summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/18406-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '18406-0.txt')
-rw-r--r--18406-0.txt6266
1 files changed, 6266 insertions, 0 deletions
diff --git a/18406-0.txt b/18406-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..50d94a6
--- /dev/null
+++ b/18406-0.txt
@@ -0,0 +1,6266 @@
+The Project Gutenberg eBook of Maroessia, by Marko Vovtchok
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
+www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
+will have to check the laws of the country where you are located before
+using this eBook.
+
+Title: Maroessia
+ De Ukraineesche Jeanne D'Arc
+
+Translators: Marko Vovtchok
+ P. J. Stahl
+ A. C. Slop
+
+Illustrator: Th. Schuler
+
+Release Date: March 12, 2022 [eBook #18406]
+
+Language: Dutch
+
+Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
+ Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MAROESSIA ***
+
+
+
+
+
+
+ P. J. Stahl
+
+
+ Maroessia
+ De Ukraineesche Jeanne d'Arc
+
+
+
+ Tweede druk
+ Geheel herzien door
+ A. C. Slop
+
+ Met 62 illustratiën naar teekeningen van
+ Th. Schuler
+
+
+ D. Bolle--Rotterdam
+
+
+
+
+
+
+
+
+I.
+
+EEN ONBEKEND REIZIGER.
+
+
+Ik zal u eens iets vertellen, dat heel lang geleden in de Ukraine is
+voorgevallen, en wel in een vergeten, maar frisschen en bekoorlijken
+hoek van deze landstreek.
+
+Ik houd veel van die streken, waarover men weinig spreekt, die de
+vreemdeling niet bezoekt, die men aan zich zelf overlaat, die haar
+schuilplaatsen en haar geheimen, haar groote smarten en haar eenvoudige
+genoegens voor zich houden. De geschiedenis van die streken is meestal
+niet bekend. Men ontmoet er, wat men nergens anders vindt: zaken en
+menschen zijn er nieuw. Die landen hebben,--zonder het aan iemand te
+zeggen,--soms ook hun helden, waarachtige helden.
+
+Ik houd ook veel van helden,--vooral als zij er zich niet op beroemen,
+dat zij 't zijn,--als zij eerlijk en oprecht zijn, als zij groote
+dingen doen, zonder luidkeels te roepen: "Kijk eens aan! dat heb ik
+nu gedaan! Onthoudt mij mijn belooning daarvoor niet!" maar alleen
+omdat zij niet anders zouden kunnen dan heldhaftig te zijn.
+
+Welnu, in dat afgelegen hoekje van de Ukraine stond vroeger een huis,
+dat precies gebouwd was als andere buitenhuizen; en dit huis werd
+bewoond door een kozak, Danilo Tsjabane, en zijn gezin.
+
+Men verwarre de kozakken uit de Ukraine niet met die van den Don,
+met die mannen met hun zware baarden, hun woeste oogen, hun ruwe taal
+en hun onbeschofte manieren; zij lijken daar heelemaal niet op.
+
+De bewoners van de Ukraine laten hun baard pas groeien, als zij vijftig
+jaar zijn. Daaruit volgt, dat men in dit land alleen maar grijze
+baarden of geen baarden ziet. De jongeren hebben snorren, evenals
+de Polen. De bewoners van de Ukraine zijn groot, stevig en forsch
+gebouwd. Zij hebben voor 't grootste deel regelmatige gezichtstrekken,
+keurig gepenseelde wenkbrauwen, groote oogen, en een kalme, edele,
+eenigszins strenge gelaatsuitdrukking, die wel eens somber schijnt.
+
+In den tijd, toen de Ukraine een republiek was, zag zij zich gedurende
+verscheidene jaren tusschen twee vuren geplaatst: Rusland en Polen. Men
+zou zelfs kunnen zeggen; "tusschen vier vuren," als men de Turken
+en de Tartaren meetelde. Eindelijk had deze republiek, omdat zij het
+met de Polen niet eens kon worden, de "broederlijke" voorstellen van
+Rusland aangenomen.
+
+"Wij zijn te zwak om met onze naburen te blijven vechten. Wij hebben
+den oorlog tot dusverre met roem gevoerd; maar wij zullen tenslotte
+toch moeten verliezen. Rusland stelt ons een verbond voor. Laat ons
+dit aannemen."
+
+Zoo dacht en sprak het oude opperhoofd Bogdan Kmielnitski, en het
+volk had zijn raad opgevolgd.
+
+In het eerst ging alles goed. Vrijheid, gelijkheid, broederschap: de
+Russen eerbiedigden dat alles; maar langzamerhand kwam er verandering
+in den staat van zaken.
+
+Na verloop van nog geen jaar had het volk genoeg redenen om tegen
+zijn opperhoofd Bogdan te zeggen: "Wat hebben wij gedaan?"
+
+Toen de oude Bogdan dit hoorde, huilde hij, naar men zegt, voor het
+eerst van zijn leven.
+
+"Laat ons een poging doen om het gedane te herstellen," zei hij;
+maar hij slaagde er niet in en stierf van verdriet.
+
+Na zijn dood had de Ukraine veel beproevingen te doorstaan. Zij
+werd in twee partijen verdeeld: de eene was nog altijd voor Rusland,
+de andere hield het met Polen.
+
+Maar er was ook een derde partij ontstaan. Deze was voor de volstrekte
+onafhankelijkheid van de Ukraine. Ongelukkig was die partij niet
+talrijk. Op het tijdstip dat de zaken zoo staan begint ons verhaal.
+
+De kozak Danilo Tsjabane dan, bewoonde met zijn gezin een huis op
+het platteland.
+
+Danilo had dit huisje geërfd: zijn vader, die het van zijn vader
+gekregen had, die het ook weer van den zijnen had gekregen, had het
+hem bij zijn overlijden nagelaten. Ik weet niet, hoevele geslachten
+van de Tsjabanes daarin wel gewoond hadden.
+
+Het huis was, daar het tusschen een onafzienbare steppe en een
+uitgestrekt bosch, tusschen een diepe rivier en een grasrijke weide,
+tusschen een hoogen berg en een frissche vallei stond, prachtig
+gelegen en mooi gebouwd.
+
+In het noorden strekte zich een eindelooze steppe uit. Men zou gezegd
+hebben, dat het een oceaan van groen was, met bloemen bezaaid. In
+het zuiden verhieven zich de bergen, nu eens met boomen begroeid en
+groen gekleurd, dan weer kaal en steenachtig. De vallei, waarin geen
+rijwegen en zelfs geen voetpaden te zien waren, strekte zich aan den
+oostkant uit. De rivier, waarvan het water eene blauwachtige tint had,
+besproeide de weide.
+
+En bij dat alles, hadden de bewoners van het huisje, om hun geluk
+volmaakt te voelen in hun nabijheid goede buren en trouwe vrienden.
+
+Op feestdagen ontving het gezin van Danilo Tsjabane verscheidene
+bezoekers. Nu eens was Semene Vorosjilo de eerste, die kwam, dan
+weer Andry Kroek, of ook hoorde men reeds in de verte de heldere en
+welluidende stem van Hanna, die zoo hartelijk kon lachen, of zag men
+het kleine schuitje van Wassiel Grime aanleggen. En na deze kwamen er
+nog vijf, soms wel tien anderen, mannen en vrouwen, jongens en meisjes,
+ook wel kinderen en zelfs grijsaards; want iedereen was er op gesteld,
+Danilo te bezoeken.
+
+Op het oogenblik waarop ons verhaal begint heerschte er, zooals we
+reeds gezegd hebben, overal in de Ukraine groote verwarring.
+
+Het land, aan den eenen kant door de Russen begeerd, aan den anderen
+door de Poolsche aristocratie, van beide kanten verpletterd, was in
+vollen opstand en betreurde zijn verloren onafhankelijkheid diep. De
+Ukraine was door de Russische troepen overstroomd. Het opperhoofd
+van de Moscovitische party werd met gunsten en geschenken van den
+Czaar overladen; het opperhoofd van de Poolsche partij had zich in
+een stad versterkt en noodigde alle vrienden der vrijheid uit, zich
+bij hem aan te sluiten.
+
+Het was moeilijk partij te kiezen...
+
+
+
+Er was een samenkomst ten huize van Danilo Tsjabane. De avond was
+somber, de gasten waren in gedachten verzonken. De aanvoerders zelf
+hadden moeite om een vroolijk gezicht te zetten. Men keek elkander
+meer aan, dan men met elkaar sprak. Het was duidelijk te zien, dat
+allen onder dezelfde zorgen gedrukt gingen.
+
+Van tijd tot tijd richtte men enkele vragen tot Andry Kroek: "Waren de
+muren van Tsjigirine stevig genoeg om een aanval te weerstaan? Was er
+op de verdedigers wel staat te maken? Als men de laatste proclamatie
+van het opperhoofd nog eens voorlas? Er waren er die er niets van
+wisten. Had hij ook gehoord, of er zich veel vrijwilligers aanmeldden?"
+
+Andry Kroek, die blijkbaar zeer goed over al die dingen ingelicht
+was, antwoordde zonder eenige aarzeling. Hij beschreef de wallen,
+de grachten, de poorten en de schansen van Tsjigirine, als iemand,
+die er geweest is en dat alles meer dan eens gezien heeft, en wel
+nog niet zoo lang geleden.
+
+Terwijl de mannen praatten, stonden de spinnewielen stil: de vrouwen
+luisterden in angstige spanning. En als de mannen zwegen en rookten,
+wisselden zij op fluisterenden toon een paar woorden.
+
+"Alweer een slag bij Welika," zeide er een.
+
+"Hoeveel dooden?" vroeg Mogila.
+
+"Men heeft Terny in brand gestoken; de huizen zijn niet meer dan een
+puinhoop, en het dorp Krinitza staat nog in brand."
+
+"Weet je ook," zei een meisje, "weet je ook, of..."
+
+Maar verder kwam ze niet; tranen kwamen in haar oogen, en moedeloos
+liet zij het hoofd zinken.
+
+Een oude vrouw, met een bruinen doek om het hoofd, waaruit weelderige
+grijze lokken te voorschijn kwamen, met een koud en streng gezicht,
+waarin twee groote zwarte oogen als sterren fonkelden, zei:
+
+"Mijn zoons zijn allen dood. Ik sta alleen op de wereld. Zij zeiden
+allen: 'Wij trekken ten strijde,' en ik keek ze aan, zeggende:
+'Goed, kinderen!' en zij voegden er bij: 'De Ukraine zal haar
+onafhankelijkheid herkrijgen!' en ik antwoordde nogmaals: 'Goed,
+kinderen!' Alle drie zijn zij op het slagveld gebleven, en de Ukraine
+is nog niet vrij!"
+
+"Ach," zei een jonge vrouw, "men laat zich doodschieten, en men
+heeft nog niets gewonnen. Als men nog maar bij zich zelf kon zeggen:
+'Ik sterf, maar ik laat aan de anderen de taak over, waarnaar ik
+heb gestreefd.'"
+
+De oude vrouw viel haar in de rede.
+
+"Je hebt mij niet begrepen. Als er sprake van het vaderland is,
+dan onderhandelt men niet, dan zegt men niet bij zich zelf: 'Zal ik
+slagen?' maar: 'Het is mijn plicht,' en men gaat ten oorlog. Als men
+gedood wordt, heeft men een gelukkigen dood; goed te sterven is een
+beter lot dan slecht te leven. Mijn zoons hebben zoo gehandeld. Als
+zij nog eens ten strijde konden trekken, zouden zij het weer zoo doen."
+
+"Je hebt gelijk," zeiden verscheidene vrouwen.
+
+Anderen zeiden niets, maar begonnen zacht te huilen. De kinderen waren
+ook terneergeslagen. Zij speelden niet, zij praatten of lachten niet,
+maar zaten, heel stil, in de hoeken van de kamer, terwijl zij naar
+de groote menschen keken en naar hun gesprekken luisterden.
+
+Een klein, heel klein meisje, met blond haar, met groote, frissche
+fonkelende oogen en lippen, scheen de eenige, die geheel in haar
+eigen gedachten verdiept was. Zij nam eenige biezen in haar schort
+en vlocht daarvan een mooie mat.
+
+Het werd later op den avond, en in het vertrek werd het al somberder
+en stiller. Iedereen bewaarde het stilzwijgen: het meisje viel in
+slaap met haar onvoltooide mat tusschen haar vingers.
+
+De nacht brak aan, en de sterren fonkelden.
+
+Eensklaps werd er op het raam geklopt.
+
+Dit was zoo onverwacht, dat niemand zijn ooren wilde gelooven; maar
+men klopte nog eens, en nog eens, heel duidelijk, erg hard.
+
+De heer des huizes stond op en ging naar de deur om open te
+doen. Zijn gasten en zijn vrienden staken hun pijpen op en begonnen
+te rooken. Weer deed zich een luid geklop op de ruiten hooren. De
+rookers huiverden, de kinderen keken elkander aan. Danilo deed de
+deur half open.
+
+"Wie klopt daar?" vroeg hij.
+
+Eene stem, een krachtige en mannelijke stem antwoordde, dat een
+verdwaalde reiziger gastvrijheid vroeg.
+
+"Wees welkom!" zeide Danilo en hij deed de deur wijd open, terwijl
+hij den reiziger uitnoodigde om binnen te komen.
+
+Men zag enkele sterren, een koude avondwind drong in de warme kamer
+door; vervolgens vertoonde zich op den drempel een man, die een
+rijzige gestalte had; hij was genoodzaakt z'n hoofd te buigen, om
+binnen te kunnen komen.
+
+Zijn gezicht was een van die edele, waarop de onverschilligste
+blikken zich met een plotseling gevoel van achting vestigen. Zijn
+groote gestalte was sierlijk en lenig. Zijn heele voorkomen verried
+kalmte en sterkte; maar het meest vielen zijn oogen op, zwarte oogen,
+die fel schitterden.
+
+Danilo en zijn vrienden waren door dat alles getroffen; maar de
+Ukrainiërs kunnen hun gewaarwordingen voor zich zelf houden, en zij
+lieten er dan ook niets van blijken. Zij ontvingen den reiziger,
+zooals iedere reiziger in een fatsoenlijk huis moet ontvangen worden,
+met hartelijkheid en voorkomendheid. Men verzocht hem, bij de tafel
+plaats te nemen, en haastte zich, hem iets aan te bieden.
+
+De reiziger bleek een eenvoudig en beschaafd man te zijn. Omdat
+hij een onbekende was en bijgevolg geen recht had om zich met de
+bijzondere belangen van zijn gastheer en diens vrienden te bemoeien,
+trachtte hij zich niet op den voorgrond te plaatsen. Hij vertelde niet,
+zooals anderen dit zouden gedaan hebben, zijn avonturen. Hij meende
+vreemdelingen geen deelgenoot te moeten maken van zijn plannen, als
+hij die tenminste had. Hij deed geen vragen en antwoordde slechts
+met weinig woorden. Als hij sprak, dan was het over onderwerpen,
+die op dit oogenblik allen bezighielden: over de rampen van het land,
+over de verbrande steden, over de verwoeste velden, die hij op zijn
+weg had gezien. Danilo en zijn vrienden volgden zijn voorbeeld. Zij
+vroegen zich waarschijnlijk wel af, waar hij vandaan kwam en waar
+hij naar toe ging, en ook in welk land hij geboren was; maar omdat
+hij dat niet zei, vroegen ze 't hem niet. Men merkte wel, dat hij,
+ofschoon nog jong, veel wist. Hij kende de Turksche zeden, de Poolsche
+gewoonten, het Russische karakter, de Tartaarsche gebruiken en het
+scheen, dat de Setsj hem ook niet onbekend was. [1]
+
+Wat de Ukraine aangaat, het bleek wel, dat hij deze in allerlei
+richtingen doorkruist had, dat hij de groote steden zoowel als de
+dorpen bezocht en er misschien wel gewoond had. Meer dan een had
+zich ook afgevraagd, hoe hij aan het litteeken kwam, dat hij op
+z'n linkerwang had, waar hij deze wond had gekregen, die zeker wel
+door een scherp wapen was toegebracht. Maar dat ging hem alleen
+aan. Ieder zijn geheimen. Intusschen werd de reiziger, zonder
+twijfel ingenomen met de gulle ontvangst, die hem ten deel viel,
+uit zich zelf mededeelzamer. Hij vertelde van de veldslagen, die er
+onlangs geleverd waren. Het was, alsof men er zelf bij tegenwoordig
+was. Iedereen luisterde met ingehouden adem naar hem. De mannen,
+gewoonlijk zoo kalm, raakten in vuur: de vrouwen snikten. De kinderen
+hingen aan zijn lippen, alsof hij een mooi sprookje vertelde.
+
+Hij had juist een verhaal beëindigd; de stilte woog zwaar, ieder
+was met z'n eigen gedachten bezig. Plotseling schrikten zij op. Twee
+schoten klonken in den nacht, gevolgd door meerdere.
+
+Men luisterde scherp. De schoten kwamen van den kant der steppe. Een
+langen tijd wachtte men of er misschien nog meer zouden volgen,
+maar alles was weer stil geworden.
+
+"Zoo, wordt er in deze vreedzame streken ook al kruit
+verschoten?" vroeg de reiziger toen.
+
+"Dat schieten moet van den kant van den straatweg naar Tsjigirine
+komen," beweerde Andry Kroek.
+
+"Het is van verschillende kanten gekomen," zei Danilo hoofdschuddend.
+
+Het was intusschen al laat geworden. De vrouwen stonden op om naar
+huis terug te keeren want het werd voor de kinderen tijd om naar bed
+te gaan.
+
+Men zei elkaar op den drempel nog eenmaal goedendag, men wisselde
+een glimlach, men knikte elkander vriendelijk toe. Alles ging als
+gewoonlijk, en toch gevoelde ieder, dat er storm in aantocht was.
+
+"Wel te rusten!" zeide men. "Goeden nacht!"
+
+Toen verspreidde het heele gezelschap zich langs de donkere voetpaden
+en verdween in de duisternis. De beide trouwe vrienden Andry Kroek
+en Semene Vorosjilo bleven alleen met Danilo achter. De reiziger
+bleef ook.
+
+
+
+
+II.
+
+DE KLEINE MAROESSIA.
+
+
+Toen allen vertrokken waren begaf de vrouw des huizes zich naar een
+kamer naast die, waarin de samenkomst gehouden was.
+
+"Is er ook een middel om van hier naar Tsjigirine te komen?" vroeg
+de reiziger. Zijn stem was eenigszins gedaald, terwijl hij die vraag
+deed, zooals het onwillekeurig gaat, wanneer men voelt, dat het gevaar
+misschien dichter bij is, dan men wil zeggen.
+
+"Dat zal moeilijk gaan," antwoordde Danilo, terwijl hij ook zijn stem
+liet dalen.
+
+Zijn beide vrienden zeiden niets, maar zij bliezen een paar ontzaglijke
+rookwolken uit hun pijpen en fronsten hun zware wenkbrauwen.
+
+Dit drukte zonder woorden, maar toch heel juist uit, dat zij het
+volkomen met Danilo eens waren. De oogen van den reiziger vestigden
+zich een oogenblik op het onbeweeglijke gezicht van Danilo, vervolgens
+op de niet minder onbeweeglijke gezichten van zijn vrienden. Een
+enkele blik van zijn doordringende oogen was voldoende om hun het
+bewijs te leveren, dat hij gewoon was, het gevaar te verachten,
+en dat hij de behendigheid had om desnoods de slagen af te weren,
+die men hem toebracht.
+
+"En toch moet ik er naar toe," zeide hij na eenige oogenblikken,
+"en wel regelrecht en langs den korsten weg."
+
+"Regelrecht naar Tsjigirine?" antwoordde Andry Kroek. "Op dit oogenblik
+bestaat daar geen kans op."
+
+"Is het nog ver?" vroeg de reiziger.
+
+"De lengte van den weg doet er voor hem, die goede beenen heeft,
+weinig toe, als de weg maar goed is," zeide Semene Vorosjilo, "maar
+al was deze ook nog zoo kort, wat doet dat er toe, als hij toch
+onbegaanbaar is?"
+
+Bij het uitspreken van deze woorden sloeg Semene Vorosjilo een blik
+op den reiziger.
+
+"Het staat niet altijd aan ons, reizigers," antwoordde de onbekende,
+"den aangenaamsten weg te kiezen. Bij gebrek van een goeden, moeten
+wij ons met een slechteren tevreden stellen; maar als er eenmaal
+bepaald is, dat men ergens zal komen, is er geen terugkrabbelen
+mogelijk. Maar hij die zich een veiligen gids of een trouwen reisgenoot
+weet te verschaffen, is goed af! Ik wil het niet voor u verbergen;
+het is mij meer dan eens gebeurd dat ik, op het oogenblik, waarop
+ik er het minst aan dacht, maar er het meest behoefte aan had, een
+trouwen kameraad gevonden heb."
+
+Bij deze woorden van den vreemdeling richtten Danilo en zijn beide
+vrienden het hoofd op.
+
+"Wat U zegt is waar," antwoordde Danilo; "een dappere metgezel,
+op wien men staat kan maken, is goud waard."
+
+"Het ontbreekt in de Ukraine niet aan vastberaden mannen," zei Andry
+Kroek. "In dit opzicht kan ik zeggen, dat geen land ons vaderland
+overtreft."
+
+"Goed geantwoord, Kroek!" zeide Danilo. "De Polen kunnen er zich op
+beroemen, dat zij onverschrokken heeren hebben, de Turken schitterende
+sultans, de Moscoviten slimme en knappe mannen; wat ons betreft,
+wij kunnen één ding verklaren, dat tegen al het andere opweegt,
+en wel dat wij broeders zijn."
+
+"Op eenige uitzonderingen na heeft u gelijk," antwoordde de reiziger.
+
+"Op de beste velden vindt men wel een enkel onkruidje," liet Danilo
+hierop terstond volgen. "Is de tarwe daarom minder goed?"
+
+"Nee, zeker niet," zeide Vorosjilo. "Maar ... er is iets, dat niet
+mag worden voorbijgezien."
+
+"En dat is?" vroeg de reiziger.
+
+"Dat men niet altijd de tarwe van het onkruid kan onderscheiden. Wie
+een zwarte kap draagt, is niet altijd een monnik."
+
+"Een goede herder herkent zijn schapen, zelfs onder een
+wolfshuid!" antwoordde de vreemdeling.
+
+Er heerschte een diep stilzwijgen; men keek elkander nog eenmaal aan;
+woorden waren overbodig.
+
+"Broeders!" zei plotseling de reiziger, "de inwoners van de Setsj
+bieden u achting en vriendschap aan. Ik ben hun afgezant. Ik ga
+naar Tsjigirine."
+
+"Wij zijn tot uw orders; wij zijn uw vrienden," zeiden de drie
+Ukrainiërs als uit één mond.
+
+"Wat hebben jullie mij te vertellen? Wat weten jullie? Wat valt er
+hier voor?" vroeg de afgezant van de Setsj.
+
+"Niets goeds," antwoordde Danilo. "De een heeft een verbond van
+vriendschap met de Moscoviten gesloten; de ander is misschien op
+dit oogenblik met de Polen in onderhandeling, nadat hij de Turken
+vruchteloos uitgenoodigd heeft, hem te hulp te komen."
+
+"Ja, het is maar al te waar!" zuchtten de vrienden van Danilo en hun
+manlijke gezichten drukten diepe smart uit.
+
+"Dat is voor mij een reden te meer om naar Tsjigirine te gaan,"
+antwoordde de afgezant van de Setsj, "en liefst zonder tijd te
+verliezen."
+
+"Alle wegen zijn afgesneden," antwoordde Vorosjilo.
+
+"En de weg naar Gonna?"
+
+"Door de Moscoviten bezet en in staat van verdediging gebracht."
+
+De afgezant begon na te denken, niet over de bezwaren, maar over het
+middel om zijn doel te bereiken.
+
+"Wij, kozakken van de Setsj," zeide hij eindelijk, "wij zijn noch voor
+de Moscoviten, noch voor de Polen. Wij zijn voor de Ukrainiërs. Jullie
+begrijpen dus wel, dat ik naar Tsjigirine mòet. Van jullie beide
+opperhoofden heeft de een zich verkocht, naar men zegt ... maar
+de ander?"
+
+"De ander, de hetman Petro Dorosjenko," zeide Kroek, "is een eerlijk
+man."
+
+"Dat weet ik," zei de afgezant. "Maar omdat hij trotsch,
+hartstochtelijk en te overijld is, vrees ik, dat hij, terwijl hij de
+Ukraine wil redden, haar in het verderf stort. In zijn verbittering
+tegen de Russen vergeet hij, dat wij nog andere vijanden hebben. Hij
+is op het punt om een dwaasheid te begaan en van den regen in den
+drup te komen. Ik ben uitgestuurd om hem dit te beletten;--maar om
+daarin te slagen, moet ik hem zien en spreken. Als ik draalde..."
+
+Hier zweeg de afgezant en keek om zich heen. De vrouw des huizes was
+nog afwezig, twee kleine jongens sliepen rustig op een breede bank. Hij
+was op het punt om weer met spreken voort te gaan, toen hij eensklaps
+achter in het vertrek twee fonkelende oogen op zich gevestigd zag,
+die zijn woorden schenen te verslinden. Hij wilde opstaan en er naar
+toe gaan, toen hij tot zijn verwondering bemerkte, dat die twee
+fonkelende oogen toebehoorden aan een eenvoudig en bevallig kind,
+dat, in een donkeren hoek der kamer verscholen, hem als een betooverde
+vogel aankeek.
+
+Danilo had den blik van den afgezant gevolgd en ontdekte het meisje
+dat zijn aandacht getrokken had.
+
+"Het is mijn dochter," zeide hij, "mijn dapper kind." Hij riep haar
+"Maroessia, kom eens hier!"
+
+Maroessia kwam.
+
+Het was een echt Ukrainisch meisje met zware oogleden en met wangen,
+die door de zon gebruind waren, een echt type van haar ras. Zij droeg
+naar de wijze des lands een geborduurd hemd, een donkerblauwe jurk
+en een rooden gordel; hare prachtige blonde lokken hingen in zware
+vlechten neer, en, ofschoon gevlochten, golfden zij toch nog en
+schitterden als zijde.
+
+"Maroessia!" zei haar vader, "heb je ons gesprek afgeluisterd?"
+
+"Ik wilde het niet afluisteren," antwoordde Maroessia. "Maar
+onwillekeurig drongen de woorden tot mijn ooren door, en toen begon
+ik scherper te luisteren."
+
+"En wat heb je dan gehoord, mijn kind?"
+
+"Ik heb alles gehoord."
+
+Hare stem klonk welluidend.
+
+"Vertel me dan eens, wat je gehoord hebt, m'n kind."
+
+De fonkelende oogen van Maroessia wendden zich naar den afgezant van
+de Setsj, toen zij zei:
+
+"Ik heb begrepen, dat het noodig was, dat de groote vriend van dezen
+avond erg gauw in Tsjigirine kwam, en dat het voor het welzijn van
+de Ukraine noodig was, dat hij den hetman kon zien en spreken."
+
+"Dan heb je alles gehoord en begrepen," zeide Danilo. "Maar luister
+eens, Maroessia! Van wat je gehoord hebt, mag je tegen niemand een
+woord zeggen. Als iemand je er naar vraagt, dan weet je niets. Begrijp
+je, wat een geheim is?"
+
+"Dat is iets, dat je nooit verraden mag," zei het kind.
+
+"Welnu," zei de vader op een ernstigen toon, "je bent nu in het bezit
+van een geheim."
+
+"Ja, vader!" zei Maroessia.
+
+Danilo sprak er niet meer over. Maroessia behoefde niets te beloven,
+maar er lag in die twee woorden: "Ja, vader!" door het meisje
+gesproken, op dien toon al een belofte.
+
+"Waar is je moeder?" vroeg Danilo.
+
+"Zij maakt het avondeten klaar."
+
+"Ga haar zeggen, dat je broertjes in slaap gevallen zijn."
+
+Maroessia ging naar de deur, maar op het oogenblik, waarop zij
+deze zou opendoen, bleef zij plotseling staan luisteren naar een
+zonderling gedruisch, dat zich buiten deed hooren. Men zou gezegd
+hebben, dat het ruiters waren, die in de richting van het huis kwamen
+aanrijden. Plotseling nam dit gedruisch toe; kreten en vloeken
+vermengden zich al met het gehinnik der paarden. In een oogenblik
+was het een rumoer, alsof er een heele afdeeling kwam aanstormen.
+
+De deur van de kamer werd opengedaan. De vrouw des huizes vertoonde
+zich op den drempel; ze zag zoo wit als een doek.
+
+"Het zijn soldaten," zeide zij, "een escadron, misschien wel een
+regiment. Zij zijn er al...
+
+"Wij moeten ons kalm houden," zei Danilo vastberaden.
+
+De afgezant van de Setsj was opgestaan, maar zonder overhaasting;
+de anderen deden hetzelfde. Geen enkel woord werd er gesproken,
+ieder dacht na.
+
+De moeder van Maroessia onderzocht, of de deur wel goed gesloten was,
+en met den rug tegen den deurpost leunende, wachtte zij de bevelen
+van haar man af. Maroessia was naast haar moeder gaan staan. Haar
+lippen waren een beetje bleek, maar haar gezicht was kalm.
+
+"Vorosjilo en Kroek," zeide Danilo, "jullie moeten slapen. Mijn vrouw
+en mijn dochter zijn met naaiwerk bezig; ik ben niet thuis. Ik ben
+op bezoek bij een vriend. Vorosjilo en Kroek waren hier gekomen, om
+ossen van mij te koopen, zij hebben misschien wat te veel gedronken,
+zij snorken, terwijl zij op mij wachten... Het is er maar om te doen,
+tijd te winnen."
+
+Zich vervolgens tot den afgezant van de Setsj wendende, zei hij:
+
+"Alleen het voorgedeelte van het huis is bezet; het keukenraam komt
+in den tuin uit. Volg mij!"
+
+Dat alles was zoo vlug in zijn werk gegaan, als een verandering
+van tooneel, waarvoor de toebereidselen vooraf gemaakt zijn. De
+beide mannen lagen even gerust op de banken te slapen, als de beide
+knaapjes. De vrouw des huizes en haar dochter naaiden. Danilo en de
+afgezant waren verdwenen.
+
+"Stijgt af en klopt op de deur!" schreeuwde een ruwe stem van buiten.
+
+"Slaat die deur maar in!" riep een andere stem, gebiedender dan
+de eerste.
+
+De vrouw des huizes ging, zonder haar naaiwerk neer te leggen, naar
+het raam toe.
+
+"Wie is daar? Wat wilt u?" zei ze met een stem, waarin geen enkele
+trilling te hooren was.
+
+Maar in plaats van een antwoord, vlogen er een paar ruiten van het
+raam in stukken, en onmiddellijk daarop kwam er een ruw gezicht, rood
+van toorn, met een zwaren snorbaard, door de gebroken ruiten kijken
+en wierp naar alle hoeken van de kamer norsche en wantrouwende blikken.
+
+"Wat heb je mij zoo aan te kijken?" vroeg deze kerel norsch. "Waarom
+doe je de deur niet open? Of heb je liever, dat we ze in mekaar
+timmeren?"
+
+"De kinderen slapen," zeide zij een pas terugdeinzende, "en de beide
+mannen slapen ook. Maak niet zooveel leven!"
+
+"Zal je opendoen, schepsel?" schreeuwde de man met het roode gezicht.
+
+De vrouw van Danilo, als verlamd door den schrik, verroerde zich niet.
+
+De deur schudde onder de zware slagen der aanvallers, maar bezweek
+nog niet.
+
+Het gelukte den man met het roode gezicht, de helft van zijn lichaam
+door de gebroken ruit te wringen. Hij richtte den loop van een pistool
+op de borst van de vrouw des huizes en schreeuwde:
+
+"Als je deur binnen een seconde niet wijd openstaat, dan schiet ik
+je als een kraai dood!"
+
+De vrouw van Danilo deed een stap naar de deur; men zou haar voor
+een steenen beeld gehouden hebben, dat trachtte te gehoorzamen aan
+een bevel, dat zij niet begreep.
+
+"Vervloekt wijf!" riep de officier woedend. Maar iemand, die buiten
+stond, trok hem uit de ruit terug. Nu vertoonde zich het gezicht van
+een anderen officier.
+
+"Vrouw!" zei deze, "je heele huis zal in brand gestoken worden, en
+geen van zijn bewoners zal er levend uitkomen, als deze deur niet
+onmiddellijk toegang aan deze manschappen verleent."
+
+De vrouw des huizes, als verstijfd van schrik, snelde toen naar de
+deur; maar hetzij dat onhandigheid, hetzij schrik er de oorzaak van
+was, sleutels noch grendels schenen haar te willen gehoorzamen. "Ik doe
+al open," riep zij, "ik doe al open, Mijnheeren! Ziet u het niet? Maar
+dit slot wil niet open; ik zal het morgen dadelijk laten maken."
+
+Eindelijk ging de deur open.
+
+Dat alles had vrij lang geduurd. Soldaten en officieren snelden nu
+de woning binnen en begonnen haar heelemaal te onderzoeken. Men zou
+gezegd hebben, dat het wolven waren, die hun prooi opspoorden, welke
+plotseling verdwenen was.
+
+De kleinste der jongens, die wakker geworden was, begon luidkeels te
+huilen. De oudste keek alles aan, zonder zich te verroeren.
+
+"Schreeuwleelijk! wil je je mond wel eens houden?" zei een der
+officieren tegen het huilende kind.
+
+De officier met het roode gezicht zei niets tegen hem, maar gaf hem
+een schop, waardoor hij onder de bank rolde, waarop hij geslapen had.
+
+"Lafaard!" zeide het oudste kind. "Lafaard! Als ik groot ben..."
+
+De leelijke kerel met het roode gezicht had wel wat anders te doen dan
+naar hem te luisteren. Met een tweeden schop had hij Kroek overeind
+doen komen, die als slaapdronken scheen en zijn verwonderde oogen
+beurtelings opendeed en weer sloot.
+
+Het scheen, dat Vorosjilo, die op dezelfde wijze wakker gemaakt
+was, niet wist, wat hij van de zaak moest denken, zoo keek hij zijn
+aanvallers aan. Hij noemde den langen officier zijn kameraad Generasime
+en den ander zijn kameraad Stephane; hij glimlachte tegen den een
+en knikte den ander vriendelijk toe, waarna hij weder op zijne bank
+neerviel, zeggende:
+
+"Laten we gaan slapen: het is tijd."
+
+De soldaten keken hem beurtelings aan.
+
+"Hij is het," zeiden enkelen. "Hij is het niet," beweerden
+anderen. "Wat een schurkenvolk! Er is er geen een onder, die geen
+verrader is."
+
+"Stil!" riep de man met het roode gezicht.
+
+Hij had zich aan de tafel gezet, en terwijl hij een onbeschoften wenk
+aan de vrouw gaf, zei hij tot haar:
+
+"Kom eens wat dichterbij!"
+
+Zij voldeed aan dit bevel.
+
+"Wie ben je?" vroeg hij.
+
+"Ik ben de vrouw van Danilo Tsjabane."
+
+"Waar is je man?"
+
+"Hij is een vriend gaan bezoeken."
+
+"Wacht! Ik zal je eens leeren, wat een vriend is!" En hij nam een
+knoet, dien een van zijn soldaten droeg.
+
+"En die twee daar, die twee dronkaards, die twee honden, wie zijn dat?"
+
+En om de personen beter aan te duiden, raakte hij met zijn knoet de
+schouders van Kroek aan en vervolgens die van Vorosjilo.
+
+"Kan je je mond niet opendoen?" riep hij, terwijl hij met een
+dreigenden blik naar haar toe kwam.
+
+De vrouw deinsde terug, zooals zij zou gedaan hebben, als zij
+plotseling tegenover een wild dier gestaan had. Maar na een poging
+aangewend te hebben om haar schrik te overmeesteren: antwoordde zij:
+
+"Het zijn mijn buren, Mijnheer! Zij zijn hier gekomen om ossen te
+koopen en waren in slaap gevallen, terwijl zij op mijn man wachtten."
+
+"Ja, mijnheer! wij zijn hier gekomen om drie ossen van Danilo te
+koopen," zeide Andry Kroek, die eindelijk wakker werd. "Ja, om die
+ossen, die wij hadden beloofd morgen te zullen leveren, en nu vinden
+wij Danilo niet thuis. Nou kan je begrijpen, wat een teleurstelling
+dat voor ons was.--'Nou,' zei ik tegen mijn kameraad (hierbij wees
+hij naar Vorosjilo, die ook ontwaakt was, maar zijn oogen nog niet
+scheen te kunnen openhouden), 'nou,' zei ik tegen mijn kameraad,
+'de baas is er niet, dat is een gekke zaak.'--'Ja,' antwoordde mijn
+kameraad, 'dat is een gekke zaak; maar er is niets aan te doen.'--'Wij
+treffen het slecht!' zeide ik, 'maar het is niet anders, hij is er
+niet.'--'Ja,' antwoordde mijn kameraad, 'Danilo is er niet.'--'Dat is
+een dag verloren.'--'Ja, verloren,' antwoordde hij, 'maar wat is er
+aan te doen?'--'Je kan niet alles vooruit weten.'--'Nee,' antwoordde
+mijn kameraad, 'je kan niet alles vooruit weten.'--'Maar hoe moet
+het nu met de markt van morgen?'"
+
+"Zal je nu ook eens ophouden, kanalje?" riep de man met het
+roode gezicht. "Verraders! Ik ken die voorgewende onnoozelheid
+wel. Soldaten! bindt die schurken, en stevig ook."
+
+Dit was gauw gebeurd: Andry Kroek en Semene Vorosjilo waren in een
+oogwenk gebonden en gekneveld.
+
+Op dit oogenblik trad de heer des huizes binnen.
+
+"Wie ben je?" brulde de man met het roode gezicht, die blijkbaar het
+opperhoofd van den troep was. "Hoe heeft men je hier binnengelaten?"
+
+"Ik ben de eigenaar van deze hut, Mijnheer!" antwoordde Danilo,
+terwijl hij groette. "Ik kom zooeven thuis."
+
+"Heidaar, mannen! Zet schildwachten voor de deur, en laat niemand er
+uit of in. Hoor je?" zei de officier tegen zijn manschappen. Vervolgens
+wendde hij zich tot Danilo met de woorden:
+
+"Als je je leven op prijs stelt, antwoord mij dan. Waar is de bandiet,
+dien wij zoeken? Laat je antwoord duidelijk zijn, Judas! Als je maar
+wat om de zaak heenpraat, dan schiet ik je neer. Weet dus, wat je
+doet. Waar is de Zaporoger?"
+
+"De Zaporoger?" antwoordde Danilo verwonderd. "Het is voor de eerste
+maal, dat ik dien naam hoor. Ik ken geen Zaporoger."
+
+"Maak dat aan anderen wijs!" schreeuwde de officier. "Wil je mij wijs
+maken, dat je de bandieten niet kent, die je opstoken? Die Zaporoger
+is in het land, hij is hier binnengegaan; waar is hij? Beken het
+dadelijk, of ik steek je nest in brand en laat er jou met je vrouw
+en je kinderen in braden."
+
+"Mijnheer!" antwoordde Danilo, "ik verzeker u, dat ik nooit heb hooren
+spreken over dengene, dien u daar genoemd hebt."
+
+"Wil je niet spreken? ook goed! Je zaak is duidelijk!" En zich tot
+Vorosjilo en Andry Kroek wendende, zei hij tot hen: "Schurken, jullie
+kennen dien Zaporoger, dien de duivel hale, zeker ook niet?"
+
+"Ik vraag u wel excuus, Mijnheer!" antwoordde Semene Vorosjilo,
+die meer dood dan levend scheen, "en ik..."
+
+"Stotter niet zoo, ezel!"
+
+"Ik heb hem gezien."
+
+"Heb je hem gezien en heb je het niet dadelijk gezegd, verrader?"
+
+"Ik durfde het niet doen, Mijnheer! en verder..."
+
+"En verder, kerel?"
+
+"En verder was hij al weg."
+
+"Waar had je hem gezien?"
+
+"Op de ossenmarkt te Frosny, Mijnheer!"
+
+"Wien had hij bij zich?"
+
+"Een grooten hond, Mijnheer! een grooten, zwarten, mooien hond,
+van echt ras, die tegen iedereen blafte en die..."
+
+"Domkop! je bent zelf een hond! Er is geen sprake van den hond,
+maar van den baas en van de schurken van jou soort. Die Zaporoger
+was zeker niet alleen, een troep deugnieten volgde hem, is 't niet?"
+
+"Een troep deugnieten, Mijnheer! Welke troep?"
+
+"Liep er niet een troep mannen en vrouwen achter hem?"
+
+"Ja, Mijnheer! een heele troep. Men duwde elkaar, men schreeuwde."
+
+"De namen?..."
+
+"Welke namen, Mijnheer?"
+
+"De namen van hen, die achter hem liepen."
+
+"Maar het was een troep, Mijnheer! niets dan een troep."
+
+"Domme ezel!"
+
+"Zie je niet," zei de andere officier, "dat deze kerel idioot is? Je
+verliest je tijd met hem."
+
+"Ik verwonder mij over jou," zeide een derde officier, die gedurende
+dit geheele tooneel was blijven zitten. "Waar is die overhaasting goed
+voor? Hebben wij den tijd niet om dien ezel in hechtenis te nemen? Is
+er bij niets meer haast dan bij het fusileeren van hem? Als hij ons
+ontsnapt is, dan zal het toch niet voor lang zijn. Vergeet je, dat wij
+sedert vanmorgen als gekken rondloopen zonder te eten en te drinken,
+en dat het niet gezond is, een leege maag te hebben? Het ziet er in dit
+huisje prettig uit; zou je er wat op tegen hebben, hier eens lekker
+te eten? Na een maaltijd zullen wij des te beter geschikt zijn om de
+jacht op de bandieten te hervatten. Hemelsche goedheid! je ziet zoo
+rood als een kalkoensche haan! Heb je de aanbevelingen van den dokter
+vergeten: 'Geen aandoeningen, geen toorn, eene gematigde beweging,
+geregelde maaltijden!' En je arme vrouw, die mij zoo plechtig heeft
+laten beloven, dat ik over je zou waken en dat ik voor je zou zorgen
+als een broeder, zij zou er alles behalve mee ingenomen zijn, als
+zij had kunnen zien, aan welk eene onzinnige woede je je overgeeft..."
+
+"Zwijg!" hernam de man met het roode gezicht. "Zwijg,--en laat ons
+een avondmaal gebruiken."
+
+En, zich tot Danilo wendende, vervolgde hij:
+
+"Heb je het gehoord? Al het eten, dat er in je provisiekast is,
+moet binnen twee minuten op deze tafel staan... binnen twee minuten,
+hoor!" En hij gaf op de tafel een slag met de vuist, die het huis op
+zijne grondvesten deed trillen.
+
+"Odarka," zeide Danilo tegen zijn vrouw, "haast je wat!"
+
+Odarka ging heen en nam haar beide jongens op haar armen met zich mee;
+de oudste stribbelde tegen, hij wilde zijn vader niet verlaten.
+
+Zij kwam spoedig, beladen met levensmiddelen, terug. Zij was kalm
+en zeide niets. Intusschen dwaalden haar oogen met een zekere onrust
+door de hut heen.
+
+Semene Vorosjilo en Andry Kroek stonden met de handen op den rug en met
+de beenen door middel van stevige touwen aan elkander vastgebonden, in
+een hoek der kamer. Danilo stond, met de armen op de borst gekruist,
+in een anderen. Met uitzondering van een schildwacht, die de deur
+versperde, waren de soldaten verdwenen. De officieren hadden zich
+aan den disch neergezet, met hun sabels naast zich en hun pistolen
+op de tafel, en aten en dronken, lachten en praatten vroolijk.
+
+Maar waar was de kleine Maroessia toch?
+
+Maroessia was, zwijgend als een schim, even na de terugkomst van
+haar vader verdwenen. Had de blik van dezen, onbegrijpelijk voor
+ieder ander, haar gezegd, wat zij moest trachten te doen, of had zij
+zoo uit eigen beweging gehandeld? Zeker is 't, dat zij zonder door
+iemand opgemerkt te worden, het vertrek had verlaten, en dat zij,
+na tusschen de soldaten en de paarden, die het huis omsingelden,
+doorgeslopen te zijn, den tuin bereikt had.
+
+Zoodra het meisje daar gekomen was, bleef zij onder een grooten
+kerseboom staan en drukte met de hand op haar hart, als wilde zij
+het beletten te kloppen. Haar hoofd was gloeiend warm. Heete tranen
+stonden in haar oogen. De wind verkoelde haar voorhoofd en deed haar
+bedaren. Zij luisterde. Zou men haar vlucht bemerkt hebben? Het
+verwarde, maar eentonige gebrom van de stemmen der soldaten drong
+tot haar door en stelde haar gerust. Ook hoorde zij het geschreeuw en
+het gelach der officieren, door wie geen enkel bevel tot vervolging
+gegeven werd. Haar blik rustte nog even op het huis, dat nog alles
+bevatte, wat zij ooit liefgehad en geëerd had, toen deed ze een
+paar stappen voorwaarts. Behoedzaam drong zij in het kreupelhout
+aan den rechterkant door. Maar ze zag of hoorde niets. Vervolgens
+ging zij naar den linkerkant, aldoor luisterend, ternauwernood
+ademhalend. Haar oog bespiedde alle schaduwen; zij doorzocht tot
+zelfs de meest onwaarschijnlijke hoeken.
+
+Eindelijk stond zij stil onder de groote appelboomen en voorzichtig
+keek zij rond.
+
+Plotseling schrok ze hevig: een vogel vloog op uit zijn nest. Eene
+huivering ging over haar leden. Was zij dan zoo zwak?
+
+Zij bleef een tijd lang tegen een boom aanleunen, waarvan de schaduw
+haar verborg. De wind strooide de witte bloesems van de appelboomen op
+het groene gras. "Het is, alsof het sneeuwt!" dacht ze in zichzelf. Zij
+vreesde, dat het ritselen van de bladeren een ander geluid zou
+overstemmen, het zwakke geluid, dat haar voorovergebogen hoofd en
+haar luisterend oor schenen af te wachten, aldoor af te wachten.
+
+Maar ... wat is dat? Enkele meters van daar, tusschen twee boomen,
+vertoont zich... Zij vergist zich toch niet? Nee, het is de flinke
+en krachtige gestalte van den nieuwen vriend, voor wien haar vader en
+moeder nu moeten lijden,--voor wien ook zij alles zal trotseeren.--De
+gestalte beweegt zich, zij sluipt als een slang tusschen de boomen
+door. Zij zoekt zeker een verborgen doorgang, die naar de rivier leidt.
+
+Met een haastigen stap loopt Maroessia haar achterna. Al gauw is de
+rivier bereikt. Alleen maar een heg is er tusschen. Over deze heg buigt
+hij zich heen en kijkt in 't rond. Aan den voet van een geweldigen
+boom, waarvan de takken in de rivier hangen, heeft hij een schuitje
+ontdekt. Een schuitje! Precies, wat hij noodig heeft; de rivier, dat
+is de weg, die hem niet verraden kan. Juist wil hij de heg, die er hem
+van scheidt, overklimmen, als twee kleine handen zijn arm omvatten
+en een stem hem toefluistert: "Nee, nee, dat niet,--het schuitje
+niet! De rivier is een spiegel, waarop men zelfs van verre alles ziet."
+
+Geen wonder, dat hij hevig ontsteld was, nog meer ontsteld, dan wanneer
+hij zich plotseling door tien soldaten, van top tot teen gewapend,
+omringd had gezien; maar hij liet er niets van blijken. Men zag,
+dat hij iemand was, die al lang aan allerlei soort van verrassingen
+gewoon was.
+
+Hij keek op en herkende het meisje.
+
+"Wat doe je daar, beste meid?" vroeg hij, terwijl hij even glimlachte,
+net alsof hij haar op de wandeling had ontmoet, en nu een gesprek wilde
+aanknoopen. Maar er verliepen eenige oogenblikken, voordat Maroessia,
+vermoeid en ontroerd als zij was, iets aan haar woorden kon toevoegen.
+
+De man legde toen zijn hand op het hoofd van het meisje en streelde
+haar langs de wangen, als wilde hij tegen haar zeggen: "Bedaar wat,
+mijn kind!" Hij zelf was een toonbeeld van kracht, van behendigheid,
+van onverschrokkenheid, van moed; maar op dit oogenblik, terwijl hij
+tegenover dat kleine hijgende meisje stond, kwam er een glans van
+goedheid op zijn gezicht. Zijn krachtige hand, gewoon om wapens te
+hanteeren, legde zich zachter dan die van een moeder op Maroessia's
+schouder.
+
+"Wel m'n kind, wat wou je me nu zeggen?"
+
+"Als u de rivier overgestoken was, zoudt u niet in Tsjigirine gekomen
+zijn. En daar moet u toch naar toe. Ik heb aan een middel gedacht om
+er heen te gaan."
+
+"Ik luister naar je, mijn kind!" antwoordde de vluchteling.
+
+"Laat ons dan eerst naar dien ouden muur gaan, daarachter kunnen wij
+ons verschuilen."
+
+Zoodra zij daar gekomen waren, zei zij:
+
+"Daarginds, ver in de steppe, heeft vader een kleine hut, een
+stal, waar men in den zomer de groote ossen laat blijven, als
+men aan het hooien is, om ze niet alle avonden naar huis te moeten
+terugbrengen. Voor de deur staat een groote wagen, met hooi beladen,
+die morgen door vader naar huis had moeten worden gebracht. De ossen
+blijven tot het aanbreken van den dag in den stal. Wij kunnen daar
+beiden binnen een uur zijn. Dan zal ik, dan zullen wij, de groote
+ossen voor den wagen spannen; dan moet u zich in het hooi verschuilen,
+en dan zal ik u naar het huis van baas Kniesj brengen. Baas Kniesj
+is een vriend van vader. Hij komt dikwijls bij ons, en als hij komt,
+praat hij met de anderen. Ik kan hem alles vertellen, of als u dat
+liever niet hebt, zal ik niets tegen baas Kniesj zeggen, maar trachten
+te doen...te doen..."
+
+Zij zweeg plotseling, want zij wist niet precies, wat het meest
+gewenscht zou zijn. Toch hernam zij:
+
+"Ik zal doen, wat u mij zegt."
+
+Terwijl hij naar haar luisterde, werden zijn oogen vochtig en zacht
+zei hij tegen haar:
+
+"Wie heeft je op dat idee gebracht, Maroessia?"
+
+
+
+
+III.
+
+EEN ROOVERGESCHIEDENIS.
+
+
+"Ik ken een roovergeschiedenis, die mij daaraan deed denken,"
+antwoordde het meisje. "Ik herinnerde mij, hoe de vrouw van den
+struikroover uit het sprookje gevlucht was, en ik zei bij mezelf:
+Dat zullen wij ook doen."
+
+"Als wij toch een vrij langen weg af te leggen hebben, om aan den
+stal in de steppe te komen, kan je mij die geschiedenis onder de
+wandeling wel vertellen, is 't niet Maroessia?"
+
+"Ja dat wil ik wel. Maar mag ik u dan naar Tsjigirine brengen?"
+
+"Heel graag," antwoordde hij. "Maar zou je vader het wel goedvinden,
+dat ik je voor gids gebruik? Zou hij er later niet boos over zijn?"
+
+"Nee, dat zeker niet, want vader heeft mij aangekeken, en ik heb hem
+begrepen," zei het kind. "Zijn oogen zeiden tegen mij: voor hèm moet
+je alles verlaten, zelfs ons."
+
+"Vooruit, dan geef ik mij aan jouw leiding over, beste
+meid! Je moet mijn gids zijn, en ondertusschen kan je mij je
+geschiedenis vertellen. Ik luister Maroessia; ik hou veel van
+roovergeschiedenissen."
+
+Zij gaven elkander de hand en liepen langs den oever voort. Na verloop
+van een oogenblik zei hij tegen het meisje, omdat hij merkte, dat
+zij het stilzwijgen bewaarde:
+
+"Ik luister al, maar ik hoor niets."
+
+"O!" antwoordde zij, "ik kan u de geschiedenis niet dadelijk
+vertellen."
+
+"En waarom niet, beste meid?"
+
+"Wij zijn nog niet ver genoeg van de soldaten af; ik hoor ze nog. Ik
+ben een beetje bang, dat wij... Het zou mij zoo spijten, als het mij
+niet gelukte, u te brengen, waar u zooveel goed kunt doen."
+
+"Men moet doen, wat men verplicht is, laat er van komen, wat er van
+komen wil!"
+
+Zij hief haar hoofd op en keek hem met groote oogen aan.
+
+"Kom laat mij nu niet langer wachten, Maroessia! Ik merk wel, dat je
+niet weet, hoe graag ik sprookjes hoor vertellen."
+
+Maroessia begon:
+
+"Er was eens een kozak, die zijn dochter aan een knappen jongen man
+ten huwelijk gaf."
+
+"Daar deed hij wel aan! Je sprookje begint goed, als de echtgenoot
+ten minste een braaf man was," viel de vreemdeling in de rede.
+
+Maroessia schudde 't hoofd, in plaats van een antwoord te geven,
+en ging ongestoord verder:
+
+"Het meisje hield niet veel van hem. Hij was wel knap om te zien,
+maar zijn oogen bevielen haar niet, maar omdat haar vader erg op dit
+huwelijk gesteld was, gehoorzaamde zij en trouwde met hem.
+
+"Zoodra het huwelijk voltrokken was, nam de echtgenoot zijn jonge
+vrouw met zich mee, ver, o! heel ver.
+
+"Het huis van haar man was heel mooi, het was zelfs prachtig; het
+was bijna een paleis, maar dan een somber paleis. Het stond in zoo'n
+dicht en donker bosch, dat men de lucht bijna niet door de toppen
+van de groote boomen zien kon. De echtgenoot bleef niet dikwijls bij
+zijn vrouw. Iederen avond omhelsde hij haar en dan zei hij: 'Ik kom
+weer gauw terug, vrouwtje!' en dan vertrok hij met zijn vrienden en
+bleef soms twee, drie en zelfs wel tien dagen weg."
+
+"Dat was heel leelijk van hem," zei de afgezant.
+
+"Als hij terugkwam, praatte hij veel meer met zijn kameraden dan met
+zijn vrouw. Hij gaf haar wel allerlei sieraden; maar daar was het
+z'n vrouw niet om te doen; zij was niet ijdel; zij voelde zich diep
+ongelukkig en werd langzamerhand erg verdrietig.
+
+"Zij zei bij zich zelve: 'Omdat mijn leven zoo treurig is, wil ik
+sterven. Ja, het is gedaan...'
+
+"Maar het spreekwoord zegt terecht: 'Het verdriet komt dikwijls terug,
+maar de dood komt slechts eenmaal.' Eens, toen zij alleen in het
+groote sombere kasteel was en toen zij zich bij uitzondering eens
+opgewekt gevoelde, zei ze bij zich zelf:
+
+"'Waarom zou ik den dood zoo bedaard blijven afwachten? Ik zal eens
+wat gaan wandelen.'
+
+"En zij liep naar den tuin, die zich tusschen de steenen muren van het
+kasteel en het bosch uitstrekte. Alles groeide, alles bloeide in dien
+kleinen tuin. 'Sterven,' dacht zij, terwijl zij naar de bloemen keek,
+'dat is toch ook niet alles. Ach! als ik maar gelukkig was, dan zou
+ik veel liever blijven leven...'
+
+"Toen plukte zij een ruiker van wilde bloemen, en toen zij zag,
+dat deze zoo mooi was, zei zij tegen de bloemen: 'Waar zal ik je nu
+zetten, arme bouquet? In mijn groote kamer is het zoo somber!'
+
+"Ineens kwam er toen een andere gedachte bij haar op:
+
+"'Als ik de andere kamers eens bezocht, dan zou ik er misschien wel
+een vinden, die mij beviel.'
+
+"Zoo gezegd, zoo gedaan. Zij liep verschillende kamers door; alle
+waren groot, rijk en mooi, maar toch niet gezellig.
+
+"'Nee,' dacht zij, terwijl zij van de eene naar de andere ging,
+'deze moet ik niet hebben, deze moet ik niet hebben.'"
+
+Op dat oogenblik hield de afgezant z'n hand voor Maroessia's mond.
+
+"Wacht even!" zei hij zachtjes.
+
+"Hebt u iets gehoord?" vroeg het kind.
+
+De afgezant was op zijn knieën gaan liggen en hield zijn oor op
+den grond.
+
+Toen hij weder opstond, zei hij:
+
+"Het detachement heeft het huis van je vader verlaten; de soldaten gaan
+in galop naar den linkerkant. Als zij gevangenen met zich meenamen,
+zouden zij niet galoppeeren. Maroessia! ik geloof, dat het in het
+huis van je vader nu weer rustig is."
+
+"Goddank!"
+
+Zij liepen een tijdje zwijgend voort; ieder was in zijn eigen
+gedachten verdiept.
+
+De afgezant verbrak het eerst het stilzwijgen.
+
+"De jonge vrouw," zei hij, "liep dus van de eene kamer naar de andere,
+zonder er eene naar haar zin te vinden, en zij zeide: 'Laat ons nog
+eens zoeken!'"
+
+"Juist zoo," hernam Maroessia, "dat zeide zij! Ineens zag zij een
+zeer smalle, maar stevig gesloten en vastgegrendelde deur voor zich.
+
+"Wacht!" zei zij bij zich zelf, "de kamer, die men door deze deur
+binnenkomt, moet ik hebben, daar ben ik zeker van."
+
+"Zij deed allerlei pogingen om de deur te openen, maar deze bood
+weerstand, en hoe meer weerstand zij bood, des te grooter werd haar
+lust om er binnen te gaan."
+
+"Juist," viel de vreemdeling in de rede, "daarin herken ik de vrouwen."
+
+"Wat wilt u daarmee zeggen?" vroeg Maroessia verwonderd.
+
+"Ik wil daarmee zeggen, dat alle vrouwen graag willen weten, wat zich
+achter een gesloten deur bevindt. Maar ga voort, Maroessia! Heeft
+die jonge vrouw de deur eindelijk open gekregen?"
+
+"Ja. Den heelen dag bonsde zij op de deur, en eindelijk gelukte het
+haar open te krijgen en de onbekende kamer binnen te treden. In
+'t eerst kon zij geen hand voor haar oogen zien; want het was er
+stikdonker. Zij liep de kamer al tastende rond, maar vond nergens
+deuren of ramen. De vier muren waren overal kaal. Ontmoedigd wilde zij
+terugkeeren, toen zij eensklaps rechts van de kleine deur, die haar den
+toegang tot dit vertrek had verleend, met de hand tegen een tafeltje
+stiet, waarop zich een lantaarn bevond met een doosje lucifers er
+bij. Natuurlijk stak zij dadelijk de lantaarn op, maar ook met behulp
+daarvan kon zij geen andere deur in de kamer ontdekken. Toch gaf zij
+het nog niet op. 'Deze kamer kan het einddoel niet zijn,' dacht zij;
+'zij moet ergens heen leiden. Er moet ergens een deur zijn. Ik ga er
+niet uit, voordat ik haar gevonden heb.'"
+
+"Dat was eene stijfhoofdige vrouw," zei de afgezant.
+
+"Stijfhoofdigheid was het niet; maar er was iets, dat haar voortdreef;
+zij had een bepaalde gedachte! Zij zeide bij zich zelve: 'Mijn man
+kan komen, en als hij komt, wie weet, of hij mijn nieuwsgierigheid
+dan niet zal afkeuren!' Maar toch zette zij haar nasporingen voort."
+
+"Zij liep zoo lang in de kamer rond, totdat zij eindelijk met den
+voet tegen een ijzeren ring stiet...
+
+"Zij hield er haar lantaarn bij: het was een luik in den vloer.
+
+"Het scheen haar toe, alsof zij nooit in haar leven zoo voldaan
+was geweest.
+
+"Het luik was heel zwaar voor haar; maar als men iets met volharding
+wil, gelukt het bijna altijd, het te doen. En na veel vergeefsche
+pogingen lichtte zij het luik toch eindelijk op.
+
+"Zij zag toen de treden van een smalle trap, die op een groot zwart
+gat uitkwam. Zij was haar verkenningstocht nu eenmaal begonnen en
+wilde dien voortzetten.
+
+"En zij daalde er naar beneden."
+
+"Zij was wel moedig," vond de vreemdeling.
+
+"Zij verwachtte wel iets vreeselijks te zullen zien; maar wat zij zag,
+overtrof nog het verschrikkelijkste, dat zij zich had voorgesteld.
+
+"De kelder was geheel gevuld met bijlen, sabels, dolken, pieken,
+lansen, groote messen, knotsen, met prachtige maar met bloed bevlekte
+kleeren, met parelsnoeren, diamanten, robijnen en smaragden, met
+turkooizen en saffieren, met prachtige stoffen. Dat alles lag door
+elkander, en overal waren sporen van bloed. Toch aarzelde zij nog,
+toen haar oog op iets sneeuwwits viel, dat op een stuk zwart fluweel
+gehecht was. Het was eene blanke hand, wit als marmer, een bevallige
+vrouwenhand, met kostbare ringen versierd.
+
+"Zij zei huiverend bij zich zelf: 'Mijn man is het opperhoofd van een
+rooverbende. Ons kasteel is erger dan een hol.' En dat veroorzaakte
+haar een groot verdriet."
+
+"Ga maar niet verder met deze geschiedenis voort Maroessia!" zei de
+afgezant, "het zou je kwaad doen, vooral als zij nog verschrikkelijker
+wordt."
+
+"Misschien wel; maar wat doet dat er toe? U moet den afloop weten,
+om goed te kunnen begrijpen, wat ik bedoel." En ze vervolgde:
+
+"De jonge vrouw dacht lang over alles na. Vóór alles moest zij uit
+het verschrikkelijke onderaardsche hol zien te komen. Zij kwam er
+uit, deed het luik dicht, zette de lantaarn weder op hare plaats,
+sloot alle deuren goed achter zich dicht en trad meer dood dan levend
+haar kamer binnen. Zij was veel ongelukkiger sedert haar ontdekking,
+en toch wilde zij niet meer sterven, maar wel vluchten."
+
+"'Wat te doen?' dacht de jonge vrouw bij zich zelf. Het ondoordringbare
+bosch omgaf het kasteel aan alle kanten. Men zag er geen enkelen
+uitgang. Zeker kon zij op het gevaar af, dat zij zich ernstig zou
+wonden, door het dichte kreupelhout heensluipen. Maar verder? Wie
+zou zeggen, of zij zich, na een geheelen dag rondgeloopen te hebben,
+niet weer op de plaats zou bevinden, vanwaar zij was uitgegaan? 'Wat
+te doen? Wat te doen?' herhaalde zij bij zich zelve.
+
+"'Al moest ik onderweg sterven,' zei ze eindelijk, 'ik moet vluchten,
+en ik zal vluchten.'"
+
+De vreemde vriend volgde oplettend het verhaal, dat zijn kleine
+metgezellin hem onder het voortloopen deed. Maroessia merkte dit wel,
+en het deed haar genoegen.
+
+"Dat geeft hem wat afleiding," dacht zij.
+
+Zij zou haar verhaal wel wat hebben willen verkorten, maar dan zou
+hij het misschien minder goed begrijpen, en bovendien hadden zij den
+tijd, zij om alles te vertellen, hij om alles aan te hooren; de hut
+in de steppe, de stal met de groote ossen was nog ver weg.
+
+Zij hervatte dus:
+
+"De jonge vrouw ging opnieuw naar den tuin. Maar nauwelijks had zij
+een paar stappen gedaan of zij hoorde hoefgetrappel.
+
+"Zij bleef staan en hield haar adem in, en, verscholen achter den
+stam van een dikken boom, luisterde zij. Toen zag zij het bleeke
+gezicht van haar man te voorschijn komen uit het kreupelhout. Zijn
+gewone metgezellen volgden hem. Het scheen, alsof zij allen als door
+een tooverslag uit deze omheining van groen te voorschijn kwamen."
+
+"Zij had nog maar juist den tijd gehad om zich beter tusschen het
+kreupelhout te verbergen, en kon nu haar man ongemerkt gadeslaan. Hij
+was van zijn paard gestegen en liep met langzame schreden voort, vlak
+langs haar heen; ook de anderen gingen haar voorbij. Verscheidene
+van die woestaards hadden roode vlekken op hun kleeren.
+
+"Weldra hoorde zij de stem van haar man. Hij riep haar.
+
+"Nee, het oogenblik was nog niet daar, waarop zij voor altijd zou
+kunnen vluchten. Zij kwam moedig uit het kreupelhout te voorschijn
+en ging voor hem staan.
+
+"'Je ziet erg bleek,' zei hij tegen haar, 'en men zou zeggen, dat
+je beeft. Je zult het onder deze boomen koud gehad hebben; kom hier
+voortaan niet meer.'
+
+"Toen haalde hij uit zijn zak een klein voorwerp:
+
+"'Ziedaar! Je merkt, dat ik wel aan je gedacht heb.'
+
+"Bij deze woorden bood hij haar een ring aan, die als een kleine
+zon schitterde.
+
+"'Wil je dien hebben?'
+
+"Zij deed zich geweld aan, om dit aanbod niet van de hand te wijzen,
+en vroeg hem, waar hij dit kleinood vandaan had.
+
+"'Als mijn vraag hem in verlegenheid brengt,' zei zij bij zich zelve,
+'als er ontsteltenis op zijn gezicht te lezen is, dan zal dit een
+bewijs zijn, dat hij nog niet heelemaal verhard is.'
+
+"Maar hij antwoordde haar op een luchtigen toon:
+
+"'Ik heb hem op de jacht in handen gekregen, liefste!'
+
+"'Op de jacht?'
+
+"Tegelijkertijd dacht zij: 'Wat er ook gebeuren moge, ik zal volhouden;
+ik wil eindelijk weten, waaraan ik mij te houden heb.' Zij voegde er
+dus bij: 'De jacht op ringen? Ik heb nog nooit van mijn leven over
+zoo'n zonderlinge jacht hooren spreken.'
+
+"'Minder zonderling, dan je wel denkt,' zei hij, 'maar zeker
+vermoeiend, en zelfs zoo vermoeiend, dat ieder na den afloop ervan
+behoefte aan rust heeft. Dat is op dit oogenblik ook met mij het geval,
+daarom ga ik naar bed want ik val bijna om van den slaap. Later zal
+ik je wel eens op zoo'n jacht meenemen, en ik denk wel, dat 't in je
+smaak zal vallen.'
+
+"Daarop verliet hij haar met een lach en begaf zich ter ruste in
+den vleugel van het oude gebouw, waarin zij woonden. Zijn vrienden
+volgden zijn voorbeeld. Eenige oogenblikken daarna was zij zeker wel
+de eenige in het kasteel, die niet sliep.
+
+"Toen kwam het plan weer bij haar op om te vluchten. Ze ging voor
+de tweede maal naar den tuin en liep dadelijk naar de plaats waar ze
+haar man zoo plotseling had zien verschijnen.
+
+"Daar ging de jonge vrouw aan den voet van eene met mos begroeide
+rots zitten die tusschen de dikke wortels van een reusachtigen boom
+ingesloten was, om te overdenken wat haar te doen stond. Maar toen
+zij ertegen leunde bezweek de rots zoo plotseling onder haar gewicht,
+dat zij omver viel."
+
+"Juist zoo!" zei de afgezant, "dat was de ingang waardoor de bandieten
+binnenkwamen..."
+
+"Ja, het was de geheimzinnige deur. Zij was zoo over haar val
+verwonderd, dat zij eenige oogenblikken bleef liggen, zonder zich
+te durven verroeren. Waar was zij? Boven haar hoofd bevond zich een
+donkergroen gewelf, waardoor slechts hier en daar een plekje van den
+blauwen hemel te zien was.
+
+"Toen zij eenigszins van haar schrik bekomen was stond zij op, legde
+bij den onzichtbaren toegang een witten steen en was verstandig genoeg
+om naar het kasteel terug te keeren, om er zich van te verzekeren,
+dat haar man en zijn metgezellen niet wakker waren.
+
+"Maar die waren allen in een diepen slaap gedompeld, zooals dit gebeurt
+met iemand, die veel van zijn krachten gevergd heeft. Op haar teenen
+voortsluipend, ging zij van deur tot deur, schoof er zonder gedruisch
+de grendels op en sloot alle luiken. Dit was één goede voorzorg;
+maar zij nam nog een andere, die ook te pas kwam, namelijk om de
+lichte kleederen, die zij altijd droeg, tegen zwarte te verruilen;
+toen ging zij snel naar de plaats, die door den witten steen aangewezen
+was. Toen zij die teruggevonden had, ging ze, evenals de eerste maal,
+tegen de rots aanleunen en opende haar. De hooge steenen deur, die
+de rots verborg, was zoo ingericht, dat zij vanzelf dichtging. Nu
+begon zij te loopen, telkens weer harder.
+
+"Na verloop van een half uur bereikte zij een punt, waarop meer dan
+tien wegen uitkwamen, die alle in verschillende richtingen liepen.
+
+"Zij deed een paar passen langs den eenen, toen langs een anderen, en
+zoo alle tien. Het kwam er op aan, zich niet te vergissen. Het ongeluk
+was, dat zij allemaal op elkaar geleken, waardoor het moeilijk was,
+den eenen boven den anderen te verkiezen. Eensklaps ontdekte zij in
+een van deze gangen iets wits. Zij liep er heen. Het was een kleine,
+fijne zakdoek, waarvan de vier hoeken fraai geborduurd waren.
+
+"Ik hoor iets, dat ons volgt," zei Maroessia ineens, haar verhaal
+afbrekend. De vreemdeling had het ook gehoord. Hij nam Maroessia bij
+den arm en plaatste zich met zijn opgeheven stok voor haar.
+
+"Ach!" zei Maroessia, "het is een groote hond!"
+
+Terwijl ze dat zei deed de afgezant zoo'n plotselingen sprong, dat
+Maroessia zich niet kon verklaren, hoe hij het dier, dat zich zoo
+onverwacht aan hem vertoond had, zoo snel met zijn dikken stok had
+kunnen doodslaan.
+
+De afgezant lag met zijn eene knie op den grond. Toen hij weer opstond,
+lag het dier levenloos aan zijn voeten.
+
+"Het was een wolf," zeide hij bedaard tegen het kind, "hij moet wel
+honger gehad hebben, dat hij ons zoo van nabij gevolgd is."
+
+"O!" zeide Maroessia tegen haar vriend, "u bent ook voor niets bang."
+
+"Wel zeker," zei de afgezant, "ik ben bang voor alles, wat je
+geschiedenis afbreekt. Dus had de vrouw van den bandiet een zakdoek
+gevonden."
+
+"Ja," zei Maroessia.
+
+"Het zien van dien fijnen zakdoek, die zoo lekker rook en ongetwijfeld
+van een vrouw was, gaf haar stof tot nadenken.
+
+"'Ze zijn hier vanmorgen langs gekomen,' zei ze bij zich zelf, 'en
+als dat zoo is, komen zij er waarschijnlijk nu niet meer. Ik moet
+dien weg kiezen.'
+
+"Maar voordat ze dien insloeg, kwam de gelukkige gedachte bij haar op,
+een mooi rood lint, dat zij om haar hals droeg, zóó op te hangen aan
+een tak, die zich over een ander voetpad, dan dat, hetwelk zij wilde
+inslaan, uitstrekte, dat men het in de verte kon zien. 'Zij zullen dit
+lint zien en mij dus vervolgen langs den weg, dien ik niet ingeslagen
+heb.' Dat was niet slecht bedacht, om hen van het spoor af te brengen,
+niet waar?"
+
+"Het was zeer goed bedacht," zei de afgezant.
+
+"Gelukkig, dat zij daaraan gedacht had, liep zij vlug het pad langs,
+waar zij den geborduurden zakdoek gevonden had. Zij liep den geheelen
+dag door. De avond viel; de duisternis was zoo dik, dat zij niet meer
+wist, wat zij boven haar hoofd had, of dit een gewelf van rotsen of
+een koepeldak van bladeren was.
+
+"'Laat ik maar aldoor voortloopen,' dacht zij bij zich zelf, toen
+zij zich vermoeid voelde. 'God, die mij tot hiertoe geleid heeft,
+zal mij niet verlaten.' Eensklaps stiet zij tegen iets aan. De weg
+maakte daar een bocht; maar in plaats van zich te beklagen over
+de pijn, die zij zich zelve had berokkend, scheelde het niet veel,
+of zij had in haar verwondering een kreet van vreugde geslaakt.
+
+"Alle sterren van den hemel fonkelden eindelijk boven haar hoofd;
+geen gewelf, noch van steenen, noch van ineengegroeide takken was
+meer boven haar, zij was op een groote open plek!"
+
+"Zoo, des te beter!" zei de afgezant, "dat doet mij voor haar
+pleizier."
+
+In plaats van eenig antwoord te geven, schudde Maroessia met het
+hoofd en drukte zijn hand nog steviger.
+
+"Ongelukkig zou de vrouw van het opperhoofd der bandieten zich niet
+lang kunnen verheugen; want zij hoorde ineens heel duidelijk stemmen,
+geschreeuw en het getrappel van paarden, die in galop komen aanrennen.
+
+"Wat nu te doen? Waar een schuilplaats te vinden? Hoe zich onzichtbaar
+te maken? Naar de gang terug te keeren? Dat nooit! Dat zou hetzelfde
+zijn, als naar het kasteel terug te keeren.
+
+"Er stond op deze open plek een forsche eik met dichtgebladerde
+takken, die tot op den grond neerhingen. In een wip klom zij als een
+eekhorentje van den eenen tak op den anderen, totdat zij den hoogsten
+bereikt had. Zij had er goed aan gedaan, geen minuut te verliezen;
+een oogenblik daarna kwamen alle bandieten van vijf of zes kanten te
+gelijk te voorschijn, want alle gangen liepen op deze open plek uit.
+
+"'Welnu?' riep een haar welbekende stem tot vijf ruiters, die
+aankwamen rijden.
+
+"'Niets,' antwoordde er een. 'Ik heb niets anders gevonden dan dit,'
+en hij hield een rood lint omhoog.
+
+"Op dit lint sloeg het opperhoofd geen acht. Wist hij wel, dat zijn
+vrouw er ooit zoo een had bezeten?
+
+"'Ik heb niemand gezien,' antwoordde een tweede.
+
+"'Geen spoor,' zeide een derde.
+
+"En allen verklaarden achtereenvolgens hetzelfde.
+
+"'Laat ons nog eens zoeken!' riep de echtgenoot uit. 'Wij moeten haar
+dood of levend terugvinden. Komaan! Op weg! Ons geluk hangt er van af.'
+
+"Hij voltooide zijn volzin niet; want iets bijzonders had zijn
+aandacht getrokken.
+
+"In een oogwenk was hij van zijn paard gesprongen, had zich
+voorovergebogen en had van den grond een voorwerp opgeraapt, dat hij
+aandachtig bekeek.
+
+"'Een zakdoek!' riep hij aan de anderen toe, 'een vrouwenzakdoek! Zij,
+die wij zoeken, is niet veraf.'
+
+"Het gras was hoog en stond dicht op elkaar. Nu begonnen zij allen
+het terrein te verkennen, sommigen op handen en voeten, anderen met
+hun sabels en hun pieken; sommigen verpletterden de jonge boompjes
+onder de pooten van hun paarden, anderen velden ze door middel van
+bijlslagen neer om er zich van te verzekeren, dat de vluchtelinge
+zich daartusschen niet verscholen had.
+
+"Zij vonden hoegenaamd niets.
+
+"Intusschen keek de echtgenoot naar de lucht in de richting van den
+grooten dichtgebladerden eik.
+
+"'De bladeren van dezen boom zijn zeer dicht,' zei hij bij zich zelf;
+'al de vrouwen zijn vogels. Wie weet, of mijn vrouw er niet boven
+in zit?'
+
+"Hij neemt een lans uit de hand van een zijner manschappen, klimt op
+de onderste takken, en terwijl hij zich met de eene hand vasthoudt,
+begint hij met de andere de bovenste takken met de punt van zijn lans
+te doorboren."
+
+"Die arme vrouw!" zei de afgezant, "nu is het met haar gedaan."
+
+"Wat had zij er goed aan gedaan, haar zwarte japon aan
+te trekken!" hernam Maroessia. "Dank zij deze donkere kleur,
+bemerkte haar man haar niet. Hij stak de punt van zijn lans in de
+donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Verschrikt, sprakeloos,
+onbeweeglijk, hield zij den tak, die haar tot steun diende, krampachtig
+met de armen omklemd.
+
+"Driemaal drong het koude ijzer in haar vleesch door; bloed stroomde
+uit de wonden, maar zij verroerde zich niet, zij bezat dien moed,
+zij gaf geen gil en liet geen enkelen kreet hooren."
+
+"Je geschiedenis is verschrikkelijk, Maroessia! Ach! die ongelukkige!"
+
+Maroessia, die geheel met haar verhaal vervuld was, vervolgde:
+
+"De luitenant van haar man, die wel zag, dat alles vruchteloos was,
+zei toen tegen zijn kapitein:
+
+"'De tijd, dien wij op deze plek verliezen, is slechts in het voordeel
+van haar, die wij zoeken. Het dorp is dichtbij, de stad is niet ver
+verwijderd. Als wij hier een kwartier langer blijven, zal uw vrouw
+er vóór ons aankomen, kapitein! En dan is er geen verhelpen meer aan.'
+
+"Bij de gedachte, dat zijn vrouw, die blijkbaar in het bezit van zijn
+geheim was, hem zou kunnen ontsnappen, en dat zijn levenswijze dan
+bekend zou worden, kwam er een vloek over de lippen van den kapitein.
+
+"'Te paard!' riep hij uit, 'te paard en rijdt, alsof het uw leven
+gold!'
+
+"Zij gaven hun paarden de sporen en reden in gestrekten draf weg.
+
+"Het werd tijd; de arme vrouw kon zich niet meer vasthouden; zij liet
+zich op het gras neerglijden op het gevaar af, een doodelijken val
+te doen."
+
+Op dit oogenblik deed Maroessia een stap achterwaarts.
+
+"Hoort u dat?" zei zij.
+
+"Een geweerschot," antwoordde de afgezant kalm, "dat is al het derde
+sedert wij op weg zijn. Maar laat je dat niet verontrusten: het is
+voor ons uit en vrij veraf. In tijden, als de tegenwoordige, hoort
+men telkens en overal geweerschoten. De schoten werden niet in de
+richting van ons gelost, evenmin als in die van het huis van je vader."
+
+"Bent u daar zeker van?" vroeg zij.
+
+"Bepaald zeker. Als je weer hoort schieten, let er dan maar niet
+op. Men moet aan dat geluid wennen. Maar ga nu met je verhaal voort!"
+
+"De arme vrouw lag op den grond. Ik weet niet precies, hoeveel uren
+zij daar bewusteloos bleef liggen," zei Maroessia. "Toen zij weer
+tot bewustzijn kwam, was de nacht niet meer zoo zwart: de vogels
+begonnen te ontwaken, en het gras, dat geheel nat van den dauw was,
+scheen als met witte paarlen bezaaid. Zij had kracht genoeg om het
+bloed van haar wonden te stelpen en scheurde haar mooie japon aan
+stukken, om daarvan windsels te maken. Zou zij kunnen loopen? Zij
+had reeds veel bloed verloren.
+
+"Maar zij moest loopen, en zij liep ook. Zij liep met moeite;
+haar armen en haar zijde waren door de lansstooten gewond, maar
+langzamerhand schonk de beweging zelf haar nieuwe krachten.
+
+"Zij bemerkte toen, dat zij op een grooten gebaanden weg was; dit deed
+haar moed toenemen. Maar, ondanks dit alles, voelde zij haar zwakte
+vermeerderen, toen zij tot haar geluk het geratel van wielen hoorde.
+
+"Een groot rijtuig, met een massa hooi beladen,--luister goed naar
+mij!--reed langzaam voort, getrokken door twee stevige ossen, met
+groote kromme horens. Naast dit rijtuig liep een oud man, die een
+lied zong.
+
+"Zij verhaastte haar schreden, en het gelukte haar, het rijtuig en
+den voerman in te halen.
+
+"'Help mij,' zei ze tegen den grijsaard. 'Heb medelijden met mij! Ik
+heb geen krachten meer om het dorp te voet te bereiken!'
+
+"Maar tegelijkertijd hoorde zij in de verte het geschreeuw der
+struikroovers, die op hun schreden terugkeerden. Het aanbreken van
+den dag noodzaakte hen zonder twijfel om naar huis te gaan.
+
+"'Ik ben verloren,' zei zij tegen den grijsaard. 'Die menschen,
+die daar aankomen, zijn bandieten en mijn man is hun opperhoofd.'
+
+"'Verberg u in het hooi,' zei de grijsaard tegen haar, 'en houd u
+doodstil. Gauw maar!'
+
+"Spoedig was zij in het hooi verborgen en bleef daarin, zonder zich
+te verroeren. Binnen eenige oogenblikken waren de struikroovers vlak
+bij het rijtuig, dat langzaam voortreed.
+
+"'Heidaar!' riep het opperhoofd den grijsaard toe, die naast zijn
+ossen liep, terwijl hij zijn pijp rookte, 'heb je onderweg ook een
+jonge vrouw ontmoet, die scheen te vluchten?'
+
+"'Een jonge vrouw?' herhaalde de grijsaard, terwijl hij met de
+hand over zijn voorhoofd wreef, als trachtte hij zijn gedachten
+te verzamelen.
+
+"'Ja zeker, een jonge vrouw!'
+
+"'Zoo! Een jonge vrouw...'
+
+"'Wil je ook antwoorden?'
+
+"'Waarom niet?'
+
+"'Antwoord dan!'
+
+"'Ik heb geen jonge vrouw gezien.'
+
+"'Ben je daar wel zeker van? Zij moest toch denzelfden weg volgen
+als jij...'
+
+"'Dat is best mogelijk; maar ik heb niets gezien. Mijn oogen zijn
+in de laatste twee jaren erg verminderd. Zoo gaat het in de wereld:
+men wordt oud, men leeft niet eeuwig.'
+
+"'Die kerel schijnt een slimme vos te zijn,' zei de luitenant. 'Hij
+drijft den spot met ons.'
+
+"'Weet je wel, wien je voorhebt?' vroeg het opperhoofd hem.
+
+"'Hoe zou ik dat weten?' antwoordde de grijsaard. 'Het is de eerste
+maal, dat wij elkaar zien. Bovendien, weest wat ge wilt, heeren of
+struikroovers, wat kan dat een armen grijsaard schelen, die niets op
+de wereld bezit?'
+
+"'Je bezit toch je leven,' zei de luitenant.
+
+"'Mijn leven?' antwoordde de boer. 'Wat is het leven mij waard,
+als ik alle dagen hard moet werken?'
+
+"'Je leven zullen we je laten behouden, oude babbelaar, maar je hooi
+zullen wij je ontnemen.'
+
+"'Mijn hooi is mijn hooi niet. Als ik u zeg, dat ik niets op de wereld
+bezit, dan wil dat niet zeggen, dat ik zoo'n berg hooi heb. Als u
+mij dien wilt ontnemen, doet het dan, maar takelt mij eerst wat toe;
+als ik zonder wonden en zonder hooi terugkom, zal mijn heer, die niet
+met zich laat gekscheren, denken, dat ik het heb verkocht om er drank
+voor te koopen. Het komt al op hetzelfde neer, of ik stokslagen van
+hem dan wel van u krijg.'
+
+"'Oude gek!' antwoordde de luitenant, die moeite had om niet te
+lachen. 'Wij willen van je hooi maar een beetje hebben om aan onze
+paarden te geven.'
+
+"'Als dat moet, dan moet het!' zei de grijsaard, 'maar laat mij het u
+dan zelf geven en het zoo aanleggen, dat er zoo weinig mogelijk van te
+zien is. Als dat zoo kan gaan, zal ik er misschien ongedeerd afkomen.'
+
+"'Hebt u zoo genoeg?' vroeg hij na voorzichtig een tiental handenvol
+van zijn wagen genomen te hebben. 'Als ik nog meer nam zou er een
+leegte ontstaan en dat zou gezien worden, en ik zou er voor moeten
+boeten. Misschien dat het nu nog wel zal losloopen, als mijn heer
+het hooi ten minste niet naweegt.'
+
+"De luitenant knikte, als wilde hij zeggen: Zoo is het genoeg,--en
+de kapitein wendde zich tot den boer met de woorden:
+
+"'Je kunt verder gaan, maar vooraf wil ik je twee dingen te raad
+geven. Het eerste is, je niet om te keeren om te zien, wat er achter
+je voorvalt. Het tweede, tegen niemand over je ontmoeting te spreken.'
+
+"'Ik weet een geheim te bewaren,' antwoordde de oude boer met een
+onnoozel gezicht. 'Ik zal uw raad opvolgen.'
+
+"En hij gaf zijn ossen een paar slagen om hun het sein tot voortrijden
+te geven.
+
+"Na verloop van tien minuten kon hij het rennen van de paarden der
+struikroovers hooren. Het gedruisch verminderde langzamerhand en was
+eindelijk in 't geheel niet meer te hooren.
+
+"'Zij zijn het bosch weer ingegaan,' zei de grijsaard alsof hij in zich
+zelf sprak, 'maar dat is nog geen reden om zich overwinnaar te voelen.'
+
+"De raad was goed en werd opgevolgd. De jonge vrouw, die in het
+hooi verborgen was, verroerde zich niet. Een half uur daarna kwam
+het dorp,--het was meer dan een dorp, het mocht wel een kleine stad
+heeten,--in het gezicht. De wagen reed langs een breede straat, alsof
+er niets gebeurd was, toen door een groote poort een binnenplaats op.
+
+"'Ziezoo!' zei de grijsaard, 'God heeft het zoo gewild: het is
+nu gedaan.'
+
+"Op die wijze werd de vrouw van den kapitein der bandieten eindelijk
+gered.
+
+"Men bracht haar bij welgestelde en liefdadige menschen, waar iedereen
+zorg voor haar droeg tot op het oogenblik, waarop haar vader,
+onderricht van het onvoorzichtige huwelijk, dat hij haar had doen
+aangaan, haar kwam terughalen.
+
+"Men liet het bosch omsingelen in de hoop, dat men de bandieten zou
+bemachtigen; maar het was reeds te laat: het kasteel was verlaten,
+toen de justitie kwam. Toen zij het gevaar inzagen, ontdekt te worden,
+hadden zij er niet durven blijven."
+
+"Dat was jammer," zei de afgezant. "Maar de vrouw was gered, en dat
+was het voornaamste. Waarlijk! je vertelling is zeer belangrijk, en
+je hebt er wel aan gedaan, mij haar uitvoerig mee te deelen. Mooie
+sprookjes verkorten den weg."
+
+"De reden, waarom ik u dit verteld heb," zei Maroessia, "bestaat
+hierin, dat het ons van nut kan zijn."
+
+"Ik heb het begrepen, m'n kind," zei de afgezant, "heel goed
+begrepen. O, wij verstaan elkaar wel."
+
+"Toch," voegde hij er bij, "heeft de geschiedenis van de blanke hand
+met diamanten en van de lanssteken in de bladeren van den grooten
+eik mij doen huiveren."
+
+
+
+
+IV.
+
+DE VLUCHT.
+
+
+Het was nog nacht, maar de morgenkoelte deed zich reeds gevoelen. In
+een verwijderd klooster hoorde men de vroegmissen zingen; het riet
+aan den oever boog zich voor den wind.
+
+"Wij moeten nu linksaf," zei Maroessia.
+
+Twee minuten daarna betraden zij de steppe.
+
+Tot dusverre hadden zij langs den oever der rivier geloopen, bijna
+altijd beschermd door de boomen.
+
+Hoewel Maroessia en de afgezant geen tijd te verliezen hadden,
+bleven zij toch onwillekeurig stilstaan en ademden met volle teugen
+de frissche lucht van deze vlakte in.
+
+"Kijk dien kant eens uit!" zei Maroessia. "Dat zwarte stipje daarginds
+is de stal, waarover ik u gesproken heb. Nu moeten wij nog eens
+linksaf: daar zullen wij de ossen vinden."
+
+"Laat ons dan nog eens linksaf slaan," zei de afgezant.
+
+De steppe breidde zich zoo ver zij zien konden voor hen uit; een paar
+hooge hoopen hooi, die nog pas opgestapeld waren, belemmerden alleen
+het gezicht.
+
+De afgezant klom op een daarvan om te zien, of er in de verte iets
+te zien was.
+
+"Blijf daar niet staan!" riep Maroessia hem toe; "u bent zoo lang,
+men zou u van verre zien."
+
+Alles scheen rustig te zijn. De afgezant gaf aan Maroessia een wenk
+om ook eens te komen kijken en wilde er haar op helpen klimmen;
+maar dat was niet noodig; want in een oogenblik was zij er op.
+
+"'t Lijkt wel of jij vleugels hebt," zei de afgezant tegen haar.
+
+"Vader noemt mij altijd zijn klein eekhorentje," antwoordde het kind
+met een zekeren trots.
+
+Zij keek ook, maar slechts naar een enkelen kant, en wel naar dien,
+waar het huis van haar ouders stond.
+
+"Ziet u daar ginds wel?" zei ze. "Kijk eens voor mij; want mijn oogen
+zien op dit oogenblik niet goed,--het schijnt mij evenwel toe, dat
+alles er rustig is."
+
+"Ja, ja," zei de afgezant, "alles schijnt te zeggen: rust."
+
+Nadat ze nog even rondgekeken hadden, klommen zij van den hoop hooi
+af. Zij liepen nog enkele meters en kwamen nu bij eene heg, die een
+kleine vallei omgaf.
+
+"Hier is het!" zei Maroessia. "Help mij nu, den boom van de deur te
+lichten. Hier zijn de ossen, ziet u ze?"
+
+"Ik zie ze, zij zien er prachtig uit!"
+
+De beide ossen, die op het gras lagen, bleven onbeweeglijk als twee
+groote bergen. Maroessia streelde met haar kleine hand hun gehoornde
+koppen. Een dof geloei was het antwoord op de liefkoozingen van
+het kind.
+
+"Stil, stil," zei Maroessia haastig. "Je moet mij heel bedaard
+volgen! Gauw maar!"
+
+Men zou gezegd hebben, dat de ossen deze woorden van hun kleine
+meesteres begrepen, want zij stonden zonder gedruisch op en volgden
+haar gedwee.
+
+"Zij zijn veel grooter dan ik," zei Maroessia lachend, "en toch zijn
+we even oud."
+
+De wagen, met hooi beladen, stond niet ver af.
+
+De ossen waren er al spoedig voor gespannen.
+
+"Haast u!" zei Maroessia. "Waarom kijkt u mij zoo aan?"
+
+"Dat komt, omdat je zoo klein bent, Maroessia!" zei de afgezant,
+"zoo heel klein! Men zou je veeleer voor een klein vogeltje kunnen
+houden, geschapen om in deze steppen rond te fladderen en te zingen,
+dan voor iemand, die zulke belangrijke zaken aan de hand heeft!"
+
+De afgezant had gelijk. Het kleine meisje scheen nog kleiner midden
+in deze uitgestrekte vlakte, bij die ontzaglijke ossen en bij den
+grooten wagen, naast dezen reus van een man.
+
+"O, wat zou ik graag groot willen zijn!" zuchtte Maroessia. "Kijk! hier
+is de zakdoek van moeder, ik zal dien, evenals de oude vrouwen, om
+mijn hoofd doen, dan zal ik er wel heel oud uitzien, niet waar? Kijk
+mij maar eens aan!"
+
+Haar groote oogen keken hem van onder den bruinen zakdoek aan, die
+haar blonde lokken en haar schouders geheel bedekte.
+
+De afgezant keek haar teeder aan en glimlachte. Gedurende een oogenblik
+wilde of kon hij niets zeggen.
+
+Toen hij eindelijk antwoordde, was zijn stem heel zacht, zoo zacht,
+dat men zou gezegd hebben, dat het de zijne niet was.
+
+"Weet je den weg wel, Maroessia?" vroeg hij.
+
+"Ik ken dezen weg best. Je moet aldoor rechtuit tot aan het kleine
+meertje gaan, en als je daar gekomen bent, sla je rechtsaf, en dan zie
+je van den top van een heuveltje het dak van het huis van Kniesj. Als
+je daar eenmaal bent, is 't niet moeilijk om in Tsjigirine te komen. Ik
+heb Kniesj wel eens tegen vader hooren zeggen: 'Het moet al een domoor
+zijn, die dezen weg niet weet te vinden.'"
+
+"Ken je Kniesj?"
+
+"Ik ken hem, hij komt dikwijls bij ons."
+
+"Zal hij je goed ontvangen?"
+
+"Dat weet ik niet ... ik denk het wel?"
+
+"En als hij je eens slecht ontving?"
+
+"Maar hij zal ons nooit kunnen verraden, niet waar? Het is een
+vriend... O neen! een vriend van vader kan geen verrader zijn."
+
+"Weet je wel, Maroessia!" vervolgde de afgezant, terwijl hij het kleine
+meisje strak aankeek, "weet je wel, dat het land vol vreemdelingen,
+soldaten, menschen zonder medelijden is? Weet je wel, dat wij slechts
+vijanden, sabelhouwen of geweerschoten zullen ontmoeten? Weet je wel,
+dat er overal bloed vloeit? Weet je dat wel?..."
+
+"Ja," antwoordde Maroessia, "ik weet dat alles."
+
+"Booze oogen zullen je bespieden; men zal je vragen doen, waarvan al
+de woorden strikken zullen zijn, en als je onhandig antwoordt, als je
+het minste gebaar, de minste beweging maakt, als je spreekt, als je
+bloost, als je even beeft, zal alles verloren zijn... Weet je dat wel?"
+
+"O! ik zal niet onhandig antwoorden, ik zal iedereen wel goed te
+woord staan: ik ben niet bang!"
+
+"Het kan zijn, beste meid, dat wij den dood tegemoetgaan!"
+
+"Nee," zei Maroessia, "wij zullen eerst later sterven. U moet eerst
+in Tsjigirine aankomen. Als u daar eenmaal bent, zal ik sterven, als
+het zoo wezen moet!... maar u moet eerst te Tsjigirine zijn! O ja!..."
+
+De afgezant zei niets, maar hij nam het meisje in zijn armen en drukte
+haar tegen zich aan, terwijl hij haar heel zachtjes "m'n lieve kind"
+noemde.
+
+"Maroessia!" zei hij toen, "wij zullen zeer zeker noodlottige
+ontmoetingen hebben; de soldaten zullen je gevangen nemen, je
+ondervragen. Als men naar den wagen toe kwam, zelfs met het doel om
+dien te doorzoeken, dan zou je je toch wel kalm houden, dan zou je
+toch niet gelijken op een patrijs, die ziet dat de jager zijn nest,
+dat dicht in de nabijheid verborgen is, nadert. Je begrijpt mij,
+niet waar?"
+
+"Ja, ik begrijp u. Ik moet zijn... ik moet zijn... zooals u. Ik zal
+ook zoo wezen."
+
+"Als iemand je mocht vragen, waar je naar toe gaat, dan moet je
+antwoorden, dat je dezen wagen, met hooi beladen, naar de woning van
+Kniesj brengt, die het van je vader heeft gekocht. Versta je?"
+
+"Ja, ik versta het."
+
+"Als wij het huis van Kniesj goed en wel bereiken, zal deze ons zeker
+op den drempel van zijn deur te gemoet komen. Begrijp je?"
+
+"Ja."
+
+"Dan moet je tegen hem zeggen: 'Wat hebt u mooi koren op uw land
+staan! Ik heb het bewonderd, toen ik er voorbijkwam. Het is nog wel
+wat groen, maar ik geloof, dat men het desnoods zou kunnen gebruiken,
+voordat het geheel rijp is.' Dat is heel lang, beste meid! Maar je
+kunt die woorden toch wel onthouden, niet waar?"
+
+"O ja," antwoordde Maroessia. "Luister maar, ik zal ze eens herhalen!"
+
+Zij herhaalde ze en vergat niets, geen enkel woord.
+
+"Je bent een kleine schat!" zei de afgezant. "Maar laat ons nu
+voortmaken!"
+
+Hij klom op den wagen, maakte een groot gat in het hooi en verborg
+zich daarin.
+
+Maroessia zette zich neer op de plaats, die een vrachtrijder zou
+ingenomen hebben, spoorde de ossen met haar lief stemmetje aan, dat in
+'t eerst een beetje trilde. Toen zette de zware wagen zich langzaam
+in beweging.
+
+De moeilijke tocht, midden in den nacht, was begonnen...
+
+
+
+
+V.
+
+EEN ONTMOETING.
+
+
+Ossen weten nooit, hoeveel haast men heeft. De wagen reed naar den
+zin van Maroessia veel te langzaam; de afgemeten stappen der ossen
+werden op de stem van hun kleine vriendin wel wat grooter, maar zij
+liepen toch niet harder.
+
+Alles was stil; de laatste sterren flonkerden aan den hemel en
+langzamerhand brak het daglicht door; van tijd tot tijd deden een
+geweerschot of een kreet, bestemd om de schildwachten op hun hoede
+te doen zijn, die diepe stilte nog des te meer uitkomen.
+
+Maar ieder geluid, dat zich onverwachts deed hooren, joeg Maroessia een
+huivering over de leden. Hoeveel malen deed een windvlaag al het bloed
+naar haar hoofd stijgen! Ach! het was niet voor zich zelf, dat zij
+zoo gemakkelijk beefde. Wat haarzelf betrof, was zij onverschrokken,
+maar haar vrees was voor den ander. Eensklaps zei ze:
+
+"Verschuil u goed! Daar komen menschen!"
+
+Het was zoo, zij had goed gehoord. Al spoedig daarna omsingelde een
+afdeeling Russische ruiters den wagen.
+
+"Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan? Wie ben je?" riepen
+verscheidene barsche stemmen.
+
+"Ik ben de dochter van Danilo Tsjabane," antwoordde Maroessia.
+
+"Laat je ossen dan stilstaan!" riep een officier haar toe.
+
+Maroessia liet de ossen stilstaan.
+
+"Waar kom je vandaan?"
+
+"Van ons vandaan."
+
+"Wat bedoel je daarmee?"
+
+"Niet ver van dien kant af."
+
+"En waar ga je naar toe?"
+
+"Ik ga naar baas Kniesj toe."
+
+"Wie is Kniesj?"
+
+"Dat is een vriend van vader. Hij heeft dit hooi van ons gekocht,
+en ik breng den wagen naar hem toe."
+
+"Wat heb ik je gezegd, beste vriend?" zei een andere officier. "Het
+is een boerenwagen, en anders niet. Maar jij ziet overal verraders
+en ontsnapte gevangenen."
+
+"Wat zullen wij met onze vangst doen?... Beste meid! wil je je bij
+het regiment aansluiten? Maar och! je bent te klein, je zoudt er
+beter aan gedaan hebben, vanmorgen niet uit je wieg te komen."
+
+"Dit hooi," antwoordde de eerste officier, "is toch niet te
+versmaden." En zich tot Maroessia wendende, voegde hij er bij:
+
+"Is het huis van dien Kniesj nog veraf?"
+
+"Nog al..."
+
+"Wat bedoel je daarmee? Zou men er met den stap, waarmee je ossen
+loopen, in één uur of in twee kunnen komen?"
+
+"In twee misschien, en mogelijk ook wel in drie."
+
+"Welnu dan, ik zou er voor zijn, dat wij dezen wagen tot aan het
+huis van dien man vergezelden; en als hij op dit hooi gesteld is,
+dan moet hij het maar van ons koopen. Beste meid! is het huis van je
+vader nog al netjes ingericht? Is hij een rijk grondbezitter?"
+
+"Hij heeft een grooten tuin en veel appelen."
+
+"Dom gansje! Het is ons niet om appelen te doen... Maar komaan! laat
+ons zelf eens gaan zien, hoe het met dien Kniesj gesteld is. Het kan
+niet anders, of ons bezoek zal een aangename verrassing voor hem zijn."
+
+De officier gaf zijn paard de sporen en snelde vooruit. Zijn kameraad
+volgde hem, terwijl hij bromde:
+
+"Je bent een echte gek! Daar hebben wij nu al een geheelen dag
+doorgebracht met doelloos rond te zwerven. Waar gebruik je ons voor?"
+
+"Voorwaarts, meisje!" zeiden de soldaten tegen Maroessia. "Voorwaarts!"
+
+De wagen reed voort, omgeven door de afdeeling soldaten.
+
+Maroessia zag zich van alle kanten door woeste gestalten omringd.
+
+Terwijl zij zich angstig afvroeg, wat zij doen zou om zich aan dit
+dreigend gevaar te onttrekken, sloeg zij een blik op de gezichten van
+hen, die haar omgaven. Allen waren met lange snorren versierd, door
+de zon gebruind, hardvochtig, somber en onverzoenlijk, en schenen uit
+te rusten na vele vermoeienissen en bloeddorstige daden. "Hoevelen van
+de onzen hebben die kerels al gedood en vermoord?" vroeg het kind bij
+zichzelf. "Is het niet verschrikkelijk daaraan te denken? Zouden zij
+zich het kwaad wel herinneren, dat zij bedreven hebben? De gezichten
+van enkelen zijn somber... Misschien hebben zij niet allemaal een
+hart van steen? En als zij hem eens ontdekten! O neen! zij zouden
+geen medelijden hebben!"
+
+Ofschoon de ossen van Maroessia hun gewone logheid behielden,
+liepen zij toch met een eenigszins vluggeren stap, misschien wel
+aangespoord door het hoefgetrappel van de ruiterij en gestreeld door
+de frissche morgenkoelte. De paarden van de ruiterafdeeling liepen
+met een geregelden stap, maar van tijd tot tijd rekten die, welke het
+dichtst bij den wagen waren, den hals uit en trokken een plukje hooi,
+dat binnen hun bereik was, van den wagen af. Dit joeg Maroessia een
+huivering door de leden. Als het hooi eens instortte, als...
+
+Eensklaps bemerkte Maroessia, terwijl zij een blik op de soldaten
+sloeg, een paar oogen, die onafgewend op haar gevestigd schenen te
+zijn. Deze oogen waren doordringend als twee dolken en gloeiden als
+kooltjes vuur. Ze keken haar opmerkzaam aan, ja, en misschien wel
+met wantrouwen.
+
+Zij werd beurtelings rood en bleek en dacht dat alles verloren
+was. Maar zij zei bijzich zelf:
+
+"Ik moet zijn--zooals hij!"
+
+En zij vatte weder moed.
+
+De beide officieren reden vooruit. De een lachte, de ander bromde. De
+soldaten werden stil en schenen ten gevolge van den langzamen stap,
+waarmee zij reden, slaperig te worden.
+
+Maar waarom keek die soldaat haar zoo den heelen tijd aan?
+
+"Ik zal hem ook aankijken," besloot Maroessia bij zich zelf.
+
+En haar ontroering bedwingende, vestigde zij op haar beurt haar
+blikken op hem.
+
+De bewuste oogen behoorden aan een bejaarden, forsch gebouwden
+onderofficier, die een zeer ruw en tegelijkertijd zeer schrander
+gezicht had.
+
+Eensklaps bracht hij zijn paard naar voren en reed nu vlak naast
+Maroessia, als wilde hij haar wat dichterbij bekijken. Hij sprak in het
+eerst niet tegen haar, maar zijn doordringende oogen schenen te zeggen:
+
+"Het is toch zonderling, dat zulk een klein meisje zulk een grooten
+wagen bestuurt! Wie heeft dit zwakke kind voor zoo'n zware taak kunnen
+kiezen? Wie heeft haar zoo geheel alleen kunnen laten vertrekken
+te midden van den nacht, nu het overal oorlog is en nu de wegen zoo
+onveilig zijn?"
+
+"Leven je vader en je moeder nog, beste meid?" vroeg hij haar
+eindelijk.
+
+Daar hij dacht, dat Maroessia geen Russisch verstond, herhaalde hij
+zijn vraag, zoo goed hij kon, nog eens in de taal, die in de Ukraine
+gesproken wordt.
+
+"Heb je nog een vader? Heb je nog een moeder?"
+
+"Ja, Goddank!" antwoordde Maroessia.
+
+"Allebei?"
+
+"Allebei."
+
+Hij dacht een oogenblik na; vervolgens helderde zijn gezicht op,
+als had hij eensklaps iets van een raadsel begrepen, waarvan hij de
+oplossing tot dusverre vruchteloos had gezocht.
+
+Het hart van Maroessia sloeg geweldig. Alles draaide haar voor de
+oogen. Maar zij moest zijn--zooals hij.
+
+Zij deed haar best om zich den schijn te geven, alsof zij volmaakt
+kalm was, en vroeg op haar beurt wel met een eenigszins bevende stem,
+maar toch met een glimlach om de lippen:
+
+"En u, hebt u uw vader en moeder ook nog? Hebt u veel
+bloedverwanten? Hebt u zoons of dochters?"
+
+Was het deze kinderlijke, bevende en aarzelende stem, of was het
+eenvoudig die vraag, die weer oude herinneringen in het hart van
+dezen soldaat opwekte? Het ruwe en onverzoenlijke gezicht, dat aan
+Maroessia zooveel vrees ingeboezemd had, veranderde plotseling,
+en men had daarop eensklaps een weerkaatsing kunnen zien van alle
+gewaarwordingen, die een menschenhart kunnen vervullen.
+
+Die oogen, die haar nog pas zoo wantrouwend en uitvorschend hadden
+aangekeken, waren onmiddellijk verzacht. Zij keken Maroessia nu met
+eene zonderlinge ontroering aan. Vond hij in de trekken van het
+kleine meisje eenige gelijkenis met een kind, dat daar niet was,
+dat misschien heel ver van daar was, maar waaraan de gedachte alleen
+voldoende was om hem zacht te stemmen?
+
+"Ja, ik heb een dochtertje," antwoordde hij eindelijk.
+
+"En is dat dochtertje al groot?" vroeg Maroessia.
+
+Hij glimlachte, en men voelde, dat in dezen treurigen glimlach de
+herinnering aan een dierbaar kind opgesloten lag.
+
+"Zij is even groot als u, ten minste bijna even groot," antwoordde hij.
+
+Toen boog hij het hoofd voorover, en Maroessia durfde hem geen vragen
+meer doen. Zij liet hem met zijn gedachten bij zijn dochter.
+
+Men reed nog aldoor voort. Een rooskleurige streep vertoonde zich aan
+den gezichteinder. Een klein vogeltje deed een zacht gepiep hooren
+dat zeker als een welkomstgroet aan den dageraad bedoeld was.
+
+Niet ver van den weg bemerkte zij een klein meertje met een effen
+waterspiegel, met groene oevers, dat nog voor een gedeelte door den
+ochtendnevel bedekt was: men zou gezegd hebben, dat het een gazen
+sluier was, die langzamerhand opgelicht werd. Aan den rechterkant
+kronkelde zich een voetpad, en wel dat, hetwelk de voetgangers langs
+den kortsten weg naar het huis van Kniesj bracht. Eindelijk wees
+een witte rookzuil de plaats aan, waar het huis van den vriend haars
+vaders stond.
+
+Over het licht, dat de duisternis weldra geheel zou verdrijven, maakte
+Maroessia zich ongerust. De vroolijke stralen van de morgenzon, steeds
+zoo welkom, waren voor haar op dien ochtend vijanden, die haar konden
+verraden! Haar oogen zochten onwillekeurig naar den man die met haar
+gepraat had, zonder hem te vinden, en zij was daar bedroefd over.
+
+Onwillekeurig was zij op hem gaan rekenen als op een beschermer. Een
+ander soldaat reed nu aan haar rechterhand.
+
+"Wie is dat schepseltje daar?" vroeg deze soldaat aan een van zijn
+kameraden, na een blik op Maroessia geslagen te hebben.
+
+"Ze is niet grooter dan een notedop," antwoordde een ander soldaat.
+
+"Ze is nergens bang voor, zij reist als een kolonel van de huzaren."
+
+"Ik zou er wel wat onder willen verwedden, dat zij kruit noch kogels
+vreest!" vervolgde de eerste.
+
+"Daar heeft zij gelijk in," voegde de derde er bij. "Welke kogel zou
+voor zoo'n klein ding gevaarlijk kunnen zijn?"
+
+"Ik ken de Ukrainiërs," hernam de eerstgenoemde; "men kan niet zeggen,
+dat het een volk van hazen is. Zelfs de kleine meisjes uit dit land
+zijn dapper. Ik heb meer dan eens met mijn eigen oogen gezien, waartoe
+zij in staat zijn: het kanon buldert, het geweervuur knettert, het
+bloed vloeit bij stroomen ... zij komen op het slagveld, zij loopen
+er moedig over heen, zij rapen er de gekwetsten op, alsof zij in een
+tuin wandelden en daar rozen plukten!"
+
+"Zij sterven dan ook bij duizenden!" zei een ander.
+
+"Och! wij sterven allen op de een of andere manier," antwoordde
+iemand, dien men hoorde zonder hem te zien, omdat hij geheel achter
+twee reusachtige soldaten verscholen was. "Ja, op de een of andere
+manier; het komt er maar op aan, op de beste wijze te sterven. Maar
+wie kent dat meisje?"
+
+Een paar geweerschoten verbraken de stilte...
+
+Dit geluid verbande dadelijk iedere andere gedachte, ieder ander
+gevoel; de geheele afdeeling keek als een man met een uitvorschenden
+blik naar den horizon.
+
+De officieren hielden hun paarden in. Iedereen liet zijn meening
+hooren; maar het geweervuur begon alweer, voordat men het over de
+oorzaak ervan eens was.
+
+"Het is van onzen kant!" riep de jonge officier uit. "Er is geen
+twijfel mogelijk, het is van onzen kant, dat het gevecht begonnen
+is. Voorwaarts! Het zijn de onzen, die strijd voeren."
+
+"Heidaar, Iwan! Je moet den wagen maar tot aan het huis van dien
+Kniesj begeleiden en de zaak van het hooi in orde brengen. Voorwaarts!"
+
+Maroessia had den tijd nog niet gehad om zich te herstellen of haar
+gedachten te verzamelen, toen de afdeeling reeds in een wolk van stof
+verdwenen was. Intusschen had de oude soldaat, die met haar gepraat en
+haar over zijn dochtertje gesproken had, zich even omgekeerd en haar,
+zooals zij duidelijk had gezien, een vaarwel toegeknikt.
+
+Maroessia bleef alleen met dien Iwan, die het bevel ontvangen had,
+haar wagen tot aan het huis van Kniesj te begeleiden en de zaak van
+het hooi in orde te brengen.
+
+"Vooruit maar, kleine meid!" zei Iwan tegen haar, terwijl hij zijn
+pijp opstak.
+
+Maroessia keek Iwan aan en vond, dat hij er als een egel uitzag.
+
+"Kom, schiet een beetje op!" herhaalde hij op een strengeren toon.
+
+Maroessia spoorde haar ossen aan. Bij het plotseling vertrek van hun
+geleide hadden zij het goed geacht, te blijven staan. Toen zij de
+stem van Maroessia hoorden haastten zij zich, te gehoorzamen.
+
+De wagen had zijn afgemeten gang hernomen; Maroessia had zich onder
+voorwendsel, dat zij vermoeid was, er boven op neergezet, en terwijl
+zij er opklom, had zij kans gezien om haar kleine hand even aan haar
+grooten vriend toe te steken, wiens kalme en vertrouwende blik haar
+uit het gat, dat hij in het hooi gemaakt had, de hare ontmoet had. Dat
+had hun beiden goed gedaan. Iwan had natuurlijk nergens vermoeden van;
+hij had haar laten begaan, hij liep naast de ossen, terwijl hij zijn
+pijp rookte en voor zich keek.
+
+Wat had de oorlog daar gewoed! Tegen één groen land, dat een rijken
+oogst beloofde, hadden zij er tien over te rijden, die geheel
+verwoest waren.
+
+Het geweervuur herhaalde zich met gedurig kortere tusschenpoozen,
+en de schoten werden al duidelijker en duidelijker hoorbaar.
+
+De wagen was een van die heuveltjes opgereden, die niet zeldzaam in
+dit land zijn en waaronder de gesneuvelden in vroegere veldslagen
+begraven liggen.
+
+Toen zij boven op dit heuveltje aangekomen waren, bemerkte Maroessia
+in de vlakte een menigte tenten, half verborgen door wolken van
+zwarten rook, die soms door de opwaaiende roode vlammen verhelderd
+werden. Het was op dit terrein, dat het gevecht werd geleverd, dat
+het geweervuur hun in de verte had aangekondigd.
+
+Van tijd tot tijd hoorde men geluiden, hetzij het gekerm van menschen,
+hetzij het gehinnik van paarden; ook het geschreeuw van kinderen
+drong door de frissche morgenlucht heen.
+
+Maroessia zag voor zich het vreeselijke schouwspel van een in brand
+gestoken dorp, rijke huizen in vlammen en ineenstortende hutten.
+
+Vrouwen, die met hun kinderen in de armen radeloos heen en weer liepen
+vielen neer door onzichtbare slagen getroffen.
+
+Paarden galoppeerden zonder ruiters voort. De lijken lagen op sommige
+plaatsen opgestapeld. De lichamen der gekwetsten, die den genadeslag
+verwachtten, waren over den grond verspreid. De gelederen, straks
+nog welgevuld, waren gedund; het getal der levenden verminderde bijna
+zichtbaar. De grond was op verscheidene plaatsen rood van bloed.
+
+Niet ver van deze afschuwelijke tooneelen en recht voor haar, gelijk
+aan een oase, die zich te midden van de woestijn vertoont, stond de
+boerderij van Kniesj, door bloemen omgeven, die een heerlijken geur
+uitwasemden. Maroessia herkende iederen boom van dezen dichten tuin;
+de kleur van iedere bloem teekende zich op den groenen achtergrond af.
+
+De deur van den stal stond open, en haar jeugdige oogen onderscheidden
+een grooten troep kippen, die, zonder zich om het gevecht te
+bekommeren, op het groote voorplein heen en weer liepen; op het
+voorplein stonden wagens, ploegen, hooivorken, spaden, harken en
+schoffels.
+
+Bij de deur stond een groote hond, gitzwart en met borstelig haar,
+als een trouwe waker voor het huis van zijn baas.
+
+
+
+
+VI.
+
+BIJ DEN OUDEN KNIESJ.
+
+
+Nauwelijks stond de wagen voor de deur stil, of een jongen van
+ongeveer twaalf jaar, stevig gebouwd, en met een paar heldere oogen
+in z'n hoofd, vertoonde zich aan Maroessia.
+
+"Is pane [2] Kniesj thuis?" vroeg Maroessia.
+
+"Ben je dan om grootvader gekomen?" zei de knaap, vragende in plaats
+van te antwoorden.
+
+"Ja, om je grootvader. Is hij thuis?"
+
+"Hij is thuis."
+
+"Waar is hij dan?"
+
+"Hij is in den tuin; maar het kan ook wel zijn, dat hij in huis of
+op het land is."
+
+"Ga hem eens zeggen dat wij er zijn!"
+
+"En haast je wat!" voegde Iwan er bij, terwijl hij zijn pijp weer
+opstak.
+
+Maar de grootvader kwam reeds aan.
+
+Naar zijn uiterlijk te oordeelen, was het een goedhartig oud
+man. Hij droeg een eenvoudig boerengewaad,--een hemd en een broek
+van linnen. Zijn hoofd was bedekt met een stroohoed, dien hij
+waarschijnlijk zelf gevlochten had.
+
+Hij herkende Maroessia terstond en scheen volstrekt niet verwonderd
+haar te zien. Het tegendeel is waar; men zou gezegd hebben, dat hij
+haar verwachtte, en dat dit bezoek voor hem de eenvoudigste en de
+meest gewone zaak van de wereld was.
+
+"Zoo, beste meid!" zei hij, "hoe gaat het met je? Ik ben blij dat ik
+je weer eens zie! Kom maar in huis! Maar als je liever in de open
+lucht wilt blijven, dan kent Taras de plaatsen, waar men aardbeien
+vindt en waar de frambozen staan. Wij hebben binnen nog wat andere
+lekkernijen: honingkoeken, kleine taartjes en zelfs groote."
+
+Iwan had dit woord "taartjes" in het voorbijgaan opgevangen.
+
+"Ik zie, dat je goed van alles voorzien bent," zei hij met een stem,
+die nog wel norsch klonk, maar die toch door het vooruitzicht op
+"de groote taartjes" al wat verzacht was.
+
+"Gelukkig wel!" antwoordde de oude boer. "Kom binnen, kom binnen,
+als je honger hebt."
+
+Hij zag er zoo eenvoudig, zoo vriendelijk, zoo naïef uit, die oude
+Kniesj!
+
+"Kom binnen!" herhaalde hij. "Wat een genoegen! wat een aangename
+verrassing! Ik houd van alle soldaten... Kom binnen, Mijnheer de
+soldaat!..."
+
+De soldaat, waarmee hij zooveel ophad, was uitgeput van vermoeienis
+en hongerig als een wolf: hij volgde den ouden boer dan ook, zonder
+zich verder te laten smeeken, en zoodra hij in de kamer was, ging
+hij op een bank liggen, geeuwende, de armen uitstrekkende, de beenen
+uitrekkende, in één woord, gebruik makende van het gelukkige toeval,
+dat hem in staat stelde, aan zijn lichaam, geheel uitgeput door de
+vermoeienissen van den oorlog, een beetje rust te gunnen.
+
+Het was duidelijk te zien, dat hij den ouden Kniesj voor een onnoozelen
+en dommen kerel hield, en dat hij eigenlijk aan niets anders dacht
+dan aan zijn taartjes: wat de zaak van het hooi aangaat, die zou
+later wel ter sprake komen.
+
+Maroessia had er zich eerst mee bezig gehouden, den grooten wagen
+op het voorplein te brengen. De kleine Taras had haar daarbij
+geholpen. Toen dit gedaan was, ging zij naar de beide mannen toe.
+
+"Pane Kniesj," zei Maroessia toen, "wat hebt u mooi koren op uw land
+staan! Ik heb het bewonderd, toen ik er voorbij kwam. Het is nog wel
+wat groen, maar ik geloof, dat men het desnoods zou kunnen gebruiken,
+voordat het geheel rijp is!"
+
+"God zij geloofd, beste meid! Ja, wij zullen een goed jaar hebben!" gaf
+de oude Kniesj hierop ten antwoord.
+
+De kalme toon, waarop hij sprak, verried niet de minste ontroering. Hij
+liep de kamer op en neer, riep zijn knechts en gaf zijn bevelen met
+een vroolijke stem. Zijn oogen trachtten niet in die van het kind te
+lezen. Het was een braaf man, trotsch op zijn taartjes en zijn hammen,
+zich bij voorbaat verheugende in de gedachte aan den maaltijd, dien
+hij den vreemdeling zou aanbieden.
+
+"Heeft hij het begrepen?" vroeg Maroessia zich af. "Nee, hij heeft
+het niet begrepen! En toch..." en haar hart kromp ineen, "als hij
+het eens niet begrepen had!"
+
+Zij wist niet, wat te denken, zij wist niet, wat te doen!
+
+"Ik moet zijn, zooals hij," zeide zij eindelijk bij zich zelve,
+"ik moet moedig zijn, weten te zwijgen en weten te wachten."
+
+Zij begreep, dat de afgezant een bewijs van al deze eigenschappen
+gegeven had, door niet van den wagen af te springen, nadat hij het
+gewapend geleide tot een enkelen soldaat had zien verminderen, dien
+Iwan, dien hij gemakkelijk had kunnen verslaan, en door er nog op te
+blijven, zelfs reeds nadat de wagen het voorplein opgereden was, en
+daar zij het besluit had genomen om te zijn zooals hij, richtte zij
+geen vragen tot den ouden man en ging, zonder een woord te spreken,
+achter hem het huis in.
+
+Dit huis was vrij uitgestrekt. De meubelen bestonden uit banken van
+stevig eikenhout. Aan de gewitte muren, die in blankheid met de sneeuw
+konden wedijveren, hingen gedroogde planten, die in het vertrek een
+frisschen geur verspreidden.
+
+In het midden stond een groote massieve tafel, ook van eikenhout,
+en deze was bedekt met een fraai wit tafellaken met gekleurde franje.
+
+De oude Kniesj noodigde zijn gast uit om plaats te nemen.
+
+"Ik mag de ververschingen niet vergeten," zei hij. "Dat zal spoedig
+gedaan zijn, dat zal spoedig gedaan zijn..."
+
+En hij liep van den eenen kant naar den anderen, pakte de groote
+glazen en daalde in den kelder neer, klom naar den zolder, deed de
+provisiekast open, verzette potten en pannen, liet de lepels vallen,
+schonk van de eene flesch in de andere, ging naar de vliering om
+gerookte worsten te krijgen, kortom hij was een en al bedrijvigheid.
+
+Al deze toebereidselen, die den uitgehongerden soldaat veel beloofden,
+hielden hem in voortdurende spanning; hij meende ieder oogenblik een
+heerlijken schotel te zien verschijnen: hij rook den geur daarvan
+reeds en watertandde er van; hij beloofde zich zoo'n gastmaal, dat
+hij daardoor alles op de wereld zou vergeten, of, liever gezegd,
+hij zag de wereld slechts verward door een hoop taartjes, worsten,
+kazen, vleeschspijzen en andere lekkernijen heen.
+
+"Hoor eens, barien! [3] geef je zooveel moeite niet," zei hij van
+tijd tot tijd. "Ik zal met weinig tevreden zijn... dat is te zeggen,
+ik zal tevreden zijn met hetgeen ik daarginds zie... Ja, ik zal er
+mee tevreden zijn."
+
+"Nee, nee," antwoordde de oude Kniesj, "sta me toe dat ik u eens
+iets fatsoenlijks aanbied! Sta me dat toe, Mijnheer!... Mag ik ook
+uw naam weten?"
+
+"Ik heet Iwan," antwoordde de soldaat met een zucht, geheel ontwapend
+door de gulle gastvrijheid van den ouden boer.
+
+"Welnu, Mijnheer Iwan! u moet mij vergunnen, u het beste aan te
+bieden, wat er in mijn huis is! U moet het, u wilt een grijsaard
+toch geen verdriet aandoen, niet waar? U moet eens van mijn worsten
+proeven... en van mijn hammen ook... en dan van mijn kaas... U zult
+wel zien, wat ik u zal voorzetten."
+
+"Maar wij, soldaten, zijn niet aan zulke lekkernijen gewend. Als wij
+onzen honger maar kunnen stillen, zijn wij al tevreden," zei Iwan.
+
+"Wel zeker, wel zeker, Mijnheer Iwan! Ja, het leven van een soldaat
+is hard. Ik heb er wel eens over hooren spreken. Welnu, dat is een
+reden te meer om een poging te doen, u eens te vergasten... Ja, ja,
+geloof mij!"
+
+Maroessia, die in een hoek zat, trachtte te zijn zooals hij, aan
+wien zij onophoudelijk dacht, zou geweest zijn. Naar haar uiterlijk
+te oordeelen was zij kalm en bedaard.
+
+Maar wat er in dat hartje omging is niet om te beschrijven. Was
+haar groote vriend nog in het hooi begraven? Of was hij er al lang
+uitgekomen? Maar zou hij zich dan wel op een veilige plaats hebben
+kunnen verschuilen? En als hij het huis eens had moeten verlaten,
+waar zou zij hem dan weervinden? Welke gevaren kon hij loopen? Wat
+zou haar vader wel zeggen, als zij hem verlaten had, voordat zij hem
+het doel van zijn tocht had doen bereiken?...
+
+De kleine Taras ging, na de nieuw aangekomene nauwkeurig opgenomen te
+hebben, naar het raam toe en telde de schoten, die men zeer duidelijk
+kon hooren, ofschoon zij op een verren afstand gelost werden.
+
+Eindelijk was het maal gereed. Mijnheer Iwan begon het met een soort
+van woede te verslinden. Zijn geduld was dan ook al te lang op de
+proef gesteld.
+
+Bij den eersten hap had hij het strenge en woeste gelaat van een
+krijgsman, die er zich volstrekt niet over bekommert, zijn gehemelte
+te streelen; maar al spoedig begon zijn gezicht een wat zachter
+uitdrukking aan te nemen. Na het gebruik van eenige glazen likeur
+van frambozen, van aardbeien, van kersen en van kummel kregen zelfs
+zijn oogen een vriendelijke uitdrukking en speelde er een glimlach
+om zijn lippen.
+
+De oude Kniesj werd niet moe, hem telkens nieuwe gerechten en nieuwe
+dranken aan te bieden. Van tijd tot tijd slaakte hij een kreet.
+
+"Wacht! Dat is mooi bedacht! Ik herinner mij daar, dat ik in mijn
+provisiekast nog wat heb, dat u wel zal smaken... Wacht, wacht! Dat
+zal ik eens voor u gaan halen, Mijnheer Iwan! Dan moet u mij eens
+zeggen, hoe u het vindt."
+
+Iwan verzette zich hier niet tegen. Hij kon slechts even met het
+hoofd schudden, alsof hij wilde zeggen:
+
+"Dat lijkt mij! Maar alles lijkt mij op dit oogenblik!"
+
+"Wel, Taras, wat doe je daar?" vroeg de oude Kniesj, na weer een
+flesch voor zijn gast neergezet te hebben. "Is het nu de tijd om
+daar te staan luieren? In jou plaats zou ik eens zijn gaan kijken,
+of het tijd is om hooi aan de ossen te geven."
+
+"Wilt u wel gelooven, Mijnheer Iwan!" voegde de grijsaard er bij,
+"dat ik in Taras een flinken werkman heb? Het is een jongen, die niet
+dom is en ook niet lui."
+
+Mijnheer Iwan wilde antwoord geven, maar hij kon niets anders doen dan
+een glimlach op zijn gezicht te voorschijn brengen, die hoegenaamd
+niets zeide. Wat den kleinen Taras aangaat, die liet zich niet lang
+bidden. In een oogenblik was hij bij de deur.
+
+Het was tijd; want Maroessia kon het niet meer uithouden. Zij stond
+bedaard op en zei tegen den ouden Kniesj:
+
+"Ik zal met Taras meegaan."
+
+"Doe dat, beste meid!" antwoordde de grijsaard.
+
+En toen zij hem voorbijliep, strekte hij de hand uit en streelde haar
+zachtjes over haar lokken.
+
+Weinig had deze liefkoozing te beteekenen, maar zij gaf als door een
+tooverslag alle vertrouwen aan Maroessia terug; zij gevoelde zich
+gerustgesteld en versterkt; haar angst verdween, en ze voelde zich
+ineens veel minder angstig.
+
+"Beste barien!" zei Iwan, een wanhopige poging doende om zijn gedachten
+te verzamelen, "dat hooi van daar straks, weet je, het hooi van den
+wagen, dien ik hierheen begeleid heb, behoort aan ons toe!... Begrijp
+je me? Wij hadden het in beslag genomen, dus is het ons goed, dus
+is het ons eigendom geworden! Dat is duidelijk, niet waar? Als je er
+echter op gesteld bent, het te behouden, dan kan je er mij den prijs
+voor geven.... Geef geld, veel geld, en je moogt het hebben... En
+dat zou ik je als het beste aanraden!"
+
+"U bent heer en meester, Mijnheer Iwan!" antwoordde de oude Kniesj. "U
+kunt nemen, wat u verlangt. U bent heer en meester!"
+
+"Heel goed! dat is heel goed!" antwoordde Iwan. "Uitstekend goed!"
+
+
+
+
+VII.
+
+OP DEZELFDE PLAATS.
+
+
+Toen Maroessia het huis uitkwam, zag zij, dat de wagen, nog met
+hooi beladen op dezelfde plaats stond. Taras werkte met den meesten
+ijver. Hij klom op het wiel, trok het hooi bij handen vol van den
+wagen af en gaf dit aan de ossen.
+
+Maroessia draaide een paar keer om den wagen heen.
+
+Nadat Taras aan de ossen genoeg hooi gegeven had, begon hij te babbelen
+en vroeg het honderd uit, maar Maroessia, die nog wel een beetje in
+angst verkeerde, antwoordde hem slechts kortaf.
+
+Eensklaps kwam de gedachte bij haar op, dat haar tegenwoordigheid bij
+den wagen vreemd zou kunnen schijnen, en ze besloot om er vandaan
+te gaan. Zij liep het groote voorplein over, ging naar den tuin,
+bleef staan, keek om zich heen en sloeg een blik op de velden, die
+zich in de verte uitstrekten.
+
+"Wat nu te doen?" vroeg zij zich af. "Wat zal er van hem worden? Hoe
+hem te redden? De wagen met hooi is nog niet afgeladen. Zou hij nog..."
+
+Zij keerde naar het voorplein terug, om er zich van te overtuigen, dat
+niemand haar gadesloeg. "Als ik het zonder onvoorzichtigheid doen kan,"
+zei ze bij zich zelf, "zal ik het wagen, zoo al niet hem te roepen,
+dan toch op de een of andere wijze zijn aandacht te trekken."
+
+Maar toen zij voorbij een hoop groote steenen kwam, die tegen de
+bouwvallen van een muur opgehoopt lagen, meende zij te hooren, nee,
+hoorde zij duidelijk, alsof zij uit den grond voortkwam, een stem,
+die zij goed kende, en die tegen haar zei:
+
+"Ik dank je, kleine Maroessia! Wees maar gerust, alles gaat goed."
+
+Eerst schrok ze, maar langzamerhand herstelde zij zich en trachtte
+te zien, waar die stem wel vandaan gekomen was.
+
+De hoop steenen scheen daar reeds zeer lang gelegen te hebben. De
+steenen waren bedekt met mos, onkruid en klimplanten. Blijkbaar waren
+ze daar reeds lang geleden neergeworpen, toen men onder een gebouw,
+dat nu bijna geheel in puin lag, dezen ouden kelder had gemetseld,
+waarvan haar zoekende blik het raampje had opgemerkt, ofschoon dit
+ternauwernood zichtbaar was tusschen de menigte planten, die er
+overheen gegroeid waren.
+
+"Heb ik goed gehoord?" vroeg de kleine Maroessia zich af.
+
+Haar hart sloeg geweldig. Maar de stem, die opnieuw uit het puin kwam,
+liet zich ten tweeden male hooren.
+
+"Beste meid," zei deze stem. "Stel je gerust. Wij zijn de gevaren der
+zee gelukkig te boven gekomen en zullen in de haven niet verdrinken,
+hoop ik!"
+
+Maroessia bleef onbeweeglijk staan; zij luisterde nog eens, ofschoon
+alles nu weer stil geworden was.
+
+Deze weinige woorden, die van hem, van haar grooten vriend kwamen,
+waren even zoovele tooverwoorden, die haar laatste vrees geheel
+wegnamen.
+
+Haar hart werd van blijdschap vervuld, en haar wangen waren zoo rood,
+haar oogen schitterden zoo fel, dat Taras, op het voorplein eensklaps
+voor het meisje bleef staan.
+
+Getroffen door de verandering, die er met haar plaats gegrepen had,
+keek hij haar met een nieuwsgierigen blik aan.
+
+"Ze is zeker erg in haar schik; grootvader zal haar misschien iets
+lekkers gegeven hebben!" dacht hij. "Maar wat? Zou het peperkoek zijn
+of noten?"
+
+Maroessia verbrak het stilzwijgen met de vraag:
+
+"Willen wij eens naar den tuin gaan?"
+
+"Dat wil ik wel," antwoordde Taras met eenige aarzeling als iemand,
+die er niet zeker van is, of hij er bij zal winnen of verliezen,
+als hij zijn toestemming geeft. "Maar zeg mij eerst eens, wat heeft
+grootvader je gegeven?"
+
+"Aan wien heeft hij wat gegeven?"
+
+"Wel, aan jou immers!"
+
+"Nu, dan heeft hij je wat beloofd, en dan is het evengoed, of je het
+al hadt. Wat heeft hij je beloofd?"
+
+"Hij heeft mij niets beloofd."
+
+Taras keek haar wantrouwig aan.
+
+"Waarom kijk je dan zoo blij?" vroeg hij.
+
+"Ik?"
+
+"Ja, jij."
+
+Zij wilde zeggen: "Je verbeeldt je maar, dat ik blij kijk;" maar
+zij was niet in staat om te liegen, zelfs niet voor een goede zaak,
+en zei alleen maar:
+
+"Laat ons naar den tuin gaan."
+
+"Ik ga mee," antwoordde Taras met een schalksch gezicht.
+
+"Zullen wij er veel aardbeien vinden?" vroeg Maroessia.
+
+"Ik vind ze wel, als ik ze zoek," antwoordde Taras eenigszins trotsch.
+
+"Ik zal ook mijn best doen om ze te vinden. Denk je, dat ik er zal
+vinden?"
+
+"Dat kan wel. Het is niet zoo moeilijk. Het is een echt
+meisjeswerk! Als het er om te doen was, een mol of een egel te vangen,
+dan zou het een heel andere zaak wezen."
+
+En terwijl Taras den kant van den tuin uitging, sloop hij zachtjes
+voort, zooals het aan een echten mollenvanger past.
+
+"De kleine meisjes hebben geen moed, zoo denk ik er over!" voegde
+hij er bij. "De jongens..."
+
+"O! De jongens zijn heel moedig!" zei Maroessia, ziende, dat haar
+kleine metgezel naar een woord zocht, dat de uitstekende verdienste
+der jongens naar waarde kon uitdrukken.
+
+"Juist zoo!" antwoordde Taras, dien het pleizier deed, dat het meisje
+zooveel achting voor de jongens aan den dag legde; en hij dacht bij
+zich zelf: "Zij is zoo dom niet, als ik gedacht had!".
+
+"De jongens kunnen paardrijden!" vervolgde hij. "Zij kunnen de wildste
+paarden temmen!"
+
+"Ja zeker, dat kunnen zij," antwoordde Maroessia glimlachende.
+
+"Je zult eens zien, hoe goed ik onze merrie kan berijden. Laatst,
+toen ik de hut van de oude Hanna in galop voorbijreed, heb ik haar
+vreeselijk laten schrikken; de oude vrouw dacht, dat het een pijl van
+een Tartaar was! Zooals je weet, zijn onze oude vrouwen erg bang voor
+de Tartaren."
+
+"Die arme vrouwen!" zei Maroessia.
+
+"Maar jij moet niet bang worden; ik zal je wel verdedigen," zei hij
+met een opwelling van edelmoedigheid.
+
+"Ik dank je!" zei Maroessia.
+
+"Je moet weten, dat ik heelemaal niet bang ben. Er zal eenmaal een dag
+komen,--misschien al gauw,--waarop ik al de vijanden van onze Ukraine
+in stukken zal houwen! Wil je door deze kleine deur heengaan? Kom hier,
+aan dezen kant staan de aardbeien. Weet je wel, wat mijn plan is?"
+
+"Nee, vertel het eens!"
+
+"Nou, mijn plan is, op het legerkamp der Tartaren of der Turken aan
+te vallen, ze te dooden en hun opperhoofd gevangen te nemen... Wat
+zeg je daar wel van?"
+
+"Dat zou schitterend zijn," antwoordde Maroessia ernstig. "Schitterend,
+niet waar? Er is in Frankrijk wel een boerenmeisje geweest, dat alle
+vijanden daaruit verdreven heeft."
+
+"O!" zei Maroessia, wier oogen vlammen schoten, "wat zal zij gelukkig
+geweest zijn!"
+
+"Men heeft haar verbrand," hernam Taras.
+
+"Dat geeft niet," vond Maroessia, "toch is zij de gelukkigste van
+alle vrouwen."
+
+"Grootvader zal je hare geschiedenis wel eens vertellen, als je dat
+wilt. Een Fransche vrouw heeft hem deze in de stad verhaald. Hier
+kent men zulke geschiedenissen niet. Het meisje heette Jeanne d'Arc."
+
+"Jeanne d'Arc," zei Maroessia met de oogen vol tranen, "Jeanne
+d'Arc! Gelukkig meisje!"
+
+Taras raakte in vuur. Wat een Fransch meisje had gedaan, kon een
+Ukrainische jongen ook wel doen. Hij vertrouwde aan Maroessia de
+vele plannen toe, die zich in zijn hoofd verdrongen. En wat slaagden
+al die "schitterende" plannen naar wensch, in zijn verbeelding
+tenminste! Terwijl hij in den tuin wandelde en aardbeien zocht,
+ontwikkelde hij zijn gedachten over het laatste gevecht en betreurde
+het zeer, dat de groote hetman te langzaam in zijn aanvallen was
+geweest.
+
+Maroessia luisterde zwijgend naar hem, terwijl zij aldoor aan het
+meisje dacht, dat haar vaderland vrijgemaakt had.
+
+"In die kleine Maroessia steekt zeker wat goeds," zei Taras bij
+zich zelf. "Wat luistert zij naar mij! Het doet mij pleizier, dat
+zij volstrekt niet gelijkt op die dwaze huilebalk Mimowka, die
+altijd de eerste wil zijn, die mij dit en dat en weer wat anders wil
+leeren... Die Mimowka is een akelig kind! Maar Maroessia is een flink
+meisje... En aanstonds zal ik aardbeien voor haar plukken..."
+
+Intusschen kon Taras, terwijl hij tegen een hek aanleunde en Maroessia
+aankeek, zich niet weerhouden, bij zich zelf te zeggen:
+
+"Maar wat kijkt zij toch blij! Zij kon niet vroolijker kijken,
+als zij al de lekkernijen van de kermis voor zich uitgespreid zag
+liggen! Ik ben er zeker van, dat zij ergens een hoop peperkoek
+verborgen heeft! Zij moet mij straks haar geheim vertellen, en dan
+moet ik de helft hebben van wat zij krijgt, en misschien wel meer."
+
+
+
+
+VIII.
+
+HET ONTWAKEN VAN IWAN.
+
+
+Het was bijna middag.
+
+Sedert eenigen tijd drongen de brandende zonnestralen door het
+raampje heen, waarbij de soldaat Iwan na zijn overvloedigen maaltijd
+ingeslapen was, en vielen vlak op zijn wang. Zijn gezicht was door de
+zon vuurrood geworden. Iwan had wel is waar een onbestemd gevoel, dat
+hij zou braden; maar hij was per slot van rekening toch erg gelukkig,
+dat hij nog volstrekt geen lust had om wakker te worden. "Als ik mijn
+oogen opendoe," zei hij half slapende bij zich zelf, "als ik op een
+andere plaats ga liggen, dan is het afgeloopen met al die zaligheid,
+dan zal ik den slaap niet meer kunnen vatten!"
+
+Eensklaps echter sprong hij op, alsof men hem met een gloeiend ijzer
+had aangeraakt. Werkelijk was zijn wang brandend heet. Hij hield er
+z'n hand tegen, maar trok die dadelijk weer terug, alsof hij zich
+gebrand had.
+
+Hij ging van het raam vandaan; zijn benevelde blik vestigde zich op het
+inwendige der kamer; werktuigelijk knoopte hij zijn uniform dicht en
+deed zijn best om aan zijn gezicht dat voorkomen van onverschilligheid
+te geven, dat daaraan gewoonlijk eigen was.
+
+Waar was hij? Langzamerhand herinnerde hij zich alles weer. Hij was
+alleen! Maar waarom? Och, de oude Kniesj had zich waarschijnlijk
+verwijderd, om zijn gast rustiger te laten slapen.
+
+Maar sedert wanneer sliep hij? Een plotseling gevoel van ongerustheid
+greep hem aan.
+
+Iwan begon te roepen; zijn stem klonk schor en krijschend. Zijn
+geschreeuw weerklonk al spoedig in al de hoeken van het voorplein.
+
+"Hela! oude sufkous! Drommels! Zal je dan eindelijk komen?"
+
+Op zijn geschreeuw snelden Maroessia en de kleine Taras naar het
+huisje; maar daar zij het noodeloos achtten, zich aan de woede van
+den pas ontwaakten soldaat bloot te stellen, verscholen zij zich
+achter het dichte geboomte en luisterden.
+
+Toen Iwan zweeg, hoorde men niets... het bleef doodstil.
+
+Een oogenblik daarna begon de soldaat weer te schreeuwen:
+
+"Waar ben je, oude schurk?"
+
+Toen begreep hij wel, dat het al laat was. Met een hevigen ruk deed
+hij de deur open en verscheen met de sabel in de hand op den drempel,
+terwijl hij z'n hoofd beurtelings rechts en links wendde, als iemand,
+die niet weet in welke richting hij zijn houwen moet geven.
+
+"De duivel moge mij halen, als ik weet, naar welken kant ik moet!" riep
+de soldaat eindelijk woedend uit.
+
+Hij liep het voorplein haastig over, terwijl hij met zijn sabel in
+de lucht sloeg, en daarna nu eens tegen den muur, dan weer tegen een
+boom aankwam, als iemand, die iets wil hebben, om er zijn woede op te
+koelen. Hij struikelde eindelijk over den hoop steenen, die er bij den
+kelder lag,--dit deed Maroessia in haar schuilplaats verbleeken,--maar
+hij stond vloekende op en bevond zich eindelijk weer op het punt,
+vanwaar hij was uitgegaan, voor de deur van het huis, nog altijd
+razende en tierende.
+
+Intusschen hoorde men reeds de vriendelijke stem van den ouden Kniesj,
+die door zijn drogen hoest afgebroken werd; hij kwam met haastige
+schreden aan, als iemand, die het onaangenaam vindt, dat hij een
+persoon van gewicht heeft laten wachten.
+
+"Ik kom, Mijnheer Iwan, ik kom," zei hij met goedhartigheid en
+vriendelijkheid; "ik ben geheel tot uw orders."
+
+Iwan hoorde de stem van den ouden Kniesj zeer goed, maar het gelukte
+hem niet, er zich rekenschap van te geven, waar zij vandaan kwam.
+
+"Waar ben je?" riep hij hem toe.
+
+"Ik ben hier," antwoordde de stem van den ouden Kniesj.
+
+"Hier? Waar dan?" brulde de soldaat.
+
+"Wel, vlak voor u. Ziet ge mij dan niet?"
+
+Iwan stond werkelijk tegenover den ouden Kniesj, die hem vriendelijk
+toelachte.
+
+"Hebt u goed geslapen, Mijnheer Iwan?" vroeg de oude Kniesj, terwijl
+hij in de fonkelende oogen van den soldaat een bevestigend antwoord
+trachtte te lezen.
+
+"Ik hoop toch, dat de vliegen u niet al te erg gestoken hebben. Ik
+had alles dichtgedaan, opdat zij u wat meer met rust zouden laten."
+
+"Moge het vuur van den hemel ze braden, je vliegen!" antwoordde
+Mijnheer Iwan. "Zij zouden er beter aan gedaan hebben, als zij mij
+wat vroeger wakker gemaakt hadden."
+
+Na te veel gegeten, te veel gedronken en te veel geslapen te hebben,
+gevoelde de soldaat zich niet zeer pleizierig.
+
+"Ik ben het met u eens, Mijnheer Iwan, ik ben het volkomen met u eens,"
+antwoordde de oude Kniesj.
+
+En daar Mijnheer Iwan, in gedachten verzonken, met een knorrig gezicht
+aan zijn lange snorren trok, meende de oude man eveneens te moeten
+nadenken. Hij liet een minuut voorbijgaan en zei toen:
+
+"Met dat al, Mijnheer Iwan, moet ik toch zeggen, dat het, als men
+eenmaal slaapt, niet aangenaam is, door de vliegen wakker gemaakt
+te worden. Als men er aan denkt, dat een eerlijk man, dat zelfs een
+soldaat, van beroep een moedig man, zich evenmin als ieder ander kan
+verdedigen tegen deze ellende..."
+
+"Welke ellende?" vroeg Iwan, alsof hij opnieuw uit zijn droom
+ontwaakte.
+
+"Wel, die van de vliegen, Mijnheer Iwan. Als men er aan denkt, dat die
+ondraaglijke insecten zich maar zoo op alles neerzetten, onverschillig
+of het een generaal, een boer of een taart is ... dan vraagt men zich
+wel eens af, waartoe het onderscheid tusschen de menschen toch dient."
+
+Mijnheer Iwan viel hem in de rede:
+
+"Ik heb een geduchte pijn in m'n hoofd. In plaats van zoo te babbelen,
+zou je er beter aan doen, als je mij een glas brandewijn bracht."
+
+"Met alle genoegen, Mijnheer Iwan, met het meeste genoegen," riep
+de oude Kniesj uit. "Wat een geluk, u een dienst te kunnen bewijzen,
+Mijnheer Iwan, wat een geluk!..."
+
+Als men zijn vroolijk gezicht zag, zou men zich werkelijk afgevraagd
+hebben, of hij zich niet al te gelukkig gevoelde, aan Mijnheer Iwan
+nog eens een dienst te kunnen bewijzen.
+
+Hij liep, fier als een koning, naar zijn kast. Mijnheer Iwan volgde
+hem.
+
+De soldaat behield nog altijd zijn woest voorkomen, maar hij begon
+zijn snorren op te strijken als iemand, die iets goeds verwacht.
+
+"Ga maar zitten, Mijnheer Iwan, ga maar zitten," zei de oude man. "Ik
+zal dadelijk een glas voor u inschenken... Neem plaats, neem plaats..."
+
+"Ik heb geen tijd om te gaan zitten," antwoordde Mijnheer Iwan,
+ongevoelig voor de voorkomendheid van den ouden man. "Geef maar gauw
+op; ik zal het wel staande leegdrinken... Heb je het geld al klaar? Ik
+heb haast, ik moet vertrekken..."
+
+"Hebt u zooveel haast, Mijnheer Iwan? Wat is dat jammer! Het is
+brandewijn, zooals men ze maar zelden vindt, en als u niet zooveel
+haast hadt, zoudt u dien eens op uw gemak kunnen proeven. Ik moet u
+zeggen, Mijnheer Iwan..."
+
+"Heb je het geld klaar?"
+
+"Ik heb het klaar, Mijnheer Iwan. Toch blijft het een harde zaak voor
+zulke arme menschen als wij..."
+
+De oude man slaakte een diepen zucht en keek met een somberen blik
+naar een geldbuidel, dien hij uit zijn zak haalde.
+
+"Waartoe moeten al die praatjes dienen?" antwoordde Mijnheer Iwan hem,
+terwijl hij het groote glas brandewijn, dat Kniesj hem toegereikt had,
+leegdronk, alsof het een glas suikerwater geweest was.
+
+De oude Kniesj slaakte nogmaals een zucht, maar ditmaal was het
+eerst een echt pijnlijke zucht. Toch praatte hij niet meer, en nadat
+hij een handvol koper uit den geldbuidel genomen had, begon hij hem
+stuk voor stuk voor te tellen, terwijl hij het geld bedaard op de
+tafel neerlegde.
+
+"Hoor eens! Kan je tot drie tellen?" vroeg de soldaat aan den boer.
+
+Men kon zeker niet beweren, dat deze vraag vriendelijk werd gedaan,
+maar de toon was toch ook niet bepaald barsch; de soldaat had veeleer
+de bedoeling, innemend te zijn, want Mijnheer Iwan had, terwijl
+hij haar deed, zich zelf nog een glas brandewijn ingeschonken,
+en gewoonlijk ging zulk een handeling bij hem niet van toorn
+vergezeld. Daar hij zijn grap zonder twijfel aardig vond, vervolgde
+hij met een guitig gezicht:
+
+"Ik vraag je, of je tot drie kunt tellen? Hoe doe je dat? Laat eens
+hooren!"
+
+"Met alle genoegen, Mijnheer Iwan," antwoordde Kniesj. "Vijf,
+zes... Dat is volgens mij de beste manier om te tellen... zeven,
+acht... Wijlen mijn vader telde altijd zoo... negen, tien... en
+hij telde zoo goed, dat de sluwste menschen hem niet konden
+bedriegen... elf, twaalf."
+
+Iwan had hem laten doorpraten; alleen had hij zich met een afgetrokken
+gezicht een derde glas ingeschonken, en terwijl hij dit leegdronk,
+luisterde hij zwijgend naar de overpeinzingen van Kniesj over de
+eigenaardigheden van de Poolsche geldschieters en over hun geschiktheid
+voor zaken.
+
+Langzamerhand lagen de stapeltjes koper op een rechte lijn en was de
+geldbuidel leeg.
+
+Mijnheer Iwan schonk zich een vierde glas in, dronk dit in één teug
+leeg, en nadat hij dit gedaan had kwam zijn uiterlijk aan Kniesj nog
+woester dan vroeger voor. Op zijn voorhoofd vertoonden zich rimpels,
+die niets goeds voorspelden. Hij antwoordde met geen enkel woord op
+de vriendelijke woorden, waarmee de oude boer hem een laatst vaarwel
+toeriep. Hij bekommerde zich over 't geheel weinig om de beleefdheden
+van den armen man, maar hij telde met een norschen blik de som, die
+voor hem bestemd was, stak deze in zijn zak, verliet met haastige
+stappen het vertrek, zadelde zijn paard, dat rustig haver stond te
+eten, steeg op, verwaardigde zich, zijn hoofddeksel even op te lichten
+ter beantwoording van de diepe buigingen van Kniesj, en reed toen in
+galop weg. Spoedig was hij in de onafzienbare steppe verdwenen.
+
+"Goede reis!" mompelde de oude Kniesj, "ik hoop dat ik je nooit
+meer terugzie."
+
+
+
+
+IX.
+
+DE WARE KNIESJ.
+
+
+Terwijl de scherpe oogen van den kleinen Taras den ruiter volgden,
+die in galop door het hooge gras heenreed, wendden de blikken van
+Maroessia zich naar den ouden boer.
+
+Deze stond voor de deur en keek er naar, hoe zijn gast zich al verder
+en verder verwijderde, zonder schijnbaar aan iets anders te denken. Men
+zou gezegd hebben, dat hij er, evenals de kleine Taras, eenvoudig
+genoegen in vond, naar dien snellen galop te kijken en te luisteren
+naar het gehinnik van het paard, dat den soldaat wegvoerde. Met de
+eene hand streelde de oude boer zijn hond, die al kwispelstaartende
+naar hem toe kwam, de andere hield hij boven zijn oogen om ze tegen
+de brandende stralen der zon te beschutten.
+
+Na aldus eenige minuten gekeken te hebben, die Maroessia wel even
+zoovele uren toeschenen, ging hij in huis. Hij liep heel zachtjes,
+zonder zich te haasten, terwijl hij naar alle kanten den blik sloeg
+van een waakzamen eigenaar, die de wanorde, welke er in zijn huis
+mocht gekomen zijn, wil herstellen.
+
+"Grootvader!" zei Taras, die achter hem liep, "zeg eens, waar de vijand
+gekampeerd is. Ik denk wel, dat hij bij de Welika-Zjaroega is, maar..."
+
+"Zoo! Zijn jullie daar, kinderen?" zei de oude boer vriendelijk,
+terwijl hij bleef staan en goedaardig met z'n hoofd schudde:
+
+"Heb je veel pleizier in den tuin gehad?" vervolgde hij. "Zijn jullie
+moe? Heb je honger? Welnu, dan zal ik je wat lekkers voorzetten;
+want de soldaat heeft niet alles opgegeten. Kom maar met me mee."
+
+En hij liep voor hen uit, met een vriendelijken glimlach om de
+lippen, terwijl hij soms als een oud man kuchte. Taras en Maroessia
+kwamen achter hem aan. In een oogenblik waren de flesch en het glas,
+waarvan de soldaat zich bediend had, door Maroessia weggenomen. Een
+raam was opengezet, de versche lucht was naar binnen gedrongen, en
+de onaangename, doordringende stank van den brandewijn was vervangen
+door den heerlijken geur van een lekkere warme pastei.
+
+Ofschoon Taras zeer verlangend was om de plaats, waar de vijand zich
+gekampeerd had, met juistheid te weten te komen, hield hij zich toch
+met deze zaak niet uitsluitend bezig. Hij at als een wolf!
+
+Maroessia daarentegen at weinig. Terwijl haar kleine vingers de
+beschuit brokkelden, konden haar oogen zich niet van de gestalte van
+den ouden kozak afwenden.
+
+"Grootvader! luister eens naar mij!" zei Taras, toen hij zijn honger
+gestild had. "Als deze soldaat naar de Starie-Krestie rijdt, dan wil
+dit zeggen, dat de vijand niet meer bij de Welika-Zjaroega gekampeerd
+is. Niet waar, grootvader?"
+
+"Dat denk ik ook, beste jongen, dat denk ik ook," antwoordde de
+vriendelijke, toegevende grootvader, terwijl hij de kinderen nogmaals
+een stuk pastei gaf. "Maar je doet mij aan iets denken: je moest eens
+gaan zien, hoe het met de vischnetten gesteld is, die wij gisteren
+uitgezet hebben. Het kan best zijn, dat wij er een paar heerlijke
+baarzen in gevangen hebben. Wat dunkt je daarvan?"
+
+"Ik heb die netten heelemaal vergeten!" riep Taras uit, "geen oogenblik
+heb ik er aan gedacht!"
+
+"Zoo, zoo, zieltje zonder zorg!" zei Kniesj glimlachende.
+
+"Ik ga er dadelijk naar toe!" besloot Taras plotseling; en nadat hij
+de deur uitgesneld was, hoorde men niets anders meer dan zijn stem,
+die zijn hond Riapko, het jong van Raaf, riep.
+
+Toen werd alles stil. Maroessia was eindelijk met den ouden boer
+alleen gebleven. Deze keek haar nu oplettend aan, en wel op zoo'n
+zonderlinge wijze, dat haar hartje hevig begon te kloppen.
+
+In het geheele voorkomen van Kniesj was eensklaps een verandering
+gekomen. Met den ouden boer had plotseling een gedaanteverwisseling
+plaats gegrepen. Inplaats van een goedigen grijsaard voor zich te
+zien, die wel een beetje laf en wat ijdel was op zijn pasteien,
+zijn dranken en zijn andere aardsche goederen, zag zij nu onder
+zijn wenkbrauwen oogen fonkelen, waarvan de blik als de punt van
+een dolk tot haar doordrong; al de rimpels van zijn voorhoofd waren
+verdwenen. Zijn trekken waren norsch en streng geworden. De geheele man
+was veranderd. Zijn schouders waren breeder, zijn gestalte werkelijk
+indrukwekkend, hij leek niets meer op den ouden Kniesj.
+
+Gedurende eenige oogenblikken keek Maroessia Kniesj als een klein bang
+vogeltje aan. Kniesj sprak. Zijn stem geleek heelemaal niet meer op
+de stem, die nog pas vriendelijke woordjes tegen den soldaat Iwan zei.
+
+"Maroessia!" zei hij tegen haar. "Je vriend wenscht je te zien. Hij
+is niet veraf. Wil je weten, wat hij je te zeggen heeft?"
+
+De oogen van Maroessia antwoorden voor haar; de vreugde had haar
+de spraak benomen; maar Kniesj had haar begrepen en haar een wenk
+gegeven om hem te volgen.
+
+Hij ging heen en liep met een vasten stap naar het voorplein. De oogen
+van Maroessia zochten aan den kant van den ouden kelder naar den hoop
+steenen, die met mos en onkruid bedekt was en vanwaar de stem van haar
+vriend tot haar was doorgedrongen; maar Kniesj ging daar niet heen.
+
+Na om zich heen gekeken te hebben, floot Kniesj. De groote hond,
+Raaf genaamd, die bij de deur zat, was in een paar sprongen bij zijn
+baas, ging op zijn achterpooten zitten en wachtte, terwijl hij zijn
+schrandere oogen op den boer gevestigd hield.
+
+"Is er geen vreemdeling in de omstreken, Raaf?" zei Kniesj tegen den
+trouwen bewaker van zijn huis.
+
+Raaf deed een eigenaardig geluid hooren, dat aan zijn baas duidelijk
+zeide: "Wees maar gerust!" En ten bewijze, dat alles in de omstreken
+inderdaad rustig was en dat men bijgevolg veilig in huis kon blijven,
+begon Raaf jacht op de vliegen te maken. Blijkbaar zou Raaf zich
+hiermee niet vermaakt hebben, als er aan het huis eenig gevaar
+bedreigd had. Volkomen gerustgesteld, ging Kniesj nu met Maroessia
+weer in huis; maar toen hij de kleine gang binnentrad, liep hij de
+deur aan den rechterkant voorbij, waardoor men in het vertrek kwam,
+waar men gegeten had, en deed een deur aan den linkerkant open,
+die den toegang tot een provisiekamer verleende.
+
+Deze provisiekamer stond vol met alles, wat tot voedsel kon dienen. Men
+kon slechts met de uiterste moeite tusschen de groote zakken meel,
+gerst, rogge, erwten en boonen doorkomen.
+
+De ramen waren vrij groot, maar het licht drong er ternauwernood
+doorheen. De voorraad hop, worsten, gedroogde pruimen, kersen in
+flesschen, appelen, peren, de stapels eieren, de flesschen, die voor de
+ramen stonden, hielden het geheele vertrek in een donker waas gehuld.
+
+Maroessia bleef besluiteloos op den drempel staan, het scheen
+onmogelijk om zich een doortocht te banen.
+
+"Sla linksaf!" zei Kniesj tegen haar. Vervolgens schoof hij met zijn
+stevige handen een vat, dat met brandewijn gevuld was, weg en drukte
+toen met zijn voet op den vloer, die nu openging en voor Maroessia een
+kleine houten trap deed te voorschijn komen, die naar een onderaardsch
+gewelf scheen te voeren.
+
+"Loop zachtjes, beste meid," zei Kniesj, "kijk goed waar je je voeten
+neerzet: de treden zijn misschien wat glibberig."
+
+
+
+
+X.
+
+HET WEERZIEN.
+
+
+Zij begonnen deze smalle trap af te dalen, die onder hun gewicht boog.
+
+Maroessia had zich geen rekenschap gegeven van de manier, waarop
+de vloer zich geopend had. Zij begreep eerst, dat deze opening weer
+dichtgegaan was, toen zij zich in de duisternis bevond. Hoe dieper
+zij kwamen, des te kouder werd het. De zon was nooit in dezen diepen
+kelder doorgedrongen.
+
+Van tijd tot tijd voelde het meisje, dat een stevige hand haar
+op gevaarlijke plaatsen vasthield. Zoo bereikten zij eindelijk de
+onderste trede.
+
+Kniesj nam haar toen bij de hand, en zij begonnen voort te loopen
+door een gang, waarin het een tijdlang donker bleef. Bij een kromming
+drong er een lichtstraal van boven door, die het onderaardsche gewelf
+verlichtte, dat op die plaats veel ruimer was. De afgezant liep daarin
+met langzame schreden op en neer. Zijn oogen wendden zich terstond
+naar de bezoekers. Door het geluid van hun voetstappen opmerkzaam
+geworden, wachtte hij hen op.
+
+"Maroessia, mijn kleine raadgeefster!" zei hij, terwijl hij zich naar
+het kind vooroverboog, "wat ben ik gelukkig, je weer te zien."
+
+Maroessia keek hem blij lachend aan en legde haar kleine handje in
+zijn groote hand.
+
+"Ach!" zei ze toen, "wat zult u het vreeselijk gehad hebben in het
+hooi bij de aankomst der soldaten, en onderweg, toen Iwan om den
+wagen heen draaide, en nog zooeven, toen hij vlak in de nabijheid
+van dezen kelder struikelde!"
+
+"Ik dacht maar aan de geschiedenis van de vrouw van den struikroover,"
+antwoordde de afgezant, "maar ik was bang voor mijn geleidster."
+
+"Laat ons een beetje verder gaan," viel Kniesj hem in de rede,
+"wij zullen daar nog veiliger zijn."
+
+Zij deden een paar honderd schreden in het onderaardsche gewelf,
+dat nu eens nauwer en dan weer ruimer werd. Zij liepen beurtelings
+in het licht en in de duisternis. Overal, waar het licht doordrong,
+ontdekte men kleine trappen, die uitkwamen op deuren, welke goed
+verborgen waren en de bewoners van het onderaardsche gewelf in de
+gelegenheid stelden, zich op de hoogte te houden van alles, wat er
+op het voorplein en in den tuin voorviel.
+
+"Wij zijn niet rijk op het punt van den tijd," zei Kniesj tegen
+dengene, dien hij Tsjetsjewiek noemde.
+
+"Het is er maar om te doen, niet arm in hulpmiddelen te zijn," gaf
+deze hem ten antwoord.
+
+"Kies dan maar!" zei Kniesj; en hij wees hem naar een plaats in het
+onderaardsche gewelf, die bijna deed denken aan het magazijn van
+wapenen en van kleeren, dat de vrouw van den struikroover in het
+onderaardsche gewelf van het kasteel ontdekt had.
+
+Tsjetsjewiek boog zich voorover. Midden in een hoop kleeren van
+allerlei aard, waaronder ook afgesleten of door kogels doorboorde
+uniformen, haalde hij een langen witten baard voor den dag, en ook een
+wonderlijk gewaad, dat aan den een of anderen rondreizenden muzikant
+scheen toebehoord te hebben. Daarnaast stond een groote luit, die nog
+in een goeden toestand was. Er ontbrak niets aan de vermomming: het
+haar, de snorren, de wenkbrauwen zelfs pasten volkomen bij den baard.
+
+"Dat," zei hij opgeruimd, "is juist goed voor mij. Laat ons nu eens
+iets zoeken, dat het best voor Maroessia is."
+
+"Zal Maroessia u dan vergezellen?" vroeg Kniesj, terwijl hij een
+ouden mantel in z'n handen nam.
+
+Bij deze vraag, die in twijfel scheen te trekken, of zij den afgezant
+overal moest vergezellen, totdat deze het doel van zijn reis bereikt
+had, nam het gezicht van Maroessia een uitdrukking aan, waarin
+verontwaardiging en toorn te lezen stonden.
+
+"Wat zou mijn vader, wat zou mijn moeder, en wat zou hij er wel
+van zeggen" (hierbij wees zij naar Tsjetsjewiek), "als ik mijn taak
+slechts half volbracht?"
+
+"Maar weet je wel, beste meid, waar hij naar toe gaat?" hernam Kniesj;
+"weet je wel, dat hij ergens naar toe gaat, waar men kan sterven, en
+dat het niet waarschijnlijk is, dat men daarvan ongedeerd terugkomt?"
+
+"Zou ik daarom zoo laf zijn, hem te verlaten?"
+
+"Je bent een dapper meisje!" riep Kniesj uit... "Laat mij je eens
+omhelzen! God geve, dat mijn Taras eenmaal op je gelijken moge!"
+
+"Als Taras van mijn leeftijd was," zei Maroessia, "dan zou hij precies
+hetzelfde doen, wat ik doe. Houdt hij er zich niet aldoor mee bezig,
+alleen al de vijanden van de Ukraine uit te roeien?"
+
+"Dat is waar," zei Kniesj. "Hij denkt nu al aan niets anders dan dat."
+
+De afgezant zocht in den hoop kleedingstukken,--het was er om te doen,
+Maroessia te vermommen;--niets beviel hem echter, hij wierp alles
+weer op den grond.
+
+"De kleeren, die zij nu draagt, staan haar goed. Wat is het jammer,
+dat ik ze haar niet kan laten aanhouden!... Dit is afschuwelijk,"
+zei hij, "en dat is nog afschuwelijker."
+
+Hij bekeek een van de armoedige kleederen, die het meisje wel zouden
+gepast hebben, en legde ze ter zijde.
+
+"Het is ook niet noodig, dat zij er als een bedelares uitziet," zei
+hij bij zich zelf, terwijl hij nog eenige lompen op den hoop wierp,
+die aan niemand anders hadden kunnen toebehooren dan aan het een
+of ander ongelukkig meisje, dat haar brood van de liefdadigheid der
+voorbijgangers verwachtte. Maroessia nam het op.
+
+"Ik moet er wel als een bedelares uitzien," zei zij. "Het zal
+misschien noodig zijn, dat ik werkelijk een bedelares word. Ik kies
+dit kostuum. Deze lompen zijn juist goed voor mij."
+
+Zij liep toen naar een donkeren hoek, trok dadelijk haar mooie kleeren
+uit, en na eenige oogenblikken kwam het rijke boerinnetje als bedelares
+gekleed, terug.
+
+Gedurende dezen tijd was ook de vermomming van den afgezant voltooid.
+
+"Wat een knappe grijsaard!" zei Kniesj. "Het is je grootvader,
+Maroessia."
+
+"Het is de vriend van de Ukraine," zei het kind. "Kom, laat ons
+vertrekken!"
+
+De beide mannen hadden zich naar een hoek begeven. Zij gaven elkander
+bericht omtrent den staat van zaken. Toen Kniesj ondervraagd werd,
+antwoordde hij op de korte en bondige vragen van Tsjetsjewiek.
+
+Zijn inlichtingen waren nu juist niet erg geruststellend.
+
+"De meeningen zijn nog al uiteenloopend," zei hij; "overal heerscht
+verdeeldheid, die aan de gemeenschappelijke pogingen schade doet. Men
+is het niet eens omtrent de middelen, en nog minder omtrent de
+menschen. De eigenliefde is er bij in 't spel. De vrouwen zijn
+eigenlijk meer waard dan de mannen. U zult ze overal bereid vinden
+om goed te doen. 'De Ukraine aan de Ukrainiërs teruggeven, en dan
+met elkander twisten, indien men wil, maar niet eer,' dat zeggen
+onze vrouwen tegen ons. En zij hebben volkomen gelijk. Wij hebben
+twee hetmannen: de een is een groot heer, en de ander een vriend
+der armen. Zij zijn jaloersch op elkander: het wantrouwen maakt
+hen tot vijanden. Men zou zeggen, dat zij elkaar wel levend zouden
+willen verslinden. De Moscoviten, de Polen en de Tartaren stoken dien
+haat aan, die hun slechts dienstig kan zijn. Gezegend hij, die deze
+ontketende hartstochten weet te bedwingen!"
+
+"Men zegt, dat onze hetman ongesteld is. Is dat waar?"
+
+"Hij is oud geworden. Hij is zeer veranderd. Slechts aan den kreeft
+geven het verdriet en het lijden, als hij het vuur van te nabij ziet,
+schoone kleuren."
+
+"En de ander?"
+
+"Van den ander zult u niet dan kwaads hooren spreken."
+
+"Is niemand der onzen bij hem?"
+
+"Jawel! Anton is bij hem, maar hij denkt er alleen maar aan, hoe
+hij van hem weg kan komen. Hij zegt, dat het een onaangename taak is,
+zoo'n schurk in het oog te houden. Ingeval u hem mocht willen bezoeken,
+denk er dan aan, dat zijn vrouw werkelijk een goede ziel is. Het is
+een groote dame, maar zij heeft een warm hart. Zij heeft een zuster,
+die misschien een engel is... en die zeker op den een of anderen dag
+als een heilige, naast de martelaren, in den almanak zal prijken."
+
+"Dus," zei Tsjetsjewiek, "zou onze hetman ontmoedigd zijn?"
+
+"Dat is zoo."
+
+"Wie zijn z'n raadslieden?"
+
+"Niemand; hij blijft alleen als een gekwetste arend."
+
+"Dat doet er niet toe," zei de oude muzikant, terwijl hij zich in
+zijn volle lengte oprichtte. "Ik moet dat alles van nabij zien. Ik
+zal er zelf naar toe gaan."
+
+Maroessia ging naar Kniesj toe en zei, terwijl zij een vriendelijken
+blik op hem sloeg:
+
+"Ik heb een gewichtigen dienst van u te vragen."
+
+"Spreek op, beste meid."
+
+Zij nam hem bij de hand. Zij wilde spreken, maar kon niets anders
+uitbrengen dan:
+
+"Zult u aan mijn vader... zult u aan mijn lieve moeder zeggen..."
+
+De tranen waren te voorschijn gekomen; zij kon niets meer zeggen.
+
+De beide mannen lieten haar den tijd om tot kalmte te komen.
+
+Eindelijk hernam zij met vaste stem:
+
+"Zult u hun zeggen, dat Maroessia, als zij hen niet terugziet,
+gestorven is, en dat zij met de gedachte aan hen gestorven is,--aan
+haar broertjes ook,--aan hen en aan de Ukraine."
+
+"Beste meid," zei de oude boer, "ik hoop dat ik die droeve boodschap
+nooit hoef over te brengen. Houd moed m'n kind."
+
+Met deze woorden gaf Kniesj de luit aan de kleine bedelares in handen.
+
+"Komaan, het is tijd om te vertrekken," zei hij. "Ik zal jullie
+een eindje vergezellen en vóór het vallen van den avond naar huis
+terugkeeren."
+
+Hij liet hun het onderaardsche gewelf door een anderen uitgang
+verlaten, die hen op een achterpleintje bracht, waar oude wielen,
+oude sleden en oude ploegen, die buiten dienst gesteld waren, op een
+hoop lagen. Wie hen al spoedig daarna den weg langs had zien loopen,
+zou in hen niet degenen herkend hebben, die zich nog pas geleden in
+het onderaardsche verblijf ophielden. De oude muzikant was nu niets
+anders dan een arm man, die door de jaren en de ellende verzwakt was.
+
+Maroessia was een ongelukkig klein bedelaarskind, en de oude Kniesj
+de langzame en logge boer, wiens gastvrijheid de soldaat Iwan op
+zoo'n zware proef gesteld had.
+
+Zij liepen lang voort zonder te spreken, zooals dat gaat met menschen,
+die elkaar niets meer te zeggen hebben.
+
+Een Russisch detachement was hen voorbijgereden, zonder meer op hen
+te letten dan op het stof van den weg.
+
+Zij hadden halt gehouden. De oude muzikant zat op het gras en tokkelde
+met zijn vingers de snaren der luit, die hij van Maroessia overgenomen
+had. Hij zong met een zachte stem een eentonig lied, een soort van
+avondgebed. Zijn kleine metgezellin, die zonder twijfel door zijn
+gezang in slaap was gevallen, lag aan zijn voeten. Wat den ouden boer
+Kniesj aangaat, deze luisterde al mijmerende met gebogen hoofd.
+
+Tenslotte stonden ze weer op. Voor de laatste maal werden de handen
+in elkaar gelegd, als een laatst vaarwel sprak ieder van hen dit
+viertal woorden uit: "Alles voor het vaderland!"
+
+Zoodra zij afscheid genomen hadden, keerde de een langs denzelfden
+weg terug, terwijl de beide anderen hun tocht voortzetten. Geen van
+drieën keek nog eens om, ten einde een laatsten blik te wisselen.
+
+
+
+
+XI.
+
+WOORDEN EN MUZIEK.
+
+
+Tegen den avond bevonden de oude muzikant en zijn jonge metgezellin
+zich reeds in het gezicht van het Russische legerkamp, waarvan de
+tenten, die op een heuvel opgeslagen waren, zich langs de hellingen
+tot aan de rivier uitstrekten.
+
+De schaduwen van den avond begonnen zich over de aarde te verspreiden:
+eenige roode strepen vertoonden zich nog slechts aan den gezichteinder.
+
+In het kamp was alles stil. De vermoeienis ten gevolge van het laatste
+gevecht had alle levendigheid doen verdwijnen. De schildwachten,
+die door de laatste stralen der ondergaande zon beschenen werden,
+stonden zoo onbeweeglijk op hun post, dat men ze voor beelden zou
+aangezien hebben. Eenige soldaten kwamen en gingen nog en liepen
+langzaam de hellingen van den heuvel af; eenige zwijgende groepen,
+talrijker dan men wel zou gedacht hebben, waarvan sommige zaten, andere
+op den grond uitgestrekt lagen, waren ternauwernood te onderscheiden.
+
+Ofschoon de avond nog niet gevallen was, bemerkte men in een tent den
+flauwen glans van een kaars, waarvan het licht door de linnen wanden
+heendrong. Naarmate men naderde, hoorde men eenig zwak gedruisch, als
+dat van een wapen, hetwelk men verzet, een gekerm, een onderdrukten
+lach, een brokstuk uit een gesprek.
+
+Een schildwacht wees naar den ouden muzikant en zijne metgezellin. Er
+ontstond eenige beweging. In plaats van zich door het "Werda?" dat
+men hem toeriep, of door het zien van al die soldaten schrik te laten
+aanjagen; in plaats van terug te keeren, zooals vele anderen in zijn
+plaats zouden gedaan hebben, liep de grijsaard regelrecht naar het
+legerkamp toe.
+
+Het was een grijsaard, die zonder twijfel alles zien wilde,
+en dat wel van zeer nabij, die zeker van soldaten hield, en die
+waarschijnlijk vroeger zelf soldaat was geweest. Anders zou hij niet
+zoo onbeschroomd voortgeloopen hebben. Deze onbeschroomdheid had
+een gunstige uitwerking. Als men zich zoo uit eigen beweging aan
+gevaar blootstelt, dan heeft men meestal niets te vreezen. Na een
+groep officieren eerbiedig gegroet te hebben, die zittende of half
+liggende van hun krijgsavonturen verhaalden, vroeg hij hun, of het
+hun niet zou bevallen, als hij eens wat muziek voor hen maakte en
+zelfs iets voor hen zong.
+
+Er zijn oogenblikken waarop iedere afleiding haar eigenaardige waarde
+heeft. Zijn aanbod werd dan ook welwillend aangenomen.
+
+Men kon aan de eerste tonen, die hij aan zijn luit ontlokte,
+wel hooren, dat hij zijn vak verstond, en men luisterde dan ook
+met genoegen naar hem. De muziek heeft de gave om de gedachten van
+het gewone leven af te leiden en deze ver van de werkelijkheid weg
+te voeren.
+
+Al spoedig hielden de gesprekken op; de blikken, die zich in de ledige
+ruimte verloren, verrieden, dat iedereen de een of andere dierbare
+herinnering uit het verleden terugriep: den vader of de moeder,
+het kind of de vrouw, waarvan de oorlog hem gescheiden had. Eenige
+soldaten, wier hoofden met bebloede verbanden omgeven waren, gingen
+op hun ellebogen leunen om beter te kunnen hooren. De muzikant bezong
+het huisgezin, de kindsheid en de jeugd. Dat alles lag zoo ver in het
+verleden! Men had het aan zijn lied te danken, dat te midden van het
+legerkamp het huisgezin, waarin men geboren was, voor de oogen opdoemde
+en aan ieder herinnerd werd, dat de oorlog niet het geheele leven is.
+
+Meer dan één oog werd vochtig. De bijval, dien de grijsaard vond,
+was groot, zoo groot, dat, toen hij met zingen opgehouden had,
+verscheidene handen reeds eenig kleingeld uit hun zak hadden gehaald
+om hem dit aan te bieden.
+
+"Kom eens naderbij, kleine tooverheks!" riep een ruwe officier uit.
+
+En terwijl hij aan Maroessia een kopek voorhield, vervolgde hij:
+
+"Dat is voor je vader: kom het maar halen!"
+
+Het meisje verroerde zich niet; zij was geheel verdiept in den droom,
+waarin zij door het gezang van haar vriend verzonken was. Wat was
+het mooi, wat hij gezongen had! En wie zou gedacht hebben, dat hij
+zoo goed kon zingen?
+
+"Zal je ook komen?" riep een ander haar toe.
+
+Eenigen begonnen boos te worden.
+
+"Je moet die goede heeren bedanken, beste meid," zei de grijsaard. "Ga
+naar hen toe en strek je hand naar hen uit."
+
+Maroessia huiverde; maar hij had het bevolen, en zij gehoorzaamde
+dus. Wat beefde haar kleine hand, toen zij deze gaven aannam! Dit
+geld van den vijand brandde haar in de hand.
+
+"Dat meisje is niet leelijk," zei er een.
+
+"Zij heeft een paar oogen, die men voor een paar sterren zou houden,"
+voegde een ander er bij.
+
+"Als je groot bent, zal ik met je trouwen, hoor!"
+
+"Dat blijft afgesproken, niet waar?" zei een derde.
+
+Maar de luit van den grijsaard deed zich opnieuw hooren en sloeg
+nu een geheel anderen toon aan. Men vergat het meisje en begon weer
+te luisteren.
+
+Een jong officier met een knap uiterlijk, en nog al met zich zelf
+ingenomen, was reeds bij het eerste lied, dat er gezongen werd,
+uit zijn tent gekomen.
+
+Langzamerhand had zijn gezicht een zachtere uitdrukking aangenomen;
+zijn eigenwaan was verdwenen; hij had zijn pijp laten uitgaan en was
+in gedachten verzonken geraakt. Het lied van den grijsaard had er hem
+aan herinnerd, dat hij toch naar het beeld van God geschapen was,
+voordat hij zich naar het beeld van zijn generaal had gevormd. Hij
+had dit geheel vergeten.
+
+Na dit tweede lied vroeg men den ouden muzikant om een ander; hij
+liet zich een weinig smeeken.
+
+"Ik ben bang," zei hij, "dat het u niet zal bevallen, naar datgene
+te luisteren, waaraan ik denk. Het is treurig en somber."
+
+"Ga je gang maar," zei een lang en mager officier met een norsch en
+streng gezicht. "Ons beroep maakt, dat onze oogen droog genoeg blijven;
+wees maar niet bang, ze vochtig te maken. Het kan geen kwaad, eens
+verschillende aandoeningen te hebben, en je bent daartoe juist ter
+rechter tijd gekomen."
+
+"Wilt u het?" zei de grijsaard. "Welnu, luistert dan!"
+
+En nu zong hij een lied, waarvan de inhoud hierop neerkwam:
+
+"Het is reeds lang, zeer lang geleden, dat eenige brave lieden een
+klein vaderland hadden. Ach! het was wel een klein vaderland, maar voor
+hen was het de geheele wereld. Zij hadden het lief. Hun voorvaders
+hadden het vruchtbaar gemaakt, hun moeders hadden het versierd, hun
+zusters hadden er een paradijs van gemaakt. Zij leefden rustig zonder
+zich met hun machtige naburen te bemoeien. Op zekeren dag zeiden deze
+naburen tegen elkander: 'Dat land is gelukkig, het is rijk, het is
+bekoorlijk, het zou een schoone ring aan onzen vinger zijn.' En het
+kleine, welvarende land werd eensklaps overweldigd. De krijgsrossen
+van het machtige volk traden de kinderen van het zwakke volk onder
+de voeten. De sabels der jonge, baardelooze officieren velden de
+hoofden der grijsaards en zelfs der vrouwen, die ter bewaking van den
+huiselijken haard achtergebleven waren. De woeste en onverschrokken
+jongelieden, voor de overmacht zwichtende, kwamen in de gevechten
+om. De moedige en liefhebbende meisjes wachtten tevergeefs op de
+terugkomst van haar broeders, van haar verloofden. Huizen, dorpen,
+geheele steden verdwenen.
+
+"Welke misdaad had dit kleine volk dan bedreven? Niet de minste! Het
+was goed om ingepalmd te worden.
+
+"Wie weet echter, of dit machtige volk, door een nog machtiger
+aangevallen, niet eenmaal de straf der wedervergelding zal ondergaan?
+
+"En als dat gebeurt, in naam van welke rechtvaardigheid zouden de
+overwinnaars van heden, de overwonnenen van morgen geworden, hun
+klachten dan tot den Allerhoogste trachten op te zenden?"
+
+Bij het aanhooren van het eenvoudig verslag der feiten zochten sommigen
+niet naar de toepassing, maar anderen deden dit wel. Voor deze was
+alles duidelijk.
+
+Er ontstond een levendig gesprek.
+
+"Drommels! drommels!" zei de officier, die er zich zooeven over
+beklaagde, dat zijn oogen te lang droog gebleven waren. "Dit oude
+lied uit vervlogen tijden is juist op ons van toepassing. Zou die
+oude zanger daaraan ook gedacht hebben? Men zou zeggen, dat de wereld
+weinig veranderd is sedert de honderden jaren, dat men zingt."
+
+"Hoor eens!" zei de jonge officier. "Die zanger heeft toch eigenlijk
+geen ongelijk, maar waartoe zal zijn les dienen? Het bevel is gegeven,
+wij moeten dus oprukken."
+
+"Waarover hebben zij zich te beklagen?" zei een ander. "'De Ukraine aan
+de Ukrainiërs!' Wat moet deze uitroep beteekenen? Men wil hun Ukraine
+toch niet opeten. Die lui zijn gek. Is het dan zoo verschrikkelijk,
+als men niets anders is dan een onbekend mierennest, eindelijk een
+gedeelte van een groot rijk uit te maken?"
+
+"Laten wij intusschen ons in hun plaats stellen," zei de jonge,
+blonde officier. "Wat zij doen, zouden wij dat niet doen? Het is
+altijd onaangenaam, met kracht van wapenen overmeesterd te worden,
+niet waar? Je zult zeggen, dat zij er over honderd jaren niet meer
+aan zullen denken;--voor hen, die over honderd jaren zullen leven,
+is dit zeker waar;--maar voor hen, wier hutten in brand staan, omdat
+zij ze hebben willen verdedigen, staat de zaak toch niet gelijk."
+
+"Zulk een klein volkje heeft het recht niet om zoo te leven, als
+het zelf verkiest. Er zijn groote rijken noodig om groote dingen tot
+stand te brengen."
+
+"Dat is wel mogelijk. Maar te leven zooals men het zelf verkiest in
+een eigen landje, waarmee men hoog ingenomen is, mag toch ook niet
+verwerpelijk geacht worden."
+
+"De liefde tot het vaderland, goed voor de groote volkeren, kan voor
+de kleine niet slecht zijn," zei een jonge kapitein.
+
+"Je hebt des te meer gelijk," gaf de oude officier hierop ten antwoord,
+"omdat alles, wat te groot is, eindelijk ineenstort. Ik maak mij soms
+wel eens bang over al onze grootheid."
+
+Men ziet, dat iedereen openhartig zijn meening zei. Dit zal slechts
+de verwondering wekken van hen, die nooit in een kamp gelegerd zijn
+geweest. De krijgstucht strekt er zich alleen tot de lichamen uit. De
+tongen zijn er dikwijls minder dan elders geboeid. De vrije gedachte
+baant zich overal een weg.
+
+Men kwam langzamerhand op den veldslag van den vorigen dag en van
+den morgen terug.
+
+"Die boeren vechten als helden," zei er een.
+
+"Als duivels uit de hel," antwoordde een ruwe kerel, die zijn arm in
+een doek had hangen. "Als zij bekwame opperhoofden hadden, zou het
+niet zoo gemakkelijk gaan, ze klein te krijgen."
+
+"Door een hooivork te sterven is niet eervol voor een soldaat,"
+zei een ander. "Wie zou aan onzen armen kolonel gezegd hebben, dat
+hij zoo aan zijn eind zou komen? 'Ach! zelfs geen lansstoot!' riep
+hij uit, terwijl hij viel. Vloek over zoo'n oorlog! Wat een leelijke
+wonden! De chirurgijns weten ze niet te genezen. Zij zijn allen het
+spoor bijster. En wat een gekwetsten, en wat een dooden! Het zijn
+wolven, echte, woedende wolven. Men zou zeggen, dat zij dood zijn,
+maar 't mocht wat, zij staan op om te kijken. Nog twee overwinningen
+zooals de laatste, en als wij dan geen versterking krijgen, zullen
+wij het veld moeten ruimen."
+
+"Als onze soldaten maar vochten, zooals die menschen!" zei een oude
+officier.
+
+"Zij zouden zoo vechten," zei een gekwetste soldaat, "als zij hun
+vrouwen en hun kinderen en de huizen van hun vaderen verdedigden."
+
+Wat zag hij er bleek uit, die arme soldaat, en wat een inspanning
+had het hem gekost om zich halverwege op te richten en zulk een
+waarheid aan zijn bevelhebber te doen hooren! De officier antwoordde
+hem. Maar de soldaat hoorde hem niet meer. Hij was weer neergevallen,
+hij was dood.
+
+Den ouden zanger was niets van dit geheele gesprek ontgaan. Meende
+hij, dat hij er genoeg van gehoord had of dat hij zelf genoeg had
+laten hooren?
+
+Eensklaps hief hij zulk een vroolijk liedje aan, dat zelfs een
+kluizenaar de lust zou bekropen hebben om te gaan dansen.
+
+Het was de geschiedenis van een meisje, dat haar rok verkocht om
+een pijp voor haar minnaar te koopen, en hem deze door een regen
+van kogels heen op het slagveld bracht. Plotseling was de algemeene
+stemming veranderd. De oudsten sloegen de maat; de jongeren stemden
+met den zanger in. "Wat een prachtige zanger!" zei men. "Het is een
+prettige avond, en wie zou dat gedacht hebben?"
+
+De grijsaard zong nog eenige liedjes van denzelfden aard, tot
+groote vreugde der soldaten, die eindelijk van alle kanten van het
+legerkamp toegesneld waren; vervolgens stond hij op en zei hen allen
+vaarwel. Eenigen deden hem uitgeleide.
+
+"Blijf toch, oude stijfkop, blijf tot morgen. De nachten zijn koud,
+en de wegen zijn niet veilig. Zeg hem toch, beste meid, dat hij tot
+morgenochtend hier moet blijven. Een goede slaapplaats en een goed maal
+zijn de moeite wel waard, dat men wacht. Hij heeft immers zooveel haast
+niet! Hij heeft heel wat geld opgeloopen. De kleine blonde officier
+heeft je een goudstuk in de hand gedrukt. Ik heb het zelf gezien;
+daarvoor zal je grootvader een mooie jurk voor je kunnen koopen."
+
+Maar de grijsaard liet zich niet overhalen.
+
+"Als men een rondreizend zanger is, dient men ook rond te reizen!" zei
+hij lachende.
+
+En hij verdween met het meisje midden in de duisternis.
+
+"Luister eens!" zei Maroessia tegen hem, "ik heb drie officieren
+hooren zeggen, dat het laatste gevecht zoo bloedig is geweest, dat
+zij in geen veertien dagen in staat zullen zijn om een aanval op
+Tsjigirine te doen."
+
+
+
+
+XII.
+
+MEN NADERT.
+
+
+Maroessia en haar vriend liepen gedurende een groot gedeelte van den
+nacht voort, zonder een enkel woord met elkaar te wisselen. Nu en
+dan bleef Tsjetsjewiek staan en vroeg aan het kind, of hij haar ook
+wilde dragen.
+
+"Ik ben niet moe," antwoordde zij dan.
+
+De uren vlogen Maroessia om. Haar hart was van geestdrift vervuld. Haar
+groote vriend was ongetwijfeld voldaan. De muzikale soiree, die hij
+in het legerkamp had durven geven, had vele dingen aan het licht
+gebracht. Terwijl zijn ooren hoorden, hadden zijn oogen rondgekeken
+en geoordeeld. De overwinnaars achtten zich nog niet zeker van
+de overwinning, de overwonnenen hadden dus hun pogingen niet te
+betreuren. Er was geen reden om te wanhopen. Alles hing af van hetgeen
+Tsjetsjewiek te Tsjigirine zou vinden, maar hij moest er eerst komen.
+
+Na verscheidene uren achtereen geloopen te hebben, vertoonde zich
+eindelijk aan de oogen der reizigers de lichten van de stad en spoedig
+teekenden zich de stadsmuren en de groote gebouwen tegen den donkeren
+hemel af.
+
+Er was iets sombers in het voorkomen van deze donkere stad, waarin
+zich slechts hier en daar een enkel lichtje vertoonde. Geen enkel
+geluid drong daaruit tot hun ooren door, niets verried, dat er een
+levend wezen in was. Het was niet de verkwikkende rust van den slaap,
+maar die van een gespannen verwachting. Het gevoel van een naderend
+gevaar scheen op deze huizen, die dicht op elkaar stonden, te drukken.
+
+De duisternis, waarin Tsjigirine gehuld was, scheen opzettelijk te
+zijn. Een groot licht zou geleken hebben op een sein, waarmee de
+vijand zijn voordeel had kunnen doen. De borstweringen, de forten en
+de wallen waren blijkbaar in een goeden toestand gebracht.
+
+Tsjetsjewiek en Maroessia naderden de poort der stad. Maar hoe nu? Zij
+scheen niet bewaakt te worden. Het kleine poortje was wel is waar half
+versperd, maar daarachter bevond zich niemand, zelfs geen poortwachter.
+
+Zij deden dit poortje open, dat zonder gedruisch op zijn hengsels
+draaide. Niemand hield hen tegen, niemand ondervroeg hen. Was het
+een valstrik? Zij traden de stad binnen, zonder eenigen hinderpaal
+te ontmoeten. Toch scheen het hun toe, dat de blikken van enkele
+voorbijgangers, verwonderd, dat zij zoo onverwachts menschen
+tegenkwamen, hen met de meeste aandacht volgden.
+
+"Zeg, jongeman," zei Tsjetsjewiek tegen een jongen kozak, dien hij
+tegen het hek van een tuin zag aanleunen, "waar woont onze hetman?"
+
+De jonge kozak kwam even aan zijn hoofddeksel bij wijze van groet,
+en terwijl hij naar het uiteinde van de straat wees, waarvan eenige
+ramen half verlicht waren, zei hij tegen hem:
+
+"Als u aan het einde van deze straat gekomen zijt, moet u links
+afslaan, dan staat u vlak voor het huis van den grooten hetman."
+
+Zij liepen de aangewezen straat door, sloegen linksaf en bevonden
+zich toen inderdaad vlak voor de woning van den hetman.
+
+Het huis van den grooten hetman was niet grooter dan de andere;
+niets onderscheidde het, zelfs geen schildwacht; men kon het slechts
+daaraan herkennen, doordat er licht brandde. Twee meisjes bleven,
+toen zij deze ramen voorbijkwamen, een oogenblik staan, en terwijl
+een van haar door de ruiten keek, zei zij tegen de andere:
+
+"Het schijnt dat onze hetman nog op is."
+
+Achter de ruiten van een der kleine ramen, die verlicht waren, zag
+men het hoofd van een kozak met lange snorren, dat zich geen enkele
+maal bewoog.
+
+"Het is een schildwacht!" dacht Tsjetsjewiek bij zich zelf.
+
+De schildwacht, als het er ten minste een was, verroerde zich niet,
+als was hij in diepe gedachten verzonken.
+
+Toen men goed luisterde, hoorde men in het benedenhuis voetstappen;
+deze waren nu eens haastig, dan weer langzaam.
+
+De Tsjets klopte eenmaal, tweemaal, driemaal zachtjes op de deur.
+
+Bij het derde kloppen stond de kozak, die onbeweeglijk bij het raam
+zat, op en ging opendoen.
+
+De voetstappen, die men hoorde, hielden op.
+
+"De verre vrienden zenden den grooten hetman hun groeten," zei
+Tsjetsjewiek bij zijn binnentreden op een fluisterenden toon.
+
+Het gezicht van den kozak drukte noch verwondering, noch ongerustheid
+uit. Men kon daaruit opmaken, dat de groote hetman iederen dag
+dergelijke bezoekers ontving,--rondreizende muzikanten, die tijdingen
+van verre vrienden brachten.
+
+"Kan ik den grooten hetman zelf ook spreken, broeder?" vroeg
+Tsjetsjewiek.
+
+Maar op dit oogenblik werd de deur, die naar de aangrenzende kamer
+voerde, haastig opengedaan en vertoonde de groote hetman zich op
+den drempel.
+
+Hij zeide niets, maar zijn geheele gezicht sprak en vroeg:
+
+"Waar kom je vandaan? Van wien? Welke tijdingen breng je?"
+
+Het licht bescheen hem slechts flauw, zoodat men zijn gelaatstrekken
+niet kon onderscheiden. Maar die oogen, die doordringende en
+uitvorschende oogen, gloeiden als vuur.
+
+"Ik buig mij voor den grooten hetman neer," zei Tsjetsjewiek, terwijl
+hij een diepe buiging maakte.
+
+Maroessia, die nog aldoor naast haar grooten vriend stond, groette
+insgelijks.
+
+"Je bent beiden welkom," antwoordde de groote hetman. "Welk lied zal
+je voor mij zingen?"
+
+De toon van de stem verried een man, die gewoon was om te bevelen,
+een man, die zich niet wist in te houden, als het er om te doen was,
+zijn meening te zeggen of te verdedigen.
+
+"Welk lied, groote hetman? Ik ken er meer dan een, dat ik u kan doen
+hooren, indien u zich verwaardigt, naar mij te luisteren."
+
+De groote hetman antwoordde eerst niet.
+
+"Waar kom je vandaan?" vroeg hij eindelijk.
+
+"Van Zaporogië," antwoordde Tsjetsjewiek. "De dapperen van Zaparogië
+bieden den grooten hetman hun groeten aan."
+
+"In den tijd, waarin wij leven, heeft niemand groeten te doen of te
+ontvangen," antwoordde de hetman. "Kom in mijn kamer!"
+
+Tsjetsjewiek volgde den grooten hetman, terwijl hij Maroessia nog
+aldoor bij de hand hield, en trad het aangrenzende vertrek binnen.
+
+Dit vertrek was even eenvoudig als het eerste: de muren waren gewit,
+en er stonden houten banken in, zooals men ze in iedere boerenwoning
+aantreft.
+
+Maar er waren vele prachtige wapenen te zien: pistolen en dolken
+schitterden aan de muren.
+
+Verschillende papieren en brieven lagen er over de tafel verspreid;
+op deze papieren zag men de boelawa, den veldheersstaf van den hetman.
+
+Een der wanden was voorzien van groote houten haken, waaraan de
+galakleederen hingen, die geheel met goud, zilver en edelgesteenten
+geborduurd waren. Deze gouden borduursels, deze kostbare edelgesteenten
+fonkelden in de kamer en gaven daaraan een eigenaardig voorkomen.
+
+"Ik verzoek je, plaats te nemen," zei de groote hetman.
+
+Hij ging ook zitten, en zijn fonkelende oogen vestigden zich
+beurtelings op het gelaat van Tsjetsjewiek en op dat van Maroessia.
+
+"Waarom heb je dat kind bij je?" zei hij.
+
+"Zij is doofstom, en bovendien, zij heeft behoefte aan slaap."
+
+De groote hetman stond op, en nadat hij een prachtigen mantel van
+een der houten haken had afgenomen, wierp hij dien aan Tsjetsjewiek
+toe. Een prachtig Perzisch tapijt lag op een bank. Hij wees zijn
+bezoeker daarnaar. Tsjetsjewiek maakte daarvan in een oogenblik
+een bed gereed, waarna hij het meisje op zijn arm nam, er haar op
+neerlegde en haar met een moederlijke teederheid van het hoofd tot
+de voeten instopte.
+
+"Doofstom!" had hij heel zachtjes tegen haar gezegd, terwijl hij haar
+een kus op het voorhoofd drukte.
+
+Het bed was in een hoek van het vertrek opgemaakt. In de zijden
+plooien van den prachtigen mantel gewikkeld, vestigden de oogen van
+het kind zich onwillekeurig op haar vriend en op den grooten hetman,
+die tegenover elkander aan een tafel plaats genomen hadden, terwijl
+een kaars, die tusschen hen stond, hun gezichten verlichtte.
+
+Zij praatten op een fluisterenden toon met elkander.
+
+Maroessia luisterde nog even naar het gebrom van hun stemmen, maar
+eindelijk behaalde de vermoeidheid de overwinning. Zij viel in slaap
+en werd nu inderdaad doof en stom.
+
+
+
+
+XIII.
+
+DE HETMAN ZWICHT.
+
+
+Maroessia sliep in met een glimlach om haar lippen; zij zag in
+haar droom het ouderlijk huis, de kerseboomen, haar broertjes, al
+die bekende gezichten; maar al spoedig daarna verdween dit alles
+als in een nevel en droomde zij weer over verschrikkelijke dingen,
+van soldaten, oorlog en haar vaderland.
+
+Eensklaps werd zij wakker, richtte zich even op en keek aandachtig
+rond.
+
+Zij sliepen niet!
+
+Tsjetsjewiek zat nog steeds bij de tafel, de groote hetman stond midden
+in de kamer. Men kon het wel aan hem zien, dat hij in een opwelling van
+verontwaardiging van zijn plaats was opgestaan, maar dat de hevigheid
+van een slag, die hem met de meeste juistheid toegebracht was, hem
+als versteend had.
+
+Eindelijk sprak hij:
+
+"Dus dat willen jullie! Goed, maar het geneesmiddel zal erger dan
+de kwaal zijn. Ik weet wel, dat ik in de rivier gesprongen ben
+zonder mij te bekommeren om de plaats, waar zij doorwaadbaar is;
+maar evenmin als ik, zal jij den oever bereiken. Ons land zonder
+grenzen, zonder strijdkrachten, zonder eensgezindheid, zonder raad,
+is niets anders dan een huis, dat aan alle winden blootgesteld is,
+en onze naburen zijn zeer dwaas, dat zij ons den oorlog aandoen;
+zij hadden beter gedaan als zij even gewacht hadden totdat het land,
+door onze tweedracht verdeeld, ten gronde was gegaan."
+
+"Onze tweedracht? Wat is daarvan anders de oorzaak dan dat tweehoofdig
+bestuur?" antwoordde Tsjetsjewiek kalm. "Men moet in eendracht macht
+zoeken. Alleen daardoor is er nog hoop op redding."
+
+De groote hetman had een gevoel, alsof hij zich aan een gloeiend ijzer
+gebrand had. Hij liep de kamer eenige malen op en neer. Toen deed
+hij het raam open en sloeg een blik naar de nachtelijke duisternis.
+
+Zoo diep was de stilte en zoo hevig de ontroering van den hetman,
+dat Maroessia, ofschoon zij zich aan het andere einde van het vertrek
+bevond, het kloppen van zijn hart meende te hooren.
+
+Door de nachtlucht verfrischt, door zijn stilzwijgen zelf kalmer
+geworden, zette hij zich weder aan de kleine tafel tegenover
+Tsjetsjewiek neer.
+
+"Als ik je wel begrijp," zei hij, "reken je er op, dat ik, omdat
+ik de beste ben, aan den slechtste afstand zal doen. Omdat er geen
+opoffering te wachten is van hem, die reeds de helft van zijn Judasrol
+heeft geleerd, vraag je van mij zoo'n daad van zelfverloochening."
+
+"En dat is," zei Tsjetsjewiek, "om het hem onmogelijk te maken, zijn
+Judasrol geheel uit te spelen, om hem iedere reden, ieder voorwendsel
+te ontnemen, deze tot het einde vol te houden; 'omdat wij weten,
+dat gij de edelste der zonen van de Ukraine zijt, verzoeken wij u,
+u een tijdlang op den achtergrond te stellen.'"
+
+"Zal niemand mij van verraad of van lafhartigheid beschuldigen,
+als ik toestem in hetgeen je van mij vraagt?"
+
+"Iedereen zal integendeel de heldhaftigheid van uw opoffering
+waardeeren. Onze vrienden, die mij zenden, weten, wat het u moet
+kosten, er toe te besluiten."
+
+"En als de ellendeling ons toch eens verkocht?..."
+
+"Hij zou sterven, voordat hij zijn misdaad volbracht had," zei
+Tsjetsjewiek bedaard. "Iemand houdt hem in het oog, die niet zou
+toelaten, dat hij zich geheel onteerde."
+
+Er lagen op de tafel papier, pennen en inkt. De hetman nam een pen
+in handen. Tsjetsjewiek wendde zijn blikken naar Maroessia en las de
+angst in haar oogen. Zijn kleine vriendin voelde zich niet op haar
+gemak. Het was zoo moeilijk te doen, wat haar vriend van den grooten
+hetman vorderde, dat hij eindelijk wel eens boos kon worden. En wat
+zou er dan tusschen mannen van dit heftige ras voorvallen?
+
+Een glimlach van Tsjetsjewiek deed de kleine doofstomme begrijpen,
+dat zij gerust kon zijn.
+
+De hetman schreef en overwoog zonder twijfel ieder woord, voordat hij
+het neerschreef, en te recht. Zulke geschriften, waarin men afstand
+doet van een ambt, verdienen wel ernstig overwogen te worden.
+
+Toen het stuk voltooid was, reikte hij het aan Tsjetsjewiek over.
+
+"Ziedaar!" zei hij tegen hem, "ben je nu tevreden?"
+
+Na het gelezen te hebben, antwoordde Tsjetsjewiek hem:
+
+"Ik ben trotsch voor de Ukraine op den vrijwilligen afstand van den
+dapperste harer zonen. Als wij in dezen strijd het onderspit moeten
+delven, zal onze geschiedenis een held te meer tellen. Zij, die voor
+haar zullen sterven, zullen zich niets te verwijten hebben. U zult
+meer dan een hunner hebben verricht, u zult afstand van uw macht
+gedaan hebben om haar te redden,--zonder er zelfs zeker van te zijn,
+te zullen slagen. U geeft ons de eenige kaart in de hand, die ons
+het spel kan doen winnen."
+
+Tsjetsjewiek had het stuk opgevouwen en het verborgen in het gevest
+van een dolk, dien hij onder zijn kleed droeg.
+
+"Wanneer zal je dit stuk zijn bestemming doen bereiken?" vroeg de
+hetman. "Wanneer zal hij weten, dat ik voor de Ukraine tot alles
+bereid ben, zelfs om onder zijn bevelen te vechten, bevelen, die hij
+zelf niet in staat is te geven?"
+
+"Dat zal ik zelf doen, zoodra ik mijn tocht heb volbracht. Ik zal
+geen uur verliezen, hetman; daar kunt u op rekenen. En als alles niet
+naar wensch mocht gaan, als ik inzie, dat uw geschrift nutteloos zou
+wezen, wees dan maar gerust, dan zal ik het vernietigen. Dan zal het
+zoo goed zijn, alsof het niet geschreven was."
+
+Na deze woorden stond hij op en riep Maroessia.
+
+De hetman vergezelde hen tot op den drempel van de deur, en daar
+namen zij afscheid.
+
+Zij lieten den grooten hetman peinzend op den drempel van zijn huis
+achter en begaven zich naar de poort der stad.
+
+De straten waren verlaten; de kleine boomgaarden vol kerseboomen
+waren geheel wit van bloesems; in de verte hoorde men het gekabbel
+eener rivier.
+
+Na een honderdtal schreden gedaan te hebben, keerde Maroessia zich om,
+om nog een laatsten blik op het huis van den grooten hetman te slaan.
+
+Hij stond nog steeds op den drempel en volgde hen met een peinzenden
+blik.
+
+"Zou _hij_ Tsjigirine kunnen verdedigen?" vroeg zij aan haar vriend.
+
+"Ja, als men er een aanval op doet; maar onze vijanden zullen wel
+wat anders doen dan onze steden in te nemen."
+
+"Maar _als_ men er eens een aanval op deed?"
+
+"Hij zou zich liever laten dooden dan de stad over te geven."
+
+Zij gingen nu niet door de straten, waardoor zij bij hun komst geloopen
+hadden. Het was er Tsjetsjewiek om te doen, met eigen oogen te zien,
+hoe het in de andere wijken der stad gesteld was.
+
+Aan een onverschilligen toeschouwer zou de stad verlaten hebben
+toegeschenen; maar op een afstand van ongeveer honderd schreden van
+elkander verwijderd, zag men eenige ruwe mannen, die waarschijnlijk
+niet toevallig geposteerd stonden op plaatsen, vanwaar men alles
+nauwkeurig kon gadeslaan.
+
+Toen onze reizigers bij de poort der stad aankwamen, versperde een
+reusachtige kozak met lange snorren, die als uit den grond scheen
+opgekomen te zijn, hun den weg.
+
+"Welken weg wil je inslaan?" vroeg hij.
+
+"Dien der eerlijke lieden," luidde het antwoord.
+
+"Waar ga je naar toe?"
+
+"Naar eerlijke lieden."
+
+"Dat is een naam, die niet altijd toekomt aan hen, die zich dien zelf
+geven. Het is best mogelijk, dat je kwaadwilligen ontmoet."
+
+"Als men altijd bang voor den wolf was, zou men zich nooit in de
+bosschen durven wagen, en dan zou men niet van de aardbeien proeven."
+
+"Welnu," hernam de kozak--"als je er op staat dan kun je voor mijn part
+weer denzelfden weg gaan waarlangs je vanmorgen binnengekomen bent."
+
+Ze gingen weer verder, maar Maroessia kon zich nu niet langer inhouden
+om voldaan op te merken: "Dus de poort werd vanmorgen ook bewaakt. Des
+te beter."
+
+
+
+
+XIV.
+
+ONTMOETINGEN.
+
+
+Twee weken na de samenkomst van Tsjetsjewiek met den grooten hetman
+naderden de oude zanger en zijn trouwe metgezellin op een heerlijken
+avond met langzame schreden een dorp dat in de asch was gelegd.
+
+Hun reizen waren geen pleiziertochtjes. Men kon het wel aan hen zien,
+dat zij zich niet veroorloofd hadden veel rust te nemen: hun oogen
+schitterden van een koortsachtig vuur; hun gezichten waren door de
+zon verbrand en hun kleeren met stof bedekt; hun lippen waren bleek,
+hun voeten stukgeloopen.
+
+Met dat al liepen zij moedig voort en praatten kalm en ernstig.
+
+Met uitzondering van eenige onverwachte ontmoetingen met menschen,
+die hen tegenkwamen en die ternauwernood een woord en soms slechts
+een groet met Tsjetsjewiek wisselden, ontmoetten zij geen levend wezen.
+
+Alles was stil en verlaten; dikwijls waren zij de puinhoopen van
+huisjes, vernielde boerderijen, verwoeste velden en tuinen, half
+verbrande boomstammen, aan den eenen kant zwart, aan den anderen nog
+groen, half dood, half levend, voorbijgekomen.
+
+"Voordat de avondster aan den horizon schittert, zullen wij aan het
+graf van Nadneprowka zijn," zei Tsjetsjewiek tegen het kind.
+
+Deze graven zijn heuveltjes van een eigenaardigen vorm, die men alleen
+in de Ukraine aantreft. Zij bedekken, indien de overlevering waarheid
+spreekt, de lichamen van hen, die voor het vaderland gestorven
+zijn. Zooveel is zeker, dat de landbouwers, als zij ze toevallig
+omwoelen, daarin wapenen, ringen en halssieraden vinden.
+
+De vriend van Maroessia had zich niet bedrogen: de avondster
+schitterde nog niet aan den horizon, toen de omtrekken van het graf
+van Nadneprowka zich voor hen afteekenden.
+
+De zon was reeds ondergegaan, maar de schaduwen van den avond waren
+nog helder; het was een soort van vergulden mist. De jonge boompjes, de
+struiken en het hooge gras, die "het graf" bedekten, waren als in een
+vuurgloed gehuld. Het gebroken kruis teekende zich tegen de lucht af.
+
+Op den top van het heuveltje bleven zij staan om het prachtige uitzicht
+te bewonderen. Voor hen stroomde met dof geklater de Dnjéper, terwijl
+aan den anderen kant boschrijke bergen zich verhieven. Het was een
+prachtig gezicht en beiden stonden roerloos, getroffen door dit
+mooie natuurtafreel.
+
+Eensklaps deed een meeuw haar geschreeuw hooren. Deze meeuw scheen
+aan den oever der rivier in het riet te zitten.
+
+De oogen van den Setsj begonnen te schitteren.
+
+Het geschreeuw van de meeuw deed zich opnieuw hooren, en het scheen,
+dat 't al dichterbij gekomen was.
+
+Plotseling kwam er van den kant waar het geschreeuw van de meeuw
+zich tweemaal had doen hooren, een smalle boot te midden van het
+hooge riet te voorschijn. Zij teekende zich op de donkere golven af,
+en terwijl zij snel over het water heengleed, richtte zij zich naar
+een door de natuur gevormde baai, die zich vlak tegenover het graf
+van Nadneprowka bevond.
+
+Als men goed keek, kon men de omtrekken onderscheiden van hem, die
+de boot voortstuwde. Ja, men zag zelfs zijn muts, die van schapevacht
+vervaardigd was.
+
+Maar zonder zelfs het uiterlijk van dezen man te kunnen onderscheiden,
+kon men wel zien, dat hij een krachtigen en bedreven arm had.
+
+Deze arm hanteerde de roeiriemen, alsof het stukjes speelgoed
+waren. De boot vloog zoo snel, als een veertje, dat door den wind
+meegevoerd wordt.
+
+"Het is tijd om naar den oever te gaan," Maroessia, zei de groote
+vriend.
+
+Zonder eerst den gemakkelijksten weg te zoeken,--men zou in deze
+woeste plaats trouwens zelfs geen voetpad gevonden hebben,--liepen zij
+met haastige schreden naar beneden, liepen om een groote rots heen,
+die het voorkomen van een reusachtigen groenen gekrulden baard had,
+zóó was zij met planten en gewassen bedekt, en bevonden zich eindelijk
+aan den oever, dicht bij de rivier.
+
+"Ik hoop, dat ik jullie in een goede gezondheid terugvind!" zei een
+welbekende stem.
+
+De lichte boot was reeds op het zand van den oever getrokken, en
+bij de boot stond, met zijn kin op een der roeiriemen leunende,
+de oude Kniesj.
+
+"Gezondheid en goed geluk!" antwoordde hem de groote vriend.
+
+"Hoe gaat het, beste meid?" vroeg Kniesj, terwijl hij zijn valkenoogen
+op Maroessia gevestigd hield.
+
+"Heel goed!" gaf Maroessia ten antwoord. "En Taras?"
+
+"Taras heeft Maroessia niet vergeten."
+
+Overigens zou hij, ook al had Maroessia hem geen antwoord gegeven,
+haar antwoord wel hebben kunnen gissen, als hij haar alleen maar
+had aangekeken: iedere trek van haar gelaat verried, dat haar
+vermoeienissen vergeten waren.
+
+Maar de landbouwer, die zich niet tevreden stelde met het getuigenis,
+dat het gelukkige gezicht van het kind voor hem aflegde, ondervroeg
+met een blik haar grooten vriend.
+
+"Het gaat met mijn kleine metgezellin goed, heel goed," zei hij. "U
+kunt daaromtrent goede berichten meedeelen aan hen, die haar aan mij
+hebben toevertrouwd."
+
+"Maar komaan," ging hij voort, "het is kalm op het water. Er is geen
+enkel windje. Een tochtje in dat bootje zou me best aanstaan."
+
+Nauwelijks had hij dit gezegd, of het geschreeuw van een meeuw, zooals
+men reeds herhaalde malen gehoord had, kwam uit de grijze haren,
+die den baard van den goeden landbouwer vormden.
+
+Een dergelijk geschreeuw antwoordde hem van den oever.
+
+"Hoor je wel, Maroessia?" zei Tsjetsjewiek, "het mannetje antwoordt
+daarop."
+
+"Ik begrijp het, ik begrijp het," zei het meisje. "De meeuwen aan
+den oever van deze rivier zijn erg slim, ofschoon zij geen vleugels
+hebben."
+
+Kniesj had zijn boot in het water geduwd.
+
+"Ga jij hier maar zitten, beste meid," zei hij, terwijl hij z'n hand
+aan Maroessia toestak. Toen zij zat, stapte de Setsj zoo behendig in
+de boot, dat deze zich bijna niet bewoog. Hij nam een der roeiriemen
+in handen, en de boot gleed over de sombere wateren tusschen de beide
+oevers van den Dnjéper voort.
+
+
+
+
+XV.
+
+OP HET WATER.
+
+
+Zoodra zij midden in de rivier gekomen waren, vroeg Tsjetsjewiek:
+
+"Welke tijdingen hebt u omtrent den anderen hetman?"
+
+"Alles zal beter afloopen dan je denkt," antwoordde de landbouwer. "De
+fortuin is met de gekken. Men braadt de kippen, men plukt de ganzen,
+men maakt goede sier. In één woord, er zijn te veel vreemdelingen, te
+veel weelde, te veel verteringen. Men ontcijfert de denkbeelden van den
+heer des huizes niet gemakkelijk, weet ge? Er is misschien niemand..."
+
+"Dat zou gekker zijn," viel de groote vriend hem in de rede. "Dat
+is het lot van hen, die aan allen toebehooren; zij behooren niet aan
+zichzelf toe."
+
+"Maar de andere hetman, hoe staat het daarmee?" liet Kniesj hierop
+volgen.
+
+"Die," hernam Tsjetsjewiek, "die is een man, en als allen waren zooals
+hij, zou er nog niets verloren zijn. Hij heeft zijn verkeerdheden,
+dat is waar,--hij is niet volmaakt,--maar hij houdt van zijn land
+meer dan van zijn leven, meer zelfs dan van zijn trots. Hij heeft in
+alles toegestemd, ja, zelfs om zich bij dien domkop in de schaduw
+te stellen, en dat is mooi! want een trotsch en fier hoofd is niet
+gemakkelijk te buigen. Maar het is geschied. Hij heeft geschreven,
+al ging het dan niet zoo een twee drie."
+
+"Nu," zei Kniesj, "dat laat zich begrijpen. Het zal hem heel wat
+gekost hebben."
+
+"Hij moest het wel doen," zei Tsjetsjewiek.
+
+"Dan," hernam Kniesj, "kunnen wij zeggen, dat, dank zij u, de helft
+van de zaak afgedaan is. Nu blijft nog de andere hetman over! Die
+heeft er den slag van, om de zaak heen te draaien."
+
+"Wij zullen het wel met hem klaar spelen," merkte Tsjetsjewiek op.
+
+Plotseling spreidde hij bij den achtersteven van de boot een dikken
+mantel uit, en, terwijl hij Maroessia optilde, legde hij haar ondanks
+den tegenstand, dien zij bood, daarop neer.
+
+"Ik vergat, mijn kind te laten slapen," zei hij.
+
+"Ik wil niet slapen," zei het meisje.
+
+"Slaap dan niet, maar blijf bedaard liggen," zei de groote vriend op
+vastberaden toon. "Ik zal je aanstonds sprookjes vertellen."
+
+In plaats van achter in de boot te slapen, bleef Maroessia, half
+op haar elleboog leunende, liggen. Zij had oogen, die alles zagen,
+voordat de anderen iets bemerkten.
+
+"Daarginds, aan dien kant," zei zij, terwijl zij haar arm uitstrekte,
+"zien jullie daar niets?"
+
+"Het kind heeft gelijk," zei Kniesj, "daar zijn ze."
+
+"Stil!" beval de groote vriend.
+
+De boot vloog ten gevolge van de verdubbelde inspanning der beide
+roeiers over het water heen, en al spoedig herkende Maroessia, ondanks
+den verren afstand, in de beide mannen, waarnaar zij had gewezen,
+oude kennissen. Het waren de mannen, die zij in het huis van haar
+vader door de soldaten had zien slaan en knevelen: Semene Vorosjilo
+en Andry Kroek. God zij geloofd! Zij hadden dus weten te ontsnappen.
+
+De boot lag spoedig daarna aan. De kozakken namen hun mutsen voor de
+aangekomenen af en zeiden:
+
+"Goed geluk en gezondheid!"
+
+"Goed geluk en gezondheid!" antwoordden de groote vriend en de
+oude Kniesj.
+
+"Maroessia," zei Andry Kroek, terwijl hij een pakje te voorschijn
+haalde, "dat moest ik je geven van je moeder."
+
+Met een kleur van blijdschap nam zij het pakje aan en vroeg:
+
+"Gaat het met allen goed?"
+
+"Met allen, zoowel met de kleinen als met de grooten."
+
+"En," zei Maroessia, die zich een weinig schaamde over de vraag,
+"hoe gaat het met de kerseboomen en met den tuin?"
+
+"Wat een huishoudster!" zei Andry. "Het gaat goed met je tuin, en
+je kersen zullen, als 't een beetje meeloopt, met het warme weer
+rijp worden."
+
+"Welke tijdingen brengen jullie," vroeg Tsjetsjewiek, "in ruil voor
+die, welke ik jullie gezonden heb?"
+
+"Velen zijn tevreden," antwoordde Vorosjilo. "Die zullen klaar wezen
+en zijn het reeds, maar anderen..."
+
+"Anderen," zei Andry Kroek, hem in de rede vallende, "anderen zijn
+ongerust. Zij vinden, dat alles wat te overijld in z'n werk gaat,
+en ik geloof, dat zij gelijk hebben."
+
+En zich tot Maroessia wendend zei hij:
+
+"Ik had beloofd, je in het schuitje een sprookje te vertellen. Belofte
+maakt schuld. Als jij mijn sprookje begrijpt, dan zullen die mannen
+het ook wel begrijpen... Andry Kroek! je moet het maar oververtellen
+aan hen, die vinden, dat ik te overijld te werk ga."
+
+En hij begon zijn sprookje aldus:
+
+
+
+ De geschiedenis van den kreeft.
+
+ "Er was eens een kreeft, een kreeft, zoo mooi als de dag. Hij
+ was goed, vrij verstandig voor een kreeft, en moedig. Hij leefde
+ rustig in zijn schuilplaats; maar op zekeren dag hoorde hij van
+ alle kanten te gelijk geschreeuw en gekerm. Het schijnt, dat het
+ water gezakt was, zoo geducht gezakt, dat alles, wat in het water
+ leeft, radeloos begon te worden. Hij had sedert lang reeds bemerkt,
+ dat het water schaars werd; maar hij had evenals de anderen gedaan,
+ hij had gehoopt, dat alles zich vanzelf wel zou schikken.
+
+ Bij het hooren van zoovele klachten, zei de kreeft bij zich zelf,
+ dat dit wel nadenken verdiende. Hij dacht ernstig over de zaak na
+ en kwam tot het besluit, dat het waarlijk wel nuttig zou wezen,
+ als iemand zich opofferde om water te gaan halen. Maar aan wien
+ een taak van zooveel gewicht op te dragen?
+
+ De kreeft dacht na, maar hij kon zijn keus op niemand vestigen.
+
+ Eigenlijk stelde hij alleen in zich zelf vertrouwen. De een kende
+ den weg niet genoeg, de ander zou zich onderweg ophouden, een
+ derde zou allerlei onvoorzichtigheden begaan. De meeningen van de
+ meesten waren misschien een beetje voorbarig. Op den een viel niet
+ veel staat te maken, en de ander was te zwak om de vermoeienissen
+ van zoo'n verre reis door te staan, want het water was zeer ver.
+
+ "Ik zal zelf maar gaan," zei hij eindelijk bij zichzelf.
+
+ Hij neemt de kruik op en begeeft zich op weg, gedurende eenige
+ oogenblikken vergezeld door de toejuichingen van hen, die liever
+ anderen wilden zien werken dan het zelf te doen.
+
+ "Wat een kreeft!" riep men van alle kanten. "Wat een
+ geestkracht! Als hij zich wat haast, zullen wij gered zijn." De
+ kikvorschen weenden van aandoening, en de padden vielen van
+ blijdschap flauw.
+
+ Daar begeeft de kreeft zich op weg; hij verliest geen minuut,
+ gaat regelrecht op het doel af en loopt maar voort zonder zich
+ zelfs den tijd te gunnen om even adem te scheppen.
+
+ Maar langzamerhand doet de vermoeidheid zich voelen en begint de
+ verontwaardiging zich van hem meester te maken.
+
+ "Ben ik niet gek, dat ik zoo hard loop?" zei hij bij zich zelf. "Ik
+ vlieg als een pijl uit den boog, en dat is toch wel wat al te
+ erg. Laat ons verstandig zijn, laat ons bedaard loopen."
+
+ Hierop begon hij weer als gewoonlijk te loopen. Hij besteedde zeven
+ jaren om het water te gaan halen en tien om terug te keeren naar
+ het punt, vanwaar hij uitgegaan was. Dat moet niemand verwonderen:
+ een volle kruik is toch zwaarder en moeilijker te dragen dan
+ een leege.
+
+ Op den drempel van zijn woning aangekomen, had hij nog een soort
+ van kleine trap van vier treden te beklimmen. Het was daar,
+ waar vroeger de schuiten aanlagen. Hij klom deze vier treden op,
+ maar niet zonder moeite. Met een kruik gaat dat niet gemakkelijk.
+
+ Toen hij daar eenmaal was, keerde hij zich om en sloeg een blik
+ op den vijver en op de beken, die er in uitliepen: dat alles was
+ nu droog. Een mier zou tien mijlen in den omtrek niets gevonden
+ hebben om haar dorst te lesschen.
+
+ "Het werd hoog tijd, dat ik kwam," zei hij bij zich zelf. "Maar
+ waar zijn zij toch, die mij bij mijn vertrek toejuichten? Wat
+ een wonderlijke ontvangst is zoo'n stilzwijgen, en dat na deze
+ groote opoffering!"
+
+ Een oude nieuwsgierige ekster zat op een half verdorden boom. Zij
+ sloeg al de bewegingen van den kreeft gade en hoorde, hoe hij
+ zich verwonderde.
+
+ "Duid het hun niet ten kwade," zei zij tegen hem, "dat zij niet
+ roepen: Leve de heldhaftige kreeft! Het is hun schuld niet:
+ zij zijn allen dood. Kijk maar naar hun schalen en graten! Dat
+ is alles, wat er van hen over is... Je moet niet uit het oog
+ verliezen, dat je zeventien jaren besteed hebt om hun het water
+ te brengen, dat zij binnen één jaar hadden moeten hebben."
+
+ "De arme kreeft was zoo getroffen door de juistheid van de woorden,
+ die de ekster gesproken had, dat hij, toen hij de pooten ten
+ teeken van wanhoop ten hemel wilde heffen, de kruik, die hij droeg,
+ vergat en haar liet vallen. De kruik brak in duizend stukken, de
+ droge aarde slurpte in een oogwenk het water op, dat zij bevatte,
+ en den volgenden dag was de kreeft ook dood."
+
+
+
+"Begrijp je 't, Andry Kroek? En zullen je vrienden, die vinden, dat ik
+te overijld te werk gegaan ben, als je hun mijn sprookje verteld hebt,
+nog denken, dat zij er beter aan zouden gedaan hebben, een ander in
+plaats van mij tot boodschapper te kiezen, in mijn plaats een kreeft
+te zenden?"
+
+Andry Kroek krabde zich achter de ooren en keek op zijn neus.
+
+Vorosjilo klopte hem op den schouder.
+
+"Word wakker," zei hij tegen hem, "en laat ons de anderen wakker
+maken! Tsjetsjewiek heeft volkomen gelijk!"
+
+Zich daarop tot den afgezant wendende, vervolgde hij:
+
+"Op den bepaalden dag zal de geheele Ukraine op de been zijn;
+de vrouwen en de kinderen zullen er zich ook in mengen, als het
+noodig is."
+
+De oude Kniesj was al weer in de boot gestapt. Hij hielp er Maroessia
+in, en haar groote vriend sprong er weer met de lichtheid van een
+vogel in.
+
+De kleine boot van den oever afgeduwd, gleed opnieuw over de sombere
+golven van den Dnjéper, en de zandige kaap met de onbestemde omtrekken
+der beide mannen, die zij daarop achterlieten, verdween al spoedig
+te midden van den nevel.
+
+Toen zij aan land stapten, wees Kniesj aan Tsjetsjewiek een mooi en
+sterk zwart paard.
+
+"Neem Maroessia achter u," zei hij tegen Tsjetsjewiek, "en rijd den
+geheelen nacht door. Bij het aanbreken van den dag moet u het paard
+laten loopen; het zal den weg naar de hoeve van Samoes wel alleen
+terugvinden."
+
+De zanger steeg op het paard; Maroessia zette haar voet op het
+uiteinde van zijn laars, en in een oogenblik zat zij achter haar
+grooten vriend. Haar armen hielden hem omstrengeld, evenals het
+klimop den eik. Het paard reed in galop weg; ternauwernood hoorde
+men het geluid van zijn hoeven: men zou gezegd hebben, dat het een
+gevleugeld paard was.
+
+
+
+
+XVI.
+
+TE GADIATSJ.
+
+
+Twee dagen na het tochtje op den Dnjéper, dat wij in het vorige
+hoofdstuk beschreven hebben, was het Zondag, en de zware klokken der
+stad Gadiatsj, de residentie van den hetman, die door Zijne Majesteit
+den tsaar van Rusland begunstigd werd, deden haar plechtig gelui
+hooren en noodigden de geloovigen tot de bijwoning der vroegmissen.
+
+De dag was nog nauwelijks aangebroken, en de stad Gadiatsj met al haar
+nauwe en kromme straten, haar lage gebouwen en haar lommerrijke tuinen,
+scheen in een half doorzichtigen sluier gehuld te zijn. De menschen,
+die van alle kanten toestroomden en zich naar de kathedraal begaven,
+schenen in een donker waas gehuld te zijn.
+
+Toch was het, ondanks de schemering, gemakkelijk te zien, dat de
+meesten hunner tot den militairen stand behoorden.
+
+Den vorigen dag had het hard geregend, en de zoele lucht had een
+verkwikkende frischheid. Alles in de natuur was kalm, alles was nog
+stil onder de inwoners, zoo kalm en zoo stil, dat men het geluid der
+voetstappen op de natte straatsteenen hoorde; men zou de dauwdruppels
+hebben kunnen tellen, die er van de bladeren neervielen.
+
+De oude kathedraal scheen door een tuin omgeven te zijn. Men zag er
+allerlei boomen, die een grooten overvloed van vruchten beloofden.
+
+Een vrij talrijke menigte geloovigen had zich in de nabijheid der
+kathedraal verzameld, en terwijl men het uur afwachtte, waarop de
+dienst een aanvang zou nemen, sprak iedereen op een fluisterenden
+toon over allerlei onderwerpen.
+
+De oude rondreizende zanger, dien de lezer reeds kent, bevond zich
+ook onder deze menigte, evenals altijd vergezeld door zijn kleine
+vriendin, die het oude statige gebouw met eerbied aanstaarde.
+
+Hij zat op een trede van de stoep der kerk, als iemand, die van
+vermoeienis uitgeput is, en vertelde met een langzame en ernstige
+stem aan een talrijk gehoor, dat hem omgaf, door welke beproevingen
+de zielen der gestorvenen moeten heengaan, alvorens het hemelsch
+verblijf te bereiken. "Het is op de aarde, dat men door aanhoudende
+inspanning den hemel moet verdienen," zei hij ten slotte.
+
+Na zijn verhaal besloten te hebben met een zucht, waarop de zuchten
+van de meesten der aanwezigen het antwoord gaven, scheen de oude
+zanger eensklaps in gedachten verzonken geraakt te zijn, en zijn
+peinzende blikken dwaalden doelloos naar de omringende plaatsen af,
+die uit de schaduw begonnen te voorschijn te treden.
+
+De stilte, die er ontstaan was, werd verbroken door de aankomst van
+twee jonge kozakken, die in het oog liepen door hun verwonderlijk
+lange snorren, door hun welgevormde gestalte en door een deftigheid,
+eigen aan hen, die in beschaafde kringen verkeeren.
+
+"Goeden dag, goeden dag!" zeiden de jonge kozakken; en zij namen hun
+mutsen af en zetten deze toen met zooveel bevalligheid weder op, dat
+men had kunnen denken, dat zij zich nooit met iets anders bezighielden
+dan met groeten.
+
+"Zou onze hetman ook komen?" vroegen verscheidene stemmen te gelijk.
+
+"Hij zal komen," antwoordden de kozakken.
+
+Deze woorden, door twee heldere en welluidende stemmen uitgesproken,
+schenen den zanger uit zijn overpeinzingen te doen ontwaken, en
+terwijl hij met blijkbaar leedwezen de betere wereld vergat, waarheen
+zijn droomen hem hadden gebracht, achtte hij het toch zijn plicht,
+weder naar beneden af te dalen en zich bezig te houden met hetgeen
+de menigte zou bezighouden.
+
+"Mijn oogen zullen dan eindelijk onzen hetman kunnen bewonderen!" zei
+hij.
+
+"Zal de vrouw van den hetman ook meekomen?" vroeg een jonge vrouw.
+
+"Die zal ook meekomen," antwoordden de kozakken.
+
+"En zijn schoonzuster?"
+
+"Het is waarschijnlijk, dat die ook zal komen."
+
+"Welke schoonzuster?" vroeg de oude zanger.
+
+"Wel, de vrouw van den schoonbroeder van onzen hetman, Mefodijewna,"
+antwoordden verscheidene stemmen hem.
+
+"Mefodijewna!" herhaalde de oude zanger. "Bij ons hoort men nooit over
+haar spreken. Staat zij bij onzen hetman en zijn vrouw in de gunst?"
+
+"Dat zou ik denken!" antwoordde iemand. "Zij hoeft maar een vinger
+te verroeren, en alles geschiedt overeenkomstig haar wensen!"
+
+"Zoo! Dus geniet zij een zeer hooge gunst. Dat is zeker een groot
+geluk voor haar."
+
+"Gunst!" riep met toornige oogen een grijsaard uit. "Gunst! Is dat
+een woord gemaakt om op zoo'n vrouw toegepast te worden? Mefodijewna,
+moet u weten, bekommert zich volstrekt niet over de gunsten van
+iemand, wie het ook zij. Als u haar eenmaal gezien hebt, zult u dat
+wel begrijpen. Zij is recht als een pijl en men bemerkt gemakkelijk,
+dat zij het hoofd nooit voor iemand gebogen heeft."
+
+"Zij is dan zeker erg trotsch en hoogmoedig?" vroeg de oude zanger.
+
+En hij voegde er op een spreukachtigen toon bij:
+
+"De hoogmoedige is slechts een zeepbel, die zich alleen opblaast om
+uiteen te spatten."
+
+"Maar wat zegt u daar, oude man?" vroeg een bejaarde vrouw met een
+achtenswaardig gelaat, wier oogen van verontwaardiging fonkelden. "Wat
+zegt u daar? Weet, dat u van haar spreekt, die de eer van de stad
+en van het land is. Mefodijewna is een weldadige vlam, een lamp in
+onze duisternis.
+
+"Om zoo schitterend te zijn," hernam de stijfhoofdige zanger, "moet
+zij zich zeker nooit anders vertoonen dan blinkend van diamanten,
+bedekt met edelgesteenten, in goud gekleed!"
+
+"Je hebt het glad mis," riep er een uit de menigte uit. "Zij gaat zoo
+eenvoudig gekleed, dat men haar, als zij niet zulke fonkelend zwarte
+oogen had, niet van anderen zou kunnen onderscheiden."
+
+"Zij kleedt zich als een eenvoudige burgeres," zei een jonge kozak;
+"zij hangt de groote dame niet uit, en zij is overal, waar zij kan
+weldoen, zonder opgemerkt te worden."
+
+"Vergeef het mij!" zei de zanger. "Ik heb, zooals ik zie, uw heilige
+gelasterd, maar zij heeft er niets bij verloren. Ik heb u daardoor
+tenminste in de gelegenheid gesteld, haar hulde te bewijzen... Zoudt
+u mij ook kunnen zeggen, jongeman, wie die prachtig gekleede heeren
+zijn, die men overal in de stad ontmoet? Zouden zij ook heiligen zijn?"
+
+"Heiligen! Wel zeker niet. Het zijn vorsten, Moscovitische
+prinsen. Kunt u dat niet zien aan hun deftigen gang, aan hun oogen, die
+zij maar half opendoen en aan hun verachtelijk opgetrokken neuzen? Het
+zijn de gasten van onzen hetman. Acht dagen geleden was zijn huis er
+zóó vol van, dat de vrienden van de Ukraine er zich ongerust over
+maakten. Maar, dank zij den invloed van Mefodijewna op haar zuster
+en op haar schoonbroer, den hetman, zijn er, naar men zegt, al heel
+wat van hen vertrokken."
+
+"Vertrokken! En waarom? Hinderden die trotsche menschen dan iemand?"
+
+"Vraag dat maar aan Mefodijewna; zij vindt misschien, dat het oogenblik
+niet gunstig gekozen is, om, terwijl de helft van de Ukraine door
+de Russische bataljons overweldigd is, zoovele deftige heeren te
+ontvangen. Dat leidt onzen hetman te veel af."
+
+"Om de waarheid te zeggen," verzekerde een nieuwe spreker, "vermaakt
+men zich sedert acht dagen minder in het paleis. De hetman tracht
+zijn gasten niet meer bij zich te houden. Hij schijnt zich te midden
+van hen niet op zijn gemak te gevoelen, en men zegt, dat er weldra
+geen enkele meer in het land zal overblijven."
+
+Er ontstond plotseling een diep stilzwijgen. Men zag vader Mikaïl
+de straat langzaam doorloopen en naar de kerkdeur toe gaan. Zij,
+die zaten, stonden op. Zij, die reeds overeind waren, gingen op hun
+teenen staan.
+
+Vader Mikaïl vertoonde in geheel zijn persoon het beeld van den
+goeden herder. Zijn gemeenteleden vereerden hem hoog. Men trachtte
+in het voorbijgaan zijn zegen te ontvangen. Men zag aan zijn geheele
+houding, dat het niet alleen zijn hand was, welke dien zegen gaf,
+maar dat deze uit zijn hart kwam.
+
+De zanger naderde den geestelijke insgelijks, terwijl hij Maroessia
+bij de hand hield.
+
+"Zegen ons, vader," zei hij, "zegen dit kind! Wij komen van verre om
+God in uw kerk te aanbidden."
+
+De goede geestelijke sloeg een welwillenden blik op den grijsaard en
+op het kind.
+
+"Vader," zei de zanger, "ik heb ingezien, dat het grootste vuur te
+midden der woestijn moet uitgaan, terwijl het groene hout brandt,
+wanneer het te midden van den haard valt; en ik ben de woestijn
+ontvlucht uit behoefte om menschen te zien en weer te vinden."
+
+Toen vader Mikaïl deze woorden hoorde, huiverde hij. Zijn heldere,
+vriendelijke oogen vestigden zich met bijzondere aandacht op den
+ouden pelgrim.
+
+Hij knikte ten bewijze van instemming met de woorden van den grijsaard
+en zei tegen hem:
+
+"Als ge van verre komt, als ge het geheele land doorkruist hebt,
+zult ge wel vele smarten gezien en vele gevaren ontmoet hebben. De
+wegen zijn niet veilig..."
+
+"Hij, die naakt is," antwoordde de zanger, "behoeft niet te vreezen,
+dat men hem zijn hemd zal ontstelen. Hij, die niets anders dan zijn
+leven te verliezen heeft, brengt de dieven niet in verzoeking, en hij,
+die geen vrees voor den dood koestert, kan overal heengaan."
+
+De goede geestelijke huiverde opnieuw.
+
+"Staat ons koren nog te velde?" vroeg hij aan den zanger.
+
+Vader Mikaïl deed deze vraag langzaam, terwijl hij op ieder woord
+drukte, ofschoon de vraag zelf toch zoo eenvoudig was.
+
+"Ons koren," antwoordde de zanger, "ligt in eenige streken reeds op
+den grond, en het zijn niet altijd de eigenaars, die het afgemaaid
+hebben. Wat het andere betreft, en ik spreek van dat der beste velden,
+ofschoon het overal nog niet geheel rijp is, geloof ik toch, dat het
+verstandig zou wezen, niet met de inzameling te wachten. Wie kan de
+stormen van morgen vooruitzien? Het koren, dat rijp is, staat prachtig,
+mijn vader!"
+
+"Dat God u verhoore, mijn zoon!" antwoordde de eerwaardige priester
+met kalmte; "ik bedank u voor de goede tijding, die ge mij brengt."
+
+"Onze hetman! Onze hetman!" riep men eensklaps van alle kanten.
+
+Vader Mikaïl trad de kerk binnen.
+
+"Onze hetman ziet er vandaag niet bijzonder vroolijk uit," merkte
+iemand onder de menigte op.
+
+"Je zou kunnen zeggen, dat hij er knorrig uitziet," vond een ander.
+
+"Ik heb hem eergisteren ontmoet," vertelde een oude vrouw. "Zijn
+voorhoofd was toen diep gerimpeld."
+
+De aankomst van twee andere personen maakte, dat de oude vrouw niet
+voortging.
+
+"De schoonzuster van den hetman," fluisterde men van alle kanten.
+
+"Mefodijewna," zei er een tegen den ouden zanger, terwijl hij hem
+aanstiet.
+
+Al had men hem dit ook niet gezegd, dan zou deze dat toch wel
+vermoed hebben. In hetgeen hij gehoord had, was niets overdrevens:
+het origineel beantwoordde volkomen aan het portret dat de menschen
+van haar geteekend hadden.
+
+Zij ging vlak voorbij Maroessia heen. Bij de laatste trede waagde
+het kieine meisje het, haar bij de mouw van haar geborduurd gewaad
+vast te grijpen.
+
+"Mevrouw," zei ze zacht tegen haar, "u hebt dezen zakdoek laten
+vallen," en zij bood haar een rooden zakdoek aan.
+
+De jonge vrouw bleef staan, keek naar den rooden zakdoek, vervolgens
+naar de kleine, die haar dien aanbood, en antwoordde:
+
+"Wel bedankt, lief kind! Het zou mij gespeten hebben, als ik hem
+verloren had."
+
+De groote oogen der beminlijke vrouw vestigden een doordringenden blik
+op het kind en wendden zich van haar met belangstelling naar den ouden
+zanger. "Je bent hier niet uit deze streken," zei zij tegen het kind,
+"ik heb je ten minste nog nooit gezien; kom je van verre, beste meid?"
+
+"Van heel ver," antwoordde Maroessia.
+
+"Dan begrijp ik, waarom je er zoo vermoeid uitziet. Uit welk gedeelte
+van de Ukraine kom je dan?"
+
+"Dat hoofdje zal nooit al de namen kunnen onthouden van de plaatsen,
+die zij bezocht heeft," zei de oude zanger. "Wij hebben vele dingen
+en vele menschen gezien, Mevrouw, goede en kwade, velden, vernield
+door de veldslagen, en koren, de laatste hoop van de Ukraine, nog te
+velde. Maar, God zij dank! wij hebben onzen weg gevonden; zooals men
+bij ons zegt: ofschoon de bespanning verkeerd is, gaat het rijtuig
+toch regelrecht naar de markt."
+
+"Zoo," antwoordde Mefodijewna, "hebben jullie veel gereisd! Welnu,
+als straks de dienst afgeloopen is, ga dan naar den hetman toe, en
+vraag of hij niet een paar liederen wil hooren. Aan mij moet ge uw
+reis vertellen."
+
+Zij gaf met de hand, bij wijze van liefkoozing, een zacht tikje op
+de wang van Maroessia en verdween, te midden der menigte, in de kerk.
+
+Men hoorde reeds de stem van vader Mikaïl, die den dienst begon.
+
+
+
+
+XVII.
+
+SPEEL NIET MET DOLKEN!
+
+
+De dienst was geëindigd. De groote hetman was in zijn paleis
+teruggekomen. De warmte was drukkend, de zon verblindde door haar
+licht.
+
+Eenige zwarte wolken die van het westen kwamen, vertoonden zich aan
+den gezichteinder.
+
+"Wij zullen vanavond een hevig onweder krijgen," merkte de hetman op
+terwijl hij naar de lucht keek.
+
+Hij stond op een terras, dat zich voor zijn woning bevond en sprak
+deze woorden met zoo'n ongerustheid uit, dat een Russisch heer, zijn
+laatste gast, iemand op rijpen leeftijd en met een blonden baard, zich
+niet kon weerhouden, er hem zijn verwondering over te kennen te geven.
+
+"Ieder Christen moet sidderen," antwoordde de hetman, terwijl hij
+een kruis sloeg, "als God zijn stem door middel van den donder doet
+hooren."
+
+"God," antwoordde de Russische heer, "zal ons goed en wel aan dit
+onweer en aan alle andere doen ontkomen. Ik erken intusschen, dat de
+zwarte wolken een dreigend aanzien hebben."
+
+"Zeer dreigend inderdaad," vond de hetman.
+
+De wolken dreven met de snelheid van schepen, die door den storm
+voortgestuwd worden.
+
+De groote hetman drukte de hand tegen zijn voorhoofd, terwijl er een
+pijnlijke trek om z'n mond kwam.
+
+De tegenwoordigheid van zijn gast hinderde hem. Als die zijn gedachten
+eens kon lezen... Wat zou hij dan zien? Verwarring, besluiteloosheid,
+bitter berouw.
+
+Wat te doen? Wat te besluiten? Waarom had God hem in zulke moeilijke
+omstandigheden het opperhoofd van zijn volk gemaakt? Hoe zou hij zich
+uit de klauwen van den Russischen adelaar losrukken? De Russische
+afgezant las zijn gedachten als in een boek op het gelaat van den
+forsch gebouwden hetman. De vos speelde met den olifant.
+
+Maar plotseling klaarde het gezicht van den hetman op; als die van
+een pruilend kind, dat een nieuw stuk speelgoed ziet liggen. Hij had,
+terwijl hij de laan insloeg, die op het terras uitkwam, een soort
+van bedelaar gezien, die door een klein meisje vergezeld was. Deze
+bedelaar had een luit bij zich. Het was een muzikant. Deze afleiding
+kwam hem op dit oogenblik juist van pas.
+
+"Die menschen kennen liedjes," zei hij, zich tot zijn spion, zijn gast,
+wendende, "waaraan ik de voorkeur geef boven al onze concerten."
+
+Hij gaf aan een kozak een wenk en beval hem, den ouden zanger en zijn
+kleine metgezellin bij zich te laten komen.
+
+"Zal de groote hetman zich verwaardigen, mij aan te hooren?" zei
+de grijsaard, terwijl hij deze woorden deed vergezeld gaan van een
+eerbiedigen blik, die met den nederigsten groet gelijkstond.
+
+De goedheid van den grooten hetman ging zoover, dat hij met zijn
+blanke hand naar een plek in den hoek van het terras wees, waar de
+muzikant kon gaan zitten.
+
+"Daar," zei hij tegen hem, "zal de zon je niet hinderen."
+
+De Russische heer, die van nature een opmerker was, zag wel, dat
+de schouders van den ouden zanger zeer breed en forsch waren, en
+verwonderde er zich over, dat het grove hemd, dat ze bedekte, wit als
+sneeuw was. Hij zou zijn gezicht wel eens goed hebben willen zien,
+maar de groote hetman was in een goedhartige stemming en had tegen
+den grijsaard gezegd:
+
+"Je kunt je muts wel ophouden, oudje."
+
+De muzikant begon, na eenige tonen aan zijn luit ontlokt te hebben,
+te zingen.
+
+Wat een krachtige en toch zachte stem had hij, en wat bespeelde hij
+z'n instrument mooi!
+
+De hetman, die op zijn tijd een kunstminnaar was, voelde er zich
+door opgewekt. Het gezang was prachtig en door deze zuivere muziek
+aangetrokken, vertoonden de vrouw van den grooten hetman en zijn
+schoonzuster zich aan het uiteinde van het terras, vlak bij den
+ouden zanger.
+
+Mefodijewna herkende het kleine meisje, dat haar den rooden zakdoek had
+ter hand gesteld, en dat zij had uitgenoodigd, op het kasteel te komen.
+
+Met den elleboog op een grooten bloempot leunende, waarin een zeldzame
+plant groeide, gaf zij aan Maroessia een wenk om bij haar te komen. De
+bloempot was zoo hoog en het kind zoo klein, dat zij haar geheel voor
+den hetman en zelfs voor den Russischen heer verborg.
+
+Het kind haalde uit haar mouw een dolk te voorschijn en stopte dien
+heimelijk in den zak der schoonzuster.
+
+Zag Mefodijewna die beweging? Haar gelaat verried niets. Haar groote
+oogen staarden in de ruimte, en zij was geheel in de muziek verdiept.
+
+Maroessia had haar plaats naast haar grooten vriend hernomen, zonder
+dat iemand bemerkt had, dat zij die een oogenblik had verlaten.
+
+De zanger zong op dit oogenblik:
+
+"Het Paradijs is voor de rechtvaardigen bestemd... voor hen alleen."
+
+"Voor hen alleen," mompelde de groote hetman.
+
+"De onderdrukkers, de overwinnaars zullen er hun slaven zien
+binnentreden, maar de engel met het vlammend zwaard zal hun den
+toegang daartoe ontzeggen."
+
+De Russische heer had genoeg van dit gezang. Hij scheen een geeuw
+te onderdrukken.
+
+"Dat zijn dingen," zei de groote hetman, "die men nooit moest
+vergeten."
+
+"Ken je het lied van den bandiet?" vroeg de Russische heer aan den
+zanger. "Zing het eens voor ons:"
+
+"Tot mijn diep leedwezen, Excellentie, ken ik het niet," antwoordde
+de grijsaard.
+
+"Dat is jammer!" zei de vriendelijke heer. "Het zou deze dame zeker
+vermaakt hebben. De dames hebben een zekere voorliefde voor beruchte
+schurken."
+
+Mefodijewna vestigde, hoe verre zij ook verwijderd mocht zijn,
+zoo'n fellen blik op den hoveling, dat deze de oogen neersloeg,
+terwijl een vluchtige blos zich op zijn gelaat vertoonde.
+
+"Je luit is een zonderling iets," zei de Russische heer tegen den
+zanger, om het gesprek op iets anders te brengen. "Het is geen gewoon
+instrument. Weet je dat wel? Welnu, tracht het lied van den bandiet
+te leeren: het is echte poëzie! Je hebt daar waarlijk een zeer mooie
+luit! Ik zou haar wel eens meer van nabij willen bezien. Geef haar
+mij eens, oudje."
+
+"Daar hebt ge haar, Excellentie," antwoordde de oude zanger, terwijl
+hij hem het bewuste instrument aanbood. "Bekijk het goed, onderzoek
+het, en u zult zien, dat het een ware schat is."
+
+De Russische heer haalde, terwijl hij hartelijk lachte, eenige
+onwelluidende tonen uit het instrument, zette zich op een trede van
+het terras neer en herhaalde nogmaals:
+
+"Het is beslist een erge mooie luit!"
+
+Terwijl de Russische heer zijn bewondering over de luit te kennen gaf,
+keek hij er eigenlijk niet naar; daarentegen vestigde hij, zonder
+het te laten blijken, een doordringenden blik op den bezitter van
+het genoemde instrument. Maar de eigenaar der luit, ofschoon hij,
+naar den schijn te oordeelen, een uiterst eenvoudig man was, werd
+door die onbescheidene blikken niet in 't minst in verwarring gebracht.
+
+Met al den eerbied aan een hooggeplaatst persoon verschuldigd, maar
+zonder eenige verlegenheid, verklaarde hij aan Zijne Excellentie
+de samenstelling der luit. Men zou zelfs gezegd hebben, dat deze
+verklaringen, in plaats van hem verward of verlegen te maken, hem
+zeer vermaakten.
+
+"Weet je wel, dat dit instrument, als je het verkocht, je genoeg zou
+opbrengen om een geruimen tijd te kunnen uitrusten?"
+
+"Dat weet ik," antwoordde de zanger, "maar de echte muzikant wil
+evenmin van zijn luit scheiden, wanneer hij die liefheeft, als de
+ruiter van zijn paard. Al is men ook arm, daarom is het toch niet
+verboden, smaak in schoone dingen te vinden. Mijn kleeding is wel
+is waar armzalig, Mijnheer, maar men heeft mij voor deze luit meer
+dan eens genoeg aangeboden om mij even prachtige kleederen aan te
+schaffen als de uwe, en ik heb geweigerd."
+
+"Hij heeft er den slag van," zei de Russische heer bij zich zelf,
+"zijn koopwaar aan te prijzen; om haar des te duurder te verkoopen
+geeft hij zich den schijn, dat hij er den prijs van kent."
+
+De bedelaar was naderbij gekomen.
+
+"Daar ge een kenner zijt," zei hij, "moet ge dit instrument eens op
+uw gemak bekijken, Mijnheer. Het zou zeker meer op zijn plaats zijn
+in de schoone handen van deze rijke dames dan in de mijne; maar toch
+zal het in de mijne blijven."
+
+"Ik heb je in de gaten," dacht de Russische heer; "je bent een slimme
+kwant, je hoopt mij af te zetten, en je denkt, dat ik je zoo maar
+een aanzienlijke som zal aanbieden om je luit aan de voeten van de
+schoone Mefodijewna te kunnen neerleggen. Zie maar, dat je anderen
+zoo beetneemt, oude slimmerd!... Dus," zei hij, "is dat je schat,
+je fortuin?"
+
+"Deze luit, en ook dit, Mijnheer."
+
+Bij deze woorden haalde hij een dolk te voorschijn, in alle opzichten
+gelijk aan dien, waarin wij hem bij den anderen hetman zijn kostbare
+tijding hebben zien wegsluiten, precies eender ook als dien, welken
+Maroessia een oogenblik te voren in den zak van de schoonzuster van
+den hetman gestoken had.
+
+"Waarlijk!" zei de Russische heer, die een liefhebber van mooie wapenen
+was, "dat is inderdaad een kostbaar voorwerp;" en terwijl hij de hand
+aan den grijsaard toestak, zeiden zijn oogen, die van begeerlijkheid
+fonkelden, hem duidelijk: "Ik wil dien verwonderlijken dolk wel eens
+van naderbij bekijken."
+
+Zonder twijfel om den hartstocht van den Russischen heer op te wekken,
+draaide de slimme grijsaard zijn wapen heen en weer, trok het uit
+de schede en deed het er weder in, maar zonder het hem ter hand
+te stellen.
+
+"Deze dolk is mijn vriend," zei hij; "hij is mijn verdediger, hij is
+mijn leger; als wij bij elkander zijn, vreezen wij niets; bovendien
+is hij mij heilig, want ik heb hem van mijn vader."
+
+"Laat mij hem dan eens even in handen nemen," zei de heer; "ik zal
+hem niet opeten."
+
+Na eenig nadenken reikte de zanger den dolk aan hem over.
+
+De groote hetman, wien dit kleine tooneel voor een oogenblik afgeleid
+had, was weer in gedachten verzonken geraakt. Hij schrikte eensklaps
+op. Een groote droppel water, die een hevigen stortregen aankondigde,
+was op zijn hand gevallen. Het gerommel van den donder, in het eerst
+dof, was naderbij gekomen; het onweer kwam snel opzetten. De hemel
+was in een oogenblik donker als de nacht geworden.
+
+"Geef dien man zijn dolk terug," zei hij tegen zijn gast, "en laat
+ons in huis gaan!"
+
+"Wat een dolk!" zei de groote heer met bewondering; en terwijl hij
+dien heen en weer bewoog, liet hij hem in het licht der bliksemstralen
+glinsteren.
+
+"Ik wil dien dolk hebben," zei hij eindelijk op een gebiedenden toon
+tegen den grijsaard. "Noem mij den prijs, verkoop hem aan mij!"
+
+Zijn toon was niet die van iemand, die iets wenscht te koopen, maar
+van iemand, die kan nemen en ook zal nemen, wat hij wel zoo goed wil
+zijn om te koopen. Het was een bevel, en daar de grijsaard toch het
+stilzwijgen bleef bewaren, voegde de Russische heer er bij:
+
+"Verkoop hem aan mij; het geld maakt alles goed."
+
+"Alles?" antwoordde de oude Ukrainiër, terwijl hij zijn kalmte trachtte
+te bewaren. "Wat? Zelfs de eer? Zelfs de vrijheid?"
+
+"Nu ja!" riep de adellijke heer uit, "zelfs wat jij eer noemt en wat
+lieden van jou slag vrijheid noemen!"
+
+Terwijl hij den grijsaard vlak in het gezicht keek, antwoordde hij op
+de gedachte, die de vraag van den gewaanden zanger aan hem ontsluierd
+had, met deze woorden:
+
+"Als de Ukraine onder het bestuur der Russen rijk wordt, zal zij zich
+niet lang meer herinneren, dat zij fier en vrij is geweest."
+
+Op het oogenblik, waarop hij deze woorden uitsprak, werd de lucht
+als in vuur gezet door zulk een hevigen donderslag, dat al degenen,
+die op het terras waren, en Mefodijewna zelf, zich verwonderden,
+dat zij waren blijven staan.
+
+De hetman was naar zijn kamer gesneld; zijn vrouw volgde hem daarheen
+zichtbaar verward. Mefodijewna aarzelde en wilde, ofschoon blijkbaar
+tegen haar zin, het terras eveneens verlaten.
+
+Maar waarom scheen Maroessia, die naast haar grooten vriend was blijven
+staan, in een standbeeld veranderd te zijn? Waarom die plotselinge
+bleekheid op het gelaat van Tsjetsjewiek zelf?
+
+"Mefodijewna!" riep hij, terwijl hij de hand naar de schoonzuster
+van den hetman uitstrekte.
+
+Er lag als een bezwering in het gebaar en als een bevel in de
+plotseling verjeugdigde stem van den ouden zanger.
+
+De jonge vrouw keerde zich plotseling om.
+
+"Zie," zei Tsjetsjewiek tegen haar, "zie! Er is voor de
+rechtvaardigheid van God slechts een seconde noodig geweest om dengene
+ter aarde te werpen, die zoo aanstonds onze Ukraine zoo uit de hoogte
+beschouwde."
+
+De jonge vrouw had met de oogen de aanwijzing gevolgd, die de
+uitgestrekte arm van Tsjetsjewiek haar gaf. Op haar beurt verwonderd
+over hetgeen zij zag, was Mefodijewna een stap teruggedeinsd.
+
+Maar, eensklaps terugkeerende, zei zij met een bewogen stem: "God
+heeft de Ukraine van haar bittersten vijand verlost."
+
+De edele heer lag, door den bliksem getroffen, op den grond.
+
+Tsjetsjewiek boog zich voorover; hij haalde zijn dolk uit de verstijfde
+hand van den adellijken heer. Het wapen, door den onvoorzichtige te
+midden van het onweder heen en weer gezwaaid, had den bliksem zonder
+twijfel tot geleider gediend.
+
+Den liefhebber van den dolk vervolgens op zijn forsche armen nemende,
+bracht Tsjetsjewiek, door Mefodijewna en Maroessia gevolgd, hem met
+haastige schreden naar de vertrekken van den grooten hetman.
+
+
+
+
+XVIII.
+
+HET GELUKKIGE JAAR.
+
+
+Gedurende meer dan een jaar kon de Ukraine gelooven, dat zij voor
+immer vrij zou worden. Als één man was het geheele land opgestaan. De
+overweldigers, over een zoo plotselingen, zoo algemeenen, zoo
+vrijwilligen opstand verwonderd, waren verdwenen. Iedereen had zijn
+land, zijn hut, zijn landhoeve of zijn huis hernomen, heroverd. Meer
+nog, iedereen had zijn oogst nog eens kunnen binnenhalen. Voet voor
+voet, van meer tot rivier, van steppe tot bosch, had de vijand moeten
+terugwijken. De hetman van Tsjigirine was, na de stad heldhaftig
+verdedigd en gered te hebben, na wonderen van dapperheid te hebben
+verricht, gesneuveld, maar gesneuveld als een held, tevreden gestorven,
+te midden der zegepraal. Een man, tot dusverre onbekend, Tsjetsjewiek,
+de leeuw, zooals men hem weldra algemeen genoemd had, streed aan zijn
+zijde te midden van het krijgsgewoel, waarin hij bezweken was. De
+onverschrokken leeuw had het lijk van zijn opperhoofd, met wonden
+bedekt, aan den vijand ontrukt en zich in zijn plaats aan het hoofd
+der beweging gesteld.
+
+Van den kant van Gadiatsj had de andere hetman, als opperhoofd erkend,
+zijn vroegere dapperheid teruggekregen. Men had dikwijls aan zijn
+rechterhand een beeldschoone amazone gezien, die wel is waar geen
+bevelen gaf, maar die zich altijd te midden van de hevigste gevechten
+vertoonde, en wier tegenwoordigheid de macht had om aller geestdrift
+op te wekken, aller moed aan te vuren. Zij werd overal gevolgd door
+een soort van kleinen onverschrokken page, die haar tot vaandeldrager
+diende, en die, op een vurig zwart paard gezeten, zijn vlag met een
+dappere hand liet wapperen te midden der kogels, zonder zich om het
+gevaar te bekommeren. De soldaten aanbaden dit kleine soldaatje, dat
+schoon was als een engel. Was het inderdaad een engel of slechts een
+kind of, zooals sommigen beweerden, een eenvoudig dorpsmeisje, dat door
+een goddelijke vlam, een bovenmenschelijken moed bezield werd, en dat
+niets kon doen terugdeinzen? De page was alles te gelijk. Alles was
+waar; want het was Maroessia. Het was een tweede Jeanne d'Arc in een
+land, waar de naam van Jeanne d'Arc zeker nooit was uitgesproken. Daar
+Tsjetsjewiek genoodzaakt was om overal te gelijk te zijn, had hij haar
+aan de zorg van Mefodijewna toevertrouwd. Zij waren onafscheidelijk:
+wie de eene zag, zag ook de andere. Overigens mengden alle vrouwen
+zich in den strijd; het was werkelijk een heilige oorlog. De Russen
+zelf konden hun bewondering over die krachtige poging tot verkrijging
+der vrijheid niet onthouden.
+
+O! dat was een schoone tijd! De kinderen van de kinderen uit dien
+tijd hebben er niets van vergeten. De laatste krachtsinspanning van
+de geheele Ukraine, dat is de roem, zelfs na de nederlaag. Gelukkig de
+kleine of groote volkeren, die het recht hebben, hun _Gloria victis!_
+[4] te zingen.
+
+De winter was dat jaar buitengewoon streng; de raven en de wolven,
+die het meest daartegen gehard waren, stierven in de bosschen ten
+gevolge van de koude. De boeren zitten, als vroeger rondom de kachel
+geschaard. In hun hutten onder de bescherming der opgehoopte sneeuw
+zijn ze volkomen veilig. De vijand is niet meer te vreezen: hij heeft
+zijn winterkwartieren in de steden betrokken. Men kan eindelijk
+van zijn roemrijke wonden genezen, zonder ze te verbergen, alsof
+ze een schande waren. Het is niet meer noodig in den kelder neer
+te dalen om zijn wapenen schoon te maken en te herstellen; men kan
+dit op zijn gemak doen en tevens van de vermoeienissen van den krijg
+uitrusten. Van dorp tot dorp kan men elkaar herkennen, elkaar bezoeken,
+zijn verliezen opsommen. De plannen en de toebereidselen voor de nieuwe
+worsteling houden de aandacht der opperhoofden geheel bezig. Waar is
+Tsjetsjewiek? Vraag liever, waar hij niet is. Maar waar hij zich het
+meest vertoont,--al ware het ook slechts voor een oogenblik,--dat
+is in een ontoegankelijke schuilplaats, door hem gekozen en aan de
+zorg van zijn twee voornaamste adjudanten toevertrouwd. Is het nog
+noodig, de namen van Mefodijewna en Maroessia te noemen? Aan hen
+schijnt de gedwongen werkeloosheid van den winter, die verloren tijd,
+zeer lang toe. Als er eeuwige minuten zijn, dan zijn het de nutteloos
+doorgebrachte minuten.
+
+
+ *
+ * *
+
+
+Kerstmis.
+
+
+Maar waaraan denkt Maroessia sedert eenigen tijd? Vruchteloos doet
+zij haar best om vroolijk te zijn. Het schijnt, dat haar een droom
+overstelpt, die haar van haar vrienden scheidt; zij is daar niet meer,
+haar blikken dwalen in de verte af. Waar gaan zij heen? welke plaats
+zouden zij willen bereiken? en hoe het te verklaren, dat zij zelfs in
+het bijzijn van Tsjetsjewiek afgetrokken is? Het hart van een meisje
+is een donker bosch; er zijn goede oogen noodig om den weg daarin te
+vinden: welnu, haar groote vriend heeft zulke goede oogen.
+
+Dien morgen was het hoofd van Maroessia meer dan gewoonlijk
+voorovergebogen en dwaalden haar blauwe oogen meer doelloos rond,
+en toch scheen de zon. Als men uit het raam, waarvoor het peinzende
+kind onbeweeglijk zat, een blik sloeg op het land, dat geheel met
+sneeuw bedekt was, als men deze als een spiegel van gepolijst zilver
+in het heldere licht der zon zag schitteren, dan zou men zeggen, dat
+er geen andere dan heldere en vroolijke gedachten bij Maroessia hadden
+moeten opkomen. Maar neen, zij zweeg, en indien zij leed, dan wilde
+zij toch zeker haar verdriet niet mededeelen aan hen, die zij liefhad.
+
+Haar groote vriend wisselde een blik met Mefodijewna. Het oogenblik
+om te spreken was gekomen. Terwijl hij de hand op den schouder van
+Maroessia legde, wekte hij haar uit haar gedachten en vestigde haar
+aandacht op een slede, die ingespannen voor de deur stond.
+
+"Zie je hem niet?" zei hij. "Herken je je lieveling Ieskra niet? Hij
+staat van ongeduld te trappelen. Hij wou, dat hij maar op weg kon gaan.
+
+"Om u weer mee te nemen..." zei het kind diep bewogen.
+
+"Om mij mee te nemen, ja," antwoordde haar groote vriend. "Maar er
+zouden desnoods wel twee plaatsen in deze slede zijn, en als zeker
+iemand mij wilde vergezellen, zou ik niet alleen vertrekken."
+
+"Zeker iemand?" zei Maroessia, wier blik zich op Mefodijewna gevestigd
+had; "zeker iemand?" En wat er meer in dien blik lag opgesloten,
+scheen te zeggen: "Dan zal ik zonder vrienden achterblijven. Welnu,
+als het noodig is... laat mij dan alleen!" Maar deze zwijgende klacht
+had zich zelfs niet in een zucht geuit.
+
+"Er is van mij geen sprake," zei Mefodijewna glimlachende. "Neen. _Ik_
+moet integendeel hier blijven; en boven dien zou de tweede plaats te
+klein zijn voor een groot mensch zooals ik."
+
+"Om goed te slagen," hernam haar groote vriend, "zou ik een kleine
+metgezellin moeten hebben, die ik desnoods onder mijn mantel zou
+kunnen wegstoppen, maar wier hartje mij nochtans gedurende een lange
+en snelle reis zou warm houden. Ik zou een metgezellin moeten hebben,
+vast besloten om denzelfden weg als ik af te leggen, die niet bang
+was voor de winterkoude en aan wie het meer dan aan eenig ander kon
+behagen, den kant uit te gaan, dien ik uitga, er zich met eigen oogen
+en ooren van te gaan overtuigen, hoe het daarginds, daarginds in de
+hut met de kerseboomen gaat,--weet je, Maroessia, die zelfde hut,
+waarin wij kennis gemaakt hebben,--hoe het met een vader, met een
+moeder en met broertjes gaat, die misschien al vreezen, dat er in
+dit jaar bij gelegenheid van het Kerstfeest voor de eerste maal een
+plaats aan hun tafel ledig zal blijven staan."
+
+Maroessia heeft het begrepen; een kreet is ontsnapt, vervolgens een
+snik; zij huilt van geluk, maar door haar tranen heen schittert een
+glimlach, een glimlach, zoo vol dankbaarheid ten opzichte van haar
+beide vrienden, dat ook hun oogen vochtig worden.
+
+"O! Kerstmis, Kerstmis! in de hut van vader! Kerstmis bij moeder en
+mijn broertjes! O, u kunt ook alles raden, u hebt begrepen, dat ik
+daaraan onwillekeurig dacht, nu de dag van het groote feest al meer
+en meer nadert!"
+
+En tranen stroomden er opnieuw langs haar wangen.
+
+De toebereidselen waren spoedig gemaakt; het vertrek had eenige
+oogenblikken daarna plaats. Bij een vluchtigen blik zag men in de
+slede slechts een enkel man, in zijn witsjoera gewikkeld, die het
+sein tot vertrekken aan een sterk paard gaf, dat niets liever wilde
+dan den tocht te aanvaarden; maar onder den wijden mantel van den
+reiziger ontdekte Mefodijewna, die voor het raam stond, twee groote
+blauwe oogen, wier vriendelijke blikken op haar gevestigd waren.
+
+Vier dagen daarna was de slede teruggekomen. Maroessia, met een hart
+vol van de vreugde, die zij verschaft en genoten had, Maroessia,
+gezegend door haar vader en haar moeder, met liefkoozingen overladen
+door haar broertjes, verheerlijkt door alle buren, geëerd door al
+de vrienden van haar vader en door de onbekenden zelf, die wisten,
+dat zij, al was zij nog maar een klein meisje, tusschen den Leeuw en
+de schoone Mefodijewna, een grooten dienst aan de Ukraine bewezen
+had,--Maroessia had haar plaats bij haar groote vriendin weer
+ingenomen. Zij had op dezen tocht haar moed vernieuwd. Het spreekwoord
+heeft wel gelijk, als het zegt: Het vaderlijk huis is een volle beker
+voor het dorstige kind.
+
+
+ *
+ * *
+
+
+En daarna...
+
+
+Waarom kunnen wij het hier niet bij laten? Waarom moeten wij de
+geschiedenis in haar bittere werkelijkheid volgen? Waarom zijn wij
+verplicht, alles te zeggen, tot aan het besluit voort te gaan en na
+het schitterende begin het treurige einde te verhalen?
+
+De leeuw Tsjetsjewiek had, na alles gereedgemaakt te hebben, kunnen
+gelooven, dat in het tweede jaar zijn pogingen met succes bekroond
+zouden worden. Iedereen geloofde dit, meer dan hij zelf. Men verzekerde
+zelfs, dat er bij de beraadslagingen van den vijand meer dan eens
+sprake van was geweest, aan dezen dappere onder al de dapperen, aan
+dezen edelmoedige onder al de edelmoedigen, een vrede, een eervolle
+schikking aan te bieden, aannemelijk zoowel voor de Ukraine als voor
+hem zelf. Men zou dien jeugdigen held tot vriend, tot bondgenoot hebben
+willen hebben; men zou daarginds gewild hebben, dat hij aan geheel
+Rusland toebehoorde. Iedereen vertelde over zijn heldendaden. Wat was
+hij schoon en verschrikkelijk te midden der veldslagen, maar wat was
+hij, zoodra de strijd geëindigd was, medelijdend en zacht!
+
+Het verhaal van zijn verdediging van Gadiatsj, tot drie malen op
+den vijand heroverd, was in aller mond; het leeft nu nog in aller
+herinnering; het zal niet verloren gaan. Er ontbreekt slechts een
+Homerus [5] om hem onsterfelijk te maken. Het leger, dat hij bevochten
+had, verheerlijkte hem; van beide kanten noemden de gekwetsten,
+de stervenden, hem hun vader. Iedereen riep hem ter hulp. De leeuw
+Tsjetsjewiek, Mefodijewna en de engel Maroessia,--dat zijn de
+gestalten, die voor altijd aan de Ukraine dierbaar zullen blijven.
+
+Maar waar zijn wij thans? Helaas! herinner u het duistere begin,
+de nachtelijke tochten, de geheime samenzweringen,--daar zijn wij nu
+weer aan toe! Ja, dat alles zal weder beginnen.
+
+De machtige vijand heeft intusschen zijn tijd wel besteed. Hij is
+in ontzaglijken getale teruggekomen. Zij weten maar al te goed, zij
+hebben geleerd, en gezien dat er met de Ukraniërs niet te spotten
+valt. Daarom zullen zij al hun troepen op de been brengen en door
+overmacht dat kleine dappere volk trachten te overwinnen.
+
+
+
+
+XIX.
+
+LAATSTE KRANSEN.
+
+
+Alles was ongelukkig en noodlottig gegaan!
+
+"Hebben wij nog ver te loopen?" vroeg Maroessia.
+
+"Je bent zeker erg vermoeid, liefste?" vroeg haar groote vriend
+aan haar.
+
+"Neen, ik ben niet vermoeid; ik wilde alleen maar weten, of wij nog
+een groot stuk af te leggen hebben."
+
+"Gelukkig niet. Zie je dat bosch aan onze rechterhand? Welnu, daarin
+zullen wij uitrusten. Maar zijn je krachten uitgeput, mijn kind?"
+
+"Neen, neen... Heusch niet."
+
+"Je zegt, dat je niet vermoeid bent," hernam haar groote vriend
+glimlachende. "Ben je daar wel zeker van? Ach, m'n kind, ik zie het
+aan je gezicht, je bent doodop; kom, ik zal je dragen."
+
+En voordat de kleine het kon beletten, zat zij op zijn arm.
+
+"Neen, neen, ik wil niet, dat u mij draagt!" riep het kleine meisje
+uit. "U bent meer vermoeid dan ik; ik wil het niet, ik wil het niet..."
+
+En bij zich zelf zeide zij: "Als een soldaat, die den oorlog zoolang
+meegemaakt heeft," (die soldaat was zij), "die overwinnaar en zelfs
+overwonnene geweest is, zich laat dragen, terwijl hij niet eens
+gekwetst is, dat is schandelijk!"
+
+Maar de forsche armen van haar grooten vriend wisten niet van loslaten,
+als zij eens iets omvat hielden. Eenige zoete woordjes overwonnen
+den tegenstand van den kleinen soldaat. Maroessia sloeg haar armen om
+den gebruinden hals van haar vriend en legde haar vermoeid hoofd op
+zijn krachtigen schouder neer. Na een geheel jaar, waarin zij alles
+had overtroffen, wat men van haar leeftijd kon verwachten, gevoelde
+de kleine heldin zich gelukkig, weer een kind te zijn.
+
+De dag liep ten einde. De stralen der zon waren niet zoo brandend
+meer. De weg, of liever het voetpad, kronkelde zich nu eens door
+velden, waarop gerst, rogge en tarwe stonden,--er waren dien kant uit
+nog eenige velden, die niet verwoest waren,--dan weer door kleine
+boschjes, vol bloemen, geuren en vogelnestjes. Vogels, vlinders en
+bijen vlogen en gonsden, alsof er niets in de wereld veranderd was;
+hun kleine Ukraine was niet overrompeld en wist niets van de algemeene
+ellende af. De stralen der zon drongen door de bladeren heen, zonder
+zich te herinneren, dat zij nog den vorigen dag, en niet zeer ver
+van daar, een bloedbad hadden beschenen.
+
+Zij gingen nu langs een korenveld. "Wat een hoop korenbloemen!" zei
+de groote vriend; "kijk eens, Maroessia, wij hebben er nooit zooveel
+en zulke mooie gezien."
+
+"Hoor eens, Maroessia," ging hij voort, "ik geloof, dat wij hier
+eens gaan zitten; je kleine vingertjes kunnen dan eens een krans van
+korenbloemen voor mij vlechten."
+
+Hij had het kleine meisje op het gras neergezet, en terwijl hij
+zijn langen arm uitstrekte, begon hij al de korenbloemen te plukken,
+die er binnen zijn bereik waren.
+
+"Pluk de stelen niet te kort af," zei Maroessia tegen hem, "dan zal
+het gemakkelijker gaan om er een krans van te vlechten."
+
+Maar haar groote vriend was in bloemenplukken niet erg bedreven. Om
+lange stelen te krijgen, rukte hij soms de heele plant uit den grond.
+
+"Dat moet u niet doen," zei Maroessia tegen hem, "dat is jammer voor
+hen, die hier na ons zullen voorbijkomen, en ook voor het volgende
+jaar. De uitgetrokken planten bloeien nooit meer uit. Zoo plukt men
+geen bloemen. Als u bij moeder waart, zoudt u beknord worden!"
+
+De groote vriend vond deze bestraffing verdiend, maar hij liet er
+zich niet door ontmoedigen. Hij trachtte het nu beter te doen.
+
+"Ik ben slecht met het plukken van bloemen bekend," zei hij. "Ik ben
+als die arme jongen, die, toen hij God in de kerk wilde aanbidden
+en den grond kussen, een grooten buil in zijn voorhoofd kreeg, omdat
+hij tegen de steenen aanstiet."
+
+"Zeg mij maar niets, om mij aan het lachen te maken!" riep Maroessia
+hem toe. "Houd maar op! Het is genoeg! Kom nu bij mij zitten. U hebt
+er zooveel geplukt, dat ik er geen raad mee weet. Ik ben er bijna
+onder bedolven, 't Is genoeg om honderd kransen te vlechten."
+
+En de kleine trachtte een weinig orde in den oogst van haar vriend
+te brengen.
+
+"Zeg het mij maar ronduit," zei haar groote vriend. "Wil je er nog
+meer hebben?"
+
+"Wel nee, het is genoeg, het is tienmaal meer dan ik noodig heb. Ga
+nu ook wat uitrusten."
+
+Haar groote vriend zette zich naast haar neer en volgde met veel
+belangstelling, nu eens het werk der kleine vingers, die een krans
+vlochten, dan weder de veranderingen op het gelaat van Maroessia. Was
+zij zooeven nog vroolijk, thans was zij plotseling ernstig geworden.
+
+"Waar denkt mijn kind aan?" zei hij tegen Maroessia.
+
+Zij aarzelde hierop te antwoorden; maar al spoedig verborg zij haar
+blond kopje aan de borst van haar vriend en zei tegen hem:
+
+"Ik dacht aan de korenbloemen bij ons huis en aan de kransen, die
+ik vroeger vlocht, en ook aan die, welke moeder voor mij maakte,
+toen ik ook nog klein was."
+
+"Dat was in den gelukkigen tijd," zei Tsjetsjewiek, "toen de kinderen
+zelf de verplichting niet hadden om kleine helden te zijn. Ach,
+beste meid, mijn komst in het huis van je vader en moeder is geen
+geluk voor je geweest, en evenmin voor hen."
+
+Het kind legde hem eensklaps de hand op den mond en begon te huilen.
+
+"Zwijg!" zei ze zacht. "Ontneem mij den moed niet, dien vader zelf
+mij heeft bevolen,--den moed, dien ik nog noodig heb, en dien ik moet
+hebben en zal hebben tot aan het einde. Vertel liever eens, waar is
+Mefodijewna, onze Mefodijewna, die zooveel van u hield? Waar is de
+vrije Ukraine?"
+
+Tsjetsjewiek viel haar in de rede.
+
+"Ja, waar is Mefodijewna?"
+
+Zijn hoofd viel somber op zijn beide handen. Geen van beiden dacht
+meer aan spreken.
+
+Het kind was opgestaan.
+
+Bij het hooren van haar stem deed de man dit ook; beiden namen elkander
+bij de hand en begaven zich weer op weg. Na even voortgeloopen te
+hebben, bemerkten zij een dorp. Een smal, met gras begroeid pad voerde
+er heen.
+
+"Zie je dit dorp, Maroessia?" zei de groote vriend tegen haar.
+
+"Ja, ik zie het," antwoordde zij.
+
+"Het is een groot dorp, niet waar?"
+
+"Ja, het schijnt mij groot toe."
+
+"Welnu, hoe grooter een dorp in onze ongelukkige Ukraine is, des te
+meer echtgenooten, moeders, zusters, verloofden en kinderen bevinden
+zich daarin; want langs dezen weg en langs andere zijn mannen, zonen,
+broeders, aanstaanden en vaders ten strijde getrokken, en niemand
+kan zeggen, hoe zij daaruit zullen terugkeeren. Die tijden zijn
+vreeselijk. Maroessia, begrijp je dat?"
+
+"Of ik het begrijp!" riep zij uit.
+
+Zij liepen nog een geruimen tijd zwijgend voort.
+
+Het bosch, dat zich in de verte als een donkere massa uitstrekte,
+begon, naarmate men het naderde, zijn mooie, groene kleur weer aan te
+nemen. Men zag aan den kant het donker groen der eiken en de lichtere
+bladeren der berken.
+
+"Wij zijn er in," zei haar groote vriend, terwijl hij de takken
+wegboog en in het kreupelhout doordrong. "Wij zullen zoo aanstonds
+aan een dichte plek komen, waar wij opnieuw halt zullen houden."
+
+Deze dichte plek was niet zoo gemakkelijk te vinden. Het bosch was
+zoo dicht, dat het bijna onmogelijk was, verder te komen. Zonder
+nog te spreken van de takken, die in het gezicht sloegen, van
+de doornstruiken, die de kleederen scheurden en van de vermolmde
+boomstammen, die den doortocht versperden, verbond de reusachtige
+hop al deze takken van boven, terwijl het wilde klimop en duizend
+kruipende planten ze beneden met elkaar vereenigden.
+
+De groote vriend van Maroessia wist echter wel, waar hij moest zijn;
+hij had een doel, want hij onderzocht elken struik zorgvuldig, terwijl
+hij naar alle geluiden luisterde en nu en dan bleef stilstaan om
+na te denken en om op den grond en in het gras het spoor te vinden,
+dat hij wenschte te ontdekken.
+
+Eindelijk kwamen zij op de dichte plek aan. Vlak daarbij bevond zich
+een open plaats, waar ruimte genoeg was, om halt te houden.
+
+"Rust wat uit, Maroessia. Zie je dit gras en dit mos? Onze rijke hetman
+zelf bezat zulk een schitterend tapijt niet. O, als deze weelde hem
+voldoende geweest was! Als hij er zich vroeger rekenschap van had
+gegeven, dat het goud de slechtste der afgoden is. Ga onder dezen
+eik zitten: dat is de groote hetman van het bosch. Hij telt misschien
+wel duizend jaren. Hij heeft alles gezien, zonder zich te verroeren."
+
+Dicht bij dezen forschen eik lag op den grond, door de jaren
+overwonnen, de tronk van een anderen eik, die in zijn tijd had moeten
+wedijveren met dien, welke overeind was blijven staan. Toen de Setsj
+er een blik op sloeg, zei hij bij zich zelf: "De bijl heeft nooit dien
+boom aangeraakt. Hij heeft nooit de gewelddadigheden der menschen
+te verduren gehad, zijn oude ledematen vertoonen geen enkele wond,
+de bliksem heeft hem zelfs ontzien, en toch ligt hij daar op den
+grond. Zoo neemt alles, wat een begin heeft, na verloop van dagen
+of eeuwen een einde. Nog eenige jaren, en deze reus zal tot stof
+terugkeeren; maar het stof is vruchtbaar, en weldra zal de eik in een
+grasscheutje veranderen. Zoowel in het groot als in het klein is het
+waar, dat de dingen zich zelf opwekken."
+
+Het kind luisterde verwonderd naar hem.
+
+"Hij is somber," zei zij bij zich zelf, "en daar heeft hij wel
+reden voor."
+
+Zonderling genoeg zag men op den naakten tronk van den ouden eik een
+krans van korenbloemen liggen, bijna gelijk aan dien, welken Maroessia
+gevlochten had. Hoe kwam dat? De korenbloemen zagen er nog frisch uit.
+
+De blikken van Maroessia wendden zich te gelijk met die van haar
+grooten vriend naar dit zonderling verschijnsel. Maar Maroessia gaf
+er haar verbazing niet over te kennen, terwijl haar stilzwijgen haar
+vriend niet verwonderde. Hij nam den krans in handen en legde dien
+op den schoot van Maroessia.
+
+"Die twee zijn juist een paar," zei hij. "Deze krans zegt ons, dat
+wij in dit bosch niet alleen zijn; onze vrienden zijn op marsch,
+en onze voorhoede is vooruitgegaan."
+
+Eensklaps weerklonk er uit het dichtste van het bosch een geschreeuw,
+maar het was niets anders dan het geschreeuw van een vogel, naar het
+althans aan Maroessia toescheen.
+
+"Het is zonder twijfel een jongmensch," zei haar groote vriend. "Zijn
+stem is nog niet tot volkomen ontwikkeling gekomen. Een man in de
+kracht zijns levens zou zich beter hebben doen verstaan."
+
+
+
+------
+FIGURE
+------
+Man met snor draagt meisje.
+
+
+En nu deed haar groote vriend met behulp van zijn vingers, die hij naar
+zijn lippen had gebracht, zoo'n scherp vogelgeschreeuw hooren, dat de
+krachtigste zanger van het bosch er zich in zou vergist hebben. Dit
+geschreeuw, dat zonder twijfel verscheidene mijlen ver in den omtrek
+werd gehoord, werd weldra beantwoord. Van drie verschillende kanten
+antwoordde hem een dergelijk geschreeuw.
+
+"Je moet je niet ongerust maken," zei Tsjetsjewiek tegen
+Maroessia. "Begrijp je, waarom het te doen is? Ik ben genoodzaakt,
+je eenige oogenblikken alleen te laten. Blijf daar, verander niet
+van plaats, ik zal je spoedig komen halen. Verlaat je post niet."
+
+"Ik zal hier blijven," antwoordde Maroessia.
+
+En zij dacht: "Het zijn zeker vrienden, aan wie hij bevelen of
+aanwijzingen heeft gegeven voor het overige gedeelte van onze gevluchte
+manschappen, die evenals wij vervolgd worden. Het is om ze te redden,
+om ze te leiden of om ze nogmaals te verzamelen."
+
+Haar groote vriend had de takken weggebogen, hij wilde zich een weg
+door het kreupelbosch banen, maar er kwam een gedachte bij hem op; hij
+wilde nog eenmaal een blik slaan op zijn dappere kleine metgezellin.
+
+"Vooral geen sombere gedachten!" zei hij tegen haar. "Laat niets je
+terneerslaan, noch vandaag, noch ooit."
+
+"Neen, ik zal niet somber wezen," antwoordde Maroessia. "Ik zal
+standvastig zijn. Wees maar gerust, ik ben nu tot alles in staat,
+zelfs om te sterven."
+
+Zij wisselden een laatsten blik. Toen verdween haar groote vriend in
+het dichte bosch.
+
+
+
+
+XX.
+
+DE DOORBOORDE ZAKDOEK.
+
+
+Maroessia boog zich voorover, om het geluid van zijn voetstappen des
+te langer te hooren. Zoolang zij hem kon hooren, verbeeldde zij zich,
+dat hij nog bij haar was. Maar weldra hield het gekraak van takken en
+het geritsel van bladeren geheel op. Maroessia liet haar beide kransen
+vallen, haar lief kopje boog zich voorover en, zonder het te weten,
+begon zij na te denken, ja, na te denken.
+
+Zij had zooveel schitterende dingen gezien, zij had zooveel
+geheimzinnige en zooveel verschrikkelijke gebeurtenissen meegemaakt,
+en de laatste waren zoo treurig! De verdedigers van de Ukraine,
+eerst zoo beroemd, daar alles voor hen week, waren verslagen en daarna
+verstrooid. "Ik geloof wel," zei ze bij zich zelf, "dat mijn vriend een
+laatste poging wil wagen. Het is misschien wel een wanhopige poging,
+maar toch zal hij haar doen!" Zij had gedurende dien langdurigen tocht
+wel gevoeld, dat ieder van hun schreden een gevaar verborg. Welnu, wat
+zou dat? Konden haar groote vriend en zij, de waarachtige Ukrainiërs,
+de Ukraine wel overleven? Is het niet beter, te verdwijnen met hetgeen
+men liefheeft?
+
+Zij pijnigde zich het hoofd af, om er zich een verklaring van te geven,
+dat de menschen, in plaats van elkander lief te hebben, wat haar zoo
+gemakkelijk toescheen, hun best deden om elkander kwaad te doen. "Zocht
+vader dan twist met zijn buren? Is hij ooit op de gedachte gekomen,
+het land en het huis van een ander te nemen, hoewel hij er een paar
+heel mooi vond? Waarom wil men ons van onze Ukraine berooven? Zij is
+vruchtbaar, zij is het rijkste land van de aarde: is dat een reden
+om diegenen daaruit te verdrijven, aan wie zij toebehoort?"
+
+Het bosch werd somber, een onzichtbare hand trok langzamerhand een
+reusachtigen zwarten sluier over deze massa's groen. Dat deed haar
+denken aan het bosch uit haar sprookje van den bandiet en aan de vlucht
+van de arme vrouw, wier geschiedenis zij aan haar vriend had verteld,
+toen zij hem voor de eerste maal zag. "Zij was niet ongelukkiger
+dan ik," dacht zij, "maar ik heb toch nog liever mijn verdriet dan
+het hare."
+
+De laatste lichtstralen, die door de bladeren heendrongen, speelden op
+de takken. Zij verdwenen eindelijk geheel, en toen werd het eensklaps
+stikdonker. Maroessia stond verwonderd op.
+
+"Hij heeft tegen mij gezegd: 'Ik zal je _spoedig_ komen halen,--ik
+zal je slechts _eenige oogenblikken_ alleen laten,--verlaat je post
+niet.' Welnu, ik ben op mijn post, er is al een geruime tijd verloopen,
+en hij keert niet terug, en geen enkel geluid wijst er op dat hij
+gauw hier zal zijn."
+
+De natuur bleef zwijgen. Deze doodelijke stilte maakte, ondanks haar
+goeden wil, dat Maroessia bang werd.
+
+Maar eensklaps deden zich van alle kanten geweerschoten hooren, meer
+dan honderd, meer dan duizend misschien; men zou gezegd hebben, dat
+men op alle plaatsen in het bosch te gelijk aan het vechten was. Het
+duurde ongeveer tien minuten, die aan het kind een eeuw toeschenen.
+
+Maroessia zou wel door de boomen hebben willen heenkijken. Als door
+een electrischen schok getroffen, was zij op haar teenen gaan staan.
+
+"Hij is het, hij is het, die zich te midden van dit vuur bevindt,"
+zei ze bij zichzelf. "Hij was gewapend, hij zal een weg hebben willen
+banen voor de manschappen van ons leger. Zij zullen in dit bosch vol
+hinderlagen overrompeld zijn!"
+
+En terwijl zij haar brandend voorhoofd met haar handen bedekte,
+voegde zij er bij:
+
+"Ik wil niet meer denken. Waartoe dient dat ook? Men moet zijn lot
+met gelatenheid afwachten!"
+
+Zij ging weer aan den voet van den grooten eik zitten en bad voor
+alles, wat haar dierbaar was.
+
+Op het oogenblik, waarop zij zei: "Heer! geef, dat ik hem nog eens
+terugzie!" meende zij te droomen, meende zij de bladeren te hooren
+ristelen, de takken te hooren kraken. Maar neen, zij droomde niet:
+het geluid kwam van nabij, slechts eenige schreden van daar; haar
+wangen werden plotseling met een blos overtogen. Haar oogen vestigden
+zich op de plek, waar het gedruisch vandaan kwam. De takken weken
+van elkaar, en de gestalte van haar grooten vriend, verlicht door
+de zilveren maan, die juist was opgekomen, vertoonde zich aan haar
+tusschen het geboomte. Maar was het haar groote vriend wel, of was het
+slechts zijn schim? Zijn gezicht was zoo bleek, dat de vreugdekreet,
+dien zij wilde uiten, op haar lippen bestierf.
+
+"Maroessia," zei haar groote vriend tegen haar, "zie je dien rooden
+zakdoek?"
+
+"Ja, ik zie hem."
+
+"Welnu, ik zal je naar den kant van het bosch brengen. Ik zal je den
+weg wijzen. Je moet maar rechtuit loopen, aldoor rechtuit, totdat je
+aan een boekweitveld komt; je moet dit veld overloopen; het wordt
+door een voetpad gekruist. Dit voetpad zal je naar een kleine brug
+brengen: op die kleine brug moet je je beide kransen neerleggen. Aan
+den anderen kant van de brug zal je links, achter een molentje, een
+klein bosch zien. Er zal uit dit bosch een man te voorschijn komen. Als
+hij tegen je zegt: 'Dat God je ter hulpe zij!' moet je hem antwoorden:
+'God heeft mij geholpen!' En dan moet je hem dezen zakdoek geven. Je
+begrijpt mij wel, niet waar, Maroessia? Zal je niets vergeten?"
+
+Haar groote vriend sprak langzaam, veel langzamer dan hij gewoon
+was; men zou gezegd hebben, dat hij niet vlugger kon spreken. Hij
+werd gedurig bleeker; groote zweetdruppels parelden er op zijn
+voorhoofd. Hij ging tegen een boom aanleunen.
+
+"U bent gewond!" zei Maroessia tegen hem. "Ze hebben u geraakt!"
+
+"Het is maar een lichte schram, Maroessia. Morgen zal er niets meer
+van te zien zijn. Ga m'n kind... vlug!"
+
+Hij nam haar bij de hand.
+
+"Wat is uw hand koud!" riep het kind uit.
+
+"Denk maar niet aan mijn hand. Haast je wat! Eerst naar de brug,
+dan de twee kransen daarop neerleggen en eindelijk den zakdoek geven
+aan den man, die uit het boschje zal komen, als hij tegen je zegt:
+'Dat God je ter hulpe zij!' Moed gehouden, Maroessia! Het is voor
+het geluk van het overblijfsel der moedige verdedigers van de Ukraine!"
+
+De groote vriend trachtte voor Maroessia een doortocht door het
+kreupelhout te banen, maar zijn krachten schoten daartoe te kort. Deze
+zwakheid van hem, dien zij als de verpersoonlijking van alle kracht
+beschouwde, maakte het meisje angstig. Voor de eerste maal beefde
+zij voor den vriend, dien zij als onkwetsbaar had beschouwd. Maar zij
+richtte geen vragen tot hem. Zij begreep, dat hij alles had gezegd,
+wat hij wilde zeggen.
+
+Eensklaps bogen twee gespierde armen de takken van elkander. Verwonderd
+wierp het meisje zich voor haar grooten vriend neer, dien zij
+bedreigd dacht.
+
+"Vrees niets, Maroessia," zei Tsjetsjewiek tegen haar, "het is een
+vriend, een beproefde en getrouwe vriend."
+
+Maroessia bemerkte te midden der takken een boer van een rijzige
+gestalte, die haar eerbiedig, maar vriendelijk groette. Het was
+merkbaar, dat het niet voor de eerste maal was, dat hij Maroessia zag.
+
+"Het is mijn kameraad Peter," zei Tsjetsjewiek. "Kijk hem maar eens
+aan! Ook hij is een eik!"
+
+"Hij is bijna nog langer dan gij," zei ze uiterst verwonderd.
+
+Peter verspreidde en brak de takken, die aan Maroessia den doortocht
+belemmerden. Hij liep achteruit en zijn ongeruste blik wendde zich
+niet van Tsjetsjewiek af.
+
+Maroessia zag wel, dat hij dacht, dat haar groote vriend hulp noodig
+had. Maar Tsjetsjewiek, die zich van boom tot boom ondersteunde,
+zei tegen hem:
+
+"Ga toch heen, Peter! Aan mij moet je niet denken, maar aan de
+anderen. Je moet tot elken prijs voorkomen, dat zij in deze verwenschte
+hinderlaag vallen."
+
+Bij deze woorden keerde Peter zich plotseling om; de takken bogen of
+braken onder het gewicht van zijn lichaam en van zijn voeten, alsof
+er een stier voorbijging. Maroessia verwachtte niet, dat zij zoo
+spoedig uit het bosch zou komen. Het was haar grooten vriend gelukt,
+haar te volgen. Hij wilde haar zijn aanwijzingen nog eens herhalen.
+
+"Je ziet den weg,--het boekweitveld en het voetpad zijn rechts,--aan
+het einde van het voetpad is de kleine brug,--de beide kransen moeten
+op die kleine brug neergelegd worden. Links aan den anderen kant
+is de molen en het kleine bosch, de man en de zakdoek. Daar moet je
+heen. Haast je, liefste, haast je! Hier is de zakdoek!..."
+
+
+
+------
+FIGURE
+
+Ieder hecht er zijn bloemkrans aan. Blz. 194.
+------
+
+
+
+Deze zakdoek geleek zoozeer op dien, welken zij eenmaal aan de
+schoonzuster van den hetman had aangeboden, dat zij zich afvroeg,
+of het niet dezelfde was, en of hij wederom niet voor haar bestemd
+zou wezen.
+
+Maroessia nam den zakdoek en zei tegen haar vriend, terwijl zij haar
+voorhoofd aan hem toestak:
+
+"Alles zal geschieden, zooals u gezegd hebt."
+
+Tsjetsjewiek had zich niet zonder inspanning voorover gebogen, om
+haar een kus te geven. Maar toen hij zich weder oprichtte, zag zij
+wel, dat hij waggelde. Als Peter zich niet had gehaast om hem vast
+te houden, zou hij gevallen zijn... Maroessia bemerkte toen, dat er
+bloed op haar mouw zat.
+
+"Dat is uw bloed!" zei zij tegen hem. "Waar bent u gekwetst? Aan uw
+arm? Laat mij de wond verbinden. Zooals u weet, heeft Mefodijewna
+een goede ziekenverpleegster van mij gemaakt."
+
+"Wees verstandig, Maroessia," zei haar groote vriend. "Ik heb tot nu
+toe aan alle gevechten deelgenomen, zonder bijna geraakt te zijn. Dat
+was niet billijk. Ik had mijn deel niet. Deze wond is niets. Een
+geweerschot in den arm beteekent niet veel. Wij hebben ons ook
+niet op weg begeven om aardbeien te eten. Peter zal dat wel in orde
+brengen. Ga nu toch heen, beste meid, en haast je wat! Wij praten te
+veel. Als het je gelukt, dezen zakdoek te overhandigen aan dengene,
+die hem verwacht, zal je een goed werk doen. Maar daar bedenk ik nog
+wat: wikkel dien zakdoek om je hoofd, dan zal men hem spoediger en
+reeds in de verte zien, en op je blond haar zal hij goed staan."
+
+"Maar moet u dan hier blijven? Men moet alles in dit bosch
+wantrouwen... Zal ik er u terugvinden?"
+
+Terwijl zij deze vraag deed, wikkelde zij met een bevende hand den
+rooden zakdoek om haar hoofd.
+
+"Ik zal hier blijven," gaf haar vriend haar ten antwoord, "en als ik
+er niet kan blijven, zal ik wel weer bij je weten te komen. Zou iets
+ons kunnen scheiden?"
+
+Ditmaal was het een geweerschot, dat voor het kind antwoordde, en
+vervolgens een tweede. Van tien kanten te gelijk deed het geweervuur
+zich hooren, niet dichtbij, maar veraf.
+
+"Zij zijn weer in het bosch gekomen om een aanval te doen," zei
+Peter. "Over vijf minuten kunnen zij hier zijn."
+
+De leeuw had zich weder opgericht. Peter had hem een van zijn pistolen
+in de hand gegeven, waarvan hij zich nog kon bedienen.
+
+"Komaan!" zei Tsjetsjewiek tegen Maroessia. "Ga! loop! vlieg, als je
+kunt! en vergeet al het overige. Het is voor de Ukraine en voor je
+groote vriendin. De zakdoek zal haar van je spreken..."
+
+Maroessia vloog weg als een pijl uit een boog. Maar toen zij aan het
+voetpad gekomen was, dat door het boekweitveld heenliep, kon de kleine
+gazel geen weerstand bieden aan de verzoeking om zich om te keeren,
+ten einde een poging te doen om hem, dien zij met zooveel verdriet
+verlaten had, nog eenmaal te zien. Er was niemand meer op de grens
+van het bosch. Het geweervuur had niet aangehouden. In het bosch was
+het weer doodstil geworden.
+
+Maroessia ging weer verder. Van vermoeidheid was geen sprake meer;
+haar vriend had het verlangd; zij had vleugels aan de voeten. Het
+boekweitveld is overgeloopen, daar is de kleine brug, zij legt
+er haar beide kransen op neer. Een dof geluid was tot haar ooren
+doorgedrongen. Zij luistert, het geluid komt naderbij en wordt
+duidelijk hoorbaar. Het moet het getrappel zijn van een paard, dat in
+galop voortrijdt. Is de ruiter een vriend of een vijand? Het is geen
+kozak. In de verte zou men zeggen, dat het een Tartaar was. Toen zij
+met den ouden zanger reisde, ontweken zij die Tartaren altijd. Zij
+keert terug en loopt de brug nog eens over. Gelukkig liggen de
+kransen er nog op. Maroessia is tevreden. Zij zal zich in het riet
+verschuilen. De ruiter komt met lossen teugel aanrijden. Zou hij
+haar opgemerkt hebben? Zij hoopt van niet. Maar nauwelijks had
+Maroessia eenige schreden door dit riet gedaan, dat aan den kant
+van den stroom groeide, of er viel een schot. De roode zakdoek,
+evenals het lieve kopje, dat hij omgaf, waren te midden van het riet
+neergevallen. Men zou gezegd hebben, dat het een patrijs was, die in
+zijn vlucht gestuit wordt.
+
+De Tartaarsche ruiter is de brug overgereden. Hij wil er zich van
+verzekeren, dat zijn schot raak is geweest; op zijn paard gezeten,
+zoekt hij en bemerkt het bevallige lichaam, dat daar op den grond
+uitgestrekt ligt. Het is slechts een kind! Maar wat beteekent die
+roode zakdoek, dien zij om het hoofd heeft? Het is een vod, die zijn
+kogel doorboord heeft. Het is niet de moeite waard, dien op te rapen.
+
+De ruiter spoort zijn paard weder aan, vervolgt zijn weg en verdwijnt
+als iemand, die in zijn verwachting teleurgesteld is. Maroessia
+was voor hem slechts een schim, die zich op zijn weg even aan hem
+vertoond had.
+
+Alles is weder stil geworden. De zaak was ook zoo vlug in haar werk
+gegaan. Men zou zeggen, dat er niets bij die brug was voorgevallen.
+
+Intusschen komt er een boer, die een zwaren takkenbos op zijn schouders
+draagt, met langzame schreden uit het kleine bosch, dat Maroessia
+links van de brug moest vinden. Vervolgens loopt hij den molen voorbij,
+die door het heldere licht der maan verzilverd wordt. Hij heeft geen
+haast, hij kijkt rechts noch links. Hij heeft er geen vermoeden op,
+dat de weg, dien hij wil inslaan, kort geleden niet veilig was.
+
+Hij loopt de brug op. Hij ziet de beide kransen liggen, hij raapt ze op
+en haakt ze aan zijn takkenbos vast. Zeker heeft hij dochtertjes. Hij
+zal de kransen aan haar geven. Hij is de brug overgeloopen. Zijn
+last wordt hem te zwaar. Hij legt dien voor een oogenblik neer en
+leunt, om uit te rusten, met zijn armen op den boomstam, die aan deze
+eenvoudige brug tot leuning dient. Vandaar kijkt hij werktuigelijk
+in de rondte. Wat ziet hij daar in het riet liggen? Men zou zeggen,
+dat het een ruiker roode bloemen was. Hij moet dat meer van nabij
+bezien. Het is een meisje. Een van haar voeten hangt in het water. Hij
+nadert. Hij tilt het ontzielde lichaam op en trekt het een weinig op
+den kant. Hij kijkt met medelijden naar het schoon gelaat, dat door den
+dood verbleekt is, legt de hand op het kleine, moedige hart, dat niet
+meer klopt, slaat het teeken des kruises, spreekt deze woorden uit:
+"Dat God je ter hulpe zij!" waarop het kind niet meer kan antwoorden:
+"God heeft mij geholpen," staat op en verwijdert zich, terwijl hij zijn
+takkenbos vergeet en alleen zijn kransen behoudt, in aller ijl. Hij is
+de brug weder overgegaan. Waar gaat hij zoo haastig heen? Verder dan
+den molen, naar den kant van het bosch. Wat heeft hij een haast om
+er weer in te komen! Wat drukt hij aan zijn borst, wat verbergt hij
+onder zijn kleeren? Het is de roode zakdoek, die het blonde hoofd
+versierde, het hoofd van het meisje, dat haar vaderland zoo lief
+had. Hij neemt dien mede. De roode zakdoek en de kransen zijn ter
+bestemder plaatse aangekomen. Maroessia heeft haar taak volbracht. De
+anderen, de laatste getrouwen, en haar groote vriendin zijn gered!
+
+
+
+
+XXI.
+
+GLORIA VICTIS!
+
+
+Dat alles is al lang, heel lang geleden. Na verloop van honderd,
+misschien wel van tweehonderd jaren, blijft er slechts een legende van
+over. Nog heden ten dage kan men op een heuvel, door menschenhanden
+gemaakt, den hoogsten van alle van dezelfde soort, die men in dit
+land aantreft, een groot kruis van graniet zien staan. Op dit kruis
+is met de punt van een dolk een naam gegrift: _Maroessia_.
+
+De geheele heuvel heet de Koergane, dat is het graf van het meisje. Het
+is bedekt met een prachtig tapijt van groen, steeds bezaaid met
+prachtige en geurige bloemen, die slechts daar groeien, die men
+nooit elders heeft gezien en die men nimmer elders zien zal. Die
+bloemen zijn prachtig. Als men ze verplant, weigeren zij te groeien:
+zij sterven terstond. Men heeft getracht, ze op andere plaatsen te
+zaaien: zij komen er zelfs niet op. Men heeft ze een naam gegeven,
+den eenigen, die er voor past: men noemt ze Maroessia's.
+
+Men vertelt, dat een kozak, beroemd door zijn moed, zijn verstand,
+zijn schoonheid en zijn goedheid, en meer nog door zijn liefde voor
+zijn vaderland, dezen grooten heuvel alleen heeft opgeworpen.
+
+Hij had slechts één arm, daar hij den anderen verloren had in het
+laatste gevecht, dat er voor de onafhankelijkheid van de Ukraine
+geleverd werd; en met de eenige hand, die hem overbleef, de aarde hand
+voor hand aandragende, heeft hij dezen heuvel opgeworpen. Hij had
+er vele jaren aan besteed. Nog op jeugdigen leeftijd was hij er mee
+begonnen, zijn baard en zijn haar waren grijs geworden, toen hij het
+voltooide. Intusschen zeggen sommigen, dat een kleine jongen, Taras
+genaamd, hem zoolang, zoolang had gebeden en gesmeekt, totdat hij
+zijn hulp had aangenomen, en dat op den langen duur ook deze jongen
+bij dit werk oud geworden was. De legende zegt verder, dat, toen
+de Koergane hoog genoeg was, en toen het kruis er op was geplaatst,
+de kozak zich aan den voet daarvan neerzette en er tot aan zijn dood
+weende. Vóór dien dag had niemand een leeuw tranen zien storten. Het
+zijn de tranen, die er aan zijn oogen ontvloeiden, welke deze zoo mooie
+en geurige bloemen deden ontluiken, die vroeger nooit in eenig deel
+van de wereld hadden gebloeid. Zij, die de taal der bloemen weten te
+verstaan, verzekeren, dat men ze op avonden, als het volle maan is,
+kan hooren fluisteren: "Wij kunnen nergens anders bloeien dan op het
+graf van hen, die hun leven voor het vaderland hebben gegeven." De
+kinderen, jongens en meisjes, vergezeld van hun ouders, komen alle
+jaren uit alle deelen van het land, om een bedevaart te doen naar het
+graf van het kleine meisje. Ieder hecht er zijn bloemkrans aan. Zij
+brengen er portretten heen, medailles, ter eere van Maroessia geslagen.
+
+En er is er geen, die niet Maroessia had willen zijn...
+
+
+EINDE.
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+I. Een onbekend reiziger 1
+II. De kleine Maroessia 12
+III. Een roovergeschiedenis 30
+IV. De vlucht 50
+V. Een ontmoeting 56
+VI. Bij den ouden Kniesj 68
+VII. Op dezelfde plaats 77
+VIII. Het ontwaken van Iwan 84
+IX. De ware Kniesj 92
+X. Men ziet elkaar terug 98
+XI. Woorden en muziek 107
+XII. Men nadert 117
+XIII. De hetman zwicht 124
+XIV. Ontmoetingen 131
+XV. Op het water 135
+XVI. Te Gadiatsj 143
+XVII. Speel niet met dolken! 154
+XVIII. Het gelukkige jaar 164
+XIX. Laatste kransen 173
+XX. De doorboorde zakdoek 182
+XXI. Gloria victis! 192
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] De Setsj is een eiland in den Dnjepr, waar de Zaporoger kozakken
+hun legerkamp hadden opgeslagen.
+
+[2] _Pane_, in Polen en in Klein-Rusland het woord voor Mijnheer.
+
+[3] _Barien_, een Rutheensch woord, dat zooveel beteekent als baas.
+
+[4] Eere zij den overwonnenen!
+
+[5] Homerus was de bekendste dichter der oudheid. Hij bezong de
+heldendaden van zijn landgenooten, de Grieken.
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MAROESSIA ***
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions will
+be renamed.
+
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
+United States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for an eBook, except by following
+the terms of the trademark license, including paying royalties for use
+of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
+copies of this eBook, complying with the trademark license is very
+easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
+of derivative works, reports, performances and research. Project
+Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
+do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
+by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
+license, especially commercial redistribution.
+
+START: FULL LICENSE
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
+Gutenberg-tm electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
+person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
+1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
+Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
+you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country other than the United States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
+on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
+phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+ most other parts of the world at no cost and with almost no
+ restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
+ under the terms of the Project Gutenberg License included with this
+ eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
+ United States, you will have to check the laws of the country where
+ you are located before using this eBook.
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
+Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
+other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg-tm website
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
+Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
+provided that:
+
+* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation."
+
+* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
+ works.
+
+* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+
+* You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
+the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
+forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
+Defect you cause.
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
+www.gutenberg.org
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
+Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
+to date contact information can be found at the Foundation's website
+and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
+widespread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
+state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+
+Most people start at our website which has the main PG search
+facility: www.gutenberg.org
+
+This website includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.