summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/18120-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '18120-8.txt')
-rw-r--r--18120-8.txt4408
1 files changed, 4408 insertions, 0 deletions
diff --git a/18120-8.txt b/18120-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..37148b7
--- /dev/null
+++ b/18120-8.txt
@@ -0,0 +1,4408 @@
+The Project Gutenberg EBook of In de Oer-wouden van Afrika, by Jules Verne
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: In de Oer-wouden van Afrika
+
+Author: Jules Verne
+
+Release Date: April 5, 2006 [EBook #18120]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IN DE OER-WOUDEN VAN AFRIKA ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ In de Oer-wouden van Afrika.
+
+ Door
+
+ Jules Verne.
+
+
+ Uitgevers-Maatschappij "Vivat",
+ Amsterdam.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I.
+
+NA EEN LANGEN MARSCH.
+
+
+"En is er geen Amerikaansche Congo?" vroeg Max Huber.
+
+"Amerika heeft zelf land genoeg", antwoordde John Cort, "er valt nog
+genoeg te ontginnen tusschen Alaska en Texas en men behoeft waarlijk
+niet naar vreemde koloniën uit te zien, als men binnen eigen grenzen
+nog zooveel te doen heeft, zou ik meenen."
+
+"En dus zullen de Amerikanen Afrika maar overlaten aan de Engelschen,
+Duitschers, Hollanders, Portugeezen, Franschen, Italianen, Spanjaarden,
+Belgen?"
+
+"De Amerikanen hebben er niets te doen", hernam John Cort, "evenmin
+als de Russen, en om dezelfde reden."
+
+"En die is?"
+
+"Dat men niet ver loopt om datgene te halen, wat men thuis onder zijn
+bereik heeft."
+
+"Nu, ik geloof toch, dat de Amerikaansche regeering op een
+goeden dag haar deel zal komen eischen van die groote Afrikaansche
+taart!" antwoordde Max Huber, "er is nu reeds een Fransch Congo, een
+Belgisch Congo, een Duitsch Congo, zelfs een Onafhankelijke Congostaat,
+en van al dat land, dat wij nu reeds drie maanden doorkruisen...."
+
+"Als touristen, Max, niet als veroveraars!"
+
+"Nu, van al dat land moet Amerika ook zijn deel nemen. Er zijn hier
+vruchtbare streken, die slechts op ontginning wachten."
+
+"Onder die afschuwelijk brandende zon", voegde John Cort er bij,
+terwijl hij zijn voorhoofd afwischte.
+
+"Ba, daar let ik niet meer op!" riep Max Huber, "ik ben reeds aan
+het klimaat gewend en bijna een neger geworden!"
+
+"Bijna! Het scheelt nog veel voor wij met onze dunne huid op die
+zwartjes lijken, gij als Franschman evenmin als ik als Amerikaan. Maar
+toch hebben wij een belangwekkende reis gemaakt, Max, en het wordt
+tijd dat wij naar Libreville terugkeeren om in de factorijen wat van
+onzen drie-maandschen tocht te bekomen."
+
+"En toch heeft die reis mij niet opgeleverd wat ik er van verwacht
+had."
+
+"Wat zegt gij daar, Max? Honderden mijlen zijn wij door geheel
+onbekende landen getrokken, wij hebben onze geweren moeten gebruiken
+tegen de assegaaien en pijlen van vijandige inlanders, wij hebben jacht
+gemaakt op den Numidischen leeuw, zoowel als op den Lybischen panter,
+wij hebben zooveel olifanten geschoten, dat van hunne slagtanden
+toetsen kunnen gemaakt worden voor alle piano's ter wereld, en nog
+ben je niet tevreden?"
+
+"Ja en neen, John. Alles wat gij daar opnoemt zijn de gewone
+ontmoetingen van elken Afrikaanschen ontdekkingsreiziger. Lees
+maar eens de reisbeschrijvingen van Barth, Burton, Speke, Grant,
+du Chaillu, Livingstone, Stanley, Serpa Pinto, Anderson, Cameron,
+Brazza, Wissmann en hoe al die dappere mannen meer mogen heeten."
+
+"En wat hadt gij dan wel op onze reis meenen te vinden?" vroeg
+John Cort.
+
+"Iets buitengewoons, iets vreemds en zeldzaams."
+
+"Nu, de reis is nog niet achter den rug", hernam de Amerikaan; "het
+zal nog wel vijf of zes weken aanhouden, eer wij in Libreville zijn."
+
+"Alsof ons dan nog iets kon overkomen, zooals wij nu reizen in dezen
+wagen! Het lijkt waarlijk wel een tochtje met een diligence!"
+
+Kort daarop bleef de wagen staan bij een heuveltje, waarop een zestal
+mooie boomen groeiden, de eenige in deze uitgestrekte vlakte.
+
+Het was zeven uur in den avond en daar op dezen achtsten
+Noorderbreedtegraad de schemering slechts zeer kort duurt, zou de
+nacht spoedig vallen. En dan zou het zeer donker zijn, want dikke
+wolken pakten zich aan den hemel samen.
+
+De reiswagen, die alleen bestemd was voor het vervoer der reizigers en
+dus geen koopwaren of proviand bevatte, rustte op een zwaar onderstel
+met vier breede wielen en werd door zes ossen getrokken. Door een
+schot was zij inwendig in twee kamertjes verdeeld; het achterste,
+bestemd voor de twee jongelieden John Cort en Max Huber, zooals
+wij reeds gehoord hebben een Amerikaan en een Franschman, het
+voorgedeelte in gebruik bij een Portugeesch koopman, Urdax genaamd,
+en den "voorlooper" Khamis. Deze voorlooper--de man, die steeds aan
+het hoofd van de karavaan gaat--was een neger van Kameroen en volkomen
+geschikt als gids door de brandend heete vlakten van Oebanghi.
+
+Drie maanden geleden was deze eenvoudige, maar zeer sterke reiswagen
+uit Libreville, de hoofdstad van Fransch Congo, vertrokken. In
+Oostelijke richting gaande, was zij op de vlakten van de Oebanghi
+gekomen, die hunnen naam danken aan een der voornaamste rechter
+zijstroomen van de Congo- of Zaïre-rivier.
+
+Deze streek strekt zich uit ten Oosten van Duitsch Kameroen, en
+hare grenzen kunnen niet met nauwkeurigheid worden aangegeven. Zij
+kenmerkt zich door een machtigen plantengroei en hier en daar, maar
+op groote afstanden van elkander, liggen dorpen, waarvan de bewoners
+onafgebroken met elkander strijd voeren en waarvan enkele, zooals
+bijvoorbeeld de Mouboutou-negers, tusschen het Nijlbekken en de Congo,
+menscheneters zijn. En het is afschuwelijk, maar meerendeels slachten
+deze kannibalen kinderen, die in deze streek zoo weinig in tel zijn,
+dat men ze als geld gebruikt en er koopwaren mede betaalt. De rijkste
+neger is dan ook hij, die de meeste kinderen heeft!
+
+En al was de Portugees Urdax met zijn reisgenooten niet bepaald door
+deze gevaarlijke streek gegaan, toch hadden zij af en toe ontmoetingen
+met deze woeste Congo-negers gehad, die alleen door geweerschoten op
+eenigen afstand konden gehouden worden.
+
+Dicht bij een dorp, nabij de bronnen van de Bahar-el-Abiad, hadden
+John Cort en Max Huber echter gelegenheid gehad een kind te redden
+van het vreeselijk lot dat hem dreigde en dit voor enkele snuisterijen
+en kralen van de kannibalen afgekocht.
+
+Het was een knaap van tien jaren, gezond en sterk, uit wiens oogen
+schranderheid sprak en die voor zijne redders groote aanhankelijkheid
+aan den dag legde. De arme jongen, die aan zijn ouders en aan zijn
+stam ontroofd was, heette Llanga en leefde sedert als aangenomen
+kind van Max Huber en John Cort in de factorijen van Libreville,
+waar hij alle gelegenheid had wat Fransch en Engelsch te leeren.
+
+Toen de wagen voor dien nacht halt hield, werden de ossen afgespannen
+en de vermoeide dieren legden zich dadelijk neder.
+
+Het proviand en de buitgemaakte slagtanden waren toevertrouwd aan
+de dragers, een vijftigtal Kameroen-negers, en op last van John
+Cort werd onder de prachtige tamarindeboomen een soort kampement
+ingericht. Van droge takken werden twee groote vuren aangelegd en
+voorraad antilopenvleesch was rijkelijk aanwezig. Zoo kon een goede
+maaltijd gehouden worden, zonder dat groot gevaar te duchten was, want,
+zooals van zelf spreekt, bevatte de wagen voor het persoonlijk gebruik
+der drie blanken een flink getal uitstekende vuurwapenen en ammunitie.
+
+Niettemin bepaalde de voorlooper, toen de karavaan zich ter ruste
+zou leggen, dat eenige mannen beurtelings twee uren zouden waken,
+hetgeen in deze streken altijd raadzaam is, zoowel tegen vier- als
+tweebeenige aanvallers.
+
+Ten opzichte der veiligheid verzuimde Urdax dan ook geen enkelen
+maatregel. Deze Portugees was een krachtig gebouwd man van omstreeks
+vijftig jaren, die met de leiding eener karavaan ten volle vertrouwd
+was, en in den voorlooper Khamis, een vijf en dertigjarige neger, zeer
+vlug, zeer koelbloedig en zeer dapper, had hij een uitnemende hulp.
+
+Het was aan den voet van een der tamarindeboomen, dat de drie blanken
+zich nederzetten voor het maal, dat door Llanga gebracht werd en
+onder het eten werd de verdere tocht besproken.
+
+"Wij moeten nu Zuidwestelijk gaan", zei Urdax.
+
+"Ja, want ik geloof dat wij vlak Zuid een dicht woud voor ons hebben."
+
+"Ja, een zeer dicht, bijna ondoordringbaar woud", beaamde de Portugees;
+"wilden wij het Oostelijk omtrekken, dan zouden daartoe maanden
+noodig zijn. Maar Westelijk komen wij aan de Oebanghi, dicht bij de
+stroomversnellingen van de Congo."
+
+"Maar zou het de reis niet bekorten als wij dwars door dat woud
+trokken?" vroeg Max Huber.
+
+"Ja, het zou een paar weken uitsparen."
+
+"En waarom doen wij dat dan niet?"
+
+"Omdat het woud ondoordringbaar is."
+
+"Kom, dat geloof ik niet!" riep de jonge Franschman.
+
+"Ondoordringbaar misschien niet voor voetgangers", hernam de Portugees,
+"hoewel ik daarvan ook nog niet eens zeker ben, maar voor wagens is
+het zeker ondoenlijk."
+
+"En heeft nooit iemand beproefd dat woud door te trekken?"
+
+"Beproefd misschien wel, maar gelukt is het zeker niet en in Kameroen
+zoowel als in den Congo zou ieder u zulk een onderneming afraden.--Het
+is de vraag of men met de bijl of met vuur er een weg doorheen zou
+kunnen maken en nu spreek ik nog niet eens van de reusachtige doode
+boomen, die onoverkomelijke hinderpalen vormen."
+
+"Onoverkomelijk Urdax!" spotte de ongeloovige Max.
+
+"Komaan Max", zei John Cort, "denk toch niet aan zoo iets onzinnigs
+en wees liever blij, dat wij zulk een woud kunnen omtrekken. Ik heb
+geen lust mij in zulk een doolhof te wagen!"
+
+"Wie weet wat er in verborgen is!"
+
+"En wat zou er in verborgen zijn, Max? Onbekende rijken, betooverde
+steden, vreemde dieren, olifanten met zes pooten of negers met drie
+beenen?"
+
+"Best mogelijk", antwoordde Max Huber onverstoorbaar.
+
+"Hoe het zij", hernam Urdax, "ik ga met mijn wagen dat bosch niet in!"
+
+Hiermede was het gesprek geëindigd en besloot men te gaan
+slapen. Llanga bracht dekens en goed daarin gewikkeld legden de twee
+vrienden zich tusschen de wortels van een tamarindeboom, terwijl
+Llanga zich als een waakhond aan hunne voeten uitstrekte.
+
+Urdax en Khamis maakten eerst nog een ronde om het kampement. Zij
+wilden zich overtuigen, dat de ossen goed gekluisterd en de wakers op
+hunnen post waren, dat elk vuur was gebluscht, want het kleinste vonkje
+zou het droge gras en doode hout onmiddellijk in vlam zetten. En toen
+zij alles in orde hadden bevonden, legden ook zij zich dicht bij de
+wagen te slapen.
+
+De slaap liet niet lang op zich wachten, geen wonder trouwens na den
+vermoeienden dagmarsch. Maar de wakers, sliepen die ook? Omstreeks
+tien uur vertoonden zich allerlei verdachte lichtjes aan den zoom van
+het groote woud, maar niemand kwam dit aan de leiders der karavaan
+mededeelen.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+DE BEWEGENDE VUREN.
+
+
+De afstand tusschen het kampement en het donkere woud, waarbij nu
+af en toe zulke geheimzinnige lichten verschenen, bedroeg omstreeks
+twee kilometer. Soms schenen wel tien van die lichten tegelijk en zoo
+fel, dat men wel haast moest aannemen, dat daar een kamp van negers
+was. Maar daarvoor verspreidden die vuren zich te grillig en te veel
+uit elkander.
+
+Een handelskaravaan zou echter zeker niet zoo onvoorzichtig zijn van
+zulke groote vuren aan te leggen en daardoor haar tegenwoordigheid
+te verraden.
+
+Intusschen bleef in het kamp der Europeanen alles in diepe rust en
+zelfs de wakers bleken op hun post ingeslapen. Het was dan ook een
+groot geluk, dat de kleine Llanga wakker werd. Hij wreef zijn oogen
+eens uit, zag hij goed? Ja, hij vergiste zich niet, daar, aan den
+rand van het woud, scheen licht!
+
+Toch wilde hij niet dadelijk zijn beide weldoeners wekken en daarom
+sloop hij naar den wagen, schudde den voorlooper wakker en wees met
+den vinger naar de lichtschijnsels aan den horizon.
+
+Khamis staarde een oogenblik zwijgend voor zich uit en riep toen
+eensklaps: "Urdax!"
+
+"Wat is er?" vroeg de Portugees, die dadelijk wakker en overeind was.
+
+"Kijk eens!"
+
+Urdax zag de lichten en liet dadelijk de gansche karavaan op de been
+brengen en zoodanig was iedereen onder den indruk van het dreigend
+gevaar, dat niemand er aan dacht de wakers, die zoo slecht hadden
+opgepast, te berispen.
+
+Het was omstreeks elf uur. De vlakte was voor drie vierde deel in
+volkomen duister, maar in het Zuiden stegen allerlei grillige vlammen
+op, thans soms wel vijftig tegelijk.
+
+"Een kamp van inboorlingen", zei Urdax. "Waarschijnlijk Boudjos,
+die veel aan de oevers van de Congo en de Oubanghi komen."
+
+"Het zijn lichten, die door menschen verplaatst worden", merkte John
+Cort op.
+
+"Maar dan moesten wij die menschen zien", antwoordde Max Huber.
+
+"Dat komt omdat zij achter den boschrand zijn", verklaarde Khamis.
+
+"Maar de vuren verplaatsen zich en komen toch weer op dezelfde plaats
+terug", hernam Max Huber.
+
+"De plaats waar het kamp is", meende de voorlooper.
+
+"En wat denkt gij er van?" vroeg John Cort aan Urdax.
+
+"Dat wij aangevallen zullen worden", antwoordde de Portugees,
+"en wij ons dus terstond op verdediging gereed moeten maken."
+
+"Maar waarom hebben die inboorlingen ons dan niet in stilte bekropen
+en plotseling overvallen, zonder hunne tegenwoordigheid eerst zoo
+duidelijk te verraden?"
+
+"Negers zijn geen blanken", hernam Urdax, "maar zij zijn daarom niet
+minder te duchten door hun aantal en hunnen woesten inborst."
+
+De karavaan moest zich dus gereed houden voor eene verdediging op leven
+en dood, want genade of lijfsbehoud was van deze negerstammen van de
+Oebanghi niet te verwachten. Zij zijn inderdaad zeldzaam wreed, zelfs
+de beruchte inboorlingen van de Salomons-eilanden, van de Hebriden
+en van Nieuw-Guinea staan hierin bij deze negers achter. Maar in
+het binnenland der door hen bewoonde streken vindt men uitsluitend
+kannibalen-dorpen en de zendelingen, die uit edele roeping hier hun
+leven wagen, weten dit zeer goed. Men zou bijna geneigd zijn deze
+negers onder de dieren te rangschikken, roofdieren in menschengedaante,
+te gevaarlijker, omdat zij op volwassen leeftijd nog zelfs niet het
+verstand hebben van een zesjarig kind bij ons. Menschenoffers zijn bij
+deze negers verre van zeldzaam, menig zendeling heeft er tegen wil
+en dank getuige van moeten zijn. Slaven worden gedood bij het graf
+van hunnen meester en het afgehouwen hoofd wordt met een buigzamen
+tak weggeschoten, zoover als het vliegen wil. De kinderen worden,
+zooals reeds gezegd is, tusschen hun tiende en zestiende jaar bij
+sommige feestelijke gelegenheden geslacht, ja, verscheidene stamhoofden
+voeden zich met geen ander vleesch.
+
+Natuurlijk zijn deze negers ook ware roovers. Vaak trekken zij mijlen
+ver om een karavaan te overvallen, de begeleiders met hunne assegaaien
+af te maken en de wagens te plunderen. Wel zijn zij slechter gewapend
+dan de kooplieden, maar zij winnen het van deze verre in aantal en
+tegen een paar duizend negers vermogen vijftig of honderd dragers
+niet veel.
+
+De voorloopers kennen dit gevaar dan ook zeer goed en hun grootste
+zorg is, er voor te waken, dat de karavaan niet terecht komt bij
+zulke dorpen, als Ngombé Dara, Kalaka Taimo en andere in de streek
+van de Aoukadepé en van de Bahar-el-Abiad, waar de zendelingen tot
+dusver niet doorgedrongen zijn.
+
+Tot dusver had de karavaan elke aanraking met vijandige stammen weten
+te vermijden, de voorlooper had als goede gids haar ver gelaten van
+alle gevaarlijke streken. En de terugtocht beloofde evenzoo volkomen
+veilig te geschieden. Als men Westelijk het groote woud zou omgetrokken
+zijn, kwam men aan den rechteroever van de Oebanghi en langs die rivier
+zou men voorttrekken tot waar zij in de Congo uitmondt. Hier is een
+streek die druk bereisd wordt door kooplieden en zendelingen, en de
+gevaarlijke stammen zijn van hier meer en meer naar de verwijderde
+streken van Darfoer verdrongen.
+
+En zou de karavaan, op enkele dagreizen van de rivier verwijderd,
+nog de prooi moeten worden van die roofzieke benden? Er bestond alle
+vrees voor. Maar in elk geval zou men zich niet zoo maar goedsmoeds
+overgeven en op aanwijzing van Urdax begon men dan ook alles voor de
+verdediging gereed te maken.
+
+Zonder dralen werden Urdax, de voorlooper, John Cort en Max Huber
+gewapend, de karabijn in de hand, revolvers in den gordel, de
+patroontasch goed voorzien. In den wagen bleef nog een half dozijn
+geweren en pistolen over, die gegeven werden aan enkele dragers,
+op wier trouw men vast kon rekenen.
+
+Daarop gaf Urdax last dat men post zou vatten tusschen en achter de
+groote tamarindeboomen, om beter beschut te zijn tegen de pijlen,
+wier vergiftigde punt doodelijke wonden veroorzaakt. En zoo bleef men
+wachten. Geen geluid werd gehoord; de vijand scheen nog niet dichter
+bij te zijn gekomen, de vuren bleven met tusschenpoozen schijnen en
+deden een geelachtigen rook opstijgen.
+
+"Ik begrijp niet, hoe zij zooveel licht maken, als zij plan hebben
+ons aan te vallen!" zei Max Huber.
+
+"En ik begrijp het evenmin, als zij geen vijandelijke bedoelingen
+hebben", antwoordde John Cort.
+
+Het was inderdaad vreemd, maar wat kon men verwachten van die woeste
+stammen van de Boven-Oebanghi?
+
+Een half uur verstreek, zonder dat er eenige verandering in den
+toestand kwam. Tusschen het kampement en de vuren scheen de vlakte
+werkelijk volkomen eenzaam.
+
+Eindelijk, tegen elf uur, zei Max Huber: "Het gaat zoo niet langer,
+wij moeten den vijand verkennen!"
+
+"Zou dat niet onvoorzichtig zijn?" vroeg John Cort. "Laten wij liever
+eene afwachtende houding aannemen tot de dag aanbreekt."
+
+"Nog langer wachten?" hernam Max Huber, "nog zes uren minstens hier
+staan blijven met het geweer in de hand? Neen, wij moeten weten waaraan
+wij ons te houden hebben! Als die negers geen kwaad in den zin hebben,
+dan ga ik weer lekker tusschen die tamarindewortels liggen, waar ik
+straks zoo heerlijk sliep!"
+
+"Wat denkt gij er van?" vroeg John Cort aan Urdax.
+
+"Het denkbeeld is niet slecht", antwoordde deze, "maar de grootste
+voorzichtigheid moet er bij in acht genomen worden."
+
+"Ik zelf zal gaan", hernam Max Huber, "en ik zal voorzichtig zijn."
+
+"En ik ga mee", zei de voorlooper.
+
+"En ik", zei John Cort.
+
+"Neen, twee is genoeg", hernam Max, "wij gaan bovendien niet verder
+dan strikt noodig is, en als wij iets verdachts zien, zullen wij
+onmiddellijk terugkeren om dat te melden."
+
+"Zijn uwe wapens goed in orde?"
+
+"Ja, maar wij zullen ze wel niet noodig hebben, de hoofdzaak is,
+dat wij ons niet laten zien."
+
+"Juist", zei Urdax.
+
+Zoo ging Max Huber met den voorlooper op weg en weldra hadden zij den
+heuvel met de tamarindeboomen achter zich. Hier in het vrije veld
+was het iets minder duister, maar op verderen afstand dan honderd
+schreden zou toch geen mensch te onderscheiden zijn.
+
+Het tweetal was voorzichtig een vijftig pas voortgegaan, toen zij
+eensklaps Llanga achter hen bespeurden. Zonder een woord te spreken
+was de negerknaap hen gevolgd.
+
+"Hoe durft gij?" vroeg Max Huber vertoornd; "ga onmiddellijk terug!"
+
+"O mijnheer, laat mij bij u blijven", smeekte Llanga
+
+"En uw vriend John dan, die daar ginds is?"
+
+"Ja, die is daar, maar mijn vriend Max is hier!" antwoordde de
+negerknaap zeer ter snede.
+
+"Maar wij hebben je niet noodig", zei Khamis barsch.
+
+"Kom, laat hem maar meegaan", hernam Max Huber. "Hij zal ons niet
+hinderen en met zijn kattenoogen ontdekt hij misschien iets, wat wij
+niet kunnen zien."
+
+"Ja, ik zal goed uitkijken!" verzekerde Llanga.
+
+"Goed, blijf dan dicht bij mij!"
+
+Het drietal zette den tocht voort en een kwartier later waren zij een
+kilometer van het kampement verwijderd en scheidde diezelfde afstand
+hen nog van den zoom van het groote woud.
+
+De vuren brandden altijd nog en hun schijnsel was nu veel helderder,
+maar noch de kattenoogen van Llanga, noch de voortreffelijke
+veldkijker van Max Huber konden de wezens, die deze vuren onderhielden,
+zien. Urdax scheen dus gelijk te hebben, dat de negers zich achter de
+zware stammen en het dichte gebladerte schuil hielden. Zij waren dus
+nog niet buiten het woud gekomen en hadden misschien niet eens plan,
+dit te doen.
+
+Het werd werkelijk hoe langer hoe onbegrijpelijker. Als het eenvoudig
+het nachtleger was van rondtrekkende zwarten, waartoe diende dan
+die illuminatie? Of zouden zij wellicht de een of andere nachtelijke
+plechtigheid vieren?
+
+"Misschien hebben zij onze karavaan niet eens bespeurd", zei Max Huber.
+
+"Maar dan zien zij haar toch bij het aanbreken van den dag", antwoordde
+de voorlooper.
+
+"Als wij dan ten minste niet weg zijn, Khamis."
+
+Nog een halven kilometer liepen zij voort en waren toen het woud tot
+op een paar honderd schreden genaderd. Nog was niets verdachts te
+bespeuren, geen menschelijk wezen vertoonde zich.
+
+"Zullen wij nog verder gaan?" vroeg Max Huber.
+
+"Waartoe?" hernam Khamis; "het zou onvoorzichtig zijn. Best mogelijk
+dat zij onze karavaan niet eens bespeurd hebben en wij kunnen van
+nacht nog wegtrekken."
+
+Zij slopen voorzichtig nog een klein eind voort, toen de voorlooper
+plotseling fluisterde:
+
+"Pas op, geen stap verder!"
+
+Wat was er gebeurd? De vuren waren eensklaps verdwenen. Onbeweeglijk
+bleef het drietal staan, dikke duisternis omgaf hen, maar daar lichtten
+eensklaps weder een twintigtal vuren op.
+
+"Te drommel, het is een vreemde historie", mompelde Max Huber.
+
+En dat was het inderdaad, want de lichten schenen thans wel vijftig
+en honderd voet boven den beganen grond!
+
+Wat voor wezens konden vuren aansteken, eerst op de vlakte, daarna
+op de hoogere en lagere takken der boomen?
+
+"Het zijn toch geen dwaallichtjes", mompelde Max.
+
+"Wij moeten terug", raadde de voorlooper, "ik geloof niet dat ons
+kamp van nacht zal worden aangevallen en wij moeten de anderen gerust
+gaan stellen."
+
+"Wij kunnen dat beter doen, als wij hen tegelijkertijd kunnen
+meedeelen, wat die geheimzinnige lichtschijnsels eigenlijk zijn."
+
+"Neen, mijnheer Max, wij moeten ons niet verder wagen. Er is geen
+twijfel, of daar ginds is een troep rondzwervende negers. Misschien
+ontsteken zij die vuren, om de roofdieren van zich af te houden."
+
+"Roofdieren!" riep Max Huber, "panters en hyena's, of zelfs wilde
+buffels zouden wij moeten hooren brullen en het eenige geluid dat ik
+hoor, is het geknetter van brandend hout. Neen, ik wil het weten...."
+
+En Max Huber ging weder verder, op den voet gevolgd door Llanga.
+
+De voorlooper wist niet wat hij doen moest met dien ongeduldigen
+Franschman, maar begrijpende, dat hij hem toch niet alleen kon laten,
+besloot hij hem te vergezellen tot aan den rand van het woud, hoewel
+hij dit, zooals hij ronduit verklaarde, een verregaande roekeloosheid
+vond.
+
+Eensklaps bleef hij staan en Max en Llanga deden hetzelfde en keerden
+zich om. De lichtschijnsels trokken hunne aandacht niet meer, zij
+waren eensklaps als uitgeblazen en weder heerschte diepe duisternis
+om hen heen.
+
+Maar van den anderen kant klonk een dof geloei, een angstaanjagend
+geluid als van een naderenden stormwind....
+
+"Wat is dat, Khamis?" riep Max Huber.
+
+"Terug! Terug! Naar het kamp! Er is geen oogenblik te
+verliezen! Terug!"
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+VERSTROOID.
+
+
+Max Huber, Llanga en Khamis hadden geen tien minuten noodig om
+de vijftienhonderd meter, die hen van het kampement scheidden, te
+doorloopen. Zij hadden zelfs geen oogenblik omgezien, het deerde
+hun niet, of de negers, na hunne vuren te hebben uitgedoofd, hen
+misschien achtervolgden---
+
+Toen het drietal in het kampement terugkwam, vonden zij dit in groote
+ongerustheid, in vrees voor een onbekend gevaar, waartegen moed en
+tegenwoordigheid van geest niets vermogen. Vluchten was het eenige.
+
+"Een kudde olifanten!" riep de voorlooper, buiten adem, Urdax toe.
+
+"Ja, en in een kwartier zullen zij hier zijn en ons vermorseld hebben",
+antwoordde deze.
+
+"Wij moeten naar het woud", meende John Cort.
+
+"Dat zal hen niet tegenhouden!" zei Khamis.
+
+"En de inboorlingen?"
+
+"Wij hebben er geen gezien", antwoordde Max Huber.
+
+"En toch zijn zij niet buiten het woud getrokken."
+
+"Neen, dat zeker niet."
+
+Verder op de vlakte, nog een halve mijl ver ongeveer, kon men een
+dichte massa van zwarte schaduwen zien. Een dof gerommel vervulde
+de lucht en de bodem deinde zelfs op en neer, zoodat de stammen der
+tamarindeboomen bewogen. En af en toe weerklonk een snerpend geluid,
+als een schril trompetten.
+
+Afrika-reizigers hebben dit geluid zeer juist vergeleken met dat,
+hetwelk een trein artillerie maakt, die in vollen draf over het
+slagveld rijdt. Schrikkelijk was het, te denken aan het gevaar, dat
+de karavaan bedreigde, van verpletterd te worden onder de pooten van
+die honderden olifanten!
+
+De jacht op deze reusachtige dieren is hoogst gevaarlijk. Alleen
+wanneer het gelukt enkele van de kudde af te scheiden, kan men het
+wagen den olifant door een schot, dat precies tusschen het oog en
+het oor treffen moet, te dooden. Maar tegen een kudde, zelfs tegen
+een tiental olifanten, is elke weerstand nutteloos en zelfs onmogelijk.
+
+En toch is deze diersoort aan het uitsterven. Daar elke olifant
+gemiddeld voor eene waarde van vijftig gulden aan ivoor oplevert,
+wordt er hardnekkig jacht op gemaakt. Volgens berekening worden
+alleen in Afrika jaarlijks niet minder dan veertig duizend gedood,
+die zeven honderd vijftig duizend kilogram ivoor opleveren, welke naar
+Engeland verzonden worden. Maar eer een halve eeuw verstreken is,
+zal er op Afrika's bodem geen olifant meer zijn. Het ware inderdaad
+verstandiger, deze verstandige dieren te temmen, zij kunnen de vracht
+dragen van twee en dertig man en viermaal grooteren weg afleggen. En
+een tamme olifant is achthonderd à duizend gulden waard, tegenover
+de vijftig gulden, die hunne slagtanden opbrengen.
+
+De Afrikaansche olifant vormt met den Aziatischen de twee eenige
+nog bestaande soorten. De Afrikaansche olifant is iets kleiner dan
+de Aziatische, zijn huid is iets bruinachtiger, zijn ooren zijn
+belangrijk grooter en zijn slagtanden veel langer. Ook is hij veel
+woester en gevaarlijker van aard.
+
+In de streken van de Oebanghi komt de olifant nog veelvuldig voor,
+daar hij hier bij uitstek het plantaardig voedsel vindt, dat hij
+verlangt. En Urdax, die in hoofdzaak was uitgetrokken om ivoor te
+verzamelen, had dan ook rijken buit gemaakt. En thans op de terugreis
+bedreigde hem eensklaps zoo groot gevaar!
+
+Wat kon men tegen zulk een bestorming doen? Van het heele kampement zou
+weldra niets dan wat splinters hout over zijn! Het eenige redmiddel
+was, zich over de vlakte te verstrooien, want men moet wel bedenken,
+dat de olifant minstens even hard loopt als een paard in galop!
+
+"Wij moeten vluchten!" riep de voorlooper.
+
+"Vluchten?" herhaalde Urdax, en hij bedacht hoe hij dan alles
+verliezen zou, wat hij op zijn langen tocht met zooveel moeite en
+gevaren verworven had.
+
+"En waarheen moeten wij vluchten?" vroeg Max Huber.
+
+"Naar het woud."
+
+"En de negers?"
+
+"Daar is minder gevaar dan hier", hernam Khamis.
+
+Was dit werkelijk zoo? Niemand wist het, maar hier blijven kon men
+in elk geval ook niet; de eenige kans om niet vermorseld te worden
+onder de hoeven der aanstormende olifanten was een schuilplaats te
+zoeken in het bosch.
+
+Maar zou daar tijd voor zijn? Twee kilometer ver moest men, en de
+kudde was hoogstens tot op één kilometer genaderd!
+
+Urdax stond besluiteloos.
+
+"Laten wij den wagen naar den anderen kant van den heuvel brengen",
+zei hij ten laatste, "misschien zijn wij daar veilig."
+
+"Te laat", merkte de voorlooper op.
+
+"Doe wat ik je zeg", herhaalde Urdax zenuwachtig en driftig.
+
+"Maar hoe kan ik dat?" herhaalde Khamis, en hij had inderdaad wel
+recht tot die vraag, want de trekossen waren in doodsangst gevlucht
+en holden helaas, juist in de richting van de olifanten, die hen als
+vliegen zouden vertrappen.
+
+Toen Urdax dit zag riep hij:
+
+"Alle dragers, hier!"
+
+"De dragers", herhaalde Khamis, "die vluchten ook!"
+
+"De lafaards!" riep John Cort.
+
+En inderdaad, al de negers snelden weg, deze met een baal goed, gene
+met een paar slagtanden; niet alleen als lafaards, maar ook als dieven
+verlieten zij hunnen meester!
+
+Op hen viel niet meer te rekenen, zij zouden niet terugkomen, maar
+wel een onderkomen vinden in de naburige negerdorpen. Van heel de
+karavaan bleven alleen over de Portugees, de voorlooper, Max Huber,
+John Cort en de negerjongen Llanga.
+
+"De wagen! De wagen!" bleef Urdax roepen, en met groote moeite gelukte
+het werkelijk aan het vijftal om het zware voertuig tusschen de boomen
+te krijgen. Misschien zou het daar veilig zijn, als de troep olifanten
+zich ten minste bij het boschje tamarindeboomen in tweeën splitste.
+
+Maar toen de wagen daar eindelijk stond, bleef aan de menschen geen
+andere schuilplaats over dan de boomen.
+
+Eerst gingen Max Huber en John Cort nog in den wagen en namen alle
+patronen mede, terwijl zij den voorlooper nog een flinke bijl als
+wapen gaven.
+
+"Het zal ons wat baten", mompelde Max Huber zenuwachtig, "alleen
+kanonnen zouden hier hulp kunnen verleenen!"
+
+Khamis was eigenlijk de eenige, die zijn koelbloedigheid bewaarde. Hij
+had twee revolvers in zijn gordel, de karabijn in de hand en wachtte,
+wat gebeuren zou. Urdax raasde en tierde over het verlies zijner
+goederen en scheen aan het dreigend gevaar weinig te denken. Llanga
+toonde wel is waar geen vrees, maar volgde Max Huber op den voet.
+
+En onderwijl werd het gerommel, het gedreun van den bodem steeds
+sterker, steeds vreesaanjagender. De olifanten waren nu nog een
+vierhonderd schreden ver en in het halfduister namen hunne vormen
+een onnatuurlijken, beangstigenden omvang aan.
+
+Werkelijk, het werd tijd, dat de mannen, op lijfsbehoud bedacht, een
+schuilplaats zochten tusschen de takken der tamarinden. Sterke boomen
+waren het, hunne stam meette aan den voet wel twee meter in omtrek,
+maar zouden zij den schok van zulk een aanstormende troep olifanten
+kunnen weerstaan?
+
+De eerste takken waren dertig voet boven den grond en dus moeilijk
+te bereiken geweest, indien Khamis niet gedacht had aan zijn
+"sjamboks". Dit zijn riemen van neushoornhuid, waarvan hij eenige aan
+elkaar gebonden over den laagsten tak wist te werpen en met behulp
+daarvan kon hij zich ophijschen. Toen kon hij de anderen gemakkelijk
+behulpzaam zijn om evenzoo tegen den stam op te klimmen en zoo waren
+allen weldra tusschen de takken verscholen.
+
+"Wel Max, zijt gij nu tevreden?" vroeg John Cort spottend.
+
+"Waarover, dit is nog niet zooveel bizonders."
+
+"Neen, maar wel zal het iets bizonders zijn, als wij behouden en wel
+uit dit avontuur terugkomen", hernam de Amerikaan.
+
+Op hetzelfde oogenblik kwam de olifantentroep als een wervelwind
+aanstormen, tusschen en langs de boomen en de sterke reiswagen was
+in een oogwenk omver geworpen, verbrijzeld, versplinterd, als een
+stuk kinderspeelgoed!
+
+Daar weerklonk een schot! Urdax, woedend over het verlies zijner
+bezittingen, wilde althans een der olifanten daarvoor straffen. En Max,
+John Cort en de voorlooper volgden weldra zijn voorbeeld.
+
+Of de kogels doel getroffen hadden, was niet te zeggen, van mikken
+kon geen sprake zijn, men moest maar in de dichte massa vuren. En
+wat zou het gebaat hebben, al was elke kogel doodelijk geweest,
+wat beteekenden vier olifanten minder op zulk een troep?
+
+Zij bewogen den grond met zulk een kracht, doorwoelden den bodem
+met zulk een heftigheid, dat de zwaar gewortelde tamarinden er van
+schudden. Weder klonken schoten, twee ditmaal, van Urdax en den
+voorlooper. Max Huber en de Amerikaan zagen het nuttelooze van dit
+schieten in en achtten het beter hun kruit en kogels te sparen.
+
+Daar gebeurde eensklaps iets verschrikkelijks! De boom, door tal van
+woedende olifanten omringd, schudde geweldig en eer men het verhoeden
+kon, was de Portugees ter aarde gestort. Een enkele gil weerklonk en
+toen was alles stil.
+
+"De ongelukkige!" riep John Cort.
+
+"Aanstonds onze beurt!" antwoordde Khamis.
+
+Wat moesten zij beginnen? Het schrikkelijk lot van Urdax, onder
+de pooten der olifanten verpletterd te worden, stond ook hun te
+wachten. De boom zou weldra moeten vallen, konden zij er vóór dien
+tijd nog uitkomen? Maar zelfs dan, zouden zij den tijd hebben aan
+de olifanten te ontsnappen? Zouden zij het woud kunnen bereiken? En
+bood dit zelfs wel veiligheid aan? Daar waren immers de inboorlingen,
+niet minder gevaarlijk dan deze monsterdieren!
+
+De boom schudde zoo geweldig, dat Max Huber met zijn linkerhand Llanga
+vastgreep, terwijl hij met zijn rechterarm den stam omklemde. En
+werkelijk, daar lieten de wortels los en de boom neigde ter aarde,
+zonder met een geweldigen slag neer te komen.
+
+De ongelukkigen waren onmiddellijk op de been en snelden zoo hard zij
+konden, in de richting van het woud. Maar nog hadden zij geen halven
+mijl afgelegd, of een tiental olifanten begon hen te volgen.
+
+"Moed, moed, volhouden!" hijgde John Cort.
+
+Nog een mijl verder kwamen zij, zonder dat de olifanten merkbaar
+wonnen maar toen waren zij ook uitgeput.
+
+Het woud kon nog maar een honderd schreden ver zijn, en daar zouden
+de vluchtelingen wellicht veilig wezen, want de olifanten konden met
+hun reusachtige lichamen daar niet gemakkelijk doordringen.
+
+Zij spanden hunne laatste krachten in, daar was reeds de rand van
+het bosch, de boomen stonden zoo dicht op elkaar, dat zij bijna geen
+doorgang verleenden; nog enkele schreden en buiten adem stortte het
+viertal op den met allerlei planten bedekten bodem neder!
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+GEEN KEUZE!
+
+
+Het was toen bijna middernacht. De vluchtelingen waren thans voor
+de olifanten veilig, maar zouden minstens zes uren in deze dichte
+duisternis moeten doorbrengen! Zes lange uren van gevaar en angst!
+
+"Wij moeten wakker blijven", fluisterde Khamis, zoodra hij wat op
+adem gekomen was.
+
+"Ja", antwoordde John Cort, even zacht, "wij moeten ons gereed houden
+op een aanval van de inboorlingen. Zij zullen niet ver af zijn, want
+hier hebben zij gekampeerd, hier heeft hun vuur gebrand, en kijk,
+daar gloeien zelfs nog enkele stukken hout!"
+
+"Nu, ik geloof, dat zij ver weg zijn", hernam de onbezorgde Max Huber,
+"maar hoe het zij, ik ben dood van den slaap. Kom aan, Llanga, ga
+ook liggen. Ik ga slapen, wel te rusten!"
+
+John Cort haalde de schouders op en bleef met Khamis praten. Zij
+hadden het natuurlijk over den ongelukkigen Portugees, die zulk een
+vreeselijk einde gevonden had.
+
+"Hij had het hoofd verloren!" zei de voorlooper, "nu hij zag hoe die
+lafhartige dragers al zijn bezittingen roofden!"
+
+"Arme kerel!" zei John Cort en dit waren zijn twee laatste woorden,
+want door vermoeienis overmand, strekte ook hij zich op het gras uit
+en was weldra in diepen slaap.
+
+Zoo bleef Khamis alleen waken. Hij luisterde naar elk geluid, poogde
+de duisternis met zijn oogen te doorboren, maar hij hoorde of zag
+niets en zoo bleef hij op zijn post tot de ochtend begon te grauwen.
+
+
+
+Onze lezers zullen wel reeds hebben opgemerkt, welk onderscheid er
+in karakter tusschen Max Huber en zijn vriend den Amerikaan bestond.
+
+John Cort was ernstig van aard en zeer practisch, wat hij met de
+meeste zijner landgenooten gemeen had. Hij was in Boston geboren
+en dus een echte Yankee, maar had van de Yankees alleen de goede
+eigenschappen. Hij voelde zich bij uitstek aangetrokken tot de studie
+der volkenkunde en had als ontdekkingsreiziger meermalen grooten moed
+aan den dag gelegd.
+
+Max Huber was een echte Parijzenaar, vroolijk, luchthartig, edelmoedig
+en dapper, maar altijd verlangend naar iets "bizonders", zoodat hij
+zich niet zelden in groote gevaren zou hebben gestoken, als zijn
+voorzichtiger vriend hem niet weerhouden had; en dit was sedert hun
+vertrek uit Libreville meer dan eenmaal het geval geweest.
+
+Libreville is de hoofdstad van Fransch-Congo en van de Gabon en in 1849
+op den rechteroever dezer rivier gesticht. Op het oogenblik telt zij
+ongeveer 1600 inwoners. Er woont een gouverneur, er is een hospitaal,
+een zendingshuis, maar buiten eenige factorijen en kolenparken biedt
+de stad verder niets bizonders aan. Drie mijlen verder ligt het dorp
+Glass, waar vooral Duitsche, Engelsche en Amerikaansche factorijen
+gevestigd zijn.
+
+En hier hadden Max Huber en John Cort elkander zes jaar geleden leeren
+kennen en een innige vriendschap gesloten. Zij waren beiden werkzaam
+in de Amerikaansche factorij, die belangrijken handel dreef in ivoor,
+oliën, palmwijn, en inlandsche vruchten.
+
+Drie maanden te voren hadden de twee vrienden het plan opgevat, de
+streek te bezoeken, die zich Oostelijk van Fransch-Congo en Cameroen
+uitstrekt. Zij waren hartstochtelijke jagers en sloten zich gaarne aan
+bij een karavaan, die toen juist uit Libreville naar die streken zou
+trekken, waar het nog van olifanten wemelt, voorbij Bahar-el-Abiad
+tot aan Barghimi en Darfoer. Die karavaan stond onder bevel van den
+Portugees Urdax, welke reeds in 1887 deel uitmaakte van de Vereeniging
+van Olifantenjagers, waarvan Stanley bij zijn komst in Ipoto eenige
+zou ontmoeten.
+
+En aanvankelijk was de tocht met deze karavaan, zooals wij gezien
+hebben, zeer voorspoedig. Max Huber en John Cort, die reeds goed aan
+het klimaat waren gewend, verdroegen alle vermoeienissen van zulk een
+tocht, zij werden wel wat magerder, maar bleven goed gezond en zoo
+zouden zij behouden zijn teruggekeerd, als thans die schrikkelijke
+ramp niet over hen gekomen was! Het hoofd van de karavaan had zulk een
+vreeselijk einde gevonden, terwijl zij nog slechts een zestienhonderd
+mijlen van Libreville verwijderd waren!
+
+Hoe dikwijls had Urdax hen niet over "het groote bosch" gesproken, dat
+woud van Oebanghi, waarin zij thans waren. En inderdaad, het verdiende
+den naam van groot ten volle! Er zijn op de aarde nog enkele streken,
+bezet met duizenden boomen, streken zóó uitgestrekt, dat menig rijk
+in Europa minder oppervlakte heeft!
+
+Onder de uitgestrekte wouden der aarde worden vooral vier genoemd,
+die gelegen zijn in Noord-Amerika, in Zuid-Amerika, in Aziatisch
+Siberië en in Midden-Afrika.
+
+Het eerste, dat zich in Noordelijke richting uitstrekt tot aan de
+Hudsonbaai en het schiereiland Labrador, beslaat over de districten
+Quebec en Ontario ten Noorden van de Sint Laurens-rivier eene
+oppervlakte ter lengte van 2750 en ter breedte van 1600 K.M.
+
+Het tweede strekt zich in de Amazonevallei in Noord-Westelijk Brazilië
+uit over 3300 K.M. lengte en 2000 K.M. breedte.
+
+Het derde, 4800 K.M. bij 2700 K.M., bedekt met zijn reusachtige
+pijnboomen van 150 voet hoogte, een gedeelte van Siberië, van de
+Obivlakte in het Westen tot de Indighiska vallei in het Oosten.
+
+Het vierde eindelijk--waarover wij het in deze bladzijden meer
+bepaaldelijk hebben--strekt zich uit van de Congo-vallei tot aan de
+bronnen van den Nijl en de Zambesi, over een oppervlakte, die nog
+niet nauwkeurig gemeten is, maar waarschijnlijk de drie hiervoor
+genoemden nog overtreft.
+
+Zooals wij mededeelden, had Urdax zich niet in dit woud durven wagen,
+maar het plan gehad het Westelijk om te trekken. Hoe had ook de wagen
+met zijn zes ossen in dezen doolhof vooruit kunnen komen?
+
+Maar thans waren de omstandigheden geheel veranderd; geen wagen
+meer, geen ossen meer, geen groote sleep van dragers, geen
+kampgoederen. Niets was van de karavaan over dan drie mannen en
+een knaap, die hier, vierhonderd mijlen in het binnenland, van elk
+vervoermiddel verstoken waren!
+
+Wat moesten zij doen? Den weg nemen, dien Urdax had willen volgen,
+maar dan onder veel ongunstiger omstandigheden? Of trachten te voet
+het woud dwars door te trekken?
+
+Dit was het onderwerp, dat Max Huber en John Cort den volgenden morgen
+direct bespraken.
+
+Heel den nacht had de brave voorlooper de wacht gehouden, maar niets
+had de rust der slapenden verstoord. Wel was hij meer dan eens met de
+revolver in de hand, een vijftig schreden ver door het kreupelhout
+geslopen, als hij eenig geluid had gehoord, maar dat bleek dan het
+kraken te zijn van doode takken, of de vleugelslag van een of anderen
+grooten nachtvogel.
+
+Zoodra John Cort bij het krieken van den dag de oogen opende, had
+hij Khamis gevraagd:
+
+"En de inboorlingen?"
+
+"En zouden zij geen sporen van hun doortocht hebben achtergelaten?"
+
+"Wel waarschijnlijk, aan den zoom van het woud, mijnheer John."
+
+"Laten wij dan gaan zien."
+
+Alle vier slopen voorzichtig door het struikgewas tot aan den rand
+van het bosch en inderdaad, hier waren nog overblijfselen te zien
+van verscheidene vuren, maar van menschen geen spoor.
+
+"Zij zijn weg", zei John Cort.
+
+"Ten minste voor het oogenblik", antwoordde Khamis, "maar anderen
+zijn er nog: de olifanten."
+
+Inderdaad dwaalden nog verscheidene dezer dikhuiden over de vlakte rond
+en Max Huber en zijn genooten konden zien, hoe het tamarindeboschje
+bij den heuvel, waar zij gekampeerd hadden, geheel met den grond
+gelijk gemaakt was.
+
+"Wij moeten ons schuil houden", zei Max, "dan zullen de olifanten ten
+laatste wel wegtrekken en hebben wij kans naar het kamp terug te gaan
+en nog iets te redden, wat kisten met proviand en ammunitie."
+
+"En kunnen wij tevens onzen ongelukkigen Urdax een behoorlijke
+begrafenis geven", voegde John Cort er bij.
+
+"Zoolang de olifanten hier blijven ronddwalen, valt daaraan niet te
+denken", zei Khamis, "en van de bagage zal bovendien wel alles in
+gruizelementen zijn."
+
+Het viertal ging dus weder terug, het woud in, en Max Huber was zoo
+gelukkig, onder weg een stuk wild te schieten, waaraan het gezelschap
+wel genoeg voedsel zou hebben voor drie dagen.
+
+Het was een Inyala, een soort antilope, grijs met bruine stippels,
+met spiraalvormig gedraaide horens en lange haren onder den hals en
+borst. Het dier woog meer dan tweehonderd vijftig pond, en Llanga,
+die als een jachthond er op toegeloopen was, kon er dus niets mede
+beginnen. Maar Khamis kwam hem te hulp. Zeer handig stroopte hij het
+dier en sneed de bruikbare stukken af, die boven een weldra aangelegd
+vuur geroosterd werden. Blikjes levensmiddelen en beschuit hadden
+onze vrienden niet meer; zonder twijfel hadden de dragers al deze
+kisten geroofd, gelukkig dus, dat een knap jager hier nog altijd
+genoeg viervoetig of gevleugeld wild schieten kon.
+
+Erger was, dat de voorraad patronen niet zoo bizonder groot was. John
+Cort, Max Huber en Khamis waren wel gewapend met voortreffelijke
+karabijnen en revolvers, maar wat baatten hun die wapens, als kruit en
+kogels ontbraken! Met alles wat zij op het laatste oogenblik nog uit
+den wagen hadden kunnen medenemen, bezaten zij weinig meer dan vijftig
+patronen, een schrale hoeveelheid, als zij zich te verdedigen zouden
+hebben tegen wilde dieren en inboorlingen, op een tocht zeshonderd
+kilometer lang, voor zij den linkeroever van de Oebanghi zouden
+hebben bereikt.
+
+Onder het eenvoudige maal, waarbij een teug water werd gedronken
+uit een klein beekje, dat tusschen de boomen stroomde, bespraken zij
+ernstig wat thans te doen.
+
+"Khamis", zei John Cort tot den voorlooper, "tot dusver was Urdax onze
+aanvoerder, dien wij altijd gewillig volgden, omdat wij vertrouwen
+in hem stelden. Datzelfde vertrouwen stellen wij ook in u, op grond
+van uw karakter en uw ondervinding. Zeg dus, wat gij ons onder deze
+omstandigheden aanraadt. Gij kent dit land, reeds vele jaren diende
+gij de karavanen hier tot gids, geef ons dus raad en wij zullen doen
+wat gij zegt."
+
+"Mijnheer John," antwoordde de voorlooper bescheiden, "gij kunt op
+mij vertrouwen."
+
+"Welnu, wat is uw meening? Moeten wij het plan van Urdax volgen en
+het bosch omtrekken?"
+
+"Neen, wij moeten er dwars doorheen," antwoordde de voorlooper zonder
+aarzelen. "Gevaarlijke ontmoetingen zullen wij er niet hebben,
+ja misschien wilde dieren, maar geen vijandige inboorlingen, die
+wagen zich nooit zoo diep in dit woud. Wij loopen op de vlakte juist
+veel grooter gevaar door die rondzwervende stammen.--Te voet, zonder
+wagens of bagage, zal het ons mogelijk zijn een doortocht te vinden,
+en als wij in zuid-westelijke richting gaan, heb ik wel hoop, dat
+wij de Oebanghi bereiken."
+
+De raad van Khamis scheen verstandig, alleen moest men zich wel
+rekenschap geven van de hinderpalen, die men in zulk een oer-woud zou
+kunnen aantreffen. Van een eenigszins begaanbaar pad zou natuurlijk
+geen sprake zijn, hoogstens wat doorgangen door buffels, neushoorns
+of andere groote dieren op hunne geregelde wegen, veroorzaakt. Ook
+zou de bodem ongetwijfeld met dicht struikgewas begroeid zijn,
+hetgeen men zou moeten wegkappen, waarvoor de voorlooper een bijl,
+maar de andere slechts een zakmes zouden hebben.
+
+Ook zou het moeilijk zijn zich onder de zware boomen te oriënteeren,
+daar de stand van de zon dikwijls niet zou zijn waar te nemen, maar
+dit behoefde geen zorg te baren, want Khamis had als vele negers--en
+zooals ook de Indianen van het Verre Westen hebben--een soort instinct,
+om meer geleid door gehoor en reuk dan door het gezicht, de juiste
+richting te vinden.
+
+"Bedenk echter," zei Max Huber, "dat westelijk van ons kamp een
+stroompje liep in de richting van het woud. Misschien wordt het
+verder op wel een rivier en wij zouden dan van boomstammen een vlot
+kunnen maken...
+
+"Je gaat weer fantaseeren, Max," zei de Amerikaan.
+
+"Toch heeft mijnheer Max gelijk," hernam de voorlooper, "er is
+inderdaad een stroom, die in de Oebanghi moet uitloopen...."
+
+"En die wel als alle rivieren in Midden Afrika grootendeels
+onbevaarbaar zal zijn," zei John Cort.
+
+"Gij ziet ook niets dan moeilijkheden," merkte Max Huber op.
+
+"Beter vooraf, dan te laat!" antwoordde zijn vriend zeer terecht.
+
+"Nu goed, op weg dan!" riep de Franschman, en inwendig had hij heel
+veel lust om dat groote onbekende woud in te trekken. Misschien zou
+hij hier nu werkelijk eens iets heel buitengewoons beleven, waarnaar
+hij altijd zoo verlangd had!
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+DE EERSTE DAGEN IN HET WOUD.
+
+
+Het was iets later dan acht uur, toen het viertal den tocht in
+Zuidwestelijke richting begon.
+
+Waar zij den stroom zouden vinden, die naar verondersteld werd in de
+Oebanghi zou uitloopen, wisten zij niet, zooals zij eigenlijk niets
+wisten aangaande de streek, waarin zij zich zoo vermetel gingen wagen.
+
+Aanvankelijk waren de boomen nog niet zoo dicht, dat de zon niet
+te zien was, maar toch heerschte op menige plek, ondanks de heldere
+Maartsche dag, een halve duisternis en bij betrokken lucht zou het
+daar zeker volslagen donker zijn. Gedurende den nacht zou de tocht
+dan ook moeten worden gestaakt, en Khamis stelde voor, dat men dan
+zou slapen tusschen de zware wortels der reusachtige stammen, zonder
+vuur aan te leggen, hetgeen slechts de aandacht van ongewenschte
+bezoekers zou kunnen trekken. Van koude zou men geen last hebben en
+een klein vuurtje overdag zou voldoende zijn, om wat vleesch of wild
+te roosteren voor een eenvoudig maal.
+
+Meer te duchten waren de regens, die in deze streek zeer onverwacht
+kunnen opkomen en wel op een stortvloed gelijken.
+
+Zooals wel te denken was, bood het woud geen gemakkelijk begaanbaar
+pad aan en dit deed Max Huber opmerken:
+
+"Het is wel jammer, dat onze olifanten hier niet kunnen
+doordringen. Wat hadden zij netjes al die slingerplanten kunnen
+wegruimen en die zware wortels der boomen kunnen plat trappen...."
+
+"En ons daarbij", zei John Cort.
+
+"Laten wij tevreden zijn met wat de buffels en neushoorns gedaan
+hebben", hernam Khamis, "waar zij doorgegaan zijn, vinden wij een
+goed pad."
+
+Behalve reusachtige tamarinden, groeiden hier in overvloed buitengewoon
+hooge mimosa's en baobabs, voorts vreemde gewassen van de familie
+der Euphorbiaceeën, met stekelige takken en groote bladeren.
+
+Terwijl Max Huber mopperde over de lagere struiken, die den weg
+versperden, had John Cort geen oogen genoeg om de prachtige en zeldzame
+plantenwereld hier te bewonderen.
+
+En al die zware takken waren bewoond door allerlei dieren, vooral apen,
+waaraan Afrika zoo rijk is: grijze bavianen, mandrils, chimpansee's
+en de reusachtige en gevaarlijke gorilla's! Maar wat ons viertal
+tot dusver van deze vierhandigen gezien had, bood nog geen reden
+tot ongerustheid. Ongetwijfeld waren zij de eerste menschen, die
+aan de apen onder de oogen kwamen, en deze toonden dan ook meer
+nieuwsgierigheid dan vijandschap.
+
+Na een korte rust op den middag, werd ten zes ure weder halt
+gehouden. De tocht had groote moeilijkheden opgeleverd, allerlei
+slingerplanten, allerlei belemmerende struiken hadden weggekapt moeten
+worden en dit was een zwaar werk geweest.
+
+Daarom liet Khamis onder een zeer hoogen boom halt houden. Zijn
+bladerdak begon zes meter boven den grond en was grijsachtig groen,
+waartusschen witte bloemen prijkten. Het was een Afrikaansche
+katoenboom, wiens wortels een goede legerstede aanboden.
+
+"Het bed is opgemaakt", schertste Max Huber. "Het is wel geen
+springmatras, maar wij slapen toch onder katoen!"
+
+Met eenig dood hout werd een klein vuur aangelegd en het eenvoudige
+avondmaal daarbij gebruikt. Maar alvorens zich tusschen de wortels
+van den katoenboom uit te strekken, vroeg John Cort aan den voorlooper:
+
+"Wij zijn immers nog altijd in Zuidwestelijke richting gegaan?"
+
+"Altijd", verzekerde Khamis.
+
+"En hoeveel mijlen denkt gij dat wij per dag afleggen?"
+
+"Vier of vijf en als wij zoo voortgaan, zullen wij in een maand de
+Oebanghi bereikt hebben."
+
+Alvorens zich ter ruste te leggen werd afgesproken, dat men beurtelings
+drie uren zou waken en John Cort nam dezen plicht het eerst op zich,
+terwijl de anderen zich tusschen de zware boomwortels uitstrekten. En
+hij was zoodanig met zijn gedachten over dezen vreemden en gevaarvollen
+tocht vervuld, dat de tijd voor hem omvloog en hij werkelijk ontstelde,
+toen hij eensklaps een hand op zijn schouder voelde.
+
+"Neen, het is geen menscheneter, ik ben het!" zei Max Huber vroolijk,
+"de beurt van waken is aan mij. Hebt gij niets verdachts gezien?"
+
+"Niets", antwoordde de Amerikaan.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI.
+
+ALTIJD NAAR HET ZUIDWESTEN.
+
+
+Den volgenden morgen, 11 Maart, hervatten John Cort, Max Huber,
+Khamis en Llanga, geheel uitgerust, hun tocht.
+
+Nog waren zij niet ver gegaan, of zij kwamen op een plek,
+die ongetwijfeld dikwijls door groote dieren werd bezocht, want
+verscheidene platgetrapte paden liepen hier in allerlei richting. En
+het duurde dan ook niet lang of men zag een kudde buffels en kort
+daarop in de verte zelfs een paar neushoorns, die men wijselijk
+besloot maar ongemoeid te laten.
+
+Eerst tegen den middag, na ongeveer twaalf kilometer te hebben
+aangelegd, nam ons troepje rust. John Cort was zoo gelukkig een
+paar trapganzen te schieten, groote, zwarte vogels, wier vleesch
+overheerlijk smaakte.
+
+En daarna werd de tocht door de wildernis weder hervat en meer en
+meer werd het woud ondoordringbaar, dicht struikgewas en een gordijn
+van slingerplanten versperden overal den weg en de messen moesten
+duchtig dienst doen. Het bladerdak was zóó dicht, dat van een regenbui,
+die een paar uren aanhield, bijna geen druppel op den bodem terecht
+kwam, maar Khamis kon toch op een meer open plekje den bijna leegen
+waterzak vullen, hetgeen niet te versmaden was, want tot dusver had
+hij nog geen stroompje of beekje kunnen ontdekken.
+
+De nacht van den 11den op den 12den Maart werd niet tusschen de
+wortels van een katoenboom doorgebracht, maar aan den voet van een
+niet minder reusachtigen boom, een bombax, wiens stam zich honderd
+voet hoog verhief. Het waken geschiedde als naar gewoonte en de rust
+werd niet verstoord, dan door het verwijderd geloei van buffels of
+neushoorns. Dat het gebrul van een leeuw zich daartusschen zou mengen,
+was niet waarschijnlijk, want deze gevaarlijke roofdieren bewonen
+de dichte bosschen van Centraal-Afrika niet. Op hoogere breedte,
+hetzij ten Zuiden van de Congo, hetzij Noordelijker, in Soedan,
+nabij de grenzen van de Sahara, worden zij gevonden. De koning der
+dieren heeft ruimte noodig, groote vlakten door de zon bestraald,
+waar hij bot kan vieren aan zijn ontembaren vrijheidszin.
+
+En ook kon het geen geloei van nijlpaarden zijn, hetgeen voor onze
+vrienden wel te betreuren was, want de nabijheid van die dikhuiden
+zou tevens de nabijheid eener rivier hebben verraden.
+
+Den volgenden morgen vroeg, bij betrokken lucht, trok men weder
+voort. Het duurde niet lang of Max Huber had het geluk een antilope te
+schieten, van de grootte van een zebra. Het was een Oryx, roodbruin
+van kleur met een zwarten streep over den rug en zwarte ringen aan
+de pooten. De horens van deze dieren zijn niet zelden een meter lang
+en dienen hun tot doeltreffend wapen, somtijds zelfs tegen een aanval
+van den leeuw.
+
+Khamis vilde en ontleedde het dier spoedig, hetgeen ongeveer een uur
+in beslag nam en zoo had het troepje weder voor verscheidene dagen
+vleesch genoeg.
+
+Het liet zich echter aanzien, dat men dien dag nog meer kogels zou te
+verschieten hebben. Reeds een mijl verder stond de voorlooper in beraad
+zijn karabijn af te vuren op een troep apen, leelijke hondskopbavianen,
+die geruimen tijd in de nabijheid der menschen bleven en soms een
+dreigende houding aannamen. Maar tegen twee uur, toen het viertal een
+breeden platgetrapten weg bereikte, die zich tamelijk ver scheen uit
+te strekken, verdwenen de ongure beesten in het dichte van het woud.
+
+Mochten zij zich zelf geluk wenschen met zoo'n gemakkelijk begaanbaar
+pad, er stond tegenover, dat zij veel kans liepen de groote dieren
+te ontmoeten, die het pad gemaakt hadden.
+
+En inderdaad, een paar uur later hoorden zij niet ver af een dof
+geloei, het waren twee neushoorns.
+
+Khamis zag hen het eerst en wenkte zijn makkers stil te blijven staan.
+
+"Gevaarlijke dieren, die neushoorns", fluisterde hij, zijn karabijn
+gereed houdende.
+
+"En toch eten zij alleen planten", merkte Max Huber op.
+
+"Wat moeten wij doen?" was de verstandige vraag van John Cort.
+
+"Hen ongemerkt voorbij zien te komen of voorbij laten gaan", antwoordde
+de voorlooper. "Maar wij moeten ons gereed houden, want als zij ons
+zien, zullen zij zich op ons storten."
+
+Het viertal overtuigde zich, dat de karabijnen in goeden staat waren
+en sloop van het breede pad zijwaarts in de struiken.
+
+Vijf minuten later kwamen de dikhuiden aandraven, recht op het boschje,
+waar onze vrienden zich verscholen hadden, en bleven eensklaps
+staan. Ongetwijfeld hadden zij de aanwezigheid der menschen geroken,
+of op andere wijze bespeurd.
+
+Max Huber legde dadelijk zijn karabijn aan, een schot weerklonk,
+gevolgd door een, twee andere, maar de kogels drongen te nauwernood
+door de op een pantser gelijkende huid heen.
+
+De boomstronken en struiken zouden zeker geen hinderpaal voor die
+twee kolossen opleveren. In een oogwenk zou alles vertrapt, zou het
+viertal vermorseld zijn. Te nauwernood aan de olifanten ontkomen,
+zouden zij thans gedood moeten worden door de rhinocerossen uit het
+groote woud. De vlucht konden zij niet nemen, de dichte slingerplanten
+en lianen zouden hen te veel belemmeren, zij zouden dadelijk zijn
+ingehaald. Maar er stonden boomen en dichtbij zelfs een groote
+boabab, op wiens takken zij veilig zouden zijn en die stevig genoeg
+in den grond stond, dat een paar neushoorns zijn wortels niet zouden
+kunnen loswoelen, zooals de olifanten met de tamarindeboomen gedaan
+hadden. Maar de eerste takken waren wel vijftig voet van den grond
+en de zware stam bood geen enkel hulpmiddel om er tegen op te klimmen.
+
+Nog stond Khamis na te denken, hoe hij zijn troepje in veiligheid
+kon brengen, toen de struiken aan den rand van het pad bewogen en
+daar vertoonde zich de groote kop van den neushoorn.
+
+Fluks schoot John Cort zijn karabijn af, maar de kogel drong slechts
+in den schouder en onder een hevig gebrul kwam de neushoorn aanstormen,
+met den anderen dicht achter zich.
+
+Dit ging zóó vlug, dat niemand tijd had gehad zijn karabijn opnieuw
+te laden, het was zelfs te laat om in verschillende richtingen in de
+struiken te vluchten en instinctmatig snelden allen naar den boabab,
+om zich achter diens dikken stam te verschuilen.
+
+Onder een hevigen schok trilde de boabab tot in zijn wortels;
+de eerste rhinoceros was in blinde woede er op aan gestormd, maar
+zijn hoorn was in den stam gedrongen als de bijl van een houthakker
+en welke kracht hij ook inspande, hij kon hem niet dadelijk weder
+losrukken. Het tweede dier bleef verschrikt op eenigen afstand staan
+en alleen uit het stampen zijner hoeven en het zwaaien van zijn staart,
+bleek zijn groote woede.
+
+"Vlug! Vlug!" riep Khamis en op zijn voorbeeld snelden allen zijwaarts,
+het struikgewas in. Tot hun verbazing werden zij niet achtervolgd
+en na een dollen loop van vijf minuten bleven zij eindelijk buiten
+adem staan.
+
+Dit was inderdaad een wonderbaarlijke redding en geen hunner dacht
+er aan, naar den boabab terug te keeren, om te zien of de neushoorns
+er nog waren. Met een breeden omweg kwamen zij op het pad terug en
+tegen zes uur in den avond kozen zij een haltepunt aan den voet van
+een hooge rots.
+
+De volgende dag bood geen wederwaardigheden aan; de weg werd niet
+moeilijker begaanbaar en zoo konden weder een dertigtal mijlen in
+Zuidwestelijke richting worden afgelegd. Maar van een stroom of rivier
+was nog altijd niets te bespeuren.
+
+Na het gewone avondmaal van antilopevleesch legde men zich ter ruste,
+maar de slaap werd verstoord door honderden vleermuizen, kleine en
+groote, die eerst tegen het aanbreken van den dag verdwenen.
+
+"Afschuwelijke beesten", mopperde Max Huber, "ik heb geen oog dicht
+kunnen doen!"
+
+"En toch hebt gij geen reden tot klagen", antwoordde de voorlooper.
+
+"Wat zegt ge daar! En waarom niet?"
+
+"Omdat het beter is met vleermuizen te doen te hebben dan met muskieten
+en daarvoor zijn wij tot dusver gelukkig gespaard gebleven."
+
+"En zullen die ons ook nog komen plagen, Khamis?"
+
+"Zonder twijfel, zoodra wij bij een rivier komen."
+
+"Bij een rivier! Gelooft gij dan nog aan een rivier, hier in dit
+bosch? Ik niet meer!"
+
+"En toch is zij misschien niet eens zoo ver meer af", hernam de
+voorlooper.
+
+Hij had werkelijk eenige verandering in den bodem opgemerkt en
+zij waren nog geen drie uur verder, of de grond werd moerassig
+en hier en daar vertoonden zich gewassen, die aan waterplanten
+deden denken. Weldra zag men eenige gaugas, een soort wilde eenden,
+opvliegen en toen de zon naar de kim begon te dalen, begon het gekwaak
+van kikvorschen.
+
+"De muskieten zijn niet ver meer af!" merkte Khamis droogjes op.
+
+De plantenwereld begon van aanzien te veranderen, er vertoonden
+zich insekten, die men tot dusver niet gezien had, reusachtige,
+afschuw wekkende duizendpooten, maar ook wespen en de beruchte
+tsetsé-vlieg. Maar hoe gevaarlijk deze laatste ook moge zijn voor
+paarden en kameelen, voor den mensch is hij onschadelijk, evenals
+voor roofdieren.
+
+Het kleine troepje bleef tot ongeveer half zeven in Zuidwestelijke
+richting voorttrekken en Khamis zag reeds uit naar een geschikte
+rustplaats voor den nacht, toen de aandacht van Max Huber en John Cort
+getrokken werd door roepen van Llanga. De negerknaap was naar zijn
+gewoonte wat afgedwaald en zijn onduidelijk geroep verschrikte beide
+vrienden niet weinig. Zou hij in gevaar verkeeren? Met de karabijn
+in de hand snelden zij toe, maar waren weldra gerustgesteld.
+
+Llanga stond op een omgevallen boomstam en riep luidkeels:
+
+"De rio!.... de rio!"
+
+Ook Khamis was spoedig toegesneld en daar, op een halven mijl
+afstands, slingerde zich een stroom, waarvan het water de stralen
+van de ondergaande zon weerspiegelde.
+
+"Nu komen wij gemakkelijk aan de Oebanghi", zei de voorlooper verheugd.
+
+En inderdaad, het zou den vier mannen niet moeilijk vallen een soort
+vlot te maken, waarmede zij den stroom zouden kunnen afzakken.
+
+Door een moerassige streek, terwijl de duisternis meer en meer begon
+te vallen, liepen onze vrienden in de richting der rivier en het was
+donker, toen zij haar tamelijk hoogen oever bereikten. Hier stonden
+zeer weinig boomen, geheel anders dan aan den overkant, waar het woud
+dicht en somber scheen. John Cort schatte de breedte der rivier op
+een veertig meter, het was dus geen beekje, maar werkelijk een stroom
+van eenige beteekenis. Intusschen deed men wijzer tot den volgenden
+dag te wachten, om zich rekenschap te geven van den toestand en zoo
+zocht Khamis een geschikte plek voor de nachtrust op, die hij in een
+soort rotsachtige uitholling in den oever meende gevonden te hebben.
+
+De eerste uren zou John Cort waken en hij zag niets verdachts, maar
+wel meende hij af en toe een klagende stem te hooren, die "Ngora,
+Ngora!" riep, het woord dat in de negertaal moeder beteekent.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII.
+
+DE LEDIGE KOOI.
+
+
+Toen ons troepje den volgenden morgen ontwaakt was, verheelden John
+Cort en Max Huber zich hunne blijdschap niet. Die rivier zou hen zonder
+eenige vermoeienis ongeveer driehonderd kilometer verder brengen, tot
+waar de Oebanghi was, waarin zij natuurlijk moest uitstroomen. Zoo
+zou dus driekwart van den tocht onder de gunstigste omstandigheden
+worden afgelegd, en het andere vierde deel was reeds achter den rug,
+zooals John Cort met de inlichtingen van den voorlooper uitrekende.
+
+In zuidelijke richting maakte de rivier op ongeveer een halve mijl
+afstand een plotselinge bocht en in die bocht toonde het woud zich
+weder even dicht als te voren.
+
+Maar John Cort had daar nog niet veel oogen voor, hij dacht maar steeds
+aan dat woord "ngora", dat hij in de nachtelijke stilte gehoord had
+en dus zocht hij in den omtrek rond, of hij soms menschelijke sporen
+kon vinden, maar te vergeefs.
+
+"Ik heb het mij verbeeld", dacht hij, "misschien ben ik een oogenblik
+ingeslapen en heb het gedroomd." En hij zei er dan ook maar niets
+van aan zijn makkers.
+
+"Wij moeten onmiddellijk aan het werk om een vlot te maken," zei
+Khamis, "wilt gij mij helpen mijnheer John, want mijnheer Max moet
+op de jacht, er is niets meer te eten."
+
+"Ja, ga je mee, Llanga!" riep Max, "wij zullen den oever eens langs
+loopen tot aan die kromming, wie weet of wij geen lekkere visch
+kunnen verschalken!"
+
+"Pas maar op de krokodillen, en zelfs op de nijlpaarden," waarschuwde
+de voorlooper.
+
+"Nu een nijlpaardenboutje kan heel lekker zijn," schertste Max Huber.
+
+"Maar voor gij het hebt, zal het nijlpaard aardig boos op u zijn,"
+zei John Cort, "wees dus verstandig en kom onmiddellijk terug, als
+gij eenig gevaar vreest en wees vooral hoogst voorzichtig!"
+
+"Natuurlijk John! Kom Llanga, ga mee!"
+
+"Wees zuinig op uw patronen!" riep de voorlooper Max Huber nog na.
+
+Daarop begon Khamis met John Cort allereerst naar geschikt hout
+te zoeken om een vlot van te maken, want hoe eenvoudig dit ook zou
+worden samengesteld, hout was er in elk geval voor noodig. Maar zij
+hadden geen andere werktuigen dan een bijl en een paar zakmessen
+en daarmede konden zij bezwaarlijk de woudreuzen vellen. Khamis
+dacht er dan ook maar over om de afgevallen takken te gebruiken,
+die met lianen bijeen te binden, en er een vloer over te maken van
+vastgestampte aarde en wortels.--Een vlot van twaalf voet lengte en
+acht breedte zou voldoende zijn, om het viertal te vervoeren en des
+nachts zou men aan den oever kunnen slapen.
+
+Hij deelde dit aan John Cort mede en noodigde dezen uit, met hem het
+benoodigde hout te gaan zoeken, zoover zij de rivier langs konden zien,
+was alles rustig en dus begaven zij zich onbezorgd op weg. Nog hadden
+zij geen honderd schreden afgelegd of zij vonden reeds een groote
+hoeveelheid geschikte stukken, maar de grootste moeielijkheid zou
+zijn, om ze tot aan den oever van de rivier te slepen. Waren zij te
+zwaar voor twee personen, dan zou gewacht moeten worden tot Max en
+Llanga terug waren.
+
+Eensklaps hoorde het tweetal luide uitroepen, in de richting van het
+Zuidoosten, juist waarheen Max Huber gegaan was.
+
+"Zouden zij in gevaar verkeeren?" vroeg John Cort.
+
+"Vlug! Laten wij gaan zien!" antwoordde de voorlooper.
+
+Na een poos ontdekten zij het tweetal, staande op een hoogte aan
+den linkeroever, maar van andere menschen of van dieren was in den
+omtrek geen spoor te zien. Zij snelden dus op hunne vrienden toe en
+Max Huber ontving hen met de woorden:
+
+"Wij zullen niet noodig hebben een vlot te maken."
+
+"En waarom niet?" vroeg John Cort.
+
+"Omdat er hier een ligt, kant en klaar, wel wat verwaarloosd, maar
+gemakkelijk te herstellen."
+
+En werkelijk, in een kleinen inham van de rivier lag een plat vlot,
+vastgehouden door een half vergaan touw.
+
+"Zouden de inboorlingen tot hier zijn doorgedrongen?" vroeg Khamis
+ongerust.
+
+"Inboorlingen of ontdekkingsreizigers", antwoordde John Cort.
+
+En toch, als dit gedeelte van het groote woud van Oebanghi reeds
+bezocht was, zou dit in den Congo en in Kameroen bekend moeten zijn
+en de twee blanken hadden nog nooit gehoord, dat dit woud vroeger
+reeds doorzocht was.
+
+"Maar wat doet dat er toe", hernam Max Huber, "de hoofdzaak is of
+wij dat vlot kunnen gebruiken."
+
+"Zeer zeker", antwoordde Khamis en wilde er op stappen, toen hij door
+een kreet van Llanga teruggehouden werd.
+
+De knaap had iets van den grond opgeraapt en toonde het aan zijn
+vriend Max. Het was niets minder dan een hangslot, zwaar verroest en
+zonder sleutel, maar een echt hangslot.
+
+"Dat is niet afkomstig van Congoleezen of andere negers", zei de
+Franschman, ten hoogste verbaasd. "Hier moeten blanken geweest
+zijn...."
+
+"Die nooit teruggekeerd zijn", voegde John Cort er bij.
+
+En dit was inderdaad eene gevolgtrekking, die voor de hand lag. De
+zware roest op het slot bewees, dat het zeker reeds eenige jaren hier
+gelegen moest hebben en uit deze vondst viel tweeërlei af te leiden:
+
+1e Ontdekkingsreizigers waren op deze plek geweest;
+
+2e Om onbekende redenen hadden zij hun vlot hier achtergelaten.
+
+Maar, wat daarvan zij, vast stond, dat zij nimmer waren teruggekeerd,
+John Cort noch Max Huber hadden sedert zij in de Congo woonden,
+ooit van blanke reizigers in het groote, onbekende woud gehoord.
+
+En wat hier nog bij kwam: Max Huber moest afstand doen van de eer,
+van de eerste te zijn, die deze onbekende streken bezocht.
+
+Volkomen onverschillig voor die eer, onderzocht Khamis de planken
+en balken van het vlot. De laatsten waren nog in goeden staat, van
+de eersten zouden eenige vernieuwd moeten worden, maar dat was niet
+erg, een heel nieuw vlot behoefde men nu in elk geval niet te maken,
+met enkele reparaties was men klaar!
+
+Maar de twee vrienden konden over die vreemde vondst maar niet zwijgen.
+
+"Er is geen kwestie of hier zijn blanken geweest!" zei John Cort;
+"het vlot kon desnoods nog het werk van negers zijn, maar dat hangslot
+nooit!"
+
+"Wie weet wat wij nog verder vinden", merkte Max op; "misschien is
+hier in de buurt wel een kampement geweest. Laten wij eens wat verder
+langs den oever gaan, misschien vinden wij wel wat keukengereedschap,
+dat zou ons goed te pas komen!"
+
+Het viertal liep langs den oever, een soort natuurlijk dijkje tusschen
+het moeras links en de rivier rechts, en heele vluchten watervogels
+vlogen voor hunne voeten op. Natuurlijk keken allen opmerkzaam rond,
+in de verwachting voetsporen te vinden, of een ander voorwerp, maar
+zij ontdekten niets.--Toen zij bij de eerste boomen kwamen, werden
+zij begroet door het gekrijsch van een troep apen. Deze dieren schenen
+niet erg verbaasd bij het zien van menschen.
+
+"Maar zij hebben toch dat vlot niet gemaakt", zei John Cort, "en hoe
+slim zij ook zijn, een hangslot zouden zij toch nooit kunnen maken!"
+
+"Evenmin als een kooi", voegde Max Huber er bij.
+
+"Wat bedoelt gij?"
+
+"Wel, ik geloof dat ik daar verder op iets zie, dat wel een kooi
+lijkt."
+
+"Mijnheer heeft gelijk", bevestigde Khamis, "daar staat een hut met
+traliewerk. Laten wij voorzichtig zijn."
+
+"Komaan, wat voor gevaar kan ons dreigen!" riep Max Huber vol ongeduld.
+
+En inderdaad, menschen schenen hier niet te zijn. Zoo sloop het
+viertal behoedzaam nader en kon de hut duidelijker opnemen. Zij
+stond tusschen mimosas en had een schuin dak van verdroogde bladeren,
+terwijl slingerplanten aan alle zijden tot aan den bodem reikten. Maar
+wat haar wel het aanzien gaf van een kooi, dat waren de traliën aan
+de voorzijde, precies als van een hok in een menagerie.
+
+En in die tralies was een deurtje, dat open stond en de kooi was leeg.
+
+Max Huber snelde naar binnen en vond eenige kostbare voorwerpen:
+een pan, een kop, een wollen deken, een bijl, en een half vergaan
+brillenhuisje! In een hoek stond een koperen kistje, zoo verroest,
+dat hij het niet open kon krijgen. Eindelijk met behulp van een mes
+gelukte dit en in het kistje lag een aanteekenboekje, waar buiten op
+een naam te lezen stond: Dokter Johausen.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VIII.
+
+DOKTER JOHAUSEN.
+
+
+Die naam was een openbaring! Hij onthulde een gedeelte van het geheim,
+een treurig geheim, al was het lachwekkende er ook niet vreemd aan,
+want de man, die zulke fantastische proeven had willen nemen, was
+hoogstwaarschijnlijk als slachtoffer van zijn streven omgekomen.
+
+Misschien herinnert men zich, dat een Amerikaan, Garner genaamd,
+de taal der apen heeft willen bestudeeren. In alle couranten der
+wereld is daarover geschreven en ook Max Huber en John Cort hadden
+alles daarvan gelezen.
+
+"Hij!" riep Max Huber, "van wien men nooit meer iets gehoord heeft!"
+
+"En van wien men ook wel nooit meer iets hooren zal!" voegde John
+Cort er bij.
+
+Deze "hij", dien de twee vrienden bedoelden, was dokter Johausen,
+maar alvorens over hem te spreken, moeten wij iets mededeelen over
+zijn voorganger, professor Garner.
+
+Alvorens naar Afrika te vertrekken had deze Amerikaan bizondere studie
+gemaakt van de apen, en hij was tot de slotsom gekomen, dat die dieren
+onder elkander een bepaalde taal spraken, met bepaalde woorden om de
+gedachten uit te drukken. In de apenkooi in de diergaarde te Washington
+heeft Garner phonografen geplaatst om de woorden van die apentaal op
+te vangen en na allerlei onderzoekingen hieromtrent vertrok Garner
+in 1892 naar de Gabon, kwam den 12den October te Libreville aan en
+nam daar zijn intrek in de factory der firma John Holland & Co.,
+waar hij tot Februari 1894 vertoefde.
+
+Eerst toen besloot hij zijn studiën in het land der apen zelf voort
+te zetten. Met een kleine stoomboot voer hij de Ogoué op en kwam den
+22sten April aan het Katholieke Zendingsstation van Fernand Vaz. De
+zendelingen namen hem gastvrij op in hun woning, die aan den oever
+van een prachtig meer gebouwd is en hielpen hem in alles, wat zijn
+onderzoekingen kon bevorderen.
+
+Achter het Zendingshuis begon een groot woud, dat van de apen wemelde,
+maar Garner wilde in nauwere aanraking met die dieren komen en in
+hun midden leven. Daartoe had hij een ijzeren kooi laten maken,
+die uit elkander kon genomen worden en deze kooi liet hij naar
+het woud brengen. Als men hem gelooven wil, heeft hij drie maanden
+daarin gewoond, meestentijds alleen en dus doende den gorilla in den
+natuurstaat kunnen bestudeeren. Maar meer met de waarheid overeen komt,
+dat de voorzichtige Amerikaan zijn kooi niet verder heeft neergezet dan
+twintig minuten van het Zendingshuis, een plek, die hij den weidschen
+naam gaf van Fort Gorilla en die langs een mooi, schaduwrijk pad te
+bereiken was. Hij heeft er zelfs drie nachten achtereen geslapen,
+maar geteisterd door duizenden muskieten, kon hij het er niet langer
+uithouden; hij brak zijn kooi op en vroeg wederom gastvrijheid bij
+de zendelingen, die hem dit gulhartig verstrekten. En den 18den Juni
+ging hij weer naar Amerika terug, niets anders medebrengende dan twee
+kleine chimpanzees, die er niet aan dachten om met hem te praten!
+
+Garner heeft dus al bitter weinig ontdekt. Als de apen werkelijk met
+elkander spreken, dan moet hunne taal altijd nog uitgevonden worden.
+
+En toen gebeurde het twee jaren later, dat een Duitsch geleerde
+dezelfde poging wilde doen. Te Malinba, in Kameroen, woonde reeds
+eenigen tijd een zekere dokter Johausen, een geneesheer, maar die
+zich meer aangetrokken gevoelde tot plant- en dierkunde, en hoewel
+reeds boven de vijftig, besloot hij het door Garner opgegeven plan
+uit te voeren. Daar hij dikwijls in Libreville kwam, had John Cort
+hem meermalen ontmoet.
+
+Deze dokter Johausen was een hoogst begaafd man, die niet alleen
+Fransch en Engelsch, maar ook de taal der inlanders sprak. Hij was
+rijk, oefende de geneeskunde uit zonder zich te laten betalen, had
+geen bloedverwanten en was dus volkomen onafhankelijk. Als bediende
+had hij een inlander, met wien hij het best kon vinden en toen hij
+dezen zijn voornemen te kennen gaf, om midden in het woud tusschen
+de apen te gaan leven, verklaarde de neger zich dadelijk volkomen
+bereid om zijn meester te volgen.
+
+Dus werd een kooi, in het genre van die van Garner, maar practischer
+ingericht, in Duitschland besteld, en in losse stukken te Malinba
+aangebracht. Levensmiddelen, kogels, kruit en andere benoodigdheden
+waren daar in grooten voorraad verkrijgbaar. Ook werden eenige
+eenvoudige meubelen meegenomen en zelfs een draaiorgel, daar de
+dokter zich verbeeldde, dat de apen niet ongevoelig zouden zijn voor
+de schoonheden der muziek. Ook liet hij een aantal nikkelen medailles
+maken met zijn portret en zijn naam er op, zeker om die aan de hoofden
+van de apenkolonie uit te deelen.
+
+Zoo scheepten den 13den Februari 1894 de dokter en zijn bediende
+zich te Malinba op een inlandsen vaartuig dat hen naar Nbarri zou
+brengen. Maar dan verder? Dat had Johausen aan niemand willen zeggen,
+hoe men hem ook met allerlei nieuwsgierige vragen lastig viel. Later
+werd bekend, dat hij honderd mijlen verder, naar het dorp Nghila
+gegaan was, daar een twintigtal negers als dragers had aangenomen en
+in Oostelijke richting getrokken was. Maar sedert had men niets van
+hem gehoord. De dragers, die in Nghila terugkeerden, konden niet met
+duidelijkheid uitleggen, waar zij hem verlaten hadden, en nu waren
+twee jaren verstreken, zonder eenige tijding van den dokter of zijn
+trouwen bediende.
+
+Maar John Cort en Max Huber leerden er nu iets meer van. Zij wisten
+thans, dat dr. Johausen een rivier in het Noordwesten van het woud
+van de Oebanghi had bereikt, een vlot had gemaakt en daarmede die
+onbekende rivier was afgezakt, tot kort bij de plek, waar hij zijn
+kooi of getralied huisje oprichtte.
+
+Dit alles was thans zekerheid, maar omtrent wat verder gebeurde,
+verkeerden beide vrienden in duister. Waarom was de hut leeg? Waarom
+hadden de twee bewoners haar verlaten? Hoeveel maanden, weken of dagen
+hadden zij er in gewoond? Waren zij vrijwillig vertrokken? Of waren
+zij opgelicht? Door wie? Door inboorlingen? Maar het woud ging voor
+onbewoond door! Zouden zij door wilde dieren verscheurd zijn? Leefden
+dr. Johausen en zijn bediende nog?
+
+Op geen van deze vragen konden onze vrienden antwoord geven.
+
+"Misschien geeft het aanteekenboekje ons inlichtingen", zei John Cort.
+
+Max Huber opende het: sommige bladzijden kleefden door vocht aan
+elkander.
+
+"Alleen op de eerste bladzijde staat iets", zei Max Huber, en met
+veel moeite gelukte het hem het volgende te ontcijferen:
+
+ 29 Juli 1894. Met mijn eskorte aan den rand van het Oebanghi-woud
+ aangekomen. Gekampeerd op den rechteroever eener rivier. Een
+ vlot gemaakt.
+
+ 3 Augustus. Het vlot is gereed. De dragers teruggezonden naar
+ Nghila. Alle sporen van het kamp weggemaakt. Met mijn bediende
+ op het vlot ingescheept.
+
+ 9 Augustus. Zeven dagen zonder hindernis de rivier afgezakt. Een
+ open plek in het woud. Talrijke apen in den omtrek.
+
+ 10 Augustus. Geland. De hut opgericht onder de eerste boomen aan
+ den linkeroever. Zeer veel apen. Chimpanzees, gorillas.
+
+ 13 Augustus. De hut betrokken. Geen spoor van menschelijke wezens
+ te ontdekken. Waterwild in grooten voorraad. Ook veel visch.
+
+ 25 Augustus. Leven kalm en geregeld. Eenige nijlpaarden
+ hebben zich in de rivier vertoond, maar toonden geen
+ vijandelijkheden. Antilopen geschoten. Des nachts komen groote apen
+ bij de hut, maar schijnen ook niet vijandig gezind. Heb gemeend
+ in de verte een vuur te zien ... De apen schijnen wel onder elkaar
+ te spreken, woorden en zinnen. Een jong heeft herhaaldelijk Ngora
+ gezegd, dat ook bij de negers het woord voor moeder is ...
+
+Llanga, die aandachtig had zitten luisteren, riep thans:
+
+"Ja, Ngora! Ngora! ... Moeder! Moeder!"
+
+En nu hij dat woord hoorde, herinnerde John Cort zich eensklaps weder,
+dat hij op dien nacht, terwijl hij waakte, het ook gehoord had, zonder
+dat hij het zich verklaren kon en thans deelde hij dit voorval aan
+Max Huber mede.
+
+"Zou die professor Garner werkelijk gelijk hebben?" vroeg zijn
+vriend. "Zouden er apen zijn, die kunnen praten?"
+
+Khamis was onder het voorlezen volmaakt onverschillig gebleven. Wat
+er met dr. Johausen gebeurd was, kon hem niet schelen. Hoofdzaak was,
+dat hij een vlot had gemaakt, waarvan men thans gebruik kon maken en
+bovendien nog eenige nuttige zaken in de hut achtergelaten had.
+
+"Het blijkt uit alles", hernam John Cort, "dat de dokter den 9den
+Augustus op deze plek is aangekomen. Zijn aanteekeningen loopen niet
+verder dan den 25sten van diezelfde maand en om welke reden dan ook,
+hij schijnt op dien dag de hut verlaten te hebben, om er niet meer
+terug te komen."
+
+Maar voor het oogenblik moesten onze vrienden aan zich zelven denken;
+het vlot moest hersteld en weggesleept worden. Later zou men misschien
+een expeditie kunnen uitrusten, om het woud te doorzoeken en de twee
+vrienden zouden desverlangd kunnen meegaan, maar thans hadden zij
+een andere taak.
+
+Alvorens de hut te verlaten, onderzochten zij haar echter nog
+eens in alle hoekjes en gaatjes. Zij bood nog een voortreffelijke
+schuilplaats aan; het zinken dak bleek onbeschadigd. De traliezijde
+was naar het Noorden gericht en dus het minst blootgesteld aan
+schadelijke winden. Eenige kleine reparaties waren echter noodig,
+een paar planken zouden vernieuwd moeten worden, evenals een paar
+palen, die in den vochtigen grond waren beginnen te rotten. Maar
+waarom zouden Max Huber en zijn makkers het zich daar moeilijk mede
+maken? Het was hoogst onwaarschijnlijk, dat de hut nog eens betrokken
+zou worden door een onderzoeker van de apentaal.
+
+Van wapens, gereedschap, kleeren of proviand vond men geen
+spoor. Zonder twijfel was alles van dezen aard medegenomen en Khamis
+wilde de hut reeds verlaten, toen hij in een hoek tegen iets trapte,
+dat een metaalachtig geluid gaf.
+
+Het bleek een ijzeren kistje te zijn, dat daar bijna geheel in den
+grond begraven was. Khamis groef het op, opende het en de inhoud
+bleek te bestaan uit een honderdtal volkomen onbeschadigde patronen.
+
+"Dank, brave dokter!" riep Max Huber, "mogen wij u ooit dezen dienst
+kunnen vergelden!"
+
+En de dienst was inderdaad groot, want de patronen bleken juist van
+hetzelfde kaliber te zijn hunner karabijnen.
+
+"Laten wij nu buiten gaan zien", zei John Cort, "of wij daar soms een
+spoor van den dokter en zijn bediende kunnen vinden. Het is mogelijk,
+dat zij door inboorlingen overvallen en weggevoerd zijn, maar het
+is ook mogelijk dat zij zijn gedood en dat hun gebeente nog op een
+begrafenis wacht...."
+
+Maar hunne nasporingen waren vruchteloos, althans over een oppervlak
+van honderd meter straal leverden zij niets op. Men moest dus wel
+aannemen, dat de ongelukkige dokter weggevoerd was... En door wie
+anders dan door inboorlingen, dezelfde die Johausen voor apen aanzag
+en die onder elkaar praatten?
+
+"Er blijkt in elk geval uit", merkte John Cort op, "dat het woud door
+inboorlingen bezocht wordt en dus moeten wij op onze hoede zijn."
+
+"Juist", antwoordde de voorlooper. "En thans naar het vlot!"
+
+Omstreeks negen uur kwam het viertal bij de grot terug en Khamis begon
+allereerst voor het ontbijt te zorgen; er was nu een ijzeren pot, men
+kon dus een soort soep koken, aangename afwisseling in het gewone menu.
+
+Onderwijl werkten de anderen met grooten ijver aan het repareeren van
+het vlot, hetgeen bij gemis aan goed gereedschap nog zoo gemakkelijk
+niet ging. Maar lianen en andere sterke slingerplanten bewezen even
+goede dienst als touw en toen de zon achter de zware boomen op den
+rechter rivieroever wegzonk, was het werk gereed.
+
+Den volgenden morgen vroeg zou men vertrekken, want het was raadzaam
+den nacht nog in de grot te blijven. Alvorens te gaan slapen, riep
+Max Huber echter eensklaps:
+
+"Ik heb een voorstel!"
+
+"En dat is?" vroeg John Cort.
+
+"Wij moeten iets voor den dokter doen."
+
+"En wat dan?" vroeg de Amerikaan nieuwsgierig.
+
+"Wij moeten deze rivier naar hem noemen."
+
+Niemand had daar iets tegen en dus zou men voortaan kunnen spreken
+van de Johausen-rivier.
+
+De nacht ging rustig voorbij, en noch John Cort, noch Max Huber,
+noch Khamis, die beurtelings waakten, hoorden ook maar een enkel woord.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IX.
+
+OP DE JOHAUSEN-RIVIER.
+
+
+Het was des morgens half zeven van den 16en Maart, toen het vlot werd
+losgemaakt en den stroom afzakte. Het was nog niet eens geheel licht,
+hoog in de lucht joegen donkere wolken. Als het niet ging regenen,
+zou het toch zeker den geheelen dag betrokken blijven.
+
+En daarover beklaagden onze reizigers zich niet, want midden op de
+rivier zouden zij anders blootgesteld zijn aan de volle kracht der
+zonnestralen.
+
+Het vlot meette ongeveer acht bij twaalf voet, en was dus maar even
+groot genoeg voor vier personen en eenige weinige bagage, waarbij
+thans ook een stapel droog hout gevoegd was, waarvan Khamis vuur zou
+kunnen maken. Aan den achterkant was van een paar planken een soort
+roer gemaakt, waarmede het vlot althans eenigszins bestuurd kon worden.
+
+De stroom bleek een snelheid te hebben van omstreeks een mijl in het
+uur en als dat zoo bleef, zou het vlot twintig dagen noodig hebben,
+om de driehonderd kilometer af te leggen, die onze vrienden nog van
+de Oebanghi scheidden. Maar er konden zich allerlei hinderpalen in
+de rivier voordoen, er konden onverwachte stroomversnellingen komen
+of watervallen en men besloot dus goed uit te zien en voorzichtig
+te varen.
+
+Tot aan de middaghalte ging de tocht zonder wederwaardigheden, dank
+zij de behendigheid van Khamis had het vlot geen enkele maal gestooten.
+
+John Cort, die met de karabijn in de hand voorop stond, bespiedde
+zorgvuldig de oevers. Mocht hij het een of ander wild bespeuren,
+dat eetbaar was, dan zou hij dat gemakkelijk neerleggen. En tegen
+half tien gebeurde dit reeds; de eerste buit was een waterbok, een
+soort antilope, die bij voorkeur aan rivieroevers leeft.
+
+"Een mooi schot!" riep Max Huber.
+
+"Maar doelloos, als wij het dier niet kunnen meenemen", antwoordde
+John Cort.
+
+"Dat is een oogenblik werk", zei de voorlooper.
+
+Inderdaad wist hij het vlot handig naar den oever te sturen tot aan de
+plek waar de antilope lag en daar werd het spoedig gevild en ontweid,
+waarna de goede stukken op het vlot werden gebracht.
+
+Onderwijl beproefde Max Huber zijn talenten als visscher, hoewel hij
+maar heel gebrekkig vischtuig had: eenig dun touw, in de hut gevonden
+en voor haak een acaciadoorn, waaraan een stukje vleesch gestoken was.
+
+En terwijl Max vischte zat Llanga naast hem met groote belangstelling
+er naar te kijken.
+
+En inderdaad, het duurde niet lang of een gulzige snoek beet aan
+en werd aan boord gehaald. Hij woog zeker acht of negen pond en de
+reizigers zouden niet tot den volgenden dag wachten, om zich aan dit
+lekkerbeetje te vergasten.
+
+Zoo bestond het twaalfuurtje uit geroosterde antilopenbout en gekookte
+snoek, waarvan niets dan de graten overbleven. Het middagmaal zou
+bestaan uit een flinke soep van de antiloperib gekookt en daar deze
+lang op het vuur moest staan, begon de voorlooper thans reeds den
+brand in het dorre hout op de voorplecht te steken en plaatste hij
+de ijzeren pot er op. En toen ging de tocht weer verder.
+
+Tegen zes uur liet Khamis stilhouden bij een rotsachtigen inham,
+beschaduwd door de lage takken van een gomboom en dit rustpunt bleek
+zeer gelukkig gekozen. Allerlei mosselen en andere schaaldieren
+zaten hier tusschen de steenen en sommige hiervan gekookt, andere
+rauw vormden eene aangename afwisseling in het avondmaal.
+
+Daar het zich liet aanzien, dat de nacht donker zou zijn, wilde de
+voorlooper liever niet midden op de rivier blijven, dikwijls toch
+dreven daar zware boomstammen en een botsing daarmede, had het vlot
+groote averij toegebracht. Men zou dus op het gras aan den voet van
+den gomboom overnachten, en dank zij het beurtelings waken van de drie
+mannen, kreeg men dien nacht geen onaangenaam bezoek. Alleen maakten
+de apen van zonsondergang tot zonsopgang een heidensch spektakel.
+
+Den volgenden morgen regende het hard en dus werd besloten nog maar
+wat te blijven schuilen, want die regenbuien in equatoriaal Afrika
+gelijken soms een waren zondvloed.
+
+"Als die regen niet ophoudt", zei John Cort, "zouden wij best hier
+kunnen blijven, wij hebben nu kruit en patronen genoeg, alleen zouden
+wij wel wat nieuwe onderkleeren mogen hebben."
+
+"En waarom zouden wij ons niet naar het gebruik van het land
+kleeden?" vroeg Max Huber lachende. "Als wij dan baden wasschen wij
+tegelijkertijd ons linnengoed!"
+
+Tegen half acht begon de regen te bedaren, maar het bleef toch
+onstuimig weer. Het vlot ging weer de rivier af en Khamis besloot
+niet de gebruikelijke middaghalte te houden, om den verloren tijd in
+te halen.
+
+Dit gedeelte van het woud bleek zeer rijk aan wild. Niet alleen
+vertoonden zich talrijke watervogels, maar ook pallahs en sassabys,
+twee soorten van antilopen. Ook verschenen soms groote elanden,
+damherten, zeer kleine gazellen, koedoes, verder quaggas (een soort
+zebra) en zelfs bespeurde men eenige giraffen. Het zou zeer gemakkelijk
+geweest zijn, eenige dezer dieren te schieten, maar waartoe? Er was
+nog voedsel genoeg, het was daarbij elk oogenblik te krijgen en men
+behoefde het vlot niet te overladen.
+
+Zoo werden een tiental Kilometer afgelegd. De rivier liep nog altijd
+naar het Noordwesten; haar oevers waren afwisselend hoog en laag,
+maar steeds bezet met zware boomen, waaronder de bombax of katoenboom,
+wiens bladerdak soms de geheele rivier overwelfde.
+
+"Het lijkt waarlijk wel een park!" riep John Cort, vol
+bewondering. "Het gelijkt soms op het nationale park van Yellowstone!"
+
+"Behalve dat daar geen apen zijn", antwoordde Max Huber. "En het
+lijkt wel of alle apen van de wereld hier hun verzamelpunt hebben
+gekozen! Wij zijn waarlijk midden in het apenland!"
+
+En hij had gelijk, want aan de oevers en op de takken der boomen
+wemelde het van deze dieren.
+
+"Maar eigenlijk is het geen wonder", hernam de spotzieke
+Franschman, "want wij zijn immers in Midden-Afrika en ik geloof dat
+tusschen de tweehandige en de vierhandige inboorlingen hier eigenlijk
+weinig onderscheid is!"
+
+Het was op het oogenblik de geschikte tijd niet om daarover met Max
+te twisten. Van meer belang was het, voorzorgsmaatregelen te nemen
+tegen een mogelijk vijandigen aanval dezer apen, die sterk zouden
+zijn door hun kolossale overmacht.
+
+De voorlooper bereidde zijn tochtgenooten dan ook op zulk gevaar voor.
+
+"Houd uwe karabijnen en patronen gereed", vermaande hij, "want wij
+weten niet wat gebeuren kan."
+
+"Ba! Een enkel schot en de heele bende is op de vlucht", riep Max,
+zijn karabijn aanleggende.
+
+"Schiet niet, mijnheer!" riep Khamis, "lok hen niet uit, wij moeten
+hen niet aanvallen, wij zullen genoeg te doen hebben met ons te
+verdedigen!"
+
+"Maar zij beginnen al!" zei John Cort.
+
+"Schiet alleen, als het bepaald noodzakelijk is", zei de voorlooper.
+
+En werkelijk, van den oever werd met takken, zelfs met steenen gegooid,
+door de apen, waarvan sommige buitengewone kracht schenen te hebben.
+
+Khamis deed zijn best het vlot midden op de rivier te houden, maar
+toch kon men zich tegen al die projectielen niet geheel beschermen.
+
+"Het wordt te erg!" riep Max Huber en aanleggende op een gorilla,
+dien hij aan den oever bespeurde, gaf hij vuur.
+
+Maar op het geluid van het schot werd met een schrikbarend gekrijsch
+geantwoord en de bende nam de vlucht niet. Indien men alle apen,
+stuk voor stuk, had willen neerleggen, zou het aantal patronen lang
+niet toereikend zijn geweest en John Cort beval dan ook spoedig:
+
+"Ophouden met vuren, het maakt de dieren nog maar boozer!"
+
+Dus voer het vlot verder, aan beide oevers door troepen apen
+vergezeld. Misschien zouden zij tegen den nacht de vijandelijkheden
+staken, maar de voorzichtigheid gebood om geen halteplaats aan den
+oever te zoeken; het was echter pas vier uur en om zeven uur zou het
+eerst donker zijn; vóór dien tijd kon nog veel gebeuren.
+
+En dat was inderdaad het geval. Om vijf uur werd de hemel aschgrauw,
+bliksemflitsen sneden door het luchtruim, gevolgd door geratel van
+donder en in weinige oogenblikken hadden de apen, als alle dieren
+bang voor onweer, in het dichte woud de vlucht genomen.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK X.
+
+NGORA!
+
+
+Den volgenden morgen was de lucht geheel opgeklaard, strak blauw
+spande zij zich boven de toppen der boomen uit. In de zonnestralen
+fonkelden de waterdruppels op bladeren en grashalmen als diamanten. De
+grond, die zeer snel opgedroogd was, was voortreffelijk begaanbaar,
+maar gelukkig behoefde men er nog geen gebruik van te maken. De Rio
+Johausen stroomde altijd nog in Zuidwestelijke richting en Khamis
+twijfelde niet of hij zou binnen veertien dagen de Oebanghi bereiken.
+
+"Dat onweer is maar juist bijtijds gekomen", zei John Cort, terwijl
+hij en zijn vriend hunne karabijnen zaten schoon te maken en Llanga
+het kreupelhout was ingeloopen om eieren te zoeken.
+
+"Dat geloof ik!" antwoordde Max Huber, "als die afschuwelijke dieren
+nu maar niet terugkomen, nu het weer opgeklaard is. Wij mogen wel
+goed oppassen."
+
+"Ik ben straks den oever honderd pas langs geloopen", hernam John Cort,
+"maar ik heb geen enkelen aap gezien."
+
+"Gelukkig! Ik hoop, dat wij onze patronen beter kunnen gebruiken. Het
+liet zich aanzien, dat wij waarlijk al onze kogels op de apen moesten
+verschieten."
+
+Daar riep Khamis zijn reisgenooten voor het ontbijt en tegelijkertijd
+kwam Llanga terug met eenige eendeneieren, die met een stuk
+antilope-vleesch een goed maal opleverden.
+
+Toen werd het vlot naar de rivier gesleept en kon de tocht worden
+voortgezet.
+
+De Rio Johausen bleek steeds breeder te worden, de takken der boomen
+aan weerszijden raakten elkander reeds niet meer en mochten zich dus
+nu nog apen op de oevers vertoonen, dan zou dit lang zoo gevaarlijk
+niet zijn als den vorigen avond.
+
+Deze dieren vertoonden zich echter niet meer, wel honderden
+watervogels, eenden, ganzen, pelikanen, snippen en John Cort schoot
+er eenige voor het middagmaal.
+
+Zoo ging de tocht zonder ongevallen voort, tot omstreeks vier uur
+Khamis, die het roer hield, aan John Cort verzocht het even over te
+nemen, waarna hij op de voorplecht ging staan uitkijken.
+
+Max Huber vroeg dadelijk:
+
+"Ziet gij iets?"
+
+"Daar", zei de voorlooper, terwijl hij een eind verder op de rivier
+wees, waar het water zeer beweeglijk was.
+
+"Zou daar een stroomversnelling zijn, of erger nog een waterval?" vroeg
+Max.
+
+"Neen", begon Khamis, maar hij zweeg, want een groote straal water
+spoot uit de rivier op.
+
+"Te deksel, er zijn hier toch geen walvisschen!" riep Max Huber.
+
+"Neen, maar wel nijlpaarden", antwoordde de voorlooper.
+
+Daar klonk een geweldig geblaas en de geweldige kop van een nijlpaard
+verscheen even boven het water.
+
+De hippopotamus, de grieksche naam die letterlijk vertaald,
+rivierpaard beteekent, komt nog voor van de Kaap de Goede Hoop tot
+aan den 23sten Noorderbreedtegraad. Het is een zachtaardig dier,
+maar toch te vreezen, want als het verschrikt, of erger nog, door een
+kogel getroffen of geharpoeneerd wordt, dan stort het zich woedend
+op de jagers en verbrijzelt hunne booten onder zijn reusachtige kaken.
+
+Onze vrienden op het platte, zwakke vlot konden er dan ook niet aan
+denken, het nijlpaard aan te vallen. Het zou al erg genoeg wezen als
+het dier het hen deed, als het tegen het vlot stootte....
+
+"Wij moeten hem onopgemerkt voorbij zien te komen", fluisterde Khamis,
+"laten wij ons plat op het vlot neerleggen, geen gerucht maken en ons
+gereed houden om dadelijk in het water te springen, als dat noodig is."
+
+De raad van Khamis werd onmiddellijk opgevolgd. Allen strekten zich
+plat op het vlot uit, dat midden op den stroom voortdreef.
+
+Eenige oogenblikken verkeerden de reizigers in grooten angst. Zou het
+vlot opgeheven worden door het reusachtige dier? Neen, het geblaas
+en geplas verstomde en toen zij het eindelijk waagden zich wat op te
+richten en rond te zien, bleek het nijlpaard verdwenen.
+
+Het is waar, jagers die met de karavaan van Urdax op olifanten
+gejaagd hadden, zouden in gewone omstandigheden voor een nijlpaard
+niet bang zijn geweest. Meermalen hadden zij er in de Oebanghi zelfs
+op gejaagd, maar dan niet aan boord van een zwak vlot en dus waren
+zij zeer gelukkig er ditmaal zoo goed afgekomen te zijn.
+
+Dien avond liet Khamis stilhouden in de monding van een beekje op
+den rechteroever, onder een boschje bananas. De bodem bleek ook
+hier wederom bedekt met allerlei schaaldieren, die zeer goed eetbaar
+waren. En het beekje verschafte daarbij heerlijk, frisch water.
+
+"Het zou hier volmaakt zijn", zei Max Huber, "als wij nu ook maar
+rustig konden slapen, maar daar zullen die verwenschte muskieten wel
+voor zorgen!"
+
+Maar Llanga wist daar goeden raad op. Hij schepte allerlei droge mest
+van buffels en antilopen bij elkaar en deze brandstof gaf een dikken,
+scherpen rook, een doeltreffend en misschien het eenige middel om
+de muskieten te verjagen en dat door de inboorlingen algemeen wordt
+toegepast.
+
+Wel moest dit vuur den geheelen nacht worden onderhouden, waartoe de
+mannen beurtelings waakten, maar de anderen konden dan rustig slapen
+en verkwikt kon men den volgenden morgen vroeg de Rio Johausen verder
+afzakken.
+
+Niets is verandelijker dan het weer in dit Aequatoriaal Afrika. Na
+den helderen hemel van den vorigen dag, was het luchtruim thans
+donkergrijs, hetgeen een regenachtigen dag voorspelde. En weldra
+viel dan ook een fijne motregen, maar die lang aanhield en verre van
+aangenaam was.
+
+Gelukkig had Khamis een goed idee gehad. De bladeren van den
+hier voorkomenden bananenboom zijn misschien de grootste van alle
+tropische planten. De inboorlingen gebruiken ze om er de daken van
+hunne hutten van te maken en een twaalftal waren genoeg om midden
+op het vlot een soort afdak te maken, waarbij lianen heel goed als
+touw dienst deden. Dit afdak beschutte de vrienden zeer goed tegen
+den fijnen regen.
+
+In de ochtenduren vertoonden zich eenige apen langs den rechteroever,
+een twintigtal groote, sterke dieren, die wel geneigd schenen te
+zijn om de vijandelijkheden te hervatten. Het verstandigst was elke
+aanraking met hen te vermijden en daarom werd het vlot dichter langs
+den linkeroever gestuurd, waar zich geen apen vertoonden.
+
+In den middag hield het vlot slechts éénmaal op, om een antilope op
+te nemen, die John Cort bij een bocht van de rivier geschoten had.
+
+Maar bij deze bocht wijzigde de Rio Johausen ook eensklaps haar
+richting naar het Zuidoosten en dit beviel Khamis in het geheel niet,
+want om uit het groote woud te komen, moest men in elk geval naar het
+Westen gaan. Gelukkig bleek het, dat de rivier een uur verder weder
+haar gewone richting hernam en men kon dus hopen, dat zij het vlot
+naar de grens van Fransch Congo zou brengen, van waar men gemakkelijk
+Libreville zou kunnen bereiken.
+
+Om half acht was het nog niet donker, een schemering hing nog over
+het water, waarop allerlei bundels planten en boomtronken dreven.
+
+Terwijl de overigen bezig waren het vlot aan den linkeroever vast te
+meeren en droge bladeren op te hoopen om er een vuurtje aan te leggen,
+vermaakte Llanga zich met naar die voorbijdrijvende plantenmassa
+te kijken.
+
+Daar kwam in de verte een vrij zware boomstam aandrijven, met de
+takken vol bladeren en bloesems en gedeeltelijk onder water. Hoogst
+waarschijnlijk was deze boom in het laatste onweer door den bliksem
+getroffen. Maar toen hij naderbij kwam, meende Llanga er iets bizonders
+aan te zien, tusschen de takken bewoog iets.
+
+Hij riep John Cort en Max Huber, de boom dreef steeds nader, daar
+klonk eensklaps een kreet, alsof een menschelijk wezen om hulp riep,
+en plotseling stortte zich iets uit den boom en trachtte den oever
+te bereiken.
+
+Zonder recht te weten wat hij deed, zonder een woord te spreken, sprong
+Llanga in het water en wist het kleine wezentje te grijpen. John Cort
+en Max Huber snelden naar den oever en staken hem hunne hand toe.
+
+"Maar Llanga, wat doe je nu!" riep Max.
+
+"Een kind ... dat bijna verdronken was", stamelde Llanga.
+
+"Een kind!" herhaalde John Cort, zeer verbaasd.
+
+"Ja ... ja." En Llanga knielde neer bij het wezen dat hij gered had.
+
+Max Huber keek er eens naar en riep:
+
+"Maar dat is geen kind! Het is een aap, een jong van een van die
+afschuwelijke dieren, die ons hebben aangevallen! En voor zoo'n
+apenjong heb je gevaar geloopen, zelf te verdrinken, Llanga!"
+
+"Het is wel een kind!" hield de kleine neger vol, en hij droeg het
+naar het vuur en legde het daar op een hoopje droge bladeren neer.
+
+De twee vrienden bemoeiden er zich niet verder mede en gingen slapen,
+terwijl Khamis tot middernacht de wacht zou houden.
+
+Llanga kon niet slapen. Vol belangstelling nam hij elke beweging van
+zijn beschermeling waar. Maar wie schetst zijn verrassing, toen het,
+ongeveer om elf uur, op klagenden toon "Ngora! Ngora!" riep, ngora,
+zijn moeder!
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XI.
+
+DE REIS VAN DEN 19EN MAART.
+
+
+Den volgenden morgen werd de reis hervat met den kleinen passagier,
+waarvan Llanga niet wilde scheiden en dien hij behoedzaam onder het
+bladerdak op het vlot neerlegde. Dat hij behoorde tot een apenfamilie,
+hetzij dan van de chimpanzees, gorillas, mandrils of bavianen,
+stond voor Max Huber en John Cort vast. Dat Llanga het jonge dier,
+dat hij gered had, wilde behouden, zooals men een jong hondje bewaart,
+begrepen zij zeer goed, maar naar het jonge dier zelf keken zij niet
+om. Zij hadden zelf den kleinen Llanga tot zich genomen, hij mocht
+dus wel een kleinen aap tot zich nemen! Bovendien zou het dier,
+zoodra het kans zag aan wal te komen, de plaat wel poetsen en zijn
+redder met zwarten ondank beloonen!
+
+Het is waar, als Llanga aan zijn blanke vrienden gezegd had: "Hij
+kan praten, hij heeft een paar malen ngora gezegd", dan zouden zij
+waarschijnlijk meer belang in het aapje gesteld hebben, maar Llanga
+zweeg daarover, in twijfel of hij zelf zich niet vergist had. Alleen
+nam hij zich voor, goed op te letten, of het nog eens gebeurde.
+
+Daarom bleef hij dan ook onder het bladerdak naast zijn pleegkind
+zitten.
+
+"En hoe gaat het nu met je aap?" vroeg Max, toen Llanga een oogenblik
+daarbuiten kwam.
+
+"Hij slaapt nog, mijnheer Max."
+
+"En wilt ge hem bij je houden?"
+
+"Ja,.... als U dat goed vindt."
+
+"O, ik heb er niets tegen, maar pas op, dat hij je niet krabt. Die
+jonge apen zijn zoo valsch!"
+
+"O, deze niet, mijnheer."
+
+"En hebt je hem al een naam gegeven?"
+
+"Een naam? Welke?"
+
+"Wel, ik zou hem Jocko noemen, alle apen heeten Jocko."
+
+Maar deze naam scheen Llanga niet te bevallen, hij antwoordde niet
+en ging naar zijn beschermeling terug.
+
+Dien middag had men geen last van de warmte, de zon bleef achter
+dikke wolken verscholen en dat was voor onze reizigers een geluk,
+want de Rio Johausen ging dikwijls door groote open plekken, waar
+geen schaduw was. De oevers werden weder moerassig en men zou wel een
+halve mijl naar rechts of links moeten gaan, om bij groote boomen te
+komen. Het was dan ook te hopen, dat er niet weder zoo'n regenbui kwam.
+
+Van wild vertoonden zich niet anders dan watervogels; tot grooten
+spijt van Max Huber kwam geen enkel groot zoogdier, geen antilope,
+geen waterbok of hoe zij meer heeten, in het gezicht.
+
+Dien dag zocht Khamis te vergeefs naar een geschikte aanlegplaats,
+de oevers met allerlei struikgewas bedekt, waren door het daarvoor
+liggend drassig en moerassig terrein onbereikbaar.
+
+Hij vaarde dus verder en het was vijf uur, toen John Cort eensklaps
+zijn vriend opmerkzaam maakte, op iets, dat zich op den oever bewoog.
+
+"Een buffel!" riep Max Huber, zijn karabijn richtende, "die zal ons
+een heerlijke schotel leveren!"
+
+Khamis wendde het roer eenigszins, zoodat het vlot tot op dertig
+meter den oever naderde.
+
+De buffel scheen niet van plan om heen te gaan; hij stond onder den
+wind en kon dus met volle teugen de frissche lucht opsnuiven, zonder
+het gevaar te bemerken, dat hem bedreigde. Max Huber legde voorzichtig
+aan, het schot knalde en werd door een klagend gebrul beantwoord. Het
+dier stortte neer, gleed langs den hellenden oever en kleurde het
+heldere water van de Rio Johausen met een rooden bloedstraal.
+
+Khamis stuurde er behendig heen en sprong op den oever om de beste
+stukken van den buffel af te kappen; met te groote vracht mocht het
+vlot niet bezwaard worden en dertig of veertig kilo van dit vleesch
+zou bovendien genoeg voedsel zijn voor verscheidene dagen.
+
+Vreemd was het, dat Llanga, anders zoo belangstellend in
+jachtavonturen, heel niet van onder het afdak te voorschijn kwam,
+maar dit had de volgende reden. Op het geluid van het schot was het
+jonge aapje uit zijn slaap of zijn bezwijming ontwaakt, het stak zijn
+armpjes uit, opende den kleinen mond en kreet:
+
+"Ngora!.... Ngora!"
+
+Ditmaal kon Llanga er niet aan twijfelen, het woord was heel duidelijk
+uitgesproken, met een bizonder ratelende r.
+
+Llanga, die het woord Ngora, moeder, natuurlijk goed kende, was zeer
+ontroerd en verdubbelde zijn zorgen voor het schepseltje, dat door
+Max Huber zoo minachtend een aap genoemd was. Hij goot het wat frisch
+water in den mond en bleef naast hem zitten, tot hij eindelijk weder
+in slaap viel.
+
+Maar toen had Llanga ook zijn besluit genomen: hij verliet het afdak
+en kwam bij zijn vrienden, die het vlot reeds weder van den oever
+afstootten naar het midden der rivier.
+
+Llanga aarzelde een oogenblik, maar zei toen op beslisten toon,
+terwijl hij zijn hand op Max' arm legde:
+
+"Het is geen aap."
+
+"Geen aap?"
+
+"Neen, hij heeft gesproken, straks, en van nacht ook."
+
+"En wat heeft hij dan wel gezegd?"
+
+"Hij heeft Ngora gezegd."
+
+"Wat!" riep John Cort, "hetzelfde woord, dat ik op dien nacht ook
+gehoord heb?"
+
+"Ja, ngora", hernam Llanga.
+
+"Dat moeten wij onderzoeken, Max!" zei de Amerikaan.
+
+Beiden gingen naar het afdak en beschouwden het kleintje. Ja, op het
+eerste gezicht zou men zeggen, dat het een aap was, maar het trof John
+Cort dadelijk, dat hij hier geen vierhandig, maar een tweehandig wezen
+voor zich had. Het kleine schepsel had werkelijk slechts twee handen,
+zooals alleen de mensch heeft, want alle apen, zonder uitzondering,
+hebben er vier. Zijn voeten waren inderdaad ingericht om er op te
+loopen en niet om er iets mee aan te grijpen, zooals bij de apen.
+
+John Cort maakte er zijn vriend opmerkzaam op en deze erkende:
+
+"Het is werkelijk zeer merkwaardig!"
+
+Wat de grootte van het schepseltje aangaat, deze bedroeg nauwelijks
+75 centimeter, maar het scheen dan ook nog jong te zijn.
+
+Men kan zich voorstellen hoe verbaasd Max Huber en John Cort waren,
+toen zij daar eensklaps tegenover een volkomen vreemd schepsel stonden,
+nog door geen enkelen geleerde of natuuronderzoeker ontdekt en dat
+de schakel scheen te vormen tusschen den mensch en de dieren!
+
+Zwijgend bleven zij staan, hopende, dat het wezentje weer zou gaan
+spreken en terwijl Llanga zijn gelaat met water bette, opende het
+eensklaps den mond en stamelde met zwakke stem:
+
+"Ngora!... Ngora!"
+
+"Te deksel, nu hoor ik het ook!" riep Max Huber.
+
+John Cort bukte zich over het schepseltje heen, om beter te luisteren
+of het nog andere woorden zou spreken, maar wie beschrijft zijn
+verrassing, toen hij zag, dat het iets om zijn hals droeg. Hij betastte
+het en het bleek een zijden koord te zijn, waaraan een medaille!
+
+Haastig maakte hij die los en beschouwde haar. Het was een nikkelen
+medaille, zoo groot als een cent, met een kop op de eene zijde en
+een naam op de andere, en naam en kopstuk beide waren die van dokter
+Johausen.
+
+"Hij is waarlijk gedecoreerd door den Duitschen geleerde, wiens ledige
+hut wij gevonden hebben!" riep Max Huber meer en meer verbaasd.
+
+Dat die medailles in de streken van Kameroen verspreid waren, had
+niets verwonderlijks, want de dokter had ze op ruime schaal onder
+de Congoleezen rondgedeeld, maar dat zulk een medaille aan een koord
+om den hals bevestigd was van dezen vreemden kleinen bewoner van het
+groote Oebanghi-woud...
+
+Maar zij werden in hunne beschouwing gestoord door de stem van den
+voorlooper, die hen riep.
+
+"Wat is er?" vroegen zij, buiten komende.
+
+"Luister", antwoordde Khamis.
+
+Vijfhonderd meter verder maakte de rivier eensklaps een rechtsche
+bocht, in eene kromming, waar de boomen weer in dichte massa's
+stonden. In die richting nu klonk een dof gerommel, heel iets anders
+als het geloei van buffels of het gebrul van roofdieren.
+
+"Een vreemd geluid", zei John Cort.
+
+"Misschien is daar een waterval", zei de voorlooper, "de wind komt
+uit die richting en ik voel, dat de lucht vochtig is."
+
+En Khamis bedroog zich niet. Verder op boven de rivier dwarrelde fijn
+water, als stof en schuim, dat alleen ontstaan kon als het water daar
+zeer woest bewogen werd. Als daar een hindernis was, die de verdere
+vaart van het vlot belette, zou het voor onze reizigers een ernstig
+ding zijn.
+
+Het vlot dreef intusschen tamelijk snel voort en na enkele minuten was
+het in de bocht. Thans kon men zien en de vrees van Khamis bleek maar
+al te gegrond. Honderd schreden verder vormde een opeenstapeling van
+zwartachtige rotsen een barrière van den eenen oever naar den anderen
+en alleen in het midden was eene opening, waardoor het water schuimend
+en spattend, met groote kracht heendrong. Als het vlot niet spoedig
+naar een van de oevers kon gestuurd en daar stevig vastgemaakt worden,
+zou het worden meegesleurd en tot splinters geslagen tegen die rotsen.
+
+Er was geen oogenblik te verliezen, Khamis behield al zijn
+koelbloedigheid en stuurde op den oever aan. Maar de stroom was te
+sterk en Max Huber moest helpen om het roer vast te houden. Misschien
+zou het met hun vereende kracht gelukt zijn uit den snellen
+middenstroom te komen, maar daar trof hen een groote ramp, de houten
+plank, die als roer dienst deed, knapte midden door en het vlot dreef
+met duizelingwekkende vaart, zonder stuur, verder.
+
+"Wij moeten tegen de rotsen opspringen", riep Khamis, "anders komen
+wij om in den waterval."
+
+Inmiddels was ook Llanga verschrikt te voorschijn gekomen en
+onmiddellijk begreep hij het gevaar. Hij keerde naar het bladeren
+afdak terug, nam het kleine schepsel in zijn armen en knielde op het
+achterste gedeelte van het vlot neder.
+
+Met woeste snelheid dreef het vlot voort, daar rezen de rotsen omhoog
+en met schriklijke kracht stootte het zwakke vaartuig er tegen aan. De
+opvarenden hadden ijlings hunne vuurwapens en wat verder onder hun
+bereik kwam, boven op die rotsen geslingerd en trachtten nog zelf er
+op te springen, maar dat gelukte hun niet, zij werden meegesleurd in
+de kolk, terwijl de stukken van het verbrijzelde vlot in het schuimende
+water werden voortgezweept.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XII.
+
+NA DE SCHIPBREUK.
+
+
+Den volgenden dag lagen drie mannen bij een vuur, dat bijna
+uitging. Overmand door vermoeienis en slaap en na hunne kleeren
+zoo goed mogelijk bij het vuur gedroogd te hebben, hadden zij zich
+neergelegd en waren weldra vast ingeslapen.
+
+Hoe laat het was, of het dag of nacht was zelfs, had geen hunner kunnen
+zeggen, hoewel te veronderstellen was, afgaande op den tijd sedert
+den vorigen avond verstreken, dat de zon reeds op moest zijn. Maar
+waar was het Oosten? Die vraag kon niet beantwoord worden.
+
+Waren die mannen dan opgesloten in een grot, of in een donkere
+gevangenis, waarin geen lichtstralen konden doordringen?
+
+Neen, maar om hen heen stonden zulke hooge, zwaar gebladerde boomen,
+dat op weinige passen alles donker was.
+
+Die drie mannen waren John Cort, Max Huber en Khamis.
+
+Hoe kwamen zij daar op die dichte, donkere plek in het groote woud? Zij
+wisten het niet. Van het oogenblik af dat zij van het vlot geslingerd
+en in den kolkstroom meegesleurd waren, wisten zij niet meer wat er
+met hen gebeurd was.
+
+Maar wel wisten zij, dat niet allen aan de ramp waren ontkomen;
+twee ontbraken: Llanga, het pleegkind van John Cort en Max, en het
+kleine schepseltje, dat Llanga op zijne beurt tot pleegkind had
+aangenomen. Misschien was de negerknaap wel juist verdronken, omdat
+hij zijn beschermeling had willen redden!
+
+De drie overgeblevenen hadden nu geen vuurwapens, geen patronen,
+geen gereedschap of kookgerei meer, niets dan een paar zakmessen en
+de bijl, die Khamis in zijn gordel had gedragen. Ook geen vlot hadden
+zij meer, maar in welke richting hadden zij ook moeten gaan om weer
+bij de Johausen-rivier te komen?
+
+En hoe moesten zij zich nu voedsel verschaffen, nu er geen wild meer
+te schieten was? Moesten zij voortaan leven van wortels en wilde
+vruchten? Zou dat niet hetzelfde zijn als binnen kort van honger
+te sterven?
+
+De eerste die wakker werd was John Cort en het was nog zoo donker of
+het nacht was. Hij stond op en onderscheidde met moeite de gestalten
+van Max Huber en Khamis aan den voet van de boomen. Allereerst ging
+hij naar het vuur; de asch gloeide nog en met wat droge takken en
+bladeren vlamde het weldra weder op.
+
+Door het geknetter ontwaakten ook de beide anderen en het duurde niet
+lang of zij spraken over den ernstigen toestand waarin zij verkeerden.
+
+"Waar zijn wij toch?" vroeg Max.
+
+"Daar waar men ons heen gebracht heeft", antwoordde John Cort.
+
+"Wat zegt gij daar!" riep Max Huber, "weet gij wel, dat ik op het
+oogenblik dat het vlot tegen de rotsen stootte, menschen op den
+linkeroever meende te zien.
+
+"Ja, ja" bevestigde John Cort, "negers, die gebaren maakten en
+schreeuwden en naar de rotsen snelden."
+
+"Hebt gij inboorlingen gezien?" vroeg de voorlooper.
+
+"Een dozijn ongeveer", hernam Max Huber, "en aan hen hebben wij zonder
+twijfel onze redding te danken! Ja, zij moeten het zijn, die ons voor
+verdrinken hebben bewaard!"
+
+"Ja, terwijl wij bewusteloos waren hebben zij ons hierheen gebracht
+... met wat wij nog aan provisie overhadden. En na een vuur te hebben
+aangelegd, zijn zij heengegaan."
+
+"En zoo goed heengegaan", voegde Max Huber er bij, "dat wij geen spoor
+van hen terug vinden. Dat bewijst wel, dat zij op onze dankbaarheid
+niet erg gesteld zijn."
+
+"Geduld maar, beste Max", hernam John Cort, "het is best mogelijk,
+dat zij hier in de buurt ronddwalen. Waarom zouden zij ons anders
+hierheen hebben gebracht?"
+
+"Een mooie plek!" bromde Max Huber, "het blijft stikdonker!"
+
+Boven de toppen der boomen scheen een vaag licht, een bewijs dus,
+dat de zon inderdaad boven den horizon was verrezen, maar hoe laat
+het was, konden onze vrienden niet zoo spoedig beslissen, want de
+horloges der beide blanken waren na het gedwongen bad in de rivier
+stil blijven staan.
+
+Intusschen was Khamis naar de plek geloopen, die door de reusachtige,
+vijftig voet hooge boomen eenigszins opengelaten was en die omzoomd
+was door slingerplanten en doornachtige heesters. Hij poogde tusschen
+het bladerengewelf door, een stukje van den hemel te ontdekken, want
+hij wilde zich oriënteeren, weten waar zich het Zuidwesten bevond....
+
+Langzaam kwam hij bij de twee vrienden terug en vroeg eensklaps:
+
+"Zijt gij er wel zeker van, mijnheer Max, dat gij op den oever
+inboorlingen gezien hebt?"
+
+"Volmaakt zeker, juist op het oogenblik, dat het vlot tegen de rotsen
+verpletterd werd."
+
+"En op welken oever?"
+
+"Den linker."
+
+"Weet gij wel zeker den linker?"
+
+"Ja."
+
+"Dan zouden wij dus Oostelijk van de rivier zijn?"
+
+"Dat geloof ik ook", zei thans John Cort, "en bijgevolg in het diepste
+gedeelte van het woud. Maar hoe ver zijn wij van de rivier?"
+
+"De afstand kan niet groot zijn", meende Max Huber, "want onze redders,
+wie het dan ook zijn, zullen ons wel niet eenige mijlen ver gesleept
+hebben."
+
+"Dan moeten wij dus allereerst de rivier opzoeken", hernam Khamis,
+"en onze reis aan den anderen kant van de rotsversperring hervatten,
+als wij eerst een nieuw vlot gebouwd hebben."
+
+"Maar hoe moeten wij dan leven, eer wij aan de Oebanghi zijn?" vroeg
+Max Huber. "Jagen kunnen wij niet meer."
+
+"En hoe moeten wij uit dit doolhof komen?" vroeg John Cort.
+
+"Hier langs", antwoordde de voorlooper en hij wees op de verscheurde
+en afgerukte lianen, de plaats dus, waarlangs zij op deze plek gebracht
+waren en waar werkelijk een soort pad begon.
+
+Maar waar voerde dit pad heen? Naar de Rio? Hoogst onwaarschijnlijk. En
+zou het niet met andere paden kruisen en daardoor een reusachtig
+doolhof vormen?
+
+"Hoe het zij", hernam John Cort, "wij kunnen niet van honger en dorst
+omkomen en moeten dus beginnen met hier vandaan te gaan."
+
+"Wacht nog even!" zei Max Huber en opstaande, riep hij driemaal
+achtereen, zoo hard hij kon:
+
+"Llanga! ... Llanga! ... Llanga!"
+
+Er kwam geen antwoord, zelfs geen echo weerkaatste het geroep.
+
+"Op weg!" zei de voorlooper.
+
+Maar nauwelijks had hij twee stappen op het pad gezet, of hij bleef
+staan en riep:
+
+"Een vuur!"
+
+"Waar? Waar?" riepen de beide blanken en snelden op hem toe.
+
+Het lichtschijnsel, waarschijnlijk van een toorts, scheen eenige
+honderden schreden verder en was slechts zeer flauw.
+
+Wie waren het, die dat licht droegen? Moest men die lieden vreezen,
+of kwamen zij wellicht hulp brengen?
+
+Besluiteloos bleven onze reizigers staan, maar hoe zij ook tuurden,
+het licht veranderde niet van plaats.
+
+"Wat moeten wij doen?" vroeg John Cort.
+
+"Naar dat licht toe gaan, omdat het niet naar ons komt", hernam
+Max Huber.
+
+"Vooruit dan!" zei Khamis.
+
+Maar wederom had hij te nauwernood eenige schreden afgelegd, of
+de toorts verwijderde zich. Zou diegene, die haar droeg, de drie
+reizigers dus bespieden? Of wilde hij hen als 't ware voorlichten en
+den weg wijzen, dien zij gaan moesten?
+
+Er was geen tijd of gelegenheid meer voor beraad, er bleef niets over
+dan voort te loopen.
+
+"Als hij ons maar uit dit doolhof brengt, dan ben ik tevreden",
+zei John Cort. "Wel vriend Max, is dit nu ook nog niet vreemd en
+onverwacht genoeg voor je?"
+
+"Het gaat vrij wel", antwoordde de luchthartige Franschman.
+
+Het licht volgende legden zij naar schatting vier of vijf mijlen af
+en toen bluschte het eensklaps uit.
+
+"Laten wij halt houden", zei de Amerikaan, "het is blijkbaar een sein
+voor ons..."
+
+"Of een bevel", meende Max Huber.
+
+"Wij moeten gehoorzamen en hier overnachten", zei Khamis.
+
+"Maar zal het licht morgen weer schijnen?" vroeg John Cort.
+
+Dat was inderdaad de vraag.
+
+Doodelijk vermoeid strekte het drietal zich aan den voet van een
+reuzenboom uit en de slaap liet zich dan ook niet wachten.
+
+Toen zij ontwaakten drong een flauw licht door het gebladerte, een
+bewijs dat het dag was. Khamis meende te kunnen verzekeren, dat men
+in Oostelijke richting gegaan was, ongelukkigerwijze dus juist den
+verkeerden kant!
+
+"En de fakkel?" vroeg John Cort.
+
+"Daar begint zij juist weer te schijnen!"
+
+Geen enkel avontuur deed zich op dezen dagtocht voor. De toorts bleef
+het drietal voorlichten, altijd in Oostelijke richting. Hoe moest dat
+afloopen? Als zij niet spoedig op de plaats hunner bestemming kwamen,
+zouden zij van honger moeten bezwijken!
+
+Zoo kwam de avond, weder doofde het licht uit en moesten onze reizigers
+aan den voet van een boom overnachten.
+
+Den volgenden morgen--23 Maart--ontwaakte John Cort het eerst en
+dadelijk riep hij:
+
+"Terwijl wij sliepen is er iemand hier geweest!"
+
+Dat was niet tegen te spreken: er brandde een klein houtvuur en een
+stuk antilope-bout hing aan een lagen tak van een acacia boven een
+klein beekje.
+
+Maar geen van drieën toonde daarover groote verbazing, zij namen de
+dingen aan, zooals zij waren, het was nutteloos, ja, onmogelijk over
+al die onverklaarbare zaken te redekavelen. Aan het zoo geheimzinnig
+verstrekte voedsel deden zij zich echter begrijpelijkerwijze te goed
+en nauwelijks was dit ontbijt gebruikt of de toorts gaf weder het
+sein tot hervatting van den tocht.
+
+En deze werd afgelegd onder dezelfde omstandigheden als de vorige
+dagen en toen tegen het vallen van den avond het licht weder verdween,
+kon men berekenen in het geheel ongeveer zestig kilometer te hebben
+geloopen, sedert men den oever van de Rio Johausen verliet.
+
+Kort daarop was het drietal in slaap, maar, was het een droom?--Max
+Huber geloofde stellig, dat boven zijn hoofd de wals uit de
+_Freischütz_ van Weber gespeeld werd!
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIII.
+
+EEN DORP IN DE LUCHT.
+
+
+Toen John Cort, Max Huber en Khamis den volgenden morgen ontwaakten,
+was het nog donkerder in het woud dan anders, maar, wat den drie
+tochtgenooten dadelijk trof, het was niet zoo stil als gewoonlijk. Heel
+in de hoogte klonk een dof gegons en toen zij opkeken, zagen zij een
+honderdtal voeten boven den grond een soort dak. Hoogst waarschijnlijk
+was dit door het in elkander groeien van allerlei takken ontstaan,
+maar het gaf tevens een verklaring van de duisternis, die aan den
+voet der boomen heerschte.
+
+Wel een uur lang bleef Khamis heen en weer loopen, om naar alle
+richtingen uit te kijken of hij het licht, dat hun de vorige dagen
+den weg gewezen had, nog niet zag verschijnen. Maar dit gebeurde
+dezen ochtend niet en wat moesten onze vrienden nu beginnen? Verder
+gaan? Maar waarheen? Blijven? Hoe moesten zij dan aan voedsel
+komen? Honger en dorst deden zien toch reeds deerlijk gevoelen!
+
+"Toch kunnen wij hier niet blijven", zei John Cort, nadat zij lang
+en breed beraadslaagd hadden, "en ik zou voorstellen om maar dadelijk
+op weg te gaan."
+
+"Maar welken kant uit?" vroeg Max Huber.
+
+"Komaan!" hernam John Cort ongeduldig, "wij zijn hier toch niet met
+onze voeten aan den grond vastgeworteld, zou ik denken!... Wij kunnen
+tusschen de boomen doorloopen en zien waar wij uitkomen."
+
+"Vooruit dan!" zei Khamis.
+
+Zoo gingen de drie tochtgenooten op weg en de bodem bleek overal kaal
+en droog te zijn, als onder een dicht dak, waardoor noch zonnestralen,
+noch regendruppels konden heendringen. En overal stonden dezelfde
+boomen, waarvan alleen de onderste takken waren te zien.
+
+Onbewoond was dit woud echter, naar het scheen, niet. Herhaaldelijk
+meende Khamis schaduwen tusschen de stammen te zien sluipen. Was het
+verbeelding? Hij kon het niet zeggen. Maar eensklaps fluisterde hij:
+
+"Daar ginds beweegt iets."
+
+"Een dier of een mensch?" vroeg John Cort, in de aangeduide richting
+kijkende.
+
+"Als het een mensch is, dan toch een kind", antwoordde de voorlooper,
+"want het was klein van stuk."
+
+"Een aap!" meende Max Huber.
+
+Onbewegelijk bleven zij staan om beter te zien en waarlijk, daar
+naderde het dier, en het toonde bij het bespeuren der drie menschen
+hoegenaamd geen verbazing. Het liep recht overeind, als een mensch,
+en bleef op korten afstand staan.
+
+"Te drommel, het is het schepseltje, dat Llanga uit de rivier gered
+heeft!" riep Max Huber, ten hoogste verwonderd.
+
+"Gelooft gij dat?" vroeg de voorlooper.
+
+"Ja, het is zóó", bevestigde John Cort, "en wij zullen de proef op
+de som nemen."
+
+Hij haalde de medaille aan het koord te voorschijn, die het schepseltje
+om den hals gedragen had en liet het heen en weer slingeren, zooals
+men bij een klein kind doet, om de aandacht te trekken. En nauwelijks
+had hij dit gezien of met één sprong was hij er bij. Ziek was hij niet
+meer, dat bleek, en hij had met zijn gezondheid ook zijn vroegere
+lenigheid teruggekregen. Klaarblijkelijk wilde hij de medaille
+weggrissen, maar Khamis sprong hem in den weg en greep hem vast.
+
+"Li-Mai!... Ngala!... Ngala!" schreeuwde het kleine wezen.
+
+Wat die woorden beteekenden wisten zij natuurlijk niet, maar zij
+hadden ook geen tijd er over te denken, want eensklaps verschenen
+een aantal groote schepsels, minstens vijf en een halven voet lang.
+
+Of het dieren of menschen waren, konden onze reizigers niet zoo
+spoedig zien, maar zij begrepen, dat het in elk geval dwaasheid zou
+geweest zijn, zich te verzetten tegen een twaalftal van dergelijke
+krachtige boschjesmannen. In een oogwenk waren John Cort, Max Huber
+en de voorlooper gegrepen en half voortgeduwd, ging het tusschen de
+boomen door, zeker wel vijf- of zeshonderd meter.
+
+Toen kwamen zij op een plek, waar twee boomen dicht genoeg bij
+elkander stonden, dat de takken er van naar elkander gebogen waren,
+zoodat zij wel geen trap, maar dan toch een zeer gemakkelijken ladder
+vormden. Vijf of zes van de troep klommen langzaam daar tegen op en
+de overigen dwongen de drie gevangenen hetzelfde te doen, waarbij
+zij overigens, zooals wij gaarne erkennen, volstrekt geen geweld
+gebruikten.
+
+Naarmate men hooger klom, drong ook het licht sterker tusschen de
+bladeren door; reeds zagen onze vrienden eenige zonnestralen, waarvan
+zij zoo lang verstoken waren geweest.
+
+En Max Huber moest bij zich zelf nu eindelijk erkennen, dat wat
+hem thans overkwam, toch werkelijk wel iets heel ongedachts en heel
+buitengewoons was!
+
+Want toen zij ten laatste ongeveer honderd voet geklommen waren, zagen
+zij tot hun verbazing hier, als het ware op de toppen der boomen,
+een plat, heerlijk door de zon verlicht.
+
+Tusschen de nog hooger oprijzende boomen stonden in zekere regelmaat
+hutten van stroo, zoodat men meenen kon in een straat te zijn en de
+geheele oppervlakte van dit dorp in de lucht was zóó groot, dat onze
+reizigers de grens er van niet konden zien.
+
+En daar liepen heen en weer een troep wezens, gelijkende op den
+beschermeling van Llanga. Hunne houding, overeen komende met die van
+den mensen, wees aan, dat zij gewend waren recht op te loopen en dus
+aanspraak mochten maken op den bijnaam _erectus_, dien dr. Eugène du
+Bois, de Nederlandsche officier van gezondheid, gegeven heeft aan de
+groote, uitgestorven aapsoorten, waarvan hij op Java overblijfselen
+heeft gevonden.
+
+Maar Max Huber en John Cort hadden geen tijd, om bespiegelingen te
+maken. Of het dieren waren, of menschen, of wel schepsels tusschen
+den mensch en het dier in staande, moesten zij later uitmaken, thans
+werden zij door den troep, die onderling in een bepaalde taal sprak,
+in een hut gedrongen; de deur ging achter hen dicht en zoo waren zij
+goed en wel gevangen!
+
+"Mooi!" riep Max Huber, "daar zitten wij, als die luidjes nu ook maar
+de gewoonte hebben hunnen gevangenen eten te geven."
+
+"Misschien eten zij liever hunne gevangenen op", antwoordde John
+Cort droogjes.
+
+En onmogelijk was dat niet, want er zijn in Centraal Afrika nog
+stammen, als bijv. de Mounbouttou's, die zich aan kannibalisme
+schuldig maken.
+
+Hoe het zij, als deze schepsels apen waren, dan stonden zij toch in
+elk geval boven den oran-oetan van Borneo, den chimpanzee van Guinea
+en den gorilla van den Gabon, want zij wisten vuur aan te maken en dit
+te gebruiken, zooals bleek uit de toorts, die zoolang als wegwijzer
+had gediend.
+
+En nu dachten onze vrienden eensklaps aan de bewegelijke vuren, die zij
+lang geleden aan den zoom van het woud bespeurd hadden. Konden die ook
+niet door deze vreemde bewoners van het groote woud aangestoken zijn?
+
+"En zij praten ook met elkaar", zei John Cort, nadat het drietal
+allerlei opmerkingen over hun avontuur gemaakt had.
+
+"Wist ik maar, hoe ik in hunne taal zeggen moet, dat ik grooten honger
+heb!" riep Max Huber, spotziek als altijd.
+
+Van de drie gevangenen was Khamis de stilste. Hij had natuurlijk
+geen verstand van dierkundige vraagstukken en voor hem konden deze
+wezens niets anders zijn dan dieren, en wel apen. Het waren apen,
+die rechtop liepen, die praatten, die vuur aanlegden, die te zamen in
+een dorp woonden, maar toch in elk geval apen. Maar wel vond hij het
+vreemd, dat in het woud van Oebanghi zulke dieren leefden, waarvan
+men nog nooit gehoord had en zijn trots als neger kwam er tegen op,
+dat er apen waren, die zóóveel op menschen als hij geleken!
+
+Intusschen verkeerden onze vrienden thans in een vreemd geval en er
+was maar één omstandigheid, die hun nog eenige hoop gaf, namelijk dat
+zij aangeland waren in het dorp, als men deze kolonie zoo noemen mocht,
+in het geboortedorp waarschijnlijk zelfs van den kleinen beschermeling
+van Llanga, en dat, nu het kleine zwarte schepseltje daar gezond en
+wel was aangekomen, de negerknaap er ook zijn zou.
+
+En ziet, nauwelijks hadden John Cort en Max Huber dit besproken,
+of de deur van de hut werd geopend.
+
+"Llanga!... Llanga!" riep John Cort.
+
+"Mijnheer John!... Mijnheer Max!" Met deze woorden vloog Llanga op
+zijn beide blanke vrienden toe.
+
+"Sedert wanneer ben je hier?" vroeg Khamis, die minder aangedaan was
+onder dat wederzien.
+
+"Sedert gisteren morgen, zij hebben mij door het woud gedragen."
+
+"Die hebben dus sneller geloopen dan wij. En wie heeft je gedragen?"
+
+"Een van degenen die mij gered hebben, en u ook hebben gered."
+
+"Zijn het dan menschen?"
+
+"Zeker, menschen, geen apen ... geen apen!"
+
+En toen begon Llanga zijn wedervaren te vertellen, waarbij hij
+herhaaldelijk de handen kuste van zijn twee blanke vrienden, die hij
+reeds voorgoed verloren waande.
+
+"Toen het vlot tegen de rotsen stootte", zei hij, "werden Li-Mai en
+ik in het water geslingerd..."
+
+"Li-Mai?" vroeg Max Huber.
+
+"Ja, zoo heet hij", antwoordde Llanga.
+
+"Heeft dat schepseltje dus een naam", zei John Cort, "heeft deze stam,
+of dit volk, of hoe gij het noemen wilt, dan soms ook een naam?"
+
+"Ja, ik heb Li-Mai hen dikwijls Wagdies hooren noemen."
+
+Toen Llanga tot zich zelf kwam, zoo bleek uit zijn verder verhaal,
+lag hij in de armen van een grooten Wagdie, den vader van Li-Mai,
+en deze zelf was in de armen zijner "ngora", zijner moeder. Hoogst
+waarschijnlijk was het schepseltje, een paar dagen vóór Llanga het
+uit het water opvischte, in het woud verdwaald.--En eenmaal in zijn
+dorp terug werd de kleine beschermeling nu op zijn beurt de beschermer
+van Llanga, hij werd goed behandeld en dezen zelfden morgen had Li-Mai
+hem bij de hand genomen en voor deze hut gebracht. Met welk doel wist
+hij niet, maar toen had hij hooren praten en de stemmen van John Cort
+en Max Huber herkend.
+
+"Alles heel mooi, Llanga!" zei de Franschman, toen de knaap zijn
+verhaal gedaan had, "maar wij sterven van honger; gij, die hier zoo
+goed staat aangeschreven, kunt ons zeker wel een ontbijt bezorgen."
+
+Llanga verliet de hut en kwam weldra met eenige spijzen terug:
+een stuk geroosterd buffelvleesch, een half dozijn vruchten van de
+_Acacia Adansonia_, ook wel genoemd apenbrood, wat bananen en in een
+kalebas heerlijk frisch water.
+
+Toen het drietal zich aan dit koningsmaal verzadigd had, begon John
+Cort aan Llanga een soort verhoor af te nemen.
+
+"Zijn die Wagdies talrijk?" vroeg hij.
+
+"O, zóó veel! Zóó veel!"
+
+"Even veel als in de dorpen van Bornoe of van Baghirmi?"
+
+"Ja."
+
+"En komen zij nooit van de boomen af?"
+
+"Zeker ... om te jagen ... om vruchten en wortels te verzamelen ... om
+water te scheppen."
+
+"En spreken zij?"
+
+"Ja, maar ik begrijp hen niet, maar soms hoor ik woorden, die ik van
+Li-Mai wel eens gehoord heb."
+
+"En de vader ... de moeder van dat kind?"
+
+"O, die zijn zeer goed voor mij, wat ik straks hier gebracht heb,
+kreeg ik van hen."
+
+"En hoe heet dit dorp in de boomen?"
+
+"Ngala."
+
+"Heeft het een opperhoofd?"
+
+"Ja."
+
+"Hebt gij dien gezien?"
+
+"Neen, maar ik heb gehoord, dat hij Mselo-Tala-Tala heet."
+
+"Dat zijn woorden uit een inlandsche taal", zei Khamis eensklaps.
+
+"En wat beteekenen die?"
+
+"Vader Spiegel", antwoordde de voorlooper.
+
+En zoo noemen de Congoleezen inderdaad iemand, die een bril draagt.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIV.
+
+DE WAGDIES.
+
+
+"Wat verlangt gij nu nog meer, beste Max?" zei John Cort spottend,
+"mij dunkt dat dit nu iets buitengewoons en onverwachts is! Niet
+alleen een dorp in de lucht, maar zelfs een koning daarin!"
+
+"Wat ik verlang John?" antwoordde de luchthartige Franschman, "wel,
+ik verlang niet mijn leven lang in deze hoofdstad van het rijk der
+Wagdies te blijven!"
+
+"Maar Max, wij moeten hier toch een poos blijven om de bewoners van
+dit dorp te bestudeeren, wij moeten er een paar dikke folianten over
+schrijven, die de verbazing zullen opwekken van alle geleerde bollen
+uit Europa en Amerika!"
+
+"Goed, ik wil bestudeeren en informeeren en al wat je verlangt,
+maar op twee voorwaarden!"
+
+"En die zijn?"
+
+"Ten eerste dat wij frank en vrij in het dorp mogen rondloopen en
+ten tweede, dat wij mogen heengaan, zoodra wij daar lust in hebben."
+
+"En aan wien moeten wij die voorwaarden kenbaar maken?"
+
+"Wel natuurlijk aan Zijne Majesteit Vader Spiegel; maar à propos,
+hoe zou de Koning aan dien naam komen? Zou hij bij geval kippig zijn
+en een bril dragen?"
+
+"Maar waar is die bril dan van daan gekomen?" vroeg John Cort terecht.
+
+Max Huber kon hierop geen antwoord geven, want wederom werd de deur
+van de hut geopend en ditmaal verscheen Li-Mai, die verheugd op
+Llanga toeliep. John Cort stelde dadelijk voor van de gelegenheid
+dat de deur open stond gebruik te maken en zoo traden onze vrienden
+dus naar buiten. Voorafgegaan door Li-Mai, die Llanga bij de hand
+hield, kwamen zij op een soort pleintje--een vrij open ruimte, die
+overschaduwd werd door het dichte bladerdak der boomen, wier krachtige
+stammen dit luchtdorp torsten.
+
+Het was heerlijk weer en de zonnestralen speelden door het
+loover. Boven de hoogste takken vertoonden zich groote stukken van
+den blauwen hemel en een koel windje, bezwangerd met welriekende
+geuren van boschplanten, maakte de lucht heerlijk zuiver.
+
+Terwijl het troepje zoo rondliep, keken de Wagdies, mannen, vrouwen
+zoowel als kinderen, naar hen, zonder bizonder veel verbazing te
+toonen. Wel wisselden zij onderling, met een schor stemgeluid, eenige
+vlugge, overstaanbare woorden. Slechts een hoogst enkele maal meende
+de voorlooper een paar woorden in de Congoleesche taal op te vangen,
+hetgeen niet zoo onmogelijk was, daar Li-Mai immers ook het woord
+ngora gebruikt had.
+
+Maar het meest verbaasd was John Cort, toen hij duidelijk een paar
+Duitsche woorden meende op te vangen, waaronder het woord Vater
+(vader) en dadelijk deelde hij dit aan zijn reisgenooten mede.
+
+"Ik verbaas mij over niets meer", gaf Max Huber ten antwoord, "ik zou
+het zelfs niets vreemd vinden, als die zwartjes mij vriendschappelijk
+op mijn schouder klopten en zeiden: 'Zoo amice, hoe gaat het?'"
+
+Af en toe liet Li-Mai de hand van Llanga los en liep hij, als een
+vroolijk, spelend kind, naar een der Wagdies. Blijkbaar was hij er zeer
+trotsch op de vreemdelingen door het dorp te mogen rondleiden. Maar
+het was duidelijk, dat hij niet maar wat met hen ronddwaalde, hij
+bracht hen ergens heen en zij hadden niet anders te doen dan hunnen
+vijfjarigen gids te volgen.
+
+Onderwijl hadden zij alle gelegenheid zich een oordeel te vormen over
+de uitgestrektheid van dit zonderlinge dorp, dat in omtrek zeker wel
+drie mijl zou meten.
+
+De hutten, in den vorm van een bijenkorf, waren bijna alle open en
+men kon daar binnen de vrouwen bezig zien in hare huishouden. Van
+de mannen verzamelden sommige vruchten tusschen de takken, andere
+kwamen terug met gevangen wild of met kuipen water, dat zij uit de
+Rio geschept hadden.
+
+Intusschen had Khamis getracht den kleinen Li-Mai in de inlandsche
+taal aan te spreken, maar het knaapje scheen niets daarvan te
+begrijpen. Toch had hij op het vlot duidelijk het woord ngora gezegd,
+wat toch een inlandsch woord was.
+
+Na een uur kwamen de tochtgenooten aan het eind van het dorp, waar een
+hut van grooter afmeting stond, tusschen de takken van een reusachtigen
+wolboom. Voor den ingang stonden twee gewapende Wagdies. Was deze
+groote hut het koninklijk paleis, of het heiligdom der toovenaars,
+die men bij alle wilde volken in Afrika vindt? John Cort zag thans de
+gelegenheid om van Li-Mai eene inlichting te krijgen en zoo vroeg hij,
+op de hut wijzende:
+
+"Mselo-Tala-Tala?"
+
+Een knik met het hoofd was het eenige antwoord.
+
+Daar woonde dus Zijne Majesteit de Koning der Wagdies en overmoedig
+en zonder veel complimenten liep Max Huber naar de hut, toen de beide
+schildwachten hem dreigend den weg versperden.
+
+"Mooi, wij mogen er niet in!" spotte de Franschman. "Dan zullen wij
+Zijne Majesteit schriftelijk om een audiëntie moeten verzoeken!"
+
+"Alsof hij zou kunnen lezen, verbeeld je!" antwoordde John Cort.
+
+"Weet gij niet waar de hut van Li-Mai's ouders is?" vroeg Khamis
+aan Llanga.
+
+"Neen, maar Li-Mai zal er ons bepaald wel heenbrengen, laten wij hem
+maar volgen."
+
+Weinige minuten later kwamen onze vrienden in een meer beschaduwd,
+donkerder gedeelte van het dorp en daar bleef Li-Mai staan voor een
+strooien hut met een dak van bananenbladeren, dezelfde die Khamis
+voor het afdak op het vlot gebruikt had. Hij strekte de hand naar de
+hut uit en Llanga, die hem begreep, zei: "Hier woont hij."
+
+De deur van de hut stond open en van binnen bleek zij te bestaan uit
+een enkel vertrek.
+
+Tegen den achterwand lag een soort veldbed van droge kruiden en het
+overige huisraad bestond uit een drietal kalebassen, een aarden pot,
+gevuld met water en twee kleinere aarden potten. Van vorken hadden
+deze boombewoners nog nooit gehoord, zij aten met hunne vingers. Hier
+en daar waren planken gemaakt, waarop het proviand lag: vruchten,
+wortels, een stuk vleesch, eenige geplukte vogels. Aan een paar sterke
+dorens, die als spijkers dienst deden, hingen eenige uit boombast
+geweven doeken.
+
+Twee Wagdies, een man en eene vrouw, stonden op, toen Khamis met zijn
+troepje voor de hut verscheen.
+
+"Ngora... ngora... Lo-Mai... La-Mai!" riep het negerknaapje, terwijl
+het dadelijk naar zijn moeder liep, die het liefkoosde.
+
+John Cort nam het paar eens goed op. De man was van krachtigen,
+goed geëvenredigden lichaamsbouw, zijn armen waren iets langer dan
+bij den mensch, ook zijn handen iets grooter; zijn voeten rustten
+met den geheelen zool op den grond. Zijn gelaatskleur was lichter
+dan van de bekende inlanders, zijn haar zwart en kroezend en hij had
+een korten, dunnen baard. Zijn hoofd was middelmatig van grootte,
+de kaakbeenderen staken niet ver naar voren en de oogen hadden een
+levendige uitdrukking. De vrouw was kleiner en had een zachtaardiger
+uiterlijk; haar tanden waren prachtig wit, maar wat John Cort vooral
+opviel, waren hare sieraden: glazen kralen en paarlen en om haar hals
+de medaille van Dr. Johausen, zooals haar kind er ook een had.
+
+Praten met dit tweetal, ging tot John Cort's grooten spijt niet, maar
+het was duidelijk, dat zij de grootste gastvrijheid wilden betoonen,
+want den bezoekers boden zij dadelijk allerlei vruchten aan.
+
+De Amerikaan luisterde intusschen goed naar de taal, die man en
+vrouw met elkander spraken en het kwam hem voor, dat hij, zij het dan
+ook verminkt, eenige woorden uit de Congoleesche en uit de Duitsche
+taal herkende.
+
+Na een kwartiertje vertrokken de bezoekers weder, thans onder geleide
+van den man Lo-Mai zelf en zoo kwamen zij bij de hut, waarin zij den
+vorigen nacht hadden doorgebracht en die hun weder tot woning zou
+strekken. Voor hoe lang?...
+
+Lo-Mai nam vooral hartelijk afscheid van Llanga, in wien hij
+ongetwijfeld den redder van zijn kind herkende en onze vrienden waren
+weder alleen.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XV.
+
+DRIE WEKEN STUDIE.
+
+
+Hoe lang zouden John Cort, Max Huber, Khamis en Llanga in dit dorp
+blijven? Zou alles goed afloopen, zou er geen onraad komen? Van
+vluchten kon geen sprake zijn, daartoe werden zij te goed bewaakt. Maar
+al ware dit niet het geval geweest, hoe zouden zij dan den rand van
+dit onmetelijke woud kunnen bereiken, of de Rio Johausen terugvinden?
+
+Max Huber, die zóó verlangd had naar het vreemde en onverwachte,
+had er reeds genoeg van en hij verheelde zijn ongeduld en verlangen
+om in Libreville terug te zijn, niet.
+
+Ook Khamis, die op de dorpsbewoners als een laag staand ras, ja als
+een soort dieren, bleef neerzien, was zeer verlangend om Ngala te
+kunnen verlaten en wat hij doen kon om hiertoe te geraken, zou hij
+niet nalaten.
+
+John Cort was minder ongeduldig. Hij vond het belangwekkend om die
+nieuwontdekte schepselen waar te nemen en te bestudeeren. Eenige
+weken had hij daar wel voor over, maar zou hun verblijf bij de Wagdies
+misschien niet veel langer duren? Jaren wellicht? En wat zou het eind
+van het avontuur zijn?
+
+Maar tot dusver had men gelukkig nog niets vijandigs kunnen
+bespeuren. Vreemd bleef het echter dat die boschbewoners heel niet
+verbaasd waren op het zien van menschen.
+
+Max Huber meende, dat men zich tot den Koning, Vader Spiegel, zou
+wenden, om hunne vrijheid terug te vragen, maar gesteld dat zij bij
+dit hooge personage werden toegelaten, hoe zouden zij elkander dan
+verstaan? De Koning zou zeker wel geen Congoleesch spreken.
+
+Intusschen hadden zij bij het betreden van hunne hut eenige
+veranderingen gezien, die hun wel bevielen. Allereerst was een Wagdie
+bezig "de kamer te doen", als wij deze Europeesche uitdrukking mogen
+gebruiken. Het was een bewijs, dat deze stam grooten zin voor netheid
+en orde had; trouwens John Cort had reeds opgemerkt, dat zij op hun
+lichaam en kleeding ook zeer zindelijk waren. Achter in de hut waren
+stapels droge kruiden neergelegd en deze vormden voor onze reizigers,
+die zoo dikwijls op den naakten grond geslapen hadden, een heerlijk
+bed. Voorts waren eenige potten en pannen neergezet en een voorraad
+proviand: allerlei vruchten en een antilopebout.
+
+Ter zijde van de hut was een platte steen, die als haard dienst deed;
+er brandden zelfs reeds eenige droge takken op.
+
+De Wagdie, die voor werkmeid speelde, was een jonge man van omstreeks
+twintig jaren, met een schrander uiterlijk. Hij wees naar een hoek en
+zoo waar, daar zagen John Cort, Max Huber en Khamis hunne karabijnen,
+wel wat geroest, maar dat was te herstellen.
+
+"Drommels, die komen te pas!" riep Max blij verrast.
+
+"Maar de patronen?" vroeg John Cort.
+
+"Die zijn hier", antwoordde de voorlooper en hij wees op het ijzeren
+kistje, dat achter de deur stond.
+
+Zoo waren al deze kostbare zaken, die Khamis bij het vergaan van het
+vlot op de rotsen geslingerd had, door de Wagdies gevonden en behouden
+naar hun dorp gebracht.
+
+"Zouden zij geen verstand van vuurwapenen hebben, dat zij ons die
+terug geven?" vroeg Max.
+
+"Dat weet ik niet", antwoordde John Cort, "maar blijkbaar weten
+zij wel, dat men andermans goed niet mag behouden en dat bewijst,
+dat zij eerlijk zijn."
+
+Eensklaps werd buiten met duidelijke stem geroepen:
+
+"Kollo! ... Kollo!"
+
+De jonge Wagdie keek John Cort aan en wees toen herhaaldelijk op zich
+zelf. De Amerikaan begreep hieruit, dat het de naam van hunnen nieuwen
+bediende was, en toen hij eenige malen het woord Kollo herhaalde,
+toonde de jonge man zijn tevredenheid, door vroolijk te lachen.
+
+Uit dit alles bleek, dat de hut geen gevangenis was en dat de bewoners
+haar naar verlangen konden verlaten; of zij het dorp zelf dit ook
+mochten doen was intusschen nog twijfelachtig.
+
+De vrienden moesten zich dus maar schikken en in het luchtdorp
+blijven wonen.
+
+De Wagdies schenen zacht van aard, niet twistziek en ook niet
+nieuwsgierig. Lichamelijk bleken zij sterk en buitengewoon vlug en
+hun gezicht was bizonder scherp. Als zij op de vogeljacht gingen,
+schoten zij die met kleine pijltjes en ook op groote dieren, antilopen,
+buffels, misschien zelfs op den rhinoceros jaagden zij in het woud
+met goed gevolg. Max Huber had hen op die tochten gaarne vergezeld,
+zoowel om hunne wijze van jagen te leeren kennen, als om een poging
+te wagen tot ontvluchting.
+
+Meermalen had Max aandrang gevoeld om met zijn karabijn een schot
+te lossen op de talrijke vogels, die hier in de boomen huisden,
+maar zijn makkers en hij werden dagelijks ruim van allerlei proviand
+voorzien. Hunne bediende Kollo liet het hun aan niets ontbreken,
+elken dag vernieuwde hij den voorraad water en brandhout. Bovendien
+zou het gebruik van het vuurwapen de kracht daarvan geopenbaard hebben
+en beter was het, die geheim te houden en de karabijnen in geval van
+nood als wapen te gebruiken.
+
+Dat de Wagdies hunnen gasten vleesch bezorgden, kwam hieruit voort,
+dat zij zelven ook dit voedsel gebruikten, hetzij geroosterd op een
+kolenvuur, of gekookt in eigengemaakte aarden potten. Ook trof onzen
+vrienden een andere bizonderheid, waarover zij zeer verheugd waren:
+er was zout, dat evenals in Azië en Amerika, hier in het Afrikaansche
+woud als mineraal op den grond voorkwam.
+
+Een vraag, die John Cort echter vooral bezig hield, was deze: Hoe
+kwamen die boombewoners aan vuur? Wreven zij stukken droog hout tegen
+elkander, op de manier van de wilden? Neen, het bleek hem, dat zij
+vuursteenen gebruikten en de vonken in droog mos of dorre bladeren
+lieten springen.
+
+Behalve vleesch en plantaardig voedsel, allerlei wortels en vruchten,
+de laatste vooral van den onwaardeerbaren boabab of apenbroodboom,
+bananen en vijgen, aten de Wagdies ook honing en zij waren zeer
+schrander in het vinden van de bijennesten. Bovendien bevatte een
+stroom, die niet ver van het luchtdorp liep, zeer veel visch, die de
+Wagdies evenzoo vingen en aten.
+
+Maar was die stroom bevaarbaar en gebruikten de Wagdies ook
+vaartuigen? Dit te weten was voor onze vrienden van groot belang,
+in geval van ontvluchting.
+
+Aan den rand van het dorp, dicht bij de koninklijke hut, was die
+stroom te zien en scheen hij dertig à veertig voet breed, terwijl hij
+op korten afstand achter de reusachtige gomboomen verdween. Inderdaad
+werd hij door de Wagdies bevaren, waarbij zij gebruik maakten van
+een soort kano's gemaakt van uitgeholde boomstammen.
+
+Dit alles was door Khamis ontdekt, die herhaaldelijk getracht had
+buiten het dorp te komen, maar steeds hadden de schildwachten bij den
+trap hem dit belet. Zij waren daarbij niet altijd even vriendelijk en
+eenmaal zou hij misschien zelfs mishandeld geworden zijn, als Lo-Mai,
+door het tumult aangelokt, niet tusschenbeide ware gekomen.
+
+Deze laatste had het vooral aan den stok met een grooten Wagdie, dien
+men Raggi noemde. Aan de dierenhuiden die hij droeg en aan de veeren in
+zijn haar kon men zien, dat hij de chef van de strijdbare mannen was.
+
+Onze vrienden hadden gehoopt, dat zij naar aanleiding van dit voorval,
+voor den Koning zouden zijn geleid en dus gelegenheid zouden hebben
+gekregen dezen potentaat, die door zijn onderdanen zoo angstvallig
+verborgen werd gehouden, eindelijk te zien. Maar dit gebeurde
+niet. Raggi scheen de hoogste macht te hebben en beter was het zijn
+toorn maar niet meer op te wekken.
+
+Op een dag--het was de 9e April--ontstond eensklaps een hevig
+tumult. Van den kant der rivier klonken luide kreten.
+
+Was dit een aanval op het dorp, door wezens gelijksoortig aan de
+Wagdies? Dit zou inderdaad hoogst ernstig zijn, vooral wanneer de
+aanvallers de boomen waarop het geheele dorp rustte, in brand zouden
+gaan steken!
+
+Onmiddellijk waren Raggi en een dertigtal mannen naar den trap gesneld,
+dien zij met aapachtige vlugheid afsprongen. John Cort, Max Huber
+en Khamis waren met Lo-Mai naar den kant van het dorp geloopen,
+waar het gedeelte van de rivier te zien was.
+
+Het bleek dat een groote troep wilde zwijnen, van het soort dat de
+Transvalers "boschvarken" en de Engelschen "bush-pig" noemen, op den
+linkeroever was verschenen.
+
+Deze dieren zijn iets kleiner dan het wilde zwijn uit Europa, hebben
+zijdeachtig haar, oranjeachtig bruin van kleur en kwastjes aan de
+ooren, terwijl de mannetjes kromme slagtanden hebben, evenals het
+Babiroesa-zwijn.
+
+Onze vrienden waren van hunne standplaats getuige van den strijd,
+die kort, maar niet zonder gevaar was. De Wagdies legden grooten moed
+aan den dag; met bijlen gewapend, sommige ook met speren, stortten
+zij zich tusschen de troep en na een uur waren verscheidene zwijnen
+neergeveld en de overige op de vlucht gejaagd.
+
+Max Huber had zijn karabijn wel willen halen, maar de voorzichtige
+John Cort had hem dit ontraden. Beter was het, met het gebruik der
+vuurwapens te wachten, tot het bepaald nuttig of noodig zou zijn.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVI.
+
+ZIJNE MAJESTEIT KONING MSELO-TALA-TALA.
+
+
+Op dezen dag--of liever op den middag van den 15en April--zou er
+eene verandering komen in de anders zoo kalme gewoonten van de
+Wagdies. Drie weken lang hadden de gevangenen in Ngala geen enkele
+gelegenheid gehad om hunnen tocht dwars door het groote woud in de
+richting van de Oebanghi te hervatten. Zij werden goed bewaakt en
+waren binnen de onoverschrijdbare grenzen van dit dorp besloten,
+zoodat van ontvluchten geen sprake kon zijn.
+
+Nu was het volkomen waar, dat bijvoorbeeld John Cort hier niet om
+treurde. Hij toch vond het zeer belangwekkend om studiën te maken van
+deze schepsels, die wel een schakel schenen te vormen tusschen den aap
+en den mensch. Hij zou hier prachtige bouwstoffen kunnen verzamelen
+ter beoordeeling van de zoogenaamde "theorie van Darwin." Maar om de
+geleerde wereld van zijn studiën vruchten te doen plukken, zou hij
+toch allereerst in Fransch Congo, en in Libreville terug moeten zijn!
+
+Het was prachtig weer. De zon overgoot met licht en warmte de
+boomtoppen, die het luchtdorp overschaduwden.
+
+Tusschen John Cort en Max Huber en de familie Lo-Mai was een druk
+verkeer ontstaan. Er ging geen dag voorbij zonder dat deze hen in
+hunne hut kwam bezoeken, of zij wederkeerig haar een bezoek brachten.
+
+Ongelukkigerwijze was het onzen vrienden nog altijd niet gelukt de
+taal der Wagdies te verstaan, al bestond zij ook uit een zeer klein
+aantal woorden, daar deze primitieve wezens ook slechts een zeer
+beperkt aantal denkbeelden hadden. Wel had John Cort spoedig genoeg de
+beteekenis van sommige woorden begrepen, maar dat stelde hem toch nog
+niet in staat met de Wagdies een geregeld gesprek te voeren. Het trof
+hem echter bizonder, dat in hunne taal eenige inlandsche uitdrukkingen
+voorkwamen. Bewees dit niet, dat de Wagdies in verbinding stonden
+met de negerstammen aan de Oebanghi? En sterker nog, soms gebruikte
+Lo-Mai een woord, dat, hoe verbasterd en verminkt hij het ook uitsprak,
+toch blijkbaar aan de Duitsche taal ontleend was.
+
+Zou hieruit moeten worden afgeleid, dat deze inboorlingen reeds eene
+ontmoeting hadden gehad met de in Kameroen gevestigde Duitschers? In
+dat geval zouden de Amerikaan en de Franschman niet de eer hebben
+van dezen stam te hebben ontdekt.--Maar als John Cort tegen Lo-Mai
+Duitsch ging spreken, bleek het alweer dat deze er niets van begreep,
+hij kende slechts een paar woorden in die taal.
+
+Maar het meest gebruikte woord in elk gesprek bleef altijd
+Mselo-Tala-Tala, de naam of de titel van den vorst. Wij weten hoe
+vurig onze blanke vrienden verlangden bij dezen potentaat te worden
+toegelaten. Als zij dien naam uitspraken, boog Lo-Mai het hoofd ten
+teeken van diepen eerbied.
+
+En nu gebeurde het, op den genoemden middag, dat Lo-Mai met vrouw en
+kind de hut der vreemdelingen kwam bezoeken.
+
+Het viel dadelijk op, dat zij zich bizonder hadden opgetooid. De man
+droeg een krans van veeren om het hoofd en een schort van geweven
+boombast, de vrouw een dergelijk schort, in haar lokken eenige groene
+bladeren en om den hals een snoer van glazen kralen. Zelfs de kleine
+Li-Mai had een kort schortje voor, hij had dus zijn zondagspakje aan,
+zooals Max Huber lachend opmerkte en dadelijk vroeg hij:
+
+"Wat zou dat beteekenen, dat zij er zoo deftig uitzien?"
+
+"Het is voor hen zeker een feestdag", antwoordde John Cort.
+
+"Mselo-Tala-Tala", zei Lo-Mai eensklaps, bij het binnenkomen.
+
+"Vadertje met zijn bril", vertaalde Max Huber en hij snelde naar
+buiten, meenende dat de Koning op dit oogenblik voorbijkwam.
+
+Hij werd echter teleurgesteld, er was geen schijn of schaduw van Zijne
+Majesteit te bespeuren, maar wel zag hij, dat het in het dorp erg
+rumoerig was. Van alle kanten kwamen drommen dorpelingen, opgesierd
+als de familie Mai en blijkbaar in zeer vroolijke stemming. En alles
+trok naar de westgrens van het dorp.
+
+"Er gebeurt iets", zei Max Huber en naar Lo-Mai terugkomende,
+herhaalde hij:
+
+"Mselo-Tala-Tala?"
+
+"Mselo-Tala-Tala", antwoordde de man plechtig, kruiste zijn armen
+over zijn borst en boog zijn hoofd.
+
+Het eenige wat John Cort en Max Huber hieruit konden afleiden, was,
+dat de Wagdies hunnen Koning gingen begroeten en deze zich dus in al
+zijn luister aan het verzamelde volk zou vertoonen.
+
+Hunnerzijds konden zij geen deftige kleeren aantrekken, zij hadden
+niets dan hun jachtkostuum, tamelijk versleten nog wel. Bijgevolg
+konden zij ter eere van Zijne Majesteit geen toilet maken en volgden
+zij met Llanga de familie Mai, in hunne daagsche plunje.
+
+Khamis, die om al dat "mindere volk" bitter weinig gaf, bleef "alleen
+thuis". Hij zou voor het eten zorgen en de geweren schoon maken,
+want met het oog op allerlei gebeurlijkheden moesten die steeds in
+de puntjes zijn.
+
+John Cort en Max Huber lieten zich dus door Lo-Mai geleiden, door het
+thans zeer drukke dorp. Eigenlijke straten waren er niet, de hutten
+stonden onregelmatig, al naar de boomen, of liever hunne takken,
+de plaats hadden aangewezen.
+
+Het was zeer vol. Minstens een duizendtal Wagdies stroomden naar het
+uiteinde van het dorp, waar het koninklijk paleis stond.
+
+"Zij gedragen zich werkelijk als echte menschen", merkte John Cort op.
+
+"Maar door hunne grimassen lijken het toch echte apen!" antwoordde
+Max Huber.
+
+En werkelijk, de Wagdies, anders zoo ernstig, kalm en terughoudend,
+waren thans buitengewoon druk en uitgelaten.
+
+Maar altijd nog jegens de vreemdelingen die onverklaarbare
+onverschilligheid. Zij schonken hun niet de minste aandacht en waren
+dus tegelijkertijd niet zoo opdringerig en lastig, als de Danka's,
+de Monboetoes, en andere Afrikaansche negerstammen, en .... als het
+beschaafde volk in de groote Europeesche steden tegen vreemdelingen,
+die door kleeding of uiterlijk wat anders zijn dan zij!
+
+Na een lange wandeling kwamen Max Huber en John Cort op het voornaamste
+"plein" van Ngala, dat door den uitersten boomenrand in het Westen
+begrensd werd en waar in dicht lommer de woning van den vorst stond.
+
+Daar stond een dubbele rij krijgslieden opgesteld, gekleed in
+antilope-vellen, door lianen bijeengehouden, het hoofd versierd met
+den kop van den steenbok, door welker horens de heele troep wel wat op
+een kudde geleek. Raggi, de "kolonel", was getooid met een buffelkop,
+hij droeg pijl en boog, een bijl in zijn gordel.
+
+"Het schijnt wel dat de Koning een revue over zijn troepen gaat
+houden!" zei John Cort.
+
+"Gaat Mselo-Tala-Tala uit?" vroeg Max Huber dadelijk aan Lo-Mai.
+
+"Nu krijgen wij hem dan toch te zien", zei de Franschman, met niet
+veel eerbied voor een "gekroond hoofd".
+
+"En laten wij in dien tusschentijd onze oogen maar goed de kost geven",
+hernam John Cort.
+
+Het schouwspel was werkelijk belangwekkend genoeg. Het plein besloeg
+ongeveer een oppervlakte van een halve hectare en was op het midden
+na stampvol van een joelende menigte, maar dank zij de familie Lo-Mai
+kregen de beide vreemdelingen een prachtige plaats.
+
+Weldra kwamen op de open ruimte, in het midden van het plein,
+een aantal jonge Wagdies, jongens en meisjes, die vroolijk gingen
+dansen, terwijl de ouderen daaromheen zich te goed deden aan een
+uit tamarinde gegisten drank. Aan muziek ontbrak het ook niet. De
+instrumenten bestonden uit kalebassen, waarover een vel gespannen was,
+dat met stokken werd geslagen, hetgeen een geluid gaf, om de ooren
+van blanken te verscheuren.
+
+"Van maat schijnen zij weinig begrip te hebben", zei John Cort.
+
+"En van melodie nog minder!" antwoordde Max Huber.
+
+"En toch zijn zij gevoelig voor muziek, Max", merkte de Amerikaan op.
+
+"Dat zijn de dieren ook, John, ten minste sommige."
+
+Hoe dit zij, de Wagdies schenen toch werkelijk wel menschen te zijn,
+want zij hielden niet alleen van muziek, maar maakten zelven de
+instrumenten, wat toch zeker geen enkel dier doet!
+
+Zoo gingen een paar uren voorbij, tot groot ongeduld van
+onzen Franschman. Het ergerde hem geweldig, dat Zijne Majesteit
+Mselo-Tala-Tala zich nog niet verwaardigde om de hulde van zijne
+onderdanen in ontvangst te nemen.
+
+Intusschen werd het feest onder groot getier en veel gedans
+voortgezet. De oudere mannen waren flink blijven drinken en kwamen zoo
+langzamerhand in een staat van opgewondenheid, die aan dronkenschap
+grensde. Het was zeer te bezien of alles wel ordelijk en zonder
+ongelukken zou afloopen!
+
+Maar daar ontstond eensklaps diepe stilte. De deur van de koninklijke
+hut ging open en de soldaten stelden zich in twee rijen ter weerszijden
+daarvan op.
+
+"Zie zoo, eindelijk zullen wij Zijne Majesteit dan zien!" zei Max
+Huber.
+
+Maar het was Zijne Majesteit niet, die uit de hut kwam. Een soort
+meubel, bedekt met een bladerkleed, werd naar het midden van het
+plein gedragen. En wie schetst de verbazing van de twee vrienden,
+toen zij in dat meubelstuk een gewoon straatorgel herkenden!
+
+Hoogst waarschijnlijk kwam dit instrument alleen te voorschijn bij
+hooge, feestelijke gelegenheden en betuigden de Wagdies aan de muziek,
+die er uit voortkwam, den grootsten eerbied.
+
+"Het is het orgel van dokter Johausen", fluisterde John Cort.
+
+"Ja, dat moet", antwoordde Max Huber, "en nu begrijp ik, hoe ik in
+den nacht voor wij in dit dorp kwamen, de wals uit de _Freischütz_
+heb kunnen hooren."
+
+"En daar heb je mij niets van gezegd, Max!" zei John Cort verwijtend.
+
+"Ik dacht natuurlijk dat ik gedroomd had!" hernam de Franschman.
+
+"In elk geval moeten de Wagdies dit orgel uit de hut van den dokter
+gestolen hebben", ging de Amerikaan voort.
+
+"Ja, na eerst dien braven Duitscher vermoord te hebben", antwoordde
+Max Huber bitter.
+
+Een reusachtige Wagdie, waarschijnlijk de kapelmeester uit het dorp
+ging achter het orgel staan en begon te draaien, en dadelijk weerklonk,
+zij het dan ook wat gebrekkig, omdat sommige noten ontbraken,
+de meergenoemde wals. Zoo volgde dus op het dansen een concert,
+waarnaar de Wagdies met groote ingenomenheid luisterden.
+
+Maar zouden deze brave dorpelingen wel weten, dat er nog andere wijsjes
+op het orgel zaten? Deze vraag kwam dadelijk bij John Cort op. En het
+was inderdaad niet waarschijnlijk, dat deze zwartjes zouden weten,
+dat indien een knopje in het orgel verschoven werd, er een andere
+melodie zou komen dan de wals uit de _Freischütz_.
+
+Maar toen een half uur aan deze schepping van Weber besteed was,
+hield de zwarte orgelman met een forsche tjingel op en zoo waar,
+daar verschoof hij een paar knoppen, precies als onze straatorgelman
+dat doet.
+
+"Maar dat is sterk!" riep Max Huber.
+
+En inderdaad, het was zeer vreemd, dat deze wilde, hetzij dan aap of
+mensch, wist, hoe hij met een orgel moest omgaan.
+
+Weer begon hij aan de kruk te draaien en daar weerklonk een andere
+melodie!
+
+Maar daarmede scheen het repertoire van het orgel dan ook uitgeput. Nog
+een uur lang werd er op gespeeld, maar slechts de twee stukken
+wisselden elkander beurtelings af. Toen begon het dansen weder en
+daar het duister werd staken eenige soldaten toortsen aan, die het
+plein fantastisch verlichtten.
+
+Max Huber en John Cort begonnen echter genoeg te krijgen van het
+schouwspel en juist wilden zij heengaan om naar hunne hut terug te
+keeren, toen Lo-Mai zeide: "Mselo-Tala-Tala".
+
+Zou het waar zijn? Zou Zijne Majesteit zich thans verwaardigen
+de hulde van zijn volk in ontvangst te nemen? Bij het koninklijk
+paleis ontstond werkelijk eenige beweging, daar ging de deur open,
+de lijfwacht stelde zich op en Raggi plaatste zich aan het hoofd er
+van. Onmiddellijk daarna verscheen een troon, een oude sopha, bedekt
+met lappen en bladeren en gedragen door vier zwarten en daarop troonde
+Zijne Majesteit.
+
+Het was een man van ongeveer zestig jaren, met witten baard en
+haar en zeer dik, zoodat de dragers aan het vrachtje zeker heel wat
+zouden hebben.
+
+De stoel scheen een rondgang te gaan houden over het plein en de
+menigte boog zich diep ter aarde in plechtige stilte, alsof zij door
+de hooge tegenwoordigheid van Mselo-Tala-Tala betooverd was.
+
+Deze zelf scheen echter tamelijk onverschillig voor die huldebetuiging,
+waarop hij naar zijne meening zeker recht had en waaraan hij gewend
+was. Te nauwernood gaf hij een flauwen hoofdknik; hij maakte geen
+gebaar, geen andere beweging dan dat hij zich een paar malen over
+zijn neus krabde, een lange neus met een grooten bril er op, waaraan
+hij den naam van Vader Spiegel te danken had.
+
+Toen hij dicht langs onze vrienden kwam, kon John Cort zich niet
+weerhouden, uit te roepen:
+
+"Maar het is een mensch!"
+
+"En nog wel een blanke!" liet Max Huber er op volgen.
+
+En inderdaad, er viel niet aan te twijfelen, het personage dat zich
+daar zoo deftig liet ronddragen, was zeer zeker geen inboorling,
+geen neger, maar een echte, onvervalschte blanke!
+
+"En hij kijkt niet eens naar ons! Hij schijnt ons niet eens op te
+merken!" bromde Max Huber. "Wat drommel, wij lijken toch niet op die
+halve apen hier!"
+
+"Stil!" zei John Cort, hem bij zijn arm grijpende, "ik herken hem
+thans, ik weet wie het is."
+
+"Wie het is?"
+
+"Ja, het is dokter Johausen!"
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVII.
+
+KONING JOHAUSEN.
+
+
+John Cort had den dokter vroeger in Libreville ontmoet en hij kon
+zich dus niet vergissen, het was werkelijk de Duitsche geleerde,
+die hier als vorst troonde over het volk der Wagdies!
+
+Zijn geschiedenis is in weinig woorden verhaald. Drie jaar geleden was
+hij, aangespoord door de pogingen van professor Garner, uit Malinba
+vertrokken, met een escorte negers, die levensmiddelen, ammunitie en
+andere onmisbare zaken droegen. Wij weten reeds wat hij in het Oosten
+van Kameroen wilde doen: zich vestigen te midden van de apen, om hunne
+taal te bestudeeren. Maar welke richting hij zou uitgaan, had hij aan
+niemand meegedeeld, want hij wilde alle eer voor zich alleen houden,
+en op dit punt was hij inderdaad eenigszins van Lotje getikt.
+
+Wat Khamis en zijne tochtgenooten op hunne terugreis ontdekt hadden,
+bewees ontwijfelbaar, dat de dokter in het groote oer-woud de plek
+gevonden had, waar de rivier stroomde, die door Max Huber naar hem
+gedoopt was. Na zijn escorte te hebben teruggezonden, had hij een
+vlot gemaakt en had zich met zijn trouwen inlandschen bediende daar
+op ingescheept. Te zamen hadden zij de traliehut op den rechteroever
+opgericht en wij weten nog, dat Khamis daar een opschrijfboekje
+gevonden had, waaruit bleek, dat de dokter tot 25 Augustus, derhalve
+dertig dagen in die hut gewoond had.
+
+Had hij die toen vrijwillig verlaten? Dat was niet waarschijnlijk; men
+moest aannemen, dat de Wagdies, die het geheele woud doorkruisten,
+want onze vrienden hadden immers tot aan den rand van het woud
+hunne lichten gezien, hem hadden gevangen genomen en meegevoerd. De
+inlandsche bediende was ongetwijfeld gevlucht, want als deze ook naar
+Ngala gebracht was, hadden John Cort en zijne makkers hem moeten zien,
+en zeer zeker zou hij anders vandaag ook wel in den koninklijken
+stoet verschenen zijn, misschien wel als Eerste Minister.
+
+In elk geval hadden de Wagdies dokter Johausen niet slechter behandeld
+dan Khamis en zijn reisgenooten. Waarschijnlijk getroffen door zijn
+verstandelijke meerderheid, hadden zij hem tot hunnen Koning gemaakt,
+hetgeen ook John Cort of Max Huber overkomen had kunnen zijn, wanneer
+de plaats thans niet reeds ingenomen was. En dus bekleedde de Duitsche
+geleerde, onder den naam van Vader Spiegel of van Mselo-Tala-Tala,
+reeds drie jaren den Wagdieschen troon.
+
+Dit gaf de verklaring van veel wat tot dusver onverklaarbaar was
+geweest: hoe verschillende Congoleesche woorden in de taal van deze
+primitieve menschen waren gekomen en zelfs eenige Duitsche woorden,
+hoe zij wisten om te gaan met een draaiorgel, hoe zij sommige stukken
+gereedschap wisten te maken, hoe dus een zekere beschaving over hen
+gekomen was.
+
+Dit alles bespraken de twee vrienden met elkaar, toen zij na afloop
+van het feest in hunne hut waren teruggekeerd en toen riepen zij
+Khamis. Zij brachten hem van alles op de hoogte en toen zei Max Huber:
+
+"Maar nu begrijp ik niet, dat dokter Johausen geen verbazing heeft
+getoond over onze tegenwoordigheid in zijn dorp."
+
+"Ja, en ik kan niet begrijpen, waarom hij ons niet in zijn paleis
+ontboden heeft", voegde John Cort er bij.
+
+Hoe het zij, het stond vast, dat de geleerde, uitgegaan om tusschen
+apen te leven, terecht gekomen was tusschen een volk, dat reeds op
+den menschelijken ladder stond en tot dusver nog onbekend was. Hij
+had hun het praten niet behoeven te leeren, want dat konden zij
+reeds, hoogstens had hij hen wat Congoleesche en Duitsche woorden
+bijgebracht. En als geneesheer had hij hen ook nog zulke groote
+diensten kunnen bewijzen, dat hij populair was geworden en zij hem
+tot hunnen Koning hadden uitgeroepen.
+
+"Het is duidelijk wat wij thans te doen hebben", zei Max Huber,
+"ik wil aannemen, dat hij niet weet, dat wij hier zijn, dat onze
+tegenwoordigheid voor hem verzwegen is, zelfs dat hij ons daar straks
+niet heeft opgemerkt, maar dit alles is voor ons reden te meer,
+om hem in zijn paleis op te zoeken."
+
+"Ho, ho!" zei John Cort.
+
+"Ja zeker, en van avond nog; het volk aanbidt hem, het volk zal hem
+dus gehoorzamen en hij zal ons in vrijheid stellen en naar de grens
+van zijn land laten brengen.
+
+"En als hij dat weigert?"
+
+"Waarom zou hij dat weigeren?"
+
+"Welnu, als hij weigert", antwoordde Max Huber, "dan zal ik hem
+zeggen dat hij niet waard is over deze halve negerapen te regeeren,
+maar dat hij koning verdiende te zijn over stekelvarkens!"
+
+Maar hoe dit zij, het plan van Max Huber was wel waard eens overwogen
+te worden. De gelegenheid was gunstiger dan zij zich waarschijnlijk
+ooit zou voordoen. De Wagdies zouden half beschonken hunne roes
+uitslapen in hunne hutten, of wezenloos ronddwalen door het woud,
+zelfs de krijgslieden hadden door den drank het hoofd verloren,
+het koninklijk paleis zou minder streng bewaakt worden dan anders
+en het zou waarschijnlijk niet moeilijk zijn, tot in het vertrek van
+Mselo-Tala-Tala door te dringen.
+
+Nadat het plan ook de instemming verworven had van Khamis, wachtte
+men tot het wat later in den avond en de dronkenschap in het dorp
+nog wat algemeener zou zijn.
+
+Eindelijk, omstreeks negen uur, verlieten Max Huber, John Cort,
+Llanga en de voorlooper hunne hut. Het was stikdonker buiten, de
+laatste toortsen waren uitgebrand. In de verte, aan den anderen kant
+van het dorp, klonk verward rumoer.
+
+Onze vrienden, die vast voornemens waren om te ontvluchten,
+hetzij dan met of zonder de toestemming van Zijne Majesteit, hadden
+natuurlijk hunne karabijnen medegenomen en hunne zakken volgestopt
+met patronen. Werden zij tegengehouden of overvallen, dan zouden zij
+dus hunne vuurwapenen laten medespreken, een taal, die de Wagdies
+nog niet zouden kennen.
+
+Voorzichtig sloop het viertal voort tusschen de hutten, die meerendeels
+ledig bleken en op het plein gekomen, zagen zij dat ook dit geheel
+verlaten en stikdonker was.
+
+Alleen uit het venster van de koninklijke hut scheen licht.
+
+"Er is niemand", fluisterde John Cort.
+
+En inderdaad had Raggi met de soldaten zijn post verlaten en op dezen
+avond was de vorst niet goed bewaakt, indien er in de hut althans geen
+"kamerheeren van dienst" zouden zijn!
+
+Langzaam sloop Llanga vooruit en bevond, dat de deur geopend kon
+worden door er tegen aan te drukken. John Cort, Max Huber en Khamis
+voegden zich dadelijk bij hem en een paar minuten bleven zij scherp
+luisteren, gereed om in geval van nood dadelijk te vluchten.
+
+Maar noch in de hut, noch daar buiten werd eenig gerucht gehoord.
+
+Max Huber trad het eerst binnen, op den voet gevolgd door de anderen,
+die de deur achter zich sloten. De hut bleek te bestaan uit twee
+ineenloopende vertrekken. Het eerste was donker en er was niemand in;
+maar door de openstaande tusschendeur zag men een flauw lichtschijnsel
+en daar, op een divan tegen den achterwand, lag dokter Johausen.
+
+Blijkbaar was dit meubelstuk met enkele andere, die hier stonden,
+tegelijk met den eigenaar uit de getraliede kooi hierheen gebracht.
+
+Maar op het gerucht dat de bezoekers maakten, richtte de dokter zich
+half op en wendde hij zijn hoofd om.
+
+Werd hij juist uit een diepen slaap wakker? Het was waarschijnlijk,
+want hij scheen de tegenwoordigheid der vreemden niet goed op te
+merken.
+
+"Dokter Johausen", zei John Cort in het Duitsch, "mijne vrienden en
+ik komen Uwe Majesteit onze hulde betuigen..."
+
+De dokter gaf geen antwoord... Zou hij het niet begrepen hebben? Zou
+hij zijn eigen taal vergeten zijn, nu hij drie jaren te midden der
+Wagdies gewoond had?
+
+"Verstaat u mij?" hernam John Cort. "Wij zijn vreemden, die hier naar
+Ngala gevoerd zijn."
+
+Nog geen antwoord.
+
+Thans kwam Max Huber nader en schudde den Koning tamelijk oneerbiedig
+heen en weer.
+
+Als eenig antwoord trok Mselo-Tala-Tala een leelijk gezicht en ... stak
+zijn tong tegen de vreemden uit...
+
+"Zou hij gek zijn?" mompelde John Cort.
+
+"Dat zou ik meenen", antwoordde Max Huber.
+
+En ja, de ongelukkige geleerde was door zijn verblijf tusschen de
+Wagdies volslagen krankzinnig geworden. Maar juist dientengevolge
+was hij waarschijnlijk tot Koning uitgeroepen. Immers ook bij de
+Indianen van het verre Westen, bij de Australische wilden wordt een
+krankzinnige als een soort heilig wezen geëerd.
+
+Maar thans verklaarde het zich ook, waarom de Koning heel niet naar
+de vreemde bezoekers had omgezien, waarom hij hen bij zijn rondgang
+niet eens had opgemerkt!
+
+"Wij kunnen op zijn hulp niet rekenen bij onze vlucht", merkte Khamis
+zeer practisch op.
+
+"Neen, zeker niet", beaamde John Cort.
+
+"En die zwarte wilden zullen ons nooit goedwillig heen laten gaan",
+zei Max Huber. "Er is dus maar één ding: vluchten."
+
+"En wel dadelijk!" voegde Khamis er bij. "Kom mede, wij moeten de
+trap trachten te bereiken en het woud insnellen."
+
+"Alles goed en wel", zei Max Huber, "maar de dokter..."
+
+"De dokter?"
+
+"Wij kunnen hem zóó niet achterlaten, het is onze plicht hem te
+bevrijden..."
+
+"Maar als hij niet mee wil?" vroeg John Cort.
+
+"Dat zullen wij onderzoeken", hernam Max Huber.
+
+Men begrijpt, dat het niet gemakkelijk zou zijn den zwaarlijvigen
+Duitscher mede te slepen, daarom namen de drie mannen hem bij de armen
+en poogden hem op te beuren, maar met buitengewone kracht wierp hij
+hen van zich af.
+
+"Dokter Johausen!" riep John Cort nog eens en met nadruk, maar de
+ongelukkige gaf geenerlei blijk zich dien naam te herinneren.
+
+"Hij wilde tusschen de apen wonen en is zelf een aap geworden",
+zei Max Huber.
+
+Er bleef dus niets anders over dan te vluchten en haastig verlieten
+zij het vertrek en ijlden naar buiten.
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVIII.
+
+ONVERWACHTE ONTKNOOPING.
+
+
+Buiten was alles nog stil, maar het was zóó donker tusschen de takken,
+dat het zeer moeilijk viel den weg naar de trap te vinden.
+
+Eensklaps stond een Wagdie voor hen!
+
+Het was Lo-Mai met zijn kind. Het knaapje had de vreemden de
+koninklijke hut zien binnengaan en was zijn vader gaan waarschuwen. En
+de brave neger, bevreesd dat den vreemdelingen eenig kwaad overkomen
+kon, had hen dadelijk opgezocht en bood hun thans zijn hulp als
+gids aan.
+
+Gretig namen zij dit aanbod aan en zoo bereikten zij de trap, maar
+wie schetst hun schrik: de toegang werd bewaakt door Raggi en een
+dozijn krijgslieden.
+
+Zouden zij met hun vieren die overmacht kunnen verjagen?
+
+Max Huber achtte het oogenblik gekomen om van zijn karabijn gebruik
+te maken, maar dadelijk sprongen Raggi en twee zijner mannen op hem
+toe. De Franschman ging achterwaarts, legde aan, vuurde en midden in
+de borst getroffen, stortte Raggi dood neer.
+
+Blijkbaar kenden de Wagdies het gebruik en de uitwerking van
+vuurwapenen niet. Het geluid van het schot en het neervallen van Raggi
+veroorzaakten eene ontsteltenis bij hen, waarvan geen beschrijving
+is te geven. Allen vlogen weg, eenigen het dorp in, anderen, als apen
+zoo vlug, de trap af.
+
+De weg was dus vrij en onze vrienden lieten zich als het ware naar
+beneden glijden, liepen wat zij loopen konden in de richting der Rio
+en zoodra zij die bereikt hadden, maakten zij een der daar liggende
+kano's los en scheepten zich in met Lo-Mai en zijn kind, die bij hen
+gebleven waren.
+
+Maar op hetzelfde oogenblik werden aan alle kanten fakkels ontstoken
+en van alle zijden klonken luide kreten, terwijl een wolk van pijlen
+op de vluchtelingen werd afgezonden.
+
+"Er blijft niets anders over", riep John Cort, "vuur!"
+
+Twee schoten weerklonken, twee Wagdies stortten neder en de
+aanstormende wilden bleven een oogenblik verschrikt staan.
+
+Op hetzelfde oogenblik kwam de kano in het midden der rivier, de
+stroom voerde haar mee en zij verdween tusschen de zware boomstammen.
+
+
+
+Het is onnoodig den verderen tocht naar het Zuid-Westen, in alle
+bizonderheden te beschrijven. Den eerstvolgenden avond legde Khamis de
+kano aan een boomstam vast. Het was toen de 16e April, Lo-Mai en zijn
+kind bleven dien nacht nog bij de vreemden, maar toen den volgenden
+morgen de reis zou worden voortgezet gaf de neger te kennen, dat hij
+niet verder wilde meegaan. Hoe John Cort en Max Huber ook aandrongen,
+dat het tweetal hen vergezellen zou naar Libreville, niets baatte, er
+viel niets anders te doen dan afscheid te nemen van den braven man,
+die uit dankbaarheid wegens de redding van zijn kind, hun als gids
+zulk een onwaardeerbaren dienst bewezen had.
+
+Zoo ging de kano weder naar het midden der rivier, terwijl Lo-Mai
+en zijn zoontje aan den oever bleven staan, en wederzijds wuifde men
+elkander tot afscheid toe.
+
+Op den 21sten April werd de stroom sterker en bleek het dus, dat
+men de Oebanghi naderde; naar schatting waren driehonderd Kilometer
+sedert het vertrek uit Ngala afgelegd. En inderdaad, reeds den 26en
+bereikte men aan den rechteroever een klein dorpje, dat niet meer
+dan 900 Kilometer van Libreville bleek verwijderd te zijn.
+
+De voorlooper richtte hier dadelijk een karavaan in en bijna in rechte
+lijn voorttrekkende naar het Westen, kwamen John Cort, Max Huber,
+Khamis en Llanga den 20en Mei in de factory aan, waar zij door hunne
+vrienden, die hen reeds als verloren hadden beschouwd, met open armen
+werden ontvangen.
+
+En dokter Johausen?... En het negerdorp in de lucht?
+
+Ongetwijfeld zal vroeg of laat een expeditie in nadere aanraking
+komen met het onbekende volk in het diepste van het oerwoud. Mocht
+het gebeuren, dat zij den Duitschen geleerde dan weder naar Malmba
+terugbrengt, dan is het de vraag of hij niet zal terug verlangen naar
+den tijd, toen hij als Koning Mselo-Tala-Tala over dat primitieve
+volkje regeerde.
+
+
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+ 1. Na een langen marsch 1.
+ 2. De bewegende vuren 8.
+ 3. Verstrooid 19.
+ 4. Geen keuze 28.
+ 5. De eerste dagen in het woud 36.
+ 6. Altijd naar het Zuidwesten 43.
+ 7. De ledige kooi 50.
+ 8. Dokter Johausen 59.
+ 9. Op de Johausen-rivier 71.
+10. Ngora 79.
+11. De reis van den 19den Maart 84.
+12. Na de schipbreuk 91.
+13. Een dorp in de lucht 96.
+14. De wagdies 108.
+15. Drie weken studie 116.
+16. Zijne Majesteit Koning Mselo-Tala-Tala 127.
+17. Koning Johausen 140.
+18. Onverwachte ontknooping 151.
+
+
+
+
+
+
+
+LIJST DER PLATEN.
+
+
+"Max Huber en Llanga" (_Titelplaat_)
+"Het drietal zette den tocht voort" 5.
+"De lichten schenen thans wel vijftig en honderd voet boven den
+beganen grond" 9.
+"Toen kon hij de anderen behulpzaam zijn om tegen den stam op te
+klimmen" 13.
+"Daar weerklonk een schot" 21.
+"Het was een Inyala, een soort antilope" 25.
+"Had John Cort geen oogen genoeg om de prachtige plantenwereld
+te bewonderen" 29.
+"Toen hij eensklaps een hand op zijn schouder voelde" 37.
+"Max Huber legde dadelijk zijn karabijn aan" 41.
+"En riep luidkeels: de Rio! de Rio!" 45.
+"Na een poos ontdekten zij het tweetal, aan den linkeroever" 53.
+"En in die tralies was een deurtje" 57.
+"Daar de dokter zich verbeeldde, dat de apen niet ongevoelig
+zouden zijn voor de schoonheden der muziek" 61.
+"Er was nu een ijzeren pot, men kon dus een soort soep koken" 65.
+"Het duurde niet lang of een gulzige snoek beet aan en werd aan
+boord gehaald" 69.
+"Op de takken der boomen wemelde het van apen" 73.
+"Eenige oogenblikken verkeerden de reizigers in grooten angst" 77.
+"En staken hem hunne hand toe" 85.
+"De buffel scheen niet van plan om heen te gaan" 97.
+"Zij werden meegesleurd in de kolk" 101.
+"Hij poogde tusschen het bladerengewelf door, een stukje van den
+hemel te ontdekken" 105.
+"Er bleef niets anders over dan voort te loopen" 109.
+"Stond hij uit te kijken, of hij het licht nog niet zag
+verschijnen" 113.
+"Stonden in zekere regelmaat hutten van stroo" 117.
+"Vooraf gegaan door Li-Mai die Llanga bij de hand hield" 121.
+"Toen de beide schildwachten hem dreigend den weg versperden" 125.
+"Schoten zij de vogels met kleine pijltjes" 129.
+"Met bijlen gewapend, storten zij zich tusschen de troep" 133.
+"Het viel dadelijk op, dat zij zich bizonder hadden opgetooid" 137.
+"Ging achter het orgel staan en begon te draaien" 141.
+"En schudde den koning tamelijk oneerbiedig heen en weer" 145.
+"Twee schoten weerklonken" 149.
+"En wederzijds wuifde men elkander tot afscheid toe" 153.
+
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's In de Oer-wouden van Afrika, by Jules Verne
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IN DE OER-WOUDEN VAN AFRIKA ***
+
+***** This file should be named 18120-8.txt or 18120-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/8/1/2/18120/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+*** END: FULL LICENSE ***
+