summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/18072-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:52:29 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:52:29 -0700
commitbef7f7e21475f959bc0a63ab3e6d32107bbf988b (patch)
tree9c5f4d72dacb8fad99d077548028ce3714552fc9 /18072-8.txt
initial commit of ebook 18072HEADmain
Diffstat (limited to '18072-8.txt')
-rw-r--r--18072-8.txt3335
1 files changed, 3335 insertions, 0 deletions
diff --git a/18072-8.txt b/18072-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..8b896d9
--- /dev/null
+++ b/18072-8.txt
@@ -0,0 +1,3335 @@
+Project Gutenberg's Dierenleven in de wildernis, by William J. Long
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Dierenleven in de wildernis
+ Schetsen uit het leven der dieren hun natuurlijke aanleg
+ en wat zij leeren moeten
+
+Author: William J. Long
+
+Illustrator: Charles Copeland
+
+Translator: Cilia Stoffel
+
+Release Date: March 29, 2006 [EBook #18072]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Dierenleven in de Wildernis
+
+ Schetsen uit het leven der dieren hun natuurlijke aanleg en wat zij
+ leeren moeten
+
+
+
+ Met toestemming van den schrijver William J. Long uit het Engelsch
+ vertaald door Cilia Stoffel
+
+ Teekeningen van Charles Copeland
+
+
+ Derde Druk
+
+ Rotterdam MCMXXI
+
+ W. L. & J. Brusse's Uitgevers-Maatschappij
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Opdracht 6
+ Voorrede 7
+ Op Weg naar School 9
+ Wat een jong Hertje moet weten 25
+ Een Kreet in het Donker 36
+ Ismaques, de Vischarend 57
+ Hoe de kleine Visschers les kregen 75
+ Het blijde Leven 86
+ Hoe de Dieren sterven 112
+ De Indiaansche namen 125
+
+
+
+
+
+
+
+DIT BOEK OVER NATUUR EN DIERENLEVEN DRAAG IK AAN DE BROEDERSCHAP VAN
+NATUURLIEFHEBBERS OP.
+
+Zoo luidt de opdracht van deze schetsen, en ik meende er de woorden
+aan te mogen toevoegen, waarmee de schrijver een zijner andere boeken
+de wereld inzond: "Deze schetsen draag ik aan de onderwijzers op, die
+er naar streven hun lessen in natuurlijke historie aantrekkelijker,
+pittiger te maken; die hun leerlingen, buiten het eigenlijke gebied
+der wetenschap om, een blik gunnen in die wijde natuur, waar hun
+een wereld opengaat, zoo heerlijk, dat ze ver boven de wereld der
+wetenschappelijke feiten reikt."
+
+ C. S.
+
+
+
+
+
+VOORREDE
+
+
+Het meerendeel der volgende schetsen ontstond in het bosch, waar de
+dieren die ze behandelen vlak om mijn tent heen leefden. Zij zijn alle
+natuurgetrouw en geven tevens een kijkje in sommige weinig bekende
+levensgeheimen van een massa vogels en andere dieren--schuwe, wilde
+wezens meestal, die zich verbergen voor het aangezicht der menschen
+en hun nesten of holen in het hartje der wildernis maken.
+
+De schrijver trachtte de oorzaken op te sporen van de dingen die
+hij zag; de beteekenis te doorgronden van dat raadselachtige,
+dat vogels en andere dieren in hun doen en laten hebben. Als deze
+schetsen dus een geheel vormen, is dit daaraan te danken. Een
+poging tenminste om dat raadselachtige op te lossen kan men in
+de inleiding tot dit Dierenleven, het eerste hoofdstuk, vinden,
+waar tevens inlichtingen over doel en onderwerp van dit boek
+voorkomen. Evenals in mijn vorige uitgaven geef ik de dieren hier de
+namen die ze van de Milicete-Indianen gekregen hebben, en ik doe dit
+deels om de prettige herinneringen die ze bij mij opwekken, deels
+om het persoonlijk karakter dat elk levend wezen er door krijgt,
+maar toch voornamelijk omdat zoo'n naam de eigenaardigheid heeft,
+door den klank, door een kleine aanduiding, ons het dier zelf voor
+oogen te tooveren. Wie het kleine wezen dat onder het trapje van zijn
+huisdeur woont, dat zijn kruimeltjes eet en op een fluitje afkomt,
+maar gewoonweg pad noemt, hem zegt dat woord niets; maar als Simmo
+[1] het heeft over K'dunk, den Dikkerd, dan weet ik tenminste iets
+van de taal die dat merkwaardige schepseltje er op nahoudt en kan ik
+mij zoo'n beetje voorstellen hoe het er uitziet.
+
+Twee of drie dezer schetsen hebben al eens in verschillende
+tijdschriften gestaan, maar de andere komen alle zoo uit mijn oude
+opschrijfboekjes en uit de papieren waarin de herinneringen aan mijn
+verblijf in de wildernis staan opgeteekend in dit nieuwe boek. De
+bekwame teekenstift van mijn vriend Charles Copeland doet er de
+dieren weer leven, tot ze van achter oude, mossige boomstronken
+naar mij staan te gluren, of wegglippen in het lichte loover van hun
+eenzame schuilhoeken; even nog blijven ze staan luisteren en kijken
+onderzoekend naar mij om--net als ze in de wildernis deden.
+
+
+ WILLIAM J. LONG.
+
+
+Stamford, Conn.
+September, 1902.
+
+
+
+
+
+
+
+OP WEG NAAR SCHOOL.
+
+
+'t Was voor den tweeden keer, jaren geleden, dat ik zag hoe
+een ottermoeder haar niets kwaads vermoedende jongen leerde
+zwemmen.--Daarbij droeg zij ze op haar rug het water in, alsof 't
+uit de grap gebeurde, en eer ze beseften wat zij eigenlijk in den
+zin had, was zij onder hen uitgedoken. Maar als ze dan wanhopig in
+dat onbekende element lagen te spartelen, dook zij weer naast hen op
+en begon ze te helpen en aan te moedigen, terwijl ze in den wilde
+den weg naar het vaste land terugzochten. Toen ze dit eindelijk
+bereikten, krabbelden ze naar boven, piepten, schudden zich af,
+keken nog eens benauwd naar de rivier en glipten dan hun hol in. Een
+poosje later kwamen ze heel behoedzaam weer voor den dag, maar geen
+vriendelijke overredingskracht van de moeder kon er hen toe krijgen
+nu eens op hun eigen houtje te probeeren in het water te springen;
+en al vleide ze nog zoo, al rolde zij jolig in de dorre bladeren,
+het gaf alles niets--zij bedankten er dien dag voor weer op haar rug
+te klimmen, zooals ik deze en vroeger andere jonge otters zonder zich
+een oogenblik te bedenken wel twintig keer had zien doen.
+
+Toen ik na dat merkwaardige voorval door het schemerige bosch naar
+huis ging, moest ik er aldoor aan denken hoe ikzelf op net zoo'n manier
+had leeren zwemmen van een grooter jongen. Hij van zijn kant was niet
+zoo behulpzaam, maar genoot des te meer, en van den mijnen kwam er
+heel wat meer geplas en gespartel aan te pas dan bij de vorderingen
+van de jonge ottertjes.
+
+Dat merkwaardige tooneeltje aan de kalme rivier--en zoo worden er
+'s zomers in 't bosch wel duizenden opgevoerd, zonder dat iemand
+er op let--opende mijn oogen het eerst voor het feit, hoe het dier
+dat in het wild leeft bijna alles wat het weet op dezelfde wijze
+moet leeren als wij; en om het te leeren moet een ander het hem
+bijbrengen. Daaraan dacht ik toen ik uit mijn oude opschrijfboekjes en
+zomersche dagboeken deze schetsen verzamelde. Vanzelf scharen zij zich
+om één hoofdgedachte; deze namelijk: van hoe vér-strekkenden invloed
+de eerste opvoeding op het verdere bestaan van elk levend wezen is.
+
+Dat een dier dezelfde opvoeding krijgt als wijzelf en deze dus
+hoofdzakelijk van het onderwijs afhangt, is misschien een nieuw
+gezichtspunt op 't gebied der natuurlijke historie. De meeste menschen
+wanen dat een dierenleven in de natuur geheel beheerscht wordt door
+zijn instinct; en zij die meenen dat een kinderkarakter al grootendeels
+door de erfelijkheid voorbeschikt is hooren tot diezelfde groep van
+menschen. Ik voor mij ben er na al die jaren, dat ik de dieren in
+hun gewone doen heb waargenomen, van overtuigd dat het instinct lang
+zoo'n groote rol niet speelt als wij steeds gemeend hebben; dat het
+niet van het instinct afhangt of een dier al dan niet ondergaat in
+dien voortdurenden strijd om 't bestaan, maar wel van de leerschool
+die het bij zijn moeder heeft doorloopen. En hoe meer ik van kinderen
+zie, hoe vaster het bij mij staat dat de erfelijkheid (niets dan een
+andere naam voor een geheel van instincten, die langzamerhand een
+hoogeren graad van ontwikkeling bereikt hebben) slechts een geringe
+rol speelt in de geschiedenis en de bestemming van het kind, maar dat
+oefening er voor in de plaats komt, er den voornaamsten factor van
+vormt--oefening in de jeugd. Loyola, met zijn zeldzaam diepen kijk op
+al wat het kinderleven betreft, had gelijk toen hij zoo ongeveer het
+volgende zei: "Geef mij een kind tot zijn zevende jaar, dan doet het
+er niet veel meer toe bij wien het later komt, want mij hoort het toe
+voor tijd en eeuwigheid". Zet zeven weken in plaats van zeven jaar,
+en ge zult een flauw besef krijgen van het plan waarnaar onbewust
+elk moedertje in de natuur handelt.
+
+Om het waarschijnlijke van deze bewering aan te toonen zijn er
+van die eigenaardige feiten en kenmerkende trekjes genoeg uit het
+dierenleven te zien, zelfs voor hem die maar af en toe in bosch en
+veld op verkenning uit is.
+
+De jongen die door een ernstig ongeluk of, nog droeviger, door boos
+opzet van hun moeders opvoeding verstoken blijven hebben niet veel
+aan hun instinct, want zij zijn steeds de eersten die het onderspit
+delven in hun strijd tegen de sterkeren. In de uitgestrekte bosschen
+worden zij alleen groot, die hun natuurlijke voorgangers volgen tot
+ze wijs genoeg zijn. Wanneer de zomer lang duurt en de opvoeding
+van de kleintjes voltooid is, krijgen de dieren nog wel eens jongen,
+broeden de vogels voor de tweede maal, maar die worden dan gewoonlijk
+tegen den winter aan hun lot overgelaten, eer hun eenvoudige opvoeding
+ook maar half voltooid is. Overgelaten aan hun instinct, onvoldoende
+voorbereid, vallen _zij_ ten prooi aan de zwervende roofdieren, die
+hongerig in de natuur rondsluipen, terwijl de jongen die een betere
+leerschool doormaakten leven en gedijen--in dezelfde bosschen, te
+midden van dezelfde gevaren. Ja, wat nog meer zegt: huisdieren, wier
+natuurlijke aanleg bewaard bleef, maar die de kunstjes niet kennen
+welke een wilde moeder hun zou hebben geleerd, denken er niet aan
+partij te trekken van hun omgang met den mensch, maar staan bijna
+hulpeloos, als ze bij ongeluk het spoor bijster raken of het oude,
+vrije leventje in de bosschen moeten hervatten. Dan baat instinct
+hun niet; ze weten zich niet zooals hun wilde stamgenooten voor hun
+vijanden te verbergen; zij zien ook geen kans om aan voedsel te komen;
+en als de havik neerschiet of de boschkat te voorschijn springt,
+zijn zij de eersten die er 't leven bij laten.
+
+Waar ge ook in de bosschen komt, overal zal die meening nog bij u
+versterkt worden. Ik zat eens op een middag te kijken hoe vijf of zes
+rendiermoeders dunkt mij bezig waren hun jongen de eerste regels van
+den omgang en het gezellig verkeer te leeren. Tot op dat oogenblik
+hadden de jongen in strenge afzondering, elk bij zijn eigen moeder,
+geleefd, zooals alle andere dieren in de natuur--een uitstekende
+methode, tusschen twee haakjes, waar menschenmoeders misschien nog
+een voorbeeld aan kunnen nemen. Nu werden ze voor het eerst bij
+elkaar gebracht; vast een voorproefje van het leven 's winters,
+als alle rendieren in kudden over de open vlakten zwerven.
+
+Ze werden door de moeders naar een open plek in 't bosch gebracht,
+naar 't midden geduwd en daar alleen gelaten om kennis te maken, wat al
+heel langzaam en omzichtig in zijn werk ging. Ondertusschen stonden de
+moeders uit de schaduw naar hen te kijken; de bedeesde moedigden zij
+aan, en die den baas wilden spelen en begonnen te stooten straften
+ze of duwden ze op zij. Toen moesten ze spelenderwijs in groepjes
+leeren draven en over omgevallen boomen springen--een noodzakelijke,
+maar toch een heel moeilijke les voor een rendier, dat nu weliswaar
+in de uitgestrekte bosschen woont, maar dat in vroeger eeuwen op de
+open noordelijke vlakten leefde, waar zijn spieren zoo'n verandering
+hebben ondergaan dat springen iets onnatuurlijks voor hem is geworden,
+zoodat hij het met veel geduld en moeite moet leeren. Een andermaal
+vindt ge een hertje in 't bosch verstopt--zooals het in het volgende
+hoofdstuk beschreven is--en ge staat er versteld van dat het niet
+wegspringt, maar zonder de minste vrees op u afkomt, uw handen likt,
+u achternaloopt en verlangend, droevig blaat, wanneer ge weer gaat. Ge
+moet misschien nog leeren dat vrees geen instinct is; dat de meeste
+dieren, als ge ze maar zoo vroeg vindt dat ze nog niets geleerd hebben,
+geen angst laten blijken, wanneer er iemand vriendelijk op ze toekomt,
+maar een levendige nieuwsgierigheid aan den dag leggen.
+
+Dwaalt ge een week of wat later door het bosch, dan hoort ge plotseling
+een noodsignaal en ziet ge datzelfde hertje weer wegstuiven, alsof 't
+om zijn leven ging. Toch zijt gij gebleven die ge waart; onveranderd
+bleef uw vriendelijkheid; evenmin als vroeger kwam 't in uw hart op ook
+maar een schepsel kwaad te doen. Wat is er dan toch met dien zoon van
+Kis [2] gebeurd? Eenvoudig dit: dat er op zekeren dag, toen het hertje
+achter zijn moeder aan liep, een geur uit het kreupelhout dreef die
+niet in het bosch hoorde. Nauwelijks had de hinde dat geroken, of zij
+wierp haar kop achterover, stak haar neus in den wind, snoof, en met
+een sprong en een doordringenden kreet dat het hertje haar zou volgen
+snelde zij weg. Zoo'n les hoeft maar zelden herhaald te worden--van
+dat oogenblik af beteekent een bepaalde geur gevaar voor het hertje;
+en als de wind het gunstig gezind is en de lucht nog eens in zijn
+neusgaten wuift, zal het wegspringen, zooals hem geleerd is. Negen
+van de tien herten die in de wildernis bij onze nadering op de vlucht
+slaan hebben nog nooit een mensch gezien of kwaad van hem ondervonden;
+ze gehoorzamen dus eenvoudig aan een der voorschriften uit hun jeugd.
+
+Ge kunt de waarheid van deze bewering nog eenvoudiger op de proef
+stellen. Zoek in 't voorjaar eens een kraaiennest (ik kies de kraai,
+omdat zij de slimste vogel is en haar nest niet moeilijk is te vinden)
+en als de jongen bijna "vlug" zijn, ga er dan eens stilletjes heen. Op
+een gegeven dag zult ge zien hoe de moeder dicht bij het nest staat en
+tegenover de jongen haar vleugels uitspreidt; dan duurt het niet lang,
+of de kleintjes staan op en doen haar met uitgebreide vlerkjes na. Dat
+is de eerste les. Den volgenden dag ziet ge misschien hoe de oude vogel
+zich op de teenen opgeeft en zich door heftig fladderen in evenwicht
+houdt. Weer doen de jongen dit na, en zoo leeren ze al gauw dat hun
+vleugels het vermogen hebben hen te dragen. Den daarop volgenden dag
+kunt ge de beide ouden takop, takaf om het nest heen zien springen,
+en als de afstand groot is gebruiken ze hun vleugels. De kleintjes
+doen aan 't spelletje mee, en--kijk eens aan! ze hebben leeren vliegen,
+zonder ook maar in 't minst te beseffen dat ze er les in kregen.
+
+Dit alles heeft natuurlijk slechts op de hooger ontwikkelde
+diersoorten betrekking. De dieren die nog op een lagen trap staan
+worden in hun jeugd niet onderricht; om de eenvoudige reden dat ze
+maar zoo'n schijntje hoeven te weten en 't met hun instinct alleen
+wel af kunnen. De meer ontwikkelde echter moeten niet alleen zichzelf
+kennen, maar alles weten van de wezens die onder hen staan, omdat ze
+van die wezens afhankelijk zijn--het is hun voedsel; en een beetje
+moeten ze op de hoogte wezen van de schepsels die hun weer de baas
+zijn, omdat ze er zich door list of vlugheid tegen beveiligd moeten
+houden. En instinct alleen is voor deze dingen niet voldoende. Slechts
+een zorgvuldige, moederlijke opvoeding kan die leemte aanvullen en
+dat kleine, wilde goedje klaarmaken voor hun strijd met de wereld.
+
+Voor zoover ik heb kunnen nagaan, krijgen jonge visschen hoegenaamd
+geen opvoeding van hun ouders. Sommige laten zich maar gaan, waar ze
+den minsten tegenstand ondervinden en zakken stroom-af naar zee. Komt
+de tijd van kuitschieten weer, dan zoeken ze den weg van de zee naar
+de rivier terug--steeds dezelfde rivier is het--, waar ze werden
+uitgebroed. De meening is geuit, als zou dat heen- en weertrekken
+uit instinct gebeuren, maar daar ben ik nog zoo zeker niet van. Ik
+geloof--en dat geloof berust op de bijzondere studie die ik van
+forellen en zalmen gemaakt heb en op onlangs verschenen mededeelingen
+over diepzee-onderzoek--dat ze de groote visschen uit dezelfde rivier,
+die op grooter of kleiner afstand onder de kust in scholen worden
+aangetroffen, volgen, en niet alleen gehoorzamen aan hun instinct.
+
+In alle geval gaat dit zoo bij de vogels. Het instinct, dat hen
+tot den trek drijft, is eenvoudig een aandrift, die nauwelijks méér
+met het verstand te maken heeft dan bij ratten, bij eekhoorntjes,
+bij kikkers, bij wie zich op sommige tijden dezelfde sterke neiging
+tot trekken openbaart. Als ze aan zichzelve werden overgelaten,
+zouden de jonge vogels in het Noorden of in 't Zuiden nooit hun nest
+terugvinden. Er is echter iets anders dat hen drijft, nog sterker,
+en wel dit: ze willen met den troep meevliegen. De jonge sluiten
+zich dus aan bij de trekkende vogelscharen en leeren door de oude,
+die meer ervaring hebben, en _niet_ door hun instinct, den veiligen
+weg naar de kust kennen--de zeeën over, wildernissen door, nog door
+geen menschelijken voet betreden, tot daar waar hen een ongestoorde
+rustplaats en voedsel wacht.
+
+De eenige uitzondering op dien regel, voor zoover mij bekend is,
+maken de plevieren misschien. De jonge trekken een dag of tien of
+twaalf vroeger dan de oude naar het Zuiden, het groote gebied van
+Labrador tot Patagonië over. In een groote vlucht jonge goudpluvieren,
+die door een plotselingen zuidoosterstorm gedwongen waren op onze
+kust aan land te gaan, heb ik er een enkelen keer twee, drie oude
+waargenomen, kenbaar aan hun zwarte borst; en ik twijfel er geen
+oogenblik aan of deze oudere vogels zijn de gidsen. Ook komt het
+mij voor alsof zij bevelen geven bij de eindelooze vliegoefeningen,
+die de plevieren zoo geregeld houden als een peloton soldaten.
+
+Onze bewering krijgt nog steviger bewijsgronden, wanneer we bij de
+hoogere soorten komen. Het voornaamste en krachtigste instinct is daar,
+evenals bij kinderen, de gehoorzaamheid--maar er bestaat een belangrijk
+verschil tusschen die twee, tusschen het jonge menschelijke en het
+jonge wilde dier. De eenige gedachte die het dier bezielt, die door
+dagelijksche oefening bij hem was gewekt en versterkt, is deze: dat
+het er voor hem alleen op aankomt in de wereld op bevelen te letten
+en ze oogenblikkelijk te gehoorzamen, totdat hij groot is geworden en
+langzamerhand op zichzelf leert passen. Het kind daarentegen, dat tot
+in het oneindige toe verwend en vertroeteld wordt, dat maar geluid
+hoeft te geven en iedereen luistert er naar en er wordt een drukte
+van gemaakt alsof het een bevel van den koning zelf was, het kind
+verliest daardoor dikwijls genoeg het reddende gehoorzaamheidsinstinct
+en groeit op bij de gedachte, dat het in de wereld slechts bevelen
+heeft uit te deelen die anderen moeten gehoorzamen. En is het kwaad
+gebeurd, is het drie of vijf of twintig jaar, dan moeten wij het de
+gehoorzaamheid gaan bijbrengen die nooit had mogen verloren gaan;
+want zonder gehoorzaamheid is het leven een last.
+
+Wij wenden ons zoo dikwijls weer tot het dierenleven, met de gezonde,
+weldadige gewaarwording, hoe de levenswet in _dat_ rijk wordt gekend
+en geëerbiedigd. Gehoorzaamheid is alles voor het dier, dat zijn
+bestaan in de natuur heeft. Het is de cijns, dien de onwetendheid
+onbewust en ongemerkt aan de wijsheid, de zwakke aan den sterke
+betaalt. Dat begrijpen alle moeders in de natuur, van den patrijs
+af tot den panter toe; en steeds maar weer, op lange zomerdagen,
+in stille, ster-heldere nachten, geven zij er onderricht in, totdat
+de jongen van hun gehoorzaamheidsinstinct leeren partijtrekken,
+tot zij, dank zij hun zorgvuldige opvoeding, verstandig en krachtig
+opgroeien. Dit is in één woord, dunkt mij, het geheele geheim van
+het dierenleven. En wie er op let hoe zich dat alles afspeelt,
+wie er in meeleeft, hoe het wijfje van den vischarend ginds de
+natuurlijke neiging van haar jongen om in de bosschen te jagen
+overwint en hen inwijdt in de edeler geheimen van de vischvangst;
+hoe daar een ottermoeder haar jongen voor het eerst met het water
+vertrouwd maakt, waar ze van nature achterdocht tegen koesteren,
+en hun later wijst hoe ze diep en geruischloos moeten zwemmen,--die
+moet zich wel verbazen en tot nadenken komen. Wat hij daar om zich
+heen ziet gebeuren, als hij zijn oogen openzet, zal maken dat hij
+zijn onvolledige theorieën over instinct en erfelijkheid herziet.
+
+Daarom zou ik dit boek "de Boschschool" kunnen noemen; want 's zomers
+is de natuur net een groot schoolgebouw, waar in lokaal aan lokaal
+allerlei verstandige, geduldige moeders hun kleintjes les geven, en
+waarvan onze bewaarscholen slechts gebrekkige, tweederangs-navolgingen
+zijn. Dit is eerst eens een praktische school, waar alles gaat volgens
+de regelen der kunst; en zoo'n oppervlakkig Fransch of letterkundig
+vernisje kan er hier niet mee door! Gehoorzaamheid doet leven: dat
+is voorschrift nº. 1. Wat jammer dat wij menschen het niet beter
+geleerd hebben! In de natuur kent elke moeder het; zij dankt er
+haar leven aan; zij stampt het haar jongen in. Andere voorschriften
+komen pas in de tweede plaats: wanneer ze zich moeten verstoppen en
+wanneer vluchten; hoe ze moeten neerschieten en hoe beetgrijpen;
+hoe ze die groote verscheidenheid van dingen die ze in de wereld
+zien--klanken die ze hooren, geuren die ze ruiken--uit elkaar moeten
+houden en in hun geheugen prenten, om oogenblikkelijk de daad te
+laten volgen, zoodra iets tot hun bewustzijn doordringt--nog eens:
+al die verrichtingen die niet zoozeer een zaak van 't instinct zijn
+als wel van zorgvuldige oefening en nabootsing.
+
+Bij de opleiding die ze daar in 't bosch krijgen gaat het om het
+leven; daarom heerscht er ook een tucht zoo onverbiddelijk als de
+dood. Iemand die lang zoo'n troepje jonge boschbewoners waarneemt moet
+soms den adem in zijn keel voelen stokken, wanneer hij ziet met welk
+een barbaarschen ernst zelfs het eenvoudigste onderricht gegeven wordt.
+
+Er zullen slechts weinig moeders in de natuur zijn die ook maar de
+geringste speelschheid of eigenwijsheid in hun schooltjes dulden;
+en die vlugger van begrip zijn--de kraaien en wolven bijv.--maken
+onmeedoogend hun zwakke en koppige leerlingen dood. Toch kennen
+ook _zij_ teederheid en geduld, wordt er van de jongen nooit meer
+geëischt dan ze kunnen. Zitten de lessen er eenmaal in, dan blijven
+zij nog een paar dagen onder de hoede hunner onderwijzeressen en
+worden daarna de wereld ingestuurd om de proef op de som te nemen,
+en, dank zij hun opvoeding, in hun eigen onderhoud te voorzien en in
+'t leven te blijven.
+
+Er is nog iets. Het is in 't oog loopend hoe vroolijk het op die
+bijeenkomsten, op die merkwaardige bewaarschooltjes in de natuur
+toegaat. Hoe meer ik die moeders met haar leerlingen gadesla, hoe
+sterker het verlangen bij mij wordt, eens te kunnen nagaan _hoe_
+vrij zij zich wel voelen, _hoe_ zij genieten onder 't spelen, _hoe_
+levenslustig zij zijn. En dat is de groote les, die iemand met hart
+en oogen open al gauw in de boschschool leert.
+
+Ginds ligt een weidespreeuw neergedoken in 't dorre gras, en zijn
+kleur maakt hem onzichtbaar voor den grooten havik, die al maar
+boven hem rondkringt. Gisteren heb ik wel een uur naar dien spreeuw
+gekeken. Lang geleden heeft zijn moeder hem het verstandige van dat
+stilliggen geleerd, en zijn eenige gedachte is nu maar--voor zoover
+ik er over kan oordeelen--hoe volkomen hij voor dien scherpen blik,
+waaraan hij al zoo dikwijls is ontkomen, gedekt is door zijn kleur en
+zijn roerloosheid. Negen en negentig van de honderd keer is hij er ook
+heelemaal door gedekt en kan hij weer vroolijk zijn gang gaan. Als hij
+eenig begrip van de natuur had, (wat niet zoo is) zou hij dankbaar van
+die merkwaardige kleur wezen, _èn_ voor het feit dat de natuur ook nog
+aan haar andere kinderen dacht, toen ze den valk een scherpen blik
+gaf en maakte dat die oogen niet in staat zijn iets waar te nemen,
+wanneer het niet beweegt of geen sprekende kleur heeft. Maar _nu_
+meent de spreeuw dat het slim overleg van hem zelf was en lacht hij
+in zijn vuistje, zooals elk ander dier in de natuur doet.
+
+Er bestaat dan ook geen grooter dwaling dan de waan dat een dierenleven
+een aaneenschakeling van angstige oogenblikken zou zijn, van schrik
+en ontzetting, die het als nachtmerries vervolgen; want het is niet
+vreeselijk steeds op zijn hoede te zijn. Het dier maakt eenvoudig
+van zijn ongewone gaven gebruik, met de blijdschap en het vertrouwen
+die mensch en dier altijd kenmerken als ze hun buitengewone gaven
+gebruiken.
+
+De arend, die daar hoog boven zijn steilen bergtop op zijn prooi
+loert, geniet niet meer--neen, eer minder--van zijn gezichtsvermogen
+dan de hinde van het hare, als ze merkt hoe hij plotseling schuin naar
+beneden schiet, zoodat zij er alles van begrijpt, en haar jongen ergens
+verstopt waar ze doodstil moeten blijven liggen. Zijzelf draaft dan
+maar zoo in 't volle gezicht weg om de aandacht van den roover van
+haar kindertjes af te leiden, en op 't laatste oogenblik springt zij
+de ruigte in, waar de breede arendswieken niet kunnen volgen. Ze is
+ook volstrekt niet overstuur, maar als 't gevaar geweken is en zij
+terug komt huppelen, is zij zoo blij als een sijsje en juicht ze als
+een koningsvogel.
+
+Het _is_ gewoonlijk ook niet vreeselijk om te vluchten, maar het geeft
+een heerlijk gevoel van macht en zegepraal. Let maar eens op dat hert,
+hoe prachtig het daar--als een valk zoo licht en vlug--voortsnelt over
+een terrein waar elk ander dier met zijn pooten zou verward raken en
+aarzelend gaan. Kijk eens naar dien patrijs, als hij met zoo'n zuiver
+berekenden boog in de altijd-groene moerasplanten neerduikt om een
+schuilplaats te zoeken. 't Is of hoef en wiek om 't hardst het gevaar
+uitlachen dat achter hen dreigt, en genieten van hun kostelijke macht,
+van hun geoefendheid.
+
+Ik noem dit eenvoudige, op zichzelf zoo heuglijke feit, zoo klaar voor
+iedereen die met open oog door 't rijk der natuur gaat, slechts bij
+wijze van uitnoodiging: kom in die boschschool, lezer, en ik verzeker
+u dat er werkelijk zoo goed als niets te zien zal zijn van al wat u
+'t hart doet ineenkrimpen in uw eigen droeve wereld; geen treurspelen,
+geen tooneeleffect van ellende en strijd; integendeel: een opgewekt,
+gezond leven, dat vroolijk stemt en ons met dieper wijsheid, met
+hernieuwden moed tot onze eigen leerschool doet terugkeeren.
+
+De schrijver heeft in den laatsten tijd herhaaldelijk brieven gekregen
+van vriendelijke, gevoelige menschen, die van dieren houden en wien
+de gedachte aan al het leed dat er juist in de dierenwereld bestaat
+een marteling is. Sommigen zagen ook de tranen hunner kinderen om het
+denkbeeldige verdriet, het denkbeeldige leed van beesten; en al die
+menschen vragen: "Is het zoo? Lijden en treuren de dieren in stilte;
+komen ze ten slotte droevig om?"
+
+Gedeeltelijk als antwoord aan die verontruste vragers nu, heb ik
+twee hoofdstukken van meer algemeenen aard aan deze schetsen, die de
+dieren afzonderlijk behandelen, toegevoegd, in plaats van ze te laten
+liggen tot er in een lateren bundel opstellen en mededeelingen over
+de natuur een plaats voor openkwam. Het zijn: "het blijde Leven" en
+"hoe de Dieren sterven". Ze geven er, heel in 't algemeen, een kort
+verslag van hoe ik geloof dat het leven en sterven der dieren werkelijk
+_is_; en tot die overtuiging ben ik langzamerhand, in al dien tijd
+dat ik de wilde bewoners onzer bosschen en velden heb waargenomen en
+nagegaan, gekomen.
+
+En heeft mijn inleiding, die wel wat uitvoerig is, den lezer niet
+verveeld en hebben zijn kinderen niet te lang op een dierenverhaal
+moeten wachten--dit is nu eindelijk de school en dit zijn sommige
+van de natuurwezens die er werken en spelen.
+
+
+
+
+WAT EEN JONG HERTJE MOET WETEN.
+
+
+Tot op dezen dag is 't nog haast niet te begrijpen hoe een menschelijk
+oog ze ooit heeft kunnen vinden, zóó goed waren ze verstopt. Ik volgde
+den loop van een beekje, dat mij met zijn geruisch in het hartje van
+de groote bosschen naar een diepe vallei bracht. Er was een zware boom
+over mijn pad gevallen, die een brug over den stroom vormde. Nu zijn
+bruggen er om er over te loopen; dat is zoo duidelijk als iets, zelfs
+voor den onbeduidendsten boschbewoner. Ik ging dus op een bemosten
+boomtronk zitten om eens te kijken wie er mijn buren wel zouden zijn,
+en wat voor pootjes er zoo al langs 's Heeren wegen wandelden.
+
+Hier naast mij staan indrukken van klauwen in de vermolmde
+schors. Zoo'n diepe, forsche prent kan slechts van een beer zijn--en
+kijk maar! daar heeft het mos ook al losgelaten, is het afgebrokkeld
+onder zijn gewicht. Een rusteloos zwerver, die Mooween! Als zijn
+luie aard hem op zoo'n zomerdag toevallig eens een poosje begeeft,
+is het op de helling wel veertig mijlen in 't rond na te gaan
+waar hij bezig is geweest.--Daar, aan den anderen kant, liggen de
+bronsgroene schubben van een pijnappel--spaanders uit de werkplaats
+van een eekhoorn. Ze liggen er verspreid, alsof Meeko ze haastig van
+zijn gele voorschoot had gestreken, toen hij te voorschijn schoot
+om te gluren naar Mooween die voorbijging. Ginds is 't spoor van
+een "mink", en 't is zoo klaar als de dag dat Cheokkes daar een
+poosje heeft gezeten na zijn kikvorschenontbijt. En kijk eens hier,
+terwijl ik lui met mijn beenen boven de trage beek zit te bengelen,
+hangt er aan een boomstomp, waar ik met mijn elleboog tegenaan kom,
+een gekronkeld geel haar. Dit verraadt mij hoe Eleemos, de Leeperd,
+zooals Simmo hem noemt, er een hekel aan heeft om zijn pooten nat
+te maken en daarom een omgevallen boom of een steen in de beek als
+brug gebruikt, net als zijn soortgenooten bij de kolonisten.--Vlak
+voor mij lag nog een gevallen boom zóó langs het water dat geen
+dier er over zou loopen, of 't moest een "mink" zijn op roof
+uit--gevaarlijker beest zou er niet over denken. Onder de wortels
+die van de beek lagen afgewend was een verborgen en ruim kamertje,
+waar de uiteinden der neerhangende sparretakken als een gordijn voor
+de deuropening hingen. "Wat een mooie plaats voor een hol," dacht ik,
+"want niemand zou je daar ooit vinden"; maar--alsof 't gebeurde om
+mij tegen te spreken--daar vond me een verdwaalde zonnestraal het
+plekje en wekte een geglans en geflonker van dansende schaduw en
+spelend licht onder wortels en stam van den gevallen boom.
+
+"Wat mooi!" riep ik uit, toen het licht op die bruine plek viel
+en er witte en gouden vlekken tooverde. De zonnestraal glipte weer
+weg, maar het was of hij zijn glans achterliet, want daar onder de
+wortels was de goudbruine plek nog en de vlekken van wit en geel. Ik
+bukte mij om beter te zien, stak mijn hand naar binnen--en de bruine
+vlek veranderde plotseling in een fluweelzacht vachtje; de witte,
+de gouden lichtglansen waren de geappelde flanken van twee hertjes,
+die daar doodstil en angstig bleven liggen op de plaats waar hun
+moeder hen bij 't weggaan verstopt had.
+
+Ze waren nog maar pas een paar dagen, toen ik ze vond. Ze hadden elk
+als Jozef een "veelvervig" rokje aan; en mij dunkt dat ze ook een
+soort van toovermantel omhadden, want ze hoefden maar ergens te gaan
+liggen, en ze werden onzichtbaar.
+
+Die eigenaardige teekening--net het spelen van licht en schaduw door de
+bladeren--verborg de beestjes volkomen, zoolang zij zich stilhielden en
+de zonnestralen over zich heen lieten dansen. Hun mooie kopjes waren
+een studie voor een kunstenaar, zoo teer, zoo sierlijk, zoo fijn van
+kleur. En hun groote, zachte oogen hadden een uitdrukking van zoo
+vragende onschuld, toen ze de mijne ontmoetten, dat het regelrecht
+naar mijn hart ging en maakte dat ik die mooie wezentjes dadelijk
+als mijn eigendom beschouwde. In 't heele bosch bestaat er niets
+dat zoo stormenderhand ons hart verovert als 't snoetje van een jong
+hertje. Ze waren eerst bang en bleven doodstil liggen; niets bewoog
+er. Het eerste en krachtigste instinct van elk schepsel dat er op
+deze wereld geboren wordt is het gehoorzaamheidsinstinct. Dit was de
+oorzaak dat ze zoo trouw deden wat moeder bevolen had: blijven waar
+ze waren en stilliggen, tot zij terugkwam. Dus toen het gordijn van
+sparregroen was weggeschoven, toen mijn oogen naar hen keken en mijn
+handen ze aanraakten, hielden ze hun kopjes nog stijf tegen den grond
+gedrukt en deden alsof ze maar een stukje waren van den bruinigen
+boschgrond, de teekening op hun glanzende velletjes maar vlekken van
+zomerschen zonneschijn.
+
+Toen besefte ik dat ik een indringer was, dat ik dadelijk heen behoorde
+te gaan en hen alleen laten; maar het waren zulke mooie beestjes,
+zooals ze daar in hun mooie, oude hol lagen, angst en verbazing en
+vragen tintelend in hun zachte oogen, toen zij mij weer aankeken als
+een schalksch kind dat kiekeboe speelt. Het komt door onzen hoogeren
+aanleg, dat wij nergens iets moois kunnen zien of wij willen er naar
+toe om te kijken, om het aan te raken, om het te hebben. En dit was
+zoo mooi als men maar zelden iets ziet, en al was ik een indringer,--ik
+kon niet weggaan.
+
+De hand die de kleine boschbewoners aanraakte gaf het gevoel niet dat
+er gevaar dreigde. Ze zocht achter hun fluweelzachte ooren de plekjes
+uit waar ze zoo graag gekrieuweld worden; ze gleed met zachte, golvende
+beweging streelend over hun ruggen; ze legde haar holle palm onder
+hun vochtige snoetjes en bracht in een wip hun tongen te voorschijn,
+omdat deze er flauw een ziltigen smaak aan proefden. Plotseling staken
+ze hun kopjes op. 't Was nu geen spelletje meer, want ze hadden hun
+eerste les vergeten, vergeten dat zij zich moesten verbergen. Zij
+wendden hun blik weer naar mij en keken mij open aan met hun groote,
+onschuldige vraagoogen. Het was zoo heerlijk mooi dat ik geheel
+verslagen stond. Zoo'n diertje hoeft ons maar eenmaal zoo te hebben
+aangekeken, en we zouden er, als 't noodig was, ons leven voor
+overhebben om het te beschermen.
+
+Toen ik ze naar hartelust geliefkoosd had en eindelijk opstond, kwamen
+zij ook wankel overeind en liepen hun kamertje uit. Hun moeder had
+ze gezegd er in te blijven, maar dit leek ook een vriendelijk groot
+beest, dat ze stellig wel konden vertrouwen. "Aanvaard de gaven die
+de goden u schenken,"--die gedachte ging door hun kopjes, en wat
+ze proefden, toen ze met het tipje van hun tong mijn hand belikten,
+was het lekkerste dat ze nog hadden gesmaakt. Toen ik mij afwendde,
+draafden ze met een klagend geluidje achter mij aan om mij terug te
+halen. Ik stond stil en ze kwamen nader, nestelden zich dicht tegen
+mij aan, elk aan een kant, en lichtten hun kopjes op om weer te worden
+geaaid en gekrieuweld.
+
+Zooals ze daar stonden, een en al gretigheid en verwondering, kon ik
+prachtig aan hen gadeslaan hoe ze de eerste indrukken van de wereld
+opnamen. Hun ooren hadden het kunstje van de herten al geleerd,
+bij 't minste geluid zenuwachtig te trillen en zich luisterend
+naar voren te steken. Er hoefde slechts een blad te ritselen, een
+takje te knappen; het ruischen van de beek hoefde maar even aan te
+zwellen, als een drijvende tak een oogenblik den stroom stremde, en
+dadelijk waren de hertjes op hun hoede. Oogen, ooren, neus vroegen
+naar de oorzaak van het verschijnsel; dan ging hun blik langzaam
+naar boven en keken zij mij aan. "Wat een merkwaardige wereld is
+dit. Dat groote bosch is hier vol muziek. Wij weten nog niets. Toe,
+vertel ons er alles eens van,"--dat zeiden die mooie oogen, toen
+ze weer opblikten, vol onschuld, vol verrukking over het heerlijke
+leven. De handen, die liefkoozend elk op een zacht halsje rustten,
+gleden weer streelend naar beneden en namen een vochtig snoetje
+in hun holte. Oogenblikkelijk verdween het bosch en zijn muziek,
+vluchtten de vragen uit hun oogen. Begeerig kwamen hun tongetjes voor
+den dag, en al die onbekende klanken waren vergeten door de nieuwe
+gewaarwording van te likken aan een menschenhand, waar, ergens onder
+dat streelende ruwe, zoo'n heerlijke smaak verborgen is. Zij waren
+nog bezig mijn handen te belikken, dicht tegen mij aan genesteld,
+toen er ver achter ons, nauwelijks hoorbaar, een takje knapte.
+
+Nu verklapt een krakende tak alles wat er in de wildernis gebeurt
+want, merkwaardig genoeg, er zijn geen twee dieren die zich op
+dezelfde manier verraden, zelfs niet als ze op het dunste twijgje
+trappen. Een beer gaat met zwaar, onverschillig gekraak, behalve
+wanneer hij zijn prooi besluipt. De hoef van een eland dempt het
+geluid van den tak dien hij verpletterde, nog eer het hem eigenlijk
+goed verraden kan. Als een hert een takje breekt, wanneer het door
+'t bosch snelt, geeft dat een licht, kort, knappend geluid, als 't
+"_plop_" van een regendroppel in het meer. En het geluid dat wij nu
+achter ons hoorden kon onmogelijk iets anders zijn: de moeder van
+mijn onschuldige kleintjes was in aantocht.
+
+Ik wilde haar niet graag verschrikken en de oorzaak zijn dat zij hun
+dat jeugdige vertrouwen voor goed ontnam. Daarom haastte ik mij naar
+het hol terug, met de kleintjes naast mij huppelend. Eer ik halverwege
+was, brak er weer met een korten knap een tak; er schoot een geritsel
+door het kreupelhout, een hinde sprong tevoorschijn, en blaatte
+zachtjes, toen ze den stam in 't oog kreeg waar haar leger was. Toen
+ze mij zag bleef ze als aan den grond genageld staan, trillend over
+haar heele lichaam, haar ooren als twee beschuldigende vingers naar
+voren gericht en een vreeselijken angst in haar zachte oogen, als zij
+haar jongen ontdekte met haar aartsvijand tusschen zich in, die zijn
+handen op hun onschuldige halsjes hield. Haar lichaam wendde zich
+om te vluchten, elke spier gespannen tot den sprong, maar 't was of
+haar pooten in den grond waren vastgeworteld. Langzaam ontspanden de
+spieren zich en hernam ze haar evenwicht, haar oogen vast in de mijne;
+zoodra de gevaarlijke geur haar echter in den neus drong, zwenkte haar
+lichaam weer. Toch bleven de pootjes nog staan; ze _kon_ niet heengaan,
+_kon_ haar oogen niet gelooven. Maar, terwijl ik rustig stond af te
+wachten en alles wat ik aan vriendelijkheid voelde in de uitdrukking
+mijner oogen poogde te leggen, barstte het met scherp keelgeluid
+_k-a-a-h! k-a-a-h!_--het noodsein der herten--als trompetgeschal door
+de bosschen en snelde zij 't beschermende kreupelhout weer in.
+
+Bij dat geluid sprongen de kleintjes op alsof ze gestoken waren en
+doken aan den tegenovergestelden kant in het kreupelhout. Maar die
+vreemde omgeving maakte hen angstig; de schorre kreet, die maar door
+de opgeschrikte bosschen snerpte, vervulde hen met een naamlooze
+ontzetting. Dadelijk waren ze terug, nestelden zich weer tegen mij
+aan en langzamerhand werden ze weer rustig, doordat mijn handen,
+zonder beven, kalm hun flanken streelden.
+
+Waanzinnig van angst dwaalde de moeder steeds roepend om ons heen,
+maar wij konden haar niet zien; nu eens vertoonde zich haar kopje
+met doodsangst in de oogen,--dan weer stoof ze weg met haar witte
+staartvlaggetje overeind, om haar kleintjes te wijzen welken weg
+ze moesten nemen. Maar de hertjes letten niet meer op dat eerste
+noodsein. Zij voelden de verandering. Hun ooren schokten zenuwachtig;
+hun oogen, die nog niet scherp genoeg waren om afstanden te berekenen
+en hun moeder in haar schuilplaats te vinden, stonden ontzet, hadden
+een uitdrukking van achterdochtigen angst, toen ze vragend in de
+mijne keken. Onder al hun schrik voelden ze mijn goede gezindheid toch
+nog,--die de arme moeder nooit had leeren kennen, gejaagd als ze was
+door honden en belaagd door geweren--en zij bleven waar zij zich veilig
+wisten, in hun groote wijsheid, die al haar ondervinding te boven ging.
+
+Langzaam leidde ik ze naar hun schuilplaats terug, liet ze voor
+het laatst aan mijn handen likken en schoof ze zachtjes weer achter
+'t gordijn van sparregroen. Toen ze er weer uit probeerden te komen,
+duwde ik ze nog eens terug. "Daar blijven, en naar je moeder luisteren;
+daar blijven en doen wat je moeder zegt," bleef ik maar fluisteren;
+en ik geloof altijd nog half en half dat ze het begrepen--niet de
+woorden, maar den zin die er achter stak--want na een poosje werden
+ze kalm en gluurden met verbaasde, wijdopen oogen naar buiten. Ik
+maakte als een haas dat ik uit het gezicht kwam, sprong over den
+gevallen boomstam heen, om ze van 't spoor af te brengen als ze er soms
+uitkwamen, stak de beek over en gleed het kreupelhout in, waar ze mij
+niet konden zien. Eenmaal veilig buiten gehoor, ging ik recht op de
+open plek af, een paar meter verder, waar de witgezengde stammen op
+de verbrande helling door het groen van 't groote bosch schemerden,
+en ik klauterde en keek uit, en veranderde net zoo lang van plaats,
+totdat ik den omgevallen boom kon zien waar mijn onschuldige kleintjes
+zich onder de wortels verstopt hadden.
+
+De schorre noodkreet zweeg; rondom in het bosch was 't weer stil
+geworden. Een beweging in 't kreupelhout--en daar kwam de hinde
+voorzichtig weer te voorschijn aan den anderen kant der beek, waar
+ze stond rond te kijken en te luisteren. Zij blaatte zachtjes:
+het gordijn van sparregroen werd op zij geduwd en de kleintjes
+vertoonden zich. Zoodra zij hen zag schoot zij vooruit. Elke lijn van
+haar sierlijke lijfje drukte welsprekend genoeg uit hoe blij ze was,
+terwijl ze op hen aansnelde, haar kop boog en ze scherp besnuffelde,
+van de ooren tot den staart, langs hun flanken en weer terug, om toch
+vooral maar zeker, heel zeker te zijn dat het haar eigen jongen wel
+waren en dat hun niets scheelde. Al dien tijd nestelden de hertekalfjes
+zich dicht tegen haar aan, zooals ze nog een oogenblik geleden bij mij
+hadden gedaan, en beurden hun kopjes op om haar flanken aan te raken
+met hun neus, en in hun stomme taal te vragen waar al die drukte toch
+om was en waarom zij was weggesneld.
+
+Maar toen de menschenlucht uit het kreupelhout tot haar doordrong,
+die nare lucht, ging de gewaarwording plotseling als een golf over haar
+heen, hoe volstrekt noodzakelijk het was hun die veronachtzaamde tweede
+les te leeren, eer ze weer voor een gevaar stonden. Met een grooten
+sprong schoot ze op zij en heesch snerpte het _ka-a-a-h! ka-a-a-h!_
+weer door het bosch. Haar staartje had zij weer rechtop gestoken:
+dit diende als baken, terwijl ze wegsprong. Een oogenblik stonden
+de hertjes verschrikt achter haar te trillen, opnieuw verbaasd, maar
+toen gingen hun vlaggetjes ook naar boven en hobbelden ze weg op hun
+ranke pootjes, door het warrelnet van struiken en de ruigten van het
+bosch hun leidsvrouw dapper achterna. En ik zat er naar te kijken
+uit mijn schuilplaats, met een vaag gevoel van spijt dat ze mij nooit
+meer zouden toehooren, geen enkel oogenblikje meer, en ik zag niets
+dan de golvende lijnen in het kreupelhout en hier en daar den flits
+van een wit vaantje. Zoo trokken zij den heuvel op en verdwenen uit
+het gezicht.
+
+Eerst stilliggen en dan het witte vaantje volgen.--Toen ik ze weer
+zag, was de noodkreet der moeder niet meer noodig om hen aan die
+twee dingen te herinneren die elk hertje moet weten, als het groot
+wil worden in het uitgestrekte bosch.
+
+
+
+
+EEN KREET IN HET DONKER.
+
+
+Nu komt de rest van de geschiedenis der kleine hertekalfjes,
+die ik aan de beek onder den bemosten tronk vond--net zooals ik
+het zag gebeuren. Ge weet nog wel dat er twee waren; en al leken
+ze op 't eerste gezicht als twee droppels water op elkander, ik
+ontdekte gauw dat hertekalfjes net zooveel van elkaar verschillen
+als kleine menschen. Oogen, snuitje, aanleg, aard--dat alles was bij
+hen zoo verschillend als de maagden in de gelijkenis. Het een was
+een verstandig en 't ander een dom klein ding. Het een was volgzaam
+en bevattelijk, nooit vergat het zijn tweede voorschrift; het tweede
+volgde van 't begin af alleen zijn eigenwijze kopje en pootjes, tot het
+eindelijk ontdekte dat gehoorzaamheid zijn eenige behoud was--maar toen
+was het te laat. Voordat de beer hem te pakken kreeg,--ik geloof zeker
+dat het op zijn manier, dwaas en zwijgend, meende dat gehoorzaamheid
+slechts voor de zwakken en de dommen dient; en dat al die moeders
+in de wildernis zooveel te zeggen hebben is eigenlijk misbruik maken
+van haar macht, om jonge diertjes te beletten hun eigen gang te gaan.
+
+Toen de wijze, oude moeder wist dat ik ze gevonden had, haalde zij hen
+allebei weg en verstopte ze op een plekje waar het nog eenzamer was,
+in 't hartje van het groote woud, dichter bij het meer, waar zij haar
+voedsel haalde en hen dus des te gauwer bereiken kon. Nog dagenlang
+na die merkwaardige ontdekking ging ik er bij 't krieken van den dag,
+of laat in den middag, als de hertemoeders gewoonlijk langs de oevers
+aan 't weiden zijn, op uit om het dal van 't begin tot het einde af
+te zoeken, in de hoop de kalfjes terug te vinden en hun vertrouwen
+te winnen. Maar ze waren er niet, en in plaats van verder te zoeken
+wijdde ik mijn aandacht aan een otterfamilie, die in een hol onder een
+boomwortel huisde, en aan een grooten uil, die altijd in dienzelfden
+spar kwam slapen. Op zekeren dag echter lokte een koppel patrijzen
+mij uit de wilde frambozen naar een oase, koel en groen te midden van
+het verzengde land rondom, waar ik plotseling voor de hinde met haar
+kalfjes stond, die daar op dien warmen dag samen onder de kruin van
+een gevallen boom lagen te dommelen, tot de hitte wat voorbij was.
+
+Mij hadden ze niet gezien, maar ze waren opgevlogen, toen een tak
+waarop ik stond uit te kijken naar mijn patrijzen onder mijn voeten
+bezweek, zoodat ik met groot gekraak onder den omgevallen boom
+terechtkwam. Toen ik daar op den uitkijk stond kon ik ze prachtig
+waarnemen, terwijl zelfs Kookooskoos _mij_ nauwelijks ontdekt zou
+hebben; maar bij 't eerste gekraak sprongen ze alle drie overeind,
+als duiveltjes in een doosje, wanneer 't haakje los wordt gemaakt. De
+moeder stak haar witte vaantje in de lucht--den sneeuwwitten onderkant
+van haar nuttige staartje, die bij dag en bij nacht als een baken
+licht--en sprong weg met een heesch _ka-a-a-a-h!_ tot waarschuwing. Een
+van de kleintjes volgde dadelijk dapper in het voetspoor van de moeder,
+terwijl het met zijn eigen witte vaantje wuifde om den weg te wijzen
+aan al wat achter hem aan mocht komen. Maar het andere hertje ging er
+op staanden voet van door; stond echter al gauw weer stil om ons aan
+te staren en te roepen en met zijn teere pootjes te stampen, in een
+grappige mengeling van nieuwsgierigheid en uitdaging. Tot tweemaal
+toe moest de moeder in een kring terugkomen, eer hij haar eindelijk
+onwillig volgde. Elken keer als ze weer aan kwam sluipen kwispelde
+haar hangend staartje zenuwachtig--
+
+Als ge dat ziet, kunt ge er zeker van zijn dat er een flauwe
+menschengeur door het bosch drijft, dien het hert in zijn scherpen
+neus heeft gekregen, zoodat het voor uw tegenwoordigheid gewaarschuwd
+is.--Maar wanneer ze weer wegsprong, ging het witte vaantje steil
+overeind, floep!--vlak voor den neus van haar domme kalfje, en beduidde
+het, zoo goed als elke andere taal, welk sein het maar te volgen had
+om aan 't gevaar te ontkomen en zijn pootjes niet te breken in het
+verwarde kreupelhout.
+
+Pas veel later, toen ik de hertjes al verscheiden keer had bespied,
+besefte ik van hoeveel gewicht die laatste gissing is. Wie een
+opgeschrikt hert achtervolgt, het met een halsbrekende vaart ziet of
+hoort wegspringen over losse rotsblokken en afgeknapte boomstronken,
+over het dooreengestrengelde kreupelhout--nu in snellen sprong zwevend
+aan dezen kant van een omgewaaiden boom, terwijl hij bij 't dalen pas
+weet hoe 't aan den anderen kant is, dan als een pijl uit den boog
+voortschietend over een terrein waar gij als een slak moet volgen
+om geen voet te verstuiken of een enkel te breken,--vraagt zich te
+vergeefs in stomme verbazing af hoe een hert een kwart jaar in de
+wildernis kan leven zonder al zijn pooten te breken. En wie 's nachts
+een hert hoort wegspringen onder hevig gekraak, misschien wel over een
+woest terrein, waar de laatste storm links en rechts de boomen geveld
+heeft, zoodat ge er u bij dag nauwelijks een weg door kunt banen,
+dien wordt het plotseling duidelijk dat het wonderbaarlijkste van
+een hertenopvoeding niet uit een scherp gezicht of trompetooren of
+zijn fijne, geschoolde reukorganen (honderdmaal gevoeliger dan elke
+barometer) blijkt, maar hieruit dat het niet voortdurend aan zijn
+pootjes denkt. 't Is haast alsof ze oogen en zenuwen en verstand in
+hun harde hoeven hebben, in plaats van de gevoellooze stof die er te
+zien is.
+
+Let er eens op hoe die hinde wegspringt, en door 't kwispelen van haar
+staart haar zorgelooze jong beduidt dat het volgen moet. Zij denkt
+slechts aan hem, en ge kunt zien hoe haar pootjes voor zichzelf mogen
+zorgen. Als ze boven den zwaren boomstam zweeft, hangen ze zoo slap
+als een handschoen waar de hand uitgetrokken is in 't enkelgewricht
+en wachten en loeren. Daar raakt een van de hoeven een takje aan:
+bliksemsnel splijt hij en komt neer; slechts een ondenkbaar klein
+oogenblik heeft hij langs dat ding daar, dat hem in den weg kwam,
+getast, om te weten of hij weer moet hangen of zich schrap zetten,
+weer de hoogte in, of nog lager om goed terecht te komen. Let eens
+op die wonderlijke hoeven der achterpooten, net voor ze grond raken,
+hoe ze naar voren zwaaien en op den tast het terrein verkend hebben,
+hoe ze zich schrap hebben gezet--in zoo'n ondeelbaar oogenblik, dat
+het onzichtbaar blijft voor het oog--voor den schok op steenen of
+vermolmd hout of veerend mos, of wat daar aan dien anderen kant ook
+ligt. De voorpootjes hebben aan de oogen daarboven gehoorzaamd en
+schieten vast en zeker op hun landingsplaats neer; de hoeven van de
+achterpooten moeten zelf maar zien waar ze onder 't dalen terechtkomen,
+en voordat ze nog een plek gevonden hebben bijna, weer samentrekken
+om zich af te zetten met de krachtiger spieren van het dijbeen.
+
+Maar ééns vond ik een jong hertje met een gebroken poot--dat was nog te
+weinig geoefend; en ik hoorde eens hoe een gewonde bok, ten doode toe
+door honden gejaagd, zoo gestruikeld was om nooit weer op te staan;
+maar dit waren uitzonderingen. Merkwaardig toch dat het niet met elk
+hert zoo gaat, wanneer de angst het door de wildernis jaagt.
+
+Dat is dus nog een reden waarom de jonge hertjes een wijzer hoofd
+moeten leeren gehoorzamen dan hun eigen kopje. De moeder moet den
+weg voor hen zoeken, totdat hun pootjes geoefend genoeg zijn, en een
+verstandig hertekalf zal precies haar spoor volgen. Dit verklaart
+ook waarom herten de gewoonte hebben zoo dikwijls achter elkaar te
+loopen--zelfs als ze al lang volwassen zijn--soms wel een stuk of
+zes achter een wijzen leidsman aan, zoo zorgvuldig in zijn spoor,
+dat ze maar een enkele prent achterlaten. Misschien gebeurt dit ten
+deele om hun ouden vijand, den wolf, en hun nieuwen, den mensch,
+om den tuin te leiden: het spoor van de zwakke is dan in de stappen,
+in de hoefprenten van een grooten bok verborgen; maar het geschiedt
+ook ouder gewoonte en wijst op den oefentijd, als de hertjes voor
+'t eerst het vaantje leeren volgen.
+
+Na die tweede ontdekking ging ik 's middags vaak naar een bepaald
+punt op het meer, het dichtst bij de schuilplaats der hinde, wachtte
+dan in mijn kano tot de moeder te voorschijn kwam en zoo verried
+waar ze haar kleintjes verborgen had. Het leek wel alsof de hinde
+altijd uitgehongerd was, doordat haar jongen grooter werden en zij
+ze nog steeds moest zoogen. Als ik daar in mijn kano zat te wachten,
+hoorde ik gekraak in 't struikgewas, wanneer ze rechttoe, rechtaan,
+onachtzaam bijna, op het meer aandraafde, en zag ik haar door het ruige
+kreupelhout langs den wateroever breken. Dan gunde zij zich nauwelijks
+den tijd om even rond te kijken en te snuffelen of er geen gevaar in
+de lucht was, en sprong op de bladeren van de waterlelies af. Soms
+lag mijn kano in 't volle gezicht; ze lette er echter niet op, maar
+rukte de sappige knoppen en stengels af en slikte ze door met een
+graagte alsof ze een uitgehongerde wolf was. Daarop roeide ik weg,
+sloeg de richting in waar zij vandaan gekomen was en ging ijverig
+naar de kleintjes zoeken tot ik ze vond.
+
+Dit gebeurde echter maar twee of drie keer. Ze waren al schuw geworden,
+herinnerden zich niets meer van onze eerste ontmoeting, zoodat ze,
+als ik mij vertoonde of te dicht in hun buurt een takje liet knappen,
+in een ommezien in 't kreupelhout gesprongen waren. Het eene ging
+er altijd halsoverkop van door, met zijn witte vaantje wuivend
+om te toonen dat hij zijn les had onthouden; het andere liep in
+een zigzaglijn weg en hield op elken hoek dien hij maakte stil, om
+achterom te kijken en mij nieuwsgierig met oogen en ooren op te nemen.
+
+Zoo'n ongehoorzaamheid kon maar op éen manier afloopen--dat bleek
+mij op een middag ten duidelijkste. Was ik toen zoo'n bloeddorstig
+roofdier geweest, zooals er in de wildernis rondsluipen, dan zou de
+klauw van Upweekis, den schimachtigen lynx van de streken waar een
+dichte, lage plantengroei is ontstaan na den brand die er overging,
+plotseling aan 't verhaal over dien kleinen baas een einde hebben
+gemaakt. Het was laat op den middag, toen ik op weg naar het meer
+langs een hertenpad een hoogte over kwam, en neerkeek in een lang,
+nauw dal, waar 't vol frambozen stond met hier en daar wat geblakerde
+boomen, die slechts dienden om de eenzaamheid, het wanhopig verlatene
+van die plaats te doen uitkomen.
+
+Vlak onder me stond een hinde hongerig te grazen; alleen haar
+achterlijf stak uit het kreupelhout. Ik stond dat een poosje zoo aan te
+kijken; toen liet ik mij op handen en voeten glijden en begon er heen
+te kruipen om eens te zien hoe dicht ik bij haar kon komen, en wat
+ik misschien nog verder voor merkwaardigs zou ontdekken. Maar bij de
+eerste beweging die ik maakte, (ik had als een oude boomstomp boven
+op den heuvel gestaan) sprong er met een snerpenden alarmkreet een
+hertekalf te voorschijn, dat mij klaarblijkelijk van het kreupelhout
+uit, waar ik het niet zien kon, had gadegeslagen. De hinde wierp haar
+kop in den nek en keek mij strak aan, alsof zij uit die waarschuwing
+meer begrepen had dan ik voor mogelijk had gehouden. Zij aarzelde of
+zocht ook geen oogenblik, maar haar blikken richtten zich onmiddellijk
+op mij, alsof dat geluid van het hertekalfje beteekende: "Achter je
+moeder, op het pad bij de tweede grijze rots!" Toen sprong ze weg,
+vlug als de wind den heuvel aan den overkant op, boomwortels en
+rotsblokken over, alsof ze op stalen veeren ging; en bij elken sprong
+klonk haar heesche schreeuw, terwijl haar waakzame kleintje prachtig
+zooals 't hoorde haar volgde.
+
+Op 't eerste sein van onraad ontstond er een geritsel in 't
+kreupelhout, waar zij gestaan had, en sprong nog een hertje te
+voorschijn. Ik herkende het dadelijk--het zieltje zonder zorg--en
+begreep dat het al te lang dat volgen van 't vlaggetje veronachtzaamd
+had. Nu was het zijn kopje kwijt, nu was het angstig, verschrikt, wist
+niet wat te beginnen, en kwam net den verkeerden kant uit rennen het
+hertenpad op, recht naar mij toe, tot het nog maar twee sprongen van
+mij af was. Toen pas kreeg het den man in 't oog, die daar voor hem
+op 't pad geknield lag en hem rustig gadesloeg. Bij die vreeselijke
+ontdekking stond het stokstijf stil en scheen ineen te krimpen onder
+mijn blik; dan schoof het langzaam op zij naar een grooten boomstronk,
+verschool zich tusschen de wortels en bleef roerloos staan,--een
+alleraardigst beeld van onschuld en nieuwsgierigheid, omlijst door de
+ruige bruine wortels van den sparretronk. Dit had hij eerst geleerd:
+zich te verstoppen en zich stil te houden, maar zijn tweede voorschrift
+was hij heelemaal vergeten, juist toen het zoo hoog noodig was.
+
+Wij keken elkaar een volle vijf minuten aan, zonder een wimper te
+bewegen. Toen ontglipte hem langzamerhand ook zijn eerste lesje: hij
+schoof weer zijwaarts naar het pad, kwam aarzelend..., sierlijk...,
+twee passen naar mij toe, en stampte grappig met zijn linkerpoot. 't
+Was een jonge bok en dat stampkunstje kende hij zonder dat het
+hem ooit geleerd was. Het is al zoo'n oude krijgslist, iemand een
+beweging te laten maken, iemand door dat geluid en dat dreigende
+gebaar te verschrikken, en zoo te laten merken wie je bent en wat
+je voorhebt. Maar die man daar bewoog zich nog steeds niet, zoodat
+het hertje bang werd voor zijn eigen durf en er van doorging, het
+pad af. Heel in de verte op den heuvel aan den overkant hoorde ik de
+moeder om hem roepen; maar hij stoorde er zich niet aan, hij wilde er
+'t zijne van hebben. Daar stond hij mij al weer aan te kijken op het
+pad. Ik haalde mijn zakdoek te voorschijn en wuifde er zachtjes mee;
+dat wonder deed hem weer verder trippelen, maar dadelijk daarop stond
+hij weer stil en keek en stampte met zijn pootje, om mij te toonen
+dat hij niet bang was.
+
+"Kleine, dappere baas, jou mag ik zien," dacht ik bij mezelf, en
+mijn hart ging uit naar hem, zooals hij daar met zijn pootje stond
+te stampen, zooals hij daar stond met zijn zachte oogen en zijn mooie
+snuitje. "Maar," dacht ik verder, "wat zou er nu al lang met je gebeurd
+zijn, als er eens een beer of een lynx over den heuvelrug was komen
+kijken? De volgende maand zal de jacht helaas open zijn; dan komen er
+hier jagers in de bosschen, die soms mèt vrouw en kinderen ook hun
+hart hebben achtergelaten. Geloof me maar, kleine baas, die kun je
+niet vertrouwen. Je moeder heeft gelijk: die kun je niet vertrouwen."
+
+De nacht daalde snel. 't Geroep der moeder galmde hoe langer hoe
+angstiger, hoe langer hoe dringender langs de helling, waar de
+duisternis toenam. Met plotselinge gewetensknaging en schrik dacht
+ik: "Misschien heb ik je wel op den verkeerden weg gebracht, kleine
+baas, toen ik je dien dag zout heb leeren proeven en je op iets
+leeren vertrouwen dat je in de wildernis tegenkwam." Zoo gaat het
+gewoonlijk wanneer wij ons bemoeien met moeder Natuur, die er haar
+gegronde redenen wel voor heeft, om de dingen te doen zooals zij ze
+doet. "Neen, toch niet; je was dien dag met je beiden onder dien ouden
+boomstam, en het andere--dat is ginds bij je moeder op 't oogenblik,
+waar jij ook hoorde te wezen,--dat begrijpt dat oude wetten veiliger
+zijn dan nieuwe bedenksels, vooral als die opkomen in het kopje van
+zoo'n jongen kijk-in-de-wereld. Je hebt het glad bij 't verkeerde eind,
+kleine baas, al lijkt je nieuwsgierigheid nog zoo aardig, en al heb
+je mijn hart gestolen door 't gestamp met je pootje. Misschien is
+het alles bij elkaar genomen toch mijn schuld nog; in elk geval zal
+ik het je nu wel anders leeren."
+
+Met die gedachte raapte ik een grooten steen op en gooide dien, krakend
+en hobbelend, met geweld den heuvel af naar hem toe. Oogenblikkelijk
+was 't met zijn heldenmoed gedaan; òp ging zijn staartje en weg
+stoof hij over de boomstronken en de rotsblokken op de helling. Daar
+hoorde ik weldra zijn moeder in een wijden kring draven, tot zij hem,
+dank zij de boschtelegraaf en den wind die de berichten overseint,
+in den neus kreeg en hem buiten gevaar gebracht.
+
+Wie met open oog en oor een week of wat in de wildernis leeft merkt
+al gauw dat alles er niet is overgeleverd aan wetteloosheid en blind
+toeval, zooals het lijkt, maar dat hij er te midden van wetten en
+regels woont--een staat van zaken die al van veel ouder datum is
+dan die waaraan hij is gewend en waar het ook niet geraden is in te
+grijpen. Ik voelde mij niet op mijn gemak, toen ik in den stillen
+schemeravond langs het hertenpaadje liep; en mijn onrust verminderde
+niet, toen ik op een boomtronk, een meter of wat van de plek verwijderd
+waar het hertje den eersten keer voor den dag kwam, de prent van een
+grooten lynx ontdekte. Het hertenhaar en de versplinterde botjes die
+er overal lagen verrieden mij waarmee hij zijn middernachtelijk maal
+gedaan had. In de laagte, waar datzelfde hertenpad op het meer uitliep
+om de boschbewoners te laten drinken, stroomde een beekje. Buiten de
+monding van dat beekje lag een diepe waterkom tusschen de rotsen,
+en in die kom woonden een stuk of wat dikke forellen. Daar was ik
+eens op een avond--een dag of veertien later--bezig om te probeeren
+of ik niet een paar van die forellen voor mijn ontbijt kon bemachtigen.
+
+Het waren leeperds. Overdag hoefde je al niet meer naar hen te
+hengelen, want ze kenden alle kunstvliegen uit mijn verzameling:
+de nieuwe soorten konden ze al van de oude onderscheiden, voor ze 't
+water nog raakten; en ze schenen best te weten, èn door hun instinct
+èn door hun ondervinding, dat het toch maar bedrog was, dat ze voor
+hun part net andersom genoemd mochten worden dan ze heetten. Dan kwam
+er nog bij dat de forellen lui waren en niet boven wilden komen.
+
+Maar 's nachts was het anders; dan kwamen er forellen uit de kom om
+in 't ondiepe water langs den oever rond te loeren en af te wachten
+wat voor lekkere hapjes de duisternis wel schafte--in den vorm van
+nachtkevers, van kikkers, die onbezorgd zaten te kwaken, van slaperige
+voorntjes. Wie dan een vuur op het strand brandde en een vlieg met
+zilveren vlerkjes in de lichtstreep die over 't water viel uitgooide,
+ving wel eens een dikkerd.
+
+Het was altijd heel spannend, of de forellen boven zouden komen of
+niet. Ik moest als 't ware met mijn ooren visschen en al mijn verstand
+bijna in mijn handen hebben--klaar om gauw en krachtig op te halen,
+als het juiste oogenblik gekomen was na een uur lang vergeefsch
+ingooien. De helft van den tijd zag je den visch niet eens, hoorde
+je alleen den harden plons, als hij met de vlieg naar beneden schoot
+dat het water wielde. Haalde ik een anderen keer bij zoo'n plons
+met een ruk op, dan kreeg ik mijn vlieg terug of ze raakte verward
+op den bodem in onzichtbare boomstronken; en heel in de verte, waar
+het schijnsel van 't vuur wegrimpelde in de duisternis, zag ik dan
+een wigvormige golflijn wegschieten, om me te beduiden dat die forel
+van me niets dan een muskusrat was. Toen zij rustig kwam aanzwemmen,
+had zij mij en mijn vuur gezien en hard met haar staart op het water
+geslagen om mij te doen opspringen. Die manier houdt Musquash er 's
+nachts op na om er achter te komen wat voor raar ding dat toch is en
+wat het uitvoert. Den heelen tijd dat ik aan 't visschen ben staan de
+groote, donkere bosschen dicht om mij heen stil te luisteren. Overal
+zijn geuren die alleen 's nachts rondzweven, als de lucht zwaar is van
+dauw. Langs de helling ritselt het, klinken wonderlijke kreten, geroep,
+gepiep; ook uit het water glijden die geluiden, of ze komen boven uit
+de lucht, zoodat wij ons verwonderd afvragen welke boschbewoners er zoo
+bij nacht en ontijd op uitzijn en wat ze toch uitvoeren. Daarom is het
+even prettig 's nachts te visschen als overdag, en met hart en hoofd
+vol indrukken weer naar huis te keeren, al is de vischben dan leeg.
+
+Ik stond doodstil bij mijn vuur op een groote forel te wachten, die
+al tweemaal boven was gekomen om eens te kijken of 't weer vertrouwd
+was, toen ik een behoedzaam geritsel achter mij in 't kreupelhout
+hoorde. Dadelijk draaide ik mij om, en daar zag ik twee groote,
+gloeiende plekken uit het donkere bosch schitteren--de oogen van
+een hert. Een vlug geritsel--en een beetje lager nog twee kolen,
+die glinsterden en fonkelden in wonderlijke kleuren; en daarna nog
+twee. Toen begreep ik dat het de hinde met haar kalfjes was. Zij
+waren gekomen om te drinken, en stonden nu plotseling als aan den
+grond genageld, door dat wonderlijke licht en de dansende schaduwen
+betooverd, die op de schichtige boschbewoners komen aanschieten alsof
+zij ze bang wilden maken; maar ze springen slechts over hen heen en
+glijden weer terug, dat het wel een uitnoodiging lijkt om mee te doen
+met hun stille spel.
+
+Ik ging bedaard op mijn knieën bij het vuur liggen en legde er
+voorzichtig een groote rol berkebast op, die vroolijk opvlamde en
+het bosch helder verlichtte. Onder dien spar, waar een oogenblik
+te voren nog een zwarte schaduw was geweest, stond de moeder, met
+gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder. Nu
+eens staarde ze strak in het vuur, dan weer sprong ze zenuwachtig
+heen en weer, met zachte, vragende geluiden, als er een troep
+schaduwen kwam aansnellen om hinkepink met de kleintjes te spelen,
+die aan weerszijden vlak achter haar stonden. Het duurde maar een
+oogenblik. Toen kwam een van de hertjes--zelfs bij het schijnsel
+van het vuur herkende ik het onvoorzichtige aan zijn snuitje en zijn
+vroolijk geappelde velletje--recht op mij aan, om bij het oplaaien van
+'t vuur met glinsterende oogen stil te staan en daarna met zijn pootje
+te stampen tegen de schaduwen: dan zagen ze dat hij niets bang was.
+
+De moeder riep hem angstig, maar toch kwam het nog meer naar voren
+met zijn grappige gestamp. Zij begon onrustig te worden en trippelde
+nu eens nader, dan weer verder weg in een halven cirkel, waarschuwend,
+roepend, smeekend. Maar toen hij tusschen haar en het vuur in kwam en
+zijn kleine schaduwbeeld een eind den heuvel op reikte, waar zij was,
+en haar deed beseffen hoe ver haar kleintje van haar was afgedwaald en
+hoe dicht het bij het vuur was gekomen, rukte zij zich met geweld los
+uit die betoovering, en haar heesche kreet _k-a-a-ah! k-a-a-ah!_ galmde
+als een pistoolschot door de opgeschrikte bosschen. Ze sprong weg,
+terwijl haar staartje in de duisternis glansde als het schuimkroontje
+op een golf om haar kalfjes den weg te wijzen.
+
+Het tweede hertje volgde haar onmiddellijk; het onvoorzichtige
+verdraaide alleen zijn kopje maar eens om te zien waar zij bleef, en
+ging toen weer verder op 't licht af, turend en stampend van louter
+dwaze verwondering.
+
+Ik bleef een poosje naar hem kijken, bekoord als ik zelf was door
+zoo iets moois: die sierlijke bewegingen, die zachte ooren met dat
+glanzende ovaal van helder licht er omheen, die oogen, gloeiend als
+tintelende regenbogen door het vlammende vuur ontstoken. Achter hem,
+in de verte, schalde de kreet van zijn moeder langs de helling, nu
+eens dichter bij, dan weer ver weg. Plotseling kwam er een wijziging,
+een andere klank in, alsof er gevaar dreigde, en weer hoorde ik
+dat roepen om te volgen, en 't gekraak in het kreupelhout als ze
+wegsnelde. De lynx schoot mij weer te binnen en de korte, droevige
+geschiedenis die daar boven op den boomtronk geschreven stond. Ik
+schopte mijn vuur uit elkaar en stapte op het hertje toe--dat was de
+snelste manier om het dwaze, kleine ding te redden. Ja, toen al die
+pracht in duisternis verdween en de reuk van een mensch hem op het
+koeltje dat uit het meer steeg in den neus kwam, ging de kleine baas
+er springend vandoor--helaas! recht het hertenpad op, denzelfden kant
+uit waar zijn moeder een oogenblik te voren was heengegaan.
+
+Een poosje later hoorde ik de hinde op een eigenaardigen toon roepen,
+in de richting waar het hertekalf verdwenen was, en ik liep kalm
+het hertenpad op, om te onderzoeken wat er gebeurd was. Boven op den
+heuvel, waar het dalende pad verloren ging in een nauw, donker dal
+met licht kreupelhout aan weerskanten begroeid, hoorde ik beneden mij
+onder de hooge boomen het hertje antwoorden en begreep dadelijk dat
+er iets niet in den haak was. Uit de zwarte duisternis der sparren
+riep het al maar door; 't was een klagende angstkreet. De moeder
+draafde in een grooten kring om hem heen en riep dat het komen moest,
+maar het bleef hulpeloos op dezelfde plaats liggen en riep dat het
+niet kon, dat zij bij hem moest komen. Zoo ging het geroep heen en
+weer in den luisterenden nacht.--_Woe-woe_, "kom hier." _Bla-a-a,
+bl-r-t_, "ik kan niet; kom bij me." _Ka-a-ah!, ka-a-ah!_ "onraad,
+volg me!"--en daarna kraakte het in de takken, terwijl zij wegsnelde
+met het andere hertje achter zich aan; dat zou ze redden, al moest
+ze het onvoorzichtige kalfje ook in den steek laten, ten prooi aan de
+sluipende wilde beesten in den nacht. Het was duidelijk genoeg wat er
+gebeurd was. Elke kreet in de wildernis heeft zijn beteekenis, als
+ge de taal slechts kent. Toen het door de donkere bosschen draafde,
+waren zijn ongeoefende pootjes verkeerd terechtgekomen, en daar lag
+hij nu onder den een of anderen omgewaaiden, ruwen boomstam, met
+gebroken pootje, om hem het voorschrift te herinneren dat hij zoo
+lang in den wind sloeg. Terwijl ik op den tast naar hem toesloop,
+mijn weg tusschen de boomen zoekend in het donker, en elk oogenblik
+stilstond om naar zijn geroep te luisteren, dat ik er op af kon gaan,
+kwam er iets met gedruisch langzaam, zwaar, van den heuvel, en ging
+vlak voor mij heen. Iets in 't geluid misschien--een log en toch bijna
+geruischloos voortbewegen, waartoe slechts één dier in de wildernis
+in staat is--ook misschien iets van een flauwen geur die er eerst
+niet was in de vochtige lucht, verried mij dadelijk dat scherper
+ooren dan de mijne den kreet gehoord hadden, dat Mooween, de beer,
+zijn boschbessenterrein in den steek had gelaten om het niets kwaads
+vermoedende hertje te besluipen. Hij wist--zooveel hadden zijn ooren
+hem wel verteld--dat het in de duisternis van zijn waakzame moeder
+was afgeraakt.
+
+Stilletjes keerde ik op mijn schreden terug--ofschoon Mooween eigenlijk
+op niets let, als zijn wild op de been is--en snelde naar mijn kano
+om mijn buks te halen. Gewoonlijk is een beer zoo bang als een haas,
+maar ik was er nog nooit eerder 's nachts zoo laat een tegengekomen,
+en wist niet wat hij zou doen, als ik hem soms zijn wild afnam. Alles
+hangt trouwens van uw gemoedsgesteldheid af wanneer ge een dier
+nadert. Komt iemand schuw, aarzelend aan, dan merkt het dier dit;
+en doet ge het vlug, zwijgend, onverschrokken, met vastberaden moed,
+met gespannen haan en den wijsvinger los aan den beugel onder den
+trekker, dan merkt het dier dat ook, wees daar maar verzekerd van.
+
+Ze doen in alle geval altijd net alsof ze het weten; en ge kunt
+u gerust hieraan houden--wat ge ook voelt: angst of twijfel of
+vertrouwen--dat de groote, gevaarlijke dieren het altijd merken
+en hun optreden juist door het tegenovergestelde gevoel gekenmerkt
+zal zijn. Dat heb ik altijd in de wildernissen waargenomen. Ik kwam
+eens een beer tegen op een nauw pad--maar dat vertel ik wel op een
+andere plaats.
+
+Het geroep zweeg; het bosch was donker en stil toen ik terugkeerde. Ik
+liep zoo gauw als ik kon naar de plek waar ik terug was gegaan,
+zonder mij in acht te nemen of voorzichtig te loopen, want hoe ik
+ook kraakte, de beer zou het toch toeschrijven aan de wanhopige
+moeder. Toen ging ik behoedzaam verder en oriënteerde mij naar een
+hoogen boom op den heuvel, die tegen den hemel stond afgeteekend; al
+langzamer en langzamer, tot er--juist aan dezen kant van den dikken,
+omgevallen boom--een tak luid kraakte onder mijn voet. Dadelijk
+klonk er tot antwoord, achter den stam vandaan, gegrom en 't geluid
+van een sprong--en toen vluchtte er een beer krakend den heuvel op,
+met iets in zijn bek dat zwaar tegen het kreupelhout slingerde en in
+'t voorbijgaan achter de takken bleef haken, totdat het geluid in de
+verte met zwak geritsel wegstierf en de bosschen weer stil waren.
+
+Den geheelen nacht hoorde ik van mijn tent uit, die op een anderen
+oever aan een zijtak van 't groote meer was opgeslagen, de moeder bij
+tusschenpoozen roepen. Zij scheen langs den heuvelrug heen en weer te
+loopen, boven de plaats waar het treurspel zich had afgespeeld. Met
+haar neus speurde zij den beer en den mensch, maar wat voor vreeselijks
+ze met haar kleintje gedaan hadden wist zij niet. Er klonk een angstig
+vragen uit het geroep, dat langs de helling, het water over, naar
+mijn tent werd voortgedragen. Bij het aanbreken van den dag ging ik
+naar de plek terug. 't Kostte mij niet veel moeite te vinden waar
+het hertje gevallen was; het mos getuigde zwijgend van zijn strijd
+en een paar bloedvlekken toonden aan waar Mooween hem beetgegrepen
+had. Verder was het spoor duidelijk te volgen: platgetreden mos en
+gebogen grashalmen, bebloede bladeren, en aan de knoestige uitsteeksels
+van oude, omgewaaide boomen hier en daar een plukje zacht haar. Zoo
+ging het den heuvel op, naar een woeste, wilde streek, waar het geen
+nut had het nog verder te volgen.
+
+Toen ik op mijn terugweg naar het meer den laatsten heuvelrug
+opklauterde, hoorde ik geritsel in het kreupelhout, daarna 't
+geknap van brekende takjes. Ik twijfelde er niet aan of dat deed
+een hert. De moeder had mij geroken, en nu kwam ze onder den wind in
+kringen achter mij aan, om er achter te komen of haar verloren kalfje
+bij mij was. Nog steeds wist ze niet wat er gebeurd was. De beer had
+haar zoo verschrikt gemaakt, dat ze haar zorg voor het eene hertje,
+waar zij zeker van was, verdubbelde. Het andere was eenvoudig verdwenen
+in de stilte van de groote, onnaspeurlijke bosschen.
+
+Waar het pad van het meer af gezien naar beneden boog, kon ik, even
+maar, duidelijk waarnemen hoe ze half verborgen in het kreupelhout
+scherp naar mijn oude kano stond te turen; op 't zelfde oogenblik
+zag ze mij echter en verdween ze met een sprong in mijn richting,
+zigzag tegen den heuvel op. Bij een hulstboschje, waar ik juist langs
+was gegaan, liet ze haar heesch _ka-a-ah, ka-a-ah!_ hooren en stak
+haar staartje naar boven. Er ontstond geritsel in het boschje, een
+scherp _ka-a-ah, ka-a-ah!_ beantwoordde het hare; het tweede hertje
+drong uit de schuilplaats te voorschijn waar zij hem had verborgen,
+en schoot met haarden heuvelrug over. Als een groote roode vos sprong
+het van rots op rots, als een valk zweefde het over de omgevallen
+stammen, terwijl het zoo goed als het kon zijn moeders spoor hield,
+met zijn snuitje strak in de richting van het witte vaantje, om toch
+maar niet af te wijken van dat nuttige voorschrift.
+
+
+
+
+ISMAQUES, DE VISCHAREND.
+
+
+_Oewit, oewit, tsjwie?_ _Oewit, oewit, oewit, tsjwie-ie-ie!_ zoo klonk
+gierend en snerpend Ismaques' jachtkreet boven mijn hoofd. Toen ik van
+mijn visschen opkeek, kon ik zijn breede wieken over mij heen zien
+zwieren en trof mij de glinstering in zijn stralend oog, als het in
+mijn kano spiedde of naar het koele plekje tusschen de rotsen achter
+mij, om te kijken of ik ook wat ving. Zoodra hij echter al die visch
+in 't oog kreeg--een zilveren wade over de donkere rotsen, waar ik
+mijn zwartvisch [3] wegborg om ze voor berenaas te gebruiken--schoot
+hij verbaasd een eind naar beneden om eens te kijken hoe ik dat
+klaarspeelde. Als de forellen niet bovenkwamen en zijn scherpe blik
+geen flikkertje rood of goud in mijn kano ontwaarde, vloog hij weer weg
+met een aanmoedigend _k'wie-ie!_--dat is zooveel als "goede vangst"
+van een broeder van 't visschersgilde. Want er is geen kwaad haar
+aan Ismaques, er schuilt geen aasje schrielheid bij hem. Hij leeft
+in vrede met de wereld en schijnt blij te wezen als gij een dikkerd
+ophaalt, zelfs al is hij hongerig en al klinkt het geweeklaag uit
+het nest waar zijn jongen om eten roepen, ook zoo doordringend dat
+zijn gemoedsrust er door verstoord wordt.
+
+Ik zou wel eens willen weten wat er toch in dat uit visschen gaan
+schuilt, dat zelfs het oude bijbelwoord: "zal een luipaard zijne
+vlekken veranderen?" schijnt te logenstraffen en tot een ander
+mensch schijnt te maken wie als de knoppen zwellen zich haast bij 't
+verscholen beekje te komen. Daar heb je Keeonekh, den otter. Voordat
+hij visscher werd was hij een woeste, bloeddorstige wreedaard, die
+een walglijken stank verspreidde, zooals alle andere wezels, maar
+nu leeft hij met iedereen op goeden voet, is helder, is zachtaardig,
+en wanneer ge een huisdier van hem maakt, wordt hij zoo speelsch als
+een poesje en zoo trouw als een hond. En dan Ismaques, de vischarend:
+voordat die visscher werd was hij net zoo gehaat als alle andere
+roofvogels om zijn wreedheid en zijn rooversmanieren. De schaduw
+van zijn wieken was voor alle schuwe dieren het sein om zich te
+verbergen. Dan riepen gaai en kraai: "dief, dief!" Dan liet de
+koningsvogel zijn krijgskreet weerschallen en schoot voor den dag om
+'t gevecht te beginnen. En nu--de kleine vogels bouwen hun nestjes
+tusschen de takken van zijn groote woning en de schaduw van zijn
+wieken is een veilige bescherming, want uil en havik en wilde kat
+hebben al lang geleerd dat het maar 't verstandigst is goed op een
+afstand te blijven van Ismaques' woonplaats.
+
+Niet de vogels alleen, maar ook de menschen voelen de verandering in
+zijn aard. Ik ken bijna geen jager, of hij zal een omweg maken als
+hij een roofvogel onder schot kan krijgen; dezen gevleugelden visscher
+echter, van hetzelfde bloeddorstige geslacht, roepen ze allen hartelijk
+"goede vangst" achterna, zelfs al zien ze hem zwaar beladen opstijgen
+uit de eigen waterkom waar de dikke forellen huizen en waar zij van
+plan zijn bij zonsondergang in te gooien.
+
+De visschers aan de zuidelijke kust van Nieuw-Engeland juichen het
+uit bij zijn terugkomst--zoo geregeld als de maanden van het jaar. In
+éen staat tenminste, waar hij het meest voorkomt, wordt hij door de
+wet beschermd; en onze Puriteinsche voorouders zelfs, die niet aan
+jachtwetten schijnen te hebben gedaan, zagen hem met gunstig oog
+aan en maakten met hem een uitzondering op dat algemeene verlof tot
+dooden. Laat het tot hun eer gezegd zijn, dat ze eens een jongen,
+een zekeren Eliphalet Bodman, een Belialskind klaarblijkelijk,
+"openbaarlijk gestraft" hebben, omdat hij gewelddadig met kruit en
+lood een vischarend om het leven had gebracht en het nest met de
+eieren van een anderen boosaardig vernield had.
+
+Of dit laatste ook gewelddadig gebeurd was, door het nest met kruit
+en lood uit een oud geweer in stukken te schieten, of eenvoudig op
+jongens-manier: door in den boom te klimmen, vermeldt die wonderlijke,
+oude stedelijke oorkonde niet. Dit dient hier echter alleen, om aan
+te toonen dat onze voorouders aan de kust in hun hart vriendelijke
+menschen waren; dat die brave, eenvoudige visscher, met zijn nest bij
+hun deur, vrijwel dezelfde beteekenis voor hen had als de ooievaar bij
+de Duitsche dorpsbewoners, waar hij op de schoorsteenen nestelt,--en
+zijn komst werd door de visschers als een voorteeken van een goede
+vangst beschouwd.
+
+Diep in de wildernis, waar Ismaques nestelt en uit visschen gaat,
+zooals zijn voorouders een duizend jaar geleden, vindt ge door weelde
+noch armoede geschaad dienzelfden trouwen vogel, die toen wij nog
+jong waren al op onze verbeelding werkte en zich een goede gezindheid
+verwierf bij onze voorvaderen aan de kust. In zekeren zomer had ik
+mijn tent aan het meer opgeslagen; ik kon er maar niet toe besluiten
+op te breken, geheel bekoord door die heerlijke omgeving en het goede
+vischwater. Tegenover mij hadden een paar vischarenden in den top
+van een hoogen spar aan de berghelling hun nest gebouwd. _Zij_ waren
+het die elken dag boven mijn kano of boven de rotsen, waar ik naar
+zwartvisch hengelde, kwamen kringen, om te zien hoe ik het maakte,
+en om mij een verheugd _Tsj'wie! tsjip, tsj'wie-ie!_ "goeie vangst,
+en visch plezierig!" toe te roepen, wanneer ze weer wegzwenkten. Er
+zou nu heel wat bewijskracht noodig zijn, om er mij van te overtuigen
+dat ze mij ten slotte niet als broeder van het gilde erkenden en
+niet oprecht belang stelden in de manier waarop ik te werk ging,
+en in het succes dat ik er mee behaalde.
+
+Niet zoozeer om de vischarenden te bestudeeren ging ik eerst naar
+dat nest toe, maar om daar zoo nu en dan eens een glim op te vangen
+van een schuw natuurleven der bosschen, dat voor de meeste blikken
+verborgen is. Het ging goed met het visschen, want de beide vogels
+kenden hun vak in de puntjes. Toen de jongen nog in hun groei waren,
+was er altijd meer dan genoeg in 't groote nest op den sparretop. Wat
+er van dien overvloed restte, in den vorm van koppen, graten,
+overblijfsels waar ze voor bedankten, werd over den rand van het nest
+gegooid en leverde een uitgezochte lekkernij voor allerlei hongerig
+rondsluipende dieren. "Minken" staakten hun kikkerjacht in de beek, en
+door den lekkeren geur in de lucht aangelokt kwamen zij er op af. Pof,
+pof, daalden bunzings den heuvel af, met een eigenaardig hol, dof
+geluid, waar ze hun komst mee aankondigen. Wezels en een oude, grijze
+boommarter, die te langzaam of te rheumatisch was om op de boomen
+nog een dier te vangen, gleden uit het kreupelhout te voorschijn en
+tastten toe zonder verlof te vragen. Wilde katten vochten als duivels
+om de heerlijke kluifjes; meer dan eens hoorde ik ze 's nachts te keer
+gaan. En eens, laat op een middag, toen de schaduwen dieper werden
+en ik er nog niet toe besluiten kon mijn schuilplaats tusschen de
+rotsen te verlaten, kwam er heel behoedzaam, alsof hij voor zichzelf
+een beetje met zijn figuur verlegen was, een groote lynx uit het
+kreupelhout, die kieschkeurig aan de vischgraten begon te snuffelen.
+
+Hij kwam daar blijkbaar voor 't eerst, en wist niet dat Jan en
+alleman er mocht komen smullen, maar verkeerde al dien tijd in de
+meening dat hij den een of ander zijn buit opat. Dat was duidelijk uit
+zijn houding, uit de verschrikte bewegingen die hij maakte, uit zijn
+geluister, uit de wijze waarop hij zachtjes in zichzelf zat te brommen
+op te maken. Hij was grooter dan elk ander dier dat er was en hoefde
+dus niet bang te wezen; maar voor het jachtrecht en voor een andermans
+eigendom koesteren de dieren een geweldig ontzag; en dit voelde ook
+die groote kat. Hij had trek in visch, maar zoo groot als hij was,
+gaven toch al zijn bewegingen te kennen dat hij klaar stond om zijn
+hielen te lichten voor het eerste het beste kleine beest, dat op zou
+komen dagen en hem toebijten: "Dat is van mij!" Toen hij later wat
+op zijn gemak raakte en ook aan de edelmoedigheid van den vischarend
+wende, die een feestmaal aanricht voor al wat langs de sluipwegen en
+door het dichte kreupelhout van de wildernis aankomt, trad hij brutaal
+genoeg op en eischte hij wat hem toekwam. Zooals hij daar nu echter
+steelsgewijze rondsloop en telkens angstig stilstond om te luisteren,
+bood hij gelegenheid om het recht onder de dieren te bestudeeren,
+wat op zichzelf al een vergoeding voor die lange uren wachtens
+was. Maar de arenden zelf boezemden mij meer belangstelling in dan
+hun ongevraagde gasten. Ismaques--trouwe baas die hij is--paart voor
+zijn heele leven en keert jaar in jaar uit tot zijn oude nest terug. De
+eenige afwijking van dien regel, waarvan ik weet, is dat geval met een
+vischarend dien ik als jongen goed gekend heb, en die zekeren zomer
+door een noodlottig toeval zijn wijfje verloor. Het ongeluk gebeurde
+met een geweer, dat een onnadenkend jager hanteerde. Het was duidelijk
+dat Ismaques verdriet had; dat zagen zelfs menschen die anders niet
+hard over de dingen nadenken. Uit dien verlaten, vragenden kreet die
+over het stille zomerwoud schalde was het te hooren; het was te zien
+aan het klapwieken van zijn vleugels, als hij ver het land in vloog
+naar andere meren--niet om te visschen, want Ismaques vischt nooit
+in het vischwater van zijn buurman, maar om zijn verloren wijfje te
+zoeken. Wekenlang bleef hij op de oude, bekende plaatsen toeven, aan
+alle kanten roepen en zoeken, maar eindelijk werden hem de eenzaamheid
+en al die herinneringen te machtig, en verliet hij, lang voordat
+de trektijd gekomen was, dat oord. Den volgenden zomer kwam er een
+vreemd paar zijn plaats innemen, herstelde het oude nest en ging in
+het meer visschen. Gewoonlijk eerbiedigen de vogels elkaars vischwater
+en vooral elkaars oude nesten; maar deze twee kwamen er zoo zonder
+aarzeling bezit van nemen, alsof ze op de een of andere wijze een
+schikking getroffen hadden met den eigenaar, die nooit meer terugkwam.
+
+Al jarenlang woonden mijn vischarenden op dien ouden spar aan de
+helling. Zooals 't gewoonlijk gaat, had de boom zich aan zijn meesters,
+de vogels, opgeofferd. Het vet van hun vele smulpartijen was door
+den bast gesijpeld, al meer en meer naar beneden getrokken, zoodat de
+sappen, verhinderd op te stijgen, ten langen leste ontmoedigd werden
+en niet meer naar boven kwamen. Toen stierf de boom en stond zijn
+takken een voor een af, om het nest daarboven te herstellen. Overal
+was het aan de scherpe, puntige uitsteeksels te zien, hoe ze waren
+afgebroken als de arend ze noodig had.
+
+Die afgeknapte takken wijzen op een merkwaardig staaltje van bouwkunst,
+dat ge elk jaar zelf kunt leeren kennen door de vogels gade te slaan
+onder het bouwen. Voor den bodem van het nest zijn dikke takken noodig,
+waar de grond mee bezaaid ligt. Maar Ismaques komt nooit op den grond,
+als hij het even vermijden kan. Wanneer hij boven de boomen in zijn
+vlucht een buitengewoon zwaren visch laat vallen, gaat hij er zelfs
+nooit heen, maar kijkt hem spijtig achterna. Het kan wel wezen dat
+hij honger heeft, maar hij zal nooit met zijn reusachtige klauwen
+op den grond komen, want loopen kan hij niet; hij is er volslagen
+machteloos. Dan verdwijnt hij dus maar weer en gaat nog eens urenlang
+geduldig aan 't visschen om zich schadeloos te stellen voor zijn
+verloren buit. Wanneer hij takken voor zijn nest noodig heeft, zoekt
+hij een boom uit en breekt door zijn gewicht het doode af. Wil de
+tak niet, dan stijgt hij de lucht in, schiet als een kanonskogel naar
+beneden, grijpt hem met zijn klauwen beet, en door de kracht waarmee
+hij neerkomt knapt hij hem meteen af. Tweemaal vond ik den weg naar de
+plaats waar Ismaques en zijn wijfje bouwmateriaal verzamelden, door
+een geknal alsof er pistoolschoten in het bosch weerklonken, elken
+keer dat de groote vogels zich op de doode takken lieten neervallen
+en ze afknapten. Eens, toen er een te hard neerkwam, zag ik hem bijna
+op den grond vallen en wild met zijn wieken klappen, eer hij weer op
+streek geraakte en zegevierend met zijn vier voet langen tak wegvloog.
+
+Ik heb hier zekeren najaarsdag nog eens zoo'n merkwaardige
+vogelgewoonte ontdekt, toen ik veel later dan gewoonlijk over het meer
+terugkeerde. Wanneer Ismaques voor zoo'n heelen winter naar het Zuiden
+trekt, levert hij zijn woning maar niet zoo op genade of ongenade aan
+de winterstormen over zonder haar eerst te hebben hersteld. Nieuwe,
+dikke takken worden stevig in het dak van het nest gedreven; oude,
+verdachte er uitgetrokken en zorgvuldig door andere vervangen; het
+geheele gebouw kant en klaar gemaakt voor stormweer. Dit zorgvuldig
+herstellen, gevoegd bij het feit dat het nest steeds in vet gedrenkt
+is, wat het voor waterschade bewaart, bespaart Ismaques heel wat
+moeite. Hij bouwt voor zijn heele leven, en wanneer hij in den herfst
+weggaat, weet hij dat--behoudens onvoorziene omstandigheden--zijn
+woning daar bij zijn terugkeer in het voorjaar zoo rustig, vriendelijk
+op hem staat te wachten; dat hij welkom is in de oude omgeving. Of
+dit een gewoonte is van alle vischarenden, of alleen van die twee
+aan het Groote Squatuk-meer--die ook in andere opzichten merkwaardig
+verstandig waren--weet ik niet te vertellen.
+
+Wat er van de jongen wordt is mij ook nog een geheim. Er bestaat een
+sterke familieband, en de jongen blijven veel langer bij de oude dan
+bij andere vogels gewoonlijk het geval is; maar wanneer het lente
+wordt, zult ge alleen vader en moeder bij 't oude nest aantreffen. Ik
+geloof wel dat de jongen in de vroegere omgeving mee terugkomen, maar
+als het meer klein is, bouwen ze nooit aan hetzelfde water--indringen
+doen ze zich niet. Elk paar schijnt er--even als de ijsvogels--zijn
+eigen meer, of gedeelte van een meer, op na te houden; maar aan welke
+waterwet zij hun recht ontleenen, waarop zij hun aanspraken gronden,
+staat nog te ontdekken.
+
+Toen ik dat nest voor den eersten keer vond, waren er twee jongen
+in; en ik nam ze gewoonlijk waar in die tusschenpoozen dat niets
+zich bewoog in het kreupelhout bij mijn schuilplaats. Het waren
+voorspoedige, twetterende beestjes, goed doorvoed en voldaan over de
+wereld. Ze konden soms urenlang op den nestrand, over de boomtoppen
+langs de helling, naar het meer staan kijken; en naar hun houding
+en hun getierelier te oordeelen, vonden ze die groote, ruischende,
+groene wereld, de vogels die voorbijtrokken, de lichtflitsen op
+het sparkelende water, het wazige blauw van de bergen in de verte,
+buitengewoon merkwaardig--totdat er een paar breede wieken in 't
+zicht zwenkten, en zij hun vleugels wijd opensloegen en losbarstten
+in een gretig gesjilp: _piep, piep, tsj'wie? tsj'wie-ie-ie?_ "Heb
+je hem gevangen? Is 't een groote, moeder?" En dan richtten zij zich
+voorzichtig op langs den rand van het groote nest en rekten begeerig
+hun halsjes uit om vast een glimp van den buit op te vangen.
+
+Soms trok er maar een van de vogels op uit om te visschen, terwijl de
+andere op het nest paste; als de vangst echter dunnetjes was, togen
+ze alle twee naar het meer. Bij zoo'n gelegenheid vischte de moeder,
+die grooter en sterker is dan het mannetje, langs de kust, waar ze
+haar jongen hooren kon en een oogje op ze houden; terwijl het mannetje
+het meer over zeilde naar de forellenkolken in de monding der beek,
+waar de zwartvisch zat, om er een beter vischwater te zoeken. Wanneer
+hij met zijn visch terugkwam en er stond een stevige bries, dan
+was er een merkwaardig staaltje van zeemanschap te zien. Nooit zou
+hij pal tegen den wind in vliegen, maar steeds laveert hij, alsof
+hij dat kunstje had afgekeken van de visschers aan de kust, wanneer
+deze met tegenwind naar land terugzeilen. En wie hem door zijn kijker
+gadesloeg zou zien dat hij zijn visch altijd overlangs droeg, met den
+kop vooruit, om zoo weinig mogelijk weerstand aan den wind te bieden.
+
+Wie de jongen zag voeren en merkte hoe netjes Ismaques ze opvoedde,
+kreeg stellig nog meer eerbied voor hem. Was het een groote visch,
+dan werd hij aan flarden gescheurd en bij stukken en brokken aan de
+jongen gegeven, die met voorbeeldig geduld elk hun beurt afwachtten;
+geen gedrang, geen geduw om den eersten, grootsten hap, zooals we dat
+in een roodborstjesnest zien. Was het een kleine visch, dan kreeg een
+van de jongen hem in zijn geheel, die hem dan zoo goed en zoo kwaad
+als 't ging naar beneden werkte, terwijl de moeder weer naar het meer
+schoot om er nog een te halen. Het tweede jong stond onderwijl op den
+rand van het nest, piepte haar een goede vangst na en wachtte, tot
+het zijn beurt zou wezen, zonder er blijkbaar ook maar een oogenblik
+aan te denken van zijn broertje naast hem wat af te grijpen.
+
+Vlak beneden de arenden, tusschen de takken van hun woning, hadden een
+paar blauwe gaaien hun nest gebouwd en hun jongen grootgebracht met de
+kruimels, die er overvloedig van "den disch des rijken" vielen. Het
+was buitengewoon merkwaardig de verandering gade te slaan, die er
+door deze ongewone vriendschap in den aard van de gaai scheen plaats
+te grijpen. Deedeeaskh, de gaai, telt geen enkelen vriend onder de
+boschbewoners. Ze weten alle dat zij een dievegge en een bemoeial
+is, en jagen haar onverbiddelijk weg, als ze haar bij hun nest
+aantreffen. Maar de groote vischarenden hebben haar vriendelijk en
+zonder erg ontvangen; en zij heeft dit ongewone blijk van vertrouwen
+edelmoedig beantwoord.
+
+Nooit heeft zij getracht den jongen iets af te stelen, zelfs niet
+als de moeder weg was, maar zich steeds vergenoegd met de kliekjes
+die ze hadden overgelaten. En haar schuld aan Ismaques heeft zij
+ruimschoots voldaan door de trouwe wijze waarop zij de wacht hield
+over het nest en eigenlijk over de geheele berghelling. Er gebeurt
+niets in het bosch zonder dat de gaai het weet; en hier leek zij
+ook net een waakzame fox, die wist dat hij maar hoefde te blaffen om
+machtige vleugels en klauwen te doen verschijnen, in staat elk gevaar
+af te weren. Als er dieren den berg af kwamen sluipen om aan den voet
+van den boom aan de koppen en graten te smullen, die daar verspreid
+lagen, liet Deedeeaskh zich tusschen hen in vallen, en scharrelde
+daar rond, roepend, vragend--want nooit is haar nieuwsgierigheid
+bevredigd. Zoolang ze alleen namen wat hun toekwam, maakte zij er geen
+herrie over, maar zij was er om de wacht te houden en zij peperde ze
+geducht hun vergissing in, als ze lieten blijken dat ze wat kwaads
+in den zin hadden tegen 't nest daarboven.
+
+Terwijl ik eens in mijn kano langs den oever gleed, hoorde ik de
+gaaien alarm slaan; ik kon mij onmogelijk vergissen. De vischarenden
+wiekten in groote kringen boven het meer, terwijl ze loerden naar
+het geglinster van visch aan de oppervlakte, toen de kreet tot hen
+doordrong en ze vlug als de wind op het nest afschoten. Ik zette van
+den kant af en zag hoe ze in snelle kringen boven de boomtoppen wielden
+met korte, doordringende kreten van woede. Daarna begonnen ze heftig op
+het een of andere beest te stooten, dat beneden bezig was in den boom
+te klimmen--waarschijnlijk een vischmarter. Ik naderde voorzichtig
+om te zien wat het was, maar voordat ik de plaats bereikte, hadden
+ze den indringer al verjaagd. Een heel eind het bosch in hoorde ik
+een van de gaaien, die tierend achter den roover aantrok, om den
+vischarenden te wijzen waar hij was. De andere gaai zat, door de
+groote, donkere vleugels boven in de lucht beschaduwd, ineengedoken
+bij haar eigen jongen. Weldra kwam Deedeeaskh terug, schetterend van
+opwinding, om hun op zijn manier aan het verstand te brengen dat hij
+dien schelm heelemaal tot zijn hol achterna was gegaan en dat hij in
+'t vervolg goed op hem zou letten.
+
+Wanneer er een groote havik in de buurt kwam, of als er op een donkeren
+namiddag een jonge uil in de naaste omgeving uit jagen ging, sloegen
+de gaaien alarm en kwamen de vischarenden oogenblikkelijk van het
+meer aansuizen. Of Deedeeaskhs bezorgdheid over zijn eigen jongen
+grooter was dan over de kleine vischarenden zou ik niet kunnen
+zeggen. De visscher toonde bij zoo'n gelegenheid in zijn gedrag
+een eigenaardige mengeling van angst en uitdaging. De moeder zat op
+het nest, terwijl Ismaques er boven kringde en beide een schellen,
+gierenden uitdagingskreet lieten hooren. Maar de gevederde roovers
+vielen ze nooit zoo aan, als ze den vischmarter gedaan hadden, en
+voor zoover ik het beoordeelen kan hoefde dit ook niet. Al waren
+Kookooskoos, de uil, en Hawahak, de havik, ook nog zoo hongerig,
+ze togen naar een ander jachtgebied, wanneer ze die breede wieken
+boven het nest zagen kringen en de schelle uitdaging hun in de ooren
+klonk. Slechts één vijand bestond er die den vischarenden werkelijk
+last veroorzaakte, en deze deed het dan nog zoo netjes als het
+onder zulke omstandigheden mogelijk was. Cheplahgan, de adelaar, was
+het. Wanneer hij honger had en zelf niets had kunnen vinden, en zijn
+twee jongen daar heel ginder in hun nest op den berg eens een hapje
+visch noodig hadden als een kleine afwisseling in hun eten, zette hij
+zijn vleugels schrap om tegen wind in te vliegen en steeg de lucht
+in, totdat hij de twee vischarenden die aan het visschen waren in het
+oog kreeg. Daar bleef hij dan urenlang in groote kringen rondzeilen,
+turend en turend, totdat hij Ismaques een dikken visch zag vangen, om
+dan snel als de bliksem naar beneden te schieten en hem op de hielen
+te blijven, naar echte struikrooversmanier. Een poging tot ontvluchten
+diende nergens toe. Soms probeerde Ismaques het, maar dan flapten de
+groote, donkere vlerken om hem heen en was er iets in 't geluid van
+den vleugelslag dat ontegenzeglijk een waarschuwing beteekende. Het
+eindigde altijd op dezelfde manier: Ismaques, die verstandig was,
+liet zijn visch vallen, de adelaar schoot er achteraan en greep dien,
+nog dikwijls voor hij in het water viel. Maar de vischarenden deed
+hij nooit kwaad en het nest verstoorde hij ook niet, zoodat ze best
+met elkaar overweg konden. Cheplahgan bezorgde zich op zijn manier
+zoo nu en dan eens een hapje visch, en de brave Ismaques, die nooit
+lang hongerig hoefde te blijven, schikte zich zoo goed en kwaad als
+het ging in zijn toestand. Dit is een bewijs dat het visschen hem
+ook geduld en een verstandige levensopvatting heeft geleerd.
+
+De blauwe gaaien bemoeiden zich niet met dit geharrewar. Soms lieten ze
+wel een doordringenden waarschuwingskreet hooren, als Cheplahgan boven
+Ismaques uit de blauwe lucht kwam neerduikelen, maar ze schenen best
+te begrijpen hoe die ongelijke strijd moest eindigen, en ze hadden
+er met elkaar heel wat over te snateren; ik heb echter nooit kunnen
+ontdekken _wat_ ze eigenlijk precies vertelden.
+
+Ik voor mij weet zeker dat Deedeeaskh er nooit achter is kunnen komen
+wat hij wel van mij moest denken. In het begin sloeg hij altijd
+alarm als ik naderde, waarop de vischarenden in kringen boven hun
+nest kwamen zweven en met vlammende, gele oogen in het kreupelhout
+tuurden, om te zien welk gevaar er dreigde. Nadat ik mij echter een
+paar maal verborgen had, en dan geen aanstalten maakte om het nest
+te verstoren of de hongerige gasten kwaad te doen, die aan kwamen
+sluipen om zich aan de milde gaven van den vischarend te goed te doen,
+maakte Deedeeaskh uit dat ik een lui schepsel was en geen kwaad kon;
+maar hij zou toch een oogje op mij houden. Hij raakte nooit over
+die nieuwsgierigheid heen, om er achter te komen wat ik er eigenlijk
+had te maken. Wanneer ik hem ver weg waande, vond ik hem soms vlak
+boven mijn hoofd op een tak, waar hij aandachtig naar mij zat te
+kijken. Ging ik heen, dan volgde hij mij fluitend naar mijn kano;
+maar de vischarenden riep hij niet weer, behalve wanneer de een of
+andere ongewone beweging van mij zijn argwaan opwekte; en na één blik
+op mij vlogen ze dadelijk weer in kringen weg, alsof ze beseften dat
+ze voor niets bang hoefden te wezen. Ze hadden mij zoo dikwijls aan
+het visschen gezien, dat zij mij stellig wel meenden te begrijpen.
+
+Die vogels hielden er een merkwaardige gewoonte op na, die ik nooit
+eerder had opgemerkt. Af en toe--als het weer dreigde om te slaan of
+als de vogels en hun jongen verzadigd waren--steeg Ismaques de lucht
+in, tot hij een geweldige hoogte bereikt had; dan bleef hij langzaam
+in kringen rondzeilen, met zijn breede wieken uitgespannen in den
+wind, alsof hij een gewone kiekendief was die plezier had en boven
+alles verheven op de wereld neerkeek. Plotseling liet hij zich met
+een helderen, doordringenden kreet, om aan te kondigen wat hij van
+plan was, als een schietlood wel duizend voet naar beneden vallen,
+hield zich midden in de lucht weer in evenwicht en laveerde op het
+nest beneden in den sparretop aan, draaiend en duikend en duikelend
+en onderwijl van verrukking zijn wilde kreten slakend;--net als een
+houtsnip naar zijn bruine wijfje, beneden in het elzenhout, komt
+neerschieten: wentelend en buitelend en twetterend. Daarna steeg
+Ismaques weer naar boven om zijn duizelingwekkenden val opnieuw
+te vertoonen, terwijl zijn wijfje, dat grooter is, rustig op den
+sparretop stond en de vischarendjes op den rand van het nest heen en
+weer sprongen en het uitpiepten van verbazing en verrukking over die
+verbijsterende vertooning van _hun_ papa!
+
+Er is geen twijfel aan, of dit is een van de gewoonten die Ismaques
+er in het voorjaar op nahoudt om een bewonderenden blik te verwerven
+uit de doordringende, gele oogen van zijn wijfje; maar ik merkte dat
+hij er meer gebruik van maakte, toen de jonge vischarenden al een
+mooie, breede vlucht begonnen te krijgen en hij en zijn vrouw ze er
+op alle mogelijke vriendelijke manieren toe trachtten te krijgen het
+nest uit te komen. Daarom heb ik wel eens gedacht--zonder ook maar
+eenigszins in staat te zijn die veronderstelling te staven--of hij op
+deze merkwaardige wijze, door ze te vertoonen hoe wonderbaarlijk mooi
+er kan worden gevlogen, bij zijn jongen den lust niet wilde opwekken
+het zelf te doen.
+
+
+
+
+HOE DE KLEINE VISSCHERS LES KREGEN.
+
+
+Eens op een dag, dat ik weer tusschen de rotsen zat te hengelen
+en moeder vischarend op mijn vischwater kwam af zeilen, klonk
+haar kreet niet als gewoonlijk: _Tsjip, tsj'wie! Tsjip, tsjip,
+tsip, tsj'wie-ie-ie?_ Dat was de groet van den visscher wel, o ja,
+duidelijk genoeg, maar het klonk anders, er was iets zegevierends
+en voldaans in, zoo iets van: "kijk nu eens hier!" Eer ik mijn hoofd
+om kon draaien--want ik had net beet--volgden er nog meer geluiden:
+_pip, pip, pip, tsj'wie! pip, tsj'wie! pip, tsj'wie-ie!_ Wonderlijk
+verwarde geluiden, die mij alle een "goede vangst" toeriepen. Ik hoefde
+mij niet eens om te keeren, maar begreep zoo al wel dat er nog twee
+visschers waren bijgekomen om in het gilde te worden opgenomen.
+
+De moeder, die dadelijk aan haar meerdere grootte en donkerder
+teekening op de borst is te herkennen, zwenkte op mij af toen ik
+mij omkeerde en vloog recht over mij heen, met haar beide kleintjes
+achter zich aan, die dapper klapwiekten. Toen ik een paar dagen
+tevoren een uitstapje naar een ander meer maakte om grooter forellen
+te zoeken, stonden de jonge vischarenden nog op het nest en hielden
+zich doof voor de betuigingen van de oude vogels, dat het tijd werd
+hun groote vleugels eens te gaan gebruiken. Het laatste wat ik door
+mijn verrekijker van hen zag was de moeder in een boom en de vader
+in een anderen, elk met een visch in den bek, dien zij den jongen
+voorhielden. De leege ruimte tusschen hen in was slechts tergend
+klein en in vischarendtaal beduidden ze de jongen dat ze hem maar
+moesten komen halen. De kleintjes, van hun kant, rekten hongerig hals
+en vleugels uit en probeerden den visch naar zich toe te fluiten,
+zooals iemand zou doen die een hond van den overkant der straat
+bij zich roept. Tijdens mijn korte afwezigheid hadden moederlijke
+list en moederlijk geduld hun goede uitwerking gedaan. De jongen
+vlogen al best. Nu waren ze blijkbaar op hun eerste vischles uit,
+en ik hield zelfs met hengelen op, om eens op te letten hoe dat in
+zijn werk zou gaan (mijn aas zonk in de modder, waar een aal mijn
+vischhaken al gauw in een ouden boomwortel verward maakte); want
+Ismaques en zijn familie visschen niet uit instinct, maar hebben het
+zich eenvoudig aangewend. Evenals de jonge otters weten zij alleen
+uit dagelijksche ondervinding dat visch hun eigenlijke voedsel is,
+en geen hazelhoenders en geen konijntjes. Stond het aan henzelf,
+vooral wanneer ze met vleesch grootgebracht en daarna waren losgelaten,
+dan zouden ze dadelijk tot de oude havikengewoonten terugkeeren en in
+het bosch gaan jagen--wat veel gemakkelijker is. Dus wanneer ze visch
+zullen vangen, moet hun dit van den eersten dag aan dat ze uitvliegen
+geleerd zijn; en het is altijd een boeiend gezicht eens na te gaan op
+welke wijze dit aangepakt wordt. De jonge vischarenden vlogen zwaar,
+in kleine onregelmatige kringen, en tuurden ondertusschen met hun
+onervaren oogen onderzoekend over het water om hun eersten slag
+te slaan. Boven hen kringde de moeder met breeden, gelijkmatigen
+vleugelslag, en gaf den jongen beginnelingen, die ingewijd zouden
+worden in de heerlijke, oude geheimen van het visschen, door fluiten
+de richting aan. Er was visch bij de vleet, maar dat beteekent voor
+een vischarend nog niets, want hij moet zijn prooi tamelijk dicht aan
+de oppervlakte zien, eer hij neerschiet. Op het meer stond een vrij
+sterke golfslag en de zon scheen er vroolijk over, zoodat de jonge
+visschers lang geen gemakkelijk werk hadden, tusschen dat blikkerende
+licht en dat rumoerige watervlak. Ze hadden nog niet zoo'n scherpen
+blik om dadelijk te weten wanneer ze neer moeten schieten. Bij elk
+zilverachtig geglinster daar in de diepte hielden ze plotseling op en
+riepen: _pip!_ "daar heb je d'r een!" _Pip, pip!_ "daar gaat-ie!" als
+een jongen die voor het eerst beet heeft. Maar een kort, scherp fluitje
+van de moeder hield hen in, voordat zij zich nog hadden laten vallen;
+en dan klapwiekten ze onder groot protest naar haar toe: ze konden
+hem best vangen, als zij het hun maar eens liet probeeren.
+
+Terwijl ze over mij heenkringden naar den uitgang van het meer, kreeg
+een van die kleine kerels een glimp van mijn zwartvisch tusschen de
+rotsen in 't oog. _Pip, tsj'wie-ie!_ floot hij, en daar schoten ze me
+met z'n beide als vuurpijlen naar beneden. Ze hadden honger, en daar
+lag visch in overvloed, en ze hadden heelemaal niet gemerkt dat ik
+daar doodstil tusschen de rotsen zat. _Pip, pip, pip_, hoezee! klonk
+schril hun gefluit onder het dalen.
+
+Maar ik en mijn vischvoorraad waren het eerste geweest wat
+de vogelmoeder in het oog gekregen had, toen zij om de landtong
+heenvloog; dus ze kwam aanschieten om ze op een half boozen, half
+angstigen toon te berispen, dien ik nog nooit eerder van haar gehoord
+had: _Tsjip, tsjip, tsjip, Tsjip! Tsjip!_--en die elken keer als zij
+hem weer slaakte schriller en scherper werd, tot zij er op letten en
+omzwenkten. Toen werden zij in een grooten boog apart genomen en wijs
+en kalm toegesproken, voordat ze weer mochten gaan visschen.
+
+En als ze daar nu boven een uitstekende zandbank rondwiekten, altijd
+maar in de rondte, ziet een van de kleintjes een visch en vliegt wat
+lager om hem te volgen. De moeder ziet het, en als ze merkt dat de
+visch schuin naar de oppervlakte komt, laat ze heel verstandig den
+kleinen visscher zijn gang gaan. Nu is hij toch te dicht bij het
+water; het geglinster en de dansende golven maken 't hem lastig;
+hij raakt zijn zilveren schittering kwijt als er een golf met witten
+schuimkop over hem heenschiet. De moeder stijgt, en fluit dat hij
+hooger moet komen, waar hij beter zien kan; maar daar heb je den
+visch weer, en de kleine, hongerige baas denkt aan geen overwegingen,
+maar spant zijn vleugels om neer te schieten. "_Tsjip, tsip!_ halt,
+hij duikt weer," waarschuwt de moeder, maar haar zoon is te hongerig
+om te wachten en schiet als een pijl naar beneden. Hij is zoowat een
+meter boven het watervlak, als er een groote, schuimende golf naar
+hem toespringt. Daar wordt hij bang van; hij aarzelt, wijkt uit,
+klapwiekt uit alle macht om zijn leven te redden--als er weer een
+zilveren glans onder 't golvenschuim schemert. Onmiddellijk schiet hij
+weer neer--_hoe! boe!_--net een jongen die voor het eerst duikt. Een
+poos lang zie ik niets meer van hem. Twee golven spoelen er over hem
+heen, en ik houd mijn adem in, als ik sta te wachten tot hij weer
+bovenkomt. Dan duikt hij er plotseling weer uit te voorschijn, zich
+schuddend dat de droppels om hem heen vliegen--maar zonder visch
+natuurlijk! Als hij loom opstijgt, staakt de moeder, die aldoor
+boven hem kringde, hem raad gaf en aanmoedigde, plotseling met een
+enkelen wiekslag haar vlucht. Zij heeft denzelfden visch op 't oog,
+heeft er op gelet hoe hij wegschoot toen haar jong neerkwam, en nu
+ziet zij zijn zilverglans bij de zandbank flitsen, waar de voorntjes
+aan het spelen zijn. Zij begrijpt dat haar kleine leerlingen den
+moed verliezen en dat het tijd wordt ze een hart onder den riem te
+steken. _Tsjip, tsjip!_--"let eens op; ik zal het jullie eens wijzen,"
+fluit zij--_Tsjie-iep!_ met zoo'n plotselingen, schrillen uithaal, dien
+ik al gauw als haar aanvalssein leer kennen. Bij dien kreet breidt ze
+haar vlerken uit, schiet vast en zeker naar beneden, valt dwars op een
+rijzende golf neer, duikt er onder door en komt aan den anderen kant
+weer te voorschijn met een dikken zwartvisch in haar klauwen. De jongen
+komen achter haar aan en gieren het uit van verrukking. Zij vertellen
+haar dat ze nu misschien wel naar het nest terug konden keeren om
+dien visch eens te bekijken, voordat ze met visschen doorgaan. Dit
+wil natuurlijk zeggen dat ze van plan zijn hem op te eten om daarna,
+ten hoogste voldaan over al de pret die ze onderwijl gehad hebben,
+te gaan slapen. En dan is het voor vandaag met leeren gedaan.
+
+Maar de moeder heeft een ander plannetje in haar wijzen kop. Zij weet
+dat de jongen nog niet moe zijn, alleen hongerig, en dat er nog een
+boel te leeren valt, eer de scholen zwartvisschen van de zandbanken
+verdwijnen en zij met hun allen naar de kust moeten trekken. Zij weet
+ook dat ze tot nu toe nog twee dingen niet geleerd hebben, waar zij
+hen juist voor hier gebracht heeft: een visch altijd te grijpen zoodra
+hij boven komt, en steeds aan den voorkant, onder den schuimkam, op
+een golf neer te komen. Daarom pakt ze haar visch stevig vast, buigt
+langzaam wiekend haar kop voorover, verlamt hem door één houw van haar
+krommen snavel in de ruggegraat en laat hem dan weer in de schuimende
+golven vallen, waar ik hem zoo nu en dan aan de oppervlakte kan zien
+worstelen, want ik ben boven op mijn rots gesprongen. _Tsjie-iep!_
+"probeer 't nu eens," fluit zij. _Pip, pip!_ "daar gaat hij!" roept het
+jong, wien het daar straks mislukte. Zzzzt! gaat het naar beneden,
+heelemaal er onder, ongeduldig als hij door zijn honger is. Aan
+geen voorschrift of voorbeeld denkt hij; probeeren vindt hij niet
+meer noodig.
+
+Weer schieten de golven over hem heen, maar er klinkt voldoening
+uit het gefluit van de moeder, waaruit ik opmaak dat zij hem in
+'t oog heeft en dat hij 't er netjes afbrengt. In een wip is hij
+er weer uit, met veel geflodder en lawaai, gierend van verrukking,
+den visch in zijn klauwen. Voort gaat het naar het nest, in lage,
+langzame vlucht. De moeder kringt een poosje boven hem, om er zeker
+van te zijn dat hij niet te zwaar beladen is, en keert dan weer met
+den anderen beginneling terug, om heen en weer te zweven boven het
+ondiepe van de zandbank.
+
+Het blijkt nu duidelijk--zelfs mijn oogen kunnen het zien--dat er
+een groot onderscheid in de karakters van jonge vischarenden kan
+bestaan. De eerste was vurig, koppig, ongeduldig; de tweede is kalmer,
+flinker, gehoorzamer. Hij kijkt wat zijn moeder doet; hij let op de
+seinen die zij geeft, en een oogenblik later schiet hij in een mooien,
+zekeren boog neer om weer met een visch voor den dag te komen. De
+moeder prijst hem, als zij daalt om naast hem te gaan vliegen.
+
+Mijn blikken volgen hen, zooals zij daar langzaam over de dansende
+schuimkoppen voortwieken, redeneerend als een paar oude kameraden,
+en boven de glooiing van boomkruinen naar hun nest stijgen. Het
+leeren is nu voor vandaag gedaan; ik ga dus maar weer aan het
+visschen voor de beren, opnieuw in bewondering voor die gevleugelde
+gildebroeders. Misschien schuilt er ook wel een greintje naijver
+of spijtigheid in mijn overpeinzingen, wanneer ik een nieuwen haak
+bevestig om den ouden te vervangen, waar een gekwelde aal zich beneden
+in de modder van tracht te bevrijden. Had _ik_ maar iemand gehad om
+mij dat zoo te leeren, dan zou ik nu stellig beter kunnen visschen!
+
+Toen de moeder den volgenden dag met haar twee jongen het meer kwam
+opvliegen naar de zandbank toe, wachtte hen daar een verrassing. Wel
+een halfuur had ik op de landtong staan uitkijken om hun voor te zijn
+als ze kwamen. Er was voor mij iets raadselachtigs in de manier waarop
+Ismaques vischt, en dat is er nog. Ving hij nu zijn visch nog met zijn
+bek, net als "mink" en otter dit doen, dan zou ik het beter begrijpen;
+maar om een visch--die zoo vlug is als een bliksemflits--onderwater
+met zijn klauwen te grijpen, waar hij toch geen visch en geen pooten
+meer onderscheiden kan, als hij er in geplonsd is, daartoe is toch
+een berekening noodig, verbijsterend in een vogel. Om er nu eens
+achter te komen hoe dat toch gaat, had ik een list bedacht.
+
+Nauwelijks kwamen de visschers in 't zicht en klonk hun gretig gepiep
+hun al flauw vooruit over het meer, of ik pagaaide haastig van
+wal af en liet een stuk of zes zwartvisschen in het ondiepe water
+los. Die had ik, zoo lang ik kon, in een grooten emmer in 't leven
+gehouden, en ze hadden nog wel zooveel fut dat ze zoo'n beetje aan
+de oppervlakte konden rondzwemmen. Toen de visschers naderden, zat
+ik als gewoonlijk tusschen de rotsen en keerde mij om, om de moeder
+voor haar _Tsj'wie?_ te bedanken. Maar mijn listig beraamde plan, om
+er achter te komen hoe zij te werk gingen, liep op niets uit, of het
+moest wezen dat het lesgeven er door verstoord werd. Zij kregen mijn
+lokaas onmiddellijk in 't oog. Een van de jongen schoot er dadelijk
+zonder eenige overweging op los, dook zonder zijn visch te grijpen,
+steeg weer op, plonsde er nog eens in, en ditmaal had hij hem en
+ging er druipend mee van door. De tweede nam er zijn tijd voor,
+schoot toen pijlsnel schuin naar beneden en ving zijn visch zonder
+duiken. Het onderricht was al bijna afgeloopen nog eer het begonnen
+was. De moeder bleef een poosje rondkringen, alsof het haar een raadsel
+was, terwijl ze de jeugdige visschers nakeek, die klapwiekend over
+de helling naar hun nest vlogen. Er was iets niet in den haak. Zij
+had genoeg gevischt om te weten dat slagen nog iets anders beteekent
+dan boffen; en vanmorgen was het te gemakkelijk gegaan. Zij kringde
+langzaam boven de zandbanken, waar zij de visch bekeek, die daar
+klaarblijkelijk niet thuis hoorde, en daalde om eens achterdochtig
+een dikken zwartvisch te onderzoeken, die met zijn buik naar boven
+op het water dreef. Toen dook zij bliksemsnel, op een plaats die ik
+niet zien kon, kwam weer te voorschijn met een visch voor zichzelf
+en toog haar jongen achterna naar het nest.
+
+Den volgenden morgen was ik van plan ze er op dezelfde wijze in te
+laten loopen, maar de moeder, die goed wist wat ze wilde met haar
+onderricht, herinnerde zich hoe prachtig het gisteren gegaan was,
+zonder dat ze er iets voor hadden hoeven te doen, en kwam daarom
+eerst een onderzoek instellen. De jongen liet zij een eind verder
+langs den afgelegen oever rondvliegen.--Daar had je de visch weer, in
+'t ondiepe; en daar--dat was nu toch veel te gemakkelijk!--dreven er
+twee dood tusschen de schuimende golven. Plotseling zwenkte zij om,
+alsof zij niets gezien had, kringde weg, floot haar leerlingen bij
+zich en trok naar ander vischwater.
+
+Weldra hoorde ik hun gegier en het schrille, uitgehaalde _tsj'ie-iep!_
+waarmee de moeder het sein tot den aanval gaf, boven de naaste
+landtong. Toen ik mijn kano er bijna heengepagaaid had, ontdekte ik
+ze alle drie, kringend en duikend boven een zandbank, waar ik wist dat
+de visch kleiner en vlugger was en bladen van waterlelies een veilige
+schuilplaats boden, waar geen arend bij hen kon komen. Wel twintig
+keer zag ik ze neerschieten, zonder dat ze iets kregen, terwijl de
+moeder boven of naast hen rondwiekte om hun raad te geven en moed in
+te spreken. Toen ze echter ten langen leste hun visch gehaakt hadden
+en wegdroegen naar den berg, sprak er een verrukking uit hun kloeken
+vleugelslag en uit den kreet dien zij mij fluitend toezonden, die er
+den vorigen dag in ontbroken had.
+
+De moeder volgde hen op een afstand, en toen zij in de buurt van
+mijn zandbank kwam, vloog ze op zij af om er nog eens naar de visch
+te kijken. Er dreven er nu drie in plaats van twee; de andere--de
+paar die er nog van waren overgebleven--worstelden zoo'n beetje
+aan de oppervlakte. "_Tsjip, tsj'wie-ie!_" riep ze minachtend;
+"er is hier visch genoeg; maar wat een armzalige manier om ze te
+krijgen!" Toen schoot zij neer, dook, kwam weer te voorschijn met een
+dikken zwartvisch en was verdwenen. Voor mij liet zij niets achter dan
+een oogverblindenden watersluier en groeiende kringen van lachende,
+dansende, tergende golfjes, waaruit ik maar moest opmaken hoe zij
+visch vangt.
+
+
+
+
+HET BLIJDE LEVEN.
+
+
+Hoog boven mijn hoofd zweefde eens een adelaar op zijn breede wieken
+tegen den wind in. Het was hem een lust daar te drijven in het azuur
+van de lucht door de bries gedragen, waar hij zich kostelijk mee
+vermaakte. Voor mijn voeten had een schildpad op haar wijze plezier,
+terwijl zij lag te spartelen, en die twee leerden mij iets dat ik mij
+nu weer met genoegen voor den geest roep. Het visschen 's morgens was
+afgeloopen. Een paar prachtige, tweejarige zalmen van wel vier pond,
+zoo uit zee terug, lagen knus bij elkaar in mijn bennetje--meer dan
+genoeg voor dien dag. Dus gaf ik dien dikken zalm die tweemaal naar
+mijn "kwakzalver" had gesprongen maar op--wat mij wel aan mijn hart
+ging, moet ik eerlijk bekennen--en ging op een aangespoeld houtblok
+zitten om het er eens van te nemen, terwijl overal om mij heen de
+boschbewoners bezig waren.
+
+Met rustig geklater schoot de sterke stroom voorbij. Beneden
+fonkelden lachjes en lichtsparkels op het donkere vlak van de diepe
+kolk. Daar rustten de zalmen, die van ver weg, van de zee kwamen,
+een poosje uit, eer zij een plaatsje zochten in den stroom, waar
+zij zoo graag liggen om zich in evenwicht te houden midden in het
+voorbijschietende, ziedende water. Boven was het water op de ondiepe
+plaatsen bezig schuimplekken te maken, alsof het zeepbellen aan 't
+blazen was. Dan kwamen de groote, witte luchtblazen dansend en zwierend
+naar beneden in de draaikolkjes achter de rotsen, waar een speelsche,
+jonge zalm bliksemsnel midden tusschen hen opdook, zoodat ze lustig
+uiteenstoven. Wel een dozijn bellen en waterrimpels kwamen er nog bij,
+trokken mee met den ijlenden troep als hij weer terugviel in zijn
+stille water, dat het klaterend opsprong en alle zangvogels aan den
+oever aan het fluiten bracht. Nu en dan ontsnapte een groote, witte
+schuimlap aan dat alles, en kwam statig in den vliegenden stroom die
+aan den overkant langs de groote zandbank schoot aanlanden. Daar huisde
+mijn groote zalm; en net als de schuimlap dan stroomaf plotseling in
+het kalme water gedompeld werd, schoot hij er onder, sloeg hem met
+een slag van zijn staart in flarden.
+
+Zoo speelden ze verder, terwijl ik er naar zat te kijken--naar de
+schaduwen, naar het komen en gaan, naar de teekening van het licht
+en de wisselende weerkaatsing. Maar het aardigst was het toch naar
+de schuimbellen te kijken; dan genoot ik al bij voorbaat en wedde
+met mijzelf hoe ver zij zouden komen, eer de zalm ze onder 't spelen
+uit elkaar zou slaan: tot de tweede wielingen, of tot den rand van
+de kolk.--Er viel een schaduw over het water en ik keek op om te
+zien hoe de groote adelaar daar boven mij de machtige luchtstroomen
+doorkliefde, hoe hij zich daar in evenwicht hield en met hen speelde,
+net als de visschen in het vlietende water beneden.
+
+Eerst spande hij zijn wieken pal tegen wind in, toen steeg hij met een
+vaart schuin naar boven, als een vlieger die goed is opgelaten. Maar
+dat ging hem veel te gauw--hij deed het immers maar voor ontspanning,
+was slechts uit louter nieuwsgierigheid beneden bij het water
+gekomen, om eens te zien wat daar te doen was; en terwijl ik door
+mijn verrekijker zijn vleugeltoppen scherp in 't oog hield, zag ik
+dat de schachten nauw merkbaar draaiden, als om den wind langs hun
+onderkant te laten afglijden--zooals een schipper zijn schoot viert
+om de vaart van het schip te verminderen--en de prachtige, stijgende
+spiraalvlucht begon.
+
+Hoe een adelaar dit precies doet weet hijzelf alleen. In hoofdzaak is
+het iets dat langzamerhand geleerd moet worden. De jonge vogels slaan
+er gewoonlijk al een heel droevig figuur mee, wanneer ze het voor
+'t eerst probeeren, achter de moeder aan, die vlak boven en voor hen
+uit kringt om ze te wijzen hoe het gaat.
+
+De adelaar zweeft in langzame, statige kringen boven mij; steeds keert
+hij op zijn vorige vlucht terug, maar altijd hooger dan zijn laatsten
+cirkel, als door een machtig doel bezield. Rustig glijdt hij omhoog
+op de eindelooze trap der winden, die onder hem wegglipt. Zonder
+haast, zonder inspanning, door een wending slechts van zijn breed
+uitgespreide vleugelschachten--zoo gering, dat mijn oog het niet meer
+kan waarnemen--kringt hij naar boven, terwijl de aarde zich al wijder
+en wijder beneden hem uitstrekt, en rivieren als zilveren linten in
+den zonneschijn sparkelen door het groene boschtapijt, dat uitgespreid
+ligt over berg en dal tot aan den versten gezichteinder.
+
+Maar de kringen worden hoe langer hoe kleiner, totdat de reusachtige
+spiraallijn haar toppunt bereikt heeft en hij daar in de lucht hangt,
+met rustigen, vlammenden blik Jesaja's koninklijk gebied overziet,
+als een kolibrietje dat zich wiegelt boven den grooten bloemkelk der
+aarde. Hij staat zoo hoog, dat het mij is alsof hij over de grenzen
+van het bestaande heen kan kijken en onze aarde als een grooten bol,
+met niets, niets, onder zich en hij zelf alleen er boven, in den
+blauwen ether ziet drijven. En hij blijft daar dobberen, wiegelen,
+deinen in de snorrende luchtstroomen, die hem omvangen houden met hun
+zachte armen. Zij worden niet moe hem te liefkoozen en streelen hem
+teeder de wieken, als een forsche, sterke moeder die haar kindje in
+de armen heeft.
+
+Hij had zich verzadigd en aan een bron in de bergen zijn dorst
+gelescht. Nu rustte hij uit boven de wereld, die hem en zijn jongen
+voedde, nu werden zijn scherpe oogen slaperig, en de gedachte aan
+kwaad dat hemzelf dreigde, of eenig ander schepsel door hem, was ver
+van zijn hart.
+
+Dat is juist zoo mooi van alle groote dieren, van de sterkste zelfs:
+dat ze nooit wreed zijn, slechts nemen wat ze noodig hebben om in
+hun behoeften te voorzien. Zijn zij verzadigd, dan treedt er een
+wapenstilstand in, dien zij nooit zullen breken. Zij leven met alle
+wezens, met groot en klein, op voet van vrede, en stom, onbewust
+deelen zij in de harmonie der wereld, die den diepen grondslag vormt
+van al haar wanklanken aan de oppervlakte. Zoo is ook het lied van de
+zee niet te hooren, of we moeten ver verwijderd zijn van het gedonder
+aan de kust.
+
+Dit weet dat kleine, wilde goedje drommels goed; als dus een adelaar
+of een andere roofvogel of een roofdier niet op jacht is--negen van
+de tien keer--, toont niet éen dier zich bang voor hem, hoe schuw
+of weerloos het ook is. Ten langen leste worden mijn oogen moe van
+het kijken naar dien edelen vogel--zoo'n klein, klein stipje op den
+eindeloozen, blauwen achtergrond. Dan denk ik aan de vreugde van
+zijn machtige, vrije leven, aan het droevige van ons onnatuurlijk
+menschenbestaan, en er komt plotseling een floers voor mijn oogen.
+
+Als mijn blik de diepe kolk weer opzoekt en op de zachte oppervlakte
+rust, die glanst in stille kleuren, beweegt het kalme water aan mijn
+voeten. Daar is ook leven. De vreugde hoort niet alleen in de hemelen
+thuis, maar is op aarde evenzeer.
+
+Een lange tak van een gevelden boom lag een eind in de rivier,
+en het uiteinde wiebelde en zwiepte regelmatig in den stroom op en
+neer. Terwijl ik naar den adelaar keek, had een kleine schildpad den
+tak ontdekt en was er over heen gaan liggen, met éen poot om een
+knoest geklemd, voor een houvast; de andere bengelden en zwaaiden
+onverschillig heen en weer om goed het evenwicht te bewaren onder
+het wippen--op en neer, op en neer. De groote, ruischende rivier deed
+eigenlijk het werk en speelde het zwijgende spelletje mee. Zoo lang
+als ik naar haar bleef kijken--wel den halven morgen--lag zij daar
+te bengelen, te wiegelen, op en neer te zwiepen, verheugde zij zich
+in haar klein leventje. Dat was nog niet groot genoeg om te beseffen
+wat genot eigenlijk is, maar zij was behaaglijk gestemd door licht en
+beweging, en mij dunkt dat ze genoot van iets welluidends in den stroom
+onder zich, zwakken weerklank van de ruischende, kabbelende, fluitende
+muziek, waar lucht en bosschen aan alle kanten mee vervuld waren.
+
+Het leven is heerlijk voor de boschbewoners. Daarvan getuigde immers de
+groote adelaar hoog in de lucht; daarvan getuigde de kleine schildpad,
+die op en neer lag te wippen over haar tak aan mijn voeten; daarvan
+getuigde elk zingend vogeltje en elke springende zalm, en elke kikker
+die aan den oever zat te kwaken, en elk insect dat mij in den warmen
+zonneschijn om de ooren gonsde. Plotseling trof iets mij als heel
+merkwaardig, iets waarvan de beteekenis tot nog toe nooit recht tot
+mij doorgedrongen was: al die jaren dat ik nu de dieren gadesloeg in
+de natuur--niet om er verslag van te geven of er een verhaal over
+te schrijven, maar enkel en alleen om voor mezelf waar te nemen en
+te begrijpen wat ze uitvoerden, wat ze dachten en voelden--ben ik nog
+nooit een dier tegengekomen dat niet gelukkig was; altijd en overal was
+levenslust hun voornaamste kenmerk. Ik heb allerlei slag van dieren van
+heel nabij leeren kennen; dieren wier geheele natuur één vraagteeken
+scheen, zooals een paar blauwe gaaien, en kalkoenen en herten,
+en een eland dien ik langen tijd niet van mijn kamp af kon houden;
+andere al te teeder, als die groote, groene kikvorsch, die zich met een
+innigheid aan mij hechtte, geheel in tegenspraak met zijn kille bloed;
+weer andere dwaas, zooals het hertje dat zijn leidsvrouw nooit wilde
+volgen; of ook gemelijk en kwaadaardig, als die groote mannetjeseland,
+die mij eerst kwam opnemen en toen tweemaal probeerde mij te dooden;
+maar al die dieren, groot of klein, maakten altijd den indruk alsof
+het leven hun een schuimenden beker bood. Er was er niet een, of hij
+genoot van zijn kracht en leefde vroolijk voort, zelfs in tijden van
+gevaar en gebrek. Dat soort van zorg en angst waar ons menschelijk
+leven op schipbreuk lijdt ontbrak daar geheel en al.
+
+Eens op een morgen stond ik in het uitgestrekte bosch aan een dierenpad
+naar een hert te kijken, dat door honden achtervolgd werd. Op het
+meer had ik al naar de heele geschiedenis geluisterd--eerst het
+begeerige gesnuif, het hooge, gillende keffen, waar een versch spoor
+mee aangekondigd wordt; daarna het woeste, bassende koor, dat den
+bergrug galmend opstoof en verried hoe er een hert op de been was,
+dat door de vlucht zijn leven trachtte te redden. Ik kende de gewoonten
+van de herten uit die streek wel zoo'n beetje; wist ook dat de jagers
+op de loer lagen aan gindschen kant van den heuvelrug, bij een meer
+dat het hert al weken geleden verlaten had; dus sloeg ik de richting
+in naar een geliefkoosd hertenpad, om het voorbij te laten glippen
+en de honden weg te ranselen als zij aankwamen. Want een hertenjacht
+met honden is een afschuwelijk vermaak--bij de wet geoorloofd of
+niet. Evenmin maakt het verschil of de honden bastaard-mormels zijn,
+die speuren, of buitenlandsche hazewinden met een stamboom, die alleen
+op hun oogen afgaan en gevolgd worden door een stoet volbloed-paarden.
+
+Toen ik mij op weg naar het hertenpad bevond, gebeurde er iets
+merkwaardigs. Schuin uit de hoogte schoot een groote arend forsch
+en zeker in het struikgewas voor mij neer, om een oogenblik later
+weer op te stijgen, een en al teleurstelling klaarblijkelijk, naar de
+uitdrukking van zijn wezen te oordeelen. Ik sloop voorzichtig naar de
+struiken toe, om eens te onderzoeken wat hij daar toch te maken had;
+ook om de scherpte van mijn blik eens met den zijnen te meten; en
+daar zag ik eerst een, toen vijf of zes volwassen jonge patrijzen,
+in hun schuilplaats tusschen de bruine bladeren gedoken, die zich
+blijkbaar verkneukelden over de bewonderenswaardige kleur die de
+natuur hun gegeven had, en blij waren dat het stilliggen, zooals
+hun moeder hun leerde, zoo'n groote uitwerking had: hen beschermde
+tot het gevaar geweken was. Er was geen sprake van dat zij angst
+voelden of bang waren voor een kleinen domoor, die zijn kopje zou
+kunnen bewegen en de aandacht van den arend op hen vestigen. Een
+oogenblik later gleden ze allemaal weg, hun kopjes naar mij gewend
+om mij nieuwsgierig te bekijken, met zacht, vragend _kwit-kwit?_ En
+dadelijk gingen ze de droge frambozen oppikken, die daar in overvloed
+verspreid lagen. Ook niet een van hen dacht meer aan den arend, die
+daarnet was neergeschoten. En waarom ook? Hadden ze hem daar juist
+niet heerlijk voor den mal gehouden, en keken ze niet scherp genoeg
+uit hun oogen om het weer te doen, als het noodig mocht wezen?
+
+Ik liep daarover te peinzen en mij te verbazen over die wonderlijke
+soort van vrees, die geen eigenlijke vrees is, niets geen
+overeenkomst heeft met onzen angst voor de toekomst, maar slechts
+groote waakzaamheid beteekent,--toen er een gekraak in de takken
+ontstond en er een groote bok langs het pad kwam aanspringen. Vlak
+bij mij stond hij stil om zich luisterend om te keeren, met zijn
+gewei te schudden en hard met zijn pooten te stampen, verontwaardigd
+over zoo'n spektakel in zijn rustige wouden; toen snelde hij langs
+mij heen. Onder zijn fluweelen huid werkten zijn forsche spieren als
+goed gesmeerde machinedeelen. In plaats van daarna zijn weg in de
+richting van het water te volgen, sprong hij een gevallen boomtronk
+over, dien hij--heerlijk vertoon van kracht--zoo sierlijk "nam",
+alsof het spelenderwijs geschiedde, en stoof het moeras in, om den
+geur dien zijn vluchtende hoeven achterlieten te verdelgen.
+
+Een paar uur later zag ik hem langs een ander hertenpad rustig het meer
+ingaan en met statige, ferme slagen naar den overkant zwemmen. Daar
+stond hij een oogenblik stil om zich af te schudden en te luisteren
+naar het hondengeblaf in de verte. Hij had naar hartelust gedraafd,
+had zijn stevige spieren eens gespannen, en had geen zin meer om
+zich verder te vermoeien door nog langer te rennen, nu hij toch zoo
+gemakkelijk van die luidruchtige bende af kon komen. Maar vrees sprak
+er niet uit de wijze waarop hij zijn gewei schudde; evenmin uit het
+booze stampen van zijn voorpooten. Hij was in het volle bewustzijn
+van zijn kracht, had de innige overtuiging dat hij handig genoeg
+was om voor zichzelf te zorgen bij het nemen der machtige sprongen,
+die hem als een vogel over de omgevallen boomtronken lichtten, naar
+de zwijgende schuilhoeken van de wijde bosschen; en geen ander gevoel
+bezielde hem.
+
+Ik weet wel dat het soms heel anders afloopt, als een hert gewoonweg
+afgejakkerd en door honden of wolven gedood wordt. Maar ik heb ze
+herhaaldelijk door honden achtervolgd gezien en bijgewoond dat grijze
+boschwolven hun op 't spoor waren; en toch heb ik een hert nog nooit
+zijn volmaakt zelfvertrouwen of zijn grootsch gevoel van meerderheid
+tegenover zijn achtervolgers zien verliezen. Eens, de sneeuw lag
+dik, heb ik een hert het leven gered; net op 't nippertje, want de
+honden hadden hem al ingesloten. Tot het laatste oogenblik toe dat
+hij nog ééns opsprong, om daarna zijn kop rustig neer te leggen op de
+sneeuwkorst, heb ik geen enkel blijk waargenomen van den vreeselijken
+angst, de angstige opgewondenheid, die wij altijd aan achtervolgde
+dieren toeschrijven.
+
+Datzelfde geldt ook bij vossen en zelfs bij hazen en konijnen. De
+zwakke en domme eindigen hun leven al jong onder de nagels of de
+klauwen van sterker dieren. De rest is al zoo dikwijls ontkomen, heeft
+al zoo stelselmatig gespeeld en gedraafd, tot elke spier, elke zenuw
+volkomen is afgericht voor haar werk, dat ze er geen oogenblik aan
+schijnen te denken hoe er eindelijk een gevaar kan komen en zegevieren.
+
+Let er eens op hoe die honden een vos door het winterwoud jagen. Hun
+pooten, opengehaald aan doornstruiken en harde aardkluiten, laten
+een rood spoor achter op de sneeuw; ze hebben alle bloedige punten
+aan hun staart, doordat het uiteinde er afgeslagen is met hun woest
+gekwispel. Het helpt niet of ge al roept; ge kunt ze nauwelijks met
+stokslagen van het spoor brengen. Het lijkt wel of ze half dol zijn,
+gehypnotiseerd door den geur die hun in den neus dringt. Als ze
+blindelings door het bosch rennen, klinkt hun woest geblaf, vooral
+wanneer gij er dicht bij zijt, u bijna pijnlijk in de ooren, door de
+inspanning die er uit spreekt. En het schijnt voor hen geen verschil
+te maken, of ze hun vos vangen of niet, want als hij vlak voor hen
+neergeschoten wordt, snuffelen ze slechts een oogenblik verbaasd aan
+zijn lichaam, wentelen zich in de sneeuw, en tijgen er weer op uit
+om een ander spoor te zoeken. Gewoonlijk rent de vos den geheelen
+dag door; dan volgen ze hem tot hun pooten pijn doen en ze moe zijn;
+daarna gaan ze een poosje liggen slapen en 's morgens komen ze weer
+thuis aanhinken.
+
+Laten we de honden nu eens vóor zijn en Reintje bij het vossenpad
+opwachten. Daar is 't gejaagde dier. Hij komt er aangesprongen, zoo
+licht als een veertje op den wind, met zijn staart als een groote,
+wuivende veer achter zich aan, staat stil om naar het plompe gedraaf
+van zijn vervolgers te luisteren, maakt een paar bokkesprongen,
+zelfvoldaan als hij is, jaagt--wanneer het een jonge vos is--zijn
+staart achterna, loopt kris en kras zijn spoor door elkaar, draaft naar
+de beek en springt van den eenen steen op den anderen; kiest daarna
+voorzichtig zijn weg over droge plekken, die den reuk niet vasthouden,
+naar den top van den heuvel, waar hij het gevaar prachtig kan overzien,
+en rolt zich op een warme rots ineen voor een dutje. Zoodra het geblaf
+hem te dichtbij komt glipt hij aan den anderen kant de helling af, waar
+het is alsof de wind hem naar den volgenden heuvel blaast. Ook hier
+bestaan er uitzonderingen; maar zij bevestigen slechts dien grooten
+regel van het dierenleven: vroolijkheid overal, zelfs dan wanneer wij
+een wilden doodsangst zouden verwachten. Onder alle vossen die ik met
+woest jachtgeweld achter zich aan mijn blikken zag voorbijgaan, heb ik
+er slechts éen ontdekt, die niet den indruk gaf alsof hij veel meer
+pret had dan de honden die op hem joegen. Dat is de reden waarom hij
+zoo zelden in zijn hol vlucht, dat hem zoo eenvoudig en gemakkelijk
+tegen alles zou vrijwaren, als hij maar wilde. Is het mooi weer,
+dan blijft hij den geheelen dag op de been, maar als het loopen hem
+zwaar valt of zijn staart nat wordt in de brijige sneeuw, draaft hij
+een poosje om zijn spieren los te maken, en glipt dan in zijn hol,
+waar hij rustig gaat liggen. De honden mogen blaffen wat ze willen:
+de grond is bevroren en zij kunnen hem niet uitgraven.
+
+Ik vertel deze drie verhalen--van den patrijs, van het hert, van den
+vos--en ondertusschen duiken er in mijn herinnering nog wel twintig
+andere op, die ik wel niet hoef op te schrijven, en die alle zooveel
+bewijzen zijn dat het leven heerlijk is voor de kinderen der natuur;
+zoo heerlijk, dat de blijdschap door de koude niet kan worden bekoeld;
+dat het gevaar ze niet kan overstelpen, de honger haar zelfs niet
+doodt. Dit blijkt uit al wat in 't wild leeft, van het allerkleinste
+zangvogeltje, dat bij 't zonnegloren te midden van tallooze vijanden
+zijn zoete liedje aanheft, tot den grooten adelaar, die daar veilig op
+de lucht rust, wel duizend voet boven de hoogste bergspits; en van het
+boschmuisje, dat zijn sneeuwgangen dapper vlak onder de klauwen van
+den hongerigen vos, van de wilde kat graaft, tot den grooten eland,
+die met zijn borst een berkeboom neerduwt om van den top te eten,
+als de takken van eschdoorn en lederhout [4] tijdens de noorderstormen
+diep onder de sneeuw begraven zijn.
+
+Ik heb herten gezien, zoo mager als de Indianen op afbeeldingen uit
+een streek door hongersnood geteisterd; zoo uitgeteerd, dat al hun
+ribben als hoepels uit hun ingezonken flanken staken. En toch speelden
+de jongen met elkaar, toen zij door de kale, onttakelde bosschen
+rondzwierven om voedsel te zoeken. En ik heb in het Noorden aan den
+zoom gestaan van de wanhopig eenzame vlakten, als de ijzige rukwinden
+over die verlatenheid gierden en het was alsof alle behaaglijkheid
+zoo diep begraven lag, dat alleen de raad van Jobs vrouw: "zegen
+God en sterf", er toepasselijk scheen te zijn; en midden in die
+godslastering... fladderende vlerkjes, geglim en gefonkel van heldere
+oogjes, getwetter van zwartkopmeesjes, verheugd aan 't roepen tegen
+elkaar, druk bezig de takken die de vorst in ijs genepen hield van
+onder tot boven na te zoeken, naar het beetje dat de natuur daar in
+'t najaar wel ergens verstopt zou hebben, in de dagen van overvloed. Op
+eens een aardig, helder geluid, alsof er een engel op een fluitje had
+geblazen, een liefdesbetuiging, dat het tinkelde over de troostelooze
+verlatenheid, om mij te vertellen dat het lente werd en dat het leven
+ondertusschen wel het leven waard was--zelfs hier.
+
+Eén ding is zeker: de natuur zorgt zoo goed voor haar kinderen--geeft
+ze eten zonder zorgen, stille kleuren om niet in 't oog te loopen,
+en rappe pootjes om mee weg te snellen--dat ze zelden over iets
+anders denken dan over de gewone levensbehoeften en levensvreugden,
+voor zoover ik heb opgemerkt. Slechts dan als we het dier van boven
+af beschouwen, het eens een oogenblik zielkundig bestudeeren, en
+bedenken hoe prachtig de natuur haar voorzorgen genomen heeft om hem
+alle ellende van een angstwekkend voorgevoel te besparen, kunnen wij
+ons zijn blijdschap begrijpen.
+
+In de eerste plaats mist hij het leed dat wijzelf inwendig lijden,
+ook door ons medelijden met onze naasten. Tenminste drievierde van al
+ons leed is geestelijk, komt voort uit een overwerkt zenuwgestel of
+een overspannen verbeelding. Wanneer het alleen uit die werkelijke
+pijn bestond die we in onze beenen, in onzen rug voelen, dan zouden
+wij ons geplaagd bestaan nog wel een poosje kunnen voortsleepen en een
+even hoogen leeftijd bereiken als beren of eekhoorntjes. Want het dier
+bezit geen groote geestvermogens--niet genoeg in alle geval om daardoor
+zijn zorg meer dan te verdubbelen--en geen greintje verbeelding om
+het hem lastig te maken. Uw vriend die aan Christian-Science doet
+zou weinig houvast aan hem hebben, zou hem even glad en moeilijk te
+vatten vinden als een kerkkoepel. Is hij ziek, dan beseft hij dit
+ook en gaat als een verstandig dier slapen; is hij gezond, dan heeft
+hij geen geloof van noode om hem van die waarheid te overtuigen. Hij
+heeft stellig ook zijn smart wel, maar deze bestaat alleen uit pijn in
+zijn pooten en in zijn rug, en ook in dit opzicht is zijn zenuwgestel
+veel grover dan het onze en zijn pijn minder hevig. Dan houdt hij er
+een uitstekenden, kerngezonden aanleg op na, wijdt slechts zoo weinig
+mogelijk aandacht aan zijn pijn en maakt er geen drukte van.
+
+Bij het behandelen van gewonde dieren heeft het mij herhaaldelijk
+getroffen dat ze mij toestonden hun wonden te verbinden, de gebroken
+botjes weer op hun plaats te duwen, zelfs het vleesch weg te knippen,
+zoodra ik maar eenmaal hun vertrouwen gewonnen had en zij niet bang
+waren dat ik ze moedwillig kwaad zou doen; ze lieten dan bijna niet
+merken dat ze pijn leden. Het is een feit, dat die pijn bij de onze
+vergeleken slechts zeer gering is.
+
+Ik heb in de bosschen wel eens gekneusde en gewonde dieren gevonden,
+die bloedden ten gevolge van een dier woeste gevechten welke ze in
+den paartijd met elkaar houden. De eerste gedachte die bij iemand
+opkomt, is natuurlijk: hoe vinnige pijn die vreeselijke wonden zullen
+doen als ze koud worden; maar nu komt de natuur, die ervaren dokter,
+en binnen tien minuten heeft zij ze in haar macht door haar bekwame
+behandeling. Zij verzinken in een loome sluimering en droomen even
+pijnloos en zonder zorgen als een opiumschuiver. Uren-, dagenlang
+blijven zij daar dan in dien kalmen toestand van verdooving liggen,
+tot ze weer in staat zijn door het bosch te zwerven om voedsel te
+zoeken, of totdat de Dood zachtkens nadert en ze doet inslapen.
+
+Ik heb wel eens dieren met een leelijke kogelwond gezien, die bedaard
+aan het eten waren of kalm lagen te rusten; wel forellen, waar de
+halve kaak van afgescheurd was en die doodgewoon naar dezelfde vlieg
+kwamen happen die hen gewond had; ik heb gezien hoe een muskusrat
+met haar tanden haar eigen poot afbeet om los te komen uit een val
+waar zij tusschen geklemd zat (geheel tegen mijn zin, waarde lezer,
+want ik heb net zoo'n hekel aan die dingen als u); maar nog nooit heb
+ik een dier gezien, dat ook maar een honderdste van de pijn voelde
+die een gewoon mensch onder zulke omstandigheden zou lijden.
+
+Kinderen die aan dezelfde ziekte lijden als oudere menschen hebben
+veel minder uit te staan dan de laatsten, en wilde volken minder
+dan beschaafde. Deze feiten leveren dus een nog sterker bewijs,
+hoe het dier, dat onze geestvermogens, onze verbeeldingskracht of
+ons teerbesnaarde zenuwgestel ten eenenmale mist, aan onze pijn en
+aan ons leed ook zoo goed als ontkomt. En dat is maar een van de vele
+verstandige maatregelen die de natuur neemt, om degenen die het minst
+in staat zijn pijn te verdragen bijna geheel te sparen.
+
+Louter geestelijk lijdt het dier slechts in een enkel opzicht:
+wanneer het treurt over het verlies van metgezel of -gezellin, of van
+zijn jongen. En daar hebben wij ook alleen nog de uitzonderingen van
+gelezene--dan nog heel zeldzame uitzonderingen,--die ook al gekleurd
+waren door de menschelijke verbeelding; dat is nu eenmaal niet anders,
+en op die wijze zijn wij tot onze schromelijk overdreven voorstellingen
+omtrent dierenleed gekomen.
+
+Het nest van een vogelwijfje is verstoord. De storm werpt het
+naar beneden, of de zwarte slang [5] kronkelt er zich om heen,
+of een kwajongen haalt het uit zonder er veel bij te denken, of de
+beroeps-eierverzamelaar--verwenscht zij zijn naam en bezigheid!--bergt
+het in zijn gruwelkast. Het wijfje blijft maar zelden langer dan
+een paar uur op de plek rondvliegen; dan glipt ze weg naar grooter
+eenzaamheid. Over een dag of wat heeft ze alweer een ander nest en
+heeft ze de eieren waarop ze zit te broeden handiger verborgen. Dit is
+geen zeldzaamheid, maar overal regel in het blijde vogelleven. Gelukkig
+maar, voor hen en voor ons, dat het zoo gaat, want anders zou er
+geen jubelend morgenkoor weerklinken, zou het woud steeds vervuld
+zijn van klaagliederen.
+
+Wanneer de jongen van vogels en andere dieren door hongerige
+sluipers worden geroofd of gedood, duurt het verdriet van de
+moeder wat langer. Ook dan is de natuur weldadig. Het moederlijk
+genegenheidsgevoel voor de hulpelooze jongen, waardoor het 's
+zomers zoo'n genot is in de wildernis rond te kijken, is slechts een
+voorbijgaand instinct, dat op zijn langst een week of wat duurt. Daarna
+verdwijnen de jongen om voor zichzelf te zorgen, en de moeder laat
+ze graag gaan, want ze beseft dat ze nu zichzelf eens een beetje in
+het vleesch kan zetten tegen den kouden winter.
+
+Als er een ongeluk heeft plaats gehad en de tijd om te nestelen nog
+niet is verstreken, verspilt het wijfje slechts een paar uur met
+nutteloos getreur, bouwt dan een nieuw nest of graaft een beter hol,
+brengt haar jongen in een nog eenzamer schuilhoek ter wereld en vergeet
+haar verlies spoedig geheel onder het grootbrengen en lesgeven van haar
+nieuwe kleintjes. Dit gaat gauwer in zijn werk en er wordt minder zorg
+aan besteed, omdat de tijd maar kort is. Het is in 't oog loopend,
+hoeveel minder goed er voor die latere jongen gezorgd wordt dan voor
+de vorige;--elken nazomer kunt ge dit in de bosschen waarnemen. Het
+wijfje moet een bepaalden tijd aan zichzelf hebben, om voor den winter
+gereed te komen, en dien neemt ze gewoonlijk zonder er zich om te
+bekommeren of haar jongen klaar zijn of niet. In tijden van hongersnood
+en schaarschte zijn het nu voornamelijk die tweede soort van jongen,
+waar roofvogels en roofdieren van leven. Hun onderricht is niet zoo
+in de puntjes geweest, zoodat ze gemakkelijker gesnapt worden; en
+weer is dit geen zeldzaamheid, maar de groote wet in het dierenleven.
+
+Er is nog een verstandige maatregel dien de Natuur neemt. Zij heeft
+voor het hert en den patrijs te zorgen, maar moet ook aan den panter
+en den uil denken, die haar aanroepen als ze hongerig zijn. En hoe
+kon zij dat wonder van tegenstrijdigheid doen geschieden zonder onzen
+haat, onzen hartgrondigen afkeer op te wekken, als ze haar andere
+kinderen ook het menschelijk leed en de menschelijke smart toekende,
+waar onze fijngevoelige verbeelding ze zoo dikwijls mee bedeelt.
+
+Hoe 't ook zij met die kleine grieven en kwellingen, zij vallen
+alleen aan de wijfjes ten deel. Ik heb bijna zonder uitzondering bij
+de mannetjes niet alleen geen verdriet kunnen waarnemen, maar zij
+schijnen het verlies van hun jongen zelfs wel prettig te vinden. Ten
+deele omdat ze nu weer op hun eigen houtje voedsel mogen zoeken--want
+het mannetje is uit den aard der zaak een zelfzuchtig zieltje zonder
+zorg--maar ook omdat het heerlijk vooruitzicht hun wijfje nog eens
+voor zich te winnen daardoor opnieuw voor hen opengaat.
+
+De tweede groote oorzaak van die blijdschap in het dierenleven
+is deze: dat het dier geen vrees kent. Zijn bezorgdheid, heinde
+en ver onder zijn soortgenooten verbreid, is eigenlijk het behoud
+van al dat kleine goedje in de natuur, en verschilt zoo volkomen
+van onzen wereldschen angst en zorgen, dat we misschien liever van
+waakzaamheid of schuwheid of achterdocht moesten spreken om strikt waar
+te zijn. Het dient nog eens in herinnering gebracht dat die dierlijke
+angst niet instinctmatig is, maar eenvoudig een zaak van al of niet
+goed leeren, en nieuwsgierigheid een veel sterker trek bij de dieren
+is dan vrees. De wereld is zoo vol dingen die zij niet begrijpen, dat
+ze er steeds naar hunkeren om er nog een beetje meer van te snappen.
+
+Eens op een dag zat ik in het bosch op een boomstomp een paar patrijzen
+te plukken voor mijn middagmaal, waar ik geheel in verdiept was, toen
+een licht geritsel in het kreupelhout mij opschrikte, en daar stond me
+een groote mannetjeseland, half tusschen de dwergsparretjes verscholen,
+naar mij en de stuivende veeren te kijken, met een uitdrukking van
+gespannen nieuwsgierigheid en verbazing op zijn leelijke zwarte
+tronie. Herhaaldelijk heb ik beren en herten en kraaien en eekhoorns
+en kleine zangvogeltjes uit het bosch op datzelfde spelletje: "eens
+kijken wat hij daar uitvoert", betrapt. Ga eens ergens in het bosch
+zitten, en ga heel gewoon uw gang met de een of andere bezigheid;
+dan zal het niet lang duren, of ge merkt dat er overal in het rond
+schuwe, heldere oogen naar u kijken. En als ge u dan maar rustig weet
+te houden en uw belangstelling te verbergen, is het een genot te zien
+hoe grappig ze weifelen tusschen hun schuwheid, die tot weggaan noopt,
+en hun nieuwsgierigheid, die ze steeds weer terugdrijft.
+
+Wie een jongen vogel of een ander jong dier in nest of hol aantreft,
+zoo klein dat moeders voorbeeld nog geen uitwerking heeft gehad, zal
+waarschijnlijk slechts twee instincten ontwaren. Over het voornaamste,
+het belangrijkste, heeft de mensch geen macht, al is er misschien
+al heel mooi een indruk van te krijgen door stilletjes nader te
+sluipen en heel voorzichtig een zacht geluid te laten hooren zooals
+de moeder maakt. De twee instincten die ge stellig zult ontdekken
+zijn: het eetinstinct en het instinct om stil te blijven liggen,
+waarbij hun natuurlijke kleur voor een goede dekking zorgt. (Er
+bestaat voor een vogel nog een reden om zich rustig te houden:
+wanneer hij zich namelijk niet beweegt en zijn poriën gesloten zijn,
+geeft hij geen geur van zich; andere dieren evenmin, al is het bij
+deze niet zoo sterk. Hij ligt stil, niet alleen om aan den _blik_
+van zijn vijand te ontkomen, maar ook aan diens reukorgaan. Dit is
+echter iets anders). Angst ontdekt ge echter niet, want wanneer het
+jonge dier tijdig genoeg gevangen wordt, zal het even graag uit een
+menschenhand als van zijn moeder voedsel aannemen. Later komt het
+onderricht in waakzaamheid en schuwheid--die wij angst noemen--,in
+het onderscheiden der geluiden van al wat er in de bosschen te zien
+en te ruiken is; wordt hem geleerd hoe hij daarnaar handelen moet:
+nu eens stilliggen, dan al zijn stoppelige veeren overeind zetten
+om er groot uit te zien en een indringer af te schrikken; nu eens
+sissen of grommen of krabben of hard moeder roepen; ten slotte weer
+wegduiken in een schuilplaats of beenen maken en halsoverkop de vlucht
+nemen. Zij kennen het allemaal, maar door onderricht en voorbeeld,
+en niet door hun aanleg.
+
+En het zijn geen blijken van angst--in de beteekenis die wij aan dat
+woord hechten--maar het is een gedragslijn die hun voorgeschreven
+is. Zoo staat een karrepaard stil als de bel tjingelt; zoo wijkt de
+mensch rechts uit omdat hem dit geleerd is, zoo buigt hij zich onder
+het draven of schiet hij naar voren, wanneer hij vlak achter zich
+een onbekend geluid hoort.
+
+Om het nu maar eens ruwweg en gebrekkig samen te vatten: al onze
+menschelijke vrees welt uit die groote bronnen op: de gedachte aan
+pijn of lichamelijk letsel, de gedachte aan toekomstige droefheid en
+de gedachte aan den dood. Nu heeft de natuur in haar barmhartigheid
+dat alles aan de dieren gespaard, want zij kunnen er zich niet tegen
+wapenen, en zij zijn evenmin in staat tot een geloof, het eenige
+waardoor die angst overwonnen kan worden.
+
+Eerst dus met betrekking tot lichamelijk lijden of letsel: het dier
+leeft zijn natuurlijke leven en kent in den regel geen pijn, in welken
+vorm dan ook. Geen schepsel heeft hem ooit kwaad gedaan--behalve
+dat zijn moeder hem af en toe eens een knauw gaf om hem te leeren
+gehoorzamen--; hij draaft of vliegt dus maar door de uitgestrekte
+bosschen zonder dat de gedachte aan pijn bij hem opkomt; die heeft
+hij immers nooit gevoeld; die kent hij niet.
+
+En de gedachte aan toekomstig verdriet spookt ook niet in zijn kopje,
+want hij weet niet wat droefheid en wat toekomst zijn. Ik spreek
+nu niet over wat wij van de toekomst die het dier wacht afweten of
+meenen af te weten, maar alleen over wat hij weet en wat hij beseft
+te weten. Hij leeft heelemaal bij den dag, behalve dan de paar
+dieren die een wintervoorraad verzamelen. Hij voelt zich plezierig,
+zijn oogen kunnen scherp zien en zijn spieren zijn in den gunstigsten
+toestand. Hij heeft genoeg, of verwacht dat hij bij de eerste kromming
+van zijn pad wel genoeg zal krijgen. Dat is de wijsheid die hij uit
+zijn ervaring put. Wat den dood betreft--die valt geheel buiten het
+gedachtenkringetje van een dier. Er is er niet éen op de duizend dat
+ooit den dood ziet--behalve insecten of andere dieren die ze eten,
+natuurlijk, en die beschouwen ze niet als dooden, maar als een lekker
+hapje, zooals een biefstuk voor ons is. Wanneer ze iets doods zien,
+gaan ze er achterdochtig omheen, om een tent ook of een kano, of iets
+anders dat ze niet begrijpen, want hun moeder heeft ze niet geleerd
+wat ze doen moeten als ze zoo iets tegenkomen. Ik heb zoo dikwijls
+vogels en andere dieren bij hun doode jongen, bij een dood mannetje
+of wijfje waargenomen. Totdat het lijfje koud begint te worden,
+behandelen zij het alsof het sliep; dan krijgen ze echter argwaan,
+kijken er met wantrouwige blikken naar, besnuffelen het op een afstand
+zonder er met hun neus aan te raken, en glijden eindelijk weg, zich
+verbaasd afvragend waarom het zoo koud is, waarom het niet beweegt,
+of niet komt wanneer het geroepen wordt. Dan hooren wij ze aan alle
+kanten in het kreupelhout roepen en het diertje dat ze net verlaten
+hebben elders zoeken.
+
+Voor zoover mij bekend is, zou er in het dierenleven op dien algemeen
+geldenden regel maar één uitzondering mogelijk zijn, en wel bij de
+mieren, waar de dooden door sommige soorten begraven worden, en bij de
+bijen, die de darren als hun tijd gekomen is om het leven brengen. Die
+wezentjes zijn echter nog te weinig bekend, zijn nog zoo raadselachtig,
+er is zoo'n tegenstrijdigheid in de mengeling van oliedomheid en
+verstandig overleg, dat wij er nog geen duidelijke theorie op kunnen
+nahouden, in hoeverre zij helder denken of blindelings hun instinct
+volgen, of in hoeverre zij de beteekenis beseffen van wat ze hun
+geheele leven door elken dag doen.
+
+Lichamelijk letsel, toekomstig leed, dood--ziedaar de drie dingen die
+een dier zich nooit bewust in 't hoofd haalt; en zijn ondervinding
+geeft hem geen aanleiding om dien laatsten grooten vijand, of vriend,
+eenige beteekenis toe te kennen. Zij zijn dus gelukkig, doordat hun
+barmhartig de slavernij onzer angsten bespaard bleef.
+
+
+
+Daar zit ik nog op het oude houtblok aan het diepe water, waar de
+zalm leeft, en de groote rivier snort langs me heen met de witte
+schuimlappen die uit het ondiepe komen drijven. Het schildpadje op zijn
+wipplank heeft gezelschap van een tweede gekregen; ze zwiepen samen
+op en neer, in den stroom, die alles maar goedmoedig toelaat. Beneden
+hen wemelt de rivier van insecten; ze zullen wel eten, als ze klaar
+zijn--en ondertusschen wippen ze maar en genieten hun leventje. Hoog
+boven den berg drijft de groote arend en rust op de winden. De aarde
+omlaag heeft eten en drinken--hij zal wel komen, als hij hongerig
+is, maar nu kijkt hij neer over de grens van het bestaande en is
+voldaan. De vogels in het bosch achter mij hebben hun morgenzang nog
+niet gestaakt; ze zijn te gelukkig om te kunnen eten en moeten nog wat
+doorjubelen. Daar waar het water in trage wielingen vloeit springen
+de zalmen op, krachtig als ze zijn; kikvorschen zitten glimmend
+op de leliebladen die voor anker liggen te kwaken, en boven hen,
+in den stroomenden zonneschijn, zoemen de myriaden insecten, die
+van pret niet zwijgen kunnen. Omhoog en omlaag trilt de natuur van
+echte levensblijheid. Als een bron welt die vreugde over den rand,
+zoodat iedereen die wil, zelfs al hoort hij tot het menschengeslacht,
+dat zijn geboorterecht heeft verloren of vergeten is, terug kan keeren
+om van haar overvloed te drinken en voldaan te worden.
+
+
+
+
+HOE DE DIEREN STERVEN.
+
+
+De kreet van een adelaar--een zeldzaam geluid, 's zomers in de
+wildernis--maakte dat ik haastig mijn commoosie uitkwam, om eens te
+zien wat Cheplahgan aanleiding had gegeven de stilte te verbreken. Hij
+dreef daar op een ontzaglijke hoogte boven zijn bergtop en wiekte
+in kleine, onregelmatige kringen, als een arendsjong dat bezig is
+te leeren hoe hij den wind moet gebruiken onder zijn breede vlerken,
+en galmde telkens zijn wilden kreet over de opgeschrikte wouden.
+
+Er was klaarblijkelijk iets niet in den haak met Cheplahgan. Dat was
+geen jonge arend, die luidkeels om zijn onbekende wijfje riep of voor
+het eerst van zijn leven die prachtige spiraal vlucht probeerde. 't
+Was evenmin een der twee koninklijke vogels die ik al weken lang had
+gadegeslagen en nagegaan, en wier nest met jongen ik ten langen leste
+ver weg op een rotsklip had ontdekt. Als ik ze volgde had ik wel
+eens een glimp van een anderen arend gezien, van een reusachtigen,
+ouden baas, zonder wijfje, wiens eenzame leven mij den heelen zomer
+al iets geheimzinnigs, iets raadselachtigs was geweest. _Hij_ galmde
+daar nu zijn kreet over den hoogen berg, waar ik hem zoo dikwijls
+met zijn kalmen blik op den uitkijk had gezien, over het heerlijke,
+wijde gebied, waar hij niet langer heerschte, maar dat hij aan de
+jongere adelaars had overgegeven--zijn eigen broed wellicht.
+
+Voor zichzelf eischte hij slechts het recht om op de plek te blijven
+jagen waar hij en zijn verdwenen wijfje zoo lang den schepter gezwaaid
+hadden. Want de meeste roofvogels en roofdieren houden er hun eigen
+jachtgebied op na, waar geen ander komt stroopen, of _zij_ moeten het
+hebben prijsgegeven. Dat was mij juist den heelen zomer het grootste
+raadsel geweest. Ik snelde dus naar een landtong, ging stilletjes
+tegen een verweerden boomwortel zitten, die net de kleur van mijn
+grijze jas had, en richtte mijn kijker op Cheplahgan, om hem goed in
+'t oog te houden en te zien wat hij zou doen.
+
+Al gauw vernauwden die onregelmatige kringen zich om een middelpunt,
+waar de groote adelaar omheen vloog alsof 't een spil was. De wilde
+kreet zweeg nu en hij hield zijn wieken breed en stijf uitgeslagen,
+zooals een adelaar dat doet die op de lucht drijft. Minuten lang kon
+ik geen beweging bespeuren; hij was net een donker lijntje, op dien
+oneindigen blauwen achtergrond getrokken. Het begon langer te worden,
+langer; verbreedde zich--en toen wist ik dat het recht op mij af naar
+beneden kwam.
+
+Hij daalde al lager en lager, in schuine richting, langs onzichtbare
+treden, zonder een trilling van zijn wijd uitgespannen wieken. Nog
+lager, nog dichter bij; toen zag ik tot mijn verbazing dat zijn
+kop neerhing, alsof hij zwaar was, en niet op adelaarsmanier een
+zuivere lijn met lichaam en staart vormde. Hij zeilde recht over de
+landtong, zoo vlak bij, dat ik als ruischen van zware zij het flauwe
+geknetter van zijn vleugels kon hooren. Zijn kop zonk nog meer naar
+beneden en zijn vurige, wilde oogen hield hij half gesloten in het
+voorbijgaan. Eens maar zwenkte hij even, om een hooge boomstomp te
+ontgaan die naakt en machtig boven het woud uitstak, juist in zijn
+weg. Toen stak hij met stijve wieken de baai over ten zuiden van de
+landtong, nog steeds in zacht glooiende richting, om zwijgend in de
+armen van het donkere bosch aan den overkant neer te zinken dat zich
+boven hem sloot.
+
+Het was duidelijk dat het met Cheplahgan niet in orde was. Zoo had ik
+een adelaar nog nooit zien vliegen. Ik prentte mij de plaats waar hij
+tusschen twee reusachtige boomen verdwenen was goed in het geheugen
+en ging er gauw in mijn kano naar toe. Daar vond ik hem vlak bij den
+boschrand liggen, met zijn kop over de moskussens op den wortel van
+een ouden ceder, zijn wieken uitgebreid tusschen de koele, groene
+varens. Hij rustte zoo vredig voor het eerst van zijn leven bij
+moeder aarde,--dood.
+
+
+
+Toen ik den vorigen zomer in de wildernis kampeerde, was er achter mijn
+tent een kleine bron. Ik ging er vaak heen; niet om te drinken, maar
+om er stilletjes een poosje tot rust te komen en te zitten kijken naar
+het koele water dat uit de donkere aarde tusschen de dansende keitjes
+opborrelde en weggleed in de varens, in het mos, om trouw zijn taak
+te vervullen en overal lafenis te brengen. Wanneer ik daar zoo zat
+te kijken, kwamen af en toe de kleine boschbewoners haastig op het
+zachte geklater dat al wat dorstig was lokte, af om te drinken. Als
+ze mij dan zagen, krompen ze terug in de varens, om er door te gluren
+en te luisteren; maar de kleine stroom murmelde ongestoord verder,
+en het einde was ten slotte altijd dat ze weer voor den dag kwamen
+en mij beschouwden als een kameraad, omdat ik naast hun bron zat.
+
+Toen ik weer eens kwam, zat er een zangvogeltje op een sparretak,
+die over de bron hing alsof hij haar wilde beschermen. Verscheiden
+dagen had ik het daar al zwijgend zien zitten of rondfladderen
+in het kreupelhout. Maar zelden dronk het; het scheen er, evenals
+ik, alleen te zijn omdat het van dat plekje hield. Het was oud en
+eenzaam; tusschen de donkere veeren op zijn kopje schemerde grijs en de
+geschubde pootjes waren gerimpeld, wat vogels altijd krijgen wanneer ze
+oud worden. Het scheen niet bang voor mij te zijn, alsof het de kalme
+berusting geleerd had die den ouderdom kenmerkt, en vloog nauwelijks
+op zij als ik naderde, kwam soms zelfs vlak bij mij, wanneer ik in zijn
+bron kwam kijken. Dien dag was het lusteloozer dan gewoonlijk. Toen ik
+mijn hand uitstak om het op te nemen, spartelde het niet tegen, maar
+ging stilletjes op mijn vinger zitten en deed zijn oogjes dicht. Wel
+een half uur zat het daar heel tevreden, knipte af en toe slaperig
+met de oogen, maar als ik het aan mijn vingertop een droppel water
+reikte, gingen ze wijd open. Toen de schemering dichter werd en het
+bosch met al zijn stemmen zweeg, zette ik het weer op den sparretak,
+waar het knikkebollend in slaap viel eer ik wegging.
+
+Den volgenden dag zat het nog dichter bij de vriendelijke bron, op een
+lageren tak van den dikken spar. Weer nestelde het zich in mijn hand
+en dronk gretig den droppel van mijn vingertop. In de avondschemering
+vond ik het met zijn kopje naar beneden aan een sparrewortel hangen;
+zijn pootjes waren er stijf omheen geklemd--nooit meer zouden ze
+loslaten--en even raakte zijn snaveltje het leven-wekkende water. Aan
+de bron die het zijn heele leven had gekend en liefgehad was het
+rustig ingeslapen; haar water welde tot bij zijn bekje en hield zijn
+beeld in het hart tot het laatste oogenblik.
+
+
+
+Hoe sterven de dieren?--Negentig van de honderd kalm en rustig, zooals
+de arend in zijn vrije element, en het zangvogeltje aan de bron die het
+liefhad. Want die twee geven eenvoudig den kenmerkenden vorm waaronder
+de dood in de bosschen optreedt;--onafgebroken gaat hij zijn gang.--Het
+eenige ongewone is dat ze betrapt werden door onbescheiden blikken,
+want verreweg de meeste dieren sluipen naar de eenzame plekjes toe
+die hun lief zijn, om er zich ongezien neer te leggen; en weldra
+zullen de bladeren hen voor het oog van vriend en vijand bedekken.
+
+'t Gebeurt maar zelden dat wij ze dan ontdekken, want het dierlijk
+instinct drijft hen in de diepste schuilhoeken, zoo ver mogelijk
+weg. Wij zien slechts de uitzonderingen: den kwartel in de klauwen
+van den havik, het eekhoorntje verlamd, onbeweeglijk in den greep van
+kat of wezel; maar de ontelbare beesten die zich hun eigen rustplaats
+uitzoeken en voor het laatst hun oogen sluiten even kalm als altijd,
+wanneer ze gaan liggen slapen, zijn voor onzen blik verborgen.
+
+Er heerscht een merkwaardige gewoonte onder de dieren, die dit
+misschien verklaart en tevens kan ophelderen waarom wij toch zoo'n
+dwaze, zonderlinge voorstelling hebben, alsof de dood van een dier iets
+tragisch of gewelddadigs was. Dieren, zonder uitzondering, vogels ook,
+koesteren een sterk wantrouwen tegen alles wat ook maar eenigszins
+vreemd of ongewoon is onder hun soortgenooten. Nooit zullen zij een
+kreupel, een mismaakt of ziekelijk lid in hun gemeenschap dulden,
+enkele bijzondere gevallen uitgezonderd. Zij vallen er nijdig op aan
+en jagen hem op de vlucht. Dus als een dier, oud en zwak geworden,
+de zonderlinge gewaarwording krijgt van iets vreemds, iets ongekends
+dat hem besluipt, gehoorzaamt hij aan een verdedigend instinct
+waar hij zijn heele leven naar geluisterd heeft, en verdwijnt. Wat
+"dood" is weet hij niet; dus hij meent dat hij maar onaangenaamheden
+ontduikt door daar ergens verscholen te gaan liggen, en--het is
+voor den laatsten keer. Zoo heb ik het herhaaldelijk bij wilde, zoo
+heb ik het bij tamme dieren waargenomen en mij afgevraagd wat het
+toch zou kunnen wezen. Soms geschiedt het geheel onbewust, als bij
+een ouden beer dien ik 's zomers eens vond. Hij was als gewoonlijk
+onder een boomwortel gaan liggen om zijn winterslaap te houden,
+maar niet ontwaakt toen de sneeuw was verdwenen en de lentezon hem
+vroolijk wakker riep. 't Gebeurt ook wel eens met het zegevierende
+bewustzijn van eigen geslepenheid, als bij sommige eenden, die wanneer
+ze gewond zijn onder water een wortel beetpakken en daar sterven met
+de gedachte dat ze daar prachtig aan hun vijanden ontkomen zijn. Dan
+weer is het een instinct dat hen roept zonder dat ze weten waarheen,
+vaag en onbeschrijfelijk. Zoo is het bij de rendieren, die dikwijls
+ver wegloopen naar een plaats waar ze nooit zijn geweest, waar vroegere
+geslachten hun voorgegaan zijn; en daar gaan ze liggen, zich afvragend
+waarom zij zoo slaperig zijn en waarom lekker mos en drinkwater hun zoo
+niets kunnen schelen, terwijl boven hen de lorkeboomen zachtjes heen
+en weer schommelen. Een enkelen keer is het ook een blinde aandrift om
+maar weg te komen. Verscheiden vogels voelen zoo; die vliegen recht de
+zee in, totdat ze niet meer kunnen; dan vouwen zij hun moede vleugels
+op en zijn in slaap gevallen eer de oceaan ze nog aanraakt.
+
+Het kon wel eens wezen dat uw kanarie op zekeren dag met zijn
+ongeoefende wiekjes onophoudelijk tegen de tralies van zijn kooi
+opfladderde--zijn kooi waar hij zoo lang tevreden leefde. Als ge
+verstandig waart zoudt ge het deurtje openzetten, want een stem,
+veel machtiger dan er bestaat in het kunstmatige verband der dingen
+dat _gij_ u geschapen hebt, roept hem tot zich--de stem van de
+vergeten geslachten vóór hem. Den volgenden dag ligt hij dood op den
+bodem van zijn kooi, en er rest voor hem slechts een begrafenis nog
+onnatuurlijker dan zijn arme leventje.
+
+"Maar," brengt een lezer hiertegen in, "die vreeselijke dingen, die
+treurtooneelen dan?" Misschien komen ze wel eens voor, als we meer
+door onze verbeelding dan door onze oogen kijken, maar ze zijn veel
+zeldzamer dan de noodlottige gebeurtenissen onder de menschen. En
+zooals verreweg het grootste gedeelte van de menschheid vredig in bed
+sterft en niet met een aardbeving of hongersnood omkomt, zoo eindigen
+verreweg de meeste dieren hun leven ook kalm op een leger dat zij
+zichzelf kiezen. De natuur kent geen treurspelen, behalve wanneer de
+mensch tusschenbeide komt, zich bemoeit met den natuurlijken gang van
+zaken, wreedaardig een broedende of zoogende moeder vermoordt.--Een
+patrijs wordt door een uil beetgegrepen. Dat is een leelijk ding
+voor den patrijs,--maar het is bijna altijd een van de zwakkere of
+domme, die niet geleerd hebben om gehoorzaam te wezen zooals hun
+broertje,--en ginds, boven in dien boom, zitten twee jonge uilen,
+die zich zullen verkneukelen en blij zijn met het lekkere maaltje,
+dat een zorgzame, liefhebbende moeder hun thuisbrengt.
+
+Gewoonlijk beschermt de natuur haar broedende moeders van wie
+hulpelooze levens afhankelijk zijn, met een overleg en een eindelooze
+zorg, evenals wij menschen in zoo'n geval doen. Zelfs de vos kan ze
+in zoo'n tijd niet ruiken, al komt hij er vlak langs. Maar mocht de
+moeder er het leven bij inschieten--en bij die veronderstelling is
+zooeven onze verbeelding al met ons op hol gegaan--dan verhongerden de
+jongen toch niet, zooals wij ons dat vol medelijden denken. Zij roepen
+hard om eten; de moeder is niet in de buurt om ze tot stilte te manen,
+om ze te leeren dat zwijgen het groote gebod is voor de weerloozen
+in het bosch. Ze schreeuwen weer; de kraai of de wezel hoort ze,
+en--in een oogwenk is er snel en pijnloos een einde gemaakt aan dit
+gezin. Zoo gaat het in het woud.
+
+Zeker, er zijn ook gevallen van gewelddadigen dood, maar daarbij komen
+zij er gewoonlijk nog het genadigst, het minst pijnlijk af. Een hert
+valt, doordat een panter op hem springt die boven het hertenpad op
+de loer lag. Wij verbeelden ons dat het zóo een vreeselijke dood is,
+en schilders hebben het zoo tragisch mogelijk afgebeeld, maar in
+werkelijkheid wordt er waarschijnlijk zoo goed als niet geleden. Toen
+Livingstone met een verpletterden schouder onder een leeuwenklauw lag,
+zijn arm overdekt met gapende wonden, waarvan hij de litteekens tot
+aan zijn graf met zich meedroeg, voelde hij geen pijn, wist hij zelfs
+niet dat hij gewond was. Hij was de eerste om de aandacht te vestigen
+op het feit dat het toespringen en beetgrijpen van een wild beest een
+soort weldadige verdooving meebrengt, die de pijn volkomen wegneemt
+en alle gevoel, den geheelen wil schijnt te verlammen, zoodat iemand
+maar blij is stil te kunnen blijven liggen--het eenige, tusschen twee
+haakjes, wat hem nog hoop op ontkomen kan geven. Wanneer dit van
+den mensch geldt, dan geldt het wel tienmaal zoo sterk van dieren,
+die niets van onze zenuwachtigheid of verbeelding bezitten.
+
+Deze gevolgtrekking stemt aangenaam, en er is nog van allerlei dat
+haar aannemelijk maakt. Soldaten worden in de hitte van een vliegende
+charge of van een overhaaste vlucht vaak doodelijk gewond, en ze weten
+er niets van, totdat zij een uur later in zwijm vallen. Iedereen heeft
+wel eens een muis in den greep van een kat, of een pad in de kaken van
+een slang gezien, en weet dat ze den indruk niet geven dat ze lijden
+of besef hebben van den dood. En ik heb wel grooter beesten--konijnen,
+hazelhoenders, herten--, zoo lijdelijk onder de klauwen of de nagels
+die ze half verpletterden zien liggen, dat ik slechts de barmhartigheid
+der natuur kon bewonderen. De dood was niet wreed, maar weldadig, en
+gehuld in iets zoo vaags, iets zoo onwezenlijks, dat de beteekenis er
+van geheel voor het dier verborgen bleef en het er zich over verbaasde
+wat er nu zou gebeuren. Soms sterven de dieren van koude. Ik heb vaak
+uilen, kraaien, kleine vogeltjes, op zoo'n bitter kouden morgen dood
+en bevroren aan een tak vinden hangen, met de nagels van een pootje
+er omheen geklemd. Zoo'n einde is ook barmhartig en pijnloos. Ik
+ben zelf wel 's winters in de bosschen verdwaald geraakt en heb die
+heerlijke matheid ondervonden die de koude geeft, mij zacht voelen
+sluiten in de armen der sneeuw, die zoo rustig wenkten toen het ging
+schemeren en de stilte over het woud lag en menschelijke spieren niet
+meer konden. Dat is een zachte dood als de tijd daar is.
+
+Soms sterven de dieren van honger, wanneer een ijzige storm alle
+voerplaatsen bevroren houdt,--en dit is ook nog veel minder erg dan
+ziekte, onder welken vorm dan ook--; dat weet iedereen die wel eens
+dagenlang zonder eten is geweest. Lang voordat de pijn begint, wordt
+elke gevoelsprikkel al afgestompt door een droomerige loomheid.--Soms
+zijn brand of overstrooming de oorzaak, maar dan vertrouwt het dier
+vast en zeker op zijn pooten of wieken--dat doet hij immers altijd--en
+gaat op de vlucht, totdat het einde hem snel en zeker inhaalt. Die aan
+'t gevaar ontsnappen, kruipen dicht bij elkaar op de veilige plaatsen
+en vergeten alles, hun natuurlijke vijandschap zelfs; niets dan een
+groote verbaasdheid blijft hun bij over wat er toch gebeurd is. In
+één woord, zoolang de dieren het eeuwige leven nog niet bezitten
+en lastig of gevaarlijk konden worden door hun groeiend aantal, is
+de natuur barmhartig; ook dan wanneer zij onverbiddelijk optreedt,
+want zij zorgt dat de dood voor haar kinderen niet pijnlijk of
+verschrikkelijk is. En wat van de dieren geldt gold ook eenmaal van
+den mensch, totdat hij op allerlei uitvindingen zon om van ziekte
+iets ondraaglijks te maken en een vijand van den dood.
+
+Het dient wel in herinnering te worden gehouden dat al die laatste,
+hier genoemde gevallen treffende afwijkingen zijn en geen regel in
+het bosch. Verreweg de meeste dieren zonderen zich rustig af als hun
+tijd gekomen is; en niemand vermeldt iets over hun dood--omdat een
+mensch slechts oog heeft voor uitzonderingen. Hij verlangt een wonder,
+maar ziet de zonsondergangen niet. Er komt iets dat het dier uit
+zijn dagelijksche doen roept: de ouderdom of een natuurlijke ziekte
+raakt hem zachtjes aan, op een wijze zooals hij 't nog nooit eerder
+gevoeld heeft. Hij sluipt, gehoorzaam aan het waarschuwende instinct
+van zijn geslacht, weg en zoekt een plaatsje uit waar niemand hem
+vinden zal eer hij weer beter is. De beek murmelt, terwijl ze naar de
+zee gaat; het water kabbelt en frutselt op de kiezelsteentjes, als
+de koelte het wiegelt; de wind suizelt in de pijnboomen--het oude,
+lieve slaapliedje, dat hij hoorde toen zijn ooren voor het eerst de
+wereldharmonie in zich opnamen. De schaduwen lengen, de schemering
+wordt dichter; zijn oogen worden zoo zwaar; hij sluimert in. En zijn
+laatste bewuste gedachte--van den dood weet hij immers niets af--is
+dat hij 's morgens weer zal ontwaken, als het licht hem roept.
+
+
+
+
+
+
+DE INDIAANSCHE NAMEN.
+
+
+Cheokhes, kie-ok-ez', de Amerikaansche "mink", een ottersoort.
+
+Cheplahgan, tsjep-la'-guan, de Canadeesche arend.
+
+Ch'geegeelokh-sis, tsj-dsjie-dsjie'-lok-siz, de zwartkopmees:
+parus atricapillus.
+
+Chigwooltz, tsjigg-woelts', de stierkikvorsch.
+
+Clote Scarpe, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de noordelijke
+Indianen, zooals Hiawatha.
+
+Commoossie, kom-moe-sie', een kleine schuilplaats of hut, van bast
+en takken gemaakt.
+
+Deedeeaskh, die-die'-ask, de blauwe gaai.
+
+Eleemos, el-ie'mos, de vos.
+
+Hawahak, ha-wa-hek', de havik.
+
+Hukweem, huk-wiem', de groote noordelijke duiker of ijsduiker.
+
+Ismaques, is-ma-kwez', de vischarend.
+
+Kagax, ke'-guaks, de wezel.
+
+Kakagos, ka-ka-guoz, de raaf.
+
+K'dunk, k'dunk', de pad.
+
+Keeokuskh, kie-o-kusk', de muskusrat.
+
+Keeonekh, kie'-o-nek, de otter.
+
+Killoleet, kil'-loe-liet, de witkeel-musch.
+
+Kookooskoos, koe-koes-koes', de groote oehoe.
+
+Koskomenos, kos'-kom-ie-nos', de ijsvogel.
+
+Kupkawis, kup-kee'-wiz: syrnium nebulosum, een gestreepte uil.
+
+Kwaseekho, kwa-ziek'o, de zaagbek.
+
+Lhoks, loks, de panter.
+
+Malsun, mel'-sun, de wolf.
+
+Meeko, mie'-ko, de roode eekhoorn.
+
+Megaleep, meg'-a-liep, de caribou of 't N.-Amerikaansche rendier.
+
+Milicete, mil'-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook
+Malicete geschreven.
+
+Mitches, mit'-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort "grouse":
+bonasia umbellis of Amerikaansche "patrijs".
+
+Moktaques, mok-ta'-kwes, de haas.
+
+Mooween, moe-wien', de zwarte beer.
+
+Musquash, mus'kwosj, de muskusrat.
+
+Nemox, nem'-moks, Pekquam, pek-wem, de vischmarter uit N.-Amer.
+
+Quoskh, kwosk, de blauwe reiger.
+
+Seksagadagee, sek'-sa-guee-da'-guie, het Canadeesche hazelhoen,
+ook een soort "grouse".
+
+Skooktum, skoek'-tum, de forel.
+
+Tookhees, tok'-ies, de boschmuis.
+
+Umquenawis, um-kwie-na'-wiz, de eland.
+
+Unk-Wunk, unk'-wunk, het stekelvarken.
+
+Upweekis, up-wiek'-is, de Canadeesche lynx.
+
+Whitooweek, wit'-oe-wiek, de houtsnip.
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Een Indiaansche metgezel van den schrijver.
+
+[2] I Samuel 9 : 2: Van zijn schouderen en opwaarts was hij (Saul)
+hooger dan al het volk.
+
+[3] Blackfish of Tautoga Americana.
+
+[4] Dirca palustris.
+
+[5] Een Amerikaansche benaming voor allerlei ongevaarlijke slangen.
+
+
+
+
+
+
+Van William J. Long verschijnen in de vertaling van Cilia Stoffel
+met teekeningen van Charles Copeland:
+
+
+ 1 Dierenleven in de Wildernis (3de druk)
+ 2 Kijkjes in het Dierenleven (2de druk)
+ 3 Het Boschvolkje
+ 4 Op Eenzame Zwerftochten
+ 5 Boschgeheimen
+ 6 Een Broertje van den Beer
+ 7 Op Herten Uit
+ 8 Zonder Geweer op Jacht
+ 9 De Witte Wolf
+ 10 Langs Dierenpaden in het Hooge Noorden
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Dierenleven in de wildernis, by William J. Long
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS ***
+
+***** This file should be named 18072-8.txt or 18072-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/8/0/7/18072/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+*** END: FULL LICENSE ***
+