diff options
Diffstat (limited to '18406-0.txt')
| -rw-r--r-- | 18406-0.txt | 6266 |
1 files changed, 6266 insertions, 0 deletions
diff --git a/18406-0.txt b/18406-0.txt new file mode 100644 index 0000000..50d94a6 --- /dev/null +++ b/18406-0.txt @@ -0,0 +1,6266 @@ +The Project Gutenberg eBook of Maroessia, by Marko Vovtchok + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you +will have to check the laws of the country where you are located before +using this eBook. + +Title: Maroessia + De Ukraineesche Jeanne D'Arc + +Translators: Marko Vovtchok + P. J. Stahl + A. C. Slop + +Illustrator: Th. Schuler + +Release Date: March 12, 2022 [eBook #18406] + +Language: Dutch + +Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading + Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MAROESSIA *** + + + + + + + P. J. Stahl + + + Maroessia + De Ukraineesche Jeanne d'Arc + + + + Tweede druk + Geheel herzien door + A. C. Slop + + Met 62 illustratiën naar teekeningen van + Th. Schuler + + + D. Bolle--Rotterdam + + + + + + + + +I. + +EEN ONBEKEND REIZIGER. + + +Ik zal u eens iets vertellen, dat heel lang geleden in de Ukraine is +voorgevallen, en wel in een vergeten, maar frisschen en bekoorlijken +hoek van deze landstreek. + +Ik houd veel van die streken, waarover men weinig spreekt, die de +vreemdeling niet bezoekt, die men aan zich zelf overlaat, die haar +schuilplaatsen en haar geheimen, haar groote smarten en haar eenvoudige +genoegens voor zich houden. De geschiedenis van die streken is meestal +niet bekend. Men ontmoet er, wat men nergens anders vindt: zaken en +menschen zijn er nieuw. Die landen hebben,--zonder het aan iemand te +zeggen,--soms ook hun helden, waarachtige helden. + +Ik houd ook veel van helden,--vooral als zij er zich niet op beroemen, +dat zij 't zijn,--als zij eerlijk en oprecht zijn, als zij groote +dingen doen, zonder luidkeels te roepen: "Kijk eens aan! dat heb ik +nu gedaan! Onthoudt mij mijn belooning daarvoor niet!" maar alleen +omdat zij niet anders zouden kunnen dan heldhaftig te zijn. + +Welnu, in dat afgelegen hoekje van de Ukraine stond vroeger een huis, +dat precies gebouwd was als andere buitenhuizen; en dit huis werd +bewoond door een kozak, Danilo Tsjabane, en zijn gezin. + +Men verwarre de kozakken uit de Ukraine niet met die van den Don, +met die mannen met hun zware baarden, hun woeste oogen, hun ruwe taal +en hun onbeschofte manieren; zij lijken daar heelemaal niet op. + +De bewoners van de Ukraine laten hun baard pas groeien, als zij vijftig +jaar zijn. Daaruit volgt, dat men in dit land alleen maar grijze +baarden of geen baarden ziet. De jongeren hebben snorren, evenals +de Polen. De bewoners van de Ukraine zijn groot, stevig en forsch +gebouwd. Zij hebben voor 't grootste deel regelmatige gezichtstrekken, +keurig gepenseelde wenkbrauwen, groote oogen, en een kalme, edele, +eenigszins strenge gelaatsuitdrukking, die wel eens somber schijnt. + +In den tijd, toen de Ukraine een republiek was, zag zij zich gedurende +verscheidene jaren tusschen twee vuren geplaatst: Rusland en Polen. Men +zou zelfs kunnen zeggen; "tusschen vier vuren," als men de Turken +en de Tartaren meetelde. Eindelijk had deze republiek, omdat zij het +met de Polen niet eens kon worden, de "broederlijke" voorstellen van +Rusland aangenomen. + +"Wij zijn te zwak om met onze naburen te blijven vechten. Wij hebben +den oorlog tot dusverre met roem gevoerd; maar wij zullen tenslotte +toch moeten verliezen. Rusland stelt ons een verbond voor. Laat ons +dit aannemen." + +Zoo dacht en sprak het oude opperhoofd Bogdan Kmielnitski, en het +volk had zijn raad opgevolgd. + +In het eerst ging alles goed. Vrijheid, gelijkheid, broederschap: de +Russen eerbiedigden dat alles; maar langzamerhand kwam er verandering +in den staat van zaken. + +Na verloop van nog geen jaar had het volk genoeg redenen om tegen +zijn opperhoofd Bogdan te zeggen: "Wat hebben wij gedaan?" + +Toen de oude Bogdan dit hoorde, huilde hij, naar men zegt, voor het +eerst van zijn leven. + +"Laat ons een poging doen om het gedane te herstellen," zei hij; +maar hij slaagde er niet in en stierf van verdriet. + +Na zijn dood had de Ukraine veel beproevingen te doorstaan. Zij +werd in twee partijen verdeeld: de eene was nog altijd voor Rusland, +de andere hield het met Polen. + +Maar er was ook een derde partij ontstaan. Deze was voor de volstrekte +onafhankelijkheid van de Ukraine. Ongelukkig was die partij niet +talrijk. Op het tijdstip dat de zaken zoo staan begint ons verhaal. + +De kozak Danilo Tsjabane dan, bewoonde met zijn gezin een huis op +het platteland. + +Danilo had dit huisje geërfd: zijn vader, die het van zijn vader +gekregen had, die het ook weer van den zijnen had gekregen, had het +hem bij zijn overlijden nagelaten. Ik weet niet, hoevele geslachten +van de Tsjabanes daarin wel gewoond hadden. + +Het huis was, daar het tusschen een onafzienbare steppe en een +uitgestrekt bosch, tusschen een diepe rivier en een grasrijke weide, +tusschen een hoogen berg en een frissche vallei stond, prachtig +gelegen en mooi gebouwd. + +In het noorden strekte zich een eindelooze steppe uit. Men zou gezegd +hebben, dat het een oceaan van groen was, met bloemen bezaaid. In +het zuiden verhieven zich de bergen, nu eens met boomen begroeid en +groen gekleurd, dan weer kaal en steenachtig. De vallei, waarin geen +rijwegen en zelfs geen voetpaden te zien waren, strekte zich aan den +oostkant uit. De rivier, waarvan het water eene blauwachtige tint had, +besproeide de weide. + +En bij dat alles, hadden de bewoners van het huisje, om hun geluk +volmaakt te voelen in hun nabijheid goede buren en trouwe vrienden. + +Op feestdagen ontving het gezin van Danilo Tsjabane verscheidene +bezoekers. Nu eens was Semene Vorosjilo de eerste, die kwam, dan +weer Andry Kroek, of ook hoorde men reeds in de verte de heldere en +welluidende stem van Hanna, die zoo hartelijk kon lachen, of zag men +het kleine schuitje van Wassiel Grime aanleggen. En na deze kwamen er +nog vijf, soms wel tien anderen, mannen en vrouwen, jongens en meisjes, +ook wel kinderen en zelfs grijsaards; want iedereen was er op gesteld, +Danilo te bezoeken. + +Op het oogenblik waarop ons verhaal begint heerschte er, zooals we +reeds gezegd hebben, overal in de Ukraine groote verwarring. + +Het land, aan den eenen kant door de Russen begeerd, aan den anderen +door de Poolsche aristocratie, van beide kanten verpletterd, was in +vollen opstand en betreurde zijn verloren onafhankelijkheid diep. De +Ukraine was door de Russische troepen overstroomd. Het opperhoofd +van de Moscovitische party werd met gunsten en geschenken van den +Czaar overladen; het opperhoofd van de Poolsche partij had zich in +een stad versterkt en noodigde alle vrienden der vrijheid uit, zich +bij hem aan te sluiten. + +Het was moeilijk partij te kiezen... + + + +Er was een samenkomst ten huize van Danilo Tsjabane. De avond was +somber, de gasten waren in gedachten verzonken. De aanvoerders zelf +hadden moeite om een vroolijk gezicht te zetten. Men keek elkander +meer aan, dan men met elkaar sprak. Het was duidelijk te zien, dat +allen onder dezelfde zorgen gedrukt gingen. + +Van tijd tot tijd richtte men enkele vragen tot Andry Kroek: "Waren de +muren van Tsjigirine stevig genoeg om een aanval te weerstaan? Was er +op de verdedigers wel staat te maken? Als men de laatste proclamatie +van het opperhoofd nog eens voorlas? Er waren er die er niets van +wisten. Had hij ook gehoord, of er zich veel vrijwilligers aanmeldden?" + +Andry Kroek, die blijkbaar zeer goed over al die dingen ingelicht +was, antwoordde zonder eenige aarzeling. Hij beschreef de wallen, +de grachten, de poorten en de schansen van Tsjigirine, als iemand, +die er geweest is en dat alles meer dan eens gezien heeft, en wel +nog niet zoo lang geleden. + +Terwijl de mannen praatten, stonden de spinnewielen stil: de vrouwen +luisterden in angstige spanning. En als de mannen zwegen en rookten, +wisselden zij op fluisterenden toon een paar woorden. + +"Alweer een slag bij Welika," zeide er een. + +"Hoeveel dooden?" vroeg Mogila. + +"Men heeft Terny in brand gestoken; de huizen zijn niet meer dan een +puinhoop, en het dorp Krinitza staat nog in brand." + +"Weet je ook," zei een meisje, "weet je ook, of..." + +Maar verder kwam ze niet; tranen kwamen in haar oogen, en moedeloos +liet zij het hoofd zinken. + +Een oude vrouw, met een bruinen doek om het hoofd, waaruit weelderige +grijze lokken te voorschijn kwamen, met een koud en streng gezicht, +waarin twee groote zwarte oogen als sterren fonkelden, zei: + +"Mijn zoons zijn allen dood. Ik sta alleen op de wereld. Zij zeiden +allen: 'Wij trekken ten strijde,' en ik keek ze aan, zeggende: +'Goed, kinderen!' en zij voegden er bij: 'De Ukraine zal haar +onafhankelijkheid herkrijgen!' en ik antwoordde nogmaals: 'Goed, +kinderen!' Alle drie zijn zij op het slagveld gebleven, en de Ukraine +is nog niet vrij!" + +"Ach," zei een jonge vrouw, "men laat zich doodschieten, en men +heeft nog niets gewonnen. Als men nog maar bij zich zelf kon zeggen: +'Ik sterf, maar ik laat aan de anderen de taak over, waarnaar ik +heb gestreefd.'" + +De oude vrouw viel haar in de rede. + +"Je hebt mij niet begrepen. Als er sprake van het vaderland is, +dan onderhandelt men niet, dan zegt men niet bij zich zelf: 'Zal ik +slagen?' maar: 'Het is mijn plicht,' en men gaat ten oorlog. Als men +gedood wordt, heeft men een gelukkigen dood; goed te sterven is een +beter lot dan slecht te leven. Mijn zoons hebben zoo gehandeld. Als +zij nog eens ten strijde konden trekken, zouden zij het weer zoo doen." + +"Je hebt gelijk," zeiden verscheidene vrouwen. + +Anderen zeiden niets, maar begonnen zacht te huilen. De kinderen waren +ook terneergeslagen. Zij speelden niet, zij praatten of lachten niet, +maar zaten, heel stil, in de hoeken van de kamer, terwijl zij naar +de groote menschen keken en naar hun gesprekken luisterden. + +Een klein, heel klein meisje, met blond haar, met groote, frissche +fonkelende oogen en lippen, scheen de eenige, die geheel in haar +eigen gedachten verdiept was. Zij nam eenige biezen in haar schort +en vlocht daarvan een mooie mat. + +Het werd later op den avond, en in het vertrek werd het al somberder +en stiller. Iedereen bewaarde het stilzwijgen: het meisje viel in +slaap met haar onvoltooide mat tusschen haar vingers. + +De nacht brak aan, en de sterren fonkelden. + +Eensklaps werd er op het raam geklopt. + +Dit was zoo onverwacht, dat niemand zijn ooren wilde gelooven; maar +men klopte nog eens, en nog eens, heel duidelijk, erg hard. + +De heer des huizes stond op en ging naar de deur om open te +doen. Zijn gasten en zijn vrienden staken hun pijpen op en begonnen +te rooken. Weer deed zich een luid geklop op de ruiten hooren. De +rookers huiverden, de kinderen keken elkander aan. Danilo deed de +deur half open. + +"Wie klopt daar?" vroeg hij. + +Eene stem, een krachtige en mannelijke stem antwoordde, dat een +verdwaalde reiziger gastvrijheid vroeg. + +"Wees welkom!" zeide Danilo en hij deed de deur wijd open, terwijl +hij den reiziger uitnoodigde om binnen te komen. + +Men zag enkele sterren, een koude avondwind drong in de warme kamer +door; vervolgens vertoonde zich op den drempel een man, die een +rijzige gestalte had; hij was genoodzaakt z'n hoofd te buigen, om +binnen te kunnen komen. + +Zijn gezicht was een van die edele, waarop de onverschilligste +blikken zich met een plotseling gevoel van achting vestigen. Zijn +groote gestalte was sierlijk en lenig. Zijn heele voorkomen verried +kalmte en sterkte; maar het meest vielen zijn oogen op, zwarte oogen, +die fel schitterden. + +Danilo en zijn vrienden waren door dat alles getroffen; maar de +Ukrainiërs kunnen hun gewaarwordingen voor zich zelf houden, en zij +lieten er dan ook niets van blijken. Zij ontvingen den reiziger, +zooals iedere reiziger in een fatsoenlijk huis moet ontvangen worden, +met hartelijkheid en voorkomendheid. Men verzocht hem, bij de tafel +plaats te nemen, en haastte zich, hem iets aan te bieden. + +De reiziger bleek een eenvoudig en beschaafd man te zijn. Omdat +hij een onbekende was en bijgevolg geen recht had om zich met de +bijzondere belangen van zijn gastheer en diens vrienden te bemoeien, +trachtte hij zich niet op den voorgrond te plaatsen. Hij vertelde niet, +zooals anderen dit zouden gedaan hebben, zijn avonturen. Hij meende +vreemdelingen geen deelgenoot te moeten maken van zijn plannen, als +hij die tenminste had. Hij deed geen vragen en antwoordde slechts +met weinig woorden. Als hij sprak, dan was het over onderwerpen, +die op dit oogenblik allen bezighielden: over de rampen van het land, +over de verbrande steden, over de verwoeste velden, die hij op zijn +weg had gezien. Danilo en zijn vrienden volgden zijn voorbeeld. Zij +vroegen zich waarschijnlijk wel af, waar hij vandaan kwam en waar +hij naar toe ging, en ook in welk land hij geboren was; maar omdat +hij dat niet zei, vroegen ze 't hem niet. Men merkte wel, dat hij, +ofschoon nog jong, veel wist. Hij kende de Turksche zeden, de Poolsche +gewoonten, het Russische karakter, de Tartaarsche gebruiken en het +scheen, dat de Setsj hem ook niet onbekend was. [1] + +Wat de Ukraine aangaat, het bleek wel, dat hij deze in allerlei +richtingen doorkruist had, dat hij de groote steden zoowel als de +dorpen bezocht en er misschien wel gewoond had. Meer dan een had +zich ook afgevraagd, hoe hij aan het litteeken kwam, dat hij op +z'n linkerwang had, waar hij deze wond had gekregen, die zeker wel +door een scherp wapen was toegebracht. Maar dat ging hem alleen +aan. Ieder zijn geheimen. Intusschen werd de reiziger, zonder +twijfel ingenomen met de gulle ontvangst, die hem ten deel viel, +uit zich zelf mededeelzamer. Hij vertelde van de veldslagen, die er +onlangs geleverd waren. Het was, alsof men er zelf bij tegenwoordig +was. Iedereen luisterde met ingehouden adem naar hem. De mannen, +gewoonlijk zoo kalm, raakten in vuur: de vrouwen snikten. De kinderen +hingen aan zijn lippen, alsof hij een mooi sprookje vertelde. + +Hij had juist een verhaal beëindigd; de stilte woog zwaar, ieder +was met z'n eigen gedachten bezig. Plotseling schrikten zij op. Twee +schoten klonken in den nacht, gevolgd door meerdere. + +Men luisterde scherp. De schoten kwamen van den kant der steppe. Een +langen tijd wachtte men of er misschien nog meer zouden volgen, +maar alles was weer stil geworden. + +"Zoo, wordt er in deze vreedzame streken ook al kruit +verschoten?" vroeg de reiziger toen. + +"Dat schieten moet van den kant van den straatweg naar Tsjigirine +komen," beweerde Andry Kroek. + +"Het is van verschillende kanten gekomen," zei Danilo hoofdschuddend. + +Het was intusschen al laat geworden. De vrouwen stonden op om naar +huis terug te keeren want het werd voor de kinderen tijd om naar bed +te gaan. + +Men zei elkaar op den drempel nog eenmaal goedendag, men wisselde +een glimlach, men knikte elkander vriendelijk toe. Alles ging als +gewoonlijk, en toch gevoelde ieder, dat er storm in aantocht was. + +"Wel te rusten!" zeide men. "Goeden nacht!" + +Toen verspreidde het heele gezelschap zich langs de donkere voetpaden +en verdween in de duisternis. De beide trouwe vrienden Andry Kroek +en Semene Vorosjilo bleven alleen met Danilo achter. De reiziger +bleef ook. + + + + +II. + +DE KLEINE MAROESSIA. + + +Toen allen vertrokken waren begaf de vrouw des huizes zich naar een +kamer naast die, waarin de samenkomst gehouden was. + +"Is er ook een middel om van hier naar Tsjigirine te komen?" vroeg +de reiziger. Zijn stem was eenigszins gedaald, terwijl hij die vraag +deed, zooals het onwillekeurig gaat, wanneer men voelt, dat het gevaar +misschien dichter bij is, dan men wil zeggen. + +"Dat zal moeilijk gaan," antwoordde Danilo, terwijl hij ook zijn stem +liet dalen. + +Zijn beide vrienden zeiden niets, maar zij bliezen een paar ontzaglijke +rookwolken uit hun pijpen en fronsten hun zware wenkbrauwen. + +Dit drukte zonder woorden, maar toch heel juist uit, dat zij het +volkomen met Danilo eens waren. De oogen van den reiziger vestigden +zich een oogenblik op het onbeweeglijke gezicht van Danilo, vervolgens +op de niet minder onbeweeglijke gezichten van zijn vrienden. Een +enkele blik van zijn doordringende oogen was voldoende om hun het +bewijs te leveren, dat hij gewoon was, het gevaar te verachten, +en dat hij de behendigheid had om desnoods de slagen af te weren, +die men hem toebracht. + +"En toch moet ik er naar toe," zeide hij na eenige oogenblikken, +"en wel regelrecht en langs den korsten weg." + +"Regelrecht naar Tsjigirine?" antwoordde Andry Kroek. "Op dit oogenblik +bestaat daar geen kans op." + +"Is het nog ver?" vroeg de reiziger. + +"De lengte van den weg doet er voor hem, die goede beenen heeft, +weinig toe, als de weg maar goed is," zeide Semene Vorosjilo, "maar +al was deze ook nog zoo kort, wat doet dat er toe, als hij toch +onbegaanbaar is?" + +Bij het uitspreken van deze woorden sloeg Semene Vorosjilo een blik +op den reiziger. + +"Het staat niet altijd aan ons, reizigers," antwoordde de onbekende, +"den aangenaamsten weg te kiezen. Bij gebrek van een goeden, moeten +wij ons met een slechteren tevreden stellen; maar als er eenmaal +bepaald is, dat men ergens zal komen, is er geen terugkrabbelen +mogelijk. Maar hij die zich een veiligen gids of een trouwen reisgenoot +weet te verschaffen, is goed af! Ik wil het niet voor u verbergen; +het is mij meer dan eens gebeurd dat ik, op het oogenblik, waarop +ik er het minst aan dacht, maar er het meest behoefte aan had, een +trouwen kameraad gevonden heb." + +Bij deze woorden van den vreemdeling richtten Danilo en zijn beide +vrienden het hoofd op. + +"Wat U zegt is waar," antwoordde Danilo; "een dappere metgezel, +op wien men staat kan maken, is goud waard." + +"Het ontbreekt in de Ukraine niet aan vastberaden mannen," zei Andry +Kroek. "In dit opzicht kan ik zeggen, dat geen land ons vaderland +overtreft." + +"Goed geantwoord, Kroek!" zeide Danilo. "De Polen kunnen er zich op +beroemen, dat zij onverschrokken heeren hebben, de Turken schitterende +sultans, de Moscoviten slimme en knappe mannen; wat ons betreft, +wij kunnen één ding verklaren, dat tegen al het andere opweegt, +en wel dat wij broeders zijn." + +"Op eenige uitzonderingen na heeft u gelijk," antwoordde de reiziger. + +"Op de beste velden vindt men wel een enkel onkruidje," liet Danilo +hierop terstond volgen. "Is de tarwe daarom minder goed?" + +"Nee, zeker niet," zeide Vorosjilo. "Maar ... er is iets, dat niet +mag worden voorbijgezien." + +"En dat is?" vroeg de reiziger. + +"Dat men niet altijd de tarwe van het onkruid kan onderscheiden. Wie +een zwarte kap draagt, is niet altijd een monnik." + +"Een goede herder herkent zijn schapen, zelfs onder een +wolfshuid!" antwoordde de vreemdeling. + +Er heerschte een diep stilzwijgen; men keek elkander nog eenmaal aan; +woorden waren overbodig. + +"Broeders!" zei plotseling de reiziger, "de inwoners van de Setsj +bieden u achting en vriendschap aan. Ik ben hun afgezant. Ik ga +naar Tsjigirine." + +"Wij zijn tot uw orders; wij zijn uw vrienden," zeiden de drie +Ukrainiërs als uit één mond. + +"Wat hebben jullie mij te vertellen? Wat weten jullie? Wat valt er +hier voor?" vroeg de afgezant van de Setsj. + +"Niets goeds," antwoordde Danilo. "De een heeft een verbond van +vriendschap met de Moscoviten gesloten; de ander is misschien op +dit oogenblik met de Polen in onderhandeling, nadat hij de Turken +vruchteloos uitgenoodigd heeft, hem te hulp te komen." + +"Ja, het is maar al te waar!" zuchtten de vrienden van Danilo en hun +manlijke gezichten drukten diepe smart uit. + +"Dat is voor mij een reden te meer om naar Tsjigirine te gaan," +antwoordde de afgezant van de Setsj, "en liefst zonder tijd te +verliezen." + +"Alle wegen zijn afgesneden," antwoordde Vorosjilo. + +"En de weg naar Gonna?" + +"Door de Moscoviten bezet en in staat van verdediging gebracht." + +De afgezant begon na te denken, niet over de bezwaren, maar over het +middel om zijn doel te bereiken. + +"Wij, kozakken van de Setsj," zeide hij eindelijk, "wij zijn noch voor +de Moscoviten, noch voor de Polen. Wij zijn voor de Ukrainiërs. Jullie +begrijpen dus wel, dat ik naar Tsjigirine mòet. Van jullie beide +opperhoofden heeft de een zich verkocht, naar men zegt ... maar +de ander?" + +"De ander, de hetman Petro Dorosjenko," zeide Kroek, "is een eerlijk +man." + +"Dat weet ik," zei de afgezant. "Maar omdat hij trotsch, +hartstochtelijk en te overijld is, vrees ik, dat hij, terwijl hij de +Ukraine wil redden, haar in het verderf stort. In zijn verbittering +tegen de Russen vergeet hij, dat wij nog andere vijanden hebben. Hij +is op het punt om een dwaasheid te begaan en van den regen in den +drup te komen. Ik ben uitgestuurd om hem dit te beletten;--maar om +daarin te slagen, moet ik hem zien en spreken. Als ik draalde..." + +Hier zweeg de afgezant en keek om zich heen. De vrouw des huizes was +nog afwezig, twee kleine jongens sliepen rustig op een breede bank. Hij +was op het punt om weer met spreken voort te gaan, toen hij eensklaps +achter in het vertrek twee fonkelende oogen op zich gevestigd zag, +die zijn woorden schenen te verslinden. Hij wilde opstaan en er naar +toe gaan, toen hij tot zijn verwondering bemerkte, dat die twee +fonkelende oogen toebehoorden aan een eenvoudig en bevallig kind, +dat, in een donkeren hoek der kamer verscholen, hem als een betooverde +vogel aankeek. + +Danilo had den blik van den afgezant gevolgd en ontdekte het meisje +dat zijn aandacht getrokken had. + +"Het is mijn dochter," zeide hij, "mijn dapper kind." Hij riep haar +"Maroessia, kom eens hier!" + +Maroessia kwam. + +Het was een echt Ukrainisch meisje met zware oogleden en met wangen, +die door de zon gebruind waren, een echt type van haar ras. Zij droeg +naar de wijze des lands een geborduurd hemd, een donkerblauwe jurk +en een rooden gordel; hare prachtige blonde lokken hingen in zware +vlechten neer, en, ofschoon gevlochten, golfden zij toch nog en +schitterden als zijde. + +"Maroessia!" zei haar vader, "heb je ons gesprek afgeluisterd?" + +"Ik wilde het niet afluisteren," antwoordde Maroessia. "Maar +onwillekeurig drongen de woorden tot mijn ooren door, en toen begon +ik scherper te luisteren." + +"En wat heb je dan gehoord, mijn kind?" + +"Ik heb alles gehoord." + +Hare stem klonk welluidend. + +"Vertel me dan eens, wat je gehoord hebt, m'n kind." + +De fonkelende oogen van Maroessia wendden zich naar den afgezant van +de Setsj, toen zij zei: + +"Ik heb begrepen, dat het noodig was, dat de groote vriend van dezen +avond erg gauw in Tsjigirine kwam, en dat het voor het welzijn van +de Ukraine noodig was, dat hij den hetman kon zien en spreken." + +"Dan heb je alles gehoord en begrepen," zeide Danilo. "Maar luister +eens, Maroessia! Van wat je gehoord hebt, mag je tegen niemand een +woord zeggen. Als iemand je er naar vraagt, dan weet je niets. Begrijp +je, wat een geheim is?" + +"Dat is iets, dat je nooit verraden mag," zei het kind. + +"Welnu," zei de vader op een ernstigen toon, "je bent nu in het bezit +van een geheim." + +"Ja, vader!" zei Maroessia. + +Danilo sprak er niet meer over. Maroessia behoefde niets te beloven, +maar er lag in die twee woorden: "Ja, vader!" door het meisje +gesproken, op dien toon al een belofte. + +"Waar is je moeder?" vroeg Danilo. + +"Zij maakt het avondeten klaar." + +"Ga haar zeggen, dat je broertjes in slaap gevallen zijn." + +Maroessia ging naar de deur, maar op het oogenblik, waarop zij +deze zou opendoen, bleef zij plotseling staan luisteren naar een +zonderling gedruisch, dat zich buiten deed hooren. Men zou gezegd +hebben, dat het ruiters waren, die in de richting van het huis kwamen +aanrijden. Plotseling nam dit gedruisch toe; kreten en vloeken +vermengden zich al met het gehinnik der paarden. In een oogenblik +was het een rumoer, alsof er een heele afdeeling kwam aanstormen. + +De deur van de kamer werd opengedaan. De vrouw des huizes vertoonde +zich op den drempel; ze zag zoo wit als een doek. + +"Het zijn soldaten," zeide zij, "een escadron, misschien wel een +regiment. Zij zijn er al... + +"Wij moeten ons kalm houden," zei Danilo vastberaden. + +De afgezant van de Setsj was opgestaan, maar zonder overhaasting; +de anderen deden hetzelfde. Geen enkel woord werd er gesproken, +ieder dacht na. + +De moeder van Maroessia onderzocht, of de deur wel goed gesloten was, +en met den rug tegen den deurpost leunende, wachtte zij de bevelen +van haar man af. Maroessia was naast haar moeder gaan staan. Haar +lippen waren een beetje bleek, maar haar gezicht was kalm. + +"Vorosjilo en Kroek," zeide Danilo, "jullie moeten slapen. Mijn vrouw +en mijn dochter zijn met naaiwerk bezig; ik ben niet thuis. Ik ben +op bezoek bij een vriend. Vorosjilo en Kroek waren hier gekomen, om +ossen van mij te koopen, zij hebben misschien wat te veel gedronken, +zij snorken, terwijl zij op mij wachten... Het is er maar om te doen, +tijd te winnen." + +Zich vervolgens tot den afgezant van de Setsj wendende, zei hij: + +"Alleen het voorgedeelte van het huis is bezet; het keukenraam komt +in den tuin uit. Volg mij!" + +Dat alles was zoo vlug in zijn werk gegaan, als een verandering +van tooneel, waarvoor de toebereidselen vooraf gemaakt zijn. De +beide mannen lagen even gerust op de banken te slapen, als de beide +knaapjes. De vrouw des huizes en haar dochter naaiden. Danilo en de +afgezant waren verdwenen. + +"Stijgt af en klopt op de deur!" schreeuwde een ruwe stem van buiten. + +"Slaat die deur maar in!" riep een andere stem, gebiedender dan +de eerste. + +De vrouw des huizes ging, zonder haar naaiwerk neer te leggen, naar +het raam toe. + +"Wie is daar? Wat wilt u?" zei ze met een stem, waarin geen enkele +trilling te hooren was. + +Maar in plaats van een antwoord, vlogen er een paar ruiten van het +raam in stukken, en onmiddellijk daarop kwam er een ruw gezicht, rood +van toorn, met een zwaren snorbaard, door de gebroken ruiten kijken +en wierp naar alle hoeken van de kamer norsche en wantrouwende blikken. + +"Wat heb je mij zoo aan te kijken?" vroeg deze kerel norsch. "Waarom +doe je de deur niet open? Of heb je liever, dat we ze in mekaar +timmeren?" + +"De kinderen slapen," zeide zij een pas terugdeinzende, "en de beide +mannen slapen ook. Maak niet zooveel leven!" + +"Zal je opendoen, schepsel?" schreeuwde de man met het roode gezicht. + +De vrouw van Danilo, als verlamd door den schrik, verroerde zich niet. + +De deur schudde onder de zware slagen der aanvallers, maar bezweek +nog niet. + +Het gelukte den man met het roode gezicht, de helft van zijn lichaam +door de gebroken ruit te wringen. Hij richtte den loop van een pistool +op de borst van de vrouw des huizes en schreeuwde: + +"Als je deur binnen een seconde niet wijd openstaat, dan schiet ik +je als een kraai dood!" + +De vrouw van Danilo deed een stap naar de deur; men zou haar voor +een steenen beeld gehouden hebben, dat trachtte te gehoorzamen aan +een bevel, dat zij niet begreep. + +"Vervloekt wijf!" riep de officier woedend. Maar iemand, die buiten +stond, trok hem uit de ruit terug. Nu vertoonde zich het gezicht van +een anderen officier. + +"Vrouw!" zei deze, "je heele huis zal in brand gestoken worden, en +geen van zijn bewoners zal er levend uitkomen, als deze deur niet +onmiddellijk toegang aan deze manschappen verleent." + +De vrouw des huizes, als verstijfd van schrik, snelde toen naar de +deur; maar hetzij dat onhandigheid, hetzij schrik er de oorzaak van +was, sleutels noch grendels schenen haar te willen gehoorzamen. "Ik doe +al open," riep zij, "ik doe al open, Mijnheeren! Ziet u het niet? Maar +dit slot wil niet open; ik zal het morgen dadelijk laten maken." + +Eindelijk ging de deur open. + +Dat alles had vrij lang geduurd. Soldaten en officieren snelden nu +de woning binnen en begonnen haar heelemaal te onderzoeken. Men zou +gezegd hebben, dat het wolven waren, die hun prooi opspoorden, welke +plotseling verdwenen was. + +De kleinste der jongens, die wakker geworden was, begon luidkeels te +huilen. De oudste keek alles aan, zonder zich te verroeren. + +"Schreeuwleelijk! wil je je mond wel eens houden?" zei een der +officieren tegen het huilende kind. + +De officier met het roode gezicht zei niets tegen hem, maar gaf hem +een schop, waardoor hij onder de bank rolde, waarop hij geslapen had. + +"Lafaard!" zeide het oudste kind. "Lafaard! Als ik groot ben..." + +De leelijke kerel met het roode gezicht had wel wat anders te doen dan +naar hem te luisteren. Met een tweeden schop had hij Kroek overeind +doen komen, die als slaapdronken scheen en zijn verwonderde oogen +beurtelings opendeed en weer sloot. + +Het scheen, dat Vorosjilo, die op dezelfde wijze wakker gemaakt +was, niet wist, wat hij van de zaak moest denken, zoo keek hij zijn +aanvallers aan. Hij noemde den langen officier zijn kameraad Generasime +en den ander zijn kameraad Stephane; hij glimlachte tegen den een +en knikte den ander vriendelijk toe, waarna hij weder op zijne bank +neerviel, zeggende: + +"Laten we gaan slapen: het is tijd." + +De soldaten keken hem beurtelings aan. + +"Hij is het," zeiden enkelen. "Hij is het niet," beweerden +anderen. "Wat een schurkenvolk! Er is er geen een onder, die geen +verrader is." + +"Stil!" riep de man met het roode gezicht. + +Hij had zich aan de tafel gezet, en terwijl hij een onbeschoften wenk +aan de vrouw gaf, zei hij tot haar: + +"Kom eens wat dichterbij!" + +Zij voldeed aan dit bevel. + +"Wie ben je?" vroeg hij. + +"Ik ben de vrouw van Danilo Tsjabane." + +"Waar is je man?" + +"Hij is een vriend gaan bezoeken." + +"Wacht! Ik zal je eens leeren, wat een vriend is!" En hij nam een +knoet, dien een van zijn soldaten droeg. + +"En die twee daar, die twee dronkaards, die twee honden, wie zijn dat?" + +En om de personen beter aan te duiden, raakte hij met zijn knoet de +schouders van Kroek aan en vervolgens die van Vorosjilo. + +"Kan je je mond niet opendoen?" riep hij, terwijl hij met een +dreigenden blik naar haar toe kwam. + +De vrouw deinsde terug, zooals zij zou gedaan hebben, als zij +plotseling tegenover een wild dier gestaan had. Maar na een poging +aangewend te hebben om haar schrik te overmeesteren: antwoordde zij: + +"Het zijn mijn buren, Mijnheer! Zij zijn hier gekomen om ossen te +koopen en waren in slaap gevallen, terwijl zij op mijn man wachtten." + +"Ja, mijnheer! wij zijn hier gekomen om drie ossen van Danilo te +koopen," zeide Andry Kroek, die eindelijk wakker werd. "Ja, om die +ossen, die wij hadden beloofd morgen te zullen leveren, en nu vinden +wij Danilo niet thuis. Nou kan je begrijpen, wat een teleurstelling +dat voor ons was.--'Nou,' zei ik tegen mijn kameraad (hierbij wees +hij naar Vorosjilo, die ook ontwaakt was, maar zijn oogen nog niet +scheen te kunnen openhouden), 'nou,' zei ik tegen mijn kameraad, +'de baas is er niet, dat is een gekke zaak.'--'Ja,' antwoordde mijn +kameraad, 'dat is een gekke zaak; maar er is niets aan te doen.'--'Wij +treffen het slecht!' zeide ik, 'maar het is niet anders, hij is er +niet.'--'Ja,' antwoordde mijn kameraad, 'Danilo is er niet.'--'Dat is +een dag verloren.'--'Ja, verloren,' antwoordde hij, 'maar wat is er +aan te doen?'--'Je kan niet alles vooruit weten.'--'Nee,' antwoordde +mijn kameraad, 'je kan niet alles vooruit weten.'--'Maar hoe moet +het nu met de markt van morgen?'" + +"Zal je nu ook eens ophouden, kanalje?" riep de man met het +roode gezicht. "Verraders! Ik ken die voorgewende onnoozelheid +wel. Soldaten! bindt die schurken, en stevig ook." + +Dit was gauw gebeurd: Andry Kroek en Semene Vorosjilo waren in een +oogwenk gebonden en gekneveld. + +Op dit oogenblik trad de heer des huizes binnen. + +"Wie ben je?" brulde de man met het roode gezicht, die blijkbaar het +opperhoofd van den troep was. "Hoe heeft men je hier binnengelaten?" + +"Ik ben de eigenaar van deze hut, Mijnheer!" antwoordde Danilo, +terwijl hij groette. "Ik kom zooeven thuis." + +"Heidaar, mannen! Zet schildwachten voor de deur, en laat niemand er +uit of in. Hoor je?" zei de officier tegen zijn manschappen. Vervolgens +wendde hij zich tot Danilo met de woorden: + +"Als je je leven op prijs stelt, antwoord mij dan. Waar is de bandiet, +dien wij zoeken? Laat je antwoord duidelijk zijn, Judas! Als je maar +wat om de zaak heenpraat, dan schiet ik je neer. Weet dus, wat je +doet. Waar is de Zaporoger?" + +"De Zaporoger?" antwoordde Danilo verwonderd. "Het is voor de eerste +maal, dat ik dien naam hoor. Ik ken geen Zaporoger." + +"Maak dat aan anderen wijs!" schreeuwde de officier. "Wil je mij wijs +maken, dat je de bandieten niet kent, die je opstoken? Die Zaporoger +is in het land, hij is hier binnengegaan; waar is hij? Beken het +dadelijk, of ik steek je nest in brand en laat er jou met je vrouw +en je kinderen in braden." + +"Mijnheer!" antwoordde Danilo, "ik verzeker u, dat ik nooit heb hooren +spreken over dengene, dien u daar genoemd hebt." + +"Wil je niet spreken? ook goed! Je zaak is duidelijk!" En zich tot +Vorosjilo en Andry Kroek wendende, zei hij tot hen: "Schurken, jullie +kennen dien Zaporoger, dien de duivel hale, zeker ook niet?" + +"Ik vraag u wel excuus, Mijnheer!" antwoordde Semene Vorosjilo, +die meer dood dan levend scheen, "en ik..." + +"Stotter niet zoo, ezel!" + +"Ik heb hem gezien." + +"Heb je hem gezien en heb je het niet dadelijk gezegd, verrader?" + +"Ik durfde het niet doen, Mijnheer! en verder..." + +"En verder, kerel?" + +"En verder was hij al weg." + +"Waar had je hem gezien?" + +"Op de ossenmarkt te Frosny, Mijnheer!" + +"Wien had hij bij zich?" + +"Een grooten hond, Mijnheer! een grooten, zwarten, mooien hond, +van echt ras, die tegen iedereen blafte en die..." + +"Domkop! je bent zelf een hond! Er is geen sprake van den hond, +maar van den baas en van de schurken van jou soort. Die Zaporoger +was zeker niet alleen, een troep deugnieten volgde hem, is 't niet?" + +"Een troep deugnieten, Mijnheer! Welke troep?" + +"Liep er niet een troep mannen en vrouwen achter hem?" + +"Ja, Mijnheer! een heele troep. Men duwde elkaar, men schreeuwde." + +"De namen?..." + +"Welke namen, Mijnheer?" + +"De namen van hen, die achter hem liepen." + +"Maar het was een troep, Mijnheer! niets dan een troep." + +"Domme ezel!" + +"Zie je niet," zei de andere officier, "dat deze kerel idioot is? Je +verliest je tijd met hem." + +"Ik verwonder mij over jou," zeide een derde officier, die gedurende +dit geheele tooneel was blijven zitten. "Waar is die overhaasting goed +voor? Hebben wij den tijd niet om dien ezel in hechtenis te nemen? Is +er bij niets meer haast dan bij het fusileeren van hem? Als hij ons +ontsnapt is, dan zal het toch niet voor lang zijn. Vergeet je, dat wij +sedert vanmorgen als gekken rondloopen zonder te eten en te drinken, +en dat het niet gezond is, een leege maag te hebben? Het ziet er in dit +huisje prettig uit; zou je er wat op tegen hebben, hier eens lekker +te eten? Na een maaltijd zullen wij des te beter geschikt zijn om de +jacht op de bandieten te hervatten. Hemelsche goedheid! je ziet zoo +rood als een kalkoensche haan! Heb je de aanbevelingen van den dokter +vergeten: 'Geen aandoeningen, geen toorn, eene gematigde beweging, +geregelde maaltijden!' En je arme vrouw, die mij zoo plechtig heeft +laten beloven, dat ik over je zou waken en dat ik voor je zou zorgen +als een broeder, zij zou er alles behalve mee ingenomen zijn, als +zij had kunnen zien, aan welk eene onzinnige woede je je overgeeft..." + +"Zwijg!" hernam de man met het roode gezicht. "Zwijg,--en laat ons +een avondmaal gebruiken." + +En, zich tot Danilo wendende, vervolgde hij: + +"Heb je het gehoord? Al het eten, dat er in je provisiekast is, +moet binnen twee minuten op deze tafel staan... binnen twee minuten, +hoor!" En hij gaf op de tafel een slag met de vuist, die het huis op +zijne grondvesten deed trillen. + +"Odarka," zeide Danilo tegen zijn vrouw, "haast je wat!" + +Odarka ging heen en nam haar beide jongens op haar armen met zich mee; +de oudste stribbelde tegen, hij wilde zijn vader niet verlaten. + +Zij kwam spoedig, beladen met levensmiddelen, terug. Zij was kalm +en zeide niets. Intusschen dwaalden haar oogen met een zekere onrust +door de hut heen. + +Semene Vorosjilo en Andry Kroek stonden met de handen op den rug en met +de beenen door middel van stevige touwen aan elkander vastgebonden, in +een hoek der kamer. Danilo stond, met de armen op de borst gekruist, +in een anderen. Met uitzondering van een schildwacht, die de deur +versperde, waren de soldaten verdwenen. De officieren hadden zich +aan den disch neergezet, met hun sabels naast zich en hun pistolen +op de tafel, en aten en dronken, lachten en praatten vroolijk. + +Maar waar was de kleine Maroessia toch? + +Maroessia was, zwijgend als een schim, even na de terugkomst van +haar vader verdwenen. Had de blik van dezen, onbegrijpelijk voor +ieder ander, haar gezegd, wat zij moest trachten te doen, of had zij +zoo uit eigen beweging gehandeld? Zeker is 't, dat zij zonder door +iemand opgemerkt te worden, het vertrek had verlaten, en dat zij, +na tusschen de soldaten en de paarden, die het huis omsingelden, +doorgeslopen te zijn, den tuin bereikt had. + +Zoodra het meisje daar gekomen was, bleef zij onder een grooten +kerseboom staan en drukte met de hand op haar hart, als wilde zij +het beletten te kloppen. Haar hoofd was gloeiend warm. Heete tranen +stonden in haar oogen. De wind verkoelde haar voorhoofd en deed haar +bedaren. Zij luisterde. Zou men haar vlucht bemerkt hebben? Het +verwarde, maar eentonige gebrom van de stemmen der soldaten drong +tot haar door en stelde haar gerust. Ook hoorde zij het geschreeuw en +het gelach der officieren, door wie geen enkel bevel tot vervolging +gegeven werd. Haar blik rustte nog even op het huis, dat nog alles +bevatte, wat zij ooit liefgehad en geëerd had, toen deed ze een +paar stappen voorwaarts. Behoedzaam drong zij in het kreupelhout +aan den rechterkant door. Maar ze zag of hoorde niets. Vervolgens +ging zij naar den linkerkant, aldoor luisterend, ternauwernood +ademhalend. Haar oog bespiedde alle schaduwen; zij doorzocht tot +zelfs de meest onwaarschijnlijke hoeken. + +Eindelijk stond zij stil onder de groote appelboomen en voorzichtig +keek zij rond. + +Plotseling schrok ze hevig: een vogel vloog op uit zijn nest. Eene +huivering ging over haar leden. Was zij dan zoo zwak? + +Zij bleef een tijd lang tegen een boom aanleunen, waarvan de schaduw +haar verborg. De wind strooide de witte bloesems van de appelboomen op +het groene gras. "Het is, alsof het sneeuwt!" dacht ze in zichzelf. Zij +vreesde, dat het ritselen van de bladeren een ander geluid zou +overstemmen, het zwakke geluid, dat haar voorovergebogen hoofd en +haar luisterend oor schenen af te wachten, aldoor af te wachten. + +Maar ... wat is dat? Enkele meters van daar, tusschen twee boomen, +vertoont zich... Zij vergist zich toch niet? Nee, het is de flinke +en krachtige gestalte van den nieuwen vriend, voor wien haar vader en +moeder nu moeten lijden,--voor wien ook zij alles zal trotseeren.--De +gestalte beweegt zich, zij sluipt als een slang tusschen de boomen +door. Zij zoekt zeker een verborgen doorgang, die naar de rivier leidt. + +Met een haastigen stap loopt Maroessia haar achterna. Al gauw is de +rivier bereikt. Alleen maar een heg is er tusschen. Over deze heg buigt +hij zich heen en kijkt in 't rond. Aan den voet van een geweldigen +boom, waarvan de takken in de rivier hangen, heeft hij een schuitje +ontdekt. Een schuitje! Precies, wat hij noodig heeft; de rivier, dat +is de weg, die hem niet verraden kan. Juist wil hij de heg, die er hem +van scheidt, overklimmen, als twee kleine handen zijn arm omvatten +en een stem hem toefluistert: "Nee, nee, dat niet,--het schuitje +niet! De rivier is een spiegel, waarop men zelfs van verre alles ziet." + +Geen wonder, dat hij hevig ontsteld was, nog meer ontsteld, dan wanneer +hij zich plotseling door tien soldaten, van top tot teen gewapend, +omringd had gezien; maar hij liet er niets van blijken. Men zag, +dat hij iemand was, die al lang aan allerlei soort van verrassingen +gewoon was. + +Hij keek op en herkende het meisje. + +"Wat doe je daar, beste meid?" vroeg hij, terwijl hij even glimlachte, +net alsof hij haar op de wandeling had ontmoet, en nu een gesprek wilde +aanknoopen. Maar er verliepen eenige oogenblikken, voordat Maroessia, +vermoeid en ontroerd als zij was, iets aan haar woorden kon toevoegen. + +De man legde toen zijn hand op het hoofd van het meisje en streelde +haar langs de wangen, als wilde hij tegen haar zeggen: "Bedaar wat, +mijn kind!" Hij zelf was een toonbeeld van kracht, van behendigheid, +van onverschrokkenheid, van moed; maar op dit oogenblik, terwijl hij +tegenover dat kleine hijgende meisje stond, kwam er een glans van +goedheid op zijn gezicht. Zijn krachtige hand, gewoon om wapens te +hanteeren, legde zich zachter dan die van een moeder op Maroessia's +schouder. + +"Wel m'n kind, wat wou je me nu zeggen?" + +"Als u de rivier overgestoken was, zoudt u niet in Tsjigirine gekomen +zijn. En daar moet u toch naar toe. Ik heb aan een middel gedacht om +er heen te gaan." + +"Ik luister naar je, mijn kind!" antwoordde de vluchteling. + +"Laat ons dan eerst naar dien ouden muur gaan, daarachter kunnen wij +ons verschuilen." + +Zoodra zij daar gekomen waren, zei zij: + +"Daarginds, ver in de steppe, heeft vader een kleine hut, een +stal, waar men in den zomer de groote ossen laat blijven, als +men aan het hooien is, om ze niet alle avonden naar huis te moeten +terugbrengen. Voor de deur staat een groote wagen, met hooi beladen, +die morgen door vader naar huis had moeten worden gebracht. De ossen +blijven tot het aanbreken van den dag in den stal. Wij kunnen daar +beiden binnen een uur zijn. Dan zal ik, dan zullen wij, de groote +ossen voor den wagen spannen; dan moet u zich in het hooi verschuilen, +en dan zal ik u naar het huis van baas Kniesj brengen. Baas Kniesj +is een vriend van vader. Hij komt dikwijls bij ons, en als hij komt, +praat hij met de anderen. Ik kan hem alles vertellen, of als u dat +liever niet hebt, zal ik niets tegen baas Kniesj zeggen, maar trachten +te doen...te doen..." + +Zij zweeg plotseling, want zij wist niet precies, wat het meest +gewenscht zou zijn. Toch hernam zij: + +"Ik zal doen, wat u mij zegt." + +Terwijl hij naar haar luisterde, werden zijn oogen vochtig en zacht +zei hij tegen haar: + +"Wie heeft je op dat idee gebracht, Maroessia?" + + + + +III. + +EEN ROOVERGESCHIEDENIS. + + +"Ik ken een roovergeschiedenis, die mij daaraan deed denken," +antwoordde het meisje. "Ik herinnerde mij, hoe de vrouw van den +struikroover uit het sprookje gevlucht was, en ik zei bij mezelf: +Dat zullen wij ook doen." + +"Als wij toch een vrij langen weg af te leggen hebben, om aan den +stal in de steppe te komen, kan je mij die geschiedenis onder de +wandeling wel vertellen, is 't niet Maroessia?" + +"Ja dat wil ik wel. Maar mag ik u dan naar Tsjigirine brengen?" + +"Heel graag," antwoordde hij. "Maar zou je vader het wel goedvinden, +dat ik je voor gids gebruik? Zou hij er later niet boos over zijn?" + +"Nee, dat zeker niet, want vader heeft mij aangekeken, en ik heb hem +begrepen," zei het kind. "Zijn oogen zeiden tegen mij: voor hèm moet +je alles verlaten, zelfs ons." + +"Vooruit, dan geef ik mij aan jouw leiding over, beste +meid! Je moet mijn gids zijn, en ondertusschen kan je mij je +geschiedenis vertellen. Ik luister Maroessia; ik hou veel van +roovergeschiedenissen." + +Zij gaven elkander de hand en liepen langs den oever voort. Na verloop +van een oogenblik zei hij tegen het meisje, omdat hij merkte, dat +zij het stilzwijgen bewaarde: + +"Ik luister al, maar ik hoor niets." + +"O!" antwoordde zij, "ik kan u de geschiedenis niet dadelijk +vertellen." + +"En waarom niet, beste meid?" + +"Wij zijn nog niet ver genoeg van de soldaten af; ik hoor ze nog. Ik +ben een beetje bang, dat wij... Het zou mij zoo spijten, als het mij +niet gelukte, u te brengen, waar u zooveel goed kunt doen." + +"Men moet doen, wat men verplicht is, laat er van komen, wat er van +komen wil!" + +Zij hief haar hoofd op en keek hem met groote oogen aan. + +"Kom laat mij nu niet langer wachten, Maroessia! Ik merk wel, dat je +niet weet, hoe graag ik sprookjes hoor vertellen." + +Maroessia begon: + +"Er was eens een kozak, die zijn dochter aan een knappen jongen man +ten huwelijk gaf." + +"Daar deed hij wel aan! Je sprookje begint goed, als de echtgenoot +ten minste een braaf man was," viel de vreemdeling in de rede. + +Maroessia schudde 't hoofd, in plaats van een antwoord te geven, +en ging ongestoord verder: + +"Het meisje hield niet veel van hem. Hij was wel knap om te zien, +maar zijn oogen bevielen haar niet, maar omdat haar vader erg op dit +huwelijk gesteld was, gehoorzaamde zij en trouwde met hem. + +"Zoodra het huwelijk voltrokken was, nam de echtgenoot zijn jonge +vrouw met zich mee, ver, o! heel ver. + +"Het huis van haar man was heel mooi, het was zelfs prachtig; het +was bijna een paleis, maar dan een somber paleis. Het stond in zoo'n +dicht en donker bosch, dat men de lucht bijna niet door de toppen +van de groote boomen zien kon. De echtgenoot bleef niet dikwijls bij +zijn vrouw. Iederen avond omhelsde hij haar en dan zei hij: 'Ik kom +weer gauw terug, vrouwtje!' en dan vertrok hij met zijn vrienden en +bleef soms twee, drie en zelfs wel tien dagen weg." + +"Dat was heel leelijk van hem," zei de afgezant. + +"Als hij terugkwam, praatte hij veel meer met zijn kameraden dan met +zijn vrouw. Hij gaf haar wel allerlei sieraden; maar daar was het +z'n vrouw niet om te doen; zij was niet ijdel; zij voelde zich diep +ongelukkig en werd langzamerhand erg verdrietig. + +"Zij zei bij zich zelve: 'Omdat mijn leven zoo treurig is, wil ik +sterven. Ja, het is gedaan...' + +"Maar het spreekwoord zegt terecht: 'Het verdriet komt dikwijls terug, +maar de dood komt slechts eenmaal.' Eens, toen zij alleen in het +groote sombere kasteel was en toen zij zich bij uitzondering eens +opgewekt gevoelde, zei ze bij zich zelf: + +"'Waarom zou ik den dood zoo bedaard blijven afwachten? Ik zal eens +wat gaan wandelen.' + +"En zij liep naar den tuin, die zich tusschen de steenen muren van het +kasteel en het bosch uitstrekte. Alles groeide, alles bloeide in dien +kleinen tuin. 'Sterven,' dacht zij, terwijl zij naar de bloemen keek, +'dat is toch ook niet alles. Ach! als ik maar gelukkig was, dan zou +ik veel liever blijven leven...' + +"Toen plukte zij een ruiker van wilde bloemen, en toen zij zag, +dat deze zoo mooi was, zei zij tegen de bloemen: 'Waar zal ik je nu +zetten, arme bouquet? In mijn groote kamer is het zoo somber!' + +"Ineens kwam er toen een andere gedachte bij haar op: + +"'Als ik de andere kamers eens bezocht, dan zou ik er misschien wel +een vinden, die mij beviel.' + +"Zoo gezegd, zoo gedaan. Zij liep verschillende kamers door; alle +waren groot, rijk en mooi, maar toch niet gezellig. + +"'Nee,' dacht zij, terwijl zij van de eene naar de andere ging, +'deze moet ik niet hebben, deze moet ik niet hebben.'" + +Op dat oogenblik hield de afgezant z'n hand voor Maroessia's mond. + +"Wacht even!" zei hij zachtjes. + +"Hebt u iets gehoord?" vroeg het kind. + +De afgezant was op zijn knieën gaan liggen en hield zijn oor op +den grond. + +Toen hij weder opstond, zei hij: + +"Het detachement heeft het huis van je vader verlaten; de soldaten gaan +in galop naar den linkerkant. Als zij gevangenen met zich meenamen, +zouden zij niet galoppeeren. Maroessia! ik geloof, dat het in het +huis van je vader nu weer rustig is." + +"Goddank!" + +Zij liepen een tijdje zwijgend voort; ieder was in zijn eigen +gedachten verdiept. + +De afgezant verbrak het eerst het stilzwijgen. + +"De jonge vrouw," zei hij, "liep dus van de eene kamer naar de andere, +zonder er eene naar haar zin te vinden, en zij zeide: 'Laat ons nog +eens zoeken!'" + +"Juist zoo," hernam Maroessia, "dat zeide zij! Ineens zag zij een +zeer smalle, maar stevig gesloten en vastgegrendelde deur voor zich. + +"Wacht!" zei zij bij zich zelf, "de kamer, die men door deze deur +binnenkomt, moet ik hebben, daar ben ik zeker van." + +"Zij deed allerlei pogingen om de deur te openen, maar deze bood +weerstand, en hoe meer weerstand zij bood, des te grooter werd haar +lust om er binnen te gaan." + +"Juist," viel de vreemdeling in de rede, "daarin herken ik de vrouwen." + +"Wat wilt u daarmee zeggen?" vroeg Maroessia verwonderd. + +"Ik wil daarmee zeggen, dat alle vrouwen graag willen weten, wat zich +achter een gesloten deur bevindt. Maar ga voort, Maroessia! Heeft +die jonge vrouw de deur eindelijk open gekregen?" + +"Ja. Den heelen dag bonsde zij op de deur, en eindelijk gelukte het +haar open te krijgen en de onbekende kamer binnen te treden. In +'t eerst kon zij geen hand voor haar oogen zien; want het was er +stikdonker. Zij liep de kamer al tastende rond, maar vond nergens +deuren of ramen. De vier muren waren overal kaal. Ontmoedigd wilde zij +terugkeeren, toen zij eensklaps rechts van de kleine deur, die haar den +toegang tot dit vertrek had verleend, met de hand tegen een tafeltje +stiet, waarop zich een lantaarn bevond met een doosje lucifers er +bij. Natuurlijk stak zij dadelijk de lantaarn op, maar ook met behulp +daarvan kon zij geen andere deur in de kamer ontdekken. Toch gaf zij +het nog niet op. 'Deze kamer kan het einddoel niet zijn,' dacht zij; +'zij moet ergens heen leiden. Er moet ergens een deur zijn. Ik ga er +niet uit, voordat ik haar gevonden heb.'" + +"Dat was eene stijfhoofdige vrouw," zei de afgezant. + +"Stijfhoofdigheid was het niet; maar er was iets, dat haar voortdreef; +zij had een bepaalde gedachte! Zij zeide bij zich zelve: 'Mijn man +kan komen, en als hij komt, wie weet, of hij mijn nieuwsgierigheid +dan niet zal afkeuren!' Maar toch zette zij haar nasporingen voort." + +"Zij liep zoo lang in de kamer rond, totdat zij eindelijk met den +voet tegen een ijzeren ring stiet... + +"Zij hield er haar lantaarn bij: het was een luik in den vloer. + +"Het scheen haar toe, alsof zij nooit in haar leven zoo voldaan +was geweest. + +"Het luik was heel zwaar voor haar; maar als men iets met volharding +wil, gelukt het bijna altijd, het te doen. En na veel vergeefsche +pogingen lichtte zij het luik toch eindelijk op. + +"Zij zag toen de treden van een smalle trap, die op een groot zwart +gat uitkwam. Zij was haar verkenningstocht nu eenmaal begonnen en +wilde dien voortzetten. + +"En zij daalde er naar beneden." + +"Zij was wel moedig," vond de vreemdeling. + +"Zij verwachtte wel iets vreeselijks te zullen zien; maar wat zij zag, +overtrof nog het verschrikkelijkste, dat zij zich had voorgesteld. + +"De kelder was geheel gevuld met bijlen, sabels, dolken, pieken, +lansen, groote messen, knotsen, met prachtige maar met bloed bevlekte +kleeren, met parelsnoeren, diamanten, robijnen en smaragden, met +turkooizen en saffieren, met prachtige stoffen. Dat alles lag door +elkander, en overal waren sporen van bloed. Toch aarzelde zij nog, +toen haar oog op iets sneeuwwits viel, dat op een stuk zwart fluweel +gehecht was. Het was eene blanke hand, wit als marmer, een bevallige +vrouwenhand, met kostbare ringen versierd. + +"Zij zei huiverend bij zich zelf: 'Mijn man is het opperhoofd van een +rooverbende. Ons kasteel is erger dan een hol.' En dat veroorzaakte +haar een groot verdriet." + +"Ga maar niet verder met deze geschiedenis voort Maroessia!" zei de +afgezant, "het zou je kwaad doen, vooral als zij nog verschrikkelijker +wordt." + +"Misschien wel; maar wat doet dat er toe? U moet den afloop weten, +om goed te kunnen begrijpen, wat ik bedoel." En ze vervolgde: + +"De jonge vrouw dacht lang over alles na. Vóór alles moest zij uit +het verschrikkelijke onderaardsche hol zien te komen. Zij kwam er +uit, deed het luik dicht, zette de lantaarn weder op hare plaats, +sloot alle deuren goed achter zich dicht en trad meer dood dan levend +haar kamer binnen. Zij was veel ongelukkiger sedert haar ontdekking, +en toch wilde zij niet meer sterven, maar wel vluchten." + +"'Wat te doen?' dacht de jonge vrouw bij zich zelf. Het ondoordringbare +bosch omgaf het kasteel aan alle kanten. Men zag er geen enkelen +uitgang. Zeker kon zij op het gevaar af, dat zij zich ernstig zou +wonden, door het dichte kreupelhout heensluipen. Maar verder? Wie +zou zeggen, of zij zich, na een geheelen dag rondgeloopen te hebben, +niet weer op de plaats zou bevinden, vanwaar zij was uitgegaan? 'Wat +te doen? Wat te doen?' herhaalde zij bij zich zelve. + +"'Al moest ik onderweg sterven,' zei ze eindelijk, 'ik moet vluchten, +en ik zal vluchten.'" + +De vreemde vriend volgde oplettend het verhaal, dat zijn kleine +metgezellin hem onder het voortloopen deed. Maroessia merkte dit wel, +en het deed haar genoegen. + +"Dat geeft hem wat afleiding," dacht zij. + +Zij zou haar verhaal wel wat hebben willen verkorten, maar dan zou +hij het misschien minder goed begrijpen, en bovendien hadden zij den +tijd, zij om alles te vertellen, hij om alles aan te hooren; de hut +in de steppe, de stal met de groote ossen was nog ver weg. + +Zij hervatte dus: + +"De jonge vrouw ging opnieuw naar den tuin. Maar nauwelijks had zij +een paar stappen gedaan of zij hoorde hoefgetrappel. + +"Zij bleef staan en hield haar adem in, en, verscholen achter den +stam van een dikken boom, luisterde zij. Toen zag zij het bleeke +gezicht van haar man te voorschijn komen uit het kreupelhout. Zijn +gewone metgezellen volgden hem. Het scheen, alsof zij allen als door +een tooverslag uit deze omheining van groen te voorschijn kwamen." + +"Zij had nog maar juist den tijd gehad om zich beter tusschen het +kreupelhout te verbergen, en kon nu haar man ongemerkt gadeslaan. Hij +was van zijn paard gestegen en liep met langzame schreden voort, vlak +langs haar heen; ook de anderen gingen haar voorbij. Verscheidene +van die woestaards hadden roode vlekken op hun kleeren. + +"Weldra hoorde zij de stem van haar man. Hij riep haar. + +"Nee, het oogenblik was nog niet daar, waarop zij voor altijd zou +kunnen vluchten. Zij kwam moedig uit het kreupelhout te voorschijn +en ging voor hem staan. + +"'Je ziet erg bleek,' zei hij tegen haar, 'en men zou zeggen, dat +je beeft. Je zult het onder deze boomen koud gehad hebben; kom hier +voortaan niet meer.' + +"Toen haalde hij uit zijn zak een klein voorwerp: + +"'Ziedaar! Je merkt, dat ik wel aan je gedacht heb.' + +"Bij deze woorden bood hij haar een ring aan, die als een kleine +zon schitterde. + +"'Wil je dien hebben?' + +"Zij deed zich geweld aan, om dit aanbod niet van de hand te wijzen, +en vroeg hem, waar hij dit kleinood vandaan had. + +"'Als mijn vraag hem in verlegenheid brengt,' zei zij bij zich zelve, +'als er ontsteltenis op zijn gezicht te lezen is, dan zal dit een +bewijs zijn, dat hij nog niet heelemaal verhard is.' + +"Maar hij antwoordde haar op een luchtigen toon: + +"'Ik heb hem op de jacht in handen gekregen, liefste!' + +"'Op de jacht?' + +"Tegelijkertijd dacht zij: 'Wat er ook gebeuren moge, ik zal volhouden; +ik wil eindelijk weten, waaraan ik mij te houden heb.' Zij voegde er +dus bij: 'De jacht op ringen? Ik heb nog nooit van mijn leven over +zoo'n zonderlinge jacht hooren spreken.' + +"'Minder zonderling, dan je wel denkt,' zei hij, 'maar zeker +vermoeiend, en zelfs zoo vermoeiend, dat ieder na den afloop ervan +behoefte aan rust heeft. Dat is op dit oogenblik ook met mij het geval, +daarom ga ik naar bed want ik val bijna om van den slaap. Later zal +ik je wel eens op zoo'n jacht meenemen, en ik denk wel, dat 't in je +smaak zal vallen.' + +"Daarop verliet hij haar met een lach en begaf zich ter ruste in +den vleugel van het oude gebouw, waarin zij woonden. Zijn vrienden +volgden zijn voorbeeld. Eenige oogenblikken daarna was zij zeker wel +de eenige in het kasteel, die niet sliep. + +"Toen kwam het plan weer bij haar op om te vluchten. Ze ging voor +de tweede maal naar den tuin en liep dadelijk naar de plaats waar ze +haar man zoo plotseling had zien verschijnen. + +"Daar ging de jonge vrouw aan den voet van eene met mos begroeide +rots zitten die tusschen de dikke wortels van een reusachtigen boom +ingesloten was, om te overdenken wat haar te doen stond. Maar toen +zij ertegen leunde bezweek de rots zoo plotseling onder haar gewicht, +dat zij omver viel." + +"Juist zoo!" zei de afgezant, "dat was de ingang waardoor de bandieten +binnenkwamen..." + +"Ja, het was de geheimzinnige deur. Zij was zoo over haar val +verwonderd, dat zij eenige oogenblikken bleef liggen, zonder zich +te durven verroeren. Waar was zij? Boven haar hoofd bevond zich een +donkergroen gewelf, waardoor slechts hier en daar een plekje van den +blauwen hemel te zien was. + +"Toen zij eenigszins van haar schrik bekomen was stond zij op, legde +bij den onzichtbaren toegang een witten steen en was verstandig genoeg +om naar het kasteel terug te keeren, om er zich van te verzekeren, +dat haar man en zijn metgezellen niet wakker waren. + +"Maar die waren allen in een diepen slaap gedompeld, zooals dit gebeurt +met iemand, die veel van zijn krachten gevergd heeft. Op haar teenen +voortsluipend, ging zij van deur tot deur, schoof er zonder gedruisch +de grendels op en sloot alle luiken. Dit was één goede voorzorg; +maar zij nam nog een andere, die ook te pas kwam, namelijk om de +lichte kleederen, die zij altijd droeg, tegen zwarte te verruilen; +toen ging zij snel naar de plaats, die door den witten steen aangewezen +was. Toen zij die teruggevonden had, ging ze, evenals de eerste maal, +tegen de rots aanleunen en opende haar. De hooge steenen deur, die +de rots verborg, was zoo ingericht, dat zij vanzelf dichtging. Nu +begon zij te loopen, telkens weer harder. + +"Na verloop van een half uur bereikte zij een punt, waarop meer dan +tien wegen uitkwamen, die alle in verschillende richtingen liepen. + +"Zij deed een paar passen langs den eenen, toen langs een anderen, en +zoo alle tien. Het kwam er op aan, zich niet te vergissen. Het ongeluk +was, dat zij allemaal op elkaar geleken, waardoor het moeilijk was, +den eenen boven den anderen te verkiezen. Eensklaps ontdekte zij in +een van deze gangen iets wits. Zij liep er heen. Het was een kleine, +fijne zakdoek, waarvan de vier hoeken fraai geborduurd waren. + +"Ik hoor iets, dat ons volgt," zei Maroessia ineens, haar verhaal +afbrekend. De vreemdeling had het ook gehoord. Hij nam Maroessia bij +den arm en plaatste zich met zijn opgeheven stok voor haar. + +"Ach!" zei Maroessia, "het is een groote hond!" + +Terwijl ze dat zei deed de afgezant zoo'n plotselingen sprong, dat +Maroessia zich niet kon verklaren, hoe hij het dier, dat zich zoo +onverwacht aan hem vertoond had, zoo snel met zijn dikken stok had +kunnen doodslaan. + +De afgezant lag met zijn eene knie op den grond. Toen hij weer opstond, +lag het dier levenloos aan zijn voeten. + +"Het was een wolf," zeide hij bedaard tegen het kind, "hij moet wel +honger gehad hebben, dat hij ons zoo van nabij gevolgd is." + +"O!" zeide Maroessia tegen haar vriend, "u bent ook voor niets bang." + +"Wel zeker," zei de afgezant, "ik ben bang voor alles, wat je +geschiedenis afbreekt. Dus had de vrouw van den bandiet een zakdoek +gevonden." + +"Ja," zei Maroessia. + +"Het zien van dien fijnen zakdoek, die zoo lekker rook en ongetwijfeld +van een vrouw was, gaf haar stof tot nadenken. + +"'Ze zijn hier vanmorgen langs gekomen,' zei ze bij zich zelf, 'en +als dat zoo is, komen zij er waarschijnlijk nu niet meer. Ik moet +dien weg kiezen.' + +"Maar voordat ze dien insloeg, kwam de gelukkige gedachte bij haar op, +een mooi rood lint, dat zij om haar hals droeg, zóó op te hangen aan +een tak, die zich over een ander voetpad, dan dat, hetwelk zij wilde +inslaan, uitstrekte, dat men het in de verte kon zien. 'Zij zullen dit +lint zien en mij dus vervolgen langs den weg, dien ik niet ingeslagen +heb.' Dat was niet slecht bedacht, om hen van het spoor af te brengen, +niet waar?" + +"Het was zeer goed bedacht," zei de afgezant. + +"Gelukkig, dat zij daaraan gedacht had, liep zij vlug het pad langs, +waar zij den geborduurden zakdoek gevonden had. Zij liep den geheelen +dag door. De avond viel; de duisternis was zoo dik, dat zij niet meer +wist, wat zij boven haar hoofd had, of dit een gewelf van rotsen of +een koepeldak van bladeren was. + +"'Laat ik maar aldoor voortloopen,' dacht zij bij zich zelf, toen +zij zich vermoeid voelde. 'God, die mij tot hiertoe geleid heeft, +zal mij niet verlaten.' Eensklaps stiet zij tegen iets aan. De weg +maakte daar een bocht; maar in plaats van zich te beklagen over +de pijn, die zij zich zelve had berokkend, scheelde het niet veel, +of zij had in haar verwondering een kreet van vreugde geslaakt. + +"Alle sterren van den hemel fonkelden eindelijk boven haar hoofd; +geen gewelf, noch van steenen, noch van ineengegroeide takken was +meer boven haar, zij was op een groote open plek!" + +"Zoo, des te beter!" zei de afgezant, "dat doet mij voor haar +pleizier." + +In plaats van eenig antwoord te geven, schudde Maroessia met het +hoofd en drukte zijn hand nog steviger. + +"Ongelukkig zou de vrouw van het opperhoofd der bandieten zich niet +lang kunnen verheugen; want zij hoorde ineens heel duidelijk stemmen, +geschreeuw en het getrappel van paarden, die in galop komen aanrennen. + +"Wat nu te doen? Waar een schuilplaats te vinden? Hoe zich onzichtbaar +te maken? Naar de gang terug te keeren? Dat nooit! Dat zou hetzelfde +zijn, als naar het kasteel terug te keeren. + +"Er stond op deze open plek een forsche eik met dichtgebladerde +takken, die tot op den grond neerhingen. In een wip klom zij als een +eekhorentje van den eenen tak op den anderen, totdat zij den hoogsten +bereikt had. Zij had er goed aan gedaan, geen minuut te verliezen; +een oogenblik daarna kwamen alle bandieten van vijf of zes kanten te +gelijk te voorschijn, want alle gangen liepen op deze open plek uit. + +"'Welnu?' riep een haar welbekende stem tot vijf ruiters, die +aankwamen rijden. + +"'Niets,' antwoordde er een. 'Ik heb niets anders gevonden dan dit,' +en hij hield een rood lint omhoog. + +"Op dit lint sloeg het opperhoofd geen acht. Wist hij wel, dat zijn +vrouw er ooit zoo een had bezeten? + +"'Ik heb niemand gezien,' antwoordde een tweede. + +"'Geen spoor,' zeide een derde. + +"En allen verklaarden achtereenvolgens hetzelfde. + +"'Laat ons nog eens zoeken!' riep de echtgenoot uit. 'Wij moeten haar +dood of levend terugvinden. Komaan! Op weg! Ons geluk hangt er van af.' + +"Hij voltooide zijn volzin niet; want iets bijzonders had zijn +aandacht getrokken. + +"In een oogwenk was hij van zijn paard gesprongen, had zich +voorovergebogen en had van den grond een voorwerp opgeraapt, dat hij +aandachtig bekeek. + +"'Een zakdoek!' riep hij aan de anderen toe, 'een vrouwenzakdoek! Zij, +die wij zoeken, is niet veraf.' + +"Het gras was hoog en stond dicht op elkaar. Nu begonnen zij allen +het terrein te verkennen, sommigen op handen en voeten, anderen met +hun sabels en hun pieken; sommigen verpletterden de jonge boompjes +onder de pooten van hun paarden, anderen velden ze door middel van +bijlslagen neer om er zich van te verzekeren, dat de vluchtelinge +zich daartusschen niet verscholen had. + +"Zij vonden hoegenaamd niets. + +"Intusschen keek de echtgenoot naar de lucht in de richting van den +grooten dichtgebladerden eik. + +"'De bladeren van dezen boom zijn zeer dicht,' zei hij bij zich zelf; +'al de vrouwen zijn vogels. Wie weet, of mijn vrouw er niet boven +in zit?' + +"Hij neemt een lans uit de hand van een zijner manschappen, klimt op +de onderste takken, en terwijl hij zich met de eene hand vasthoudt, +begint hij met de andere de bovenste takken met de punt van zijn lans +te doorboren." + +"Die arme vrouw!" zei de afgezant, "nu is het met haar gedaan." + +"Wat had zij er goed aan gedaan, haar zwarte japon aan +te trekken!" hernam Maroessia. "Dank zij deze donkere kleur, +bemerkte haar man haar niet. Hij stak de punt van zijn lans in de +donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Verschrikt, sprakeloos, +onbeweeglijk, hield zij den tak, die haar tot steun diende, krampachtig +met de armen omklemd. + +"Driemaal drong het koude ijzer in haar vleesch door; bloed stroomde +uit de wonden, maar zij verroerde zich niet, zij bezat dien moed, +zij gaf geen gil en liet geen enkelen kreet hooren." + +"Je geschiedenis is verschrikkelijk, Maroessia! Ach! die ongelukkige!" + +Maroessia, die geheel met haar verhaal vervuld was, vervolgde: + +"De luitenant van haar man, die wel zag, dat alles vruchteloos was, +zei toen tegen zijn kapitein: + +"'De tijd, dien wij op deze plek verliezen, is slechts in het voordeel +van haar, die wij zoeken. Het dorp is dichtbij, de stad is niet ver +verwijderd. Als wij hier een kwartier langer blijven, zal uw vrouw +er vóór ons aankomen, kapitein! En dan is er geen verhelpen meer aan.' + +"Bij de gedachte, dat zijn vrouw, die blijkbaar in het bezit van zijn +geheim was, hem zou kunnen ontsnappen, en dat zijn levenswijze dan +bekend zou worden, kwam er een vloek over de lippen van den kapitein. + +"'Te paard!' riep hij uit, 'te paard en rijdt, alsof het uw leven +gold!' + +"Zij gaven hun paarden de sporen en reden in gestrekten draf weg. + +"Het werd tijd; de arme vrouw kon zich niet meer vasthouden; zij liet +zich op het gras neerglijden op het gevaar af, een doodelijken val +te doen." + +Op dit oogenblik deed Maroessia een stap achterwaarts. + +"Hoort u dat?" zei zij. + +"Een geweerschot," antwoordde de afgezant kalm, "dat is al het derde +sedert wij op weg zijn. Maar laat je dat niet verontrusten: het is +voor ons uit en vrij veraf. In tijden, als de tegenwoordige, hoort +men telkens en overal geweerschoten. De schoten werden niet in de +richting van ons gelost, evenmin als in die van het huis van je vader." + +"Bent u daar zeker van?" vroeg zij. + +"Bepaald zeker. Als je weer hoort schieten, let er dan maar niet +op. Men moet aan dat geluid wennen. Maar ga nu met je verhaal voort!" + +"De arme vrouw lag op den grond. Ik weet niet precies, hoeveel uren +zij daar bewusteloos bleef liggen," zei Maroessia. "Toen zij weer +tot bewustzijn kwam, was de nacht niet meer zoo zwart: de vogels +begonnen te ontwaken, en het gras, dat geheel nat van den dauw was, +scheen als met witte paarlen bezaaid. Zij had kracht genoeg om het +bloed van haar wonden te stelpen en scheurde haar mooie japon aan +stukken, om daarvan windsels te maken. Zou zij kunnen loopen? Zij +had reeds veel bloed verloren. + +"Maar zij moest loopen, en zij liep ook. Zij liep met moeite; +haar armen en haar zijde waren door de lansstooten gewond, maar +langzamerhand schonk de beweging zelf haar nieuwe krachten. + +"Zij bemerkte toen, dat zij op een grooten gebaanden weg was; dit deed +haar moed toenemen. Maar, ondanks dit alles, voelde zij haar zwakte +vermeerderen, toen zij tot haar geluk het geratel van wielen hoorde. + +"Een groot rijtuig, met een massa hooi beladen,--luister goed naar +mij!--reed langzaam voort, getrokken door twee stevige ossen, met +groote kromme horens. Naast dit rijtuig liep een oud man, die een +lied zong. + +"Zij verhaastte haar schreden, en het gelukte haar, het rijtuig en +den voerman in te halen. + +"'Help mij,' zei ze tegen den grijsaard. 'Heb medelijden met mij! Ik +heb geen krachten meer om het dorp te voet te bereiken!' + +"Maar tegelijkertijd hoorde zij in de verte het geschreeuw der +struikroovers, die op hun schreden terugkeerden. Het aanbreken van +den dag noodzaakte hen zonder twijfel om naar huis te gaan. + +"'Ik ben verloren,' zei zij tegen den grijsaard. 'Die menschen, +die daar aankomen, zijn bandieten en mijn man is hun opperhoofd.' + +"'Verberg u in het hooi,' zei de grijsaard tegen haar, 'en houd u +doodstil. Gauw maar!' + +"Spoedig was zij in het hooi verborgen en bleef daarin, zonder zich +te verroeren. Binnen eenige oogenblikken waren de struikroovers vlak +bij het rijtuig, dat langzaam voortreed. + +"'Heidaar!' riep het opperhoofd den grijsaard toe, die naast zijn +ossen liep, terwijl hij zijn pijp rookte, 'heb je onderweg ook een +jonge vrouw ontmoet, die scheen te vluchten?' + +"'Een jonge vrouw?' herhaalde de grijsaard, terwijl hij met de +hand over zijn voorhoofd wreef, als trachtte hij zijn gedachten +te verzamelen. + +"'Ja zeker, een jonge vrouw!' + +"'Zoo! Een jonge vrouw...' + +"'Wil je ook antwoorden?' + +"'Waarom niet?' + +"'Antwoord dan!' + +"'Ik heb geen jonge vrouw gezien.' + +"'Ben je daar wel zeker van? Zij moest toch denzelfden weg volgen +als jij...' + +"'Dat is best mogelijk; maar ik heb niets gezien. Mijn oogen zijn +in de laatste twee jaren erg verminderd. Zoo gaat het in de wereld: +men wordt oud, men leeft niet eeuwig.' + +"'Die kerel schijnt een slimme vos te zijn,' zei de luitenant. 'Hij +drijft den spot met ons.' + +"'Weet je wel, wien je voorhebt?' vroeg het opperhoofd hem. + +"'Hoe zou ik dat weten?' antwoordde de grijsaard. 'Het is de eerste +maal, dat wij elkaar zien. Bovendien, weest wat ge wilt, heeren of +struikroovers, wat kan dat een armen grijsaard schelen, die niets op +de wereld bezit?' + +"'Je bezit toch je leven,' zei de luitenant. + +"'Mijn leven?' antwoordde de boer. 'Wat is het leven mij waard, +als ik alle dagen hard moet werken?' + +"'Je leven zullen we je laten behouden, oude babbelaar, maar je hooi +zullen wij je ontnemen.' + +"'Mijn hooi is mijn hooi niet. Als ik u zeg, dat ik niets op de wereld +bezit, dan wil dat niet zeggen, dat ik zoo'n berg hooi heb. Als u +mij dien wilt ontnemen, doet het dan, maar takelt mij eerst wat toe; +als ik zonder wonden en zonder hooi terugkom, zal mijn heer, die niet +met zich laat gekscheren, denken, dat ik het heb verkocht om er drank +voor te koopen. Het komt al op hetzelfde neer, of ik stokslagen van +hem dan wel van u krijg.' + +"'Oude gek!' antwoordde de luitenant, die moeite had om niet te +lachen. 'Wij willen van je hooi maar een beetje hebben om aan onze +paarden te geven.' + +"'Als dat moet, dan moet het!' zei de grijsaard, 'maar laat mij het u +dan zelf geven en het zoo aanleggen, dat er zoo weinig mogelijk van te +zien is. Als dat zoo kan gaan, zal ik er misschien ongedeerd afkomen.' + +"'Hebt u zoo genoeg?' vroeg hij na voorzichtig een tiental handenvol +van zijn wagen genomen te hebben. 'Als ik nog meer nam zou er een +leegte ontstaan en dat zou gezien worden, en ik zou er voor moeten +boeten. Misschien dat het nu nog wel zal losloopen, als mijn heer +het hooi ten minste niet naweegt.' + +"De luitenant knikte, als wilde hij zeggen: Zoo is het genoeg,--en +de kapitein wendde zich tot den boer met de woorden: + +"'Je kunt verder gaan, maar vooraf wil ik je twee dingen te raad +geven. Het eerste is, je niet om te keeren om te zien, wat er achter +je voorvalt. Het tweede, tegen niemand over je ontmoeting te spreken.' + +"'Ik weet een geheim te bewaren,' antwoordde de oude boer met een +onnoozel gezicht. 'Ik zal uw raad opvolgen.' + +"En hij gaf zijn ossen een paar slagen om hun het sein tot voortrijden +te geven. + +"Na verloop van tien minuten kon hij het rennen van de paarden der +struikroovers hooren. Het gedruisch verminderde langzamerhand en was +eindelijk in 't geheel niet meer te hooren. + +"'Zij zijn het bosch weer ingegaan,' zei de grijsaard alsof hij in zich +zelf sprak, 'maar dat is nog geen reden om zich overwinnaar te voelen.' + +"De raad was goed en werd opgevolgd. De jonge vrouw, die in het +hooi verborgen was, verroerde zich niet. Een half uur daarna kwam +het dorp,--het was meer dan een dorp, het mocht wel een kleine stad +heeten,--in het gezicht. De wagen reed langs een breede straat, alsof +er niets gebeurd was, toen door een groote poort een binnenplaats op. + +"'Ziezoo!' zei de grijsaard, 'God heeft het zoo gewild: het is +nu gedaan.' + +"Op die wijze werd de vrouw van den kapitein der bandieten eindelijk +gered. + +"Men bracht haar bij welgestelde en liefdadige menschen, waar iedereen +zorg voor haar droeg tot op het oogenblik, waarop haar vader, +onderricht van het onvoorzichtige huwelijk, dat hij haar had doen +aangaan, haar kwam terughalen. + +"Men liet het bosch omsingelen in de hoop, dat men de bandieten zou +bemachtigen; maar het was reeds te laat: het kasteel was verlaten, +toen de justitie kwam. Toen zij het gevaar inzagen, ontdekt te worden, +hadden zij er niet durven blijven." + +"Dat was jammer," zei de afgezant. "Maar de vrouw was gered, en dat +was het voornaamste. Waarlijk! je vertelling is zeer belangrijk, en +je hebt er wel aan gedaan, mij haar uitvoerig mee te deelen. Mooie +sprookjes verkorten den weg." + +"De reden, waarom ik u dit verteld heb," zei Maroessia, "bestaat +hierin, dat het ons van nut kan zijn." + +"Ik heb het begrepen, m'n kind," zei de afgezant, "heel goed +begrepen. O, wij verstaan elkaar wel." + +"Toch," voegde hij er bij, "heeft de geschiedenis van de blanke hand +met diamanten en van de lanssteken in de bladeren van den grooten +eik mij doen huiveren." + + + + +IV. + +DE VLUCHT. + + +Het was nog nacht, maar de morgenkoelte deed zich reeds gevoelen. In +een verwijderd klooster hoorde men de vroegmissen zingen; het riet +aan den oever boog zich voor den wind. + +"Wij moeten nu linksaf," zei Maroessia. + +Twee minuten daarna betraden zij de steppe. + +Tot dusverre hadden zij langs den oever der rivier geloopen, bijna +altijd beschermd door de boomen. + +Hoewel Maroessia en de afgezant geen tijd te verliezen hadden, +bleven zij toch onwillekeurig stilstaan en ademden met volle teugen +de frissche lucht van deze vlakte in. + +"Kijk dien kant eens uit!" zei Maroessia. "Dat zwarte stipje daarginds +is de stal, waarover ik u gesproken heb. Nu moeten wij nog eens +linksaf: daar zullen wij de ossen vinden." + +"Laat ons dan nog eens linksaf slaan," zei de afgezant. + +De steppe breidde zich zoo ver zij zien konden voor hen uit; een paar +hooge hoopen hooi, die nog pas opgestapeld waren, belemmerden alleen +het gezicht. + +De afgezant klom op een daarvan om te zien, of er in de verte iets +te zien was. + +"Blijf daar niet staan!" riep Maroessia hem toe; "u bent zoo lang, +men zou u van verre zien." + +Alles scheen rustig te zijn. De afgezant gaf aan Maroessia een wenk +om ook eens te komen kijken en wilde er haar op helpen klimmen; +maar dat was niet noodig; want in een oogenblik was zij er op. + +"'t Lijkt wel of jij vleugels hebt," zei de afgezant tegen haar. + +"Vader noemt mij altijd zijn klein eekhorentje," antwoordde het kind +met een zekeren trots. + +Zij keek ook, maar slechts naar een enkelen kant, en wel naar dien, +waar het huis van haar ouders stond. + +"Ziet u daar ginds wel?" zei ze. "Kijk eens voor mij; want mijn oogen +zien op dit oogenblik niet goed,--het schijnt mij evenwel toe, dat +alles er rustig is." + +"Ja, ja," zei de afgezant, "alles schijnt te zeggen: rust." + +Nadat ze nog even rondgekeken hadden, klommen zij van den hoop hooi +af. Zij liepen nog enkele meters en kwamen nu bij eene heg, die een +kleine vallei omgaf. + +"Hier is het!" zei Maroessia. "Help mij nu, den boom van de deur te +lichten. Hier zijn de ossen, ziet u ze?" + +"Ik zie ze, zij zien er prachtig uit!" + +De beide ossen, die op het gras lagen, bleven onbeweeglijk als twee +groote bergen. Maroessia streelde met haar kleine hand hun gehoornde +koppen. Een dof geloei was het antwoord op de liefkoozingen van +het kind. + +"Stil, stil," zei Maroessia haastig. "Je moet mij heel bedaard +volgen! Gauw maar!" + +Men zou gezegd hebben, dat de ossen deze woorden van hun kleine +meesteres begrepen, want zij stonden zonder gedruisch op en volgden +haar gedwee. + +"Zij zijn veel grooter dan ik," zei Maroessia lachend, "en toch zijn +we even oud." + +De wagen, met hooi beladen, stond niet ver af. + +De ossen waren er al spoedig voor gespannen. + +"Haast u!" zei Maroessia. "Waarom kijkt u mij zoo aan?" + +"Dat komt, omdat je zoo klein bent, Maroessia!" zei de afgezant, +"zoo heel klein! Men zou je veeleer voor een klein vogeltje kunnen +houden, geschapen om in deze steppen rond te fladderen en te zingen, +dan voor iemand, die zulke belangrijke zaken aan de hand heeft!" + +De afgezant had gelijk. Het kleine meisje scheen nog kleiner midden +in deze uitgestrekte vlakte, bij die ontzaglijke ossen en bij den +grooten wagen, naast dezen reus van een man. + +"O, wat zou ik graag groot willen zijn!" zuchtte Maroessia. "Kijk! hier +is de zakdoek van moeder, ik zal dien, evenals de oude vrouwen, om +mijn hoofd doen, dan zal ik er wel heel oud uitzien, niet waar? Kijk +mij maar eens aan!" + +Haar groote oogen keken hem van onder den bruinen zakdoek aan, die +haar blonde lokken en haar schouders geheel bedekte. + +De afgezant keek haar teeder aan en glimlachte. Gedurende een oogenblik +wilde of kon hij niets zeggen. + +Toen hij eindelijk antwoordde, was zijn stem heel zacht, zoo zacht, +dat men zou gezegd hebben, dat het de zijne niet was. + +"Weet je den weg wel, Maroessia?" vroeg hij. + +"Ik ken dezen weg best. Je moet aldoor rechtuit tot aan het kleine +meertje gaan, en als je daar gekomen bent, sla je rechtsaf, en dan zie +je van den top van een heuveltje het dak van het huis van Kniesj. Als +je daar eenmaal bent, is 't niet moeilijk om in Tsjigirine te komen. Ik +heb Kniesj wel eens tegen vader hooren zeggen: 'Het moet al een domoor +zijn, die dezen weg niet weet te vinden.'" + +"Ken je Kniesj?" + +"Ik ken hem, hij komt dikwijls bij ons." + +"Zal hij je goed ontvangen?" + +"Dat weet ik niet ... ik denk het wel?" + +"En als hij je eens slecht ontving?" + +"Maar hij zal ons nooit kunnen verraden, niet waar? Het is een +vriend... O neen! een vriend van vader kan geen verrader zijn." + +"Weet je wel, Maroessia!" vervolgde de afgezant, terwijl hij het kleine +meisje strak aankeek, "weet je wel, dat het land vol vreemdelingen, +soldaten, menschen zonder medelijden is? Weet je wel, dat wij slechts +vijanden, sabelhouwen of geweerschoten zullen ontmoeten? Weet je wel, +dat er overal bloed vloeit? Weet je dat wel?..." + +"Ja," antwoordde Maroessia, "ik weet dat alles." + +"Booze oogen zullen je bespieden; men zal je vragen doen, waarvan al +de woorden strikken zullen zijn, en als je onhandig antwoordt, als je +het minste gebaar, de minste beweging maakt, als je spreekt, als je +bloost, als je even beeft, zal alles verloren zijn... Weet je dat wel?" + +"O! ik zal niet onhandig antwoorden, ik zal iedereen wel goed te +woord staan: ik ben niet bang!" + +"Het kan zijn, beste meid, dat wij den dood tegemoetgaan!" + +"Nee," zei Maroessia, "wij zullen eerst later sterven. U moet eerst +in Tsjigirine aankomen. Als u daar eenmaal bent, zal ik sterven, als +het zoo wezen moet!... maar u moet eerst te Tsjigirine zijn! O ja!..." + +De afgezant zei niets, maar hij nam het meisje in zijn armen en drukte +haar tegen zich aan, terwijl hij haar heel zachtjes "m'n lieve kind" +noemde. + +"Maroessia!" zei hij toen, "wij zullen zeer zeker noodlottige +ontmoetingen hebben; de soldaten zullen je gevangen nemen, je +ondervragen. Als men naar den wagen toe kwam, zelfs met het doel om +dien te doorzoeken, dan zou je je toch wel kalm houden, dan zou je +toch niet gelijken op een patrijs, die ziet dat de jager zijn nest, +dat dicht in de nabijheid verborgen is, nadert. Je begrijpt mij, +niet waar?" + +"Ja, ik begrijp u. Ik moet zijn... ik moet zijn... zooals u. Ik zal +ook zoo wezen." + +"Als iemand je mocht vragen, waar je naar toe gaat, dan moet je +antwoorden, dat je dezen wagen, met hooi beladen, naar de woning van +Kniesj brengt, die het van je vader heeft gekocht. Versta je?" + +"Ja, ik versta het." + +"Als wij het huis van Kniesj goed en wel bereiken, zal deze ons zeker +op den drempel van zijn deur te gemoet komen. Begrijp je?" + +"Ja." + +"Dan moet je tegen hem zeggen: 'Wat hebt u mooi koren op uw land +staan! Ik heb het bewonderd, toen ik er voorbijkwam. Het is nog wel +wat groen, maar ik geloof, dat men het desnoods zou kunnen gebruiken, +voordat het geheel rijp is.' Dat is heel lang, beste meid! Maar je +kunt die woorden toch wel onthouden, niet waar?" + +"O ja," antwoordde Maroessia. "Luister maar, ik zal ze eens herhalen!" + +Zij herhaalde ze en vergat niets, geen enkel woord. + +"Je bent een kleine schat!" zei de afgezant. "Maar laat ons nu +voortmaken!" + +Hij klom op den wagen, maakte een groot gat in het hooi en verborg +zich daarin. + +Maroessia zette zich neer op de plaats, die een vrachtrijder zou +ingenomen hebben, spoorde de ossen met haar lief stemmetje aan, dat in +'t eerst een beetje trilde. Toen zette de zware wagen zich langzaam +in beweging. + +De moeilijke tocht, midden in den nacht, was begonnen... + + + + +V. + +EEN ONTMOETING. + + +Ossen weten nooit, hoeveel haast men heeft. De wagen reed naar den +zin van Maroessia veel te langzaam; de afgemeten stappen der ossen +werden op de stem van hun kleine vriendin wel wat grooter, maar zij +liepen toch niet harder. + +Alles was stil; de laatste sterren flonkerden aan den hemel en +langzamerhand brak het daglicht door; van tijd tot tijd deden een +geweerschot of een kreet, bestemd om de schildwachten op hun hoede +te doen zijn, die diepe stilte nog des te meer uitkomen. + +Maar ieder geluid, dat zich onverwachts deed hooren, joeg Maroessia een +huivering over de leden. Hoeveel malen deed een windvlaag al het bloed +naar haar hoofd stijgen! Ach! het was niet voor zich zelf, dat zij +zoo gemakkelijk beefde. Wat haarzelf betrof, was zij onverschrokken, +maar haar vrees was voor den ander. Eensklaps zei ze: + +"Verschuil u goed! Daar komen menschen!" + +Het was zoo, zij had goed gehoord. Al spoedig daarna omsingelde een +afdeeling Russische ruiters den wagen. + +"Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan? Wie ben je?" riepen +verscheidene barsche stemmen. + +"Ik ben de dochter van Danilo Tsjabane," antwoordde Maroessia. + +"Laat je ossen dan stilstaan!" riep een officier haar toe. + +Maroessia liet de ossen stilstaan. + +"Waar kom je vandaan?" + +"Van ons vandaan." + +"Wat bedoel je daarmee?" + +"Niet ver van dien kant af." + +"En waar ga je naar toe?" + +"Ik ga naar baas Kniesj toe." + +"Wie is Kniesj?" + +"Dat is een vriend van vader. Hij heeft dit hooi van ons gekocht, +en ik breng den wagen naar hem toe." + +"Wat heb ik je gezegd, beste vriend?" zei een andere officier. "Het +is een boerenwagen, en anders niet. Maar jij ziet overal verraders +en ontsnapte gevangenen." + +"Wat zullen wij met onze vangst doen?... Beste meid! wil je je bij +het regiment aansluiten? Maar och! je bent te klein, je zoudt er +beter aan gedaan hebben, vanmorgen niet uit je wieg te komen." + +"Dit hooi," antwoordde de eerste officier, "is toch niet te +versmaden." En zich tot Maroessia wendende, voegde hij er bij: + +"Is het huis van dien Kniesj nog veraf?" + +"Nog al..." + +"Wat bedoel je daarmee? Zou men er met den stap, waarmee je ossen +loopen, in één uur of in twee kunnen komen?" + +"In twee misschien, en mogelijk ook wel in drie." + +"Welnu dan, ik zou er voor zijn, dat wij dezen wagen tot aan het +huis van dien man vergezelden; en als hij op dit hooi gesteld is, +dan moet hij het maar van ons koopen. Beste meid! is het huis van je +vader nog al netjes ingericht? Is hij een rijk grondbezitter?" + +"Hij heeft een grooten tuin en veel appelen." + +"Dom gansje! Het is ons niet om appelen te doen... Maar komaan! laat +ons zelf eens gaan zien, hoe het met dien Kniesj gesteld is. Het kan +niet anders, of ons bezoek zal een aangename verrassing voor hem zijn." + +De officier gaf zijn paard de sporen en snelde vooruit. Zijn kameraad +volgde hem, terwijl hij bromde: + +"Je bent een echte gek! Daar hebben wij nu al een geheelen dag +doorgebracht met doelloos rond te zwerven. Waar gebruik je ons voor?" + +"Voorwaarts, meisje!" zeiden de soldaten tegen Maroessia. "Voorwaarts!" + +De wagen reed voort, omgeven door de afdeeling soldaten. + +Maroessia zag zich van alle kanten door woeste gestalten omringd. + +Terwijl zij zich angstig afvroeg, wat zij doen zou om zich aan dit +dreigend gevaar te onttrekken, sloeg zij een blik op de gezichten van +hen, die haar omgaven. Allen waren met lange snorren versierd, door +de zon gebruind, hardvochtig, somber en onverzoenlijk, en schenen uit +te rusten na vele vermoeienissen en bloeddorstige daden. "Hoevelen van +de onzen hebben die kerels al gedood en vermoord?" vroeg het kind bij +zichzelf. "Is het niet verschrikkelijk daaraan te denken? Zouden zij +zich het kwaad wel herinneren, dat zij bedreven hebben? De gezichten +van enkelen zijn somber... Misschien hebben zij niet allemaal een +hart van steen? En als zij hem eens ontdekten! O neen! zij zouden +geen medelijden hebben!" + +Ofschoon de ossen van Maroessia hun gewone logheid behielden, +liepen zij toch met een eenigszins vluggeren stap, misschien wel +aangespoord door het hoefgetrappel van de ruiterij en gestreeld door +de frissche morgenkoelte. De paarden van de ruiterafdeeling liepen +met een geregelden stap, maar van tijd tot tijd rekten die, welke het +dichtst bij den wagen waren, den hals uit en trokken een plukje hooi, +dat binnen hun bereik was, van den wagen af. Dit joeg Maroessia een +huivering door de leden. Als het hooi eens instortte, als... + +Eensklaps bemerkte Maroessia, terwijl zij een blik op de soldaten +sloeg, een paar oogen, die onafgewend op haar gevestigd schenen te +zijn. Deze oogen waren doordringend als twee dolken en gloeiden als +kooltjes vuur. Ze keken haar opmerkzaam aan, ja, en misschien wel +met wantrouwen. + +Zij werd beurtelings rood en bleek en dacht dat alles verloren +was. Maar zij zei bijzich zelf: + +"Ik moet zijn--zooals hij!" + +En zij vatte weder moed. + +De beide officieren reden vooruit. De een lachte, de ander bromde. De +soldaten werden stil en schenen ten gevolge van den langzamen stap, +waarmee zij reden, slaperig te worden. + +Maar waarom keek die soldaat haar zoo den heelen tijd aan? + +"Ik zal hem ook aankijken," besloot Maroessia bij zich zelf. + +En haar ontroering bedwingende, vestigde zij op haar beurt haar +blikken op hem. + +De bewuste oogen behoorden aan een bejaarden, forsch gebouwden +onderofficier, die een zeer ruw en tegelijkertijd zeer schrander +gezicht had. + +Eensklaps bracht hij zijn paard naar voren en reed nu vlak naast +Maroessia, als wilde hij haar wat dichterbij bekijken. Hij sprak in het +eerst niet tegen haar, maar zijn doordringende oogen schenen te zeggen: + +"Het is toch zonderling, dat zulk een klein meisje zulk een grooten +wagen bestuurt! Wie heeft dit zwakke kind voor zoo'n zware taak kunnen +kiezen? Wie heeft haar zoo geheel alleen kunnen laten vertrekken +te midden van den nacht, nu het overal oorlog is en nu de wegen zoo +onveilig zijn?" + +"Leven je vader en je moeder nog, beste meid?" vroeg hij haar +eindelijk. + +Daar hij dacht, dat Maroessia geen Russisch verstond, herhaalde hij +zijn vraag, zoo goed hij kon, nog eens in de taal, die in de Ukraine +gesproken wordt. + +"Heb je nog een vader? Heb je nog een moeder?" + +"Ja, Goddank!" antwoordde Maroessia. + +"Allebei?" + +"Allebei." + +Hij dacht een oogenblik na; vervolgens helderde zijn gezicht op, +als had hij eensklaps iets van een raadsel begrepen, waarvan hij de +oplossing tot dusverre vruchteloos had gezocht. + +Het hart van Maroessia sloeg geweldig. Alles draaide haar voor de +oogen. Maar zij moest zijn--zooals hij. + +Zij deed haar best om zich den schijn te geven, alsof zij volmaakt +kalm was, en vroeg op haar beurt wel met een eenigszins bevende stem, +maar toch met een glimlach om de lippen: + +"En u, hebt u uw vader en moeder ook nog? Hebt u veel +bloedverwanten? Hebt u zoons of dochters?" + +Was het deze kinderlijke, bevende en aarzelende stem, of was het +eenvoudig die vraag, die weer oude herinneringen in het hart van +dezen soldaat opwekte? Het ruwe en onverzoenlijke gezicht, dat aan +Maroessia zooveel vrees ingeboezemd had, veranderde plotseling, +en men had daarop eensklaps een weerkaatsing kunnen zien van alle +gewaarwordingen, die een menschenhart kunnen vervullen. + +Die oogen, die haar nog pas zoo wantrouwend en uitvorschend hadden +aangekeken, waren onmiddellijk verzacht. Zij keken Maroessia nu met +eene zonderlinge ontroering aan. Vond hij in de trekken van het +kleine meisje eenige gelijkenis met een kind, dat daar niet was, +dat misschien heel ver van daar was, maar waaraan de gedachte alleen +voldoende was om hem zacht te stemmen? + +"Ja, ik heb een dochtertje," antwoordde hij eindelijk. + +"En is dat dochtertje al groot?" vroeg Maroessia. + +Hij glimlachte, en men voelde, dat in dezen treurigen glimlach de +herinnering aan een dierbaar kind opgesloten lag. + +"Zij is even groot als u, ten minste bijna even groot," antwoordde hij. + +Toen boog hij het hoofd voorover, en Maroessia durfde hem geen vragen +meer doen. Zij liet hem met zijn gedachten bij zijn dochter. + +Men reed nog aldoor voort. Een rooskleurige streep vertoonde zich aan +den gezichteinder. Een klein vogeltje deed een zacht gepiep hooren +dat zeker als een welkomstgroet aan den dageraad bedoeld was. + +Niet ver van den weg bemerkte zij een klein meertje met een effen +waterspiegel, met groene oevers, dat nog voor een gedeelte door den +ochtendnevel bedekt was: men zou gezegd hebben, dat het een gazen +sluier was, die langzamerhand opgelicht werd. Aan den rechterkant +kronkelde zich een voetpad, en wel dat, hetwelk de voetgangers langs +den kortsten weg naar het huis van Kniesj bracht. Eindelijk wees +een witte rookzuil de plaats aan, waar het huis van den vriend haars +vaders stond. + +Over het licht, dat de duisternis weldra geheel zou verdrijven, maakte +Maroessia zich ongerust. De vroolijke stralen van de morgenzon, steeds +zoo welkom, waren voor haar op dien ochtend vijanden, die haar konden +verraden! Haar oogen zochten onwillekeurig naar den man die met haar +gepraat had, zonder hem te vinden, en zij was daar bedroefd over. + +Onwillekeurig was zij op hem gaan rekenen als op een beschermer. Een +ander soldaat reed nu aan haar rechterhand. + +"Wie is dat schepseltje daar?" vroeg deze soldaat aan een van zijn +kameraden, na een blik op Maroessia geslagen te hebben. + +"Ze is niet grooter dan een notedop," antwoordde een ander soldaat. + +"Ze is nergens bang voor, zij reist als een kolonel van de huzaren." + +"Ik zou er wel wat onder willen verwedden, dat zij kruit noch kogels +vreest!" vervolgde de eerste. + +"Daar heeft zij gelijk in," voegde de derde er bij. "Welke kogel zou +voor zoo'n klein ding gevaarlijk kunnen zijn?" + +"Ik ken de Ukrainiërs," hernam de eerstgenoemde; "men kan niet zeggen, +dat het een volk van hazen is. Zelfs de kleine meisjes uit dit land +zijn dapper. Ik heb meer dan eens met mijn eigen oogen gezien, waartoe +zij in staat zijn: het kanon buldert, het geweervuur knettert, het +bloed vloeit bij stroomen ... zij komen op het slagveld, zij loopen +er moedig over heen, zij rapen er de gekwetsten op, alsof zij in een +tuin wandelden en daar rozen plukten!" + +"Zij sterven dan ook bij duizenden!" zei een ander. + +"Och! wij sterven allen op de een of andere manier," antwoordde +iemand, dien men hoorde zonder hem te zien, omdat hij geheel achter +twee reusachtige soldaten verscholen was. "Ja, op de een of andere +manier; het komt er maar op aan, op de beste wijze te sterven. Maar +wie kent dat meisje?" + +Een paar geweerschoten verbraken de stilte... + +Dit geluid verbande dadelijk iedere andere gedachte, ieder ander +gevoel; de geheele afdeeling keek als een man met een uitvorschenden +blik naar den horizon. + +De officieren hielden hun paarden in. Iedereen liet zijn meening +hooren; maar het geweervuur begon alweer, voordat men het over de +oorzaak ervan eens was. + +"Het is van onzen kant!" riep de jonge officier uit. "Er is geen +twijfel mogelijk, het is van onzen kant, dat het gevecht begonnen +is. Voorwaarts! Het zijn de onzen, die strijd voeren." + +"Heidaar, Iwan! Je moet den wagen maar tot aan het huis van dien +Kniesj begeleiden en de zaak van het hooi in orde brengen. Voorwaarts!" + +Maroessia had den tijd nog niet gehad om zich te herstellen of haar +gedachten te verzamelen, toen de afdeeling reeds in een wolk van stof +verdwenen was. Intusschen had de oude soldaat, die met haar gepraat en +haar over zijn dochtertje gesproken had, zich even omgekeerd en haar, +zooals zij duidelijk had gezien, een vaarwel toegeknikt. + +Maroessia bleef alleen met dien Iwan, die het bevel ontvangen had, +haar wagen tot aan het huis van Kniesj te begeleiden en de zaak van +het hooi in orde te brengen. + +"Vooruit maar, kleine meid!" zei Iwan tegen haar, terwijl hij zijn +pijp opstak. + +Maroessia keek Iwan aan en vond, dat hij er als een egel uitzag. + +"Kom, schiet een beetje op!" herhaalde hij op een strengeren toon. + +Maroessia spoorde haar ossen aan. Bij het plotseling vertrek van hun +geleide hadden zij het goed geacht, te blijven staan. Toen zij de +stem van Maroessia hoorden haastten zij zich, te gehoorzamen. + +De wagen had zijn afgemeten gang hernomen; Maroessia had zich onder +voorwendsel, dat zij vermoeid was, er boven op neergezet, en terwijl +zij er opklom, had zij kans gezien om haar kleine hand even aan haar +grooten vriend toe te steken, wiens kalme en vertrouwende blik haar +uit het gat, dat hij in het hooi gemaakt had, de hare ontmoet had. Dat +had hun beiden goed gedaan. Iwan had natuurlijk nergens vermoeden van; +hij had haar laten begaan, hij liep naast de ossen, terwijl hij zijn +pijp rookte en voor zich keek. + +Wat had de oorlog daar gewoed! Tegen één groen land, dat een rijken +oogst beloofde, hadden zij er tien over te rijden, die geheel +verwoest waren. + +Het geweervuur herhaalde zich met gedurig kortere tusschenpoozen, +en de schoten werden al duidelijker en duidelijker hoorbaar. + +De wagen was een van die heuveltjes opgereden, die niet zeldzaam in +dit land zijn en waaronder de gesneuvelden in vroegere veldslagen +begraven liggen. + +Toen zij boven op dit heuveltje aangekomen waren, bemerkte Maroessia +in de vlakte een menigte tenten, half verborgen door wolken van +zwarten rook, die soms door de opwaaiende roode vlammen verhelderd +werden. Het was op dit terrein, dat het gevecht werd geleverd, dat +het geweervuur hun in de verte had aangekondigd. + +Van tijd tot tijd hoorde men geluiden, hetzij het gekerm van menschen, +hetzij het gehinnik van paarden; ook het geschreeuw van kinderen +drong door de frissche morgenlucht heen. + +Maroessia zag voor zich het vreeselijke schouwspel van een in brand +gestoken dorp, rijke huizen in vlammen en ineenstortende hutten. + +Vrouwen, die met hun kinderen in de armen radeloos heen en weer liepen +vielen neer door onzichtbare slagen getroffen. + +Paarden galoppeerden zonder ruiters voort. De lijken lagen op sommige +plaatsen opgestapeld. De lichamen der gekwetsten, die den genadeslag +verwachtten, waren over den grond verspreid. De gelederen, straks +nog welgevuld, waren gedund; het getal der levenden verminderde bijna +zichtbaar. De grond was op verscheidene plaatsen rood van bloed. + +Niet ver van deze afschuwelijke tooneelen en recht voor haar, gelijk +aan een oase, die zich te midden van de woestijn vertoont, stond de +boerderij van Kniesj, door bloemen omgeven, die een heerlijken geur +uitwasemden. Maroessia herkende iederen boom van dezen dichten tuin; +de kleur van iedere bloem teekende zich op den groenen achtergrond af. + +De deur van den stal stond open, en haar jeugdige oogen onderscheidden +een grooten troep kippen, die, zonder zich om het gevecht te +bekommeren, op het groote voorplein heen en weer liepen; op het +voorplein stonden wagens, ploegen, hooivorken, spaden, harken en +schoffels. + +Bij de deur stond een groote hond, gitzwart en met borstelig haar, +als een trouwe waker voor het huis van zijn baas. + + + + +VI. + +BIJ DEN OUDEN KNIESJ. + + +Nauwelijks stond de wagen voor de deur stil, of een jongen van +ongeveer twaalf jaar, stevig gebouwd, en met een paar heldere oogen +in z'n hoofd, vertoonde zich aan Maroessia. + +"Is pane [2] Kniesj thuis?" vroeg Maroessia. + +"Ben je dan om grootvader gekomen?" zei de knaap, vragende in plaats +van te antwoorden. + +"Ja, om je grootvader. Is hij thuis?" + +"Hij is thuis." + +"Waar is hij dan?" + +"Hij is in den tuin; maar het kan ook wel zijn, dat hij in huis of +op het land is." + +"Ga hem eens zeggen dat wij er zijn!" + +"En haast je wat!" voegde Iwan er bij, terwijl hij zijn pijp weer +opstak. + +Maar de grootvader kwam reeds aan. + +Naar zijn uiterlijk te oordeelen, was het een goedhartig oud +man. Hij droeg een eenvoudig boerengewaad,--een hemd en een broek +van linnen. Zijn hoofd was bedekt met een stroohoed, dien hij +waarschijnlijk zelf gevlochten had. + +Hij herkende Maroessia terstond en scheen volstrekt niet verwonderd +haar te zien. Het tegendeel is waar; men zou gezegd hebben, dat hij +haar verwachtte, en dat dit bezoek voor hem de eenvoudigste en de +meest gewone zaak van de wereld was. + +"Zoo, beste meid!" zei hij, "hoe gaat het met je? Ik ben blij dat ik +je weer eens zie! Kom maar in huis! Maar als je liever in de open +lucht wilt blijven, dan kent Taras de plaatsen, waar men aardbeien +vindt en waar de frambozen staan. Wij hebben binnen nog wat andere +lekkernijen: honingkoeken, kleine taartjes en zelfs groote." + +Iwan had dit woord "taartjes" in het voorbijgaan opgevangen. + +"Ik zie, dat je goed van alles voorzien bent," zei hij met een stem, +die nog wel norsch klonk, maar die toch door het vooruitzicht op +"de groote taartjes" al wat verzacht was. + +"Gelukkig wel!" antwoordde de oude boer. "Kom binnen, kom binnen, +als je honger hebt." + +Hij zag er zoo eenvoudig, zoo vriendelijk, zoo naïef uit, die oude +Kniesj! + +"Kom binnen!" herhaalde hij. "Wat een genoegen! wat een aangename +verrassing! Ik houd van alle soldaten... Kom binnen, Mijnheer de +soldaat!..." + +De soldaat, waarmee hij zooveel ophad, was uitgeput van vermoeienis +en hongerig als een wolf: hij volgde den ouden boer dan ook, zonder +zich verder te laten smeeken, en zoodra hij in de kamer was, ging +hij op een bank liggen, geeuwende, de armen uitstrekkende, de beenen +uitrekkende, in één woord, gebruik makende van het gelukkige toeval, +dat hem in staat stelde, aan zijn lichaam, geheel uitgeput door de +vermoeienissen van den oorlog, een beetje rust te gunnen. + +Het was duidelijk te zien, dat hij den ouden Kniesj voor een onnoozelen +en dommen kerel hield, en dat hij eigenlijk aan niets anders dacht +dan aan zijn taartjes: wat de zaak van het hooi aangaat, die zou +later wel ter sprake komen. + +Maroessia had er zich eerst mee bezig gehouden, den grooten wagen +op het voorplein te brengen. De kleine Taras had haar daarbij +geholpen. Toen dit gedaan was, ging zij naar de beide mannen toe. + +"Pane Kniesj," zei Maroessia toen, "wat hebt u mooi koren op uw land +staan! Ik heb het bewonderd, toen ik er voorbij kwam. Het is nog wel +wat groen, maar ik geloof, dat men het desnoods zou kunnen gebruiken, +voordat het geheel rijp is!" + +"God zij geloofd, beste meid! Ja, wij zullen een goed jaar hebben!" gaf +de oude Kniesj hierop ten antwoord. + +De kalme toon, waarop hij sprak, verried niet de minste ontroering. Hij +liep de kamer op en neer, riep zijn knechts en gaf zijn bevelen met +een vroolijke stem. Zijn oogen trachtten niet in die van het kind te +lezen. Het was een braaf man, trotsch op zijn taartjes en zijn hammen, +zich bij voorbaat verheugende in de gedachte aan den maaltijd, dien +hij den vreemdeling zou aanbieden. + +"Heeft hij het begrepen?" vroeg Maroessia zich af. "Nee, hij heeft +het niet begrepen! En toch..." en haar hart kromp ineen, "als hij +het eens niet begrepen had!" + +Zij wist niet, wat te denken, zij wist niet, wat te doen! + +"Ik moet zijn, zooals hij," zeide zij eindelijk bij zich zelve, +"ik moet moedig zijn, weten te zwijgen en weten te wachten." + +Zij begreep, dat de afgezant een bewijs van al deze eigenschappen +gegeven had, door niet van den wagen af te springen, nadat hij het +gewapend geleide tot een enkelen soldaat had zien verminderen, dien +Iwan, dien hij gemakkelijk had kunnen verslaan, en door er nog op te +blijven, zelfs reeds nadat de wagen het voorplein opgereden was, en +daar zij het besluit had genomen om te zijn zooals hij, richtte zij +geen vragen tot den ouden man en ging, zonder een woord te spreken, +achter hem het huis in. + +Dit huis was vrij uitgestrekt. De meubelen bestonden uit banken van +stevig eikenhout. Aan de gewitte muren, die in blankheid met de sneeuw +konden wedijveren, hingen gedroogde planten, die in het vertrek een +frisschen geur verspreidden. + +In het midden stond een groote massieve tafel, ook van eikenhout, +en deze was bedekt met een fraai wit tafellaken met gekleurde franje. + +De oude Kniesj noodigde zijn gast uit om plaats te nemen. + +"Ik mag de ververschingen niet vergeten," zei hij. "Dat zal spoedig +gedaan zijn, dat zal spoedig gedaan zijn..." + +En hij liep van den eenen kant naar den anderen, pakte de groote +glazen en daalde in den kelder neer, klom naar den zolder, deed de +provisiekast open, verzette potten en pannen, liet de lepels vallen, +schonk van de eene flesch in de andere, ging naar de vliering om +gerookte worsten te krijgen, kortom hij was een en al bedrijvigheid. + +Al deze toebereidselen, die den uitgehongerden soldaat veel beloofden, +hielden hem in voortdurende spanning; hij meende ieder oogenblik een +heerlijken schotel te zien verschijnen: hij rook den geur daarvan +reeds en watertandde er van; hij beloofde zich zoo'n gastmaal, dat +hij daardoor alles op de wereld zou vergeten, of, liever gezegd, +hij zag de wereld slechts verward door een hoop taartjes, worsten, +kazen, vleeschspijzen en andere lekkernijen heen. + +"Hoor eens, barien! [3] geef je zooveel moeite niet," zei hij van +tijd tot tijd. "Ik zal met weinig tevreden zijn... dat is te zeggen, +ik zal tevreden zijn met hetgeen ik daarginds zie... Ja, ik zal er +mee tevreden zijn." + +"Nee, nee," antwoordde de oude Kniesj, "sta me toe dat ik u eens +iets fatsoenlijks aanbied! Sta me dat toe, Mijnheer!... Mag ik ook +uw naam weten?" + +"Ik heet Iwan," antwoordde de soldaat met een zucht, geheel ontwapend +door de gulle gastvrijheid van den ouden boer. + +"Welnu, Mijnheer Iwan! u moet mij vergunnen, u het beste aan te +bieden, wat er in mijn huis is! U moet het, u wilt een grijsaard +toch geen verdriet aandoen, niet waar? U moet eens van mijn worsten +proeven... en van mijn hammen ook... en dan van mijn kaas... U zult +wel zien, wat ik u zal voorzetten." + +"Maar wij, soldaten, zijn niet aan zulke lekkernijen gewend. Als wij +onzen honger maar kunnen stillen, zijn wij al tevreden," zei Iwan. + +"Wel zeker, wel zeker, Mijnheer Iwan! Ja, het leven van een soldaat +is hard. Ik heb er wel eens over hooren spreken. Welnu, dat is een +reden te meer om een poging te doen, u eens te vergasten... Ja, ja, +geloof mij!" + +Maroessia, die in een hoek zat, trachtte te zijn zooals hij, aan +wien zij onophoudelijk dacht, zou geweest zijn. Naar haar uiterlijk +te oordeelen was zij kalm en bedaard. + +Maar wat er in dat hartje omging is niet om te beschrijven. Was +haar groote vriend nog in het hooi begraven? Of was hij er al lang +uitgekomen? Maar zou hij zich dan wel op een veilige plaats hebben +kunnen verschuilen? En als hij het huis eens had moeten verlaten, +waar zou zij hem dan weervinden? Welke gevaren kon hij loopen? Wat +zou haar vader wel zeggen, als zij hem verlaten had, voordat zij hem +het doel van zijn tocht had doen bereiken?... + +De kleine Taras ging, na de nieuw aangekomene nauwkeurig opgenomen te +hebben, naar het raam toe en telde de schoten, die men zeer duidelijk +kon hooren, ofschoon zij op een verren afstand gelost werden. + +Eindelijk was het maal gereed. Mijnheer Iwan begon het met een soort +van woede te verslinden. Zijn geduld was dan ook al te lang op de +proef gesteld. + +Bij den eersten hap had hij het strenge en woeste gelaat van een +krijgsman, die er zich volstrekt niet over bekommert, zijn gehemelte +te streelen; maar al spoedig begon zijn gezicht een wat zachter +uitdrukking aan te nemen. Na het gebruik van eenige glazen likeur +van frambozen, van aardbeien, van kersen en van kummel kregen zelfs +zijn oogen een vriendelijke uitdrukking en speelde er een glimlach +om zijn lippen. + +De oude Kniesj werd niet moe, hem telkens nieuwe gerechten en nieuwe +dranken aan te bieden. Van tijd tot tijd slaakte hij een kreet. + +"Wacht! Dat is mooi bedacht! Ik herinner mij daar, dat ik in mijn +provisiekast nog wat heb, dat u wel zal smaken... Wacht, wacht! Dat +zal ik eens voor u gaan halen, Mijnheer Iwan! Dan moet u mij eens +zeggen, hoe u het vindt." + +Iwan verzette zich hier niet tegen. Hij kon slechts even met het +hoofd schudden, alsof hij wilde zeggen: + +"Dat lijkt mij! Maar alles lijkt mij op dit oogenblik!" + +"Wel, Taras, wat doe je daar?" vroeg de oude Kniesj, na weer een +flesch voor zijn gast neergezet te hebben. "Is het nu de tijd om +daar te staan luieren? In jou plaats zou ik eens zijn gaan kijken, +of het tijd is om hooi aan de ossen te geven." + +"Wilt u wel gelooven, Mijnheer Iwan!" voegde de grijsaard er bij, +"dat ik in Taras een flinken werkman heb? Het is een jongen, die niet +dom is en ook niet lui." + +Mijnheer Iwan wilde antwoord geven, maar hij kon niets anders doen dan +een glimlach op zijn gezicht te voorschijn brengen, die hoegenaamd +niets zeide. Wat den kleinen Taras aangaat, die liet zich niet lang +bidden. In een oogenblik was hij bij de deur. + +Het was tijd; want Maroessia kon het niet meer uithouden. Zij stond +bedaard op en zei tegen den ouden Kniesj: + +"Ik zal met Taras meegaan." + +"Doe dat, beste meid!" antwoordde de grijsaard. + +En toen zij hem voorbijliep, strekte hij de hand uit en streelde haar +zachtjes over haar lokken. + +Weinig had deze liefkoozing te beteekenen, maar zij gaf als door een +tooverslag alle vertrouwen aan Maroessia terug; zij gevoelde zich +gerustgesteld en versterkt; haar angst verdween, en ze voelde zich +ineens veel minder angstig. + +"Beste barien!" zei Iwan, een wanhopige poging doende om zijn gedachten +te verzamelen, "dat hooi van daar straks, weet je, het hooi van den +wagen, dien ik hierheen begeleid heb, behoort aan ons toe!... Begrijp +je me? Wij hadden het in beslag genomen, dus is het ons goed, dus +is het ons eigendom geworden! Dat is duidelijk, niet waar? Als je er +echter op gesteld bent, het te behouden, dan kan je er mij den prijs +voor geven.... Geef geld, veel geld, en je moogt het hebben... En +dat zou ik je als het beste aanraden!" + +"U bent heer en meester, Mijnheer Iwan!" antwoordde de oude Kniesj. "U +kunt nemen, wat u verlangt. U bent heer en meester!" + +"Heel goed! dat is heel goed!" antwoordde Iwan. "Uitstekend goed!" + + + + +VII. + +OP DEZELFDE PLAATS. + + +Toen Maroessia het huis uitkwam, zag zij, dat de wagen, nog met +hooi beladen op dezelfde plaats stond. Taras werkte met den meesten +ijver. Hij klom op het wiel, trok het hooi bij handen vol van den +wagen af en gaf dit aan de ossen. + +Maroessia draaide een paar keer om den wagen heen. + +Nadat Taras aan de ossen genoeg hooi gegeven had, begon hij te babbelen +en vroeg het honderd uit, maar Maroessia, die nog wel een beetje in +angst verkeerde, antwoordde hem slechts kortaf. + +Eensklaps kwam de gedachte bij haar op, dat haar tegenwoordigheid bij +den wagen vreemd zou kunnen schijnen, en ze besloot om er vandaan +te gaan. Zij liep het groote voorplein over, ging naar den tuin, +bleef staan, keek om zich heen en sloeg een blik op de velden, die +zich in de verte uitstrekten. + +"Wat nu te doen?" vroeg zij zich af. "Wat zal er van hem worden? Hoe +hem te redden? De wagen met hooi is nog niet afgeladen. Zou hij nog..." + +Zij keerde naar het voorplein terug, om er zich van te overtuigen, dat +niemand haar gadesloeg. "Als ik het zonder onvoorzichtigheid doen kan," +zei ze bij zich zelf, "zal ik het wagen, zoo al niet hem te roepen, +dan toch op de een of andere wijze zijn aandacht te trekken." + +Maar toen zij voorbij een hoop groote steenen kwam, die tegen de +bouwvallen van een muur opgehoopt lagen, meende zij te hooren, nee, +hoorde zij duidelijk, alsof zij uit den grond voortkwam, een stem, +die zij goed kende, en die tegen haar zei: + +"Ik dank je, kleine Maroessia! Wees maar gerust, alles gaat goed." + +Eerst schrok ze, maar langzamerhand herstelde zij zich en trachtte +te zien, waar die stem wel vandaan gekomen was. + +De hoop steenen scheen daar reeds zeer lang gelegen te hebben. De +steenen waren bedekt met mos, onkruid en klimplanten. Blijkbaar waren +ze daar reeds lang geleden neergeworpen, toen men onder een gebouw, +dat nu bijna geheel in puin lag, dezen ouden kelder had gemetseld, +waarvan haar zoekende blik het raampje had opgemerkt, ofschoon dit +ternauwernood zichtbaar was tusschen de menigte planten, die er +overheen gegroeid waren. + +"Heb ik goed gehoord?" vroeg de kleine Maroessia zich af. + +Haar hart sloeg geweldig. Maar de stem, die opnieuw uit het puin kwam, +liet zich ten tweeden male hooren. + +"Beste meid," zei deze stem. "Stel je gerust. Wij zijn de gevaren der +zee gelukkig te boven gekomen en zullen in de haven niet verdrinken, +hoop ik!" + +Maroessia bleef onbeweeglijk staan; zij luisterde nog eens, ofschoon +alles nu weer stil geworden was. + +Deze weinige woorden, die van hem, van haar grooten vriend kwamen, +waren even zoovele tooverwoorden, die haar laatste vrees geheel +wegnamen. + +Haar hart werd van blijdschap vervuld, en haar wangen waren zoo rood, +haar oogen schitterden zoo fel, dat Taras, op het voorplein eensklaps +voor het meisje bleef staan. + +Getroffen door de verandering, die er met haar plaats gegrepen had, +keek hij haar met een nieuwsgierigen blik aan. + +"Ze is zeker erg in haar schik; grootvader zal haar misschien iets +lekkers gegeven hebben!" dacht hij. "Maar wat? Zou het peperkoek zijn +of noten?" + +Maroessia verbrak het stilzwijgen met de vraag: + +"Willen wij eens naar den tuin gaan?" + +"Dat wil ik wel," antwoordde Taras met eenige aarzeling als iemand, +die er niet zeker van is, of hij er bij zal winnen of verliezen, +als hij zijn toestemming geeft. "Maar zeg mij eerst eens, wat heeft +grootvader je gegeven?" + +"Aan wien heeft hij wat gegeven?" + +"Wel, aan jou immers!" + +"Nu, dan heeft hij je wat beloofd, en dan is het evengoed, of je het +al hadt. Wat heeft hij je beloofd?" + +"Hij heeft mij niets beloofd." + +Taras keek haar wantrouwig aan. + +"Waarom kijk je dan zoo blij?" vroeg hij. + +"Ik?" + +"Ja, jij." + +Zij wilde zeggen: "Je verbeeldt je maar, dat ik blij kijk;" maar +zij was niet in staat om te liegen, zelfs niet voor een goede zaak, +en zei alleen maar: + +"Laat ons naar den tuin gaan." + +"Ik ga mee," antwoordde Taras met een schalksch gezicht. + +"Zullen wij er veel aardbeien vinden?" vroeg Maroessia. + +"Ik vind ze wel, als ik ze zoek," antwoordde Taras eenigszins trotsch. + +"Ik zal ook mijn best doen om ze te vinden. Denk je, dat ik er zal +vinden?" + +"Dat kan wel. Het is niet zoo moeilijk. Het is een echt +meisjeswerk! Als het er om te doen was, een mol of een egel te vangen, +dan zou het een heel andere zaak wezen." + +En terwijl Taras den kant van den tuin uitging, sloop hij zachtjes +voort, zooals het aan een echten mollenvanger past. + +"De kleine meisjes hebben geen moed, zoo denk ik er over!" voegde +hij er bij. "De jongens..." + +"O! De jongens zijn heel moedig!" zei Maroessia, ziende, dat haar +kleine metgezel naar een woord zocht, dat de uitstekende verdienste +der jongens naar waarde kon uitdrukken. + +"Juist zoo!" antwoordde Taras, dien het pleizier deed, dat het meisje +zooveel achting voor de jongens aan den dag legde; en hij dacht bij +zich zelf: "Zij is zoo dom niet, als ik gedacht had!". + +"De jongens kunnen paardrijden!" vervolgde hij. "Zij kunnen de wildste +paarden temmen!" + +"Ja zeker, dat kunnen zij," antwoordde Maroessia glimlachende. + +"Je zult eens zien, hoe goed ik onze merrie kan berijden. Laatst, +toen ik de hut van de oude Hanna in galop voorbijreed, heb ik haar +vreeselijk laten schrikken; de oude vrouw dacht, dat het een pijl van +een Tartaar was! Zooals je weet, zijn onze oude vrouwen erg bang voor +de Tartaren." + +"Die arme vrouwen!" zei Maroessia. + +"Maar jij moet niet bang worden; ik zal je wel verdedigen," zei hij +met een opwelling van edelmoedigheid. + +"Ik dank je!" zei Maroessia. + +"Je moet weten, dat ik heelemaal niet bang ben. Er zal eenmaal een dag +komen,--misschien al gauw,--waarop ik al de vijanden van onze Ukraine +in stukken zal houwen! Wil je door deze kleine deur heengaan? Kom hier, +aan dezen kant staan de aardbeien. Weet je wel, wat mijn plan is?" + +"Nee, vertel het eens!" + +"Nou, mijn plan is, op het legerkamp der Tartaren of der Turken aan +te vallen, ze te dooden en hun opperhoofd gevangen te nemen... Wat +zeg je daar wel van?" + +"Dat zou schitterend zijn," antwoordde Maroessia ernstig. "Schitterend, +niet waar? Er is in Frankrijk wel een boerenmeisje geweest, dat alle +vijanden daaruit verdreven heeft." + +"O!" zei Maroessia, wier oogen vlammen schoten, "wat zal zij gelukkig +geweest zijn!" + +"Men heeft haar verbrand," hernam Taras. + +"Dat geeft niet," vond Maroessia, "toch is zij de gelukkigste van +alle vrouwen." + +"Grootvader zal je hare geschiedenis wel eens vertellen, als je dat +wilt. Een Fransche vrouw heeft hem deze in de stad verhaald. Hier +kent men zulke geschiedenissen niet. Het meisje heette Jeanne d'Arc." + +"Jeanne d'Arc," zei Maroessia met de oogen vol tranen, "Jeanne +d'Arc! Gelukkig meisje!" + +Taras raakte in vuur. Wat een Fransch meisje had gedaan, kon een +Ukrainische jongen ook wel doen. Hij vertrouwde aan Maroessia de +vele plannen toe, die zich in zijn hoofd verdrongen. En wat slaagden +al die "schitterende" plannen naar wensch, in zijn verbeelding +tenminste! Terwijl hij in den tuin wandelde en aardbeien zocht, +ontwikkelde hij zijn gedachten over het laatste gevecht en betreurde +het zeer, dat de groote hetman te langzaam in zijn aanvallen was +geweest. + +Maroessia luisterde zwijgend naar hem, terwijl zij aldoor aan het +meisje dacht, dat haar vaderland vrijgemaakt had. + +"In die kleine Maroessia steekt zeker wat goeds," zei Taras bij +zich zelf. "Wat luistert zij naar mij! Het doet mij pleizier, dat +zij volstrekt niet gelijkt op die dwaze huilebalk Mimowka, die +altijd de eerste wil zijn, die mij dit en dat en weer wat anders wil +leeren... Die Mimowka is een akelig kind! Maar Maroessia is een flink +meisje... En aanstonds zal ik aardbeien voor haar plukken..." + +Intusschen kon Taras, terwijl hij tegen een hek aanleunde en Maroessia +aankeek, zich niet weerhouden, bij zich zelf te zeggen: + +"Maar wat kijkt zij toch blij! Zij kon niet vroolijker kijken, +als zij al de lekkernijen van de kermis voor zich uitgespreid zag +liggen! Ik ben er zeker van, dat zij ergens een hoop peperkoek +verborgen heeft! Zij moet mij straks haar geheim vertellen, en dan +moet ik de helft hebben van wat zij krijgt, en misschien wel meer." + + + + +VIII. + +HET ONTWAKEN VAN IWAN. + + +Het was bijna middag. + +Sedert eenigen tijd drongen de brandende zonnestralen door het +raampje heen, waarbij de soldaat Iwan na zijn overvloedigen maaltijd +ingeslapen was, en vielen vlak op zijn wang. Zijn gezicht was door de +zon vuurrood geworden. Iwan had wel is waar een onbestemd gevoel, dat +hij zou braden; maar hij was per slot van rekening toch erg gelukkig, +dat hij nog volstrekt geen lust had om wakker te worden. "Als ik mijn +oogen opendoe," zei hij half slapende bij zich zelf, "als ik op een +andere plaats ga liggen, dan is het afgeloopen met al die zaligheid, +dan zal ik den slaap niet meer kunnen vatten!" + +Eensklaps echter sprong hij op, alsof men hem met een gloeiend ijzer +had aangeraakt. Werkelijk was zijn wang brandend heet. Hij hield er +z'n hand tegen, maar trok die dadelijk weer terug, alsof hij zich +gebrand had. + +Hij ging van het raam vandaan; zijn benevelde blik vestigde zich op het +inwendige der kamer; werktuigelijk knoopte hij zijn uniform dicht en +deed zijn best om aan zijn gezicht dat voorkomen van onverschilligheid +te geven, dat daaraan gewoonlijk eigen was. + +Waar was hij? Langzamerhand herinnerde hij zich alles weer. Hij was +alleen! Maar waarom? Och, de oude Kniesj had zich waarschijnlijk +verwijderd, om zijn gast rustiger te laten slapen. + +Maar sedert wanneer sliep hij? Een plotseling gevoel van ongerustheid +greep hem aan. + +Iwan begon te roepen; zijn stem klonk schor en krijschend. Zijn +geschreeuw weerklonk al spoedig in al de hoeken van het voorplein. + +"Hela! oude sufkous! Drommels! Zal je dan eindelijk komen?" + +Op zijn geschreeuw snelden Maroessia en de kleine Taras naar het +huisje; maar daar zij het noodeloos achtten, zich aan de woede van +den pas ontwaakten soldaat bloot te stellen, verscholen zij zich +achter het dichte geboomte en luisterden. + +Toen Iwan zweeg, hoorde men niets... het bleef doodstil. + +Een oogenblik daarna begon de soldaat weer te schreeuwen: + +"Waar ben je, oude schurk?" + +Toen begreep hij wel, dat het al laat was. Met een hevigen ruk deed +hij de deur open en verscheen met de sabel in de hand op den drempel, +terwijl hij z'n hoofd beurtelings rechts en links wendde, als iemand, +die niet weet in welke richting hij zijn houwen moet geven. + +"De duivel moge mij halen, als ik weet, naar welken kant ik moet!" riep +de soldaat eindelijk woedend uit. + +Hij liep het voorplein haastig over, terwijl hij met zijn sabel in +de lucht sloeg, en daarna nu eens tegen den muur, dan weer tegen een +boom aankwam, als iemand, die iets wil hebben, om er zijn woede op te +koelen. Hij struikelde eindelijk over den hoop steenen, die er bij den +kelder lag,--dit deed Maroessia in haar schuilplaats verbleeken,--maar +hij stond vloekende op en bevond zich eindelijk weer op het punt, +vanwaar hij was uitgegaan, voor de deur van het huis, nog altijd +razende en tierende. + +Intusschen hoorde men reeds de vriendelijke stem van den ouden Kniesj, +die door zijn drogen hoest afgebroken werd; hij kwam met haastige +schreden aan, als iemand, die het onaangenaam vindt, dat hij een +persoon van gewicht heeft laten wachten. + +"Ik kom, Mijnheer Iwan, ik kom," zei hij met goedhartigheid en +vriendelijkheid; "ik ben geheel tot uw orders." + +Iwan hoorde de stem van den ouden Kniesj zeer goed, maar het gelukte +hem niet, er zich rekenschap van te geven, waar zij vandaan kwam. + +"Waar ben je?" riep hij hem toe. + +"Ik ben hier," antwoordde de stem van den ouden Kniesj. + +"Hier? Waar dan?" brulde de soldaat. + +"Wel, vlak voor u. Ziet ge mij dan niet?" + +Iwan stond werkelijk tegenover den ouden Kniesj, die hem vriendelijk +toelachte. + +"Hebt u goed geslapen, Mijnheer Iwan?" vroeg de oude Kniesj, terwijl +hij in de fonkelende oogen van den soldaat een bevestigend antwoord +trachtte te lezen. + +"Ik hoop toch, dat de vliegen u niet al te erg gestoken hebben. Ik +had alles dichtgedaan, opdat zij u wat meer met rust zouden laten." + +"Moge het vuur van den hemel ze braden, je vliegen!" antwoordde +Mijnheer Iwan. "Zij zouden er beter aan gedaan hebben, als zij mij +wat vroeger wakker gemaakt hadden." + +Na te veel gegeten, te veel gedronken en te veel geslapen te hebben, +gevoelde de soldaat zich niet zeer pleizierig. + +"Ik ben het met u eens, Mijnheer Iwan, ik ben het volkomen met u eens," +antwoordde de oude Kniesj. + +En daar Mijnheer Iwan, in gedachten verzonken, met een knorrig gezicht +aan zijn lange snorren trok, meende de oude man eveneens te moeten +nadenken. Hij liet een minuut voorbijgaan en zei toen: + +"Met dat al, Mijnheer Iwan, moet ik toch zeggen, dat het, als men +eenmaal slaapt, niet aangenaam is, door de vliegen wakker gemaakt +te worden. Als men er aan denkt, dat een eerlijk man, dat zelfs een +soldaat, van beroep een moedig man, zich evenmin als ieder ander kan +verdedigen tegen deze ellende..." + +"Welke ellende?" vroeg Iwan, alsof hij opnieuw uit zijn droom +ontwaakte. + +"Wel, die van de vliegen, Mijnheer Iwan. Als men er aan denkt, dat die +ondraaglijke insecten zich maar zoo op alles neerzetten, onverschillig +of het een generaal, een boer of een taart is ... dan vraagt men zich +wel eens af, waartoe het onderscheid tusschen de menschen toch dient." + +Mijnheer Iwan viel hem in de rede: + +"Ik heb een geduchte pijn in m'n hoofd. In plaats van zoo te babbelen, +zou je er beter aan doen, als je mij een glas brandewijn bracht." + +"Met alle genoegen, Mijnheer Iwan, met het meeste genoegen," riep +de oude Kniesj uit. "Wat een geluk, u een dienst te kunnen bewijzen, +Mijnheer Iwan, wat een geluk!..." + +Als men zijn vroolijk gezicht zag, zou men zich werkelijk afgevraagd +hebben, of hij zich niet al te gelukkig gevoelde, aan Mijnheer Iwan +nog eens een dienst te kunnen bewijzen. + +Hij liep, fier als een koning, naar zijn kast. Mijnheer Iwan volgde +hem. + +De soldaat behield nog altijd zijn woest voorkomen, maar hij begon +zijn snorren op te strijken als iemand, die iets goeds verwacht. + +"Ga maar zitten, Mijnheer Iwan, ga maar zitten," zei de oude man. "Ik +zal dadelijk een glas voor u inschenken... Neem plaats, neem plaats..." + +"Ik heb geen tijd om te gaan zitten," antwoordde Mijnheer Iwan, +ongevoelig voor de voorkomendheid van den ouden man. "Geef maar gauw +op; ik zal het wel staande leegdrinken... Heb je het geld al klaar? Ik +heb haast, ik moet vertrekken..." + +"Hebt u zooveel haast, Mijnheer Iwan? Wat is dat jammer! Het is +brandewijn, zooals men ze maar zelden vindt, en als u niet zooveel +haast hadt, zoudt u dien eens op uw gemak kunnen proeven. Ik moet u +zeggen, Mijnheer Iwan..." + +"Heb je het geld klaar?" + +"Ik heb het klaar, Mijnheer Iwan. Toch blijft het een harde zaak voor +zulke arme menschen als wij..." + +De oude man slaakte een diepen zucht en keek met een somberen blik +naar een geldbuidel, dien hij uit zijn zak haalde. + +"Waartoe moeten al die praatjes dienen?" antwoordde Mijnheer Iwan hem, +terwijl hij het groote glas brandewijn, dat Kniesj hem toegereikt had, +leegdronk, alsof het een glas suikerwater geweest was. + +De oude Kniesj slaakte nogmaals een zucht, maar ditmaal was het +eerst een echt pijnlijke zucht. Toch praatte hij niet meer, en nadat +hij een handvol koper uit den geldbuidel genomen had, begon hij hem +stuk voor stuk voor te tellen, terwijl hij het geld bedaard op de +tafel neerlegde. + +"Hoor eens! Kan je tot drie tellen?" vroeg de soldaat aan den boer. + +Men kon zeker niet beweren, dat deze vraag vriendelijk werd gedaan, +maar de toon was toch ook niet bepaald barsch; de soldaat had veeleer +de bedoeling, innemend te zijn, want Mijnheer Iwan had, terwijl +hij haar deed, zich zelf nog een glas brandewijn ingeschonken, +en gewoonlijk ging zulk een handeling bij hem niet van toorn +vergezeld. Daar hij zijn grap zonder twijfel aardig vond, vervolgde +hij met een guitig gezicht: + +"Ik vraag je, of je tot drie kunt tellen? Hoe doe je dat? Laat eens +hooren!" + +"Met alle genoegen, Mijnheer Iwan," antwoordde Kniesj. "Vijf, +zes... Dat is volgens mij de beste manier om te tellen... zeven, +acht... Wijlen mijn vader telde altijd zoo... negen, tien... en +hij telde zoo goed, dat de sluwste menschen hem niet konden +bedriegen... elf, twaalf." + +Iwan had hem laten doorpraten; alleen had hij zich met een afgetrokken +gezicht een derde glas ingeschonken, en terwijl hij dit leegdronk, +luisterde hij zwijgend naar de overpeinzingen van Kniesj over de +eigenaardigheden van de Poolsche geldschieters en over hun geschiktheid +voor zaken. + +Langzamerhand lagen de stapeltjes koper op een rechte lijn en was de +geldbuidel leeg. + +Mijnheer Iwan schonk zich een vierde glas in, dronk dit in één teug +leeg, en nadat hij dit gedaan had kwam zijn uiterlijk aan Kniesj nog +woester dan vroeger voor. Op zijn voorhoofd vertoonden zich rimpels, +die niets goeds voorspelden. Hij antwoordde met geen enkel woord op +de vriendelijke woorden, waarmee de oude boer hem een laatst vaarwel +toeriep. Hij bekommerde zich over 't geheel weinig om de beleefdheden +van den armen man, maar hij telde met een norschen blik de som, die +voor hem bestemd was, stak deze in zijn zak, verliet met haastige +stappen het vertrek, zadelde zijn paard, dat rustig haver stond te +eten, steeg op, verwaardigde zich, zijn hoofddeksel even op te lichten +ter beantwoording van de diepe buigingen van Kniesj, en reed toen in +galop weg. Spoedig was hij in de onafzienbare steppe verdwenen. + +"Goede reis!" mompelde de oude Kniesj, "ik hoop dat ik je nooit +meer terugzie." + + + + +IX. + +DE WARE KNIESJ. + + +Terwijl de scherpe oogen van den kleinen Taras den ruiter volgden, +die in galop door het hooge gras heenreed, wendden de blikken van +Maroessia zich naar den ouden boer. + +Deze stond voor de deur en keek er naar, hoe zijn gast zich al verder +en verder verwijderde, zonder schijnbaar aan iets anders te denken. Men +zou gezegd hebben, dat hij er, evenals de kleine Taras, eenvoudig +genoegen in vond, naar dien snellen galop te kijken en te luisteren +naar het gehinnik van het paard, dat den soldaat wegvoerde. Met de +eene hand streelde de oude boer zijn hond, die al kwispelstaartende +naar hem toe kwam, de andere hield hij boven zijn oogen om ze tegen +de brandende stralen der zon te beschutten. + +Na aldus eenige minuten gekeken te hebben, die Maroessia wel even +zoovele uren toeschenen, ging hij in huis. Hij liep heel zachtjes, +zonder zich te haasten, terwijl hij naar alle kanten den blik sloeg +van een waakzamen eigenaar, die de wanorde, welke er in zijn huis +mocht gekomen zijn, wil herstellen. + +"Grootvader!" zei Taras, die achter hem liep, "zeg eens, waar de vijand +gekampeerd is. Ik denk wel, dat hij bij de Welika-Zjaroega is, maar..." + +"Zoo! Zijn jullie daar, kinderen?" zei de oude boer vriendelijk, +terwijl hij bleef staan en goedaardig met z'n hoofd schudde: + +"Heb je veel pleizier in den tuin gehad?" vervolgde hij. "Zijn jullie +moe? Heb je honger? Welnu, dan zal ik je wat lekkers voorzetten; +want de soldaat heeft niet alles opgegeten. Kom maar met me mee." + +En hij liep voor hen uit, met een vriendelijken glimlach om de +lippen, terwijl hij soms als een oud man kuchte. Taras en Maroessia +kwamen achter hem aan. In een oogenblik waren de flesch en het glas, +waarvan de soldaat zich bediend had, door Maroessia weggenomen. Een +raam was opengezet, de versche lucht was naar binnen gedrongen, en +de onaangename, doordringende stank van den brandewijn was vervangen +door den heerlijken geur van een lekkere warme pastei. + +Ofschoon Taras zeer verlangend was om de plaats, waar de vijand zich +gekampeerd had, met juistheid te weten te komen, hield hij zich toch +met deze zaak niet uitsluitend bezig. Hij at als een wolf! + +Maroessia daarentegen at weinig. Terwijl haar kleine vingers de +beschuit brokkelden, konden haar oogen zich niet van de gestalte van +den ouden kozak afwenden. + +"Grootvader! luister eens naar mij!" zei Taras, toen hij zijn honger +gestild had. "Als deze soldaat naar de Starie-Krestie rijdt, dan wil +dit zeggen, dat de vijand niet meer bij de Welika-Zjaroega gekampeerd +is. Niet waar, grootvader?" + +"Dat denk ik ook, beste jongen, dat denk ik ook," antwoordde de +vriendelijke, toegevende grootvader, terwijl hij de kinderen nogmaals +een stuk pastei gaf. "Maar je doet mij aan iets denken: je moest eens +gaan zien, hoe het met de vischnetten gesteld is, die wij gisteren +uitgezet hebben. Het kan best zijn, dat wij er een paar heerlijke +baarzen in gevangen hebben. Wat dunkt je daarvan?" + +"Ik heb die netten heelemaal vergeten!" riep Taras uit, "geen oogenblik +heb ik er aan gedacht!" + +"Zoo, zoo, zieltje zonder zorg!" zei Kniesj glimlachende. + +"Ik ga er dadelijk naar toe!" besloot Taras plotseling; en nadat hij +de deur uitgesneld was, hoorde men niets anders meer dan zijn stem, +die zijn hond Riapko, het jong van Raaf, riep. + +Toen werd alles stil. Maroessia was eindelijk met den ouden boer +alleen gebleven. Deze keek haar nu oplettend aan, en wel op zoo'n +zonderlinge wijze, dat haar hartje hevig begon te kloppen. + +In het geheele voorkomen van Kniesj was eensklaps een verandering +gekomen. Met den ouden boer had plotseling een gedaanteverwisseling +plaats gegrepen. Inplaats van een goedigen grijsaard voor zich te +zien, die wel een beetje laf en wat ijdel was op zijn pasteien, +zijn dranken en zijn andere aardsche goederen, zag zij nu onder +zijn wenkbrauwen oogen fonkelen, waarvan de blik als de punt van +een dolk tot haar doordrong; al de rimpels van zijn voorhoofd waren +verdwenen. Zijn trekken waren norsch en streng geworden. De geheele man +was veranderd. Zijn schouders waren breeder, zijn gestalte werkelijk +indrukwekkend, hij leek niets meer op den ouden Kniesj. + +Gedurende eenige oogenblikken keek Maroessia Kniesj als een klein bang +vogeltje aan. Kniesj sprak. Zijn stem geleek heelemaal niet meer op +de stem, die nog pas vriendelijke woordjes tegen den soldaat Iwan zei. + +"Maroessia!" zei hij tegen haar. "Je vriend wenscht je te zien. Hij +is niet veraf. Wil je weten, wat hij je te zeggen heeft?" + +De oogen van Maroessia antwoorden voor haar; de vreugde had haar +de spraak benomen; maar Kniesj had haar begrepen en haar een wenk +gegeven om hem te volgen. + +Hij ging heen en liep met een vasten stap naar het voorplein. De oogen +van Maroessia zochten aan den kant van den ouden kelder naar den hoop +steenen, die met mos en onkruid bedekt was en vanwaar de stem van haar +vriend tot haar was doorgedrongen; maar Kniesj ging daar niet heen. + +Na om zich heen gekeken te hebben, floot Kniesj. De groote hond, +Raaf genaamd, die bij de deur zat, was in een paar sprongen bij zijn +baas, ging op zijn achterpooten zitten en wachtte, terwijl hij zijn +schrandere oogen op den boer gevestigd hield. + +"Is er geen vreemdeling in de omstreken, Raaf?" zei Kniesj tegen den +trouwen bewaker van zijn huis. + +Raaf deed een eigenaardig geluid hooren, dat aan zijn baas duidelijk +zeide: "Wees maar gerust!" En ten bewijze, dat alles in de omstreken +inderdaad rustig was en dat men bijgevolg veilig in huis kon blijven, +begon Raaf jacht op de vliegen te maken. Blijkbaar zou Raaf zich +hiermee niet vermaakt hebben, als er aan het huis eenig gevaar +bedreigd had. Volkomen gerustgesteld, ging Kniesj nu met Maroessia +weer in huis; maar toen hij de kleine gang binnentrad, liep hij de +deur aan den rechterkant voorbij, waardoor men in het vertrek kwam, +waar men gegeten had, en deed een deur aan den linkerkant open, +die den toegang tot een provisiekamer verleende. + +Deze provisiekamer stond vol met alles, wat tot voedsel kon dienen. Men +kon slechts met de uiterste moeite tusschen de groote zakken meel, +gerst, rogge, erwten en boonen doorkomen. + +De ramen waren vrij groot, maar het licht drong er ternauwernood +doorheen. De voorraad hop, worsten, gedroogde pruimen, kersen in +flesschen, appelen, peren, de stapels eieren, de flesschen, die voor de +ramen stonden, hielden het geheele vertrek in een donker waas gehuld. + +Maroessia bleef besluiteloos op den drempel staan, het scheen +onmogelijk om zich een doortocht te banen. + +"Sla linksaf!" zei Kniesj tegen haar. Vervolgens schoof hij met zijn +stevige handen een vat, dat met brandewijn gevuld was, weg en drukte +toen met zijn voet op den vloer, die nu openging en voor Maroessia een +kleine houten trap deed te voorschijn komen, die naar een onderaardsch +gewelf scheen te voeren. + +"Loop zachtjes, beste meid," zei Kniesj, "kijk goed waar je je voeten +neerzet: de treden zijn misschien wat glibberig." + + + + +X. + +HET WEERZIEN. + + +Zij begonnen deze smalle trap af te dalen, die onder hun gewicht boog. + +Maroessia had zich geen rekenschap gegeven van de manier, waarop +de vloer zich geopend had. Zij begreep eerst, dat deze opening weer +dichtgegaan was, toen zij zich in de duisternis bevond. Hoe dieper +zij kwamen, des te kouder werd het. De zon was nooit in dezen diepen +kelder doorgedrongen. + +Van tijd tot tijd voelde het meisje, dat een stevige hand haar +op gevaarlijke plaatsen vasthield. Zoo bereikten zij eindelijk de +onderste trede. + +Kniesj nam haar toen bij de hand, en zij begonnen voort te loopen +door een gang, waarin het een tijdlang donker bleef. Bij een kromming +drong er een lichtstraal van boven door, die het onderaardsche gewelf +verlichtte, dat op die plaats veel ruimer was. De afgezant liep daarin +met langzame schreden op en neer. Zijn oogen wendden zich terstond +naar de bezoekers. Door het geluid van hun voetstappen opmerkzaam +geworden, wachtte hij hen op. + +"Maroessia, mijn kleine raadgeefster!" zei hij, terwijl hij zich naar +het kind vooroverboog, "wat ben ik gelukkig, je weer te zien." + +Maroessia keek hem blij lachend aan en legde haar kleine handje in +zijn groote hand. + +"Ach!" zei ze toen, "wat zult u het vreeselijk gehad hebben in het +hooi bij de aankomst der soldaten, en onderweg, toen Iwan om den +wagen heen draaide, en nog zooeven, toen hij vlak in de nabijheid +van dezen kelder struikelde!" + +"Ik dacht maar aan de geschiedenis van de vrouw van den struikroover," +antwoordde de afgezant, "maar ik was bang voor mijn geleidster." + +"Laat ons een beetje verder gaan," viel Kniesj hem in de rede, +"wij zullen daar nog veiliger zijn." + +Zij deden een paar honderd schreden in het onderaardsche gewelf, +dat nu eens nauwer en dan weer ruimer werd. Zij liepen beurtelings +in het licht en in de duisternis. Overal, waar het licht doordrong, +ontdekte men kleine trappen, die uitkwamen op deuren, welke goed +verborgen waren en de bewoners van het onderaardsche gewelf in de +gelegenheid stelden, zich op de hoogte te houden van alles, wat er +op het voorplein en in den tuin voorviel. + +"Wij zijn niet rijk op het punt van den tijd," zei Kniesj tegen +dengene, dien hij Tsjetsjewiek noemde. + +"Het is er maar om te doen, niet arm in hulpmiddelen te zijn," gaf +deze hem ten antwoord. + +"Kies dan maar!" zei Kniesj; en hij wees hem naar een plaats in het +onderaardsche gewelf, die bijna deed denken aan het magazijn van +wapenen en van kleeren, dat de vrouw van den struikroover in het +onderaardsche gewelf van het kasteel ontdekt had. + +Tsjetsjewiek boog zich voorover. Midden in een hoop kleeren van +allerlei aard, waaronder ook afgesleten of door kogels doorboorde +uniformen, haalde hij een langen witten baard voor den dag, en ook een +wonderlijk gewaad, dat aan den een of anderen rondreizenden muzikant +scheen toebehoord te hebben. Daarnaast stond een groote luit, die nog +in een goeden toestand was. Er ontbrak niets aan de vermomming: het +haar, de snorren, de wenkbrauwen zelfs pasten volkomen bij den baard. + +"Dat," zei hij opgeruimd, "is juist goed voor mij. Laat ons nu eens +iets zoeken, dat het best voor Maroessia is." + +"Zal Maroessia u dan vergezellen?" vroeg Kniesj, terwijl hij een +ouden mantel in z'n handen nam. + +Bij deze vraag, die in twijfel scheen te trekken, of zij den afgezant +overal moest vergezellen, totdat deze het doel van zijn reis bereikt +had, nam het gezicht van Maroessia een uitdrukking aan, waarin +verontwaardiging en toorn te lezen stonden. + +"Wat zou mijn vader, wat zou mijn moeder, en wat zou hij er wel +van zeggen" (hierbij wees zij naar Tsjetsjewiek), "als ik mijn taak +slechts half volbracht?" + +"Maar weet je wel, beste meid, waar hij naar toe gaat?" hernam Kniesj; +"weet je wel, dat hij ergens naar toe gaat, waar men kan sterven, en +dat het niet waarschijnlijk is, dat men daarvan ongedeerd terugkomt?" + +"Zou ik daarom zoo laf zijn, hem te verlaten?" + +"Je bent een dapper meisje!" riep Kniesj uit... "Laat mij je eens +omhelzen! God geve, dat mijn Taras eenmaal op je gelijken moge!" + +"Als Taras van mijn leeftijd was," zei Maroessia, "dan zou hij precies +hetzelfde doen, wat ik doe. Houdt hij er zich niet aldoor mee bezig, +alleen al de vijanden van de Ukraine uit te roeien?" + +"Dat is waar," zei Kniesj. "Hij denkt nu al aan niets anders dan dat." + +De afgezant zocht in den hoop kleedingstukken,--het was er om te doen, +Maroessia te vermommen;--niets beviel hem echter, hij wierp alles +weer op den grond. + +"De kleeren, die zij nu draagt, staan haar goed. Wat is het jammer, +dat ik ze haar niet kan laten aanhouden!... Dit is afschuwelijk," +zei hij, "en dat is nog afschuwelijker." + +Hij bekeek een van de armoedige kleederen, die het meisje wel zouden +gepast hebben, en legde ze ter zijde. + +"Het is ook niet noodig, dat zij er als een bedelares uitziet," zei +hij bij zich zelf, terwijl hij nog eenige lompen op den hoop wierp, +die aan niemand anders hadden kunnen toebehooren dan aan het een +of ander ongelukkig meisje, dat haar brood van de liefdadigheid der +voorbijgangers verwachtte. Maroessia nam het op. + +"Ik moet er wel als een bedelares uitzien," zei zij. "Het zal +misschien noodig zijn, dat ik werkelijk een bedelares word. Ik kies +dit kostuum. Deze lompen zijn juist goed voor mij." + +Zij liep toen naar een donkeren hoek, trok dadelijk haar mooie kleeren +uit, en na eenige oogenblikken kwam het rijke boerinnetje als bedelares +gekleed, terug. + +Gedurende dezen tijd was ook de vermomming van den afgezant voltooid. + +"Wat een knappe grijsaard!" zei Kniesj. "Het is je grootvader, +Maroessia." + +"Het is de vriend van de Ukraine," zei het kind. "Kom, laat ons +vertrekken!" + +De beide mannen hadden zich naar een hoek begeven. Zij gaven elkander +bericht omtrent den staat van zaken. Toen Kniesj ondervraagd werd, +antwoordde hij op de korte en bondige vragen van Tsjetsjewiek. + +Zijn inlichtingen waren nu juist niet erg geruststellend. + +"De meeningen zijn nog al uiteenloopend," zei hij; "overal heerscht +verdeeldheid, die aan de gemeenschappelijke pogingen schade doet. Men +is het niet eens omtrent de middelen, en nog minder omtrent de +menschen. De eigenliefde is er bij in 't spel. De vrouwen zijn +eigenlijk meer waard dan de mannen. U zult ze overal bereid vinden +om goed te doen. 'De Ukraine aan de Ukrainiërs teruggeven, en dan +met elkander twisten, indien men wil, maar niet eer,' dat zeggen +onze vrouwen tegen ons. En zij hebben volkomen gelijk. Wij hebben +twee hetmannen: de een is een groot heer, en de ander een vriend +der armen. Zij zijn jaloersch op elkander: het wantrouwen maakt +hen tot vijanden. Men zou zeggen, dat zij elkaar wel levend zouden +willen verslinden. De Moscoviten, de Polen en de Tartaren stoken dien +haat aan, die hun slechts dienstig kan zijn. Gezegend hij, die deze +ontketende hartstochten weet te bedwingen!" + +"Men zegt, dat onze hetman ongesteld is. Is dat waar?" + +"Hij is oud geworden. Hij is zeer veranderd. Slechts aan den kreeft +geven het verdriet en het lijden, als hij het vuur van te nabij ziet, +schoone kleuren." + +"En de ander?" + +"Van den ander zult u niet dan kwaads hooren spreken." + +"Is niemand der onzen bij hem?" + +"Jawel! Anton is bij hem, maar hij denkt er alleen maar aan, hoe +hij van hem weg kan komen. Hij zegt, dat het een onaangename taak is, +zoo'n schurk in het oog te houden. Ingeval u hem mocht willen bezoeken, +denk er dan aan, dat zijn vrouw werkelijk een goede ziel is. Het is +een groote dame, maar zij heeft een warm hart. Zij heeft een zuster, +die misschien een engel is... en die zeker op den een of anderen dag +als een heilige, naast de martelaren, in den almanak zal prijken." + +"Dus," zei Tsjetsjewiek, "zou onze hetman ontmoedigd zijn?" + +"Dat is zoo." + +"Wie zijn z'n raadslieden?" + +"Niemand; hij blijft alleen als een gekwetste arend." + +"Dat doet er niet toe," zei de oude muzikant, terwijl hij zich in +zijn volle lengte oprichtte. "Ik moet dat alles van nabij zien. Ik +zal er zelf naar toe gaan." + +Maroessia ging naar Kniesj toe en zei, terwijl zij een vriendelijken +blik op hem sloeg: + +"Ik heb een gewichtigen dienst van u te vragen." + +"Spreek op, beste meid." + +Zij nam hem bij de hand. Zij wilde spreken, maar kon niets anders +uitbrengen dan: + +"Zult u aan mijn vader... zult u aan mijn lieve moeder zeggen..." + +De tranen waren te voorschijn gekomen; zij kon niets meer zeggen. + +De beide mannen lieten haar den tijd om tot kalmte te komen. + +Eindelijk hernam zij met vaste stem: + +"Zult u hun zeggen, dat Maroessia, als zij hen niet terugziet, +gestorven is, en dat zij met de gedachte aan hen gestorven is,--aan +haar broertjes ook,--aan hen en aan de Ukraine." + +"Beste meid," zei de oude boer, "ik hoop dat ik die droeve boodschap +nooit hoef over te brengen. Houd moed m'n kind." + +Met deze woorden gaf Kniesj de luit aan de kleine bedelares in handen. + +"Komaan, het is tijd om te vertrekken," zei hij. "Ik zal jullie +een eindje vergezellen en vóór het vallen van den avond naar huis +terugkeeren." + +Hij liet hun het onderaardsche gewelf door een anderen uitgang +verlaten, die hen op een achterpleintje bracht, waar oude wielen, +oude sleden en oude ploegen, die buiten dienst gesteld waren, op een +hoop lagen. Wie hen al spoedig daarna den weg langs had zien loopen, +zou in hen niet degenen herkend hebben, die zich nog pas geleden in +het onderaardsche verblijf ophielden. De oude muzikant was nu niets +anders dan een arm man, die door de jaren en de ellende verzwakt was. + +Maroessia was een ongelukkig klein bedelaarskind, en de oude Kniesj +de langzame en logge boer, wiens gastvrijheid de soldaat Iwan op +zoo'n zware proef gesteld had. + +Zij liepen lang voort zonder te spreken, zooals dat gaat met menschen, +die elkaar niets meer te zeggen hebben. + +Een Russisch detachement was hen voorbijgereden, zonder meer op hen +te letten dan op het stof van den weg. + +Zij hadden halt gehouden. De oude muzikant zat op het gras en tokkelde +met zijn vingers de snaren der luit, die hij van Maroessia overgenomen +had. Hij zong met een zachte stem een eentonig lied, een soort van +avondgebed. Zijn kleine metgezellin, die zonder twijfel door zijn +gezang in slaap was gevallen, lag aan zijn voeten. Wat den ouden boer +Kniesj aangaat, deze luisterde al mijmerende met gebogen hoofd. + +Tenslotte stonden ze weer op. Voor de laatste maal werden de handen +in elkaar gelegd, als een laatst vaarwel sprak ieder van hen dit +viertal woorden uit: "Alles voor het vaderland!" + +Zoodra zij afscheid genomen hadden, keerde de een langs denzelfden +weg terug, terwijl de beide anderen hun tocht voortzetten. Geen van +drieën keek nog eens om, ten einde een laatsten blik te wisselen. + + + + +XI. + +WOORDEN EN MUZIEK. + + +Tegen den avond bevonden de oude muzikant en zijn jonge metgezellin +zich reeds in het gezicht van het Russische legerkamp, waarvan de +tenten, die op een heuvel opgeslagen waren, zich langs de hellingen +tot aan de rivier uitstrekten. + +De schaduwen van den avond begonnen zich over de aarde te verspreiden: +eenige roode strepen vertoonden zich nog slechts aan den gezichteinder. + +In het kamp was alles stil. De vermoeienis ten gevolge van het laatste +gevecht had alle levendigheid doen verdwijnen. De schildwachten, +die door de laatste stralen der ondergaande zon beschenen werden, +stonden zoo onbeweeglijk op hun post, dat men ze voor beelden zou +aangezien hebben. Eenige soldaten kwamen en gingen nog en liepen +langzaam de hellingen van den heuvel af; eenige zwijgende groepen, +talrijker dan men wel zou gedacht hebben, waarvan sommige zaten, andere +op den grond uitgestrekt lagen, waren ternauwernood te onderscheiden. + +Ofschoon de avond nog niet gevallen was, bemerkte men in een tent den +flauwen glans van een kaars, waarvan het licht door de linnen wanden +heendrong. Naarmate men naderde, hoorde men eenig zwak gedruisch, als +dat van een wapen, hetwelk men verzet, een gekerm, een onderdrukten +lach, een brokstuk uit een gesprek. + +Een schildwacht wees naar den ouden muzikant en zijne metgezellin. Er +ontstond eenige beweging. In plaats van zich door het "Werda?" dat +men hem toeriep, of door het zien van al die soldaten schrik te laten +aanjagen; in plaats van terug te keeren, zooals vele anderen in zijn +plaats zouden gedaan hebben, liep de grijsaard regelrecht naar het +legerkamp toe. + +Het was een grijsaard, die zonder twijfel alles zien wilde, +en dat wel van zeer nabij, die zeker van soldaten hield, en die +waarschijnlijk vroeger zelf soldaat was geweest. Anders zou hij niet +zoo onbeschroomd voortgeloopen hebben. Deze onbeschroomdheid had +een gunstige uitwerking. Als men zich zoo uit eigen beweging aan +gevaar blootstelt, dan heeft men meestal niets te vreezen. Na een +groep officieren eerbiedig gegroet te hebben, die zittende of half +liggende van hun krijgsavonturen verhaalden, vroeg hij hun, of het +hun niet zou bevallen, als hij eens wat muziek voor hen maakte en +zelfs iets voor hen zong. + +Er zijn oogenblikken waarop iedere afleiding haar eigenaardige waarde +heeft. Zijn aanbod werd dan ook welwillend aangenomen. + +Men kon aan de eerste tonen, die hij aan zijn luit ontlokte, +wel hooren, dat hij zijn vak verstond, en men luisterde dan ook +met genoegen naar hem. De muziek heeft de gave om de gedachten van +het gewone leven af te leiden en deze ver van de werkelijkheid weg +te voeren. + +Al spoedig hielden de gesprekken op; de blikken, die zich in de ledige +ruimte verloren, verrieden, dat iedereen de een of andere dierbare +herinnering uit het verleden terugriep: den vader of de moeder, +het kind of de vrouw, waarvan de oorlog hem gescheiden had. Eenige +soldaten, wier hoofden met bebloede verbanden omgeven waren, gingen +op hun ellebogen leunen om beter te kunnen hooren. De muzikant bezong +het huisgezin, de kindsheid en de jeugd. Dat alles lag zoo ver in het +verleden! Men had het aan zijn lied te danken, dat te midden van het +legerkamp het huisgezin, waarin men geboren was, voor de oogen opdoemde +en aan ieder herinnerd werd, dat de oorlog niet het geheele leven is. + +Meer dan één oog werd vochtig. De bijval, dien de grijsaard vond, +was groot, zoo groot, dat, toen hij met zingen opgehouden had, +verscheidene handen reeds eenig kleingeld uit hun zak hadden gehaald +om hem dit aan te bieden. + +"Kom eens naderbij, kleine tooverheks!" riep een ruwe officier uit. + +En terwijl hij aan Maroessia een kopek voorhield, vervolgde hij: + +"Dat is voor je vader: kom het maar halen!" + +Het meisje verroerde zich niet; zij was geheel verdiept in den droom, +waarin zij door het gezang van haar vriend verzonken was. Wat was +het mooi, wat hij gezongen had! En wie zou gedacht hebben, dat hij +zoo goed kon zingen? + +"Zal je ook komen?" riep een ander haar toe. + +Eenigen begonnen boos te worden. + +"Je moet die goede heeren bedanken, beste meid," zei de grijsaard. "Ga +naar hen toe en strek je hand naar hen uit." + +Maroessia huiverde; maar hij had het bevolen, en zij gehoorzaamde +dus. Wat beefde haar kleine hand, toen zij deze gaven aannam! Dit +geld van den vijand brandde haar in de hand. + +"Dat meisje is niet leelijk," zei er een. + +"Zij heeft een paar oogen, die men voor een paar sterren zou houden," +voegde een ander er bij. + +"Als je groot bent, zal ik met je trouwen, hoor!" + +"Dat blijft afgesproken, niet waar?" zei een derde. + +Maar de luit van den grijsaard deed zich opnieuw hooren en sloeg +nu een geheel anderen toon aan. Men vergat het meisje en begon weer +te luisteren. + +Een jong officier met een knap uiterlijk, en nog al met zich zelf +ingenomen, was reeds bij het eerste lied, dat er gezongen werd, +uit zijn tent gekomen. + +Langzamerhand had zijn gezicht een zachtere uitdrukking aangenomen; +zijn eigenwaan was verdwenen; hij had zijn pijp laten uitgaan en was +in gedachten verzonken geraakt. Het lied van den grijsaard had er hem +aan herinnerd, dat hij toch naar het beeld van God geschapen was, +voordat hij zich naar het beeld van zijn generaal had gevormd. Hij +had dit geheel vergeten. + +Na dit tweede lied vroeg men den ouden muzikant om een ander; hij +liet zich een weinig smeeken. + +"Ik ben bang," zei hij, "dat het u niet zal bevallen, naar datgene +te luisteren, waaraan ik denk. Het is treurig en somber." + +"Ga je gang maar," zei een lang en mager officier met een norsch en +streng gezicht. "Ons beroep maakt, dat onze oogen droog genoeg blijven; +wees maar niet bang, ze vochtig te maken. Het kan geen kwaad, eens +verschillende aandoeningen te hebben, en je bent daartoe juist ter +rechter tijd gekomen." + +"Wilt u het?" zei de grijsaard. "Welnu, luistert dan!" + +En nu zong hij een lied, waarvan de inhoud hierop neerkwam: + +"Het is reeds lang, zeer lang geleden, dat eenige brave lieden een +klein vaderland hadden. Ach! het was wel een klein vaderland, maar voor +hen was het de geheele wereld. Zij hadden het lief. Hun voorvaders +hadden het vruchtbaar gemaakt, hun moeders hadden het versierd, hun +zusters hadden er een paradijs van gemaakt. Zij leefden rustig zonder +zich met hun machtige naburen te bemoeien. Op zekeren dag zeiden deze +naburen tegen elkander: 'Dat land is gelukkig, het is rijk, het is +bekoorlijk, het zou een schoone ring aan onzen vinger zijn.' En het +kleine, welvarende land werd eensklaps overweldigd. De krijgsrossen +van het machtige volk traden de kinderen van het zwakke volk onder +de voeten. De sabels der jonge, baardelooze officieren velden de +hoofden der grijsaards en zelfs der vrouwen, die ter bewaking van den +huiselijken haard achtergebleven waren. De woeste en onverschrokken +jongelieden, voor de overmacht zwichtende, kwamen in de gevechten +om. De moedige en liefhebbende meisjes wachtten tevergeefs op de +terugkomst van haar broeders, van haar verloofden. Huizen, dorpen, +geheele steden verdwenen. + +"Welke misdaad had dit kleine volk dan bedreven? Niet de minste! Het +was goed om ingepalmd te worden. + +"Wie weet echter, of dit machtige volk, door een nog machtiger +aangevallen, niet eenmaal de straf der wedervergelding zal ondergaan? + +"En als dat gebeurt, in naam van welke rechtvaardigheid zouden de +overwinnaars van heden, de overwonnenen van morgen geworden, hun +klachten dan tot den Allerhoogste trachten op te zenden?" + +Bij het aanhooren van het eenvoudig verslag der feiten zochten sommigen +niet naar de toepassing, maar anderen deden dit wel. Voor deze was +alles duidelijk. + +Er ontstond een levendig gesprek. + +"Drommels! drommels!" zei de officier, die er zich zooeven over +beklaagde, dat zijn oogen te lang droog gebleven waren. "Dit oude +lied uit vervlogen tijden is juist op ons van toepassing. Zou die +oude zanger daaraan ook gedacht hebben? Men zou zeggen, dat de wereld +weinig veranderd is sedert de honderden jaren, dat men zingt." + +"Hoor eens!" zei de jonge officier. "Die zanger heeft toch eigenlijk +geen ongelijk, maar waartoe zal zijn les dienen? Het bevel is gegeven, +wij moeten dus oprukken." + +"Waarover hebben zij zich te beklagen?" zei een ander. "'De Ukraine aan +de Ukrainiërs!' Wat moet deze uitroep beteekenen? Men wil hun Ukraine +toch niet opeten. Die lui zijn gek. Is het dan zoo verschrikkelijk, +als men niets anders is dan een onbekend mierennest, eindelijk een +gedeelte van een groot rijk uit te maken?" + +"Laten wij intusschen ons in hun plaats stellen," zei de jonge, +blonde officier. "Wat zij doen, zouden wij dat niet doen? Het is +altijd onaangenaam, met kracht van wapenen overmeesterd te worden, +niet waar? Je zult zeggen, dat zij er over honderd jaren niet meer +aan zullen denken;--voor hen, die over honderd jaren zullen leven, +is dit zeker waar;--maar voor hen, wier hutten in brand staan, omdat +zij ze hebben willen verdedigen, staat de zaak toch niet gelijk." + +"Zulk een klein volkje heeft het recht niet om zoo te leven, als +het zelf verkiest. Er zijn groote rijken noodig om groote dingen tot +stand te brengen." + +"Dat is wel mogelijk. Maar te leven zooals men het zelf verkiest in +een eigen landje, waarmee men hoog ingenomen is, mag toch ook niet +verwerpelijk geacht worden." + +"De liefde tot het vaderland, goed voor de groote volkeren, kan voor +de kleine niet slecht zijn," zei een jonge kapitein. + +"Je hebt des te meer gelijk," gaf de oude officier hierop ten antwoord, +"omdat alles, wat te groot is, eindelijk ineenstort. Ik maak mij soms +wel eens bang over al onze grootheid." + +Men ziet, dat iedereen openhartig zijn meening zei. Dit zal slechts +de verwondering wekken van hen, die nooit in een kamp gelegerd zijn +geweest. De krijgstucht strekt er zich alleen tot de lichamen uit. De +tongen zijn er dikwijls minder dan elders geboeid. De vrije gedachte +baant zich overal een weg. + +Men kwam langzamerhand op den veldslag van den vorigen dag en van +den morgen terug. + +"Die boeren vechten als helden," zei er een. + +"Als duivels uit de hel," antwoordde een ruwe kerel, die zijn arm in +een doek had hangen. "Als zij bekwame opperhoofden hadden, zou het +niet zoo gemakkelijk gaan, ze klein te krijgen." + +"Door een hooivork te sterven is niet eervol voor een soldaat," +zei een ander. "Wie zou aan onzen armen kolonel gezegd hebben, dat +hij zoo aan zijn eind zou komen? 'Ach! zelfs geen lansstoot!' riep +hij uit, terwijl hij viel. Vloek over zoo'n oorlog! Wat een leelijke +wonden! De chirurgijns weten ze niet te genezen. Zij zijn allen het +spoor bijster. En wat een gekwetsten, en wat een dooden! Het zijn +wolven, echte, woedende wolven. Men zou zeggen, dat zij dood zijn, +maar 't mocht wat, zij staan op om te kijken. Nog twee overwinningen +zooals de laatste, en als wij dan geen versterking krijgen, zullen +wij het veld moeten ruimen." + +"Als onze soldaten maar vochten, zooals die menschen!" zei een oude +officier. + +"Zij zouden zoo vechten," zei een gekwetste soldaat, "als zij hun +vrouwen en hun kinderen en de huizen van hun vaderen verdedigden." + +Wat zag hij er bleek uit, die arme soldaat, en wat een inspanning +had het hem gekost om zich halverwege op te richten en zulk een +waarheid aan zijn bevelhebber te doen hooren! De officier antwoordde +hem. Maar de soldaat hoorde hem niet meer. Hij was weer neergevallen, +hij was dood. + +Den ouden zanger was niets van dit geheele gesprek ontgaan. Meende +hij, dat hij er genoeg van gehoord had of dat hij zelf genoeg had +laten hooren? + +Eensklaps hief hij zulk een vroolijk liedje aan, dat zelfs een +kluizenaar de lust zou bekropen hebben om te gaan dansen. + +Het was de geschiedenis van een meisje, dat haar rok verkocht om +een pijp voor haar minnaar te koopen, en hem deze door een regen +van kogels heen op het slagveld bracht. Plotseling was de algemeene +stemming veranderd. De oudsten sloegen de maat; de jongeren stemden +met den zanger in. "Wat een prachtige zanger!" zei men. "Het is een +prettige avond, en wie zou dat gedacht hebben?" + +De grijsaard zong nog eenige liedjes van denzelfden aard, tot +groote vreugde der soldaten, die eindelijk van alle kanten van het +legerkamp toegesneld waren; vervolgens stond hij op en zei hen allen +vaarwel. Eenigen deden hem uitgeleide. + +"Blijf toch, oude stijfkop, blijf tot morgen. De nachten zijn koud, +en de wegen zijn niet veilig. Zeg hem toch, beste meid, dat hij tot +morgenochtend hier moet blijven. Een goede slaapplaats en een goed maal +zijn de moeite wel waard, dat men wacht. Hij heeft immers zooveel haast +niet! Hij heeft heel wat geld opgeloopen. De kleine blonde officier +heeft je een goudstuk in de hand gedrukt. Ik heb het zelf gezien; +daarvoor zal je grootvader een mooie jurk voor je kunnen koopen." + +Maar de grijsaard liet zich niet overhalen. + +"Als men een rondreizend zanger is, dient men ook rond te reizen!" zei +hij lachende. + +En hij verdween met het meisje midden in de duisternis. + +"Luister eens!" zei Maroessia tegen hem, "ik heb drie officieren +hooren zeggen, dat het laatste gevecht zoo bloedig is geweest, dat +zij in geen veertien dagen in staat zullen zijn om een aanval op +Tsjigirine te doen." + + + + +XII. + +MEN NADERT. + + +Maroessia en haar vriend liepen gedurende een groot gedeelte van den +nacht voort, zonder een enkel woord met elkaar te wisselen. Nu en +dan bleef Tsjetsjewiek staan en vroeg aan het kind, of hij haar ook +wilde dragen. + +"Ik ben niet moe," antwoordde zij dan. + +De uren vlogen Maroessia om. Haar hart was van geestdrift vervuld. Haar +groote vriend was ongetwijfeld voldaan. De muzikale soiree, die hij +in het legerkamp had durven geven, had vele dingen aan het licht +gebracht. Terwijl zijn ooren hoorden, hadden zijn oogen rondgekeken +en geoordeeld. De overwinnaars achtten zich nog niet zeker van +de overwinning, de overwonnenen hadden dus hun pogingen niet te +betreuren. Er was geen reden om te wanhopen. Alles hing af van hetgeen +Tsjetsjewiek te Tsjigirine zou vinden, maar hij moest er eerst komen. + +Na verscheidene uren achtereen geloopen te hebben, vertoonde zich +eindelijk aan de oogen der reizigers de lichten van de stad en spoedig +teekenden zich de stadsmuren en de groote gebouwen tegen den donkeren +hemel af. + +Er was iets sombers in het voorkomen van deze donkere stad, waarin +zich slechts hier en daar een enkel lichtje vertoonde. Geen enkel +geluid drong daaruit tot hun ooren door, niets verried, dat er een +levend wezen in was. Het was niet de verkwikkende rust van den slaap, +maar die van een gespannen verwachting. Het gevoel van een naderend +gevaar scheen op deze huizen, die dicht op elkaar stonden, te drukken. + +De duisternis, waarin Tsjigirine gehuld was, scheen opzettelijk te +zijn. Een groot licht zou geleken hebben op een sein, waarmee de +vijand zijn voordeel had kunnen doen. De borstweringen, de forten en +de wallen waren blijkbaar in een goeden toestand gebracht. + +Tsjetsjewiek en Maroessia naderden de poort der stad. Maar hoe nu? Zij +scheen niet bewaakt te worden. Het kleine poortje was wel is waar half +versperd, maar daarachter bevond zich niemand, zelfs geen poortwachter. + +Zij deden dit poortje open, dat zonder gedruisch op zijn hengsels +draaide. Niemand hield hen tegen, niemand ondervroeg hen. Was het +een valstrik? Zij traden de stad binnen, zonder eenigen hinderpaal +te ontmoeten. Toch scheen het hun toe, dat de blikken van enkele +voorbijgangers, verwonderd, dat zij zoo onverwachts menschen +tegenkwamen, hen met de meeste aandacht volgden. + +"Zeg, jongeman," zei Tsjetsjewiek tegen een jongen kozak, dien hij +tegen het hek van een tuin zag aanleunen, "waar woont onze hetman?" + +De jonge kozak kwam even aan zijn hoofddeksel bij wijze van groet, +en terwijl hij naar het uiteinde van de straat wees, waarvan eenige +ramen half verlicht waren, zei hij tegen hem: + +"Als u aan het einde van deze straat gekomen zijt, moet u links +afslaan, dan staat u vlak voor het huis van den grooten hetman." + +Zij liepen de aangewezen straat door, sloegen linksaf en bevonden +zich toen inderdaad vlak voor de woning van den hetman. + +Het huis van den grooten hetman was niet grooter dan de andere; +niets onderscheidde het, zelfs geen schildwacht; men kon het slechts +daaraan herkennen, doordat er licht brandde. Twee meisjes bleven, +toen zij deze ramen voorbijkwamen, een oogenblik staan, en terwijl +een van haar door de ruiten keek, zei zij tegen de andere: + +"Het schijnt dat onze hetman nog op is." + +Achter de ruiten van een der kleine ramen, die verlicht waren, zag +men het hoofd van een kozak met lange snorren, dat zich geen enkele +maal bewoog. + +"Het is een schildwacht!" dacht Tsjetsjewiek bij zich zelf. + +De schildwacht, als het er ten minste een was, verroerde zich niet, +als was hij in diepe gedachten verzonken. + +Toen men goed luisterde, hoorde men in het benedenhuis voetstappen; +deze waren nu eens haastig, dan weer langzaam. + +De Tsjets klopte eenmaal, tweemaal, driemaal zachtjes op de deur. + +Bij het derde kloppen stond de kozak, die onbeweeglijk bij het raam +zat, op en ging opendoen. + +De voetstappen, die men hoorde, hielden op. + +"De verre vrienden zenden den grooten hetman hun groeten," zei +Tsjetsjewiek bij zijn binnentreden op een fluisterenden toon. + +Het gezicht van den kozak drukte noch verwondering, noch ongerustheid +uit. Men kon daaruit opmaken, dat de groote hetman iederen dag +dergelijke bezoekers ontving,--rondreizende muzikanten, die tijdingen +van verre vrienden brachten. + +"Kan ik den grooten hetman zelf ook spreken, broeder?" vroeg +Tsjetsjewiek. + +Maar op dit oogenblik werd de deur, die naar de aangrenzende kamer +voerde, haastig opengedaan en vertoonde de groote hetman zich op +den drempel. + +Hij zeide niets, maar zijn geheele gezicht sprak en vroeg: + +"Waar kom je vandaan? Van wien? Welke tijdingen breng je?" + +Het licht bescheen hem slechts flauw, zoodat men zijn gelaatstrekken +niet kon onderscheiden. Maar die oogen, die doordringende en +uitvorschende oogen, gloeiden als vuur. + +"Ik buig mij voor den grooten hetman neer," zei Tsjetsjewiek, terwijl +hij een diepe buiging maakte. + +Maroessia, die nog aldoor naast haar grooten vriend stond, groette +insgelijks. + +"Je bent beiden welkom," antwoordde de groote hetman. "Welk lied zal +je voor mij zingen?" + +De toon van de stem verried een man, die gewoon was om te bevelen, +een man, die zich niet wist in te houden, als het er om te doen was, +zijn meening te zeggen of te verdedigen. + +"Welk lied, groote hetman? Ik ken er meer dan een, dat ik u kan doen +hooren, indien u zich verwaardigt, naar mij te luisteren." + +De groote hetman antwoordde eerst niet. + +"Waar kom je vandaan?" vroeg hij eindelijk. + +"Van Zaporogië," antwoordde Tsjetsjewiek. "De dapperen van Zaparogië +bieden den grooten hetman hun groeten aan." + +"In den tijd, waarin wij leven, heeft niemand groeten te doen of te +ontvangen," antwoordde de hetman. "Kom in mijn kamer!" + +Tsjetsjewiek volgde den grooten hetman, terwijl hij Maroessia nog +aldoor bij de hand hield, en trad het aangrenzende vertrek binnen. + +Dit vertrek was even eenvoudig als het eerste: de muren waren gewit, +en er stonden houten banken in, zooals men ze in iedere boerenwoning +aantreft. + +Maar er waren vele prachtige wapenen te zien: pistolen en dolken +schitterden aan de muren. + +Verschillende papieren en brieven lagen er over de tafel verspreid; +op deze papieren zag men de boelawa, den veldheersstaf van den hetman. + +Een der wanden was voorzien van groote houten haken, waaraan de +galakleederen hingen, die geheel met goud, zilver en edelgesteenten +geborduurd waren. Deze gouden borduursels, deze kostbare edelgesteenten +fonkelden in de kamer en gaven daaraan een eigenaardig voorkomen. + +"Ik verzoek je, plaats te nemen," zei de groote hetman. + +Hij ging ook zitten, en zijn fonkelende oogen vestigden zich +beurtelings op het gelaat van Tsjetsjewiek en op dat van Maroessia. + +"Waarom heb je dat kind bij je?" zei hij. + +"Zij is doofstom, en bovendien, zij heeft behoefte aan slaap." + +De groote hetman stond op, en nadat hij een prachtigen mantel van +een der houten haken had afgenomen, wierp hij dien aan Tsjetsjewiek +toe. Een prachtig Perzisch tapijt lag op een bank. Hij wees zijn +bezoeker daarnaar. Tsjetsjewiek maakte daarvan in een oogenblik +een bed gereed, waarna hij het meisje op zijn arm nam, er haar op +neerlegde en haar met een moederlijke teederheid van het hoofd tot +de voeten instopte. + +"Doofstom!" had hij heel zachtjes tegen haar gezegd, terwijl hij haar +een kus op het voorhoofd drukte. + +Het bed was in een hoek van het vertrek opgemaakt. In de zijden +plooien van den prachtigen mantel gewikkeld, vestigden de oogen van +het kind zich onwillekeurig op haar vriend en op den grooten hetman, +die tegenover elkander aan een tafel plaats genomen hadden, terwijl +een kaars, die tusschen hen stond, hun gezichten verlichtte. + +Zij praatten op een fluisterenden toon met elkander. + +Maroessia luisterde nog even naar het gebrom van hun stemmen, maar +eindelijk behaalde de vermoeidheid de overwinning. Zij viel in slaap +en werd nu inderdaad doof en stom. + + + + +XIII. + +DE HETMAN ZWICHT. + + +Maroessia sliep in met een glimlach om haar lippen; zij zag in +haar droom het ouderlijk huis, de kerseboomen, haar broertjes, al +die bekende gezichten; maar al spoedig daarna verdween dit alles +als in een nevel en droomde zij weer over verschrikkelijke dingen, +van soldaten, oorlog en haar vaderland. + +Eensklaps werd zij wakker, richtte zich even op en keek aandachtig +rond. + +Zij sliepen niet! + +Tsjetsjewiek zat nog steeds bij de tafel, de groote hetman stond midden +in de kamer. Men kon het wel aan hem zien, dat hij in een opwelling van +verontwaardiging van zijn plaats was opgestaan, maar dat de hevigheid +van een slag, die hem met de meeste juistheid toegebracht was, hem +als versteend had. + +Eindelijk sprak hij: + +"Dus dat willen jullie! Goed, maar het geneesmiddel zal erger dan +de kwaal zijn. Ik weet wel, dat ik in de rivier gesprongen ben +zonder mij te bekommeren om de plaats, waar zij doorwaadbaar is; +maar evenmin als ik, zal jij den oever bereiken. Ons land zonder +grenzen, zonder strijdkrachten, zonder eensgezindheid, zonder raad, +is niets anders dan een huis, dat aan alle winden blootgesteld is, +en onze naburen zijn zeer dwaas, dat zij ons den oorlog aandoen; +zij hadden beter gedaan als zij even gewacht hadden totdat het land, +door onze tweedracht verdeeld, ten gronde was gegaan." + +"Onze tweedracht? Wat is daarvan anders de oorzaak dan dat tweehoofdig +bestuur?" antwoordde Tsjetsjewiek kalm. "Men moet in eendracht macht +zoeken. Alleen daardoor is er nog hoop op redding." + +De groote hetman had een gevoel, alsof hij zich aan een gloeiend ijzer +gebrand had. Hij liep de kamer eenige malen op en neer. Toen deed +hij het raam open en sloeg een blik naar de nachtelijke duisternis. + +Zoo diep was de stilte en zoo hevig de ontroering van den hetman, +dat Maroessia, ofschoon zij zich aan het andere einde van het vertrek +bevond, het kloppen van zijn hart meende te hooren. + +Door de nachtlucht verfrischt, door zijn stilzwijgen zelf kalmer +geworden, zette hij zich weder aan de kleine tafel tegenover +Tsjetsjewiek neer. + +"Als ik je wel begrijp," zei hij, "reken je er op, dat ik, omdat +ik de beste ben, aan den slechtste afstand zal doen. Omdat er geen +opoffering te wachten is van hem, die reeds de helft van zijn Judasrol +heeft geleerd, vraag je van mij zoo'n daad van zelfverloochening." + +"En dat is," zei Tsjetsjewiek, "om het hem onmogelijk te maken, zijn +Judasrol geheel uit te spelen, om hem iedere reden, ieder voorwendsel +te ontnemen, deze tot het einde vol te houden; 'omdat wij weten, +dat gij de edelste der zonen van de Ukraine zijt, verzoeken wij u, +u een tijdlang op den achtergrond te stellen.'" + +"Zal niemand mij van verraad of van lafhartigheid beschuldigen, +als ik toestem in hetgeen je van mij vraagt?" + +"Iedereen zal integendeel de heldhaftigheid van uw opoffering +waardeeren. Onze vrienden, die mij zenden, weten, wat het u moet +kosten, er toe te besluiten." + +"En als de ellendeling ons toch eens verkocht?..." + +"Hij zou sterven, voordat hij zijn misdaad volbracht had," zei +Tsjetsjewiek bedaard. "Iemand houdt hem in het oog, die niet zou +toelaten, dat hij zich geheel onteerde." + +Er lagen op de tafel papier, pennen en inkt. De hetman nam een pen +in handen. Tsjetsjewiek wendde zijn blikken naar Maroessia en las de +angst in haar oogen. Zijn kleine vriendin voelde zich niet op haar +gemak. Het was zoo moeilijk te doen, wat haar vriend van den grooten +hetman vorderde, dat hij eindelijk wel eens boos kon worden. En wat +zou er dan tusschen mannen van dit heftige ras voorvallen? + +Een glimlach van Tsjetsjewiek deed de kleine doofstomme begrijpen, +dat zij gerust kon zijn. + +De hetman schreef en overwoog zonder twijfel ieder woord, voordat hij +het neerschreef, en te recht. Zulke geschriften, waarin men afstand +doet van een ambt, verdienen wel ernstig overwogen te worden. + +Toen het stuk voltooid was, reikte hij het aan Tsjetsjewiek over. + +"Ziedaar!" zei hij tegen hem, "ben je nu tevreden?" + +Na het gelezen te hebben, antwoordde Tsjetsjewiek hem: + +"Ik ben trotsch voor de Ukraine op den vrijwilligen afstand van den +dapperste harer zonen. Als wij in dezen strijd het onderspit moeten +delven, zal onze geschiedenis een held te meer tellen. Zij, die voor +haar zullen sterven, zullen zich niets te verwijten hebben. U zult +meer dan een hunner hebben verricht, u zult afstand van uw macht +gedaan hebben om haar te redden,--zonder er zelfs zeker van te zijn, +te zullen slagen. U geeft ons de eenige kaart in de hand, die ons +het spel kan doen winnen." + +Tsjetsjewiek had het stuk opgevouwen en het verborgen in het gevest +van een dolk, dien hij onder zijn kleed droeg. + +"Wanneer zal je dit stuk zijn bestemming doen bereiken?" vroeg de +hetman. "Wanneer zal hij weten, dat ik voor de Ukraine tot alles +bereid ben, zelfs om onder zijn bevelen te vechten, bevelen, die hij +zelf niet in staat is te geven?" + +"Dat zal ik zelf doen, zoodra ik mijn tocht heb volbracht. Ik zal +geen uur verliezen, hetman; daar kunt u op rekenen. En als alles niet +naar wensch mocht gaan, als ik inzie, dat uw geschrift nutteloos zou +wezen, wees dan maar gerust, dan zal ik het vernietigen. Dan zal het +zoo goed zijn, alsof het niet geschreven was." + +Na deze woorden stond hij op en riep Maroessia. + +De hetman vergezelde hen tot op den drempel van de deur, en daar +namen zij afscheid. + +Zij lieten den grooten hetman peinzend op den drempel van zijn huis +achter en begaven zich naar de poort der stad. + +De straten waren verlaten; de kleine boomgaarden vol kerseboomen +waren geheel wit van bloesems; in de verte hoorde men het gekabbel +eener rivier. + +Na een honderdtal schreden gedaan te hebben, keerde Maroessia zich om, +om nog een laatsten blik op het huis van den grooten hetman te slaan. + +Hij stond nog steeds op den drempel en volgde hen met een peinzenden +blik. + +"Zou _hij_ Tsjigirine kunnen verdedigen?" vroeg zij aan haar vriend. + +"Ja, als men er een aanval op doet; maar onze vijanden zullen wel +wat anders doen dan onze steden in te nemen." + +"Maar _als_ men er eens een aanval op deed?" + +"Hij zou zich liever laten dooden dan de stad over te geven." + +Zij gingen nu niet door de straten, waardoor zij bij hun komst geloopen +hadden. Het was er Tsjetsjewiek om te doen, met eigen oogen te zien, +hoe het in de andere wijken der stad gesteld was. + +Aan een onverschilligen toeschouwer zou de stad verlaten hebben +toegeschenen; maar op een afstand van ongeveer honderd schreden van +elkander verwijderd, zag men eenige ruwe mannen, die waarschijnlijk +niet toevallig geposteerd stonden op plaatsen, vanwaar men alles +nauwkeurig kon gadeslaan. + +Toen onze reizigers bij de poort der stad aankwamen, versperde een +reusachtige kozak met lange snorren, die als uit den grond scheen +opgekomen te zijn, hun den weg. + +"Welken weg wil je inslaan?" vroeg hij. + +"Dien der eerlijke lieden," luidde het antwoord. + +"Waar ga je naar toe?" + +"Naar eerlijke lieden." + +"Dat is een naam, die niet altijd toekomt aan hen, die zich dien zelf +geven. Het is best mogelijk, dat je kwaadwilligen ontmoet." + +"Als men altijd bang voor den wolf was, zou men zich nooit in de +bosschen durven wagen, en dan zou men niet van de aardbeien proeven." + +"Welnu," hernam de kozak--"als je er op staat dan kun je voor mijn part +weer denzelfden weg gaan waarlangs je vanmorgen binnengekomen bent." + +Ze gingen weer verder, maar Maroessia kon zich nu niet langer inhouden +om voldaan op te merken: "Dus de poort werd vanmorgen ook bewaakt. Des +te beter." + + + + +XIV. + +ONTMOETINGEN. + + +Twee weken na de samenkomst van Tsjetsjewiek met den grooten hetman +naderden de oude zanger en zijn trouwe metgezellin op een heerlijken +avond met langzame schreden een dorp dat in de asch was gelegd. + +Hun reizen waren geen pleiziertochtjes. Men kon het wel aan hen zien, +dat zij zich niet veroorloofd hadden veel rust te nemen: hun oogen +schitterden van een koortsachtig vuur; hun gezichten waren door de +zon verbrand en hun kleeren met stof bedekt; hun lippen waren bleek, +hun voeten stukgeloopen. + +Met dat al liepen zij moedig voort en praatten kalm en ernstig. + +Met uitzondering van eenige onverwachte ontmoetingen met menschen, +die hen tegenkwamen en die ternauwernood een woord en soms slechts +een groet met Tsjetsjewiek wisselden, ontmoetten zij geen levend wezen. + +Alles was stil en verlaten; dikwijls waren zij de puinhoopen van +huisjes, vernielde boerderijen, verwoeste velden en tuinen, half +verbrande boomstammen, aan den eenen kant zwart, aan den anderen nog +groen, half dood, half levend, voorbijgekomen. + +"Voordat de avondster aan den horizon schittert, zullen wij aan het +graf van Nadneprowka zijn," zei Tsjetsjewiek tegen het kind. + +Deze graven zijn heuveltjes van een eigenaardigen vorm, die men alleen +in de Ukraine aantreft. Zij bedekken, indien de overlevering waarheid +spreekt, de lichamen van hen, die voor het vaderland gestorven +zijn. Zooveel is zeker, dat de landbouwers, als zij ze toevallig +omwoelen, daarin wapenen, ringen en halssieraden vinden. + +De vriend van Maroessia had zich niet bedrogen: de avondster +schitterde nog niet aan den horizon, toen de omtrekken van het graf +van Nadneprowka zich voor hen afteekenden. + +De zon was reeds ondergegaan, maar de schaduwen van den avond waren +nog helder; het was een soort van vergulden mist. De jonge boompjes, de +struiken en het hooge gras, die "het graf" bedekten, waren als in een +vuurgloed gehuld. Het gebroken kruis teekende zich tegen de lucht af. + +Op den top van het heuveltje bleven zij staan om het prachtige uitzicht +te bewonderen. Voor hen stroomde met dof geklater de Dnjéper, terwijl +aan den anderen kant boschrijke bergen zich verhieven. Het was een +prachtig gezicht en beiden stonden roerloos, getroffen door dit +mooie natuurtafreel. + +Eensklaps deed een meeuw haar geschreeuw hooren. Deze meeuw scheen +aan den oever der rivier in het riet te zitten. + +De oogen van den Setsj begonnen te schitteren. + +Het geschreeuw van de meeuw deed zich opnieuw hooren, en het scheen, +dat 't al dichterbij gekomen was. + +Plotseling kwam er van den kant waar het geschreeuw van de meeuw +zich tweemaal had doen hooren, een smalle boot te midden van het +hooge riet te voorschijn. Zij teekende zich op de donkere golven af, +en terwijl zij snel over het water heengleed, richtte zij zich naar +een door de natuur gevormde baai, die zich vlak tegenover het graf +van Nadneprowka bevond. + +Als men goed keek, kon men de omtrekken onderscheiden van hem, die +de boot voortstuwde. Ja, men zag zelfs zijn muts, die van schapevacht +vervaardigd was. + +Maar zonder zelfs het uiterlijk van dezen man te kunnen onderscheiden, +kon men wel zien, dat hij een krachtigen en bedreven arm had. + +Deze arm hanteerde de roeiriemen, alsof het stukjes speelgoed +waren. De boot vloog zoo snel, als een veertje, dat door den wind +meegevoerd wordt. + +"Het is tijd om naar den oever te gaan," Maroessia, zei de groote +vriend. + +Zonder eerst den gemakkelijksten weg te zoeken,--men zou in deze +woeste plaats trouwens zelfs geen voetpad gevonden hebben,--liepen zij +met haastige schreden naar beneden, liepen om een groote rots heen, +die het voorkomen van een reusachtigen groenen gekrulden baard had, +zóó was zij met planten en gewassen bedekt, en bevonden zich eindelijk +aan den oever, dicht bij de rivier. + +"Ik hoop, dat ik jullie in een goede gezondheid terugvind!" zei een +welbekende stem. + +De lichte boot was reeds op het zand van den oever getrokken, en +bij de boot stond, met zijn kin op een der roeiriemen leunende, +de oude Kniesj. + +"Gezondheid en goed geluk!" antwoordde hem de groote vriend. + +"Hoe gaat het, beste meid?" vroeg Kniesj, terwijl hij zijn valkenoogen +op Maroessia gevestigd hield. + +"Heel goed!" gaf Maroessia ten antwoord. "En Taras?" + +"Taras heeft Maroessia niet vergeten." + +Overigens zou hij, ook al had Maroessia hem geen antwoord gegeven, +haar antwoord wel hebben kunnen gissen, als hij haar alleen maar +had aangekeken: iedere trek van haar gelaat verried, dat haar +vermoeienissen vergeten waren. + +Maar de landbouwer, die zich niet tevreden stelde met het getuigenis, +dat het gelukkige gezicht van het kind voor hem aflegde, ondervroeg +met een blik haar grooten vriend. + +"Het gaat met mijn kleine metgezellin goed, heel goed," zei hij. "U +kunt daaromtrent goede berichten meedeelen aan hen, die haar aan mij +hebben toevertrouwd." + +"Maar komaan," ging hij voort, "het is kalm op het water. Er is geen +enkel windje. Een tochtje in dat bootje zou me best aanstaan." + +Nauwelijks had hij dit gezegd, of het geschreeuw van een meeuw, zooals +men reeds herhaalde malen gehoord had, kwam uit de grijze haren, +die den baard van den goeden landbouwer vormden. + +Een dergelijk geschreeuw antwoordde hem van den oever. + +"Hoor je wel, Maroessia?" zei Tsjetsjewiek, "het mannetje antwoordt +daarop." + +"Ik begrijp het, ik begrijp het," zei het meisje. "De meeuwen aan +den oever van deze rivier zijn erg slim, ofschoon zij geen vleugels +hebben." + +Kniesj had zijn boot in het water geduwd. + +"Ga jij hier maar zitten, beste meid," zei hij, terwijl hij z'n hand +aan Maroessia toestak. Toen zij zat, stapte de Setsj zoo behendig in +de boot, dat deze zich bijna niet bewoog. Hij nam een der roeiriemen +in handen, en de boot gleed over de sombere wateren tusschen de beide +oevers van den Dnjéper voort. + + + + +XV. + +OP HET WATER. + + +Zoodra zij midden in de rivier gekomen waren, vroeg Tsjetsjewiek: + +"Welke tijdingen hebt u omtrent den anderen hetman?" + +"Alles zal beter afloopen dan je denkt," antwoordde de landbouwer. "De +fortuin is met de gekken. Men braadt de kippen, men plukt de ganzen, +men maakt goede sier. In één woord, er zijn te veel vreemdelingen, te +veel weelde, te veel verteringen. Men ontcijfert de denkbeelden van den +heer des huizes niet gemakkelijk, weet ge? Er is misschien niemand..." + +"Dat zou gekker zijn," viel de groote vriend hem in de rede. "Dat +is het lot van hen, die aan allen toebehooren; zij behooren niet aan +zichzelf toe." + +"Maar de andere hetman, hoe staat het daarmee?" liet Kniesj hierop +volgen. + +"Die," hernam Tsjetsjewiek, "die is een man, en als allen waren zooals +hij, zou er nog niets verloren zijn. Hij heeft zijn verkeerdheden, +dat is waar,--hij is niet volmaakt,--maar hij houdt van zijn land +meer dan van zijn leven, meer zelfs dan van zijn trots. Hij heeft in +alles toegestemd, ja, zelfs om zich bij dien domkop in de schaduw +te stellen, en dat is mooi! want een trotsch en fier hoofd is niet +gemakkelijk te buigen. Maar het is geschied. Hij heeft geschreven, +al ging het dan niet zoo een twee drie." + +"Nu," zei Kniesj, "dat laat zich begrijpen. Het zal hem heel wat +gekost hebben." + +"Hij moest het wel doen," zei Tsjetsjewiek. + +"Dan," hernam Kniesj, "kunnen wij zeggen, dat, dank zij u, de helft +van de zaak afgedaan is. Nu blijft nog de andere hetman over! Die +heeft er den slag van, om de zaak heen te draaien." + +"Wij zullen het wel met hem klaar spelen," merkte Tsjetsjewiek op. + +Plotseling spreidde hij bij den achtersteven van de boot een dikken +mantel uit, en, terwijl hij Maroessia optilde, legde hij haar ondanks +den tegenstand, dien zij bood, daarop neer. + +"Ik vergat, mijn kind te laten slapen," zei hij. + +"Ik wil niet slapen," zei het meisje. + +"Slaap dan niet, maar blijf bedaard liggen," zei de groote vriend op +vastberaden toon. "Ik zal je aanstonds sprookjes vertellen." + +In plaats van achter in de boot te slapen, bleef Maroessia, half +op haar elleboog leunende, liggen. Zij had oogen, die alles zagen, +voordat de anderen iets bemerkten. + +"Daarginds, aan dien kant," zei zij, terwijl zij haar arm uitstrekte, +"zien jullie daar niets?" + +"Het kind heeft gelijk," zei Kniesj, "daar zijn ze." + +"Stil!" beval de groote vriend. + +De boot vloog ten gevolge van de verdubbelde inspanning der beide +roeiers over het water heen, en al spoedig herkende Maroessia, ondanks +den verren afstand, in de beide mannen, waarnaar zij had gewezen, +oude kennissen. Het waren de mannen, die zij in het huis van haar +vader door de soldaten had zien slaan en knevelen: Semene Vorosjilo +en Andry Kroek. God zij geloofd! Zij hadden dus weten te ontsnappen. + +De boot lag spoedig daarna aan. De kozakken namen hun mutsen voor de +aangekomenen af en zeiden: + +"Goed geluk en gezondheid!" + +"Goed geluk en gezondheid!" antwoordden de groote vriend en de +oude Kniesj. + +"Maroessia," zei Andry Kroek, terwijl hij een pakje te voorschijn +haalde, "dat moest ik je geven van je moeder." + +Met een kleur van blijdschap nam zij het pakje aan en vroeg: + +"Gaat het met allen goed?" + +"Met allen, zoowel met de kleinen als met de grooten." + +"En," zei Maroessia, die zich een weinig schaamde over de vraag, +"hoe gaat het met de kerseboomen en met den tuin?" + +"Wat een huishoudster!" zei Andry. "Het gaat goed met je tuin, en +je kersen zullen, als 't een beetje meeloopt, met het warme weer +rijp worden." + +"Welke tijdingen brengen jullie," vroeg Tsjetsjewiek, "in ruil voor +die, welke ik jullie gezonden heb?" + +"Velen zijn tevreden," antwoordde Vorosjilo. "Die zullen klaar wezen +en zijn het reeds, maar anderen..." + +"Anderen," zei Andry Kroek, hem in de rede vallende, "anderen zijn +ongerust. Zij vinden, dat alles wat te overijld in z'n werk gaat, +en ik geloof, dat zij gelijk hebben." + +En zich tot Maroessia wendend zei hij: + +"Ik had beloofd, je in het schuitje een sprookje te vertellen. Belofte +maakt schuld. Als jij mijn sprookje begrijpt, dan zullen die mannen +het ook wel begrijpen... Andry Kroek! je moet het maar oververtellen +aan hen, die vinden, dat ik te overijld te werk ga." + +En hij begon zijn sprookje aldus: + + + + De geschiedenis van den kreeft. + + "Er was eens een kreeft, een kreeft, zoo mooi als de dag. Hij + was goed, vrij verstandig voor een kreeft, en moedig. Hij leefde + rustig in zijn schuilplaats; maar op zekeren dag hoorde hij van + alle kanten te gelijk geschreeuw en gekerm. Het schijnt, dat het + water gezakt was, zoo geducht gezakt, dat alles, wat in het water + leeft, radeloos begon te worden. Hij had sedert lang reeds bemerkt, + dat het water schaars werd; maar hij had evenals de anderen gedaan, + hij had gehoopt, dat alles zich vanzelf wel zou schikken. + + Bij het hooren van zoovele klachten, zei de kreeft bij zich zelf, + dat dit wel nadenken verdiende. Hij dacht ernstig over de zaak na + en kwam tot het besluit, dat het waarlijk wel nuttig zou wezen, + als iemand zich opofferde om water te gaan halen. Maar aan wien + een taak van zooveel gewicht op te dragen? + + De kreeft dacht na, maar hij kon zijn keus op niemand vestigen. + + Eigenlijk stelde hij alleen in zich zelf vertrouwen. De een kende + den weg niet genoeg, de ander zou zich onderweg ophouden, een + derde zou allerlei onvoorzichtigheden begaan. De meeningen van de + meesten waren misschien een beetje voorbarig. Op den een viel niet + veel staat te maken, en de ander was te zwak om de vermoeienissen + van zoo'n verre reis door te staan, want het water was zeer ver. + + "Ik zal zelf maar gaan," zei hij eindelijk bij zichzelf. + + Hij neemt de kruik op en begeeft zich op weg, gedurende eenige + oogenblikken vergezeld door de toejuichingen van hen, die liever + anderen wilden zien werken dan het zelf te doen. + + "Wat een kreeft!" riep men van alle kanten. "Wat een + geestkracht! Als hij zich wat haast, zullen wij gered zijn." De + kikvorschen weenden van aandoening, en de padden vielen van + blijdschap flauw. + + Daar begeeft de kreeft zich op weg; hij verliest geen minuut, + gaat regelrecht op het doel af en loopt maar voort zonder zich + zelfs den tijd te gunnen om even adem te scheppen. + + Maar langzamerhand doet de vermoeidheid zich voelen en begint de + verontwaardiging zich van hem meester te maken. + + "Ben ik niet gek, dat ik zoo hard loop?" zei hij bij zich zelf. "Ik + vlieg als een pijl uit den boog, en dat is toch wel wat al te + erg. Laat ons verstandig zijn, laat ons bedaard loopen." + + Hierop begon hij weer als gewoonlijk te loopen. Hij besteedde zeven + jaren om het water te gaan halen en tien om terug te keeren naar + het punt, vanwaar hij uitgegaan was. Dat moet niemand verwonderen: + een volle kruik is toch zwaarder en moeilijker te dragen dan + een leege. + + Op den drempel van zijn woning aangekomen, had hij nog een soort + van kleine trap van vier treden te beklimmen. Het was daar, + waar vroeger de schuiten aanlagen. Hij klom deze vier treden op, + maar niet zonder moeite. Met een kruik gaat dat niet gemakkelijk. + + Toen hij daar eenmaal was, keerde hij zich om en sloeg een blik + op den vijver en op de beken, die er in uitliepen: dat alles was + nu droog. Een mier zou tien mijlen in den omtrek niets gevonden + hebben om haar dorst te lesschen. + + "Het werd hoog tijd, dat ik kwam," zei hij bij zich zelf. "Maar + waar zijn zij toch, die mij bij mijn vertrek toejuichten? Wat + een wonderlijke ontvangst is zoo'n stilzwijgen, en dat na deze + groote opoffering!" + + Een oude nieuwsgierige ekster zat op een half verdorden boom. Zij + sloeg al de bewegingen van den kreeft gade en hoorde, hoe hij + zich verwonderde. + + "Duid het hun niet ten kwade," zei zij tegen hem, "dat zij niet + roepen: Leve de heldhaftige kreeft! Het is hun schuld niet: + zij zijn allen dood. Kijk maar naar hun schalen en graten! Dat + is alles, wat er van hen over is... Je moet niet uit het oog + verliezen, dat je zeventien jaren besteed hebt om hun het water + te brengen, dat zij binnen één jaar hadden moeten hebben." + + "De arme kreeft was zoo getroffen door de juistheid van de woorden, + die de ekster gesproken had, dat hij, toen hij de pooten ten + teeken van wanhoop ten hemel wilde heffen, de kruik, die hij droeg, + vergat en haar liet vallen. De kruik brak in duizend stukken, de + droge aarde slurpte in een oogwenk het water op, dat zij bevatte, + en den volgenden dag was de kreeft ook dood." + + + +"Begrijp je 't, Andry Kroek? En zullen je vrienden, die vinden, dat ik +te overijld te werk gegaan ben, als je hun mijn sprookje verteld hebt, +nog denken, dat zij er beter aan zouden gedaan hebben, een ander in +plaats van mij tot boodschapper te kiezen, in mijn plaats een kreeft +te zenden?" + +Andry Kroek krabde zich achter de ooren en keek op zijn neus. + +Vorosjilo klopte hem op den schouder. + +"Word wakker," zei hij tegen hem, "en laat ons de anderen wakker +maken! Tsjetsjewiek heeft volkomen gelijk!" + +Zich daarop tot den afgezant wendende, vervolgde hij: + +"Op den bepaalden dag zal de geheele Ukraine op de been zijn; +de vrouwen en de kinderen zullen er zich ook in mengen, als het +noodig is." + +De oude Kniesj was al weer in de boot gestapt. Hij hielp er Maroessia +in, en haar groote vriend sprong er weer met de lichtheid van een +vogel in. + +De kleine boot van den oever afgeduwd, gleed opnieuw over de sombere +golven van den Dnjéper, en de zandige kaap met de onbestemde omtrekken +der beide mannen, die zij daarop achterlieten, verdween al spoedig +te midden van den nevel. + +Toen zij aan land stapten, wees Kniesj aan Tsjetsjewiek een mooi en +sterk zwart paard. + +"Neem Maroessia achter u," zei hij tegen Tsjetsjewiek, "en rijd den +geheelen nacht door. Bij het aanbreken van den dag moet u het paard +laten loopen; het zal den weg naar de hoeve van Samoes wel alleen +terugvinden." + +De zanger steeg op het paard; Maroessia zette haar voet op het +uiteinde van zijn laars, en in een oogenblik zat zij achter haar +grooten vriend. Haar armen hielden hem omstrengeld, evenals het +klimop den eik. Het paard reed in galop weg; ternauwernood hoorde +men het geluid van zijn hoeven: men zou gezegd hebben, dat het een +gevleugeld paard was. + + + + +XVI. + +TE GADIATSJ. + + +Twee dagen na het tochtje op den Dnjéper, dat wij in het vorige +hoofdstuk beschreven hebben, was het Zondag, en de zware klokken der +stad Gadiatsj, de residentie van den hetman, die door Zijne Majesteit +den tsaar van Rusland begunstigd werd, deden haar plechtig gelui +hooren en noodigden de geloovigen tot de bijwoning der vroegmissen. + +De dag was nog nauwelijks aangebroken, en de stad Gadiatsj met al haar +nauwe en kromme straten, haar lage gebouwen en haar lommerrijke tuinen, +scheen in een half doorzichtigen sluier gehuld te zijn. De menschen, +die van alle kanten toestroomden en zich naar de kathedraal begaven, +schenen in een donker waas gehuld te zijn. + +Toch was het, ondanks de schemering, gemakkelijk te zien, dat de +meesten hunner tot den militairen stand behoorden. + +Den vorigen dag had het hard geregend, en de zoele lucht had een +verkwikkende frischheid. Alles in de natuur was kalm, alles was nog +stil onder de inwoners, zoo kalm en zoo stil, dat men het geluid der +voetstappen op de natte straatsteenen hoorde; men zou de dauwdruppels +hebben kunnen tellen, die er van de bladeren neervielen. + +De oude kathedraal scheen door een tuin omgeven te zijn. Men zag er +allerlei boomen, die een grooten overvloed van vruchten beloofden. + +Een vrij talrijke menigte geloovigen had zich in de nabijheid der +kathedraal verzameld, en terwijl men het uur afwachtte, waarop de +dienst een aanvang zou nemen, sprak iedereen op een fluisterenden +toon over allerlei onderwerpen. + +De oude rondreizende zanger, dien de lezer reeds kent, bevond zich +ook onder deze menigte, evenals altijd vergezeld door zijn kleine +vriendin, die het oude statige gebouw met eerbied aanstaarde. + +Hij zat op een trede van de stoep der kerk, als iemand, die van +vermoeienis uitgeput is, en vertelde met een langzame en ernstige +stem aan een talrijk gehoor, dat hem omgaf, door welke beproevingen +de zielen der gestorvenen moeten heengaan, alvorens het hemelsch +verblijf te bereiken. "Het is op de aarde, dat men door aanhoudende +inspanning den hemel moet verdienen," zei hij ten slotte. + +Na zijn verhaal besloten te hebben met een zucht, waarop de zuchten +van de meesten der aanwezigen het antwoord gaven, scheen de oude +zanger eensklaps in gedachten verzonken geraakt te zijn, en zijn +peinzende blikken dwaalden doelloos naar de omringende plaatsen af, +die uit de schaduw begonnen te voorschijn te treden. + +De stilte, die er ontstaan was, werd verbroken door de aankomst van +twee jonge kozakken, die in het oog liepen door hun verwonderlijk +lange snorren, door hun welgevormde gestalte en door een deftigheid, +eigen aan hen, die in beschaafde kringen verkeeren. + +"Goeden dag, goeden dag!" zeiden de jonge kozakken; en zij namen hun +mutsen af en zetten deze toen met zooveel bevalligheid weder op, dat +men had kunnen denken, dat zij zich nooit met iets anders bezighielden +dan met groeten. + +"Zou onze hetman ook komen?" vroegen verscheidene stemmen te gelijk. + +"Hij zal komen," antwoordden de kozakken. + +Deze woorden, door twee heldere en welluidende stemmen uitgesproken, +schenen den zanger uit zijn overpeinzingen te doen ontwaken, en +terwijl hij met blijkbaar leedwezen de betere wereld vergat, waarheen +zijn droomen hem hadden gebracht, achtte hij het toch zijn plicht, +weder naar beneden af te dalen en zich bezig te houden met hetgeen +de menigte zou bezighouden. + +"Mijn oogen zullen dan eindelijk onzen hetman kunnen bewonderen!" zei +hij. + +"Zal de vrouw van den hetman ook meekomen?" vroeg een jonge vrouw. + +"Die zal ook meekomen," antwoordden de kozakken. + +"En zijn schoonzuster?" + +"Het is waarschijnlijk, dat die ook zal komen." + +"Welke schoonzuster?" vroeg de oude zanger. + +"Wel, de vrouw van den schoonbroeder van onzen hetman, Mefodijewna," +antwoordden verscheidene stemmen hem. + +"Mefodijewna!" herhaalde de oude zanger. "Bij ons hoort men nooit over +haar spreken. Staat zij bij onzen hetman en zijn vrouw in de gunst?" + +"Dat zou ik denken!" antwoordde iemand. "Zij hoeft maar een vinger +te verroeren, en alles geschiedt overeenkomstig haar wensen!" + +"Zoo! Dus geniet zij een zeer hooge gunst. Dat is zeker een groot +geluk voor haar." + +"Gunst!" riep met toornige oogen een grijsaard uit. "Gunst! Is dat +een woord gemaakt om op zoo'n vrouw toegepast te worden? Mefodijewna, +moet u weten, bekommert zich volstrekt niet over de gunsten van +iemand, wie het ook zij. Als u haar eenmaal gezien hebt, zult u dat +wel begrijpen. Zij is recht als een pijl en men bemerkt gemakkelijk, +dat zij het hoofd nooit voor iemand gebogen heeft." + +"Zij is dan zeker erg trotsch en hoogmoedig?" vroeg de oude zanger. + +En hij voegde er op een spreukachtigen toon bij: + +"De hoogmoedige is slechts een zeepbel, die zich alleen opblaast om +uiteen te spatten." + +"Maar wat zegt u daar, oude man?" vroeg een bejaarde vrouw met een +achtenswaardig gelaat, wier oogen van verontwaardiging fonkelden. "Wat +zegt u daar? Weet, dat u van haar spreekt, die de eer van de stad +en van het land is. Mefodijewna is een weldadige vlam, een lamp in +onze duisternis. + +"Om zoo schitterend te zijn," hernam de stijfhoofdige zanger, "moet +zij zich zeker nooit anders vertoonen dan blinkend van diamanten, +bedekt met edelgesteenten, in goud gekleed!" + +"Je hebt het glad mis," riep er een uit de menigte uit. "Zij gaat zoo +eenvoudig gekleed, dat men haar, als zij niet zulke fonkelend zwarte +oogen had, niet van anderen zou kunnen onderscheiden." + +"Zij kleedt zich als een eenvoudige burgeres," zei een jonge kozak; +"zij hangt de groote dame niet uit, en zij is overal, waar zij kan +weldoen, zonder opgemerkt te worden." + +"Vergeef het mij!" zei de zanger. "Ik heb, zooals ik zie, uw heilige +gelasterd, maar zij heeft er niets bij verloren. Ik heb u daardoor +tenminste in de gelegenheid gesteld, haar hulde te bewijzen... Zoudt +u mij ook kunnen zeggen, jongeman, wie die prachtig gekleede heeren +zijn, die men overal in de stad ontmoet? Zouden zij ook heiligen zijn?" + +"Heiligen! Wel zeker niet. Het zijn vorsten, Moscovitische +prinsen. Kunt u dat niet zien aan hun deftigen gang, aan hun oogen, die +zij maar half opendoen en aan hun verachtelijk opgetrokken neuzen? Het +zijn de gasten van onzen hetman. Acht dagen geleden was zijn huis er +zóó vol van, dat de vrienden van de Ukraine er zich ongerust over +maakten. Maar, dank zij den invloed van Mefodijewna op haar zuster +en op haar schoonbroer, den hetman, zijn er, naar men zegt, al heel +wat van hen vertrokken." + +"Vertrokken! En waarom? Hinderden die trotsche menschen dan iemand?" + +"Vraag dat maar aan Mefodijewna; zij vindt misschien, dat het oogenblik +niet gunstig gekozen is, om, terwijl de helft van de Ukraine door +de Russische bataljons overweldigd is, zoovele deftige heeren te +ontvangen. Dat leidt onzen hetman te veel af." + +"Om de waarheid te zeggen," verzekerde een nieuwe spreker, "vermaakt +men zich sedert acht dagen minder in het paleis. De hetman tracht +zijn gasten niet meer bij zich te houden. Hij schijnt zich te midden +van hen niet op zijn gemak te gevoelen, en men zegt, dat er weldra +geen enkele meer in het land zal overblijven." + +Er ontstond plotseling een diep stilzwijgen. Men zag vader Mikaïl +de straat langzaam doorloopen en naar de kerkdeur toe gaan. Zij, +die zaten, stonden op. Zij, die reeds overeind waren, gingen op hun +teenen staan. + +Vader Mikaïl vertoonde in geheel zijn persoon het beeld van den +goeden herder. Zijn gemeenteleden vereerden hem hoog. Men trachtte +in het voorbijgaan zijn zegen te ontvangen. Men zag aan zijn geheele +houding, dat het niet alleen zijn hand was, welke dien zegen gaf, +maar dat deze uit zijn hart kwam. + +De zanger naderde den geestelijke insgelijks, terwijl hij Maroessia +bij de hand hield. + +"Zegen ons, vader," zei hij, "zegen dit kind! Wij komen van verre om +God in uw kerk te aanbidden." + +De goede geestelijke sloeg een welwillenden blik op den grijsaard en +op het kind. + +"Vader," zei de zanger, "ik heb ingezien, dat het grootste vuur te +midden der woestijn moet uitgaan, terwijl het groene hout brandt, +wanneer het te midden van den haard valt; en ik ben de woestijn +ontvlucht uit behoefte om menschen te zien en weer te vinden." + +Toen vader Mikaïl deze woorden hoorde, huiverde hij. Zijn heldere, +vriendelijke oogen vestigden zich met bijzondere aandacht op den +ouden pelgrim. + +Hij knikte ten bewijze van instemming met de woorden van den grijsaard +en zei tegen hem: + +"Als ge van verre komt, als ge het geheele land doorkruist hebt, +zult ge wel vele smarten gezien en vele gevaren ontmoet hebben. De +wegen zijn niet veilig..." + +"Hij, die naakt is," antwoordde de zanger, "behoeft niet te vreezen, +dat men hem zijn hemd zal ontstelen. Hij, die niets anders dan zijn +leven te verliezen heeft, brengt de dieven niet in verzoeking, en hij, +die geen vrees voor den dood koestert, kan overal heengaan." + +De goede geestelijke huiverde opnieuw. + +"Staat ons koren nog te velde?" vroeg hij aan den zanger. + +Vader Mikaïl deed deze vraag langzaam, terwijl hij op ieder woord +drukte, ofschoon de vraag zelf toch zoo eenvoudig was. + +"Ons koren," antwoordde de zanger, "ligt in eenige streken reeds op +den grond, en het zijn niet altijd de eigenaars, die het afgemaaid +hebben. Wat het andere betreft, en ik spreek van dat der beste velden, +ofschoon het overal nog niet geheel rijp is, geloof ik toch, dat het +verstandig zou wezen, niet met de inzameling te wachten. Wie kan de +stormen van morgen vooruitzien? Het koren, dat rijp is, staat prachtig, +mijn vader!" + +"Dat God u verhoore, mijn zoon!" antwoordde de eerwaardige priester +met kalmte; "ik bedank u voor de goede tijding, die ge mij brengt." + +"Onze hetman! Onze hetman!" riep men eensklaps van alle kanten. + +Vader Mikaïl trad de kerk binnen. + +"Onze hetman ziet er vandaag niet bijzonder vroolijk uit," merkte +iemand onder de menigte op. + +"Je zou kunnen zeggen, dat hij er knorrig uitziet," vond een ander. + +"Ik heb hem eergisteren ontmoet," vertelde een oude vrouw. "Zijn +voorhoofd was toen diep gerimpeld." + +De aankomst van twee andere personen maakte, dat de oude vrouw niet +voortging. + +"De schoonzuster van den hetman," fluisterde men van alle kanten. + +"Mefodijewna," zei er een tegen den ouden zanger, terwijl hij hem +aanstiet. + +Al had men hem dit ook niet gezegd, dan zou deze dat toch wel +vermoed hebben. In hetgeen hij gehoord had, was niets overdrevens: +het origineel beantwoordde volkomen aan het portret dat de menschen +van haar geteekend hadden. + +Zij ging vlak voorbij Maroessia heen. Bij de laatste trede waagde +het kieine meisje het, haar bij de mouw van haar geborduurd gewaad +vast te grijpen. + +"Mevrouw," zei ze zacht tegen haar, "u hebt dezen zakdoek laten +vallen," en zij bood haar een rooden zakdoek aan. + +De jonge vrouw bleef staan, keek naar den rooden zakdoek, vervolgens +naar de kleine, die haar dien aanbood, en antwoordde: + +"Wel bedankt, lief kind! Het zou mij gespeten hebben, als ik hem +verloren had." + +De groote oogen der beminlijke vrouw vestigden een doordringenden blik +op het kind en wendden zich van haar met belangstelling naar den ouden +zanger. "Je bent hier niet uit deze streken," zei zij tegen het kind, +"ik heb je ten minste nog nooit gezien; kom je van verre, beste meid?" + +"Van heel ver," antwoordde Maroessia. + +"Dan begrijp ik, waarom je er zoo vermoeid uitziet. Uit welk gedeelte +van de Ukraine kom je dan?" + +"Dat hoofdje zal nooit al de namen kunnen onthouden van de plaatsen, +die zij bezocht heeft," zei de oude zanger. "Wij hebben vele dingen +en vele menschen gezien, Mevrouw, goede en kwade, velden, vernield +door de veldslagen, en koren, de laatste hoop van de Ukraine, nog te +velde. Maar, God zij dank! wij hebben onzen weg gevonden; zooals men +bij ons zegt: ofschoon de bespanning verkeerd is, gaat het rijtuig +toch regelrecht naar de markt." + +"Zoo," antwoordde Mefodijewna, "hebben jullie veel gereisd! Welnu, +als straks de dienst afgeloopen is, ga dan naar den hetman toe, en +vraag of hij niet een paar liederen wil hooren. Aan mij moet ge uw +reis vertellen." + +Zij gaf met de hand, bij wijze van liefkoozing, een zacht tikje op +de wang van Maroessia en verdween, te midden der menigte, in de kerk. + +Men hoorde reeds de stem van vader Mikaïl, die den dienst begon. + + + + +XVII. + +SPEEL NIET MET DOLKEN! + + +De dienst was geëindigd. De groote hetman was in zijn paleis +teruggekomen. De warmte was drukkend, de zon verblindde door haar +licht. + +Eenige zwarte wolken die van het westen kwamen, vertoonden zich aan +den gezichteinder. + +"Wij zullen vanavond een hevig onweder krijgen," merkte de hetman op +terwijl hij naar de lucht keek. + +Hij stond op een terras, dat zich voor zijn woning bevond en sprak +deze woorden met zoo'n ongerustheid uit, dat een Russisch heer, zijn +laatste gast, iemand op rijpen leeftijd en met een blonden baard, zich +niet kon weerhouden, er hem zijn verwondering over te kennen te geven. + +"Ieder Christen moet sidderen," antwoordde de hetman, terwijl hij +een kruis sloeg, "als God zijn stem door middel van den donder doet +hooren." + +"God," antwoordde de Russische heer, "zal ons goed en wel aan dit +onweer en aan alle andere doen ontkomen. Ik erken intusschen, dat de +zwarte wolken een dreigend aanzien hebben." + +"Zeer dreigend inderdaad," vond de hetman. + +De wolken dreven met de snelheid van schepen, die door den storm +voortgestuwd worden. + +De groote hetman drukte de hand tegen zijn voorhoofd, terwijl er een +pijnlijke trek om z'n mond kwam. + +De tegenwoordigheid van zijn gast hinderde hem. Als die zijn gedachten +eens kon lezen... Wat zou hij dan zien? Verwarring, besluiteloosheid, +bitter berouw. + +Wat te doen? Wat te besluiten? Waarom had God hem in zulke moeilijke +omstandigheden het opperhoofd van zijn volk gemaakt? Hoe zou hij zich +uit de klauwen van den Russischen adelaar losrukken? De Russische +afgezant las zijn gedachten als in een boek op het gelaat van den +forsch gebouwden hetman. De vos speelde met den olifant. + +Maar plotseling klaarde het gezicht van den hetman op; als die van +een pruilend kind, dat een nieuw stuk speelgoed ziet liggen. Hij had, +terwijl hij de laan insloeg, die op het terras uitkwam, een soort +van bedelaar gezien, die door een klein meisje vergezeld was. Deze +bedelaar had een luit bij zich. Het was een muzikant. Deze afleiding +kwam hem op dit oogenblik juist van pas. + +"Die menschen kennen liedjes," zei hij, zich tot zijn spion, zijn gast, +wendende, "waaraan ik de voorkeur geef boven al onze concerten." + +Hij gaf aan een kozak een wenk en beval hem, den ouden zanger en zijn +kleine metgezellin bij zich te laten komen. + +"Zal de groote hetman zich verwaardigen, mij aan te hooren?" zei +de grijsaard, terwijl hij deze woorden deed vergezeld gaan van een +eerbiedigen blik, die met den nederigsten groet gelijkstond. + +De goedheid van den grooten hetman ging zoover, dat hij met zijn +blanke hand naar een plek in den hoek van het terras wees, waar de +muzikant kon gaan zitten. + +"Daar," zei hij tegen hem, "zal de zon je niet hinderen." + +De Russische heer, die van nature een opmerker was, zag wel, dat +de schouders van den ouden zanger zeer breed en forsch waren, en +verwonderde er zich over, dat het grove hemd, dat ze bedekte, wit als +sneeuw was. Hij zou zijn gezicht wel eens goed hebben willen zien, +maar de groote hetman was in een goedhartige stemming en had tegen +den grijsaard gezegd: + +"Je kunt je muts wel ophouden, oudje." + +De muzikant begon, na eenige tonen aan zijn luit ontlokt te hebben, +te zingen. + +Wat een krachtige en toch zachte stem had hij, en wat bespeelde hij +z'n instrument mooi! + +De hetman, die op zijn tijd een kunstminnaar was, voelde er zich +door opgewekt. Het gezang was prachtig en door deze zuivere muziek +aangetrokken, vertoonden de vrouw van den grooten hetman en zijn +schoonzuster zich aan het uiteinde van het terras, vlak bij den +ouden zanger. + +Mefodijewna herkende het kleine meisje, dat haar den rooden zakdoek had +ter hand gesteld, en dat zij had uitgenoodigd, op het kasteel te komen. + +Met den elleboog op een grooten bloempot leunende, waarin een zeldzame +plant groeide, gaf zij aan Maroessia een wenk om bij haar te komen. De +bloempot was zoo hoog en het kind zoo klein, dat zij haar geheel voor +den hetman en zelfs voor den Russischen heer verborg. + +Het kind haalde uit haar mouw een dolk te voorschijn en stopte dien +heimelijk in den zak der schoonzuster. + +Zag Mefodijewna die beweging? Haar gelaat verried niets. Haar groote +oogen staarden in de ruimte, en zij was geheel in de muziek verdiept. + +Maroessia had haar plaats naast haar grooten vriend hernomen, zonder +dat iemand bemerkt had, dat zij die een oogenblik had verlaten. + +De zanger zong op dit oogenblik: + +"Het Paradijs is voor de rechtvaardigen bestemd... voor hen alleen." + +"Voor hen alleen," mompelde de groote hetman. + +"De onderdrukkers, de overwinnaars zullen er hun slaven zien +binnentreden, maar de engel met het vlammend zwaard zal hun den +toegang daartoe ontzeggen." + +De Russische heer had genoeg van dit gezang. Hij scheen een geeuw +te onderdrukken. + +"Dat zijn dingen," zei de groote hetman, "die men nooit moest +vergeten." + +"Ken je het lied van den bandiet?" vroeg de Russische heer aan den +zanger. "Zing het eens voor ons:" + +"Tot mijn diep leedwezen, Excellentie, ken ik het niet," antwoordde +de grijsaard. + +"Dat is jammer!" zei de vriendelijke heer. "Het zou deze dame zeker +vermaakt hebben. De dames hebben een zekere voorliefde voor beruchte +schurken." + +Mefodijewna vestigde, hoe verre zij ook verwijderd mocht zijn, +zoo'n fellen blik op den hoveling, dat deze de oogen neersloeg, +terwijl een vluchtige blos zich op zijn gelaat vertoonde. + +"Je luit is een zonderling iets," zei de Russische heer tegen den +zanger, om het gesprek op iets anders te brengen. "Het is geen gewoon +instrument. Weet je dat wel? Welnu, tracht het lied van den bandiet +te leeren: het is echte poëzie! Je hebt daar waarlijk een zeer mooie +luit! Ik zou haar wel eens meer van nabij willen bezien. Geef haar +mij eens, oudje." + +"Daar hebt ge haar, Excellentie," antwoordde de oude zanger, terwijl +hij hem het bewuste instrument aanbood. "Bekijk het goed, onderzoek +het, en u zult zien, dat het een ware schat is." + +De Russische heer haalde, terwijl hij hartelijk lachte, eenige +onwelluidende tonen uit het instrument, zette zich op een trede van +het terras neer en herhaalde nogmaals: + +"Het is beslist een erge mooie luit!" + +Terwijl de Russische heer zijn bewondering over de luit te kennen gaf, +keek hij er eigenlijk niet naar; daarentegen vestigde hij, zonder +het te laten blijken, een doordringenden blik op den bezitter van +het genoemde instrument. Maar de eigenaar der luit, ofschoon hij, +naar den schijn te oordeelen, een uiterst eenvoudig man was, werd +door die onbescheidene blikken niet in 't minst in verwarring gebracht. + +Met al den eerbied aan een hooggeplaatst persoon verschuldigd, maar +zonder eenige verlegenheid, verklaarde hij aan Zijne Excellentie +de samenstelling der luit. Men zou zelfs gezegd hebben, dat deze +verklaringen, in plaats van hem verward of verlegen te maken, hem +zeer vermaakten. + +"Weet je wel, dat dit instrument, als je het verkocht, je genoeg zou +opbrengen om een geruimen tijd te kunnen uitrusten?" + +"Dat weet ik," antwoordde de zanger, "maar de echte muzikant wil +evenmin van zijn luit scheiden, wanneer hij die liefheeft, als de +ruiter van zijn paard. Al is men ook arm, daarom is het toch niet +verboden, smaak in schoone dingen te vinden. Mijn kleeding is wel +is waar armzalig, Mijnheer, maar men heeft mij voor deze luit meer +dan eens genoeg aangeboden om mij even prachtige kleederen aan te +schaffen als de uwe, en ik heb geweigerd." + +"Hij heeft er den slag van," zei de Russische heer bij zich zelf, +"zijn koopwaar aan te prijzen; om haar des te duurder te verkoopen +geeft hij zich den schijn, dat hij er den prijs van kent." + +De bedelaar was naderbij gekomen. + +"Daar ge een kenner zijt," zei hij, "moet ge dit instrument eens op +uw gemak bekijken, Mijnheer. Het zou zeker meer op zijn plaats zijn +in de schoone handen van deze rijke dames dan in de mijne; maar toch +zal het in de mijne blijven." + +"Ik heb je in de gaten," dacht de Russische heer; "je bent een slimme +kwant, je hoopt mij af te zetten, en je denkt, dat ik je zoo maar +een aanzienlijke som zal aanbieden om je luit aan de voeten van de +schoone Mefodijewna te kunnen neerleggen. Zie maar, dat je anderen +zoo beetneemt, oude slimmerd!... Dus," zei hij, "is dat je schat, +je fortuin?" + +"Deze luit, en ook dit, Mijnheer." + +Bij deze woorden haalde hij een dolk te voorschijn, in alle opzichten +gelijk aan dien, waarin wij hem bij den anderen hetman zijn kostbare +tijding hebben zien wegsluiten, precies eender ook als dien, welken +Maroessia een oogenblik te voren in den zak van de schoonzuster van +den hetman gestoken had. + +"Waarlijk!" zei de Russische heer, die een liefhebber van mooie wapenen +was, "dat is inderdaad een kostbaar voorwerp;" en terwijl hij de hand +aan den grijsaard toestak, zeiden zijn oogen, die van begeerlijkheid +fonkelden, hem duidelijk: "Ik wil dien verwonderlijken dolk wel eens +van naderbij bekijken." + +Zonder twijfel om den hartstocht van den Russischen heer op te wekken, +draaide de slimme grijsaard zijn wapen heen en weer, trok het uit +de schede en deed het er weder in, maar zonder het hem ter hand +te stellen. + +"Deze dolk is mijn vriend," zei hij; "hij is mijn verdediger, hij is +mijn leger; als wij bij elkander zijn, vreezen wij niets; bovendien +is hij mij heilig, want ik heb hem van mijn vader." + +"Laat mij hem dan eens even in handen nemen," zei de heer; "ik zal +hem niet opeten." + +Na eenig nadenken reikte de zanger den dolk aan hem over. + +De groote hetman, wien dit kleine tooneel voor een oogenblik afgeleid +had, was weer in gedachten verzonken geraakt. Hij schrikte eensklaps +op. Een groote droppel water, die een hevigen stortregen aankondigde, +was op zijn hand gevallen. Het gerommel van den donder, in het eerst +dof, was naderbij gekomen; het onweer kwam snel opzetten. De hemel +was in een oogenblik donker als de nacht geworden. + +"Geef dien man zijn dolk terug," zei hij tegen zijn gast, "en laat +ons in huis gaan!" + +"Wat een dolk!" zei de groote heer met bewondering; en terwijl hij +dien heen en weer bewoog, liet hij hem in het licht der bliksemstralen +glinsteren. + +"Ik wil dien dolk hebben," zei hij eindelijk op een gebiedenden toon +tegen den grijsaard. "Noem mij den prijs, verkoop hem aan mij!" + +Zijn toon was niet die van iemand, die iets wenscht te koopen, maar +van iemand, die kan nemen en ook zal nemen, wat hij wel zoo goed wil +zijn om te koopen. Het was een bevel, en daar de grijsaard toch het +stilzwijgen bleef bewaren, voegde de Russische heer er bij: + +"Verkoop hem aan mij; het geld maakt alles goed." + +"Alles?" antwoordde de oude Ukrainiër, terwijl hij zijn kalmte trachtte +te bewaren. "Wat? Zelfs de eer? Zelfs de vrijheid?" + +"Nu ja!" riep de adellijke heer uit, "zelfs wat jij eer noemt en wat +lieden van jou slag vrijheid noemen!" + +Terwijl hij den grijsaard vlak in het gezicht keek, antwoordde hij op +de gedachte, die de vraag van den gewaanden zanger aan hem ontsluierd +had, met deze woorden: + +"Als de Ukraine onder het bestuur der Russen rijk wordt, zal zij zich +niet lang meer herinneren, dat zij fier en vrij is geweest." + +Op het oogenblik, waarop hij deze woorden uitsprak, werd de lucht +als in vuur gezet door zulk een hevigen donderslag, dat al degenen, +die op het terras waren, en Mefodijewna zelf, zich verwonderden, +dat zij waren blijven staan. + +De hetman was naar zijn kamer gesneld; zijn vrouw volgde hem daarheen +zichtbaar verward. Mefodijewna aarzelde en wilde, ofschoon blijkbaar +tegen haar zin, het terras eveneens verlaten. + +Maar waarom scheen Maroessia, die naast haar grooten vriend was blijven +staan, in een standbeeld veranderd te zijn? Waarom die plotselinge +bleekheid op het gelaat van Tsjetsjewiek zelf? + +"Mefodijewna!" riep hij, terwijl hij de hand naar de schoonzuster +van den hetman uitstrekte. + +Er lag als een bezwering in het gebaar en als een bevel in de +plotseling verjeugdigde stem van den ouden zanger. + +De jonge vrouw keerde zich plotseling om. + +"Zie," zei Tsjetsjewiek tegen haar, "zie! Er is voor de +rechtvaardigheid van God slechts een seconde noodig geweest om dengene +ter aarde te werpen, die zoo aanstonds onze Ukraine zoo uit de hoogte +beschouwde." + +De jonge vrouw had met de oogen de aanwijzing gevolgd, die de +uitgestrekte arm van Tsjetsjewiek haar gaf. Op haar beurt verwonderd +over hetgeen zij zag, was Mefodijewna een stap teruggedeinsd. + +Maar, eensklaps terugkeerende, zei zij met een bewogen stem: "God +heeft de Ukraine van haar bittersten vijand verlost." + +De edele heer lag, door den bliksem getroffen, op den grond. + +Tsjetsjewiek boog zich voorover; hij haalde zijn dolk uit de verstijfde +hand van den adellijken heer. Het wapen, door den onvoorzichtige te +midden van het onweder heen en weer gezwaaid, had den bliksem zonder +twijfel tot geleider gediend. + +Den liefhebber van den dolk vervolgens op zijn forsche armen nemende, +bracht Tsjetsjewiek, door Mefodijewna en Maroessia gevolgd, hem met +haastige schreden naar de vertrekken van den grooten hetman. + + + + +XVIII. + +HET GELUKKIGE JAAR. + + +Gedurende meer dan een jaar kon de Ukraine gelooven, dat zij voor +immer vrij zou worden. Als één man was het geheele land opgestaan. De +overweldigers, over een zoo plotselingen, zoo algemeenen, zoo +vrijwilligen opstand verwonderd, waren verdwenen. Iedereen had zijn +land, zijn hut, zijn landhoeve of zijn huis hernomen, heroverd. Meer +nog, iedereen had zijn oogst nog eens kunnen binnenhalen. Voet voor +voet, van meer tot rivier, van steppe tot bosch, had de vijand moeten +terugwijken. De hetman van Tsjigirine was, na de stad heldhaftig +verdedigd en gered te hebben, na wonderen van dapperheid te hebben +verricht, gesneuveld, maar gesneuveld als een held, tevreden gestorven, +te midden der zegepraal. Een man, tot dusverre onbekend, Tsjetsjewiek, +de leeuw, zooals men hem weldra algemeen genoemd had, streed aan zijn +zijde te midden van het krijgsgewoel, waarin hij bezweken was. De +onverschrokken leeuw had het lijk van zijn opperhoofd, met wonden +bedekt, aan den vijand ontrukt en zich in zijn plaats aan het hoofd +der beweging gesteld. + +Van den kant van Gadiatsj had de andere hetman, als opperhoofd erkend, +zijn vroegere dapperheid teruggekregen. Men had dikwijls aan zijn +rechterhand een beeldschoone amazone gezien, die wel is waar geen +bevelen gaf, maar die zich altijd te midden van de hevigste gevechten +vertoonde, en wier tegenwoordigheid de macht had om aller geestdrift +op te wekken, aller moed aan te vuren. Zij werd overal gevolgd door +een soort van kleinen onverschrokken page, die haar tot vaandeldrager +diende, en die, op een vurig zwart paard gezeten, zijn vlag met een +dappere hand liet wapperen te midden der kogels, zonder zich om het +gevaar te bekommeren. De soldaten aanbaden dit kleine soldaatje, dat +schoon was als een engel. Was het inderdaad een engel of slechts een +kind of, zooals sommigen beweerden, een eenvoudig dorpsmeisje, dat door +een goddelijke vlam, een bovenmenschelijken moed bezield werd, en dat +niets kon doen terugdeinzen? De page was alles te gelijk. Alles was +waar; want het was Maroessia. Het was een tweede Jeanne d'Arc in een +land, waar de naam van Jeanne d'Arc zeker nooit was uitgesproken. Daar +Tsjetsjewiek genoodzaakt was om overal te gelijk te zijn, had hij haar +aan de zorg van Mefodijewna toevertrouwd. Zij waren onafscheidelijk: +wie de eene zag, zag ook de andere. Overigens mengden alle vrouwen +zich in den strijd; het was werkelijk een heilige oorlog. De Russen +zelf konden hun bewondering over die krachtige poging tot verkrijging +der vrijheid niet onthouden. + +O! dat was een schoone tijd! De kinderen van de kinderen uit dien +tijd hebben er niets van vergeten. De laatste krachtsinspanning van +de geheele Ukraine, dat is de roem, zelfs na de nederlaag. Gelukkig de +kleine of groote volkeren, die het recht hebben, hun _Gloria victis!_ +[4] te zingen. + +De winter was dat jaar buitengewoon streng; de raven en de wolven, +die het meest daartegen gehard waren, stierven in de bosschen ten +gevolge van de koude. De boeren zitten, als vroeger rondom de kachel +geschaard. In hun hutten onder de bescherming der opgehoopte sneeuw +zijn ze volkomen veilig. De vijand is niet meer te vreezen: hij heeft +zijn winterkwartieren in de steden betrokken. Men kan eindelijk +van zijn roemrijke wonden genezen, zonder ze te verbergen, alsof +ze een schande waren. Het is niet meer noodig in den kelder neer +te dalen om zijn wapenen schoon te maken en te herstellen; men kan +dit op zijn gemak doen en tevens van de vermoeienissen van den krijg +uitrusten. Van dorp tot dorp kan men elkaar herkennen, elkaar bezoeken, +zijn verliezen opsommen. De plannen en de toebereidselen voor de nieuwe +worsteling houden de aandacht der opperhoofden geheel bezig. Waar is +Tsjetsjewiek? Vraag liever, waar hij niet is. Maar waar hij zich het +meest vertoont,--al ware het ook slechts voor een oogenblik,--dat +is in een ontoegankelijke schuilplaats, door hem gekozen en aan de +zorg van zijn twee voornaamste adjudanten toevertrouwd. Is het nog +noodig, de namen van Mefodijewna en Maroessia te noemen? Aan hen +schijnt de gedwongen werkeloosheid van den winter, die verloren tijd, +zeer lang toe. Als er eeuwige minuten zijn, dan zijn het de nutteloos +doorgebrachte minuten. + + + * + * * + + +Kerstmis. + + +Maar waaraan denkt Maroessia sedert eenigen tijd? Vruchteloos doet +zij haar best om vroolijk te zijn. Het schijnt, dat haar een droom +overstelpt, die haar van haar vrienden scheidt; zij is daar niet meer, +haar blikken dwalen in de verte af. Waar gaan zij heen? welke plaats +zouden zij willen bereiken? en hoe het te verklaren, dat zij zelfs in +het bijzijn van Tsjetsjewiek afgetrokken is? Het hart van een meisje +is een donker bosch; er zijn goede oogen noodig om den weg daarin te +vinden: welnu, haar groote vriend heeft zulke goede oogen. + +Dien morgen was het hoofd van Maroessia meer dan gewoonlijk +voorovergebogen en dwaalden haar blauwe oogen meer doelloos rond, +en toch scheen de zon. Als men uit het raam, waarvoor het peinzende +kind onbeweeglijk zat, een blik sloeg op het land, dat geheel met +sneeuw bedekt was, als men deze als een spiegel van gepolijst zilver +in het heldere licht der zon zag schitteren, dan zou men zeggen, dat +er geen andere dan heldere en vroolijke gedachten bij Maroessia hadden +moeten opkomen. Maar neen, zij zweeg, en indien zij leed, dan wilde +zij toch zeker haar verdriet niet mededeelen aan hen, die zij liefhad. + +Haar groote vriend wisselde een blik met Mefodijewna. Het oogenblik +om te spreken was gekomen. Terwijl hij de hand op den schouder van +Maroessia legde, wekte hij haar uit haar gedachten en vestigde haar +aandacht op een slede, die ingespannen voor de deur stond. + +"Zie je hem niet?" zei hij. "Herken je je lieveling Ieskra niet? Hij +staat van ongeduld te trappelen. Hij wou, dat hij maar op weg kon gaan. + +"Om u weer mee te nemen..." zei het kind diep bewogen. + +"Om mij mee te nemen, ja," antwoordde haar groote vriend. "Maar er +zouden desnoods wel twee plaatsen in deze slede zijn, en als zeker +iemand mij wilde vergezellen, zou ik niet alleen vertrekken." + +"Zeker iemand?" zei Maroessia, wier blik zich op Mefodijewna gevestigd +had; "zeker iemand?" En wat er meer in dien blik lag opgesloten, +scheen te zeggen: "Dan zal ik zonder vrienden achterblijven. Welnu, +als het noodig is... laat mij dan alleen!" Maar deze zwijgende klacht +had zich zelfs niet in een zucht geuit. + +"Er is van mij geen sprake," zei Mefodijewna glimlachende. "Neen. _Ik_ +moet integendeel hier blijven; en boven dien zou de tweede plaats te +klein zijn voor een groot mensch zooals ik." + +"Om goed te slagen," hernam haar groote vriend, "zou ik een kleine +metgezellin moeten hebben, die ik desnoods onder mijn mantel zou +kunnen wegstoppen, maar wier hartje mij nochtans gedurende een lange +en snelle reis zou warm houden. Ik zou een metgezellin moeten hebben, +vast besloten om denzelfden weg als ik af te leggen, die niet bang +was voor de winterkoude en aan wie het meer dan aan eenig ander kon +behagen, den kant uit te gaan, dien ik uitga, er zich met eigen oogen +en ooren van te gaan overtuigen, hoe het daarginds, daarginds in de +hut met de kerseboomen gaat,--weet je, Maroessia, die zelfde hut, +waarin wij kennis gemaakt hebben,--hoe het met een vader, met een +moeder en met broertjes gaat, die misschien al vreezen, dat er in +dit jaar bij gelegenheid van het Kerstfeest voor de eerste maal een +plaats aan hun tafel ledig zal blijven staan." + +Maroessia heeft het begrepen; een kreet is ontsnapt, vervolgens een +snik; zij huilt van geluk, maar door haar tranen heen schittert een +glimlach, een glimlach, zoo vol dankbaarheid ten opzichte van haar +beide vrienden, dat ook hun oogen vochtig worden. + +"O! Kerstmis, Kerstmis! in de hut van vader! Kerstmis bij moeder en +mijn broertjes! O, u kunt ook alles raden, u hebt begrepen, dat ik +daaraan onwillekeurig dacht, nu de dag van het groote feest al meer +en meer nadert!" + +En tranen stroomden er opnieuw langs haar wangen. + +De toebereidselen waren spoedig gemaakt; het vertrek had eenige +oogenblikken daarna plaats. Bij een vluchtigen blik zag men in de +slede slechts een enkel man, in zijn witsjoera gewikkeld, die het +sein tot vertrekken aan een sterk paard gaf, dat niets liever wilde +dan den tocht te aanvaarden; maar onder den wijden mantel van den +reiziger ontdekte Mefodijewna, die voor het raam stond, twee groote +blauwe oogen, wier vriendelijke blikken op haar gevestigd waren. + +Vier dagen daarna was de slede teruggekomen. Maroessia, met een hart +vol van de vreugde, die zij verschaft en genoten had, Maroessia, +gezegend door haar vader en haar moeder, met liefkoozingen overladen +door haar broertjes, verheerlijkt door alle buren, geëerd door al +de vrienden van haar vader en door de onbekenden zelf, die wisten, +dat zij, al was zij nog maar een klein meisje, tusschen den Leeuw en +de schoone Mefodijewna, een grooten dienst aan de Ukraine bewezen +had,--Maroessia had haar plaats bij haar groote vriendin weer +ingenomen. Zij had op dezen tocht haar moed vernieuwd. Het spreekwoord +heeft wel gelijk, als het zegt: Het vaderlijk huis is een volle beker +voor het dorstige kind. + + + * + * * + + +En daarna... + + +Waarom kunnen wij het hier niet bij laten? Waarom moeten wij de +geschiedenis in haar bittere werkelijkheid volgen? Waarom zijn wij +verplicht, alles te zeggen, tot aan het besluit voort te gaan en na +het schitterende begin het treurige einde te verhalen? + +De leeuw Tsjetsjewiek had, na alles gereedgemaakt te hebben, kunnen +gelooven, dat in het tweede jaar zijn pogingen met succes bekroond +zouden worden. Iedereen geloofde dit, meer dan hij zelf. Men verzekerde +zelfs, dat er bij de beraadslagingen van den vijand meer dan eens +sprake van was geweest, aan dezen dappere onder al de dapperen, aan +dezen edelmoedige onder al de edelmoedigen, een vrede, een eervolle +schikking aan te bieden, aannemelijk zoowel voor de Ukraine als voor +hem zelf. Men zou dien jeugdigen held tot vriend, tot bondgenoot hebben +willen hebben; men zou daarginds gewild hebben, dat hij aan geheel +Rusland toebehoorde. Iedereen vertelde over zijn heldendaden. Wat was +hij schoon en verschrikkelijk te midden der veldslagen, maar wat was +hij, zoodra de strijd geëindigd was, medelijdend en zacht! + +Het verhaal van zijn verdediging van Gadiatsj, tot drie malen op +den vijand heroverd, was in aller mond; het leeft nu nog in aller +herinnering; het zal niet verloren gaan. Er ontbreekt slechts een +Homerus [5] om hem onsterfelijk te maken. Het leger, dat hij bevochten +had, verheerlijkte hem; van beide kanten noemden de gekwetsten, +de stervenden, hem hun vader. Iedereen riep hem ter hulp. De leeuw +Tsjetsjewiek, Mefodijewna en de engel Maroessia,--dat zijn de +gestalten, die voor altijd aan de Ukraine dierbaar zullen blijven. + +Maar waar zijn wij thans? Helaas! herinner u het duistere begin, +de nachtelijke tochten, de geheime samenzweringen,--daar zijn wij nu +weer aan toe! Ja, dat alles zal weder beginnen. + +De machtige vijand heeft intusschen zijn tijd wel besteed. Hij is +in ontzaglijken getale teruggekomen. Zij weten maar al te goed, zij +hebben geleerd, en gezien dat er met de Ukraniërs niet te spotten +valt. Daarom zullen zij al hun troepen op de been brengen en door +overmacht dat kleine dappere volk trachten te overwinnen. + + + + +XIX. + +LAATSTE KRANSEN. + + +Alles was ongelukkig en noodlottig gegaan! + +"Hebben wij nog ver te loopen?" vroeg Maroessia. + +"Je bent zeker erg vermoeid, liefste?" vroeg haar groote vriend +aan haar. + +"Neen, ik ben niet vermoeid; ik wilde alleen maar weten, of wij nog +een groot stuk af te leggen hebben." + +"Gelukkig niet. Zie je dat bosch aan onze rechterhand? Welnu, daarin +zullen wij uitrusten. Maar zijn je krachten uitgeput, mijn kind?" + +"Neen, neen... Heusch niet." + +"Je zegt, dat je niet vermoeid bent," hernam haar groote vriend +glimlachende. "Ben je daar wel zeker van? Ach, m'n kind, ik zie het +aan je gezicht, je bent doodop; kom, ik zal je dragen." + +En voordat de kleine het kon beletten, zat zij op zijn arm. + +"Neen, neen, ik wil niet, dat u mij draagt!" riep het kleine meisje +uit. "U bent meer vermoeid dan ik; ik wil het niet, ik wil het niet..." + +En bij zich zelf zeide zij: "Als een soldaat, die den oorlog zoolang +meegemaakt heeft," (die soldaat was zij), "die overwinnaar en zelfs +overwonnene geweest is, zich laat dragen, terwijl hij niet eens +gekwetst is, dat is schandelijk!" + +Maar de forsche armen van haar grooten vriend wisten niet van loslaten, +als zij eens iets omvat hielden. Eenige zoete woordjes overwonnen +den tegenstand van den kleinen soldaat. Maroessia sloeg haar armen om +den gebruinden hals van haar vriend en legde haar vermoeid hoofd op +zijn krachtigen schouder neer. Na een geheel jaar, waarin zij alles +had overtroffen, wat men van haar leeftijd kon verwachten, gevoelde +de kleine heldin zich gelukkig, weer een kind te zijn. + +De dag liep ten einde. De stralen der zon waren niet zoo brandend +meer. De weg, of liever het voetpad, kronkelde zich nu eens door +velden, waarop gerst, rogge en tarwe stonden,--er waren dien kant uit +nog eenige velden, die niet verwoest waren,--dan weer door kleine +boschjes, vol bloemen, geuren en vogelnestjes. Vogels, vlinders en +bijen vlogen en gonsden, alsof er niets in de wereld veranderd was; +hun kleine Ukraine was niet overrompeld en wist niets van de algemeene +ellende af. De stralen der zon drongen door de bladeren heen, zonder +zich te herinneren, dat zij nog den vorigen dag, en niet zeer ver +van daar, een bloedbad hadden beschenen. + +Zij gingen nu langs een korenveld. "Wat een hoop korenbloemen!" zei +de groote vriend; "kijk eens, Maroessia, wij hebben er nooit zooveel +en zulke mooie gezien." + +"Hoor eens, Maroessia," ging hij voort, "ik geloof, dat wij hier +eens gaan zitten; je kleine vingertjes kunnen dan eens een krans van +korenbloemen voor mij vlechten." + +Hij had het kleine meisje op het gras neergezet, en terwijl hij +zijn langen arm uitstrekte, begon hij al de korenbloemen te plukken, +die er binnen zijn bereik waren. + +"Pluk de stelen niet te kort af," zei Maroessia tegen hem, "dan zal +het gemakkelijker gaan om er een krans van te vlechten." + +Maar haar groote vriend was in bloemenplukken niet erg bedreven. Om +lange stelen te krijgen, rukte hij soms de heele plant uit den grond. + +"Dat moet u niet doen," zei Maroessia tegen hem, "dat is jammer voor +hen, die hier na ons zullen voorbijkomen, en ook voor het volgende +jaar. De uitgetrokken planten bloeien nooit meer uit. Zoo plukt men +geen bloemen. Als u bij moeder waart, zoudt u beknord worden!" + +De groote vriend vond deze bestraffing verdiend, maar hij liet er +zich niet door ontmoedigen. Hij trachtte het nu beter te doen. + +"Ik ben slecht met het plukken van bloemen bekend," zei hij. "Ik ben +als die arme jongen, die, toen hij God in de kerk wilde aanbidden +en den grond kussen, een grooten buil in zijn voorhoofd kreeg, omdat +hij tegen de steenen aanstiet." + +"Zeg mij maar niets, om mij aan het lachen te maken!" riep Maroessia +hem toe. "Houd maar op! Het is genoeg! Kom nu bij mij zitten. U hebt +er zooveel geplukt, dat ik er geen raad mee weet. Ik ben er bijna +onder bedolven, 't Is genoeg om honderd kransen te vlechten." + +En de kleine trachtte een weinig orde in den oogst van haar vriend +te brengen. + +"Zeg het mij maar ronduit," zei haar groote vriend. "Wil je er nog +meer hebben?" + +"Wel nee, het is genoeg, het is tienmaal meer dan ik noodig heb. Ga +nu ook wat uitrusten." + +Haar groote vriend zette zich naast haar neer en volgde met veel +belangstelling, nu eens het werk der kleine vingers, die een krans +vlochten, dan weder de veranderingen op het gelaat van Maroessia. Was +zij zooeven nog vroolijk, thans was zij plotseling ernstig geworden. + +"Waar denkt mijn kind aan?" zei hij tegen Maroessia. + +Zij aarzelde hierop te antwoorden; maar al spoedig verborg zij haar +blond kopje aan de borst van haar vriend en zei tegen hem: + +"Ik dacht aan de korenbloemen bij ons huis en aan de kransen, die +ik vroeger vlocht, en ook aan die, welke moeder voor mij maakte, +toen ik ook nog klein was." + +"Dat was in den gelukkigen tijd," zei Tsjetsjewiek, "toen de kinderen +zelf de verplichting niet hadden om kleine helden te zijn. Ach, +beste meid, mijn komst in het huis van je vader en moeder is geen +geluk voor je geweest, en evenmin voor hen." + +Het kind legde hem eensklaps de hand op den mond en begon te huilen. + +"Zwijg!" zei ze zacht. "Ontneem mij den moed niet, dien vader zelf +mij heeft bevolen,--den moed, dien ik nog noodig heb, en dien ik moet +hebben en zal hebben tot aan het einde. Vertel liever eens, waar is +Mefodijewna, onze Mefodijewna, die zooveel van u hield? Waar is de +vrije Ukraine?" + +Tsjetsjewiek viel haar in de rede. + +"Ja, waar is Mefodijewna?" + +Zijn hoofd viel somber op zijn beide handen. Geen van beiden dacht +meer aan spreken. + +Het kind was opgestaan. + +Bij het hooren van haar stem deed de man dit ook; beiden namen elkander +bij de hand en begaven zich weer op weg. Na even voortgeloopen te +hebben, bemerkten zij een dorp. Een smal, met gras begroeid pad voerde +er heen. + +"Zie je dit dorp, Maroessia?" zei de groote vriend tegen haar. + +"Ja, ik zie het," antwoordde zij. + +"Het is een groot dorp, niet waar?" + +"Ja, het schijnt mij groot toe." + +"Welnu, hoe grooter een dorp in onze ongelukkige Ukraine is, des te +meer echtgenooten, moeders, zusters, verloofden en kinderen bevinden +zich daarin; want langs dezen weg en langs andere zijn mannen, zonen, +broeders, aanstaanden en vaders ten strijde getrokken, en niemand +kan zeggen, hoe zij daaruit zullen terugkeeren. Die tijden zijn +vreeselijk. Maroessia, begrijp je dat?" + +"Of ik het begrijp!" riep zij uit. + +Zij liepen nog een geruimen tijd zwijgend voort. + +Het bosch, dat zich in de verte als een donkere massa uitstrekte, +begon, naarmate men het naderde, zijn mooie, groene kleur weer aan te +nemen. Men zag aan den kant het donker groen der eiken en de lichtere +bladeren der berken. + +"Wij zijn er in," zei haar groote vriend, terwijl hij de takken +wegboog en in het kreupelhout doordrong. "Wij zullen zoo aanstonds +aan een dichte plek komen, waar wij opnieuw halt zullen houden." + +Deze dichte plek was niet zoo gemakkelijk te vinden. Het bosch was +zoo dicht, dat het bijna onmogelijk was, verder te komen. Zonder +nog te spreken van de takken, die in het gezicht sloegen, van +de doornstruiken, die de kleederen scheurden en van de vermolmde +boomstammen, die den doortocht versperden, verbond de reusachtige +hop al deze takken van boven, terwijl het wilde klimop en duizend +kruipende planten ze beneden met elkaar vereenigden. + +De groote vriend van Maroessia wist echter wel, waar hij moest zijn; +hij had een doel, want hij onderzocht elken struik zorgvuldig, terwijl +hij naar alle geluiden luisterde en nu en dan bleef stilstaan om +na te denken en om op den grond en in het gras het spoor te vinden, +dat hij wenschte te ontdekken. + +Eindelijk kwamen zij op de dichte plek aan. Vlak daarbij bevond zich +een open plaats, waar ruimte genoeg was, om halt te houden. + +"Rust wat uit, Maroessia. Zie je dit gras en dit mos? Onze rijke hetman +zelf bezat zulk een schitterend tapijt niet. O, als deze weelde hem +voldoende geweest was! Als hij er zich vroeger rekenschap van had +gegeven, dat het goud de slechtste der afgoden is. Ga onder dezen +eik zitten: dat is de groote hetman van het bosch. Hij telt misschien +wel duizend jaren. Hij heeft alles gezien, zonder zich te verroeren." + +Dicht bij dezen forschen eik lag op den grond, door de jaren +overwonnen, de tronk van een anderen eik, die in zijn tijd had moeten +wedijveren met dien, welke overeind was blijven staan. Toen de Setsj +er een blik op sloeg, zei hij bij zich zelf: "De bijl heeft nooit dien +boom aangeraakt. Hij heeft nooit de gewelddadigheden der menschen +te verduren gehad, zijn oude ledematen vertoonen geen enkele wond, +de bliksem heeft hem zelfs ontzien, en toch ligt hij daar op den +grond. Zoo neemt alles, wat een begin heeft, na verloop van dagen +of eeuwen een einde. Nog eenige jaren, en deze reus zal tot stof +terugkeeren; maar het stof is vruchtbaar, en weldra zal de eik in een +grasscheutje veranderen. Zoowel in het groot als in het klein is het +waar, dat de dingen zich zelf opwekken." + +Het kind luisterde verwonderd naar hem. + +"Hij is somber," zei zij bij zich zelf, "en daar heeft hij wel +reden voor." + +Zonderling genoeg zag men op den naakten tronk van den ouden eik een +krans van korenbloemen liggen, bijna gelijk aan dien, welken Maroessia +gevlochten had. Hoe kwam dat? De korenbloemen zagen er nog frisch uit. + +De blikken van Maroessia wendden zich te gelijk met die van haar +grooten vriend naar dit zonderling verschijnsel. Maar Maroessia gaf +er haar verbazing niet over te kennen, terwijl haar stilzwijgen haar +vriend niet verwonderde. Hij nam den krans in handen en legde dien +op den schoot van Maroessia. + +"Die twee zijn juist een paar," zei hij. "Deze krans zegt ons, dat +wij in dit bosch niet alleen zijn; onze vrienden zijn op marsch, +en onze voorhoede is vooruitgegaan." + +Eensklaps weerklonk er uit het dichtste van het bosch een geschreeuw, +maar het was niets anders dan het geschreeuw van een vogel, naar het +althans aan Maroessia toescheen. + +"Het is zonder twijfel een jongmensch," zei haar groote vriend. "Zijn +stem is nog niet tot volkomen ontwikkeling gekomen. Een man in de +kracht zijns levens zou zich beter hebben doen verstaan." + + + +------ +FIGURE +------ +Man met snor draagt meisje. + + +En nu deed haar groote vriend met behulp van zijn vingers, die hij naar +zijn lippen had gebracht, zoo'n scherp vogelgeschreeuw hooren, dat de +krachtigste zanger van het bosch er zich in zou vergist hebben. Dit +geschreeuw, dat zonder twijfel verscheidene mijlen ver in den omtrek +werd gehoord, werd weldra beantwoord. Van drie verschillende kanten +antwoordde hem een dergelijk geschreeuw. + +"Je moet je niet ongerust maken," zei Tsjetsjewiek tegen +Maroessia. "Begrijp je, waarom het te doen is? Ik ben genoodzaakt, +je eenige oogenblikken alleen te laten. Blijf daar, verander niet +van plaats, ik zal je spoedig komen halen. Verlaat je post niet." + +"Ik zal hier blijven," antwoordde Maroessia. + +En zij dacht: "Het zijn zeker vrienden, aan wie hij bevelen of +aanwijzingen heeft gegeven voor het overige gedeelte van onze gevluchte +manschappen, die evenals wij vervolgd worden. Het is om ze te redden, +om ze te leiden of om ze nogmaals te verzamelen." + +Haar groote vriend had de takken weggebogen, hij wilde zich een weg +door het kreupelbosch banen, maar er kwam een gedachte bij hem op; hij +wilde nog eenmaal een blik slaan op zijn dappere kleine metgezellin. + +"Vooral geen sombere gedachten!" zei hij tegen haar. "Laat niets je +terneerslaan, noch vandaag, noch ooit." + +"Neen, ik zal niet somber wezen," antwoordde Maroessia. "Ik zal +standvastig zijn. Wees maar gerust, ik ben nu tot alles in staat, +zelfs om te sterven." + +Zij wisselden een laatsten blik. Toen verdween haar groote vriend in +het dichte bosch. + + + + +XX. + +DE DOORBOORDE ZAKDOEK. + + +Maroessia boog zich voorover, om het geluid van zijn voetstappen des +te langer te hooren. Zoolang zij hem kon hooren, verbeeldde zij zich, +dat hij nog bij haar was. Maar weldra hield het gekraak van takken en +het geritsel van bladeren geheel op. Maroessia liet haar beide kransen +vallen, haar lief kopje boog zich voorover en, zonder het te weten, +begon zij na te denken, ja, na te denken. + +Zij had zooveel schitterende dingen gezien, zij had zooveel +geheimzinnige en zooveel verschrikkelijke gebeurtenissen meegemaakt, +en de laatste waren zoo treurig! De verdedigers van de Ukraine, +eerst zoo beroemd, daar alles voor hen week, waren verslagen en daarna +verstrooid. "Ik geloof wel," zei ze bij zich zelf, "dat mijn vriend een +laatste poging wil wagen. Het is misschien wel een wanhopige poging, +maar toch zal hij haar doen!" Zij had gedurende dien langdurigen tocht +wel gevoeld, dat ieder van hun schreden een gevaar verborg. Welnu, wat +zou dat? Konden haar groote vriend en zij, de waarachtige Ukrainiërs, +de Ukraine wel overleven? Is het niet beter, te verdwijnen met hetgeen +men liefheeft? + +Zij pijnigde zich het hoofd af, om er zich een verklaring van te geven, +dat de menschen, in plaats van elkander lief te hebben, wat haar zoo +gemakkelijk toescheen, hun best deden om elkander kwaad te doen. "Zocht +vader dan twist met zijn buren? Is hij ooit op de gedachte gekomen, +het land en het huis van een ander te nemen, hoewel hij er een paar +heel mooi vond? Waarom wil men ons van onze Ukraine berooven? Zij is +vruchtbaar, zij is het rijkste land van de aarde: is dat een reden +om diegenen daaruit te verdrijven, aan wie zij toebehoort?" + +Het bosch werd somber, een onzichtbare hand trok langzamerhand een +reusachtigen zwarten sluier over deze massa's groen. Dat deed haar +denken aan het bosch uit haar sprookje van den bandiet en aan de vlucht +van de arme vrouw, wier geschiedenis zij aan haar vriend had verteld, +toen zij hem voor de eerste maal zag. "Zij was niet ongelukkiger +dan ik," dacht zij, "maar ik heb toch nog liever mijn verdriet dan +het hare." + +De laatste lichtstralen, die door de bladeren heendrongen, speelden op +de takken. Zij verdwenen eindelijk geheel, en toen werd het eensklaps +stikdonker. Maroessia stond verwonderd op. + +"Hij heeft tegen mij gezegd: 'Ik zal je _spoedig_ komen halen,--ik +zal je slechts _eenige oogenblikken_ alleen laten,--verlaat je post +niet.' Welnu, ik ben op mijn post, er is al een geruime tijd verloopen, +en hij keert niet terug, en geen enkel geluid wijst er op dat hij +gauw hier zal zijn." + +De natuur bleef zwijgen. Deze doodelijke stilte maakte, ondanks haar +goeden wil, dat Maroessia bang werd. + +Maar eensklaps deden zich van alle kanten geweerschoten hooren, meer +dan honderd, meer dan duizend misschien; men zou gezegd hebben, dat +men op alle plaatsen in het bosch te gelijk aan het vechten was. Het +duurde ongeveer tien minuten, die aan het kind een eeuw toeschenen. + +Maroessia zou wel door de boomen hebben willen heenkijken. Als door +een electrischen schok getroffen, was zij op haar teenen gaan staan. + +"Hij is het, hij is het, die zich te midden van dit vuur bevindt," +zei ze bij zichzelf. "Hij was gewapend, hij zal een weg hebben willen +banen voor de manschappen van ons leger. Zij zullen in dit bosch vol +hinderlagen overrompeld zijn!" + +En terwijl zij haar brandend voorhoofd met haar handen bedekte, +voegde zij er bij: + +"Ik wil niet meer denken. Waartoe dient dat ook? Men moet zijn lot +met gelatenheid afwachten!" + +Zij ging weer aan den voet van den grooten eik zitten en bad voor +alles, wat haar dierbaar was. + +Op het oogenblik, waarop zij zei: "Heer! geef, dat ik hem nog eens +terugzie!" meende zij te droomen, meende zij de bladeren te hooren +ristelen, de takken te hooren kraken. Maar neen, zij droomde niet: +het geluid kwam van nabij, slechts eenige schreden van daar; haar +wangen werden plotseling met een blos overtogen. Haar oogen vestigden +zich op de plek, waar het gedruisch vandaan kwam. De takken weken +van elkaar, en de gestalte van haar grooten vriend, verlicht door +de zilveren maan, die juist was opgekomen, vertoonde zich aan haar +tusschen het geboomte. Maar was het haar groote vriend wel, of was het +slechts zijn schim? Zijn gezicht was zoo bleek, dat de vreugdekreet, +dien zij wilde uiten, op haar lippen bestierf. + +"Maroessia," zei haar groote vriend tegen haar, "zie je dien rooden +zakdoek?" + +"Ja, ik zie hem." + +"Welnu, ik zal je naar den kant van het bosch brengen. Ik zal je den +weg wijzen. Je moet maar rechtuit loopen, aldoor rechtuit, totdat je +aan een boekweitveld komt; je moet dit veld overloopen; het wordt +door een voetpad gekruist. Dit voetpad zal je naar een kleine brug +brengen: op die kleine brug moet je je beide kransen neerleggen. Aan +den anderen kant van de brug zal je links, achter een molentje, een +klein bosch zien. Er zal uit dit bosch een man te voorschijn komen. Als +hij tegen je zegt: 'Dat God je ter hulpe zij!' moet je hem antwoorden: +'God heeft mij geholpen!' En dan moet je hem dezen zakdoek geven. Je +begrijpt mij wel, niet waar, Maroessia? Zal je niets vergeten?" + +Haar groote vriend sprak langzaam, veel langzamer dan hij gewoon +was; men zou gezegd hebben, dat hij niet vlugger kon spreken. Hij +werd gedurig bleeker; groote zweetdruppels parelden er op zijn +voorhoofd. Hij ging tegen een boom aanleunen. + +"U bent gewond!" zei Maroessia tegen hem. "Ze hebben u geraakt!" + +"Het is maar een lichte schram, Maroessia. Morgen zal er niets meer +van te zien zijn. Ga m'n kind... vlug!" + +Hij nam haar bij de hand. + +"Wat is uw hand koud!" riep het kind uit. + +"Denk maar niet aan mijn hand. Haast je wat! Eerst naar de brug, +dan de twee kransen daarop neerleggen en eindelijk den zakdoek geven +aan den man, die uit het boschje zal komen, als hij tegen je zegt: +'Dat God je ter hulpe zij!' Moed gehouden, Maroessia! Het is voor +het geluk van het overblijfsel der moedige verdedigers van de Ukraine!" + +De groote vriend trachtte voor Maroessia een doortocht door het +kreupelhout te banen, maar zijn krachten schoten daartoe te kort. Deze +zwakheid van hem, dien zij als de verpersoonlijking van alle kracht +beschouwde, maakte het meisje angstig. Voor de eerste maal beefde +zij voor den vriend, dien zij als onkwetsbaar had beschouwd. Maar zij +richtte geen vragen tot hem. Zij begreep, dat hij alles had gezegd, +wat hij wilde zeggen. + +Eensklaps bogen twee gespierde armen de takken van elkander. Verwonderd +wierp het meisje zich voor haar grooten vriend neer, dien zij +bedreigd dacht. + +"Vrees niets, Maroessia," zei Tsjetsjewiek tegen haar, "het is een +vriend, een beproefde en getrouwe vriend." + +Maroessia bemerkte te midden der takken een boer van een rijzige +gestalte, die haar eerbiedig, maar vriendelijk groette. Het was +merkbaar, dat het niet voor de eerste maal was, dat hij Maroessia zag. + +"Het is mijn kameraad Peter," zei Tsjetsjewiek. "Kijk hem maar eens +aan! Ook hij is een eik!" + +"Hij is bijna nog langer dan gij," zei ze uiterst verwonderd. + +Peter verspreidde en brak de takken, die aan Maroessia den doortocht +belemmerden. Hij liep achteruit en zijn ongeruste blik wendde zich +niet van Tsjetsjewiek af. + +Maroessia zag wel, dat hij dacht, dat haar groote vriend hulp noodig +had. Maar Tsjetsjewiek, die zich van boom tot boom ondersteunde, +zei tegen hem: + +"Ga toch heen, Peter! Aan mij moet je niet denken, maar aan de +anderen. Je moet tot elken prijs voorkomen, dat zij in deze verwenschte +hinderlaag vallen." + +Bij deze woorden keerde Peter zich plotseling om; de takken bogen of +braken onder het gewicht van zijn lichaam en van zijn voeten, alsof +er een stier voorbijging. Maroessia verwachtte niet, dat zij zoo +spoedig uit het bosch zou komen. Het was haar grooten vriend gelukt, +haar te volgen. Hij wilde haar zijn aanwijzingen nog eens herhalen. + +"Je ziet den weg,--het boekweitveld en het voetpad zijn rechts,--aan +het einde van het voetpad is de kleine brug,--de beide kransen moeten +op die kleine brug neergelegd worden. Links aan den anderen kant +is de molen en het kleine bosch, de man en de zakdoek. Daar moet je +heen. Haast je, liefste, haast je! Hier is de zakdoek!..." + + + +------ +FIGURE + +Ieder hecht er zijn bloemkrans aan. Blz. 194. +------ + + + +Deze zakdoek geleek zoozeer op dien, welken zij eenmaal aan de +schoonzuster van den hetman had aangeboden, dat zij zich afvroeg, +of het niet dezelfde was, en of hij wederom niet voor haar bestemd +zou wezen. + +Maroessia nam den zakdoek en zei tegen haar vriend, terwijl zij haar +voorhoofd aan hem toestak: + +"Alles zal geschieden, zooals u gezegd hebt." + +Tsjetsjewiek had zich niet zonder inspanning voorover gebogen, om +haar een kus te geven. Maar toen hij zich weder oprichtte, zag zij +wel, dat hij waggelde. Als Peter zich niet had gehaast om hem vast +te houden, zou hij gevallen zijn... Maroessia bemerkte toen, dat er +bloed op haar mouw zat. + +"Dat is uw bloed!" zei zij tegen hem. "Waar bent u gekwetst? Aan uw +arm? Laat mij de wond verbinden. Zooals u weet, heeft Mefodijewna +een goede ziekenverpleegster van mij gemaakt." + +"Wees verstandig, Maroessia," zei haar groote vriend. "Ik heb tot nu +toe aan alle gevechten deelgenomen, zonder bijna geraakt te zijn. Dat +was niet billijk. Ik had mijn deel niet. Deze wond is niets. Een +geweerschot in den arm beteekent niet veel. Wij hebben ons ook +niet op weg begeven om aardbeien te eten. Peter zal dat wel in orde +brengen. Ga nu toch heen, beste meid, en haast je wat! Wij praten te +veel. Als het je gelukt, dezen zakdoek te overhandigen aan dengene, +die hem verwacht, zal je een goed werk doen. Maar daar bedenk ik nog +wat: wikkel dien zakdoek om je hoofd, dan zal men hem spoediger en +reeds in de verte zien, en op je blond haar zal hij goed staan." + +"Maar moet u dan hier blijven? Men moet alles in dit bosch +wantrouwen... Zal ik er u terugvinden?" + +Terwijl zij deze vraag deed, wikkelde zij met een bevende hand den +rooden zakdoek om haar hoofd. + +"Ik zal hier blijven," gaf haar vriend haar ten antwoord, "en als ik +er niet kan blijven, zal ik wel weer bij je weten te komen. Zou iets +ons kunnen scheiden?" + +Ditmaal was het een geweerschot, dat voor het kind antwoordde, en +vervolgens een tweede. Van tien kanten te gelijk deed het geweervuur +zich hooren, niet dichtbij, maar veraf. + +"Zij zijn weer in het bosch gekomen om een aanval te doen," zei +Peter. "Over vijf minuten kunnen zij hier zijn." + +De leeuw had zich weder opgericht. Peter had hem een van zijn pistolen +in de hand gegeven, waarvan hij zich nog kon bedienen. + +"Komaan!" zei Tsjetsjewiek tegen Maroessia. "Ga! loop! vlieg, als je +kunt! en vergeet al het overige. Het is voor de Ukraine en voor je +groote vriendin. De zakdoek zal haar van je spreken..." + +Maroessia vloog weg als een pijl uit een boog. Maar toen zij aan het +voetpad gekomen was, dat door het boekweitveld heenliep, kon de kleine +gazel geen weerstand bieden aan de verzoeking om zich om te keeren, +ten einde een poging te doen om hem, dien zij met zooveel verdriet +verlaten had, nog eenmaal te zien. Er was niemand meer op de grens +van het bosch. Het geweervuur had niet aangehouden. In het bosch was +het weer doodstil geworden. + +Maroessia ging weer verder. Van vermoeidheid was geen sprake meer; +haar vriend had het verlangd; zij had vleugels aan de voeten. Het +boekweitveld is overgeloopen, daar is de kleine brug, zij legt +er haar beide kransen op neer. Een dof geluid was tot haar ooren +doorgedrongen. Zij luistert, het geluid komt naderbij en wordt +duidelijk hoorbaar. Het moet het getrappel zijn van een paard, dat in +galop voortrijdt. Is de ruiter een vriend of een vijand? Het is geen +kozak. In de verte zou men zeggen, dat het een Tartaar was. Toen zij +met den ouden zanger reisde, ontweken zij die Tartaren altijd. Zij +keert terug en loopt de brug nog eens over. Gelukkig liggen de +kransen er nog op. Maroessia is tevreden. Zij zal zich in het riet +verschuilen. De ruiter komt met lossen teugel aanrijden. Zou hij +haar opgemerkt hebben? Zij hoopt van niet. Maar nauwelijks had +Maroessia eenige schreden door dit riet gedaan, dat aan den kant +van den stroom groeide, of er viel een schot. De roode zakdoek, +evenals het lieve kopje, dat hij omgaf, waren te midden van het riet +neergevallen. Men zou gezegd hebben, dat het een patrijs was, die in +zijn vlucht gestuit wordt. + +De Tartaarsche ruiter is de brug overgereden. Hij wil er zich van +verzekeren, dat zijn schot raak is geweest; op zijn paard gezeten, +zoekt hij en bemerkt het bevallige lichaam, dat daar op den grond +uitgestrekt ligt. Het is slechts een kind! Maar wat beteekent die +roode zakdoek, dien zij om het hoofd heeft? Het is een vod, die zijn +kogel doorboord heeft. Het is niet de moeite waard, dien op te rapen. + +De ruiter spoort zijn paard weder aan, vervolgt zijn weg en verdwijnt +als iemand, die in zijn verwachting teleurgesteld is. Maroessia +was voor hem slechts een schim, die zich op zijn weg even aan hem +vertoond had. + +Alles is weder stil geworden. De zaak was ook zoo vlug in haar werk +gegaan. Men zou zeggen, dat er niets bij die brug was voorgevallen. + +Intusschen komt er een boer, die een zwaren takkenbos op zijn schouders +draagt, met langzame schreden uit het kleine bosch, dat Maroessia +links van de brug moest vinden. Vervolgens loopt hij den molen voorbij, +die door het heldere licht der maan verzilverd wordt. Hij heeft geen +haast, hij kijkt rechts noch links. Hij heeft er geen vermoeden op, +dat de weg, dien hij wil inslaan, kort geleden niet veilig was. + +Hij loopt de brug op. Hij ziet de beide kransen liggen, hij raapt ze op +en haakt ze aan zijn takkenbos vast. Zeker heeft hij dochtertjes. Hij +zal de kransen aan haar geven. Hij is de brug overgeloopen. Zijn +last wordt hem te zwaar. Hij legt dien voor een oogenblik neer en +leunt, om uit te rusten, met zijn armen op den boomstam, die aan deze +eenvoudige brug tot leuning dient. Vandaar kijkt hij werktuigelijk +in de rondte. Wat ziet hij daar in het riet liggen? Men zou zeggen, +dat het een ruiker roode bloemen was. Hij moet dat meer van nabij +bezien. Het is een meisje. Een van haar voeten hangt in het water. Hij +nadert. Hij tilt het ontzielde lichaam op en trekt het een weinig op +den kant. Hij kijkt met medelijden naar het schoon gelaat, dat door den +dood verbleekt is, legt de hand op het kleine, moedige hart, dat niet +meer klopt, slaat het teeken des kruises, spreekt deze woorden uit: +"Dat God je ter hulpe zij!" waarop het kind niet meer kan antwoorden: +"God heeft mij geholpen," staat op en verwijdert zich, terwijl hij zijn +takkenbos vergeet en alleen zijn kransen behoudt, in aller ijl. Hij is +de brug weder overgegaan. Waar gaat hij zoo haastig heen? Verder dan +den molen, naar den kant van het bosch. Wat heeft hij een haast om +er weer in te komen! Wat drukt hij aan zijn borst, wat verbergt hij +onder zijn kleeren? Het is de roode zakdoek, die het blonde hoofd +versierde, het hoofd van het meisje, dat haar vaderland zoo lief +had. Hij neemt dien mede. De roode zakdoek en de kransen zijn ter +bestemder plaatse aangekomen. Maroessia heeft haar taak volbracht. De +anderen, de laatste getrouwen, en haar groote vriendin zijn gered! + + + + +XXI. + +GLORIA VICTIS! + + +Dat alles is al lang, heel lang geleden. Na verloop van honderd, +misschien wel van tweehonderd jaren, blijft er slechts een legende van +over. Nog heden ten dage kan men op een heuvel, door menschenhanden +gemaakt, den hoogsten van alle van dezelfde soort, die men in dit +land aantreft, een groot kruis van graniet zien staan. Op dit kruis +is met de punt van een dolk een naam gegrift: _Maroessia_. + +De geheele heuvel heet de Koergane, dat is het graf van het meisje. Het +is bedekt met een prachtig tapijt van groen, steeds bezaaid met +prachtige en geurige bloemen, die slechts daar groeien, die men +nooit elders heeft gezien en die men nimmer elders zien zal. Die +bloemen zijn prachtig. Als men ze verplant, weigeren zij te groeien: +zij sterven terstond. Men heeft getracht, ze op andere plaatsen te +zaaien: zij komen er zelfs niet op. Men heeft ze een naam gegeven, +den eenigen, die er voor past: men noemt ze Maroessia's. + +Men vertelt, dat een kozak, beroemd door zijn moed, zijn verstand, +zijn schoonheid en zijn goedheid, en meer nog door zijn liefde voor +zijn vaderland, dezen grooten heuvel alleen heeft opgeworpen. + +Hij had slechts één arm, daar hij den anderen verloren had in het +laatste gevecht, dat er voor de onafhankelijkheid van de Ukraine +geleverd werd; en met de eenige hand, die hem overbleef, de aarde hand +voor hand aandragende, heeft hij dezen heuvel opgeworpen. Hij had +er vele jaren aan besteed. Nog op jeugdigen leeftijd was hij er mee +begonnen, zijn baard en zijn haar waren grijs geworden, toen hij het +voltooide. Intusschen zeggen sommigen, dat een kleine jongen, Taras +genaamd, hem zoolang, zoolang had gebeden en gesmeekt, totdat hij +zijn hulp had aangenomen, en dat op den langen duur ook deze jongen +bij dit werk oud geworden was. De legende zegt verder, dat, toen +de Koergane hoog genoeg was, en toen het kruis er op was geplaatst, +de kozak zich aan den voet daarvan neerzette en er tot aan zijn dood +weende. Vóór dien dag had niemand een leeuw tranen zien storten. Het +zijn de tranen, die er aan zijn oogen ontvloeiden, welke deze zoo mooie +en geurige bloemen deden ontluiken, die vroeger nooit in eenig deel +van de wereld hadden gebloeid. Zij, die de taal der bloemen weten te +verstaan, verzekeren, dat men ze op avonden, als het volle maan is, +kan hooren fluisteren: "Wij kunnen nergens anders bloeien dan op het +graf van hen, die hun leven voor het vaderland hebben gegeven." De +kinderen, jongens en meisjes, vergezeld van hun ouders, komen alle +jaren uit alle deelen van het land, om een bedevaart te doen naar het +graf van het kleine meisje. Ieder hecht er zijn bloemkrans aan. Zij +brengen er portretten heen, medailles, ter eere van Maroessia geslagen. + +En er is er geen, die niet Maroessia had willen zijn... + + +EINDE. + + + + + + + +INHOUD. + + +I. Een onbekend reiziger 1 +II. De kleine Maroessia 12 +III. Een roovergeschiedenis 30 +IV. De vlucht 50 +V. Een ontmoeting 56 +VI. Bij den ouden Kniesj 68 +VII. Op dezelfde plaats 77 +VIII. Het ontwaken van Iwan 84 +IX. De ware Kniesj 92 +X. Men ziet elkaar terug 98 +XI. Woorden en muziek 107 +XII. Men nadert 117 +XIII. De hetman zwicht 124 +XIV. Ontmoetingen 131 +XV. Op het water 135 +XVI. Te Gadiatsj 143 +XVII. Speel niet met dolken! 154 +XVIII. Het gelukkige jaar 164 +XIX. Laatste kransen 173 +XX. De doorboorde zakdoek 182 +XXI. Gloria victis! 192 + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] De Setsj is een eiland in den Dnjepr, waar de Zaporoger kozakken +hun legerkamp hadden opgeslagen. + +[2] _Pane_, in Polen en in Klein-Rusland het woord voor Mijnheer. + +[3] _Barien_, een Rutheensch woord, dat zooveel beteekent als baas. + +[4] Eere zij den overwonnenen! + +[5] Homerus was de bekendste dichter der oudheid. Hij bezong de +heldendaden van zijn landgenooten, de Grieken. + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MAROESSIA *** + +Updated editions will replace the previous one--the old editions will +be renamed. + +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the +United States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. + +START: FULL LICENSE + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg-tm License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project +Gutenberg-tm electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the +person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph +1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm +electronic works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the +Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when +you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work +on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the +phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: + + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and + most other parts of the world at no cost and with almost no + restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it + under the terms of the Project Gutenberg License included with this + eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the + United States, you will have to check the laws of the country where + you are located before using this eBook. + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase "Project +Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format +other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg-tm website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain +Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works +provided that: + +* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation." + +* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm + works. + +* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + +* You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any +Defect you cause. + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at +www.gutenberg.org + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation's website +and official page at www.gutenberg.org/contact + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without +widespread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular +state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of +volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. + +Most people start at our website which has the main PG search +facility: www.gutenberg.org + +This website includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
