urk,
+vereenigd was, eer nog de aandrang des waters den dam, door de natuur
+om het Zuidermeer gevormd, verbroken en dien plas met de Noordzee
+vereenigd had. Slechts op enkele plaatsen, voornamelijk langs de kust
+zelve, was die grond bebouwd geworden; maar voor 't overige leverde
+hij weinig anders op, dan ruige, steenachtige heiden, hier en daar met
+bosschen en struiken begroeid, en doorsneden met hobbelige en schier
+ongebaande wegen, waar men dikwijls gevaar liep geen uittocht aan te
+treffen en altijd te kampen had met de oneffenheid van den grond, de
+over het pad kruipende doornestruiken en heesters en overal verspreide
+keisteenen, zoodat men aanhoudende oplettendheid en overleg noodig
+had om niet van het goede spoor te geraken. Ofschoon vermoeiend,
+had echter dit gedeelte der reis zijn bekoorlijke zijde. Op een
+schilderachtige wijze verlichtte de morgenzon de bruine dennestammen
+of kleurde zij het versche Augustusloof der eikestruiken met vuurroode
+glansen, welke heerlijk afstaken tegen het donkere groen daarachter,
+het purper der tallooze heidebloemen of het bontkleurig gebloemte
+der kamperfoelie, welke zich in onbeperkte weelderigheid om alle
+struiken heenslingerde en de lucht met liefelijke geuren vervulde. Nu
+eens werd de weg door hoog geboomte overschaduwd, en reed men onder
+een gewelf van takken en gebladerte, waar schier geen lichtstraal
+door kon breken: dan weder ontmoette men een herberg of hoeve, met
+haar akker, tuin of boomgaard, aangenaam gelegen in den hoek, door
+twee kruiswegen gevormd, en voor wier deurpost de huisgenooten het
+ochtendmaal gebruikten, en een tafereel opleverden, het penseel des
+schilders waardig: wat verder zag men op een groene terp een oude
+stins, wier grijsachtige muren, door de zon beschenen, schitterend
+uitblonken tegen de boomen daaromheen geplant: dan weder werd het oog
+op het onverwachtst verrast door een ruim en prachtig uitzicht, waar
+de heuvel zeewaarts nederglooide, en de afdalende zijweg zich als in
+de golven scheen te verliezen, terwijl het landschap een bekoorlijk
+tooneel opleverde van golvende graanvelden, hier en daar afgewisseld
+door welig hakhout, heldere meertjes en bloeiende heidevelden, met
+de zee in 't verschiet, en daarover de West-Friesche kust, welke den
+gezichteinder sloot. Het romantische van dit oord maakte echter weinig
+indruk op de meerderheid der bezoekers, en zoo het schouwspel der
+hen omringende natuur al eenig gevoel in hun boezem deed ontstaan,
+het was dat van medelijden met een landstreek, welke, zoo 't hun
+voorkwam, stiefmoederlijk bedeeld was, als zijnde geheel onbruikbaar
+voor goede weiden en slechts gedeeltelijk geschikt voor den graanbouw,
+die nog daar te boven niet dan schrale oogsten scheen op te leveren.
+
+Het was, gelijk reeds gezegd is, in 't midden van dit oord, dat zich de
+plaats bevond, tot den weerstal bestemd. En inderdaad, moeilijk had men
+een betere gelegenheid tot een zoodanig oogmerk kunnen aantreffen. Het
+was een onbebouwd stuk gronds van ongeveer honderd vijftig schreden
+lang en nagenoeg even breed, waarop twee hoofdwegen uitliepen, en dat
+bijna aan alle zijden door geboomte was ingesloten. Het gewone gebruik,
+dat van dit kamp gemaakt werd, was om er de rechtsdagen te houden van
+Westergoo, tot welk gewest het Gaasterland alstoen nog behoorde: later
+werd het een marktplaats, waar, bij sommige feestelijke gelegenheden,
+de reizende kooplieden uit de omliggende gewesten hun waren kwamen
+uitventen: welke laatste bestemming het nog ten huidigen dage onder
+den naam van de _wilde merkt_ behouden heeft.
+
+Over dit geheele veld henen waren van afstand tot afstand kleine
+aarden wallen in den vorm van zitbanken verspreid, die aan de
+oppervlakte van den grond de gedaante gaven van een roskam, en
+waarvan nog enkele in wezen zijn, schoon meerendeels in een vervallen
+staat. Deze zitplaatsen waren reeds vroeg in den morgen bezet
+geweest door een talrijken drom verkoopers van drank en eetwaren,
+welke zich derwaarts hadden begeven in de blijde verwachting, dat
+zij een goede winst zouden doen door aan de hongerige magen der
+aankomenden de gelegenheid te verschaffen, zich, na de moeite der
+reis, met eenige ververschingen te laven. Slechts korten tijd echter
+werd hun het bezit van den grond vergund en weldra werden zij van de
+door hen ingenomene plaatsen afgedreven door de conversen van het
+Sint-Odulfs-klooster, aan welke de goede orde was opgedragen. De
+alzoo verjaagde en verstooten kooplieden vonden geen ander middel
+om hun voordeel te betrachten, dan dat van zich aan de uitgangen der
+landwegen te plaatsen, en aldaar de aankomst der afgevaardigden af te
+wachten: en het duurde ook niet lang of dezen vertoonden zich, zooals
+het gemeenlijk gaat, eerst bij tusschenpoozen en in geringen getale,
+en vervolgens in groote menigte te gelijk: terwijl eindelijk sommigen,
+die van verre plaatsen aankwamen of tegenspoed op reis gehad hadden,
+geheel alleen verschenen. Zij betraden echter den weerstal niet dan te
+voet, hebbende zij hun paarden met hun gevolg aan de naastbijgelegene
+herbergen achtergelaten of derwaarts teruggezonden.
+
+Het was geen onbelangrijk schouwspel, de leden der vergadering gade
+te slaan, zooals zij voor den aanvang der beraadslagingen over het
+veld verspreid waren, onder het gebruiken der ververschingen, hun door
+de kramers verschaft. Hier zag men de geestelijke heeren in gesprek,
+hun onderlinge ijverzucht onder den uiterlijken vorm van beleefdheid
+verbergende: wat verder een paar oude wapenbroeders, die elkander
+in langen tijd niet ontmoet hadden, elkander met een blijden groet
+de hand drukken: ginds wandelden eenige rijke Vetkoopers te zamen,
+en onderhielden zich over nieuwe plannen tot het verbeteren van
+gronden, het droogmaken van plassen of het oprichten van fabrieken,
+om, kon het zijn, den Groningers de loef af te steken; terwijl zij
+met een schamperen blik van verachting werden aangezien door dezen
+of genen Schieringer Edelman, die van geene takken van welvaart
+hooren wilde dan van jacht en vischvangst vooreerst, en daarna een
+weinig vetweiderij. Eindelijk kon men nog, aan de donkere blikken
+en norsche antwoorden van anderen, de verwijderingen opmerken, door
+meer bijzondere veeten verwekt: welke, voor 't oogenblik en om de
+heiligheid der plaatse gesmoord, slechts op een gelegenheid wachtten
+om weder uit te barsten.
+
+Het was eerst op den middag, en toen men begreep, dat de aanwezigen
+genoeg uitgerust waren en de ontbrekende leden niet komen zouden,
+dat men een aanvang maakte met de beraadslaging. De driftige Adeelen,
+die van de eersten verschenen was, was ook de eerste die het sein
+daartoe gaf, door met zijn staf eenige helderklinkende slagen te geven
+op een zwaar schild, dat midden op het plein boven de zitplaats des
+voorzitters aan een ouden dwergachtigen eikeboom was opgehangen en
+waarop het wapen van Friesland was afgebeeld, zijnde een man, die in
+volle wapenrusting onder een boom stond, in de eene hand een lans en in
+de andere een ontbloot, naar den schouder gekeerd zwaard vasthoudende.
+
+Nu begaven zich langzamerhand de aanwezigen naar de hun wachtende
+zitplaatsen. De vaste rangschikking, welke in andere landen op
+dergelijke bijeenkomsten de orde van zitting bepaalde, werd hier niet,
+of althans niet rechtens in acht genomen, dan alleen voor zooverre
+de kloostervoogden betrof, aan wie op de landdagen altijd de eerste
+plaats werd toegekend: terwijl de wereldlijken zonder onderscheid van
+rang of geboorte door elkander zaten. Wel duldde men oogluikend, dat de
+machtigste en voornaamste Edelen, of de Grietluiden, de beste plaatsen
+innamen (zijnde die welke zich dichtst aan den zetel des voorzitters
+bevonden); maar menig afgevaardigde uit de steden zette zich zonder
+plichtplegingen onder hen, en de algemeene regel scheen te zijn, de
+eereplaatsen aan de oudsten en achtbaarsten in te ruimen. Ik bedrieg
+mij: er was nog eene rangschikking; maar van een geheel anderen aard,
+en deze bestond daarin, dat, evenals in de wetgevende lichamen van
+latere dagen, ieder zich voegde bij de partij waartoe hij behoorde,
+waarvan het gevolg was, dat aan de eene zijde enkel Schieringers, en
+aan de andere Vetkoopers gezeten waren; evenals twee legers, welke met
+moeite door de overmacht in bedwang gehouden en belet werden elkander
+aan te vallen en de vergadering in een krijgsveld te veranderen.
+
+Eindelijk hadden allen plaats genomen; in rijen achter elkander; maar
+zoodanig, dat ieder het gelaat naar het midden gekeerd had, waar de
+Heer van Aylva, aan wien het beleid van de vergadering was opgedragen,
+aan den voet des eikebooms gezeten was, hebbende nevens zich een
+monnik van Sint-Odulf en een van Luidinga-kerke, om aanteekening te
+houden van het getal der aanwezigen en van het besluit der vergadering.
+
+Zooras de wakers zich verzekerd hadden, dat geene onbescheidene
+nieuwsgierigen zich in den omtrek van het plein bevonden, en dat
+al de daar tegenwoordige personen werkelijk stemgerechtigden waren,
+en toen de woeling, die een oogenblik te voren geheerscht had, voor
+een diepe stilte had plaatsgemaakt, nam Aylva het woord en bepaalde
+de vergadering bij het oogmerk der bijeenkomst: zijnde namelijk om een
+besluit te nemen, hoedanig men handelen zoude, ten einde vriendschap en
+vrede met Holland te bewaren, zonder de onafhankelijkheid van Friesland
+in de waagschaal te stellen. Hij deed daarbij nogmaals verslag van het
+wedervaren der afgevaardigden te Haarlem: hij verhaalde, hoe zij eerst
+met groote onderscheiding behandeld, maar later op een beleedigende
+wijze waren weggezonden; hoe een vrijgeborene Friesche Jonkvrouw
+door dwang in 's Graven macht was gehouden, en hoe diezelfde Graaf
+een onderwerping geëischt had, welke zij, zoo aan iemand, dan alleen
+aan den Keizer verschuldigd waren. Hij ontveinsde niet, dat er van
+de zijde van Friesland aanleiding was gegeven tot de handelwijze des
+Graven; en dat men dezen door eenige rekkelijkheid te betoonen en
+door een tijdige toenadering, te vriend had kunnen houden; maar hij
+voegde er bij, dat het thans de tijd niet meer was, om het gebeurde
+angstig te onderzoeken, en dat de blik alleen naar de toekomst diende
+gewend te worden. Hij besloot zijn rede met het verzoek, dat al wie
+iets ten nutte van het algemeen mocht weten zijn gevoelen rond en
+onbewimpeld verklaren zoude.
+
+De rede van Aylva werd door eenige oogenblikken stilte opgevolgd. Hoe
+vreemd het na al het vroeger verhandelde ook klinke, de gemoederen
+in Friesland waren in 't algemeen tot den vrede geneigd. Na lange en
+noodlottige oorlogen, welke veel manschappen en schats gekost hadden,
+na gedurige stroop- en plundertochten van West-Friezen en Nooren
+ondergaan te hebben, had men gedurende eenige jaren een vrede mogen
+smaken, die niet verstoord werd dan door de binnenlandsche twisten,
+welke echter toen nog de trap van woede niet bereikt hadden, waartoe
+zij later geraakten. Vooral de Vetkoopers, die, het meest gegoed
+zijnde, ook het meeste te verliezen hadden, waren, en niet zonder
+grond, beducht voor dien machtigen Graaf, die honderd krijgslieden
+stellen kon tegen éénen Fries. Men wenschte, ja, de onafhankelijkheid
+des lands te bewaren, maar men schroomde, die van 't zwaard te doen
+afhangen: en de meerderheid was dus, als Aylva, niet ongeneigd den
+Graaf een schaduw van heerschappij toe te kennen, mits hij slechts
+de daad zelve niet uitoefende. Een toestemmend hoofdgeknik en een
+streelend gemurmel was derhalve de uitwerking, welke de toespraak des
+Oldermans bij de meerderheid teweegbracht: en men zag elkander met
+goedkeurende oogen aan, als wilde men te kennen geven, dat een ieder
+zich gerustelijk bij het gehoorde kon voegen en dat men slechts te
+overleggen had, op welke wijze het voorgestelde doel best bereikt kon
+worden. Maar er was ook in de vergadering een machtige partij, wier
+hart naar het strijden haakte, wier afkeer tegen Holland onoverwinbaar
+was, en die geen vrede of verzoening met den Graaf, tot welken prijs
+ook, begeerde: en deze partij bestond niet slechts uit afgevaardigden
+van Oostergoo, die veelal door hunne belangen aan Holland vijandig
+waren; maar zelfs menig inwoner van Westergoo (dat anders, door zijn
+betrekkingen met de overzijde, voor Hollandschgezind gehouden werd)
+had zich aan haar aangesloten, vooral sedert de onbuigzame Seerp
+Van Adeelen hun het voorbeeld had gegeven, die, zich daardoor ook in
+Oostergoo wel gezien makende, van lieverlede als de ziel en het hoofd
+der oorlogzuchtige partij werd aangemerkt. Hij had dan ook Aylva's
+taal onverduldig aangehoord: en zoo hij eenige oogenblikken aarzelde
+het woord op te vatten, het was omdat hij hoopte, dat iemand van meer
+leeftijd en gewicht zou opstaan en den indruk wegnemen van hetgeen de
+Olderman had gezegd. Maar toen zijn fonkelende oogen zich vruchteloos
+nu her- dan derwaarts hadden gewend, en hij nergens iemand ontdekte,
+vaardig om het woord te nemen, rees hij op en drukte zijn meening in
+de navolgende bewoordingen uit:
+
+"Friezen! ik doe, met u, hulde aan de voortreffelijke wijze, waarop
+de edele Aylva den toestand van ons vaderland heeft geschilderd:
+hij heeft ons onthaal bij dien trotschen Graaf en de beleedigingen,
+daar ondervonden, en het leed, dat ons nog te wachten staat, in
+heldere trekken afgemaald;--maar indien ik, indien gij geroepen zijt,
+om hier alleen te beslissen, hoe men 's Graven vriendschap en den
+vrede zal kunnen bewaren, en te gelijk onze onafhankelijkheid, dat
+kostbaar erfdeel onzer vaderen,--dan verklaar ik ronduit, dat men
+ons evengoed had kunnen verzamelen om de vraag op te lossen, hoe wij
+zonder dijk of dam den springvloed zouden kunnen beteugelen. Zijne
+vriendschap! de vriendschap van een Graaf van Holland! van hem,
+welken en geboorte en stand en geneigdheid van de wieg af tot onzen
+doodvijand, en kan 't zijn, tot onzen dwingeland maken! van hem, die
+ons volk als een hoop dorpers beschouwt, onwaardig om het stof af
+te likken, dat aan de schoenen zijner laagste dienaars kleeft! van
+hem, die niet aflaat, wanneer hij kan, te gewagen, hoezeer hij ons
+veracht en versmaadt!--Vrede met Holland! met Holland, dat sinds
+eeuwen her onzen handel met nijdige oogen aanziet, dat Oost- en
+Noordzee met zijn schepen bedekt en ons den toegang weigert, dat op
+ons vlamt om onze akkers te verwoesten, onze weiden te blakeren, onze
+landen braak te leggen, den rooden haan in onze huizen te steken en
+onze landgenooten in slavernij te brengen!--En denkt gij, dat het
+met een schaduw van onderwerping zal tevreden zijn? Zal de wolf,
+die de schaapskooi beloert, zich vergenoegen met den plas ledig te
+drinken, waarin zich de kudde spiegelt, en den schijn voor het wezen
+nemen?--Neen! zoo hij er kans toe ziet, hij zal de kooi bespringen,
+en, al is zijn honger geboet, hij zal uitmoorden, zoolang hem de
+tanden niet verstompt zijn.--Gelooft mij: elke poging, aangewend
+om onze natuurlijke vijanden te winnen en voor ons in te nemen, zal
+slechts strekken om hen nog roofzuchtiger, nog opgeblazener te maken,
+om hunne vorderingen te vermeerderen en het juk, dat ons drukt, te
+verzwaren. Ik stem voor alles; maar niet voor het bevestigen onzer
+eigene schande. Neen! laten wij allen tot den laatsten toe in een
+eerlijken krijg vallen door het zwaard onzer vijanden; maar niet
+zelven den strop om de halzen slaan en het einde daarvan nederig
+aanbieden aan wie ons wurgen wil. Het is niet door onderwerping,
+dat wij de trotsche ziel van Willem zullen buigen. Voorkomen wij hem:
+dan eerst zal hij aarzelen, en zich tweemalen bedenken, eer hij ons
+aanvalt. De bulhond vervolgt den vluchtenden lafaard, doch deinst
+terug voor hem die standhoudt en hem onder de oogen durft zien. Lang
+genoeg hebben wij lafhartig geduld, dat Hollandsche huurbenden op onzen
+bodem rondwaarden; dat Hollandsche ambtslieden het recht spraken in
+onze steden: dat het wapen eens vreemden Graafs aan onze raadhuizen
+werd aangeslagen. Hij beschouwt ons als zijne lijfeigenen: en dit,
+Friezen! dit voegt het ons te toonen dat wij niet zijn. Hij beproeve
+het, en ondervinde hij, die zich in ijdelen waan, laatdunkend, den
+Heer aller Koningen en den meester aller soldaten noemt, dat hier een
+vrij en onafhankelijk volk woont, hetwelk zijne bedreigingen weet te
+verachten, zijn geweld te trotseeren, en wellicht zijn overmoed te
+fnuiken.--Ik heb uitgesproken."
+
+Een stille en effen rivier, welke kalm tusschen gelijke boorden vloeit,
+brengt overal rust en vrede aan de landstreek, die zij besproeit; maar
+een zware en hollende sneeuwval, die onweerstaanbaar van de bergen
+nederschiet, laat achter zich niets dan onrust en verwarring. Zoo
+ontstond ook bij de vergadering, die na de taal van Aylva bedaard
+gebleven was, een driftig en ongedurig gewoel en gemompel, toen Adeelen
+zijne rede geëindigd had. Verschillend echter waren die bewegingen,
+naarmate de meeningen en bedoelingen verschillend waren; maar zij
+waren daarom niet minder bij allen te bespeuren. Diegenen, welke het
+met Adeelen hielden, poogden door luidruchtige toejuichingen klem
+aan zijn woorden te geven: de vredelievenden daarentegen, die zijn
+taal als dwaas en onvoorzichtig beschouwden, konden hun wrevel niet
+bedwingen, en sommigen zelfs riepen, dat men hem het zwijgen behoorde
+op te leggen als zijnde hij verder gegaan, dan het doel medebracht,
+waartoe de landdag beschreven was. Niet dan met veel moeite gelukte het
+aan Aylva, de vergadering te bewegen om tot rust te keeren en aan te
+hooren wat ook andere sprekers mochten in 't midden brengen. Er trad
+er dan ook meer dan een op, zoo om de macht des Graven op te vijzelen
+en de ijdelheid van allen wederstand te betoogen, als om de woorden
+van Adeelen te ondersteunen; langzamerhand begonnen de uitdrukkingen
+minder bezadigd te worden; partijzucht mengde zich in de adviezen:
+men verweet elkander bijoogmerken: de gramschap begon in menig oog te
+fonkelen, en menige blik van uitdaging werd geslagen op hem door wien
+men zich beleedigd achtte. Dan toen Worp Ropta van Metslavier zwoer,
+dat hij nimmer het lemmer zou ontblooten in een zaak, welke door
+een Helbada werd voorgestaan, en deze laatste, over zulk een hoon
+vergramd, de hand aan 't zwaard sloeg, en de gemoederen zoo verhit
+waren, dat men het doel der samenkomst geheel uit het oog begon te
+verliezen, om alleen aan onderlinge veeten te denken; terwijl Aylva
+vruchteloos het zwijgen poogde op te leggen, was het Adeelen, die de
+beide partijen tot stilte wist te brengen. Met vastberadenheid sprong
+hij van zijn zitplaats op, en tusschen beiden:
+
+"Zwijgt! zwijgt allen!" riep hij met een donderende stem: "wordt
+het hier een kinderspel?--Wat zijt gij, gij allen, tot wie ik
+spreek?--Vetkoopers en Schieringers?--IJdele dwaasheid! ziet
+op het schild.--Wat staat daarop afgebeeld?--Is het het merk der
+Vetkoopers?--Is het een vette koe?--Past maar op! de Hollanders zullen
+haar melken.--Is het een schieraal, de leus der Schieringers?--Draagt
+zorg, dat de Hollanders uwe meren niet leegvisschen.--Neen Friezen! het
+is het wapen van Friesland: een gewapend man!--Wapent u dan!--Zorgt,
+dat niemand in staat zij uwe onafhankelijkheid te belagen:--en
+dan, twist met elkaar als gij het niet laten kunt!--ik heb ook
+getwist,--met onzen braven abt van Lidlum, die daar zit;--maar
+wij hebben vriendschap gemaakt:--want de Hollanders lachten in hun
+vuist.--Spreekt bedaard!--want bij den hemel! den eersten, die zijnen
+landgenoot weer een verwijt durft doen, smijt ik de vergadering uit!"
+
+Deze toespraak, met horten en stooten, doch met klem en in een gepast
+oogenblik voortgebracht, maakte meer indruk op de aanwezigen dan de
+meest welsprekende en sierlijke taal had kunnen teweegbrengen. De
+opgewondene afgevaardigden kwamen tot rust; maar niet tot eenig
+besluit: en het scheen onzeker hoe lang de beraadslagingen nog hadden
+kunnen duren, toen een onverwacht rumoer op den landweg gehoord werd
+en een nieuwe wending aan heur loop kwam geven. De Abt van Sint-Odulf,
+die juist aan 't woord en bezig was der vergadering te verhalen dat
+broeder Syard, die nu God wist waar was, hem wel verteld had, hoe
+de wolven in Brabant, bij winterweer, zelfs de herders aanvielen,
+en dat Adeelen, die misschien nooit een wolf gezien had, over die
+beesten maar liever niet had moeten spreken; de Abt, zeggen wij, zich
+onverhoeds in zijn rede gestoord ziende, zweeg bot-stil en zag met
+een open mond naar de plaats, waar het gerucht vandaan kwam. Aylva
+wilde iemand derwaarts zenden, om te onderzoeken wat het ware, toen
+men de wachters terug zag treden met een besluitelooze houding, als
+wisten zij niet, of zij volgens hun plicht aan den nieuwaangekomene
+den toegang moesten vrijlaten of ontzeggen:--en nu vertoonde zich,
+zweetende en blazende, met de hem eigene verwaandheid en zelfvoldoening
+op het vuurrood gelaat, aan de verwonderde oogen der aanschouwere,
+het klein en onbeduidend figuurtje van meester Claes Gerritsz, den
+voormaligen Marktschrijver van Haarlem.
+
+Maar hij bekleedde nu een andere waardigheid. Zijn bedilzucht en
+neuswijsheid hadden hem ondraaglijk gemaakt aan zijn stadgenooten,
+maar vooral aan het bestuur. Om zich van hem te ontslaan, had men
+geen beter middel weten te vinden, dan om hem bij den Graaf aan te
+bevelen, toen deze naar een geschikten persoon omzag ten einde hem te
+vertegenwoordigen op de rechtsdagen in Westergoo, en tevens eenige
+kleine eigendommen des Graven te bestieren, in dat gewest gelegen:
+welke betrekking tot dien tijd aan een Fries vertrouwd was geweest,
+maar welke de Graaf nu in zijn ontevredenheid aan een Hollander
+wilde opdragen. De eigenliefde van den Marktschrijver was te groot
+om hem zulk een post te doen afslaan, met welk gevaar die ook scheen
+verzeld, en hij had zich dan ook voorgesteld, zich bij de Friezen
+eens recht te doen gelden en hun te leeren, welk ontzag zij den
+Grave schuldig waren. Ofschoon hij met vrij wat gemompel en stugheid
+ontvangen was geworden, had hij zich daaraan weinig gestoord; maar was
+onverschrokken den hem eigen toon blijven voeren: en daar hij buiten
+dat geene ware redenen tot klachten gegeven had, en zijn mederechters,
+vooral die van Stavoren, Hollandschgezind waren, had hij tot nog toe
+geene dadelijke weerstreving aan zijn bevelen gevonden. Maar nu was
+hem op eens in de ooren gewaaid, dat er in Gaasterland een landdag zou
+gehouden worden: hij wist, dat zulke vergaderingen meermalen hadden
+plaats gehad en door de Graven oogluikend geduld waren geworden;
+maar hij was tevens van meening, dat men niet mocht verzuimen, des
+Graven ambtenaar daarop te noodigen: en toen die noodiging, welke
+hij zoolang vruchteloos gewacht had, niet tot hem kwam, begreep hij
+ook ongenoodigd derwaarts te moeten gaan, ten einde te zorgen, dat
+'s Graven persoon aldaar behoorlijk werd vertegenwoordigd en er niets
+plaats vond, strijdig met de hem verschuldigde eer. Met dit moedig
+voornemen had hij Stavoren, zijn woonplaats, verlaten, en was te voet,
+daar alle paarden en vervoermiddelen genomen waren, naar den weerstal
+gekuierd, waar hij nu, ofschoon wat laat, kwam opdagen.
+
+Zijn onverwachte verschijning maakte op de aanwezige menigte
+nagenoeg een gelijken indruk als die, welke in onze tijden zoude
+veroorzaakt worden door de komst van een deurwaarder of gerechtsbode
+op een beurs, in een academiezaal, in een leesgezelschap of in elke
+dergelijke vergadering, welke men gewoon is als een vrijplaats aan
+te merken. Ieder zag den ongeroepen gast met verbazing, sommigen met
+toorn, anderen met verachting, velen met een bedenkelijk hoofdschudden
+aan; doch niemand week van zijn plaats en elk wachtte af, wat de
+uitslag van dit tooneel zou zijn. Zonder van zijn stuk te geraken,
+stapte de wakkere ambtenaar voort, groette hier en ginds een bekende
+met een beschermenden hoofdknik, zette de borst hoog op en keek, toen
+hij zich eindelijk midden in den kring bevond, rechts en links aan
+de zijden des voorzitters naar een plaats uit, hoedanig hij begreep
+dat met zijne waardigheid zou overeenkomen. Maar alles was bezet
+en niemand scheen genegen hem tot zijn buurman te dulden, veelmin
+voor hem plaats te maken. Integendeel gaven de norsche en dreigende
+blikken, welke hij van alle zijden ontmoette, hem genoegzaam te
+kennen, dat het dwaasheid zou wezen, hier zijn vermeend recht te doen
+gelden. Weinig gesticht over dat onthaal en bemerkende dat zijn persoon
+hier omtrent denzelfden indruk maakte als een bunsingstaart zou doen
+in een duivenhok, bleef hij eenige oogenblikken staan: en men kon aan
+den scheeven trek van zijn gelaat bespeuren, dat de vrijmoedigheid,
+welke hem bij zijn opkomen bezield had, langzamerhand begon plaats
+te maken voor verlegenheid, en dat hij den stillen wensch voedde,
+liever die fraaie reis niet te hebben ondernomen. Eenig half gesmoord
+gelach en een suizend gemompel begonnen zich reeds aan alle kanten
+te doen hooren, toen Aylva, wenschende een uitbarsting te voorkomen,
+den nieuwaangekomene toesprak:
+
+"Wie zijt gij? En wat komt gij hier zoeken?"
+
+"Verheugd, u te zien, mijn waarde Heer van Aylva!" zeide Claes
+Gerritsz, de hand aan den voorzitter toestekende, welke zich echter
+hield als bemerkte hij zulks niet: "ik dacht weinig, toen wij malkaar
+laatst binnen Haarlem zagen, u zoo spoedig weer en dat wel hier te
+zullen ontmoeten. Maar, als het spreekwoord zegt: bergen ontmoeten
+zich niet, maar...."
+
+"Maar kort en goed," viel Aylva in: "wat is het doel uwer komst?"
+
+"Lieve Hemel! Is het hier geen landdag?--Ik kom een weinig laat,
+'t is waar: maar daar was geen ezelspoot in Stavoren te krijgen...."
+
+"En daarom zijt gij maar op de uwe gekomen," riep Adeelen, lachende.
+
+"Maar, gij hebt geene noodiging ontvangen," hernam Aylva.
+
+"Zeker een verzuim; want moest ik, als gemachtigde, en ik durf zeggen
+als vertegenwoordiger van den Graaf, zoo op den rechtsdag van Oostergoo
+als opzichtens Kempenesse, Aldenum en Hofland, niet zitting op uwe
+landdagen hebben, ten einde mijne stem te kunnen uitbrengen in het
+belang der Heerlijkheid?"
+
+"Ziedaar wat iedereen u niet even gaaf zal toestemmen," zeide Aylva:
+"hadt gij mij vroeger deswege geraadpleegd, ik zou u een dergelijken
+stap hebben afgeraden: en," vervolgde hij halfluid, "ik rade u thans
+nog in goeden ernst: maak u uit de voeten; want ik zie hier menig
+gelaat, dat u weinig goeds belooft."
+
+"Hoe!" zeide de Ambtman, onthutst om zich heen ziende: "ik wil niet
+hopen, dat men mij mijn recht van zitting zou betwisten. Bij het
+Privilege, in 1299 door Graaf Jan I geschonken aan...."
+
+"Wat wil hij?--wat vraagt hij? weg met den onbeschaamde!" riepen nu
+verscheidene stemmen, terwijl de woorden van den Ambtman, die de
+naastbijzittenden alleen vernamen, als een loopend vuurtje bij de
+vergadering rondgingen.
+
+"Welnu!" riep Adeelen: "Friezen! zou een uwer nog aarzelen? gij
+ziet het!--op onze landdagen zelve durft die onbeschaamde Graaf zijn
+verspieders zenden."
+
+"Men moet den zot aan den paal hangen en het alarm op zijn buik
+trommelen!" riep Helbada.
+
+"Zijt bedaard, vrienden!"--riep Aylva: "laat mij hem
+ondervragen. Vriend!--Ik vraag u nogmaals, volhardt gij bij uw opzet
+om hier zitting te nemen?"
+
+"Volgens art. VII van het Privilege van Graaf Floris V," hernam Claes
+Gerritsz, die nu te verre gegaan was om terug te keeren, "zullen ter
+plaatse, waar de Graaf zich niet in persoon bevindt, alle Schouten,
+Schepenen, of in zijnen naam aangestelde personen...."
+
+Hier werd hij in de onmogelijkheid gebracht om zijn rede te vervolgen
+door de geweldige kreten, die van alle zijden omgingen.
+
+"Hij verlangt zitting onder ons," riep Aylva met luider stemme:
+"Hij vordert die als vertegenwoordiger des Graven."
+
+"Aan den paal moge hij hem vertegenwoordigen!" schreeuwde Helbada.
+
+"Wij willen geen verspieder van Graaf Willem!" riepen anderen: "wij
+zijn vrije Friezen en dulden geen vreemdeling op onzen weerstal.--Is er
+geen water in de buurt?--Het ware niet kwaad hem een dooping te geven!"
+
+En reeds drong menigeen op den Ambtman aan, om door daden klem aan
+zijn woorden te geven.
+
+"Ik stel u verantwoordelijk voor de gevolgen," kraaide Claes Gerritsz
+zijn schrille stem tot den hoogsten toon verheffende welken zij
+bereiken kon; "denkt om het artikel: al zoo wie een Schout, Schepen
+ofte anderen 's Graven Ambtman, door woorden, bedreigingen ofte daden
+zal beleedigd hebben...."
+
+"Toon ons uw lastbrief om hier te verschijnen, of verwijder u,"
+zeide Aylva, op een gestrengen toon: "de gemoederen zijn verhit:
+en ik sta niet in voor hetgeen u kan overkomen."
+
+"Hier is de opene brief," zeide Claes Gerritsz, een perkament voor
+den dag halende, "waarmede mij onze doorluchtige Graaf en Heer heeft
+aangesteld tot...."
+
+"Wij zullen u het lezen besparen," zeide Adeelen, die, inmiddels
+genaderd zijnde, het perkament hem uit de handen rukte en over de
+hoofden heen in het bosch smeet, waar het bij het zegel aan een
+boomtak hangen bleef.
+
+"Ben ik hier in een vergadering van oproermakers?" vroeg de Ambtman,
+zich met drift tot Aylva wendende, die, onbeweeglijk op zijn
+zitplaats blijvende, beurtelings hem en Adeelen met een afkeurenden
+blik beschouwde.
+
+"Gij ziet uw kaarteblad hangen," vervolgde Adeelen: "welnu! zoo gij
+geen lust hebt, om daarnevens te waaien, pak u dan van hier; want,
+bij het zwaard van mijn stamvader, Koning Adegild, ik geef u ter
+prooi aan de roofvogels, zoo gij een oogenblik langer vertoeft."
+
+"Geene onberadenheid, Seerp Van Adeelen!" riep Aylva, op een strengen
+toon: "dat een ieder zijn plaats herneme; en gij, Hollander! wie gij
+wezen moogt, zie uw aanstelling te krijgen en verwijder u. Zoolang
+Friesland bestaat, hebben zijn zonen nimmer een vreemdeling op hunne
+landdagen gedoogd."
+
+Adeelen begaf zich naar zijn zitplaats terug: en ofschoon hij in zijn
+hart den vreemdeling een goede waterdooping beloofde bij de eerste
+gelegenheid de beste, oordeelde hij echter, dat hij hem voor dezen
+dag met rust kon laten, en verheugde zich innerlijk over een voorval,
+dat hem aanleiding geven kon tot nieuwe en krachtige vertoogen ter
+aanprijzing van den krijg met Holland. De vergadering volgde zijn
+voorbeeld en schikte zich weder tot orde: en de Ambtman, het perkament,
+dat een der wapenknechten hem half verscheurd had toegebracht, weder
+toevouwende, maakte zich gereed om te vertrekken, toen er een nieuw
+gedruis op den landweg ontstond; maar ditmaal van de zijde van de
+Lemmer: hoefgetrappel deed zich hooren: een viertal personen steeg aan
+den ingang af, en de wakkere Feiko kwam juichende het plein oploopen.
+
+"Daar is zij! daar is freule Madzy weer," riep hij, springende,
+en zijn muts in de hoogte werpende.
+
+En inderdaad, men zag Madzy optreden, door den monnik en den
+alwillensdwaas gevolgd. Den avond te voren aan de Lemmer geland,
+hadden zij aldaar vernacht, en vernemende, dat zij Aylva op den
+weerstal zouden vinden, waren zij 's morgens derwaarts gereden.
+
+"Mijn dochter!" riep Aylva, haar te gemoet komende en haar met
+teederheid omarmende: "zijt gij het waarlijk?"
+
+"Hoezee voor Madzy Dekama!" riepen Helbada en Worp Ropta, deze reis
+eenstemmig: "Hoezee voor de Roos van Dekama!" riepen Schieringers
+en Vetkoopers: "Hoezee!" riep de gansche vergadering. Adeelen alleen
+bleef zwijgend en koel dit tooneel beschouwen.
+
+"Verschoont mij, edele Friezen!" zeide Aylva, "zoo ik een oogenblik
+aan mijn gevoel toegeve:--ik zie, met vreugd, dat gij allen in de
+blijdschap dezer heuglijke ontmoeting deelt.--Maar zeg mij, mijn
+kind! hoe zijt gij uit de handen der Hollanders ontkomen?"
+
+"Aan God alleen komt de dank toe voor mijn redding," antwoordde zij,
+hem de hand kussende; "maar ik weet, gij handelt hier over 's lands
+belangen: veroorloof mij voort te reizen: mijne tegenwoordigheid is
+hier onvoegzaam.--Waar zal ik u afwachten?"
+
+"Ga in vrede, mijn dochter! Wacht mij aan mijn huizinge te Awert:
+daar zal ik u komen afhalen. Zorg ook, dat uwe reisgenooten aan niets
+gebrek hebben. Ik zal straks na den afloop der vergadering bij u zijn."
+
+Madzy wendde zich om, en, de vergadering met heuschheid groetende,
+maakte zij zich gereed te vertrekken.
+
+"Men zal zorg voor u dragen, goede vader!" zeide Aylva, ziende dat
+de monnik, die Madzy verzelde, onbeweeglijk staan bleef.
+
+"Ik heb mijn last nog maar gedeeltelijk volbracht," zeide deze,
+"'t is niet slechts om de Jonkvrouw te geleiden, dat men mij uitzond:
+ik heb ook aan deze vergadering een mededeeling te doen, welke geen
+uitstel lijden mag."
+
+Bij deze woorden, welke Madzy's geleider op een krachtigen,
+doordringenden toon uitsprak, vestigden alle oogen zich op hem. Aylva
+zag eenigszins verwonderd op: hij scheen zich te willen herinneren,
+waar en wanneer hij die stem vernomen had. Adeelen deed verbaasd
+een stap voorwaarts en vestigde een blik vol verwachting op den
+onbekende. Madzy bleef plotselings staan als van den bliksem getroffen;
+haar gelaat werd met een doodskleur overtogen en teekende de angstigste
+verwachting. Claes Gerritsz, om wien niemand zich meer bekommerde,
+keerde insgelijks snel terug en trachtte den monnik in 't gelaat
+te zien.
+
+"Wij laten niemand op onze landdagen toe dan een Fries," zeide Aylva:
+"of dezulken, die mededeelingen hebben te doen, de belangen van
+Friesland betreffende."
+
+"In die beide hoedanigheden vraag ik gehoor," zeide de onbekende,
+"de zoon van Sjoerd Aylva heeft aanspraak op de eer van een Fries
+genoemd te worden. Mijn vader! schenk mij uw zegen."
+
+Onder het uiten dezer woorden liet hij zich voor Aylva op de eene
+knie neervallen, te gelijk den kap omslaande, die zijn gelaat tot nog
+toe bedekt had. Adeelen stond verstomd. Madzy gaf een angstigen gil:
+en Aylva kon het gevoel van ontzetting niet bedwingen, dat hem door de
+leden waarde, toen hij in den jongeling, die hem den vadernaam schonk,
+Reinout van Verona herkende.
+
+"Wat wil dit?" zeide hij: "is dit een scherts, dan is zij
+afschuwelijk!"
+
+"Geene scherts!" zeide Reinout, zonder van houding te veranderen:
+"of heeft de zoon van Bianca di Salerno geen recht, een zegen af te
+smeeken, die hem te lang onthouden werd?"
+
+"Gij!" riep Aylva in hevige ontroering: "gij de zoon van Bianca
+di Salerno?"
+
+"Geloof mijn woorden niet: geloof dezen ring: dit perkament: mijn
+opvoeding aan het huis van Carlo della Scala: en de omstandigheden,
+welke uw huwelijk vergezeld hebben, en waarvan ik u een getrouw
+naricht geven kan."
+
+Aylva nam met een bevende hand den ring aan; maar nauwelijks had hij
+er de oogen op geslagen, of de aandoeningen, welke dat gezicht bij
+hem verwekte, overstelpten hem. Het was op zich zelf reeds ontroerend
+genoeg eensklaps een zoon terug te vinden, wiens bestaan zelfs hem
+onbekend was; maar dien zoon te herkennen in den moordenaar eens
+jongelings, die zijn achting en genegenheid gewonnen had, dit was te
+sterk voor zijn gevoel: en bedwelmd, zich het gelaat met de handen
+bedekkende, viel hij op zijn zetel neer.
+
+"God! wat heb ik gedaan?" riep Reinout, opspringende: "de ontroering,
+de vreugd zullen hem dooden. Wee mij! dat ik zoo onvoorzichtig was. Kom
+tot u zelf, mijn vader! het is uw zoon, die daarom smeekt."
+
+De hardvochtige Friezen waren bewogen. Sommigen traden toe om hulp te
+verschaffen aan den Olderman: Madzy bleef gelijk het beeld der wanhoop
+als op haar plaats genageld staan. Zij sidderde wanneer zij aan de
+toekomst dacht, en zag in 't vooruitzicht Reinout, nu gerugsteund
+door zijn betrekking met Aylva, haar weder met zijn hatelijke liefde
+vervolgen.
+
+Maar een nieuw voorval kwam den zonderlingen toestand, waarin zich
+de aanwezigen bevonden, nog verwikkelen. Claes Gerritsz, die gelijk
+een aal tusschen de om Aylva verzamelde Friezen was doorgekropen,
+lei onverhoeds de hand op Reinouts schouder: "ik neem u gevangen,"
+zeide hij, "als moordenaar van Ridder Deodaat, en als voortvluchtig
+uit 's Graven gevangenis."
+
+"Hoe! wat? wat zal dat?"--riepen verscheidene stemmen.
+
+"Biedt mij de hand, trouwe onderzaten van Graaf Willem!" vervolgde de
+Ambtman, die in zijn blinden ijver vergat dat hij een naam aanriep,
+die hier weinig gezag had: "Reinout van Verona, dien gij hier ziet,
+ligt onder den ban des Graven:--ik eisch dat hij in mijne handen
+worde overgeleverd."
+
+Reinout keerde zich met een half verwonderden, half toornigen blik
+naar den spreker: "Er is geen Reinout van Verona meer," zeide hij:
+"dus is de ban uws Graven nietig:--en wat Deodaat betreft, die is zoo
+levend als ik:--gisteren althans genoot hij nog een goede gezondheid."
+
+"En al ware die lage vrouwenverleider door uw toedoen naar de hel
+verhuisd," zeide Adeelen: "welk kwaad had daarin gestoken? En wat maakt
+u zoo stout," vervolgde hij tot Claes Gerritsz, "om niettegenstaande
+onze waarschuwing, u hier te vertoonen? Pak u van hier, of ik sla u
+'t hoofd van den romp."
+
+"Neen!" zeide Reinout, partij trekkende van deze omstandigheid en den
+bevenden Haarlemmer bij den arm grijpende: "Laat hij nog een oogenblik
+blijven. Friezen! kan ik u beteren waarborg van mijne gezindheid geven,
+dan de beschuldiging, die dit nietig wezen tegen mij inbrengt? Graaf
+Willem heeft mij gehoond en mijn diensten met ondank beloond. Gij hoort
+het! ik ben onder een armhartig voorwendsel, om een verwonding bij
+een onzaligen twist, door hem veroordeeld en vogelvrij verklaard. Ik
+ben hem niets meer schuldig. Mijn arm en mijn hart behooren voortaan
+Friesland alleen."
+
+"Wèl gesproken!" zeide Adeelen: "en wie anders denken moge, Seerp
+Van Adeelen houdt u voor een echten Fries."
+
+Dit zeggende schudde hij de hand van Reinout en velen der aanwezigen
+volgden zijn voorbeeld.
+
+"Goddank!" zeide Madzy, die intusschen naar haar voogd was toegetreden
+en zich uitsluitend met dezen had bezig gehouden: "hij opent de
+oogen weder."
+
+"Wat is hier gebeurd?" vroeg Aylva, langzaam tot zich zelven keerende:
+"was daar niet iemand, die zich den zoon van Aylva noemde?--Maar neen,
+de zoon van Aylva kan geen sluipmoordenaar zijn. Ha! Madzy! mijn kind,
+gij daar?--Gij zijt toch altijd mijn dochter!"--
+
+"O! laten wij van hier gaan, mijn vader!" zeide zij: "laten wij naar
+een plaats gaan, waar gij rust kunt nemen," herhaalde zij, ziende
+dat Aylva weder ineenzakte.
+
+Aylva gaf geen antwoord: maar de beweging zijner handen en van zijn
+hoofd gaf te kennen, dat hij stemde in haar voorstel. Door Madzy, den
+trouwen Feiko en eenige vrienden geleid, verwijderde hij zich. Reinout,
+dit gewaarwordende, trad toe om ook zijnen bijstand aan te bieden.
+
+"Wat wilt gij?" vroeg Madzy, hem met een blik van verontwaardiging
+aanziende: "verlangt gij hem te vermoorden?"
+
+"Moet niet de zoon zijn vader bijstaan?" zeide Reinout met een smeekend
+oog: "wie heeft meer recht dan ik, hem te vergezellen."
+
+"Terug!" zeide Madzy met fierheid: "verdien eerst den naam van zijn
+zoon te dragen, en waag het vroeger niet, hem onder de oogen te komen."
+
+Reinout beet zich op de lippen; maar hij gehoorzaamde, gevoelende
+dat alle aandrang in zulk een oogenblik slechts zou dienen, om haar
+nog feller tegen hem in te nemen. Zij verwijderde zich dan zonder
+verder oponthoud, met Aylva en Feiko, terwijl meester Claes Gerritsz
+dit oogenblik insgelijks waarnam om zich uit de voeten te maken. Wat
+Daamke betrof, hij keerde naar zijn ezel: want hij had op eens het
+voornemen opgevat Reinout zijn dienst aan te bieden.
+
+Na het vertrek van Aylva bleef de vergadering gedurende eenige
+oogenblikken in een staat van verwarring en besluiteloosheid, daar
+men het oneens was, of men de beraadslagingen zou voortzetten, dan wel
+of die behoorden geschorst te worden. Eindelijk echter drong Adeelen,
+gerugsteund door de aanzienlijksten der vergadering, het besluit door,
+om te hooren, wat Reinout had mede te deelen. Tevens bewerkte hij,
+dat voorloopig aan den Abt van Lidlum, zijn voormaligen vijand, het
+voorzitters-gestoelte aangeboden werd, en verwierf zich door dezen
+voorslag de toegenegenheid eener aanzienlijke partij. Iedereen keerde
+tot zijn plaats terug, en aan Reinout werd het woord verleend.
+
+"Friezen!" zeide hij: "ik heb slechts één woord te zeggen; maar ik
+weet dat, nu de nood mij dringt, het uit te spreken, het weerklank in
+uw aller harten vinden zal. _Te wapen_!--Het is de vraag niet meer, of
+gij den Graaf met vleiende woorden paaien, of gij zijn toorn verzoenen
+kunt. Zijn besluit is vast bepaald. Eer dit seizoen ten einde is,
+ziet gij zijn vloot aan uw kusten landen. Ik kom van Utrecht: het kan
+geen maand meer weerstand bieden, tenzij het ontzet worde. Zwicht het,
+dan trekt het zegevierend heir naar dit gewest. Voorkomt dezen slag
+door een manmoedig besluit. Zendt een heir naar het Sticht en valt den
+Graaf in zijne legerplaats aan. Laten uwe schepen de Hollandsche havens
+benauwen en langs de kusten stroopen. Zoodoende zult gij den moed der
+belegerden aanwakkeren en verwarring en schrik onder de benden des
+Graven brengen. Hij zal genoodzaakt zijn, zijn macht te verdeelen:
+zijn bondgenooten zullen hem afvallen, en de erfgrond uwer vaderen
+zal door geen vreemden voet bezoedeld worden."
+
+Men beseft licht, hoe welkom de redenen van Reinout waren in de
+ooren van Adeelen en diens oorlogzuchtige vrienden. Maar ook zij,
+die in den beginne niet van krijg hadden willen hooren, zagen zich,
+nadat Reinout, op hun verzoek, hun de gronden van zijn raad nader had
+toegelicht, gedwongen te erkennen, dat er geen andere uitweg ware,
+dan krijg te voeren; en dat het in dat geval beter ware, den vijand aan
+te tasten, nu hij nog in strijd gewikkeld was, dan te wachten, dat hij
+het Sticht ten ondergebracht had. De partij der heethoofden dreef dus
+boven, gelijk zulks schier bij alle staatsberoeringen het geval is,
+en na eenige woordenwisseling werd er zonder merkbare tegenkanting
+besloten, een leger naar Utrecht te zenden.
+
+
+
+
+
+ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Gy zijt mijn Kodoman, en Cyrus' nazaat waard.
+
+ Bilderdijk. Darius aan Alexander.
+
+
+De maar, dat men niet slechts het Hollandsche juk afschudden, maar
+zelfs den oorlog op vreemden bodem zou gaan voeren, was spoedig
+Friesland rondgegaan; maar minder spoedig ging het verzamelen
+van een leger, om die onderneming te volvoeren. Het lichten van
+krijgsvolk in de steden was te dier tijd in alle landen een zaak,
+aan groote moeilijkheden onderhevig; maar in Friesland bleek zulks
+in dit geval eene onmogelijkheid te wezen: de poorters verklaarden
+ronduit, dat men hen steeds bereid zou vinden om de grenzen van hun
+land te verdedigen; maar dat zij nimmer daarbuiten zouden gaan oorlog
+voeren. De kloostervoogden waren evenmin geneigd, hun conversen uit
+te zenden: en ten platten lande begrepen de boeren dat het geene zaak
+was, tegen den oogsttijd van huis te gaan. Wat de Edelen betrof:
+leenplicht was in Friesland onbekend; en het viel hun moeilijk,
+aan hun onderhoorigen de noodzakelijkheid te beduiden, van zich op
+vreemden bodem te gaan wagen ten gevalle van een kerkvoogd, die hun
+onbekend en ten eenenmale onverschillig was. De heilige drift, die het
+besluit van den landdag had ingegeven, was merkelijk bekoeld: en nu
+men het in 't werk zou stellen, zag men er eerst het onuitvoerbare
+van in. Het vuur der tweedracht begon ook spoedig weer te blaken:
+en onderlinge vijandschappen deden de landsaangelegenheden vergeten,
+terwijl bijna geen edelman zijn stins durfde verlaten, uit vrees van
+in zijn afwezigheid door den vijand te worden aangevallen: evenals
+in de fabel van den arend en de zeug, die beide te huis blijvende,
+elk bezorgd dat de andere zijnen jongen leed zoude doen, van honger
+omkwamen, en aan hun gemeenen vijand, de kat, ten prooi vielen.
+
+Nog eene omstandigheid werkte mede om de vorming van een leger
+te belemmeren: deze was gebrek aan eenheid in het uitvoerend
+bewind. Voorheen had men in netelige omstandigheden een Potestaat
+verkoren, die, met een macht bekleed, niet ongelijk aan die eens
+Dictators te Rome, het hoofdbeleid der verrichtingen op zich nam; thans
+echter geschiedde dit niet: eensdeels, omdat men huiverig was geworden,
+het gezag aan een enkele toe te vertrouwen: anderdeels omdat de eene
+partij ongenegen was, toe te stemmen in de keuze van een Potestaat
+uit de andere. Het opperbewind was daarom toevertrouwd geworden aan
+een raad van velen, 't geen zeker niet tot bespoediging der zaken
+strekte. Wel deed Adeelen zich in dien raad krachtig gelden; maar hij
+leerde nu ook bij ondervinding, dat voortvarendheid in 't besluiten,
+en spoed in het uitvoeren, twee geheel afgescheidene dingen zijn.
+
+Ook van de strooptochten, waartoe men had verklaard, te zullen
+overgaan, was niets gekomen. De poorters van Stavoren, althans de
+vermogenden onder hen, waren over 't algemeen Hollandschgezind:
+en velen dreven handel met het graafschap: maar zelfs die, welke op
+de Oostzee voeren, en uithoofde van hun belang moesten verlangen,
+dat de handel van Holland gefnuikt werd, waren in dit tijdsgewricht
+bezorgd, daden van aanranding te bedrijven of goed te keuren, welke
+maatregelen van weerwraak konden tengevolge hebben: want zij wisten,
+dat een Hollandsen smaldeel voor het Vlie kruiste, en velen hunner
+wachtten rijkbevrachte schepen te huis, welke zij niet gaarne door
+Hollandsche kapers zouden zien prijsgemaakt. Zoomin uit deze als
+uit eenige andere haven van Westergoo zeilden dus roofschepen naar
+Holland uit: en men bepaalde zich ook daar, en wel nog slechts flauw,
+alleen tot verdedigingsmiddelen.
+
+Na in deze weinige woorden den toestand, waarin zich Friesland bevond,
+te hebben afgebeeld, zullen wij terugkeeren tot de schoone Madzy en
+haar voogd, den Heer van Aylva.
+
+Deze had zich, na het verlaten van den landdag, naar een kleine stins
+begeven, op een paar uren afstands van het Gaasterland nabij het dorp
+Caudum gelegen, en Awert-state genaamd. Op dit gebouw, hetwelk sedert
+lang in het bezit van zijn geslacht was, was door hem een pachter
+geplaatst, onder voorbehoud echter van een paar vertrekken voor zich
+en de zijnen. Zijn voornemen was niet geweest aldaar te vertoeven;
+doch zich den volgenden dag naar zijn gewoon verblijf bij Scadaert
+in Wonseradeel te begeven; dan, een geweldige aanval van koorts, die
+hem dadelijk na zijn aankomst overviel, noodzaakte hem van dit plan
+af te zien. Madzy bleef, gelijk men gissen kan, bij hem; en daar de
+eene zuster van Aylva ondertusschen overleden, en de andere met een
+edelman in Groningen gehuwd was, kwam de gansche zorg op haar alleen
+neder; en zij vervulde jegens haar voogd op de teederste wijze al de
+plichten eener liefhebbende dochter, terwijl Sytsken (die op de maar
+der terugkomst van haar meesteres dadelijk naar Awert-state gereisd
+was) haar in deze taak op de dienstvaardigste wijze ondersteunde. De
+toestand van den zieke werd weldra van een bedenkelijken aard, en
+de arts, zijnde een convers uit het naburige Sint-Odulfsklooster,
+gebood, dat men alles zorgvuldig zou vermijden, wat strekken kon om
+het geschokt gemoed van den kranke door nieuwe aandoeningen te kwetsen.
+
+Eens, op een schoonen avond, had Madzy het vertrek des Oldermans
+verlaten, met oogmerk, om voor eenige oogenblikken versche lucht te
+scheppen: een genot, waarvan zij nu een geruimen tijd was verstoken
+geweest. De toestand van den zieke had sedert een paar dagen eenig
+uitzicht op beterschap doen geboren worden: hij lag in een zachte
+sluimering: en Sytsken, in zijn vertrek gezeten, had aan Madzy
+beloofd, haar te zullen roepen zoodra hij ontwaakte. Zij was dus,
+te dezen opzichte gerust, de deur uitgetreden en verkwikte zich met
+de liefelijke buitenlucht, welke haar tegenwoei. Zich niet verre van
+huis willende verwijderen, wandelde zij een geruimen tijd op en neder
+voor de stins, welk gebouw uit een verzameling van onderscheidene
+woningen bestond, waarvan de voornaamste, die zich aan de westzijde
+bevond en tot verblijf voor den Heer strekte, van steen opgetrokken,
+twee verdiepingen hoog en met een gekartelden toren voorzien was,
+waarboven thans de banier van Aylva woei, zijnde een lazuur veld
+met een ster en een halve maan van goud. Aan dien toren grensde een
+half houten, half steenen huis, hetwelk door den pachter en zijn
+huisgezin betrokken werd en waaraan eenige lagere gebouwen, als de
+schuur, de stal, de bakkerij en dergelijken paalden. Hier en daar zag
+men nog sporen van versterking, door den bouwmeester aangebracht;
+maar deze waren bij vervolg van tijd tot andere gebruiken besteed:
+en het eenige verdedigingsmiddel, dat nu nog overig bleef, was in de
+dikte der muren van het hoofdgebouw gelegen, en in de breede gracht
+of sloot, die het erf van den landweg scheidde. Een ophaalbrug en
+daarnaast een plank of vonder voor de voetgangers waren de eenige
+middelen, langs welke toegang naar de stins verleend werd, terwijl
+een groote bulhond, die gedurig langs den rand van het water heen en
+weder liep, den al te vrijpostigen voorbijganger door zijn norsch
+aanzien en onophoudelijk geblaf beduidde, hoe gevaarlijk het zoude
+zijn, tegen den wil des bewoners dien toegang te willen gebruiken. Ja
+zelfs, toen Madzy zich op de werf vertoonde, bleef het dier haar,
+schoon zij van binnen kwam, eenigszins schuins aanstaren, stond stil
+en begon te knorren, terwijl het zijn gewone wandeling niet hernam,
+dan toen de pachtersvrouw, die in haar zomerhuisje zat, hem van verre
+toegeschreeuwd had, dat hij zich bedaard had te houden.
+
+Niet lang echter had Madzy in eenzaamheid de werf en den hof op en
+neder geloopen, toen zij in haar mijmering gestoord werd door een
+kletterend hoefgetrappel op den landweg, en weldra eenige ruiters
+zag aankomen, die voor de brug stilhielden. Twee hunner stegen af:
+en nu herkende zij in dezen, niet zonder siddering, Seerp Van Adeelen
+en Reinout, die, na hun paarden aan de zorg hunner dienaars te hebben
+toevertrouwd, aan gene zijde des vonders bleven staan.
+
+"Roep uw hond terug, vrouw!" schreeuwde Adeelen: "wij komen den Heer
+van Aylva bezoeken."
+
+De pachtersvrouw gehoorzaamde en de beide edellieden traden de werf op.
+
+De eerste gedachte van Madzy was, binnen te gaan en zich te onttrekken
+aan een gezelschap, dat zoo onwelkom was. Zij begreep echter spoedig,
+dat dit weinig zoude baten en dat de ruiters waren gekomen, òf om den
+Heer van Aylva te spreken, 't geen zij moest zoeken te beletten, òf
+om een onderhoud met haar zelve te hebben;--en dan was zij nog minder
+voor hen beiden vervaard, dan zij voor een hunner afzonderlijk zoude
+geweest zijn.
+
+"Madzy Dekama!" zeide Adeelen, toen hij haar genaderd was: "wij
+wenschen den Olderman te spreken."
+
+"Dat mag niet geschieden," zeide zij: "de arts heeft het stellig
+verboden."
+
+"Zijn wij van dat verbod niet uitgesloten? het kan een ouden getrouwen
+vriend immers niet betreffen?"
+
+"Het betreft iedereen, wie hij ook wezen moge. De zieke is nog zwak
+en moet alle aandoeningen mijden."
+
+"Gij zult toch," zeide nu Reinout, "den zoon niet blijven weigeren,
+de sponde zijns vaders te naderen."
+
+"Meer dan iemand," antwoordde Madzy, zonder hem te durven aanzien:
+"was het niet het onverwacht hervinden van dien zoon, dat hem in die
+krankheid stortte? Zoo gij den man niet dooden wilt, vertoon u dan
+niet aan hem, voor hij u ontbieden laat."
+
+De beide jongelingen zagen elkander eenige oogenblikken besluiteloos
+aan.
+
+"Gelooft mij," vervolgde Madzy: "dringt heden niet aan op een
+onderhoud, dat geene andere dan schadelijke gevolgen kan met zich
+sleepen. Zoodra mijn waarde voogd zijn krachten heeft terugbekomen,
+twijfel ik niet, of hij zelf zal het onderhoud verlangen, dat hij nu
+niet in staat is te verduren."
+
+"Welnu!" zeide Adeelen: "indien gij den ouden Heer achter de traliën
+wilt houden, dienen wij ons te onderwerpen. Dan, mijn boodschap is nog
+niet geëindigd:--gij hadt mij vroeger rechten op uw hand geschonken:
+ik kom u die teruggeven."
+
+"Ik dacht dat gij dit reeds gedaan hadt, Seerp Van Adeelen!" zeide
+Madzy, op een fieren toon: "althans, na het gedrag, door u te Haarlem
+gehouden, beschouwde ik mij niet langer aan u verbonden."
+
+"Des te beter! Ik herhaal het slecnts, opdat gij weten zoudt, dat gij,
+zonder vrees van mij te verstooten (een vrees, die juist nooit zeer
+zwaar bij u gewogen heeft) de ooren kunt leenen aan den zoeten praat
+van dezen Ridder."
+
+"Adeelen!" riep zij verontwaardigd uit: "ik ben geen koopwaar, welke
+men van de eene in de andere hand kan doen overgaan."
+
+"Ziedaar een punt, waaromtrent uw laatste reisavonturen nog eenigen
+twijfel zouden kunnen doen ontstaan. Een juffer, die nu met dezen,
+dan met genen Ridder over 's Heeren wegen reist, die weken lang bij
+een Edelman huisvest, welke Edelman noch haar man, noch haar broeder,
+noch haar voogd is, die bij schoone Ridders in hun eigen tent bezoeken
+gaat afleggen, moest, dunkt mij, liever over zulke glibberige punten
+heenstappen."
+
+De oogen van Madzy flonkerden van verontwaardiging, terwijl zij
+beurtelings van Adeelen naar Reinout dwaalden.--"Neen!" borst zij
+eindelijk uit: "zulk een afschuwelijk samenweefsel van laster
+werd nooit gesponnen! Ridder Reinout! zijt gij de verspreider
+dier geruchten? zoo is uwe ziel nog zwarter, dan ik mij die had
+voorgesteld.--Maar neen! zoo boosaardig kunt gij niet zijn. U is
+het bewust, u kan het althans bewust zijn, dat, zoo de schijn mij al
+beschuldigt, mijn eer zonder vlek of smet is gebleven. Zeg dien man,
+die mij beleedigen durft, dat hij zich bedriegt, en dat ik tegen mijn
+wil in Utrecht ben opgehouden en dat ik u niet kende, toen gij mij
+als reisgenoot vergezeldet."
+
+"Kan ik krachtiger bewijs geven, hoe hoog ik u in eere houde," zeide
+Reinout, "dan de verklaring zelve, dat ik het mij tot het hoogste geluk
+zoude rekenen, indien gij mij tot uw Ridder wildet verkiezen? Geef mij
+slechts eenen lichtstraal van hoop, en mijn zwaard zal elken boezem
+bedreigen, waarin een gedachte, uwer onwaardig, mocht opstijgen."
+
+"Ik weet het," zeide Madzy, met een afkeerige beweging, "uw zwaard is
+ras geneigd, de scheede te verlaten. Maar uw voorwaardelijk aanbod is
+onvoldoende. Wie heeft aan Adeelen die valsche berichten medegedeeld,
+zoo gij het niet geweest zijt?"
+
+"Ik heb hem niets dan de waarheid gemeld," zeide Reinout: "de
+tevolgtrekkingen en de wijze van voordracht zijn van hem. Maar
+dit verklaar ik u, Seerp Van Adeelen! dat, schoon gij mij met
+Ridder-handslag tot wapenbroeder verkoren hebt, schoon ik u
+dank en trouw verschuldigd ben, dat ik u, als elk anderen, den
+Ridder-handschoen zal toewerpen, zoo gij u een woord laat ontvallen,
+beleedigend voor de eer dezer Jonkvrouw."
+
+"Zooals gij wilt," zeide Adeelen, wrevelig; "ik ben met u gegaan om
+u een dienst te bewijzen, niet om twist te zoeken. Er heerscht reeds
+tweedracht genoeg in Friesland."
+
+"Hoe!" zeide Madzy: "is nog de haat der partijen niet uitgedoofd,
+bij de gevaren die ons bedreigen?"
+
+"Trekt gij u nog de zaken van Friesland aan?" zeide Adeelen, met een
+spottenden lach.
+
+"Gij behandelt mij onwaardiglijk, Seerp!" zeide Madzy: "misschien moest
+ik zwijgen en uwe woorden alleen met verachting beantwoorden! maar ik
+kan niet vergeten, dat uw ouders mijne weldoeners, dat gij de vriend
+mijner jeugd waart. Bij de schim uwer zalige moeder, Adeelen! ik ben
+onschuldig, en de Zuiderzee zal een droge heide worden, eer ik ophoude,
+een echte dochter van Friesland te zijn."
+
+"'t Is mogelijk!" zeide Adeelen, de schouders ophalende: "welnu! ik
+wil u dan wel melden, dat de Graaf, zoo ik hoor, den tocht naar
+Friesland uit het hoofd heeft gezet en bij Dordrecht een vloot laat
+bouwen om Eduard van Engeland tegen Frankrijk te ondersteunen: dat
+er nimmer schooner gelegenheid ware, een pleiziertocht in Holland te
+doen, zoo niet iedereen gek was geworden: dat wijders de Vetkoopers
+en Schieringers vuilaardiger zijn dan ooit; dat de monniken van
+Bloemkamp met den Proost van Pingjum zijn slaags geweest: dat Lidlum
+en Luidingakerke overhoop liggen: dat Wybe Reynalda en Seppe Ribalda
+elkaar hebben bevochten en beiden gesneuveld zijn: dat Helbada's
+zoon, Douwe, door Worp Ropta in een hinderlaag gelokt en vermoord
+is; dat er geene stins in Oostergoo is, waar geen boom op staat [32]
+en dat Utrecht zich liever vandaag dan morgen moet overgeven, indien
+het zijn redding van ons verwachten moet."
+
+"O mijn ongelukkig vaderland!" zuchtte Madzy: "wat moet er van
+u worden?"
+
+"Dat weet ik niet," zeide Adeelen: "ik kan niet alles alleen af. Aylva
+ligt ziek: vader Syard, die zooveel praats had, is verdwenen:--denkt
+slechts om zich zelf:--maar zooals het nu is zal het niet blijven,
+of ik werp mijn zwaard in 't meer en word een monnik.--En nu vaarwel!"
+
+Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich, sprong op zijn paard en
+was spoedig buiten het gezicht. Madzy wilde zich nu terstond naar
+huis begeven; maar Reinout hield haar staande.
+
+"Uw hart is nog tegen mij ingenomen," zeide hij, op een smeekenden
+toon: "maar kunt gij op mij eeuwig vertoornd blijven, wegens een
+opwelling van gramschap, welke haar oorzaak en tevens haar verschooning
+in mijn blakende liefde vond?"
+
+"God beware mij, Ridder!" zeide Madzy: "dat ik u gestreng zou
+veroordeelen. Hij zelf heeft u een eeuwig naberouw gespaard, door
+niet toe te laten dat uw moorddadig opzet den dood van uw evenmensch
+ten gevolge had:--wat zeg ik? den dood van uw boezemvriend, van hem,
+die u sedert uwe geboorte als een broeder bemind had.... en die,
+ik betuig het u, u geene oorzaak tot zulk een handelwijze gegeven had?"
+
+"En toont dit juist niet de kracht mijner liefde voor u," vroeg
+Reinout, "dat ik hem, die mij zoo dierbaar was, eraan opofferde?
+
+"Dit toont alleen, dat gij een hartstochtelijk mensch zijt," zeide
+Madzy: "een liefde, die tot misdaad vervoert, is geenszins de ware
+liefde, zooals ik mij die heb voorgesteld."
+
+"Welnu dan!" zeide Reinout: "zij maakt voor 't minst die misdaad
+verschoonlijk.--Maar ik wil het u niet verbloemen: ja! ik heb
+afschuwelijk gehandeld! Ik wil gelooven, dat Deodaat niet zoo
+schuldig was, als ik dacht: ik heb, meer dan eens, in eenzaamheid,
+mijn halsvriend betreurd:--maar nu, nu leeft hij weder, en het is
+niet langer de hand eens moordenaars, die Reinout van Aylva u aan
+durft bieden."
+
+"Ridder!" hernam Madzy: "ik mag u niet vleien met een ijdele
+hoop. Tracht mijn achting, tracht de uwe te herwinnen, en dan zal
+Madzy Dekama u eeren als den zoon van iemand, wien zij boven elk
+ander vereert."
+
+"Wel, in naam van dien braven man bid ik, trek uw onbarmhartige
+uitspraak in. Ach! Ik vermoed het: mijn vader zelf is tegen mij
+ingenomen wegens mijn wandaad. Wees gij de engel, de middelaarster,
+die ons weer te zamen brengt en hem met mij verzoent. Hij ziet, hij
+hoort slechts door uwe oogen: zoo uw bijstand mij faalt, hoe zal ik
+genade bij hem verwerven? Maar een woord van u, en hij schenkt mij
+vergeving en liefde: en dan, bedenk het zelve: gij hebt gehoord in
+welk licht Adeelen uw gedrag heeft durven plaatsen? Is er een beter
+middel om zijnen, om ieders mond te doen zwijgen, dan om uw hand te
+schenken aan hem, die ze niet zou afbidden indien hij niet van uw
+deugd overtuigd ware."
+
+"Ik weet een beter middel," zeide Madzy: "het is van uw liefde af te
+slaan, en daardoor te toonen, dat ik den laster niet vreeze.--Wat
+voorts uw verzoening met uw vader betreft, wees gerust, dat Madzy
+Dekama blozen zou, haar invloed op hem te misbruiken, door zijn hart
+van u te verwijderen."
+
+"Ik vertrouw dit," zeide Reinout: "oordeel zelve, welke waarde ik
+aan die betuiging hecht, daar ik mij door u een recht laat ontnemen,
+dat ik bij elk ander zoude doen gelden, dat namelijk, van mijn vader
+in zijn krankheid te verzorgen."
+
+Hier werd hun gesprek gestoord door Sytsken, die, de deur uitkomende,
+zich tot Reinout wendde en hem te kennen gaf, dat de Olderman verlangde
+hem te spreken.
+
+"Is het mogelijk!" riep Reinout uit, terwijl een glans van vergenoegen
+zich over zijn gelaat verspreidde: "ik zie met blijdschap, dat de
+toestand mijns vaders niet zoo erg is, als mij die werd afgeschilderd."
+
+"God geve," zeide Madzy: "dat deze ontmoeting zoo gezegend voor u
+afloope, als ik dit van harte wenschte. Maar zeg mij, Sytsken! heeft
+de Olderman uit zich zelven naar den Ridder gevraagd?--Wist hij,
+dat die zich hier bevond?"
+
+"Wat zal ik zeggen?" zeide Sytsken: "zooeven werd hier vrij heftig
+gesproken: onze goede Heer ontwaakte ervan. Hij gelastte mij te
+vernemen, wat er gaande was: en daar ik hoorde, dat het gerucht hier
+vandaan kwam, ging ik even met den neus aan 't venster en zag Seerp Van
+Adeelen, die als een pauw heenstapte, en den Ridder, die met u sprak,
+en toen zei ik het den Olderman en vroeg of ik de Jonkvrouw roepen
+zou, gelijk gij mij bevolen hadt te doen, als hij wakker werd. De
+oude Heer ging recht overeind in 't bed zitten, zoo fiks gelijk hij
+nog niet gedaan heeft: 'Sytsken!' zeide hij: 'ga den Ridder verzoeken
+hier te komen.'--'Maar,' zei ik, 'uw Edelheid weet, wat de arts heeft
+gezegd.'--'Ik weet het,' zeide de oude Heer; 'maar ik begeer hem te
+spreken en 't zal mij geen nadeel doen.'--En zoo volgde ik zijn last."
+
+"O! voldoe dan terstond aan zijn verlangen, Ridder!" zeide Madzy:
+"en moge de uitslag van uw onderhoud zijn als gij dien wenscht."
+
+Een dankbare blik was het antwoord van Reinout, en hij volgde
+zijn geleidster met een blijmoedigheid, die niet vrij was van
+ontroering. Weldra bevond hij zich in het vertrek, waar Aylva op het
+ziekbed lag uitgestrekt.
+
+De Olderman richtte zich op toen zij binnentraden: hij zag zwijgend
+Reinout aan, die zich naast zijn sponde op de knie liet neervallen en
+de vermagerde hand van Aylva kuste. Deze trok haar zachtjes, zonder
+ruwheid, terug, verzocht Sytsken een waterkruik naast het hoofden
+einde te plaatsen en vervolgens het vertrek te ruimen. Zoodra hij
+met Reinout alleen was, wenkte hij hem, een stoel te nemen en zich te
+zetten. De jongeling gehoorzaamde zwijgend, in pijnlijke verwachting
+van hetgeen er volgen zoude.
+
+"Ik heb verlangd, mij met u te onderhouden," zeide Aylva; "onze laatste
+ontmoeting heeft mij geschokt, ik wil dat niet ontveinzen: met dit
+al hebt gij recht om gehoord te worden. Wees zoo goed en verhaal mij
+thans eens omstandig de gebeurtenissen, waarop gij uw recht grondt,
+van mij vader te noemen."
+
+Reinout gehoorzaamde. Hij vermeldde de wijze, waarop hij bij Carlo
+della Scala gekomen was, herhaalde hetgeen Barbanera hem betreffende
+Bianca had gezegd, en door ons in het achtste Hoofdstuk geboekt is,
+en gaf vervolgens verslag hoe hij bij dit zonderling toeval, in dezen
+zijn ouden bekende Paolo ontmoet had, aan wien hij de ontdekking der
+waarheid verschuldigd was.
+
+"Ik herinner mij dien Paolo," zeide Aylva, nadat Reinout zijn verhaal
+geëindigd had: "hij leide het te Milaan op mijn leven toe, en schoon
+hij het vertrouwen van mijn Bianca schijnt genoten te hebben,
+blijkt het mij thans, dat hij haar zoowel als den dwingeland van
+Verona gelijktijdig gediend en gelijktijdig bedrogen heeft. Wellicht
+is hij het geweest, die aan Bianca de valsche tijding van mijn dood
+deed weten: en ook hieruit kan ik mij de reden verklaren, waarom hij
+geschroomd heeft, mij te Haarlem te komen opzoeken en mij daar reeds
+het geheim uwer geboorte mede te deelen. Ach! dat hij het gedaan
+hadde! Ik had hem een bedrog, dat zoovele jaren geleden plaats had,
+gaarne vergeven: en wellicht had dan de euveldaad geene plaats gehad,
+die sedert uw naam bezoedeld heeft."
+
+Reinout zuchtte: "Wijt die euveldaad" zeide hij, "aan gekrenkte
+spijt wegens slecht beloond vertrouwen, aan een opwelling van
+onbedachten toorn: aan het Italiaansche bloed, dat mij door de aderen
+vloeit.... misschien ook aan het Friesche... want naar ik bemerk, men
+ziet er hier te lande ook niet veel kwaad in, elkander het staal in
+'t hart te jagen:--in allen gevalle, Deodaat leeft nog: en gewis, zijn
+hart heeft mij vergeven. Zou mijn vader gestrenger over mij oordeelen?"
+
+"Leeft hij nog?" vroeg Aylva, verheugd: "God zij geprezen! hij was
+een edel jongeling! en wel waardig," vervolgde hij met een zucht, "van
+uit ridderbloed gesproten te zijn.--Hij was met u opgevoed, nietwaar?"
+
+Reinout wendde zich spoedig om, zoodat hij met den rug naar het
+licht kwam te zitten; want hij voelde, dat hij op deze onverwachte
+vraag bloedrood werd. Hij had met opzet de omstandigheid, dat Deodaat
+met hem te gelijk aan Carlo della Scala was toevertrouwd geworden,
+aan Aylva verzwegen: niet zoozeer omdat bij hem zelven nog eenige
+twijfel omtrent de echtheid zijner geboorte uit Bianca bestond, als
+uit vrees, dat de Olderman nog tusschen hem en Deodaat zou twijfelen,
+daar toch de bepaling, wie van beiden Bianca's zoon ware, alleen van
+de verklaring van Barbanera-Paolo afhing, die niet tegenwoordig was, en
+aan wien Aylva bovendien wellicht weinig geloof zou slaan.--Intusschen
+was hij dubbel tevreden, van deze omstandigheid geene melding gemaakt
+te hebben, nu hij uit Aylva's woorden kon afleiden, dat Deodaat hem
+als zoon meer welkom zou geweest zijn dan hij. Hij zweeg dan eenige
+oogenblikken, en antwoordde toen: "Hij was een braaf en beminnelijk
+mensch: de speelmakker mijner jeugd.... evenals ik door den edelen
+Carlo als zoon aangenomen: wij hebben samen veel lief en leed
+doorgestaan:--hadden wij niet beiden ons oog op Madzy laten vallen,
+wij waren eeuwig vrienden gebleven."
+
+"Nu spreekt gij, zooals ik het gaarne heb," zeide Aylva: "en ik ontwaar
+met vreugde, dat gij hem recht doet, en dat uw misdaad alleen een
+gevolg van gramschap was en niet uit een boos gemoed ontsproot. Neen:
+ik mag niet langer twijfelen. Deze brief is van Bianca's hand! De
+edele Carlo heeft die zeker herkend--en gezwegen, om haar rampspoedig
+lot niet te verzwaren!--Deze ring--ik gaf hem aan Bianca bij ons
+huwelijk. Barbanera heeft dien, zegt gij, van haar ontvangen?"
+
+"Hij heeft haar gezien, voor hij zich naar dit land op reis begaf
+en hem toen van haar ontvangen om tot bewijs mijner geboorte te
+strekken." (Dit had Barbanera aan Reinout in de herberg te Plaswijk
+verhaald.)
+
+"Zij zou dan nog leven!" riep Aylva in vervoering uit: "leven... maar
+in de slavernij van dien afschuwelijken dwingeland!--O God! zoo ik
+naar mijn herstelling zou wenschen, het ware om haar uit hare boei
+te verlossen!--Kom!" zeide hij, na eenige oogenblikken zwijgens;
+"ik ben vermoeid; maar wat geschieden moet, dient niet langer te
+worden uitgesteld. Roep Feiko binnen."
+
+De dienaar verscheen, en ontving last, om Madzy, den pachter, en
+Aylva's huiskapelaan te ontbieden. Zoodra deze binnen waren, gaf hij
+laatstgemelden bevel, een verklaring op te maken, waarbij hij, Sjoerd
+van Aylva, Reinout als zijn wettigen zoon en erfgenaam erkende. Dit
+stuk, opgesteld zijnde, werd door aller onderteekening, voor zooverre
+zij schrijven konden, en door de overigen met hun kenmerk bekrachtigd.
+
+"En nu, mijn zoon!" zeide Aylva: "kniel neder en ontvang den
+vaderlijken zegen."
+
+Reinout viel op beide knieën voor het bed; maar een kille huivering
+rolde hem door de leden, toen Aylva hem de handen op het hoofd
+leide en den vaderlijken zegen over hem uitsprak. Hij wist niet,
+waaraan hij het gevoel moest toeschrijven, dat hem drukte; maar de
+aandoening, welke hem overstelpte, was gelijk aan die, welke volgens
+zijne gedachten, Jakob moet gekweld hebben toen hij den zegen aan zijn
+broeder ontstal. Hij rees op en omhelsde Aylva: maar hij bleef koel bij
+die omhelzing: hij droeg den Olderman eerbied toe; maar hij ondervond
+die warme kinderlijke liefde niet, welke hij zich verbeeldde dat in
+het hart eens zoons jegens zijn vader wonen moest. Hij trad een stap
+achterwaarts en toen de huispriester hem met deftigheid, Feiko met
+belangstelling, de pachter met onderdanigheid en Madzy op een recht
+welmeenenden toon gelukwenschten, gevoelde hij zich bijna ongelukkig.
+
+"En nu, mijn zoon!" zeide Aylva, "nu heb ik rust noodig. Neem den Heer
+kapelaan en deze verklaring mede, reis mijn goederen rond en bezoek
+mijn gezin. Het is voegzaam en nuttig, dat gij een en ander leert
+kennen. Uw bekwaamheid en kennis in krijgszaken is mij bekend. Gij
+zijt nu een Fries, en het betaamt u het vaderland te dienen. Gij kunt
+in de tegenwoordige omstandigheden van nut wezen. Beschik over al
+het mijne naar uw goeddunken, voor zooveel gij oordeelt, dat zulks
+voor Friesland heilzaam kan zijn."
+
+"Ik hoop, mij uw vertrouwen niet onwaardig te maken," was alles,
+wat Reinout kon uitbrengen: en, een kort afscheid nemende, verliet
+hij de ziekekamer en weldra de stins, vergezeld van den huispriester.
+
+"Welnu, Ridder!" vroeg hem aan den ingang Daamke, die na den landdag in
+zijn dienst getreden was en zijn ezel tegen een paard, zijn zotskolf
+tegen een zwaard en zijn narrenpak tegen het gewaad eens speermans
+verruild had: "hoe is uw wedervaren geweest?"
+
+"Ik ben voorgoed erkend als erfzoon van Aylva," antwoordde Reinout,
+terwijl hij met een bedrukt gelaat te paard steeg.
+
+"Als erfzoon van Aylva," dacht Daamke: "en hij kijkt zoo sip als
+een hoen, dat op 't sterven ligt! Men zou waarlijk zeggen, dat het
+hem leed deed.--Bij Sint Julfus! Indien mij zulk een geluk overkwam,
+ik zou waarlijk in staat zijn van blijdschap den dood van mijn goeden
+vriend Cezar te vergeten."
+
+
+
+
+
+NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Que diable allait-il faire dans cette galère?
+
+ Molière. Les fourberies de Scapin.
+
+
+Eenige dagen waren er verloopen sedert het tooneel, dat wij in
+ons vorige Hoofdstuk vermeld hebben, toen in den vroegen morgen
+een vaartuig, dat het wapen van Amsterdam aan den mast voerde
+en oogenschijnlijk een lading bier in had, zich in 't gezicht der
+Zuiderhaven van Stavoren vertoonde. De nacht was koel geweest: maar nu
+was de lucht spakerig en als met een gaas bedekt: terwijl de zon, die
+rood als bloed door dien nevel scheen, een heeten dag voorspelde. De
+wind, welke gedurende den nacht frisch uit het zuidwesten gewaaid
+had, was met den dag uitgeschoten en belette het vaartuig zijn
+weg te vervolgen met dien spoed, welke de omstandigheden schenen
+te vorderen. De schipper stond zelf aan het roer; en zijn oog, dat
+onafgebroken op de lucht gevestigd was, scheen met verlangen uit te
+zien naar de geringste verandering in de streek, die de wind hield,
+om daarvan terstond een voordeelig gebruik te maken; terwijl de vijf
+matrozen, die de manschap uitmaakten, aan den voorsteven bijeenzaten
+in een wel ledige houding maar die slechts één woord verwachtte
+om in een werkzame te veranderen. Naast den schipper zat iemand,
+in den bloei zijner jaren, op een blauwen mantel neder, met witte
+lieren bezaaid. Zijn gewaad was echter dat van een koopman; zijn oog
+gaf onrust en ongeduld te kennen en scheen bestendig den schipper te
+ondervragen, die echter te voorzichtig was om dien zwijgenden blik
+te willen begrijpen. Eindelijk kon de jongeling zich niet langer
+bedwingen, en, het hoofd oprichtende, dat tot nog toe op de vlakke
+hand geleund had, ving hij met de volgende woorden het onderhoud aan:
+
+"Hoe jammer, dat de wind niet uit denzelfden hoek is blijven waaien:
+wij waren anders met het aanbreken van den dag al binnen de haven
+geweest."
+
+"Gij hebt gelijk," zeide de schipper; "maar tegen de elementen valt
+niets te doen."
+
+"Intusschen," zeide de koopman; "zoo wij niet gisteravond, door wiens
+schuld weet ik niet, op die zandbank waren vastgeraakt, hetgeen ons
+zeker drie uren heeft opgehouden, zouden wij reeds lang binnen zijn."
+
+"Door wiens schuld?--Door de schuld van die hagelsche Friezen! van die
+ongelukskinderen, die de bakens verzet hebben om ons een schipbreuk
+te bezorgen: gij kunt overtuigd zijn, dat zij al sinds lang voor een
+overval vreezen, en er op uit zijn geweest om den overtocht moeilijk
+te maken."
+
+"Ik geloof met u," zeide de koopman, "dat zij op hun hoede zijn, en
+daarom had ik gistermorgen reeds willen gaan om bij nacht in Stavoren
+te kunnen komen en het slot te bemannen, eer iemand de lucht van ons
+voornemen kreeg. Maar dat satansche volk kwam zoo laat aan:--Houdt
+u toch stil daar beneden," zeide hij, opstaande en op den bodem
+stampende: "en schept moed! wij zullen wel in de haven zijn binnen
+een half...." (hier zag hij den schipper aan, die het hoofd schudde:)
+"binnen een uur...." (de schipper trok het gezicht tot een scheeven
+lach en wendde het hoofd om.) "Boudewijn! houd toch stilte! wat ik
+u bidden mag."
+
+"Wij zijn zoo stil als wij kunnen, Heer Ridder!" riep een stem van
+beneden; "maar die arme kerels zijn ziek als honden en het vaartuig
+stoot als een kreupele hit."
+
+"Geen nood," zeide de schipper: "dat zal niet lang duren: wij komen
+zoo in slecht water: en dan krijgen wij een oppertje."
+
+"Ja! mij dunkt, wij moeten er haast zijn," zeide de koopman, of liever
+de Ridder: "ik begin de huizen al te onderscheiden."
+
+Maar dit vooruitzicht was ijdel; want na weinige oogenblikken liet
+de schipper het vaartuig wenden en de wal verwijderde zich weer.
+
+"Eilieve!" zeide de Ridder: "waar gaan wij nu weer heen?"
+
+"Thans zal het gelukken," zeide de schipper: "wij zijn boven den
+wind en krijgen zoo dadelijk hoog water. Met een paar gangetjes zijn
+wij er!"
+
+De Ridder nam geduld, en de armen over de borst kruisende, sloeg hij
+een aandachtig oog op de Friesche kust. Recht voor hem uit verhief zich
+de hooge heuvel uit zee, die nog heden, ofschoon door het golfgeweld
+dagelijks afnemende, zijn naam van het Roode Klif bewaard heeft. Tegen
+de helling en aan den voet dier hoogte graasde een talrijke kudde
+schapen, die al meer en meer naar de kruin terugweek, naarmate de
+vloed kwam opzetten. Ten noorden van het Klif en aan het einde van
+een zomerkade, bestemd om de invretende zeegolven te keeren, strekte
+zich een groene smalle landstrook uit, aan wier uiterste einde zich
+het klooster van Sint-Odulf met zijn hoogen toren en vergulden koepel
+in al zijn luister verhief: en eindelijk, nog meer noordwaarts en aan
+den hoek van Friesland, deed zich het trotsche Stavoren op met zijn
+schitterende daken en ruime kerkgebouwen, met zijn dubbele haven,
+en zijn ver vooruitstekende kaaien, waarmede het de zee te omarmen
+scheen. Het gelaat des jongelings werd somberder nog dan het geweest
+was, en een vloed van gewaarwordingen overstelpte hem.
+
+"Daar is die kust dan," dacht hij: "die kust, welke ik zoo gaarne
+als vriend betreden had! Daar leeft, voor wie ik met wellust al
+mijn bloed zoude offeren, en wier landgenooten ik thans bestrijden
+ga!--Zal ik haar nog zien?--Ach! zoo zij te Haarlem en te Utrecht
+mijn hand versmaadde, hoeveel te meer zal zij dit hier doen, nu ik
+als vijand kom!"
+
+Terwijl Deodaat, wien mijn lezers aan deze uitboezeming herkend
+zullen hebben, aldus stond te peinzen, kwam de jongste der matrozen,
+een nauw volwassen knaap, hem op zijde.
+
+"Onze onderneming begint onder slechte voorteekens, Heer Ridder!" zeide
+deze.
+
+"Dat doet zij, Zweder! maar een goed krijgsman mag nimmer den moed
+opgeven!"
+
+"Ook geef ik den moed niet op, Heer Ridder! en heb voor mij
+zelven geene zorg. Zoo gij sneuvelt in dezen tocht, 't geen God
+verhoede! dan sneuvel ik met u, en dan is Zweder van Naaldwijk toch
+met eere gevallen. Maar ik ben bezorgd voor de vloot van den Graaf,
+die zeker reeds moet uitgezeild zijn. De matrozen zeggen, dat er weer
+storm zal komen; waar zij het aan zien, weet ik niet; maar zij dienen
+er verstand van te hebben."
+
+"Wij willen hopen, dat des Graven stuurlieden het ook zullen zien,
+en de vloot niet noodeloos aan gevaar blootstellen. Met dat al,
+er schijnt een vloek op deze onderneming te liggen."
+
+"Ja! ja," zeide Zweder: "die voorspelling van Graaf Reinout en van den
+kokeler is menigeen voor den geest gekomen in deze laatste dagen! en,
+zoo ik hoor, heeft de Heer van Beaumont den Graaf nog gebeden den tocht
+niet aan te vangen, zonder tevens eenige benden te land te zenden."
+
+"Welnu! dat zal immers geschieden," zeide Deodaat. "De Bisschop heeft
+bevel gezonden aan zijn vazallen in Drenthe en in het Oversticht om
+gewapenderhand in Friesland te vallen."
+
+"De Bisschop is een looze vos," hernam Zweder, met een glimlach:
+"hij wil ook zijn aandeel in den buit niet missen;--maar ik ben
+overtuigd, dat zoo de vloot eens niet landde ('t geen God verhoede!) de
+heldendaden van 's Bisschops leger zich zouden bepalen tot het plukken
+van heidebloempjes op de vlakten van Drente om er kransjes van te
+vlechten;--maar zie eens, Heer Ridder! Daar naderen wij den wal
+weer. Is dat nu Stavoren?--Eilieve!--mij dunkt, daar staan menschen
+op de kaai."
+
+"Dat doen er net," zeide de schipper: "en dat voorspelt ons weinig
+goeds. Al die vrome lui staan daar ook niet bloot om naar den wind uit
+te zien. Ik zou zeer bedrogen zijn, indien die Workummer visscher,
+die ons gisteren, toen wij op de bank zaten, kwam vragen of hij het
+anker op mocht zoeken, dat wij gekapt hadden; indien die Workummerman,
+zeg ik, ons niet vooruit ware.--Ja bij mijn ziel! daar ligt zijn
+schuit al in de haven!--De kans is verkeken, Ridder!--en wij zullen
+wel doen den steven te wenden."
+
+"Dat niet," zeide Deodaat: "althans niet, voordat mij de onmogelijkheid
+blijkt, van mijn last te volbrengen. Maak slechts haast, want elk
+oogenblik vermeerdert de noodzakelijkheid om spoedig aan wal te zijn."
+
+"Ook goed!" zeide de schipper: "nog een paar gangetjes en wij zijn er."
+
+In weerwil van de haast, die hij predikte, was Deodaat niet ontevreden,
+dat het vaartuig nog die twee gangetjes te doen had, vermits hem zulks
+den tijd gaf, om nogmaals bedaard na te denken, welke handelwijze hij
+volgen moest. Des Graven last was geweest, dat hij binnen Stavoren,
+alwaar vele burgers nog Hollandschgezind waren, op een bedekte wijze
+eenig volk ontschepen zoude, het kasteel bemannen en de stad in
+bedwang houden, ten einde alzoo de Graaf dadelijk bij zijn landing
+een vast punt zou hebben, van waar hij zijn krijgsbewegingen kon
+besturen. Deze taak van Deodaat was hachelijk en de uitslag onzeker,
+daar men in Holland niet juist met den stand der zaken bekend was, en
+niet wist of men op de goede gezindheid der burgerij van Stavoren kon
+blijven vertrouwen, welke daarenboven door de overmacht der overige
+Friezen of door een oploop van het gepeupel kon machteloos gemaakt
+worden. Deodaat had daarom de noodzakelijkheid ingezien, bij verrassing
+te handelen en zijn krijgsknechten onder den valschen bodem verborgen
+van een schip, dat van boven met biervaten geladen was. Zijn plan
+was, dit volk bij nacht te ontschepen en daarmede naar het kasteel te
+trekken; hetwelk (althans zoo luidden de laatste berichten, door Claes
+Gerritsz gezonden) geene Friesche bezetting had; maar door twee of drie
+lieden bewaakt werd, op wier trouw aan den Graaf men kon afgaan. Door
+vertraging bij inscheping en door tegenspoed op reis was er nu een
+dag verloren gegaan en was het noodzakelijk geworden, de onderneming
+tot den volgenden nacht te verschuiven. Intusschen gaf de groote
+menigte menschen, op de kaai verzameld, geene geringe bezorgdheid aan
+Deodaat, of niet zijn plan verraden en reeds te Stavoren bekend ware:
+en hij oordeelde het raadzaam, zich hiervan te verzekeren ten einde
+de zijnen niet nutteloos ter slachtbank te brengen. Het besluit,
+dat hij ten gevolge dier overdenkingen nam, was dan ook datgene,
+hetwelk hem de menschelijkheid en de voorzichtigheid voorschreven,
+hoewel het voor hem zelven het meeste gevaar inhad.
+
+"Boudewijn!" riep hij: "kom boven, maar leg eerst uw harnas af! En
+gij Zweder! hoor mij."
+
+Beide schildknapen waren spoedig bij hem.
+
+"Mijn voornemen," zeide hij, "is alleen en onverwijld de stad in te
+gaan, om kondschap te nemen hoe de zaken staan: het schip op stroom
+latende liggen. Binnen drie uren kom ik weder bij u; immers zoo ik
+alles bevind, gelijk wij wenschen. Kom ik niet terug, dan is het een
+teeken, dat mijn leven of mijn vrijheid bedreigd wordt: gij wendt in
+dat geval den steven en boodschapt den Graaf mijn wedervaren."
+
+De twee schildknapen zagen elkaar met onrustige blikken aan.
+
+"Welnu!" zeide Deodaat: "hoe kijkt gij zoo zwart? Wat hapert er aan?"
+
+"Ridder!" zeide Boudewijn: "bij God, ik laat u niet alleen gaan:--gij
+zoudt omkomen in dat vervloekte nest! Laat ons liever, of al te zamen
+terugkeeren, of terstond met het volk aan wal springen en naar het
+kasteel trekken, eer die Friesche lomperds den tijd hebben om te
+bespeuren wat wij in ons schild voeren."
+
+"Zie eens!" zeide Deodaat, naar de stad wijzende: "ziet gij daar
+eenig blijk van een vriendelijk onthaal?"
+
+De afstand, waarop zij zich nu bevonden, liet hun toe, dadelijk te
+bespeuren, dat niet slechts de volksmenigte op de kaai en de hoofden
+was aangegroeid, maar ook zag men, achter de aldaar verzamelden,
+ruiters heen en weer draven en hier en daar een helm en een speer in
+'t zonlicht flikkeren.
+
+"Mij dunkt, gij weet reeds genoeg," zeide de schipper tot Deodaat:
+"en behoeft niet aan wal te gaan om verzekerd te zijn, dat men u daar
+een slechte welkomst voorbereidt. Gij zijt een wakker Ridder en ik maar
+een slechte pekbroek; maar neem den raad aan van een oud man en keer,
+zonder van boord te gaan, met ons terug. Ik ken die Friezen vanouds:
+zij zijn niet mak als zij beginnen, en hoe best ik altijd met hen
+overweg gekend heb, ik viel ongaarne in hunne handen."
+
+"Uw raad is welgemeend, schipper!" zeide Deodaat: "maar het komt hier
+op plichtsvervulling aan en geen denkbeeld van gevaar kan mij daarvan
+afschrikken. Door nu terug te keeren, zouden wij de Friezen, zoo zij
+kwaad vermoeden hebben, daarin versterken en des te meer op hun hoede
+doen wezen. Indien wij daarentegen nu stil op stroom blijven liggen,
+is wellicht tegen den avond die volkshoop uit elkaar en heeft niemand
+erg in ons. Daarom ook wil ik aan wal gaan; dan zal de achterdocht
+van zelf wijken."
+
+"Neem mij dan in Gods naam mede, Heer Ridder!" merkte Boudewijn aan:
+"gij zoudt in ongelegenheid kunnen komen, en...."
+
+"Neen vriend!" zeide Deodaat: "gij keert weer naar beneden. In u zou
+elk den krijgsman ontdekken. Ook is uw post bij 't volk, dat gij aan
+moet voeren."
+
+"Maar ik mag toch meegaan!" riep Zweder, hem met gevouwen handen
+naderende: "ik zie er immers volkomen als een scheepsjongen uit;
+in mij zal niemand erg hebben: en ik zal ongemerkt wellicht nog meer
+kunnen vernemen dan uw Edelheid."
+
+"Knaap!" zeide Deodaat getroffen: "ik mag het voor uw ouders niet
+verantwoorden."
+
+"Gij hebt aan mijn ouders beloofd, mij tot een braaf Ridder te
+maken zooals gij," zeide Zweder: "en dus, het eenigste dat gij niet
+verantwoorden kunt, is mij te beletten, in de gevaren te deelen,
+waarin de Ridderplicht u noodzaakt u te begeven."
+
+"Zal ik het anker laten vallen, Ridder?" vroeg de schipper: "wij
+hebben hier een goede ligplaats."
+
+"Doe het," zeide Deodaat, terwijl hij Zweder, die hem biddende
+en smeekende bij het kleed hield, van zich afweerde: "en sein om
+een boot."
+
+Een en ander geschiedde: en terstond zag men een groote beweging
+aan wal: in weinige oogenblikken waren niet ééne, maar een twintigtal
+booten bemand, die met alle haast en als om strijd naar het Hollandsche
+vaartuig toe roeiden; terwijl al de schepen en schuiten in de haven
+zich met toeschouwers vervulden, waarvan sommigen tot in de toppen
+der masten klommen om te ontdekken of zij ook iets in het scheepshol
+van den bierhaalder konden ontdekken.
+
+"Zie eens! hoe beleefd zijn de Friezen geworden!" zeide Deodaat:
+"wij vragen slechts één boot, en er komen er wel twintig. Past maar
+op, mijn maats! dat er geen ongenoodigde gast aan boord kome."
+
+"Wij zullen den eersten, die het waagt, met den tandenstoker op zijn
+kop komen, dat hij het klimmen verleere," zeide de schipper.
+
+"Alles wel! alles wel!" klonk het weldra van alle kanten van het schip,
+dat nu van bootjes omringd was.
+
+"Waarom komt gij niet aan 't hoofd liggen met uw tjalk?" riepen
+ettelijke stemmen.
+
+"Ik moet met de eb naar Makkum," riep de schipper.
+
+"Dat kunt gij wel uit uw hoofd zetten," riep men van beneden: "wij
+krijgen zwaar weer binnen 't uur en dan zult gij blij zijn hier in
+de haven te liggen."
+
+Intusschen deden verscheidene bootslieden moeite om het vaartuig
+te beklimmen.
+
+"Handen af!" riep de schipper, een eind hout opheffende: "handen
+af! wat beduidt dit? Die koopman kan toch niet met u allen te gelijk
+meegaan. Bij Sinter-Klaas! die een hand aan 't schip slaat sla ik de
+hersens tot gruis. Gij allen kent Krijn Jansz, en gij weet dat hij
+woord houdt."
+
+"Deze is er het eerst geweest," zeide Deodaat, op een boot wijzende,
+die aan stuurboord lag: "wij zullen de keus op haar bepalen."
+
+Maar op hetzelfde oogenblik werd hij met geweld bij den arm gevat en
+naar bakboordszij getrokken door een Fries, die, terwijl de schipper en
+zijn maats het schip aan weerszijden tegen alle aanranding beschermden,
+tegen de roerpen was aan boord geklommen.
+
+Deodaat sloeg de hand aan zijn dolk en wendde zich om, met oogmerk
+om deze onheusche handelwijze te keer te gaan; maar hij liet af en
+beschouwde aandachtig het gelaat van den Fries, dat hem niet onbekend
+voorkwam.
+
+"Indien gij wijs wilt zijn, blijf dan aan boord en wend dadelijk den
+steven," fluisterde hem de Fries met drift in het oor.
+
+"Ik moet aan wal zijn," zeide Deodaat: "maar wie zijt gij, die mij
+zoo ongevraagd raad komt geven?"
+
+"Kent gij Feiko niet meer?" hernam de Fries: "gij hebt mij eens het
+leven gered en ik wil het u op mijn beurt doen."
+
+"Welnu!" zeide Deodaat: "ik dank u! en ik zal met uwe boot aan
+wal gaan."
+
+"In Gods naam dan!" zeide Feiko: "maar laat niet blijken, dat gij
+mij kent. Hei, ho! Rienk Westra! waar is de boot? De koopman gaat
+met ons mee."
+
+De boot van Rienk Westra was spoedig naast het vaartuig, tot groote
+spijt van al de overige varensgasten.
+
+"Vaarwel schipper!" zeide Deodaat: "gij onthoudt onze
+afspraak. Kom! wij moeten voort."
+
+"God zegene u!" zeide Krijn Jansz, hem de hand drukkende: "en brenge
+u behouden in de haven uwer hoop."
+
+Deodaat steeg af: maar nauwelijks was hij in de boot, of hij ontdekte
+tot zijn leedwezen, dat Zweder, die zich aan een touw had laten
+afglijden, er reeds zat, met een riem in de eene en een aarden pot
+in de andere hand.
+
+"Gaat gij toch mede?" vroeg hij, zijn ongenoegen onder deze
+onverschillige vraag verbergende.
+
+"De schipper heeft melk noodig," zeide Zweder: "en ik ga die te
+Stavoren halen."
+
+De boot verwijderde zich met snelheid, gevolgd door de andere
+varensgasten, die haar ettelijke vloeken nazonden.
+
+"Wat vertoont men heden te Stavoren?" vroeg Deodaat, als begreep hij
+de reden van dien volksoploop niet: "is er een mysteriespel of een
+processie te wachten, dat alle man dus op de been is?"
+
+"'t Is marktdag," antwoordde Rienk Westra.
+
+"En komt men hier meer gewapend te markt?" vervolgde Deodaat, op
+eenige krijgslieden wijzende, die hij in 't verschiet zag.
+
+"Somtijds!" hernam de Fries met een hoonenden lach: "wanneer men
+menschenkoppen te koop vent."
+
+"Zoo! nu begrijp ik u," zeide Deodaat: "er wordt dan heden recht
+gedaan."
+
+De bootsman zag hem met een schamperen blik aan, en met verdubbelde
+kracht voortroeiende, neuriede hij het volgende referein van een oud
+Friesch deuntje:
+
+
+ "Onedelen en dorpers hangt men op.
+ Maar de edelen vreezen den strop,
+ Zij varen liefst zonder kop
+ Ter helle! ter helle! ter helle!"
+
+
+Een onwillekeurige huivering voer door de aderen van Deodaat, en Zweder
+werd bleek. Gaarne had deze laatste, die bijna overtuigd was dat zij
+den dood tegengingen, den Ridder willen betuigen, nog terug te keeren;
+maar deze, begrijpende dat alle poging daartoe vruchteloos zijn zoude,
+vermits zij van barken waren ingesloten, wenkte hem te zwijgen. "Er
+zijn ook gewapende lieden aan wal," dacht hij; "en bijgevolg menschen,
+die eergevoel in 't lijf hebben. Zoo wij alleen met een blind gepeupel
+te doen hadden, ware ik niet gegaan: maar al wie een degen draagt
+zal mij niet laten vermoorden."
+
+Zij waren nu aan het hoofd gekomen, waar de verzamelde menigte
+hen wachtte. Waar Deodaat het oog wendde, op elk gelaat las hij
+onbeschaamde nieuwsgierigheid en kwalijk verborgen haat; maar bij
+de menigte heerschte die doodelijke stilte, welke niet zelden bij
+volksopschuddingen, gelijk in de natuur, de voorbode is van den
+geweldigsten storm. In een oogenblik was Feiko tegen de dwarshouten
+opgeklommen en bood hij de hand aan Deodaat om hem te volgen. Het
+was echter geene gemakkelijke zaak daar boven te komen; want de
+toevloeiende volkshoop drong zich onder een dof gemurmel van: "daar
+is hij!" zoo sterk om Feiko heen, dat deze nauwelijks gelegenheid had,
+den voet aan wal te blijven houden.
+
+"Plaats wat! plaats wat! leegloopers!" riep hij, bij zijn best, de
+omstanders rechts en links achteruitstootende: "zoo gij ons bekijken
+wilt, geeft ons dan ten minste de gelegenheid van voet aan wal te
+zetten: denkt gij, dat men hier komt om uwe leelijke bakkessen te
+zien?--met u hebben wij niets te maken!"
+
+"Misschien wij met u lieden," bromde een uit den hoop tusschen
+de tanden.
+
+"Kunt gij mij den weg wijzen naar meester Claes Gerritsz, den
+Ambtman?" vroeg Deodaat aan Feiko, toen hij eindelijk met Zweder
+boven op het hoofd gekomen was, waar zij nauwelijks genoeg ruimte
+vonden om op de beenen te staan.
+
+"Hoort! hij wil naar den Ambtman!--hij mag hem gezelschap houden!--daar
+zal hij net op zijn plaats wezen!" mompelde het volk, terwijl het
+hoonende blikken op den Ridder wierp.
+
+Deodaat zweeg en vergenoegde zich kalm om zich heen te zien, terwijl
+hij Feiko volgde, die hem niet zonder moeite en kracht van ellebogen
+een weg baande door den volkshoop, die zich slechts opende om zich
+weer dadelijk achter hen te sluiten. Wat Zweder betrof, deze liep
+achter zijn meester, in de meest achtelooze houding mogelijk, slechts
+nu en dan vloekende tegen de omstanders, die hem tegen 't lijf drongen.
+
+"Voorzichtig wat, lomperds!" zeide hij: "gij zult mijn pot breken."
+
+"Als men u den hals maar niet breekt, mijn boutje!" snauwde een
+afzichtelijk vrouwmensch hem toe (want het betere deel van het
+menschelijk geslacht had mede niet weinig vertegenwoordigsters onder
+de menigte): "hoor mij dien kwaden guit eens aan."
+
+"'t Zou toch jammer wezen, Makke!" zeide een andere vrouw: "'t is
+een aardig borstje en het ware zonde, dat hij aan een staak hing."
+
+Onze Ridder was nu de hoofdstraat ingetreden van die toenmaals zoo
+welvarende en thans zoo geheel vervallen stad. Wel had het tijdperk van
+haar hoogsten bloei opgehouden te bestaan, en begon haar handel door
+de mededinging der Hollandsche steden eenigszins te verminderen; maar
+nog was haar later verzande haven in goeden staat en druk bezocht:--en
+de inwoners genoten juist dat tijdperk van welvaart, zoo doodelijk
+voor een volk of stad, waarin men op vroegere winsten teert, en aan
+weelde gewoon, de noodige inspanning laat varen om te zorgen, dat de
+vroegere bloei door geene latere armoede vervangen worde. Sierlijke
+huizen vertoonden zich aan weerszijden: de stoepen waren wel niet met
+goud beslagen, gelijk een kroniekschrijver verhaalt, die waarschijnlijk
+verkeerdelijk _stoepen_ voor _stoopen_ (of drinkkannen) las, maar alles
+ademde toch die weelde, pracht en overdaad, welke aan de inwoners den
+naam van: _de verwende kinderen van Stavoren_ had doen geven. Wat
+echter thans aan de stad een minder vroolijk aanzien gaf, was, dat
+in de huizen der aanzienlijkste meest Hollandschgezinde bewoners, de
+blinden gesloten waren: alleen zag men zich hier en daar een angstig
+gelaat vertoonen, dat om een deurpost of over een luik heenkeek en,
+na een blik van medelijden op Deodaat geslagen te hebben, terstond
+weder verdween.
+
+De gemeente begon onder 't voortgaan luidruchtiger te worden. Hier en
+daar werden vervloekingen gehoord tegen de Hollanders en tegen den
+Graaf: Rienk Westra, de varensgast, begon zijn deuntje weder aan te
+heffen, en het referein werd door honderden herhaald. Dit lied werd
+door een ander gevolgd, waarvan het slot was, dat de vogel in de knip
+zat: en voorts door meer, alle weinig geschikt om de gerustheid van
+Deodaat te vergrooten.
+
+"Een _wapeldjepinga_!" riepen nu sommigen uit den hoop:
+"Eilieve! koopman, laat ons eens hooren welk een landsman gij zijt:
+zeg mij eens na: _raed hird reekt rierrene lyre_; zonder haperen,
+hoort gij." [33]
+
+Het bloed des Ridders kookte hem in de aderen, en hij had er veel voor
+gegeven om op zijn ros te zitten en dat gepeupel voor zich heen te
+doen wegstuiven. Hij besefte echter, dat zijn lot, en misschien ook
+dat van de manschappen, die hij aan boord had gelaten, er van afhing,
+dat hij koelbloedig bleef, en hij wist zich ook bedaard te houden,
+tot zoolang de Workummer visscher, die zijn komst, naar hij vermoedde,
+verklikt had, hem op zijde kwam.
+
+"Ja hij is het wel," zeide hij, na hem met een zwenk te hebben
+gadegeslagen: "het is de man, die ons verrassen wou; maar hij is
+zelf verrast. Maatje! maatje! gij zit in de knip: en het is jammer
+voor u, dat gij die koopmanspij hebt aangeschoten; want hadt gij een
+ridderharnas aangehad, gij hadt nog met eer kunnen onthoofd worden;
+maar nu is het hangen, vriendje!"
+
+"Ga uw weg, vriend!" zeide Deodaat, "ik versta u niet."
+
+"Zie mij dat wittebroodskindje eens aan!" hernam de visscher: "hij
+zou mij niet verstaan!"
+
+"'t Staat u zeker schoon," zeide Deodaat, hem met een toornigen blik
+aanziende, "dus op een wapenloozen man te vloeken, die hier voor
+zaken komt."
+
+"Een wapen kon men u wel verschaffen," zeide de visscher, en haalde
+tevens een breed mes uit, hetwelk hij den Ridder voor den neus hield.
+
+"Pas op," zeide Deodaat: "gij zoudt u kunnen bezeeren. Ga uw roes
+uitslapen en laat mij met vrede."
+
+"Mijn roes! Donderskind! denkt gij dat ik bezopen ben?" duwde hem
+de schipper toe: en zijn arm verhief zich opnieuw in een dreigende
+houding, toen Zweder, zijn meester in gevaar achtende, zijn melkpot
+aan stukken sloeg op het hoofd van den Workummer, die bedwelmd ter
+aarde stortte.
+
+Deodaat keek eenigszins wrevelig om en zag Zweder met een ontevreden
+en droefgeestigen blik aan. Maar de val van den schipper was het
+teeken der uitbarsting van de volkswoede. Honderd messen waren in
+een oogwenk uit de scheede en evenveel dreigende handen verhieven zich.
+
+"Zoo zij mijn leven begeeren, zullen zij het echter niet goedkoop
+hebben," zeide Deodaat en trok zijn dolk.
+
+"Laat af," zeide Feiko, hem weerhoudende: "wat zoudt gij tegen
+zoovelen?--Zijt gij dwaas, makkers!" vervolgde hij met luider stemme:
+"wilt gij u van het genoegen berooven om dezen liefhebber aan een
+pereboom te zien hangen?"
+
+Deze toespraak werd met een luid gelach door de naastbijstaanden
+opgenomen; maar die verder af waren en Feiko's woorden niet verstaan
+hadden, begonnen met steenen te werpen. Op dit oogenblik kwam een
+monnik, die het gewaad van Sint-Odulf droeg, door een zijstraat
+aan. Nooit was er iets magerder gezien dan die vrome man, die volkomen
+een wandelend geraamte scheen; alleen in zijn oogen blonk nog het
+levendige vuur van betere dagen. Zoodra Feiko dezen zag, snelde hij
+naar hem toe:
+
+"Help toch, vrome Heer!" beet hij hem zachtjes in 't oor: "men wil
+Ridder Deodaat vermoorden, aan wien wij zoovele verplichtingen hebben."
+
+De monnik naderde terstond, met verbaasdheid en belangstelling op het
+gelaat: "wat doet gij, mannenbroeders!" riep hij: "schaamt gij u niet,
+allen gezamenlijk eenen weerlooze op 't lijf te vallen?"
+
+"Te water met hem! Hij is een Hollander! wat let ons die verbraste
+monnik?" riepen verscheidene stemmen.--"Neen! neen!" schreeuwden
+anderen,--"het is vader Syard!--welkom weer te Stavoren, vader
+Syard!--vader Syard heeft het verraad aan de Grietlui ontdekt! Zij
+hebben u slecht te eten gegeven, Vader!--Hoezee! Leve vader Syard!"
+
+Er ontstond een weifeling onder de menigte. Rienk Westra trad toe:
+
+"Indien gij het verraad ontdekt hebt," zeide hij tot den monnik,
+die werkelijk niemand anders dan onze vermiste kloosterling was,
+"zoo zult gij dezen man niet gespaard willen hebben: hij komt uit
+het schip: hij is de hoofdaanlegger, de bevelhebber der bende."
+
+"Gij bedriegt u," zeide de monnik: "deze is niet de man waar gij hem
+voor houdt. Hij is een Fries en zal hier niet komen om zijn land ten
+val te brengen."
+
+"Een Fries!" riep Westra, verbaasd terugtredende: "hij!"
+
+"Monnik!" zeide Deodaat zachtjes: "bezwaar u met geen logen om
+mijnentwil. Ik ben...."
+
+"Zwijg!" zeide vader Syard: "Ik ken u beter dan gij u zelven kent:
+of," vervolgde hij, den Ridder scherp aanziende: "weet gij, wie uw
+vader was?"
+
+Deodaat zweeg en zag den monnik in stomme verbazing aan; want hij
+begreep niet, welk belang die man in hem konde stellen, daar hij hem
+nooit dan eens in de hut bij Elske ontmoet had.
+
+"In waarheid!" zeide Feiko, die nu ook Deodaat meer aandachtig
+beschouwde, en begreep, nadere klem te moeten bijzetten aan hetgeen de
+monnik gezegd had; hoewel hij zelf niet wist of het waarheid ware dan
+wel een vrome leugen: "ziet hij er niet van top tot teen uit als een
+Fries. Kijkt hem maar eens recht aan: bij mijn zolen!--'t is volkomen
+de neus, .... de oogen, .... de mond van.... Ja waarachtig:--hij lijkt
+immers sprekend op mijn Heer van Aylva, en dien moet ik toch kennen,
+daar ik zijn dienaar ben. Een Fries is hij, dat zweer ik u, mannen!"
+
+Op dit oogenblik rukte er een bende gewapend volk op, uit dezelfde
+straat, waaruit de monnik zoo juist van pas gekomen was. Ondanks den
+benarden toestand, waarin hij zich bevond, kon Deodaat niet nalaten
+te glimlachen, toen hij dien troep in oogenschouw nam, zoo om haar
+vreemde marschorde als om de zonderlinge wijze, waarop zij gewapend
+was, elk naar zijne verkiezing, deze met een bijl, die met een spade,
+een derde met een houweel; kortom, er schenen er geen twee te zijn,
+die dezelfde wapenen droegen.
+
+"Hopman!" zeide vader Syard, zoodra hij den aanvoerder der bende
+in 't oog kreeg: "gij neemt dezen koopman onder uwe bescherming,
+eer hij door het volk mishandeld worde. Gij kent mij, en gij weet,
+dat ik niet alzoo zou spreken, indien ik geen gewichtigen grond voor
+mijn zeggen had."
+
+"Met uw verlof," zeide de Hopman: "ik moet naar de haven, om dat
+vaartuig te beknippen, hetwelk zoo vriendelijk is geweest, ons te
+komen bezoeken met meer waar aan boord dan noodig was."
+
+"Dat heeft den tijd," zeide de monnik: "volg nu slechts mijn last:
+of 't zou u kunnen rouwen. Gij weet, wie den aanslag ontdekt heeft."
+
+De Hopman haalde de schouders op; maar gehoorzaamde: en Deodaat met
+den monnik en Feiko tusschen zijn gewapenden innemende, liet hij
+deze laatsten rechtsomkeert maken. Zweder, op wien niemand in de
+verwarring van het oogenblik acht had geslagen, mengde zich onder
+het volk, en volgde de bende, zijn Heer zo min mogelijk uit het oog
+verliezende. Weldra hield de Hopman voor een aanzienlijk gebouw stil,
+hetwelk het raadhuis bleek te zijn.
+
+"Hopman," zeide nu de monnik, op dien toon van gezag, welken hij,
+waar het pas gaf, zoo meesterlijk wist te gebruiken: "gij vertoeft
+hier met uw bende, tot gij nadere bevelen ontvangt, en gij zorgt,
+dat niemand in het raadhuis kome, die er niet van doen heeft:--en
+nu! laat ons spoedig binnengaan."
+
+"Ik behoef mijn plicht van geen paap te leeren," bromde de Hopman,
+terwijl Deodaat met vader Syard binnentrad: "en met dat al, ik zal
+maar doen wat hij zegt; want die geestelijke heeren zijn altijd in
+staat ons een kool te stoven."
+
+"Is de Ambtman Claes Gerritsz hier?" vroeg Deodaat aan den stadsbode,
+die zich in 't portaal bevond.
+
+"Er is hier geen Ambtman meer," antwoordde de bediende op een norschen
+toon: "wilt gij de Grietlui spreken, die zitten binnen. Ga maar,
+zij wachten u al."
+
+
+
+
+
+DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Kom, beul en doet v werck, kom laet de deugh-niet knielen
+ En wilt hem door het sweert van stonden aen vernielen.
+ Siet, daer ist al geseyt. Men doet het recht te kort,
+ Indien men niet terstont het schendigh bloet en stort.
+
+ Cats. Trou-ringh.
+
+
+Deodaat trad met vader Syard de zaal binnen, welke hem geopend werd,
+en haastte zich een nieuwsgierig oog in 't rond te slaan op de aldaar
+aanwezige personen. Hij herkende terstond Seerp Van Adeelen, die,
+met het ongeduld op 't gelaat en de handen op den rug, heen en weer
+wandelde achter een tafel, aan welke eenige wereldlijke en geestelijke
+personen gezeten waren. De Abt van Sint-Odulf was onder deze laatsten,
+en men kon aan 's mans gelaat, vooral aan den doffen blik, dien hij
+voor zich uitwierp, ras bespeuren, dat hij niet op zijn gemak was. Wat
+verder stonden, in de sponning van een groot kruisraam, een drietal
+gewapende edellieden in een druk gesprek bijeen. Deodaat meende te
+hooren, dat een hunner bij zijn binnenkomst een uitroep van verbazing
+deed en zich toen terstond weder omwendde, zijn mantel om zich heen
+trekkende, als wilde hij niet herkend wezen.
+
+"Aha! daar is onze vrome broeder Syard weer," riep de Abt van
+Sint-Odulf uit, terwijl zijn strak gelaat op eenmaal opklaarde:
+"ja! mijn waarde Broeder van Lidlum," vervolgde hij, zich tot den
+geestelijke wendende, die naast hem gezeten was: "het is broeder Syard,
+die ons tegen dat Satansche plan van den Graaf is komen waarschuwen:
+hij is door een bestiering Gods in de handen der Amalekiten moeten
+vallen om het te ontdekken. Wij achtten hem reeds dood, en ik had
+al gelast, dat men zielmissen voor hem zoude lezen; maar nu kunnen
+wij het Halleluja zingen om zijn weerkomst; hoewel gij ziet, dat de
+man een schrale keuken heeft gehad bij de Hollanders: ja hij ziet er
+waarlijk uit, of hij al dien tijd alleen op _hiera picra_ geteerd had;
+en dat is niet het middel om vet te worden."
+
+"Thans moeten wij alleen om de _hiera gladii_ [34] denken," zeide
+de kloostervoogd van Lidlum, die een reusachtig man was, aan wiens
+forsche ledematen het harnas beter zou gepast hebben dan de monnikspij:
+en meteen stak hij zijn breede hand over tafel toe aan vader Syard,
+dien hij kende en hoogachtte, en heette hem van harte welkom. Hetzelfde
+deden ook de overige aldaar gezeten lieden.
+
+"Wien brengt gij ons daar mede, monnik?" vroeg Adeelen, op een
+haastigen toon: "de duivel hale mij!" riep hij eensklaps uit, na
+Deodaat aandachtig beschouwd te hebben, "indien het die vervloekte
+Italiaan niet is!"
+
+"Ik ben het zelf, Seerp Van Adeelen!" zeide Deodaat: "en ik dank het
+den eerwaardigen vader, dat gij mij herkennen kunt. Hij heeft mij uit
+de handen van het grauw verlost, dat mij te lijf wilde.--Men bereidt
+hier een slecht onthaal aan hen, die uwe stad bezoeken komen."
+
+"Wanneer zij vermomd en met slechte inzichten komen, bereidt men hun
+het onthaal, aan verraders bestemd," zeide Adeelen, op een strengen
+toon. "Wat komt gij hier zoeken?"
+
+"Mag ik weten, of ik hier voor een rechtbank sta?" vroeg Deodaat:
+"welke vergadering vermeet zich hier, mij te verhooren?"
+
+"Aha! gij wilt weten, met wie gij te doen hebt?--Welnu! ik zal niet
+minder beleefd zijn, dan uw Graaf op den Vogelesang was.--Den Abt van
+Sint-Odulf kent gij: deze is zijn ambtgenoot van Lidlum: en hier zit
+de kloostervoogd van Bloemkamp of Oldeklooster."
+
+Deodaat zag verbaasd op. De kloostervoogd van Bloemkamp was een
+breedgeschouderd ventje, barsch van uitzicht en van top tot teen
+geharnast.
+
+"Hier ziet gij de Edelen Eelco Galama en Sytse Martena, en aan deze
+zijde Tiete Cammingha en Jouke Helbada;--gezamenlijk met mij het
+tegenwoordige bestuur van Friesland uitmakende. Moet ik die ginds aan
+'t raam staan ook noemen:--het zijn Epe Fadinga en...."
+
+"Al genoeg," zeide Deodaat; "alleen begrijp ik niet, wat gij van een
+bestuur van Friesland praat, hetwelk alleen bij Graaf Willem berust,
+als Heer van dit gewest."
+
+"Noch rechtens, noch in de daad heeft Willem hier iets in te
+brengen," zeide Adeelen: "maar ik verlang in geene woordenwisseling
+te treden. Wat begeert gij?"
+
+"Mijn eerste boodschap was aan zekeren Ambtman des Graven, Claes
+Gerritsz genaamd," zeide Deodaat.
+
+"Begeert gij dien te zien?"
+
+Deodaat knikte toestemmend.
+
+"Zie uit dat kruisraam en gij zult hem ontdekken," zeide Adeelen,
+met een woesten glimlach.
+
+Deodaat, zonder de meening dezer woorden te beseffen, begaf zich naar
+het aangeduide raam, waarvan de drie Edelen, die er voor stonden,
+dadelijk bij zijne nadering terugweken, als om hem een vrijen doortocht
+te laten. Van het venster had men het uitzicht over een gedeelte van
+den stadswal: en Deodaat trad met ijzing terug, toen hij van verre
+het lijk van onzen armen Haarlemmer aan een pereboom zag hangen. Vol
+verontwaardiging begaf hij zich weder naar de tafel.
+
+"Wie is de bedrijver van een zoo schendig stuk?" vroeg hij met
+fonkelende oogen: "zijn hier de wetten omgekeerd, dat men 's Graven
+dienaren ophangt?"
+
+"Het doet u zeker leed," zeide Adeelen, met bitterheid, "dat gij nu met
+hem de middelen niet kunt beramen om ons in slavernij te brengen. Uw
+plan is ontdekt, hoe listig het ook overlegd ware. De muis zal in de
+val blijven, zelfs zonder het spek geproefd te hebben."
+
+"Kom! kom!" zeide de Abt van Bloemkamp, met zijn gewapende vingers op
+de tafel trommelende: "straks waart gij zoo voortvarend, Adeelen! en
+nu houdt gij ons met allerlei snorrepijpen op. Wat bruit ons die
+Hollander? Laat hij bij zijn makker hangen.--En hoe is het? 't Is of
+ik Eise Makkinga nog buiten hoor met zijn krijgsvolk. Is dat schip
+nog niet in brand gestoken?"
+
+Adeelen vloog naar het raam, dat op de straat uitzag: "bij
+alle duivels!" riep hij: "gij hebt gelijk. Wat sammelt gij,
+Eise?" schreeuwde hij, het venster openende: "en waarom gaat gij uw
+last niet ten uitvoer brengen?"
+
+"Vader Syard heeft mij gelast, hier post te houden," antwoordde de
+Hopman van beneden.
+
+"Vader Syard is een ezel, en ik gelast u te handelen als
+afgesproken is, en niet weer te komen voordat het schip tot pulver is
+verbrand. Scheer u weg!--Ik wilde wel eens weten, Pater!" zeide hij,
+terugkomende: "waar gij u mede bemoeit?--Ware het niet om den dienst,
+dien gij ons heden bewezen hebt, ik liet u opknoopen."
+
+"Dat is te zeggen," zeide de Abt van Sint-Odulf, "gij zoudt u,
+geloof ik, tweemaal bedenken, eer gij een broeder van mijn klooster
+dorst aanranden."
+
+"Met dat al, 't is toch vreemd," zeide die van Lidlum, "dat een wijs
+man, als broeder Syard, bevelen geeft, strijdig met die van de Abten en
+de Grietlui. Wij moeten hooren, welke redenen hij daartoe heeft gehad."
+
+"Ik heb," zeide vader Syard, die dit luidruchtig gesprek staande
+en zwijgend had aangehoord, "ik heb den Hopman verzocht, voor
+de veiligheid van dezen Ridder te zorgen, daar ik overtuigd was,
+dat mijn vader Abt het hoogst euvel zou opnemen, indien men iemand
+onverhoeds veroordeelde in een stad, welke onder de bescherming van
+onzen Heiligen Patroon staat."
+
+"Gij hebt volkomen wel gehandeld, Broeder!" zeide de Abt van
+Sint-Odulf: "en ik zou in uwe plaats niet anders gedaan hebben. Wij
+mogen niemand onverhoord ter dood brengen, veelmin toelaten, dat
+zulks door dat domme gepeupel worde gedaan."
+
+"Recht zoo!" zeide een der Edelen: "verhoort dan dezen man ook;
+maar maakt het spoedig."
+
+"Eer gij hiermede aanvangt," zeide Deodaat, die de noodzakelijkheid
+gevoelde, onbeschroomdheid tegen geweld over te stellen: "zoo wil ik
+vragen, of gij opgehouden hebt, het gezag van Graaf Willem, uwen Heer,
+te erkennen?"
+
+"Moet men het u tienmaal zeggen?" grauwde hem Adeelen toe: "wij
+erkennen geen gezag ter wereld. Wij zijn vrij en willen vrij blijven."
+
+"Welnu! het is dan als afgevaardigde van den Graaf, dat ik tot u
+spreek. Hier is mijn geloofsbrief!" en meteen haalde hij een perkament
+uit den boezem, waarmede hem de Graaf voorzien had, ten einde hij
+zich daarvan in een oogenblik van nood zou kunnen bedienen.
+
+"Hij wil in alles het voorbeeld van den Haarlemmer volgen," zeide
+Adeelen: "die kwam ons ook met schrifturen aan boord. Ziedaar het werk,
+dat wij van dergelijke prullen maken!" En, het perkament verscheurende,
+wierp hij Deodaat de stukken in 't gezicht.
+
+"Gij zijt een lafaard," riep de Ridder, "maar ik zal mij bedwingen,
+omdat mijn last niet aan u gericht is. Eerwaarde Vaderen! Dappere
+Edellieden! ik spreek tot u in naam des Graven, wiens weldaden
+met ondank geloond, wiens goedheid getergd is! Staat af van uw
+roekeloos bestaan!--Stoot u zelf en uw landgenooten niet in een
+onherstelbaar verderf, door u te verzetten tegen hem, wiens macht
+u allen kan verpletteren. Bedenkt, dat Utrecht, het geheele Sticht,
+door zijn wapenen overweldigd zijn. Het ware noodeloos het u langer
+te ontveinzen; eer twee dagen om zijn, zal dit land met Hollandsche
+wapenknechten overdekt wezen, tenzij gij u onderwerpt. Staat af van uw
+rasch besluit!--Legt de wapens af en zendt woorden van onderwerping
+en vrede. Zoo alleen kunt gij den storm afweren, die anders geweldig
+op uwe kusten woeden zal."
+
+En als wilde de natuur zijn overdrachtelijke spreekwijze metterdaad
+bevestigen, een donderslag deed zich in de verte hooren.
+
+"De storm!" zeide Adeelen:--"daar komt hij al; maar wij hebben dien
+niet te vreezen.--Friezen! gij hebt hem gehoord: welk lot hebben
+wij bepaald dat hem beschoren zoude wezen, die van Graaf Willem tot
+ons kwam?"
+
+"De dood!" riepen schier al de leden der vergadering als uit éénen
+mond.
+
+"Gij hoort het!" zeide Adeelen: "uw dood is bepaald!--Hier
+knapen! knevelt hem, en hangt hem naast meester Claes Gerritsz."
+
+Deze woorden verwekten geene geringe opschudding in de zaal. Deodaat,
+besloten hebbende zijn leven duur te verkoopen, had reeds zijn dolk
+getrokken, toen hij onverhoeds van achteren werd aangegrepen door
+eenige staffieren, die achter een gordijn verborgen hadden gestaan en
+hem knevelden eer hij zich kon verweren. Vader Syard vouwde de handen
+met ontzetting in elkander en scheen te peinzen op een middel om den
+gevangene te redden: een der aan het raam staande Edelen mompelde
+een verwensching en deed een paar schreden voorwaarts; de Abt van
+Bloemkamp wenkte met de hand, dat men voort zou maken: die van Lidlum
+ledigde in eene teug eene geweldige bierkan, die voor hem stond:
+vader Volkert keek eenigszins bedrukt: de Grietlieden fluisterden
+halfluid met elkaar: en Adeelen bleef rustig, op zijn sabel leunende,
+het tooneel aanschouwen.
+
+De Abt van Sint-Odulf scheen de eenige man van gewicht te zijn,
+die medelijden met den gevangene gevoelde: "Is er gezorgd voor
+een biechtvader?" zeide hij: "nu onze waarde broeder Syard uit de
+handen der Philistijnen verlost is, zou hij waarschijnlijk gaarne de
+gelegenheid aangrijpen zijn heilige bediening weder eens te vervullen."
+
+"Eerwaarde Vader!" zeide de monnik: "er is nog een heiliger plicht, die
+op mij rust en waaraan ik gehoor moet geven. Heeft deze vreemdeling
+iets gedaan dat des doods waardig is? Heeft hij niet integendeel
+aanspraak op de dankbaarheid van Friesland, daar hij het was, die
+Seerp Van Adeelen uit de klauwen van het Haarlemsen gepeupel redde,
+en die Madzy Dekama veilig door de legerplaats van Willem liet brengen
+en haar vergunde tot ons te keeren?"
+
+"Ziedaar juist wat ik nog dacht aan te merken," zeide de Abt van
+Sint-Odulf: "ik verheug mij dubbel in uwe terugkomst, Broeder!--Niemand
+wist in uwe afwezigheid mijne meening te vatten. Inderdaad, Seerp
+Van Adeelen was den vreemdeling een beter dank verschuldigd dan een
+streng touw."
+
+"Bovendien," vervolgde de monnik: "deze Ridder komt als afgevaardigde,
+en het recht aller beschaafde natiën eerbiedigt de personen van
+gezanten en herauten."
+
+"Dat is volkomen waar," zeide de Abt: "en ik wilde wel weten, met welk
+recht Seerp Van Adeelen een stuk verscheurd heeft, dat niet aan hem,
+maar aan ons allen gericht was?"
+
+"Met welk recht?" herhaalde Adeelen op een schamperen toon:
+"ben ik hedenmorgen niet door de aanwezigen, ook door u, vader
+Volkert! verzocht geworden het hoofdbestier te nemen van den
+verdedigingsoorlog, dien wij voeren zullen? Heb ik geene machtiging van
+u ontvangen om te doen, wat ik oorbaar en nuttig voor 's lands welzijn
+zou achten? Ik had hem op eigener gezag kunnen doen ter dood brengen;
+maar ik heb uw aller oordeel gevraagd: en heeft zich wel ééne stem te
+zijnen voordeele doen hooren, toen ik voorstelde, dat hij als verrader
+den dood zou ondergaan? Zouden wij van ons besluit terugkeeren om het
+gereutel van een monnik, die zijne zinnen in een Hollandschen kerker
+verloren heeft en hier ongeroepen in de vergadering verschijnt?"
+
+"Ik kwam hedenmorgen ook ongeroepen tot u, Seerp Van Adeelen!" zeide
+vader Syard:--"en zoo ik niet gekomen was, ware de stad met dezen
+nacht in handen der Hollanders."
+
+"'t Is waar," zeide Adeelen: "gij bracht zelf den os ter slachtbank
+en nu de slachter zijn bijl opheft, wilt gij het beest sparen."
+
+De Abt van Lidlum, die ondertusschen met zijn buren gefluisterd had,
+vatte nu het woord.
+
+"Wij meenen," zeide hij, "dat men dezen vreemdeling in aanmerking
+der door hem bewezene diensten het leven zou kunnen schenken, indien
+hij ons de noodige kondschap wilde geven omtrent de voornemens van
+zijnen meester."
+
+Deodaat had sedert den onverhoedschen aanval, op hem gedaan, een
+somber stilzwijgen bewaard, als gevoelde hij, dat welsprekendheid
+even nutteloos zou zijn als wederstand. Maar bij de woorden van
+den Lidlummer voelde hij al zijn geestkracht herleven. "Spaart u
+de moeite," riep hij uit, terwijl zijn oog met verachting op den
+forschgebouwden kloostervoogd rustte, "mij een zoo onteerenden
+voorslag te doen. Ik ben in uwe macht en het staat aan u, mij te
+dooden; maar weet vooraf, dat ik u allen, Edelen, Prelaten en Burgers,
+wat gij zijn moogt, in naam van mijnen en uwen Heer, den Grave van
+Holland en Henegouwen, uitmake voor rebellen en muiters, en tegen
+u inroep al de straffen, die uw opstand verdient.--En u bovendien,
+Seerp Van Adeelen! verklaar ik een onwaardige bloodaard te zijn,
+die van de overmacht gebruik zoekt te maken, om een bijzonderen wrok
+tegen mij te koelen."
+
+Aller oogen wendden zich bij dezen laatsten uitval op Adeelen:
+de goedhartige Abt van Sint-Odulf knikte Deodaat goedkeurend toe;
+zijn ambtgenoot van Lidlum, die, gelijk men zich herinneren zal, een
+oude veete tegen Adeelen had, wreef zich vergenoegd de breede handen:
+terwijl de Edelen nieuwsgierig schenen, te vernemen op welke wijze
+Adeelen zich van deze betichting zoude zuiveren.
+
+Wat dezen betrof, hoe geraakt hij zich ook gevoelde, de hoogmoed
+zegevierde bij hem over den toorn: "Ware ik bloot een krijgsman,"
+zeide hij, "ik zou met vreugde de uitdaging beantwoorden, mij eens
+door u gedaan;--als veldheer kan ik thans het welzijn des vaderlands
+aan geene bijzondere twisten opofferen."
+
+"Het is wel gezegd!" zeide de Abt van Bloemkamp, terwijl hij met
+de in ijzer gehulde vuist krachtig op de tafel sloeg: "niemand zal
+hier te lande in Seerp Van Adeelen een bloodaard zien, omdat hij
+de zotte gewoonten van vreemde landen niet opvolgt en zijn leven
+waagt, nu Friesland zijn arm en zijn hoofd behoeft. Al genoeg
+geredekaveld! Waarom brengt men den verrader niet ter dood!"
+
+"Sleurt hem van hier!" zeide Adeelen.
+
+De wachters maakten zich gereed, dit bevel te volvoeren: Deodaat zag
+reeds geene andere uitkomst dan den dood: hij wierp een scherpen blik
+op Adeelen, over wiens gelaat een glans van zegepraal verspreid was,
+en dwong hem, de oogen neder te slaan. Vader Syard scheen zich gereed
+te maken om nog eene poging te doen en iets mede te deelen, hetwelk hij
+niet dan op het uiterste had willen ontvouwen, toen de geheimzinnige
+persoon, die, aan het raam staande, tot dien tijd het geheele tooneel
+met een afgewend gelaat en zonder zich te verroeren had bijgewoond,
+eensklaps toesnelde. "Dat zal in eeuwigheid niet gebeuren," riep hij;
+en, te gelijk tusschen de wachters inspringende, ontrukte hij Deodaat
+aan hunne handen. Deze wendde zich om, en men oordeele over zijne
+verbazing, toen hij in zijn beschermer zijn voormaligen wapenbroeder
+herkende, die hem in de armen drukte.
+
+"Reinout!" riep hij: "gij zijt mijn vriend nog! O! dan is al het
+verledene vergeten."
+
+"Wat beduidt deze nieuwe dwaasheid?" vroeg Adeelen.
+
+"Neen!" riep Reinout, wiens onstuimige ziel gedurende het verhoor een
+bangen kamp gestreden had, en die, eerst beschaamd op het onverwacht
+herzien van den man, dien hij beleedigd had, bij diens gevaar al zijn
+vorige vriendschap had voelen herleven: neen! ik verzet mij tegen
+zulk een schanddaad!--Ik zal nimmer gedoogen, dat een edel Ridder,
+dat de vriend mijner jeugd, aan een verfoeilijke wraakzucht worde
+opgeofferd. Al stond geheel Friesland op om hem aan te vallen, ik zal
+hem blijven beschermen, zoolang er een droppel bloeds in mijn aderen
+vliet. O mijn Deodaat! mijn eenige, mijn oprechte vriend! kunt gij het
+mij vergeven?--Ja--ik geloof nu aan uwe onschuld; want Madzy heeft mij
+daarvan verzekerd:--en uw eerlijk oog kan niet liegen.--Deodaat! zoo
+gij sterven moet, sterf ik met u, en wij zullen ten minste als
+vrienden vergaan."
+
+"Reinout!" riep Deodaat, hem met vervoering de hand drukkende: "Ik
+hervind den vriend, dien ik verloren waande! nu kan ik gerust sterven."
+
+"En met welk recht," vroeg Adeelen: "durft gij, die u sedert een
+blauwmaandag onzen landgenoot noemt, u tegen mijn wil en dien van
+Frieslands overheden verzetten?"
+
+"Bloos, bloos Adeelen!" riep Reinout: "ziet gij hem aan en schaamt
+gij u niet? Lag zonder hem uw lijk niet te rotten op het Haarlemmer
+kerkhof?--Heeft Madzy Dekama hem haar ontkoming uit het Sticht niet
+te danken?--uw wil!--ja, het is altijd uw wil geweest, hem leed
+te doen?--Wat praat gij van uwen wil? moeten wij, die ons van de
+oppermacht eens Graven ontslaan, van uwe luimen afhangen! Waag het,
+hem een haar te deren, en al wat in Friesland met Aylva of Dekama
+vermaagschapt is valt u af."
+
+"Luistert toch niet naar dien dwaas," zeide Adeelen: "heden verdedigt
+hij een man, wien hij drie maanden geleden naar de hel wilde sturen."
+
+"De vreemdeling heeft den dood verdiend," zeide de voortvarende Abt van
+Bloemkamp: "en wij hebben allen daarin medegestemd. Zal dat gehaspel
+nooit eindigen?"
+
+"Herroept dat schandelijk vonnis," zeide Reinout: "gij kunt er geen
+gezonde redenen voor inbrengen!"
+
+"En die bende krijgsvolk, in zijn schip verborgen?" vroeg Adeelen,
+met bitsheid.
+
+"Waar zijn zij? Wie heeft die gezien?--uitgestrooide praatjes, om
+'t slechte volk op te ruien.--Hij zegt, hij komt als afgezant, en gij
+verscheurt zijn geloofsbrief:--en gij veroordeelt hem onverhoord.--Moet
+dan de Friesche naam een schandnaam worden?"
+
+De taal van Reinout scheen eenigen indruk op de aanwezigen te maken: de
+Abten van Lidlum en Sint-Odulf althans gaven blijken van goedkeuring;
+terwijl Cammingha en Martena een blik van ontevredenheid op Adeelen
+sloegen.
+
+"Beschermt den weerlooze," vervolgde Reinout, "gij allen, die vrienden
+zijt van ons huis. Ik smeek u daarom, in naam mijns vaders, in naam
+van den edelen Aylva."
+
+"In naam van Aylva!" herhaalde vader Syard, en zag Reinout aan
+met een blik van verwondering en twijfel: "maar ja," vervolgde hij:
+"ook ik smeek u in dien zelfden naam en in dien der rechtvaardigheid:
+geeft aan geene onbesuisde drift gehoor. Deze Ridder hier (op Deodaat
+wijzende) zou een twistappel tusschen u worden en Friesland heeft niets
+meer van doen, dan eensgezindheid onder zijn zonen. Schort zijn vonnis
+op tot na de beslissing van het lot, dat ons vaderland wacht: en dan,
+spant de vierschaar over hem. Dat hij intusschen op zijn ridderwoord
+gevangen blijve, en zij hem een eerlijke kerker aangewezen."
+
+"Ziedaar juist, wat ik wilde voorstellen," zeide vader Volkert:
+"laten wij hem in Sint-Odulf bewaren: indien gij hem dan later van
+kant wilt maken, is het altoos nog tijd."
+
+Op dit oogenblik keerde de Hopman Eise Makkinga terug met de tijding
+dat het Hollandsche vaartuig, reeds voordat hij aan de haven kwam,
+het anker gelicht had en afgezeild was.
+
+"Goddank!" dacht Deodaat: "mijn brave spitsbroeders zijn gered!"
+
+"Die tijding neemt mijn laatste bezwaren weg," zeide Cammingha,
+oprijzende: "en ik zie nu geene redenen meer, om bij ons overhaast
+besluit te blijven. Er is thans geen bewijs, dat deze vreemdeling
+een aanslag in den zin had, en ik acht, dat wij zonder gevaar het
+onderzoek tot een meer geschikte gelegenheid kunnen uitstellen."
+
+"Voorzeker!" zeide Martena: "en ik zou bovendien niemand willen deren,
+in wien het huis van Aylva belang stelt."
+
+De Abten, zelfs die van Bloemkamp, die slechts naar een afdoening
+van zaken verlangden, en de overige Edelen voegden zich bij het advies.
+
+"Geef uw toestemming, Adeelen!" fluisterde Cammingha hem in 't oor,
+"zoo gij niet begeert, dat wij uw handelwijze aan een min zuivere
+reden dan aan vaderlandsliefde toeschrijven."
+
+"Gij zijt allen een hoop dwaze kinderen," zeide Adeelen, "en gij weet
+zelf niet wat gij wilt. Ik heb voor den dood van dien man gestemd,
+omdat ik dien noodig oordeelde voor het algemeene welzijn:--en
+niet omdat ik hem haat, ofschoon ik geenszins schrome ook dit te
+bekennen. Ja! nog liever dan hem naar de gevangenis te sturen,
+gaf ik hem geheel vrij, in de hoop van hem in 't veld te kunnen
+bestrijden.--Maar dit alles doet er niets toe:--gij verlangt het
+allen:--en ik moet toegeven. Hij geve dan zijn woord en ga naar den
+duivel.... of naar Sint-Odulf."
+
+Na deze fraaie uitboezeming, welke Adeelen geheel kenschetste, wierp
+hij zich in een armstoel, den rug naar de vergadering gekeerd.
+
+Deodaat ziende dat hem niets anders overbleef, aarzelde niet om
+zijn woord te verpanden van gevangen te blijven: en na een korte
+woordenwisseling werd er algemeen goedgevonden, het voorstel van den
+Abt van Sint-Odulf aan te nemen. Men besloot echter, den avond af te
+wachten om hem derwaarts te vervoeren, ten einde hem niet opnieuw aan
+de woede van het verhitte grauw bloot te stellen, en hem zoolang in
+het raadhuis te bewaren. Dit alzoo bepaald zijnde, ontboeide men hem
+en bracht hem in een zijvertrekje, waar men hem alleen liet.
+
+Een geruimen tijd had hij daar gezeten, eer hem de lust bekroop
+eens aan 't venster te gaan zien, dat openstond; want de Friezen
+waren zelven zoo gewoon, aan hun gegeven woord getrouw te blijven,
+dat zij ook tegen den gevangene geen argwaan voedden en dus alle
+voorzorg overtollig rekenden. Men had van uit dit raam het gezicht op
+een boomgaard, waarin enkele pereboomen groeiden, zijnde schier het
+eenige houtgewas, dat men, op dezen schralen en aan gedurige zeewinden
+blootgestelden hoek, in 't leven kon houden: over den lagen aarden
+wal, welke daaromheen gelegd was, en tusschen eenige huizen door,
+op den stadswal gebouwd, onderscheidde men een klein meertje, dat
+(sedert uitgemalen) ten zuidoosten van Stavoren lag: en daarover
+den heuvel, waarop het bevallige Coudum gelegen is. Weinig dacht
+Deodaat, dat een der beide torens, die hij in de verte zag oprijzen,
+het aangebeden voorwerp zijner eerste en eenige liefde bevatte.
+
+Nauwelijks had hij over dit schouwspel dien onbestemden en dwalenden
+blik doen weiden, welke op de voorwerpen rust zonder die te zien en
+te kennen geeft, dat de gedachten verre van daar zijn, toen hij zich
+door een zachte, gesmoorde stem hoorde toeroepen. Hij zag in den tuin
+beneden; daar was niemand; maar nogmaals deed zich het flauwe geroep
+hooren; en nu ontdekte hij tusschen de bladeren van een zwaar beladen
+pereboom het gelaat van zijn schildknaap.
+
+"Zweder!" zeide hij: "welk een onvoorzichtigheid.--Indien iemand
+u zag...."
+
+"Stil!" zeide de schildknaap: "tracht het venster uit te klimmen. Gij
+kunt u over de heining redden."
+
+"Ik mag niet: ik ben op mijn woord gevangen," zeide Deodaat.
+
+"Des te erger.--Ik ben, toen ik u niet meer helpen kon, naar boord
+gezwommen en heb hun geraden zich te verwijderen."
+
+Deodaat knikte goedkeurend.
+
+"Zij komen echter hedenavond terug en zullen ten noorden der stad
+ankeren. Waar voert men u heen?"
+
+"Naar Sint-Odulf."
+
+"Dan weet ik genoeg," zeide Zweder, en zich uit den boom latende
+vallen, klauterde hij als een kat den aarden wal over en was terstond
+uit het gezicht. Hij had geen gelukkiger oogenblik kunnen uitkiezen;
+want bijna op hetzelfde oogenblik ging de deur van Deodaats tijdelijke
+gevangenis open en Reinout vloog in zijn armen.
+
+"Hoe moet ik het toch verklaren," zeide Deodaat, nadat de eerste
+uitboezemingen over waren, "dat gij u hier in Friesland bevindt en
+u den zoon van Aylva noemt?"
+
+"Gij hebt mij niet willen gelooven," zeide Reinout, "maar ik had
+toch geen onrecht mij met dien meester Barbanera te onderhouden. Hij
+heeft mij de bewijzen mijner geboorte bezorgd en mij gemaakt wie ik
+ben."--En hij deelde hem mede hetgeen onzen lezer reeds bekend is.
+
+"En ik? wie ben ik dan?" kon Deodaat niet nalaten uit te roepen,
+nadat hij zijn vriend geluk had gewenscht.
+
+"Gij!" zeide Reinout, blozende, en hem niet willende bedroeven, door
+hem te melden dat, zoo een hunner de zoon van Aylva was, de andere
+noodwendig die van Barbanera zijn moest; "gij zijt.... ik weet het
+niet:... zeker een basterd van Carlo della Scala;.... maar dat zal
+ook wel eens aan 't licht komen."
+
+"Ik vrees er voor," zeide Deodaat, het hoofd schuddende: "maar,
+ik handel dwaas met mij daarover te bekommeren.--Gij waart dan, zoo
+ik u wel begrepen heb, bij het leger van Utrecht!--En gij kondet uwe
+oude wapenbroeders bevechten!"
+
+"Helaas!" zeide Reinout: "het lot heeft het zoo gewild: ik zal het
+immers wellicht spoedig nogmaals moeten doen!--Maar thans is het
+mijn plicht; ofschoon ik u zweer, dat het mij tegen de borst stuit,
+met deze ongelikte beren ééne lijn te trekken; en dat ik dikwijls
+het hof van Graaf Willem terug zou wenschen, ware het niet om...."
+
+"Welnu! voleindig!" zeide Deodaat.
+
+"Ik durf niet:--ik zou van iemand moeten spreken, wier naam gij ook
+niet zonder blozen zoudt hooren:--en van die moet tusschen ons de rede
+nimmer meer zijn; want bij alle heiligen! Deodaat! ik zou u andermaal
+kunnen haten, indien ik u weer in haar gezelschap zag.--Spreken wij
+liever van onverschillige zaken: van Utrecht, bij voorbeeld.--O! toen
+ik daar tegen de uwen streed, wist ik niet wat ik deed; ik was als
+iemand, die van den duivel bezeten is.--Maar verhaal mij toch eens,
+hoe is de stad overgegaan? En op welke voorwaarden?"
+
+"Na den afloop van den wapenstilstand," zeide Deodaat, "heeft
+Utrecht het nog eenigen tijd gehouden; maar men kon toch zien dat
+de verdediging meer slap in haar werk ging, en dat de belegerden
+weldra tot het uiterste zouden gebracht worden. De Graaf, geheel
+van zijn wond hersteld, had dan ook het bevel gegeven, dat men den
+laatsten storm zou wagen, die ongetwijfeld beslissend ware geweest,
+toen zich eensklaps als een loopend vuurtje de tijding in het leger
+verspreidde, dat de Bisschop uit Frankrijk terug was gekomen en zich
+in de tent des Graven bevond."
+
+"Inderdaad!" zeide Reinout, glimlachende: "hij kwam wel juist van pas!"
+
+"Wat er tusschen hen beiden is verhandeld, heb ik niet recht te
+weten kunnen komen; maar het schijnt, dat Jan van Arkel 's Graven
+vertrouwen heeft weten te herwinnen en genade voor zijn oproerige
+stad te verkrijgen. De Bisschop is vervolgens naar Utrecht vertrokken,
+alwaar hij als in triomf is binnengehaald en men hem den verlosser der
+stad genoemd heeft. Door zijne bemiddeling is vervolgens het verdrag
+der overgave tot stand gebracht, waarin voor Utrecht meer onteerende
+dan wel nadeelige voorwaarden vervat waren."
+
+"En gewis, de vrome Bisschop heeft zich zelf bij die gelegenheid niet
+vergeten," zeide Reinout.
+
+"Hij heeft althans tengevolge van dit alles meer gezag in de stad weten
+te bekomen dan een zijner voorzaten ooit gehad heeft. De Kapittels
+hebben niets meer te zeggen: de regenten der stad zijn door nieuwe
+vervangen: en de Bisschop regeert naar zijn welgevallen, daar Willem
+een onbepaald vertrouwen in hem stelt...."
+
+"Ik wil het gaarne gelooven," zeide Reinout, zonder na te denken;
+"niemand verstaat beter dan Arkel de kunst om iedereen te winnen...."
+
+"Hoe!" zeide Deodaat verwonderd: "van waar kent gij hem?"
+
+"Ik?" herhaalde Reinout, verrast: "dat is te zeggen.... ik heb het
+gehoord."
+
+"Neen, maar," hernam zijn vriend: "het ware mogelijk, dat gij hem
+gezien hadt; want er zijn lieden, die beweren dat hij zich sedert
+een geruimen tijd, eerst nabij Haarlem, en later in het Sticht heeft
+opgehouden. En hieruit nemen sommigen aanleiding om hem te wantrouwen."
+
+"'t Ware zeker mogelijk," zeide Reinout: "dat terwijl uw Graaf met
+zijn vloot herwaarts komt, Arkel de gelegenheid waarname om hem den
+oorlog te verklaren."
+
+"Dat ware niet mogelijk," zeide Deodaat: "want Arkel zelf zal den
+Graaf op den tocht vergezellen. Een der punten van het verdrag was,
+dat hij hem met hulptroepen zoude bijstaan in zijn onderneming tegen
+Friesland."
+
+"Die verrader!" riep Reinout: "op het oogenblik, dat wij hier volk
+verzamelen om tot ontzet zijner stad aan te rukken!--'t Is waar! 't
+heeft hem niet veel gebaat, en hij heeft weinig reden om zich over
+onze voortvarendheid te verheugen.--En dus is des Graven vloot in
+vollen aantocht naar deze kust?"
+
+"Ziedaar," antwoordde Deodaat, met een glimlach, "hetgeen ik mijn
+Frieschen vriend niet mag verhalen."
+
+"'t Is waar ook," hernam Reinout lachende: "welnu! ik zal openhartiger
+zijn met u:--en ik zal u verklaren dat ik het weet--en wel door
+denzelfden vader Syard, aan wien gij uw gevangenneming en tevens uw
+leven te danken hebt."
+
+"Maar, hoe wist hij?...."
+
+"Luister!--de man heeft, ik weet niet hoe en waarom, in een kerker
+ergens in het Sticht gezeten. Daaruit verlost zijnde, is hem door
+iemand, dien hij ons niet genoemd heeft, geraden, zich zoo spoedig
+mogelijk herwaarts te begeven en hier de tijding te brengen dat
+de vloot, welke te Dordrecht werd uitgerust, niet, zooals men
+algemeen dacht, naar de Fransche kusten bestemd was, maar tot
+overweldiging van Friesland dienen moest: dat zij reeds langs de
+binnenwateren kwam aanzeilen; terwijl één vaartuig zou vooruitgaan
+om Stavoren te bedwingen. De monnik kwam met een Workummer visscher
+herwaarts. Onderweg stevenden zij een vaartuig voorbij, dat aan den
+grond zat en met bier beladen was: zij kregen vermoeden, dat dit het
+bewuste schip zoude wezen."
+
+"Inderdaad!" zeide Deodaat: "hij heeft wèl geraden."
+
+"Welnu! de monnik kwam hier en vond er Adeelen, Cammingha, mij, en
+een paar andere Edelen, die juist gekomen waren om de middelen van
+tegenweer te onderzoeken, die de stad kon aanbieden. Hij deelde ons
+den aanslag mede. Terstond werden er boden uitgezonden naar alle
+kanten. De Abten van Lidlum en Bloemkamp, die hun monniken meer
+met den wapenhandel dan met gebeden kwellen, en verscheidene Edelen
+kwamen terstond hier. Ik moet ter eere van Adeelen zeggen, dat zijn
+beschikkingen verstandig waren. Hij gelastte, dat men het Amsterdammer
+vaartuig zou laten binnenkomen en voorts prijsmaken; dit laatste ware
+ook gebeurd, indien men terstond gewapend volk genoeg gehad had en
+indien het gemeen, dat door den Workummer intusschen onderricht was
+van de toedracht der zaak, niet naar de haven was geloopen, waardoor
+uwe manschap het gevaar, dat zij liep, heeft kunnen bemerken, en zich
+daaraan onttrekken."
+
+Hier kwam een bode binnen en berichtte aan Reinout, dat Adeelen
+hem wachtte.
+
+"Welaan!" zeide deze: "ik moet u verlaten. Wie had ooit gedacht,"
+vervolgde hij met een zucht, nadat de bode vertrokken was, "toen
+wij dien Fries uit de handen van de Haarlemmers verlosten, en ik zoo
+vertoornd op hem was, dat ik eenmaal, in de plaats van Graaf Willems
+bevelen, de zijne zou volgen?"
+
+"Ik geloof," zeide Deodaat, "dat hij meer moeite zal hebben om zich
+door zijn volgelingen te doen gehoorzamen dan onze Graaf."
+
+"Ik moet mijn oordeel opschorten," zeide Reinout, de schouders
+ophalende: "alles gaat hier zoo zonderling en vreemd in 't werk:--dit
+is zeker, dat Adeelen hier te Stavoren als meester heerscht. Het
+gemeen, dat alles behalve Hollandschgezind is, heeft zijn komst
+dadelijk gevierd met de plundering van een paar rijke kooplieden,
+wier getrouwheid aan vermoedens onderhevig was, met het afzetten van
+de vroedschap, en het ophangen van onzen armen Claes Gerritsz:--de man
+is zich zelf gelijk gebleven, tot zoolang hij begon te merken, dat
+zijn leven er mede gemoeid was: toen heeft hij van zijn Privileges,
+waar hij te voren den mond van vol had, op eens gezwegen, en is
+bitter begonnen te kermen en het uur te vervloeken, dat hij zijn
+marktschrijverschap te Haarlem vaarwelgezegd had.--Maar het wordt
+mijn tijd!--Vaarwel!--Ik moet van hier."
+
+Hier drukten de beide vrienden elkander nogmaals de hand en Reinout
+verliet het vertrek, Deodaat ter prooi latende aan duizend gissingen
+naar den verrader, die zoo getrouwelijk al de geheimen van den aanslag
+des Graven aan den monnik van Sint-Odulf had medegedeeld.
+
+
+
+
+
+EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Daar is de vader zelf, zoo bleek en afgevast.
+
+ Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.
+
+
+Aylva, nu buiten gevaar, schoon zich nog altijd zwak gevoelende,
+zat op den avond, die de gebeurtenissen volgde, in de beide vorige
+Hoofdstukken vermeld, in zijn slaapvertrek op Awertstate, en luisterde
+naar een oude kroniek, welke Madzy bezig was hem voor te lezen. Reeds
+dikwijls had het geratel der donderslagen, die men bij tusschenpoozen
+van den zeekant hoorde, haar belet, met hare taak voort te gaan,
+toen het geblaf van den hofhond, hetwelk spoedig in een vroolijk
+gejank veranderde, haar aanleiding gaf, de lezing geheel te staken.
+
+"Daar zal onze goede Feiko zijn!" zeide Madzy, haar boek nederleggende:
+"die ons tijding komt geven, hoe het binnen de stad gesteld is."
+
+"Hij mag voorwaar wel iets belangrijks medebrengen," zeide Aylva,
+"om zijn lang uitblijven te vergoeden."
+
+"Ach!" hernam Madzy, met een zucht: "in de tegenwoordige dagen is
+een belangrijke zelden een welkome tijding."
+
+"Ik ben overtuigd," zeide Sytsken, die in een hoek van het vertrek
+zat te spinnen, "dat hij weer bij Auke Wybinga heeft gezeten en daar
+zijn tijd verpraat."
+
+Auke Wybinga was een schipper van Stavoren, die twee mooie dochters
+bezat, welke aan Sytsken niet weinig jaloezie inboezemden, daar zij
+vreesde dat de bezoeken, die Feiko nu en dan aldaar aflegde, grooten
+hinder mochten aanbrengen aan den aanval, dien zij voorlang op het
+hart van den jongeling gemaakt had.
+
+"Wel Feiko! welke kruiden brengt gij uit het veld?" vroeg Madzy,
+toen de dienaar het vertrek binnentrad.
+
+"Weinig goeds," antwoordde deze: "de Hollandsche vloot is in aantocht
+en misschien voor morgen op de kust."
+
+"De Hollandsche vloot!" herhaalde Aylva: "Feiko, zegt gij
+waarheid?--Breng mijn wapens!--Ik heb reeds lang genoeg als een
+nutteloos meubel in dit slaapvertrek gesuft."
+
+"Om 's Hemels naam! mijn goede voogd!" zeide Madzy: "denk om uw
+zwakheid, om uw ongesteldheid."
+
+"Als Friesland in nood is, denkt gij dan dat een zwakheid mij tot
+verschooning kan strekken? Ik zal, hoop ik, nog in staat zijn een pijl
+af te schieten, en een lans te voeren. Hoe is de wind?--Hedennacht,
+zegt gij?"
+
+"Laten wij ten minste eerst vernemen," zeide Madzy, "wat Feiko te
+verhalen heeft en of zijn bericht op goede gronden steunt."
+
+"Gij hebt gelijk:--welnu Feiko! verhaal ons al wat gij gezien en
+gehoord hebt.... alles; daarmede versta ik het noodige, zonder
+uitweidingen of herhalingen."
+
+"Zooals UEd. het beveelt. UEd. moet dan weten, dat ik met het krieken
+van den dag naar Stavoren was getrokken, om een pond of wat honig te
+halen voor den ouden schimmel, die bitter verkouden is, en hoe langer
+hoe meer hoest, sedert hij die pillen inneemt, die Daamke hem gegeven
+heeft uit de oude lapzalverkast van zijn meester.... hij deed beter,
+sedert hij nu toch ook een speerman is, van dat ambacht te laten
+varen, en ik vrees dat hij het nog eens te kwaad zal krijgen met den
+Abt van Sint-Odulf, die ook een handje heeft van recepten te geven;
+maar hij wil nog maar net doen als zijn oude baas, en menschen genezen,
+ofschoon hij niet eens een paard kan oplappen: zoodat ik hem dikwijls
+zeg: Daamke! zeg ik...."
+
+"Wat bruien ons Daamke en zijn pillen," zeide de Olderman, ongeduldig
+wordende; "ik heb u gelast, geen uitweidingen te maken. Gij waart
+dan te Stavoren."
+
+"Nog niet, Heer Olderman!" hernam Feiko met veel koelbloedigheid:
+"ik was nog maar op weg, en ik had een goed wollen buis aangetrokken,
+omdat de ochtenden al mooi koud beginnen te worden, al is het overdag
+heet: ja, het heeft gistermorgen gevroren, dat het torenplat wit was
+als mijn hemd.... Zoodat ik maar zeggen wil," vervolgde hij, ziende
+dat Aylva van drift begon te stampvoeten, "dat ik er uitzag als een
+Urker varensgast."
+
+"Is dat om aan Tjetske Wybinga te behagen, dat gij u als een schipper
+kleedt?" vroeg Sytsken, spijtig.
+
+"Maar Feiko!" zeide Madzy, op een zachten toon van verwijt: "wat
+kan het den Olderman schelen, hoe gij er uitzaagt en wat gij aan
+'t lijf hadt?"
+
+"Meer dan gij denken zoudt misschien," antwoordde Feiko: "ik kwam dan
+te Stavoren en er was reeds meer volk op de markt bijeen dan ik wel
+gedacht zou hebben: en zij stonden allen op een hoop bij elkaar om
+een Workummer visscher: en die Workummer visscher verhaalde al heel
+wonderlijke dingen."
+
+"Nu vraag ik toch eens," zeide Sytsken: "wat Feiko altijd met die
+varenslui te maken heeft? Is dat een gezelschap voor den dienaar van
+een edelman?"
+
+"Gelooft gij, dat wij oudewijvenklap van schippers en voerlui willen
+aanhooren?" vroeg Aylva: "kom tot de zaak: wij hebben met uw gedraai
+niet noodig."
+
+"Wij komen er al," zeide Feiko, Aylva en Sytsken beurtelings aanziende:
+"maar als men mij ieder oogenblik in de rede valt, zie ik geen kans
+om alles te vertellen zonder iets te vergeten."
+
+"Kom, ga voort, mijn goede Feiko!" zeide Madzy, verontrust door den
+staat van zenuwachtige prikkelbaarheid, waarin zij bespeurde dat zich
+Aylva bevond: "verhaal ons alles; maar zoo kort mogelijk."
+
+"Welnu!" vervolgde Feiko: "de Workummer verhaalde dan, dat hij met
+vader Syard uit de Eem was gekomen en dat...."
+
+"Is vader Syard terug?--Is het mogelijk!" riepen Aylva en Madzy
+verheugd uit.
+
+"En dat men in Holland mompelde, dat er overal volk naar de haven
+was getrokken om de vloot te bemannen. Dat zij wat in den zin hadden
+is zeker; want sedert drie dagen was er geen schuit of schip van de
+overzij aangekomen, ofschoon de wind voordeelig was: en er hebben ook
+twee gewapende koggen op den Workummer jacht gemaakt; maar oomkool
+was hun te vlug."
+
+"Welnu! is dit alles?"
+
+"Verre van dien. Tegen den avond was het windje aangewakkerd en
+hoopte onze maat nog voor den nacht Stavoren te bereiken, toen hij
+een grooten Amsterdammer bierhaalder zag, die op het Enkhuizer zand
+was vastgeraakt, 't geen nu dagelijks gebeurt, want de bakens zijn
+overal verzet of...."
+
+"Wij weten het:--ga voort."
+
+"Nu ging onze maat er op los; want hij had achterdocht op dat
+vaartuig:--ofschoon het er net uitzag als een gewone bierhaalder;--maar
+wat hem toch bevreemdde, was dat er een man onder de manschap was,
+die een mantel omhad als de Ridders dragen, met witte lieren bezaaid."
+
+"Een mantel met lieren...." riep Madzy; terwijl een hoogrood hare
+wangen bedekte.
+
+"Een mantel met lieren!" herhaalde Aylva: "was niet ridder Deodaat
+op het steekspel juist zoo gekleed?--Het is het wapen van de Scalieri!"
+
+"Dat dacht ik ook zoo bij mij zelf, toen de Workummer dat verhaalde,"
+zeide Feiko: "maar ik hield mijn mond.--En toen kwam er een ander,
+en vertelde dat vader Syard aan Seerp Van Adeelen gezegd had, dat
+de Hollandsche vloot dezen morgen af zou varen--en dat er gewapend
+volk in dien bierhaalder school:--en toen werd het volk zoo giftig,
+dat het aan 't plunderen en aan 't hangen ging."
+
+"Hangen! wie hing men?"
+
+"Dat zwarte gekje van een Haarlemmer;--maar daar bemoeide ik mij
+niet mee:--ik dacht zoo bij mij zelf: het zou toch jammer zijn, dat
+Ridder Deodaat, die er ons voor Utrecht zoo trouw heeft doorgeholpen,
+dat die nu van een slechte reis kwam."
+
+"Dat was wel van u gedacht," zeide Aylva.--Madzy sprak geen woord;
+maar de uitdrukking van hare schoone oogen gaf genoeg te kennen,
+hoezeer zij met dat oordeel van haar voogd instemde en welk belang
+het verhaal van Feiko bij haar begon te verwekken.
+
+"Nu begon ik op een middel te denken, om den goeden Ridder te
+verwittigen, dat hij maar beter zou doen, om den steven te wenden:
+en zoo peinzende, ga ik bij Auke Wybinga een slokje drinken."
+
+"Dacht ik het niet?" zeide Sytsken: "en wist gij nergens beter raad
+te krijgen, dan bij die nuffen?"
+
+"Zwijg Sytsken!" zeide Aylva: "en laat Feiko zijn rede
+voleindigen. Welnu--gij waart dan bij Wybinga."
+
+"Zooals ik zeide; en met komt daar Rienk Westra aangeloopen, die bij
+zich zelven vloekte, dat zijn maat ziek was en dat hij alleen niet
+tegen de anderen varen kon;--want zij liepen nu allen naar de kaai,
+omdat men het vaartuig al in 't gezicht kreeg:--en ieder wou de eerste
+zijn om er aan boord te komen; nu, de schipper had het in den neus;
+want hij was op stroom gaan liggen."
+
+"En toen?"
+
+"Toen bood ik aan, Rienk te helpen. Iedereen die mij niet kende
+hield mij voor een varensgast; 'k was ook de eerste aan boord; maar
+jawel! wat ik ook zei, de Ridder wou aan wal met alle geweld."
+
+"Goede God!" riep Madzy: "en hebben zij hem vermoord?" vroeg zij met
+een nauwelijks hoorbare stem.
+
+"Neen!--maar 't heeft weinig gescheeld:--Ridder Reinout heeft het
+zooverre gekregen, dat hij op zijn woord te Sint-Odulf gevangen
+zal blijven."
+
+"Reinout!" riep Madzy: "God loone hem!"
+
+"Hij is mijner waardig," zeide Aylva, verheugd:--"maar nu de tijding
+der vloot, is zij echt?"
+
+"Er werden overal manschappen op de been gebracht en boden
+heengestuurd:--mij heeft uw zoon gelast u te zeggen, dat gij hem
+heden niet zien zoudt:--zij hebben het ook druk genoeg."
+
+"En ik zou hier stilzitten. Feiko! haal terstond mijn wapens en zadel
+mijn paard."
+
+"Met uw verlof," zeide Feiko: "Ridder Reinout heeft mij ook nog gelast,
+u te verzoeken om hier te vertoeven, tot hij een nadere boodschap zond,
+hoe de zaken staan. Hij is bang, dat de nachtlucht u hinderlijk zou
+wezen: en dan, het begint er mooi stormachtig uit te zien ook."
+
+"Zal ik van hem mijn plicht leeren?" vroeg Aylva, vertoornd. "Doe
+als ik u zeg; en gij, mijn dochter! maak u gereed elk oogenblik deze
+stins te verlaten, die u wellicht binnen korten tijd geene veilige
+wijkplaats meer verstrekken zal."
+
+"Ach! sta mij toe, hier te blijven," zeide Madzy: "hier kan ik u,
+hier kan ik Friesland van dienst zijn. Zoo mijn hand te zwak is om een
+boog te spannen, zij kan ten minste een gekwetste verbinden. Zend al
+wie hulp behoeft slechts herwaarts en aan goede verpleging zal het
+niemand ontbreken."
+
+"Dat weet ik," zeide Aylva: "niemand dan ik, kan beter getuigenis
+geven, hoe voortreffelijk een ziekenoppasster gij zijt. Nu! ik begeer
+dan ook niet, dat gij u terstond van hier begeeft. Ik beloof u, ik
+zal u gekwetsten zenden, indien zij er zijn; maar naar ik onze Friezen
+ken, zult gij weinig te doen hebben, en liever zullen zij zich laten
+doodslaan dan het veld te verlaten, zoolang zij nog tanden in den
+mond hebben om hun vijand te bijten.--Wees nu zoo goed en help mij,
+mij van dit nachtgewaad te ontdoen:--waar blijft Feiko toch?--Het is
+waarlijk, of de menschen van dag tot dag luier worden."
+
+"Waarlijk, mijn waarde voogd," zeide Madzy: "gij overhaast u te
+zeer. Al ware de Hollandsche vloot in het gezicht, gij zoudt nog
+altijd tijdig genoeg komen. Bedenk toch, dat zoo gij u thans reeds
+zonder noodzakelijkheid vermoeit, gij uw krachten verloren zult hebben,
+wanneer u die het meest te stade zult komen."
+
+"Gij hebt gelijk, mijn kind! zooals altijd;--maar zie, gij beseft
+dat niet, wat het voor een ouden krijgsman zegt, als hem de kreet: te
+wapen! in de ooren klinkt. Dan gevoelt men zich op eens weer verjongd
+en versterkt; dan zijn ziekte en zwakheid vergeten en de kracht der
+ziel schenkt ons, wat die van het lichaam ons weigeren mocht.--Maar
+laat ik eens aan 't raam gaan, en naar den wind zien."
+
+"De wind is om, dunkt mij," zeide Madzy.
+
+"Ha! welk een heerlijk gezicht," zeide de Olderman, het venster
+openslaande en de lucht beschouwende: "wat zeide hij, de Hollandsche
+vloot was nog niet in 't gezicht?--Indien zij hedenmorgen is afgezeild,
+moet zij met den nacht aan onze kusten wezen; want de wind is naar
+'t zuidwesten gedraaid en zij heeft dien vlak voor 't lapje!
+
+"Met den nacht reeds!" zeide Madzy, verbleekende.
+
+"Gewis;--maar niet in den staat, waarin zij de reede verliet. Geloof
+mij, daar zal menige mast en menige kiel ontredderd raken, en menig
+vaartuig aan den grond komen, eer zij de kust in 't oog; krijgen. Er
+is zwaar weer op zee:--zwaarder dan gij hier zelfs vermoeden kunt:
+merkt gij die donderbui op, die daar vlak tegen den wind intrekt. Zoo
+gij over den heuvel heen kondet kijken, gij zoudt de zee zien schuimen
+als een ziedende pot.--Aha! eindelijk is Feiko klaar."
+
+"Waarlijk, Heer Olderman," zeide Feiko, die met de wapenrusting aan
+kwam dragen: "ik had niet gedacht, dat UEd. er zoo spoedig weer gebruik
+van zoudt maken; en er waren een paar spijkertjes aan de beenstukken
+noodig, die...."
+
+"Wat beenstukken!--Geef mij slechts mijn borstharnas en mijn helm:
+de beenen zullen wij maar ongedekt laten:--indien wij vechten, zullen
+wij toch van achter de aarden wallen strijden: en dan wordt alle
+onnutte wapenrusting maar tot overlast.--Voorwaar!" vervolgde hij,
+toen Feiko hem het borstkuras had aangegespt: "ik kan toch merken
+dat ik mager geworden ben. Ik zou de freule er desnoods bij in bergen."
+
+"Hoe dunner hoe beter," zeide Feiko lachende: "des te meer plaats is
+er naast u voor de pijlen."
+
+"Goed gezegd, Feiko! maar waar had ik mijn hoofd? Wie zal nu mijn
+bloedvrienden te wapen roepen? Zeg aan den pachter...."
+
+"O! wat dat betreft," zeide Feiko: "daar heeft Jonker Reinout al voor
+gezorgd. Die van Wonseradeel zijn reeds bij hem en hij heeft boden
+naar uw stinsen in Ferwerderadeel en Westdongeradeel gezonden."
+
+"Hij is een brave borst, dat moet ik hem nageven," zeide Aylva met
+een zucht, die een zonderling contrast met zijn gezegde opleverde.
+
+"Maar hoor!--daar is weer iemand: de hond blaft...."
+
+"Ik herken die stem!" zeide Madzy: "ja waarlijk, het is vader Syard,
+die binnengelaten wil worden."
+
+"Wat jaagt hem hier?" zeide Aylva: "Feiko! gij zult mij mijn helm
+achternadragen.--Madzy heeft gelijk: ik moet mij niet vermoeien
+voor den tijd.--Hoor hoe het onweer buldert!--Ha! daar is de vrome
+man zelf. Wel, Vader! het verheugt mij u weer te zien: waarlijk,
+wij hadden ons niet met dat geluk mogen vleien."
+
+"De Heer heeft mij verlost," zeide de monnik, "gelijk Hij Daniël uit
+den leeuwenkuil verloste."
+
+"Wij zijn er beiden heel wat op vermagerd," zeide de
+Olderman:--daarover wel eens nader. Gij komt zeker onze Madzy eens
+gezelschap houden en daar doet gij wel aan. Gij zult elkander veel
+te vertellen hebben. Mij zult gij niet kwalijk nemen, dat ik ga, waar
+het vaderland mij roept. Waar zijn de Hoofden?--waar is mijn zoon?"
+
+"Het is dan waar!--Hebt gij werkelijk een zoon teruggevonden? Is die
+Ridder Reinout...."
+
+"Dat zal Madzy u alles wel vertellen:--ik moet voort: zeg mij slechts,
+waar ik hem vinden zal."
+
+"Op dit oogenblik nog te Stavoren; maar...."
+
+"Welnu! dan ga ik derwaarts. Is alles gereed, Feiko?"
+
+Op dit oogenblik begon de storm met dubbel geweld op te zetten,
+zware hagelsteenen kletterden tegen de daken: het geheele zwerk was
+door bliksemvuur verlicht en de donder ratelde zonder ophouden.
+
+"Om 's Hemels wil, mijn goede voogd!" zeide Madzy: "zult gij u waarlijk
+aan zulk een weer blootstellen? Bedenk toch, dat gij nog niet geheel
+hersteld zijt."
+
+"Een heerlijk weer," zeide Aylva: "zie, de Hemel strijdt met ons. In
+een halfuur ben ik immers te Stavoren. Ik zal mijn mantel dubbel
+omslaan: en dan lach ik met een bui."
+
+"Nog een woord, eer gij vertrekt," zeide de monnik: "God weet,
+of wij elkander levend terugzien. Hebt gij overtuigende bewijzen,
+dat Ridder Reinout uw zoon is?"
+
+"Vanwaar die vraag?--En op dit oogenblik?" zeide Aylva:--ja, ik heb
+die: en, wanneer gij wilt, zal ik u die toonen. Thans is het tijd,
+ten strijde te gaan."
+
+"Gij hebt gelijk," zeide de monnik, wiens anders zoo vaste ziel
+overmand scheen door een ontroering, die hem niet eigen was. "Maar dan
+heb ik nog eene bede. Ridder Deodaat van Verona is naar Sint-Odulf
+overgebracht. Wordt het klooster aangevallen, zoo smeek ik u,
+draag zorg, dat hem vriend noch vijand dere: ik bezweer u zulks,
+bij uw zaligheid!"
+
+"Ik zal mijn best doen," zeide Avlva: "ik zelf heb dubbele redenen
+om voor zijn leven te waken: ik ben hem vergoeding verschuldigd voor
+het ongelijk, hem door Reinout aangedaan en voor zijn hulp aan Madzy
+betoond."
+
+Na deze woorden te hebben geuit, omhelsde hij de lieve maagd: haar
+gedachten hadden door de rede van den monnik een andere wending
+genomen; thans echter, nu zij haar pleegvader gereed zag, een in zijn
+toestand bedenkelijken, ja hoogst gevaarlijken tocht te ondernemen,
+vergat zij alles, ook zelfs den teedergeliefde, om hem, aan wien zij
+zooveel verschuldigd was. Niet zonder moeite, en op Madzy en Feiko
+leunende, daalde Aylva de trap af; zoodra hij zich echter buiten en
+in den zadel bevond, scheen net, of zijn zwakheid geheel verdwenen
+was; en zijn ros de sporen gevende, reed hij, van Feiko vergezeld,
+in vollen draf den weg op naar Stavoren.
+
+Zoodra hij vertrokken was, gelastte Madzy den ouden pachter eenig
+brandhout op den haard te werpen: en weldra zat de monnik, die op zijn
+wandeling doornat geworden was, zich bij een vroolijk vuur te drogen,
+terwijl Madzy een verwarmenden drank naast hem plaatste. Een geruimen
+tijd bewaarden zij het stilzwijgen: men kon zien, dat beiden elkander
+veel te vertellen hadden en als 't ware verlegen waren hoe te beginnen.
+
+Eindelijk vatte de monnik het woord op: "Wij hebben wel reden om
+God te danken, Freule! Hij heeft ons uit groote gevaren gered: en
+ik had na onze zonderlinge scheiding, mij niet gevleid u ooit te
+zullen wederzien."
+
+"God heeft mij gesterkt," zeide Madzy: "maar ik heb veel geleden."
+
+"Er zijn zonderlinge geruchten van u in omloop," zeide de monnik:
+"men heeft mij verhaald, dat gij te Utrecht bij een Ridder waart
+gevangengehouden.--Mag ik vragen, was deze ook dezelfde als de
+burchtvoogd van het slot Nyenstein nabij Plaswijk?"
+
+"Ik zag hem het eerst op het slot," zeide Madzy: "wie hij was heb ik
+gezworen te verzwijgen."
+
+"Zooveel ik dan kan opmaken uit het onzamenhangend verhaal van uw
+lotgevallen, dat hier rondloopt, zijn wij beiden de slachtoffers
+geweest van denzelfden listigen bedrieger: en ik heb bijna reden om
+te gelooven, dat die zoogenaamde zoon van den Heer van Aylva mede de
+hand in 't spel heeft gehad."
+
+"Die zoogenaamde zoon?--gij hebt reden om te gelooven, dat....?"
+
+"Dat hier een samenweefsel van list en bedrog plaats heeft;--maar om
+des te zekerder te werk te gaan: verhaal mij, bid ik u, uwe lotgevallen
+sedert ik u verliet."
+
+Madzy voldeed aan zijn verzoek: zij begon met in korte woorden de
+aanleiding tot haar opneming in 't slot Nyenstein te vermelden. De
+monnik zuchtte diep, toen hij ontwaarde, welke listen Jan Van Arkel
+in 't werk gesteld had, om zich van zijn prooi te verzekeren: zijn
+verontwaardiging steeg ten top, toen zij van haar verblijf te Utrecht
+gewaagde, en maakte plaats voor een aandachtig nadenken, toen hij het
+verslag van haar reis en van het gebeurde in 't Gaasterbosch vernam.
+
+"Hoogst zonderling!" zeide hij, toen zij haar verhaal geëindigd had:
+"die Reinout heeft zich dus voor den zoon van den Olderman doen
+erkennen?--En die hansworst zegt gij, is nog in Friesland?"
+
+Madzy antwoordde toestemmend op beide vragen en meldde hem, dat Daamke
+in Reinouts dienst was.
+
+"Dan kan het mogelijk zijn, dat die nar iets weet en dat Reinout
+zijn stilzwijgendheid koopt!--Dat alles moet zich eenmaal oplossen
+of.... misschien.... weet gij ook, of hij de medicijnkist zijns
+meesters Barbanera heeft met zich gebracht?"
+
+"Voorzeker," zeide Madzy, glimlachende om deze zonderlinge vraag:
+"maar ik bid u, welk belang stelt gij daarin? Gij hebt toch geen lust,
+zijne pillen en tincturen te gebruiken."
+
+"Misschien!" zeide de monnik op een ernstigen toon: "ik geloof dat gij
+met mij van hetzelfde gevoelen zult zijn, wanneer ik u mijn wedervaren
+verhaal.... het onweer is nog niet verminderd: en zij zullen mij nog
+niet missen te Sint-Odulf.--Zoo gij dus geen vaak hebt, luister."
+
+Nadat Madzy verklaard had, hoogst verlangend te zijn, hem te hooren,
+deelde de monnik haar mede wat er geschied was sedert den morgen dat
+hij haar in de herberg vermist had, en hoe hij vervolgens zich met
+meester Barbanera in het slot van Nyenstein had zien opsluiten.
+
+"Mijn eerste gevoel," vervolgde hij, "was, gelijk gij denken kunt,
+een gevoel van spijt en toorn tegen hem, die mij zoo listig van
+mijn vrijheid beroofd had. Wat den kokeler betrof, deze bleef nog
+lang in den waan dat hij alleen voor de leus was opgesloten. Toen
+hij echter het tegendeel begon te bemerken, verviel hij tot een
+staat van woede en wanhoop, die aan vertwijfeling grensde, en liet
+geen uur voorbijgaan, zonder de vreeselijkste verwenschingen uit
+te braken tegen den bewerker van zijn ongeluk, terwijl hij allen
+troost versmaadde, dien ik hem aanbood, en mij vervloekte, zoowel
+als den grijsaard, die ons dagelijks door een valluik ons voedsel
+toediende. Mijn toestand was hoogst onaangenaam: van het daglicht
+verstoken, in een nauwen kelder en gedwongen, het gezelschap te
+dulden eens gevloekten godslasteraars;--maar ik offerde mijn lijden
+den Heere op en Hij verleende mij sterkte. Hij deed meer; Hij maakte
+mij tot het werktuig in Zijne hand om een gevallen ziel te behouden,
+en deed mijn lijden strekken tot de ontdekking van een geheim, dat
+anders wellicht verborgen ware gebleven.
+
+"Een dag (nimmer zal ik dien vergeten) kwam onze oude stokwaarder niet
+opdagen. Het vasten gewoon, verduurde ik de ontbering van voedsel met
+gelatenheid; maar de deelgenoot mijns kerkers kon minder weerstand
+aan zijn nooddruft bieden. De volgende dag verliep:--weder geen
+voedsel:--gelukkig was onze waterkruik, die eenmaal 's weeks gevuld
+werd, nog halfvol;--maar het gemis aan spijs verzwakte Barbanera:
+en nu eerst werd hij vatbaar voor de woorden van vermaning en
+boete, die ik tot hem sprak. Hij vroeg mij om vergiffenis voor zijn
+handelwijze te mijwaart, hij biechte mij zijn zonden en toonde een
+hartgrondig berouw. Den derden dag voelde hij zijn einde naderen:
+en toen smeekte hij mij, om, zoo ik tegen alle verwachting het leven
+behield en de vrijheid terugkreeg, te herstellen wat hij verdorven
+had. Ik spande mijn uiterste krachten in om het verhaal te verstaan,
+dat hij mij half in 't Italiaansch, half in krom Latijn, half in
+gebroken Hollandsch deed: het kwam hierop neer, dat hij zich in
+'t verloopen jaar, te Grenoble in Frankrijk, in dienst van den
+Bisschop van Utrecht bevond, toen daar een pelgrim uit Holland
+aankwam, die naar Italië trok en in 't voorbijgaan den Prelaat
+bezoeken kwam. Deze pelgrim verhaalde aan Barbanera, eens dat zij
+samen spijsden, door twee Ridders uit Holland, Reinout en Deodaat
+van Verona, belast te zijn met het opsporen hunner familie en toonde
+hem een brief, die daartoe strekken moest. Niemand was beter dan
+Barbanera in staat aan den pelgrim eenig bericht dienaangaande te
+doen toekomen; want hij was vroeger in dienst geweest van Bianca di
+Salerno wier geheime verbintenis met den Olderman u bekend is. Hij
+besloot, zelf de belooning te verdienen, op de ontdekking gesteld:
+dat viel hem te gemakkelijker, doordien de pelgrim kort daarna ziek
+werd en stierf. Barbanera maakte zich van den brief meester, verliet
+den Bisschop en reisde naar Verona. Daar wist hij vermomd tot in het
+klooster te dringen, waar de dwingeland Francesco zijn gemalin sedert
+jaren gevangen houdt: hij deelde haar mede, dat haar zoon nog leefde,
+en verkreeg van hare hand den ring, haar door uw voogd geschonken,
+en meteen een brief, waarin zij het merk aanduidde, waaraan die
+zoon te herkennen ware. Van Verona reisde hij naar Holland en vond
+toevallig èn uw pleegvader èn de beide jongelingen te Haarlem. Gij
+weet, welke kunsten hij op den Vogelesang in 't werk stelde om hun
+nieuwsgierigheid op te wekken. Had hij toen het geheim geopenbaard,
+hij had zich een jammerlijken dood en veel wroeging bespaard; maar
+de duivel der geldzucht verleidde hem: hij wilde zijn geheim aan den
+meestbiedende der twee Ridders verkoopen, en naar gelang daarvan den
+brief van Bianca geven of terughouden. Tot Aylva dorst hij zich nog
+niet wenden: eensdeels omdat hij vroeger op zijn leven had toegelegd
+en bovendien vreesde dat Aylva te weten zou gekomen zijn, hoe hij
+Bianca door een valsch gerucht van haars minnaars dood misleid had;
+anderdeels, omdat hij hem niet wilde naderen, voor hij hem een zoon kon
+bieden, die zijn voorspraak wezen mocht. Toen hij later te Plaswijk
+Reinout vond, en beiden in den waan verkeerden, dat Deodaat dood of
+stervende ware, maakte hij hem diets, dat hij de wettige zoon van
+Aylva was, ofschoon hij zich intusschen van het tegendeel overtuigde."
+
+"Goede God!" riep Madzy: "en van waar bekwam hij die overtuiging?"
+
+"Op een zeer eenvoudige wijze. Toen Reinout zich 's nachts ontkleedde,
+zag Barbanera, dat hij het teeken miste, hetwelk Bianca, ter voorkoming
+van verwarring, haren zoon op de borst gegrift had."
+
+"En zou Deodaat dat teeken....?"
+
+"Ziedaar wat mij nog onbekend is; maar mij zoowel als Feiko trof
+hedenmorgen, toen ik hem onder het gepeupel zoo onvoorziens in
+'t oog kreeg, zijn gelijkenis op den Olderman. Dezelfde houding,
+dezelfde wending, dezelfde stem, alleen door den uitheemschen tongval
+eenigszins gewijzigd.--Maar hoor verder:--Barbanera verhaalde mij,
+dat hij met opzet Bianca's brief, waarin deze omstandigheid vermeld
+was, had achtergehouden en in zijn medicijnkist onder een dubbelen
+bodem verborgen. Dit bleef Reinout onbewust."
+
+"Hemel! indien er slechts mogelijkheid is, die kist te bekomen!"
+
+"De Italiaan overleefde zijn bekentenis niet lang. Hij is getroost in
+mijn arm ontslapen, mij smeekende, zoo ik in Friesland terugkwam,
+den Heer van Aylva deze tijding te melden. Alleen het belang
+mijns vaderlands kon mij doen vertragen om zijn uitersten wil te
+voldoen;--maar iemand moest deelgenoot wezen mijns geheims:--en in
+niemand kan ik meer vertrouwen stellen dan in u."
+
+"Ik dank u, goede Pater!--En hoe werdt gij verlost?"
+
+"Op denzelfden dag toen Barbanera stierf. Niet twijfelende, of ik zou
+spoedig deelen in zijn lot, had ik mij reeds ter dood bereid; toen op
+eenmaal mijn kerkerdeur werd opengeslagen. Een bende Hollanders had
+Nyenstein overrompeld: bij het doorzoeken van het slot had men ook de
+deur des kelders opengebroken en men bracht mij schier levenloos naar
+buiten. Ik vernam sedert, dat de oude dienaar des Bisschops door een
+beroerte uit het leven was weggerukt, zonder den tijd gehad te hebben,
+het geheim onzer gevangenis te openbaren. Mij schonk men de vrijheid,
+daar niemand reden had mij te houden. Ik hoorde, dat Deodaat van zijn
+wond hersteld, en in 't leger was: ik ging derwaarts, en kwam juist te
+Utrecht om den zegepralenden intocht des Graven bij te wonen. Deodaat
+echter vond ik niet: hij was naar de Gravin gezonden om haar den
+roem der Hollandsche wapenen te verkondigen. Intusschen begrijpende,
+dat de Graaf niet werkeloos zou blijven, hield ik mij nog een wijl
+in Utrecht op, om te ontdekken, wat hij in zijn schild voerde. De
+Bisschop had nu, zoo 't scheen, zijn geheel vertrouwen gewonnen. Ik
+begaf mij naar den listigen kerkvoogd."
+
+"Hoe! gij dorst u opnieuw in zijn tegenwoordigheid wagen?"
+
+"Ik wist, dat hij mij niet zou hebben durven beleedigen; want hij moest
+de ontdekkingen vreezen, die ik in staat was te doen. Hij ontving mij
+echter met nog meer vrijmoedige kalmte dan ik mogelijk achtte: ja hij
+was zoo gemeenzaam, als ware er niets tusschen ons voorgevallen. Mijn
+gevangenis schreef hij aan een misverstand toe: hij betuigde mij,
+niet geweten te hebben, dat ik mij met Barbanera in den kelder
+bevond, wien hij er alleen in dacht op te sluiten:--en inderdaad,
+ik kon hem het tegendeel niet bewijzen. Verder toonde hij zich zeer
+vertrouwelijk jegens mij, en verzocht mij terug te komen. Iets later
+deelde hij mij de geheime ontwerpen des Graven mede, zelfs het plan
+ter verrassing van Stavoren, welks mislukking, gelijk ook het verdere,
+u Feiko ongetwijfeld zal gemeld hebben."
+
+"En.... waant gij, dat Reinout ter goeder trouw handelt....?"
+
+"Zijn gedrag van heden doet mij zulks vermoeden. Hij redde het leven
+van Deodaat."
+
+"En hij zelf, wie is hij dan....?"
+
+"De zoon van Bianca's dienstjuffer. De listige Barbanera, beducht
+voor het ongenoegen van diegene der beide jongelingen, welken hij
+niet als den zoon van uw voogd zoude aanwijzen, had aan Reinout
+wijsgemaakt, dat hij zelf, hij Barbanera, de vader was van een
+hunner.--En thans!" vervolgde de monnik, opstaande, "moet ik naar
+Sint-Odulf keeren, en het overige van den nacht aan Friesland
+wijden.--Ha! Indien die looze Bisschop mij niet bedrogen had,--het
+ware nooit zooverre gekomen: en de arme, verachte vader Syard, had
+in naam van het geestelijk gezag het geheele volk op de been kunnen
+brengen eer Willem nog een leger bijeen had."
+
+Op dit oogenblik kwam Sytsken de kamer binnengeloopen, met den angst op
+'t gelaat geschilderd.
+
+"Heilige maagd!" riep zij: "daar is de bliksem zeker in den toren
+van Stavoren geslagen en de gansche stad staat in brand."
+
+"De gansche stad? van eenen bliksemstraal, die op den toren
+neerkomt?" zeide de monnik: "dat zou mij vreemd voorkomen."
+
+"Ik verzeker u," hernam Sytsken, "dat het geheele zwerk rood is van
+de vlam die opstijgt."
+
+"Willen wij niet eens op het plat gaan en zien wat er te doen
+is?" stelde Madzy voor.
+
+"Het zwerk rood van vuur!" herhaalde vader Syard: "dan zeker moet
+er iets buitengewoons hebben plaats gehad. Nu ja! ik ben bereid u
+te volgen."
+
+De twee meisjes hadden reeds een paar mantels omgeslagen om zich tegen
+den regen te beschutten: en alle drie begaven zich op het plat van
+den toren, van waar men bij dag de stad Stavoren, en ook de zee kon
+onderscheiden. Een oogopslag was genoeg om den monnik te overtuigen,
+dat de schrik van Sytsken niet zonder grond was geweest. Het was nu
+geheel nacht; en de duisternis verhoogde den rooden gloed der vlam,
+die ten noordwesten opsteeg als achter een gordijn van regen, hetwelk
+aan het vuur een des te fantastischer aanzicht gaf. De monnik ontdekte
+echter spoedig, dat de brand zeer vermoedelijk een andere oorzaak had,
+dan die, welke er door Sytsken aan gegeven was.
+
+"Het is niet Stavoren dat in brand staat," zeide hij: "Stavoren
+ligt meer westelijk: en mij dunkt, ik zie den kerktoren, die den
+gloed terugkaatst. Het is Norwert, waar men den rooden haan heeft
+uitgestoken."
+
+"Ik hoor het alarmgeklep!" zeide Madzy: "de vijand moet geland zijn."
+
+"Hij is geland!" riep de monnik: "ik moet geen tijd verliezen, de ure
+des gevaars kan voor ons klooster komen:--en dan mag niemand zeggen
+dat broeder Syard afwezig was."
+
+Dit gezegd hebbende nam hij zijn afscheid en haastte zich naar
+Sint-Odulf over een voetpad, hetwelk langs het meer heen van den
+landweg af derwaarts geleidde.
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Sy quamen 's morgens met getaelen
+ Van schepen, klein en groot;
+ Maar toen de nacht begon te daelen
+ Riep elck: waer is de vloot?
+
+
+ Geusen-liedtjen op de Armada.
+
+
+Het was op den morgen van dien dag, dat de koggen, bestemd het
+Grafelijke leger naar de Friesche kust over te brengen, en welke met
+den meesten spoed den IJsel, de Vecht en het IJ waren komen afzakken,
+zich in de kom van de Zuiderzee vereenigd hadden en aldaar een machtige
+vloot gevormd van over de tweehonderd vaartuigen, die nu gezamenlijk
+naar de Friesche kust den steven wendden. Nooit voorheen was een
+heerlijker schouwspel in die wateren te zien geweest: nooit was er een
+tocht op de Zuiderzee beproefd geworden, ontzaglijker door het aantal,
+uitnemender door den rang, belangrijker door de vermaardheid van hen,
+die daaraan deelnamen. Geheel de adel van Holland, van Henegouwen en
+van het Sticht was op de vloot vertegenwoordigd: en menig heer- en
+ridderlijk Huis had er al zijn leden gezonden. Met een oogverblindenden
+luister schitterde de morgenzon op de nieuwgeverfde en geëmailleerde
+blazoenen en wapenborden, welke aan mast en spiegel praalden, op de
+vergulde helmen en op het blinkend staal van schilden en rondassen:
+dartel speelde de wind in de ontelbare wimpels en banderollen, of
+deed hij de blanke pluimen en geborduurde mantels golven op zijn
+adem: en die van verre dat heerlijk schouwspel had kunnen genieten,
+zou gewaand hebben, dat hij een vereeniging dier zeebewoners zag, van
+welke de Arabische schrijvers in hun vindingrijke verhalen spreken,
+die met goud en koralen en edelgesteenten en kostbare zeegewassen
+beladen, zich boven de oppervlakte der wateren vertoonen. Aan boord
+heerschte overal onbedwongen vroolijkheid: dartele scherts en blij
+gezang verwisselden elkaar en aller harten waren tot blijmoedigheid en
+hooge verwachting gestemd: de bezorgdheid, welke, gelijk wij verhaald
+hebben, bij sommigen, over deze onderneming was gevoed geweest, zoolang
+zij niet werkelijk was aangevangen, was verdwenen, zoodra men zich aan
+boord bevond: zij had voor een kommerlooze gerustheid plaats gemaakt;
+want hoe kon men anders, wanneer men het oog in 't ronde sloeg, en die
+landingstroepen zag, wier aantal omtrent gelijkstond met de gansche
+bevolking van Wester- en Oostergoo te zamen, en geheel uit welgeoefende
+strijders bestond, hoe kon men anders dan zich een gemakkelijke zege
+toeschrijven? Nadat Utrecht, het rijke en machtige Utrecht gezwicht
+was, was het toch niet te denken, dat de onderling verdeelde Friezen
+eenigen noemenswaarden wederstand zouden beproeven. Vroolijk schuimde
+de beker dan ook rond en wenschte men elkaar geluk met de bijna
+zekere overwinning. Ach! weinig dachten zij, die moedige Ridders en
+Baanrotsen, dat de blijde disch, waarom zij zich onder luide gezangen
+en schaterende toejuichingen verzamelden, hun doodmaal droeg!
+
+Er was echter onder al die hooggestemde tochtgenooten een enkele,
+die niet in de algemeene blijmoedigheid deelde, ofschoon zijn gelaat
+die trachtte voor te wenden: het was het hoofd der onderneming zelf,
+Graaf Willem, die anders, meer dan een ander, reden moest gehad hebben
+om op zijn gelukster, die hem nooit verlaten had, een blind vertrouwen
+te stellen, indien dit al niet bij hem opgewekt werd door de gunstige
+voorteekenen, waaronder de tocht was aangevangen. De oorzaak zijner
+geheime zorg was bovendien van een zoo beuzelachtigen aard, dat hij er
+zelf schaamte over had; maar het innerlijk gevoel, dat hem ontrustte,
+was hem te sterk, dan dat hij het door redeneering of verstrooiing kon
+te boven komen. Op het vaartuig dat zijn vlag droeg was een prachtig
+paviljoen opgericht, van welks top de driedubbele Gravenkroon sierlijk
+schitterde tusschen een bundel van kunstig gewerkte banieren: van
+welks troonhemel het fluweel in purperen plooien, met gouden franje
+geboord, rondom afhing, terwijl rozeroode gordijnen van zijde de
+stralen van het zonnelicht keerden. Daarbinnen liepen banken rond, met
+spierwit doek overtogen en bedekt met donzige kussens van karmozijn,
+waar 's Graven naamcijfer of wapen in gouden letteren op prijkte:
+terwijl een dressoir, over den ingang geplaatst, beladen was met al
+de geriefelijkheden, die den smaak konden streelen, en van goud en
+zilver fonkelde. Dit fraai geheel was een geschenk van den Bisschop
+van Utrecht en de vrucht van het nacht en dag doorwerken der meest
+bekwame kunstenaars uit al de omliggende steden. Kort na het afzeilen
+was de Graaf het paviljoen binnengetreden om er al den rijkdom van te
+bewonderen; maar niet weinig was hij verwonderd geweest, van op het
+dressoir, in den voor hem bestemden drinkhoorn een briefje te vinden,
+waarop deze woorden te lezen waren: "denk aan de voorspelling van
+Reinout van Gelder."--Dadelijk na de lezing verborg hij die ontijdige
+waarschuwing: en, het paviljoen uittredende, vroeg hij aan den
+deurwachter, op een toon, dien hij zoo kalm mogelijk deed schijnen,
+wie er vóór hem binnen geweest ware.
+
+De deurwachter betuigde op zijne eer, dat niemand zich verstout
+had binnen te treden, sedert het paviljoen gezet was, dan alleen de
+behangers en een paar lijfbedienden des Bisschops, ten einde zich te
+verzekeren dat alles in behoorlijke orde ware.
+
+De Graaf sloeg de oogen om zich heen en ontdekte kort bij hem het
+vaartuig, waarin Jan van Arkel zich bevond, in zijn priesterlijk
+gewaad, half zittende en half liggende tusschen een hoop welgevulde
+kussens, op het dek gespreid. De oogen des Kerkvoogds hadden op
+dit oogenblik een boosaardig spottende uitdrukking; maar zoodra de
+Graaf hem aansprak, nam het gelaat terstond weder de effen plooi aan,
+die het gewoonlijk kenmerkte.
+
+"Wij hebben nooit iets prachtigers gezien dan uw geschenk, Heer
+Neef!" riep hem Willem toe, terwijl de stuurlieden de schepen
+eenigszins nader bij elkander brachten, om het gesprek tusschen de
+twee aanzienlijke passagiers gemakkelijker te maken.
+
+"Uwe Genade heeft te veel goedheid," zeide de Bisschop, zich half
+opheffende met de achtelooze loomheid eener half slapende kokette:
+"ik had wel gewenscht uwe Genade meer naar verdienste te kunnen
+behandelen."
+
+"Men vindt er bewonderenswaardige dingen in," vervolgde Willem, hem
+veelbeduidend aanziende; "dingen, die men er niet zou verwachten. Die
+drinkhoorn vooral, die voor ons bestemd is, is allervreemdst en de
+inhoud heeft ons verrast."
+
+'t Zij dat de Bisschop aan het geval volkomen onschuldig, 't zij
+dat hij op alles gewapend ware, de effen kalmte van zijn trekken
+onderging geene de minste verandering, en hij sloeg de oogen niet
+neder voor den scherpen blik des Graven: "ik had gelast," antwoordde
+hij, op een flauwen toon, "dat men hem met Spaanschen wijn zou vullen,
+die, gelijk mij verzekerd werd, met tweebak genuttigd, een uitmuntend
+voorbehoedmiddel is tegen zeeziekte. Ik had er ook wel van mogen nemen;
+want, niettegenstaande het slechte water voel ik mij geheel niet op
+mijn gemak, en het is niet de geringste opoffering, welke ik aan uwe
+Genade doe, dat ik mij op zee begeef, waar ik een tegenzin in heb."
+
+Dit gezegd hebbende, voegde hij de daad bij de woorden, en zich
+omwendende, zakte hij in zijn kussens neer.
+
+"Nu ben ik even wijs," dacht Willem, terwijl hij ontevreden terugging
+en het dek op en neer wandelde. "Maar kom! die grillen uit het hoofd
+gezet. Waar is de kaart van Friesland?--Mijne Heeren! wij zullen ons
+plan van landing nog eens nazien."
+
+Binnen weinige oogenblikken was hij met Walcourt, Teylingen en eenige
+andere vertrouwelingen, die op zijn vaartuig voeren, in het paviljoen
+gezeten en zocht hij, door het belangrijke onderwerp van hun gesprek,
+de heimelijke zorg die hem kwelde te verzetten:--ieder oogenblik
+liet hij aan den schipper vragen, hoe laat men aan wal zou wezen:
+waarop dan altijd het antwoord was, dat zulks aan God alleen bekend
+was; maar dat, zoo de wind niet voordeeliger werd, men genoodzaakt
+zou zijn, dien nacht een ankerplaats te zoeken: daar men sedert de
+twee laatste gangen meer achter- dan vooruitgegaan was.
+
+"Ik heb het al gevreesd,"--zeide de Graaf, wrevelig met de vuist op
+tafel slaande, toen hem dit antwoord voor de vijfde maal gebracht
+werd:--"wanneer zal men eens vaartuigen uitvinden, die niet van den
+wind afhangen?"
+
+Walcourt wilde juist antwoorden, dat dit wel een onmogelijkheid zijn
+zou; maar een plotselinge ongesteldheid, die hem overkwam, noodzaakte
+hem naar buiten te gaan: en weldra zagen Teylingen en Naaldwijk zich
+gedwongen, zijn voorbeeld te volgen.
+
+"Bij Sint-Japik!" zeide de Graaf: "daar zijn er al drie, die wegloopen
+zonder verlof te vragen: het schijnt, dat aan boord de Graaf en zijn
+leenmannen gelijk zijn:--en men moet bekennen, dat wij mooi scheef
+gaan en aardig stooten.--Waar duivel is die Spaansche wijn, waar de
+Bisschop van sprak?"
+
+Met deze woorden trad hij naar het dressoir toe; maar op het oogenblik
+dat hij de hand naar een drinkkan uitstrekte, kreeg het schip een
+golf in den boeg, die het fraaie kunststuk, het onderst boven sloeg.
+
+"Daar ligt de gansche Bisschoppelijke weelde," zeide Willem, het oog
+slaande op den gevallen toestel, en op den wijn, die door elkander
+vloeide, "en wij zouden waarachtig gevaar kunnen loopen, aan boord
+te verzuipen, zoo niet in zeewater, dan in druivennat:--dat ware een
+andere dood, dan dien mij de zwarte Reinout voorspelde!.... nogal dat
+noodlottige orakel:--zal ik het dan niet uit mijn geest kunnen bannen?"
+
+Hij plaatste zich nu bij het roer en zag rond; het was nog altijd een
+belangrijk en fraai schouwspel, die geheele vloot met den tegenwind
+te zien worstelen; maar de schepen leverden niet meer de schitterende
+vertooning op van des morgens. In het laatste uur waren meest alle
+banieren en wimpels binnengehaald, en men zag geene blinkende harnassen
+noch golvende pluimen meer. De gewapenden streden meest allen met dien
+onweerstaanbaren vijand, de zeeziekte, en lagen op het dek uitgestrekt.
+
+Langzamerhand echter begon de wind te minderen: en tegen den namiddag
+werd het stil, zoodat men alle zeilen bij moest zetten om slechts een
+flauw zuchtje, dat nu uit het noordwesten woei, te kunnen opvangen
+en alzoo met halfwind voort te komen. Nu keerden de moed en de
+eetlust bij velen, en de Graaf had juist last gegeven, dat men de
+omgestorte kannen weder vullen zoude, toen men in 't verschiet een
+schip ontwaarde, dat op de vloot aanhield en weldra bijdraaide. Het
+was de bierhaalder, waarmede Deodaat naar Stavoren was gezeild, en
+die nu van den mislukten tocht terugkwam. Krijn Jansz vervoegde zich
+terstond aan boord van des Graven schip.
+
+"Welnu!" zeide deze, zoodra de schipper voor hem in het paviljoen
+stond: "wat hebt gij ons te melden? Is het kasteel van Stavoren al
+onder het bedwang van onzen vriend Deodaat?"
+
+Krijn Jansz haalde de schouders op en verhaalde hetgeen den lezer
+bekend is nopens den ongelukkigen uitslag zijner onderneming.
+
+"Bij Sint-Japik!" zeide de Graaf, hem halverwege in de rede vallende:
+"dat is fout!--Intusschen, die Friezen beloven ons een genoegen, waar
+wij ons niet mede hadden durven vleien, en wij zullen althans eenige
+eer behalen; want er zal weerstand zijn. Maar het volk dat met u was,
+zit dat nog onder uwe vaten?"
+
+"Ziedaar, wat ik uwe Genade wilde verhalen," zeide Krijn Jansz. "Die
+twee schildknapen van den Ridder waren maar gansch niet in hun
+schik, dat zij hem dus in de macht der Friezen zouden laten, zonder
+weerwraak te nemen. Een van hen, de kleinste, is aan wal gebleven,
+om te zien waar men zijn meester heenvoerde, en hem, zoo mogelijk,
+te verlossen. Wat den anderen betreft, dien heb ik, nadat wij Stavoren
+verlieten, met zijn volk in een Makkummer schuit overgezet, die wij in
+zee overrompeld hebben. Zij zouden zich vandaag op de hoogte van het
+dorpje Norwert, benoorden Stavoren, ophouden, met den nacht landen, en
+het dorpje in brand steken: dan kon uwe Genade op het licht aanzeilen."
+
+"En dat zullen wij doen ook!--Dit verandert ons plan eenigszins, mijne
+Heeren! maar dat is om 't even. Men boodschappe deze tijding terstond
+aan den Heer van Beaumont. Hij houde met zijne vaartuigen op de Lemmer
+aan en rukke vandaar landwaarts in, terwijl wij benoorden Stavoren
+landen: dan vereenigen wij ons in het hart van Friesland. Ha! daar
+zal evenwel een kamp plaats hebben!"
+
+"Met het verlof van uwe Genade," zeide Krijn Jansz, die op dit
+oogenblik buiten de tent keek: "ik vrees, dat de kamp met den storm
+wel de ergste wezen zal, dien gij heden zult strijden. Ik zal zien
+uw boodschap te doen, maar ik moet naar mijn schip keeren. Wel over!"
+
+En zonder eenigen verderen last af te wachten, ijlde hij het paviljoen
+uit en sprong in zijn vaartuig over.
+
+"Storm?" herhaalde de Graaf, verwonderd op het dek tredende. "Is de
+kerel dol? Het is het heerlijkste weer, dat men uitdenken kan."
+
+"Naar binnen, Graaf!" riep de schipper, die aan 't roer stond, hem toe:
+"alle man op het dek! Bergt de zeilen!"
+
+"Mij dunkt," zeide Willem, de vermaning des schippers volgende,
+"dat ons gezag nu geheel naar de maan is. Straks praatte ik nog van
+gelijkheid; maar nu zie ik wel, dat de Keizer zelf geen baas zou zijn,
+als hij zich aan boord bevond."
+
+Niet lang echter kon hij zijn nieuwsgierigheid en ongeduld
+bedwingen. Hij trad weder naar den ingang van het paviljoen;
+maar hij bemerkte reeds dadelijk, dat de schipper de waarheid had
+gesproken. De gansche toestand der vloot was veranderd. Nergens was
+een zeil meer te aanschouwen: de zee had op eenmaal die gele, vale
+kleur aangenomen, die een geweldige, inwendige beroering verkondigt,
+en stak, sterk door de zon verlicht zijnde, krachtig af tegen de
+donkere en loodkleurige wolken, die, als een tooverslag opgewekt,
+uit het Oosten kwamen opdagen. Nog was het water stil om hen heen;
+maar het duurde geen twintig tellens, of de windvlaag, welke men van
+verre over de oppervlakte der zee zag aankomen, was nabij hen, en
+had het paviljoen omgeworpen, waarvan de rijke hangtapijten, nu als
+rag gescheurd, maar weerhouden door de sterke koorden, waaraan zij
+vast waren gemaakt, over het dek in de hoogte fladderden. Terstond
+snelden een paar matrozen toe en sneden die koorden los, zoodat nu
+dat geheele meesterstuk van kunst overboord vloog.
+
+"Daar gaat onze heerlijkheid naar de visschen," zeide de Graaf, met
+een gedwongen lach; maar eene kille huivering overviel hem, toen hij
+de kronen, waarmede het paviljoen versierd was geweest, ter prooi
+der golven zag. Hij had echter schier geen tijd tot denken; want
+op hetzelfde oogenblik ontlastten zich de wolken in zulke hagel- en
+regenbuien, dat het dek een stortvloed geleek, en de gansche krijgsdos
+der edelen en gewapenden in een oogenblik onkenbaar was. Geen pluim
+was er meer, die niet gescheurd en druipend neerhing: geen wapenrok
+of mantel, waarin de hagelsteenen geen gaten hadden geslagen.
+
+"Voor den duivel!" zeide Walcourt: "de Friezen zullen ons voor een
+koppel wilde eenden aanzien, als wij ons zoo aan hen vertoonen."
+
+"De Graaf had ook wel naar beneden kunnen gaan," bromde Teylingen:
+"zoo hij er vermaak in schept, doornat te worden, ik zie volstrekt
+niet, waarom wij onze plunje moeten laten bederven."
+
+"Durft gij het hem niet voorstellen?" vroeg een ander edelman.
+
+"Ik heb het reeds gedaan; maar hij vroeg mij, of wij van zout
+waren. Zie eens! mijn overrok is aan flarden gehageld; en mijn helm
+zal meer roestvlakken bekomen, dan of hij tien jaren in den dauw
+gelegen had."
+
+Terwijl zij zich dus beklaagden, stond de Graaf onbeweeglijk tegen
+den mast geleund. Deze schonk hem een gedeeltelijke beschutting
+tegen het onweder; echter had hij niet zoozeer daarom deze plaats
+uitgekozen: zijn oog bleef met een angstig ongeduld gevestigd op
+de overige schepen; en pijnlijk was de indruk, door die beschouwing
+teweeggebracht. De schoone orde, waarmede de vloot nog zoo kort geleden
+zeilde, was verbroken: het geweld van den wind, die ieder oogenblik
+veranderde, had de vaartuigen in een oogenblik over de oppervlakte der
+zee verstrooid: sommige schepen waren op zandgronden vastgeraakt, en
+hun half omgeslagen kielen leverden een onheilspellend schouwspel op:
+andere, wier manschap niet tijdig genoeg klaar geweest was, hadden den
+mast moeten kappen en met zeil en want overboord werpen: enkele, wier
+schippers stoutmoediger waren, of die door den breeden bouw minder
+gevaar hadden van om te slaan, hadden het fokkezeil bijgehouden,
+lensden op Gods genade voort, en waren spoedig uit het gezicht:
+de meeste echter werden nu her- dan derwaarts heengeslingerd.
+
+De avond begon intusschen te vallen en het werd den Graaf hoe langer
+hoe moeilijker te onderscheiden, hoevele schepen hij nog bij zich
+had. Op eens kreeg hij van verre een licht in 't oog.
+
+"Wat kan dat zijn?" vroeg hij aan een bootsgezel, die nevens hem stond.
+
+"Dat is Stavoren, uwe Genade," was het antwoord: "en zoo de wind
+nog blijft aanzuidelijken, zitten wij binnen een paar uren op de
+Friesche kust."
+
+De Graaf ontving deze tijding zonder schrik; maar ook zonder
+genoegen. Zijn last was, dit had hij wel bespeurd, niet aan Beaumont
+kunnen gebracht worden: zijn schoone vloot was verstrooid, en hij wist
+niet, hoe lange tijd er verloopen zou, eer men de schepen weder bij
+elkander zou kunnen brengen en de orde van de landing herkrijgen. Hij
+pleegde nu raad met den schipper, die het meest raadzaam oordeelde,
+een poging te doen om voor Enkhuizen te ankeren en daar den dag af
+te wachten. Dit gelukte na eenigen tijd: de lantaren werd aan den
+mast geheschen, en werkelijk zag men dit sein door sommige vaartuigen
+herhalen, die hetzelfde voorbeeld gevolgd hadden. Dan niet lang hadden
+zij zich op die reede bevonden, toen de schepelingen een hevige vlam
+ten noorden van Stavoren zagen opstijgen.
+
+"Ha!" riep Willem, die op dit gezicht al zijn moed herleven voelde:
+"zij houden woord, mijn trouwe Zeeuwen! Hoe is de wind, schipper?"
+
+"Nu sedert eenigen tijd stik zuidwest," was het antwoord.
+
+"Dan het anker gelicht en op die vuurbaak afgezeild! Sint-Niklaas is
+met ons!"'
+
+"Ik vrees er voor," zeide de bezorgde schipper: "het is hier zulk
+een vervloekt vaarwater, dat wij, bij nacht varende, machtig veel
+kans hebben om aan den grond te geraken."
+
+"Om 't even! daar moet een poging worden aangewend. Ik kan mijn dappere
+strijdmakkers, dien kleinen hoop daar aan wal, niet hulpeloos laten. En
+dan? herschept dat vuur den nacht niet in een dag? daarop aangehouden,
+zeg ik: de gevolgen zijn voor mijne rekening."
+
+De schipper haalde de schouders op en gehoorzaamde; zijn voorbeeld
+werd door de nabij hen liggende schepen gevolgd en weldra stevende
+alles naar Norwert toe: maar ofschoon sommige vaartuigen den tocht
+voorspoedig volbrachten, bleek het echter, dat de angst des schippers
+niet voorbarig was geweest; want de grootste helft van het smaldeel
+raakte ieder oogenblik vast en kwam dus, òf niet, òf te laat, ter
+bestemmingsplaatse aan.
+
+Het vaartuig, waarop de Bisschop zich bevond, had langen tijd omtrent
+gelijken koers met dat des Graven gehouden. Hoewel door gestadige
+zeeziekte gekweld, had Arkel echter niet zonder een geheim genoegen
+den bedroefden toestand der vloot waargenomen. Toen het duister begon
+te worden liet hij den schipper bij zich komen.
+
+"Gij behoeft u zoo niet te haasten," zeide hij: "ik ga slechts als
+toeschouwer mede: en als het donker is, kan ik toch niets zien."
+
+"Hoogwaardigste!" zeide de schipper: "ik vrees, dat, indien ik niet
+zooveel mogelijk koers op het noorden houde, wij te ver van het
+Grafelijk schip zullen afdwalen: want de wind zou ons oostwaarts
+drijven."
+
+"Zeer wel!" hernam de Bisschop; "maar ik heb geen trek om op het
+Enkhuizer Zand vast te raken. Doe mij het vermaak en poog zoo lang
+als gij kunt in 't goede vaarwater te blijven."
+
+"Hoogwaardigste!" zeide de schipper verbaasd: "dan raken wij hoe langer
+hoe verder van de vloot en drijven misschien tot aan de Kuinder af."
+
+"Licht mogelijk:--en indien het niet anders kan," zeide Arkel, die
+deze gevolgtrekking des schippers wel verwacht en daarop zijn gansche
+redeneering gegrond had, "dan zie ik er geen kwaad in, naar de Kuinder
+te trekken. Daar zijn wij op onzijdigen grond en toch aan de grenzen
+van Friesland.--Ja! steven gerust naar de Kuinder: als net dag is,
+kunnen wij altijd zien wat wij doen zullen."
+
+De schipper gehoorzaamde: en de gewapenden van 's Bisschops gevolg,
+die het onderhoud niet vernomen hadden, waren niet weinig verwonderd,
+toen zij zich 's morgens bij hun ontwaken in de haven van de Kuinder
+zagen. De Bisschop ging dadelijk met zijn geestelijken en verder gevolg
+aan land en trok naar het nabij de stad gelegene nonnenklooster van
+Sinte-Martha, waar hij besloten had van de reis uit te rusten en op
+nadere tijding uit Friesland te wachten, ten einde naar bevind van
+zaken te kunnen handelen.
+
+Hij vond bij zijn aankomst een groote beweging in het gesticht. Er
+was den avond te voren een vreemde dame aldaar aangekomen, die naar
+Friesland toog, maar door het slechte weer verhinderd was geworden
+hare reis te vervolgen. Zij scheen een vrouw van aanzien te zijn;
+althans voor zooverre men zulks moest opmaken uit hetgeen de gids,
+die haar vergezelde, van haar dienaars en juffers vernomen had.
+
+Men kan licht beseffen, welke verlegenheid en verwarring het onverwacht
+bezoek van den Bisschop bij de vrouw Abdis en haar vrome gezellinnen
+teweegbracht. In het afgelegen en weinig bezochte klooster van de
+Kuinder waren vreemdelingen een buitengewoon, een welkom verschijnsel,
+hetwelk voor een geheel jaar stof tot gesprekken gaf;--maar nu
+twee hooge personages te gelijk! een uitheemsche Vorstin!--want
+dit voor 't minst moest de onbekende zijn: en het geestelijk hoofd
+van het Sticht.--Dat was te veel genoegen op eenmaal en bracht al
+de nonnenhoofdjes op hol. Waar zou men die beide bezoekers en hun
+gevolg plaatsen? Of de vreemde dame haar reis dien dag vervolgen
+zoude, was nog onzeker, want er waren reeds geruchten in omloop,
+dat men in Friesland met strijden bezig was:--haar weg te zenden,
+ware onchristelijk geweest:--en den Bisschop kon men nog veel minder
+terugwijzen.
+
+Arkel kon niet nalaten, hartelijk te lachen, toen hij de verlegenheid
+der Abdis vernam: en zich terstond bij haar begevende, nam hij alle
+zwarigheid weg, door te melden, dat hij zich met elk vertrek, hoe
+klein ook, behelpen zou, en zijn stoet, op eenen lijfbediende na,
+naar de Kuinder terugzenden. Op deze wijze was alles spoedig geschikt:
+en niet lang daarna was de Abdis, recht opgeruimd en wel te moede,
+bij naar beide voorname gasten aan een goeden disch gezeten.
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Hoe dat een krijgsheir aan quam rukken
+ En onze grenzen vast bestreed,
+ Veel min ontzachlijk door getalen
+ Van benden, dan door zegepralen:
+ Fluks riep men: wapen!
+
+ Dullaert.
+
+
+Niet verre van Stavoren, doch meer noordwaarts op, stond in den tijd,
+waarvan wij gewagen, een zeker dorpje, Norwert geheeten, hetwelk men
+thans vruchteloos op eenige kaart zou zoeken, vermits de plaats zelve,
+waar het zien bevond, sedert lang een prooi der invretende golven
+geworden is. Het was op een geringen afstand van de zee gelegen,
+tegen wier geweld het benevens eenig daarbij behoorend land, door
+een wierdijk beschut werd. Ten oosten paalde het aan een moerassigen
+veengrond, die zich langs het meer van Stavoren uitstrekte; ten
+noorden aan eenig kreupelhout, waarvan de schrale groei en de kale
+takken, aan dewelke niet meer dan eenige verdorde en verschrompelde
+bladeren hingen, getuigden, hoezeer het van den zeewind te lijden
+had. Op den dijk, en kort bij dit geboomte, hetwelk men voor een
+overblijfsel hield van het eenmaal zoo vermaarde Kreiler bosch,
+zat een jonge zeemansgast sedert een paar uren in de zee te kijken,
+die reeds al het buiten het wierdijkje gelegen land overstroomd had:
+en hoewel het een orkaan woei, hoewel zijn tengere ledematen doornat
+waren, en hem de regen in 't gezicht speelde en meermalen het zien
+belette, was hij nog niet van zijn plaats gerezen om een schuilplaats
+op te zoeken; want een krachtig denkbeeld had zich van hem meester
+gemaakt en deed hem het woeden der elementen vergeten. Zoolang het nog
+helder dag was geweest, had geen blijk van ongeduld zich op zijn gelaat
+vertoond, maar het werd reeds avond en nog kon hij geen vaartuig op die
+oppervlakte der wateren bespeuren, dan een ellendige visschersschuit,
+die door den storm naar de kust gedreven werd; maar deze was het niet,
+welke de knaap verwachtte.
+
+"Zij zullen niet komen!" zeide hij eindelijk bij zich zelven, terwijl
+hij oprees en het water uit zijn muts wrong: "de Graaf zal hen bij
+zich gehouden hebben:--was het nu niet beter, dat ik naar Sint-Odulf
+trok en daar de vloot afwachtte?"
+
+Terwijl hij dit voornemen overpeinsde, zag hij, zooveel de duisternis
+hem zulks toeliet, dat het visschersvaartuig begon te naderen en
+weldra niet ver van den dijk een ankertje uitwierp. "Voorwaar,"
+dacht hij: "die visscher kiest ook een vreemde ankerplaats uit. 't
+Is waarschijnlijk een vreemdeling: anders zou hij zijn schuit wel
+vastleggen aan de palen, die ik ginds op de hoogte van het dorp gezien
+heb.--Kom! wij zullen nog een vijfhonderd tellens wachten en dan in
+Sint-Japiks naam hier vandaan:--mits ik slechts het houten pad door het
+moeras niet misloop in de duisternis; anders loop ik stellig gevaar,
+te smoren voor ik twintig schreden gedaan heb."
+
+Hij begon hierop de aangename bezigheid van te tellen, welke hij ten
+einde bracht met de vaste overtuiging, dat hij nu gerust kon gaan;
+want het was omtrent stikdonker geworden. Dan, juist op het oogenblik,
+dat hij van den dijk wilde afspringen, hoorde hij een flauw gedruisch
+en gespat in het water, hetwelk zijn aandacht boeide.
+
+"Bij Sint-Japik!" dacht hij: "ik geloof waarachtig, dat die
+visschers zich in dat fraaie weer met zwemmen vermaken. Nu! elk zijn
+liefhebberij."
+
+Zijn nieuwsgierigheid was echter opgewekt: hij liep den dijk langs,
+naar de plaats, waar het geluid vandaan kwam, en hoorde weldra
+duidelijker nog, dat verscheidene menschenstemmen, hoezeer met zoo
+weinig geruchts mogelijk, door het water liepen. Dan weldra werd zijn
+vermoeden volkomen bevestigd; want een bliksemstraal, die opeens den
+ganschen zeekant verlichtte, deed hem een twintigtal gewapenden zien,
+die van het vaartuig naar den dijk waadden.
+
+"Wie duivel zijn dat?" vroeg hij zich zelven af: "zeker geen vrienden
+van Friesland, die op zulk een ongewone wijze aanlanden.--Zouden zij
+het zijn? o! nog een bliksemstraaltje om hen eens recht te kunnen
+opnemen!"
+
+Met dezen wensch was hij al dichterbij gewandeld, achter den dijk
+blijvende, om door de aankomenden niet gezien te worden: en nu hoorde
+hij opeens iemand in het water, die met een zachte stem aldus tot
+een ander sprak:
+
+"Wij hadden wel een paar haken van boord mogen medenemen, Gillis! die
+vervloekte wal is zoo steil en zoo hard, dat ik waarlijk niet weet,
+hoe ik er tegen op zal klauteren."
+
+"Kom maar hier: ik zal u wel een handje helpen," riep de knaap,
+die de stem herkende, hem van boven toe.
+
+"Alle duivels! daar is volk aan gene zijde van den dijk!" zeide de
+aanvoerder der bende, terugdeinzende.
+
+"Hoe nu!" hernam de knaap: "kent de wakkere Boudewijn de stem van
+zijn makker Zweder niet meer?"
+
+"De Satan mocht u of uwe stem herkennen," zeide Boudewijn, terwijl hij
+de hand aangreep, die Zweder hem toestak, en tegen den dijk opklom. Dat
+vervloekte zeewater spat een mensch om de ooren, dat hij niet hooren
+of zien kan."
+
+"Ik had den moed al opgegeven," zeide Zweder: "en was verre van u in
+die visschersschuit te verwachten."
+
+"Ja man!" zeide Boudewijn: "dat was een denkbeeld van mij:--toen
+wij hedenmorgen Stavoren verlaten hadden, kreeg ik die schuit in
+'t gezicht. Wacht! zeide ik tot Krijn Jansz:--nu weet ik een beste
+gelegenheid om aan wal te komen, zonder dat een enkele Fries er
+gedachte op heeft."
+
+"Ik vat al: gij bemachtigdet de schuit."
+
+"Was dat niet wel verzonnen?--nu heeft de Graaf (bijaldien hij niet al
+tot een aas der zeehonden verstrekt, met dien hagelschen storm) tijding
+van ons:--en wij zullen hem die nog nader geven, dat beloof ik u."
+
+De manschappen waren nu allen aan wal gekomen, en verzamelden zich
+aan de binnenzijde des dijks om Boudewijn en zijn makker, die hun
+mededeelde, wat hem omtrent Ridder Deodaat bekend was.
+
+Spoedig werd nu het besluit opgemaakt. Men nam voor, Norwert in
+brand te steken, hetgeen het dubbel voordeel zou verschaffen, tot een
+baak voor des Graven vloot te verstrekken en de aandacht der Friezen
+derwaarts te bepalen: en vervolgens weder zee te kiezen.
+
+"Dat is nu alles mooi en wel!" zeide Zweder: "en ofschoon het mij
+eenigszins tegen de borst stuit, dat mijn eerste krijgsonderneming een
+brandstichting wezen zal, zie ik, dat het noodzakelijk is:--maar, het
+is niet genoeg een besluit te nemen, waar vinden wij de brandstoffen?"
+
+"Zotskap!" zeide Boude wijn: "alsof ik geen vuursteen bij mij
+had:--laat dat aan mij over, en gij zult een Sint-Maartensvuurtje zien,
+waarbij gij uw natte kleeren in een amerijtje zult kunnen drogen. Zeg
+mij maar liever, of gij zeker weet, dat het dorp onbezet is?"
+
+"Niet slechts onbezet, maar verlaten:--de mans zijn, God weet waarheen,
+de vrouwen en kinderen naar Stavoren gevlucht."
+
+"'t Is mij onbegrijpelijk!" zeide Boudewijn, na eenige oogenblikken
+nagedacht te hebben: "hoe kan men zich zulk eene achteloosheid
+verklaren van lieden, die een aanval wachtende zijn? Ik had reeds
+gevreesd, hier den dijk vol krijgsvolk te vinden en ik zie zelfs den
+staart van een dog niet."
+
+"Hoe jammer!" zeide Zweder: "dat de Graaf hier niet tijdig genoeg
+wezen kan; hij ook zou zonder slag of stoot kunnen binnentrekken."
+
+"Ja ventje! dat is waar; maar die groote nalatigheid baart mij
+achterdocht. Ik zorg, of zij ook slechts schijnbaar is en de vijand
+altemet in hinderlagen schuilt."
+
+"Licht mogelijk," hernam Zweder: "maar dat moet ons niet beletten,
+spoed te maken met de uitvoering van ons plan."
+
+Aldus sprekende, waren zij langzamerhand verder getrokken en het dorp
+meer genaderd. Het was en bleef stikdonker en geen geluid deed zich
+hooren. Weldra bevonden zij zich midden in Norwert, zonder kind of
+kraai te hebben bespeurd. Dadelijk gaf Boudewijn bevel, dat men de
+deuren van eenige woningen open zou loopen, om te ontdekken of er nog
+iemand schuilde; maar men vond niemand. In een paar huizen smeulde
+er nog vuur aan den haard.
+
+"Goed zoo!" zeide Boudewijn: "steekt licht aan! legt dat vuur maar
+in de bedstede en smijt er al het droge stroo op, dat gij vinden
+kunt: en laat ons ondertusschen de spijskast ook eens onderzoeken:
+'t ware jammer, zoo er iets verloren ging."
+
+Allen gehoorzaamden volijverig aan deze bevelen: en spoedig was
+de geringe voorraad van spijs en drank, welken de bewoners hadden
+achtergelaten, door de vermoeide krijgslieden verslonden, terwijl zij
+hun doornatte kleedingstukken uitwierpen en verwisselden tegen die,
+welke zij in de huizen vonden. Al wat nu maar brandbaar was werd op de
+vuren gesmeten, en in weinige oogenblikken sloeg de vlam menig dak uit.
+
+"En nu weer naar boord," riep Boudewijn: "eer de vlam ons zelven den
+terugtocht afsnijde."
+
+De bende nam den terugtocht weder aan, die nu door de vlam verlicht
+werd, welke het dorp weldra geheel omgeven had. Op den dijk gekomen,
+wendde Zweder nogmaals de oogen om, ten einde het tooneel van ellende,
+dat zij hadden aangericht, te aanschouwen. Het was een vreeselijk
+gezicht, die strijd der elementen onderling. Nu eens was het, of de
+zware regenvlagen de opstijgende vlam geheel zouden uitdoven;--dan
+weder zegevierde het geweld van het vuur en golfde het in rooden
+gloed langs de daken. Nu en dan stortte er een krakend gebouw in en
+versmoorde voor een oogenblik den gloed, die het verteerd had; maar
+die weldra des te feller van alle zijden onder het puin te voorschijn
+kwam: de zeewind gierde door de opengeborsten luiken en vensters en
+dreef brandende stroohalmen en half verteerde lappen zeildoek en
+netten landwaarts in, waar zij weldra in het moeras neervielen of
+door den regen werden uitgebluscht.
+
+"Kom!" zeide Boudewijn, zijn makker bij den arm trekkende, "maak
+voort: men zal misschien spoedig genoeg bij de hand wezen om ons na
+te zitten."
+
+"Bij Sint-Japik! men is reeds bij de hand," riep Zweder verbaasd uit,
+en zijn uitgestrekte hand wees naar het moeras, dat door den brand
+in al zijn uitgestrektheid verlicht was.
+
+Boudewijn wierp insgelijks den blik derwaarts en hij verbleekte,
+toen hij ontdekte, dat, waar men het oog wendde, de geheele vlakte
+met gewapenden vervuld was, wier aanwezigheid, hoe onbeweeglijk zij
+zich ook hielden, verraden werd door het licht der vlam, dat op het
+ijzer der wapenen terugkaatste.
+
+"Ik had het wel vermoed," zeide hij met een zucht.
+
+"Zij zitten daar als kikkers, in hun moerassen of achter hun
+zomerdijkjes verborgen, waar geen duivel hen uit zal drijven. Zij
+weten, dat de gansche vloot niet ontscheept is: en zij wachten ons
+daar.--Maar wij zullen hun een aangename nachtrust wenschen en ons
+stilletjes weer naar boord begeven. Ik verwonder mij toch, dat zij,
+hoewel de afstand wat verre is, ons niet een pijltje toezenden."
+
+Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken, of een pijl kwam sissende
+aangevlogen en trof hem vlak in 't voorhoofd.
+
+"Vlucht, Zweder! vlucht allen!" riep hij onder 't nederstorten. "Het
+is met mij gedaan. Vlucht! en laat mij hier aan mijn lot."
+
+Al de wapenknechten waren terstond in zee gesprongen. Zweder alleen
+was nog bij zijn vriend gebleven, toen hem een tweede pijl de muts van
+'t hoofd dreef.
+
+"Het is uit dat vervloekte boschje!" riep hij: "wie had het
+gedacht? zij hebben ons willen omsingelen:--hoe gaat het,
+Boudewijn?"--Geen antwoord.--"Arme hals! hij is wel dood.--Dan is
+het zaak, dat ik voor mij zelf zorge."--Met deze woorden liet hij
+zich mede van den dijk afzakken en zwom naar de schuit. Op hetzelfde
+oogenblik kwamen de Friezen het bosch uit en zonden den vluchtelingen
+hun pijlen na, die echter geene of althans weinige schade deden. Meest
+al de tochtgenooten bereikten gelukkig het vaartuig: het anker werd
+gekapt, en daar het nu wederom ebbe was, dreef men spoedig ver genoeg
+van wal om buiten bereik te zijn. Zweder, op wien door den dood van
+Boudewijn het bevel was overgegaan, gaf nu last, dat men zooveel
+doenlijk zuidwaarts zou stevenen en een poging doen om zich met de
+vloot te vereenigen.--Wij zullen hem met zijn makkers goede reis
+wenschen en inmiddels eens gaan zien, hoe de Heer van Aylva bij zijn
+komst te Stavoren de zaken gevonden had.
+
+Nauwelijks was hij de poort van Stavoren binnengereden, of hij
+ontmoette den Abt van Sint-Odulf, en vernam van dezen, dat de
+voornaamste maatregelen ter verdediging reeds genomen waren. Het was in
+den Raad, na lange wederspraak, aan Reinout gelukt, den Friezen te doen
+beseffen, dat het hun onmogelijk zou vallen, aan de Hollandsche vloot
+het ontschepen hunner talrijke en welgeoefende benden te beletten:
+daar deze, zooras het op een bestormen en bemachtigen der zeekust
+aan zoude komen, door hun meerdere voortreffelijkheden in rusting
+en wapenhandel een te groot voordeel op de Friezen zouden hebben,
+die slecht gedekt en bijna van geene weerbare wapens voorzien waren;
+waarbij kwam, dat een nederlaag, aldaar geleden, terstond verwarring en
+schrik onder de saamgeraapte benden brengen, en aan den vijand den weg
+naar 't hart van Friesland zoude banen. Hij had dus den raad gegeven,
+dat men de landing niet belemmeren zou, maar de Hollanders buiten de
+mogelijkheid stellen daarvan partij te trekken, door zelven zooveel
+doenlijk een gepast gebruik te maken van de gelegenheid, die de grond
+van Stavoren hun aanbood om een verdedigingsoorlog met voordeel te
+voeren. Men dient te weten, dat de landstreek om de stad heen, behalve
+uit eenig laag en moerassig weiland, dat langs het meer gelegen was,
+voornamelijk uit een heuvelachtigen heigrond bestond, over 't geheel
+welbebouwd, en aan onderscheidene eigenaars toebehoorende. Nu was elke
+bijzondere akker, met het land, dat er bij behoorde, door een aarden
+wal of zomerkade omringd, ter afkeering: van het zeewater, dat niet
+zelden bij springvloed een gedeelte van den bodem overstroomde. Deze
+kampen leverden dus als het ware zoovele verschansingen op, waarachter
+zich de gewapenden in hinderlagen konden verbergen en tusschen welke
+men des Graven heirmacht lokken wilde, als in een doolhof zonder
+uittocht, waar het van alle zijden door vijanden omringd, geene
+gelegenheid zou hebben, zich van zijn ruiterij te bedienen of zich
+in slagorde te vormen, maar overal voor een onverhoedschen aanval
+blootstaan. Dit stelsel van verdediging werd goedgekeurd, en men nam
+terstond alle maatregelen om er uitvoering aan te geven. Aan volk
+ontbrak het niet; want geen Fries bleef achter in de ure des gevaars:
+niet enkel uit loutere vaderlandsliefde; maar omdat de immer woedende
+onderlinge veeten hem van zijn jeugd af het hanteeren der wapenen tot
+een noodzakelijkheid en het vechten tot een gewoonte gemaakt hadden:
+ja wat meer is, tot zijn gewenscht en eenig tijdverdrijf. Alle dorpen
+waren dus terstond verlaten geworden, en van Hindeloopen af tot aan
+Gaasterland toe was de geheele landstreek met weerbare manschappen
+bezet: terwijl de nog gedurig opkomende benden zich aan een der
+beide vleugels moesten aansluiten. De rechtervleugel, zoo men overal
+verspreide krijgsbenden aldus noemen kan, werd door Adeelen aangevoerd:
+Cammingha bestierde de verdediging van Coudum af tot aan Warns: en
+de linkervleugel was aan Martena toevertrouwd. De Abten van Lidlum
+en Bloemkamp vormden met hun talrijke en welgeoefende conversen twee
+hulpbenden, gereed om zich overal te begeven, waar de strijd het
+heetste was. Reinout was bij Adeelen. Helbada en Fadinga kruisten
+Gaasterland door, ingevalle zich de vijand daar mocht vertoonen. In
+Stavoren oefende Galama het opperbewind, terwijl al de in de haven
+aanwezige schepen en schuiten onder zijn opzicht bemand werden,
+om zoo mogelijk de vaartuigen der Grafelijke vloot aan te randen en
+afbreuk te doen.
+
+"En gij, Eerwaardigste!" vroeg Aylva aan den Abt, toen deze hem al
+die omstandigheden verhaald had. "Welken post zult gij waarnemen?"
+
+"Wat mij betreft, ik ben een vreedzaam man," antwoordde vader Volkert,
+"en heb nooit tegen iemand het staal ontbloot, waar ik O. L. Vrouwe
+en Sint-Odulf voor dank. Ik keer naar mijn klooster en zal daar voor
+den goeden uitslag bidden. Dat is alles wat ik doen kan."
+
+"God verhoore uw gebeden, Vader!" zeide Aylva: "wat mij betreft:
+ik zal hier blijven: Madzy heeft gelijk: ik moet mij niet zonder
+noodzakelijkheid vermoeien: maar waar ik van dienst kan zijn, daar zal
+men mij niet lang behoeven te wachten.--Ik ga nu eens naar de haven,
+ten einde Galama te helpen in zijn maatregelen van verdediging.--Zoo
+er iets te Sint-Odulf gebeuren mocht, laat het mij dan weten."
+
+Met deze woorden scheidden zij, en de Olderman begaf zich naar de
+haven. Hier deed zich een dof gemompel hooren: verscheidene menschen
+liepen met drift heen en weer, en Feiko, naar de aanleiding van het
+rumoer gevraagd hebbende, kwam aan Aylva melden, hoe Norwert in brand
+stond, en hoe het gerucht reeds door de stad liep, dat de gansche
+vloot aldaar geland was.
+
+"Dan gaan wij derwaarts heen, goede Feiko! Mijn zoon bevindt zich
+aldaar met onze wakkere volgelingen, en men zal niet zeggen, dat ik
+hen, wanneer het er op aankomt, in den steek laat zitten."
+
+Nauwelijks waren zij de poort uitgereden of zij ontdekten reeds
+de vlam; maar zij hoorden geen krijgsgerucht, hetgeen Aylva aan
+het geweld van den storm toeschreef; zij vervolgden echter hun weg;
+maar spoedig vernamen zij hoefgetrappel voor zich uit, en zagen twee
+ruiters op hen afkomen.
+
+"Sta!" riep Aylva, die in de duisternis niet wist of hij vriend of
+vijand ontmoette: "wie zijt gij?"
+
+"Gij hier, mijn Vader!" zeide de Ridder, zijn paard intoomende. Het
+was Reinout, van Daamke gevolgd.
+
+"Waarheen? En hoe staat het te Norwert?" waren Aylva's vragen.
+
+"Norwert bestaat niet meer; maar de brandstichters zijn reeds weer
+gevlucht. Adeelen is van oordeel, en ik met hem, dat deze schijnbare
+aanval slechts een krijgslist is, om onze aandacht af te trekken,
+terwijl men ons van de andere zijden aanvalt. Hij zond mij naar
+Martena en Helbada om hen tot dubbele waakzaamheid aan te sporen en
+te beletten, dat zij niet, door den brand verlokt, hun benden van de
+plaats doen gaan."
+
+"Voortreffelijk, mijn knaap! Toon u heden een wakkere zoon van
+Friesland! Ik blijf in de stad! Wellicht kan ik hier van nut zijn."
+
+Met deze woorden verlieten zij elkander. Aylva begaf zich weder naar
+de haven en Reinout reed, de stad door, naar Martena.
+
+Ondertusschen was vader Volkert in zijn klooster teruggekeerd. Dit
+was, gelijk wij reeds hebben aangemerkt, niet verre van de stad,
+doch meer zeewaarts in gelegen, aan het uiterste einde eener landtong,
+welke sedert door de golven is weggeslagen; wordende echter de plaats,
+waar het gebouw stond, nog heden door de zeelieden de kerk genaamd. Het
+bestond uit een hoofd- en andere kleine gebouwen, door een muur van
+duifsteen en een smalle gracht of sloot omringd. Het hoofdgebouw was
+vierkant, en bevatte vooreerst de kerk, die, van duifsteen en naar den
+Saksischen bouwtrant gesticht, ten westen met een vrij hoogen toren
+voorzien was, boven welke zich een peervormige koepel verhief, met
+groen koper beslagen, en volkomen gelijk aan die, welke de moskeeën
+der Mahomedanen versieren. Nog kan men in Friesland, op sommige
+plaatsen, dergelijke koepels zien, wier bouworde waarschijnlijk ten
+tijde der kruistochten aan de Oosterlingen is ontleend geworden. De
+kerkramen zagen aan de eene zijde op de zee uit, en aan de andere
+op een groote binnenplaats, besloten tusschen het klooster zelf,
+dat twee verdiepingen hoog en met talrijke kamers en cellen voorzien
+was. Wat de buitengebouwen betrof, deze dienden tot bakkerij, tot
+brouwerij en tot voorraadschuur.--Intusschen dwingt de plicht van een
+waarheidlievend geschiedschrijver ons, te melden, dat, op sommige
+tijden van het jaar, en ook thans, dit laatste gebouw ontoereikend
+was om den oogst te bevatten, en deze dienvolgens voor het grootste
+gedeelte in de kerk geborgen werd.
+
+Zoodra de Abt binnen de muren van het gesticht gekomen was, begaf
+hij zich naar den refter, waar de broeders gewoonlijk op dat uur
+bijeenkwamen; maar zijn verwondering en ongenoegen waren groot, toen
+hij bespeurde, dat slechts een klein aantal monniken, en dat nog wel
+alleen de ouden en ziekelijken, zich aldaar bevonden.
+
+"_Salvete_!" zeide hij, bij het binnenkomen: "maar hoe nu? waar zijn
+al de jongere broeders en de conversen?"
+
+De oude pater Prior haalde zuchtende de schouders op: "er was niets
+aan te doen, Eerwaardigste!" zeide hij, zij zijn allen uitgeloopen
+om zich bij het leger te voegen."
+
+"Is het waar? En tegen mijn stellige bevelen?--Het klooster te
+verlaten, nu zij er het meest noodig zijn?--En om wat? Om zich te
+laten doodslaan? Want er is niet één van hen, die de wapens voeren kan;
+daar heb ik voor gezorgd."
+
+"Och!" zeide de Prior: "dat jonge volk is altijd klaar, als het op
+vechten en smijten aankomt. Ik heb hen nog zoeken terug te houden;
+maar het is ijdel preken tegen wie niet luisteren wil."
+
+"Lang mij een teug bier, broeder Keldermeester!" zeide de Abt:
+"ik heb grooten dorst, en mijn tong kleeft aan 't verhemelte van al
+hetgeen ik vandaag heb moeten praten.--Waar is de gevangen Ridder?"
+
+"Broeder Syard heeft, toen hij hier met hem aankwam, verzocht, dat
+men hem in zijne cel zoude herbergen en toedienen wat hij verlangde."
+
+"Dat is nu alles goed en wel en juist gelijk ik het ook zou hebben
+voorgeschreven; maar met dat al hoop ik, dat men de cel goed gesloten
+heeft, en de deuren van de gang ook; want wat zouden wij, oude lieden
+doen, indien de Ridder eens uit wilde breken?"
+
+"Men zal er voor zorgen," zeide de vader Guardiaan, opstaande en met
+een bos sleutels naar boven gaande.
+
+"Hoe!--heeft men er nog niet voor gezorgd?--Dat kan ik van broeder
+Syard niet begrijpen. Men ontbiede hem eens: hij is zeker met
+godvruchtige overdenkingen bezig."
+
+"Broeder Syard heeft ons insgelijks verlaten, een paar uur geleden."
+
+"Verlaten!" herhaalde de abt, die voor het eerst begon te vinden,
+dat broeder Syard niet overeenkomstig zijn verlangen had gehandeld:
+"nu! dan verwondert het mij niet, dat de jongere broeders ongehoorzaam
+zijn, wanneer de oudere het voorbeeld geven.--Het is tegenwoordig
+een zondige wereld.--Ik had gehoopt, Broeders! dat ik heden een
+loflied met u zou kunnen aanheffen, ter eere van onzen broeder Syard,
+die uit de kaken des doods verlost is geworden; _e faucibus mortis_,
+zooals de Schrift zegt; maar de nood van het land eischt een anderen
+toon: en wij zullen het _libera nos_. aanheffen.--Men geve mij mijn
+koorgewaden en men steke het licht in de kerk op; met de noodige
+zorg van niet te dicht bij hooi of stroo te komen; want een vonkje
+kan ons ongelukkig maken."
+
+De bevelen des kloostervoogds werden ten uitvoer gebracht: en
+korten tijd daarna liet de godvruchtige schaar, onder het kerkgewelf
+vereenigd, het heilige koorgezang aan.
+
+Nog was het gezang niet geëindigd, toen men vader Syard op eens
+zag binnentreden. Maar in stede van zijn gewone zitplaats onder zijn
+broeders te nemen, bleef hij midden in het kerkgebouw en vlak tegenover
+den Abt staan, wien hij met een blik van ongeduld aanstaarde. Wel
+wenkte hem vader Volkert, zich naar zijn plaats te begeven; maar hij
+bleef, zonder zich aan deze vermaning te storen, onbeweeglijk stand
+houden. De Abt, verwonderd en toornig, deed het gezang ophouden.
+
+"Zijt gij dronken, Broeder?" zeide hij: "_num dulci vino plenus_? of
+heeft uw gevangenschap u van uwe zinnen beroofd, dat gij u in een
+zoodanige houding vertoont en onze plechtigheden stoort? Ga naar uw
+cel en zeg de zeven boetpsalmen op, ten einde...."
+
+"Later!" zeide vader Syard, hem in de rede vallende: "nu is dit
+onmogelijk:--binnen weinige oogenblikken is de vijand hier."
+
+"De vijand, zegt gij?" herhaalde de Abt, sidderende.
+
+"Het is zooals ik u zeg. Hij landt aan de Zuidvenne. Ik bevond mij
+nog op het pad langs het meer, toen ik over de hoogte heen de masten
+zijner schepen gewaarwerd: binnen een halfuur kunnen zij hier zijn."
+
+Een schrikbarende stilte volgde op deze mededeeling des monniks: de
+verschrikte grijsaards zagen hun Abt aan, om van dezen te vernemen,
+wat er te doen viel; maar het anders zoo fleurig gelaat van vader
+Volkert was thans door de bleekheid van den angst overtogen.
+
+"Broeders!" zeide de Abt, met een bevende stem: "wie kan er raad
+schaffen?"
+
+"Ware het niet best, naar Stavoren te trekken?" vroeg de pater Prior,
+"daar zijn wij veilig voor 't oogenblik."
+
+"En ons klooster aan den vijand laten?" zeide vader Syard: "wij zijn
+geestelijken, Vader! maar wij zijn Friezen: zouden wij het voorbeeld
+geven van te vluchten?"
+
+"Maar wat wilt gij dan," hernam de Prior: "dat wij ons verdedigen,
+dat wij vechten? wij, zwakke en afgeleefde lieden?"
+
+"Neen!--maar ik begeer, dat gij niet den schrik binnen Stavoren
+verspreiden gaat.--Onze eerwaardige Abt was heden in den Raad aanwezig:
+hij weet, dat de mogelijkheid van een aanval op Sint-Odulf voorzien
+is, hoe belangrijk men dit punt beschouwde, en wat er besloten werd."
+
+"Gij hebt gelijk, dat gij mij daaraan herinnert, Broeder!" zeide
+de Abt, oprijzende; want het gevoel van zijn waardigheid en plicht
+begon bij hem de overhand te krijgen boven de vrees: "er is besloten,
+dat wij een noodsein zouden geven en den vijand zoolang ophouden,
+tot er hulp kwame. Gij hebt gelijk, broeder Syard: wij mogen ons
+heilig gesticht en de graven onzer broeders niet verlaten.--Maar,
+Broeder! ik weet niet, of u bewust is, dat onze weerbare mannen,
+tegen mijn wil, naar het leger zijn."
+
+"Zij zijn _niet_ in het leger," zeide de monnik. "Ik heb hen ontmoet,
+toen zij er naar toe wilden trekken; en hun beduid terug te keeren:
+zij zijn bezig, de voorpoort te voorzien."
+
+"Wij danken u, Broeder!--Men geve dan het sein:--twee lantarens aan
+den kerktoren."
+
+"Zij zijn reeds opgeheschen. Indien _ik_ mij nu mag vermeten eenigen
+raad te geven, zoo is het deze: dat niemand werkeloos blijve. Het
+ware een dwaasheid, pogingen aan te wenden, om den lagen muur,
+die ons erf of onze buitengebouwen omringt, te willen verweren: wij
+zouden onze verdedigers noodeloos aan een zekeren dood blootstellen
+en hun getal zonder vrucht verminderen. Alleen tot de verwering van
+het hoofdgebouw moeten onze krachten besteed worden: en daartoe kan
+ieder, hoe oud en stram ook, van nut zijn."
+
+"Zouden wij niet een poging doen, hen buiten den wal te houden?" vroeg
+broeder Agge, zijn met ijzer beslagen knods in de rondte zwaaiende.
+
+Broeder Agge was een stevige vierkante monnik, in de kracht zijns
+levens, en die liever sterkte zocht in de wijnkan dan in het gebed.
+
+"Neen Broeder!" zeide de abt: "broeder Syard heeft gelijk. Onze
+conversen zouden daar, waar het op een geregelde verdediging aan
+zou komen, niet bestand zijn tegen de geoefende krijgsknechten des
+vijands. Zij zijn niet tot kampen opgebracht, gelijk de conversen
+van Oldeklooster of Lidlum, en ik dank er God voor. Maar achter deze
+muren zullen zij, hoop ik, hun plicht weten te betrachten."
+
+"Dat zullen zij!" zeide vader Syard:--"verspreidt u nu allen, en zoekt
+alles bijeen wat dienstig zijn kan om de voorpoort te beschutten. En
+gij, Broeder Rienk! die jong en vlug zijt, klim eens even in den
+toren en breng ons bericht terug, wat de vijand in zijn schild voert."
+
+De jonge monnik snelde de drie ladders op, die hem in den toren
+brachten. De lucht was opgehelderd en de wind begon te verflauwen:
+weldra ontdekte hij een drom gewapenden, waarvan een gedeelte stand
+hield op den kruisweg, waar het pad naar Sint-Odulf met den landweg
+naar Stavoren ineenliep: een ander gedeelte kwam de landtong langs en
+recht op het klooster af. Zoodra vader Syard deze tijding ontvangen
+had, gaf hij last, de onderste der drie trapladders, die naar den
+toren leidden, weg te breken, ten einde te verhinderen, dat de vijand,
+zoo hij de kerk bemachtigde, in het klooster drong, dat met den toren
+gemeenschap had, terwijl hij tevens beval, de kerkdeur, die op een
+gaanderij in het klooster zelf opende, met versperringen te voorzien.
+
+Het voorportaal des kloosters leverde ondertusschen een schouwspel
+op, dat in andere omstandigheden kluchtig had geschenen. Al wat
+draag- of tilbaar was, hadden de monniken hier bijeengesleept, als
+moest er een verkooping van huisraad gehouden worden. Daar kwamen,
+zwoegende en zweetende, de Prior en een ander stokoude grijsaard met
+de planken van de etenstafel aanslepen: hier zag men er, die geheele
+deuren, kisten en koffers droegen: sommigen zelfs hadden de steen
+en uit den vloer en de houten beschotten der kamers uitgebroken:
+de vader Keldermeester hield, ofschoon met menige verzuchting, het
+opzicht over het ophijschen der wijnvaten, die vervolgens naar voren
+werden gerold: en met al deze materialen werd een bolwerk achter
+de voorpoort opgeworpen, bestemd om den vijand, zoo niet geheel te
+stuiten, althans zoolang op te houden, tot er hulp kwame.
+
+"Dat is wel goed, mannen," zeide vader Syard: "maar alles met beleid:
+beter wat minder spoed en dat de verschansing des te steviger zij. Waar
+is nu de vader Keukenmeester?"
+
+De monnik, naar wien hij zocht, kwam juist met een zwaren ketel
+aansjouwen.
+
+"Neen Broeder!" zeide vader Syard, "breng dien ketel maar weer
+weg: wij kunnen dien beter gebruiken. Leg maar een goed vuur op de
+binnenplaats aan en laat al de olie koken, die in 't huis te vinden
+zij. Onze jongere broeders zullen zich daarmede op de tinnen begeven
+en de ouderen zullen de vaten en ketels aandragen."
+
+Terstond haastte men zich, dit bevel ten uitvoer te brengen; maar
+nauwelijks was men daarmede bezig, toen men trompetgeschal van
+buiten vernam. De afstand zoowel als de dikte der muren belette,
+dat men de aankondiging hoorde, door den Heraut gedaan, dat Jan,
+Heer van Beaumont, Schoonhoven en Gouda, vrijen intocht eischte.
+
+Het was inderdaad Beaumont, die, met eenige schepen, reeds in
+het begin van den storm de vloot vooruit was geraakt en met het
+vallen van den nacht voor Stavoren was gekomen, van meening om naar
+Norwert te stevenen, hetwelk hij in de verte branden zag. De schuit,
+welke Zweder bevoer, was hem hier ontmoet: en terstond had hij het
+besluit genomen, aan de andere zijde bij Stavoren te landen, teneinde
+hierdoor den vijand in verwarring te brengen. Hij ontscheepte dan
+werkelijk zijn volk aan de Zuidvenne; dus noemde men een stuk gronds
+van eenige uitgestrektheid, landwaarts en ten zuiden van de landtong
+van Sint-Odulf gelegen. De bende, die hij bij zich had, was echter
+geen duizend man sterk: en de onmogelijkheid inziende om daarmede
+in het binnenland te trekken, waar hij niet wist, welk onthaal hem
+te wachten stond, besloot hij, op Sint-Odulf aan te rukken, het te
+bemachtigen en daar de komst der overige schepen te verbeiden. Den
+dijk langs getrokken zijnde, ging hij aan het hoofd van vierhonderd
+man op het klooster af, het overige gedeelte zijner benden, gelijk
+wij reeds gezegd hebben, aan den driesprong latende, waar zich de
+weg naar Stavoren en naar het klooster vereenigde, om te voorkomen,
+dat de vijand hem in den rug aanviel.
+
+"Er komt nog geen antwoord, mijn Heer!" zeide de Heraut, nadat hij
+tweemalen vruchteloos geblazen had: "het schijnt, dat de broeders
+het klooster verlaten hebben."
+
+"Misschien wel liggen zij bezopen in hun cellen," zeide de Heer
+van Spangen: "bij Sint-Japik! ik wou, dat zij antwoordden; want wij
+hebben op dat hagelsche schip te lang koude geleden, om hier nog te
+staan blauwbekken."
+
+"Wij zullen," zeide Beaumont, "die opeisching aan de poort van het
+klooster zelf dienen te doen: het schijnt, dat wij hier te ver zijn
+om gehoord te worden."
+
+Terstond werden er op zijn bevel planken over de sloot geslagen:
+een paar krijgsknechten hakten het buitenpoortje open; terwijl een
+ander gedeelte over den muur klom: welhaast stond de geheele macht
+van Beaumont op het beslotene erf, waar nu de opeisching herhaald en
+evenzeer door een diepe stilte gevolgd werd.
+
+Terstond liet Beaumont eenige krijgsknechten aantreden en gaf hun
+last zich met geweld een ingang te banen. Spoedig werden er eenige
+bijlen geheven; maar de planken der eikehouten deur waren zoo dik en
+zoo dicht met nagels en spijkers beslagen, dat de slagen, welke er
+op gegeven werden, haar minder nadeel deden, dan aan de werktuigen,
+tot hare verbrijzeling gebezigd.
+
+"Laat de deur opengeramd worden!" zeide Beaumont: "op deze wijze
+houdt zij ons te lang op."
+
+Twee masten, welke men van boord had medegenomen, werden hierop in
+den grond gestoken, zoo, dat de toppen elkander kruisten: en aan
+dat in der haast opgeslagen werktuig, werd een derde mast in een
+horizontale richting gehangen om tot stormram te dienen. Maar hoe
+men ook bonsde en rammeide, de deur week niet van haar plaats; want
+de massa, die er achter tegen aangebracht was, deed alle pogingen om
+haar te verwrikken te loor gaan.
+
+Intusschen was Zweder met eenige krijgsknechten, op last van
+Beaumont, het klooster rondgegaan om te ontdekken, of er ook een
+andere gelegenheid was om binnen te komen. Weldra waren zij aan de
+kerk gekomen, waarvan zij de ramen beklommen en openbraken en alzoo
+weldra binnen waren; maar spoedig zagen zij in, dat zij hierdoor nog
+slechts weinig gevorderd waren; want ook de deur, welke de kerk van
+het klooster scheidde, bood weerstand aan hunne slagen.
+
+"Mij dunkt," zeide Spangen tegen Beaumont, nadat zij eenigen tijd
+vruchteloos op de uitwerking van zijn stormram gewacht hadden,--"zoo
+deze deur proef houdt tegen ijzer en hout, moesten wij zien, of zij
+ook tegen het vuur bestand is."
+
+Dit voorstel was uitmuntend; maar de uitvoering bleek aan groote
+zwarigheden onderhevig te zijn: want al het hout of andere
+brandstoffen, die men er tegen aan stapelde, waren zoo vochtig,
+dat men de hoop moest opgeven, die aan brand te krijgen.
+
+Niettegenstaande het mislukken van zoovele pogingen gaven de aanvallers
+den moed niet op: Beaumont sloeg zelf de hand aan het werk, en een
+ijzeren koevoet tusschen de deur en het metselwerk daaromheen hebbende
+weten in te werken, liet hij niet af, voordat hij eenige steenen uit de
+muur gebroken had; maar nauwelijks hadden de werklieden hem vervangen
+om van deze breuk gebruik te maken en de opening te vergrooten,
+of het grootste gedeelte stoof schreeuwend terug. Vader Syard, die,
+plat in de goot liggende, al de bewegingen der belegeraars gadesloeg,
+had het gezette sein gegeven, en eenige ketels kokende olie werden
+door de monniken, die nevens hem op den buik lagen, op de hoofden
+der werklieden uitgestort.
+
+"Ha!" zeide Beaumont: "men begint zich daarboven te bewegen.--Staakt
+dit spel!" riep hij, opwaarts ziende: "en geeft u over. Alle weerstand
+ware ijdel. Ontsluit de poorten, of wij zullen u uitbranden als men
+een wespennest doet."
+
+Een tegelsteen, die op zijn voorhoofd gemikt was, maar gelukkig
+slechts op zijn helmvizier aan stukken sprong, was het eenige antwoord,
+dat hij bekwam.
+
+"Welnu!" zeide hij: "zoo het niet anders wil, is het tevergeefs met
+u geredeneerd;--doet uw plicht arbeiders! en mijn Heer van Spangen,
+wees zoo goed aan de boogschutters last te geven, dat zij die daken
+schoonhouden."
+
+De arbeiders naderden opnieuw de poort; maar deze reis hadden zij
+de voorzorg gebruikt van een nat zeil over hun hoofden te spannen,
+zoodat hun de olie geen hinder kon doen. Vader Syard, die overal het
+oog op had, bespeurde weldra, dat het niet lang duren zoude, of zij
+hadden zich van den ingang meestergemaakt. Intusschen snorden hem de
+pijlen om de ooren; maar, dewijl de monniken meestal plat neerlagen
+en door de vooruitspringende lijst van het gebouw gedekt waren,
+konden die hun weinig of geen hinder aanbrengen.
+
+"Wij kunnen hier geen goed meer doen," zeide hij: "alle man naar
+beneden en de poort verdedigd!"
+
+Op dit oogenblik kwam een monnik vervaard over den zolder aangeloopen:
+"de kerk staat in brand!" riep hij: "en de Hollanders zijn bezig het
+dak te beklimmen."
+
+Beide was waar! Zweder, ziende dat de kerkdeur hun weerstand bood,
+had den, aan de eene zijde der kerk verzamelden, voorraad stroo en
+graangewas tegen de deur doen stapelen en dien hoop aangestoken,
+zoodat eerst de deur en vervolgens de daarachter geplaatste meubelen
+weldra in brand geraakten;--maar daarmede was de zwarigheid nog niet
+overwonnen; want nu bevonden zich Zweder en zijn makkers voor een
+muur van gloed, die eerst omvergehaald en opgeruimd moest worden,
+alvorens men verder door kon dringen. Terwijl dit binnen het kerkgebouw
+geschiedde, hadden eenige soldaten de masten, welke tot den stormram
+gediend hadden, daarbuiten tegen den muur geplaatst. Tweee hunner
+waren met touwladders daartegen opgeklommen en op deze wijze was er
+spoedig eenig volk op de lijst van het kerkdak, toen de Abt zelf hen
+daar met eenige zijner kloekste broeders te gemoet kwam, met houten
+knodsen, sommigen met keukengereedschap gewapend.
+
+"Gij loopt verkeerd, vrienden!" zeide vader Volkert, terwijl hij
+een der beklimmers een slag op de hersenen gaf, dat hij van het dak
+rolde. "Terug! zeg ik! Hier, Broeders! werpt mij alle man van het
+dak! Snijdt die touwladders los!--en gij, broeder Guardiaan! zeg,
+dat men nog meer broeders zende om ons te helpen."
+
+"Al de anderen zijn beneden," antwoordde de monnik, "en helpen broeder
+Syard de voorpoort beschutten."
+
+"Goed zoo!--zuivert mij het dak van ongedierte. Werpt hen naar beneden,
+die spreeuwen, die hier ongevraagd komen nestelen. Houwt er op in,
+Broeders! vreest niet voor het aantal. Een daar binnen in zoo goed
+als tien daar buiten."
+
+Terwijl de Abt, wiens moed met het gevaar scheen te groeien, zich
+aldus dapper weerde, was vader Syard met een aantal broeders naar
+het voorportaal gesneld. De deur was eindelijk uit haar hengsels
+gelicht, en de krijgsknechten van Beaumont waren nu bezig, de
+daarachter geworpen verschansing weg te ruimen, eene bezigheid,
+die wel langzaam in het werk ging, maar die Vader Syard wel inzag,
+dat hun eindelijk gelukken zoude. Ton en waschvat, tafel en kuip,
+werden stuk voor stuk omvergehaald: en daar begon reeds van boven
+een opening te ontstaan, zoo groot, dat de monniken de hooge helmen
+der belegeraars in 't gezicht kregen, toen men op eens de arbeiders
+in hun werk verflauwen zag en er in de verte een gerucht ontstond,
+dat, nu de hamerslagen zoo fel niet meer vielen, ook van binnen door
+de kloosterlingen gehoord werd.
+
+"Houdt moed! Broeders!" riep vader Syard:--"er daagt redding op!--Onze
+vrienden zijn aan den gang met de Hollanders!"
+
+Het was inderdaad zoo: het sein op den toren was zoowel te Stavoren
+als in het Friesche leger bespeurd: verspieders, hier en daar achter de
+heggen verspreid, hadden reeds de Friesche legerhoofden met de geringe
+sterkte der Hollandsche landingstroepen bekend gemaakt: een aantal
+boogschutters en slingeraars, voorzichtig achter de aarden wallen en
+struiken voortkruipende, was de bij den kruisweg staande krijgsknechten
+ongemerkt genaderd en begroette hen nu op eenmaal met een hagelbui
+van pijlen en steenen. Te gelijk daagden de welgewapende Lidlummer
+monniken en conversen op, met hun Abt aan 't hoofd, door Martena
+afgezonden, die nu op de Hollanders aanvielen in hetzelfde oogenblik,
+dat deze door de afgeschoten pijlen in verwarring waren gebracht.
+
+Beaumont had zoodra niet bespeurd, dat men aan den viersprong slaags
+was, of hij snelde in persoon derwaarts, aan den Heer van Spangen de
+zorg overlatende om het klooster te bedwingen. Zijn voornemen was,
+om, indien hij den vijand niet terug kon dringen, zijn gansche
+macht op de landtong samen te trekken, welke hij overtuigd was,
+met goed gevolg te kunnen verdedigen tegen een veel grootere macht
+dan de zijne: althans tot zoolang het overige gedeelte van het
+leger geland ware. Maar nauwelijks was hij bij de vechtenden, of
+hij bemerkte, dat het gevaar grooter was, dan hij dacht. Hij vond
+zijn volgers in verwarring gestort door den onverwachten aanval,
+en onzeker, hoe zich in slagorde te stellen, dewijl er van elken
+kant vijanden aanrukten. Pijl noch slingertuig was den Hollander van
+nut; want de vijand, door de duisternis begunstigd, was hem reeds op
+het lijf gevallen eer hij zich daarvan bedienen kon: en de te paard
+zittende Ridders en speermannen, tusschen het voetvolk ingedrongen,
+waren ternauwernood in staat om zich te bewegen en van hun wapenen
+een goed gebruik te maken: terwijl zij zelven, buiten de hoofden
+uitstekende, tot een des te wisser merk strekten voor de Friesche
+boogschutters. Wel waren eenige ruiters en voetknechten het land
+opgerukt om deze laatsten uit hunne schuilhoeken te verdrijven; maar
+de weekheid van den grond, welke langs het meer, gelijk wij zeiden,
+moerassig was, de menigvuldige slooten en dijkjes, welke zij gedurig
+ontmoetten, maakten hun weldra zoowel het voortgaan als den terugtocht
+even moeilijk: en bleven zij op de landpaden, daar zagen zij zich
+dadelijk van alle zijden bestookt door de vijanden, die òf hun te
+gemoet kwamen, òf van achter hunne hinderlagen te voorschijn sprongen.
+
+De komst van Beaumont, die nu, onder het uitgalmen van zijn
+oorlogsschreeuw, langs de zijnen heen en weder reed, deed voor een
+oogenblik hun moed herleven. Voorziende, dat alles verloren zou zijn,
+tenware men zich in geregelde slagorde vormde, liet hij het sein
+der herzameling blazen, met het oogmerk om naar de landtong terug te
+trekken. Men voldeed terstond aan het bevelteeken; maar nauwelijks
+was een klein gedeelte van zijn volk de landtong opgerukt, of hij
+zag zich den weg afsnijden door een nieuwe bende, die, door Aylva in
+persoon aangevoerd, met een paar schuiten uit de haven van Stavoren
+aangekomen, en halverwege de landtong geland was. Nu was het, gelijk
+Vondel zich uitdrukt:
+
+
+ Nu was het, elck voor zich: een ieder bergh zijn leven.
+
+
+Een algemeene schrik had de Hollanders bevangen, die, overal
+niets dan vijanden ziende, zonder naar de bevelen van Beaumont,
+die hen hereenigen wilde, te luisteren, op de vlucht togen en zich
+naar den zeekant spoedden, ten einde hunne vaartuigen weder te
+bereiken. Vruchteloos waren de bedreigingen en smeekingen van hun
+legerhoofd, die in weerwil van zich zelven zich door den drang der
+menigte genoodzaakt zag, van de landtong te wijken, en in de vlucht
+werd medegesleept. Een groot deel der Friezen vervolgde de Hollanders,
+een groote slachting onder hen aanrichtende: de Abt van Lidlum echter
+voegde zich met eenigen der zijnen bij Aylva om met hem het klooster
+te helpen herwinnen, waarvan zij vreesden dat zich de vijand reeds
+meester had gemaakt.
+
+Wat Beaumont betrof, hij was met de zijnen de landingsplaats reeds
+genaderd; maar wie schildert de verslagenheid, die zijne, nu radelooze,
+volgers beving, toen de morgenschemering, die langzamerhand begon aan
+te breken, hun deed zien, dat de schepen, waarin zij hunne eenige
+toevlucht stelden, met de ebbe waren van wal gedreven en alle kans
+om te ontkomen voorbij was.
+
+
+
+
+
+VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Le flux les apporta; le reflux les remporte.
+
+ Corneille, le Cid.
+
+
+Terwijl dit alles in den omtrek van Sint-Odulf plaats had, was Reinout,
+gelijk wij hierboven vermeld hebben, aan Martena het bericht gaan
+geven, waarmede Adeelen hem belast had, en van daar over Warns
+naar Gaasterland gereden, om die zelfde tijding aan Helbada te
+brengen. Terwijl hij heendraafde over den kronkelenden zandweg,
+die van het genoemde dorpje naar Rys geleidt, was het hem meer dan
+eens voorgekomen, alsof er, behalve Daamke, die achter hem reed, nog
+iemand was, die hem volgde, die stilhield, wanneer hij stilhield,
+en zich weder in beweging stelde, zoodra hij voortging. Hoe moedig
+Reinout ook ware, zijn landaard, de eenzaamheid van den weg en de
+onbekendheid met het land waren zoovele redenen, geschikt om hem
+bijgeloovig en ongerust te maken. Hij kortte eindelijk den teugel, en,
+zich tot Daamke wendende, die hetzelfde deed: "hoor Daamke!" zeide hij:
+"er is iemand achter ons."
+
+"Achter ons!" riep de vreesachtige dienaar, die reeds weinig zin had
+in deze nachtelijke onderneming: "en wie zou dat wezen?"
+
+"Ik weet het niet; maar het is juist, alsof ik behalve door u,
+door nog een ruiter gevolgd worde, die een kreupel paard berijdt,
+en desniettegenstaande altijd gelijken tred met ons houdt."
+
+"Een kreupel paard! o wee! dat is de Booze," dacht onze voormalige nar.
+
+"Weet gij wat Daamke!" vervolgde Reinout: "rijd gij eens vooruit:
+dan zal ik volgen, en zoo de onbekende ons weer op de hielen durft
+blijven, geest of man, ik zal hem den schedel splijten."
+
+"Ik vooruitrijden!" riep Daamke, wien het denkbeeld alleen over het
+geheele lijf deed sidderen: "dat ware immers met alle betamelijkheid
+strijdig."
+
+"Ik wil het zoo!" zeide Reinout, op een strengen toon: "en ik zweer u,
+dat ik u den kop insla, zoo gij eenig blijk van lafhartigheid geeft."
+
+"In Gods naam dan!" zeide de ontstelde knaap: en de orde van den tocht
+omkeerende, reed nu de dienaar voor den Heer; maar nauwelijks waren
+zij weder een eind wegs gevorderd, of Reinout hoorde hetgeen hij
+een kreupel paard achtte te zijn, niet meer achter, maar voor zich
+uit. Een huivering overviel hem; maar hij vermande zich en besloot
+wijselijk te onderzoeken wat het ware: hij gaf zijn ros de sporen;
+en zoodra hij naast zijn dienaar kwam, klonk het vreemde geklots hem
+dicht aan zijn oor. In hetzelfde oogenblik ontdekte hij, hoe dwaas en
+buitensporig zijn bijgeloovige angst geweest was. Hetgeen hij voor een
+hem vervolgenden ruiter hield, was de tooverkast van meester Barbanera,
+welke op Daamkes rug hing, en onder 't rijden op en neder wippende,
+juist het ongelijke geluid maakte, hetwelk hij voor het trappelen
+der hoeven van een kreupel paard had gehouden.
+
+Zijn eerste beweging was een schaterend gelach; zijn tweede, een
+beweging van ongenoegen en gramschap.
+
+"Wie heeft u, dubbele ezel," vroeg hij, "verlof gegeven, zulk
+een kast op uw nek mede te nemen, wanneer gij de eer hebt, mij te
+vergezellen? Wilt gij, dat men mij voor een kokeler aanzie?"
+
+"Laat uwe Edelheid niet toornig op mij zijn," antwoordde Daamke,
+terwijl hij, voor slagen beducht, geheel achter het onderwerp van het
+gesprek wegschool. "Er zijn zeer goede redenen, waarvoor ik die kast
+medeneem: vooreerst heeft die mij eens het leven gered, toen wij door
+de Hollandsche voorposten vloden, waar mijn arme Cesar bij omkwam,
+het goede beest, zooals uwe Edelheid weet, dat...."
+
+"Ik weet alleen, dat gij een bloode schobberd zijt," zeide Reinout:
+"en dat u die kast niet beveiligen zal tegen een goede dracht slagen,
+welke ik u zal toetellen zoodra ik er den tijd toe vinde."
+
+"Dan wensch ik, dat uwe Edelheid nog lang de handen vol
+moge hebben.--Ten tweede: er is immers een bevel bij het leger
+uitgevaardigd, dat ieder strijder zich achter 't een of ander verbergen
+moet, om niet gezien te worden, ten einde...."
+
+"En dat bevel wilt gij zoo nauwkeurig nakomen, dat gij in uw kast
+zult kruipen, om er niet uit te komen, dan als de slag voorbij is,
+nietwaar?"
+
+"Niet in de kast, maar daarachter, heer Ridder!--en dan bovendien,
+ten derde, zullen er geen gewonden zijn? en bevat deze kast niet
+de gansche nalatenschap van Barbanera? (God hebbe zijn ziel; want
+het gerucht loopt, dat hij van honger is omgekomen;) namelijk: een
+uitgelezen schat van poeders, pillen, zalven, tincturen, talismans en
+wat dies meer zij, waar ik mijn medemensen mede van dienst kan zijn,
+tegen een kleine belooning, als vanzelf spreekt."
+
+Reinout kon niet nalaten te lachen over de kluchtige verdediging van
+zijn dienaar, en over de vrees, die, met speculatiezucht vereenigd,
+hem de voorzorg had doen nemen van zich met een meubel te belasten,
+dat aan anderen in gelijke omstandigheden tot hindernis zou gestrekt
+hebben. Hij maakte dan ook geene verdere aanmerkingen: maar zijn
+paard, dat hij gedurende het gesprek had laten stappen, wederom in
+den draf zettende, kwam hij weldra aan den ingang van het bosch, waar
+hij begreep de manschappen van Helbada te zullen vinden. Hier stond
+hij stil en blies op den hoorn, die om zijn hals hing. Terstond zag
+hij overal zwaarden en bijlen schitteren en van achter al de struiken
+en struweelen kwamen menschengedaanten te voorschijn, welke echter,
+zoodra hij zich bekend maakte, weder verdwenen. Een hunner intusschen
+verzocht hij, hem naar Helbada te geleiden, dien hij te Rys vond,
+bezig een zijner verspieders te ondervragen, die hem bericht bracht,
+dat de Hollanders op de Zuidvenne bij Sint-Odulf geland waren.
+
+"Gij komt mij zeker uitnoodigen, om derwaarts te trekken,
+Jonker!" zeide Helbada, zoodra hij Reinout zag.
+
+"Integendeel!" antwoordde deze: "Adeelen laat u smeeken, u niet van
+uw post te verwijderen, eer de nood zulks eischt. Hij vreest een
+landing aan de Lemmer of aan deze zijde der kust."
+
+"Moge de Hemel mij mijn vurigsten wensch ontzeggen en mij beletten
+den moord mijns zoons op Worp Ropta te wreken, indien ik hier
+als een onnut meubel blijf suffen, gelijk een verroest zwaard,
+dat nergens toe deugt.--Neen! by alle duivels!" vervolgde Helbada,
+op de tanden knarsende en op het gevest van zijn slagzwaard slaande;
+"ik wil mij hier niet staan te verkniezen, en al de eer van den strijd
+anderen gunnen. Hier! Else! Wopko! zeg terstond dat een ieder zich
+vaardig make."
+
+Vruchteloos waren de pogingen, welke Reinout aanwendde, om den
+stijfzinnigen, naar den strijd hakenden Fries van zijn voornemen te
+doen afzien. Al wat hij verkrijgen kon was, dat Helbada den morgen,
+die niet verre was, alsmede de nadere tijdingen, die hij uit de Lemmer
+wachtte, zou verbeiden, en zich verzekeren, dat er aan die zijde geen
+landing te vreezen ware, eer hij op Zuidvenne aantrok.
+
+Na een korte rust aan zijn paard gegund te hebben, keerde Reinout met
+zijn dienaar terug, doch nu den kortsten weg naar Stavoren, langs
+den zeekant nemende. Hij deed zulks, in de verwachting, te zullen
+zien hoe de zaken bij Sint-Odulf stonden, en daarvan kondschap aan
+Adeelen te kunnen geven. Misschien zullen sommigen onzer lezers zich
+verwonderen, dat Reinout, wiens moed niet in twijfel kon getrokken
+worden, het zich had laten welgevallen, de rol van boodschapper voor
+lief te nemen. Maar de waarheid is, dat hij zelf daarom verzocht
+had. Een inwendige tegenzin deed hem huiveren tegen het oogenblik,
+waarop hij met zijn voormalige vrienden zou slaags raken, en dat
+oogenblik wilde hij hoe langer hoe liever uitstellen. Bovendien was
+zijn gansche ziel nog te zeer vervuld met het gebeurde van den dag,
+dan dat hij het van zich zoude hebben kunnen verkrijgen, rustig en
+bedaard achter een hegge of kade de komst des vijands te verwachten,
+gelijk de andere Friezen deden, wier anders zoo onstuimige zielen door
+de zekerheid der overwinning (die allen bezielde) in staat gesteld
+waren met een ijskoude kalmte het uur van treffen af te wachten. Hij
+haakte alleen naar verandering van plaats en van tooneel: en welkom
+was hem dus elke gelegenheid, die zulks verschafte.
+
+De lucht was nu eenigszins helderder geworden; maar de weg, die hier
+bovendien weinig bereden werd, was door de regenplassen van den vorigen
+nacht schier onbruikbaar geworden, zoodat de Ridder, van de vermoeide
+rossen niet te veel willende vergen, stappende voortging. Verre
+vooruit, achter de torens van Stavoren, die er donker tegen uit kwamen,
+verhieven zich nog nu en dan hooge vlammen en dikke rookkolommen uit
+het brandende Norwert; maar een ander schouwspel, dat dichterbij
+zich in de richting van Sint-Odulf vertoonde, boeide de aandacht
+des ruiters nog sterker. Het scheen hem toe, alsof het klooster in
+wolken smooks gehuld was, waaruit nu en dan vlammende vonken vlogen;
+en hoe meer zij naderden, hoe meer zij de overtuiging verkregen,
+dat zij een krijgsrumoer hoorden, hetwelk al gedurig dichterbij kwam.
+
+Het begon nu meer en meer te dagen: en Reinout zag met genoegen,
+dat hij niet verre meer was van een heuvel, van wiens hoogte hij
+zich een ruim uitzicht over het slagveld beloofde, toen Daamke hem
+met een bevende stem opmerkzaam maakte op eenige menschengedaanten,
+welke zich aan den voet dier hoogte schenen te bewegen.
+
+"Zouden wij niet terugkeeren, Ridder! en bij Helbada hulp vragen? Die
+lieden daar hebben ongetwijfeld niets goeds in den zin."
+
+"Wij zullen ons eerst verzekeren, of het vrienden of vijanden zijn,"
+zeide Reinout, en zijn hoorn nemende, blies hij het herkenningsteeken,
+hetwelk terstond vóór hem uit werd beantwoord.--"Het zijn
+Friezen!" zeide hij: "er valt niets te duchten:" en vooruitrijdende
+met zooveel spoed als de slechte weg toeliet, was hij in weinige
+oogenblikken aan den voet des heuvels.
+
+"Hoe staan de zaken?" riep hij een zwaargewapenden krijgsman toe,
+die op de helling der hoogte stond.
+
+"Aha! zoo! zijt gij het, Jonker van Aylva?" vroeg de man, tot wien
+hij zijne toespraak richtte: "eilieve stijg eens af! ik zal u een
+schouwspel laten zien, dat geschikt is, aller hart te verheugen."
+
+"Ik kom bij u," zeide Reinout, den Abt van Bloemkamp herkennende: "maar
+ik kan niet lang blijven. Adeelen wacht mij terug."--Dit zeggende,
+steeg hij en Daamke met hem van hunne paarden, welke laatstgenoemde
+aan een paal bond, en beklommen zij den heuvel. Niet zonder bevreemding
+bemerkte Reinout, dat de oppervlakte daarvan geheel overtogen was met
+een grauwe korst, naar welker bestanddeelen hij vruchteloos giste;
+maar zijn verwondering steeg ten top, toen hij zag dat die korst zich
+bewoog als een reusachtige mierenhoop.
+
+"Wat gebeurt daar?" vroeg hij aan den Abt, naar boven wijzende.
+
+"Gij zult het wel zien," zeide deze: "maar één ding moet ik u zeggen:
+gij kunt nu onmogelijk verder:--al het volk tusschen hier en Stavoren
+is op de been: en gij zoudt al zoo goed kunnen ondernemen, de markt
+te Bolswart op en neer te draven wanneer het kermis is, als u door
+gindsche menigte een weg te banen. Volg mij maar: gij zult hier ook
+gelegenheid vinden om een goede beweging te nemen!"
+
+Reinout volgde den krijgshaftigen kloostervoogd den heuvel op, en werd
+nu onder het naderen gewaar, dat hetgeen hij voor een zwarte korst had
+aangezien niets anders was dan een bende monniken in hun ordegewaad,
+welke over de geheele hoogte verspreid lag. Op den top gekomen, stond
+hij stil en zag met diepe belangstelling naar de zijde van Sint-Odulf,
+waar de Abt hem heen wees.
+
+De plaats, waar zij stonden, welke Reinout zich nu herinnerde
+nogmaals bezocht te hebben, was geene andere dan het in de Friesche
+geschiedenissen zoo beroemde Roode Klif. De gestadig invretende
+golf, die voornamelijk sedert het aanleggen van den zeedijk deze
+natuurlijke zeewering met verdubbelde woede ondermijnt, heeft haar
+tegenwoordig ten halve afgeslagen, zoodat zij zich thans voordoet als
+een klein voorgebergte, steil aan den zeekant en aan de binnenzijde
+meer glooiend afloopende. Maar in den tijd, waarin onze geschiedenis
+voorviel, was nog het Roode Klif een heuvel, volkomen gelijk aan
+die, welke zich in den omtrek bevinden, alleen met dit onderscheid,
+dat hij boven al de overige uitstak en derhalve van zijn top een
+prachtig panorama opleverde over de omliggende landstreek en de
+wateren der Zuiderzee. Zijn zuidelijke helling, wier voet de golven
+bespoelden, stak bijna even verre in zee uit als de landtong van
+Sint-Odulf, die een halfuur gaans vandaar gelegen was. Tusschen deze
+beide vooruitspringende punten en den zomerdijk, die beide aan de
+landzijde vereenigde, lag het lage, onvruchtbare strand bloot, hier
+en daar met helm en duinplanten begroeid, en slechts enkele terpjes
+of verhevenheden bevattende, welke tot een schrale weide verstrekten
+voor de kudden van diegenen uit den omtrek, die niet rijk genoeg
+waren om zelf eenigen grond te bezitten en zich aldus vergenoegen
+moesten, hun vee aldaar op het domein van 't algemeen te laten grazen:
+een voorrecht, dat niet vrij van gevaren en tegenspoeden was: want
+ofschoon het zeewater, wanneer het bij gewonen vloed den geheelen
+zandigen oever bedekte, de genoemde terpjes doorgaans vrijliet,
+gebeurde het niet zelden, wanneer de wind op de kust stond, dat ook
+die verhevenheden overstroomd werden en het daarop weidende vee,
+indien het niet tijdig landwaarts opgedreven was, door het geweld der
+golven werd weggesleept. Thans echter had men, zoowel uit vrees voor
+de vijanden als om den storm, de kudden binnengehaald: en, daar het
+water was afgeloopen, vertoonde zich de gansche ruimte tusschen den
+hierboven genoemden omtrek geheel droog, uitgezonderd eenige kuilen en
+diepten, waar het zeenat altijd in staan bleef, en ettelijke plassen,
+door den regen gevormd. Het was op den bovengenoemden zomerdijk,
+die mede tot landweg langs de kust diende, dat zich ongeveer op een
+kwartieruurs afstand een verwarde klomp menschen vertoonde, en zich
+een krijgsgedruisch hooren liet, oorverdoovend als het golfgeklots
+bij den storm.
+
+"Gij ziet het," zeide de Abt, zich de handen wrijvende: "zij zijn
+ingesloten, en niets is in staat hen te redden. Hun schepen, die ginds
+machteloos tegen de ebbe liggen te worstelen, kunnen hen niet opnemen:
+willen zij naar de landtong keeren, daar wachten hen de Lidlummers:
+pogen zij landwaarts in te dringen, het leger van Martena is opgerukt
+en bezet al de passen: dalen zij af naar het strand, daar worden zij
+door de overmacht verplet en tot den laatsten man toe afgemaakt,
+als een troep reebokken, die in een wildbaan gejaagd zijn: en die
+aan het staal ontkomen, verzuipen zoodra de vloed komt opzetten."
+
+Reinout sidderde; maar gaf geen antwoord: het begon nu helder dag
+te worden, en hij zag duidelijk de Hollanders al vluchtende naderbij
+komen, door hun grimmige vervolgers van alle zijden bestookt. Reeds
+begon hij die banieren te onderscheiden, welke hij zoo vaak op
+het pad der overwinning verzeld had, en het denkbeeld, dat die nu
+moesten wijken voor een saamgeraapten, ongeordenden hoop monniken
+en boeren, deed een kille huivering in zijn boezem ontstaan. Hij
+begon ijverig na te denken over den toestand, waarin hij zich bevond:
+gedwongen te strijden tegen hen, met wie hij voorheen zoo dikwijls de
+lauweren des zegepraals had geplukt, of, wat nog erger was, een koel
+aanschouwer te blijven van de slachting, onder hen aangericht. Het
+is waar, ook voor Utrechts wallen had hij de Hollanders bevochten;
+maar toen was zijn gemoed door zoovele hartstochten geslingerd en
+in zulk een staat van spanning, dat hij, onbekwaam tot nadenken,
+als in een gestadigen roes had geleefd. Thans echter was zijn
+gemoedsgesteldheid veranderd: hij was tot zich zelven teruggekeerd;
+hij had zijn vriend hervonden. Geen bloedschuld drukte hem langer:
+en zoo streelend was hem het denkbeeld aan die verzoening, dat zelfs
+de gedachte aan Madzy, aan het voorwerp der dolzinnige liefde, die
+hem schuldig had gemaakt, daarbij op den achtergrond stond. Was het
+wonder, dat onder zulke omstandigheden, hem de gedachte onduldbaar
+toescheen, zich met die Friezen, waarvoor hij geene neiging gevoelde,
+voor dat land, in hetwelk hij zich nog vreemdeling vond, het zwaard
+te moeten ontblooten tegen zijn voormalige wapenbroeders, ja den
+moord te aanschouwen van weerlooze vluchtelingen? o! hoe ongelukkig
+gevoelde hij zich niet! Hoe gaarne had hij de partij, aan welke hij
+thans verbonden was, willen verlaten en zich weder voegen bij hen,
+met wie hij vroeger de gevaren des oorlogs had doorgestaan! Maar ook
+deze, dit gevoelde hij, zouden den dubbelen overlooper met verachting
+terugwijzen! En wat zou het hem baten, al ontvingen zij hem in hun
+gelederen? Hij kon hen niet redden, en niets zou hem overschieten,
+dan de treurige eer, van met hen te mogen sterven.
+
+"Hoe nu!" zeide de Bloemkamper, hem vrij onzacht op den schouder
+kloppende: "hoe staat gij daar zooals een druiloor? Ginds komen zij
+aan. Houd u nu als een kerel en toon, dat gij werkelijk een Aylva
+zijt en het goed met Friesland meent, of, bij O. L. Vrouwe! ik sla
+u den kop in."
+
+Deze zoogenaamde opwekkende toespraak was op haar zelve niet beleefd;
+maar aan Reinout klonk zij dubbel onwelkom in de ooren: zij verschilde
+zoo hemelsbreed van die hartelijke, echt ridderlijke aansporingen,
+waarmede zijn leermeester in de krijgskunst, de edele Beaumont, gewoon
+was, de jeugdige strijders aan te moedigen. Hij weerhield dan ook met
+moeite de uitdrukking van gramschap, die gereed was hem te ontvallen,
+ter beantwoording van het onbescheid des monniks; en de armen over
+elkander slaande, bleef hij zwijgend staroogen op de aansnellende
+krijgsdrommen. Opeens werd zijn gelaat bleek als een doek en hij gaf
+een kreet van ontroering.
+
+"Mijn God!" riep hij, zich voor 't hoofd slaande: "het is de banier
+van Beaumont!"
+
+"Beaumont!" herhaalde de Abt, met verrukking: "is dat niet 's Graven
+oom, die Henegouwer, daar Adeelen tegen kampte? Hoe jammer, dat deze
+niet hier is, om eens te zien, hoe wij hem wreken zullen."
+
+"Monnik!" zeide Reinout, zich niet langer kunnende bedwingen: "ik
+zweer u, wee hem, die den grijzen Ridder een haar deert. Neem hem
+gevangen: hij kan u een goeden losprijs betalen: en uw altaar zal
+blinken van gouden en zilveren vaten. Hij kan ons niet ontkomen,
+en zal zich wel moeten overgeven."
+
+"Neen!" zeide de Abt, met een boozen lach: "ontkomen kan hij
+niet, zoomin als een der zijnen. Zij zullen allen vallen en
+na hun dood op het strand blijven rotten, totdat de vloed hen
+wegslaat of de vogels des hemels hen komen opvreten. Zie eens! daar
+vergaderen zich de arenden reeds, om hun aandeel van den buit te
+verkrijgen. Komt! Broeders! zij willen dezen weg uit; maar, bij mijn
+Heiligen Patroon, wij zullen hun den doortocht sluiten. Op! elk en
+een iegelijk!" en tevens sloeg hij met zijn strijdbijl op een schild,
+dat naast hem lag. Dadelijk rezen al de monniken en conversen op, en
+begaven zich naar het punt, waar de dijk of landweg over de helling
+des heuvels heenliep. Hier hadden zij te voren een versperring gemaakt,
+welke zij nu nog met een aantal zware keien, hoedanige te dier plaatse
+in menigte te vinden waren, alsook met huisraad, dat door de vrouwen
+der naburige woningen gewillig werd aangebracht, voorzagen.
+
+"Zoo vriend!" zeide de Abt tegen Daamke, die op zijn kast nabij de
+paarden zat; "brengt gij ook wat mede om den weg te stoppen?"
+
+"Dat daar?" zeide Daamke: "neen! dat is een medicijnkist, om...."
+
+"Wij hebben nu geen medicijnen van doen," zeide de Abt: "en uw kast
+kan ons best te pas komen: plak die maar mede tegen de borstwering
+aan," en onder het uiten dezer woorden gaf hij met zijn bijl een zoo
+geduchten slag op de kast, dat de verschrikte Daamke zich spoedde om
+te voldoen aan een bevel, dat op een zoo nadrukkelijke wijze gegeven
+werd. Hij bracht de kast bij de overige meubelen en plaatste die op
+de hem voorgeschrevene wijze: terwijl hij echter zorgde, dat hij zich
+niet meer verwijderde dan noodig was, en zijn schat voortdurend in
+'t oog bleef houden.
+
+Slechts een vierde gedeelte van de zeshonderd man, die aan den
+viersprong gestaan hadden, was nog overig, toen het met zijn
+aanvoerder op een boogscheuts afstands van de versperring genaderd
+was. Al de overigen waren òf bij den eersten aanval gesneuveld,
+òf lagen zieltogende langs den weg. Wat de overgeblevenen betrof,
+dezen waren meest Ridders, knapen of geharnaste speermannen, die
+hun leven te danken hadden aan hun wapenrustingen, waarop de pijlen
+afstuitten. Bijna allen hadden hun paarden verloren, en de meesten
+waren met wonden en kneuzingen bedekt; maar sedert het dag was
+geworden, hadden zij zich weder in staat gezien, zich in gelederen te
+stellen en een dichtgesloten klomp te vormen, die niet gemakkelijk te
+verbreken was. Hun vijanden bleven hen met verbittering najagen; doch
+waren op dit oogenblik minder in staat hen te deren; want die Friezen,
+die langs het strand en dus beneden hen gingen, werden zonder moeite
+afgeweerd: die, welke hen volgden, konden door hun dichten drom niet
+heen dringen: en die, welke aan de landzijde langs den dijk liepen,
+werden in hun vervolging belemmerd door de talrijke slooten, heggen
+en dijkjes, die hun in den weg stonden.
+
+Dan, de moed der Hollanders begon op nieuw te verflauwen, toen zij
+voor zich uit de versperring gewaarwerden, en de talrijke bende van
+den Abt van Bloemkamp ontdekten, die, met bogen en slingers gewapend,
+het Roode Klif bezet hielden.
+
+"Voorwaarts, mijne kinderen!" riep Beaumont: "onze laatste toevlucht
+ligt in de punt van 't staal. Bemachtigt die versperring! dan kunnen
+wij die tot onze eigene bescherming aanwenden."
+
+De geestkracht, welke hem dit kloek besluit ingaf, deelde zich mede aan
+zijn volgers. Zij sloten zich in nog dichter gelederen samen, en, allen
+aanval, die van ter zijde kwam, afwerende, drongen zij moedig vooruit.
+
+"Hoe hebt gij voor die verachtelijke dorpers kunnen vluchten?" riep
+Beaumont: "de overmacht kan ons immers niet deren, zoolang wij ons
+hier op den hoogen landweg blijven houden, waar geen vijf man zich
+naast elkander roeren kunnen: en wij overtreffen dat gespuis verre
+in wapenen en beleid. Komt wakkere knapen! neemt die verschansing in:
+dan zijn wij ook tegen de pijlen gedekt."
+
+Aldus sprekende was hij met de zijnen tot dicht bij de versperring
+genaderd, niettegenstaande de hagelbui van steenen en pijlen,
+welke de Bloemkampers van uit hun hooge stelling op hem afzonden,
+toen opeens Reinout zich boven op de borstwering vertoonde, met een
+bevende stem uitroepende:
+
+"Heer van Beaumont! geef u gevangen! gij kunt onmogelijk tegen de
+overmacht kampen."
+
+"Is dat niet de stem van den verrader Reinout?" vroeg Beaumont,
+overluid: "hij kent mij, hij weet dat ik mij niet overgeef, zoolang
+er nog hoop op redding bestaat."
+
+"Zijt gij razend?" riep de Abt, Reinout terugtrekkende: "wij willen
+geen gevangenen! Smijt hen dood, mannen! smijt hen dood!"
+
+En de Hollanders werden opnieuw begroet door de werpschichten
+en steenen, die de monniken op hen wierpen, terwijl hun talrijke
+vervolgers van het oogenblik, dat zij stand moesten houden, gebruik
+maakten om van alle zijden op hen aan te dringen. Beaumont gelastte
+hierop aan zijn achterhoede rechtsomkeert te maken, om de hen
+vervolgende Friezen af te houden, terwijl hij zelf met de voorhoede
+de versperring bestormde. Het gevecht hield nu met hevigheid aan,
+en ofschoon nu en dan een der Hollanders viel, bleef Beaumont echter
+zijn stelling inhouden niet alleen, maar wist weldra het krijgstooneel
+op de versperring zelve over te brengen. Intusschen begon het water
+te wassen, en het strand beneden te overstroomen, zoodat de Friezen,
+die zich daar bevonden, zich haastten om het Roode Klif te bereiken
+en zich bij de Bloemkampers te vervoegen. Dit ontging ook Beaumont
+niet; hij wendde het oog naar de zee, en met verrukking zag hij de
+afgedrevene vaartuigen, welke met den vloed weder kwamen opzetten.
+
+"Daar zijn de schepen, kinderen!" riep hij: "nog een halfuur
+volgehouden! en wij zijn gered!"
+
+"Nog een halfuur!" brulde de Abt, die dezen uitroep hoorde, "hoort gij
+dat, Broeders! wat staat gij daar en kijkt? Met steenen werpen is het
+niet te doen! Gij moet voor den dag komen en hen verpletteren. En
+dat volk van Martena, dat om hen heen staat, alsof het naar een
+hanengevecht keek. Broeder Sicco! haast u! zie dat gij wat haken en
+latten bijeenhaalt, om hen van den dijk af te halen of van bovenneer
+te stooten. Loop gezwind! ik zal hen ondertusschen hier aan den
+praat houden."
+
+De monnik snelde met eenige conversen naar de naaste woningen, van
+waar zij weldra terugkeerden, met haken gewapend, waarmede zij nu
+poogden de Hollanders in den gordel te vatten, of met touwen, welke
+zij hun om 't lijf wierpen, om hen omver en naar zich toe te halen,
+en als dit gelukt was, af te maken. Anderen droegen balken en palen,
+waarmede zij als met stormrammen op de achterhoede van Beaumont
+indrongen en de slagorde verbraken. Spoedig werd het gevecht nu
+wederom, gelijk het in den vorigen nacht geweest was, algemeen en
+man tegen man; en hoe dapper zij zich ook gedroegen, de volgers van
+Beaumont waren niet langer bestand tegen de overmacht, die als een
+waterstroom op hen aandrong, en hun geen handbreed ruimte overliet
+om hun wapenen te zwaaien. Verscheidenen geraakten van den landweg
+af, waar terstond vijftig handen gereed waren om hen te verpletteren;
+anderen werden versmoord of ellendig vertrapt in het gedrang; de lijken
+werden terstond uitgeschud; een taak welke hoofdzakelijk vervuld
+werd door de vrouwen, die in grooten getale als zoovele furiën het
+Friesche leger gevolgd waren, en wier afschuwelijke razernij zich
+niet ontzag, op de naakte lichamen der gesneuvelden te woeden, en
+die op de onmenschelijkste wijze te verminken.
+
+"Laten wij hun de rest geven," riep de Abt van Bloemkamp, op Beaumont
+wijzende, wien het met een tiental dapperen gelukt was, een gedeelte
+der versperring omverre te halen en zich daarbinnen als in eene kleine
+schans te plaatsen, waaruit hij, met de zijnen rug aan rug staande,
+de slagen der aanvallers afweerde: "komt Broeders! zij hebben onze
+fraaie vesting half vernield: wij zullen hen helpen: en al wat er
+nog overig is hun op het lijf smijten. Handen aan 't werk!"
+
+Een ieder zijner volgers maakte zich vaardig om aan het bevel te
+gehoorzamen en de steenklompen of brokken huisraads op het rampzalig
+overschot der Hollandsche dapperen te doen nederkomen. Er waren
+slechts twee onder al de hier verzamelde lieden, die geen deel aan
+den strijd namen: Reinout namelijk en zijn dienaar Daamke. De eerste
+was, sedert Beaumont aan zijn verlangen geen gehoor had willen geven,
+met het hoofd in de beide handen achter de versperring blijven zitten,
+als hoorde of zag hij niets van al wat in zijn nabijheid plaats had;
+want hij gevoelde noch de kracht om zich aan dit afschuwelijk tooneel
+te onttrekken, noch die om daaraan eenig deel te nemen. Wat Daamke
+betrof, deze was bezig, zijn medicijnkist van onder den ineengestorten
+hoop voor den dag te halen en zag nu niet zonder innige droefheid den
+deerlijken staat, waarin zich het voorwerp zijner nasporing bevond. Hij
+werd in zijn onderzoek gestoord door een geweldigen oorveeg, hem door
+de met ijzer bekleede hand des Bloemkampers toegediend.
+
+"Wat doet gij daar, luiwammes?" vroeg deze: "en waarom helpt gij niet
+een handje? spoedig! Smijt mij die kast over de versperring heen op den
+kop der Hollanders. Ziet gij niet, dat hunne sloepen reeds naderen?"
+
+"Bij Sint-Julfus!" antwoordde Daamke: "ik dien Ridder Reinout, en,
+wanneer die niet vecht, zie ik niet waarom ik het doen zoude."
+
+"Gij zijt een schelm! en uw meester een verrader, wien ik zal doen
+hangen. Handen af van die kast!"
+
+Daamke wilde zich zijn schat echter niet uit de handen laten rukken,
+waarop de Abt, woedend geworden, zijn strijdbijl oplichtte om hem
+een slag toe te brengen, die den armen hansworst wel voor altijd
+zoude belet hebben, medicijnen te gebruiken of die aan andeten te
+slijten; maar gelukkig sprong de knaap ter zijde en het neergevallen
+moordtuig trof alleen het voorwerp van hun twist, waar het in vast
+bleef zitten. De verschrikte Daamke vluchtte bij zijn meester, en de
+Abt, na vol woede de kast in elkander getrapt te hebben om zijn bijl
+los te krijgen, stoof over de borstwering heen en op de Hollanders af.
+
+"Wat is het?" vroeg Reinout, als uit een droom ontwakende en een
+wilden blik op zijn dienaar werpende: "wat komt gij mij verhalen?"
+
+"Wel, ik zeg het u immers, Ridder!" zeide Daamke: "die vervloekte
+monnik, die den duivel inheeft, heeft mij, uw trouwen knecht, den
+kop in willen slaan en u wil hij doen hangen:--en mijn kist! mijn
+arme kist! Zie eens! zij is geheel verbrijzeld."--En op handen
+en voeten weder naar de kist toekruipende, vulde hij zijn tasch
+en muts met al wat heel gebleven was. Op eens, terwijl hij met
+deze verrichting bezig was, ontdekte hij iets, dat zijn droefheid
+in vreugde deed overgaan: namelijk een wel voorziene lederen beurs,
+wier aanzijn hem onbekend was, naardien zij achter een dubbelen bodem,
+nu door den Abt opengetrapt, verborgen was geweest. Nabij die beurs,
+en in die zelfde geheime plaats, lag een beschreven blad perkament,
+hetwelk Daamke met evenveel verachting achter zich wegsmeet als hij
+de beurs met welgevallen bij zich stak.
+
+Het blad viel juist op den schoot van Reinout, die het werktuiglijk
+opnam en er het oog op sloeg: maar nauwelijks had hij de onderteekening
+en een paar regels gelezen, of zijn geheele ziel scheen zich te
+vereenzelvigen met het geschrift. Hij rees op: zijn lichaam trilde van
+het hoofd tot de voeten: hij las verder en zijn gelaat kenschetste de
+hevigste gemoedsbeweging. Op dit oogenblik sloeg hij den blik naar
+het strand: de golven hadden het buitenveld bedekt: de Hollandsche
+vaartuigen waren genaderd, en hun sloepen roeiden naar wal.
+
+"Daamke!" zeide hij met een vaste stem: "stijg te paard! neem dit
+blad en breng het aan den Heer van Aylva. Vloek over u, indien gij
+mijn laatsten wil niet voldoet."
+
+"Van harte gaarne," zeide Daamke, die niets liever wenschte, dan zich
+van het krijgstooneel te verwijderen: en terstond zijn ros beklimmende,
+reed hij landwaarts in, terwijl Reinout insgelijks in den zadel sprong.
+
+De medestrijders van Beaumont waren bezweken. Hij zelf, uit zijn
+verschansing naar beneden gedrongen, stond aan den voet van het
+Klif op het strand, tot de knieën in 't water, omringd van zijn
+bespringers. Reeds scheen hij reddeloos verloren, toen op eens Reinout
+te paard van het Klif kwam af hollen, de hem in den weg staande
+monniken onderstboven rijdende, terwijl hij met een daverende stem
+den oorlogskreet weergalmen deed van: "Holland! Holland! Beaumont _à
+la rescousse_!" Zoo groot was de verbazing, dat een ieder opzag naar
+den Ridder, wien men veronderstelde, dat door meer gevolgd werd. Snel
+als het weerlicht was Reinout aan de zijde van Beaumont, en terwijl
+hij met de eene hand den Abt van Bloemkamp, die juist zijn heirbijl
+boven het hoofd des grijzen oorlogsmans had opgeheven, een vuistslag
+gaf, die hem in het zilte nat voorover wierp, tilde hij met de andere
+zijn waardigen leermeester op het paard en holde zeewaarts in. Er
+was een oogenblik van verbazing: maar weldra, terwijl de monniken
+hun doornatten Abt weder ophielpen, snelden eenige rappe gasten,
+half wadende, half zwemmende, den vluchteling na. Deze was echter
+door de manschap in de sloepen bespeurd geworden en met alle macht
+roeide men naar hem toe.
+
+"Blaas den aftocht!" zeide Martena, die juist op het Klif aankwam:
+"daar moet er ten minste één zijn, die in Holland vertelle, hoe de
+Friezen hun bespringers ontvangen."
+
+Hetgeen aan het Roode Klif had plaats gehad, was slechts een toonbeeld
+der verschillende ontmoetingen, welke den Hollanders bij hun landing
+aan de Friesche kust ten deel viel, zoo ten noorden van Stavoren,
+waar Adeelen hen opwachtte, als in Gaasterland, waar zij door de
+benden van Helbada en Fadinga verslagen werden. In stede van, gelijk
+het welberaamde plan met zich bracht, haar manschappen gelijktijdig
+aan wal te zetten, had de vloot die niet dan bij gedeelten kunnen
+ontschepen: zoodat die van het eene vaartuig reeds vernield was, eer
+die van het volgende haar te hulp kon komen. Wat den Graaf betrof,
+hij had, gelijk wij vroeger vermeld hebben, de reede van Enkhuizen
+verlaten om op het brandende Norwert aan te zeilen, en hierdoor het
+voordeel gemist om zich met Beaumont te kunnen vereenigen, gelijk
+ontwijfelbaar geschied ware, indien hij op den zuidkant van Stavoren
+had aangehouden. De ontscheping was niet dan uiterst langzaam geschied;
+daar het in de eerste plaats duistere nacht was, en ten tweede het
+aan wal brengen van de paarden, die in grooten getale op 's Graven
+schip aanwezig waren, een lang oponthoud veroorzaakte.
+
+Het was ongeveer met den dag, dat de manschap van 's Graven vaartuig
+en van eenige andere schepen, die hem het naast gevolgd waren, op de
+zandplaat buiten den dijk stonden geschaard. Met een strakken, somberen
+blik beschouwde Willem de verzamelde Ridders en wapenknechten: zij
+waren nauwelijks zeshonderd in getal. Hij reed zwijgende de gelederen
+door: en menig oorlogsman, die hem vroeger in het veld gevolgd,
+en getuige geweest was van den opgeruimden blik, waarmede hij anders
+gewoon was, zijn heirscharen te begroeten, van de opwekkende toespraken
+en vroolijke gezegden, welke anders van zijn lippen vloeiden, en van
+den moed, die alsdan elk bezielde, door het vertrouwen, hetwelk hij
+aan de zijnen wist in te boezemen--voelde een angstige huivering door
+zijn aderen varen, als hij het gedrag, thans door den Graaf gehouden,
+bij zijn houding van vroegere dagen vergeleek.
+
+Gedurende eenige oogenblikken liet Willem zijn oogen in 't rond
+weiden, ten einde zijn plan van aanval te maken. Hij sloeg nogmaals
+den blik naar den kant van Sint-Odulf, dat nu in volle vlam stond. Dit
+schouwspel, hetwelk hem onder het ontschepen reeds getroffen had,
+deed voor een oogenblik zijn oogen weer flikkeren van het vuur der
+hoop. Hij hief zich rechtop in den zadel, en naar het brandende
+klooster wijzende, zeide hij tegen Teylingen:
+
+"Gij ziet het! daar zijn de onzen nog meester."
+
+"God geve!" antwoordde de bezorgde Edelman, "dat het de lijktoorts
+onzer vrienden niet zij. Ook hier brandt nog een dorp," (en hij wees
+op de smeulende puinhoopen van Norwert) "maar waar zijn de handen,
+die het aangestoken hebben?"
+
+"Wellicht reeds in het binnenland," zeide Walcourt, "en bezig om
+dien troep van dorpers voor zich uit te jagen. Waarom zou men zich
+altijd het zwaarste voorstellen? Ziet gij hier ergens een vijand,
+die ons het inrukken zou beletten?"
+
+"Gij zijt een vreemdeling," hernam Teylingen, "en kent den aard en
+de strijdwijze van dit volk niet: eer gij er om denkt, zult gij hen
+als vorschen voor uwen voet zien opspringen."
+
+"Het zij zoo," hernam de luchtige Henegouwer: "wij zullen hen dan
+als vorschen vertrappen."
+
+Terwijl zij nog spraken, kwamen eenige knapen, die door den Graaf
+over den dijk waren uitgezonden om den staat van het binnenland te
+bespieden, in aller ijl terug met de schrikbarende tijding, dat het
+geheele land met gewapend volk overdekt was, en dat een kleine bende
+Hollanders in wanorde voor de overmacht des vijands terugtrok.
+
+Zonder een woord te spreken, reed Willem naar den dijk, en,
+dien beklommen hebbende, zag hij uit zijn oogen het bedroevende
+schouwspel. Het waren de Baanrotsen van Merwede en Antogne, die,
+vroeger geland, door de gansche macht van Cammingha waren overvallen
+en op de vlucht gedreven.
+
+"Ontplooit de banier!" riep de Graaf, zich omwendende: "en
+voorwaarts! op die muiters aangerukt!"
+
+"Graaf! in den naam van alle Heiligen!" riep Teylingen, die na hem
+op den dijk gestegen was: "wat wil uw Genade verrichten? Beschouw
+ons klein getal en de overmacht der vijanden. Ik bezweer u, laat ons
+wachten, tot de overige vaartuigen aankomen."
+
+"Zijt gij bevreesd, Teylingen?" vroeg Willem, terwijl hij te paard
+steeg. "Ontvouwt de banier en rukt den dijk over!"
+
+"Graaf!" vervolgde Teylingen, zich voor Willem op de knieën werpende,
+en zijn paard bij den teugel houdende: "o! ik bid u! veracht den
+raad niet van een ouden, getrouwen dienaar uws huizes Wat kan het uw
+eer verkleinen, een korte wijl te toeven? Waarom zoudt gij u zelven
+en al de waardige Edelen, die met u zijn, aan een wissen ondergang
+blootstellen?"
+
+"Laat af!" riep de Graaf, toornig: "wie bevreesd is, moge naar de
+schepen keeren: wie ons liefheeft, volge ons!"--En, zijn paard de
+sporen gevende, rende hij de opening door, welke men in den wierdijk
+gehouwen had.
+
+"In Gods naam!" zeide Teylingen, met de woorden des Apostels: "laat
+ons dan medegaan en met hem sterven."
+
+Met gevelde lans en ontrolde banieren reed nu de kleine, maar dappere
+hoop het binnenland in en stuitte weldra op de vluchtelingen, aan de
+slachting ontkomen, welke laatsten terstond gedwongen werden, met
+hen voort te rukken. Weldra ontmoette men het Friesche leger, dat,
+zonder orde of leiding, maar met een onwederstaanbare woede en dorst
+naar slachting bezield, gedeeltelijk langs de wegen en voetpaden kwam
+aansnellen, gedeeltelijk over slooten, heggen en dijken heen sprong
+om de nieuwaangekomenen te vernielen. Zij waren echter niet in staat
+den eersten aanval des Graven en zijner welgeoefende wapenbroeders
+te wederstaan: en de kans van den oorlog scheen zich voor een
+oogenblik te herstellen ten voordeele van Willem; maar, ofschoon
+het dezen al een wijl gelukken mocht, den weg schoon te houden,
+hij was daarom niet ontslagen van zijn vijanden, die uit de akkers
+en perken lands hun pijlen op de Hollanders afschoten en gedurig
+in nieuwe zwermen voor den dag sprongen, nu van ter zijde, dan van
+achteren, de zwaargewapende volgers des Graven bestokende. Het was een
+vreeselijk schouwspel, die schier ongekleede Friezen, met hun bloote
+hoofden en ruige blonde lokken, met de oogen fonkelende van razernij,
+soms zonder ander wapen dan de naakte forsch gespierde armen, tegen de
+paarden te zien opspringen, zich aan de ruiters vastklemmende zonder de
+wonden te tellen, die zij bekwamen, en zich met hun vijanden latende
+voortsleepen: of, wanneer zij eindelijk onder de paarden geraakten,
+met hun tanden den armen dieren de pezen van den voet afbijtende. Want
+het was meest op de strijdrossen, dat men het geladen had: en het
+leed ook niet lang, of het grootste gedeelte der ruiterij, de Graaf
+zelf niet uitgezonderd, zag zich genoodzaakt te voet te vechten.
+
+Onverschrokken echter bleven Willems wakkere Edellieden stand houden en
+den roem handhaven van hun gevreesde namen. Maar helaas! terwijl zij
+gedurig verliezen ondergingen, vermeerderde het getal der aanvallers
+met ieder oogen blik; want Adeelen, die tot nog toe geen deel aan eenig
+gevecht genomen had, was op het bekomen der tijding, dat de Graaf zelf
+geland was, met den rechtervleugel komen toeschieten, niet begeerende,
+dat Cammingha alleen de eer der overwinning zou genieten. Nu baatte
+geene dapperheid noch krijgskunde der Hollanders meer: geen orde werd
+langer in acht genomen: en elk was genoodzaakt voor zijn eigen leven
+te vechten, de een vroeger, de ander later vielen onder de bijl-
+en knotsslagen der Friezen, die met de felheid, hun landaard eigen,
+den zoo gehaten vijand rust noch duur lieten. Zeven Baanrotsen,
+allen hoofden der edelste huizen in Willems Graafschappen, twintig
+Ridders, allen vermaard door hun heldenfeiten, werden door de handen
+van verachte dorpers verslagen. Vreeselijk vooral woedde de vuist van
+Adeelen en zesmalen ontwrong hij een versch wapentuig aan de handen
+der verslagenen, omdat hij het zijne op des vijands lijf verbrijzeld
+of in de diepe wonden had laten steken. Maar noch het aantal der
+dapperen, die hij ter nedergeveld had, noch hun beroemde naam was hem
+genoeg. Hij zocht den Graaf van Holland: dien had hij tot zijn offer
+uitverkoren: op hem wilde hij de beleedigingen wreken, te Haarlem
+ondervonden. Terwijl hij, overal, brullende als een woudstier, naar
+hem zocht, ontmoette hij Walcourt, die, onthelmd en zonder schild,
+zich met het zwaard in de vuist een doortocht baande.
+
+"Waar is uw meester, gevloekte Henegouwer?" riep hij, hem herkennende.
+
+Het eenige antwoord van den Ridder was een geweldige sabelslag;
+maar Adeelen, dien afwerende, verbrijzelde hem met zijn strijdkolf
+den rechterarm.
+
+"De linker blijft mij over!" riep Walcourt, zijn zwaard met de
+andere hand vattende. Maar op hetzelfde oogenblik zag hij een woesten
+boerenknaap op hem afkomen, met een dorschvlegel gewapend. Terstond
+herinnerde hij zich de voorspelling van Barbanera [35], en het hoofd
+bukkende, onderging hij zwijgend den genadeslag, die hem bij de
+overige lijken voegde.
+
+"Is die gevloekte Graaf dan nergens te vinden?" brulde Adeelen,
+terwijl hij rondliep als een leeuwin, die van haar jong beroofd is.
+
+"Waar zoude hij wezen?" zeide Cammingha, die hem tegenkwam: "zij zijn
+allen dood op één na."
+
+"Leeft er nog één?" vroeg Adeelen, zich omwendende, met een
+verschrikkelijken blik: "Waar is hij?"
+
+Cammingha wees hem op een terp, die niet verre vandaar gelegen,
+vroeger gestrekt had tot inhuldiging van 's Graven vader als Heer van
+Friesland. Weinig dacht toen Willem III, dat die zelfde plek eens
+het moordtooneel zoude wezen, waar zijn dappere zoon met zoovelen
+zijner helden den dood zoude ondergaan.--Adeelen snelde derwaarts
+heen. Daar stond nog een enkele krijgsman tegen de helling der hoogte
+zich alleen tegen een drom van aanvallers te verdedigen. Zijn om hem
+gevallen wapenbroeders en de Friezen, die hij zelf had neergehouwen,
+vormden een verschansing van lijken om hem, die niemand straffeloos
+overschreden had. Zijn helm was afgeslagen, zijn schild gebroken en
+zijn geheele lichaam zoodanig met bloed en slijk en stof bedekt, dat
+men bijna niet zien kon of hij een harnas aanhad, al dan niet; maar
+zijn beide handen zwaaiden nog met ontzettende kracht een tweesnijdend
+zwaard, waarmede hij al wat hem omringde het naderen belette.
+
+"Hoe is het bloodaards!" riep Adeelen: "deinst gij? laat mij met hem
+begaan: mij de eere, den laatsten man der bende te vellen."
+
+Met deze woorden drong hij door de schaar heen, en den vreemden
+krijger onvoorziens naderende, bracht hij hem een geweldigen slag op
+het hoofd toe.
+
+"Neem dat," zeide hij: "en ga in de hel vertellen dat Seerp van
+Adeelen er u heenzond."
+
+"Hoezee! leve Seerp van Adeelen!" riep het volk, dat den Hollander
+zag duizelen onder den slag.
+
+Maar deze, hoezeer bedwelmd, was niet gewond geweest; want de
+strijdkolf was in de handen zijns bespringers gedraaid. "Zoo gij
+Seerp van Adeelen zijt," zeide hij, zich herstellende, ofschoon met
+een gesmoorde stem, "neem dan dit laatste aandenken mede van uw Heer
+en Meester."
+
+Deze woorden waren nog niet uitgesproken, of Willem de Vierde had
+zijn zwaard omhoog geheven: en met een slag, luider klinkende dan die,
+welken de moker op het aanbeeld geeft, kwam het lemmer op het hoofd van
+Adeelen neder, drong door de helmplaten heen en spleet den schedel in
+tweeën. De onstuimige Fries viel zielloos neder: maar zijn overwinnaar
+poogde vruchteloos het zwaard uit de wond terug te halen: en vijftig
+knotsen, opgeheven door de Friezen, wie de dood huns aanvoerders nog
+meer verbitterde, deden in een oogenblik den weerloozen Graaf den
+stapel der dooden met zijn vorstelijk lijk vermeerderen.
+
+Maar het is tijd om, alles daarlatende wat eigenlijk meer tot het
+gebied der geschiedenis behoort, tot den goeden Deodaat terug te
+keeren, dien wij, sedert zijn overbrenging naar Sint-Odulf, wat te
+lang uit het oog hebben verloren.
+
+
+
+
+
+VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ Dit, leider! was een nacht vol ramps, vol ongevals.
+
+ Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.
+
+
+Het ware moeilijk, een juiste beschrijving te geven van de
+gewaarwordingen, welke Deodaat bezielden gedurende de eerste uren, die
+hij doorbracht in de eenzame cel, waarin men hem had opgesloten. Het
+waren beurtelings, wrevel over het mislukken zijner onderneming,
+hetwelk hij zich zelven toeschreef: blijdschap over zijn verzoening
+met Reinout: ongerustheid over het lot der vloot, welke hij begreep
+dat het met den storm, die den kerktoren schudden deed, erg genoeg
+moest hebben: angstige zucht om te weten, of zijn eeuwig dierbare
+Madzy en haar achtingswaardige voogd ook aan eenig gevaar zouden
+blootgesteld zijn: dankbaarheid aan zijn Beschermheilige, die hem het
+leven gered had: in één woord, een mengeling der meest tegenstrijdige
+gevoelens. De storm echter, die nog zonder ophouden woedde, nam
+eindelijk zijn aandacht geheel in: en vurig zoude hij gewenscht
+hebben, het natuurtooneel te beschouwen, dat zich buiten liet zien;
+maar deze wensch was ijdel; want de cel, waarin hij gezeten was, had
+geen ander uitzicht dan op een nauwe binnenplaats, rondom door zulke
+hooge muren omgeven, dat men niets van de lucht gewaar kon worden en
+alleen het gekletter der buien hooren, die daar binnenvielen.
+
+Later, toen het weer eenigszins begon te bedaren, troffen de psalmen,
+die in de kerk werden aangeheven, zijn oor; doch zoo nauw, dat hij
+zich vruchteloos inspande om de wijs te vernemen: vermoeid en afgemat
+strekte hij zich eindelijk uit op de houten legerstede, daar hij tot
+nu toe op gezeten had, en poogde te slapen; maar nauwelijks was hij
+even ingesluimerd, of een nieuw gedruisch wekte hem. Hij luisterde:
+men liep de gangen en vertrekken van het klooster op en neder: onder,
+boven hem, aan alle kanten dreunden de stappen der monniken door de
+gewelven, met meer drift, dan men zulks van stille kloosterbroeders
+zoude verwacht hebben. Dit deed hem met reden oordeelen, dat er iets
+buitengewoons moest plaats hebben:--en weldra zag hij zijn vermoeden
+bevestigd, toen hij trompetgeschal vernam, en kort daarna bespeurde,
+dat men bezig was het klooster te beleggen. O! hoe onverduurbaar werd
+toen de toestand van den wakkeren Ridder. Daar buiten, dit wist hij,
+daar streden zijn wapenbroeders! En hij, hij moest werkeloos in zijn
+cel blijven en mocht niet in hun gevaren deelen! Ja, zijn gegeven woord
+verbood hem, de deur open te trappen en zich met de strijdende drommen
+te vereenigen! Dit denkbeeld ontvlamde zijn spijt: en stampvoetende
+liep hij als een zinnelooze het enge verblijf, dat hem besloot,
+op en neder.
+
+Lang reeds had hij in een staat van opgewondenheid verkeerd, die
+aan verbijstering grensde, toen hem opeens door het tralieraam een
+brandlucht tegenwoei, die weldra gevolgd werd door geheele rookwolken,
+die voorbij het venster opstegen. Nu ijsde hij: het klooster was
+wellicht in brand gestoken!--En hij zoude het weerlooze slachtoffer
+worden! Hij zou een dood zonder eer, zonder glorie sterven! Dit
+denkbeeld was hem onverdraaglijk. De iederen sterveling ingeschapen
+zucht tot zelfbehoud deed hem terstond besluiten zich uit dezen
+toestand te verlossen, en zijn cel, het mocht kosten wat het wilde,
+onmiddellijk te verlaten. Hij had wel zijn woord van eer gegeven
+niet te zullen ontvluchten; maar hij had geenszins beloofd in de hem
+aangewezen kamer te zullen blijven, vooral wanneer hij kans had daar
+levend geroost te worden. Al zijn krachten dus inspannende, trapte
+hij zoo lang op de deur, welke hem den uittocht belette, tot het
+paneel aan stukken sprong en hij zich er door kon werken. Nu stond
+hij in de gang, en ijlde naar de deur, die aan het einde geplaatst
+was: helaas! deze was gesloten: en al de pogingen, die hij aanwendde,
+toonden hem slechts zijn onmacht aan, om die te verwrikken. Hij keerde
+terug om een anderen uittocht te vinden: links van hem was niets dan
+een blinde muur; rechts cellen, gelijk die welke hij verlaten had,
+waaruit de deuren waren weggenomen, en die in stede van ramen slechts
+met hooge luchtgaten voorzien waren. Aan het andere einde van de
+gang was, ja, een venster, maar met dikke bouten er voor, welke alle
+denkbeeld van ontkoming wegnamen. Hij plaatste zich echter daarvoor,
+ten einde te ontdekken, wat er gaande was en of er een wezenlijk gevaar
+voor hem bestond;--want hoewel nog opgesloten, zijn ongerustheid was
+eenigszins verminderd, sedert hij zich in een grootere ruimte bewegen
+kon. Hij werkte zich dan met behulp der ijzeren bouten tegen het hooge
+venster op, en poogde zoogoed hij kon naar buiten te zien; maar de
+duisternis liet hem niets anders bespeuren, dan den kloostermuur aan
+de overzijde der groote plaats, waarop het venster uitzag, en de lucht
+daarboven. Het krijgsgedruisch vermeerderde intusschen: en weldra zag
+hij een schouwspel, dat hem met ijzing vervulde. De muur tegenover hem
+en het dak daarboven werden door een rooden, flikkerenden vuurgloed
+verlicht: wolken rooks stegen dwarrelend van uit de binnenplaats naar
+boven: en door dien rook henen bewogen zich in de dakgoten eenige
+strijders, als zoovele fantastische schimmen. Het waren gedaanten van
+monniken, waaronder hij nu en dan de welgevulde gestalte van vader
+Volkert meende te herkennen: het waren krijgslieden in 't harnas en
+met vlammen op het hoofd en in de hand (want de weerkaatsing van den
+brand verwekte dit optisch bedrog), die als in de lucht handgemeen
+waren: en die gedaanten streden en vluchtten voor elkander, en bewogen
+zich heen en weder op de smalle kampplaats, waar voor en onder hen
+de dood hen aangrijnsde; en Deodaat zou misschien gewaand hebben,
+dat het slechts ijdele spoken en luchtbeelden waren, zoo niet het
+daverend krijgsalarm en de brandlucht en het geluid van den smak,
+die nu en dan zich hooren deed, wanneer deze of gene krijger van het
+dak op de binnenplaats stortte, hem overtuigd hadden dat hij waakte
+en dat hetgene hij voor oogen had schrikkelijke waarheid was. En
+inderdaad: ondanks al de dapperheid, door de geestelijken betoond,
+was het aan een gedeelte der krijgsknechten eindelijk gelukt, de kerk
+te beklimmen, en zich van daar over verschillende daken te verspreiden,
+waar zij nu de monniken en conversen bevochten.
+
+Zoo geheel was Deodaat door dit schouwspel geboeid, dat hij zijn
+eigen toestand vergeten was, toen een gekraak onder zijn voeten
+opeens een gedachte bij hem levendig deed worden, welke hem met ijzing
+vervulde. Hij zag de vlam zelve niet; maar haar weerschijn tegen den
+muur aan de overzijde;--de brand was dus aan zijnen kant:--was juist
+onder hem: en het gekraak, dat hij hoorde, klonk in zijn ooren als een
+voorspelling, dat weldra de geheele zoldering zou instorten. Rillende
+liet hij zich weder van het venster afvallen; hij snelde terug naar 't
+einde van de gang en matte zich nogmaals af in vruchtelooze pogingen
+om de deur te openen: hij zocht een plank om die open te loopen:--al
+wat tilbaar was had men uit de cellen genomen om de borstwering voor
+de benedenpoort te maken. Hij keerde dan in zijn eigen verblijf:
+nam de planken uit de bedstede en bezigde die om de deur te rammen;
+maar zij werden in zijn handen tot spaanders gebroken en hij vorderde
+niet. Dan op het oogenblik, dat hij den vloer onder zijn voeten reeds
+heet voelde worden en de wanhoop hem een hulpgeschreeuw aanheffen deed,
+hoorde hij voetstappen van buiten en te gelijk een welbekende stem,
+die hem antwoord gaf.
+
+"Hier vrienden! hakt deze deur open! Hier is de Ridder, dien wij
+zoeken!"--De deur vloog onder eenige bijlslagen open en Deodaat bevond
+zich in de armen van zijn getrouwen Zweder van Naaldwijk. Deze had,
+gelijk wij vroeger verhaald hebben, de deur van gemeenschap tusschen
+de kerk en het klooster in brand gestoken en zich nu daarbinnen
+een toegang verschaft, bijna op hetzelfde tijdperk, dat de Heer van
+Spangen de voorpoort overweldigd had.
+
+"Ik wist het wel, Ridder!" zeide Zweder, "dat wij u eindelijk zouden
+vinden: het klooster is ons! althans ik denk niet, dat die vrome paters
+zich lang meer zullen verweren:--hier, geeft den Ridder een zwaard
+... een bijl ... wat het eerste bij de hand is ... en nu haastig naar
+beneden; eer de trap afbrandt:--ik heb u nog juist bijtijds gehoord."
+
+Neen! de goede schildknaap had zijn meester niet bijtijds gehoord;
+dit werd hij te ras en op een schrikkelijke wijze gewaar. Hij was
+bij het opklimmen de voorste geweest: en bij het terugkeeren bevond
+hij zich dus met Deodaat achteraan: slechts deze omstandigheid redde
+beider leven:--want nauwelijks bevonden de gewapenden zich op de
+trap, of deze stortte in met een oorverdoovend gekraak, en de beide
+aanvoerders stonden alleen op het portaal, voor een muur van vlammen
+en van rook, die uit het puin naar boven sloeg.
+
+"Ik ellendeling! wat heb ik gedaan!" kreet Zweder, zich voor het
+hoofd slaande: "ik, die u redden wilde, moet de oorzaak van uw verderf
+zijn!--Uit zucht om de eerste binnen te wezen stak ik de kerkdeur in
+brand, en nu heeft zich de vlam aan het gansche gebouw medegedeeld!"
+
+"Die ongelukkigen!" zeide Deodaat, terwijl hij een treurigen blik
+wierp op de rampzalige wapenknechten, die gillende en kermende
+beneden lagen;--"maar kom!" vervolgde hij: "wij moeten alle hoop op
+lijfsbehoud niet opgeven. Hier is een trap, die naar boven leidt;
+waarschijnlijk vinden wij een uitweg, die naar een ander gedeelte
+van het gebouw voert."
+
+Zoo gezegd, zoo gedaan. Beiden snelden met spoed de trap op; want reeds
+vervolgde hen de vlam. Zij kwamen nu op een korte, smalle en overwelfde
+gang uit, zonder deur noch venster, maar met een vierkant gat aan het
+einde, welk gat eenige voeten boven den vloer verheven en in de dikte
+van den muur uitgehouwen, en waartegen een klein trapje geplaatst was.
+
+"Bij Sint-Japik!" zeide Zweder: "ik geloof, dat dit de weg naar den
+toren is: zoo ik wel bereken, zijn wij hier boven de kerk."
+
+"Hoogstwaarschijnlijk!" zeide Deodaat: "maar om 't even! Wanneer
+wij daar eens zijn, hebben wij vooreerst geen gevaar en kunnen nader
+overleggen, hoe wij verder komen."
+
+De schildknaap had wel geraden; want zoodra hij de opening binnen-
+en onder eenige dwarsbalken doorgekropen was (niet zonder zijn hoofd
+eenige keeren geducht te stooten), bemerkte hij, dat hij zich in den
+toren bevond. Het was echter meer door den tocht, die hem tegen woei,
+dat hij zulks gewaarwerd, dan door de scherpte van zijn gezicht:
+want het was hier bijster donker: en geen wonder, daar zij zich op
+een middelzoldering bevonden, waar van geene zijde eenig licht kon
+doordringen, dan alleen de flauwe terugkaatsing der vlam, die tegen
+de wanden scheen van de gang, die zij uit waren gekomen.
+
+De toren, waarin zij zich nu op twee derden der hoogte bevonden,
+was een oud en hoog gebouw, dat wellicht reeds gestaan had, vóór de
+oprichting van het klooster, waarvan het nu den noordwestelijken hoek
+uitmaakte, en het woonhuis met de kerk vereenigde. Het was achthoekig
+van gedaante en van zwaren, grauwachtigen steen opgetrokken tot op
+een hoogte van ongeveer negentig voet: de muren, dik genoeg om geen
+schade van brand en bestorming te vreezen, waren slechts hier en
+daar met een enkel kijkgat voorzien, en verder geheel ontbloot van
+allen zweem van versiering; zoo men den koepel uitzondert, die later,
+toen men de Oostersche bouworde in Friesland begon na te bootsen, op
+den top was nedergezet, en waarboven een kruis prijkte, dat, evenals
+de platen, welke den koepel dekten, van koper was. Deze koepel was,
+gelijk wij vroeger gezegd hebben, peervormig; doch had, evenals de
+toren zelf, acht zijden, van onderen met een breeden metalen band
+omsloten en zich van daar tot op den torentrans uitspreidende, evenals
+de voet van een ouderwetsch kelkje, of als de neergekrulde halve
+schil van een chinaasappel. In dien omgeslagen benedenrand waren twee
+vooruitspringende venstertjes, met luiken en een leien dakje voorzien:
+het eene, waaruit de seinlantarens staken, naar den zeekant uitziende:
+het andere, dat thans gesloten was, over het kloostergebouw heen, naar
+de oost- of landzijde. Van binnen was de toren volkomen vierkant,
+niet ruimer dan ongeveer tien voet in de doorsnede, en van onder
+tot boven volkomen hol. Om den top te bereiken waren, op elke dertig
+voet hoogte, houten zolderingen bijgebracht, van welke de niet overal
+veilige planken op dwarsbalken rustten, en in wier midden een opening
+gelaten was, welke men bereikte door middel van een trapladder,
+die van onderen tegen den muur vaststond en van boven met een paar
+ijzeren krammen voor het wiggelen bewaard werd. Er waren dus in
+'t geheel drie van deze ladders; of liever: er behoorden er drie te
+zijn; want de onderste was, gelijk wij hierboven verhaald hebben,
+op last van vader Syard weggenomen. Verder had, als ons gebleken is,
+de toren ook nog een zijdelingsche gemeenschap met het kloostergebouw:
+en onze beide zwervers, die daarvan gebruik hadden gemaakt, bevonden
+zich nu op twee derden der hoogte, boven de tweede, en aan den voet
+van de hoogste ladder.
+
+"Ziezoo!" zeide Zweder: "hier zitten wij hoog en droog: wisten wij
+nu slechts een middeltje te bedenken om hier vandaan te geraken."
+
+"Mij dunkt," zeide Deodaat, naar beneden ziende, waar hem de flauwe
+schemering, die uit de kerk voortkwam, de ladder ontdekken deed:
+"wij kunnen hier afdalen."
+
+"Om ons de hersens op de zerken tot gruis te slaan?" viel Zweder in:
+"ik dank u, heer Ridder. De onderste trap is weggehaald. Die vervloekte
+monniken wisten wel wat zij deden. Bovendien, de kerk zelve staat
+in lichterlaaie."
+
+"Kunnen wij ons niet aan de klokketouwen aflaten?"
+
+"Die gebruiken zij niet. Zij luiden hier door middel van groote hamers,
+die Belialskinderen!--en bovendien geloof ik niet dat er hier een
+klok in den toren is:--die zwelgers hebben alleen een etensbel noodig:
+en die hangt boven de bakkerij."
+
+"Welaan!" zeide Deodaat: "dan moeten wij nog hooger onze fortuin
+beproeven, en zoeken of er ook een raam in den toren is, ten einde
+eens uit te kijken, of wij hulp of verderf te wachten, hebben."
+
+Dit zeggende klom hij, van Zweder gevolgd, de hoogste ladder op,
+die hen in den voet van den koepel bracht. Dadelijk staken beiden
+het hoofd door het opene venster: en, ofschoon er zonder vleugels
+aan geene ontkoming te denken viel, ondervonden echter zoowel Deodaat
+als zijn schildknaap een gewaarwording van verkwikking en genoegen,
+toen de frissche wind hun in 't gelaat woei en zij weder in Gods
+vrije schepping mochten rondzien. Het onweer was bedaard: slechts
+enkele dunne, waterlooze wolkjes dreven als sneeuwvlokken door het
+blauwe zwerk. De oppervlakte der zee was stil geworden; maar het
+dof gegons der wateren verkondigde nog, hoezeer zij door het geweld
+van den storm was beroerd geweest. De natuur was kalm en liefelijk:
+en had niet het oorverdoovend geweld van den strijd, die aan de
+andere zijde woedde, alle gedachten aan rustige genieting verbannen,
+Deodaat zou nog lang met wellust op den heerlijken sterrenhemel en
+op die sombere zee daaronder zijn blijven staren. Maar zijn ziel was
+te bezig met den kamp, die in het klooster gevoerd werd, dan dat hij
+zich den tijd kon gunnen, langer naar deze zijde uit te kijken.
+
+"Spoedig, Zweder!" zeide hij, "laat ons zoeken, of er geen ander
+venster is, waaruit wij iets van het gevecht kunnen bespeuren."
+
+"Een oogenblik!" zeide de knaap, terwijl hij de lantarens binnenhaalde:
+"hier is iets, dat ons misschien zal kunnen dienen: men moet in onze
+omstandigheden niets verzuimen."--Dit zeggende, maakte hij een eind
+touw los, dat aan de lantarens vastzat, en door een katrol liep,
+welke aan het einde van den uitgestoken staak hing, en bond het zich
+om het lijf.
+
+"Ziezoo!" zeide hij, "nu hebben wij licht, en een touw; dat zijn
+reeds twee zaken, welke, wanneer men hoog en in 't donker zit, van
+dienst kunnen wezen. Laat ons nu dezen kant uitzien."
+
+Dit zeggende, opende hij het luik van het andere venster: en beiden
+zagen uit.--Welk een geheel onderscheiden tooneel deed zich hier aan
+hun oogen voor! Aan de andere zijde de aanblik der stille natuur:
+aan deze, die van den oorlog in zijn schrikkelijkste gedaante.
+
+In de eerste oogenblikken was het echter voor Deodaat en Zweder,
+die met uitgestrekte halzen buiten het raam lagen, moeilijk iets met
+juistheid te onderscheiden. De kerk zoowel als de drie overige zijden
+van het gebouw stonden in lichterlaaie: en de rook, die van alle kanten
+in breede wolken opsteeg, bedekte al wat beneden was met een dikken
+nevel. Het scheen beiden toe, als zagen zij in een ziedenden ketel, of
+liever in den gapenden krater van een vlammenspuwenden berg. Maar toen
+de wind, die van den zeekant woei, de rookwolken voor een oogenblik
+van een scheidde en als uitgerolde wimpels over de landtong heen deed
+zwaaien, ontdekten zij de kloosterlingen, die in een breeden kring op
+het binnenplein bijeenverzameld stonden en zich met een hardnekkigen
+moed verweerden tegen de krijgsknechten, die hen van alle zijden
+bestookten. In het midden van de jongere broeders en conversen,
+stonden de grijsaards en zwakken, met schorre kelen doch met een
+prijzenswaardige gelatenheid den psalm zingende: _quare fremuerunt
+gentes_; ofschoon de rook, die hun in de keel vloog, hen nu en dan
+dwong, het lied te staken en met een benauwd gekuch te verwisselen.
+
+"Mij dunkt," zeide Deodaat, "die monniken vechten als leeuwen: gij hadt
+gezegd, zij zouden zich niet lang meer verdedigen; maar, naar het mij
+voorkomt, staat de kans vrij ongelijk en kunnen zij blijven vechten
+tot de gansche boel ineenstort en vrienden en vijanden samen verplet."
+
+"Inderdaad," zeide Zweder, peinzende: "het getal onzer manschappen
+komt mij voor, geringer te zijn, dan het behoorde te wezen. Ik zie
+den Heer van Beaumont niet; noch ook den Heer van Spangen. Wij waren
+straks ruim zoo talrijk. Zouden er zoo velen door de handen dier
+papen zijn gevallen? Of is de rest vertrokken en heeft men gedacht,
+dat er manschappen genoeg bleven om het klooster te winnen."
+
+"Het komt mij voor, als ware men buiten ook nog aan het strijden,"
+zeide Deodaat: "althans ik hoor een luidruchtig alarm aan de
+landzijde. Indien slechts die satansche rook het uitzicht over de
+landtong niet belette."
+
+Terwijl beiden, onbewust van de redenen, die Beaumont genoodzaakt
+hadden het klooster te verlaten, zich in gissingen verdiepten, trad
+de Heer van Spangen, door een der zijgangen, welke alsnog door het
+vuur gespaard was gebleven, de binnenplaats op.
+
+"Geeft u over, vervloekte papen!" riep hij: "uw klooster staat in
+brand en het is immers al gewonnen."
+
+"Neen! nog niet gewonnen!" klonk een stem, die het gansche gebouw
+scheen te doen daveren: en van uit de deur van het voorportaal
+vertoonde zich, tusschen een dicht ineengedrongen drom van strijdende
+Hollanders en Friezen, de reusachtige gestalte van den Abt van Lidlum,
+niet geharnast als zijn ambtgenoot van Oldeklooster; maar in de dracht
+zijner orde, blootshoofds en met opgestroopte mouwen, een zware
+strijdkolf omhoogheffende. "Houd u goed, vader Volkert!" riep hij:
+"houd u goed. Daar zijn wij al, klaar om u te helpen. Ter helle met
+de Hollanders! slaat dood! slaat dood!"
+
+"Bij Sint-Japik!" zeide Zweder: "de kans is verkeken: zooeven wezen
+ons de steenen twee vijven aan: maar nu heeft de vijand twee zessen
+geworpen."
+
+"En wij moeten hier als bloote toeschouwers zitten!" zuchtte Deodaat:
+"o! waarom schenkt God mij de gunst niet, naast mijn dappere
+spitsbroeders te strijden?"
+
+"Al wat wij doen kunnen, is hen aan te moedigen met
+woorden," zeide Zweder; en terstond begon hij met luider
+stemme te schreeuwen: "Holland! Holland! Beaumont _à la
+rescousse_! Spangen! Ligny! Naaldwijk!" en alle andere namen, die
+hem voor den geest kwamen, totdat een nieuwe rookkolom hem zoowel
+het zien als het geluidgeven belette.
+
+De rol der Hollandsche benden was nu geheel omgekeerd: en van
+aanvallers waren zij verweerders geworden. Van alle kanten rukten
+versche benden van Friezen het plein op: en Deodaat herkende weldra
+onder hen den Heer van Aylva, die zijn ziekte in de hitte van het
+gevecht scheen vergeten te hebben, en aan wiens zijde de wakkere
+Feiko streed, zijn meester nergens verlatende en elken slag, die op
+dezen gemunt was, van zijn hoofd afkeerende. Vreeselijk woedde de
+Abt van Lidlum, wiens strijdkolf de zwaarden aan spaanders sloeg
+en de helmen verbrijzelde of zij van glas waren geweest. Maar ook
+Spangen en de zijnen deden wonderen van dapperheid: en, daar de
+ruimte van het binnenplein betrekkelijk klein was, deed zulks den
+strijd minder ongelijk zijn, dan die buiten op het open veld was
+geweest. Intusschen nam de brand al meer en meer de overhand, en kwam
+de eene zolder voor, de andere na, met een oorverdoovend gekraak en
+gedruisch naar beneden. Soms stortte er een lange balk, een gedeelte
+van het dak, of een brok van den muur op de binnenplaats, die dan
+Hollanders en Friezen met éénen slag verpletterde en de strijdenden
+uit elkander deed stuiven, maar slechts om dadelijk het gevecht
+met eene dubbele woede te hernieuwen. Het was een schouwspel zonder
+wedergade, om van den toren af op die menschen neder te zien, die
+zoo nietig en onbeduidend schenen, en die als helsche duivels door de
+vlammen en den rook heenwaarden en zich onderling vermoordden bij het
+schijnsel van den brand: het was een akelig geluid, dat noodgeschrei
+der gekwetsten, dat triomfgebrul der overwinnaars, dat gehuil van
+den wind, dat gerammel der wapenen en dat sissen en kraken van den
+brand, dooreengemengeld te hooren!--Eindelijk dreef het geweld der
+vlam nu den eenen, dan den anderen drom van het strijdperk af; en,
+evenals ware de dood door het staal verkieslijker boven dien door
+het vuur, drong men zich al vechtende weder naar de hoofdpoort, of
+vlood als met onderling goedvinden derwaarts, om, buiten gekomen,
+het gevecht te hervatten. Weldra zagen de jongelingen niets meer,
+dan den zwarten rook, die alles gelijk als met een mantel omhulde;
+en na weinige oogenblikken stortten de beide vleugels en eindelijk
+ook de kerk in puin en asch naar beneden.
+
+De nacht was voorbij: en de zon begon zich alreeds aan den
+gezichteinder te vertoonen, maar nog was de woede van den strijd niet
+verminderd. Van het geheele gebouw, dat weinige uren te voren zoo
+stevig daar neder stond, was bijna niets meer overig gebleven. Alleen
+de toren stond nog in zijn geheel, die, zwart geblakerd van onder
+en met zijn door de eerste zonnestralen vergulden koepel op een
+Afrikaanschen reus geleek, wiens hoofd met een schitterenden
+helm versierd ware. Ook de vier muren, die, met den toren mede,
+den noordwestelijken hoek van het gebouw uitmaakten, waren nog
+gedeeltelijk, hoewel zwaar beschadigd, blijven staan; maar al het
+overige vertoonde een onkenbaren en verwarden klomp van steen en hout
+en asch, waarbinnen de vlam smeulde en waaruit hier en daar dwalmende
+rookwolken naar boven stegen.
+
+Het overschot der Hollandsche bende, die buiten het klooster voor
+de overmacht had moeten zwichten, was wederom binnen den omtrek
+van het ingestorte puin zijn toevlucht komen zoeken en bood daar
+een hardnekkigen, maar, helaas! vruchteloozen wederstand. Vergeefs
+had Aylva, wiens medelijdende ziel niet stemmen kon in den moord van
+zoovele dapperen, alle pogingen in 't werk gesteld om hen te bewegen,
+de wapens neder te leggen; zijn stem was niet vernomen geworden door
+de Hollandsche krijgsknechten: en de Friezen luisterden niet naar
+hem, wanneer hij hen wilde aanmanen, den overwonnenen lijfsgenade te
+schenken; maar sloegen alles dood wat hun voorkwam. Geen deelgenoot
+van die gruwelen willende zijn, en buiten staat die te beletten, was
+de Olderman teruggetreden, met het voornemen om te gaan zien hoe het
+met Beaumont en de zijnen afliep, toen hem vader Syard op zijde kwam,
+met den angst op het gelaat geschilderd.
+
+"Om Gods wil!" zeide de monnik: "mijn Heer van Aylva! hebt gij Ridder
+Deodaat ook ergens in 't gedrang opgemerkt?"
+
+"Deodaat!" herhaalde de Olderman, verbleekende: "neen! 't Is waar
+ook! hij was hier in 't klooster!--Dat ik hem een oogenblik vergeten
+kon!"
+
+"Hij zal toch, hoop ik, den brand bemerkt en zich naar beneden
+begeven hebben."
+
+"Dat zou moeilijk geweest zijn," zeide de vader Guardiaan, die kort
+daarbij met den Abt gezeten was op een brok steens, waar zij van hun
+heldendaden uitbliezen: "ik beloof u, ik heb hem wel deftig achter
+dubbele grendels gesloten: en, al is hij zijn kamerdeur uitgekomen,
+de trapdeur heeft hij zonder hulp niet kunnen openbreken."
+
+"Hij zal.... wel.... daaronder liggen," merkte de Abt aan, terwijl
+hij hijgende op den muur naast den toren wees.
+
+"Ongetwijfeld!" hervatte de andere monnik: "de brand is aan de kerkdeur
+begonnen, die vlak bij de trap is, welke naar de cellen geleidt. Hij
+zal dus geroost zijn als een braadspiering."
+
+"Maar welk overgroot belang.... hoe! wanneer zal ik mijn adem
+terugkrijgen?.... welk belang stelt gij toch in dien Deodaat?" vroeg
+de Abt, zijn onbeteekenende oogen wijd opspalkende en vader Syard
+aanziende: "ehugh! ehugh!--die vervloekte rook!.... Er zijn er zoovelen
+gevallen, die zoo goed, ja beter waren dan hij."
+
+"Ik had voor hem moeten zorgen," zeide de monnik, zonder op de vraag
+van vader Volkert acht te slaan: "ik heb hem schandelijk vergeten
+toen het tijd was. O! dat hij nog kon ontkomen zijn."
+
+"En al is hij den brand ontkomen," zeide Aylva, het hoofd schuddende:
+"dan heeft hij zich zeker bij zijn wapenbroeders gevoegd en hij is met
+hen omgekomen: want die vreeselijke jubelkreet achter ons verkondigt
+mij dat de slachting volbracht is."
+
+"'t Is uit!" riep de Lidlummer, die zich op dat zelfde oogenblik op
+een der puinhoopen vertoonde, waar hij met zijn met bloed en asch
+besmeerde armen en half verzengd gewaad en aangezicht den genius
+der vernieling had kunnen voorstellen: "'t Is uit! de laatste man is
+gevallen. Hoezee voor Friesland!"
+
+"Hoezee!" riep al het volk.
+
+"Hoezee!" riep een ruiter, die in vollen ren kwam aansnellen. "Martena
+en de Bloemkampers hebben de zege! Beaumont alleen is het ontkomen,
+met behulp van den schelm, die zich Aylva's zoon noemde; maar die
+een verrader was."
+
+"Met behulp van Reinout!" riep Aylva, de handen wringende.
+
+"Hij deed zich zelven recht," zeide vader Syard: "hij moest een
+verrader worden."
+
+"Hoe!" vroeg de Olderman, verbaasd opziende: "en wat beweegt u,
+zulks te vermoeden?"
+
+"Ik heb geen vermoedens meer," zeide de monnik; maar te gelijk wendde
+hij zich af, bemerkende dat hij te veel ging zeggen; want nu het hem
+bijna zeker toescheen, dat Deodaat was omgekomen, achtte hij het
+noodeloos den Olderman het geheim van 's jongelings geboorte mede
+te deelen, ten einde hem niet des te meer te bedroeven, indien hij
+hoorde dat de vermiste zijn zoon ware.
+
+"Welke raadsels spreekt gij toch?" vervolgde Aylva; maar voor
+de monnik kon antwoorden, deed een nieuw geroep van: "kijk die
+twee! daarboven!" hen beiden het hoofd naar den toren wenden.
+
+"Wat duivel zijt gij, Hollanders of Friezen?" riep de Abt van Lidlum
+aan de beide jongelingen toe: "antwoordt gij niet? nu dan behoeven
+wij niet verder te vragen."
+
+"Maar hoe komen zij daar?" vroeg vader Volkert: "de toegang tot den
+toren was immers afgebroken? En wie kunnen het zijn?"
+
+Niemand wist deze vraag te beantwoorden; want de afstand belette aan
+een iegelijk, Deodaat te herkennen, van wien bovendien alleen het
+bovenste gedeelte van het gelaat zichtbaar was.
+
+"Komt dan af, mannen!" riepen de Friezen beneden: "dan zullen wij u
+vertellen, hoe het met uwe makkers gegaan is."
+
+"Wacht!" riep er een uit den hoop: "wij zullen hen wel doen schreeuwen,
+indien zij niet spreken willen!" en te gelijk zijn boog spannende,
+legde hij op het venster aan.
+
+"Jawel! zij zullen uwe pijlen afwachten," zeide de andere: "of zij
+gek waren! Wat doken zij spoedig weer in den toren terug, toen zij
+u naar een pijl zagen grijpen."
+
+"Wij zullen hen van daar moeten ontnestelen," hernam de eerste.
+
+"Ja! laat ons in den toren klimmen!" zeide de derde: "een ladder! een
+ladder! en dan zullen wij hen dwingen, van boven neder te springen."
+
+En dadelijk snelden eenigen binnen de muren der afgebrande kerk,
+ruimden zooveel zij konden de nog brandende binten en balken uit
+den weg en kwamen eindelijk, niet zonder moeite, onder den toren,
+terwijl anderen ladders haalden en die aaneenbonden.
+
+"Om Godswil!" zeide Aylva, wien opeens het denkbeeld voor den geest
+was gekomen, of ook Deodaat wellicht een dier beide personen in den
+toren wezen kon, en die hierop den woesten hoop gevolgd was: "wat
+wilt gij doen, vrienden? haalt die lieden van boven; maar doet hun
+geen leed. Gij hebt u als helden gedragen; gedraagt u als menschen
+na de overwinning."
+
+Maar niemand sloeg acht op zijn smeekingen: integendeel waren er
+sommigen, die hem vrij ruw bescheid gaven, en hem vroegen of hij
+evengoed gezind was als zijn zoon, en de Hollanders verkoos te sparen:
+ja, het liep zooverre, dat Feiko, die zijn meester niet verlaten had,
+zich genoodzaakt zag hem bijna met geweld van daar te halen.
+
+De toestand van onze beide vrienden in den toren was intusschen alles
+behalve vermakelijk. Zij hadden het gerucht beneden gehoord, en op
+de tweede zoldering afgedaald zijnde, bespeurden zij al spoedig dat
+men zich gereedmaakte, hen in hun hooge schuilplaats te komen bestoken.
+
+"Dat begint er slecht voor ons uit te zien," zeide Zweder, die nu en
+dan met de noodige voorzorgen naar beneden keek.
+
+"Er blijft ons niets over dan om ons ter dood te bereiden," zeide
+Deodaat: "en ons leven zoo duur te verkoopen als het ons eenigszins
+mogelijk is. Wij kunnen althans uit onze hooge standplaats nog eenigen
+tijd met voordeel het hoofd bieden."
+
+"Dat zal ons weinig baten," zeide Zweder: "want om hen te bevechten,
+moeten wij ons vertoonen: en dan staan wij voor hun pijlen
+bloot. Kom! het is gedaan. Wij overleven de grap niet: en ik zal ons
+slot van Naaldwijk en mijn lieve moei Ottilia nimmer terugzien. Die
+goede ziel! zij heeft mij voor mijn vertrek nog een geborduurden
+hanger vereerd voor mijn dolk. Wat zal zij treuren, als zij hoort
+dat haar neefje, dat haar altijd zoo plaagde, zoo jammerlijk aan zijn
+eind is gekomen."
+
+"Arme jongen!" zuchtte Deodaat:--"maar helaas! gij zijt nog gelukkiger
+dan ik:--want niemand--neen niemand zal mijnen dood beweenen.--Wat
+zeg ik?--Reinout wellicht.... en misschien ook...."
+
+"Ja, welzeker zal zij u ook beweenen," zeide Zweder, de gedachte
+van Deodaat aanvullende: "maar wat hamer! laten wij niet dwaas zijn
+en als kinderen schreien, terwijl er misschien nog redding mogelijk
+is. Zoolang er leven is, is er nog hoop. Gij noemdet uw vriend Reinout;
+dat doet mij ergens aan denken. Is hij niet, althans volgens uwe
+meening, op een dolk naar beneden gereden?"
+
+"Hoogstwaarschijnlijk! Maar dat kan ons hier niet baten; want dan
+vallen wij des te eerder in de handen onzer bespringers."
+
+"Alles moet beproefd worden," zeide Zweder: en tevens zag hij de
+opening uit, door welke zij in den toren gekomen waren. Het trapje,
+de gang en al de zolders aan deze zijde waren ingestort; maar
+de drie muren van den vleugel waren, gelijk hierboven gezegd is,
+blijven staan, en verhinderden, dat iemand hen van beneden zien
+kon. Zweder keek naar beneden; maar de oneffenheden van den muur
+en de hier en daar vooruitspringende brokken van boog- en muurwerk,
+die nog aan den toren vast waren blijven zitten, beletteden hier de
+uitvoering van het ontkomingsmiddel, door Reinout gebezigd. Ook had
+alleen Zweder een dolk, die door zijn vorm weinig geschikt was om
+dat middel te beproeven.
+
+"Maar gij hebt een touw," zeide Deodaat.--"Er ware nog
+mogelijkheid...."
+
+"Ik heb het," riep Zweder, verheugd: "ik heb het.... Wacht! Eerst
+moeten wij zorg dragen, dat zij ons niet verrassen. Het wordt tijd;
+want ik geloof waarlijk, dat zij al aan 't klimmen zijn."
+
+En onder het spreken dezer woorden keerde hij zich om en
+zag in den toren naar beneden, waar de Friezen reeds een paar
+aaneengebonden ladders tegen de eerste zoldering aangezet hadden,
+en zich gereedmaakten, die te bestijgen. Haastig greep nu Zweder de
+middelste trapladder bij de bovenste sport, rukte die met de kracht der
+wanhoop uit de krammen, trok haar vervolgens met behulp van Deodaat
+van haar steunpunt los, hield haar een oogenblik boven den openen
+koker verheven en liet toen de handen los. Het lang en zwaar gevaarte
+stortte naar beneden, verbrijzelde de ladders der Friezen, deed een
+aantal van hen bloedende en vloekende op den vloer nedertuimelen en
+sprong zelf tegen de zerken tot spaanders.
+
+"Ziezoo!" riep Zweder: "nu zullen zij ons vooreerst met vrede
+laten. Wat ons betreft, wij moeten denzelfden weg uit, dien wij
+gekomen zijn. Het smeult en rookt nog wel wat beneden; maar des te
+beter; zooveel te minder zullen zij ons komen hinderen."
+
+En nu, met spoed het touw losgewonden hebbende, dat hem om het lijf
+zat, sloeg hij het dubbel om een plank, die hij uit den vloer losbrak,
+liet de beide einden de opening uithangen en plaatste de plank dwars
+daarvoor: waarna hij zich naar buiten liet afglijden. Toen hij niet
+lager kon, en bemerkte dat hij nog ruim twintig voet boven den grond of
+liever boven het ingestorte puin was, slingerde hij zich op een tegen
+den muur in een nis gemetseld voetstuk, en klemde zich aan de nog heete
+krammen vast, welke gediend hadden om een standbeeld tegen te houden,
+dat half verteerd beneden lag. Deodaat volgde zijn voorbeeld, liet zich
+insgelijks aan het touw af glijden en stond weldra aan zijn zijde;
+waarna zij dadelijk het touw naar zich toe trokken en het aan een
+vooruitspringenden boog nevens hen vastmaakten. Zij daalden hierop
+lager af, zich nu eens van Zweders strijdbijl, welke zij over de
+steenbrokken vasthaakten, dan weder van den dolk, dien zij tusschen
+de openingen staken, bedienende, om de reis naar beneden gemakkelijk
+te maken.
+
+Zij stonden eindelijk boven het rookende puin en door het vierkant
+der muren voor aller oog verborgen; maar het was er verre af, dat zij
+zich nu buiten gevaar konden achten. Integendeel, zij hadden slechts
+het eene met het andere verwisseld. Want vooreerst stond hun elk
+oogenblik een bezoek der conversen te schromen, die wellicht spoedig
+zouden komen om den brand te blusschen en te redden wat nog redbaar
+was: en ten anderen verkondigde hun de onverdraaglijke hette van het
+brok steens, waarop zij stonden, dat het vuur nog onder hun voeten
+blaakte en dat zij kans liepen bij een nieuwe ineenstorting van het
+puin in den gloed te vallen en jammerlijk om te komen. Al trippelende
+en met verschroeide ledematen sprongen zij van den eenen hout- of
+steenhoop op den anderen, nu eens op den rechtervoet staande, dan
+weder, wanneer zij de pijn niet langer verduren konden op den linker
+rustende: ja somtijds omvatteden zij een over de bouwvallen liggenden
+en half verzengden balk met beide armen en lieten de beenen hangen, om
+die een oogenblik rust te gunnen. Opeens deed Zweder een ontdekking,
+welke hem met blijdschap vervulde. Hij zag namelijk onder zich een
+donker gat, hetwelk hem toescheen, naar een gewelf te geleiden.
+
+"Daarheen!" fluisterde hij, den Ridder aanstootende: en, zich van
+een omgestorte plank latende afglijden, waren beiden weldra, schoon
+met deerlijk gebrande handen, nabij de opening.
+
+"Hier is de kelder van de vrome vaders," zeide Zweder: "of ik bedrieg
+mij grootelijks. Laat ons den ingang onzichtbaar maken, dan houd ik
+het er voor, dat wij vooreerst gered zijn."
+
+En, de handen aan 't werk slaande, stapelden zij, hoe pijnlijk hun
+deze verrichting ook viel, met allen spoed een menigte brokken steens
+en gezengde balken en planken tegen de opening, alleen zooveel ruimte
+overlatende, dat zij er op handen en voeten konden binnenkruipen. Een
+treurige gewaarwording overviel hen, toen zij, bij het opruimen van
+het puin, op eenmaal twee verzengde lijken, waarschijnlijk van hun
+makkers, ontdekten.
+
+"Die arme halzen!" zeide Zweder: "zij trokken nog kort geleden zoo
+wakker met mij de kerkramen door.--Maar wacht! zij kunnen ons nog na
+hun dood van dienst zijn!"--En meteen zich van zijn kuras ontdoende,
+gespte hij het om een der lijken; terwijl Deodaat, zijn oogmerk
+radende, zijn pij uittrok en daarmede het andere omhing, waarna zij
+de twee lichamen aan den voet des torens sleurden en vervolgens in
+hun schuilplaats kropen.
+
+"Ongelukkig," zeide Zweder, in de duisternis rondtastende, "dat al
+de wijnvaten hier vandaan zijn gehaald. Mijn keel is even verschroeid
+als mijn voetzolen en ik gaf het halve erfdeel mijns vaders voor een
+frisschen dronk, al was het dan ook maar koud water."
+
+"Een krijgsman moet honger en dorst kunnen lijden, mijn goede
+Zweder!" zeide Deodaat: "en bovendien moet gij u niet te zeer
+beklagen, dat de wijnvaten weg zijn: wij hebben nu te minder kans,
+door de dorstige monniken bezocht te worden."
+
+"Dat is waar!" zeide Zweder, terwijl hij zich op den vloer uitstrekte
+en het heete gelaat tegen den vochtigen grond verkoelde: "want waar
+iemand zijn schat heeft, daar is ook zijn hart."
+
+
+
+
+
+ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+
+ En na veel droefheydt komt een heuchelyck verblyden
+ Door 't wercken van de tydt, die alles openbaerdt,
+ Waer door verburghen waerheyts lichte wordt verklaert.
+
+ Rodenburg, Melibea.
+
+
+Ruim tien dagen waren verloopen, sedert de merkwaardige geschiedenissen
+hadden plaats gehad, in de vorige Hoofdstukken vermeld. De eerste
+vervoering van uitbundige blijdschap, door de zegepraal der Friezen
+verwekt, was voorbij en had plaats gemaakt voor een diepe en plechtige
+kalmte, gelijk aan die, welke men in de natuur gewoonlijk ziet volgen
+op het woeden van den storm. Ja het scheen, alsof het gewicht zelf
+hunner overwinning, die meer volkomen en beslissend geweest was dan
+de hoogst gespannen verwachting zich had durven beloven, de gemoederen
+der Friezen vervaarde en ter nederdrukte. Bij verreweg de meesten had
+het vuur des ijvers, dat na den afloop van den slag in aller oogen
+fonkelde, en de glans van opgewonden vreugde, welke ieder gelaat deed
+schitteren, plaats gemaakt voor nedergeslagen blikken, die als het
+ware vreesden elkander te ontmoeten: en op veler wezenstrekken was
+angstige bezorgdheid voor de toekomst te lezen. De onversaagde helden,
+die zoo moedig hun onafhankelijkheid bevochten hadden, geleken thans op
+vreesachtige schoolknapen, die, na in een opstand hun leermeesters en
+opzieners verdreven, en zich in hun schoolgebouw achter versperringen
+verschanst te hebben, van hun wilde verbijstering teruggekomen, met
+schrik de gevolgen overdenken, waarop hun vermetelheid hun eenmaal
+zal te staan komen, en gaarne de verkregene lauweren zouden willen
+afstaan voor de zekerheid van weder in genade te worden aangenomen.
+
+Een schouwspel, hetwelk, op den elfden dag na de overwinning, aan
+Friesland gegeven werd, bracht niet weinig bij, om de algemeene
+somberheid te vermeerderen. Het was een dier stille en plechtige
+najaarsochtenden, waarin de sterveling tot ernst gemaand wordt door
+den aanblik der natuur, aan een grijsaard gelijk, die de dagen zijner
+jonkheid schijnt te betreuren en zich in het lijkgewaad te hullen,
+als om den naderenden doodsslaap te verbeiden. De zonnestralen
+waren aan het gezicht onttrokken door een dichten neveldamp, die
+als een sluiergaas over het groene veld lag heen gespreid. Treurig
+en naakt, verhieven hier en ginds enkele slecht opgegroeide boomen
+hun bladerlooze kruin: geen enkel zuchtje beroerde de oppervlakte der
+binnenwateren, noch roerde de gerimpelde bladeren aan, die op enkele
+plaatsen hof en weg als met een goudgelen mantel bedekten. Geen
+vroolijk gevogelte trok in dit anders zoo levendige jaargetijde
+door de lucht; alleen brak hier en ginds een raaf, op een staak of
+boomtronk gezeten, de stilte af met zijn krassend geschreeuw. Een
+talrijke optocht, voor den dageraad van uit de omstreken van Stavoren
+vertrokken, en die meer uit beweegbare beelden dan uit levende
+menschen scheen te bestaan, volgde met langzamen tred den landweg,
+die langs het vischrijke meer van Parrega, van Workum naar Bolsward
+geleidt. De visscher, die, in zijn boot staande, bezig was met het
+ophalen zijner vangst, liet, als de trein voorbijging, zijn net weder
+vallen, en afvragende, of het ook een legioen van booze geesten ware,
+dat zoo twijfelachtig door den nevel voorttrok, ontdekte hij zich de
+kruin en zeide een _pater_ op. De doggen, die voor stulp of hoeve
+waakten, schenen hun anders zoo woeste geaardheid te verliezen en
+kropen met ingetrokken staart en hangende ooren achter hun meester,
+die, zelf op zijn erf nederknielende, de gebeden voor de afgestorvenen
+opzeide en niet opstond, voordat de laatste man van dien talrijken
+sleep voorbij was. Slechts enkelen wierpen op het treurige schouwspel
+een blik van zegepraal en hoogmoed; maar weldra gleed een medelijden,
+waarvan zij zich nauwelijks rekenschap wisten te geven, hun boezem
+in, en keerden zij huiswaarts, nadenkende over het onbestendige en
+wisselvallige der ondermaansche zaken.
+
+En wel was die optocht geschikt om de zielen tot nadenken te bewegen;
+want hij was uitgetrokken om een lijkbaar naar de grafplaats
+te brengen: en in die lijkbaar was het half vergaan en ellendig
+overschot vervat van Willem, Grave van Henegouwen, van Holland
+en Zeeland. Wat bleef er van hem, den bedwinger van Utrecht, die,
+weinige dagen te voren, toen hij het glansrijkste leger ter wisse
+zege meende te voeren, zich, met een in hem verschoonbaren hoogmoed,
+den machtigsten aller Heeren, den meester aller soldaten, den evenman
+der Koningen noemde? Helaas! niets dan een onkenbaar rif, waaraan
+niet dan met moeite een graf verleend werd. En welke was de vrucht
+geweest van zijn wakkere oorlogsfeiten, met wier roem hij de wereld
+vervuld had?--Geen andere, dan dat hij een schatkist achterliet,
+berooid en uitgeput door de ondernemingen, waartoe hem zijn staatzucht
+vervoerd had, en een erfgoed, over welks bezit een twist stond uit
+te barsten, die eeuwen lang na hem zou blijven woeden, en Holland
+tot een eindelooze bron van bloed en tranen verstrekken moest.
+
+De trein, die het lijk vergezelde, was tot Workum toe voorafgegaan door
+de geestelijken van Sint-Odulf, wier parochiaal toezicht aldaar een
+einde nam. Daar ter plaatse waren zij in de achterhoede teruggevallen,
+hun plaats overlatende aan de monniken van Bloemkamp of Oldeklooster,
+die, door de banier- en kruisdragers voorafgegaan, en het hoofd
+met hun kappen bedekt, langzaam vooruittraden. Een vreemdeling, die
+hun deemoedige, eerbiedige houding en hun naar den grond geslagene
+blikken aanschouwd had, zou zich niet hebben kunnen voorstellen, die
+zelfde lieden te zien, welke kort te voren, met de wapens in de hand,
+bij trompetgeschal ter slachting trokken en met onmenschelijke woede
+hun weerloozan vijand ontzielden, ja nog na zijn dood mishandelden,
+die zelfden, die wellicht eenen dag daarna opnieuw naar het moordtuig
+zouden grijpen, om hun wapenbroeders van de vorige maand met een
+binnenlandschen krijg te bezoeken.
+
+Na hen kwam, gevolgd van een deel zijner Ridders, de Commandeur der
+Sint-Jans-Ridders te Haarlem, Heer Hugo van Koukerk. Hij was het,
+die, zoodra de ontzettende maar der nederlaag Holland in rouw was
+komen dompelen, zich naar Friesland begeven had, om voor de in den
+strijd gevallene helden een eerlijke begrafenis te verzoeken. En,
+wat vreemder scheen, hij was het, die aan de overwinnaars de eerste
+tijding bracht, dat de Graaf zelf zich onder de gesneuvelden bevond;
+want niemand had zich aldaar over den rang of de hoedanigheid der
+omgebrachte vijanden bekommerd, die door het woedende gepeupel
+eerst naakt waren uitgeschud en vervolgens op hoopen gestapeld,
+om op het slagveld te blijven rotten:--een wreedaardig gebruik,
+waarmede de Friezen, evenals vroeger de Germanen, zoozeer gehecht
+aan lijkplechtigheden wanneer het hunne eigene dooden betrof, gewoon
+waren hun verachting voor hun vijanden uit te drukken.
+
+Het was dan ook alleen het lijk des Graven, hetwelk de Friezen, op het
+smeeken des Commandeurs en op de voorbede van een nog hoogeren persoon
+(dien wij straks terug zullen vinden) besloten aan een gewijde aarde
+te schenken: en nog zelfs te dezen opzichte kon de Haarlemmer zijn
+wensch slechts ten deele bereiken: want men wilde hem niet toestaan,
+het overschot zijns meesters met zich te voeren, en men bepaalde,
+dat het als een blijvend pand en gedenkteeken der overwinning, in een
+der Friesche kloosters, en wel in dat van Bloemkamp, zou begraven
+worden. Lang duurde het, eer men het misvormde lijk van onder den
+stapel der half bedorven lichamen had teruggevonden: en de oogen
+der vriendschap konden hun tranen niet bedwingen, toen het Koukerk
+eindelijk te beurt viel, zijn voormaligen meester aan de lange,
+golvende haarvlechten, welke hem aan den bloedigen schedel kleefden,
+te herkennen.
+
+Achter de lijkbaar, welke met een effen zwart kleed overdekt, en
+zonder eenig praalteeken, op eenige overdwars geplaatste lansen rustte
+en door een twaalftal knapen werd gedragen, volgden eenige lieden,
+zoo te paard als te voet, allen bedekt met rouwkappen, welke hun
+gelaat aan ieders oog onttrokken. De meesten van hen waren Friesche
+Edelen, die of, gelijk Aylva, Martena en anderen, grootmoedig genoeg
+waren om aan hun vijand de laatste eer te willen bewijzen, of die
+door het bijwonen der lijkplechtigheid hun eigenliefde en hoogmoed
+gestreeld vonden. Maar er bevonden zich ook enkele Hollanders bij,
+die ter liefde van hun Graaf waren overgekomen en, na vrijgeleide
+bekomen te hebben, door hun Friesche bekenden met de meest voorkomende
+gastvrijheid waren ontvangen. Er was onder hen een grijsaard, gelijk
+men aan gang en houding bespeuren kon, maar die nog meer door het
+verdriet dan door het gewicht der jaren leed: de oude Paypaert,
+de Wapenkoning van Holland. Het was niet slechts de dood zijns
+meesters, welke hem zoozeer bedroefde; want hij had reeds te veel
+Heeren naar hunne laatste stede begeleid, dan dat hem de dood van
+dezen zoo diep zoude treffen, neen! zoo hij in sprakelooze wanhoop
+voorttrad, het was omdat hij geheel vruchteloos was overgekomen,
+omdat hij, aan wien bij de begrafenis van zoovele vorsten altijd het
+opperbestier was opgedragen geweest, zijn aanspraak op dat recht door
+de Friezen had zien tegenspreken of verachten, en gedwongen was een
+lijdelijk aanschouwer te zijn van de in zijne oogen onbetamelijke,
+ja schandelijke wijze, waarop men een Vorst als Graaf Willem naar het
+graf voerde. Zoolang echter de plechtigheid duurde, gaven alleen zijn
+somber gelaat en neergeslagene oogen het ongenoegen en de smart te
+kennen, die hem vervulden; want het druischte natuurlijk tegen al zijn
+beginselen aan, gedurende een lijkdienst te spreken; maar toen hij de
+reize huiswaarts aannam, en zich niet langer behoefde te bedwingen,
+liet hij niet af van zich bij zijn reisgenooten te beklagen: en toen
+hij zelf kort daarna (waarschijnlijk aan de gevolgen van verkropte
+gramschap) overleed, waren zijn laatste woorden, dat het land te
+gronde ging, nu men had kunnen dulden, dat de laatste Vorst als een
+gewone dorper was onder den grond gestopt.
+
+De monniken van Sint-Odulf sloten, gelijk wij reeds boven hebben
+aangemerkt, den trein, die bovendien vergezeld werd door een bende
+welgewapende ruiters, ten einde te verhoeden, dat niet het grauw in
+blinde woede zijn wraak nog aan het overblijfsel des Graven koelde,
+of op een andere wijze de plechtigheid stoorde. Deze voorzorg bleek
+echter onnut te zijn; want alles liep rustig en betamelijk af.
+
+Het begon reeds avond te worden, toen de stoet den eindpaal van zijn
+tocht bereikte, zijnde het Oldeklooster, dat, gelijk bekend is, in de
+nabijheid van het oude dorp Hartwert, een uur gaans ten noordoosten
+van Bolsward aan den oever der Middelzee gelegen was. Daar wachtte een
+groote schaar van toeschouwers buiten het erf, en de Abt Meikulfus
+met zijn geestelijken op den dorpel, het lijk des Graven af, dat
+terstond binnen de kerk gedragen werd, alwaar de lijkmis gevierd
+moest worden. Hij, die het bestier dezer plechtigheid zou voeren,
+en in zijn plechtgewaad uitgedost achter het outer stond, was geen
+minder persoon dan de Bisschop van Utrecht zelf. Sierlijk staken de
+fraaie houding en edele gelaatstrekken des gemijterden jongelings af
+tegen de grove gestalte en het plompe uitzicht van den Abt van Lidlum,
+tegen de logge gedaante van Vader Volkert, tegen de onbeduidende,
+boersche figuren der kloostervoogden van Luidinga-kerke, Mariëngaarde,
+of andere gestichten, die hem omringden, en tegen het ineengedrongen,
+onbeschofte voorkomen des Bloemkampers, die tegenover hem met het lijk
+aankwam. Jan van Arkel had, een paar dagen na den slag bij Stavoren,
+en zoodra hij vernam dat Friesland rustig was, van uit de Kuinder,
+waar hij (gelijk wij hierboven vermeld hebben) zijn intrek genomen
+had, eenige geestelijken aan de overwinnaars gezonden om hun zijn
+gelukwenschingen over te brengen en tevens voor 's Graven lijk een
+eerlijke rustplaats te verzoeken: terwijl hij zelf kort daarna in
+Friesland verscheen, en aldaar de kloosters met menig voorrecht
+begiftigde. Hoewel het bijna aan niemand onbekend was, dat hij den
+Graaf op zijn tocht vergezeld en hem hulp toegezegd had, was er echter
+niemand, die hem dienaangaande eenig verwijt dorst te doen; want
+eensdeels had hij iets zoo gulhartigs en oprechts in zijn voorkomen,
+dat men, hem hoorende spreken, zich tegen beter weten aan gedwongen
+gevoelde, zijn betuigingen voor goede munt aan te nemen: en ten anderen
+waren, zooals vroeger gezegd is, de Friezen over hun overwinning
+versuft: de Stellingwervers en het Oversticht waren gewapend: en men
+wilde Jan van Arkel liever tot vriend dan tot vijand hebben.
+
+Welke waren de gevoelens, die het hart des Bisschops vervulden,
+toen hij het gewijde nat over de doodbaar en het graf zijns vijands
+sproeide, of toen hij, nedergeknield, den plechtigen lijkdienst voor
+de rust van Willems ziel bestuurde? Het is aan niemand gegeven, des
+menschen boezem te peilen; maar zoo andere gemoedsbewegingen, dan die
+met het heilige werk, dat hij verrichtte, overeenstemden, de ziel
+van Arkel bewoonden, de kalme en in zich zelf gekeerde uitdrukking
+van zijn gelaat verraadde die niet. Hij scheen tot het einde toe
+doordrongen te blijven van het gewicht zijner bediening en van het
+plechtige des oogenbliks. Niemand intusschen kon hem van huichelarij
+betichten: want er vloeide geen valsche traan langs zijn wangen; en
+toen hij na afloop van den dienst en aan het daarop volgend lijkmaal,
+over den afgestorvene eenige woorden sprak, weidde hij niet over
+'sGraven hoedanigheden uit; maar vergenoegde zich, op een ernstige
+en gepaste wijze zijn toehoorders over het nietige van alle aardsche
+grootheid te onderhouden.
+
+Terwijl dit binnen de muren van Oldeklooster voorviel, was het verdrag
+van Utrecht verbroken, en liepen 's Bisschops dienstmannen Holland
+af, zich weder van de veroverde plaatsen meester makende en het land
+brandschattende.
+
+ * * * * *
+
+Wij moeten ons thans verplaatsen in de groote stins van Aylva bij
+Scadaert in Wonseradeel, waarheen zich Madzy kort na den slag bij
+Stavoren begeven had, ten einde de besmetting te ontwijken, welke men
+vreesde, dat de verpestende lucht der rottende lijken in den omtrek
+van genoemde stad zou teweegbrengen. Van dit nieuwe verblijf der
+Jonkvrouw waren wij voornemens een uitgebreide en ongetwijfeld hoogst
+belangrijke beschrijving te geven, waartoe de bouwstoffen reeds gereed
+lagen; maar de vrees, dat onze bescheidene lezer (bemerkende dat hem
+slechts weinige bladzijden meer ter inzage overschieten, en zoo al
+niet naar de ontknooping, dan althans naar het einde verlangende)
+met die beschrijving een weinig vrijer zou kunnen omgaan, dan voor
+onze eigenliefde streelend ware, namelijk: dat hij die geheel mocht
+overslaan, heeft ons doen besluiten omtrent deze stins van Aylva niets
+anders te zeggen, dan dat het een oud, ruim, hecht en weldoortimmerd
+Huis was, met zijn torens, ophaalbrug en gracht, naar den Saksischen
+trant gebouwd, en, de tijden in aanmerking genomen, van binnen met
+smaak en pracht gemeubileerd. Voor 't overige was het, uithoofde
+eener oude gehechtheid, Aylva's geliefkoosd verblijf, ofschoon deze
+eigenlijk, gelijk wij hoogerop verhaald hebben, zijn meeste goederen
+en betrekkingen in Oostergoo had, waar hij insgelijks een paar kleiner
+stinsen bezat.
+
+Op den morgen dan na de hierboven beschrevene plechtigheid, was
+Madzy met vader Syard in de gewone huiskamer van gemelde stins
+gezeten. Zij scheen door eene diepe smart ter neergedrukt en slechts
+onwillige ooren te leenen aan de woorden van vertroosting, welke
+de monnik tot haar sprak. En waarlijk, haar droefheid was van dien
+aard, dat alleen een sterk gestel haar in staat kon stellen die te
+verduren zonder tot ijlhoofdigheid te vervallen; want de tijding,
+welke die veroorzaakt had, zoowel als de omstandigheden, waarmede die
+gepaard ging, waren treffend en hartverscheurend. Wij hebben vroeger
+verhaald, hoe Daamke van Reinout last bekomen had, om het geschrift,
+dat op een zoo zonderlinge wijze uit zijn tooverkast was te voorschijn
+gekomen, aan Aylva te bezorgen. De moed van den goeden hansworst was
+intusschen niet verheven genoeg, om hem aan te drijven den Olderman
+te Stavoren of te Sint-Odulf te gaan opzoeken, en alzoo nieuwe
+tooneelen van moord in den mond te loopen, waarvan Daamke uit zijn
+aard afkeerig was. Hij koos dus liever een omweg, en alle aanraking
+met krijgslieden vermijdende, reed hij bedaard heen naar Awert-State,
+waar hij voornemens was Aylva af te wachten. Madzy, die aldaar reeds
+bezig was met het verplegen van eenige derwaarts gebrachte gewonden,
+had zoodra de komst van Reinouts dienaar niet vernomen, of zij liet
+hem voor zich verschijnen, ten einde eenig bericht aangaande den slag
+te ontvangen: en misschien ook wel, om hem te ondervragen betreffende
+hetgeen haar door vader Syard was medegedeeld. Nauwelijks had Daamke
+haar het verlangde verslag gedaan, en haar, onder vele betuigingen
+van verbazing over Reinouts gedrag, hetwelk hij aan ijlhoofdigheid
+toeschreef, bericht gegeven van zijn boodschap aan den Olderman,
+of zij verlangde den brief te zien; en, hoewel den inhoud, die in
+de Italiaansche taal geschreven was, niet verstaande, bemerkte zij
+dadelijk aan de onderteekening, dat dit stuk hetzelfde moest zijn,
+waarvan de monnik met haar gesproken had. Ontzet over het gevaar,
+dat Deodaat boven het hoofd hing (want zij had van verre Sint-Odulf
+zien branden) en het hart door het pijnlijkste voorgevoel beklemd,
+gaf zij last aan Daamke, zich onmiddellijk naar Stavoren te begeven,
+den Heer van Aylva op te zoeken en hem den brief ter hand te stellen;
+maar op dit zelfde oogenblik kwam haar voogd terug, die, zooals wij
+gezien hebben, zijns ondanks door Feiko was overgehaald Sint-Odulf
+te verlaten, en haar, terwijl zij nog bij zich zelve overdacht hoe
+zij het aan zou vangen om hem den brief mede te deelen, het treurige
+bericht gaf, dat Deodaat naar alle waarschijnlijkheid in den brand
+van Sint-Odulf was omgekomen. Hoe verplet over deze maar, welke al de
+zoete uitzichten van geluk, die een oogenblik te voren haar voor den
+geest gezweefd hadden, ter neder wierp, behield Madzy echter kracht
+van ziel genoeg om te beseffen, dat in deze omstandigheden het reeds
+zoozeer geschokt gestel van haar voogd voor nieuwe ijselijkheden
+gespaard moest blijven: ja, dat het hem wellicht een instorting en
+het leven kosten zoude, indien hij thans vernam, dat die Deodaat,
+wiens dood hij betreurde, geen vreemdeling, maar zijn zoon was
+geweest. Zij zweeg dan en legde aan Daamke (die buitendien niets
+wist) het stilzwijgen op: zij bedwong, zooveel dit in haar vermogen
+was, de aandoeningen harer ziel, terwijl de tranen die zij stortte,
+door Aylva niet ten onrechte aan haar liefde voor den overledene
+werden toegeschreven en met welwillendheid verschoond; hij toch
+kon zich die te beter verklaren, daar hij zelf, zonder de reden
+daarvan te beseffen, meer leed gevoelde over het lot van Deodaat,
+dan over het gedrag van Reinout. Dit laatste werd, als te denken
+valt, door de overige Friezen met den naam van afschuwelijk verraad
+bestempeld; maar Aylva verschoonde het, uithoofde van 's jongelings
+vroegere betrekking met Beaumont: ja zelfs beurde hem het denkbeeld
+eenigszins op, dat de jongeling, wien hij zich nog niet had kunnen
+gewennen als zoon lief te hebben, hem voor altijd verlaten had: en
+Madzy's eenige troost in al haar lijden was de zekerheid, dat zij
+de aanzoeken van dien minnaar niet meer te vreezen had: terwijl het
+haar voorts eenigszins welkom was, dat de Olderman, ten gevolge der
+landsaangelegenheden, meest van huis was, en zij in eenzaamheid aan
+haar droefheid den vrijen loop kon laten.
+
+Vader Syard was de eenige, die van het vreeselijke geheim bewust
+was en den toestand kende van Madzy's hart. Hij was op den avond
+na de slachting te Sint-Odulf op Awert-State gekomen en had aldaar
+Madzy's voornemen, om het geheim voor Aylva te verzwijgen, vernomen en
+goedgekeurd. De aanleiding zijner tegenwoordige komst op Aylva-stins
+was, om haar mede te deelen, dat het, na vele nasporingen, aan de
+arbeiders eindelijk gelukt was, het lijk van Deodaat terug te vinden,
+en dat wel aan den voet des torens, waaruit het hem, vader Syard,
+thans vermoedelijk voorkwam, dat de jongeling zich had nedergestort:
+dat men hem herkend had aan de koopmanspij, welke hij aanhad bij zijn
+komst te Stavoren; doch dat het gelaat onkenbaar was geworden door
+het vuur: dat wijders op het erf zelf van het klooster op last van
+den Abt een diepe kuil gegraven was, waar al de binnen den grond van
+Sint-Odulf gesneuvelden een rustplaats zouden hebben, en dus, hetgeen
+Madzy zeker tot vertroosting zijn zou, in gewijden grond. De vrome man
+beloofde daarenboven aan de bedroefde Jonkvrouw, dat hij, ingevolge
+hare bede, zorg zoude dragen, dat er zielmissen voor den overledene
+gelezen werden, ter vergelding waarvan zij hem een aanzienlijk
+geschenk toezeide ter opbouw van het klooster. Tevens gaf hij haar
+zijn verwondering te kennen, dat de Heer van Aylva, wien hij nu en
+dan ontmoet had in de te Stavoren en elders gehouden bijeenkomsten,
+zich niet meer over Deodaat had uitgelaten, dan eens, wanneer hij den
+monnik had te kennen gegeven, dat, hoe bejammerenswaardig een dood de
+jongeling gestorven ware, het lot van dezen toch niet verbeterd zoude
+geweest zijn, al ware hij voor de vlammen gespaard gebleven; vermits
+hij dan voorzeker een slachtoffer van de volkswoede geworden ware.
+
+Terwijl zij aldus te zamen den droevigen loop bejammerden, welken de
+gebeurtenis genomen had, verkondigde het gerucht van paarden op de
+slotbrug de terugkomst des Burchtheers van het lijkfeest; en weldra
+trad deze binnen met den Abt van Sint-Odulf.
+
+"Gij wachttet den ouden Heer zoo spoedig niet te huis, mijn
+kind!" zeide vader Volkert, naar Madzy toetredende en haar onder
+de kin streelende: "wij hebben ook niet lang getafeld. Slechts even
+twaalf uren: 't Is waarlijk de moeite niet waard, om er voor aan te
+zitten:--nu, 't was ook slechts voor een Hollander; en dan met een
+Bisschop tot voorzitter, die geen Fries is, en niet met de gebruiken
+bekend. Hij weet zijn gasten niet aan den gang te houden. 't
+Is anders een hupsche borst onze Hoogwaardigste.... Sint-Odulf
+vergeve mij dat ik zoo van hem spreke; maar hij is vriendelijk en
+innemend:--ofschoon ik hem net zooveel vertrouwen zoude als een
+kat in een bontwerkerswinkel:--maar van een lijkmaal te bestieren,
+daar heeft hij nog geen verstand van. Dan ging het anders, toen Seerp
+Van Adeelen begraven werd: dat duurde drie dagen: en van de honderd
+personen, die er onthaald werden, gingen er geen vijf op hun beenen
+naar huis.--Zoo! en broeder Syard ook hier! 't Is of gij het geraden
+hadt, Broeder! dat ik herwaarts komen zou."
+
+"Uw Eerwaarde had mij gelast, rond te reizen, ten einde giften in te
+zamelen bij geloovigen, ter herbouwing van ons gesticht," zeide de
+monnik: "en het is mij aangenaam u te kunnen mededeelen, dat ik hier,
+wel niet buiten, maar toch boven verwachting geslaagd ben."
+
+"Zeer goed! daar twijfel ik niet aan," zeide vader Volkert, zich
+nederzettende: "liefdadigheid is altijd een deugd van ons lief
+Dekamaasch Roosje geweest. Maar komaan, mijn engeltje!" vervolgde
+hij op een vroolijken toon (want de wijn van het lijkmaal, al had
+dit te kort naar zijn zin geduurd, was echter goed genoeg geweest
+om hem in een vroolijke luim te brengen): "gij moet u wat opbeuren;
+indien gij zoo droevig kijkt, en uw wangen zoo bleek blijven zien,
+zouden wij genoodzaakt zijn u in 't vervolg de Lelie van Dekama te
+noemen: en dat ware jammer;.... hoewel misschien meer naar den aard;
+want gij voert toch een lelie in uw wapen."
+
+"Bevindt gij u ongesteld?" vroeg Aylva, Madzy met deelneming naderende
+en haar de hand drukkende.
+
+"Wel, zou dat wonder wezen?" zeide de Abt: "'t is ook wat erg, zoo
+twee vrijers op éénen dag te verliezen. 't Is waar, uw zoon kan nog
+terugkomen, ofschoon ik hem tegenwoordig niet raden zoude, zulks te
+beproeven; want hij heeft het hier leelijk laten liggen (met verlof
+gezegd, en zonder u te beleedigen); maar Seerp Van Adeelen is dood en
+blijft dood. 't Is jammer, hij was in den grond een goede vent, en
+een echte Fries, maar koppig als een stier; daar weten wij best van
+te spreken, mijn vriend Aylva en ik: hij was lastig genoeg op reis;
+maar dat alles daargelaten, kindlief, gij moet u wat opvroolijken,
+zooals ik zeide: denk maar aan de oude profetie: het is immers alles
+uitgekomen, en volgens de laatste woorden, moet het u nu weer goed
+gaan; want de plunje des Graven is de roof der Friezen geworden."
+
+"Helaas!" zeide Madzy, terwijl zij het hoofd weemoedig schudde en haar
+bleek gelaat treffend afstak bij de karmozijnkleur, die op de wangen
+des kloostervoogds prijkte: "ik vrees, dat het laatste gedeelte der
+voorspelling alleen onvervuld zal blijven."
+
+"Toch niet, mijn hartje! toch niet.--Maar van wat anders: gij moet
+mij eenige windsels bezorgen en wat boter, eierdooren, nieuwe was en
+saffraan, tot een zalf voor twee onzer monniken, die beneden zitten en
+zich bijna niet kunnen verroeren van de blaren aan handen en voeten,
+ten gevolge van den brand van Sint-Odulf."
+
+"Ik zal dadelijk aan uw verlangen voldoen," zeide Madzy, zich
+gereedmakende om te vertrekken.
+
+"Een oogenblik, mijn kind!" zeide Aylva, haar terughoudende; "het is
+onnoodig, dat gij u daarmede bezighoudt. Ik heb reeds aan Feiko en
+aan Sytsken gelast, daarvoor te zorgen."
+
+"Hoe, mijn waarde voogd?" zeide Madzy, verbaasd stilstaande, want
+het was de eerste reize, dat de Olderman haar beletten wilde, een
+liefdewerk in persoon te verrichten.
+
+"Hoe!" herhaalde de Abt: "maar 't is waar ook, ik dacht er niet aan,
+dat de twee gebrande broeders nog gezond van harte zijn, en dat, zoo
+de Jonkvrouw zelve hen ging verbinden, de wondheelster wellicht nog
+meer nadeel zoude doen dan de wond. _Ne nos inducas_.... 't Is waar
+ook, maar één ding moet ik toch bij deze gelegenheid zeggen, Heer
+Olderman! dat gij namelijk dien schurk van een lapzalver (Daamke,
+geloof ik, is zijn naam) uit uw dienst moet jagen; of dat wij het
+geestelijk zwaard tegen hem zullen uittrekken."
+
+"Tegen Daamke!" herhaalde Aylva: "en wat heeft die arme duivel
+bedreven?"
+
+"Met recht noemt gij hem een duivel; althans hij is van degenen, die
+den satan, den verleider, dienen en hulp van hem afbidden om kwalen en
+ziekten te genezen, verwerpende de middelen, die van God gezegend zijn
+en in ons klooster (of nu, och arm! buiten ons klooster) worden bereid
+ten dienste van kranksn en gewonden. Heeft hij zich niet onderstaan,
+de verworpene die hij is, twee van mijn conversen, waarvan de eene een
+balk op zijn schouder gekregen en de andere zijn dij deerlijk gebrand
+had, te herstellen met een Italiaansche tooverzalf, die zeker in de
+apotheek van den kwaden vijand is klaar gemaakt?"
+
+"Ik heb het middel onderzocht," zeide broeder Syard: "het komt mij
+voor, niets anders geweest te zijn, dan wat spek en laurierbladen."
+
+"Wie had u opgedragen, u met dat onderzoek te belasten?" vroeg de
+Abt eenigszins ontevreden: "om 't even wat men u vertoond heeft: ik
+zeg alsnog: er zijn duivelsche ingrediënten bij. Denken wij altijd:
+_libera nos a diabolo_: verlos ons van den Booze.--Maar, om van dien
+verwaten mensch af te stappen: gij zijt altijd netjes en keurig als een
+serafijntje, Freule! maar heden toch zullen de beste pronksieraden uit
+de kas dienen voor den dag te komen; want het is geen gewoon bezoek,
+dat op Aylva-stins verwacht wordt."
+
+"Geen gewoon bezoek!" herhaalde Madzy: "en wie kan er dan komen voor
+wien ik mij meer zou moeten opschikken, dan voor uw Eerwaardigheid?"
+
+"Het is zooals de vrome vader zegt," zeide Aylva: "de Bisschop van
+Utrecht zal onze nederige woning met een bezoek vereeren, en wij
+zullen dus eenige schotels meer aan den disch moeten hebben."
+
+"De Bisschop!" herhaalde Madzy, verbleekende: "de Bisschop van
+Utrecht!"
+
+"Nu ja!" zeide de Abt: "gij behoeft daar niet zoo voor te schrikken: 't
+is geen oude weerwolf, die u aan zal zien alsof hij u wilde verslinden;
+maar een aardig, beleefd jonkman, die zijn woord wel weet te doen:--'t
+zou mij niet verwonderen, zoo hij dames medebracht; want er is heden
+een heel troepje vrouwlui te Bolsward aangekomen; en zoo ik hoor,
+vroegen zij naar den Bisschop."
+
+"Hij zal zijn bijzitten toch niet hier brengen!" mompelde Aylva
+binnensmonds:--"maar neen; dat kan niet zijn. Een Arkel heeft daartoe
+te veel gevoel van betamelijkheid.--Nu Madzy!" vervolgde hij overluid:
+"doe uw best, mijn kind! want ik verzeker u, de Bisschop is een
+kenner aan tafel en weet over pastijen en taarten te redeneeren als
+de beste kok."
+
+"Ik zal.... ik zal uwe bevelen volgen...." stamelde Madzy: "maar ik
+vrees.... zoo slechts de tijd mij niet ontbreekt.... Heilige Maagd! wie
+kon dat verwachten?"
+
+"Wat verwachten?" vroeg Aylva, verwonderd; maar dadelijk voegde hij er
+met minzaamheid bij: "'t is of gij angst hebt voor de komst van iemand,
+die u geheel onbekend is. De Bisschop weet, dat gij onvoorbereid zijt:
+hij zal het eenvoudige voor lief nemen. Maar hoor! men blaast aan de
+slotbrug: daar is hij zelf."
+
+"En een half dozijn vrouwspersonen met hem," zeide de Abt, uit het
+venster ziende: "wat heb ik u gezegd?"
+
+"Waarlijk?" riep Aylva misnoegd uit: "dat had ik niet van hem
+verwacht."
+
+"En dit is de man, die tucht in onze kloosters zou brengen," zuchtte
+vader Syard.
+
+Eenige oogenblikken gingen voorbij, waarin elk der aanwezigen een diep
+stilzwijgen bewaarde. Aylva stond midden in de zaal, in de houding van
+iemand, die gasten ontvangen gaat, welke hem slechts half welkom zijn;
+maar ten opzichte waarvan hij de vereischte beleefdheid dient in acht
+te nemen: de Abt was bezig om zijn gewaad, hetwelk nog bestoven was
+van de reis, met een schuiertje op te knappen. Madzy stond als aan
+den grond genageld, onzeker of zij gaan of blijven zoude: en vader
+Syard was in een donkeren hoek teruggetreden, nieuwsgierig om te zien,
+welke houding Arkel zoude aannemen, maar toch gereed om, zoodra hij
+zulks gevoeglijk doen kon, het vertrek te verlaten.
+
+Eindelijk gingen de dubbele zaaldeuren open en de Bisschop trad
+binnen; maar zonder eenig gevolg. Hij groette Aylva met wellevendheid,
+schudde den Abt op een gulle wijze de hand, en zich vervolgens tot
+Madzy wendende, boog hij het hoofd, zonder dat een enkele trek op
+zijn gelaat verried, dat hij haar vroeger gekend had.
+
+"Deze is ongetwijfeld de erfdochter van Dekama," zeide hij, met een
+vriendelijken blik tot den Olderman: "voorwaar! wie haar aanziet,
+kan gemakkelijk besluiten, dat zij niet langer onder uwe voogdij
+zal behoeven te blijven, dan zij zelve verkiezen zal.--God zegene u,
+mijn dochter!"
+
+Madzy boog zich, zonder nauwelijks het oog te durven opslaan: zij kon
+bijna niet gelooven, dat de man, die voor haar stond, in geestelijk
+gewaad gedost, en die op een zoo minzamen en bedaarden toon tot naar
+sprak, dezelfde opbruisende jongeling ware, die te Utrecht aan haar
+voeten had gelegen. Eindelijk waagde zij het, naar hem op te zien:
+inderdaad, zij kon Arkel bijna niet herkennen, zoo geheel veranderde
+hem zijn tegenwoordige kleeding, bestaande uit een reismantel en kap
+van best Haarlemsch linnen, dat in breede, niet onbevallige plooien
+om zijn welgevormde leden hing: en waaronder hij, in weerwil van de
+verbodswetten en kerkelijke verordeningen, een zijden kleed droeg,
+rijkelijk met bont geboord, en van voren met een juweelen gesp
+gesloten. Een oogenblik nog twijfelde zij, of haar Stichtsche minnaar
+zich wellicht een waardigheid had toegekend, welke hij niet bezat;
+maar toen hij, om haar verlegenheid en op het zien van de gebaren van
+vader Volkert (die, achter Aylva om, niet ophield van haar wenken
+te geven, dat zij voor den Bisschop knielen en zijn zegen af moest
+smeeken), den glimlach niet bedwingen kon, die op zijn lippen zweefde,
+toen hield alle twijfel bij haar op.
+
+Eindelijk echter kreeg Arkel medelijden met het ontroerde meisje, en
+zich tot den Abt wendende: "al die teekens zijn niet noodig," zeide
+hij: "ik kom heden niet als Bisschop; maar als vriend.--Maar wie zien
+wij daar? broeder Syard, zoo waar ik leve! Kom nader, Broeder! en
+geef mij de hand.--Altijd zonder wrok, nietwaar? Verbeeldt u, mijne
+Heeren! dat ik dezen goeden vader, zonder het te weten, zes weken
+lang in een kelder op Nyenstein heb laten doorbrengen. Ik hoop,
+ter vergoeding daarvan, hem eens, zoo mijn invloed iets vermag, in
+de vetste Abdij van mijn Sticht te plaatsen;--maar ik zou bijkans
+iets vergeten.--Ik kom niet alleen: er is een vreemde dame in mijn
+gezelschap.... een vrouw van rang.... en zij is de eerste jeugd
+ook al voorbij;" haastte hij zich er bij te voegen, toen hij een
+spotachtigen trek op het gelaat van den Abt gewaarwerd: "gij weet,
+broeder Volkert! hoe ik over de losbandigheid in uw kloosters denk,
+(Sint-Odulf zonder ik uit)--en ik zal hier geen slecht voorbeeld
+geven:--die dame is eenigszins ongesteld:--zoude ik de jonkvrouw mogen
+verzoeken, haar een oogenblik gezelschap te houden?--Zij bevindt zich
+in de benedenzaal."
+
+Verheugd, een zoo goede gelegenheid te kunnen aangrijpen van zich
+uit het gezelschap te verwijderen, haastte zich Madzy, zonder
+eenige verdere vragen te doen, het vertrek te verlaten, en aan des
+Bisschops verzoek te voldoen. Zij begaf zich naar de benedenzaal,
+waar zij werkelijk de persoon vond, waar Arkel van gesproken had,
+zittende in een armstoel en omringd van haar vrouwen, die bezig
+waren, met haar die zorgen te verleenen, welke haar toestand scheen
+te vorderen. Bij den eersten oogopslag was Madzy getroffen door
+het innemend gelaat, de fijne leest en het edele, ja vorstelijke,
+dat over de onbekende verspreid was. Haar kleeding was eenvoudig en
+hield als het ware het midden tusschen het wereldlijk en geestelijk
+gewaad: en hoewel zij bovendien thans half nedergebogen was over de
+armen van eene harer kamerjuffers, duidde echter het statige en tevens
+bevallige, dat haar ook in die min gunstige houding bijbleef, genoeg
+aan, dat zij van een edele geboorte was en eenmaal een hoogen rang
+bekleed had. De tijd of het verdriet hadden haar gelaatstrekken doen
+verkleuren en vermageren en het vuur der gitzwarte oogen getemperd;
+maar noch het een noch het ander had eenig nadeel kunnen doen aan de
+volkomen zuiverheid des beloops van voorhoofd, neus en kin: en niets
+kon meer dan haar hoofd gelijken op een model der Grieksche Niobé,
+in was gevormd; ofschoon geene kunst de zachtaardige, onderworpene
+uitdrukking van hare oogen had kunnen nabootsen, welke teweegbracht,
+dat men haar bij het eerste gezicht liefkreeg, alvorens men er om
+dacht om haar als een schoon beeld te bewonderen.
+
+Het was dan ook met meer dan gewone welwillendheid, en tevens met
+eerbied, dat Madzy haar de diensten aanbood, welke het in haar vermogen
+was te bewijzen. De vreemde dame, aan wie de Friesche taal onbekend
+scheen, en die dit aanbod meer uit den toon dan uit de beteekenis van
+Madzy's woorden opmaakte, dankte haar met een minzame hoofdbuiging
+en een glimlach, zoo betooverend, als Madzy er nooit een gezien had
+(want zij zelve was niet gewoon, voor den spiegel te staan glimlachen)
+en hoewel de beide dames elkanders taal niet verstonden, zoo ontsproot
+er van het eerste oogenblik een overeenstemming tusschen beiden, welke
+haar over en weder op haar gemak bracht. Deze spoedige kennismaking
+moge onwaarschijnlijk voorkomen; maar, er zijn menschen, die als
+het ware zusterlijke zielen bezitten, wier eerste ontmoeting altijd
+aan een herinnering gelijk is, alsof zij elkander niet slechts een
+toekomst aanbrachten, maar ook een verleden.
+
+De onbekende, die in den beginne als door een hevige aandoening
+overstelpt scheen, bekwam langzamerhand van haar ontroering,
+en terwijl zij nu Madzy met minzaamheid bij de hand had genomen,
+en beiden zwijgend elkanders schoonheid bewonderden, trad Sytsken,
+die door haar meesteres was uitgezonden om ververschingen te halen,
+haastig weder binnen en fluisterde Madzy eenige woorden in 't oor,
+welke deze nauwelijks verstaan had, of zij gaf een luiden kreet en
+begon over al haar leden te beven. Het was nu de beurt der onbekende,
+om tot hare hulp toe te snellen; maar terwijl zij, vergetende dat Madzy
+haar niet verstaan kon, naar de oorzaak van haar ontsteltenis vernam,
+stoof er iemand, in 't geestelijk gewaad gekleed, de kamer binnen;
+doch bleef, bleek als een doek, aan de deur standhouden, als onzeker
+of hij terugkeeren, dan voort durfde gaan.--Voor wij echter aan onze
+lezers verhalen, wie deze nieuwaangekomene was, moeten wij tot den
+Heer van Aylva en zijn gasten terugkeeren.
+
+"Gij ziet," zeide de Bisschop, zoodra Madzy vertrokken was, tot
+den Olderman, "dat ik aan mijn belofte getrouw ben. Maar, mag ik u
+thans vragen, of de beide jongelingen, welke ik op mij genomen heb,
+als geestelijken vermomd, onder mijne bescherming buiten Friesland
+te brengen, hier aanwezig zijn?"
+
+"Zij hebben ons herwaarts vergezeld," antwoordde Aylva: "niemand
+behalve de Abt en ik, benevens een getrouwe dienaar, dragen kennis
+van hun bestaan. Zij hebben nog last van de wonden, bij den brand
+bekomen; doch ik vlei mij, dat zij desniettemin in staat zullen zijn,
+heden met u af te reizen."
+
+"Ik weet niet," zeide Arkel, glimlachende: "maar ik geloof, dat ik
+slechts een van beiden zal kunnen medevoeren."
+
+"Hoe!" zeide Aylva: ik had mij gevleid, dat uwe Hoogwaardigheid...."
+
+"_Homo proponit: sed Deus disponit_," zeide de Bisschop, de schouders
+ophalende: "maar ik zal het u zelf laten beoordeelen, wanneer gij mijne
+redenen gehoord zult hebben. Neen, blijf, broeder Syard!" vervolgde
+hij, ziende dat de monnik zich uit bescheidenheid wilde verwijderen:
+"de zaak zal toch niet lang meer geheim blijven. Vooraf moet ik den
+Heer Olderman vragen, of hij niet nog betrekkingen in Italië heeft,
+van welke hij gaarne bericht zoude ontvangen."
+
+"Bij alle Heiligen!" riep Aylva: "zou het mogelijk kunnen zijn dat...."
+
+"Dat ik er u tijding van gaf?--Zeer waarschijnlijk. Mij is in de
+vorige week in de Kuinder iemand ontmoet, die een boodschap uit
+Verona bracht."
+
+"Uit Verona! Leeft.... leeft Bianca di Salerno nog?" riep de Olderman,
+in hevige gemoedsaandoening en de handen samenvouwende.
+
+"Francesco della Scala, de dwingeland van Verona, is niet meer," zeide
+Arkel: "zijn dood heeft de vrijheid hergeven aan zijn echtgenoote,
+die sedert jaren in een gedwongen eenzaamheid moest leven."
+
+"God zij geloofd en geprezen!" riep Aylva: "haar lijden heeft dan
+een einde genomen."
+
+"Zij wilde wel weten," vervolgde de Bisschop, "of de Heer van Aylva,
+wien zij vroeger schijnt gekend te hebben, nog harer gedenkt:
+en tevens, of een zoon, dien zij in zijn kindsheid aan Carlo della
+Scala had toevertrouwd, en die later, volgens het bericht van zekeren
+Paolo, haar voormaligen dienaar, aan het hof van Graaf Willem (zaliger
+gedachtenis) kwam, haar zou willen erkennen."
+
+"Of ik haar nog liefheb?" vroeg de anders zoo bedaarde Aylva, thans
+geheel verwilderd: "o mijn God! ik heb nooit opgehouden haar te
+beminnen!.... ik gevoel mij weder jong.... de dagen onzer jeugd,
+de dagen onzer liefde zullen terugkeeren.... ik zal naar Verona
+gaan.... ik zal haar den zoon teruggeven, dien zij zien wil.... ik
+zal aan Beaumont schrijven. Reinout moet bij hem wezen!"
+
+"Reinout is haar zoon niet," zeide Arkel: "zoomin als de uwe."
+
+"Niet!" herhaalde Aylva: "en wie dan...."
+
+"Bij al wat heilig is!" riep vader Syard, zich voor den Bisschop
+nederwerpende! "Hoogwaardigste! zoo u het vreeselijk geheim bewust is,
+verscheur dan het hart eens vaders niet."
+
+"Verscheuren!" zeide de Bisschop: "is Deodaat dan geen Ridder, wien
+elke vader trotsch zou wezen, zoon te noemen?"
+
+"Deodaat!" gilde Aylva, sprakeloos van vreugd en verbazing.
+
+"Ach!" zuchtte de monnik: "het is al te waar! Deodaat ligt onder het
+puin van Sint-Odulf begraven."
+
+"Neen Broeder!" zeide de Abt, zich een traan uit het oog vegende:
+"Deodaat en nog een knaap zijn op den avond na den brand, toen gij op
+Awert-State waart, door Feiko halfdood in de kelders van het klooster
+gevonden: de Heer van Aylva en ik werden er alleen van onderricht,
+en wij besloten de beide jongelingen binnen Scharl verborgen te
+houden, uit vrees, dat het volk hen zou ombrengen. Wij hebben er
+met niemand over gesproken, ook met freule Madzy niet: want het was,
+dacht de Olderman, beter, dat zij den knaap dood waande, dan dat zij
+een hopelooze liefde voor hem bleef voeden:--en nu had de Bisschop
+ons beloofd, dat hij hen beiden, als tot zijn gevolg behoorende,
+zou met zich voeren;.... maar de Heer van Aylva is niet wel! hij
+moest wat schrikpoeder nemen."
+
+"Almachtige! hoe wonderbaar zijn uwe wegen!" riep de monnik:
+"ja waarlijk! mijn Heer van Aylva! Deodaat is uw zoon; hier is het
+geschrift, dat het u bewijst, de brief zijner moeder: en zoo wij u
+dien bedekt hielden, het was, omdat wij den jongeling als verloren
+beschouwden."
+
+"Ik kan niets lezen," zeide Aylva, die, overstelpt van aandoeningen,
+in een zetel was neergezonken en vruchteloos de letters poogde te
+ontcijferen, die voor zijne van tranen glinsterende oogen schemerden:
+"maar wat behoef ik ook iets te lezen? mijn hart had het mij immers
+gezegd!"
+
+"En behalve de getuigenis van uw hart," hernam Arkel, "hebben wij
+ook die van Reinout, die op zijn terugtocht met Beaumont de Kuinder
+aandeed, en edelmoedig genoeg was, om te erkennen, dat hij alhier
+in zijn dwaling een recht had uitgeoefend, dat aan zijn vriend
+toekwam. Hij is echter getroost verder gereisd; want hij heeft aldaar
+tevens de zekerheid bekomen, dat hij de wettige zoon was van Bianca's
+vertrouwde kamenier, en niet van dien verdoemden kwakzalver Barbanera."
+
+"Barbanera heeft in zijn stervensuur berouw gehad," zeide vader Syard:
+"het oordeel over hem komt Gode alleen toe."
+
+"Uwe bestraffing is billijk," zeide de Bisschop: "en ik verdien
+haar. Maar mijn waarde Olderman! hoe zit gij toch die naamteekening
+op den brief zoo te kussen. Zoudt gij niet liever uw Bianca zelve aan
+'t hart drukken?--Ik verzeker u, zij is het nog wel waardig."
+
+"Bianca!" riep Aylva, opstaande en wankelende naar den Bisschop
+toetredende: "nog wel waardig!.... gij hebt haar dan gezien?.... o
+Hemel!.... die vreemde dame, die hier met u.... Hoogwaardigste! zijt
+gij een engel of een mensch?"
+
+"Zij kon niet in Friesland komen," vervolgde Arkel, dat vraagpunt in
+'t midden latende, "eer de rust hier was teruggekeerd en ik had op mij
+genomen, haar tijding te zenden, zoodra gij gereed zoudt zijn, haar
+te ontvangen, en u op de wederzijdsche ontmoeting voor te bereiden."
+
+Aylva hoorde niets meer; hij snelde de trappen af: en weinige
+oogenblikken later lag hij in de armen van zijn gade en van hun zoon.
+
+ * * * * *
+
+Lange jaren waren voorbijgeloopen en de hand des tijds had de
+meesten van hen, die in onze geschiedenis een rol gespeeld hadden,
+van het wereldtooneel afgevaagd, toen een vreemdeling, door een enkelen
+dienaar gevolgd, op een fraaien zomerdag, langs den kronkelenden weg,
+die van Harlingen naar Bolsward geleidt, kwam aangereden. Beiden
+schenen reeds bejaarde lieden: maar de gelijkvormige bruinheid
+van hun gelaatstrekken, welke ten gevolge van de uitwerking, door
+lucht en zonnebrand daarop teweeggebracht, hard als perkament waren
+geworden, zoowel als de breede en veelvuldige litteekens, welke wang
+en voorhoofd versierden, toonden aan, dat niet alleen de tijd, maar
+ook de wisselvalligheden van den krijg het hunne hadden bijgebracht, om
+hun lokken en baard te doen vergrijzen. Het uiterlijke van den dienaar
+had niets buitengemeens; maar dat des meesters was wel geschikt om de
+opmerkzaamheid, en weldra den eerbied des voorbijgangers op te wekken:
+en meer dan één landman of kloosterling, die hem op zijn weg ontmoette,
+was, na den gewonen groet gewisseld te hebben, op het voetpad blijven
+staan om den onbekenden grijsaard na te oogen: ja zelfs gebeurde
+het nu en dan, dat deze of gene dorper, (die de weelde zoo verre
+dreef van zijn blonde haren onder een hoed of muts te verbergen)
+door een onwillekeurige beweging de hand aan zijn hoofddeksel sloeg
+en zich de kruin ontblootte. Het was niet de uiterlijke tooi des
+vreemdelings, welke dit ongewone eerbewijs teweegbracht; want zijn
+kleeding bestond eenvoudig uit een effen bruin gewaad van sergie,
+en daarbij behoorende kaper, welke waarschijnlijk lange dienstjaren
+gezien hadden, daar men slechts op enkele plaatsen, welke de stof,
+de regen en de bloedvlekken gespaard hadden, nog bemerken kon, dat de
+kleur oorspronkelijk grijs was geweest. De indruk, welken de onbekende
+teweegbracht, had haar oorzaak in de fierheid van zijn oogopslag,
+in de vastheid, waarmede hij in den zadel zat, en in de behendigheid,
+waarmede hij op zijn gevorderde jaren met zijn klepper wist om te gaan,
+een fraai, bruin paard van Andalusisch ras, dat niet dan met ongeduld
+den teugel scheen te velen, en welks bestiering, naar men zien kon,
+een geoefende, fiksche hand vereischte; want meer dan eens, als zijn
+meester even ophield en in gebroken Hollandsch naar den weg vroeg,
+begon het met de voorbeenen op den harden kleigrond te krabben, en
+de manen te schudden, als wilde het te kennen geven, dat het niets
+liever verlangde, dan zijn weg in vollen ren te vervolgen. Zijn
+berijder scheen echter ongenegen om aan dit verlangen toe te geven;
+maar bleef bedaard doorstappen, nu en dan, links en rechts, uitziende,
+of hij het goede spoor was ingeslagen, en somtijds, wanneer hij aan
+een kruisweg of driesprong kwam, even stilhoudende, als iemand, die
+zich een weg zoekt te herinneren, en een landstreek zoekt te herkennen,
+welke hij in vele jaren niet bezocht heeft. Eindelijk, nadat hij weder
+een dusdanig onderzoek had in 't werk gesteld, bleef hij zoolang in
+diep gepeins voor zich uitzien, dat zijn dienaar begon te vreezen,
+dat zij geheel verdwaald waren.
+
+"Ik heb het u wel gezegd, Heer Ridder," zeide hij met een ontevreden
+hoofdschudden, en op dien toon van gemeenzaamheid, welken het deelen
+van dezelfde krijgstochten en gevaren niet zelden tusschen Heer en
+dienaar ontstaan doet: "wij hadden te Harlingen een wegwijzer moeten
+nemen: nu zijn wij het spoor geheel bijster."
+
+"Dat zijn wij niet, Berthout!" antwoordde zijn meester, terwijl hij op
+een breed en hooggebouwd slot wees, dat, recht voor hem, uit het groene
+weiland oprees. "Dat is Aylva-state: en dat de Burchtheer te huis is,
+bewijst de banier, welke gij op de torenspits ziet wapperen. Zoo ik
+een oogenblik weifel, is het, omdat ik nog onzeker ben, welke van al
+de wegen, die zich hier vereenigen, als de draden van een spinneweb
+in het middelpunt, mij het spoedigste daar brengen zal."
+
+De dienaar scheen zich met dit antwoord te vergenoegen; maar indien
+hij in de ziel zijns meesters had kunnen lezen, zou hij geweten
+hebben, dat de opgegeven reden de eenige niet was, waarom de grijze
+krijgsman stilhield; maar dat de herinneringen aan verloopen jaren,
+de onzekerheid van het onthaal, dat hem verbeidde, en de vloed van
+andere, zoowel aangename als pijnlijke gedachten, zich van zijn geest
+hadden meester gemaakt en hem ongeveer in den toestand hadden gebracht
+van iemand, die bij een morgensluimering, half wakende, nog door een
+belangrijken droom wordt beziggehouden, en schoon hij de zonnestralen
+reeds in zijn vertrek kan zien schijnen, nochtans onwillig is om de
+banden des slaaps te verbreken.
+
+"UEd. kon den rechten weg misschien van dat volkje daar vernemen,"
+zeide de dienaar, op eenige kinderen wijzende, die zich op een
+nabijgelegen kamp vermaakten: "ik zou het zelf wel doen, zoo ik
+slechts de taal verstond; maar dat gesnater kan geen mensch ter
+wereld begrijpen."
+
+De Ridder glimlachte; de goede dienaar, die eigenlijk een Henegouwer
+van geboorte was, had zoolang met hem rondgezworven, dat hij zelf
+eigenlijk geene taal, maar een mengelmoes van allerlei spraken en
+tongvallen bezigde. Hij volgde echter den gegeven raad, en, de stem
+verheffende, wekte hij opeens de aandacht van het vroolijke hoopje,
+dat, in den ijver van het spel, hem niet eens bespeurd had. En, terwijl
+de kleinsten onder de jongens, die bezig waren met den bal te werpen,
+hun spel staakten en hem met open mond, en eenigszins vreesachtig
+bleven aanstaren, en de meisjes, die een kransje van veldbloemen
+vlochten, zich angstig tegen elkander drongen, waagden het vier of
+vijf meer in jaren gevorderde knapen, hem te naderen, beurtelings
+het oog op hem slaande en op den boog, dien zij in de hand hielden.
+
+"Wat is de kortste weg naar Aylva-state, mijn maats?" riep de
+vreemdeling, zijn vraag herhalende.
+
+"De weg naar Aylva-state!" herhaalden al de knapen: "Wel, Aylva-state
+ligt daarginder vlak voor u."
+
+"Gij moet recht voor u uitrijden," vervolgde een hunner in zijn
+Frieschen tongval: "en dan over de hoeve van Jouke Wybes heen: en
+dan links houden: en dan langs de schutting tot gij aan een ouden
+boom komt, en dan rechtuit: en dan...."
+
+"Wel, dat is een mijl op zeven," viel hem een ander in de rede: "gij
+moet linksaf naar de woning van Tiete Donia en daar uw paarden laten:
+en het voetpad nemen, tot aan de schuur, en dan rechtsaf...."
+
+"Ei neen!" zeide een derde: "hij kan immers hier dadelijk afstappen en
+'t land oversteken...."
+
+"Dan moet hij slootje springen," riep een vierde: "want de vonder
+is weggehaald."
+
+Terwijl zij aldus hun vrij duidelijke aanwijzingen deden, waar onze
+reiziger te minder van begreep, daar hij de taal, waarin die gegeven
+werden, niet te best verstond, en hij zijn oogen beurtelings van den
+eenen op den anderen spreker liet ronddwalen, al lachende om hun
+gesnap, kwam een oude Fries, wien hij niet dadelijk bespeurd had,
+omdat hij achter een terp had gestaan, naar hen toegetreden met
+een witte schijf in de hand, die aan de jeugdige schutters tot een
+doel gestrekt had. Het verlangen des vreemdelings vernomen hebbende,
+wendde hij zich tot de kinderen: "mij dunkt," zeide hij, "'t is voor
+vandaag lang genoeg: wij konden wel meteen naar huis gaan en dien
+kameraden den weg wijzen."
+
+Op deze woorden verzamelde zich de gansche troep om den ouden man
+heen; de een echter met meer spoed en bereidwilliger dan de andere;
+en op menig gelaat was ongenoegen en teleurstelling te lezen.
+
+"Ik hoop niet," zeide de vreemdeling, met deelneming die lieve,
+ronde gezichtjes, die er allen even gezond en bevallig uitzagen,
+beschouwende, "dat die goede kinderen om mijnentwil hun spel zouden
+moeten staken."
+
+"In 't geheel niet," antwoordde de Fries: "'t is toch hun tijd: komaan,
+Madzy!" vervolgde hij tot een klein vierjarig meisje, schoon als de
+dag, dat haar bloempjes bijeenpakte: "rep u wat, kind! Sytsken mocht
+op u knorren."
+
+"Madzy!" herhaalde de reiziger, blijkbaar ontroerd: "is dat kind een
+dochtertje van de Vrouwe van Aylva?"
+
+"Hei! ho!" antwoordde de Fries, meesmuilende: "de Vrouwe van Aylva
+is nog kras en vlug; maar toch...." hier zag hij eerst de kinderen
+en toen den vreemdeling aan, als wilde hij hem te kennen geven, dat
+hij om hunnentwille het verdere zweeg:--"neen!" vervolgde hij, op den
+grootsten der knapen wijzende: "deze hier, Juwe, is de jongste zoon
+van onze waardige Vrouwe--al die anderen zijn haar kleinkinderen: ja:
+'t is een heel zootje: en dan zijn er nog wel zes of zeven te huis."
+
+De reiziger scheen aangedaan; hij reikte eene hand toe aan den knaap,
+dien de Fries hem had voorgesteld en beschouwde met aandacht zijn
+fraaie regelmatige trekken en heldere blauwe oogen: "Ja! ik herken
+u!" zeide hij eindelijk: "gij zijt het sprekend evenbeeld uwer moeder."
+
+"Dat is een heel geweer, dat gij daar aan uw zijde hebt," hernam de
+knaap, op den langen zwaren kruisdegen des vreemdelings wijzende.
+
+"Wilt gij het eens bezien?" vroeg deze: en, toen hij de oogen van Juwe
+zag fonkelen van blijdschap, gespte hij het lemmer los en stelde het
+hem ter hand. "Ziezoo!" voegde hij er bij: "nu ben ik uw gevangene."
+
+"Ik wilde op dit paard zitten," zeide de kleine Madzy, op den klepper
+des reizigers wijzende.
+
+"Zijt gij dwaas, Madzy?" vroeg de oude dienaar: "dat Daamke u nu en
+dan op een ezel rondrijdt, laat ik toe: want die is vanouds gewend
+met ezels om te gaan; maar zoo gij op dat beest ging zitten, kwam er
+geen stuk van u terecht."
+
+"Geef het lieve kind maar hier!" riep de oude krijgsman: "ik zal er
+zorg voor dragen of het mijn eigen was."
+
+"Ja! ja!" riepen sommigen onder de knapen, verheugd: "gij zult het
+moeten aanzien, Feiko!" en meteen, het meisje opvattende, tilden zij
+het hoog genoeg, dat de ruiter het aan kon nemen en voor zich op het
+paard plaatsen.
+
+"Zijt gij waarlijk Feiko?" zeide de vreemdeling, terwijl hij meteen
+een kus drukte op de blozende wangen van het kind: "nu, wees dan zonder
+zorg; en wees verzekerd, dat ik zoo goed rijde als de Cistenser monnik,
+die eens in uw gezelschap Utrecht verliet."
+
+"Wat duivel!" zeide Feiko, den ruiter stijf aanziende: "een
+Cistenser monnik!.... ja waarlijk!.... zoo mijn oude oogen mij niet
+bedriegen....?"
+
+"Neen, zij bedriegen u niet," antwoordde de reiziger: "zeg mij maar,
+is alles wel op Aylva-state en zou men er mij willen ontvangen?"
+
+"U ontvangen!.... wel mijn goede tijd! onze Heer spreekt nog alle
+dagen over u. Hij heeft dan ook in al te lange jaren geene tijding
+van u gehad."
+
+"Dat is waar! maar ik heb ook heel wat rondgezworven," zeide Reinout,
+wien onze lezers reeds zullen herkend hebben: "Ik begin thans echter
+oud en stijf te worden, en naar rust te verlangen: en zoo er nog een
+hoekje op Aylva-state open is, wilde ik daar mijn dagen wel eindigen."
+
+"Hoe!" zeide Juwe: "Is dit werkelijk Ridder Reinout, Feiko? daar
+vader ons zoo dikwijls van verteld heeft?"
+
+De oude dienaar knikte met het hoofd: en Juwe, zonder een woord te
+spreken, wierp den degen op den weg, sprong een dijkje en een paar
+slooten over, en liep, zonder adem te halen, dwars over het land naar
+Aylva-state heen, om de blijde tijding aldaar te brengen. Straks
+was alles in de weer: en niet lang daarna traden Deodaat van Aylva
+en zijn Madzy, thans wel geen jeugdig, maar toch nog een gezond en
+stevig paar, met hun eigene en aangehuwde kinderen, de stins uit en hun
+gastvriend te gemoet. Spoedig zagen zij hem verschijnen en dat wel in
+een kluchtigen trein: want Reinout was, ten gevalle der kinderen, die
+allen rijden wilden, van 't paard gestegen, waarop er nu een vijftal
+zaten, terwijl hij zelf aan den kop voorging en de teugels hield,
+daar Feiko er naast liep om alle ongelukken te voorkomen. Een ander
+gedeelte van het troepje zat op het paard van Reinouts dienaar: en
+zij, die geene plaats hadden kunnen krijgen op een der beide rossen,
+reden op den langen degen des Ridders.
+
+"Wij brengen u een gevangene, grootvader!" riepen de kleinen, als
+uit éénen mond.
+
+"En dien ik niet hoop te laten ontsnappen," zeide Deodaat, zijn ouden
+vriend omhelzende. "Kom Madzy! kus onzen nieuwen huisgenoot welkom."
+
+"Dat zou hij voor dertig jaren niet gezegd hebben," beet Feiko al
+lachende zijn vrouw in 't oor.
+
+"Stil!" duwde Sytsken haar man toe: "hoe kunt gij daarmede spotten? Ik
+ben er geheel van aangedaan."
+
+Een uur later was het gansche huisgezin met den nieuwgekomen gast
+aan den avonddisch gezeten, en gaf deze laatste een korte schets van
+zijn avonturen.
+
+Na zijn plotseling vertrek uit Friesland, was hij, als voorheen, de
+fortuin van Beaumont gevolgd, had eerst met dezen in Bretagne en, na
+den dood van dien volmaakten Ridder, dien _parangon de la Chevalerie_,
+gelijk hem de Fransche kroniekschrijvers noemen, met den vermaarden
+Du Guesclin, in Spanje den oorlog bijgewoond: zonder dat hem echter
+al zijn wakkere daden en getrouwe diensten, aan de Fransche kroon
+bewezen, merkelijk verrijkt hadden. Eindelijk, zwervens moede, had
+hij besloten het weinige, dat hem overgebleven was, bij zijn ouden
+vriend te komen verteren.
+
+"Ik heb aan de Vrouwe van Aylva den groet over te brengen van een
+oude kennis," zeide hij, na zijn verhaal geëindigd te hebben: "mij
+eenige dagen geleden te Luik bevindende, had ik de eer ontvangen te
+worden bij den Heer Bisschop, vroeger Bisschop van Utrecht."
+
+"Inderdaad!" zeide Madzy, glimlachende: "en hoe maakt het zijn
+Hoogwaardigheid thans?"
+
+"Ja! wat zal ik u zeggen," antwoordde Reinout: "oud, jichtig en
+stijf, wachtende en stille zittende, maar altijd nog klaar om van
+elke omstandigheid tot zijn voordeel partij te trekken, en zijn eigen
+ik meer dan ooit boven alles stellende. Hij gevoelt intusschen de
+hand des tijds, gelijk wij allen, onze edele gastvrouw uitgezonderd,
+die waarlijk zoo weinig veranderd is," (hier fluisterde hij Madzy in
+de ooren) "dat ik bijna niet weet, of ik wel voorzichtig gedaan heb
+om hier te komen. Men ziet meer, dat bij een ouden krijgsman zich
+somtijds wonden openen, die hij lang geheeld waande."
+
+"O! dat is niets," antwoordde zij lachende; want de toon, waarop
+Reinout sprak, was geruststellende genoeg om haar te doen bespeuren,
+dat zijne woorden niets dan loutere plichtpleging waren: "wij hebben
+hier nog een goeden geneesmeester voor alle wonden."
+
+"Hoe!" zeide Reinout: "leeft onze oude vader Volkert nog, en geeft
+hij nog altijd geneesmiddelen?"
+
+"Neen," zeide de Heer van Aylva: "de vrome Abt en de waardige broeder
+Syard zijn niet meer, maar daarachter u staat een oude kennis, die
+u een voortreffelijk middel tegen alle kwalen komt toedienen."
+
+"Wel, mijn brave held, leeft gij nog?" zeide Reinout, zich omkeerende
+en Daamke ziende, die hem, met vele buigingen en strijkages, een
+zilveren beker op een schenkblad aanbood: "wel vriend! wij hebben
+ons indertijd met een wat al te haastig afscheid verlaten. Het spijt
+mij, ik kan u niet weer uw oude betrekking bij mij laten vervullen;
+daar zou mijn goede Berthout wat tegen hebben; maar gij zoudt zelf,
+denk ik, ook weinig lust hebben om, tegen de bediening van een armen
+dolenden Ridder als ik ben, den post van schenker, dien ik zie dat
+gij thans bekleedt, te verwisselen. Kom! geef hier uw beker, die
+betere medicijn bevat dan de tooverkast van meester Barbanera."
+
+Dit zeggende aanvaardde hij den beker uit des dienaars handen. Het
+was een sierlijk gewerkte kroes, rijkelijk met wingertranken en
+gesneden bloemen versierd. Bijzonder trok de fraaiheid van het deksel
+de opmerkzaamheid van Reinout, prijkende met het wapen van Aylva,
+op een kunstige wijze gesneden, terwijl het oude rijmpje betreffende
+de Roos van Dekama om den rand gegrift was.
+
+"Hebt gij uw wapen niet veranderd, Deodaat?" vroeg Reinout, na het
+pronkstuk gedurende eenige oogenblikken aandachtig te hebben beschouwd.
+
+"Ja!" antwoordde deze: "ik heb, toen de dood mijns eerwaardigen en
+onvergetelijken vaders mij tot het hoofd van mijn stamhuis maakte, ter
+gedachtenisse aan onze zonderlinge avonturen, en van den gelukkigen
+echt, die ze besloten heeft, mij die vrijheid veroorloofd, en de
+gouden ster en halve maan op het lazuren veld vermeerderd met
+
+
+ DE ROOS VAN DEKAMA.
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Met dezen naam noemt men in Friesland de plattelands-heelmeesters,
+zonder daaraan echter het denkbeeld van kwakzalverij te hechten.
+
+[2] Spreek uit: Alua.
+
+[3] Can (hond) Francesco della Scala was een dier machtige Hertogen
+van Verona, wier schepter zich eens uitstrekte tot verre over de
+grenspalen naar Brescia, Padua, Frioul en tot aan Triëst. Zijne
+prachtige graftombe is nog in de kerk di S. Maria antica te Verona
+aanwezig, met het navolgende grafschrift prijkende:
+
+
+ Si canis hic grandis ingentia facta peregit,
+ Marchia testis adest, quam saevo marte subegit.
+
+
+[4] Stins, of steenen huis, was de benaming, welke in Friesland aan een
+slot of sterkte gegeven werd: Adeelastins is dus: het slot van Adeelen.
+
+[5] Het zijn twee gekken.
+
+[6] 't Is mogelijk; maar beiden hebben zij het hart welgeplaatst.
+
+[7] _Made_ ('t Engelsche _meadow_) is een groen veld, hiervan _zich
+vermeien_, _spelemeien_, voor: zich op 't veld vermaken.
+
+[8]
+ Droeve dagen zullen komen:
+ Groote heeren zullen sneven;
+ Vrede en vreugde zullen volgen:
+ Roos en lelie zullen bloeien.
+
+
+[9]
+ De boog is gespannen, de pijl gereed,
+ Die ras uw hoofd zal treffen.
+
+
+[10]
+ Eens dorpers onedele vlegel
+ Zal u op het veld doodslaan.
+
+
+[11]
+ God zal u altijd bewaren
+ Voor water, staal, hout en vuur.
+
+
+[12] Herinner u Bianca van Salerno.
+
+[13]
+ De hond heeft het schaap opgegeten;
+ Maar het lam zal weldra terugkomen.
+
+
+[14]
+ Waakt op de grenzen!
+ De vijand is daar.
+
+
+[15]
+ De tijdingen, die u zullen komen,
+ Zullen u vreugd en leed veroorzaken.
+
+
+[16]
+ Der Sirenen lied zal behagen;
+ Maar droeve dood er op volgen.
+
+
+[17]
+ Dikwijls heeft hij die een mijter draagt
+ Alleen den titel van Abt.
+
+
+[18] Vergeef mij, doorluchte Heer Graaf; maar ik kan niet zeggen....
+
+[19] Er is geen ander orakel dan dat des Graven van Gelder.
+
+[20] Men kan geen ezel doen drinken zoo hij geen dorst heeft.
+
+[21] Hypericum.
+
+[22] Het liefelijke niets doen.
+
+[23] Tegenwoordig het Stadhuis.
+
+[24] De klapmuts had den vorm van een dwars opgezetten bisschopsmijter
+met de kleppen op zijde: de _hénin_ was een hooge hoed in den vorm
+van een suikerbrood, van welks punt een sluier afhing: de oordekker
+was een klein plat mutsje met twee dikke kussens, welke de ooren en de
+slapen bedekten en met juweelen en goud bedekt waren.--Van deze drie
+hoofdsieraden heeft het suikerbrood, schoon zeker het onbevalligste,
+het langst, ja over de twee eeuwen stand gehouden.
+
+[25] Den _karoledans_ vind ik vermeld in den _Tournoi de Chauvenci_,
+gegeven in 't laatst der XIIen eeuw, beschreven door Jacques Bretex,
+in deze woorden:
+
+
+ Les dames main à main se tiennent
+ Et tous ainsi comme elles viennent
+ Se prend chascune à sa compaigne,
+ Ne-nus hors ne s'i acompaigne,
+ Ainsi s'en vont faisant le tor.
+
+
+[26] Zoo noemde men voorheen de keuken.
+
+[27] Woorden vervliegen, het geschrevene blijft.
+
+[28] Misschien slaapt hij alleen met de oogen.--Maar wat betreft het
+ontdekken van uwe waardigheid aan dezen jongeling, dit belet u zijne
+onvoorzichtigheid zoowel als uwe veiligheid, welke groot gevaar zoude
+loopen, indien het bekend werd, dat de hoop en de lust onzer Kerk
+onder zulk een ongewoon gewaad bedekt waren.
+
+[29]
+ "Als Dekama zijne Roos verliest,
+ En deze voor Friesland het zeenat kiest,
+ Dan zullen, om haar te plukken, komen
+ Vogels van alle wieken en veeren;
+ Dan zal zij welken en verkwijnen,
+ En 't hoofdje droef laten hangen;
+ Maar weer bloeien en tieren,
+ Als des Vorsten buit Friesland ten deel valt."
+
+
+[30] En geen _hoera_! zooals men tegenwoordig in alle liedjes en
+nieuwsbladen leest, en zelfs door krijgslieden hoort uitgalmen,
+als waren wij Kozakken geworden, en als had niemand het uitmuntend
+puntdichtje gelezen van den voortreffelijken Staring, dien
+kernachtigsten onzer hedendaagsche dichters.
+
+[31] _Teylinger-Bosch_, bij den Vogelesang, niet te verwarren met
+_Teylingen_ bij Sassenheim.
+
+[32] Dit was het teeken, dat de eigenaar een aanval vreesde en waarmede
+hij zijn vrienden waarschuwde tot ontzet aan te rukken.
+
+[33] De Friezen waren gewoon, aan die gevangenen, welke zij voor
+vreemdelingen aanzagen, deze en soortgelijke spreekwijzen te doen
+opzeggen. Die dit zonder haperen kon doen, werd voor inboorling
+gehouden; maar de anderen zonder genade verdronken. Dit heette men
+_wapeldjepinga_ (waterdooping).
+
+[34] _Hiera picra_ en _hiera gladii_ waren eene soort van artsenijen,
+voorheen in zwang. Zie Petras Blesensis _Lib_. _in Job_. I, alsmede
+het Receptenboek, in het voorbericht van dit werk aangehaald.
+
+[35] Zie bl. 65.
+
+
+
+
+
+
+In DE VIJFTIG-CENTS-EDITIE ZIJN VERSCHENEN:
+
+No.
+
+
+ 1.--_Mr. J. Van Lennep,_ De Pleegzoon.
+ 2.--_Mr. J. Van Lennep,_ Ferdinand Huyck.
+ 3.--_Mr. J. Van Lennep,_ De Roos van Dekama.
+ 4.--_Mr. J. Van Lennep,_ Elizabeth Musch.
+ 5.--_Mr. J. Van Lennep,_ Novellen en Vertellingen.
+ 6-8.--_Mr. J. Van Lennep,_ Onze Voorouders.
+ 9-11.--_Mr. J. Van Lennep,_ De lotgevallen v. Klaasje
+ Zevenster.
+ 12.--_J. J. Cremer,_ Dokter Helmond en zijn Vrouw.
+ 13.--_J. J. Cremer,_ Daniël Sils.
+ 14.--_J. J. Cremer,_ Tooneelspelers.
+ 15.--_J. J. Cremer,_ Hanna de Freule.
+ 16-17.--_J. J. Cremer,_ Anna Rooze.
+ 18.--_J. J. Cremer,_ Overbetuwsche Novellen.
+ 19-20.--_J. J. Cremer,_ Novellen en Vertellingen.
+ 21.--_J. J. Cremer,_ Betuwsche Novellen en een Reisgezelschap.
+ 22.--_J. J. Cremer,_ De Lelie van 's-Gravenhage.
+ 23.--_J. J. Cremer,_ Emma Berthold.--Boer en Edelman.
+ 24.--_J. J. L. Ten Kate,_ Stichtelijk Huisboek.
+ 25*--_Mr. J. Van Lennep_ en _J. Ter Gouw,_ De Uithangteekens
+ in het algemeen.
+ 26*--_Mr. J. Van Lennep_ en _J. Ter Gouw,_ De Uithangteekens
+ in het bijzonder.
+ 27*--_Mr. J. Van Lennep_ en _J. Ter Gouw,_ De Uithangteekens
+ in verband met Geschiedenis en Volksleven.
+ 28*--_Mr. J. Van Lennep_ en _J. Ter Gouw,_ Het boek der
+ opschriften.
+ 29.--_R. Bennink Janssonius,_ Dichtwerken.
+ 42*--_J. Van den Vondel._ 1605-1616. Het Pascha.--Den Gulden
+ Winckel.--De Vaderen.
+ 43*--_J. Van den Vondel._ 1617. Vorstelycke Warande der dieren.
+ 44*--_J. Van den Vondel._ 1618-1620. Hierusalem verwoest.--De
+ Heerlyckheyd van Salomon.--Helden Godes.
+ 45*--_J. Van den Vondel._ 1621-1625. De Amsteldamsche
+ Hecuba.--Palamedes.
+ 46*--_J. Van den Vondel._ 1626-1629. Hippolytus.
+ 47*--_J. Van den Vondel._ 1630-1636. Sofompaneas.
+ 48*--_J. Van den Vondel._ 1637-1639. Gysbreght van
+ Aemstel--Elektra.--Maeghden.
+ 49*--_J. Van den Vondel._ 1639-1640. Gebroeders.--Joseph in
+ Dothan.--Joseph in Egypten.
+ 50*--_J. Van den Vondel._ 1641-1642. Peter en
+ Pauwels.--Heldinnebrieven.
+ 51*--_J. Van den Vondel._ 1642-1645. Brieven der Heilige
+ Maeghden.--Grotius Testament.
+ 52*--_J. Van den Vondel._ 1645. Altaergeheimenissen.
+ 53-54*--_J. Van den Vondel._ 1646. Publius Maroos Wercken.
+ 55*--_J. Van den Vondel._ 1646-1647. Maria Stuart.--De
+ Leeuwendalers.
+ 56*--_J. Van den Vondel._ 1648-1651. Salomon.
+ 57*--_J. Van den Vondel._ 1652-1653. Horatius Lierzangen.
+ 58*--_J. Van den Vondel._ 1654-1655. Lucifer.--Inwydinge van
+ 't Stadthuis t' Amsterdam.
+ 59*--_J. Van den Vondel._ 1656-1657. Salmoneus.--Koning
+ Davids Harpzangen.
+ 60*--_J. Van den Vondel._ 1657. Koning Davids Harpzangen.
+ 61-71*--_J. Van den Vondel,_ Dl. 15-30, ter Perse.
+ 72-75.--_Nicolaas Beets'_ Dichtwerken.
+ 76-77.--_Bernard Ter Haar,_ Dichtwerken.
+ 78.--_Mr. J. Van Lennep._ Vertellingen van vroeger en later
+ tijd.
+ 79.--_Mr. J. Van Lennep._ Het huis ter Leede.--Adegild.--Jacoba
+ en Bertha.
+ 80.--_Mr. J. Van Lennep._ De strijd met Vlaanderen.--Eduard
+ van Gelre.
+ 81.--_Mr. J. Van Lennep._ Marino Faliëro, Doge van
+ Venetië.--Fiësko, of de Samenzwering te Genua.--De Staatsman
+ bij toeval, enz.
+ 82.--_Mr. J. Van Lennep._ Een Amsterdamsche Winteravond
+ in 1632.--Haarlems Verlossing.--Saffo.--Harald de
+ Onversaagde.--Vondels droom, enz.
+ 83.--_Mr. J. Van Lennep._ Een droom van Californië.--De
+ betooverde viool en het Bloemenoproer.--Romeo en Julia, enz.
+ 84.--_Mr. J. Van Lennep._ Een Amsterdamsche Jongen of het
+ buskruit-verraad in 1622.--Lastige Lieden, enz.
+ 85.--_Mr. J. Van Lennep._ Academische
+ Idyllen.--Vuur*aanbidders, enz.
+ 86.--_Mr. J. Van Lennep._ Het recht van bruiloftsavondkout,
+ enz.
+ 87*--_Mr. J. Van Lennep._ Nederland vóór den Tachtigjarigen
+ oorlog.
+ 88*--_Mr. J. Van Lennep._ De Tachtigjarige oorlog.
+ 89*--_Mr. J. Van Lennep._ De Hoogmogende Republiek.
+ 90*--_Mr. J. Van Lennep._ Ondergang der Republiek.--Het
+ Koninkrijk der Nederlanden.
+ 91-93.--_A. Loosjes Pz.,_ Het leven van Maurits Lijnslager.
+ 94.--_J. J. L. Ten Kate,_ Verhalen en vertellingen.
+ 95.--_J. J. L. Ten Kate,_ Zangen des tijds.
+ 96.--_J. J. L. Ten Kate,_ Gewijde Poëzy.
+ 97.--_J. J. L. Ten Kate,_ Bijbel-Poëzy.
+ 98.--_J. J. L. Ten Kate,_ Dramatische Poëzy.
+ 99.--_J. J. L. Ten Kate,_ Voor Hart, Huis en Leven.
+ 100.--_J. J. L. Ten Kate,_ Mengel-Poëzy.
+ 101.--_J. J. L. Ten Kate,_ Uit den vreemde. Vertaalde Poëzy.
+ 102.--_J. J. L. Ten Kate,_ Faust.--Maria Stuart.
+ 103.--_J. J. L. Ten Kate,_ De Planeeten.--De Jobeïde.
+ 104.--_J. J. L. Ten Kate,_ Milton's Verloren Paradijs. Ter
+ Perse.
+ 105.--_J. J. L. Ten Kate,_ Dante's Hel. Ter Perse.
+ 106*--_Mr. J. Van Lennep,_ De vermakelijke Spraakkunst,
+ opgehelderd door een aantal Illustratiën van _Alfred Ronner_.
+ 107*--_Mr. J. Van Lennep,_ De vermakelijke Latijnsche
+ Spraakkunst, opgehelderd door een aantal Illustratiën van
+ _Alfred Ronner_.
+
+
+De 50-Cents-Editie kost 75 Cents gebonden.
+
+Geïllustreerde boeken, met * geteekend, kosten 60 Cents ingenaaid
+en 90 Cents gebonden.
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of De Roos van Dekama, by J. van Lennep
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROOS VAN DEKAMA ***
+
+***** This file should be named 19161-8.txt or 19161-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/9/1/6/19161/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.