diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 18120-8.txt | 4408 | ||||
| -rw-r--r-- | 18120-8.zip | bin | 0 -> 71690 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h.zip | bin | 0 -> 4829993 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/18120-h.htm | 5105 | ||||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 105238 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p000.jpg | bin | 0 -> 147424 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p005.jpg | bin | 0 -> 133526 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p009.jpg | bin | 0 -> 126585 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p013.jpg | bin | 0 -> 121065 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p021.jpg | bin | 0 -> 117286 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p025.jpg | bin | 0 -> 150732 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p029.jpg | bin | 0 -> 166456 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p037.jpg | bin | 0 -> 121277 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p041.jpg | bin | 0 -> 150149 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p045.jpg | bin | 0 -> 124713 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p053.jpg | bin | 0 -> 134116 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p057.jpg | bin | 0 -> 143863 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p061.jpg | bin | 0 -> 156882 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p065.jpg | bin | 0 -> 140350 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p069.jpg | bin | 0 -> 143673 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p073.jpg | bin | 0 -> 149892 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p077.jpg | bin | 0 -> 143132 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p085.jpg | bin | 0 -> 133555 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p097.jpg | bin | 0 -> 171543 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p101.jpg | bin | 0 -> 165193 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p105.jpg | bin | 0 -> 127998 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p109.jpg | bin | 0 -> 119779 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p113.jpg | bin | 0 -> 124929 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p117.jpg | bin | 0 -> 140720 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p121.jpg | bin | 0 -> 136449 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p125.jpg | bin | 0 -> 136579 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p129.jpg | bin | 0 -> 140130 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p133.jpg | bin | 0 -> 139597 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p137.jpg | bin | 0 -> 139181 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p141.jpg | bin | 0 -> 159281 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p145.jpg | bin | 0 -> 127805 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p149.jpg | bin | 0 -> 120740 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p153.jpg | bin | 0 -> 131321 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18120-h/images/p155.jpg | bin | 0 -> 58616 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
42 files changed, 9529 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/18120-8.txt b/18120-8.txt new file mode 100644 index 0000000..37148b7 --- /dev/null +++ b/18120-8.txt @@ -0,0 +1,4408 @@ +The Project Gutenberg EBook of In de Oer-wouden van Afrika, by Jules Verne + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: In de Oer-wouden van Afrika + +Author: Jules Verne + +Release Date: April 5, 2006 [EBook #18120] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IN DE OER-WOUDEN VAN AFRIKA *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + In de Oer-wouden van Afrika. + + Door + + Jules Verne. + + + Uitgevers-Maatschappij "Vivat", + Amsterdam. + + + + + + + + + +HOOFDSTUK I. + +NA EEN LANGEN MARSCH. + + +"En is er geen Amerikaansche Congo?" vroeg Max Huber. + +"Amerika heeft zelf land genoeg", antwoordde John Cort, "er valt nog +genoeg te ontginnen tusschen Alaska en Texas en men behoeft waarlijk +niet naar vreemde koloniën uit te zien, als men binnen eigen grenzen +nog zooveel te doen heeft, zou ik meenen." + +"En dus zullen de Amerikanen Afrika maar overlaten aan de Engelschen, +Duitschers, Hollanders, Portugeezen, Franschen, Italianen, Spanjaarden, +Belgen?" + +"De Amerikanen hebben er niets te doen", hernam John Cort, "evenmin +als de Russen, en om dezelfde reden." + +"En die is?" + +"Dat men niet ver loopt om datgene te halen, wat men thuis onder zijn +bereik heeft." + +"Nu, ik geloof toch, dat de Amerikaansche regeering op een +goeden dag haar deel zal komen eischen van die groote Afrikaansche +taart!" antwoordde Max Huber, "er is nu reeds een Fransch Congo, een +Belgisch Congo, een Duitsch Congo, zelfs een Onafhankelijke Congostaat, +en van al dat land, dat wij nu reeds drie maanden doorkruisen...." + +"Als touristen, Max, niet als veroveraars!" + +"Nu, van al dat land moet Amerika ook zijn deel nemen. Er zijn hier +vruchtbare streken, die slechts op ontginning wachten." + +"Onder die afschuwelijk brandende zon", voegde John Cort er bij, +terwijl hij zijn voorhoofd afwischte. + +"Ba, daar let ik niet meer op!" riep Max Huber, "ik ben reeds aan +het klimaat gewend en bijna een neger geworden!" + +"Bijna! Het scheelt nog veel voor wij met onze dunne huid op die +zwartjes lijken, gij als Franschman evenmin als ik als Amerikaan. Maar +toch hebben wij een belangwekkende reis gemaakt, Max, en het wordt +tijd dat wij naar Libreville terugkeeren om in de factorijen wat van +onzen drie-maandschen tocht te bekomen." + +"En toch heeft die reis mij niet opgeleverd wat ik er van verwacht +had." + +"Wat zegt gij daar, Max? Honderden mijlen zijn wij door geheel +onbekende landen getrokken, wij hebben onze geweren moeten gebruiken +tegen de assegaaien en pijlen van vijandige inlanders, wij hebben jacht +gemaakt op den Numidischen leeuw, zoowel als op den Lybischen panter, +wij hebben zooveel olifanten geschoten, dat van hunne slagtanden +toetsen kunnen gemaakt worden voor alle piano's ter wereld, en nog +ben je niet tevreden?" + +"Ja en neen, John. Alles wat gij daar opnoemt zijn de gewone +ontmoetingen van elken Afrikaanschen ontdekkingsreiziger. Lees +maar eens de reisbeschrijvingen van Barth, Burton, Speke, Grant, +du Chaillu, Livingstone, Stanley, Serpa Pinto, Anderson, Cameron, +Brazza, Wissmann en hoe al die dappere mannen meer mogen heeten." + +"En wat hadt gij dan wel op onze reis meenen te vinden?" vroeg +John Cort. + +"Iets buitengewoons, iets vreemds en zeldzaams." + +"Nu, de reis is nog niet achter den rug", hernam de Amerikaan; "het +zal nog wel vijf of zes weken aanhouden, eer wij in Libreville zijn." + +"Alsof ons dan nog iets kon overkomen, zooals wij nu reizen in dezen +wagen! Het lijkt waarlijk wel een tochtje met een diligence!" + +Kort daarop bleef de wagen staan bij een heuveltje, waarop een zestal +mooie boomen groeiden, de eenige in deze uitgestrekte vlakte. + +Het was zeven uur in den avond en daar op dezen achtsten +Noorderbreedtegraad de schemering slechts zeer kort duurt, zou de +nacht spoedig vallen. En dan zou het zeer donker zijn, want dikke +wolken pakten zich aan den hemel samen. + +De reiswagen, die alleen bestemd was voor het vervoer der reizigers en +dus geen koopwaren of proviand bevatte, rustte op een zwaar onderstel +met vier breede wielen en werd door zes ossen getrokken. Door een +schot was zij inwendig in twee kamertjes verdeeld; het achterste, +bestemd voor de twee jongelieden John Cort en Max Huber, zooals +wij reeds gehoord hebben een Amerikaan en een Franschman, het +voorgedeelte in gebruik bij een Portugeesch koopman, Urdax genaamd, +en den "voorlooper" Khamis. Deze voorlooper--de man, die steeds aan +het hoofd van de karavaan gaat--was een neger van Kameroen en volkomen +geschikt als gids door de brandend heete vlakten van Oebanghi. + +Drie maanden geleden was deze eenvoudige, maar zeer sterke reiswagen +uit Libreville, de hoofdstad van Fransch Congo, vertrokken. In +Oostelijke richting gaande, was zij op de vlakten van de Oebanghi +gekomen, die hunnen naam danken aan een der voornaamste rechter +zijstroomen van de Congo- of Zaïre-rivier. + +Deze streek strekt zich uit ten Oosten van Duitsch Kameroen, en +hare grenzen kunnen niet met nauwkeurigheid worden aangegeven. Zij +kenmerkt zich door een machtigen plantengroei en hier en daar, maar +op groote afstanden van elkander, liggen dorpen, waarvan de bewoners +onafgebroken met elkander strijd voeren en waarvan enkele, zooals +bijvoorbeeld de Mouboutou-negers, tusschen het Nijlbekken en de Congo, +menscheneters zijn. En het is afschuwelijk, maar meerendeels slachten +deze kannibalen kinderen, die in deze streek zoo weinig in tel zijn, +dat men ze als geld gebruikt en er koopwaren mede betaalt. De rijkste +neger is dan ook hij, die de meeste kinderen heeft! + +En al was de Portugees Urdax met zijn reisgenooten niet bepaald door +deze gevaarlijke streek gegaan, toch hadden zij af en toe ontmoetingen +met deze woeste Congo-negers gehad, die alleen door geweerschoten op +eenigen afstand konden gehouden worden. + +Dicht bij een dorp, nabij de bronnen van de Bahar-el-Abiad, hadden +John Cort en Max Huber echter gelegenheid gehad een kind te redden +van het vreeselijk lot dat hem dreigde en dit voor enkele snuisterijen +en kralen van de kannibalen afgekocht. + +Het was een knaap van tien jaren, gezond en sterk, uit wiens oogen +schranderheid sprak en die voor zijne redders groote aanhankelijkheid +aan den dag legde. De arme jongen, die aan zijn ouders en aan zijn +stam ontroofd was, heette Llanga en leefde sedert als aangenomen +kind van Max Huber en John Cort in de factorijen van Libreville, +waar hij alle gelegenheid had wat Fransch en Engelsch te leeren. + +Toen de wagen voor dien nacht halt hield, werden de ossen afgespannen +en de vermoeide dieren legden zich dadelijk neder. + +Het proviand en de buitgemaakte slagtanden waren toevertrouwd aan +de dragers, een vijftigtal Kameroen-negers, en op last van John +Cort werd onder de prachtige tamarindeboomen een soort kampement +ingericht. Van droge takken werden twee groote vuren aangelegd en +voorraad antilopenvleesch was rijkelijk aanwezig. Zoo kon een goede +maaltijd gehouden worden, zonder dat groot gevaar te duchten was, want, +zooals van zelf spreekt, bevatte de wagen voor het persoonlijk gebruik +der drie blanken een flink getal uitstekende vuurwapenen en ammunitie. + +Niettemin bepaalde de voorlooper, toen de karavaan zich ter ruste +zou leggen, dat eenige mannen beurtelings twee uren zouden waken, +hetgeen in deze streken altijd raadzaam is, zoowel tegen vier- als +tweebeenige aanvallers. + +Ten opzichte der veiligheid verzuimde Urdax dan ook geen enkelen +maatregel. Deze Portugees was een krachtig gebouwd man van omstreeks +vijftig jaren, die met de leiding eener karavaan ten volle vertrouwd +was, en in den voorlooper Khamis, een vijf en dertigjarige neger, zeer +vlug, zeer koelbloedig en zeer dapper, had hij een uitnemende hulp. + +Het was aan den voet van een der tamarindeboomen, dat de drie blanken +zich nederzetten voor het maal, dat door Llanga gebracht werd en +onder het eten werd de verdere tocht besproken. + +"Wij moeten nu Zuidwestelijk gaan", zei Urdax. + +"Ja, want ik geloof dat wij vlak Zuid een dicht woud voor ons hebben." + +"Ja, een zeer dicht, bijna ondoordringbaar woud", beaamde de Portugees; +"wilden wij het Oostelijk omtrekken, dan zouden daartoe maanden +noodig zijn. Maar Westelijk komen wij aan de Oebanghi, dicht bij de +stroomversnellingen van de Congo." + +"Maar zou het de reis niet bekorten als wij dwars door dat woud +trokken?" vroeg Max Huber. + +"Ja, het zou een paar weken uitsparen." + +"En waarom doen wij dat dan niet?" + +"Omdat het woud ondoordringbaar is." + +"Kom, dat geloof ik niet!" riep de jonge Franschman. + +"Ondoordringbaar misschien niet voor voetgangers", hernam de Portugees, +"hoewel ik daarvan ook nog niet eens zeker ben, maar voor wagens is +het zeker ondoenlijk." + +"En heeft nooit iemand beproefd dat woud door te trekken?" + +"Beproefd misschien wel, maar gelukt is het zeker niet en in Kameroen +zoowel als in den Congo zou ieder u zulk een onderneming afraden.--Het +is de vraag of men met de bijl of met vuur er een weg doorheen zou +kunnen maken en nu spreek ik nog niet eens van de reusachtige doode +boomen, die onoverkomelijke hinderpalen vormen." + +"Onoverkomelijk Urdax!" spotte de ongeloovige Max. + +"Komaan Max", zei John Cort, "denk toch niet aan zoo iets onzinnigs +en wees liever blij, dat wij zulk een woud kunnen omtrekken. Ik heb +geen lust mij in zulk een doolhof te wagen!" + +"Wie weet wat er in verborgen is!" + +"En wat zou er in verborgen zijn, Max? Onbekende rijken, betooverde +steden, vreemde dieren, olifanten met zes pooten of negers met drie +beenen?" + +"Best mogelijk", antwoordde Max Huber onverstoorbaar. + +"Hoe het zij", hernam Urdax, "ik ga met mijn wagen dat bosch niet in!" + +Hiermede was het gesprek geëindigd en besloot men te gaan +slapen. Llanga bracht dekens en goed daarin gewikkeld legden de twee +vrienden zich tusschen de wortels van een tamarindeboom, terwijl +Llanga zich als een waakhond aan hunne voeten uitstrekte. + +Urdax en Khamis maakten eerst nog een ronde om het kampement. Zij +wilden zich overtuigen, dat de ossen goed gekluisterd en de wakers op +hunnen post waren, dat elk vuur was gebluscht, want het kleinste vonkje +zou het droge gras en doode hout onmiddellijk in vlam zetten. En toen +zij alles in orde hadden bevonden, legden ook zij zich dicht bij de +wagen te slapen. + +De slaap liet niet lang op zich wachten, geen wonder trouwens na den +vermoeienden dagmarsch. Maar de wakers, sliepen die ook? Omstreeks +tien uur vertoonden zich allerlei verdachte lichtjes aan den zoom van +het groote woud, maar niemand kwam dit aan de leiders der karavaan +mededeelen. + + + + + +HOOFDSTUK II. + +DE BEWEGENDE VUREN. + + +De afstand tusschen het kampement en het donkere woud, waarbij nu +af en toe zulke geheimzinnige lichten verschenen, bedroeg omstreeks +twee kilometer. Soms schenen wel tien van die lichten tegelijk en zoo +fel, dat men wel haast moest aannemen, dat daar een kamp van negers +was. Maar daarvoor verspreidden die vuren zich te grillig en te veel +uit elkander. + +Een handelskaravaan zou echter zeker niet zoo onvoorzichtig zijn van +zulke groote vuren aan te leggen en daardoor haar tegenwoordigheid +te verraden. + +Intusschen bleef in het kamp der Europeanen alles in diepe rust en +zelfs de wakers bleken op hun post ingeslapen. Het was dan ook een +groot geluk, dat de kleine Llanga wakker werd. Hij wreef zijn oogen +eens uit, zag hij goed? Ja, hij vergiste zich niet, daar, aan den +rand van het woud, scheen licht! + +Toch wilde hij niet dadelijk zijn beide weldoeners wekken en daarom +sloop hij naar den wagen, schudde den voorlooper wakker en wees met +den vinger naar de lichtschijnsels aan den horizon. + +Khamis staarde een oogenblik zwijgend voor zich uit en riep toen +eensklaps: "Urdax!" + +"Wat is er?" vroeg de Portugees, die dadelijk wakker en overeind was. + +"Kijk eens!" + +Urdax zag de lichten en liet dadelijk de gansche karavaan op de been +brengen en zoodanig was iedereen onder den indruk van het dreigend +gevaar, dat niemand er aan dacht de wakers, die zoo slecht hadden +opgepast, te berispen. + +Het was omstreeks elf uur. De vlakte was voor drie vierde deel in +volkomen duister, maar in het Zuiden stegen allerlei grillige vlammen +op, thans soms wel vijftig tegelijk. + +"Een kamp van inboorlingen", zei Urdax. "Waarschijnlijk Boudjos, +die veel aan de oevers van de Congo en de Oubanghi komen." + +"Het zijn lichten, die door menschen verplaatst worden", merkte John +Cort op. + +"Maar dan moesten wij die menschen zien", antwoordde Max Huber. + +"Dat komt omdat zij achter den boschrand zijn", verklaarde Khamis. + +"Maar de vuren verplaatsen zich en komen toch weer op dezelfde plaats +terug", hernam Max Huber. + +"De plaats waar het kamp is", meende de voorlooper. + +"En wat denkt gij er van?" vroeg John Cort aan Urdax. + +"Dat wij aangevallen zullen worden", antwoordde de Portugees, +"en wij ons dus terstond op verdediging gereed moeten maken." + +"Maar waarom hebben die inboorlingen ons dan niet in stilte bekropen +en plotseling overvallen, zonder hunne tegenwoordigheid eerst zoo +duidelijk te verraden?" + +"Negers zijn geen blanken", hernam Urdax, "maar zij zijn daarom niet +minder te duchten door hun aantal en hunnen woesten inborst." + +De karavaan moest zich dus gereed houden voor eene verdediging op leven +en dood, want genade of lijfsbehoud was van deze negerstammen van de +Oebanghi niet te verwachten. Zij zijn inderdaad zeldzaam wreed, zelfs +de beruchte inboorlingen van de Salomons-eilanden, van de Hebriden +en van Nieuw-Guinea staan hierin bij deze negers achter. Maar in +het binnenland der door hen bewoonde streken vindt men uitsluitend +kannibalen-dorpen en de zendelingen, die uit edele roeping hier hun +leven wagen, weten dit zeer goed. Men zou bijna geneigd zijn deze +negers onder de dieren te rangschikken, roofdieren in menschengedaante, +te gevaarlijker, omdat zij op volwassen leeftijd nog zelfs niet het +verstand hebben van een zesjarig kind bij ons. Menschenoffers zijn bij +deze negers verre van zeldzaam, menig zendeling heeft er tegen wil +en dank getuige van moeten zijn. Slaven worden gedood bij het graf +van hunnen meester en het afgehouwen hoofd wordt met een buigzamen +tak weggeschoten, zoover als het vliegen wil. De kinderen worden, +zooals reeds gezegd is, tusschen hun tiende en zestiende jaar bij +sommige feestelijke gelegenheden geslacht, ja, verscheidene stamhoofden +voeden zich met geen ander vleesch. + +Natuurlijk zijn deze negers ook ware roovers. Vaak trekken zij mijlen +ver om een karavaan te overvallen, de begeleiders met hunne assegaaien +af te maken en de wagens te plunderen. Wel zijn zij slechter gewapend +dan de kooplieden, maar zij winnen het van deze verre in aantal en +tegen een paar duizend negers vermogen vijftig of honderd dragers +niet veel. + +De voorloopers kennen dit gevaar dan ook zeer goed en hun grootste +zorg is, er voor te waken, dat de karavaan niet terecht komt bij +zulke dorpen, als Ngombé Dara, Kalaka Taimo en andere in de streek +van de Aoukadepé en van de Bahar-el-Abiad, waar de zendelingen tot +dusver niet doorgedrongen zijn. + +Tot dusver had de karavaan elke aanraking met vijandige stammen weten +te vermijden, de voorlooper had als goede gids haar ver gelaten van +alle gevaarlijke streken. En de terugtocht beloofde evenzoo volkomen +veilig te geschieden. Als men Westelijk het groote woud zou omgetrokken +zijn, kwam men aan den rechteroever van de Oebanghi en langs die rivier +zou men voorttrekken tot waar zij in de Congo uitmondt. Hier is een +streek die druk bereisd wordt door kooplieden en zendelingen, en de +gevaarlijke stammen zijn van hier meer en meer naar de verwijderde +streken van Darfoer verdrongen. + +En zou de karavaan, op enkele dagreizen van de rivier verwijderd, +nog de prooi moeten worden van die roofzieke benden? Er bestond alle +vrees voor. Maar in elk geval zou men zich niet zoo maar goedsmoeds +overgeven en op aanwijzing van Urdax begon men dan ook alles voor de +verdediging gereed te maken. + +Zonder dralen werden Urdax, de voorlooper, John Cort en Max Huber +gewapend, de karabijn in de hand, revolvers in den gordel, de +patroontasch goed voorzien. In den wagen bleef nog een half dozijn +geweren en pistolen over, die gegeven werden aan enkele dragers, +op wier trouw men vast kon rekenen. + +Daarop gaf Urdax last dat men post zou vatten tusschen en achter de +groote tamarindeboomen, om beter beschut te zijn tegen de pijlen, +wier vergiftigde punt doodelijke wonden veroorzaakt. En zoo bleef men +wachten. Geen geluid werd gehoord; de vijand scheen nog niet dichter +bij te zijn gekomen, de vuren bleven met tusschenpoozen schijnen en +deden een geelachtigen rook opstijgen. + +"Ik begrijp niet, hoe zij zooveel licht maken, als zij plan hebben +ons aan te vallen!" zei Max Huber. + +"En ik begrijp het evenmin, als zij geen vijandelijke bedoelingen +hebben", antwoordde John Cort. + +Het was inderdaad vreemd, maar wat kon men verwachten van die woeste +stammen van de Boven-Oebanghi? + +Een half uur verstreek, zonder dat er eenige verandering in den +toestand kwam. Tusschen het kampement en de vuren scheen de vlakte +werkelijk volkomen eenzaam. + +Eindelijk, tegen elf uur, zei Max Huber: "Het gaat zoo niet langer, +wij moeten den vijand verkennen!" + +"Zou dat niet onvoorzichtig zijn?" vroeg John Cort. "Laten wij liever +eene afwachtende houding aannemen tot de dag aanbreekt." + +"Nog langer wachten?" hernam Max Huber, "nog zes uren minstens hier +staan blijven met het geweer in de hand? Neen, wij moeten weten waaraan +wij ons te houden hebben! Als die negers geen kwaad in den zin hebben, +dan ga ik weer lekker tusschen die tamarindewortels liggen, waar ik +straks zoo heerlijk sliep!" + +"Wat denkt gij er van?" vroeg John Cort aan Urdax. + +"Het denkbeeld is niet slecht", antwoordde deze, "maar de grootste +voorzichtigheid moet er bij in acht genomen worden." + +"Ik zelf zal gaan", hernam Max Huber, "en ik zal voorzichtig zijn." + +"En ik ga mee", zei de voorlooper. + +"En ik", zei John Cort. + +"Neen, twee is genoeg", hernam Max, "wij gaan bovendien niet verder +dan strikt noodig is, en als wij iets verdachts zien, zullen wij +onmiddellijk terugkeren om dat te melden." + +"Zijn uwe wapens goed in orde?" + +"Ja, maar wij zullen ze wel niet noodig hebben, de hoofdzaak is, +dat wij ons niet laten zien." + +"Juist", zei Urdax. + +Zoo ging Max Huber met den voorlooper op weg en weldra hadden zij den +heuvel met de tamarindeboomen achter zich. Hier in het vrije veld +was het iets minder duister, maar op verderen afstand dan honderd +schreden zou toch geen mensch te onderscheiden zijn. + +Het tweetal was voorzichtig een vijftig pas voortgegaan, toen zij +eensklaps Llanga achter hen bespeurden. Zonder een woord te spreken +was de negerknaap hen gevolgd. + +"Hoe durft gij?" vroeg Max Huber vertoornd; "ga onmiddellijk terug!" + +"O mijnheer, laat mij bij u blijven", smeekte Llanga + +"En uw vriend John dan, die daar ginds is?" + +"Ja, die is daar, maar mijn vriend Max is hier!" antwoordde de +negerknaap zeer ter snede. + +"Maar wij hebben je niet noodig", zei Khamis barsch. + +"Kom, laat hem maar meegaan", hernam Max Huber. "Hij zal ons niet +hinderen en met zijn kattenoogen ontdekt hij misschien iets, wat wij +niet kunnen zien." + +"Ja, ik zal goed uitkijken!" verzekerde Llanga. + +"Goed, blijf dan dicht bij mij!" + +Het drietal zette den tocht voort en een kwartier later waren zij een +kilometer van het kampement verwijderd en scheidde diezelfde afstand +hen nog van den zoom van het groote woud. + +De vuren brandden altijd nog en hun schijnsel was nu veel helderder, +maar noch de kattenoogen van Llanga, noch de voortreffelijke +veldkijker van Max Huber konden de wezens, die deze vuren onderhielden, +zien. Urdax scheen dus gelijk te hebben, dat de negers zich achter de +zware stammen en het dichte gebladerte schuil hielden. Zij waren dus +nog niet buiten het woud gekomen en hadden misschien niet eens plan, +dit te doen. + +Het werd werkelijk hoe langer hoe onbegrijpelijker. Als het eenvoudig +het nachtleger was van rondtrekkende zwarten, waartoe diende dan +die illuminatie? Of zouden zij wellicht de een of andere nachtelijke +plechtigheid vieren? + +"Misschien hebben zij onze karavaan niet eens bespeurd", zei Max Huber. + +"Maar dan zien zij haar toch bij het aanbreken van den dag", antwoordde +de voorlooper. + +"Als wij dan ten minste niet weg zijn, Khamis." + +Nog een halven kilometer liepen zij voort en waren toen het woud tot +op een paar honderd schreden genaderd. Nog was niets verdachts te +bespeuren, geen menschelijk wezen vertoonde zich. + +"Zullen wij nog verder gaan?" vroeg Max Huber. + +"Waartoe?" hernam Khamis; "het zou onvoorzichtig zijn. Best mogelijk +dat zij onze karavaan niet eens bespeurd hebben en wij kunnen van +nacht nog wegtrekken." + +Zij slopen voorzichtig nog een klein eind voort, toen de voorlooper +plotseling fluisterde: + +"Pas op, geen stap verder!" + +Wat was er gebeurd? De vuren waren eensklaps verdwenen. Onbeweeglijk +bleef het drietal staan, dikke duisternis omgaf hen, maar daar lichtten +eensklaps weder een twintigtal vuren op. + +"Te drommel, het is een vreemde historie", mompelde Max Huber. + +En dat was het inderdaad, want de lichten schenen thans wel vijftig +en honderd voet boven den beganen grond! + +Wat voor wezens konden vuren aansteken, eerst op de vlakte, daarna +op de hoogere en lagere takken der boomen? + +"Het zijn toch geen dwaallichtjes", mompelde Max. + +"Wij moeten terug", raadde de voorlooper, "ik geloof niet dat ons +kamp van nacht zal worden aangevallen en wij moeten de anderen gerust +gaan stellen." + +"Wij kunnen dat beter doen, als wij hen tegelijkertijd kunnen +meedeelen, wat die geheimzinnige lichtschijnsels eigenlijk zijn." + +"Neen, mijnheer Max, wij moeten ons niet verder wagen. Er is geen +twijfel, of daar ginds is een troep rondzwervende negers. Misschien +ontsteken zij die vuren, om de roofdieren van zich af te houden." + +"Roofdieren!" riep Max Huber, "panters en hyena's, of zelfs wilde +buffels zouden wij moeten hooren brullen en het eenige geluid dat ik +hoor, is het geknetter van brandend hout. Neen, ik wil het weten...." + +En Max Huber ging weder verder, op den voet gevolgd door Llanga. + +De voorlooper wist niet wat hij doen moest met dien ongeduldigen +Franschman, maar begrijpende, dat hij hem toch niet alleen kon laten, +besloot hij hem te vergezellen tot aan den rand van het woud, hoewel +hij dit, zooals hij ronduit verklaarde, een verregaande roekeloosheid +vond. + +Eensklaps bleef hij staan en Max en Llanga deden hetzelfde en keerden +zich om. De lichtschijnsels trokken hunne aandacht niet meer, zij +waren eensklaps als uitgeblazen en weder heerschte diepe duisternis +om hen heen. + +Maar van den anderen kant klonk een dof geloei, een angstaanjagend +geluid als van een naderenden stormwind.... + +"Wat is dat, Khamis?" riep Max Huber. + +"Terug! Terug! Naar het kamp! Er is geen oogenblik te +verliezen! Terug!" + + + + + +HOOFDSTUK III. + +VERSTROOID. + + +Max Huber, Llanga en Khamis hadden geen tien minuten noodig om +de vijftienhonderd meter, die hen van het kampement scheidden, te +doorloopen. Zij hadden zelfs geen oogenblik omgezien, het deerde +hun niet, of de negers, na hunne vuren te hebben uitgedoofd, hen +misschien achtervolgden--- + +Toen het drietal in het kampement terugkwam, vonden zij dit in groote +ongerustheid, in vrees voor een onbekend gevaar, waartegen moed en +tegenwoordigheid van geest niets vermogen. Vluchten was het eenige. + +"Een kudde olifanten!" riep de voorlooper, buiten adem, Urdax toe. + +"Ja, en in een kwartier zullen zij hier zijn en ons vermorseld hebben", +antwoordde deze. + +"Wij moeten naar het woud", meende John Cort. + +"Dat zal hen niet tegenhouden!" zei Khamis. + +"En de inboorlingen?" + +"Wij hebben er geen gezien", antwoordde Max Huber. + +"En toch zijn zij niet buiten het woud getrokken." + +"Neen, dat zeker niet." + +Verder op de vlakte, nog een halve mijl ver ongeveer, kon men een +dichte massa van zwarte schaduwen zien. Een dof gerommel vervulde +de lucht en de bodem deinde zelfs op en neer, zoodat de stammen der +tamarindeboomen bewogen. En af en toe weerklonk een snerpend geluid, +als een schril trompetten. + +Afrika-reizigers hebben dit geluid zeer juist vergeleken met dat, +hetwelk een trein artillerie maakt, die in vollen draf over het +slagveld rijdt. Schrikkelijk was het, te denken aan het gevaar, dat +de karavaan bedreigde, van verpletterd te worden onder de pooten van +die honderden olifanten! + +De jacht op deze reusachtige dieren is hoogst gevaarlijk. Alleen +wanneer het gelukt enkele van de kudde af te scheiden, kan men het +wagen den olifant door een schot, dat precies tusschen het oog en +het oor treffen moet, te dooden. Maar tegen een kudde, zelfs tegen +een tiental olifanten, is elke weerstand nutteloos en zelfs onmogelijk. + +En toch is deze diersoort aan het uitsterven. Daar elke olifant +gemiddeld voor eene waarde van vijftig gulden aan ivoor oplevert, +wordt er hardnekkig jacht op gemaakt. Volgens berekening worden +alleen in Afrika jaarlijks niet minder dan veertig duizend gedood, +die zeven honderd vijftig duizend kilogram ivoor opleveren, welke naar +Engeland verzonden worden. Maar eer een halve eeuw verstreken is, +zal er op Afrika's bodem geen olifant meer zijn. Het ware inderdaad +verstandiger, deze verstandige dieren te temmen, zij kunnen de vracht +dragen van twee en dertig man en viermaal grooteren weg afleggen. En +een tamme olifant is achthonderd à duizend gulden waard, tegenover +de vijftig gulden, die hunne slagtanden opbrengen. + +De Afrikaansche olifant vormt met den Aziatischen de twee eenige +nog bestaande soorten. De Afrikaansche olifant is iets kleiner dan +de Aziatische, zijn huid is iets bruinachtiger, zijn ooren zijn +belangrijk grooter en zijn slagtanden veel langer. Ook is hij veel +woester en gevaarlijker van aard. + +In de streken van de Oebanghi komt de olifant nog veelvuldig voor, +daar hij hier bij uitstek het plantaardig voedsel vindt, dat hij +verlangt. En Urdax, die in hoofdzaak was uitgetrokken om ivoor te +verzamelen, had dan ook rijken buit gemaakt. En thans op de terugreis +bedreigde hem eensklaps zoo groot gevaar! + +Wat kon men tegen zulk een bestorming doen? Van het heele kampement zou +weldra niets dan wat splinters hout over zijn! Het eenige redmiddel +was, zich over de vlakte te verstrooien, want men moet wel bedenken, +dat de olifant minstens even hard loopt als een paard in galop! + +"Wij moeten vluchten!" riep de voorlooper. + +"Vluchten?" herhaalde Urdax, en hij bedacht hoe hij dan alles +verliezen zou, wat hij op zijn langen tocht met zooveel moeite en +gevaren verworven had. + +"En waarheen moeten wij vluchten?" vroeg Max Huber. + +"Naar het woud." + +"En de negers?" + +"Daar is minder gevaar dan hier", hernam Khamis. + +Was dit werkelijk zoo? Niemand wist het, maar hier blijven kon men +in elk geval ook niet; de eenige kans om niet vermorseld te worden +onder de hoeven der aanstormende olifanten was een schuilplaats te +zoeken in het bosch. + +Maar zou daar tijd voor zijn? Twee kilometer ver moest men, en de +kudde was hoogstens tot op één kilometer genaderd! + +Urdax stond besluiteloos. + +"Laten wij den wagen naar den anderen kant van den heuvel brengen", +zei hij ten laatste, "misschien zijn wij daar veilig." + +"Te laat", merkte de voorlooper op. + +"Doe wat ik je zeg", herhaalde Urdax zenuwachtig en driftig. + +"Maar hoe kan ik dat?" herhaalde Khamis, en hij had inderdaad wel +recht tot die vraag, want de trekossen waren in doodsangst gevlucht +en holden helaas, juist in de richting van de olifanten, die hen als +vliegen zouden vertrappen. + +Toen Urdax dit zag riep hij: + +"Alle dragers, hier!" + +"De dragers", herhaalde Khamis, "die vluchten ook!" + +"De lafaards!" riep John Cort. + +En inderdaad, al de negers snelden weg, deze met een baal goed, gene +met een paar slagtanden; niet alleen als lafaards, maar ook als dieven +verlieten zij hunnen meester! + +Op hen viel niet meer te rekenen, zij zouden niet terugkomen, maar +wel een onderkomen vinden in de naburige negerdorpen. Van heel de +karavaan bleven alleen over de Portugees, de voorlooper, Max Huber, +John Cort en de negerjongen Llanga. + +"De wagen! De wagen!" bleef Urdax roepen, en met groote moeite gelukte +het werkelijk aan het vijftal om het zware voertuig tusschen de boomen +te krijgen. Misschien zou het daar veilig zijn, als de troep olifanten +zich ten minste bij het boschje tamarindeboomen in tweeën splitste. + +Maar toen de wagen daar eindelijk stond, bleef aan de menschen geen +andere schuilplaats over dan de boomen. + +Eerst gingen Max Huber en John Cort nog in den wagen en namen alle +patronen mede, terwijl zij den voorlooper nog een flinke bijl als +wapen gaven. + +"Het zal ons wat baten", mompelde Max Huber zenuwachtig, "alleen +kanonnen zouden hier hulp kunnen verleenen!" + +Khamis was eigenlijk de eenige, die zijn koelbloedigheid bewaarde. Hij +had twee revolvers in zijn gordel, de karabijn in de hand en wachtte, +wat gebeuren zou. Urdax raasde en tierde over het verlies zijner +goederen en scheen aan het dreigend gevaar weinig te denken. Llanga +toonde wel is waar geen vrees, maar volgde Max Huber op den voet. + +En onderwijl werd het gerommel, het gedreun van den bodem steeds +sterker, steeds vreesaanjagender. De olifanten waren nu nog een +vierhonderd schreden ver en in het halfduister namen hunne vormen +een onnatuurlijken, beangstigenden omvang aan. + +Werkelijk, het werd tijd, dat de mannen, op lijfsbehoud bedacht, een +schuilplaats zochten tusschen de takken der tamarinden. Sterke boomen +waren het, hunne stam meette aan den voet wel twee meter in omtrek, +maar zouden zij den schok van zulk een aanstormende troep olifanten +kunnen weerstaan? + +De eerste takken waren dertig voet boven den grond en dus moeilijk +te bereiken geweest, indien Khamis niet gedacht had aan zijn +"sjamboks". Dit zijn riemen van neushoornhuid, waarvan hij eenige aan +elkaar gebonden over den laagsten tak wist te werpen en met behulp +daarvan kon hij zich ophijschen. Toen kon hij de anderen gemakkelijk +behulpzaam zijn om evenzoo tegen den stam op te klimmen en zoo waren +allen weldra tusschen de takken verscholen. + +"Wel Max, zijt gij nu tevreden?" vroeg John Cort spottend. + +"Waarover, dit is nog niet zooveel bizonders." + +"Neen, maar wel zal het iets bizonders zijn, als wij behouden en wel +uit dit avontuur terugkomen", hernam de Amerikaan. + +Op hetzelfde oogenblik kwam de olifantentroep als een wervelwind +aanstormen, tusschen en langs de boomen en de sterke reiswagen was +in een oogwenk omver geworpen, verbrijzeld, versplinterd, als een +stuk kinderspeelgoed! + +Daar weerklonk een schot! Urdax, woedend over het verlies zijner +bezittingen, wilde althans een der olifanten daarvoor straffen. En Max, +John Cort en de voorlooper volgden weldra zijn voorbeeld. + +Of de kogels doel getroffen hadden, was niet te zeggen, van mikken +kon geen sprake zijn, men moest maar in de dichte massa vuren. En +wat zou het gebaat hebben, al was elke kogel doodelijk geweest, +wat beteekenden vier olifanten minder op zulk een troep? + +Zij bewogen den grond met zulk een kracht, doorwoelden den bodem +met zulk een heftigheid, dat de zwaar gewortelde tamarinden er van +schudden. Weder klonken schoten, twee ditmaal, van Urdax en den +voorlooper. Max Huber en de Amerikaan zagen het nuttelooze van dit +schieten in en achtten het beter hun kruit en kogels te sparen. + +Daar gebeurde eensklaps iets verschrikkelijks! De boom, door tal van +woedende olifanten omringd, schudde geweldig en eer men het verhoeden +kon, was de Portugees ter aarde gestort. Een enkele gil weerklonk en +toen was alles stil. + +"De ongelukkige!" riep John Cort. + +"Aanstonds onze beurt!" antwoordde Khamis. + +Wat moesten zij beginnen? Het schrikkelijk lot van Urdax, onder +de pooten der olifanten verpletterd te worden, stond ook hun te +wachten. De boom zou weldra moeten vallen, konden zij er vóór dien +tijd nog uitkomen? Maar zelfs dan, zouden zij den tijd hebben aan +de olifanten te ontsnappen? Zouden zij het woud kunnen bereiken? En +bood dit zelfs wel veiligheid aan? Daar waren immers de inboorlingen, +niet minder gevaarlijk dan deze monsterdieren! + +De boom schudde zoo geweldig, dat Max Huber met zijn linkerhand Llanga +vastgreep, terwijl hij met zijn rechterarm den stam omklemde. En +werkelijk, daar lieten de wortels los en de boom neigde ter aarde, +zonder met een geweldigen slag neer te komen. + +De ongelukkigen waren onmiddellijk op de been en snelden zoo hard zij +konden, in de richting van het woud. Maar nog hadden zij geen halven +mijl afgelegd, of een tiental olifanten begon hen te volgen. + +"Moed, moed, volhouden!" hijgde John Cort. + +Nog een mijl verder kwamen zij, zonder dat de olifanten merkbaar +wonnen maar toen waren zij ook uitgeput. + +Het woud kon nog maar een honderd schreden ver zijn, en daar zouden +de vluchtelingen wellicht veilig wezen, want de olifanten konden met +hun reusachtige lichamen daar niet gemakkelijk doordringen. + +Zij spanden hunne laatste krachten in, daar was reeds de rand van +het bosch, de boomen stonden zoo dicht op elkaar, dat zij bijna geen +doorgang verleenden; nog enkele schreden en buiten adem stortte het +viertal op den met allerlei planten bedekten bodem neder! + + + + + +HOOFDSTUK IV. + +GEEN KEUZE! + + +Het was toen bijna middernacht. De vluchtelingen waren thans voor +de olifanten veilig, maar zouden minstens zes uren in deze dichte +duisternis moeten doorbrengen! Zes lange uren van gevaar en angst! + +"Wij moeten wakker blijven", fluisterde Khamis, zoodra hij wat op +adem gekomen was. + +"Ja", antwoordde John Cort, even zacht, "wij moeten ons gereed houden +op een aanval van de inboorlingen. Zij zullen niet ver af zijn, want +hier hebben zij gekampeerd, hier heeft hun vuur gebrand, en kijk, +daar gloeien zelfs nog enkele stukken hout!" + +"Nu, ik geloof, dat zij ver weg zijn", hernam de onbezorgde Max Huber, +"maar hoe het zij, ik ben dood van den slaap. Kom aan, Llanga, ga +ook liggen. Ik ga slapen, wel te rusten!" + +John Cort haalde de schouders op en bleef met Khamis praten. Zij +hadden het natuurlijk over den ongelukkigen Portugees, die zulk een +vreeselijk einde gevonden had. + +"Hij had het hoofd verloren!" zei de voorlooper, "nu hij zag hoe die +lafhartige dragers al zijn bezittingen roofden!" + +"Arme kerel!" zei John Cort en dit waren zijn twee laatste woorden, +want door vermoeienis overmand, strekte ook hij zich op het gras uit +en was weldra in diepen slaap. + +Zoo bleef Khamis alleen waken. Hij luisterde naar elk geluid, poogde +de duisternis met zijn oogen te doorboren, maar hij hoorde of zag +niets en zoo bleef hij op zijn post tot de ochtend begon te grauwen. + + + +Onze lezers zullen wel reeds hebben opgemerkt, welk onderscheid er +in karakter tusschen Max Huber en zijn vriend den Amerikaan bestond. + +John Cort was ernstig van aard en zeer practisch, wat hij met de +meeste zijner landgenooten gemeen had. Hij was in Boston geboren +en dus een echte Yankee, maar had van de Yankees alleen de goede +eigenschappen. Hij voelde zich bij uitstek aangetrokken tot de studie +der volkenkunde en had als ontdekkingsreiziger meermalen grooten moed +aan den dag gelegd. + +Max Huber was een echte Parijzenaar, vroolijk, luchthartig, edelmoedig +en dapper, maar altijd verlangend naar iets "bizonders", zoodat hij +zich niet zelden in groote gevaren zou hebben gestoken, als zijn +voorzichtiger vriend hem niet weerhouden had; en dit was sedert hun +vertrek uit Libreville meer dan eenmaal het geval geweest. + +Libreville is de hoofdstad van Fransch-Congo en van de Gabon en in 1849 +op den rechteroever dezer rivier gesticht. Op het oogenblik telt zij +ongeveer 1600 inwoners. Er woont een gouverneur, er is een hospitaal, +een zendingshuis, maar buiten eenige factorijen en kolenparken biedt +de stad verder niets bizonders aan. Drie mijlen verder ligt het dorp +Glass, waar vooral Duitsche, Engelsche en Amerikaansche factorijen +gevestigd zijn. + +En hier hadden Max Huber en John Cort elkander zes jaar geleden leeren +kennen en een innige vriendschap gesloten. Zij waren beiden werkzaam +in de Amerikaansche factorij, die belangrijken handel dreef in ivoor, +oliën, palmwijn, en inlandsche vruchten. + +Drie maanden te voren hadden de twee vrienden het plan opgevat, de +streek te bezoeken, die zich Oostelijk van Fransch-Congo en Cameroen +uitstrekt. Zij waren hartstochtelijke jagers en sloten zich gaarne aan +bij een karavaan, die toen juist uit Libreville naar die streken zou +trekken, waar het nog van olifanten wemelt, voorbij Bahar-el-Abiad +tot aan Barghimi en Darfoer. Die karavaan stond onder bevel van den +Portugees Urdax, welke reeds in 1887 deel uitmaakte van de Vereeniging +van Olifantenjagers, waarvan Stanley bij zijn komst in Ipoto eenige +zou ontmoeten. + +En aanvankelijk was de tocht met deze karavaan, zooals wij gezien +hebben, zeer voorspoedig. Max Huber en John Cort, die reeds goed aan +het klimaat waren gewend, verdroegen alle vermoeienissen van zulk een +tocht, zij werden wel wat magerder, maar bleven goed gezond en zoo +zouden zij behouden zijn teruggekeerd, als thans die schrikkelijke +ramp niet over hen gekomen was! Het hoofd van de karavaan had zulk een +vreeselijk einde gevonden, terwijl zij nog slechts een zestienhonderd +mijlen van Libreville verwijderd waren! + +Hoe dikwijls had Urdax hen niet over "het groote bosch" gesproken, dat +woud van Oebanghi, waarin zij thans waren. En inderdaad, het verdiende +den naam van groot ten volle! Er zijn op de aarde nog enkele streken, +bezet met duizenden boomen, streken zóó uitgestrekt, dat menig rijk +in Europa minder oppervlakte heeft! + +Onder de uitgestrekte wouden der aarde worden vooral vier genoemd, +die gelegen zijn in Noord-Amerika, in Zuid-Amerika, in Aziatisch +Siberië en in Midden-Afrika. + +Het eerste, dat zich in Noordelijke richting uitstrekt tot aan de +Hudsonbaai en het schiereiland Labrador, beslaat over de districten +Quebec en Ontario ten Noorden van de Sint Laurens-rivier eene +oppervlakte ter lengte van 2750 en ter breedte van 1600 K.M. + +Het tweede strekt zich in de Amazonevallei in Noord-Westelijk Brazilië +uit over 3300 K.M. lengte en 2000 K.M. breedte. + +Het derde, 4800 K.M. bij 2700 K.M., bedekt met zijn reusachtige +pijnboomen van 150 voet hoogte, een gedeelte van Siberië, van de +Obivlakte in het Westen tot de Indighiska vallei in het Oosten. + +Het vierde eindelijk--waarover wij het in deze bladzijden meer +bepaaldelijk hebben--strekt zich uit van de Congo-vallei tot aan de +bronnen van den Nijl en de Zambesi, over een oppervlakte, die nog +niet nauwkeurig gemeten is, maar waarschijnlijk de drie hiervoor +genoemden nog overtreft. + +Zooals wij mededeelden, had Urdax zich niet in dit woud durven wagen, +maar het plan gehad het Westelijk om te trekken. Hoe had ook de wagen +met zijn zes ossen in dezen doolhof vooruit kunnen komen? + +Maar thans waren de omstandigheden geheel veranderd; geen wagen +meer, geen ossen meer, geen groote sleep van dragers, geen +kampgoederen. Niets was van de karavaan over dan drie mannen en +een knaap, die hier, vierhonderd mijlen in het binnenland, van elk +vervoermiddel verstoken waren! + +Wat moesten zij doen? Den weg nemen, dien Urdax had willen volgen, +maar dan onder veel ongunstiger omstandigheden? Of trachten te voet +het woud dwars door te trekken? + +Dit was het onderwerp, dat Max Huber en John Cort den volgenden morgen +direct bespraken. + +Heel den nacht had de brave voorlooper de wacht gehouden, maar niets +had de rust der slapenden verstoord. Wel was hij meer dan eens met de +revolver in de hand, een vijftig schreden ver door het kreupelhout +geslopen, als hij eenig geluid had gehoord, maar dat bleek dan het +kraken te zijn van doode takken, of de vleugelslag van een of anderen +grooten nachtvogel. + +Zoodra John Cort bij het krieken van den dag de oogen opende, had +hij Khamis gevraagd: + +"En de inboorlingen?" + +"En zouden zij geen sporen van hun doortocht hebben achtergelaten?" + +"Wel waarschijnlijk, aan den zoom van het woud, mijnheer John." + +"Laten wij dan gaan zien." + +Alle vier slopen voorzichtig door het struikgewas tot aan den rand +van het bosch en inderdaad, hier waren nog overblijfselen te zien +van verscheidene vuren, maar van menschen geen spoor. + +"Zij zijn weg", zei John Cort. + +"Ten minste voor het oogenblik", antwoordde Khamis, "maar anderen +zijn er nog: de olifanten." + +Inderdaad dwaalden nog verscheidene dezer dikhuiden over de vlakte rond +en Max Huber en zijn genooten konden zien, hoe het tamarindeboschje +bij den heuvel, waar zij gekampeerd hadden, geheel met den grond +gelijk gemaakt was. + +"Wij moeten ons schuil houden", zei Max, "dan zullen de olifanten ten +laatste wel wegtrekken en hebben wij kans naar het kamp terug te gaan +en nog iets te redden, wat kisten met proviand en ammunitie." + +"En kunnen wij tevens onzen ongelukkigen Urdax een behoorlijke +begrafenis geven", voegde John Cort er bij. + +"Zoolang de olifanten hier blijven ronddwalen, valt daaraan niet te +denken", zei Khamis, "en van de bagage zal bovendien wel alles in +gruizelementen zijn." + +Het viertal ging dus weder terug, het woud in, en Max Huber was zoo +gelukkig, onder weg een stuk wild te schieten, waaraan het gezelschap +wel genoeg voedsel zou hebben voor drie dagen. + +Het was een Inyala, een soort antilope, grijs met bruine stippels, +met spiraalvormig gedraaide horens en lange haren onder den hals en +borst. Het dier woog meer dan tweehonderd vijftig pond, en Llanga, +die als een jachthond er op toegeloopen was, kon er dus niets mede +beginnen. Maar Khamis kwam hem te hulp. Zeer handig stroopte hij het +dier en sneed de bruikbare stukken af, die boven een weldra aangelegd +vuur geroosterd werden. Blikjes levensmiddelen en beschuit hadden +onze vrienden niet meer; zonder twijfel hadden de dragers al deze +kisten geroofd, gelukkig dus, dat een knap jager hier nog altijd +genoeg viervoetig of gevleugeld wild schieten kon. + +Erger was, dat de voorraad patronen niet zoo bizonder groot was. John +Cort, Max Huber en Khamis waren wel gewapend met voortreffelijke +karabijnen en revolvers, maar wat baatten hun die wapens, als kruit en +kogels ontbraken! Met alles wat zij op het laatste oogenblik nog uit +den wagen hadden kunnen medenemen, bezaten zij weinig meer dan vijftig +patronen, een schrale hoeveelheid, als zij zich te verdedigen zouden +hebben tegen wilde dieren en inboorlingen, op een tocht zeshonderd +kilometer lang, voor zij den linkeroever van de Oebanghi zouden +hebben bereikt. + +Onder het eenvoudige maal, waarbij een teug water werd gedronken +uit een klein beekje, dat tusschen de boomen stroomde, bespraken zij +ernstig wat thans te doen. + +"Khamis", zei John Cort tot den voorlooper, "tot dusver was Urdax onze +aanvoerder, dien wij altijd gewillig volgden, omdat wij vertrouwen +in hem stelden. Datzelfde vertrouwen stellen wij ook in u, op grond +van uw karakter en uw ondervinding. Zeg dus, wat gij ons onder deze +omstandigheden aanraadt. Gij kent dit land, reeds vele jaren diende +gij de karavanen hier tot gids, geef ons dus raad en wij zullen doen +wat gij zegt." + +"Mijnheer John," antwoordde de voorlooper bescheiden, "gij kunt op +mij vertrouwen." + +"Welnu, wat is uw meening? Moeten wij het plan van Urdax volgen en +het bosch omtrekken?" + +"Neen, wij moeten er dwars doorheen," antwoordde de voorlooper zonder +aarzelen. "Gevaarlijke ontmoetingen zullen wij er niet hebben, +ja misschien wilde dieren, maar geen vijandige inboorlingen, die +wagen zich nooit zoo diep in dit woud. Wij loopen op de vlakte juist +veel grooter gevaar door die rondzwervende stammen.--Te voet, zonder +wagens of bagage, zal het ons mogelijk zijn een doortocht te vinden, +en als wij in zuid-westelijke richting gaan, heb ik wel hoop, dat +wij de Oebanghi bereiken." + +De raad van Khamis scheen verstandig, alleen moest men zich wel +rekenschap geven van de hinderpalen, die men in zulk een oer-woud zou +kunnen aantreffen. Van een eenigszins begaanbaar pad zou natuurlijk +geen sprake zijn, hoogstens wat doorgangen door buffels, neushoorns +of andere groote dieren op hunne geregelde wegen, veroorzaakt. Ook +zou de bodem ongetwijfeld met dicht struikgewas begroeid zijn, +hetgeen men zou moeten wegkappen, waarvoor de voorlooper een bijl, +maar de andere slechts een zakmes zouden hebben. + +Ook zou het moeilijk zijn zich onder de zware boomen te oriënteeren, +daar de stand van de zon dikwijls niet zou zijn waar te nemen, maar +dit behoefde geen zorg te baren, want Khamis had als vele negers--en +zooals ook de Indianen van het Verre Westen hebben--een soort instinct, +om meer geleid door gehoor en reuk dan door het gezicht, de juiste +richting te vinden. + +"Bedenk echter," zei Max Huber, "dat westelijk van ons kamp een +stroompje liep in de richting van het woud. Misschien wordt het +verder op wel een rivier en wij zouden dan van boomstammen een vlot +kunnen maken... + +"Je gaat weer fantaseeren, Max," zei de Amerikaan. + +"Toch heeft mijnheer Max gelijk," hernam de voorlooper, "er is +inderdaad een stroom, die in de Oebanghi moet uitloopen...." + +"En die wel als alle rivieren in Midden Afrika grootendeels +onbevaarbaar zal zijn," zei John Cort. + +"Gij ziet ook niets dan moeilijkheden," merkte Max Huber op. + +"Beter vooraf, dan te laat!" antwoordde zijn vriend zeer terecht. + +"Nu goed, op weg dan!" riep de Franschman, en inwendig had hij heel +veel lust om dat groote onbekende woud in te trekken. Misschien zou +hij hier nu werkelijk eens iets heel buitengewoons beleven, waarnaar +hij altijd zoo verlangd had! + + + + + +HOOFDSTUK V. + +DE EERSTE DAGEN IN HET WOUD. + + +Het was iets later dan acht uur, toen het viertal den tocht in +Zuidwestelijke richting begon. + +Waar zij den stroom zouden vinden, die naar verondersteld werd in de +Oebanghi zou uitloopen, wisten zij niet, zooals zij eigenlijk niets +wisten aangaande de streek, waarin zij zich zoo vermetel gingen wagen. + +Aanvankelijk waren de boomen nog niet zoo dicht, dat de zon niet +te zien was, maar toch heerschte op menige plek, ondanks de heldere +Maartsche dag, een halve duisternis en bij betrokken lucht zou het +daar zeker volslagen donker zijn. Gedurende den nacht zou de tocht +dan ook moeten worden gestaakt, en Khamis stelde voor, dat men dan +zou slapen tusschen de zware wortels der reusachtige stammen, zonder +vuur aan te leggen, hetgeen slechts de aandacht van ongewenschte +bezoekers zou kunnen trekken. Van koude zou men geen last hebben en +een klein vuurtje overdag zou voldoende zijn, om wat vleesch of wild +te roosteren voor een eenvoudig maal. + +Meer te duchten waren de regens, die in deze streek zeer onverwacht +kunnen opkomen en wel op een stortvloed gelijken. + +Zooals wel te denken was, bood het woud geen gemakkelijk begaanbaar +pad aan en dit deed Max Huber opmerken: + +"Het is wel jammer, dat onze olifanten hier niet kunnen +doordringen. Wat hadden zij netjes al die slingerplanten kunnen +wegruimen en die zware wortels der boomen kunnen plat trappen...." + +"En ons daarbij", zei John Cort. + +"Laten wij tevreden zijn met wat de buffels en neushoorns gedaan +hebben", hernam Khamis, "waar zij doorgegaan zijn, vinden wij een +goed pad." + +Behalve reusachtige tamarinden, groeiden hier in overvloed buitengewoon +hooge mimosa's en baobabs, voorts vreemde gewassen van de familie +der Euphorbiaceeën, met stekelige takken en groote bladeren. + +Terwijl Max Huber mopperde over de lagere struiken, die den weg +versperden, had John Cort geen oogen genoeg om de prachtige en zeldzame +plantenwereld hier te bewonderen. + +En al die zware takken waren bewoond door allerlei dieren, vooral apen, +waaraan Afrika zoo rijk is: grijze bavianen, mandrils, chimpansee's +en de reusachtige en gevaarlijke gorilla's! Maar wat ons viertal +tot dusver van deze vierhandigen gezien had, bood nog geen reden +tot ongerustheid. Ongetwijfeld waren zij de eerste menschen, die +aan de apen onder de oogen kwamen, en deze toonden dan ook meer +nieuwsgierigheid dan vijandschap. + +Na een korte rust op den middag, werd ten zes ure weder halt +gehouden. De tocht had groote moeilijkheden opgeleverd, allerlei +slingerplanten, allerlei belemmerende struiken hadden weggekapt moeten +worden en dit was een zwaar werk geweest. + +Daarom liet Khamis onder een zeer hoogen boom halt houden. Zijn +bladerdak begon zes meter boven den grond en was grijsachtig groen, +waartusschen witte bloemen prijkten. Het was een Afrikaansche +katoenboom, wiens wortels een goede legerstede aanboden. + +"Het bed is opgemaakt", schertste Max Huber. "Het is wel geen +springmatras, maar wij slapen toch onder katoen!" + +Met eenig dood hout werd een klein vuur aangelegd en het eenvoudige +avondmaal daarbij gebruikt. Maar alvorens zich tusschen de wortels +van den katoenboom uit te strekken, vroeg John Cort aan den voorlooper: + +"Wij zijn immers nog altijd in Zuidwestelijke richting gegaan?" + +"Altijd", verzekerde Khamis. + +"En hoeveel mijlen denkt gij dat wij per dag afleggen?" + +"Vier of vijf en als wij zoo voortgaan, zullen wij in een maand de +Oebanghi bereikt hebben." + +Alvorens zich ter ruste te leggen werd afgesproken, dat men beurtelings +drie uren zou waken en John Cort nam dezen plicht het eerst op zich, +terwijl de anderen zich tusschen de zware boomwortels uitstrekten. En +hij was zoodanig met zijn gedachten over dezen vreemden en gevaarvollen +tocht vervuld, dat de tijd voor hem omvloog en hij werkelijk ontstelde, +toen hij eensklaps een hand op zijn schouder voelde. + +"Neen, het is geen menscheneter, ik ben het!" zei Max Huber vroolijk, +"de beurt van waken is aan mij. Hebt gij niets verdachts gezien?" + +"Niets", antwoordde de Amerikaan. + + + + + +HOOFDSTUK VI. + +ALTIJD NAAR HET ZUIDWESTEN. + + +Den volgenden morgen, 11 Maart, hervatten John Cort, Max Huber, +Khamis en Llanga, geheel uitgerust, hun tocht. + +Nog waren zij niet ver gegaan, of zij kwamen op een plek, +die ongetwijfeld dikwijls door groote dieren werd bezocht, want +verscheidene platgetrapte paden liepen hier in allerlei richting. En +het duurde dan ook niet lang of men zag een kudde buffels en kort +daarop in de verte zelfs een paar neushoorns, die men wijselijk +besloot maar ongemoeid te laten. + +Eerst tegen den middag, na ongeveer twaalf kilometer te hebben +aangelegd, nam ons troepje rust. John Cort was zoo gelukkig een +paar trapganzen te schieten, groote, zwarte vogels, wier vleesch +overheerlijk smaakte. + +En daarna werd de tocht door de wildernis weder hervat en meer en +meer werd het woud ondoordringbaar, dicht struikgewas en een gordijn +van slingerplanten versperden overal den weg en de messen moesten +duchtig dienst doen. Het bladerdak was zóó dicht, dat van een regenbui, +die een paar uren aanhield, bijna geen druppel op den bodem terecht +kwam, maar Khamis kon toch op een meer open plekje den bijna leegen +waterzak vullen, hetgeen niet te versmaden was, want tot dusver had +hij nog geen stroompje of beekje kunnen ontdekken. + +De nacht van den 11den op den 12den Maart werd niet tusschen de +wortels van een katoenboom doorgebracht, maar aan den voet van een +niet minder reusachtigen boom, een bombax, wiens stam zich honderd +voet hoog verhief. Het waken geschiedde als naar gewoonte en de rust +werd niet verstoord, dan door het verwijderd geloei van buffels of +neushoorns. Dat het gebrul van een leeuw zich daartusschen zou mengen, +was niet waarschijnlijk, want deze gevaarlijke roofdieren bewonen +de dichte bosschen van Centraal-Afrika niet. Op hoogere breedte, +hetzij ten Zuiden van de Congo, hetzij Noordelijker, in Soedan, +nabij de grenzen van de Sahara, worden zij gevonden. De koning der +dieren heeft ruimte noodig, groote vlakten door de zon bestraald, +waar hij bot kan vieren aan zijn ontembaren vrijheidszin. + +En ook kon het geen geloei van nijlpaarden zijn, hetgeen voor onze +vrienden wel te betreuren was, want de nabijheid van die dikhuiden +zou tevens de nabijheid eener rivier hebben verraden. + +Den volgenden morgen vroeg, bij betrokken lucht, trok men weder +voort. Het duurde niet lang of Max Huber had het geluk een antilope te +schieten, van de grootte van een zebra. Het was een Oryx, roodbruin +van kleur met een zwarten streep over den rug en zwarte ringen aan +de pooten. De horens van deze dieren zijn niet zelden een meter lang +en dienen hun tot doeltreffend wapen, somtijds zelfs tegen een aanval +van den leeuw. + +Khamis vilde en ontleedde het dier spoedig, hetgeen ongeveer een uur +in beslag nam en zoo had het troepje weder voor verscheidene dagen +vleesch genoeg. + +Het liet zich echter aanzien, dat men dien dag nog meer kogels zou te +verschieten hebben. Reeds een mijl verder stond de voorlooper in beraad +zijn karabijn af te vuren op een troep apen, leelijke hondskopbavianen, +die geruimen tijd in de nabijheid der menschen bleven en soms een +dreigende houding aannamen. Maar tegen twee uur, toen het viertal een +breeden platgetrapten weg bereikte, die zich tamelijk ver scheen uit +te strekken, verdwenen de ongure beesten in het dichte van het woud. + +Mochten zij zich zelf geluk wenschen met zoo'n gemakkelijk begaanbaar +pad, er stond tegenover, dat zij veel kans liepen de groote dieren +te ontmoeten, die het pad gemaakt hadden. + +En inderdaad, een paar uur later hoorden zij niet ver af een dof +geloei, het waren twee neushoorns. + +Khamis zag hen het eerst en wenkte zijn makkers stil te blijven staan. + +"Gevaarlijke dieren, die neushoorns", fluisterde hij, zijn karabijn +gereed houdende. + +"En toch eten zij alleen planten", merkte Max Huber op. + +"Wat moeten wij doen?" was de verstandige vraag van John Cort. + +"Hen ongemerkt voorbij zien te komen of voorbij laten gaan", antwoordde +de voorlooper. "Maar wij moeten ons gereed houden, want als zij ons +zien, zullen zij zich op ons storten." + +Het viertal overtuigde zich, dat de karabijnen in goeden staat waren +en sloop van het breede pad zijwaarts in de struiken. + +Vijf minuten later kwamen de dikhuiden aandraven, recht op het boschje, +waar onze vrienden zich verscholen hadden, en bleven eensklaps +staan. Ongetwijfeld hadden zij de aanwezigheid der menschen geroken, +of op andere wijze bespeurd. + +Max Huber legde dadelijk zijn karabijn aan, een schot weerklonk, +gevolgd door een, twee andere, maar de kogels drongen te nauwernood +door de op een pantser gelijkende huid heen. + +De boomstronken en struiken zouden zeker geen hinderpaal voor die +twee kolossen opleveren. In een oogwenk zou alles vertrapt, zou het +viertal vermorseld zijn. Te nauwernood aan de olifanten ontkomen, +zouden zij thans gedood moeten worden door de rhinocerossen uit het +groote woud. De vlucht konden zij niet nemen, de dichte slingerplanten +en lianen zouden hen te veel belemmeren, zij zouden dadelijk zijn +ingehaald. Maar er stonden boomen en dichtbij zelfs een groote +boabab, op wiens takken zij veilig zouden zijn en die stevig genoeg +in den grond stond, dat een paar neushoorns zijn wortels niet zouden +kunnen loswoelen, zooals de olifanten met de tamarindeboomen gedaan +hadden. Maar de eerste takken waren wel vijftig voet van den grond +en de zware stam bood geen enkel hulpmiddel om er tegen op te klimmen. + +Nog stond Khamis na te denken, hoe hij zijn troepje in veiligheid +kon brengen, toen de struiken aan den rand van het pad bewogen en +daar vertoonde zich de groote kop van den neushoorn. + +Fluks schoot John Cort zijn karabijn af, maar de kogel drong slechts +in den schouder en onder een hevig gebrul kwam de neushoorn aanstormen, +met den anderen dicht achter zich. + +Dit ging zóó vlug, dat niemand tijd had gehad zijn karabijn opnieuw +te laden, het was zelfs te laat om in verschillende richtingen in de +struiken te vluchten en instinctmatig snelden allen naar den boabab, +om zich achter diens dikken stam te verschuilen. + +Onder een hevigen schok trilde de boabab tot in zijn wortels; +de eerste rhinoceros was in blinde woede er op aan gestormd, maar +zijn hoorn was in den stam gedrongen als de bijl van een houthakker +en welke kracht hij ook inspande, hij kon hem niet dadelijk weder +losrukken. Het tweede dier bleef verschrikt op eenigen afstand staan +en alleen uit het stampen zijner hoeven en het zwaaien van zijn staart, +bleek zijn groote woede. + +"Vlug! Vlug!" riep Khamis en op zijn voorbeeld snelden allen zijwaarts, +het struikgewas in. Tot hun verbazing werden zij niet achtervolgd +en na een dollen loop van vijf minuten bleven zij eindelijk buiten +adem staan. + +Dit was inderdaad een wonderbaarlijke redding en geen hunner dacht +er aan, naar den boabab terug te keeren, om te zien of de neushoorns +er nog waren. Met een breeden omweg kwamen zij op het pad terug en +tegen zes uur in den avond kozen zij een haltepunt aan den voet van +een hooge rots. + +De volgende dag bood geen wederwaardigheden aan; de weg werd niet +moeilijker begaanbaar en zoo konden weder een dertigtal mijlen in +Zuidwestelijke richting worden afgelegd. Maar van een stroom of rivier +was nog altijd niets te bespeuren. + +Na het gewone avondmaal van antilopevleesch legde men zich ter ruste, +maar de slaap werd verstoord door honderden vleermuizen, kleine en +groote, die eerst tegen het aanbreken van den dag verdwenen. + +"Afschuwelijke beesten", mopperde Max Huber, "ik heb geen oog dicht +kunnen doen!" + +"En toch hebt gij geen reden tot klagen", antwoordde de voorlooper. + +"Wat zegt ge daar! En waarom niet?" + +"Omdat het beter is met vleermuizen te doen te hebben dan met muskieten +en daarvoor zijn wij tot dusver gelukkig gespaard gebleven." + +"En zullen die ons ook nog komen plagen, Khamis?" + +"Zonder twijfel, zoodra wij bij een rivier komen." + +"Bij een rivier! Gelooft gij dan nog aan een rivier, hier in dit +bosch? Ik niet meer!" + +"En toch is zij misschien niet eens zoo ver meer af", hernam de +voorlooper. + +Hij had werkelijk eenige verandering in den bodem opgemerkt en +zij waren nog geen drie uur verder, of de grond werd moerassig +en hier en daar vertoonden zich gewassen, die aan waterplanten +deden denken. Weldra zag men eenige gaugas, een soort wilde eenden, +opvliegen en toen de zon naar de kim begon te dalen, begon het gekwaak +van kikvorschen. + +"De muskieten zijn niet ver meer af!" merkte Khamis droogjes op. + +De plantenwereld begon van aanzien te veranderen, er vertoonden +zich insekten, die men tot dusver niet gezien had, reusachtige, +afschuw wekkende duizendpooten, maar ook wespen en de beruchte +tsetsé-vlieg. Maar hoe gevaarlijk deze laatste ook moge zijn voor +paarden en kameelen, voor den mensch is hij onschadelijk, evenals +voor roofdieren. + +Het kleine troepje bleef tot ongeveer half zeven in Zuidwestelijke +richting voorttrekken en Khamis zag reeds uit naar een geschikte +rustplaats voor den nacht, toen de aandacht van Max Huber en John Cort +getrokken werd door roepen van Llanga. De negerknaap was naar zijn +gewoonte wat afgedwaald en zijn onduidelijk geroep verschrikte beide +vrienden niet weinig. Zou hij in gevaar verkeeren? Met de karabijn +in de hand snelden zij toe, maar waren weldra gerustgesteld. + +Llanga stond op een omgevallen boomstam en riep luidkeels: + +"De rio!.... de rio!" + +Ook Khamis was spoedig toegesneld en daar, op een halven mijl +afstands, slingerde zich een stroom, waarvan het water de stralen +van de ondergaande zon weerspiegelde. + +"Nu komen wij gemakkelijk aan de Oebanghi", zei de voorlooper verheugd. + +En inderdaad, het zou den vier mannen niet moeilijk vallen een soort +vlot te maken, waarmede zij den stroom zouden kunnen afzakken. + +Door een moerassige streek, terwijl de duisternis meer en meer begon +te vallen, liepen onze vrienden in de richting der rivier en het was +donker, toen zij haar tamelijk hoogen oever bereikten. Hier stonden +zeer weinig boomen, geheel anders dan aan den overkant, waar het woud +dicht en somber scheen. John Cort schatte de breedte der rivier op +een veertig meter, het was dus geen beekje, maar werkelijk een stroom +van eenige beteekenis. Intusschen deed men wijzer tot den volgenden +dag te wachten, om zich rekenschap te geven van den toestand en zoo +zocht Khamis een geschikte plek voor de nachtrust op, die hij in een +soort rotsachtige uitholling in den oever meende gevonden te hebben. + +De eerste uren zou John Cort waken en hij zag niets verdachts, maar +wel meende hij af en toe een klagende stem te hooren, die "Ngora, +Ngora!" riep, het woord dat in de negertaal moeder beteekent. + + + + + +HOOFDSTUK VII. + +DE LEDIGE KOOI. + + +Toen ons troepje den volgenden morgen ontwaakt was, verheelden John +Cort en Max Huber zich hunne blijdschap niet. Die rivier zou hen zonder +eenige vermoeienis ongeveer driehonderd kilometer verder brengen, tot +waar de Oebanghi was, waarin zij natuurlijk moest uitstroomen. Zoo +zou dus driekwart van den tocht onder de gunstigste omstandigheden +worden afgelegd, en het andere vierde deel was reeds achter den rug, +zooals John Cort met de inlichtingen van den voorlooper uitrekende. + +In zuidelijke richting maakte de rivier op ongeveer een halve mijl +afstand een plotselinge bocht en in die bocht toonde het woud zich +weder even dicht als te voren. + +Maar John Cort had daar nog niet veel oogen voor, hij dacht maar steeds +aan dat woord "ngora", dat hij in de nachtelijke stilte gehoord had +en dus zocht hij in den omtrek rond, of hij soms menschelijke sporen +kon vinden, maar te vergeefs. + +"Ik heb het mij verbeeld", dacht hij, "misschien ben ik een oogenblik +ingeslapen en heb het gedroomd." En hij zei er dan ook maar niets +van aan zijn makkers. + +"Wij moeten onmiddellijk aan het werk om een vlot te maken," zei +Khamis, "wilt gij mij helpen mijnheer John, want mijnheer Max moet +op de jacht, er is niets meer te eten." + +"Ja, ga je mee, Llanga!" riep Max, "wij zullen den oever eens langs +loopen tot aan die kromming, wie weet of wij geen lekkere visch +kunnen verschalken!" + +"Pas maar op de krokodillen, en zelfs op de nijlpaarden," waarschuwde +de voorlooper. + +"Nu een nijlpaardenboutje kan heel lekker zijn," schertste Max Huber. + +"Maar voor gij het hebt, zal het nijlpaard aardig boos op u zijn," +zei John Cort, "wees dus verstandig en kom onmiddellijk terug, als +gij eenig gevaar vreest en wees vooral hoogst voorzichtig!" + +"Natuurlijk John! Kom Llanga, ga mee!" + +"Wees zuinig op uw patronen!" riep de voorlooper Max Huber nog na. + +Daarop begon Khamis met John Cort allereerst naar geschikt hout +te zoeken om een vlot van te maken, want hoe eenvoudig dit ook zou +worden samengesteld, hout was er in elk geval voor noodig. Maar zij +hadden geen andere werktuigen dan een bijl en een paar zakmessen +en daarmede konden zij bezwaarlijk de woudreuzen vellen. Khamis +dacht er dan ook maar over om de afgevallen takken te gebruiken, +die met lianen bijeen te binden, en er een vloer over te maken van +vastgestampte aarde en wortels.--Een vlot van twaalf voet lengte en +acht breedte zou voldoende zijn, om het viertal te vervoeren en des +nachts zou men aan den oever kunnen slapen. + +Hij deelde dit aan John Cort mede en noodigde dezen uit, met hem het +benoodigde hout te gaan zoeken, zoover zij de rivier langs konden zien, +was alles rustig en dus begaven zij zich onbezorgd op weg. Nog hadden +zij geen honderd schreden afgelegd of zij vonden reeds een groote +hoeveelheid geschikte stukken, maar de grootste moeielijkheid zou +zijn, om ze tot aan den oever van de rivier te slepen. Waren zij te +zwaar voor twee personen, dan zou gewacht moeten worden tot Max en +Llanga terug waren. + +Eensklaps hoorde het tweetal luide uitroepen, in de richting van het +Zuidoosten, juist waarheen Max Huber gegaan was. + +"Zouden zij in gevaar verkeeren?" vroeg John Cort. + +"Vlug! Laten wij gaan zien!" antwoordde de voorlooper. + +Na een poos ontdekten zij het tweetal, staande op een hoogte aan +den linkeroever, maar van andere menschen of van dieren was in den +omtrek geen spoor te zien. Zij snelden dus op hunne vrienden toe en +Max Huber ontving hen met de woorden: + +"Wij zullen niet noodig hebben een vlot te maken." + +"En waarom niet?" vroeg John Cort. + +"Omdat er hier een ligt, kant en klaar, wel wat verwaarloosd, maar +gemakkelijk te herstellen." + +En werkelijk, in een kleinen inham van de rivier lag een plat vlot, +vastgehouden door een half vergaan touw. + +"Zouden de inboorlingen tot hier zijn doorgedrongen?" vroeg Khamis +ongerust. + +"Inboorlingen of ontdekkingsreizigers", antwoordde John Cort. + +En toch, als dit gedeelte van het groote woud van Oebanghi reeds +bezocht was, zou dit in den Congo en in Kameroen bekend moeten zijn +en de twee blanken hadden nog nooit gehoord, dat dit woud vroeger +reeds doorzocht was. + +"Maar wat doet dat er toe", hernam Max Huber, "de hoofdzaak is of +wij dat vlot kunnen gebruiken." + +"Zeer zeker", antwoordde Khamis en wilde er op stappen, toen hij door +een kreet van Llanga teruggehouden werd. + +De knaap had iets van den grond opgeraapt en toonde het aan zijn +vriend Max. Het was niets minder dan een hangslot, zwaar verroest en +zonder sleutel, maar een echt hangslot. + +"Dat is niet afkomstig van Congoleezen of andere negers", zei de +Franschman, ten hoogste verbaasd. "Hier moeten blanken geweest +zijn...." + +"Die nooit teruggekeerd zijn", voegde John Cort er bij. + +En dit was inderdaad eene gevolgtrekking, die voor de hand lag. De +zware roest op het slot bewees, dat het zeker reeds eenige jaren hier +gelegen moest hebben en uit deze vondst viel tweeërlei af te leiden: + +1e Ontdekkingsreizigers waren op deze plek geweest; + +2e Om onbekende redenen hadden zij hun vlot hier achtergelaten. + +Maar, wat daarvan zij, vast stond, dat zij nimmer waren teruggekeerd, +John Cort noch Max Huber hadden sedert zij in de Congo woonden, +ooit van blanke reizigers in het groote, onbekende woud gehoord. + +En wat hier nog bij kwam: Max Huber moest afstand doen van de eer, +van de eerste te zijn, die deze onbekende streken bezocht. + +Volkomen onverschillig voor die eer, onderzocht Khamis de planken +en balken van het vlot. De laatsten waren nog in goeden staat, van +de eersten zouden eenige vernieuwd moeten worden, maar dat was niet +erg, een heel nieuw vlot behoefde men nu in elk geval niet te maken, +met enkele reparaties was men klaar! + +Maar de twee vrienden konden over die vreemde vondst maar niet zwijgen. + +"Er is geen kwestie of hier zijn blanken geweest!" zei John Cort; +"het vlot kon desnoods nog het werk van negers zijn, maar dat hangslot +nooit!" + +"Wie weet wat wij nog verder vinden", merkte Max op; "misschien is +hier in de buurt wel een kampement geweest. Laten wij eens wat verder +langs den oever gaan, misschien vinden wij wel wat keukengereedschap, +dat zou ons goed te pas komen!" + +Het viertal liep langs den oever, een soort natuurlijk dijkje tusschen +het moeras links en de rivier rechts, en heele vluchten watervogels +vlogen voor hunne voeten op. Natuurlijk keken allen opmerkzaam rond, +in de verwachting voetsporen te vinden, of een ander voorwerp, maar +zij ontdekten niets.--Toen zij bij de eerste boomen kwamen, werden +zij begroet door het gekrijsch van een troep apen. Deze dieren schenen +niet erg verbaasd bij het zien van menschen. + +"Maar zij hebben toch dat vlot niet gemaakt", zei John Cort, "en hoe +slim zij ook zijn, een hangslot zouden zij toch nooit kunnen maken!" + +"Evenmin als een kooi", voegde Max Huber er bij. + +"Wat bedoelt gij?" + +"Wel, ik geloof dat ik daar verder op iets zie, dat wel een kooi +lijkt." + +"Mijnheer heeft gelijk", bevestigde Khamis, "daar staat een hut met +traliewerk. Laten wij voorzichtig zijn." + +"Komaan, wat voor gevaar kan ons dreigen!" riep Max Huber vol ongeduld. + +En inderdaad, menschen schenen hier niet te zijn. Zoo sloop het +viertal behoedzaam nader en kon de hut duidelijker opnemen. Zij +stond tusschen mimosas en had een schuin dak van verdroogde bladeren, +terwijl slingerplanten aan alle zijden tot aan den bodem reikten. Maar +wat haar wel het aanzien gaf van een kooi, dat waren de traliën aan +de voorzijde, precies als van een hok in een menagerie. + +En in die tralies was een deurtje, dat open stond en de kooi was leeg. + +Max Huber snelde naar binnen en vond eenige kostbare voorwerpen: +een pan, een kop, een wollen deken, een bijl, en een half vergaan +brillenhuisje! In een hoek stond een koperen kistje, zoo verroest, +dat hij het niet open kon krijgen. Eindelijk met behulp van een mes +gelukte dit en in het kistje lag een aanteekenboekje, waar buiten op +een naam te lezen stond: Dokter Johausen. + + + + + +HOOFDSTUK VIII. + +DOKTER JOHAUSEN. + + +Die naam was een openbaring! Hij onthulde een gedeelte van het geheim, +een treurig geheim, al was het lachwekkende er ook niet vreemd aan, +want de man, die zulke fantastische proeven had willen nemen, was +hoogstwaarschijnlijk als slachtoffer van zijn streven omgekomen. + +Misschien herinnert men zich, dat een Amerikaan, Garner genaamd, +de taal der apen heeft willen bestudeeren. In alle couranten der +wereld is daarover geschreven en ook Max Huber en John Cort hadden +alles daarvan gelezen. + +"Hij!" riep Max Huber, "van wien men nooit meer iets gehoord heeft!" + +"En van wien men ook wel nooit meer iets hooren zal!" voegde John +Cort er bij. + +Deze "hij", dien de twee vrienden bedoelden, was dokter Johausen, +maar alvorens over hem te spreken, moeten wij iets mededeelen over +zijn voorganger, professor Garner. + +Alvorens naar Afrika te vertrekken had deze Amerikaan bizondere studie +gemaakt van de apen, en hij was tot de slotsom gekomen, dat die dieren +onder elkander een bepaalde taal spraken, met bepaalde woorden om de +gedachten uit te drukken. In de apenkooi in de diergaarde te Washington +heeft Garner phonografen geplaatst om de woorden van die apentaal op +te vangen en na allerlei onderzoekingen hieromtrent vertrok Garner +in 1892 naar de Gabon, kwam den 12den October te Libreville aan en +nam daar zijn intrek in de factory der firma John Holland & Co., +waar hij tot Februari 1894 vertoefde. + +Eerst toen besloot hij zijn studiën in het land der apen zelf voort +te zetten. Met een kleine stoomboot voer hij de Ogoué op en kwam den +22sten April aan het Katholieke Zendingsstation van Fernand Vaz. De +zendelingen namen hem gastvrij op in hun woning, die aan den oever +van een prachtig meer gebouwd is en hielpen hem in alles, wat zijn +onderzoekingen kon bevorderen. + +Achter het Zendingshuis begon een groot woud, dat van de apen wemelde, +maar Garner wilde in nauwere aanraking met die dieren komen en in +hun midden leven. Daartoe had hij een ijzeren kooi laten maken, +die uit elkander kon genomen worden en deze kooi liet hij naar +het woud brengen. Als men hem gelooven wil, heeft hij drie maanden +daarin gewoond, meestentijds alleen en dus doende den gorilla in den +natuurstaat kunnen bestudeeren. Maar meer met de waarheid overeen komt, +dat de voorzichtige Amerikaan zijn kooi niet verder heeft neergezet dan +twintig minuten van het Zendingshuis, een plek, die hij den weidschen +naam gaf van Fort Gorilla en die langs een mooi, schaduwrijk pad te +bereiken was. Hij heeft er zelfs drie nachten achtereen geslapen, +maar geteisterd door duizenden muskieten, kon hij het er niet langer +uithouden; hij brak zijn kooi op en vroeg wederom gastvrijheid bij +de zendelingen, die hem dit gulhartig verstrekten. En den 18den Juni +ging hij weer naar Amerika terug, niets anders medebrengende dan twee +kleine chimpanzees, die er niet aan dachten om met hem te praten! + +Garner heeft dus al bitter weinig ontdekt. Als de apen werkelijk met +elkander spreken, dan moet hunne taal altijd nog uitgevonden worden. + +En toen gebeurde het twee jaren later, dat een Duitsch geleerde +dezelfde poging wilde doen. Te Malinba, in Kameroen, woonde reeds +eenigen tijd een zekere dokter Johausen, een geneesheer, maar die +zich meer aangetrokken gevoelde tot plant- en dierkunde, en hoewel +reeds boven de vijftig, besloot hij het door Garner opgegeven plan +uit te voeren. Daar hij dikwijls in Libreville kwam, had John Cort +hem meermalen ontmoet. + +Deze dokter Johausen was een hoogst begaafd man, die niet alleen +Fransch en Engelsch, maar ook de taal der inlanders sprak. Hij was +rijk, oefende de geneeskunde uit zonder zich te laten betalen, had +geen bloedverwanten en was dus volkomen onafhankelijk. Als bediende +had hij een inlander, met wien hij het best kon vinden en toen hij +dezen zijn voornemen te kennen gaf, om midden in het woud tusschen +de apen te gaan leven, verklaarde de neger zich dadelijk volkomen +bereid om zijn meester te volgen. + +Dus werd een kooi, in het genre van die van Garner, maar practischer +ingericht, in Duitschland besteld, en in losse stukken te Malinba +aangebracht. Levensmiddelen, kogels, kruit en andere benoodigdheden +waren daar in grooten voorraad verkrijgbaar. Ook werden eenige +eenvoudige meubelen meegenomen en zelfs een draaiorgel, daar de +dokter zich verbeeldde, dat de apen niet ongevoelig zouden zijn voor +de schoonheden der muziek. Ook liet hij een aantal nikkelen medailles +maken met zijn portret en zijn naam er op, zeker om die aan de hoofden +van de apenkolonie uit te deelen. + +Zoo scheepten den 13den Februari 1894 de dokter en zijn bediende +zich te Malinba op een inlandsen vaartuig dat hen naar Nbarri zou +brengen. Maar dan verder? Dat had Johausen aan niemand willen zeggen, +hoe men hem ook met allerlei nieuwsgierige vragen lastig viel. Later +werd bekend, dat hij honderd mijlen verder, naar het dorp Nghila +gegaan was, daar een twintigtal negers als dragers had aangenomen en +in Oostelijke richting getrokken was. Maar sedert had men niets van +hem gehoord. De dragers, die in Nghila terugkeerden, konden niet met +duidelijkheid uitleggen, waar zij hem verlaten hadden, en nu waren +twee jaren verstreken, zonder eenige tijding van den dokter of zijn +trouwen bediende. + +Maar John Cort en Max Huber leerden er nu iets meer van. Zij wisten +thans, dat dr. Johausen een rivier in het Noordwesten van het woud +van de Oebanghi had bereikt, een vlot had gemaakt en daarmede die +onbekende rivier was afgezakt, tot kort bij de plek, waar hij zijn +kooi of getralied huisje oprichtte. + +Dit alles was thans zekerheid, maar omtrent wat verder gebeurde, +verkeerden beide vrienden in duister. Waarom was de hut leeg? Waarom +hadden de twee bewoners haar verlaten? Hoeveel maanden, weken of dagen +hadden zij er in gewoond? Waren zij vrijwillig vertrokken? Of waren +zij opgelicht? Door wie? Door inboorlingen? Maar het woud ging voor +onbewoond door! Zouden zij door wilde dieren verscheurd zijn? Leefden +dr. Johausen en zijn bediende nog? + +Op geen van deze vragen konden onze vrienden antwoord geven. + +"Misschien geeft het aanteekenboekje ons inlichtingen", zei John Cort. + +Max Huber opende het: sommige bladzijden kleefden door vocht aan +elkander. + +"Alleen op de eerste bladzijde staat iets", zei Max Huber, en met +veel moeite gelukte het hem het volgende te ontcijferen: + + 29 Juli 1894. Met mijn eskorte aan den rand van het Oebanghi-woud + aangekomen. Gekampeerd op den rechteroever eener rivier. Een + vlot gemaakt. + + 3 Augustus. Het vlot is gereed. De dragers teruggezonden naar + Nghila. Alle sporen van het kamp weggemaakt. Met mijn bediende + op het vlot ingescheept. + + 9 Augustus. Zeven dagen zonder hindernis de rivier afgezakt. Een + open plek in het woud. Talrijke apen in den omtrek. + + 10 Augustus. Geland. De hut opgericht onder de eerste boomen aan + den linkeroever. Zeer veel apen. Chimpanzees, gorillas. + + 13 Augustus. De hut betrokken. Geen spoor van menschelijke wezens + te ontdekken. Waterwild in grooten voorraad. Ook veel visch. + + 25 Augustus. Leven kalm en geregeld. Eenige nijlpaarden + hebben zich in de rivier vertoond, maar toonden geen + vijandelijkheden. Antilopen geschoten. Des nachts komen groote apen + bij de hut, maar schijnen ook niet vijandig gezind. Heb gemeend + in de verte een vuur te zien ... De apen schijnen wel onder elkaar + te spreken, woorden en zinnen. Een jong heeft herhaaldelijk Ngora + gezegd, dat ook bij de negers het woord voor moeder is ... + +Llanga, die aandachtig had zitten luisteren, riep thans: + +"Ja, Ngora! Ngora! ... Moeder! Moeder!" + +En nu hij dat woord hoorde, herinnerde John Cort zich eensklaps weder, +dat hij op dien nacht, terwijl hij waakte, het ook gehoord had, zonder +dat hij het zich verklaren kon en thans deelde hij dit voorval aan +Max Huber mede. + +"Zou die professor Garner werkelijk gelijk hebben?" vroeg zijn +vriend. "Zouden er apen zijn, die kunnen praten?" + +Khamis was onder het voorlezen volmaakt onverschillig gebleven. Wat +er met dr. Johausen gebeurd was, kon hem niet schelen. Hoofdzaak was, +dat hij een vlot had gemaakt, waarvan men thans gebruik kon maken en +bovendien nog eenige nuttige zaken in de hut achtergelaten had. + +"Het blijkt uit alles", hernam John Cort, "dat de dokter den 9den +Augustus op deze plek is aangekomen. Zijn aanteekeningen loopen niet +verder dan den 25sten van diezelfde maand en om welke reden dan ook, +hij schijnt op dien dag de hut verlaten te hebben, om er niet meer +terug te komen." + +Maar voor het oogenblik moesten onze vrienden aan zich zelven denken; +het vlot moest hersteld en weggesleept worden. Later zou men misschien +een expeditie kunnen uitrusten, om het woud te doorzoeken en de twee +vrienden zouden desverlangd kunnen meegaan, maar thans hadden zij +een andere taak. + +Alvorens de hut te verlaten, onderzochten zij haar echter nog +eens in alle hoekjes en gaatjes. Zij bood nog een voortreffelijke +schuilplaats aan; het zinken dak bleek onbeschadigd. De traliezijde +was naar het Noorden gericht en dus het minst blootgesteld aan +schadelijke winden. Eenige kleine reparaties waren echter noodig, +een paar planken zouden vernieuwd moeten worden, evenals een paar +palen, die in den vochtigen grond waren beginnen te rotten. Maar +waarom zouden Max Huber en zijn makkers het zich daar moeilijk mede +maken? Het was hoogst onwaarschijnlijk, dat de hut nog eens betrokken +zou worden door een onderzoeker van de apentaal. + +Van wapens, gereedschap, kleeren of proviand vond men geen +spoor. Zonder twijfel was alles van dezen aard medegenomen en Khamis +wilde de hut reeds verlaten, toen hij in een hoek tegen iets trapte, +dat een metaalachtig geluid gaf. + +Het bleek een ijzeren kistje te zijn, dat daar bijna geheel in den +grond begraven was. Khamis groef het op, opende het en de inhoud +bleek te bestaan uit een honderdtal volkomen onbeschadigde patronen. + +"Dank, brave dokter!" riep Max Huber, "mogen wij u ooit dezen dienst +kunnen vergelden!" + +En de dienst was inderdaad groot, want de patronen bleken juist van +hetzelfde kaliber te zijn hunner karabijnen. + +"Laten wij nu buiten gaan zien", zei John Cort, "of wij daar soms een +spoor van den dokter en zijn bediende kunnen vinden. Het is mogelijk, +dat zij door inboorlingen overvallen en weggevoerd zijn, maar het +is ook mogelijk dat zij zijn gedood en dat hun gebeente nog op een +begrafenis wacht...." + +Maar hunne nasporingen waren vruchteloos, althans over een oppervlak +van honderd meter straal leverden zij niets op. Men moest dus wel +aannemen, dat de ongelukkige dokter weggevoerd was... En door wie +anders dan door inboorlingen, dezelfde die Johausen voor apen aanzag +en die onder elkaar praatten? + +"Er blijkt in elk geval uit", merkte John Cort op, "dat het woud door +inboorlingen bezocht wordt en dus moeten wij op onze hoede zijn." + +"Juist", antwoordde de voorlooper. "En thans naar het vlot!" + +Omstreeks negen uur kwam het viertal bij de grot terug en Khamis begon +allereerst voor het ontbijt te zorgen; er was nu een ijzeren pot, men +kon dus een soort soep koken, aangename afwisseling in het gewone menu. + +Onderwijl werkten de anderen met grooten ijver aan het repareeren van +het vlot, hetgeen bij gemis aan goed gereedschap nog zoo gemakkelijk +niet ging. Maar lianen en andere sterke slingerplanten bewezen even +goede dienst als touw en toen de zon achter de zware boomen op den +rechter rivieroever wegzonk, was het werk gereed. + +Den volgenden morgen vroeg zou men vertrekken, want het was raadzaam +den nacht nog in de grot te blijven. Alvorens te gaan slapen, riep +Max Huber echter eensklaps: + +"Ik heb een voorstel!" + +"En dat is?" vroeg John Cort. + +"Wij moeten iets voor den dokter doen." + +"En wat dan?" vroeg de Amerikaan nieuwsgierig. + +"Wij moeten deze rivier naar hem noemen." + +Niemand had daar iets tegen en dus zou men voortaan kunnen spreken +van de Johausen-rivier. + +De nacht ging rustig voorbij, en noch John Cort, noch Max Huber, +noch Khamis, die beurtelings waakten, hoorden ook maar een enkel woord. + + + + + +HOOFDSTUK IX. + +OP DE JOHAUSEN-RIVIER. + + +Het was des morgens half zeven van den 16en Maart, toen het vlot werd +losgemaakt en den stroom afzakte. Het was nog niet eens geheel licht, +hoog in de lucht joegen donkere wolken. Als het niet ging regenen, +zou het toch zeker den geheelen dag betrokken blijven. + +En daarover beklaagden onze reizigers zich niet, want midden op de +rivier zouden zij anders blootgesteld zijn aan de volle kracht der +zonnestralen. + +Het vlot meette ongeveer acht bij twaalf voet, en was dus maar even +groot genoeg voor vier personen en eenige weinige bagage, waarbij +thans ook een stapel droog hout gevoegd was, waarvan Khamis vuur zou +kunnen maken. Aan den achterkant was van een paar planken een soort +roer gemaakt, waarmede het vlot althans eenigszins bestuurd kon worden. + +De stroom bleek een snelheid te hebben van omstreeks een mijl in het +uur en als dat zoo bleef, zou het vlot twintig dagen noodig hebben, +om de driehonderd kilometer af te leggen, die onze vrienden nog van +de Oebanghi scheidden. Maar er konden zich allerlei hinderpalen in +de rivier voordoen, er konden onverwachte stroomversnellingen komen +of watervallen en men besloot dus goed uit te zien en voorzichtig +te varen. + +Tot aan de middaghalte ging de tocht zonder wederwaardigheden, dank +zij de behendigheid van Khamis had het vlot geen enkele maal gestooten. + +John Cort, die met de karabijn in de hand voorop stond, bespiedde +zorgvuldig de oevers. Mocht hij het een of ander wild bespeuren, +dat eetbaar was, dan zou hij dat gemakkelijk neerleggen. En tegen +half tien gebeurde dit reeds; de eerste buit was een waterbok, een +soort antilope, die bij voorkeur aan rivieroevers leeft. + +"Een mooi schot!" riep Max Huber. + +"Maar doelloos, als wij het dier niet kunnen meenemen", antwoordde +John Cort. + +"Dat is een oogenblik werk", zei de voorlooper. + +Inderdaad wist hij het vlot handig naar den oever te sturen tot aan de +plek waar de antilope lag en daar werd het spoedig gevild en ontweid, +waarna de goede stukken op het vlot werden gebracht. + +Onderwijl beproefde Max Huber zijn talenten als visscher, hoewel hij +maar heel gebrekkig vischtuig had: eenig dun touw, in de hut gevonden +en voor haak een acaciadoorn, waaraan een stukje vleesch gestoken was. + +En terwijl Max vischte zat Llanga naast hem met groote belangstelling +er naar te kijken. + +En inderdaad, het duurde niet lang of een gulzige snoek beet aan +en werd aan boord gehaald. Hij woog zeker acht of negen pond en de +reizigers zouden niet tot den volgenden dag wachten, om zich aan dit +lekkerbeetje te vergasten. + +Zoo bestond het twaalfuurtje uit geroosterde antilopenbout en gekookte +snoek, waarvan niets dan de graten overbleven. Het middagmaal zou +bestaan uit een flinke soep van de antiloperib gekookt en daar deze +lang op het vuur moest staan, begon de voorlooper thans reeds den +brand in het dorre hout op de voorplecht te steken en plaatste hij +de ijzeren pot er op. En toen ging de tocht weer verder. + +Tegen zes uur liet Khamis stilhouden bij een rotsachtigen inham, +beschaduwd door de lage takken van een gomboom en dit rustpunt bleek +zeer gelukkig gekozen. Allerlei mosselen en andere schaaldieren +zaten hier tusschen de steenen en sommige hiervan gekookt, andere +rauw vormden eene aangename afwisseling in het avondmaal. + +Daar het zich liet aanzien, dat de nacht donker zou zijn, wilde de +voorlooper liever niet midden op de rivier blijven, dikwijls toch +dreven daar zware boomstammen en een botsing daarmede, had het vlot +groote averij toegebracht. Men zou dus op het gras aan den voet van +den gomboom overnachten, en dank zij het beurtelings waken van de drie +mannen, kreeg men dien nacht geen onaangenaam bezoek. Alleen maakten +de apen van zonsondergang tot zonsopgang een heidensch spektakel. + +Den volgenden morgen regende het hard en dus werd besloten nog maar +wat te blijven schuilen, want die regenbuien in equatoriaal Afrika +gelijken soms een waren zondvloed. + +"Als die regen niet ophoudt", zei John Cort, "zouden wij best hier +kunnen blijven, wij hebben nu kruit en patronen genoeg, alleen zouden +wij wel wat nieuwe onderkleeren mogen hebben." + +"En waarom zouden wij ons niet naar het gebruik van het land +kleeden?" vroeg Max Huber lachende. "Als wij dan baden wasschen wij +tegelijkertijd ons linnengoed!" + +Tegen half acht begon de regen te bedaren, maar het bleef toch +onstuimig weer. Het vlot ging weer de rivier af en Khamis besloot +niet de gebruikelijke middaghalte te houden, om den verloren tijd in +te halen. + +Dit gedeelte van het woud bleek zeer rijk aan wild. Niet alleen +vertoonden zich talrijke watervogels, maar ook pallahs en sassabys, +twee soorten van antilopen. Ook verschenen soms groote elanden, +damherten, zeer kleine gazellen, koedoes, verder quaggas (een soort +zebra) en zelfs bespeurde men eenige giraffen. Het zou zeer gemakkelijk +geweest zijn, eenige dezer dieren te schieten, maar waartoe? Er was +nog voedsel genoeg, het was daarbij elk oogenblik te krijgen en men +behoefde het vlot niet te overladen. + +Zoo werden een tiental Kilometer afgelegd. De rivier liep nog altijd +naar het Noordwesten; haar oevers waren afwisselend hoog en laag, +maar steeds bezet met zware boomen, waaronder de bombax of katoenboom, +wiens bladerdak soms de geheele rivier overwelfde. + +"Het lijkt waarlijk wel een park!" riep John Cort, vol +bewondering. "Het gelijkt soms op het nationale park van Yellowstone!" + +"Behalve dat daar geen apen zijn", antwoordde Max Huber. "En het +lijkt wel of alle apen van de wereld hier hun verzamelpunt hebben +gekozen! Wij zijn waarlijk midden in het apenland!" + +En hij had gelijk, want aan de oevers en op de takken der boomen +wemelde het van deze dieren. + +"Maar eigenlijk is het geen wonder", hernam de spotzieke +Franschman, "want wij zijn immers in Midden-Afrika en ik geloof dat +tusschen de tweehandige en de vierhandige inboorlingen hier eigenlijk +weinig onderscheid is!" + +Het was op het oogenblik de geschikte tijd niet om daarover met Max +te twisten. Van meer belang was het, voorzorgsmaatregelen te nemen +tegen een mogelijk vijandigen aanval dezer apen, die sterk zouden +zijn door hun kolossale overmacht. + +De voorlooper bereidde zijn tochtgenooten dan ook op zulk gevaar voor. + +"Houd uwe karabijnen en patronen gereed", vermaande hij, "want wij +weten niet wat gebeuren kan." + +"Ba! Een enkel schot en de heele bende is op de vlucht", riep Max, +zijn karabijn aanleggende. + +"Schiet niet, mijnheer!" riep Khamis, "lok hen niet uit, wij moeten +hen niet aanvallen, wij zullen genoeg te doen hebben met ons te +verdedigen!" + +"Maar zij beginnen al!" zei John Cort. + +"Schiet alleen, als het bepaald noodzakelijk is", zei de voorlooper. + +En werkelijk, van den oever werd met takken, zelfs met steenen gegooid, +door de apen, waarvan sommige buitengewone kracht schenen te hebben. + +Khamis deed zijn best het vlot midden op de rivier te houden, maar +toch kon men zich tegen al die projectielen niet geheel beschermen. + +"Het wordt te erg!" riep Max Huber en aanleggende op een gorilla, +dien hij aan den oever bespeurde, gaf hij vuur. + +Maar op het geluid van het schot werd met een schrikbarend gekrijsch +geantwoord en de bende nam de vlucht niet. Indien men alle apen, +stuk voor stuk, had willen neerleggen, zou het aantal patronen lang +niet toereikend zijn geweest en John Cort beval dan ook spoedig: + +"Ophouden met vuren, het maakt de dieren nog maar boozer!" + +Dus voer het vlot verder, aan beide oevers door troepen apen +vergezeld. Misschien zouden zij tegen den nacht de vijandelijkheden +staken, maar de voorzichtigheid gebood om geen halteplaats aan den +oever te zoeken; het was echter pas vier uur en om zeven uur zou het +eerst donker zijn; vóór dien tijd kon nog veel gebeuren. + +En dat was inderdaad het geval. Om vijf uur werd de hemel aschgrauw, +bliksemflitsen sneden door het luchtruim, gevolgd door geratel van +donder en in weinige oogenblikken hadden de apen, als alle dieren +bang voor onweer, in het dichte woud de vlucht genomen. + + + + + +HOOFDSTUK X. + +NGORA! + + +Den volgenden morgen was de lucht geheel opgeklaard, strak blauw +spande zij zich boven de toppen der boomen uit. In de zonnestralen +fonkelden de waterdruppels op bladeren en grashalmen als diamanten. De +grond, die zeer snel opgedroogd was, was voortreffelijk begaanbaar, +maar gelukkig behoefde men er nog geen gebruik van te maken. De Rio +Johausen stroomde altijd nog in Zuidwestelijke richting en Khamis +twijfelde niet of hij zou binnen veertien dagen de Oebanghi bereiken. + +"Dat onweer is maar juist bijtijds gekomen", zei John Cort, terwijl +hij en zijn vriend hunne karabijnen zaten schoon te maken en Llanga +het kreupelhout was ingeloopen om eieren te zoeken. + +"Dat geloof ik!" antwoordde Max Huber, "als die afschuwelijke dieren +nu maar niet terugkomen, nu het weer opgeklaard is. Wij mogen wel +goed oppassen." + +"Ik ben straks den oever honderd pas langs geloopen", hernam John Cort, +"maar ik heb geen enkelen aap gezien." + +"Gelukkig! Ik hoop, dat wij onze patronen beter kunnen gebruiken. Het +liet zich aanzien, dat wij waarlijk al onze kogels op de apen moesten +verschieten." + +Daar riep Khamis zijn reisgenooten voor het ontbijt en tegelijkertijd +kwam Llanga terug met eenige eendeneieren, die met een stuk +antilope-vleesch een goed maal opleverden. + +Toen werd het vlot naar de rivier gesleept en kon de tocht worden +voortgezet. + +De Rio Johausen bleek steeds breeder te worden, de takken der boomen +aan weerszijden raakten elkander reeds niet meer en mochten zich dus +nu nog apen op de oevers vertoonen, dan zou dit lang zoo gevaarlijk +niet zijn als den vorigen avond. + +Deze dieren vertoonden zich echter niet meer, wel honderden +watervogels, eenden, ganzen, pelikanen, snippen en John Cort schoot +er eenige voor het middagmaal. + +Zoo ging de tocht zonder ongevallen voort, tot omstreeks vier uur +Khamis, die het roer hield, aan John Cort verzocht het even over te +nemen, waarna hij op de voorplecht ging staan uitkijken. + +Max Huber vroeg dadelijk: + +"Ziet gij iets?" + +"Daar", zei de voorlooper, terwijl hij een eind verder op de rivier +wees, waar het water zeer beweeglijk was. + +"Zou daar een stroomversnelling zijn, of erger nog een waterval?" vroeg +Max. + +"Neen", begon Khamis, maar hij zweeg, want een groote straal water +spoot uit de rivier op. + +"Te deksel, er zijn hier toch geen walvisschen!" riep Max Huber. + +"Neen, maar wel nijlpaarden", antwoordde de voorlooper. + +Daar klonk een geweldig geblaas en de geweldige kop van een nijlpaard +verscheen even boven het water. + +De hippopotamus, de grieksche naam die letterlijk vertaald, +rivierpaard beteekent, komt nog voor van de Kaap de Goede Hoop tot +aan den 23sten Noorderbreedtegraad. Het is een zachtaardig dier, +maar toch te vreezen, want als het verschrikt, of erger nog, door een +kogel getroffen of geharpoeneerd wordt, dan stort het zich woedend +op de jagers en verbrijzelt hunne booten onder zijn reusachtige kaken. + +Onze vrienden op het platte, zwakke vlot konden er dan ook niet aan +denken, het nijlpaard aan te vallen. Het zou al erg genoeg wezen als +het dier het hen deed, als het tegen het vlot stootte.... + +"Wij moeten hem onopgemerkt voorbij zien te komen", fluisterde Khamis, +"laten wij ons plat op het vlot neerleggen, geen gerucht maken en ons +gereed houden om dadelijk in het water te springen, als dat noodig is." + +De raad van Khamis werd onmiddellijk opgevolgd. Allen strekten zich +plat op het vlot uit, dat midden op den stroom voortdreef. + +Eenige oogenblikken verkeerden de reizigers in grooten angst. Zou het +vlot opgeheven worden door het reusachtige dier? Neen, het geblaas +en geplas verstomde en toen zij het eindelijk waagden zich wat op te +richten en rond te zien, bleek het nijlpaard verdwenen. + +Het is waar, jagers die met de karavaan van Urdax op olifanten +gejaagd hadden, zouden in gewone omstandigheden voor een nijlpaard +niet bang zijn geweest. Meermalen hadden zij er in de Oebanghi zelfs +op gejaagd, maar dan niet aan boord van een zwak vlot en dus waren +zij zeer gelukkig er ditmaal zoo goed afgekomen te zijn. + +Dien avond liet Khamis stilhouden in de monding van een beekje op +den rechteroever, onder een boschje bananas. De bodem bleek ook +hier wederom bedekt met allerlei schaaldieren, die zeer goed eetbaar +waren. En het beekje verschafte daarbij heerlijk, frisch water. + +"Het zou hier volmaakt zijn", zei Max Huber, "als wij nu ook maar +rustig konden slapen, maar daar zullen die verwenschte muskieten wel +voor zorgen!" + +Maar Llanga wist daar goeden raad op. Hij schepte allerlei droge mest +van buffels en antilopen bij elkaar en deze brandstof gaf een dikken, +scherpen rook, een doeltreffend en misschien het eenige middel om +de muskieten te verjagen en dat door de inboorlingen algemeen wordt +toegepast. + +Wel moest dit vuur den geheelen nacht worden onderhouden, waartoe de +mannen beurtelings waakten, maar de anderen konden dan rustig slapen +en verkwikt kon men den volgenden morgen vroeg de Rio Johausen verder +afzakken. + +Niets is verandelijker dan het weer in dit Aequatoriaal Afrika. Na +den helderen hemel van den vorigen dag, was het luchtruim thans +donkergrijs, hetgeen een regenachtigen dag voorspelde. En weldra +viel dan ook een fijne motregen, maar die lang aanhield en verre van +aangenaam was. + +Gelukkig had Khamis een goed idee gehad. De bladeren van den +hier voorkomenden bananenboom zijn misschien de grootste van alle +tropische planten. De inboorlingen gebruiken ze om er de daken van +hunne hutten van te maken en een twaalftal waren genoeg om midden +op het vlot een soort afdak te maken, waarbij lianen heel goed als +touw dienst deden. Dit afdak beschutte de vrienden zeer goed tegen +den fijnen regen. + +In de ochtenduren vertoonden zich eenige apen langs den rechteroever, +een twintigtal groote, sterke dieren, die wel geneigd schenen te +zijn om de vijandelijkheden te hervatten. Het verstandigst was elke +aanraking met hen te vermijden en daarom werd het vlot dichter langs +den linkeroever gestuurd, waar zich geen apen vertoonden. + +In den middag hield het vlot slechts éénmaal op, om een antilope op +te nemen, die John Cort bij een bocht van de rivier geschoten had. + +Maar bij deze bocht wijzigde de Rio Johausen ook eensklaps haar +richting naar het Zuidoosten en dit beviel Khamis in het geheel niet, +want om uit het groote woud te komen, moest men in elk geval naar het +Westen gaan. Gelukkig bleek het, dat de rivier een uur verder weder +haar gewone richting hernam en men kon dus hopen, dat zij het vlot +naar de grens van Fransch Congo zou brengen, van waar men gemakkelijk +Libreville zou kunnen bereiken. + +Om half acht was het nog niet donker, een schemering hing nog over +het water, waarop allerlei bundels planten en boomtronken dreven. + +Terwijl de overigen bezig waren het vlot aan den linkeroever vast te +meeren en droge bladeren op te hoopen om er een vuurtje aan te leggen, +vermaakte Llanga zich met naar die voorbijdrijvende plantenmassa +te kijken. + +Daar kwam in de verte een vrij zware boomstam aandrijven, met de +takken vol bladeren en bloesems en gedeeltelijk onder water. Hoogst +waarschijnlijk was deze boom in het laatste onweer door den bliksem +getroffen. Maar toen hij naderbij kwam, meende Llanga er iets bizonders +aan te zien, tusschen de takken bewoog iets. + +Hij riep John Cort en Max Huber, de boom dreef steeds nader, daar +klonk eensklaps een kreet, alsof een menschelijk wezen om hulp riep, +en plotseling stortte zich iets uit den boom en trachtte den oever +te bereiken. + +Zonder recht te weten wat hij deed, zonder een woord te spreken, sprong +Llanga in het water en wist het kleine wezentje te grijpen. John Cort +en Max Huber snelden naar den oever en staken hem hunne hand toe. + +"Maar Llanga, wat doe je nu!" riep Max. + +"Een kind ... dat bijna verdronken was", stamelde Llanga. + +"Een kind!" herhaalde John Cort, zeer verbaasd. + +"Ja ... ja." En Llanga knielde neer bij het wezen dat hij gered had. + +Max Huber keek er eens naar en riep: + +"Maar dat is geen kind! Het is een aap, een jong van een van die +afschuwelijke dieren, die ons hebben aangevallen! En voor zoo'n +apenjong heb je gevaar geloopen, zelf te verdrinken, Llanga!" + +"Het is wel een kind!" hield de kleine neger vol, en hij droeg het +naar het vuur en legde het daar op een hoopje droge bladeren neer. + +De twee vrienden bemoeiden er zich niet verder mede en gingen slapen, +terwijl Khamis tot middernacht de wacht zou houden. + +Llanga kon niet slapen. Vol belangstelling nam hij elke beweging van +zijn beschermeling waar. Maar wie schetst zijn verrassing, toen het, +ongeveer om elf uur, op klagenden toon "Ngora! Ngora!" riep, ngora, +zijn moeder! + + + + + +HOOFDSTUK XI. + +DE REIS VAN DEN 19EN MAART. + + +Den volgenden morgen werd de reis hervat met den kleinen passagier, +waarvan Llanga niet wilde scheiden en dien hij behoedzaam onder het +bladerdak op het vlot neerlegde. Dat hij behoorde tot een apenfamilie, +hetzij dan van de chimpanzees, gorillas, mandrils of bavianen, +stond voor Max Huber en John Cort vast. Dat Llanga het jonge dier, +dat hij gered had, wilde behouden, zooals men een jong hondje bewaart, +begrepen zij zeer goed, maar naar het jonge dier zelf keken zij niet +om. Zij hadden zelf den kleinen Llanga tot zich genomen, hij mocht +dus wel een kleinen aap tot zich nemen! Bovendien zou het dier, +zoodra het kans zag aan wal te komen, de plaat wel poetsen en zijn +redder met zwarten ondank beloonen! + +Het is waar, als Llanga aan zijn blanke vrienden gezegd had: "Hij +kan praten, hij heeft een paar malen ngora gezegd", dan zouden zij +waarschijnlijk meer belang in het aapje gesteld hebben, maar Llanga +zweeg daarover, in twijfel of hij zelf zich niet vergist had. Alleen +nam hij zich voor, goed op te letten, of het nog eens gebeurde. + +Daarom bleef hij dan ook onder het bladerdak naast zijn pleegkind +zitten. + +"En hoe gaat het nu met je aap?" vroeg Max, toen Llanga een oogenblik +daarbuiten kwam. + +"Hij slaapt nog, mijnheer Max." + +"En wilt ge hem bij je houden?" + +"Ja,.... als U dat goed vindt." + +"O, ik heb er niets tegen, maar pas op, dat hij je niet krabt. Die +jonge apen zijn zoo valsch!" + +"O, deze niet, mijnheer." + +"En hebt je hem al een naam gegeven?" + +"Een naam? Welke?" + +"Wel, ik zou hem Jocko noemen, alle apen heeten Jocko." + +Maar deze naam scheen Llanga niet te bevallen, hij antwoordde niet +en ging naar zijn beschermeling terug. + +Dien middag had men geen last van de warmte, de zon bleef achter +dikke wolken verscholen en dat was voor onze reizigers een geluk, +want de Rio Johausen ging dikwijls door groote open plekken, waar +geen schaduw was. De oevers werden weder moerassig en men zou wel een +halve mijl naar rechts of links moeten gaan, om bij groote boomen te +komen. Het was dan ook te hopen, dat er niet weder zoo'n regenbui kwam. + +Van wild vertoonden zich niet anders dan watervogels; tot grooten +spijt van Max Huber kwam geen enkel groot zoogdier, geen antilope, +geen waterbok of hoe zij meer heeten, in het gezicht. + +Dien dag zocht Khamis te vergeefs naar een geschikte aanlegplaats, +de oevers met allerlei struikgewas bedekt, waren door het daarvoor +liggend drassig en moerassig terrein onbereikbaar. + +Hij vaarde dus verder en het was vijf uur, toen John Cort eensklaps +zijn vriend opmerkzaam maakte, op iets, dat zich op den oever bewoog. + +"Een buffel!" riep Max Huber, zijn karabijn richtende, "die zal ons +een heerlijke schotel leveren!" + +Khamis wendde het roer eenigszins, zoodat het vlot tot op dertig +meter den oever naderde. + +De buffel scheen niet van plan om heen te gaan; hij stond onder den +wind en kon dus met volle teugen de frissche lucht opsnuiven, zonder +het gevaar te bemerken, dat hem bedreigde. Max Huber legde voorzichtig +aan, het schot knalde en werd door een klagend gebrul beantwoord. Het +dier stortte neer, gleed langs den hellenden oever en kleurde het +heldere water van de Rio Johausen met een rooden bloedstraal. + +Khamis stuurde er behendig heen en sprong op den oever om de beste +stukken van den buffel af te kappen; met te groote vracht mocht het +vlot niet bezwaard worden en dertig of veertig kilo van dit vleesch +zou bovendien genoeg voedsel zijn voor verscheidene dagen. + +Vreemd was het, dat Llanga, anders zoo belangstellend in +jachtavonturen, heel niet van onder het afdak te voorschijn kwam, +maar dit had de volgende reden. Op het geluid van het schot was het +jonge aapje uit zijn slaap of zijn bezwijming ontwaakt, het stak zijn +armpjes uit, opende den kleinen mond en kreet: + +"Ngora!.... Ngora!" + +Ditmaal kon Llanga er niet aan twijfelen, het woord was heel duidelijk +uitgesproken, met een bizonder ratelende r. + +Llanga, die het woord Ngora, moeder, natuurlijk goed kende, was zeer +ontroerd en verdubbelde zijn zorgen voor het schepseltje, dat door +Max Huber zoo minachtend een aap genoemd was. Hij goot het wat frisch +water in den mond en bleef naast hem zitten, tot hij eindelijk weder +in slaap viel. + +Maar toen had Llanga ook zijn besluit genomen: hij verliet het afdak +en kwam bij zijn vrienden, die het vlot reeds weder van den oever +afstootten naar het midden der rivier. + +Llanga aarzelde een oogenblik, maar zei toen op beslisten toon, +terwijl hij zijn hand op Max' arm legde: + +"Het is geen aap." + +"Geen aap?" + +"Neen, hij heeft gesproken, straks, en van nacht ook." + +"En wat heeft hij dan wel gezegd?" + +"Hij heeft Ngora gezegd." + +"Wat!" riep John Cort, "hetzelfde woord, dat ik op dien nacht ook +gehoord heb?" + +"Ja, ngora", hernam Llanga. + +"Dat moeten wij onderzoeken, Max!" zei de Amerikaan. + +Beiden gingen naar het afdak en beschouwden het kleintje. Ja, op het +eerste gezicht zou men zeggen, dat het een aap was, maar het trof John +Cort dadelijk, dat hij hier geen vierhandig, maar een tweehandig wezen +voor zich had. Het kleine schepsel had werkelijk slechts twee handen, +zooals alleen de mensch heeft, want alle apen, zonder uitzondering, +hebben er vier. Zijn voeten waren inderdaad ingericht om er op te +loopen en niet om er iets mee aan te grijpen, zooals bij de apen. + +John Cort maakte er zijn vriend opmerkzaam op en deze erkende: + +"Het is werkelijk zeer merkwaardig!" + +Wat de grootte van het schepseltje aangaat, deze bedroeg nauwelijks +75 centimeter, maar het scheen dan ook nog jong te zijn. + +Men kan zich voorstellen hoe verbaasd Max Huber en John Cort waren, +toen zij daar eensklaps tegenover een volkomen vreemd schepsel stonden, +nog door geen enkelen geleerde of natuuronderzoeker ontdekt en dat +de schakel scheen te vormen tusschen den mensch en de dieren! + +Zwijgend bleven zij staan, hopende, dat het wezentje weer zou gaan +spreken en terwijl Llanga zijn gelaat met water bette, opende het +eensklaps den mond en stamelde met zwakke stem: + +"Ngora!... Ngora!" + +"Te deksel, nu hoor ik het ook!" riep Max Huber. + +John Cort bukte zich over het schepseltje heen, om beter te luisteren +of het nog andere woorden zou spreken, maar wie beschrijft zijn +verrassing, toen hij zag, dat het iets om zijn hals droeg. Hij betastte +het en het bleek een zijden koord te zijn, waaraan een medaille! + +Haastig maakte hij die los en beschouwde haar. Het was een nikkelen +medaille, zoo groot als een cent, met een kop op de eene zijde en +een naam op de andere, en naam en kopstuk beide waren die van dokter +Johausen. + +"Hij is waarlijk gedecoreerd door den Duitschen geleerde, wiens ledige +hut wij gevonden hebben!" riep Max Huber meer en meer verbaasd. + +Dat die medailles in de streken van Kameroen verspreid waren, had +niets verwonderlijks, want de dokter had ze op ruime schaal onder +de Congoleezen rondgedeeld, maar dat zulk een medaille aan een koord +om den hals bevestigd was van dezen vreemden kleinen bewoner van het +groote Oebanghi-woud... + +Maar zij werden in hunne beschouwing gestoord door de stem van den +voorlooper, die hen riep. + +"Wat is er?" vroegen zij, buiten komende. + +"Luister", antwoordde Khamis. + +Vijfhonderd meter verder maakte de rivier eensklaps een rechtsche +bocht, in eene kromming, waar de boomen weer in dichte massa's +stonden. In die richting nu klonk een dof gerommel, heel iets anders +als het geloei van buffels of het gebrul van roofdieren. + +"Een vreemd geluid", zei John Cort. + +"Misschien is daar een waterval", zei de voorlooper, "de wind komt +uit die richting en ik voel, dat de lucht vochtig is." + +En Khamis bedroog zich niet. Verder op boven de rivier dwarrelde fijn +water, als stof en schuim, dat alleen ontstaan kon als het water daar +zeer woest bewogen werd. Als daar een hindernis was, die de verdere +vaart van het vlot belette, zou het voor onze reizigers een ernstig +ding zijn. + +Het vlot dreef intusschen tamelijk snel voort en na enkele minuten was +het in de bocht. Thans kon men zien en de vrees van Khamis bleek maar +al te gegrond. Honderd schreden verder vormde een opeenstapeling van +zwartachtige rotsen een barrière van den eenen oever naar den anderen +en alleen in het midden was eene opening, waardoor het water schuimend +en spattend, met groote kracht heendrong. Als het vlot niet spoedig +naar een van de oevers kon gestuurd en daar stevig vastgemaakt worden, +zou het worden meegesleurd en tot splinters geslagen tegen die rotsen. + +Er was geen oogenblik te verliezen, Khamis behield al zijn +koelbloedigheid en stuurde op den oever aan. Maar de stroom was te +sterk en Max Huber moest helpen om het roer vast te houden. Misschien +zou het met hun vereende kracht gelukt zijn uit den snellen +middenstroom te komen, maar daar trof hen een groote ramp, de houten +plank, die als roer dienst deed, knapte midden door en het vlot dreef +met duizelingwekkende vaart, zonder stuur, verder. + +"Wij moeten tegen de rotsen opspringen", riep Khamis, "anders komen +wij om in den waterval." + +Inmiddels was ook Llanga verschrikt te voorschijn gekomen en +onmiddellijk begreep hij het gevaar. Hij keerde naar het bladeren +afdak terug, nam het kleine schepsel in zijn armen en knielde op het +achterste gedeelte van het vlot neder. + +Met woeste snelheid dreef het vlot voort, daar rezen de rotsen omhoog +en met schriklijke kracht stootte het zwakke vaartuig er tegen aan. De +opvarenden hadden ijlings hunne vuurwapens en wat verder onder hun +bereik kwam, boven op die rotsen geslingerd en trachtten nog zelf er +op te springen, maar dat gelukte hun niet, zij werden meegesleurd in +de kolk, terwijl de stukken van het verbrijzelde vlot in het schuimende +water werden voortgezweept. + + + + + +HOOFDSTUK XII. + +NA DE SCHIPBREUK. + + +Den volgenden dag lagen drie mannen bij een vuur, dat bijna +uitging. Overmand door vermoeienis en slaap en na hunne kleeren +zoo goed mogelijk bij het vuur gedroogd te hebben, hadden zij zich +neergelegd en waren weldra vast ingeslapen. + +Hoe laat het was, of het dag of nacht was zelfs, had geen hunner kunnen +zeggen, hoewel te veronderstellen was, afgaande op den tijd sedert +den vorigen avond verstreken, dat de zon reeds op moest zijn. Maar +waar was het Oosten? Die vraag kon niet beantwoord worden. + +Waren die mannen dan opgesloten in een grot, of in een donkere +gevangenis, waarin geen lichtstralen konden doordringen? + +Neen, maar om hen heen stonden zulke hooge, zwaar gebladerde boomen, +dat op weinige passen alles donker was. + +Die drie mannen waren John Cort, Max Huber en Khamis. + +Hoe kwamen zij daar op die dichte, donkere plek in het groote woud? Zij +wisten het niet. Van het oogenblik af dat zij van het vlot geslingerd +en in den kolkstroom meegesleurd waren, wisten zij niet meer wat er +met hen gebeurd was. + +Maar wel wisten zij, dat niet allen aan de ramp waren ontkomen; +twee ontbraken: Llanga, het pleegkind van John Cort en Max, en het +kleine schepseltje, dat Llanga op zijne beurt tot pleegkind had +aangenomen. Misschien was de negerknaap wel juist verdronken, omdat +hij zijn beschermeling had willen redden! + +De drie overgeblevenen hadden nu geen vuurwapens, geen patronen, +geen gereedschap of kookgerei meer, niets dan een paar zakmessen en +de bijl, die Khamis in zijn gordel had gedragen. Ook geen vlot hadden +zij meer, maar in welke richting hadden zij ook moeten gaan om weer +bij de Johausen-rivier te komen? + +En hoe moesten zij zich nu voedsel verschaffen, nu er geen wild meer +te schieten was? Moesten zij voortaan leven van wortels en wilde +vruchten? Zou dat niet hetzelfde zijn als binnen kort van honger +te sterven? + +De eerste die wakker werd was John Cort en het was nog zoo donker of +het nacht was. Hij stond op en onderscheidde met moeite de gestalten +van Max Huber en Khamis aan den voet van de boomen. Allereerst ging +hij naar het vuur; de asch gloeide nog en met wat droge takken en +bladeren vlamde het weldra weder op. + +Door het geknetter ontwaakten ook de beide anderen en het duurde niet +lang of zij spraken over den ernstigen toestand waarin zij verkeerden. + +"Waar zijn wij toch?" vroeg Max. + +"Daar waar men ons heen gebracht heeft", antwoordde John Cort. + +"Wat zegt gij daar!" riep Max Huber, "weet gij wel, dat ik op het +oogenblik dat het vlot tegen de rotsen stootte, menschen op den +linkeroever meende te zien. + +"Ja, ja" bevestigde John Cort, "negers, die gebaren maakten en +schreeuwden en naar de rotsen snelden." + +"Hebt gij inboorlingen gezien?" vroeg de voorlooper. + +"Een dozijn ongeveer", hernam Max Huber, "en aan hen hebben wij zonder +twijfel onze redding te danken! Ja, zij moeten het zijn, die ons voor +verdrinken hebben bewaard!" + +"Ja, terwijl wij bewusteloos waren hebben zij ons hierheen gebracht +... met wat wij nog aan provisie overhadden. En na een vuur te hebben +aangelegd, zijn zij heengegaan." + +"En zoo goed heengegaan", voegde Max Huber er bij, "dat wij geen spoor +van hen terug vinden. Dat bewijst wel, dat zij op onze dankbaarheid +niet erg gesteld zijn." + +"Geduld maar, beste Max", hernam John Cort, "het is best mogelijk, +dat zij hier in de buurt ronddwalen. Waarom zouden zij ons anders +hierheen hebben gebracht?" + +"Een mooie plek!" bromde Max Huber, "het blijft stikdonker!" + +Boven de toppen der boomen scheen een vaag licht, een bewijs dus, +dat de zon inderdaad boven den horizon was verrezen, maar hoe laat +het was, konden onze vrienden niet zoo spoedig beslissen, want de +horloges der beide blanken waren na het gedwongen bad in de rivier +stil blijven staan. + +Intusschen was Khamis naar de plek geloopen, die door de reusachtige, +vijftig voet hooge boomen eenigszins opengelaten was en die omzoomd +was door slingerplanten en doornachtige heesters. Hij poogde tusschen +het bladerengewelf door, een stukje van den hemel te ontdekken, want +hij wilde zich oriënteeren, weten waar zich het Zuidwesten bevond.... + +Langzaam kwam hij bij de twee vrienden terug en vroeg eensklaps: + +"Zijt gij er wel zeker van, mijnheer Max, dat gij op den oever +inboorlingen gezien hebt?" + +"Volmaakt zeker, juist op het oogenblik, dat het vlot tegen de rotsen +verpletterd werd." + +"En op welken oever?" + +"Den linker." + +"Weet gij wel zeker den linker?" + +"Ja." + +"Dan zouden wij dus Oostelijk van de rivier zijn?" + +"Dat geloof ik ook", zei thans John Cort, "en bijgevolg in het diepste +gedeelte van het woud. Maar hoe ver zijn wij van de rivier?" + +"De afstand kan niet groot zijn", meende Max Huber, "want onze redders, +wie het dan ook zijn, zullen ons wel niet eenige mijlen ver gesleept +hebben." + +"Dan moeten wij dus allereerst de rivier opzoeken", hernam Khamis, +"en onze reis aan den anderen kant van de rotsversperring hervatten, +als wij eerst een nieuw vlot gebouwd hebben." + +"Maar hoe moeten wij dan leven, eer wij aan de Oebanghi zijn?" vroeg +Max Huber. "Jagen kunnen wij niet meer." + +"En hoe moeten wij uit dit doolhof komen?" vroeg John Cort. + +"Hier langs", antwoordde de voorlooper en hij wees op de verscheurde +en afgerukte lianen, de plaats dus, waarlangs zij op deze plek gebracht +waren en waar werkelijk een soort pad begon. + +Maar waar voerde dit pad heen? Naar de Rio? Hoogst onwaarschijnlijk. En +zou het niet met andere paden kruisen en daardoor een reusachtig +doolhof vormen? + +"Hoe het zij", hernam John Cort, "wij kunnen niet van honger en dorst +omkomen en moeten dus beginnen met hier vandaan te gaan." + +"Wacht nog even!" zei Max Huber en opstaande, riep hij driemaal +achtereen, zoo hard hij kon: + +"Llanga! ... Llanga! ... Llanga!" + +Er kwam geen antwoord, zelfs geen echo weerkaatste het geroep. + +"Op weg!" zei de voorlooper. + +Maar nauwelijks had hij twee stappen op het pad gezet, of hij bleef +staan en riep: + +"Een vuur!" + +"Waar? Waar?" riepen de beide blanken en snelden op hem toe. + +Het lichtschijnsel, waarschijnlijk van een toorts, scheen eenige +honderden schreden verder en was slechts zeer flauw. + +Wie waren het, die dat licht droegen? Moest men die lieden vreezen, +of kwamen zij wellicht hulp brengen? + +Besluiteloos bleven onze reizigers staan, maar hoe zij ook tuurden, +het licht veranderde niet van plaats. + +"Wat moeten wij doen?" vroeg John Cort. + +"Naar dat licht toe gaan, omdat het niet naar ons komt", hernam +Max Huber. + +"Vooruit dan!" zei Khamis. + +Maar wederom had hij te nauwernood eenige schreden afgelegd, of +de toorts verwijderde zich. Zou diegene, die haar droeg, de drie +reizigers dus bespieden? Of wilde hij hen als 't ware voorlichten en +den weg wijzen, dien zij gaan moesten? + +Er was geen tijd of gelegenheid meer voor beraad, er bleef niets over +dan voort te loopen. + +"Als hij ons maar uit dit doolhof brengt, dan ben ik tevreden", +zei John Cort. "Wel vriend Max, is dit nu ook nog niet vreemd en +onverwacht genoeg voor je?" + +"Het gaat vrij wel", antwoordde de luchthartige Franschman. + +Het licht volgende legden zij naar schatting vier of vijf mijlen af +en toen bluschte het eensklaps uit. + +"Laten wij halt houden", zei de Amerikaan, "het is blijkbaar een sein +voor ons..." + +"Of een bevel", meende Max Huber. + +"Wij moeten gehoorzamen en hier overnachten", zei Khamis. + +"Maar zal het licht morgen weer schijnen?" vroeg John Cort. + +Dat was inderdaad de vraag. + +Doodelijk vermoeid strekte het drietal zich aan den voet van een +reuzenboom uit en de slaap liet zich dan ook niet wachten. + +Toen zij ontwaakten drong een flauw licht door het gebladerte, een +bewijs dat het dag was. Khamis meende te kunnen verzekeren, dat men +in Oostelijke richting gegaan was, ongelukkigerwijze dus juist den +verkeerden kant! + +"En de fakkel?" vroeg John Cort. + +"Daar begint zij juist weer te schijnen!" + +Geen enkel avontuur deed zich op dezen dagtocht voor. De toorts bleef +het drietal voorlichten, altijd in Oostelijke richting. Hoe moest dat +afloopen? Als zij niet spoedig op de plaats hunner bestemming kwamen, +zouden zij van honger moeten bezwijken! + +Zoo kwam de avond, weder doofde het licht uit en moesten onze reizigers +aan den voet van een boom overnachten. + +Den volgenden morgen--23 Maart--ontwaakte John Cort het eerst en +dadelijk riep hij: + +"Terwijl wij sliepen is er iemand hier geweest!" + +Dat was niet tegen te spreken: er brandde een klein houtvuur en een +stuk antilope-bout hing aan een lagen tak van een acacia boven een +klein beekje. + +Maar geen van drieën toonde daarover groote verbazing, zij namen de +dingen aan, zooals zij waren, het was nutteloos, ja, onmogelijk over +al die onverklaarbare zaken te redekavelen. Aan het zoo geheimzinnig +verstrekte voedsel deden zij zich echter begrijpelijkerwijze te goed +en nauwelijks was dit ontbijt gebruikt of de toorts gaf weder het +sein tot hervatting van den tocht. + +En deze werd afgelegd onder dezelfde omstandigheden als de vorige +dagen en toen tegen het vallen van den avond het licht weder verdween, +kon men berekenen in het geheel ongeveer zestig kilometer te hebben +geloopen, sedert men den oever van de Rio Johausen verliet. + +Kort daarop was het drietal in slaap, maar, was het een droom?--Max +Huber geloofde stellig, dat boven zijn hoofd de wals uit de +_Freischütz_ van Weber gespeeld werd! + + + + + +HOOFDSTUK XIII. + +EEN DORP IN DE LUCHT. + + +Toen John Cort, Max Huber en Khamis den volgenden morgen ontwaakten, +was het nog donkerder in het woud dan anders, maar, wat den drie +tochtgenooten dadelijk trof, het was niet zoo stil als gewoonlijk. Heel +in de hoogte klonk een dof gegons en toen zij opkeken, zagen zij een +honderdtal voeten boven den grond een soort dak. Hoogst waarschijnlijk +was dit door het in elkander groeien van allerlei takken ontstaan, +maar het gaf tevens een verklaring van de duisternis, die aan den +voet der boomen heerschte. + +Wel een uur lang bleef Khamis heen en weer loopen, om naar alle +richtingen uit te kijken of hij het licht, dat hun de vorige dagen +den weg gewezen had, nog niet zag verschijnen. Maar dit gebeurde +dezen ochtend niet en wat moesten onze vrienden nu beginnen? Verder +gaan? Maar waarheen? Blijven? Hoe moesten zij dan aan voedsel +komen? Honger en dorst deden zien toch reeds deerlijk gevoelen! + +"Toch kunnen wij hier niet blijven", zei John Cort, nadat zij lang +en breed beraadslaagd hadden, "en ik zou voorstellen om maar dadelijk +op weg te gaan." + +"Maar welken kant uit?" vroeg Max Huber. + +"Komaan!" hernam John Cort ongeduldig, "wij zijn hier toch niet met +onze voeten aan den grond vastgeworteld, zou ik denken!... Wij kunnen +tusschen de boomen doorloopen en zien waar wij uitkomen." + +"Vooruit dan!" zei Khamis. + +Zoo gingen de drie tochtgenooten op weg en de bodem bleek overal kaal +en droog te zijn, als onder een dicht dak, waardoor noch zonnestralen, +noch regendruppels konden heendringen. En overal stonden dezelfde +boomen, waarvan alleen de onderste takken waren te zien. + +Onbewoond was dit woud echter, naar het scheen, niet. Herhaaldelijk +meende Khamis schaduwen tusschen de stammen te zien sluipen. Was het +verbeelding? Hij kon het niet zeggen. Maar eensklaps fluisterde hij: + +"Daar ginds beweegt iets." + +"Een dier of een mensch?" vroeg John Cort, in de aangeduide richting +kijkende. + +"Als het een mensch is, dan toch een kind", antwoordde de voorlooper, +"want het was klein van stuk." + +"Een aap!" meende Max Huber. + +Onbewegelijk bleven zij staan om beter te zien en waarlijk, daar +naderde het dier, en het toonde bij het bespeuren der drie menschen +hoegenaamd geen verbazing. Het liep recht overeind, als een mensch, +en bleef op korten afstand staan. + +"Te drommel, het is het schepseltje, dat Llanga uit de rivier gered +heeft!" riep Max Huber, ten hoogste verwonderd. + +"Gelooft gij dat?" vroeg de voorlooper. + +"Ja, het is zóó", bevestigde John Cort, "en wij zullen de proef op +de som nemen." + +Hij haalde de medaille aan het koord te voorschijn, die het schepseltje +om den hals gedragen had en liet het heen en weer slingeren, zooals +men bij een klein kind doet, om de aandacht te trekken. En nauwelijks +had hij dit gezien of met één sprong was hij er bij. Ziek was hij niet +meer, dat bleek, en hij had met zijn gezondheid ook zijn vroegere +lenigheid teruggekregen. Klaarblijkelijk wilde hij de medaille +weggrissen, maar Khamis sprong hem in den weg en greep hem vast. + +"Li-Mai!... Ngala!... Ngala!" schreeuwde het kleine wezen. + +Wat die woorden beteekenden wisten zij natuurlijk niet, maar zij +hadden ook geen tijd er over te denken, want eensklaps verschenen +een aantal groote schepsels, minstens vijf en een halven voet lang. + +Of het dieren of menschen waren, konden onze reizigers niet zoo +spoedig zien, maar zij begrepen, dat het in elk geval dwaasheid zou +geweest zijn, zich te verzetten tegen een twaalftal van dergelijke +krachtige boschjesmannen. In een oogwenk waren John Cort, Max Huber +en de voorlooper gegrepen en half voortgeduwd, ging het tusschen de +boomen door, zeker wel vijf- of zeshonderd meter. + +Toen kwamen zij op een plek, waar twee boomen dicht genoeg bij +elkander stonden, dat de takken er van naar elkander gebogen waren, +zoodat zij wel geen trap, maar dan toch een zeer gemakkelijken ladder +vormden. Vijf of zes van de troep klommen langzaam daar tegen op en +de overigen dwongen de drie gevangenen hetzelfde te doen, waarbij +zij overigens, zooals wij gaarne erkennen, volstrekt geen geweld +gebruikten. + +Naarmate men hooger klom, drong ook het licht sterker tusschen de +bladeren door; reeds zagen onze vrienden eenige zonnestralen, waarvan +zij zoo lang verstoken waren geweest. + +En Max Huber moest bij zich zelf nu eindelijk erkennen, dat wat +hem thans overkwam, toch werkelijk wel iets heel ongedachts en heel +buitengewoons was! + +Want toen zij ten laatste ongeveer honderd voet geklommen waren, zagen +zij tot hun verbazing hier, als het ware op de toppen der boomen, +een plat, heerlijk door de zon verlicht. + +Tusschen de nog hooger oprijzende boomen stonden in zekere regelmaat +hutten van stroo, zoodat men meenen kon in een straat te zijn en de +geheele oppervlakte van dit dorp in de lucht was zóó groot, dat onze +reizigers de grens er van niet konden zien. + +En daar liepen heen en weer een troep wezens, gelijkende op den +beschermeling van Llanga. Hunne houding, overeen komende met die van +den mensen, wees aan, dat zij gewend waren recht op te loopen en dus +aanspraak mochten maken op den bijnaam _erectus_, dien dr. Eugène du +Bois, de Nederlandsche officier van gezondheid, gegeven heeft aan de +groote, uitgestorven aapsoorten, waarvan hij op Java overblijfselen +heeft gevonden. + +Maar Max Huber en John Cort hadden geen tijd, om bespiegelingen te +maken. Of het dieren waren, of menschen, of wel schepsels tusschen +den mensch en het dier in staande, moesten zij later uitmaken, thans +werden zij door den troep, die onderling in een bepaalde taal sprak, +in een hut gedrongen; de deur ging achter hen dicht en zoo waren zij +goed en wel gevangen! + +"Mooi!" riep Max Huber, "daar zitten wij, als die luidjes nu ook maar +de gewoonte hebben hunnen gevangenen eten te geven." + +"Misschien eten zij liever hunne gevangenen op", antwoordde John +Cort droogjes. + +En onmogelijk was dat niet, want er zijn in Centraal Afrika nog +stammen, als bijv. de Mounbouttou's, die zich aan kannibalisme +schuldig maken. + +Hoe het zij, als deze schepsels apen waren, dan stonden zij toch in +elk geval boven den oran-oetan van Borneo, den chimpanzee van Guinea +en den gorilla van den Gabon, want zij wisten vuur aan te maken en dit +te gebruiken, zooals bleek uit de toorts, die zoolang als wegwijzer +had gediend. + +En nu dachten onze vrienden eensklaps aan de bewegelijke vuren, die zij +lang geleden aan den zoom van het woud bespeurd hadden. Konden die ook +niet door deze vreemde bewoners van het groote woud aangestoken zijn? + +"En zij praten ook met elkaar", zei John Cort, nadat het drietal +allerlei opmerkingen over hun avontuur gemaakt had. + +"Wist ik maar, hoe ik in hunne taal zeggen moet, dat ik grooten honger +heb!" riep Max Huber, spotziek als altijd. + +Van de drie gevangenen was Khamis de stilste. Hij had natuurlijk +geen verstand van dierkundige vraagstukken en voor hem konden deze +wezens niets anders zijn dan dieren, en wel apen. Het waren apen, +die rechtop liepen, die praatten, die vuur aanlegden, die te zamen in +een dorp woonden, maar toch in elk geval apen. Maar wel vond hij het +vreemd, dat in het woud van Oebanghi zulke dieren leefden, waarvan +men nog nooit gehoord had en zijn trots als neger kwam er tegen op, +dat er apen waren, die zóóveel op menschen als hij geleken! + +Intusschen verkeerden onze vrienden thans in een vreemd geval en er +was maar één omstandigheid, die hun nog eenige hoop gaf, namelijk dat +zij aangeland waren in het dorp, als men deze kolonie zoo noemen mocht, +in het geboortedorp waarschijnlijk zelfs van den kleinen beschermeling +van Llanga, en dat, nu het kleine zwarte schepseltje daar gezond en +wel was aangekomen, de negerknaap er ook zijn zou. + +En ziet, nauwelijks hadden John Cort en Max Huber dit besproken, +of de deur van de hut werd geopend. + +"Llanga!... Llanga!" riep John Cort. + +"Mijnheer John!... Mijnheer Max!" Met deze woorden vloog Llanga op +zijn beide blanke vrienden toe. + +"Sedert wanneer ben je hier?" vroeg Khamis, die minder aangedaan was +onder dat wederzien. + +"Sedert gisteren morgen, zij hebben mij door het woud gedragen." + +"Die hebben dus sneller geloopen dan wij. En wie heeft je gedragen?" + +"Een van degenen die mij gered hebben, en u ook hebben gered." + +"Zijn het dan menschen?" + +"Zeker, menschen, geen apen ... geen apen!" + +En toen begon Llanga zijn wedervaren te vertellen, waarbij hij +herhaaldelijk de handen kuste van zijn twee blanke vrienden, die hij +reeds voorgoed verloren waande. + +"Toen het vlot tegen de rotsen stootte", zei hij, "werden Li-Mai en +ik in het water geslingerd..." + +"Li-Mai?" vroeg Max Huber. + +"Ja, zoo heet hij", antwoordde Llanga. + +"Heeft dat schepseltje dus een naam", zei John Cort, "heeft deze stam, +of dit volk, of hoe gij het noemen wilt, dan soms ook een naam?" + +"Ja, ik heb Li-Mai hen dikwijls Wagdies hooren noemen." + +Toen Llanga tot zich zelf kwam, zoo bleek uit zijn verder verhaal, +lag hij in de armen van een grooten Wagdie, den vader van Li-Mai, +en deze zelf was in de armen zijner "ngora", zijner moeder. Hoogst +waarschijnlijk was het schepseltje, een paar dagen vóór Llanga het +uit het water opvischte, in het woud verdwaald.--En eenmaal in zijn +dorp terug werd de kleine beschermeling nu op zijn beurt de beschermer +van Llanga, hij werd goed behandeld en dezen zelfden morgen had Li-Mai +hem bij de hand genomen en voor deze hut gebracht. Met welk doel wist +hij niet, maar toen had hij hooren praten en de stemmen van John Cort +en Max Huber herkend. + +"Alles heel mooi, Llanga!" zei de Franschman, toen de knaap zijn +verhaal gedaan had, "maar wij sterven van honger; gij, die hier zoo +goed staat aangeschreven, kunt ons zeker wel een ontbijt bezorgen." + +Llanga verliet de hut en kwam weldra met eenige spijzen terug: +een stuk geroosterd buffelvleesch, een half dozijn vruchten van de +_Acacia Adansonia_, ook wel genoemd apenbrood, wat bananen en in een +kalebas heerlijk frisch water. + +Toen het drietal zich aan dit koningsmaal verzadigd had, begon John +Cort aan Llanga een soort verhoor af te nemen. + +"Zijn die Wagdies talrijk?" vroeg hij. + +"O, zóó veel! Zóó veel!" + +"Even veel als in de dorpen van Bornoe of van Baghirmi?" + +"Ja." + +"En komen zij nooit van de boomen af?" + +"Zeker ... om te jagen ... om vruchten en wortels te verzamelen ... om +water te scheppen." + +"En spreken zij?" + +"Ja, maar ik begrijp hen niet, maar soms hoor ik woorden, die ik van +Li-Mai wel eens gehoord heb." + +"En de vader ... de moeder van dat kind?" + +"O, die zijn zeer goed voor mij, wat ik straks hier gebracht heb, +kreeg ik van hen." + +"En hoe heet dit dorp in de boomen?" + +"Ngala." + +"Heeft het een opperhoofd?" + +"Ja." + +"Hebt gij dien gezien?" + +"Neen, maar ik heb gehoord, dat hij Mselo-Tala-Tala heet." + +"Dat zijn woorden uit een inlandsche taal", zei Khamis eensklaps. + +"En wat beteekenen die?" + +"Vader Spiegel", antwoordde de voorlooper. + +En zoo noemen de Congoleezen inderdaad iemand, die een bril draagt. + + + + + +HOOFDSTUK XIV. + +DE WAGDIES. + + +"Wat verlangt gij nu nog meer, beste Max?" zei John Cort spottend, +"mij dunkt dat dit nu iets buitengewoons en onverwachts is! Niet +alleen een dorp in de lucht, maar zelfs een koning daarin!" + +"Wat ik verlang John?" antwoordde de luchthartige Franschman, "wel, +ik verlang niet mijn leven lang in deze hoofdstad van het rijk der +Wagdies te blijven!" + +"Maar Max, wij moeten hier toch een poos blijven om de bewoners van +dit dorp te bestudeeren, wij moeten er een paar dikke folianten over +schrijven, die de verbazing zullen opwekken van alle geleerde bollen +uit Europa en Amerika!" + +"Goed, ik wil bestudeeren en informeeren en al wat je verlangt, +maar op twee voorwaarden!" + +"En die zijn?" + +"Ten eerste dat wij frank en vrij in het dorp mogen rondloopen en +ten tweede, dat wij mogen heengaan, zoodra wij daar lust in hebben." + +"En aan wien moeten wij die voorwaarden kenbaar maken?" + +"Wel natuurlijk aan Zijne Majesteit Vader Spiegel; maar à propos, +hoe zou de Koning aan dien naam komen? Zou hij bij geval kippig zijn +en een bril dragen?" + +"Maar waar is die bril dan van daan gekomen?" vroeg John Cort terecht. + +Max Huber kon hierop geen antwoord geven, want wederom werd de deur +van de hut geopend en ditmaal verscheen Li-Mai, die verheugd op +Llanga toeliep. John Cort stelde dadelijk voor van de gelegenheid +dat de deur open stond gebruik te maken en zoo traden onze vrienden +dus naar buiten. Voorafgegaan door Li-Mai, die Llanga bij de hand +hield, kwamen zij op een soort pleintje--een vrij open ruimte, die +overschaduwd werd door het dichte bladerdak der boomen, wier krachtige +stammen dit luchtdorp torsten. + +Het was heerlijk weer en de zonnestralen speelden door het +loover. Boven de hoogste takken vertoonden zich groote stukken van +den blauwen hemel en een koel windje, bezwangerd met welriekende +geuren van boschplanten, maakte de lucht heerlijk zuiver. + +Terwijl het troepje zoo rondliep, keken de Wagdies, mannen, vrouwen +zoowel als kinderen, naar hen, zonder bizonder veel verbazing te +toonen. Wel wisselden zij onderling, met een schor stemgeluid, eenige +vlugge, overstaanbare woorden. Slechts een hoogst enkele maal meende +de voorlooper een paar woorden in de Congoleesche taal op te vangen, +hetgeen niet zoo onmogelijk was, daar Li-Mai immers ook het woord +ngora gebruikt had. + +Maar het meest verbaasd was John Cort, toen hij duidelijk een paar +Duitsche woorden meende op te vangen, waaronder het woord Vater +(vader) en dadelijk deelde hij dit aan zijn reisgenooten mede. + +"Ik verbaas mij over niets meer", gaf Max Huber ten antwoord, "ik zou +het zelfs niets vreemd vinden, als die zwartjes mij vriendschappelijk +op mijn schouder klopten en zeiden: 'Zoo amice, hoe gaat het?'" + +Af en toe liet Li-Mai de hand van Llanga los en liep hij, als een +vroolijk, spelend kind, naar een der Wagdies. Blijkbaar was hij er zeer +trotsch op de vreemdelingen door het dorp te mogen rondleiden. Maar +het was duidelijk, dat hij niet maar wat met hen ronddwaalde, hij +bracht hen ergens heen en zij hadden niet anders te doen dan hunnen +vijfjarigen gids te volgen. + +Onderwijl hadden zij alle gelegenheid zich een oordeel te vormen over +de uitgestrektheid van dit zonderlinge dorp, dat in omtrek zeker wel +drie mijl zou meten. + +De hutten, in den vorm van een bijenkorf, waren bijna alle open en +men kon daar binnen de vrouwen bezig zien in hare huishouden. Van +de mannen verzamelden sommige vruchten tusschen de takken, andere +kwamen terug met gevangen wild of met kuipen water, dat zij uit de +Rio geschept hadden. + +Intusschen had Khamis getracht den kleinen Li-Mai in de inlandsche +taal aan te spreken, maar het knaapje scheen niets daarvan te +begrijpen. Toch had hij op het vlot duidelijk het woord ngora gezegd, +wat toch een inlandsch woord was. + +Na een uur kwamen de tochtgenooten aan het eind van het dorp, waar een +hut van grooter afmeting stond, tusschen de takken van een reusachtigen +wolboom. Voor den ingang stonden twee gewapende Wagdies. Was deze +groote hut het koninklijk paleis, of het heiligdom der toovenaars, +die men bij alle wilde volken in Afrika vindt? John Cort zag thans de +gelegenheid om van Li-Mai eene inlichting te krijgen en zoo vroeg hij, +op de hut wijzende: + +"Mselo-Tala-Tala?" + +Een knik met het hoofd was het eenige antwoord. + +Daar woonde dus Zijne Majesteit de Koning der Wagdies en overmoedig +en zonder veel complimenten liep Max Huber naar de hut, toen de beide +schildwachten hem dreigend den weg versperden. + +"Mooi, wij mogen er niet in!" spotte de Franschman. "Dan zullen wij +Zijne Majesteit schriftelijk om een audiëntie moeten verzoeken!" + +"Alsof hij zou kunnen lezen, verbeeld je!" antwoordde John Cort. + +"Weet gij niet waar de hut van Li-Mai's ouders is?" vroeg Khamis +aan Llanga. + +"Neen, maar Li-Mai zal er ons bepaald wel heenbrengen, laten wij hem +maar volgen." + +Weinige minuten later kwamen onze vrienden in een meer beschaduwd, +donkerder gedeelte van het dorp en daar bleef Li-Mai staan voor een +strooien hut met een dak van bananenbladeren, dezelfde die Khamis +voor het afdak op het vlot gebruikt had. Hij strekte de hand naar de +hut uit en Llanga, die hem begreep, zei: "Hier woont hij." + +De deur van de hut stond open en van binnen bleek zij te bestaan uit +een enkel vertrek. + +Tegen den achterwand lag een soort veldbed van droge kruiden en het +overige huisraad bestond uit een drietal kalebassen, een aarden pot, +gevuld met water en twee kleinere aarden potten. Van vorken hadden +deze boombewoners nog nooit gehoord, zij aten met hunne vingers. Hier +en daar waren planken gemaakt, waarop het proviand lag: vruchten, +wortels, een stuk vleesch, eenige geplukte vogels. Aan een paar sterke +dorens, die als spijkers dienst deden, hingen eenige uit boombast +geweven doeken. + +Twee Wagdies, een man en eene vrouw, stonden op, toen Khamis met zijn +troepje voor de hut verscheen. + +"Ngora... ngora... Lo-Mai... La-Mai!" riep het negerknaapje, terwijl +het dadelijk naar zijn moeder liep, die het liefkoosde. + +John Cort nam het paar eens goed op. De man was van krachtigen, +goed geëvenredigden lichaamsbouw, zijn armen waren iets langer dan +bij den mensch, ook zijn handen iets grooter; zijn voeten rustten +met den geheelen zool op den grond. Zijn gelaatskleur was lichter +dan van de bekende inlanders, zijn haar zwart en kroezend en hij had +een korten, dunnen baard. Zijn hoofd was middelmatig van grootte, +de kaakbeenderen staken niet ver naar voren en de oogen hadden een +levendige uitdrukking. De vrouw was kleiner en had een zachtaardiger +uiterlijk; haar tanden waren prachtig wit, maar wat John Cort vooral +opviel, waren hare sieraden: glazen kralen en paarlen en om haar hals +de medaille van Dr. Johausen, zooals haar kind er ook een had. + +Praten met dit tweetal, ging tot John Cort's grooten spijt niet, maar +het was duidelijk, dat zij de grootste gastvrijheid wilden betoonen, +want den bezoekers boden zij dadelijk allerlei vruchten aan. + +De Amerikaan luisterde intusschen goed naar de taal, die man en +vrouw met elkander spraken en het kwam hem voor, dat hij, zij het dan +ook verminkt, eenige woorden uit de Congoleesche en uit de Duitsche +taal herkende. + +Na een kwartiertje vertrokken de bezoekers weder, thans onder geleide +van den man Lo-Mai zelf en zoo kwamen zij bij de hut, waarin zij den +vorigen nacht hadden doorgebracht en die hun weder tot woning zou +strekken. Voor hoe lang?... + +Lo-Mai nam vooral hartelijk afscheid van Llanga, in wien hij +ongetwijfeld den redder van zijn kind herkende en onze vrienden waren +weder alleen. + + + + + +HOOFDSTUK XV. + +DRIE WEKEN STUDIE. + + +Hoe lang zouden John Cort, Max Huber, Khamis en Llanga in dit dorp +blijven? Zou alles goed afloopen, zou er geen onraad komen? Van +vluchten kon geen sprake zijn, daartoe werden zij te goed bewaakt. Maar +al ware dit niet het geval geweest, hoe zouden zij dan den rand van +dit onmetelijke woud kunnen bereiken, of de Rio Johausen terugvinden? + +Max Huber, die zóó verlangd had naar het vreemde en onverwachte, +had er reeds genoeg van en hij verheelde zijn ongeduld en verlangen +om in Libreville terug te zijn, niet. + +Ook Khamis, die op de dorpsbewoners als een laag staand ras, ja als +een soort dieren, bleef neerzien, was zeer verlangend om Ngala te +kunnen verlaten en wat hij doen kon om hiertoe te geraken, zou hij +niet nalaten. + +John Cort was minder ongeduldig. Hij vond het belangwekkend om die +nieuwontdekte schepselen waar te nemen en te bestudeeren. Eenige +weken had hij daar wel voor over, maar zou hun verblijf bij de Wagdies +misschien niet veel langer duren? Jaren wellicht? En wat zou het eind +van het avontuur zijn? + +Maar tot dusver had men gelukkig nog niets vijandigs kunnen +bespeuren. Vreemd bleef het echter dat die boschbewoners heel niet +verbaasd waren op het zien van menschen. + +Max Huber meende, dat men zich tot den Koning, Vader Spiegel, zou +wenden, om hunne vrijheid terug te vragen, maar gesteld dat zij bij +dit hooge personage werden toegelaten, hoe zouden zij elkander dan +verstaan? De Koning zou zeker wel geen Congoleesch spreken. + +Intusschen hadden zij bij het betreden van hunne hut eenige +veranderingen gezien, die hun wel bevielen. Allereerst was een Wagdie +bezig "de kamer te doen", als wij deze Europeesche uitdrukking mogen +gebruiken. Het was een bewijs, dat deze stam grooten zin voor netheid +en orde had; trouwens John Cort had reeds opgemerkt, dat zij op hun +lichaam en kleeding ook zeer zindelijk waren. Achter in de hut waren +stapels droge kruiden neergelegd en deze vormden voor onze reizigers, +die zoo dikwijls op den naakten grond geslapen hadden, een heerlijk +bed. Voorts waren eenige potten en pannen neergezet en een voorraad +proviand: allerlei vruchten en een antilopebout. + +Ter zijde van de hut was een platte steen, die als haard dienst deed; +er brandden zelfs reeds eenige droge takken op. + +De Wagdie, die voor werkmeid speelde, was een jonge man van omstreeks +twintig jaren, met een schrander uiterlijk. Hij wees naar een hoek en +zoo waar, daar zagen John Cort, Max Huber en Khamis hunne karabijnen, +wel wat geroest, maar dat was te herstellen. + +"Drommels, die komen te pas!" riep Max blij verrast. + +"Maar de patronen?" vroeg John Cort. + +"Die zijn hier", antwoordde de voorlooper en hij wees op het ijzeren +kistje, dat achter de deur stond. + +Zoo waren al deze kostbare zaken, die Khamis bij het vergaan van het +vlot op de rotsen geslingerd had, door de Wagdies gevonden en behouden +naar hun dorp gebracht. + +"Zouden zij geen verstand van vuurwapenen hebben, dat zij ons die +terug geven?" vroeg Max. + +"Dat weet ik niet", antwoordde John Cort, "maar blijkbaar weten +zij wel, dat men andermans goed niet mag behouden en dat bewijst, +dat zij eerlijk zijn." + +Eensklaps werd buiten met duidelijke stem geroepen: + +"Kollo! ... Kollo!" + +De jonge Wagdie keek John Cort aan en wees toen herhaaldelijk op zich +zelf. De Amerikaan begreep hieruit, dat het de naam van hunnen nieuwen +bediende was, en toen hij eenige malen het woord Kollo herhaalde, +toonde de jonge man zijn tevredenheid, door vroolijk te lachen. + +Uit dit alles bleek, dat de hut geen gevangenis was en dat de bewoners +haar naar verlangen konden verlaten; of zij het dorp zelf dit ook +mochten doen was intusschen nog twijfelachtig. + +De vrienden moesten zich dus maar schikken en in het luchtdorp +blijven wonen. + +De Wagdies schenen zacht van aard, niet twistziek en ook niet +nieuwsgierig. Lichamelijk bleken zij sterk en buitengewoon vlug en +hun gezicht was bizonder scherp. Als zij op de vogeljacht gingen, +schoten zij die met kleine pijltjes en ook op groote dieren, antilopen, +buffels, misschien zelfs op den rhinoceros jaagden zij in het woud +met goed gevolg. Max Huber had hen op die tochten gaarne vergezeld, +zoowel om hunne wijze van jagen te leeren kennen, als om een poging +te wagen tot ontvluchting. + +Meermalen had Max aandrang gevoeld om met zijn karabijn een schot +te lossen op de talrijke vogels, die hier in de boomen huisden, +maar zijn makkers en hij werden dagelijks ruim van allerlei proviand +voorzien. Hunne bediende Kollo liet het hun aan niets ontbreken, +elken dag vernieuwde hij den voorraad water en brandhout. Bovendien +zou het gebruik van het vuurwapen de kracht daarvan geopenbaard hebben +en beter was het, die geheim te houden en de karabijnen in geval van +nood als wapen te gebruiken. + +Dat de Wagdies hunnen gasten vleesch bezorgden, kwam hieruit voort, +dat zij zelven ook dit voedsel gebruikten, hetzij geroosterd op een +kolenvuur, of gekookt in eigengemaakte aarden potten. Ook trof onzen +vrienden een andere bizonderheid, waarover zij zeer verheugd waren: +er was zout, dat evenals in Azië en Amerika, hier in het Afrikaansche +woud als mineraal op den grond voorkwam. + +Een vraag, die John Cort echter vooral bezig hield, was deze: Hoe +kwamen die boombewoners aan vuur? Wreven zij stukken droog hout tegen +elkander, op de manier van de wilden? Neen, het bleek hem, dat zij +vuursteenen gebruikten en de vonken in droog mos of dorre bladeren +lieten springen. + +Behalve vleesch en plantaardig voedsel, allerlei wortels en vruchten, +de laatste vooral van den onwaardeerbaren boabab of apenbroodboom, +bananen en vijgen, aten de Wagdies ook honing en zij waren zeer +schrander in het vinden van de bijennesten. Bovendien bevatte een +stroom, die niet ver van het luchtdorp liep, zeer veel visch, die de +Wagdies evenzoo vingen en aten. + +Maar was die stroom bevaarbaar en gebruikten de Wagdies ook +vaartuigen? Dit te weten was voor onze vrienden van groot belang, +in geval van ontvluchting. + +Aan den rand van het dorp, dicht bij de koninklijke hut, was die +stroom te zien en scheen hij dertig à veertig voet breed, terwijl hij +op korten afstand achter de reusachtige gomboomen verdween. Inderdaad +werd hij door de Wagdies bevaren, waarbij zij gebruik maakten van +een soort kano's gemaakt van uitgeholde boomstammen. + +Dit alles was door Khamis ontdekt, die herhaaldelijk getracht had +buiten het dorp te komen, maar steeds hadden de schildwachten bij den +trap hem dit belet. Zij waren daarbij niet altijd even vriendelijk en +eenmaal zou hij misschien zelfs mishandeld geworden zijn, als Lo-Mai, +door het tumult aangelokt, niet tusschenbeide ware gekomen. + +Deze laatste had het vooral aan den stok met een grooten Wagdie, dien +men Raggi noemde. Aan de dierenhuiden die hij droeg en aan de veeren in +zijn haar kon men zien, dat hij de chef van de strijdbare mannen was. + +Onze vrienden hadden gehoopt, dat zij naar aanleiding van dit voorval, +voor den Koning zouden zijn geleid en dus gelegenheid zouden hebben +gekregen dezen potentaat, die door zijn onderdanen zoo angstvallig +verborgen werd gehouden, eindelijk te zien. Maar dit gebeurde +niet. Raggi scheen de hoogste macht te hebben en beter was het zijn +toorn maar niet meer op te wekken. + +Op een dag--het was de 9e April--ontstond eensklaps een hevig +tumult. Van den kant der rivier klonken luide kreten. + +Was dit een aanval op het dorp, door wezens gelijksoortig aan de +Wagdies? Dit zou inderdaad hoogst ernstig zijn, vooral wanneer de +aanvallers de boomen waarop het geheele dorp rustte, in brand zouden +gaan steken! + +Onmiddellijk waren Raggi en een dertigtal mannen naar den trap gesneld, +dien zij met aapachtige vlugheid afsprongen. John Cort, Max Huber +en Khamis waren met Lo-Mai naar den kant van het dorp geloopen, +waar het gedeelte van de rivier te zien was. + +Het bleek dat een groote troep wilde zwijnen, van het soort dat de +Transvalers "boschvarken" en de Engelschen "bush-pig" noemen, op den +linkeroever was verschenen. + +Deze dieren zijn iets kleiner dan het wilde zwijn uit Europa, hebben +zijdeachtig haar, oranjeachtig bruin van kleur en kwastjes aan de +ooren, terwijl de mannetjes kromme slagtanden hebben, evenals het +Babiroesa-zwijn. + +Onze vrienden waren van hunne standplaats getuige van den strijd, +die kort, maar niet zonder gevaar was. De Wagdies legden grooten moed +aan den dag; met bijlen gewapend, sommige ook met speren, stortten +zij zich tusschen de troep en na een uur waren verscheidene zwijnen +neergeveld en de overige op de vlucht gejaagd. + +Max Huber had zijn karabijn wel willen halen, maar de voorzichtige +John Cort had hem dit ontraden. Beter was het, met het gebruik der +vuurwapens te wachten, tot het bepaald nuttig of noodig zou zijn. + + + + + +HOOFDSTUK XVI. + +ZIJNE MAJESTEIT KONING MSELO-TALA-TALA. + + +Op dezen dag--of liever op den middag van den 15en April--zou er +eene verandering komen in de anders zoo kalme gewoonten van de +Wagdies. Drie weken lang hadden de gevangenen in Ngala geen enkele +gelegenheid gehad om hunnen tocht dwars door het groote woud in de +richting van de Oebanghi te hervatten. Zij werden goed bewaakt en +waren binnen de onoverschrijdbare grenzen van dit dorp besloten, +zoodat van ontvluchten geen sprake kon zijn. + +Nu was het volkomen waar, dat bijvoorbeeld John Cort hier niet om +treurde. Hij toch vond het zeer belangwekkend om studiën te maken van +deze schepsels, die wel een schakel schenen te vormen tusschen den aap +en den mensch. Hij zou hier prachtige bouwstoffen kunnen verzamelen +ter beoordeeling van de zoogenaamde "theorie van Darwin." Maar om de +geleerde wereld van zijn studiën vruchten te doen plukken, zou hij +toch allereerst in Fransch Congo, en in Libreville terug moeten zijn! + +Het was prachtig weer. De zon overgoot met licht en warmte de +boomtoppen, die het luchtdorp overschaduwden. + +Tusschen John Cort en Max Huber en de familie Lo-Mai was een druk +verkeer ontstaan. Er ging geen dag voorbij zonder dat deze hen in +hunne hut kwam bezoeken, of zij wederkeerig haar een bezoek brachten. + +Ongelukkigerwijze was het onzen vrienden nog altijd niet gelukt de +taal der Wagdies te verstaan, al bestond zij ook uit een zeer klein +aantal woorden, daar deze primitieve wezens ook slechts een zeer +beperkt aantal denkbeelden hadden. Wel had John Cort spoedig genoeg de +beteekenis van sommige woorden begrepen, maar dat stelde hem toch nog +niet in staat met de Wagdies een geregeld gesprek te voeren. Het trof +hem echter bizonder, dat in hunne taal eenige inlandsche uitdrukkingen +voorkwamen. Bewees dit niet, dat de Wagdies in verbinding stonden +met de negerstammen aan de Oebanghi? En sterker nog, soms gebruikte +Lo-Mai een woord, dat, hoe verbasterd en verminkt hij het ook uitsprak, +toch blijkbaar aan de Duitsche taal ontleend was. + +Zou hieruit moeten worden afgeleid, dat deze inboorlingen reeds eene +ontmoeting hadden gehad met de in Kameroen gevestigde Duitschers? In +dat geval zouden de Amerikaan en de Franschman niet de eer hebben +van dezen stam te hebben ontdekt.--Maar als John Cort tegen Lo-Mai +Duitsch ging spreken, bleek het alweer dat deze er niets van begreep, +hij kende slechts een paar woorden in die taal. + +Maar het meest gebruikte woord in elk gesprek bleef altijd +Mselo-Tala-Tala, de naam of de titel van den vorst. Wij weten hoe +vurig onze blanke vrienden verlangden bij dezen potentaat te worden +toegelaten. Als zij dien naam uitspraken, boog Lo-Mai het hoofd ten +teeken van diepen eerbied. + +En nu gebeurde het, op den genoemden middag, dat Lo-Mai met vrouw en +kind de hut der vreemdelingen kwam bezoeken. + +Het viel dadelijk op, dat zij zich bizonder hadden opgetooid. De man +droeg een krans van veeren om het hoofd en een schort van geweven +boombast, de vrouw een dergelijk schort, in haar lokken eenige groene +bladeren en om den hals een snoer van glazen kralen. Zelfs de kleine +Li-Mai had een kort schortje voor, hij had dus zijn zondagspakje aan, +zooals Max Huber lachend opmerkte en dadelijk vroeg hij: + +"Wat zou dat beteekenen, dat zij er zoo deftig uitzien?" + +"Het is voor hen zeker een feestdag", antwoordde John Cort. + +"Mselo-Tala-Tala", zei Lo-Mai eensklaps, bij het binnenkomen. + +"Vadertje met zijn bril", vertaalde Max Huber en hij snelde naar +buiten, meenende dat de Koning op dit oogenblik voorbijkwam. + +Hij werd echter teleurgesteld, er was geen schijn of schaduw van Zijne +Majesteit te bespeuren, maar wel zag hij, dat het in het dorp erg +rumoerig was. Van alle kanten kwamen drommen dorpelingen, opgesierd +als de familie Mai en blijkbaar in zeer vroolijke stemming. En alles +trok naar de westgrens van het dorp. + +"Er gebeurt iets", zei Max Huber en naar Lo-Mai terugkomende, +herhaalde hij: + +"Mselo-Tala-Tala?" + +"Mselo-Tala-Tala", antwoordde de man plechtig, kruiste zijn armen +over zijn borst en boog zijn hoofd. + +Het eenige wat John Cort en Max Huber hieruit konden afleiden, was, +dat de Wagdies hunnen Koning gingen begroeten en deze zich dus in al +zijn luister aan het verzamelde volk zou vertoonen. + +Hunnerzijds konden zij geen deftige kleeren aantrekken, zij hadden +niets dan hun jachtkostuum, tamelijk versleten nog wel. Bijgevolg +konden zij ter eere van Zijne Majesteit geen toilet maken en volgden +zij met Llanga de familie Mai, in hunne daagsche plunje. + +Khamis, die om al dat "mindere volk" bitter weinig gaf, bleef "alleen +thuis". Hij zou voor het eten zorgen en de geweren schoon maken, +want met het oog op allerlei gebeurlijkheden moesten die steeds in +de puntjes zijn. + +John Cort en Max Huber lieten zich dus door Lo-Mai geleiden, door het +thans zeer drukke dorp. Eigenlijke straten waren er niet, de hutten +stonden onregelmatig, al naar de boomen, of liever hunne takken, +de plaats hadden aangewezen. + +Het was zeer vol. Minstens een duizendtal Wagdies stroomden naar het +uiteinde van het dorp, waar het koninklijk paleis stond. + +"Zij gedragen zich werkelijk als echte menschen", merkte John Cort op. + +"Maar door hunne grimassen lijken het toch echte apen!" antwoordde +Max Huber. + +En werkelijk, de Wagdies, anders zoo ernstig, kalm en terughoudend, +waren thans buitengewoon druk en uitgelaten. + +Maar altijd nog jegens de vreemdelingen die onverklaarbare +onverschilligheid. Zij schonken hun niet de minste aandacht en waren +dus tegelijkertijd niet zoo opdringerig en lastig, als de Danka's, +de Monboetoes, en andere Afrikaansche negerstammen, en .... als het +beschaafde volk in de groote Europeesche steden tegen vreemdelingen, +die door kleeding of uiterlijk wat anders zijn dan zij! + +Na een lange wandeling kwamen Max Huber en John Cort op het voornaamste +"plein" van Ngala, dat door den uitersten boomenrand in het Westen +begrensd werd en waar in dicht lommer de woning van den vorst stond. + +Daar stond een dubbele rij krijgslieden opgesteld, gekleed in +antilope-vellen, door lianen bijeengehouden, het hoofd versierd met +den kop van den steenbok, door welker horens de heele troep wel wat op +een kudde geleek. Raggi, de "kolonel", was getooid met een buffelkop, +hij droeg pijl en boog, een bijl in zijn gordel. + +"Het schijnt wel dat de Koning een revue over zijn troepen gaat +houden!" zei John Cort. + +"Gaat Mselo-Tala-Tala uit?" vroeg Max Huber dadelijk aan Lo-Mai. + +"Nu krijgen wij hem dan toch te zien", zei de Franschman, met niet +veel eerbied voor een "gekroond hoofd". + +"En laten wij in dien tusschentijd onze oogen maar goed de kost geven", +hernam John Cort. + +Het schouwspel was werkelijk belangwekkend genoeg. Het plein besloeg +ongeveer een oppervlakte van een halve hectare en was op het midden +na stampvol van een joelende menigte, maar dank zij de familie Lo-Mai +kregen de beide vreemdelingen een prachtige plaats. + +Weldra kwamen op de open ruimte, in het midden van het plein, +een aantal jonge Wagdies, jongens en meisjes, die vroolijk gingen +dansen, terwijl de ouderen daaromheen zich te goed deden aan een +uit tamarinde gegisten drank. Aan muziek ontbrak het ook niet. De +instrumenten bestonden uit kalebassen, waarover een vel gespannen was, +dat met stokken werd geslagen, hetgeen een geluid gaf, om de ooren +van blanken te verscheuren. + +"Van maat schijnen zij weinig begrip te hebben", zei John Cort. + +"En van melodie nog minder!" antwoordde Max Huber. + +"En toch zijn zij gevoelig voor muziek, Max", merkte de Amerikaan op. + +"Dat zijn de dieren ook, John, ten minste sommige." + +Hoe dit zij, de Wagdies schenen toch werkelijk wel menschen te zijn, +want zij hielden niet alleen van muziek, maar maakten zelven de +instrumenten, wat toch zeker geen enkel dier doet! + +Zoo gingen een paar uren voorbij, tot groot ongeduld van +onzen Franschman. Het ergerde hem geweldig, dat Zijne Majesteit +Mselo-Tala-Tala zich nog niet verwaardigde om de hulde van zijne +onderdanen in ontvangst te nemen. + +Intusschen werd het feest onder groot getier en veel gedans +voortgezet. De oudere mannen waren flink blijven drinken en kwamen zoo +langzamerhand in een staat van opgewondenheid, die aan dronkenschap +grensde. Het was zeer te bezien of alles wel ordelijk en zonder +ongelukken zou afloopen! + +Maar daar ontstond eensklaps diepe stilte. De deur van de koninklijke +hut ging open en de soldaten stelden zich in twee rijen ter weerszijden +daarvan op. + +"Zie zoo, eindelijk zullen wij Zijne Majesteit dan zien!" zei Max +Huber. + +Maar het was Zijne Majesteit niet, die uit de hut kwam. Een soort +meubel, bedekt met een bladerkleed, werd naar het midden van het +plein gedragen. En wie schetst de verbazing van de twee vrienden, +toen zij in dat meubelstuk een gewoon straatorgel herkenden! + +Hoogst waarschijnlijk kwam dit instrument alleen te voorschijn bij +hooge, feestelijke gelegenheden en betuigden de Wagdies aan de muziek, +die er uit voortkwam, den grootsten eerbied. + +"Het is het orgel van dokter Johausen", fluisterde John Cort. + +"Ja, dat moet", antwoordde Max Huber, "en nu begrijp ik, hoe ik in +den nacht voor wij in dit dorp kwamen, de wals uit de _Freischütz_ +heb kunnen hooren." + +"En daar heb je mij niets van gezegd, Max!" zei John Cort verwijtend. + +"Ik dacht natuurlijk dat ik gedroomd had!" hernam de Franschman. + +"In elk geval moeten de Wagdies dit orgel uit de hut van den dokter +gestolen hebben", ging de Amerikaan voort. + +"Ja, na eerst dien braven Duitscher vermoord te hebben", antwoordde +Max Huber bitter. + +Een reusachtige Wagdie, waarschijnlijk de kapelmeester uit het dorp +ging achter het orgel staan en begon te draaien, en dadelijk weerklonk, +zij het dan ook wat gebrekkig, omdat sommige noten ontbraken, +de meergenoemde wals. Zoo volgde dus op het dansen een concert, +waarnaar de Wagdies met groote ingenomenheid luisterden. + +Maar zouden deze brave dorpelingen wel weten, dat er nog andere wijsjes +op het orgel zaten? Deze vraag kwam dadelijk bij John Cort op. En het +was inderdaad niet waarschijnlijk, dat deze zwartjes zouden weten, +dat indien een knopje in het orgel verschoven werd, er een andere +melodie zou komen dan de wals uit de _Freischütz_. + +Maar toen een half uur aan deze schepping van Weber besteed was, +hield de zwarte orgelman met een forsche tjingel op en zoo waar, +daar verschoof hij een paar knoppen, precies als onze straatorgelman +dat doet. + +"Maar dat is sterk!" riep Max Huber. + +En inderdaad, het was zeer vreemd, dat deze wilde, hetzij dan aap of +mensch, wist, hoe hij met een orgel moest omgaan. + +Weer begon hij aan de kruk te draaien en daar weerklonk een andere +melodie! + +Maar daarmede scheen het repertoire van het orgel dan ook uitgeput. Nog +een uur lang werd er op gespeeld, maar slechts de twee stukken +wisselden elkander beurtelings af. Toen begon het dansen weder en +daar het duister werd staken eenige soldaten toortsen aan, die het +plein fantastisch verlichtten. + +Max Huber en John Cort begonnen echter genoeg te krijgen van het +schouwspel en juist wilden zij heengaan om naar hunne hut terug te +keeren, toen Lo-Mai zeide: "Mselo-Tala-Tala". + +Zou het waar zijn? Zou Zijne Majesteit zich thans verwaardigen +de hulde van zijn volk in ontvangst te nemen? Bij het koninklijk +paleis ontstond werkelijk eenige beweging, daar ging de deur open, +de lijfwacht stelde zich op en Raggi plaatste zich aan het hoofd er +van. Onmiddellijk daarna verscheen een troon, een oude sopha, bedekt +met lappen en bladeren en gedragen door vier zwarten en daarop troonde +Zijne Majesteit. + +Het was een man van ongeveer zestig jaren, met witten baard en +haar en zeer dik, zoodat de dragers aan het vrachtje zeker heel wat +zouden hebben. + +De stoel scheen een rondgang te gaan houden over het plein en de +menigte boog zich diep ter aarde in plechtige stilte, alsof zij door +de hooge tegenwoordigheid van Mselo-Tala-Tala betooverd was. + +Deze zelf scheen echter tamelijk onverschillig voor die huldebetuiging, +waarop hij naar zijne meening zeker recht had en waaraan hij gewend +was. Te nauwernood gaf hij een flauwen hoofdknik; hij maakte geen +gebaar, geen andere beweging dan dat hij zich een paar malen over +zijn neus krabde, een lange neus met een grooten bril er op, waaraan +hij den naam van Vader Spiegel te danken had. + +Toen hij dicht langs onze vrienden kwam, kon John Cort zich niet +weerhouden, uit te roepen: + +"Maar het is een mensch!" + +"En nog wel een blanke!" liet Max Huber er op volgen. + +En inderdaad, er viel niet aan te twijfelen, het personage dat zich +daar zoo deftig liet ronddragen, was zeer zeker geen inboorling, +geen neger, maar een echte, onvervalschte blanke! + +"En hij kijkt niet eens naar ons! Hij schijnt ons niet eens op te +merken!" bromde Max Huber. "Wat drommel, wij lijken toch niet op die +halve apen hier!" + +"Stil!" zei John Cort, hem bij zijn arm grijpende, "ik herken hem +thans, ik weet wie het is." + +"Wie het is?" + +"Ja, het is dokter Johausen!" + + + + + +HOOFDSTUK XVII. + +KONING JOHAUSEN. + + +John Cort had den dokter vroeger in Libreville ontmoet en hij kon +zich dus niet vergissen, het was werkelijk de Duitsche geleerde, +die hier als vorst troonde over het volk der Wagdies! + +Zijn geschiedenis is in weinig woorden verhaald. Drie jaar geleden was +hij, aangespoord door de pogingen van professor Garner, uit Malinba +vertrokken, met een escorte negers, die levensmiddelen, ammunitie en +andere onmisbare zaken droegen. Wij weten reeds wat hij in het Oosten +van Kameroen wilde doen: zich vestigen te midden van de apen, om hunne +taal te bestudeeren. Maar welke richting hij zou uitgaan, had hij aan +niemand meegedeeld, want hij wilde alle eer voor zich alleen houden, +en op dit punt was hij inderdaad eenigszins van Lotje getikt. + +Wat Khamis en zijne tochtgenooten op hunne terugreis ontdekt hadden, +bewees ontwijfelbaar, dat de dokter in het groote oer-woud de plek +gevonden had, waar de rivier stroomde, die door Max Huber naar hem +gedoopt was. Na zijn escorte te hebben teruggezonden, had hij een +vlot gemaakt en had zich met zijn trouwen inlandschen bediende daar +op ingescheept. Te zamen hadden zij de traliehut op den rechteroever +opgericht en wij weten nog, dat Khamis daar een opschrijfboekje +gevonden had, waaruit bleek, dat de dokter tot 25 Augustus, derhalve +dertig dagen in die hut gewoond had. + +Had hij die toen vrijwillig verlaten? Dat was niet waarschijnlijk; men +moest aannemen, dat de Wagdies, die het geheele woud doorkruisten, +want onze vrienden hadden immers tot aan den rand van het woud +hunne lichten gezien, hem hadden gevangen genomen en meegevoerd. De +inlandsche bediende was ongetwijfeld gevlucht, want als deze ook naar +Ngala gebracht was, hadden John Cort en zijne makkers hem moeten zien, +en zeer zeker zou hij anders vandaag ook wel in den koninklijken +stoet verschenen zijn, misschien wel als Eerste Minister. + +In elk geval hadden de Wagdies dokter Johausen niet slechter behandeld +dan Khamis en zijn reisgenooten. Waarschijnlijk getroffen door zijn +verstandelijke meerderheid, hadden zij hem tot hunnen Koning gemaakt, +hetgeen ook John Cort of Max Huber overkomen had kunnen zijn, wanneer +de plaats thans niet reeds ingenomen was. En dus bekleedde de Duitsche +geleerde, onder den naam van Vader Spiegel of van Mselo-Tala-Tala, +reeds drie jaren den Wagdieschen troon. + +Dit gaf de verklaring van veel wat tot dusver onverklaarbaar was +geweest: hoe verschillende Congoleesche woorden in de taal van deze +primitieve menschen waren gekomen en zelfs eenige Duitsche woorden, +hoe zij wisten om te gaan met een draaiorgel, hoe zij sommige stukken +gereedschap wisten te maken, hoe dus een zekere beschaving over hen +gekomen was. + +Dit alles bespraken de twee vrienden met elkaar, toen zij na afloop +van het feest in hunne hut waren teruggekeerd en toen riepen zij +Khamis. Zij brachten hem van alles op de hoogte en toen zei Max Huber: + +"Maar nu begrijp ik niet, dat dokter Johausen geen verbazing heeft +getoond over onze tegenwoordigheid in zijn dorp." + +"Ja, en ik kan niet begrijpen, waarom hij ons niet in zijn paleis +ontboden heeft", voegde John Cort er bij. + +Hoe het zij, het stond vast, dat de geleerde, uitgegaan om tusschen +apen te leven, terecht gekomen was tusschen een volk, dat reeds op +den menschelijken ladder stond en tot dusver nog onbekend was. Hij +had hun het praten niet behoeven te leeren, want dat konden zij +reeds, hoogstens had hij hen wat Congoleesche en Duitsche woorden +bijgebracht. En als geneesheer had hij hen ook nog zulke groote +diensten kunnen bewijzen, dat hij populair was geworden en zij hem +tot hunnen Koning hadden uitgeroepen. + +"Het is duidelijk wat wij thans te doen hebben", zei Max Huber, +"ik wil aannemen, dat hij niet weet, dat wij hier zijn, dat onze +tegenwoordigheid voor hem verzwegen is, zelfs dat hij ons daar straks +niet heeft opgemerkt, maar dit alles is voor ons reden te meer, +om hem in zijn paleis op te zoeken." + +"Ho, ho!" zei John Cort. + +"Ja zeker, en van avond nog; het volk aanbidt hem, het volk zal hem +dus gehoorzamen en hij zal ons in vrijheid stellen en naar de grens +van zijn land laten brengen. + +"En als hij dat weigert?" + +"Waarom zou hij dat weigeren?" + +"Welnu, als hij weigert", antwoordde Max Huber, "dan zal ik hem +zeggen dat hij niet waard is over deze halve negerapen te regeeren, +maar dat hij koning verdiende te zijn over stekelvarkens!" + +Maar hoe dit zij, het plan van Max Huber was wel waard eens overwogen +te worden. De gelegenheid was gunstiger dan zij zich waarschijnlijk +ooit zou voordoen. De Wagdies zouden half beschonken hunne roes +uitslapen in hunne hutten, of wezenloos ronddwalen door het woud, +zelfs de krijgslieden hadden door den drank het hoofd verloren, +het koninklijk paleis zou minder streng bewaakt worden dan anders +en het zou waarschijnlijk niet moeilijk zijn, tot in het vertrek van +Mselo-Tala-Tala door te dringen. + +Nadat het plan ook de instemming verworven had van Khamis, wachtte +men tot het wat later in den avond en de dronkenschap in het dorp +nog wat algemeener zou zijn. + +Eindelijk, omstreeks negen uur, verlieten Max Huber, John Cort, +Llanga en de voorlooper hunne hut. Het was stikdonker buiten, de +laatste toortsen waren uitgebrand. In de verte, aan den anderen kant +van het dorp, klonk verward rumoer. + +Onze vrienden, die vast voornemens waren om te ontvluchten, +hetzij dan met of zonder de toestemming van Zijne Majesteit, hadden +natuurlijk hunne karabijnen medegenomen en hunne zakken volgestopt +met patronen. Werden zij tegengehouden of overvallen, dan zouden zij +dus hunne vuurwapenen laten medespreken, een taal, die de Wagdies +nog niet zouden kennen. + +Voorzichtig sloop het viertal voort tusschen de hutten, die meerendeels +ledig bleken en op het plein gekomen, zagen zij dat ook dit geheel +verlaten en stikdonker was. + +Alleen uit het venster van de koninklijke hut scheen licht. + +"Er is niemand", fluisterde John Cort. + +En inderdaad had Raggi met de soldaten zijn post verlaten en op dezen +avond was de vorst niet goed bewaakt, indien er in de hut althans geen +"kamerheeren van dienst" zouden zijn! + +Langzaam sloop Llanga vooruit en bevond, dat de deur geopend kon +worden door er tegen aan te drukken. John Cort, Max Huber en Khamis +voegden zich dadelijk bij hem en een paar minuten bleven zij scherp +luisteren, gereed om in geval van nood dadelijk te vluchten. + +Maar noch in de hut, noch daar buiten werd eenig gerucht gehoord. + +Max Huber trad het eerst binnen, op den voet gevolgd door de anderen, +die de deur achter zich sloten. De hut bleek te bestaan uit twee +ineenloopende vertrekken. Het eerste was donker en er was niemand in; +maar door de openstaande tusschendeur zag men een flauw lichtschijnsel +en daar, op een divan tegen den achterwand, lag dokter Johausen. + +Blijkbaar was dit meubelstuk met enkele andere, die hier stonden, +tegelijk met den eigenaar uit de getraliede kooi hierheen gebracht. + +Maar op het gerucht dat de bezoekers maakten, richtte de dokter zich +half op en wendde hij zijn hoofd om. + +Werd hij juist uit een diepen slaap wakker? Het was waarschijnlijk, +want hij scheen de tegenwoordigheid der vreemden niet goed op te +merken. + +"Dokter Johausen", zei John Cort in het Duitsch, "mijne vrienden en +ik komen Uwe Majesteit onze hulde betuigen..." + +De dokter gaf geen antwoord... Zou hij het niet begrepen hebben? Zou +hij zijn eigen taal vergeten zijn, nu hij drie jaren te midden der +Wagdies gewoond had? + +"Verstaat u mij?" hernam John Cort. "Wij zijn vreemden, die hier naar +Ngala gevoerd zijn." + +Nog geen antwoord. + +Thans kwam Max Huber nader en schudde den Koning tamelijk oneerbiedig +heen en weer. + +Als eenig antwoord trok Mselo-Tala-Tala een leelijk gezicht en ... stak +zijn tong tegen de vreemden uit... + +"Zou hij gek zijn?" mompelde John Cort. + +"Dat zou ik meenen", antwoordde Max Huber. + +En ja, de ongelukkige geleerde was door zijn verblijf tusschen de +Wagdies volslagen krankzinnig geworden. Maar juist dientengevolge +was hij waarschijnlijk tot Koning uitgeroepen. Immers ook bij de +Indianen van het verre Westen, bij de Australische wilden wordt een +krankzinnige als een soort heilig wezen geëerd. + +Maar thans verklaarde het zich ook, waarom de Koning heel niet naar +de vreemde bezoekers had omgezien, waarom hij hen bij zijn rondgang +niet eens had opgemerkt! + +"Wij kunnen op zijn hulp niet rekenen bij onze vlucht", merkte Khamis +zeer practisch op. + +"Neen, zeker niet", beaamde John Cort. + +"En die zwarte wilden zullen ons nooit goedwillig heen laten gaan", +zei Max Huber. "Er is dus maar één ding: vluchten." + +"En wel dadelijk!" voegde Khamis er bij. "Kom mede, wij moeten de +trap trachten te bereiken en het woud insnellen." + +"Alles goed en wel", zei Max Huber, "maar de dokter..." + +"De dokter?" + +"Wij kunnen hem zóó niet achterlaten, het is onze plicht hem te +bevrijden..." + +"Maar als hij niet mee wil?" vroeg John Cort. + +"Dat zullen wij onderzoeken", hernam Max Huber. + +Men begrijpt, dat het niet gemakkelijk zou zijn den zwaarlijvigen +Duitscher mede te slepen, daarom namen de drie mannen hem bij de armen +en poogden hem op te beuren, maar met buitengewone kracht wierp hij +hen van zich af. + +"Dokter Johausen!" riep John Cort nog eens en met nadruk, maar de +ongelukkige gaf geenerlei blijk zich dien naam te herinneren. + +"Hij wilde tusschen de apen wonen en is zelf een aap geworden", +zei Max Huber. + +Er bleef dus niets anders over dan te vluchten en haastig verlieten +zij het vertrek en ijlden naar buiten. + + + + + +HOOFDSTUK XVIII. + +ONVERWACHTE ONTKNOOPING. + + +Buiten was alles nog stil, maar het was zóó donker tusschen de takken, +dat het zeer moeilijk viel den weg naar de trap te vinden. + +Eensklaps stond een Wagdie voor hen! + +Het was Lo-Mai met zijn kind. Het knaapje had de vreemden de +koninklijke hut zien binnengaan en was zijn vader gaan waarschuwen. En +de brave neger, bevreesd dat den vreemdelingen eenig kwaad overkomen +kon, had hen dadelijk opgezocht en bood hun thans zijn hulp als +gids aan. + +Gretig namen zij dit aanbod aan en zoo bereikten zij de trap, maar +wie schetst hun schrik: de toegang werd bewaakt door Raggi en een +dozijn krijgslieden. + +Zouden zij met hun vieren die overmacht kunnen verjagen? + +Max Huber achtte het oogenblik gekomen om van zijn karabijn gebruik +te maken, maar dadelijk sprongen Raggi en twee zijner mannen op hem +toe. De Franschman ging achterwaarts, legde aan, vuurde en midden in +de borst getroffen, stortte Raggi dood neer. + +Blijkbaar kenden de Wagdies het gebruik en de uitwerking van +vuurwapenen niet. Het geluid van het schot en het neervallen van Raggi +veroorzaakten eene ontsteltenis bij hen, waarvan geen beschrijving +is te geven. Allen vlogen weg, eenigen het dorp in, anderen, als apen +zoo vlug, de trap af. + +De weg was dus vrij en onze vrienden lieten zich als het ware naar +beneden glijden, liepen wat zij loopen konden in de richting der Rio +en zoodra zij die bereikt hadden, maakten zij een der daar liggende +kano's los en scheepten zich in met Lo-Mai en zijn kind, die bij hen +gebleven waren. + +Maar op hetzelfde oogenblik werden aan alle kanten fakkels ontstoken +en van alle zijden klonken luide kreten, terwijl een wolk van pijlen +op de vluchtelingen werd afgezonden. + +"Er blijft niets anders over", riep John Cort, "vuur!" + +Twee schoten weerklonken, twee Wagdies stortten neder en de +aanstormende wilden bleven een oogenblik verschrikt staan. + +Op hetzelfde oogenblik kwam de kano in het midden der rivier, de +stroom voerde haar mee en zij verdween tusschen de zware boomstammen. + + + +Het is onnoodig den verderen tocht naar het Zuid-Westen, in alle +bizonderheden te beschrijven. Den eerstvolgenden avond legde Khamis de +kano aan een boomstam vast. Het was toen de 16e April, Lo-Mai en zijn +kind bleven dien nacht nog bij de vreemden, maar toen den volgenden +morgen de reis zou worden voortgezet gaf de neger te kennen, dat hij +niet verder wilde meegaan. Hoe John Cort en Max Huber ook aandrongen, +dat het tweetal hen vergezellen zou naar Libreville, niets baatte, er +viel niets anders te doen dan afscheid te nemen van den braven man, +die uit dankbaarheid wegens de redding van zijn kind, hun als gids +zulk een onwaardeerbaren dienst bewezen had. + +Zoo ging de kano weder naar het midden der rivier, terwijl Lo-Mai +en zijn zoontje aan den oever bleven staan, en wederzijds wuifde men +elkander tot afscheid toe. + +Op den 21sten April werd de stroom sterker en bleek het dus, dat +men de Oebanghi naderde; naar schatting waren driehonderd Kilometer +sedert het vertrek uit Ngala afgelegd. En inderdaad, reeds den 26en +bereikte men aan den rechteroever een klein dorpje, dat niet meer +dan 900 Kilometer van Libreville bleek verwijderd te zijn. + +De voorlooper richtte hier dadelijk een karavaan in en bijna in rechte +lijn voorttrekkende naar het Westen, kwamen John Cort, Max Huber, +Khamis en Llanga den 20en Mei in de factory aan, waar zij door hunne +vrienden, die hen reeds als verloren hadden beschouwd, met open armen +werden ontvangen. + +En dokter Johausen?... En het negerdorp in de lucht? + +Ongetwijfeld zal vroeg of laat een expeditie in nadere aanraking +komen met het onbekende volk in het diepste van het oerwoud. Mocht +het gebeuren, dat zij den Duitschen geleerde dan weder naar Malmba +terugbrengt, dan is het de vraag of hij niet zal terug verlangen naar +den tijd, toen hij als Koning Mselo-Tala-Tala over dat primitieve +volkje regeerde. + + + + + + +INHOUD + + + 1. Na een langen marsch 1. + 2. De bewegende vuren 8. + 3. Verstrooid 19. + 4. Geen keuze 28. + 5. De eerste dagen in het woud 36. + 6. Altijd naar het Zuidwesten 43. + 7. De ledige kooi 50. + 8. Dokter Johausen 59. + 9. Op de Johausen-rivier 71. +10. Ngora 79. +11. De reis van den 19den Maart 84. +12. Na de schipbreuk 91. +13. Een dorp in de lucht 96. +14. De wagdies 108. +15. Drie weken studie 116. +16. Zijne Majesteit Koning Mselo-Tala-Tala 127. +17. Koning Johausen 140. +18. Onverwachte ontknooping 151. + + + + + + + +LIJST DER PLATEN. + + +"Max Huber en Llanga" (_Titelplaat_) +"Het drietal zette den tocht voort" 5. +"De lichten schenen thans wel vijftig en honderd voet boven den +beganen grond" 9. +"Toen kon hij de anderen behulpzaam zijn om tegen den stam op te +klimmen" 13. +"Daar weerklonk een schot" 21. +"Het was een Inyala, een soort antilope" 25. +"Had John Cort geen oogen genoeg om de prachtige plantenwereld +te bewonderen" 29. +"Toen hij eensklaps een hand op zijn schouder voelde" 37. +"Max Huber legde dadelijk zijn karabijn aan" 41. +"En riep luidkeels: de Rio! de Rio!" 45. +"Na een poos ontdekten zij het tweetal, aan den linkeroever" 53. +"En in die tralies was een deurtje" 57. +"Daar de dokter zich verbeeldde, dat de apen niet ongevoelig +zouden zijn voor de schoonheden der muziek" 61. +"Er was nu een ijzeren pot, men kon dus een soort soep koken" 65. +"Het duurde niet lang of een gulzige snoek beet aan en werd aan +boord gehaald" 69. +"Op de takken der boomen wemelde het van apen" 73. +"Eenige oogenblikken verkeerden de reizigers in grooten angst" 77. +"En staken hem hunne hand toe" 85. +"De buffel scheen niet van plan om heen te gaan" 97. +"Zij werden meegesleurd in de kolk" 101. +"Hij poogde tusschen het bladerengewelf door, een stukje van den +hemel te ontdekken" 105. +"Er bleef niets anders over dan voort te loopen" 109. +"Stond hij uit te kijken, of hij het licht nog niet zag +verschijnen" 113. +"Stonden in zekere regelmaat hutten van stroo" 117. +"Vooraf gegaan door Li-Mai die Llanga bij de hand hield" 121. +"Toen de beide schildwachten hem dreigend den weg versperden" 125. +"Schoten zij de vogels met kleine pijltjes" 129. +"Met bijlen gewapend, storten zij zich tusschen de troep" 133. +"Het viel dadelijk op, dat zij zich bizonder hadden opgetooid" 137. +"Ging achter het orgel staan en begon te draaien" 141. +"En schudde den koning tamelijk oneerbiedig heen en weer" 145. +"Twee schoten weerklonken" 149. +"En wederzijds wuifde men elkander tot afscheid toe" 153. + + + + + + + +End of Project Gutenberg's In de Oer-wouden van Afrika, by Jules Verne + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IN DE OER-WOUDEN VAN AFRIKA *** + +***** This file should be named 18120-8.txt or 18120-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/1/2/18120/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +*** END: FULL LICENSE *** + diff --git a/18120-8.zip b/18120-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..01f5a9c --- /dev/null +++ b/18120-8.zip diff --git a/18120-h.zip b/18120-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..77cc523 --- /dev/null +++ b/18120-h.zip diff --git a/18120-h/18120-h.htm b/18120-h/18120-h.htm new file mode 100644 index 0000000..cf588c8 --- /dev/null +++ b/18120-h/18120-h.htm @@ -0,0 +1,5105 @@ + +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> + +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1"> + +<title>The Project Gutenberg eBook of In de Oer-wouden van Afrika, by Jules Verne</title> +<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="Jules Verne"> +<meta name="DC.Creator" content="Jules Verne"> +<meta name="DC.Title" content="In de Oer-wouden van Afrika"> +<meta name="DC.Date" content="##### 2006"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css"> + + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16% 1.58em 16%; +text-align: left; +} + +/****** Title Page ******/ + +h1.docTitle +{ +font-size: 1.6em; +line-height: 2em; +} + +h2.docImprint, h1.docTitle, h2.byline, h2.docTitle +{ +text-align: center; +} + +h2.byline +{ +font-size: 1.1em; +line-height: 1.44em; +font-weight: normal; +} + +span.docAuthor +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} + +h2.docImprint +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: normal; +} + +/******* Headers ******/ + +.div0 +{ +padding-bottom: 1.6em; +} + +.div1 +{ +padding-bottom: 1.44em; +} + +.div2 +{ +padding-bottom: 1.2em; +} + +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-bottom: 1.0em; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +font-style: normal; +text-transform: none; +clear: both; +} + +h1 +{ +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5em; +} + +h1.label +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h2 +{ +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5em; +} + +h2.label +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h3 +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +} + +h3.label +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h4 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.2em; +} + +h4.lghead +{ +margin-left: 10%; +margin-right: 10%; +} + +h5 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.0em; +font-style: italic; +} + +h6 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.0em; +font-style: italic; +} + +/****** Paragraphs ******/ + +p +{ +text-indent: 0; +} + +.alignleft +{ +text-align: left; +} + +.aligncenter +{ +text-align: center; +} + +.alignright +{ +text-align: right; +} + +.alignblock +{ +text-align: justify; +} + +p.poetry +{ +margin: 0em 10% 1.58em 10%; +} + +p.line +{ +margin: 0 10% 0 10%; +} + +p.beforeline, p.afterline +{ +margin-top: 1em; +} + +p.initial +{ +text-indent: 0em; +} + +p.argument, p.note +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +text-indent: 0em; +} + +p.argument +{ +margin: 1.58em 10% 1.58em 10%; +} + +p.quote +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +margin: 1.58em 5% 1.58em 5%; +} + +div.blockquote +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +margin: 1.58em 5% 1.58em 5%; +} + + +/****** Figures ******/ + +div.divFigure +{ +text-align: center; +} + +.floatLeft +{ +float: left; +margin: 10px 10px 10px 0; +} + +.floatRight +{ +float: right; +margin: 10px 0 10px 10px; +} + +p.figureHead +{ +text-align: center; +} + +p.figure, p.legend +{ +font-size: 80%; +margin-top: 0; +text-align: center; +} + +p.smallprint, li.smallprint +{ +font-size: 80%; +color: #666666; +} + +/* Special cases for Filipino Riddles */ + +p.question +{ +text-align: left; +margin-bottom: 0em; +} + +p.answer +{ +text-align: right; +margin-top: 0em; +} + +p.explanation +{ +margin-left: 0.9em; +margin-right: 0.9em; +font-size: smaller; +} + + +/****** Sidenotes ******/ + +.leftnote +{ +position:absolute; +left:1%; +height:0em; +width:14%; +font-size: 0.8em; +text-indent: 0em; +line-height: 1.2em; +} + +/****** Page Numbers ******/ + +.pagenum +{ +display: inline; +font-size: 70%; +text-align: right; +position: absolute; right: 1%; +padding: 0 0 0 0; +margin: 0 0 0 0; +} + +.pagenum a +{ +text-decoration: none; +} + + +/****** Footnotes ******/ + +a.noteref:hover +{ +text-decoration: none; +} + +a.noteref +{ +font-size: 80%; +vertical-align: 0.25em; +text-decoration: none; +} + +div.footnotes +{ +padding: 0 0 0 0; +margin-top: 1em; +} + +hr.fnsep +{ +width: 25%; +text-align: left; +margin-left: 0; +margin-right: 0; +} + +p.footnote +{ +font-size: 80%; +margin-top: 0.5em; +margin-bottom: 0.5em; +} + +p.footnote .label +{ +float: left; +text-align: left; +width: 2em; +} + +/****** Poetry ******/ + +div.poem +{ +text-align: left; +margin-left: 5%; +width: 90%; +position: relative; +} + +.poem h4 +{ +margin-left: 5em; +font-weight: normal; +text-decoration: underline; +} + +.poem .stanza +{ +margin-top: 1em; +} + +.poem .linenum +{ +position: absolute; +top: auto; +left: -2.5em; +margin: 0; +text-indent: 0; +font-size: 90%; +text-align: center; +width: 1.75em; +color: #777; +} + +.poem .i0 { display: block; margin-left: 2em; } +.poem .i1 { display: block; margin-left: 3em; } +.poem .i2 { display: block; margin-left: 4em; } +.poem .i3 { display: block; margin-left: 5em; } +.poem .i4 { display: block; margin-left: 6em; } +.poem .i5 { display: block; margin-left: 7em; } +.poem .i6 { display: block; margin-left: 8em; } +.poem .i7 { display: block; margin-left: 9em; } +.poem .i8 { display: block; margin-left: 10em; } +.poem .i9 { display: block; margin-left: 11em; } + + + +/****** Annotations ******/ + +span.corr +{ +border-bottom: 1px dotted red; +} + +span.abbr +{ +border-bottom: 1px dotted gray; +} + +span.measure +{ +border-bottom: 1px dotted green; +} + +.letterspaced +{ +letter-spacing: 0.2em; +} + +.smallcaps +{ +font-variant: small-caps; +} + + +/****** Anchors ******/ + +a.hidden:hover +{ +text-decoration: none; +} + +a.hidden +{ +text-decoration: none; +} + +hr +{ +width: 45%; +margin-top: 1em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +clear: both; +text-align: center; +height: 1px; +} + + + + + +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} + +body, a.hidden +{ +color: black; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} + +.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend +{ +color: #001FA4; +} + +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} + +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} + + +</style></head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of In de Oer-wouden van Afrika, by Jules Verne + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: In de Oer-wouden van Afrika + +Author: Jules Verne + +Release Date: April 5, 2006 [EBook #18120] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IN DE OER-WOUDEN VAN AFRIKA *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + +</pre> + + +<div class="frontmatter"> +<p class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/cover.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant."></p> +</div><p> + +</p> +<p class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<p></p> +<div id="d0e72" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p000.jpg" alt="Max Huber en Llanga."></p> +<p class="figureHead">Max Huber en Llanga.</p> +</div><p> +</p> +<h1 class="docTitle">In de Oer-wouden van Afrika.</h1> +<h2 class="byline">Door +<br> +<span class="docAuthor">Jules Verne.</span></h2> +<h2 class="docImprint">Uitgevers-Maatschappij “Vivat”,<br> +Amsterdam. +</h2> +</div> +<div class="bodytext"><a id="d0e92"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e92">1</a>]</span><p class="div1"><a id="d0e93"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK I.</h2> +<h2>Na een langen marsch.</h2> +<p>“En is er geen Amerikaansche Congo?” vroeg Max Huber. + +</p> +<p>“Amerika heeft zelf land genoeg”, antwoordde John Cort, “er valt nog genoeg te ontginnen tusschen Alaska en Texas en men behoeft +waarlijk niet naar vreemde koloniën uit te zien, als men binnen eigen grenzen nog zooveel te doen heeft, zou ik meenen.” + +</p> +<p>“En dus zullen de Amerikanen Afrika maar overlaten aan de Engelschen, Duitschers, Hollanders, Portugeezen, Franschen, Italianen, +Spanjaarden, Belgen?” + +</p> +<p>“De Amerikanen hebben er niets te doen”, hernam John Cort, “evenmin als de Russen, en om dezelfde reden.” + +</p> +<p>“En die is?” + +</p> +<p>“Dat men niet ver loopt om datgene te halen, wat men thuis onder zijn bereik heeft.” + +</p> +<p>“Nu, ik geloof toch, dat de Amerikaansche regeering op een goeden dag haar deel zal komen eischen van die groote Afrikaansche +taart!” antwoordde Max Huber, “er is nu reeds een Fransch Congo, een Belgisch Congo, een Duitsch Congo, zelfs een Onafhankelijke +Congostaat, en van al dat land, dat wij nu reeds drie maanden doorkruisen....” + +</p> +<p>“Als touristen, Max, niet als veroveraars!” + +</p> +<p>“Nu, van al dat land moet Amerika ook zijn deel nemen. Er zijn hier vruchtbare streken, die slechts op ontginning wachten.” + +</p> +<p>“Onder die afschuwelijk brandende zon”, voegde John Cort er bij, terwijl hij zijn voorhoofd afwischte. + +</p> +<p>“Ba, daar let ik niet meer op!” riep Max Huber, “ik ben reeds aan het klimaat gewend en bijna een neger geworden!” +<a id="d0e120"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e120">2</a>]</span></p> +<p>“Bijna! Het scheelt nog veel voor wij met onze dunne huid op die zwartjes lijken, gij als Franschman evenmin als ik als Amerikaan. +Maar toch hebben wij een belangwekkende reis gemaakt, Max, en het wordt tijd dat wij naar Libreville terugkeeren om in de +factorijen wat van onzen drie-maandschen tocht te bekomen.” + +</p> +<p>“En toch heeft die reis mij niet opgeleverd wat ik er van verwacht had.” + +</p> +<p>“Wat zegt gij daar, Max? Honderden mijlen zijn wij door geheel onbekende landen getrokken, wij hebben onze geweren moeten +gebruiken tegen de assegaaien en pijlen van vijandige inlanders, wij hebben jacht gemaakt op den Numidischen leeuw, zoowel +als op den Lybischen panter, wij hebben zooveel olifanten geschoten, dat van hunne slagtanden toetsen kunnen gemaakt worden +voor alle piano’s ter wereld, en nog ben je niet tevreden?” + +</p> +<p>“Ja en neen, John. Alles wat gij daar opnoemt zijn de gewone ontmoetingen van elken Afrikaanschen ontdekkingsreiziger. Lees +maar eens de reisbeschrijvingen van Barth, Burton, Speke, Grant, du Chaillu, Livingstone, Stanley, Serpa Pinto, Anderson, +Cameron, Brazza, Wissmann en hoe al die dappere mannen meer mogen heeten.” + +</p> +<p>“En wat hadt gij dan wel op onze reis meenen te vinden?” vroeg John Cort. + +</p> +<p>“Iets buitengewoons, iets vreemds en zeldzaams.” + +</p> +<p>“Nu, de reis is nog niet achter den rug”, hernam de Amerikaan; “het zal nog wel vijf of zes weken aanhouden, eer wij in Libreville +zijn.” + +</p> +<p>“Alsof ons dan nog iets kon overkomen, zooals wij nu reizen in dezen wagen! Het lijkt waarlijk wel een tochtje met een diligence!” + +</p> +<p>Kort daarop bleef de wagen staan bij een heuveltje, waarop een zestal mooie boomen groeiden, de eenige in deze uitgestrekte +vlakte. + +</p> +<p>Het was zeven uur in den avond en daar op dezen achtsten Noorderbreedtegraad de schemering slechts zeer kort duurt, zou de +nacht spoedig vallen. En dan zou het zeer donker zijn, want dikke wolken pakten zich aan den hemel samen. + +</p> +<p>De reiswagen, die alleen bestemd was voor het vervoer <a id="d0e143"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e143">3</a>]</span>der reizigers en dus geen koopwaren of proviand bevatte, rustte op een zwaar onderstel met vier breede wielen en werd door +zes ossen getrokken. Door een schot was zij inwendig in twee kamertjes verdeeld; het achterste, bestemd voor de twee jongelieden +John Cort en Max Huber, zooals wij reeds gehoord hebben een Amerikaan en een Franschman, het voorgedeelte in gebruik bij een +Portugeesch koopman, Urdax genaamd, en den “voorlooper” Khamis. Deze voorlooper—de man, die steeds aan het hoofd van de karavaan +gaat—was een neger van Kameroen en volkomen geschikt als gids door de brandend heete vlakten van Oebanghi. + +</p> +<p>Drie maanden geleden was deze eenvoudige, maar zeer sterke reiswagen uit Libreville, de hoofdstad van Fransch Congo, vertrokken. +In Oostelijke richting gaande, was zij op de vlakten van de Oebanghi gekomen, die hunnen naam danken aan een der voornaamste +rechter zijstroomen van de Congo- of Zaïre-rivier. + +</p> +<p>Deze streek strekt zich uit ten Oosten van Duitsch Kameroen, en hare grenzen kunnen niet met nauwkeurigheid worden aangegeven. +Zij kenmerkt zich door een machtigen plantengroei en hier en daar, maar op groote afstanden van elkander, liggen dorpen, waarvan +de bewoners onafgebroken met elkander strijd voeren en waarvan enkele, zooals bijvoorbeeld de Mouboutou-negers, tusschen het +Nijlbekken en de Congo, menscheneters zijn. En het is afschuwelijk, maar meerendeels slachten deze kannibalen kinderen, die +in deze streek zoo weinig in tel zijn, dat men ze als geld gebruikt en er koopwaren mede betaalt. De rijkste neger is dan +ook hij, die de meeste kinderen heeft! + +</p> +<p>En al was de Portugees Urdax met zijn reisgenooten niet bepaald door deze gevaarlijke streek gegaan, toch hadden zij af en +toe ontmoetingen met deze woeste Congo-negers gehad, die alleen door geweerschoten op eenigen afstand konden gehouden worden. + +</p> +<p>Dicht bij een dorp, nabij de bronnen van de Bahar-el-Abiad, hadden John Cort en Max Huber echter gelegenheid gehad een kind +te redden van het vreeselijk lot dat hem dreigde en dit voor enkele snuisterijen en kralen van de kannibalen afgekocht. + +</p> +<p>Het was een knaap van tien jaren, gezond en sterk, <a id="d0e155"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e155">4</a>]</span>uit wiens oogen schranderheid sprak en die voor zijne redders groote aanhankelijkheid aan den dag legde. De arme jongen, die +aan zijn ouders en aan zijn stam ontroofd was, heette Llanga en leefde sedert als aangenomen kind van Max Huber en John Cort +in de factorijen van Libreville, waar hij alle gelegenheid had wat Fransch en Engelsch te leeren. + +</p> +<p>Toen de wagen voor dien nacht halt hield, werden de ossen afgespannen en de vermoeide dieren legden zich dadelijk neder. + +</p> +<p>Het proviand en de buitgemaakte slagtanden waren toevertrouwd aan de dragers, een vijftigtal Kameroen-negers, en op last van +John Cort werd onder de prachtige tamarindeboomen een soort kampement ingericht. Van droge takken werden twee groote vuren +aangelegd en voorraad antilopenvleesch was rijkelijk aanwezig. Zoo kon een goede maaltijd gehouden worden, zonder dat groot +gevaar te duchten was, want, zooals van zelf spreekt, bevatte de wagen voor het persoonlijk gebruik der drie blanken een flink +getal uitstekende vuurwapenen en ammunitie. + +</p> +<p>Niettemin bepaalde de voorlooper, toen de karavaan zich ter ruste zou leggen, dat eenige mannen beurtelings twee uren zouden +waken, hetgeen in deze streken altijd raadzaam is, zoowel tegen vier- als tweebeenige aanvallers. + +</p> +<p>Ten opzichte der veiligheid verzuimde Urdax dan ook geen enkelen maatregel. Deze Portugees was een krachtig gebouwd man van +omstreeks vijftig jaren, die met de leiding eener karavaan ten volle vertrouwd was, en in den voorlooper Khamis, een vijf +en dertigjarige neger, zeer vlug, zeer koelbloedig en zeer dapper, had hij een uitnemende hulp. + +</p> +<p>Het was aan den voet van een der tamarindeboomen, dat de drie blanken zich nederzetten voor het maal, dat door Llanga gebracht +werd en onder het eten werd de verdere tocht besproken. + +</p> +<p>“Wij moeten nu Zuidwestelijk gaan”, zei Urdax. + +</p> +<p>“Ja, want ik geloof dat wij vlak Zuid een dicht woud voor ons hebben.” + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e172" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p005.jpg" alt="Het drietal zette den tocht voort. (Zie pag. 16)."></p> +<p class="figureHead">Het drietal zette den tocht voort. (<i>Zie pag.</i> 16). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>“Ja, een zeer dicht, bijna ondoordringbaar woud”, beaamde de Portugees; “wilden wij het Oostelijk omtrekken, <a id="d0e181"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e181">7</a>]</span>dan zouden daartoe maanden noodig zijn. Maar Westelijk komen wij aan de Oebanghi, dicht bij de stroomversnellingen van de +Congo.” + +</p> +<p>“Maar zou het de reis niet bekorten als wij dwars door dat woud trokken?” vroeg Max Huber. + +</p> +<p>“Ja, het zou een paar weken uitsparen.” + +</p> +<p>“En waarom doen wij dat dan niet?” + +</p> +<p>“Omdat het woud ondoordringbaar is.” + +</p> +<p>“Kom, dat geloof ik niet!” riep de jonge Franschman. + +</p> +<p>“Ondoordringbaar misschien niet voor voetgangers”, hernam de Portugees, “hoewel ik daarvan ook nog niet eens zeker ben, maar +voor wagens is het zeker ondoenlijk.” + +</p> +<p>“En heeft nooit iemand beproefd dat woud door te trekken?” + +</p> +<p>“Beproefd misschien wel, maar gelukt is het zeker niet en in Kameroen zoowel als in den Congo zou ieder u zulk een onderneming +afraden.—Het is de vraag of men met de bijl of met vuur er een weg doorheen zou kunnen maken en nu spreek ik nog niet eens +van de reusachtige doode boomen, die onoverkomelijke hinderpalen vormen.” + +</p> +<p>“Onoverkomelijk Urdax!” spotte de ongeloovige Max. + +</p> +<p>“Komaan Max”, zei John Cort, “denk toch niet aan zoo iets onzinnigs en wees liever blij, dat wij zulk een woud kunnen omtrekken. +Ik heb geen lust mij in zulk een doolhof te wagen!” + +</p> +<p>“Wie weet wat er in verborgen is!” + +</p> +<p>“En wat zou er in verborgen zijn, Max? Onbekende rijken, betooverde steden, vreemde dieren, olifanten met zes pooten of negers +met drie beenen?” + +</p> +<p>“Best mogelijk”, antwoordde Max Huber onverstoorbaar. + +</p> +<p>“Hoe het zij”, hernam Urdax, “ik ga met mijn wagen dat bosch niet in!” + +</p> +<p>Hiermede was het gesprek geëindigd en besloot men te gaan slapen. Llanga bracht dekens en goed daarin gewikkeld legden de +twee vrienden zich tusschen de wortels van een tamarindeboom, terwijl Llanga zich als een waakhond aan hunne voeten uitstrekte. + +</p> +<p>Urdax en Khamis maakten eerst nog een ronde om het kampement. Zij wilden zich overtuigen, dat de ossen <a id="d0e215"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e215">8</a>]</span>goed gekluisterd en de wakers op hunnen post waren, dat elk vuur was gebluscht, want het kleinste vonkje zou het droge gras +en doode hout onmiddellijk in vlam zetten. En toen zij alles in orde hadden bevonden, legden ook zij zich dicht bij de wagen +te slapen. + +</p> +<p>De slaap liet niet lang op zich wachten, geen wonder trouwens na den vermoeienden dagmarsch. Maar de wakers, sliepen die ook? +Omstreeks tien uur vertoonden zich allerlei verdachte lichtjes aan den zoom van het groote woud, maar niemand kwam dit aan +de leiders der karavaan mededeelen. + + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e219"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK II.</h2> +<h2>De bewegende vuren.</h2> +<p>De afstand tusschen het kampement en het donkere woud, waarbij nu af en toe zulke geheimzinnige lichten verschenen, bedroeg +omstreeks twee kilometer. Soms schenen wel tien van die lichten tegelijk en zoo fel, dat men wel haast moest aannemen, dat +daar een kamp van negers was. Maar daarvoor verspreidden die vuren zich te grillig en te veel uit elkander. + +</p> +<p>Een handelskaravaan zou echter zeker niet zoo onvoorzichtig zijn van zulke groote vuren aan te leggen en daardoor haar tegenwoordigheid +te verraden. + +</p> +<p>Intusschen bleef in het kamp der Europeanen alles in diepe rust en zelfs de wakers bleken op hun post ingeslapen. Het was +dan ook een groot geluk, dat de kleine Llanga wakker werd. Hij wreef zijn oogen eens uit, zag hij goed? Ja, hij vergiste zich +niet, daar, aan den rand van het woud, scheen licht! + +</p> +<p>Toch wilde hij niet dadelijk zijn beide weldoeners wekken en daarom sloop hij naar den wagen, schudde den voorlooper wakker +en wees met den vinger naar de lichtschijnsels aan den horizon. + +</p> +<p>Khamis staarde een oogenblik zwijgend voor zich uit en riep toen eensklaps: “Urdax!” + +</p> +<p>“Wat is er?” vroeg de Portugees, die dadelijk wakker en overeind was. + +<a id="d0e236"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e236">9</a>]</span></p> +<p></p> +<div id="d0e238" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p009.jpg" alt="De lichten schenen thans wel vijftig en honderd voet boven den beganen grond. (Zie pag. 17)."></p> +<p class="figureHead">De lichten schenen thans wel vijftig en honderd voet boven den beganen grond. (<i>Zie pag.</i> 17). +</p> +</div><p> + +<a id="d0e245"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e245">11</a>]</span></p> +<p>“Kijk eens!” + +</p> +<p>Urdax zag de lichten en liet dadelijk de gansche karavaan op de been brengen en zoodanig was iedereen onder den indruk van +het dreigend gevaar, dat niemand er aan dacht de wakers, die zoo slecht hadden opgepast, te berispen. + +</p> +<p>Het was omstreeks elf uur. De vlakte was voor drie vierde deel in volkomen duister, maar in het Zuiden stegen allerlei grillige +vlammen op, thans soms wel vijftig tegelijk. + +</p> +<p>“Een kamp van inboorlingen”, zei Urdax. “Waarschijnlijk Boudjos, die veel aan de oevers van de Congo en de Oubanghi komen.” + +</p> +<p>“Het zijn lichten, die door menschen verplaatst worden”, merkte John Cort op. + +</p> +<p>“Maar dan moesten wij die menschen zien”, antwoordde Max Huber. + +</p> +<p>“Dat komt omdat zij achter den boschrand zijn”, verklaarde Khamis. + +</p> +<p>“Maar de vuren verplaatsen zich en komen toch weer op dezelfde plaats terug”, hernam Max Huber. + +</p> +<p>“De plaats waar het kamp is”, meende de voorlooper. + +</p> +<p>“En wat denkt gij er van?” vroeg John Cort aan Urdax. + +</p> +<p>“Dat wij aangevallen zullen worden”, antwoordde de Portugees, “en wij ons dus terstond op verdediging gereed moeten maken.” + +</p> +<p>“Maar waarom hebben die inboorlingen ons dan niet in stilte bekropen en plotseling overvallen, zonder hunne tegenwoordigheid +eerst zoo duidelijk te verraden?” + +</p> +<p>“Negers zijn geen blanken”, hernam Urdax, “maar zij zijn daarom niet minder te duchten door hun aantal en hunnen woesten inborst.” + +</p> +<p>De karavaan moest zich dus gereed houden voor eene verdediging op leven en dood, want genade of lijfsbehoud was van deze negerstammen +van de Oebanghi niet te verwachten. Zij zijn inderdaad zeldzaam wreed, zelfs de beruchte inboorlingen van de Salomons-eilanden, +van de Hebriden en van Nieuw-Guinea staan hierin bij deze negers achter. Maar in het binnenland der door hen bewoonde streken +vindt men uitsluitend <a id="d0e274"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e274">12</a>]</span>kannibalen-dorpen en de zendelingen, die uit edele roeping hier hun leven wagen, weten dit zeer goed. Men zou bijna geneigd +zijn deze negers onder de dieren te rangschikken, roofdieren in menschengedaante, te gevaarlijker, omdat zij op volwassen +leeftijd nog zelfs niet het verstand hebben van een zesjarig kind bij ons. Menschenoffers zijn bij deze negers verre van zeldzaam, +menig zendeling heeft er tegen wil en dank getuige van moeten zijn. Slaven worden gedood bij het graf van hunnen meester en +het afgehouwen hoofd wordt met een buigzamen tak weggeschoten, zoover als het vliegen wil. De kinderen worden, zooals reeds +gezegd is, tusschen hun tiende en zestiende jaar bij sommige feestelijke gelegenheden geslacht, ja, verscheidene stamhoofden +voeden zich met geen ander vleesch. + +</p> +<p>Natuurlijk zijn deze negers ook ware roovers. Vaak trekken zij mijlen ver om een karavaan te overvallen, de begeleiders met +hunne assegaaien af te maken en de wagens te plunderen. Wel zijn zij slechter gewapend dan de kooplieden, maar zij winnen +het van deze verre in aantal en tegen een paar duizend negers vermogen vijftig of honderd dragers niet veel. + +</p> +<p>De voorloopers kennen dit gevaar dan ook zeer goed en hun grootste zorg is, er voor te waken, dat de karavaan niet terecht +komt bij zulke dorpen, als Ngombé Dara, Kalaka Taimo en andere in de streek van de Aoukadepé en van de Bahar-el-Abiad, waar +de zendelingen tot dusver niet doorgedrongen zijn. + +</p> +<p>Tot dusver had de karavaan elke aanraking met vijandige stammen weten te vermijden, de voorlooper had als goede gids haar +ver gelaten van alle gevaarlijke streken. En de terugtocht beloofde evenzoo volkomen veilig te geschieden. Als men Westelijk +het groote woud zou omgetrokken zijn, kwam men aan den rechteroever van de Oebanghi en langs die rivier zou men voorttrekken +tot waar zij in de Congo uitmondt. Hier is een streek die druk bereisd wordt door kooplieden en zendelingen, en de gevaarlijke +stammen zijn van hier meer en meer naar de verwijderde streken van Darfoer verdrongen. + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e283" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p013.jpg" alt="Toen kon hij de anderen behulpzaam zijn om tegen den stam op te klimmen. (Zie pag. 24)."></p> +<p class="figureHead">Toen kon hij de anderen behulpzaam zijn om tegen den stam op te klimmen. (<i>Zie pag.</i> 24). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>En zou de karavaan, op enkele dagreizen van de rivier verwijderd, nog de prooi moeten worden van <a id="d0e292"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e292">15</a>]</span>die roofzieke benden? Er bestond alle vrees voor. Maar in elk geval zou men zich niet zoo maar goedsmoeds overgeven en op +aanwijzing van Urdax begon men dan ook alles voor de verdediging gereed te maken. + +</p> +<p>Zonder dralen werden Urdax, de voorlooper, John Cort en Max Huber gewapend, de karabijn in de hand, revolvers in den gordel, +de patroontasch goed voorzien. In den wagen bleef nog een half dozijn geweren en pistolen over, die gegeven werden aan enkele +dragers, op wier trouw men vast kon rekenen. + +</p> +<p>Daarop gaf Urdax last dat men post zou vatten tusschen en achter de groote tamarindeboomen, om beter beschut te zijn tegen +de pijlen, wier vergiftigde punt doodelijke wonden veroorzaakt. En zoo bleef men wachten. Geen geluid werd gehoord; de vijand +scheen nog niet dichter bij te zijn gekomen, de vuren bleven met tusschenpoozen schijnen en deden een geelachtigen rook opstijgen. + +</p> +<p>“Ik begrijp niet, hoe zij zooveel licht maken, als zij plan hebben ons aan te vallen!” zei Max Huber. + +</p> +<p>“En ik begrijp het evenmin, als zij geen vijandelijke bedoelingen hebben”, antwoordde John Cort. + +</p> +<p>Het was inderdaad vreemd, maar wat kon men verwachten van die woeste stammen van de Boven-Oebanghi? + +</p> +<p>Een half uur verstreek, zonder dat er eenige verandering in den toestand kwam. Tusschen het kampement en de vuren scheen de +vlakte werkelijk volkomen eenzaam. + +</p> +<p>Eindelijk, tegen elf uur, zei Max Huber: “Het gaat zoo niet langer, wij moeten den vijand verkennen!” + +</p> +<p>“Zou dat niet onvoorzichtig zijn?” vroeg John Cort. “Laten wij liever eene afwachtende houding aannemen tot de dag aanbreekt.” + +</p> +<p>“Nog langer wachten?” hernam Max Huber, “nog zes uren minstens hier staan blijven met het geweer in de hand? Neen, wij moeten +weten waaraan wij ons te houden hebben! Als die negers geen kwaad in den zin hebben, dan ga ik weer lekker tusschen die tamarindewortels +liggen, waar ik straks zoo heerlijk sliep!” + +</p> +<p>“Wat denkt gij er van?” vroeg John Cort aan Urdax. + +</p> +<p>“Het denkbeeld is niet slecht”, antwoordde deze, <a id="d0e316"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e316">16</a>]</span>“maar de grootste voorzichtigheid moet er bij in acht genomen worden.” + +</p> +<p>“Ik zelf zal gaan”, hernam Max Huber, “en ik zal voorzichtig zijn.” + +</p> +<p>“En ik ga mee”, zei de voorlooper. + +</p> +<p>“En ik”, zei John Cort. + +</p> +<p>“Neen, twee is genoeg”, hernam Max, “wij gaan bovendien niet verder dan strikt noodig is, en als wij iets verdachts zien, +zullen wij onmiddellijk terugkeren om dat te melden.” + +</p> +<p>“Zijn uwe wapens goed in orde?” + +</p> +<p>“Ja, maar wij zullen ze wel niet noodig hebben, de hoofdzaak is, dat wij ons niet laten zien.” + +</p> +<p>“Juist”, zei Urdax. + +</p> +<p>Zoo ging Max Huber met den voorlooper op weg en weldra hadden zij den heuvel met de tamarindeboomen achter zich. Hier in het +vrije veld was het iets minder duister, maar op verderen afstand dan honderd schreden zou toch geen mensch te onderscheiden +zijn. + +</p> +<p>Het tweetal was voorzichtig een vijftig pas voortgegaan, toen zij eensklaps Llanga achter hen bespeurden. Zonder een woord +te spreken was de negerknaap hen gevolgd. + +</p> +<p>“Hoe durft gij?” vroeg Max Huber vertoornd; “ga onmiddellijk terug!” + +</p> +<p>“O mijnheer, laat mij bij u blijven”, smeekte Llanga + +</p> +<p>“En uw vriend John dan, die daar ginds is?” + +</p> +<p>“Ja, die is daar, maar mijn vriend Max is hier!” antwoordde de negerknaap zeer ter snede. + +</p> +<p>“Maar wij hebben je niet noodig”, zei Khamis barsch. + +</p> +<p>“Kom, laat hem maar meegaan”, hernam Max Huber. “Hij zal ons niet hinderen en met zijn kattenoogen ontdekt hij misschien iets, +wat wij niet kunnen zien.” + +</p> +<p>“Ja, ik zal goed uitkijken!” verzekerde Llanga. + +</p> +<p>“Goed, blijf dan dicht bij mij!” + +</p> +<p>Het drietal zette den tocht voort en een kwartier later waren zij een kilometer van het kampement verwijderd en scheidde diezelfde +afstand hen nog van den zoom van het groote woud. + +</p> +<p>De vuren brandden altijd nog en hun schijnsel was nu veel helderder, maar noch de kattenoogen van Llanga, noch de voortreffelijke +veldkijker van Max <a id="d0e356"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e356">17</a>]</span>Huber konden de wezens, die deze vuren onderhielden, zien. Urdax scheen dus gelijk te hebben, dat de negers zich achter de +zware stammen en het dichte gebladerte schuil hielden. Zij waren dus nog niet buiten het woud gekomen en hadden misschien +niet eens plan, dit te doen. + +</p> +<p>Het werd werkelijk hoe langer hoe onbegrijpelijker. Als het eenvoudig het nachtleger was van rondtrekkende zwarten, waartoe +diende dan die illuminatie? Of zouden zij wellicht de een of andere nachtelijke plechtigheid vieren? + +</p> +<p>“Misschien hebben zij onze karavaan niet eens bespeurd”, zei Max Huber. + +</p> +<p>“Maar dan zien zij haar toch bij het aanbreken van den dag”, antwoordde de voorlooper. + +</p> +<p>“Als wij dan ten minste niet weg zijn, Khamis.” + +</p> +<p>Nog een halven kilometer liepen zij voort en waren toen het woud tot op een paar honderd schreden genaderd. Nog was niets +verdachts te bespeuren, geen menschelijk wezen vertoonde zich. + +</p> +<p>“Zullen wij nog verder gaan?” vroeg Max Huber. + +</p> +<p>“Waartoe?” hernam Khamis; “het zou onvoorzichtig zijn. Best mogelijk dat zij onze karavaan niet eens bespeurd hebben en wij +kunnen van nacht nog wegtrekken.” + +</p> +<p>Zij slopen voorzichtig nog een klein eind voort, toen de voorlooper plotseling fluisterde: + +</p> +<p>“Pas op, geen stap verder!” + +</p> +<p>Wat was er gebeurd? De vuren waren eensklaps verdwenen. Onbeweeglijk bleef het drietal staan, dikke duisternis omgaf hen, +maar daar lichtten eensklaps weder een twintigtal vuren op. + +</p> +<p>“Te drommel, het is een vreemde historie”, mompelde Max Huber. + +</p> +<p>En dat was het inderdaad, want de lichten schenen thans wel vijftig en honderd voet boven den beganen grond! + +</p> +<p>Wat voor wezens konden vuren aansteken, eerst op de vlakte, daarna op de hoogere en lagere takken der boomen? + +</p> +<p>“Het zijn toch geen dwaallichtjes”, mompelde Max. + +</p> +<p>“Wij moeten terug”, raadde de voorlooper, “ik geloof <a id="d0e388"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e388">18</a>]</span>niet dat ons kamp van nacht zal worden aangevallen en wij moeten de anderen gerust gaan stellen.” + +</p> +<p>“Wij kunnen dat beter doen, als wij hen tegelijkertijd kunnen meedeelen, wat die geheimzinnige lichtschijnsels eigenlijk zijn.” + +</p> +<p>“Neen, mijnheer Max, wij moeten ons niet verder wagen. Er is geen twijfel, of daar ginds is een troep rondzwervende negers. +Misschien ontsteken zij die vuren, om de roofdieren van zich af te houden.” + +</p> +<p>“Roofdieren!” riep Max Huber, “panters en hyena’s, of zelfs wilde buffels zouden wij moeten hooren brullen en het eenige geluid +dat ik hoor, is het geknetter van brandend hout. Neen, ik wil het weten....” + +</p> +<p>En Max Huber ging weder verder, op den voet gevolgd door Llanga. + +</p> +<p>De voorlooper wist niet wat hij doen moest met dien ongeduldigen Franschman, maar begrijpende, dat hij hem toch niet alleen +kon laten, besloot hij hem te vergezellen tot aan den rand van het woud, hoewel hij dit, zooals hij ronduit verklaarde, een +verregaande roekeloosheid vond. + +</p> +<p>Eensklaps bleef hij staan en Max en Llanga deden hetzelfde en keerden zich om. De lichtschijnsels trokken hunne aandacht niet +meer, zij waren eensklaps als uitgeblazen en weder heerschte diepe duisternis om hen heen. + +</p> +<p>Maar van den anderen kant klonk een dof geloei, een angstaanjagend geluid als van een naderenden stormwind.... + +</p> +<p>“Wat is dat, Khamis?” riep Max Huber. + +</p> +<p>“Terug! Terug! Naar het kamp! Er is geen oogenblik te verliezen! Terug!” + + + +<a id="d0e408"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e408">19</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e409"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK III.</h2> +<h2>Verstrooid.</h2> +<p>Max Huber, Llanga en Khamis hadden geen tien minuten noodig om de vijftienhonderd meter, die hen van het kampement scheidden, +te doorloopen. Zij hadden zelfs geen oogenblik omgezien, het deerde hun niet, of de negers, na hunne vuren te hebben uitgedoofd, +hen misschien achtervolgden—- + +</p> +<p>Toen het drietal in het kampement terugkwam, vonden zij dit in groote ongerustheid, in vrees voor een onbekend gevaar, waartegen +moed en tegenwoordigheid van geest niets vermogen. Vluchten was het eenige. + +</p> +<p>“Een kudde olifanten!” riep de voorlooper, buiten adem, Urdax toe. + +</p> +<p>“Ja, en in een kwartier zullen zij hier zijn en ons vermorseld hebben”, antwoordde deze. + +</p> +<p>“Wij moeten naar het woud”, meende John Cort. + +</p> +<p>“Dat zal hen niet tegenhouden!” zei Khamis. + +</p> +<p>“En de inboorlingen?” + +</p> +<p>“Wij hebben er geen gezien”, antwoordde Max Huber. + +</p> +<p>“En toch zijn zij niet buiten het woud getrokken.” + +</p> +<p>“Neen, dat zeker niet.” + +</p> +<p>Verder op de vlakte, nog een halve mijl ver ongeveer, kon men een dichte massa van zwarte schaduwen zien. Een dof gerommel +vervulde de lucht en de bodem deinde zelfs op en neer, zoodat de stammen der tamarindeboomen bewogen. En af en toe weerklonk +een snerpend geluid, als een schril trompetten. + +</p> +<p>Afrika-reizigers hebben dit geluid zeer juist vergeleken met dat, hetwelk een trein artillerie maakt, die in vollen draf over +het slagveld rijdt. Schrikkelijk was het, te denken aan het gevaar, dat de karavaan bedreigde, van verpletterd te worden onder +de pooten van die honderden olifanten! + +</p> +<p>De jacht op deze reusachtige dieren is hoogst gevaarlijk. Alleen wanneer het gelukt enkele van de kudde af te scheiden, kan +men het wagen den olifant door <a id="d0e440"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e440">20</a>]</span>een schot, dat precies tusschen het oog en het oor treffen moet, te dooden. Maar tegen een kudde, zelfs tegen een tiental +olifanten, is elke weerstand nutteloos en zelfs onmogelijk. + +</p> +<p>En toch is deze diersoort aan het uitsterven. Daar elke olifant gemiddeld voor eene waarde van vijftig gulden aan ivoor oplevert, +wordt er hardnekkig jacht op gemaakt. Volgens berekening worden alleen in Afrika jaarlijks niet minder dan veertig duizend +gedood, die zeven honderd vijftig duizend kilogram ivoor opleveren, welke naar Engeland verzonden worden. Maar eer een halve +eeuw verstreken is, zal er op Afrika’s bodem geen olifant meer zijn. Het ware inderdaad verstandiger, deze verstandige dieren +te temmen, zij kunnen de vracht dragen van twee en dertig man en viermaal grooteren weg afleggen. En een tamme olifant is +achthonderd à duizend gulden waard, tegenover de vijftig gulden, die hunne slagtanden opbrengen. + +</p> +<p>De Afrikaansche olifant vormt met den Aziatischen de twee eenige nog bestaande soorten. De Afrikaansche olifant is iets kleiner +dan de Aziatische, zijn huid is iets bruinachtiger, zijn ooren zijn belangrijk grooter en zijn slagtanden veel langer. Ook +is hij veel woester en gevaarlijker van aard. + +</p> +<p>In de streken van de Oebanghi komt de olifant nog veelvuldig voor, daar hij hier bij uitstek het plantaardig voedsel vindt, +dat hij verlangt. En Urdax, die in hoofdzaak was uitgetrokken om ivoor te verzamelen, had dan ook rijken buit gemaakt. En +thans op de terugreis bedreigde hem eensklaps zoo groot gevaar! + +</p> +<p>Wat kon men tegen zulk een bestorming doen? Van het heele kampement zou weldra niets dan wat splinters hout over zijn! Het +eenige redmiddel was, zich over de vlakte te verstrooien, want men moet wel bedenken, dat de olifant minstens even hard loopt +als een paard in galop! + +</p> +<p>“Wij moeten vluchten!” riep de voorlooper. + +</p> +<p>“Vluchten?” herhaalde Urdax, en hij bedacht hoe hij dan alles verliezen zou, wat hij op zijn langen tocht met zooveel moeite +en gevaren verworven had. + +</p> +<p>“En waarheen moeten wij vluchten?” vroeg Max Huber. + +<a id="d0e456"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e456">21</a>]</span></p> +<p></p> +<div id="d0e458" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p021.jpg" alt="Daar weerklonk een schot. (Zie pag. 27)."></p> +<p class="figureHead">Daar weerklonk een schot. (<i>Zie pag.</i> 27). +</p> +</div><p> + +<a id="d0e465"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e465">23</a>]</span></p> +<p>“Naar het woud.” + +</p> +<p>“En de negers?” + +</p> +<p>“Daar is minder gevaar dan hier”, hernam Khamis. + +</p> +<p>Was dit werkelijk zoo? Niemand wist het, maar hier blijven kon men in elk geval ook niet; de eenige kans om niet vermorseld +te worden onder de hoeven der aanstormende olifanten was een schuilplaats te zoeken in het bosch. + +</p> +<p>Maar zou daar tijd voor zijn? Twee kilometer ver moest men, en de kudde was hoogstens tot op één kilometer genaderd! + +</p> +<p>Urdax stond besluiteloos. + +</p> +<p>“Laten wij den wagen naar den anderen kant van den heuvel brengen”, zei hij ten laatste, “misschien zijn wij daar veilig.” + +</p> +<p>“Te laat”, merkte de voorlooper op. + +</p> +<p>“Doe wat ik je zeg”, herhaalde Urdax zenuwachtig en driftig. + +</p> +<p>“Maar hoe kan ik dat?” herhaalde Khamis, en hij had inderdaad wel recht tot die vraag, want de trekossen waren in doodsangst +gevlucht en holden helaas, juist in de richting van de olifanten, die hen als vliegen zouden vertrappen. + +</p> +<p>Toen Urdax dit zag riep hij: + +</p> +<p>“Alle dragers, hier!” + +</p> +<p>“De dragers”, herhaalde Khamis, “die vluchten ook!” + +</p> +<p>“De lafaards!” riep John Cort. + +</p> +<p>En inderdaad, al de negers snelden weg, deze met een baal goed, gene met een paar slagtanden; niet alleen als lafaards, maar +ook als dieven verlieten zij hunnen meester! + +</p> +<p>Op hen viel niet meer te rekenen, zij zouden niet terugkomen, maar wel een onderkomen vinden in de naburige negerdorpen. Van +heel de karavaan bleven alleen over de Portugees, de voorlooper, Max Huber, John Cort en de negerjongen Llanga. + +</p> +<p>“De wagen! De wagen!” bleef Urdax roepen, en met groote moeite gelukte het werkelijk aan het vijftal om het zware voertuig +tusschen de boomen te krijgen. Misschien zou het daar veilig zijn, als de troep olifanten zich ten minste bij het boschje +tamarindeboomen in tweeën splitste. +<a id="d0e500"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e500">24</a>]</span></p> +<p>Maar toen de wagen daar eindelijk stond, bleef aan de menschen geen andere schuilplaats over dan de boomen. + +</p> +<p>Eerst gingen Max Huber en John Cort nog in den wagen en namen alle patronen mede, terwijl zij den voorlooper nog een flinke +bijl als wapen gaven. + +</p> +<p>“Het zal ons wat baten”, mompelde Max Huber zenuwachtig, “alleen kanonnen zouden hier hulp kunnen verleenen!” + +</p> +<p>Khamis was eigenlijk de eenige, die zijn koelbloedigheid bewaarde. Hij had twee revolvers in zijn gordel, de karabijn in de +hand en wachtte, wat gebeuren zou. Urdax raasde en tierde over het verlies zijner goederen en scheen aan het dreigend gevaar +weinig te denken. Llanga toonde wel is waar geen vrees, maar volgde Max Huber op den voet. + +</p> +<p>En onderwijl werd het gerommel, het gedreun van den bodem steeds sterker, steeds vreesaanjagender. De olifanten waren nu nog +een vierhonderd schreden ver en in het halfduister namen hunne vormen een onnatuurlijken, beangstigenden omvang aan. + +</p> +<p>Werkelijk, het werd tijd, dat de mannen, op lijfsbehoud bedacht, een schuilplaats zochten tusschen de takken der tamarinden. +Sterke boomen waren het, hunne stam meette aan den voet wel twee meter in omtrek, maar zouden zij den schok van zulk een aanstormende +troep olifanten kunnen weerstaan? + +</p> +<p>De eerste takken waren dertig voet boven den grond en dus moeilijk te bereiken geweest, indien Khamis niet gedacht had aan +zijn “sjamboks”. Dit zijn riemen van neushoornhuid, waarvan hij eenige aan elkaar gebonden over den laagsten tak wist te werpen +en met behulp daarvan kon hij zich ophijschen. Toen kon hij de anderen gemakkelijk behulpzaam zijn om evenzoo tegen den stam +op te klimmen en zoo waren allen weldra tusschen de takken verscholen. + +</p> +<p>“Wel Max, zijt gij nu tevreden?” vroeg John Cort spottend. + +</p> +<p>“Waarover, dit is nog niet zooveel bizonders.” + +</p> +<p>“Neen, maar wel zal het iets bizonders zijn, als wij behouden en wel uit dit avontuur terugkomen”, hernam de Amerikaan. + +<a id="d0e521"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e521">25</a>]</span></p> +<p></p> +<div id="d0e523" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p025.jpg" alt="Het was een Inyala, een soort antilope. (Zie pag. 34.)"></p> +<p class="figureHead">Het was een Inyala, een soort antilope. (<i>Zie pag.</i> 34.) +</p> +</div><p> + +<a id="d0e530"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e530">27</a>]</span></p> +<p>Op hetzelfde oogenblik kwam de olifantentroep als een wervelwind aanstormen, tusschen en langs de boomen en de sterke reiswagen +was in een oogwenk omver geworpen, verbrijzeld, versplinterd, als een stuk kinderspeelgoed! + +</p> +<p>Daar weerklonk een schot! Urdax, woedend over het verlies zijner bezittingen, wilde althans een der olifanten daarvoor straffen. +En Max, John Cort en de voorlooper volgden weldra zijn voorbeeld. + +</p> +<p>Of de kogels doel getroffen hadden, was niet te zeggen, van mikken kon geen sprake zijn, men moest maar in de dichte massa +vuren. En wat zou het gebaat hebben, al was elke kogel doodelijk geweest, wat beteekenden vier olifanten minder op zulk een +troep? + +</p> +<p>Zij bewogen den grond met zulk een kracht, doorwoelden den bodem met zulk een heftigheid, dat de zwaar gewortelde tamarinden +er van schudden. Weder klonken schoten, twee ditmaal, van Urdax en den voorlooper. Max Huber en de Amerikaan zagen het nuttelooze +van dit schieten in en achtten het beter hun kruit en kogels te sparen. + +</p> +<p>Daar gebeurde eensklaps iets verschrikkelijks! De boom, door tal van woedende olifanten omringd, schudde geweldig en eer men +het verhoeden kon, was de Portugees ter aarde gestort. Een enkele gil weerklonk en toen was alles stil. + +</p> +<p>“De ongelukkige!” riep John Cort. + +</p> +<p>“Aanstonds onze beurt!” antwoordde Khamis. + +</p> +<p>Wat moesten zij beginnen? Het schrikkelijk lot van Urdax, onder de pooten der olifanten verpletterd te worden, stond ook hun +te wachten. De boom zou weldra moeten vallen, konden zij er vóór dien tijd nog uitkomen? Maar zelfs dan, zouden zij den tijd +hebben aan de olifanten te ontsnappen? Zouden zij het woud kunnen bereiken? En bood dit zelfs wel veiligheid aan? Daar waren +immers de inboorlingen, niet minder gevaarlijk dan deze monsterdieren! + +</p> +<p>De boom schudde zoo geweldig, dat Max Huber met zijn linkerhand Llanga vastgreep, terwijl hij met zijn rechterarm den stam +omklemde. En werkelijk, daar lieten de wortels los en de boom neigde ter aarde, zonder met een geweldigen slag neer te komen. +<a id="d0e549"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e549">28</a>]</span></p> +<p>De ongelukkigen waren onmiddellijk op de been en snelden zoo hard zij konden, in de richting van het woud. Maar nog hadden +zij geen halven mijl afgelegd, of een tiental olifanten begon hen te volgen. + +</p> +<p>“Moed, moed, volhouden!” hijgde John Cort. + +</p> +<p>Nog een mijl verder kwamen zij, zonder dat de olifanten merkbaar wonnen maar toen waren zij ook uitgeput. + +</p> +<p>Het woud kon nog maar een honderd schreden ver zijn, en daar zouden de vluchtelingen wellicht veilig wezen, want de olifanten +konden met hun reusachtige lichamen daar niet gemakkelijk doordringen. + +</p> +<p>Zij spanden hunne laatste krachten in, daar was reeds de rand van het bosch, de boomen stonden zoo dicht op elkaar, dat zij +bijna geen doorgang verleenden; nog enkele schreden en buiten adem stortte het viertal op den met allerlei planten bedekten +bodem neder! + + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e560"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK IV.</h2> +<h2>Geen keuze!</h2> +<p>Het was toen bijna middernacht. De vluchtelingen waren thans voor de olifanten veilig, maar zouden minstens zes uren in deze +dichte duisternis moeten doorbrengen! Zes lange uren van gevaar en angst! + +</p> +<p>“Wij moeten wakker blijven”, fluisterde Khamis, zoodra hij wat op adem gekomen was. + +</p> +<p>“Ja”, antwoordde John Cort, even zacht, “wij moeten ons gereed houden op een aanval van de inboorlingen. Zij zullen niet ver +af zijn, want hier hebben zij gekampeerd, hier heeft hun vuur gebrand, en kijk, daar gloeien zelfs nog enkele stukken hout!” + +</p> +<p>“Nu, ik geloof, dat zij ver weg zijn”, hernam de onbezorgde Max Huber, “maar hoe het zij, ik ben dood van den slaap. Kom aan, +Llanga, ga ook liggen. Ik ga slapen, wel te rusten!” + +</p> +<p>John Cort haalde de schouders op en bleef met Khamis praten. Zij hadden het natuurlijk over den ongelukkigen Portugees, die +zulk een vreeselijk einde gevonden had. + +<a id="d0e575"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e575">29</a>]</span></p> +<p></p> +<div id="d0e577" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p029.jpg" alt="Had John Cort geen oogen genoeg om de prachtige plantenwereld te bewonderen. (Zie pag. 39)."></p> +<p class="figureHead">Had John Cort geen oogen genoeg om de prachtige plantenwereld te bewonderen. (<i>Zie pag.</i> 39). +</p> +</div><p> + +<a id="d0e584"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e584">31</a>]</span></p> +<p>“Hij had het hoofd verloren!” zei de voorlooper, “nu hij zag hoe die lafhartige dragers al zijn bezittingen roofden!” + +</p> +<p>“Arme kerel!” zei John Cort en dit waren zijn twee laatste woorden, want door vermoeienis overmand, strekte ook hij zich op +het gras uit en was weldra in diepen slaap. + +</p> +<p>Zoo bleef Khamis alleen waken. Hij luisterde naar elk geluid, poogde de duisternis met zijn oogen te doorboren, maar hij hoorde +of zag niets en zoo bleef hij op zijn post tot de ochtend begon te grauwen. +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>Onze lezers zullen wel reeds hebben opgemerkt, welk onderscheid er in karakter tusschen Max Huber en zijn vriend den Amerikaan +bestond. + +</p> +<p>John Cort was ernstig van aard en zeer practisch, wat hij met de meeste zijner landgenooten gemeen had. Hij was in Boston +geboren en dus een echte Yankee, maar had van de Yankees alleen de goede eigenschappen. Hij voelde zich bij uitstek aangetrokken +tot de studie der volkenkunde en had als ontdekkingsreiziger meermalen grooten moed aan den dag gelegd. + +</p> +<p>Max Huber was een echte Parijzenaar, vroolijk, luchthartig, edelmoedig en dapper, maar altijd verlangend naar iets “bizonders”, +zoodat hij zich niet zelden in groote gevaren zou hebben gestoken, als zijn voorzichtiger vriend hem niet weerhouden had; +en dit was sedert hun vertrek uit Libreville meer dan eenmaal het geval geweest. + +</p> +<p>Libreville is de hoofdstad van Fransch-Congo en van de Gabon en in 1849 op den rechteroever dezer rivier gesticht. Op het +oogenblik telt zij ongeveer 1600 inwoners. Er woont een gouverneur, er is een hospitaal, een zendingshuis, maar buiten eenige +factorijen en kolenparken biedt de stad verder niets bizonders aan. Drie mijlen verder ligt het dorp Glass, waar vooral Duitsche, +Engelsche en Amerikaansche factorijen gevestigd zijn. + +</p> +<p>En hier hadden Max Huber en John Cort elkander zes jaar geleden leeren kennen en een innige vriendschap gesloten. Zij waren +beiden werkzaam in de Amerikaansche factorij, die belangrijken handel dreef in <a id="d0e603"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e603">32</a>]</span>ivoor, oliën, palmwijn, en inlandsche vruchten. + +</p> +<p>Drie maanden te voren hadden de twee vrienden het plan opgevat, de streek te bezoeken, die zich Oostelijk van Fransch-Congo +en Cameroen uitstrekt. Zij waren hartstochtelijke jagers en sloten zich gaarne aan bij een karavaan, die toen juist uit Libreville +naar die streken zou trekken, waar het nog van olifanten wemelt, voorbij Bahar-el-Abiad tot aan Barghimi en Darfoer. Die karavaan +stond onder bevel van den Portugees Urdax, welke reeds in 1887 deel uitmaakte van de Vereeniging van Olifantenjagers, waarvan +Stanley bij zijn komst in Ipoto eenige zou ontmoeten. + +</p> +<p>En aanvankelijk was de tocht met deze karavaan, zooals wij gezien hebben, zeer voorspoedig. Max Huber en John Cort, die reeds +goed aan het klimaat waren gewend, verdroegen alle vermoeienissen van zulk een tocht, zij werden wel wat magerder, maar bleven +goed gezond en zoo zouden zij behouden zijn teruggekeerd, als thans die schrikkelijke ramp niet over hen gekomen was! Het +hoofd van de karavaan had zulk een vreeselijk einde gevonden, terwijl zij nog slechts een zestienhonderd mijlen van Libreville +verwijderd waren! + +</p> +<p>Hoe dikwijls had Urdax hen niet over “het groote bosch” gesproken, dat woud van Oebanghi, waarin zij thans waren. En inderdaad, +het verdiende den naam van groot ten volle! Er zijn op de aarde nog enkele streken, bezet met duizenden boomen, streken zóó +uitgestrekt, dat menig rijk in Europa minder oppervlakte heeft! + +</p> +<p>Onder de uitgestrekte wouden der aarde worden vooral vier genoemd, die gelegen zijn in Noord-Amerika, in Zuid-Amerika, in +Aziatisch Siberië en in Midden-Afrika. + +</p> +<p>Het eerste, dat zich in Noordelijke richting uitstrekt tot aan de Hudsonbaai en het schiereiland Labrador, beslaat over de +districten Quebec en Ontario ten Noorden van de Sint Laurens-rivier eene oppervlakte ter lengte van 2750 en ter breedte van +1600 <span class="abbr" title="kilometer"><abbr title="kilometer">K.M.</abbr></span> + +</p> +<p>Het tweede strekt zich in de Amazonevallei in Noord-Westelijk Brazilië uit over 3300 <span class="abbr" title="kilometer"><abbr title="kilometer">K.M.</abbr></span> lengte en 2000 <span class="abbr" title="kilometer"><abbr title="kilometer">K.M.</abbr></span> breedte. + +</p> +<p>Het derde, 4800 <span class="abbr" title="kilometer"><abbr title="kilometer">K.M.</abbr></span> bij 2700 <span class="abbr" title="kilometer"><abbr title="kilometer">K.M.</abbr></span>, bedekt met zijn <a id="d0e634"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e634">33</a>]</span>reusachtige pijnboomen van 150 voet hoogte, een gedeelte van Siberië, van de Obivlakte in het Westen tot de Indighiska vallei +in het Oosten. + +</p> +<p>Het vierde eindelijk—waarover wij het in deze bladzijden meer bepaaldelijk hebben—strekt zich uit van de Congo-vallei tot +aan de bronnen van den Nijl en de Zambesi, over een oppervlakte, die nog niet nauwkeurig gemeten is, maar waarschijnlijk de +drie hiervoor genoemden nog overtreft. + +</p> +<p>Zooals wij mededeelden, had Urdax zich niet in dit woud durven wagen, maar het plan gehad het Westelijk om te trekken. Hoe +had ook de wagen met zijn zes ossen in dezen doolhof vooruit kunnen komen? + +</p> +<p>Maar thans waren de omstandigheden geheel veranderd; geen wagen meer, geen ossen meer, geen groote sleep van dragers, geen +kampgoederen. Niets was van de karavaan over dan drie mannen en een knaap, die hier, vierhonderd mijlen in het binnenland, +van elk vervoermiddel verstoken waren! + +</p> +<p>Wat moesten zij doen? Den weg nemen, dien Urdax had willen volgen, maar dan onder veel ongunstiger omstandigheden? Of trachten +te voet het woud dwars door te trekken? + +</p> +<p>Dit was het onderwerp, dat Max Huber en John Cort den volgenden morgen direct bespraken. + +</p> +<p>Heel den nacht had de brave voorlooper de wacht gehouden, maar niets had de rust der slapenden verstoord. Wel was hij meer +dan eens met de revolver in de hand, een vijftig schreden ver door het kreupelhout geslopen, als hij eenig geluid had gehoord, +maar dat bleek dan het kraken te zijn van doode takken, of de vleugelslag van een of anderen grooten nachtvogel. + +</p> +<p>Zoodra John Cort bij het krieken van den dag de oogen opende, had hij Khamis gevraagd: + +</p> +<p>“En de inboorlingen?” + +</p> +<p>“En zouden zij geen sporen van hun doortocht hebben achtergelaten?” + +</p> +<p>“Wel waarschijnlijk, aan den zoom van het woud, mijnheer John.” + +</p> +<p>“Laten wij dan gaan zien.” + +</p> +<p>Alle vier slopen voorzichtig door het struikgewas tot <a id="d0e660"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e660">34</a>]</span>aan den rand van het bosch en inderdaad, hier waren nog overblijfselen te zien van verscheidene vuren, maar van menschen geen +spoor. + +</p> +<p>“Zij zijn weg”, zei John Cort. + +</p> +<p>“Ten minste voor het oogenblik”, antwoordde Khamis, “maar anderen zijn er nog: de olifanten.” + +</p> +<p>Inderdaad dwaalden nog verscheidene dezer dikhuiden over de vlakte rond en Max Huber en zijn genooten konden zien, hoe het +tamarindeboschje bij den heuvel, waar zij gekampeerd hadden, geheel met den grond gelijk gemaakt was. + +</p> +<p>“Wij moeten ons schuil houden”, zei Max, “dan zullen de olifanten ten laatste wel wegtrekken en hebben wij kans naar het kamp +terug te gaan en nog iets te redden, wat kisten met proviand en ammunitie.” + +</p> +<p>“En kunnen wij tevens onzen ongelukkigen Urdax een behoorlijke begrafenis geven”, voegde John Cort er bij. + +</p> +<p>“Zoolang de olifanten hier blijven ronddwalen, valt daaraan niet te denken”, zei Khamis, “en van de bagage zal bovendien wel +alles in gruizelementen zijn.” + +</p> +<p>Het viertal ging dus weder terug, het woud in, en Max Huber was zoo gelukkig, onder weg een stuk wild te schieten, waaraan +het gezelschap wel genoeg voedsel zou hebben voor drie dagen. + +</p> +<p>Het was een Inyala, een soort antilope, grijs met bruine stippels, met spiraalvormig gedraaide horens en lange haren onder +den hals en borst. Het dier woog meer dan tweehonderd vijftig pond, en Llanga, die als een jachthond er op toegeloopen was, +kon er dus niets mede beginnen. Maar Khamis kwam hem te hulp. Zeer handig stroopte hij het dier en sneed de bruikbare stukken +af, die boven een weldra aangelegd vuur geroosterd werden. Blikjes levensmiddelen en beschuit hadden onze vrienden niet meer; +zonder twijfel hadden de dragers al deze kisten geroofd, gelukkig dus, dat een knap jager hier nog altijd genoeg viervoetig +of gevleugeld wild schieten kon. + +</p> +<p>Erger was, dat de voorraad patronen niet zoo bizonder groot was. John Cort, Max Huber en Khamis waren wel gewapend met voortreffelijke +karabijnen en revolvers, maar wat baatten hun die wapens, als kruit en <a id="d0e680"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e680">35</a>]</span>kogels ontbraken! Met alles wat zij op het laatste oogenblik nog uit den wagen hadden kunnen medenemen, bezaten zij weinig +meer dan vijftig patronen, een schrale hoeveelheid, als zij zich te verdedigen zouden hebben tegen wilde dieren en inboorlingen, +op een tocht zeshonderd kilometer lang, voor zij den linkeroever van de Oebanghi zouden hebben bereikt. + +</p> +<p>Onder het eenvoudige maal, waarbij een teug water werd gedronken uit een klein beekje, dat tusschen de boomen stroomde, bespraken +zij ernstig wat thans te doen. + +</p> +<p>“Khamis”, zei John Cort tot den voorlooper, “tot dusver was Urdax onze aanvoerder, dien wij altijd gewillig volgden, omdat +wij vertrouwen in hem stelden. Datzelfde vertrouwen stellen wij ook in u, op grond van uw karakter en uw ondervinding. Zeg +dus, wat gij ons onder deze omstandigheden aanraadt. Gij kent dit land, reeds vele jaren diende gij de karavanen hier tot +gids, geef ons dus raad en wij zullen doen wat gij zegt.” + +</p> +<p>“Mijnheer John,” antwoordde de voorlooper bescheiden, “gij kunt op mij vertrouwen.” + +</p> +<p>“Welnu, wat is uw meening? Moeten wij het plan van Urdax volgen en het bosch omtrekken?” + +</p> +<p>“Neen, wij moeten er dwars doorheen,” antwoordde de voorlooper zonder aarzelen. “Gevaarlijke ontmoetingen zullen wij er niet +hebben, ja misschien wilde dieren, maar geen vijandige inboorlingen, die wagen zich nooit zoo diep in dit woud. Wij loopen +op de vlakte juist veel grooter gevaar door die rondzwervende stammen.—Te voet, zonder wagens of bagage, zal het ons mogelijk +zijn een doortocht te vinden, en als wij in zuid-westelijke richting gaan, heb ik wel hoop, dat wij de Oebanghi bereiken.” + +</p> +<p>De raad van Khamis scheen verstandig, alleen moest men zich wel rekenschap geven van de hinderpalen, die men in zulk een oer-woud +zou kunnen aantreffen. Van een eenigszins begaanbaar pad zou natuurlijk geen sprake zijn, hoogstens wat doorgangen door buffels, +neushoorns of andere groote dieren op hunne geregelde wegen, veroorzaakt. Ook zou de bodem ongetwijfeld met dicht struikgewas +begroeid zijn, hetgeen men zou moeten wegkappen, waarvoor de voorlooper een <a id="d0e694"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e694">36</a>]</span>bijl, maar de andere slechts een zakmes zouden hebben. + +</p> +<p>Ook zou het moeilijk zijn zich onder de zware boomen te oriënteeren, daar de stand van de zon dikwijls niet zou zijn waar +te nemen, maar dit behoefde geen zorg te baren, want Khamis had als vele negers—en zooals ook de Indianen van het Verre Westen +hebben—een soort instinct, om meer geleid door gehoor en reuk dan door het gezicht, de juiste richting te vinden. + +</p> +<p>“Bedenk echter,” zei Max Huber, “dat westelijk van ons kamp een stroompje liep in de richting van het woud. Misschien wordt +het verder op wel een rivier en wij zouden dan van boomstammen een vlot kunnen maken... + +</p> +<p>“Je gaat weer fantaseeren, Max,” zei de Amerikaan. + +</p> +<p>“Toch heeft mijnheer Max gelijk,” hernam de voorlooper, “er is inderdaad een stroom, die in de Oebanghi moet uitloopen....” + +</p> +<p>“En die wel als alle rivieren in Midden Afrika grootendeels onbevaarbaar zal zijn,” zei John Cort. + +</p> +<p>“Gij ziet ook niets dan moeilijkheden,” merkte Max Huber op. + +</p> +<p>“Beter vooraf, dan te laat!” antwoordde zijn vriend zeer terecht. + +</p> +<p>“Nu goed, op weg dan!” riep de Franschman, en inwendig had hij heel veel lust om dat groote onbekende woud in te trekken. +Misschien zou hij hier nu werkelijk eens iets heel buitengewoons beleven, waarnaar hij altijd zoo verlangd had! + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e712"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK V.</h2> +<h2>De eerste dagen in het woud.</h2> +<p>Het was iets later dan acht uur, toen het viertal den tocht in Zuidwestelijke richting begon. + +</p> +<p>Waar zij den stroom zouden vinden, die naar verondersteld werd in de Oebanghi zou uitloopen, wisten zij niet, zooals zij eigenlijk +niets wisten aangaande de streek, waarin zij zich zoo vermetel gingen wagen. + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e722" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p037.jpg" alt="Toen hij eensklaps een hand op zijn schouder voelde. (Zie pag. 40)."></p> +<p class="figureHead">Toen hij eensklaps een hand op zijn schouder voelde. (<i>Zie pag.</i> 40). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Aanvankelijk waren de boomen nog niet zoo dicht, dat de zon niet te zien was, maar toch heerschte op <a id="d0e731"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e731">39</a>]</span>menige plek, ondanks de heldere Maartsche dag, een halve duisternis en bij betrokken lucht zou het daar zeker volslagen donker +zijn. Gedurende den nacht zou de tocht dan ook moeten worden gestaakt, en Khamis stelde voor, dat men dan zou slapen tusschen +de zware wortels der reusachtige stammen, zonder vuur aan te leggen, hetgeen slechts de aandacht van ongewenschte bezoekers +zou kunnen trekken. Van koude zou men geen last hebben en een klein vuurtje overdag zou voldoende zijn, om wat vleesch of +wild te roosteren voor een eenvoudig maal. + +</p> +<p>Meer te duchten waren de regens, die in deze streek zeer onverwacht kunnen opkomen en wel op een stortvloed gelijken. + +</p> +<p>Zooals wel te denken was, bood het woud geen gemakkelijk begaanbaar pad aan en dit deed Max Huber opmerken: + +</p> +<p>“Het is wel jammer, dat onze olifanten hier niet kunnen doordringen. Wat hadden zij netjes al die slingerplanten kunnen wegruimen +en die zware wortels der boomen kunnen plat trappen....” + +</p> +<p>“En ons daarbij”, zei John Cort. + +</p> +<p>“Laten wij tevreden zijn met wat de buffels en neushoorns gedaan hebben”, hernam Khamis, “waar zij doorgegaan zijn, vinden +wij een goed pad.” + +</p> +<p>Behalve reusachtige tamarinden, groeiden hier in overvloed buitengewoon hooge mimosa’s en baobabs, voorts vreemde gewassen +van de familie der Euphorbiaceeën, met stekelige takken en groote bladeren. + +</p> +<p>Terwijl Max Huber mopperde over de lagere struiken, die den weg versperden, had John Cort geen oogen genoeg om de prachtige +en zeldzame plantenwereld hier te bewonderen. + +</p> +<p>En al die zware takken waren bewoond door allerlei dieren, vooral apen, waaraan Afrika zoo rijk is: grijze bavianen, mandrils, +chimpansee’s en de reusachtige en gevaarlijke gorilla’s! Maar wat ons viertal tot dusver van deze vierhandigen gezien had, +bood nog geen reden tot ongerustheid. Ongetwijfeld waren zij de eerste menschen, die aan de apen onder de oogen kwamen, en +deze toonden dan ook meer nieuwsgierigheid dan vijandschap. +<a id="d0e749"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e749">40</a>]</span></p> +<p>Na een korte rust op den middag, werd ten zes ure weder halt gehouden. De tocht had groote moeilijkheden opgeleverd, allerlei +slingerplanten, allerlei belemmerende struiken hadden weggekapt moeten worden en dit was een zwaar werk geweest. + +</p> +<p>Daarom liet Khamis onder een zeer hoogen boom halt houden. Zijn bladerdak begon zes meter boven den grond en was grijsachtig +groen, waartusschen witte bloemen prijkten. Het was een Afrikaansche katoenboom, wiens wortels een goede legerstede aanboden. + +</p> +<p>“Het bed is opgemaakt”, schertste Max Huber. “Het is wel geen springmatras, maar wij slapen toch onder katoen!” + +</p> +<p>Met eenig dood hout werd een klein vuur aangelegd en het eenvoudige avondmaal daarbij gebruikt. Maar alvorens zich tusschen +de wortels van den katoenboom uit te strekken, vroeg John Cort aan den voorlooper: + +</p> +<p>“Wij zijn immers nog altijd in Zuidwestelijke richting gegaan?” + +</p> +<p>“Altijd”, verzekerde Khamis. + +</p> +<p>“En hoeveel mijlen denkt gij dat wij per dag afleggen?” + +</p> +<p>“Vier of vijf en als wij zoo voortgaan, zullen wij in een maand de Oebanghi bereikt hebben.” + +</p> +<p>Alvorens zich ter ruste te leggen werd afgesproken, dat men beurtelings drie uren zou waken en John Cort nam dezen plicht +het eerst op zich, terwijl de anderen zich tusschen de zware boomwortels uitstrekten. En hij was zoodanig met zijn gedachten +over dezen vreemden en gevaarvollen tocht vervuld, dat de tijd voor hem omvloog en hij werkelijk ontstelde, toen hij eensklaps +een hand op zijn schouder voelde. + +</p> +<p>“Neen, het is geen menscheneter, ik ben het!” zei Max Huber vroolijk, “de beurt van waken is aan mij. Hebt gij niets verdachts +gezien?” + +</p> +<p>“Niets”, antwoordde de Amerikaan. + +<a id="d0e772"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e772">41</a>]</span></p> +<p></p> +<div id="d0e774" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p041.jpg" alt="Max Huber legde dadelijk zijn karabijn aan. (Zie pag. 47)."></p> +<p class="figureHead">Max Huber legde dadelijk zijn karabijn aan. (<i>Zie pag.</i> 47). +</p> +</div><p> + + +<a id="d0e781"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e781">43</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e782"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK VI.</h2> +<h2>Altijd naar het zuidwesten.</h2> +<p>Den volgenden morgen, 11 Maart, hervatten John Cort, Max Huber, Khamis en Llanga, geheel uitgerust, hun tocht. + +</p> +<p>Nog waren zij niet ver gegaan, of zij kwamen op een plek, die ongetwijfeld dikwijls door groote dieren werd bezocht, want +verscheidene platgetrapte paden liepen hier in allerlei richting. En het duurde dan ook niet lang of men zag een kudde buffels +en kort daarop in de verte zelfs een paar neushoorns, die men wijselijk besloot maar ongemoeid te laten. + +</p> +<p>Eerst tegen den middag, na ongeveer twaalf kilometer te hebben aangelegd, nam ons troepje rust. John Cort was zoo gelukkig +een paar trapganzen te schieten, groote, zwarte vogels, wier vleesch overheerlijk smaakte. + +</p> +<p>En daarna werd de tocht door de wildernis weder hervat en meer en meer werd het woud ondoordringbaar, dicht struikgewas en +een gordijn van slingerplanten versperden overal den weg en de messen moesten duchtig dienst doen. Het bladerdak was zóó dicht, +dat van een regenbui, die een paar uren aanhield, bijna geen druppel op den bodem terecht kwam, maar Khamis kon toch op een +meer open plekje den bijna leegen waterzak vullen, hetgeen niet te versmaden was, want tot dusver had hij nog geen stroompje +of beekje kunnen ontdekken. + +</p> +<p>De nacht van den 11den op den 12den Maart werd niet tusschen de wortels van een katoenboom doorgebracht, maar aan den voet +van een niet minder reusachtigen boom, een bombax, wiens stam zich honderd voet hoog verhief. Het waken geschiedde als naar +gewoonte en de rust werd niet verstoord, dan door het verwijderd geloei van buffels of neushoorns. Dat het gebrul van een +leeuw zich daartusschen zou mengen, <a id="d0e797"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e797">44</a>]</span>was niet waarschijnlijk, want deze gevaarlijke roofdieren bewonen de dichte bosschen van Centraal-Afrika niet. Op hoogere +breedte, hetzij ten Zuiden van de Congo, hetzij Noordelijker, in Soedan, nabij de grenzen van de Sahara, worden zij gevonden. +De koning der dieren heeft ruimte noodig, groote vlakten door de zon bestraald, waar hij bot kan vieren aan zijn ontembaren +vrijheidszin. + +</p> +<p>En ook kon het geen geloei van nijlpaarden zijn, hetgeen voor onze vrienden wel te betreuren was, want de nabijheid van die +dikhuiden zou tevens de nabijheid eener rivier hebben verraden. + +</p> +<p>Den volgenden morgen vroeg, bij betrokken lucht, trok men weder voort. Het duurde niet lang of Max Huber had het geluk een +antilope te schieten, van de grootte van een zebra. Het was een Oryx, roodbruin van kleur met een zwarten streep over den +rug en zwarte ringen aan de pooten. De horens van deze dieren zijn niet zelden een meter lang en dienen hun tot doeltreffend +wapen, somtijds zelfs tegen een aanval van den leeuw. + +</p> +<p>Khamis vilde en ontleedde het dier spoedig, hetgeen ongeveer een uur in beslag nam en zoo had het troepje weder voor verscheidene +dagen vleesch genoeg. + +</p> +<p>Het liet zich echter aanzien, dat men dien dag nog meer kogels zou te verschieten hebben. Reeds een mijl verder stond de voorlooper +in beraad zijn karabijn af te vuren op een troep apen, leelijke hondskopbavianen, die geruimen tijd in de nabijheid der menschen +bleven en soms een dreigende houding aannamen. Maar tegen twee uur, toen het viertal een breeden platgetrapten weg bereikte, +die zich tamelijk ver scheen uit te strekken, verdwenen de ongure beesten in het dichte van het woud. + +</p> +<p>Mochten zij zich zelf geluk wenschen met zoo’n gemakkelijk begaanbaar pad, er stond tegenover, dat zij veel kans liepen de +groote dieren te ontmoeten, die het pad gemaakt hadden. + +</p> +<p>En inderdaad, een paar uur later hoorden zij niet ver af een dof geloei, het waren twee neushoorns. + +</p> +<p>Khamis zag hen het eerst en wenkte zijn makkers stil te blijven staan. + +<a id="d0e813"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e813">45</a>]</span></p> +<p></p> +<div id="d0e815" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p045.jpg" alt="En riep luidkeels: de rio! de rio! (Zie pag. 49)."></p> +<p class="figureHead">En riep luidkeels: de rio! de rio! (<i>Zie pag.</i> 49). +</p> +</div><p> + +<a id="d0e822"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e822">47</a>]</span></p> +<p>“Gevaarlijke dieren, die neushoorns”, fluisterde hij, zijn karabijn gereed houdende. + +</p> +<p>“En toch eten zij alleen planten”, merkte Max Huber op. + +</p> +<p>“Wat moeten wij doen?” was de verstandige vraag van John Cort. + +</p> +<p>“Hen ongemerkt voorbij zien te komen of voorbij laten gaan”, antwoordde de voorlooper. “Maar wij moeten ons gereed houden, +want als zij ons zien, zullen zij zich op ons storten.” + +</p> +<p>Het viertal overtuigde zich, dat de karabijnen in goeden staat waren en sloop van het breede pad zijwaarts in de struiken. + +</p> +<p>Vijf minuten later kwamen de dikhuiden aandraven, recht op het boschje, waar onze vrienden zich verscholen hadden, en bleven +eensklaps staan. Ongetwijfeld hadden zij de aanwezigheid der menschen geroken, of op andere wijze bespeurd. + +</p> +<p>Max Huber legde dadelijk zijn karabijn aan, een schot weerklonk, gevolgd door een, twee andere, maar de kogels drongen te +nauwernood door de op een pantser gelijkende huid heen. + +</p> +<p>De boomstronken en struiken zouden zeker geen hinderpaal voor die twee kolossen opleveren. In een oogwenk zou alles vertrapt, +zou het viertal vermorseld zijn. Te nauwernood aan de olifanten ontkomen, zouden zij thans gedood moeten worden door de rhinocerossen +uit het groote woud. De vlucht konden zij niet nemen, de dichte slingerplanten en lianen zouden hen te veel belemmeren, zij +zouden dadelijk zijn ingehaald. Maar er stonden boomen en dichtbij zelfs een groote boabab, op wiens takken zij veilig zouden +zijn en die stevig genoeg in den grond stond, dat een paar neushoorns zijn wortels niet zouden kunnen loswoelen, zooals de +olifanten met de tamarindeboomen gedaan hadden. Maar de eerste takken waren wel vijftig voet van den grond en de zware stam +bood geen enkel hulpmiddel om er tegen op te klimmen. + +</p> +<p>Nog stond Khamis na te denken, hoe hij zijn troepje in veiligheid kon brengen, toen de struiken aan den rand van het pad bewogen +en daar vertoonde zich de groote kop van den neushoorn. +<a id="d0e841"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e841">48</a>]</span></p> +<p>Fluks schoot John Cort zijn karabijn af, maar de kogel drong slechts in den schouder en onder een hevig gebrul kwam de neushoorn +aanstormen, met den anderen dicht achter zich. + +</p> +<p>Dit ging zóó vlug, dat niemand tijd had gehad zijn karabijn opnieuw te laden, het was zelfs te laat om in verschillende richtingen +in de struiken te vluchten en instinctmatig snelden allen naar den boabab, om zich achter diens dikken stam te verschuilen. + +</p> +<p>Onder een hevigen schok trilde de boabab tot in zijn wortels; de eerste rhinoceros was in blinde woede er op aan gestormd, +maar zijn hoorn was in den stam gedrongen als de bijl van een houthakker en welke kracht hij ook inspande, hij kon hem niet +dadelijk weder losrukken. Het tweede dier bleef verschrikt op eenigen afstand staan en alleen uit het stampen zijner hoeven +en het zwaaien van zijn staart, bleek zijn groote woede. + +</p> +<p>“Vlug! Vlug!” riep Khamis en op zijn voorbeeld snelden allen zijwaarts, het struikgewas in. Tot hun verbazing werden zij niet +achtervolgd en na een dollen loop van vijf minuten bleven zij eindelijk buiten adem staan. + +</p> +<p>Dit was inderdaad een wonderbaarlijke redding en geen hunner dacht er aan, naar den boabab terug te keeren, om te zien of +de neushoorns er nog waren. Met een breeden omweg kwamen zij op het pad terug en tegen zes uur in den avond kozen zij een +haltepunt aan den voet van een hooge rots. + +</p> +<p>De volgende dag bood geen wederwaardigheden aan; de weg werd niet moeilijker begaanbaar en zoo konden weder een dertigtal +mijlen in Zuidwestelijke richting worden afgelegd. Maar van een stroom of rivier was nog altijd niets te bespeuren. + +</p> +<p>Na het gewone avondmaal van antilopevleesch legde men zich ter ruste, maar de slaap werd verstoord door honderden vleermuizen, +kleine en groote, die eerst tegen het aanbreken van den dag verdwenen. + +</p> +<p>“Afschuwelijke beesten”, mopperde Max Huber, “ik heb geen oog dicht kunnen doen!” + +</p> +<p>“En toch hebt gij geen reden tot klagen”, antwoordde de voorlooper. +<a id="d0e860"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e860">49</a>]</span></p> +<p>“Wat zegt ge daar! En waarom niet?” + +</p> +<p>“Omdat het beter is met vleermuizen te doen te hebben dan met muskieten en daarvoor zijn wij tot dusver gelukkig gespaard +gebleven.” + +</p> +<p>“En zullen die ons ook nog komen plagen, Khamis?” + +</p> +<p>“Zonder twijfel, zoodra wij bij een rivier komen.” + +</p> +<p>“Bij een rivier! Gelooft gij dan nog aan een rivier, hier in dit bosch? Ik niet meer!” + +</p> +<p>“En toch is zij misschien niet eens zoo ver meer af”, hernam de voorlooper. + +</p> +<p>Hij had werkelijk eenige verandering in den bodem opgemerkt en zij waren nog geen drie uur verder, of de grond werd moerassig +en hier en daar vertoonden zich gewassen, die aan waterplanten deden denken. Weldra zag men eenige gaugas, een soort wilde +eenden, opvliegen en toen de zon naar de kim begon te dalen, begon het gekwaak van kikvorschen. + +</p> +<p>“De muskieten zijn niet ver meer af!” merkte Khamis droogjes op. + +</p> +<p>De plantenwereld begon van aanzien te veranderen, er vertoonden zich insekten, die men tot dusver niet gezien had, reusachtige, +afschuw wekkende duizendpooten, maar ook wespen en de beruchte tsetsé-vlieg. Maar hoe gevaarlijk deze laatste ook moge zijn +voor paarden en kameelen, voor den mensch is hij onschadelijk, evenals voor roofdieren. + +</p> +<p>Het kleine troepje bleef tot ongeveer half zeven in Zuidwestelijke richting voorttrekken en Khamis zag reeds uit naar een +geschikte rustplaats voor den nacht, toen de aandacht van Max Huber en John Cort getrokken werd door roepen van Llanga. De +negerknaap was naar zijn gewoonte wat afgedwaald en zijn onduidelijk geroep verschrikte beide vrienden niet weinig. Zou hij +in gevaar verkeeren? Met de karabijn in de hand snelden zij toe, maar waren weldra gerustgesteld. + +</p> +<p>Llanga stond op een omgevallen boomstam en riep luidkeels: + +</p> +<p>“De rio!.... de rio!” + +</p> +<p>Ook Khamis was spoedig toegesneld en daar, op een halven mijl afstands, slingerde zich een stroom, waarvan het water de stralen +van de ondergaande zon weerspiegelde. +<a id="d0e887"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e887">50</a>]</span></p> +<p>“Nu komen wij gemakkelijk aan de Oebanghi”, zei de voorlooper verheugd. + +</p> +<p>En inderdaad, het zou den vier mannen niet moeilijk vallen een soort vlot te maken, waarmede zij den stroom zouden kunnen +afzakken. + +</p> +<p>Door een moerassige streek, terwijl de duisternis meer en meer begon te vallen, liepen onze vrienden in de richting der rivier +en het was donker, toen zij haar tamelijk hoogen oever bereikten. Hier stonden zeer weinig boomen, geheel anders dan aan den +overkant, waar het woud dicht en somber scheen. John Cort schatte de breedte der rivier op een veertig meter, het was dus +geen beekje, maar werkelijk een stroom van eenige beteekenis. Intusschen deed men wijzer tot den volgenden dag te wachten, +om zich rekenschap te geven van den toestand en zoo zocht Khamis een geschikte plek voor de nachtrust op, die hij in een soort +rotsachtige uitholling in den oever meende gevonden te hebben. + +</p> +<p>De eerste uren zou John Cort waken en hij zag niets verdachts, maar wel meende hij af en toe een klagende stem te hooren, +die “Ngora, Ngora!” riep, het woord dat in de negertaal moeder beteekent. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e896"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK VII.</h2> +<h2>De ledige kooi.</h2> +<p>Toen ons troepje den volgenden morgen ontwaakt was, verheelden John Cort en Max Huber zich hunne blijdschap niet. Die rivier +zou hen zonder eenige vermoeienis ongeveer driehonderd kilometer verder brengen, tot waar de Oebanghi was, waarin zij natuurlijk +moest uitstroomen. Zoo zou dus driekwart van den tocht onder de gunstigste omstandigheden worden afgelegd, en het andere vierde +deel was reeds achter den rug, zooals John Cort met de inlichtingen van den voorlooper uitrekende. + +</p> +<p>In zuidelijke richting maakte de rivier op ongeveer een halve mijl afstand een plotselinge bocht en in die <a id="d0e905"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e905">51</a>]</span>bocht toonde het woud zich weder even dicht als te voren. + +</p> +<p>Maar John Cort had daar nog niet veel oogen voor, hij dacht maar steeds aan dat woord “ngora”, dat hij in de nachtelijke stilte +gehoord had en dus zocht hij in den omtrek rond, of hij soms menschelijke sporen kon vinden, maar te vergeefs. + +</p> +<p>“Ik heb het mij verbeeld”, dacht hij, “misschien ben ik een oogenblik ingeslapen en heb het gedroomd.” En hij zei er dan ook +maar niets van aan zijn makkers. + +</p> +<p>“Wij moeten onmiddellijk aan het werk om een vlot te maken,” zei Khamis, “wilt gij mij helpen mijnheer John, want mijnheer +Max moet op de jacht, er is niets meer te eten.” + +</p> +<p>“Ja, ga je mee, Llanga!” riep Max, “wij zullen den oever eens langs loopen tot aan die kromming, wie weet of wij geen lekkere +visch kunnen verschalken!” + +</p> +<p>“Pas maar op de krokodillen, en zelfs op de nijlpaarden,” waarschuwde de voorlooper. + +</p> +<p>“Nu een nijlpaardenboutje kan heel lekker zijn,” schertste Max Huber. + +</p> +<p>“Maar voor gij het hebt, zal het nijlpaard aardig boos op u zijn,” zei John Cort, “wees dus verstandig en kom onmiddellijk +terug, als gij eenig gevaar vreest en wees vooral hoogst voorzichtig!” + +</p> +<p>“Natuurlijk John! Kom Llanga, ga mee!” + +</p> +<p>“Wees zuinig op uw patronen!” riep de voorlooper Max Huber nog na. + +</p> +<p>Daarop begon Khamis met John Cort allereerst naar geschikt hout te zoeken om een vlot van te maken, want hoe eenvoudig dit +ook zou worden samengesteld, hout was er in elk geval voor noodig. Maar zij hadden geen andere werktuigen dan een bijl en +een paar zakmessen en daarmede konden zij bezwaarlijk de woudreuzen vellen. Khamis dacht er dan ook maar over om de afgevallen +takken te gebruiken, die met lianen bijeen te binden, en er een vloer over te maken van vastgestampte aarde en wortels.—Een +vlot van twaalf voet lengte en acht breedte zou voldoende zijn, om het viertal te vervoeren en des nachts zou men aan den +oever kunnen slapen. + +</p> +<p>Hij deelde dit aan John Cort mede en noodigde <a id="d0e929"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e929">52</a>]</span>dezen uit, met hem het benoodigde hout te gaan zoeken, zoover zij de rivier langs konden zien, was alles rustig en dus begaven +zij zich onbezorgd op weg. Nog hadden zij geen honderd schreden afgelegd of zij vonden reeds een groote hoeveelheid geschikte +stukken, maar de grootste moeielijkheid zou zijn, om ze tot aan den oever van de rivier te slepen. Waren zij te zwaar voor +twee personen, dan zou gewacht moeten worden tot Max en Llanga terug waren. + +</p> +<p>Eensklaps hoorde het tweetal luide uitroepen, in de richting van het Zuidoosten, juist waarheen Max Huber gegaan was. + +</p> +<p>“Zouden zij in gevaar verkeeren?” vroeg John Cort. + +</p> +<p>“Vlug! Laten wij gaan zien!” antwoordde de voorlooper. + +</p> +<p>Na een poos ontdekten zij het tweetal, staande op een hoogte aan den linkeroever, maar van andere menschen of van dieren was +in den omtrek geen spoor te zien. Zij snelden dus op hunne vrienden toe en Max Huber ontving hen met de woorden: + +</p> +<p>“Wij zullen niet noodig hebben een vlot te maken.” + +</p> +<p>“En waarom niet?” vroeg John Cort. + +</p> +<p>“Omdat er hier een ligt, kant en klaar, wel wat verwaarloosd, maar gemakkelijk te herstellen.” + +</p> +<p>En werkelijk, in een kleinen inham van de rivier lag een plat vlot, vastgehouden door een half vergaan touw. + +</p> +<p>“Zouden de inboorlingen tot hier zijn doorgedrongen?” vroeg Khamis ongerust. + +</p> +<p>“Inboorlingen of ontdekkingsreizigers”, antwoordde John Cort. + +</p> +<p>En toch, als dit gedeelte van het groote woud van Oebanghi reeds bezocht was, zou dit in den Congo en in Kameroen bekend moeten +zijn en de twee blanken hadden nog nooit gehoord, dat dit woud vroeger reeds doorzocht was. + +</p> +<p>“Maar wat doet dat er toe”, hernam Max Huber, “de hoofdzaak is of wij dat vlot kunnen gebruiken.” + +</p> +<p>“Zeer zeker”, antwoordde Khamis en wilde er op stappen, toen hij door een kreet van Llanga teruggehouden werd. + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e958" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p053.jpg" alt="Na een poos ontdekten zij het tweetal, aan den linkeroever. (Zie pag. 52)."></p> +<p class="figureHead">Na een poos ontdekten zij het tweetal, aan den linkeroever. (<i>Zie pag.</i> 52). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>De knaap had iets van den grond opgeraapt en toonde het aan zijn vriend Max. Het was niets minder <a id="d0e967"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e967">55</a>]</span>dan een hangslot, zwaar verroest en zonder sleutel, maar een echt hangslot. + +</p> +<p>“Dat is niet afkomstig van Congoleezen of andere negers”, zei de Franschman, ten hoogste verbaasd. “Hier moeten blanken geweest +zijn....” + +</p> +<p>“Die nooit teruggekeerd zijn”, voegde John Cort er bij. + +</p> +<p>En dit was inderdaad eene gevolgtrekking, die voor de hand lag. De zware roest op het slot bewees, dat het zeker reeds eenige +jaren hier gelegen moest hebben en uit deze vondst viel tweeërlei af te leiden: + +</p> +<p>1e Ontdekkingsreizigers waren op deze plek geweest; + +</p> +<p>2e Om onbekende redenen hadden zij hun vlot hier achtergelaten. + +</p> +<p>Maar, wat daarvan zij, vast stond, dat zij nimmer waren teruggekeerd, John Cort noch Max Huber hadden sedert zij in de Congo +woonden, ooit van blanke reizigers in het groote, onbekende woud gehoord. + +</p> +<p>En wat hier nog bij kwam: Max Huber moest afstand doen van de eer, van de eerste te zijn, die deze onbekende streken bezocht. + +</p> +<p>Volkomen onverschillig voor die eer, onderzocht Khamis de planken en balken van het vlot. De laatsten waren nog in goeden +staat, van de eersten zouden eenige vernieuwd moeten worden, maar dat was niet erg, een heel nieuw vlot behoefde men nu in +elk geval niet te maken, met enkele reparaties was men klaar! + +</p> +<p>Maar de twee vrienden konden over die vreemde vondst maar niet zwijgen. + +</p> +<p>“Er is geen kwestie of hier zijn blanken geweest!” zei John Cort; “het vlot kon desnoods nog het werk van negers zijn, maar +dat hangslot nooit!” + +</p> +<p>“Wie weet wat wij nog verder vinden”, merkte Max op; “misschien is hier in de buurt wel een kampement geweest. Laten wij eens +wat verder langs den oever gaan, misschien vinden wij wel wat keukengereedschap, dat zou ons goed te pas komen!” + +</p> +<p>Het viertal liep langs den oever, een soort natuurlijk dijkje tusschen het moeras links en de rivier rechts, en heele vluchten +watervogels vlogen voor hunne voeten op. Natuurlijk keken allen opmerkzaam rond, in de verwachting voetsporen te vinden, of +een ander voorwerp, <a id="d0e993"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e993">56</a>]</span>maar zij ontdekten niets.—Toen zij bij de eerste boomen kwamen, werden zij begroet door het gekrijsch van een troep apen. +Deze dieren schenen niet erg verbaasd bij het zien van menschen. + +</p> +<p>“Maar zij hebben toch dat vlot niet gemaakt”, zei John Cort, “en hoe slim zij ook zijn, een hangslot zouden zij toch nooit +kunnen maken!” + +</p> +<p>“Evenmin als een kooi”, voegde Max Huber er bij. + +</p> +<p>“Wat bedoelt gij?” + +</p> +<p>“Wel, ik geloof dat ik daar verder op iets zie, dat wel een kooi lijkt.” + +</p> +<p>“Mijnheer heeft gelijk”, bevestigde Khamis, “daar staat een hut met traliewerk. Laten wij voorzichtig zijn.” + +</p> +<p>“Komaan, wat voor gevaar kan ons dreigen!” riep Max Huber vol ongeduld. + +</p> +<p>En inderdaad, menschen schenen hier niet te zijn. Zoo sloop het viertal behoedzaam nader en kon de hut duidelijker opnemen. +Zij stond tusschen mimosas en had een schuin dak van verdroogde bladeren, terwijl slingerplanten aan alle zijden tot aan den +bodem reikten. Maar wat haar wel het aanzien gaf van een kooi, dat waren de traliën aan de voorzijde, precies als van een +hok in een menagerie. + +</p> +<p>En in die tralies was een deurtje, dat open stond en de kooi was leeg. + +</p> +<p>Max Huber snelde naar binnen en vond eenige kostbare voorwerpen: een pan, een kop, een wollen deken, een bijl, en een half +vergaan brillenhuisje! In een hoek stond een koperen kistje, zoo verroest, dat hij het niet open kon krijgen. Eindelijk met +behulp van een mes gelukte dit en in het kistje lag een aanteekenboekje, waar buiten op een naam te lezen stond: Dokter Johausen. + +<a id="d0e1013"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1013">57</a>]</span></p> +<p></p> +<div id="d0e1015" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p057.jpg" alt="En in die tralies was een deurtje. (Zie pag. 56)."></p> +<p class="figureHead">En in die tralies was een deurtje. (<i>Zie pag.</i> 56). +</p> +</div><p> + + +<a id="d0e1022"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1022">59</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e1023"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK VIII.</h2> +<h2>Dokter Johausen.</h2> +<p>Die naam was een openbaring! Hij onthulde een gedeelte van het geheim, een treurig geheim, al was het lachwekkende er ook +niet vreemd aan, want de man, die zulke fantastische proeven had willen nemen, was hoogstwaarschijnlijk als slachtoffer van +zijn streven omgekomen. + +</p> +<p>Misschien herinnert men zich, dat een Amerikaan, Garner genaamd, de taal der apen heeft willen bestudeeren. In alle couranten +der wereld is daarover geschreven en ook Max Huber en John Cort hadden alles daarvan gelezen. + +</p> +<p>“Hij!” riep Max Huber, “van wien men nooit meer iets gehoord heeft!” + +</p> +<p>“En van wien men ook wel nooit meer iets hooren zal!” voegde John Cort er bij. + +</p> +<p>Deze “hij”, dien de twee vrienden bedoelden, was dokter Johausen, maar alvorens over hem te spreken, moeten wij iets mededeelen +over zijn voorganger, professor Garner. + +</p> +<p>Alvorens naar Afrika te vertrekken had deze Amerikaan bizondere studie gemaakt van de apen, en hij was tot de slotsom gekomen, +dat die dieren onder elkander een bepaalde taal spraken, met bepaalde woorden om de gedachten uit te drukken. In de apenkooi +in de diergaarde te Washington heeft Garner phonografen geplaatst om de woorden van die apentaal op te vangen en na allerlei +onderzoekingen hieromtrent vertrok Garner in 1892 naar de Gabon, kwam den 12den October te Libreville aan en nam daar zijn +intrek in de factory der firma John Holland & Co., waar hij tot Februari 1894 vertoefde. + +</p> +<p>Eerst toen besloot hij zijn studiën in het land der apen zelf voort te zetten. Met een kleine stoomboot voer hij de Ogoué +op en kwam den 22sten April aan het <a id="d0e1042"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1042">60</a>]</span>Katholieke Zendingsstation van Fernand Vaz. De zendelingen namen hem gastvrij op in hun woning, die aan den oever van een +prachtig meer gebouwd is en hielpen hem in alles, wat zijn onderzoekingen kon bevorderen. + +</p> +<p>Achter het Zendingshuis begon een groot woud, dat van de apen wemelde, maar Garner wilde in nauwere aanraking met die dieren +komen en in hun midden leven. Daartoe had hij een ijzeren kooi laten maken, die uit elkander kon genomen worden en deze kooi +liet hij naar het woud brengen. Als men hem gelooven wil, heeft hij drie maanden daarin gewoond, meestentijds alleen en dus +doende den gorilla in den natuurstaat kunnen bestudeeren. Maar meer met de waarheid overeen komt, dat de voorzichtige Amerikaan +zijn kooi niet verder heeft neergezet dan twintig minuten van het Zendingshuis, een plek, die hij den weidschen naam gaf van +Fort Gorilla en die langs een mooi, schaduwrijk pad te bereiken was. Hij heeft er zelfs drie nachten achtereen geslapen, maar +geteisterd door duizenden muskieten, kon hij het er niet langer uithouden; hij brak zijn kooi op en vroeg wederom gastvrijheid +bij de zendelingen, die hem dit gulhartig verstrekten. En den 18den Juni ging hij weer naar Amerika terug, niets anders medebrengende +dan twee kleine chimpanzees, die er niet aan dachten om met hem te praten! + +</p> +<p>Garner heeft dus al bitter weinig ontdekt. Als de apen werkelijk met elkander spreken, dan moet hunne taal altijd nog uitgevonden +worden. + +</p> +<p>En toen gebeurde het twee jaren later, dat een Duitsch geleerde dezelfde poging wilde doen. Te Malinba, in Kameroen, woonde +reeds eenigen tijd een zekere dokter Johausen, een geneesheer, maar die zich meer aangetrokken gevoelde tot plant- en dierkunde, +en hoewel reeds boven de vijftig, besloot hij het door Garner opgegeven plan uit te voeren. Daar hij dikwijls in Libreville +kwam, had John Cort hem meermalen ontmoet. + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e1051" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p061.jpg" alt="Daar de dokter zich verbeeldde, dat de apen niet ongevoelig zouden zijn voor de schoonheden der muziek. (Zie pag. 63)"></p> +<p class="figureHead">Daar de dokter zich verbeeldde, dat de apen niet ongevoelig zouden zijn voor de schoonheden der muziek. (<i>Zie pag.</i> 63) +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Deze <span class="corr" title="Bron: doktor">dokter</span> Johausen was een hoogst begaafd man, die niet alleen Fransch en Engelsch, maar ook de taal der inlanders sprak. Hij was rijk, +oefende de geneeskunde uit zonder zich te laten betalen, had geen bloedverwanten <a id="d0e1063"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1063">63</a>]</span>en was dus volkomen onafhankelijk. Als bediende had hij een inlander, met wien hij het best kon vinden en toen hij dezen zijn +voornemen te kennen gaf, om midden in het woud tusschen de apen te gaan leven, verklaarde de neger zich dadelijk volkomen +bereid om zijn meester te volgen. + +</p> +<p>Dus werd een kooi, in het genre van die van Garner, maar practischer ingericht, in Duitschland besteld, en in losse stukken +te Malinba aangebracht. Levensmiddelen, kogels, kruit en andere benoodigdheden waren daar in grooten voorraad verkrijgbaar. +Ook werden eenige eenvoudige meubelen meegenomen en zelfs een draaiorgel, daar de dokter zich verbeeldde, dat de apen niet +ongevoelig zouden zijn voor de schoonheden der muziek. Ook liet hij een aantal nikkelen medailles maken met zijn portret en +zijn naam er op, zeker om die aan de hoofden van de apenkolonie uit te deelen. + +</p> +<p>Zoo scheepten den 13den Februari 1894 de dokter en zijn bediende zich te Malinba op een inlandsen vaartuig dat hen naar Nbarri +zou brengen. Maar dan verder? Dat had Johausen aan niemand willen zeggen, hoe men hem ook met allerlei nieuwsgierige vragen +lastig viel. Later werd bekend, dat hij honderd mijlen verder, naar het dorp Nghila gegaan was, daar een twintigtal negers +als dragers had aangenomen en in Oostelijke richting getrokken was. Maar sedert had men niets van hem gehoord. De dragers, +die in Nghila terugkeerden, konden niet met duidelijkheid uitleggen, waar zij hem verlaten hadden, en nu waren twee jaren +verstreken, zonder eenige tijding van den dokter of zijn trouwen bediende. + +</p> +<p>Maar John Cort en Max Huber leerden er nu iets meer van. Zij wisten thans, dat dr. Johausen een rivier in het Noordwesten +van het woud van de Oebanghi had bereikt, een vlot had gemaakt en daarmede die onbekende rivier was afgezakt, tot kort bij +de plek, waar hij zijn kooi of getralied huisje oprichtte. + +</p> +<p>Dit alles was thans zekerheid, maar omtrent wat verder gebeurde, verkeerden beide vrienden in duister. Waarom was de hut leeg? +Waarom hadden de twee bewoners haar verlaten? Hoeveel maanden, weken of dagen hadden zij er in gewoond? Waren zij vrijwillig +<a id="d0e1073"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1073">64</a>]</span>vertrokken? Of waren zij opgelicht? Door wie? Door inboorlingen? Maar het woud ging voor onbewoond door! Zouden zij door wilde +dieren verscheurd zijn? Leefden dr. Johausen en zijn bediende nog? + +</p> +<p>Op geen van deze vragen konden onze vrienden antwoord geven. + +</p> +<p>“Misschien geeft het aanteekenboekje ons inlichtingen”, zei John Cort. + +</p> +<p>Max Huber opende het<span class="corr" title="Bron: ">:</span> sommige bladzijden kleefden door vocht aan elkander. + +</p> +<p>“Alleen op de eerste bladzijde staat iets”, zei Max Huber, en met veel moeite gelukte het hem het volgende te ontcijferen: + +</p> +<div class="blockquote"> +<p>29 Juli 1894. Met mijn eskorte aan den rand van het Oebanghi-woud aangekomen. Gekampeerd op den rechteroever eener rivier. +Een vlot gemaakt. + + +</p> +<p>3 Augustus. Het vlot is gereed. De dragers teruggezonden naar Nghila. Alle sporen van het kamp weggemaakt. Met mijn bediende +op het vlot ingescheept. + + +</p> +<p>9 Augustus. Zeven dagen zonder hindernis de rivier afgezakt. Een open plek in het woud. Talrijke apen in den omtrek. + + +</p> +<p>10 Augustus. Geland. De hut opgericht onder de eerste boomen aan den linkeroever. Zeer veel apen. Chimpanzees, gorillas. + + +</p> +<p>13 Augustus. De hut betrokken. Geen spoor van menschelijke wezens te ontdekken. Waterwild in grooten voorraad. Ook veel visch. + + +</p> +<p>25 Augustus. Leven kalm en geregeld. Eenige nijlpaarden hebben zich in de rivier vertoond, maar toonden geen vijandelijkheden. +Antilopen geschoten. Des nachts komen groote apen bij de hut, maar schijnen ook niet vijandig gezind. Heb gemeend in de verte +een vuur te zien ... De apen schijnen wel onder elkaar te spreken, woorden en zinnen. Een jong heeft herhaaldelijk Ngora gezegd, +dat ook bij de negers het woord voor moeder is ... +</p> +</div><p> + +</p> +<p>Llanga, die aandachtig had zitten luisteren, riep thans: + +</p> +<p>“Ja, Ngora! Ngora! ... Moeder! Moeder!” + +<a id="d0e1104"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1104">65</a>]</span></p> +<p></p> +<div id="d0e1106" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p065.jpg" alt="Er was nu een ijzeren pot, men kon dus een soort soep koken. (Zie pag. 68)."></p> +<p class="figureHead">Er was nu een ijzeren pot, men kon dus een soort soep koken. (<i>Zie pag.</i> 68). +</p> +</div><p> + +<a id="d0e1113"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1113">67</a>]</span></p> +<p>En nu hij dat woord hoorde, herinnerde John Cort zich eensklaps weder, dat hij op dien nacht, terwijl hij waakte, het ook +gehoord had, zonder dat hij het zich verklaren kon en thans deelde hij dit voorval aan Max Huber mede. + +</p> +<p>“Zou die professor Garner werkelijk gelijk hebben?” vroeg zijn vriend. “Zouden er apen zijn, die kunnen praten?” + +</p> +<p>Khamis was onder het voorlezen volmaakt onverschillig gebleven. Wat er met dr. Johausen gebeurd was, kon hem niet schelen. +Hoofdzaak was, dat hij een vlot had gemaakt, waarvan men thans gebruik kon maken en bovendien nog eenige nuttige zaken in +de hut achtergelaten had. + +</p> +<p>“Het blijkt uit alles”, hernam John Cort, “dat de dokter den 9den Augustus op deze plek is aangekomen. Zijn aanteekeningen +loopen niet verder dan den 25sten van diezelfde maand en om welke reden dan ook, hij schijnt op dien dag de hut verlaten te +hebben, om er niet meer terug te komen.” + +</p> +<p>Maar voor het oogenblik moesten onze vrienden aan zich zelven denken; het vlot moest hersteld en weggesleept worden. Later +zou men misschien een expeditie kunnen uitrusten, om het woud te doorzoeken en de twee vrienden zouden desverlangd kunnen +meegaan, maar thans hadden zij een andere taak. + +</p> +<p>Alvorens de hut te verlaten, onderzochten zij haar echter nog eens in alle hoekjes en gaatjes. Zij bood nog een voortreffelijke +schuilplaats aan; het zinken dak bleek onbeschadigd. De traliezijde was naar het Noorden gericht en dus het minst blootgesteld +aan schadelijke winden. Eenige kleine reparaties waren echter noodig, een paar planken zouden vernieuwd moeten worden, evenals +een paar palen, die in den vochtigen grond waren beginnen te rotten. Maar waarom zouden Max Huber en zijn makkers het zich +daar moeilijk mede maken? Het was hoogst onwaarschijnlijk, dat de hut nog eens betrokken zou worden door een onderzoeker van +de apentaal. + +</p> +<p>Van wapens, gereedschap, kleeren of proviand vond men geen spoor. Zonder twijfel was alles van dezen aard medegenomen en Khamis +wilde de hut reeds <a id="d0e1128"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1128">68</a>]</span>verlaten, toen hij in een hoek tegen iets trapte, dat een metaalachtig geluid gaf. + +</p> +<p>Het bleek een ijzeren kistje te zijn, dat daar bijna geheel in den grond begraven was. Khamis groef het op, opende het en +de inhoud bleek te bestaan uit een honderdtal volkomen onbeschadigde patronen. + +</p> +<p>“Dank, brave dokter!” riep Max Huber, “mogen wij u ooit dezen dienst kunnen vergelden!” + +</p> +<p>En de dienst was inderdaad groot, want de patronen bleken juist van hetzelfde kaliber te zijn hunner karabijnen. + +</p> +<p>“Laten wij nu buiten gaan zien”, zei John Cort, “of wij daar soms een spoor van den dokter en zijn bediende kunnen vinden. +Het is mogelijk, dat zij door inboorlingen overvallen en weggevoerd zijn, maar het is ook mogelijk dat zij zijn gedood en +dat hun gebeente nog op een begrafenis wacht....” + +</p> +<p>Maar hunne nasporingen waren vruchteloos, althans over een oppervlak van honderd meter straal leverden zij niets op. Men moest +dus wel aannemen, dat de ongelukkige dokter weggevoerd was... En door wie anders dan door inboorlingen, dezelfde die Johausen +voor apen aanzag en die onder elkaar praatten? + +</p> +<p>“Er blijkt in elk geval uit”, merkte John Cort op, “dat het woud door inboorlingen bezocht wordt en dus moeten wij op onze +hoede zijn.” + +</p> +<p>“Juist”, antwoordde de voorlooper. “En thans naar het vlot!” + +</p> +<p>Omstreeks negen uur kwam het viertal bij de grot terug en Khamis begon allereerst voor het ontbijt te zorgen; er was nu een +ijzeren pot, men kon dus een soort <span class="corr" title="Bron: zoep">soep</span> koken, aangename afwisseling in het gewone menu. + +</p> +<p>Onderwijl werkten de anderen met grooten ijver aan het repareeren van het vlot, hetgeen bij gemis aan goed gereedschap nog +zoo gemakkelijk niet ging. Maar lianen en andere sterke slingerplanten bewezen even goede dienst als touw en toen de zon achter +de zware boomen op den rechter rivieroever wegzonk, was het werk gereed. + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e1152" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p069.jpg" alt="Het duurde niet lang of een gulzige snoek beet aan en werd aan boord gehaald. (Zie pag. 72)."></p> +<p class="figureHead">Het duurde niet lang of een gulzige snoek beet aan en werd aan boord gehaald. (<i>Zie pag.</i> 72). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Den volgenden morgen vroeg zou men vertrekken, want het was raadzaam den nacht nog in de grot te <a id="d0e1161"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1161">71</a>]</span>blijven. Alvorens te gaan slapen, riep Max Huber echter eensklaps: + +</p> +<p>“Ik heb een voorstel!” + +</p> +<p>“En dat is?” vroeg John Cort. + +</p> +<p>“Wij moeten iets voor den dokter doen.” + +</p> +<p>“En wat dan?” vroeg de Amerikaan nieuwsgierig. + +</p> +<p>“Wij moeten deze rivier naar hem noemen.” + +</p> +<p>Niemand had daar iets tegen en dus zou men voortaan kunnen spreken van de Johausen-rivier. + +</p> +<p>De nacht ging rustig voorbij, en noch John Cort, noch Max Huber, noch Khamis, die beurtelings waakten, hoorden ook maar een +enkel woord. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e1177"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK IX.</h2> +<h2>Op de Johausen-Rivier.</h2> +<p>Het was des morgens half zeven van den 16en Maart, toen het vlot werd losgemaakt en den stroom afzakte. Het was nog niet eens +geheel licht, hoog in de lucht joegen donkere wolken. Als het niet ging regenen, zou het toch zeker den geheelen dag betrokken +blijven. + +</p> +<p>En daarover beklaagden onze reizigers zich niet, want midden op de rivier zouden zij anders blootgesteld zijn aan de volle +kracht der zonnestralen. + +</p> +<p>Het vlot meette ongeveer acht bij twaalf voet, en was dus maar even groot genoeg voor vier personen en eenige weinige bagage, +waarbij thans ook een stapel droog hout gevoegd was, waarvan Khamis vuur zou kunnen maken. Aan den achterkant was van een +paar planken een soort roer gemaakt, waarmede het vlot althans eenigszins bestuurd kon worden. + +</p> +<p>De stroom bleek een snelheid te hebben van omstreeks een mijl in het uur en als dat zoo bleef, zou het vlot twintig dagen +noodig hebben, om de driehonderd kilometer af te leggen, die onze vrienden nog van de Oebanghi scheidden. Maar er konden zich +allerlei hinderpalen in de rivier voordoen, er konden onverwachte stroomversnellingen komen of watervallen en men besloot +dus goed uit te zien en voorzichtig te varen. +<a id="d0e1190"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1190">72</a>]</span></p> +<p>Tot aan de middaghalte ging de tocht zonder wederwaardigheden, dank zij de behendigheid van Khamis had het vlot geen enkele +maal gestooten. + +</p> +<p>John Cort, die met de karabijn in de hand voorop stond, bespiedde zorgvuldig de oevers. Mocht hij het een of ander wild bespeuren, +dat eetbaar was, dan zou hij dat gemakkelijk neerleggen. En tegen half tien gebeurde dit reeds; de eerste buit was een waterbok, +een soort antilope, die bij voorkeur aan rivieroevers leeft. + +</p> +<p>“Een mooi schot!” riep Max Huber. + +</p> +<p>“Maar doelloos, als wij het dier niet kunnen meenemen”, antwoordde John Cort. + +</p> +<p>“Dat is een oogenblik werk”, zei de voorlooper. + +</p> +<p>Inderdaad wist hij het vlot handig naar den oever te sturen tot aan de plek waar de antilope lag en daar werd het spoedig +gevild en ontweid, waarna de goede stukken op het vlot werden gebracht. + +</p> +<p>Onderwijl beproefde Max Huber zijn talenten als visscher, hoewel hij maar heel gebrekkig vischtuig had: eenig dun touw, in +de hut gevonden en voor haak een acaciadoorn, waaraan een stukje vleesch gestoken was. + +</p> +<p>En terwijl Max vischte zat Llanga naast hem met groote belangstelling er naar te kijken. + +</p> +<p>En inderdaad, het duurde niet lang of een gulzige snoek beet aan en werd aan boord gehaald. Hij woog zeker acht of negen pond +en de reizigers zouden niet tot den volgenden dag wachten, om zich aan dit lekkerbeetje te vergasten. + +</p> +<p>Zoo bestond het twaalfuurtje uit geroosterde antilopenbout en gekookte snoek, waarvan niets dan de graten overbleven. Het +middagmaal zou bestaan uit een flinke soep van de antiloperib gekookt en daar deze lang op het vuur moest staan, begon de +voorlooper thans reeds den brand in het dorre hout op de voorplecht te steken en plaatste hij de ijzeren pot er op. En toen +ging de tocht weer verder. + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e1212" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p073.jpg" alt="Op de takken der boomen wemelde het van apen. (Zie pag. 76)."></p> +<p class="figureHead">Op de takken der boomen wemelde het van apen. (<i>Zie pag.</i> 76). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Tegen zes uur liet Khamis stilhouden bij een rotsachtigen inham, beschaduwd door de lage takken van een gomboom en dit rustpunt +bleek zeer gelukkig gekozen. Allerlei mosselen en andere schaaldieren zaten hier tusschen de steenen en sommige hiervan gekookt, +<a id="d0e1221"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1221">75</a>]</span>andere rauw vormden eene aangename afwisseling in het avondmaal. + +</p> +<p>Daar het zich liet aanzien, dat de nacht donker zou zijn, wilde de voorlooper liever niet midden op de rivier blijven, dikwijls +toch dreven daar zware boomstammen en een botsing daarmede, had het vlot groote averij toegebracht. Men zou dus op het gras +aan den voet van den gomboom overnachten, en dank zij het beurtelings waken van de drie mannen, kreeg men dien nacht geen +onaangenaam bezoek. Alleen maakten de apen van zonsondergang tot zonsopgang een heidensch spektakel. + +</p> +<p>Den volgenden morgen regende het hard en dus werd besloten nog maar wat te blijven schuilen, want die regenbuien in equatoriaal +Afrika gelijken soms een waren zondvloed. + +</p> +<p>“Als die regen niet ophoudt”, zei John Cort, “zouden wij best hier kunnen blijven, wij hebben nu kruit en patronen genoeg, +alleen zouden wij wel wat nieuwe onderkleeren mogen hebben.” + +</p> +<p>“En waarom zouden wij ons niet naar het gebruik van het land kleeden?” vroeg Max Huber lachende. “Als wij dan baden wasschen +wij tegelijkertijd ons linnengoed!” + +</p> +<p>Tegen half acht begon de regen te bedaren, maar het bleef toch onstuimig weer. Het vlot ging weer de rivier af en Khamis besloot +niet de gebruikelijke middaghalte te houden, om den verloren tijd in te halen. + +</p> +<p>Dit gedeelte van het woud bleek zeer rijk aan wild. Niet alleen vertoonden zich talrijke watervogels, maar ook pallahs en +sassabys, twee soorten van antilopen. Ook verschenen soms groote elanden, damherten, zeer kleine gazellen, koedoes, verder +quaggas (een soort zebra) en zelfs bespeurde men eenige giraffen. Het zou zeer gemakkelijk geweest zijn, eenige dezer dieren +te schieten, maar waartoe? Er was nog voedsel genoeg, het was daarbij elk oogenblik te krijgen en men behoefde het vlot niet +te overladen. + +</p> +<p>Zoo werden een tiental Kilometer afgelegd. De rivier liep nog altijd naar het Noordwesten; haar oevers waren afwisselend hoog +en laag, maar steeds bezet met zware boomen, waaronder de bombax of katoenboom, <a id="d0e1237"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1237">76</a>]</span>wiens bladerdak soms de geheele rivier overwelfde. + +</p> +<p>“Het lijkt waarlijk wel een park!” riep John Cort, vol bewondering. “Het gelijkt soms op het nationale park van Yellowstone!” + +</p> +<p>“Behalve dat daar geen apen zijn”, antwoordde Max Huber. “En het lijkt wel of alle apen van de wereld hier hun verzamelpunt +hebben gekozen! Wij zijn waarlijk midden in het apenland!” + +</p> +<p>En hij had gelijk, want aan de oevers en op de takken der boomen wemelde het van deze dieren. + +</p> +<p>“Maar eigenlijk is het geen wonder”, hernam de spotzieke Franschman, “want wij zijn immers in Midden-Afrika en ik geloof dat +tusschen de tweehandige en de vierhandige inboorlingen hier eigenlijk weinig onderscheid is!” + +</p> +<p>Het was op het oogenblik de geschikte tijd niet om daarover met Max te twisten. Van meer belang was het, voorzorgsmaatregelen +te nemen tegen een mogelijk vijandigen aanval dezer apen, die sterk zouden zijn door hun kolossale overmacht. + +</p> +<p>De voorlooper bereidde zijn tochtgenooten dan ook op zulk gevaar voor. + +</p> +<p>“Houd uwe karabijnen en patronen gereed”, vermaande hij, “want wij weten niet wat gebeuren kan.” + +</p> +<p>“Ba! Een enkel schot en de heele bende is op de vlucht”, riep Max, zijn karabijn aanleggende. + +</p> +<p>“Schiet niet, mijnheer!” riep Khamis, “lok hen niet uit, wij moeten hen niet aanvallen, wij zullen genoeg te doen hebben met +ons te verdedigen!” + +</p> +<p>“Maar zij beginnen al!” zei John Cort. + +</p> +<p>“Schiet alleen, als het bepaald noodzakelijk is”, zei de voorlooper. + +</p> +<p>En werkelijk, van den oever werd met takken, zelfs met steenen gegooid, door de apen, waarvan sommige buitengewone kracht +schenen te hebben. + +</p> +<p>Khamis deed zijn best het vlot midden op de rivier te houden, maar toch kon men zich tegen al die projectielen niet geheel +beschermen. + +</p> +<p>“Het wordt te erg!” riep Max Huber en aanleggende op een gorilla, dien hij aan den oever bespeurde, gaf hij vuur. + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e1268" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p077.jpg" alt="Eenige oogenblikken verkeerden de reizigers in grooten angst. (Zie pag. 81)."></p> +<p class="figureHead">Eenige oogenblikken verkeerden de reizigers in grooten angst. (<i>Zie pag.</i> 81). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Maar op het geluid van het schot werd met een <a id="d0e1277"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1277">79</a>]</span>schrikbarend gekrijsch geantwoord en de bende nam de vlucht niet. Indien men alle apen, stuk voor stuk, had willen neerleggen, +zou het aantal patronen lang niet toereikend zijn geweest en John Cort beval dan ook spoedig: + +</p> +<p>“Ophouden met vuren, het maakt de dieren nog maar boozer!” + +</p> +<p>Dus voer het vlot verder, aan beide oevers door troepen apen vergezeld. Misschien zouden zij tegen den nacht de vijandelijkheden +staken, maar de voorzichtigheid gebood om geen halteplaats aan den oever te zoeken; het was echter pas vier uur en om zeven +uur zou het eerst donker zijn; vóór dien tijd kon nog veel gebeuren. + +</p> +<p>En dat was inderdaad het geval. Om vijf uur werd de hemel aschgrauw, bliksemflitsen sneden door het luchtruim, gevolgd door +geratel van donder en in weinige oogenblikken hadden de apen, als alle dieren bang voor onweer, in het dichte woud de vlucht +genomen. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e1285"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK X.</h2> +<h2>Ngora!</h2> +<p>Den volgenden morgen was de lucht geheel opgeklaard, strak blauw spande zij zich boven de toppen der boomen uit. In de zonnestralen +fonkelden de waterdruppels op bladeren en grashalmen als diamanten. De grond, die zeer snel opgedroogd was, was voortreffelijk +begaanbaar, maar gelukkig behoefde men er nog geen gebruik van te maken. De Rio Johausen stroomde altijd nog in Zuidwestelijke +richting en Khamis twijfelde niet of hij zou binnen veertien dagen de Oebanghi bereiken. + +</p> +<p>“Dat onweer is maar juist bijtijds gekomen”, zei John Cort, terwijl hij en zijn vriend hunne karabijnen zaten schoon te maken +en Llanga het kreupelhout was ingeloopen om eieren te zoeken. + +</p> +<p>“Dat geloof ik!” antwoordde Max Huber, “als die afschuwelijke dieren nu maar niet terugkomen, nu het <a id="d0e1296"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1296">80</a>]</span>weer opgeklaard is. Wij mogen wel goed oppassen.” + +</p> +<p>“Ik ben straks den oever honderd pas langs geloopen”, hernam John Cort, “maar ik heb geen enkelen aap gezien.” + +</p> +<p>“Gelukkig! Ik hoop, dat wij onze patronen beter kunnen gebruiken. Het liet zich aanzien, dat wij waarlijk al onze kogels op +de apen moesten verschieten.” + +</p> +<p>Daar riep Khamis zijn reisgenooten voor het ontbijt en tegelijkertijd kwam Llanga terug met eenige eendeneieren, die met een +stuk antilope-vleesch een goed maal opleverden. + +</p> +<p>Toen werd het vlot naar de rivier gesleept en kon de tocht worden voortgezet. + +</p> +<p>De Rio Johausen bleek steeds breeder te worden, de takken der boomen aan weerszijden raakten elkander reeds niet meer en mochten +zich dus nu nog apen op de oevers vertoonen, dan zou dit lang zoo gevaarlijk niet zijn als den vorigen avond. + +</p> +<p>Deze dieren vertoonden zich echter niet meer, wel honderden watervogels, eenden, ganzen, pelikanen, snippen en John Cort schoot +er eenige voor het middagmaal. + +</p> +<p>Zoo ging de tocht zonder ongevallen voort, tot omstreeks vier uur Khamis, die het roer hield, aan John Cort verzocht het even +over te nemen, waarna hij op de voorplecht ging staan uitkijken. + +</p> +<p>Max Huber vroeg dadelijk: + +</p> +<p>“Ziet gij iets?” + +</p> +<p>“Daar”, zei de voorlooper, terwijl hij een eind verder op de rivier wees, waar het water zeer beweeglijk was. + +</p> +<p>“Zou daar een stroomversnelling zijn, of erger nog een waterval?” vroeg Max. + +</p> +<p>“Neen”, begon Khamis, maar hij zweeg, want een groote straal water spoot uit de rivier op. + +</p> +<p>“Te deksel, er zijn hier toch geen walvisschen!” riep Max Huber. + +</p> +<p>“Neen, maar wel nijlpaarden”, antwoordde de voorlooper. + +</p> +<p>Daar klonk een geweldig geblaas en de geweldige kop van een nijlpaard verscheen even boven het water. + +</p> +<p>De hippopotamus, de grieksche naam die letterlijk vertaald, rivierpaard beteekent, komt nog voor van <a id="d0e1330"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1330">81</a>]</span>de Kaap de Goede Hoop tot aan den 23sten Noorderbreedtegraad. Het is een zachtaardig dier, maar toch te vreezen, want als +het verschrikt, of erger nog, door een kogel getroffen of geharpoeneerd wordt, dan stort het zich woedend op de jagers en +verbrijzelt hunne booten onder zijn reusachtige kaken. + +</p> +<p>Onze vrienden op het platte, zwakke vlot konden er dan ook niet aan denken, het nijlpaard aan te vallen. Het zou al erg genoeg +wezen als het dier het hen deed, als het tegen het vlot stootte.... + +</p> +<p>“Wij moeten hem onopgemerkt voorbij zien te komen”, fluisterde Khamis, “laten wij ons plat op het vlot neerleggen, geen gerucht +maken en ons gereed houden om dadelijk in het water te springen, als dat noodig is.” + +</p> +<p>De raad van Khamis werd onmiddellijk opgevolgd. Allen strekten zich plat op het vlot uit, dat midden op den stroom voortdreef. + +</p> +<p>Eenige oogenblikken verkeerden de reizigers in grooten angst. Zou het vlot opgeheven worden door het reusachtige dier? Neen, +het geblaas en geplas verstomde en toen zij het eindelijk waagden zich wat op te richten en rond te zien, bleek het nijlpaard +verdwenen. + +</p> +<p>Het is waar, jagers die met de karavaan van Urdax op olifanten gejaagd hadden, zouden in gewone omstandigheden voor een nijlpaard +niet bang zijn geweest. Meermalen hadden zij er in de Oebanghi zelfs op gejaagd, maar dan niet aan boord van een zwak vlot +en dus waren zij zeer gelukkig er ditmaal zoo goed afgekomen te zijn. + +</p> +<p>Dien avond liet Khamis stilhouden in de monding van een beekje op den rechteroever, onder een boschje bananas. De bodem bleek +ook hier wederom bedekt met allerlei schaaldieren, die zeer goed eetbaar waren. En het beekje verschafte daarbij heerlijk, +frisch water. + +</p> +<p>“Het zou hier volmaakt zijn”, zei Max Huber, “als wij nu ook maar rustig konden slapen, maar daar zullen die verwenschte muskieten +wel voor zorgen!” + +</p> +<p>Maar Llanga wist daar goeden raad op. Hij schepte allerlei droge mest van buffels en antilopen bij elkaar en deze brandstof +gaf een dikken, scherpen rook, een doeltreffend en misschien het eenige middel om de <a id="d0e1348"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1348">82</a>]</span>muskieten te verjagen en dat door de inboorlingen algemeen wordt toegepast. + +</p> +<p>Wel moest dit vuur den geheelen nacht worden onderhouden, waartoe de mannen beurtelings waakten, maar de anderen konden dan +rustig slapen en verkwikt kon men den volgenden morgen vroeg de Rio Johausen verder afzakken. + +</p> +<p>Niets is verandelijker dan het weer in dit Aequatoriaal Afrika. Na den helderen hemel van den vorigen dag, was het luchtruim +thans donkergrijs, hetgeen een regenachtigen dag voorspelde. En weldra viel dan ook een fijne motregen, maar die lang aanhield +en verre van aangenaam was. + +</p> +<p>Gelukkig had Khamis een goed idee gehad. De bladeren van den hier voorkomenden bananenboom zijn misschien de grootste van +alle tropische planten. De inboorlingen gebruiken ze om er de daken van hunne hutten van te maken en een twaalftal waren genoeg +om midden op het vlot een soort afdak te maken, waarbij lianen heel goed als touw dienst deden. Dit afdak beschutte de vrienden +zeer goed tegen den fijnen regen. + +</p> +<p>In de ochtenduren vertoonden zich eenige apen langs den rechteroever, een twintigtal groote, sterke dieren, die wel geneigd +schenen te zijn om de vijandelijkheden te hervatten. Het verstandigst was elke aanraking met hen te vermijden en daarom werd +het vlot dichter langs den linkeroever gestuurd, waar zich geen apen vertoonden. + +</p> +<p>In den middag hield het vlot slechts éénmaal op, om een antilope op te nemen, die John Cort bij een bocht van de rivier geschoten +had. + +</p> +<p>Maar bij deze bocht wijzigde de Rio Johausen ook eensklaps haar richting naar het Zuidoosten en dit beviel Khamis in het geheel +niet, want om uit het groote woud te komen, moest men in elk geval naar het Westen gaan. Gelukkig bleek het, dat de rivier +een uur verder weder haar gewone richting hernam en men kon dus hopen, dat zij het vlot naar de grens van Fransch Congo zou +brengen, van waar men gemakkelijk Libreville zou kunnen bereiken. + +</p> +<p>Om half acht was het nog niet donker, een schemering <a id="d0e1364"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1364">83</a>]</span>hing nog over het water, waarop allerlei bundels planten en boomtronken dreven. + +</p> +<p>Terwijl de overigen bezig waren het vlot aan den linkeroever vast te meeren en droge bladeren op te hoopen om er een vuurtje +aan te leggen, vermaakte Llanga zich met naar die voorbijdrijvende plantenmassa te kijken. + +</p> +<p>Daar kwam in de verte een vrij zware boomstam aandrijven, met de takken vol bladeren en bloesems en gedeeltelijk onder water. +Hoogst waarschijnlijk was deze boom in het laatste onweer door den bliksem getroffen. Maar toen hij naderbij kwam, meende +Llanga er iets bizonders aan te zien, tusschen de takken bewoog iets. + +</p> +<p>Hij riep John Cort en Max Huber, de boom dreef steeds nader, daar klonk eensklaps een kreet, alsof een menschelijk wezen om +hulp riep, en plotseling stortte zich iets uit den boom en trachtte den oever te bereiken. + +</p> +<p>Zonder recht te weten wat hij deed, zonder een woord te spreken, sprong Llanga in het water en wist het kleine wezentje te +grijpen. John Cort en Max Huber snelden naar den oever en staken hem hunne hand toe. + +</p> +<p>“Maar Llanga, wat doe je nu!” riep Max. + +</p> +<p>“Een kind ... dat bijna verdronken was”, stamelde Llanga. + +</p> +<p>“Een kind!” herhaalde John Cort, zeer verbaasd. + +</p> +<p>“Ja ... ja.” En Llanga knielde neer bij het wezen dat hij gered had. + +</p> +<p>Max Huber keek er eens naar en riep: + +</p> +<p>“Maar dat is geen kind! Het is een aap, een jong van een van die afschuwelijke dieren, die ons hebben aangevallen! En voor +zoo’n apenjong heb je gevaar geloopen, zelf te verdrinken, Llanga!” + +</p> +<p>“Het is wel een kind!” hield de kleine neger vol, en hij droeg het naar het vuur en legde het daar op een hoopje droge bladeren +neer. + +</p> +<p>De twee vrienden bemoeiden er zich niet verder mede en gingen slapen, terwijl Khamis tot middernacht de wacht zou houden. + +</p> +<p>Llanga kon niet slapen. Vol belangstelling nam hij elke beweging van zijn beschermeling waar. Maar wie <a id="d0e1392"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1392">84</a>]</span>schetst zijn verrassing, toen het, ongeveer om elf uur, op klagenden toon “Ngora! Ngora!” riep, ngora, zijn moeder! + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e1394"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK XI.</h2> +<h2>De reis van den 19en Maart.</h2> +<p>Den volgenden morgen werd de reis hervat met den kleinen passagier, waarvan Llanga niet wilde scheiden en dien hij behoedzaam +onder het bladerdak op het vlot neerlegde. Dat hij behoorde tot een apenfamilie, hetzij dan van de chimpanzees, gorillas, +mandrils of bavianen, stond voor Max Huber en John Cort vast. Dat Llanga het jonge dier, dat hij gered had, wilde behouden, +zooals men een jong hondje bewaart, begrepen zij zeer goed, maar naar het jonge dier zelf keken zij niet om. Zij hadden zelf +den kleinen Llanga tot zich genomen, hij mocht dus wel een kleinen aap tot zich nemen! Bovendien zou het dier, zoodra het +kans zag aan wal te komen, de plaat wel poetsen en zijn redder met zwarten ondank beloonen! + +</p> +<p>Het is waar, als Llanga aan zijn blanke vrienden gezegd had: “Hij kan praten, hij heeft een paar malen ngora gezegd”, dan +zouden zij waarschijnlijk meer belang in het aapje gesteld hebben, maar Llanga zweeg daarover, in twijfel of hij zelf zich +niet vergist had. Alleen nam hij zich voor, goed op te letten, of het nog eens gebeurde. + +</p> +<p>Daarom bleef hij dan ook onder het bladerdak naast zijn pleegkind zitten. + +</p> +<p>“En hoe gaat het nu met je aap?” vroeg Max, toen Llanga een oogenblik daarbuiten kwam. + +</p> +<p>“Hij slaapt nog, mijnheer Max.” + +</p> +<p>“En wilt ge hem bij je houden?” + +</p> +<p>“Ja,.... als U dat goed vindt.” + +</p> +<p>“O, ik heb er niets tegen, maar pas op, dat hij je niet krabt. Die jonge apen zijn zoo valsch!” + +</p> +<p>“O, deze niet, mijnheer.” + +</p> +<p>“En hebt je hem al een naam gegeven?” + +<a id="d0e1419"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1419">85</a>]</span></p> +<p></p> +<div id="d0e1421" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p085.jpg" alt="En staken hem hunne hand toe. (Zie pag. 83)."></p> +<p class="figureHead">En staken hem hunne hand toe. (<i>Zie pag.</i> 83). +</p> +</div><p> + +<a id="d0e1428"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1428">87</a>]</span></p> +<p>“Een naam? Welke?” + +</p> +<p>“Wel, ik zou hem Jocko noemen, alle apen heeten Jocko.” + +</p> +<p>Maar deze naam scheen Llanga niet te bevallen, hij antwoordde niet en ging naar zijn beschermeling terug. + +</p> +<p>Dien middag had men geen last van de warmte, de zon bleef achter dikke wolken verscholen en dat was voor onze reizigers een +geluk, want de Rio Johausen ging dikwijls door groote open plekken, waar geen schaduw was. De oevers werden weder moerassig +en men zou wel een halve mijl naar rechts of links moeten gaan, om bij groote boomen te komen. Het was dan ook te hopen, dat +er niet weder zoo’n regenbui kwam. + +</p> +<p>Van wild vertoonden zich niet anders dan watervogels; tot grooten spijt van Max Huber kwam geen enkel groot zoogdier, geen +antilope, geen waterbok of hoe zij meer heeten, in het gezicht. + +</p> +<p>Dien dag zocht Khamis te vergeefs naar een geschikte aanlegplaats, de oevers met allerlei struikgewas bedekt, waren door het +daarvoor liggend drassig en moerassig terrein onbereikbaar. + +</p> +<p>Hij vaarde dus verder en het was vijf uur, toen John Cort eensklaps zijn vriend opmerkzaam maakte, op iets, dat zich op den +oever bewoog. + +</p> +<p>“Een buffel!” riep Max Huber, zijn karabijn richtende, “die zal ons een heerlijke schotel leveren!” + +</p> +<p>Khamis wendde het roer eenigszins, zoodat het vlot tot op dertig meter den oever naderde. + +</p> +<p>De buffel scheen niet van plan om heen te gaan; hij stond onder den wind en kon dus met volle teugen de frissche lucht opsnuiven, +zonder het gevaar te bemerken, dat hem bedreigde. Max Huber legde voorzichtig aan, het schot knalde en werd door een klagend +gebrul beantwoord. Het dier stortte neer, gleed langs den hellenden oever en kleurde het heldere water van de Rio Johausen +met een rooden bloedstraal. + +</p> +<p>Khamis stuurde er behendig heen en sprong op den oever om de beste stukken van den buffel af te kappen; met te groote vracht +mocht het vlot niet bezwaard worden en dertig of veertig kilo van dit vleesch zou bovendien genoeg voedsel zijn voor verscheidene +dagen. +<a id="d0e1451"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1451">88</a>]</span></p> +<p>Vreemd was het, dat Llanga, anders zoo belangstellend in jachtavonturen, heel niet van onder het afdak te voorschijn kwam, +maar dit had de volgende reden. Op het geluid van het schot was het jonge aapje uit zijn slaap of zijn bezwijming ontwaakt, +het stak zijn armpjes uit, opende den kleinen mond en kreet: + +</p> +<p>“Ngora!.... Ngora!” + +</p> +<p>Ditmaal kon Llanga er niet aan twijfelen, het woord was heel duidelijk uitgesproken, met een bizonder ratelende r. + +</p> +<p>Llanga, die het woord Ngora, moeder, natuurlijk goed kende, was zeer ontroerd en verdubbelde zijn zorgen voor het schepseltje, +dat door Max Huber zoo minachtend een aap genoemd was. Hij goot het wat frisch water in den mond en bleef naast hem zitten, +tot hij eindelijk weder in slaap viel. + +</p> +<p>Maar toen had Llanga ook zijn besluit genomen: hij verliet het afdak en kwam bij zijn vrienden, die het vlot reeds weder van +den oever afstootten naar het midden der rivier. + +</p> +<p>Llanga aarzelde een oogenblik, maar zei toen op beslisten toon, terwijl hij zijn hand op Max’ arm legde: + +</p> +<p>“Het is geen aap.” + +</p> +<p>“Geen aap?” + +</p> +<p>“Neen, hij heeft gesproken, straks, en van nacht ook.” + +</p> +<p>“En wat heeft hij dan wel gezegd?” + +</p> +<p>“Hij heeft Ngora gezegd.” + +</p> +<p>“Wat!” riep John Cort, “hetzelfde woord, dat ik op dien nacht ook gehoord heb?” + +</p> +<p>“Ja, ngora”, hernam Llanga. + +“Dat moeten wij onderzoeken, Max!” zei de Amerikaan. + +</p> +<p>Beiden gingen naar het afdak en beschouwden het kleintje. Ja, op het eerste gezicht zou men zeggen, dat het een aap was, maar +het trof John Cort dadelijk, dat hij hier geen vierhandig, maar een tweehandig wezen voor zich had. Het kleine schepsel had +werkelijk slechts twee handen, zooals alleen de mensch heeft, want alle apen, zonder uitzondering, hebben er vier. Zijn voeten +waren inderdaad ingericht om er op te loopen <a id="d0e1480"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1480">89</a>]</span>en niet om er iets mee aan te grijpen, zooals bij de apen. + +</p> +<p>John Cort maakte er zijn vriend opmerkzaam op en deze erkende: + +</p> +<p>“Het is werkelijk zeer merkwaardig!” + +</p> +<p>Wat de grootte van het schepseltje aangaat, deze bedroeg nauwelijks 75 centimeter, maar het scheen dan ook nog jong te zijn. + +</p> +<p>Men kan zich voorstellen hoe verbaasd Max Huber en John Cort waren, toen zij daar eensklaps tegenover een volkomen vreemd +schepsel stonden, nog door geen enkelen geleerde of natuuronderzoeker ontdekt en dat de schakel scheen te vormen tusschen +den mensch en de dieren! + +</p> +<p>Zwijgend bleven zij staan, hopende, dat het wezentje weer zou gaan spreken en terwijl Llanga zijn gelaat met water bette, +opende het eensklaps den mond en stamelde met zwakke stem: + +</p> +<p>“Ngora!... Ngora!” + +</p> +<p>“Te deksel, nu hoor ik het ook!” riep Max Huber. + +</p> +<p>John Cort bukte zich over het schepseltje heen, om beter te luisteren of het nog andere woorden zou spreken, maar wie beschrijft +zijn verrassing, toen hij zag, dat het iets om zijn hals droeg. Hij betastte het en het bleek een zijden koord te zijn, waaraan +een medaille! + +</p> +<p>Haastig maakte hij die los en beschouwde haar. Het was een nikkelen medaille, zoo groot als een cent, met een kop op de eene +zijde en een naam op de andere, en naam en kopstuk beide waren die van dokter Johausen. + +</p> +<p>“Hij is waarlijk gedecoreerd door den Duitschen geleerde, wiens ledige hut wij gevonden hebben!” riep Max Huber meer en meer +verbaasd. + +</p> +<p>Dat die medailles in de streken van Kameroen verspreid waren, had niets verwonderlijks, want de dokter had ze op ruime schaal +onder de Congoleezen rondgedeeld, maar dat zulk een medaille aan een koord om den hals bevestigd was van dezen vreemden kleinen +bewoner van het groote Oebanghi-woud... + +</p> +<p>Maar zij werden in hunne beschouwing gestoord door de stem van den voorlooper, die hen riep. +<a id="d0e1506"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1506">90</a>]</span></p> +<p>“Wat is er?” vroegen zij, buiten komende. + +</p> +<p>“Luister”, antwoordde Khamis. + +</p> +<p>Vijfhonderd meter verder maakte de rivier eensklaps een rechtsche bocht, in eene kromming, waar de boomen weer in dichte massa’s +stonden. In die richting nu klonk een dof gerommel, heel iets anders als het geloei van buffels of het gebrul van roofdieren. + +</p> +<p>“Een vreemd geluid”, zei John Cort. + +</p> +<p>“Misschien is daar een waterval”, zei de voorlooper, “de wind komt uit die richting en ik voel, dat de lucht vochtig is.” + +</p> +<p>En Khamis bedroog zich niet. Verder op boven de rivier dwarrelde fijn water, als stof en schuim, dat alleen ontstaan kon als +het water daar zeer woest bewogen werd. Als daar een hindernis was, die de verdere vaart van het vlot belette, zou het voor +onze reizigers een ernstig ding zijn. + +</p> +<p>Het vlot dreef intusschen tamelijk snel voort en na enkele minuten was het in de bocht. Thans kon men zien en de vrees van +Khamis bleek maar al te gegrond. Honderd schreden verder vormde een opeenstapeling van zwartachtige rotsen een barrière van +den eenen oever naar den anderen en alleen in het midden was eene opening, waardoor het water schuimend en spattend, met groote +kracht heendrong. Als het vlot niet spoedig naar een van de oevers kon gestuurd en daar stevig vastgemaakt worden, zou het +worden meegesleurd en tot splinters geslagen tegen die rotsen. + +</p> +<p>Er was geen oogenblik te verliezen, Khamis behield al zijn koelbloedigheid en stuurde op den oever aan. Maar de stroom was +te sterk en Max Huber moest helpen om het roer vast te houden. Misschien zou het met hun vereende kracht gelukt zijn uit den +snellen middenstroom te komen, maar daar trof hen een groote ramp, de houten plank, die als roer dienst deed, knapte midden +door en het vlot dreef met duizelingwekkende vaart, zonder stuur, verder. + +</p> +<p>“Wij moeten tegen de rotsen opspringen”, riep Khamis, “anders komen wij om in den waterval.” + +</p> +<p>Inmiddels was ook Llanga verschrikt te voorschijn gekomen en onmiddellijk begreep hij het gevaar. Hij keerde naar het bladeren +afdak terug, nam het kleine <a id="d0e1527"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1527">91</a>]</span>schepsel in zijn armen en knielde op het achterste gedeelte van het vlot neder. + +</p> +<p>Met woeste snelheid dreef het vlot voort, daar rezen de rotsen omhoog en met schriklijke kracht stootte het zwakke vaartuig +er tegen aan. De opvarenden hadden ijlings hunne vuurwapens en wat verder onder hun bereik kwam, boven op die rotsen geslingerd +en trachtten nog zelf er op te springen, maar dat gelukte hun niet, zij werden meegesleurd in de kolk, terwijl de stukken +van het verbrijzelde vlot in het schuimende water werden voortgezweept. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e1531"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK XII.</h2> +<h2>Na de schipbreuk.</h2> +<p>Den volgenden dag lagen drie mannen bij een vuur, dat bijna uitging. Overmand door vermoeienis en slaap en na hunne kleeren +zoo goed mogelijk bij het vuur gedroogd te hebben, hadden zij zich neergelegd en waren weldra vast ingeslapen. + +</p> +<p>Hoe laat het was, of het dag of nacht was zelfs, had geen hunner kunnen zeggen, hoewel te veronderstellen was, afgaande op +den tijd sedert den vorigen avond verstreken, dat de zon reeds op moest zijn. Maar waar was het Oosten? Die vraag kon niet +beantwoord worden. + +</p> +<p>Waren die mannen dan opgesloten in een grot, of in een donkere gevangenis, waarin geen lichtstralen konden doordringen? + +</p> +<p>Neen, maar om hen heen stonden zulke hooge, zwaar gebladerde boomen, dat op weinige passen alles donker was. + +</p> +<p>Die drie mannen waren John Cort, Max Huber en Khamis. + +</p> +<p>Hoe kwamen zij daar op die dichte, donkere plek in het groote woud? Zij wisten het niet. Van het oogenblik af dat zij van +het vlot geslingerd en in den kolkstroom meegesleurd waren, wisten zij niet meer wat er met hen gebeurd was. +<a id="d0e1548"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1548">92</a>]</span></p> +<p>Maar wel wisten zij, dat niet allen aan de ramp waren ontkomen; twee ontbraken: Llanga, het pleegkind van John Cort en Max, +en het kleine schepseltje, dat Llanga op zijne beurt tot pleegkind had aangenomen. Misschien was de negerknaap wel juist verdronken, +omdat hij zijn beschermeling had willen redden! + +</p> +<p>De drie overgeblevenen hadden nu geen vuurwapens, geen patronen, geen gereedschap of kookgerei meer, niets dan een paar zakmessen +en de bijl, die Khamis in zijn gordel had gedragen. Ook geen vlot hadden zij meer, maar in welke richting hadden zij ook moeten +gaan om weer bij de Johausen-rivier te komen? + +</p> +<p>En hoe moesten zij zich nu voedsel verschaffen, nu er geen wild meer te schieten was? Moesten zij voortaan leven van wortels +en wilde vruchten? Zou dat niet hetzelfde zijn als binnen kort van honger te sterven? + +</p> +<p>De eerste die wakker werd was John Cort en het was nog zoo donker of het nacht was. Hij stond op en onderscheidde met moeite +de gestalten van Max Huber en Khamis aan den voet van de boomen. Allereerst ging hij naar het vuur; de asch gloeide nog en +met wat droge takken en bladeren vlamde het weldra weder op. + +</p> +<p>Door het geknetter ontwaakten ook de beide anderen en het duurde niet lang of zij spraken over den ernstigen toestand waarin +zij verkeerden. + +</p> +<p>“Waar zijn wij toch?” vroeg Max. + +</p> +<p>“Daar waar men ons heen gebracht heeft”, antwoordde John Cort. + +</p> +<p>“Wat zegt gij daar!” riep Max Huber, “weet gij wel, dat ik op het oogenblik dat het vlot tegen de rotsen stootte, menschen +op den linkeroever meende te zien. + +</p> +<p>“Ja, ja” bevestigde John Cort, “negers, die gebaren maakten en schreeuwden en naar de rotsen snelden.” + +</p> +<p>“Hebt gij inboorlingen gezien?” vroeg de voorlooper. + +</p> +<p>“Een dozijn ongeveer”, hernam Max Huber, “en aan hen hebben wij zonder twijfel onze redding te danken! Ja, zij moeten het +zijn, die ons voor verdrinken hebben bewaard!” +<a id="d0e1571"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1571">93</a>]</span></p> +<p>“Ja, terwijl wij bewusteloos waren hebben zij ons hierheen gebracht ... met wat wij nog aan provisie overhadden. En na een +vuur te hebben aangelegd, zijn zij heengegaan.” + +</p> +<p>“En zoo goed heengegaan”, voegde Max Huber er bij, “dat wij geen spoor van hen terug vinden. Dat bewijst wel, dat zij op onze +dankbaarheid niet erg gesteld zijn.” + +</p> +<p>“Geduld maar, beste Max”, hernam John Cort, “het is best mogelijk, dat zij hier in de buurt ronddwalen. Waarom zouden zij +ons anders hierheen hebben gebracht?” + +</p> +<p>“Een mooie plek!” bromde Max Huber, “het blijft stikdonker!” + +</p> +<p>Boven de toppen der boomen scheen een vaag licht, een bewijs dus, dat de zon inderdaad boven den horizon was verrezen, maar +hoe laat het was, konden onze vrienden niet zoo spoedig beslissen, want de horloges der beide blanken waren na het gedwongen +bad in de rivier stil blijven staan. + +</p> +<p>Intusschen was Khamis naar de plek geloopen, die door de reusachtige, vijftig voet hooge boomen eenigszins opengelaten was +en die omzoomd was door slingerplanten en doornachtige heesters. Hij poogde tusschen het bladerengewelf door, een stukje van +den hemel te ontdekken, want hij wilde zich oriënteeren, weten waar zich het Zuidwesten bevond.... + +</p> +<p>Langzaam kwam hij bij de twee vrienden terug en vroeg eensklaps: + +</p> +<p>“Zijt gij er wel zeker van, mijnheer Max, dat gij op den oever inboorlingen gezien hebt?” + +</p> +<p>“Volmaakt zeker, juist op het oogenblik, dat het vlot tegen de rotsen verpletterd werd.” + +</p> +<p>“En op welken oever?” + +</p> +<p>“Den linker.” + +</p> +<p>“Weet gij wel zeker den linker?” + +</p> +<p>“Ja.” + +</p> +<p>“Dan zouden wij dus Oostelijk van de rivier zijn?” + +</p> +<p>“Dat geloof ik ook”, zei thans John Cort, “en bijgevolg in het diepste gedeelte van het woud. Maar hoe ver zijn wij van de +rivier?” + +</p> +<p>“De afstand kan niet groot zijn”, meende Max Huber, <a id="d0e1604"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1604">94</a>]</span>“want onze redders, wie het dan ook zijn, zullen ons wel niet eenige mijlen ver gesleept hebben.” + +</p> +<p>“Dan moeten wij dus allereerst de rivier opzoeken”, hernam Khamis, “en onze reis aan den anderen kant van de rotsversperring +hervatten, als wij eerst een nieuw vlot gebouwd hebben.” + +</p> +<p>“Maar hoe moeten wij dan leven, eer wij aan de Oebanghi zijn?” vroeg Max Huber. “Jagen kunnen wij niet meer.” + +</p> +<p>“En hoe moeten wij uit dit doolhof komen?” vroeg John Cort. + +</p> +<p>“Hier langs”, antwoordde de voorlooper en hij wees op de verscheurde en afgerukte lianen, de plaats dus, waarlangs zij op +deze plek gebracht waren en waar werkelijk een soort pad begon. + +</p> +<p>Maar waar voerde dit pad heen? Naar de Rio? Hoogst onwaarschijnlijk. En zou het niet met andere paden kruisen en daardoor +een reusachtig doolhof vormen? + +</p> +<p>“Hoe het zij”, hernam John Cort, “wij kunnen niet van honger en dorst omkomen en moeten dus beginnen met hier vandaan te gaan.” + +</p> +<p>“Wacht nog even!” zei Max Huber en opstaande, riep hij driemaal achtereen, zoo hard hij kon: + +</p> +<p>“Llanga! ... Llanga! ... Llanga!” + +</p> +<p>Er kwam geen antwoord, zelfs geen echo weerkaatste het geroep. + +</p> +<p>“Op weg!” zei de voorlooper. + +</p> +<p>Maar nauwelijks had hij twee stappen op het pad gezet, of hij bleef staan en riep: + +</p> +<p>“Een vuur!” + +</p> +<p>“Waar? Waar?” riepen de beide blanken en snelden op hem toe. + +</p> +<p>Het lichtschijnsel, waarschijnlijk van een toorts, scheen eenige honderden schreden verder en was slechts zeer flauw. + +</p> +<p>Wie waren het, die dat licht droegen? Moest men die lieden vreezen, of kwamen zij wellicht hulp brengen? + +</p> +<p>Besluiteloos bleven onze reizigers staan, maar hoe zij ook tuurden, het licht veranderde niet van plaats. + +</p> +<p>“Wat moeten wij doen?” vroeg John Cort. +<a id="d0e1640"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1640">95</a>]</span></p> +<p>“Naar dat licht toe gaan, omdat het niet naar ons komt”, hernam Max Huber. + +</p> +<p>“Vooruit dan!” zei Khamis. + +</p> +<p>Maar wederom had hij te nauwernood eenige schreden afgelegd, of de toorts verwijderde zich. Zou diegene, die haar droeg, de +drie reizigers dus bespieden? Of wilde hij hen als ’t ware voorlichten en den weg wijzen, dien zij gaan moesten? + +</p> +<p>Er was geen tijd of gelegenheid meer voor beraad, er bleef niets over dan voort te loopen. + +</p> +<p>“Als hij ons maar uit dit doolhof brengt, dan ben ik tevreden”, zei John Cort. “Wel vriend Max, is dit nu ook nog niet vreemd +en onverwacht genoeg voor je?” + +</p> +<p>“Het gaat vrij wel”, antwoordde de luchthartige Franschman. + +</p> +<p>Het licht volgende legden zij naar schatting vier of vijf mijlen af en toen bluschte het eensklaps uit. + +</p> +<p>“Laten wij halt houden”, zei de Amerikaan, “het is blijkbaar een sein voor ons...” + +</p> +<p>“Of een bevel”, meende Max Huber. + +</p> +<p>“Wij moeten gehoorzamen en hier overnachten”, zei Khamis. + +</p> +<p>“Maar zal het licht morgen weer schijnen?” vroeg John Cort. + +</p> +<p>Dat was inderdaad de vraag. + +</p> +<p>Doodelijk vermoeid strekte het drietal zich aan den voet van een reuzenboom uit en de slaap liet zich dan ook niet wachten. + +</p> +<p>Toen zij ontwaakten drong een flauw licht door het gebladerte, een bewijs dat het dag was. Khamis meende te kunnen verzekeren, +dat men in Oostelijke richting gegaan was, ongelukkigerwijze dus juist den verkeerden kant! + +</p> +<p>“En de fakkel?” vroeg John Cort. + +</p> +<p>“Daar begint zij juist weer te schijnen!” + +</p> +<p>Geen enkel avontuur deed zich op dezen dagtocht voor. De toorts bleef het drietal voorlichten, altijd in Oostelijke richting. +Hoe moest dat afloopen? Als zij niet spoedig op de plaats hunner bestemming kwamen, zouden zij van honger moeten bezwijken! + +</p> +<p>Zoo kwam de avond, weder doofde het licht uit en <a id="d0e1677"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1677">96</a>]</span>moesten onze reizigers aan den voet van een boom overnachten. + +</p> +<p>Den volgenden morgen—23 Maart—ontwaakte John Cort het eerst en dadelijk riep hij: + +</p> +<p>“Terwijl wij sliepen is er iemand hier geweest!” + +</p> +<p>Dat was niet tegen te spreken: er brandde een klein houtvuur en een stuk antilope-bout hing aan een lagen tak van een acacia +boven een klein beekje. + +</p> +<p>Maar geen van drieën toonde daarover groote verbazing, zij namen de dingen aan, zooals zij waren, het was nutteloos, ja, onmogelijk +over al die onverklaarbare zaken te redekavelen. Aan het zoo geheimzinnig verstrekte voedsel deden zij zich echter begrijpelijkerwijze +te goed en nauwelijks was dit ontbijt gebruikt of de toorts gaf weder het sein tot hervatting van den tocht. + +</p> +<p>En deze werd afgelegd onder dezelfde omstandigheden als de vorige dagen en toen tegen het vallen van den avond het licht weder +verdween, kon men berekenen in het geheel ongeveer zestig kilometer te hebben geloopen, sedert men den oever van de Rio Johausen +verliet. + +</p> +<p>Kort daarop was het drietal in slaap, maar, was het een droom?—Max Huber geloofde stellig, dat boven zijn hoofd de wals uit +de <i>Freischütz</i> van Weber gespeeld werd! + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e1694"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK XIII.</h2> +<h2>Een dorp in de lucht.</h2> +<p>Toen John Cort, Max Huber en Khamis den volgenden morgen ontwaakten, was het nog donkerder in het woud dan anders, maar, wat +den drie tochtgenooten dadelijk trof, het was niet zoo stil als gewoonlijk. Heel in de hoogte klonk een dof gegons en toen +zij opkeken, zagen zij een honderdtal voeten boven den grond een soort dak. Hoogst waarschijnlijk was dit door het in elkander +groeien van allerlei takken <a id="d0e1701"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1701">99</a>]</span>ontstaan, maar het gaf tevens een verklaring van de duisternis, die aan den voet der boomen heerschte. + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e1704" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p097.jpg" alt="De buffel scheen niet van plan om heen te gaan. (Zie pag. 87)."></p> +<p class="figureHead">De buffel scheen niet van plan om heen te gaan. (<i>Zie pag.</i> 87). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Wel een uur lang bleef Khamis heen en weer loopen, om naar alle richtingen uit te kijken of hij het licht, dat hun de vorige +dagen den weg gewezen had, nog niet zag verschijnen. Maar dit gebeurde dezen ochtend niet en wat moesten onze vrienden nu +beginnen? Verder gaan? Maar waarheen? Blijven? Hoe moesten zij dan aan voedsel komen? Honger en dorst deden zien toch reeds +deerlijk gevoelen! + +</p> +<p>“Toch kunnen wij hier niet blijven”, zei John Cort, nadat zij lang en breed beraadslaagd hadden, “en ik zou voorstellen om +maar dadelijk op weg te gaan.” + +</p> +<p>“Maar welken kant uit?” vroeg Max Huber. + +</p> +<p>“Komaan!” hernam John Cort ongeduldig, “wij zijn hier toch niet met onze voeten aan den grond vastgeworteld, zou ik denken!... +Wij kunnen tusschen de boomen doorloopen en zien waar wij uitkomen.” + +</p> +<p>“Vooruit dan!” zei Khamis. + +</p> +<p>Zoo gingen de drie tochtgenooten op weg en de bodem bleek overal kaal en droog te zijn, als onder een dicht dak, waardoor +noch zonnestralen, noch regendruppels konden heendringen. En overal stonden dezelfde boomen, waarvan alleen de onderste takken +waren te zien. + +</p> +<p>Onbewoond was dit woud echter, naar het scheen, niet. Herhaaldelijk meende Khamis schaduwen tusschen de stammen te zien sluipen. +Was het verbeelding? Hij kon het niet zeggen. Maar eensklaps fluisterde hij: + +</p> +<p>“Daar ginds beweegt iets.” + +</p> +<p>“Een dier of een mensch?” vroeg John Cort, in de aangeduide richting kijkende. + +</p> +<p>“Als het een mensch is, dan toch een kind”, antwoordde de voorlooper, “want het was klein van stuk.” + +</p> +<p>“Een aap!” meende Max Huber. + +</p> +<p>Onbewegelijk bleven zij staan om beter te zien en waarlijk, daar naderde het dier, en het toonde bij het bespeuren der drie +menschen hoegenaamd geen verbazing. Het liep recht overeind, als een mensch, en bleef op korten afstand staan. + +</p> +<p>“Te drommel, het is het schepseltje, dat Llanga <a id="d0e1737"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1737">100</a>]</span>uit de rivier gered heeft!” riep Max Huber, ten hoogste verwonderd. + +</p> +<p>“Gelooft gij dat?” vroeg de voorlooper. + +</p> +<p>“Ja, het is zóó”, bevestigde John Cort, “en wij zullen de proef op de som nemen.” + +</p> +<p>Hij haalde de medaille aan het koord te voorschijn, die het schepseltje om den hals gedragen had en liet het heen en weer +slingeren, zooals men bij een klein kind doet, om de aandacht te trekken. En nauwelijks had hij dit gezien of met één sprong +was hij er bij. Ziek was hij niet meer, dat bleek, en hij had met zijn gezondheid ook zijn vroegere lenigheid teruggekregen. +Klaarblijkelijk wilde hij de medaille weggrissen, maar Khamis sprong hem in den weg en greep hem vast. + +</p> +<p>“Li-Mai!... Ngala!... Ngala!” schreeuwde het kleine wezen. + +</p> +<p>Wat die woorden beteekenden wisten zij natuurlijk niet, maar zij hadden ook geen tijd er over te denken, want eensklaps verschenen +een aantal groote schepsels, minstens vijf en een halven voet lang. + +</p> +<p>Of het dieren of menschen waren, konden onze reizigers niet zoo spoedig zien, maar zij begrepen, dat het in elk geval dwaasheid +zou geweest zijn, zich te verzetten tegen een twaalftal van dergelijke krachtige boschjesmannen. In een oogwenk waren John +Cort, Max Huber en de voorlooper gegrepen en half voortgeduwd, ging het tusschen de boomen door, zeker wel vijf- of zeshonderd +meter. + +</p> +<p>Toen kwamen zij op een plek, waar twee boomen dicht genoeg bij elkander stonden, dat de takken er van naar elkander gebogen +waren, zoodat zij wel geen trap, maar dan toch een zeer gemakkelijken ladder vormden. Vijf of zes van de troep klommen langzaam +daar tegen op en de overigen dwongen de drie gevangenen hetzelfde te doen, waarbij zij overigens, zooals wij gaarne erkennen, +volstrekt geen geweld gebruikten. + +</p> +<p>Naarmate men hooger klom, drong ook het licht sterker tusschen de bladeren door; reeds zagen onze vrienden eenige zonnestralen, +waarvan zij zoo lang verstoken waren geweest. + +</p> +<p>En Max Huber moest bij zich zelf nu eindelijk erkennen, dat wat hem thans overkwam, toch werkelijk <a id="d0e1757"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1757">103</a>]</span>wel iets heel ongedachts en heel buitengewoons was! + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e1760" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p101.jpg" alt="Zij werden meegesleurd in de kolk. (Zie pag. 91)."></p> +<p class="figureHead">Zij werden meegesleurd in de kolk. (<i>Zie pag.</i> 91). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Want toen zij ten laatste ongeveer honderd voet geklommen waren, zagen zij tot hun verbazing hier, als het ware op de toppen +der boomen, een plat, heerlijk door de zon verlicht. + +</p> +<p>Tusschen de nog hooger oprijzende boomen stonden in zekere regelmaat hutten van stroo, zoodat men meenen kon in een straat +te zijn en de geheele oppervlakte van dit dorp in de lucht was zóó groot, dat onze reizigers de grens er van niet konden zien. + +</p> +<p>En daar liepen heen en weer een troep wezens, gelijkende op den beschermeling van Llanga. Hunne houding, overeen komende met +die van den mensen, wees aan, dat zij gewend waren recht op te loopen en dus aanspraak mochten maken op den bijnaam <i>erectus</i>, dien dr. Eugène du Bois, de Nederlandsche officier van gezondheid, gegeven heeft aan de groote, uitgestorven aapsoorten, +waarvan hij op Java overblijfselen heeft gevonden. + +</p> +<p>Maar Max Huber en John Cort hadden geen tijd, om bespiegelingen te maken. Of het dieren waren, of menschen, of wel schepsels +tusschen den mensch en het dier in staande, moesten zij later uitmaken, thans werden zij door den troep, die onderling in +een bepaalde taal sprak, in een hut gedrongen; de deur ging achter hen dicht en zoo waren zij goed en wel gevangen! + +</p> +<p>“Mooi!” riep Max Huber, “daar zitten wij, als die luidjes nu ook maar de gewoonte hebben hunnen gevangenen eten te geven.” + +</p> +<p>“Misschien eten zij liever hunne gevangenen op”, antwoordde John Cort droogjes. + +</p> +<p>En onmogelijk was dat niet, want er zijn in Centraal Afrika nog stammen, als <span class="abbr" title="bijvoorbeeld"><abbr title="bijvoorbeeld">bijv.</abbr></span> de Mounbouttou’s, die zich aan kannibalisme schuldig maken. + +</p> +<p>Hoe het zij, als deze schepsels apen waren, dan stonden zij toch in elk geval boven den oran-oetan van Borneo, den chimpanzee +van Guinea en den gorilla van den Gabon, want zij wisten vuur aan te maken en dit te gebruiken, zooals bleek uit de toorts, +die zoolang als wegwijzer had gediend. + +</p> +<p>En nu dachten onze vrienden eensklaps aan de bewegelijke vuren, die zij lang geleden aan den zoom <a id="d0e1791"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1791">104</a>]</span>van het woud bespeurd hadden. Konden die ook niet door deze vreemde bewoners van het groote woud aangestoken zijn? + +</p> +<p>“En zij praten ook met elkaar”, zei John Cort, nadat het drietal allerlei opmerkingen over hun avontuur gemaakt had. + +</p> +<p>“Wist ik maar, hoe ik in hunne taal zeggen moet, dat ik grooten honger heb!” riep Max Huber, spotziek als altijd. + +</p> +<p>Van de drie gevangenen was Khamis de stilste. Hij had natuurlijk geen verstand van dierkundige vraagstukken en voor hem konden +deze wezens niets anders zijn dan dieren, en wel apen. Het waren apen, die rechtop liepen, die praatten, die vuur aanlegden, +die te zamen in een dorp woonden, maar toch in elk geval apen. Maar wel vond hij het vreemd, dat in het woud van Oebanghi +zulke dieren leefden, waarvan men nog nooit gehoord had en zijn trots als neger kwam er tegen op, dat er apen waren, die zóóveel +op menschen als hij geleken! + +</p> +<p>Intusschen verkeerden onze vrienden thans in een vreemd geval en er was maar één omstandigheid, die hun nog eenige hoop gaf, +namelijk dat zij aangeland waren in het dorp, als men deze kolonie zoo noemen mocht, in het geboortedorp waarschijnlijk zelfs +van den kleinen beschermeling van Llanga, en dat, nu het kleine zwarte schepseltje daar gezond en wel was aangekomen, de negerknaap +er ook zijn zou. + +</p> +<p>En ziet, nauwelijks hadden John Cort en Max Huber dit besproken, of de deur van de hut werd geopend. + +</p> +<p>“Llanga!... Llanga!” riep John Cort. + +</p> +<p>“Mijnheer John!... Mijnheer Max!” Met deze woorden vloog Llanga op zijn beide blanke vrienden toe. + +</p> +<p>“Sedert wanneer ben je hier?” vroeg Khamis, die minder aangedaan was onder dat wederzien. + +</p> +<p>“Sedert gisteren morgen, zij hebben mij door het woud gedragen.” + +</p> +<p>“Die hebben dus sneller geloopen dan wij. En wie heeft je gedragen?” + +</p> +<p>“Een van degenen die mij gered hebben, en u ook hebben gered.” + +</p> +<p>“Zijn het dan menschen?” + +<a id="d0e1817"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1817">105</a>]</span></p> +<p></p> +<div id="d0e1819" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p105.jpg" alt="Hij poogde tusschen het bladerengewelf door, een stukje van den hemel te ontdekken. (Zie pag. 93)."></p> +<p class="figureHead">Hij poogde tusschen het bladerengewelf door, een stukje van den hemel te ontdekken. (<i>Zie pag.</i> 93). +</p> +</div><p> + +<a id="d0e1826"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1826">107</a>]</span></p> +<p>“Zeker, menschen, geen apen ... geen apen!” + +</p> +<p>En toen begon Llanga zijn wedervaren te vertellen, waarbij hij herhaaldelijk de handen kuste van zijn twee blanke vrienden, +die hij reeds voorgoed verloren waande. + +</p> +<p>“Toen het vlot tegen de rotsen stootte”, zei hij, “werden Li-Mai en ik in het water geslingerd...” + +</p> +<p>“Li-Mai?” vroeg Max Huber. + +</p> +<p>“Ja, zoo heet hij”, antwoordde Llanga. + +</p> +<p>“Heeft dat schepseltje dus een naam”, zei John Cort, “heeft deze stam, of dit volk, of hoe gij het noemen wilt, dan soms ook +een naam?” + +</p> +<p>“Ja, ik heb Li-Mai hen dikwijls Wagdies hooren noemen.” + +</p> +<p>Toen Llanga tot zich zelf kwam, zoo bleek uit zijn verder verhaal, lag hij in de armen van een grooten Wagdie, den vader van +Li-Mai, en deze zelf was in de armen zijner “ngora”, zijner moeder. Hoogst waarschijnlijk was het schepseltje, een paar dagen +vóór Llanga het uit het water opvischte, in het woud verdwaald.—En eenmaal in zijn dorp terug werd de kleine beschermeling +nu op zijn beurt de beschermer van Llanga, hij werd goed behandeld en dezen zelfden morgen had Li-Mai hem bij de hand genomen +en voor deze hut gebracht. Met welk doel wist hij niet, maar toen had hij hooren praten en de stemmen van John Cort en Max +Huber herkend. + +</p> +<p>“Alles heel mooi, Llanga!” zei de Franschman, toen de knaap zijn verhaal gedaan had, “maar wij sterven van honger; gij, die +hier zoo goed staat aangeschreven, kunt ons zeker wel een ontbijt bezorgen.” + +</p> +<p>Llanga verliet de hut en kwam weldra met eenige spijzen terug: een stuk geroosterd buffelvleesch, een half dozijn vruchten +van de <i>Acacia Adansonia</i>, ook wel genoemd apenbrood, wat bananen en in een kalebas heerlijk frisch water. + +</p> +<p>Toen het drietal zich aan dit koningsmaal verzadigd had, begon John Cort aan Llanga een soort verhoor af te nemen. + +</p> +<p>“Zijn die Wagdies talrijk?” vroeg hij. + +</p> +<p>“O, zóó veel! Zóó veel!” + +</p> +<p>“Even veel als in de dorpen van Bornoe of van Baghirmi?” +<a id="d0e1858"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1858">108</a>]</span></p> +<p>“Ja.” + +</p> +<p>“En komen zij nooit van de boomen af?” + +</p> +<p>“Zeker ... om te jagen ... om vruchten en wortels te verzamelen ... om water te scheppen.” + +</p> +<p>“En spreken zij?” + +</p> +<p>“Ja, maar ik begrijp hen niet, maar soms hoor ik woorden, die ik van Li-Mai wel eens gehoord heb.” + +</p> +<p>“En de vader ... de moeder van dat kind?” + +</p> +<p>“O, die zijn zeer goed voor mij, wat ik straks hier gebracht heb, kreeg ik van hen.” + +</p> +<p>“En hoe heet dit dorp in de boomen?” + +</p> +<p>“Ngala.” + +</p> +<p>“Heeft het een opperhoofd?” + +</p> +<p>“Ja.” + +</p> +<p>“Hebt gij dien gezien?” + +</p> +<p>“Neen, maar ik heb gehoord, dat hij Mselo-Tala-Tala heet.” + +</p> +<p>“Dat zijn woorden uit een inlandsche taal”, zei Khamis eensklaps. + +</p> +<p>“En wat beteekenen die?” + +</p> +<p>“Vader Spiegel”, antwoordde de voorlooper. + +</p> +<p>En zoo noemen de Congoleezen inderdaad iemand, die een bril draagt. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e1893"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK XIV.</h2> +<h2>De wagdies.</h2> +<p>“Wat verlangt gij nu nog meer, beste Max?” zei John Cort spottend, “mij dunkt dat dit nu iets buitengewoons en onverwachts +is! Niet alleen een dorp in de lucht, maar zelfs een koning daarin!” + +</p> +<p>“Wat ik verlang John?” antwoordde de luchthartige Franschman, “wel, ik verlang niet mijn leven lang in deze hoofdstad van +het rijk der Wagdies te blijven!” + +</p> +<p>“Maar Max, wij moeten hier toch een poos blijven om de bewoners van dit dorp te bestudeeren, wij moeten er een paar dikke +folianten over schrijven, die de verbazing zullen opwekken van alle geleerde bollen uit Europa en Amerika!” + +<a id="d0e1904"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1904">109</a>]</span></p> +<p></p> +<div id="d0e1906" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p109.jpg" alt="Er bleef niets anders over dan voort te loopen. (Zie pag. 95)."></p> +<p class="figureHead">Er bleef niets anders over dan voort te loopen. (<i>Zie pag<span class="corr" title="Bron: ">.</span></i> 95). +</p> +</div><p> + +<a id="d0e1915"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1915">111</a>]</span></p> +<p>“Goed, ik wil bestudeeren en informeeren en al wat je verlangt, maar op twee voorwaarden!” + +</p> +<p>“En die zijn?” + +</p> +<p>“Ten eerste dat wij frank en vrij in het dorp mogen rondloopen en ten tweede, dat wij mogen heengaan, zoodra wij daar lust +in hebben.” + +</p> +<p>“En aan wien moeten wij die voorwaarden kenbaar maken?” + +</p> +<p>“Wel natuurlijk aan Zijne Majesteit Vader Spiegel; maar à propos, hoe zou de Koning aan dien naam komen? Zou hij bij geval +kippig zijn en een bril dragen?” + +</p> +<p>“Maar waar is die bril dan van daan gekomen?” vroeg John Cort terecht. + +</p> +<p>Max Huber kon hierop geen antwoord geven, want wederom werd de deur van de hut geopend en ditmaal verscheen Li-Mai, die verheugd +op Llanga toeliep. John Cort stelde dadelijk voor van de gelegenheid dat de deur open stond gebruik te maken en zoo traden +onze vrienden dus naar buiten. Voorafgegaan door Li-Mai, die Llanga bij de hand hield, kwamen zij op een soort pleintje—een +vrij open ruimte, die overschaduwd werd door het dichte bladerdak der boomen, wier krachtige stammen dit luchtdorp torsten. + +</p> +<p>Het was heerlijk weer en de zonnestralen speelden door het loover. Boven de hoogste takken vertoonden zich groote stukken +van den blauwen hemel en een koel windje, bezwangerd met welriekende geuren van boschplanten, maakte de lucht heerlijk zuiver. + +</p> +<p>Terwijl het troepje zoo rondliep, keken de Wagdies, mannen, vrouwen zoowel als kinderen, naar hen, zonder bizonder veel verbazing +te toonen. Wel wisselden zij onderling, met een schor stemgeluid, eenige vlugge, overstaanbare woorden. Slechts een hoogst +enkele maal meende de voorlooper een paar woorden in de Congoleesche taal op te vangen, hetgeen niet zoo onmogelijk was, daar +Li-Mai immers ook het woord ngora gebruikt had. + +</p> +<p>Maar het meest verbaasd was John Cort, toen hij duidelijk een paar Duitsche woorden meende op te vangen, waaronder het woord +Vater (vader) en dadelijk deelde hij dit aan zijn reisgenooten mede. + +</p> +<p>“Ik verbaas mij over niets meer”, gaf Max Huber <a id="d0e1938"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1938">112</a>]</span>ten antwoord, “ik zou het zelfs niets vreemd vinden, als die zwartjes mij vriendschappelijk op mijn schouder klopten en zeiden: +‘Zoo amice, hoe gaat het?’” + +</p> +<p>Af en toe liet Li-Mai de hand van Llanga los en liep hij, als een vroolijk, spelend kind, naar een der Wagdies. Blijkbaar +was hij er zeer trotsch op de vreemdelingen door het dorp te mogen rondleiden. Maar het was duidelijk, dat hij niet maar wat +met hen ronddwaalde, hij bracht hen ergens heen en zij hadden niet anders te doen dan hunnen vijfjarigen gids te volgen. + +</p> +<p>Onderwijl hadden zij alle gelegenheid zich een oordeel te vormen over de uitgestrektheid van dit zonderlinge dorp, dat in +omtrek zeker wel drie mijl zou meten. + +</p> +<p>De hutten, in den vorm van een bijenkorf, waren bijna alle open en men kon daar binnen de vrouwen bezig zien in hare huishouden. +Van de mannen verzamelden sommige vruchten tusschen de takken, andere kwamen terug met gevangen wild of met kuipen water, +dat zij uit de Rio geschept hadden. + +</p> +<p>Intusschen had Khamis getracht den kleinen Li-Mai in de inlandsche taal aan te spreken, maar het knaapje scheen niets daarvan +te begrijpen. Toch had hij op het vlot duidelijk het woord ngora gezegd, wat toch een inlandsch woord was. + +</p> +<p>Na een uur kwamen de tochtgenooten aan het eind van het dorp, waar een hut van grooter afmeting stond, tusschen de takken +van een reusachtigen wolboom. Voor den ingang stonden twee gewapende Wagdies. Was deze groote hut het koninklijk paleis, of +het heiligdom der toovenaars, die men bij alle wilde volken in Afrika vindt? John Cort zag thans de gelegenheid om van Li-Mai +eene inlichting te krijgen en zoo vroeg hij, op de hut wijzende: + +</p> +<p>“Mselo-Tala-Tala?” + +</p> +<p>Een knik met het hoofd was het eenige antwoord. + +</p> +<p>Daar woonde dus Zijne Majesteit de Koning der Wagdies en overmoedig en zonder veel complimenten liep Max Huber naar de hut, +toen de beide schildwachten hem dreigend den weg versperden. + +</p> +<p>“Mooi, wij mogen er niet in!” spotte de Franschman. “Dan zullen wij Zijne Majesteit schriftelijk om een audiëntie moeten verzoeken!” + +<a id="d0e1958"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1958">113</a>]</span></p> +<p></p> +<div id="d0e1960" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p113.jpg" alt="Stond hij uit te kijken, of hij het licht nog niet zag verschijnen. (Zie pag 99)."></p> +<p class="figureHead">Stond hij uit te kijken, of hij het licht nog niet zag verschijnen. (<i>Zie pag</i> 99). +</p> +</div><p> + +<a id="d0e1967"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1967">115</a>]</span></p> +<p>“Alsof hij zou kunnen lezen, verbeeld je!” antwoordde John Cort. + +</p> +<p>“Weet gij niet waar de hut van Li-Mai’s ouders is?” vroeg Khamis aan Llanga. + +</p> +<p>“Neen, maar Li-Mai zal er ons bepaald wel heenbrengen, laten wij hem maar volgen.” + +</p> +<p>Weinige minuten later kwamen onze vrienden in een meer beschaduwd, donkerder gedeelte van het dorp en daar bleef Li-Mai staan +voor een strooien hut met een dak van bananenbladeren, dezelfde die Khamis voor het afdak op het vlot gebruikt had. Hij strekte +de hand naar de hut uit en Llanga, die hem begreep, zei: “Hier woont hij.” + +</p> +<p>De deur van de hut stond open en van binnen bleek zij te bestaan uit een enkel vertrek. + +</p> +<p>Tegen den achterwand lag een soort veldbed van droge kruiden en het overige huisraad bestond uit een drietal kalebassen, een +aarden pot, gevuld met water en twee kleinere aarden potten. Van vorken hadden deze boombewoners nog nooit gehoord, zij aten +met hunne vingers. Hier en daar waren planken gemaakt, waarop het proviand lag: vruchten, wortels, een stuk vleesch, eenige +geplukte vogels. Aan een paar sterke dorens, die als spijkers dienst deden, hingen eenige uit boombast geweven doeken. + +</p> +<p>Twee Wagdies, een man en eene vrouw, stonden op, toen Khamis met zijn troepje voor de hut verscheen. + +</p> +<p>“Ngora... ngora... Lo-Mai... La-Mai!” riep het negerknaapje, terwijl het dadelijk naar zijn moeder liep, die het liefkoosde. + +</p> +<p>John Cort nam het paar eens goed op. De man was van krachtigen, goed geëvenredigden lichaamsbouw, zijn armen waren iets langer +dan bij den mensch, ook zijn handen iets grooter; zijn voeten rustten met den geheelen zool op den grond. Zijn gelaatskleur +was lichter dan van de bekende inlanders, zijn haar zwart en kroezend en hij had een korten, dunnen baard. Zijn hoofd was +middelmatig van grootte, de kaakbeenderen staken niet ver naar voren en de oogen hadden een levendige uitdrukking. De vrouw +was kleiner en had een zachtaardiger uiterlijk; haar tanden waren prachtig wit, maar wat John Cort vooral opviel, <a id="d0e1986"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1986">116</a>]</span>waren hare sieraden: glazen kralen en paarlen en om haar hals de medaille van Dr. Johausen, zooals haar kind er ook een had. + +</p> +<p>Praten met dit tweetal, ging tot John Cort’s grooten spijt niet, maar het was duidelijk, dat zij de grootste gastvrijheid +wilden betoonen, want den bezoekers boden zij dadelijk allerlei vruchten aan. + +</p> +<p>De Amerikaan luisterde intusschen goed naar de taal, die man en vrouw met elkander spraken en het kwam hem voor, dat hij, +zij het dan ook verminkt, eenige woorden uit de Congoleesche en uit de Duitsche taal herkende. + +</p> +<p>Na een kwartiertje vertrokken de bezoekers weder, thans onder geleide van den man Lo-Mai zelf en zoo kwamen zij bij de hut, +waarin zij den vorigen nacht hadden doorgebracht en die hun weder tot woning zou strekken. Voor hoe lang?... + +</p> +<p>Lo-Mai nam vooral hartelijk afscheid van Llanga, in wien hij ongetwijfeld den redder van zijn kind herkende en onze vrienden +waren weder alleen. + + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e1996"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK XV.</h2> +<h2>Drie weken studie.</h2> +<p>Hoe lang zouden John Cort, Max Huber, Khamis en Llanga in dit dorp blijven? Zou alles goed afloopen, zou er geen onraad komen? +Van vluchten kon geen sprake zijn, daartoe werden zij te goed bewaakt. Maar al ware dit niet het geval geweest, hoe zouden +zij dan den rand van dit onmetelijke woud kunnen bereiken, of de Rio Johausen terugvinden? + +</p> +<p>Max Huber, die zóó verlangd had naar het vreemde en onverwachte, had er reeds genoeg van en hij verheelde zijn ongeduld en +verlangen om in Libreville terug te zijn, niet. + +</p> +<p>Ook Khamis, die op de dorpsbewoners als een laag staand ras, ja als een soort dieren, bleef neerzien, was zeer verlangend +om Ngala te kunnen verlaten en wat hij doen kon om hiertoe te geraken, zou hij niet nalaten. + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e2008" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p117.jpg" alt="Stonden in zekere regelmaat hutten van stroo. (Zie pag. 103)."></p> +<p class="figureHead">Stonden in zekere regelmaat hutten van stroo. (<i>Zie pag.</i> 103). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>John Cort was minder ongeduldig. Hij vond het <a id="d0e2017"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2017">119</a>]</span>belangwekkend om die nieuwontdekte schepselen waar te nemen en te bestudeeren. Eenige weken had hij daar wel voor over, maar +zou hun verblijf bij de Wagdies misschien niet veel langer duren? Jaren wellicht? En wat zou het eind van het avontuur zijn? + +</p> +<p>Maar tot dusver had men gelukkig nog niets vijandigs kunnen bespeuren. Vreemd bleef het echter dat die boschbewoners heel +niet verbaasd waren op het zien van menschen. + +</p> +<p>Max Huber meende, dat men zich tot den Koning, Vader Spiegel, zou wenden, om hunne vrijheid terug te vragen, maar gesteld +dat zij bij dit hooge personage werden toegelaten, hoe zouden zij elkander dan verstaan? De Koning zou zeker wel geen Congoleesch +spreken. + +</p> +<p>Intusschen hadden zij bij het betreden van hunne hut eenige veranderingen gezien, die hun wel bevielen. Allereerst was een +Wagdie bezig “de kamer te doen”, als wij deze Europeesche uitdrukking mogen gebruiken. Het was een bewijs, dat deze stam grooten +zin voor netheid en orde had; trouwens John Cort had reeds opgemerkt, dat zij op hun lichaam en kleeding ook zeer zindelijk +waren. Achter in de hut waren stapels droge kruiden neergelegd en deze vormden voor onze reizigers, die zoo dikwijls op den +naakten grond geslapen hadden, een heerlijk bed. Voorts waren eenige potten en pannen neergezet en een voorraad proviand: +allerlei vruchten en een antilopebout. + +</p> +<p>Ter zijde van de hut was een platte steen, die als haard dienst deed; er brandden zelfs reeds eenige droge takken op. + +</p> +<p>De Wagdie, die voor werkmeid speelde, was een jonge man van omstreeks twintig jaren, met een schrander uiterlijk. Hij wees +naar een hoek en zoo waar, daar zagen John Cort, Max Huber en Khamis hunne karabijnen, wel wat geroest, maar dat was te herstellen. + +</p> +<p>“Drommels, die komen te pas!” riep Max blij verrast. + +</p> +<p>“Maar de patronen?” vroeg John Cort. + +</p> +<p>“Die zijn hier”, antwoordde de voorlooper en hij wees op het ijzeren kistje, dat achter de deur stond. + +</p> +<p>Zoo waren al deze kostbare zaken, die Khamis bij het vergaan van het vlot op de rotsen geslingerd had, <a id="d0e2037"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2037">120</a>]</span>door de Wagdies gevonden en behouden naar hun dorp gebracht. + +</p> +<p>“Zouden zij geen verstand van vuurwapenen hebben, dat zij ons die terug geven?” vroeg Max. + +</p> +<p>“Dat weet ik niet”, antwoordde John Cort, “maar blijkbaar weten zij wel, dat men andermans goed niet mag behouden en dat bewijst, +dat zij eerlijk zijn.” + +</p> +<p>Eensklaps werd buiten met duidelijke stem geroepen: + +</p> +<p>“Kollo! ... Kollo!” + +</p> +<p>De jonge Wagdie keek John Cort aan en wees toen herhaaldelijk op zich zelf. De Amerikaan begreep hieruit, dat het de naam +van hunnen nieuwen bediende was, en toen hij eenige malen het woord Kollo herhaalde, toonde de jonge man zijn tevredenheid, +door vroolijk te lachen. + +</p> +<p>Uit dit alles bleek, dat de hut geen gevangenis was en dat de bewoners haar naar verlangen konden verlaten; of zij het dorp +zelf dit ook mochten doen was intusschen nog twijfelachtig. + +</p> +<p>De vrienden moesten zich dus maar schikken en in het luchtdorp blijven wonen. + +</p> +<p>De Wagdies schenen zacht van aard, niet twistziek en ook niet nieuwsgierig. Lichamelijk bleken zij sterk en buitengewoon vlug +en hun gezicht was bizonder scherp. Als zij op de vogeljacht gingen, schoten zij die met kleine pijltjes en ook op groote +dieren, antilopen, buffels, misschien zelfs op den rhinoceros jaagden zij in het woud met goed gevolg. Max Huber had hen op +die tochten gaarne vergezeld, zoowel om hunne wijze van jagen te leeren kennen, als om een poging te wagen tot ontvluchting. + +</p> +<p>Meermalen had Max aandrang gevoeld om met zijn karabijn een schot te lossen op de talrijke vogels, die hier in de boomen huisden, +maar zijn makkers en hij werden dagelijks ruim van allerlei proviand voorzien. Hunne bediende Kollo liet het hun aan niets +ontbreken, elken dag vernieuwde hij den voorraad water en brandhout. Bovendien zou het gebruik van het vuurwapen de kracht +daarvan geopenbaard hebben en beter was het, die geheim te houden en de karabijnen in geval van nood als wapen te gebruiken. + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e2058" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p121.jpg" alt="Voorafgegaan door Li-Mai die Llanga bij de hand hield. (Zie pag. 111)."></p> +<p class="figureHead">Voorafgegaan door Li-Mai die Llanga bij de hand hield. (<i>Zie pag.</i> 111). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Dat de Wagdies hunnen gasten vleesch bezorgden, <a id="d0e2067"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2067">123</a>]</span>kwam hieruit voort, dat zij zelven ook dit voedsel gebruikten, hetzij geroosterd op een kolenvuur, of gekookt in eigengemaakte +aarden potten. Ook trof onzen vrienden een andere bizonderheid, waarover zij zeer verheugd waren: er was zout, dat evenals +in Azië en Amerika, hier in het Afrikaansche woud als mineraal op den grond voorkwam. + +</p> +<p>Een vraag, die John Cort echter vooral bezig hield, <span class="corr" title="Bron: wa sdeze">was deze</span>: Hoe kwamen die boombewoners aan vuur? Wreven zij stukken droog hout tegen elkander, op de manier van de wilden? Neen, het +bleek hem, dat zij vuursteenen gebruikten en de vonken in droog mos of dorre bladeren lieten springen. + +</p> +<p>Behalve vleesch en plantaardig voedsel, allerlei wortels en vruchten, de laatste vooral van den onwaardeerbaren boabab of +apenbroodboom, bananen en vijgen, aten de Wagdies ook <span class="corr" title="Bron: honig">honing</span> en zij waren zeer schrander in het vinden van de bijennesten. Bovendien bevatte een stroom, die niet ver van het luchtdorp +liep, zeer veel visch, die de Wagdies evenzoo vingen en aten. + +</p> +<p>Maar was die stroom bevaarbaar en gebruikten de Wagdies ook vaartuigen? Dit te weten was voor onze vrienden van groot belang, +in geval van ontvluchting. + +</p> +<p>Aan den rand van het dorp, dicht bij de koninklijke hut, was die stroom te zien en scheen hij dertig à veertig voet breed, +terwijl hij op korten afstand achter de reusachtige gomboomen verdween. Inderdaad werd hij door de Wagdies bevaren, waarbij +zij gebruik maakten van een soort kano’s gemaakt van uitgeholde boomstammen. + +</p> +<p>Dit alles was door Khamis ontdekt, die herhaaldelijk getracht had buiten het dorp te komen, maar steeds hadden de schildwachten +bij den trap hem dit belet. Zij waren daarbij niet altijd even vriendelijk en eenmaal zou hij misschien zelfs mishandeld geworden +zijn, als Lo-Mai, door het tumult aangelokt, niet tusschenbeide ware gekomen. + +</p> +<p>Deze laatste had het vooral aan den stok met een grooten Wagdie, dien men Raggi noemde. Aan de dierenhuiden die hij droeg +en aan de veeren in zijn haar kon men zien, dat hij de chef van de strijdbare mannen was. +<a id="d0e2087"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2087">124</a>]</span></p> +<p>Onze vrienden hadden gehoopt, dat zij naar aanleiding van dit voorval, voor den Koning zouden zijn geleid en dus gelegenheid +zouden hebben gekregen dezen potentaat, die door zijn onderdanen zoo angstvallig verborgen werd gehouden, eindelijk te zien. +Maar dit gebeurde niet. Raggi scheen de hoogste macht te hebben en beter was het zijn toorn maar niet meer op te wekken. + +</p> +<p>Op een dag—het was de 9e April—ontstond eensklaps een hevig tumult. Van den kant der rivier klonken luide kreten. + +</p> +<p>Was dit een aanval op het dorp, door wezens gelijksoortig aan de Wagdies? Dit zou inderdaad hoogst ernstig zijn, vooral wanneer +de aanvallers de boomen waarop het geheele dorp rustte, in brand zouden gaan steken! + +</p> +<p>Onmiddellijk waren Raggi en een dertigtal mannen naar den trap gesneld, dien zij met aapachtige vlugheid afsprongen. John +<span class="corr" title="Bron: Kort">Cort</span>, Max Huber en Khamis waren met Lo-Mai naar den kant van het dorp geloopen, waar het gedeelte van de rivier te zien was. + +</p> +<p>Het bleek dat een groote troep wilde zwijnen, van het soort dat de Transvalers “boschvarken” en de Engelschen “bush-pig” noemen, +op den linkeroever was verschenen. + +</p> +<p>Deze dieren zijn iets kleiner dan het wilde zwijn uit Europa, hebben zijdeachtig haar, oranjeachtig bruin van kleur en kwastjes +aan de ooren, terwijl de mannetjes kromme slagtanden hebben, evenals het Babiroesa-zwijn. + +</p> +<p>Onze vrienden waren van hunne standplaats getuige van den strijd, die kort, maar niet zonder gevaar was. De Wagdies legden +grooten moed aan den dag; met bijlen gewapend, sommige ook met speren, stortten zij zich tusschen de troep en na een uur waren +verscheidene zwijnen neergeveld en de overige op de vlucht gejaagd. + +</p> +<p>Max Huber had zijn karabijn wel willen halen, maar de voorzichtige John Cort had hem dit ontraden. Beter was het, met het +gebruik der vuurwapens te wachten, tot het bepaald nuttig of noodig zou zijn. + +<a id="d0e2107"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2107">125</a>]</span></p> +<p></p> +<div id="d0e2109" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p125.jpg" alt="Toen de beide schildwachten hem dreigdend den weg versperden. (Zie pag. 112)."></p> +<p class="figureHead">Toen de beide schildwachten hem dreigdend den weg versperden. (<i>Zie pag.</i> 112). +</p> +</div><p> + + + +<a id="d0e2116"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2116">127</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e2117"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK XVI.</h2> +<h2>Zijne Majesteit Koning Mselo-Tala-Tala.</h2> +<p>Op dezen dag—of liever op den middag van den 15en April—zou er eene verandering komen in de anders zoo kalme gewoonten van +de Wagdies. Drie weken lang hadden de gevangenen in Ngala geen enkele gelegenheid gehad om hunnen tocht dwars door het groote +woud in de richting van de Oebanghi te hervatten. Zij werden goed bewaakt en waren binnen de onoverschrijdbare grenzen van +dit dorp besloten, zoodat van ontvluchten geen sprake kon zijn. + +</p> +<p>Nu was het volkomen waar, dat bijvoorbeeld John Cort hier niet om treurde. Hij toch vond het zeer belangwekkend om studiën +te maken van deze schepsels, die wel een schakel schenen te vormen tusschen den aap en den mensch. Hij zou hier prachtige +bouwstoffen kunnen verzamelen ter beoordeeling van de zoogenaamde “theorie van Darwin.” Maar om de geleerde wereld van zijn +studiën vruchten te doen plukken, zou hij toch allereerst in Fransch Congo, en in Libreville terug moeten zijn! + +</p> +<p>Het was prachtig weer. De zon overgoot met licht en warmte de boomtoppen, die het luchtdorp overschaduwden. + +</p> +<p>Tusschen John Cort en Max Huber en de familie Lo-Mai was een druk verkeer ontstaan. Er ging geen dag voorbij zonder dat deze +hen in hunne hut kwam bezoeken, of zij wederkeerig haar een bezoek brachten. + +</p> +<p>Ongelukkigerwijze was het onzen vrienden nog altijd niet gelukt de taal der Wagdies te verstaan, al bestond zij ook uit een +zeer klein aantal woorden, daar deze primitieve wezens ook slechts een zeer beperkt aantal denkbeelden hadden. Wel had John +Cort spoedig genoeg de beteekenis van sommige woorden begrepen, maar dat stelde hem toch nog niet in staat met de Wagdies +een geregeld gesprek te voeren. Het trof hem echter bizonder, dat in hunne taal eenige inlandsche <a id="d0e2132"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2132">128</a>]</span>uitdrukkingen voorkwamen. Bewees dit niet, dat de Wagdies in verbinding stonden met de negerstammen aan de Oebanghi? En sterker +nog, soms gebruikte Lo-Mai een woord, dat, hoe verbasterd en verminkt hij het ook uitsprak, toch blijkbaar aan de Duitsche +taal ontleend was. + +</p> +<p>Zou hieruit moeten worden afgeleid, dat deze inboorlingen reeds eene ontmoeting hadden gehad met de in Kameroen gevestigde +Duitschers? In dat geval zouden de Amerikaan en de Franschman niet de eer hebben van dezen stam te hebben ontdekt.—Maar als +John Cort tegen Lo-Mai Duitsch ging spreken, bleek het alweer dat deze er niets van begreep, hij kende slechts een paar woorden +in die taal. + +</p> +<p>Maar het meest gebruikte woord in elk gesprek bleef altijd Mselo-Tala-Tala, de naam of de titel van den vorst. Wij weten hoe +vurig onze blanke vrienden verlangden bij dezen potentaat te worden toegelaten. Als zij dien naam uitspraken, boog Lo-Mai +het hoofd ten teeken van diepen eerbied. + +</p> +<p>En nu gebeurde het, op den genoemden middag, dat Lo-Mai met vrouw en kind de hut der vreemdelingen kwam bezoeken. + +</p> +<p>Het viel dadelijk op, dat zij zich bizonder hadden opgetooid. De man droeg een krans van veeren om het hoofd en een schort +van geweven boombast, de vrouw een dergelijk schort, in haar lokken eenige groene bladeren en om den hals een snoer van glazen +kralen. Zelfs de kleine Li-Mai had een kort schortje voor, hij had dus zijn zondagspakje aan, zooals Max Huber lachend opmerkte +en dadelijk vroeg hij: + +</p> +<p>“Wat zou dat beteekenen, dat zij er zoo deftig uitzien?” + +</p> +<p>“Het is voor hen zeker een feestdag”, antwoordde John Cort. + +</p> +<p>“Mselo-Tala-Tala”, zei Lo-Mai eensklaps, bij het binnenkomen. + +</p> +<p>“Vadertje met zijn bril”, vertaalde Max Huber en hij snelde naar buiten, meenende dat de Koning op dit oogenblik voorbijkwam. + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e2151" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p129.jpg" alt="Schoten zij de vogels met kleine pijltjes. (Zie pag. 120)."></p> +<p class="figureHead">Schoten zij de vogels met kleine pijltjes. (<i>Zie pag.</i> 120). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Hij werd echter teleurgesteld, er was geen schijn of schaduw van Zijne Majesteit te bespeuren, maar wel <a id="d0e2160"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2160">131</a>]</span>zag hij, dat het in het dorp erg rumoerig was. Van alle kanten kwamen drommen dorpelingen, opgesierd als de familie Mai en +blijkbaar in zeer vroolijke stemming. En alles trok naar de westgrens van het dorp. + +</p> +<p>“Er gebeurt iets”, zei Max Huber en naar Lo-Mai terugkomende, herhaalde hij: + +</p> +<p>“Mselo-Tala-Tala?” + +</p> +<p>“Mselo-Tala-Tala”, antwoordde de man plechtig, kruiste zijn armen over zijn borst en boog zijn hoofd. + +</p> +<p>Het eenige wat John Cort en Max Huber hieruit konden afleiden, was, dat de Wagdies hunnen Koning gingen begroeten en deze +zich dus in al zijn luister aan het verzamelde volk zou vertoonen. + +</p> +<p>Hunnerzijds konden zij geen deftige kleeren aantrekken, zij hadden niets dan hun jachtkostuum, tamelijk versleten nog wel. +Bijgevolg konden zij ter eere van Zijne Majesteit geen toilet maken en volgden zij met Llanga de familie Mai, in hunne daagsche +plunje. + +</p> +<p>Khamis, die om al dat “mindere volk” bitter weinig gaf, bleef “alleen thuis”. Hij zou voor het eten zorgen en de geweren schoon +maken, want met het oog op allerlei gebeurlijkheden moesten die steeds in de puntjes zijn. + +</p> +<p>John Cort en Max Huber lieten zich dus door Lo-Mai geleiden, door het thans zeer drukke dorp. Eigenlijke straten waren er +niet, de hutten stonden onregelmatig, al naar de boomen, of liever hunne takken, de plaats hadden aangewezen. + +</p> +<p>Het was zeer vol. Minstens een duizendtal Wagdies stroomden naar het uiteinde van het dorp, waar het koninklijk paleis stond. + +</p> +<p>“Zij gedragen zich werkelijk als echte menschen”, merkte John Cort op. + +</p> +<p>“Maar door hunne grimassen lijken het toch echte apen!” antwoordde Max Huber. + +</p> +<p>En werkelijk, de Wagdies, anders zoo ernstig, kalm en terughoudend, waren thans buitengewoon druk en uitgelaten. + +</p> +<p>Maar altijd nog jegens de vreemdelingen die onverklaarbare onverschilligheid. Zij schonken hun niet de minste aandacht en +waren dus tegelijkertijd niet zoo opdringerig en lastig, als de Danka’s, de Monboetoes, <a id="d0e2189"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2189">132</a>]</span>en andere Afrikaansche negerstammen, en .... als het beschaafde volk in de groote Europeesche steden tegen vreemdelingen, +die door kleeding of uiterlijk wat anders zijn dan zij! + +</p> +<p>Na een lange wandeling kwamen Max Huber en John Cort op het voornaamste “plein” van Ngala, dat door den uitersten boomenrand +in het Westen begrensd werd en waar in dicht lommer de woning van den vorst stond. + +</p> +<p>Daar stond een dubbele rij krijgslieden opgesteld, gekleed in antilope-vellen, door lianen bijeengehouden, het hoofd versierd +met den kop van den steenbok, door welker horens de heele troep wel wat op een kudde geleek. Raggi, de “kolonel”, was getooid +met een buffelkop, hij droeg pijl en boog, een bijl in zijn gordel. + +</p> +<p>“Het schijnt wel dat de Koning een revue over zijn troepen gaat houden!” zei John Cort. + +</p> +<p>“Gaat Mselo-Tala-Tala uit?” vroeg Max Huber dadelijk aan Lo-Mai. + +</p> +<p>“Nu krijgen wij hem dan toch te zien”, zei de Franschman, met niet veel eerbied voor een “gekroond hoofd”. + +</p> +<p>“En laten wij in dien tusschentijd onze oogen maar goed de kost geven”, hernam John Cort. + +</p> +<p>Het schouwspel was werkelijk belangwekkend genoeg. Het plein besloeg ongeveer een oppervlakte van een halve hectare en was +op het midden na stampvol van een joelende menigte, maar dank zij de familie Lo-Mai kregen de beide vreemdelingen een prachtige +plaats. + +</p> +<p>Weldra kwamen op de open ruimte, in het midden van het plein, een aantal jonge Wagdies, jongens en meisjes, die vroolijk gingen +dansen, terwijl de ouderen daaromheen zich te goed deden aan een uit tamarinde gegisten drank. Aan muziek ontbrak het ook +niet. De instrumenten bestonden uit kalebassen, waarover een vel gespannen was, dat met stokken werd geslagen, hetgeen een +geluid gaf, om de ooren van blanken te verscheuren. + +<a id="d0e2207"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2207">133</a>]</span></p> +<p></p> +<div id="d0e2209" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p133.jpg" alt="Met bijlen gewapend stortten zij zich tusschen de troep. (Zie pag. 124)."></p> +<p class="figureHead">Met bijlen gewapend stortten zij zich tusschen de troep. (<i>Zie pag.</i> 124). +</p> +</div><p> + +<a id="d0e2216"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2216">135</a>]</span></p> +<p>“Van maat schijnen zij weinig begrip te hebben”, zei John Cort. + +</p> +<p>“En van melodie nog minder!” antwoordde Max Huber. + +</p> +<p>“En toch zijn zij gevoelig voor muziek, Max”, merkte de Amerikaan op. + +</p> +<p>“Dat zijn de dieren ook, John, ten minste sommige.” + +</p> +<p>Hoe dit zij, de Wagdies schenen toch werkelijk wel menschen te zijn, want zij hielden niet alleen van muziek, maar maakten +zelven de instrumenten, wat toch zeker geen enkel dier doet! + +</p> +<p>Zoo gingen een paar uren voorbij, tot groot ongeduld van onzen Franschman. Het ergerde hem geweldig, dat Zijne Majesteit Mselo-Tala-Tala +zich nog niet verwaardigde om de hulde van zijne onderdanen in ontvangst te nemen. + +</p> +<p>Intusschen werd het feest onder groot getier en veel gedans voortgezet. De oudere mannen waren flink blijven drinken en kwamen +zoo langzamerhand in een staat van opgewondenheid, die aan dronkenschap grensde. Het was zeer te bezien of alles wel ordelijk +en zonder ongelukken zou afloopen! + +</p> +<p>Maar daar ontstond eensklaps diepe stilte. De deur van de koninklijke hut ging open en de soldaten stelden zich in twee rijen +ter weerszijden daarvan op. + +</p> +<p>“Zie zoo, eindelijk zullen wij Zijne Majesteit dan zien!” zei Max Huber. + +</p> +<p>Maar het was Zijne Majesteit niet, die uit de hut kwam. Een soort meubel, bedekt met een bladerkleed, werd naar het midden +van het plein gedragen. En wie schetst de verbazing van de twee vrienden, toen zij in dat meubelstuk een gewoon straatorgel +herkenden! + +</p> +<p>Hoogst waarschijnlijk kwam dit instrument alleen te voorschijn bij hooge, feestelijke gelegenheden en betuigden de Wagdies +aan de muziek, die er uit voortkwam, den grootsten eerbied. + +</p> +<p>“Het is het orgel van dokter Johausen”, fluisterde John Cort. + +</p> +<p>“Ja, dat moet”, antwoordde Max Huber, “en nu begrijp ik, hoe ik in den nacht voor wij in dit dorp kwamen, de wals uit de <i>Freischütz</i> heb kunnen hooren.” +<a id="d0e2246"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2246">136</a>]</span></p> +<p>“En daar heb je mij niets van gezegd, Max!” zei John Cort verwijtend. + +</p> +<p>“Ik dacht natuurlijk dat ik gedroomd had!” hernam de Franschman. + +</p> +<p>“In elk geval moeten de Wagdies dit orgel uit de hut van den dokter gestolen hebben”, ging de Amerikaan voort. + +</p> +<p>“Ja, na eerst dien braven Duitscher vermoord te hebben”, antwoordde Max Huber bitter. + +</p> +<p>Een reusachtige Wagdie, waarschijnlijk de kapelmeester uit het dorp ging achter het orgel staan en begon te draaien, en dadelijk +weerklonk, zij het dan ook wat gebrekkig, omdat sommige noten ontbraken, de meergenoemde wals. Zoo volgde dus op het dansen +een concert, waarnaar de Wagdies met groote ingenomenheid luisterden. + +</p> +<p>Maar zouden deze brave dorpelingen wel weten, dat er nog andere wijsjes op het orgel zaten? Deze vraag kwam dadelijk bij John +Cort op. En het was inderdaad niet waarschijnlijk, dat deze zwartjes zouden weten, dat indien een knopje in het orgel verschoven +werd, er een andere melodie zou komen dan de wals uit de <i>Freischütz</i>. + +</p> +<p>Maar toen een half uur aan deze schepping van Weber besteed was, hield de zwarte orgelman met een forsche tjingel op en zoo +waar, daar verschoof hij een paar knoppen, precies als onze straatorgelman dat doet. + +</p> +<p>“Maar dat is sterk!” riep Max Huber. + +</p> +<p>En inderdaad, het was zeer vreemd, dat deze wilde, hetzij dan aap of mensch, wist, hoe hij met een orgel moest omgaan. + +</p> +<p>Weer begon hij aan de kruk te draaien en daar weerklonk een andere melodie! + +</p> +<p>Maar daarmede scheen het repertoire van het orgel dan ook uitgeput. Nog een uur lang werd er op gespeeld, maar slechts de +twee stukken wisselden elkander beurtelings af. Toen begon het dansen weder en daar het duister werd staken eenige soldaten +toortsen aan, die het plein fantastisch verlichtten. + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e2273" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p137.jpg" alt="Het viel dadelijk op, dat zij zich bizonder hadden opgetooid. (Zie pag. 128)."></p> +<p class="figureHead">Het viel dadelijk op, dat zij zich bizonder hadden opgetooid. (<i>Zie pag.</i> 128). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Max Huber en John Cort begonnen echter genoeg te krijgen van het schouwspel en juist wilden zij heengaan <a id="d0e2282"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2282">139</a>]</span>om naar hunne hut terug te keeren, toen Lo-Mai zeide: “Mselo-Tala-Tala”. + +</p> +<p>Zou het waar zijn? Zou Zijne Majesteit zich thans verwaardigen de hulde van zijn volk in ontvangst te nemen? Bij het koninklijk +paleis ontstond werkelijk eenige beweging, daar ging de deur open, de lijfwacht stelde zich op en Raggi plaatste zich aan +het hoofd er van. Onmiddellijk daarna verscheen een troon, een oude sopha, bedekt met lappen en bladeren en gedragen door +vier zwarten en daarop troonde Zijne Majesteit. + +</p> +<p>Het was een man van ongeveer zestig jaren, met witten baard en haar en zeer dik, zoodat de dragers aan het vrachtje zeker +heel wat zouden hebben. + +</p> +<p>De stoel scheen een rondgang te gaan houden over het plein en de menigte boog zich diep ter aarde in plechtige stilte, alsof +zij door de hooge tegenwoordigheid van Mselo-Tala-Tala betooverd was. + +</p> +<p>Deze zelf scheen echter tamelijk onverschillig voor die huldebetuiging, waarop hij naar zijne meening zeker recht had en waaraan +hij gewend was. Te nauwernood gaf hij een flauwen hoofdknik; hij maakte geen gebaar, geen andere beweging dan dat hij zich +een paar malen over zijn neus krabde, een lange neus met een grooten bril er op, waaraan hij den naam van Vader Spiegel te +danken had. + +</p> +<p>Toen hij dicht langs onze vrienden kwam, kon John Cort zich niet weerhouden, uit te roepen: + +</p> +<p>“Maar het is een mensch!” + +</p> +<p>“En nog wel een blanke!” liet Max Huber er op volgen. + +</p> +<p>En inderdaad, er viel niet aan te twijfelen, het personage dat zich daar zoo deftig liet ronddragen, was zeer zeker geen inboorling, +geen neger, maar een echte, onvervalschte blanke! + +</p> +<p>“En hij kijkt niet eens naar ons! Hij schijnt ons niet eens op te merken!” bromde Max Huber. “Wat drommel, wij lijken toch +niet op die halve apen hier!” + +</p> +<p>“Stil!” zei John Cort, hem bij zijn arm grijpende, “ik herken hem thans, ik weet wie het is.” + +</p> +<p>“Wie het is?” + +</p> +<p>“Ja, het is dokter Johausen!” + + +<a id="d0e2308"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2308">140</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e2309"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK XVII.</h2> +<h2>Koning Johausen.</h2> +<p>John Cort had den dokter vroeger in Libreville ontmoet en hij kon zich dus niet vergissen, het was werkelijk de Duitsche geleerde, +die hier als vorst troonde over het volk der Wagdies! + +</p> +<p>Zijn geschiedenis is in weinig woorden verhaald. Drie jaar geleden was hij, aangespoord door de pogingen van professor Garner, +uit Malinba vertrokken, met een escorte negers, die levensmiddelen, ammunitie en andere onmisbare zaken droegen. Wij weten +reeds wat hij in het Oosten van Kameroen wilde doen: zich vestigen te midden van de apen, om hunne taal te bestudeeren. Maar +welke richting hij zou uitgaan, had hij aan niemand meegedeeld, want hij wilde alle eer voor zich alleen houden, en op dit +punt was hij inderdaad eenigszins van Lotje getikt. + +</p> +<p>Wat Khamis en zijne tochtgenooten op hunne terugreis ontdekt hadden, bewees ontwijfelbaar, dat de dokter in het groote oer-woud +de plek gevonden had, waar de rivier stroomde, die door Max Huber naar hem gedoopt was. Na zijn escorte te hebben teruggezonden, +had hij een vlot gemaakt en had zich met zijn trouwen inlandschen bediende daar op ingescheept. Te zamen hadden zij de traliehut +op den rechteroever opgericht en wij weten nog, dat Khamis daar een opschrijfboekje gevonden had, waaruit bleek, dat de dokter +tot 25 Augustus, derhalve dertig dagen in die hut gewoond had. + +</p> +<p>Had hij die toen vrijwillig verlaten? Dat was niet waarschijnlijk; men moest aannemen, dat de Wagdies, die het <span class="corr" title="Bron: geheel ewoud">geheele woud</span> doorkruisten, want onze vrienden hadden immers tot aan den rand van het woud hunne lichten gezien, hem hadden gevangen genomen +en meegevoerd. De inlandsche bediende was ongetwijfeld gevlucht, want als deze ook naar Ngala gebracht was, hadden John Cort +en zijne makkers hem moeten zien, en zeer zeker zou hij anders vandaag ook <a id="d0e2325"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2325">143</a>]</span>wel in den koninklijken stoet verschenen zijn, misschien wel als Eerste Minister. + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e2328" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p141.jpg" alt="Ging achter het orgel staan en begon te draaien. (Zie pag. 136)."></p> +<p class="figureHead">Ging achter het orgel staan en begon te draaien. (<i>Zie pag.</i> 136). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>In elk geval hadden de Wagdies dokter Johausen niet slechter behandeld dan Khamis en zijn reisgenooten. Waarschijnlijk getroffen +door zijn verstandelijke meerderheid, hadden zij hem tot hunnen Koning gemaakt, hetgeen ook John Cort of Max Huber overkomen +had kunnen zijn, wanneer de plaats thans niet reeds ingenomen was. En dus bekleedde de Duitsche geleerde, onder den naam van +Vader Spiegel of van Mselo-Tala-Tala, reeds drie jaren den Wagdieschen troon. + +</p> +<p>Dit gaf de verklaring van veel wat tot dusver onverklaarbaar was geweest: hoe verschillende Congoleesche woorden in de taal +van deze primitieve menschen waren gekomen en zelfs eenige Duitsche woorden, hoe zij wisten om te gaan met een draaiorgel, +hoe zij sommige stukken gereedschap wisten te maken, hoe dus een zekere beschaving over hen gekomen was. + +</p> +<p>Dit alles bespraken de twee vrienden met elkaar, toen zij na afloop van het feest in hunne hut waren teruggekeerd en toen +riepen zij Khamis. Zij brachten hem van alles op de hoogte en toen zei Max Huber: + +</p> +<p>“Maar nu begrijp ik niet, dat dokter Johausen geen verbazing heeft getoond over onze tegenwoordigheid in zijn dorp.” + +</p> +<p>“Ja, en ik kan niet begrijpen, waarom hij ons niet in zijn paleis ontboden heeft”, voegde John Cort er bij. + +</p> +<p>Hoe het zij, het stond vast, dat de geleerde, uitgegaan om tusschen apen te leven, terecht gekomen was tusschen een volk, +dat reeds op den menschelijken ladder stond en tot <span class="corr" title="Bron: dusve rnog">dusver nog</span> onbekend was. Hij had hun het praten niet behoeven te leeren, want dat konden zij reeds, hoogstens had hij hen wat Congoleesche +en Duitsche woorden bijgebracht. En als geneesheer had hij hen ook nog zulke groote diensten kunnen bewijzen, dat hij populair +was geworden en zij hem tot hunnen Koning hadden uitgeroepen. + +</p> +<p>“Het is duidelijk wat wij thans te doen hebben”, zei Max Huber, “ik wil aannemen, dat hij niet weet, dat wij hier zijn, dat +onze tegenwoordigheid voor hem verzwegen is, zelfs dat hij ons daar straks niet heeft <a id="d0e2352"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2352">144</a>]</span>opgemerkt, maar dit alles is voor ons reden te meer, om hem in zijn paleis op te zoeken.” + +</p> +<p>“Ho, ho!” zei John Cort. + +</p> +<p>“Ja zeker, en van avond nog; het volk aanbidt hem, het volk zal hem dus gehoorzamen en hij zal ons in vrijheid stellen en +naar de grens van zijn land laten brengen. + +</p> +<p>“En als hij dat weigert?” + +</p> +<p>“Waarom zou hij dat weigeren?” + +</p> +<p>“Welnu, als hij weigert”, antwoordde Max Huber, “dan zal ik hem zeggen dat hij niet waard is over deze halve negerapen te +regeeren, maar dat hij koning verdiende te zijn over stekelvarkens!” + +</p> +<p>Maar hoe dit zij, het plan van Max Huber was wel waard eens overwogen te worden. De gelegenheid was gunstiger dan zij zich +waarschijnlijk ooit zou voordoen. De Wagdies zouden half beschonken hunne roes uitslapen in hunne hutten, of wezenloos ronddwalen +door het woud, zelfs de krijgslieden hadden door den drank het hoofd verloren, het koninklijk paleis zou minder streng bewaakt +worden dan anders en het zou waarschijnlijk niet moeilijk zijn, tot in het vertrek van Mselo-Tala-Tala door te dringen. + +</p> +<p>Nadat het plan ook de instemming verworven had van Khamis, wachtte men tot het wat later in den avond en de dronkenschap in +het dorp nog wat algemeener zou zijn. + +</p> +<p>Eindelijk, omstreeks negen uur, verlieten Max Huber, John Cort, Llanga en de voorlooper hunne hut. Het was stikdonker buiten, +de laatste toortsen waren uitgebrand. In de verte, aan den anderen kant van het dorp, klonk verward rumoer. + +</p> +<p>Onze vrienden, die vast voornemens waren om te ontvluchten, hetzij dan met of zonder de toestemming van Zijne Majesteit, hadden +natuurlijk hunne karabijnen medegenomen en hunne zakken volgestopt met patronen. Werden zij tegengehouden of overvallen, dan +zouden zij dus hunne vuurwapenen laten medespreken, een taal, die de Wagdies nog niet zouden kennen. + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e2373" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p145.jpg" alt="En schudde den koning tamelijk oneerbiedig heen en weer. (Zie pag. 148)."></p> +<p class="figureHead">En schudde den koning tamelijk oneerbiedig heen en weer. (<i>Zie pag.</i> 148). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Voorzichtig sloop het viertal voort tusschen de hutten, <a id="d0e2382"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2382">147</a>]</span>die meerendeels ledig bleken en op het plein gekomen, zagen zij dat ook dit geheel verlaten en stikdonker was. + +</p> +<p>Alleen uit het venster van de koninklijke hut scheen licht. + +</p> +<p>“Er is niemand”, fluisterde John Cort. + +</p> +<p>En inderdaad had Raggi met de soldaten zijn post verlaten en op dezen avond was de vorst niet goed bewaakt, indien er in de +hut althans geen “kamerheeren van dienst” zouden zijn! + +</p> +<p>Langzaam sloop Llanga vooruit en bevond, dat de deur geopend kon worden door er tegen aan te drukken. John Cort, Max Huber +en Khamis voegden zich dadelijk bij hem en een paar minuten bleven zij scherp luisteren, gereed om in geval van nood dadelijk +te vluchten. + +</p> +<p>Maar noch in de hut, noch daar buiten werd eenig gerucht gehoord. + +</p> +<p>Max Huber trad het eerst binnen, op den voet gevolgd door de anderen, die de deur achter zich sloten. De hut bleek te bestaan +uit twee ineenloopende vertrekken. Het eerste was donker en er was niemand in; maar door de openstaande tusschendeur zag men +een flauw lichtschijnsel en daar, op een divan tegen den achterwand, lag dokter Johausen. + +</p> +<p>Blijkbaar was dit meubelstuk met enkele andere, die hier stonden, tegelijk met den eigenaar uit de getraliede kooi hierheen +gebracht. + +</p> +<p>Maar op het gerucht dat de bezoekers maakten, richtte de dokter zich half op en wendde hij zijn hoofd om. + +</p> +<p>Werd hij juist uit een diepen slaap wakker? Het was waarschijnlijk, want hij scheen de tegenwoordigheid der vreemden niet +goed op te merken. + +</p> +<p>“Dokter Johausen”, zei John Cort in het Duitsch, “mijne vrienden en ik komen Uwe Majesteit onze hulde betuigen...” + +</p> +<p>De dokter gaf geen antwoord... Zou hij het niet begrepen hebben? Zou hij zijn eigen taal vergeten zijn, nu hij drie jaren +te midden der Wagdies gewoond had? + +</p> +<p>“Verstaat u mij?” hernam John Cort. “Wij zijn vreemden, die hier naar Ngala gevoerd zijn.” +<a id="d0e2408"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2408">148</a>]</span></p> +<p>Nog geen antwoord. + +</p> +<p>Thans kwam Max Huber nader en schudde den Koning tamelijk oneerbiedig heen en weer. + +</p> +<p>Als eenig antwoord trok Mselo-Tala-Tala een leelijk gezicht en ... stak zijn tong tegen de vreemden uit... + +</p> +<p>“Zou hij gek zijn?” mompelde John Cort. + +</p> +<p>“Dat zou ik meenen”, antwoordde Max Huber. + +</p> +<p>En ja, de ongelukkige geleerde was door zijn verblijf tusschen de Wagdies volslagen krankzinnig geworden. Maar juist dientengevolge +was hij waarschijnlijk tot Koning uitgeroepen. Immers ook bij de Indianen van het verre Westen, bij de Australische wilden +wordt een krankzinnige als een soort heilig wezen geëerd. + +</p> +<p>Maar thans verklaarde het zich ook, waarom de Koning heel niet naar de vreemde bezoekers had omgezien, waarom hij hen bij +zijn rondgang niet eens had opgemerkt! + +</p> +<p>“Wij kunnen op zijn hulp niet rekenen bij onze vlucht”, merkte Khamis zeer practisch op. + +</p> +<p>“Neen, zeker niet”, beaamde John Cort. + +</p> +<p>“En die zwarte wilden zullen ons nooit goedwillig heen laten gaan”, zei Max Huber. “Er is dus maar één ding: vluchten.” + +</p> +<p>“En wel dadelijk!” voegde Khamis er bij. “Kom mede, wij moeten de trap trachten te bereiken en het woud insnellen.” + +</p> +<p>“Alles goed en wel”, zei Max Huber, “maar de dokter...” + +</p> +<p>“De dokter?” + +</p> +<p>“Wij kunnen hem zóó niet achterlaten, het is onze plicht hem te bevrijden...” + +</p> +<p>“Maar als hij niet mee wil?” vroeg John Cort. + +</p> +<p>“Dat zullen wij onderzoeken”, hernam Max Huber. + +</p> +<p>Men begrijpt, dat het niet gemakkelijk zou zijn den zwaarlijvigen Duitscher mede te slepen, daarom namen de drie mannen hem +bij de armen en poogden hem op te beuren, maar met buitengewone kracht wierp hij hen van zich af. + +</p> +<p>“Dokter Johausen!” riep John Cort nog eens en met nadruk, maar de ongelukkige gaf geenerlei blijk zich dien naam te herinneren. + +<a id="d0e2445"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2445">149</a>]</span></p> +<p></p> +<div id="d0e2447" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p149.jpg" alt="Twee schoten weerklonken. (Zie pag. 152)."></p> +<p class="figureHead">Twee schoten weerklonken. (<i>Zie pag.</i> 152). +</p> +</div><p> + +<a id="d0e2454"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2454">151</a>]</span></p> +<p>“Hij wilde tusschen de apen wonen en is zelf een aap geworden”, zei Max Huber. + +</p> +<p>Er bleef dus niets anders over dan te vluchten en haastig verlieten zij het vertrek en ijlden naar buiten. + + + +</p> +<p class="div1"><a id="d0e2459"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2 class="label">HOOFDSTUK XVIII.</h2> +<h2>Onverwachte ontknooping.</h2> +<p>Buiten was alles nog stil, maar het was zóó donker tusschen de takken, dat het zeer moeilijk viel den weg naar de trap te +vinden. + +</p> +<p>Eensklaps stond een Wagdie voor hen! + +</p> +<p>Het was Lo-Mai met zijn kind. Het knaapje had de vreemden de koninklijke hut zien binnengaan en was zijn vader gaan waarschuwen. +En de brave neger, bevreesd dat den vreemdelingen eenig kwaad overkomen kon, had hen dadelijk opgezocht en bood hun thans +zijn hulp als gids aan. + +</p> +<p>Gretig namen zij dit aanbod aan en zoo bereikten zij de trap, maar wie schetst hun schrik: de toegang werd bewaakt door Raggi +en een dozijn krijgslieden. + +</p> +<p>Zouden zij met hun vieren die overmacht kunnen verjagen? + +</p> +<p>Max Huber achtte het oogenblik gekomen om van zijn karabijn gebruik te maken, maar dadelijk sprongen <span class="corr" title="Bron: Ragig">Raggi</span> en twee zijner mannen op hem toe. De Franschman ging achterwaarts, legde aan, vuurde en midden in de borst getroffen, stortte +Raggi dood neer. + +</p> +<p>Blijkbaar kenden de Wagdies het gebruik en de uitwerking van vuurwapenen niet. Het geluid van het schot en het neervallen +van Raggi veroorzaakten eene ontsteltenis bij hen, waarvan geen beschrijving is te geven. Allen vlogen weg, eenigen het dorp +in, anderen, als apen zoo vlug, de trap af. + +</p> +<p>De weg was dus vrij en onze vrienden lieten zich als het ware naar beneden glijden, liepen wat zij loopen konden in de richting +der Rio en zoodra zij die bereikt hadden, maakten zij een der daar liggende <span class="corr" title="Bron: kanoes">kano’s</span> los <a id="d0e2486"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2486">152</a>]</span>en scheepten zich in met Lo-Mai en zijn kind, die bij hen gebleven waren. + +</p> +<p>Maar op hetzelfde oogenblik werden aan alle kanten fakkels ontstoken en van alle zijden klonken luide kreten, terwijl een +wolk van pijlen op de vluchtelingen werd afgezonden. + +</p> +<p>“Er blijft niets anders over”, riep John Cort, “vuur!” + +</p> +<p>Twee schoten weerklonken, twee Wagdies stortten neder en de aanstormende wilden bleven een oogenblik verschrikt staan. + +</p> +<p>Op hetzelfde oogenblik kwam de kano in het midden der rivier, de stroom voerde haar mee en zij verdween tusschen de zware +boomstammen. +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>Het is onnoodig den verderen tocht <span class="corr" title="Bron: naaar">naar</span> het Zuid-Westen, in alle bizonderheden te beschrijven. Den eerstvolgenden avond legde Khamis de kano aan een boomstam vast. +Het was toen de 16e April, Lo-Mai en zijn kind bleven dien nacht nog bij de vreemden, maar toen den volgenden morgen de reis +zou worden voortgezet gaf de neger te kennen, dat hij niet verder wilde meegaan. Hoe John Cort en Max Huber ook aandrongen, +dat het tweetal hen vergezellen zou naar Libreville, niets baatte, er viel niets anders te doen dan afscheid te nemen van +den braven man, die uit dankbaarheid wegens de redding van zijn kind, hun als gids zulk een onwaardeerbaren dienst bewezen +had. + +</p> +<p>Zoo ging de kano weder naar het midden der rivier, terwijl Lo-Mai en zijn zoontje aan den oever bleven staan, en wederzijds +wuifde men elkander tot afscheid toe. + +</p> +<p>Op den 21sten April werd de stroom sterker en bleek het dus, dat men de Oebanghi naderde; naar schatting waren driehonderd +Kilometer sedert het vertrek uit Ngala afgelegd. En inderdaad, reeds den 26en bereikte men aan den rechteroever een klein +dorpje, dat niet meer dan 900 Kilometer van Libreville bleek verwijderd te zijn. + +</p> +<p>De voorlooper richtte hier dadelijk een karavaan in en bijna in rechte lijn voorttrekkende naar het Westen, kwamen John Cort, +Max Huber, Khamis en Llanga den 20en Mei in de factory aan, waar zij door hunne <a id="d0e2509"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2509">155</a>]</span>vrienden, die hen reeds als verloren hadden beschouwd, met open armen werden ontvangen. + + +</p> +<p></p> +<div id="d0e2512" class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p153.jpg" alt="En wederzijds wuifde men elkander tot afscheid toe. (Zie pag. 152)."></p> +<p class="figureHead">En wederzijds wuifde men elkander tot afscheid toe. (<i>Zie pag.</i> 152). +</p> +</div><p> + + +</p> +<p>En dokter Johausen?... En het negerdorp in de lucht? + +</p> +<p>Ongetwijfeld zal vroeg of laat een expeditie in nadere aanraking komen met het onbekende volk in het diepste van het oerwoud. +Mocht het gebeuren, dat zij den Duitschen geleerde dan weder naar Malmba terugbrengt, dan is het de vraag of hij niet zal +terug verlangen naar den tijd, toen hij als Koning Mselo-Tala-Tala over dat primitieve volkje regeerde. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p155.jpg" alt="Kano op rivier in oerwoud."></p> +</div><p> + + +</p> +</div> +<div class="backmatter"><a id="d0e2529"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2529">157</a>]</span><p class="div1"><a id="d0e2530"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Inhoud</h2> +<ul> +<li> 1. <a href="#d0e93">Na een langen marsch</a> 1. + +</li> +<li> 2. <a href="#d0e219">De bewegende vuren</a> 8. + +</li> +<li> 3. <a href="#d0e409">Verstrooid</a> 19. + +</li> +<li> 4. <a href="#d0e560">Geen keuze</a> 28. + +</li> +<li> 5. <a href="#d0e712">De eerste dagen in het woud</a> 36. + +</li> +<li> 6. <a href="#d0e782">Altijd naar het Zuidwesten</a> 43. + +</li> +<li> 7. <a href="#d0e896">De ledige kooi</a> 50. + +</li> +<li> 8. <a href="#d0e1023">Dokter Johausen</a> 59. + +</li> +<li> 9. <a href="#d0e1177">Op de Johausen-rivier</a> 71. + +</li> +<li>10. <a href="#d0e1285">Ngora</a> 79. + +</li> +<li>11. <a href="#d0e1394">De reis van den 19den Maart</a> 84. + +</li> +<li>12. <a href="#d0e1531">Na de schipbreuk</a> 91. + +</li> +<li>13. <a href="#d0e1694">Een dorp in de lucht</a> 96. + +</li> +<li>14. <a href="#d0e1893">De wagdies</a> 108. + +</li> +<li>15. <a href="#d0e1996">Drie weken studie</a> 116. + +</li> +<li>16. <a href="#d0e2117">Zijne Majesteit Koning Mselo-Tala-Tala</a> 127. + +</li> +<li>17. <a href="#d0e2309">Koning Johausen</a> 140. + +</li> +<li>18. <a href="#d0e2459">Onverwachte ontknooping</a> 151. +</li> +</ul><a id="d0e2625"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2625">157</a>]</span><p class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e2530">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Lijst der Platen.</h2> +<ul> +<li><a href="#d0e72">“Max Huber en Llanga”</a> (<i>Titelplaat</i>) + +</li> +<li><a href="#d0e172">“Het drietal zette den tocht voort”</a> 5. + +</li> +<li><a href="#d0e238">“De lichten schenen thans wel vijftig en honderd voet boven den beganen grond”</a> 9. + +</li> +<li><a href="#d0e283">“Toen kon hij de anderen behulpzaam zijn om tegen den stam op te klimmen”</a> 13. + +</li> +<li><a href="#d0e458">“Daar weerklonk een schot”</a> 21. + +</li> +<li><a href="#d0e523">“Het was een Inyala, een soort antilope”</a> 25. + +</li> +<li><a href="#d0e577">“Had John Cort geen oogen genoeg om de prachtige plantenwereld te bewonderen”</a> 29. + +</li> +<li><a href="#d0e722">“Toen hij eensklaps een hand op zijn schouder voelde”</a> 37. + +</li> +<li><a href="#d0e774">“Max Huber legde dadelijk zijn karabijn aan”</a> 41. + +</li> +<li><a href="#d0e815">“En riep luidkeels: de Rio! de Rio!”</a> 45. + +</li> +<li><a href="#d0e958">“Na een poos ontdekten zij het tweetal, aan den linkeroever”</a> 53. + +</li> +<li><a href="#d0e1015">“En in die tralies was een deurtje”</a> 57. + +</li> +<li><a href="#d0e1051">“Daar de dokter zich verbeeldde, dat de apen niet ongevoelig zouden zijn voor de schoonheden der muziek”</a> 61. + +</li> +<li><a href="#d0e1106">“Er was nu een ijzeren pot, men kon dus een soort soep koken”</a> 65. + +</li> +<li><a href="#d0e1152">“Het duurde niet lang of een gulzige snoek beet aan en werd aan boord gehaald”</a> 69. + +</li> +<li><a href="#d0e1212">“Op de takken der boomen wemelde het van apen”</a> 73. + +</li> +<li><a href="#d0e1268">“Eenige oogenblikken verkeerden de reizigers in grooten angst”</a> 77. + +</li> +<li><a href="#d0e1421">“En staken hem hunne hand toe”</a> 85. +<a id="d0e2706"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e2706">158</a>]</span></li> +<li><a href="#d0e1704">“De buffel scheen niet van plan om heen te gaan”</a> 97. + +</li> +<li><a href="#d0e1760">“Zij werden meegesleurd in de kolk”</a> 101. + +</li> +<li><a href="#d0e1819">“Hij poogde tusschen het bladerengewelf door, een <span class="corr" title="Bron: srukje">stukje</span> van den hemel te ontdekken”</a> 105. + +</li> +<li><a href="#d0e1906">“Er bleef niets anders over dan voort te loopen”</a> 109. + +</li> +<li><a href="#d0e1960">“Stond hij uit te kijken, of hij het licht nog niet zag verschijnen”</a> 113. + +</li> +<li><a href="#d0e2008">“Stonden in zekere regelmaat hutten van stroo”</a> 117. + +</li> +<li><a href="#d0e2058">“Vooraf gegaan door Li-Mai die Llanga bij de hand hield”</a> 121. + +</li> +<li><a href="#d0e2109">“Toen de beide schildwachten hem dreigend den weg versperden”</a> 125. + +</li> +<li><a href="#d0e2151">“Schoten zij de vogels met kleine pijltjes”</a> 129. + +</li> +<li><a href="#d0e2209">“Met bijlen gewapend, storten zij zich tusschen de troep”</a> 133. + +</li> +<li><a href="#d0e2273">“Het viel dadelijk op, dat zij zich bizonder hadden opgetooid”</a> 137. + +</li> +<li><a href="#d0e2328">“Ging achter het orgel staan en begon te draaien”</a> 141. + +</li> +<li><a href="#d0e2373">“En schudde den koning tamelijk oneerbiedig heen en weer”</a> 145. + +</li> +<li><a href="#d0e2447">“Twee schoten weerklonken”</a> 149. + +</li> +<li><a href="#d0e2512">“En wederzijds wuifde men elkander tot afscheid toe”</a> 153. +</li> +</ul> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's In de Oer-wouden van Afrika, by Jules Verne + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IN DE OER-WOUDEN VAN AFRIKA *** + +***** This file should be named 18120-h.htm or 18120-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/1/2/18120/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +*** END: FULL LICENSE *** + + + +</pre> + +</body> +</html> + diff --git a/18120-h/images/cover.jpg b/18120-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..44e4090 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/cover.jpg diff --git a/18120-h/images/p000.jpg b/18120-h/images/p000.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fbf751e --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p000.jpg diff --git a/18120-h/images/p005.jpg b/18120-h/images/p005.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f09b02a --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p005.jpg diff --git a/18120-h/images/p009.jpg b/18120-h/images/p009.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..fd0afff --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p009.jpg diff --git a/18120-h/images/p013.jpg b/18120-h/images/p013.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ec7d2c6 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p013.jpg diff --git a/18120-h/images/p021.jpg b/18120-h/images/p021.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5ce2243 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p021.jpg diff --git a/18120-h/images/p025.jpg b/18120-h/images/p025.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7d40c08 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p025.jpg diff --git a/18120-h/images/p029.jpg b/18120-h/images/p029.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..57229b8 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p029.jpg diff --git a/18120-h/images/p037.jpg b/18120-h/images/p037.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f2482b6 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p037.jpg diff --git a/18120-h/images/p041.jpg b/18120-h/images/p041.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9fb3594 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p041.jpg diff --git a/18120-h/images/p045.jpg b/18120-h/images/p045.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..212d691 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p045.jpg diff --git a/18120-h/images/p053.jpg b/18120-h/images/p053.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c8d868b --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p053.jpg diff --git a/18120-h/images/p057.jpg b/18120-h/images/p057.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..dc68b71 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p057.jpg diff --git a/18120-h/images/p061.jpg b/18120-h/images/p061.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f6871dd --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p061.jpg diff --git a/18120-h/images/p065.jpg b/18120-h/images/p065.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..95e3246 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p065.jpg diff --git a/18120-h/images/p069.jpg b/18120-h/images/p069.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..71b08cb --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p069.jpg diff --git a/18120-h/images/p073.jpg b/18120-h/images/p073.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e4a204c --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p073.jpg diff --git a/18120-h/images/p077.jpg b/18120-h/images/p077.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1b93307 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p077.jpg diff --git a/18120-h/images/p085.jpg b/18120-h/images/p085.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..78cf2f3 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p085.jpg diff --git a/18120-h/images/p097.jpg b/18120-h/images/p097.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7418aa6 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p097.jpg diff --git a/18120-h/images/p101.jpg b/18120-h/images/p101.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b6baddd --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p101.jpg diff --git a/18120-h/images/p105.jpg b/18120-h/images/p105.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..18ae50a --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p105.jpg diff --git a/18120-h/images/p109.jpg b/18120-h/images/p109.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..032b30b --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p109.jpg diff --git a/18120-h/images/p113.jpg b/18120-h/images/p113.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3e67f7b --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p113.jpg diff --git a/18120-h/images/p117.jpg b/18120-h/images/p117.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d7ddae3 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p117.jpg diff --git a/18120-h/images/p121.jpg b/18120-h/images/p121.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f1162af --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p121.jpg diff --git a/18120-h/images/p125.jpg b/18120-h/images/p125.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..546cf3a --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p125.jpg diff --git a/18120-h/images/p129.jpg b/18120-h/images/p129.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d46dbb1 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p129.jpg diff --git a/18120-h/images/p133.jpg b/18120-h/images/p133.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b66fc52 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p133.jpg diff --git a/18120-h/images/p137.jpg b/18120-h/images/p137.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..adb5d72 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p137.jpg diff --git a/18120-h/images/p141.jpg b/18120-h/images/p141.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8bf1775 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p141.jpg diff --git a/18120-h/images/p145.jpg b/18120-h/images/p145.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3c35e72 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p145.jpg diff --git a/18120-h/images/p149.jpg b/18120-h/images/p149.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..dbb9a6f --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p149.jpg diff --git a/18120-h/images/p153.jpg b/18120-h/images/p153.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b48a088 --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p153.jpg diff --git a/18120-h/images/p155.jpg b/18120-h/images/p155.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b4c3dae --- /dev/null +++ b/18120-h/images/p155.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..0e9c1b9 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #18120 (https://www.gutenberg.org/ebooks/18120) |
