diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:52:29 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:52:29 -0700 |
| commit | bef7f7e21475f959bc0a63ab3e6d32107bbf988b (patch) | |
| tree | 9c5f4d72dacb8fad99d077548028ce3714552fc9 /18072-8.txt | |
Diffstat (limited to '18072-8.txt')
| -rw-r--r-- | 18072-8.txt | 3335 |
1 files changed, 3335 insertions, 0 deletions
diff --git a/18072-8.txt b/18072-8.txt new file mode 100644 index 0000000..8b896d9 --- /dev/null +++ b/18072-8.txt @@ -0,0 +1,3335 @@ +Project Gutenberg's Dierenleven in de wildernis, by William J. Long + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Dierenleven in de wildernis + Schetsen uit het leven der dieren hun natuurlijke aanleg + en wat zij leeren moeten + +Author: William J. Long + +Illustrator: Charles Copeland + +Translator: Cilia Stoffel + +Release Date: March 29, 2006 [EBook #18072] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + Dierenleven in de Wildernis + + Schetsen uit het leven der dieren hun natuurlijke aanleg en wat zij + leeren moeten + + + + Met toestemming van den schrijver William J. Long uit het Engelsch + vertaald door Cilia Stoffel + + Teekeningen van Charles Copeland + + + Derde Druk + + Rotterdam MCMXXI + + W. L. & J. Brusse's Uitgevers-Maatschappij + + + + + + +INHOUD. + + + Opdracht 6 + Voorrede 7 + Op Weg naar School 9 + Wat een jong Hertje moet weten 25 + Een Kreet in het Donker 36 + Ismaques, de Vischarend 57 + Hoe de kleine Visschers les kregen 75 + Het blijde Leven 86 + Hoe de Dieren sterven 112 + De Indiaansche namen 125 + + + + + + + +DIT BOEK OVER NATUUR EN DIERENLEVEN DRAAG IK AAN DE BROEDERSCHAP VAN +NATUURLIEFHEBBERS OP. + +Zoo luidt de opdracht van deze schetsen, en ik meende er de woorden +aan te mogen toevoegen, waarmee de schrijver een zijner andere boeken +de wereld inzond: "Deze schetsen draag ik aan de onderwijzers op, die +er naar streven hun lessen in natuurlijke historie aantrekkelijker, +pittiger te maken; die hun leerlingen, buiten het eigenlijke gebied +der wetenschap om, een blik gunnen in die wijde natuur, waar hun +een wereld opengaat, zoo heerlijk, dat ze ver boven de wereld der +wetenschappelijke feiten reikt." + + C. S. + + + + + +VOORREDE + + +Het meerendeel der volgende schetsen ontstond in het bosch, waar de +dieren die ze behandelen vlak om mijn tent heen leefden. Zij zijn alle +natuurgetrouw en geven tevens een kijkje in sommige weinig bekende +levensgeheimen van een massa vogels en andere dieren--schuwe, wilde +wezens meestal, die zich verbergen voor het aangezicht der menschen +en hun nesten of holen in het hartje der wildernis maken. + +De schrijver trachtte de oorzaken op te sporen van de dingen die +hij zag; de beteekenis te doorgronden van dat raadselachtige, +dat vogels en andere dieren in hun doen en laten hebben. Als deze +schetsen dus een geheel vormen, is dit daaraan te danken. Een +poging tenminste om dat raadselachtige op te lossen kan men in +de inleiding tot dit Dierenleven, het eerste hoofdstuk, vinden, +waar tevens inlichtingen over doel en onderwerp van dit boek +voorkomen. Evenals in mijn vorige uitgaven geef ik de dieren hier de +namen die ze van de Milicete-Indianen gekregen hebben, en ik doe dit +deels om de prettige herinneringen die ze bij mij opwekken, deels +om het persoonlijk karakter dat elk levend wezen er door krijgt, +maar toch voornamelijk omdat zoo'n naam de eigenaardigheid heeft, +door den klank, door een kleine aanduiding, ons het dier zelf voor +oogen te tooveren. Wie het kleine wezen dat onder het trapje van zijn +huisdeur woont, dat zijn kruimeltjes eet en op een fluitje afkomt, +maar gewoonweg pad noemt, hem zegt dat woord niets; maar als Simmo +[1] het heeft over K'dunk, den Dikkerd, dan weet ik tenminste iets +van de taal die dat merkwaardige schepseltje er op nahoudt en kan ik +mij zoo'n beetje voorstellen hoe het er uitziet. + +Twee of drie dezer schetsen hebben al eens in verschillende +tijdschriften gestaan, maar de andere komen alle zoo uit mijn oude +opschrijfboekjes en uit de papieren waarin de herinneringen aan mijn +verblijf in de wildernis staan opgeteekend in dit nieuwe boek. De +bekwame teekenstift van mijn vriend Charles Copeland doet er de +dieren weer leven, tot ze van achter oude, mossige boomstronken +naar mij staan te gluren, of wegglippen in het lichte loover van hun +eenzame schuilhoeken; even nog blijven ze staan luisteren en kijken +onderzoekend naar mij om--net als ze in de wildernis deden. + + + WILLIAM J. LONG. + + +Stamford, Conn. +September, 1902. + + + + + + + +OP WEG NAAR SCHOOL. + + +'t Was voor den tweeden keer, jaren geleden, dat ik zag hoe +een ottermoeder haar niets kwaads vermoedende jongen leerde +zwemmen.--Daarbij droeg zij ze op haar rug het water in, alsof 't +uit de grap gebeurde, en eer ze beseften wat zij eigenlijk in den +zin had, was zij onder hen uitgedoken. Maar als ze dan wanhopig in +dat onbekende element lagen te spartelen, dook zij weer naast hen op +en begon ze te helpen en aan te moedigen, terwijl ze in den wilde +den weg naar het vaste land terugzochten. Toen ze dit eindelijk +bereikten, krabbelden ze naar boven, piepten, schudden zich af, +keken nog eens benauwd naar de rivier en glipten dan hun hol in. Een +poosje later kwamen ze heel behoedzaam weer voor den dag, maar geen +vriendelijke overredingskracht van de moeder kon er hen toe krijgen +nu eens op hun eigen houtje te probeeren in het water te springen; +en al vleide ze nog zoo, al rolde zij jolig in de dorre bladeren, +het gaf alles niets--zij bedankten er dien dag voor weer op haar rug +te klimmen, zooals ik deze en vroeger andere jonge otters zonder zich +een oogenblik te bedenken wel twintig keer had zien doen. + +Toen ik na dat merkwaardige voorval door het schemerige bosch naar +huis ging, moest ik er aldoor aan denken hoe ikzelf op net zoo'n manier +had leeren zwemmen van een grooter jongen. Hij van zijn kant was niet +zoo behulpzaam, maar genoot des te meer, en van den mijnen kwam er +heel wat meer geplas en gespartel aan te pas dan bij de vorderingen +van de jonge ottertjes. + +Dat merkwaardige tooneeltje aan de kalme rivier--en zoo worden er +'s zomers in 't bosch wel duizenden opgevoerd, zonder dat iemand +er op let--opende mijn oogen het eerst voor het feit, hoe het dier +dat in het wild leeft bijna alles wat het weet op dezelfde wijze +moet leeren als wij; en om het te leeren moet een ander het hem +bijbrengen. Daaraan dacht ik toen ik uit mijn oude opschrijfboekjes en +zomersche dagboeken deze schetsen verzamelde. Vanzelf scharen zij zich +om één hoofdgedachte; deze namelijk: van hoe vér-strekkenden invloed +de eerste opvoeding op het verdere bestaan van elk levend wezen is. + +Dat een dier dezelfde opvoeding krijgt als wijzelf en deze dus +hoofdzakelijk van het onderwijs afhangt, is misschien een nieuw +gezichtspunt op 't gebied der natuurlijke historie. De meeste menschen +wanen dat een dierenleven in de natuur geheel beheerscht wordt door +zijn instinct; en zij die meenen dat een kinderkarakter al grootendeels +door de erfelijkheid voorbeschikt is hooren tot diezelfde groep van +menschen. Ik voor mij ben er na al die jaren, dat ik de dieren in +hun gewone doen heb waargenomen, van overtuigd dat het instinct lang +zoo'n groote rol niet speelt als wij steeds gemeend hebben; dat het +niet van het instinct afhangt of een dier al dan niet ondergaat in +dien voortdurenden strijd om 't bestaan, maar wel van de leerschool +die het bij zijn moeder heeft doorloopen. En hoe meer ik van kinderen +zie, hoe vaster het bij mij staat dat de erfelijkheid (niets dan een +andere naam voor een geheel van instincten, die langzamerhand een +hoogeren graad van ontwikkeling bereikt hebben) slechts een geringe +rol speelt in de geschiedenis en de bestemming van het kind, maar dat +oefening er voor in de plaats komt, er den voornaamsten factor van +vormt--oefening in de jeugd. Loyola, met zijn zeldzaam diepen kijk op +al wat het kinderleven betreft, had gelijk toen hij zoo ongeveer het +volgende zei: "Geef mij een kind tot zijn zevende jaar, dan doet het +er niet veel meer toe bij wien het later komt, want mij hoort het toe +voor tijd en eeuwigheid". Zet zeven weken in plaats van zeven jaar, +en ge zult een flauw besef krijgen van het plan waarnaar onbewust +elk moedertje in de natuur handelt. + +Om het waarschijnlijke van deze bewering aan te toonen zijn er +van die eigenaardige feiten en kenmerkende trekjes genoeg uit het +dierenleven te zien, zelfs voor hem die maar af en toe in bosch en +veld op verkenning uit is. + +De jongen die door een ernstig ongeluk of, nog droeviger, door boos +opzet van hun moeders opvoeding verstoken blijven hebben niet veel +aan hun instinct, want zij zijn steeds de eersten die het onderspit +delven in hun strijd tegen de sterkeren. In de uitgestrekte bosschen +worden zij alleen groot, die hun natuurlijke voorgangers volgen tot +ze wijs genoeg zijn. Wanneer de zomer lang duurt en de opvoeding +van de kleintjes voltooid is, krijgen de dieren nog wel eens jongen, +broeden de vogels voor de tweede maal, maar die worden dan gewoonlijk +tegen den winter aan hun lot overgelaten, eer hun eenvoudige opvoeding +ook maar half voltooid is. Overgelaten aan hun instinct, onvoldoende +voorbereid, vallen _zij_ ten prooi aan de zwervende roofdieren, die +hongerig in de natuur rondsluipen, terwijl de jongen die een betere +leerschool doormaakten leven en gedijen--in dezelfde bosschen, te +midden van dezelfde gevaren. Ja, wat nog meer zegt: huisdieren, wier +natuurlijke aanleg bewaard bleef, maar die de kunstjes niet kennen +welke een wilde moeder hun zou hebben geleerd, denken er niet aan +partij te trekken van hun omgang met den mensch, maar staan bijna +hulpeloos, als ze bij ongeluk het spoor bijster raken of het oude, +vrije leventje in de bosschen moeten hervatten. Dan baat instinct +hun niet; ze weten zich niet zooals hun wilde stamgenooten voor hun +vijanden te verbergen; zij zien ook geen kans om aan voedsel te komen; +en als de havik neerschiet of de boschkat te voorschijn springt, +zijn zij de eersten die er 't leven bij laten. + +Waar ge ook in de bosschen komt, overal zal die meening nog bij u +versterkt worden. Ik zat eens op een middag te kijken hoe vijf of zes +rendiermoeders dunkt mij bezig waren hun jongen de eerste regels van +den omgang en het gezellig verkeer te leeren. Tot op dat oogenblik +hadden de jongen in strenge afzondering, elk bij zijn eigen moeder, +geleefd, zooals alle andere dieren in de natuur--een uitstekende +methode, tusschen twee haakjes, waar menschenmoeders misschien nog +een voorbeeld aan kunnen nemen. Nu werden ze voor het eerst bij +elkaar gebracht; vast een voorproefje van het leven 's winters, +als alle rendieren in kudden over de open vlakten zwerven. + +Ze werden door de moeders naar een open plek in 't bosch gebracht, +naar 't midden geduwd en daar alleen gelaten om kennis te maken, wat al +heel langzaam en omzichtig in zijn werk ging. Ondertusschen stonden de +moeders uit de schaduw naar hen te kijken; de bedeesde moedigden zij +aan, en die den baas wilden spelen en begonnen te stooten straften +ze of duwden ze op zij. Toen moesten ze spelenderwijs in groepjes +leeren draven en over omgevallen boomen springen--een noodzakelijke, +maar toch een heel moeilijke les voor een rendier, dat nu weliswaar +in de uitgestrekte bosschen woont, maar dat in vroeger eeuwen op de +open noordelijke vlakten leefde, waar zijn spieren zoo'n verandering +hebben ondergaan dat springen iets onnatuurlijks voor hem is geworden, +zoodat hij het met veel geduld en moeite moet leeren. Een andermaal +vindt ge een hertje in 't bosch verstopt--zooals het in het volgende +hoofdstuk beschreven is--en ge staat er versteld van dat het niet +wegspringt, maar zonder de minste vrees op u afkomt, uw handen likt, +u achternaloopt en verlangend, droevig blaat, wanneer ge weer gaat. Ge +moet misschien nog leeren dat vrees geen instinct is; dat de meeste +dieren, als ge ze maar zoo vroeg vindt dat ze nog niets geleerd hebben, +geen angst laten blijken, wanneer er iemand vriendelijk op ze toekomt, +maar een levendige nieuwsgierigheid aan den dag leggen. + +Dwaalt ge een week of wat later door het bosch, dan hoort ge plotseling +een noodsignaal en ziet ge datzelfde hertje weer wegstuiven, alsof 't +om zijn leven ging. Toch zijt gij gebleven die ge waart; onveranderd +bleef uw vriendelijkheid; evenmin als vroeger kwam 't in uw hart op ook +maar een schepsel kwaad te doen. Wat is er dan toch met dien zoon van +Kis [2] gebeurd? Eenvoudig dit: dat er op zekeren dag, toen het hertje +achter zijn moeder aan liep, een geur uit het kreupelhout dreef die +niet in het bosch hoorde. Nauwelijks had de hinde dat geroken, of zij +wierp haar kop achterover, stak haar neus in den wind, snoof, en met +een sprong en een doordringenden kreet dat het hertje haar zou volgen +snelde zij weg. Zoo'n les hoeft maar zelden herhaald te worden--van +dat oogenblik af beteekent een bepaalde geur gevaar voor het hertje; +en als de wind het gunstig gezind is en de lucht nog eens in zijn +neusgaten wuift, zal het wegspringen, zooals hem geleerd is. Negen +van de tien herten die in de wildernis bij onze nadering op de vlucht +slaan hebben nog nooit een mensch gezien of kwaad van hem ondervonden; +ze gehoorzamen dus eenvoudig aan een der voorschriften uit hun jeugd. + +Ge kunt de waarheid van deze bewering nog eenvoudiger op de proef +stellen. Zoek in 't voorjaar eens een kraaiennest (ik kies de kraai, +omdat zij de slimste vogel is en haar nest niet moeilijk is te vinden) +en als de jongen bijna "vlug" zijn, ga er dan eens stilletjes heen. Op +een gegeven dag zult ge zien hoe de moeder dicht bij het nest staat en +tegenover de jongen haar vleugels uitspreidt; dan duurt het niet lang, +of de kleintjes staan op en doen haar met uitgebreide vlerkjes na. Dat +is de eerste les. Den volgenden dag ziet ge misschien hoe de oude vogel +zich op de teenen opgeeft en zich door heftig fladderen in evenwicht +houdt. Weer doen de jongen dit na, en zoo leeren ze al gauw dat hun +vleugels het vermogen hebben hen te dragen. Den daarop volgenden dag +kunt ge de beide ouden takop, takaf om het nest heen zien springen, +en als de afstand groot is gebruiken ze hun vleugels. De kleintjes +doen aan 't spelletje mee, en--kijk eens aan! ze hebben leeren vliegen, +zonder ook maar in 't minst te beseffen dat ze er les in kregen. + +Dit alles heeft natuurlijk slechts op de hooger ontwikkelde +diersoorten betrekking. De dieren die nog op een lagen trap staan +worden in hun jeugd niet onderricht; om de eenvoudige reden dat ze +maar zoo'n schijntje hoeven te weten en 't met hun instinct alleen +wel af kunnen. De meer ontwikkelde echter moeten niet alleen zichzelf +kennen, maar alles weten van de wezens die onder hen staan, omdat ze +van die wezens afhankelijk zijn--het is hun voedsel; en een beetje +moeten ze op de hoogte wezen van de schepsels die hun weer de baas +zijn, omdat ze er zich door list of vlugheid tegen beveiligd moeten +houden. En instinct alleen is voor deze dingen niet voldoende. Slechts +een zorgvuldige, moederlijke opvoeding kan die leemte aanvullen en +dat kleine, wilde goedje klaarmaken voor hun strijd met de wereld. + +Voor zoover ik heb kunnen nagaan, krijgen jonge visschen hoegenaamd +geen opvoeding van hun ouders. Sommige laten zich maar gaan, waar ze +den minsten tegenstand ondervinden en zakken stroom-af naar zee. Komt +de tijd van kuitschieten weer, dan zoeken ze den weg van de zee naar +de rivier terug--steeds dezelfde rivier is het--, waar ze werden +uitgebroed. De meening is geuit, als zou dat heen- en weertrekken +uit instinct gebeuren, maar daar ben ik nog zoo zeker niet van. Ik +geloof--en dat geloof berust op de bijzondere studie die ik van +forellen en zalmen gemaakt heb en op onlangs verschenen mededeelingen +over diepzee-onderzoek--dat ze de groote visschen uit dezelfde rivier, +die op grooter of kleiner afstand onder de kust in scholen worden +aangetroffen, volgen, en niet alleen gehoorzamen aan hun instinct. + +In alle geval gaat dit zoo bij de vogels. Het instinct, dat hen +tot den trek drijft, is eenvoudig een aandrift, die nauwelijks méér +met het verstand te maken heeft dan bij ratten, bij eekhoorntjes, +bij kikkers, bij wie zich op sommige tijden dezelfde sterke neiging +tot trekken openbaart. Als ze aan zichzelve werden overgelaten, +zouden de jonge vogels in het Noorden of in 't Zuiden nooit hun nest +terugvinden. Er is echter iets anders dat hen drijft, nog sterker, +en wel dit: ze willen met den troep meevliegen. De jonge sluiten +zich dus aan bij de trekkende vogelscharen en leeren door de oude, +die meer ervaring hebben, en _niet_ door hun instinct, den veiligen +weg naar de kust kennen--de zeeën over, wildernissen door, nog door +geen menschelijken voet betreden, tot daar waar hen een ongestoorde +rustplaats en voedsel wacht. + +De eenige uitzondering op dien regel, voor zoover mij bekend is, +maken de plevieren misschien. De jonge trekken een dag of tien of +twaalf vroeger dan de oude naar het Zuiden, het groote gebied van +Labrador tot Patagonië over. In een groote vlucht jonge goudpluvieren, +die door een plotselingen zuidoosterstorm gedwongen waren op onze +kust aan land te gaan, heb ik er een enkelen keer twee, drie oude +waargenomen, kenbaar aan hun zwarte borst; en ik twijfel er geen +oogenblik aan of deze oudere vogels zijn de gidsen. Ook komt het +mij voor alsof zij bevelen geven bij de eindelooze vliegoefeningen, +die de plevieren zoo geregeld houden als een peloton soldaten. + +Onze bewering krijgt nog steviger bewijsgronden, wanneer we bij de +hoogere soorten komen. Het voornaamste en krachtigste instinct is daar, +evenals bij kinderen, de gehoorzaamheid--maar er bestaat een belangrijk +verschil tusschen die twee, tusschen het jonge menschelijke en het +jonge wilde dier. De eenige gedachte die het dier bezielt, die door +dagelijksche oefening bij hem was gewekt en versterkt, is deze: dat +het er voor hem alleen op aankomt in de wereld op bevelen te letten +en ze oogenblikkelijk te gehoorzamen, totdat hij groot is geworden en +langzamerhand op zichzelf leert passen. Het kind daarentegen, dat tot +in het oneindige toe verwend en vertroeteld wordt, dat maar geluid +hoeft te geven en iedereen luistert er naar en er wordt een drukte +van gemaakt alsof het een bevel van den koning zelf was, het kind +verliest daardoor dikwijls genoeg het reddende gehoorzaamheidsinstinct +en groeit op bij de gedachte, dat het in de wereld slechts bevelen +heeft uit te deelen die anderen moeten gehoorzamen. En is het kwaad +gebeurd, is het drie of vijf of twintig jaar, dan moeten wij het de +gehoorzaamheid gaan bijbrengen die nooit had mogen verloren gaan; +want zonder gehoorzaamheid is het leven een last. + +Wij wenden ons zoo dikwijls weer tot het dierenleven, met de gezonde, +weldadige gewaarwording, hoe de levenswet in _dat_ rijk wordt gekend +en geëerbiedigd. Gehoorzaamheid is alles voor het dier, dat zijn +bestaan in de natuur heeft. Het is de cijns, dien de onwetendheid +onbewust en ongemerkt aan de wijsheid, de zwakke aan den sterke +betaalt. Dat begrijpen alle moeders in de natuur, van den patrijs +af tot den panter toe; en steeds maar weer, op lange zomerdagen, +in stille, ster-heldere nachten, geven zij er onderricht in, totdat +de jongen van hun gehoorzaamheidsinstinct leeren partijtrekken, +tot zij, dank zij hun zorgvuldige opvoeding, verstandig en krachtig +opgroeien. Dit is in één woord, dunkt mij, het geheele geheim van +het dierenleven. En wie er op let hoe zich dat alles afspeelt, +wie er in meeleeft, hoe het wijfje van den vischarend ginds de +natuurlijke neiging van haar jongen om in de bosschen te jagen +overwint en hen inwijdt in de edeler geheimen van de vischvangst; +hoe daar een ottermoeder haar jongen voor het eerst met het water +vertrouwd maakt, waar ze van nature achterdocht tegen koesteren, +en hun later wijst hoe ze diep en geruischloos moeten zwemmen,--die +moet zich wel verbazen en tot nadenken komen. Wat hij daar om zich +heen ziet gebeuren, als hij zijn oogen openzet, zal maken dat hij +zijn onvolledige theorieën over instinct en erfelijkheid herziet. + +Daarom zou ik dit boek "de Boschschool" kunnen noemen; want 's zomers +is de natuur net een groot schoolgebouw, waar in lokaal aan lokaal +allerlei verstandige, geduldige moeders hun kleintjes les geven, en +waarvan onze bewaarscholen slechts gebrekkige, tweederangs-navolgingen +zijn. Dit is eerst eens een praktische school, waar alles gaat volgens +de regelen der kunst; en zoo'n oppervlakkig Fransch of letterkundig +vernisje kan er hier niet mee door! Gehoorzaamheid doet leven: dat +is voorschrift nº. 1. Wat jammer dat wij menschen het niet beter +geleerd hebben! In de natuur kent elke moeder het; zij dankt er +haar leven aan; zij stampt het haar jongen in. Andere voorschriften +komen pas in de tweede plaats: wanneer ze zich moeten verstoppen en +wanneer vluchten; hoe ze moeten neerschieten en hoe beetgrijpen; +hoe ze die groote verscheidenheid van dingen die ze in de wereld +zien--klanken die ze hooren, geuren die ze ruiken--uit elkaar moeten +houden en in hun geheugen prenten, om oogenblikkelijk de daad te +laten volgen, zoodra iets tot hun bewustzijn doordringt--nog eens: +al die verrichtingen die niet zoozeer een zaak van 't instinct zijn +als wel van zorgvuldige oefening en nabootsing. + +Bij de opleiding die ze daar in 't bosch krijgen gaat het om het +leven; daarom heerscht er ook een tucht zoo onverbiddelijk als de +dood. Iemand die lang zoo'n troepje jonge boschbewoners waarneemt moet +soms den adem in zijn keel voelen stokken, wanneer hij ziet met welk +een barbaarschen ernst zelfs het eenvoudigste onderricht gegeven wordt. + +Er zullen slechts weinig moeders in de natuur zijn die ook maar de +geringste speelschheid of eigenwijsheid in hun schooltjes dulden; +en die vlugger van begrip zijn--de kraaien en wolven bijv.--maken +onmeedoogend hun zwakke en koppige leerlingen dood. Toch kennen +ook _zij_ teederheid en geduld, wordt er van de jongen nooit meer +geëischt dan ze kunnen. Zitten de lessen er eenmaal in, dan blijven +zij nog een paar dagen onder de hoede hunner onderwijzeressen en +worden daarna de wereld ingestuurd om de proef op de som te nemen, +en, dank zij hun opvoeding, in hun eigen onderhoud te voorzien en in +'t leven te blijven. + +Er is nog iets. Het is in 't oog loopend hoe vroolijk het op die +bijeenkomsten, op die merkwaardige bewaarschooltjes in de natuur +toegaat. Hoe meer ik die moeders met haar leerlingen gadesla, hoe +sterker het verlangen bij mij wordt, eens te kunnen nagaan _hoe_ +vrij zij zich wel voelen, _hoe_ zij genieten onder 't spelen, _hoe_ +levenslustig zij zijn. En dat is de groote les, die iemand met hart +en oogen open al gauw in de boschschool leert. + +Ginds ligt een weidespreeuw neergedoken in 't dorre gras, en zijn +kleur maakt hem onzichtbaar voor den grooten havik, die al maar +boven hem rondkringt. Gisteren heb ik wel een uur naar dien spreeuw +gekeken. Lang geleden heeft zijn moeder hem het verstandige van dat +stilliggen geleerd, en zijn eenige gedachte is nu maar--voor zoover +ik er over kan oordeelen--hoe volkomen hij voor dien scherpen blik, +waaraan hij al zoo dikwijls is ontkomen, gedekt is door zijn kleur en +zijn roerloosheid. Negen en negentig van de honderd keer is hij er ook +heelemaal door gedekt en kan hij weer vroolijk zijn gang gaan. Als hij +eenig begrip van de natuur had, (wat niet zoo is) zou hij dankbaar van +die merkwaardige kleur wezen, _èn_ voor het feit dat de natuur ook nog +aan haar andere kinderen dacht, toen ze den valk een scherpen blik +gaf en maakte dat die oogen niet in staat zijn iets waar te nemen, +wanneer het niet beweegt of geen sprekende kleur heeft. Maar _nu_ +meent de spreeuw dat het slim overleg van hem zelf was en lacht hij +in zijn vuistje, zooals elk ander dier in de natuur doet. + +Er bestaat dan ook geen grooter dwaling dan de waan dat een dierenleven +een aaneenschakeling van angstige oogenblikken zou zijn, van schrik +en ontzetting, die het als nachtmerries vervolgen; want het is niet +vreeselijk steeds op zijn hoede te zijn. Het dier maakt eenvoudig +van zijn ongewone gaven gebruik, met de blijdschap en het vertrouwen +die mensch en dier altijd kenmerken als ze hun buitengewone gaven +gebruiken. + +De arend, die daar hoog boven zijn steilen bergtop op zijn prooi +loert, geniet niet meer--neen, eer minder--van zijn gezichtsvermogen +dan de hinde van het hare, als ze merkt hoe hij plotseling schuin naar +beneden schiet, zoodat zij er alles van begrijpt, en haar jongen ergens +verstopt waar ze doodstil moeten blijven liggen. Zijzelf draaft dan +maar zoo in 't volle gezicht weg om de aandacht van den roover van +haar kindertjes af te leiden, en op 't laatste oogenblik springt zij +de ruigte in, waar de breede arendswieken niet kunnen volgen. Ze is +ook volstrekt niet overstuur, maar als 't gevaar geweken is en zij +terug komt huppelen, is zij zoo blij als een sijsje en juicht ze als +een koningsvogel. + +Het _is_ gewoonlijk ook niet vreeselijk om te vluchten, maar het geeft +een heerlijk gevoel van macht en zegepraal. Let maar eens op dat hert, +hoe prachtig het daar--als een valk zoo licht en vlug--voortsnelt over +een terrein waar elk ander dier met zijn pooten zou verward raken en +aarzelend gaan. Kijk eens naar dien patrijs, als hij met zoo'n zuiver +berekenden boog in de altijd-groene moerasplanten neerduikt om een +schuilplaats te zoeken. 't Is of hoef en wiek om 't hardst het gevaar +uitlachen dat achter hen dreigt, en genieten van hun kostelijke macht, +van hun geoefendheid. + +Ik noem dit eenvoudige, op zichzelf zoo heuglijke feit, zoo klaar voor +iedereen die met open oog door 't rijk der natuur gaat, slechts bij +wijze van uitnoodiging: kom in die boschschool, lezer, en ik verzeker +u dat er werkelijk zoo goed als niets te zien zal zijn van al wat u +'t hart doet ineenkrimpen in uw eigen droeve wereld; geen treurspelen, +geen tooneeleffect van ellende en strijd; integendeel: een opgewekt, +gezond leven, dat vroolijk stemt en ons met dieper wijsheid, met +hernieuwden moed tot onze eigen leerschool doet terugkeeren. + +De schrijver heeft in den laatsten tijd herhaaldelijk brieven gekregen +van vriendelijke, gevoelige menschen, die van dieren houden en wien +de gedachte aan al het leed dat er juist in de dierenwereld bestaat +een marteling is. Sommigen zagen ook de tranen hunner kinderen om het +denkbeeldige verdriet, het denkbeeldige leed van beesten; en al die +menschen vragen: "Is het zoo? Lijden en treuren de dieren in stilte; +komen ze ten slotte droevig om?" + +Gedeeltelijk als antwoord aan die verontruste vragers nu, heb ik +twee hoofdstukken van meer algemeenen aard aan deze schetsen, die de +dieren afzonderlijk behandelen, toegevoegd, in plaats van ze te laten +liggen tot er in een lateren bundel opstellen en mededeelingen over +de natuur een plaats voor openkwam. Het zijn: "het blijde Leven" en +"hoe de Dieren sterven". Ze geven er, heel in 't algemeen, een kort +verslag van hoe ik geloof dat het leven en sterven der dieren werkelijk +_is_; en tot die overtuiging ben ik langzamerhand, in al dien tijd +dat ik de wilde bewoners onzer bosschen en velden heb waargenomen en +nagegaan, gekomen. + +En heeft mijn inleiding, die wel wat uitvoerig is, den lezer niet +verveeld en hebben zijn kinderen niet te lang op een dierenverhaal +moeten wachten--dit is nu eindelijk de school en dit zijn sommige +van de natuurwezens die er werken en spelen. + + + + +WAT EEN JONG HERTJE MOET WETEN. + + +Tot op dezen dag is 't nog haast niet te begrijpen hoe een menschelijk +oog ze ooit heeft kunnen vinden, zóó goed waren ze verstopt. Ik volgde +den loop van een beekje, dat mij met zijn geruisch in het hartje van +de groote bosschen naar een diepe vallei bracht. Er was een zware boom +over mijn pad gevallen, die een brug over den stroom vormde. Nu zijn +bruggen er om er over te loopen; dat is zoo duidelijk als iets, zelfs +voor den onbeduidendsten boschbewoner. Ik ging dus op een bemosten +boomtronk zitten om eens te kijken wie er mijn buren wel zouden zijn, +en wat voor pootjes er zoo al langs 's Heeren wegen wandelden. + +Hier naast mij staan indrukken van klauwen in de vermolmde +schors. Zoo'n diepe, forsche prent kan slechts van een beer zijn--en +kijk maar! daar heeft het mos ook al losgelaten, is het afgebrokkeld +onder zijn gewicht. Een rusteloos zwerver, die Mooween! Als zijn +luie aard hem op zoo'n zomerdag toevallig eens een poosje begeeft, +is het op de helling wel veertig mijlen in 't rond na te gaan +waar hij bezig is geweest.--Daar, aan den anderen kant, liggen de +bronsgroene schubben van een pijnappel--spaanders uit de werkplaats +van een eekhoorn. Ze liggen er verspreid, alsof Meeko ze haastig van +zijn gele voorschoot had gestreken, toen hij te voorschijn schoot +om te gluren naar Mooween die voorbijging. Ginds is 't spoor van +een "mink", en 't is zoo klaar als de dag dat Cheokkes daar een +poosje heeft gezeten na zijn kikvorschenontbijt. En kijk eens hier, +terwijl ik lui met mijn beenen boven de trage beek zit te bengelen, +hangt er aan een boomstomp, waar ik met mijn elleboog tegenaan kom, +een gekronkeld geel haar. Dit verraadt mij hoe Eleemos, de Leeperd, +zooals Simmo hem noemt, er een hekel aan heeft om zijn pooten nat +te maken en daarom een omgevallen boom of een steen in de beek als +brug gebruikt, net als zijn soortgenooten bij de kolonisten.--Vlak +voor mij lag nog een gevallen boom zóó langs het water dat geen +dier er over zou loopen, of 't moest een "mink" zijn op roof +uit--gevaarlijker beest zou er niet over denken. Onder de wortels +die van de beek lagen afgewend was een verborgen en ruim kamertje, +waar de uiteinden der neerhangende sparretakken als een gordijn voor +de deuropening hingen. "Wat een mooie plaats voor een hol," dacht ik, +"want niemand zou je daar ooit vinden"; maar--alsof 't gebeurde om +mij tegen te spreken--daar vond me een verdwaalde zonnestraal het +plekje en wekte een geglans en geflonker van dansende schaduw en +spelend licht onder wortels en stam van den gevallen boom. + +"Wat mooi!" riep ik uit, toen het licht op die bruine plek viel +en er witte en gouden vlekken tooverde. De zonnestraal glipte weer +weg, maar het was of hij zijn glans achterliet, want daar onder de +wortels was de goudbruine plek nog en de vlekken van wit en geel. Ik +bukte mij om beter te zien, stak mijn hand naar binnen--en de bruine +vlek veranderde plotseling in een fluweelzacht vachtje; de witte, +de gouden lichtglansen waren de geappelde flanken van twee hertjes, +die daar doodstil en angstig bleven liggen op de plaats waar hun +moeder hen bij 't weggaan verstopt had. + +Ze waren nog maar pas een paar dagen, toen ik ze vond. Ze hadden elk +als Jozef een "veelvervig" rokje aan; en mij dunkt dat ze ook een +soort van toovermantel omhadden, want ze hoefden maar ergens te gaan +liggen, en ze werden onzichtbaar. + +Die eigenaardige teekening--net het spelen van licht en schaduw door de +bladeren--verborg de beestjes volkomen, zoolang zij zich stilhielden en +de zonnestralen over zich heen lieten dansen. Hun mooie kopjes waren +een studie voor een kunstenaar, zoo teer, zoo sierlijk, zoo fijn van +kleur. En hun groote, zachte oogen hadden een uitdrukking van zoo +vragende onschuld, toen ze de mijne ontmoetten, dat het regelrecht +naar mijn hart ging en maakte dat ik die mooie wezentjes dadelijk +als mijn eigendom beschouwde. In 't heele bosch bestaat er niets +dat zoo stormenderhand ons hart verovert als 't snoetje van een jong +hertje. Ze waren eerst bang en bleven doodstil liggen; niets bewoog +er. Het eerste en krachtigste instinct van elk schepsel dat er op +deze wereld geboren wordt is het gehoorzaamheidsinstinct. Dit was de +oorzaak dat ze zoo trouw deden wat moeder bevolen had: blijven waar +ze waren en stilliggen, tot zij terugkwam. Dus toen het gordijn van +sparregroen was weggeschoven, toen mijn oogen naar hen keken en mijn +handen ze aanraakten, hielden ze hun kopjes nog stijf tegen den grond +gedrukt en deden alsof ze maar een stukje waren van den bruinigen +boschgrond, de teekening op hun glanzende velletjes maar vlekken van +zomerschen zonneschijn. + +Toen besefte ik dat ik een indringer was, dat ik dadelijk heen behoorde +te gaan en hen alleen laten; maar het waren zulke mooie beestjes, +zooals ze daar in hun mooie, oude hol lagen, angst en verbazing en +vragen tintelend in hun zachte oogen, toen zij mij weer aankeken als +een schalksch kind dat kiekeboe speelt. Het komt door onzen hoogeren +aanleg, dat wij nergens iets moois kunnen zien of wij willen er naar +toe om te kijken, om het aan te raken, om het te hebben. En dit was +zoo mooi als men maar zelden iets ziet, en al was ik een indringer,--ik +kon niet weggaan. + +De hand die de kleine boschbewoners aanraakte gaf het gevoel niet dat +er gevaar dreigde. Ze zocht achter hun fluweelzachte ooren de plekjes +uit waar ze zoo graag gekrieuweld worden; ze gleed met zachte, golvende +beweging streelend over hun ruggen; ze legde haar holle palm onder +hun vochtige snoetjes en bracht in een wip hun tongen te voorschijn, +omdat deze er flauw een ziltigen smaak aan proefden. Plotseling staken +ze hun kopjes op. 't Was nu geen spelletje meer, want ze hadden hun +eerste les vergeten, vergeten dat zij zich moesten verbergen. Zij +wendden hun blik weer naar mij en keken mij open aan met hun groote, +onschuldige vraagoogen. Het was zoo heerlijk mooi dat ik geheel +verslagen stond. Zoo'n diertje hoeft ons maar eenmaal zoo te hebben +aangekeken, en we zouden er, als 't noodig was, ons leven voor +overhebben om het te beschermen. + +Toen ik ze naar hartelust geliefkoosd had en eindelijk opstond, kwamen +zij ook wankel overeind en liepen hun kamertje uit. Hun moeder had +ze gezegd er in te blijven, maar dit leek ook een vriendelijk groot +beest, dat ze stellig wel konden vertrouwen. "Aanvaard de gaven die +de goden u schenken,"--die gedachte ging door hun kopjes, en wat +ze proefden, toen ze met het tipje van hun tong mijn hand belikten, +was het lekkerste dat ze nog hadden gesmaakt. Toen ik mij afwendde, +draafden ze met een klagend geluidje achter mij aan om mij terug te +halen. Ik stond stil en ze kwamen nader, nestelden zich dicht tegen +mij aan, elk aan een kant, en lichtten hun kopjes op om weer te worden +geaaid en gekrieuweld. + +Zooals ze daar stonden, een en al gretigheid en verwondering, kon ik +prachtig aan hen gadeslaan hoe ze de eerste indrukken van de wereld +opnamen. Hun ooren hadden het kunstje van de herten al geleerd, +bij 't minste geluid zenuwachtig te trillen en zich luisterend +naar voren te steken. Er hoefde slechts een blad te ritselen, een +takje te knappen; het ruischen van de beek hoefde maar even aan te +zwellen, als een drijvende tak een oogenblik den stroom stremde, en +dadelijk waren de hertjes op hun hoede. Oogen, ooren, neus vroegen +naar de oorzaak van het verschijnsel; dan ging hun blik langzaam +naar boven en keken zij mij aan. "Wat een merkwaardige wereld is +dit. Dat groote bosch is hier vol muziek. Wij weten nog niets. Toe, +vertel ons er alles eens van,"--dat zeiden die mooie oogen, toen +ze weer opblikten, vol onschuld, vol verrukking over het heerlijke +leven. De handen, die liefkoozend elk op een zacht halsje rustten, +gleden weer streelend naar beneden en namen een vochtig snoetje +in hun holte. Oogenblikkelijk verdween het bosch en zijn muziek, +vluchtten de vragen uit hun oogen. Begeerig kwamen hun tongetjes voor +den dag, en al die onbekende klanken waren vergeten door de nieuwe +gewaarwording van te likken aan een menschenhand, waar, ergens onder +dat streelende ruwe, zoo'n heerlijke smaak verborgen is. Zij waren +nog bezig mijn handen te belikken, dicht tegen mij aan genesteld, +toen er ver achter ons, nauwelijks hoorbaar, een takje knapte. + +Nu verklapt een krakende tak alles wat er in de wildernis gebeurt +want, merkwaardig genoeg, er zijn geen twee dieren die zich op +dezelfde manier verraden, zelfs niet als ze op het dunste twijgje +trappen. Een beer gaat met zwaar, onverschillig gekraak, behalve +wanneer hij zijn prooi besluipt. De hoef van een eland dempt het +geluid van den tak dien hij verpletterde, nog eer het hem eigenlijk +goed verraden kan. Als een hert een takje breekt, wanneer het door +'t bosch snelt, geeft dat een licht, kort, knappend geluid, als 't +"_plop_" van een regendroppel in het meer. En het geluid dat wij nu +achter ons hoorden kon onmogelijk iets anders zijn: de moeder van +mijn onschuldige kleintjes was in aantocht. + +Ik wilde haar niet graag verschrikken en de oorzaak zijn dat zij hun +dat jeugdige vertrouwen voor goed ontnam. Daarom haastte ik mij naar +het hol terug, met de kleintjes naast mij huppelend. Eer ik halverwege +was, brak er weer met een korten knap een tak; er schoot een geritsel +door het kreupelhout, een hinde sprong tevoorschijn, en blaatte +zachtjes, toen ze den stam in 't oog kreeg waar haar leger was. Toen +ze mij zag bleef ze als aan den grond genageld staan, trillend over +haar heele lichaam, haar ooren als twee beschuldigende vingers naar +voren gericht en een vreeselijken angst in haar zachte oogen, als zij +haar jongen ontdekte met haar aartsvijand tusschen zich in, die zijn +handen op hun onschuldige halsjes hield. Haar lichaam wendde zich +om te vluchten, elke spier gespannen tot den sprong, maar 't was of +haar pooten in den grond waren vastgeworteld. Langzaam ontspanden de +spieren zich en hernam ze haar evenwicht, haar oogen vast in de mijne; +zoodra de gevaarlijke geur haar echter in den neus drong, zwenkte haar +lichaam weer. Toch bleven de pootjes nog staan; ze _kon_ niet heengaan, +_kon_ haar oogen niet gelooven. Maar, terwijl ik rustig stond af te +wachten en alles wat ik aan vriendelijkheid voelde in de uitdrukking +mijner oogen poogde te leggen, barstte het met scherp keelgeluid +_k-a-a-h! k-a-a-h!_--het noodsein der herten--als trompetgeschal door +de bosschen en snelde zij 't beschermende kreupelhout weer in. + +Bij dat geluid sprongen de kleintjes op alsof ze gestoken waren en +doken aan den tegenovergestelden kant in het kreupelhout. Maar die +vreemde omgeving maakte hen angstig; de schorre kreet, die maar door +de opgeschrikte bosschen snerpte, vervulde hen met een naamlooze +ontzetting. Dadelijk waren ze terug, nestelden zich weer tegen mij +aan en langzamerhand werden ze weer rustig, doordat mijn handen, +zonder beven, kalm hun flanken streelden. + +Waanzinnig van angst dwaalde de moeder steeds roepend om ons heen, +maar wij konden haar niet zien; nu eens vertoonde zich haar kopje +met doodsangst in de oogen,--dan weer stoof ze weg met haar witte +staartvlaggetje overeind, om haar kleintjes te wijzen welken weg +ze moesten nemen. Maar de hertjes letten niet meer op dat eerste +noodsein. Zij voelden de verandering. Hun ooren schokten zenuwachtig; +hun oogen, die nog niet scherp genoeg waren om afstanden te berekenen +en hun moeder in haar schuilplaats te vinden, stonden ontzet, hadden +een uitdrukking van achterdochtigen angst, toen ze vragend in de +mijne keken. Onder al hun schrik voelden ze mijn goede gezindheid toch +nog,--die de arme moeder nooit had leeren kennen, gejaagd als ze was +door honden en belaagd door geweren--en zij bleven waar zij zich veilig +wisten, in hun groote wijsheid, die al haar ondervinding te boven ging. + +Langzaam leidde ik ze naar hun schuilplaats terug, liet ze voor +het laatst aan mijn handen likken en schoof ze zachtjes weer achter +'t gordijn van sparregroen. Toen ze er weer uit probeerden te komen, +duwde ik ze nog eens terug. "Daar blijven, en naar je moeder luisteren; +daar blijven en doen wat je moeder zegt," bleef ik maar fluisteren; +en ik geloof altijd nog half en half dat ze het begrepen--niet de +woorden, maar den zin die er achter stak--want na een poosje werden +ze kalm en gluurden met verbaasde, wijdopen oogen naar buiten. Ik +maakte als een haas dat ik uit het gezicht kwam, sprong over den +gevallen boomstam heen, om ze van 't spoor af te brengen als ze er soms +uitkwamen, stak de beek over en gleed het kreupelhout in, waar ze mij +niet konden zien. Eenmaal veilig buiten gehoor, ging ik recht op de +open plek af, een paar meter verder, waar de witgezengde stammen op +de verbrande helling door het groen van 't groote bosch schemerden, +en ik klauterde en keek uit, en veranderde net zoo lang van plaats, +totdat ik den omgevallen boom kon zien waar mijn onschuldige kleintjes +zich onder de wortels verstopt hadden. + +De schorre noodkreet zweeg; rondom in het bosch was 't weer stil +geworden. Een beweging in 't kreupelhout--en daar kwam de hinde +voorzichtig weer te voorschijn aan den anderen kant der beek, waar +ze stond rond te kijken en te luisteren. Zij blaatte zachtjes: +het gordijn van sparregroen werd op zij geduwd en de kleintjes +vertoonden zich. Zoodra zij hen zag schoot zij vooruit. Elke lijn van +haar sierlijke lijfje drukte welsprekend genoeg uit hoe blij ze was, +terwijl ze op hen aansnelde, haar kop boog en ze scherp besnuffelde, +van de ooren tot den staart, langs hun flanken en weer terug, om toch +vooral maar zeker, heel zeker te zijn dat het haar eigen jongen wel +waren en dat hun niets scheelde. Al dien tijd nestelden de hertekalfjes +zich dicht tegen haar aan, zooals ze nog een oogenblik geleden bij mij +hadden gedaan, en beurden hun kopjes op om haar flanken aan te raken +met hun neus, en in hun stomme taal te vragen waar al die drukte toch +om was en waarom zij was weggesneld. + +Maar toen de menschenlucht uit het kreupelhout tot haar doordrong, +die nare lucht, ging de gewaarwording plotseling als een golf over haar +heen, hoe volstrekt noodzakelijk het was hun die veronachtzaamde tweede +les te leeren, eer ze weer voor een gevaar stonden. Met een grooten +sprong schoot ze op zij en heesch snerpte het _ka-a-a-h! ka-a-a-h!_ +weer door het bosch. Haar staartje had zij weer rechtop gestoken: +dit diende als baken, terwijl ze wegsprong. Een oogenblik stonden +de hertjes verschrikt achter haar te trillen, opnieuw verbaasd, maar +toen gingen hun vlaggetjes ook naar boven en hobbelden ze weg op hun +ranke pootjes, door het warrelnet van struiken en de ruigten van het +bosch hun leidsvrouw dapper achterna. En ik zat er naar te kijken +uit mijn schuilplaats, met een vaag gevoel van spijt dat ze mij nooit +meer zouden toehooren, geen enkel oogenblikje meer, en ik zag niets +dan de golvende lijnen in het kreupelhout en hier en daar den flits +van een wit vaantje. Zoo trokken zij den heuvel op en verdwenen uit +het gezicht. + +Eerst stilliggen en dan het witte vaantje volgen.--Toen ik ze weer +zag, was de noodkreet der moeder niet meer noodig om hen aan die +twee dingen te herinneren die elk hertje moet weten, als het groot +wil worden in het uitgestrekte bosch. + + + + +EEN KREET IN HET DONKER. + + +Nu komt de rest van de geschiedenis der kleine hertekalfjes, +die ik aan de beek onder den bemosten tronk vond--net zooals ik +het zag gebeuren. Ge weet nog wel dat er twee waren; en al leken +ze op 't eerste gezicht als twee droppels water op elkander, ik +ontdekte gauw dat hertekalfjes net zooveel van elkaar verschillen +als kleine menschen. Oogen, snuitje, aanleg, aard--dat alles was bij +hen zoo verschillend als de maagden in de gelijkenis. Het een was +een verstandig en 't ander een dom klein ding. Het een was volgzaam +en bevattelijk, nooit vergat het zijn tweede voorschrift; het tweede +volgde van 't begin af alleen zijn eigenwijze kopje en pootjes, tot het +eindelijk ontdekte dat gehoorzaamheid zijn eenige behoud was--maar toen +was het te laat. Voordat de beer hem te pakken kreeg,--ik geloof zeker +dat het op zijn manier, dwaas en zwijgend, meende dat gehoorzaamheid +slechts voor de zwakken en de dommen dient; en dat al die moeders +in de wildernis zooveel te zeggen hebben is eigenlijk misbruik maken +van haar macht, om jonge diertjes te beletten hun eigen gang te gaan. + +Toen de wijze, oude moeder wist dat ik ze gevonden had, haalde zij hen +allebei weg en verstopte ze op een plekje waar het nog eenzamer was, +in 't hartje van het groote woud, dichter bij het meer, waar zij haar +voedsel haalde en hen dus des te gauwer bereiken kon. Nog dagenlang +na die merkwaardige ontdekking ging ik er bij 't krieken van den dag, +of laat in den middag, als de hertemoeders gewoonlijk langs de oevers +aan 't weiden zijn, op uit om het dal van 't begin tot het einde af +te zoeken, in de hoop de kalfjes terug te vinden en hun vertrouwen +te winnen. Maar ze waren er niet, en in plaats van verder te zoeken +wijdde ik mijn aandacht aan een otterfamilie, die in een hol onder een +boomwortel huisde, en aan een grooten uil, die altijd in dienzelfden +spar kwam slapen. Op zekeren dag echter lokte een koppel patrijzen +mij uit de wilde frambozen naar een oase, koel en groen te midden van +het verzengde land rondom, waar ik plotseling voor de hinde met haar +kalfjes stond, die daar op dien warmen dag samen onder de kruin van +een gevallen boom lagen te dommelen, tot de hitte wat voorbij was. + +Mij hadden ze niet gezien, maar ze waren opgevlogen, toen een tak +waarop ik stond uit te kijken naar mijn patrijzen onder mijn voeten +bezweek, zoodat ik met groot gekraak onder den omgevallen boom +terechtkwam. Toen ik daar op den uitkijk stond kon ik ze prachtig +waarnemen, terwijl zelfs Kookooskoos _mij_ nauwelijks ontdekt zou +hebben; maar bij 't eerste gekraak sprongen ze alle drie overeind, +als duiveltjes in een doosje, wanneer 't haakje los wordt gemaakt. De +moeder stak haar witte vaantje in de lucht--den sneeuwwitten onderkant +van haar nuttige staartje, die bij dag en bij nacht als een baken +licht--en sprong weg met een heesch _ka-a-a-a-h!_ tot waarschuwing. Een +van de kleintjes volgde dadelijk dapper in het voetspoor van de moeder, +terwijl het met zijn eigen witte vaantje wuifde om den weg te wijzen +aan al wat achter hem aan mocht komen. Maar het andere hertje ging er +op staanden voet van door; stond echter al gauw weer stil om ons aan +te staren en te roepen en met zijn teere pootjes te stampen, in een +grappige mengeling van nieuwsgierigheid en uitdaging. Tot tweemaal +toe moest de moeder in een kring terugkomen, eer hij haar eindelijk +onwillig volgde. Elken keer als ze weer aan kwam sluipen kwispelde +haar hangend staartje zenuwachtig-- + +Als ge dat ziet, kunt ge er zeker van zijn dat er een flauwe +menschengeur door het bosch drijft, dien het hert in zijn scherpen +neus heeft gekregen, zoodat het voor uw tegenwoordigheid gewaarschuwd +is.--Maar wanneer ze weer wegsprong, ging het witte vaantje steil +overeind, floep!--vlak voor den neus van haar domme kalfje, en beduidde +het, zoo goed als elke andere taal, welk sein het maar te volgen had +om aan 't gevaar te ontkomen en zijn pootjes niet te breken in het +verwarde kreupelhout. + +Pas veel later, toen ik de hertjes al verscheiden keer had bespied, +besefte ik van hoeveel gewicht die laatste gissing is. Wie een +opgeschrikt hert achtervolgt, het met een halsbrekende vaart ziet of +hoort wegspringen over losse rotsblokken en afgeknapte boomstronken, +over het dooreengestrengelde kreupelhout--nu in snellen sprong zwevend +aan dezen kant van een omgewaaiden boom, terwijl hij bij 't dalen pas +weet hoe 't aan den anderen kant is, dan als een pijl uit den boog +voortschietend over een terrein waar gij als een slak moet volgen +om geen voet te verstuiken of een enkel te breken,--vraagt zich te +vergeefs in stomme verbazing af hoe een hert een kwart jaar in de +wildernis kan leven zonder al zijn pooten te breken. En wie 's nachts +een hert hoort wegspringen onder hevig gekraak, misschien wel over een +woest terrein, waar de laatste storm links en rechts de boomen geveld +heeft, zoodat ge er u bij dag nauwelijks een weg door kunt banen, +dien wordt het plotseling duidelijk dat het wonderbaarlijkste van +een hertenopvoeding niet uit een scherp gezicht of trompetooren of +zijn fijne, geschoolde reukorganen (honderdmaal gevoeliger dan elke +barometer) blijkt, maar hieruit dat het niet voortdurend aan zijn +pootjes denkt. 't Is haast alsof ze oogen en zenuwen en verstand in +hun harde hoeven hebben, in plaats van de gevoellooze stof die er te +zien is. + +Let er eens op hoe die hinde wegspringt, en door 't kwispelen van haar +staart haar zorgelooze jong beduidt dat het volgen moet. Zij denkt +slechts aan hem, en ge kunt zien hoe haar pootjes voor zichzelf mogen +zorgen. Als ze boven den zwaren boomstam zweeft, hangen ze zoo slap +als een handschoen waar de hand uitgetrokken is in 't enkelgewricht +en wachten en loeren. Daar raakt een van de hoeven een takje aan: +bliksemsnel splijt hij en komt neer; slechts een ondenkbaar klein +oogenblik heeft hij langs dat ding daar, dat hem in den weg kwam, +getast, om te weten of hij weer moet hangen of zich schrap zetten, +weer de hoogte in, of nog lager om goed terecht te komen. Let eens +op die wonderlijke hoeven der achterpooten, net voor ze grond raken, +hoe ze naar voren zwaaien en op den tast het terrein verkend hebben, +hoe ze zich schrap hebben gezet--in zoo'n ondeelbaar oogenblik, dat +het onzichtbaar blijft voor het oog--voor den schok op steenen of +vermolmd hout of veerend mos, of wat daar aan dien anderen kant ook +ligt. De voorpootjes hebben aan de oogen daarboven gehoorzaamd en +schieten vast en zeker op hun landingsplaats neer; de hoeven van de +achterpooten moeten zelf maar zien waar ze onder 't dalen terechtkomen, +en voordat ze nog een plek gevonden hebben bijna, weer samentrekken +om zich af te zetten met de krachtiger spieren van het dijbeen. + +Maar ééns vond ik een jong hertje met een gebroken poot--dat was nog te +weinig geoefend; en ik hoorde eens hoe een gewonde bok, ten doode toe +door honden gejaagd, zoo gestruikeld was om nooit weer op te staan; +maar dit waren uitzonderingen. Merkwaardig toch dat het niet met elk +hert zoo gaat, wanneer de angst het door de wildernis jaagt. + +Dat is dus nog een reden waarom de jonge hertjes een wijzer hoofd +moeten leeren gehoorzamen dan hun eigen kopje. De moeder moet den +weg voor hen zoeken, totdat hun pootjes geoefend genoeg zijn, en een +verstandig hertekalf zal precies haar spoor volgen. Dit verklaart +ook waarom herten de gewoonte hebben zoo dikwijls achter elkaar te +loopen--zelfs als ze al lang volwassen zijn--soms wel een stuk of +zes achter een wijzen leidsman aan, zoo zorgvuldig in zijn spoor, +dat ze maar een enkele prent achterlaten. Misschien gebeurt dit ten +deele om hun ouden vijand, den wolf, en hun nieuwen, den mensch, +om den tuin te leiden: het spoor van de zwakke is dan in de stappen, +in de hoefprenten van een grooten bok verborgen; maar het geschiedt +ook ouder gewoonte en wijst op den oefentijd, als de hertjes voor +'t eerst het vaantje leeren volgen. + +Na die tweede ontdekking ging ik 's middags vaak naar een bepaald +punt op het meer, het dichtst bij de schuilplaats der hinde, wachtte +dan in mijn kano tot de moeder te voorschijn kwam en zoo verried +waar ze haar kleintjes verborgen had. Het leek wel alsof de hinde +altijd uitgehongerd was, doordat haar jongen grooter werden en zij +ze nog steeds moest zoogen. Als ik daar in mijn kano zat te wachten, +hoorde ik gekraak in 't struikgewas, wanneer ze rechttoe, rechtaan, +onachtzaam bijna, op het meer aandraafde, en zag ik haar door het ruige +kreupelhout langs den wateroever breken. Dan gunde zij zich nauwelijks +den tijd om even rond te kijken en te snuffelen of er geen gevaar in +de lucht was, en sprong op de bladeren van de waterlelies af. Soms +lag mijn kano in 't volle gezicht; ze lette er echter niet op, maar +rukte de sappige knoppen en stengels af en slikte ze door met een +graagte alsof ze een uitgehongerde wolf was. Daarop roeide ik weg, +sloeg de richting in waar zij vandaan gekomen was en ging ijverig +naar de kleintjes zoeken tot ik ze vond. + +Dit gebeurde echter maar twee of drie keer. Ze waren al schuw geworden, +herinnerden zich niets meer van onze eerste ontmoeting, zoodat ze, +als ik mij vertoonde of te dicht in hun buurt een takje liet knappen, +in een ommezien in 't kreupelhout gesprongen waren. Het eene ging +er altijd halsoverkop van door, met zijn witte vaantje wuivend +om te toonen dat hij zijn les had onthouden; het andere liep in +een zigzaglijn weg en hield op elken hoek dien hij maakte stil, om +achterom te kijken en mij nieuwsgierig met oogen en ooren op te nemen. + +Zoo'n ongehoorzaamheid kon maar op éen manier afloopen--dat bleek +mij op een middag ten duidelijkste. Was ik toen zoo'n bloeddorstig +roofdier geweest, zooals er in de wildernis rondsluipen, dan zou de +klauw van Upweekis, den schimachtigen lynx van de streken waar een +dichte, lage plantengroei is ontstaan na den brand die er overging, +plotseling aan 't verhaal over dien kleinen baas een einde hebben +gemaakt. Het was laat op den middag, toen ik op weg naar het meer +langs een hertenpad een hoogte over kwam, en neerkeek in een lang, +nauw dal, waar 't vol frambozen stond met hier en daar wat geblakerde +boomen, die slechts dienden om de eenzaamheid, het wanhopig verlatene +van die plaats te doen uitkomen. + +Vlak onder me stond een hinde hongerig te grazen; alleen haar +achterlijf stak uit het kreupelhout. Ik stond dat een poosje zoo aan te +kijken; toen liet ik mij op handen en voeten glijden en begon er heen +te kruipen om eens te zien hoe dicht ik bij haar kon komen, en wat +ik misschien nog verder voor merkwaardigs zou ontdekken. Maar bij de +eerste beweging die ik maakte, (ik had als een oude boomstomp boven +op den heuvel gestaan) sprong er met een snerpenden alarmkreet een +hertekalf te voorschijn, dat mij klaarblijkelijk van het kreupelhout +uit, waar ik het niet zien kon, had gadegeslagen. De hinde wierp haar +kop in den nek en keek mij strak aan, alsof zij uit die waarschuwing +meer begrepen had dan ik voor mogelijk had gehouden. Zij aarzelde of +zocht ook geen oogenblik, maar haar blikken richtten zich onmiddellijk +op mij, alsof dat geluid van het hertekalfje beteekende: "Achter je +moeder, op het pad bij de tweede grijze rots!" Toen sprong ze weg, +vlug als de wind den heuvel aan den overkant op, boomwortels en +rotsblokken over, alsof ze op stalen veeren ging; en bij elken sprong +klonk haar heesche schreeuw, terwijl haar waakzame kleintje prachtig +zooals 't hoorde haar volgde. + +Op 't eerste sein van onraad ontstond er een geritsel in 't +kreupelhout, waar zij gestaan had, en sprong nog een hertje te +voorschijn. Ik herkende het dadelijk--het zieltje zonder zorg--en +begreep dat het al te lang dat volgen van 't vlaggetje veronachtzaamd +had. Nu was het zijn kopje kwijt, nu was het angstig, verschrikt, wist +niet wat te beginnen, en kwam net den verkeerden kant uit rennen het +hertenpad op, recht naar mij toe, tot het nog maar twee sprongen van +mij af was. Toen pas kreeg het den man in 't oog, die daar voor hem +op 't pad geknield lag en hem rustig gadesloeg. Bij die vreeselijke +ontdekking stond het stokstijf stil en scheen ineen te krimpen onder +mijn blik; dan schoof het langzaam op zij naar een grooten boomstronk, +verschool zich tusschen de wortels en bleef roerloos staan,--een +alleraardigst beeld van onschuld en nieuwsgierigheid, omlijst door de +ruige bruine wortels van den sparretronk. Dit had hij eerst geleerd: +zich te verstoppen en zich stil te houden, maar zijn tweede voorschrift +was hij heelemaal vergeten, juist toen het zoo hoog noodig was. + +Wij keken elkaar een volle vijf minuten aan, zonder een wimper te +bewegen. Toen ontglipte hem langzamerhand ook zijn eerste lesje: hij +schoof weer zijwaarts naar het pad, kwam aarzelend..., sierlijk..., +twee passen naar mij toe, en stampte grappig met zijn linkerpoot. 't +Was een jonge bok en dat stampkunstje kende hij zonder dat het +hem ooit geleerd was. Het is al zoo'n oude krijgslist, iemand een +beweging te laten maken, iemand door dat geluid en dat dreigende +gebaar te verschrikken, en zoo te laten merken wie je bent en wat +je voorhebt. Maar die man daar bewoog zich nog steeds niet, zoodat +het hertje bang werd voor zijn eigen durf en er van doorging, het +pad af. Heel in de verte op den heuvel aan den overkant hoorde ik de +moeder om hem roepen; maar hij stoorde er zich niet aan, hij wilde er +'t zijne van hebben. Daar stond hij mij al weer aan te kijken op het +pad. Ik haalde mijn zakdoek te voorschijn en wuifde er zachtjes mee; +dat wonder deed hem weer verder trippelen, maar dadelijk daarop stond +hij weer stil en keek en stampte met zijn pootje, om mij te toonen +dat hij niet bang was. + +"Kleine, dappere baas, jou mag ik zien," dacht ik bij mezelf, en +mijn hart ging uit naar hem, zooals hij daar met zijn pootje stond +te stampen, zooals hij daar stond met zijn zachte oogen en zijn mooie +snuitje. "Maar," dacht ik verder, "wat zou er nu al lang met je gebeurd +zijn, als er eens een beer of een lynx over den heuvelrug was komen +kijken? De volgende maand zal de jacht helaas open zijn; dan komen er +hier jagers in de bosschen, die soms mèt vrouw en kinderen ook hun +hart hebben achtergelaten. Geloof me maar, kleine baas, die kun je +niet vertrouwen. Je moeder heeft gelijk: die kun je niet vertrouwen." + +De nacht daalde snel. 't Geroep der moeder galmde hoe langer hoe +angstiger, hoe langer hoe dringender langs de helling, waar de +duisternis toenam. Met plotselinge gewetensknaging en schrik dacht +ik: "Misschien heb ik je wel op den verkeerden weg gebracht, kleine +baas, toen ik je dien dag zout heb leeren proeven en je op iets +leeren vertrouwen dat je in de wildernis tegenkwam." Zoo gaat het +gewoonlijk wanneer wij ons bemoeien met moeder Natuur, die er haar +gegronde redenen wel voor heeft, om de dingen te doen zooals zij ze +doet. "Neen, toch niet; je was dien dag met je beiden onder dien ouden +boomstam, en het andere--dat is ginds bij je moeder op 't oogenblik, +waar jij ook hoorde te wezen,--dat begrijpt dat oude wetten veiliger +zijn dan nieuwe bedenksels, vooral als die opkomen in het kopje van +zoo'n jongen kijk-in-de-wereld. Je hebt het glad bij 't verkeerde eind, +kleine baas, al lijkt je nieuwsgierigheid nog zoo aardig, en al heb +je mijn hart gestolen door 't gestamp met je pootje. Misschien is +het alles bij elkaar genomen toch mijn schuld nog; in elk geval zal +ik het je nu wel anders leeren." + +Met die gedachte raapte ik een grooten steen op en gooide dien, krakend +en hobbelend, met geweld den heuvel af naar hem toe. Oogenblikkelijk +was 't met zijn heldenmoed gedaan; òp ging zijn staartje en weg +stoof hij over de boomstronken en de rotsblokken op de helling. Daar +hoorde ik weldra zijn moeder in een wijden kring draven, tot zij hem, +dank zij de boschtelegraaf en den wind die de berichten overseint, +in den neus kreeg en hem buiten gevaar gebracht. + +Wie met open oog en oor een week of wat in de wildernis leeft merkt +al gauw dat alles er niet is overgeleverd aan wetteloosheid en blind +toeval, zooals het lijkt, maar dat hij er te midden van wetten en +regels woont--een staat van zaken die al van veel ouder datum is +dan die waaraan hij is gewend en waar het ook niet geraden is in te +grijpen. Ik voelde mij niet op mijn gemak, toen ik in den stillen +schemeravond langs het hertenpaadje liep; en mijn onrust verminderde +niet, toen ik op een boomtronk, een meter of wat van de plek verwijderd +waar het hertje den eersten keer voor den dag kwam, de prent van een +grooten lynx ontdekte. Het hertenhaar en de versplinterde botjes die +er overal lagen verrieden mij waarmee hij zijn middernachtelijk maal +gedaan had. In de laagte, waar datzelfde hertenpad op het meer uitliep +om de boschbewoners te laten drinken, stroomde een beekje. Buiten de +monding van dat beekje lag een diepe waterkom tusschen de rotsen, +en in die kom woonden een stuk of wat dikke forellen. Daar was ik +eens op een avond--een dag of veertien later--bezig om te probeeren +of ik niet een paar van die forellen voor mijn ontbijt kon bemachtigen. + +Het waren leeperds. Overdag hoefde je al niet meer naar hen te +hengelen, want ze kenden alle kunstvliegen uit mijn verzameling: +de nieuwe soorten konden ze al van de oude onderscheiden, voor ze 't +water nog raakten; en ze schenen best te weten, èn door hun instinct +èn door hun ondervinding, dat het toch maar bedrog was, dat ze voor +hun part net andersom genoemd mochten worden dan ze heetten. Dan kwam +er nog bij dat de forellen lui waren en niet boven wilden komen. + +Maar 's nachts was het anders; dan kwamen er forellen uit de kom om +in 't ondiepe water langs den oever rond te loeren en af te wachten +wat voor lekkere hapjes de duisternis wel schafte--in den vorm van +nachtkevers, van kikkers, die onbezorgd zaten te kwaken, van slaperige +voorntjes. Wie dan een vuur op het strand brandde en een vlieg met +zilveren vlerkjes in de lichtstreep die over 't water viel uitgooide, +ving wel eens een dikkerd. + +Het was altijd heel spannend, of de forellen boven zouden komen of +niet. Ik moest als 't ware met mijn ooren visschen en al mijn verstand +bijna in mijn handen hebben--klaar om gauw en krachtig op te halen, +als het juiste oogenblik gekomen was na een uur lang vergeefsch +ingooien. De helft van den tijd zag je den visch niet eens, hoorde +je alleen den harden plons, als hij met de vlieg naar beneden schoot +dat het water wielde. Haalde ik een anderen keer bij zoo'n plons +met een ruk op, dan kreeg ik mijn vlieg terug of ze raakte verward +op den bodem in onzichtbare boomstronken; en heel in de verte, waar +het schijnsel van 't vuur wegrimpelde in de duisternis, zag ik dan +een wigvormige golflijn wegschieten, om me te beduiden dat die forel +van me niets dan een muskusrat was. Toen zij rustig kwam aanzwemmen, +had zij mij en mijn vuur gezien en hard met haar staart op het water +geslagen om mij te doen opspringen. Die manier houdt Musquash er 's +nachts op na om er achter te komen wat voor raar ding dat toch is en +wat het uitvoert. Den heelen tijd dat ik aan 't visschen ben staan de +groote, donkere bosschen dicht om mij heen stil te luisteren. Overal +zijn geuren die alleen 's nachts rondzweven, als de lucht zwaar is van +dauw. Langs de helling ritselt het, klinken wonderlijke kreten, geroep, +gepiep; ook uit het water glijden die geluiden, of ze komen boven uit +de lucht, zoodat wij ons verwonderd afvragen welke boschbewoners er zoo +bij nacht en ontijd op uitzijn en wat ze toch uitvoeren. Daarom is het +even prettig 's nachts te visschen als overdag, en met hart en hoofd +vol indrukken weer naar huis te keeren, al is de vischben dan leeg. + +Ik stond doodstil bij mijn vuur op een groote forel te wachten, die +al tweemaal boven was gekomen om eens te kijken of 't weer vertrouwd +was, toen ik een behoedzaam geritsel achter mij in 't kreupelhout +hoorde. Dadelijk draaide ik mij om, en daar zag ik twee groote, +gloeiende plekken uit het donkere bosch schitteren--de oogen van +een hert. Een vlug geritsel--en een beetje lager nog twee kolen, +die glinsterden en fonkelden in wonderlijke kleuren; en daarna nog +twee. Toen begreep ik dat het de hinde met haar kalfjes was. Zij +waren gekomen om te drinken, en stonden nu plotseling als aan den +grond genageld, door dat wonderlijke licht en de dansende schaduwen +betooverd, die op de schichtige boschbewoners komen aanschieten alsof +zij ze bang wilden maken; maar ze springen slechts over hen heen en +glijden weer terug, dat het wel een uitnoodiging lijkt om mee te doen +met hun stille spel. + +Ik ging bedaard op mijn knieën bij het vuur liggen en legde er +voorzichtig een groote rol berkebast op, die vroolijk opvlamde en +het bosch helder verlichtte. Onder dien spar, waar een oogenblik +te voren nog een zwarte schaduw was geweest, stond de moeder, met +gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder. Nu +eens staarde ze strak in het vuur, dan weer sprong ze zenuwachtig +heen en weer, met zachte, vragende geluiden, als er een troep +schaduwen kwam aansnellen om hinkepink met de kleintjes te spelen, +die aan weerszijden vlak achter haar stonden. Het duurde maar een +oogenblik. Toen kwam een van de hertjes--zelfs bij het schijnsel +van het vuur herkende ik het onvoorzichtige aan zijn snuitje en zijn +vroolijk geappelde velletje--recht op mij aan, om bij het oplaaien van +'t vuur met glinsterende oogen stil te staan en daarna met zijn pootje +te stampen tegen de schaduwen: dan zagen ze dat hij niets bang was. + +De moeder riep hem angstig, maar toch kwam het nog meer naar voren +met zijn grappige gestamp. Zij begon onrustig te worden en trippelde +nu eens nader, dan weer verder weg in een halven cirkel, waarschuwend, +roepend, smeekend. Maar toen hij tusschen haar en het vuur in kwam en +zijn kleine schaduwbeeld een eind den heuvel op reikte, waar zij was, +en haar deed beseffen hoe ver haar kleintje van haar was afgedwaald en +hoe dicht het bij het vuur was gekomen, rukte zij zich met geweld los +uit die betoovering, en haar heesche kreet _k-a-a-ah! k-a-a-ah!_ galmde +als een pistoolschot door de opgeschrikte bosschen. Ze sprong weg, +terwijl haar staartje in de duisternis glansde als het schuimkroontje +op een golf om haar kalfjes den weg te wijzen. + +Het tweede hertje volgde haar onmiddellijk; het onvoorzichtige +verdraaide alleen zijn kopje maar eens om te zien waar zij bleef, en +ging toen weer verder op 't licht af, turend en stampend van louter +dwaze verwondering. + +Ik bleef een poosje naar hem kijken, bekoord als ik zelf was door +zoo iets moois: die sierlijke bewegingen, die zachte ooren met dat +glanzende ovaal van helder licht er omheen, die oogen, gloeiend als +tintelende regenbogen door het vlammende vuur ontstoken. Achter hem, +in de verte, schalde de kreet van zijn moeder langs de helling, nu +eens dichter bij, dan weer ver weg. Plotseling kwam er een wijziging, +een andere klank in, alsof er gevaar dreigde, en weer hoorde ik +dat roepen om te volgen, en 't gekraak in het kreupelhout als ze +wegsnelde. De lynx schoot mij weer te binnen en de korte, droevige +geschiedenis die daar boven op den boomtronk geschreven stond. Ik +schopte mijn vuur uit elkaar en stapte op het hertje toe--dat was de +snelste manier om het dwaze, kleine ding te redden. Ja, toen al die +pracht in duisternis verdween en de reuk van een mensch hem op het +koeltje dat uit het meer steeg in den neus kwam, ging de kleine baas +er springend vandoor--helaas! recht het hertenpad op, denzelfden kant +uit waar zijn moeder een oogenblik te voren was heengegaan. + +Een poosje later hoorde ik de hinde op een eigenaardigen toon roepen, +in de richting waar het hertekalf verdwenen was, en ik liep kalm +het hertenpad op, om te onderzoeken wat er gebeurd was. Boven op den +heuvel, waar het dalende pad verloren ging in een nauw, donker dal +met licht kreupelhout aan weerskanten begroeid, hoorde ik beneden mij +onder de hooge boomen het hertje antwoorden en begreep dadelijk dat +er iets niet in den haak was. Uit de zwarte duisternis der sparren +riep het al maar door; 't was een klagende angstkreet. De moeder +draafde in een grooten kring om hem heen en riep dat het komen moest, +maar het bleef hulpeloos op dezelfde plaats liggen en riep dat het +niet kon, dat zij bij hem moest komen. Zoo ging het geroep heen en +weer in den luisterenden nacht.--_Woe-woe_, "kom hier." _Bla-a-a, +bl-r-t_, "ik kan niet; kom bij me." _Ka-a-ah!, ka-a-ah!_ "onraad, +volg me!"--en daarna kraakte het in de takken, terwijl zij wegsnelde +met het andere hertje achter zich aan; dat zou ze redden, al moest +ze het onvoorzichtige kalfje ook in den steek laten, ten prooi aan de +sluipende wilde beesten in den nacht. Het was duidelijk genoeg wat er +gebeurd was. Elke kreet in de wildernis heeft zijn beteekenis, als +ge de taal slechts kent. Toen het door de donkere bosschen draafde, +waren zijn ongeoefende pootjes verkeerd terechtgekomen, en daar lag +hij nu onder den een of anderen omgewaaiden, ruwen boomstam, met +gebroken pootje, om hem het voorschrift te herinneren dat hij zoo +lang in den wind sloeg. Terwijl ik op den tast naar hem toesloop, +mijn weg tusschen de boomen zoekend in het donker, en elk oogenblik +stilstond om naar zijn geroep te luisteren, dat ik er op af kon gaan, +kwam er iets met gedruisch langzaam, zwaar, van den heuvel, en ging +vlak voor mij heen. Iets in 't geluid misschien--een log en toch bijna +geruischloos voortbewegen, waartoe slechts één dier in de wildernis +in staat is--ook misschien iets van een flauwen geur die er eerst +niet was in de vochtige lucht, verried mij dadelijk dat scherper +ooren dan de mijne den kreet gehoord hadden, dat Mooween, de beer, +zijn boschbessenterrein in den steek had gelaten om het niets kwaads +vermoedende hertje te besluipen. Hij wist--zooveel hadden zijn ooren +hem wel verteld--dat het in de duisternis van zijn waakzame moeder +was afgeraakt. + +Stilletjes keerde ik op mijn schreden terug--ofschoon Mooween eigenlijk +op niets let, als zijn wild op de been is--en snelde naar mijn kano +om mijn buks te halen. Gewoonlijk is een beer zoo bang als een haas, +maar ik was er nog nooit eerder 's nachts zoo laat een tegengekomen, +en wist niet wat hij zou doen, als ik hem soms zijn wild afnam. Alles +hangt trouwens van uw gemoedsgesteldheid af wanneer ge een dier +nadert. Komt iemand schuw, aarzelend aan, dan merkt het dier dit; +en doet ge het vlug, zwijgend, onverschrokken, met vastberaden moed, +met gespannen haan en den wijsvinger los aan den beugel onder den +trekker, dan merkt het dier dat ook, wees daar maar verzekerd van. + +Ze doen in alle geval altijd net alsof ze het weten; en ge kunt +u gerust hieraan houden--wat ge ook voelt: angst of twijfel of +vertrouwen--dat de groote, gevaarlijke dieren het altijd merken +en hun optreden juist door het tegenovergestelde gevoel gekenmerkt +zal zijn. Dat heb ik altijd in de wildernissen waargenomen. Ik kwam +eens een beer tegen op een nauw pad--maar dat vertel ik wel op een +andere plaats. + +Het geroep zweeg; het bosch was donker en stil toen ik terugkeerde. Ik +liep zoo gauw als ik kon naar de plek waar ik terug was gegaan, +zonder mij in acht te nemen of voorzichtig te loopen, want hoe ik +ook kraakte, de beer zou het toch toeschrijven aan de wanhopige +moeder. Toen ging ik behoedzaam verder en oriënteerde mij naar een +hoogen boom op den heuvel, die tegen den hemel stond afgeteekend; al +langzamer en langzamer, tot er--juist aan dezen kant van den dikken, +omgevallen boom--een tak luid kraakte onder mijn voet. Dadelijk +klonk er tot antwoord, achter den stam vandaan, gegrom en 't geluid +van een sprong--en toen vluchtte er een beer krakend den heuvel op, +met iets in zijn bek dat zwaar tegen het kreupelhout slingerde en in +'t voorbijgaan achter de takken bleef haken, totdat het geluid in de +verte met zwak geritsel wegstierf en de bosschen weer stil waren. + +Den geheelen nacht hoorde ik van mijn tent uit, die op een anderen +oever aan een zijtak van 't groote meer was opgeslagen, de moeder bij +tusschenpoozen roepen. Zij scheen langs den heuvelrug heen en weer te +loopen, boven de plaats waar het treurspel zich had afgespeeld. Met +haar neus speurde zij den beer en den mensch, maar wat voor vreeselijks +ze met haar kleintje gedaan hadden wist zij niet. Er klonk een angstig +vragen uit het geroep, dat langs de helling, het water over, naar +mijn tent werd voortgedragen. Bij het aanbreken van den dag ging ik +naar de plek terug. 't Kostte mij niet veel moeite te vinden waar +het hertje gevallen was; het mos getuigde zwijgend van zijn strijd +en een paar bloedvlekken toonden aan waar Mooween hem beetgegrepen +had. Verder was het spoor duidelijk te volgen: platgetreden mos en +gebogen grashalmen, bebloede bladeren, en aan de knoestige uitsteeksels +van oude, omgewaaide boomen hier en daar een plukje zacht haar. Zoo +ging het den heuvel op, naar een woeste, wilde streek, waar het geen +nut had het nog verder te volgen. + +Toen ik op mijn terugweg naar het meer den laatsten heuvelrug +opklauterde, hoorde ik geritsel in het kreupelhout, daarna 't +geknap van brekende takjes. Ik twijfelde er niet aan of dat deed +een hert. De moeder had mij geroken, en nu kwam ze onder den wind in +kringen achter mij aan, om er achter te komen of haar verloren kalfje +bij mij was. Nog steeds wist ze niet wat er gebeurd was. De beer had +haar zoo verschrikt gemaakt, dat ze haar zorg voor het eene hertje, +waar zij zeker van was, verdubbelde. Het andere was eenvoudig verdwenen +in de stilte van de groote, onnaspeurlijke bosschen. + +Waar het pad van het meer af gezien naar beneden boog, kon ik, even +maar, duidelijk waarnemen hoe ze half verborgen in het kreupelhout +scherp naar mijn oude kano stond te turen; op 't zelfde oogenblik +zag ze mij echter en verdween ze met een sprong in mijn richting, +zigzag tegen den heuvel op. Bij een hulstboschje, waar ik juist langs +was gegaan, liet ze haar heesch _ka-a-ah, ka-a-ah!_ hooren en stak +haar staartje naar boven. Er ontstond geritsel in het boschje, een +scherp _ka-a-ah, ka-a-ah!_ beantwoordde het hare; het tweede hertje +drong uit de schuilplaats te voorschijn waar zij hem had verborgen, +en schoot met haarden heuvelrug over. Als een groote roode vos sprong +het van rots op rots, als een valk zweefde het over de omgevallen +stammen, terwijl het zoo goed als het kon zijn moeders spoor hield, +met zijn snuitje strak in de richting van het witte vaantje, om toch +maar niet af te wijken van dat nuttige voorschrift. + + + + +ISMAQUES, DE VISCHAREND. + + +_Oewit, oewit, tsjwie?_ _Oewit, oewit, oewit, tsjwie-ie-ie!_ zoo klonk +gierend en snerpend Ismaques' jachtkreet boven mijn hoofd. Toen ik van +mijn visschen opkeek, kon ik zijn breede wieken over mij heen zien +zwieren en trof mij de glinstering in zijn stralend oog, als het in +mijn kano spiedde of naar het koele plekje tusschen de rotsen achter +mij, om te kijken of ik ook wat ving. Zoodra hij echter al die visch +in 't oog kreeg--een zilveren wade over de donkere rotsen, waar ik +mijn zwartvisch [3] wegborg om ze voor berenaas te gebruiken--schoot +hij verbaasd een eind naar beneden om eens te kijken hoe ik dat +klaarspeelde. Als de forellen niet bovenkwamen en zijn scherpe blik +geen flikkertje rood of goud in mijn kano ontwaarde, vloog hij weer weg +met een aanmoedigend _k'wie-ie!_--dat is zooveel als "goede vangst" +van een broeder van 't visschersgilde. Want er is geen kwaad haar +aan Ismaques, er schuilt geen aasje schrielheid bij hem. Hij leeft +in vrede met de wereld en schijnt blij te wezen als gij een dikkerd +ophaalt, zelfs al is hij hongerig en al klinkt het geweeklaag uit +het nest waar zijn jongen om eten roepen, ook zoo doordringend dat +zijn gemoedsrust er door verstoord wordt. + +Ik zou wel eens willen weten wat er toch in dat uit visschen gaan +schuilt, dat zelfs het oude bijbelwoord: "zal een luipaard zijne +vlekken veranderen?" schijnt te logenstraffen en tot een ander +mensch schijnt te maken wie als de knoppen zwellen zich haast bij 't +verscholen beekje te komen. Daar heb je Keeonekh, den otter. Voordat +hij visscher werd was hij een woeste, bloeddorstige wreedaard, die +een walglijken stank verspreidde, zooals alle andere wezels, maar +nu leeft hij met iedereen op goeden voet, is helder, is zachtaardig, +en wanneer ge een huisdier van hem maakt, wordt hij zoo speelsch als +een poesje en zoo trouw als een hond. En dan Ismaques, de vischarend: +voordat die visscher werd was hij net zoo gehaat als alle andere +roofvogels om zijn wreedheid en zijn rooversmanieren. De schaduw +van zijn wieken was voor alle schuwe dieren het sein om zich te +verbergen. Dan riepen gaai en kraai: "dief, dief!" Dan liet de +koningsvogel zijn krijgskreet weerschallen en schoot voor den dag om +'t gevecht te beginnen. En nu--de kleine vogels bouwen hun nestjes +tusschen de takken van zijn groote woning en de schaduw van zijn +wieken is een veilige bescherming, want uil en havik en wilde kat +hebben al lang geleerd dat het maar 't verstandigst is goed op een +afstand te blijven van Ismaques' woonplaats. + +Niet de vogels alleen, maar ook de menschen voelen de verandering in +zijn aard. Ik ken bijna geen jager, of hij zal een omweg maken als +hij een roofvogel onder schot kan krijgen; dezen gevleugelden visscher +echter, van hetzelfde bloeddorstige geslacht, roepen ze allen hartelijk +"goede vangst" achterna, zelfs al zien ze hem zwaar beladen opstijgen +uit de eigen waterkom waar de dikke forellen huizen en waar zij van +plan zijn bij zonsondergang in te gooien. + +De visschers aan de zuidelijke kust van Nieuw-Engeland juichen het +uit bij zijn terugkomst--zoo geregeld als de maanden van het jaar. In +éen staat tenminste, waar hij het meest voorkomt, wordt hij door de +wet beschermd; en onze Puriteinsche voorouders zelfs, die niet aan +jachtwetten schijnen te hebben gedaan, zagen hem met gunstig oog +aan en maakten met hem een uitzondering op dat algemeene verlof tot +dooden. Laat het tot hun eer gezegd zijn, dat ze eens een jongen, +een zekeren Eliphalet Bodman, een Belialskind klaarblijkelijk, +"openbaarlijk gestraft" hebben, omdat hij gewelddadig met kruit en +lood een vischarend om het leven had gebracht en het nest met de +eieren van een anderen boosaardig vernield had. + +Of dit laatste ook gewelddadig gebeurd was, door het nest met kruit +en lood uit een oud geweer in stukken te schieten, of eenvoudig op +jongens-manier: door in den boom te klimmen, vermeldt die wonderlijke, +oude stedelijke oorkonde niet. Dit dient hier echter alleen, om aan +te toonen dat onze voorouders aan de kust in hun hart vriendelijke +menschen waren; dat die brave, eenvoudige visscher, met zijn nest bij +hun deur, vrijwel dezelfde beteekenis voor hen had als de ooievaar bij +de Duitsche dorpsbewoners, waar hij op de schoorsteenen nestelt,--en +zijn komst werd door de visschers als een voorteeken van een goede +vangst beschouwd. + +Diep in de wildernis, waar Ismaques nestelt en uit visschen gaat, +zooals zijn voorouders een duizend jaar geleden, vindt ge door weelde +noch armoede geschaad dienzelfden trouwen vogel, die toen wij nog +jong waren al op onze verbeelding werkte en zich een goede gezindheid +verwierf bij onze voorvaderen aan de kust. In zekeren zomer had ik +mijn tent aan het meer opgeslagen; ik kon er maar niet toe besluiten +op te breken, geheel bekoord door die heerlijke omgeving en het goede +vischwater. Tegenover mij hadden een paar vischarenden in den top +van een hoogen spar aan de berghelling hun nest gebouwd. _Zij_ waren +het die elken dag boven mijn kano of boven de rotsen, waar ik naar +zwartvisch hengelde, kwamen kringen, om te zien hoe ik het maakte, +en om mij een verheugd _Tsj'wie! tsjip, tsj'wie-ie!_ "goeie vangst, +en visch plezierig!" toe te roepen, wanneer ze weer wegzwenkten. Er +zou nu heel wat bewijskracht noodig zijn, om er mij van te overtuigen +dat ze mij ten slotte niet als broeder van het gilde erkenden en +niet oprecht belang stelden in de manier waarop ik te werk ging, +en in het succes dat ik er mee behaalde. + +Niet zoozeer om de vischarenden te bestudeeren ging ik eerst naar +dat nest toe, maar om daar zoo nu en dan eens een glim op te vangen +van een schuw natuurleven der bosschen, dat voor de meeste blikken +verborgen is. Het ging goed met het visschen, want de beide vogels +kenden hun vak in de puntjes. Toen de jongen nog in hun groei waren, +was er altijd meer dan genoeg in 't groote nest op den sparretop. Wat +er van dien overvloed restte, in den vorm van koppen, graten, +overblijfsels waar ze voor bedankten, werd over den rand van het nest +gegooid en leverde een uitgezochte lekkernij voor allerlei hongerig +rondsluipende dieren. "Minken" staakten hun kikkerjacht in de beek, en +door den lekkeren geur in de lucht aangelokt kwamen zij er op af. Pof, +pof, daalden bunzings den heuvel af, met een eigenaardig hol, dof +geluid, waar ze hun komst mee aankondigen. Wezels en een oude, grijze +boommarter, die te langzaam of te rheumatisch was om op de boomen +nog een dier te vangen, gleden uit het kreupelhout te voorschijn en +tastten toe zonder verlof te vragen. Wilde katten vochten als duivels +om de heerlijke kluifjes; meer dan eens hoorde ik ze 's nachts te keer +gaan. En eens, laat op een middag, toen de schaduwen dieper werden +en ik er nog niet toe besluiten kon mijn schuilplaats tusschen de +rotsen te verlaten, kwam er heel behoedzaam, alsof hij voor zichzelf +een beetje met zijn figuur verlegen was, een groote lynx uit het +kreupelhout, die kieschkeurig aan de vischgraten begon te snuffelen. + +Hij kwam daar blijkbaar voor 't eerst, en wist niet dat Jan en +alleman er mocht komen smullen, maar verkeerde al dien tijd in de +meening dat hij den een of ander zijn buit opat. Dat was duidelijk uit +zijn houding, uit de verschrikte bewegingen die hij maakte, uit zijn +geluister, uit de wijze waarop hij zachtjes in zichzelf zat te brommen +op te maken. Hij was grooter dan elk ander dier dat er was en hoefde +dus niet bang te wezen; maar voor het jachtrecht en voor een andermans +eigendom koesteren de dieren een geweldig ontzag; en dit voelde ook +die groote kat. Hij had trek in visch, maar zoo groot als hij was, +gaven toch al zijn bewegingen te kennen dat hij klaar stond om zijn +hielen te lichten voor het eerste het beste kleine beest, dat op zou +komen dagen en hem toebijten: "Dat is van mij!" Toen hij later wat +op zijn gemak raakte en ook aan de edelmoedigheid van den vischarend +wende, die een feestmaal aanricht voor al wat langs de sluipwegen en +door het dichte kreupelhout van de wildernis aankomt, trad hij brutaal +genoeg op en eischte hij wat hem toekwam. Zooals hij daar nu echter +steelsgewijze rondsloop en telkens angstig stilstond om te luisteren, +bood hij gelegenheid om het recht onder de dieren te bestudeeren, +wat op zichzelf al een vergoeding voor die lange uren wachtens +was. Maar de arenden zelf boezemden mij meer belangstelling in dan +hun ongevraagde gasten. Ismaques--trouwe baas die hij is--paart voor +zijn heele leven en keert jaar in jaar uit tot zijn oude nest terug. De +eenige afwijking van dien regel, waarvan ik weet, is dat geval met een +vischarend dien ik als jongen goed gekend heb, en die zekeren zomer +door een noodlottig toeval zijn wijfje verloor. Het ongeluk gebeurde +met een geweer, dat een onnadenkend jager hanteerde. Het was duidelijk +dat Ismaques verdriet had; dat zagen zelfs menschen die anders niet +hard over de dingen nadenken. Uit dien verlaten, vragenden kreet die +over het stille zomerwoud schalde was het te hooren; het was te zien +aan het klapwieken van zijn vleugels, als hij ver het land in vloog +naar andere meren--niet om te visschen, want Ismaques vischt nooit +in het vischwater van zijn buurman, maar om zijn verloren wijfje te +zoeken. Wekenlang bleef hij op de oude, bekende plaatsen toeven, aan +alle kanten roepen en zoeken, maar eindelijk werden hem de eenzaamheid +en al die herinneringen te machtig, en verliet hij, lang voordat +de trektijd gekomen was, dat oord. Den volgenden zomer kwam er een +vreemd paar zijn plaats innemen, herstelde het oude nest en ging in +het meer visschen. Gewoonlijk eerbiedigen de vogels elkaars vischwater +en vooral elkaars oude nesten; maar deze twee kwamen er zoo zonder +aarzeling bezit van nemen, alsof ze op de een of andere wijze een +schikking getroffen hadden met den eigenaar, die nooit meer terugkwam. + +Al jarenlang woonden mijn vischarenden op dien ouden spar aan de +helling. Zooals 't gewoonlijk gaat, had de boom zich aan zijn meesters, +de vogels, opgeofferd. Het vet van hun vele smulpartijen was door +den bast gesijpeld, al meer en meer naar beneden getrokken, zoodat de +sappen, verhinderd op te stijgen, ten langen leste ontmoedigd werden +en niet meer naar boven kwamen. Toen stierf de boom en stond zijn +takken een voor een af, om het nest daarboven te herstellen. Overal +was het aan de scherpe, puntige uitsteeksels te zien, hoe ze waren +afgebroken als de arend ze noodig had. + +Die afgeknapte takken wijzen op een merkwaardig staaltje van bouwkunst, +dat ge elk jaar zelf kunt leeren kennen door de vogels gade te slaan +onder het bouwen. Voor den bodem van het nest zijn dikke takken noodig, +waar de grond mee bezaaid ligt. Maar Ismaques komt nooit op den grond, +als hij het even vermijden kan. Wanneer hij boven de boomen in zijn +vlucht een buitengewoon zwaren visch laat vallen, gaat hij er zelfs +nooit heen, maar kijkt hem spijtig achterna. Het kan wel wezen dat +hij honger heeft, maar hij zal nooit met zijn reusachtige klauwen +op den grond komen, want loopen kan hij niet; hij is er volslagen +machteloos. Dan verdwijnt hij dus maar weer en gaat nog eens urenlang +geduldig aan 't visschen om zich schadeloos te stellen voor zijn +verloren buit. Wanneer hij takken voor zijn nest noodig heeft, zoekt +hij een boom uit en breekt door zijn gewicht het doode af. Wil de +tak niet, dan stijgt hij de lucht in, schiet als een kanonskogel naar +beneden, grijpt hem met zijn klauwen beet, en door de kracht waarmee +hij neerkomt knapt hij hem meteen af. Tweemaal vond ik den weg naar de +plaats waar Ismaques en zijn wijfje bouwmateriaal verzamelden, door +een geknal alsof er pistoolschoten in het bosch weerklonken, elken +keer dat de groote vogels zich op de doode takken lieten neervallen +en ze afknapten. Eens, toen er een te hard neerkwam, zag ik hem bijna +op den grond vallen en wild met zijn wieken klappen, eer hij weer op +streek geraakte en zegevierend met zijn vier voet langen tak wegvloog. + +Ik heb hier zekeren najaarsdag nog eens zoo'n merkwaardige +vogelgewoonte ontdekt, toen ik veel later dan gewoonlijk over het meer +terugkeerde. Wanneer Ismaques voor zoo'n heelen winter naar het Zuiden +trekt, levert hij zijn woning maar niet zoo op genade of ongenade aan +de winterstormen over zonder haar eerst te hebben hersteld. Nieuwe, +dikke takken worden stevig in het dak van het nest gedreven; oude, +verdachte er uitgetrokken en zorgvuldig door andere vervangen; het +geheele gebouw kant en klaar gemaakt voor stormweer. Dit zorgvuldig +herstellen, gevoegd bij het feit dat het nest steeds in vet gedrenkt +is, wat het voor waterschade bewaart, bespaart Ismaques heel wat +moeite. Hij bouwt voor zijn heele leven, en wanneer hij in den herfst +weggaat, weet hij dat--behoudens onvoorziene omstandigheden--zijn +woning daar bij zijn terugkeer in het voorjaar zoo rustig, vriendelijk +op hem staat te wachten; dat hij welkom is in de oude omgeving. Of +dit een gewoonte is van alle vischarenden, of alleen van die twee +aan het Groote Squatuk-meer--die ook in andere opzichten merkwaardig +verstandig waren--weet ik niet te vertellen. + +Wat er van de jongen wordt is mij ook nog een geheim. Er bestaat een +sterke familieband, en de jongen blijven veel langer bij de oude dan +bij andere vogels gewoonlijk het geval is; maar wanneer het lente +wordt, zult ge alleen vader en moeder bij 't oude nest aantreffen. Ik +geloof wel dat de jongen in de vroegere omgeving mee terugkomen, maar +als het meer klein is, bouwen ze nooit aan hetzelfde water--indringen +doen ze zich niet. Elk paar schijnt er--even als de ijsvogels--zijn +eigen meer, of gedeelte van een meer, op na te houden; maar aan welke +waterwet zij hun recht ontleenen, waarop zij hun aanspraken gronden, +staat nog te ontdekken. + +Toen ik dat nest voor den eersten keer vond, waren er twee jongen +in; en ik nam ze gewoonlijk waar in die tusschenpoozen dat niets +zich bewoog in het kreupelhout bij mijn schuilplaats. Het waren +voorspoedige, twetterende beestjes, goed doorvoed en voldaan over de +wereld. Ze konden soms urenlang op den nestrand, over de boomtoppen +langs de helling, naar het meer staan kijken; en naar hun houding +en hun getierelier te oordeelen, vonden ze die groote, ruischende, +groene wereld, de vogels die voorbijtrokken, de lichtflitsen op +het sparkelende water, het wazige blauw van de bergen in de verte, +buitengewoon merkwaardig--totdat er een paar breede wieken in 't +zicht zwenkten, en zij hun vleugels wijd opensloegen en losbarstten +in een gretig gesjilp: _piep, piep, tsj'wie? tsj'wie-ie-ie?_ "Heb +je hem gevangen? Is 't een groote, moeder?" En dan richtten zij zich +voorzichtig op langs den rand van het groote nest en rekten begeerig +hun halsjes uit om vast een glimp van den buit op te vangen. + +Soms trok er maar een van de vogels op uit om te visschen, terwijl de +andere op het nest paste; als de vangst echter dunnetjes was, togen +ze alle twee naar het meer. Bij zoo'n gelegenheid vischte de moeder, +die grooter en sterker is dan het mannetje, langs de kust, waar ze +haar jongen hooren kon en een oogje op ze houden; terwijl het mannetje +het meer over zeilde naar de forellenkolken in de monding der beek, +waar de zwartvisch zat, om er een beter vischwater te zoeken. Wanneer +hij met zijn visch terugkwam en er stond een stevige bries, dan +was er een merkwaardig staaltje van zeemanschap te zien. Nooit zou +hij pal tegen den wind in vliegen, maar steeds laveert hij, alsof +hij dat kunstje had afgekeken van de visschers aan de kust, wanneer +deze met tegenwind naar land terugzeilen. En wie hem door zijn kijker +gadesloeg zou zien dat hij zijn visch altijd overlangs droeg, met den +kop vooruit, om zoo weinig mogelijk weerstand aan den wind te bieden. + +Wie de jongen zag voeren en merkte hoe netjes Ismaques ze opvoedde, +kreeg stellig nog meer eerbied voor hem. Was het een groote visch, +dan werd hij aan flarden gescheurd en bij stukken en brokken aan de +jongen gegeven, die met voorbeeldig geduld elk hun beurt afwachtten; +geen gedrang, geen geduw om den eersten, grootsten hap, zooals we dat +in een roodborstjesnest zien. Was het een kleine visch, dan kreeg een +van de jongen hem in zijn geheel, die hem dan zoo goed en zoo kwaad +als 't ging naar beneden werkte, terwijl de moeder weer naar het meer +schoot om er nog een te halen. Het tweede jong stond onderwijl op den +rand van het nest, piepte haar een goede vangst na en wachtte, tot +het zijn beurt zou wezen, zonder er blijkbaar ook maar een oogenblik +aan te denken van zijn broertje naast hem wat af te grijpen. + +Vlak beneden de arenden, tusschen de takken van hun woning, hadden een +paar blauwe gaaien hun nest gebouwd en hun jongen grootgebracht met de +kruimels, die er overvloedig van "den disch des rijken" vielen. Het +was buitengewoon merkwaardig de verandering gade te slaan, die er +door deze ongewone vriendschap in den aard van de gaai scheen plaats +te grijpen. Deedeeaskh, de gaai, telt geen enkelen vriend onder de +boschbewoners. Ze weten alle dat zij een dievegge en een bemoeial +is, en jagen haar onverbiddelijk weg, als ze haar bij hun nest +aantreffen. Maar de groote vischarenden hebben haar vriendelijk en +zonder erg ontvangen; en zij heeft dit ongewone blijk van vertrouwen +edelmoedig beantwoord. + +Nooit heeft zij getracht den jongen iets af te stelen, zelfs niet +als de moeder weg was, maar zich steeds vergenoegd met de kliekjes +die ze hadden overgelaten. En haar schuld aan Ismaques heeft zij +ruimschoots voldaan door de trouwe wijze waarop zij de wacht hield +over het nest en eigenlijk over de geheele berghelling. Er gebeurt +niets in het bosch zonder dat de gaai het weet; en hier leek zij +ook net een waakzame fox, die wist dat hij maar hoefde te blaffen om +machtige vleugels en klauwen te doen verschijnen, in staat elk gevaar +af te weren. Als er dieren den berg af kwamen sluipen om aan den voet +van den boom aan de koppen en graten te smullen, die daar verspreid +lagen, liet Deedeeaskh zich tusschen hen in vallen, en scharrelde +daar rond, roepend, vragend--want nooit is haar nieuwsgierigheid +bevredigd. Zoolang ze alleen namen wat hun toekwam, maakte zij er geen +herrie over, maar zij was er om de wacht te houden en zij peperde ze +geducht hun vergissing in, als ze lieten blijken dat ze wat kwaads +in den zin hadden tegen 't nest daarboven. + +Terwijl ik eens in mijn kano langs den oever gleed, hoorde ik de +gaaien alarm slaan; ik kon mij onmogelijk vergissen. De vischarenden +wiekten in groote kringen boven het meer, terwijl ze loerden naar +het geglinster van visch aan de oppervlakte, toen de kreet tot hen +doordrong en ze vlug als de wind op het nest afschoten. Ik zette van +den kant af en zag hoe ze in snelle kringen boven de boomtoppen wielden +met korte, doordringende kreten van woede. Daarna begonnen ze heftig op +het een of andere beest te stooten, dat beneden bezig was in den boom +te klimmen--waarschijnlijk een vischmarter. Ik naderde voorzichtig +om te zien wat het was, maar voordat ik de plaats bereikte, hadden +ze den indringer al verjaagd. Een heel eind het bosch in hoorde ik +een van de gaaien, die tierend achter den roover aantrok, om den +vischarenden te wijzen waar hij was. De andere gaai zat, door de +groote, donkere vleugels boven in de lucht beschaduwd, ineengedoken +bij haar eigen jongen. Weldra kwam Deedeeaskh terug, schetterend van +opwinding, om hun op zijn manier aan het verstand te brengen dat hij +dien schelm heelemaal tot zijn hol achterna was gegaan en dat hij in +'t vervolg goed op hem zou letten. + +Wanneer er een groote havik in de buurt kwam, of als er op een donkeren +namiddag een jonge uil in de naaste omgeving uit jagen ging, sloegen +de gaaien alarm en kwamen de vischarenden oogenblikkelijk van het +meer aansuizen. Of Deedeeaskhs bezorgdheid over zijn eigen jongen +grooter was dan over de kleine vischarenden zou ik niet kunnen +zeggen. De visscher toonde bij zoo'n gelegenheid in zijn gedrag +een eigenaardige mengeling van angst en uitdaging. De moeder zat op +het nest, terwijl Ismaques er boven kringde en beide een schellen, +gierenden uitdagingskreet lieten hooren. Maar de gevederde roovers +vielen ze nooit zoo aan, als ze den vischmarter gedaan hadden, en +voor zoover ik het beoordeelen kan hoefde dit ook niet. Al waren +Kookooskoos, de uil, en Hawahak, de havik, ook nog zoo hongerig, +ze togen naar een ander jachtgebied, wanneer ze die breede wieken +boven het nest zagen kringen en de schelle uitdaging hun in de ooren +klonk. Slechts één vijand bestond er die den vischarenden werkelijk +last veroorzaakte, en deze deed het dan nog zoo netjes als het +onder zulke omstandigheden mogelijk was. Cheplahgan, de adelaar, was +het. Wanneer hij honger had en zelf niets had kunnen vinden, en zijn +twee jongen daar heel ginder in hun nest op den berg eens een hapje +visch noodig hadden als een kleine afwisseling in hun eten, zette hij +zijn vleugels schrap om tegen wind in te vliegen en steeg de lucht +in, totdat hij de twee vischarenden die aan het visschen waren in het +oog kreeg. Daar bleef hij dan urenlang in groote kringen rondzeilen, +turend en turend, totdat hij Ismaques een dikken visch zag vangen, om +dan snel als de bliksem naar beneden te schieten en hem op de hielen +te blijven, naar echte struikrooversmanier. Een poging tot ontvluchten +diende nergens toe. Soms probeerde Ismaques het, maar dan flapten de +groote, donkere vlerken om hem heen en was er iets in 't geluid van +den vleugelslag dat ontegenzeglijk een waarschuwing beteekende. Het +eindigde altijd op dezelfde manier: Ismaques, die verstandig was, +liet zijn visch vallen, de adelaar schoot er achteraan en greep dien, +nog dikwijls voor hij in het water viel. Maar de vischarenden deed +hij nooit kwaad en het nest verstoorde hij ook niet, zoodat ze best +met elkaar overweg konden. Cheplahgan bezorgde zich op zijn manier +zoo nu en dan eens een hapje visch, en de brave Ismaques, die nooit +lang hongerig hoefde te blijven, schikte zich zoo goed en kwaad als +het ging in zijn toestand. Dit is een bewijs dat het visschen hem +ook geduld en een verstandige levensopvatting heeft geleerd. + +De blauwe gaaien bemoeiden zich niet met dit geharrewar. Soms lieten ze +wel een doordringenden waarschuwingskreet hooren, als Cheplahgan boven +Ismaques uit de blauwe lucht kwam neerduikelen, maar ze schenen best +te begrijpen hoe die ongelijke strijd moest eindigen, en ze hadden +er met elkaar heel wat over te snateren; ik heb echter nooit kunnen +ontdekken _wat_ ze eigenlijk precies vertelden. + +Ik voor mij weet zeker dat Deedeeaskh er nooit achter is kunnen komen +wat hij wel van mij moest denken. In het begin sloeg hij altijd +alarm als ik naderde, waarop de vischarenden in kringen boven hun +nest kwamen zweven en met vlammende, gele oogen in het kreupelhout +tuurden, om te zien welk gevaar er dreigde. Nadat ik mij echter een +paar maal verborgen had, en dan geen aanstalten maakte om het nest +te verstoren of de hongerige gasten kwaad te doen, die aan kwamen +sluipen om zich aan de milde gaven van den vischarend te goed te doen, +maakte Deedeeaskh uit dat ik een lui schepsel was en geen kwaad kon; +maar hij zou toch een oogje op mij houden. Hij raakte nooit over +die nieuwsgierigheid heen, om er achter te komen wat ik er eigenlijk +had te maken. Wanneer ik hem ver weg waande, vond ik hem soms vlak +boven mijn hoofd op een tak, waar hij aandachtig naar mij zat te +kijken. Ging ik heen, dan volgde hij mij fluitend naar mijn kano; +maar de vischarenden riep hij niet weer, behalve wanneer de een of +andere ongewone beweging van mij zijn argwaan opwekte; en na één blik +op mij vlogen ze dadelijk weer in kringen weg, alsof ze beseften dat +ze voor niets bang hoefden te wezen. Ze hadden mij zoo dikwijls aan +het visschen gezien, dat zij mij stellig wel meenden te begrijpen. + +Die vogels hielden er een merkwaardige gewoonte op na, die ik nooit +eerder had opgemerkt. Af en toe--als het weer dreigde om te slaan of +als de vogels en hun jongen verzadigd waren--steeg Ismaques de lucht +in, tot hij een geweldige hoogte bereikt had; dan bleef hij langzaam +in kringen rondzeilen, met zijn breede wieken uitgespannen in den +wind, alsof hij een gewone kiekendief was die plezier had en boven +alles verheven op de wereld neerkeek. Plotseling liet hij zich met +een helderen, doordringenden kreet, om aan te kondigen wat hij van +plan was, als een schietlood wel duizend voet naar beneden vallen, +hield zich midden in de lucht weer in evenwicht en laveerde op het +nest beneden in den sparretop aan, draaiend en duikend en duikelend +en onderwijl van verrukking zijn wilde kreten slakend;--net als een +houtsnip naar zijn bruine wijfje, beneden in het elzenhout, komt +neerschieten: wentelend en buitelend en twetterend. Daarna steeg +Ismaques weer naar boven om zijn duizelingwekkenden val opnieuw +te vertoonen, terwijl zijn wijfje, dat grooter is, rustig op den +sparretop stond en de vischarendjes op den rand van het nest heen en +weer sprongen en het uitpiepten van verbazing en verrukking over die +verbijsterende vertooning van _hun_ papa! + +Er is geen twijfel aan, of dit is een van de gewoonten die Ismaques +er in het voorjaar op nahoudt om een bewonderenden blik te verwerven +uit de doordringende, gele oogen van zijn wijfje; maar ik merkte dat +hij er meer gebruik van maakte, toen de jonge vischarenden al een +mooie, breede vlucht begonnen te krijgen en hij en zijn vrouw ze er +op alle mogelijke vriendelijke manieren toe trachtten te krijgen het +nest uit te komen. Daarom heb ik wel eens gedacht--zonder ook maar +eenigszins in staat te zijn die veronderstelling te staven--of hij op +deze merkwaardige wijze, door ze te vertoonen hoe wonderbaarlijk mooi +er kan worden gevlogen, bij zijn jongen den lust niet wilde opwekken +het zelf te doen. + + + + +HOE DE KLEINE VISSCHERS LES KREGEN. + + +Eens op een dag, dat ik weer tusschen de rotsen zat te hengelen +en moeder vischarend op mijn vischwater kwam af zeilen, klonk +haar kreet niet als gewoonlijk: _Tsjip, tsj'wie! Tsjip, tsjip, +tsip, tsj'wie-ie-ie?_ Dat was de groet van den visscher wel, o ja, +duidelijk genoeg, maar het klonk anders, er was iets zegevierends +en voldaans in, zoo iets van: "kijk nu eens hier!" Eer ik mijn hoofd +om kon draaien--want ik had net beet--volgden er nog meer geluiden: +_pip, pip, pip, tsj'wie! pip, tsj'wie! pip, tsj'wie-ie!_ Wonderlijk +verwarde geluiden, die mij alle een "goede vangst" toeriepen. Ik hoefde +mij niet eens om te keeren, maar begreep zoo al wel dat er nog twee +visschers waren bijgekomen om in het gilde te worden opgenomen. + +De moeder, die dadelijk aan haar meerdere grootte en donkerder +teekening op de borst is te herkennen, zwenkte op mij af toen ik +mij omkeerde en vloog recht over mij heen, met haar beide kleintjes +achter zich aan, die dapper klapwiekten. Toen ik een paar dagen +tevoren een uitstapje naar een ander meer maakte om grooter forellen +te zoeken, stonden de jonge vischarenden nog op het nest en hielden +zich doof voor de betuigingen van de oude vogels, dat het tijd werd +hun groote vleugels eens te gaan gebruiken. Het laatste wat ik door +mijn verrekijker van hen zag was de moeder in een boom en de vader +in een anderen, elk met een visch in den bek, dien zij den jongen +voorhielden. De leege ruimte tusschen hen in was slechts tergend +klein en in vischarendtaal beduidden ze de jongen dat ze hem maar +moesten komen halen. De kleintjes, van hun kant, rekten hongerig hals +en vleugels uit en probeerden den visch naar zich toe te fluiten, +zooals iemand zou doen die een hond van den overkant der straat +bij zich roept. Tijdens mijn korte afwezigheid hadden moederlijke +list en moederlijk geduld hun goede uitwerking gedaan. De jongen +vlogen al best. Nu waren ze blijkbaar op hun eerste vischles uit, +en ik hield zelfs met hengelen op, om eens op te letten hoe dat in +zijn werk zou gaan (mijn aas zonk in de modder, waar een aal mijn +vischhaken al gauw in een ouden boomwortel verward maakte); want +Ismaques en zijn familie visschen niet uit instinct, maar hebben het +zich eenvoudig aangewend. Evenals de jonge otters weten zij alleen +uit dagelijksche ondervinding dat visch hun eigenlijke voedsel is, +en geen hazelhoenders en geen konijntjes. Stond het aan henzelf, +vooral wanneer ze met vleesch grootgebracht en daarna waren losgelaten, +dan zouden ze dadelijk tot de oude havikengewoonten terugkeeren en in +het bosch gaan jagen--wat veel gemakkelijker is. Dus wanneer ze visch +zullen vangen, moet hun dit van den eersten dag aan dat ze uitvliegen +geleerd zijn; en het is altijd een boeiend gezicht eens na te gaan op +welke wijze dit aangepakt wordt. De jonge vischarenden vlogen zwaar, +in kleine onregelmatige kringen, en tuurden ondertusschen met hun +onervaren oogen onderzoekend over het water om hun eersten slag +te slaan. Boven hen kringde de moeder met breeden, gelijkmatigen +vleugelslag, en gaf den jongen beginnelingen, die ingewijd zouden +worden in de heerlijke, oude geheimen van het visschen, door fluiten +de richting aan. Er was visch bij de vleet, maar dat beteekent voor +een vischarend nog niets, want hij moet zijn prooi tamelijk dicht aan +de oppervlakte zien, eer hij neerschiet. Op het meer stond een vrij +sterke golfslag en de zon scheen er vroolijk over, zoodat de jonge +visschers lang geen gemakkelijk werk hadden, tusschen dat blikkerende +licht en dat rumoerige watervlak. Ze hadden nog niet zoo'n scherpen +blik om dadelijk te weten wanneer ze neer moeten schieten. Bij elk +zilverachtig geglinster daar in de diepte hielden ze plotseling op en +riepen: _pip!_ "daar heb je d'r een!" _Pip, pip!_ "daar gaat-ie!" als +een jongen die voor het eerst beet heeft. Maar een kort, scherp fluitje +van de moeder hield hen in, voordat zij zich nog hadden laten vallen; +en dan klapwiekten ze onder groot protest naar haar toe: ze konden +hem best vangen, als zij het hun maar eens liet probeeren. + +Terwijl ze over mij heenkringden naar den uitgang van het meer, kreeg +een van die kleine kerels een glimp van mijn zwartvisch tusschen de +rotsen in 't oog. _Pip, tsj'wie-ie!_ floot hij, en daar schoten ze me +met z'n beide als vuurpijlen naar beneden. Ze hadden honger, en daar +lag visch in overvloed, en ze hadden heelemaal niet gemerkt dat ik +daar doodstil tusschen de rotsen zat. _Pip, pip, pip_, hoezee! klonk +schril hun gefluit onder het dalen. + +Maar ik en mijn vischvoorraad waren het eerste geweest wat +de vogelmoeder in het oog gekregen had, toen zij om de landtong +heenvloog; dus ze kwam aanschieten om ze op een half boozen, half +angstigen toon te berispen, dien ik nog nooit eerder van haar gehoord +had: _Tsjip, tsjip, tsjip, Tsjip! Tsjip!_--en die elken keer als zij +hem weer slaakte schriller en scherper werd, tot zij er op letten en +omzwenkten. Toen werden zij in een grooten boog apart genomen en wijs +en kalm toegesproken, voordat ze weer mochten gaan visschen. + +En als ze daar nu boven een uitstekende zandbank rondwiekten, altijd +maar in de rondte, ziet een van de kleintjes een visch en vliegt wat +lager om hem te volgen. De moeder ziet het, en als ze merkt dat de +visch schuin naar de oppervlakte komt, laat ze heel verstandig den +kleinen visscher zijn gang gaan. Nu is hij toch te dicht bij het +water; het geglinster en de dansende golven maken 't hem lastig; +hij raakt zijn zilveren schittering kwijt als er een golf met witten +schuimkop over hem heenschiet. De moeder stijgt, en fluit dat hij +hooger moet komen, waar hij beter zien kan; maar daar heb je den +visch weer, en de kleine, hongerige baas denkt aan geen overwegingen, +maar spant zijn vleugels om neer te schieten. "_Tsjip, tsip!_ halt, +hij duikt weer," waarschuwt de moeder, maar haar zoon is te hongerig +om te wachten en schiet als een pijl naar beneden. Hij is zoowat een +meter boven het watervlak, als er een groote, schuimende golf naar +hem toespringt. Daar wordt hij bang van; hij aarzelt, wijkt uit, +klapwiekt uit alle macht om zijn leven te redden--als er weer een +zilveren glans onder 't golvenschuim schemert. Onmiddellijk schiet hij +weer neer--_hoe! boe!_--net een jongen die voor het eerst duikt. Een +poos lang zie ik niets meer van hem. Twee golven spoelen er over hem +heen, en ik houd mijn adem in, als ik sta te wachten tot hij weer +bovenkomt. Dan duikt hij er plotseling weer uit te voorschijn, zich +schuddend dat de droppels om hem heen vliegen--maar zonder visch +natuurlijk! Als hij loom opstijgt, staakt de moeder, die aldoor +boven hem kringde, hem raad gaf en aanmoedigde, plotseling met een +enkelen wiekslag haar vlucht. Zij heeft denzelfden visch op 't oog, +heeft er op gelet hoe hij wegschoot toen haar jong neerkwam, en nu +ziet zij zijn zilverglans bij de zandbank flitsen, waar de voorntjes +aan het spelen zijn. Zij begrijpt dat haar kleine leerlingen den +moed verliezen en dat het tijd wordt ze een hart onder den riem te +steken. _Tsjip, tsjip!_--"let eens op; ik zal het jullie eens wijzen," +fluit zij--_Tsjie-iep!_ met zoo'n plotselingen, schrillen uithaal, dien +ik al gauw als haar aanvalssein leer kennen. Bij dien kreet breidt ze +haar vlerken uit, schiet vast en zeker naar beneden, valt dwars op een +rijzende golf neer, duikt er onder door en komt aan den anderen kant +weer te voorschijn met een dikken zwartvisch in haar klauwen. De jongen +komen achter haar aan en gieren het uit van verrukking. Zij vertellen +haar dat ze nu misschien wel naar het nest terug konden keeren om +dien visch eens te bekijken, voordat ze met visschen doorgaan. Dit +wil natuurlijk zeggen dat ze van plan zijn hem op te eten om daarna, +ten hoogste voldaan over al de pret die ze onderwijl gehad hebben, +te gaan slapen. En dan is het voor vandaag met leeren gedaan. + +Maar de moeder heeft een ander plannetje in haar wijzen kop. Zij weet +dat de jongen nog niet moe zijn, alleen hongerig, en dat er nog een +boel te leeren valt, eer de scholen zwartvisschen van de zandbanken +verdwijnen en zij met hun allen naar de kust moeten trekken. Zij weet +ook dat ze tot nu toe nog twee dingen niet geleerd hebben, waar zij +hen juist voor hier gebracht heeft: een visch altijd te grijpen zoodra +hij boven komt, en steeds aan den voorkant, onder den schuimkam, op +een golf neer te komen. Daarom pakt ze haar visch stevig vast, buigt +langzaam wiekend haar kop voorover, verlamt hem door één houw van haar +krommen snavel in de ruggegraat en laat hem dan weer in de schuimende +golven vallen, waar ik hem zoo nu en dan aan de oppervlakte kan zien +worstelen, want ik ben boven op mijn rots gesprongen. _Tsjie-iep!_ +"probeer 't nu eens," fluit zij. _Pip, pip!_ "daar gaat hij!" roept het +jong, wien het daar straks mislukte. Zzzzt! gaat het naar beneden, +heelemaal er onder, ongeduldig als hij door zijn honger is. Aan +geen voorschrift of voorbeeld denkt hij; probeeren vindt hij niet +meer noodig. + +Weer schieten de golven over hem heen, maar er klinkt voldoening +uit het gefluit van de moeder, waaruit ik opmaak dat zij hem in +'t oog heeft en dat hij 't er netjes afbrengt. In een wip is hij +er weer uit, met veel geflodder en lawaai, gierend van verrukking, +den visch in zijn klauwen. Voort gaat het naar het nest, in lage, +langzame vlucht. De moeder kringt een poosje boven hem, om er zeker +van te zijn dat hij niet te zwaar beladen is, en keert dan weer met +den anderen beginneling terug, om heen en weer te zweven boven het +ondiepe van de zandbank. + +Het blijkt nu duidelijk--zelfs mijn oogen kunnen het zien--dat er +een groot onderscheid in de karakters van jonge vischarenden kan +bestaan. De eerste was vurig, koppig, ongeduldig; de tweede is kalmer, +flinker, gehoorzamer. Hij kijkt wat zijn moeder doet; hij let op de +seinen die zij geeft, en een oogenblik later schiet hij in een mooien, +zekeren boog neer om weer met een visch voor den dag te komen. De +moeder prijst hem, als zij daalt om naast hem te gaan vliegen. + +Mijn blikken volgen hen, zooals zij daar langzaam over de dansende +schuimkoppen voortwieken, redeneerend als een paar oude kameraden, +en boven de glooiing van boomkruinen naar hun nest stijgen. Het +leeren is nu voor vandaag gedaan; ik ga dus maar weer aan het +visschen voor de beren, opnieuw in bewondering voor die gevleugelde +gildebroeders. Misschien schuilt er ook wel een greintje naijver +of spijtigheid in mijn overpeinzingen, wanneer ik een nieuwen haak +bevestig om den ouden te vervangen, waar een gekwelde aal zich beneden +in de modder van tracht te bevrijden. Had _ik_ maar iemand gehad om +mij dat zoo te leeren, dan zou ik nu stellig beter kunnen visschen! + +Toen de moeder den volgenden dag met haar twee jongen het meer kwam +opvliegen naar de zandbank toe, wachtte hen daar een verrassing. Wel +een halfuur had ik op de landtong staan uitkijken om hun voor te zijn +als ze kwamen. Er was voor mij iets raadselachtigs in de manier waarop +Ismaques vischt, en dat is er nog. Ving hij nu zijn visch nog met zijn +bek, net als "mink" en otter dit doen, dan zou ik het beter begrijpen; +maar om een visch--die zoo vlug is als een bliksemflits--onderwater +met zijn klauwen te grijpen, waar hij toch geen visch en geen pooten +meer onderscheiden kan, als hij er in geplonsd is, daartoe is toch +een berekening noodig, verbijsterend in een vogel. Om er nu eens +achter te komen hoe dat toch gaat, had ik een list bedacht. + +Nauwelijks kwamen de visschers in 't zicht en klonk hun gretig gepiep +hun al flauw vooruit over het meer, of ik pagaaide haastig van +wal af en liet een stuk of zes zwartvisschen in het ondiepe water +los. Die had ik, zoo lang ik kon, in een grooten emmer in 't leven +gehouden, en ze hadden nog wel zooveel fut dat ze zoo'n beetje aan +de oppervlakte konden rondzwemmen. Toen de visschers naderden, zat +ik als gewoonlijk tusschen de rotsen en keerde mij om, om de moeder +voor haar _Tsj'wie?_ te bedanken. Maar mijn listig beraamde plan, om +er achter te komen hoe zij te werk gingen, liep op niets uit, of het +moest wezen dat het lesgeven er door verstoord werd. Zij kregen mijn +lokaas onmiddellijk in 't oog. Een van de jongen schoot er dadelijk +zonder eenige overweging op los, dook zonder zijn visch te grijpen, +steeg weer op, plonsde er nog eens in, en ditmaal had hij hem en +ging er druipend mee van door. De tweede nam er zijn tijd voor, +schoot toen pijlsnel schuin naar beneden en ving zijn visch zonder +duiken. Het onderricht was al bijna afgeloopen nog eer het begonnen +was. De moeder bleef een poosje rondkringen, alsof het haar een raadsel +was, terwijl ze de jeugdige visschers nakeek, die klapwiekend over +de helling naar hun nest vlogen. Er was iets niet in den haak. Zij +had genoeg gevischt om te weten dat slagen nog iets anders beteekent +dan boffen; en vanmorgen was het te gemakkelijk gegaan. Zij kringde +langzaam boven de zandbanken, waar zij de visch bekeek, die daar +klaarblijkelijk niet thuis hoorde, en daalde om eens achterdochtig +een dikken zwartvisch te onderzoeken, die met zijn buik naar boven +op het water dreef. Toen dook zij bliksemsnel, op een plaats die ik +niet zien kon, kwam weer te voorschijn met een visch voor zichzelf +en toog haar jongen achterna naar het nest. + +Den volgenden morgen was ik van plan ze er op dezelfde wijze in te +laten loopen, maar de moeder, die goed wist wat ze wilde met haar +onderricht, herinnerde zich hoe prachtig het gisteren gegaan was, +zonder dat ze er iets voor hadden hoeven te doen, en kwam daarom +eerst een onderzoek instellen. De jongen liet zij een eind verder +langs den afgelegen oever rondvliegen.--Daar had je de visch weer, in +'t ondiepe; en daar--dat was nu toch veel te gemakkelijk!--dreven er +twee dood tusschen de schuimende golven. Plotseling zwenkte zij om, +alsof zij niets gezien had, kringde weg, floot haar leerlingen bij +zich en trok naar ander vischwater. + +Weldra hoorde ik hun gegier en het schrille, uitgehaalde _tsj'ie-iep!_ +waarmee de moeder het sein tot den aanval gaf, boven de naaste +landtong. Toen ik mijn kano er bijna heengepagaaid had, ontdekte ik +ze alle drie, kringend en duikend boven een zandbank, waar ik wist dat +de visch kleiner en vlugger was en bladen van waterlelies een veilige +schuilplaats boden, waar geen arend bij hen kon komen. Wel twintig +keer zag ik ze neerschieten, zonder dat ze iets kregen, terwijl de +moeder boven of naast hen rondwiekte om hun raad te geven en moed in +te spreken. Toen ze echter ten langen leste hun visch gehaakt hadden +en wegdroegen naar den berg, sprak er een verrukking uit hun kloeken +vleugelslag en uit den kreet dien zij mij fluitend toezonden, die er +den vorigen dag in ontbroken had. + +De moeder volgde hen op een afstand, en toen zij in de buurt van +mijn zandbank kwam, vloog ze op zij af om er nog eens naar de visch +te kijken. Er dreven er nu drie in plaats van twee; de andere--de +paar die er nog van waren overgebleven--worstelden zoo'n beetje +aan de oppervlakte. "_Tsjip, tsj'wie-ie!_" riep ze minachtend; +"er is hier visch genoeg; maar wat een armzalige manier om ze te +krijgen!" Toen schoot zij neer, dook, kwam weer te voorschijn met een +dikken zwartvisch en was verdwenen. Voor mij liet zij niets achter dan +een oogverblindenden watersluier en groeiende kringen van lachende, +dansende, tergende golfjes, waaruit ik maar moest opmaken hoe zij +visch vangt. + + + + +HET BLIJDE LEVEN. + + +Hoog boven mijn hoofd zweefde eens een adelaar op zijn breede wieken +tegen den wind in. Het was hem een lust daar te drijven in het azuur +van de lucht door de bries gedragen, waar hij zich kostelijk mee +vermaakte. Voor mijn voeten had een schildpad op haar wijze plezier, +terwijl zij lag te spartelen, en die twee leerden mij iets dat ik mij +nu weer met genoegen voor den geest roep. Het visschen 's morgens was +afgeloopen. Een paar prachtige, tweejarige zalmen van wel vier pond, +zoo uit zee terug, lagen knus bij elkaar in mijn bennetje--meer dan +genoeg voor dien dag. Dus gaf ik dien dikken zalm die tweemaal naar +mijn "kwakzalver" had gesprongen maar op--wat mij wel aan mijn hart +ging, moet ik eerlijk bekennen--en ging op een aangespoeld houtblok +zitten om het er eens van te nemen, terwijl overal om mij heen de +boschbewoners bezig waren. + +Met rustig geklater schoot de sterke stroom voorbij. Beneden +fonkelden lachjes en lichtsparkels op het donkere vlak van de diepe +kolk. Daar rustten de zalmen, die van ver weg, van de zee kwamen, +een poosje uit, eer zij een plaatsje zochten in den stroom, waar +zij zoo graag liggen om zich in evenwicht te houden midden in het +voorbijschietende, ziedende water. Boven was het water op de ondiepe +plaatsen bezig schuimplekken te maken, alsof het zeepbellen aan 't +blazen was. Dan kwamen de groote, witte luchtblazen dansend en zwierend +naar beneden in de draaikolkjes achter de rotsen, waar een speelsche, +jonge zalm bliksemsnel midden tusschen hen opdook, zoodat ze lustig +uiteenstoven. Wel een dozijn bellen en waterrimpels kwamen er nog bij, +trokken mee met den ijlenden troep als hij weer terugviel in zijn +stille water, dat het klaterend opsprong en alle zangvogels aan den +oever aan het fluiten bracht. Nu en dan ontsnapte een groote, witte +schuimlap aan dat alles, en kwam statig in den vliegenden stroom die +aan den overkant langs de groote zandbank schoot aanlanden. Daar huisde +mijn groote zalm; en net als de schuimlap dan stroomaf plotseling in +het kalme water gedompeld werd, schoot hij er onder, sloeg hem met +een slag van zijn staart in flarden. + +Zoo speelden ze verder, terwijl ik er naar zat te kijken--naar de +schaduwen, naar het komen en gaan, naar de teekening van het licht +en de wisselende weerkaatsing. Maar het aardigst was het toch naar +de schuimbellen te kijken; dan genoot ik al bij voorbaat en wedde +met mijzelf hoe ver zij zouden komen, eer de zalm ze onder 't spelen +uit elkaar zou slaan: tot de tweede wielingen, of tot den rand van +de kolk.--Er viel een schaduw over het water en ik keek op om te +zien hoe de groote adelaar daar boven mij de machtige luchtstroomen +doorkliefde, hoe hij zich daar in evenwicht hield en met hen speelde, +net als de visschen in het vlietende water beneden. + +Eerst spande hij zijn wieken pal tegen wind in, toen steeg hij met een +vaart schuin naar boven, als een vlieger die goed is opgelaten. Maar +dat ging hem veel te gauw--hij deed het immers maar voor ontspanning, +was slechts uit louter nieuwsgierigheid beneden bij het water +gekomen, om eens te zien wat daar te doen was; en terwijl ik door +mijn verrekijker zijn vleugeltoppen scherp in 't oog hield, zag ik +dat de schachten nauw merkbaar draaiden, als om den wind langs hun +onderkant te laten afglijden--zooals een schipper zijn schoot viert +om de vaart van het schip te verminderen--en de prachtige, stijgende +spiraalvlucht begon. + +Hoe een adelaar dit precies doet weet hijzelf alleen. In hoofdzaak is +het iets dat langzamerhand geleerd moet worden. De jonge vogels slaan +er gewoonlijk al een heel droevig figuur mee, wanneer ze het voor +'t eerst probeeren, achter de moeder aan, die vlak boven en voor hen +uit kringt om ze te wijzen hoe het gaat. + +De adelaar zweeft in langzame, statige kringen boven mij; steeds keert +hij op zijn vorige vlucht terug, maar altijd hooger dan zijn laatsten +cirkel, als door een machtig doel bezield. Rustig glijdt hij omhoog +op de eindelooze trap der winden, die onder hem wegglipt. Zonder +haast, zonder inspanning, door een wending slechts van zijn breed +uitgespreide vleugelschachten--zoo gering, dat mijn oog het niet meer +kan waarnemen--kringt hij naar boven, terwijl de aarde zich al wijder +en wijder beneden hem uitstrekt, en rivieren als zilveren linten in +den zonneschijn sparkelen door het groene boschtapijt, dat uitgespreid +ligt over berg en dal tot aan den versten gezichteinder. + +Maar de kringen worden hoe langer hoe kleiner, totdat de reusachtige +spiraallijn haar toppunt bereikt heeft en hij daar in de lucht hangt, +met rustigen, vlammenden blik Jesaja's koninklijk gebied overziet, +als een kolibrietje dat zich wiegelt boven den grooten bloemkelk der +aarde. Hij staat zoo hoog, dat het mij is alsof hij over de grenzen +van het bestaande heen kan kijken en onze aarde als een grooten bol, +met niets, niets, onder zich en hij zelf alleen er boven, in den +blauwen ether ziet drijven. En hij blijft daar dobberen, wiegelen, +deinen in de snorrende luchtstroomen, die hem omvangen houden met hun +zachte armen. Zij worden niet moe hem te liefkoozen en streelen hem +teeder de wieken, als een forsche, sterke moeder die haar kindje in +de armen heeft. + +Hij had zich verzadigd en aan een bron in de bergen zijn dorst +gelescht. Nu rustte hij uit boven de wereld, die hem en zijn jongen +voedde, nu werden zijn scherpe oogen slaperig, en de gedachte aan +kwaad dat hemzelf dreigde, of eenig ander schepsel door hem, was ver +van zijn hart. + +Dat is juist zoo mooi van alle groote dieren, van de sterkste zelfs: +dat ze nooit wreed zijn, slechts nemen wat ze noodig hebben om in +hun behoeften te voorzien. Zijn zij verzadigd, dan treedt er een +wapenstilstand in, dien zij nooit zullen breken. Zij leven met alle +wezens, met groot en klein, op voet van vrede, en stom, onbewust +deelen zij in de harmonie der wereld, die den diepen grondslag vormt +van al haar wanklanken aan de oppervlakte. Zoo is ook het lied van de +zee niet te hooren, of we moeten ver verwijderd zijn van het gedonder +aan de kust. + +Dit weet dat kleine, wilde goedje drommels goed; als dus een adelaar +of een andere roofvogel of een roofdier niet op jacht is--negen van +de tien keer--, toont niet éen dier zich bang voor hem, hoe schuw +of weerloos het ook is. Ten langen leste worden mijn oogen moe van +het kijken naar dien edelen vogel--zoo'n klein, klein stipje op den +eindeloozen, blauwen achtergrond. Dan denk ik aan de vreugde van +zijn machtige, vrije leven, aan het droevige van ons onnatuurlijk +menschenbestaan, en er komt plotseling een floers voor mijn oogen. + +Als mijn blik de diepe kolk weer opzoekt en op de zachte oppervlakte +rust, die glanst in stille kleuren, beweegt het kalme water aan mijn +voeten. Daar is ook leven. De vreugde hoort niet alleen in de hemelen +thuis, maar is op aarde evenzeer. + +Een lange tak van een gevelden boom lag een eind in de rivier, +en het uiteinde wiebelde en zwiepte regelmatig in den stroom op en +neer. Terwijl ik naar den adelaar keek, had een kleine schildpad den +tak ontdekt en was er over heen gaan liggen, met éen poot om een +knoest geklemd, voor een houvast; de andere bengelden en zwaaiden +onverschillig heen en weer om goed het evenwicht te bewaren onder +het wippen--op en neer, op en neer. De groote, ruischende rivier deed +eigenlijk het werk en speelde het zwijgende spelletje mee. Zoo lang +als ik naar haar bleef kijken--wel den halven morgen--lag zij daar +te bengelen, te wiegelen, op en neer te zwiepen, verheugde zij zich +in haar klein leventje. Dat was nog niet groot genoeg om te beseffen +wat genot eigenlijk is, maar zij was behaaglijk gestemd door licht en +beweging, en mij dunkt dat ze genoot van iets welluidends in den stroom +onder zich, zwakken weerklank van de ruischende, kabbelende, fluitende +muziek, waar lucht en bosschen aan alle kanten mee vervuld waren. + +Het leven is heerlijk voor de boschbewoners. Daarvan getuigde immers de +groote adelaar hoog in de lucht; daarvan getuigde de kleine schildpad, +die op en neer lag te wippen over haar tak aan mijn voeten; daarvan +getuigde elk zingend vogeltje en elke springende zalm, en elke kikker +die aan den oever zat te kwaken, en elk insect dat mij in den warmen +zonneschijn om de ooren gonsde. Plotseling trof iets mij als heel +merkwaardig, iets waarvan de beteekenis tot nog toe nooit recht tot +mij doorgedrongen was: al die jaren dat ik nu de dieren gadesloeg in +de natuur--niet om er verslag van te geven of er een verhaal over +te schrijven, maar enkel en alleen om voor mezelf waar te nemen en +te begrijpen wat ze uitvoerden, wat ze dachten en voelden--ben ik nog +nooit een dier tegengekomen dat niet gelukkig was; altijd en overal was +levenslust hun voornaamste kenmerk. Ik heb allerlei slag van dieren van +heel nabij leeren kennen; dieren wier geheele natuur één vraagteeken +scheen, zooals een paar blauwe gaaien, en kalkoenen en herten, +en een eland dien ik langen tijd niet van mijn kamp af kon houden; +andere al te teeder, als die groote, groene kikvorsch, die zich met een +innigheid aan mij hechtte, geheel in tegenspraak met zijn kille bloed; +weer andere dwaas, zooals het hertje dat zijn leidsvrouw nooit wilde +volgen; of ook gemelijk en kwaadaardig, als die groote mannetjeseland, +die mij eerst kwam opnemen en toen tweemaal probeerde mij te dooden; +maar al die dieren, groot of klein, maakten altijd den indruk alsof +het leven hun een schuimenden beker bood. Er was er niet een, of hij +genoot van zijn kracht en leefde vroolijk voort, zelfs in tijden van +gevaar en gebrek. Dat soort van zorg en angst waar ons menschelijk +leven op schipbreuk lijdt ontbrak daar geheel en al. + +Eens op een morgen stond ik in het uitgestrekte bosch aan een dierenpad +naar een hert te kijken, dat door honden achtervolgd werd. Op het +meer had ik al naar de heele geschiedenis geluisterd--eerst het +begeerige gesnuif, het hooge, gillende keffen, waar een versch spoor +mee aangekondigd wordt; daarna het woeste, bassende koor, dat den +bergrug galmend opstoof en verried hoe er een hert op de been was, +dat door de vlucht zijn leven trachtte te redden. Ik kende de gewoonten +van de herten uit die streek wel zoo'n beetje; wist ook dat de jagers +op de loer lagen aan gindschen kant van den heuvelrug, bij een meer +dat het hert al weken geleden verlaten had; dus sloeg ik de richting +in naar een geliefkoosd hertenpad, om het voorbij te laten glippen +en de honden weg te ranselen als zij aankwamen. Want een hertenjacht +met honden is een afschuwelijk vermaak--bij de wet geoorloofd of +niet. Evenmin maakt het verschil of de honden bastaard-mormels zijn, +die speuren, of buitenlandsche hazewinden met een stamboom, die alleen +op hun oogen afgaan en gevolgd worden door een stoet volbloed-paarden. + +Toen ik mij op weg naar het hertenpad bevond, gebeurde er iets +merkwaardigs. Schuin uit de hoogte schoot een groote arend forsch +en zeker in het struikgewas voor mij neer, om een oogenblik later +weer op te stijgen, een en al teleurstelling klaarblijkelijk, naar de +uitdrukking van zijn wezen te oordeelen. Ik sloop voorzichtig naar de +struiken toe, om eens te onderzoeken wat hij daar toch te maken had; +ook om de scherpte van mijn blik eens met den zijnen te meten; en +daar zag ik eerst een, toen vijf of zes volwassen jonge patrijzen, +in hun schuilplaats tusschen de bruine bladeren gedoken, die zich +blijkbaar verkneukelden over de bewonderenswaardige kleur die de +natuur hun gegeven had, en blij waren dat het stilliggen, zooals +hun moeder hun leerde, zoo'n groote uitwerking had: hen beschermde +tot het gevaar geweken was. Er was geen sprake van dat zij angst +voelden of bang waren voor een kleinen domoor, die zijn kopje zou +kunnen bewegen en de aandacht van den arend op hen vestigen. Een +oogenblik later gleden ze allemaal weg, hun kopjes naar mij gewend +om mij nieuwsgierig te bekijken, met zacht, vragend _kwit-kwit?_ En +dadelijk gingen ze de droge frambozen oppikken, die daar in overvloed +verspreid lagen. Ook niet een van hen dacht meer aan den arend, die +daarnet was neergeschoten. En waarom ook? Hadden ze hem daar juist +niet heerlijk voor den mal gehouden, en keken ze niet scherp genoeg +uit hun oogen om het weer te doen, als het noodig mocht wezen? + +Ik liep daarover te peinzen en mij te verbazen over die wonderlijke +soort van vrees, die geen eigenlijke vrees is, niets geen +overeenkomst heeft met onzen angst voor de toekomst, maar slechts +groote waakzaamheid beteekent,--toen er een gekraak in de takken +ontstond en er een groote bok langs het pad kwam aanspringen. Vlak +bij mij stond hij stil om zich luisterend om te keeren, met zijn +gewei te schudden en hard met zijn pooten te stampen, verontwaardigd +over zoo'n spektakel in zijn rustige wouden; toen snelde hij langs +mij heen. Onder zijn fluweelen huid werkten zijn forsche spieren als +goed gesmeerde machinedeelen. In plaats van daarna zijn weg in de +richting van het water te volgen, sprong hij een gevallen boomtronk +over, dien hij--heerlijk vertoon van kracht--zoo sierlijk "nam", +alsof het spelenderwijs geschiedde, en stoof het moeras in, om den +geur dien zijn vluchtende hoeven achterlieten te verdelgen. + +Een paar uur later zag ik hem langs een ander hertenpad rustig het meer +ingaan en met statige, ferme slagen naar den overkant zwemmen. Daar +stond hij een oogenblik stil om zich af te schudden en te luisteren +naar het hondengeblaf in de verte. Hij had naar hartelust gedraafd, +had zijn stevige spieren eens gespannen, en had geen zin meer om +zich verder te vermoeien door nog langer te rennen, nu hij toch zoo +gemakkelijk van die luidruchtige bende af kon komen. Maar vrees sprak +er niet uit de wijze waarop hij zijn gewei schudde; evenmin uit het +booze stampen van zijn voorpooten. Hij was in het volle bewustzijn +van zijn kracht, had de innige overtuiging dat hij handig genoeg +was om voor zichzelf te zorgen bij het nemen der machtige sprongen, +die hem als een vogel over de omgevallen boomtronken lichtten, naar +de zwijgende schuilhoeken van de wijde bosschen; en geen ander gevoel +bezielde hem. + +Ik weet wel dat het soms heel anders afloopt, als een hert gewoonweg +afgejakkerd en door honden of wolven gedood wordt. Maar ik heb ze +herhaaldelijk door honden achtervolgd gezien en bijgewoond dat grijze +boschwolven hun op 't spoor waren; en toch heb ik een hert nog nooit +zijn volmaakt zelfvertrouwen of zijn grootsch gevoel van meerderheid +tegenover zijn achtervolgers zien verliezen. Eens, de sneeuw lag +dik, heb ik een hert het leven gered; net op 't nippertje, want de +honden hadden hem al ingesloten. Tot het laatste oogenblik toe dat +hij nog ééns opsprong, om daarna zijn kop rustig neer te leggen op de +sneeuwkorst, heb ik geen enkel blijk waargenomen van den vreeselijken +angst, de angstige opgewondenheid, die wij altijd aan achtervolgde +dieren toeschrijven. + +Datzelfde geldt ook bij vossen en zelfs bij hazen en konijnen. De +zwakke en domme eindigen hun leven al jong onder de nagels of de +klauwen van sterker dieren. De rest is al zoo dikwijls ontkomen, heeft +al zoo stelselmatig gespeeld en gedraafd, tot elke spier, elke zenuw +volkomen is afgericht voor haar werk, dat ze er geen oogenblik aan +schijnen te denken hoe er eindelijk een gevaar kan komen en zegevieren. + +Let er eens op hoe die honden een vos door het winterwoud jagen. Hun +pooten, opengehaald aan doornstruiken en harde aardkluiten, laten +een rood spoor achter op de sneeuw; ze hebben alle bloedige punten +aan hun staart, doordat het uiteinde er afgeslagen is met hun woest +gekwispel. Het helpt niet of ge al roept; ge kunt ze nauwelijks met +stokslagen van het spoor brengen. Het lijkt wel of ze half dol zijn, +gehypnotiseerd door den geur die hun in den neus dringt. Als ze +blindelings door het bosch rennen, klinkt hun woest geblaf, vooral +wanneer gij er dicht bij zijt, u bijna pijnlijk in de ooren, door de +inspanning die er uit spreekt. En het schijnt voor hen geen verschil +te maken, of ze hun vos vangen of niet, want als hij vlak voor hen +neergeschoten wordt, snuffelen ze slechts een oogenblik verbaasd aan +zijn lichaam, wentelen zich in de sneeuw, en tijgen er weer op uit +om een ander spoor te zoeken. Gewoonlijk rent de vos den geheelen +dag door; dan volgen ze hem tot hun pooten pijn doen en ze moe zijn; +daarna gaan ze een poosje liggen slapen en 's morgens komen ze weer +thuis aanhinken. + +Laten we de honden nu eens vóor zijn en Reintje bij het vossenpad +opwachten. Daar is 't gejaagde dier. Hij komt er aangesprongen, zoo +licht als een veertje op den wind, met zijn staart als een groote, +wuivende veer achter zich aan, staat stil om naar het plompe gedraaf +van zijn vervolgers te luisteren, maakt een paar bokkesprongen, +zelfvoldaan als hij is, jaagt--wanneer het een jonge vos is--zijn +staart achterna, loopt kris en kras zijn spoor door elkaar, draaft naar +de beek en springt van den eenen steen op den anderen; kiest daarna +voorzichtig zijn weg over droge plekken, die den reuk niet vasthouden, +naar den top van den heuvel, waar hij het gevaar prachtig kan overzien, +en rolt zich op een warme rots ineen voor een dutje. Zoodra het geblaf +hem te dichtbij komt glipt hij aan den anderen kant de helling af, waar +het is alsof de wind hem naar den volgenden heuvel blaast. Ook hier +bestaan er uitzonderingen; maar zij bevestigen slechts dien grooten +regel van het dierenleven: vroolijkheid overal, zelfs dan wanneer wij +een wilden doodsangst zouden verwachten. Onder alle vossen die ik met +woest jachtgeweld achter zich aan mijn blikken zag voorbijgaan, heb ik +er slechts éen ontdekt, die niet den indruk gaf alsof hij veel meer +pret had dan de honden die op hem joegen. Dat is de reden waarom hij +zoo zelden in zijn hol vlucht, dat hem zoo eenvoudig en gemakkelijk +tegen alles zou vrijwaren, als hij maar wilde. Is het mooi weer, +dan blijft hij den geheelen dag op de been, maar als het loopen hem +zwaar valt of zijn staart nat wordt in de brijige sneeuw, draaft hij +een poosje om zijn spieren los te maken, en glipt dan in zijn hol, +waar hij rustig gaat liggen. De honden mogen blaffen wat ze willen: +de grond is bevroren en zij kunnen hem niet uitgraven. + +Ik vertel deze drie verhalen--van den patrijs, van het hert, van den +vos--en ondertusschen duiken er in mijn herinnering nog wel twintig +andere op, die ik wel niet hoef op te schrijven, en die alle zooveel +bewijzen zijn dat het leven heerlijk is voor de kinderen der natuur; +zoo heerlijk, dat de blijdschap door de koude niet kan worden bekoeld; +dat het gevaar ze niet kan overstelpen, de honger haar zelfs niet +doodt. Dit blijkt uit al wat in 't wild leeft, van het allerkleinste +zangvogeltje, dat bij 't zonnegloren te midden van tallooze vijanden +zijn zoete liedje aanheft, tot den grooten adelaar, die daar veilig op +de lucht rust, wel duizend voet boven de hoogste bergspits; en van het +boschmuisje, dat zijn sneeuwgangen dapper vlak onder de klauwen van +den hongerigen vos, van de wilde kat graaft, tot den grooten eland, +die met zijn borst een berkeboom neerduwt om van den top te eten, +als de takken van eschdoorn en lederhout [4] tijdens de noorderstormen +diep onder de sneeuw begraven zijn. + +Ik heb herten gezien, zoo mager als de Indianen op afbeeldingen uit +een streek door hongersnood geteisterd; zoo uitgeteerd, dat al hun +ribben als hoepels uit hun ingezonken flanken staken. En toch speelden +de jongen met elkaar, toen zij door de kale, onttakelde bosschen +rondzwierven om voedsel te zoeken. En ik heb in het Noorden aan den +zoom gestaan van de wanhopig eenzame vlakten, als de ijzige rukwinden +over die verlatenheid gierden en het was alsof alle behaaglijkheid +zoo diep begraven lag, dat alleen de raad van Jobs vrouw: "zegen +God en sterf", er toepasselijk scheen te zijn; en midden in die +godslastering... fladderende vlerkjes, geglim en gefonkel van heldere +oogjes, getwetter van zwartkopmeesjes, verheugd aan 't roepen tegen +elkaar, druk bezig de takken die de vorst in ijs genepen hield van +onder tot boven na te zoeken, naar het beetje dat de natuur daar in +'t najaar wel ergens verstopt zou hebben, in de dagen van overvloed. Op +eens een aardig, helder geluid, alsof er een engel op een fluitje had +geblazen, een liefdesbetuiging, dat het tinkelde over de troostelooze +verlatenheid, om mij te vertellen dat het lente werd en dat het leven +ondertusschen wel het leven waard was--zelfs hier. + +Eén ding is zeker: de natuur zorgt zoo goed voor haar kinderen--geeft +ze eten zonder zorgen, stille kleuren om niet in 't oog te loopen, +en rappe pootjes om mee weg te snellen--dat ze zelden over iets +anders denken dan over de gewone levensbehoeften en levensvreugden, +voor zoover ik heb opgemerkt. Slechts dan als we het dier van boven +af beschouwen, het eens een oogenblik zielkundig bestudeeren, en +bedenken hoe prachtig de natuur haar voorzorgen genomen heeft om hem +alle ellende van een angstwekkend voorgevoel te besparen, kunnen wij +ons zijn blijdschap begrijpen. + +In de eerste plaats mist hij het leed dat wijzelf inwendig lijden, +ook door ons medelijden met onze naasten. Tenminste drievierde van al +ons leed is geestelijk, komt voort uit een overwerkt zenuwgestel of +een overspannen verbeelding. Wanneer het alleen uit die werkelijke +pijn bestond die we in onze beenen, in onzen rug voelen, dan zouden +wij ons geplaagd bestaan nog wel een poosje kunnen voortsleepen en een +even hoogen leeftijd bereiken als beren of eekhoorntjes. Want het dier +bezit geen groote geestvermogens--niet genoeg in alle geval om daardoor +zijn zorg meer dan te verdubbelen--en geen greintje verbeelding om +het hem lastig te maken. Uw vriend die aan Christian-Science doet +zou weinig houvast aan hem hebben, zou hem even glad en moeilijk te +vatten vinden als een kerkkoepel. Is hij ziek, dan beseft hij dit +ook en gaat als een verstandig dier slapen; is hij gezond, dan heeft +hij geen geloof van noode om hem van die waarheid te overtuigen. Hij +heeft stellig ook zijn smart wel, maar deze bestaat alleen uit pijn in +zijn pooten en in zijn rug, en ook in dit opzicht is zijn zenuwgestel +veel grover dan het onze en zijn pijn minder hevig. Dan houdt hij er +een uitstekenden, kerngezonden aanleg op na, wijdt slechts zoo weinig +mogelijk aandacht aan zijn pijn en maakt er geen drukte van. + +Bij het behandelen van gewonde dieren heeft het mij herhaaldelijk +getroffen dat ze mij toestonden hun wonden te verbinden, de gebroken +botjes weer op hun plaats te duwen, zelfs het vleesch weg te knippen, +zoodra ik maar eenmaal hun vertrouwen gewonnen had en zij niet bang +waren dat ik ze moedwillig kwaad zou doen; ze lieten dan bijna niet +merken dat ze pijn leden. Het is een feit, dat die pijn bij de onze +vergeleken slechts zeer gering is. + +Ik heb in de bosschen wel eens gekneusde en gewonde dieren gevonden, +die bloedden ten gevolge van een dier woeste gevechten welke ze in +den paartijd met elkaar houden. De eerste gedachte die bij iemand +opkomt, is natuurlijk: hoe vinnige pijn die vreeselijke wonden zullen +doen als ze koud worden; maar nu komt de natuur, die ervaren dokter, +en binnen tien minuten heeft zij ze in haar macht door haar bekwame +behandeling. Zij verzinken in een loome sluimering en droomen even +pijnloos en zonder zorgen als een opiumschuiver. Uren-, dagenlang +blijven zij daar dan in dien kalmen toestand van verdooving liggen, +tot ze weer in staat zijn door het bosch te zwerven om voedsel te +zoeken, of totdat de Dood zachtkens nadert en ze doet inslapen. + +Ik heb wel eens dieren met een leelijke kogelwond gezien, die bedaard +aan het eten waren of kalm lagen te rusten; wel forellen, waar de +halve kaak van afgescheurd was en die doodgewoon naar dezelfde vlieg +kwamen happen die hen gewond had; ik heb gezien hoe een muskusrat +met haar tanden haar eigen poot afbeet om los te komen uit een val +waar zij tusschen geklemd zat (geheel tegen mijn zin, waarde lezer, +want ik heb net zoo'n hekel aan die dingen als u); maar nog nooit heb +ik een dier gezien, dat ook maar een honderdste van de pijn voelde +die een gewoon mensch onder zulke omstandigheden zou lijden. + +Kinderen die aan dezelfde ziekte lijden als oudere menschen hebben +veel minder uit te staan dan de laatsten, en wilde volken minder +dan beschaafde. Deze feiten leveren dus een nog sterker bewijs, +hoe het dier, dat onze geestvermogens, onze verbeeldingskracht of +ons teerbesnaarde zenuwgestel ten eenenmale mist, aan onze pijn en +aan ons leed ook zoo goed als ontkomt. En dat is maar een van de vele +verstandige maatregelen die de natuur neemt, om degenen die het minst +in staat zijn pijn te verdragen bijna geheel te sparen. + +Louter geestelijk lijdt het dier slechts in een enkel opzicht: +wanneer het treurt over het verlies van metgezel of -gezellin, of van +zijn jongen. En daar hebben wij ook alleen nog de uitzonderingen van +gelezene--dan nog heel zeldzame uitzonderingen,--die ook al gekleurd +waren door de menschelijke verbeelding; dat is nu eenmaal niet anders, +en op die wijze zijn wij tot onze schromelijk overdreven voorstellingen +omtrent dierenleed gekomen. + +Het nest van een vogelwijfje is verstoord. De storm werpt het +naar beneden, of de zwarte slang [5] kronkelt er zich om heen, +of een kwajongen haalt het uit zonder er veel bij te denken, of de +beroeps-eierverzamelaar--verwenscht zij zijn naam en bezigheid!--bergt +het in zijn gruwelkast. Het wijfje blijft maar zelden langer dan +een paar uur op de plek rondvliegen; dan glipt ze weg naar grooter +eenzaamheid. Over een dag of wat heeft ze alweer een ander nest en +heeft ze de eieren waarop ze zit te broeden handiger verborgen. Dit is +geen zeldzaamheid, maar overal regel in het blijde vogelleven. Gelukkig +maar, voor hen en voor ons, dat het zoo gaat, want anders zou er +geen jubelend morgenkoor weerklinken, zou het woud steeds vervuld +zijn van klaagliederen. + +Wanneer de jongen van vogels en andere dieren door hongerige +sluipers worden geroofd of gedood, duurt het verdriet van de +moeder wat langer. Ook dan is de natuur weldadig. Het moederlijk +genegenheidsgevoel voor de hulpelooze jongen, waardoor het 's +zomers zoo'n genot is in de wildernis rond te kijken, is slechts een +voorbijgaand instinct, dat op zijn langst een week of wat duurt. Daarna +verdwijnen de jongen om voor zichzelf te zorgen, en de moeder laat +ze graag gaan, want ze beseft dat ze nu zichzelf eens een beetje in +het vleesch kan zetten tegen den kouden winter. + +Als er een ongeluk heeft plaats gehad en de tijd om te nestelen nog +niet is verstreken, verspilt het wijfje slechts een paar uur met +nutteloos getreur, bouwt dan een nieuw nest of graaft een beter hol, +brengt haar jongen in een nog eenzamer schuilhoek ter wereld en vergeet +haar verlies spoedig geheel onder het grootbrengen en lesgeven van haar +nieuwe kleintjes. Dit gaat gauwer in zijn werk en er wordt minder zorg +aan besteed, omdat de tijd maar kort is. Het is in 't oog loopend, +hoeveel minder goed er voor die latere jongen gezorgd wordt dan voor +de vorige;--elken nazomer kunt ge dit in de bosschen waarnemen. Het +wijfje moet een bepaalden tijd aan zichzelf hebben, om voor den winter +gereed te komen, en dien neemt ze gewoonlijk zonder er zich om te +bekommeren of haar jongen klaar zijn of niet. In tijden van hongersnood +en schaarschte zijn het nu voornamelijk die tweede soort van jongen, +waar roofvogels en roofdieren van leven. Hun onderricht is niet zoo +in de puntjes geweest, zoodat ze gemakkelijker gesnapt worden; en +weer is dit geen zeldzaamheid, maar de groote wet in het dierenleven. + +Er is nog een verstandige maatregel dien de Natuur neemt. Zij heeft +voor het hert en den patrijs te zorgen, maar moet ook aan den panter +en den uil denken, die haar aanroepen als ze hongerig zijn. En hoe +kon zij dat wonder van tegenstrijdigheid doen geschieden zonder onzen +haat, onzen hartgrondigen afkeer op te wekken, als ze haar andere +kinderen ook het menschelijk leed en de menschelijke smart toekende, +waar onze fijngevoelige verbeelding ze zoo dikwijls mee bedeelt. + +Hoe 't ook zij met die kleine grieven en kwellingen, zij vallen +alleen aan de wijfjes ten deel. Ik heb bijna zonder uitzondering bij +de mannetjes niet alleen geen verdriet kunnen waarnemen, maar zij +schijnen het verlies van hun jongen zelfs wel prettig te vinden. Ten +deele omdat ze nu weer op hun eigen houtje voedsel mogen zoeken--want +het mannetje is uit den aard der zaak een zelfzuchtig zieltje zonder +zorg--maar ook omdat het heerlijk vooruitzicht hun wijfje nog eens +voor zich te winnen daardoor opnieuw voor hen opengaat. + +De tweede groote oorzaak van die blijdschap in het dierenleven +is deze: dat het dier geen vrees kent. Zijn bezorgdheid, heinde +en ver onder zijn soortgenooten verbreid, is eigenlijk het behoud +van al dat kleine goedje in de natuur, en verschilt zoo volkomen +van onzen wereldschen angst en zorgen, dat we misschien liever van +waakzaamheid of schuwheid of achterdocht moesten spreken om strikt waar +te zijn. Het dient nog eens in herinnering gebracht dat die dierlijke +angst niet instinctmatig is, maar eenvoudig een zaak van al of niet +goed leeren, en nieuwsgierigheid een veel sterker trek bij de dieren +is dan vrees. De wereld is zoo vol dingen die zij niet begrijpen, dat +ze er steeds naar hunkeren om er nog een beetje meer van te snappen. + +Eens op een dag zat ik in het bosch op een boomstomp een paar patrijzen +te plukken voor mijn middagmaal, waar ik geheel in verdiept was, toen +een licht geritsel in het kreupelhout mij opschrikte, en daar stond me +een groote mannetjeseland, half tusschen de dwergsparretjes verscholen, +naar mij en de stuivende veeren te kijken, met een uitdrukking van +gespannen nieuwsgierigheid en verbazing op zijn leelijke zwarte +tronie. Herhaaldelijk heb ik beren en herten en kraaien en eekhoorns +en kleine zangvogeltjes uit het bosch op datzelfde spelletje: "eens +kijken wat hij daar uitvoert", betrapt. Ga eens ergens in het bosch +zitten, en ga heel gewoon uw gang met de een of andere bezigheid; +dan zal het niet lang duren, of ge merkt dat er overal in het rond +schuwe, heldere oogen naar u kijken. En als ge u dan maar rustig weet +te houden en uw belangstelling te verbergen, is het een genot te zien +hoe grappig ze weifelen tusschen hun schuwheid, die tot weggaan noopt, +en hun nieuwsgierigheid, die ze steeds weer terugdrijft. + +Wie een jongen vogel of een ander jong dier in nest of hol aantreft, +zoo klein dat moeders voorbeeld nog geen uitwerking heeft gehad, zal +waarschijnlijk slechts twee instincten ontwaren. Over het voornaamste, +het belangrijkste, heeft de mensch geen macht, al is er misschien +al heel mooi een indruk van te krijgen door stilletjes nader te +sluipen en heel voorzichtig een zacht geluid te laten hooren zooals +de moeder maakt. De twee instincten die ge stellig zult ontdekken +zijn: het eetinstinct en het instinct om stil te blijven liggen, +waarbij hun natuurlijke kleur voor een goede dekking zorgt. (Er +bestaat voor een vogel nog een reden om zich rustig te houden: +wanneer hij zich namelijk niet beweegt en zijn poriën gesloten zijn, +geeft hij geen geur van zich; andere dieren evenmin, al is het bij +deze niet zoo sterk. Hij ligt stil, niet alleen om aan den _blik_ +van zijn vijand te ontkomen, maar ook aan diens reukorgaan. Dit is +echter iets anders). Angst ontdekt ge echter niet, want wanneer het +jonge dier tijdig genoeg gevangen wordt, zal het even graag uit een +menschenhand als van zijn moeder voedsel aannemen. Later komt het +onderricht in waakzaamheid en schuwheid--die wij angst noemen--,in +het onderscheiden der geluiden van al wat er in de bosschen te zien +en te ruiken is; wordt hem geleerd hoe hij daarnaar handelen moet: +nu eens stilliggen, dan al zijn stoppelige veeren overeind zetten +om er groot uit te zien en een indringer af te schrikken; nu eens +sissen of grommen of krabben of hard moeder roepen; ten slotte weer +wegduiken in een schuilplaats of beenen maken en halsoverkop de vlucht +nemen. Zij kennen het allemaal, maar door onderricht en voorbeeld, +en niet door hun aanleg. + +En het zijn geen blijken van angst--in de beteekenis die wij aan dat +woord hechten--maar het is een gedragslijn die hun voorgeschreven +is. Zoo staat een karrepaard stil als de bel tjingelt; zoo wijkt de +mensch rechts uit omdat hem dit geleerd is, zoo buigt hij zich onder +het draven of schiet hij naar voren, wanneer hij vlak achter zich +een onbekend geluid hoort. + +Om het nu maar eens ruwweg en gebrekkig samen te vatten: al onze +menschelijke vrees welt uit die groote bronnen op: de gedachte aan +pijn of lichamelijk letsel, de gedachte aan toekomstige droefheid en +de gedachte aan den dood. Nu heeft de natuur in haar barmhartigheid +dat alles aan de dieren gespaard, want zij kunnen er zich niet tegen +wapenen, en zij zijn evenmin in staat tot een geloof, het eenige +waardoor die angst overwonnen kan worden. + +Eerst dus met betrekking tot lichamelijk lijden of letsel: het dier +leeft zijn natuurlijke leven en kent in den regel geen pijn, in welken +vorm dan ook. Geen schepsel heeft hem ooit kwaad gedaan--behalve +dat zijn moeder hem af en toe eens een knauw gaf om hem te leeren +gehoorzamen--; hij draaft of vliegt dus maar door de uitgestrekte +bosschen zonder dat de gedachte aan pijn bij hem opkomt; die heeft +hij immers nooit gevoeld; die kent hij niet. + +En de gedachte aan toekomstig verdriet spookt ook niet in zijn kopje, +want hij weet niet wat droefheid en wat toekomst zijn. Ik spreek +nu niet over wat wij van de toekomst die het dier wacht afweten of +meenen af te weten, maar alleen over wat hij weet en wat hij beseft +te weten. Hij leeft heelemaal bij den dag, behalve dan de paar +dieren die een wintervoorraad verzamelen. Hij voelt zich plezierig, +zijn oogen kunnen scherp zien en zijn spieren zijn in den gunstigsten +toestand. Hij heeft genoeg, of verwacht dat hij bij de eerste kromming +van zijn pad wel genoeg zal krijgen. Dat is de wijsheid die hij uit +zijn ervaring put. Wat den dood betreft--die valt geheel buiten het +gedachtenkringetje van een dier. Er is er niet éen op de duizend dat +ooit den dood ziet--behalve insecten of andere dieren die ze eten, +natuurlijk, en die beschouwen ze niet als dooden, maar als een lekker +hapje, zooals een biefstuk voor ons is. Wanneer ze iets doods zien, +gaan ze er achterdochtig omheen, om een tent ook of een kano, of iets +anders dat ze niet begrijpen, want hun moeder heeft ze niet geleerd +wat ze doen moeten als ze zoo iets tegenkomen. Ik heb zoo dikwijls +vogels en andere dieren bij hun doode jongen, bij een dood mannetje +of wijfje waargenomen. Totdat het lijfje koud begint te worden, +behandelen zij het alsof het sliep; dan krijgen ze echter argwaan, +kijken er met wantrouwige blikken naar, besnuffelen het op een afstand +zonder er met hun neus aan te raken, en glijden eindelijk weg, zich +verbaasd afvragend waarom het zoo koud is, waarom het niet beweegt, +of niet komt wanneer het geroepen wordt. Dan hooren wij ze aan alle +kanten in het kreupelhout roepen en het diertje dat ze net verlaten +hebben elders zoeken. + +Voor zoover mij bekend is, zou er in het dierenleven op dien algemeen +geldenden regel maar één uitzondering mogelijk zijn, en wel bij de +mieren, waar de dooden door sommige soorten begraven worden, en bij de +bijen, die de darren als hun tijd gekomen is om het leven brengen. Die +wezentjes zijn echter nog te weinig bekend, zijn nog zoo raadselachtig, +er is zoo'n tegenstrijdigheid in de mengeling van oliedomheid en +verstandig overleg, dat wij er nog geen duidelijke theorie op kunnen +nahouden, in hoeverre zij helder denken of blindelings hun instinct +volgen, of in hoeverre zij de beteekenis beseffen van wat ze hun +geheele leven door elken dag doen. + +Lichamelijk letsel, toekomstig leed, dood--ziedaar de drie dingen die +een dier zich nooit bewust in 't hoofd haalt; en zijn ondervinding +geeft hem geen aanleiding om dien laatsten grooten vijand, of vriend, +eenige beteekenis toe te kennen. Zij zijn dus gelukkig, doordat hun +barmhartig de slavernij onzer angsten bespaard bleef. + + + +Daar zit ik nog op het oude houtblok aan het diepe water, waar de +zalm leeft, en de groote rivier snort langs me heen met de witte +schuimlappen die uit het ondiepe komen drijven. Het schildpadje op zijn +wipplank heeft gezelschap van een tweede gekregen; ze zwiepen samen +op en neer, in den stroom, die alles maar goedmoedig toelaat. Beneden +hen wemelt de rivier van insecten; ze zullen wel eten, als ze klaar +zijn--en ondertusschen wippen ze maar en genieten hun leventje. Hoog +boven den berg drijft de groote arend en rust op de winden. De aarde +omlaag heeft eten en drinken--hij zal wel komen, als hij hongerig +is, maar nu kijkt hij neer over de grens van het bestaande en is +voldaan. De vogels in het bosch achter mij hebben hun morgenzang nog +niet gestaakt; ze zijn te gelukkig om te kunnen eten en moeten nog wat +doorjubelen. Daar waar het water in trage wielingen vloeit springen +de zalmen op, krachtig als ze zijn; kikvorschen zitten glimmend +op de leliebladen die voor anker liggen te kwaken, en boven hen, +in den stroomenden zonneschijn, zoemen de myriaden insecten, die +van pret niet zwijgen kunnen. Omhoog en omlaag trilt de natuur van +echte levensblijheid. Als een bron welt die vreugde over den rand, +zoodat iedereen die wil, zelfs al hoort hij tot het menschengeslacht, +dat zijn geboorterecht heeft verloren of vergeten is, terug kan keeren +om van haar overvloed te drinken en voldaan te worden. + + + + +HOE DE DIEREN STERVEN. + + +De kreet van een adelaar--een zeldzaam geluid, 's zomers in de +wildernis--maakte dat ik haastig mijn commoosie uitkwam, om eens te +zien wat Cheplahgan aanleiding had gegeven de stilte te verbreken. Hij +dreef daar op een ontzaglijke hoogte boven zijn bergtop en wiekte +in kleine, onregelmatige kringen, als een arendsjong dat bezig is +te leeren hoe hij den wind moet gebruiken onder zijn breede vlerken, +en galmde telkens zijn wilden kreet over de opgeschrikte wouden. + +Er was klaarblijkelijk iets niet in den haak met Cheplahgan. Dat was +geen jonge arend, die luidkeels om zijn onbekende wijfje riep of voor +het eerst van zijn leven die prachtige spiraal vlucht probeerde. 't +Was evenmin een der twee koninklijke vogels die ik al weken lang had +gadegeslagen en nagegaan, en wier nest met jongen ik ten langen leste +ver weg op een rotsklip had ontdekt. Als ik ze volgde had ik wel +eens een glimp van een anderen arend gezien, van een reusachtigen, +ouden baas, zonder wijfje, wiens eenzame leven mij den heelen zomer +al iets geheimzinnigs, iets raadselachtigs was geweest. _Hij_ galmde +daar nu zijn kreet over den hoogen berg, waar ik hem zoo dikwijls +met zijn kalmen blik op den uitkijk had gezien, over het heerlijke, +wijde gebied, waar hij niet langer heerschte, maar dat hij aan de +jongere adelaars had overgegeven--zijn eigen broed wellicht. + +Voor zichzelf eischte hij slechts het recht om op de plek te blijven +jagen waar hij en zijn verdwenen wijfje zoo lang den schepter gezwaaid +hadden. Want de meeste roofvogels en roofdieren houden er hun eigen +jachtgebied op na, waar geen ander komt stroopen, of _zij_ moeten het +hebben prijsgegeven. Dat was mij juist den heelen zomer het grootste +raadsel geweest. Ik snelde dus naar een landtong, ging stilletjes +tegen een verweerden boomwortel zitten, die net de kleur van mijn +grijze jas had, en richtte mijn kijker op Cheplahgan, om hem goed in +'t oog te houden en te zien wat hij zou doen. + +Al gauw vernauwden die onregelmatige kringen zich om een middelpunt, +waar de groote adelaar omheen vloog alsof 't een spil was. De wilde +kreet zweeg nu en hij hield zijn wieken breed en stijf uitgeslagen, +zooals een adelaar dat doet die op de lucht drijft. Minuten lang kon +ik geen beweging bespeuren; hij was net een donker lijntje, op dien +oneindigen blauwen achtergrond getrokken. Het begon langer te worden, +langer; verbreedde zich--en toen wist ik dat het recht op mij af naar +beneden kwam. + +Hij daalde al lager en lager, in schuine richting, langs onzichtbare +treden, zonder een trilling van zijn wijd uitgespannen wieken. Nog +lager, nog dichter bij; toen zag ik tot mijn verbazing dat zijn +kop neerhing, alsof hij zwaar was, en niet op adelaarsmanier een +zuivere lijn met lichaam en staart vormde. Hij zeilde recht over de +landtong, zoo vlak bij, dat ik als ruischen van zware zij het flauwe +geknetter van zijn vleugels kon hooren. Zijn kop zonk nog meer naar +beneden en zijn vurige, wilde oogen hield hij half gesloten in het +voorbijgaan. Eens maar zwenkte hij even, om een hooge boomstomp te +ontgaan die naakt en machtig boven het woud uitstak, juist in zijn +weg. Toen stak hij met stijve wieken de baai over ten zuiden van de +landtong, nog steeds in zacht glooiende richting, om zwijgend in de +armen van het donkere bosch aan den overkant neer te zinken dat zich +boven hem sloot. + +Het was duidelijk dat het met Cheplahgan niet in orde was. Zoo had ik +een adelaar nog nooit zien vliegen. Ik prentte mij de plaats waar hij +tusschen twee reusachtige boomen verdwenen was goed in het geheugen +en ging er gauw in mijn kano naar toe. Daar vond ik hem vlak bij den +boschrand liggen, met zijn kop over de moskussens op den wortel van +een ouden ceder, zijn wieken uitgebreid tusschen de koele, groene +varens. Hij rustte zoo vredig voor het eerst van zijn leven bij +moeder aarde,--dood. + + + +Toen ik den vorigen zomer in de wildernis kampeerde, was er achter mijn +tent een kleine bron. Ik ging er vaak heen; niet om te drinken, maar +om er stilletjes een poosje tot rust te komen en te zitten kijken naar +het koele water dat uit de donkere aarde tusschen de dansende keitjes +opborrelde en weggleed in de varens, in het mos, om trouw zijn taak +te vervullen en overal lafenis te brengen. Wanneer ik daar zoo zat +te kijken, kwamen af en toe de kleine boschbewoners haastig op het +zachte geklater dat al wat dorstig was lokte, af om te drinken. Als +ze mij dan zagen, krompen ze terug in de varens, om er door te gluren +en te luisteren; maar de kleine stroom murmelde ongestoord verder, +en het einde was ten slotte altijd dat ze weer voor den dag kwamen +en mij beschouwden als een kameraad, omdat ik naast hun bron zat. + +Toen ik weer eens kwam, zat er een zangvogeltje op een sparretak, +die over de bron hing alsof hij haar wilde beschermen. Verscheiden +dagen had ik het daar al zwijgend zien zitten of rondfladderen +in het kreupelhout. Maar zelden dronk het; het scheen er, evenals +ik, alleen te zijn omdat het van dat plekje hield. Het was oud en +eenzaam; tusschen de donkere veeren op zijn kopje schemerde grijs en de +geschubde pootjes waren gerimpeld, wat vogels altijd krijgen wanneer ze +oud worden. Het scheen niet bang voor mij te zijn, alsof het de kalme +berusting geleerd had die den ouderdom kenmerkt, en vloog nauwelijks +op zij als ik naderde, kwam soms zelfs vlak bij mij, wanneer ik in zijn +bron kwam kijken. Dien dag was het lusteloozer dan gewoonlijk. Toen ik +mijn hand uitstak om het op te nemen, spartelde het niet tegen, maar +ging stilletjes op mijn vinger zitten en deed zijn oogjes dicht. Wel +een half uur zat het daar heel tevreden, knipte af en toe slaperig +met de oogen, maar als ik het aan mijn vingertop een droppel water +reikte, gingen ze wijd open. Toen de schemering dichter werd en het +bosch met al zijn stemmen zweeg, zette ik het weer op den sparretak, +waar het knikkebollend in slaap viel eer ik wegging. + +Den volgenden dag zat het nog dichter bij de vriendelijke bron, op een +lageren tak van den dikken spar. Weer nestelde het zich in mijn hand +en dronk gretig den droppel van mijn vingertop. In de avondschemering +vond ik het met zijn kopje naar beneden aan een sparrewortel hangen; +zijn pootjes waren er stijf omheen geklemd--nooit meer zouden ze +loslaten--en even raakte zijn snaveltje het leven-wekkende water. Aan +de bron die het zijn heele leven had gekend en liefgehad was het +rustig ingeslapen; haar water welde tot bij zijn bekje en hield zijn +beeld in het hart tot het laatste oogenblik. + + + +Hoe sterven de dieren?--Negentig van de honderd kalm en rustig, zooals +de arend in zijn vrije element, en het zangvogeltje aan de bron die het +liefhad. Want die twee geven eenvoudig den kenmerkenden vorm waaronder +de dood in de bosschen optreedt;--onafgebroken gaat hij zijn gang.--Het +eenige ongewone is dat ze betrapt werden door onbescheiden blikken, +want verreweg de meeste dieren sluipen naar de eenzame plekjes toe +die hun lief zijn, om er zich ongezien neer te leggen; en weldra +zullen de bladeren hen voor het oog van vriend en vijand bedekken. + +'t Gebeurt maar zelden dat wij ze dan ontdekken, want het dierlijk +instinct drijft hen in de diepste schuilhoeken, zoo ver mogelijk +weg. Wij zien slechts de uitzonderingen: den kwartel in de klauwen +van den havik, het eekhoorntje verlamd, onbeweeglijk in den greep van +kat of wezel; maar de ontelbare beesten die zich hun eigen rustplaats +uitzoeken en voor het laatst hun oogen sluiten even kalm als altijd, +wanneer ze gaan liggen slapen, zijn voor onzen blik verborgen. + +Er heerscht een merkwaardige gewoonte onder de dieren, die dit +misschien verklaart en tevens kan ophelderen waarom wij toch zoo'n +dwaze, zonderlinge voorstelling hebben, alsof de dood van een dier iets +tragisch of gewelddadigs was. Dieren, zonder uitzondering, vogels ook, +koesteren een sterk wantrouwen tegen alles wat ook maar eenigszins +vreemd of ongewoon is onder hun soortgenooten. Nooit zullen zij een +kreupel, een mismaakt of ziekelijk lid in hun gemeenschap dulden, +enkele bijzondere gevallen uitgezonderd. Zij vallen er nijdig op aan +en jagen hem op de vlucht. Dus als een dier, oud en zwak geworden, +de zonderlinge gewaarwording krijgt van iets vreemds, iets ongekends +dat hem besluipt, gehoorzaamt hij aan een verdedigend instinct +waar hij zijn heele leven naar geluisterd heeft, en verdwijnt. Wat +"dood" is weet hij niet; dus hij meent dat hij maar onaangenaamheden +ontduikt door daar ergens verscholen te gaan liggen, en--het is +voor den laatsten keer. Zoo heb ik het herhaaldelijk bij wilde, zoo +heb ik het bij tamme dieren waargenomen en mij afgevraagd wat het +toch zou kunnen wezen. Soms geschiedt het geheel onbewust, als bij +een ouden beer dien ik 's zomers eens vond. Hij was als gewoonlijk +onder een boomwortel gaan liggen om zijn winterslaap te houden, +maar niet ontwaakt toen de sneeuw was verdwenen en de lentezon hem +vroolijk wakker riep. 't Gebeurt ook wel eens met het zegevierende +bewustzijn van eigen geslepenheid, als bij sommige eenden, die wanneer +ze gewond zijn onder water een wortel beetpakken en daar sterven met +de gedachte dat ze daar prachtig aan hun vijanden ontkomen zijn. Dan +weer is het een instinct dat hen roept zonder dat ze weten waarheen, +vaag en onbeschrijfelijk. Zoo is het bij de rendieren, die dikwijls +ver wegloopen naar een plaats waar ze nooit zijn geweest, waar vroegere +geslachten hun voorgegaan zijn; en daar gaan ze liggen, zich afvragend +waarom zij zoo slaperig zijn en waarom lekker mos en drinkwater hun zoo +niets kunnen schelen, terwijl boven hen de lorkeboomen zachtjes heen +en weer schommelen. Een enkelen keer is het ook een blinde aandrift om +maar weg te komen. Verscheiden vogels voelen zoo; die vliegen recht de +zee in, totdat ze niet meer kunnen; dan vouwen zij hun moede vleugels +op en zijn in slaap gevallen eer de oceaan ze nog aanraakt. + +Het kon wel eens wezen dat uw kanarie op zekeren dag met zijn +ongeoefende wiekjes onophoudelijk tegen de tralies van zijn kooi +opfladderde--zijn kooi waar hij zoo lang tevreden leefde. Als ge +verstandig waart zoudt ge het deurtje openzetten, want een stem, +veel machtiger dan er bestaat in het kunstmatige verband der dingen +dat _gij_ u geschapen hebt, roept hem tot zich--de stem van de +vergeten geslachten vóór hem. Den volgenden dag ligt hij dood op den +bodem van zijn kooi, en er rest voor hem slechts een begrafenis nog +onnatuurlijker dan zijn arme leventje. + +"Maar," brengt een lezer hiertegen in, "die vreeselijke dingen, die +treurtooneelen dan?" Misschien komen ze wel eens voor, als we meer +door onze verbeelding dan door onze oogen kijken, maar ze zijn veel +zeldzamer dan de noodlottige gebeurtenissen onder de menschen. En +zooals verreweg het grootste gedeelte van de menschheid vredig in bed +sterft en niet met een aardbeving of hongersnood omkomt, zoo eindigen +verreweg de meeste dieren hun leven ook kalm op een leger dat zij +zichzelf kiezen. De natuur kent geen treurspelen, behalve wanneer de +mensch tusschenbeide komt, zich bemoeit met den natuurlijken gang van +zaken, wreedaardig een broedende of zoogende moeder vermoordt.--Een +patrijs wordt door een uil beetgegrepen. Dat is een leelijk ding +voor den patrijs,--maar het is bijna altijd een van de zwakkere of +domme, die niet geleerd hebben om gehoorzaam te wezen zooals hun +broertje,--en ginds, boven in dien boom, zitten twee jonge uilen, +die zich zullen verkneukelen en blij zijn met het lekkere maaltje, +dat een zorgzame, liefhebbende moeder hun thuisbrengt. + +Gewoonlijk beschermt de natuur haar broedende moeders van wie +hulpelooze levens afhankelijk zijn, met een overleg en een eindelooze +zorg, evenals wij menschen in zoo'n geval doen. Zelfs de vos kan ze +in zoo'n tijd niet ruiken, al komt hij er vlak langs. Maar mocht de +moeder er het leven bij inschieten--en bij die veronderstelling is +zooeven onze verbeelding al met ons op hol gegaan--dan verhongerden de +jongen toch niet, zooals wij ons dat vol medelijden denken. Zij roepen +hard om eten; de moeder is niet in de buurt om ze tot stilte te manen, +om ze te leeren dat zwijgen het groote gebod is voor de weerloozen +in het bosch. Ze schreeuwen weer; de kraai of de wezel hoort ze, +en--in een oogwenk is er snel en pijnloos een einde gemaakt aan dit +gezin. Zoo gaat het in het woud. + +Zeker, er zijn ook gevallen van gewelddadigen dood, maar daarbij komen +zij er gewoonlijk nog het genadigst, het minst pijnlijk af. Een hert +valt, doordat een panter op hem springt die boven het hertenpad op +de loer lag. Wij verbeelden ons dat het zóo een vreeselijke dood is, +en schilders hebben het zoo tragisch mogelijk afgebeeld, maar in +werkelijkheid wordt er waarschijnlijk zoo goed als niet geleden. Toen +Livingstone met een verpletterden schouder onder een leeuwenklauw lag, +zijn arm overdekt met gapende wonden, waarvan hij de litteekens tot +aan zijn graf met zich meedroeg, voelde hij geen pijn, wist hij zelfs +niet dat hij gewond was. Hij was de eerste om de aandacht te vestigen +op het feit dat het toespringen en beetgrijpen van een wild beest een +soort weldadige verdooving meebrengt, die de pijn volkomen wegneemt +en alle gevoel, den geheelen wil schijnt te verlammen, zoodat iemand +maar blij is stil te kunnen blijven liggen--het eenige, tusschen twee +haakjes, wat hem nog hoop op ontkomen kan geven. Wanneer dit van +den mensch geldt, dan geldt het wel tienmaal zoo sterk van dieren, +die niets van onze zenuwachtigheid of verbeelding bezitten. + +Deze gevolgtrekking stemt aangenaam, en er is nog van allerlei dat +haar aannemelijk maakt. Soldaten worden in de hitte van een vliegende +charge of van een overhaaste vlucht vaak doodelijk gewond, en ze weten +er niets van, totdat zij een uur later in zwijm vallen. Iedereen heeft +wel eens een muis in den greep van een kat, of een pad in de kaken van +een slang gezien, en weet dat ze den indruk niet geven dat ze lijden +of besef hebben van den dood. En ik heb wel grooter beesten--konijnen, +hazelhoenders, herten--, zoo lijdelijk onder de klauwen of de nagels +die ze half verpletterden zien liggen, dat ik slechts de barmhartigheid +der natuur kon bewonderen. De dood was niet wreed, maar weldadig, en +gehuld in iets zoo vaags, iets zoo onwezenlijks, dat de beteekenis er +van geheel voor het dier verborgen bleef en het er zich over verbaasde +wat er nu zou gebeuren. Soms sterven de dieren van koude. Ik heb vaak +uilen, kraaien, kleine vogeltjes, op zoo'n bitter kouden morgen dood +en bevroren aan een tak vinden hangen, met de nagels van een pootje +er omheen geklemd. Zoo'n einde is ook barmhartig en pijnloos. Ik +ben zelf wel 's winters in de bosschen verdwaald geraakt en heb die +heerlijke matheid ondervonden die de koude geeft, mij zacht voelen +sluiten in de armen der sneeuw, die zoo rustig wenkten toen het ging +schemeren en de stilte over het woud lag en menschelijke spieren niet +meer konden. Dat is een zachte dood als de tijd daar is. + +Soms sterven de dieren van honger, wanneer een ijzige storm alle +voerplaatsen bevroren houdt,--en dit is ook nog veel minder erg dan +ziekte, onder welken vorm dan ook--; dat weet iedereen die wel eens +dagenlang zonder eten is geweest. Lang voordat de pijn begint, wordt +elke gevoelsprikkel al afgestompt door een droomerige loomheid.--Soms +zijn brand of overstrooming de oorzaak, maar dan vertrouwt het dier +vast en zeker op zijn pooten of wieken--dat doet hij immers altijd--en +gaat op de vlucht, totdat het einde hem snel en zeker inhaalt. Die aan +'t gevaar ontsnappen, kruipen dicht bij elkaar op de veilige plaatsen +en vergeten alles, hun natuurlijke vijandschap zelfs; niets dan een +groote verbaasdheid blijft hun bij over wat er toch gebeurd is. In +één woord, zoolang de dieren het eeuwige leven nog niet bezitten +en lastig of gevaarlijk konden worden door hun groeiend aantal, is +de natuur barmhartig; ook dan wanneer zij onverbiddelijk optreedt, +want zij zorgt dat de dood voor haar kinderen niet pijnlijk of +verschrikkelijk is. En wat van de dieren geldt gold ook eenmaal van +den mensch, totdat hij op allerlei uitvindingen zon om van ziekte +iets ondraaglijks te maken en een vijand van den dood. + +Het dient wel in herinnering te worden gehouden dat al die laatste, +hier genoemde gevallen treffende afwijkingen zijn en geen regel in +het bosch. Verreweg de meeste dieren zonderen zich rustig af als hun +tijd gekomen is; en niemand vermeldt iets over hun dood--omdat een +mensch slechts oog heeft voor uitzonderingen. Hij verlangt een wonder, +maar ziet de zonsondergangen niet. Er komt iets dat het dier uit +zijn dagelijksche doen roept: de ouderdom of een natuurlijke ziekte +raakt hem zachtjes aan, op een wijze zooals hij 't nog nooit eerder +gevoeld heeft. Hij sluipt, gehoorzaam aan het waarschuwende instinct +van zijn geslacht, weg en zoekt een plaatsje uit waar niemand hem +vinden zal eer hij weer beter is. De beek murmelt, terwijl ze naar de +zee gaat; het water kabbelt en frutselt op de kiezelsteentjes, als +de koelte het wiegelt; de wind suizelt in de pijnboomen--het oude, +lieve slaapliedje, dat hij hoorde toen zijn ooren voor het eerst de +wereldharmonie in zich opnamen. De schaduwen lengen, de schemering +wordt dichter; zijn oogen worden zoo zwaar; hij sluimert in. En zijn +laatste bewuste gedachte--van den dood weet hij immers niets af--is +dat hij 's morgens weer zal ontwaken, als het licht hem roept. + + + + + + +DE INDIAANSCHE NAMEN. + + +Cheokhes, kie-ok-ez', de Amerikaansche "mink", een ottersoort. + +Cheplahgan, tsjep-la'-guan, de Canadeesche arend. + +Ch'geegeelokh-sis, tsj-dsjie-dsjie'-lok-siz, de zwartkopmees: +parus atricapillus. + +Chigwooltz, tsjigg-woelts', de stierkikvorsch. + +Clote Scarpe, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de noordelijke +Indianen, zooals Hiawatha. + +Commoossie, kom-moe-sie', een kleine schuilplaats of hut, van bast +en takken gemaakt. + +Deedeeaskh, die-die'-ask, de blauwe gaai. + +Eleemos, el-ie'mos, de vos. + +Hawahak, ha-wa-hek', de havik. + +Hukweem, huk-wiem', de groote noordelijke duiker of ijsduiker. + +Ismaques, is-ma-kwez', de vischarend. + +Kagax, ke'-guaks, de wezel. + +Kakagos, ka-ka-guoz, de raaf. + +K'dunk, k'dunk', de pad. + +Keeokuskh, kie-o-kusk', de muskusrat. + +Keeonekh, kie'-o-nek, de otter. + +Killoleet, kil'-loe-liet, de witkeel-musch. + +Kookooskoos, koe-koes-koes', de groote oehoe. + +Koskomenos, kos'-kom-ie-nos', de ijsvogel. + +Kupkawis, kup-kee'-wiz: syrnium nebulosum, een gestreepte uil. + +Kwaseekho, kwa-ziek'o, de zaagbek. + +Lhoks, loks, de panter. + +Malsun, mel'-sun, de wolf. + +Meeko, mie'-ko, de roode eekhoorn. + +Megaleep, meg'-a-liep, de caribou of 't N.-Amerikaansche rendier. + +Milicete, mil'-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook +Malicete geschreven. + +Mitches, mit'-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort "grouse": +bonasia umbellis of Amerikaansche "patrijs". + +Moktaques, mok-ta'-kwes, de haas. + +Mooween, moe-wien', de zwarte beer. + +Musquash, mus'kwosj, de muskusrat. + +Nemox, nem'-moks, Pekquam, pek-wem, de vischmarter uit N.-Amer. + +Quoskh, kwosk, de blauwe reiger. + +Seksagadagee, sek'-sa-guee-da'-guie, het Canadeesche hazelhoen, +ook een soort "grouse". + +Skooktum, skoek'-tum, de forel. + +Tookhees, tok'-ies, de boschmuis. + +Umquenawis, um-kwie-na'-wiz, de eland. + +Unk-Wunk, unk'-wunk, het stekelvarken. + +Upweekis, up-wiek'-is, de Canadeesche lynx. + +Whitooweek, wit'-oe-wiek, de houtsnip. + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Een Indiaansche metgezel van den schrijver. + +[2] I Samuel 9 : 2: Van zijn schouderen en opwaarts was hij (Saul) +hooger dan al het volk. + +[3] Blackfish of Tautoga Americana. + +[4] Dirca palustris. + +[5] Een Amerikaansche benaming voor allerlei ongevaarlijke slangen. + + + + + + +Van William J. Long verschijnen in de vertaling van Cilia Stoffel +met teekeningen van Charles Copeland: + + + 1 Dierenleven in de Wildernis (3de druk) + 2 Kijkjes in het Dierenleven (2de druk) + 3 Het Boschvolkje + 4 Op Eenzame Zwerftochten + 5 Boschgeheimen + 6 Een Broertje van den Beer + 7 Op Herten Uit + 8 Zonder Geweer op Jacht + 9 De Witte Wolf + 10 Langs Dierenpaden in het Hooge Noorden + + + + + +End of Project Gutenberg's Dierenleven in de wildernis, by William J. Long + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS *** + +***** This file should be named 18072-8.txt or 18072-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/0/7/18072/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +*** END: FULL LICENSE *** + |
